summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/65832-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-22 21:08:31 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-22 21:08:31 -0800
commit56d47cdbd3feed2759051a0c52d8773477ad7a02 (patch)
treef118eb1455c47fc077fb78a80f8443de7f1cfd52 /old/65832-0.txt
parent61022804d76b3193ce0206673e27719ce2d8aaea (diff)
NormalizeHEADmain
Diffstat (limited to 'old/65832-0.txt')
-rw-r--r--old/65832-0.txt28248
1 files changed, 0 insertions, 28248 deletions
diff --git a/old/65832-0.txt b/old/65832-0.txt
deleted file mode 100644
index 737b947..0000000
--- a/old/65832-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,28248 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Baboe Dalima, by Michaël Théophile Hubert
-Perelaer
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Baboe Dalima
-
-Author: Michaël Théophile Hubert Perelaer
-
-Release Date: July 13, 2021 [eBook #65832]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book
- was produced from scanned images of public domain material
- from the Google Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BABOE DALIMA ***
-
-
-
- VERZAMELDE
- Romantische Werken
-
- VAN
-
- M. T. H. PERELAER
- Gep. Hoofdofficier van het Nederl.-Ind. Leger
-
- EERSTE NAAR TIJDSORDE GERANGSCHIKTE UITGAVE,
- BEZORGD DOOR DEN SCHRIJVER
-
-
- VIII–IX
-
- BABOE DALIMA
-
-
- AMSTERDAM
- UITGEVERS-MAATSCHAPPY »ELSEVIER”
-
-
-
-
-
-
-
-VOORWOORD VOOR DEN EERSTEN DRUK.
-
-
-In den avond van den 4den Februari 1885, had de schrijver dezer
-bladzijden in eene buitengewone vergadering van de Indologische
-Vereeniging te Delft eene lezing gehouden over »de opium in Ned.
-Indië.” [1] Bij terugkeer naar ’s-Gravenhage evenwel betuigde een der
-hoorders zijn leedwezen, dat het onderwerp in zoo’n droog kleed
-gestoken was, en beweerde, dat die behandeling, zooals zij voorgedragen
-was, ongenietbaar voor het groote publiek genoemd moest worden, wat z.
-i. jammer was.
-
-Dat ik bij het vernemen van die woorden, die niets van eene loftuiting,
-wel het tegendeel daarvan hadden, vreemd opkeek, zal wel niet betuigd
-behoeven te worden.
-
-»Gij moet mij niet verkeerd verstaan,” beantwoordde de criticus dien
-blik. »Mijne meening is niet, iets op de verdiensten van die
-verhandeling af te dingen. Voor een gezelschap hoogleeraren, maar
-vooral voor de jongelingschap, die daar zat te luisteren, was zij m. i.
-onverbeterlijk en was de toon, die aangeslagen was, de juiste, om die
-jeugdige harten te doen ontvonken; maar de aanhaling van de wettelijke
-bepalingen, waarop het geheele monopolie gegrondvest is, en van de
-fragmenten uit Kamerspeeches, uit rapporten, uit adviezen, enz., enz.,
-die medegedeeld moesten worden, verleenden aan den arbeid iets
-boekerigs, iets je ne sais quoi, waartegen een Nederlandsch publiek
-niet kan. Ware zij anders uitgevallen, dan zou ik u voorgesteld hebben,
-die verhandeling bij uwen uitgever te brengen en haar door den druk te
-laten verspreiden. Zooals zij thans is, zou zij evenwel geen koopers
-vinden en de weinigen, die haar zouden koopen, zouden haar niet ten
-einde brengen. En... toch ware het wenschelijk, dat die woorden, die
-daar weerklonken hebben, de ooren van velen, van duizenden bereikten...
-Ware het niet mogelijk...?”
-
-Ja, ware het niet mogelijk...? Dat was de laatste galm, dien ik nog
-opving. De criticus mocht verder praten, zooveel hij wilde. Ik zat in
-een hoek van het coupé, en... Ja, ware het niet mogelijk?... Dat was de
-gedachte, die mij uitsluitend bezighield, terwijl de trein in het
-sombere duister van een zwarten februari-nacht voortijlde; ... en nog
-stond het stoomgevaarte in het station te ’s-Hage niet stil, toen reeds
-het gronddenkbeeld zich in mijn brein geworteld had van het boek,
-hetwelk het lezend publiek hierbij aangeboden wordt.
-
-Ben ik geslaagd in mijne poging?... Die poging was, om hetgeen op het
-gebied van het opium-monopolie in Nederlandsch-Indië voorvalt, onder
-het bereik van ieders bevatting te brengen, en het in zoo’n kleed te
-steken, dat tot voortlezen zoude aanmoedigen. O, ik heb mij niet
-ontveinsd: de moeielijkheden, die gelegen waren in het hullen van droge
-reglementen en bepalingen in een romantisch gewaad, de moeielijkheden
-om de maatregelen tot uitvoering dier gedrochtelijke
-bestuursordonnantiën in een verhaaltrant voor te dragen, die tot lezen
-zouden nopen. Toch meen ik van het mij gestelde doel niet te ver
-verwijderd gebleven te zijn. Ga ik af op het oordeel van ettelijke
-mijner vrienden, wien ik mijn manuscript liet inzien, dan meen ik mijn
-onderwerp zoodanig behandeld te hebben, dat de lezer zich genoopt zal
-voelen mijn boek, in weerwil van de vele feilen, die het op vindings-
-en litterarisch gebied aankleven, ten einde toe te lezen. En mocht die
-uitslag verkregen, mocht die hoop vervuld zijn, dan vertrouw ik, dat ik
-den lezer aan het einde tot den uitroep verlokt zal hebben van:
-Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan den opiumpacht!
-
-In mijn boek komen afschuwelijke tafereelen voor, tafereelen, die mij
-genoopt hebben, op den omslag het dicton: la mère en interdira la
-lecture à sa fille te plaatsen, om het verwijt te ontgaan, dat het door
-onbedacht te laten slingeren in handen van onervaren jeugd mocht
-geraken, voor wien, ik erken dat, het geen lectuur is. Ik heb geen
-vermaak geschept bij het ontwerpen van die tafereelen, die trouwens
-meestal slechts herinneringen zijn. Integendeel, menigmaal heb ik de
-pen moeten neerleggen, omdat walging mij belette voort te gaan. Eens
-zelfs brak ik den arbeid af, met het bepaalde plan niet voort te gaan.
-Maar toen werd mij aan het verstand gebracht, dat bij de behandeling
-van een onderwerp als de opium, de immoraliteit niet bij den schrijver,
-maar in de maatschappij schuilt. Toen werd er mij op gewezen, dat
-evenmin als de geneesheer zal nalaten het een of andere ziektegeval te
-onderzoeken, al mocht hij het ook vies of walgelijk vinden, zoo min mag
-hij, die zich geroepen gevoelt, bestaande wandrochtelijkheden in onze
-Staatsinstellingen aan te toonen, zich door het kwade en vieze van zijn
-onderwerp laten weerhouden om het te bestudeeren en aan te toonen.
-
-En ziet, dat is het standpunt, hetwelk ik wensch in te nemen. Ik hoop,
-dat de criticus dat eerbiedigen zal.
-
-Overigens, meen ik, het navolgende te moeten aanteekenen: Het geheele
-verhaal is fictief. Er heeft geen familie Van Gulpendam bestaan, geen
-van Nerekool, geen.... enz. Of evenwel geen residenten zouden bestaan
-hebben als Van Gulpendam, geene ambtenaarsvrouwen als de residents-ega,
-ziet, dat mag ik niet bevestigen; en ik twijfel er niet aan, of zij,
-die Ned. Indië kennen, zullen zich wel personen herinneren, welke die
-grondtype nabij komen. Dat er karakters als Van Nerekool, als Grenits,
-als Van Beneden, Grashuis bestaan, daaraan valt Goddank niet te
-twijfelen. En wie van hen, die in de binnenlanden van Java vertoefden,
-zal niet in Baboe Dalima de type erkennen van de toewijdingsvolle
-geaardheid der Javaansche bedienden, wanneer zij goed behandeld worden?
-
-
-
-En nu,.... mijn boek, treedt de wereld in, verricht het werk, dat ik u
-opdroeg; dring, zooals ik hoop, in alle klassen door en dat slechts een
-kreet door u ontlokt worde:
-
-Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan de opiumpacht, die
-schandelijke bron van inkomsten van ons Nederlanders!
-
-
- Den Haag, Mei 1886.
-
- DE SCHRIJVER.
-
-
-
-
-
-
-
-VOORWOORD VOOR DEN TWEEDEN DRUK.
-
-
-Ik herhaal heden de vraag, die ik drie jaren geleden, bij het
-verschijnen van mijn boek deed: »Ben ik geslaagd?”.... En volmondig
-roep ik uit: ja! ja!! ja!!!
-
-Wel is mijn boek weergaloos heftig aangevallen. Met al meer en meer
-stijgende verbittering noemde de een het een slecht, een ander een vies
-boek, werd de litterarische waarde er van betwist, ja, soms met
-knodsslagen verguisd;
-
-..... waar niemand der zoo woeste recensenten verstoutte zich te
-zeggen, dat, wat in dat boek stond, onwaar was;
-
-..... maar het boek trok in den vreemde de aandacht; want in het
-Engelsch werd het door een Reverend vertaald en had daar alle succes;
-in het Duitsch is men druk bezig met vertalen, in het Fransch is men
-begonnen;
-
-..... maar het boek beleeft in weerwil van alle kuiperijen en alle
-verguizing in Nederland den tweeden druk;
-
-..... maar het boek vond verdedigers in mannen als Gronemann en
-Sandick, die hunne meening durfden te onderteekenen, wat voor mij wel
-opweegt tegen zooveel naamloos geschrijf;
-
-..... maar eindelijk, het boek heeft school gemaakt. Na de verschijning
-hebben mannen als Bool, Kielstra, Brooshooft, Meulenbelt, Struyck,
-Zeegers, en nu nog zeer kort geleden Jhr. Elout van Soeterwoude
-artikelen geschreven, voordrachten gehouden, die, hoewel in anderen
-vorm gegoten, niets anders over de opiumkwestie behelzen, dan in mijn
-boek te vinden is. Dezer dagen wordt zelfs gewerkt en hard gewerkt ook
-voor de oprichting van een anti-opium-bond. Hoerah!
-
-Had ik ongelijk te beweren, dat ik geslaagd ben?
-
-Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te meenen, dat mijn boek aan die
-beweging, aan die teekenen des tijds niet vreemd gebleven is. En mocht
-ik mij dienaangaande vergissen, dan heb ik toch de overtuiging, dat
-door den romanvorm, dien ik koos, om mij tot de menigte te wenden,
-gruwelen van de opiumpacht in breederen kring, in die gedeelten der
-maatschappij bekend geraakt en doorgedrongen zijn, waar veelal geleerde
-verhandelingen weinig toegang hebben.
-
-Nu de uitgevers er toe besloten, het boek binnen het bereik van ieders
-beurs te stellen, zal de kring van hen, die bekend zullen raken met
-hetgeen er ten opzichte van het verbruik en misbruik van de opium
-omgaat, zich al meer en meer uitbreiden; en dat zal aan de menschheid
-ten goede komen. Want er is niets, wat meer misdaden, misdrijven,
-euveldaden, fiskalischen willekeur verhindert, dan licht, voortdurend
-helder licht.
-
-En nu, ik herhaal, wat ik bij de eerste uitgaaf zeide: Ga, mijn boek en
-verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en
-ontlok den kreet:
-
-Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan de opiumpacht, die
-schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat!
-
-
- Den Haag, November 1889.
-
- DE SCHRIJVER.
-
-
-
-
-
-
-
-VOORWOORD
-
-VOOR DEN DERDEN DRUK.
-
-
-In mijn Voorwoord voor den tweeden druk van mijn Opium-Roman „Baboe
-Dalima” schreef ik o. a.: „Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te
-meenen, dat mijn boek aan die beweging, aan die teekenen des tijds
-(betreffende de Opiumpacht in Nederlandsch Oost-Indië) niet vreemd
-gebleven is.” Dat schreef ik in November 1889. Wij tellen nu bijna
-1899. Wat is er in dat klein decennium geschied?
-
-Vooreerst toch kwam de Anti-Opium-Bond tot stand, bestuurd door mannen
-van het edelste gehalte, edele figuren, die tot de waardigsten op ieder
-gebied der Nederlandsche natie gerekend moeten worden. Die Bond gaf een
-tijdschrift uit, getiteld: de Opiumvloek, waarin op merkwaardige wijze
-de bestaande kwaal in het hart aangetoond werd.
-
-Daarbij sloten zich artikelen in dagbladen en tijdschriften over het
-Opium-pachtstelsel in verschillende richtingen aan, en beijverden zich
-mannen als de H.H. Groeneveldt, Bosscher, Van Dedem, Van den Berg, Van
-Kesteren, Elout van Soeterwoude, de Waal, Brooshooft, Be-Ik-Sam, Jansz,
-Zegers, Groneman, Hora Siccama, Sandick, Kielstra, Sprenger van Eyck,
-Bool, enz., enz., enz., ieder van zijn standpunt uit, de
-Opium-aangelegenheden toe te lichten. En hoewel daardoor nog al met
-elkander afwijkende zienswijzen en adviezen ontstonden, en enkelen zich
-voor het behoud van het Opium-pachtstelsel verklaarden, kwam de
-Regeering, na lang en grondig beraad, er toch toe een ander stelsel,
-namelijk het Régie-stelsel te willen beproeven.
-
-Régie, waarde lezers, is een stelsel, waarbij de Regeering het
-debiteeren van Opium in ’t klein aan zich houdt, en door hare beambten
-doet uitvoeren. Daardoor vervalt de pacht en wordt de kooper geheel en
-al onafhankelijk van de vreeselijke bent dienaren van de Chineesche
-Opiumpachters.
-
-Die proef met de Régie werd op 1 September 1894 op het eiland Madoera
-begonnen.
-
-Maar, nu geraakte Leiden in nood. Wat werd er al niet bijgebracht om de
-Régie te doen mislukken! De een trachtte te betoogen, dat bij de
-algemeene invoering der Régie de Opium-sluikhandel onmogelijk zal zijn
-te keer te gaan. Een ander beweerde, dat er geene betrouwbare personen
-te vinden zouden zijn, om als verkoopers van de bereide Opium (tjandoe)
-in ’t klein op te treden. Een derde meende, dat de
-Nederlandsch-Indische Regeering niet opgewassen zou zijn tegen de macht
-der Chineesche pachters. Van eene andere zijde werd gepoogd de
-Afgevaardigden ter Staten-Generaal tegen de Régie in te nemen, door de
-Duitenplaag aan de kwestie vast te knoopen.
-
-Evenwel, in weerwil van al die hinderpalen, die men hard, zeer hard
-deed klinken, had Z. Exc. de Minister van Koloniën de voldoening in
-zijne Memorie van Toelichting op de Indische Begrooting voor 1896 te
-kunnen verklaren, dat de proef met de Opium-Régie op Madoera is
-geslaagd.
-
-Sedert is die Régie in ettelijke Residentiën op Java ingevoerd, en ik
-mag zeggen met evenveel succes. Toch valt niet te ontkennen, dat die
-invoering langzaam, uiterst langzaam voortschrijdt. O, ik beaam het ten
-volle: er doen zich vele moeielijkheden, vele teleurstellingen voor.
-Maar, die zijn niet van dien aard om aan den einduitslag te wanhopen,
-òf om maar tot verdaging aanleiding te geven. Daarenboven, dat is het
-lot dat alle groote hervormingen wacht. Die zijn nimmer tot stand
-gekomen zonder strijd, zonder bezwaren te ondervinden, inzonderheid
-wanneer daarmede groote geldelijke belangen gemoeid zijn. Vooral deze
-laatste omstandigheid is niet over het hoofd te zien. O, als ik eens
-alles kon openbaren, wat mij toevertrouwd werd omtrent hetgeen er al
-zoo omgaat in de handelswereld, om toch maar de groote winsten niet te
-derven, welke de Opium oplevert. Men denke maar eens aan de Chateau
-Lafitte-poging. Dat is eene die faalde; maar, lezer, vraagt u af,
-hoevelen slagen. En, hoewel de tegenwoordige Regeering begrijpt, dat
-het schande zoude zijn, te verflauwen bij den aangebonden strijd,
-schande, driedubbele schande, nu die strijd gevoerd wordt tegen een
-algemeen erkend onrecht en het grootsche doel heeft de geheele
-bevolking van Insulinde te verlossen van een dwangjuk, dat haar
-loodzwaar op de schouders is gelegd, zoo zal zij zich gedwongen zien
-zich voor te bereiden op een strijd, die des te vinniger zal zijn,
-naarmate de hoeveelheid Mammonschijven daarmede gemoeid zijn.
-
-Ik heb gemeend, daarop te moeten wijzen, nu mijn boek geroepen wordt,
-om andermaal voor het voetlicht te treden, nu het geroepen wordt om,
-tengevolge van zijn matigen prijs, eene andere klasse der bestaande
-maatschappij binnen te dringen, in die klasse, die weldra geroepen zal
-worden, ook in die aangelegenheid haren weldadigen invloed uit te
-oefenen.
-
-
-
-Hoe de Nederlanders lezen kunnen? Ik wensch ter beantwoording van die
-vraag het ondervolgende ter neder te stellen. In het Kroningsnummer van
-Sociale Stemmen, Orgaan van den Oranje-Bond van Orde liet ik onder den
-titel van: Eene stem uit de oude Garde een opstel opnemen, waarin onder
-anderen voorkwam: „En zal het onze aanvallige Koningin gelukken het
-Opium-monopolie aan gewetenlooze Chineezen te ontrukken en in handen
-eener heilaanbrengende Régie doen overgaan, zal het Haar gelukken de
-gedwongen cultures en onbetaalde heerendiensten tot het verleden te
-doen afdalen, dan zal van daar, uit die honderde eilanden, die, volgens
-den dichter, bij den Evenaar den Oceaan een smaragden-krans om het
-voorhoofd slaan, een gejuich uit dertig millioen keelen opgaan, die nu:
-heil onzer Koningin! roepen; maar dan als een ernstig gebed zullen
-prevelen: Allah’s zegen over het hoofd der Vorstin, die ons zooveel
-weldeed!” Wat heb ik niet over dien volzin moeten hooren! Alsof ik
-daardoor zoo inconsequent mogelijk ware geweest! Alsof ik daardoor het
-vooropgestelde beginsel, in Baboe Dalima verkondigd, hadde gebroken!
-
-„Wat!” werd mij toegeroepen: „Gij, die oorlog à outrance aan het
-Opium-monopolie verklaard hadt, die dat hard, zeer hard uitgebazuind
-hebt, gaat nu de Opium-Régie als heilaanbrengend bewierooken! Alsof die
-geen monopolie zou mogen genoemd worden!”
-
-„Met uw verlof, heeren,” luidde mijn antwoord. „Ik heb oorlog à
-outrance aan de Opium-pacht verklaard, wat geheel iets anders beteekent
-dan gij mij in den mond legt. Vergeef mij, dat ik U die kleinigheid
-opmerk.”
-
-„Maar, gij noemt de Opium-Régie heilaanbrengend en verdedigt dus het
-Opium-gebruik....”
-
-„Dat doe ik niet!” trachtte ik in het midden te brengen, evenwel te
-vergeefs; ik werd overschreeuwd met:
-
-„Dat is geheel en al inconsequent met de strekking van uw’
-Opium-roman.”
-
-„Inconsequent met de strekking van mijn Opium-roman?!” kreet ik.
-„Zeker, zoolang het Opium-gebruik niet geheel en al zal kunnen gefnuikt
-worden, zal ik de Régie, zooals zij ingevoerd zal worden,
-heilaanbrengend noemen; want zij zal in de eerste plaats den Inlander
-volkomen onafhankelijk maken van de vreeselijke bent, die nog over het
-grootste gedeelte van Java in staat is, hem naar de Opium-kit te
-drijven. Die onafhankelijkheid dient vooraf gewaarborgd te worden en
-dat zal zij zijn bij een loyale tenuitvoerlegging van het
-Régie-stelsel. Niemand zal daarbij gedwongen worden Opium te koopen,
-nog minder het te gebruiken; en dan zal ontwaard worden, dat de toename
-van het aantal Opiumschuivers tot staan zal gebracht zijn. Dan is reeds
-een groot doel bereikt en veel gewonnen. Het is dat doel, wat mij voor
-oogen zweeft, wanneer ik de Régie als heilaanbrengend roem. Die dus
-daarin eene verdediging van mijnentwege van het Opium-gebruik en
-derhalve eene zwenking in mijne grondbeginselen ziet, dien antwoord ik
-pertinent, dat hij zich deerlijk vergist. Het Opium-gebruik zal in mij
-nimmer een verdediger vinden.”
-
-Of ik mijn auditorium overtuigd had?
-
-Ik geef gewonnen, dat een geheel ophouden van het Opiumgebruik wel het
-beste voor de Inlandsche bevolking zou zijn. Maar, zou dat zoo
-voetstoots te verwachten zijn, nadat er van der blanken zijde sedert
-bijna vier eeuwen zooveel gedaan is—ik zal niet zeggen om het vergift
-in te voeren—maar om het met alle ten dienste staande middelen te
-bevorderen, ja de bevolking tot het gebruik te dwingen en om, zooals de
-heer Cremer zich uitliet, door de invoering van de Opiumpacht niet in
-eene behoefte te voorzien maar wel om die te scheppen? Neen, zoo iets
-is niet te verwachten. Daartoe is het kwaad, na zooveel zorgvuldige
-verpleging, te diep ingeworteld. Te velen, ja te velen zijn aan het
-gevaarlijke goedje verslaafd geworden om niet beducht te zijn voor de
-gevolgen van eene op bevel geheele onthouding. Die geheele onthouding,
-thans ingevoerd, zou oneindig grootere rampen in het leven roepen, dan
-het „Sluit Schiedam” in onze Nederlandsche gewesten zou te weeg
-brengen. Maar, courir au plus pressé; eerst den steeds wassenden
-vooruitgang van het Opiumverbruik gestuit. Is dat bereikt, dan is het
-tijdstip gekomen om met vaste hand in te grijpen, ten einde het gebruik
-langzamerhand te breidelen. Dan zal het tijdstip daar zijn om op de
-vanen der ware menschenvrienden de leus te schrijven van: Oorlog à
-outrance aan het opium-verbruik!
-
-Ziedaar, mijn grondbeginsel uiteengezet. Ik hoop nu verschoond te
-blijven van woordenzifterijen met het doel om mijn karakter aan te
-tasten.
-
-
-
-Maar, er ligt mij nog iets op het hart met betrekking tot mijn
-Opium-roman Baboe Dalima. Ik wensch hier er op te wijzen, hoe dat boek
-op allerlei gebied aangevallen, ja gehavend is geworden door H.H.
-Critici. Geconstateerd kan echter worden, dat geen hunner, hoe fel
-hunne aanvallen ook waren, zich verstout heeft te schrijven, dat de
-feiten, in dat boek vermeld, aan de waarheid te kort deden. De heer J.
-L. Zegers, zendeling-leeraar van den Nederlandsch-Indischen
-Zendingsbond, destijds gestationneerd te Indramajo, merkte die
-bijzonderheid op in zijne heerlijke studie: Het Opium-vraagstuk
-(Nijmegen, P. J. Milborn, 1890) met de woorden: Wat mij echter in die
-kritiek herhaaldelijk getroffen heeft, is dat men om de bijzonderheden
-de hoofdzaak uit het oog verloor, en wat men ook tegen de détails had
-in te brengen, den grondslag van het geheele betoog onaangeroerd moest
-laten. Ja, ik heb dien geheelen volzin met kapitale letters laten
-zetten en met reden. Ik was in mijn hart den onpartijdigen
-Evangeliedienaar wel dankbaar voor die betuiging. Zij woog bij mij wel
-op tegen iedere verguizing, mij aangedaan, omdat ik in den Mammon de
-onreine bron aangetast had, waaruit nog altijd met vuilviezen vinger
-dubbeltje voor, dubbeltje na tot stijving der staatsinkomsten, te
-voorschijn gehaald wordt. Ik vond er de bevestiging in—in de betuiging
-van den heer Zegers wel te verstaan,—dat ik bij het ontwikkelen van de
-hoofdstrekking van mijn roman, de waarheid, niets dan de waarheid
-verkondigd had, en meende dat mijne waarheidsliefde onaangetast was
-gebleven.
-
-Ik schijn mij evenwel vergist te hebben. Waaruit ik dat afleid, nu
-niemand iets krenkends omtrent die waarheidsliefde geschreven heeft?
-Luistert. In April van dit jaar hield een gevierd schrijver eene lezing
-in eene bijeenkomst hier te Nijmegen. Hij droeg daarbij een paar
-allergezelligste novellen voor. In de pauze liet hij zich aan mij
-voorstellen en betuigde mij bij die gelegenheid, dat hij Baboe Dalima
-gelezen had; maar dat hij gedurende zijn verblijf op Java geen baboe
-Dalima bespeurd had.
-
-Ik hernam lachende:
-
-„Dat spijt mij voor u, ik kan u toch verzekeren, dat Java wel degelijk
-op tal van fraaie meisjeskopjes bogen kan, zooals ik dat lieve
-kindermeisje geteekend heb.”
-
-„Ja, maar,” antwoordde mijn spreker, „ik bedoel geen kindermeisje, maar
-uw Opium-roman, en zeg u, dat ik op Java niets van Opium gemerkt heb.”
-
-Ik keek mijn spreker met verbazing aan. Maar, alvorens ik hem
-antwoorden kon, werd op hem, als gevierd persoon beslag gelegd, en
-verzochten ettelijke personen aan hem gepresenteerd te worden. Ons
-gesprek was dus afgebroken, en mij zou de gelegenheid ontbreken om het
-weer op te vatten. Dat heeft mij wel gespeten.
-
-Wat ik hem zou geantwoord hebben? O, eenvoudig dit:
-
-„Gij hebt, mijn waarde heer, bij uwe heen- en terugreis naar en van
-Java, telkenmale de Middellandsche zee in hare volle uitgestrektheid
-doorstoomd. Voorzeker hebt Gij, met uw open oog voor alles wat schoon
-is, Amphitrite in haren zoo reinen blauwen mantel opgetogen en vol
-bewondering gade geslagen. Voorzeker hebt Gij gelegenheid gehad, gade
-te slaan, wanneer een zoel windje dien mantel in zachte golfjes, in
-wegdoezelende kabbellingjes deed opzwellen en de zon of de maan in de
-facetten glinsterde en u het geheel als een onmetelijk edelgesteente
-voor de oogen flonkerde. Dat was fraai, buitengewoon fraai, nietwaar?
-Maar.... hebt gij dan wel eene gedachte gewijd, wat er onder dien
-fraaien schitterenden mantel geschiedde, welke ontzettende strijd daar
-gestreden, welke afzichtelijke daden van geweld van den machtigen tegen
-den zwakkeren gevoerd werd? Hebt Gij Java doorreisd, zonder iets van de
-Opiumramp gewaar te worden, dan hebt Gij dat zoo fraaie eiland
-doorkruist, zooals Gij de Middellandsche zee doorstoomd hebt, zonder
-den fraaien mantel op te tillen, die u het innerlijke leven van de
-inboorlingen bedekte.”
-
-Ziet, dat zou ik geantwoord hebben.
-
-Zal nu die man zijne meening omtrent de Opium in breeder kring
-openbaren, dan blijft mij niets over te doen dan overluid te
-verkondigen, dat wat omtrent den Opium-hartstocht en de schandalen van
-de Opiumpacht, door mij in den Opium-roman Baboe Dalima door mij
-onthuld is, der waarheid nauwkeurig getrouw gebleven is.
-
-
-
-En, na dit gezegd te hebben, herhaal ik, wat ik in mijn Voorwoord van
-den eersten en tweeden druk ter neder stelde: „Ga mijn boek, ga en
-verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en
-ontlok den kreet:
-
-Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan de Opium-pacht, die
-schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat!
-
-
-
-Tot herinnering voeg ik hierbij dat 7⁄10 van het eiland Java en al de
-Buitenbezittingen nog aan den demoraliseerenden invloed van de
-Chineesche Opium-pachters overgeleverd zijn.
-
-
- De Schrijver.
-
- Nijmegen, October 1898.
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- Bladz.
- Voorwoord Eerste druk V
- Voorwoord Tweede druk VII
- Voorwoord Derde druk VIII
- I. By Moeara Tjatjing 4
- II. In de djaga monjet 15
- III. De Kamadoog-straf.—De familie Van Gulpendam 29
- IV. De draden verwikkelen 45
- V. In de voor- en binnengalerij 60
- VI. Een echtpaar 72
- VII. Een verraderlijk dèsa-genoot 88
- VIII. Een dèsa in verval.—Pak Ardjan’s arrestatie 104
- IX. Kuiperijen.—Een vrienden-drietal 118
- X. Une invitation à la chasse et une invitation
- à la valse 132
- XI. In den residentstuin 146
- XII. Echtgenoot en gade.—Moeder en dochter 161
- XIII. Op den weg naar het jachtterrein 176
- XIV. Een huiszoeking met hare gevolgen 191
- XV. Onder den Wariengienboom.—In de opiumkit 203
- XVI. Het opium-monopolie.—Een vertrouwelijk uurtje 221
- XVII. In den Djoerang Pringapoes 239
- XVIII. De onschuld ten val 252
- XIX. Toeloeng! Toeloeng, toean! 265
- XX. Aan de rijsttafel 280
- XXI. Op het kantoor van den resident 300
- XXII. Eene vendutie wegens vertrek in Java’s binnenlanden 312
- XXIII. Eene verhinderde landraadzitting 1
- XXIV. Ouders en dochter.—Gezag tegenover plicht 15
- XXV. Eva’s dochteren en de slang 31
- XXVI. Aardig gemanoeuvreerd! 45
- XXVII. Summum jus summa injuria.—Vader en zoon
- veroordeeld.—Singomengolo vermoord 58
- XXVIII. Correspondentie 71
- XXIX. Van Nerekool op verkenning.—Eene vrijspraak 85
- XXX. Baboe Dalima naar Karang Anjer 102
- XXXI. Vriendengekeuvel.—De opium te Atjeh 116
- XXXII. Eene wetenschappelijke opiumkit 133
- XXXIII. In de regents-pandoppo 147
- XXXIV. Eene landraadzitting.—Van Beneden’s pleidooi 162
- XXXV. Twee vriendinnen in het Karang Bollongsche 179
- XXXVI. Lim Ho’s huwelijk 193
- XXXVII. Eene walgelijke tegenkanting.—Twee opium-kongsie’s
- in gevecht 211
- XXXVIII. De ambtenaren en de opium.—De vogelnestpluk te
- Karang Bollong 226
- XXXIX. Murowsky op het spoor.—Een opiumverpachting te
- Santjoemeh 243
- XL. Het »virtus nobilitat”.—Anna en Dalima.—Een telegram 261
- XLI. De ketjoe’s te Soeka maniesan.—Eene ontzettende
- terechtstelling 275
- XLII. Naar en in de Goewah Temon.—Besluit 293
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-BIJ MOEARA TJATJING.
-
-
-Het was een sombere Februarinacht van het jaar 188*.
-
-De noordwesten wind spookte met volle kracht langs Java’s noordkust,
-joeg, tierde, gilde en huilde, alsof een troep demonen in het in
-allerijl voortstuivende zwarte zwerk hun helschen sabbath vierden. Hij
-deed de verbolgen wateren der Java-zee in huizenhooge baren
-opsteigeren, welke zich kromden en krulden, om eindelijk wild en woest
-te breken in machtige kuiven van wit schuim, die met hun raadselachtig
-bleek phosphorisch geschemer gedurende een ondeelbaar oogenblik hare
-onmiddellijke omgeving verlichtten, dadelijk daarop in een
-fantastischen vonkenregen uiteen spatten, om eene duisternis achter te
-laten nog zwarter, als het kon, dan te voren heerschte.
-
-Met ontembare kracht zweepten de vertoornde golven den moerassigen
-Java-wal. Zij braken in de nabijheid daarvan, liepen voor en na met
-haar zwak lichtend schuim langs de flauwe helling op, om
-achtereenvolgens een oogenblik later weer met toomelooze vaart
-zeewaarts te ijlen, en een nieuwe, aanrollende golf te ontmoeten. Deze,
-in haar aandrang vertraagd, gebroken, vormde met de achterwaarts
-ijlende eene dwarrelende massa van water en schuim, welke tot eene
-donderende branding opstoof en opkookte, om eindelijk te zamen in een
-lange keergolf andermaal langs het strand op te loopen en het lagere
-gedeelte te overstroomen.
-
-Dat strand vormde ter plaatse, waar de gebeurtenissen, die hier
-verhaald worden, een aanvang nemen, als op zoovele andere plekken van
-Java’s noordkust, een uitgestrekt moeras, dat, uit vet kleislib
-bestaande, onder den invloed der keerkrings-zonnestralen, met zoo een
-rijkdom van bizonderen plantengroei getooid was, dat de daardoor
-gevormde wildernis schier spookachtig mocht heeten. Allerwege was de
-zwak glooiende strandvlakte met Tandjang-soorten [2] overdekt, die
-steltloopers uit het plantenrijk, welke de lage zeeoevers tusschen de
-keerkringen, door haar omzoomd, in de verte op eene machtige
-palissadeering doen gelijken, die met dicht loof gekroond zoude zijn.
-
-Ware het dag geweest bij het begin van dit verhaal, dan zou het oog
-duizende en nog eens duizende boomkruinen hebben kunnen ontwaren, die
-in elkander smeltende, zich op ongeveer dertig voeten boven den grond
-verhieven op korte stammen, die zelf den bodem niet bereikten, maar
-gedragen werden door hoog boven den bodem reikende wortels. Deze
-splitsten en vertakten zich herhaaldelijk en veelvuldig; zoodat iedere
-boom met een veelvoetig wezen te vergelijken was, waarvan de dragers of
-beenen met die zijner naburen in en door elkander groeiden en
-vergroeiden, en een onuitwarbaar net vormden van wortelstengels en
-wortelgeledingen, hetwelk daarenboven doorweven was met de ranken van
-wel is waar schaars voorkomende slingerplanten, welke evenwel die
-stronken als met festoenen wonderlijk tooiden en hare uitloopers in de
-boomkruinen verborgen.
-
-Ware het dag geweest, dan zou den blik toegang onder die kruinen gegund
-zijn, waar tusschen die duizende wortelstaken, welke als het ware een
-uitgestrekten doolhof vormden, een gewriemel van levende wezens plaats
-had, dat den opmerker met een gevoel van walging had moeten vervullen.
-Daar lagen toch veelal enkele „boeaja’s” met glurende oogen hare prooi
-te bespieden; daar schoten eene menigte „boeloes” en „mimi’s” vooruit,
-bij het najagen van hunnen buit; daar wemelden monsterachtige
-„kapiting’s” bij duizenden, en „oedang’s” [3] in alle grootten, van den
-omvang der Noorsche lobsters tot de onbeduidendheid der nauwelijks waar
-te nemen zeespinnen, bij millioentallen binnen een betrekkelijk
-beperkten gezichtskring, in den afzichtelijken modder, die door immer
-en immer aangevoerden plantendetritus, van dat vreemdsoortige woud
-afkomstig, gevormd en gevoed werd. In dien modder, die zich tusschen de
-tallooze wortelstengels ophoopte, daardoor weerhouden en zoo onder
-gunstige omstandigheden tot voortgaande landaanwinning zeer veel
-bijdroeg, wentelden en leefden gewoonlijk die zeedieren, zoo niet
-eendrachtelijk, dan toch in eene soort van gewapende overeenkomst, die
-hen tot bondgenooten maakte, wanneer het gold eene prooi te
-bemachtigen, welker kwaad gesternte haar op die kust aanbracht.
-
-Maar.... halt! Neen; al ware het ook dag geweest, dan nog zoude van al
-die gedrochten waarschijnlijk niets te bespeuren zijn geweest,
-verscholen als zij zich hielden, nu de noordwester storm zijnen
-oppermachtigen scepter zwaaide, nu de oppervlakte der zee in beroering
-was, nu de golven met ongewoon geweld den oever zweepten, en den
-boschbodem wild en woest overstroomden, in de diepte der zee, waar geen
-stormgeweld der wateren rust kon verstoren.
-
-Dicht bij de smalle strook lands, waar niet alleen bij storm, maar ten
-alle tijde land en water om het bezitrecht twistten, verscholen te
-midden van een groep Saoe-boomen [4] welke tusschen het Tandjang-bosch
-als bij uitzondering voorkwamen, stond een hutje, dat van de landzijde,
-door het dichte gebladerte als door een ondoordringbaren muur omgeven,
-niet te bespeuren was. Aan den anderen kant evenwel gunde het een
-ruimen blik op de zee, hoewel het toch zoodanig geplaatst was, dat het
-door de loofkruinen, die het omgaven, ook voor den onbescheiden blik
-van die zijde gevrijwaard was. Dat hutje, niets anders dan een
-wachthuisje en eigenaardig „djaga monjet” (apenwacht) geheeten, was
-hoogst oorspronkelijk met „katjang-matten” omwand, met „atappen” [5]
-gedekt en op palen hoog boven den grond tusschen de boomkruinen
-gebouwd; zoodat de golven, die soms het strand schenen te willen
-verzwelgen, er onder door konden stroomen, waarbij zij met een
-onheilspellend, doch gevaarloos geraas tegen de hoofdjukken, waarop het
-gebouwtje rustte, braken en zich verdeelden. Een boomstam, van
-inkervingen voorzien, deed de dienst van trap of ladder, en verleende
-toegang tot het hutje, waarin dikke duisternis heerschte, hoewel het
-niet ledig was. Een paar stemmen, wier eigenaren zich verbeeldden
-fluisterend te spreken, hadden ten gevolge van het gehuil van den storm
-langzamerhand zulk eene toonhoogte bereikt, dat het gesprek meer op
-gillen dan op praten geleek, hetgeen evenwel zonder hinder of nadeel
-kon plaats hebben, daar het niemand in de hersens kon komen in dat weer
-en op dat uur op deze plek te verschijnen. De meest ijverige
-kustwachter zelfs zou voor zulk eene plichtsopvatting teruggedeinsd
-zijn. De stemmen, die vernomen werden, spraken de maleische taal; maar
-behoorden klaarblijkelijk aan Chineezen, af te leiden uit de
-keelgeluiden, die zij deden hooren, ook uit de omstandigheid, dat zij
-de r door de letter l vervingen, hetgeen te zamen aan hunne uitspraak
-een hoogst onaangenamen hollen maar tevens weekelijken, ja lispelenden
-tongval bijzette. En inderdaad, het waren twee Chineezen, die daar in
-het hutje in de omlijsting der deur op den vloer gedoken zaten, en, hoe
-zwart de nacht ook was, met loerenden blik het oog over de oppervlakte
-der zee lieten waren.
-
-„Neen,” sprak de een, na een lang stilzwijgen, „neen, er is niets te
-zien. Met dat weer zou het ook het noodlot tarten zijn. Gij zult zien,
-dat de Kiem Ping Hin hare ankerplaats bij Poeloe Karabab met zoo’n
-storm niet verlaten heeft.”
-
-„En toch luidden de bevelen van den „babah” [6] stellig”, antwoordde de
-andere. „Wij zijn op onzen post, om de bemanning van de Kiem Ping Hin
-bij het aan wal brengen harer lading behulpzaam te zijn.”
-
-„Ongetwijfeld, Than Khan, dat zijn wij, en onze betaling zullen wij
-niet ontgaan; maar tegen de onmogelijkheid valt niet te strijden. Hoor
-den wind huilen, de branding donderen; voel onze djaga monjet schudden!
-Zoudt gij thans op zee willen zijn?”
-
-„Ik?” riep Than Khan verschrikt uit, „voor geen schatten der wereld!
-Maar.... gij weet, de Arabier Awal Boep Said is een stout zeeman, die
-zich door geen noodweer...”
-
-„Wacht.... daar zie ik iets, Than Khan. Daar, daar in die richting.
-Kijk, daar.... daar krult een groote golf... Kijk, bij het schijnsel
-van het schuim.... Bij Kong!... eene „djoekoeng!” (uitgeholde boomstam)
-waarin twee.... weg is ze weer!”
-
-„Ja, Liem King,” antwoordde Than Khan, „ik heb het vaartuigje ook
-gezien. Er zaten twee personen in, twee Javanen, een man en eene
-vrouw.”
-
-„De man pagaaide hard, de vrouw scheen bevreesd; want zij hield de
-handen voor de oogen.”
-
-„De djoekoeng richtte zich naar den wal; maar zij zal nimmer door de
-branding geraken.”
-
-„Zij zette koers naar de Moeara Tjatjing. [7] Als zij in die richting
-kan blijven voortstevenen, dan is zij gered.”
-
-„Ja, maar in die woeste zee zal het vaartuig omkantelen.”
-
-„Dat zou eerst feest zijn voor de boeaja’s, Than Khan. De djoekoeng
-evenwel was eene „prahoe sajab” [8] en ge weet, er moet veel gebeuren,
-eer zoo eene zinkt.”
-
-„Om het even, ik ben blij, dat ik niet in die prahoe sajab zit.”
-
-„Kijk.... kijk, daar is het vaartuig weer! Waarachtig het zet koers
-naar de Moeara. Als het de „sero’s” [9] bereikt, dan is alle gevaar
-geweken.”
-
-„Ja, als het de sero’s bereikt. Maar... maar....”
-
-„Een tweede prahoe!” riep Liem King. „Een barkas! Daar zijn blanken
-in!”
-
-Daar knalden eensklaps twee, drie, vier geweerschoten van uit het
-laatstbedoelde vaartuig in de richting van de djoekoeng. Maar met
-welken uitslag? Dat was onmogelijk na te gaan. De beide vaartuigen
-waren een oogenblik elk in het lichtende schuim van eene groote baar
-voor het oog onzer beide verspieders verschenen, waarna de zwarte nacht
-met volle heerschappij weer ingetreden was, zoodat er niets meer te
-bespeuren viel, hoe scherp zij ook uitkeken.
-
-Zoo ging een kwartieruur voorbij, toen Than Khan plotseling uitriep:
-
-„Eene stoomboot!”
-
-En werkelijk, daar heel ver uit den wal schitterde het groene en het
-roode licht eener stoomboot, en hoog boven die twee, haar wit toplicht
-in den mast.
-
-„Eene kustwachter,” sprak Liem King. „Waarschijnlijk de Matamata [10].
-Als de Kiem Ping Hin werkelijk zee gekozen heeft, dan zal zij hare
-lichten wel gedoofd, en zich uit de voeten gemaakt hebben. Kom, wij
-kunnen wel naar de dèsa terugkeeren. Heden nacht zal wel geen
-smokkelwaar aan wal gebracht kunnen worden.”
-
-Een poos keken de Chineezen naar het stoomschip uit. Dat de drie
-lichten zichtbaar waren, was het bewijs dat de boot vlak op de kust
-aanhield, alsof zij op den wal wilde zetten. Dat duurde evenwel een
-korte poos, toen verdween het groene licht plotseling, wat een teeken
-was, dat het vaartuig over stuurboord wendde. Een poos bleef het roode
-licht nog zichtbaar; maar ook dat verdween, zoodat het witte toplicht
-alleen zichtbaar bleef. Daar dit laatste niet van plaats scheen te
-veranderen, kwamen de beide gestaarte bewoners van het Hemelsche rijk
-tot de gevolgtrekking, dat de boot òf ten anker gegaan was, òf
-bijgedraaid lag, en langzaam vooruitstoomde om met den kop in den wind,
-zonder te deinzen, den storm het hoofd te kunnen bieden.
-
-„Neen, ge hebt gelijk; door de tegenwoordigheid van dien vervloekten
-Matamata zal geene sluikwaar aan den wal te brengen zijn. Kom, laat ons
-gaan.”
-
-„Wij zullen eerst eens bij de Tjatjing gaan kijken. Wellicht dat we
-daar iets van de djoekoeng vernemen.”
-
-Zij klommen langs den boomstam, die tot trap diende, naar beneden en
-stapten, terwijl de wind in de boomtakken en tusschen de steltwortels
-van het Rhisophoren-woud huilde, langs een pad, dat zij op den tast in
-de dikke duisternis vinden moesten. Dat pad werd bij wijlen door een
-golf zeewater overstelpt, zoodat onze twee Chineezen, door het zilte
-vocht moesten plassen. Maar dat schrikte hen niet af; zij kenden het
-pad zoo goed, dat al ware het weer nog ruwer, al ware de nacht nog
-zwarter geweest, zij even zeker voortgestapt zouden hebben. Daarenboven
-het pad, dat zij door dat strandbosch af te leggen hadden, was niet
-lang. Na weinige minuten hadden zij de kleine rivier Tjatjing bereikt,
-die daar in de nabijheid in de Java-zee uitmondde. Daar, waar de beide
-Chineezen aankwamen, maakte dat riviertje een elleboog, alsof het,
-alvorens zich in de zee te verliezen, zich bedacht, en op zijne
-schreden wilde terugkeeren. Daar ter plaatse weken de wortelboomen
-terug, en lieten eene vrij breede oeverstrook ontwaren, die met kort
-gras bedekt was. Van hier was de blik over de rivier onbeperkt; maar,
-of de Chineezen al tuurden, er was in den zwarten nacht niets te
-bespeuren.
-
-„Als de djoekoeng de Moeara heeft bereikt, dan zoude zij hier moeten
-aangekomen zijn,” bromde Than Khan, „zij kunnen niet verder
-stroomopwaarts, daar de Tjatjing tot hier alleen bevaarbaar is, en
-verderop door de moerasplanten geheel en al versperd wordt.”
-
-„Stil!” maande Liem King aan. „Ik hoor stemmen.”
-
-En werkelijk, in weerwil van het gefluit van den wind werd een zacht
-gekreun gehoord. Onze beide Chineezen spitsten de ooren, oriënteerden
-zich, stapten met zachte schreden in de richting van dat geluid voort
-en stieten weldra tegen een vaartuig, dat ter halverwege uit het water
-met zijn voorste gedeelte op het droge lag.
-
-„De djoekoeng!” fluisterde Than Khan.
-
-Zij schreden, steeds op het gekreun afgaande, langs den uitgeholden
-boomstam voort, welks bamboevlerken er naast gedeeltelijk verbrijzeld
-lagen, en ontdekten op een korten afstand een paar menschelijke wezens,
-die in het gras lagen.
-
-„Wie is daar?” riep Liem King, terwijl hij behoedzaam nader trad.
-
-„Ik,” antwoordde een zwakke stem.
-
-„Wie is ik?”
-
-„Ik, Ardjan.”
-
-„Ardjan, van de Kiem Ping Hin?”
-
-Een lichte kreet ontsnapte bij die vraag uit den mond der
-schipbreukelingen.
-
-„Diam!” (stil) fluisterde de andere.
-
-Beide Chineezen bukten zich over hem, die zich Ardjan genoemd had.
-Iemand te herkennen, was bij de heerschende duisternis evenwel
-onmogelijk. Een hunner haalde een dievenlantaarntje uit den zak, streek
-een lucifer aan en ontstak licht. Toen hij het gelaat van den
-naastbijzijnde verkend had, riep hij uit:
-
-„Inderdaad, het is Ardjan! Hoe komt gij hier?”
-
-„Ik ben overboord gevallen.”
-
-„Met die djoekoeng?” vroeg Liem King op spottenden toon.
-
-„Die heb ik, terwijl ik rondzwom, in zee aangetroffen.”
-
-„En die vrouw ook? Wie is zij?”
-
-„Dat is Moenah, mijne zuster.”
-
-„Uwe zuster?” vroeg Than Khan met een gemeenen lach in den toon zijner
-stem. „Is die ook over boord gevallen?”
-
-En te gelijker tijd liet hij het licht zijner lantaarn op het gelaat
-van de beweerde zuster vallen. Onder dien straal vertoonde zich de
-lieve gestalte van een bekoorlijke zestienjarige Javaansche maagd,
-welke schuchter haar hoofd in haren „slendang” (sjerp), die, evenals
-haar geheele kleeding, kletsnat van zeewater was, poogde te
-verschuilen.
-
-„Maar, dat is Dalima, de kleine baboe van den toean resident,” zei Than
-Khan, haar den slendang van het gelaat trekkende.
-
-Het meisje kromp bij die woorden van schrik ineen.
-
-De beide Chineezen fluisterden elkander wat in het oor, waartusschen de
-naam van Lim Ho verstaanbaar klonk. Had men het gelaat van Dalima in
-dit oogenblik gade kunnen slaan, dan voorzeker had men bij het hooren
-van dien naam de grootste ontsteltenis daarop kunnen lezen. Lim Ho was
-de zoon van den opiumpachter te Santjoemeh, die in lichten laaie van
-onkuisch minnevuur voor het lieve Javaansche meisje ontvlamd was. Hij
-had haar groote sommen geld en rijke geschenken laten aanbieden, echter
-te vergeefs. Hij had zich tot haren vader, een eenvoudig landbouwer uit
-de dèsa Kaligaweh, nabij de hoofdplaats gelegen, gewend, evenwel met
-even ongunstig gevolg. De aterling had gezworen, dat hij de lieve maagd
-zou bezitten, al zou hij ook voor dat bezit eene misdaad moeten
-bedrijven. Hij was een booswicht, die voor niets terugdeinsde.
-
-Was het wonder, dat het meisje ontstelde bij het hooren van dien
-gehaten naam? Zij kende dien persoon, en thans ook de Chineezen, in
-wier macht zij zich bevond.
-
-Andermaal fluisterden deze laatsten elkander wat toe, en gebruikten
-daarbij nog voorzichtigheidshalve de Chineesche taal, die geen der
-beide Javanen, noch Ardjan, noch Dalima, verstonden. En, nog voor dat
-de eerstbedoelde zich had kunnen te weer stellen, hadden beide
-Chineezen zich op hem geworpen en hem de handen aan de voeten gebonden
-met een dun „gemoetoe-touw,” [11] dat Liem King uit den diepen zak
-zijner kolossaal wijde broek gehaald had, en wel zoodanig, dat de
-Javaan als een hoepel krom gekneveld daar neder lag. Maar al had de
-tijd, om zich te verdedigen, niet ontbroken, dan nog ware dat Ardjan
-onmogelijk geweest. In de eerste plaats was hij geheel ontwapend. Bij
-het ondernemen toch van het zeetochtje, dat hem in de Moeara Tjatjing
-bracht, had hem zelfs de gelegenheid ontbroken, om zijn „badeh” (kleine
-dolk) mede te nemen. Dàn was hij door het krachtige pagaaien, om de
-djoekoeng door de hevige branding te brengen, zoo vermoeid, dat, toen
-de Chineezen hem aantroffen, hij daar schier ademloos nederlag, in
-ieder geval onbekwaam was eenige krachtsinspanning te kunnen
-uitoefenen. Het gekreun, dat vernomen was geworden, had hij geslaakt
-bij het zwoegen zijner borst om weer tot adem te komen.
-
-Toen hij gekneveld was, bonden de Chineezen ook Dalima de polsen en de
-enkels bij elkander, en legden haar in het gras neder, haar
-aanbevelende onbewegelijk te blijven liggen, met bedreiging haar anders
-te zullen vermoorden. Als de beide schavuiten het gelaat van het meisje
-bij het hooren van die bedreiging hadden kunnen gadeslaan, dan had de
-minachtende uitdrukking op de lieve trekken hen niet ontgaan, en
-voorzeker had die hun ernstig te denken gegeven.
-
-Toen het meisje gebonden was, grepen zij een stuk bamboe van de prahoe
-sajap, staken die onder de armen van Ardjan door, tilden dien
-draagstok, met den last daaraan hangende, op hunne schouders, en liepen
-op een sukkeldrafje het pad op, dat zij een oogenblik te voren
-afgekomen waren. De Javaan schreeuwde het uit bij die beweging. Hij
-werd gefolterd door de pijn, welke veroorzaakt werd door de zwaarte
-zijns lichaams, die zich geducht op zijne bovenarmen deed gevoelen. Die
-ledematen werden daarenboven nog deerlijk gekneusd tengevolge van de
-zwiepende beweging van den veerkrachtigen draagstok, door den
-sukkeldraf te weeg gebracht. Het was, of de beenderen van de
-bovenarmen, waaraan het geheele lijf als een zak hing, gebroken moesten
-worden. Maar de twee Chineezen stoorden zich aan dat geschreeuw niet,
-en sukkelden maar voort. Te vergeefs smeekte Ardjan hen, hem te willen
-dooden, daar de pijn onduldbaar was; te vergeefs trachtte hij, toen dat
-niet lukte, door beleedigende uitdrukkingen hen te vertoornen, om hen
-zoo tot wraakoefening te verleiden. Maar, voor de smeekbeden hadden de
-aterlingen slechts een spottenden schaterlach over; het „aso tjina”
-(chineesche hond), dat hen naar het hoofd geslingerd was, zette Than
-Khan betaald met een geduchten vuistslag, met de vrijgebleven hand
-toegebracht, die het duldeloos lijden van den rampzaligen slechts
-vermeerderde.
-
-Eindelijk waren de beide dragers met hun vracht bij de djaga monjet
-aangekomen. Daar ontdeden zij de voeten van den geknevelden van de
-touwen; maar lieten zijne armen gedeeltelijk gebonden. Toen noodzaakten
-zij hem den boomtrap te beklimmen, en lieten hem daarbij de punten
-hunner dolken voelen. Hij begreep, dat de geringste weerstand hem het
-leven kon kosten. Nu dat pijnlijk dragen geëindigd was, had hij minder
-wanhopige opvattingen omtrent het bestaan. Hij voldeed dan ook gedwee
-aan den last, en was in een oogwenk boven. Daar werd hij weer gebonden,
-en, om iedere poging tot ontvluchting ijdel te maken, werd hem de
-bamboe, die tot draagstok gediend had, door de opening der
-elleboogsgewrichten, gevormd bij het buigen der armen, achter den rug
-gestoken, zoodat hem, daar de handen stijf voor de borst gebonden
-waren, de geringste beweging de meest ondragelijke pijnen aan zijne
-deerlijk gekneusde armen moest veroorzaken. Toen ook zijne voeten
-gekneveld waren, werd hij lang uit op den grond uitgestrekt, en uit
-overmaat van voorzorg aan een der hoofdstijlen van het gebouwtje
-vastgebonden.
-
-Toen ijlden de beide Chineezen heen, om ook Dalima te halen. Wat zij
-met haar voor hadden, was henzelven nog niet duidelijk. Liem King
-stelde voor, om het bezit van het meisje tot prijs van eene
-dobbelpartij te maken. Than Khan, meer geldzuchtig, rekende zijn makker
-voor, wat er van den rijken pachterszoon te wachten was, wanneer hem
-het duifje in handen gespeeld werd. Het verschil van gevoelen was nog
-niet tot verevening gebracht, toen zij de Tjatjing bereikten, waar zij
-het meisje behoorlijk gebonden achtergelaten hadden. Zij zagen alras
-in, dat verder twisten overbodig was; want die plek was ledig. Hoe zij
-ook zochten, van Dalima was geen spoor te vinden. Geen spoor? ....
-Jawel, achter een struik in de nabijheid werden de touwen gevonden,
-waarmede het meisje gebonden was geweest. Klaarblijkelijk was het haar
-mogelijk geweest, de handen bij den mond te brengen en was zij er in
-geslaagd te touwen met hare tanden door te knagen. Toen zij de handen
-vrij had gehad, was het verder kinderwerk geweest, om hare voeten van
-de boeien te ontslaan.
-
-„Drommels!” riep Liem King uit „Dat „moeka manies” (zoete bekje) is
-voor ons verloren!”
-
-„Ja,” antwoordde Than Khan met een zucht, „wij zijn een aardig sommetje
-kwijt! Zij zou Lim Ho veel waard geweest zijn.”
-
-„Wij zullen bij de „kongsie” (vennootschap) niet over haar mogen
-reppen, denk ik.”
-
-„Zeker niet, van haar gewagen, nu zij ons ontsnapt is, zou gevaarlijk
-zijn.”
-
-„Maar, wat met Ardjan thans aan te vangen? Dien moesten wij ook maar
-laten loopen. Hij moest eens over Dalima klappen.”
-
-„Dat durft hij niet. Als hij een woord kikte, dat hij met het meisje er
-van door geweest is, dan zou Lim Ho hem laten „tombokken.” [12]
-
-„Ik ben van meening hem te laten loopen.”
-
-„Hm!... Waarom?.... Hij moest aan boord van de Kiem Ping Hin zijn...
-Hoe komt hij hier thans met die djoekoeng?.... Geloof mij, daar zit
-iets achter.... Wellicht heeft de kongsie er belang bij, dat te weten.”
-
-„Hadden wij Dalima maar zoo stevig gebonden, als wij hem gedaan
-hebben,” zei Than Khan.
-
-„Och, die lieve polsen en die arme enkels, wat zouden die geleden
-hebben, wanneer wij daar een touw zoo strak om gebonden hadden?”
-
-„Om het even, dan hadden wij haar nog. En, nu is zij gevlogen.
-Waarheen?”
-
-„Ja, waarheen?.... Kom, laat ons voortmaken, anders ontkomt ons de
-andere ook. En, er is iets, hetwelk mij voorspelt, dat wij in hem eene
-goede vangst gemaakt hebben.”
-
-Toen de twee Chineezen bij de djaga monjet aangekomen waren, was Ardjan
-er nog. Hij lag nog steeds gebonden, zooals zij hem verlaten hadden.
-Hij had geen lid kunnen bewegen. Toen hij de Chineezen alleen zag
-terugkomen, verhelderde zijn oog.
-
-„Waar is Dalima?” vroeg hij met vuur.
-
-De Chineezen antwoordden niet.
-
-„Is zij ontvlucht?”
-
-Than Khan knikte ja. Die knik scheen bij het schijnsel der
-dievenlantaarn zoo droefgeestig, dat Ardjan aan de waarheid dier
-bevestiging niet twijfelen kon. Toen voelde hij zich gerust. O, dat hij
-toch ook had kunnen ontvluchten! Hij had wel gepoogd die verwenschte
-touwen los te maken; maar och, zijne armen deden hem zoo zeer, het was
-alsof die gebroken waren. Hij had die poging wel moeten staken. Waar
-zou het lieve meisje thans zijn? O, daaromtrent bekommerde hij zich
-weinig. Wellicht was zij naar Kaligaweh geloopen. Daar woonden hare
-ouders, en dat was het dichtste bij. Die dèsa moest zij dan thans nabij
-zijn. Misschien was zij den weg naar Santjoemeh ingeslagen, waar de
-residentsfamilie woonde, waarbij zij als baboe diende. Dan zou zij nog
-een goed eind weg af te leggen hebben. De dag zou wel aangebroken zijn,
-alvorens zij kon aankomen. Als zij dan maar alles dadelijk vertelde...
-ja, dan was voor hem nog redding mogelijk.....
-
-Hij werd in zijn overpeinzingen gestoord door Liem King, die hem vroeg,
-waar hij zoo in ’t holle van den nacht van daan kwam.
-
-„Wel van Santjoemeh, ik wilde met Dalima naar Sepoetran varen, om van
-daar naar hare ouders te Kaligaweh te gaan. Door den westen-wind werden
-wij zeewaarts gevoerd. Ik heb geroeid uit alle macht om de Moeara
-Tjatjing te bereiken.”
-
-„Om de Moeara Tjatjing te bereiken?” grinnikte Than Khan. „Wat had je
-daar te verrichten? Je wist zeker, dat je ons hier zoudt aantreffen? Is
-het zoo niet?”
-
-Ardjan huiverde. Hij antwoordde evenwel bedaard:
-
-„Ik kon Sepoetran niet meer bereiken, en werd naar volle zee gedreven.
-Ik moest dus trachten de meest nabijzijnde plaats te halen.”
-
-„Maar je werd achtervolgd? Er is zelfs op je geschoten!”
-
-„Dat was de barkas van dien ellendigen Matamata, die mij voor een
-smokkelaar aanzag.”
-
-„Had je geen sluikwaren bij je?”
-
-Ardjan antwoordde niet. Als de twee Chineezen zijne omstandigheden
-gekend hadden, dan hadden zij voorzeker die vraag niet gedaan.
-
-„Maar, je bent „djoeroemoedi” (stuurman) op de Kiem Ping Hin; moest je
-niet aan boord zijn?”
-
-De Javaan aarzelde hier een oogenblik; daarna antwoordde hij:
-
-„Ik had verlof van kapitein Awal Boep Said om twee etmalen aan den wal
-door te brengen.”
-
-„Maak dat je „nènèh” (oude moeder) wijs! In dezen tijd? Nu de zaken in
-vollen gang zijn?”
-
-„Het is toch zoo.”
-
-„Nu, dat zal de kongsie straks uitmaken.”
-
-Het drietal verviel na die woordenwisseling in een langdurig
-stilzwijgen. De Chineezen wikkelden zich in eene soort sprei, en zaten
-gedoken op den vloer, met het hoofd op de borst, op het punt van in
-eene sluimering te vervallen. Ardjan was nog altijd uiterst pijnlijk
-aan de bamboe geregen, en op den rug uitgestrekt liggende. Het was
-donker in de hut; de deur en de luiken waren toch gesloten om de kille
-morgenlucht zooveel mogelijk buiten te sluiten. Als de Javaan het hoofd
-rechts en links wendde, dan kon hij evenwel door de reten der „Niboeng”
-[13] latten, die den vloer uitmaakten, bespeuren, dat de dag aanbrak.
-Een grauw licht toch schoot onder de ruimte der hut, en bescheen daar
-den walgelijken modder, waarin een menigte dieren als alen,
-moerasslangen, leguanen, water-hagedissen, enz. reeds rondkrioelden, om
-op de onreinheden van allerlei aard die zoo’n hut veelal opleverde, te
-azen.
-
-Dat duurde zoo een poos, toen plotseling een schot in de verte
-weerklonk, dat de beide Chineezen deed opschrikken. Dat schot was een
-sein. Than Khan vloog naar de deur. Toen die geopend werd, was het
-buiten volle dag. De zon was op het punt op te komen, en kleurde de
-oosterkim met onvergelijkelijke purperpracht.
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-IN DE DJAGA MONJET.
-
-
-Een oogenblik stonden de twee Chineezen alsof zij met blindheid
-geslagen waren. De pupil hunner oogen, in het duister der hut zeer
-uitgezet, werd pijnlijk aangedaan door het schelle licht, en moest tijd
-hebben om in te krimpen, alvorens zij iets zien konden. Maar, toen zij
-zich een poos de oogen gewreven hadden en daarna uitkeken, ontwaarden
-zij, dat de wind, die ’s nachts zoo akelig had aangegaan, bijna geheel
-gevallen was, dat de dikke wolken, die de duisternis zoo zwart gemaakt
-hadden, gescheurd, gereten, meerendeels verstrooid en verdwenen waren,
-en het blauwe azuur des hemels overal door lieten. In het oosten was de
-hemel smetteloos rein; de zon steeg met vollen luister boven den
-horizon en tooide alles, wat zij met hare stralen aanraakte: de golven
-op de zee, de wortelstengels van het Rhisophoren-woud, of de bladeren
-van de kruinen daarboven, met het zuiverste goud. Maar voor die pracht
-hadden onze Chineezen geen oogen. Zij doorzochten daarentegen met
-scherpen blik de oppervlakte der zee, niet om het wentelen der golven,
-of het breken der branding van den nog steeds verbolgen oceaan gade te
-slaan, niet om de fraai gekuifde baren, die als van gesmolten goud,
-getooid met zilver schuim, schenen, te bewonderen; maar om te
-bespieden, wat op die oppervlakte voorviel, hetgeen hunne
-belangstelling meer gaande maakte.
-
-Ginds bij den horizon werd een vaartuig zichtbaar, dat op de
-aanrollende golven danste en stampte. Met het bloote oog was te zien,
-dat het een schoenerbrik was, die onder klein zeil scherp bij den wind
-lag, en de kust niet scheen te willen naderen. Aan den voortop woei een
-seinvlag, die evenwel op dien afstand niet te onderscheiden was. Liem
-King greep een scheepskijker, wiens oorspronkelijke koperkleur onder de
-laag vuil, die hem bedekte, niet meer te herkennen was, en die eene
-bergplaats vond in een hoekje van het dak der hut, tusschen de atappen
-en de latten, die deze laatsten droegen. Na een poos turens, waarbij
-hij van veel oefening blijken gaf, zei hij tot zijn makker:
-
-„Het zijn de letters T. F. N. W., die daar op een rooden achtergrond
-wapperen. Het is ongetwijfeld de Kiem Ping Hin, die gisteren avond had
-moeten aankomen en die....”
-
-„Nu ten anker zal willen komen.”
-
-„Neen, die buiten den smokkel-rayon [14] wil blijven. Ziet ge, nu gaat
-zij over stag.... loopt meer uit den wal.... Thans bergt zij hare
-zeilen, gaat voor anker....”
-
-„Dat’s brutaal! De Matamata was van nacht nog hier.”
-
-„Waar de Kiem Ping Hin thans geankerd ligt, kan de stoomer haar niets
-doen. Daarenboven van dien is niets meer te bespeuren. De schoener
-voert bovendien voorzichtigheidshalve de Engelsche vlag. Onder die is
-hij volkomen veilig, al lag hij ook dichter bij de kust. De „Blanda’s”
-(Hollanders) zijn bang als de dood voor de Engelschen.”
-
-„Kijk, daar wordt eene boot uitgezet.”
-
-„Dan zal een van ons zich naar de aanlegplaats bij de Tjatjing moeten
-spoeden.”
-
-„Gij!”
-
-„Neen, gij!”
-
-„Waarom niet beiden te zamen?”
-
-„Omdat de voorzichtigheid ons gebiedt, dien kerel niet alleen en
-onbewaakt te laten,” antwoordde Than Khan op Ardjan wijzende.
-
-„Laat er ons dan om dobbelen.”
-
-„Mij goed.”
-
-Liem King haalde een aantal witte steentjes ter grootte eener boon voor
-den dag, waaronder ook ettelijke zwarten. Hij wierp die met eene zekere
-behendigheid op eene houten plank, die voor dat spel bestemd scheen. Na
-den worp werd geteld, hoeveel zwarte steentjes in een groep bij
-elkander lagen. Daarop wierp Khan Than.
-
-„Ik heb gewonnen,” riep deze. „Kijk, hier liggen zeven zwarten bij
-elkander. Gij teldet maar vijf.”
-
-„Nu, dan ga ik.”
-
-„Maar, mondje dicht over Dalima!”
-
-„Natuurlijk,” was het antwoord.
-
-Ardjan glimlachte smadelijk bij het vernemen van die aanbeveling.
-
-Than Khan hurkte op den drempel van de deur der hut neder, evenwel zoo,
-dat, terwijl hij het oog over de baai kon laten waren, hem echter geen
-enkele beweging van den Javaan ontgaan kon. Hij scherpte den blik om
-gade te slaan, hetgeen op de oppervlakte der zee voorviel. De djaga
-monjet stond ter zijde in eene ombuiging van het strand der kleine
-baai, zoodat de Chinees het volle gezicht op hare monding had, en niets
-aan zijne waarneming ontsnappen kon.
-
-Hij zag de sloep van den schoenerbrik bemand worden; hij zag een
-vijftal Chineezen langs de stormladder bij de valreep daarin afdalen;
-hij zag dat vaartuig afsteken, over de oppervlakte der deinende zee
-glijden, in de branding geraken, daarin stampen, slingeren en
-worstelen; hij nam de inspanningen waar van de roeiers, om dat
-moeielijke punt door te stevenen; hij bewonderde de behendigheid van
-hem, die het roer in de hand had en den kop der sloep onwrikbaar op de
-golf gericht hield.
-
-„Dat is Lim Ho zelf,” prevelde hij.
-
-Ardjan kromp ineen van schrik, bij het hooren van dien naam.
-
-„Lim Ho?” vroeg hij, terwijl zijne stem zielsangst verried.
-
-„Ja,” antwoordde Than Khan. „Zij zullen gauw hier zijn. Kijk, daar
-schiet de sloep de Moeara in.”
-
-Inderdaad, het vaartuig, door een achttal riemen voortgestuwd, vloog
-door het water, toen het maar eenmaal die gevaarlijke branding te boven
-gekomen was. Achter de sero’s en in de baai trof de sloep glad water
-aan; zij schoot de monding der Kali Tjatjing in en had weldra de
-aanlegplaats bereikt, waar Liem King het gezelschap wachtte, en het
-onmiddellijk naar het wachthuisje geleidde.
-
-Niet zoodra evenwel hadden de nieuw aangekomen Chineezen het vaartuig
-verlaten, of de roeiers—allen Javanen—haastten zich, onder toezicht van
-een hunner, om eenige blikken en vaatjes, die op den bodem der sloep
-opgestapeld lagen, aan wal te brengen, en in allerijl achter eenige
-struiken te verbergen.
-
-„Lekker die zwarte boter!” grinnikte er een, op de vaatjes wijzende,
-die er uitzagen, alsof zij pas eene Nederlandsche boerderij verlaten
-hadden, en allen het cachet van Van der Leeuw [15] in groen lak
-vertoonden.
-
-„Ik wou, dat ik maar een paar taël [16] van die boter had,” antwoordde
-een ander lachend.
-
-„Straks maar naar de „pentjandon” (opiumkit) van babah Tjoa Tiong Ling
-toe. Daar kunt ge van die zwarte boter krijgen en spoedig genoeg van uw
-zuur verdiende gagie verlost zijn.”
-
-„Om het even, het is toch maar een lekker ding, die...”
-
-„Ja, vooral als wij er veel aan verdienen.”
-
-Blikken en vaatjes waren spoedig voor het meest scherpziend oog
-verborgen, waarna de roeiers zich op weg naar de djaga monjet begaven.
-
-Daar vond intusschen een ander tafereel plaats.
-
-Toen de vijf Chineezen in het wachthuisje waren aangekomen, werd
-onmiddellijk een aanvang gemaakt met de ondervraging van Ardjan, die
-steeds zwaar gekneveld op den bodem uitgestrekt lag. Liem King had
-onder weg de bizonderheden van de gevangenneming van den Javaan
-verhaald, zonder evenwel zich iets te hebben laten ontvallen, wat op
-Dalima doelde.
-
-Gedurende die mededeeling had Lim Ho, een rijzige Chinees, de
-aanvoerder der overigen, ongeveer vijf en twintig jaren oud, met eene
-geel fletse gelaatskleur, harde trekken en gluipende schuinstaande
-oogen, aandachtig toegeluisterd. Hij had een glimlach van tevredenheid
-niet kunnen onderdrukken, toen hij vernam, dat het de „djoeroemoedi”
-Ardjan was, die gevangen genomen werd. Zoodra het verhaal uit was,
-vroeg hij op onverschilligen toon:
-
-„Was de Javaan alleen?”
-
-„Ja, geheel alleen,” antwoordde Liem King.
-
-Een zweem van teleurstelling vloog over het gelaat van Lim Ho.
-
-„Hij was gezeten in eene djoekoeng?” vroeg hij.
-
-„Ja, babah.”
-
-„Kan die djoenkoeng ook in zee omgeslagen zijn?”
-
-„Best mogelijk,” antwoordde de sluwe Chinees. „Toen Than Khan en ik de
-djoekoeng vonden, lag Ardjan kletsnat en ademloos op het strand, alsof
-hij in het water gelegen had, en waren de bamboezen der sajab
-verbrijzeld.”
-
-„Wij zullen dat straks wel vernemen,” sprak Lim Ho trotsch voornaam.
-
-Toen hij het hutje ingetreden was, vroeg hij aan Ardjan, zonder hem
-evenwel met een blik te verwaardigen:
-
-„Waarom ben je ontvlucht?”
-
-„Ik had „sakit hatie” (hartzeer), antwoordde deze. „Ik verveelde mij
-aan boord en wilde naar de dèsa terug.”
-
-„En daarom heb je Dalima meegenomen.”
-
-Ardjan antwoordde niet. Liem King en Than Khan verbleekten.
-
-„Waar is de „prawan” (maagd) verdronken?” vroeg Lim Ho verder.
-
-„Verdronken!...” riep Ardjan verschrikt uit. „Heeft men haar
-verdronken?”
-
-„Of men haar verdronken heeft? Is de djoekoeng, waarmede gij beide van
-de Kiem Ping Hin ontvlucht zijt, dan niet omgeslagen? Waar is dat
-gebeurd? Misschien heeft Dalima zich nog kunnen redden.”
-
-„Zich nog kunnen redden!.. Maar de djoekoeng is niet omgeslagen!” kreet
-Ardjan. „Wij zijn beiden aan land gekomen. Zij uiterst beangst door het
-noodweer, ik zeer vermoeid van het pagaaien.”
-
-„Maar, waar is zij dan gebleven?”
-
-„Dat weet ik niet. Vraag dat aan Liem King en Than Khan.”
-
-Die twee stonden te bibberen van angst.
-
-„Hebt gijlieden gehoord?” vroeg Lim Ho hooghartig. „Ik wacht op
-antwoord!”
-
-„Ik weet niet, wat er van het meisje geworden is!” stamelde Than Khan.
-
-„Zij kan wel door een kaaiman verslonden zijn,” prevelde Liem King.
-
-„Is zij meê aan wal gekomen, ja of neen?” vroeg Lim Ho aan Ardjan,
-terwijl hij van ongeduld op den vloer stampte, zoodat de geheele hut
-dreunde en schudde.
-
-„Ja,” antwoordde de Javaan. „Die twee hebben mij eerst en daarna Dalima
-armen en beenen gebonden. Toen hebben zij mij hierheen gedragen, en
-zijn daarna het meisje gaan halen. Zij zijn evenwel zonder haar
-teruggekomen.”
-
-Lim Ho keek de beide Chineezen met doordringenden blik aan.
-
-„Waarschijnlijk is zij door een kaaiman verslonden,” herhaalde Liem
-King.
-
-„Of door een tijger weggehaald,” vulde Than Khan aan.
-
-Lim Ho stak een fluitje in den mond. Een oorverscheurend schril geluid
-weerklonk. Een der Javaansche matrozen, die inmiddels bij de hut
-aangekomen waren, trad binnen.
-
-„Roep je sobats!” (makkers) klonk het bevel.
-
-In een oogwenk waren allen binnen.
-
-„Bindt die schavuiten!” beval Lim Ho; terwijl hij op Liem King en Than
-Khan wees.
-
-Dat was spoedig geschied. De Javanen haalden hun hart op, toen zij die
-twee Chineezen mochten knevelen. Het ging ruw en hardhandig toe. De
-touwen werden zoo strak mogelijk aangehaald! De slachtoffers kermden.
-O, als het eens op Java tot eene uitbarsting mocht komen! Dan wee, de
-zonen van het Hemelsche rijk! Of bij zoo’n catastrophe eene andere
-natie ook niet in de klem zou geraken?
-
-Toen de beide Chineezen gebonden waren, riep Lim Ho:
-
-„En nu op de jacht! Een meisje, de kleine Dalima, is ontvlucht!
-Vijfhonderd „ringgiet’s” (rijksdaalders) voor hem, die dat lieve kind
-opspoort en mij uitlevert!”
-
-Een juichkreet ging op, en onder het slaken daarvan, stormde de bende
-naar buiten.
-
-Toen de Javanen verdwenen waren, liet Lim Ho zich door een zijner
-volgelingen zijne pijp aanreiken, stopte het kleine kopje, dat aan een
-langen steel van zeer fraai bamboe met uiterst korte geledingen stak,
-met goudgeele haarfijne tabak, ontstak daarna die pijp, en deed eenige
-halen, waarbij hij den rook door de neusgaten uitblies. Hij zette zich
-toen neder op den eenigen stoel,—een lomp onbehouwen meubel, met de
-„gollokh” (kapmes) ruw bewerkt,—in het vertrek aanwezig, terwijl de
-overige Chineezen neerhurkten, en richtte het woord tot Ardjan.
-
-„Vertel nu,” sprak hij, „hoe je met Dalima van de Kiem Ping Hin
-ontsnapt bent. Je wist toch, dat ik naar het bezit van dat meisje
-haakte?.... Maar, pas op! niet liegen! want je leven is in mijn hand,
-dat begrijp je!”
-
-Ardjan kreunde. Hij verzocht, dat zijne banden geslaakt zouden worden.
-Zooals hij gebonden was, was het niet uit te houden, beweerde hij.
-
-„Neen, eerst vertellen!” sprak Lim Ho. „Daarna zal ik zien.”
-
-Intusschen gaf hij toch met een enkel woord bevel, den gefolterden
-Javaan van de bamboe te ontdoen, die hem de armen op den rug gewrongen
-hield. Toen dat marteltuig verwijderd en Ardjan wat tot verademing
-gekomen was, beval de Chinees:
-
-„Komaan, spreek; ik luister.”
-
-„Gij weet,” zoo begon de Javaan, „dat ik djoeroemoedi aan boord van de
-Kiem Ping Hin ben. Het vaartuig lag gisteren namiddag achter Poeloe
-Kalajan niet ver van Santjoemeh ten anker, toen eene djoekoeng op zij
-schoot, waarin een paar uwer landslieden gezeten waren. Aanvankelijk
-dacht ik, dat zij gesmokkelde opium, die tot de lading van den schoener
-behoorde, kwamen afhalen. Ik wierp hen eene tali (touw) toe, en was hen
-bij het aan boord klimmen behulpzaam. Maar, in stede dat zij iets
-kwamen halen, brachten zij wat. Zij tilden een zak aan het dek, die den
-vorm had van een menschengedaante. Dat ging mij echter niet aan; zoo
-iets had ik meer aan boord gezien. Ik hielp zelf dat pak in de hut van
-den kapitein brengen. Ik lachte en schertste zelfs met de twee
-Chineezen over het genoegelijk uurtje, dat kapitein Awal Boep Said
-wachtte.
-
-„Toen die aan boord kwam, gaf ik hem kennis van het buitenkansje, dat
-hem, zooals ik meende, genoegen moest doen. Maar, in stede van naar
-zijne hut te vliegen, bleef hij op het dek, en beval mij zorgvuldig uit
-te kijken, daar hij gasten verwachtte.
-
-„En, inderdaad, weinige uren later kwaamt gij, Lim Ho, met een paar
-uwer vrienden aan boord. Het was tijd, dat gij den schoener bereiktet;
-want het was reeds nacht geworden, en de noordwester storm was in
-aantocht. Nauwelijks waart gij dan ook aan boord, of hij brak los. Toen
-ik u zag, bekroop mij een onaangenaam gevoel, en onwillekeurig dacht ik
-aan het pak, dat aan boord gebracht was, en in de hut van Awal Boep
-Said op het bed lag. Ik wilde naar beneden sluipen, om eens een kijkje
-te nemen; maar de kapitein, die het naderend slechte weer gadesloeg,
-deed de brassen strak zetten, en een tweede anker uitbrengen. Ik kreeg
-mijn deel in de werkzaamheden, en kon het dek niet verlaten.
-
-„Toen ik een uur later in de kajuit kwam, laagt gij op eene rustbank
-uitgestrekt, en waart bezig met opiumrooken. Gij hadt de pijp in handen
-en zwelgdet met blijkbaar genoegen den rook in. Naast u stond een uwer
-volgelingen, die bezig was een balletje „madat” klaar te maken en te
-kneden, terwijl eene zekere hoeveelheid „tjandoe” [17] zich in uwe
-nabijheid in een doosje bevond.
-
-„O, ik wist, wat dat alles beteekende! Voor hem, wiens zinnen door
-overmatige prikkeling verstompt en verdoofd zijn, is opwekking noodig.
-Een duifje was in uwe macht, gij moest uwe uitgeputte krachten
-opwekken. Daarenboven, gij wildet de meest mogelijke genietingen van uw
-slachtoffer erlangen; want ge kent de eigenschappen van de opium en
-weet er gebruik van te maken.
-
-„Ik lachte er nog om. Och, zoo iets gebeurt zoo vaak in de wereld! Een
-hadji heeft mij verteld, dat de opium een geschenk van Ngahebi Mohammed
-is, en dat de gelukzaligen in den hemel slechts door dat middel hunne
-krachten schragen, en ten gevolge van dat middel zoo door de hoeri’s
-geliefd worden.
-
-„Maar toch bekroop mij een beangstigend gevoel, dat mij tot
-nieuwsgierigheid dwong. Sedert lang is Dalima mij door hare ouders tot
-vrouw bestemd. Ik heb nog maar weinig ringgiets te verdienen, om de som
-bij elkaar te hebben, die noodig is, om een span karbouwen te koopen.
-Als ik die zal bezitten, dan is de huwelijksdag daar. Maar, ik weet
-ook, Lim Ho;” en hierbij siste de stem van den Javaan en klonk schier
-dreigend, „maar ik weet ook, dat gij naar het bezit van het meisje
-haakt;.... ik weet, welke kostbaarheden gij haar hebt laten zien;....
-ik weet, welke som gij haren vader voor hare onschuld geboden hebt....
-Ik wilde zien, wie daar in de hut opgesloten was. Toch had ik nog geen
-erg op Dalima! Zij had uwe voorstellen smadelijk afgewezen. Haar vader
-had u met zijn kris gedreigd.... Hoe zou de baboe van den toean
-resident in uwe macht geraakt zijn?.... Dat was immers onmogelijk....”
-
-„Ja, dat was onmogelijk!” grinnikte Lim Ho, wiens verdorven gemoed door
-het verhaal van den Javaan gekitteld werd. „Ja, dat was onmogelijk!....
-Vertel eens, Ong Kwat, hoe zij je in handen kwam.”
-
-„Dat ’s onnoodig”, hervatte Ardjan. „Zij zelf heeft mij dat in de
-djoekoeng verhaald. Gisteren wandelde zij met een kind, een neefje van
-haren heer, in de Salak-laan [18] achter het residentiehuis. Het kind
-wierp zijn bal in eene sloot langs den weg. Dalima bad een Chinees, die
-daar bij toeval passeerde, om het speeltuig op te visschen. Hij voldeed
-aan dat verzoek; maar in stede van den bal aan het kind terug te geven,
-wierp hij hem met alle kracht en zoo ver hij kon, in den tuin. Het kind
-liep juichend den bal na; onderwijl sprong de Chinees op het meisje
-toe, dat zonder erg het kind natuurde, stopte haar, voor dat zij een
-gil had kunnen slaken, een prop in den mond, wierp haar een zak over
-het hoofd en droeg haar tot aan het einde van de laan, waar zij in eene
-djoekoeng gelegd werd, die daar in de sloot dobberde. Het vaartuig
-stelde zich in beweging, en een uur later was zij aan boord van de Kiem
-Ping Hin....”
-
-„Juist, zoo is het gebeurd, nietwaar, Ong Kwat?” vroeg Lim Ho.
-
-De aangesprokene bevestigde met een hoofdknik en een grijns, en
-antwoordde:
-
-„Ik had reeds vier dagen op dat hapje geloerd!”
-
-„Ga, nu maar voort, Ardjan,” maande de Chinees aan. „Maar, ik waarschuw
-je voor leugens!”
-
-„Bij mijn binnenkomen in de kajuit keek ik eens rond. Gij, Lim Ho,
-waart geheel versuft van het opiumrooken, maar hadt het stadium nog
-niet bereikt, dat de opium iemand in woestwilden hartstocht doet
-ontvlammen. Uw helper, misschien ook onder den invloed, wijdde zijne
-geheele aandacht aan de madatballetjes, die hij kneedde. Buiten u
-beiden was niemand in de kajuit. Ik sloop de hut binnen en bij het
-licht der lantaarn, die er brandde, herkende ik in een oogopslag
-Dalima. Ik bedacht mij niet lang, maar sprong op haar toe, en sneed in
-een oogwenk hare banden los, vloog de hut en de kajuit met lichten tred
-uit, en was in een oogenblik weer terug, met eenige mannenkleeding, die
-ik haar gaf. Zij trok die aan, en een poos later had ik haar op het
-voorschip achter een hoop zeilen geborgen, die daar lagen.
-
-„De storm woedde intusschen met volle kracht en het was misschien
-daaraan te danken, dat zij onbemerkt de hut had kunnen verlaten. De
-kapitein Awal Boep Said liep met angstige schreden het achterdek op en
-neer, en liet als trouwe muselman zijn bidsnoer door de vingers
-glijden, terwijl zijne lippen van tijd tot tijd een Allah ackhbar! (God
-is groot) of een Bismilla! (de Heer zij gezegend) prevelden. De andere
-opvarenden schuilden in het volks-logies; terwijl uwe metgezellen
-zeeziek in hunne kooien lagen.
-
-„Van die omstandigheid maakte ik gebruik. Ik haalde de djoekoeng,
-waarmeê Dalima aan boord was gebracht, en die op zij van het schip op
-de golven lag te dansen, naar mij toe. Het meisje gleed langs een touw
-er in; ik volgde haar, greep een dajong (pagaai) en weldra dreven wij,
-door den wind voortgezweept, ver van de Kiem Ping Hin.
-
-„Ik had gehoopt de kust te kunnen bereiken, die het naast bij het
-residentie-huis lag; maar toen de djoekoeng achter Poeloe Kelajan uit
-kwam, grepen haar wind en stroom en dreven wij op Allah’s genade heen.
-
-„Ik zette spoedig de sajab’s uit, die in het vaartuig lagen. Die hebben
-belet, dat wij verdronken zijn; want al heel spoedig waren wij in de
-branding, die op den „Oedjoeng” (kaap) staat. Ik pagaaide uit alle
-macht. Als wij die kaap voorbijdreven, dan waren wij verloren. Het
-gelukte mij eindelijk die branding te doorworstelen. Nog een poging....
-en wij waren de Moeara Tjatjing binnen. Toen wij geland waren, viel ik
-uitgeput op den grond en, voor dat ik tot adem had kunnen komen, hadden
-Than Khan en Liem King ons beiden, Dalima en mij, gebonden. Ik werd
-hierheen gedragen. Wat van het meisje geworden is, weet ik niet. Ik heb
-haar niet meer terug gezien. Ziedaar, de volle waarheid.”
-
-Er trad een stilte in, die eenige oogenblikken duurde. Het was of Lim
-Ho nadacht en niemand durfde zijn gedachtengang storen.
-
-Eindelijk sprak hij, terwijl hij zich tot Than Khan en Liem King
-wendde:
-
-„Wat hebt ge op dat verhaal aan te merken?”
-
-Geen van beiden antwoordden.
-
-„Wilt ge spreken!” riep Lim Ho met kwalijk verbeten woede uit, terwijl
-hij zijne twee gevangenen, die even als Ardjan, gebonden op den vloer
-uitgestrekt lagen, een schop met zijne harde sandalen in de zijde gaf.
-
-„Die Javaan liegt!” riep Liem King, van de pijn krimpende uit. „Wij
-hebben geen meisje gezien.”
-
-„Hij heeft haar waarschijnlijk het bosch in laten vluchten, voor wij
-bij hem aankwamen.”
-
-„Ik had mijn leven voor Dalima gegeven!” sprak Ardjan hartstochtelijk.
-„Maar, ik lag uitgeput van vermoeidheid op den grond; ik heb haar niet
-kunnen verdedigen. Babah, ik lieg niet! Die twee mannen moeten weten,
-wat er van het meisje geworden is.”
-
-Lim Ho prevelde eenige woorden binnensmonds, en scheen te overdenken,
-wat hem te doen stond. Plotseling verhieven zich in de nabijheid der
-hut eenige stemmen. Het waren de roeiers, die jacht op Dalima gemaakt
-hadden, en thans kwamen berichten, dat hunne pogingen vruchteloos
-geweest waren. Zij hadden het meisje niet gevonden.
-
-Bij die tijding glom er iets tevredens, iets dankbaars in den blik van
-Ardjan.
-
-„Tenzij dit als een spoor van haar ware aan te merken,” sprak een der
-roeiers, terwijl hij een bundel touwwerk liet zien. „Dat heb ik bij een
-struik, dicht bij de plaats waar onze sloep geland is, gevonden.”
-
-„Dat zijn de „talies” (touwen), waarmede Than Khan en Liem King de
-polsen en de enkels van Dalima gebonden hebben,” sprak Ardjan ernstig
-en bedaard.
-
-Lim Ho vestigde den blik op de beide schavuiten. Deze zwegen. Dat
-stomme bewijs hunner leugentaal snoerde hen den mond.
-
-Toen sprak de babah een paar woorden, waarop èn Ardjan èn Than Khan èn
-Liem King van angst krompen en om genade smeekten. Lim Ho bleef evenwel
-doof voor hunne kreten, verwaardigde hen ter nauwernood met een blik;
-terwijl hij de twee Chineezen bij wijlen met koele woede een schop
-toebracht.
-
-In kort afgebroken bewoordingen gaf hij zijne bevelen, die door de
-Javaansche roeiers met spoed werden ten uitvoer gelegd. Een paar hunner
-stoven naar buiten; terwijl de anderen de twee gebonden Chineezen,
-alsook Ardjan overeind hielpen, en zich gereed maakten hen naar buiten
-te brengen.
-
-„Heb medelijden met ons!” smeekte Than Khan.
-
-„Waar is Dalima?” was het antwoord op woesten toon uitgebracht.
-
-„Wij weten het niet.”
-
-„En gij?” was de vraag tot Ardjan.
-
-„Ik weet het ook niet. Zij zal waarschijnlijk naar het huis van den
-toean resident teruggekeerd zijn.”
-
-„Heb medelijden!” gilde Liem King op zijne beurt.
-
-„Geen medelijden met kerels als gij!”
-
-„Maar, wat hebben wij toch gedaan?” vroegen de twee Chineezen.
-
-„Gij hebt Dalima in handen gehad, en gij hebt haar laten ontvluchten!”
-antwoordde Lim Ho, terwijl hij met verbeten woede op de tanden knarste.
-
-„En gij, gij,” ging hij sissend voort, terwijl hij zich tot Ardjan
-wendde. „Gij, die u vermeten hebt, dat meisje van boord te
-ontvoeren....”
-
-„Zij is mijne bruid!” kreet deze.
-
-„Uwe bruid!... Alsof een zoo lief kind de prooi van zoo’n Javaanschen
-hond zou kunnen zijn! Maar .... ge zijt gisteren avond van de Kiem Ping
-Hin ontvlucht. Is er in de djoekoeng?...”
-
-Een walgelijk gemeene grijns van teleurgestelden wellust teekende zich
-bij die half uitgesproken vraag op het flets gele gelaat van Lim Ho.
-
-„Bij Allah! neen!” riep de Javaan onstuimig uit. „Dalima is rein, als
-de witte bloem, waarvan zij den naam draagt. [19] Daarenboven ik had in
-die djoekoeng, bij den storm die heerschte, wel wat anders te doen dan
-te minnekoozen.”
-
-„Dat is je geluk!” brulde Lim Ho. „Als je haar niet geëerbiedigd hadt,
-dan was je den dood schuldig! Dan zou ik je met eigen hand gekrist
-hebben! Nu zal ik je alleen maar straffen, omdat je ontvlucht bent. Ik
-wil de geschiedenis met Dalima vergeten.... Maar,” ging hij met een
-grijnslach voort, „je bent ontvlucht, om aan de strandbewakers kennis
-van de oogmerken van de Kiem Ping Hin te geven....”
-
-„Dat’s onwaar!” riep Ardjan uit.
-
-„Je hebt dus verraad jegens de kongsie willen plegen.” ging Lim Ho
-voort, zonder op de ontkenning van den Javaan acht te slaan.
-
-„Dat’s onwaar!” herhaalde de rampzalige in volle wanhoop. „Ik ben
-ontvlucht, om Dalima te redden. Kris mij daarom; maar ik ben geen
-verrader!”
-
-„Je hebt verraad tegen de kongsie willen plegen!” ging de Chinees
-onverstoorbaar voort. „Je kent de „adat” (gebruiken) van onze
-vereeniging, nietwaar? Je zult dezelfde tuchtiging als die twee daar
-krijgen; daarna zal ik je aan boord van de Kiem Ping Hin laten brengen,
-niet meer als djoeroemoedi, maar als slaaf, om op Poeloe Bali afgezet
-te worden, waar je op straffe des doods als je zoudt willen
-terugkeeren, blijven zult, zoo lang de kongsie dat goed zal vinden.”
-[20]
-
-„Dood mij liever!” sprak de Javaan woest. „Ik heb geen verraad jegens
-de kongsie gepleegd. Ik kan en wil in geen andere negorij leven, dan
-waar Dalima woont!”
-
-Lim Ho’s gelaat teekende al den haat, die zijn ziel kon koesteren
-jegens den medeminnaar, die de genegenheid van het lieve meisje bezat,
-dat wist hij. Hij verwaardigde zich tot geen enkel antwoord; maar gaf
-een teeken aan de roeiers, die de gevangenen voortduwden, en hen met
-slagen en stompen den ingekorven boom, die tot trap diende, deden
-afklimmen; maar waarbij de ongelukkigen, wier handen gebonden waren, en
-zich dus niet grijpen konden, een voor een naar beneden ploften en
-liggen bleven, tot dat zij weer overeind geholpen werden.
-
-Lim Ho en zijne medestaartgenooten schaterden bij die buiteling van de
-pret, terwijl deze vroolijkheid als aanmoedigend opgenomen werd, en de
-roeiers nog meer aanzette, om hunne hardhandige geestigheden op de
-slachtoffers bot te vieren.
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-HOEKOEM KAMADOOG.—DE FAMILIE VAN GULPENDAM.
-
-
-Buiten was de natuur zeer weinig in overeenstemming met het tooneel,
-dat de menschen op dat plekje daar voorbereidden.
-
-De stormwind, die des nachts geheerscht had, was gevallen en in eene
-luwe bries overgegaan. Zacht ritselden de bladeren der kruinen van de
-wortelboomen op het strand; met een harmonisch gemurmel kwamen de
-golven, die als het ware aan de branding, welke de kust met een
-zilveren franje omzoomde, ontsnapt waren, den oever lekken, daartegen
-oploopen, om weer terug te ijlen, en het bevallig spel een oogenblik
-later weer te hervatten. Van de strandhut werd tusschen de beide kapen
-door, die de Moeara Tjatjing omzoomd hielden, een vergezicht op de
-volle zee genoten, dat schilderachtig genoemd mocht worden. Onder de
-schitterende stralen der zon, stak het levendige blauw der zee helder
-af. De oppervlakte van den oceaan deinde nog, de baren liepen elkander
-nog na, alsof zij elkander vervolgden; hier en daar tooide zich nog een
-golf met eene kuif van verblindend wit schuim, maar de geesel van den
-noordwesten wind ontbrak er aan. De toeschouwer begreep, dat wat hij
-daar zag, het wegstervende op en neer gaan was van den boezem van
-Amphitrite, nadat de hartstocht bekoeld was. En te midden van de
-opening, door de beide kapen gevormd, werd, als in eene omlijsting van
-groen gevat, de schoenerbrik Kiem Ping Hin zichtbaar, die daar op een
-kanonschots-afstand van den wal voor anker lag, en op de aanrollende
-deining bevallig op en neer bewoog, terwijl de Engelsche vlag aan haren
-gaffel in sierlijke plooien wapperde.
-
-Voor de hut en voor het boschje Saoe-boomen, waarin zij verscholen lag,
-stond een groep Niboeng-palmen met hare gladde stammen recht als een
-kaars, met hare bevallige kruinen van gevinde bladeren, die daar boven
-hoog in de lucht onder de zachte bries wuifden. Overigens sloot het
-Rhisophoren-woud, met zijne duizende en duizende vertakte
-wortelstammen, een dichten en voor het oog ondoordringbaren kring om de
-hut, die slechts aan de zeezijde open was.
-
-Op een wenk van Lim Ho werden den gevangenen de kleederen van het lijf
-gerukt, en werden de rampzaligen spiernaakt ieder aan den stam van een
-dier palmen recht overeind, met het gelaat naar den boom gekeerd,
-gebonden. De touwen, die gediend hadden om de handen en voeten van
-Dalima te knevelen, werden nu gebezigd om de twee Chineezen aan den
-boom te binden, die voor hen een ware folterpaal zou worden.
-
-Met angstigen blik keken de slachtoffers bij dat binden rond. Hun
-ontsteld oog bespeurde evenwel nog niet, wat zij zochten en toch
-vreesden te zien. Zij stonden daar bibberende, hoewel de stralen der
-tropische zon hen op de ruggen brandden, met de handen hoog boven het
-hoofd vastgemaakt, met een touwgordel om de lendenen en om de
-kniegewrichten, die geen enkele beweging, dan met ontzettend lijden
-gepaard, gedoogde. Die touwen toch waren van gemoetoe geslagen en
-bijgevolg hard, ruw en stekelig.
-
-Plotseling stootte Than Khan een lichten kreet uit. Bij zijn angstig
-rondkijken had hij een paar matrozen, ieder met een pak bladeren
-gewapend, zien naderen. Hij wist dus, dat het folteruur gekomen was.
-
-Van die bladeren, die nog aan de heesterachtige takken zaten, en er
-voor het oog breed hartvormig uitzagen, grove zaagtandige randen
-bezaten, en wier beide oppervlakten zich wit donzig vertoonden, werden
-met eenige voorzorg, die wel begrepen zal worden, een drietal bossen
-gebonden. Toen die klaar waren, gaf Lim Ho een teeken. Daarop naderden
-drie matrozen, die de ondertakken der bosjes met een lap of vod bekleed
-hadden, de slachtoffers, en begonnen hen den rug, de lendenen, de
-zitvlakken, de dijen en de kuiten met die bladeren te slaan. Het was
-eigenlijk geen slaan, wat geschiedde; het was meer een wuiven, een
-streelen, alsof het doel bestond lastige vliegen van die naakte
-lichamen te verwijderen. Nu en dan werd een ietwat hardere tik
-toegebracht, alsof een weerspannig insekt, dat de plaats niet wilde
-verlaten, verjaagd moest worden. Het was een zeldzaam schouwspel, dat
-daar vertoond werd. Het gelaat van de gevangenen teekende onmiskenbaren
-angst, die voor den oningewijde, die dat tooneel had kunnen gadeslaan,
-geen reden van bestaan had. Het was toch, alsof de handelende personen
-zich slechts beijverden, de geknevelden met die bundels bladeren
-frischheid toe te wuiven. Toch begonnen de slachtoffers reeds teekenen
-van pijn te vertoonen. Waar de bladeren raakten, kromp het lichaam
-pijnlijk weg. De ledematen begonnen te trillen, de spieren te werken en
-te spannen. Het gekittel, het gestreel, afgewisseld met lichte slagen,
-ging voort. De lijders krompen, wrongen, verdraaiden hunne lichamen al
-meer en meer. Hunne spieren zwollen op tot bundels, die de armen, de
-beenen, den rug en den hals akelig misvormden. De gelaatstrekken werden
-verwrongen, de oogen puilden uit hunne kassen. Toch gingen de beulen
-met hunne streeling voort. De ademhaling der ongelukkigen werd korter,
-werd hijgend. Een zacht gekreun ontsnapte aan hunnen mond. Zij knarsten
-op de tanden; zij trachtten de smart te verbijten, door hunne lippen
-ten bloede te havenen. Niets, niets mocht baten!
-
-„Kassian, babah!” (heb medelijden, babah) was de kreet, die hunnen mond
-ontvlood.
-
-Maar deze, wel verre van deernis met de gefolterden te hebben, gaf een
-teeken aan de beulen, die toen van taktiek veranderden, en de streeling
-door eene geregelde afranseling lieten volgen. Het regende toen slagen
-op de lichamen der ongelukkigen; hunne huid weerklonk onder het
-gekletter der bladeren, welke, minder gruwzaam dan de menschen, die hen
-bezigden, begonnen te scheuren en hare stengels te verlaten. Toen die
-slagen begonnen, was het geen gekreun meer, dat de gemartelden lieten
-hooren; het was een gebrul, een gehuil, door de onduldbare smarten aan
-hunne lippen ontwrongen; het was als het geluid van een wild dier, dat
-doodelijk gekwetst, in een laatste geloei zijne wegstervende krachten
-verzamelt. De ledematen der ongelukkigen wrongen niet meer, krompen
-niet meer; neen, de ongelukkigen omgaven de boomstammen met hunne armen
-en beenen als slangen, die er zich om wriemelden; zij drukten zich
-tegen die stammen aan, alsof zij zich er indringen, in verbergen
-wilden. Neen, de bladeren-marteling bracht geene verwonding, geene
-kneuzing, zelfs geene blauwe plekken te weeg. Maar de huid was opgezet,
-zag er rood en vurig uit, alsof zij geblakerd was. Daarenboven bij de
-onmenschelijke inspanning, door de pijn veroorzaakt, drongen de
-bindtouwen diep in het vleesch, schuurden en verscheurden de weefsels
-onder de hevige bewegingen der lijders, en weldra vloot het bloed in
-stralen langs de polsen en armen, langs de lendenen en dijen, langs de
-beenen en voeten, en vormde roode plekken op den glibberigen bodem.
-
-Maar, wat was de smart door die touwen veroorzaakt, te vergelijken bij
-de onduldbare pijn, door die duivelsbladeren teweeggebracht!
-
-Reeds waren de martelwerktuigen voor het grootste gedeelte ontbladerd.
-Het waren nog maar takjes, hier en daar nog van een verscheurd blad
-voorzien. De andere overblijfselen lagen verlept, verreten, vernietigd
-rondom de drie lijders op den grond verspreid, en nog dacht Lim Ho er
-niet aan om de foltering te doen ophouden. Het was, alsof hij zijne
-slachtoffers onder de marteling wilde doen bezwijken. Hij liet een
-oogenblik halt houden, niet uit deernis, o neen, maar om de lichamen
-der ongelukkigen met water te doen besproeien, waardoor de reeds zoo
-onuitstaanbare pijnen nog vermeerderd werden. De onmensch was op het
-punt bevelen te geven om het slaan te hervatten, toen plotseling een
-alarmkreet vernomen werd.
-
-„Orang oppas! orang oppas!” [21] klonk het.
-
-Met woesten spoed sprongen Lim Ho en ettelijken zijner accolyten op de
-beide gemartelde Chineezen los, sneden de touwen door, die hen aan de
-Niboeng-palmen gebonden hielden, en sleepten de halfbewustelooze
-rampzaligen, die zich in duldelooze smarten kromden en kronkelden,
-langs het pad voort, dat naar de aanlegplaats der sloep voerde. Een
-paar andere volgelingen van Lim Ho wilden ook op Ardjan toetreden; maar
-de angst sloeg hen om het hart, toen zij de aanmoedigingskreten van de
-naderenden hoorden. Zij sloegen op de vlucht. Het was tijd ook, dat de
-sloep bereikt werd; want nauwelijks hadden allen daarin plaats genomen,
-en was het vaartuig afgestoken, of een viertal agenten geleid door
-Dalima en gevolgd door een aantal dèsabewoners, verschenen al
-schreeuwend en tierend in de nabijheid van de djaga monjet.
-
-„Allah!” kreet het jonge meisje, toen zij Ardjan bemerkte, die nog
-altijd aan den boom gebonden was en van pijn kreunde, hoewel hij als
-eene levenlooze massa aan de touwen hing, die hem omknelden.
-
-„Allah!” riep zij, terwijl zij op hem toetrad. „Wat hebben zij hem toch
-gedaan?”
-
-Men omringde den ongelukkige; men sneed zijne banden door; men legde
-hem op een matje, dat fluks uit het wachthuisje gehaald was. Maar de
-rampzalige kon geen woord spreken. Hij brulde en raasde van de pijn en
-wentelde over den grond met kronkelingen als een worm, die vertreden
-was.
-
-„Allah!... Adoe!... Sakit, sakit!” (O God... o wee!... Pijn, pijn!)
-kreet hij.
-
-„Sakit apa?” (Waar is de pijn? Wat scheelt je?) vroeg Dalima, die naast
-hem gehurkt zat.
-
-„Sakit Kamadoog!” brulde de lijder tusschen twee smartkreten.
-
-„Sakit Kamadoog!” riepen de omstanders ontzet.
-
-En ja, daar raapte een der aanwezigen een der bossen geschonden
-bladeren op, die tot foltertuig gediend hadden, en vertoonde aan de
-menigte de vreeselijke brandnetel, die de meesten deed verbleeken.
-
-En inderdaad, de Kamadoog [22] is een vreeselijk gewas in den volsten
-zin des woords, waarvan de lichtste aanraking reeds eene hevige
-branderige jeuking doet ontstaan, en die als marteltuig gebezigd, den
-lijder gedurende minstens zeven dagen ondragelijke pijnen en
-verstijving der ledematen, gepaard aan hevige koortsen, doet
-ondervinden.
-
-„Heeft ook iemand sirihkalk [23] bij zich?” vroeg Dalima smeekend.
-
-Enkelen der aanwezigen haalden hunne reeds gereed gemaakte
-sirihpruimpjes, die zij bij zich droegen, voor den dag, ontvouwden het
-sirihblad, waarin de pinangnoot [24], de kalk en de tabak besloten was,
-waaruit eene lekkere pruim bestaat, gaven de kalk daarvan aan het
-meisje over, dat zich haastte den lijder met het deegvormige alkali in
-te smeeren. Maar, helaas! de oppervlakte van het lichaam van den
-lijder, die in aanraking geweest was met de behaarde bladeren van de
-vreeselijke netel, was zoo groot en de voorraad sirihkalk zoo klein,
-dat zelfs het derde gedeelte der branderige plekken niet met het
-beweerde pijnstillend middel behandeld kon worden.
-
-Het meisje was wanhopig.
-
-De lijder werd binnen het hutje gebracht, om van de brandende
-zonnestralen bevrijd te zijn, die zoowel de pijnlijkheid der huid als
-den koortsgloed, die hem naar het hoofd steeg, vermeerderden. Toen
-snelden eenige lieden heen, om zoowel de noodige kalk als wat olie te
-halen, die ook tot leniging der smart zoude dienen. Tegen den avond
-hoopte men, dat de pijnen in zoo verre verminderd zouden zijn, dat de
-lijder vervoerd zoude kunnen worden.
-
-Terwijl Ardjan zoo verzorgd werd, stevende de sloep van Lim Ho de djaga
-monjet voorbij en de kleine baai uit. Wel riepen de politiedienaars de
-opvarenden toe, terug te keeren en den wal aan te doen. Niemand stoorde
-zich evenwel aan dat bevel, en er waren geen vuurwapens bij de hand om
-die lastgeving klem bij te zetten en te doen uitvoeren. Het antwoord
-was dan ook slechts een uitdagend geschreeuw.
-
-Lim Ho had bij het voorbijvaren der strandhut duidelijk Dalima herkend,
-welke bij hare bedrijvigheid, om den gemartelden Javaan te helpen, heen
-en weer, in en uit liep. Hij voelde eene onuitsprekelijke woede in zich
-opwellen. Hij wilde naar den wal;.... maar voordat hij daartoe de
-noodige bevelen had gegeven, kwam hij tot bezinning. Het zou toch als
-krankzinnigenwerk moeten beschouwd worden, het meisje thans in de
-gegeven omstandigheden te willen ontvoeren. Hoezeer hij ook op de macht
-van zijn geld mocht kunnen rekenen, zoo in het licht der zon, zoo ten
-aanschouwe van al die dèsabewoners zoude de omkooping der
-politie-agenten niet doenlijk zijn. Hij balde in kwalijk verbeten woede
-de vuist tegen den wal, maar weerhield het bevel. De sloep was weldra
-buiten de Moeara Tjatjing, en zette koers op de Kiem Ping Hin, waarop
-de matrozen de zeilen reeds los gooiden, om dadelijk te kunnen
-vertrekken.
-
-Juist toen Lim Ho aan boord stapte, kwam de kapitein Awal Boep Said hem
-melden, dat de rook van een stoomschip even boven den horizon te zien
-was.
-
-„Zeer waarschijnlijk is het de Matamata, die hier de kustwacht
-uitoefent,” zeide hij.
-
-„Die blanke domkoppen!” zeide Lim Ho met een smadelijken glimlach op de
-lippen. „Bij nacht verkondigen hunne gekleurde lichten uren van te
-voren hunne nadering. Bij dag jagen zij eene pikzwarte rookzuil naar
-den hemel omhoog, die mijlen ver te zien is, en niemand onzer bedriegen
-kan. Ik wed, dat zij ons nog niet bespeurd hebben, terwijl zij voor ons
-niet onopgemerkt bleven.”
-
-„Dat ’s mogelijk, babah,” antwoordde de gezagvoerder; „maar wat zijn
-uwe bevelen?”
-
-„Met het rijzen der zon is ook de westenwind aangewakkerd. Wel,
-dadelijk onder zeil en koers naar het eiland Bali.”
-
-Een kwartier later boog de Kiem Ping Hin bevallig stuurboord over onder
-den indruk van haar zeiltuig, en richtte den steven naar het oosten.
-Toen de Matamata ter hoogte van de Moeara Tjatjing kwam, was het
-smokkelvaartuig, een uitmuntend zeiler, de kim zeer nabij. Het
-vertoonde zich nog maar als eene flauwe witte stip op het blauw des
-hemels. Het lompe douane-vaartuig, dat bij de meest gunstige
-gelegenheid slechts zes mijlen in de wacht liep, en het tot acht kon
-brengen, wanneer de vuren flink opgepookt en de veiligheidskleppen
-bezwaard werden, kon er niet aan denken een wedloop met den ranken
-schoenerbrik te gaan houden, die met de bries, welke doorstond,
-gemakkelijk elf mijlen aflegde. In minder dan een uur hadden de beide
-vaartuigen dan ook elkander uit het gezicht verloren.
-
-
-
-Wat was er inmiddels met Dalima gebeurd, dat deze zoo van pas kwam, om
-haren Ardjan van een gedwongen ballingschap te redden?
-
-Zoodra zij het touw, dat hare handen gebonden hield, doorgeknabbeld
-had, wat haar met hare fraaie witte, maar scherpe tanden niet veel tijd
-gekost had, had zij zich beijverd, de banden te ontknoopen, die hare
-voeten omkneld hielden. Dat was ook snel geschied, en met een
-verachtelijk gebaar wierp zij die touwen van zich en ijlde voort. Een
-oogenblik bedacht zij zich, of zij niet eerst de djaga monjet zou
-naderen. Misschien zou zij Ardjan te hulp kunnen komen. Maar, daar
-hoorde zij de stemmen van de beide Chineezen, die het pad afkwamen om
-haar te halen. Toen sloeg haar de schrik om het hart, en zonder te
-bedenken, dat deze omstandigheid eene nadering der hut niet onmogelijk
-maakte, repte zij zich voort. Zij zou naar hare meesteres wederkeeren,
-zij zou die smeeken; ja, maar... zou die?... Dan zou zij zich tot den
-resident wenden om hulp, en die zou hare bede niet afwijzen. Pijlsnel
-als eene gejaagde hinde ijlde zij voort. Als echt natuurkind was zij in
-dat woud niets ongerust. Daarenboven scheen zij den weg te kennen, en
-ras was zij tusschen de ontelbare wortelstammen verdwenen.
-
-Toen zij het erf van de residentswoning langs den achterkant
-binnentrad, was het zeer vroeg in den ochtend. Het heerenhuis naderbij
-komende, bemerkte zij de dochter van den resident, die alleen in de
-groote „pandoppo” [25] met een boek in de hand op een „krossi gojang”
-(wipstoel) zat te wiegelen en geheel in hare lectuur verdiept was.
-Zacht sloop Dalima de pandoppo binnen, hurkte met eene bevallige
-beweging in de nabijheid van het blanke meisje op den vloer neder,
-kruiste de beenen onder zich, of beter voor haar lichaam, en naderde nu
-met zacht schuivende bewegingen, waarbij zij zich met de linkerhand
-opgaf en met de andere zediglijk den „sarong” (onderkleed) in bedwang
-hield, tot in de onmiddellijke nabijheid van den wipstoel, die nog
-altijd onafgebroken op en neer ging.
-
-„Nana!” fluisterde zij met lispelende stem, alsof een zachte ademtocht
-hare lippen ontvlood.
-
-Het aangesproken meisje, in hare lectuur gestoord, vloog bij het hooren
-van haren naam verschrikt op. „Siapa ada?” (Wie is daar?) kreet zij met
-een lichten gil.
-
-Het was een schoon kind van ongeveer achttien lentes, dat daar van
-haren stoel opgerezen was, en zich in hare volle bevalligheid vertoonde
-in de stralen der morgenzon, welke door de jaloezie-ramen binnendrong,
-die zoo breed mogelijk opgeslagen waren, om de frissche ochtendlucht in
-de pandoppo toegang te verleenen. Het was eene lieve, rijzige brunette
-met een matblank voorhoofd onder de fraaie, weelderige en donkere
-krullen; met prachtige bruine oogen, die met hunnen lieftalligen blik
-van eene zachtmoedige geaardheid getuigden; met frissche ronde wangen,
-waartusschen een allerliefst fijn besneden neusje zetelde, dat een
-beeldhouwer tot eer zou verstrekt hebben; met allerbekoorlijkst fijn
-gevormde lipjes, die aan eene pas ontloken roos deden denken, en
-waaronder eene kleine afgeronde kin prijkte, die evenwel een kuiltje
-vertoonde, dat door zijne sierlijkheid en zijn teeder rozenrood den
-blik verlokte en de bewondering afdwong. De buste van het lieve kind
-was zedig verborgen door eene lief gefestonneerde kabaja, die evenwel
-zooveel schoons en zulke welgevulde vormen te raden gaf, dat de
-bewering niet te stout zoude klinken, dat onder dat fijn baptist een
-der meest volmaakte meesterstukken van de schepping verscholen was. Zoo
-als zij daar stond, was een der slippen van de kabaja bij haar
-verschrikt opvliegen opgeslagen, en vertoonde een smaakvol gebloemden
-sarong, die evenwel de fraaie ronding der heup aan die zijde uitdagend
-modelleerde, verder over het been afviel en een allerliefst blank
-rooskleurig voetje schalks zichtbaar liet, dat met de teentjes even in
-een geborduurd snoeperig slofje verscholen was. Hoewel het uiterlijk
-van het schoone meisje schrik aanduidde, stond zij daar met hare zacht
-blozende wangen, met haar vragend oog, met hare half geopende lippen,
-met haren zwoegenden boezem, zoo bevallig, zoo idealistisch schoon, dat
-zij een Makart gerust tot model had kunnen strekken.
-
-„Siapa, ada?” was haar verschrikte kreet geweest.
-
-„Saja, Nana,” fluisterde Dalima schier onhoorbaar.
-
-Het lieve blanke meisje, waarvan wij hierboven een zwak beeld trachtten
-te ontwerpen, heette Anna. In de wandeling werd zij door de bedienden
-met het gebruikelijke „nonna” (juffrouw) aangesproken. Baboe Dalima,
-die, hetzij door hare jeugd, hetzij door hare lieftalligheid, een
-schreefje voor had bij de dochter des huizes, ja haast een speelnoot
-van haar was, noemde haar steeds Nonna Anna, dat eerst tot Nonanna,
-eindelijk tot Nana ingekrompen was. De lezer ziet, dat die naam Nana
-met de roman van Zola geen punt van overeenkomst heeft; ook niet met
-het monster, dat te Cawnpore en te Lucknow in Engelsch Indië zoo’n
-treurige vermaardheid kreeg.
-
-Op dat „saja Nana” bukte het jonge meisje aan hare voeten, en toen zij
-daar Dalima gehurkt zag zitten, herstelde zij schier onmiddellijk van
-haren schrik. Zij wilde het meisje opbeuren, dat evenwel in die houding
-zitten bleef.
-
-„Gij, Dalima!” riep zij uit. „Waar zijt ge geweest? Waar komt gij van
-daan? O, mama is zoo boos op u.”
-
-„Nana, ik ben ontvoerd geworden.”
-
-„Door wien?”
-
-„Door lieden van Lim Ho.”
-
-„Van Lim Ho?” riep Anna ontsteld uit. „Zijt gij in zijne macht
-geweest?”
-
-„Ja.”
-
-„Den geheelen nacht?”
-
-„Neen; Allah heeft mij beschermd, en...”
-
-„Zoo, is die loopster terug?” viel haar eene stem in de rede, die de
-meisjes schrikken deed.
-
-Het was Anna’s moeder, die de pandoppo binnengetreden was, zonder dat
-de twee jonge meisjes haar hadden hooren naderen. Zij kwam uit de
-badkamer, zoo als haar rijke zwarte haardos bewees, die in prachtige
-golvingen zwierde, en de kabaja kletsnat gemaakt had, hoewel zij rug en
-schouders met een fijnen badhanddoek beschermd had, dien zij nu onder
-het achteroverbuigen van het hoofd van onder de lokken uittrok, en aan
-eene „nènèh” (oude Javaansche vrouw), die haar met de badbenoodigdheden
-onmiddellijk volgde, overreikte, met aanbeveling hem dadelijk te laten
-drogen.
-
-Mevrouw Laurentia van Gulpendam, geboren Termolen, was eene statige
-matrone, van ruim zeven lustra, wier uiterlijk nog zeer bevallig was en
-niet te veel door het moederschap geleden had. Zij had maar een kind,
-de lieve Anna, gebaard, dat zij nog, ten einde haren onberispelijken
-boezem niet te schaden en hare schoonheidsmiddelen niet te zien
-verwelken, aan de zorgen eener min toevertrouwd had. In weerwil van zoo
-veel voorzorgen deed zich toch de invloed van den tijd gelden, en al
-moest ook erkend worden, dat zij den jarenlast met eere torschte, zoo
-waren toch een laagje „bedak” (stuifmeel van rijst) en nog andere
-toiletgeheimmiddelen noodig, om hier en daar een onbescheiden rimpeltje
-te „breeuwen”,—volgens de uitdrukking van haren echtgenoot, die altijd
-veel met marinezaken had op gehad, en het eigenaardige taaleigen der
-zeemanswereld bij alles, zoowel in zijne officiëele omgeving, als in de
-huwelijkskoets te pas bracht,—of de teint wat te helpen, nog de
-frischheid der jeugd te vertoonen. Hier en daar zou een enkele
-zilverdraad in den rijken kastanjebruinen haardos even merkbaar worden;
-wanneer nènèh Wong toewa zich niet haastte bij de ontdekking, dat
-verraderlijke haar uit te trekken. De nog steeds fraai gevormde lippen
-begonnen ook wat van hun inkarnaat te verliezen; ook de mondhoeken
-volvoerden voor de ingewijden eene bijna nog onmerkbare nederhangende
-beweging, die eene onaangename plooi dreigde te vormen; maar nènèh Wong
-toewa had ook voor het mondtoilet eene zuurachtige vloeistof, welke
-door eene soort van „semoet api” [26] geleverd werd, en als vinaigre de
-toilette dienst deed, en voor de rimpels der mondhoeken een smeerseltje
-uit vet van „tjitjaks” en „gekko’s,” [27] waarin in gesmolten toestand
-ettelijke schorpioenen en duizendpooten den folterdood gestorven waren.
-Nènèh Wong toewa had als ervaren „doekoen” [28] nog meer wondermiddelen
-ter harer beschikking. Want betooverde de statige Laurentia nog steeds
-haren gemaal door hare bekoorlijkheden; moest de buitenwereld erkennen,
-dat zij nog steeds eene schoone vrouw genoemd moest worden; verwekten
-haar middel, hare schouders, haar boezem, wanneer zij in gala gekleed
-op eene dansreceptie verscheen, nog steeds afwijkende gedachten bij het
-mannelijke, en ijverzuchtige opwellingen bij het vrouwelijke gedeelte
-van het gezelschap, dan kwam nènèh Wong toewa daarvoor den eereprijs
-toe, dien zij dan ook, achter een schutsel staande, ten volle genoot,
-wanneer zij bij zoo’n gelegenheid hare „njonja” (mevrouw) bespieden en
-opmerken kon, hoe gevierd en aangebeden deze werd.
-
-Laurentia Termolen was eene residentsdochter, en een zeer lieftallig
-meisje, toen zij op nog zeer jeugdigen leeftijd—zij was toen nog geen
-zeventien jaar oud—in het huwelijk trad met den heer Van Gulpendam, die
-destijds controleur bij het binnenlandsch bestuur en de rechterhand van
-haren vader, den resident, was. Zij was in Indië, maar uit volbloed
-Europeesche ouders geboren, die haar voorzeker eene goede opvoeding
-hadden gegeven, wanneer het ten koste leggen van groote sommen voor het
-onderwijs in talen, in muziek, in dansen, enz. ja, het zenden van hun
-kind voor een paar jaar naar Nederland, daarop aanspraak kunnen geven.
-Onder gewone omstandigheden zou zij dan ook tot eene uitstekende vrouw
-gevormd zijn. Die omstandigheden hadden evenwel ontbroken; omdat papa
-en mama beiden uiterst heerschzuchtige wezens waren, die daarenboven,
-of beter ten gevolge daarvan, eene hoofdhartstocht hadden, namelijk de
-zucht tot grooten sier, tot groot vertoon. Maar dat kostte geld, veel
-geld, zeer veel geld zelfs, en de middelen, die gebezigd werden, om dat
-aardsche slijk machtig te worden, konden niet altijd den toets van
-welbegrepen eerlijkheid doorstaan. Als kind had Laurentia gesprekken
-opgevangen, later had zij dingen zien gebeuren, had zij kibbelarijen
-bijgewoond, waarin verkwistingszucht en oneerlijkheidsbeginselen om den
-voorrang twistten, en zoo was haar hart vergiftigd en zoo had zij
-kiemen van verderf in zich opgenomen, die de grootste verwoestingen
-zouden veroorzaken. Ware zij in Nederland in goede handen terecht
-gekomen, dan zouden die vergiftigde kiemen verstikt zijn; maar met haar
-was het als met zoo vele Indische kinderen gegaan. Men had haar
-gebezigd als eene bron van financiëele inkomsten, die terdege
-geëxploiteerd moest worden, en waar tegenover slechts een uiterlijk
-vernisje van goede manieren, un jargon de bon ton moest aangebracht
-worden. Van hartsontwikkeling, van inborst was geen sprake geweest.
-
-Van Gulpendam zou misschien, als hij er de man naar geweest was, er in
-geslaagd zijn, om nog een keer in dat gemoed te weeg te brengen. Maar
-deze, naar Indië gegaan om carrière te maken, en dan zoo spoedig, maar
-vooral zoo rijk mogelijk, naar Nederland terug te keeren, was zelf van
-geen allooi om anderen ten voorbeeld te strekken. Zijne leerschool bij
-den resident Termolen daarenboven was niet geschikt geweest, om hem op
-beteren weg te brengen. Daar had hij den stelregel: make money... but
-make money als het ware ingezogen, en zijne verbintenis met de schoone
-Laurentia had het hare bijgedragen, om dien nog dieper wortel te doen
-schieten.
-
-Na haar huwelijk had zij haren echtgenoot moeten volgen, die er voor
-zorgde steeds uiterst eenzame plaatsingen in de binnenlanden der
-residentie van zijn schoonvader te erlangen. Zoo was hij controleur te
-Brandowo geweest, daarna assistent-resident te Bandjar Oetara, plaatsen
-waar nagenoeg geen Europeesch personeel aanwezig was, en waar dus
-niemand de handelingen van het ambtenaarsgezin had kunnen gadeslaan.
-Hoe hij daar dan ook in uiterst goede relatiën gestaan had, èn met den
-regent van wege de cultuurprocenten [29], èn met den gedelegeerde van
-den opiumpachter, die beiden noodig hadden, dat de oogen van de
-Nederlandsche autoriteit niet te veel zagen; ook hoe zij geld uitleende
-tegen twee percent ’s maands en zich niet ontzag kostbare zaken als
-juweelen, poesaka-wapens [30] enz. in onderpand aan te nemen, was een
-diep geheim gebleven, en had Van Gulpendam niet verhinderd tot resident
-op te klimmen. Zijne jarenlange afzondering had ook geen gunstige
-uitwerking op zijn karakter, ook niet op dat zijner eega gehad. Door de
-gedurige aanraking met niemand anders dan ondergeschikten, die steeds
-voor hen bogen, was vooral het humeur van Laurentia onverdragelijk
-geworden. Zij was de heerschzuchtige vrouw verpersoonlijkt, en dat
-karaktergebrek was zoo met haar uiterlijk samengeweven, dat zij,
-wanneer zij zich in haar gevoel van eigenwaarde als residentsvrouw met
-vorstelijk voorkomen bij officiëele gelegenheden aan het vulgus
-vertoonde, voor een uitmuntend beeld van Juno, die meest trotsche van
-alle godinnen, zou hebben kunnen dienen.
-
-Dat was Anna’s mama, die de pandoppo binnentrad en bij het zien van
-baboe Dalima gramstorig uitriep:
-
-„Zoo, is die loopster terug? Zeg, „anak monjet,” (apenkind) waar ben je
-geweest? Zeker, jij „larie” (op den loop gegaan) met je „toenangan”
-(vrijer).”
-
-„Ampon, njonja,” (vergeving, mevrouw) kreet het Javaansche meisje, „ik
-ben niet weggeloopen.”
-
-„Heb je sienjo Leo niet in den steek gelaten in den tuin?”
-
-„Ik werd ontvoerd.”
-
-„Door wien?”
-
-„Door vreemde Chineezen.”
-
-„Hoe heeft zich dat toegedragen?”
-
-Het meisje verhaalde de ontvoering door Ong Kwat, die de lezer reeds
-vernam. Alleen dient hier nog bijgevoegd te worden, dat Sienjo Leo, een
-kind van den broeder van den resident was, dat sedert geruimen tijd bij
-de familie logeerde, daar de vader, sedert jaren weduwnaar, zich op
-Billiton bevond.
-
-„En waarheen werdt je gebracht?” vroeg de njonja resident niet zonder
-aandoening in hare stem, bij het zoo opwekkend verhaal van die
-schaking.
-
-„Aan boord van een groot schip.”
-
-„Van wie was dat schip?”
-
-„Ik weet het niet. Ik was er evenwel niet lang, toen kwam Lim Ho”...
-
-„Lim Ho?” riep mevrouw van Gulpendam uit. „Lim Ho, de zoon van Lim Yang
-Bing, den opiumpachter?”
-
-„Dezelfde,” antwoordde Dalima, die nog steeds aan de voeten van nonna
-Anna gehurkt zat, bedeesd.
-
-Om den mond van de njonja speelde een vreemde glimlach, terwijl hare
-oogen een bizonder vuur vertoonden.
-
-„Anna ga eens aan pa in de voorgalerij vragen, of hij geen kop koffie
-verlangt, en bezorg die dan,” sprak zij tot hare dochter.
-
-Toen het jonge meisje, dat den wenk begreep, verdwenen was, vroeg
-Laurentia haastig en met hijgenden boezem:
-
-„En?”....
-
-O, Dalima begreep dien blik zeer goed, hoe onervaren zij ook nog in de
-wereld was. Zij begreep ook, waarom de nonna heengezonden was.
-
-„Lim Ho ging opium schuiven,” antwoordde zij kalm.
-
-„Dat kan ik begrijpen,” [31] fluisterde de njonja meer dan zij sprak,
-terwijl zij een doordringenden blik op het meisje vestigde. „Dat kan ik
-begrijpen, alvorens....”
-
-Het is niet mogelijk een denkbeeld te geven van het gelaat van mevrouw
-van Gulpendam bij het laten glippen van dat woord „alvorens”. Die wild
-glinsterende oogen, die vooruitdringende, licht trillende onderkaak,
-die half geopende lippen, welke de hijgende ademhaling sissend doorgang
-verleenden, daarbij die zwoegende boezem onder de dunne en half natte
-kabaja, dat alles getuigde van hartstochten, die ongetemd loeiden. Op
-dat gelaat was alles te lezen, zelfs het leedwezen, dat Van Gulpendam
-zich niet aan het opiumschuiven overgaf.
-
-„En,.... wat gebeurde verder?” vroeg zij, na het meisje een poos
-aangestaard te hebben.
-
-„Niets,” was het rustige antwoord.
-
-„Niets!.... Je liegt, anak s...... [32] Lim Ho zou je aan boord van een
-vaartuig gelokt hebben, om....”
-
-„Alvorens hij met opiumschuiven klaar was, werd ik gered,” viel het
-meisje snel in.
-
-„Gered!... Gered!... Door wien?”
-
-„Door Ardjan!”
-
-„Door Ardjan!??? Door Ardjan!... O, jou slecht schepsel!” kreet de
-njonja. „Nu begrijp ik alles! Je hebt sienjo Leo in den steek gelaten,
-om een slippertje te maken met jou Ardjan, en nu wil je je achter Lim
-Ho verschuilen!... Wacht, ik zal jou!... Gulpendam!...
-Gulpendaaam!!...”
-
-Hare stem weerklonk, terwijl zij haren echtgenoot riep, zoo scherp en
-schril door de pandoppo, dat een paar bedienden kwamen aangevlogen, in
-den waan dat er onraad was.
-
-„Pangil toean besar!” (roep den grooten heer) klonk het bevel.
-
-„Ampon, njonja, ampooon!” (vergeving, mevrouw vergeving), kreet het
-meisje op langgerekten toon.
-
-„Neen, geen vergeving voor zoo’n slecht schepsel als jij!”
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-DE DRADEN VERWIKKELEN.
-
-
-De heer Van Gulpendam kwam aangevlogen. Als de schoone Laurentia riep,
-dan, hoewel hij de Kandjeng toean residèn (de hoogmogende heer
-resident) was, mocht hij de vlugheid in persoon geheeten worden. De
-booze wereld fluisterde, dat hij het niet mocht wagen, minder rap te
-zijn.
-
-Ook hij was nog op voet van vrede, dat wil zeggen: in slaapbroek en
-kabaja gekleed, en was juist bezig, in de voorgalerij van het prachtige
-residentiehuis gezeten, zijn kop koffie te slurpen en een sigaar te
-rooken, toen de stem van zijne vrouw door de geheele woning weerklonk.
-
-„Gulpendam!.... Gulpendaaam!”
-
-Bij het langgerekte van die laatste lettergreep vloog hij van zijn
-wipstoel met zoo’n vaart op, dat die wiegelmachine, onder den druk,
-daarbij ontvangen, vier voeten achteruit vloog.
-
-„Oppas!.... Pajoeng!.... lakas!” (oppasser!.... de zonnescherm!....
-Gauw!)
-
-Behalve het gebruiken van zeemanstermen had de man nog een zwak,
-namelijk steeds den pajoeng, dat emblema van gezag in het Oosten, in
-zijne nabijheid te willen hebben. In de voorgalerij stonden steeds een
-viertal van die zonneschermen in eene stelling naast den stoel, waarop
-de resident placht te zitten. In het kantoor stond er een vlak naast
-den schrijflessenaar van den hoofdambtenaar. In de residentelijke
-slaapkamer stond een ander recht zichtbaar naast het hoofdeneind van de
-echtelijke bedkoets. Er mochten eens dieven des nachts komen, die
-zouden vol ontzag voor het prestige van den pajoeng terugdeinzen! De
-heerschzuchtige Laurentia was voor die machtspreuk gezwicht en had het
-teeken des gezags van haren echtgenoot in haren troonzaal geduld. Maar
-zij had er met hand en tand aan vastgehouden, dat geen pajoeng in de
-pandoppo, waar zij als huisvrouw uitsluitend de macht in handen wilde
-hebben, verscheen. Wilde de resident eene wandeling maken, dan klonk
-het onveranderlijk: „Oppas!.... Pajoeng!” en dan volgden de
-zonnescherm, met den sigarenkoker en de „tali api” [33] (brandende
-lont) gedwee achter aan. Soms droeg de oppasser ook, wanneer de hooge
-wandelaar zijn voorhoofd door het frissche windje wilde laten afkoelen,
-de residentspet met breeden galon, eerbiedig in de hand, zooals een
-roomsch priester het sacrament zou gedragen hebben.
-
-Toen Van Gulpendam in de pandoppo verscheen, klonk hem vrij barsch in
-het oor:
-
-„Wat moet die pajoeng hier? Gij weet, dat ik dat ding niet zien wil
-hier!”
-
-En tot den oppasser klonk nog barscher:
-
-„Moendoer! lari! lakas!” (Achteruit! weg! gauw!)
-
-Een wenk van den resident aan zijnen onafscheidelijken oppasser deed
-dezen verdwijnen.
-
-„Hier; Dalima is terug,” begon mevrouw. „Raad eens, waar dat slechte
-schepsel geweest is.”
-
-„Hoe kan ik dat raden? Zij zal in de dèsa haar anker hebben laten
-vallen.”
-
-„In de dèsa!.... Het mocht wat!.... Zij is met haren Ardjan er van door
-geweest!”
-
-„Ampooon, njonjaaa!” kreet het arme meisje, dat genoeg Hollandsch
-verstond, om geen woord te verliezen.
-
-„En nu heeft ze een geheelen roman te vertellen,” ging mevrouw in een’
-adem voort. „Ze zou door Lim Ho ontvoerd zijn; en zij zou den nacht aan
-boord van een schip doorgebracht hebben! Denk eens aan!”
-
-Bij den naam van Lim Ho, en bij het gewagen van een schip, spitste de
-resident de ooren. Hij had toch rapport van den gezagvoerder van de
-Matamata ontvangen, dat de Kiem Ping Hin op de kust gezien was. Die
-schoenerbrik was het eigendom van den opiumpachter, die aan het hoofd
-stond der smokkelaars van het heulsap. [34]
-
-„Welk schip?” vroeg hij met eenige drift.
-
-„Weet ik het?” was het antwoord van mevrouw. „Vraag het die slechte
-meid.”
-
-„Ampooon, njonjaa!” kreet Dalima, die steeds op den grond gehurkt zat.
-„Ampooon, njaa!”
-
-„Kom, vertel, wat er gebeurd is, Dalima,” vroeg de resident op goedigen
-toon.
-
-„Allah, toean!” (O, God, mijnheer). „Zij hebben Ardjan gevangen
-genomen! Kassian!” (heb medelijden).
-
-„Ardjan gevangen genomen?.... Maar, wie....?”
-
-„Babah Than Khan en babah Liem King,” antwoordde het meisje weenend.
-
-„Een paar handlangers van den pachter,” prevelde Van Gulpendam
-binnensmonds en overluid. „Waar werd hij gevangen genomen?”
-
-„Bij de Moeara Tjatjing toean!”
-
-„Hoe kwam hij daar?”
-
-„Hij was met mij ontvlucht!”...
-
-„Hoort ge wel?” gilde mevrouw.
-
-„Van het schip,” vulde Dalima snikkend aan.
-
-„Van het schip!... van het schip!” kreet Laurentia. „Ontvlucht van hier
-uit het huis! Dat zal meer de waarheid zijn!”
-
-„Laat haar toch van wal steken, anders bezeilen wij nooit geen land”,
-bromde de resident. En zich tot het meisje wendende. „Vertel nu eerst,
-hoe ge aan boord van dat schip gekomen zijt.”
-
-Dalima, steeds met gekruiste beenen op den vloer zittende, verhaalde
-thans hare lotgevallen, van af dat ze uit den tuin der residentswoning
-ontvoerd werd, totdat ze, na de touwen doorgebeten en zich zelve
-bevrijd te hebben, ontvlucht was. Reeds bij het begin van dat verhaal
-was nonna Anna de pandoppo weer binnengetreden en had daarvan alles
-aangehoord.
-
-„Ardjan is dus daar aan de Moeara Tjatjing achtergebleven?” vroeg de
-resident.
-
-„Hij was gebonden, toen hem de twee Chineezen aan een „pikolan”
-(draagstok) wegdroegen. Ver hebben zij hem evenwel niet gebracht; want
-ik had ternauwernood mijne voeten ontslagen van de touwen, die mij
-bonden, toen ik het licht hunner lantaarn tusschen de bladeren zag
-schitteren, en ik hunne stemmen hoorde naderen. Ware het dag geweest,
-dan zouden zij mij hebben moeten zien vluchten. Waarschijnlijk zou ik
-dan niet ontkomen zijn.”
-
-„Zou Ardjan daar nog zijn?” vroeg de resident met nadruk.
-
-„Dat weet ik niet, toean. Ik hoorde hen zeggen, dat zij eerst hem en
-daarna mij naar de djaga monjet wilden brengen.”
-
-„Naar de djaga monjet?... Oppas!... Oppas!...” riep Van Gulpendam.
-
-„Ik zou den pajoeng maar weglaten!” sprak zijne echtgenoote vrij
-schamper.
-
-„Oppas,” beval de resident, zonder op die liefelijke aanmerking te
-letten, aan den binnengetreden dienaar: „Oppas, ga onmiddellijk met een
-paar van uwe makkers naar de Moeara Tjatjing. Roep volk van de naburige
-dèsa op. Neem dan genoegzaam lieden tot assistentie mede, en tracht den
-Javaan Ardjan te arresteeren. Hier, baboe Dalima zal u tot gids
-verstrekken.”
-
-„Gelooft ge dus het verhaal van die deern?” vroeg zijne vrouw.
-
-„Niet geheel en al. Ik heb er evenwel belang bij, die zaak tot
-helderheid te brengen.”
-
-En zich tot den oppasser wendende:
-
-„Voldoe stipt aan het bevel, en breng mij zoo spoedig mogelijk rapport.
-En nu ga, neem Dalima mede.”
-
-Toen de oppasser met het Javaansche meisje vertrokken was, fluisterde
-hij tot zijne vrouw:
-
-„In die geheele zaak ligt een opium-schandaal, weest er verzekerd van.
-Waar Lim Ho in betrokken is, kan niet anders dan eene zaak zijn, die
-het licht niet mag zien. En is mijne peiling juist.... dan zal de rijke
-pipa moeten over de brug komen.”
-
-Bij die laatste woorden maakte de resident met den duim en voorsten
-vinger der rechterhand eene beweging, die geldafschuiven moest
-beteekenen. Mevrouw Van Gulpendam trachtte dat gebaar, door met een
-blik op hare dochter Anna te wijzen, te stuiten.
-
-„Kom, kom,” sprak de heer gemaal ietwat hoonend, „zij is geen kind
-meer. Op haren leeftijd hadt gij bij uwe ouders al veel meer gezien.
-Langzamerhand zal zij ook moeten leeren begrijpen, van waar het geld
-komt, dat het huishouden kost. Niet waar Anna?” ging hij voort, terwijl
-hij het meisje onder de kin streelde. „Als ge later getrouwd zult zijn,
-zult ge ook wel gaarne in eene fraaie woning gehuisvest zijn, zult ge
-ook gaarne veel juweelen, de prachtigste japonnen, de elegantste
-rijtuigen, de fraaiste en de vurigste paarden hebben?”
-
-„Wie zou dàt niet?” antwoordde het lieve kind met een bekoorlijken
-glimlach... „hoewel”... ging zij aarzelend voort, „ik aan juweelen en
-prachtige japonnen niet bizonder hecht...”
-
-„Jawel, jawel,” zei de resident lachend. „We kennen dat. Op dien
-leeftijd denken alle meisjes: most adorned, when unadorned. Dat
-verandert evenwel later, en dan begrijpen alle vrouwen, dat het een
-levenskwestie is, zich zoo schoon mogelijk te maken... En nu Anna, ga
-eens kijken of mijn ontbijt in de voorgalerij gereed gezet is. Zorg
-voor kalkoeneitjes. De heer Van Nes, mijn secretaris, zal ze komen
-keuren. Zorg voor de eer van de kombuis.”
-
-Toen het meisje weg was, ging hij voort tot Laurentia:
-
-„Over een paar dagen moet ik onzen beer aan John Pryce te Batavia
-betalen. Dat zijn 20.000 gulden, waarvan ik het eerste duizendtal niet
-eens bij elkander heb. Is mijn bestek omtrent die zaak van Lim Ho goed,
-och, dan zeilt die duitenkwestie koers; ja dan zal nog wel wat meer
-gelogd worden, en een sommetje overschieten. En dat kan te pas komen,
-nietwaar?”
-
-„Maar, dat wegloopen van Dalima?....”
-
-„Niet te vlug van stapel! Is het anker te water gegaan, zoo als zij
-verhaald heeft, dan.... Ja dan vrees ik, dat Lim Ho achter het net
-gevischt heeft. Maar.... dat zal hem nog meer zeil doen bijzetten....
-En goed beschouwd, als wij het roer onwrikbaar houden, dan zal ons die
-zaak geen labberkoeltje zijn; want zoo’n Chinees heeft voor het
-bevredigen zijner hartstochten veel, zeer veel over. Laat mij nu het
-zeil naar den wind brassen, en zorgt gij alleen, dat gij mij de loef
-niet afsteekt.”
-
-
-
-Het was zoo heel vroeg niet meer,—ongeveer half acht des avonds,—toen
-de uitgezonden oppasser den resident rapporteeren kwam, dat hij Ardjan
-op aanwijzing van Dalima gevonden had.
-
-Toen de heer Van Gulpendam die mededeeling ontving, was hij pas van het
-diner opgestaan, en zat met ega en dochter in de voorgalerij der
-prachtige residents-woning de vrienden en bekenden af te wachten, die
-den na-avond van dien dag in den gezelligen kring van de gastvrije
-familie wenschten door te brengen. Ja, in den gezelligen kring van die
-gastvrije familie! Want in weerwil van de gebreken, welke de
-echtelieden aankleefden, verdienden zij die euphemistische waardeering
-ten volle. De zucht tot schitteren droeg, wel is waar, het hare daartoe
-bij, maar werd door le bon ton van mevrouw en mijnheer zoodanig
-getemperd, dat de gezelligheid eer bevorderd dan benadeeld werd.
-
-Iedereen had evenwel op zulke avonden geen toegang tot het
-residentie-huis. Neen, de algemeene receptiën hadden slechts eenmaal
-des weeks en wel op Woensdag plaats. Dan werden de kleine ambtenaren,
-de subalterne officieren, de leden van den handelsstand, de planters,
-de vreemden, de onverschilligen in één woord, ontvangen. Dan troonde de
-resident, in zijn rok van lichtblauw laken met zilveren knoopen, en wit
-cachemiren pantalon gekleed, in al den luister, dien een residentelijk
-ambt aan een sterveling verleenen kan. Dan was de schoone Laurentia met
-al hare juweelen getooid, aan eene schitterende pauw gelijk. Maar, dan
-was ook tusschen de zuilen van die woning geen zweem van gezelligheid
-te vinden. Dan waren trotschheid, verwaandheid, laatdunkenheid en
-hooghartigheid aan den eenen kant, en deemoed en gedweeheid, soms
-vermengd met nauwelijks bedwongen spotzucht, aan den anderen, schering
-en inslag van het samenzijn.
-
-Neen, de gewone avonden waren voor de intimes of voor de
-hooggeplaatsten, die door hunne traktementen of inkomsten den
-residents-troon nabij kwamen. Dan verschenen de Afdeelings-Kommandant,
-die minstens kolonel was, de President van den raad van Justitie, de
-Chef van den geneeskundigen dienst, de Voorzitter van den landraad, de
-Secretaris der residentie, de Vertegenwoordiger der Kompanie ketjiel
-(Handelmaatschappij), enz. Die kwamen dan zonder omstand, zonder
-bizondere plichtplegingen, koutten een oogenblik met mevrouw en met de
-lieve Anna, behandelden dan de nieuwtjes van den dag, waarna zij aan de
-speeltafeltjes plaats namen, om een ombertje te leggen. Gewoonlijk
-maakte mevrouw Van Gulpendam haar partijtje dan mede, en was in den
-regel niet de minst gelukkige, vooral wanneer in den naävond een
-fijntje tegen een gulden het fischje met een pot gespeeld werd. Het
-jonge meisje maakte dan van die speelzucht gebruik om, wanneer voor de
-behoorlijke bediening der spelenden gezorgd was, naar binnen te
-sluipen, aan de piano in de binnengalerij plaats te nemen, en daar het
-hartje op te halen aan de melodieën van Chopin, van Beethoven, van
-Mozart en van zooveel andere virtuozen, wier meesterstukken door het
-lieve kind met eene ware geestverrukking beoefend werden.
-
-Zoo zou het heden avond ook geschieden, hoewel aan het pianospel een
-andere dienst zou opgedragen worden.
-
-Toen toch de oppasser den resident het wedervaren van Ardjan tot in de
-kleinste bizonderheden medegedeeld had, ook dat hij den Javaan, die in
-ijlende koorts verkeerde, naar het hospitaal ter behandeling gebracht
-had, helderde het gelaat van den hoofd-ambtenaar op.
-
-„Te drommel,” prevelde hij tusschen de tanden. „Die gekheid met die
-duivelsnetels kan den pipa van Lim Ho duur te staan komen.”
-
-Met de meeste aandacht volgde mevrouw Van Gulpendam van verre de
-aandoeningen, die zich op het gelaat van haren echtgenoot weerkaatsten.
-Wat evenwel de goede luim van den resident ten top voerde, was dat de
-oppasser rapporteerde, dat zijne lieden, geholpen door het dèsavolk,
-eenige vaatjes en eenige blikken gevonden hadden, die onder dik
-struikgewas ingegraven waren, en waarschijnlijk opium bevatten.
-
-„Wie hebben die vaatjes en blikken gevonden?” vroeg de resident.
-
-„Wij allen, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser, die voor zijn heer
-met gekruiste knieën zat.
-
-„Ook het dèsavolk?”
-
-„Engèh (ja) Kandjeng toean.”
-
-Dat antwoord stond den resident niet erg aan, dat was op zijn gelaat
-genoeg leesbaar.
-
-„En waar hebt ge die vondst gelaten? Hebt ge haar hierheen
-meegebracht?” vroeg hij verder.
-
-„Ampon, (vergeving) Kandjeng toean! Ik heb die vaatjes en die blikken
-bij den assistent-resident van politie afgegeven.”
-
-„Ezel!” bromde de resident tusschen de tanden.
-
-„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser, die het epitheton niet
-begreep.
-
-Het woord „engèh” ligt den Javaan in den mond bestorven, wanneer hij
-tot een Europeaan spreek. Het is het antwoord, wat hij ook geeft,
-wanneer hij het hem toegevoegde niet begrijpt. Het moet niet zoozeer
-opgenomen worden als de uitdrukking van eigen meening, als wel als een
-beleefd toegeven aan de meening van de boven hem gestelden. Van
-Gulpendam kende het Javaansche karakter te goed, om over het antwoord
-verbaasd te zijn.
-
-„Ga naar den assistent-resident,” zei hij, en „zeg, dat ik hem verzoek
-dadelijk bij mij te komen.”
-
-De oppasser schoof op zijn zitvlak eenige passen achteruit, stond toen
-op, en ijlde heen om den ontvangen last te volvoeren. Nauwelijks was
-hij weg, of een paar der verwachte gasten kwamen opdagen. Een oogenblik
-later was, na de gewone begroetingen, en plichtplegingen, het gesprek
-algemeen.
-
-Anna maakte van die gelegenheid gebruik, om naar achteren te gaan.
-Dalima was terug, en zij was nieuwsgierig, hoe het met Ardjan was
-afgeloopen. Zij had wel eenige woorden van haren vader met den oppasser
-opgevangen; maar het rechte was haar toch ontsnapt.
-
-Toen zij achter in de pandoppo kwam, vond zij het lieve Javaansche
-meisje daar gehurkt zitten, terwijl haar de tranen langs de wangen
-stroomden.
-
-„Wat is er gebeurd, Dalima?” vroeg Anna. „Kom vertel mij.”
-
-„O Nana!... zij hebben mijn Ardjan zoo mishandeld!”
-
-En daarop verhaalde het meisje in welken deerniswaardigen toestand zij
-den Javaan teruggevonden had.
-
-„O, had ik maar eerder kunnen aankomen!” kreet zij.
-
-„Maar, wie heeft hem zoo mishandeld?” vroeg Anna.
-
-„Lim Ho,” antwoordde Dalima.
-
-„Lim Ho? Hoe kwam die daar?”
-
-„Dat weet ik niet; maar ik heb hem goed herkend, toen hij voorbij de
-djaga monjet de Moeara Tjatjing uitvoer.”
-
-„Kunt ge u niet vergist hebben, Dalima?”
-
-„Neen, Nana; ik zag hem de vuist ballen, toen hij voorbij voer. Ik ben
-zeker, dat hij teruggekeerd zou zijn, als hij maar gedurfd had. Ook
-sprak Ardjan eenige woorden, die mij zekerheid verschaften.”
-
-„Maar, waarom heeft hij Ardjan zoo met de Kamadoog mishandeld?”
-
-„Weet ik het? Waarschijnlijk omdat hij mijn verloofde is; misschien
-ook, omdat hij mij van de Kiem Ping Hin, ontvoerd en gered heeft. O,
-Nana, de arme Ardjan is waanzinnig. Hij spreekt slechts wartaal.”
-
-„En waar is Ardjan nu?”
-
-„In het hospitaal, waar de oppassers hem gebracht hebben, nadat zij bij
-den assistent-resident van politie geweest zijn.”
-
-„Bij den assistent-resident? Wat moesten zij daar doen?”
-
-„Daar hebben zij eenige vaatjes en ettelijke blikken met opium
-afgegeven,” antwoordde Dalima.
-
-„Opium?” vroeg Anna verschrikt. „Waar hebben ze die gevonden?”
-
-„In de nabijheid der hut, waar Ardjan gemarteld werd.”
-
-„In de nabijheid der .... Dus te gelijk met hem gevonden?”
-
-„Ja, Na!”
-
-Het blanke meisje dacht een oogenblik na.
-
-„Als dat maar niet noodlottig voor Ardjan zal zijn!” prevelde zij
-binnen’smonds.
-
-En na een oogenblik het stilzwijgen bewaard te hebben, als om hare
-gedachten te verzamelen, vroeg zij:
-
-„Waart ge alleen met Ardjan, toen gij met de djoekoeng het schip
-verliet?”
-
-„Ja, Nana!”
-
-„Was niets in die djoekoeng? Herinner je goed.”
-
-„Neen, niets! Wat zou er in hebben kunnen zijn? Wij hebben ons langs
-eene „tali” (touw) er in laten zakken, terwijl de storm bulderde, en
-waren blij van het schip zoo spoedig mogelijk verwijderd te geraken.”
-
-Nonna Anna dacht nog een oogenblik na. Daarna sprong zij op, liep naar
-hare kamer, die in de binnengalerij uitkwam, en was in een oogwenk weer
-terug met hare schrijfcassette in de hand. Zij zette zich neder bij een
-der lampen, die de pandoppo verlichtten, en schreef ijverig een
-briefje. Toen dat klaar was, zei ze tot de baboe:
-
-„Gij wilt het welzijn van Ardjan, nietwaar, Dalima?”
-
-„Zeker, Nana!”
-
-„Breng dan dat briefje bij den heer Van Nerekool, ge weet wel?....”
-
-„Ja, die in Gang Aboe, dicht bij de Roomsche kerk woont. Maar, dat is
-zoo ver. En het is reeds zoo laat.”
-
-„Zeg dat Sodikromo, de tuinjongen met je meegaat. Neem een „sâdos”
-(dos-à-dos), dan is de boodschap spoedig volbracht. Spoedig, haast je!”
-
-Een oogenblik later waren Dalima en Sodikromo in zoo een voertuig, om
-de boodschap der nonna uit te voeren.
-
-Middelerwijl hadden mevrouw en de resident Van Gulpendam hunne gasten,
-die reeds aangekomen waren, met al de beleefdheid en minzaamheid, die
-zij ontwikkelen konden, ontvangen.
-
-„Wel, dat is lief van u, kolonel, dat gij heden avond ons partijtje
-getrouw blijft,” sprak de schoone Laurentia tot een der nieuw
-aangekomenen, die hoewel niet in uniform gekleed, toch door zijne
-houding, maar wel het allermeest door zijn borstelig geknipt wit
-hoofdhaar en zijnen stekeligen grauwen knevel, den militair verried.
-
-„Wel, mevrouw, waarom zou ik ons partijtje heden avond niet getrouw
-gebleven zijn?” was de vraag van den hoofdofficier.
-
-„Van Gulpendam heeft mij verteld, dat er weer nare tijdingen van Atjeh
-zijn, en dat vele troepen uit deze militaire afdeeling derwaarts moeten
-vertrekken. Nu dacht ik, dat bezigheden u soms zouden verhinderd
-hebben, om...”
-
-„Om mijn ombertje te leggen? Toch niet, mevrouw. Er zou al heel veel
-moeten gebeuren, dat mij er toe brengen zou, zoo’n lief gezelschap te
-leur te stellen. Neen, ik heb mijne bevelen gegeven, en voor de rest
-zorgt mijn chef van den staf.”
-
-„En gij, overste,” wendde mevrouw zich tot een ander harer gasten.
-„Hadt gij het heden niet druk met die nare tijdingen. Er zal ook wel
-weer eene belangrijke ambulance meê moeten, nietwaar? Ik heb ten minste
-als gedelegeerde van het Roode Kruis van het Centraal Comité te Batavia
-in dien zin eene mededeeling ontvangen.”
-
-„Och, neen, mevrouw, over drukte heb ik niet te klagen,” antwoordde
-deze, die chef van den geneeskundigen dienst te Santjoemeh was. „De
-voorzieningen voor de versterking naar Atjeh zijn allen getroffen, en
-heb ik daaraan mijne aandacht niet meer te wijden. Toch is het gevaar
-groot geweest, dat ik heden avond geen deel aan ons partijtje had
-kunnen nemen.”
-
-„Ei zoo! Toch geen gevaarlijke zieke onder onze kennissen?” vroeg
-mevrouw Van Gulpendam deelnemend.
-
-„Gelukkig, neen. Maar, terwijl ik aan het dineeren was, kwam mij de
-geneesheer van de wacht uit het hospitaal verwittigen, dat er een
-Inlander door politie-agenten binnen gebracht was, die
-ziekteverschijnselen vertoonde, welke hem uiterst vreemd voorkwamen, en
-waaromtrent zijne diagnostika hem in den steek liet.”
-
-„Zijne... Wat liet hem in den steek?” vroeg mevrouw Van Gulpendam.
-
-„Zijne diagnostika, mevrouw. Vergeef mij dat barbaarsche woord,”
-antwoordde de overste. „Maar dat is de leer van de herkenning der
-ziekten. Daar de lijder in het oog van den jeugdigen arts in extremis
-was, bleef mij niets anders over, dan met hem naar het hospitaal te
-gaan. Gij weet de toewijding van een geneesheer moet die eens priesters
-zijn.”
-
-„Jawel, jawel; maar ga voort.”
-
-„Ik kwam bij den lijder. En raadt eens wat het was? O, die jeugdige
-artsen van de hedendaagsche school! Die man had den mond vol van
-absente diaeresis; van aanwezige efflorescentia en formicatie, gepaard
-aan hemiantropie; maar zag niet, dat hij met eene eenvoudige maar toch
-flink toegepaste urticatie te doen had.”
-
-„Met eene flink toegepaste wat?” vroeg de residentsvrouw.
-
-„Urticatie, mevrouw, of zooals dat hier genoemd wordt: met eene flink
-toegepaste geeseling met karbouwbladeren.”
-
-„Met karbouwbladeren?” vroeg de resident, die bij dat woord aandachtig
-werd. „Die worden immers in het Javaansch Kamadoog geheeten?”
-
-„Juist, resident.”
-
-„Nu, overste. Laat vieren je verhaal. Loop van stapel alsjeblieft. Een
-tienmijls vaart!”
-
-„Wel. Die oolijke arts had mij wel kunnen thuis laten. Er viel niets
-anders te doen, dan wat de Javanen reeds voor den lijder gedaan hadden,
-namelijk de pijnlijkste plekken met sirihkalk in te smeeren, en de
-overige met versche klapperolie. De man lag in een hevige ijlende
-koorts; maar daarvoor had ik niet moeten geroepen zijn. Daarvoor heeft
-die arts zijne antifebrilia en zijne antidinika.”
-
-„Hoelang duren de gevolgen van zoo’n urticatie, zoo als gij dat noemt,
-overste?” vroeg de resident.
-
-„Ja, dat’s ongelijk, dat hangt er van af, hoelang de geeseling geduurd
-heeft. Het onderhavige sujet heeft er duchtig van langs gehad. Ik denk,
-dat de ijlende koorts nog wel twee maal vier en twintig uren zal duren.
-Daarna zal zij afnemen. Maar, het zal wel veertien dagen duren,
-alvorens die man weer op de been zal zijn.”
-
-„Drommels, zoo lang?” vroeg Van Gulpendam.
-
-„Ja, en dat nog wel in het gunstigste geval, resident.”
-
-„En blijven geen nadeelige gevolgen later over?”
-
-„Als de lijder de koorts goed doorstaat, neen.”
-
-„Ook geen litteekenen, geen huidverkleuring?”
-
-„Neen, resident.”
-
-„Zoodat later na genezing, de mishandeling niet te constateeren is?”
-
-„Neen, volstrekt niet.... Maar, resident, die vragen.... Stelt gij
-belang in den lijder?”
-
-„Neen, hoe zou ik dat kunnen? Ik ken hem niet eens. Ik weet van het
-geval niet eens af; maar ik heb wel eens van die eigenaardige Hoekoem
-Kamadoog gehoord en was begeerig iets van hare gevolgen te vernemen.”
-
-Andere gasten verschenen, waardoor dat gesprek afgebroken werd. Na de
-gewone plichtplegingen werd vier en vier plaats aan de speeltafeltjes
-genomen, terwijl de lieve Anna zich met de thee onledig hield. Maar nog
-waren de omberpartijtjes niet begonnen, toen de assistent-resident van
-politie verscheen. Na zijne eerbiedige hulde aan de dames des huizes
-gebracht, en met de aanwezigen een handdruk gewisseld te hebben, sprak
-hij tot den huisheer:
-
-„Vergeef mij, resident, dat ik u stoor; maar ik kreeg de boodschap
-dadelijk bij u te komen.”
-
-„Juist, mijnheer Meidema,” antwoordde de heer Van Gulpendam opstaande,
-en tot zijne partners: „Heeren,” zei hij, „gij zult een oogenblik met u
-drieën moeten spelen.... Kom, Meidema.”
-
-De twee ambtenaren traden een zijvertrek in van de binnengalerij.
-
-„Mijnheer Meidema,” begon de resident dadelijk, nadat hij de deur van
-het vertrek zorgvuldig gesloten had. „Er is heden eene belangrijke
-opium-aanhaling gedaan, nietwaar?”
-
-„Ja, resident. Er zijn bij mij afgegeven drie botervaatjes en vijftien
-blikken. In de botervaatjes is de opium verpakt evenals boter, d. w. z.
-er is een vaatje van tien kilo in een ander geplaatst, en met grof zout
-omgeven. De blikken bevatten ieder vijf kilo ongeveer. Zoodat de
-aanhaling nagenoeg anderhalve pikol bedraagt.”
-
-„Zoo, nog al aardig,” meende de resident.
-
-„Die ongeveer negen duizend gulden waard is,” vulde Meidema aan.
-
-„He! he! mijnheer Meidema. De regeering verstrekt de ruwe opium tegen
-dertig gulden het katie aan de pachters. Derhalve 150 × 30 is volgens
-mij nog maar vier duizend vijf honderd gulden. Is ’t niet?”
-
-„Ja, resident, U hebt gelijk. Maar de aanhaling betreft geen ruwe
-opium, maar tjandoe. En gij weet wel, dat van een katie opium slechts
-15⁄32 tjandoe na zuivering gewonnen wordt.”
-
-„Zoo?” sprak de heer Van Gulpendam met een doordringenden blik op den
-assistent-resident. „Maar is het wel opium?”
-
-„Het is beter dan dat,” antwoordde deze zonder den wenk te begrijpen.
-„Het is tjandoe, zooals ik zei. Zie, hier heb ik een monster. Het is
-zuiver Bengaalsch product.”
-
-„Zouden we dat monster niet eens in handen van een scheikundige
-stellen?”
-
-„Zoo als ge wilt, resident. Maar, mij dunkt, dat het geheel overbodig
-is. Het is tjandoe, die op zijn minst vijf en twintig à dertig percent
-morphium [35] bevat.”
-
-„Zoo!.... Ik meen maar.... Enfin, gij moet het weten. De smokkelwaar is
-u in handen gesteld.... Gij kent de herkomst van die vaatjes en
-blikken, nietwaar?”
-
-„Ja, resident. Uw „kapala oppas” (hoofd der oppassers) heeft mij
-gerapporteerd, dat die opium afkomstig is van de Kiem Ping Hin, en gij
-weet wie....”
-
-„Van de Kiem Ping Hin?.... Hoe komt gij er aan?”
-
-„Hoe ik er aan kom, resident? Wel, ik zeide het u reeds. Van uw kapala
-oppas.”
-
-„Oppas! Oppas!!” riep de heer Van Gulpendam met uitgezette stem.
-
-Als een stormwind kwam zoo’n gedienstige geest aangevlogen.
-
-„Is dat de man, die bij u geweest is?” vroeg de hoofdambtenaar aan den
-assistent-resident.
-
-„Ja, resident.”
-
-„Oppas,” sprak de heer Van Gulpendam, terwijl hij den Javaanschen
-bediende met strakken blik aankeek, „die opium, die gij bij den toean
-assistent bracht, is immers bij Ardjan gevonden?”
-
-„Engèh, Kandjèng toean!” antwoordde de oppasser; „tapèh (maar)....”
-
-„Niets van tapèh! Eenvoudig, ja of neen!” hernam de resident op
-strengen toon.
-
-„Engèh Kandjèng toean!”
-
-„Hoort gij het, mijnheer Meidema?”
-
-„Ja, resident, ik hoor het,” antwoordde deze met strak gelaat.
-
-„Gij zult dus dienovereenkomstig de verbalen laten opmaken.”
-
-„Maar, resident....”
-
-„Geen maren, mijnheer.. Ge hebt slechts stipt uwen plicht te
-vervullen.”
-
-„Is er nog iets van uwe bevelen, resident?”
-
-„Dank u.”
-
-Een oogenblik later waren de twee omberpartijtjes in vollen gang, en
-hief de schoone Laurentia een juichkreet aan. Zij had vier matadors
-zesde schoppen, met groot mariage klaveren en harten zeven in de hand.
-
-„Vole déclarée, schoppen!” riep zij.
-
-„Begint ze nu al met hare rafelbuien!” bromde haar echtgenoot, die aan
-het andere tafeltje zat. „Dat’s vroeg.”
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-IN DE VOOR- EN BINNEN-GALERIJ.
-
-
-Toen de heer Meidema het residents-erf met zijn milord verliet, reed
-juist een ander voor en stapte de heer van Nerekool de trappen op, die
-toegang tot de voorgalerij verleenden, waarin de spelers gezeten waren.
-
-Het zal den lezer wellicht vreemd voorgekomen zijn, dat een jeugdig,
-fijngevoelig, beschaafd meisje, als Anna van Gulpendam was, een briefje
-aan een jong mensch durfde te schrijven, ook dat die jonkman zoo
-dadelijk aan die roepstem gehoor gaf. In de eerste plaats mag niet
-vergeten worden, dat de lieve Anna, toen zij dat briefje schreef,
-geheel aan den aandrang van baboe Dalima gehoorzaamde, en om redding
-aan te brengen, geheel aan de uitspraak van haar hart gehoor gaf,
-zonder te bedenken, dat hare handeling minder welvoegelijk geheeten kon
-worden. Dan ook moet verhaald worden, dat tusschen de twee jongelieden
-wel geen liefdesverkeer bestond, maar toch eene soort aantrekking
-jegens elkander ontstaan was, geboren uit overeenkomstige
-gewaarwordingen, die zich al heel spoedig bij hunne wederzijdsche
-aanrakingen geopenbaard hadden. Beiden waren naturen van edelen
-stempel, wier eigen hart en brein onbezoedeld en derhalve niet in staat
-waren, elkander van berispenswaardige gedachten te verdenken. Eene
-genegenheid bestond tusschen hen, dat viel niet te miskennen. Maar
-voorshands was dat nog niets dan de band, die twee naturen van hunnen
-stempel in het goede en het edele aaneenstrengelde. Of die genegenheid
-een meer teederen vorm zou kunnen aannemen? De toekomst zal dat
-wellicht ontsluieren.
-
-„Goeden avond, mevrouw. Mag ik naar den staat uwer gezondheid
-vernemen?”
-
-„Is die lummel daar weer! Wat komt die kadrajer aan boord doen?” bromde
-de resident tusschen de tanden, terwijl de schoone Laurentia zoo
-aanminnig mogelijk antwoordde:
-
-„Wel, dat is lief van u, mijnheer Van Nerekool, u te vertoonen.
-Waarlijk, gij verwent ons niet. Uwe bezoeken zijn al zeer zeldzaam.”
-
-„Ik voel mij gelukkig, dat mevrouw Van Gulpendam zulks opmerkt,” hernam
-de pas aangekomene, „maar gij weet, ik speel niet, en bij zulke
-hartstochtelijke liefhebbers, ben ik op zijn minst genomen, ik zou het
-haast noemen, fâcheux troisième.”
-
-Zijn blik waarde bliksemsnel door de galerij rond; maar vond niet wie
-hij zocht. Zich tot de heeren wendende:
-
-„Wel resident, ik behoef naar uw welstand niet te vragen. En u,
-kolonel, en u, overste, evenmin. Gij allen zijt de gezondheid
-gepersonifieerd. Hoe maken de heeren het met het partijtje? Wel, heer
-secretaris,” ging hij voort, tot een der heeren aan het andere
-tafeltje.
-
-„Het mocht beter,” pruttelde deze. „De avond is mooi begonnen.”
-
-„Ja, mijnheer Van Nerekool,” zei mevrouw van Gulpendam. „Gij zijt een
-oogenblik te laat gekomen. Ik heb zoo even een prachtige vole gespeeld
-en gewonnen!”
-
-„Een vole, mevrouw?”
-
-„Ja, en een gewaagde ook! Verbeeld u. Ik had vier matadors zesde in de
-schoppen, groot mariage klaveren en harten zeven.”
-
-„En hebt ge dien gewonnen mevrouw?”
-
-„Ja, zeker, door mijn fijn spel. Ik speelde eerst drie matadors, toen
-waren de troeven er uit. Daarop speelde ik klaverenheer en ging toen
-door met twee troeven...”
-
-„Jawel,” viel de secretaris in. „En ik liet mij verschalken. Ik had
-klaverenboer derde en hartenheer. Ik zag het harten regenen: vrouw,
-boer, aas, enz., enz., dat viel achter elkander. Op die troeven speelde
-mevrouw klaverenvrouw, daarop weer troef en nog eens troef. Ja, ik had
-de klaveren zorgvuldig geteld; de zeven was nog niet gevallen. En....
-waarachtig! daar wierp ik mijn hartenheer weg, en....”
-
-„Zal de heer Van Nerekool een kop thee of een kop koffie gebruiken?”
-brak eene lieftallige stem, die omberverhandeling af.
-
-De aangesprokene keerde zich met drift om.
-
-„Dag juffrouw Anna! Hoe vaart gij?” vroeg hij innig belangstellend.
-„Maar, waartoe dat te vragen? Gij ziet er uit als eene pas ontloken
-Devonshire-roos, zoo lieftallig, zoo....”
-
-„Zult gij thee of koffie gebruiken?” vroeg Anna, op wier lippen een
-schalkschen glimlach zweefde bij die komplimentjes.
-
-„Hebt gij de koffie gezet, juffrouw Anna?”
-
-„Neen, de kokkie deed dat.”
-
-„En de thee?”
-
-„O, dat ’s mijn departement, mijnheer Van Nerekool.”
-
-„Mag ik dan om een kop thee verzoeken?”
-
-„De kokkie heeft anders lekkere koffie van echte Preanger
-mannetjes-boonen gezet,” riep mevrouw Van Gulpendam den jongen man toe.
-
-„O, ik twijfel geen oogenblik aan het meesterschap in het koffiezetten
-van uwe kokkie, mevrouw; maar vergeef mij, ik zal een kop thee
-prefereeren. Dat heeft nog zoo iets vaderlandsch; juffrouw Anna, als ik
-u bidden mag, een kop thee.”
-
-„Ja, maar op eene voorwaarde,” snapte het jonge meisje.
-
-„Bij voorbaat aangenomen! Welke is die voorwaarde?”
-
-„Dat gij straks de fleurs d’oranger, gij weet wel die keurige
-quatre-mains van Ludovic met mij speelt...”
-
-Van Nerekool trok een bedenkelijk gezicht.
-
-„Of gij nu ook al een gezicht zet als eene muffe rechtspleging, dat
-baat u ziet zooveel niet,” ging het jonge meisje voort, terwijl zij met
-den rose nagel van haar allerliefst gevormd duimpje een knappend geluid
-tegen hare hagelblanke en fraai geordende tandjes veroorzaakte en een
-spotziek glimlachje dat gebaar iets pikants bijzette, „les fleurs
-d’oranger! of geen thee! Dat ’s mijn ultimatum! Zoo noemt men immers de
-voorwaarde, die onmiddellijk de oorlogsverklaring voorafgaat, nietwaar,
-kolonel?”
-
-„Ja, juffrouw Anna,” antwoordde de oude krijgsman, die geen woord van
-de vraag gehoord had, verdiept als hij was in het netelige van een
-gewaagden sans-prendre, dien hij ondernomen had.
-
-„Een ultimatum! eene oorlogsverklaring! Juffrouw Anna, wie zou u den
-oorlog durven verklaren? Neen, liever dan daarvan verdacht te worden,
-speel ik den geheelen avond les fleurs d’oranger. Kom, dadelijk!”
-
-„Dat is weer in een ander uiterste vervallen, mijnheer Van Nerekool,”
-spotte het meisje. „Is het dan met de heeren van de rechterlijke macht
-overal en in alles steeds hetzelfde als in hun gerechtszaal, waar
-zij,—zoo als papa beweert—slechts leliën van onschuld, of slechts
-afgrijselijke booswichten gelieven te ontwaren?”
-
-„Zoo erg is het met ons niet, juffrouw Anna; maar.... zoudt gij mij
-toestaan hier achter de kaarten een lesje in het omberen van uwe mama
-te ontvangen?”
-
-„Zeer zeker, sta ik dat toe. Ik ga onderwijl voor de thee zorgen,
-vervolgens voor de andere „minoeman” (dranken). Daarna zal ik iets van
-Beethoven spelen....”
-
-„Prachtig, juffrouw Anna. Mag ik dan de tweede sonate in D dur, opus
-36, verzoeken?”
-
-„De heeren zijn tyrannen,” antwoordde het meisje met een bekoorlijken
-glimlach. „Nu goed dan, gij zult die sonate hebben, maar daarna, pas
-op, dan de fleurs d’oranger! En,.... ga nu maar les nemen in het
-omberen.”
-
-Een oogenblik later zat Van Nerekool achter mevrouw Van Gulpendam haar
-fijn en gesloten spel te bewonderen; terwijl Anna de honneurs waarnam
-en bedrijvig heen en weer trippelde, om toe te zien, dat de bedienden
-stipt hunnen plicht waarnamen en de gasten niet onverzorgd lieten.
-
-Terwijl de jonge man daar achter de schoone Laurentia gezeten was en
-aandachtig in hare kaarten tuurde, teekende zich zijn profiel, onder de
-uitstraling der prachtige en overdadige gaslampen, die de galerij met
-een zee van licht overstroomden, heerlijk af. Karel van Nerekool was
-een jong mensch, van vijf of zes en twintig jaren oud, die te Leiden in
-de rechten gestudeerd had en als jongste lid bij den raad van Justitie
-te Santjoemeh geplaatst was, toen hij weinige maanden geleden van
-Batavia aankwam. Hij was een rijzig man, met blonde haren, die hij
-uiterst kieskeurig verzorgde, met een fraai besneden gelaat, waarvan de
-Europeesche blos nog niet geweken was en dat rechts en links omlijst
-werd door een krachtigen ringbaard, die vol en weelderig met den dicht
-gevulden knevel ineen liep, maar de kin geheel vrij liet. Die baard was
-iets blonder dan het hoofdhaar, ja mocht op eene zekere mate van
-vergulding bogen, die den jongen man evenwel niet misstond. Zijne
-beschaving hield gelijken tred met zijn uiterlijk, zoodat hij in zijne
-omgeving voor een uiterst aangenaam mensch gold, hetgeen hij ook ten
-volle verdiende. In iets evenwel viel hij die omgeving uit de hand. Hij
-was een rechtsgeleerde in de zuivere beteekenis van het woord. Een
-geleerde, een beoefenaar van het recht! Noch de studie der Pandecten,
-noch die der Instituten, noch die van het Jus civilis in een woord,
-noch de studie van het Jus Justineanum, van het Jus Cesareum of van het
-Moderne recht hadden zijn karakter kunnen bederven. En mocht de
-casuïstiek eenige aantrekkelijkheid voor hem hebben, dan was het niet
-om daaruit casus positiones of juridische subtiliteiten te smeden;
-neen, dan diende zij hem in tegendeel als gewetens-dialektiek, die hem
-voor kunstgrepen of sluwe vondsten beveiligde. Recht door zee, eerlijk
-als goud en rein als diamant waren drie volksgezegden, die volkomen op
-hem van toepassing waren. Dat hij zich met die eigenschappen, welke
-door een soort van rondborstigen spreektrant, die hem, hoewel hij
-daarbij steeds den stempel van man van opvoeding en beschaving bleef
-bewaren, niet gedoogde zijne meening ook maar het geringste te
-omzwachtelen, nog meer uitkwamen, in geen groot getal vrienden mocht
-verheugen, zal voor iederen denker duidelijk zijn, die een diepen blik
-in de verdorvenheid der hedendaagsche maatschappij heeft leeren slaan.
-Stipte rechtvaardigheidsbeginselen, rondborstigheid van uitdrukking,
-gepaard aan nauwgezette waarheidsliefde zijn geen faktoren om in de
-tegenwoordige wereld, maar vooral in de Indische ambtenaars-wereld
-vooruit te komen!
-
-Vooral de resident Van Gulpendam had, hoewel hij den jongen man als
-rechterlijk ambtenaar uit zijn huis niet weren kon, een waren hekel aan
-hem en had dat dikwijls aan zijn chef, den voorzitter van den raad van
-Justitie te Santjoemeh, een reeds bejaard rechtsgeleerde, te kennen
-gegeven.
-
-„Och,” had deze met een sluw lachje geantwoord. „De heer Van Nerekool
-is nog een jeugdig borstje. Wanneer hij nog een tiental pikols rijst
-verorberd zal hebben [36], zal hij wel tot een nuttig Indisch ambtenaar
-vervormd zijn. Wie onzer had, bij het begin zijner loopbaan in zijne
-jeugd, ook niet zulke idealistische denkbeelden als hij?”
-
-De heer Van Gulpendam had bij dat antwoord vreemd opgekeken. Hij toch
-voelde zijn geweten onbezwaard met de schuld ooit idealistische
-denkbeelden gekoesterd te hebben, althans met zoodanige, als waarmede
-de jeugdige rechterlijke ambtenaar besmet was.
-
-De jonkman zat trouw achter de kaarten van de schoone Laurentia te
-turen.
-
-„Ik kan niet zeggen, dat gij mij geluk aanbrengt, mijnheer Van
-Nerekool,” zei mevrouw met een gedwongen glimlachje. „Sedert gij achter
-mij zijt komen zitten, heb ik geen spel meer in handen gekregen. Ga aan
-ginds tafeltje bij den resident eens kijken.”
-
-„Dank je wel!” riep deze. „Ge wilt mij de déveine endosseeren!”
-
-Er zijn geen bijgelooviger menschen in de wereld dan fijne ombreurs.
-
-Van Nerekool was bij de bemerking van Laurentia opgestaan. Maar bij de
-woorden van den resident verkeerde hij in twijfel wat te doen, toen de
-stem van de dochter des huizes weerklonk:
-
-„En mijn fleurs d’oranger, mijnheer Van Nerekool? Waar blijft u? Kom,
-het is tijd.”
-
-„En de sonate in D dur, juffrouw Anna? Waar blijft die? Ik heb nog
-niets gehoord!”
-
-„Dat ’s waar ook. Die had ik vergeten. Kom dan de muziek voor mij
-omslaan.”
-
-„Ja, ga de muziek omslaan,” prevelde de schoone Laurentia, terwijl zij
-de twee jongelieden even natuurde, maar terstond weer naar haar spel
-keek. „Kijk, daar hebben we het al! Nauwelijks is hij weg, of ik raap
-heel andere kaarten op.”
-
-„Zoo’n uitkijk achter de kaart, kan ik niet velen,” pruttelde Van
-Gulpendam van zijn kant. „Wat komt zoo’n lummel, die niet speelt, toch
-hier doen?”
-
-„Hm! misschien het omberen leeren,” antwoordde de kolonel.
-
-„Kom, dat leert hij nooit! Daartoe mist hij geheel en al praktischen
-zin.”
-
-„U hebt volkomen gelijk, resident,” beaamde de voorzitter van den raad
-van Justitie, „en zonder praktischen zin brengt men het in het omberen
-niet ver.”
-
-„En ook niet in andere aangelegenheden!” vulde Van Gulpendam met een
-afdoenden toon in zijne stem aan. „Kom, laat ons voortspelen. Ik zit
-aan de voorhand, welnu: sans prendre. Harten!”
-
-De beide jongelieden waren de binnengalerij binnen getreden, en niet
-zoodra waren zij uit het gezicht van de spelenden of Van Nerekool
-begon:
-
-„Ik heb uw briefje ontvangen, juffrouw Anna, en zooals gij ziet, ben ik
-dadelijk gekomen.”
-
-„In Gods naam, spreek zacht,” fluisterde het meisje. En hardop
-vervolgde zij: „Help mij even de muziek uitzoeken.”
-
-En terwijl zij met hun beiden de muziekbladen een voor een uit de
-sierlijk gesneden étagère, die naast de piano stond, haalden en
-bekeken, fluisterde het jonge meisje:
-
-„Gisteren is onze baboe Dalima uit den tuin ontvoerd... Stil!
-onderbreek mij niet, anders heb ik geen tijd. De hoofdschuldige is hier
-Lim Ho. Zij werd echter bevrijd door Ardjan, haren aanstaande. Die is
-evenwel op last van den Chinees vreeselijk met karbouwen-bladeren
-gegeeseld geworden, zoodat hij thans in het hospitaal...”
-
-„Zie, hier heb ik de fleurs d’oranger, juffrouw Anna,” sprak van
-Nerekool, die iemand in de voorgalerij van zijn stoel had hooren
-opstaan, overluid.
-
-„Maar, waar blijft de sonate?” vroeg het jonge meisje even luid. „O,
-hier heb ik ze! Och, mijnheer Van Nerekool, leg dien zwaren bundel op
-de piano, als ik u bidden mag.”
-
-„Dus de sonate voor den wals?” vroeg hij met een glimlach.
-
-„Is dat niet het beste? Ik ken die sonate zoo grondig, dat ik zal
-kunnen spelen en tevens mijn verhaal voortzetten.”
-
-Anna nam plaats voor het klavier. Hij stond naast haar, gereed om de
-bladen om te slaan.
-
-„Ik vertelde u,” ging zij haar verhaal voort, terwijl zij den
-prachtigen aanvang aansloeg van dat in alle zijne deelen op groote
-schaal opgezet en keurig uitgewerkt kunststuk, „dat Ardjan in het
-hospitaal opgenomen moest worden wegens de mishandeling, die hij
-ondergaan had. Maar het is dat niet, wat mij aanleiding gaf, om u dat
-briefje te schrijven.”
-
-„Wát dan, juffrouw Anna? Ik ben geheel gehoor.”
-
-„Luister aandachtig.”
-
-En terwijl de vlugge vingeren van het muzikale meisje de innigste
-gewaarwordingen des harten, die de goddelijke Beethoven in zijn
-kunststuk heeft neergelegd, tot ontwikkeling lieten komen; terwijl zij
-al de reine gevoelens, die den mensch in de zonnige dagen der jeugd, in
-den heerlijken glans der liefde en der ontvonkte hoop doortintelen
-kunnen, tot vertolking brachten; terwijl zij de zoo schoone droomerijen
-des toondichters, doorweven met de lichte wolkjes van somberheid, die
-den zonneschijn van zijn gemoed bedreigden, heerlijk lieten uitkomen,
-vertelde het lieve kind de ontvoering en de redding van Dalima, in
-welken deerniswaardigen toestand de arme Javaan teruggevonden was; maar
-ook dat in zijne nabijheid eene vrij aanzienlijke partij sluik-opium
-ontdekt werd, die bij den assistent-resident van politie afgegeven was.
-
-Van Nerekool luisterde, hoewel hij geen oog van de muziek afwendde, en
-zich geen enkelen keer bij het omslaan der bladeren vergiste, zoo
-aandachtig toe, dat geen woord hem ontsnapte. Bij de laatste woorden
-betrok zijn gelaat. Het jonge meisje, die dat waas zeer goed opmerkte,
-vervolgde evenwel haar spel, en bracht het slot der sonate, waarin een
-verbazenden rijkdom neergelegd is van levenverwekkende gedachten, die
-van alle kanten schijnen samen te stroomen om het gevoel der hoogste
-blijdschap op te wekken, tot zoo’n schitterend einde, dat de spelers,
-in de voorgalerij, die onder den invloed van het kunstvaardige spel een
-oogenblik hun partijtje gestaakt hadden, luide hunne toejuichingen liet
-hooren.
-
-„Weet ge zeker, dat het opium is? juffrouw Anna?” vroeg Van Nerekool,
-terwijl de bravo’s voor nog weerklonken, fluisterend.
-
-„Hoe wil ik dat weten?” antwoordde het jonge meisje, eveneens op
-gedempten toon.
-
-„Is die opium met Dalima en Ardjan aan den wal gekomen?”
-
-„Neen, in de djoekoeng, waarmede zij den wal bereikten, was niets van
-dien aard.”
-
-„Wie heeft dan die opium aan den wal gebracht?”
-
-„Dat wist Dalima niet... En nu,” ging zij met luider stem voort. „En nu
-de fleurs d’oranger!”
-
-„Maar, hoe komt gij er toe te vreezen, dat Ardjan beschuldigd zal
-worden, die opium aan den wal gebracht te hebben? Mij dunkt, daartoe
-bestaat niet de minste aanleiding; tenzij....”
-
-„Sjtt.... straks!”
-
-En daar weerklonk onder de vier handen die heerlijke wals met zijne
-sprankelende noten, die de ruime hal der binnengalerij vervulden, in
-ware trossen, in ware bouquetten van melodiën naar buiten ruischten, en
-zoo een heerlijk aanhangsel, schier een vervolg van levenslustige
-opwekking vormden van Beethovens sonate van straks. Terwijl de nagalm
-der laatste akkoorden nog waarneembaar was, beantwoordde het jonge
-meisje de laatste vraag van Van Nerekool:
-
-„Straks is de heer Meidema bij papa geweest, en....”
-
-Het lieve kind aarzelde.
-
-„En?” vroeg van Nerekool. „Kom, juffrouw Anna, gij moet mij alles
-mededeelen.”
-
-„Ik ving een gedeelte van hun gesprek op.”
-
-„Een weinig geluisterd?”
-
-Het meisje bloosde allerbekoorlijkst. Het inkarnaat overtoog tot hare
-oortjes.
-
-„Welnu, ja,” antwoordde zij met eenige vastberadenheid. „Ik had papa
-den oppasser hooren gelasten, om mijnheer Meidema te roepen, en ik kon
-de gedachte niet van mij zetten, dat dit in verband stond met Ardjan.
-Toen de assistent-resident kwam, sloop ik dan ook achter het schutsel,
-hetwelk de deur maskeert, en....”
-
-„Nu, en...? Juffrouw Anna, gij moet mij alles zeggen,”
-
-„En, toen heb ik alles gehoord....!”
-
-„Alles, wat?”
-
-„Wat zij verteld hebben....”
-
-„Ja, maar, wat hebben zij verteld?”
-
-„Dat kan ik zoo niet weergeven, mijnheer Van Nerekool.”
-
-„Ja, maar toch de quintessenz. Kom, juffrouw Anna?”
-
-„Mijnheer Van Nerekool, ik weet niet of ik u alles mag vertellen....”
-
-„Maar, lieve juffrouw Anna, waarom hebt gij mij dan laten roepen? Vraag
-u dat af.”
-
-„Ik wilde zoo graag den aanstaande van Dalima redden.”
-
-„Juist; dat meen ik reeds begrepen te hebben. Maar, hoe kan ik dat
-doen, als ik de toedracht der zaak niet weet? Volgens mij bestaat er
-geen schijn van gevaar, dat Ardjan van smokkelarij beschuldigd zal
-worden. Wees openhartig met mij.”
-
-„O, ik zou zoo gaarne,” zuchtte het meisje schier onhoorbaar. „Maar het
-is zoo moeielijk.”
-
-„Waarin bestaat die moeielijkheid?”
-
-„O, dat gesprek van papa met mijnheer Meidema. Maar... komaan... gij
-hebt gelijk. Ik zal openhartig zijn en u alles vertellen.”
-
-En daarop verhaalde het jonge meisje het geheele gesprek, dat de beide
-ambtenaren gehouden hadden. Zij verzweeg niets, noch de geschatte
-waarde van de opiumpartij, noch de vermoedelijke herkomst, door Meidema
-bekend gesteld, noch het verhoor van den kapala oppas. Toen zij
-mededeelde, hoe haar vader de schuldigheid van Ardjan den
-politiebediende als het ware opgedrongen had, overdekte het schaamrood
-hare wangen en was zij zichtbaar verlegen. Van Nerekool begreep den
-gemoedstoestand van de lieve maagd, die zich voor de daden van haren
-vader schaamde. Hij wist thans genoeg en wenschte dat gesprek ter wille
-van het meisje te bekorten.
-
-„Gij zeidet zoo even, dat de heer Meidema van een schip gesproken had,
-waarvan die opium afkomstig zoude zijn. Heeft hij ook den naam van dat
-schip genoemd?”
-
-„Ja, ik geloof de Hing Kim Lin of de Lim King Him of zoo iets
-dergelijks.”
-
-„Kan het ook de Kiem Ping Hin zijn?” vroeg de rechterlijke ambtenaar
-met nadruk. „Bedenk u wel.”
-
-„Ja, die naam is het, mijnheer Van Nerekool.”
-
-Deze sloeg een meewarigen blik op het jonge meisje, terwijl een zucht
-aan zijne lippen ontgleed.
-
-„Waarom kijkt gij mij zoo droevig aan?” vroeg zij.
-
-„Weet gij wien de Kiem Ping Hin toebehoort?”
-
-„Neen.”
-
-„Aan Lim Ho!”
-
-„Aan Lim Ho?.... den zoon van den opiumpachter!” kreet zij, terwijl zij
-de handen voor het gelaat sloeg, alsof zij zich wenschte te verbergen.
-
-„Juist,” antwoordde Van Nerekool, die het meisje aandachtig gadesloeg.
-
-Deze herinnerde zich thans dat vreeselijke gesprek, tusschen hare
-ouders, waarbij zij des morgens tegenwoordig was geweest. Tranen van
-schaamte ontsprongen hare oogleden, droppelden tusschen hare vingeren
-door, en gleden over de fraai gevormde handen, terwijl zij angstig
-prevelde:
-
-„Ach God! Ach God!”
-
-„Juffrouw Anna,” sprak Van Nerekool, met zooveel droefheid bewogen,
-„laat de hoop niet varen, wat ik u bidden mag. Ik zal alles doen, wat
-in mijn vermogen is, om den onschuldige te redden. Dat beloof ik u.”
-
-„Maar, mijn vader?” vroeg het jonge meisje, terwijl zij met eene snelle
-beweging hare oogen met haren zakdoek afdroogde.... „Maar mijn
-vader?”....
-
-„Die mag natuurlijk niets van ons gesprek vernemen.”
-
-„Neen, dat bedoel ik niet, mijnheer Van Nerekool. Kan die ook bij die
-zaak gecompromitteerd worden?”
-
-„Ik hoop van neen; ik zal alles zoo trachten te schikken, dat hij
-ongemoeid blijft. Wees gerust.”
-
-„Kom, laat ons dit gesprek dan eindigen. Ik ga naar achteren, om mijn
-ontroering te verbergen. Blijf gij nog wat bij het klavier.”
-
-„Ja, ik zal nog wat spelen, daarna zal ik afscheid van het gezelschap
-nemen.”
-
-Een kwartier later bevond zich Van Nerekool andermaal achter de
-ombreurs. Die waren evenwel met „de laatste” bezig, zoodat weinige
-oogenblikken later het kaartspel geëindigd was.
-
-„Mevrouw Van Gulpendam is een waar gelukskind,” betuigde de kolonel,
-terwijl hij met bezorgden blik zijne overgeblevene fischjes telde.
-
-Niet lang daarna waren de gasten van de familie Van Gulpendam
-vertrokken, en stond de resident nog een oogenblik de vertrekkenden na
-te turen.
-
-„Koela noewoen, Kandjeng toean” (ik vraag verlof groote heer, om iets
-te zeggen) klonk eene stem zacht prevelend achter den hoofdambtenaar.
-
-Toen deze zich omkeerde, zag hij daar den kapala oppas gehurkt zitten.
-
-„Wat hebt ge mij te zeggen?” vroeg hij dezen.
-
-„Ik heb mij straks vergist, Kandjeng toean.”
-
-„Vergist, waarmede?”
-
-„Toen ik aan den assistent-resident verklaarde, dat die opium bij
-Ardjan gevonden was.”
-
-„Bangsat! (gemeene kerel)” brulde de resident. „Als je je woorden durft
-in te trekken, dan zal ik je wegjagen! Dan zal ik je in de „cipieran”
-(gevangenis) stoppen! Begrepen?!!”
-
-„Engèh. Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser met eentonige stem en
-onbegrijpelijk strak gelaat, terwijl hij, de saamgevouwen handen, aan
-zijn voorhoofd brengende, de „sembah” (groet) eerbiedig volbracht.
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-EEN ECHTPAAR.
-
-
-Van Nerekool’s bemoeiingen zouden weinig vruchten dragen; daarentegen
-zouden zij hem veel verdriet berokkenen. Och, hij was nog zoo jong, en
-daardoor nog zoo onervaren in de doolhoven van ongerechtigheden, die in
-Nederlandsch-Indië door de rechterlijke zoowel als door de
-administratieve macht bewandeld worden, wanneer die in aanraking komen
-met zaken, welke het opiummonopolie gelden.
-
-Eenige weken na zijn onderhoud met Anna van Gulpendam, vernam hij van
-haar, bij gelegenheid hij zijn bezoek bij de residents-familie
-herhaalde, dat Ardjan het hospitaal verlaten had, maar naar de
-gevangenis overgebracht was. Hij won toen inlichtingen in bij den
-rechtsgeleerden voorzitter van den landraad [37] te Santjoemeh, die hem
-mededeelde, dat de Javaan van opiumsmokkelarij beschuldigd was, en dat
-nog wel van eene vrij belangrijke partij.
-
-„Er doet zich evenwel bij die zaak eene eigenaardige bizonderheid
-voor,” vervolgde Mr. Zuidhoorn, de bedoelde voorzitter, „waarvan ik de
-strekking niet begrijp.”
-
-„En die is, waarde collega?” vroeg van Nerekool.
-
-„Ik heb verleden week een brief van den resident ontvangen, waarbij hij
-mij mededeeling doet van de volgorde, en op welke data hij verlangt,
-dat de aanhangige overtredingszaken door den landraad zouden worden
-afgedaan.”
-
-„Maar dat is geheel en al in strijd met artikel 337 van het Inlandsch
-reglement, en met artikel 47 van het reglement op de rechterlijke
-organisatie.”
-
-„Juist. Ik heb dan ook gladweg geweigerd. Maar luister verder. Op dat
-lijstje komt de zaak Ardjan het laatste voor. Begrijpt gij dat?”
-
-„Ik meen van ja. Bij die zaak ontbreken de bewijzen; ja, ik ben
-overtuigd, dat die Javaan valschelijk beschuldigd wordt. Nu rekt men de
-preventieve gevangenis zoodanig, dat wanneer eene vrijstelling volgt,
-de administratief gezaghebbende met zelfvoldoening kan uitroepen: „hij
-heeft in allen gevalle voor mijn pleizier zoo vele maanden gezeten.””
-[38]
-
-Mr. Zuidhoorn keek bij die woorden zijn jongeren collega met
-doordringenden blik aan.
-
-„Het kan zijn,” zei hij na een poos. „Ik heb er evenwel eene andere
-meening voor.”
-
-„En die is?”
-
-„Gij weet, dat ik een verlof naar Nederland tot herstel van gezondheid
-heb gevraagd?”
-
-„Ja. Maar, wat zou dat?”
-
-„Wat dat zou? Wel, door het groot aantal overtredingen, die te
-berechten zijn, zou de zaak Ardjan volgens de aangeduide volgorde eerst
-over zes of acht weken ongeveer aan de beurt zijn.”
-
-„Welnu?”
-
-„Maar, dan ben ik waarschijnlijk reeds lang vertrokken.”
-
-„Dat is zoo; maar wat geeft dat? Ter uwer vervanging zal toch wel een
-ander rechterlijk ambtenaar naar Santjoemeh gezonden worden, om den
-landraad te presideeren.”
-
-Een bittere glimlach zweefde om de lippen van Mr. Zuidhoorn.
-
-„Wie weet, waar die vervanger van daan moet komen. In Indië gaat het
-reizen niet vlug. Moet b. v. Mr. Raabtoon van Padang komen, of Mr.
-Nellens van Makassar, dan gaan er minstens twee maanden voorbij,
-alvorens een hunner hier behoorlijk geïnstalleerd is. En inmiddels....”
-
-„Kan men immers een ander rechterlijk ambtenaar voorloopig met de
-afdoening der landraadzaken belasten.”
-
-„Dat zou men kunnen; maar dat zal men niet doen. Gij weet toch dat
-krachtens de eerste alinea van artikel 93 van het reglement op de
-rechterlijke organisatie en het beleid der Justitie in Ned.-Indië, de
-resident, bij ontstentenis van den titularis, als voorzitter van den
-landraad kan optreden.”
-
-„Welnu?”
-
-„Welnu, de gevolgtrekking van dat alles is eenvoudig te maken. Als ik
-weg zal zijn, berecht de resident de zaak Ardjan.”
-
-„Maar waarom zou hij zoo iets doen, collega?”
-
-„Weet ik het? Denk er om, dat een minister van Koloniën eens aan den
-Koning schreef [39], dat de ambtenaren door de opiumpachters, die de
-grootste opiumsmokkelaars zijn, stelselmatig omgekocht worden, en dat
-zoodoende het gezag der uitvoerders van het gezag der regeering
-ondermijnd wordt, omdat die in afhankelijkheid gebracht zijn van
-Chineesche pachters en sluikers. Zie, ik ben meer ervaren in opiumzaken
-dan gij, en als ik nu die opdracht beschouw, om de vervolging van
-Ardjan te verdagen, dan kan ik de gedachte niet van mij zetten, dat
-hier eene poging aanwezig is, om die zaak aan de behandeling van den
-bevoegden rechter te onttrekken.” [40]
-
-„Maar, dat is afschuwelijk!”
-
-„Zeker is het dat.”
-
-„En wat hebt gij gedaan?”
-
-„Mijn plicht. Ik heb u reeds gezegd, dat ik gladweg geweigerd heb die
-zaak te verdagen. Zij zal nu op hare beurt a. s. dinsdag over veertien
-dagen voor komen.”
-
-
-
-Dat zou zij niet.
-
-Weinige dagen voor dat dit gesprek tusschen de twee rechterlijke
-ambtenaren plaats vond, kreeg de resident Van Gulpendam op het
-onverwachts een bezoek.
-
-Op het onverwachts, ja! Want het was zondag, en ongeveer twee uren in
-den namiddag; twee tijdstippen waarop niemand in Nederlandsch-Indië op
-bezoeken gesteld is.
-
-Als populair man had de resident tegen half elf de „Sociëteit” bezocht,
-en had zich daar onledig gehouden met het biljardspel, waarbij hij aan
-zijne jeugdige kadrajers—zoo noemde hij zijne ambtenaren—getoond had,
-dat, al had hij niet te Delft of Leiden gezwabberd, hij toch nog wel
-een bal in de milieu snijen kon, en het bandeffekt niet verleerd had.
-Hij was zoo omstreeks half één te huis gekomen, had met smaak
-gerijsttafeld, waarna hij, in het zalig bewustzijn den dag des Heeren
-verder ongestoord te kunnen genieten, zich in slaapbroek en kabaai
-gekleed had, en gereed was om het traditioneele middagdutje te gaan
-snoepen. Hij had reeds den deurknop van het slaapvertrek in de hand,
-toen de kapala oppas hem naderde, zich op den grond liet glijden, den
-„sembah” maakte, en den Kandjeng toean zacht toefluisterde, dat babah
-Lim Yang Bing een oogenblik gehoor verzocht.
-
-„Babah Lim Yang Bing!” riep de resident verrast uit. „Toekan pak?” (de
-opiumpachter) vroeg hij.
-
-„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser.
-
-„Kassi massokh sini! lakas!” (laat hem hier binnenkomen, terstond)
-luidde het bevel.
-
-„Maar, Gulpendam?” zei mevrouw. „In dat tenue?”
-
-„Kan niet schelen! Zeilen als er wind waait, vrouwlief. Maar, o ja...”
-
-En een anderen oppasser wenkende:
-
-„Bowah bekakas pajoeng di sini,” (breng de pajoengstandaard hier) beval
-hij.
-
-De schoone Laurentia trok de schouders op:
-
-„Het is wat moois,” pruttelde zij, „de resident in slaapbroek en
-kabaai, en de gouden pajoeng naast hem!”
-
-„Het prestige! vrouwlief! Ge zult me eens het bestek zien opmaken. De
-wind is aan het ruimen! Gaat gij nu maar naar kooi.”
-
-„Het is gezellig, zoo alleen,” pruttelde de schoone Laurentia met haren
-innemendsten glimlach. „Kom, jaag dien Chinees weg!”
-
-„Neen, dat kan niet. De kombuis moet rooken, nietwaar? Denk aan den
-beer aan John Pryce...”
-
-Maar mevrouw was al weg. Een harer vrouwelijke bedienden had haar komen
-influisteren, dat ’Mbok Karjå in de keuken zat, en haar wenschte te
-spreken. ’Mbok Karjå was eene vriendin van nènèh Wong toewa, en
-nagenoeg even oud als deze, maar had nog andere koorden op haren boog
-dan de vertrouwelinge van de residentsvrouw. Behalve doekoen, was zij
-o. a. ook „bepårrå” (rondventster van juweelen).
-
-„Die komt te pas en ook te onpas,” prevelde mevrouw Van Gulpendam met
-een zweem van teleurstelling, „maar wat er aan te doen?”
-
-Zij was naar hare kamer geijld, na hare dienstbode den last gegeven te
-hebben de oude vrouw derwaarts te brengen.
-
-Bij het binnenkomen van de pandoppo kruisten zich de Chinees met het
-Javaansche wijf. Geen hunner scheen den andere te kennen. Toch zweefde
-een glimlach op de lippen van den babah. Voor ieder ander dan voor
-’Mbok Karjå was het de stereotype lach, welke op het gele gelaat van
-iederen zoon van het Hemelsche Rijk zetelt, die in tegenwoordigheid van
-machthebbenden toegelaten wordt. Voor het oude wijf was die glimlach
-evenwel eene tevredenheidsbetuiging. Voorgegaan door den bediende, trad
-zij de binnengalerij binnen en verdween in de slaapkamer van de njonja,
-terwijl de Chinees den resident naderde, die behagelijk in een wipstoel
-zat te wiegelen, waar vlak naast de pajoengstandaard stond, die den
-Grooten Heer met den stralenkrans van zijne meervoudige zonneschermen
-omgaf [41].
-
-„Wel babah,” begon de resident, na den Chinees met een enkel handgebaar
-een stoel gewezen te hebben, „wat drijft u op dit warme uur van den dag
-naar herwaarts?”
-
-De Chinees had ongedwongen plaats genomen en antwoordde luchtig en met
-een knipoogje: „Ik wenschte naar den staat van de gezondheid van den
-Kandjeng toean te vernemen.”
-
-„Drommels, babah, dat had ge even goed op een ander oogenblik kunnen
-doen.”
-
-„Toch niet, Kandjeng toean. Dit uur is het beste voor een gesprek. Het
-lichaam en de geest zijn dan zoo rustig, dat een goed woord dan eerder
-een goede plaats vindt...”
-
-„O, zoo, babah heeft een goed woord te doen?” vroeg de resident
-glimlachend.
-
-„Ook wenschte ik, dat niemand mij zag, toen ik den tuin van het
-residentiehuis insloop.”
-
-Van Gulpendam spitste de ooren.
-
-„Zoo geheimzinnig, babah!” zeide hij. „Is er weer iets met de pacht?”
-
-„Ja, Kandjeng toean; maar toch ook nog wat anders.”
-
-„Nu, laat hooren, babah.”
-
-Bijkans had hij gezegd: „voorwaarts, halfwerk.” Als hij er de maleische
-vertaling dadelijk van had kunnen uitgooien, zou het zeker geschied
-zijn. Bij tijds bedacht hij zich, dat de Chinees de scheepstermen toch
-niet zou begrijpen.
-
-Babah Lim Yang Bing verhaalde nu op zijn manier, de aanhaling van de
-partij opium bij de djaga monjet in de Moeara Tjatjing, en trachtte den
-resident aan het verstand te brengen, dat hetgeen daar gecalangeerd
-was, geen opium was.
-
-„Maar, wat is het dan?” vroeg Van Gulpendam.
-
-„Niets anders dan „pretto” [42] vermengd met verschillende „gettahs”
-(verdikt plantensap).”
-
-„Wel, dan is de zaak gezond, babah,” zei de resident spottend. „Dan
-bestaat er geen overtreding.”
-
-„Ja, maar de assistent-resident van politie beweert, dat het wel opium
-is.”
-
-„Drommels!”
-
-„Hij heeft een paar Chineesche experten geraadpleegd en die, niet
-wetende, van waar of van wien die aanhaling afkomstig was, hebben
-verklaard, dat het is uitmuntende tjandoe, „roepanja bahoenja dan
-rasanja,” (naar reuk en smaak te oordeelen) beter dan die door het
-Gouvernement aan de pachters verstrekt...”
-
-„Heeft de assistent-resident u dat gezegd, babah?” vroeg Van Gulpendam
-verbaasd.
-
-„Ja, Kandjeng toean. Hij heeft nog meer gedaan. Hij heeft een monster
-in handen gesteld van den apotheker.”
-
-„En wat heeft die beslist?”
-
-„Die heeft een proces-verbaal opgemaakt, waarbij geconstateerd is, dat
-het tjandoe is met een gehalte van 32 percent morphine.”
-
-„Dat ’s jammer, babah; dan kan ik er niets meer aan doen. Dan moet de
-zaak haren loop hebben.”
-
-„Maar, als de Kandjeng toean toch wilde....”
-
-„Neen, babah, neen,...” sprak hij verstrooid en op een toon, alsof hij
-aan iets anders dacht. „Neen, er is niets aan te doen.”
-
-„Dat spijt mij,” sprak de Chinees als met een zucht, ofschoon de
-stereotype glimlach van zijn gelaat niet week.
-
-En met een soort tact het onderwerp van het gesprek wijzigende, bleef
-hij een oogenblik praten over de nieuwtjes van den dag, over den
-handel, over de aangekomen schepen, enz., toen hij eindelijk uitriep:
-
-„Gisteren kwam de Wijberton van de Rotterdamsche Lloyd op de reede. Ik
-heb daarmede een fraaie factuur havanah-sigaren gekregen. Er is een
-kleine partij bij, dozijns-gewijs in sigarenkokers verpakt. Die zijn
-zeer fraai. Ik heb zoo’n koker bij mij. Wil de Kandjeng toean haar eens
-bezichtigen?”
-
-De Chinees haalde bij die woorden een sigarenkoker voor den dag, die
-wat vorm betrof, snoeperig mocht heeten, terwijl zij op het bovenvlak
-een borduurwerkje vertoonde, hetwelk een lief frisch bouquet rozen
-voorstelde.
-
-De resident bekeek en bewonderde den koker en opende hem daarna. Twaalf
-onberispelijk fijne havanahpunten vertoonden hare goudkleur, en duidde
-dan ook door den heerlijken geur, die zich verspreidde, dat daar
-uitstekend fabrikaat in dien koker verscholen was. En gedurende het
-gewawel van den Chinees, èn gedurende de bezichtiging van den
-sigarenkoker was de resident als afgetrokken, als verstrooid geweest.
-Blijkbaar waren zijne gedachten elders. Hij reikte den koker aan den
-Chinees weer over met de woorden:
-
-„Zeer fraai, inderdaad.”
-
-„Mag ik dat den Kandjeng toean aanbieden?”
-
-„Wat, gij wilt?....”
-
-„O, het is slechts eene kleinigheid. De Kandjeng toean zal eene
-heerlijke sigaar rooken, dat verzeker ik hem, en hij doet mij een groot
-genoegen met dat luttele geschenk van mij aan te nemen.”
-
-Zonder een woord te antwoorden, zonder een gebaar van toestemming liet
-de resident geheel achteloos den sigarenkoker op het penanttafelje
-vallen, dat naast hem stond, en vervolgde, als ware er niets gebeurd,
-het gesprek van straks:
-
-„Toen die opium aan wal gebracht werd, was er toen iemand aan den
-oever?”
-
-„Niemand dan mijne twee spionnen: Liem King en Than Khan.”
-
-„Kunt gij die vertrouwen?”
-
-„O, volkomen! Die zijn hoegenaamd niet te vreezen,” antwoordde de
-Chinees met een valschen glimlach.
-
-„De opium werd aangetroffen in de nabijheid van de plek, waar Ardjan
-gevonden werd?”
-
-„Ja, geen twee honderd vademen er van daan.”
-
-„En daarbij werd eene djoekoeng gevonden, waarmede hij aan wal gekomen
-is, nietwaar?”
-
-„Ja, een prahoe sajab, Kandjeng toean.”
-
-„Dan weet ik genoeg, babah.”
-
-De sluwe Chinees begreep met een half woord. Hij stond op, om zich te
-verwijderen. De resident wenkte hem om nog te blijven zitten.
-
-„Gij spreekt niet van de andere zaak, babah,” zei hij achteloos.
-
-„Van welke?”
-
-„Ardjan is vreeselijk mishandeld geworden door uw zoon Lim Ho.”
-
-„Men heeft slechts verdriet van zijne kinderen, Kandjeng toean,”
-betuigde de Chinees.
-
-„Er is door den chef van den geneeskundigen dienst een proces-verbaal
-opgemaakt, dat zeer bezwarend is. Ik vrees, ik vrees....”
-
-„Och, een mensch heeft op de wereld veel te doorstaan, Kandjeng toean.
-Is er geen middel, om dat met dien toean dokter te schikken?”
-
-„Wie weet? Als ik die zaak te behandelen had, dan....”
-
-„Astaga! (och) Kandjeng toean, help mij, ik bid u....”
-
-„Ik zal zien.... Veel zal van u afhangen, babah. Mishandeling wordt
-zwaar, zeer zwaar gestraft!”
-
-De Chinees begreep den niet te ingewikkelden wenk. Hij tastte in den
-zak, en haalde een keurig theedoosje, fraai van zilver vervaardigd, te
-voorschijn.
-
-„Ik ontving ook met de Wijberton een stel prachtig zilverwerk uit
-Parijs. Zie mij dat ciseleerwerk eens aan. Zou Van Kempen in Den Haag
-het zoo kunnen?”
-
-„Ja, het is fraai, zeer fraai zelfs,” antwoordde de resident
-bewonderend.
-
-„Ik heb die doos met zuivere Chousong laten vullen, zooals nooit naar
-Europa verzonden, en zooals alleen aan het hof te Pekin gedronken
-wordt. Ruik dien inhoud eens, Kandjeng toean.”
-
-De resident bracht de geopende doos aan den neus, maar liet alvorens
-den blik er in vallen.
-
-„Heerlijk! heerlijk!” sprak hij. „Gij moet mij van die soort thee
-zenden. De „njonja” (mevrouw) pruttelt altijd over haren „lengganan”
-(leverancier).”
-
-„O, mag ik den Kandjeng toean verzoeken, die doos voor de njonja aan te
-nemen?”
-
-„Ik dank u voor haar, babah; gij doet haar daarmede werkelijk
-genoegen.”
-
-Het gelaat van den Chinees glom van tevredenheid. Hij meende een voet
-in den stijgbeugel te hebben.
-
-„Mag ik hopen, dat Kandjeng toean de zaak zal....”
-
-„Ik beloof niets, babah,” antwoordde Van Gulpendam. „Ik zal zien, wat
-ik doen kan.”
-
-De resident stond op, om te toonen, dat de audientie geëindigd was.
-Plotseling bedacht hij zich:
-
-„Gij weet, wie uw zoon Lim Ho wegens die mishandeling aangeklaagd
-heeft?”
-
-„Ja, Kandjeng toean. Dat is Pak Ardjan, de vader van den djoeroemoedi.”
-
-„Dat’s een erge opiumsmokkelaar, nietwaar? Die zal nog wel eens in de
-kaars vliegen.”
-
-De Chinees keek verrast op; maar hij begreep met een half woord.
-
-„Zoo staat hij ten minste bij de politie bekend,” vervolgde de resident
-achteloos. „Nu, om het even, ik zal zien, wat ik doen kan.”
-
-Babah Lim Yang Bing trad op het hoofd van gewestelijk bestuur toe, en
-reikte hem ongedwongen de hand. Maatje aan maatjes dief, och dat mocht
-wel, nietwaar? Maar in dat oogenblik kwam Anna’s lieveling-hond, een
-fraaie kangoeroe, de pandoppo binnen gevlogen, en sprong
-kwispelstaartend tegen den heer des huizes op. Deze greep den voorpoot
-van den fraai getijgerden hond en legde hem in de uitgestoken hand van
-den babah.
-
-„O! sama djoega, Kandjeng, toean!” (O, dat is voor mij hetzelfde, Hoog
-Edele Heer) betuigde de Chinees met zijn onverstoorbaren glimlach op de
-lippen, terwijl hij hartelijk den hondenpoot schudde.
-
-Of de Nederlandsche hoofdambtenaar dat: „O! sama djoega, Kandjeng
-toean” [43] van den Chinees begreep? Toen hij zich alleen in de
-pandoppo bevond, opende hij den sigarenkoker met hebzuchtigen blik, en
-schudde haar op tafel leeg. Zijn gelaat straalde als het ware een waas
-van verrukking uit. Iedere havanah was toch in een bankbiljet van
-duizend gulden gewikkeld, echter zoo, dat de punteinden der sigaren
-onbekleed waren gebleven, en dus bij het openen van den sigarenkoker
-van het bankpapier niets te ontwaren was. Hij tastte in de theedoos, en
-stiet ook daarin met de vingers op van die voor het gevoel zoo zachte
-papiertjes. Hij wilde ze er uithalen; maar zich plotseling bezinnende,
-borg hij de kostbare sigaren weer op, greep koker en doos en stoof naar
-zijn kantoor, waar hij den bekenden brief over de regeling der volgorde
-van de gedingen aan den voorzitter van den landraad van Santjoemeh
-schreef. Toen hij daarmeê klaar was, hoorde hij zijne ega in de
-binnengalerij, die juist van ’Mbok Karjå, afscheid nam.
-
-„Hari ontong!” (een geluksdag) fluisterde hij de schoone Laurentia in
-het oor.
-
-Hij sloeg den arm om haren hals, en troonde haar zoo mede.
-
-„Hari ontong?” vroeg zij, terwijl zij zijne omhelzing beantwoordde,
-door haren arm om zijne leest te slaan, en hem met schitterende oogen
-aan te kijken.
-
-In het echtelijk vertrek aangekomen, sloot hij, zonder zijne gade los
-te laten, de deur, en gaf een draai aan den sleutel. Dat handgebaar
-verlevendigde nog meer, als het kon, de nieuwsgierigheid van haren
-blik. Met een bevallige beweging sloot zij zich nog inniger tegen hem
-aan, en drukte hem een kus op de lippen.
-
-Maar, bij de tafel aangekomen, liet hij haar los, schudde den
-sigarenkoker en het theedoosje daarop leeg, en liet de schoone
-Laurentia vijf en twintig papiertjes ontwaren, waaromtrent zich niet te
-vergissen viel, en die wel duidelijk op hare zijdeachtige oppervlakten
-te kennen gaven, dat elk daarvan eene waarde van duizend gulden
-vertegenwoordigde.
-
-Een zweem van teleurstelling vloog over het gelaat van de schoone
-vrouw. Maar, dat was slechts bliksemsnel geweest, geheel en al
-onmerkbaar voor haren echtgenoot. Die zag haar integendeel met
-verrukking toetasten, de sigaren ontdoen van het dure omhulsel, de
-bankbiljetten, die uit het theebusje te voorschijn gekomen en erg
-verkreukeld waren, gladstrijken en om hare vingeren winden.
-
-„Vijf en twintig duizend gulden!” zei zij opgetogen. „Een aardig
-sommetje!.... Waarlijk, het is heden hari ontong; want dat gevoegd bij
-wat ik heb....”
-
-„Wat gij hebt?”
-
-„Ja, wat ik zoo even van ’Mbok Karjå ontvangen heb.”
-
-„Maar, wat dan toch?.... Vertel....”
-
-„Strakjes,” antwoordde Laurentia. „Eerst dat....”
-
-Zij ontwikkelde daarop een „boengkoesan” (pakje), dat op de tafel lag,
-naast eene kartonnen doos, die alle sporen droeg geopend te zijn
-geweest. Toen zij de pisangbladeren, dien de boengkoesan omsloten,
-opengemaakt en verwijderd had, kwam daaruit een kommetje van gemeen
-aardewerk, waarin eene groenachtige lillende geleimassa, die er zeer
-vies uitzag, ontwaard werd.
-
-„Eerst dat!” herhaalde Laurentia; terwijl zij met een Chineesch steenen
-lepeltje eene hoeveelheid van die groene massa ter dikte van eene
-hazelnoot schepte, en hem dat voor den mond hield, alsof zij hem voeren
-wilde. „Eerst dat, Gulpie!”
-
-Van Gulpendam sloeg een radeloozen blik op dien afzichtelijken knikker.
-Zijn gelaat gaf walging te kennen.
-
-„Alweer die viezigheid,” zei hij onderworpen. „Het geeft toch niets.”
-
-„O, dat is een geheel nieuwe „obat” (middel). Die moet werken. ’Mbok
-Karjå, heeft die verkregen door „gekko’s,” „oendoek”, „oerat
-minjangan”, „laler idjoe” en „sarong lawet” [44]met „daoen gettal”
-[45], tot een dikke gelei te laten verkoken en indampen.”
-
-„En wil je me dat laten slikken?”
-
-„Kom, Gulpie!” zei de schoone Laurentia, met smeekende, maar vurig
-schitterende oogen, terwijl zij hem het lepeltje met de eene hand voor
-den mond hield, en met de andere den rug krieuwelde. „Kom, je zult eens
-ondervinden, welke heerlijke uitwerking.... Toe.... kom, slik! daarna
-zal ik je vertellen, hoe ik een even groote hari ontong heb als gij...
-Toe, ventje, wees nu niet kinderachtig....”
-
-Of het de fleemende en teedere smeekingen zijner echtgenoote waren, of
-wel de toezegging van het verhaal, die Van Gulpendam deden zwichten?
-Genoeg zij het, dat hij de oogen sloot, den mond opende; terwijl zij
-hem het lepeltje tusschen de lippen bracht, en den vaal groenachtigen
-inhoud op de tong ledigde. Hij maakte, terwijl hij proefde, zoo een
-gebaar van walging, dat zijn middenrif eene waarlijk onheilspellende
-beweging volvoerde.
-
-„Slikken!... Slikken!” riep de schoone Laurentia, en klopte hem
-zachtkens met de mollige vlakke hand op den rug. „Slikken!... Toe,
-slikken!... Zoo!... zoo is het goed! En nu aflikken! Toe, het goedje is
-te kostbaar!”
-
-En de rampzalige echtgenoot was genoodzaakt tot het laatste zweempje
-van het vieze goedje, dat op het lepeltje was blijven kleven, af te
-likken en in te zwelgen, totdat hij eindelijk daarmeê klaar was.
-
-„En nu het verhaal?” vroeg hij.
-
-„Kom hier op den divan bij mij zitten, Gulpie,” zeide zij. „Ik zal je
-alles vertellen.”
-
-Zij nam evenwel de kartonnen doos met zich, en zette die in hare
-nabijheid op den divan neder. Toen nam zij naast van Gulpendam plaats,
-en sloeg de beenen kruiselings onder haar lijf, waarbij de bovenopening
-der kabaja onbescheiden genoeg gaapte, om een blik te gunnen aan een
-boezem, die nog schoone plastische vormen vertoonde, en nog wel
-geschikt was, om zelfs een echtgenoot te boeien, ja, in vuur en vlam te
-zetten.
-
-En nu verhaalde zij, dat ’Mbok Karjå haar in het diepste geheim
-medegedeeld had, dat Lim Ho tot dolwordens toe verliefd was op baboe
-Dalima en,—alsof zij dat niet reeds wist, voegde zij er met een
-vreemden glimlach bij,—en, dat hij er alles, alles voor over had, om
-het schoone meisje in zijn bezit te krijgen. De ontvoering van laatst
-was daar het bewijs wel van, en het had den armen jongen wel gespeten,
-dat hij toen zijn doel niet bereikt had.
-
-Dat verhaal geschiedde niet vloeiend, niet onafgebroken in eens. Neen,
-de schoone Laurentia was artiste in het vak. Zij nam haren tijd
-behoorlijk waar, en wist de noodige nuanceering aan te brengen, hier en
-daar van eenige schuchtere terughouding te doen blijken, dan weer eene
-vrijheid van uitdrukking te betrachten, die het hartstochtelijke, ja
-het onkiesche vrij wel nabij kwam. Zij manoeuvreerde zoo, dat het slot
-van het verhaal, hetwelk met eene schildering van den hartstochtelijken
-Chinees tegenover de bekoorlijkheden van de lieve Dalima als met een
-vuurwerkbouquet eindigde, op het verbeide oogenblik plaats had.
-
-Van Gulpendam had eerst met alle aandacht zitten luisteren. Dat sterk
-gekleurde verhaal had hem geboeid. Maar,... was ’t het mixtum
-compositum, hetwelk hij geslikt had, dat begon te werken? Of was het de
-fraaie gezichtseinder, welke hem de kabaja-opening der schoone
-Laurentia bood, die zijne aantrekkingskracht op hem uitoefende? Of
-waren andere machten in het spel? Want de sluwe vrouw had vele streken
-op haar kompas. Bij haar was het verleidelijke niet altijd gelegen in
-hetgeen zij uitsprak; wel meestal in hetgeen zij behendig weerhield, in
-hetgeen zij met een schier niet waar te nemen gebaar te kennen gaf, in
-het gesluierde van een oogknipje, in de nevengedachte van eene
-pruilende beweging der lippen, in de beteekenis van een glimlach, die
-dien der engelen in naïeviteit kon evenaren. Hoe het ook zij, waaraan
-ook toe te schrijven, aan een dezer beweegkrachten of aan den invloed
-van allen te zamen, zooveel is zeker, dat bij de bewerking hoofd en
-hart van den ambtenaar met behendige hand gekneed werden. Genoeg zij
-het te weten, dat hij, na eerst kalm en aandachtig toegeluisterd te
-hebben, zichtbaar onrustig werd; dat hij zachtkens naar zijne
-levensgezellin toeschoof. Toen hij haar zoo dicht mogelijk genaderd
-was, vleidde hij zich streelend tegen dat schoon gevormde lichaam,
-leunde met het hoofd op haren schouder, verborg het gelaat onder hare
-weelderige donkere krullen, snoof met kracht en met wellust den
-bloemengeur, waarmede zij doortrokken waren, daaruit op, en sloeg zijn
-arm om de aanvallige leest, die hem als het ware daartoe uitnoodigde.
-In één woord, hij was geheel en al hartstocht, geheel en al in
-lichtenlaaie opgegaan, toen zij haar verhaal beëindigde met de woorden:
-
-„’Mbok Karjå,” zoo besloot zij haar verhaal, „heeft mijne hulp voor
-haren beschermeling, voor den smachtend verliefde ingeroepen. Zij heeft
-mij verzocht te pogen Dalima gunstig voor haren aanbidder te stemmen.
-Als dankbaarheidsbetoon van den gelukkige, dien ik zou maken, heeft zij
-mij dit aangeboden.”
-
-En bij die woorden opende Laurentia de kartonnen doos en haalde daaruit
-een fraai bloedkoralen snoer, hetwelk eene groote rosette van
-edelgesteente tot sluitstuk had.
-
-„Zie,” sprak zij, „die briljanten alleen zijn ruim tien duizend gulden
-waard.” Zij sloeg zich het fraaie snoer om den blanken hals. De
-prachtig roode koralen, met haren rooskleurigen weerschijn, deden
-inderdaad de fijne huid, die zij tooiden, in hare bedwelmende
-vleeschkleurige schakeering overheerlijk uitkomen. Het snoer slingerde
-in bevallige bochten langs de welgevulde sleutelbeenderen, terwijl het
-briljante sluitstuk tusschen de hartvormige uitsnijding van de kabaja
-daalde, waar het zijne naaste omgeving met zijne schitterende
-lichtstralen overtoog.
-
-Maar Van Gulpendam had thans geene oogen voor het juweel. Hij omvatte
-het middel zijner echtvriendin hartstochtelijk met beide armen, klemde
-haar onstuimig aan de borst, overdekte hare wangen, haar voorhoofd,
-hare lippen, haren hals, de hartvormige uitsnijding met kussen, met
-brandende kussen, en riep in de hoogste vervoering uit:
-
-„Je bent schoon, mijne Laurentia! Onvergelijkelijk schoon!”
-
-„De obat!... De obat!” juichte zij, terwijl zij haren echtgenoot met
-hare schoone oogen diep in de zijne staarde, en hem als het ware
-verslond. „Zie je wel! De obat!... Ditmaal heeft ’Mbok Karjå, zich
-zelve overtroffen!... Zie je wel, Gulpie!... Zie je wel...”
-
-„Ja, mijn Laurtje!” kreet hij in vervoering! „Ja, de obat!... Ik voel
-het. Ik steven met volle zeilen! Klaar bij het anker!... Betoel,
-betoel! (inderdaad) Hari ontong!”
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-EEN VERRADERLIJK DÈSA-GENOOT.
-
-
-Op een twaalftal palen [46] afstands, ten zuidoosten van Santjoemeh,
-lag in een schilderachtig, heuvelachtig terrein, hetwelk veelvuldige,
-maar vooral liefelijke afwisselingen voor het oog aanbood, de dèsa
-Kaligaweh, te midden van een uitgestrekt klapperbosch, dat er een
-breeden smaragdkrans om sloeg, en met de wuivende bladerentakken, welke
-van eene nabij gelegen hoogte gezien, eene machtige guirlande van groen
-vormden, die zich, onder den invloed der zachte bries, als van
-grasgroen kantwerk vervaardigd, vertoonde.
-
-Die klapper-aanplant vormde als het ware den voorhof van de dèsa; want
-zij zelve lag verscholen in een waar boschje van ooftboomen, waarin de
-heerlijkste „manga’s,” de lekkerste „ramboetan’s,” de rinschste
-„assam’s,” de saprijkste „bliembieng’s,” de geurigste „djeroek’s” en de
-meest verfrisschende „djamboe’s” [47] en nog zooveel andere gaven van
-de intertropische Pomona, in vele verscheidenheden vertegenwoordigd
-waren. Hier en daar stoffeerde struikgewas als ware sierplanten de
-ruimten tusschen de hutten en de boomen en vervulden de
-„katja-piring’s,” de „kembang mantega,” de „melattie’s,” de
-„poekoel-ampat,” de „kemoening,” de „kembang spatoe,” de „patra
-kombala” [48] en zooveel andere bloemsoorten, de lucht met hare
-liefelijke geuren, of streelden het oog met hare schitterende, maar
-aangename verscheidenheid van kleuren.
-
-De omheining zelve der dèsa bestond uit dichte rijen van bamboestoelen,
-van die dikke en lange bamboe-betong- [49] soort, die zoo kostbaar
-bouwmateriaal voor het Inlandsch huishouden oplevert, maar als
-afsluitingsmiddel onverbeterlijk is met zijn lange en zware halmen, die
-als het ware stam aan stam groeien, en hoog in de lucht onder de vracht
-der loofpluim, welke zij te torsen hebben, bevallig overbuigen, en zoo
-een heerlijk beschaduwd terrein leveren.
-
-Kaligaweh was geen groote dèsa. Een dertigtal hutten in de meest
-schilderachtige wanorde in het vruchtboomenbosch verspreid, vormden de
-eigenlijke kom der gemeente. De bewoners hielden zich voornamelijk
-bezig met den rijstbouw, waartoe zich de dèsa-gronden uitstekend
-leenden, en vruchtbare „sawah’s” (rijstvelden) amphitheatersgewijs
-langs die heuvelhellingen vormden. In het lagere gedeelte dier gronden,
-werden „tambakhs” (vischvijvers) aangetroffen, die „bandeng’s,”
-„djampal’s”, „batak’s” „gaboes” [50] en meer anderen vischsoorten
-opleverden, die door de Europeanen en Chineezen te Santjoemeh zeer
-gewild waren, en derhalve goede prijzen opbrachten. De bewoners van
-Kaligaweh zouden dan ook welvarend genoemd kunnen zijn, richtte een
-hartstocht hare verwoestingen niet onder hen aan. Die hartstocht was de
-opium, en die hartstocht ondermijnde niet alleen aller welvaart, maar
-ook de gestellen van hen, die zich aan het gebruik van het
-verderfelijke heulsap hadden overgegeven. Helaas, het moest erkend
-worden, dat zeer weinig inwoners daaraan niet verslaafd waren. En toch
-velen herinnerden zich zeer goed, dat vroeger van de geheele dèsa geen
-enkele bewoner opium gebruikte. Hoe geheel anders was het thans!
-
-Het was ongeveer twaalf jaren geleden, toen een dèsagenoot, die in
-zijne jeugd uitgeweken was, om elders een bestaan te vinden, te
-Kaligaweh teruggekeerd was.
-
-Met dien man, die Singomengolo heette, maar in de wandeling Singo
-genaamd werd, was de opiumramp over de vroeger zoo gelukkige dèsa
-losgebroken.
-
-Singo was eerst in handen van wervers voor het leger gevallen. [51]
-Door van zijn als Javaan aangeboren hartstocht voor het spel misbruik
-te maken, door hem in de geheimenissen van de opiumgenietingen in te
-wijden, was het die zielenverkoopers gelukt van een dommelend oogenblik
-misbruik te maken, om hem zich voor zes jaren te laten verbinden. Het
-handgeld hielpen die ellendelingen den bedrogene zoo spoedig mogelijk
-in de opiumkit, in bordeelen, in speelhuizen, met hanengevechten
-afhandig te maken. Toen was hij voor zes jaren soldaat.
-
-Toen dat tijdperk om was, verliet hij het leger, waarbij hij evenwel
-geen onwaardig figuur gemaakt had, en trad als oppasser in dienst bij
-een controleur van het binnenlandsch bestuur in een der
-binnenafdeelingen van Java. In die betrekking ontwikkelde hij een zeker
-talent bij het opsporen van politie-overtredingen, en erlangde den naam
-van zeer geslepen te zijn. Als zoodanig trok hij de aandacht van den
-gedelegeerde van den opiumpachter, die hem aanwierf voor de
-pachtkongsi, welke na gebleken verdienstelijkheid, zich beijverde hem
-eene aanstelling als „bandoelan” (opiumjager) van het hoofd van
-gewestelijk bestuur te Santjoemeh te bezorgen. In die betrekking legde
-hij zooveel sluwheid, zooveel vaardigheid aan den dag, dat hij niet
-alleen bij het opsporen van smokkelopium uitmuntte, maar ook bij andere
-voorkomende lichtschuwe zaken; zoodat hij bij babah Lim Yang Bing
-weldra in blakende gunst stond. Die opiumpachter bezigde hem dan ook
-bij voorkeur in die gevallen, waarin zijne sluwste acolijten te kort
-schoten. Singo bewees vooral onschatbare diensten, door bij die
-personen, welke op de een of andere wijs den pachter in den weg
-stonden, steeds smokkelopium te vinden, al had de betrokkene nimmer
-heulsap gezien.
-
-In het jaar 1874 bewerkte babah Lim Yang Bing, natuurlijk door macht
-van geld, dat het aantal opiumkitten in het pachtdistrict Santjoemeh
-met een tiental vermeerderd werd. [52] Onder de rampzalige dèsa’s, die
-door het Nederlandsche bestuur met zoo’n pest vergiftigd werden,
-behoorde ook Kaligaweh. Maar... tusschen het oprichten van zoo’n
-opiumhol en dat rendeerend te maken, gaapte voor het oogenblik eene
-wijde kloof, die noodzakelijk aangevuld moest worden. Althans zoo
-begreep het de pachter. Wel was er eene kit verrezen,—zoo smerig
-mogelijk, om aan de traditiën van zoo’n hol getrouw te blijven,—wel
-prijkte boven de deur een groot zwart houten bord, waarop met
-duidelijke witte letters: opiumverkoopplaats te lezen stond, welk
-Nederlandsch woord daaronder in het Javaansch en in het Chineesch, met
-de eigendommelijke karakters dier talen herhaald was; wel begunstigden
-de twee Chineezen, die de kit exploiteerden, de voorbijgangers met
-hunne innemendste glimlachjes, waarbij hunne gelaatstrekken met de
-schuin staande oogen eene type van wulpsche gemeenheid daarstelden;
-maar het was alles te vergeefs, de nieuw verrezen kit bleef verstoken
-zelfs van een eerste bezoek.
-
-Babah Lim Yang Bing zag zeer goed in, dat zoo’n voorbeeld aanstekelijk
-was. Het was toch opmerkelijk, hoe welvarend niet alleen Kaligaweh was,
-maar het geheele onderdistrict, waartoe die dèsa behoorde, in
-vergelijking met die streken, waar de opiumkitten bloeiden. Ook het
-gezonde uiterlijk van hare bewoners, de stevige breede borstkassen, de
-flinke gespierde armen en de open gelaatstrekken der mannen, de
-bevallige ronding van heupen en schouders bij de vrouwen, hare
-welgevulde wangen, waarop zich een blosje aangenaam baan brak door de
-lieve bronskleur, staken merkbaar af bij de ziekelijke en de aschgrauwe
-troniën der wandelende geraamten van de opiumschuivers, die elders
-aangetroffen werden. Maar, wat vooral de aandacht van den geslepen
-opiumpachter niet ontging, waren de rijke rijstvelden, die het geheele
-district overdekten, en de daarin liggende dèsa’s met haar donkergroen
-loof der vruchtboomen, liefelijk als eilandjes in eene zee van zacht
-getint lichtgroen, omvatten, wanneer het graan opschietende was en de
-frissche halmen aan de geheele omgeving helderheid en levendigheid
-bijzetten; of die dèsa’s als in goud omklonken hielden, wanneer de
-gulden aren, gerijpt door de keerkringszon, in den oogsttijd het zware
-hoofd bogen en onder den drang van een speelsch windje golfden, en met
-hare regelmatig op- en neergaande beweging aan eene goudgele deining
-gelijk, het ontworpen beeld van eilanden te midden van den Oceaan nog
-treffender maakte.
-
-In welk seizoen en van welken kant men destijds de dèsa Kaligaweh ook
-naderde, steeds getuigden de sawah’s van goed verrichten arbeid, zoowel
-bij de diepgrondbewerking van de velden als bij het onderhoud en het
-doelmatig periodiek verleggen der „galangan’s” (dijkjes) [53]. De
-gevolgen daarvan waren—de lezer vernam het reeds—een welvaart, die
-scherp afstak bij het kommervol bestaan, dat in naburige streken
-gesleten werd.
-
-Daaraan moest een einde gemaakt worden. Niet alleen dat die welvaart
-wegens het voorbeeld een doorn in het oog van babah Lim Yang Bing was;
-maar met het hebzuchtig karakter zijnen landaard eigen, wenschte hij
-zich een groot deel der gegoedheid van de eenvoudige bewoners toe te
-eigenen. Wij zagen het evenwel, zijne pogingen met de „petjandon”
-(opiumkit) hadden weinig of geen gevolg. Maar, dat zou, dat moest
-anders worden!
-
-Op zekeren dag—het was in den vollen oogsttijd [54]—keerde de
-bevolking, mannen en vrouwen, jongelingen en meisjes, bij het vallen
-van den avond van de velden terug, waar de vrouwen ijverig de ani-ani
-(snoeimesjes) gehanteerd hadden, om de rijpe aren halm voor halm af te
-snijden, en de mannen vlijtig bezig geweest waren met het overnemen der
-„potjongs” (bosjes) van de snijdsters, om die tot „gedeng’s” (grootere
-bossen) saam te binden. Op aller gelaat was vergenoegdheid te lezen;
-want de oogst was toch overvloedig geweest, geen „ama’s” (plagen)
-hadden het gewas geteisterd, zoodat de sawahbezitters vele pikols
-product konden opschuren, en de „bawon” (snijloon in natura) voor de
-helpers rijkelijk mocht genoemd worden. Dat was reeds eene verklaarbare
-reden van vreugde en opgewondenheid, welke dien voor de Javanen zoo
-feestvollen dag kenmerkte.
-
-„Pottong paddie” (rijstsnijden, rijstoogst) is inderdaad een echt
-nationale feestdag voor de landbouwende bevolking van het schoone Java,
-een dag van vreugde, van meerder beteekenis voor die primitieve
-gemoederen, dan alle Mohammedaansche vieringen te zamen. Het is dan
-voor haar eene ware kermis. [55] In bonte massa’s komen de vrouwen en
-de meisjes op het veld; menig hart begint daar voor het eerst van
-minnevuur te kloppen, menige liefdes-intrigue komt daar tot stand,
-menig jawoord wordt daar gelispeld. De geheele omgeving in die dichte
-graanvelden leent zich toch tot afzondering en daardoor tot dartel
-minnespel. En.... valt het niet te ontkennen, dat bij zoo’n gelegenheid
-hier en daar eene onbewaakte onschuld ondergaat; wordt ook al een offer
-op het altaar van Lucina geplengd, zoo mag daarbij ook niet verzwegen
-worden, dat bij dat oogsten menige band ontstaat, die later door den
-„panghoeloe” (priester) vaster gestrengeld en gesloten wordt, ook dat
-de gevolgen nimmer tot zoo huiveringwekkende misdaden voert, als in
-meer verfijnde maatschappijen voorvallen.
-
-Toen de vroolijke bende paddiesnijdsters en snijders de dèsa naderde,
-klonken haar de opwekkende tonen van de „gamelan” [56] tegen. Men keek
-elkander verbaasd, maar toch met verrukten blik aan. Niemand wist
-uitsluitsel te geven, aan wien men die attentie te danken had.
-
-Maar op de „aloon aloon” [57] aangekomen, zag men daar onder de
-prachtige Wariengienboomen, die dat dorpspleintje omgaven en heerlijk
-beschaduwden, twee loodsen opgeslagen, die beiden met Nederlandsche
-vlaggen getooid waren, en waarvan de eene thans nog hermetisch gesloten
-was. In de andere evenwel waren op den achtergrond de muzikanten met
-gekruiste beenen op den grond bij hunne instrumenten gezeten, en deden
-hunne bekkens luid en rythmisch weerklinken. De voorgrond der loods was
-ledig; maar die was vrij wel verlicht, terwijl de bodem daar gelijk
-gemaakt en met fijn zand bestrooid was. Een luid gejuich ging op het
-gezicht daarvan onder de oogstvierders op; want zij bevroedden, dat zij
-op meer genot dan op een eenvoudig concert vergast zouden worden.
-
-Singo, die door babah Lim Yang Bing met uitgebreide volmacht naar
-Kaligaweh afgevaardigd was, stond in de nabijheid van de gamelan tegen
-een der bamboestijlen, die het dak der loods torsten, geleund, en
-knipte een oogje tegen de aankomenden, die voor het meerendeel tot
-zijne kennissen behoorden, en hem met een juichenden groet
-verwelkomden.
-
-De mesjes, de stroobanden, die tot het binden der bossen moesten
-dienen, de rijstbossen zelven waren spoedig opgeborgen, zoo ook de
-„toedoeng’s” en „bakoel’s”, die tot schaduwrijke hoofdbedekking gediend
-hadden bij den arbeid in het volle zonlicht op de sawah’s; en weldra
-vulde de geheele bevolking het pleintje voor de muziekloods, en hurkte
-stoeiend en dartelend op het mollige grastapeet neder.
-
-Het Oog des dags was intusschen in het westen ondergegaan. Enkele
-sterren flonkerden hoog boven in de donkerblauwe lucht met zachten
-glans, terwijl de maan, die bijna vol was, als een bloedroode bol boven
-den horizon gestegen was, en tusschen de takken en bladeren der
-Wariengiens door scheen, en de grilligste schaduwvormen op de menigte
-wierp. Rondom de loofkruinen beschreven ontelbare „kamprits” een
-doolhof van onuitwarbare wendingen en bogen, en stieten daarbij hunnen
-scherpen maar kort afgebroken gil uit; terwijl hoog daarboven ettelijke
-„kalongs” [58] al krijschende in geheimzinnige kringen rondvlogen, als
-zochten zij de saprijkste vruchten uit, waarop zij straks in dien rijk
-voorzienen gaard zouden neervallen.
-
-Toen allen gezeten waren, gaf Singomengolo aan de artisten een teeken,
-en daar weerklonk de gamelan met vol orchest en vulde het pleintje met
-hare welluidende tonen.
-
-„Bôgirô! bôgirô!” juichten de vroolijksten van de toeschouwers.
-
-En inderdaad, dat eerste stuk, dat daar ten gehoore gebracht werd, kon
-het best met eene westersche ouverture vergeleken worden, waaraan al de
-instrumenten, waaruit het Javaansche orchest bestond, deelnamen. Vol en
-oorverdoovend klonken soms de bekkens, maar gingen bij wijlen in
-solopartijen over, die liefelijk het oor streelden. Zichtbaar waren de
-muzikanten in de beste stemming, en smaakten dan ook het genoegen aller
-aandacht te boeien, hetgeen hun bewezen werd door de diepe stilte, die
-onder de jolige menigte heerschte.
-
-Bij de slotakkoorden evenwel werden allen rumoerig, terwijl, toen de
-bekkens zwegen, een onmetelijk gejuich zich verhief, dat de verrukking
-der toehoorders moest beduiden en voor handgeklap, bij Oosterlingen
-ongebruikelijk, moest gelden.
-
-Singomengolo, geholpen door een paar handlangers, ook door de beide
-Chineezen, houders der opiumkit, bood aan de notabelen „rôkô’s”
-(sigaren in bladeren gewikkeld) aan, terwijl bij de vrouwelijke
-voorname toeschouwsters „goelali” en „kwee kwee” (suikerwerk en
-gebakjes) rondgediend werden. In den omtrek der beide loodsen stonden
-eenige „warong’s” (kraampjes), waar de minder voorname gemeente haren
-snoeplust kon voldoen. Een daverend gejuich ging op, toen de belusten
-van de venters en ventsters vernamen, dat die lekkernijen kosteloos te
-verkrijgen waren, dat men die vrijgevigheid aan Singo te danken had,
-die zoo zijn terugkeer in zijne geboorteplaats wenschte te vieren. Des
-milden gevers hand werd allerwege hartelijk gedrukt. De verlokker
-verzweeg evenwel wijselijk, dat de tabak, waaruit de rôkô’s gerold
-waren, met een aftreksel van opium gedrenkt was; ook dat het sap van de
-„sedap malam” [59] gediend had bij de bereiding der gebakjes en andere
-lekkernijen. Een ieder liet zich de versnaperingen goed smaken, en had
-een woord van dank voor den milden Singomengolo.
-
-Op een wenk van dezen laatste entonneerde de gamelan weder. Een ieder
-hernam zijne plaats en met uitbundig gejuich werden de eerste
-muziektonen begroet.
-
-„Taroe Polo! Taroe Polo!” klonk het uit veler mond.
-
-Allen schonken de meeste aandacht aan de voordracht. Maar, hoewel ieder
-dèsa-bewoner het motief, of beter het verhaal kende, waarop de artisten
-klankrijk borduurden, luisterde men toch in menigen groep gaarne naar
-den een of anderen oude van dagen, die de legende verhaalde, welke daar
-door de muziek onder tonen gebracht werd. De Javaansche muziek toch is
-de vertolking, de belichaming, de rythmeering van de zoo ontelbare
-sprookjes, verhalen en legenden in die streken. Zij is er een
-integreerend deel van, zooals de toonbuiging der stem en de gebaren dat
-bij rederijkers-voordrachten zijn. De legende van Taroe Polo was een
-der meest boeiende, en derhalve uiterst geschikt om de gemoederen voor
-liefelijke gewaarwordingen toegankelijk te maken. Zacht, maar toch
-verstaanbaar klonk de stem van den verhaler tusschen de muziektonen:
-
-Taroe Polo was een jong vorst, die, eens op de jacht zijnde, in het
-dichte tropische woud een ouden en half vervallen „kraton” (vorstelijk
-verblijf), welks bestaan niemand zelfs vermoedde, vond. In weerwil van
-de dichte wildernis, die den bouwval omgaf, drong hij er in door, en
-vond in een der menigvuldige vertrekken, dat gespaard en zeer goed
-onderhouden was, eene wonderschoone vorstin, die door een stoet van
-jeugdige vrouwelijke bedienden omgeven was, die wel niet met hare
-gebiedster in schoonheid wedijveren konden, maar toch als toonbeelden
-van vrouwelijke bevalligheid konden gelden. De vorstin was eene
-koningsdochter, die daar in dat eenzame oord door eene wreede moeder
-geplaatst was, omdat deze haar wenschte uit te huwelijken aan eenen
-bejaarden, maar machtigen vorst, dien zij zelve voor hare dochter
-uitverkoren had. Pangerang (prins) Taroe Polo voelde bij den eersten
-aanblik der schoone kluizenaarster de liefde zijn hart binnensluipen.
-Hij draalde geen oogenblik om haar daarvan bekentenis te doen. Hoor,
-hoe de kleine „pernakh-an gedang” en de „gambang” [60] met hare zachte
-zilvertonen de gevoelens van den jeugdigen vorst vertolken. Luister,
-hoe hare geluiden zuiver, rein weerklinkend, bidden, smeeken, terwijl
-de jongeling voor de schoone neerhurkt. De lieve maagd was volstrekt
-niet ongevoelig voor die uitingen van genegenheid, van liefde. Haar
-boezem zwol, zuchten braken zich baan; dat vertelt de „soelieng”
-(fluit) met hare smachtende tonen genoegzaam. Haar gevoel werd evenwel
-in bedwang gehouden door hare omgeving, die, geheel op de hand harer
-moeder, deze innig verkleefd was. Zij kon zich derhalve slechts
-stokkend, met kort afgebroken woorden, ja met enkele lettergrepen
-uitdrukken. Dat geven de tonen der „tjemplong” (liggende harp)
-duidelijk aan. Met zachtheid en list wist zij evenwel hare
-gezelschapsdames voor een oogenblik te verwijderen. En toen dat gelukt
-was, barstte een concert van hartstochtelijke juichtonen van de beide
-verliefden los, die door de „rebab,” de „gender,” [61] de soelieng en
-de tjemplong weergegeven worden. Na alzoo hunne wederzijdsche gevoelens
-betuigd te hebben, kwam het verliefde paar tot de overtuiging, dat er
-aan het vermurwen der heerschzuchtige moeder van de lieve schoone niet
-te denken viel, dat de omgeving der vorstin onomkoopbaar was, en dat
-niets overbleef, dan naar het gebergte te vluchten.
-
-De aanminnige maagd aarzelde evenwel, hare schuchterheid deed haar voor
-dien uitersten stap terugdeinzen. Maar de smeekbeden van Taroe Polo, nu
-eens smachtend als het suizend windje, dat door de Wariengien-kruinen
-ritselt, dan weer hartstochtelijk als de orkaan, die zijne boeien
-slaakt en loeiend over de velden giert, bracht haar aan het wankelen.
-Haar eigen hart bestormde haar, hare liefde deed zich gelden en
-behaalde eene volledige overwinning op hare besluiteloosheid, maar het
-was vooral de vrees, dat hare moeder van hare liefde voor Taroe Polo
-kennis zou dragen, die den doorslag gaf. Met blooden, neergeslagen
-blik, maar met een bekoorlijken glimlach viel zij in de armen van haren
-minnaar, en ijlde met hem de blauwe bergen, die in het verschiet lagen,
-te gemoet.
-
-Het geheele Javaansche orchest viert dien luisterrijken uitslag en
-duidt met bekkenslag in versnelde tijdmaat de rapheid der vlucht van
-het jeugdige paar aan; om ten slotte met eene zachte maar toch
-genotvolle jammerklacht van de schoone prinses, en met eenen
-uitbundigen jubelkreet door den verliefden prins, bij de overwinning
-geslaakt, te eindigen.
-
-Ademloos zat de geheele bevolking van Kaligaweh nog te luisteren,
-terwijl de laatste klanken der gamelan zachtvloeiend in de verte
-wegstierven.
-
-De maan was intusschen hooger gestegen, had bij die stijging zijne
-bloedroode kleur verloren, en gluurde thans nieuwsgierig over en door
-de Wariengien-kruinen op die landelijke aloon-aloon, alwaar zij allen,
-die daar zaten, met haar zilverlicht overgoot.
-
-Middelerwijl was ook de tweede loods geopend geworden, en zag men daar
-een groep mannen, op den grond gehurkt, ijverig Chineesche speelkaarten
-hanteeren.
-
-De Javaan is een dobbelaar in zijn hart. Het spel is zijn grootste
-hartstocht, ja de moeder van alle anderen, die wellicht niet gevaarlijk
-voor hem zouden zijn, wanneer die eerste niet opgewekt werd.
-
-Al dadelijk stonden ettelijke mannen op, om aan het verleidelijke spel
-deel te gaan nemen; terwijl anderen, die nog meer van de gamelan en van
-de topeng, [62] die ook gegeven zoude worden, wilden genieten, aan
-Singo en diens handlangers andermaal van die rôkô’s vroegen, die hen
-zoo heerlijk gesmaakt hadden. Ook de vrouwtjes waren erg belust op de
-lekkere rijstgebakjes, die haar aangeboden waren, en gaven te verstaan,
-dat een duplikaatje van die lekkernijen niet onwelkom zoude zijn.
-Maar...., daar wachtten hen de sluwe suppoosten van babah Lim Yang
-Bing. Met een innemenden glimlach werd beduid, dat de voorraad, die tot
-geschenken bestemd werd, verstrekt was; terwijl tevens te kennen werd
-gegeven, dat die rôkô’s en die kwee-kwee bij de warongs te krijgen
-zouden zijn. Men keek elkander aan. Bij de warongs! Ja, maar daarbij
-werd nu kontant geld gevorderd; en.... al waren de bewoners van
-Kaligaweh welvarend te noemen, van het slijk der aarde was onder hen
-niet veel te vinden.
-
-Singomengolo raadde hunne gedachten, en wees met een duivelachtig
-gebaar naar het geopende speelhol.
-
-„Daar waren „doeit” (duiten), „katip’s” (dubbeltjes), „stalie’s”
-(kwartjes), „roepiah’s” en „ringgiet’s” (guldens en rijksdaalders) voor
-de gelukkigen te krijgen,” grinnikte hij.
-
-Dat was olie in het vuur geworpen.
-
-„Maar om te spelen, is geld tot inzet noodig,” meende een der
-omstanders.
-
-„En de gesneden paddie dan?” vroeg de verleider met eenen
-duivelen-lach.
-
-Daar ging voor de menigte een licht op. Dat zij zoo iets had kunnen
-vergeten!
-
-„Zal die paddie in betaling aangenomen worden?”
-
-„Ja, zeker. En voor den vollen marktprijs ook!” antwoordde de
-verleider. „En”, liet hij er verlokkend op volgen, „dat het heden hari
-ontong is, kunt gij daar zien. Kijk Kromomidjo eens de ringgiets laten
-klinken!”
-
-En, waarlijk daar stond een der dèsabewoners te tandakken (dansen) en
-te springen van vreugde, terwijl hij in de op elkaar gehouden
-handholten drie rijksdaalders liet rinkelen.
-
-Drie rijksdaalders! Dat was op zijn minst het loon voor een halve maand
-arbeidens! En die waren in weinige oogenblikken gewonnen! Er behoorde
-maar wat stoutmoedigheid toe. De fortuin was wel te bestormen! Zoo
-verzekerde althans de rampzalige, die in de loos gespannen netten
-verstrikt was.
-
-Maar.... was het achterdocht, of was het voorzichtigheid? Nog niet veel
-bossen paddi vonden hun weg naar de speelloods. Maar,.... daar maakten
-èn Kaseran en Wongsowidjojo èn Kamidin, èn Sidin, èn zoo veel anderen
-dezelfde gebaren als zoo even Kromomidjo. Ook zij tandakten en gilden
-van de pret, en lieten aan de verzamelde dèsa-bewoners, de eene twee,
-de andere vijf, de derde zeven en zelfs een tien gulden zien, die zij
-in een ommezien gewonnen hadden. Waarlijk, Singomengolo, was een brave
-vriend, die zijne dèsa-genooten kwam gelukkig maken, door hen te
-leeren, gauw en gemakkelijk geld te verdienen!
-
-Toen was er geen houden meer aan. Al ras zat de geheele speelloods vol,
-en waren daar vele groepjes, die het blinde geluk tartten, terwijl
-buiten de gamelan weerklonk en de krijschende stemmen der „ronggeng’s”
-[63] vernomen werden.
-
-Maar de houders der speelloods waren sluwe kerels. Neen, zij mochten de
-bevolking van Kaligaweh bij zoo’n eerste proef niet afschrikken. Neen,
-slechts een zeer klein gedeelte van den oogst was in hunne handen
-overgegaan; want, sloeg men de gelukkige en opgewekte gezichten der
-spelers gade, dan was het duidelijk, dat daar niet veel verliezers
-onder schuilden, en werden die ook al aangetroffen, dan waren het
-slechts dezulken, die een klein verlies wel dragen konden. Waarlijk, de
-croupiers maakten geene zaken dien dag; hoewel zij slim genoeg er voor
-zorgden, nu de indruk gegeven was, dat hun verlies niet buitengewoon
-was; zoodat de rijksdaalders tot guldens, en de guldens tot kwartjes in
-de handen der spelers bij het op en neergaan van het geluk geslonken
-waren. Maar toch wonnen de spelers nog genoeg, om vroolijk en opgeruimd
-te zijn.
-
-Eindelijk, toen het middernachtsuur bij de „gardoe” (wachthuis) van het
-dèsa-hoofd op de „tongtong” (hollen blok) weerklonken had, verklaarden
-de spelbazen, dat zij wenschten te eindigen; omdat het voor hen eene
-ware „malam tjelaka” (ongeluks-nacht) was. En werkelijk de kaarten
-werden opgeborgen en de lichten uitgeblazen.
-
-Maar, terwijl men zich nu nog bij de gamelan een poos verlustigde, werd
-de zucht voor de lekkere rôkô’s andermaal gaande. Hiermede maakten de
-waronghouders goede zaken, en daar die ook al weer acolijten van babah
-Lim Yang Bing waren, keerden de bij het spel prijsgegeven gelden
-gedeeltelijk in den zak der kongsie terug, zoodat de opoffering niet te
-groot was.
-
-Eindelijk was de voorraad van die lekkere stroosigaartjes, die toch al
-niet te groot genomen was, uitgeput. Toen verwezen Singo en zijne
-handlangers met eenen onbeschrijfelijken gemeenen grijnslach de
-belusten naar de opiumkit, waar volgens hunne verzekering veel
-lekkerder waar te genieten was. Daar troonden inmiddels de ronggengs op
-de „baleh-baleh’s” (rustbanken) voor het oog van een ieder, kneedden
-met bevallige vingeren de balletjes madat, en wierpen vurig verlokkende
-blikken op, en richtten menig ontuchtig gebaar tot de arme
-slachtoffers, die, hunkerend voor de deur van dat heillooze hol stonden
-te turen, maar nog aarzelden om binnen te treden.
-
-Helaas, voor enkelen was de verlokking te sterk! Opgewonden door het
-gift, dat reeds met volle teugen ingezwolgen was, verlokt door de
-uitnoodiging tot wellust van die schoone jeugdige vrouwen, bezweek al
-ras de eene voor en de andere na. En hoewel dien eersten avond niet
-alle hokjes van de opiumkit bezet werden, zoo hadden de Chineezen, die
-haar bestuurden, alle redenen van tevredenheid. [64]
-
-Babah Lim Yang Bing prevelde dan ook binnen’smonds toen hij dien
-uitslag vernam:
-
-„Een onbetaalbare kerel, die Singomengolo, dien ik in waarde moet
-houden!”
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-EENE DÈSA IN VERVAL, PAK ARDJAN’S ARRESTATIE.
-
-
-Die aanvankelijk niet ongunstig uitgevallen proef werd stelselmatig
-voortgezet, en avond op avond weerklonk het zoo verleidelijk
-gamelanspel op de aloon-aloon van Kaligaweh, en herhaalden zich de
-geschetste verlokkingen. Zoo iets kostte babah Lim Yang Bing in den
-beginne eenig geld. Maar dat zoude èn rente èn kapitaal wel opbrengen.
-Het duurde dan ook zoo heel lang niet, of het werd minder noodzakelijk
-de dobbelaars te laten winnen. Gebeurde dat nog, dan was het nog maar
-een enkele maal, om de hoop op winst niet verloren te doen gaan.
-Integendeel, de spelers begonnen al meer en meer te verliezen, en de
-eene bos paddie voor en de andere na ging in handen van de spelbazen
-over, die, het moet erkend worden, royale prijzen besteedden en het
-product zelfs tegen sommen boven den marktprijs overnamen.
-
-Maar niet alleen was de speelwoede in Kaligaweh in lichtenlaaie
-losgebroken, het opiumverbruik nam ten gevolge van het menschonteerende
-verleidingsstelsel hand over hand toe, en zes maanden waren
-ternauwernood verstreken, toen erkend moest worden, helaas! dat een
-zeer groot gedeelte der bevolking tot het opiumschuiven was overgegaan.
-De pachters toch hadden krachtige bondgenooten aangetroffen in de
-vrouwen, [65] die al zeer spoedig den invloed bespeurden, welke het
-amfioenrooken op hare echtgenooten uitoefende, en zij waren het, die de
-rampzaligen op het pad des verderfs, in plaats van hen te weerhouden,
-daarop voortstuwden.
-
-Toch was de heillooze uitwerking van het vergift zoo dadelijk niet waar
-te nemen. Neen, die vijand werkte in het donker, langzaam, uiterst
-langzaam, maar zeker. O, in den beginne was het verbruik van opium zoo
-gering. Een paar „mata’s” [66] daags, nog niet eens die hoeveelheid,
-waren voor die oorspronkelijke lieden, aan de werking van het gift niet
-gewoon, voldoende om de zalige rust, den heerlijken slaap met zijne
-betooverende droomen van overschoone en wulpsche hoerie’s, waarmede de
-Profeet Mohammed zijn paradijs bevolkt heeft, te genieten. Het dubbel
-aantal mata’s verschafte de grootste opgewektheid, de hoogst
-opgezweepte natuurdrift. En die zaligheid, dat genot was bij den
-opiumpachter te koop tegen slechts veertien cent per mata [67].
-Waarlijk, het was te geefs!
-
-Maar... maar, volstond de schuiver aanvankelijk met die geringe
-hoeveelheid, die toch reeds eene bres in zijn bescheiden budget
-veroorzaakte, omdat die uitgave vrij geregeld wederkeerde;
-langzamerhand gewende het gestel van de rampzaligen er aan, zoodat die
-hoeveelheid grooter genomen moest worden, om de verlangde uitwerking te
-erlangen. Vond een enkele beluste bevrediging, wanneer hij slechts nu
-en dan, bijvoorbeeld eens in de week de „bedoedan” (opiumpijp) ter hand
-nam, helaas, naarmate de zenuwen aan den prikkel gewenden, werd de
-behoefte daaraan grooter, en zoo waren er reeds verscheidenen aan te
-wijzen, die, wanneer de werking van het narcoticum opgehouden had,
-loom, naargeestig, zenuwachtig, ongeduldig waren, en zich derhalve
-hoogst ongelukkig gevoelden. Geen ander middel bestond daartegen dan om
-de bedoedan weer ter hand te nemen, het verdoovingsmiddel andermaal in
-te zwelgen, waardoor ze eindelijk bijna zonder tusschenpoozen van den
-eenen zwijmel in den anderen overgingen [68].
-
-Dat daarbij de stoffelijke welvaart der dèsa-bewoners onvermijdelijk te
-gronde ging, wie zal dat betwijfelen? Niet alleen de uitgaven voor de
-zoo verleidelijke opiumballetjes overschreden reeds de draagkracht van
-menigeen; maar ook de opgewekte sexueele driften eischten bevrediging,
-en verslonden het laatste spoor van gegoedheid. Daarenboven was de lust
-tot arbeiden—toch al niet groot in een tropisch land—gestoord, ja
-vernietigd. Werkte het heulsap niet, dan was de schuiver een lodderig,
-vadzig, lui, slaperig wezen; geheel onbekwaam tot de geringste
-inspanning, waarin dan de levensvonk slechts aangeblazen kon worden
-door eene vernieuwde overprikkeling door het schandelijke middel.
-
-Daarbij werden de hygiënische verhoudingen bij de bevolking van
-Kaligaweh dermate geschokt, dat die den meest gewonen opmerker moesten
-in het oog vallen. Werd de dèsa toch, hetgeen slechts uiterst zeldzaam
-geschiedde, door blanken bezocht, dan bespeurde die, wanneer zij die
-streken vroeger doorreisd en het gezonde en krachtige uiterlijk der
-bevolking bewonderd hadden, thans in het tijdperk, waarin het verhaal
-handelt, mannen en vrouwen, die door hun ellendig voorkomen hunne
-meewarigheid wel gaande moesten maken.
-
-O, daarin was zich niet te vergissen. Zij hadden daar slachtoffers van
-den opium-hartstocht voor zich. Die grauwbleeke gezichten, waarop de
-Oostersche bronstint niet meer te herkennen was; die saamgeschrompelde
-huid, die het uiterlijk vertoonde van perkament, hetwelk zonder te
-verschroeien aan eene overgroote hitte was blootgesteld geweest; die
-hoekige gelaatstrekken, welke het hoofd op een afzichtelijk bekkeneel
-deden gelijken; die fletse blikken van de diep ingezonken oogen met
-donkerblauw omkringd; die gebogen gestalten en die ingedoken
-borstkassen; die wonderbaarlijke vermagering van het bovenrif, welke
-veroorloofde de ribben te tellen en eene gedachte aan doorzichtigheid
-deed opwellen, want de specimina, die ontwaard werden, hadden
-ternauwernood een vod, een ellendig stuk „kahin” (kleedingstuk) om de
-lendenen geslagen, ten einde hunne naaktheid te bedekken; dat
-vreeselijk kuchen, hetwelk vernomen werd, en diep uit de holte
-klinkende van eene beklemde borst en van aangetaste longen sprak, en
-het geheele rif akelig deed wankelen en schudden; die spillebeentjes,
-zoo dun, zoo mager, welke het geheel bijna niet meer vermochten te
-dragen, dat alles stelde het stereotype beeld daar van het verguisde
-pronkstuk der schepping, en stempelde zich tot herkenningsmerk, tot
-onwraakbare getuige van het langdurig lijden, van de onafzienbare
-ellende, die daar doorstaan waren, en waardoor die lichamen gesloopt
-werden.
-
-Toen Singomengolo de dèsa, waar hij het levenslicht aanschouwde, maar
-waar hij als dankbaarheidsbetuiging de vreeselijkste hartstochten
-achtergelaten had, later terugzag, mochten zijne lippen zich waarlijk
-bij het doortrekken van het district tot een duivelenlach omkrullen. Al
-wat hij daar waarnam: die met mos en onkruid overdekte klapperboomen
-om, en die andere verwaarloosde ooftboomen in de dèsa, die in het
-geheel niet onderhouden galangan’s en waterleidingen der sawah’s, die
-slecht bewerkte velden, die weinige buffels, welker vermagerd en
-ziekelijk voorkomen van onvoldoende verzorging spraken, dat alles was
-zijn werk! Hij was de schuld, dat bij den oogst het product schamel en
-schraal uitviel. Hij was de schuld, dat die armzalige oogst, nog voor
-dat de ani-ani, haar werk verrichtte, reeds vervreemd was. Hij was de
-schuld, dat kleederen, huisraad en akkergereedschap voor spotprijzen
-verpand werden, en in de kolk van den volksramp verdwenen.
-
-Maar babah Lim Yang Bing, de opiumpachter en zijne vrienden Ong Sing
-Beh en Kouw Thang, de pachters van het pandjes- en van het speelhuis te
-Kaligaweh, maakten goede, zeer goede zaken, en door zulke luisterrijke
-tusschenkomst voer de Nederlandsche schatkist er ook goed bij, althans
-in vergelijking met vroeger, toen die drie middelen, zoo als de
-Nederlanders die bronnen van geldschrapen noemen, in die dèsa weinig of
-niets aan den fiscus, dien onverzadelijken Moloch, opbrachten. Vroolijk
-en lustig zou dan ook Neêrlands vlag in den wind hebben moeten wapperen
-en fier en trotsch zou het Nederlandsche wapen met het virile „Je
-Maintiendrai” hebben moeten prijken boven dat opiumhol, boven dat
-pandjeshol, boven dat speelhol, welke als aangebedene Drievuldigheid,
-tot eenheid van doel voerden van het meest volmaakte
-uitzuigingsstelsel, waarmede een rampzalig overheerd volk bedeeld is
-kunnen worden!
-
-Onder de ellendige verdwaasden, die in den put vielen voor hen
-gegraven, behoorde Pak Ardjan, de vader van den gewezen djoeroemoedie
-van den schoenerbrik Kiem Ping Hin, die vroeger een gegoed Javaansch
-landbouwer, bezitter van een span krachtige „kebo’s” (buffels) mocht
-heeten, in betrekkelijken korten tijd have en goed verschoven,
-verdobbeld en verbrast en zijn gezin in een poel van de afzichtelijkste
-ellende gedompeld had.
-
-Waar was het vriendelijke huisje gebleven met zijne goudgele omwanding
-van plat uitgespreide bamboehalmen, met zijn donkerbruin dak van
-„nipah-atap” (bladerenbedekking), dat huisje waarin Pak Ardjan vroeger,
-met vrouw en kinderen, zijne dagen zoo genoegelijk sleet, en de
-toekomst met zooveel vertrouwen te gemoet zag?
-
-Helaas! de hut, die het rampzalige gezin thans betrok, was klein, laag,
-bedompt en hoogst vervallen. In het eenige vertrek, waaruit zij
-bestond, heerschte eene onaangename muffe lucht, die door in bederf
-overgaande bamboe gewoonlijk verspreid wordt. Een blik op de schamele
-omwanding, die aan het benedengedeelte verrot, overigens half vergaan
-en door de „boeboek” (snuitkevertjes) aangetast was; een blik op het
-dak, hetwelk, door het vergaan der bamboe-dwarslatten, akelig doorboog
-en overigens in stof verviel; een blik op de bamboe-baleh-baleh, het
-eenige meubel aanwezig, liet geen twijfel over van waar die bedompte
-lucht kwam. Op de morsige matjes, die den nog morsiger bodem bedekten,
-krioelden de kinderen spiernaakt rond, terwijl de moeder en ook de
-vader, als hij te huis was, in lompen gehuld, die nooit gewasschen
-werden, en door het langdurig gebruik het lichaam aan flarden
-verlieten, op den bodem gehurkt, met verglaasden en dom uitzienden blik
-dat schouwspel aanstaarden.
-
-Aanstaarden! Ja, als het turen van den machinalen blik zoo mag geheeten
-worden. Want de vader had van den rampvollen toestand zijn’s gezins
-geen besef meer! De ontzettende zelfzucht, die door het opiumverbruik
-ontwikkeld wordt, de steeds grooter wordende onverschilligheid omtrent
-zijne geheele omgeving, tot zelfs omtrent vrouw en kinderen toe, de
-hand over hand toenemende gemakzucht en de afkeer van iederen arbeid,
-van elke zorg, van elke inspanning, die den opiumschuiver beheerscht,
-waardoor hij ten laatste dag en nacht aan niets anders denkt dan aan de
-voldoening van zijn hoofdhartstocht en de nevenlusten daarvan, waaraan
-alles rondom hem ten dienste moet staan, benevelde zijn oog, en maakte
-hem aan den rand van den afgrond stekeblind.
-
-Verkeerde hij in den lethargischen staat, door het gematigd opiumrooken
-voortgebracht, dan was hij rustig, dan was hij tevreden, dan dommelde
-en droomde hij, en bouwde voor zich alleen een paradijs op, waarin
-slechts wulpsche beelden zijn geest en oog verrukten. Had hij de
-opiumhoeveelheid vermeerderd en het volgend stadium van waanzin
-bereikt, dan, ongeacht de tegenwoordigheid zijner kinderen, vervolgde
-hij zijne vrouw, die hem alsdan als eene hoeri van het paradijs
-verscheen, met de schandelijkste handtastelijkheden; dan hadden er in
-die hut, op welk uur van den dag of den nacht ook, omhelzingen en
-handelingen plaats, die voor het oog van die onschuldige kleinen hadden
-moeten gesluierd worden. Helaas! de man was dan aan een dier gelijk,
-onbekwaam om zijne hartstochten te kunnen breidelen.
-
-Was het paroxysme bereikt, begon de werking van het vreeselijke gift te
-bedaren, dan verviel de ellendeling in een staat van vernietiging die
-voor hem, maar nog meer voor zijne geheele omgeving een kelk van lijden
-was. Want dan begon de schuiver te beven, dan kwam zijn geheel
-zenuwstel in beroering, dan spookten allerlei vreeselijke beelden hem
-door het hoofd, dan was hij ongedurig en angstig, dan voelde hij pijn
-door het geheele lichaam, dan was hij het sterven nabij, zoo verzekerde
-hij met onaangenaam en zuchtend geklaag, en dan was er slechts één
-middel om hem uit dien onduldbaren toestand te helpen, dat was
-andermaal de opiumpijp ter hand te nemen, om de kwaal door het vergift
-te bestrijden.
-
-En dan moest de vrouw uit om tjandoe te koopen. Van waar zij het geld
-vandaan haalde, moest zij maar weten.
-
-En dan moest een kind de madatballetjes kneden en rollen; een ander de
-lamp verzorgen, bij dat rooken onontbeerlijk, en de pijp stoppen; een
-ander sterke koffie zetten, meestal afkomstig van diefstal uit de
-gouvernementstuinen. En als dat alles niet altijd door armoede mogelijk
-was, zelfs als dat voor het ongeduld van den zenuwlijder niet vlug
-genoeg in zijn werk ging, dan vervulde hij die rampzalige hut met
-kermen en klagen, met schelden en verwijtingen, waarmede hij allen
-radeloos en diep neerslachtig maakte.
-
-In zoo’n midden was Ardjan opgegroeid, en hoewel hij nog niet zoo
-verdorven als zijn vader was, zoo hadden zijne ziel en hart in het zoo
-ontvangbare tijdperk der jeugd indrukken opgedaan, die het mogelijk
-maakten, dat hij in dienst van een smokkelvaartuig getreden was, en dat
-hij gevoelens omtrent zijne verplichtingen jegens de kongsie, die hem
-bij hare misdadige handelingen bezigde, aan den dag legde, zooals hij
-in de djaga monjet bij Moeara Tjatjing tegenover Lim Ho den zoon van
-Lim Yang Bing, den opiumpachter van Santjoemeh verkondigde.
-
-Zoolang Ardjan, de oudste zoon van het rampzalige gezin, klein was, was
-dat gezin in de meest dierlijke ellende gedompeld gebleven. Toen deze
-evenwel, na eerst een korten tijd als matroos aan boord van een
-gouvernementskruisboot gediend te hebben, eene plaats aan boord van den
-schoener Kiem Ping Hin verwierf, braken andere dagen aan, vooral toen
-Ardjan, door zijn van nature helder verstand geholpen, tot djoeroemoedi
-opklom. Hij kwam toch toen in de gelegenheid, om in aanraking met de
-lading van het vaartuig te komen en van eene waar, als opium is, was
-geene groote hoeveelheid noodig, om reeds voor een betrekkelijke groote
-waarde weg te kunnen moffelen; terwijl zijne opvattingen omtrent het
-mijn en het dijn hem daartoe ook verlokten. Het ontvreemde heulsap
-leverde hij aan zijn vader af, die zoo niet alleen zijnen hartstocht
-ten volle bot kon vieren, maar door het van de hand zetten van het
-overige gedeelte nog al winst maakte, die evenwel, wel verre van het
-huisgezin ten goede te komen, in de grootste ongebondenheid werd
-verteerd.
-
-Zoo was de stand van zaken, toen de resident Van Gulpendam den
-opiumpachter den wenk gaf, dat Pak Ardjan als een erge opiumsmokkelaar
-bij de politie aangeteekend stond.
-
-Uit het bovenstaande valt te ontwaren, dat die bewering van het hoofd
-van gewestelijk bestuur waarheid bevatte; want sedert lang was de
-opiumpolitie den onverlaat op het spoor, zonder hem te kunnen snappen.
-Zoolang trouwens Ardjan aan boord van de Kiem Ping Hin diende, was daar
-nimmer een ernstige poging toe gedaan.
-
-Ook was het waar, wat de resident aan den opiumpachter medegedeeld had,
-dat Pak Ardjan, onkundig van de verdenking, die op zijn zoon geworpen
-was, van de door de politie aangehaalde opium aan wal gebracht te
-hebben, Lim Ho aangeklaagd had wegens de vreeselijke mishandeling, die
-de Javaan ondergaan had. De oude opiumschuiver had dat niet gedaan, uit
-deernis met zijn zoon, ook niet omdat hij de mishandeling wreken wilde,
-nog minder uit een gevoel van recht, dat hem zoude aangespoord hebben
-om den euveldader zijne verdiende straf te bezorgen. Neen. Kort voor
-zijn wedervaren bij Moeara Tjatjing, had Ardjan bij zijn vader eenige
-katie’s opium bezorgd. Zoolang die voorraad duurde, zou hij zich om de
-mishandeling zijn’s zoons niet bekommerd hebben; maar toen die slonk,
-begon hij voor de toekomst te vreezen, vooral toen zijn zoon het
-verblijf in het hospitaal met dat in de boeien verwisselde. Met zijn
-versuft brein had hij gedacht de invrijheidstelling van Ardjan te
-kunnen bespoedigen, door een klacht tegen Lim Ho in te dienen. Die raad
-was hem door een pleitbezorger gegeven, die in een geding met den
-rijken zoon van den nog rijkeren opiumpachter eene goudader meende
-ontdekt te hebben. Die klacht werd bij den landraad ingediend, en de
-voorloopige dagvaardingen dientengevolge beteekend.
-
-Den jeugdigen rechter Van Nerekool werd het onderzoek van die zaak door
-Mr. Zuidhoorn opgedragen, en vol vertrouwen om in de eerste plaats aan
-de eischen van zijn rechtsgevoel te voldoen, en den onverlaat, die zich
-zoo eene mishandeling veroorloofde, aan den wrekenden arm der justitie
-over te leveren, maar ook om zijne belofte aan Anna, de schoone dochter
-van den resident Van Gulpendam, gegeven, na te komen, namelijk om den
-verloofde van baboe Dalima te redden, had deze die zaak aanvaard, en
-meende haar tot een goed einde te kunnen brengen.
-
-Maar op een namiddag,—de zon stond nog hoog aan den hemel,—had Pak
-Ardjan zijn voorraad smokkelopium, die hij in een blikken trommel
-verstopt, in een eenzaam naburig ravijn diep in den grond, onder een
-dikke laag rolsteenen verborgen had, gaan bezoeken, en bevonden dat
-helaas! hoogstens nog maar een paar taël over waren. Hij nam die mede
-naar huis; want hij had eenige toezeggingen aan opiumschuivers gedaan,
-waaraan hij voldoen wilde. Het gold goede klanten, die ruim betaalden.
-
-Maar nauwelijks te huis gekomen, hoorde hij van zijne kinderen, dat
-Singomengolo in de dèsa verschenen was, ook dat die naar hem gevraagd
-had. Hoewel die verschijning, en ook die vraag, hem nu wel niet vreemd
-voorkwamen, zoo bekroop hem toch een onverklaarbaar gevoel van onrust,
-dat hem aandreef, om zijne smokkelwaar te verheimelijken. Ware hij in
-normalen toestand geweest, dan ware hij, terwijl hij nog niet ontdekt
-was, omgekeerd, om de opium weer in het ravijn op te bergen. Maar hij
-begon zich loom te gevoelen, zijne zenuwen speelden hem parten, zijn
-denkvermogen raakte in de war; in één woord, hij was het stadium nabij,
-dat hij weer eene overprikkeling van het heillooze narcoticum noodig
-had. Hij had nog even den tijd om een paar mata’s van zijn voorraad
-voor eigen gebruik af te zonderen, waarna hij het overige in een
-nipahblad wikkelde, en het tusschen de atappen van de dakbedekking der
-schamele hut inschoof en zoo verborg. Toen hij daarmede klaar was,
-begon het lieve leven, en moest het geheele huisgezin op de been, om
-hem bij zijn vreeselijken opiumhartstocht ter wille te zijn.
-
-Maar, terwijl hij op de baleh-baleh uitgestrekt lag en ternauwernood
-aan zijne derde pijp bezig was, zoodat hij nog niet geheel onder den
-invloed van het papaverproduct verkeerde, verscheen Singomengolo,
-vergezeld van een viertal politieoppassers en van de Chineezen van de
-opiumkit, op den drempel der deur. De opiumjager begreep dadelijk, wat
-er gaande was, hoewel Pak Ardjan terstond opgevlogen was, en met eene
-zekere behendigheid de opiumpijp onder het smerige hoofdkussen, dat op
-de baleh-baleh onmisbaar behoorde, geborgen had, en twee zijner
-kinderen, het eene de „palita” (lampje) onder de rustbank verstopt had,
-en het andere den voorraad opium verheimelijkte. De weeachtige zoete
-lucht, die evenwel in het bedompte vertrek heerschte, kon niemand, wel
-het allerminst een bandoelan, zoo geslepen als de vertrouweling des
-pachters was, misleiden.
-
-„Hier is opium gerookt,” sprak deze norsch, terwijl hij met zijne
-handlangers het huis binnendrong.
-
-„Neen, waarachtig niet,” stamelde Pak Ardjan geheel van zijn stuk,
-terwijl zijne vrouw met de kinderen als eene kudde vreesachtige schapen
-in een hoek van het vertrek samenschoolden.
-
-„Bezet de deur en de ramen,” beval Singo aan de dienaren der politie.
-
-En zich tot Pak Ardjan wendende, herhaalde hij:
-
-„Hier is opium gerookt!”
-
-„Neen, waarachtig niet!”
-
-„En hier is de pijp!” sprak de opiumjager triomfeerend; terwijl hij het
-corpus delicti van onder het hoofdkussen te voorschijn haalde. „Hier is
-de pijp; zij is nog warm.”
-
-Pak Ardjan, toch al niet op zijn gemak, was bij dat bewijs geheel
-vernietigd.
-
-„Waar is de opium?” vroeg Singomengolo barsch.
-
-Geen antwoord.
-
-„O, wij zullen haar wel vinden!” ging hij met akeligen glimlach op de
-lippen voort.
-
-Hij gaf een teeken aan de beide Chineezen en aan de politiedienaren,
-welke deuren en ramen niet in het oog te houden hadden. En nu begon,
-door hem voorgegaan, een nasporing,—eene jacht mag zij wel genoemd
-worden,—waarvan het verhaal ongeloofelijk moge schijnen, maar die
-helaas! toch zoo dikwerf plaats vindt. [69]
-
-Onder de baleh-baleh, onder de matjes, die den grond bedekten, werd
-gezocht; in den bodem, die den vloer der hut uitmaakte, werd gewroet;
-onder de „dapoer” en in de asch van dat primitieve kooktoestel werd
-getast; hoofdkussens met verdachte kapok-klonters werden opengesneden,
-en den inhoud over den vloer verspreid; de weinige kisten en „kapèk”
-(sluitmanden), die aangetroffen waren, werden geopend, en de lompen,
-die zij bevatten, uitgeschud en verachtelijk neergesmeten, het
-armoedige huisraad, de weinige potten en pannen, de rijstketel, het
-tombokhblok, de „bakoel’s”, (rijstmanden), tot de sirihdoos toe, werden
-doorsnuffeld; maar niets, niets werd gevonden.
-
-Singomengolo was vertoornd. Nu gelastte hij de visitatie aan den lijve.
-Eerst werd Pak Ardjan gegrepen en, toen hij zich verzette, werd hem
-onder het toedienen van een groot aantal vuistslagen, de smerige
-vodden, die hij droeg, van het lijf gescheurd, en weldra stond hij daar
-met zijne afzichtelijke magerheid spiernaakt voor zijn gezin. Onder den
-aandrang van dat kiesche gevoel, hetwelk zelfs den meest verdorvene
-blijft beheerschen, hurkte hij jammerend neder, om zijne naaktheid voor
-zijne kinderen te dekken. Toen was het de beurt van de vrouw en de
-kinderen, waaronder meisjes van 7 tot 14 jaren. Met de grootste
-zedeloosheid gingen hier de onverlaten te werk, en volvoerden de
-gruwelijkste aanrakingen, de gemeenste betastingen. Noch het kinderlijk
-gevoel ten opzichte der moeder, noch de onschuld der jeugd kon hen
-weerhouden; zij zochten en wroetten met wulpschen vinger, terwijl hunne
-lippen nog met beestachtigen kortswijl de magerheid der „prawan’s”
-(maagden) bespotten. Het was een afzichtelijk tafereel, dat daar onder
-het oog der politie geschiedde, ja met hare medewerking volvoerd werd;
-want èn de bandoelans èn de politieoppassers wedijverden met de
-Chineezen in ontuchtige handelingen.
-
-De kinderen schreiden, de meisjes zuchtten, en de moeder gilde onder
-die behandeling; maar niets mocht baten. Maar eindelijk, bij een nog
-losbandiger gebaar, door een der politieagenten gepleegd, waarbij de
-oudste dochter, de lieve Sarina, een meisje van veertien jaren, haar
-sarong ontviel, en zij een kreet van schrik slaakte, sprong Pak Ardjan
-woedend overeind, vloog op den lafhartigen wellusteling aan, trok hem
-den sabel uit de scheede, en begon den onverlaat een paar houwen toe te
-deelen, die dezen noodzaakten, onder het uiten vaneen akelig jammerend
-gehuil, het tooneel zijner heldendaden te verlaten.
-
-Maar helaas! de tot radeloosheid getergde vader, wiens dolle woede hem
-blind voor hetgeen thans rondom hem voorviel, maakte, en wiens
-uitgeteerde arm geene inspanning van eenigen duur kon verleenen, was
-dadelijk gegrepen en ontwapend, alvorens hij verder nog ter verdediging
-van zijn zoo gehoond gezin kon optreden. Hij werd gruwelijk gekneveld.
-Met de meest verfijnde wreedheid werden hem de enkels aan elkander
-gebonden, waarbij men hem het stekelige gemoetoetouw tusschen de teenen
-doorreeg, hetgeen bij iedere beweging van den ongelukkige afgrijselijke
-smarten veroorzaakte. Om hem verder onschadelijk te maken, werden hem
-de handboeien aangelegd. Maar, daar de braceletten van dat werktuig van
-barbaarsch geweld veel te veel ruimte aanboden, en de zeer vermagerde
-polsen slechts gebrekkig en onvoldoende omsloten, werden zij met wiggen
-aangevuld, die in der haast van een paar stukjes brandhout gesneden, en
-tusschen den ijzeren band en den arm ingedreven werden, hetgeen den
-ongelukkigen zulke onduldbare pijnen veroorzaakte, dat hij in een
-klagend gehuil uitbarstte, dat veel van dat van een zieltogend dier weg
-had.
-
-Maar nu de opium? De opium? Die was tot nu toe niet gevonden!
-
-Singomengolo krabde zich achter het oor. Het geval was netelig.
-
-Wat zou de Kandjeng toean residèn aangaan! Maar.... om dien lachte hij.
-Och, die zou bulderen, blaffen, maar zich zorgvuldig van bijten
-onthouden.
-
-Wat zou echter babah Lim Yang Bing zeggen? Zou die zijn ijver niet
-verdenken?
-
-En, als de „soerat soerat kabar” (nieuwsbladen) aan het praten gingen!
-En dat zouden die neuswijzige papieren zeker doen. Daaromtrent was geen
-twijfel te koesteren. En, als dan de „toean toean rakkers” (de heeren
-rechters) kennis van de zaak namen! Ja, dat kon reeds niet anders. Pak
-Ardjan had zich gewapenderhand en geweldadig tegen de politie, en nog
-wel tegen de opiumpolitie, verzet, een vergrijp dat niet verzwegen kon
-blijven, dat bovendien door de „Blanda’s” (Hollanders) ten rechte zwaar
-gestraft werd. Maar dan zou ook uitkomen, dat hij huiszoeking gedaan,
-en daarbij niets gevonden had! Dan zou wellicht nog meer te berde
-komen! Men was toch „terlaloe korang adjar” (te gemeen) met de meisjes
-omgesprongen... En de toean toean rakkers waren zoo nieuwsgierig! Die
-zouden dat wel te weten komen!
-
-O, dat toch opium gevonden ware! Of beter, dat hij zijne voorzorgen
-maar goed genomen had!... Dan...
-
-„En toch,” zoo mompelde hij, terwijl zijne oogen met arendsblikken de
-schamele hut doorzochten, „de inlichtingen waren zoo nauwkeurig
-mogelijk. Ik moest wachten totdat Pak Ardjan van de „Djoerang-Tjatjing”
-(het wormen-ravijn) terugkeerde, dan... Maar, het ware misschien
-verstandiger geweest, hem in dat ravijn te overvallen?... Maar... neen,
-neen; dan zou hij hebben kunnen beweren, dat hij die opium gevonden
-had. En die heeren rechters zijn zoo lichtgeloovig en zoo aarzelend om
-straf op te leggen... Neen, neen... die opium moest bij Pak Ardjan aan
-huis gevonden worden! Dan eerst was er een aanneembaar bewijs van
-schuld aanwezig!... Maar, dat is zij niet, niets gevonden... Eh, èh...
-wat is dat?”...
-
-En met een sprongetje was Singomengolo in den hoek van het vertrek,
-waar hij eene doorbuiging in de atappen zag. Het was, alsof die nog
-kort geleden een weinig verschoven waren; en eene minder donker getinte
-streep lieten ontwaren, die aanduidde, dat de nipahblâren daar niet
-onmiddellijk aan den invloed van den rook, welke bij gebrek aan een
-schoorsteen, bij keukenbedrijvigheid het geheele vertrek vulde, hadden
-bloot gestaan. De bandoelan bracht de hand tusschen de atappen, tastte
-en zocht een oogenblik, en eindigde met twee pakjes te voorschijn te
-brengen. Hij opende die haastig, en stiet een triomfkreet uit. Het was
-de opium, die Pak Ardjan kort voor het huisbezoek daar geborgen had.
-
-„Loe djoesta, bangsat!” (je loogt, schurk), voegde de opiumjager den
-rampzaligen Javaan toe, terwijl hij hem daarbij met de vlakke hand voor
-de tanden sloeg, dat het bloed uit de lippen van den mishandelde
-parelde.
-
-Maar deze sprak geen woord.
-
-Toen de buitgemaakte opium behoorlijk door getuigen bezichtigd was,
-werd de betrapte overtreder in eene smerige „tandoe” (draagzetel)
-geworpen, die door ettelijke dèsa-bewoners, tot dien dienst geprest,
-gedragen werd, en zoo, behoorlijk geëscorteerd en bewaakt, naar de
-gevangenis van Santjoemeh overgebracht.
-
-Weinige dagen later was eene aanklacht door den resident Van Gulpendam
-bij den landraad te Santjoemeh ingediend omtrent Pak Ardjan, die
-beschuldigd was van opiumsmokkelarij, en van gewapend verzet tegen de
-politie, waarbij een der dienaren bij de uitoefening van zijn plicht
-ernstig gewond was.
-
-Toen Mr. Zuidhoorn, de voorzitter van dien raad, die beschuldiging las,
-kon hij een bitteren glimlach niet verbergen.
-
-„Het is walgelijk! walgelijk!” mompelde hij.
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-KUIPERIJEN.—EEN VRIENDEN-DRIETAL.
-
-
-Toen Lim Ho van zijn vader, babah Lim Yang Bing, de gevangenneming van
-Pak Ardjan, zijn aanklager wegens de Kamadoog-mishandeling bij den
-landraad, en de omstandigheden, waaronder zij plaats gevonden had,
-vernam, grinnikte hij van genoegen.
-
-„Die is al vast van de baan geknikkerd,” dacht hij. „Bij een eenigszins
-verstandige behandeling van zaken is die veroordeeld, en de duivel weet
-waarheen gezonden, alvorens de opiumsmokkel-perkara van Moeara Tjatjing
-aan de beurt gebracht zal zijn. Die gevaarlijke getuige is dan weg.”
-
-Hij verviel in diep gepeins.
-
-Drommels, hij had een kostbaar kleinood aan de „njonja” (mevrouw) van
-den resident laten aanbieden, en had daarvoor slechts ternauwernood de
-ijle toezegging gekregen, dat zij trachten zou, het meisje gunstig voor
-hem te stemmen.
-
-„Betoel, njonja mahal!” [70] (Waarachtig, het is eene dure mevrouw)
-grinnikte hij. „Bij Kong! wat zal hare daadwerkelijke hulp wel kosten,
-wanneer ik die bij weigering van het meisje zou noodig hebben? Astaga!
-dat zal naar geld ruiken!”
-
-Maar de gevangenneming van Pak Ardjan gaf aan zijne gedachten eenen
-zekeren loop.
-
-„Neen, het meisje is niet te winnen, daar ben ik zeker van; die haat
-mij te zeer! Maar, dat is het juist, wat haar voor mij zoo
-aantrekkelijk maakt. Zij is mooi, zij is lief, dat’s waar; maar daar
-zijn zoo vele mooie en lieve prawan’s in de dèsa’s.... Dat is flauwe,
-bekende kost!.... Die weerspannige deern voor mijn wil te doen
-bukken;.... haar, die mij verfoeit, met mijne kussen te kunnen
-overdekken;.... in de armen van haar, die mij veracht, de hoogste
-wellust te genieten;.... om haar daarna, naar lichaam en ziel verlept
-en verflenst, te kunnen wegtrappen,.... ziet.... dat is de „sambal”,
-(gepeperde toespijs) die ik bij mijn verlangen naar haar najaag! En bij
-Kong! Aan dat verlangen zal ik bot vieren! Hoe? Dat weet ik nog niet.
-Met list of met geweld? Om het even; als het noodig zal zijn, met
-beiden tegelijk!”
-
-Zoo prevelde hij, terwijl hij op de weelderige kussens van eene fraai
-bewerkte rottanbank in het ouderlijke huis uitgestrekt lag met de lange
-Chineesche pijp in den mond, waaruit hij de heerlijkste tabak, die het
-Hemelsche Rijk oplevert, rookte.
-
-„Met list?”.... zoo ging hij, na een paar halen gedaan te hebben, bij
-zich zelven voort. „Met list?.... Wat staat mij het meest in den weg?
-De wil van het jonge meisje. Ja, maar die zal wel te buigen zijn,
-wanneer de gelegenheid zich zal aanbieden.... Dat zal desnoods de taak
-van het geweld zijn. Maar,.... wie staat mij nog meer in den weg? De
-njonja resident, bij wie zij als baboe in dienst is? Neen, van die heb
-ik, als het er op aan komt, hulp te verwachten, vooral, wanneer ik....”
-
-En hierbij volvoerde de aterling de eigenaardige beweging der
-Chineezen, wanneer zij geld tellen, welke daarin bestaat, dat zij met
-ieder gebaar het eene hoopje muntstukken, goudgeld, guldens of
-rijksdaalders, regelmatig, zonder dat het eene stuk iets meer of iets
-minder over het andere geschoven is, naast het andere uitstrijken,
-zonder ooit eene enkele munt te veel of te weinig neer te leggen.
-
-„Is er niemand anders, die mij in den weg staat?....” ging hij voort.
-„Ardjan, haar verloofde? Ja, maar die zijn zaak is gezond. Hij zit in
-de stadsboeien, en is beschuldigd van een paar pikols opium binnen
-gesmokkeld te hebben. Lang voor dat dit proces uitgewezen is, en hij
-zijn straf zal uitgezeten hebben, moet het feit voltrokken zijn; dan
-moet Dalima de mijne geweest zijn! Daarna?.... Och, dan.... dan denk ik
-niet meer aan haar. De vraag zal dan zijn, welk lief bekje mij verder
-boeien zal? Dus.... Ardjan is ook niet te vreezen. En wanneer die uit
-de boeien komt, zal de kongsie wel raad met hem weten!.... Blijft nog
-over Setrosmito, Dalima’s vader.... O, die ellendige Javaan heeft mij
-met zijn kris gedreigd, toen ik hem vijf honderd ringgiets voor de
-onschuld zijner dochter bood.... Dat moet ik hem nog betaald zetten!
-Maar hoe?.... O, een denkbeeld!.... Die gevangenneming van Pak Ardjan
-is zoo van een leien dakje geloopen. Als Setrosmito ook zoo in de val
-kon raken; al ware het maar voor weinige weken....”
-
-En opspringende van de bank, snelde hij naar eene kleine gong, die op
-een fraai voetstuk van kostbaar Chineesch aardewerk, rijk met slangen
-en krokodillen en relief voorzien, bij een pilaar stond, greep daar een
-ebbenhouten stokje in den vorm van een krokodillenkop, dat zinnebeeld
-van Ngoh, den Watergod, [71] gesneden, en deed daarmede een paar slagen
-op het klankrijke metalen instrument. Onmiddellijk daarop trad een
-zwierig gekleede Javaansche bediende binnen, die tot bij de rustbank
-naderde, daar neerhurkte, het plat zijner handen op het voorhoofd
-bracht, het hoofd boog en zoo zijn „sembah” (groet) eerbiedig bracht.
-
-„Zou Singomengolo te Santjoemeh zijn, Drono? vroeg Lim Ho.
-
-„Ik heb hem heden ochtend nog gezien, babah,” antwoordde Drono, terwijl
-hij zijn sembah herhaalde.
-
-„Loop hem dan onmiddellijk zoeken. Hij zal wel in de nabijheid der
-opiumkit zwerven. Ik moet hem dadelijk spreken.”
-
-„Saja, babah,” antwoordde de Javaan, terwijl hij een paar passen al
-hurkende achteruitschoof, toen opstond en steeds front naar den Chinees
-makende, achteruitstapte, en zoo door de fraai gebeeldhouwde deur van
-het vertrek verdween.
-
-„Slechts voor weinige weken....” zoo ging Lim Ho met zijnen
-gedachtengang voort. „En in dien tijd, zou de gelegenheid wel gevonden
-worden, om de lieve Dalima te lokken.... O!... daarbij zou de njonja
-resident zeer behulpzaam kunnen zijn. Maar, dat zal duur worden!... Om
-het even, geld is er genoeg!”
-
-En bij die gedachte sprong hij andermaal op om de gong te doen klinken.
-Toen een ander Javaan verscheen, vroeg hij:
-
-„Is Drono al weg?”
-
-„Nog niet, babah,” was het antwoord, „maar hij is op het punt te
-vertrekken.”
-
-„Loop dan gauw en roep hem hier!” was het bevel.
-
-Een oogenblik later trad Lim Ho’s getrouwe voor hem.
-
-„Begeef u, voor gij Singo gaat zoeken, naar het huis van ’Mbok Karjå,
-en zeg haar, dat ik haar oogenblikkelijk wensch te spreken.”
-
-„Saja, babah,” was het antwoord, vergezeld van den onafscheidelijken
-sembah.
-
-„Maar, dadelijk, dadelijk!” sprak Lim Ho ongeduldig.
-
-„Saja, babah.”
-
-’Mbok Karjå betrad daags daarna het residentiehuis en verzocht bij de
-„njonja besar” (de groote mevrouw) toegelaten te worden. Dat geschiedde
-terstond; want het was in de ochtenduren, en de schoone Laurentia had
-haar „spen” (dispens) reeds verzorgd, en de benoodigdheden aan „kokkie”
-(kokkin) uitgegeven, en hield zich juist onledig met na die bezigheden
-haar ochtendkabaja tegen een fijnen baptisten, met rijk gewerkte
-entre-deux gefestonneerd, te verwisselen. Voor die oude „doekoen”
-(kwakzalfster) had zij trouwens nimmer belet. Zij ontving haar steeds,
-wanneer het mogelijk was, op ieder uur van den dag.
-
-„Tabeh, njonja;” zei de oude vrouw op dien slependen toon, der
-Javaansche onderdanigheid zoo eigen, terwijl zij aan de voeten der
-Europeesche dame nederhurkte.
-
-„Tabeh nènèh,” antwoordde Laurentia.
-
-„Heeft de obat van laatst goed gewerkt?” vroeg het akelige wijf om het
-gesprek te beginnen.
-
-„Overheerlijk nèh! Ge moet me daarvan een goeden voorraad geven.”
-
-„Ik heb daar al aan gedacht, njonja; maar de ingrediënten zijn zoo
-moeielijk te krijgen. Zij zijn zoo duur.”
-
-De njonja greep een beursje, dat in haar werkmandje lag en stopte de
-oude een paar rijksdaalders in de hand.
-
-„Ziedaar, om die ingrediënten aan te schaffen. Zorg er maar goed voor.”
-
-Het oude wijf knoopte al grinnikend de geldstukken in den punt van een
-smerigen zakdoek, waaraan reeds een bos sleutels bengelde, en beloofde
-dat de njonja tevreden zou zijn.
-
-Daarna begon ’Mbok Karjå over sienjo Leo te babbelen en uit te weiden,
-„wat voor schalksch ventje dat was. Als het kind op straat wandelde,
-dan keek iedereen het aanvallig schepseltje na. Misschien wierp dan de
-een of ander ook wel een blik toe aan de baboe, die het jongetje
-vergezelde. Want, het moest erkend worden, dat baboe Dalima schoon,
-zeer schoon was. De njonja moest dat lieve meisje zoo niet laten gaan
-wandelen. Zij was te mooi, en er waren altijd menschen geneigd, om de
-onschuld te verderven. Dat wist de njonja ook wel. En het zou zoo
-jammer zijn, wanneer die lieve meid in verkeerde handen viel. Er was
-zooveel geld met haar te verdienen!”
-
-Zoo ratelde de oude voort. En zoo verhaalde zij met horten en stooten,
-dat de hartstocht van Lim Ho voor het schoone meisje steeds
-aanwakkerde, en dat hij al meer en meer genegen was, groote
-opofferingen voor haar bezit te doen.
-
-De oogen van de hebzuchtige Europeesche vrouw glinsterden. ’Mbok Karjå
-zag met sluwen blik, dat zij alles wagen kon. Voorover gebogen, maar
-toch met den loerenden blik op Laurentia gevestigd, fluisterde zij een
-poos, en scheen daarbij al de aandacht harer toehoorster te boeien;
-want deze verloor blijkbaar geen woord, en bewoog herhaalde malen het
-schoone hoofd als teeken van toestemming op en neer. Toen de nènèh hare
-mededeeling geëindigd had, antwoordde mevrouw Van Gulpendam niet
-dadelijk, maar dacht, zoo het scheen, ernstig na. Eindelijk sprak zij:
-
-„Boleh; tapeh.... mentega sama ikan!”
-
-Bij het eerste woord: boleh, dat: „het kan, het is uitvoerbaar”
-beteekent, was er eene glinstering in het fletsche oog van het oude
-wijf verschenen. Bij het overige gedeelte van de uitdrukking der njonja
-teekende haar blik verbazing. En inderdaad, die Nederlandsche
-uitdrukking, welke als would be geestigheid vaak, woordelijk in het
-Maleisch vertaald, gehoord wordt, ontsnapte aan haar begrip.
-
-„Mentega sama ikan?” vroeg zij aarzelend.
-
-„Ja zeker, „boter bij den visch!”” herhaalde mevrouw Van Gulpendam in
-het Maleisch. „Versta je dat niet, nènèh? Kontant, ’Mbok! kontant! Met
-beloften laat ik mij niet afschepen!”
-
-„Tobat!” (Ach) zuchtte de oude, terwijl zij een doosje uit de plooien
-van den band te voorschijn haalde, die haren sarong om de oude
-verwelkte lendenen gesloten hield, en het de njonja aanbood.
-
-Daarin waren een paar kostbare gouden „kraboe’s” (oorknoppen) van
-Chineesch maaksel, die van diamanten fonkelden.
-
-„Is dat alles?” vroeg mevrouw Van Gulpendam met een minachtenden
-glimlach.
-
-„Zij zijn kostbaar,” mompelde het oude wijf.
-
-Maar de residentsvrouw schudde ongeduldig het hoofd. „Lim Ho heeft
-gezegd, dat hij de njonja in persoon zijne dankbaarheid zou komen
-betuigen, wanneer de zaak gelukt was.”
-
-Laurentia lachte hoonend.
-
-„Wanneer de zaak gelukt was!” herhaalde zij. „Het is wat moois!....
-Neen, ik wil den babah niet zien.”
-
-„Maar, njonja....”
-
-„Geen woord meer. Daar, neem die „kraboe’s” maar weer meê.”
-
-„Maar, wat moet ik Lim Ho zeggen?” vroeg ’Mbok Karjå.
-
-„Wat ge wilt, nèh!”
-
-„Maar, njonja....”
-
-„Geen woord meer daarover, ’Mbok. Zorg nu maar, dat ge me eene flinke
-provisie van die obat brengt.”
-
-„Tobat!....” zuchtte het wijf. „Heeft de njonja anders niets?”
-
-„Neen.”
-
-„Ik heb anders thuis nog een partijtje juweelen, kraboe’s,
-„tjientjing’s” (ringen).”
-
-„Neen... neen... nèh...; maar toch als ge soms „gelang’s” (armbanden)
-weet?”
-
-„Gelang’s, njonja?... Welke?”
-
-„Gouden, natuurlijk, nèh... Ik heb er laatst gezien, de dochter van den
-Majoor-Chinees had ze aan. O, zoo fraaie. Fijn geschubde slangen, van
-„maas toewa” (oud goud), die zich drie of vier malen om den pols
-wikkelden; daarbij oogen van briljanten, terwijl zij in den mond een
-rosé-achtigen diamant hadden... kijk, zoo dik!”
-
-En de njonja vertoonde het boveneinde van haren pink.
-
-De oude ’Mbok Karjå verslond als het ware, de woorden die zij hoorde.
-
-„Als ik zoo een paar gelang’s kon koopen,” ging de njonja voort, „voor
-die zou ik nog wat over hebben, er zou voor u ook wat te verdienen
-zijn.”
-
-Dat laatste werd zeer achteloos gezegd, hoewel de schoone Laurentia de
-oude vrouw met een enkelen blik als doorboorde.
-
-„Saja, njonja,” antwoordde deze, terwijl zij opkrabbelde. „Tabeh
-njonja!”
-
-„Tabeh nèh!”
-
-Een half uur later stootte Lim Ho een ijselijken vloek uit, en
-herhaalde de uitdrukking van: njonja mahal! Maar zijn hartstocht was te
-zeer opgezweept, om hem te doen terugdeinzen. Hij overhandigde den
-volgenden dag met de reeds bekende kraboe’s ook de gewenschte gelang’s
-aan ’Mbok Karjå.
-
-
-
-Alvorens met het verhaal, hetwelk ons bezig houdt, verder te gaan, zal
-de lezer een nadere kennis moeten aangaan met Mr. Van Nerekool, den
-jeugdigen rechtsgeleerde, wiens hulp door Anna van Gulpendam voor
-Ardjan, den verloofde van Dalima, ingeroepen was. De gang van het
-verhaal vervoerde ons tot nu; het is tijd om een blik achterwaarts te
-werpen.
-
-Karel van Nerekool, was—wij weten het reeds—een flink, rijzig jongman
-van ongeveer acht en twintig jaren, met een fraai besneden gelaat, dat
-wel wat ernstig door een paar hel blonde bakkenbaarden omlijst werd,
-terwijl het hoofd met eenen ietwat meer donkeren krullendos prijkte.
-Hij had zijne rechtskundige studiën te Leiden, dat Nederlandsche
-Athene, verricht. Maar, hoewel hij steeds zijne examina cum laude had
-afgelegd, zoo moest hij toch in oogenblikken van openhartigheid
-erkennen, dat hij niet die partij van zijne geestvermogens had
-getrokken, welke met eenig recht er van verwacht hadden kunnen worden.
-Zoowel op het gymnasium, dat hij bezocht had, als op de hoogeschool had
-hij bekend gestaan als een gemakzuchtige ten opzichte zijner studiën,
-die evenwel met betrekking tot andere zaken volgaarne uit het gareel
-sprong, om door die doellooze fantaisie voortgedreven te worden, welke
-reeds bij het kind en bij den jongeling een uitverkoren geest stempelt.
-Hij hield dol veel van alles, wat hem niet aanbevolen werd, en
-daaronder sorteerden in de eerste plaats: de muziek, dan de
-teekenkunst, de schilderkunst en de natuur. Als kind reeds had hij om
-die afwijking van het aanbevolene dikwijls moeten schoolblijven. Maar,
-wat nood? Dat hinderde hem minder. Hij kroop dan in een hoek van het
-schoollokaal en droomde. Destijds werd wel eens gemompeld, wanneer hij
-dan daar zoo eenzelvig terneer zat met zijn blondgelokt hoofd naar
-boven gekeerd, en met den blik in het onmetelijke blauwe hemelruim
-verloren: „arme jongen! dat draait op borstziekte uit!” Maar die
-voorspelling werd geloochenstraft; met hem gebeurde het als met zoovele
-anderen, de gezondheid gewerd hem met het intreden der manbaarheid.
-
-Nog zeer jong zijnde, had hij zijn vader verloren. Boosaardige
-lieden,—van die, welke steeds eene hatelijke nieuwsgierigheid aan den
-dag leggen omtrent zaken, die hen niet raken,—beweerden dat die vader
-nimmer bestaan had, of beter uitgedrukt, nimmer bekend was. Waarop zij
-dat grondden? Och, op nietigheden, waarbij zelfs Karel’s familienaam te
-pas gebracht werd, die, zoo werd beweerd, het omgekeerde van den waren
-naam zoude zijn. Maar, wat kan zoo iets den lezer belangstelling
-inboezemen, in een tijd, waarin Goddank, de mensch het recht van
-bestaan alleen uit dat bestaan ontleent, en slechts waardeering geniet,
-wanneer hij haar door kunde, talent en eerlijkheid verdient? Een
-zoodanig wezen is in het bezit van de meest eervolle verwantschap der
-wereld, namelijk die der weldenkende lieden.
-
-Zijne moeder had den naam gehad een vrij aardig vermogen te bezitten.
-De studiën van den jongen man waren niet alleen uit ruime beurs
-bekostigd, maar hij was ook in staat gesteld geweest, om aan de meest
-prettige partijen der Leidsche studeerende jongelingschap deel te
-kunnen nemen, en geen hunner kon er zich op beroemen, het:
-
-
- Io vivat! Nostrorum sanitas!
-
-
-met meer geestdrift voorgedragen, en daarbij steeds de zoo licht
-kwetsbare regelen der meest verfijnde wellevendheid in het oog gehouden
-te hebben. Toen evenwel die moeder bij het eindigen van den studietijd
-plotseling kwam te overlijden, bleek het, dat het vermogen, welk zij
-bezat, bitter klein was, ja dat zij alles voor en na te gelde gemaakt
-had, om de studiën, enz. van haren Karel te bekostigen. De voogd, die
-zich met de boedelbereddering onledig gehouden had, gaf den jongen man
-den raad in dienst van de rechterlijke macht in Nederlandsch-Indië over
-te gaan. Die wenk werd gevolgd. Na een schitterend eindexamen werd
-Karel van Nerekool tot rechterlijk ambtenaar benoemd en ter beschikking
-gesteld van den Gouverneur-Generaal. Te Batavia aangekomen, werd hij
-gedurende een jaar ter hoofdplaats aangehouden, om de leden van het
-Hoog Gerechtshof, die vooral met hunne facultatieve en verplichte,
-alsook met hunne antérieure en postérieure revisiën zeer achterlijk
-waren, in het bijwerken van dien achterstalligen achterstand, zooals de
-uitdrukking luidde, behulpzaam te zijn.
-
-Dit gaf hem een goed doorzicht in den gang van zaken, de rechtspraak
-ten opzichte der Inlanders betreffende; want de behandeling der
-facultatieve revisiën van de vonnissen in zake van misdrijf door de
-landraden op Java en Madura gewezen, was daarbij zijn deel geworden.
-Later was hij tot lid van den raad van Justitie te Santjoemeh benoemd
-geworden, waardoor hij gelegenheid kreeg, zich nog verder te bekwamen.
-
-Daar evenwel vond hij in Mr. Zuidhoorn, den voorzitter van den landraad
-in de hoofdplaats der residentie, een braaf, eerlijk man, een degelijke
-gids, die de heerlijke eigenschappen van den jongen rechtsgeleerde tot
-ontwikkeling bracht. Van dien ontving hij voorbeelden van vuurvaste
-beginselen, van onwrikbaarheid en degelijkheid in de uitvoering der
-vaak zoo moeielijke plichten in dienst van vrouwe Justitia.
-
-Van eene andere zijde had hij te Santjoemeh kennis gemaakt met twee
-jongelieden, waarvan de een van zijn leeftijd was en de ander een
-vijftal jaren minder telde. Dat waren de heeren Willem Verstork,
-controleur, en Eduard van Rheijn, aspirant-controleur, beiden
-behoorende bij den dienst van binnenlandsch bestuur in de residentie
-Santjoemeh en waarvan de eerstgenoemde te Banjoe Pahit zetelde, de
-hoofd-dèsa van de controle-afdeeling van dienzelfden naam, waartoe ook
-het district Kaligaweh behoorde; terwijl de andere op de hoofdplaats
-ten residentie-bureele zich voor zijn aanstaande betrekking moest
-bekwamen. Beiden waren degelijke flinke jonge mannen, die, met een
-onbedorven gemoed in Indië aangekomen, steeds recht door zee trachtten
-te gaan, en iedere afwijking van de waarheid voor afschuwelijk hielden.
-In hoofdzaak kwamen zij dus met de geaardheid van Mr. Karel van
-Nerekool overeen. Toch liepen hunne karakters nog al uiteen; want de
-heer Verstork was, wellicht ten gevolge van zijn langer verblijf in
-Indië en zijne daardoor meerder opgedane ondervinding, meer buigzaam
-van karakter en, ofschoon zelf niet in staat om iets ongeoorloofds te
-bedrijven, toch in die mate volgzaam, dat hij voor zekere verrichtingen
-zijner meerderen, die niet altijd in overeenstemming met wetten en
-bepalingen uitvielen, of ook wel tegen de stiptste opvattingen der
-eerlijkheidsbeginselen aandruischten, het oog sloot, om, zooals hij
-zeide, zijne loopbaan niet te bederven. Menigmalen geraakte hij ten
-gevolge van dien karaktertrek in botsing met de overige jongelieden,
-maar verontschuldigde zich steeds door op zijne bizondere
-omstandigheden te wijzen, die inderdaad tot mededoogen stemden. Ook hij
-had ontijdig zijn vader verloren; maar was, minder gelukkig dan Van
-Nerekool, als oudste zoon van een talrijk, maar onbemiddeld gezin
-achtergebleven. En hoewel zijn moeder met de meeste heldhaftigheid in
-haar levensonderhoud en dat harer kinderen trachtte te voorzien, zoo
-reikten de verdiensten bij die pogingen behaald, bij lange na niet toe,
-om dat doel ook maar gedeeltelijk te bereiken. Hierbij kwam nog, dat,
-toen de oude heer Verstork kwam te overlijden, twee jonge broeders van
-Willem in Europa waren, om daar hunne opleiding te erlangen. De studiën
-dier jongelieden konden, zonder hunne toekomst totaal te verwoesten,
-niet afgebroken worden. En zoo gebeurde het, dat onze controleur onder
-zware zorgen gebukt ging, daar de toekomst van dat gezin, waarvan hij
-eigenlijk de kostwinner was, geheel afhankelijk was van de loopbaan,
-die hij zoude betreden.
-
-Waarlijk, die toestand moest tot toegevendheid stemmen, daar hij als
-tegenwicht kon gelden, wanneer zijn houding in sommige gevallen als
-lauw mocht aangemerkt zijn, of wanneer hij in de noodzakelijkheid
-meende te verkeeren, om bij anderer tekortkomingen verzachtende
-omstandigheden te bepleiten. Voor zich zelven was hij in handel en
-wandel streng en veeleischend; en de toekomst zal leeren, dat, wanneer
-hij de gevolgen der zaken goed inzag, hij ook met klem en geestkracht
-kon optreden.
-
-Eduard van Rheijn, de aspirant-controleur, telde die halfheid nog niet
-onder zijne gebreken. Wellicht was hij nog te jeugdig, om nu reeds
-zoo’n karaktervorming te hebben ondergaan, als die welke bij Verstork
-zich geopenbaard had; het viel evenwel niet te ontkennen, dat hij bij
-den resident Van Gulpendam, ter wiens beschikking hij gesteld was, op
-eene vreeselijke school was, om, zooals die dat uitdrukte, tot degelijk
-Indisch ambtenaar gevormd te worden.
-
-De drie mannen waren vrienden in de volle beteekenis des woords, en
-lieten geen enkel oogenblik voorbijgaan, om elkanders bijzijn te
-genieten, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood. Voor Karel en
-Eduard bestond die gelegenheid ruimschoots genoeg, daar zij beiden te
-Santjoemeh woonden. Zij waren dan ook onafscheidelijk te noemen. Anders
-was het met Verstork gesteld. De dèsa Banjoe Pahit, zijne standplaats,
-was ruim twaalf palen van de hoofdplaats der residentie verwijderd,
-zoodat van een dagelijksch verkeer met zijne vrienden geen sprake kon
-zijn. Maar hij sprong iederen Zaterdag namiddag, wanneer zijn arbeid
-beëindigd, en het kantoor gesloten was, te paard, reed dan spoorslags
-naar Santjoemeh, alwaar hij zijn intrek bij een der vrienden nam. Dan
-bracht hij den Zaterdag avond in de „Harmonie” door, waar de zoo
-verdienstelijke muziek der schutterij zich liet hooren. Verder bracht
-hij des Zondags enkele bezoeken, ook natuurlijk bij zijn onmiddellijken
-chef, den resident, en vertrok weer des Maandags morgens nog voor dat
-de dag aan den hemel was, om, na behoorlijk gebaad en ontbeten te
-hebben, stipt tegen negen uur op zijn kantoor te kunnen verschijnen.
-
-Maar zoowel bij zijne bezoeken in de „Harmonie,” alwaar hij slechts een
-paar glazen ijswater nuttigde, als bij zijne visites bij bekenden, was
-hij meestal te zamen met zijne twee onafscheidelijken, die hem dan
-zoomin mogelijk verlieten. Maar, het waren vooral de Zondag avonden,
-die aan het vriendschappelijk verkeer der drie jongelieden onderling
-gewijd waren. Zij kwamen dan te zamen, hetzij bij Van Nerekool, hetzij
-bij Van Rheijn, en dan gingen de vertrouwelijke ontboezemingen, die uit
-die vriendenharten ontsproten, hunnen gang.
-
-Bij een dier gelegenheden had Karel verhaald, hoe hij, na bij een
-zijner bezoeken bij den resident Van Gulpendam kennis gemaakt te hebben
-met diens dochter Anna, die kennismaking op de daarop gevolgde
-danspartijen zoowel in de „Harmonie,” als bij den militairen
-kommandant, en ten residentiehuize zelve, aangehouden, ja gekweekt had,
-en daarbij betuigd, dat hij juffrouw Anna het liefste en het
-beschaafdste meisje der geheele wereld vond.
-
-„Werkelijk,” had hij er bijgevoegd, „ik weet niet wat ik gevoel. Is het
-eenvoudige genegenheid jegens een schoon en begaafd kind? Of is het
-liefde, die zich in mijn hart begint te nestelen? Bij de geringe
-ervaring, die ik van dit laatste gevoel heb, onthoud ik mij van eene
-afdoende uitspraak. Maar, ik kan mij niet ontveinzen, dat ik mij
-uiterst gelukkig gevoel, wanneer ik mij in hare tegenwoordigheid
-bevind.”
-
-„En dat gebeurt nog al eens, nietwaar?” vroeg Eduard met ondeugenden
-glimlach. „Sedert eenigen tijd is vriend Karel buitengewoon uithuizig.
-Ik heb bijna niets meer aan hem. Bijna iederen avond is hij uit, en dan
-is hij daar te vinden, waar juffrouw Anna met hare ouders bezoek
-brengen, of wel hij gaat naar het residentiehuis, of het receptie is of
-niet. Ik verdenk hem er zelfs van, aan de residentelijke ombertafel
-plaats te nemen. Hoewel ik al verscheidene malen het residentiehuis
-langs gewandeld ben, was dat te vergeefs; daar de voorgalerij, door
-bloem- en sierstruiken te zeer gedekt is; zoodat mijn onbescheiden oog
-zich omtrent mijne gissing niet heeft kunnen vergewissen.”
-
-Willem Verstork schudde bij die mededeelingen bedenkelijk het hoofd.
-
-„Is dat zoo?” vroeg hij met een doordringenden blik op Karel van
-Nerekool.
-
-„Ja,” antwoordde deze zonder aarzelen. „Evenwel....”
-
-„Dat is zeer treurig,” viel hem Willem in de rede.
-
-„Treurig, wat?” vroeg Karel niet zonder drift. „Gij laat mij niet
-uitspreken.”
-
-„Welnu dan, ga voort.”
-
-Van Nerekool verhaalde nu, hoe hij zich tot het meisje voelde
-aangetrokken; maar ook, dat nog geen enkel woord aan zijn lippen
-ontglipt was, hetgeen den toestand zijns harten had kunnen verraden.
-Alles had zich nog maar bepaald tot gesprekken, die, wel is waar, hem
-het frissche, ongekunstelde gemoed van de lieve maagd ontsluierden,
-maar toch tot de alledaagsche mochten gerekend worden, tot
-complimentjes en vernuftige steekspelen, zoo gewoonlijk, wanneer
-jongelieden, wien het niet aan geest ontbreekt, en die hun licht niet
-onder de koornmaat wenschen te verbergen, in elkanders bijzijn
-verkeeren. Ja, hij was ten volle overtuigd, dat juffrouw Anna nog
-geheel onbewust was met hetgeen in zijn hart omging. Op een avond
-evenwel, het was reeds laat, had een Javaansche bediende een briefje
-gebracht, waarbij het lieve meisje verzocht had, ten spoedigste bij
-haar op het residentiehuis te komen.
-
-Willem glimlachte even, toen hij die mededeeling vernam, hetgeen
-evenwel de ernstige plooi van zijn gelaat niet wegnam.
-
-„Lach niet,” hernam Karel ernstig, „hoewel ik niet ontkennen mag, dat
-ook vreemde gedachten mijn brein bestormden. Het was zoo afwijkende van
-alle aangenomen vormen, nietwaar? dat een jong meisje zoo’n verzoek aan
-een jeugdig man deed. Voor het minst moest ik het voor eene
-onbezonnenheid, voor eene ondoordachte handeling houden. Gelukkig werd
-ik spoedig uit den droom gewekt. Met de meeste ongedwongenheid zag het
-lieve kind mij bij hare ouders verschijnen, en, daar het niet ongewoon
-was, dat ik met haar piano speelde, kon het niemands aandacht wekken,
-dat wij ook toen in de hel verlichte binnengalerij bij het klavier
-plaats namen. Ik vernam alras, waarvoor juffrouw Anna mij had laten
-roepen. Zij wenschte mijne hulp in te roepen voor een Javaan, voor den
-verloofde harer baboe, die van opiumsmokkelarij beschuldigd was.”
-
-En hierbij deelde hij mede, wat de lieve Anna hem èn van de
-mishandeling, waaraan de Javaan bloot had gestaan, èn van de opium, die
-te Moeara Tjatjing aangehaald was, verhaald had.
-
-Toen hij geëindigd had, herhaalde Willem Verstork op deelnemenden toon:
-
-„Dat is zeer treurig.”
-
-„Ja,” hernam Karel, die zich in de beduiding van die deelneming
-vergiste. „Maar, ik hoop, dat die Javaan niet veroordeeld zal worden.”
-
-„En uwe.... genegenheid voor het lieve meisje is.... wel groot?” vroeg
-„Willem aarzelend.
-
-„Sedert heb ik herhaalde malen gelegenheid gehad, zoo als Eduard u
-verhaalde, de lieve Anna, nu eens bij de familie Zuidhoorn, dan weer
-bij den militairen kommandant, dan weer bij hare ouders aan huis te
-ontmoeten, om een woord over die ongelukkige politiezaak te wisselen,
-en telkenmale kreeg ik sterker en sterker bewijzen van....”
-
-„De onschuld des Javaans?” vroeg Eduard van Rheijn ietwat spottend.
-
-„Neen, van de goedheid van haar hart, van het edelaardige harer ziel,
-van het eenvoudige en degelijke van haar karakter, en.... waardste
-vrienden, de bekentenis moet er uit: ik ben geheel en al onder haren
-betooverenden invloed.”
-
-„Dat is zeer treurig!” herhaalde Willem Verstork hoogst ernstig.
-
-„Maar, voor den drommel, wat dan is zeer treurig?” vroeg Karel driftig.
-
-„Die genegenheid, beste vriend. Gij bereidt u eene vreeselijke toekomst
-voor.”
-
-„Maar, waarmede dan?”
-
-„Vriend, ik verzoek acht dagen uitstel, om deze uwe vraag te
-beantwoorden.”
-
-„Het is alsof het een vonnis in een strafrechtsgeding geldt!” zei Van
-Nerekool neerslachtig. „Waarlijk, gij beangstigt mij. Zeg mij toch....”
-
-„Aanstaanden Zaterdag, Karel, komen wij weer zamen... en, vertrouw op
-mijn woord, dan zal ik u antwoorden.”
-
-Welke pogingen Van Nerekool ook aanwendde, er was verder niets uit den
-geheimzinnigen controleur te halen. Karel moest zich met de gedane
-toezegging vergenoegen.
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-UNE INVITATION À LA CHASSE, EN UNE INVITATION À LA VALSE.
-
-
-Willem Verstork zou met betrekking tot die samenkomst woord houden;
-evenwel niet op de wijze zooals hij zich voorgesteld had. Hij was toch
-van meening geweest den volgenden Zaterdag als naar gewoonte naar
-Santjoemeh te rijden, en daar tot des Maandags te blijven. Dat zou
-geheel anders toegaan.
-
-Des Donderdags morgens ontvingen toch Karel van Nerekool en Eduard van
-Rheijn eene uitnoodiging om naar Banjoe Pahit te komen.
-
-„Dat zal de rollen omkeeren zijn,” zoo schreef Verstork aan het
-vriendentweetal. „Ik ben zoo dikwerf uw gast geweest, dat ik er op sta,
-om ook eens als gastheer op te treden.... Als gastheer?.... Ik geloof,
-dat mijne pen mij daar parten speelt.... Ja, parten! Want.... om als
-gastheer op te kunnen treden, moet in de eerste plaats
-gastvrijheid..... neen, neen.... gastvrijheid dat is het niet, wat ik
-meen,... moet gastmildheid bewezen worden en, hoewel gijlieden mijn
-nederig controleurshuis en mijne rijsttafel voor lief zoudt nemen, zoo
-is het toch ver van mij, om u die aan te bieden. Waar gij onder dak
-zult komen, weet ik waarachtig niet, ook niet waar gij wat „nassi”
-(rijst) met „sambal oelik” (spaansche peper fijn gewreven met zout)
-zult machtig worden. Een mooie invitatie! hoor ik u beiden pruttelen.
-Toch reken ik er op, dat gij haar aannemen zult. Luistert:
-
-„Sedert eenigen tijd worden de „djagong-” (maïs) velden van de bewoners
-mijner controle-afdeeling door „tjelleng’s” (wilde zwijnen) geteisterd.
-Het is een ware ramp. Voornamelijk is het district Kaligaweh het
-tooneel hunner nachtelijke verwoestingen, en schijnt de hoofdmacht van
-die geduchte stroopers eene schuilplaats te vinden in de wildernissen,
-die de „Djoerang” (ravijn) Pringapoes omgeven. Die djoerang, eene
-woeste bergspleet, maakt zoo wat het centrum mijner afdeeling uit, en
-zijn de dèsa’s Banjoe Pahit en Kaligaweh aan de beide uiteinden
-daarvan, evenwel op een afstand van ongeveer vijf palen van elkander,
-de eerste in het gebergte, de andere in de laagvlakte, die naar zee
-voert, gelegen.
-
-„Het is mijn plan, om de streek zooveel mogelijk van dat schadelijk
-gedierte te zuiveren, door aanstaanden Zaterdag en Zondag eene
-klopjacht te houden. Andere dagen kan ik niet; mijne werkzaamheden
-verbieden dat. Mijne uitnoodiging geldt dus eene jachtpartij, en die
-zult gij gewis niet afslaan.
-
-„Ik zal Zaterdag ochtend een paar flinke paarden, die mij de „wedono”
-(Inl. districtshoofd) voor mijne vrienden, die de jacht zullen
-bijwonen, aangeboden heeft, zenden. Ik reken er op, dat gij beiden zoo
-tegen twee uur uwe kantoorbezigheden vaarwel kunt zeggen, dat gij een
-uur noodig zult hebben, om te baden en u in behoorlijk jachtcostuum te
-steken—vergeet de hooge slobkousen niet, die zijn in het lastige
-terrein en te midden van de doornachtige struiken onontbeerlijk;—zoodat
-gij tegen drie uren te paard kunt zitten. Als gij nu de vurige dieren
-den teugel behoorlijk zult vieren, dan zullen zij hunne zes palen wel
-in het uur afleggen, en dan zijt gij tegen vijf uren ten mijnent. Is
-dat afgesproken?....”
-
-„Ja! ja!” riepen Karel en Eduard met een verheffing van stem uit, alsof
-zij den briefschrijver te Banjoe Pahit hunne instemming wilden laten
-hooren.
-
-„Ik dien mijn jachtgeweer nog wel eens na te zien,” sprak Van Rheijn,
-„en het zal niet ondienstig zijn, een paar revolver-pistolen mede te
-nemen....”
-
-„Ja, dat beveelt ons Willem behoorlijk aan. Luistert: „Zorgt voor uwe
-vuurwapens, dat die zich in bruikbaren toestand bevinden; want de
-tjellengs zijn, wanneer zij in hun leger opgespoord worden, volstrekt
-geene te verachten vijanden. Behalve uwe geweren, zijn revolvers of ten
-minste een hartsvanger, die als sabelbajonet op het geweer bevestigd
-kan worden, onontbeerlijk....”
-
-„Drommels, ik mag nog wel zoo’n ding te leen vragen; want wel heb ik
-een jachtgeweer, maar daarop kan ik geen sabelbajonet bevestigen. Dat
-is goed om „glatihk’s” (rijstdiefjes) of musschen te schieten. En
-revolvers heb ik in het geheel niet. Waar moet ik daar aankomen.”
-
-„De regent van Santjoemeh, Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo
-heeft eene fraaie repeteer-buks met keurigen yatagan, en de „patih”
-(plaatsvervangend regent), [72] Radhen Pandjie Merto Winoto, heeft een
-paar fraaie revolvers, prachtige Le Faucheux’s met centrale ontsteking.
-Gaarne zullen zij u die wapens leenen.”
-
-„Ik zal dan maar beginnen met een bezoek in de „Kaboepaten”
-(regentswoning) te brengen.”
-
-„Heden avond is het dansreceptie op het residentiehuis. Die Inlandsche
-hoofdambtenaren zouden niet gaarne die feestelijkheid verzuimen. Gij
-komt er zeker ook, nietwaar?” vroeg Eduard leuk.
-
-„Ja, zeker!” antwoordde Van Nerekool niet zonder hartstocht. „Zou
-ik....”
-
-„Eene gelegenheid, om met de lieve Anna te kunnen dansen, laten
-voorbijgaan,” viel hem Eduard in de rede. „Welnu, dan kunt gij die
-wapens vragen. Dat bespaart u eene vervelende visite bij die Javaansche
-grooten. Maar....”
-
-„Wat, maar?”
-
-„Kunt ge met zoo’n buks omgaan?”
-
-„Och, dat zal wel geen heksenwerk wezen. Te Leiden nam ik aan alle
-schietoefeningen deel, en had den naam van een goed schutter te zijn.
-Wees gerust.”
-
-
-
-Des avonds was het residentiehuis van Santjoemeh luisterlijk verlicht.
-Zoowel in de ruime voorgalerij als in de binnengalerij en pandoppo,
-alsook in de zijvertrekken van de statige woning, schitterden rijke
-kronen, die met hare talrijke gasvlammen, door matte ballons getemperd,
-die onmetelijke ruimten in een zacht licht hulden, en hare
-stralenbundels tot over het erf wierpen, en daar te midden van den
-bloemenhof, die het woonhuis omgaf, met de maan, welke helder scheen,
-een wedstrijd aangingen, die onmogelijk ten voordeele van ’s menschen
-vinding kon uitvallen. Want de nachtvorstin overgoot alles met haar
-getemperd wit licht: huizen, wegen, grasperken, bloemen en bladeren,
-liet hare stralen door de takken der heesters glijden en overal in het
-halfdonker iets zachts ontwaren als een liefkoozing, iets
-geheimzinnigs, als een onbegrensd droombeeld. De gasverlichting
-daarentegen trok rondom het gebouw eenen rosachtigen kring, waarin wel
-alles helder verlicht was; maar waarin alle voorwerpen als met onreinen
-vinger aangeraakt schenen, in tegenstelling van het leliewitte,
-waarmede de natuur-verlichting alles overgoot. Die rosse kring
-verzwakte bij zijne grenzen naar gelang van de uitgebreidheid van den
-stralencirkel. Op eenigen afstand scheen het gaslicht het maanlicht te
-vervalschen; de lelietint behaalde evenwel al meer en meer de
-overwinning, hoe verder het oog waarde, totdat zij onverdeeld heerschte
-en alles omhulde.
-
-Vlak voor het residentiehuis strekte zich eene overschoone laan van
-Kanarie-boomen [73] uit, die van het erf naar de hoofdplaats Santjoemeh
-voerde. In dit uur, van uit de voorgalerij gezien, vertoonden zich de
-gasvlammen, welke die laan heetten te verlichten, als groote
-vuurvliegen, welke met de maanstralen, die door de volle kruinen vielen
-en bij de zachte bries, waardoor het gebladerte bewogen werd, op den
-breeden, goed onderhouden grintweg de meest grillige licht- en
-schaduwbeelden vormden, als het ware krijgertje speelden.
-
-In de verte werden nog meer vuurvliegjes ontwaard: vuurroode, groene,
-blauwe, gele, bijna al de kleuren van den regenboog in één woord. Dat
-waren de rijtuigen van hen, die de dansreceptie zouden bijwonen, en met
-hunne lantaarns met verschillend gekleurde glazen hunne nadering te
-kennen gaven.
-
-De voorgalerij was nog ledig. Alleen de dochter des huizes stond een
-oogenblik voor de balustrade de laan in hare geheele lengte te
-overzien.
-
-„Dat roode licht daar met die schitteringen,” mompelde zij in zich
-zelve, „is het rijtuig van den assistent-resident van politie. Dat
-rijdt voorop. En dat blauwe, dat van den heer Zuidhoorn, en dat
-violette van.... Ah! daar heel in de verte, dat groene.... Ik moet
-weg.... Het voorste rijtuig nadert reeds het erf.... Ik ben evenwel
-blij, dat Van Nerekool komt.... Hij mag mij evenwel hier niet op den
-uitkijk zien staan.”
-
-En zich omkeerende, trad zij op hare ouders toe, die op de waarschuwing
-van den kapala oppas, dat de rijtuigen der bezoekers in de verte
-naderden, de binnengalerij ingetreden waren, en nam aan de zijde harer
-moeder plaats, om de hulde en begroetingen der aankomende gasten te
-ontvangen en te beantwoorden.
-
-De heer Van Gulpendam trad evenwel eerst nog de voorgalerij in. Hij was
-eenvoudig in zwarten rok, en zonder eenige ambtelijke uitmonstering
-gekleed, hoewel de pajoeng-standaard opzichtelijk genoeg aan het
-uiteinde van de galerij geplaatst was. Hij naderde de balustrade om een
-blik naar buiten te werpen. Beneden aan den voet van de monumentale
-trappen, die aan weerszijden tot de voorgalerij toegang verleenden,
-drentelden een paar „pradjoerits” [74], in groot tenu gekleed, op en
-neer, met het geweer over den schouder, en regelden hun heen en weêr
-wandelen zoodanig, dat zij elkander voor het midden der galerij
-ontmoetten, daar rechtsomkeert maakten, waarbij zij zorgden dat hunne
-bajonetlemmen tegen elkander tikten, welk geklikklak den resident
-blijkbaar als goddelijke muziek in de ooren klonk. Hij liet althans een
-welgevalligen blik op de beide schildwachten vallen; terwijl hij met
-een soort van welbehagen de borst vooruitbracht, die door die beweging
-voor zijn persoon betuigen moest:
-
-„Zie, dat is een huldebetoon aan mijn rang en verdiensten gebracht!”
-
-Vlak bij het hoofdgebouw, maar terzijde daarvan, was een kleine koepel
-tijdelijk opgeslagen. Ook daaraan wijdde hij een blik. De muzikanten
-der schutterij van Santjoemeh, eveneens in groot tenu gekleed, waren
-reeds daarin aangekomen, en hielden zich onledig hunne muziekbladen op
-de lessenaars gereed te leggen en andere aanstalten te treffen. Een
-genadige hoofdknik tot den kapelmeester gaf de hooge tevredenheid van
-den gewestelijken bestuurder te kennen. Daarna keerde hij tot vrouw en
-dochter terug.
-
-„De rijtuigen loopen niet veel vaart,” zei hij. „Zij zijn evenwel in ’t
-zicht.”
-
-De schoone Laurentia, stond reeds, aan eene koningin in trotschheid
-gelijk, voor een sofa, in het middengedeelte der binnengalerij, daartoe
-voor een kostbaar Japansch schutsel geplaatst, met in de eene hand een
-sierlijken ruiker van de zeldzaamste bloemen, terwijl aan den pols van
-de andere een kunstig in elpenbeen gesneden waaier bengelde, waarmede
-zij allerbevalligst kon manoeuvreeren. Zij was uitermate deftig gekleed
-in een japon van zwart satijn, die bewonderenswaardig de volmaaktheden
-harer welgevulde vormen deed uitkomen. Het keurslijf, dat tot een
-minder dan bescheiden omvang was teruggebracht, hetgeen in de
-beteekenis opgevat moet worden, dat het zonder mouwen, en achter op den
-rug zeer diep en voor op de borst zeer laag uitgesneden was, liet
-ongehinderd hare keurige ronde mollige armen, hare fraaie als uit
-albast gemodelleerde schouders en haren boezem ontwaren, die Venus
-Kallipyga jaloersch zouden hebben kunnen maken. Nog een streepje lager,
-dan zou dat keurs den veerkrachtigen inhoud niet hebben kunnen
-bevatten, dien het nu binnen scherp aangewezen grenzen moest omsluiten.
-Hare donkerbruine lokken waren in een wonderlijk kunstig kapsel op het
-fraaie hoofd, door middel van een prachtigen diadeem van schitterende
-diamanten opgehouden; terwijl eene menigte bevallige krulletjes over
-het matwitte voorhoofd dartelden, en aan de zoo fonkelende donkere
-oogen van de schoone vrouw een ongemeen verleidelijk vuur bijzetten. De
-hals was versierd met het bloedkoralen snoer met diamanten sluitstuk,
-hetwelk haar ’Mbok Karjå overhandigd had. Aan hare polsen prijkten
-dergelijke armbanden, in den vorm van fijn geschubde slangen van oud
-goud, met diamanten in den mond en met diamanten oogen, als zij zoozeer
-bij de nonna van den majoor Chinees had bewonderd, en die Lim Ho den
-uitroep van „betoel, njonja mahal!” afgeperst had.
-
-Naast haar stond hare dochter Anna, die zich in vrouwelijken smaak wel
-van hare moeder onderscheidde. Zij was toch niet te bewegen geweest,
-zich gedecolleteerd te vertoonen, welke machtspreuken Laurentia daartoe
-aangewend had. Haar keurslijf, evenals haar japon van rooskleurige
-zijde, was zedig tot aan den hals gesloten, maar kon de verbeelding
-niet beletten, zich voorstellingen te maken van de schatten daarin
-besloten, die volgens de heerschende mode met de meeste nauwkeurigheid
-gemodelleerd werden. Van juweelen had het lieve kind een afkeer. Eene
-eenvoudige donkerroode Malmaison-roos gloeide in de donkere haargolven,
-die zoo bescheiden mogelijk gekapt waren, maar welker weelderigheid
-niet te verbergen was geweest. Op den boezem prijkte een allerliefst
-ontluikend knopje eener theeroos, dat met zijne fijn genuanceerde gele
-tint den blik verlokte en de gedachten verstrooide, waar die, bij zoo
-eene maagdelijk bescheiden, maar toch heerlijk afgeronde buste, een te
-wilde vlucht namen.
-
-„Het is bespottelijk, Anna, zoo eenvoudig en ordinair gij op eene
-partij verschijnt,” sprak mevrouw Van Gulpendam gramstorig, terwijl zij
-het toilet harer dochter met sarcastisch oog monsterde. „Uwe
-gouvernante van weleer deed zich beter voor. Zij zou thans voor de
-dochter des huizes, gij voor de gouvernante doorgaan.”
-
-Die bewering was in den mond der lichtzinnig snappende moeder in
-zooverre waar, dat de bedoelde gouvernante, een wufte Parisienne,
-geheel en al den smaak van mevrouw Van Gulpendam gehuldigd, ja dien in
-zijne buitensporigheden overprikkeld had, en daardoor een wit voetje
-bij de vrouw des huizes verkregen had; terwijl booze tongen fluisterend
-daarbij voegden, dat zij ook in blakende gunst bij den resident gestaan
-had. Wat ook van dat alles waar moge geweest zijn, zooveel is zeker,
-dat het mademoiselle Hélène Fouillée evenmin gelukt was het gemoed van
-het jonge meisje, aan hare zorgen toevertrouwd, te bezoedelen, als
-haren smaak te veronedelen. Op de scherpe bemerking harer moeder zou
-Anna niet antwoorden, al ware haar ook de tijd daartoe gegund. Daar
-weerklonken toch voetstappen op de trappen van de voorgalerij, en een
-paar seconden later, vertoonden zich een aantal jongelieden van
-verschillend ras, met blanke en met bruine wangen, met blonde lokken en
-met zwarten haardos, zwaar geolied, en in stijfheid met pijpestelen
-wedijverende, allen feestelijk gerokt, met gestukadoorde halzen, en den
-gibus zwierig onder den arm. Dat waren de lichtmatrozen van het feest,
-zooals de heer Van Gulpendam hen noemde, die levendigheid op den bak
-moesten bijzetten, maar ook niet aarzelen mochten, met de vlaggelijn
-bij de gaffel in de hand klaar te staan, waardoor hij in zijne
-eigenaardige beeldspraak aanduidde, dat zij van alle markten thuis
-moesten zijn. Voor het grootste gedeelte waren het schrijvers op het
-residentiebureau, die als verplichte danseurs moesten optreden, wanneer
-onverhoopt dames tapisseeren mochten. Bescheiden en nederig naderden
-zij, om hun compliment bij de residentsfamilie af te steken, waarbij
-zij een genadigen handdruk van den hoofdambtenaar verwierven, en een
-vriendelijken hoofdknik van de lieve dochter; terwijl mama hen met
-eigen hand een rozeknopje in het knoopsgat stak, en zoo tot
-feestcommissarissen ridderde:
-
-„En nu, flink gedanst van avond, jongelui,” sprak de schoone Laurentia
-met aanmoedigende stem en innemenden glimlach.
-
-„Stijve bries, geen labberkoeltje! Hoor jullie?” knorde de resident.
-
-Deemoedig waren alle hoofden bezig te buigen onder die winderige
-aanbeveling, toen Laurentia plotseling uitriep:
-
-„Spoedig! Lakas! Daar komen gasten!”
-
-En inderdaad, daar reden de eerste rijtuigen het erf op. Als een zwarte
-zwerm stoven de jongelieden naar buiten, en weldra traden een drietal
-hunner weer de binnengalerij in, terwijl zij den arm geboden hadden aan
-de gade van den assistent-resident van politie en hare twee dochters,
-lieve aanvallige tweelingen van omstreeks twintig jaren oud.
-
-„Wel, dat is allerliefst van u, mevrouw Meidema!” betuigde de schoone
-Laurentia met hare innemendste stem, terwijl zij de hand van de nieuw
-aangekomene greep, haar naar zich toe trok, en een kus op het voorhoofd
-drukte.
-
-Ook de twee meisjes verwierven die hooge gunst.
-
-„Ja, het is allerliefst,” ging de residentsvrouw snappend voort. „Ik
-had niet durven hopen, u heden avond te zien; mevrouw Zuidhoorn
-vertelde mij toch heden ochtend, dat een uwer jongere kinderen ziek
-was.”
-
-„Ziek niet, lieve mevrouw, slechts ongesteld,” betuigde mevrouw
-Meidema. „Een lichte verkoudheid anders niets.”
-
-De assistent-resident, die zijne dames onmiddellijk gevolgd was, boog
-voor de vrouw en de dochter des huizes, en wisselde daarna een handdruk
-met zijn chef.
-
-Bij de begroetingen der jonge dames onderling, had een der zusters Anna
-van Gulpendam in het oor gefluisterd:
-
-„Ik heb u straks wat te vertellen, Anna.”
-
-„Geheimen, Mathilde?” had de andere gevraagd.
-
-Een hoofdknik was het antwoord. Trouwens er was geen ander mogelijk.
-Want na de familie Meidema verschenen anderen, die zich om de
-residents-familie verdrongen, ten einde die hare hulde aan te bieden.
-Daar verschenen de voorzitters en de leden der rechterlijke macht, de
-ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, de officieren van het
-garnizoen, de voornaamste handelslieden en industrieelen uit de
-residentie, en allen vergezeld van de vrouwelijke leden van hun gezin,
-die de jaren bereikt hadden, om aan den dans deel te kunnen nemen. Daar
-verschenen de regent van Santjoemeh Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe
-Kesoemo, en zijn plaatsvervanger Radhen Pandjie Merto Winoto en de
-hoofd-„djaksa” [75] Mas Djogo Dirdjo en nog meer Javaansche hoofden, en
-allen met hunne radhen ajoe’s. [76] Daar verschenen de majoor der
-Chineezen Tang Ing Gwan en de kapiteins Lim Liong Hie en Tjoa Kwat
-Kong, en verscheiden luitenants dier natie. Ook kwamen Lim Yang Bing,
-de opiumpachter te Santjoemeh en diens zoon Lim Ho opdagen. En die
-allen wemelden om het drietal der residents-familie, hetwelk voor de
-reeds gemelde sofa stond. En daar werd gebogen en geknikt en
-geglimlacht; en daar werden handdrukken gewisseld en betuigingen
-gesproken; inderdaad in den Haag kon men het niet beter. Als alle die
-uitingen, die welwillendheid moesten te kennen geven, inderdaad het
-uitvloeisel van in waarheid ondervonden gevoelens waren, dan zou
-Santjoemeh een paradijs op aarde geweest zijn! Middelerwijl had de
-schutterijmuziek de ouverture van La Dame blanche ten gehoore gebracht,
-hetgeen evenwel slechts figuurlijk opgevat moet worden, daar niemand er
-naar geluisterd had.
-
-Toen die ouverture geëindigd was, en men elkander genoeg gevleid,
-bewierookt en becomplimenteerd had, gaf de resident een teeken, dat
-door een der gedienstige geesten in de voorgallerij herhaald werd,
-waarop de statige tonen eener stijve polonaise weerklonken, en alle
-aanwezenden zich paarsgewijze door de ruime binnen- en voorgallerij
-bewogen. Het was een deftige optocht, die veel van een defileermarsch
-had, waarbij de critische oogen der dames elkanders toiletten vinnig
-monsterden. De resident had zich aan het hoofd van den stoet gesteld,
-gearmd met de ega van den militairen kommandant; onmiddellijk op hen
-volgde de schoone Laurentia aan den arm van dien opperofficier; terwijl
-de chef van den geneeskundigen dienst met de lieve Anna rondwandelde.
-Dit was onze Van Nerekool een doorn in het oog geweest. Maar toen na de
-polonaise de zoo opwekkende invitation à la valse weerklonk, en de oude
-geneeskundige zijne schoone begeleidster naar hare plaats wilde
-terugbrengen, toen hernam de jeugd hare rechten, en weldra zweefden
-Anna en Karel door de binnengalerij. Het was een lust om het jonge paar
-te zien, het genot straalde beiden de oogen uit.
-
-„Ik geloof, dat er nieuws is,” sprak Anna met zachte stem gedurende de
-wals, „nieuws omtrent Ardjan.”
-
-„Omtrent Ardjan?” vroeg Van Nerekool ietwat bedremmeld.
-
-Waarachtig, niet de zaak maar de naam van Anna’s protégé was den
-jeugdigen rechtsgeleerde ontschoten. Dat was genoegzaam op zijn vragend
-gelaat te lezen.
-
-„Ja, Ardjan, de verloofde van baboe Dalima,” hernam Anna. „Zijt gij dat
-nu al vergeten? O, die mannen!”
-
-„Ik erken schuld,” prevelde hij. „Maar welk nieuws is er, juffrouw Van
-Gulpendam?”
-
-„Dat weet ik nog niet, mijnheer Van Nerekool....”
-
-„Wat klinkt dat stijf: dat mijnheer Van Nerekool....”
-
-„Wat klinkt dat stijf: dat juffrouw Van Gulpendam....” snapte het jonge
-meisje.
-
-„Wilt gij mij het recht verleenen om juffrouw Anna te mogen zeggen, of
-nog korter: Anna, lieve dierbare Anna?”
-
-Het lieve meisje bloosde allerbekoorlijkst van genoegen. Zij sprak geen
-woord, maar hare hand, die op zijnen schouder rustte, moest haar tolk
-zijn. Een lichte druk, die onmerkbaar mocht heeten, werd toch door den
-overgelukkige opgevangen. Hij hield haar leest met de rechterhand
-omvat; terwijl de hare in zijne linkerhand rustte, en zijn blik op het
-aanminnige gelaat gevestigd was.
-
-Zoo zweefden zij een oogenblik stilzwijgend voort.
-
-„Ik wacht op antwoord, Anna, lieve dierbare Anna. Mag ik u zoo noemen?”
-
-Geen toon liet zich hooren; maar iets liefs, iets goddelijk onbestemds
-ontwelde aan hare lippen. Het was als een zachte ademtocht, als een
-bedwongen zuchtje, dat haar ontsnapte, maar den dienst van sluier moest
-verrichten, door hare schuchterheid aan het onuitgesproken antwoord
-verleend. Ja, maar,... het kon ook eene beklemde ademhaling geweest
-zijn, door de inspanning van het dansen veroorzaakt. Met de
-onhandigheid, verliefden zoo eigen, vatte Karel dat zuchtje in
-laatstbedoelde beteekenis op.
-
-„Zijt gij vermoeid?” vroeg hij bezorgd. „Wil ik u op uwe plaats
-brengen?”
-
-„O, neen,” sprak zij schier onhoorbaar zacht. „Ik ben volstrekt niet
-vermoeid. Laten wij voortdansen.”
-
-Ja, hoe onervaren Van Nerekool ook wezen mocht, dit was duidelijk.
-
-„Volgaarne, lieve Anna,” antwoordde hij, terwijl hij haar in den
-maalstroom van dansers en danseressen meetroonde.
-
-„Ik heb dus het recht u mijne lieve, dierbare Anna te noemen? Ja?...”
-
-Een sprekende blik van het schoone meisje was daar het antwoord op.
-
-„O, laat mij u vertellen, hoe lief ik u heb, hoezeer ik u bemin!”
-
-Krampachtig bewoog zich de fraai geganteerde hand op zijnen schouder.
-
-„Ja, lieve Anna, ik bemin u,” ging hij hartstochtelijk voort, „ik bemin
-u zooals wellicht nimmer een man bemind heeft. Ik bemin u, met geheel
-mijn hart, met geheel mijne ziel, en het gelukkigste oogenblik zal
-wezen, wanneer ik u de mijne zal mogen noemen. Zeg, Anna, lieve
-dierbare Anna, zeg, zou ik op wederliefde kunnen rekenen?”
-
-Bedeesd sloeg de lieve maagd de oogen neder voor zijnen vurigen blik;
-maar het gold hier een keerpunt in haar leven, en zij had een te
-eerlijk en openhartig gemoed om, wanneer het hare beginselen gold, hare
-gevoelens te kunnen bemantelen. Zacht, maar toch volkomen hoorbaar voor
-hem, beantwoordde zij die vraag met: „ja!”
-
-Een poos was hij stil, als in gedachten verzonken. Zacht zweefden zij
-voort op de maat van de heerlijke muziek te midden van die menigte,
-waarin zij, als in elkander opgegaan, zich eenzaam bevonden als een
-eiland te midden van de woelige golven van den grooten oceaan. Maar
-zijn arm had haar middel vaster omvat; een oogenblik was er geweest,
-alsof hij haar aan zijne borst had willen klemmen, alsof hij bezit van
-zijn schat had willen nemen.
-
-„Gij maakt mij overgelukkig, Anna, met dat kleine woord, wat voor mij
-van oneindige beteekenis is!” ging hij eindelijk voort. „Maar
-veroorlooft gij mij nu, dat ik morgen formeel aanzoek doe om uwe hand
-bij uwe ouders?”
-
-Op die woorden betrok het gelaat van het lieve kind. Toch antwoordde
-zij:
-
-„Zeker vergun ik u dat, mijnheer Van Ne......”
-
-„Karel heet ik, lieve Anna.”
-
-„Zeker vergun ik u dat, Karel; maar ik mag u niet ontveinzen, dat papa
-niet van u houdt. Dat heb ik uit menig gesprek kunnen bemerken.”
-
-„Ja, dat heb ik ook wel bespeurd. Maar, wat heeft hij toch tegen mij?”
-
-„Ik geloof, dat hij het zelf niet weet. Een onverklaarbare antipathie.
-Hij noemt u een dweper, een onpractisch mensch, een droomer, die het
-niet ver in de wereld zal brengen.”
-
-„Beschouwt mijne Anna mij ook als een dweper?”
-
-De lieve meid beantwoordde die vraag met een gullen lach.
-
-„Ja, een dweper ben ik,” ging de jonge man voort. „Een dweper met het
-goede, met het schoone! Een dweper met mijne Anna, ja zeker, dat ben
-ik! Maar, zou het waar zijn, dat ik een onpractisch mensch, een droomer
-ben, die het niet ver in de wereld brengen zal? Mij dunkt, dat ik in
-dit oogenblik, waarin ik het liefste meisje ter wereld tracht te
-bemachtigen, ik niet alleen van practischen zin blijken geef, die mij
-naar het hoogste geluk, wat voor mij te bereiken zal zijn, doet haken;
-maar ook, dat ik bewijzen lever, ik, wel verre van te droomen,
-behoorlijk en levendig wakker ben. Vindt gij niet, lieve?”
-
-Een zachte druk op den schouder, die gedurende die wals al zoo veel te
-verdragen had gehad, was het antwoord op dat beroep.
-
-„En zou die antipathie sterk genoeg zijn, dierbare Anna, om uwen vader
-zoo afkeerig te maken, dat hij een huwelijk zou willen beletten, in
-weerwil dat hij zou zien, dat uw geluk daarmede gegrondvest werd?”
-
-„Dat heb ik niet beweerd, Karel. Maar, dat wij moeielijkheden,
-hinderpalen zullen ontmoeten, daarvan ben ik overtuigd.”
-
-„Welnu, dan zal er gestreden worden! Anna, Anna, ik reken op uwe
-liefde, op uwe standvastigheid. Reken ook op de mijne. Niets, hoort ge,
-niets ter wereld zal aan mijne liefde voor u afbreuk kunnen doen! Zelfs
-de hinderpalen zullen het genot onzer verbintenis nog verhoogen....”
-
-De muziek eindigde de wals. De paren hielden met zweven op. Karel liet
-Anna’s middel los, en bood haar den arm aan.
-
-„Laten wij nog een oogenblik voortwandelen,” sprak hij. „Ik zal dus
-morgen een bezoek aan uwe ouders brengen, en daartoe in de ochtenduren
-belet laten vragen. Dit is afgesproken, nietwaar?”
-
-Zij knikte met een bevalligen glimlach.
-
-Na een paar malen de binnengalerij rondgewandeld te hebben, bevonden
-zij zich op een gegeven oogenblik voor een der deuren, die toegang tot
-de almede rijk verlichte pandoppo verleenden. Verscheidene paren,
-groepen van jonge meisjes traden die pandoppo door, om zich naar den
-prachtigen tuin te begeven, die zich achter het residentiehuis
-uitstrekte, om daar in de zoo liefelijke avonduren frischheid en koelte
-te genieten. Anna en Karel volgden die beweging, en weldra bevonden zij
-zich te midden van de sierlijkste planten en struiken, die de
-keerkringszone maar aanbieden kon, en waartusschen de paden, in den
-bevalligen stijl van een Engelsch park aangelegd, grillig maar smaakvol
-als een kunstenaarsgedachte slingerden.
-
-„Ik meen daar Mathilda Meidema met een paar andere mijner vriendinnen
-opgemerkt te hebben, daar in die Salak-laan. Zij heeft mij wat mede te
-deelen..... Ik ben weer dadelijk bij u.”
-
-Of het schuchterheid was, angst voor het eerste oogenblik alleen zijn
-met den geliefde des harten, wien zij zoo even een trouwhartig „ja” als
-welkomsgroet voor zijne liefdes-ontboezeming toegefluisterd had? Of
-wel, was het vrouwelijke nieuwsgierigheid, die haar dreef om de geheime
-mededeeling van hare vriendin te vernemen, wellicht ook om die
-deelgenoot te maken van haar geheim, dat haar het hart deed kloppen,
-ongeduldig als het ware om het voor het volle licht te laten treden?
-Wie weet? Zij wilde heenijlen, maar Van Nerekool weerhield haar met
-zacht geweld, terwijl hij hare hand, die op zijn arm rustte, tegen zijn
-hart drukte.
-
-„Straks zal nog wel tijd zijn, mijne Anna, mijne engelachtige Anna,”
-sprak hij fluisterend, alsof hij vreesde, dat iemand in den tuin zijne
-woorden mocht verstaan, „om te vernemen wat Mathilde te vertellen
-heeft. Dit uur behoort mij.”
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-IN DEN RESIDENTS-TUIN.
-
-
-De maan was inmiddels hoog aan den hemel gestegen, en vormde door de
-kruinen van het hoog geboomte een wonderlijk mengsel van grillig
-uitgeknipte schaduwbeelden, die, onder den invloed van de zachte bries,
-die het gebladerte bewoog, elkander op de helgele paden of op de
-liefelijke groene graszoden schenen te vervolgen. Hier en daar gleden
-de stralen der nachtvorstin door het zoo fijne spichtige loof van een
-groep Tjemårå’s, [77] sierlijke gewassen, welke zooveel overeenkomst
-met de westersche lorkenboomen hebben, maar fijnere naalden dragen. Die
-stralen verdeelden zich daarbij, alsof zij door een uiterst fijn
-kantwerk speelden, wierpen daarbij geen schaduwen, maar werden als het
-ware gezeefd, hetgeen een wonderlijk licht teweegbracht, en bij
-dichterlijke zielen van bekoorlijke uitwerking moest zijn. Men zou
-gezegd hebben, dat op die plekken, waar dat gezeefde licht ontwaard
-werd, een ijle nevel de maan bedekte, onvermogend om straalbreking of
-schaduwvorming te veroorzaken, maar die toch eene andere schakeering
-van licht teweegbracht bij de witheldere omgeving.
-
-In die lanen, langs die grasperken, onder die boomkruinen werden
-allerwege paartjes ontmoet, groepen van jonge meisjes, van jonge
-mannen, van bedaagde matronen, van bejaarde heeren, die allen de
-frissche avondlucht opzochten, en wezenlijk verademing vonden bij het
-heerschen van het windje, dat zacht ruischend door de naalden der
-Tjemårå’s voer.
-
-Na den wals bracht de muziek eene fantasie op de Traviata ten gehoor.
-Toen picolo en cornet à piston het zoo heerlijke duo uit het eerste
-bedrijf voordroegen, waarin de geliefden Violetta en Rudolph, tot de
-erkenning van de gevoelens, die hen doortintelen, komen, toen de
-vertolking der woorden:
-
-
- „Un jour, l’âme ravie,
- Je vous vis si jolie,
- Que je vous crus sortie
- Du céleste séjour.
- Était-ce donc un ange, une femme,
- Qui venait d’embraser mon âme?
- Las! je ne sais encor.... mais depuis ce beau jour,
- Je sais que j’aime d’un pur amour!”
-
-
-zoo zuiver, zoo keurig weerklonk, toen sloeg Karel den arm om de leest
-van zijne Anna, terwijl zij een boschje van Pandan rampeh gedeh [78],
-dat met zijne overvloedige en breede bladeren een donkeren schaduwkring
-daarstelde, omsloegen, waar zij de hoop konden koesteren voor een
-oogenblik ongezien te vertoeven.
-
-„Mijne Anna, laat mij hier in deze eenzaamheid de woorden herhalen, die
-ik straks sprak, terwijl de geheele wereld ons omringde, terwijl aller
-oog op ons gevestigd was.”
-
-Het lieve kind trilde van aandoening in zijn arm.
-
-„Anna, ik heb u lief, onmetelijk lief, anders lief dan ik mijne moeder,
-mijne zuster, anders dan ik mijn eigen zou liefhebben!”
-
-Hij sloot haar vast tegen zich aan, en klemde het lieve meisje aan
-zijne mannelijke borst.
-
-„Ik kan slechts het geluk aan uwe zijde droomen. Steeds bij u te zijn,
-steeds dezelfde lucht, die gij inademt deelachtig te zijn, moet de
-hoogste zaligheid wezen! O, mijne Anna, laat ik u mijne liefde, mijne
-onverdeelde liefde betuigen.”
-
-Hij klemde het meisje nog vaster als het kon tegen zich aan, waarbij
-zij bekoorlijk het hoofdje op zijn schouder liet rusten.
-
-„Zeg, Anna,” vroeg hij hartstochtelijk, „zeg mij, of gij mij ook zoo
-lief hebt? Zeg, bemint gij mij, dierbare?.... O, ik weet het, gij hebt
-mij daarop straks reeds antwoord gegeven; maar herhaal dat „ja” hier in
-de eenzaamheid, herhaal dat „ja” hier, waar wij ons alleen en ver van
-het gewoel der wereld bevinden, alleen onder het oog van God, o,
-herhaal dat woord, Anna, dat mij zoo gelukkig maakt!”
-
-Hij boog zijn oor naar hare lippen, en luisterde aandachtig; en daar
-ontsnapte, terwijl zij de oogleden sloot, zacht en harmonisch, alsof
-het tot het wonderlijk akkoord van de bries in de Tjemårå-naalden
-behoorde, het goddelijk woordje aan haren lieven mond.
-
-Hij stiet bijna een kreet uit, boog het hoofd verder voorover.
-
-„Dierbare,” smeekte hij zacht prevelend, „dierbare, laten wij die
-liefdesbetuiging, die mij zoo gelukkig maakt, bezegelen.”
-
-En voor dat Anna nog maar toestemmend had kunnen antwoorden, drukten
-twee paar lippen op elkander, en sloten in eene innige omhelzing een
-knoop, waarbij twee harten en zielen voor dit kortstondige leven aan
-elkander verbonden zouden worden.
-
-Zoo stonden zij een korte poos, met de lippen op elkander gedrukt, en
-in elkanders blik, als in eene onmetelijke zaligheid verzonken; terwijl
-hoog boven hen de breede Pandanbladeren zacht wuifden, en hen hunne
-geheimzinnige schaduw verleenden; terwijl de bries door de naburige
-Tjemårå’s voer, en hun een wonderlijk gesuis ontlokte; en terwijl daar
-ginds de cornet à piston herhaalde:
-
-
- „... Mais depuis ce beau jour,
- Je sais que j’aime d’un pur amour!”
-
-
-Het oogenblik, hetwelk dat paar daar doorleefde, was een onvergetelijke
-bladzijde uit hun levensboek! De schoonste wellicht!... Helaas! het
-ontwaken was nabij.
-
-„Anna, Mathilde Meidema zoekt overal naar u. Waar zit ge toch, mijn
-kind?”
-
-Het was de stem van de schoone Laurentia, die de beide verliefden
-verschrikt deed opspringen. Met een oogopslag had de ervaringrijke
-vrouw het geheele tooneel overzien. Met innemende stem ging zij voort:
-
-„Mathilde verliet mij daar ginds bij dat rozenperk. Als gij hier deze
-laan volgt, zult gij haar voorzeker ontmoeten.”
-
-En toen hare dochter aarzelde:
-
-„O vrees niets,” ging zij voort. „Mijnheer Van Nerekool zal mij zijn
-arm aanbieden, zoodat die niet treurend en verlaten achter zal blijven.
-Ga gerust.”
-
-Die sarcastische woorden, evenwel op een toon van lieftallige
-vriendelijkheid uitgesproken, ontzetten het meisje diep, en deden haar
-met een angstig voorgevoel heenijlen.
-
-„En, nu met ons beiden, mijnheer Van Nerekool,” wendde zich mevrouw Van
-Gulpendam tot den rechterlijken ambtenaar. „Wees zoo vriendelijk mij
-uwen arm aan te bieden.”
-
-Zwijgend voldeed hij aan dat verzoek met een hoffelijke buiging. Het
-hart zat hem evenwel in de keel, alsof hij een misdaad begaan had.
-
-„Kom,” sprak zij, „wij zullen deze Tjemårå-laan inslaan, zij is meer
-verlicht en minder geheimzinnig donker dan die akelige Pandanlaan. Het
-is waar, dat gij mij zulke liefelijkheden niet zult te vertellen
-hebben, als gij Anna influisterdet, toen ik u beide ontmoette. Foei,
-mijnheer Van Nerekool, dat was niet fraai gehandeld van u...”
-
-Karel sloeg een blik op de vrouw, die op zijn arm leunde, en met zoo
-kalme, welluidende stem hare moederlijke afkeuring te kennen gaf. Zij
-waren van achter de Pandanstruiken te voorschijn getreden, zoodat het
-volle maanlicht haren blanken boezem, die slechts door een tullen
-kantwerk voor de avondlucht bedekt heette, in zijne onberispelijke
-volheid en heerlijkheid betooverend uitkwam. Als verblind sloot de
-jonge man gedurende een ondeelbaar oogenblik de oogen; toen hij ze weer
-opende, ontwaardde hij den diepen, donkeren blik van de schoone
-Laurentia op zich gevestigd. Zij meende den indruk te raden, welke het
-gezicht van die naakte schouders, armen en boezem op dat jeugdige en
-voor indrukken vatbare gestel maakten. Haar blik was vragend, was
-aanmoedigend.
-
-„Mevrouw,” sprak Karel met eene diepe ademhaling, alsof hij eene
-onwelkome gedachte verbande, „gij hebt u waarschijnlijk verbaasd, dat
-ik met mejuffrouw Anna eenigszins afgezonderd in den tuin wandelde...”
-
-„Met haar wandelde en haar kuste,” vulde Laurentia aan.
-
-„Welnu ja, en haar kuste,” ging Van Nerekool voort. „Maar, als gij
-mocht meenen, dat wij met voorbedachten rade die plek opgezocht hadden,
-dan...”
-
-Hij aarzelde een oogenblik om voort te gaan.
-
-„Dan?” vroeg zij met ondeugenden glimlach.
-
-„Dan zoudt gij juffrouw Anna en mij verongelijken.”
-
-„Ik vond toch de plaats om te kussen uitstekend gekozen,” hernam zij
-met iets sarcastisch in hare stem.
-
-„En toch was het slechts toeval, hetwelk ons daar bracht. Geloof mij,
-vóór dat oogenblik, of juister uitgedrukt, vóór dezen avond hebben wij
-nooit een woord van liefde gewisseld...”
-
-„Ongeloofelijk, mijnheer Van Nerekool,” viel de schrandere vrouw hem
-met een spottenden glimlach op de lippen in de rede. „Is het in gemoede
-aanneembaar, dat twee jongelieden van beiderlei kunne elkander in een
-verloren hoekje kussen, zonder dat vooraf woorden van toegenegenheid,
-of van liefde gesproken zijn, zonder dat hartstocht in het spel is?”...
-
-„En toch is het zoo, mevrouw. Geloof mij toch; ik spreek nimmer
-onwaarheid,” viel Karel op zijne beurt met eenige drift in.
-
-„Ja, ik weet het wel. Ik ben ook jong geweest... O,” ging de
-behaagzuchtige vrouw met zacht dwepende stem voort bij die herinnering
-aan die jeugd, waarvan zij noode afstand deed. „O, toen ik negentien
-jaren was, was ik Anna geheel gelijk, was ik evenals zij eene
-schoonheid in den knop, had ik even frissche, jeugdige gevoelens, had
-ik een even speelschen geest...”
-
-Van Nerekool ijsde bij die vergelijking van de moeder met de dochter.
-
-„Was ik even goedaardig, even begeerenswaardig als zij. O, geloof mij,”
-ging zij met eene soort opgewondenheid voort, terwijl zij hare hand met
-meer kracht dan noodig was op zijn arm liet rusten, en dien arm zacht
-drukte, „er is niet veel verbeeldingskracht noodig om te bespeuren, dat
-Anna mij geheel gelijken zal...”
-
-Zij hield een oogenblik op, als bespeurde zij, dat haar onderwerp haar
-vervoerde.
-
-„Zeker, mevrouw,” sprak Van Nerekool galant; terwijl hij den blik van
-het gelaat der schoone vrouw langs hare schouders, boezem en gestalte
-liet glijden, „het is te voorzien, dat juffrouw Anna in volmaaktheden
-en bekoorlijkheden hare moeder nabij zal komen...”
-
-„O, geen complimenten, als ik u bidden mag, mijnheer Van Nerekool,”
-meesmuilde zij met gekunstelde lieftalligheid.
-
-„Maar, mag ik u verzoeken mij te verklaren, wat die vergelijking te
-beduiden heeft? Ik vat niet...”
-
-Laurentia schudde de weelderige lokken die haren hals bedekten en over
-de schouders daalden. Neen, de lummel, die haar den arm gaf, begreep
-haar niet. Dat was duidelijk. Eene vluchtige gedachte aan ’Mbok Karjå
-doorkliefde haar brein, en ontwrong haar een zucht.
-
-„Och,” ging zij voort, terwijl haar boezem door eene versnelde
-ademhaling min of meer onstuimig op en neer ging, „ik wilde maar
-constateeren, dat ik ook jong geweest ben....”
-
-„En nog zijt,” betuigde Van Nerekool galant.
-
-„Dat ook wel gepoogd is, mij een kus te ontrooven,” vervolgde Laurentia
-met een glimlach van genoegen op het gelaat bij die herinnering; „maar
-dat gebeurde in het volle licht, in het bijzijn mijner ouders, en niet
-in de donkere schaduw van een Pandan-boschje.”
-
-„Laat mij u vertellen, mevrouw, hoe dat gebeurd is,” sprak Van Nerekool
-heel ernstig. „Sedert ruim een jaar bezoek ik uw huis. Eerst slechts
-enkele malen, daarna drukker en drukker. De reden daarvan kan u als
-schrandere vrouw niet ontgaan zijn. Ik had uwe dochter leeren kennen
-en, hoe meer ik haar edel en lieftallig karakter doorgrondde, hoe
-dieper drong de schicht mijn hart binnen, die mij reeds bij het eerste
-bezoek getroffen had. Wat zal ik u verder vertellen, mevrouw. Ik voelde
-weldra, dat mijn geheele geluk aan hare zijde te vinden was. Maar....
-boezemde ik ook al juffrouw Anna geen antipathie in, meende ik ook op
-uwe welwillendheid eenigermate te kunnen rekenen, zoo bemerkte ik toch
-alras, dat ik de genegenheid van den heer Van Gulpendam niet verworven
-had, ja dat ik hem letterlijk tegenstond. Dat gevoel was hij, in
-weerwil der door hem steeds betrachte beleefdheidsvormen, niet altijd
-in staat te beheerschen, en brak zich wel eens baan, hoewel ik mij niet
-over opzettelijke krenkingen te beklagen heb. Dat schrikte mij
-eenigermate af. Van eene andere zijde weerhield mij de gedachte, dat
-mijn inkomen nog niet groot genoeg is, om een huishoudentje, hoe
-bescheiden ook, op te zetten. Dat ik juffrouw Anna geheel onkundig liet
-van mijn genegenheid, zult gij wel bemerkt hebben. Of haar mijne liefde
-ontgaan is, dat zou ik niet durven beweren, hoewel mij daaromtrent geen
-woord ontviel....”
-
-„Maar, mijnheer Van Nerekool....”
-
-„Laat mij uitspreken, mevrouw.... Mij daaromtrent geen woord ontviel,
-tot heden avond, toen mij in den zwijmel van de wals mijn geheim, dat
-ik zoo lang, zoo trouw en zoo zorgvuldig bewaard had, ontsnapte. Ik was
-dronken van vreugde, toen mij bij de bekentenis mijner liefde geene
-afwijzing ten deel viel. En zult gij het nu als liefhebbende moeder van
-uw kind kunnen wraken, dat ik, toen wij een oogenblik later te zamen
-hier in den tuin wandelden, mijne liefde andermaal beleed en, door het
-betooverende van de stille natuur in deze heerlijke omgeving, door het
-verleidelijke van de hartstochtelijke muziek, die weerklonk en een echo
-in mijn hart vond, vervoerd, den engel mijner wenschen, den reinen
-engel mijner droomen in mijne armen sloot, aan het hart drukte en ons
-liefdeverbond, dat wij gesloten hadden met een eersten kus bezegelden,
-met een kus zoo rein, als de engelen in den hemel slechts wisselen
-kunnen? O, mevrouw, ons geluk was toen grenzenloos, het goddelijke
-nabij!”
-
-Karel van Nerekool had met vuur, met geestdrift gesproken. Neen, dat
-was de taal niet der conventioneele gemoedsuitingen, zoo gebruikelijk
-in eene zekere wereld, waar zij door de romantiek onzer dagen gekweekt,
-als de schering en inslag der gesprekken vormen, en aan het samenzijn
-een relief verleenen, als ware het een afdruk van een bladzijde uit
-Georges Sand, uit Georges Ohnet of uit Hector Malot. Zijne woorden
-kwamen uit het onverdorven hart voort, en misten hunne uitwerking niet
-op de schoone begeleidster, die hij nog steeds aan den arm had. De
-gevoelige Laurentia sloot onder den invloed, dien zij ondervond, de
-oogen voor een oogenblik, als verblind door zooveel heerlijkheid. „Had
-Van Gulpendam ooit zoo zijne liefde beleden, ooit zoo over haar
-gesproken? Helaas, neen; die werd slechts beheerscht door geldzucht en
-door.... En.... Maar, zij?.... zij?....” ging zij in haren
-gedachtengang voort. „Was zij van die euvels vrij, die haar nu als
-gruwelen, welken haren echtgenoot aankleefden, toeschenen?” Een
-oogenblik moest zij bekennen, dat zij even schuldig was. Een oogenblik
-nam het betere gevoel de overhand. Maar ook voor een oogenblik slechts;
-want daarna bekroop haar een gevoel van lakenswaardige ijverzucht
-jegens hare dochter. Een zweem van afgunst doortintelde haar, dat hare
-Anna eene reine, fiere, mannelijke liefde deelachtig zou kunnen worden,
-die haar onbekend was gebleven. Daarenboven aan zoo veel reinheid als
-uit de ontboezemingen van Van Nerekool straalde, kon zij moeielijk
-gelooven. Hare geaardheid bracht mede, de meening slechts toegedaan te
-zijn, dat iedere liefde, iedere genegenheid van twee personen van
-verschillende kunne slechts als de uiting van stoffelijken hartstocht,
-de gevolgen van vleeschelijke lusten te beschouwen is. Reinheid en
-liefde waren slechts klanken voor haar, die, als zij er eenig begrip
-van had, slechts als eene prikkeling te meer der zinnelijkheid
-beschouwd, en door haar als zoodanig uitgelegd werden. Onder den
-aandrang dier onzalige opvattingen ontvielen haar dan ook de
-sarcastische woorden:
-
-„Ja dat kan ik begrijpen. Een grenzenloos geluk achter dat
-Pandan-boschje! Wil ik u zeggen, wat ik van dien reinen kus denk,
-mijnheer Van Nerekool? Dat hij slechts is de uiting van den aandrang
-naar zingenot. Gij, als heer zult toch wel de triviale beteekenis
-kennen, welke uwe geslachtsgenooten aan een kus hechten?”
-
-„Vergeef mij, mevrouw,” antwoordde Van Nerekool met iets weemoedigs in
-zijne stem, „maar ik ben nog jong en onbedreven....”
-
-„Dat merk ik!” gaf Laurentia spottend ten antwoord.
-
-„O, mevrouw, wat ik u bidden mag, laten wij den tijd niet doorbrengen
-met woordspelingen. Ja, ik ben nog jong en onbedreven, ik herhaal het.
-Ik heb geen verstand van die verschillende genegenheden, die in de
-wereld in omloop schijnen te zijn, en die opgeborgen kunnen worden als
-de stalen van een lakenkoopman, ieder in zijn eigen vakje: eene
-genegenheid voor het hart, eene voor het hoofd, eene voor de zinnen.
-Neen, ik bemin uwe dochter, oprecht, en welgemeend; maar vooral is die
-liefde rein, en vrij van iedere jacht op zingenot, geloof mij! Ik had
-gehoopt, dat zoo eene toespeling niet geschieden zou van wege de moeder
-van haar, die ik boven alles vereer. Ik bemin juffrouw Anna met mijn
-geheele wezen, en gevoel de heerlijke kracht van zulke liefde, die van
-min edele bedoelingen geheel vrij is.”
-
-Mevrouw Van Gulpendam was zoozeer uit het veld geslagen door die
-vooropgestelde beginselen van den jonkman, dat zij begreep, dat met zoo
-iemand geen lichtzinnig spel te spelen was.
-
-„Maar, wat wilt gij nu van mij?” vroeg zij ietwat ongeduldig, daarbij
-vergetende, dat zij den jongen man verzocht had haar den arm te bieden,
-en dat zij het gesprek op het terrein gebracht had, dat haar thans
-onaangenaam scheen. „Ik betrapte u, terwijl gij Anna op eene eenzame
-plaats in uwe armen gesloten hieldt, en haar een kus op de lippen
-druktet. Wat moet ik nu van die hoog geprezen reinheid van liefde
-denken? Is hier de daad niet in strijd met de gepredikte beginselen?
-Komt zoo’n gedrag te pas, wanneer de ouders van het meisje van die
-genegenheid niets afweten?”
-
-„Mevrouw Van Gulpendam, ik heb u verklaard, hoe de omstandigheden mijns
-ondanks ons verrast hebben. Gelooft gij mijne woorden niet, dan kan ik
-slechts betreuren, dat gij, de moeder mijner Anna, zoo’n geringen dunk
-van mijn karakter hebt. Maar, dàt mag mij nu niet meer weerhouden. Ik
-sprak reeds met juffrouw Anna af, dat ik morgen belet bij u en den
-resident zoude laten verzoeken, om u beiden de hand uwer dochter te
-vragen. Ik snel nu den dag van morgen vooruit, en uit thans het
-verzoek, hetwelk ik dan eerst wilde doen en voeg daarbij de bede uwe
-welwillende tusschenkomst bij den heer Van Gulpendam te willen
-verleenen.”
-
-Bij dat aanzoek was Karel van Nerekool blijven stilstaan, had den arm
-van mevrouw Van Gulpendam losgelaten, zich verder naar haar gewend, en
-haar als de moeder zijner Anna met een smeekenden blik aangekeken.
-Gegeven zijn karakter, was het niet aanneembaar, dat hij met berekening
-te werk ging; maar toen hij stilstond, bevond hij zich juist te midden
-van eene ijle schaduwplek, door een groepje Tjemårå’s geworpen, en
-verleende deze, terwijl zij den omtrek van den bodem als met eene
-uiterst fijne arceering bedekte, den jongen man eene geheimzinnige
-aureool, die zijn fraai besneden maar ernstig gelaat, zijne blonde
-krullen, welke zijn ongedekt hoofd versierden, alsook zijne bevallige
-gestalte ten gunstigste deed uitkomen. De schoone Laurentia sloeg als
-ware kenster van mannelijke volkomenheid, eene bewonderenden blik op
-den jongen man, die Anna ontzet zoude hebben, wanneer zij dien had
-kunnen waarnemen, en er de beteekenis van had kunnen begrijpen.
-Gelukkig dreef het gevaar voorbij; want de gedachtengang van de
-realistische vrouw werd afgeleid door de nadering van een paar zonen
-van het Hemelsche Rijk, die, in eene evenwijdig loopende laan
-voorttredende, het fijne grind met hun vreemdsoortig omgebogen en
-zwaarwichtig plomp schoeisel deden kraken. Het waren babah Tang Ing
-Gwan, de majoor der Chineezen te Santjoemeh, en de opiumpachter babah
-Lim Yang Bing, die eveneens een avondluchtje in den tuin kwamen
-scheppen, en elkander openhartig beleden, dat zij, alles goed en
-welbeschouwd, het in het geheel niet prettig op zoo’n Europeesch feest
-vonden.
-
-„Alleen de naakte armen, schouders, enz., van die „njonja njonja en
-nonna nonna” blanda (hollandsche vrouwen en meisjes) sprak de pachter
-met een afzichtelijk gemeenen grijnslach, „kunnen mij verzoenen met
-zoo’n vervelende samenkomst. Het moet toch erkend worden, dat die
-schepsels welgemaakt zijn. Maar, wat streken van de echtgenooten en
-vaders van die wezens, om met die dingen te pronken, en wat
-schaamteloosheid en onkieschheid van die blanke vrouwen, om zich zoo in
-het openbaar te vertoonen! Tjiss!” (foei).
-
-„Ja, tjiss!” zei de majoor-Chinees, een oud man, die er met zijne lange
-grijze knevels, welke hem tot op de borst vielen, vrij indrukwekkend,
-haast eerbiedwaardig uitzag, met ernstige stem. „Ja, tjiss! Ik zou
-nimmer toelaten, dat mijne vrouw en mijne dochters zoo gekleed of beter
-ongekleed in tegenwoordigheid van mannen verschenen.”
-
-„Hebt gij de njonja toean resident gezien? Die...”
-
-„Shutt! diam! (Stil)” zei de majoor waarschuwend. „Daar staat zij met
-den toean „rakker njang moeda” (jeugdigen rechter) te praten. Wat zij
-met dien te verhandelen mocht hebben?”
-
-Lim Yang Bing antwoordde niet, maar lachte fijntjes. De kuiperijen van
-zijn zoon Lim Ho waren hem niet onbekend. Ook herinnerde hij zich zijn
-gesprek met den resident. Van Nerekool behoorde toch tot de
-rechterlijke macht.
-
-Neen, de njonja toean resident had niets anders dan het grindgekraak
-gehoord; evenwel het bespeuren van die twee Chineezen, maar vooral van
-den opiumpachter, dat eene herinnering aan Lim Ho en aan hare afspraken
-met ’Mbok Karjå teweegbracht, deed den geldduivel bij haar zegevieren,
-en alle andere hartstochten zwijgen.
-
-„Mijnheer Van Nerekool,” sprak zij met innemende stem, „de resident is
-niet zoo erg tegen u gestemd, als gij wel veronderstelt. Maar hij is
-alleen op practische menschen gesteld.... Laat mij uitspreken en val
-mij niet in de rede. Ons onderhoud duurt al te lang.... De wereld mocht
-eens meenen.... maar neen, niet waar? Gij bemint mijne dochter?....”
-
-Zij aarzelde en beefde over haar geheele lijf. De jonge man keek haar
-met iets vreemds in het oog aan, dat zij scheen te begrijpen.
-
-„De resident is op practische menschen gesteld en.... vergeef mij,”
-ging zij na eene lichte aarzeling voort, „gij behoort tot de practische
-menschen niet!.... Neen,.... kijk mij zoo niet aan.... Gij beweegt u
-nog in eene droomwereld, die van het werkelijke leven ver verwijderd
-is. Gij stelt u de wereld anders voor als zij is, en wordt gij uit die
-droomerijen niet bijtijds wakker, dan is het gevaar zeer groot, dat gij
-nimmer carrière zult maken bij de rechterlijke macht, die gij u tot
-loopbaan verkozen hebt. Dat is wel de meest prozaïsche loopbaan, die er
-bestaan kan, en die het meest van droomerijen afkeerig is.”
-
-Van Nerekool luisterde aandachtig en onderworpen, hoewel hij eene
-zekere onrust voelde opkomen, die hij ternauwernood vermocht te
-bedwingen.
-
-„Ik ben gereed aan uw verzoek te voldoen,” ging de schoone Laurentia
-met innemenden glimlach op de lippen voort, maar sprak daarbij hare
-woorden met een nadruk uit, alsof zij de lettergrepen wilde tellen. „Ik
-wil uwe voorspraak zijn, ik wil uwe zaak bij den resident bepleiten,
-en... wanneer ik dat doe, dan kunt gij er zeker van zijn, dat Anna de
-uwe zal worden....”
-
-„O, ik ben u dankbaar, mevrouw!” barstte de jonge man los; terwijl hij
-de hand op zijn borst lei, alsof hij het kloppen daarvan wilde
-bedwingen.
-
-Het had weinig gescheeld of hij had Anna’s moeder aan zijn hart
-gedrukt, en haar met kussen overdekt. Gelukkig, dat hij zich weerhield;
-want wie weet, welke verandering van inzichten zulk een onbezonnen daad
-bij de prikkelbare vrouw teweeg had gebracht.
-
-„Bedaar, mijnheer Van Nerekool, bedaar!” suste Laurentia dat
-enthousiasme. „Ik ben gereed uwe voorspraak te zijn, maar gij moet mij
-eene belofte doen....”
-
-„O, spreek, mevrouw! spreek! Ik zal alles....”
-
-„De heer Zuidhoorn staat op het punt met verlof naar Nederland te
-vertrekken, nietwaar? Welnu, er is eene zaak bij den landraad aanhangig
-die ik gaarne tot een gewenscht einde gebracht zag.”
-
-„Maar, mevrouw, ik ben lid van den raad van Justitie; ik heb met den
-landraad niets te maken.”
-
-„Op mijne voorspraak zult gij als jeugdig rechterlijk ambtenaar met het
-voorzitterschap van den landraad bekleed worden, tot de komst van den
-vervanger van den heer Zuidhoorn. Dat zal eene onderscheiding zijn,
-nietwaar?”
-
-„Voorzeker, mevrouw! Spreek, o spreek!”
-
-„En... wie weet?... Maar ter zake. In de gevangenis zit een Javaan,
-Ardjan genaamd, die opium gesmokkeld heeft....”
-
-Het hart klopte Van Nerekool schier hoorbaar in de borstkas. O,
-voorzeker wenschte de moeder, evenzeer als zijne Anna, den Javaan te
-hulp te komen. Hij meende dan ook in haren geest te spreken.
-
-„Die beschuldigd is van opium gesmokkeld te hebben, mevrouw,” viel hij
-haar met zijn eerlijk gemoed in de rede.
-
-„Dat is hetzelfde, mijnheer Van Nerekool.”
-
-De jeugdige rechterlijke ambtenaar keek vreemd op. Hij begreep
-volstrekt niet.
-
-„Ardjan is een aartssmokkelaar, en behoort tot een smokkelaarsfamilie,”
-ging Laurentia niet zonder drift voort. „Zijn vader is kort geleden nog
-betrapt, en heeft zich daarbij tegen de openbare macht verzet. Zulke
-menschen moeten streng gestraft worden, hoort ge?”
-
-„Verzet tegen de openbare macht, voorzeker mevrouw. Wat echter de
-smokkelarij betreft, is....”
-
-„Smokkelarij is diefstal, weet gij dat niet, mijnheer Van Nerekool?
-Diefstal van ’s lands penningen, diefstal uit den zak der
-belastingschuldigen!”
-
-„Ongetwijfeld, mevrouw. Maar ik wilde vragen: is die smokkelarij wel
-behoorlijk bewezen?”
-
-„O, voorzeker. Ardjan is de schuldige, niemand anders. Ik weet wel, dat
-er een soort komplot op touw gezet is, om Lim Ho, den zoon van den
-opiumpachter, in verdenking te brengen. Den zoon van den opiumpachter!
-die met zijn vader het grootste belang er bij heeft, dat de
-smokkelhandel zooveel mogelijk tegengegaan wordt!... Het is eenvoudig
-bespottelijk!.... Ja, ik weet ook, dat, om Lim Ho te bezwaren, eene
-aanklacht bij den landraad ingediend is, als zoude Lim Ho den Javaan
-Ardjan met karbouwenbladeren hebben laten geeselen. Maar, nietwaar,
-mijnheer Van Nerekool, gij zult dat weefsel van leugen en bedrog weten
-te verscheuren! Gij zult dat ellendige gebroed van sluikers en valsche
-aanklagers onschadelijk maken!...”
-
-„Mevrouw, gij kunt overtuigd zijn, dat ik, wanneer ik tot tijdelijk
-voorzitter van den landraad mocht benoemd worden, mijn plicht nauwgezet
-zal volvoeren. Wie recht heeft, zal recht bedeeld worden; wie straf
-heeft verdiend, zal haar niet ontgaan. Ik ben eenigszins op de hoogte
-van die opiumsmokkelpartij, ook van het zoogenaamde verzet van Ardjan’s
-vader, en ik meen nu reeds te kunnen verzekeren, dat die twee Javanen,
-vader en zoon, zoo schuldig niet zijn, als zij schijnen....”
-
-„Wat een uilskuiken is die rechterlijke ambtenaar,” dacht mevrouw Van
-Gulpendam.
-
-„Mijnheer Van Nerekool,” fluisterde zij den jongen man in het oor, „de
-resident heeft gelijk; gij zijt geen practisch man.”
-
-„Mevrouw....”
-
-„Slechts, als gij mijne wenken volgt, is de hand mijner dochter voor u
-bereikbaar. Bedenk u wel!”
-
-„Maar, wat eischt gij van mij?”
-
-„Ardjan en zijn vader moeten verbannen worden. Waarheen? Dat komt er
-minder op aan. Naar de Molukken, naar Deli, naar Atjeh. Dàt laatste
-oord ware wellicht het meest verkieslijke.”
-
-„Zij zullen verbannen worden, wanneer zij schuldig zijn.”
-
-„Schuldig of niet! Mijn wenk gehoorzamen,... of geen voorzitterschap
-van den landraad! Doen wat ik wil,... of geene Anna!....”
-
-Het bloed vloog den jongen man bij die woorden naar het hoofd. Zijn
-geheele gemoed kwam in opstand. Hij liet den arm der schoone
-verleidster los, en, zonder zich te bedenken, siste hij eer dan hij
-sprak, gejaagd:
-
-„Mevrouw, ik bemin uwe dochter innig; maar hare hand te koopen tegen
-dien prijs, tegen den prijs van mijn geweten, dat nooit!”
-
-„Nooit?”
-
-„Nooit! Zij zelve zou mij verachten, wanneer ik zoo’n aanbod aannam.
-Maar, het is geen ernst, nietwaar mevrouw?”
-
-„Hooge ernst en mijn laatste woord! Wilt gij oorlog of vrede?”
-
-„Ik verlang met niemand in onmin te komen. Maar een rein geweten is mij
-boven alles dierbaar. Vaarwel, mevrouw!”
-
-En met het hoofd door beide handen omsloten, ijlde hij heen, verder den
-tuin in, naar de eenzaamste plekken. Na een poos daar in de grootste
-opgewondenheid rondgedoold te hebben, trad hij de binnengalerij weer
-binnen, waar Mathilde Meidema hem tot haar riep.
-
-„Mijnheer Van Nerekool, mijne vriendin Anna heeft mij verzocht u het
-navolgende te vertellen, namelijk: dat wanneer geene redding opdaagt,
-Ardjan’s zaak reddeloos verloren is. Al de getuigen zijn verdwenen of
-omgekocht, zoodat zijn veroordeeling zeker is.”
-
-„Van wie weet juffrouw Anna die bizonderheden?”
-
-„Van mij, mijnheer Van Nerekool.”
-
-„En van wie weet gij ze, juffrouw Meidema?”
-
-„Gij zijt wel nieuwsgierig uitgevallen, mijnheer de rechter. Dat hoort
-zoo bij het vak nietwaar?” antwoordde het jonge meisje lachende. „Het
-eenige, wat ik er bijvoegen kan, nu ik aan Anna’s opdracht voldaan heb,
-is: doe er uw voordeel mede.”
-
-Daarop boog zij en ijlde heen.
-
-Karel drentelde nog een poos te midden der gasten rond. Maar na zijn
-gesprek met mevrouw Van Gulpendam had hij rust noch duur. Hij keek nog
-naar Anna rond, die echter als dochter des huizes aan tal van
-vormelijkheden op zoo’n partij gebonden was. Hoewel het gelaat van het
-lieve meisje weinig genoegen verraadde, zetelde daarop evenwel een
-glimlachje, dat lieftallig mocht heeten; maar voor hem, die er op te
-lezen vermocht, duidden die trekken onrust, ja angst aan. Bij dat
-gezicht had het feest zijne bekoorlijkheid voor hem verloren; vooral,
-daar hij het niet meer wagen durfde, haar te naderen. Hij zocht dan ook
-zijn hoed op, nam afscheid van den resident en zijn echtgenoote, en was
-weinige minuten later buiten.
-
-„Pas op! Bedenk u wel!” was het laatste woord geweest van de schoone
-Laurentia, terwijl hij voor haar boog.
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-ECHTGENOOT EN GADE.—MOEDER EN DOCHTER.
-
-
-Het was niet vroeg meer, en de zon stond reeds hoog aan den hemel, toen
-het echtpaar Van Gulpendam den volgenden ochtend aan de onbijttafel
-zat. Wel was de resident volgens gewoonte vroeg op geweest; de dames
-evenwel hadden een gat in den dag geslapen. Toen eindelijk Laurentia
-verscheen, vond zij haren echtgenoot reeds in zijn lichtblauwen
-ambtsrok met zilveren knoopen, waarop het Nederlandsche wapen prijkte,
-met een papier in de hand aan tafel gezeten, en overigens vrij nurksch
-gestemd.
-
-„Eindelijk!” riep hij.
-
-„Wat eindelijk? beet zij hem toe. „Dat ’s zeker mijn goeden morgen!”
-
-„Wel mogelijk,” antwoordde hij knorrig. „Is dat een uur om te
-ontbijten? Ge weet, dat ik zeer vele bezigheden heb.”
-
-„Waarom hebt ge niet vooraf ontbeten?”
-
-„Waarom? Waarom? Dat is ulieder stopwoord altijd. Het is u overbekend,
-dat ik ongaarne alleen aan tafel zit.”
-
-„Dan hadt ge Anna kunnen roepen. Die zou u trouwens nieuws te vertellen
-gehad hebben.”
-
-Het scheen, dat de schoone Laurentia, na het eindigen van het feest den
-tijd niet genomen had, om haren echtgenoot op de hoogte te brengen. Zij
-had het ook als gastvrouw zoo druk gehad! En daarbij geen enkelen dans
-overgeslagen! De Santjoemehsche jongelieden waren verrukkelijk geweest.
-
-„Anna!... Anna!” knorde de resident. „Die zie ik nu nog niet. Kun
-jullie vrouwen dan nimmer eens door den wind gaan, zonder den volgenden
-dag in katzjammer te liggen? Maar,.... wat is er met Anna? Welk nieuws
-zou die mij te vertellen hebben?”
-
-„Och, dat zij dat zelf maar doet.... Anna!... Pangil nonna!” (roep de
-juffrouw) wendde Laurentia zich tot Dalima, die de pandoppo
-binnengetreden was.
-
-„Nonna sebantar sedia, nja!” (De juffrouw is dadelijk gereed, mevrouw)
-antwoordde de baboe.
-
-„Maar wat intusschen? Wat heeft zij mij te vertellen?” herhaalde Van
-Gulpendam.
-
-„Och, ik laat haar liever zelve verhalen, hoe zij zich gisteren avond
-in den tuin door Van Nerekool heeft laten omarmen. Zeg gij mij liever,
-welk papier gij daar in de hand hebt. Gij weet, dat ik niet van
-paperassen aan tafel houd. Die hebben ruimte genoeg, en daarenboven
-volkomen verlof om op het kantoor te blijven.”
-
-Van Gulpendam had het nieuws van het gebeurde met zijne dochter koel
-aangehoord, zoo koel zelfs, dat het zijne echtgenoot schier vertoornde.
-Daarom had zij ook eene afleiding gezocht, en bezigde daartoe dat
-onnoozele papier. Hij antwoordde kalm maar wrevelig:
-
-„Dat is een telegram, die ik zoo even ontvangen heb en mij zeer
-ontstemt.”
-
-„Een telegram?”
-
-„Ja, uit den Haag. Kijk, gisteren avond ten negen uur bezorgd, en heden
-ochtend om acht uur reeds hier.”
-
-„Ge drukt zoo op dat reeds, alsof dat vlug was. Ge herinnert u toch nog
-den brief van Amy, toen wij haar met haar engagement gefeliciteerd
-hadden. Onze telegram werd des morgens te elf uur op het
-telegraaf-bureau te Santjoemeh bezorgd, en zij schreef ons, dat zij
-dienzelfden ochtend ten negen uur onze felicitatie in handen had. Dat’s
-vlug, ja vlugger dan vlug, dunkt me.”
-
-„Ik heb u al uitgelegd, Laurentia, dat de oorzaak daarvan in het
-lengteverschil gelegen is.”
-
-„Jawel, jawel! De zon draait.... neen, de aarde draait zoo, en....
-jawel, dat weet ik. Maar dat belet niet, dat het vlug was. Een telegram
-nog vroeger te ontvangen dan hij zelfs geschreven was. Maar wat behelst
-die telegram uit den Haag, die u zoo ontstemt.”
-
-„Och, wat hebben vrouwen daar verstand van?”
-
-„Maar nog eens. Vertel op. Van wien is hij?”
-
-„Van mijn broeder Gerrit.”
-
-„En wat behelst hij. Laat mij niet zoolang wachten. Dat is niet
-galant.”
-
-Van Gulpendam glimlachte vreemd bij dat woord galant.
-
-„Van de voordracht voor den Nederlandschen Leeuw kan niets komen.
-Tenzij....”
-
-„Tenzij?” vroeg Laurentia uiterst nieuwsgierig.
-
-„Tenzij de opiumpacht in de residentie Santjoemeh meer opbrenge! De
-begrooting van den tegenwoordigen minister van Koloniën valt niet in
-den smaak. Men rekent op een paar millioenen meer van dat middel.”
-
-„Men?... Men?... Wie is die men?”
-
-„Wel.... Sidin toeroen lajer,” (Sidin laat de zeilen neer) beval de
-resident voorzichtig. „De zon hindert zoo door die jaloezielatten. Wie
-die men is? Wel de regeering, de ministers, de Tweede Kamer.”
-
-„Is het niet anders?”
-
-„Niet anders?.... Weet gij wel, dat de opiumpachter reeds meer dan
-twaalf ton jaarlijks aan pachtschat betaalt?”
-
-„Welnu, dan zal hij bij de volgende verpachting voor vijftien, voor
-achttien ton inschrijven!”
-
-„Gij spreekt er gemakkelijk over.”
-
-„Wanneer is die verpachting?”
-
-„In de maand September van dit jaar.”
-
-„Laat dat nu maar aan mij over.”
-
-„Ja, maar....”
-
-„Geen muizenissen.... De Javaantjes van de residentie zullen ieder maar
-wat meer opium rooken, en.... gij zult het „bertes knabbeldat” of hoe
-heet gij het?”
-
-„Virtus nobilitat.”
-
-„En gij zult het virtus nobilitat op de borst dragen; maar ik zal het
-verdiend hebben.”
-
-„Hoe?”
-
-„Dat is mijn geheim, Gulpie. Gij zult zien, de opiumpacht vier of zes
-ton meer. Dus geene muizenissen voor den tijd. Laat ons nu over iets
-anders spreken. Hoe komt het, dat gij het gebeurde met Anna en Van
-Nerekool zoo kalm opneemt?”
-
-„Kom, laten wij maar ontbijten; Anna komt nog niet, en ik heb geen
-tijd.”
-
-„Goed, wij zullen ontbijten; maar dat zal u niet verhinderen mij te
-antwoorden, nietwaar?”
-
-„Dat niet,” knikte Van Gulpendam.
-
-„Kassi koppie! nènèh!” (geef koffie nènèh) beval Laurentia aan hare
-lijfmeid Wong toewa.
-
-Toen de twee geurige koppen voor het echtpaar stonden, en ieder hunner
-zich een sneedje brood geboterd en met een laagje dun uitgesneden
-„dageng assep minjagan” (gerookt hertenvleesch) bekleed had, vroeg de
-nieuwsgierige vrouw:
-
-„Welnu, Gulpie?”
-
-„Wanneer ooit de poging, om de opiumpachtschat in deze residentie te
-doen rijzen, slagen zal, dan zal ik waarschijnlijk de hulp van Van
-Nerekool noodig hebben.”
-
-„Zijne hulp? Bij de opiumpacht?” vroeg de schoone Laurentia met loozen
-glimlach, alsof zij niets begreep.
-
-„Luister. Wanneer Lim Ho in de zaak van Ardjan mocht veroordeeld
-worden, dan zal noodzakelijk zijn vader Lim Yang Bing van de
-mededinging uitgesloten moeten worden.”
-
-„Waarom dat?”
-
-„Om het geschreeuw der dagbladschrijvers den mond te snoeren. Welke
-keel zouden die opzetten, wanneer den vader van den schuldige aan
-opiumsmokkelarij en aan mishandeling de pacht gegund werd! Het zou nog
-sterker klinken, dan het spektakel bij het gangspil, als het anker
-gehieuwd wordt!”
-
-„Zou men zich te Batavia aan dat gekef storen?”
-
-„Ja en neen; men zal slechts minachting voor de schreeuwers over
-hebben, men zal schouderophalend met Préault prevelen: „dagbladen zijn
-de wereldgeschiedenis omgezet in gezanik;” maar toch uit een gevoel van
-zelfdekkerij een onderzoek gelasten.”
-
-„Wat gij zelf zoudt houden, nietwaar?”
-
-„Jawel; maar als intusschen de Nederlandsche pers met hare
-schreeuwzuster in zou gaan stemmen!”
-
-„Och, die is nog al mak op het chapiter opium. Die doet slechts mede,
-wanneer zij daartoe genoodzaakt is.”
-
-„Jawel; maar men weet nooit welken kant een dobberend sloepje uitgaat,
-ook niet welke intrigues in het spel kunnen komen. Als Lim Ho
-veroordeeld werd, dan zou het zeer wenschelijk zijn, dat zijn vader
-zich van de pacht onthield.”
-
-„Maar, hij is de rijkste van de Chineesche kongsie.”
-
-„Dat weet ik wel.”
-
-„En hij geëcarteerd, dan daalt de pacht, in stede van te klimmen.”
-
-„Zeker.”
-
-„En dan is uw bertes knabbeldat naar de maan!”
-
-„Juist!”
-
-„Maar,.... dan mag Lim Ho tot geen prijs veroordeeld worden,” zei
-Laurentia met een sluwen glimlach.
-
-„Zeer goed gezien! Daartoe heb ik evenwel Van Nerekool noodig. Als die
-onze schoonzoon werd, of hem de voorspiegeling daarvan slechts gedaan
-werd, dan.... Ik heb u reeds verteld, dat ik van plan ben, om hem bij
-het vertrek van Zuidhoorn, den landraad tijdelijk te laten
-presideeren.”
-
-„Jawel, maar daarvan wil hij niets weten.”
-
-„Wil hij daarvan niets weten?”
-
-„Neen.”
-
-„Hoe weet ge dat?”
-
-„Wel, toen ik gisteren avond de twee zoenenden in den tuin verraste,
-zond ik Anna heen, en toen....”
-
-„Toen?” vroeg de resident met eenige spanning.
-
-„Toen heb ik hem gepolst.”
-
-„Gepolst? O, die vrouwen! die vrouwen!”
-
-„Ja, gepolst; maar met dien man is niets aan te vangen.”
-
-En daarop verhaalde de schoone Laurentia vrij nauwkeurig het gesprek,
-dat zij den avond te voren onder de Tjemårå-boomen gehouden had met
-Karel van Nerekool; maar verzweeg zeer wijselijk, dat, wanneer zij met
-een losbol te doen had gehad, zij in de verleiding ware gekomen de
-mededingster harer dochter te worden. Toen dat verhaal geëindigd was,
-en de residents-vrouw zweeg, herhaalde Van Gulpendam met een zucht:
-
-„O, die vrouwen! die vrouwen! Gij zijt veel te voorbarig te werk
-gegaan. Hier had gelaveerd moeten worden, in stede van te lenzen. De
-gelegenheid was wellicht gunstig, een echte zuid-oost passaat; maar gij
-hebt er geen goed gebruik van gemaakt. Gij zijt met volle zeilen op het
-doel afgegaan, en zijt de ankerplaats voorbij geschoten.”
-
-„Loop naar den drommel met je laveeren, je lenzen, je passaat, je
-zeilen en je ankerplaats! en laat mij met rust!” zei de schoone
-Laurentia, verstoord, dat hare pogingen zoo weinig gewaardeerd werden.
-
-„Maar de zaak is nu bedorven.”
-
-„Er viel niets aan te bederven; met dien lummel is niets aan te
-vangen!”
-
-Er was iets bitters in den toon der schoone vrouw, toen zij die woorden
-sprak. Als haar Gulpie de beteekenis van den grijnslach, welke die
-woorden vergezelde, had kunnen opvangen.... Maar—zou het waar zijn, wat
-de Fransche realistische school leert: dat er geen verblinder wezens
-dan de echtgenooten bestaan? Van Gulpendam zag of beter begreep dien
-lach niet.
-
-„Niets aan te vangen?” zei hij. „Misschien.... Luister Laurtje. Het is
-na dat gesprek te voorzien, dat Van Nerekool binnenkort, heden wellicht
-nog of morgen, bij mij aanzoek om de hand van onze Anna zal komen
-doen.”
-
-„Welnu?”
-
-„Dan zal ik zien, welk land ik bezeilen kan. Wellicht breng ik hem tot
-andere gedachten, en noop ik hem de noodhaven binnen te loopen.”
-
-„Ik hoop het! maar.... ik twijfel aan het welslagen.”
-
-„Bewerk gij intusschen Anna. Het zou niet onmogelijk zijn, dat Van
-Nerekool haar nog zal trachten te praaien, alvorens mij aan boord te
-loopen. Als dat gebeurde, zou dat niet anders dan gunstig kunnen
-werken.... gij begrijpt mij;.... want Anna moet onze krachtigste
-bondgenoote zijn.”
-
-„Maar, zoudt gij dan ons schoon en lief kind aan dien femelachtigen
-lummel willen geven?”
-
-„Als het niet anders kan, ja! Maar dien koers gaan wij nog niet uit.
-Als maar eerst het doel bereikt is, en wij in den passaat zijn, dan zal
-er wel gelegenheid gevonden worden, om Anna over stag te doen gaan....”
-
-Laurentia knikte. Wat kenden die ouders nog weinig hun eenig kind!
-
-„En,” ging de resident met cynisme voort, „het verliefd uilskuiken als
-onnutte ballast over boord te zetten.—Sjt!.. daar komt zij... Goeden
-morgen, Anna! Hebt gij goed geslapen na die dansreceptie?... He, wat
-heeft ze het hartje opgehaald! Wat liep dat korvetje van stapel! Geen
-dans overgeslagen!”
-
-Anna was verbaasd. Haren vader was dus nog volstrekt niets bekend? Want
-na het gebeurde in den tuin, had zij gemeend slechts ernstige gezichten
-te zullen ontwaren. Daarin zat wel ietwat de reden, dat zij zoolang in
-haar vertrek was gebleven. En ziet, zelden was haar vader haar
-liefelijker te gemoet getreden. Zou mama geen tijd hebben gehad om de
-wichtige mededeeling te doen? Dat was onaanneembaar! Hare ouders waren
-reeds lang in de pandoppo; dat had zij wel van Dalima vernomen. En
-toch.... Zij beantwoordde de lieftalligheid van papa met een
-hartelijken kus, en wilde tot hare moeder gaan, toen de heer Van
-Gulpendam zeide:
-
-„Zie zoo, ik heb gedejeuneerd, ik heb mijn morgenzoen. Ik ben klaar. Nu
-aan den arbeid, die mij wacht! Ik laat de dames bij elkander. Anna,
-luister goed naar uwe mama. Alles, wat zij u zeggen zal, is alsof het
-van mij komt. Dag Anna, dag Laurentia.”
-
-En weg ging hij de binnengalerij door naar de voorgalerij, waar hij den
-secretaris der residentie aantrof, die op hem wachtte. Hij bood dien
-eene sigaar aan, nam er zelf eene, die hij aan de tali api ontstak,
-door een oppasser eerbiedig aangereikt. Toen de sigaar goed rond
-brandde, reikte hij de lont aan den secretaris over, die de bewerking
-met evenveel zorg en nauwkeurigheid verrichtte; waarna de beide
-ambtenaren de ruime voorgalerij een poos op en neer wandelden, en de
-nieuwtjes van den dag en de te verrichten dienstaangelegenheden
-bespraken.
-
-Intusschen had nonna Anna den gewonen morgengroet met hare moeder
-gewisseld, had daarna naast haar aan den disch plaats genomen; terwijl
-baboe Dalima haar van een kopje koffie, dat zij op de aanrechttafel
-ingeschonken had, voorzag.
-
-„Ennakh, Nana! (zij is lekker, juffrouw Anna)” zei ze met een
-bekoorlijken glimlach tot hare jeugdige meesteres.
-
-Deze knikte haar goedhartig tot dank toe, nam het kopje, en slurpte met
-wellust en met kleine teugjes het geurige vocht, waarbij zij bij wijlen
-het tipje harer tong over de fraaie lippen liet glijden, om als het
-ware tot den laatsten droppel op te vangen. Toen het kopje leeg was,
-gaf zij het aan de baboe over.
-
-„Minta lagi, Dalima!” (geef mij nog een) zei zij.
-
-„Engèh Nana,” antwoordde deze, het kopje aannemende en naar de
-aanrechttafel ijlende.
-
-Anna boterde toen een sneedje brood; maar deed dat zoo langzaam en zoo
-opmerkzaam, dat het blijkbaar was, dat iets anders haren geest
-bezighield, en zij zich niet haastte het gesprek met hare moeder aan te
-vangen. Deze zat stilzwijgend naast haar, en sloeg haar met
-onafgebroken maar toch welwillenden blik gade. Zij bewonderde de
-frissche huid harer dochter, die hoewel het jonge meisje een groot
-gedeelte van den nacht gedanst, en het overige gedeelte waarschijnlijk
-slapeloos doorgebracht had, er even helder als altijd uitzag; zij
-bewonderde de slanke en toch weelderige gestalte harer dochter, die
-onder de sierlijke kabaja verrukkelijk uitkwam en... berekende, in
-hoeverre die bekoorlijkheden den koelen en bedachtzamen Van Nerekool
-genoegzaam zouden kunnen boeien, om hem het hoofd te doen bukken onder
-het juk, dat hem toegedacht werd. Blonk ook al het oog der moeder
-trotsch en fier bij detailleeren met onbedriegelijk kennersoog van die
-heerlijke vormen, zoo mengde zich toch eene weemoedige gedachte onder
-die bewondering. Van der Hoop zei het reeds ruim een kwarteeuw geleden:
-
-
- „Dochter aan het vrijen, moeder wordt oud!”
-
-
-Zelfs een ijverzuchtig gevoel brak zich baan bij haar, wanneer zij aan
-de edele gestalte van Karel dacht, die haar zoo onbegrijpelijk koel
-bejegend had. Zou zij de hoop moeten opgeven, dien jonkman, in hare
-netten te verstrikken, wanneer hij van het verwerven van Anna’s hand
-zou moeten afzien?... Maar, weg met die beelden, weg met die gedachten!
-De woorden van haren echtgenoot kwamen haar voor den geest. Zij moest
-helpen, om den zoon van den opiumpachter te redden, wilde zij de borst
-van haar Gulpie met het bertes knabbeldat versierd zien.
-
-Zoo zaten dochter en moeder een oogenblik naast elkander. De eene
-durfde niet spreken en trachtte hare verlegenheid achter haren eetlust
-te verschuilen. De andere had behoefte hare gedachten te verzamelen,
-alvorens het gesprek in te leiden. Eindelijk begon Laurentia
-goedhartig:
-
-„Zeg, Anna, hoe kwaamt gij er toe, gisteren avond met mijnheer Van
-Nerekool in den tuin te gaan wandelen?”
-
-„Moeder!” stamelde het lieve meisje bedeesd.
-
-„Bloos niet, mijn kind. Ik zag genoegzaam gisteren, wat er gaande is.
-Maar, dat verklaart mij nog niet, hoe gij aan die genegenheid komt. Ik
-meen toch recht te hebben, Anna, op uw vertrouwen, nietwaar?”
-
-„Och, mama, wat moet ik u zeggen? Het gebeurde is zelfs voor mij geheel
-onverklaarbaar.”
-
-„Maar, Anna?”
-
-„Ik bemin Karel, ziedaar alles, wat ik weet.”
-
-„Zeg, Anna, hebt gij uzelve wel onderzocht? Zijt ge verzekerd, dat de
-gewaarwording, die gij ondervindt, dat ernstige en diepe gevoel is,
-hetwelk de vrouw doet neerbuigen voor den man?”
-
-„Ja, mama!”
-
-„Hebt ge u afgevraagd, of het eene toegenegenheid voor het leven zal
-zijn, die gij den man wilt wijden, die u voor een oogenblik geboeid
-heeft?”
-
-„Ja, mama! Want mijne genegenheid is gegrond op het besef van de edele
-hoedanigheden, die hem van andere mannen onderscheiden. Het is vooral
-zijn eerlijk hart, dat mij getroffen heeft.”
-
-„Dat alles is wel wuft, Anna.”
-
-„Vindt gij dat wuft, mama; wanneer ik een open oog heb, niet voor
-ijdele praal, niet voor een vernis van beschaving, maar voor degelijke
-hoedanigheden, voor vastheid van karakter, voor eerlijkheid van
-grondbeginselen?”
-
-„Tu, tu, tu! allemaal groote woorden.”
-
-„Zoudt gij mijne genegenheid afkeuren, mama?”
-
-„Afkeuren?.... Ik niet.”
-
-„Ja, ik weet het, papa houdt niet van Van Nerekool.”
-
-Mevrouw Van Gulpendam antwoordde daar niet op.
-
-„Hebt gij hem sedert lang lief?” vroeg zij.
-
-„Ja, mama. Ik heb hem lief gekregen, zonder dat ik het wist.”
-
-„Och kom.”
-
-„Zonder dat ik het bespeurde. Ik verzeker het u.”
-
-„Hoe en wanneer dan toch hebt gij ontwaart, dat gij hem lief hadt?”
-
-„Gij weet, mama, dat hij dikwijls, zeer dikwijls, hier aan huis kwam
-nietwaar?
-
-„Welnu, ja. Maar, dat is geen antwoord op mijne vraag.”
-
-„Bij die bezoeken bevond hij zich meestal alleen met mij. Nu eens waart
-gij met uw partijtje bezig; dan eens zaat gij te midden uwer
-vriendinnen een toiletartikel of de geheimen van een plumpudding te
-bespreken; een andere maal moest gij als gastvrouw, als de gade van de
-hoogste autoriteit, de honneurs waarnemen, en u met generaals,
-kolonels, voorzitters van justitieraden, inspecteurs, enz., enz.
-bezighouden, en hadt bij al die gewichtige bedrijvigheden geen tijd om
-uwe aandacht, aan uwe dochter te wijden....”
-
-„Maar, Anna, dat klinkt als een verwijt!....”
-
-„Laat mij uitspreken, mama. Gij hebt mij gevraagd, hoe die genegenheid
-mijn hart binnen geslopen is, ik wil dat hart voor u blootleggen; gij
-hebt daar recht op, want gij zijt mijne moeder.... Dan bevond ik mij
-zoo alleen in die kringen, waarin alledaagschheid, waarin
-zelfvoldaanheid en zelfgenoegzaamheid, middelmatigheid en wuftheid den
-boventoon voerden; ik vond mij dan zoo alleen te midden van die
-gesprekken, die mij niet boeiden, en van die personen, die mij
-tegenstonden....”
-
-„Anna! Denk er om. Gij spreekt over het gezelschap uwer ouders.”
-
-„Kan ik het helpen, dat dit gezelschap mij weinig aantrekkelijk
-voorkomt? Gebeurt u dat niet meermalen ook? Wees openhartig, mama.”
-
-Laurentia antwoordde niet op dat beroep. Zij verslond als het ware hare
-dochter met hare oogen.
-
-„Ga voort!” zeide zij kortaf, maar toch met zachte stem.
-
-„Dan sloop ik naar mijn piano, gelukkig een overheerlijk middel te
-hebben, mij aan die menigte te kunnen onttrekken; dan....”
-
-„Jawel, dan verdiepte zich mijne dochter in Beethoven, in Mendelssohn,
-in Mozart, in Chopin, en ik weet niet in welke spelbrekers nog meer, en
-verwaarloosde de wereld....”
-
-„En vergat die wereld, die voor mij geen aantrekkelijkheid had, in het
-rijk der tonen, dat zich voor mij als een paradijs ontsloot!”
-
-„Mooi gezegd,” hernam mevrouw Van Gulpendam met iets vochtigs in het
-oog; want de zoo gevoelig bewerktuigde vrouw bleef niet koud voor de
-geestdrift harer dochter. „Maar, dat verklaart mij nog niet, hoe gij
-ontdektet, dat gij Van Nerekool lief hadt.”
-
-„Onder al die wezens, die u daar omringden, waren er maar weinigen, die
-zich aan het verleidelijke van een quadrille-partijtje, van een
-redetwist over gedwongen arbeid in heerendienst, of aan een
-beschrijving van een wit damasten burnou konden onttrekken, om....”
-
-„Om zich om de priesteres der Harmonie te scharen,” viel mevrouw Van
-Gulpendam met goedhartigen glimlach in.
-
-„Om iets anders te genieten dan die beuzelgesprekken, die een samenzijn
-van zoogenaamde lieden van de beau monde kenmerken. Onder die weinigen
-behoorde mijnheer Van Nerekool, of beter, hij was de eenigste. Want,
-waren er ook andere jonge lieden, die zich een oogenblik om mijn piano
-schaarden, dan gold dat niet de muziek, die ik vertolkte, nog minder
-den persoon van de vertolkster....”
-
-„He, he, hoe nederig, Anna!”
-
-„Maar alleen de dochter van den resident, die men wel, ter wille van
-den vader, de beleefdheid wilde bewijzen, haar een oogenblik te
-omringen; maar, die men in den steek liet, wanneer het „invallen”
-klonk, of wanneer eene aanhaling uit het Koloniale Verslag of uit de
-Java-courant vernomen werd.... Dan bevond ik mij met Karel alleen, en
-vond in hem een kenner, die gevoelde, wat muziek beteekende! Zoo
-bevonden wij ons meestal te midden eener groote menigte geïsoleerd, en,
-zoo vonden onze gevoelens vertolking in de heerlijke tonen, die onze
-vingeren ontlokten.... Neen, mama, glimlach niet; bij die gelegenheden
-is nimmer een woord onzen mond ontglipt, dat ons ons hartgeheim kon
-doen vermoeden. Wellicht zou dat woord immer gezwegen zijn geworden;
-want ik ben overtuigd, dat Van Nerekool evenmin als ik aan liefde
-dacht, en wij ons onbewust tot elkander aangetrokken gevoelden. Maar
-gisteren avond.... gedurende de invitation à la valse is ons ons geheim
-ontsnapt, en.... mama, gij waart tegenwoordig bij den eersten kus, die
-tusschen ons gewisseld werd....”
-
-Terwijl zij die laatste woorden sprak, had het lieve meisje het hoofd
-aan de borst van hare moeder gevlijd, die haar den arm om den hals
-sloeg, en in de verrukkelijk schoone oogen staarde.
-
-„En nu, moeder, zult gij het uwe dochter kunnen vergeven, dat zij aan
-de inspraak van haar hart gehoor gaf?”
-
-„Kindlief,” sprak Laurentia met zachtvloeiende stem, „niet alleen, dat
-ik u vergeven kan, wat heel natuurlijk geweest is; maar, wat meer zegt,
-er zouden omstandigheden zich kunnen voordoen, dat ik uwe keuze
-goedkeuren kon.”
-
-Anna vloog op van hare plaats naast hare moeder.
-
-„Mijne keuze goedkeuren!.... Mama.... gij maakt mij overgelukkig!”
-
-En knielende, verborg het lieve kind het gelaat in den moederlijken
-schoot, terwijl onbedwingbare snikken het tengere lichaam deden
-schokken. Hare moeder, aan zoo veel hartstochtelijkheid niet gewoon,
-beurde haar op.
-
-„Bedaar toch, Anna,” sprak zij. „Wat ik zeide, was toch zoo natuurlijk,
-nietwaar? Waarom daarover zoo te ontroeren?... Zoudt gij dan kunnen
-denken, dat ik uw geluk niet zou willen bevorderen?”
-
-„Mijn geluk!... Ja, mijn geluk!... lieve, beste mama!... Ja zeker, mijn
-geluk!” kreet het opgewonden meisje; terwijl zij het gelaat harer
-moeder met kussen overdekte.
-
-„Kom, Anna,” zei mevrouw Van Gulpendam eindelijk, om de opgewondenheid
-harer dochter te stuiten. „Bedaar nu, en kom naast mij zitten, zooals
-straks, dan kunnen wij hand in hand, en uw oog op het mijne gevestigd,
-die teedere zaak verder behandelen. Kom hier, en ga zitten. Hier aan
-mijn hart!”
-
-En zij koesterde het engelenkopje aan haren boezem, alsof.... Het was
-evenwel het tegenovergestelde beeld van den landman met de slang....
-
-„Zou papa zijne toestemming verleenen?” vroeg Anna; terwijl zij de
-handen te zamen vouwde, alsof zij een gebed verrichten wilde.
-
-„Ik denk ja.”
-
-„O, wat zou dat gelukkig zijn! Zeg, moe, zou dat geluk niet te groot
-zijn?”
-
-„Neen, Anna, neen! Maar luister. Zoo heel gemakkelijk zal papa niet te
-veroveren zijn. Hij zal stormenderhand moeten verrast worden!”
-
-„Verrast?... Zeg, mama, hebt gij papa nog niets gezegd?”
-
-„Niet alleen stormenderhand verrast,” ging Laurentia voort, zonder de
-gedane vraag te beantwoorden; „maar er zou iets moeten kunnen gebeuren,
-waardoor Van Nerekool zijne geheele genegenheid won.”
-
-„Zijne genegenheid? Spreek mama; o, ik ben overtuigd, dat hij alles zal
-doen om mijne hand te verwerven.”
-
-„Alles? Is hij dan zoo verliefd?.... Alles? Schept gij u geen
-droombeelden?”
-
-„Droombeelden?”
-
-„Ja, droombeelden! Ik heb eenige redenen, om te veronderstellen, dat
-die Karel zoo verliefd niet is, als hij bij u wel wil doen voorkomen.”
-
-„Mama!” zei Anna met een verwijtingsvollen blik op hare moeder.
-
-„Luister, Anna. Gisteren avond bleef ik, zooals ge weet, met Van
-Nerekool in den tuin achter. Toen heb ik, na de bekentenis zijner
-liefde aangehoord te hebben.....”
-
-„Mama!.... de bekentenis zijner liefde!....” kreet het jonge meisje
-schier ademloos.
-
-„Bedaar,” ging Laurentia met een ijskouden glimlach voort. „Na de
-bekentenis zijner liefde opende ik hem het vooruitzicht niet alleen op
-het verwerven der toestemming van papa.....”
-
-„O, mama!... wat zijt ge goed!” fleemde thans het jonge meisje met de
-veranderlijkheid van indrukken aan haar geslacht zoo eigen, terwijl zij
-voortging het gelaat harer moeder met kussen te overdekken.
-
-„Laat mij voortgaan, Anna,” hernam Laurentia. „Ik opende hem niet
-alleen dat vooruitzicht, maar ook dat van eene verbetering van positie,
-waardoor een huwelijk met een meisje zooals gij meer mogelijk zou
-worden.”
-
-„Een meisje zooals ik?” vroeg Anna verwonderd. „Ben ik dan anders als
-andere meisjes, om een huwelijk minder mogelijk te maken, mama?”
-
-„Kindlief, gij zijt van kindsbeen af in eene zekere mate van weelde
-opgevoed, en het zou u zeker sterk afvallen, wanneer gij van die
-weelde, hoe weinig ook maar, afstand zoudt moeten doen.”
-
-„O, mama, als het den man mijner keuze geldt, dan ben ik tot alle
-opofferingen in staat!”
-
-„Dat is eene zeer mooie romanphrase, Anna, die aan de werkelijkheid
-evenwel niet getoetst kan worden. In die werkelijkheid is het
-integendeel maar al te waar, dat, wanneer gebrek of schaarschte de deur
-inkomt, de liefde het raam uitvliegt.”
-
-„Dat zal met Van Nerekool en mij niet te vreezen zijn, mama!”
-
-„Dat is alles goed en wel. Wij, uwe ouders zijn verplicht voor de
-toekomst van ons kind te zorgen. Wij wenschen, dat de man, dien wij uw
-verder levensgeluk zullen toevertrouwen, in staat zij, u eene
-onbekommerde toekomst aan te bieden. Wij meenden den heer Van Nerekool
-daartoe de hand te kunnen reiken; maar.....”
-
-„Wat antwoordde hij toch?”
-
-„Wat hij antwoordde? Hij had slechts één woord in den mond, en dat was:
-„nooit!””
-
-„Nooit!.... Ik begrijp niet goed, mama. Hij heeft u zijne liefde voor
-mij bekend, en, toen gij hem het verkrijgen mijner hand in het uitzicht
-steldet, heeft hij geantwoord: „nooit!” Hoe kan dat?”
-
-„Ik stelde hem eene voorwaarde.”
-
-„Eene voorwaarde?”
-
-„Eene huwelijksvoorwaarde, als ge wilt.”
-
-„Eene huwelijksvoorwaarde, waarop hij antwoordde: „nooit!” Mama, ik
-begrijp minder dan ooit.”
-
-„Eene kleine voorwaarde, welker vervulling uwen vader genoegen moest
-doen, daar die hem eer en roem zou aanbrengen, die alle hinderpalen
-effenen en Van Nerekool zelven tot aanzien zou brengen.”
-
-„Och, mama, er heerscht hier slechts een misverstand. Karel is een edel
-mensch, en het is vooral door den adel zijner ziel, dat ik mij tot hem
-aangetrokken gevoel. Nog niet lang geleden heeft hij mij beloofd om den
-aanstaande mijner baboe te redden, en hij zou....”
-
-„Den aanstaande uwer baboe....” kreet mevrouw Van Gulpendam.
-
-„Ja, van baboe Dalima, Wat zou dat?”
-
-„Maar het is juist die zaak, welke ik hem aanbeval....”
-
-„Welnu, zei ik het niet?” hernam Anna kalm. „Er heerscht hier slechts
-een misverstand, wat wel te recht zal komen. Zeg mij, wat gij Van
-Nerekool voorgeslagen hebt?”
-
-„Ja, juist. Gij alleen zijt in staat om de zaak te recht te helpen.
-Bedenk, dat het de toekomst van Van Nerekool, en met die toekomst uw
-huwelijk geldt.”
-
-En nu verhaalde de eerzuchtige en trotsche vrouw, dat zij voor haren
-echtgenoot, voor Anna’s vader, het eereteeken van den Nederlandschen
-Leeuw verlangde; dat dit echter niet verkregen kon worden dan door de
-opvoering van de opium-inkomsten in de residentie Santjoemeh. Het
-virtus nobilitat zou den prijs zijn voor de stijving van Neêrland’s
-schatkist.
-
-„Maar, om die vermeerdering van pachtschat te bereiken,” ging Laurentia
-voort, „is het noodig, dat Lim Yang Bing opiumpachter blijft, en dat
-kan niet, wanneer zijn zoon Lim Ho wegens opiumsmokkelarij, en daarmede
-gepaard gaande mishandeling veroordeeld wordt. Eene wreede
-noodzakelijkheid is het dus....”
-
-Anna had die uiteenzetting eerst belangstellend, daarna met een
-strakken blik, op de lippen harer moeder gevestigd, aangehoord, alsof
-zij haar de woorden uit den mond wilde kijken. Nu vloog zij op en wild
-en woest viel zij Laurentia in de rede.
-
-„Dat Ardjan in stede van Lim Ho veroordeeld wordt, om papa den
-Nederlandschen leeuw te bezorgen!.... Dat kan, dat mag niet gebeuren!
-Hoort ge, moeder?”
-
-„Maar, bedaar dan toch, Anna. Wat zijt ge een opgewonden kind.”
-
-„En, hebt ge die voorstellen aan Karel gedaan?.... Ja? O, dan ben ik
-wel ongelukkig!”
-
-„Maar, Anna, luister dan toch!”
-
-„Nu begrijp ik zijn „nooit!”” zei het meisje bitter. „Neen, nooit zal
-hij de echtgenoot van de dochter van zulke ouders worden!”
-
-En bij die woorden vloog zij de pandoppo uit, en sloot zich in hare
-kamer op.
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-OP WEG NAAR HET JACHTTERREIN.
-
-
-„En, zijt gij nu klaar om te vertrekken?”
-
-Met die vraag stormde Eduard van Rheijn des Zaterdags namiddag bij Van
-Nerekool de kamer binnen.
-
-„Voorzeker ben ik klaar,” antwoordde deze. „Maar zijn de paarden er
-reeds?”
-
-„Daar heeft Verstork uitmuntend voor gezorgd. Mag ik uwen gedienstigen
-geest voor een oogenblik uitzenden, dan staan ze binnen weinige minuten
-trappelend voor de deur.”
-
-En inderdaad de jongelieden hadden nauwelijks tijd een glas bier met
-elkander te drinken en eene sigaar op te steken, toen twee fraaie
-rijpaarden verschenen, echte Makassaren, [79] niet zoo bizonder fraai
-van bouw als Kedoeërs, of als Batakkers [80], maar voorzien van een
-breede flinke borst, die èn kracht èn onvermoeibaarheid aanduidden,
-voorzien van flink gespierde beenen, die wel slank en onbevallig, maar
-daarbij sterk en lenig waren.
-
-In een oogwenk zaten de jongelieden te paard.
-
-„En uwe buks?” vroeg Eduard.
-
-„Sidin, kassi snaphan,” (Sidin geef mij mijn geweer aan) beval Van
-Nerekool.
-
-De bediende reikte het prachtige wapen, dat de regent van Santjoemeh
-den rechterlijken ambtenaar op diens verzoek geleend had. Deze hing het
-met den cordonriem over den schouder, stak een paar revolvers in de
-pistool-holsters, die voor aan het zadel bevestigd waren; zoodat hij in
-bewapening nagenoeg met Eduard van Rheijn gelijk stond. Weldra hadden
-de beide jongelieden Santjoemeh verlaten, en ijlden in stevigen draf in
-oostelijke richting Banjoe Pahit tegemoet, hetwelk het doel van hunnen
-rit was.
-
-Zij spraken niet veel met elkander; ja, zij wisselden niet meer dan nu
-en dan een woord. Er bestond dan ook weinig reden van opgewektheid tot
-een levendig gesprek. Hoewel de weg, dien zij volgden, vrij wel door
-Tamarinde- [81] en Kanarie-boomen beschaduwd was, liet zich de
-tropische warmte drukkend gevoelen, en zou die eerst temperen, wanneer
-de zon de kim nabij zoude zijn. Maar, het was eerst drie uur in den
-namiddag, de dagvorstin was dus nog ver verwijderd van dien eindpaal
-harer dagelijksche reis.
-
-De paarden evenwel waren vurig en onvermoeibaar en spoedden ijverig
-voort; in flinken draf, wanneer de baan effen was, in galop, wanneer
-zij steeg. Zelden behoefden de edele dieren in stap gebracht te worden,
-en waren dan nog in dien gang niet te houden. Daarbij het landschap,
-hetwelk de beide vrienden doorsneden, was in den volsten zin des woords
-verrukkelijk te noemen. Eerst voerde de weg door vriendelijke dèsa’s,
-die met hunne bruine atap-daken, met hunne goudgele
-kadjang-omwandingen, eene lieve schakeering vormden te midden van het
-groen der vruchtboomen, die het geheel overschaduwden. Daarna volgden
-klappertuinen, waar die slanke palmboomen, in rij en gelid geplant,
-hoog in de lucht hunne wuivende bladertakken, waaruit hare kruinen
-bestonden, verhieven en een zonderling grillige schaduw op de groene
-graszoden wierpen, die den bodem bedekten. Verder doken de
-schaakvormige vakken van een uitgebreid sawahveld uit de diepte van een
-terreinplooi op, lieten de galangan’s, die haar omgaven met haar groen
-kleed van gras of beschaduwd door „toeri”- of „klampies”-
-[82]struikjes, duidelijk ontwaren, terwijl de vakken of velden in dit
-jaargetij als ontelbare waterbekkens in de zon glinsterden, daar zij in
-dit seizoen na den oogst, behoorlijk bevloeid waren, en dus aan
-vierkanten vloeibaar zilver, met eene groene omlijsting omgeven, gelijk
-waren. Achter dat sawahveld verhief zich het gebergte, dat met zijne
-vooruitspringende heuvelen, geheel met maagdelijk bosch overdekt, een
-donkergroenen band boven die glinsterende vakken vormde, die evenwel
-langzamerhand, naarmate de afstand voor het oog vermeerderde en de
-gezichtseinder zich derhalve uitbreidde, in het donkerblauwe overging,
-hetgeen tegen het meer lichte azuur des hemels scherp maar bekoorlijk
-afstak. Op sommige punten konden de ruiters, wanneer de paarden eene
-heuvelkling in galop bestegen hadden, en eenige verademing genieten
-moesten, bij het wenden van het hoofd de Java-zee bespeuren, die daar
-bij den horizon onder het zonlicht als een onmetelijke spiegel lag te
-schitteren, waarop de zeilen der vaartuigen zich als witte meeuwtjes
-voordeden, of als tegenstelling de zwarte rook van een stoomschip, die
-zich in dikke krullen somber over het watervlak omboog, ontwaard werd.
-
-Neen, onze jongelieden hadden, als het ware, geen tijd om het drukkende
-der hitte te bemerken. Zij genoten nog den zoo bekoorlijken leeftijd,
-die hen zoo vatbaar maakte voor alles, wat heerlijk en schoon is. En de
-elkander opvolgende landschappen, die zich links en rechts van hen
-uitspreidden, waren wel geschikt, om die dichterlijke gemoederen te
-boeien. De tijd was inderdaad dan ook omgevlogen, toen zij bij eene
-kleine dèsa, Kalimatti genaamd, een viertal heeren met een talrijk
-gevolg, allen te paard, in de verte in het oog kregen, die hen
-spoorslags tegemoet reden.
-
-„Hoera! daar is Willem Verstork!” riep Eduard van Rheijn. „Kijk, die
-daar op dien prachtigen ijzerschimmel, die het hoofd van den
-ruitergroep houdt.”
-
-„Wie is bij hem?” vroeg Karel van Nerekool. „Zie ik goed... dan zijn
-het August van Beneden, Leendert Grashuis, Theodoor Grenits en.., bij
-God!... ook Frits Mokesuep!”
-
-„Juist gezien! En geëscorteerd door den „wedono,” den „djoeroetoelis,”
-den „loerah,” den „kabajan,” den „kamitoewa,” den „tjarik,” [83] in één
-woord, God helpe! door het geheele district- en dèsa-bestuur van Banjoe
-Pahit met hun talrijk gevolg. En waarachtig! allen in groote tenue, in
-groot gala op hunne kleine paardjes gezeten, die met geel galon
-geboorde chabrakken van tijgervel versierd zijn, en waarop de goed
-gevulde en rijk gestikte zadels van rood laken of fluweel rusten!
-Hoerah! „Ramen besar”! (groote pret)” riep Eduard van Rheijn opgewonden
-uit, terwijl hij met zijn kurken helmhoed de tegemoet rijdenden
-toewuifde.
-
-„Hoerah! hoerah! Rameh besar!” antwoordden die ook met gullen kreet, en
-weldra had die ruitergroep onze beide vrienden bereikt en weerklonken
-de begroetingen en verwelkomingen allerwegen.
-
-„Gij zijt eenigzins afgetrokken,” merkte Willem Verstork op, terwijl
-hij Karel van Nerekool de hand schudde. „Scheelt er wat aan? Toch niet
-ongesteld?”....
-
-„Neen, ik ben zoo gezond mogelijk. Wat mij hindert, zal ik u later wel
-vertellen....”
-
-„Mijnheer Van Nerekool souffreert aan een opgeloopen blauwtje,” merkte
-een der jongelieden, die Verstork vergezelden, op.
-
-De controleur sloeg bij die woorden een blik op zijn vriend, en toen
-hij merkte, dat de woorden van den onbezonnene raak getroffen hadden,
-haastte hij zich het onderwerp van het gesprek te veranderen.
-
-„Als het geene ongesteldheid is, dan vooruit naar Banjoe Pahit! Heeren,
-met drieën in draf!” En een oogenblik later:
-
-„In galop.... arrrrrsch!” kommandeerde hij, als ware hij een oud
-kavallerie-officier.
-
-De zes blanken lieten de teugels op dat kommando schieten en stoven
-vooruit, zonder de sporen behoeven te gebruiken, de laan in, die zich
-voor hun oog uitstrekte en eene zachte rijbaan opleverde, daar zij met
-een mollig tapijt van dicht ineengegroeid fijn gras bekleed was.
-
-„Wat een keurige weg!” kreet er een van het gezelschap. „Daaraan kun je
-de goede zorgen van den controleur bespeuren.”
-
-Willem Verstork knikte, ingenomen met die bemerking goedkeurend het
-hoofd.
-
-„Goede communicatie-middelen zijn de halve welvaart der bevolking,”
-verkondigde hij machtspreukig.
-
-„Ja, als de bevolking er gebruik van mag maken [84],” merkte er een van
-het gezelschap met schamperen glimlach op.
-
-Achter de blanke ruiters volgden op een korten, maar door de etiquette
-aangewezen afstand, de Javaansche hoofden met hunne volgelingen, wier
-moedige paardjes van zuiver inheemsch ras, die der Europeanen flink
-volgden en in geen gang iets toegaven.
-
-Terwijl die ruiterstoet spoorslags op Banjoe Pahit toeijlt, nemen wij
-de gelegenheid te baat om met de jongelieden, die den controleur
-Verstork vergezelden, kennis te maken.
-
-August van Beneden dan was een Gelderschman van geboorte, een flinke,
-gezonde jongen van ongeveer twintig jaren oud, wiens fijne stroogele
-haren, die hij krullend droeg en uitermate verzorgde, met zijn wel
-krachtig maar open gelaat, genoegzaam op zijne Betuwsche afkomst
-duidden. Hij was advocaat, en had zich kort geleden als zoodanig te
-Santjoemeh gevestigd.
-
-Leendert Grashuis, een Zuid-Hollander, was als adjunct-landmeter op het
-kadastraal kantoor te Santjoemeh geplaatst. Hij had zeer goede
-wiskundige studiën gemaakt, en steeds in de geodesische en
-geomorphische wetenschappen uitgeblonken. Als ingenieur presteerde hij
-uitnemende diensten bij het vaststellen der grenzen van het individueel
-grondbezit in de residentie, waarbij nog zoo’n ontzettende verwarring
-heerschte, vooral wanneer de officiëele kaarten in kwestiën van het
-zakelijk recht, aan die eigendommen verbonden, te berde werden
-gebracht. Steeds stond hij daarbij aan de zijde van recht en
-billijkheid tegenover roofzucht en overdreven fiskale eischen, ongeacht
-de zijde van waar, al was het ook van den Gouvernements kant, zij
-ingebracht werden. Hij was ongeveer zeven en twintig jaren oud, had een
-sierlijken blonden krullebol en een aangenaam gelaat, dat van veel
-vriendelijkheid en volkomen openhartigheid getuigde, reden waarom hij
-in de kringen, die hij bezocht, zeer gezien was.
-
-Wat Theodoor Grenits betreft, ook die was eene sympathieke natuur. Als
-Limburger ontleende hij wel ietwat van de ongedwongenheid van dien
-landaard, aan den meerderen omgang met de naburige Belgen toe te
-schrijven, en was dan ook een gevierde man in de gezelschappen, waar
-jeugd en blijheid ten troon zaten. Hij had zijne humaniora op het
-Athenaeum te Maastricht volbracht, was later naar Leiden getrokken, om
-daar op de hoogeschool in de rechten te studeeren; maar was deerlijk
-mislukt. Nu was hij op een handelskantoor, waar hij zich bevlijtigde,
-om in de koopmansloopbaan het tijdverlies in te halen, dat hij op de
-Universiteit ondergaan had. Ook hij was eene edele openhartige natuur,
-die met de twee vorige jongelieden een waardig klaverblad vormde.
-
-Anders was het gesteld met Frits Mokesuep, die met de anderen een
-scherp kontrast vormde. Hij telde omstreeks dertig jaren, en bekleedde
-de betrekking van commies bij de controle-afdeeling van de in- en
-uitvoerrechten en accijnzen te Santjoemeh. Hij had in zijne jeugd
-slechts elementair onderwijs genoten, doordat hij, nog zeer jong
-zijnde, reeds door zijn vader op het kantoor van een ontvanger van de
-rijksbelastingen in eene kleine provinciestad geplaatst was geworden.
-Dat gebrek aan opvoeding had hem ieder vooruitzicht benomen, om het
-ooit verder op de maatschappelijke ladder te brengen dan tot controleur
-bij het financiewezen in het moederland. Door dat denkbeeld beheerscht,
-had hij aan de oproeping van would be fiscale specialiteiten, indertijd
-door den Minister van Koloniën gedaan, ten gevolge van de wijzigingen
-in de steeds zoo slecht werkende comptabiliteits-wet in
-Nederlandsch-Indië noodzakelijk geworden, gehoor gegeven, en was als
-financiëel ambtenaar met dispensatie van het afleggen van eenig examen
-[85] naar de overzeesche bezittingen vertrokken, in de hoop daar met
-zijnen buigzamen geest, in weerwil van zijne wetenschappelijke
-tekortkomingen, zich eene loopbaan overeenkomstig zijne aspiratiën te
-kunnen scheppen.
-
-Maar bij aankomst te Batavia, als derde commies bij het departement van
-Financiën geplaatst, had hij daarbij weldra de maat der bekrompenheid
-zijner denkbeelden geleverd, en was hij dan ook spoedig naar Santjoemeh
-overgeplaatst in de betrekking, die hij thans bekleedde, en
-waarschijnlijk zijn bâton de maréchal zoude zijn. Hij was de fiscale
-ambtenaar op en top in de meest ongunstige beteekenis van het woord, en
-had die loopbaan den meest nadeeligen invloed op zijn karaktervorming
-gehad. Hij was sluw, listig, geveinsd en uiterst valsch van aard.
-Schrapen was zijn eenige wellust in dit ondermaansche, en alle
-middelen, zelfs leugen en bedrog, werden door hem gebezigd om dien
-hartstocht bot te vieren. Hoewel hij zijn particuliere welvaart
-volstrekt niet veronachtzaamde, zoo had zijn schrapen toch meer
-betrekking op de te innen belastingen, en vertolkte die zich bij zijne
-bekrompen denkbeelden in plagerijen van de belastingschuldigen. Een
-half centje naasten was het nec plus ultra van genot; maar nimmer
-beschermde hij de belanghebbenden tegen te hooge betaling. Integendeel,
-van zijne medewerking kon het Indisch bestuur verzekerd zijn, wanneer
-zelfs door de meest willekeurige en onrechtmatige handelingen geld
-afgeperst werd. Zijn uiterlijk stond in nauw verband met zijn karakter.
-Hij had een smal toeloopend hoofd, dat schraal gedekt werd door
-kastanjebruin haar, hetwelk in twee sierlijke lokken met bandolien,
-gom-adragant, stijfsel, vischlijm of eenig ander kleefmiddel langs de
-slapen geplakt was. Zijn gelaat was langwerpig en scherphoekig, en had
-die vaalgele tint, welk een zuinig gebruikte handdoek aanneemt, wanneer
-hij lang in de linnenkast heeft gelegen. Zijn neus was welgevormd, smal
-en scherp, maar vormde met de vooruitstekende lippen van den kleinen
-mond een profiel, dat het midden hield tusschen dat van eene meerkat en
-van een vos, in ieder geval op de geaardheid van een knaagdier duidde.
-Misschien was het daarom, dat zijne makkers hem gewoonlijk Muizenkop
-heetten. Op de wangen of lippen was geen spoor van dons of van haar te
-ontdekken. Een pater Jezuïet had dat fletsche gelaat kunnen benijden.
-
-Hoe Willem Verstork aan zoo’n weinig sympathieke kennis kwam? Och, dat
-was eenvoudig: Mokesuep was de letter der fiscale bepalingen
-geïncarneerd; en daar de controleur bij het innen van belastingen in
-zijne afdeeling zoo weinig mogelijk met de kleingeestige
-muggenzifterijen der financiëele ambtenaren te doen wilde hebben, zoo
-had hij dien man in den arm genomen, die hem op het gebied van
-accijnzen wel niet altijd den besten raad gaf, maar hem vrijwaarde van
-onhebbelijke aanmerkingen.
-
-Maar, terwijl de lezer deze persoonsbeschrijvingen onder de oogen
-kreeg, had de ruiterstoet den afstand, die de dèsa’s Kalimatti en
-Banjoe Pahit van elkander scheidde, afgelegd, en was op het punt
-laatstgenoemde plaats binnen te rijden.
-
-Banjoe Pahit, eene groote dèsa, die vriendelijk in een licht doorsneden
-heuvelachtig terrein gelegen was, had heden ter eere van de verwacht
-wordende gasten haar feestkleed aangetrokken. Allerwegen verschenen de
-bewoners, zelfs de vrouwen en kinderen, in hunne beste kleederen, die
-zij gewoonlijk ’s Vrijdags slechts aan hadden. [86] Aan den vlaggestok,
-die op het erf van de controleurswoning stond, wapperde een
-spiksplinter nieuwe Nederlandsche vlag. De wedono, de loerah, en de
-andere hoofden, ja zelfs de „mantri tjatjar” (vaccinateur) der
-afdeeling, en de „panghoeloe” (priester) hadden dat voorbeeld gevolgd,
-en hunnen ijver en genegenheid trachten te betoonen door ook de
-driekleur naast hunne woning, aan een bamboestaak, waaraan anders eene
-kooi met „perkoetoet’s” (tortelduif) geheschen werd, thans te
-ontrollen. Allerwegen klonk de gamelan en verleende aan de feestelijke
-stemming der bewoners, die allen op de been waren en de heeren
-vriendelijk begroetten, een eigenaardigen localen stempel.
-
-„Drommels,” herhaalde Eduard van Rheijn, „rameh besar! De controleur
-doet de zaken goed! Dat belooft!”
-
-„Aan die ramen heb ik part noch deel,” antwoordde Verstork. „Maar de
-bevolking is blij, dat wij haar van die bende tjellengs komen
-verlossen, die ontzettend hare velden verwoesten. Gij zult eens zien
-met hoeveel geestdrift zij morgen zullen uittrekken, om ons bij de
-klopjacht behulpzaam te zijn.”
-
-De ruiterstoet was op het erf van het controleurshuis aangekomen en
-steeg af.
-
-„Mijne heeren,” sprak Verstork tot Van Nerekool en Van Rheijn. „Ik heet
-u welkom in mijne woning.” En meer in het algemeen: „Wij zullen ons een
-oogenblik lekker maken en baden. Dan zal het tijd zijn om aan tafel te
-gaan.”
-
-„Zoo vroeg?” was de vraag van een der gasten.
-
-„Zeker; want wij zullen na den maaltijd, die slechts een jagersdiner
-zal mogen heeten, dat wil zeggen, voedzaam maar kort, andermaal te
-paard stijgen om den Djoerang Pringapoes te verkennen, en voor
-zonsondergang uit te maken, waar de klopjacht zal beginnen, en waar wij
-positie zullen nemen, om de wilde zwijnen op te wachten.”
-
-„Wij hebben toch maanlicht, nietwaar?” vroeg Van Rheijn. „Ik meen
-zelfs, dat wij volle maan hebben.”
-
-„Ja, en die zal goed te pas komen bij het naar huis rijden,” hernam de
-controleur. „Geloof mij, die verkenning zal een geruimen tijd vorderen.
-Dan zullen wij vroeg naar bed moeten gaan; want morgen ochtend moeten
-wij bij het aanbreken van den dag bij den djoerang zijn, om onze
-stelling in te nemen en de jacht te beginnen.”
-
-En zich tot de twee voornaamste Javaansche hoofden wendende, die de
-blanken tot op het erf van den controleur gevolgd waren, zeide hij:
-
-„Wedono, en gij loerah, gij beiden gaat straks mede naar den djoerang,
-niet waar?”
-
-„Engèh, Kandjeng toean,” was het antwoord.
-
-„Welnu, blijft dan met ons eten.”
-
-Maar de Javanen bedankten op de meest hoffelijke wijze. Zij hadden te
-huis nog iets te verrichten; zij zouden evenwel op den bepaalden tijd
-present zijn. Wat zij niet zeiden, maar toch dachten, was, dat zij
-beducht waren, dat onder de spijzen varkensvleesch zoude voorgediend
-worden, of dat eenigen der schotels met reuzel of iets dergelijks,
-afkomstig van het verafschuwde onreine dier, toebereid zouden zijn.
-
-
-
-De zon was juist ondergegaan, toen de jagers de voornaamste toegangen
-tot den Djoerang Pringapoes verkend hadden, en het plaatsen der
-schutters op de verschillende punten met den wedono en de beide
-loerah’s van Banjoe Pahit en Kaligaweh, welke laatste opontboden was,
-besproken hadden. Men bevond zich toen bij het beneden gedeelte van den
-djoerang, daar waar de beek, die het ravijn doorsneed, over haar
-rotsbed van vak tot vak afdalende, eene reeks van watervalletjes en
-stroomversnellingen vormde, die dit gedeelte van het reeds zoo schoone
-landschap tot het schilderachtigste der geheele residentie Santjoemeh
-maakten. Op een geweerschots-afstand spreidde zich de dèsa Kaligaweh in
-de sawahvlakte uit, en weerspiegelde zich bij de wonderlijke tinten,
-die den avondhemel bij het ondergaan der zon nuanceerden, in de
-sawahvakken, die ook hier bevloeid waren, en stelde met hare
-klapperboomen, met hare bamboestruiken, met hare menigte vruchtboomen,
-waartusschen de gele omwandingen der hutten schier niet ontwaard
-werden, een toovertooneel daar, hetwelk zich in den waterspiegel
-verdubbelde, en zoo schoon was, dat de Europeanen zich aan dat gezicht
-niet verzadigen konden. Alleen het verbleeken dier tinten bij het
-intreden van den nacht, en bij het verschijnen van de maan boven de
-kim, kon aan dat aanschouwen en bewonderen een einde maken.
-
-Juist zou men afscheid van den loerah van Kaligaweh nemen, na dien
-aanbevolen te hebben, den volgenden ochtend met zijn volk op de
-afgesproken plaatsen aanwezig te zijn, en had men reeds de paarden
-gewend, om spoorslags naar Banjoe Pahit terug te keeren, toen
-plotseling van den kant van eerstgenoemde dèsa een vreeselijk gegil
-vernomen werd. Allen stonden dadelijk stil, en luisterden aandachtig.
-Dat gegil hield aan, en duidelijk werd te midden van het verwarde
-geschreeuw van vrouwen en kinderen het schrikkelijk klinkende „amokh!
-amokh!” (moord! moord!) gehoord.
-
-„Wat mag er gaande zijn, loerah?” vroeg Willem Verstork aan het
-dèsahoofd, dat nog bij de heeren stond.
-
-„Ik weet het niet, Kandjeng toean,” antwoordde deze, „maar wil ik gaan
-hooren?”
-
-„Wacht even, daar komt een oppas aanrennen!”
-
-En inderdaad, hijgend en schier ademloos kwam zoo’n kanarievogel [87]
-aangevlogen, die een pad over de galangan’s der rijstvelden in de
-richting van den Djoerang Pringapoes volgde. Toen hij bij den troep
-aangekomen was, hurkte hij in der haast voor den controleur neder, en
-bracht den sembah.
-
-„Kandjeng toean,” sprak hij gejaagd, „er wordt amokh in de dèsa
-gemaakt. Reeds is een bandoelan onder den kris gevallen en een oppas
-deerlijk verwond!”
-
-„En wie is de amokhmaker?” vroeg Verstork.
-
-„Ik weet het niet, Kandjeng toean. Vrouwen en kinderen vluchtten
-gillend en huilend; toen heb ik mij gehaast om naar den loerah rapport
-te komen brengen. Maar bij het heenijlen hoorde ik roepen, dat
-Setrosmito de amokhmaker zoude zijn.”
-
-„Setrosmito, de oude Setrosmito!” riep Verstork uit. „Onmogelijk,
-nietwaar, loerah?”
-
-„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde het hoofd,
-
-„Die man is veel te bedaard,” ging de controleur voort. „Daarenboven
-hij is niet aan het opiumschuiven verslaafd, nietwaar, loerah?”
-
-„Bottèn, (neen) Kandjeng toean!” was het voorzichtige antwoord.
-
-Het gegil hield aan. Duidelijk zag men, in weerwil van de
-avondschemering, menschen in de grootste verwarring binnen den dèsarand
-heen en weer ijlen.
-
-„Kom, heeren,” sprak de controleur. „Mijne aanwezigheid is op de plaats
-des onheils noodig. Gaat gij met mij? Met een flinken galop zijn wij er
-in weinige oogenblikken.”
-
-„Wij volgen u!” kreten al de jongelieden, op een na.
-
-„Is het wel voorzichtig?” waagde Mokesuep in het midden te brengen.
-
-Maar zijne vraag ging voor de anderen verloren. Die hadden op het
-voorbeeld van Verstork hunne paarden in galop gezet, en ijlden den
-landweg af, die naar Kaligaweh voerde. Mokesuep was evenwel te
-bedachtzaam om te volgen. Vreeselijke verhalen van amokhpartijen
-kruisten hem door zijn brein. Een oogenblik stond hij besluiteloos wat
-te doen. Maar daar herhaalde zich het gegil met verdubbelde kracht,
-terwijl de tontong’s als bezetenen weerklonken. Dat gaf den doorslag.
-Hij wendde zijn paard, gaf het de sporen, en ijlde in razenden ren naar
-Banjoe Pahit in plaats van naar Kaligaweh.
-
-„Bij zulke voorvallen is ’t verstandigst zijne huid te bergen,” dacht
-hij. „Straks zullen de anderen mij wel volgen.”
-
-Terwijl de anderen voortreden in de richting van Kaligaweh, waarschuwde
-hen Verstork.
-
-„Opgepast en uitgekeken,” sprak hij. „Bij amokhpartijen is het zaak op
-zijne hoede te zijn, hoewel angstvalligheid niet aanbevolen kan worden,
-daar deze het gevaar nog vermeerdert. Houdt uwe revolvers gereed!”
-
-De aanbeveling was evenwel overbodig. Toen de ruiters den dèsarand
-doorjoegen, ontwaarden zij nog wel eenige verschrikte vrouwen, die
-hunne kinderen in hunne armen sloten, als wilden zij ze beschermen;
-maar de mannen stonden allen met de lans of de kris in de hand rondom
-eene hut geschaard, die gesloten was, en niets merkwaardigs aanbood.
-Wel weerklonk de kreet:
-
-„Als hij er uit komt, moeten wij hem op onze lansen opvangen!”
-
-„Wat is hier te doen?” vroeg de controleur, die van zijn paard sprong,
-de teugels aan een der omstanders toewierp, en in den kring trad.
-
-„Setrosmito heeft amokh gemaakt, Kandjeng toean!” was het antwoord.
-
-„Toch Setrosmito?...” mompelde de ambtenaar onhoorbaar.
-
-Maar de vraag was ternauwernood gedaan, en het antwoord daarop gegeven,
-of de deur der hut vloog open, terwijl Setrosmito op den drempel
-verscheen.
-
-Het was een oudachtig man met reeds grauwende haren, die hem wild en
-woest om het hoofd fladderden, daar hij zijn hoofddoek scheen verloren
-te hebben. Zijn baatje was geheel gescheurd, zoodat slechts een vod
-daarvan door een der armen opgehouden werd. Aangezicht, borst en handen
-waren met bloed bevlekt, zoodat de rampzalige er schrikkelijk uitzag.
-
-„Daar is hij! Daar is hij!” kreet de menigte. „Opgepast!”
-
-Alle lansen bogen voorover tot verdediging gereed.
-
-„Ik wil niemand kwaad doen!” riep Setrosmito zijne dèsagenooten toe.
-„Maar nadert mij niet om mij gevangen te nemen; want de eerste, die mij
-aanraakt, steek ik neer!”
-
-En met zoo’n woest dreigend gebaar zwaaide hij den kris, dien hij in de
-rechterhand had, dat de menigte achteruit stoof, zoodat de controleur,
-die een oogenblik achteraf gestaan had, op den voorgrond kwam. Maar
-nauwelijks had de ongelukkige den blanke in het oog gekregen:
-
-„Ampon, (vergeving) Kandjeng toean!” kreet hij, terwijl hij zijn wapen
-van zich afslingerde, en aan de voeten van den ambtenaar neerhurkte.
-„Ampon, Kandjeng toean!” herhaalde hij daar.
-
-Dat alles was zoo bliksemsnel in zijn werk gegaan, dat de meesten der
-omringenden niet onmiddellijk vatten, wat er gaande was. Toen die met
-bloed bevlekte man naar den controleur ijlde, meenden velen, dat deze
-in gevaar verkeerde. Zijn metgezellen traden dan ook met den revolver
-in de hand vooruit. Ook de Javanen wilden toespringen en den thans
-weerloozen dorpgenoot afmaken; maar Verstork voorkwam hen, drong de
-voorsten met de hand achteruit, en weerhield de overigen met het bevel:
-
-„Achteruit! Laat dien man! Ik beveel het!”
-
-En op den hurkenden Javaan toetredende, die andermaal op smeekenden
-toon herhaalde:
-
-„Ampon, Kandjeng toean!”
-
-„Hebt gij amokh gemaakt, Setrosmito?” vroeg hij.
-
-„Heer! ik heb een bandoelan gedood, die „koerang adjar”
-(onwelvoegelijk) met mijn kind handelde. Ja, dat heb ik gedaan. Ik heb
-ook een oppas verwond, die hem daarbij hielp. Wie zou mijn kind
-beschermd hebben, als ik het niet deed? Maar ik heb niemand anders
-verwond of gedood. Dat zal de geheele negorij getuigen.”
-
-Verstork liet de oogen over de menigte gaan. Allen stonden daar
-ademloos, geen woord van protest werd vernomen.
-
-„Gij bekent een bandoelan gedood en een oppas verwond te hebben?” vroeg
-de controleur ernstig.
-
-„Engèh, Kandjeng toean!” klonk het schier onhoorbare antwoord van den
-steeds hurkenden Javaan.
-
-„Wedono, laat dien man binden!” klonk het bevel jegens het
-districtshoofd.
-
-„Ampon, Kandjeng toean,” kreet de rampzalige bij die woorden. „Ampon,
-ik heb slechts mijn kind tegen vuile mishandelingen beschermd.”
-
-„Ge hebt u tegen de openbare machten verzet, dat mag niemand doen!”
-sprak de controleur hoogst ernstig. „Maar, Setrosmito, de gerechtigheid
-der blanken zal de zaak onderzoeken, en is uw kind mishandeld, dan zal
-dat voorzeker in aanmerking genomen worden en uwe straf lichter maken.”
-
-Een dof gemompel ging onder de menigte op. Zij kende bij ervaring der
-blanken gerechtigheid, wanneer het opiumzaken gold. Een bittere
-glimlach zweefde op aller gelaat. Menige verwensching jegens het
-onbarmhartige volk, dat het schoone Java overheert en uitzuigt, werd
-gepreveld. Nu men inzag, dat men met geen amokhmaker die alles in
-blinde en woeste drift neerstak, maar met een vader, die zijn kind
-tegen de snoodste mishandelingen beschermde, te doen had, nu had de
-geheele bevolking deernis met den ongelukkige. Een gebiedende blik van
-den controleur, een handgebaar van den wedono waren voldoende, om ieder
-gemompel tot zwijgen te brengen.
-
-„Gij zult dien man nauwlettend laten bewaken, wedono, gij en de loerah
-staat mij borg voor hem,” beval de Nederlandsche ambtenaar, „en gij
-zult zorgen, dat hij morgen ochtend vroeg onder een geleide van
-gewapend dèsavolk naar Santjoemeh overgebracht wordt.”
-
-„Ampon, Kandjeng toean,” kreet nog de ongelukkige, die door zijne
-dorpsgenooten gekneveld werd.
-
-„De Kandjeng toean besar zal beslissen, Setrosmito. Ik kan en mag niets
-anders doen dan mijn plicht opvolgen.”
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-EENE HUISZOEKING MET HARE GEVOLGEN.
-
-
-Van een dadelijk terugkeeren naar Banjoe Pahit moest afgezien worden,
-dat zagen de jagers ras in. Verstork moest zich onledig houden met het
-instellen van een voorloopig onderzoek omtrent den manslag en de
-verwonding die plaats hadden gehad. Hij deed dat nauwgezet als altijd,
-en ziet hier wat uit dat onderzoek bleek:
-
-Het was ongeveer vijf uur in den namiddag geweest, toen Singomengolo,
-de spion van den opiumpachter, vergezeld van een Chineeschen bandoelan,
-zich in de dèsa Kaligaweh vertoond had. Beide personen hadden eerst een
-bezoek aan de opiumkit gebracht, om daar van de gedelegeerden van den
-pachter de noodige inlichtingen in te winnen. Daarna hadden zij zich
-naar het huis van den loerah begeven en, bij afwezigheid van dat
-dorpshoofd, die, wij weten het, voor de varkensjacht naar Banjoe Pahit
-opgeroepen was, zich tot een ander lid van het dèsa-bestuur gewend, ten
-einde den bijstand der politieagenten te erlangen.
-
-Door een paar oppassers vergezeld, begaf zich de Chineesche opium-spion
-naar de woning van Setrosmito, Dalima’s vader, en gaf, daar aangekomen,
-den wensch te kennen het huis van den Javaan te doorzoeken.
-
-„Gij bezoekt nimmer de kit van babah Than Kik Sioe” zei hij. „Gij koopt
-er nimmer opium, zoodat de pachter tot de veronderstelling moet komen,
-dat gij u van sluikopium voorziet. Ik heb in opdracht uw huis ten
-nauwkeurigste te doorzoeken.”
-
-„Ik schuif geen opium in de kit, en ook niet in huis. Gij zult geen
-opium bij mij vinden. Maar ga uw gang, babah,” was het rustige antwoord
-van den trouwhartigen landbouwer.
-
-De Chinees en de beide oppassers wilden binnentreden.
-
-„Neen,” sprak Setrosmito bedaard. „Eerst moet jullie onderzocht
-worden.”
-
-En zich tot eenige dorpsgenooten wendende, die op het verschijnen van
-de politieagenten en den opiumjager nieuwsgierig bijgetreden waren:
-
-„Sidin en Sariman,” sprak hij, „helpt mij den bandoelan en de oppassers
-te onderzoeken.”
-
-Het drietal, te zeer gewoon aan zoo’n bejegening, [88] onderwierp zich
-aan de geëischte visitatie, die met de meest mogelijke nauwkeurigheid
-geschiedde, zonder evenwel een spoor van opium op te leveren.
-
-Eerst daarna gebeurde het huisonderzoek, hetwelk eene herhaling mocht
-genoemd worden van dat, hetwelk kort te voren bij Pak Ardjan had plaats
-gehad. Maar, had Setrosmito bij de opiumjagers geen heulsap gevonden,
-evenmin vonden dezen iets, wat op sluikwaren kon gelijken, hoe dikwerf
-zij het huis in alle hoeken en gaten met de grootste nauwgezetheid
-doorzochten.
-
-„Waar zijn uwe kinderen?” vroeg eindelijk de Chinees woedend en
-wanhopig, dat niets te vinden was.
-
-„Die zijn op de gemeenteweide, waar zij op mijne twee karbouwen
-passen.”
-
-De Chinees had een gemeenen grijnslach op het vuil bleeke gelaat, toen
-hij vernam, dat de Javaan nog twee ploegdieren rijk was. Er waren
-helaas! slechts weinige bewoners van Kaligaweh, die welvarende dèsa van
-weleer, welke nog zooveel bezaten. Hij zei evenwel niets, maar spoedde
-met de politiedienaren naar buiten, om zich naar Singomengolo te
-begeven, ten einde dien van den stand van zaken mededeeling te doen.
-
-Die aterling glimlachte, en keek verachtelijk neer op den Chinees over
-zijne onhandigheid.
-
-„Lim Ho en Lim Yang Bing hebben wat aan jou als bandoelan,” siste hij
-hem te gemoet. „Jij zult nimmer sluikopium vinden.”
-
-„Maar jij ook niet, waar hij niet is.”
-
-„Wel, „Keh” [89], voor een ringgiet wedden, dat ik er vind?”
-
-„Onmogelijk. Ik heb het geheele huis het onderste boven gehaald. Ik heb
-tot de bamboestijlen der hut doorzocht, en nergens iets gevonden.”
-
-„Hebt je ook onder den „dapoer” (vuurhaard) gezocht?”
-
-„Ja.”
-
-„Ook in de asch van den dapoer? Heb je den bodem der hut opgegraven?”
-
-„Ja.”
-
-„Ook onder de baleh-baleh? Heb je ook de „bantal’s” (kussens)
-onderzocht?”
-
-„Ja, ja, ja! Ik ben geen kind!” sprak de Chinees gemelijk.
-
-„Geen kind, maar een domkop, nog dommer dan een karbouw ben je! Kom
-maar meê,” ging Singomengolo voort, na die liefelijkheden, den
-gestaarten natuurgenoot naar het hoofd geslingerd te hebben. „Kom maar
-mee, dan zal ik je laten zien, dat waar jij niets vondt, ik wel wat zal
-opsporen! Die dèsa-honden hebben steeds opium in huis.”
-
-De ellendeling vergat, dat hij in die dèsa het licht aanschouwd had.
-Maar, zoo gaat het meer in de wereld.
-
-Het viertal maakte rechtsomkeert, en keerde naar de hut van Setrosmito
-terug, om het onderzoek te hervatten. Toen de Javaan de aangekomenen op
-nieuw wilde onderzoeken, weigerde Singomengolo botweg.
-
-„Als je mij aan het lijf komt, ransel ik je af als een schurftigen
-hond!” zei hij barsch.
-
-Setrosmito protesteerde.
-
-„Ja, dan zal er wel opium in mijn huis gevonden worden,” zei hij. „Ik
-ken die streken! Kabajan,” zoo wendde hij zich tot een lid van het
-dèsa-bestuur, die onder de menigte voor het huis stond toe te kijken.
-„Kabajan, ik roep u tot getuige van hetgeen hier gebeurt!”
-
-Deze echter, beducht om met de aterlingen van het opium-monopolie in
-aanraking te komen, antwoordde niet, maar maakte zich ijlings uit de
-voeten. Lachende trad Singomengolo met zijne acolyten de hut binnen.
-Met hen evenwel ook Setrosmito’s kinderen, twee jongetjes en een
-meisje, die met hunne buffels van de gemeenteweide huiswaarts gekeerd
-waren, en groote oogen opzetten, toen zij zooveel volk voor het huis
-hunner ouders verzameld zagen.
-
-De knapen waren kinderen van acht en negen jaren. Evenals de meeste
-jeugdige Javaantjes hadden zij aardige lieve gezichtjes met schalks
-kijkende bruine oogen. Hun uiterlijk werd, wat schoonheidsgevoel
-aangaat, wel eenigermate benadeeld door de kaal geschoren hoofdjes,
-waarop slechts eene vlok haar ter breedte eener hand gespaard was
-gebleven, en die de een op de kruin, en de andere boven het linkeroor
-droeg. Hunnen landaard getrouw, hadden zij fraai gevormde en lenige
-ledematen, slanke lendenen en een uiterst dun middeltje, dat
-voortreffelijk uitkwam, daar zij, argeloos volgens ’s landswijs, op
-dien leeftijd spiernaakt liepen, en slechts een zilveren ring om de
-voetenkels droegen.
-
-Het meisje, dat slechts zeven jaren telde, had ook een allerinnemendst
-gezichtje, hetwelk onder den zwarten ongeschonden haardos bevallig
-uitkwam. Het kind had bloote armen, maar de borst was bedekt met een
-van veelkleurige lappen vervaardigde „otto” (slabbertje); terwijl om de
-heupen een kettinkje geslagen was, waaraan een zilveren plaatje
-bevestigd was, om het schaamdeel te bedekken.
-
-Bij hun binnentreden vonden zij Singomengolo druk bezig met in kisten
-en potten en pannen te zoeken, waarbij hij echter door Setrosmito
-nauwlettend op de handen gekeken werd. Dat verdroot den aterling, die
-daardoor in zijne snoode plannen gedwarsboomd werd. Hij gaf een teeken
-aan den Chinees, die met zijne scheefstaande oogen de kinderen akelig
-gadesloeg, en een afzichtelijken grijns vertoonde bij het detailleeren
-van de vormen der kleine Kembang (bloem).
-
-Op het teeken van Singomengolo greep hij een der knapen, en onder
-voorwendsel van ook bij hen opium op te sporen, bevoelde en betastte
-hij hen achtereenvolgens het naakte lichaam, zocht op de walgelijkste
-wijze onder de oksels en overal waar een madat-balletje kon verborgen
-zijn. De jongens weerstreefden wel, trachten den gewetenloozen schurk
-te krabben en te bijten, maar gaven geen kik, die hun vader van het
-toezicht, dat hij op de handelingen van Singomengolo hield, kon
-afleiden.
-
-Maar toen de Chinees het meisje greep, en haar den otto van de borst
-scheurde, gilde het arme kind allerverschrikkelijkst, rukte zich los,
-en verborg het naakte lichaampje aan de borst harer moeder, die haar
-omarmde, als wilde zij haar beschermen. Te vergeefs. De Chinees naderde
-met zijn bleek, fletsch, akelig door lage hartstochten verwrongen
-gelaat en, geholpen door de beide politieoppassers, sleurde hij het
-meisje uit de armen der vrouw, die onvermogend was haar te beveiligen.
-
-„Straks jou beurt,” brulde de Chinees tegen de moeder „want die kleine
-kat heeft tijd gehad om je opium over te reiken. Blijf zitten!”
-
-En nu werd het tooneel van betasting herhaald, dat nog walgelijker was,
-daar de Chinees zich tegenover een schepseltje der teedere kunne
-bevond, en zich alles meende te kunnen en mogen veroorloven.
-
-„Alah! tobat!” kreet de moeder bij zoo’n ontzettend schouwspel.
-
-Bij dien noodkreet keek Setrosmito even naar zijne vrouw op.
-
-Van dat schier ondeelbare oogenblik maakte Singomengolo, die tot nu toe
-scherp op de handen gekeken was, gebruik. Fluks bracht hij de gesloten
-hand onder een pandan-matje, dat op de baleh-baleh lag, en reeds
-driemalen bij dat huisonderzoek zonder resultaat opgetild was geweest,
-en haalde er triomfeerend een koperen doosje onder uit, dat hij met
-gemaaktheid vertoonde.
-
-„Ziet ge wel!” riep hij uit, „dat hier „tjandoe glap” (gesloken opium)
-in het huis aanwezig was.”
-
-Setrosmito werd bleek bij dat gezicht. Hij begreep bij de bestaande
-rechtspleging der Nederlanders, in kwestie opiumgeschillen, wat hem te
-wachten stond. Toorn en drift kookten in zijn gemoed.
-
-„Er was hier geen opium in huis!” riep hij in wanhoop uit, terwijl hij
-onwillens de hand naar den kris uitstak, naar een oud erfstuk zijner
-vaderen, dat tusschen de kadjang-omwanding boven de baleh-baleh
-uitstak. „Gij, gemeene hond, hebt die opium onder dat matje verstopt!”
-
-Singomengolo beantwoordde die beschuldiging, welke zoo op den man af
-was, met een vuistslag, die Setrosmito vlak voor den mond trof.
-Brullend van woede rukte deze den kris uit de schreede. En juist in dit
-oogenblik stiet Kembang plotseling een hartverscheurenden gil uit, die
-Singomengolo het leven redde. De vader keek verbijsterd rond, maar toen
-hij ontwaarde, welke afgrijselijke grijnslach op het walgelijk gelaat
-van den Chinees zetelde, welk gemeen gebaar deze zich tegenover zijne
-lieve aanminnige Kembang veroorloofde, steeg hem het bloed
-onweerstaanbaar naar het hoofd, en veranderde zijn toorn van richting.
-Een roode nevel, zoo rood als bloed, trok voor zijne oogen.
-
-„Toeloeng! toeloeng! Sakit! sakit!” (help! help! pijn! pijn!) gilde het
-kind.
-
-Blind van drift en woede stortte zich de vader met den noodlottigen
-kris in de hand naar den kant van den onverlaat.
-
-„Amokh! Amokh!” (moord! moord!) kreet een der politiedienaren bij het
-zien van den gevlamden kris in de vuist van den waanzinnig vertoornden
-vader.
-
-„Amokh! Amokh!” herhaalde de menigte buiten, zonder nog te weten, wat
-er gaande was.
-
-Vrouwen en kinderen vlogen gillend weg.
-
-„Amokh! Amokh!” klonk het weldra van alle kanten.
-
-De mannen ijlden naar huis, om hunne lansen te halen, onbewust wien het
-gold.
-
-„Amokh! Amokh!” herhaalden de „kedjinemans” [90] en stormden naar de
-„gardoe” (wachthuis), waar zij de alarmtonen op de tongtong akelig
-lieten weerklinken.
-
-De oppasser, die het eerst het woord amokh uitgeroepen had, had eene
-poging willen aanwenden om zijn sabel te trekken. Het lem was evenwel
-zoodanig in de scheede geroest, dat het wapen niet te ontblooten was.
-De andere, geen tijd hebbende om zich te wapenen, wilde den verdoolde
-bij den strot grijpen, maar ontving bij die poging een deerlijke sneede
-over het aangezicht en borst, die wel is waar slechts eene niet
-gevaarlijke vleeschwonde, maar eene aanmerkelijke verbloeding
-veroorzaakte, en daarenboven zooveel pijn teweegbracht, dat de
-gekwetste kreunend afliet en een goed heenkomen zocht. Zijn makker koos
-op het gezicht van zooveel bloed ijlings het hazenpad.
-
-Nu bevond zich de woedende vader tegenover den Chinees, die nog steeds
-het meisje omkneld hield, en wiens walgelijke handtastelijkheden
-omtrent zijne onkuische bedoelingen geen twijfel overlieten.
-
-„Laat los! laat los!” schreeuwde de van woede ziedende vader
-bekschuimend.
-
-Was de Chinees beteuterd op het gezicht van het gevaar, of zag hij in
-zijne overspanning de aanwezigheid daarvan niet in? Genoeg zij het, hij
-voldeed niet aan dat uiterste bevel des vaders. Hij stond daar met zijn
-fletsch gelaat, dat, hoewel nog van hartstocht getuigende, toch een
-wezenloozen glimlach verried. Zijne handen lieten niet los, herhaalden
-integendeel als krampachtig de ontuchtige beweging, en trachtten alleen
-het naakte meisje voor zich te duwen, om zich achter haar te dekken.
-
-„Amokh! Amokh!” klonk het in het rond.
-
-„Laat los!” kreet de vader nogmaals, dat door den onverlaat met een
-dommen lach beantwoord werd.
-
-„Amokh! Amokh!” herhaalde de tongtong dreigend.
-
-„Laat los!.... Niet?.... Sterf dan als een hond!” riep de ongelukkige
-vader.
-
-En bliksemsnel de gewapende hand omlaag brengende, haalde hij, alvorens
-de Chinees tijd had achter het meisje, dat veel kleiner was dan hij, te
-bukken, hem het gevlamde lem door de keel.
-
-„Adoe! Matti saja!” (O, wee! ik ben dood!) gilde de Chinees met woest
-rollende oogen. Het waren zijne laatste woorden. Met krampachtige hand
-trachtte hij de vervaarlijk gapende wond aan zijn hals te sluiten. Te
-vergeefs. Het bloed spoot met kracht in fijne straaltjes als zoo vele
-fonteintjes tusschen de gesloten vingeren door. Een akelige hoest
-overviel hem, en een breede bloedgulp, die zijn mond ontsnapte,
-overdekte de arme Kembang van het hoofd tot de voeten. Wankelend en
-zich steeds met de eene hand aan het meisje vastklemmende, poogde de
-doodelijk verwonde overeind te blijven staan. Vergeefsche poging! Hij
-wankelde, alsof hij beschonken was, en viel eindelijk stervend neer.
-
-„Amokh! Amokh!” klonk het rondom de hut.
-
-„Amokh! Amokh!” herhaalde de tongtong.
-
-Setrosmito keek na zijne vreeselijke daad een oogenblik rond. Hij
-veegde zich met de linkerhand de oogen af, en scheen langzamerhand tot
-besef te komen. Eindelijk kreeg hij inzicht in den toestand.
-
-„Amokh! Amokh!” klonk het dreigend.
-
-Aan zijne voeten lag de Chinees in den doodstrijd nog te stuiptrekken,
-maar bewoog zich weldra niet meer. Dat alles was in een ondeelbaar
-oogenblik, met de bliksemsnelheid der gedachten geschied. Het vertrek
-was overigens leeg, want gelijktijdig met den politieoppasser had ook
-Singomengolo het hazenpad gekozen. Zelfs de knapen van Setrosmito, die
-eerst dat geheele tooneel wezenloos hadden aanschouwd, waren voor den
-dreigenden kris huns vaders gevlucht; zelfs de gade was beducht
-heengeijld, en had haar naakt dochtertje met zich meegesleurd.
-
-„Amokh! Amokh!”
-
-Die kreet drong den ongelukkige, die al meer en meer tot bezinning
-kwam, als eene bedreiging voor zijn leven in het oor. Want hij kende er
-maar al te goed de schrikkelijke beteekenis van. Hij wist, dat wanneer
-dat woord weerklinkt, de geheele bevolking te wapen vliegt, en zonder
-onderzoek, zonder te weten wat en wien het geldt, den moordenaar te
-lijf gaat, die soms niet anders deed, dan eigen lijf te verdedigen, of
-zooals hier, als beschermer zijner kinderen op te treden.
-
-Daar drongen eenige gewapenden de hut binnen met de lansspitsen
-vooruit.
-
-„Achteruit!” riep Setrosmito nog verwoed. „Die mij nadert, steek ik
-neer, zooals ik dezen keh gedaan heb.”
-
-Verschrikt stoven allen de hut uit, en vormden daaromheen een dichten
-kring, waarin druk gepraat, geschreeuwd en beraadslaagd, maar volstrekt
-geen ijver aan den dag gelegd werd, om andermaal de hut binnen te
-dringen.
-
-Het was toen, dat de controleur Verstork met zijn gezelschap aankwam,
-en de moordzaak met de gevangenneming van den ongelukkige beëindigde.
-
-Gedurende den loop van het verhoor vertoonde Singomengolo de opium, die
-hij zeide in het huis van Setrosmito gevonden, en in beslag genomen te
-hebben. Het was eene kleine hoeveelheid, die, in de opiumkit gewogen
-wordende, bleek schier vijftig mata’s, dus ongeveer achttien
-milligrammen te bedragen. Het was eene bruin zwarte, kleverige massa,
-die in een klein koperen doosje bevat was, hetwelk gemakkelijk in de
-hand geborgen kon worden. De controleur nam dat doosje in beslag en
-verzegelde het behoorlijk in tegenwoordigheid van den opiumjager.
-
-„Heeft iemand gezien,” vroeg hij dezen, „dat gij dat doosje onder het
-matje op de baleh-baleh gevonden hebt?”
-
-„Ja, zeker, de Chinees....”
-
-„Die dood is? Anders niemand?”
-
-„Ja, en de beide oppassers?”
-
-„Die eerst geen opium gevonden hebben?”
-
-„Traberdoeli!” (om het even) zei de opiumjager onbeschaamd. „Ik,
-Kandjèng toean, ik, beëedigd bandoelan, heb het gevonden. Mijn woord is
-genoeg. De getuigenis dier twee oppassers is overbodig.”
-
-De controleur gunde hem een blik vol verachting. De opiumjager scheen
-er zich echter niet veel van aan te trekken; maar vertrok na een
-huichelend nederigen groet gebracht en gepreveld te hebben:
-
-„Ik ga rapport uitbrengen bij den opiumpachter en bij den
-assistent-resident van politie.”
-
-Hij steeg daarop te paard, en verwijderde zich oogenschijnlijk langs
-den grooten weg naar Santjoemeh. Oogenschijnlijk; omdat het later wel
-blijken zal, waarheen hij zijne schreden wendde, en wat hij daar te
-verrichten had. Intusschen sloeg hij dadelijk, na de dèsa verlaten te
-hebben, een pad rechts in, dat door de sawahs liep, en dwars door het
-heuvelterrein voerde, maar een verkorten weg naar de hoofdplaats
-aanbood. Zijn paard, met den weg bekend, stapte flink door, en
-middernacht was nog niet voorbij, toen hij een eenzaam staand hutje
-bereikt had, wiens bewoner hij opklopte, en dien hij met eene boodschap
-verder naar Santjoemeh zond.
-
-Toen de controleur Verstork met den wedono en den loerah, die hem
-beiden bij dat lastige onderzoek in die netelige zaak ijverig
-bijgestaan hadden, in de woning van den laatstbedoelde terugkeerde, was
-het ongeveer negen uren in den avond. Hij vond zijne vrienden daar
-vereenigd, die hem met ongeduld verbeidden.
-
-„Drommels!” pruttelde August van Beneden, ontstemd als hij was, nu hij,
-na zich van het in verschiet zijnde jachtvermaak de meest overdreven
-voorstellingen gemaakt te hebben, de geheele partij in gevaar gebracht
-zag, waarbij nog kwam, dat hij zich in afwachting op den controleur
-gruwelijk verveeld had. „Drommels, wat zijt gij lang weggebleven!”
-
-„Ik kon niet anders. Ik viel hier met den neus in de boter.
-Daarenboven, wat ik heden avond afdoen kan, heb ik morgen niet te
-verrichten.”
-
-„Morgen?”
-
-„Ja, morgen. Verbeeld u, dat ik, om u gezelschap te houden, en naar
-Banjoe Pahit terug te rijden, dat onderzoek niet gehouden had, dan zou
-dat morgen toch moeten geschieden, en dan was onze geheele jachtpartij
-naar de maan.”
-
-„Morgen?” vroeg Eduard van Rheijn. „Zou Maandag ochtend ook nog niet
-tijd genoeg zijn?”
-
-Verstork keek den adspirant-controleur verstoord aan. Hij had een bits
-antwoord gereed; maar hij weerhield het en antwoordde bedaard:
-
-„Neen, Maandag ware het in het belang der zaak te laat. Het is eene
-moordzaak, verwikkeld met eene opium-perkara; het zal moeite genoeg
-kosten om de zaak tot helderheid te brengen.”
-
-„En zijt gij nu gereed.”
-
-„Ja”
-
-„Zoodat gij morgen niets meer te verrichten hebt?...”
-
-„Niets.”
-
-„En de jacht aanvoeren kunt?”
-
-„Ja, wees gerust. Ik heb nog maar een paar brieven te schrijven.”
-
-„Een paar brieven?”
-
-„Een kort verslag aan den resident en eene uitnoodiging aan den djaksa
-(Inlandsch rechter van instructie) en aan den stadsgeneesheer om het
-lijk te schouwen, en het visum repertum op te maken. Is ’t niet zoo Van
-Nerekool,” zoo wendde hij zich tot den rechterlijken ambtenaar, „dat
-moet immers zoo?”
-
-„Wat zegt ge?” vroeg deze, als uit een droom ontwakende, en zich het
-voorhoofd wrijvende.
-
-In zijne gedachte verzonken, had hij niet gehoord. De vraag werd
-herhaald en bevestigend beantwoord.
-
-„Wij hebben nog een flinken rit af te leggen, om terug te keeren naar
-Banjoe Pahit,” merkte Theodoor Grenits op. „En morgen ochtend zal het
-vroeg dag zijn, nietwaar?”
-
-„Dat laatste voorzeker; maar er valt aan geen terugkeeren naar Banjoe
-Pahit te denken,” sprak Verstork, op zijn horloge kijkende. „Het is nu
-reeds negen. Hoe helder de maan ook schijnt, zal het toch niet wel
-mogelijk zijn, anders dan stapvoets te rijden; zoodat wij niet vóór het
-middernachtuur in de „controliran” (controleurswoning) aankomen zullen.
-Neen, ik zal hier bij den tjarik mijn officiëele paperassen schrijven,
-die dan dadelijk door den loerah verzonden kunnen worden. De wedono zal
-naar Banjoe Pahit terugrijden, om voor de jacht van morgen alles te
-bezorgen. Hij zal de klopjagers daar aanvoeren. Dat alles is behoorlijk
-besproken en behoeft geene wijziging, nu wij van slaapplaats wisselen,
-nietwaar?”
-
-„Maar, waar zal mijn slaapplaats zijn?” vroeg August van Beneden
-bezorgd.
-
-„Ja, wij moeten ons thans behelpen. Het zal zijn: à la guerre comme à
-la guerre! Er is hier in de dèsa eene kleine „passangrahan”
-(passantenhuis) voorzien van eene eenvoudige baleh-baleh. Wij zullen
-den loerah verzoeken haar ietwat te meubileeren.”
-
-„Te meubileeren?” vroeg Theodoor Grenits. „Bestaat in dit afgelegen
-oord een meubelmagazijn?”
-
-„Neen, waardste volgeling van Mercurius,” gaf Verstork lachend ten
-antwoord, „zoo’n inrichting zou hier slechte zaken maken. Als we de
-noodige hoofdkussens en een paar bultzakken machtig kunnen worden, dan
-zal het wel zijn.”..
-
-„Slechts één paar bultzakken voor ons zevenen? Dat is weinig,” sprak
-Van Beneden, die als jurist wel wat op zijn gemak gesteld was.
-
-„Wat mij betreft, ik doe van mijn aandeel afstand,” zei de controleur.
-„Ik prefereer de baleh-baleh. Ik heb daar meer op geslapen en
-overheerlijk ook. De overigen kunnen er om loten. Maar....”
-
-„Maar wat?” vroeg Eduard van Rheijn.
-
-„Er werd gesproken van ons zevenen?... Ik tel er maar zes.... Wie
-mankeert er?.... Te drommel, waar is Mokesuep?”
-
-„Ja, waar is Muizenkop?” vroegen een paar der anderen.
-
-„Die heeft zijn hielen gelicht, toen er amokh geroepen werd,”
-antwoordde Van Rheijn.
-
-„Zijn hielen gelicht?”
-
-„Ik heb gezien, toen wij naar Kaligaweh trokken, dat hij spoorslags
-naar Banjoe Pahit terugreed.”
-
-„Dat heet ik voorzichtig zijn,” merkte Grenits op.
-
-„Is voorzichtig wel het ware woord?” vroeg er een.
-
-„Om het even. Ik ben blij, dat de vent voorloopig weg is,” merkte een
-ander op. „Verstork, hoe kom je toch aan dien gluipert.”
-
-„Och, ik heb dien man nog al noodig. In de belastingordonnantiën is hij
-doorkneed; ik moet hem dus te vriend houden, dat begrijpt gijlieden?”
-
-„Ik wilde maar, dat hij morgen ochtend naar Santjoemeh doorreed.”
-
-„Dat zal hij wel niet. Wedono, zult ge morgen ochtend den heer Mokesuep
-laten wekken?”
-
-„Engèh Kandjeng toean!”
-
-„En nu, heeren, laat ik u een half uurtje onder de hoede van den
-loerah, die het u zoo aangenaam mogelijk zal maken, nietwaar, loerah?”
-
-„Engèh Kandjeng toean!” antwoordde ook deze.
-
-Weinige minuten later hadden de jagers bezit van de passangrahan
-genomen, en zat de controleur in het voorgalerijtje van de
-tjariks-woning ijverig te schrijven.
-
-
-
-
-
-
-
-XV.
-
-ONDER DEN WARIENGIENBOOM.—IN DE OPIUM-KIT.
-
-
-Bij inspectie viel de passangrahan nog al mee. Waarachtig, het gelukte
-den loerah niet alleen zes hoofdkussens, maar ook zes bultzakken en
-zelfs zes rolkussens bijeen te brengen. Of ze zindelijk waren, kon bij
-het armoedige licht van het lampje, hetwelk in het midden van het
-vertrek hing, niet onderzocht worden. Maar de loerah had zichzelven
-overtroffen, want hij had ook nog voor zes stoelen gezorgd, die wel is
-waar kreupel en gebrekkig, maar toch bruikbaar waren, en als een
-weelde-artikel in eene dèsa als Kaligaweh aangemerkt moesten worden.
-
-Om nu evenwel al te gaan rusten, daartoe bestond weinig aandrang. De
-opgewektheid van zenuwen, ten gevolge van de spanning door die
-amokhzaak teweeggebracht, liet zich nog te veel gevoelen, dan dat aan
-slapen kon gedacht worden. Men greep de stoelen, bracht die op de
-aloon-aloon voor de passangrahan, schikte hen in een kring en nam nu,
-na eene geurige manilla-sigaar opgestoken te hebben, plaats. Van het
-verkrijgen van wijn of bier, was natuurlijk geen sprake geweest, nog
-minder van een grogje, hetzij van jenever of van brandy. Zoo iets treft
-men in geen Javaansche dèsa in de binnenlanden, als er tenminste geen
-Europeanen gevestigd zijn, aan. Maar de loerah had voor klapperwater
-gezorgd, en dat werd een overheerlijke drank bevonden, vooral wanneer
-hij afkomstig was van eene jonge noot, waarvan het vruchtvleesch zich
-nog slechts in den staat van witachtige gelei langs de wanden van den
-harden bast afgezet heeft.
-
-Het kringetje was ras onder een kolossalen Wariengienboom [91] gevormd,
-welks knoestige takken zich hoog en zeer ver uitspreidden, en zoo eene
-kruin vormden, die het grootste gedeelte der oppervlakte van de vrij
-ruime aloon-aloon overdekte en schaduw verleende, wanneer de zon of de
-maan in het zenith stond, en zoo den omvang van die kruin op den bodem
-nauwkeurig bepaalde. Van verreweg het meerendeel der horizontaal
-uitgespreide takken daalden bundels luchtwortels naar beneden, nu eens
-als een vinger, dan weer als een pijpesteel zoo dik, soms zoo fijn als
-een dun touw, die evenwel, bij het aanraken van den bodem, daarin
-doordrongen, om hulpstammen te vormen, die den reus zijnen last hielpen
-torsen. Van die bijstammen waren er velen te bespeuren, die rondom den
-hoofdstam een zuilengewrocht daarstelden, en den schoonen boom eene
-zekere mate van betoovering bijzetten.
-
-Het uitspansel was donkerblauw en buitengewoon helderrein. De sterren
-fonkelden aan den hemel, hoewel het zachte maanlicht haar veel afbreuk
-deed, en haren glans aanmerkelijk verbleekte.
-
-Eigenaardig aan de nachten, onder den blooten hemel in tropische
-gewesten doorgebracht, was het volstrekt niet stil in de natuur. Een
-zacht windje deed toch de millioenen bladeren van den kolossalen wilden
-vijgeboom ritselen, en vormde dat met de overige geluiden, die vernomen
-werden, als het ware den grondtoon van het concert, dat door
-onzichtbare kunstenaars ten gehoore gebracht werd. Van tijd tot tijd
-koerde in weerwil van het vergevorderde nachtelijk uur eene woudduif in
-de onmetelijke kruin van den Wariengien, en werd door haar gaaiken
-beantwoord; nu en dan liet zich een haan door de heldere maanstralen
-verschalken, en dacht hij met zijn opwekkend kukelukuku, uit volle
-borst aangeheven, den aanbrekenden dageraad reeds te begroeten; hier en
-daar weerklonk het scherpe gepiep van de vele vleermuizen, die rondom
-onder de loofkruin vlogen, en bij hare jacht op insecten, een waren
-doolhof van in elkander grijpende kringen, spiralen, ellipsen, ovalen,
-enz. beschreven, soms ook weerklonk het akelige gekrijsch van een paar
-„kalongs”, [92] die met zacht onhoorbaren vlerkslag, in den eenen of
-anderen vruchtboom van de dèsa waren neergestreken, en daar om het
-ongestoorde bezit van eene heerlijke „manga” of „kwennie” [93]
-plukhaarden. Maar al die geluiden, aangenaam of onaangenaam, konden als
-solopartijen beschouwd worden van het naamlooze concert, dat overal
-heerschte, hoewel de uitvoerders daarvan niet te bespeuren waren. In
-dit nachtelijk uur toch weerklonk allerwegen, waarheen men het oor ook
-wendde, een snerpend fijn trillend geluid, dat zich nu eens zóó sterk
-liet hooren, dat het gehoorvlies er onaangenaam door werd aangedaan,
-dan weer zacht vervloot als het gesuis van een schier onmerkbaar
-briesje langs een graanveld, soms plotseling als op een gegeven teeken
-ophield, alsof het ’t zacht lispelen der Wariengienbladeren wilde laten
-vernemen, om echter even onverwacht weer met vernieuwde kracht in koor
-te hervatten, en alles te overstemmen. Dat waren millioenen „tongeret
-oetan,” [94] eene soort groen-roodkleurige cicade, die op iedere
-grasspriet van de aloon-aloon, op iedere bladpunt van den onmetelijken
-Wariengienboom gezeten, dat schril concert ten gehoore, en in
-letterlijken zin de lucht soms in trillende beweging brachten.
-
-Of deze verschillende geluiden de aandacht onzer jagers boeiden? Of zij
-gehoor verleenden aan die tonen, welke een intertropischen nacht meer
-levendigheid schenken, dan aan het middaguur, wanneer de zon in het
-toppunt staat, en alles in de natuur aamechtig doet zwijgen? Of zij oog
-hadden voor den heerlijken nacht met zijn verkwikkend windje, met
-zijnen schitterenden sterrenhemel, met zijn fraai en zacht maanlicht,
-dat zulke grillige maar bevallige schaduwen vormde? Het is te
-betwijfelen. Het gesprek dier jonge mannen liep toch—en zulks kan geene
-verwondering baren—over de gebeurtenissen van den dag. Het tooneel van
-maatschappelijke ellende, dat men onder de oogen had gehad, was te
-aangrijpend geweest, om nu reeds verdrongen te worden. Die moordzaak
-werd van alle kanten bekeken; maar, nadat men het verhaal van het
-gebeurde vernomen had, hetwelk Verstork, alvorens te gaan schrijven,
-medegedeeld had, was de deernis met Setrosmito en zijn gezin groot.
-
-„Welke ellende baart die gevloekte opiumpolitiek toch niet op dit
-overigens zoo gezegende eiland,” sprak Grashuis. „Is het niet om zich
-van schaamte het aangezicht te moeten sluieren, dat onder de inkomsten
-van het Nederlandsche budget zoo’n bron aangetroffen wordt?”
-
-„Tu, tu tu!” antwoordde Van Beneden. „Die bron—ge bedoelt toch de
-opiumpacht niet waar—is geheel en al gelijk te stellen met eene
-verbruiksbelasting op een weelde-artikel.”
-
-„Accoord,” zei Grashuis, „maar wie leerde den bewoners van den
-Indischen archipel dat weelde-artikel kennen?”
-
-„Wel, dat weet ik niet. Het zal daarmee gegaan zijn als met den sterken
-drank. Van waar is dat distillatieproduct afkomstig? Wie vond het uit?
-Ik geloof dat daarop moeielijk een bevredigend antwoord te geven is.
-Dat kan met zekerheid verklaard worden, dat de uitvinding van de opium
-niet op rekening van de Nederlanders kan gesteld worden.”
-
-„Zeer juist, ofschoon ik aarzelen zou, dat negatieve certificaat, als
-bewijs van goed gedrag aan te nemen,” antwoordde Grashuis gemelijk.
-
-„Te minder,” merkte Grenits op, „daar het Nederlandsche geweten, is het
-dan ook onschuldig aan de ontdekking van de opium, niet vrij te pleiten
-is, van met den invoer van de opium begonnen te zijn, en...”
-
-„Kom, gekheid!” viel Van Rheijn in. „Dat is eene bewering, die wel den
-toets van het onderzoek niet doorstaan kan! Neemt men Baud’s bekende
-Proeve [95] ter hand. dan leeren wij, dat de Oostersche volkeren als
-Turken, Perzen, Arabieren en Hindoe’s al reeds sedert vele, zeer vele
-eeuwen aan het opiumverbruik verslaafd zijn. Het is dus aannemelijk,
-dat toen de Nederlanders voor het eerst in Indië kwamen, zij er de
-gewoonte om opium te schuiven reeds vonden...”
-
-„Mis, waarde ambtenaar,” viel hem Grenits in de rede. „Diezelfde Baud,
-dien ik evenals gij als eene autoriteit beschouw, verklaart niet te
-hebben kunnen ontdekken, wanneer het gebruik van opium in
-Nederlandsch-Indië is aangevangen. Mij dunkt, dat zoo’n bekentenis in
-den mond van dien Staatsman kenmerkend is. Had hij toch in zijne
-geschiedenis kunnen staven, dat het gebruik van de opium bij de komst
-der Nederlanders in Indië reeds ongeveer verbreid was, geloof dan vrij,
-dat hij die wichtige bizonderheid voor de eer onzer natie niet zou
-verzwegen hebben. Ik ga verder. Baud zelf komt later in zijne Proeve
-tot de meening, dat toen de Europeanen zich in den loop der XVIde eeuw
-in de Indische wateren begonnen te vertoonen, het opiumverbruik slechts
-in de Molukken bekend was, en dat voor het overige gedeelte van den
-Indischen Archipel kan aangenomen worden, dat dit verbruik zich
-bepaalde tot eene zeer geringe hoeveelheid ten dienste van vreemde
-oosterlingen, die zich in sommige havenplaatsen gevestigd hadden.”
-
-„Is die uiting niet als een personeele opvatting van Baud te
-beschouwen?” vroeg Van Rheijn. „Wat zegt gij er van?” vervolgde hij
-zich tot Van Nerekool wendende. „Baud was toch een tegenstander van het
-opiumgebruik.”
-
-Maar de aangesprokene, afgetrokken en in zijne overpeinzingen verdiept
-als hij was, antwoordde hem niet. Het stond te bezien, of hij de vraag
-wel gehoord had. Grenits haastte zich evenwel te antwoorden:
-
-„Baud een tegenstander van het opiumgebruik!... Waaruit hebt gij dat
-gehaald? Toch niet uit zijne Proeve? Die is met de meest mogelijke
-onpartijdigheid samengesteld. Hij behandelt slechts de nadeelige
-uitwerking van het heulsap met de meeste omzichtigheid, en in zijn
-geheelen arbeid wordt geen spoor van een schema van een ontwerp ontdekt
-om dat verbruik tegen te gaan. Gij spreekt evenwel van Baud’s
-personeele opvatting?..... Maar die opvatting omtrent het verschijnen
-van de opium in Indië wordt geschraagd door de reisverhalen van eene
-menigte merkwaardige zeereizigers uit die dagen. Ziet de Itinerario’s
-ofte voyages b. v. van Van Linschoten, van Cornelis Houtman, van
-Wybrand, Van Warwijck, van den admiraal Matelief en van zooveel andere
-verdienstelijke vaderlanders uit ons heldentijdvak, dan zult gij
-bemerken, dat Baud in die opvatting volstrekt niet alleen staat.”
-
-„Wat drommel, vanwaar komt gij als koopman aan al die wetenschap?”
-vroeg Van Rheijn niet zonder scherpte. Bij zoo’n discussie trad toch de
-gewapende vrede tusschen den koopmans- en den ambtenaarstand, die in
-Indië meer nog dan elders op die van kat en hond, welke genoodzaakt
-zijn te samen op een erf te leven, gelijkt, eenigszins op den
-voorgrond.
-
-„Wel, juist als koopman, heb ik eene studie gemaakt niet alleen van de
-voortbrengselen van den Archipel, maar ook van de artikelen, die
-voordeelige uitkomsten beloven,” antwoordde Theodoor.
-
-„En dat doet de opium voorzeker. Daarom zou die handelsstand dat
-artikel wel in zijne handen wenschen,” hernam Van Rheijn vinnig.
-
-„Wat sommige handelaren wenschen, weet ik niet, en wil ik niet weten,”
-antwoordde de andere koeltjes. „Maar ik zou uit zoo’n bron geen
-voordeel willen hebben, en ik ben er zeker van, dat vele, zeer vele
-vakgenooten daaromtrent eenstemmig met mij denken. Het bewijs, dunkt
-me, ligt kenmerkend in de omstandigheid, dat voor zoover mij bekend is,
-nimmer eene Europeesche firma als opiumpachter opgetreden is.”
-
-„En de Nederlandsche Handelmaatschappij dan?” vroeg Van Rheijn ietwat
-hoonend.
-
-„De Nederlandsche Handelmaatschappij is als eene laatgeboren spruit der
-Oost-Indische Compagnie, onzaliger nagedachtenis, te beschouwen, en als
-het ware geïdentifiëerd met de Nederlandsche Regeering, wier winkelier
-zij is in de kruideniersaffaire, aan te merken. Het opiummonopolie
-wordt door den Staat gedreven; was het wonder, dat de „Companie ketjil”
-[96] als opiumpachter optrad? Toch heeft het niet lang geduurd, dat dit
-Europeesch handelslichaam, die eervolle betrekking behield. Volgens
-Baud, trok de Regeering niet genoeg winsten uit die verpachting, zoodat
-zij het andermaal met Chineezen wilde beproeven, die meer tuk op
-voordeel, dien heilloozen handel tot zijnen hoogsten bloei zouden
-brengen. Van een anderen kant, wanneer ik de namen der Nederlandsche
-geslachten zie, wier hoofden toen der tijd de bestuurders en leden van
-de Nederlandsche Handelmaatschappij waren, dan vermag ik de gedachte
-niet te onderdrukken, dat die voorname lieden geen leedgevoel zullen
-ondervonden hebben, toen die vuile bron van winstbejag voor hen
-verstopt werd.”
-
-„Wat leutert ge toch van vuile bron van winstbejag,” viel Van Rheijn
-korzelig in. „Drijft de Handelmaatschappij geen handel in jenever?
-Verkoopt uwe firma dien drank niet? Zult gij, als gij eenmaal aan het
-hoofd van een huis zult staan, iederen handel in sterken drank laten
-varen?”
-
-„Evenals zoovele anderen stelt gij dus het opium-verbruik met het
-jenever-verbruik gelijk?” viel Grenits in. „Ziet, gij en de velen, die
-dat hier te lande en daar ginds in Nederland verkondigen, doen veel
-meer kwaad, dan zij wel gissen kunnen, hoewel er verscheidene onder
-zijn, die met behoorlijke kennis van zaken toegerust spreken, en
-bijgevolg den omvang hunner woorden peilen kunnen; maar daarbij een
-doel najagen, waaraan eerzucht in den regel niet vreemd is; terwijl de
-anderen slechts praten, om hunne toehoorders aangenaam te stemmen. Want
-o! het klinkt zoo verkwikkend voor Nederlandsche ooren, wanneer
-menschen, die in de Oost geweest zijn, en het dus weten moeten, met
-zoetsappige spraak verkondigen: „och, de opium is zoo’n groot kwaad
-niet. De mensch heeft soms een prikkel, eene opwekking noodig. Ziet, de
-heer Schaepman, die het toch wel goed met zijne schaapjens zal meenen,
-misgunt den man een paar borrels jenever niet. Laten wij dat
-geestelijke voorbeeld volgen, en den Javaan zijne opiumpijp niet
-misgunnen. Opium en jenever staan op dezelfde lijn!” Ziet, dan openen
-zich de ooren, die anders vrij wel gesloten bevonden worden, en dan
-volgt menig beamende hoofdknik; want.... men acht zich dan van de
-verplichting ontheven, om een einde te maken aan een zoo smerige bron
-van inkomsten als het opium-monopolie is.”
-
-„Welnu, mijn waarde Grenits, vergeef mij, maar ik behoor ook tot de
-lieden, die niet alleen die stelling met een beamenden hoofdknik
-bevestigen, maar haar ook luide verkondigen durven. Ik houd staande,
-dat beide artikelen: jenever en opium, als bedwelmings-middelen op
-gelijke lijn staan, dat beide nadeelig te noemen zijn; het eene
-wellicht niet in zoo’n hoogen graad dan het andere.”
-
-Het was Van Beneden, die zoo Van Rheijn te hulp kwam. Deze laatste keek
-zegevierend rond en riep uit:
-
-„Ziet ge wel? Ik sta met mijne meening niet alleen. Bravo, August!”
-„Zeker is ook het gebruik van jenever nadeelig te noemen....”
-
-„Pas op, dat de leden der Witte sociëteit in den Haag dat niet hooren!”
-viel Grashuis lachend in.
-
-„Want,” ging Grenits onverstoorbaar voort, „dat gebruik vloeit voort
-uit zucht naar verdooving en genot, uit zwakheid van wil, die het
-bevredigen van die zucht, zij het ten koste van welvaart, huiselijk
-geluk en gezondheid in de hand werkt. Ik zou den arbeid van father
-Mathews, den Ierschen matigheids-apostel en van andere
-afschaffings-vrienden niet moeten kennen, om dat over het hoofd te
-zien. Maar, vergeeft gij mij op uwe beurt, wanneer ik de meening
-aankleef, dat, nu gij het opiumverbruik met dat van jenever op ééne
-lijn stelt, gij niet op de hoogte van bewezen daadzaken, niet op de
-hoogte der koloniale litteratuur in zake opium zijt. Vaderlandsche
-mannen toch als Van Linschoten, Valentijn, Baud, Van Dedem en zoo vele
-anderen brandmerken de opium als aphrodisiacon, of duidelijker als een
-middel tot opwekking van erotische driften. Eerstgenoemde deelt in
-zijne reisbeschrijving openlijk bizonderheden omtrent de uitwerking van
-het opiumverbruik mede, die van zoo’n aard zijn, dat, hoewel wij
-slechts mannen onder elkander zijn, ik er toch voor terugdeins die
-bizonderheden te herhalen. Vreemdelingen bevestigen dat oordeel
-volkomen. Een beroemd Chineesch geleerde, wiens naam mij ontschoten is,
-[97] schreef reeds in de XVIde eeuw, dat het gemeene volk in China de
-opium als aphrodisiacon gebruikte. De Russische geleerde Von Miclucho
-Maclay [98] schreef in 1873, nadat hij eene proef met opiumschuiven te
-Hongkong genomen had, bizonderheden in zijn dagboek ter neer, die ik
-uwe ooren besparen wil. Mijn dunkt, dat zoo iets te denken geeft. En
-wanneer nu mannen als Rochussen, Loudon, Hasselman, Van Bosse, [99] en
-zoovele anderen, die, hetzij als Gouverneur-Generaal, hetzij als
-Minister van Koloniën, enkelen hunner in beide betrekkingen, optraden,
-in de volle Vertegenwoordiging, van de opium spraken als van een kwaad,
-van een allergrootst kwaad, van eene vergiftiging, van eene verpesting,
-dan zal men mij gevoegelijk toe kunnen geven, dat de uitwerking en de
-gevolgen van het opium-verbruik van eenen anderen aard en oneindig
-heilloozer zijn, dan die van het alcohol-verbruik.”
-
-„Zou niet eens eene proef met opium schuiven te nemen zijn?” vroeg Van
-Beneden. „Ik zou die uitwerking wel eens willen ondervinden.”
-
-„Ik ook,” antwoordde Van Rheijn. „En die wensch zal wel te volbrengen
-zijn.”
-
-„Hoe zoo?” vroeg Grashuis. „Opium is toch zoo gemakkelijk niet te
-verkrijgen voor ons Europeanen. Wij kunnen toch niet in eene kit gaan
-schuiven tot spot van het volk.”
-
-„Luister. Ik tel onder mijne kennissen Lim Ho, de zoon van den
-opiumpachter. Die zal mij wel eenige madat-balletjes verschaffen.”
-
-„Clandestiene?” vroeg Grenits lachende. „Gij weet de opiumpachters zijn
-de grootste smokkelaars.”
-
-„Om het even. Opium is opium. Ik zal ook wel eene pijp machtig worden.
-Zoodra ik die dingen heb, zal ik ulieden waarschuwen, dan vergaderen
-wij ten mijnen huize. Wij zullen hartenazen, wie zich aan de proef zal
-onderwerpen. Die door het lot aangewezen wordt, zal schuiven, terwijl
-de anderen toezien en hunne opmerkingen maken zullen. Is dat
-afgesproken?”
-
-„Ja, ja!” was de algemeene kreet, waarmede Van Nerekool, steeds
-afgetrokken als hij was, niet instemde.
-
-„In afwachting van den uitslag der proef evenwel,” ging Van Rheijn
-voort, „kan ik niet nalaten te betuigen, dat vriend Grenits zijne
-stelling uitstekend verdedigd heeft. Waarlijk, ik had zoo veel
-zaakkennis omtrent het opium-monopolie niet bij een handelsman
-verwacht....”
-
-Deze glimlachte bitter. Och, zoo’n oordeelvelling vanwege iemand uit
-het ambtenaarskorps was voor hem niets ongewoons.
-
-„Maar,” ging de aspirant-controleur voort, „hij zal mij nimmer
-overtuigen, dat de opium meer onheilen sticht, meer rampen over het
-volk uitstort, dan sterke drank zou doen.”
-
-Verstork, die gedurende dat gesprek zijne beknopte berichten aan de
-autoriteiten te Santjoemeh beëindigd en verzonden had, was intusschen
-nabij getreden en had zoowel de tirade van Grenits omtrent het
-heillooze van het opium-verbruik als ook de laatste bewering van Van
-Rheijn gehoord. Hij mengde zich terstond in het debat.
-
-„Kom,” sprak hij, „de gelegenheid om ons te overtuigen, omtrent hetgeen
-Grenits beweert, is te schoon, om niet te worden benuttigd. Wij
-bevinden ons in een der meest rampzalige dèsa’s, in een der meest
-waarneembare slachtoffers van het opium-monopolie. Het is nog zoo lang
-niet geleden, dat Kaligaweh als een der welvarendste en netste dorpen
-kon aangemerkt worden. De opiumkit is gekomen en.... kijkt rondom u;
-alles is even vervallen en verwaarloosd. De hutten storten schier in;
-de wegen naar en door de dèsa zijn modderpoelen gelijk; van de
-sierlijke heggen, welke die wegen en de erven der ingezetenen vroeger
-omzoomden, is geen spoor meer te vinden. Kom, het is nog pas tien uur,
-de kit is nog open [100]; daarenboven de bewoners, door die moordzaak
-opgewekt, door de tegenwoordigheid van zooveel blanken in hunne dèsa
-verontrust, zijn nog allen wakker. Wij kunnen dus de oogen den kost
-geven, en onze weetgierigheid bevredigen.”
-
-Allen waren opgesprongen om den controleur te volgen. Alleen Van
-Nerekool bleef met het hoofd in de handen rustende, wezenloos zitten.
-
-„Kom meê, Karel,” sprak Verstork, terwijl hij hem de hand op den
-schouder legde.
-
-De jeugdige rechterlijke ambtenaar sprong schier verschrikt op.
-
-„Waarheen?” vroeg hij zoo onthutst, dat het blijkbaar was, dat hij met
-zijn brein elders gedwaald had.
-
-„Kom, naar de opiumkit.”
-
-„Naar de opiumkit?” vroeg Van Nerekool ontsteld. „Om wat te doen? Ge
-wilt toch niet....”
-
-„Schuiven, nietwaar? Neen,” vervolgde Verstork bij zijne aarzeling.
-„Neen, wij gaan maar kijken. Maar, bereidt u voor op onsmakelijke
-gezichten; want ik geloof, dat het bezoek aan de kit heden nacht
-talrijk is. Maar.... wacht, willen wij volledige kennis betreffende
-land- en volkenkunde opdoen, dan....”
-
-En zich tot een der oppassers wendende, die steeds in de nabijheid van
-den ambtenaar van Binnenlandsch Bestuur verwijlden:
-
-„Sariman,” sprak hij, „roep dadelijk de twee Chineezen van de opiumkit
-hier. Maar dadelijk, ik moet hen noodzakelijk terstond spreken.”
-
-„Engèh Kandjeng toean!”
-
-„Een oogenblik wachten, heeren! Anders zou het meest interessante
-schouwspel voor onze land- en volkenkundige nasporingen een gesloten
-boek wezen.”
-
-Het wachten duurde evenwel slechts zeer kort. De beide Chineezen kwamen
-ijlings aangeloopen, door den politie-agent tot spoed aangezet, met een
-ijverig:
-
-„Eo! lakas! lakas! Kandjeng toean pangil!! (Kom! gauw! gauw! de
-verheven heer roept).”
-
-Toen de Chineezen bij den groep Europeanen aangekomen waren, sprak de
-controleur tot zijn gezelschap:
-
-„Laat ons nu gaan.”
-
-„Maar, mijnheer heeft ons laten roepen,” sprak een der Chineezen
-brutaal, toen hij zag, dat de controleur zich niet om hen bekommerde.
-
-„Stil, babah!” zei de heer Verstork. „Wij willen de opiumkit bezoeken.
-Wees ons geleide.”
-
-„De opiumkit bezoeken?” kreet de babah. „Maar dan zal ik gaan...”
-
-„Hier, bij mij blijven! Alle twee!” sprak de controleur op bevelenden
-toon.
-
-De beide Chineezen wisselden een blik met elkander; maar kikten geen
-woord, en volgden de blanke heeren.
-
-De kit lag achter de missighiet, die zich aan de oosterzijde van de
-aloon aloon bevond; zoodat de bezoekers slechts een honderdtal passen
-af te leggen hadden, om die philantropische inrichting der
-Nederlandsche overheerschers te bereiken.
-
-Neen, het was geen gebouw, dat, in het bewustzijn een der talrijke
-zuigers te zijn, waardoor de Nederlandsche schatkist gevuld heet te
-worden, trotsch en fier zich verhief!
-
-Neen, aan het uiterlijke was niet te ontdekken, dat het een der
-toevoerbuizen was van het opium-monopolie, die vreeselijke zuig- en
-perspomp, die millioenen en nog eens millioenen in de Nederlandsche
-schatkist doet stroomen.
-
-Neen, driemaal neen! Het was slechts een armzalig, vuil, smerig
-bamboegebouwtje, meer aan eene keet of schuur gelijk, waarvan de
-omwanding bij den grond gedeeltelijk verrot was, en die eigenaardige
-muffe lucht van in verderf verkeerende bamboe verspreidde, waarvan het
-atappen-dak zichtbaar onder den last der jaren doorboog, en op het
-hoofd der bezoekers dreigde neer te komen. Het innerlijke beantwoordde
-volkomen aan het uiterlijke. Zeer laag van verdieping, was de
-binnenruimte tusschen die muffe wanden en onder dat half vergane dak
-uiterst bedompt; terwijl daarenboven de vochtige atmospheer, die er
-heerschte, nog doortrokken was met die akelig weeë zoete lucht, die
-verbrand wordende opium steeds en onbedriegelijk kenmerkt. De naakte
-bodem diende tot vloer, maar was niet aangestampt, zooals gewoonlijk in
-Javaansche huizen geschiedt. Integendeel, die vloer was hobbelig, hier
-en daar met zwart-glimmende bulten bezaaid, die onder den naakten voet
-der Javaansche, of onder het hardlederen schoeisel der Chineesche
-bezoekers akelig glanzend gepolijst waren. Hier en daar was bij het
-zwakke schijnsel eener onzindelijke petroleum-lamp eene vochtige plek,
-soms een poeltje te ontdekken, gevuld met groenachtig bruin water van
-zeer verdachte herkomst, dat er het zijne toe bijdroeg, om èn de
-gezichts- èn de reukorganen uiterst onaangenaam aan te doen. Bij het
-binnentreden door de lage deur wilde een der Chineezen iets uitroepen;
-maar Verstork, die hem in het oog hield, greep hem bij den arm en
-fluisterde hem dreigend toe:
-
-„Diam, (stil) babah!”
-
-Eene smalle vierkante ruimte strekte zich thans voor de bezoekers uit,
-die begrensd werd door een wand, waarin twee deuren en eene
-loketopening op te merken waren.
-
-„Die eene deur daar,” legde de controleur uit, „geeft toegang tot een
-vertrekje, waarin een der kithouders gewoonlijk zetelt, om door die
-loketopening roode papiertjes, overdekt met Chineesche karakters, aan
-de koopers uit te reiken. De opiumverbruiker voorziet zich daar tegen
-kontant geld van zoo’n papiertje, dat voor eene grootere of kleinere
-hoeveelheid tjandoe, naarmate van den prijs die geofferd wordt, geldig
-is. Met dat papiertje verdwijnt hij door die deur.”
-
-„Wat een smerige boel hier,” merkte Grashuis op.
-
-„O, dat is nog maar de voorhof,” antwoordde Verstork. „Komt, volgt
-mij.”
-
-Hij schoof de tweede bamboedeur ter zijde, die niet middels scharnieren
-draaide, maar krakend en piepend met lussen over een glad stuk hout
-gleed. Men trad nu een gang binnen, die volkomen donker zou geweest
-zijn, wanneer hij niet verlicht ware, door de zwakke stralen van
-ellendige olielampjes, die door de veelvuldige reten der
-bamboeomwanding drongen, welke den gang begrensde. De atmospheer was
-hier nog bedompter, de akelige geur der madat nog weeër. De vloer was
-hier zoo hobbelig, zoo glibberig en morsig, dat er veel behoedzaamheid
-noodig was, om ter been te blijven, en zich niet in den zeeperigen
-modder uit te strekken. Die gang maakte het middengedeelte van het
-gebouw uit, en strekte zich langs twee rijen vierkante hokjes, ieder
-twaalf in getal, waarin de binnenruimte van die keet afgedeeld was. De
-onderlinge scheidingswanden waren slechts ter hoogte van ongeveer
-anderhalven meter opgetrokken, zoodat van het eene hokje in het andere
-te zien was. Door middel van bamboedeuren hadden die hokjes met den
-gang, waarin onze Europeanen stonden, gemeenschap.
-
-„Mogen wij zoo eene deur openen?” vroeg Van Beneden, die reeds de hand
-daartoe uitstak.
-
-„Tida bolèh, toean!” (dat mag niet, heer) riep een der Chineezen, die
-de beweging bespeurde en daardoor de vraag begreep.
-
-„Diam loe!” (stil, jij) beval de controleur met gedempte stem. „Ga
-buiten den gang!”
-
-En zich tot zijn gezelschap wendende, nadat de Chinees zich verwijderd
-had, vervolgde hij:
-
-„Het zal wel onnoodig zijn die hokken binnen te treden. De reten van de
-deuren en van de omwanding veroorloven voldoende het innerlijke gade te
-slaan. De bespieding zal ons doel tot nasporing van hetgeen er in zoo’n
-opiumkit omgaat, meer bevorderlijk zijn dan een openlijk binnentreden.
-Kijk, hier hebt gij een opiumschuiver in het eerste stadium der
-narcotische bedwelming.”
-
-En inderdaad, daar lag een Javaan op de baleh-baleh—meubel dat in ieder
-hokje der opiumkit aanwezig was—half op de zijde uitgestrekt. Zijn
-hoofddoek had hij afgesmeten, zoodat zijn lange haren over het
-walgelijk vieze hoofdkussen, dat op die rustbank aangetroffen werd,
-zwierden. Hij hield de oogen, die eenen extatischen toestand verrieden,
-half gesloten, en bracht met de rechterhand den kleinen kop van de
-opiumpijp aan de vlam, die boven een klein oliekommetje, van een dun
-pitje voorzien, flikkerde, waarbij het hoofd, eenigermate door de
-linkerhand gesteund, voorover boog, en den dikken bamboesteel van de
-pijp tusschen de lippen nam. Zoo haalde hij uiterst langzaam den rook
-van de verbrand wordende opium binnen. Daarmede klaar, liet hij den
-steun der linkerhand varen, en wentelde zich, terwijl hij de pijp los
-liet, op den rug, waarbij het hoofd, achterover gebogen op het kussen
-kwam te rusten. De schuiver sloot nu de oogen geheel, en deed zichtbare
-poging om den ingezwelgden rook in te slikken, blijkbaar uit de
-bewegingen van keel, sleutelbeenderen en borstkas. Toen dat gelukt
-scheen, bleef hij rustig liggen, terwijl een waas van tevredenheid, van
-genieten zich over zijn gelaat spreidde. Dat waas vormde een schril
-contrast met het overige uiterlijk van den man, zelfs met dat gelaat,
-waarop het zetelde. Alvorens toch op de baleh-baleh plaats te nemen,
-had hij zijn badjoe uitgeworpen en lag nu slechts met zijn sarong, een
-walgelijk vies vod, gedekt, uitgestrekt.
-
-De man was mager als een geraamte, en had gevoegelijk eene plaats in
-den Danse Macabre kunnen innemen. Bij de spaarzame verlichting van de
-kleine palita waren zijne ribben gemakkelijk te tellen, en vertoonden
-die eene reeks van slagschaduwen, welke ontwaren lieten, hoe diep de
-vakken tusschen het beenderen-traliewerk weggeslonken waren. Zijne
-armen waren aan dunne stokjes gelijk, die met eene fletsbruine
-lederhuid overtrokken zouden zijn. Van de beenen was onder den sarong
-niets te bespeuren; maar dat zij even dun en even vleeschloos waren als
-de armen, viel uit de voeten op te maken, die onder dat kleedingstuk
-uitstaken, en door hun skeletachtig uiterlijk een ontleedkundige in
-verrukking zouden hebben gebracht.
-
-Nadat de man den ingeslokten rook een wijl in den maag gehouden had,
-liet hij hem in uiterst fijne spiralen door de opengespalkte neusgaten
-ontsnappen, hetgeen een zeker tijdsverloop vorderde. Toen wentelde hij
-zich op zijde, en scheen in een diepen slaap gedompeld te zijn.
-
-Op dat gezicht sloop eene vrouwelijke gestalte, die in een donkeren
-hoek van het hokje neergehurkt had gezeten en door onze bespieders
-onopgemerkt was gebleven, naar buiten. De ongelukkige was daar aanwezig
-geweest om.... Bij haren spoed om het vertrekje te verlaten, liep zij
-haast de Europeanen tegen het lijf.
-
-„Astaga! Sejthan!” (O hemel! De duivel!) mompelde zij, zonder iemand in
-dien donkeren gang te herkennen, en schoof ijlings een belendend
-vertrek binnen.
-
-Daar was het gezicht, hetwelk zich voordeed, aangrijpender. Een oude
-Javaan lag daar ook op de baleh-baleh uitgestrekt. Mager, hoekig en
-uitgeteerd was hij als de eerste, die gadegeslagen werd. Hij had meer
-dan één balletje madat verrookt, en bevond zich dan ook in een anderen
-zielstoestand. Zijne diepliggende oogen schitterden met ongewoon vuur,
-zijne borst hijgde en zijn gelaat werd door een beestachtigen glimlach,
-waardoor de onderkaak ver voorbij de bovenkaak vooruitstak, ontsierd,
-en er den stempel van de onedele natuurdrift, die hem beheerschte, op
-zette. Ook deze lag met het bovenlijf bloot; maar bij den hartstocht,
-die zijn lichaam deed trillen en bewegen, had hij ook nog den sarong
-losgeworpen, en lag daar in denzelfden staat als waarin de dronken
-aartsvader Noach door zijn zonen aangetroffen werd.
-
-Toen de krakende deur aan het vrouwmensch doorgang had verleend, beet
-hij haar toe:
-
-„Waar ben je zoo lang gebleven? Kom, gauw, maak mij andermaal een pijp
-klaar!”
-
-Het wezen gehoorzaamde zonder iets te antwoorden. Zij trad op de
-baleh-baleh toe, nam wat tjandoe uit een doosje, liet dat boven de vlam
-van de palita eenigszins week worden, vermengde het daarna met wat
-uiterst fijn gesneden tabak, en rolde er tusschen hare vingeren een
-pilletje van ter dikte van eene groote erwt, dat zij in het pijpenkopje
-plaatste. Gedurende die bewerking reeds had de opiumschuiver in zijne
-hartstochtelijke opgewondenheid de kabaja van dat vrouwelijke wezen
-opengerukt, en zich aan de meest onkiesche betastingen overgegeven, die
-zij toeliet, alsof het zoo hoorde. Toen zij zich voorover boog, om hem
-de gereedgemaakte pijp aan te reiken, omvatte hij haar middel met den
-eenen arm, sleurde haar met de andere hand den sarong van het lijf,
-trok haar op zich en overdekte, terwijl zijne oogen daarbij van
-koortsachtigen hartstocht uitpuilden, hare wangen, haren hals, hare
-borst, met snuivende kussen. Hij....
-
-„O, het is walgelijk, wat hier gebeurt!” riep Grashuis uit. „Kom laat
-ons weggaan!”
-
-„O, God,” liet zich een kreet verder in den gang hooren. „Dat is
-infaam! Gebeurt zoo iets? Kom, naar buiten! Naar buiten, vrienden!
-Anders valt het vuur des hemels op ons!”
-
-Het was Van Beneden, die een paar passen verder in den donkeren gang
-getreden was, en in een belendend vak gegluurd had. Hij stormde naar
-buiten en trok zijne vrienden met zich mede.
-
-„Wat is er toch geschied?” vroeg Grenits.
-
-„O, hoe zal ik u kunnen vertellen, wat ik gezien heb,” antwoordde
-August gejaagd. „Kom, voort!”
-
-„Kom, geene jongejuffrouwenkuren,” sprak Grashuis, „wij zijn gekomen,
-om nopens de opium-gruwelen inlichting in te winnen. Wij moeten kunnen
-hooren, wat ieder onzer ervaren heeft. Wat hebt gij gezien, Theodoor?”
-
-„Vraag mij niet. Het is te gruwelijk!.... Zoo iets laat zich niet
-vertellen. En het slachtoffer van.... was een kind.... dat zich hevig
-verzette....”
-
-„Ja, ik meende geschreeuw te hooren,” zei Van Rheijn.
-
-„En daar is niets aan te doen? Kom, laten wij dat kind gaan ontzetten!
-Kom, Verstork, gij, als controleur....”
-
-Deze weerhield zijne makkers, die reeds weer naar binnen wilden
-dringen.
-
-„Ik zal mij wel wachten in eene opium-zaak tusschen beiden te treden,”
-sprak deze hoogst ernstig. „Te Batavia zou men mij al heel gauw als
-ongeschikt voor Binnenlandsch Bestuur veroordeelen, terwijl ik in mijn
-chef den resident Van Gulpendam geen steun zou vinden, hoe groot de
-gruwel ook is. Mijne loopbaan zou onherroepelijk gebroken zijn. Ik ben
-dus verplicht ter wille van den Nederlandschen Mammon Gods water over
-Gods dijk te laten loopen....”
-
-„Maar ik, die zulke consideratiën niet te maken heb, ik zal....”
-
-„Blijf!” zei Verstork tot Grenits, die zich reeds gereed maakte om
-andermaal de kit in te dringen. „Blijf, ik ben in uw gezelschap; al
-traadt gij alleen binnen, gij zoudt niet verhinderen kunnen, dat ik in
-de zaak betrokken zou worden.... Ik bid u dus.... Daarenboven, daar
-komt het kind reeds naar buiten....”
-
-En werkelijk een Javaantje van nauwelijks tien jaren trad naar buiten,
-en liep de Europeanen snikkende voorbij.
-
-„Het is schrikkelijk!” stoof Grenits op. „En bij zulke gruwelstukken
-werkeloos te moeten blijven! Ik zou willen.... Maar....” wendde hij
-zich tot Van Beneden, „zult gij nu nog blijven beweren, dat de opium in
-uitwerking aan den jenever gelijk is?”
-
-August antwoordde niet, maar zijn gelaat teekende diep-gevoelde
-verontwaardiging.
-
-„Kom,” sprak Verstork, hem trachtende te bedaren. „Kom, laten wij hier
-niet blijven staan, mannen, vrouwen en kinderen omringen ons reeds....”
-
-„Die stonden straks door de reten van de omwandingen die vreeselijke
-tooneelen gade te slaan,” viel hem Grenits in de rede.
-
-„En werden daarin door de pachters niet verhinderd, integendeel, met
-een grijnslach aangemoedigd,” sprak Van Beneden. „Dat zag ik wel.”
-
-„Kom, laten wij hier niet blijven staan,” zei Verstork. „Laten wij weer
-onder den Wariengienboom gaan zitten. Oppas,” zoo wendde hij zich tot
-een der politiedienaren in zijne nabijheid, „zeg tegen de dèsalieden,
-dat zij naar huis moeten gaan, het is tijd om te gaan slapen.”
-
-
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-HET OPIUM-MONOPOLIE.—EEN VERTROUWELIJK UURTJE.
-
-
-De bevolking van Kaligaweh gehoorzaamde gedwee, en weldra zaten onze
-Europeanen alleen onder de ver uitgestrekte kruin van den kolossalen
-wilden vijgeboom. Maar, hadden zij een poos te voren geen oogen gehad
-voor de schoonheden van den keerkringsnacht, die hen omringde; thans na
-dat bezoek aan de opiumkit hadden zij dat nog minder. Het gesprek liep
-natuurlijk, nadat zij gezeten waren, over het geziene.
-
-„Er waren vier en twintig deuren in dien gang, heb ik geteld,” sprak
-Grashuis, die als landmeter gewoon was met één blik eene plaatselijke
-gesteldheid te overzien, „dus ook vier en twintig van die hokken. Als
-allen... Het is jammer, dat wij ons hebben laten afschrikken, en ons
-onderzoek niet hebben doorgezet.”
-
-„Neen, het is beter zoo,” antwoordde de controleur. „Weinig van die
-hokken waren onbezet, en de tafereelen die gij onder het oog bij verder
-onderzoek zoudt gekregen hebben, zouden slechts in verscheidenheid van
-beestachtigheid afgewisseld hebben. Neen, ik herhaal het, het is beter
-zoo. Maar, wanneer ik u nu vertel, dat de dèsa Kaligaweh ongeveer 80
-huisgezinnen telt met eene bevolking van 600 zielen, waaronder 130
-werkbare mannen, en daar bijvoeg, dat zoo’n kit bijna drie vierde van
-de vier en twintig uren, die het etmaal vormen, geopend is, en wij
-bovendien bij het binnentreden der schamele hutten, nog menigen
-opiumschuiver zouden aantreffen dan kunt gij u een denkbeeld vormen van
-de uitgestrektheid van het opiumverbruik.”
-
-„Is het bekend, hoeveel Inlanders op de honderd opium gebruiken?” vroeg
-Grashuis die van cijfers hield.
-
-„Och, laten wij ons om geen getallen bekreunen, die vooral bij zoo’n
-rekening niets anders bewijzen dan de behendigheid van de vervaardigers
-der statistische tabellen in l’art de grouper les chiffres.”
-
-„En... wij weten,” vulde Grenits aan, „dat fiscale ambtenaren bij zoo
-iets voor niets terugdeinzen!”
-
-„Goed, dat Muizenkop u niet hoort!” merkte Van Rheijn lachende op. „Ge
-zoudt dien eens vuur zien vatten.”
-
-„Wat Kaligaweh betreft,” ging Verstork onverstoorbaar voort, „zou ik
-durven beweren, dat daarin geen tien mannen voorkomen, die vrij van
-opium-verbruik zijn...”
-
-„Bijna 93 ten honderd,” bromde Van Beneden, die hoewel rechtsgeleerde,
-nog al met statistische cijfers solde.
-
-„Mij is dat gebleken, toen ik een jaar geleden tot de vervanging van
-den loerah moest overgaan, die door overmatig misbruik van opium totaal
-ongeschikt was geworden, en ik er op stond dat een opiumvrije gekozen
-werd.”
-
-„Is dat gelukt?” vroeg Grenits.
-
-„Ja, met heel veel moeite. Ik had er toen aan gedacht, om Setrosmito,
-den armen drommel, die straks zijn kris trok, tot loerah te verheffen.
-De omstandigheid, dat hij niet lezen of schrijven kon, heeft mij
-weerhouden. Maar bij het toen ingestelde onderzoek is mij gebleken, dat
-ook vrouwen, en zelfs kinderen van acht en tien jaar oud, opium
-gebruiken, en de pijp van den vader uitkrabben [101] om zoo het
-noodlottige narcoticum machtig te worden. [102]
-
-„Maar Kaligaweh is waarschijnlijk slechts een uitzondering?” vroeg Van
-Beneden.
-
-„Volstrekt niet,” antwoordde Verstork met eenige drift, „Ik ben in vele
-residentiën gedurende mijne ambtelijke loopbaan geweest, maar ik durf
-beweren, dat de toestanden op opiumgebied daar aan die in de residentie
-Santjoemeh vrij wel gelijk zijn. Dèsa’s als Kaligaweh zijn er bij
-honderden te tellen.”
-
-„Gij zult de Preanger Regentschappen toch uitzonderen?” vroeg Grenits.
-
-„Zeker daar is het opiumverbruik streng verboden,” antwoordde Verstork.
-
-„En werkt die maatregel daar goed?”
-
-„Uitstekend.”
-
-„Dat’s zeker een proef, die het bestuur neemt, om bij welslagen den
-maatregel op geheel Java in te voeren?” vroeg Grashuis.
-
-„Neen, volstrekt niet,” antwoordde Verstork. „Vooreerst zou de proef
-als proef veel te lang duren; want het betrekkelijk besluit dagteekent
-reeds van 1824 [103]; dan ook werd die maatregel niet genomen om het
-opiumverbruik tegen te gaan, maar wel, omdat men vreesde, dat de
-bevolking koffie zou stelen om zich aan het amfioenschuiven te kunnen
-overgeven. [104]
-
-„Nog al leuk,” meende Van Rheijn.
-
-„Is er hondscher bekentenis mogelijk, dat het opiumverbruik de
-bevolking demoraliseert?” stoof Grashuis op.
-
-„Vraag u nu eens ernstig af,” sprak Grenits, „wanneer gij die
-bizonderheid voegt bij de afschuwelijke tooneelen, die ons onder de
-oogen kwamen, of het waar is, wat daar straks door Van Rheijn beweerd
-en door Van Beneden beaamd werd, dat namelijk het opiumverbruik met het
-alcoholverbruik op ééne lijn te stellen zou zijn? Neen, neen, neen! het
-is oneindig afschuwelijker, dat is mijne meening!”
-
-„En ook de mijne,” sprak Verstork. „Iedere poging om de uitbreiding van
-het opiumschuiven te breidelen, en het gebruik tegen te gaan, moet eene
-veel grootere daad van menschenmin gerekend worden, dan elke poging der
-afschaffings- en matigheidsvrienden met betrekking tot den sterken
-drank. Maar....”
-
-„Maar wat?”
-
-„Iedere poging om het opiumverbruik tegen te gaan, is een bresschot op
-het Nederlandsche budget gedaan.”
-
-„En als zoo iets in het spel komt, dan zijn de ooren daar ginds in den
-Haag erg doof,” grinnikte Grenits.
-
-„Wel, daarin hebben ze gelijk,” viel Van Rheijn in. „Ze kunnen daar de
-millioentjes, die door den opium opgebracht worden, onmogelijk missen.”
-
-„God sta mij bij!” viel Grenits in. „Welke redeneering! Wat zoudt gij
-zeggen van den dief, die zijne euveldaad verontschuldigde, met de
-bewering, dat hij het tientje hetwelk hij stal, noodig had om naar de
-bierkneip te gaan; of dat een moordenaar aanvoerde, dat hij zijn oom
-vergiftigd had, omdat hij de opengevallen erfenis gebruiken moest,
-om.... zijne maitresse te onderhouden?”
-
-„Ho, ho, ho!” protesteerden een paar stemmen. „Die vergelijking!”
-
-„Het beeld is niet gevleid, maar toch waar,” antwoordde Verstork.
-„Zoolang Nederland zich eene weelderige administratie als de hare
-veroorlooft en den opiumhandel, zooals hij bestaat, handhaaft, verdient
-het geen ander beeld dan dat van den man, die een tientje wegkaapt om
-naar den biertempel te gaan.”
-
-„Eerder dat van den man, die zijn bloedverwant vergiftigt, om zijne
-duiten machtig te worden. Dat beeld is juister,” voegde Grenits er aan
-toe. „Het valt niet te ontkennen, dat, heeft Nederland Indië steeds als
-eene melkkoe behandeld, in de laatste dagen het schrapen alle perken te
-buiten gaat.”
-
-„Ho, ho!” verhieven zich weer de stemmen van Van Rheijn en van Van
-Beneden als om te protesteeren.
-
-„Overdrijf ik? Zeg?.... Gaat men niet alle palen en perken te buiten
-met de belastingen, die men op de schouders van nijveren en handelaren
-gelegd heeft?”
-
-„Ja, maar in Nederland betalen ze ook belastingen,” meende Van Beneden.
-
-„Laat u behoorlijk inlichten, daar lang zooveel niet als hier!... Gaat
-men niet alle palen te buiten, met de lasten der Inlanders, die reeds
-zoo zwaar zijn, te verscherpen?”
-
-„Ja, ja! Zeer zeker!” sprak Verstork.
-
-„Gaat men niet alle perken te buiten, door ter wille van schraapzucht,
-het Indische leger te behandelen zooals men doet,” ging Grenits voort.
-
-„Hoe dan?” vroeg Van Rheijn onnoozel.
-
-„Met vrede te Atjeh te decreteeren, [105] die nog in de verste verte
-niet bespeurd kan worden, waardoor die zoo karig bezoldigden gladweg
-het hun toekomende onthouden wordt, en zij derhalve bestolen worden.”
-
-„Och, wat kan u die sabelsleepers scheelen?”
-
-„Gaat men niet alle perken te buiten, door de hooge aandeelhouders der
-Billiton-maatschappij den buit te laten behouden, die, als gij de
-debatten daarover gelezen hebt, in de Vertegenwoordiging gevoerd, in ’s
-lands kas behoorden te vloeien?”
-
-„Is dat wel een argument voor uwe stelling?” vroeg Van Rheijn.
-
-„Zijdelings, ja,” antwoordde Grenits, „want zij helpt mij de
-beschuldiging schragen, die ik in te brengen heb, dat de demoralisatie
-van Regeering, van Vertegenwoordiging, van kieskollegiën, van kiezers,
-van de geheele natie ten top gestegen is.”
-
-„Brr! wat draaft ge door!” zei Grashuis met de beweging van een poedel,
-die uit het water komt.
-
-„Gaat men niet alle perken te buiten, met het opzweepen van het
-opiumverbruik....”
-
-„Opzweepen!... Dat gaat te ver!.... Die beschuldiging is onbillijk!...”
-viel Van Beneden in.
-
-„Zoo! Dunkt u dat?... Welnu, neem Baud’s Proeve ter hand. Daarin zult
-gij onweerlegbaar aangeteekend vinden, dat men er steeds op uit geweest
-is, om de opium-opbrengsten op te zweepen. Er is geen brutaler waarheid
-dan die der cijfers! En luistert: het opiummiddel, dat in 1832 drie
-millioen, in 1842 bijna zeven millioen, in 1870 tien millioen, in 1880
-bijna dertien millioen had opgebracht, werd voor 1885 op bijna
-negentien millioen geraamd, en de Vertegenwoordiging nam die raming
-zonder blikken of blozen, zonder een woord van protest aan. [106]
-Periodiek wordt in Regeerings- en in andere kringen van het vaderland
-geteemd en geweend over de opium-ongerechtigheden; maar inmiddels laat
-men de bestuurders volkomen de handen vrij, om volgens de geijkte
-uitdrukking: er uit te halen, wat er uit te halen is.”
-
-„Maar,.... vergeef mij. Is het de plicht niet eener regeering, om eene
-belasting zoo productief mogelijk te maken?” vroeg Van Rheijn.
-
-„Juist. Daarin zit het zedelooze en het demoraliseerende van het
-opium-monopolie. Ter wille van de baten, die afgeworpen worden, wordt
-het verbruik aangemoedigd, worden de inlanders naar de kit gedreven
-door alle middelen, door de minst geoorloofde het liefste! Leest de
-Indische dagbladen maar geregeld, [107] dan zult ge voldoende gesticht
-worden over den gruwelijken last, die de Chineesche kithouders den
-niet-verbruikers aandoen, welke controle zij op, en welken willekeur
-zij jegens de verbruikers uitoefenen, wanneer dezen, wellicht tot
-inkeer gekomen, hun verbruik verminderen.”
-
-„Of zich van sluikopium voorzien?” viel Van Beneden in.
-
-„Oorspronkelijk was de opiumpacht slechts bestemd,” ging Grenits
-onverstoorbaar voort, „om, door het opdrijven van den amfioenprijs, dit
-artikel te stellen onder het bereik van het geringst aantal personen;
-zoodat, afgaande op die grondstelling, elke regeling moet worden
-veroordeeld, die de strekking heeft, om door een vermeerderd debiet de
-rijzing van den pachtschat te verkrijgen. [108] Nu, kort geleden, is
-zij door een Minister van Koloniën tot een belastingheffingsstelsel
-verheven [109]. Ziet, wanneer zulke feiten onwraakbaar te staven zijn,
-dan moet het oordeel klinken; onze Regeering en onze Vertegenwoordiging
-zijn overtuigd van het diep rampzalige van het opium-verbruik bij hun
-Indische onderdanen; maar zij willen geen afstand doen van de gelden,
-welke door de vergiftiging van geheel een volk opgebracht worden.”
-
-„Tu, tu, tu.... Vergiftiging!.... Wat voor woord!...” viel Van Beneden
-in.
-
-„Vergiftiging, ja.... Wanneer bij een apotheker in Nederland opium
-buiten zijne vergiftkas bevonden wordt,” antwoordde Grenits, „wanneer
-hij opium aflevert zonder recept van een geneesheer, dan wordt hij
-beboet, [110] nietwaar, vriend Van Nerekool?”
-
-Deze hief het hoofd op, liet den wezenloozen blik langs den kring gaan,
-en knikte ja. Of hij gehoord had, wat gezegd was geworden, viel te
-betwijfelen. Grenits echter, met dat toestemmend hoofdknikken tevreden,
-ging voort.
-
-„En datzelfde vergift is hier zonder de minste controle te koop, ja
-wordt den minderen man op de liederlijkste wijze door schurken, als de
-Chineesche kithouders zijn, opgedrongen, en dat onder het oog, onder
-het medeweten, onder de bescherming van het Nederlandsche bestuur!”
-
-„Och, altijd dat gehak op het Nederlandsche bestuur!” zei Van Rheijn
-meesmuilend. „Vriend Grenits, ge zijt al met hetzelfde sop van
-ontevredenheid overgoten als de overige handelaren en industriëelen
-hier in Indië.”
-
-„Zou ik niet?” viel Grenits driftig in. „Hoewel ik met de denkbeelden
-van het meerendeel hunner niet meê ga, zoo voel ik mij toch solidair
-verbonden aan hen, waar het de dierbaarste belangen van handel en
-nijverheid geldt. Op dat gebied, ja! kunt ge zeggen, dat ik met
-hetzelfde sop overgoten ben.”
-
-„Hebben die pruttelaars zooveel te klagen?” vroeg Grashuis met leuke
-stem.
-
-„Dat zou ik meenen! Zij worden onder het tegenwoordige régime niet
-alleen gevild, maar uitgezogen op eene wijze, die in andere streken
-voorzeker de hand naar de wapens zou doen uitstrekken. De Nederlanders
-hadden bij hunnen opstand tegen Spanje, en de Belgen bij den hunnen
-tegen de Nederlanders lang zulke grieven niet als de Indo-Europeanen
-tegen hunne tegenwoordige onderdrukkers kunnen aanvoeren!”
-
-„Ho! ho! ho!” riepen verscheidene stemmen.
-
-„Dezen moeten belastingen opbrengen, waarbij de Xde penning, die onze
-voorvaderen zoo ontstemde, als kinderspel kon beschouwd worden. En
-welke rechten worden hun daartegenover toegekend. Als persiflage zou
-kunnen gezegd worden, dat zij het recht hebben: hoegenaamd geen recht
-te bezitten. Want, wat hier in Indië den naam van recht heeft, is
-daarvan slechts een akelig masker; vooral wanneer het geldt fiscalische
-onderwerpen, waarbij de Staat zich als een verscheurend dier op zijne
-prooi werpt, en deze hoegenaamd geene bescherming te wachten heeft;
-vooral wanneer het geldt botsingen met de opiumpachters, die Staten in
-den Staat!”
-
-„Gij overdrijft! Gij overdrijft!” riep Van Rheijn uit.
-
-„Och, dat het waar ware!” antwoordde Grenits hartstochtelijk. „Maar
-neemt het gruwelijke boek: Macht tegen Recht ter hand, dat boek
-afkomstig van een lid van het Hoog Gerechtshof te Batavia, die vóór
-dien tijd jaren lang advocaat-generaal bij dat hof was, schier een half
-menschenleven als voorzitter van landraden, van raden van Justitie,
-enz. doorbracht en die het dus weten kan en ook weet, en zegt mij
-daarna nog dat ik overdrijf!”
-
-„De schrijver van dat boek is een ontevreden mensch, die zich slechts
-één doel stelt, de wereld tegen de ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur
-in het harnas te jagen.”
-
-„Eene schrikkelijke beschuldiging, die gij inbrengt tegen een man, die
-in mijn oog den moed en daardoor de groote verdienste heeft van den
-toestand onbewimpeld onthuld te hebben. Dat is in den regel de
-dankbaarheid van ons Nederlanders!”
-
-„Ja, ik kan begrijpen, dat jullie kooplieden met dien man dweepen,”
-riep Van Rheijn smadelijk uit. „Voor die ontevredenen is dat koren op
-de molen!”
-
-„Dien ontevredenen heeft men redenen te over tot ontevredenheid
-gegeven, vriend Van Rheijn.”
-
-„Kom, kom, een troepje tamme oproerlingen, waarmeê wel reê te schieten
-zal zijn.”
-
-„Ja, dat is het geijkte woord, door sommige organen der Nederlandsche
-pers gebruikt, toen zich de belastingschuldigen eenigen tijd geleden
-met wettige middelen tegen de daden van willekeur en tegen de
-afpersingen van het Indische bestuur verzetten. Tamme oproerlingen!...”
-ging Grenits met rauwe stem en opgewonden voort. „Tamme
-oproerlingen!... laat men daarover niet smalen in Nederland! Want bij
-God! bij een anderen staat van zaken zou men daar wel met de handen in
-het haar zitten, om met minder tamme oproerlingen klaar te komen! Dat
-zij daar ginds toch niet vergeten, dat het schuim van Europa
-saamgewield is moeten worden, om den oorlog te Atjeh te kunnen voeren;
-want de Hollandsche heldenaard gaf in onze steden den weinigen, die
-daarvoor aangeworven konden worden, het fraaie refrein in den mond:
-
-
- „Ik ben mijn leven moe!
- Ik ga naar Atjeh toe!”
-
-
-„Grenits! Grenits!” bracht Verstork bedarend in het midden.
-
-„Ja, ik heb ongelijk,” sprak deze, „en zal eindigen. Maar, met dat vrij
-ondoordachte „tamme oproerlingen” heeft men meer kwaad gedaan, dan wel
-gegist kan worden; want men heeft er hier het bewijs door verkregen,
-dat men in den wettelijken kamp van recht en billijkheid tegenover
-gewetenlooze afpersing slechts hoon en scheldwoorden te verwachten
-heeft. God behoede Nederland! Maar ik acht de meening niet ongegrond,
-dat wanneer een man opstond, die aan een flink organiseerend talent den
-takt paarde, om de onderling verdeelde ontevredenen om zich te scharen,
-een man, die van de radeloosheid daar ginds gebruik zou weten te maken,
-het moederland bange dagen door te brengen zoude hebben.”
-
-„Kom, kom! dat zal wel losloopen. Het leger zou dan zijn plicht wel
-weten te doen!”
-
-„Zijn plicht? Gij het eerste smaaldet straks op de sabelsleepers! Heeft
-de Regeering het recht op die plichtsvervulling te rekenen, nadat zij
-op de meest hondsche wijze tegenover dat leger haren plicht verzaakt
-heeft? Ik neem aan, en ben overtuigd, dat het officierskorps, in
-weerwil van alles, stipt en onwrikbaar zijnen plicht zou doen. [111]
-Maar.... kan men dat ook verwachten van de vreemdelingen, die men
-herwaarts bracht, en die reeds te Atjeh naar den vijand met pak en zak,
-met wapens en munitie overloopen, en dan bij geheele kompagniën zouden
-overgaan? Kan men die plichtsbetrachting ook verwachten van de
-Inlandsche manschappen, die meest allen door middel der onteerendste
-streken, door opium, door speelwoede, door vrouwenlist, geronseld
-werden? Zeg, zou dat van die te verwachten zijn? Neen, misleidt u
-niet....”
-
-„Gij laat oproerige taal hooren!” sprak Van Rheijn gemelijk.
-
-„Noemt gij het oproerig zijn,” vroeg Grenits heftig, „wanneer ik den
-vinger op den wonde leg?”
-
-„Mij dunkt,” kwam Verstork tusschen beiden. „Mij dunkt, heeren, dat het
-tijd is om de discussie te sluiten. Bij dergelijke gesprekken wordt het
-bloed warm, en.... Daarenboven, het is bijna middernacht. Wij moeten
-gaan rusten; want morgen ochtend is het vroeg dag, en dan wacht ons
-eene vermoeiende jacht. Denk er om: de Djoerang Pringapoes, dien wij
-heden middag maar omgetrokken hebben, is geen danszaal! Dat zult gij
-wel bemerken? Kom, slapen! wie mij lief heeft, die volge mij!”
-
-Allen stonden op, behalve Van Nerekool.
-
-„Ik ben blij, dat Muizenkop niet bij dat gesprek geweest is,” zei
-Grashuis. „Drommels, morgen avond zou de resident het—wie weet hoe
-verfraaid en verrijkt—reeds vernemen. En dan, vriend Grenits, zoudt gij
-een lastig kwartier door te brengen hebben. Wie weet of ze je niet naar
-Atapoepoe of de Tomini-baai [112] verbanden; wellicht zetten ze je wel
-heel en al de koloniën uit. Denk steeds om den advocaat Winckel.” [113]
-
-Grenits maakte eene minachtende beweging met de schouders.
-
-„Gaat gij niet mede?” vroeg Verstork op Van Nerekool toetredende, toen
-hij dien nog buiten zag zitten met het hoofd in de hand, nadat de
-anderen den passangrahan reeds waren binnengetreden.
-
-De aangesprokene antwoordde niet; hij hief het hoofd slechts op, en
-keek zijn vriend met een verbijsterd oog aan.
-
-„Wat scheelt er aan, Karel?” vroeg Verstork, terwijl hij zijn vriend de
-hand op den schouder legde en naast hem plaats nam. „Zijt ge ziek? Gij
-waart den geheelen dag zoo stil, zoo afgetrokken.”
-
-„Neen, ziek ben ik niet, Willem,” was het antwoord. „Maar, ik ben zoo
-ongelukkig!”
-
-„Ongelukkig?... Kom vertel mij, waarin. Gij weet: medegedeeld leed
-drukt slechts ten halve.”
-
-„Och, wat zou ik u mede te deelen hebben, waarvan gij de helft zoudt
-kunnen torschen? Vriend Willem, herinnert gij u ons gesprek nog van
-verleden Zaterdag te Santjoemeh?”
-
-„Zeker, en ik verbond mij daarbij, om u eene week later opheldering te
-geven, waarom ik toen zeide, dat ik uwe opkomende genegenheid voor
-Juffrouw Anna van Gulpendam zeer treurig vond. Dat is heden, nietwaar?”
-
-„Ja, vriend. Maar wat zoudt ge mij nog te zeggen hebben? In die acht
-dagen is veel gebeurd. Gij wist zeker toen reeds, dat de resident Van
-Gulpendam mij niet genegen was?”
-
-Verstork antwoordde niet onmiddellijk op die vraag; maar drong op
-mededeeling van het gebeurde aan.
-
-„Kom,” sprak hij, „kom Karel, vertel wat u in die week wedervoer. Gij
-weet het: uw hart ontmoet in het mijne een oprecht vriendenhart.
-Komaan, vooruit!”
-
-„Maar, gij wildet gaan slapen?... En... dan, morgen die jacht?...”
-
-„Och, het is mij meermalen bij mijne tournées door de Gouvernements
-koffietuinen overkomen, dat ik in de dèsa’s slapelooze nachten
-doorbracht; terwijl mij toch den volgenden morgen een inspanningsvolle
-dag wachtte. Spreek op! zooveel heb ik nog wel voor een vriend over,
-dat ik mij voor hem een paar uren slapen ontzeggen wil.”
-
-Karel van Nerekool aarzelde niet langer. Hij had behoefte aan
-mededeelzaamheid, hij had behoefte zijn hart in dat eens vriends uit te
-storten.
-
-En nu volgde het verhaal van de liefdesbekentenis van den jongen man
-aan zijne aangebedene bij gelegenheid van de dansreceptie ten
-residentiehuize. Met de levendigste kleuren schilderde hij het
-betooverende oogenblik, waarin hem het geheim zijner ziel gedurende den
-zoo heerlijken wals in de binnengalerij ontsnapte; ook dat, waarin hij
-de betuiging der wederliefde der lieve maagd ontving, waarin hun beider
-lippen daar in den tuin elkander voor het eerst zochten en vonden.
-
-
- „Oscula qui sumpsit, si non et cætera sumpsit,
- Hæc quoque quæ datæ sunt, perdere dignus erat” [114]
-
-
-mompelde Verstork, die in zijn jeugd ook klassieke studiën gemaakt had,
-het tweeregelig vers van Ovidius in zijn „ars amandi” binnensmonds met
-een glimlach. Maar, toen hij zijn vriend weemoedig het hoofd zag
-schudden, ontwaarde hij, hoe diep dat arme hart gewond was.
-
-Op het verhaal van de liefdesvervoering, van die heilige oogenblikken,
-daar in den residentstuin, achter dat Pandan-boschje doorgebracht,
-volgde dat der ontnuchtering. Karel vertelde, hoe mevrouw Van Gulpendam
-het tête à tête verstoord had: hij deelde het gesprek mede, hetwelk hij
-daarop met de schoone Laurentia gehad had. Een bittere glimlach zweefde
-om den mond van den controleur, toen hij vernam, welke
-verleidingsmiddelen de aanzienlijke vrouw aangewend had.
-
-„Arme, arme vriend!” sprak hij. „En is dat alles?”
-
-„O, neen,” antwoordde Van Nerekool.
-
-„Welnu, ga voort.”
-
-„Daags daarna, begaf ik mij, zooals ik met Anna afgesproken had, naar
-het residentiehuis, om de hand van het lieve meisje aan haren vader te
-vragen. Het kostte mij veel moeite om gehoor te krijgen, en het was
-niet dan nadat ik zeer lang geantichambreerd had, dat ik in de
-tegenwoordigheid van den resident toegelaten werd.
-
-„„Ik heb niet veel tijd, mijnheer,” was zijne toespraak, toen hij mij
-het kantoor, waarin hij mij ontving, zag binnentreden. „Loop een beetje
-gauw van stapel, ik ben gehaast.”
-
-„„Mijnheer Van Gulpendam,” begon ik, „ik had gisteren een gesprek met
-juffrouw Anna, en...”
-
-„„Laat vieren, alsjeblief,” viel hij mij in de rede, „ik herhaal het,
-ik heb geen tijd om te slampamperen. Van dat gesprek heb ik zoo iets
-vernomen. Ik kan het niet kiesch vinden van een rechterlijk ambtenaar,
-met een jong meisje een geheim oppertje te zoeken. Recht door zee! is
-mijne leus, mijnheer! Een eerlijk man gaat met volle zeilen op zijn
-doel af. Dat bij-den-wind-knijpen is van mijne gading niet.”
-
-„„Resident, ik verklaarde reeds aan mevrouw, dat de omstandigheden mij
-verrast hebben. Het is en was mijn doel, om openlijk aanzoek naar de
-hand uwer dochter te doen. Van geheimzinnigheid kan dus geen sprake
-zijn, en de reden van mijne komst is, mijnheer Van Gulpendam, geene
-andere, dan om u mijne liefde voor juffrouw Anna te belijden, en u te
-verzoeken haar mij als gade te geven.”
-
-„„Zoo, buit het uit dien hoek? Gij hebt een aardig bestek gemaakt. Kunt
-gij wel gissen, wat ik in het logboek zal invullen? Niet?”
-
-„„Resident, de zaak is voor mij zoo ernstig mogelijk,” antwoordde ik,
-verbaasd over die zeemanstaal. „Laat in Gods naam alle scherts varen.
-Ik heb de eer u om de hand van uwe dochter te verzoeken.”
-
-„„Mijnheer Van Nerekool, ik ben zoo ernstig mogelijk,” hernam hij
-ietwat geraakt. Van nu af evenwel kwam gedurende het gesprek geen
-enkele scheepsterm meer over zijn lippen. „Hoe kunt gij mij verdenken,
-scherts te bezigen, wanneer ik u vraag, of gij gissen kunt, welke
-beslissing ik zal nemen?”
-
-„„Ik hoop, dat die beslissing mij gunstig zal wezen. O, ik bemin
-juffrouw Anna onuitsprekelijk!”
-
-„„Dat zijn van die uitdrukkingen, die door alle verliefden gebezigd
-worden. Is uwe liefde u ernst?”
-
-„„Hoe kunt gij zoo iets vragen?” antwoordde ik hartstochtelijk.
-
-„„Ik heb daar mijne redenen voor. Gij hebt gisteren avond een gesprek
-met mijne echtgenoote gehad?” vroeg hij mij.
-
-„„Ja, resident,” was mijn antwoord.
-
-„„Die heeft u eene geheele toekomst voorgespiegeld, is dat zoo niet?”
-was zijne tweede vraag.
-
-„Ik keek hem verbaasd aan. Het kon mij niet in het hoofd opkomen, dat
-hij en zijne vrouw in dergelijke zaken eenstemmig dachten?”
-
-„Waarom niet?” vroeg Verstork.
-
-„Ik beschouwde den resident wel als een wuft mensch; ik meende steeds
-evenwel, dat hij een eerlijk man was, die met de kuiperijen zijner
-echtgenoote niets te maken had.”
-
-De bittere glimlach, die het gelaat van den controleur overtoog, ging
-onder de dichte schaduw van den Wariengienboom voor Karel verloren.
-
-„Ga voort!” sprak hij zacht maar met bedaarde stembuiging, die zijne
-gemoedsstemming onmogelijk kon verraden.
-
-„Op zijne laatste vraag antwoordde ik „ja resident, dat heeft mevrouw
-gedaan.”
-
-„„Zoowel omtrent uwe loopbaan als omtrent uw aanzoek?” vroeg hij
-verder.
-
-„„Ja, resident!” sprak ik gejaagd.
-
-„„Welnu; dan hebt gij uwe geheele toekomst in de hand,” hernam hij
-verder. „En, dat gij thans hier zijt, doet mij de hoop koesteren, dat
-gij nog eenmaal een practisch mensch in onze maatschappij zult worden.”
-
-„Willem, bij die woorden, die eene verdenking op het aanzoek, dat ik
-deed, en waarvan mijn geheel toekomstig geluk afhing, wierp, voelde ik
-den grond, als het ware, onder mij wegzinken.
-
-„„Resident,” zoo sprak ik in mijne vertwijfeling, „weet gij wat mevrouw
-mij voorgesteld heeft?”
-
-„„Zoo wat, mijnheer Van Nerekool, zoo wat,” antwoordde hij losjes en
-met ietwat spottende stem. „Zij heeft u de hoop voorgespiegeld de
-opvolger te worden van den tegenwoordigen voorzitter van den landraad
-te Santjoemeh, met uitzicht om in een niet al te verwijderd tijdstip
-tot die betrekking definitief benoemd te worden. Zij heeft u de hand
-niet geweigerd van Anna, die gij beweert zoo zeer te beminnen. Gij
-ziet, dat ik op de hoogte der gedane toezeggingen ben, en als gij u
-daaromtrent hebt willen vergewissen, hetgeen de daad van een inderdaad
-practisch man zou zijn, weest dan gerust....”
-
-„Willem, ook die uitleg mijner gedachten kwetste mij. Welke onedele
-roerselen gingen toch om in die ziel? Ik viel hem dan ook vrij heftig
-in de rede:
-
-„„Het is op die voorspiegelingen niet, dat ik doelde, heer resident,
-ook was het niet, om mij van uwe inzichten te vergewissen, toen ik u de
-vraag deed, of gij wist wat mevrouw mij voorgesteld heeft!”
-
-„„Zoo, dan heb ik u niet begrepen, mijnheer Van Nerekool,” antwoordde
-hij koel. „Wat bedoeldet gij dan wel met die vraag?”
-
-„„Wat ik bedoelde?” antwoordde ik. „Weet gij wel, dat mevrouw Van
-Gulpendam mij voorgesteld heeft eed en plicht te verkrachten?”
-
-„„Och, kom?” zei hij spottend.
-
-„„Weet gij wel, dat mij het voorstel gedaan is, het mijne er toe bij te
-brengen, om een onschuldige tot verbanning te doen veroordeelen?” ging
-ik voort.
-
-„„Gij droomt, waarde heer,” antwoordde hij steeds spotachtig.
-
-„„Weet gij wel,” vervolgde ik, „dat mij in ruil voor dien prijs
-uitzicht op de hand uwer dochter geopend werd? Dat mij voor den prijs
-van een menschenleven eer en bevordering werd aangeboden?”
-
-„„Dat gaat te ver, mijnheer Van Nerekool!” hernam hij met gemaakten
-toorn. „Ik verbied u zoodanige gedachten over mijne echtgenoote te
-uiten! Wat? Gij komt hier om de hand mijner dochter te vragen en gij
-hebt slechts hoon en laster over voor de moeder van het meisje, dat gij
-zegt lief te hebben!”
-
-„„Hoon en laster!” riep ik uit.
-
-„Op dien uitroep herstelde hij zich oogenblikkelijk en hervatte: „Dat
-is wellicht te sterk uitgedrukt. Er kan hier slechts sprake zijn van
-een misverstand,” en met koelheid vervolgde hij: „Uw aanzoek vereert
-mij en mijne dochter, mijnheer Van Nerekool. Het komt mij evenwel zeer
-onverwacht; zoodat ik eenigen tijd noodig zal hebben, om over die
-aangelegenheid, die het geluk van mijn kind betreft, na te denken. Er
-is bovendien geen haast bij. Anna is nog zoo jong, te jong zelfs om aan
-een huwelijk te denken.”
-
-„„Gij beneemt mij dus niet alle hoop?” vroeg ik levendig, terwijl ik
-zijn hand greep.
-
-„Hij keek mij met een verbaasden blik aan.
-
-„„Ik beloof niets, volstrekt niets, mijnheer Van Nerekool,” sprak hij
-ontwijkend. „Anna kan nog gerust een jaar, wellicht twee wachten,
-alvorens aan een verbintenis voor haar leven te denken. En die dan
-leeft, die dan zorgt, nietwaar? Intusschen...”
-
-„Hier haperde hij.
-
-„„Intusschen?...” vroeg ik schier ademloos.
-
-„„Intusschen zult gij wel doen, ging hij hardvochtig voort, met uwe
-bezoeken op het residentiehuis te staken. Gij zult toch een braaf
-meisje niet in opspraak willen brengen. Ik reken er dan ook op, u niet
-anders dan bij officiëele receptie’s ten mijnent te zien!”
-
-„Willem, dat was duidelijk nietwaar? Ik was afgewezen.”
-
-Verstork keek zijn vriend met deelneming aan.
-
-„Ik had zoo’n voorgevoel van het leed, dat gij te gemoet gingt,” zei
-hij. „Herinner u maar, hoedanig ik verleden week uwe mededeelingen
-opnam.”
-
-„Ja, gij zoudt mij heden vertellen, waarom....”
-
-„Zeg, Karel, is dat nog wel noodig? Gij hebt, geloof ik, genoegzaam
-kunnen peilen, in welken familiekring gij terecht zoudt zijn gekomen,
-wanneer uw aanzoek ingewilligd ware geworden.”
-
-„Maar Willem, Anna is....”
-
-„Anna is het reinste en het liefste wezen, wat op het aardrijk kan
-aangetroffen worden. Anna is onschuldig aan alles, en de vraag rijst
-bij mij wel eens, hoe zoo eene heerlijke bloem in zoo’n midden heeft
-kunnen ontkiemen, heeft kunnen ontwikkelen? Maar.... laat dat meisje
-zijn, wat zij is; als gij met haar in het huwelijk zoudt treden, zou
-het toch niet minder waar zijn, dat gij u gekluisterd zoudt vinden aan
-hare ouders, die de meest zelfzuchtige, de meest verdorvene wezens
-genoemd moeten worden, die in een fatsoenlijken kring plaats kunnen
-nemen. Arme vriend, wat zoudt gij u in zoo eene omgeving rampzalig
-gevoelen! Zie, het was daarop, dat ik u had willen wijzen.”
-
-Van Nerekool zuchtte diep en scheen in zijne gedachten verloren. Hij
-zat daar met het achterhoofd door de hand ondersteund; terwijl zijn oog
-als verdwaald hoog daarboven de openingen aanstaarde, die in de
-bladerenkruin van den Wariengienboom te ontwaren waren, en waardoor de
-maan, die hoog boven aan den hemel stond, hare stralen liet schijnen.
-
-Verstork eerbiedigde dat stilzwijgen gedurende een poos. Daarop sprak
-hij:
-
-„Kom, gij hebt uw hart lucht gegeven; ik heb u met een woord op de
-hoogte gebracht van hetgeen gij weten moest. Kom, ga thans vergetelheid
-in den slaap zoeken. Gij hebt heden een voor u ongewonen en dus
-vermoeienden rit afgelegd. Rust zal uw lichaam welkom zijn. Morgen
-wachten ons nog grootere vermoeienissen. Ik reken er op, dat ook die
-heilzaam zullen werken. Maar, willen wij tegen de inspanning van morgen
-bestand zijn, dan is slaap noodig. Kom!”
-
-Van Nerekool zuchtte diep, maar antwoordde niet. Hij stond evenwel op
-en volgde zijn vriend naar den passangrahan, waar zij de overigen reeds
-in diepe rust vonden en zich dan ook naast hen op de baleh-baleh
-uitstrekten.
-
-
-
-
-
-
-
-XVII.
-
-IN DEN DJOERANG PRINGAPOES.
-
-
-„Toeaan!... Toeaaan!... Toeaaaan!”
-
-Zoo weerklonk het weinige uren later in den passangrahan, waar onze
-vrienden te snurken lagen.
-
-Och, de slaap had zich ook over Karel van Nerekool erbarmd. Het had wel
-lang geduurd. Vele malen, ja ontelbare malen had hij zich op de
-baleh-baleh heen en weer gewenteld, en dat bamboegevaarte zoodanig doen
-zuchten en kraken, dat èn aan Leendert Grashuis èn aan August van
-Beneden, de nevenslaaplieden van den rampzaligen verliefde, nog al een
-enkele maal een toornige uitroep ontlokt was van:
-
-„Lig toch niet zoo te schudden en te wiegen! Het is om zeeziek te
-worden!”
-
-Of wel van:
-
-„Wat is de rechterlijke macht, in strijd met hare traditiën,
-buitengewoon onrustig van nacht!”
-
-„Ik geloof, dat haar de muskieten kwellen!”
-
-„Of een boos geweten!”
-
-„Of een blauwe scheen!”
-
-Maar Karel was Goddank! eindelijk ingeslapen. Het was evenwel slechts
-voor korten tijd.
-
-„Toeaaan!... Toeaaaan!”...
-
-Zoo liet zich de stem van straks andermaal hooren. Het was Verstork’s
-bediende, die zich door den kedjineman van de gardoe had laten wekken,
-en die thans op zijne beurt zijn heer wekte. Maar hij deed dat met den
-voorzichtigen eerbied, dien ieder ervaren Javaan in dergelijke
-omstandigheden betracht. Hij wist toch bij ervaring, dat de blanken
-uiterst nurksch zijn, wanneer zij plotseling uit een weldadigen slaap
-ontijdig opgewekt worden. Bij zulke gelegenheid hield hij zich liefst
-op een betamelijken afstand; want eene oorvijg van den slaapdronken
-toean was gauw opgeloopen. Niet, dat Verstork zoo bizonder vlug met de
-gevreesde handbeweging was; integendeel, hij was bekend onder de
-Inlandsche bevolking voor zijne zachtaardigheid; maar... in zoo’n
-verbijsterden toestand is een klap gauw opgeloopen, en het was maar
-beter zich buiten bereik te houden. Zoo dacht de gedienstige geest.
-
-„Toeaaan!... Toeaaaan!...” liet zich andermaal het gedempte maar
-langgerekte geroep vernemen.
-
-Maar Verstork hoorde niet.
-
-„Toeaaan!... Kandjeng toeaaaan!”...
-
-Geen woord.
-
-De bediende trad de baleh-baleh nader. Bij zijn heer gekomen, herhaalde
-hij evenwel thans nog meer gedempt en gerekt:
-
-„Toeaaan!... Toeaaaan!”...
-
-Verstork verroerde geen vin. Alleen Van Nerekool werd eenigermate
-onrustig.
-
-Toen sloeg de bediende onvoelbaar zacht aan het voeteneind de sprei op,
-die zijn heer toedekte. Bij de vierbekkige palita, [115] die met een
-kettinkje aan een der daksparren van het gebouwtje bengelde, kon hij
-genoegzaam rondkijken. Toen hij een der voeten van Verstork ontbloot
-had, begon hij diens grooten teen te kriewelen.
-
-„Toeaaan!... Toeaaaan!...” herhaalde hij op lang gerekten toon en zeer
-zacht, alsof hij door de deemoedigheid van zijn stem vergeving verzocht
-voor de stoutmoedigheid zijner daad. Die aanraking van den teen van den
-Kandjeng toean had op dezen de gewenschte uitwerking. Verstork vloog
-verschrikt overeind.
-
-„Siapa itoe?” (wie is dat?) kreet hij uit, en betastte zijn voet met
-een angst, alsof hij eene slang gevoeld had.
-
-En, inderdaad, de kille lederachtige huid van eene Javanen-hand leidt
-er toe, om zich, vooral in slaapdronkenheid, dienaangaande te
-vergissen.
-
-„Siapa itoe?” riep hij andermaal.
-
-„Saja, Kandjeng toean!” (ik, hooge heer!) klonk het uit den verst
-verwijderden hoek van den passangrahan, vlak bij de deur.
-
-De gedienstige had zich instinktmatig met één sprongetje buiten het
-bereik van den blanken man gesteld.
-
-„Maoe apa?” (wat wil je) vroeg de controleur in zijne slaapdronkenheid
-woedend.
-
-„Soeda poekoel ampat, Kandjeng toean! Orang dèsa soeda bangoon.” (het
-is reeds vier uur en de dèsabewoners zijn al op).
-
-„Zoooo!” was het langgerekte antwoord van den controleur, die zijne
-nachtrust wel wat kort vond.
-
-Wie weet, welk een dwaas antwoord hij in zijne nog voortdurende
-verbijstering zou gegeven hebben; maar August van Beneden, die naast
-hem sliep, was door dat toeaaan! toeaaaan! van den bediende ook gewekt
-geworden. Deze vloog nu overeind en maakte „overal”, zooals de resident
-Van Gulpendam zich uitgedrukt zou hebben.
-
-„Op, jongens, op!” riep hij, terwijl hij met zulke heftige bewegingen
-van de baleh-baleh afschoof, dat dit meubel schudde en kraakte, alsof
-het door eene aardbeving heen en weer bewogen werd.
-
-„Wat is er?.... Wat is er?” riepen verscheidene stemmen ontsteld.
-
-De amokh-partij van den vorigen avond was hen nog niet uit het bloed.
-
-„Wat is er?... Wat is er?”
-
-„Wat er is?... Niets! Maar gijlieden moet opstaan. Het is vier uren.
-Het dèsavolk staat reeds gereed voor de jacht!”
-
-De jacht!... Dat woord hielp. Het was immers om op jacht te gaan, dat
-men uitgetogen was.
-
-In een ommezien waren de jagers op de been, gekleed, gewasschen,
-gekamd, geschuierd.... zooals dat onder dergelijke omstandigheden in de
-binnenlanden van Java plaats kan hebben, wanneer Europeanen in eene
-passangrahan overnacht hebben. Er was slechts één waschtoestel aanwezig
-en daarvan was de kom niet meer dan een scherf. Hoe zich de jagers
-behielpen? Bij hun ongeduld om klaar te zijn, waren er die de methode
-van den soldaat te velde, die ook niet altijd Sèvres of zelfs geen
-Delftsch of Maastrichtsch aardewerk ten zijnen dienste heeft, volgden,
-door een flinken teug water in den mond te nemen, dat in de
-saamgehouden handen te spuiten, en zich daarmeê het aangezicht te
-verfrisschen.
-
-Het middel was uiterst praktisch en werd waarschijnlijk ook door
-Diogenes van Sinope, den Griekschen wijsgeer, gebezigd, die zoo’n
-afkeer van omslag had.
-
-Maar, eindelijk was de jagers-bent klaar; zelfs Van Nerekool, die
-verstrooiing voor zijne smart in lichamelijke vermoeienis ging zoeken.
-
-Toen de vrienden naar buiten stapten, zagen zij de geheele mannelijke
-bevolking op de aloon-loon neergehurkt zitten; terwijl ieder hunner
-zich tegen de morgenlucht met zijn sarong trachtte te dekken, door dat
-kleedingstuk zoo hoog mogelijk over de schouders heen te trekken. Allen
-hadden hunne lansen medegebracht, die zij als boonen-staken rechtop
-hielden, en allen hadden eene vreeselijke groote ratel ter hand, niet
-ongelijk aan het instrument, waarmede de nachtwachts in sommige
-gedeelten van het vaderland, voorheen de vreedzame bewoners den slaap
-uit de oogen dreven, onder voorwendsel over hunne rust te waken. De
-maan schoot hare stralen thans onder den Wariengienboom, dien de lezers
-wel kennen, en verlichtte dat heir van menschelijke wezens, die
-evenwel, zooals zij daar neergehurkt zaten, uiterst veel van apen
-hadden, en aan Darwin’s stelling eigenaardig veel kracht bijzett’en.
-
-„Zijn allen tegenwoordig, loerah?” vroeg Verstork aan het dèsahoofd.
-
-„Engèh, Kandjeng toean!” was het antwoord van dezen.
-
-„Zijn zij reeds afgedeeld?”
-
-„Engèh, Kandjeng toean!”
-
-„Welnu, laat dan het eene gedeelte de djagoengvelden der dèsa
-omtrekken. Het tweede gedeelte moet zich langs den westkant over den
-nok van den Djoerang Pringapoes verspreiden, terwijl het derde gedeelte
-het ravijn intrekt.”
-
-„Engèh, Kandjeng toean!... tapeh...” (maar)
-
-„Tapeh wat?” vroeg de controleur de aarzeling van het dèsahoofd
-opmerkende.
-
-„Zullen de tjellengs niet langs den oostkant van den djoerang
-ontsnappen?”
-
-„Heeft de loerah dan niet gehoord, dat de menschen van Banjoe Pahit
-dien kant en ook nog een gedeelte van den westkant zullen bewaken?
-Welnu, dat is dan nu duidelijk begrepen. Wij gaan dadelijk te paard
-stijgen, en zullen het boveneinde van den djoerang bezetten, waar alle
-varkens, wanneer de beweging goed zal zijn uitgevoerd, voorbij moeten
-komen. Luister nu goed, loerah.”
-
-„Engèh, Kandjeng toean.”
-
-„Wanneer wij het bovenuiteinde van het ravijn bereikt zullen hebben,
-zullen wij een schot lossen.”
-
-„Zullen wij dat hier beneden hooren, heer?”
-
-„Drommels, ja! Dat is wat ver, loerah. Weet ge wat? Wij zullen nu
-afrijden en wanneer de dag is aangebroken, maar goed aangebroken,
-evenwel nog voor dat de zon op is, laat dan de drijvers, die de
-djagoengvelden omgeven hebben, de drijfjacht beginnen. Zorg evenwel,
-dat de weg naar het ravijn voor de tjellengs vrij blijft.”
-
-„Engèh, Kandjeng toean!” was het onveranderlijke antwoord van den
-eerbiedvollen loerah.
-
-Met stille trom trokken de drijfjagers naar hunne posten, terwijl de
-ruiters den weg naar Banjoe Pahit insloegen.
-
-Het was nog donker, zoodat stapvoets gereden moest worden, hetgeen
-onder die omstandigheden te eerder geboden werd, daar de weg
-aanvankelijk door natte sawahs slingerde, en niet zeer breed was;
-zoodat eene geringe afwijking tot een onaangenaam modderbad aanleiding
-kon geven. Aan de oosterkim begon zich evenwel eene lichtstreep te
-ontwikkelen, eerst schier onmerkbaar als een zwak lichtverschijnsel,
-dat bij den horizon waargenomen werd. Die streep werd langzamerhand
-breeder, teekende zich zacht rozerood, daarna purper, eindelijk vurig
-op de overigens donkere lucht af, en deed reeds de sterren, die in het
-zenith nog prachtvol glinsterden, in hare nabijheid verbleeken.
-
-De weg slingerde opwaarts; want Banjoe Pahit lag veel hooger dan
-Kaligaweh, dat eigenlijk tot de strandvlakte behoorde. Lustig reed men
-er op los; terwijl de dagende streep al breeder en breeder werd, en de
-ruiters hunne schaduwen—hoewel zwak nog maar—konden opmerken, die door
-het rijzende licht veroorzaakt werden. Naarmate de dag vorderde, kon
-men de paarden den teugel meer vieren, die dan ook weldra in stevigen
-draf voortstoven bij het instinktmatige bewustzijn, hetwelk zij
-bezaten, zij naar den kant van den stal heenijlden.
-
-Eindelijk waren de ruiters het boveneinde van het ravijn genaderd. Daar
-stegen zij van de paarden, die door een paar Javanen van de drijfjagers
-van Banjoe Pahit, die men reeds ontmoet had, en waarbij zich ook
-Mokesuep aangesloten had, overgenomen en naar huis geleid werden. Het
-was nog niet geheel dag. In het westen zag de lucht er nog donkerblauw
-uit. Maar in het oosten tooide zij zich met de gulden kleuren van den
-dageraad, die aankondigde, dat de dagvorstin nabij was. In de struiken
-en boomen, die het ravijn tooiden en tot een ware wildernis maakten,
-kweelden en floten eene menigte vogels, die zoo hun lofgezang den
-Schepper brachten. De bladeren, de takken, de twijgen, de bloemen, de
-grassprieten, alles was met die uiterst fijne dauwdropjes overdekt, die
-in dien stond dan alles, als met een zilverwaas overtogen, doen
-uitzien.
-
-Een oogenblik stonden onze vrienden dat heerlijke schouwspel, dat het
-nog prachtiger van een zonsopgang voorafgaat, te genieten, toen
-plotseling heel in de verte een vreeselijk leven ontwaard werd.
-
-„O, dat zullen onze drijvers zijn, die hun spectakel beginnen,” zei de
-controleur.
-
-En inderdaad, daar ginds werden de ratels geroerd, werd op stukken
-bamboe geklopt, werd gegild en geschreeuwd, op eene wijze, die alles in
-de natuur, die trouwens in dezen plechtigen stond zoo stil mogelijk
-was, overstemde. Dat geluid, hetwelk eerst heel verwijderd zich liet
-hooren, maar langzamerhand naderde, was zoo opwekkend, dat zelfs Van
-Nerekool, zijne smart vergetende, zijne buks met bevende hand omklemde,
-en vol ongeduld op en neer trippelde. Er waren ettelijke van het
-gezelschap, die hun wapen reeds in den aanslag hadden, gereed om te
-schieten.
-
-„Wij hebben nog tijd”, sprak Verstork bedarend. „Houdt u rustig, anders
-gebeuren er nog ongelukken met die vuurwapenen.”
-
-„Zijn wij hier goed geposteerd?” vroeg Grashuis.
-
-„Wij staan wel wat op elkaêr,” meende Van Beneden.
-
-„Wij zullen den ingang van het ravijn nog wat indringen,” zei de
-controleur.
-
-Men schreed een vijftigtal passen voorwaarts, langs een vrij steil
-voetpad, dat te midden van struikgewas en rotsblokken naar beneden
-slingerde, terwijl vlak naast dat pad, de beek Banjoe Pahit hare
-afdaling in het ravijn langs hare rotsachtige bedding begon, om van
-trap tot trap naar beneden te stroomen, om hier een fraai bekken te
-vormen, waarin het heldere bergwater tot de kleinste bizonderheden op
-den bodem liet ontwaren, om daar schuimend en klotsend een waterval of
-een stortvloed te vormen, om elders tusschen rotsblokken en onder
-struiken geheimzinnig te verdwijnen, en daar ginds klaterend en
-vroolijk weer te voorschijn te treden en het dartele spel te hervatten.
-
-Woest was de natuur hier, woest en wild. Toch bekoorde zij door hare
-schilderachtigheid het oog. Toen men nagenoeg een derde gedeelte van de
-helling afgedaald was, weken de rotswanden, die tot nu den ingang nauw
-omsloten en tot eene spleet vervormd hadden, trechtervormig achteruit,
-terwijl zij statig en fier omhoog rezen.
-
-Zoowel op den bodem van het ravijn, als langs die steile wanden, waren
-de sporen zichtbaar, dat het niet altijd zoo veilig in die kloof was.
-De dooreen geworpen rotsblokken, de akelig verwrongen boomstammen, wier
-bulten, knoesten en uitwassen nog verdord gras en verdroogde takken
-torschten, de glad uitgeschuurde strepen in de rotslagen verkondigden
-genoegzaam, dat, wanneer de noordwestenwind ’s hemels sluizen ontsloot,
-en de krachten van den „bandjir” (watervloed) ontketende, de Banjoe
-Pahit hier in woeste golven, in driftige stroomen en tegenstroomingen,
-in vreeselijke kolken hotste, klotste en woelde, huilde en loeide, en
-dat het dan niet geraden was, zich in dit zoo diepe ravijn te bevinden.
-
-Terwijl onze jagers een blik aan die woeste omgeving wijdden, kwam het
-spektakel der drijfjagers al nader en nader, hoewel het nog zeer
-verwijderd mocht heeten. Geen enkel opgejaagd stuk wild had zich nog
-vertoond.
-
-„Dat ’s verwonderlijk,” sprak August van Beneden, „ik dacht, dat wij
-dadelijk aan het schieten zouden kunnen gaan. Kunnen ons de tjellengs,
-als zij in dit ravijn zitten, niet langs een omweg ontkomen?”
-
-„Neen,” antwoordde Verstork. „De Djoerang Pringapoes heeft overal
-schier loodrechte wanden, waartegen zelfs wilde varkens moeilijk op
-kunnen. Slechts op een paar plaatsen zijn die wanden minder steil en
-derhalve beklimbaar. Wanneer de loerahs van Banjoe Pahit en van
-Kaligaweh mijne aanwijzingen goed opgevolgd hebben, dan zijn die punten
-behoorlijk bezet, zoodat ontsnappen niet wel mogelijk is. Van de
-benedenzijde drijven de dèsabewoners met hunne geraasmakende ratels de
-varkens naar het ravijn toe, die er te eerder een toevlucht in zoeken
-zullen, daar dit hunne natuurlijke verblijfplaats is.”
-
-„Jawel, maar dan zullen zij zich daarin schuilhouden, en hier is wel
-plaats om kiekeboe te spelen,” meende Van Rheijn, „en dan kunnen wij
-hier tot den dag des oordeels staan wachten.”
-
-„Dat zou kunnen gebeuren,” antwoordde Verstork met een glimlach,
-„wanneer de drijfjagers met hunne ratels het ravijn niet van den
-benedenkant binnendrongen, om het wild naar ons toe te jagen. Dat zult
-ge zoo straks wel zien. Hoor die kerels eens een spektakel maken! Het
-is of zij bezeten zijn!”
-
-En, inderdaad, bij dergelijke gelegenheden, kan de Javaan, hoe kalm en
-flegmatiek in andere omstandigheden, ontzettend bedrijvig en rumoerig
-wezen. Hij gilt, hij schreeuwt, hij fluit, hij sist, hij kraait, roept
-en proest dan. Hij ratelt, hij slaat met alles, wat hij in de hand
-heeft, op alles, wat hem voorkomt, op bamboestaken, op boomstammen, op
-steenen, die niet altijd onwelluidend klinken, op zijne krisschede; hij
-zou op den schedel van zijn buurman kloppen, als deze het niet belette.
-En dat alles, om het meest mogelijke spektakel te maken, om daardoor
-het wild, dat zoo heel mak niet is, vrees aan te jagen, en den kant uit
-te drijven, werwaarts men wenscht, dat het vlucht.
-
-„Wij hebben nog eenige passen te doen,” ging Verstork voort, „dan komen
-wij aan den Djoerang Ketjiel, waar eene kleine beek, de Karang Aleh,
-zich in de Banjoe Pahit stort, en waar die te zamen door een vernauwing
-van de Pringapoes stroomen. Door dit vernauwde gedeelte, dat slechts
-een smalle spleet is—kijk daar ziet gij den ingang ervan—en door
-loodrechte rotsmuren begrensd is, moet al het opgejaagde wild heen, om
-het bovengedeelte van het ravijn te bereiken en te ontsnappen.”
-
-„Drommels, dat ziet er niet heel prettig uit,” zei Van Rheijn. „Het
-schijnt hier wel een voorspel van de verwoesting van het heelal.”
-
-En waarlijk, de ravijnwanden, allen uit grauw lavatrachiet bestaande,
-torenden steil hemelhoog op, terwijl hier en daar een afgevallen brok
-in de helling was blijven liggen, waarop wat teelaarde neergekomen was,
-en zoo een groen eilandje in die steenenmassa schiep. De rotsblokken,
-die daar het terrein versperden, waren ontelbaar en reusachtig te
-noemen; terwijl vele wilde struiken, waaronder de Sembong, de Kemanden
-kerbo, en de Oering aring [116] en slingerplanten als de Oeweh lilin
-[117] met hare vinnige doornen ruim vertegenwoordigd waren. Ettelijke
-knoestige stammen van den Djatie doerie [118] en van den Siwallan [119]
-staken hier en daar hunne schrale kruinen omhoog, en vermeerderden,
-door dat zij tot steunpunten dienden voor de ontwortelde boomen, die de
-bergstroom bij bandjir er tegen en tusschen door gesleurd had, de
-moeielijkheden van dat terrein.
-
-„Nu moeten wij ons verdeelen, vrienden,” sprak Verstork. „Ziet, ik zal
-hier met Van Nerekool en den wedono vlak tegenover die spleet post
-vatten. Gaat gij, Leendert met August, boven op die rots, die daar
-rechts ter zijde staat. Gij, Theodoor en Frits, daar op die
-afgebrokkelde massa, die tegen de wandhelling ligt. Van die punten kunt
-gij den ingang met uw vuur bestrijken, en... zijt gij inderdaad zulke
-goede schutters, als gij wel eens voorgeeft, dan kan geen enkele
-tjelleng den dood ontkomen. Maar, haast u; want hoort het spektakel
-eens naderen.”
-
-En, inderdaad, het gegil der drijvers werd al meer en meer duidelijk.
-Hun geklep en geratel werd oorverdoovend. Het was een leven, hetwelk
-naderde, alsof alle duivels der hel losgebroken waren.
-
-Grenits had geen aangenaam gezicht gezet, toen hem Mokesuep tot makker
-aangewezen was. Het was hem evenwel niet gegund, om zich eenige
-aanmerking over die samenkoppeling met dien hem niet sympathieken
-persoon te veroorloven; want het was tijd, dat de jagers zich naar de
-hun aangewezen punten begaven, die met uitstekende kennis èn van het
-wild, dat in aantocht was, èn van het terrein, waarop men zich bewoog,
-gekozen waren. De schutters toch konden elkander duidelijk ontwaren,
-zoodat geen gevaar bestond, dat zij ongelukken konden aanrichten;
-terwijl de uitgang van het smalle rotsdéfilé voor allen zichtbaar was,
-en zij op de verhevenheden, waarop zij stonden, voor een aanval der
-dieren met hunne slagtanden tamelijk gevrijwaard waren.
-
-Maar... men tuurde, tuurde... en, hoewel de zool van dien uitgang
-slechts met eenige dwergachtige struiken, te klein om een varken te
-kunnen maskeeren, en met nog korter gras bedekt was, werd van het wild
-niets bespeurd. Die oogenblikken van spanning duurden vrij lang voor de
-ongeduldige Europeanen, die het onontbeerlijke flegma der Inlanders bij
-zoo eene jacht niet bezaten. De wedono stond daar kalm en bedaard aan
-een standbeeld gelijk.
-
-„Ik zie niets komen!” riep August van Beneden den controleur toe,
-waarbij hij de handen als een scheepsroeper aan den mond had gebracht.
-„Ik geloof, dat de dèsaluidjes het zich zeer gemakkelijk hebben
-gemaakt, en het wild ter zijde hebben laten ontsnappen.”
-
-„Mij dunkt ook, dat het ravijn onbevolkt is,” meende Van Nerekool, wien
-het lange wachten nog onaangenamer viel dan de anderen.
-
-Verstork vertolkte het vermoeden van Van Beneden aan den wedono, die
-naast hem met het geweer in de hand stond, en vroeg hem, of zoo iets
-mogelijk was?
-
-„Bolèh..., tapeh... brangkali tida, Kandjeng toean!” (Het kan...
-maar... misschien is het zoo niet geschied.) was het bedachtzame
-antwoord van het districtshoofd.
-
-Men wachtte... wachtte... Het geraas der drijfjagers naderde al meer en
-meer, en werd duidelijker en duidelijker. Als dat nog zoo eenige
-minuten duurde, dan zou het ontwijfelbaar blijken, dat het ravijn leeg
-was, en het wild gevlogen; want dan zouden de dèsabewoners tot bij de
-kloof genaderd zijn.
-
-Verstork stond te trappelen van ongeduld. De kwinkslagen, die de jagers
-elkander toeriepen, maakten hem kregelig; hoewel zij volstrekt van
-geene onwelwillendheid getuigden. Alleen Mokesuep, zijne geaardheid
-getrouw, kon niet nalaten eene hatelijkheid met teemerige stem uit te
-roepen.
-
-„Wij zullen niet vet worden van het varkensvleesch, dat wij schieten
-zullen, controleur!”
-
-„Hoe je mond, akelige Muizenkop!” beet hem Theodoor Grenits toe. „Moet
-jij altijd hatelijkheden debiteeren?”
-
-„Het is wat moois!” pruttelde Muizenkop! „Ik sta mij hier te
-vervelen.... Men inviteert de menschen niet op eene varkensjacht, als
-er geene varkens zijn.”
-
-„O, er zullen wel tjellengs geweest zijn, wees daar zeker van; maar kan
-Verstork het helpen, als de drijvers ze hebben laten ontsnappen?”
-
-„Het zou....”
-
-Pang!... pang!... pang! barstte het geweervuur los, en brak de
-hatelijkheden van den fiscalen ambtenaar af. Het waren Verstork, Van
-Nerekool en de wedono, die vlak voor den ingang der kloof geposteerd
-waren, een dwarrelenden grauwen hoop met snelheid hadden zien naderen,
-hunne geweren vlug aan de schouders gebracht en vuur gegeven hadden.
-Voor de overige jagers was nog niets te ontwaren. Het geklep, het
-geratel en het gegil der drijvers verdubbelde als het ware bij het
-vernemen der schoten, en overstemde ieder ander geluid. Zonder dat had
-men het geknor en het gegrom der aankomende bende moeten hooren, en zou
-daardoor reeds lang een einde aan de onzekerheid omtrent de uitkomst
-der jacht gemaakt zijn.
-
-Bij het losbranden der drie geweerschoten waren de drie voorste
-tjellengs, drie mannetjes, waarvan een kolossaal groote, getroffen en
-neergestort. Dat deed de geheele aanstormende bende feitelijk
-stilstaan, omdat de gekwetsten, die erbarmelijk schreeuwden, spartelden
-en verwoed de naderenden beten en met hunne slagtanden raakten, den
-nauwen doorgang gedeeltelijk versperden. Dat was slechts eene korte
-verpoozing; want de drijvers naderden met hun ontzettend spectakel al
-meer en meer en joegen de angstige bende voort. Een oogenblik snoven de
-voorsten de lucht op, en stormden daarop over de lichamen der
-gevallenen voorwaarts. Maar èn het drietal, dat het eerst vuur gegeven
-en de geweren weer „vaardig” had, èn de rechts en links geplaatste
-schutters, die nu ook het wild begonnen in het oog te krijgen,
-heropenden het vuur, en joegen hunne kogels in den dichten drom, waarin
-schier geen enkel schot verloren ging. Ontzettend was het tooneel van
-verwarring, dat nu volgde. Akelig steenend vielen de getroffenen omver
-of deden nog eenige passen, om elders neer te storten.
-
-De achterop dringenden beten en sloegen verwoed om zich heen om vrij
-baan te maken. Moeders sprongen grimmig in de bres voor hare kleinen,
-en waren niet het minst verbitterd tegen de gevallenen, die den weg
-versperden en hunne pijnlijke ledematen met al de verwoedheid hunner
-geaardheid verdedigden. En in dat gruwzame kluwen drongen voortdurend
-de kogels der zeven schutters! Schot op schot weerklonk, velde steeds
-de voorsten en maakte den slagboom in de nauwe engte nog
-onoverkomelijker.
-
-Het duurde zoo een drietal minuten ongeveer, dat steeds de
-achter-opdringende tjellengs de voorsten voorwaarts duwden, waarbij die
-onder de wisse schoten der uitmuntende vuurwapenen in niet onervaren
-handen noodlottig getroffen werden.
-
-„Is er geen gevaar, dat wij de drijvers raken kunnen?” vroeg Van
-Nerekool aan Verstork.
-
-„Volstrekt niet,” antwoordde deze, „wanneer zij zich stipt aan de
-instructies houden, die ik de hoofden gegeven heb. De kloof maakt iets
-verder een elleboog, zoodat alle onze projectielen, die niet raken of
-door het lichaam van zoo’n tjelleng heengaan, in den rotswand een
-ondoordringbaren kogelvanger aantreffen. Hoort,.... de drijvers hebben
-volgens afspraak hun voorwaartsche beweging reeds eenigszins gestaakt.
-Die zal weldra geheel ophouden; want ook zij zijn beducht om naderbij
-te komen, en zoo aan het gevaar, van door een verloren kogel getroffen
-te worden, bloot te staan.”
-
-Inmiddels bleef het geraas der ratels aanhouden en was het vuur
-onafgebroken met hetzelfde noodlottig gevolg voortgezet. Steeds poogde
-de grommige bent voorwaarts te dringen, om uit die rampvolle engte te
-geraken, steeds velden de kogels de voorsten neder en werd daardoor de
-verwarring ten toppunt gevoerd. Eindelijk, na een poos in de grootste
-radeloosheid rondgekrioeld te hebben, waarbij het geweervuur nieuwe
-offers velde, maakten de overblijvenden, die niet talrijk meer waren,
-en door een groot zwartachtig varken geleid werden, bij een plotseling
-zwijgen der ratels achter hen rechtsomkeert, en stormden het ravijn
-weer in, waaruit zij getracht hadden te ontvluchten.
-
-
-
-
-
-
-
-XVIII.
-
-DE ONSCHULD TEN VAL.
-
-
-„Hoerah!” riep Mokesuep. „De vijand vlucht!”
-
-Innerlijk had dien held het hart in de borstkas geklopt. Hij had toch
-gevreesd, dat de tjellengs doorgebroken zouden hebben; ja, dan ware een
-gevecht met de sabelbajonet niet onmogelijk geweest. Angstig had hij
-toch reeds uitgekeken naar een goed heenkomen tegen den steilen
-rotswand op. Waren er projectielen geweest, die het wild niet getroffen
-hadden, dan was dat zijne bevende hand te wijten. Eenige zijner kogels
-waren zelfs over den rotswand, die de kloof begrensde, heengevlogen;
-maar hadden gelukkig niemand der daarachter opgestelde Javanen gedeerd.
-Het eigenaardig fluiten der projectielen uit zijne buks had dezen
-evenwel beducht gemaakt; vandaar dan ook, dat zij wel wat te vroeg de
-drijfjacht en hun spektakel gestaakt hadden.
-
-„Roep jij hoerah?” vroeg Grenits vertoornd. „Ik geloof, dat jij niet in
-de wieg gelegd werdt om een Nimrod te worden.”
-
-„Het is beter zoo...” stamelde de lafaard, wiens lippen nog bleek van
-angst waren.
-
-„Maar het overschot der bende ontsnapt ons,” kreet Grenits. „Kom,
-vooruit! Zij vluchten, wij moeten hen achterna! Geen enkele mag ons
-ontsnappen. Jongens, vooruit! vooruit!”
-
-Ook de andere jongelieden hadden zich teleurgesteld gevoeld bij dien
-afloop. Op den kreet van Theodoor Grenits stoven allen vooruit met het
-geweer in de hand de kloof in. Mokesuep evenwel bleef bedachtzaam
-achter. Wel poogde de wedono hem meê te troonen met het aanmoedigend:
-„lakas toean!” (vlug, mijnheer) maar de held maakte een afwijzend
-gebaar, en bleef zijne makkers nakijken, totdat hij ze uit het oog
-verloren had. Toen wierp hij het geweer met den bandelier over den
-schouder, en sloeg het pad naar Banjoe Pahit in, terwijl hij mompelde:
-
-„Het zou wat moois zijn, als ik met zulk vuil gedierte handgemeen werd!
-Neen, ik wil zien, of ik niet een wit voetje bij de vrouw van den kok
-van Verstork kan krijgen. Een aardig bekje!... dat vrouwtje!... Een
-slimmert, die controleur!... Als ik hem eens onder zijn duiven kon
-schieten!...”
-
-Terwijl hij, zoo in zich zelven pratende, voorstapte, had hij den
-boveningang van den Djoerang Pringapoes bereikt, en had toen een ruim
-vergezicht over de terrasgewijs oploopende sawahvelden, die met hunne
-bevloeide oppervlakten als zoovele spiegels in de zon glinsterden. Het
-was nog niet laat, ternauwernood half acht. Hij keek rondom zich, maar
-niet om de fraaie natuur te bewonderen. Voor zoo iets had zoo’n wezen
-weinig gevoel. Neen, hij tuurde rondom zich met een gevoel van angst
-over de eenzaamheid, waarin hij zich na al het spektakel van straks
-bevond. O, hij hoorde nog wel geschreeuw en gegil in de verte,
-waartusschen zich geweerschoten mengden; maar dat verwijderde zich al
-meer en meer in de diepte van het ravijn, en het was eene betrekkelijke
-stilte, die thans rondom hem heerschte. Hij keek uit met een gemengd
-gevoel van verlangen, om toch een menschelijk wezen te ontwaren, en van
-angst, dat hij Inlanders ontmoeten kon. Hij had toch zooveel van
-„ketjoe’s” (roovers) gehoord, die wel eens de binnenlanden van sommige
-streken van Java onveilig maakten. Ieder ander zou vertrouwen in het
-geweer gesteld hebben, dat hij over den schouder droeg; maar daartoe
-was hij van te lafhartigen aard.
-
-Hij stapte bedachtzaam voort. Eenigszins verwijderd van hem, doch bij
-den voetrand eener heuvelenrij, die noordwaarts van hem gelegen was,
-maar zich nog bij het bergstelsel, dat den Djoerang Pringapoes vormde,
-aansloot, bespeurde hij eene eenzaam staande hut, die in de struiken
-der wildernis, welke zich tot daar uitstrekte, verscholen lag, en, in
-welker nabijheid een paar buffels langs het pad liepen te grazen. Hij
-zag nog verder rondom zich, en ziet, daar... op het pad, hetwelk uit
-het noordwesten kwam, en zich over de dijkjes der rijstvelden
-slingerde, zag hij iemand aankomen, die zich naar de hut scheen te
-begeven. Hij keek scherp uit. Het was een vrouwelijk wezen, dat was
-buiten kijf. Dat stelde hem gerust. Tegenover eene vrouw, en dan nog
-wel tegenover eene Javaansche, voelde hij zich dapper. Hij zou haar
-inwachten, naar omstandigheden een gesprek met haar aanknopen en dan
-zoo gezamenlijk naar Banjoe Pahit gaan.
-
-De naderende werd al meer en meer duidelijk, te midden der sawah’s,
-waarboven hare omtrekken zich scherp voordeden en in de watervlakten
-afspiegelden.
-
-„Drommels, wat eene mooie meid!” mompelde hij verrukt, na een poos
-uitgekeken te hebben. „Des te beter, met zoo’n lief kind zal het eene
-zeer aangename wandeling zijn.”
-
-Hij verrekende zich evenwel. Niet ver van de hut sloeg het meisje,—want
-dat was het,—een zijpad in, hetwelk in zuidoostelijke richting langs de
-sawah-terrassen afdaalde en naar Kaligaweh scheen te voeren. Dat stelde
-hem teleur, en hij was op het punt om het lieve kind toe te roepen,
-toen een Javaan plotseling uit de hut trad en het meisje wenkte.
-
-„Drommels,” prevelde Mokesuep, „dat is Singomengolo, de opiumspion. Wat
-komt die hier doen?”
-
-Hij verstopte zich dadelijk achter eenige struiken, die langs den weg
-stonden.
-
-Inderdaad, het was Singomengolo, de ellendeling, die wij des avonds te
-voren Kaligaweh hebben zien verlaten, om zich naar de eenzaam gelegen
-hut te begeven. Nogmaals wenkte deze, en riep, toen dat gebaar
-onopgemerkt bleef:
-
-„Dalima!”
-
-Het vrouwelijke wezen keerde zich om en, werkelijk het was de lieve
-kleine baboe van de familie Van Gulpendam. Zij stond een oogenblik
-stil, hoewel hare wezenstrekken onverholen angst uitdrukten, bij het
-ontwaren van den opiumjager, die haar niet onbekend was. Maar dat
-stilstaan duurde slechts een oogenblik; want dadelijk daarop wilde zij
-met rappen voet voortmaken.
-
-„Dalima!” klonk het andermaal. „Waarheen gaat gij?”
-
-„Naar Kaligaweh,” antwoordde het meisje gejaagd.
-
-„Kom eens hier,” riep haar Singomengolo toe.
-
-„Ik heb geen tijd, ik moet naar mijn vader,” riep zij terug, terwijl
-zij voortijlde.
-
-„Kom toch hier. Er is iets met uw vader gebeurd.”
-
-„Wat? Ja, ik weet het. Men heeft mij verteld, dat hij ziek is. Daarom
-heb ik zoo’n haast.”
-
-„Neen, uw vader is niet ziek. Het is veel erger.”
-
-Het meisje stond eensklaps stil.
-
-„Erger dan ziek?” vroeg zij. „Is hij dood?”
-
-„Neen... veel erger.”
-
-„Bij Allah! wat is er dan?”
-
-„Kom hier, dan zal ik het vertellen. Het zijn zaken, die men zoo niet
-uitschreeuwen kan.”
-
-Dalima trad nader. Zij kwam de struiken, waarachter Mokesuep verscholen
-zat, rakelings voorbij. Zij was zoo als gewoonlijk netjes gekleed,
-droeg een gebloemde sarong om het middel, was verder met een baadje van
-licht rooskleurig katoen getooid, terwijl over haren schouder een
-ponceau roode zakdoek geslagen was, waaraan een bos sleutels, aan een
-der punten geknoopt, bengelde. In den weelderigen gitzwarten „kondeh”
-(haarwrong) droeg zij een dubbelde melati-bloem, [120] die daar te
-midden van dat ebbenzwart als een wit roosje prijkte. Haar lief gelaat
-vertoonde een zachten blos,—teweeggebracht door de morgenlucht, die,
-hoewel niet koud, toch frisch was,—welk inkarnaat zich heerlijk aan het
-zachte brons harer wangen paarde.
-
-Geen dier bekoorlijkheden ontsnapte aan het ervaren oog van den
-verscholen fiscalen ambtenaar. Hij had werkelijk in sommige gevallen
-wel eenig gevoel voor het schoone; hoewel dat dan meestal booze
-neigingen bij hem opwekte, en niet zelden tot misdadige ontwerpen
-aanleiding gaf. Wie weet, wat er gebeurd zou zijn, wanneer hij alleen
-met Dalima naar Banjoe Pahit voortgewandeld ware? Thans was de
-tegenwoordigheid van Singomengolo voldoende, om hem te noodzaken zich
-schuil te houden.
-
-Toen het meisje de hut genaderd was, vroeg zij andermaal:
-
-„Wat is er dan?”
-
-„Kom maar binnen,” antwoorde de opiumjager, „dan zal ik u vertellen,
-waarom uw vader gevangen is genomen.”
-
-Dalima stiet plotseling een kreet uit. Singomengolo verbeeldde zich,
-dat het uit wanhoop was over de tijding, die hij zoo onbewimpeld
-mededeelde. Maar eensklaps draaide het Javaansche meisje zich om, en
-wilde heenvluchten.
-
-Zij had Lim Ho door de reet der deur ontwaard, die haar met van
-hartstocht glinsterende oogen aanstaarde. Toen begreep zij alles. Zij
-keerde om en ijlde heen; maar nog had zij geen tien passen afgelegd, of
-Singomengolo, die haar dadelijk nazette, had haar ingehaald. Hij greep
-haar bij de polsen en trachtte haar met zich voort te trekken. Het
-meisje verzette zich hevig; zij gilde om hulp; zij trapte en schopte
-naar haren belager en poogde hem in de handen te bijten, die hare armen
-omkneld hielden. In één woord, zij stelde zich te weer als eene wilde
-kat, en was vast besloten, zich tot het uiterste te verdedigen.
-Inmiddels had zij hoop, dat haar hulpgeschreeuw gehoord zou worden. Zij
-had toch een blanken man op het pad gezien, dat het hare kruiste.
-
-Ieder ander dan Mokesuep zou het arme kind te hulp gesneld zijn. Wie
-weet, waartoe hij zich zou hebben laten verleiden, niet uit een gevoel
-van meêwarigheid of ridderlijkheid; maar wel met de hoop op... Ja,
-waarop? In het brein van zulke wezens ontkiemen de onedelste gedachten,
-even als vergiftigde paddestoelen op een onreinen bodem. Maar,... ook
-hij had het van laaghartige hartstochten blakende gelaat van Lim Ho
-ontwaard. Hij begreep, wat er om handen was, en besloot zich stil te
-houden, om van de omstandigheden zooveel mogelijk partij te trekken.
-Lim Ho’s vader was toch onmetelijk rijk en zou, wanneer het zijn eigen
-zoon gold, op geen papiertje van duizend gulden zien. Arme Dalima!
-Wanhopig stelde zij zich te weer; hartverscheurend klonk haar:
-„toeloeng! toeloeng!” (te hulp! te hulp!) Niets baatte. De aterling,
-die haar helpen kon, hield zich schuil, zag de worsteling met een
-cynisch oog aan, en vermeidde zich in het beschouwen harer vormen, die
-bij de worsteling niet altijd bedekt bleven, en door hem met
-welgevallen gedetailleerd werden.
-
-Toen die heillooze worsteling een poos geduurd had, en Singomengolo er
-aan wanhoopte, het meisje verder voort te sleuren, riep hij Lim Ho te
-hulp. Deze kwam naar buiten, en wilde haar in zijne armen klemmen, en
-zoo verder dragen. Toen hij evenwel bij die poging een vinnigen beet in
-het oor kreeg, werd de ellendeling woedend; hij greep haren kondeh, die
-reeds bij de worsteling gedeeltelijk losgeraakt was, en zich nu geheel
-ontrolde, sloeg den weelderigen haarwrong om de hand en sleepte nu,
-terwijl Singomengolo steeds hare handen stevig vasthield, het meisje
-binnen de hut. Lang nog liet zich het akelig gegil van: „toeloeng!....
-toeloeng, toean!” hooren, maar dat verstomde langzamerhand. Heel in de
-verte klonken geweerschoten, evenwel zoo zwak, dat, al had het meisje
-die ook in de hitte van den strijd vernomen, zij wel begrijpen moest,
-hare stem op dien afstand niet gehoord zoude worden, en dat de hulp,
-wanneer die opdaagde, te laat zou komen.
-
-
-
-Hoe kwam Dalima daar in dat morgenuur op die noodlottige plek?
-
-De lezer zal zich herinneren, dat Singomengolo, na zijne heldendaad in
-de dèsa Kaligaweh uitgevoerd te hebben, zich op weg naar de eenzame hut
-begeven, en den bewoner daarvan naar Santjoemeh gezonden had. Deze
-laatste had twee boodschappen te verrichten. Hij moest eerst een
-briefje aan Lim Ho eigenhandig bezorgen; daarna moest hij naar het
-residentiehuis gaan, om Dalima mede te deelen, dat haar vader
-plotseling bedenkelijk ziek was geworden, en hij haar nog voor het
-laatst wenschte te zien. De boodschapper, een slimme kerel, steeg op
-een dier kleine maar onvermoeibare Javaansche paarden, die met hunne
-stalen spieren onbegrijpelijk snel groote afstanden kunnen afleggen.
-Het was omstreeks elf uren, toen hij bij de sierlijke woning van babah
-Lim Yang Bing stil hield. Hij trof het bizonder goed; want daar
-ondervond hij geen oponthoud. Lim Ho lag behagelijk op eene weelderige
-rustbank uitgestrekt, met het lange Chineesche pijpenroer in den mond,
-met een kommetje „tjoe” [121] op een knaapje bij zich, en luisterde met
-een soort verrukking naar een paar zijner bedienden, zonen van het
-Hemelsche rijk evenals hij, die, met overeengeslagen beenen op een
-stoel gezeten, op de „trauwkoei” (soort tweesnarige viool) speelden, en
-aan dat instrument de meest erbarmelijke tonen ontlokten, die niet
-alleen een Vieuxtemps of een Paganini, maar zelfs al de katers uit de
-buurt, die anders op het gebied van muzikalisch gevoel niet zeer
-kieskeurig uitgevallen waren, op de vlucht zouden gedreven hebben.
-Zoodra Lim Ho den boodschapper ontwaardde, vloog hij van den divan op,
-greep het briefje, opende het, en las slechts deze weinige woorden, die
-een ervaren telegraaf-correspondent alle eer zouden aangedaan hebben:
-
-„Samoewa sedia! Di sini poekoel toedjoeh pagi pagi.” (Alles klaar! Hier
-zijn om zeven uur in den ochtend).
-
-De Chinees greep zijn horloge, keek hoe laat en vroeg aan den
-boodschapper welk weer het was.
-
-„Boelang trang, babah,” (heldere maneschijn, babah) was het antwoord.
-
-Lim Ho wierp hem een rijksdaalder toe, en gaf hem zijn afscheid, met de
-aanbeveling zijn tweede boodschap goed uit te voeren, en den uitslag te
-komen berichten. Daarna deed hij zijn paard zadelen en wachtte.
-
-In het residentiehuis viel het den boodschapper niet zoo gemakkelijk
-zich van zijnen last te kwijten. Wel zaten de hoofdambtenaar en zijne
-gade met nog ettelijke gasten rondom de speeltafeltjes; maar de dochter
-des huizes, de lieve Anna, was reeds naar haar slaapvertrek gegaan, en
-had ook aan hare baboe verlof gegeven, om te gaan rusten. De
-boodschapper ging naar het achtererf en verkreeg eindelijk van een der
-bedienden, dien hij daar aantrof, dat deze Dalima zou gaan wekken.
-
-Het meisje was wanhopig, toen zij vernam, dat haar vader stervende was.
-Zij vloog de pandoppo binnen, en snelde naar het slaapvertrek harer
-meesteres, die gelukkig nog niet te bed was.
-
-„Nana, minta permissie,” ik vraag verlof mompelde zij opgewonden, toen
-Anna de deur opengemaakt had.
-
-„Kom, bedaar. Wat is er gaande?” vroeg het jonge Europeesche meisje,
-die de ontsteltenis van Dalima opmerkte en haar trachtte te bedaren.
-
-De baboe verhaalde daarop, dat een man van Kaligaweh was aangekomen, en
-haar had medegedeeld, dat haar vader stervende was, en verzocht zijne
-oudste dochter nogmaals te zien.
-
-„O, Nana,” smeekte Dalima, „geef mij permissie, om naar huis te gaan!
-
-„Maar, Dalima, hoe laat is het thans?”
-
-En op eene smaakvolle pendule kijkende, die op eene console stond,
-vervolgde zij.
-
-„Bijna middernacht!... Dat gaat niet. Hoe zult gij in het donker zoo
-ver durven gaan?”
-
-„Nana weet, dat ik zeer moedig ben. Ik ken den weg. Ik zal het bergpad
-inslaan. Daarop ontmoet ik geen mensch.”
-
-„Maar, het is juist die eenzaamheid, welke ik vrees. Gij kunt een
-tijger of een tjelleng tegenkomen.”
-
-„Och, Nana, tijgers zijn er niet in de buurt. Anders zou men er wel van
-gehoord hebben. En voor een tjelleng ben ik niet bang. Als men dien
-niet aanvalt, gaat hij voor een mensch op den loop. Toe, Nana, geef mij
-verlof! Ik ben morgen avond weer bij u.”
-
-„Ik durf niet, Dalima. Wat zal mama zeggen?”
-
-„Och, Nana,” kreet de kleine baboe in wanhoop, „gaat gij uwe mama
-vragen.”
-
-„Zij doet het toch niet.”
-
-„Waarom niet?”
-
-„Zij zal even als ik vreezen, dat u in den donkeren nacht een ongeluk
-zal overkomen. Hoe zult ge toch zoo iets durven, Dalima?”
-
-„Mijn vader is stervende; hij wil mij nog eens zien! Zie, Nana, dat
-geeft mij moed. Ik zou naar Kaligaweh gaan, al ware de weg vol
-„pontianaks,” (spoken) al ware er achter iederen boom een. En toch ben
-ik voor spoken banger dan voor dieren of menschen. Nana, ik smeek u,
-vraag uwe mama!”
-
-„Ik zal het doen; maar gij zult zien, dat het niets geven zal.”
-
-Anna schoot van den divan af, waarop zij zat, toen Dalima, aangeklopt
-had, en waarop zij weder na haar binnenkomen met op Inlandsche wijze
-gekruiste beenen plaats genomen had, en stak de reeds ontbloote voetjes
-in de snoeperige slofjes, die achteloos ter neer geworpen waren. Het
-lieve meisje was reeds in sarong en kabaai; maar om het even: zij trok
-snel een rijk gefestonneerden peignoir aan, bond zich met vlugge en
-bevallige beweging het reeds loshangende hoofdhaar in een dikken wrong
-tegen het achterhoofd, en spoedde naar de voorgalerij, waar de spelers
-nog met hun partijtje bezig waren. Tot groote verwondering van het
-lieve kind willigde de schoone Laurentia dadelijk het gedane verzoek
-in; maar beval, dat baboe Dalima nog eerst eenig naaiwerk zou
-verrichten, hetgeen zij noodzakelijk den volgenden dag zou moeten
-afmaken. Neen, mevrouw Van Gulpendam, behoorlijk door ’Mbok Karjå op de
-hoogte gehouden, had er niets tegen, dat Dalima naar Kaligaweh ging.
-Zij vond het zelfs prijzenswaardig in dat Javaansche meisje, dat zij
-zooveel van hare ouders hield. Een honigzoete glimlach teekende zich op
-haar gelaat, terwijl zij die woorden sprak, en niemand, en wel het
-allerminst hare reine en onschuldige dochter kon gissen, welken afgrond
-die woorden en glimlach verborgen.
-
-Anna bracht verheugd die boodschap harer moeder aan Dalima over, en in
-de goedheid haars harten besteedde zij een groot gedeelte harer
-nachtrust, om de baboe bij haar naaiwerk te helpen. Met het stellen van
-dien eisch had de schoone Laurentia beoogd, dat Dalima niet in het
-holle van den nacht, en derhalve waarschijnlijk ongemerkt de
-noodlottige hut zou voorbij stappen. Door Anna ijverig geholpen, was
-het de baboe mogelijk om zoo omstreeks drie uren den tocht te
-aanvaarden. Na nog een groet met hare jeugdige meesteres gewisseld te
-hebben, stapte zij het achtererf van het residentiehuis door, en
-verliet den tuin middels een sleutel, die Anna haar verschaft had. Zij
-bevond zich toen op het pad, dat dwars door de heuvelen en daarna door
-de sawahs naar Kaligaweh voerde. De maan stond helder aan den hemel.
-Moedig en vastberaden stapte zij voort, en had weldra Santjoemeh uit
-het oog verloren, terwijl geen enkele gedachte aan eenig gevaar haar
-brein kwelde, of haar hart verontrustte.
-
-Lim Ho, had van den boodschapper behoorlijk bericht ontvangen, dat de
-lieve baboe de gefingeerde tijding van het stervensgevaar, waarin haar
-vader zou verkeeren,—de lezer weet, dat den armen Setrosmito een andere
-ramp trof,—vernomen had.
-
-„Baai,” (het is goed) sprak hij tevreden, „gij zult wel moede zijn en
-niet wenschen naar de hut bij den djoerang terug te keeren, niet waar?”
-
-„Engèh, babah,” was het antwoord.
-
-„Welnu, men zal u hier eene „tampat tidor” (slaapplaats) aanwijzen, dan
-kunt ge uitrusten. Morgen zal ik uwe moeite verder beloonen.”
-
-Toen de boodschapper verdwenen was, keek Lim Ho op zijn horloge.
-
-„Ampar poekoel satoe!” (bijna een uur) mompelde hij, binnensmonds. En
-overluid vroeg hij natuurlijk in zijn landtaal:
-
-„Than Loa, is het paard reeds gezadeld?”
-
-Hij kreeg een paar Chineesche woorden ten antwoord. Daarop stond hij
-op, zette een soort muts zonder klep op, die in vorm niet ongelijk aan
-een Schotsch hoofddeksel was, greep eene karwats, trad naar buiten, en
-wipte in het zadel.
-
-„Niet gaan slapen; wakker blijven!” beval hij zijne getrouwen aan.
-
-En den teugel vierende, was hij zeer spoedig uit het oog der naturende
-bedienden verdwenen.
-
-Wel was de groote weg naar Kaligaweh, dien hij volgde veel langer dan
-het voetpad, hetwelk Dalima een paar uren later zou inslaan. Maar door
-zoo vroeg te vertrekken, zou hij reeds dadelijk een grooten voorsprong
-op haar verkrijgen. Hij kon evenwel niet weten, dat zij, alvorens naar
-haren vader te kunnen ijlen, nog naaiwerk te verrichten zoude hebben,
-en meende integendeel, dat zij dadelijk vertrokken zou zijn. Zijn
-paard, een bastaard-Perziaan was echter een uitmuntende klepper, die
-hem wel spoedig en vóór Dalima ter gemelde plaats zou brengen.
-
-Het was ongeveer half vier, toen hij bij de hut aankwam, waar
-Singomengolo hem wachtte.
-
-Beiden zaten nu den aanslag te beramen en te bespreken, die volgen
-moest, waarbij Lim Ho veel ongeduld toonde over het lang uitblijven van
-Dalima. Onder dat gekout brak eindelijk de dag aan, en was weldra
-zoover gevorderd, dat de zonsopgang nabij was, toen plotseling heel in
-de verte een vreeselijk gegil en een geratel en geklep vernomen werd,
-alsof de wereld vergaan moest. Lim Ho vloog van het matje op, waarop
-hij naast den opiumjager gehurkt zat.
-
-„Wat zou dat te beduiden hebben?” vroeg hij ontsteld.
-
-„Och,” antwoordde Singomengolo bedaard, „de toean controleur van Banjoe
-Pahit heeft eene varkensjacht georganiseerd, en nu beginnen de
-dèsalieden van die plaats en van Kaligaweh de drijfjacht.”
-
-„Hoe weet gij dat?”
-
-„Ik was gisteren te Kaligaweh, en ontmoette daar zelfs den toean
-controleur met zijn gezelschap, die de voorbereidende maatregelen voor
-de jacht kwamen nemen.”
-
-„Te Kaligaweh?...”
-
-„Ja, babah. Ik was daar, om den ouden Setrosmito op opiumsmokkelarij te
-betrappen,” antwoordde de Javaan met een gemeenen grijnslach.
-
-„Dat’s waar ook.”
-
-Lim Ho sprak die woorden uit op een toon, alsof die opiumjacht, welke
-toch den vader van zijn slachtoffer uit den weg moest ruimen, hem
-geheel en al ontgaan was.
-
-„En hebt ge opium gevonden?” vroeg hij verder.
-
-„Zeker, babah! Ik vind altijd opium; dat weet gij wel!”
-
-„Ja, gij zijt een slimme vent,” antwoordde Lim Ho lachende. „Dus de
-vader van Dalima is voor ettelijke weken goed verzorgd.”
-
-„O, langer als voor enkele weken!”
-
-„Langer? Is er dan iets gebeurd?”
-
-„Setrosmito heeft amokh gemaakt, en daarbij uw landsman Khouw Wantjiang
-neêrgestooten, en een politiedienaar gewond. Het scheelde weinig, of ik
-was er ook om koud. Maar ik poetste hem bij tijds.”
-
-Lim Ho wreef zich de handen.
-
-„Zoodat....” vroeg hij.
-
-„Zoodat,” ging Singomengolo voort, „de vader van Dalima, als hij niet
-opgehangen wordt, wel tot levenslangen dwangarbeid zal veroordeeld
-worden.”
-
-„Dat’s knapjes uitgevoerd,” zei Lim Ho, zich steeds de handen
-wrijvende. „Maar... wat is dat?”
-
-Geweerschoten werden vernomen. De jacht op de wilde zwijnen was
-begonnen.
-
-„O, dat zijn de blanke jagers, die in den Djoerang Pringapoes op
-tjellengs schieten. Dat Allah hunne jacht zegene!”
-
-„Maar zouden die blanda’s ons niet kunnen hinderen. Het ravijn is niet
-ver hier van daan.”
-
-„Die toeans zijn te druk met hunne jacht bezig, dan dat zij aan andere
-beuzelingen hunne aandacht zullen wijden. Ik hoor ze liever daar in de
-nabijheid in den Djoerang Pringapoes naar hartelust schieten, dan dat
-ze op hunne kantoren zitten te schrijven. Een blanke met de pen in de
-hand is meer te vreezen, en ook gevaarlijker dan met een geweer
-gewapend.”
-
-Zoo zaten zij te kouten, en naar het verwijderde jachtrumoer te
-luisteren. De tijd vloog heen.
-
-„Dalima komt maar niet,” zuchtte Lim Ho ongeduldig.
-
-„Jawel, daar ginds zie ik op het pad tusschen de sawahs iemand naderen.
-Dat kan niemand anders zijn dan zij.”
-
-„Kijk, kijk, daar uit het ravijn komt een blanda!” riep Lim Ho uit. „Nu
-is alles verloren!”
-
-Singomengolo keek uit, en bromde eene verwensching tusschen de tanden,
-toen hij zag, dat de Chinees waarheid sprak.
-
-Hij tuurde, tuurde; maar kon zich maar geen rekenschap geven, wie dat
-zijn kon. Dien toean had hij den vorigen avond niet te Kaligaweh
-gezien. Het was toch een jager, want hij had een geweer in de hand, en
-kwam van den kant van het ravijn en volgde het pad, dat langs de hut
-voerde.... En niet ver van de hut zou die ongeluksvogel zich met Dalima
-kruisen!... Het was om des duivels te worden!... Alle maatregelen waren
-zoo goed genomen!.... En.... nu.... door dien ellendige!....
-
-„Maar.....” riep Lim Ho eensklaps verheugd uit. „Het is „toean kapala
-tikoes”, die daar komt. Nu, geen nood! Dien ken ik. Gij moet straks de
-baboe maar roepen. Ik zal het wel met den blanke afmaken.”
-
-Lim Ho had den toean herkend, die door de meeste bewoners van
-Santjoemeh Muizenkop geheeten werd, welken naam door grappenmakers in
-„kapala tikoes” (kapala = hoofd en tikoes = muis) vertaald was. Nu
-herkende Singomengolo den fiscalen ambtenaar ook, en begreep dat hunne
-snoode plannen niet veel gevaar liepen. „Perkara oeang sadja,” (eene
-geldkwestie slechts) zei hij met beteekenisvollen blik op den Chinees.
-
-Toen Dalima, op het kruispunt gekomen, het pad van Kaligaweh, wilde
-inslaan, trad de Javaan naar buiten om haar te roepen, en zag hij den
-blanke zich ijlings achter de struiken verschuilen. Op dat gezicht
-waren de beide aterlingen geheel en al gerustgesteld, en had de aanslag
-het aanvankelijk verloop, dat de lezer kent.
-
-Had Mokesuep ook al eenige aanvechting gevoeld, om bij den aanslag op
-het lieve meisje als redder op te treden, dan werd dat betere gevoel
-door het verschijnen van Lim Ho op de plaats der worsteling geheel
-verstikt.
-
-Glimlachend verstopte de ellendeling zich nog nauwkeuriger achter de
-struiken en prevelde:
-
-„Drommels! vrouw Fortuna reikt mij de hand. Ik moest een ezel zijn haar
-af te wijzen.”
-
-Inmiddels stierf het hulpgeschrei van Dalima, afgestreden en uitgeput
-als het arme meisje was, met hare krachten weg.
-
-„Toeloeng!... Toeloeng, toean! toeloeng!” was de laatste schelle kreet,
-die door de eenzame landstreek weerklonk. Geen ander antwoord kwam
-daarop, helaas! dan een flink onderhouden geweervuur in de verte.
-
-
-
-
-
-
-
-XIX.
-
-„TOELOENG! TOELOENG, TOEAN!”
-
-
-Toch was het geroep en het gegil van het arme slachtoffer gehoord
-geworden. Te laat, helaas evenwel om redding aan te brengen.
-
-Dat gedeelte der kloof, waarin de jagers ter vervolging van de
-vluchtende tjellengs in allerijl gedrongen waren, was niet heel lang,
-een vijftienhonderd meters hoogstens. Hare zool echter was uiterst
-bochtig, en naast de kronkelende bedding van de Kali Banjoe Pahit
-voortloopende, als met rotsblokken bezaaid; terwijl de wanden van
-donkergrauwen trachietlava zich tot eene hoogte van vijftig of zestig
-meters schier loodrecht verhieven.
-
-De lucht weergalmde in dien engen doorgang van het geknor en geschreeuw
-der wilde varkens, die in wanhoop krioelden en vluchtten, over de
-rotsen buitelden en tuimelden, in het riviertje een toevlucht zochten,
-maar daarin door de woest voortschietende wateren medegevoerd en
-onzacht met de lavablokken der bedding in aanraking gebracht werden.
-Aan het wanhopig gegil der dieren, paarde zich aan den eenen kant van
-de kloof het geratel, het geklop der drijfjagers, die bij de
-achterwaartsche beweging der tjellengs hun spektakel hervat hadden, en
-van den anderen kant het moorddadige geweervuur der Europeanen, dat
-onverpoosd onderhouden werd. Radeloos en in de grootste verwarring
-stormden de gejaagde dieren de Javanen te gemoet, welker geklop en
-gegil hen bij ondervinding minder gevaarlijk voortkwam. Wel stelden
-ettelijke der dèsabewoners, toen de drom in de nabijheid kwam, zich
-ijverig te weer en staken er met hunne lansen duchtig op los. Maar het
-meerendeel week, toen de grimmige bende op hen instormde, en sloeg
-geheel en al op de vlucht, toen de kogels der jagers hen om de ooren
-begonnen te snorren. Zoo’n cilindro-conische kogel van de hedendaagsche
-draagbare vuurwapenen maakte ook zoo’n afgrijselijk gefluit bij het
-afleggen harer baan, dat het was om iemand kippenvel op het lijf te
-jagen. In minder dan geen tijd, was de linie der drijfjagers voor de
-aanrennende zwijnenschaar als de nevel voor de morgenzon verdwenen.
-Verreweg het meerendeel was op hooge rotsblokken geklommen; het andere
-was in de dwergboomen geklauterd. Maar geen enkele Javaan had zich
-achter rotsen of achter boomstammen verscholen, waar hem de slagtanden
-der tjellengs bereiken konden.
-
-De bende wilde varkens was zeer geslonken. Het waren er niet velen, die
-den doorbraak der linie drijfjagers overleefden. Het grootste gedeelte
-was in de kloof onder de kogels der Europeesche schutters gevallen. Het
-was eene ware slachting, die daar plaats gehad had. Een vijftiental
-lijken lagen daar uitgestrekt, ongerekend de tjellengs, die met een
-kogel in het lichaam, of de huid opengereten door een schampschot, hun
-heil in de vlucht gezocht hadden, maar den dood niet ontkomen zouden
-[122].
-
-„Vooruit; Vooruit!” riep Verstork, aangemoedigd door den aanvankelijken
-goeden uitslag van de jacht. „Vooruit! wij moeten trachten, dat er geen
-enkele van dat schadelijk gedierte ontsnapt!”
-
-Dat was evenwel gemakkelijker gezegd en aanbevolen dan wel uitgevoerd.
-
-Wel stormden de jagers het ravijn in en de bende wilde zwijnen
-achterna. Wel werd nog menig schot gelost, waarbij telkenmale een
-slachtoffer viel; maar de varkens waren vlugger ter been, en nu de
-insluitingsketen verbroken was, waren zij spoedig in de schier
-onuitwarbare wildernis van doornachtige struiken, van woest dooreen
-geworpen boomstammen en rotsblokken, waarmede de zool van het ravijn
-overdekt was, uit het oog verdwenen. De jagers spanden alle krachten
-in, om het wild te volgen; maar daartoe waren de vlugheid en de
-lenigheid van een orang-oetan noodig geweest en, wie weet, of ook die
-de vervolging niet had moeten opgeven.
-
-Opgeven?... Ja; want op een gegeven oogenblik stonden de blanke jagers
-daar met gescheurde kleedingstukken, met verwonde handen door de
-doornen, uitgeput van den verwoeden wedloop, hijgende naar hun adem. Op
-het geroep eindelijk van Verstork kwamen zij langzamerhand te zamen.
-
-„Waar is Grashuis?” vroeg de controleur.
-
-„En waar is Grenits?” vroeg Van Rheijn.
-
-Men keek rond; maar zag hen niet. Een paar geweerschoten in de verte
-gaven te kennen, dat de twee vermisten de jacht nog niet opgegeven
-hadden.
-
-„Wij dienen hen te volgen,” sprak Verstork. „Men kan niet weten, wat er
-gebeuren kan, en hoezeer hulp noodzakelijk kan zijn. In welke richting
-hebben die schoten weerklonken?”
-
-Alle handen gingen omhoog; maar allen in verschillende richting. Als er
-handen genoeg geweest waren, zouden alle streken van de kompasroos
-aangewezen zijn.
-
-„Daar!”
-
-„Neen, daar!”
-
-„Gij vergist u, het was daar!”
-
-„Mis! het was in die richting!”
-
-„Drommels,” zei Verstork „dat ’s lastig. En zelf heb ik er niet zoo op
-gelet, dat ik de richting zou kunnen aanwijzen. Die schoten hebben mij
-verrast. Wij zullen wat wachten; er zullen nog wel schoten vallen.”
-
-„Dat ’s juist goed,” antwoordde August van Beneden, „dan kunnen wij wat
-rusten en tot adem komen. Ik ga hier op die rots zitten.”
-
-Die rust duurde kort; want nog geen tien minuten later weerklonk
-andermaal een schot, dat een poos later door een tweede gevolgd werd.
-Dat geknal klonk verder verwijderd dan straks; maar de richting was
-thans behoorlijk waargenomen.
-
-„Komt, heeren, daar heen!” sprak Verstork, terwijl hij zijn geweer
-opnam.
-
-„Zouden wij nog niet een oogenblik toeven?” vroeg Van Beneden.
-„Drommels, ik ben nog zoo moe!”
-
-„Ik zal onderwijl in dien boom klimmen,” sprak de wedono, op een
-gladden Komessoe [123] wijzende. „Misschien zal ik de verdwaalden
-ontdekken.”
-
-Het Javaansch districtshoofd, een vlugge jonge kerel was in een oogwenk
-boven. Bij het klimmen ging hij geheel en al volgens zijn landaard te
-werk. Hij omvatte den slanken boom met beide handen en steunde met de
-voeten tegen den stam. Zoo kon hij afwisselend handen en voeten
-verzetten, en was dan ook vlug in de kruin.
-
-„Ziet ge wat, wedono?” vroeg Verstork.
-
-„Nog niet, Kandjeng toean.... maar wacht!.... ja, daar ginds zijn ze.
-Zij klauteren langs de helling van het ravijn op en zetten eenige
-tjellengs na. Maar, dat is zeer ver.”
-
-„Kom heeren, nu op het pad! Wij zullen trachten onze vrienden in te
-halen!”
-
-Inderdaad, Leendert Grashuis en Theodoor Grenits waren voortgespoed en
-vervolgden met het ontembaar vuur, hetwelk moedige jongelieden kan
-bevangen, die eene zoo opwekkende jacht bijwonen, een troepje wilde
-varkens, hetwelk uit een kolossalen grooten beer, een vrouwtje en vier
-biggetjes bestond. In woeste vaart ging het zoowel bij vervolgers als
-vervolgden over en onder rotsen heen, door en over struiken, soms in
-het riviertje, waarin de varkens onder de watervlakte verdwenen,
-krachtig voortzwommen, en te midden van het wielende schuim
-voortspoedden. Soms kregen de jagers het troepje varkens in het
-gezicht, terwijl het over een rotsblok heenworstelde, dan trachtten zij
-vast te staan op den moeielijken bodem om goed te kunnen mikken. Maar,
-nog voor dat zij het geweer aan den schouder gebracht hadden, waren de
-tjellengs òf onder een overhangend woest daar heen geworpen
-rotsgevaarte, òf achter een struik verdwenen, en dan hervatten de
-jagers de vervolging, die zij een oogenblik gestaakt hadden.
-
-Zoo ging het een poos voort, totdat de beer op zeker punt zijn gezin
-tegen de helling van den ravijnwand wilde opvoeren, om zoo het vrije
-veld te bereiken, waar de vlucht met meer spoed zou kunnen geschieden.
-Helaas, maar ook daar zou de uitwerking der vuurwapenen van de twee
-vervolgers haar voordeel hernemen. Reeds dadelijk bij het bestijgen van
-de helling, waarbij het troepje een oogenblik op het korte gras voor
-het oog zichtbaar werd, knalden twee schoten, en buitelde een der
-biggetjes achterover en rolde de helling weer af. Grimmig snelde de
-moeder te hulp. Maar, welke moeite zij ook deed om haar jong voort te
-krijgen, het was te vergeefs. Voort moest zij, wilde zij niet onder de
-wisse kogels vallen. Een oogenblik later stortte een ander biggetje,
-thans evenwel ongewond, van de scherpe helling omlaag. Fluks was de
-moeder weêr bij de hand om het diertje, dat slechts uitgegleden was, op
-de been te helpen. Voor onpartijdige toeschouwers ware het aandoenlijk
-geweest te zien hoe die moeder haar jong verzorgde, hoe zij het met
-hare snuit liefderijk maar toch krachtig voortstootte, terwijl zij
-daarbij een aanmoedigend geknor liet hooren. Helaas! jagers hebben geen
-medelijdende harten! Nog was de moeder met haar jong niet bij den
-hoofdgroep aangekomen, of daar knalden weer twee schoten, èn jong èn
-moeder rolden de helling af naar beneden. Nog een zielsvol oog voor het
-jong, waarna die goede moeder nog een woesten, wraakzuchtigen blik op
-de jagers wierp, en een schrillen kreet uitte, om den vader te
-waarschuwen. Daar klonk weer een schot, en een der kleinen rolde de
-beide blanken te gemoet. De beer gromde vreeselijk, zette zich in
-postuur met overeindstaande borstels en opgetrokken lippen, waardoor
-niet alleen de slagtanden, maar ook de snijtanden, die er als beitels
-uitzagen, schrikkelijk tegendreigden. Een tweede schot knalde dadelijk
-daarop, maar miste. Toen de kruitdamp opgetrokken was, waren beer en
-het laatste overgebleven biggetje in eene terreinplooi voor het oog
-verdwenen. Maar Grenits en Grashuis gaven de vervolging niet op, en
-voort ging het langs de wandhelling op. Inspanningsvol waren de
-pogingen die de beide jagers aanwendden om den ravijnnok vóór het wild
-te bereiken. Maar, al gaven zij het niet op en al klommen zij ook met
-taaie voortvarendheid omhoog, zoo moesten zij zich toch bekennen, dat
-eene rotshelling, waarop de gespleten en spits toeloopende hoeven van
-een wild zwijn plaats en vat vonden, geen wandelpad was voor den
-geschoeiden voet van Europeanen.
-
-Eindelijk waren de twee jagers na een onmenschelijk klimmen op den nok
-van den steilen ravijnwand aangekomen. Hijgend keken zij rond, maar
-ontwaarden van de vluchtelingen geen spoor. Die waren hen voorzeker
-voor geweest, en thans in het struikgewas van de onafzienbare vlakte
-verdwenen. Waarheen hen te zoeken? Dat zou immers noodeloos werk zijn.
-Doodmoede als zij waren, wilden zij zich in de schaduw van eenige
-struiken op het gras uitstrekken, om van hunne inspanning wat te
-bekomen; toen Grenits plotseling een schreeuw uitstiet. Hij zag zich
-aangevallen door den beer, die evenzeer uitgeput, daar met zijn jong
-zich ook uitgestrekt had om te rusten. In zijn leger als het ware thans
-bestookt, zag het woedende dier van de vlucht af en sloeg, zooals zijne
-soortgenooten gewoonlijk doen, ten aanval over. Grenits had waarlijk
-nauwelijks den tijd, om met een sprong uit te wijken en zijn geweer,
-dat met den riem over den schouder hing, in tot verdediging gereede
-positie te brengen. De beer ontweek behendig een bajonetsteek, dien hem
-Theodoor toebracht, en rende op zijn tegenstander in. Gelukkig, dat
-diens rechterbeen, door hooge lederen beenbekleeding beschermd was,
-anders zou de jager deerlijk door de slagtanden van het woedende dier
-verwond zijn. Nu evenwel was de slag, welke het zwijn door middel van
-eene krachtige kopbeweging met den snuit toebracht, toch nog zoo hevig
-dat Grenits het evenwicht, verloor, achterover tuimelde en in groot
-gevaar verkeerde. Ware hij alleen geweest, dan voorzeker zou de beer
-zich op hem gestort en, weerloos als de jager was, hem met zijne
-machtige slagtanden den buik opengereten hebben. Grimmig en met bloed
-beloopen oogen schoot hij reeds op den gevallene toe. Theodoor voelde
-reeds in zijn aangezicht den brandend heeten adem van het monster, en
-wachtte met dichtgeknepen oogen den noodlottigen schok af; toen op
-eenmaal de tjelleng een gebrul van woede uitstiet en front naar een
-anderen aanvaller moest maken. Hoe bliksemsnel het verhaalde toch in
-zijn werk was gegaan, zoo had Leendert Grashuis evenwel tijd gehad om
-snel eene patroon in zijn achterlaad-buks te schuiven en zijne bajonet
-in aanvallende positie te brengen. Zooals hij zich evenwel tegenover de
-strijdenden bevond, was er aan schieten niet te denken, daar hij meer
-kans zou gehad hebben om zijn vriend dan den beer te treffen. De
-minuten, ja de seconden waren goud waard. Theodoor lag reeds op den
-grond uitgestrekt, en de noodlottige ontknooping kon niet uitblijven.
-Toen bracht Grashuis het zwijn een bajonetsteek in de zijde toe, die
-wel eene pijnlijke wonde veroorzaakte, maar op het rechter schouderblad
-afschampte. Het monster keerde toen zijne geheele woede op den nieuwen
-aanvaller, wilde hem een slag met de vooruitstekende tanden toebrengen,
-maar die werd behendig op de bajonet opgevangen. Door den schok als
-eene hoepel kromgebogen, drong evenwel het wapen, tot bij de
-geweertromp in de keel van het dier door. Een oogenblik dacht Leendert
-er aan, om zijn wapen terug te trekken; maar de onmogelijkheid daarvan
-inziende haalde hij snel den trekker over, zoodat het dier de
-losbrandende lading met den kogel door den kop kreeg. Het sprong met
-reuzenkracht terug,—waarbij Grashuis zich zijn wapen uit de handen
-gerukt zag,—draaide eenige malen in de rondte, en viel toen
-stuiptrekkend neder. Weinige seconden later was de doodsstrijd
-volstreden.
-
-Onthutst en beteuterd stonden de beiden Europeanen die stuiptrekkingen
-een oogenblik aan te kijken. Alles was zoo bliksemsnel in zijn werk
-gegaan, dat zij nog geen volkomen besef van het gebeurde en van de
-uitkomst hadden. Maar, na een poos begrepen zij wat er gebeurd was; en
-toen vielen zij in elkanders armen en feliciteerden elkander hartelijk.
-En, waarlijk, zij hadden een bang oogenblik doorgestaan. Voor beiden
-was het gevaar groot, maar voor Theodoor Grenits dreigend geweest.
-
-Toen aan de inspraken van het hart voldaan was, hernam de zwakke
-menschelijke natuur hare rechten. De vervolging van het wild, de
-beklimming van den steilen ravijnwand, het dadelijk daarop gevolgde
-gevecht met al zijne aandoeningen hadden onze vrienden zoodanig
-uitgeput, dat zij schier ademloos en met heftig zwoegende borstkast op
-den bodem vielen, om tot verademing te komen. Zij konden zoo omstreeks
-een tiental minuten gelegen hebben, toen Grenits het laatst
-overgebleven biggetje in de nabijzijnde struiken meende te ontwaren.
-Zonder op te staan, gleed hij eene patroon in het kamerstuk zijner
-achterlaadbuks, bracht het wapen aan den schouder en vuurde af in de
-richting, waar het varkentje onder de struiken verdwenen was. De echo
-weerkaatste statig den knal van het schot, dat door de nabijheid van
-het rotsachtige ravijn als de donder rolde.... Machtig als de geest des
-onweders duurde dat een poos, waarna dat gedonder langzamerhand afnam,
-zachter vernomen werd en eindelijk heel in de verte in eene zachte
-rommeling wegstierf. Nog was het geluid waarneembaar, toen Grashuis
-zich plotseling, als door eene machtige veer bewogen, op zijn ellebogen
-ophief.
-
-„Hebt ge dat gehoord?” vroeg hij, terwijl verbazing zijne stem
-kenmerkte.
-
-„Wat?... Het geratel van mijn schot? Ja, dat heb ik gehoord.”
-
-„Neen, niet uw schot. Het was, alsof ik eene menschenstem hoorde
-roepen... Hoor!...”
-
-En werkelijk daar klonk heel verwijderd, maar toch vrij duidelijk:
-
-„Toeloeng!... Toeloeng, toean!”
-
-„Dat is eene vrouwenstem!” zei Grenits opspringende.
-
-„Toeloeng! toeloeng, toean!” klonk het weer.
-
-„Eene vrouwenstem die ons te hulp roept,” zei Grashuis. „Hoor...”
-
-„Toeloeng! toeloeng, toean!”
-
-„Ik zie geen andere toeans, dan wij. Onze makkers zijn ver weg... en in
-het ravijn... En, van daar komt de stem niet,” merkte Grashuis verder
-op.
-
-„Maar ik zie niets, Leendert,” zei Grenits, die aandachtig den geheelen
-omtrek opnam.
-
-„Ik ook niet, hoe ik al tuur.”
-
-„Het weerkaatsen van de zonnestralen in de oppervlakte van het water
-der sawahs doet mijne oogen zeer.”
-
-„Daar ginder, bij dat boschje, meen ik eene hut te zien. Het geroep kan
-niet anders dan van daar komen.”
-
-„Toeloeng! toeloeng, toean!” klonk het.
-
-„Het is onmiskenbaar eene vrouwenstem, die om hulp roept.”
-
-„Maar, welke heeren kan zij roepen?”
-
-„Om het even. Vooruit! Onze bijstand wordt ingeroepen. Vooruit! Ik ben
-niet moê meer!”
-
-Alvorens evenwel voort te snellen, wierpen de twee Europeanen eerst een
-blik terug in het ravijn, waaruit zij een poos te voren geklauterd
-waren, en zagen toen, dat hunne makkers hen volgden, en gereed waren de
-helling van den ravijnwand op hunne beurt te beklimmen. Grenits schoot
-zijn geweer af, om hunne aandacht te trekken, en toen aller oogen naar
-boven gericht waren, riep hij hun zoo luid toe als hij kon, terwijl hij
-den arm in de richting van het westen uitstrekte:
-
-„Daar! daar!”
-
-En daarop ijlden beiden voort.
-
-„Hebt gij verstaan, wat Theodoor riep?” vroeg Verstork aan Van
-Nerekool.
-
-„Neen!” antwoordde deze. „De afstand was daartoe te groot; maar er
-schijnt iets buitengewoons voorgevallen te zijn.”
-
-„Kom! laat ons voortspoeden.”
-
-En het troepje jagers beklom den bergwand. Zij waren evenwel niet zoo
-bezield als straks hunne makkers; zoodat die bestijging wel driemaal
-meer tijd kostte. Toen zij boven op den nok waren, zagen zij Grenits en
-Grashuis, die te midden van de sawahvelden voortspoedden.
-Laatstgenoemde keerde zich om en wenkte, toen hij zijne makkers
-ontwaarde, om voort te maken.
-
-„Toeloeng! toeloeng, toean!” weerklonk het nogmaals, maar nu zoo zwak,
-dat dit hulpgeroep bijna niet meer waarneembaar was. Toch waren de
-beide Europeanen de hut meer nabij gekomen.
-
-„Voort! voort!” riep Grenits, zijn makkers tot spoed aanzettende.
-
-„Is het wel in deze richting, dat wij voortspoeden moeten?” vroeg
-Grashuis. „Mij dunkt, dat wij ons van het geluid verwijderen.”
-
-Maar tijd tot bedenken was niet meer mogelijk. Daar vloog eene
-vrouwengedaante de hut uit, en ijlde op hen toe.
-
-„Toeloeng, toean toean! toeloeng!” kreet zij, terwijl zij aan hunne
-voeten nederstortte.
-
-Het was een Javaansch meisje, dat door geen van beiden herkend werd,
-hetwelk met loshangende haren, spiernaakt en geheel bebloed aan hunne
-voeten in het gras wentelde, en zich het gelaat met beide handen
-bedekte.
-
-„Toeloeng, toean toean! Toeloeng!” kreunde zij.
-
-Onthutst door die onverwachte vreemdsoortige verschijning, keken de
-twee jagers het meisje aan. In hunne verbazing wisten zij niet wat te
-doen. Grenits geërgerd, een menschelijk wezen aan zijn voeten te zien,
-vatte het meisje bij den arm en poogde haar overeind te helpen, maar
-schuchter weerde zij hem af:
-
-„Maloe saja!” (ik ben beschaamd) prevelde zij, terwijl zij hare
-loszwierende haren over haren boezem schikte, en zich verder daarin
-zocht te dekken.
-
-Plotseling schoot eene mannengedaante, een Javaan, de hut uit, en op
-het meisje toe. Met ruwe hand greep hij haar bij den arm, om haar
-overeind te sleuren.
-
-„Adoe! (O wee!)” riep zij uit.
-
-En den kerel herkennende, rukte zij zich met verschrikt gebaar los.
-
-„Toeloeng, toean toean! toeloeng!” smeekte zij zich tot de beide
-Europeanen wendende.
-
-„Wilt gij die vrouw eens loslaten!” zeide Grenits gramstorig.
-
-„Wat wilt ge van haar?” vroeg Grashuis aan Singomengolo, dien hij
-herkende.
-
-„Zij is eene opium-smokkelaarster,” antwoordde deze. „Kom, a. s. [124]
-voort!”
-
-„Kassian, toean toean!” (Heb medelijden met mij, heeren) kreet het
-rampzalige meisje.
-
-„Kom voort!” riep Singomengolo woest en haar voortsleurende.
-
-„Die vrouw loslaten, of... ik sla je de hersens in,” dreigde Grenits,
-zijn geweer bij den loop opnemende.
-
-Grashuis had inmiddels Singomengolo bij het middel gevat en trok hem
-achteruit.
-
-„Ik ben bandoelan,” (opiumspion) sprak de Javaan trotsch. „Het zal den
-heeren berouwen, mij gedreigd of aangeraakt te hebben!”
-
-En tot het vrouwelijk wezen:
-
-„Kom, voort!” sprak hij.
-
-„Nogmaals, laat die vrouw los!” zeide Grenits met dreigende stem.
-
-En, werkelijk, hij was op het punt, om den kolf van zijn geweer op het
-hoofd van den ellendeling te doen nederkomen, toen hij zich bij den arm
-gegrepen gevoelde, en eene stem hoorde fluisteren:
-
-„Pas op, Thedoor! het is katjesspel, het met lieden van den
-opiumpachter aan te leggen.”
-
-Grenits keek om. Het was Mokesuep, die tot hem sprak.
-
-„Jij, Muizenkop? Waar kom jij vandaan?”
-
-„Ik ben op de jacht verdwaald. Maar bedaar... anders komt ge in
-ongelegenheid.”
-
-„Er valt niet te bedaren, laat mijn arm los; dan zal ik dien opiumjager
-noodzaken, die vrouw los te laten.”
-
-Singomengolo had de hand aan het gevest van zijn kris geslagen. Trotsch
-en oploopend van aard, als hij was, zou hij iedere gewelddaad van den
-blanke met een dolkstoot beantwoord hebben, ten minste, wanneer een
-eerste kolfslag hem niet buiten gevecht had gesteld. Een oogenblik keek
-hij met vonkelende en tartende oogen naar de beide blanken op. Toch
-liet hij plotseling den arm van het vrouwelijke wezen los. Over de
-sawah zag hij een anderen troep aankomen, waaronder zich niet alleen de
-controleur van Banjoe Pahit, maar ook de wedono van het district
-bevond. Als het kon, zou zijn bruin gelaat verbleekt zijn op dat
-gezicht.
-
-„Wat is hier te doen?” vroeg Verstork toen hij nader getreden was.
-
-„Die vrouw heeft opium gesmokkeld, Kandjeng toean,” antwoordde
-Singomengolo.
-
-„Die vrouw?...”
-
-„Maar,... dat is Dalima!” riep Van Nerekool uit.
-
-„Dalima?...”
-
-„Ja, Dalima, de baboe van den resident!”
-
-„Mooi zoo!” lachte Van Rheijn. „Nu hebben de residenten ook al baboe’s!
-Misschien ook wel zuigflesschen!”
-
-Van Nerekool bloosde. Hij had vermeden te zeggen: de baboe van de
-dochter van den resident.
-
-Verstork trok eene der handen van het gelaat der vrouw weg.
-
-„Ja,... het is Dalima!... En, die zou opium gesmokkeld hebben?” vroeg
-hij verder, na een teeken aan een der volgelingen van den wedono
-gegeven te hebben, die haar een slendang (een soort sjerp) toewierp,
-waarin zij zich wikkelde.
-
-„Soengoe mattie!” (voorzeker) [125] antwoordde de bandoelan. „Ik heb
-haar gevisiteerd...”
-
-„En haar de kleêren van het lijf gescheurd?” vroeg de controleur
-streng.
-
-„Zij wilde het niet toelaten...”
-
-„En haar zoo toegetakeld?” vervolgde Verstork.
-
-„Apa boleh boeat, (wat is er aan te doen) Kandjeng toean? Zij verzette
-zich. En... zie, dat heb ik gevonden.”
-
-Singomengolo vertoonde daarop een doosje, dat bijster veel overeenkomst
-had met datgene, hetwelk den vorigen avond door den bandoelan aan den
-controleur overgegeven was. Als deze het zelf niet verzegeld en naar
-Santjoemeh opgezonden had, zou hij hebben kunnen gelooven, dat het
-hetzelfde was.
-
-„Hebt gij dat doosje bij dat meisje gevonden?” vroeg de controleur met
-nadruk.
-
-„Ja!”
-
-„Ik heb geen opium gesmokkeld,” kreet Dalima, steeds op den grond
-gehurkt. „Ik ben in die hut gesleept geworden, en daar ben ik op de
-gemeenste wijze mishandeld geworden...”
-
-„Maar, hoe komt ge hier?” vroeg Verstork.
-
-„Ik was op weg naar Kaligaweh. Iemand heeft heden nacht op het
-residentiehuis komen berichten, dat mijn vader erg ziek was. Toen heb
-ik èn van de njonja èn van nonna Anna verlof gekregen om naar den zieke
-te mogen gaan....”
-
-„Verlof van de njonja en?...”
-
-„En van nonna Anna, ja, Kandjeng toean!”
-
-„Die kunnen dat dus getuigen?”
-
-„Ja, Kandjeng toean!”
-
-„Ik heb getuigen, die gezien hebben, dat dat meisje smokkel-opium bij
-zich had.”
-
-„Wie zijn dat?”
-
-Singomengolo liet den sluwen blik rondom zich gaan. Hij zag Mokesuep de
-hut binnentreden. Deze had van het kabaal gebruik gemaakt, om zich
-achteraf te houden, en op het geschikte oogenblik de hut binnen te
-sluipen. Hij had zijn redenen daartoe. Een glimlach krulde de lippen
-van den Javaan.
-
-„Straks,” sprak hij, „was een „toean blanda” (een hollandsch heer)
-hier.”
-
-„Een toean blanda? Hou je mij voor den gek? Pas op? Die onbeschaamdheid
-zou ik je betaald zetten!” zei de controleur vertoornd.
-
-„Muizenkop was straks hier,” viel Grenits in.
-
-„Muizenkop?... Ik heb hem den geheelen ochtend niet gezien!... Waar
-kwam die van daan?”
-
-„Ik weet het niet. Hij zeide, dat hij op de jacht verdwaald was.”
-
-„Maar, waar is hij nu?”
-
-„Dat weet ik niet. Zoo even stond hij daar nog.”
-
-„Maar,” ging Verstork voort, zich tot Singomengolo wendende:
-
-„Gij zeidet twee getuigen? Wie is de andere?”
-
-„Lim Ho,” was het antwoord.
-
-„Lim Ho, de zoon van den opiumpachter?” riep Van Nerekool ontzet uit.
-„En, Dalima... in dien toestand?... O, nu begrijp ik alles!”
-
-„Lim Ho heeft mij vreeselijk mishandeld, en...” snikte het meisje, maar
-kon niet meer voort.
-
-Dalima gebruikte in hare meer oorspronkelijke taal een andere
-uitdrukking dan „mishandeld”, die evenwel niet weer te geven is. Toch
-aarzelde zij om voort te gaan.
-
-„En?” vroeg de controleur.
-
-„Hij en die man daar,” zeide zij, „hebben mij vastgebonden.”
-
-„Ellendeling!” kreet Van Nerekool verontwaardigd uit, terwijl hij
-Singomengolo met zijne vuist dreigde.
-
-„Zij heeft opium gesmokkeld, en die heb ik achterhaald. Dat is alles!”
-antwoordde deze onbeschaamd. „De heeren moeten zich niet boos maken.
-Die gemeene meid liegt!”
-
-„Ik lieg niet, en ik heb geen opium gesmokkeld!” antwoordde Dalima.
-„Overigens verraadt mijn toestand genoegzaam, hoe men met mij gehandeld
-heeft.”
-
-Op een wenk van den controleur, tilden haar een paar oppassers op,
-waarbij zij hare handen noodig had, om zich zedig in tegenwoordigheid
-van al die mannen te dekken. Van Nerekool hielp haar daarbij, en
-verzocht een tweede slendang om het meisje in te wikkelen.
-
-„Hier heeft de snoodste misdaad plaats gehad,” sprak hij daarna tot den
-controleur. „Het is schandelijk, hoe het meisje mishandeld is.”
-
-Na die voorloopige verpleging trad het gezelschap de hut in. Daar vond
-men Mokesuep, die vriendschappelijk met Lim Ho eene sigaar zat te
-rooken. Het oor van dezen laatsten was verbonden.
-
-„Zoo gij hier?” vroeg Verstork, zonder den Chinees een groet waardig te
-keuren.
-
-„Ja, ik ben heden ochtend van de jacht afgeraakt, en heb rondgedwaald,
-totdat ik deze hut aantrof, waar ik voor eene poos eene schuilplaats
-tegen de zonnestralen gezocht heb. Foei, wat is het heet in die
-sawah’s!”
-
-Dat werd op den meest mogelijk kalmen toon gezegd. Bij den laatsten
-volzin blies de aterling, alsof hij het werkelijk zoo ondragelijk warm
-gehad had.
-
-„Gij zijt dus al geruimen tijd hier?”
-
-„Ja, een half uur, als gij dat een geruimen tijd noemt.”
-
-„Uwe getuigenis wordt ingeroepen.”
-
-„Waarbij?”
-
-„Er is hier eene schandelijke misdaad gepleegd op dat meisje,” ging
-Verstork voort.
-
-„Eene misdaad?” vroeg Mokesuep verwonderd. „Ik weet van niets.”
-
-„Hier is niets geschied,” mengde zich Singomengolo, die Hollandsch
-verstond, maar Maleisch sprak, in het gesprek, „dan eene aanhaling van
-opium, nietwaar babah?”
-
-De Chinees, die opgestaan was, toen de heeren binnengekomen waren,
-wisselde een blik met Mokesuep, maar antwoordde terstond:
-
-„Niets anders, Kandjeng toean.”
-
-„Ik vraag u beiden niets,” sprak de controleur tot den Javaan en den
-Chinees. En zich tot Mokesuep wendende, vervolgde hij:
-
-„Dat meisje, de baboe van den resident, beschuldigt die beiden van eene
-vreeselijke misdaad.”
-
-Muizenkop, die Dalima niet kende, stond onthutst, toen hij die
-bizonderheid vernam. De baboe van den resident! Als die machtige zich
-eens partij voor zijne dienstbare stelde. Waarlijk, hij aarzelde...
-
-„Hoort ge, wat ik zeg?” vroeg de controleur hoogst ernstig, maar
-ongeduldig.
-
-De aterling ving een blik op van Lim Ho, die daar onbeschaamd zijne
-sigaar stond te rooken.
-
-„Ik heb niets gezien, controleur,” antwoordde hij.
-
-„Maar, ik beschuldig die baboe, opium gesmokkeld te hebben!” zei
-Singomengolo sarrend. „Ik heb die bij haar gevonden! Dat heeft de babah
-en dat heeft de toean gezien.”
-
-„Is dat waar?” vroeg de controleur.
-
-De Chinees antwoordde niet dadelijk. Hoe bedorven hij ook was, aarzelde
-hij toch het meisje, dat hij onteerd had, in het verderf te storten.
-Maar Singomengolo deed een schier onmerkbaar teeken.
-
-„Het is waar!” antwoordde Lim Ho.
-
-„Is dat waar?” vroeg de controleur aan Mokesuep.
-
-„Ja, het is waar!” was diens vastberaden antwoord.
-
-„Hebt gij gezien, dat de bandoelan dit doosje bij dat meisje gevonden
-heeft?”
-
-De controleur vertoonde het doosje, dat hij straks van Singomengolo in
-ontvangst genomen had.
-
-„Ja!” antwoordde de aterling.
-
-Dalima viel in zwijm. De overige aanwezigen konden een gebaar van
-verachting niet onderdrukken; want allen waren van de onschuld van het
-meisje overtuigd.
-
-„Ellendeling!” kreet Theodoor, die zijn toorn niet bedwingen kon.
-
-Een hoonlach was het antwoord daarop, die daarenboven door een gebaar
-van minachting vergezeld ging.
-
-Dat was te veel voor Grenits.
-
-„Daar!... daar!...” riep de getergde in de hoogste woede uit, terwijl
-hij den onmensch een, twee klappen om de ooren gaf.
-
-„Mijnheer Grenits!” sprak Verstork met waardigheid. „Ik bid u, matig u.
-Maak mij mijne taak als ambtenaar niet moeielijker, dan zij reeds is.”
-
-
-
-
-
-
-
-XX.
-
-AAN DE RIJSTTAFEL.
-
-
-Eenige uren later zaten de gezamenlijke jagers om de rijsttafel in de
-pandoppo van de controleurswoning te Banjoe Pahit.
-
-De gezamenlijke jagers? Natuurlijk Frits Mokesuep uitgezonderd!
-
-Verstork, die overigens in het leven veel water in zijn wijn wist te
-mengen, had ditmaal den afkeer niet kunnen overwinnen, dien dat
-individu bij hem opwekte. Toen de arme Dalima verpleegd, en in eene
-tandoe onder begeleiding van een politie-agent als gevangene naar
-Santjoemeh opgezonden was, had hij Muizenkop te verstaan gegeven, dat,
-in verband met het gebeurde met Grenits, zijn gezelschap verder minder
-gewenscht was.
-
-„Mij dunkt,” had Mokesuep daarop geantwoord: „dat het den beleediger
-zou moeten zijn, die het veld ruimde.”
-
-„Wellicht zou ik ook zoo redeneeren,” ging de controleur met ijzige
-koelte voort; „maar alvorens ik u weder onder mijn dak zal ontvangen,
-zult gij mij afdoende ophelderingen te geven hebben, hoe het komt, dat
-gij u ver van het jachtterrein in deze hut bevondt op het oogenblik,
-dat dit jonge meisje mishandeld is...”
-
-„Dat is zij niet!” viel Mokesuep in.
-
-„Let er wel op, dat ik niet zeg „onteerd”, maar „mishandeld”! Wij
-hebben haar naakt en bebloed aangetroffen, toen zij onze hulp inriep.
-Er heeft dus mishandeling plaats gehad in de tegenwoordigheid van u,
-die aanspraak maakt op den naam van fatsoenlijk man. En, ik herhaal
-het: zoolang gij mij niet afdoende ophelderingen zult gegeven hebben,
-dat alleen onmacht u belet heeft, u als verdediger van dat meisje op te
-werpen, zoolang wensch ik u niet in mijne woning te zien.”
-
-„Mijnheer Verstork!...”
-
-„Zult ge u kunnen zuiveren van de verdenking, die misschien ten
-onrechte op u rust; niets zal mij aangenamer zijn, dat verzeker ik u.
-Ik zal de eerste zijn, om u de hand te reiken, wanneer Theodoor Grenits
-mij dan niet voor zal zijn.
-
-„Dan ben ik gereed u iedere genoegdoening te geven, die gij verlangen
-moogt!” sprak deze hoogst ernstig.
-
-„Genoegdoening!” sprak Mokesuep hoonend. „Ik zal mij wel genoegdoening
-weten te verschaffen!”
-
-„Dus gij weigert de gevraagde ophelderingen?” vroeg Verstork.
-
-„Ik heb u geene opheldering te geven, mijnheer Verstork. „Ik zal ze den
-resident verschaffen.”
-
-„Dan, mijnheer Mokesuep, heb ik u niets meer te zeggen,” hernam de
-controleur met eene stijve buiging. „Laat ik u niet ophouden.”
-
-Bij dat duidelijk afscheid wierp Muizenkop knarstandend zijn geweer met
-den riem over den schouder, en verwijderde zich in gezelschap van Lim
-Ho en van Singomengolo, die dat tooneel stilzwijgend hadden aangezien,
-maar waarvan zij niet veel begrepen hadden, in de richting van
-Santjoemeh, met den uitroep:
-
-„O! ik zal mij wreken!”
-
-Die bedreiging benam de vrienden den eetlust niet. Zoo als gezegd is,
-zaten zij eenige uren later om de rijsttafel, in de pandoppo van de
-controleur van Banjoe Pahit.
-
-Die pandoppo van de controleurswoning kon het in ruimte niet halen bij
-die van het residentiehuis te Santjoemeh; maar, juist door hare
-meerdere beknoptheid was zij des te gezelliger. Zij miste die holheid
-tusschen de pilaren, die aan eene hal, dat hooge dakwerk, dat aan eene
-kathedraal deed denken; zij had meer van eene huiskamer, waartoe het
-smaakvolle meubilair, door Verstork bijeengebracht, veel bijbracht. En,
-inderdaad, zijne huiskamer was dat luchtige vertrek, hetwelk met
-jaloezie-ramen naar alle windstreken toegang aan de buitenlucht kon
-verleenen, en aan den zonnekant voor de hitte gesloten kon worden,
-waardoor er steeds eene heerlijke frischheid heerschte, die nog
-bevorderd werd door de aangename schaduw der boomen, die de geheele
-pandoppo als in een loofkring omsloten hielden en het schelle licht der
-keerkringen liefelijk temperde. Daar zat Willem Verstork gedurende de
-uren, die hij niet op zijn kantoor doorbracht; daar zat hij des
-ochtends bij zonsopgang zijn eerste kop koffie te slurpen; daar ontbeet
-hij; daar dineerde hij; daar zat hij zijne dagbladen, zijne
-tijdschriften te genieten, terwijl hij des namiddags zijn kopje thee
-dronk; daar zat hij veelal des avonds te mijmeren, en zich soms af te
-vragen, of het wel goed was, dat de mensch in zoo eene eenzaamheid
-alleen bleef?
-
-Ja, die pandoppo was steeds gezellig; maar was het vooral in dezen
-stond, nu de gastheer zich door goede vrienden rondom den disch omringd
-zag! En die disch bracht het zijne aan het gezellige van het samenzijn
-bij. Daarop stonden toch dampende schotels rijst, hagelwit en droog van
-korrel in de „koekoesan” [126] gekookt; daarop stonden toch schalen en
-schoteltjes met alle mogelijke kerri’s, sajoran’s, sambalan’s,
-atjaran’s [127] als: kerri ikan, [128] piendang ajam, piendang klowek,
-[129] rawoen daging, sajor loddeh, sajor gado gado, [130] sambal oelak,
-sambal goreng oedang, sambal telor, sambal ikan mejrah, sambal petèh,
-sambal badjak, [131] atjar bawang, atjar lombok, atjar tjampoer-adoek,
-[132] enz. enz. En dan die vleesch- en vischschotels met dendeng ragi,
-met dendeng minjangan, [133] met sasateh, met besengeh, met petjiel,
-[134] met ajam goreng, met ajam pangang, [135] met ikan goerami, met
-ikan bandeng assep, [136] met telor troeboek, met kroepoek oedang,
-[137] enz. enz. Alle die lekkernijen en nog zooveel meer waren bij eene
-volledige rijsttafel onontbeerlijk, en brachten het hare er toe bij, om
-ze heerlijk te doen smaken. Maar, wat vooral de aandacht der
-Lucullussen bij het binnenkomen der pandoppo getrokken had, en hen bij
-voorbaat begeerig had doen smekken, was een speen varkentje, dat geheel
-gebraden, op zijne vier pootjes staande, met eene citroen in den snuit,
-op een grooten schotel, in het midden van den disch stond te prijken.
-Dat was een product van de jacht, een biggetje, hetwelk als een der
-eerste slachtoffers onder de kogels der blanken gevallen was, en door
-een van Verstork’s bedienden dadelijk naar huis gebracht was, om de
-hoofdrol op den jagersdisch te vervullen.
-
-Ieder der gasten weerde zich goed.
-
-Maar... de arbeid der maaltanden en de genietingen van het verhemelte
-der smulbroers lieten noch de tongen met rust, noch het spraakvermogen
-indommelen. Het gekout aan dien disch was dan ook levendig, en de lezer
-zal moeten erkennen, dat daartoe wel redenen voorhanden waren.
-
-„Die duivelsche Muizenkop,” zei Theodoor Grenits, „zou mij bijna uit
-mijn humeur gebracht hebben!”
-
-„Kom, laat dien vent buiten bespreking,” antwoordde Eduard van Rheijn.
-„Zijn naam alleen beneemt je den eetlust.”
-
-„Drommels! wat smaakt zoo’n schijf van dien „anak-tjelleng”
-(varkenstelg) lekker!” zei August van Beneden.
-
-„Zeer lekker!” beaamde Van Rheijn. „Maar, hoeveel varkens zouden wij
-wel neêrgelegd hebben?”
-
-„Dat weet ik niet,” antwoordde Verstork.
-
-„Toch zullen wij dat moeten weten, om te kunnen beoordeelen, of onze
-jacht het beoogde doel bereikt heeft,” meende Van Beneden. „Hoe dat te
-vernemen?”
-
-„Niet ongeduldig zijn, August,” maande Verstork.
-
-„Ja, ik ben heet gebakerd, Willem. Dat weet ge. Maar, hoe dat te weten
-te komen? ik heb nog al ettelijke lijken zien liggen.”
-
-„De wedono zal ons dat straks wel komen rapporteeren.”
-
-„De wedono?.... Wat bliksem! waar is die gebleven?”
-
-„Wel, dien heb ik opgedragen, om met de beide loerah’s den Djoerang
-Pringapoes te onderzoeken. Hij zal ons wel den uitslag van onze jacht
-komen mededeelen.”
-
-Het woord was nog niet op de lippen van den controleur bestorven, toen
-een der oppassers de komst van het districtshoofd aankondigde.
-
-„Kassi massokh!” (laat binnen komen), klonk het bevel.
-
-„Welnu, wedono,” sprak Verstork met een glimlach. „Gij komt onze
-rijsttafel deelen? Dat vind ik goed van u.” Het Javaansche hoofd maakte
-een gebaar van schrik. Hij deed een pas achterwaarts. Het gezicht van
-het gebraden biggetje op de tafel boezemde hem ontzetting in. Ware de
-rechtzinnige Mohammedaan Roomsch geweest, dan had hij waarachtig een
-kruis geslagen! Nu prevelde hij schuchter:
-
-„Ampon, Kandjeng toean! Gij weet, dat wij Javanen geen varkensvleesch
-eten.”
-
-„Maar gij kunt andere spijzen gebruiken, wedono. Daar staat
-rundvleesch, kip, eend, visch, al wat gij maar wilt.”
-
-„Ik dank u, Kandjeng toean; maar die anak-tjelleng is in dezelfde
-keuken klaar gemaakt [138], als die andere spijzen. En, gij weet, dat
-verbiedt onze godsdienst.”
-
-„Het spijt mij, wedono.”
-
-„Maar, ik kwam, Kandjeng toean, om u rapport te brengen over de jacht.”
-
-„Welnu, wedono?”
-
-„Er zijn zevenentwintig tjellengs, groote en kleine geschoten. De
-Chineezen van Kaligaweh en Banjoe Pahit hebben de gevallenen van de
-bevolking opgekocht, en zijn bezig met het vervoer.”
-
-„Die Chineezen zijn ware smulpapen, wedono.”
-
-„Saja, Kandjeng toean,” antwoordde het districtshoofd, met een ietwat
-gedwongen glimlach.
-
-„Dat is een mooi getal, wedono,” merkte Van Rheijn op. „Zou de bende
-uitgeroeid zijn?”
-
-„Nagenoeg,” antwoordde de wedono. „Een groot gedeelte der bevolking
-heeft de overblijvenden nagezet en nog menig dier afgemaakt. Het
-overschot heeft eene toevlucht in het hooge gebergte, hetwelk het
-district begrenst, gezocht; zoodat wij geen noemenswaardigen last meer
-van die verwoestende dieren zullen hebben.”
-
-„Welnu, vrienden!” riep Verstork opgetogen uit, „dan is onze jacht
-volkomen gelukt! een glas daarop!”
-
-Allen sprongen op met opgeheven wijnglas. Van Rheijn stopte den wedono
-fluks een glas bier in de hand, en met een vroolijk „hiep, hiep
-hoerah!” werd een dronk gewijd aan de bevolking van het district Banjoe
-Pahit, welke van die lastige gasten verlost was.
-
-„Heeft de Kandjeng toean, mij nog iets te bevelen?” vroeg de wedono.
-„Anders wenschte ik wel mij te verwijderen.”
-
-„Ja, wedono; vooraan in den Djoerang Pringapoes is een zeer groote
-„tjelleng laki-laki” (beer) gevallen. Het is er een met zeer lange
-slagtanden. Diens hoofd wenschte ik wel te hebben.”
-
-„Drommels, ja!” riep Van Beneden uit. „Une hure de sanglier à la sauce
-piquante zou lekker zijn!”
-
-„Sjt, August!” zei Verstork; en zich verder tot den wedono wendende:
-„En dan draag ik u op, wedono, om dadelijk het onderzoek in die zaak
-van Dalima te beginnen.”
-
-„Saja, Kandjeng toean!”
-
-„Kom straks bij mij, ik heb u daarover nog te spreken.”
-
-„Saja, Kandjeng toean!”
-
-„Straks!” riep Van Beneden uit. „Straks?.... Niet waar vrienden:
-
-
- Wij gaan nog niet naar huis, nog lang niet! nog lang niet!”
-
-
-Het geheele gezelschap stemde met dien echt vaderlandschen deun in.
-Toen het ietwat bedaarde, vervolgde Verstork:
-
-„Dienst gaat voor alles, vrienden! Straks als gij een dutje gaat doen,
-en daarna zult gaan baden, zal ik het onderzoek met den wedono
-voortzetten. Ik vertrek heden avond nog met ulieden naar Santjoemeh;
-want morgen ochtend wensch ik den resident al heel vroeg te spreken....
-Hebt gij mij verstaan, wedono?”
-
-„Saja, Kandjeng toean!”
-
-„Welnu, laat ik u niet weerhouden.”
-
-Met een sierlijke buiging nam het districtshoofd afscheid.
-
-Het maal had zijn voortgang. Maar het aanroeren van de Dalima-zaak had
-de feestvreugde der jagers wel getemperd. De herinnering aan het
-gebeurde had iets kils teweeg gebracht, dat iedere vroolijkheid als het
-ware verstijfde.
-
-„Die arme Dalima!” zei Grashuis met een grooten eendenbout tusschen de
-vingeren, na een oogenblik van stilte. „Zou zij opium gesmokkeld
-hebben?”
-
-„Loop heen!” antwoordde Van Beneden. „Ziet die lieve meid er als eene
-smokkelaarster uit?”
-
-„August, een rechtsgeleerde mag zich niet door het uiterlijke laten
-leiden,” zei Van Rheijn glimlachend. „Nietwaar Karel?”
-
-Van Nerekool was niet dadelijk met zijn antwoord gereed. Hij was bezig
-eene heerlijke moot goerami van de graten te ontdoen. Na eene oogenblik
-van bedenking, antwoordde hij evenwel:
-
-„Zeker niet; maar toch ben ik overtuigd, dat het meisje onschuldig is.”
-
-„Ja, de baboe van Nonna Anna! Zou dat anders kunnen, Karel!”
-
-„Wat het gekste is, is, dat de opium gevonden werd!” merkte Van Rheijn
-op.
-
-„Gelooft gij daaraan?” vroeg er een.
-
-„Maar de getuigenis van Muizenkop?”
-
-„Van dien ellendeling?....”
-
-„De zaak is ernstig genoeg!” sprak Willem Verstork.
-
-„Er bestaat nog maar eene hoop,” zei Grashuis, „die is, dat nonna Anna
-invloed genoeg op haren vader zal hebben, om de zaak gesust te
-krijgen.”
-
-Een bittere glimlach ontsierde Van Nerekool’s gelaat. Hij zei evenwel
-niets.
-
-„Als Lim Ho, de zoon van den opiumpachter, maar niet in de zaak
-betrokken was,” sprak Verstork, „dan zou die hoop eenigen grond hebben,
-dan zou er een mouw aan te passen zijn, nu evenwel...”
-
-„Zoudt gij dan kunnen denken, Willem,” viel Van Beneden hem in de rede,
-„dat de rechterlijke macht....”
-
-„Jonge vriend,” sprak Verstork, „waarde August! Een hoog geplaatst
-rechtsgeleerde hier in Nederlandsch-Indië heeft ergens gezegd: „de
-opiumpacht rust op het land als eene ware vervloeking. Overal ontmoet
-men haren stempel. Helaas! ook bij de justitie!” [139] Nietwaar,
-Karel?”
-
-Deze knikte bevestigend.
-
-„Dat alles is treurig, zeer treurig,” zei Van Rheijn vergoelijkend.
-„Maar het ergste is het opium-verbruik, dat de opiumpacht, noodzakelijk
-maakt.”
-
-„Loop heen,” antwoordde Grenits gramstorig.
-
-„Maar, Theodoor!....”
-
-„Maar, Eduard!....”
-
-„Als er geen opium-verbruik bestond, was geen opiumpacht mogelijk. Dat
-moet ge toch toegeven?”
-
-„Dat klinkt zeer fraai. Maar, als ik eens daar tegenoverstelde, dat
-wanneer geen opiumpacht bestaan had, nooit het opium-verbruik zoo’n
-vlucht genomen zou hebben. Dat klinkt minder fraai, maar is
-gemakkelijker aan te toonen.”
-
-„Jawel, dat hebben we gisteren avond gehoord. Maar het bewijs daarvan,
-dat is achterwege gebleven.”
-
-„En de geschiedenis dan?”
-
-„Jawel, de geschiedenis! Die is niets meer of minder dan de
-persoonlijke uiting van den geschiedschrijver. De eene beweert, dat de
-blanken de opium in het land gebracht hebben, anderen beweren weer
-anders.”
-
-„Maar gij zult toch wel den Raad van Indië niet verdenken, hoop ik,
-Eduard?”
-
-„En wat zei die Raad van Indië dan, Theodoor?”
-
-„Als ik mij wel herinner [140], niets meer en minder, dan dat de
-opiumpacht steeds als middel van inkomst de belangstelling der
-Regeering heeft gaande gehouden, en ieder middel, dat tot hoogere
-opbrengst van die pacht voeren kan, gretig werd ter hand genomen.”
-
-„Ja, maar, is dat alles waar?
-
-„Ik hoop toch, dat gij mij gelooft, Eduard?”
-
-„Dat uwe aanhaling nauwkeurig is, zeker! Maar was de Raad goed
-ingelicht, toen hij dat advies ter neer stelde?”
-
-„Als gij zoo doorgaat, dan is op niets meer te vertrouwen. Die menschen
-worden betaald en grof betaald om op de hoogte te zijn. Maar, behalve
-dat advies, wat gij wantrouwt, waarborgt u de voortdurende stijging van
-de opbrengst der opiumpacht voldoende, dat het advies van den Raad
-vertrouwbaar is. Ieder jaar wordt op de begrooting eene hoogere som
-geraamd....”
-
-„Maar raming is nog geene opbrengst, Theodoor.”
-
-„Neen, maar bij het onderhavige middel wel. Hel en duivel worden
-losgelaten, om het cijfer te bereiken, dat door den minister gesteld
-is, en de minst kiesche middelen, ja, zelfs misdadige worden gebezigd,
-om dat te overtreffen. Hoeveel Nederlandsche Leeuwen zijn niet
-uitgereikt, omdat de opiumpacht in deze of gene residentie veel meer
-opbracht dan geraamd was! O! wat prijkt dat „virtus nobilitat” keurig
-op zoo’n borst!”
-
-„Maar,” vroeg August van Beneden, „is het opiumverbruik wel zoo
-verderfelijk voor het lichaam, als beweerd wordt? Gisteren avond zagen
-wij, dat het voor het zedelijke leven niet aanprijzenswaardig is. Maar
-voor het lichaam? Men spreekt nog wel eens van vergiftiging, zelfs is
-die beschuldiging gisteren avond ingebracht. Mij dunkt, dat die lieden
-bij die vergiftiging oud kunnen worden, even als bij het gebruik van
-een of meer bittertjes.”
-
-„Luistert,” sprak Verstork hoogst ernstig. „Wij zitten hier als
-degelijke vertrouwbare mannen te zamen. Ik kan dus mijn gemoed laten
-spreken. Ik kan dus zonder achterdocht u een blik gunnen in de rijke
-ervaring door mij op dat gebied opgedaan. [141]
-
-„Ziet hier, wat ik opgemerkt heb:
-
-„De uitwerking van het langdurig opiumgebruik op het lichaam is overal
-een eigenaardig bederf van het bloed en van al de vochten, en
-verstoppingen in de vaten en wegen, waaruit op den duur ontstaat een
-slepende en verwoestende, doorgaans ongeneeslijke dysenterie of
-aamborstigheid, met de erbarmelijkste symptomen en onlijdelijke smarten
-vergezeld. Daarbij toenemende ongevoeligheid voor alle medicijnen,
-behalve de verdoovende in grootere giften,—tenzij met deze te zamen.
-Die toestand dringt tot het palliatief van steeds vermeerderde
-nuttiging van het gif, zonder welke hij voor den lijder gansch
-ondragelijk wordt, tot welk ondragelijk lijden hij evenwel veroordeeld
-is, zoolang hij niet van den eenen roes in den anderen kan overgaan. En
-juist door de zoo lang volgehouden verkwisting is dit den meesten
-lijders op verre na niet mogelijk. Waar nog goede en versterkende
-voeding plaats heeft, kunnen die kwalen lang uitblijven; en menigeen is
-er op die wijze zijn leven lang van bevrijd, ten minste van de hoogere
-graden, hoewel dan toch denkelijk meestal door het steeds toenemend
-gebruik van het verdoovend middel. Toch ziet men ook bij dezulken vaak
-een anders licht verloopend toeval door het voorhanden bloed- en
-vochtbederf, z. a. een eenvoudige wond, een bloedvin en dergelijke, een
-kwaadaardige hoedanigheid aannemen, en tot een doodelijken afloop
-komen. En wie zal er uitspraak over doen, hoeveel andere kwalen, die
-van kachexie afhangen, en die zich in dit land zoo menigvuldig
-vertoonen, door ’t opiumgebruik veroorzaakt of bevorderd worden?
-
-„Waar nog goede en versterkende voeding plaats heeft, zeide ik. Wij
-weten echter al te goed,—en de Regeering ook,—dat niet dan zeer
-weinigen op de massa der Inlanders in dat voorrecht op den duur zich
-verheugen kunnen. Het is genoegzaam bekend, hoe schraal over ’t
-algemeen de voeding van den Javaan is, zelfs van de tamelijk gegoeden,
-en dat hij, ook waar de middelen niet ontbreken, doorgaans zeer weinig
-werk maakt van wat wezenlijk spierkracht bijzet. Doch die voeding, hoe
-veel of hoe weinig deugdelijks die bevat, moet zij niet bij verre de
-meesten al minder en minder worden, waar een belangrijk, en steeds
-belangrijker deel van het inkomen aan opium verspild wordt, zoodat
-juist door het genot de eenige voorwaarde, om er zich eenigszins wel
-bij te bevinden, al meer en meer onmogelijk wordt?
-
-„Maar,—zoo kan mij tegengeworpen worden,—bij dezulken is het gebruik
-dan ook wegens hun onvermogen tot een geringe hoeveelheid beperkt, en
-zij ondervinden er te minder nadeel van. Niet bij allen is dit het
-geval. Daar zijn er, en niet weinigen, die tijdens hunne welgesteldheid
-zich reeds aan een ruimer gebruik hadden gewend, en na hun bezittingen
-in bedwelmenden rook te hebben doen verdwijnen, tot vermindering of
-gedwongen onthouding zijn moeten komen, en de ellende daarvan
-ruimschoots hun deel kunnen noemen. En de ondervinding bewijst
-overtuigend, dat ook zeer velen, die op den duur niet meer dan eene
-kleine hoeveelheid daags verbruiken, op den leeftijd van veertig jaar
-of daarboven reeds in erge mate aan de bovengenoemde kwalen
-laboreerden, meest aan dysenterie. Ik zelf heb te Berbek, te
-Trenggalek, te Santjoemeh, te Banjoe Pahit en elders een groot aantal
-van zulke lijders met geneesmiddelen geholpen, en had dus gelegenheid
-te over, om mij omtrent alle bizonderheden te vergewissen.
-
-„Stelt men daar nu tegenover degenen bij ons, die een, twee of drie
-bittertjes daags drinken, dan valt het ten duidelijkste in het oog,
-hoeveel verderfelijker de opium werkt dan de sterke drank. De eerste
-toch is veel meer bedwelmend en bovendien verdoovend, en daardoor ook
-spoedig den eetlust verminderend, zoodat vaak zelfs bij ’t
-voorhanden-zijn van de beste voeding, deze weinig kan uitwerken. Sterke
-schuivers verklaarden mij meermalen, dat ze, tengevolge van hun
-gewoonte, bij elken maaltijd niet meer dan eenige greepjes rijst konden
-nuttigen, terwijl, wanneer ze met behulp van een middel, dat ik hun aan
-de hand deed, hun opiumverbruik aanmerkelijk verminderd hadden, ze wel
-tienmaal zooveel spijzen konden tot zich nemen. Dàn de veel grootere
-verleidelijkheid van de opium door het aangename gevoel, dat zij in het
-lichaam veroorzaakt, en waarmeê zij ook den geest tot wellustige
-droomen voert, en door het wegnemen van alle gevoel van aanwezige
-kwalen en pijnen, terwijl zij in veel grootere mate de geestkracht
-(reeds zoo gering bij dit half uitgedoofde volk!) vermindert door de
-telkens herhaalde verdooving, waardoor de patiënt te zekerder in de
-kluisters van den hartstocht gevangen blijft, ook al staat hij nog maar
-gelijk met onzen gewonen, matigen jeneverdrinker.
-
-„Zijn we alzoo ongemerkt gekomen tot de uitwerking op geest en gemoed,
-dan moeten hier vooral vermeld worden de zelfzucht en eigenwaan, die
-bij den opiumrooker in ontzettende mate toenemen; de steeds meer
-lethale onverschilligheid omtrent zijn geheele omgeving, tot eigen
-vrouw en kinderen toe; de volslagen indolentie en de afkeer van allen
-arbeid, van alle zorg en bemoeienis, waardoor hij ten laatste nacht en
-dag aan niets anders denkt dan aan de boeting van zijn hoofd- en al
-zijn nevenlusten, waar alles rondom hem aan moet ten dienste staan. Een
-jeneverdrinker vergt voor zijn genot geen anderen dienst, dan dat soms
-de een of andere wordt uitgezonden om den drank voor hem te halen; maar
-voor den schuiver, die zich nog de weelde van bediening kan vergunnen,
-moet alles in het touw: de een om voor zijn duren lust de middelen te
-verschaffen, de ander om zijn opium te gaan koopen, een derde om zijn
-pijpjes te stoppen, een vierde om zijn koffie en andere versnaperingen
-te bereiden. Is zijn roes zelf ook vrij wat bedaarder en stiller dan
-van hem, die dronken is van sterken drank, wanneer daarna zijn kwalen
-en smarten zich weêr laten voelen, en men hem niet aanstonds naar zijn
-lust ter wille is, dan vervult hij huis en hof met kermen, en klagen,
-schelden en verwijten, waarmeê allen het hart uit de keel wordt
-gehaald!
-
-„Voeg hierbij de verzwakking van lichaam en verstomping van geest, die
-de aan opium verslaafde ook als erfenis aan zijn nageslacht mededeelt,
-terwijl meerderen hunner reeds op middelbaren leeftijd onvermogend zijn
-tot geslachtsvoortplanting. Wat zal alzoo van de tweede of derde
-generatie na de tegenwoordige te verwachten zijn?!
-
-„En nu de verarming,” dus ging Willem Verstork na eene kleine
-verademing voort: „Hoe ontzettend veel welvaart is reeds en wordt nog
-altijd door dat ziel en lichaam verdervend gif verslonden! Al heel
-spoedig, bij lagere standen, is een schuiver—nog een matige!—zoover,
-dat dagelijks zijn geheele verdienste aan opium opgaat. Het verlangen
-naar aangenaam prikkelende en opwekkende lekkernijen, dat den roes
-vergezelt, doet daar ook nog het zijne aan toe. Ze zijn legio, de
-huisgezinnen, waar de vrouw den kost voor allen moet winnen, soms nog
-bijgestaan door één of twee harer kinderen; en waar nu de vrouw zwak of
-ziekelijk is, of door krankheid of kraambed geheel buiten staat is te
-werken, daar is weldra de ellende niet te overzien. En inderdaad, dat
-is veel, zeer veel algemeener dan in Europa door den sterken drank.
-
-„Al die lichaamskrachten en zielsvermogens, en al die welvaart, die nu
-door de opium worden verteerd, moesten ten goede komen aan landbouw en
-nijverheid. Wanneer die allen daarvoor besteed werden, hoeveel grooter
-zouden de welvaart en het vertier zijn! En zou niet ook de
-rijksschatkist daaruit veel meer ontvangen,—en zonder vloek er op!—dan
-de opiumpacht haar kan opbrengen? Aan millioenen Inlanders ontbreken de
-middelen, de geestkracht en de lust om hun velden en tuinen met zorg te
-bearbeiden of te leeren bewerken, of om in handwerk vorderingen te
-maken of het voor kwijning te behoeden; omdat ze nu eenmaal dat alles
-aan opium verpand hebben en blijven offeren. En zijn niet landbouw en
-nijverheid de hartader van den Staat? En de Staat zelf helpt met allen
-ijver om die hartader te verstoppen, en alzoo zich zelf ten ondergang
-te brengen!”
-
-Willem Verstork zweeg hier een poos. Na zoo lange tirade had hij
-behoefte zijne spreek-organen met een teug kristalhelder bier te laven.
-Alle aanwezenden zaten evenwel zwijgend daar, af te wachten wat nog
-volgen zou. Onmiskenbaar maakte het gesprokene grooten indruk op hen,
-want het was de eenvoudige onopgesmukte taal der eerlijke ervaring, die
-daar klonk, en hoe jeugdig en hoe wuft enkelen van die mannen ook
-waren, die taal maakte hunne belangstelling gaande, en vond ingang tot
-hun hart. Eindelijk vervolgde de controleur, na nog eens adem gehaald
-te hebben, aldus:
-
-„Gijlieden weet, dat ik mijn loopbaan niet geheel en al te Santjoemeh
-doorgebracht heb. Als aspirant-controleur was ik op de hoofdplaats van
-de residentie Kediri, als controleur tweede klasse was ik te Berbek en
-te Trenggalek. Ik kan dus met kennis van zaken ook omtrent die
-residentie spreken. Luistert:
-
-„Kediri heeft eene bevolking van ruim 700,000 zielen [142]; meerendeels
-zijn de menschen arm.
-
-„De opium-pacht per jaar bedraagt 18 ton; voegt men daarbij de betaling
-van de verstrekte opium, en de administratiekosten en de winst van den
-pachter, dan mag het cijfer van 2½ millioen gerust worden aangenomen
-als het bedrag, dat die arme bevolking jaarlijks vrijwillig betaalt, om
-dagelijks eenige uren het genot te hebben, haar leed en treurig bestaan
-te vergeten. Hierbij is nog niet gevoegd het rendement der onwettige
-opium; dit is niet bekend, en een ieder kieze zich dus dit cijfer.
-
-„Hoe het mogelijk is, dat een arm volk zooveel kan opbrengen, behalve
-nog cultuur- en heerendiensten, winst op het zout, landrente,
-bedrijfsbelasting, invoerrechten, enz., is mij onbegrijpelijk. Doch men
-moet ook zien, hoe zoo’n Javaansch gezin leeft.
-
-„Hun huis is gewoonlijk klein, van bamboe, en met stroo gedekt.
-Huisraad vindt men er niet; een mat, uitgespreid op een bank van
-bamboe, en een klein kussen van kapok, dienen om op te slapen. Gekookt
-wordt er op den grond, in grove aarden potten en pannen, gegeten wordt
-er met de handen uit pisangbladeren, gedronken uit een aarden kruik; de
-kleederen worden zelden of nooit gewasschen, en gedragen tot ze als
-lompen van het lijf vallen; de kinderen loopen naakt, en groeien met de
-karbouwen in de modder op. ’s Morgens om 5 uur staat men op, en gaat
-naar het werk, om tegen 6 uur present te zijn, ’t zij in de
-rijstvelden, ’t zij in heerendienst aan de wegen, in de koffietuinen,
-rietvelden, enz. Hij, die eens een dag vrij heeft, gaat werken bij
-particulieren op een dagloon van 40 à 50 cents, waarvoor hij 10 uur
-moet arbeiden. ’s Avonds te huis gekomen, wordt er wat gegeten, en de
-helft van het dagloon aan opium verbruikt; om 8 uur is een ieder al in
-diepe rust. De verlichting tot 8 uur bestaat uit een aarden schoteltje,
-waarin wat stinkende olie en een katoenen pitje.
-
-„Ziedaar het tafereel van het dagelijksch leven van den
-Javaan-opiumschuiver. Niets, niets hoegenaamd, wat eenige afleiding kan
-geven aan den dagelijkschen sleur, altijd maar werken, en den meesten
-tijd voor te weinig loon of gedwongen, voor niets. En dan nog zooals
-gewoonlijk achter den rug uitgescholden te worden voor lui, is het niet
-wat te erg! Zegt, zouden de Nederlanders nog wat medegevoel bezitten
-voor hunnen medemensch? Zegt, zoude het niet hoog tijd worden, dat
-eindelijk eens een einde kwam aan al dien gedwongen onbetaalden arbeid,
-en dat die opium verbannen werd uit de nabijheid van den Javaan?
-Daartoe moest ieder Nederlander naar zijn vermogen medewerken; want
-ieder Nederlander is solidair aansprakelijk voor dien afschuwelijken
-toestand. Ieder Nederlander heeft zich te schamen, zoolang de al te
-gewillige Javaan op zoodanige brutale wijze zal geëxploiteerd blijven.
-
-„Alles, wat de Javaan verdient met zijn landbouw en in zijn weinigen
-vrijen tijd, moet onder den een of anderen vorm geofferd worden aan den
-moloch, genaamd ’s lands kas. Voor hem blijft alleen over rijst, en nog
-niet genoeg voor het geheele jaar...”
-
-„Daarom,” ging Grenits met klem voort, toen de controleur zweeg, „zoekt
-hij troost en vergetelheid in het gebruik van opium, evenals in
-Nederland onder dergelijke ellende het volk naar de flesch grijpt.
-Evenzoo wentelen zij in een vicieusen cirkel; ellende doet hunkeren
-naar opium en jenever, en opium en jenever kweeken ellende; er behoort
-wilskracht toe, om terug te komen van het gebruik van opium en jenever,
-en juist die opium en jenever verlammen de wilskracht.
-
-„Daarom moet van het initiatief van het gezonken volk geene verbetering
-verwacht worden, de kwaal grijpt steeds met grooter afmetingen om zich
-heen; doch de Overheid moet die arme schepsels met krachtige hand uit
-dien poel van jammer scheuren, al schreeuwen zij het uit van de pijn,
-en al moet de krachtsinspanning bovenmate groot zijn. Ieder welgeaard
-burger sta de Regeering naar vermogen bij in die moeielijke taak, en
-een ieder, die uit baatzucht dwarsboomt, worde onschadelijk gemaakt.
-Zoo Nederland en Nederlandsch-Indië niet kunnen bestaan, of liever
-gezegd hunne huishouding dekken, zonder revenuën uit zulke immoreele
-bronnen, als opiumverbruik, jeneververbruik en gedwongen onbetaalde
-arbeid, dan ware het voor de eer van het land beter, om te doen, zooals
-die huisvader, die geen huishouding meer kunnende bekostigen uit
-eerlijk verkregen middelen, als commensaal bij een ander ging inwonen.”
-
-Allen zaten een oogenblik bewegingloos. Allen gevoelden, dat daar de
-waarheid, de volle waarheid weerklonken had, hoewel Theodoor’s laatste
-gevolgtrekking hunne Nederlandsche harten pijnlijk aandeed.
-
-Eindelijk sprong Van Beneden op, en vloog naar Verstork toe, greep
-zijne hand en drukte die hartelijk.
-
-„Ik dank u,” zei hij met bewogen stem, „voor het inzicht, dat gij mij
-in de zoo noodlottige werking van de opium verleend hebt. Ik ben nog
-slechts jong rechtsgeleerde, en heb nog geen gelegenheid gehad om in
-eene opiumzaak als pleitbezorger op te treden. Wel had ik veel gelezen
-over de opiumpacht, over het opiumverbruik, wèl vernam ik veel, zeer
-veel gisteren avond bij ons samenkomst onder den Wariengienboom op de
-aloon aloon te Kaligaweh; maar gij, gij met uwe kalme, maar toch
-bezielende taal hebt mijn geweten wakker geschud. In uw aller
-tegenwoordigheid beloof ik plechtig, dat ik van de ons medegedeelde
-ervaring bij iedere gelegenheid gebruik zal maken!”
-
-„Hoerah!” riep Leendert Grashuis. „Willem, zoo zal uwe verdienstelijke
-oratie een daadwerkelijk en.... een dadelijk nut hebben. Ja, een
-dadelijk!... Vrienden, ik heb een voorstel te doen....”
-
-„Laat hooren!” riepen allen.
-
-„Wij waren gisteren bijna getuigen van de amokhpartij, die te Kaligaweh
-plaats had. Heden ochtend faalden maar weinige minuten, of onze oogen
-hadden de snoodste misdaad te aanschouwen gekregen. Ik wil niet
-ontleden, wat in ons aller hart omging bij die twee tafereelen, waarbij
-de vader tot moordenaar gemaakt en de dochter onteerd werd; maar beide
-gebeurtenissen staan in innig verband met de opiumpacht. Wij hebben zoo
-even de betuiging van onzen meester in de rechten vernomen. Uit uw
-aller naam zeg ik hem dank voor zoo edele gevoelens! Kom, vrienden,
-laten wij in edelmoedigheid niet bij hem achterstaan! Dalima en haar
-vader Setrosmito hebben eenen verdediger noodig bij het geding, dat
-gevoerd zal worden. Welnu, de verdediger is gevonden. Beide
-beschuldigden zullen in onzen August een man vinden, die hunne belangen
-met warmte zal ter harte nemen. Ik meen reeds onzen rhetor in zijne
-maidenspeech bij de verdediging van...? te hooren! Dat zal subliem
-zijn......”
-
-„Ik dank je Leendert,” sprak Van Beneden niet zonder aandoening. „De
-vrienden zullen geen te hooge opvatting omtrent mijne bereidwilligheid
-tot het verleenen van hulp gemaakt hebben; dat verzeker ik hen!”
-
-„Ja, maar,” ging Grashuis voort. „Wij willen ons deel aan dat goede
-werk hebben; nietwaar?”
-
-„Ja! ja!” riepen allen.
-
-„Luistert, en daarin bestaat mijn voorstel. Er kan hier geen sprake
-zijn van het toewijzen van eenig honorarium aan onzen advocaat. Dat zou
-hem de verdiensten van zijn liefdadig werk ontnemen. Maar bij zoo’n
-proces komen onkosten voor, moeten voorschotten gedaan worden. Gij
-allen weet, vrouwe Justitia is in Indië een dure, zeer dure deern!
-Welnu, laten wij de handen in elkander slaan, en August voor al te
-maken onkosten en te betalen voorschotten borg blijven, dan kunnen die
-twee gedingen met alle klem gevoerd worden!”
-
-„Hoerah! hoerah!” riepen allen onstuimig. „Dat is afgesproken! August!
-aan den gang!”
-
-„Nu dat geregeld en prachtig geregeld is,” hervatte Grenits, „wenschte
-ik onzen gastheer eene vraag te doen.”
-
-„Spreek Theodoor,” zei Willem Verstork.
-
-„Ik ben handelaar, en als zoodanig nieuwsgierig als een neusaap. [143]
-In mijn vak heb ik warenkennis en dus ook scheikunde noodig....”
-
-„Ter zake, ter zake!” riepen verscheidene stemmen. „Ajakkes, wat ben je
-langdradig met je warenkennis!”
-
-„Nu hebt gij,” ging Theodoor onverstoorbaar voort, „in uw speech van
-geneesmiddelen gesproken, die gij aangewend zoudt hebben, om
-ongelukkigen van het opiumverbruik te genezen. Zijn dat
-geheimmiddelen?”
-
-„Ziet ge mij voor een kwakzalver aan?” vroeg de controleur lachend.
-
-„Dus geen geheimmiddelen!” vervolgde Grenits, „maar welke middelen zijn
-het dan?”
-
-„Het zijn pilletjes, [144] die mij door een zendeling aan de hand
-gedaan zijn. Zij bestaan uit opium en radix rheï of rhabarberwortel, en
-wel in de volgende proportie: twaalf pillen bevatten drie grein opium
-en twaalf grein rheum. Zij worden toegediend om de vijf dagen: den
-eersten keer twaalf, den tweeden negen, en de derde maal zes. Hoogst
-zelden wordt die derde dosis gevraagd, daar de patiënten dan genezen
-zijn.”
-
-„En.... kunt gij genezingen constateeren?”
-
-„Ja, zeker. In mijne schrijfkamer hangen bij wijze van trophée een
-twaalftal bedoedans, die mij door de gebruikers gebracht zijn met de
-gelofte nimmermeer de opiumpijp aan te raken. De zendeling, die mij het
-middel aan de hand deed, kon ruim zeventig gevallen van genezing
-constateeren.”
-
-„Mag ik u een raad geven, in het belang van bedoelden zendeling en van
-u?” vroeg Grenits.
-
-„Ga je gang.”
-
-„Houdt dan dat pillenrecept voor u. De minister van Koloniën, die bezig
-is de opiumkosten door alle mogelijke middelen zoo hoog mogelijk op te
-zweepen, zou daarin eene aanranding van het Gouden Kalf zien. En er
-zijn zendelingen in hun evangelie-arbeid verhinderd, er zijn menschen
-de Koloniën uitgezet en er zijn ambtenaren gepensionneerd geworden, die
-veel minder gedaan hadden, dan zulke pillen aan den man gebracht!”
-[145].
-
-Verstork verbleekte eenigszins bij die taal, waarvan hij de gegrondheid
-erkende. Een oogenblik verwijlden zijn gedachten bij de dierbare
-wezens, die zijnen steun nog zoo noodig hadden. Of hij zijne
-rondborstige taal betreurde? Wie zal dat kunnen verzekeren of
-ontkennen? Hij streek de hand over het voorhoofd, alsof hij eene
-lastige gedachte wilde wegvegen:
-
-„Zoo erg is het niet,” sprak hij.
-
-„Maar een Nederlandschen Leeuw zult gij met uwe pillen niet verdienen,”
-lachte Theodoor.
-
-„Om het even,” vervolgde de controleur. „Fais ce que dois, advienne que
-pourra! Ik zal er geen pil minder om uitreiken!”
-
-En de oogen over den disch latende gaan, die vrij wel geplunderd
-was,—allen hadden toch na die jachtpartij grooten eetlust aan den dag
-gelegd,—vervolgde hij:
-
-„Ons maal is ten einde, vrienden. Gij zult na de strapatzen van
-gisteren en heden, en na den korten nacht, dien wij te Kaligaweh
-doorgebracht hebben, naar rust verlangen. Hier, de bedienden zullen u
-uwe kamers wijzen. Ik ga aan den arbeid; want zooals afgesproken is,
-vertrek ik straks met ulieden naar Santjoemeh. Ik wensch u allen eene
-aangename middagrust!”
-
-Weinige minuten later was de pandoppo verlaten, en tegen het avonduur
-joeg het vijftal jagers spoorslags den weg naar Santjoemeh op.
-
-
-
-
-
-
-
-XXI.
-
-OP HET KANTOOR VAN DEN RESIDENT.
-
-
-Verstork kwam veel te laat.
-
-Hij had onmiddellijk na het gebeurde in de hut bij den Djoerang
-Pringapoes te paard moeten stijgen, en naar Santjoemeh rennen, dan ware
-het wellicht mogelijk geweest het onweder, dat zich boven zijn hoofd
-samenpakte, te keeren. Nu had hij zich laten voorkomen, dat zou hij al
-ras ondervinden.
-
-„Zoo!... Is dat het rapport van het gebeurde!” sprak de resident Van
-Gulpendam op smalenden toon, toen de controleur na heel lang
-geantichambreerd, en als zoodanig ontelbare malen de voorgalerij van
-het residentiehuis op en neer gewandeld te hebben, tot zijn chef
-toegelaten werd. „Zoo!... is dat het rapport? Eindelijk! Ik droeg er
-gisteren ochtend voor het middaguur reeds kennis van! Smakelijke
-rijsttafel voor mij, als zulke zaken in de residentie gebeuren kunnen!
-Maar, de heeren vermaakten zich met de jacht, en dan... ja, dan kan
-alles gebeuren, dan zien zij niets....”
-
-„Maar, resident!....” waagde Verstork in het midden te brengen.
-
-„Ik vraag u niets, mijnheer!” was het barsche antwoord. „Als ik u wat
-vragen zal, dan is het tijd om te antwoorden. Maar, dan zal ik het
-ervaren, dat het antwoord zich dan zal laten wachten.”
-
-Verstork stond daar op het kantoor van den hoofdambtenaar, bleek en
-ontdaan, met de lippen op elkaar geklemd van verbeten woede.
-
-„Ik kan niet zeggen, dat gij alle zeilen bijgezet hebt, mijnheer
-Verstork, om mij op de hoogte te stellen...”
-
-„Resident, ik...”
-
-„Nogmaals ik vraag u niets!” brulde de resident, terwijl hij een
-toornigen en minachtenden blik op zijn ondergeschikte wierp.
-
-„Mij dunkt toch, resident, dat...”
-
-„Wilt ge zwijgen! Aan mij is alleen het woord!”
-
-„...Dat gij mij eene aanmerking over het indienen van het rapport
-maaktet. En dan is het mijn plicht mij te verantwoorden,” ging Verstork
-steeds doodsbleek, maar met onverschrokken moed voort.
-
-„Als gij niet zwijgt, zal ik den cons...”
-
-De resident versprak zich bijna en had haast den „constabel” gezegd;
-maar hij hervatte:
-
-„...den „kapala oppas” roepen, om u te verwijderen.”
-
-„Bedenk, resident, dat ik geen korporaal van de week, of geen bootsman
-van de wacht ben,” antwoordde Verstork scherp. „Ik verzeker u, dat,
-wanneer dat gesprek zoo voortgaat, ik mij over zoo’n bejegening bij den
-directeur van Binnenlandsch Bestuur, of beter nog, bij den
-Gouverneur-Generaal zal beklagen.”
-
-Van Gulpendam verbleekte. Hij begreep, dat hij ditmaal te ver was
-gegaan. Hij was ook zoo gewoon, dat iedereen, zelfs Verstork, dien hij
-als een zachtaardig mensch had leeren kennen, voor hem boog en zijne
-luimen verdroeg. Hij bond in, en vervolgde zoetsappig:
-
-„Vergeef mij, mijnheer Verstork; maar gij weet, dat ik bloedrijk van
-gestel ben. Daarbij was ik ontstemd, dat mij de tijding van het
-gebeurde, niet het eerst door mijne ambtenaren gewerd. Kom, ga zitten.
-Ik zal dat rapport even doorloopen.”
-
-De controleur nam plaats, terwijl de resident voor zijn
-schrijflessenaar zich met den rug naar het licht wendde, ten einde het
-geschreven stuk in te zien. Buiten het kantoor drentelden in de
-voorgalerij een paar politie-oppassers, die door de vrij heftige
-woordenwisseling van straks in den omtrek gelokt waren. Een poos was
-alles stil in dat kantoor. Op een gegeven oogenblik stoof de resident
-evenwel weer op.
-
-„Jawel! Dacht ik het niet?... Ik was gewaarschuwd...”
-
-Maar zich bedenkende, zweeg hij verder, en wilde de lezing vervolgen.
-
-„Resident, het zij mij veroorloofd u te vragen, waar tegen gij
-gewaarschuwd waart?”
-
-Van Gulpendam keek over het folio papier, dat hij in de hand had, den
-controleur aan, wiens gelaat in het volle licht gekeerd was.
-
-„Mijnheer Verstork,” sprak hij met gemaakte waardigheid, „waarlijk, gij
-moet die minder passende gewoonte afleeren, om steeds uwen meerderen te
-ondervragen. Dat maakt, geloof mij, een fatalen indruk.... Ik wil u wel
-zeggen, waartegen ik gewaarschuwd ben, niet omdat gij mij dat vraagt;
-maar omdat ik het oirbaar acht, dat gij daarvan kennis draagt; wellicht
-zult gij er toe besluiten kunnen uw rapport te wijzigen...”
-
-„Mijn rapport te wijzigen, resident?”
-
-„Mij is medegedeeld, dat er eene poging zal aangewend worden, om het te
-doen voorkomen, alsof een aanslag op de eerbaarheid van die Javaansche
-deern zoude voltrokken zijn.”
-
-„Maar resident, het geldt eene persoon, die in uw huis dienstbaar is,
-die de baboe, bijna de gezellin uwer dochter is,” sprak Verstork hoogst
-ernstig.
-
-„En die dus geheel onbesproken van gedrag moest zijn. Daarin deel ik uw
-oordeel. Maar, dat is zij niet. Ettelijke dagen geleden is zij een
-geheelen nacht aan het passagieren geweest, en had toen een geheelen
-roman van eene kaperpartij te verhalen. Nu weer was zij ’s nachts
-buiten, en werd opium bij haar bevonden. Zij is de dochter van een
-opiumsmokkelaar, dat weet gij wel, daar bij haar vader Zaterdagavond
-die amokhpartij heeft plaats gehad, waarvan gij mij gelukkig tijdig
-bericht zondt; zij is de verloofde van een opiumsmokkelaar, en zij zelf
-heeft bewezen eene smokkelaarster te zijn. Zij zit nu in de boei, dat
-zal mij de moeite besparen, haar als eene echte slampampster van mijn
-erf te laten wegjagen!”
-
-„Maar, resident,” hernam Verstork, toen zijn chef een oogenblik zweeg
-om adem te halen, „toen wij op haar hulpgeschrei afkwamen, was zij
-geheel naakt, met bloed bevlekt, en had zij loshangende haren. Alles
-duidde op...”
-
-„Op een geweldadig verzet bij de visitatie. Ja, dat weet ik. Hebt gij
-haar onderzocht?”
-
-„Neen, maar....”
-
-„Dat onderzoek heb ik aan deskundigen opgedragen... En ziet...” ging de
-resident voort, terwijl hij naar buiten keek, „als ik het wel heb,
-houdt daar het rijtuig van den dirigeerenden officier van gezondheid
-voor het perron stil. Wij zullen weldra vernemen, wat er van aan is.”
-
-Al heel spoedig diende de kapala oppas den „toean obers-doekoen” aan,
-die dan ook verscheen, op den resident toetrad, met hem een deftigen
-handdruk wisselde, en diezelfde plichtpleging maar luchtiger ook bij
-den controleur verrichtte.
-
-„Zoo, Verstork! Gij hier?”
-
-Maar, voor dat de controleur had kunnen antwoorden, viel de resident
-in:
-
-„Ga zitten, overste!... En wel?...”
-
-„Geen kwestie, resident!”
-
-„Zoo, dat zeide ik u immers reeds... Maar de deern was toch verwond?”
-
-„Eenige onbeduidende schrammen op de dijen en op...”
-
-„Dus geen stu.., stu... Hoe noemdet gij het ook?”
-
-„Stuprum violentum... geen denken aan! Hier is overigens het visum
-repertum, dat aan den legalen vorm volstrekt voldoet.”
-
-„Overste, ik dank u!”
-
-„Ik spoed mij heen, resident, ik heb mijne visites nog af te leggen.
-Dag, resident, dag, Verstork!”
-
-„Geen excuses, overste; ik groet u!”
-
-Toen was de geneeskundige verdwenen.
-
-„Gij hoordet, nietwaar, mijnheer Verstork?”
-
-„Ja, resident; maar dat brengt mijne overtuiging niet aan het
-wankelen.”
-
-„Niet?”
-
-„Neen, resident!”
-
-„Toch zou ik u in beraad willen geven,” zei de resident losjes, „om
-bakzeil te halen, om bij te draaien.”
-
-„Ik begrijp u niet,” antwoordde Verstork, die zeer goed begreep.
-
-„Dan zal ik duidelijker spreken,” hernam Van Gulpendam afgemeten. „Ik
-geef u in beraad dit rapport terug te nemen.”
-
-„Dat rapport terug nemen, resident! Waarom zou ik dat doen? Waartoe die
-raad?”
-
-„Vooreerst, omdat de feiten daarin vermeld, verdraaid, overdreven en te
-eenzijdig voorgesteld zijn...”
-
-„Resident!”
-
-„Die aan een tendenz-rapport doen denken,” ging de hoofdambtenaar
-voort. „Dan komen er volzinnen in voor, die onmogelijk de Hooge
-Regeering aangenaam kunnen stemmen. Bij voorbeeld deze:”
-
-Van Gulpendam bladerde en zocht een oogenblik in het rapport, en las
-vervolgens:
-
-„„Het zij mij door U. H. Ed. Gestr. vergund er op te wijzen, dat ik in
-mijne twaalfjarige loopbaan bij het Binnenlandsch Bestuur heb leeren
-begrijpen, dat de opiumpacht is een Staat in den Staat; dat om der
-wille van de opiumpacht, al wat een volk liefhebben of eerbiedigen kan,
-met voeten wordt vertreden en vertrapt. De opiumpachter behoeft
-politiereglement noch wetboek van strafrecht te ontzien; zijne
-satellieten dringen de woningen binnen en schenden het huisrecht der
-bevolking; zijne spionnen en zijne, althans de door hem betaalde
-oppassers ontzien niets hoegenaamd. Een Europeaan zou streng gestraft
-worden, wanneer hij deed tegenover de bevolking, wat het uitvaagsel van
-het menschdom, dat in dienst van den pachter is, straffeloos die
-bevolking aandoet. Den man ontzien zij niet, evenmin de vrouw of het
-meisje. In de woningen, op den publieken weg houden ze den eenen en de
-andere aan, en visiteeren en betasten hen op het bloote lijf, zonder
-zich aan eenig protest te storen. De gemeenste streken voeren die
-lieden uit, hunne straffeloosheid bezigende, om aan de meest
-onzedelijke lusten te voldoen, of hun haat te koelen [146]. Het
-gebeurde met het Javaansche meisje Dalima is daarvan weer een treurig
-bewijs.””
-
-De resident hield hier een oogenblik op, en keek zijn ondergeschikte
-met doordringenden blik aan, die evenwel de oogen voor de zijne niet
-neersloeg.
-
-„Zie,” ging hij voort, „als ik zulke volzinnen lees, dan”—en hierbij
-bracht de hooggeplaatste den wijsvinger aan het voorhoofd,—„dan twijfel
-ik of het bij u daar wel goed in orde is...”
-
-„Resident!” stoof Verstork op. „Dat gaat te ver!...”
-
-„Want, wat geeft gij onomwonden bij zoo’n schrijven te kennen? Dat in
-uwe afdeeling die visitatiën in de woningen, op den openbaren weg
-noodig zijn, om den smokkelhandel in opium tegen te gaan. Gij weet even
-goed als ik, dat in den laatsten tijd verscheidene aanhalingen van
-gesloken opium in uwe afdeeling geschied zijn. Ik heb slechts in
-herinnering te brengen: de aanhaling te Moeara Tjatjing, die te
-Kaligaweh bij Pak Ardjan, en deze nu weer bij Setrosmito en bij zijne
-dochter Dalima. Kiemde bij mij reeds de meening, dat de afdeeling
-Banjoe Pahit een brandpunt van opiumsmokkelhandel was, nu bevestigt gij
-die meening door uwe onbesuisde taal....”
-
-„Resident, hoeveel ontzag ik in den regel ook voor uw verlicht oordeel
-heb, moet ik thans toch protest aanteekenen, wanneer gij te verstaan
-geeft, dat ik in mijne plichten met betrekking tot de opiumpacht zoude
-tekort geschoten zijn, en dat daardoor de afdeeling Banjoe Pahit tot
-een brandpunt van smokkelhandel zoude geworden zijn. Ik ben te
-doordrongen van het voorgeschrevene bij Staatsblad No. 136 [147] van
-1876, en heb eene te nauwgezette opvatting van mijne verplichtingen, om
-die te verwaarloozen....”
-
-„Mijnheer Verstork, het was mijne meening niet....” wilde Van Gulpendam
-invallen.
-
-„Laat mij voortgaan, resident. Ik word aangevallen, ik verdedig mij.
-Dat is mijn recht. Van eene andere zijde is het onwaar, dat de
-afdeeling Banjoe Pahit een brandpunt van opiumsmokkelhandel zoude
-wezen....”
-
-„Gij beweert dus, dat er niet gesmokkeld wordt? En de gevallen, die ik
-aanhaalde?”
-
-„Wanneer ik beweren zou, dat er niet gesmokkeld wordt, dan zou ik tegen
-beter weten in der waarheid te kort doen, resident. Banjoe Pahit is aan
-de overal genaakbare oevers van de Javazee gelegen, en bij de zeer
-onvoldoende middelen, die tot het tegengaan van den smokkelhandel in
-het werk gesteld, maar nog niet altijd doelmatig aangewend worden, ligt
-het voor de hand, dat de smokkelaars, waartoe—en dat weet gij even goed
-als ik—de opiumpachters in de eerste plaats behooren, daarmede hun
-voordeel doen. Maar vergelijkt gij die smokkelarij met die van
-aangrenzende afdeelingen en residentiën, die ook aan de Javazee gelegen
-zijn, dan valt er te constateeren, dat Banjoe Pahit, wel verre van een
-brandpunt van smokkelhandel te zijn, eerder kan aangehaald worden: als
-eene afdeeling, waar de toestand nog het meest bevredigend mag genoemd
-worden. En wat de gevallen van smokkelarij betreft, die door u vermeld
-werden, ik heb als controleur die zaken ernstig onderzocht, en spreek
-als mijne gemoedelijke overtuiging uit, dat de partij opium die te
-Moeara Tjatjing aangehaald werd, afkomstig is van den schoenerbrik Kiem
-Ping Hin, die onmogelijk in reuk van heiligheid kan staan; terwijl de
-overige aanhalingen zeer kleine hoeveelheden betreffen, die niet
-gevonden zouden geworden zijn, wanneer de bandoelans vooraf waren
-gevisiteerd geworden.”
-
-„Dat alles, mijnheer Verstork, is wel mooi, maar toch te breedsprakig
-voor het oogenblik,” antwoordde de resident met honigzoete stem. „Om
-evenwel kort te gaan, ik herhaal mijne welgemeende raadgeving: „gaat
-over stag, en neem dit rapport terug!””
-
-Willem Verstork zat doodsbleek daar. Hij hield eene hand voor de oogen,
-als vreesde hij in zijn binnenste te zien, en dacht een poos na. Als
-een gloeiend ijzer voer hem de gedachte aan zijne moeder, aan zijne
-zusters, aan zijne broeders, die zijne ondersteuning niet konden
-ontberen, door het brein. Hij begreep den ontzettenden ernst van het
-gehoorde. Daarin lag meer dan eene raadgeving, daar had bedreiging
-weerklonken. Bedreiging in den mond van den machtigen meerderen tegen
-den machteloozen minderen! Een oogenblik, maar ook slechts een enkel
-aarzelde de gewetensvolle ambtenaar... toen hernam zijn natuurlijk
-rechtsgevoel zijne opperheerschappij.
-
-„Resident,” sprak hij met zachte, maar nadrukkelijke stem, „welk zou uw
-oordeel over mij moeten zijn, wanneer ik uwen raad opvolgde en dat
-rapport terugnam? Ik laat onbesproken het geweld, dat ik mijne
-eerlijkheidsbegrippen zou moeten aandoen....”
-
-„Mijnheerrr!....” riep de resident toornig uit.
-
-„Zoudt gij mij niet ongeschikt moeten achten voor mijn betrekking?
-Zoudt gij niet minachting voor mijn karakter moeten opvatten? Zou uw
-geweten u niet dwingen, mij tot ontslag uit ’s lands dienst voor te
-dragen? In ieder geval zoudt gij onmogelijk nog vertrouwen in mij
-kunnen stellen, nietwaar? En, in de betrekking, die ik bekleed, is dat
-vertrouwen van mijn chef geheel onmisbaar!”
-
-De heer van Gulpendam had zich hersteld. Hij voelde, hoe klemmend de
-woorden van den controleur waren.
-
-„Gij ziet de zaak te donker in,” hernam hij op zoetsappigen toon.
-„Hoor, hoe ik die zaak beschouw. Gij hebt gisteren eene vermoeiende
-jacht gemaakt, en daarbij zal de veldflesch wel een enkele maal
-aangesproken zijn. Dat is natuurlijk. Na de jacht, eene jolige
-rijsttafel, waarbij het koppige Haantjesbier en de zware Baourwijn,
-misschien wel de Champagne, niet gespaard zijn geworden. Dat alles is
-zoo aannemelijk, zoo natuurlijk bij jongelieden. In die gemoedstemming
-hebt gij uw rapport geschreven....”
-
-„Dus, resident,” vroeg Verstork, „heeft dat rapport geen anderen indruk
-bij u achtergelaten dan: òf dat ik niet wel bij het hoofd ben, òf dat
-ik bij het schrijven daarvan onder den invloed van drank was?”
-
-„Gij hebt zoo’n manier van schiemannen, mijnheer Verstork,” antwoordde
-Van Gulpendam. „Ik heb slechts een doel, en dat is: u in uw belang van
-eene dwaasheid te weerhouden. Gij moet weten, of gij dat rapport al of
-niet wilt terugnemen. Ik heb slechts eene waarschuwing bij het
-gesprokene te voegen en die is: dat uwe geheele loopbaan van uwe
-beslissing afhangt.”
-
-Verstork zuchtte. Hij begreep maar al te goed, dat hoe hij ook
-handelde, de toestand netelig voor hem was. Maar hij struikelde niet op
-de baan, die hij voor het rechte pad hield.
-
-„Resident, er moge gebeuren, wat wil! Maar dat rapport neem ik niet
-terug,” sprak hij bedaard maar beslist.
-
-„Is dat uw laatste woord?”
-
-„Ja, resident!”
-
-„Bedenk u wel! Uw laatste woord?”
-
-„Ja, resident!”
-
-„Het zij zoo! Gij zult de gevolgen u zelven te wijten hebben.”
-
-„Die gevolgen ben ik gereed te gemoet te treden, resident!”
-
-„Ik zal dan dat rapport aan den Gouverneur-Generaal opzenden. Die moge
-beslissen!”
-
-Verstork wilde opstaan en heengaan, in de meening, dat het onderhoud
-geëindigd was.
-
-„Nog een oogenblik, mijnheer Verstork,” zei de heer Van Gulpendam. „Ik
-heb nog een andere logrol af te laten loopen.”
-
-„Wat hebt gij, resident?...” vroeg de controleur.
-
-„Nog eene andere zaak te behandelen. Ga nog een oogenblik zitten.
-Gisteren ochtend zijn een geacht ingezetene scheldwoorden toegevoegd,
-en is hij mishandeld geworden; omdat hij op uwe vraag getuigenis der
-waarheid afgelegd heeft. Die beschimping en die mishandeling is in uwe
-tegenwoordigheid geschied, zonder dat gij uw gezach gebruikt hebt, om
-dat te keer te gaan, om dat te verhoeden...”
-
-„Dat alles is zoo spoedig in zijn werk gegaan, het enkele woord, dat
-toegevoegd werd, werd zoo snel gesproken, de klap, die gegeven werd,
-kwam zoo onverwachts aan, dat niemand, zelfs gij niet, resident,
-wanneer gij tegenwoordig waart geweest, zulks hadt kunnen verhoeden.
-Eene herhaling, waarvoor evenwel geen gevaar bestond, zou ik echter
-voorkomen hebben, dat verzeker ik u.”
-
-„Van dat alles weet ik niet af. Er is gescholden, er zijn klappen
-gevallen; terwijl gij als hoogste ambtenaar er bij stondt. Zoo staat
-die zaak! Had ik er nu den glimp aan kunnen geven, dat de jeugdige
-jagers opgewonden waren, dat de handeling onder den invloed daarvan
-gebeurd was...”
-
-„Neen, dat is zij niet, resident, althans niet onder den invloed van de
-opgewondenheid, die gij te kennen geeft.”
-
-„Dus, in koelen bloede. Ik neem daar acte van, mijnheer Verstork! Ware
-die zaak nog te sussen geweest, dan ontneemt gij mij daartoe de
-gelegenheid, en ik meen, dat dit niet in uw belang is, en betwijfel of
-uw vriend, die tot die handtastelijkheden overging, u daarvoor dankbaar
-zal zijn.”
-
-„Mijn vriend? Wat heeft die met dat alles te maken?”
-
-„Wat die daarmede te maken heeft?... Dat zal hij genoeg bemerken. Ik
-heb hier een proces-verbaal voor mij liggen, hetwelk ik aanhouden
-wilde; maar nu aan den officier van justitie moet doorzenden. Dat alles
-hadt gij kunnen voorkomen, mijnheer Verstork.”
-
-„Ik begin te begrijpen, resident, dat mijnheer Mokesuep zijn tijd niet
-verbeuzeld heeft. Maar, om het even. Is het uwe meening, dat dat
-luttele gebeurde vervolgd moet worden? Welnu, het recht hebbe zijn
-loop! Ik zal de eerste zijn, om als getuige in die zaak op te treden.”
-
-De resident lachte vreemdsoortig, maar antwoordde niet.
-
-Verstork stond op.
-
-„Is er nog iets van uwe bevelen, resident?” vroeg hij diep buigende.
-
-„Niets meer, mijnheer Verstork.”
-
-„Dan neem ik de vrijheid u mijnen eerbiedigen groet aan te bieden!”
-
-Een lichte hoofdknik van den hoofdambtenaar, die achter zijn
-schrijflessenaar bleef zitten, was het antwoord op die begroeting. Het
-oogenblik daarna daalde Verstork de trappen van het perron van het
-residentiehuis af.
-
-„Arme moeder! Arme zusters!” prevelde hij.
-
-„Dom potdeksel! Ja, aartsdom!” werd in het resident’s kantoor
-gemompeld. „Nu die ezelachtige lummel niet tot bijleggen te bewegen is,
-zal die zaak meer schiemanskunst vereischen!... Maar... ik tel menschen
-te Batavia onder mijne vrienden, die de Atjeh-enquête in veilige haven
-wisten binnen te loodsen, die generaal Van der Heijden door de
-kluisgaten deden verdwijnen en dus ook met dit breeuwwerk niet verlegen
-zullen zitten... Vooruit! Op het einde der baan is het „virtus
-nobilitat” te verwerven!”
-
-
-
-Een paar uren later zat Verstork bij Van Nerekool, die zich alleen
-thuis bevond,—daar Van Rheijn had laten weten, dat hij, wegens
-dringende ambtsbezigheden op het residentie-kantoor, niet zou komen
-eten,—aan de rijsttafel, en bespraken die twee de voorvallen van de
-vorige dagen en van het bezoek dien eigen morgen aan den resident
-gebracht. De controleur scheen zoo ter neer geslagen, dat Karel, hoewel
-hijzelf geen zonneschijn in het hart koesterde, zich genoopt gevoelde,
-hem op te beuren en moed in te spreken.
-
-„Kom, Willem,” sprak hij, „laat het hoofd zoo niet hangen! Gij zoudt
-mij haast tot de meening brengen, dat gij berouw gevoelt over de
-gevolgde gedragslijn.”
-
-„Dat nooit, Karel!” antwoordde Verstork zwaarmoedig, maar toch met
-eenige drift. „Als het nog te doen ware, zou ik volkomen op dezelfde
-wijze te werk gaan. Maar... o, mijne arme moeder! Mijne arme zusters!”
-
-„Stelt gij u den toestand niet te zwart voor?”
-
-„Te zwart!... Het gunstigste, wat mij overkomen kan, is dat ik
-overgeplaatst, dat ik hier uit mijn werkkring weggerukt word...”
-
-„Welnu?”
-
-„Welnu, dat is reeds een ramp voor mij. Gij weet met hoeveel onkosten
-eene overplaatsing hier in Indië gepaard gaat, afgescheiden de vraag:
-waarheen ik verplaatst zal worden. Dat ik eene lucratieve controle zal
-bekomen, wie zal dat gelooven? Ik zal jaren achtereen onder den druk
-van financiëele lasten gebukt gaan, en inmiddels zal ik onmogelijk voor
-mijne dierbaren kunnen doen, wat ik tot heden met zooveel liefde deed.”
-
-„Kom, beur het hoofd op!” antwoordde Karel van Nerekool. „In dat geval
-zal nog wel uitkomst te vinden zijn. Ja, die zou ik u kunnen
-voorspellen.”
-
-„Maar, Karel, dat is het meest gunstige geval, dat mij te wachten
-staat. Ieder ander geval is schrikkelijk. Denk er aan, als ik eens
-eenvoudig ontslagen werd!”
-
-„Kom, kom! Geen overdrijving! Hetgeen gij gedaan hebt, is, wel verre
-van ontslag te verdienen, hoogst eervol voor u en zal door ieder
-eerlijk man gewaardeerd worden!”
-
-„Eerlijk man?... Gij weet nog niet met wien ik te doen heb!”
-
-Van Nerekools gelaat vertoonde een pijnlijken trek. Hij had reeds
-ervaren met wien zijn vriend in botsing kwam.
-
-„Maar,” ging hij opbeurend voort, „is die slag niet af te wenden? Is
-zelfs dat meest gunstige geval niet te ontloopen?”
-
-„Ja, daarover pijnig ik mij het brein.”
-
-„Hebt gij ook kennissen te Batavia?”
-
-„Kennissen?... Een enkele. De heer Reijnael...”
-
-„De schoonzoon van het lid van den raad van Indië?... Ja? Wel dan zijt
-gij gered! Kom, het hoofd omhoog! Laten wij te zamen een nauwkeurig
-verhaal van het gebeurde opmaken, dan zendt gij dat naar Reijnael,
-terwijl ik van mijn kant ook aan ettelijke kennissen te Batavia zal
-schrijven, die niet zonder invloed zijn. Kom, onverschrokken den strijd
-aanvaard!”
-
-Een oogenblik later zaten die mannen druk te schrijven, en toen Eduard
-van Rheijn des namiddags zeer laat te huis kwam, waren twee brieven op
-de post bezorgd, die ieder meer van een postpaket hadden, dan van een
-eenvoudigen brief. De aspirant-controleur zag er somber uit.
-
-„Wat komt gij laat te huis?” vroeg Van Nerekool. „Zoo druk gehad?”
-
-„Ja,” was het korte antwoord. „Ik ben vermoeid en ga wat liggen.”
-
-„Is er iets bizonders aan de hand?”
-
-„Bizonders niet. Maar veel drukte!”
-
-„Waarmede?”
-
-„Vergeef mij,” antwoordde Van Rheijn met den vinger op den mond. „Dat
-zijn ambtsgeheimen. Die mag ik niet vertellen.”
-
-Bij dat antwoord had hij willens of onwillens een meewarigen blik op
-Willem Verstork geworpen.
-
-
-
-
-
-
-
-XXII.
-
-EENE VENDUTIE WEGENS VERTREK IN JAVA’S BINNENLANDEN.
-
-
-Ongeveer veertien dagen later zaten op een Zaterdag avond een aantal
-jonge lieden om de gezellige ronde tafel in de open lucht voor de
-voorgalerij van „de Eensgezindheid,” de sociëteit van Santjoemeh.
-
-Zaterdag avond! Het was sociëteits-avond, en bij gevolg geheel
-Santjoemeh op de been: het mannelijk gedeelte in de sociëteit of op het
-voorerf aanwezig, het vrouwelijk gedeelte nontonnende [148] hetzij
-nuffig in elegante rijtuigen gedoken, hetzij wandelende en daar
-omdolende, om den waarlijk fraaien avondstond, die nog verrukkelijker
-gemaakt werd door de lieve maan, die vol was, en tegen negen uur reeds
-hoog aan den hemel stond, ook om de heerlijke muziek, die ten gehoore
-gebracht werd, te genieten.
-
-In het sociëteits-gebouw zaten bij ettelijke dames de bejaarde heeren,
-de deftigen, de machtigen afgemeten en voornaam hun partijtje te
-spelen. De jongeren zaten in de voorgalerij, de joligsten daarvan
-daarbuiten rondom de ronde tafel in den maneschijn, en waren er niet
-rouwig over, dat de schoone sekse hen kon zien en waarlijk ook zag.
-
-„Ziet, daar wandelt de lieve Christine met hare mama en hare tante.”
-
-„En daar rijdt de nog lievere Hermance.”
-
-„Ho, ho!”
-
-„Wat een keurig span Persianen!”
-
-„Wat bedoelt ge? De vier dames?... Ja dat is een keurig vierspan. Of
-het echter Persianen zijn? Naar het achterstel te oordeelen, is wel
-iets voor die meening aan te voeren.”
-
-Allen lachten.
-
-„Kijk, daar is het rijtuig van den resident!”
-
-„Met de schoone Laurentia. Die komt zeker haar partijtje maken. Kijk
-eens, hoe Van Rheijn zich beijvert, om haar bij het uitstijgen
-behulpzaam te zijn, en haar den arm te bieden.”
-
-„Ja, ja!... De njonja van den Kandjeng toean resident!...”
-
-„Gij kunt zeggen, wat ge wilt, het is eene mooie vrouw! En ik benijd
-Eduard wel.”
-
-„Toegegeven hare schoonheid; maar zij kan in de schaduw niet staan van
-hare dochter.”
-
-„He, ja!... Maar, waar is toch nonna Anna? Men ziet haar nergens meer.”
-
-„Zoo ik hoor, gaat zij bij een vriendin, bij de echtgenoote van den
-assistent-resident van Karang-Anjer logeeren.”
-
-„Karang-Anjer in Bagelen?... Drommels, dat is een eind uit de
-buurt!.... Maar, is er iets met dat lieve kind?”
-
-„Van Nerekool heeft een blauwtje geloopen, en nu wil de resident, in
-afwachting van de verplaatsing van Karel, zijne dochter zoolang uit de
-buurt hebben.”
-
-„De verplaatsing van Van Nerekool?...”
-
-In dit oogenblik trad Grenits, die een poos in de leeskamer van het
-sociëteits-gebouw geweest was, met een courant in de hand naderbij.
-
-„Goeden avond, Theodoor,” klonk aller groet; want de jeugdige koopman
-was bij allen gezien en bemind. „Is er nieuws, dat gij zoo met de
-Santjoemehsche courant in de hand loopt?”
-
-„Luistert, heeren!” sprak Grenits, terwijl hij het blad ontvouwde en
-daaruit voorlas:
-
-„„Vendutie wegens vertrek.—Op Maandag den 24sten dezer zullen wij
-wegens vertrek vendutie houden ten huize van den Wel Edelen Gestrengen
-heer controleur W. Verstork te Banjoe Pahit, van een netten en goed
-onderhouden inboedel, bestaande uit: Bataviasche en Japarasche
-meubelen, waaronder: banken, gewone wip- en luiaardstoelen, tafels,
-consoles met marmeren blad, spiegels, schilderijen, hang- en staande
-lampen, terracotta-beelden, regulateur, zeilen, schutsels, ledikanten,
-waschtafels met en zonder marmeren blad, kleer- en dispenskasten,
-goedang-, keuken- en stalgereedschappen, enz. enz. Voorts nog eene
-fraaie collectie rozen, crotons en varens in potten en tobben; eene
-Bengaalsche koe met kalf, gevende drie flesschen melk; eene groote
-partij pluimgedierte, waaronder: beo’s, kalkoenen, ganzen, eenden,
-kippen en duiven; een milord; een tentwagen, zoo goed als nieuw; een
-goed gedresseerd rijpaard, Sandelwood schimmel, ruim de maat; een span
-wagenpaarden, schimmels; een paar dito, zwarte Batakkers. Met
-commissiën belasten zich: Gladbach & Co.—
-
-„„Nota bene. Aanstaanden Maandag ochtend zullen van af half acht tot
-half negen rijtuigen van de aloon aloon van Santjoemeh naar Banjoe
-Pahit afrijden. Bezoekers van bovenvermelde vendutie genieten den
-overtocht heen en terug gratis.”
-
-Toen Grenits ophield keken de aanwezigen elkander aan.
-
-„Niet dom, die vrije overtocht,” meesmuilde er een.
-
-„Verstork overgeplaatst?” vroeg een ander. „Waarheen toch? Hij verkoopt
-tot zijn rijpaard!”
-
-„Hij gaat naar Atjeh,” antwoordde Grenits. „Daar, bij het
-geconcentreerd stelsel, dat aangenomen is, heeft hij geen paard
-noodig.”
-
-„Maar daar zijn de officieren met de civiele dienst belast. Daar is
-geene vacature voor Verstork.”
-
-„Daar weet ik niets van. Ik vertel, wat mij Willem zelf medegedeeld
-heeft. Maar, heeren, om ieder misverstand te vermijden omtrent die
-advertentie, moet ik hier bijvoegen, dat Verstork van die rijtuigen tot
-vrijen overtocht niets weet. Dat heb ik er aangelascht.”
-
-„Om een goed slaatje te maken,” lachte een van het gezelschap.
-
-„Wel mogelijk,” antwoordde Grenits droog.
-
-„Maar, waarom werd Verstork overgeplaatst, en dat nog wel naar Atjeh?”
-vroeg er een.
-
-Grenits trok de schouders op, maar antwoordde niet.
-
-„Och, dat staat in verband met die geschiedenis... ge weet wel van die
-mooie baboe Dalima met Lim Ho.”
-
-„Maar, waarbij Lim Ho de verleiding weerstaan heeft, zooals de
-doekoen-majoor verklaart.”
-
-„Maar, waarbij hier vriend Grenits muilperen uitgedeeld heeft.”
-
-„O, ja, aan Muizenkop. Dat ’s waar ook. Zeg eens, wat heeft die daarop
-gedaan?”
-
-„Mij aangeklaagd,” antwoordde Grenits.
-
-„Die ellendeling! Maar, hoe weet gij dat, Theodoor?”
-
-„Ik heb eene dagvaarding ontvangen om voor den raad van Justitie te
-verschijnen.”
-
-„Ai... dan zit er vrij logies in de boeien voor u op. Maar troost je.
-Wij zullen je van tijd tot tijd gezelschap komen houden, nietwaar,
-heeren?”
-
-„Ja, ja!” werd er in koor geantwoord.
-
-„Die dan leeft, die dan zorgt,” hernam Grenits lachende, „word ik
-veroordeeld, welnu, dan reken ik op de vrienden. Maar, nu die vendutie!
-Ik noodig u allen om Maandag naar Banjoe Pahit te gaan!”
-
-„Steeds geschäftsman, die Grenits!”
-
-„Het geldt een onschuldige, die voor dierbare bloedverwanten te zorgen
-heeft, in de mogelijkheid te stellen, die zorgen te kunnen blijven
-waarnemen,” sprak Theodoor ernstig.
-
-„Zoo, is dat de zaak?” werd hem geantwoord. „Dan zullen wij allen
-present zijn, nietwaar, makkers?”
-
-„Ja allen!” klonk de betuiging. „Daar geven wij de hand op!”
-
-„Dat is dus afgesproken!”
-
-
-
-„Ja, Verstork was overgeplaatst en nog wel naar Atjeh. Zijn uitvoerig
-relaas, aan Reijnael geleverd, had niets gebaat. Had hij diens invloed
-overschat? Of had deze gemeend er geen werk van te moeten maken? Hij
-wist het niet. Ook het beroep, dat Van Nerekool op zijne kennissen
-gedaan had, had gefaald. Men had hem eenige onbeduidende volzinnen tot
-antwoord gegeven, waaruit hij moeielijk wijs had kunnen worden.
-
-De zaak was deze: Op een Vrijdag, den gewonen vergaderingsdag van den
-Raad van Indië, waren de leden verrast geworden door de verschijning
-van den Gouverneur-Generaal in persoon in hun midden, iets dat maar
-hoogst zelden gebeurde.
-
-„Mijne heeren,” had de Opperlandvoogd na de gebruikelijke plichtpleging
-gezegd, „ik heb eene aanklacht van ergerlijken aard van den resident
-van Santjoemeh ontvangen, betreffende een controleur 1ste klasse. Ook
-is een verweerschrift van dien ondergeschikten ambtenaar ingekomen, dat
-met die aanklacht van den resident lijnrecht in strijd is. Het is
-daarom, dat ik het advies der heeren wensch in te winnen. De resident
-van Santjoemeh is een zeer ijverig staatsdienaar, die den lande
-uitstekende diensten bewijst; maar in zijne uitspraken, vooral als het
-zijne ondergeschikten geldt, is hij te absoluut, en laat hij zich wel
-eens door zijne hartstochten leiden, waarbij evenwel, ik moet erkennen,
-steeds ’s lands belangen in het oog worden gehouden. Zoo is het, naar
-mij voorkomt, ook thans weer. Ik zou dan ook zonder aarzelen aan die
-zaak eene zoodanige wending wenschen gegeven te zien, dat zonder dat de
-hoogstgeplaatste zich in zijn gezach gekrenkt kon gevoelen, evenwel
-beide partijen tevreden gesteld werden. Maar, er is hier meer. Het
-verschil tusschen den resident en den controleur raakt den opiumpachter
-van Santjoemeh genoegzaam, om een conflict met dezen te doen vreezen.
-Ja, ik meen verder te kunnen gaan. Ik wensch mijn denkbeelden
-onuitgesproken te laten omtrent de standpunten, door beide ambtenaren
-ingenomen, en dus niet te willen beslissen, wie gelijk of ongelijk
-heeft; maar het zou niet onmogelijk wezen, dat een nauwgezet onderzoek,
-waarop trouwens de controleur aandringt, zooveel aan het licht zou
-brengen, dat de tegenwoordige opiumpachter Lim Yang Bing van de
-aanstaande verpachting zou moeten uitgesloten worden. Die eventualiteit
-zou wellicht uit een billijkheids-oogpunt toe te juichen zijn; maar
-hierbij valt niet uit het oog verloren te worden, dat Lim Yang Bing,
-als de rijkste Chinees te Santjoemeh, aan het hoofd staat van de
-voornaamste Kongsie aldaar, en als zoodanig een grooten invloed op zijn
-rasgenooten uitoefent. Een onmiddellijk gevolg daarvan is, dat bij de
-aanstaande opiumverpachting zijne uitsluiting een aanmerkelijke daling
-van den pachtschat zou veroorzaken. En,... dat in een tijd als de
-tegenwoordige!.... Ja, ik herhaal het, en dat in een tijd als de
-tegenwoordige!... Ik heb toch een cijfertelegram uit den Haag
-ontvangen, dat de begrooting van den Minister van Koloniën geene genade
-in de oogen van de Vertegenwoordiging heeft gevonden, omdat de middelen
-van inkomsten te laag geraamd zijn, en op de uitgaven niet genoeg
-besnoeid is [149]. Dat telegram bevat meer, het meldt mij, dat een
-uwer, mijne heeren, geroepen zal worden, om de opengevallen
-portefeuille van Koloniën te aanvaarden. Wie hij ook zijn moge, ik
-benijd hem die eer niet. Maar een eerste vereischte voor hem zal zijn:
-de inkomsten zoo hoog mogelijk op te drijven, en daartoe leent zich de
-opiumpacht, wat men er ook over zeggen of denken moge, bij
-uitnemendheid. Om dus de taak van den aanstaanden minister niet te
-verzwaren, zal het zaaks zijn, den opiumpachter van Santjoemeh de hand
-boven het hoofd te houden. Dat zal allicht, zoo meldt mij de resident,
-een verschil met den vorigen pachtschat van zes ton leveren....”
-
-De oogen van het jongste lid van den Raad schitterden met een ongemeen
-vuur, bij het vernemen van dat cijfer. In zijn ijver voor de belangen
-van ’s lands kas vergat hij in zooverre de bestaande etiquette, dat hij
-den Opperlandvoogd, alvorens die geëindigd had, in de rede viel.
-
-„Het zij mij vergund, Uwe Excellentie, er op te wijzen,” sprak hij met
-vuur, „en ik meen daarmede de tolk der overige leden te zijn, dat in
-dat geval niet geaarzeld mag worden, om ieder middel aan te grijpen, om
-de financiën van den Staat in evenwicht met de eischen des tijds te
-brengen. Iedere bijdrage daartoe kan niet anders dan welkom wezen bij
-een College, dat als dit met warmte doordrongen is van de echte, ware
-vaderlandsliefde, die voor Neêrlands heil immer offervaardig moet
-wezen. Nietwaar, mijne heeren?”
-
-De brutaliteit van dat beroep was zoo groot, dat zij juist door hare
-verregaandheid alle welslagen erlangde. Alle hoofden bogen, en aller
-lippen, die zooveel hadden kunnen antwoorden, wanneer de Oostersche zon
-hunne geestkracht niet gesloopt had, prevelden thans mat en schier
-slaperig:
-
-„Ja, Excellentie!”
-
-De Opperlandvoogd, die vlug zijn open blik langs die gebogen kruinen
-had laten gaan, sprak toen met een zucht:
-
-„Dan is het lot van den bedoelden controleur beslist. Ik dank de heeren
-voor hun advies!”
-
-Een oogenblik later roffelde de tamboer van de hoofdwacht aan het
-Groote Huis te Weltevreden den generaalmarsch, en presenteerden de
-manschappen kletterend de geweren voor den Vertegenwoordiger des
-Konings, die daar heenreed naar zijn paleis op het Koningsplein in het
-bewustzijn de Nederlandsche schatkist, maar niet de menschheid, een
-grooten dienst bewezen te hebben.
-
-En vier dagen later had Willem Verstork niet alleen het besluit zijner
-overplaatsing naar Atjeh, maar ook een dienstbrief van den directeur
-van Binnenlandsch Bestuur in handen, waarin de hoop uitgedrukt werd:
-„dat hij als controleur van zijne degelijke kennis van den inboorling
-het meest nuttige gebruik zoude maken, om den militairen bevelhebber te
-Kota Radja, in zijnen moeielijken werkkring tot bevrediging der
-bevolking te schragen; maar ook, dat hij in zijne dienstbetrekkingen
-met meer menschenkennis, maar vooral met meer deferentie voor de
-gevoelens van zijne superieuren mocht te werk gaan, zullende hij in
-gebreke daarvan, na deze waarschuwing, op geene inschikkelijkheid meer
-te rekenen hebben.”
-
-„Wat zegt ge van zoo iets?” vroeg hij aan Van Nerekool.
-
-„Eenvoudig, dat het schande is,” antwoordde deze met van verbittering
-trillende stem.
-
-„Het gunstigste geval, dat wij bespraken, is dus daar.... Overgeplaatst
-naar Atjeh! Dus uit het kader van de ambtenaren van Binnenlandsch
-Bestuur op Java en Madoera uitgestooten! Eene feitelijke degradatie! Is
-dat het beginsel, hetwelk onze regeerders bezielt? Onze maatschappij is
-rot, ja geheel rot!”
-
-„Geheel? Gelukkig, neen!” antwoordde Van Nerekool met overtuiging. „Een
-deel dier maatschappij is onaangetast, en staat boven de onedele
-kuiperijen van de gezachhebbenden. Dat deel heet de rechterlijke macht,
-wie het eindelijk gelukken zal het monster van willekeur en onrecht te
-breidelen.”
-
-Karel had met geestdrift en vuur deze zijne overtuiging geuit. Willem
-Verstork keek hem aan, terwijl een bittere glimlach over zijn ontsteld
-gelaat gleed. Hij antwoordde evenwel niet. Hij wilde den jeugdigen
-rechterlijken ambtenaar niet ontnuchteren. De toekomst zou zich
-daarmede wel in zijne plaats belasten.
-
-
-
-Banjoe Pahit, de afgelegen dèsa, die anders zoo kalm, zoo rustig was,
-verkeerde op den gezegden morgen in rep en roer.
-
-Bij het hek der controleurswoning stond een Javaan met afgemeten slagen
-op de „brengbreng” [150] te ranselen en trok door dat ongewone geluid
-de Inlandsche bevolking, rondom zich.
-
-In die woning waren Grenits, Grashuis en Van Nerekool, die reeds daags
-te voren aangekomen waren, met Verstork in de weer, om de laatste hand
-te leggen aan het uitstallen van het meubilair, dat straks verkocht
-zoude worden. Hier moest nog een schrijftafel verschikt, daar eene kast
-anders geplaatst, elders een beeld of schilderij beter in het licht
-gesteld worden. Grenits toch legde als scherpzinnig koopman zijne
-vrienden uit, dat, na het adverteeren, de uitstalling de koopers het
-meest verlokt.
-
-Eindelijk was alles klaar, en met een soort opgetogenheid stapte het
-viertal de vertrekken door, en bewonderde hunne beschikkingen, die
-vooral in de achtergalerij, waar het tafelservies, glaswerk en kristal
-smaakvol gerangschikt waren, tot hun recht kwamen.
-
-„Alles ziet er zoo keurig uit!” kreet Grenits opgewonden, „dat men niet
-meenen zou, zich te midden van het huishouden van een jonggezel te
-bevinden. Willem, ik voorspel je eene prachtige vendutie!”
-
-De brengbreng weerklonk intusschen onverpoosd.
-
-Een paar rijtuigen reden in dat oogenblik het controleurserf op. Uit
-een daarvan stapte de regent van Santjoemeh, en trad op de heeren toe.
-Na de gebruikelijke buiging:
-
-„Wel, Radhen Mas Toemenggong,” sprak Grashuis, opgeruimd over het
-verschijnen van het Javaansche hoofd, „gij komt zeker veel koopen?”
-
-„Bangkali, toean; tapeh, koerang oeang!” (misschien, mijnheer; maar, ik
-heb gebrek aan geld) antwoordde de regent met geheimzinnigen glimlach.
-
-„Dat is wel te verhelpen, Radhen Mas,” lachte Grenits, „boleh bekin
-broeang!” [151] (gij kunt beeren maken).
-
-Het bedachtzame hoofd lachte over de woordspeling, die hij begreep,
-maar antwoordde niet. Hij had er den tijd niet toe. Uit het tweede
-rijtuig, een ruime tentwagen, was een lid van de firma Gladbach en Co.
-met zijn schrijverspersoneel gestegen, en trad op Verstork toe.
-
-„Slechts nieuws, controleur!” fluisterde hij hem in het oor.
-
-„Wat is er?”
-
-„De Chineezen te Santjoemeh hebben het wachtwoord gekregen, om niet op
-uwe vendutie te koopen.”
-
-„Van wien?”
-
-„Weet ik het?” antwoordde de berichtgever schouderophalend.
-
-Ja, dat was eene zeer slechte tijding; want de Chineezen kunnen,
-wanneer zij den verkooper goedgezind zijn, zoo eene vendutie uiterst
-verlevendigen. Hunne onthouding dreigde nu een ramp te worden. Verstork
-zuchtte eens, terwijl hij zijn inboedel overzag, die nu gevaar liep
-voor een appel en een ei heen te zullen gaan. Die zucht werd hem niet
-door hebzuchtige gevoelens afgeperst; maar wel door eene gedachte aan
-zijne dierbaren daar ginds, die....
-
-Hij had den tijd niet om zich aan zwaarmoedigheid over te geven. Thans
-volgden de rijtuigen elkander met verbazende snelheid op. Tentwagens,
-milords, reiswagens, dos à dos, en „kahar peer” (karretjes op veeren),
-stoven onafgebroken het erf van de controleurswoning op, en ontlaadden
-hunnen last op het perron der voorgalerij. Talrijke ruiters en ook
-wandelaars van de naburige landgoederen verschenen, en het kostte den
-oppassers inspanning, om die rijtuigen in de file te doen blijven, om
-de gezadelde paarden behoorlijk te stallen, en de heeren uit te
-noodigen naar binnen te treden. Alle maatschappelijke standen der
-Europeesche samenleving in Indië waren daar vertegenwoordigd.
-Landeigenaars, landhuurders, koffieplanters, rijstplanters, suiker- en
-indigo-fabrikanten, steenbakkers, bosch-ontginners, handelaren,
-assuradeuren, expediteurs, tokohouders, notarissen, advocaten,
-rechters, procureurs, zaakwaarnemers, officieren van alle wapenen, enz.
-enz. Het was alsof geheel Santjoemeh naar Banjoe Pahit verhuisd was.
-Alle zaken stonden stil ter hoofdplaats. Zelfs was er geen enkel
-huurrijtuig, dos à dos of kahar peer meer beschikbaar. Toen de resident
-Van Gulpendam de bemerking maakte, dat die vervoermiddelen hunne gewone
-standplaatsen niet innamen, kreeg hij ten antwoord, dat zij allen naar
-Banjoe Pahit gereden waren. De hoofdambtenaar glimlachte op dat
-bericht, maar innerlijk met verbeten woede.
-
-De brengbreng ging voort hare trillende tonen door het luchtruim te
-laten weerklinken.
-
-Wie het minst in Verstork’s woning vertegenwoordigd werden, waren de
-ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, alsook de kommiezen en
-schrijvers van het residentie-bureau. Die hadden geen verlof tot dat
-uitstapje kunnen bekomen.
-
-Het allermeest verdrong zich daar evenwel, met de haar eigene
-bescheidenheid, de Javaansche bevolking van Banjoe Pahit. Die kwam
-minder om te koopen, dan om ook eens een kijkje te nemen in de woning
-van een blanken.
-
-Treêng, trrreêêng! klonk de brengbreng onophoudelijk.
-
-Toen de menigte nagenoeg bij elkander was, en de begroetingen en
-plichtplegingen onder elkander afgeloopen waren, ging Verstork heen.
-Het stuitte hem tegen de borst op zijne eigene vendutie tegenwoordig te
-zijn. Hij ging naar den „panghoeloe,” (Mohammedaansche priester) met
-wien hij nog eenige zaken betreffende den priesterraad te bespreken
-had. Na afloop der vendutie zou hij met Van Nerekool, Grashuis en
-Grenits naar Santjoemeh rijden.
-
-Nauwelijks was hij vertrokken, toen de agent van de firma Gladbach en
-Co. den vendumeester eenige woorden toefluisterde, en deze aan een
-zijner bedienden een teeken gaf. Onmiddellijk daarop liet de brengbreng
-zich in een versneld tempo hooren. De slagen op het metalen bekken
-volgden elkander als een stormwind op. Dat helsche leven duurde een
-tiental minuten, daarop hield het plotseling op. De vendutie nam een
-aanvang.
-
-Men zou den verkoop in de voorgalerij beginnen. Eene fraaie collectie
-bloemen in sierlijke potten stonden dozijnsgewijs op de trappen der
-galerij. Die zouden het eerst aan de beurt zijn.
-
-„Doewablas tampat kembang! Twaalf bloempotten!” begon de venduafslager,
-terwijl de venduschrijver zich gereed maakte de noodige aanteekeningen
-te maken. „Siapa taro oeang? Wie biedt er geld op?”.
-
-„Satoe roepiah!” (een gulden) riep eene stem.
-
-„Satoe roepiah!... Satoe roepiah!” herhaalde de venduafslager met
-langgerekte en eentonige stem.
-
-„Satoe stengah!” (een en een half) antwoordde eene andere stem.
-
-„Saatoe stengaah!” herhaalde de afslager.
-
-„Doea roepiah!... Tiga roepiah!... Ampat roepiah!... Lima roepiah!”
-(twee gulden, drie gulden, vier gulden, vijf gulden) volgden de
-opbiedingen achtereenvolgens.
-
-„Limaaa roepiaaah! soedah di tawar!” (vijf gulden is geboden) dreunde
-de stem des afslagers, na het hoofd opvolgend naar de bieders gewend te
-hebben, en thans den voorlaatsten aankijkende.
-
-„Delapan roepiah!” (acht gulden) riep deze.
-
-„Delaapaan roepiaah!” herhaalde de echo. „Delaapaan roepiaah, di
-tawar!”
-
-Dat opende weer het vuur.
-
-„Dan stali!” (en nog een kwartje) bood er een.
-
-„Delaapaan roepiaah, staali!”
-
-„Delapan stenga!” (acht en een half).
-
-„Delapan tiga tali!” (acht drie kwart).
-
-„Sembilan roepiah!” (negen gulden).
-
-„Sembiiilaan roepiaah!”
-
-„Sapoeloeh!... Sablas!... Doeablas!... Tigablas!” (Tien, elf, twaalf,
-dertien).
-
-„Tiiigaablaas roepiaah! soeda di tawar!”
-
-„Te drommel, als ik maar wist, hoe ik die potten te Santjoemeh kreeg!”
-klonk eene stem.
-
-„Tigaablaas roepiah, soedah di tawar! Tiigaablaas satoe kalie!”
-(eenmaal).
-
-„Ik zal ze wel in mijn karretje nemen!” antwoordde een ander.
-
-„Tiigablaas!... doea kali! (tweemaal).
-
-„Ampatblas!... Limablas!” (veertien, vijftien) volgden de opbiedingen.
-
-„Liimaablaas roepiaah, di tawar!”
-
-„Doeapoeloeh roepiah!” (twintig gulden) klonk eene stem, die alles deed
-verstommen.
-
-„Een mooi bod,” mompelde Grenits.
-
-„Doeaapoeloeoeh roepiaah! Doeaapoeoeloeh roepiaah!... satoe kali!...
-Doeaapoeloeoeh roepiaah!... doea kali!... Doeaapoeoeloeh roepiaah!...
-tiga kali...”
-
-Boem! daar viel de hamer.
-
-„Wie is de kooper?” vroeg de venduschrijver.
-
-„Ik, mijnheer!” antwoordde een officier, die er niet meer jeugdig
-uitzag, en dan ook oud eerste luitenant was.
-
-„Wie is ik?” vroeg de vendumeester uit de hoogte.
-
-„Langeveld, 1e luitenant der infanterie.”
-
-„Mijnheer Langeveld, betaalt gij comptant?” vroeg de vendumeester.
-
-„Comptant?” vroeg de officier verbaasd. „Het vendukantoor geeft drie
-maanden crediet.”
-
-„Alleen aan hen, die meer dan twee honderd vijftig gulden traktement
-nebben.”
-
-„Die meer dan twee honderd vijftig gulden traktement hebben? Wie
-beveelt dat?”
-
-„De superintendent van het vendukantoor te Santjoemeh,” antwoordde de
-vendumeester.
-
-„De resident!” mompelde Van Nerekool. „Dat is infaam!”
-
-„Betaalt gij comptant?... Niet?...” ging de vendumeester voort, „dan
-dient gij een borgtocht te stellen, anders moeten die bloempotten
-andermaal geveild worden.”
-
-De officier, een man van onbesproken gedrag en naam, was vuurrood
-geworden bij die onverwachte en noodelooze beleediging.
-
-„Luitenant Langeveld, ik zal uw borg zijn!” riep Van Nerekool uit.
-
-De officier boog dankbaar. De tweede partij bloemen, die veel fraaier
-dan de eerste waren, bracht echter geen rijksdaalder op. Blijkbaar
-waren alle aanwezigen onder den indruk van de schandelijkheid, die daar
-gepleegd werd. Grenits begreep den toeleg van die handeling. Ras
-raadpleegde hij Van Nerekool en eenige landheeren, die in de nabijheid
-stonden. Toen het derde dozijn bloempotten zou geveild worden, riep een
-breedgeschouderde heer uit:
-
-„Een woordje, heer vendumeester. Er wordt hier eene laagheid zonder
-weerga beproefd, die de heeren Van Nerekool, Grenits en ik wenschen te
-verijdelen. Voor ieder, die op deze vendutie wenscht te koopen en in de
-termen valt om borgtocht te moeten stellen, bieden wij ons tot borg
-aan!”
-
-„Bravo! Bravo!” was de algemeene kreet.
-
-„Is dat tot uw genoegen, heer vendumeester?”
-
-Deze knikte goedkeurend. Wat zou hij anders hebben kunnen doen?
-
-Nu was er evenwel geen houden meer aan. De derde partij bloemen bracht
-reeds tachtig gulden op. De laatste twee honderd en vijftig. Het is
-waar Grenits had bij het opveilen van die partij uitgeroepen:
-
-„Crotons! Prachtige mooie Crotons, [152] waaronder de Adal adal, de
-Camilla, de Kamilakkian, de wasdragende Croton! Wie biedt er geld op?
-Ik zet ze in voor zestig gulden!”
-
-Een gejuich volgde. En daar ging het. Zeventig... tachtig... negentig
-gulden! Hooger! Nog hooger, totdat de twee honderd vijftig bereikt
-waren. De gelukkige verwerver ontving een algemeen hoerah, en menigen
-handdruk, alsof hij het groote lot uit de staatsloterij getrokken
-hadde.
-
-Toen was de stoot gegeven! Stoelen, tafels, matten, lampen, kasten,
-spiegels, schilderijen, enz. enz. dat alles ging voor verbazend hooge
-prijzen. Het was in waarheid een stormloop, waarbij ieder der
-aanwezenden iets van dien inboedel machtig trachtte te worden. Men zag
-daar lange gezichten, niet over de bestede sommen, maar omdat de
-prijzen zoo hoog liepen, dat zij onmogelijk voor ieders beurs
-bereikbaar waren.
-
-In de achtergalerij bereikte evenwel de opgewondenheid haar toppunt.
-
-„Twaalf bitterglaasjes!” riep de venduafslager.
-
-Het waren gewone glazen kelkjes, die in Nederland met een stuiver het
-stuk, in Indië met een kwartje goed betaald waren.
-
-„Twaalf bitterglaasjes! Doeablas glas pahit!” herhaalde de afslager.
-
-„Waaruit de bitter overheerlijk smaakt,” riep Grashuis. „Dat weet ik
-bij ondervinding!”
-
-„We zouden ze kunnen probeeren,” riep eene stem. „Daar in dat
-drankzetje staat eene karaf met bitter!”
-
-Een gejuich ging bij dat voorstel op. Een schenker was reeds bezig.
-
-„Twaalf bitterglaasjes!” herhaalde de afslager met lang gerekte stem.
-
-„Welk bitter is het?”
-
-„Maagdbitter!” riep een sienjo.
-
-„Pahit prawan!” vertaalde een tottokh. [153]
-
-„Een donderend hoerah begroette die proeve van overzetten.
-
-„Kees, je moet tolk worden! Beëedigd tolk! Daar ga je! Ik drink je
-gezondheid met je pahit prawan!”
-
-„Doeablaas glaas pahiiit! Siapa njang taro oeang? Die een koopt, koopt
-twaalf! Siapa njang bli satoe, bli doeablaas!” dreunde de
-venduafslager.
-
-„Een ringgiet!” riep Grenits.
-
-„Doeaa roepiaah stengaah! Doeaaa stengaaah!”
-
-„Tiga!... Ampat!... Lima!... Anam!” (drie, vier, vijf, zes), weerklonk
-het achtereenvolgens met de grootste snelheid. Het was den
-venduafslager onmogelijk de opbiedingen te herhalen; hij stond maar met
-het hoofd te draaien en te wenden, om te pogen de bieders aan te zien.
-
-„Aanaam roepiaah, di tawar!” kreeg hij eindelijk gelegenheid te roepen.
-
-„Toedjoeh!... Delapan!...” (zeven... acht).
-
-„Een tientje!” riep Grenits.
-
-„Saapoeloeh roepiaah!” vertolkte de venduafslager onverstoorbaar kalm.
-Hij had wel andere kunststukken op dat gebied in zijn leven gezien.
-
-„Sapoeloeoeh roepiaah! Toean toean, tida di taro lagie?” (Bieden de
-heeren niet hooger).
-
-„Me dunkt!” prevelde er een.
-
-„Saapoeoeloeh roepiaah! Saapoeloeoe roepiaah! Satoe kali....
-Saapoeoeloeh roepiaah! doea kali.... Saapoeloeoeh roepiaah! tiga kali!”
-
-Boem!
-
-„Een duur stelletje!” mompelde een luitenant. „Honderd twintig gulden.
-Wat moet de pahit daaruit lekker smaken!”
-
-„Vooral pahit prawan!”
-
-„Schenk dan nog eens in!”
-
-Het laatste stuk der vendutie, eene gajoeng, eene eenvoudige gesteelde
-klapperdop, om zich water in de badkamer mede over het lichaam te
-storten, bracht vijf en twintig gulden op.
-
-De vrienden hadden eer van hun werk. Toen dan ook een half uur later,
-de venduschrijver het totaal van de opbrengst mededeelde, liep de
-controleurswoning gevaar in te storten door het gejuich, dat onder haar
-dak opging.
-
-„Negen duizend, zeven honderd veertig gulden!” riep Verstork verbaasd;
-toen hij daarvan mededeeling kreeg.
-
-„Het rommeltje was geen twee duizend waard! Vrienden, mijn dank!”
-
-En met warmte drukte hij Van Nerekool, Grashuis, Van Beneden en Grenits
-de hand.
-
-„Gij hebt mij voor bange zorgen bewaard!” fluisterde hij hun in het
-oor.
-
-Acht dagen later stond onze controleur opgeruimd en onbekommerd aan
-boord van de Tambora, de boot, die hem naar zijne nieuwe standplaats
-moest overbrengen. Bemoedigd en vertrouwvol nam hij afscheid van de
-getrouwen, die hem tot aan boord uitgeleide gedaan hadden.
-
-„Nogmaals dank! innigen dank!” voegde hij hun toe.
-
-Het vendu-accept had hij door bemiddeling van Grenits zoo voordeelig
-mogelijk verzilverd, en toen hij te Batavia aankwam, droeg hij een zeer
-groot gedeelte van die som aan zijne moeder af, met aanbeveling niet
-roekeloos met dat geld om te springen, daar het wel eens zou kunnen
-gebeuren, dat hij ten gevolge zijner overplaatsing het bedrag zijner
-maandelijksche toelage zou moeten verminderen.
-
-Toen de Tambora de kim nabij was, wuifden nog ettelijke zakdoeken hem
-van uit een „tambangan” (sloep) op de reede van Santjoemeh na.
-
-„Brave, edele kerels!” prevelde hij over de verschansing gebogen, en
-wischte zich een traan uit het oog.
-
-
-
-
-
-
-
-XXIII.
-
-EENE VERHINDERDE LANDRAADZITTING.
-
-
-Voor de pandoppo van de regentswoning, uitkomende op de aloon-aloon
-[154] te Santjoemeh, waarin de leden van den landraad op de hoofdplaats
-van het gewest de vierschaar spanden, hield op zekeren dag, niet lang
-na al het gebeurde, wat in de vorige hoofdstukken medegedeeld werd, een
-rijtuig stil, en stapte een man er uit, die op het gezicht van de vrij
-talrijke menigte, welke zich voor de trappen van het luchtige gebouw
-bewoog, eenigszins verwonderd opkeek, maar niettemin kalm en deftig het
-perron opsteeg, hetwelk toegang tot de binnenruimte verleende.
-
-Die man was Mr. Zuidhoorn, voorzitter van den landraad, die gekomen
-was, om op den gestelden dag de terechtzitting te openen. De menigte,
-welke zich voor de pandoppo verzameld had, waren meerendeels Javanen.
-Dat was een zeer opmerkelijk feit, hetwelk de aandacht van den
-rechterlijken ambtenaar moest trekken; want de Javaan, vroeger zoo
-gewoon de terechtzittingen zijner Boepati’s [155] onder de Wariengien’s
-der aloon-aloon bij te wonen, betoont zich thans zeer schuw om de
-Nederlandsche gerechtszalen te betreden. In den regel verschijnt hij
-daar niet dan geboeid of door een paar politiedienaren geëscorteerd,
-dus als beschuldigde, misdadiger of getuige.
-
-Onder de verzamelde menigte bevonden zich ook ettelijke Chineezen, en
-allen wachtten in spanning de dingen, die komen zouden.
-
-„Wat beteekent die oploop, mijnheer Thomasz?” vroeg de heer Zuidhoorn
-bij het binnenkomen aan den substituut-griffier, die hij in de pandoppo
-ontmoette.
-
-Deze, een Inlandsch kind, [156] keek bij die vraag eenigszins vreemd
-op.
-
-„Gij ziet mij verrast aan,” ging Mr. Zuidhoorn voort. „Wat kan die
-menigte hier te zamen brengen?”
-
-„Die menschen zijn benieuwd, hoe het zal afloopen,” antwoordde de
-substituut niet zonder aarzeling.
-
-„Wat afloopen?”
-
-„Wel, de terechtzitting, mijnheer.”
-
-„De terechtzitting?... Biedt die dan heden zoo iets bizonders aan?”
-
-De substituut was blijkbaar niet op zijn gemak.
-
-„Mijnheer schijnt niets te weten van hetgeen er omgaat,” zei hij met
-haperende stem.
-
-„Wat er omgaat?... Wat gaat er dan om?”
-
-De angstvalligheid van den heer Thomasz nam zichtbaar toe. Een vaal
-waas verspreidde zich over zijn overigens toch al niet blank gelaat.
-
-„Maar, spreek dan toch!” zei Mr. Zuidhoorn met klem.
-
-„De Inlandsche leden.... van den landraad... hebben een brief van den
-resident ontvangen,” kwam er hakkelend uit.
-
-„Een brief?... De Inlandsche leden?... Maar, wat behelst die brief?
-Spreek dan toch!”
-
-„Die brief behelst het verbod, om met u zitting te nemen in den
-landraad.”
-
-„Verbod, om met mij zitting te nemen!... Scheelt het u in het hoofd,
-mijnheer Thomasz?”
-
-„Neen, waarlijk niet, mijnheer,” antwoordde de substituut met een
-pijnlijken glimlach. „Gij ondervraagt mij; ik antwoord u. Dat verbod is
-ook....”
-
-„Ga voort, wat ik u bidden mag. Dat verbod is ook?...”
-
-„Aan de Chineesche officieren adviseurs bij den landraad en aan den
-hoofddjaksa verstrekt; zoodat...”
-
-„Zoodat?”
-
-„Er geen zitting kan plaats hebben, daar gij alleen zult zijn.”
-
-„Hoe is het mogelijk?...” kreet de rechterlijke ambtenaar. „Weet ge
-wat, mijnheer Thomasz. Mijn rijtuig staat nog voor. Rijd daarmede
-dadelijk naar die Inlandsche leden, ook naar de Chineesche adviseurs en
-naar den hoofddjaksa, en zeg hun, dat ik gelast, dat zij komen moeten!
-Het is heden zittingsdag, en zitting zal er gehouden worden!”
-
-„Ik zal uwe bevelen volbrengen, mijnheer Zuidhoorn; want gij zijt mijn
-onmiddellijke chef,” antwoordde de substituut.
-
-„Goed! Haast u dan.”
-
-Toen de substituut vertrokken was, liep Mr. Zuidhoorn de leege pandoppo
-opgewonden op en neer.
-
-„Het is ongehoord!” riep hij, tot zichzelf sprekende uit. „Ik kon en
-mocht niet veronderstellen, dat men de zaken zoo ver zou drijven! Toch
-had ik zulks kunnen voorzien. Domoor, die ik ben! Toen ik weken geleden
-die opdracht van den resident ontving, om de volgorde van de aanhangige
-gedingen te veranderen, en waaraan ik weigerde te voldoen, kreeg ik wel
-inzicht, dat er iets bizonders aan de hand was; maar dat men tot zulken
-willekeur zou durven overgaan..... Zelfs toen ik acht dagen geleden de
-schriftelijke verklaring van den resident ontving, dat ik niet meer
-bevoegd was om den landraad voor te zitten, omdat mij een verlof naar
-Europa verleend was, kon ik niet denken, dat men tot zulke
-wetsverkrachting zou overslaan. Ook niet, toen de resident mij gisteren
-berichtte, dat hij van de hem bij artikel 92 van de Indische
-rechterlijke organisatie verleende bevoegdheid wenschte gebruik te
-maken, om de eerste landraadzitting te presideeren. Beide
-aanschrijvingen nam ik eenvoudig voor kennisgeving aan, en beantwoordde
-ze dus niet, in de meening, dat niemand zoo dwaas zou kunnen zijn, om
-op zoo ergerlijke wijze met de wettelijke bepalingen om te springen.
-Want, dwaas is het, een artikel van eene verouderde organisatie, die
-vastgesteld werd, toen er nog niet aan gedacht werd, om afzonderlijke
-rechterlijke ambtenaren tot voorzitters van landraden aan te stellen,
-te baat te willen nemen. Maar..... wat is er toch aan de hand?” vroeg
-hij zich af.
-
-En den bundel processtukken naslaande, dien de substituut-griffier op
-de groene tafel had neergelegd, las hij op de agenda de eerst
-voorkomende gedingen, en mompelde zijne opmerkingen daarachter:
-
-„’Mbok Bardjå, beschuldigd van clandestine vervoer van koffie!... Arm
-volk, dat gedwongen wordt om koffie te planten; maar zelf geen koffie
-mag drinken, en zich met het aftreksel van koffiebladeren moet tevreden
-stellen!”
-
-„Bariddin, beschuldigd van eene „toedoeng patjoelon” (ambtenaarspet) in
-het openbaar gedragen te hebben.... Bespottelijk, die ambtenaren van
-Binnenlandsch Bestuur! zoo iets is heiligschennis in hun oogen!”
-
-„Sarina, beschuldigd van een kind te vondeling te hebben gelegd....
-Beter dan het wicht in een gracht gesmeten te hebben, zooals in Europa
-bij dergelijke ongevallen gewoonlijk gebeurt.”
-
-„Pak Ardjan, be..schul..digd.. van.. opium.. smokkel.. en..
-ver..won..ding.. van.. een.. po..li..tie.. op..pas..ser..... Ik geloof,
-dat ik er ben! Daar gaat me een licht op... En die tweede zaak:
-
-„Ardjan.. be..schul..digd.. van.. opium.. smokkel..... Ardjan!.. de
-verloofde van baboe Dalima.”
-
-En de rechterlijke ambtenaar had die beide laatste zaken, voorkomende
-op zijn agenda, gelezen met een nadruk, alsof hij de lettergrepen wilde
-tellen, daarna bleef hij in gedachten verzonken, en bracht den
-wijsvinger aan het voorhoofd.
-
-„Dat ik dàt heb kunnen vergeten! En Van Nerekool, welke die zaak nog
-zoo met me besproken heeft! En.... overmorgen vertrek ik naar
-Nederland.... Maar, neen, de terechtzitting zal heden plaats hebben!
-Het koste wat het wil!... Wij zullen zien!”
-
-Ja, de rechterlijke ambtenaar zou zien; maar niet zoo als hij bedoelde.
-Hij zou zien, dat de zitting niet plaats zou hebben.
-
-Zoover met zijne alleenspraak gekomen, ging de deur open, en verschenen
-de regent van Santjoemeh en een der aanzienlijkste Javaansche hoofden
-van de residentie, met name Radhen Ngahebi Wirio Kesoemo, beiden leden
-van den landraad, en aan de beurt om zitting te nemen, alsook de
-hoofdpanghoeloe (hoofdpriester) met zijn onafscheidelijken Koran in de
-hand. Beide eersten bevestigden het bericht, door den substituut aan
-Mr. Zuidhoorn medegedeeld, namelijk: dat de resident hen verboden had,
-om de zitting bij te wonen. Zij waren evenwel opgekomen, nu de Kandjeng
-toean rakker hen opgeroepen had.
-
-„Maar, waarop grondt de resident dat verbod?” vroeg de rechterlijke
-ambtenaar.
-
-De regent trok de schouders op, en antwoordde voorzichtiglijk niet.
-Radhen Ngahebi evenwel zeide:
-
-„Ik bracht gisteren avond een bezoek op het residentiehuis en vernam
-toen van den Kandjeng toean, dat mijnheer, na verlof naar Nederland
-verkregen te hebben, het recht niet meer heeft, om den landraad voor te
-zitten, en dat daarom dat verbod was uitgevaardigd.”
-
-Mr. Zuidhoorn glimlachte verachtelijk, maar sprak tegenover de
-Inlandsche hoofden geen woord, dat aan het prestige van den
-vertegenwoordiger van het Nederlandsche gezag in de residentie te kort
-zou kunnen doen. Hij zou er ook de tijd niet toe gehad hebben; want na
-de Javaansche grooten traden de Chineesche adviseurs binnen, die almede
-met een grooten, maar omzichtigen omhaal van woorden den „toean lakkel”
-[157] betuigden, dat het hunne schuld niet was, dat zij zoo laat ter
-zitting verschenen.
-
-Eindelijk trad de hoofddjaksa binnen, die na zijn eerbiedigen groet aan
-den voorzitter en de leden van den landraad gebracht te hebben,
-mededeelde, dat hij heden ochtend bij den resident geroepen was
-geworden, en daar den mondelingen last ontvangen had, de zitting van
-den landraad niet bij te wonen.
-
-„Ik ben evenwel Inlandsch officier van justitie, en derhalve onder u,
-mijnheer Zuidhoorn, ressorteerende, kom ik uwe bevelen vragen,” zoo
-eindigde hij zijne betuiging, terwijl hij voor zijn chef diep boog.
-
-„Djaksa,” antwoordde de voorzitter, „in dezen heb ik u geene bevelen te
-geven. Gij bekleedt bij de rechterlijke macht zoo’n standpunt, dat gij
-zelf moet weten, wat gij te doen of te laten hebt. Ik voor mij ben
-stellig van plan zitting te nemen, en daar nu de raad voltallig is, wil
-ik de vergadering openen. Ik verzoek de heeren plaats te nemen.”
-
-Nauwelijks was dat geschied, en had Mr. Zuidhoorn den traditioneelen
-hamer reeds ter hand, gereed om de terechtzitting te openen, toen de
-achterdeur van de pandoppo openging, en de secretaris der residentie in
-de omlijsting daarvan verscheen. De man was in ambtsgewaad, terwijl,
-omgeven door een troep oppassers, waarvan een den dichtgeslagen
-residents-pajoeng achter hem verhief, ten teeken dat de verschijnende
-in naam van den titularis optrad. Zonder zich eenigen groet te
-verwaardigen, begon de secretaris:
-
-„Gij, Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo, en gij, Radhen Ngabehi
-Wirio Kesoemo, en gij, panghoeloe Mas Ali Ibrahim, en gij, Ong Ang Thay
-en Kwee Lie Liang, hebt als leden, als priester en als adviseurs bij
-den landraad te Santjoemeh gisteren een schriftelijk bevelschrift van
-den Kandjeng toean resident ontvangen, inhoudende pertinent verbod om
-deze raadszitting bij te wonen. Ik ben door den Kandjeng toean resident
-gezonden, om te vernemen, wat ulieden bewogen kan hebben, een zoo
-grooten misslag te plegen, als gelegen is in het wetens en willens niet
-opvolgen van de bevelen van hem, die de vertegenwoordiger is van den
-Kandjeng toean Gouverneur-Generaal, die op zijne beurt te Batavia de
-plaats bekleedt van den Kandjeng toean Radja dari Tanah Nederland dan
-Hindia? Spreek, ik ben gereed om te hooren, wat gij tot verschooning
-van zoo’n ongehoorzaam gedrag hebt in te brengen. Zijt overtuigd, dat
-de Kandjeng toean resident uwe redenen met rechtvaardigheid zal weten
-te wikken en te wegen.”
-
-Eene diepe stilte trad na die woorden in. Het was, zondert men Mr.
-Zuidhoorn uit, alsof de mannen, die daar bij elkander zaten, bang waren
-om adem te halen. Zij durfden elkander niet aan te kijken, en zouden
-wel in den grond hebben willen verdwijnen. Hoe waren zij er toch toe
-gekomen, om de bevelen van den Grooten Heer te weerstreven? Hunne
-ongehoorzaamheid was verregaand! Zou de Kandjeng toean wel te verzoenen
-zijn? Zoo waren de gedachten, die het brein doorkruisten van die
-onafhankelijken, die heetten recht te moeten spreken over hunne
-Inlandsche ondergeschikten.
-
-Mr. Zuidhoorn, die het Javaansche volkskarakter kende, die den deemoed
-der Javaansche grooten voor de Nederlandsche bestuurders had leeren
-peilen, en hen somwijlen in zijne gedachte met den hond vergeleken had,
-die niet zelden de hand likt, welke hem afrost, had medelijden met hen.
-Dat zij toch zoo’n ontzettende afhankelijkheid aan den dag legden, ook
-waar zij geroepen waren, om plichten uit te oefenen, die niet dan met
-volstrekte onafhankelijkheidszin uit te voeren waren, was minder hun te
-wijten, dan aan het volk, dat eeuwenlang die afhankelijkheid ter wille
-van zijn uitzuigingsstelsel stelselmatig gekweekt had. Na een poos
-rondgekeken en afgewacht te hebben, of een der hoofden zich wenschte te
-verantwoorden, sprak hij ernstig en plechtig, nadat de secretaris
-ongeduldig nog gevraagd had:
-
-„Radhen Mas Toemenggoeng en Radhen Ngabehi, ik wacht op het antwoord,
-dat ik den Kandjeng toean resident moet overbrengen.”
-
-„En wat ik u geven zal, heer secretaris,” antwoordde de Europeesche
-rechterlijke ambtenaar. „Ik, als voorzitter van den landraad te
-Santjoemeh, aan wien de leden, de priester, en de adviseurs in zaken,
-dien raad rakende, rechtstreeks ondergeschikt zijn, heb heden ochtend
-pertinente bevelen verstrekt, om ter terechtzitting te verschijnen. Die
-leden en adviseurs hebben dus niets misdreven, daar zij stipt de
-bevelen van hunnen onmiddellijken chef hebben opgevolgd. De geheele
-verantwoordelijkheid komt op mij neer. Wil zoo goed zijn, heer
-secretaris, deze mijne woorden aan den resident mede te deelen, en
-verder door uwe tegenwoordigheid de opening der terechtzitting niet te
-vertragen.”
-
-„Mijnheer Zuidhoorn, na uw verkregen verlof, hebt gij geen recht meer
-om den landraad voor te zitten, en moet ik protest aanteekenen tegen
-hetgeen hier gebeurt, en het voorzitterschap opeischen voor den
-resident, die het zelf en heden nog wenscht uit te oefenen.”
-
-„Ik wensch, heer secretaris,” antwoordde Mr. Zuidhoorn, „in geen debat
-met u te treden over mijne rechten. Gij kunt aan den resident
-antwoorden, dat ik mijn voorzitterszetel niet afsta. Ik wensch mijn
-plicht tot het laatst nauwgezet te vervullen. Nogmaals moet ik u
-verzoeken den raad van uwe tegenwoordigheid te ontslaan, opdat hij
-zijne werkzaamheden kunne beginnen.”
-
-„Mijnheer Zuidhoorn, weet wel wat ge doet!” klonk het dreigend uit des
-secretaris mond.
-
-„De geheele verantwoordelijkheid komt op mij neer, heer secretaris.
-Deurwaarder, zorg dat de zitting ongestoord kan geopend worden!” [158]
-
-
-
-De resident Van Gulpendam vloog schuimbekkend op, toen hij die
-boodschap kreeg. In de hevigste gramschap liep hij de ruime voorgalerij
-van het residentiehuis op en neer, waarbij hem de secretaris als een
-hondje volgde, maar hem door zijne zwaarlijvigheid niet bij kon houden.
-
-„O, die hoon!” kreet de vertoornde machthebbende in volle woede. „Die
-hoon! Ik zal hem wreken! Maar—wat te doen?... Intusschen gaat de raad
-zijn gang, en volgt waarschijnlijk vrijspraak!... Die lui van de
-rechterlijke macht zijn tot alles in staat! Maar, daar valt mij iets
-in.... een kompagnie soldaten.... Ik zal ze met de bajonet als een
-troep meeuwen uit elkander laten jagen!”
-
-Hij stormde naar zijn kantoor,—weinig indachtig, dat dergelijke
-Buonepartsche maatregelen niet erg met het Nederlandsche volkskarakter
-strooken,—om den militairen kommandant per briefje te verzoeken bij hem
-te komen. Toen hij dat kattebelletje klaar had, riep hij met zoo’n
-stentorstem: „Oppass! Oppass!” dat al de oppassers en het geheele
-dienstpersoneel van het erf aangevlogen kwamen, in de meening, dat er
-onraad was. Zelfs de pradjoerits, die op schildwacht stonden, velden
-heldhaftig hunne geweren tegen een denkbeeldigen vijand, en wachtten in
-die krijgshaftige houding de dingen af, die komen zouden. Ook de
-schoone Laurentia, die in de pandoppo met haar kokkie de geheimzinnige
-bestanddeelen en manipulatiën eener kippen-frikadel te detailleeren
-zat, was opgevlogen, en stormde, terwijl zij met bevende hand hare
-onbescheiden kabaja trachtte in bedwang te houden, de voorgalerij in,
-met den uitroep:
-
-„Wat is er? Wat is er?”
-
-Maar, voor dat de resident kon antwoorden, en voor hij zijn briefje had
-kunnen afgeven, beklom de substituut-griffier bij den landraad de
-treden der galerij. Op dat gezicht vloog Van Gulpendam, wel kunnende
-bevroeden dat daar tijding kwam, en zijn ongeduld niet kunnende
-bedwingen, den aankomende te gemoet en vroeg onstuimig:
-
-„Wat is er, mijnheer Thomasz?”
-
-„Resident, ik kom u mededeelen, dat de landraad uit elkander gegaan is,
-en zijne zitting tot heden over acht dagen uitgesteld heeft.”
-
-„Wat?... uit elkander gegaan?... Na het gebeurde met den secretaris?...
-Hebben de leden geweigerd zitting te nemen?... O, die trouwe hoofden!”
-
-„Neen, resident, met uw verlof. De hoofden hebben niet geweigerd
-zitting te nemen.”
-
-„Niet?... Wat is er dan gebeurd?”
-
-„Toen Mr. Zuidhoorn de vergadering wilde openen en reeds de woorden
-sprak: „Deurwaarder, zorg dat de zitting kan geopend worden,” bleek
-het, dat de deurwaarder verdwenen was.”
-
-„De deurwaarder verdwenen?”
-
-„Ja, resident. Die had zich uit de voeten gemaakt.”
-
-Het gelaat van Van Gulpendam glom van genoegen.
-
-„Maar, dat belette toch niet, dat de zitting doorging?” vroeg hij.
-
-„Ik had dien deurwaarder bij het heengaan opgedragen,” kwam hier de
-secretaris tusschenbeide, „een stuk te schrijven, om den heer Zuidhoorn
-en de leden van den landraad te sommeeren, het lokaal te ruimen.”
-
-„Een krasse maatregel, secretaris,” meende Van Gulpendam.
-
-„Keurt u hem af, resident?”
-
-„Ik!... Integendeel, maar wat gebeurde er verder?”
-
-„De arme drommel kon van verbouwereerdheid niet schrijven,” ging de
-secretaris voort, „zoodat ik van dikteeren moest afzien; maar hem
-opdroeg de sommatie mondeling te beteekenen.”
-
-„En toen?” vroeg de resident.
-
-„Toen ben ik heengegaan, resident, om u kennis te geven.”
-
-„Maar dan zal de heer Thomasz ons kunnen vertellen, wat er verder
-gebeurde?”
-
-„Toen de deurwaarder weer binnen kwam,” hernam de substituut-griffier,
-„stamelde hij eenige onverstaanbare woorden, die door niemand begrepen
-werden, en waarvan Mr. Zuidhoorn geen notitie meende te moeten nemen.
-Hij liet den hamer neervallen, om de zitting te openen, en verzocht den
-hoofddjaksa, de akte van beschuldiging van de eerste zaak in te
-brengen....”
-
-„Welke was die zaak, mijnheer Thomasz?” vroeg Van Gulpendam
-nieuwsgierig.
-
-„Een clandestien koffievervoer, resident, gepleegd door eene oude
-vrouw.”
-
-„En verder?”
-
-„Ja, Mr. Zuidhoorn had goed rondkijken, en dat deed hij ook met groote
-oogen; want de hoofddjaksa, die een oogenblik te voren naast en op
-eenigen afstand van den voorzitter gezeten was, was nu op zijne beurt
-verdwenen.”~
-
-„Verdwenen?”
-
-De heer Van Gulpendam schaterde het uit.
-
-„Ik kan mij het gezicht van Mr. Zuidhoorn verbeelden,” zei hij.
-„Mijnheer Thomasz, gij zijt een onbetaalbaar verteller op den bak! Maar
-verder? Laat vieren je loglijn!”
-
-„De djaksa werd overal gezocht, maar nergens gevonden. Een der
-hulpdjaksa’s werd toen geroepen. Maar, hoewel die een oogenblik te
-voren allen in de pandoppo aanwezig waren, kostte het moeite om er een
-te ontmoeten.”
-
-„Dus werd er toch een gepraaid?”
-
-„Ja, resident.”
-
-„Hoe jammer!”
-
-Die uitroep ontsnapte den hoofdambtenaar zijns ondanks.
-
-„Er werd niets bij verbeurd,” antwoordde de substituut-griffier leuk.
-
-„Hoe dat zoo? Vertel op.”
-
-„Wel, toen Mr. Zuidhoorn den adjunct-djaksa beduidde, dat hij de plaats
-moest vervullen van den afwezigen hoofddjaksa, kreeg de ongelukkige
-gepreste zoo’n aanval van buikpijn...”
-
-„Een aanval van buikpijn?” kreet de resident opgewonden. „Kostelijk!
-Kostelijk! En moest zeker naar het galjoen?”
-
-„Zoo’n aanval van buikpijn, dat hij de zonderlingste gezichten trok en
-zich in allerlei bochten wrong.”
-
-„Onbetaalbaar! Ha, ha, ha!”
-
-„En eindelijk, met beide handen voor den buik en de gestalte in tweeën
-gebogen, op een drafje wegliep.”
-
-„Met beide handen voor den buik!... Ha, ha, ha! Onbetaalbaar!”
-
-„Ja, resident, en er waren leden van den raad, die zich den neus
-toeknepen. Zij meenden, dat de gevolgen van die plotseling ingetreden
-buikpijn reeds hunne reukorganen bereikten.”
-
-„Stop!... mijnheer Thomasz!... ha, ha, ha!... Ankeren!... Gij doet mij
-in katzjammer vallen van het lachen.”
-
-De substituut keek als droog komiek ernstig rondom zich. In zijne
-ambtelijke loopbaan had hij nimmer zoo’n succes behaald. Hij meende
-aangemoedigd te worden en dus te moeten voortgaan.
-
-„Ja, maar, resident, dat was het koddigste niet.”
-
-„Niet? Nu loop dan van stapel.”
-
-„Neen, resident. Het koddigste was het gezicht van den heer Zuidhoorn.
-Dat hadt ge moeten zien. Met open mond, met gefronste wenkbrauwen en
-met starren blik keek hij over zijn bril, dien hij heel laag op den
-neus had hangen, den vluchtenden djaksa na, terwijl hij in zijne toga
-er uitzag als een familie-parapluie in een te ruim foudraal, en hem
-zijne barret in den nek stond.”
-
-„Onbetaalbaar! Onbetaalbaar!” grinnikte Van Gulpendam. „Gij zijt een
-kostelijk verteller, mijnheer Thomasz.”
-
-De substituut-griffier boog nederig bij dat compliment.
-
-„En wat gebeurde verder?” vroeg de hoofdambtenaar.
-
-„Wel, resident, er was geen officier van justitie, er was geen
-deurwaarder. De zitting kon geen voortgang hebben. De leden van den
-raad keken glimlachend op hunne horlogiën, wat eene duidelijke
-vingerwijzing was, dat zij er genoeg van hadden, om daar tot niets te
-zitten. Mr. Zuidhoorn bleef niets anders over, dan zijn gezagshamer te
-laten vallen, en de zitting tot de volgende week te verdagen. Toen heb
-ik mij hierheen gespoed, om u bericht te brengen.”
-
-„Ik dank u, mijnheer Thomasz,” sprak de resident. „Ik zal mij ten
-goeden tijd uwe toewijding herinneren.”
-
-En toen de substituut-griffier vertrokken was, vervolgde hij tot den
-secretaris, die het geheele gesprek met over elkander geslagen armen
-aangehoord had:
-
-„Het doel is dus bereikt!... Nu op getij werken! Zult gij zorgen, dat
-alle stukken bij tijds gereed zijn. Ik zal aanstaande week den landraad
-presideeren.”
-
-„Alles zal in orde zijn, resident. Maar mag ik mij eene opmerking
-veroorlooven?”
-
-„Laat vieren je schoot, secretaris.”
-
-„Mij komt die zaak een gevaarlijk spel voor.”
-
-„Hoe dat zoo? Meent ge, dat ik bang ben, mij de handen in koud water te
-branden?”
-
-„Ik meen, resident, dat het een gelukkig toeval is, dat de heer
-Zuidhoorn uwe bevelen weerstreefd en zoo de zitting van heden
-onmogelijk gemaakt heeft...”
-
-„Verder; loop van stapel.”
-
-„Wanneer hij toegegeven had, dan zoudt gij heden den raad voorgezeten
-hebben, niet waar?”
-
-„Ja, zeker, en dan waren die zaken reeds in het gewenschte kielwater.”
-
-De secretaris krabde zich achter het oor.
-
-„Resident, zijt gij van mijnheer Meidema wel zeker?”
-
-„Van Meidema?... „Wat heeft die met de zaak te maken?”
-
-„De aanhaling van tjandoe te Moeara Tjatjing gedaan, is vrij
-aanzienlijk. Ik meen, dat hij eenigermate rekent op de emolumenten,
-voortspruitende uit de verbeurdverklaring, die noodwendig op het
-rechterlijke vonnis van den landraad volgen moet.” [159]
-
-„Heeft hij u dat gezegd, of zich in dien zin uitgelaten?”
-
-„Dat juist niet, resident. Maar de heer Meidema heeft een groot gezin,
-en het is te Santjoemeh niet onbekend, dat hij moeite heeft om rond te
-komen. Het zou mij zelfs niet verwonderen, dat hij schulden had. Zoodat
-zoo’n buit zeer goed te stade zoude komen.”
-
-„Maar op dien buit kan hij geen aanspraak maken. De bepalingen
-verzetten zich daartegen.” [160]
-
-„Accoord, resident. Aan uw scherpziend oog ontsnapt niets. Maar, il y a
-des accommodements avec le ciel, en bijgevolg ook....”
-
-„Maar welke?” vroeg Van Gulpendam met eenige drift.
-
-„Ziet ge, resident, dat weet ik niet. Maar, mij dunkt, dat, wanneer zoo
-iets gezocht werd;.... bij voorbeeld, in deze zaak is baboe Dalima de
-eigenlijke aanbrengster. Als die nu, om haren Ardjan te redden, haar
-aandeel, van welks waarde zij geen begrip heeft, aan een derden
-afstond....”
-
-De resident dacht een oogenblik na, daarna hernam hij met een glimlach:
-
-„Welnu, dat verklaart mij nog niet, waarom ik omtrent den heer Meidema
-niet zeker zoude zijn. Volgens mij toch, zou dat aandeel in de verbeurd
-verklaarde tjandoe hem lenig als zeilgaren moeten maken.”
-
-„Het kan zijn, resident, dat gij met uw verlicht oordeel gelijk hebt;
-maar verlies artikel 23 van het opiumreglement niet uit het oog. Ik zou
-er op durven zweren, dat Meidema zich dienovereenkomstig gedraagt; want
-in het proces-verbaal van aanhaling, door hem als hoofd der
-plaatselijke politie afgegeven, is wel is waar gerelateerd, dat de in
-beslag genomen tjandoe niet ver van den Javaan Ardjan ontdekt is; maar
-dat de beschuldigde aan den wal gekomen is in eene kleine prahoe sajab,
-die onmogelijk dergelijke hoeveelheid kon bevatten, en daarenboven door
-de golven stuk geslagen werd; terwijl de verpakking van de aangehaalde
-tjandoe geen spoor aanduidt, van met vocht in aanraking geweest te
-zijn.”
-
-„Staat dit in dat proces-verbaal?”
-
-„Ja, resident. Er staat nog meer in. Er wordt in vermeld, dat de
-schoenerbrik Kiem Ping Hin in den bewusten nacht op de kust gezien is,
-en dat vermeend wordt, dat de barkas van de Matamata jacht op de sloep
-van het smokkelvaartuig gemaakt heeft.”
-
-„Hebt gij dat proces-verbaal gelezen?” vroeg Van Gulpendam thans hoogst
-ernstig.
-
-„Ja, resident.”
-
-„Het zou kunnen, dat ge in het zog waart,” mompelde de hoofdambtenaar
-meer dan hij sprak. „Heer secretaris, wees zoo vriendelijk, mij dat
-proces-verbaal van den heer Meidema, zoodra het op het
-residentie-bureau zal zijn ontvangen, toe te zenden, en verder een der
-oppassers op te dragen dien heer namens mij te verzoeken, onmiddellijk
-bij mij te komen. Denk vervolgens aan de opdracht van den directeur van
-Financiën met betrekking tot die gerezen kwestie met den
-Zouthoofddepot-pakhuismeester te Soemenap.”
-
-Dat was een „gij kunt gaan” in optima forma.
-
-Toen Van Gulpendam alleen was, sloeg hij den bundel Staatsbladen van
-1874 op.
-
-„Artikel 23, zei de secretaris,” mompelde hij. „Laat zien..... Oho!...
-Boete van duizend tot tienduizend gulden gesteld op de
-overtredingen.... En... als ik bedenk, hoezeer Meidema op den avond van
-het gebeurde, de waarde van den aangehaalden tjandoe uitmeette, dan....
-ja, dan ben ik verplicht, om toe te geven, dat de secretaris in het
-ware kielwater is....”
-
-Hij sprong van zijn stoel op, en liep met driftige schreden de
-voorgalerij op en neder.
-
-„O,” riep hij knarstandende uit: „Al die soesah (moeite) wordt mij
-berokkend door dien Van Nerekool!.... O! als Anna toch gewild had!”
-
-
-
-
-
-
-
-XXIV.
-
-OUDERS EN DOCHTER.—GEZAG TEGENOVER PLICHT.
-
-
-Neen, Anna had niet gewild.
-
-Toen de beide ouders poogden hunne dochter, die hun zoo weinig geleek,
-tot hunne samenzwering over te halen, en haren invloed op Van Nerekool
-uit te oefenen, antwoordde zij even beslist: „nooit!” als Karel dat op
-den bewusten partijavond in den residentstuin aan mevrouw Van Gulpendam
-gegeven had.
-
-„Neen, nooit!” zei het fiere meisje met allen nadruk.
-
-„Bedenk,” sprak hare moeder, „dat zijn carrière van zijne houding in
-deze zaak afhangt.”
-
-„Nimmer zal Karel door het plegen van eene laagheid zijn carrière
-trachten te bevorderen.”
-
-„Anna!” riep de resident woedend uit. „Ik raad je die taal te matigen.”
-
-„Wees toch bedaard, Gulpie,” suste hem Laurentia. „Drift leidt tot
-niets.”
-
-En zich tot het jonge meisje wendende, vervolgde zij:
-
-„Bedenk, dat uwe vereeniging met Van Nerekool afhangt van zijne
-gedragslijn...”
-
-„Mijne vereeniging!...” kreet Anna.
-
-„Eene vrouw, die liefheeft, kan machtig veel invloed uitoefenen op den
-man, dien zij geboeid heeft.”
-
-„Gij zoudt willen, moeder, dat ik hem overhaalde, om een schanddaad te
-plegen?”
-
-„Anna! pas op je woorden!” brulde Van Gulpendam.
-
-„Ik zou de kloof, die ons van elkander scheidt, nog wijder maken? Neen,
-neen! Nu mijn geluk geheel verwoest is, heb ik slechts één wensch,
-namelijk: dat mijn beeld zuiver en rein in zijn aandenken voortleve. De
-zijne kan ik niet worden, dat gevoel ik. Dat de gedachte aan mij ten
-minste vlekkeloos zij als de herinnering aan een schoonen droom!”
-
-„Maar, Anna,” vroeg Laurentia met hare meest innemende stembuiging,
-„waarom zou uw geluk verwoest zijn? Is dat niet moedwillig in eigen
-boezem wroeten?”
-
-„Och, bespaar mij het bitter lijden van de wreede woorden, die ik u en
-mijn vader zou moeten doen hooren. Neen, mijn geluk is verwoest; aan
-eene vereeniging met Van Nerekool valt niet meer te denken...”
-
-„Als gij maar wildet.”
-
-„Maar, moeder, ik wil niet. Veronderstel, dat Karel aan mijne
-verlokkingen toegaf, dat hij uwe inzichten volgde, dan zou ieder teeder
-gevoel bij mij uitgedoofd zijn; want ik zou den man verachten, die zijn
-plicht ten offer bracht aan zijne liefde, die eene misdaad zoude
-plegen, om het meisje machtig te worden, dat hij bemint.”
-
-„Anna! Ga zoo niet voort!” dreigde andermaal haar vader.
-
-„Ik moet toch zeggen, wat ik gevoel, vader. Ik moet spreken! ik moet
-uitstorten, wat mij bezwaart, benauwt. Zooals ik wensch, dat de
-herinnering aan mij rein en vlekkeloos bij hem achterblijve, zoo moet
-ook hij verlangen dat zijn beeld als dat van een groot, edelmoedig,
-deugdzaam en strikt rechtvaardig man in mijn hart bewaard blijve. Zou
-ik het vreugdelooze leven, dat mij beschoren is, te gemoet moeten
-treden met een gevoel van verachting voor hem, dien ik boven alle
-stervelingen verheven achtte, dan zou mijn ongeluk te groot zijn. Neen,
-ik wil Karels beeld ongeschonden in mijn hart bewaren!”
-
-Mevrouw Van Gulpendam zuchtte, terwijl haar echtgenoot van toorn
-trilde.
-
-„Laten wij het kort maken,” sprak hij na een poos met besliste stem.
-„Ge weigert dus, Anna, tot de inzichten uwer moeder toe te treden?”
-
-„Ja, pa!” was het antwoord, op even beslisten toon gegeven.
-
-„Gij bederft zijne carrière.”
-
-„Beter zijne carrière bedorven dan zijn karakter.”
-
-„Gij maakt een huwelijk tusschen u beiden onmogelijk.”
-
-„Die onmogelijkheid is mij niet te wijten; zij werd door mijne ouders
-daargesteld.”
-
-„Maar waarmede?” kreet Laurentia.
-
-„Hij kan en mag de dochter niet trouwen van ouders, die hem zulke
-voorstellen deden!”
-
-„Anna!” brulde haar vader, „dat gaat te ver! Daar moet een eind aan
-komen! Een kind, dat zich zóó tegenover zijne ouders uitlaat, is die
-ouders onwaard. Ik had besloten, om aan die dwaze liefdeshistorie, die
-u compromitteert, een einde te maken, dat gij eenigen tijd te Karang
-Anjer zoudt gaan logeeren, en dat gij aanstaande week zoudt vertrekken.
-Ik wijzig uw vertrek thans in zooverre, dat het reeds op morgen bepaald
-wordt.”
-
-„Op morgen?” viel mevrouw Van Gulpendam in. „Zal de familie Steenvlak
-met die wijziging ingenomen zijn?”
-
-„De assistent-resident Steenvlak,” antwoordde de vader, „is naar
-Batavia. Zijne echtgenoote en dochters zijn te Karang Anjer
-achtergebleven. Daar de afwezigheid van den heer des huizes nog al
-aanhouden kan, zullen de achtergeblevenen niet rouwig zijn, in een logé
-eenige afleiding te vinden. In allen gevalle zal Anna er welkom zijn.
-Ik ga naar mijn kantoor, en zal de familie Steenvlak onmiddellijk
-telegrafeeren. Morgen ochtend vertrekt zij naar Poerworedjo. Daar zal
-zij door een mijner kennissen afgehaald worden, die haar met zijn
-postrijtuig over Koetoe Ardjo en Keboemen naar Karang Anjer zal
-brengen.”
-
-Laurentia zuchtte.
-
-„Er blijft ons dan weinig tijd over, om haar goed in orde te brengen,”
-zei zij, en toonde daardoor duidelijk aan, dat zij nog meer tegen de
-„soesah” (moeite) dan tegen de verwijdering harer dochter opzag.
-
-„O, moeder,” zei Anna bedaard, „laat de zorg voor mijn goed maar aan
-mij over. Morgen ochtend zal ik op het bestemde uur klaar staan.”
-
-„Blijft zij lang bij de Steenvlaks logeeren?” vroeg Laurentia.
-
-„Dat zal van haar afhangen. Ik wil haar niet terugzien; tenzij zij als
-onderdanige dochter wederkeert, en bewijzen levert van andere gevoelens
-omtrent hare ouders te koesteren, dan zij aan den dag gelegd heeft.”
-
-Bij die woorden keek Van Gulpendam zijne dochter aan, wellicht in de
-hoop op haar gelaat een zweem van aandoening te bespeuren. Maar het
-gelaat van Anna, dat wel bleek zag, liet niets bespeuren van wat in
-haar binnenste omging. Noch neerslachtigheid, noch overmoed was op die
-zachte trekken te lezen. Niets dan ernst, hooge ernst.
-
-„Alles is dus begrepen!” sprak de resident, terwijl hij opstond om naar
-zijn kantoor te gaan.
-
-„Vader,” sprak Anna, „ja, ik heb alles begrepen. Ik ga morgen dit huis
-verlaten, om daarin nimmer een voet meer te zetten. Wanneer gij die
-scheiding niet uitgesproken hadt, dan zou ik er om verzocht hebben.”
-
-„Zoo, waait de mousson uit dien hoek? En wat zijn de plannen van mijne
-trotsche dochter? Zij zal toch wel begrijpen, dat zij niet altijd ten
-laste van de kombuis van de familie Steenvlak kan blijven?” vroeg de
-resident, terwijl hij in eene uitdagende houding voor zijne dochter
-staan bleef.
-
-„Wat mijne plannen zijn, vader? Vergun mij die voor mij te houden. Ik
-neem voorshands de gastvrijheid der familie Steenvlak aan. Gij weet,
-hoe innige vriendschap mij met de meisjes verbindt, welke innige
-aanhankelijkheid en achting ik voor hare moeder koester. Wat ik later
-doen zal; och, dat is nog zoo onbestemd. Al wilde ik het u mededeelen,
-zou ik het nog niet kunnen. Vrees evenwel niet, wat er ook gebeure;
-nimmer zal ik u lastig vallen.”
-
-„En denkt mijne dochter zoo maar de wereld in te kunnen treden zonder
-één cent geld? Welke voorstellingen maakt zij zich toch van die
-wereld?”
-
-„Vergeef mij; maar daarbij zal ik eene zeer teedere snaar moeten
-aanroeren. Gij hebt mij eene opvoeding deelachtig doen zijn, die mij
-nagenoeg onbekwaam maakt, om in mijn onderhoud te kunnen voorzien. Ik
-zou muzieklessen kunnen geven, maar dat kan ik in Indië niet, zonder uw
-naam in opspraak te brengen. Naar Nederland gaan en daar straat in
-straat uit loopen om les te geven? Waarlijk de gedachte alleen doet mij
-terugdeinzen. En toch... maar dat is van latere zorgen...”
-
-„Van latere zorgen,” grinnikte Van Gulpendam. „Ik meen, dat bij zulke
-plannen geld verdienen hoofdzaak is.”
-
-„Welnu, dan ter zake,” hernam Anna met een zucht, maar vastberaden. „Ik
-sprak er nooit over, en zou er ook nooit over gesproken hebben. Nu
-evenwel de nood dringt, ben ik tot spreken gedwongen. Het is twee jaren
-geleden, nietwaar, dat grootmama Van Gulpendam te Gouda overleden is?
-Met dezelfde mail, waarmede het doodbericht aankwam, kreeg ik een
-briefje van de overledene, dat mij door haren notaris toegezonden werd.
-In dat briefje, waarbij de goede oude vrouw afscheid van mij nam, en
-haar leedwezen betuigde, dat zij mij nimmer had mogen aanschouwen,
-deelde zij mij mede, dat zij mij per testament 40.000 gulden vermaakt
-had, en dat ik bij het intreden van mijn 20ste jaar mijn recht op die
-som kon doen gelden. Alleen verzocht zij mij daarover nimmer met u te
-spreken, om u niet van het genoegen te berooven, mij daarmede te kunnen
-verrassen. Het briefje van den notaris bevestigde die tijding, en
-deelde mij mede, dat die som tegen 3½ % belegd was in staatspapieren,
-die op uitdrukkelijk verlangen van de overledene niet te gelde mochten
-gemaakt worden. Welnu, van de rente van dat geld, dat gij mij wel niet
-weigeren zult, zal ik zeer goed in mijn onderhoud kunnen voorzien.
-Aanstaande jaar ben ik twintig jaren oud, dan zal ik over het kapitaal
-kunnen beschikken. En die dan leeft, die dan zorgt.”
-
-Dat alles werd met zooveel kalmte, met zooveel eenvoud uit elkander
-gezet, dat de beide ouders, het ernstige karakter van hun kind
-kennende, begrepen, dat zij hier met een vooraf overwogen en
-vastgenomen besluit te doen hadden. De wetenschap omtrent die erfenis,
-welke Anna aan den dag legde, had hen eenigermate verrast. Zij hadden
-toch steeds daarover gezwegen. Maar hunne dochter bleek thans zoo goed
-ingelicht, dat ontkennen of ook maar weerstreven onmogelijk was. Een
-beter gevoel begon zich van de moeder meester te maken. Een traan
-glinsterde in haar oog.
-
-„Anna,” sprak zij, „gij gaat zoo eene vreeselijke toekomst te gemoet.”
-
-„Moeder, een vreeselijker lot, als mij hier getroffen heeft, kan mij
-bezwaarlijk nog te beurt vallen. Ik heb in een oogenblik alles, wat mij
-dierbaar op aarde was, verloren. Welke ramp zou mij nog kunnen treffen?
-Ik tart het noodlot wreeder te zijn in de toekomst, als het tegenover
-mij geweest is.”
-
-Van Gulpendam stond op. Hij bracht de hand aan zijn hals. Hij voelde
-iets rauws in zijne keel. Het was de aandoening, die hem dreigde
-meester te worden. Heerschzuchtig als hij was, verdrong hij evenwel dat
-betere gevoel. De gedachte, dat zijn kind beter was dan hij, was hem
-ondragelijk.
-
-„Kom, kom, allemaal romanphrasen,” zei hij, „die met het gezond
-verstand in strijd zijn. Wij hebben elkander alles gezegd, wat wij te
-zeggen hadden. Ik blijf bij mijn besluit: gij vertrekt morgen naar
-Karang Anjer.”
-
-„Ik meen niet, vader, dat ik gepoogd heb, u van dat besluit af te
-brengen,” sprak het meisje met een diep besef van eigenwaarde.
-
-„Welnu, dan is dat een uitgemaakte zaak! Dat hoofdje zal wel te temmen
-wezen,” was zijn laatste woord bij het heengaan.
-
-
-
-Den volgenden ochtend, de dag was nog niet geheel aangebroken, stond
-een tentwagen voor het perron van het residentiehuis te wachten. Het
-was een van die lichte voertuigen, met vier paarden bespannen, waarmede
-de Europeanen in Java’s binnenlanden, in die streken, welke nog
-misdeeld zijn van spoorwegen, gewoon zijn soms verre afstanden langs
-moeilijke wegen en over hooge bergen af te leggen. Een kleine koffer
-werd op de buitenzitplaats achter het rijtuig met touwen gebonden. Dat
-valiesje kon niet veel bevatten. Anna had niets dan het hoogst
-noodzakelijke uit haars vaders huis willen meênemen, en daartoe had
-haar alleen nog maar de redeneering kunnen overhalen, dat dit weinige
-beschouwd kon worden als de renten te vertegenwoordigen, welke de som,
-haar door hare grootmoeder nagelaten, gedurende de twee laatste jaren
-afgeworpen had. Geen juweelen, geen sieraden van edel metaal, geene
-fluweelen of zijden japonnen, geen kostbaar kantwerk bevatte dat
-koffertje. Dat alles werd in het residentiehuis achtergelaten. Slechts
-het onontbeerlijk linnengoed, slechts een tarlatanen kleedje, ziedaar
-wat er in aangetroffen zou worden, wanneer iemand den blik er in
-geslagen had.
-
-Nauwelijks was het koffertje vastgebonden, of Anna verscheen in de
-voorgalerij. Zij was in een zwarte japon van den grootsten eenvoud
-gekleed, had een donker gekleurd hoedje op het hoofd, en overigens
-niets in het oog loopend aan het lichaam dan het witte kraagje om den
-hals, en de manchetten om de polsen. Maar zelfs die witte strooken
-zetten iets ernstigs aan hare geheele persoon bij. Niemand vergezelde
-haar bij dien uittocht uit het ouderlijke huis. De vurige verlichting
-van den dageraad overtoog alles met een dichterlijk rozerood in den
-tuin en tot zelfs de meubels in de voorgalerij. Het meisje wierp een
-weemoedigen blik rondom haar op die boomen, op die struiken, op die
-bladeren, op die bloemen, die zooveel herinneringen in haar brein
-opwekten. Een snik verscheurde haar de keel. Een oogenblik was het, of
-zij in dien uitersten stond aarzelde. Maar, neen! met eene enkele
-beweging der fraaie hand wischte zij zich de traan af, die over hare
-wang biggelde. Zij wierp nog een blik rondom zich, sprong toen op een
-struik Devonshire rozen toe, die in een sierlijken pot tegen de
-balustrade der galerij stond, plukte een ontluikend knopje, stak dat
-aan den boezem, terwijl zij met een snik prevelde:
-
-„Gij, mijne lievelingsbloem, zult mij in mijn ballingschap
-vergezellen!” en was in een ondeelbaar oogenblik het rijtuig
-ingestegen, dat zich dadelijk in beweging stelde.
-
-Geen zucht, geen blik meer. De scheiding was volbracht! Het voertuig
-zwenkte het erf van het residentiehuis af, het prachtige hek door, en
-ijlde met spoed Java’s bergland te gemoet. Anna leunde achterover in
-het rijtuig, sloot de oogen, en gaf zich aan hare droeve gedachten
-over.
-
-Achter de jaloezie-latten van een der talrijke deuren van het
-hoofdgebouw der residentswoning, die tot de voorgalerij toegang
-verleenden, had evenwel Anna’s moeder gestaan, die al de bewegingen van
-hare dochter met angstigen blik had gadegeslagen. Zij had de oogen van
-het lieve kind over al de voorwerpen harer omgeving zien waren. Zij had
-haar de witte roos zien plukken en daarna in het rijtuig ijlen. Een
-rauwe kreet ontwrong zich hare borst:
-
-„Mijn God, mijn God, dat alles zóó moest loopen!... Waar zooveel
-gegevens waren om gelukkig te zijn!... Hoe zal dat alles nog eindigen?”
-
-Ja, hoe zou dat alles eindigen? Eene vraag, die door de toekomst
-schrikkelijk zou beantwoord worden.
-
-Laat in den namiddag verliet Anna in eene kleine dèsa van Java’s
-binnenlanden, waar verspannen moest worden, het rijtuig, en vroeg den
-posthouder vergunning, om onder zijne bamboe-verandah een poos te mogen
-toeven. Toen dat toegestaan was, haalde zij eene kleine nécessaire
-tevoorschijn, en was weldra druk bezig met schrijven. Een oogenblik was
-zij daarmede rustig onledig geweest, hoewel haar bleek en droevig
-gelaat duidelijk aanduidde, dat het onderwerp, hetwelk zij behandelde,
-hoogst ernstig was. Maar langzamerhand scheen dat onderwerp haar te
-vervoeren. Eerst baanden zich een paar zuchten, uit de diepte harer
-borst komende, een weg, en weldra parelden dikke, heete tranen in hare
-oogen, die over haar marmerwitte wangen gleden en op het papier
-droppelden.
-
-Ja, het onderwerp was ernstig, dat het lieve kind daar behandelde. Zij
-schreef aan Van Nerekool. En hoewel in den zieletoestand, waarin zij
-zich bevond, dat schrijven het innigste van haar hart blootlegde, en
-alleen bestemd was, om hem onder het oog te komen, voor wien het
-bestemd was, mag de romanschrijver over den schouder kijken zelfs van
-eene vrouw, van een meisje, om hare gevoelens te bespieden, hare
-beweegredenen te ontleden. Och, de brief was niet lang, hoewel hij haar
-veel, zeer veel inspanning kostte.
-
-„Ik heb stelselmatig vermeden, mijnheer Van Nerekool,” schreef zij, „u
-na de dansreceptie op het residentiehuis, andermaal te ontmoeten, welke
-pogingen gij daartoe ook aangewend hebt. Bij die gelegenheid hebt gij
-om mijne hand gedongen, en ik gaf u verlof om bij mijne ouders aanzoek
-te doen. Deze daadzaken gaven u eenigermate het recht om op een nader
-onderhoud met mij aan te dringen, en nopen mij thans ook, om u een
-laatste woord toe te voegen. Nadat ik u verlaten had, hebt gij een
-gesprek met mijne moeder gehad. Dat gesprek vernam ik daags daarna,
-en.... o, vergeef mij... een kind mag de daden zijner ouders niet
-gispen;... maar dat gesprek maakte, vooral toen mij bleek, dat mijn
-vader daarmede instemde, eene vereeniging tusschen ons beiden
-onmogelijk. Gij met uw ridderlijk en eerlijk karakter kunt geen
-huwelijk aangaan met de dochter van menschen, die u zulke voorstellen
-deden. Gij zult mij tegenwerpen, dat een kind niet schuldig of
-medeplichtig mag geacht worden aan de daden zijner ouders. Niets is
-meer waar dan dat, en ik gevoel mij dan ook even onbezwaard, even
-fier,—als ik die uitdrukking in mijn toestand mag bezigen,—als toen ik
-met de handelingen mijner ouders onbekend was. Maar den man steeds voor
-mij te zien, wien de noodlottige aanbiedingen gedaan werden; in teedere
-oogenblikken, wanneer wij ons in elkanders blikken zouden verloren
-hebben, de gedachte te meenen kunnen lezen in het brein van den
-beminden man, dat ik hem als prijs voorgeworpen werd voor een daad van
-plichtsverkrachting; in zijn omgang met mijne ouders, die hij als
-welopgevoed mensch voor het oog der wereld moest en voor mij met
-achting en deferentie zou bejegenen, op zijn gunstigst genomen slechts
-een aalmoes, aan mijne kinderlijke liefde toegeworpen, te moeten zien,
-ziet Karel—laat ik u dien naam nog eens geven,—dat zou mij het leven
-tot een hel maken en zou zijn weeromstuit op u niet missen.
-
-„Ik schrijf u dezen brief van Sapoeran, waar voor een oogenblik
-verspannen wordt. Gij zult wel reeds vernomen hebben, dat ik naar
-Karang Anjer bij de familie Steenvlak ga logeeren. Mijn vader heeft het
-genoeg rondgebazuind, dat het u wel ter oore zal gekomen zijn. Welnu
-ja, ik ben op weg naar die familie; maar dat is slechts de eerste
-stappe op de moeilijke baan, die zich voor mij uitspreidt. Wat ik doen
-zal? Vriend, dat weet ik nog niet. Wellicht dat ik naar Europa, of naar
-Australië zal trachten te vertrekken. Zooveel is zeker, dat ik na een
-kort verblijf bij de Steenvlaks, verdwijnen zal, spoorloos
-verdwijnen...; want zelfs.... de naam van Van Gulpendam is mij
-ondragelijk.
-
-„Maar, Karel, als ik verdwenen zal zijn, als zelfs mijn naam niet meer
-genoemd zal worden, alsof het graf mij verzwolgen zal hebben, dan
-nietwaar zult gij met uw edel karakter nog wel eene gedachte wijden aan
-het meisje, dat, aan alles onschuldig, zich zoo gelukkig geacht zoude
-hebben, zich de uwe te hebben kunnen noemen, maar voor wie dat geluk
-niet weggelegd was.
-
-„Een verzoek heb ik u nog te doen. Zorg voor Dalima. O! ik ken haren
-geheelen toestand. Ik weet meer van haar ongeluk, althans van de
-oorzaken, dan gij. Maar, nietwaar, ter wille van mij zult gij die
-rampzalige niet aan haar lot overlaten! O, voor die voorgewende
-opiumsmokkelarij zal zij waarschijnlijk veroordeeld worden! Dat weet
-ik. Met onze fatale Nederlandsche opvattingen van wat recht is, wanneer
-het opiumzaken geldt, is het schier niet anders mogelijk. Maar houdt
-haar de hand boven het hoofd. Laat haar niet, wanneer zij weer op vrije
-voeten komt, in den poel van ellende verzinken, waarin hare rampzalige
-rasgenooten terecht komen, wanneer zij schuldig of onschuldig met de
-Nederlandsche strafwetgeving in aanraking gebracht zijn.
-
-„En nu, Karel, vaarwel. In dit leven zien wij elkander niet meer! Ik
-kan u niet verzoeken mij te vergeten. Integendeel, ik smeek u, soms
-eene gedachte over te hebben, voor haar, die zich slechts met haar
-voornaam durft te onderteekenen:
-
-„ANNA.”
-
-Dien brief gaf het ongelukkige meisje aan den stalhouder over, die hem
-behoorlijk verzond, evenwel niet zoo snel als zij wel gewenscht had. De
-post in die streken werd slechts tweemalen per week verzonden.
-
-Hoewel Sapoeran niet zoo heel ver van Poeworedjo verwijderd lag, was de
-zon toch reeds ondergegaan, toen het rijtuig laatstgenoemde plaats
-bereikte. Anna nam haren intrek in het eenige hotel aldaar, en na een
-weinig gegeten te hebben, ging zij, vermoeid als zij was, rusten en
-viel gelukkig weldra in een vasten slaap.
-
-Bij het opgaan der zon zat het meisje weer in het rijtuig. Zij had ruim
-36 palen [161] dien morgen af te leggen om hare bestemming Karang Anjer
-te bereiken. De weg was evenwel goed en bijna waterpas, zoodat zij
-tegen het middaguur te midden der lieve familie zat, die hare aankomst
-met ongeduld verbeid had.
-
-
-
-Keeren wij na die kleine uitweiding, voor den draad van ons verhaal
-onmisbaar, naar het residentie-huis te Santjoemeh terug. Toen de
-secretaris vertrokken was, had de resident Van Gulpendam gezucht:
-
-„O, als Anna toch gewild had!”
-
-Een poos bleef hij bij dien gedachtenloop vertoeven, wikkende en
-wegende, wat had kunnen geschieden, wanneer Van Nerekool door Anna
-verlokt, als gedwee volgeling van het hoofd van gewestelijk bestuur,
-tot voorzitter van den landraad had kunnen benoemd worden.
-
-„Maar het is niet anders,” prevelde hij. „Wij zullen evenwel dien
-noord-wester stoker wel doorstaan, en ons schuitje op veilige ree
-brengen! Maar... waarop doelde toch de secretaris met de aanhaling van
-dat artikel van het opium-reglement? „Welk noemde hij ook weer?... O
-ja... nummer 23. Laat mij dat andermaal inzien.”
-
-En andermaal den bundel Staatsbladen grijpende van het jaar 1874, dien
-hij tusschen eene menigte andere jaargangen op een boekenrekje boven
-zijn schrijflessenaar teruggeplaatst had, bladerde hij daar een poos
-met ongeduldige oogen in, tot dat hij uitriep:
-
-„Hier heb ik No. 228. En nu artikel 23.... „Alle overtredingen der bij
-dit reglement gemaakte bepalingen, waarop geene bizondere straffen zijn
-gesteld, worden gestraft met eene boete van een duizend tot tienduizend
-gulden voor elke hoeveelheid van honderd katies opium of daar beneden,
-waarmede de overtreding is gepleegd, en een honderd gulden voor elke
-katie meer.”.... Drommels!... Nogmaals, de secretaris heeft gelijk!...
-Zoo, komt de stroom uit dien hoek?... Dan zullen wij nog een tuianker
-moeten uitbrengen. Niet kwaad bedacht... Maar....”
-
-„Toean assistent mienta ketamoe sama Kandjeng toean,” (de heer
-assistent vraagt om den grooten heer te mogen ontmoeten,) sprak een der
-oppassers, den heer Meidema aandienende.
-
-„Kassi massokh?” (laat binnen komen) klonk het bevel.
-
-„Resident,” sprak de ambtenaar bij het binnentreden, „ik ontmoette den
-heer secretaris, die mij mededeelde, dat gij mij wenschtet te spreken.”
-
-„Ja, mijnheer Meidema, ga een oogenblik zitten... Ik heb kennis bekomen
-van het proces-verbaal omtrent de sluik-opium, te Moeara Tjatjing
-aangehaald, maar tot mijne bevreemding zijn de daadzaken der aanhaling
-niet in overeenstemming met het daar geverbaliseerde.”
-
-„Niet, resident?”
-
-„Neen, mijnheer Meidema; herinner u eens goed ons gesprek denzelfden
-avond van de aanhaling,” ging de resident voort, terwijl hij zijn
-ondergeschikten scherp aankeek.
-
-„Dat gesprek herinner ik mij zeer goed, resident.”
-
-„Welnu? Ik toonde u aan, als ik mij goed herinner en zelfs met
-getuigen, dat de opium bij den Javaan Ardjan is ontdekt. Dat scheent
-gij toen ook te beamen.”
-
-„Ja, resident, ik waagde het toen niet uwe zoo pertinent uitgesproken
-meening te weerspreken. Maar, het was mijn plicht een onderzoek in te
-stellen.”
-
-„En?”
-
-„En dat onderzoek heeft mij geleid tot de conclusiën, zooals zij
-neergelegd zijn in mijn proces-verbaal, als hoofd der politie
-afgegeven.”
-
-„Tegen alle klaarblijkelijkheid in?”
-
-„Met uw permissie, resident? Dat....”
-
-„Wil ik u eens zeggen, waartoe uw onderzoek u geleid heeft?”
-
-De Heer Meidema, door zijne redeneering vervoerd, lette op die vraag
-niet, althans hij vervolgde:
-
-„Dat proces-verbaal is overigens voor den landraad niet bindend.”
-
-„Gelukkig ook!” sprak de resident niet zonder hoon in zijne
-stembuiging. „Maar ik vroeg u, waartoe volgens mijne meening uw
-onderzoek u geleid heeft!”
-
-„Waartoe het mij geleid heeft, resident? Ik vind die vraag in uw mond
-vreemd. Ik heb dat onderzoek volgens plicht ingesteld tot opsporing van
-de waarheid,” was het rustig gegeven antwoord.
-
-„Dat is het doel van ieder onderzoek, mijnheer Meidema. Maar voor u
-leidde dat onderzoek wellicht tot een andere slotsom.”
-
-„En dat is, resident?”
-
-„Dat de op te leggen boeten, die onder de aanhalers verdeeld moeten
-worden, gemakkelijker van den rijken opiumpachter te innen zullen zijn,
-dan van den armen Javaan, bij wien niets te halen is.”
-
-„Resident! Die taal!”
-
-„Bedaar, mijnheer Meidema. Dat is de taal der werkelijkheid, die mij
-uit iederen volzin van uw proces-verbaal tegenstraalt...”
-
-„Maar, resident, ik heb met die boeten niets te maken. Ik sta daar
-geheel buiten. Ik ben volkomen op de hoogte der bepalingen, [162] en
-weet waarlijk niet, hoe ik uwe woorden moet opvatten.”
-
-„Net of ik de loopjes niet ken, om de bepalingen te ontduiken!” sprak
-de resident smalend.
-
-„Resident, ik zie mij verplicht u te verzoeken, uw oordeel omtrent mij
-te wijzigen. Nimmer heb ik mij loopjes, als waarop gij doelt,
-gepermitteerd. Nimmer is een cent van de boeten of van de verbeurd
-verklaarde opium in mijn bezit geraakt. En zijt gij niet overtuigd, dat
-ik de waarheid spreek, dan zijt gij door uw ambtseed verplicht mij bij
-de regeering aan te klagen.”
-
-„Wij dwalen van het onderwerp af, mijnheer Meidema. Gij hebt een
-onderzoek gehouden, zegt ge, nietwaar? Wie hebt ge alzoo gehoord?”
-
-„Wie ik gehoord heb, resident? Wel, in de eerste plaats den
-beschuldigden Ardjan....”
-
-„Die wel zal verteld hebben, dat hij van niets weet. Ja, dat vat ik. En
-vervolgens?”
-
-„Vervolgens baboe Dalima.”
-
-„Die ook wegens opiumsmokkelarij in de gevangenis zit. Die zal
-daarenboven haren „toenangan” (verloofde) wel schoon gewasschen hebben.
-Een kostelijke getuige, mijnheer Meidema, dat moet ik zeggen. Hebt gij
-er nog meer?”
-
-„Ik heb het dèsavolk gehoord, dat dien nacht geprest werd om Ardjan te
-halen.”
-
-„En?... Kom, zeil zetten!”
-
-„En hunne verklaringen staan lijnrecht tegenover die der
-politieoppassers.”
-
-„Dat laat zich hooren. Dat dèsa-vee helpt elkander altijd. Maar zoo
-iets mag uw geweten als hoofd der politie niet bevangen.”
-
-„Neen, resident, dat mag niet, en dat heeft het ook niet gedaan. Toen
-mij die tegenspraak zoo pertinent bleek, ben ik naar Moeara Tjatjing
-gegaan, om het vaartuig te bezichtigen, waarmede Ardjan die opium aan
-wal zoude gebracht hebben.”
-
-„En gij vond niets?”
-
-„Ik vond de prahoe sajab en constateerde, dat die te klein was, om de
-aangehaalde opium te kunnen bevatten.”
-
-„Als ik mij wel herinner, mijnheer Meidema, dan zou die prahoe sajab
-twee personen bevat hebben. Ardjan en Dalima.”
-
-„Juist, resident.”
-
-„Dat vaartuig was dus voldoende om die twee over te voeren, nietwaar?”
-
-„Ja, resident; maar ook niets meer.”
-
-„Maar, als baboe Dalima eens niet in die prahoe sajab geweest was,
-mijnheer Meidema?”
-
-„Niet in die prauw, resident?”
-
-„Dan zou die opium, goed gestuwd, wel plaats in dat vaartuigje gevonden
-hebben, nietwaar?”
-
-„Dat is zoo, maar het bewijs....”
-
-„O, dat is te leveren. Ik kan met de hand op het geweten verklaren, dat
-baboe Dalima dien nacht niet van het erf van het residentiehuis afwezig
-is geweest. En niet alleen ik, maar alle huisgenooten kunnen dat
-getuigen.”
-
-„Dat is zeer ernstig, resident,” antwoordde de heer Meidema.
-
-„Wat bedoelt gij daarmede? Kom, laat vieren den grooten schoot!”
-
-„Dat uwe verklaring lijnrecht tegenover die uwer dochter komt te
-staan.”
-
-„Mijner dochter? Het gebeuzel van een onbezonnen kind!”
-
-„Ik heb een schriftelijk bewijs van juffrouw Van Gulpendam in handen,
-behelzende het verhaal van de ontvoering van baboe Dalima, van hare
-gevangenhouding aan boord van den schoenerbrik Kiem Ping Hin, van hare
-redding door Ardjan.”
-
-De resident Van Gulpendam werd een oogenblik bleek bij dat bericht. Het
-was hem, alsof hem een knodslag toegebracht werd. De heer Meidema liet
-hem geen tijd om tot verhaal te komen, maar vervolgde:
-
-„Ik heb een bewijs in handen van den stuurman en de bemanning van den
-kustwachter Matamata, waarin verklaard wordt, dat zij in den bewusten
-nacht met de barkas jacht maakten op eene prahoe sajab, waarin twee
-personen gezeten waren. Dat zij zelfs op die twee opvarenden geschoten
-hebben, maar vlak voor de Moeara Tjatjing door de hooge branding
-genoodzaakt waren de vervolging op te geven, omdat de logge barkas in
-die woedende zee onhandelbaar was. Twee personen zaten dus in die
-prahoe sajab, resident, en er was dus geen plaats meer voor die opium!
-Daarenboven....”
-
-„Wat nog meer?” vroeg Van Gulpendam, die zich langzamerhand herstelde
-van den schok, die hem getroffen had.
-
-„Daarenboven, de prahoe sajab werd bij de landing stuk geslagen. Het
-wrak lag daar half door het water, half door den modder bedolven, en ik
-heb door getuigen laten constateeren, dat de verpakking van den
-gesloken opium niet met water in aanraking is geweest. Neen, resident,
-mijne overtuiging is het: dat de sluikwaar niet in dat vaartuigje aan
-wal is gebracht, ook dat Ardjan de sluiker niet is.”
-
-De resident zat nog een oogenblik na te denken.
-
-„Mijnheer Meidema,” vroeg hij, „gij hebt volgens plicht, de
-hoeveelheid, soort en hoedanigheid van de aangehaalde opium ten
-overstaan van den pachter, door eene commissie van deskundigen doen
-constateeren?”
-
-„Ja, resident.”
-
-„Hebt gij die prahoe sajab in bewaring doen nemen en verzegelen?”
-
-„Ja, resident; maar door eene mij onverklaarbare opvatting, is die
-prahoe door het wachtvolk van de stadsboei, waar ik haar had doen
-deponeeren, stukgehakt en verbrand.”
-
-Een glimlach vloog over het gelaat van den resident. Hij prevelde
-binnensmonds: „het lek is gevonden, en kan gebreeuwd worden.” En
-overluid:
-
-„Dat is jammer! En aan wiens plichtverzuim is dat toe te schrijven?...
-Maar om het even. Dat zal wel later onderzocht worden. Mijnheer
-Meidema, mag ik u een goeden raad geven?”
-
-„Voor een goeden raad ben ik steeds toegankelijk, resident.”
-
-„Uwe financiëele omstandigheden zijn niet schitterend, nietwaar?”
-
-„Resident!”
-
-„Gij hebt een groot huishouden, en zit op groote lasten. Welnu,
-verstaat u met den pachter.”
-
-„Hoe moet ik dat begrijpen?”
-
-„Gij zijt ontwikkeld genoeg, mijnheer Meidema, om mij te vatten. Lim
-Yang Bing is rijk, en daarenboven een goed vader. Zijn zoon staat op
-het punt een goed huwelijk te doen. Hij zal op eene kleinigheid niet
-zien.”
-
-„Resident!”
-
-„En dan een andere raadgeving. Gelukkig is de landraad, die heden in
-die opiumzaak uitspraak moest doen, verdaagd. Gij hebt thans tijd te
-over om uw proces-verbaal van voorloopig onderzoek, dat volgens mij wel
-wat te eenzijdig is, om het onpartijdig te kunnen noemen, te wijzigen.”
-
-„Dat nooit, resident!” viel Meidema zijn chef heftig in de rede.
-
-„Mijnheer Meidema, ik spreek als vriend tot u! Gij hebt een talrijk
-huisgezin. Er zijn veel eters aan den bak!”
-
-„Nooit, nooit, resident!”
-
-„Dan kan ons onderhoud als afgeloopen beschouwd worden. Maar bedenk u
-wel.”
-
-Toen de heer Meidema vertrokken was, stond de resident nog een
-oogenblik hem na te staren. Eindelijk mompelde hij, terwijl hij
-hartstochtelijk de tanden op elkander klemde:
-
-„Die tegenstand moet gebroken worden! Want en pardoens moeten strak
-gezet worden!”
-
-
-
-
-
-
-
-XXV.
-
-EVA’S DOCHTEREN EN DE SLANG.
-
-
-Een paar dagen later zat mevrouw Meidema met hare beide dochters in de
-achtergalerij harer woning, zich onledig te houden met het verstellen
-van de kleedingstukken der overige kinderen die erg toegetakeld waren.
-
-„Het is schande, hoe die jongens hunne kielen verscheuren kunnen,”
-pruttelde Gesina, een van de lieve tweeling-meisjes, waarmede de lezer
-zeer vluchtig kennis maakte, bij gelegenheid van de dans-receptie op
-het residentie-huis. „Kijk me dat ding er eens uitzien! De eene mouw
-hangt er met rafels bij, en het linker borststuk vertoont een
-winkelhaak van onmatige grootte. Kijk eens, ma, is die kiel het
-herstellen nog waard?”
-
-„Ja, zeker Sientje. Ga maar vlijtig aan den gang.”
-
-„Die bengels veroorzaken ons toch te veel werk, mama,” pruttelde
-Gesina.
-
-„Kom, het zijn levenslustige jongens,” voerde hare zuster Mathilda ter
-vergoelijking bij.
-
-„Moeten zij, om levenslustig te zijn, in de boomen klimmen, en hunne
-kleeding verscheuren?”
-
-„Kan een jongen wel uit een boom blijven, wanneer hem een goudgele
-manga tegengluurt? O, als ik een jongen was, deed ik ook zoo!”
-
-De moeder glimlachte over den uitval harer dochter.
-
-„Ik zie mijne Mathilda al daar boven in dien boom! Wat zou dat een lief
-gezicht opleveren! Het zou bepaald zijn: horre Kees!”
-
-Mevrouw Meidema bracht dat, „horre Kees” zoo grappig er uit, terwijl
-zij met de hand eene beweging maakte, alsof zij zich in de zijde
-krabde, dat de beide meisjes het uitgierden. Eene poos moesten zij het
-naaiwerk staken om uit te lachen.
-
-„Maar, ma,” begon Gesina, nadat de lachbui over was. „Zoudt gij ons
-niet door eene „toekan minjahit” (naaister) kunnen laten helpen?”
-
-„Waar denkt mijn Sientje aan?” vroeg de moeder ernstig.
-
-„Ik vind het idée uitstekend,” kwam Mathilda hare zuster te hulp.
-
-„Maar kinderen eene toekan minjahit kost geld.”
-
-„En Anna van Gulpendam, die had wel eene naaister,” snapte Mathilda.
-
-„Ja, maar Anna van Gulpendam, is een eenig kind, Thilda, en daarenboven
-de dochter van een resident.”
-
-„Is er zooveel verschil in het tractement van een resident en een
-assistent-resident, mama?”
-
-„Dat zou ik denken. Hier, de resident heeft 1500 gulden ’s maands, en
-papa slechts 500 gulden.”
-
-„Is dat zóóveel verschil? Dat dacht ik niet.”
-
-„De resident heeft slechts eene dochter en wij tellen zes rijstdiefjes,
-Thilda.”
-
-„Zijn kinderen dan zoo duur, ma?” vroeg Gesina met een zucht.
-
-„Reken maar na: Kost, kleeding, schoolgeld en wat al niet meer.”
-
-„Het is jammer.”
-
-„Wat is jammer?”
-
-„Dat dat goedje zoo duur is, anders het is wel aardig.”
-
-„Hoor me nu zoo’n inconsequent meisje eens aan! Straks pruttelde ze
-over het vele werk, dat die bengels veroorzaken, en nu vindt ze ze zulk
-aardig goedje,” lachte mama.
-
-„Nu ja, mama... U moogt zoo niet vitten... Een mensch mag wel eens
-pruttelen, vooral als men kielen te verstellen heeft,” antwoordde
-Gesina, terwijl zij het hoofdje aan haar moeders borst vlijde.
-
-„Geld is toch nog niet alles, mama,” was de wijsgeerige ontboezeming
-van Mathilda, die ijverig voortpikte, terwijl mevrouw Meidema de
-bevallige beweging van Gesina met een streelend handgebaar door hare
-lokken beantwoordde.
-
-„Geld is toch nog niet alles!”
-
-Dat sloeg volgens den gedachtengang van het schoone kind op het
-geconstateerde verschil van tractement tusschen den resident Van
-Gulpendam en haren vader.
-
-„Neen, zeker, Mathilde, geld is niet alles,” antwoordde Gesina. „Kijk
-eens, zijn wij niet gelukkig?”
-
-„En laten wij de vergelijking voltooien,” ging Mathilda voort. „Zou men
-in het residentiehuis gelukkiger zijn? O, als ik alles bedenk, dan kan
-ik een zucht niet weerhouden. Arme, arme Anna!”
-
-„Hebt ge tijding van haar?” vroeg Gesina, die ook weer haar werk hervat
-had.
-
-„Dezen ochtend ontving ik een brief van Karang Anjer. Maar, zooveel
-mismoed, ja zooveel wanhoop straalt mij uit iederen volzin, uit iederen
-regel tegen! Och, och, ik vrees het ergste. Met haar karakter uit een
-stuk, is Anna tot iedere wanhoopsdaad in staat.”
-
-„Maar, wat is er toch met haar?” vroeg Gesina.
-
-„Het fijne weet ik er ook niet van. Anna is zeer geheimhoudend, wat die
-zaken betreft. Maar voor het naaste meen ik toch te weten, dat hare
-ouders een huwelijk met Van Nerekool niet inwilligen.”
-
-„Och, zij zal zich spoedig te Karang Anjer vervelen en dan komt ze
-terug.”
-
-„Zou ze? Mij schrijft ze, dat ze nimmer meer terugkeert. O, haar brief
-is zoo akelig droevig; hij geeft mij den indruk, alsof het een
-afscheid, een vaarwel voor het leven ware. Zij verzoekt mij, als haar
-trouwste vriendin, den steen niet op haar te werpen, wanneer hare
-wanhoop haar den laatsten stap zal doen volvoeren, en de geheele wereld
-dan hare nagedachtenis zal bezoedelen. Moeder, wat moet ik toch doen,
-om die smart te lenigen? O, kon ik toch naar Karang Anjer!”
-
-„Mijn lief kind,” antwoordde de moeder, „het beste wat gij doen kunt,
-is in uwe correspondentie met Anna zoo min mogelijk op hare liefde voor
-Van Nerekool te zinspelen. Zij heeft u niet geheel tot haar
-vertrouwelinge gemaakt. Er bestaan dus geheimen, die het onkiesch zou
-zijn aan te raken, en waarbij uwe onhandige hand met het mes in de
-smart wroeten, en de wond dus vlijmender maken zou. De tijd is een
-groote heelmeester, die zal ook bij Anna zijne uitwerking niet missen.
-Ik ken eenigermate den gang der gebeurtenissen... wie weet, of zich
-alles nog niet ten goede keert.”
-
-„Kent gij de gebeurtenissen, moeder?” vroeg Mathilda. „O, vertel mij
-die. Gij weet, hoe lief ik Anna heb. Alles wat op haar betrekking
-heeft, boezemt mij belangstelling in.”
-
-„Mathilda,” antwoordde de moeder, „Anna, die, naar ik vermoed, de zaken
-niet in haar geheel weet, heeft gemeend wat zij weet voor u geheim te
-moeten houden. Zij heeft daar zeer goed aan gedaan...”
-
-„O, mama!....”
-
-„Want zij zou u een blik hebben moeten doen werpen in zoo’n poel van
-ongerechtigheden, die zeer zeker voor de bevatting van een jong meisje
-ongeschikt zijn, en haar hart dan ook hebben doen inkrimpen, en zich
-doen terugtrekken. Vergun mij, dat ik haar voorbeeld volg... Maar... om
-tot ons hoofdonderwerp terug te keeren. Gij zeidet zoo even: geld is
-niet alles, nietwaar? Neen geld, is niet alles. Wij zien daar eene
-familie, wie het aan geld niet ontbreekt, die daarenboven andere
-gegevens heeft als: gezondheid, aanzien, de eerste positie in onze
-maatschappij, enz. om overtevreden te zijn, en die toch het geluk mist.
-Neen, geld is niet alles.... En toch....”
-
-De goede vrouw zuchtte diep. Dat zij daar met hare dochters zoo te
-werken zat, duidde genoegzaam aan, dat het slijk der aarde haar niet
-zoo onverschillig was, als dat „neen, geld is niet alles!” te verstaan
-kon geven. Bij hare aarzeling om verder te gaan, keken haar de beide
-meisjes aan.
-
-„En toch?...” vroeg Gesina. „Ga voort, moeder.”
-
-„En toch zou een paar honderd gulden tractement meer,” vervolgde
-mevrouw Meidema, „onzen toestand zeer verbeteren. Och, wij zitten op
-zoo groote lasten. Wij hebben zoo belangrijke betalingen te doen;
-en...”
-
-Het zeil, dat de achtergalerij van het erf afsloot en voor het schelle
-daglicht beschutte, werd in dit oogenblik opengeslagen, waardoor een
-verblindende zonnestraal naar binnen drong, die allen deed opzien.
-
-„Babah Lim Yang Bing minta ketamoe sama toean” (babah Lim Yang Bing
-vraagt om mijnheer te ontmoeten), sprak een der bedienden.
-
-„Maar, mijnheer is niet te huis, die is op zijn kantoor,” antwoordde
-mevrouw Meidema. „Dat weet ge wel.”
-
-„Dat heb ik den babah ook gezegd, njonja,” antwoordde de Javaan.
-
-„Welnu?”
-
-„Hij wenscht de njonja te spreken.”
-
-Mevrouw Meidema maakte een gebaar van ongeduld. Lim Yang Bing, de
-rijkste Chinees van de residentie Santjoemeh, wellicht van geheel
-Nederlandsch-Indië, was evenwel geen man, die afgewezen kon worden. Het
-gebeurde trouwens wel meer, dat hij zijne opwachting aan de dames kwam
-maken, bij welke gelegenheden hij steeds de eene of andere snuisterijen
-had te laten zien.
-
-„Laat hem maar binnen komen,” sprak mevrouw.
-
-In allerijl werd het naaiwerk weggemoffeld, en een borduurwerkje ter
-hand genomen. Wat had zoo’n Chinees ook te zien, dat de Europeesche
-familie zich zonder toekan minjahit moest behelpen.
-
-„Tabeh njonja, tabeh nonna, nonna. Saja halap...”
-
-Maar waarom te trachten het brabbelmaleisch van den Chinees weer te
-geven. Dat zou een onmogelijkheid probeeren zijn door de moeielijkheid,
-welke die landaard heeft om sommige medeklinkers uit te spreken,
-waardoor zij die door andere verwisselen, en hun spreken schier niet te
-volgen is.
-
-„Goeden dag, mevrouw, goeden dag, jonge dames,” sprak hij hoffelijk.
-„Ik hoop, dat ik de dames niet ongelegen kom. Maar ik dacht den heer
-assistent-resident te huis aan te treffen, en nu mij dat geluk niet ten
-deel valt, kan ik niet nalaten mijn opwachting bij de dames te maken,
-eerstens om naar den staat hunner gezondheid te informeeren, dan ook om
-haar eene groote tijding mede te deelen.”
-
-„Eene groote tijding?” vroeg mevrouw Meidema, als alle vrouwen
-nieuwsgierig. „Ga zitten, babah.”
-
-En zich tot den bediende wendende, die op de trappen der achtergalerij
-gehurkt zat:
-
-„Todrono, kassi karossi!” (Todrono, geef een stoel.)
-
-De meisjes keken den Chinees, die met eene strijkage plaats nam, met
-van nieuwsgierigheid schitterende oogen aan.
-
-„En uw groot nieuws, babah?” vroeg mevrouw Meidema ongeduldig.
-
-„Eerst moet ik omtrent den staat der gezondheid van de dames ingelicht
-zijn,” antwoordde babah Lim Yang Bing met plichtpleging.
-
-„O, wij zijn gezond en wel,” antwoordde mevrouw Meidema. „Ik dank u.”
-
-„Dan zij Toean Allah geprezen!” zei de Chinees niet zonder
-hoogdravendheid, maar met honigzoeten glimlach om de lippen.
-
-„Maar nu uw nieuws, babah?” vroeg Gesina ongeduldig.
-
-„De nonna heeft gelijk nieuwsgierig te zijn. Want vooral de jonge
-meisjes zullen pret hebben.”
-
-„Maar spreek dan toch, babah!” zei Mathilde even ongeduldig als hare
-zuster.
-
-„Het geldt een huwelijk,” antwoordde de Chinees.
-
-„Een huwelijk?”
-
-„Een Chineesch huwelijk?”
-
-„Ja, een Chineesch huwelijk,” antwoordde babah Lim Yang Bing met al den
-nadruk, dien hij aan zijn woorden geven kon.
-
-„O, heerlijk!” kreten de meisjes.
-
-„En wie zijn de gelukkigen?” vroeg mevrouw Meidema.
-
-„Dat mag ik nog niet zeggen, nja.”
-
-„O, maar dan is het nog niet zeker,” zei Gesina teleurgesteld.
-
-„Zoo zeker,” sprak de Chinees, „dat ik de zijden stalen reeds bij mij
-heb.”
-
-„De zijden stalen?” vroegen de meisjes te gelijker tijd.
-
-„Ja, de zijden stalen. De dames weten toch wel, dat bij dergelijke
-gelegenheden door de huwelijkscandidaten geschenken aan de genoodigden
-uitgedeeld worden. En daar de dames de huwelijksplechtigheid zullen
-bijwonen, heb ik de stalen mede gebracht. O, prachtige zijde, die ik
-van Nan Hioeng [163] heb laten komen. De dames moeten eens zien.”
-
-Hij haalde een klein pakje te voorschijn, dat hij losmaakte, en den
-inhoud voor den verrukten blik der vrouwen tentoonstelde.
-
-„O! ziet eens die „tahi boeroeng” (groen met rooden weerschijn),” kreet
-Gesina. „Wat zou een japon daarvan beeldig zijn!”
-
-„En kijk eens dat blauwe staal!” juichte Mathilda. „Kijk, donkerblauw
-met dikke bouquetten. Als ik de keus had, dan....”
-
-„En kiest mevrouw niet?” vroeg de babah aan de moeder.
-
-Mevrouw Meidema liet den blik op het verleidelijk pakje vallen, maar...
-aarzelde.
-
-„Toe, zoekt u ook een staal uit, mevrouw,” smeekte Lim Yang Bing met
-innemend gebaar.
-
-„Maar... babah,” begon mevrouw. „Ik heb nimmer gehoord van geschenken
-bij Chineesche huwelijken. Wel bij de oude- en nieuwejaarsfeesten.”
-
-„Ja, njonja, dat zijn de dagen, dat algemeen en aan ieder geschenken
-gegeven worden, [164] maar bij huwelijken worden alleen aan goede
-vrienden geschenken aangeboden. En ik noem den heer assistent-resident
-mijn „sobat baai.” [165]
-
-„Ja, maar, babah, gij kent den heer Meidema.”
-
-„Zou de njonja mij zoo iets weigeren willen?” vroeg de Chinees
-ontsteld.
-
-„O, mama!” prevelde Gesina met smeekenden blik.
-
-„Ik wil niet weigeren, babah. Alvorens evenwel iets te beslissen of te
-kiezen, wenschte ik den heer Meidema te raadplegen.”
-
-„Niets natuurlijker dan dat. Dat is zelfs gemakkelijker voor mij.
-Mevrouw kan mij dan tot voorspraak zijn bij den heer assistent.”
-
-„Tot voorspraak, babah?” vroeg mevrouw Meidema verwonderd. „Gij weet
-wel, dat die voorspraak bij mijn man niet veel beteekent.”
-
-De Chinees lachte fijntjes en antwoordde:
-
-„Niet mij tot voorspraak, mevrouw; ik drukte mij verkeerd uit; maar tot
-voorspraak van den bruidegom.”
-
-„Van den bruidegom? Dat ’s waar ook. Wie is toch die gelukkige, babah?”
-
-„Dat is nog een geheim, mevrouw... Maar ik zal het u maar zeggen. Dan
-ben ik van uwe voorspraak overtuigd. Het is mijn zoon Lim Ho.”
-
-„Zoo... zoo... En met wie treedt hij in het huwelijk?” was de kalme
-vraag van Mevrouw Meidema.
-
-„Met Ngow Ming Nio.”
-
-„De dochter van Ngow Ming Than? Ja?... Een mooi en rijk meisje. Ik
-feliciteer u wel.”
-
-„En kan ik op de voorspraak van mevrouw voor Lim Ho rekenen?” vroeg Lim
-Yang Bing.
-
-„Waarin heeft Lim Ho mijne voorspraak noodig?” was de wedervraag.
-
-„Och, de heer assistent-resident is den armen jongen niet erg genegen.
-Als mevrouw een goed woord wilde doen.”
-
-„Maar, waaromtrent een goed woord? Met zijn huwelijk heeft de heer
-Meidema niets uit te staan, nietwaar?”
-
-„Neen, njonja. Maar er is eene opium-perkara, waarin de arme jongen
-betrokken is.”
-
-„O, daarvan wil ik niets weten,” riep mevrouw Meidema verschrikt uit.
-„Daar, babah, steek die stalen maar weer bij u.”
-
-De Chinees was getroffen. Beteuterd rolde hij een poos de stalen te
-zamen, en stak ze daarna in den zak.
-
-„Maar nja; de arme jongen is dood onschuldig.”
-
-„Daar wil ik niets van hooren, geen woord meer babah.”
-
-„Als de heer assistent-resident den armen jongen maar wilde hooren.”
-
-„Toe, ma!” smeekte Gesina, die de mooie zijden japon, aan den
-gezichteinder zag verdwijnen. „Als pa den zoon van den pachter maar wil
-hooren.”
-
-Mevrouw Meidema aarzelde.
-
-„Als mijne voorspraak niets anders geldt..... Dat wil ik hem wel
-vragen,” sprak zij.
-
-„Ma, pas op!” fluisterde Mathilda waarschuwend, maar zacht.
-
-„Ik dank de njonja zeer. Wat zal de brave jongen gelukkig zijn!” viel
-de Chinees in; terwijl hij de hand van mevrouw Meidema greep, en die
-dankbaar drukte. „Ik zal die stalen....”
-
-„O, neen, niets van die stalen!” riep mevrouw Meidema uit.
-
-„Och, ma!” mompelde Gesina.
-
-„Pas op, ma!” fluisterde Mathilda.
-
-„Die geschenken hebben met uwe toezegging niets gemeens, mevrouw,”
-haastte Lim Yang Bing, wien dat gefluister der jonge dames niet beviel,
-te verzekeren. „Ik heb de eer u en uwe dochters, en natuurlijk ook
-mijnheer Meidema, uit te noodigen de huwelijksplechtigheid en de
-bruiloft van mijn zoon bij te wonen. Daar steekt niets in. Gij behoort
-tot onze goede vrienden. En de jonggehuwden mogen uit erkentelijkheid
-voor de ondervonden eer eenige geschenken aanbieden. Daar steekt nog
-minder in. Dat is onze adat. Wie wil daar nu kwaad in zien?.... Dat is
-dus afgesproken. Ik laat dat pakje met stalen hier, dan kunnen de dames
-op hun gemak uitzoeken, en de zaak met den heer assistent-resident
-bespreken.”
-
-Ja, zoo voorgesteld, ontmoette de aanbieding niet veel tegenkanting
-meer. En al had die bestaan, dan zou mevrouw Meidema geen tijd
-overgebleven zijn, om die te opperen. De Chinees lei met veel haast het
-pakje op de tafel, boog diep voor de dames, prevelde zijn tabeh met nog
-eenige woorden, waaruit kon opgemaakt worden, dat hij terug zoude komen
-om omtrent de keuze der dames te vernemen en verdween.
-
-Toen de babah weg was, keken de meisjes elkander en hunne moeder aan,
-Gesina met een glimlach op het lieve gelaat, Mathilda met eene ernstige
-plooi om den mond.
-
-„Eene Chineesche bruiloft!” kreet de eene opgetogen. „Er zal voorzeker
-receptie gehouden worden! Wat zal er gedanst worden! Als de Chineezen
-eene partij geven, dan doen zij het goed.”
-
-„Bedaar toch, Sientje,” maande mevrouw Meidema hare dochter tot kalmte
-aan, hoewel de goede moeder met verrukten blik die blijdschap aanzag.
-
-Och hare lievelingen waren zoo weinig in de gelegenheid zoo eene partij
-bij te wonen. Een enkele keer in het jaar bij de residents-familie,
-maar dat was ook al.
-
-„En wat zal ik in mijn nieuwe zijden japon pronken!” ging het meisje
-voort, terwijl zij het pakje van de tafel greep. „O, bepaald, ik kies
-die tahi boeroeng. En gij, Thilda?”
-
-„Ik weet het niet,” antwoordde deze met een zucht; „maar ik heb een
-gevoel alsof dat pakje ongeluk over ons huis zal brengen.”
-
-„Kom, wat malligheid! Kijk eens die stalen!” sprak Gesina, terwijl zij
-het pakje openrolde. „O, die fraaie bruine zijde! Kijk eens, mama, dat
-zou wat voor u zijn! En die blauwe, dat is de keus van Thilda, die is
-ook mooi. Maar in mijn oog is de tahi boeroeng de mooiste. Zie eens!...
-Maar.... wat is dat?...”
-
-Gesina had het staal op haren knie willen leggen, om de veranderlijke
-kleuren goed te doen uitkomen; maar bij die beweging gleden eenige
-bankbiljetten uit het pakje op den grond. De dames zaten een oogenblik
-als versteend; want met een oogopslag hadden zij papiertjes van vijf
-honderd gulden herkend. Eindelijk bukte zich Gesina, raapte ze op, en
-telde ze: een, twee, drie.... tot tien.
-
-„Vijf duizend gulden!” prevelde zij verward. „Hoe zouden die in dat
-pakje komen? Dat ’s eene vergissing van den babah!”
-
-„Mijn voorgevoel!” dacht Mathilda bij zich zelve.
-
-„Vijf duizend gulden!” vloog door het brein van mevrouw Meidema,
-terwijl zij het pakje bankbiljetten van hare dochter Gesina overnam.
-„Vijf duizend gulden!”
-
-Wat ging er in hoofd en hart van die brave moeder om? O! hare eerste
-gedachte was om den babah te laten terugroepen, om hem dat geld terug
-te geven, en hem met zijne stalen de deur te wijzen. Vijf duizend
-gulden!.... Maar, de Chinees was al zoo ver weg!....
-
-Vijf duizend gulden!... En moesten de bedienden met die zaak in
-wetenschap komen?... Neen, dat kon niet... Vijf duizend gulden!... Die
-vertegenwoordigden tien maanden traktement van haren echtgenoot! Zij
-streek de papiertjes een voor een glad, wond ze om haren vinger... Vijf
-duizend gulden!... Van die som konden alle betalingen geschieden!....
-En, wat zou er moeten gebeuren?.... Vijf duizend gulden!... De beeren
-betaald, zoude nog wel een sommetje overschieten... Meidema kon dan
-eens verlof nemen naar de bovenlanden. Hij zag er in den laatsten tijd
-zoo naar uit. Een paar weken verblijf in de berglucht zou hem goed
-doen... Vijf duizend gulden!... Ook de knapen zouden nieuwe kielen...
-
-Zij werd gestoord in haren gedachtengang, door een rijtuig, dat het erf
-opreed.
-
-„Daar is papa!” riep Gesina uit. „Gauw weg met die stalen en die
-bankbiljetten!”
-
-Zij greep reeds toe. Zij had die zijden lapjes en die papiertjes reeds
-opgerold, en was op het punt dat pakje onder het kielengoed, waarmede
-zij bij het binnenkomen van den Chinees onledig was geweest, te doen
-verdwijnen; toen hare moeder haar beiden afnam, en voor zich op tafel
-neerlegde.
-
-Bij het hooren van de stem van haren echtgenoot, die in de voorgalerij
-der woning aan de bedienden eenige bevelen gaf, was de brave vrouw uit
-den zwijmel van booze gedachten, die haar in haren maalstroom dreigden
-mee te sleepen, opgeschrikt. Neen, voor den man, aan wiens zijde zij
-gedurende een groot gedeelte van haar leven rein en onbesproken had
-voortgestapt, wilde zij geen geheimen hebben! Neen, voor den man, dien
-zij zoo lange jaren in lief en leed, in voorspoed en in tegenspoed had
-ter zijde gestaan, zou zij niets verzwijgen! Zij zou hem alles
-blootleggen. Hij kon dan handelen, zooals hij zou meenen, dat goed was.
-Zij waren wel arm; maar zij zou zich aan zijne beslissing onderwerpen.
-
-Dat alles bestormde in een ondeelbaar oogenblik het hoofd der brave
-vrouw. Toen Meidema de achtergalerij binnentrad, was haar besluit
-onwrikbaar genomen.
-
-De meisjes vlogen op, en gaven haar vader een kus. Ook de moeder
-naderde en verwelkomde haren echtvriend. Deze evenwel zag met een
-oogopslag, dat er iets haperde. Hij greep haar met beide handen bij de
-schouders, en keek haar uitvorschend in de nog schoone oogen.
-
-„Zeg, mamaatje,” vroeg hij met opgeruimde stem, „is er iets?”
-
-„Ja, Meidema, ga zitten, ik heb u wat te vertellen.”
-
-„Hoe ernstig, mijn oudje! Kunnen de meisjes hier blijven?”
-
-„Ja, zeker. In die zaak heb ik voor haar geene geheimen. Ik verlang
-zelfs, dat zij blijven.”
-
-„Drommels, hoe solemneel! Geldt het haar? Zijn zij ten huwelijk
-gevraagd? Niet? Ik zou daarin ook geen reden vinden, om zoo’n gezicht
-als zes weken westmousson te zetten.”
-
-„Maak nu geen gekheid.”—
-
-„Geldt het dan de knapen? Zijn die weer stout geweest? De pantalon
-gescheurd? Of de kiel aan flarden? Ja, die jongens zijn een kruis!
-Maar, kom... dat alles komt terecht.”
-
-Alles terecht?....
-
-Bij die woorden bleef hij steken. Zijn onderhoud met den resident kwam
-hem voor den geest. Hij stapte na de omhelzing de galerij op en neer,
-haalde eene sigaar uit zijn koker, en keek Mathilda aan. Deze vloog op.
-
-„Mag ik ze aansteken, pa?” vroeg ze.
-
-Zij nam de sigaar in den mond, streek een lucifer aan, deed eenige
-trekken, waarbij zij een allerkoddigst gezichtje zette, wanneer de
-tabaks-rook haar in de neusgaten of oogen drong. Zij kuchte dan licht,
-boog het hoofdje ter zijde, trok de neusvleugels eenigszins op, en
-kneep de oogen dicht. Toen de sigaar goed rondgebrand was, stak zij ze
-haren vader in den mond, met de woorden:
-
-„Ah bah! hoe leelijk! Dat de heeren zoo iets lekker kunnen vinden!”
-
-„Kleine feeks, ge hebt de sigaar verkeerd aan het dikke einde
-aangestoken.”
-
-„Dat’s zuiniger, pa.”
-
-„Wel mogelijk; maar daarom smaakt ze zoo leelijk.”
-
-„Kom, pa. Tabak is toch tabak, en dan dat dikke eind in den mond, dat
-ontsiert de lippen zoo. Kijk zoo, dat dunne eind, dat staat goed. Maar
-pa, let nu eens op ma!”
-
-„Ga hier zitten, Meidema; want, wat ik je te zeggen heb, is ernstig.”
-
-„Ik zit al, wijfje, en luister aandachtig.”
-
-„Babah Lim Yang Bing is straks hier geweest.”
-
-„Zoo, ik kwam hem tegen. Hij groette mij allervriendelijkst, nog
-vriendelijker dan anders.”
-
-„Weet gij wel, wat hij heeft komen doen?”
-
-„Wat hij heeft komen doen?...” vroeg de heer Meidema, ietwat
-verwonderd. De naam van den pachter had reeds zijne aandacht gaande
-gemaakt, zonder dat hij kon gissen, wat er aan de hand was. „Wat zou
-hij hier hebben komen doen? Eenvoudig een praatje maken.”
-
-„Weet gij dat zijn zoon Lim Ho trouwen gaat?”
-
-„Daar heb ik zoo wat van gehoord, met de dochter van dien ouden rijken
-Chinees, nietwaar?”
-
-„Ja, pa, met de lieve Ngow Ming Nio,” viel Gesina in.
-
-„Lim Yang Bing,” ging mevrouw Meidema voort, „heeft ons, u, mij en de
-meisjes komen verzoeken om bij de huwelijksplechtigheid en op de
-bruiloft tegenwoordig te zijn.”
-
-„Welnu, wat zou dat? Dat zal de meisjes pleizier doen, nietwaar
-deerns?” zei hij, terwijl hij de wangen zijner tweelingen streelde.
-„Zoo’n Chineesche huwelijksplechtigheid is allerinteressants. Ziet ge
-daarom zoo ernstig?... O, ja!... vanwege de kleeding... Laatst met de
-partij bij den resident werd reeds aanzoek om nieuwe japonnen gedaan...
-Dat’s last...”
-
-„Neen, Meidema, dat is niet lastig; want de Chinees biedt ons
-geschenken aan.”
-
-„Geschenken?”
-
-„Ja, hij zegt, dat de gebruiken medebrengen, dat jonggehuwden aan goede
-bekenden geschenken uitdeelen.”
-
-„Accoord: wat suikerwerk, gebak of zoo iets. Maar, wat heeft dat?...”
-
-„Neen, geen snoeperijen, maar zijde, om japonnen van te maken.”
-
-„Zijde!... Is die vent dol? Van die adat heb ik nooit gehoord. En ik
-ben toch al een tijd in Indië!”
-
-„Hij heeft zelf stalen van Chineesche zijde achtergelaten. Beelderig!
-Prachtig mooi! Eene kleine voorwaarde was er evenwel aan verbonden.”
-
-„Eene voorwaarde?... En die is?”
-
-„Ik zou de voorspraak bij u zijn voor Lim Ho.”
-
-„Voor Lim Ho!!... Zoo! En wat hebt gij gezegd?”
-
-„Dat ik daar niets mede te maken wilde hebben.”
-
-„En waar zijn die stalen?... Geef hier, dat ik ze in het vuur werp!”
-
-„Zacht wat, Meidema!”
-
-„Voorspraak van Lim Ho! Met een zijden japonnetje wilde men u
-omkoopen!”
-
-„Niet alleen met een zijden japonnetje, Meidema. Rol dat pakje eens
-open!”
-
-De assistent-resident deed zulks woest en hartstochtelijk in zijne
-opgewondenheid.
-
-„Wat is er?... Wat is er toch?” riep hij ongeduldig uit.
-
-Daar vielen hem de bankbiljetten op de voeten. Bleek en ontdaan raapte
-hij ze op, telde ze, streek ze glad, keek zijne vrouw en kinderen met
-strakken blik aan; maar sprak geen woord. Eindelijk, in een woesten
-vloek uitbarstende, frommelde hij het pakje stalen en de bankbiljetten
-tot een vormloozen klomp te zamen.
-
-„De duivel zal dien Chinees halen!” riep hij uit. „Daar zal de vent van
-lusten!”
-
-En den bediende roepende;
-
-„Todrono, soeroe passang koeda!” (Todrono, gelast den koetsier de
-paarden voor te spannen).
-
-Tien minuten later had hij het erf verlaten.
-
-
-
-
-
-
-
-XXVI.
-
-AARDIG GEMANOEUVREERD!
-
-
-. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
-
-„Ja, resident, en ik klaag den opiumpachter aan wegens poging tot
-omkooperij!”
-
-Het was de assistent-resident van politie, die zoo het verhaal aan den
-heer Van Gulpendam besloot, waarbij hij het gebeurde bij zich aan huis
-in geuren en kleuren had medegedeeld.
-
-„Bedaar, mijnheer Meidema, bedaar. Vast wat!.... Overijling is nadeelig
-voor welke zaak ook. Zijt gij overtuigd, dat die vijfduizend gulden
-daar in dat pakje gestopt zijn met het doel om u te willen omkoopen?”
-
-„Moet ik herhalen, resident, dat hij mijne echtgenoote verzocht, bij
-mij tot voorspraak voor Lim Ho te dienen? Ja zeker, ben ik overtuigd
-van die poging tot omkooping!”
-
-„Kunt gij niet aannemen, dat Lim Yang Bing, die een zeer weldadig man
-is, begaan is met uwe benarde financiëele omstandigheden?”
-
-Meidema brulde schier van woede.
-
-„Mijne benarde financiëele omstandigheden!... Wie verbreidt toch dat
-praatje? Zeker ben ik niet rijk; maar wanneer ieder zooveel orde op
-zaken had als ik, dan zou...”
-
-„Laten wij niet van den wind afvallen, mijnheer Meidema,” stuitte de
-resident bijtijds.
-
-„Ja, juist, resident! Wie geeft dien Chinees het recht zich met mijn
-financiëele omstandigheden te bemoeien, en zich te permitteeren aan
-mijne vrouw en dochters een cadeau van vijfduizend gulden aan te
-bieden?”
-
-„Maar, is het wel een cadeau?”
-
-„Wat zou het anders zijn, resident?”
-
-„Kunt gij niet aannemen, dat dat pakje bankpapier onwillekeurig
-tusschen die stalen zijde geraakt is? Gij weet hoe slordig zoo’n
-Chinees met papieren geld omspringt. Soms hebben zij eene groote waarde
-los in hun zak zitten. Zie, ik ben overtuigd, dat wanneer gij straks
-Lim Yang Bing zult ontmoeten, alles zich ten duidelijkste zal oplossen.
-Ik zal hem laten praaien. Vindt gij het goed?”
-
-„Mij wel, resident; maar wat hij ook zeggen of verklaren zal, ik trek
-mijne aanklacht niet in.”
-
-„Niet zoo vroeg stoom afblazen, mijnheer Meidema, wat ik u bidden mag.
-Laat mij het bestek nu eens uitzetten, dan zult gij zien, dat gij u in
-den koers schromelijk vergist hebt.”
-
-Een oppasser werd geroepen, en kreeg bevel om dadelijk te paard te
-stijgen, en in vollen ren naar den opiumpachter te rijden met de
-boodschap: dat deze terstond bij den Kandjèng toean resident moest
-komen.
-
-Nog geen half uur later, dat beide ambtenaren met een gesprek over
-onverschillige zaken doorgebracht hadden, reed een elegante milord,
-bespannen met het fraaiste span Perziaansche paarden, die maar te
-bedenken waren, het erf van het residentiehuis op. Een oogenblik later
-werd de opiumpachter aangediend.
-
-„Kassie massokh!” (laat binnen komen,) sprak de resident.
-
-Met zijn gewone ongedwongenheid en met een glimlach op het gelaat trad
-Lim Yang Bing binnen. Hij had reeds van den oppasser vernomen, dat de
-heer assistent-resident bij den toean bezaar was. Dat was hem als een
-goed voorteeken voorgekomen. Hij meende nu dat die opium-smokkelzaak
-van een leien dakje zou loopen.
-
-Opgeruimd klonk dan ook zijn:
-
-„Tabeh Kandjèng toean toean!”...
-
-De resident wees den Chinees een stoel, en toen deze plaats genomen
-had, vervolgde hij:
-
-„Babah, de heer assistent-resident vermeent zich over u te beklagen te
-hebben.”
-
-„Ik vermeen dat niet, resident,” viel Meidema in. „Ik beklaag mij
-werkelijk.”
-
-De beide heeren spraken Maleisch, zoodat de pachter alles verstond.
-
-„En waarover beklaagt de heer assistent-resident zich?” vroeg hij
-zoetsappig.
-
-Hij zag de geheele samenkomst aan voor eene komedie, die vertoond werd,
-en waarin ieder zijne rol te vervullen had. Hij had zoo menig luimig
-stukje mede helpen afspelen.
-
-„Waarover ik mij beklaag, babah? Ik klaag u aan, dat gij mij als hoofd
-van de politie hebt willen omkoopen!”
-
-„Ik, Kandjèng toean?” vroeg de Chinees met gemaakte verwondering.
-„Wanneer zou ik dat gedaan hebben?”
-
-„Nog geen uur geleden, dezen ochtend nog.”
-
-„De heer assistent-resident wil met mij spotten. Ja ik ontmoette hem
-straks, maar had de eer niet hem heden te spreken. Hoe zou ik nu zoo
-iets kunnen bedreven hebben?”
-
-„Gij zijt heden ochtend bij mijn gezin geweest, nietwaar?”
-
-„Ja, Kandjèng toean, om hen en u voor de bruiloft uit te noodigen,
-zooals ik hier ook op het residentiehuis geweest ben, om de njonja en
-den toean bezaar te verzoeken.”
-
-„Hebt gij de njonja-resident ook Chineesche zijde aangeboden voor een
-japon?” vroeg de heer Meidema heftig.
-
-De Chinees knikte onder dien slag. Zijn geel gelaat werd vaal. Hij
-begon te begrijpen, en keek den resident beteuterd aan. Maar deze,
-tegenover Meidema gezeten, die hem aankeek, vermocht hem geen teeken te
-geven. Toch was er iets aanmoedigends in de oogen van den
-hoofdambtenaar te lezen.
-
-„Hebt gij de njonja-resident ook een pakje bankpapier aangeboden? Zeg?”
-
-En bij die woorden wierp de assistent-resident de geldswaarde op de
-schrijftafel van den resident met een gebaar, alsof hij zich brandde.
-
-De Chinees werd loodkleurig. Hij had tijd noodig om zich te herstellen.
-
-„Ziet ge, resident. De schuld is op het aangezicht van den ellendeling
-te lezen!” sprak Meidema opgewonden.
-
-Bij die woorden hernam de pachter zijn koelbloedigheid. Hij sprong op
-het pakje banknoten toe, en telde ze nauwkeurig; „satoe, doea, tiga,
-ampat,... sapoeloeh!”
-
-Toen een fletschen blik op den heer Meidema vestigende, vervolgde hij:
-
-„En beschuldigt de heer assistent-resident mij, hem te hebben willen
-omkoopen?”
-
-„Ja, babah, daarvan beschuldig ik u!”
-
-„Maar, waarom geeft de heer assistent-resident dan niet de geheele som
-terug?” vervolgde de Chinees met honigzoeten glimlach.
-
-„De geheele som?”
-
-„Ja, de geheele som,” antwoordde babah Lim Yang Bing. „Ik heb al lang
-gemerkt, dat de heer assistent-resident mij en de mijnen niet genegen
-is; maar het is toch te erg eene kleine som terug te brengen om mij ten
-verderve te brengen en de grootere te behouden.”
-
-Dat werd zonder hartstocht, zonder omhaal, zonder verheffing van stem,
-maar op teemenden toon gezegd, terwijl die gluiperige glimlach, welke
-het gelaat der Chineezen steeds kenmerkt, wanneer zij zich in
-tegenwoordigheid van gezaghebbende personen bevinden, waargenomen kon
-worden.
-
-„Babah!” riep de heer Meidema toornig uit. „Babah pas op!”
-
-„Maar ik begrijp den toeleg van den heer assistent-resident,” ging de
-Chinees, die zich niet van zijn stuk liet afbrengen, met zijnen
-onverstoorbaren valschen lach voort. „Hij wil het grootste gedeelte van
-het cadeau, dat ik mevrouw deed, behouden, en daar de boeten bijvoegen,
-die Lim Ho betalen zal, wanneer hij en niet Ardjan als schuldig aan
-opium-smokkelvrij veroordeeld wordt. Ik moet bekennen, dat het slim,
-maar ik laat den Kandjèng toean oordeelen of het eerlijk is.”
-
-Meidema zat daar, alsof hij door den bliksem getroffen was. Eene
-vreeselijke gedachte woelde hem door het brein. Ja, zijne financiën
-waren niet in den besten toestand! Ja, zijn huisgezin ging gebukt onder
-zware lasten! Ja, voor zijne kinderen gloorde maar zelden een vroolijk
-uur! Ja... en... zou zijne echtgenoote onder den druk der
-omstandigheden zich hebben laten verleiden hem niet de geheele waarheid
-te zeggen? Had zij hem slechts een gedeelte van de gift genoemd, om te
-zien, hoe hij het opnam?... Ja, zoo zal het gebeurd zijn.... Zijne
-vrouw, zijne dochters, zij zaten daar ook zoo beteuterd, zoo
-verbijsterd. En de gedragslijn, welke hij thans tegenover den resident,
-die hem niet erg genegen was, aangenomen had. Hel en duivel!... Hij
-sprong op.
-
-„Babah! gij liegt!” riep hij in de grootste verbolgenheid uit.
-
-„Als de heer assistent-resident „koerang adjar” (onwelvoegelijk) wordt,
-dan verzoek ik den Kandjèng toean mij te veroorloven heen te gaan,”
-antwoordde de Chinees op denzelfden sleependen, zangerigen toon, met
-denzelfden valschen glimlach op de fletsche trekken.
-
-„Mijnheer Meidema, ik moet u verzoeken bedaard te blijven,” maande Van
-Gulpendam op ernstigen toon.
-
-„Hoeveel heeft dan in dat pakje gezeten?” kreet Meidema wanhopig.
-
-„In dat pakje heb ik de njonja tien bankbiljetten van duizend en tien
-van vijf honderd gulden aangeboden.”
-
-De assistent-resident kermde van ontsteltenis en wanhoop.
-
-„Is dat waar?” vroeg hij met haperende stem.
-
-„Soengoe matti!” (bij mijn dood), was het antwoord.
-
-„O, ik ga mij overtuigen!” kreet de ongelukkige en stormde het kantoor
-van den resident uit.
-
-En de Chinees èn de resident keken hem met een glimlach na.
-
-„Goed gepareerd, babah!” sprak de laatste bewonderend, en binnensmonds
-prevelde hij:
-
-„Ik ben eens benieuwd, welke noodhaven de koppige kerel bij het
-invallen van die bui zal opzoeken.”
-
-„Kandjèng toean zal mij veroorloven naar huis te gaan?” vroeg babah Lim
-Yang Bing deemoedig, maar steeds met loenschen glimlach.
-
-„Ja, babah.”
-
-En toen de gebruikelijke complimentjes gewisseld waren, en de Chinees
-vertrokken was, tuurde hem de resident na en mompelde:
-
-„Een leepe vent, die pachter... Ja, die in de opium zit, moet met alle
-winden kunnen zeilen.”
-
-Brieschend kwam Meidema te huis.
-
-Hij wachtte niet totdat zijn rijtuig het perron der voorgalerij bereikt
-had. Nauwelijks was hij het erf opgereden, of hij wierp het portier
-open, sprong het rijtuig uit en riep den koetsier toe:
-
-„Toengoe!” (wachten).
-
-Hij stormde de voor- en binnengalerij door. In de achtergalerij
-aangekomen, waar de dames nog met hun verstelwerk bezig waren, vloog
-hij op zijne echtgenoote toe, die bij het bemerken van zijn ontsteld
-gelaat van haren zetel opgerezen was. Hij greep haar bij de polsen, en
-met eene krachtige beweging, dwong hij haar voor hem te knielen. Dat
-alles ging zoo snel in zijn werk, dat, hoewel de beide meisjes ook
-opgevlogen waren, niemand harer eigenlijk begreep, wat er gebeurde.
-
-„Zoo!” brulde Meidema. „Dat is de houding, die u betaamt! En nu,
-geantwoord! Waar is het overige geld?”
-
-„Welk overige geld?” kreet de rampzalige vrouw, zich onder zijne
-ijzeren vuist in duizend bochten aan zijne voeten wringende.
-
-„De andere tien duizend gulden!” toornde de man.
-
-„Welke tien duizend gulden?” vroeg de arme moeder steeds geknield.
-„Meidema laat me los; gij doet mij zeer!”
-
-„Neen, ik laat u niet los, voor dat ge me gezegd hebt, waar de tien
-duizend gulden zijn,” antwoordde de verbolgen echtgenoot.
-
-„Maar, welke tien duizend gulden?”
-
-„Die de Chineesche pachter u met de vijf duizend gegeven heeft!”
-
-„Pa,” sprak Gesina, „laat mama los. Ik zal u vertellen, wat er van de
-zaak is.”
-
-„Gij!” brulde de vader, zonder evenwel zijne echtgenoote los te laten,
-die hij steeds geknield voor zich hield.
-
-„Ik heb het pakje van Lim Yang Bing aangenomen,” ging het meisje voort.
-„Ik heb het geopend en de stalen zijde met mama en mijne zuster
-bewonderd. Toen waren er geen bankbiljetten in, dat zweer ik, bij al
-wat mij heilig is! Toen mama van eene voorspraak bij u niets weten
-wilde, stak hij het pakje weer bij zich. Evenwel toen mama later er in
-bewilligde, om u over die zijde te raadplegen, wierp de babah het pakje
-op tafel en snelde heen...”
-
-„Maar die tien duizend gulden?” vroeg Meidema achterdochtig.
-
-„Laat mij uitspreken pa,” vervolgde Gezina. „Toen hij weg was, nam ik
-de stalen weer op; maar nu ik mij goed herinner, dan waren het de
-eerste stalen niet, die wij bewonderd hadden. Daar lette ik evenwel
-toen niet op. Wij keken, keken, en waren geheel en al verrukking Ik lei
-een der stalen op mijn knie om het effect te bewonderen, toen vielen
-vijf duizend gulden uit dat pakje...”
-
-„Vijftien duizend, wilt ge zeggen?” vroeg de vader, die ongeduldig,
-maar toch aandachtig geluisterd had.
-
-„Neen, pa, tien papiertjes van vijfhonderd gulden! Anders niet!”
-antwoordde het meisje met vaste, rustige stem.
-
-„Is dat waar?” vroeg de vader, en keek zijn kinderen en zijne vrouw
-uitvorschend in het gelaat.
-
-Maar de lieve kijkers van zijn tweeling blikten hem zoo schuldeloos,
-zoo open en trouwhartig te gemoet; de oogen zijner gade vestigden zich
-zoo vastberaden op de zijnen, dat twijfel onmogelijk was, toen alle
-drie als uit een mond met eene stembuiging, die slechts aan een rein
-geweten hare overtuigingskracht ontleende, antwoordden:
-
-„Ja, dat is waar!”
-
-Toen trok de rampzalige man zijn echtgenoote, die nog steeds geknield
-voor hem lag, overeind, en kreet, terwijl hij haar aan zijne borst
-klemde:
-
-„Ellendeling, die ik ben! Ik heb mijne dierbaren, hen, die ik het meest
-liefheb op aarde, kunnen verdenken!”
-
-En zijn armen uitspreidende en om den hals zijner vrouw en kinderen
-slaande.
-
-„Lievelingen,” sprak hij met een snik, „zult gij mij kunnen vergeven?”
-
-Die vier personen vormden daar voor een oogenblik een groep, die een
-beeldhouwer had kunnen bekoren; maar die den menschenvriend, die dat
-heerlijke schouwspel had kunnen bespieden, het hart van verrukking zou
-hebben doen kloppen. De gade, de dochters overlaadden den man, die een
-oogenblik te voren zoo getoornd had, met kussen en met liefkoozingen.
-O, zij konden zich zeer goed in zijne plaats stellen, en zijne
-verbolgenheid begrijpen.
-
-„Had ik geen recht,” zei Mathilda „toen ik beweerde, dat dat pakje
-stalen mij ongeluk aanbrengend voorkwam?”
-
-„Maar, zeg mij, Meidema,” vroeg mevrouw; terwijl zij haren echtgenoot
-met een traan in het oog aanzag. „Wat is er gebeurd, wat u zoo
-gramstorig maakte?”
-
-„Die vuile Chinees heeft in presentie van den resident beweerd, dat hij
-u geen vijf duizend, maar vijftien duizend gulden overhandigd had.”
-
-„O, God! Maar, dat is infaam!”
-
-„Ja, dat is het! Van zoo’n opium-exploitant echter is niet anders te
-verwachten. Zoo’n wezen is tot alles in staat!”
-
-„Maar, kan u zoo iets niet benadeelen?” vroeg de bezorgde vrouw. Een
-weinig ervaring van het raderwerk in Nederlandsch-Indië had zij wel.
-
-„Ja,” antwoordde Meidema met een zucht, „als ik met eerlijke lieden te
-doen had, dan kon ik volkomen gerust zijn. Maar, nu?... Ik zal evenwel
-trachten een schotje er voor te zetten! Mijn rijtuig staat nog voor; ik
-ga snel naar den resident!”
-
-
-
-„Dat’s eene malle geschiedenis, mijnheer Meidema.”
-
-Dat was de eenige opmerking, die zich de resident Van Gulpendam
-veroorloofde, toen de heer Meidema hem met al den gloed der
-verontwaardiging, die zijne borst doortintelde, het gebeurde
-medegedeeld had. Gedurende dat verhaal had de hoofdambtenaar met
-onverdeelde aandacht, evenwel met strak niet aanmoedigend gelaat zitten
-luisteren, terwijl soms een zweem van ongeduld met een sarcastisch
-glimlachje op zijn gelaat om den voorrang streden. Dat uiterlijke
-ontstemde den reeds overprikkelden assistent-resident zoodanig, dat
-toen de resident zich zijne niet zeer heusche opmerking liet ontvallen,
-hij niet zonder hartstocht antwoordde:
-
-„Eene malle geschiedenis!... Eene infâme geschiedenis, wilt ge zeggen,
-resident!”
-
-„He, he, he! mijnheer Meidema. Niet zoo stout zeilen!”
-
-„Maar, resident, vindt gij het geene infâme geschiedenis?”
-
-„Jawel, jawel... maar, het is de vraag voor wien?”
-
-„Het is de vraag voor wien?... Resident, het schijnt, dat gij mij niet
-gelooft!”
-
-„Niet te driftig, mijnheer Meidema. Luister eens...”
-
-„Maar, resident, dat vereischt eene nadere verklaring! Als gij mij niet
-gelooft...”
-
-„Ik verlang nu, heer assistent-resident, dat gij mij aan het woord
-laat!”
-
-Die woorden, met de meest mogelijke afgemetenheid en deftigheid
-uitgesproken, zooals dat een resident in zijne volle waardigheid alleen
-kan, brachten eene geheele omkeering bij zijn toehoorder te weeg.
-Meidema bedwong zich, antwoordde geen enkele lettergreep, maar boog ten
-teeken, dat hij luisterde.
-
-„Ik zei, dat het eene malle geschiedenis is,” hervatte de resident, „en
-werkelijk, dat is zoo. Ik wil voor een oogenblik gelooven, dat gij een
-eerlijk man zijt, mijnheer Meidema....”
-
-De ondergeschikte knarstandde bij die woorden. Hij deed eene
-beweging;... maar, hij was vast besloten bedaard te blijven en te
-luisteren. De resident vervolgde, alsof hij niets bemerkt had.
-
-„....Maar, gij moet mij toegeven, dat de schijn zeer tegen u pleit...
-Tegen u, of... tegen uwe huisgenooten. Stel u eens op het standpunt van
-den resident, van mij, die onpartijdig, zonder vooroordeelen, de zaken
-moet overzien; en zie dan eens op welke schaal der balans van
-onpartijdigheid de waarschijnlijkheden zich als het ware ophoopen. Uw
-benarde financiëele omstandigheden zijn van algemeene bekendheid en
-schaden uw karakter van eersten magistraat in de publieke opinie zeer.
-Het is zoo moeielijk aan te nemen, dat iemand, onder zulke
-omstandigheden gebukt, onpartijdig, onaantastbaar, onwrikbaar eerlijk
-kan zijn. Daartoe zijn de verlokkingen van alle kanten te groot. Aan
-den eenen kant de aanbiedingen der verleiders, die hunnen weg wel weten
-te kiezen; aan den anderen kant de stemmen der huisgenooten, die onder
-den druk van het kommerlijk bestaan kwijnen. De openbare meening is dus
-bepaald tegen u. In die omstandigheden verschijnt de opiumpachter ten
-uwent, biedt geschenken aan in den vorm van zijden japonnen voor uwe
-echtgenoote en voor uwe dochters, biedt geschenken aan in den vorm van
-geld. Wien zult gij nu willen wijsmaken, dat zoo iets geschieden kan,
-zonder dat voorafgegane verhoudingen plaats gegrepen hebben, die tot
-zulke aanbiedingen aanmoedigden?
-
-„Immers niemand. Zelf hebt gij verhaald, dat de pachter de voorspraak
-uwer vrouw kwam inroepen. Hij moest dus wel overtuigd zijn, dat die
-voorspraak te verwerven was, dat die voorspraak tot iets nuttig kon
-zijn. En, moet gij dàt met mij instemmen, dan zijt gij van de
-bekentenis niet meer verre, dat die voorspraak niet voor de eerste maal
-ingeroepen werd. Gij zult althans den onpartijdige veroorlooven, dat
-als zeer waarschijnlijk aan te nemen. Zie, dat is nog niet alles. Er is
-meer. Zelf hebt gij bekend, dat gij aan de schuld van mevrouw Meidema
-een oogenblik geloofd hebt. Aangrijpend was straks het verhaal van het
-betreurenswaardige tooneel, dat bij u aan huis plaats gehad heeft, en
-dat ik als hoofdambtenaar bij mijne ondergeschikten streng moet
-afkeuren; maar wat mij in de gegeven omstandigheden begrijpelijk
-voorkomt; echter mij tevens eene vingerwijzing geweest is, dat gij, gij
-in persoon, uwe gade niet boven iedere verdenking verheven geacht
-hebt.”
-
-Meidema zat daar doodsbleek, aan een beeld gelijk, stil, met de vurig
-brandende oogen op den resident gevestigd, die met vaardige hand, ja
-met eene zekere virtuositeit het mes in de wonde omkeerde. De
-rampzalige beschuldigde zich in die oogenblikken erger dan de resident,
-erger dan het iemand had kunnen doen. Voor den rechtvaardige is de stem
-des eigen gewetens de schrikkelijkste stem! Ja, hij had zijne
-wederhelft, zijnen aanminnigen tweeling verdacht! De resident had
-gelijk! Maar, dat was helaas, niet het ergste, wat hem zijn geweten
-verweet. Die verdenking had hij niet voor zich gehouden! Die verdenking
-had hij niet in eigen boezem weten te bewaren! Eerlijk en trouwhartig,
-had hij gemeend, dat de waarheid, de geheele waarheid steeds het meest
-krachtige bewijs is. En, in een oogenblik van openhartigheid, had hij
-medegedeeld, om aan te toonen, hoe onschuldig zijn huisgenooten waren,
-tot welke handelingen van woest geweld hij zich in een oogenblik van
-onzinnige smart had laten vervoeren! En daar keerde zich het wapen om,
-niet alleen tegen hem, maar tegen haar, tegen haar van wier onschuld
-hij thans overtuigd was, steeds overtuigd geweest was! O, God! Zijne
-oogen deden hem zeer. Het was, of zij met witgloeiend ijzer omboord
-waren. Zijn blik was niet meer strak, hij was aan dien van het
-levenlooze beeld gelijk, van het beeld, dat de kunstenaar, onbekwaam om
-den blik daarvan te bezielen, met akelige oogappels zonder iris
-begiftigd heeft. Die wezenlooze oogen waren op zijn beul gevestigd.
-Deze, onbekwaam om eenig medelijden te gevoelen, ging onbarmhartig
-voort:
-
-„Is het nu niet aan te nemen, mijnheer Meidema, dat uwe echtgenoote,
-voor uwe ruwheid beducht, zich tot eene eenvoudige ontkenning bepaald
-heeft, nadat ze eerst u heeft trachten te misleiden omtrent die tien
-duizend gulden? Zie,” ging de resident met vriendelijken glimlach
-voort, „mij dunkt, dat het ’t meest verkieselijke voor alle partijen
-ware, dat aan die betreurenswaardige zaak dien glimp gegeven werd.
-Moeielijk kan men u voor de daden van mevrouw verantwoordelijk
-stellen....!”
-
-Daar vloog Meidema op.
-
-„Neen!” kreet hij, „die glimp mag niet gegeven worden! Mijne vrouw is
-onschuldig!”
-
-„Bedenkt, wat ge doet, mijnheer Meidema,” sprak Van Gulpendam met
-teemende stem. „Laat ge dat anker glippen, dan blijft er geen ander
-alternatief over, dan...”
-
-De aterling aarzelde. Hij deinsde terug voor hetgeen hij nog te zeggen
-had.
-
-„Geen ander alternatief dan?...” vroeg Meidema met schorre stem.
-
-„Dan u voor den schuldige te houden, die met uw gezin samenspant!”
-
-„Resident!...”
-
-„Bedaar!... Ik stel dat alternatief niet; gij stelt het. Wordt gelet:
-alweer op uwe financiëele omstandigheden, op den toon van verbittering,
-die in uw proces-verbaal tegen Lim Ho heerscht; hoe daarin alles
-aangegrepen wordt, om hem schuldig te doen schijnen, en hoe alles
-vermeden wordt, wat op de schuld van den Javaan Ardjan kan wijzen, dan
-geven de woorden, die de opiumpachter straks sprak, veel te denken.
-Herinnert gij u die woorden nog? Zij waren wreed, maar misten hun à
-propos niet. „Hij wil,” sprak de Chinees „het grootste gedeelte van het
-cadeau, dat ik mevrouw aanbood, behouden, en daarbij de boete voegen,
-die Lim Ho betalen zal, wanneer hij en niet Ardjan, als schuldig aan
-opiumsmokkelarij veroordeeld wordt.” En, neem ik nu art. 24 van het
-opiumreglement in aanmerking, in verband met al hetgeen ik u reeds
-onder het oog bracht, dan zal ik er niet op behoeven te wijzen, dat gij
-op mijne voorspraak niet zult kunnen rekenen,”
-
-De rampzalige zat daar als vernietigd. Hij sprak geen woord; terwijl
-zijn oogen slechts wezenloos op zijn chef gevestigd bleven.
-
-„Neen, er is hier geen andere uitweg: of uwe vrouw is schuldig, of gij
-zijt het! Misschien wel gij beiden! Er valt hier te kiezen... En dat
-spoedig!... Want heden nog wil ik naar de regeering telegrapheeren.”
-
-Telegrapheeren!... De ongelukkige hoorde alleen dat woord.
-Telegrapheeren! Ja, hij wist wat dat beteekende.
-
-Hij wist met hoeveel willekeur het lot der ambtenaren behandeld werd.
-Telegrapheeren!... Hij zag zich reeds ontslagen,... door een ieder als
-de pest geschuwd,... zijn gezin aan armoede, honger en ellende ten
-prooi... In die oogenblikken, als las hij in de gedachte van den
-rampzalige, weerklonk de stem van den machthebbende:
-
-„Kiezen, mijnheer Meidema! Hier valt aan geen uitstel te denken.”
-
-„Wat moet ik doen, resident?” snikte de arme man radeloos.
-
-„Wat gij moet doen? Hier is uw proces-verbaal! Het werd mij straks met
-de stukken van den landraad, dien ik aanstaanden Dinsdag zal
-presideeren, bezorgd. Dat proces-verbaal,... hier is het,... doet er
-mede, wat gij wilt.”
-
-En hij stopte den waanzinnige het document in handen. Deze nam het aan,
-bekeek het met wezenloozen blik. Hij deed met beide handen eene
-beweging, alsof hij het verscheuren wilde; maar, alvorens de
-noodlottige ruk volbracht was, stortte hij met een kreet bewusteloos op
-den grond.
-
-Een dokter werd gehaald. Toen deze verscheen, vond hij den heer
-Meidema, op een stoel in het kantoor, door het geheele huisgezin van
-den resident omgeven, wezenloos zitten, terwijl de vloer rondom hem met
-stuk gescheurde papieren bedekt was. De geneesheer sprak van „febris
-cerebralis,” (hersenkoorts) en liet den patiënt naar het hospitaal
-vervoeren.
-
-„Is het gevaarlijk, dokter?” vroeg de resident met de innigste
-belangstelling.
-
-„Zeer gevaarlijk. Als de patiënt niet krankzinnig wordt, zal hij het
-hard te verantwoorden hebben.”
-
-De resident reed dadelijk naar mevrouw Meidema, om haar op den slag
-voor te bereiden, die haar trof.
-
-Des avonds las men in een der plaatselijken dagbladen het navolgende:
-
-„Een treurig bericht. Naar wij vernemen is de assistent-resident voor
-de politie W. D. Meidema hevig ongesteld geworden. Aanvankelijk liet de
-ziekte zich aanzien, alsof zij eene variëteit van hersenkoorts ware;
-maar na een nauwkeurig onderzoek door onzen ijverigen en kundigen
-dirigeerend officier van gezondheid, is deze tot de ervaring gekomen,
-dat hij hier te doen heeft met een bizonderen vorm van melancholia
-attonita. De faculteit heeft uitspraak gedaan, dat slechts herstel te
-verwachten is van een eenigszins langdurig verblijf in een der
-krankzinnigen-gestichten in Europa, en dat een spoedig vertrek
-derwaarts zeer gewenscht is. Zijn wij goed ingelicht, dan heeft onze
-resident reeds aan de regeering te Batavia getelegrapheerd: zoodat het
-te voorzien is, dat het besluit, waarbij verlof naar Nederland verleend
-zal worden, heden nog geslagen wordt. Ook is het aan de menschlievende
-voorspraak van het hoofd van gewestelijk bestuur gelukt, passage aan
-boord van de Noach III, die overmorgen de reis naar Patria aanvaardt,
-voor de rampzalige familie te verkrijgen, en Mevrouw Van Gulpendam
-spant van hare zijde ook alle krachten in, om de zoo zwaar beproefden
-met raad en daad bij te staan. Als goede geniussen staan de resident en
-zijne gade de ongelukkigen bij; en waarlijk, het is hartverheffend de
-hoogere ambtenaren zóó voor hunne ondergeschikten te zien zorgen.
-
-„Onze beste wenschen voor het herstel van den heer Meidema, vergezellen
-hem en zijn kroost.”
-
-De dagbladredactie was als gewoonlijk goed ingelicht geweest, dat moet
-erkend worden. Op 14 Juli lichtte de Noach III het anker, en verliet
-onder den invloed van den oost-mousson, die met volle kracht doorstond,
-met welgevulde zeilen de reê van Santjoemeh, en was weldra, ook voor de
-wachters op den uitkijk, aan de kim verdwenen. Toen de resident Van
-Gulpendam, die in de goedheid zijns harten zijn ondergeschikte, dien
-hij zooveel achting en zooveel liefde toedroeg, en met wiens lot hij
-zoo begaan was,—dat alles verzekerde hij luidruchtig genoeg,—tot op de
-reede uitgeleide gedaan, en daar die familie met warmte de hand gedrukt
-had, de kleine stip aan den horizon had zien verdwijnen, ontsnapte hem
-een zucht van verlichting, terwijl hij binnensmonds prevelde:
-
-„Aardig gemanoeuvreerd!”
-
-
-
-
-
-
-
-XXVII.
-
-SUMMUM JUS SUMMA INJURIA.—VADER EN ZOON VEROORDEELD.—SINGOMENGOLO
-VERMOORD.
-
-
-Een paar dagen later vertrok Mr. Zuidhoorn van Santjoemeh. Hij ging met
-een der booten van de Nederlandsch-Indische Stoomvaartmaatschappij naar
-Batavia, om van daar per Emirne naar Singapore te reizen, en zich ter
-laatstgenoemde plaats aan boord van de Irouaddy van de Messageries
-maritimes in te schepen, die hem naar Marseille zoude overvoeren.
-
-De rechtschapen rechterlijke ambtenaar had zich vast voorgenomen, om
-ter hoofdplaats van Nederlandsch-Indië het gebeurde bij de laatste
-landraadzitting te Santjoemeh aan de bevoegde autoriteiten mede te
-deelen en binnen de grenzen eener betamelijke voorzichtigheid bekend te
-stellen, welke drijfveeren hier in het spel waren. Maar... tusschen
-voornemen en uitvoeren is een hemelsbreed verschil, dat ondervond hij
-ras. Hij had slechts drie dagen oponthoud te Batavia; maar in dat
-tijdsverloop was de Gouverneur-Generaal niet te spreken. Wel was Mr.
-Zuidhoorn naar Buitenzorg gestoomd; maar vernam daar, dat Zijne
-Excellentie dienzelfden dag vroeg naar Tjipannas vertrokken was. Er
-bleef niets anders over, dan den volgenden ochtend per postrijtuig
-derwaarts te rijden. Toen hij daar aankwam, wachtte hem eene nieuwe
-teleurstelling. Hoewel hij daags te voren aan den adjudant van dienst
-getelegrapheerd maar daarop geen antwoord bekomen had, werd hem
-medegedeeld, dat de Opperlandvoogd met hevige koorts te bed lag, en
-niemand ontvangen kon. De adjudant bracht veel verontschuldigingen bij,
-en beweerde, dat de bedenkelijke toestand van Zijne Excellentie in den
-nanacht eerst ingetreden was.
-
-Mr. Zuidhoorn bleef niets anders over, dan zijn ongelukkig gesternte te
-betreuren, en naar Batavia terug te spoeden. Met die vergeefsche poging
-had hij twee dagen zoek gemaakt. Restte hem dus nog maar een.
-
-Toen hij den volgenden morgen zijne opwachting maakte bij den directeur
-van Justitie, kwam die hem met eene luidruchtige hartelijkheid te
-gemoet.
-
-„Zijt gij er eindelijk, collega Zuidhoorn!” sprak hij, terwijl hij hem
-met gekunstelde innigheid de hand schudde. „Ik ben blij u te zien. Ik
-had me zoo’n schrikbeeld van uw toestand gemaakt. Ik dacht, dat ge
-zieker waart. Enfin, zoo is het beter! Maar, het wordt tijd, dat ge met
-verlof gaat...”
-
-Dat alles werd met eene radheid van tong gesproken, die tot doel had
-andere gedachten te verbergen.
-
-„Dat ik zieker was!... Wat bedoelt ge daarmede, directeur? In geen
-mijner brieven schilderde ik den toestand ongunstiger dan hij is. En
-dan, dat het tijd wordt, dat ik met verlof ga?... Ik verzeker u, dat ik
-wel had willen blijven.”
-
-„Nu, ja, voorzeker. Maar de invloed van het klimaat begon zich toch te
-doen gevoelen...”
-
-„De invloed van het klimaat?...”
-
-„Ja, ziet ge. Als wij Europeanen langen tijd tusschen de keerkringen
-doorbrengen, dan ontstaat er bij den een eene verslapping van
-zenuwgestel, soms gepaard met eene verweeking, eene verpapping der
-hersenen...”
-
-„Directeur!... die veronderstelling...”
-
-„Geldt u niet, collega Zuidhoorn, dat weet ik wel. Gij liet mij niet
-uitspreken. Bij den anderen ontstaat eene overprikkeling, eene
-zwaartillendheid....”
-
-„Directeur!... Is dat mijn geval?”
-
-„In den regel blijft de patiënt onkundig van zijn toestand, en is in de
-heilige overtuiging, dat hij niet anders handelt dan gewoonlijk.”
-
-„Directeur, is dat mijn geval?” herhaalde Mr. Zuidhoorn zijne vraag.
-
-„Eenigermate, ja, collega. Zonder dat gij het merktet, toonde uw stijl
-eene prikkelbaarheid, die, gij, als uitstekend juris peritus, zult mij
-dat toegeven, bij een rechterlijk ambtenaar niet gewenscht is.”
-
-„Maar, directeur!... Ik ben niet bewust.”
-
-„Quantum est, quod nescimus!” (hoeveel bestaat er, wat wij niet weten!)
-
-„Maar, nimmer ontving ik eene opmerking ter zake!”
-
-„Zeer waar; maar, waarde collega, daarom bleef die overprikkelde
-gemoedsstemming toch niet onopgemerkt. Aanvankelijk hield ik haar voor
-het gevolg van innige en warme belangstelling in het rechterlijk
-karakter, dat gij steeds als een priesterschap beschouwdet. Later
-evenwel begon ik in te zien, dat een ziekte-proces aanhangig was; en
-gij weet, vooral bij ons geldt de spreuk: mens sana in corpore sano
-(eene gezonde ziel in een gezond lichaam), wil de rechter onpartijdig
-kunnen optreden.”
-
-Mr. Zuidhoorn zat als door den donder getroffen. Was dat het oordeel
-zijner meerderen, nadat hij zoo lange jaren onkreukbaar trouw en
-nauwgezet in de doornachtige loopbaan van rechterlijk ambtenaar
-werkzaam geweest was? Was dat zijne belooning? Was dat de kroon op het
-werk?
-
-„Maar, directeur, gij zult mij toch wel één geval willen aanhalen,
-waarin die overprikkelde gemoedsstemming zich merkbaar getoond heeft?”
-
-„Eén geval, waarde collega? Eén geval? Tien, twintig, staan ten mijnen
-dienste!”
-
-„Ik vraag maar één, directeur.”
-
-„Welnu dan, die landraadzaak te Santjoemeh.”
-
-„Welke landraadzaak?”
-
-„Ziet ge wel, dat gij zelf in uw binnenste op meerdere zaken doelt.”
-
-„Dat is iemand op zijne woorden vangen, directeur,” antwoordde Mr.
-Zuidhoorn kregelig. „Ik heb zooveel landraadzaken bijgewoond en
-voorgezeten, dat de vraag, op welke gij doelt, mij gewettigd voorkomt.”
-
-„Wel, dat geval met den resident Van Gulpendam....”
-
-„Die den landraad wilde presideeren, waartoe hij geen recht had.”
-
-„Tu tu tu. Gij verliest artikel 92 van de Indische rechterlijke
-organisatie uit het oog.... Maar, dat is toe te schrijven aan uw
-zielstoestand....”
-
-„Maar, directeur, vergeef me, mijn zielstoestand heeft daarmede niets
-te maken. Gij zegt artikel 92?”
-
-„Ja, waarbij een resident de bevoegdheid verleend wordt, wanneer hij
-het nuttig of noodig oordeelt, om in persoon als voorzitter der in zijn
-gewest gevestigde landraden op te treden.”
-
-„Directeur, toen dat artikel 92 ontworpen werd, was er nog volstrekt
-geen sprake, om afzonderlijke rechtsgeleerde voorzitters van landraden
-in het leven te roepen. Toen kon zoo’n artikel zijn nut hebben. Nu zou
-het absurd zijn, dat de resident, een niet-rechtsgeleerde, den
-rechtsgeleerden voorzitter zou op zijde kunnen dringen, om zelf het
-bedoelde rechterlijke college voor te zitten! Mij dunkt, dat...”
-
-„Mr. Zuidhoorn, wij rechterlijke ambtenaren, zijn het allereerst
-verplicht eerbied voor de geschreven wet te toonen. Eene bepaling moge
-in ons oog betreurenswaardig zijn; zoolang zij kracht van wet heeft,
-moeten wij de hand er aan houden. En... vergeef mij de vraag: hebt gij
-dat in het onderhavige geval gedaan?”
-
-„Gij geeft mij dus ongelijk, directeur?”
-
-„Niet alleen ik, maar ook de Gouverneur-Generaal, die zeer ontstemd is
-over uwe houding in deze zaak, waarin gij veel bijgedragen hebt, om het
-prestige van de rechterlijke ambtenaren te verguizen!”
-
-„Ook de Gouverneur-Generaal?...” vroeg Mr. Zuidhoorn nadenkend. „Dat is
-dus de reden geweest, dat ik geen gehoor bij Zijne Excellentie heb
-kunnen verkrijgen?”
-
-„Hebt gij om gehoor verzocht?”
-
-„Ik was voorgisteren te Buitenzorg, en gisteren te Tjipannas.”
-
-„En...”
-
-„De adjudant van dienst deelde mij mede, dat Zijne Excellentie
-bedlegerig was.”
-
-„Ziet ge wel!”
-
-„Maar, directeur, het geldt hier een der grootste schandalen, die ooit
-gepleegd kunnen worden! Om den rijken opiumpachter te sparen, wordt een
-arme Javaan...”
-
-„Onschuldig verklaagd, en zal waarschijnlijk onschuldig veroordeeld
-worden,” antwoordde de directeur van Justitie met cynischen glimlach.
-„Dat alles weet ik, dat hebt gij breedvoerig genoeg geschreven. Er valt
-hier niets anders te doen, dan het hoofd te buigen. Gij weet: summum
-jus summa injuria! (het uiterste recht kan het grootste onrecht zijn).”
-
-Mr. Zuidhoorn zat met het hoofd in de hand ernstig, ja met wanhopigen
-blik voor zich te kijken.
-
-„Laat ik u een goeden raad geven,” vervolgde de directeur van Justitie
-op vriendelijken toon: „Gij zijt ziek, en meer ernstig dan gij zelf wel
-denkt. Gij vertrekt morgen met de Emirne, nietwaar? Welnu, laat alle
-muizenissen hier te Batavia achter. Gaat onbezorgd en onbekommerd
-nieuwe krachten in Europa opdoen, en komt over een paar jaren terug,
-naar ziel en lichaam gezond, dan zult ge nog lange jaren tot sieraad
-van onze rechterlijke macht kunnen optreden; want weinige juristen
-kunnen de vergelijking met u doorstaan. En... vergeef mij, gij zult
-begrijpen, dat mijn tijd kostbaar is, en... maar nog eene aanbeveling,
-voor ik afscheid van u neem: Tracht steeds verwikkelingen met de
-opiumpachters te mijden. U behoef ik niet te zeggen, dat zij zijn:
-imperium in imperio (een rijk in het rijk) en ik voeg er zelfs bij:
-malum malo proximum (het ongeluk grenst aan het kwaad). Doe er uw
-voordeel mede! En nu wensch ik u eene voorspoedige reis en een spoedig
-herstel in het oude vaderland. Dag, collega Zuidhoorn! Goede reis!”
-
-
-
-De landraad van Santjoemeh zou zoo spoedig geen zitting nemen, om zich
-met de sluikopium, te Moeara Tjatjing aangehaald, en met die, welke te
-Kaligaweh in de hut van Pak Ardjan gevonden was, onledig te houden. De
-directeur van Justitie was den resident Van Gulpendam niet ongevallig,
-toen hij hem mededeelde, dat, wegens gebrek aan rechterlijke
-ambtenaren, er in den eersten tijd niet aan te denken viel, de vacature
-bij den landraad aan te vullen.
-
-Hoewel de zittingen van dat rechterlijk lichaam geregeld wekelijks
-plaats hadden, en thans door den resident gepresideerd werden, zoo
-werden de bedoelde zaken toch van week tot week uitgesteld, waartoe de
-tijdelijke voorzitter zijne gegronde redenen meende te hebben.
-
-Eindelijk evenwel, toen de hoofddjaksa den landraad had medegedeeld,
-dat de beide Chineezen Than Khan en Liem King, de wachters in de djaga
-monjet te Moeara Tjatjing, als ook Awal Boep Said, de gezagvoerder van
-den schoenerbrik Kiem Ping Hin, op welker getuigenis de beschuldigde
-Ardjan zich beroepen had, onmogelijk op te sporen waren, meende Van
-Gulpendam dat het oogenblik gekomen was, om de bedoelde zaken af te
-doen.
-
-Toen dan ook Ardjan bekende, dat hij in den bewusten Februari-nacht met
-eene prahoe sajab, gedurende zeer onstuimig weer, aan den wal gekomen
-was, dat daarbij door eene sloep van de Matamata jacht gemaakt, en op
-hem geschoten was, en hij niet bewijzen kon, dat de aangehaalde opium,
-die in de nabijheid, waar zijn vaartuigje strandde, gevonden was, niet
-door hem aangebracht was, waren alle aanwijzingen tegen hem. Wel beriep
-hij zich op baboe Dalima, die met hem in die prahoe gezeten zouden
-hebben; maar toen door den voorzitter de verzekering gegeven werd, dat
-de bedoelde deern dien nacht het erf van het residentiehuis niet
-verlaten had, en dus haar verhoor niet anders kon leiden dan tot eene
-leugenachtige verklaring, die in geenendeele de bestaande aanwijzingen
-kon verzwakken; terwijl bovendien die Dalima thans zelve wegens
-opium-smokkelarij vervolgd werd, hetgeen hare af te leggen getuigenis
-moest in verdenking brengen, nam de landraad de conclusie van dat alles
-aan, namelijk: dat het volkomen overbodig was die getuige te hooren.
-
-Toen daarenboven de djaksa nog medegedeeld had, dat Pak Ardjan, de
-vader van den beschuldigde, ter zake van zijn eigen geding bekend had,
-dat de sluikopium, die ten zijnen huize door Singomengolo achterhaald
-was, hem door zijn zoon geleverd was, werd de schuld van den
-laatstbedoelden boven alle bedenking verheven gewaand.
-
-Ardjan werd dan ook schuldig verklaard aan de poging om anderhalve
-pikol tjandoe, gelijkstaande aan drie pikols ruwe opium, binnen te
-smokkelen, en derhalve onder het bereik te vallen van artikel 23 van
-het opium-reglement. Het vonnis verwees hem dan ook tot drie jaren
-dwangarbeid buiten den ketting [166] en tot twee duizend gulden boete,
-bij onvermogen te vervangen door ten arbeidstelling aan de publieke
-werken voor den kost zonder loon, voor den tijd van drie maanden voor
-elke honderd gulden.
-
-Ardjan werd dus veroordeeld tot acht jaren dwangarbeid en ten
-arbeidstelling, hetgeen vrij wel hetzelfde beteekende. De onschuldig
-veroordeelde knarste op de tanden, toen hij dat vonnis vernam. Of hij
-een ander of een zachter van de gerechtigheid der blanken verwacht had?
-
-Na den zoon, de vader; na Ardjan, Pak Ardjan.
-
-Met diens zaak ging het nog eenvoudiger toe, als het kon.
-
-De beschuldigde had toch bekend, dat hij sluikopium in huis had. Door
-eene menigte listige vragen verstrikt, had hij, zonder te beseffen, hoe
-zwaar zijne getuigenis bij het geding zijns zoons zoude wegen, de
-bekentenis afgelegd, dat die opium afkomstig was van Ardjan, die hem
-daarvan van tijd tot tijd voorzag. Hij had bekend, dat hij de sabel van
-een der politieoppassers uitgetrokken had, en dien onverlaat daarmede
-een paar houwen had toegebracht, toen deze zich ontuchtige handelingen
-tegenover zijn kind veroorloofd had. Helaas! op het aanvoeren van die
-verzachtende omstandigheden werd ternauwernood gelet. Zij was niet eens
-tot onderwerp van een onderzoek gemaakt geworden, en werd de
-ongelukkige veroordeeld ter zake van: in het bezit bevonden te zijn van
-sluikopium tot eene hoeveelheid van niet meer dan twee katies, voor de
-eerste maal, behalve met de verbeurdverklaring van de aangehaalde
-sluikwaar, tot tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost
-zonder loon voor den tijd van drie maanden, en ter zake van gewelddadig
-verzet tegen de opiumpolitie, waarbij een bedienaar der openbare macht
-bij de uitoefening zijner bediening gewond was geworden, waardoor
-blijkens visum repertum: onbekwaamheid tot het verrichten van
-persoonlijken arbeid van meer dan twintig dagen veroorzaakt was, tot
-tien jaren dwangarbeid in den ketting.
-
-Zoo waren dan vader en zoon veroordeeld; de eene onschuldig voor acht
-jaren, de ander, schuldig aan een eenvoudig politievergrijp, dat met
-eene geringe straf had geboet kunnen zijn, wanneer de zoo gewone
-walgelijke handtastelijkheden, bij het opsporen van opium aan den
-lijve, den reeds zoo diep gevallen vader van een verarmd huisgezin niet
-tot misdrijf vervoerd, ja, genoopt hadden, dat hij nu met tien jaren
-dwangarbeid zou moeten boeten.
-
-Zou moeten boeten?... Ja, wanneer daartoe de tijd gegund werd!
-
-Maar, alvorens het bevelschrift van den directeur van Justitie te
-Santjoemeh ontvangen was, waarbij Atjeh tot plaats aangewezen was,
-alwaar de veroordeelden hunne straf van dwangarbeid zouden moeten
-ondergaan, waren deze uit de gevangenis ontvlucht. Gedurende een
-stikdonkeren nacht, terwijl een hevig onweder zich boven Santjoemeh
-ontlastte, en de schildwacht, een jong, Inlandsch soldaat, die binnen
-den omheiningsmuur der gevangenis waken moest, door de verblindende
-bliksemstralen en de ratelende donderslagen verschrikt, en ook door den
-regen, die met stroomen viel, genoodzaakt, eene schuilplaats in zijn
-schilderhuis gezocht had, voelde deze zich plotseling door eene ijzeren
-vuist bij de keel gegrepen. Voor dat hij een kreet had kunnen slaken,
-had hij een slag met een zwaar stuk hout op het hoofd gekregen, die hem
-bewusteloos deed neerzijgen. Middelerwijl ratelde de donder, en plaste
-de regen onafgebroken en met verdubbelde woede voort, zooals dat in
-tropische streken slechts geschieden kan. Van die omstandigheid maakten
-de beide veroordeelden behendig gebruik. Lenig en sterk, als een goed
-Inlandsch stuurman moet zijn, hielp Ardjan zijn vader bij het beklimmen
-van den ringmuur, klauterde toen zelf op den nok, liet den ouden man
-aan den anderen kant zakken, en was met een sprongetje in een
-ondeelbaar oogenblik naast hem. Geen der schildwachten, die buiten den
-ringmuur waakten, lieten zich zien. Het weer was ook te bar, om buiten
-het schilderhuis in dien zwarten nacht uit te turen. De regen viel
-kletterend neder; daar buiten stroomde het water over plein en straat,
-alsof alle rivieren hare boeien geslaakt hadden; terwijl van
-verlichting geen spoor was, tenzij daarvoor een oliepitje moest gelden,
-dat in een lantaarn, op een der hoeken van den ringmuur geplaatst, als
-een gloeiende spijker glom, een ongelukkig bekrompen lichtcirkeltje
-vormde, maar de duisternis daar buiten nog tastbaarder maakte. Juist,
-toen de vluchtelingen den voet van den muur bereikt hadden, kliefde een
-machtige bliksemstraal met hare gehakkelde baan het luchtruim, terwijl
-schier tegelijkertijd een hevige donderslag vernomen werd, die met dat
-krakende, kort afgebroken geluid zich hooren liet, bij dergelijken
-electrische ontlading waarneembaar, wanneer zij ergens inslaat. En,
-inderdaad, onmiddellijk op den donderslag volgde een ander krakend
-geluid, en plofte een hemelhooge klapperboom, die midden door gespleten
-was, ter aarde. Van de duisternis, welke na dien schel schitterenden en
-verblindenden bliksemstraal ingetreden was, maakten de beide Javanen,
-ongeduldig om hunne standplaats aan den voet van den ringmuur, waar zij
-door eene ronde overvallen konden worden, te verlaten, behendig
-gebruik, om het kleine plein, dat de gevangenis omgaf over te steken,
-en den nabij zijnden dèsa-rand te bereiken.
-
-Daar waren zij gered, dat wisten zij; want geene der eenvoudige
-dèsa-bewoners zou de misdaad willen begaan, slachtoffers van het
-opium-monopolie aan de gerechtigheid der blanken te verraden.
-
-Toen de resident Van Gulpendam die ontvluchting vernam, was hij
-woedend. Op zijne aansporing werd een der schildwachten, die zich liet
-ontvallen, dat hij na het vallen van den boom eenig geplons in het
-water, hetwelk over het plein stroomde, gehoord had, maar dat hij
-onmogelijk iets had kunnen zien, en gemeend had, dat het een hond was,
-welke die gevaarlijke nabijheid ontvluchtte, voor den krijgsraad
-getrokken, en de kommandant bij de gevangeniswacht met veertien dagen
-provoost gestraft.
-
-Ook werden de strengste nasporingen in het werk gesteld; maar te
-vergeefs. Hoewel al de politie-agenten, al de spionnen, en al de
-handlangers van den opiumpachter op het pad moesten, en hunne
-vindingrijkste listen uitdachten, werd niets ontdekt. Het district
-Banjoe Pahit, maar vooral de dèsa Kaligaweh werden maanden lang
-nauwlettend gadegeslagen; de gade en kinderen van Pak Ardjan werden
-angstvallig, maar sluw overal gevolgd, het gaf evenwel niets. Eindelijk
-kwam men tot besluit, dat de beide veroordeelden, niet alleen niet naar
-Kaligaweh teruggekeerd waren, maar zelfs de residentie Santjoemeh
-verlaten hadden.
-
-Weldra dacht niemand meer aan die ontvluchting, en was zij reeds uit de
-herinnering uitgewischt, toen zij een paar maanden later weer in het
-geheugen teruggeroepen werd, door een voorval, dat wel geschikt was om
-tot nadenken te stemmen.
-
-Op een avond was Singomengolo bij Lim Yang Bing verschenen, had dien
-medegedeeld, dat hij de beide vluchtelingen meende op het spoor te
-zijn, dat hij uit vrees voor uitlekking evenwel zijn vermoeden nog niet
-wilde ontwikkelen; maar voor dien avond de hulp van een paar
-handlangers, liefst Chineesche bandoelans verzocht, die hem op een
-ontdekkingstocht moesten vergezellen.
-
-Hoe de Chinees zijne vragen ook draaide en plooide, hij kreeg niets
-meer te weten. De bandoelan bleef er bij, dat het welslagen alleen
-bereikt kon worden, door stipt geheim te houden, wat hij te weten was
-gekomen. Daarenboven verklaarde hij, waren zijne gegevens lang niet
-boven alle bedenking verheven, en kon het zeer goed zijn, dat hij op
-een valsch spoor was. Het eenige, wat hij zich ontvallen liet, was dat
-het onderzoekingsterrein niet ver van Kaligaweh gelegen was.
-
-Singomengolo vertrok dienzelfden avond met de twee handlangers, die hem
-toegevoegd waren, maar keerde niet weder. Het werd den opiumpachter
-raar te moede, toen hij zijn getrouwe den volgenden ochtend niet zag
-verschijnen. Hij was toch zoo gewoon, dat de bandoelan hem stipt
-iederen morgen rapport kwam uitbrengen over het verrichtte in de
-laatste vier en twintig uren, ook om te bespreken, wat in het volgende
-etmaal op het getouw moest gezet worden. Vooral heden had hij hem
-stellig verwacht, om den afloop van de nasporing der twee vluchtelingen
-te vernemen. Hij wachtte, wachtte. Het middaguur naderde reeds. Toen
-werd hem zijn ongeduld te machtig. Hij liet haastig zijn milord
-aanspannen, en reed in allerijl naar het residentiehuis.
-
-„Wat is er, babah?” vroeg de heer Van Gulpendam, toen hij Lim Yang Bing
-haastig, en zoozeer afwijkende van de kalmte en bedaardheid, zijnen
-landaard zoo eigen, het kantoor zag binnenkomen.
-
-„Kandjèng toean,” sprak de opiumpachter „ik kom uwe hulp inroepen.”
-
-En daarop verhaalde hij den resident, wat hij wist van de expeditie,
-waar Singomengolo op uit was, en verheelde hem zijne ongerustheid niet,
-nu de bandoelan nog niet terug was.
-
-De resident dacht een oogenblik na. Een bericht van een der landheeren
-uit het district Banjoe Pahit doelde op de mogelijkheid, dat er
-ketjoepartijen [167] in den omtrek zouden kunnen plaats hebben. Maar
-dat bericht was zoo vaag, had zoo weinig steun; terwijl de nieuwe
-controleur van Banjoe Pahit, wien hij dat bericht in handen gesteld
-had, gerapporteerd had: dat de meest gewenschte rust in het district
-heerschte; dat de bevolking tevreden was, en zich geen spoor van
-onrustbarende verschijnselen voordeed; dat, wel is waar, de landrente
-traag vloeide [168] maar dat integendeel de andere middelen van
-inkomsten een beter aanzien hadden, die op bestaanden welvaart wezen;
-zoodat dan ook, met de opiumkit te Kaligaweh tot grondslag, aangenomen
-kon worden, dat bij de aanstaande opiumverpachting, de pachtschat voor
-de residentie Santjoemeh aanmerkelijk hooger kon loopen; terwijl het te
-voorzien was, dat ook de verstrekking van opium uit ’s lands pakhuis
-aanzienlijk zoude vermeerderen. [169]
-
-Dat ambtelijk bericht had den resident zeer toegelachen en, hoewel de
-grondslag, waaraan de nieuwe controleur zijne beweringen omtrent den
-welvaart en den geest van tevredenheid ontleende, zoo valsch mogelijk
-was, en iemand als Van Gulpendam niet kon misleiden, had het hem
-voldaan, omdat het ’t dekschild was, waarachter zich te verbergen,
-wanneer de gang van zaken later minder gewenscht mocht uitkomen. Den
-bedoelden landheer was dan ook in heusche bewoordingen te kennen
-gegeven, dat hij door zijne berichtgevers misleid was; maar, werd de
-aanmaning er bij gevoegd, dat hij zich van het verspreiden van
-onrustbarende tijdingen had te onthouden.
-
-Hoe kwam het, dat dit bericht den resident in de gedachte schoot,
-terwijl hij met Lim Yang Bing sprak? Dat zou hij zelf moeielijk hebben
-kunnen verklaren. Hoe zou ook de late terugkeer van Singomengolo,—want
-anders kon het nog niet genoemd worden,—in verband staan met die
-ketjoe-voorspellingen, die nog niet eens een begin van uitvoering gehad
-hadden? Dat was immers niet denkbaar... Hij antwoordde den Chinees dan
-ook:
-
-„Maar, babah, is uwe onrust wel gewettigd? Mij dunkt, dat het wel meer
-voor moet komen, dat een bandoelan zich bij zijne nasporingen zal
-verlaatten.”
-
-„Singomengolo nooit, Kandjèng toean! Diens maatregelen waren steeds zoo
-goed getroffen, dat hij steeds op het gestelde uur bij mij was.”
-
-„Maar, welke hulp verlangt gij van mij, babah?” vroeg de resident.
-
-„Slechts enkele oppassers en een bevelschrift van u Kandjèng toean, dat
-de dèsa-bewoners de politie behulpzaam moeten zijn.”
-
-„Wat wilt ge met die oppassers en met die dèsa-lieden?”
-
-„Den omtrek van Kaligaweh laten doorzoeken. Ik weet niet, Kandjèng
-toean; maar ik heb zoo’n voorgevoel, dat Singomengolo in eene
-hinderlaag gevallen is.”
-
-„Welnu, het zij zoo!”
-
-Weinige uren later doorkruiste eene talrijke bevolkings-patrouille de
-omstreken van Kaligaweh zonder iets te ontdekken. De dèsa-lieden waren
-reeds op het punt om uiteen te gaan, en de politie-oppassers om naar
-Santjoemeh terug te keeren, toen eensklaps een visscher mededeelde, dat
-hij bij het opvaren van de kali Tjatjing drie lijken had meenen te
-bespeuren. Onmiddellijk trok men weer uit, en vond onder geleide van
-den visscher in een zeer dicht gedeelte van het wortelboombosch,
-evenwel vlak bij den rivieroever, het lijk van Singomengolo en van een
-zijner Chineesche handlangers, beiden met krissteken zoodanig
-doorboord, dat de dood er onmiddellijk op had moeten volgen. De andere
-Chinees vertoonde nog teekenen van leven. Hij had eene vervaarlijke
-wond aan den hals. Wellicht ware hij behouden gebleven, wanneer hij
-dadelijk hulp had kunnen erlangen. Nu had een zoodanig bloedverlies
-plaats gehad, dat alle hoop moest opgegeven worden. Toen de
-bevolkings-patrouille hem naderde, opende hij nog flauw de oogen,
-prevelde eenige onzamenhangende woorden, waarin wat van zwartgemaakte
-kerels voorkwam, en de naam van Ardjan onduidelijk vernomen werd, stiet
-eindelijk een diepen zucht uit, en.... was niet meer.
-
-
-
-
-
-
-
-XXVIII.
-
-CORRESPONDENTIE.
-
-
-Sedert Verstork’s vertrek naar Atjeh, was het vriendenclubje, dat wij,
-na de varkensjacht in den Djoerang Pringapoes, te Banjoe Pahit om de
-gezellige rijsttafel vereenigd gezien hebben, eerder in zijne gevoelens
-jegens elkander versterkt dan wel verzwakt geworden, hoewel een lid
-daaraan ontvallen was.
-
-Ontvallen? Neen, waarlijk niet! Want, was Verstork ook ver verwijderd,
-hij leefde in aller herinnering voort, en maakte meermalen het
-onderwerp der gesprekken uit. Evenwel, dáárdoor bleef de band niet
-alleen voortleven; maar eene drukke correspondentie wakkerde de
-vriendschappelijke gevoelens onder die jonge mannen nog aan, en hield
-hen op de hoogte, zoowel van hetgeen henzelven betrof, als van de
-gebeurtenissen, die de ketting van ons verhaal uitmaken, en waarin hen
-min of meer eene rol bedeeld was.
-
-Zoo had Van Rheijn, die onder Van Gulpendam’s invloed wel een oogenblik
-van weifeling ondervonden had, ten opzichte van zijne verhouding tot
-het vriendenclubje, maar die te bovengekomen was, toen hij de cynische
-ontwikkeling der gebeurtenissen waarnam, Verstork omtrent zijn
-vervanger te Banjoe Pahit en diens nadeeligen en ontbindenden invloed
-op den gang van zaken in het district ingelicht. Alles ging achteruit
-in de vroeger zoo welvarende streek. De rijstbouw werd ergerlijk
-verwaarloosd, de teelt van „polowiedjo” (tweede gewassen) deelde
-hetzelfde lot. Contractbreuk met de in het district aanwezige
-landheeren kwam aan de orde van den dag; want de vroeger zoo nijvere
-bewoners werden lui, vadsig en onbekwaam om gezetten arbeid te
-verrichten. In één woord het geheele gewest ging zichtbaar achteruit en
-eene vreeselijke toekomst te gemoet. Maar de opiumkit, de speelholen en
-de pandjeshuizen floreerden, en leverden groote baten aan de pachters
-van die middelen van inkomsten voor de Nederlandsche schatkist op. Om
-aan den heerschenden hartstocht voor opium en spel te kunnen botvieren,
-werd de smokkelhandel te baat genomen, kwam diefstal meer menigvuldig
-voor; ja er werd gemompeld van ketjoetochten, die georganiseerd werden,
-en reeds een begin van uitvoering zouden erlangd hebben.
-
-„De bandoelan Singomengolo,” zoo besloot Van Rheijn zijn brief, „gij
-weet wel: de ellendeling, die in de zaak van de amokhpartij te
-Kaligaweh en in de zaak van baboe Dalima de hand had, is in de
-nabijheid van Moeara Tjatjing met twee zijner handlangers vermoord
-geworden. Ik heb alle redenen, om hierin iets meer te zien dan de hand
-van ketjoe’s. Ik meen, dat hier wraakneming in het spel is; want op het
-lijk van den bandoelan werd nog eene som van acht en zestig gulden
-gevonden, hetgeen aanduidt, dat diefstal de drijfveer der moordenaars
-niet was. Eene andere omstandigheid, die op ander gebied ook te denken
-geeft, is, dat bovendien bij Singomengolo vijf koperen doosjes gevonden
-werden met opium gevuld, die in vorm volmaakt overeenkomen met de beide
-doosjes, die gij te Kaligaweh en in de hut bij den Djoerang Pringapoes
-in beslag genomen hebt. Inderdaad, ik begin in te zien, dat de
-opiumpacht een vloek voor het land is. Ik leg die bekentenis thans gul
-af. Gij zult u nog wel herinneren, dat ik vroeger daaromtrent niet zoo
-geheel onverdeeld dacht.
-
-„Zoo is thans de toestand in de weinige maanden, nadat gij het district
-verlaten hebt! En om de maat van ellende vol te meten, loopt thans een
-gerucht, dat de landrente verhoogd [170] en de overige belastingen voor
-de Inlanders verscherpt, terwijl hun nieuwe lasten op de schouders
-gelegd zullen worden. Geldschrapen onder allerlei vorm! Onder den vorm
-van gedwongen cultures, onder den vorm van heerendiensten, onder den
-vorm van landrente, onder den vorm van belasting op het zout, onder den
-vorm van in- en uitvoerrechten, onder den vorm van belasting op het
-geslacht, onder den vorm van opiumkitten, onder den vorm van
-speelholen, onder den vorm van lombarden, onder den vorm van.... Hel en
-duivel! alles te zamen om den Inlander zijn laatste en zoo zuur
-verdiende duit afhandig te maken! Willem, Willem, waar moet dat heen?
-Ik voorzie niets dan rampen, die hetzij vroeg, hetzij laat, maar zeer
-zeker komen zullen; want de toestand van het district Banjoe Pahit is
-geen op zichzelf staande toestand; maar kan, met eenige schakeering in
-de grondoorzaken, als type voor dien van geheel Java gelden....”
-
-Zoo verhaalde August van Beneden den gemeenschappelijken vriend de
-incidenten, die bij de gedingen van den Javaan Setrosmito en van Baboe
-Dalima opgeworpen werden.
-
-„Verbeeld je, Willem,” zoo schreef de jeugdige pleitbezorger, „dat van
-bestuurswege moeilijkheden in den weg gelegd zijn, om mij als advocaat
-in die twee gedingen toe te laten. En gij zult nooit raden waarom.
-Omdat ik als getuige in beide zaken zou kunnen moeten gehoord worden.
-Dat was niet dom gevonden; maar zooals gij wel denken kunt; ik liet mij
-niet afschrikken. Die quaestie werd aan den rechter-commissaris uit den
-raad van Justitie te Santjoemeh onderworpen, en die heeft op mijne
-verklaring: dat ik in beide zaken niets gezien en derhalve niets te
-getuigen had, en dat ik in beide zaken geheel belangeloos optrad, en
-nadat ik en de officier van Justitie verklaard hadden ons
-onvoorwaardelijk aan ’s raads uitspraak te zullen onderwerpen,
-geconcludeerd: dat ik in beide zaken als pleiter zal kunnen optreden;
-maar dat, wanneer mijne getuigenis onverhoopt ingeroepen wordt, ik niet
-onder eede zal kunnen gehoord worden; omdat—let goed op die overweging,
-Willem!—het niet aan te nemen is, dat, hoewel ik verklaard heb voor
-mijne pleitbezorging geene belooning van welken aard ook genoten te
-hebben, en nimmer te zullen genieten, ik als verdediger der beklaagden
-geacht moet worden, zoo niet een dadelijk financiëel, dan toch een
-zijdelingsch moreel belang te hebben bij het vrijspreken mijner
-cliënten, en ik dus niet beschouwd kan worden als een in allen deelen
-onpartijdig getuige in den zin der wet.
-
-„Hoe vindt gij die uitspraak? Ik kom er rond voor uit: als mensch en
-jurist gesproken, in allen deelen correct! Maar, wanneer men dat
-grondbeginsel eens consequent toepaste omtrent getuigen, vooral in
-opiumprocessen, zijn dan niet alle getuigenissen van bandoelans,
-opiumjagers, kithouders, enz., altemaal geboefte van het ellendigst
-allooi, te wraken? Daar die personen deemoedig het wachtwoord van de
-opiumpachters ontvangen, en daarenboven materieel belang onder den vorm
-van premie, hen bij de wet als aandeel in de verbeurdverklaringen en op
-te leggen boeten toegekend, hebben, moeten zij dus geacht worden geen
-in allen deele onpartijdige getuigen in den zin der wet te zijn. O, aan
-onze rechtspleging, vooral ten opzichte van Inlanders bij
-opiumprocessen, ontbreekt nog veel!
-
-„De gedingen van baboe Dalima en van Setrosmito zullen door den
-landraad berecht worden. Het gebeurt weinig, dat voor die rechtbank
-gepleit wordt. Toch zal ik in laatstgenoemde zaak als verdediger
-optreden. Wat de eerste zaak betreft zal de beklaagde, wanneer zij
-mocht worden veroordeeld, in appèl komen bij den raad van Justitie te
-Santjoemeh, en dan zal het zaak zijn de verdediging met klem te voeren.
-Gij zult mij vragen: waarom die behandeling zoo? Luister, en neem
-daarbij in acht, dat ik bij Van Nerekool te rade ben gegaan, alvorens
-tot dat besluit gekomen te zijn:
-
-„Gij zult wel vernomen hebben, dat Singomengolo, de hoofdgetuige in
-beide zaken, op geheimzinnige wijze vermoord is geworden. Aanvankelijk
-meende ik, dat die gebeurtenis een gunstigen invloed op den gang dier
-gedingen zoude hebben; maar het is mij gebleken, dat de bandoelan zijne
-verklaring onder eede voor den officier van Justitie heeft afgelegd,
-zoodat zijne getuigenis in het geding aanwezig is. Zijn dood levert nu
-het groote nadeel op, dat hij niet met de beklaagden en met Lim Ho kan
-geconfronteerd worden. Ik had zoo gehoopt, dat een breede
-woordenwisseling, die ik tusschen hen zou uitgelokt hebben, het noodige
-licht zou ontstoken, en mij de gegevens in handen zoude geleverd
-hebben, om voor den vader zeer verzachtende omstandigheden ter zake van
-zijn amokhmaken aan te voeren, en om de onschuld en de mishandeling van
-de dochter te bewijzen.
-
-„Van eene andere zijde heeft mevrouw Van Gulpendam bij het voorloopig
-onderzoek voor den rechter-commissaris verklaard, dat zij van de
-afwezigheid van baboe Dalima in den bewusten nacht niets afwist, zoodat
-het vast staat in het geding, dat het Javaansche meisje met
-onbetamelijke doeleinden het residentie-erf verlaten zou hebben. Gij
-zult u nog wel herinneren, dat zij zich in den ochtend van onze
-zwijnenjacht er op beriep, dat zij verlof van de njonja en van nonna
-Anna had, waarop gij haar nog vroegt, of die dat zouden kunnen
-getuigen, en zij dat bevestigend beantwoordde. Maar juffrouw Van
-Gulpendam dan? zult ge vragen. Willem, dat is eene rare geschiedenis.
-De residentsdochter is, zooals algemeen verteld wordt, naar Karang
-Anjer vertrokken, om bij de familie Steenvlak eenigen tijd te logeeren.
-Toen nu het onderzoek in zake baboe Dalima zou plaats hebben, deelde de
-resident mede, dat zijne dochter naar Europa vertrokken was, dat zij
-daar bij eene tante, die in Zwitserland woont, zou gaan verblijf
-houden. Maar het gekste is, dat onder de passagiers van al de
-vertrokken schepen in de laatste maanden de naam van mejuffrouw Van
-Gulpendam niet voorkomt. Gij weet, hoe nieuwsgierig de goê gemeente van
-Santjoemeh is; men, gij weet wel die „men,” die alles ziet, alles
-hoort, alles verneemt, heeft dan ook alle nasporingen gedaan zonder het
-minste resultaat; terwijl de resident, wanneer een onbescheidene het
-vertrek van zijne dochter ter sprake brengt, zich met eene zekere
-luchthartigheid er van afmaakt, en een verward verhaal opdischt,
-waarbij hij te verstaan wil geven, dat zij met eene boot van Tjilatjap
-in gezelschap van een paar Engelsche dames naar Port Adelaïde zou
-vertrokken zijn, om van daar per mail naar Engeland te reizen. Niemand
-gelooft er iets van, vooral niet, omdat de resident nimmer den naam van
-die boot heeft laten ontglippen. Er zijn nieuwsgierigen geweest, die
-aan de firma Acraman Main en Cie te Adelaïde hebben getelegrafeerd,
-maar bericht hebben gekregen: „Not to have heard anything of the
-arrival of three ladies from the Dutch East-India,” (niets vernomen te
-hebben omtrent de aankomst van drie dames van Nederlandsch-Indië). Van
-Nerekool is wanhopig, dat kunt gij begrijpen. Hij is dezer dagen naar
-Karang Anjer afgereisd, om nasporingen te doen omtrent het lieve
-meisje, dat hij steeds met hart en ziel aanhangt. Hij is evenwel
-onverrichterzake teruggekeerd. Hij zal u wel schrijven, en u op de
-hoogte houden van zijne bevinding. Misschien heeft hij dat reeds
-gedaan.
-
-„De slotsom is dus, waarde Willem, dat de zaken mijner cliënten slecht
-staan. Toch geef ik den moed niet op. Ik zal het uiterste beproeven, om
-die ongelukkigen te redden. Ik heb eene reden te meer, om er mijne
-aandacht aan te wijden, en die is, dat baboe Dalima in belangwekkende
-omstandigheden verkeert, zoodat de gevolgen van de misdaad van Lim Ho
-niet uitgebleven zijn. Zal die omstandigheid in het geding te benutten
-zijn? Ik twijfel er aan. Bij totaal gebrek aan bewijzen voor die
-gepleegde misdaad, zal het ’t beste zijn, dunkt mij, die zaak zoo min
-mogelijk aan te roeren: maar de weldenkenden zullen zich moeten
-beijveren het rampzalige schepsel de behulpzame hand te reiken, wanneer
-zij uit de gevangenis ontslagen zal zijn, door de veroordeeling haars
-vaders geen te huis zal vinden, en, door de verklaring van den resident
-Van Gulpendam geschandvlekt, geen huisgezin zal aantreffen, waar hare
-diensten als baboe of bediende aanvaard zullen worden. Maar... komt
-tijd, komt raad....”
-
-Een schrijven van Grenits hield de mededeeling in van de ontvluchting
-van Ardjan en Pak Ardjan uit de gevangenis van Santjoemeh, en
-schilderde de niet geringe ontsteltenis, die deze gebeurtenis in
-officiëele kringen verwekt had.
-
-„Hoe onverschillig de resident oogenschijnlijk die ontvluchting ook
-behandelt, wanneer zij ter sprake komt,” schreef de jeugdige koopman,
-„blijft toch niet onbekend met welke zenuwachtigheid de vluchtelingen
-opgespoord zijn geworden. Ik kan u verzekeren, dat zelfs de spionnen
-van den opiumpachter in den arm zijn genomen, toen de politie in hare
-taak te kort schoot. Maar sedert Singomengolo met twee opiumhandlangers
-vermoord, maar niet beroofd zijn geworden, heerscht werkelijk angst in
-de bestuurskringen, en is zelfs gemompeld geworden, dat de
-pradjoerits-wacht aan het residentiehuis zoude verdubbeld worden. Ik
-kan dat evenwel pertinent tegenspreken. Als gewoonlijk drentelen de
-twee schildwachten voor het perron van den Grooten Heer op en neer. De
-kommandant van dat eerbiedwekkend korps civiele soldaten verzekerde mij
-zelfs, dat de patroontrommel in de wachtkamer van het residentiehuis
-niet ontzegeld is. [171] Dat is gelukkig ook; want, wanneer die
-dapperen met scherp gaan schieten, zijn zij mijns bedunkens
-gevaarlijker voor de goedgezinden dan voor de kwaadwilligen.
-
-„Maar, met dat al ben ik blij, dat de beide Javanen ontsnapt zijn.
-Hoewel niet binnen de grenzen eener goede justitie, is daardoor eene
-gruwelijke onbillijkheid verhoed. Want de vader werd door de zedelooze
-handelingen der opiumjagers tegenover zijne kinderen tot zijne
-onbezonnen daad verleid; terwijl de zoon aan de hem ten laste gelegde
-opiumsmokkelarij geheel onschuldig is, dat weet gij, zoowel als het
-geheele publiek dat weet.
-
-„Mijne zaak met van Mokesuep zal nu spoedig voor den raad van Justitie
-behandeld worden. Zij is zeer eenvoudig. Voor den officier van Justitie
-heb ik bekend, dien man twee klappen toegebracht te hebben. Die
-bekentenis wordt geschraagd, behalve door de aanklacht van den
-beleedigde, ook door de getuigenissen van Grashuis en Lim Ho. Ik heb op
-raad van Van Beneden mij op geen verschoonende omstandigheden beroepen;
-ten einde de arme Dalima niet in opspraak te brengen. Na de verklaring
-van den geneesheer, dat geene gewelddaad ten opzichte der eerbaarheid
-gepleegd werd, is de mishandeling van het slachtoffer niet rechterlijk
-te bewijzen. Toch zijn wij allen, die de varkensjacht bijwoonden, van
-de gepleegde misdaad overtuigd; maar.... maar, wanneer zal toch eens
-gerechtigheid in Indië uitgeoefend worden?....”
-
-De brief van Van Nerekool maakte op Verstork den meesten indruk, hoewel
-hij volstrekt niet onverschillig gebleven was bij de mededeelingen van
-de overige berichtgevers. De jeugdige, rechterlijke ambtenaar deelde
-het verdwijnen van Anna van Gulpendam van Santjoemeh mede en wat daarop
-gevolgd was.
-
-„Welke moeite ik mij ook gegeven heb, om haar te ontmoeten,” schreef
-hij, „alles is te vergeefs geweest. Niet alleen, dat van wege hare
-ouders alle mogelijke maatregelen getroffen waren, om eene samenkomst
-te beletten; maar Anna zelve heeft hardnekkig geweigerd mij te
-ontmoeten, toen ik mevrouw Meidema eindelijk overgehaald had mij te
-waarschuwen, wanneer zij het bezoek van het jonge meisje wachtende was.
-Zij is vertrokken, en eerst van Sapoeran kreeg ik een brief van
-haar..... maar Willem, een brief, die mij alle hoop benam.
-
-„„Gij kunt geen huwelijk aangaan,” schreef zij, „met de dochter van
-menschen, die u zulke voorstellen deden. Gij zult mij kunnen
-tegenwerpen, dat een kind niet schuldig of medeplichtig mag geacht
-worden aan de daden zijner ouders. Niets is meer waar dan dat, en ik
-gevoel mij dan ook even onbezwaard, even fier, als ik die uitdrukking
-in mijn toestand mag bezigen, als toen ik met de handelingen mijner
-ouders onbekend was. Maar.... den man steeds voor mij te zien, wien de
-noodlottige aanbiedingen gedaan werden; in teedere oogenblikken,
-wanneer wij ons in elkanders blikken zouden verloren hebben, de
-gedachte te meenen kunnen lezen in het brein van den beminden man: dat
-ik hem als prijs voorgeworpen werd voor eene daad van
-plichtsverkrachting; in zijn omgang met mijne ouders, die hij als
-welopgevoed mensch voor het oog der wereld moest, en voor mij met
-achting en deferentie zou bejegenen, op zijn gunstigst genomen slechts
-eene aalmoes aan mijne kinderlijke liefde toegeworpen, te moeten zien;
-zie, Karel, dat zou mij het leven tot eene hel maken en zijn
-weeromstuit op u niet missen.”
-
-„Willem, Willem! uit die regels klinkt zooveel wanhoop tegen, maar ligt
-daarin tevens zooveel liefde opgesloten, dat die brief mij tot den
-gelukkigsten en tevens tot den rampzaligsten mensch heeft gemaakt der
-aarde.
-
-„Ja, ik begrijp ten volle hare opvattingen omtrent het gedrag harer
-ouders; maar juist daarom wordt zij mij te meer dierbaar, als dat
-mogelijk ware. Haar edelaardig karakter treedt daarin in het volle
-licht, en dwingt onverdeelden eerbied af. Willem, hoe komt toch zoo een
-ouderenpaar aan zulk kind? Is het eene speling der natuur, dat uit de
-samenkoppeling van twee zoo bedorven geaardheden zoo’n reine en edele
-telg gesproten is? Hoe komt het, dat Anna in zoo’n midden, als waarin
-zij opgevoed werd, onbesmet gebleven is? Allemaal raadsels, die voor
-ons, die met de moedermelk de zwartgallige leer inzogen, dat de schuld
-der ouders op de kinderen verhaald wordt, onoplosbaar zijn...
-
-„Gij ziet het, Willem, alles wat ik ondervind, vermeerdert mijne liefde
-voor het reine wezen, dat ik op mijn levenspad ontmoet heb. Waartoe zal
-dat alles leiden? Dat vraag ik mij veelmalen ernstig af; maar moet
-daarbij bekennen, dat ik het antwoord nog niet gevonden heb. Ik deins
-soms voor mij zelven terug;... want ik begin veranderingen in mijn
-gemoedsleven te bespeuren, die ik ternauwernood waag te ontleden.
-Worden die veroorzaakt door de hinderpalen, welke mijn gevoel voor Anna
-ondervindt? Zouden die ook geboren zijn, wanneer mijne liefde, evenals
-bij zoovele mijner medemenschen, een ongestoord verloop had gehad? Ik
-durf daarop niet antwoorden; want het ideaal, dat ik mij vroeger van
-het huwelijksleven vormde, was zoo verschillend met hetgeen thans in
-mijn binnenste woedt, dat ik mij soms op een pijnlijken glimlach
-betrap, wanneer ik mijne droombeelden van weleer herdenk, waarin de
-vrouw meer een etherisch wezen gelijk was, dan wel eene natuurgenoote
-van vleesch en bloed, die hartstochtelijk kan zijn en hartstocht kan
-inboezemen.
-
-„Gij weet, hoe onaangevochten ik bleef ten opzichte van het sexueele
-leven. O, dat is thans heel anders! Ik voel somwijlen een orkaan in
-mijn binnenste loeien. Bij tijden stijgen brandende verlangens in mij
-op voor dat schoone en bevallige wezen, voor die zoo fiere maagd,
-welker kieschheid en reinheid haar boven alles aantrekkelijk voor mij
-maakt. Zij ontvlucht mijne liefde, en... ik verheel het niet: er zijn
-oogenblikken, dat ik niet alleen naar haar bezit haak; maar dat ik mij
-zelven de belofte afleg, dat zij de mijne zal zijn, dat ik haar wil,
-dat ik haar zal bezitten! En, dan is, helaas! in die uiting, niets
-teeders, niets sentimenteels te ontwaren; maar dan is het de
-hartstocht, die mij beheerscht, de doldriftige en zelfzuchtige
-opwelling van den onbeteugelden natuurmensch, die zich op het voorwerp,
-dat zijne genegenheid gaande maakt, gewelddadig tracht te werpen.
-
-„Na de ontvangst van dien brief heb ik aan Anna ontelbare malen
-geschreven. Ik heb haar mijne liefde andermaal beleden. Ik heb haar
-bezworen, haar hart niet voor mij te sluiten. Ik heb haar gesmeekt,
-gebeden mij hare hand te reiken. Hare ouders zouden niet eeuwig mijn
-aanzoek afwijzen. Mijne loopbaan zoude verbeteren; daarenboven, in
-mijne geldelijke omstandigheden was reeds eene gunstige verandering
-ontstaan, daar eene zuster mijner moeder mij bij haar overlijden wel
-geen aanzienlijk vermogen nagelaten had, maar toch groot genoeg, om
-onbezorgd de toekomst tegemoet te kunnen treden. Ik zou wel eene
-plaatsing als rechterlijk ambtenaar weten te verwerven, ver van de
-woonplaats harer ouders en, mocht werkelijk het verblijf in Indië haar
-ondragelijk zijn, welnu dan stelde ik haar voor, te zamen naar
-Australië te gaan. Daar zouden wij in den echt kunnen treden, en stil
-en vergeten, maar gelukkig in onze liefde, in ons samenzijn kunnen
-leven.
-
-„Dat alles schreef ik haar! O, ik schreef haar nog veel meer! Maar,
-vriend, ik bekwam geen antwoord. Mijne brieven werden mij nauwgezet
-ongeopend teruggezonden. Dat kenmerkte een vastgenomen besluit, waarvan
-zij niet wilde afwijken. Zelf deed zij de brieven in hunne enveloppen,
-en schreef er met vaste hand het adres op. O! daarin was zich niet te
-vergissen, het was hare hand.
-
-„Wat moest ik doen? Wat moest ik doen? Ik verkeerde in de grootste
-spanning. En toch kon ik door de massa werk, waarmede de raad van
-Justitie overladen is, Santjoemeh niet verlaten. O, ik was zoo gaarne
-naar Karang Anjer geijld. Mij dunkt, dat ik er in geslaagd zoude zijn,
-om Anna de toekomst minder somber te doen inzien.
-
-„Eindelijk ontving ik ook mijn laatsten brief terug. Toen ik de
-enveloppe in handen had, overviel mij reeds een soort van angst. En,
-werkelijk, het adres was van eene andere hand. Haastig scheurde ik den
-omslag open. Ja, het was alweer mijn ongeopende brief, waarbij evenwel
-een blaadje gevoegd was, waarop slechts deze weinige woorden
-voorkwamen: „Anna van Gulpendam heeft Karang Anjer verlaten.””
-
-„Gij kunt begrijpen, Willem, wat er in mijn binnenste omging. Anna
-heeft Karang Anjer verlaten! En geen enkele lettergreep daarbij, om mij
-in te lichten, waarheen het dierbare schepsel vertrokken is! Wie had
-die weinige woorden geschreven? Anna niet, dat zag ik met een
-oogopslag. Maar, wie dan? Was het eene vrouwenhand? Och, het schrift
-was regelmatig, fraai, met goed gevormde letters. Ja, dat kon! Er was
-iets zachts, iets teeders in die halen, in die lijnen. Ja, het moest
-het schrift eener vrouw zijn! Maar, van wie? Dat moest ik weten. Ik had
-rust noch duur. Ik zou en moest naar Karang Anjer. Maar, hoe weg te
-komen? Ge weet, dat de voorzitter van den raad van Justitie een vriend
-van den resident Van Gulpendam is; waaruit voortvloeit, dat van het
-verkrijgen van verlof geen sprake kon zijn. Ik vroeg dat dan ook niet,
-en gelukkig ook; want voorzeker zoude dan later op mijne gangen gelet
-zijn.
-
-„Intusschen kwam onverwacht hulp. Ik werd bedenkelijk ongesteld.
-Congesties, gepaard met koortsen, maakten mij voor iederen arbeid
-onbekwaam en, hoewel ik nog niet bedlegerig was, maakte mijn geneesheer
-zich zoodanig ongerust over de hardnekkigheid der ziekteverschijnselen,
-die voor de krachtigste medicamentatie niet wilden wijken, dat hij een
-eenigszins voortgezet verblijf in een koel bergklimaat voor mijn
-herstel noodzakelijk achtte. Gij kunt begrijpen, hoe ik te moede was,
-toen hij die uitspraak deed.
-
-„„Zoudt gij mij eenige plaats bij voorkeur aanwijzen?” vroeg ik hem zoo
-kalm mogelijk.
-
-„„Mij dunkt, Salatiga,” antwoordde hij. „Dat ligt op ruim 1800 voet.”
-
-„„Zou Wonosobo niet verkieselijker zijn?” vroeg ik onverschillig.
-
-„„Hebt gij daar eenige voorkeur voor?”
-
-„„De assistent-resident aldaar is mijn vriend,” antwoordde ik, „terwijl
-ik onder de beheerders der landbouwondernemingen in den omtrek
-verscheidene bekenden tel. Te Salatiga zou ik geheel vreemd zijn.”
-
-„„Wel, ga dan naar Wonosobo,” besliste hij. „Dat ligt nog hooger,—ik
-meen op 2200 voet,—en zal dus voor uw herstel nog meer bevorderlijk
-zijn.”
-
-Hij teekende het noodige bewijs, en.... reeds twee dagen later zat ik
-in den reiswagen, en was naar mijne bestemming op weg. Willem, gij
-weet: Wonosobo ligt op een afstand van drie en zeventig palen van
-Karang Anjer. Wat hadden die te beduiden voor mijn ongeduld? Was het de
-zekerheid, dat ik licht in de duisternis zoude erlangen? Of trad reeds
-reactie in? Zoo veel is zeker, dat ik mij als herboren gevoelde, toen
-de reis begon.
-
-„Had ik in eene andere gemoedsstemming verkeerd, dan ware die reis voor
-mij uiterst belangrijk geweest; dan zoude de streek, die ik doortrok,
-mij hebben kunnen boeien. Ik trok toch over het ruim acht duizend voet
-hooge Prahoe-gebergte, daarna over het Diëng-plateau, dat klassieke
-vulkaanstelsel, door den Duitschen natuuronderzoeker Frans Junghuhn zoo
-meesterlijk beschreven; mijn weg voerde toch verder langs den Goenoeng
-Panggonang en den Goenoeng Pakoeodja met hunne immer werkende
-solfatara’s en ziedende heetwaterwellen; langs den Telerep, dien
-verbrokkelden vulkaan, die van vroegere ontzettende uitbarstingen, wat
-krachtsbetoon betreft, ons voorstellingsvermogen tartende, getuigt;
-langs de Telågå Mendjer, dat dichterlijk kratermeer, hetwelk, diep
-ingezonken en door hooge rotswanden omgeven, een der liefelijkste
-waterbekkens vormt der geheele aarde; en verder langs de westelijke
-hellingen van den Goenoeng Sindoro, dien schoonsten en regelmatigsten
-van alle vulkanen van Java, welker horizontale kegelsnede zich op bijna
-tienduizend voet boven de oppervlakte der zee verheft; om eindelijk te
-Wonosobo aan te komen. Maar, ik had geen oogen voor al die schoonheden,
-voor al die natuurwonderen, die in den vorm van piramidale vuurbergen,
-van grillige bergruggen, van steile en hemelhooge rotswanden, van
-woestvlietende bergstroomen, van donderende watervallen, van
-verrukkelijke kratermeren, van overschoone bergvlakten, van
-schilderachtige dalen, van schrikkelijke ravijnen, van donkere
-afgronden, van eeuwenoude hoogwouden en liefelijke koffie- en
-theeplantingen mij voorbij ijlden. Ik had slechts ééne gedachte: Anna!
-en slechts één streven: zoo spoedig mogelijk aan te komen.”
-
-„„Ajo! k’sier, madjoe! madjoe!” (Komaan, koetsier, voort, voort!) was
-mijn schier onafgebroken aanmoedigingskreet tot den automédon, die toch
-al reeds zijn best deed, en zijn lange zweep met onbarmhartige
-behendigheid hanteerde.
-
-„Toen ik Wonosobo bereikte, was mijn ongeduld nog niet bevredigd. Nog
-lang niet!
-
-„De liefderijkste ontvangst en verpleging viel mij bij den
-assistent-resident van Ledok ten deel. Gij kent de familie Kleinsma; ik
-behoef dus daarover niet uit te weiden. De reis had ook den meest
-gunstigen invloed op mijn gezondheidstoestand uitgeoefend; maar, toch
-zouden ettelijke dagen noodig zijn, alvorens ik den tocht naar Karang
-Anjer mocht en kon ondernemen.
-
-„Gedurende dien tijd bracht ik mijn gastheer zoo wat op de hoogte, en
-gaf hem te kennen, dat ik, om zooveel mogelijk opspraak te voorkomen,
-bij die excursie Poerworedjo, Bagelen’s hoofdplaats, wenschte te
-vermijden.
-
-„„Drommels,”, zei Kleinsma, „dat is niet gemakkelijk. Dan moet ge over
-Kaliwiro, Ngalian, Peniron en zoo naar Karang Anjer.”
-
-„„Is dat een groote omweg?” vroeg ik hem, meenende dat de mindere
-gemakkelijkheid, waarvan hij sprak, daarop doelde.
-
-„„Volstrekt niet,” antwoordde hij. „Integendeel, die richting verkort
-den afstand ruim een derde. Maar, die route is niet per rijtuig af te
-leggen. Het wegenstelsel hier is zeer goed te noemen; maar in het
-innerlijke der residentie is het slechts te paard te berijden. Daarbij
-hebt gij een gids noodig, want die wegen kruisen elkander zoodanig, dat
-zij een waren doolhof vormen, en dat, zelfs met de meest nauwkeurige
-kaart van den topografischen dienst, verdwalen niet tot de
-onmogelijkheden zou behooren.”
-
-„Dat schrikte mij niet af, Willem. Toen ik dan ook acht dagen in dat
-gunstige klimaat doorgebracht had, en van koortsachtige aandoeningen
-niets meer te bespeuren was, ondernam ik den tocht, die niet van
-moeielijkheden ontbloot was. Wel waren de wegen uitmuntend; maar het
-ging voortdurend bergop bergaf. De eene bergnok op, om in het
-daarachter gelegen ravijn neer te dalen, en het stijgen daarna
-andermaal te beginnen. Het paard, dat Kleinsma mij bezorgd had, was een
-uitmuntend stevig Javaansch bergpaard, hetwelk, in weerwil van dat
-terrein, zijn zes palen per uur geregeld aflegde. Ging de weg
-bergopwaarts, dan nam het edele dier, zonder daartoe aangemoedigd te
-zijn, den galop aan; ging het bergafwaarts, en was de helling niet al
-te steil, dan was het steeds in draf; en in ieder ander geval in
-stevigen stap, die den meest wakkeren voetganger deed achterblijven.
-
-„Te Ngalian verwisselde ik van paard, en verkreeg op aanbeveling van
-den assistent-resident zoo mogelijk een nog beter rijdier van den
-loerah dier plaats. Zoo trok ik over het Bessergebergte, [172] over de
-uitloopers van het Midangang-, Paras- en Boetak- [173] gebergte, en
-kwam des namiddags te vier uren te Karang Anjer aan.
-
-„Helaas, Willem, al die moeite was te vergeefs! Ik zou omtrent mijne
-Anna niets vernemen. Ik zal u dat later wel mededeelen; thans ontbreekt
-mij de moed om voort te gaan.”
-
-
-
-
-
-
-
-XXIX.
-
-VAN NEREKOOL OP VERKENNING.—EENE VRIJSPRAAK.
-
-
-Ja, al die moeite van Van Nerekool was te vergeefs geweest! Toen hij te
-Karang Anjer aangekomen was, vond hij in mevrouw Steenvlak eene lieve,
-beschaafde, volbloed Nederlandsche vrouw, die hem, bij afwezigheid van
-haren echtgenoot, gastvrij, ja gul ontving; maar zich geen woord liet
-ontvallen, omtrent hetgeen van Anna van Gulpendam geworden was. Hoe de
-rechterlijke ambtenaar zijne vragen ook inkleedde, de schrandere vrouw
-wist een directe beantwoording te ontwijken en, bleef zij met hare
-lieftalligheid der wellevendheid getrouw, dan toch lieten die
-antwoorden den wanhopigen verliefde in het meest pijnlijke onzekere.
-Hoe hij ook bad en smeekte, hij vond een gewillig oor, dat hem met het
-meeste geduld en met de innemendste zachtzinnigheid aanhoorde; maar
-zijne smeekingen en beden stuitten af op het onverzettelijke van een
-genomen besluit.
-
-„Anna heeft hier bij ons eenige weken gelogeerd,” sprak zij, „en in
-dien tijd ben ik er in geslaagd, mijnheer Van Nerekool, hare vriendin,
-hare vertrouwelinge te worden. Het wanhopige meisje heeft mij alles
-beleden. Alles, hoort ge? Zoowel uw beider liefde voor elkander, als de
-oorzaken, die een onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden
-daarstellen.”
-
-„Mevrouw!” kreet van Nerekool, ontzet bij die woorden.
-
-„Ik heb het lieve kind in alles gelijk moeten geven. Neen, van een
-huwelijk tusschen u beiden kan onmogelijk iets komen, al slaagdet gij
-er ook in om de toestemming harer ouders te verwerven. Dit zou slechts
-een vreeselijk bestaan te gemoet treden zijn. Anna heeft gelijk,
-wanneer zij beweert, dat de vrouw bij een dergelijke vereeniging een
-reinen, onbevlekten naam ten huwelijk moet medebrengen....”
-
-„Maar, Mevrouw, Anna is rein,” viel haar Van Nerekool hartstochtelijk
-in de rede.
-
-„Ik spreek van haren naam, mijnheer Van Nerekool, niet van haar
-persoon. Een man moet in staat zijn steeds den naam zijner vrouw te
-kunnen noemen, en daarover niet behoeven te blozen. Hare ouders moeten
-zijne achting bezitten, en zijnen eerbied waardig zijn. Bestaat dat
-niet, dan is het leven een hel voor beide echtgenooten; voor den een,
-die steeds gedwongen zal zijn het nauwlettendste toezicht op hetgeen
-hij zegt en niet zegt te houden, dat iedere vertrouwelijkheid zoude
-verbannen; terwijl het minste ondoordachte woord den ander diep zou
-wonden, en zelfs bij de meest onschuldige uiting eene zinspeling zoude
-ontwaard worden. Een compromis in zulke omstandigheden is geheel en al
-ondenkbaar.”
-
-„Maar, Mevrouw Steenvlak, ik stelde Anna voor, om Java te verlaten, om
-naar Australië, naar Singapore of wie weet waarheen elders te gaan, om
-ons daar in den echt te laten verbinden. Daar zoude niemand den naam
-Van Gulpendam kennen, daar zouden wij voor elkander kunnen leven en
-dan, dan... geloof ik wel, zoude met de liefde, die wij voor elkander
-gevoelen, een vergeten van het ouderlijke verleden, en derhalve een
-compromis mogelijk zijn. Van mijne zijde zoude nimmer een woord mijn
-mond ontvallen, dat op gebeurde zaken zoude zinspelen. Ik zou beseffen,
-hoezeer ik haar wonden zoude; en... vergeef mij, daartoe heb ik haar te
-lief en zal ik haar immer te lief hebben.”
-
-„Daaraan twijfel ik geen enkel oogenblik, mijnheer Van Nerekool; maar
-zelfs in het betrachten van die behoedzaamheid, die zij bespeuren zou
-moeten, zou eene pijniging voor haar, en op den duur een onuitstaanbare
-dwang voor u gelegen zijn. Overigens weet ik niet, wat gij haar
-geschreven hebt. Dienaangaande heeft zij mij nimmer eenige mededeeling
-gedaan.”
-
-„Dat heeft zij ook niet kunnen doen, mevrouw; want zij zond mij steeds
-mijne brieven ongeopend terug.”
-
-„Daaraan heeft zij wel gedaan, en daardoor heeft zij zich vernieuwd
-lijden bespaard... Ieder aanzoek van u, iedere poging van uwe zijde, om
-de hinderpalen uit den weg te ruimen, kunnen niet anders dan kwetsen.”
-
-„Mevrouw!...”
-
-„Gij zegt mij, dat gij haar voorgesteld hebt naar Australië, naar
-Singapore te gaan, om daar in het huwelijk te treden, nietwaar? Hoe
-zoudt gij die reis volbracht hebben? Afzonderlijk?... Gij hebt er zelfs
-niet aan gedacht, om haar als jong meisje die reis alleen te laten
-maken! Te zamen?... Bedenk eens: hoe dat voorstel hare reine en
-fijngevoelige ziel zoude gekwetst hebben! Neen, ik ben blij, dat zij
-dien brief niet gelezen heeft.”
-
-„Maar, lieve mevrouw, wanneer ik mij nu eens bij den bestaanden
-toestand neêrlei?”
-
-„Wat bedoelt ge?”
-
-„Wanneer ik over alle hinderpalen heenstapte, en haar trots hare
-familie, ten huwelijk begeerde?...”
-
-„Ga niet voort, mijnheer Van Nerekool,” sprak mevrouw Steenvlak met
-hoogen ernst. „Ga niet voort! Trots hare familie,... dat wil zeggen:
-met alle gevolgen daaraan verbonden; met andere woorden: dat gij gereed
-zoudt zijn, die familie overal met die achting en eerbied te bejegenen,
-waarop zij door hare bloedverwantschap met uwe echtgenoote aanspraak
-zoude hebben... Gij zoudt u zoodoende verachtelijk in Anna’s oogen
-maken... Aan den eenen kant zoudt gij daardoor het afzien van uwen
-persoon gemakkelijker maken; maar van de andere zijde zoudt gij de
-rampzalige den laatsten steun in hare ballingschap ontrukt hebben. Eene
-vrouw te overtuigen, dat zij een onwaardigen hare liefde geschonken
-heeft, is wel de wreedste marteling, die men haar kan aandoen. Het
-ongeschonden beeld van hem, dien zij bemind heeft, wellicht nog bemint,
-in haar hart, veroorzaakt, in weerwil van den onoverkomelijken slagboom
-tusschen u beiden, thans reeds de grootste verzachting voor de
-vlijmende smart; zal later, naast het bewustzijn van stipt volgens
-plicht gehandeld te hebben, de voornaamste troostgrond in haar eenzaam
-leven zijn.”
-
-Karel van Nerekool had zich bij die uiteenzetting door mevrouw
-Steenvlak het gelaat met beide handen bedekt. Bij die laatste woorden
-sprong hij van zijn stoel op, trad op haar toe, en greep haar bij de
-hand.
-
-„Haar eenzaam leven? zegt gij, mevrouw. O! zeg mij, waar Anna zich
-bevindt? Misschien slaag ik er in, om haar te verteederen.... Zeg mij,
-waar zij is?”
-
-„Doe daartoe geene moeite, mijnheer Van Nerekool. Zij schonk mij haar
-vertrouwen; dat zal ik niet schenden. Zij heeft mij alle bizonderheden
-medegedeeld; zij heeft mij geraadpleegd over de door haar te volgen
-gedragslijn en ik heb haar levensplan ten volle goedgekeurd. En ik zou
-haar de volbrenging van dat plan moeielijker maken dan zij reeds is?
-Dat kunt gij van mij niet verlangen.”
-
-„Maar dat levensplan, wat is dat, wat behelst het?”
-
-„Eenvoudig, om vergeten te leven.”
-
-„Wellicht om te hu....”
-
-„Spreek dat woord niet uit, mijnheer Van Nerekool. In uwen mond is dat
-eene lastering. Gij zijt onbillijk in uw veronderstelling! Zij heeft u
-afgewezen; zij zal nimmer huwen.”
-
-„Maar, wat wil zij dan?”
-
-„Eenzaam en vergeten leven, en zoo den dood te gemoet gaan, dien zij
-hoopt, dat niet lang uitblijven zal.”
-
-„Zij is toch niet ongesteld?” vroeg hij verschrikt.
-
-„Neen, maar dergelijke schokken zijn toch wel geschikt om de gezondheid
-van een jong meisje te verwoesten, en haar leven te verkorten.”
-
-„Mevrouw, gij beangstigt mij.”
-
-„Ik deel u de waarheid mede.”
-
-„O, zeg mij, waar zij is?”
-
-„Nooit!”
-
-„Is zij op Java, is zij in Indië?”
-
-„Ik zeg niets.”
-
-„Is zij naar Europa?... O, ik smeek u, verlos mij uit die wreede
-onzekerheid.”
-
-„Ik zeg niets; hoort ge: niets, mijnheer van Nerekool!”
-
-„Zijt gij dan niet te vermurwen, mevrouw Steenvlak?”
-
-„Ik ben getrouw aan het eens gegeven woord. Daarenboven...”
-
-„Maar, mevrouw, heb medelijden met mijn toestand....” viel Van Nerekool
-in.
-
-„Daarenboven”, ging mevrouw Steenvlak voort, „ik heb de overtuiging,
-dat, door te handelen, zooals ik doe, ik vele rampen voorkom.”
-
-„O, onverbiddelijk! Onverbiddelijk!” riep de jonge man wanhopig,
-terwijl hij de woning uitstoof.
-
-Hij bleef nog een paar dagen te Karang Anjer, en nam zijn intrek bij
-den regent, bij wien hij de gulste gastvrijheid ondervond. Hij poogde
-dien Inlandschen hoofdambtenaar uit te hooren. Ja, die kende nonna Anna
-wel. Menigmaal toch had zij met de njonja van den Kandjèng toean
-bezoeken bij de radhen ajoe [174] afgelegd. Maar, zij was vertrokken,
-zonder dat zij bij haar afscheidsbezoek medegedeeld had, werwaarts zij
-reizen zou. Hij en zijne vrouw hadden gedacht, dat zij naar Santjoemeh
-teruggekeerd was.
-
-De rampzalige verliefde doolde in den omtrek rond, informeerde bij de
-loerah’s der omliggende dèsa’s, trachtte berichten in te winnen bij den
-mandoor (opziener) van de paardenposterij [175]; maar nergens, nergens
-ontving hij eenige aanduiding, die hem op het spoor kon brengen. Of de
-menschen wisten niets, òf zij gehoorzaamden aan een gegeven wachtwoord,
-en wilden niets zeggen. Dat laatste was volgens hem het meest
-waarschijnlijke, daar hem bij de paardenposterij verzekerd werd, dat
-men niet wist, dat de „nonna menoempang” (juffrouw logé) vertrokken
-was.
-
-Bij zijne omzwervingen ging hij bij ettelijke gardoe’s [176] aanzitten
-en herhaalde alweer zijn vraag of niemand wist, waarheen de „nonna
-menoempang” vertrokken was, maar kreeg onverbiddelijk ten antwoord:
-„Botten, ndårå!” (neen, mijnheer).
-
-In arrenmoede vertrok hij van Karang Anjer naar Tjilatjap. Hij wilde
-onderzoeken, wat er van het praatje aan was, dat de resident Van
-Gulpendam behendig verspreid had, als zoude zijne dochter naar Port
-Adelaïde gereisd zijn. Gelukkig bezat de regent van Karang Anjer een
-reiswagen, dien hij den rechterlijken ambtenaar volgaarne leende;
-anders had deze de twee en vijftig palen, die hem van die havenplaats
-scheidden, te paard moeten afleggen, hetgeen bij zijne zwaarmoedige
-gemoedsstemming niet gunstig op zijn gezondheidstoestand zoude gewerkt
-hebben. De weg van Karang Anjer naar Tjilatjap voert toch door eene
-vlakte, die met het peil der zee bij vloed weinig verschilt; en, waar
-hij nog dwars over eenige heuvelenrijen slingert, stellen die laatsten
-door hare afhelling van noord naar zuid, in weerwil van hare nabijheid
-van den Indischen Oceaan, aan het geregeld doorkomen van land- en
-zeewind een hinderpaal daar, en maken de temperatuur nog drukkender.
-
-Maar ook in die havenplaats was niets te vernemen. Noch de
-assistent-resident, noch de havenmeester, noch de agent van de Indische
-stoomvaartmaatschappij, noch eenig ander cargadoor, wisten van een
-vertrek van een jong meisje naar Australië of naar elders af. In
-maanden had geen vreemd stoomschip die havenplaats aangedaan, en de
-booten van de Indische stoomvaartmaatschappij, welke Australië
-bezochten, koersten niet langs Java’s Zuidkust, maar langs de
-Noordkust, om door Straat Bali den Indischen Oceaan binnen te stoomen.
-Het verhaal dan ook, van die twee dames, onder wier geleide Anna
-vertrokken zoude zijn, door Van Gulpendam geleverd, kon geheel en al
-als een verzinsel beschouwd worden.
-
-Eindelijk keerde Karel van Nerekool over Bandjar Negara naar Wonosobo
-terug. Daar verbleef hij slechts nog veertien dagen en vertrok toen,
-dewijl zijn gezondheidstoestand onder den invloed van dat overheerlijk
-luchtgestel daar aanmerkelijk verbeterd was, naar Santjoemeh, alwaar
-hij zoowel door August van Beneden en Leendert Grashuis, als door
-Theodoor Grenits en Eduard van Rheijn ontvangen en verwelkomd werd.
-
-„En?....” was de algemeene vraag, toen de vrienden den lichamelijken
-welstand van Karel van Nerekool geconstateerd hadden. „En...?”
-
-Klaarblijkelijk doelden zij op het doel zijner nasporingen. Het
-wenschen en verlangen, het trachten en pogen van den
-gemeenschappelijken vriend was toch geen geheim voor hen gebleven.
-
-„Niets!” antwoordde Van Nerekool met een diepen zucht. „Zelfs geen
-spoor!”
-
-„Ik ben ook niet geslaagd,” sprak Grenits.
-
-„Gij ook niet?” vroeg Karel.
-
-„Ik heb mij tot de geheele handelswereld van Nederlandsch-Indië
-gewend,” antwoordde de jeugdige koopman, „maar van alle zijden luidden
-de berichten, dat geen jong meisje, hetwelk ook maar eenigermate aan de
-beschrijving, die ik gaf, voldeed, van de respectieve plaatsen
-vertrokken is.”
-
-„Zoodat, volgens uw gevoelen?...” vroeg Karel.
-
-„Zoodat, volgens mijn gevoelen juffrouw Van Gulpendam Java niet
-verlaten heeft.”
-
-„Maar, waar zou zij dan toch kunnen zijn?” vroeg Van Rheijn.
-
-„Ja, dat weet God!” zuchtte Van Nerekool.
-
-„En hare ouders,” meende Leendert Grashuis. „Het zou toch niet aan te
-nemen zijn, dat een jong, minderjarig meisje ergens heen getrokken is,
-zonder medeweten van vader en moeder.”
-
-„Daarenboven de resident Van Gulpendam is geen papa om meê te
-gekscheren,” zei Van Rheijn.
-
-„Toch vrienden, meen ik, dat noch de resident, noch zijne echtgenoot
-weten, waar Anna is,” antwoordde Van Nerekool.
-
-En daarop verhaalde hij zijn gesprek met mevrouw Steenvlak tot in de
-kleinste bizonderheden aan zijne getrouwen.
-
-„Alleen die vrouw zou inlichting kunnen geven; maar zij wil niet!” zoo
-eindigde hij de mededeeling.
-
-„Dan dient in de omstreken van Karang Anjer gezocht te worden,” meende
-Van Beneden.
-
-„Dat heb ik gedaan; ik heb de geheele streek doorkruist, ik heb een
-ieder ondervraagd, dien ik maar gissen kon, dat inlichtingen zou kunnen
-geven. Alles, alles te vergeefs!”
-
-„Dan, Karel, dient ge de oplossing van dat raadsel aan den tijd over te
-laten,” sprak Grashuis.
-
-„Aan den tijd!” zuchtte Van Nerekool. „Het moet wel! Maar, vrienden, ik
-gevoel mij diep ongelukkig.”
-
-„Gij zult afleiding in uwe bezigheden vinden,” zei Van Beneden. „De
-zaken bij den raad van Justitie zijn sedert uw vertrek niet
-verminderd.”
-
-„Dan maar aan den arbeid!” sprak Karel. „God geve, dat hij die
-uitwerking moge hebben, dien gij voorspelt, August.”
-
-„Dat brengt mij in herinnering, dat ik morgen voor dien raad moet
-verschijnen,” zei Grenits.
-
-„Gij?”
-
-„Ja, in zake Mokesuep.”
-
-„O ja, die paar oorvijgen, die gij dien aterling toegediend hebt.”
-
-„Een achttal dagen brommen, vriend Theodoor,” zei Van Beneden. „Nu, dat
-is zoo erg niet.”
-
-
-
-August van Beneden had zich niet erg vergist. Grenits werd door den
-raad van Justitie tot tien dagen gevangenisstraf en eene boete van ƒ 25
-veroordeeld, wegens het toebrengen van slagen, die noch ziekte noch
-ongesteldheid hadden veroorzaakt, maar die toegebracht waren aan
-iemand, ter zake zijner afgelegde getuigenis in eene opiumsmokkelzaak,
-waarbij evenwel de verontwaardiging van den beschuldigde in aanmerking
-genomen was, over de onkiesche handelingen, die bij de visitatie aan
-den lijve van een meisje door de opiumpolitie gepleegd waren, en
-waarbij de klager Mokesuep tegenwoordig geweest was, zonder haar in
-bescherming te nemen.
-
-Toen het vonnis, hetwelk door een groot publiek aangehoord werd,
-uitgesproken was, staken alle handen zich naar Theodoor Grenits uit:
-terwijl een ieder zich van Mokesuep afwendde en hem ontweek, als ware
-hij een giftig kruipend gedierte geweest. In de openbare meening was de
-gevonnisde de geschandvlekte niet.
-
-Weinige dagen later nam de landraad van Santjoemeh zitting in zake van
-baboe Dalima, beschuldigd van opiumsmokkelarij. Ten heftigste ontkende
-het Javaansche meisje, dat opium bij haar gevonden was, en beweerde
-zelfs, dat niemand naar sluikwaar bij haar gezocht had.
-
-Zij gaf een ongekunsteld verhaal van het gebeurde, dat, zoowel door de
-getuigenis van mevrouw Van Gulpendam als door die van Mokesuep
-weersproken werd. Eerstgenoemde toch had eene schriftelijke verklaring
-afgegeven, waarin zij getuigde, dat de baboe geen permissie had, om den
-nacht buitenshuis door te brengen; maar wel om den volgenden ochtend
-naar Kaligaweh te gaan, waarbij zij nog mededeelde, dat zij haar eene
-voldoende taak van naaiwerk opgelegd had, die afgemaakt moest zijn,
-alvorens te kunnen vertrekken. Mokesuep stak beide vingeren op en
-bezwoer, dat het geheele verhaal van het meisje een verzinsel was; dat
-zij zich wel is waar tegen eene visitatie aan den lijve hevig verzet
-had, dat zij zelfs den Chinees Lim Ho, die gepoogd had hare handen vast
-te houden, in het oor gebeten had, en dat bij de worsteling haar baadje
-gescheurd en haar sarong losgerukt was, en zij daarbij eenige
-onbeduidende krabben op de dijen en beenen bekomen had; maar dat van
-eene mishandeling, als waarvan zij Lim Ho beschuldigde, geen sprake kon
-zijn. Ook het visum repertum van den eerstaanwezenden officier van
-gezondheid ontkende de misdaad, waarover het meisje zich beklaagde, en
-constateerde alleen een viertal ontvellingen, die tot eenig
-bloedverlies aanleiding hadden kunnen geven. Waarlijk, de
-demoraliseerende invloed van den pachter was wel waarneembaar bij de
-getuigen, en hoe gewetensvol de nieuwe landraads-voorzitter, die Mr.
-Zuidhoorn vervangen had, ook was, zoo had hij zich genoodzaakt gezien,
-van eene vervolging betreffende de misdaad, waarover baboe Dalima
-klaagde, wegens gebrek aan bewijzen af te zien.
-
-Bleef dus de beschuldiging tegen haar, van opium gesmokkeld te hebben,
-over.
-
-Ja, de verklaring van den overleden bandoelan Singomengolo was stellig.
-Hij had een doosje, met tjandoe gevuld, onder den buikband, die den
-sarong om haar middel sloot, tusschen de plooien van genoemd
-kleedingstuk gevonden. Dat doosje was door de zorgen van den controleur
-Verstork behoorlijk verzegeld geworden; en door de commissie van weging
-en keuring was bevonden geworden, dat het inhield: achtentwintig mata’s
-bereide opium, die er ruw en zwart uitzag, (roepanja kasar dan hitam)
-en een zuren reuk (bahoenja ketjoet) [177] had, en derhalve beschouwd
-werd, als niet afkomstig te zijn van den opiumpachter. Toen evenwel het
-bedoelde doosje, dat in judicio aanwezig was, aan Mokesuep en Lim Ho
-vertoond werd, aarzelde laatstgenoemde een poos, maar eindigde toch met
-de verklaring af te leggen, dat hij bij de worsteling niet opgemerkt
-had, dat Singomengolo het aangeduide doosje had gevonden, daar hij te
-veel pijn aan zijn oor had, en zich onledig hield met dat gekwetste
-deel te verbinden; dat hij dat doosje eerst gezien had, toen de
-bandoelan het aan den controleur Versterk overhandigde.
-
-Zoo men ziet, was alle gevoel bij dien vrouwenschender nog niet
-geweken. Maar, hoe geheel anders was het met Mokesuep, den ellendigen
-fiscalen ambtenaar gesteld. Toen die voor de balie getreden was, om
-getuigenis der waarheid te geven, verklaarde hij met een zekeren ophef,
-dat hij den bandoelan het doosje had zien te voorschijn brengen, en
-trad daarbij zelfs in zulke bizonderheden bij de plastische
-beschrijving van de bewegingen van het meisje, dat de aanwezigen er van
-walgden, en niet onduidelijk een gemompel van afkeuring lieten hooren.
-De voorzitter zag zich dan ook genoodzaakt hem aan te manen, zich stipt
-bij de zaak te houden, daar dergelijke uitweidingen overbodig geacht
-moesten worden.
-
-De eisch van den hoofddjaksa, die als openbare aanklager optrad, was
-dan ook schuldigverklaring van de beklaagde, en veroordeeling tot eene
-straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor
-den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in
-overtreding bevonden [178].
-
-Tegenover dat requisitoir wees August van Beneden er evenwel op, dat
-het in judicio aanwezige doosje volmaakt geleek op dat, hetwelk ook
-door denzelfden bandoelan bij Setrosmito, den vader van baboe Dalima,
-zou aangehaald zijn. Hij constateerde, dat bij Singomengolo, na diens
-vermoording een aantal doosjes gevonden waren, die geheel en al met die
-twee overeenkwamen. Hij legde eene authentieke verklaring over van den
-koperslager, van wien de bandoelan de bedoelde doosjes, twaalf in
-getal, voor eene som van zeven gulden gekocht had, en stond bij dit
-punt stil, vooral om de listige streken van de opiumjagers in
-herinnering te brengen, aangewend om de beklaagden aan overtreding
-schuldig te doen verklaren [179]. Ten slotte viel hij het
-proces-verbaal van keuring van de in het doosje aanwezige opium aan, en
-verwierp dat stuk als zonder bewijskracht in rechten, daar het
-afgegeven was door Chineezen, daarenboven geen scheikundigen, die
-slechts op de kleur, op den reuk en op het gevoel van het product waren
-afgegaan, om tot de slotsom te geraken, dat het niet afkomstig was van
-den opiumpachter, daarbij aantoonende, dat die pachters in den regel de
-grootste opiumsmokkelaars zijn, wier ellendig mengelmoes voortdurend
-verschilt, en gerust de meest eminente scheikundige getart kan worden
-eene volmaakte gelijkheid van twee verschillende kooksels, afkomstig
-van denzelfden pachter [180] aan te toonen.
-
-De overwinning, door den jeugdigen pleitbezorger behaald, was volkomen.
-De landraad van Santjoemeh rechtdoende, verklaarde, dat het aan baboe
-Dalima ten laste gelegde feit rechtens niet was bewezen, sprak haar
-mitsdien daarvan vrij, en gelastte hare onverwijlde in vrijheidstelling
-met verwijzing van den lande in de kosten.
-
-Een daverend hoerah begroette die uitspraak, en het publiek werd zoo
-uitbundig in zijne uitingen, dat de voorzitter tot stilte moest doen
-aanmanen. Toen Mokesuep de zaal verliet, vielen hem slechts blikken en
-gebaren van diepe verachting ten deel; terwijl gesis en gefluit hem
-begroette, toen hij in zijn rijtuig stapte, en wegreed. Blijkbaar was
-men geheel en al op de hoogte van hetgeen in de hut bij den Djoerang
-Pringapoes was voorgevallen, en was een ieder bekend met de walgelijke
-rol, waartoe de fiscale ambtenaar zich geleend had.
-
-Toen de zitting afgeloopen was, omringde een talrijk publiek het zoo
-ongelukkige Javaansche meisje. Helaas, haar toestand was niet meer voor
-het oog te bemantelen. Ware het onderzoek naar het vaderschap
-toegelaten in rechten, dan voorzeker zoude de procedure voor Lim Ho een
-anderen afloop gehad hebben. In weerwil daarvan omringde haar thans een
-talrijke menigte, die van de innigste deelneming deed blijken. Een
-ieder had een gelukwensch over den afloop van het proces, een woord van
-troost, een woord van aanmoediging voor haar. Ook Grenits, Van
-Nerekool, Van Rheijn, Grashuis en Van Beneden verdrongen zich om het
-arme schepsel, dat bij zooveel bewijzen van deelneming zich bewogen
-gevoelde; maar toch tranen stortte bij de gedachte aan hare verwoeste
-jeugd. Van Nerekool stelde Dalima voor, haar bij een bedaagd echtpaar
-te brengen, waar zij al hare diensten aan de dame des huizes zou kunnen
-wijden, en de liefderijkste verpleging zou ondervinden. Zij bedankte
-den „toean rakker” hartelijk voor zijn aanbod en verklaarde bij hare
-moeder haren intrek te willen nemen tot na hare bevalling. Als echt
-natuurkind sprak zij die laatste woorden, zonder schroom en zonder
-valsche schaamte. Zij nam evenwel de gelegenheid te baat, om eenig
-bericht omtrent nonna Anna in te winnen. Helaas, Karel van Nerekool kon
-haar niet anders mededeelen, dan dat hare meesteres naar Karang Anjer
-vertrokken, en daarna spoorloos verdwenen was.
-
-„Karang Anjer, di mana?” (Karang Anjer, waar ligt dat) vroeg zij
-nadenkend.
-
-Van Nerekool gaf haar de noodige aanwijzing, en vervoegde zich daarna
-bij zijne vrienden, die door Grenits verzocht waren, om een glas op den
-goeden afloop van het proces te drinken. Wel was het niet vroeg meer,
-en drukten de schier loodrecht vallende zonnestralen zwaar. De paarden
-der rijtuigen van onze bekenden waren evenwel vurig, en in weinig tijds
-was de woning van den jeugdigen koopman bereikt.
-
-Binnenstormende, riep deze zijn bediende met alle haast:
-
-„Sidin! Sidin! lakas! kassi anggoer poeff!” (Sidin! gauw! geef
-Champagne!)
-
-En weldra zat het vijftal met een kelk schuimende Veuve Cliquot in de
-hand, en bracht August van Beneden zijn welgemeende gelukwenschen toe.
-
-Toen de opgewondenheid over het behaalde succes eenigszins bedaard was,
-en de loop van het geding overzien werd, kon een gevoel van
-teleurstelling niet bedwongen worden.
-
-„Is het niet om aan de toekomst van ons schoon Indië te moeten
-wanhopen, dat wij in zoo’n zaak ons nog met dien afloop moeten
-gelukwenschen!” sprak Grashuis. „Iedereen, zelfs de leden van den
-landraad zijn overtuigd, dat de arme Dalima het slachtoffer geweest is
-van de snoodste misdaad, en niet alleen is de misdadiger ongestraft
-gebleven, maar de beste krachten moesten ingespannen worden, om de
-onschuldige voor een strafvonnis te beveiligen. Zou zoo iets in
-Nederland mogelijk zijn? Wat is er toch rots in den toestand hier?”
-
-„Wat er rots is in den maatschappelijken toestand hier?” vroeg Grenits.
-„Dat is de opiumpacht, die alles overheerscht, alles demoraliseert! Gij
-hebt de akte van beschuldiging van den hoofddjaksa gehoord. Hoe zat dat
-stuk slim in elkander, en hoe sloeg het merkwaardig juist met het
-bevelschrift van den resident tot terechtstelling van de arme Dalima!
-Hoe behendig waren alle getuigen, die ten voordeele van haar konden
-verklaren, geëcarteerd: Verstork naar Atjeh, juffrouw Van Gulpendam
-niet te vinden; terwijl Mokesuep tegenwoordig was.”
-
-„Die ellendeling!” bromde van Rheijn.
-
-„Zonder onzen August”, ging Theodoor Grenits voort, „zoude, evenals
-zooveel andere beklaagden voor opium-overtredingen, het mishandelde
-meisje veroordeeld zijn. Gij vraagt, Leendert, of zoo iets in Nederland
-mogelijk zou zijn. Ik matig mij geen oordeel aan, over hetgeen daar
-mogelijk of onmogelijk is; maar vergeet niet, dat de opium-politiek van
-daar uitgaat; dat telken jare het opium-middel ettelijke millioenen
-hooger geraamd wordt, waardoor de opium-hartstocht al hooger en hooger
-opgezweept wordt, en waardoor regeering en ambtenaren hier genoodzaakt
-zijn de opium-pachters bij hun ellendig bedrijf en zijnen noodlottigen
-nasleep te schragen. Is het niet om zich van schaamte te verbergen, tot
-eene natie te behooren, die ter wille van ellendige geldzucht, ter
-wille van meedoogenloos schrapen, zulke toestanden niet alleen gedoogt,
-maar in het leven roept, en met de meest angstvallige zorgvuldigheid
-kweekt?”
-
-Allen zuchtten. In die woorden lag niets dan waarheid.
-
-„Is het de natie wel, die de schuld aangewreven moet worden? Is het de
-regeering niet, die dat alles verordent?” vroeg Van Rheijn.
-
-„Eene natie heeft slechts de regeering, die zij verdient!” [181]
-antwoordde Grenits heftig. „Ja, de regeering handelt en verordent; maar
-de natie ziet toe, en.... heeft nog eene loftuiting voor den minister
-over, wanneer deze op de meest cynische wijze verklaart, dat hij er
-uithaalt, wat er uit te halen is. Het is of de Nederlandsche natie eene
-natie geworden is die, òf hare viriliteit verloren heeft, òf het
-idiotisme zeer nabij is! Voor de koloniën geen oog, geen hart;
-slechts... ééne gedachte: de minister balanceert zijne begrooting
-alleraardigst! En deze van zijn succes zeker, veroorlooft zich in de
-Vertegenwoordiging bons mots, die een gewoon mensch in een bierknijp
-niet zoude durven gebruiken; maar vindt daarvoor nog dankbaren in en
-buiten de wetgevende collegiën, welke die geestigheden uiterst leuk
-vinden.” [182]
-
-Gelukkig kwam Sidin binnen en deed door zijn verschijnen, wat de
-anderen niet te doen vermochten, namelijk: de verontwaardiging van den
-jongen koopman te stuiten. De Javaan had twee groote brieven in de
-hand, en reikte die aan zijn meester over.
-
-„Drommels, twee officiëele stukken!” zei Van Rheijn.
-
-„Een weddingschap, dat daar het bevelschrift is, om je naar Z. M.
-boeien te begeven!”
-
-Grenits antwoordde niet, maar brak een der missives open.
-
-„Eene gewone huwelijks-aankondiging!” zei hij.... „Maar, van wien?”
-
-En het papier inziende:
-
-„Drommels, dat’s aardig”, zei hij. „Vrienden luistert:
-
-„Mijnheer en mevrouw Lim Yang Bing en mijnheer en mevrouw Ngow Ming
-Than hebben de eer kennis te geven van het voorgenomen huwelijk van den
-heer Lim Ho, den zoon van eerstgenoemden, met mejuffrouw Ngow Ming Nio,
-dochter van laatstgenoemden. De plechtigheid en de daaropvolgende
-receptie zal plaats hebben op den 3den September a. s. ten huize van
-den heer Lim Yang Bing te Santjoemeh in Gang Pinggir.”
-
-„Warm van de plank,” zei Grenits met een bitteren glimlach. „Het proces
-van Dalima is ternauwernood uitgewezen.”
-
-„De plechtigheid van zoo’n Chineesch huwelijk moet toch curieus zijn,”
-viel van Rheijn in. „Wij gaan er toch heen, nietwaar?”
-
-„Mij wel, dat gij gaat,” sprak Van Nerekool, „als gij mij maar te huis
-laat. Het zou mij onmogelijk zijn dien ellendigen Lim Ho eene hand te
-reiken, en hem de gebruikelijke gelukwenschen aan te bieden.”
-
-„Kom,” zei Grashuis, „bij de groote menigte, die tegenwoordig zal zijn,
-zal wel gelegenheid wezen om die plichtpleging ongemerkt achterwege te
-laten. Wie zal zoo iets opmerken?”
-
-„Alweêr: des accommodements avec le ciel”, antwoordde Grenits lachende.
-„Maar laat mij inzien, wat de tweede brief behelst.... Waarachtig,
-Eduard zou zijne weddingschap gewonnen hebben! Ik moet mij overmorgen
-ochtend ten negen uur aanmelden bij den cipier, om de mij opgelegde
-gevangenisstraf gedurende tien achtereenvolgende dagen te ondergaan.”
-
-Allen zaten een oogenblik stil daar neer. Hoezeer het gedrag van
-Grenits te verdedigen, ja de uiting van een ridderlijk gemoed te noemen
-was geweest, zoo wierp het denkbeeld, tot gevangenisstraf verwezen te
-zijn, een kil waas over die jonge mannen, die overigens enkel
-levenslust ademden. De veroordeelde zelf was de eerste om de sombere
-gedachten van zich te werpen.
-
-„Gij zult mij voor verveling behoeden, nietwaar vrienden?”
-
-„Ik heb een prachtigen roman van Ebers, Serapis, nieuw uitgekomen, dien
-zal ik je zenden.” [183]
-
-„Ik zal mijn pianino naar de „cipieran” (gevangenis) laten brengen, dan
-kun je naar hartelust tokkelen.”
-
-„En wij zullen je zoo dikwijls gezelschap komen houden, als zulks
-mogelijk zal zijn.”
-
-„Juist vrienden, dat zal nog het beste zijn.”
-
-„En dan breng ik mijne viool mede.”
-
-„En ik mijn fluit.”
-
-„En dan laten wij de geheele cipieran une sarabande de condamnés
-uitvoeren,” gilde Grenits bij voorbaat van de pret.
-
-„Wij zouden behalve die sarabande nog wat beters kunnen uitvoeren,”
-viel Van Beneden in.
-
-„Wat dan?” vroegen allen.
-
-„Herinnert gij u nog, dat ik, toen wij onder den Wariengienboom op de
-aloon-aloon van Kaligaweh gezeten waren, het plan opperde, om eene
-proef te nemen met het opiumschuiven, ten einde de uitwerking daarvan
-te ondervinden? Welnu, wij zouden het plan ten uitvoer kunnen brengen,
-b. v. aanstaanden Zondag.”
-
-„Aangenomen, aangenomen!” was aller kreet.
-
-„Maar wie zal voor de madat en voor de bedoedan zorgen?” vroeg
-Grashuis.
-
-„Dat heb ik op mij genomen,” antwoordde Van Rheijn. „Weest zonder
-zorgen. Dat alles zal gereed zijn.”
-
-„Dat is dus afgesproken, nietwaar heeren?”
-
-Toen allen hunne instemming met een handdruk bezegeld hadden, ging de
-vergadering uit elkander.
-
-
-
-
-
-
-
-XXX.
-
-BABOE DALIMA NAAR KARANG ANJER.
-
-
-Op het hobbelige bergpad, dat tusschen de vulkanen Soembieng en Sindoro
-doorslingert, stapte weinige dagen later Dalima met onbezweken en
-veerkrachtigen pas voorwaarts. Het Javaansche meisje was eenvoudig in
-sarong en kabaja gekleed, waarbij evenwel hare gewone netheid en
-zindelijkheid niet onopgemerkt bleven. Over haren schouder droeg zij
-een „boengkoesan”, een pakje, dat in haren slendang gebonden was, en
-waarschijnlijk eenige schamele kleedingstukken bevatte. Wat ook nog
-opmerking verdiende, was: dat zij niet blootvoets, maar met een soort
-sandalen geschoeid was, waarmee zij goed overweg scheen te kunnen.
-
-Dat alles wees er op, dat het meisje eene verre reis wilde afleggen, en
-haar uiterlijk duidde er op, dat zij reeds een aardig eind wegs achter
-den rug had.
-
-Hoe kwam zij hier op dit punt, waar wij haar ontmoeten, en dat zoo ver
-van Kaligaweh verwijderd lag? En, wat was het doel van hare reis?
-
-Wij hebben reeds gehoord, met hoeveel belangstelling zij berichten
-inwon omtrent nonna Anna. Toen zij vernam, dat hare jeugdige meesteres
-naar Karang Anjer gegaan, en daarna spoorloos verdwenen was, werd haar
-oorspronkelijk brein werkzaam, en ontkiemde bij haar het plan, om van
-haren kant nasporingen in het werk te stellen. Zij had, hoewel weinig
-begrip hebbende van de maatschappelijke verhoudingen der Europeanen,
-zoo’n gevoel, dat de lieve Nana rampzalig ongelukkig was, en besefte,
-dat het arme kind behoefte had aan eene gezellin, aan een vertrouwd en
-getrouw liefderijk wezen, die haar hare ramp zou helpen dragen. Maar...
-Karang Anjer lag zoo ver, zoo onmetelijk ver in haar oog. Daar ginds
-niet ver van de groote zee, in de nabijheid van het gebied van Ratoe
-Lårå Kidoel [184], hadden haar hare dèsagenooten verteld! Maar dat
-schrikte haar niet af. Zij zou moedig de reis aanvaarden, en koen
-voorttreden, al voerde de weg ook, zooals haar verzekerd werd, langs
-brullende „kawah’s” (solfatara’s), langs brandende „mer-api’s” [185],
-langs duizelingwekkende „djoerang’s” (ravijnen), door eenzame „oetan’s”
-(bosschen). Zij zou slechts bij dag reizen, dan had zij van wild
-gedierte niets te vreezen. En zij was niet bang voor slecht volk; want,
-wat zou bij haar vermoed kunnen worden? Zij zag er zoo armoedig uit,
-dat niemand op de gedachte zou kunnen komen, dat bij haar wat te rooven
-viel. En toch bezat zij een schat, een schat, dien zij angstvallig
-bewaard had, en die zij nu ook in een slip van een baadje geknoopt had,
-en nu in het pakje, dat zij droeg, medevoerde. Van tijd tot tijd had
-nonna Anna haar toch eenig geld in de gevangenis te Santjoemeh bezorgd.
-Ook August van Beneden en Karel van Nerekool hadden zich beijverd, het
-arme Javaansche meisje wat toe te reiken, wanneer zij haar in de
-cipieran opzochten, om inlichtingen omtrent het gebeurde in te winnen.
-Zij had dat dankbaar aangenomen en zorgvuldig opgespaard; want zij
-dacht aan de toekomst. En, zoo was zij thans bezitster van ruim veertig
-guldens, die zij, alvorens te vertrekken, tegen „katip’s” (dubbeltjes)
-en „tali’s” (kwartjes) had gewisseld, om onderweg geen „roepiah’s”
-(guldens) en „ringgiets” (rijksdaalders) behoeven te laten zien,
-hetgeen wellicht begeerlijkheid zou kunnen opwekken.
-
-Dat geld had het meest hare gedachten bezig gehouden, en haar wel een
-oogenblik doen aarzelen om die groote reis te ondernemen. Zij had dat
-toch bespaard om de onkosten te bestrijden, die hare bevalling
-noodzakelijk zoude veroorzaken. Er zou toch een „doekoen” (vroedvrouw)
-noodig zijn, medicijnen zouden aangeschaft moeten worden. Haar kindje
-zou ook een „klamboe” (bedgordijnen) behoeven, om het te beveiligen
-voor de muskieten. Zoo iets was wel geen gewoonte in de dèsa; maar zij
-had toch bij de familie Van Gulpendam gezien, hoe rustig sienjo Leo
-daarachter had liggen slapen. Zeker, haar kindje zou ook zoo’n klamboe
-gekregen hebben! Daarenboven, èn eenigen tijd vóór, èn eenigen tijd nà
-hare bevalling zou zij niet kunnen werken. Toch zou zij moeten eten;
-want zij mocht hare moeder niet ten laste komen, die toch reeds zooveel
-zorgen had met hare broertjes en zusjes, nu haar vader Setrosmito nog
-steeds in de gevangenis zat. Ja, dat geld was haar dierbaar, aan dat
-geld was zij gehecht; want zij begreep, hoe jeugdig zij ook was, dat de
-nood hoog zou kunnen stijgen... Maar, al die overwegingen verdwenen, nu
-het hare Nana gold! Neen, zij mocht niet aarzelen! Maar... de toestand,
-waarin zij zich bevond? Zou die geen moeielijkheden in den weg stellen?
-Daaraan dacht zij zelfs niet. Eene bevalling heeft voor een Javaansche
-vrouw, dank zij hare onbekendheid met het noodlottige corset harer
-noordsche zusteren, niets angstverwekkends, en wordt beschouwd als een
-verrichting, waaraan de natuur geene bizondere hinderpalen in den weg
-gelegd heeft. [186] Daarenboven het tijdstip harer verlossing was nog
-veraf. Zij had nog ruim vier maanden voor zich. En zou dan hare taak
-niet volbracht zijn, zou zij dan hare meesteres niet gevonden hebben,
-of zou zij die dan nog niet kunnen verlaten;.... welnu, zij kende de
-liefderijke goedhartigheid harer landgenooten. Zij wist, dat haar
-toestand haar in het oog van niemand zou onteeren, al kon zij niet aan
-iedereen gaan vertellen, op welke noodlottige wijze zij daarin geraakt
-was. Zij wist, dat zij in dien grooten nood wel een beschermend dak zou
-vinden, dat zelfs de meest behoeftige haar de behulpzame hand zou
-bieden, en zijn schamel rantsoen rijst met haar zou deelen. Neen, al
-had zij aan haren toestand gedacht, dan zou zij daarin geen beletsel
-gevonden hebben om haar plan ten uitvoer te leggen.
-
-Wel had ’Mbok Karjå, de walgelijke handlangster van mevrouw van
-Gulpendam, misschien wel op aanraden van deze, het meisje te Kaligaweh
-opgezocht, en haar iets van „obat mentellang” [187] in het oor
-gefluisterd. Eerst had Dalima haar niet begrepen, en verwonderde oogen
-opgezet, Zij kende alle draden niet, waardoor die oude tooverkol aan
-hare vroegere njonja verbonden was. Maar toen ’Mbok Karjå onder het mom
-van belangstelling in het lot van het Javaansche meisje, duidelijker
-gesproken, en zich zelfs daarbij een afzichtelijk gebaar veroorloofd
-had, toen, onder den aandrang van de grenzenlooze verontwaardiging,
-welke zij voelde opwellen, had zij het oude wijf de deur uitgejaagd, en
-haar gedreigd, dat zij het dèsavolk te hulp zoude roepen, wanneer zij
-zich weer vertoonde. Neen, het kind, dat zij onder het hart droeg, was
-geen pand der liefde; het was geen afgebeden, zelfs geen gewenscht
-kind! Het was haar zelfs door middel van misdaad opgedrongen. Hoevele
-Christen jonkvrouwen zouden niet met haat en verachting op dat product
-eener schandelijke handeling neerzien? Hoevelen harer zouden niet voor
-een moord terugdeinzen, om zich van dien noodlottigen last te ontslaan?
-Zij niet. O, zij zou dat kind, hetwelk geen schuld aan de misdaad zijns
-vaders had, liefhebben, zij zou het koesteren, zij zou het opkweeken,
-zij zou het troetelen. En, in afwachting van het oogenblik, dat het
-onschuldige wicht zijne intrede in de wereld zoude doen, gunde zij het
-met innige liefde haar hartebloed, waarmede zij het voedde. Neen, tot
-zoo eene misdaad was zij niet in staat, die liet zij, als zij besef had
-kunnen hebben van hetgeen in de wereld omging, aan de uitverkorenen der
-beschaving over!
-
-En, zoo was zij op weg gegaan met haar boengkoesan over den schouder,
-die haar geheele bezitting bevatte. Zij was over berg en dal getrokken,
-en was nu, na een achttal dagen ijverig doorgestapt te hebben, het
-einddoel der lange reis meer nabij gekomen.
-
-Wanneer zij des avonds eene dèsa bereikte, dan vroeg zij naar den
-panghoeloe, den dorpspriester, en meldde zich bij dien aan als eene
-zwerfster, die haren vader te Karang Anjer ging opzoeken. Deze, met het
-oog op haren zichtbaren toestand, verwees haar dan steeds naar de eene
-of andere brave vrouw, die haar liefderijk opnam en zich niet altijd
-hare herbergzaamheid met een tiental centen liet betalen, maar
-integendeel hare gast zich voor het vertrek nog te goed deed doen, en
-nog menige „katoepat” [188] aan haar pakje bond, om onderweg te
-verorberen. Niet altijd evenwel viel haar die gastvrijheid ten deel.
-Het gebeurde toch, dat de inlichtingen, welke zij onderweg ingewonnen
-had, omtrent de afstanden, door haar verkeerd verstaan waren, dat de
-nacht inviel, alvorens zij een dèsa bereikte. Dan vroeg zij een
-plaatsje op de „baleh-baleh” (ligplaats, brits) van de eerste de beste
-gardoe, wat haar niet geweigerd werd.
-
-Eens zelfs ontbrak haar die toevlucht. De weg voerde toen door een
-dicht bosch, de zon was ondergegaan, en daar onder dat lichte
-bladerendak werd het donker, ja schier zwart. Het pad was nog alleen te
-houden door, wanneer zij naar boven keek, de smalle strook van het
-hemelruim waar te nemen, die tusschen de boomkruinen zichtbaar was,
-zich in de richting van den weg uitstrekte, en waartusschen de sterren
-fonkelden. Van eene dèsa was heinde en ver niets te ontwaren. Zij
-spitste de ooren, om eenig geluid waar te nemen, zooals b. v.
-hanengekraai of het rythmisch geluid van het rijsttombokken, dat van de
-nabijheid van menschen zou getuigen. Maar, niets, niets! Hoe zij ook
-uitkeek, en zich voortrepte, de zwarte omtrekken eener gardoe doemden
-maar niet voor haar op. Plotseling deed zich het schrille „meoh! meoh!”
-hooren eener pauw, die in den bovensten top van een hoogen boom de
-laatste schemering van het daglicht, hetwelk in het westen op het punt
-was te verdwijnen, begroette.
-
-Met schrik bedacht Dalima, dat de „merak” (pauw) hoogst zelden, in de
-wildernis alleen ontmoet wordt, maar dat zij steeds in gezelschap van
-den „harimao” (tijger) aangetroffen wordt. [189] Als echt natuurkind
-nam zij niet veel tijd van beraad, maar wierp snel een blik rondom
-haar, trad onmiddellijk het woud binnen, en klom ijlings in een niet te
-dikken boom, die in hare nabijheid stond. Wel was hare toestand een
-ernstige hinderpaal voor die gymnastische oefening; maar zij volbracht
-die klautering bedaard, omvatte den boom met beide handen, steunde de
-voeten tegen den stam, en werkte zich zoo zonder gevaar voor
-beschadiging van hare vrucht naar boven, totdat zij de onderste takken
-bereikt had. Eenmaal daar aangekomen, voelde zij zich in veiligheid.
-Een „toetool” (panter) toch valt in den regel den mensch niet aan, en
-een harimao, dat wist zij, klimt niet in de boomen. Zij maakte het zich
-op die benedenste takken, die gelukkig sterk genoeg waren, om haar te
-dragen en zich horizontaal uitstrekten, zoodat zij tot zitplaats konden
-strekken, zoo gemakkelijk mogelijk; maar die nacht van bijna elf uren,
-viel haar toch buitengewoon lang. Aan slapen viel niet te denken; want
-dan liep zij gevaar haar evenwicht te verliezen, en naar beneden te
-vallen. Daarenboven, die takken, waarop zij zat, en de stam, waartegen
-zij rustte, waren ruw en knoestig, zoodat die hare ledematen pijnlijk
-drukten. Wel poogde zij herhaaldelijk van houding te veranderen, maar
-dat gaf slechts kortstondig verlichting. Zelfs beproefde zij op
-Inlandsche wijze gehurkt te gaan zitten, maar zij had bij het klimmen
-hare sandalen moeten laten vallen, zoodat de ruwe oneffenheden van den
-bast der takken diep in de voetzolen drongen, en haar die houding
-onverdragelijk maakten. Daarbij kwam nog, dat vele insecten als mieren,
-bosch-muskieten, houtkevers, enz. haar kwelden, en zij niet altijd de
-handen vrij had om hevige jeukingen, door dat lastig gedierte
-veroorzaakt, te bestrijden.
-
-Zij had ook haar boengkoesan laten vallen, waarin hare kleederen, haar
-geld, hare geheele bezitting, besloten waren. Maar daaromtrent
-bekommerde zij zich weinig. Menschelijke wezens zouden toch op dat uur
-niet in dat woud vertoeven, en, waren die er, dan zouden die nu wel
-niet precies op die plek komen zwerven, en dieren zouden haar pakje wel
-ongedeerd laten liggen.
-
-Zoo kroop die lange nacht voorbij, en begroette Dalima met een zucht
-van verlichting, het zwakke schijnsel, dat den oostelijken
-gezichteinder eindelijk begon te tinten.
-
-Toch was daarmede hare beproeving nog niet ten einde. In den nacht had
-zij zeer verdachte geluiden waargenomen. Onmiskenbaar meende zij het
-doffe en angstverwekkende „hoeh! hoeh!” van een harimao gehoord te
-hebben. Neen, zij moest nog daar hoog gezeten blijven, hoe onduldbaar
-zeer haar hare ledematen ook deden. Zij wist toch, dat de tijger juist
-in de morgenschemering ronddwaalt; dat hij dan, onhoorbaar
-voortsluipende, onrustig en ijverig zijne prooi opspoort; dat hij dan
-naar de boschbeek ijlt om zijn brandenden dorst te lesschen, om
-voorraad vocht op te doen voor den geheelen dag; dat het dan in een
-woord juist het gevaarvolste tijdstip van den geheelen nacht is. Zij
-zou, zij moest nog blijven, totdat het helder dag zou wezen, totdat de
-zon boven den horizon gekomen zou zijn, om alles met haar vriendelijk
-licht te beschijnen, en het verscheurend gedierte naar zijne
-schuilhoeken te jagen.
-
-En, dat zij goed ingezien had, bleek haar uit het geschreeuw der pauw,
-die den dageraad met haar „meoh! meoh!” begroette, zooals zij het
-avondrood gedaan had. Dalima begreep, dat de tijger niet ver was.
-
-Zoo zat zij daar boven, bibberende in de koele morgenlucht, en zag de
-lichtstrook in het Oosten zich langzamerhand uitstrekken en de sterren
-van lieverlede verbleeken. Zoo zag zij den hemel daar ginds een licht
-rosé-tint aannemen, die, terwijl zij al meer en meer naar het zenith
-optrok, de donkere schakeeringen voor zich uitdreef, en haar naar het
-binnenste van het woud deed terugtrekken.
-
-O, wat ging dat alles langzaam in zijn werk! Wat viel haar de tijd
-lang! En geen wonder; want haar lijden was schier duldeloos. Zij
-draaide en wrong hare verstijfde ledematen. Zij keek ongeduldig rond.
-
-Daar, onder haar, was alles nog grauw en donker. Ternauwernood kon zij
-haar pakje en hare sandalen, die in het gras lagen, onderscheiden. Maar
-boven haar heerschte reeds het volle licht, en jubelde een talrijk
-vogelenkoor in de bladerenkronen, om de komst van de dagvorstin te
-verheerlijken.
-
-Wat kwam die toch langzaam!
-
-Zij zag het uitspansel zich al meer en meer in een rood waas hullen,
-terwijl de horizon in het Oosten in donkerpurper getint was. Onder den
-weerschijn daarvan tooiden zich wolken, boomen, bladeren, takken in het
-goud en drong het fraaie licht nu ook langzaam tot op den woudbodem
-door.
-
-Eindelijk brak de zon door, steeg boven den boschrand, en overgoot
-alles met haar verblindend licht.
-
-Nu was het oogenblik voor Dalima gekomen, om hare standplaats te
-verlaten. Zij deed dat, na nog eens behoedzaam rondgekeken te hebben,
-en betrachtte bij het omlaag klauteren dezelfde voorzichtigheid, met
-betrekking tot haren toestand, als bij het omhoog klimmen. Toen zij den
-bodem bereikt had, rekte zij hare ledematen uit, om die hunne vroegere
-lenigheid te hergeven, greep haar boengkoesan, waaraan nog een paar
-katoepats bengelden, reinigde die van den zwerm mieren, die haar
-ontbijt wenschten te deelen, ijlde toen naar een beekje toe, dat zij in
-de nabijheid hoorde murmelen, verfrischte zich het gelaat, de handen en
-de voeten met het koele water, en zette zich daarbij neder, om hare
-katoepats met een dronk uit de heldere beek te nuttigen; ten einde
-daarna, gesterkt en bemoedigd, haren tocht voort te zetten.
-
-Zoo stapte zij dag in dag uit voort, totdat zij eindelijk bij eene
-gardoe het heugelijke bericht inwon, dat de eerstvolgende dèsa, die zij
-ontmoeten zou, Karang Anjer was.
-
-Of dat nog ver was? vroeg zij haren landgenoot.
-
-Deze krabde zich achter het oor. In het bepalen van afstanden heeft de
-eenvoudige Javaan het voorzeker niet ver gebracht. Hij antwoordde
-evenwel na een poos nagedacht te hebben, dat zij ongeveer nog „limå
-poeloe pal kawat” [190] vijftig telegraafpalen, voorbij te komen had.
-Bemoedigd bij dat bericht, stapte zij met rappen voet voort, en
-bereikte dan ook een groot half uur later de bedoelde dèsa.
-
-Natuurlijk begaf zij zich dadelijk naar mevrouw Steenvlak, meldde zich
-daar aan als de gewezen baboe van nonna Anna, en, daar deze laatste
-veel, zeer veel over haar gesproken had, werd zij uiterst welwillend,
-ja zelfs liefderijk door de familie Steenvlak ontvangen. Maar, omtrent
-het doel harer reis kreeg de arme baboe daar niets te weten. Hoe zij
-ook bad en smeekte, het was alles te vergeefs. „Ik weet het niet,” was
-het eenige antwoord, hetwelk zij op alle hare vragen ontving.
-
-„Maar, njonjaa, Nanna heeft toch hier gelogeerd!” smeekte het
-Javaansche meisje met tranen in hare stem.
-
-„Ja, Dalima, dat heeft zij.”
-
-„Maar, waar is zij dan, njaa?”
-
-„Zij is vertrokken.”
-
-„Waarheen, njaa?”
-
-„Dat weet ik niet.”
-
-Hoe het brave meisje hare vragen ook draaide of keerde, hoe zij ook
-haar „njaa” smeekend lang aanhield, zij ontving niets anders dan dit
-onverzettelijke antwoord.
-
-Wist mevrouw Steenvlak werkelijk niet, waarheen haar lief logeetje
-vertrokken was? Dat was toch niet aannemelijk. Of vreesde zij, dat
-baboe Dalima voor Van Nerekool werkzaam was? Dat kwam haar niet
-onwaarschijnlijk voor, te meer niet, daar zij bevroedde, dat het
-Javaansche meisje niet onkundig kon gebleven zijn omtrent de
-genegenheid van de beide Europeesche jongelieden voor elkander, en ook,
-dewijl Dalima zich geheel argeloos in het gesprek had laten ontvallen,
-dat Karel van Nerekool haar wel eens in de gevangenis van Santjoemeh
-opgezocht, en haar geld gegeven had. Zij zou de baboe daarom niet
-minder geacht hebben. Integendeel; want zij doorzag zeer goed, dat
-genegenheid voor hare jeugdige meesteres de voorname drijfveer van hare
-handeling was, al zou die dan ook vermengd geweest zijn met een zweem
-van dankbaarheid voor den rechtsgeleerden ambtenaar. Was het niet
-aannemelijk, dat het eenvoudige Javaansche gemoed in eene vereeniging
-der geliefden het hoogste geluk meende te zien voor beiden? Die
-gedachte deed haar een oogenblik aarzelen; maar....
-
-„Njonjaa, zeg mij toch, waar Nanna is!” hield Dalima aan.
-
-„Ik herhaal het, baboe: ik weet het niet,” antwoordde mevrouw
-Steenvlak.
-
-„Maar, njaa, gij weet toch waarheen zij gereisd is?” vroeg het meisje
-handenwringend.
-
-„Neen, zeg ik u, boe!”
-
-„Maar gij weet toch, in welke richting zij afgereisd is?”
-
-Zooals men ziet, het meisje was vasthoudend en liet zich niet gauw uit
-het veld slaan.
-
-„Ja.... dat weet ik natuurlijk.”
-
-„O, zeg het mij, njaa,” sprak het meisje met een straal van hoop in het
-oog.
-
-„Ik mag, ik kan niet, boe!”
-
-„Waarom niet, njaa?”
-
-„Voor dat nonna Anna vertrok, heb ik haar moeten beloven....”
-
-Mevrouw Steenvlak aarzelde.
-
-„Wat njaaa?”
-
-„Dat ik aan niemand—hoort ge aan niemand, Dalima!—iets zeggen mocht.”
-
-„Maar aan mij wel, njaaa!”
-
-„Neen. Aan niemand! Aan niemand! Daar heeft zij op gedrukt.”
-
-„Och, zij heeft wellicht mijne hulp noodig, njaaa! Waar is zij toch?
-Zij is zoo ongewoon voor zich zelf te zorgen! Wie weet, hoe alleen zij
-is! Och, zeg mij toch, njaaa, waar Nanna is!” kermde het jonge meisje.
-
-„Ik kan, ik mag niet, Dalima!” antwoordde mevrouw Steenvlak
-onverzettelijk. „Ieder mensch moet de eenmaal gegeven belofte nakomen,
-nietwaar?”
-
-Toch was de goede dame geroerd door de aanhankelijkheid van het lieve
-schepsel, dat evenwel reeds zoo veel in het leven ondervonden had,
-zoodat een verbitterd gemoed haar waarlijk wel te vergeven ware
-geweest. Zij betreurde, dat zij aan Anna die belofte gedaan had; maar
-met hare opvattingen omtrent het gegeven woord meende zij daarop niet
-te mogen terugkomen, zoolang de betrokkene daarin niet bewilligd zoude
-hebben.
-
-„Het beste, wat ik u raden kan,” vervolgde zij na een oogenblik het
-snikkende meisje aangestaard te hebben, dat aan hare voeten zat te
-kreunen, „is dat gij weer naar Santjoemeh, of beter nog naar Kaligaweh
-terugkeert. Kan ik u daarin iets helpen?”
-
-Baboe Dalima knikte ontkennend.
-
-„Kom, ge zult wel reisgeld noodig hebben voor dien langen tocht,
-nietwaar.”
-
-En haar beursje te voorschijn halende, reikte zij het weenende meisje
-vier rijksdaalders toe.
-
-Zonder een woord te spreken nam Dalima het haar aangeboden geld aan,
-knoopte het in een der punten van haren zakdoek, stond toen op, kuste
-de handen van mevrouw Steenvlak en verdween. Toen zij buiten was,
-prevelde zij:
-
-„Zooveel dagen langer, dat ik Nanna zoeken kan!”
-
-O, zij had niet veel noodig! Weinige centen voor haar nachtverblijf,
-twintig of vijfentwintig centen voor hare voeding, dat was alles. In
-plaats van dan ook te vertrekken, doolde zij nog ettelijke dagen in
-Karang Anjer en omstreken rond. Zij strekte hare omzwervingen voor
-haren toestand ver, zeer ver uit en bezocht daarbij vrij afgelegen
-dèsa’s. Overal vroeg zij, overal onderzocht zij, overal drong zij door.
-Zij deed, wat Van Nerekool, als blanke, als rechterlijk ambtenaar, niet
-had kunnen doen. Zij nam plaats aan iederen „warong,” [191] dien zij op
-haar pad ontmoette, at hier wat rijst, in een pisangblad [192] gevuld,
-overheerlijk smakelijk gemaakt, met wat sambal peteh, [193] nuttigde
-elders wat „nassi ketan,” [194] overdekt met fijn geraspte klappernoot,
-of wel met siroop van „goela aren.” [195] Op eene andere plaats slurpte
-zij een kop koffie, of verorberde een paar pisangvruchten, of een tros
-„ramboetan” [196] of wel een paar pitten van eene heerlijke „doerian.”
-[197] Die lekkernijen overschreden evenwel hare middelen niet volgens
-hare rekening; want zij betaalde die met slechts weinige centen. Ja,
-hier en daar bekeek haar de waronghoudster en antwoordde, wanneer de
-smulster hare centen te voorschijn bracht: „bewaar die maar voor je
-kindje, en neem nog een kop koffie.”
-
-Maar,... zij zat daar niet aan om te smullen; wel om berichten in te
-winnen, om te ondervragen. Maar, helaas, hare pogingen werden
-aanvankelijk met geen gunstigen uitslag bekroond. In de eerste dagen
-vernam zij niets, Hoegenaamd niets! Zij was wanhopig. Gelukkig, dat dit
-zoo niet blijven zou.
-
-Eens, toen zij tot de dèsa Prembanan, op een drietal palen ten
-Zuidwesten van Karang Anjer gelegen, doorgedrenteld was, kreeg zij
-eenig licht. Zij vernam daar, dat op zekeren dag, meer dan twee maanden
-geleden, een der „pikolans” (draagbamboe) van een „tandoe” [198]
-gebroken was, die noodzakelijk vervangen moest worden. Het draagtoestel
-was neergezet moeten worden, en, daar een stevige bamboe niet heel
-spoedig gevonden werd, sprong er eene nonna uit, die zich hier
-neerzette en een kop koffie vroeg.
-
-„Eene nonna?” vroeg Dalima gejaagd. „Zijt gij daar wel zeker van?”
-
-„Ja, zeer zeker; wel was zij geheel en al als een Javaansch meisje
-gekleed, met een zeer eenvoudigen gebatikten sarong en een chitsen
-kabaja,—ook had zij sandalen aan hare voeten. Maar die voetjes gaven
-genoegzaam te kennen, dat zij niet veel het zonlicht gezien hadden. Zij
-waren blank en klein en niet uit elkander getreden, zooals onze voeten
-gewoonlijk zijn. Ik geloof, dat de „poetri’s” (princessen) te Sålå,
-geen kleinere en geen fraaiere kunnen hebben, hoewel het wel zijn kan,
-dat zij een poetri ware.”
-
-„Wat bedoelt gij?” vroeg Dalima.
-
-„Wel, zij sprak het Javaansch geheel en al met de å klank [199],
-zoodanig dat ik wel eenige moeite had, om haar te verstaan.”
-
-„Hebt gij met haar gesproken, ma?” [200]
-
-„Ja, zij heeft zoowat uw tongval.”
-
-„Maar, wat vroeg zij u, ma?”
-
-„Zij vroeg mij koffie en daarna ook eenige ramboetans.”
-
-„Niets anders, ma? Herinner u goed.”
-
-„Jawel, zij vroeg mij ook: hoe ver de dèsa Sikaja van hier ligt? Ik
-antwoordde twee palen.”
-
-„En verder?”
-
-„Toen vroeg zij: hoe ver Sikaja van de dèsa Pringtoetoel gelegen is?
-Daarop kon ik haar geen antwoord geven, want ik ben buiten de negorij
-hier niet bekend.”
-
-„Hebt gij niets anders gehoord, ma?”
-
-„Neen.”
-
-„Maar, ma, hebt gij haar gelaat gezien?”
-
-„Zeker. Zou ik niet?”
-
-„En?”
-
-„Ja, het gelaat eener blanke, alleen wel wat bruin. Haar gelaat en hare
-handen kwamen niet met hare voetjes overeen. Ik had zelfs eene
-opwellende gedachte, alsof dat gelaat geverfd was. Misschien had de
-nonna veel in de zon geloopen.”
-
-„En de haren, ma?”
-
-„In een „kondeh” (haarwrong) opgebonden.”
-
-„Maar welke kleur, ma?”
-
-„Donker als het uwe; maar toch zachter. Zelfs eenigzins gewolkt. O,
-voorzeker is zij eene nonna.”
-
-„Ja, zij is het,” dacht Dalima. En overluid vroeg zij: „En weet gij
-niets meer, ma?”
-
-„Niets,” antwoordde de waronghoudster.
-
-Baboe Dalima bedacht zich niet lang. Een kwartier later was zij op weg
-naar Sikaja.
-
-Of zij daar even gelukkig in hare nasporingen was?.... Daags daarna
-verscheen zij weer te Karang Anjer; maar thans om haar pakje te halen.
-Toen verdween zij, en werd niemand meer iets van haar gewaar. Mevrouw
-Steenvlak liet nog een paar oppassers naar haar informeeren. Maar die
-kwamen te huis met de boodschap, dat het meisje vertrokken was.
-Waarheen? Dat hadden zij niet kunnen vernemen.
-
-„Zij zal naar Santjoemeh teruggekeerd zijn,” dacht mevrouw Steenvlak.
-„Heb ik goed gedaan, met ook tegenover Dalima mijn woord te houden? De
-tijd zal het uitwijzen.... Anna scheen toch zeer gehecht aan hare baboe
-en deze zou ongetwijfeld eene goede vriendin voor haar in hare
-eenzaamheid geweest zijn.”
-
-
-
-
-
-
-
-XXXI.
-
-VRIENDENGEKEUVEL.—DE OPIUM TE ATJEH.
-
-
-Op een vriendelijken Augustus-Zondag-namiddag was het levendig op het
-aloon-aloon-plein van Santjoemeh. Daar liet zich toch het korpsmuziek
-van het aldaar in garnizoen zijnde bataillon infanterie hooren. Vele
-rijtuigen en ontelbare wandelaars bewogen zich op dat plein, dat door
-zijn verschroeid aanzien wel verried, dat het in langen, zeer langen
-tijd niet door den regen gedrenkt was. Het fijne gras, hetwelk in den
-westmoesson aan dat plein een zoo frisch uiterlijk verleent, was toch
-verdroogd, en tot donkerbruin verbrand; terwijl de roode kleiaarde hier
-en daar kloven en reten vertoonde, gespleten als zij was onder den
-invloed van de brandende zonnestralen. Maar op dat uur van den dag was
-de dagvorstin reeds ver gevorderd in haren dalenden tak, en glinsterde
-nog slechts achter de kruinen der Kanarie-boomen, die met haar
-donkergroen de aloon-aloon als in eene lijst omgaven, en hare
-slagschaduwen over het geheele plein wierpen. De noordoostmoesson
-heerschte langs Java’s noordkust, ritselde in het gebladerte, bracht
-overal, tot ver in de binnenlanden frischheid aan, en temperde de
-warmte, in de middaguren opgedaan.
-
-Geheel Santjoemeh was dan ook op de been, en wemelden zoowel Inlanders
-als Europeanen, zoowel Chineezen als Arabieren door elkander. Het was,
-alsof een ieder zijn deel van de vrij goede muziek, zijn deel van de
-frissche lucht wilde hebben.
-
-Geheel Santjoemeh? Toch niet. Voor hen, die met de Europeesche
-ingezetenen bekend waren,—en die kennis behoefde zoo groot niet te zijn
-in de bedoelde van Java’s strandplaatsen,—bestond in die menigte eene
-leemte. Wel was de resident Van Gulpendam met zijne gade, de schoone
-Laurentia, in een fraaien landauer met een paar prachtige Sydneyers
-bespannen, op de aloon-aloon verschenen, en knikten allerwegen met de
-meeste beminnelijkheid de groetenden toe; wel wemelden daar ambtenaren
-van de rechterlijke macht, ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur,
-ambtenaren van den fiscus, met de hoofd- en subalterne-officieren van
-het garnizoen, met de kommiezen, met de schrijvers van de verschillende
-bureaux, met de koryphaeën van den handelsstand, van het
-nijverheids-wezen door elkander; en waren allen vergezeld van hunne
-echtgenooten, van hunne dochters; maar allen misten een viertal, dat
-bij dergelijke gelegenheden nooit ontbrak, een viertal, dat door jeugd
-en vroolijke geaardheid als het ware een cachet van opgewektheid aan
-dergelijke bijeenkomsten in de open lucht bijzette, en dan ook de
-fraaiste oogen tot zich trok en de innemendste glimlachjes oogstte.
-
-„Waar zou Eduard van Rheijn toch zitten?”
-
-„Waar Leendert Grashuis?”
-
-„Waar August van Beneden?”
-
-Zoo waren de uitroepen, die zich onder de wandelaars allerwegen
-kruisten.
-
-„En Grenits? Theodoor, de vroolijke Theodoor? Waar die zit?”
-
-„O, die zit in de nor.”
-
-„In de nor?... Dat ’s waar ook! Voor tien dagen nietwaar? Maar,... dan
-is het duidelijk, waar de anderen zitten!”
-
-„Die houden hem gezelschap.”
-
-„Dat ’s buiten kijf.”
-
-„Het is een troepje trouwe vrienden.”
-
-„Dat is zoo. Het is hartverheffend hen bij elkander te zien... Maar...
-daar wandelt Mokesuep!”
-
-„Kijk eens, hoe diep hij voor den resident buigt! En met wat zwaai hij
-zijn cilinder afneemt! Het bovenvlak raakt haast den grond.”
-
-„En wat innemenden glimlach de schoone Laurentia hem toezendt!”
-
-„Dat mag ook wel. In die zaak met Lim Ho...”
-
-„Shut!.... geen cancans!”
-
-„Zijn dat cancans, wat geheel Santjoemeh weet?”
-
-„Muizenkop zal Theodoor geen gezelschap gaan houden, meent ge?”
-
-„Hij moest zich daar vertoonen, ik geloof dat hij van een onaangename
-kermis zou te huis komen!”
-
-„Ten volle zou hij zijn verdienste bekomen, die ellendeling!”
-
-„Kijk eens, daar wisselt hij een handdruk met den assistent-resident!”
-
-„O, die is nog baar hier. Als die hem zal kennen...”
-
-„Dan zal hij doen evenals de resident... en...
-
-„Zulke luidjes zijn niet zonder waarde.....”
-
-„Shut heeren! Laat ons een oogenblik luisteren: Le lever du soleil...”
-
-„Van wien?.... Het is wat moois! Kijk, de zon gaat juist onder!”
-
-„Stil nu, luistert!”
-
-Het was de laatste aria, die ten gehoore werd gebracht. Toen met eene
-algemeene fuga het verschijnen der dagvorstin boven den horizon gevierd
-was, en de muziektonen in een plechtig koraal wegsmolten, dook de
-werkelijke zon achter de westelijke heuvelen van Santjoemeh weg.
-
-„Net twaalf uur in de war!” riep er een. „Of de zon of de kapelmeester
-heeft te diep in het glaasje gekeken!”
-
-Eenige minuten later was de aloon-aloon van Santjoemeh verlaten.
-
-Maar de bezoekers van de Zondag-namiddag-muziek hadden gelijk gehad.
-Van Nerekool, Van Rheijn en Van Beneden,—of de drie Vans, zooals de
-geestigen van Santjoemeh de drie jongelieden noemden—waren Grenits
-gezelschap gaan houden in de gevangenis, waarin hij sedert eenige dagen
-opgesloten zat. Zij waren reeds vroeg derwaarts gegaan, dadelijk nadat
-zij na het middagdutje gebaad hadden; zoodat de zon toen nog erg hoog
-stond, en geen wandelaars zich op het pad vertoonden. Als trouwe
-vrienden hadden zij die wandeluren, de kostelijkste van eene geheele
-week, wel voor den armen gevangene over, eene opoffering, die hare
-belooning in zich zelve vond.
-
-Het vertrek, waarin de vier jongelieden bij elkander waren, had
-volstrekt geen naargeestig voorkomen, en was wel het minst geschikt, om
-aan een gevangenis te doen denken. Het was eene niet al te groote
-kamer, volmaakt vierkant, van zes op zes meters, met Escauzijnsche
-steenen bevloerd en voorzien van twee vensters, die met jaloezie-ramen
-konden gesloten worden, en ter weerszijden van de deur geplaatst waren.
-Voor die kamer strekte zich eene vrij breede galerij uit, welker
-architraaf door zuilen gedragen werd, die—wat weelde niet waar?—wel
-eenigszins het streven van Dorische bouworde verrieden, evenwel van
-hoogst eenvoudige kapiteelen voorzien, en overigens zonder cannelures
-waren. Die galerij was gemeenschappelijk aan een viertal dito
-vertrekken, die een zelfde doeleinde hadden, als waarvoor Grenits hier
-was, namelijk: om hunne bewoners van de vrijheid te berooven. De
-galerij paalde aan een pleintje, dat met frissche grasperken en fraaie
-sierplanten prijkte, welke laatste eene groote verscheidenheid van
-veelkleurige bloemen ter bewondering aanboden. Dat pleintje werd
-gevormd door de verschillende gebouwen, die de eigenlijke gevangenis
-uitmaakten, en haaks ten opzichte van elkander opgetrokken waren;
-zoodat zij een ruim vierkant omgaven. Een der zijden van dat vierkant
-werd ingenomen door de woning van den cipier, welke met eene dubbele
-zuilenrij prijkte, en welks voorgalerij opgevroolijkt werd door eene
-fraaie collectie rozen, die de meest uiteenloopende variëteiten van de
-koningin der bloemen te zien gaf, van de dikke, dubbelde Persische roos
-af tot de Devonshire en Malmaison, ja tot de theeroos en de altijd
-groene roos toe.
-
-Het vertrek zelf van onzen gevangene was niet onaardig gemeubeld. Eene
-nette tafel, eene gemakkelijke bank, een zestal stoelen,—allen
-Japara-meubelen [201]—een smaakvolle spiegel, een viertal snoeperige
-medaillon-portretten aan den wand, eene fraaie hanglamp aan het
-plafond, terwijl de vloer met eene sierlijke mat van fijn gespleten
-rottan bedekt was. Wat evenwel het fraaiste stuk in het vertrek moest
-genoemd worden, was de piano, die Van Beneden naar de cipieran had
-laten brengen. De slaapkamer, die vlak naast het beschreven vertrek
-lag, en door middel van een binnendeur daarmede in verbinding stond,
-was even smaakvol gemeubeld, zoodat Theodoor Grenits zijne
-gevangenschap dan ook niets bar vond, en volstrekt geen aanleiding
-vond, om „Mes Prisons” [202] of iets dergelijks te schrijven.
-
-„Het ziet er hier bepaald prettig uit,” merkte Grashuis op. „Het is de
-eerste maal, dat ik eene gevangenis betreed, en kon derhalve niet
-gissen, dat het gouvernement zoo voor de booswichten zorgde, die het
-achter het slot houdt.”
-
-„Het mocht wat!” grinnikte Van Rheijn.
-
-„Gij moest maar eens hier aan den overzij gaan,” zei Van Beneden.
-
-„Waar hier aan de overzij?”
-
-„Daar, in dien vleugel. Daar is de gevangenis der Inlanders. Daar zoudt
-gij wel anders spreken.”
-
-„Willen wij gaan kijken?” vroeg Leendert, die al opgesprongen was.
-
-„Dank je wel, laat het je genoeg wezen, dat ge daar door de ongure
-geuren gauw verjaagd zoudt worden. Die menschen liggen daar
-opeengehoopt, in een ellendige ruimte, veel te klein voor zooveel
-gevangenen. Het eenige meubilair, dat gij daar zoudt zien, is niets
-anders dan eene baleh-baleh, die in onzindelijkheid zoodanig met den
-vloer wedijvert, dat van beiden de oorspronkelijke kleur niet meer te
-erkennen is. Terwijl ’t—het meubilair wel te verstaan—des nachts nog
-vermeerderd wordt met ettelijke vertegenwoordigers van het
-tonnenstelsel, die het hunne ertoe bijdragen om de lucht te verpesten.
-Voegt daar nu bij, dat slechts zeer spaarzaam licht en lucht door een
-paar ronde en zwaar getraliede luiken aan de gevangenen bedeeld wordt,
-zoodat het er uiterst bedompt en tamelijk schemerachtig is, dat de
-wanden, die witgekalkt heeten, overdekt zijn met bloedvlekken, die er
-streepsgewijs opgesmeerd en afkomstig zijn van muskieten en ander nog
-meer onrein gedierte, die door de menschelijke bewoners tegen den muur
-platgedrukt werden, met sirihspuw [203] en met andere nog meer
-walgelijke viezigheden, dan zult gij mij dankbaar zijn, nietwaar? dat
-ik u zoo’n bezoek afraad.”
-
-„August heeft gelijk,” sprak Grenits. „Gisteren waagde ik zoo’n bezoek,
-en walg er nog van. Maar, laat ons van iets anders praten. Eduard, uw
-jongen heeft straks een pakje gebracht.”
-
-„Zoo, dat is hem geraden. Waar ligt het?
-
-„Daar, op de piano.”
-
-„Vrienden,” sprak Van Rheijn, terwijl hij het bedoelde pakje opende.
-„Hier hebt gij een fonkelnieuwe bedoedan. Ziet een smetteloos
-pijpenkopje op een ongebruikten bamboesteel. En hier heb ik een
-partijtje prachtige tjandoe, prima kwaliteit, zou Grenits zeggen.”
-
-„Het is waar ook,” zei Van Beneden, „onze schuifpartij nietwaar?
-Hoeveel tjandoe hebt ge?”
-
-„In dit doosje bevinden zich vijf en twintig mata’s.”
-
-„Dat is in Nederlandsch gewicht?”
-
-„Drommels, laat zien.... Dat zal zoo wat ongeveer een centigram zijn.”
-[204]
-
-„Is dat wel genoeg?” vroeg Grashuis.
-
-„Te veel, Leendert.”
-
-„Maar Von Miclucho Maclay [205] gebruikte honderd en zeven greinen bij
-zijn merkwaardige proef.”
-
-„Jawel, maar reken maar na, zooals ik het gedaan heb. Honderd en zeven
-greinen zijn nog maar achttien mata’s en eene breuk.”
-
-„Nu, dan zouden wij kunnen beginnen.”
-
-„Ho, ho! niet zoo haastig gebakerd,” antwoordde Van Rheijn.
-
-„Waarom nog langer te wachten? Wij bevinden ons zoo gezellig bij
-elkander, dat de schuifpartij nu best plaats kan hebben.”
-
-„Ons doel is niet alleen nietwaar, om te gevoelen en waar te nemen,
-welke uitwerking het opiumrooken heeft?...”
-
-„Mij dunkt,” sprak Grashuis, „dat van niets anders sprake is geweest.”
-
-„Jawel, dat is zoo; maar in ieders brein zal toch nog wel eene andere
-gedachte voorgezeten hebben,” meende Van Nerekool. „Ongaarne toch zou
-ik deelnemen aan eene proef, alleen om.... ja, hoe zal ik mij
-uitdrukken? om het dierlijke van het vraagstuk te ondervinden of waar
-te nemen.”
-
-„Ik ook niet,” sprak Van Beneden.
-
-„En ik ook niet,” zei Van Rheijn.
-
-„Toch,” zei Grenits, „zou dat wel de studie waard zijn. Als gij u maar
-eens herinnert, wat wij in de kit te Kaligaweh zagen.”
-
-„Poeah! Poeah!” riepen de anderen.
-
-„Schei uit! Als onze proef tot zoo iets moet leiden, dan pas ik,” zei
-Van Nerekool hoogst ernstig.
-
-„Daarom, vrienden, wilde ik aan onze proef een ander doel verbinden,”
-sprak Van Rheijn, „namelijk: hoogst wetenschappelijke waarnemingen.”
-
-„Ja, maar.... wie zal die verrichten? Daartoe hoort een geneeskundige,”
-meende Grashuis.
-
-„En wij met ons vieren vertegenwoordigen wel de rechterlijke macht, den
-civiel ambtelijken dienst, de landmeterskennis, den handelsstand; maar
-niet de faculteit,” zei Van Beneden.
-
-„En daaraan heb ik juist gedacht,” zei Van Rheijn.
-
-„Komaan, biecht op!”
-
-„Ik heb Murowsky verzocht om van de partij te zijn.”
-
-„Murowsky, de Pool?”
-
-„Murowsky, de slangentemmer?”
-
-„Murowsky, de kapellenvanger?”
-
-„Ja, heeren, onze officier van gezondheid Murowsky. Maar shut!.. Een
-weinig eerbied voor den priester der wetenschap. Vergeet niet, dat hij
-is de meest merkwaardige entomoloog, dien Indië ooit bezeten heeft, en
-dat wil wat zeggen, nietwaar? sedert de Duitsche vorsten en vorstjes
-zich om het zeerst beijverd hebben, om hunne huis- en keukenorden te
-verleenen voor iedere compleete of niet-compleete verzameling van
-opgeprikte of opgezette beestjes, of voor een bokaal walgelijke
-insecten, die den folterdood in arak gestorven zijn. Vergeet ook niet,
-dat hij is een ernstig waarnemer, die onze séance een waas van
-geleerdheid zal verleenen, waardoor ze tot de merkwaardigste van de
-geleerde wereld gestempeld zal worden. Onze Pool was verrukt, toen hij
-ons voornemen vernam; hij was boven de wolken, toen ik hem verzocht de
-proefneming bij te wonen, ja, te leiden. Hij zou zijne maximum en
-minimum thermometers meêbrengen, ook zijn stethoskoop. Hij zou de
-dichtheid en de vochtigheidsgraad van den dampkring waarnemen, en...
-wat niet al meer. Gij zult eens zien, welken dosis geleerdheid hij zal
-uitkramen!”
-
-„Maar, intusschen is hij nog niet hier,” merkte Grashuis op.
-
-„Misschien nog op de kapellenjacht,” meende Van Beneden.
-
-„Vergeef mij, hij is een groot muziekliefhebber,” antwoordde Van
-Rheijn. „En voor niets ter wereld zou hij de uitvoering op de
-aloon-aloon willen missen. Daarenboven hij is „sakit rindoe” (verliefd)
-op Agatha van Bemmelen, en die zal wel in het familie-rijtuig op het
-plein zijn.”
-
-„Zoo, zoo!” zei Grenits. „Dat’s een aardig kapelletje! En.... duiten
-ook!”
-
-„Ja, de Polen zijn niet dom.”
-
-„Maar, wanneer komt hij nu?”
-
-„Hij heeft mij beloofd, dadelijk na de muziekuitvoering hier te zijn.
-En een zijner deugden is: dat hij stipt woord houdt.”
-
-„Intusschen zouden wij wat muziek kunnen maken,” was het voorstel van
-August van Beneden.
-
-„Karel is al aan den gang,” wenkte Grenits, terwijl hij op den genoemde
-wees.
-
-En, inderdaad, Van Nerekool, die zich slechts weinig in het gesprek
-gemengd had, was opgestaan en de pianino genaderd. Eerst had hij
-gedachteloos eenige accoorden aangeslagen, eenige motieven
-gepreludeerd; maar eindelijk als onder den invloed van zijne gedachten
-aan Anna, die hem maar niet ontvloden, weerklonk l’Absence van Tal, en
-vulde het vertrek met hare weemoedige melodie en aangrijpende trillers.
-
-„Neen,” zeide Eduard van Rheijn, „geen muziek! Gij ziet er de
-uitwerking van. Waarachtig, hij zit daar met tranen in de oogen! En,
-zoo iets is ongezond in een klimaat als dit, en in eene gevangenis als
-deze.”
-
-Toen dan ook het laatste accoord aangeslagen was, en wegstierf, en Van
-Nerekool de handen mismoedig op de toetsen liet rusten, terwijl hij het
-hoofd diep voorover boog, riep hem Eduard:
-
-„Zeg eens, Karel, nu geen muziek! Kom bij ons zitten, en in afwachting,
-dat Murowsky komt, heb ik hier een brief, dien ik van Verstork
-ontvangen heb.”
-
-„Van Willem?” vroeg Van Nerekool, niet zonder belangstelling; terwijl
-hij opstond en weer in den kring plaats nam. „Ik heb nog geen antwoord
-op mijn schrijven.”
-
-„Ik ook niet,” zei Van Beneden.
-
-„En ik ook niet,” zei Grenits.
-
-„Geen uwer heeft nog antwoord gekregen,” hernam Eduard. „Hij heeft het
-veel te druk daar te Kota Radja. En dat laat zich wel begrijpen; hij is
-thans de eenige civiele ambtenaar in die militaire wereld.”
-
-„Die zeer klein geworden is, nu het concentratiestelsel tot stand
-gebracht werd,” merkte Grashuis op.
-
-„Dat gij wel het isoleerstelsel kunt noemen, Leendert,” zei Grenits.
-„Het zal niet lang meer duren, of onze krijgsmacht zal daar zitten als
-Robinson Crusoë op zijn eiland, met geen andere aanrakingspunten dan
-die der kogels met de omringende ingezetenen.”
-
-„Kom, Theodoor, geen politiek!”
-
-„Vooral geen Atjeh-politiek,” grinnikte Grenits. „Ja; ik weet het, daar
-hebben wij Nederlanders nog grooter afkeer van dan de katten van het
-water. En toch geldt het daar het innigst belang van vaderland en
-kolonie, die....”
-
-„Schei uit! Schei uit!”
-
-„Uw wil geschiede, vrienden!” zei Grenits lachende. „Ik mag mijne
-gasten, die mij, armen gevangene, liefderijk den tijd komen korten,
-geene conversatie opdringen, die hun onaangenaam is. Maar, ik begrijp
-niet, wat Willem daar te Kota Radja te besturen heeft. De Inlandsche
-bevolking, die ons trouw gebleven is, en onze soldaten verraderlijk
-overvalt....”
-
-„Alweer?... Schei uit, Theodoor!”
-
-„Hij zal toch niet voor de menage der troepen,” ging Grenits voort, „en
-voor de gamelle der marine te zorgen hebben?”
-
-„Och, wat begrijpt een koopman van zoo iets?” antwoordde Van Rheijn
-ietwat spijtig. „Het is net, alsof ik over den handel in madapollams
-wilde medespreken.”
-
-„Dat’s waar ook,” viel Grenits lachende in. „Ik beken schuld.
-Schoenmaker, houd je bij je leest! Maar, nu Willem’s brief? Wat
-schrijft hij?”
-
-„Hier is hij,” zei Van Rheijn. „Vooraf dien ik ulieden evenwel te
-zeggen, dat ik hem een overzicht gegeven heb van de veranderingen, die
-in zijn vroegere contrôle-afdeeling Banjoe Pahit voorgevallen zijn, en
-welke invloed de meêgaandheid van den tegenwoordigen controleur op den
-toestand der bevolking aldaar heeft. Hij antwoordt daarop, en gij kunt
-wel begrijpen, dat zijne ontboezemingen deswege niet rooskleurig zijn.
-Luistert maar:
-
-„Hetgeen gij mij medegedeeld hebt, waarde Eduard, omtrent de
-verhoudingen te Banjoe Pahit, heeft mij diep neerslachtig gemaakt. De
-akkerbouw verwaarloosd, contractbreuken aan de orde van den dag, de
-opiumhartstocht oppermachtig zijn scepter zwaaiende! Och! och! Is dat
-alles aan mijn opvolger te wijten? Of moet niet de toestand geheel en
-al voor mijne rekening gebracht worden? Zulke veranderingen geschieden
-toch niet in eens! Neen, en doen zich de waarnemingen binnen een kort
-bestek zoo verschillend voor, als gij die beschrijft, dan zijn er toch
-voorafgaande gebeurtenissen noodig geweest, om tot zulke veranderingen
-aanleiding te geven. Welnu, ik gevoel wroeging, dat ik niet altijd
-gedaan heb, wat ik had moeten doen, en dat ik niet meer gedaan heb, dan
-ik deed, om het opiumgebruik in die ongelukkige afdeeling tegen te
-gaan. Wel is waar, is het mij niet te wijten, dat de bestaande
-opiumkit, te Kaligaweh gevestigd werd. Zij bestond reeds, toen ik te
-Banjoe Pahit geplaatst werd. Maar het kwaad had toen de afmetingen nog
-niet, die het later aangenomen heeft. Toen nog waren zeer veel
-dèsalieden in de afdeeling, die geen opium rookten. Ik kon toen
-aantoonen, dat die kit geen reden van bestaan had, dat zij in geene
-bestaande behoefte voorzag. Ik heb dat destijds gedaan; maar zwak,
-vreesachtig als ik was, verzuimde ik om aan te toonen, dat diezelfde
-kit tot verleiding diende, dat zij de bevolking tot volslagen armoede
-en ellende moest voeren. Zie, dat is mijne schuld! En nu moge ik mij
-als verzachtende omstandigheden voorprevelen kunnen; dat ik gehouden
-was als ambtenaar de rijks-inkomsten te vermeerderen; dat, door het
-opiumverbruik niet in den weg te staan, ik meêhielp het nadeelige saldo
-voor de Nederlandsche schatkist te bestrijden; dat ik vooral niet van
-wege den resident Van Gulpendam, en ook niet van wege de regeering hulp
-te verwachten had, wanneer ik aan de verwoestingen van het opiumgebruik
-zou pogen paal en perk te stellen; dat ik integendeel als glas zou
-verbrijzeld geworden zijn, wanneer ik den vinger naar dien kurk van het
-nationale financie-wezen zoude uitgestoken hebben; dat mijne dierbare
-familiebetrekkingen, wier heden en wier toekomst van het geregeld
-vloeien van mijn traktement afhankelijk zijn, tot de diepste ellende
-verwezen zouden zijn, wanneer mijne ambtenaarsloopbaan gesloten zoude
-zijn; dat alles baat mij niets, geeft mijn geweten geene bevrediging.
-Want, onverbiddelijk als een streng geweten kan zijn, doet dat mij de
-aanklacht hooren: dat ik aan mijnen eersten plicht als ambtenaar te
-kort deed, door niet met klem voor de bevolking op te komen, die ik
-toch bij eede bescherming toegezegd had. Helaas? gedane zaken hebben
-geen keer....
-
-„Als het geoorloofd ware, zich over den dood van een mensch te
-verheugen, dan zou ik zulks kunnen doen, ten opzichte van Singomengolo,
-den afschuwelijken bandoelan, die zooveel ongelukken veroorzaakt heeft.
-Maar.... waartoe zich verheugen?... Voor hem zal weer een ander
-gevonden worden, die de afzichtelijke rol van opiumspion op zich zal
-nemen. De pachters zijn rijk genoeg, om zulke nietswaardigen, als het
-zijn moet, te scheppen, en het Gouvernement?... het Gouvernement??...
-nu ja,... dat steekt de op gruwelijke wijze verkregen penningen met een
-glimlach in den zak, terwijl het Nederlandsche volk applaudisseert.”
-
-„Wordt het nog geen tijd om „schei uit!” te roepen?” vroeg Grenits
-sarcastisch.
-
-„Zoo straks beschuldigde ik mij, mijnen plicht als ambtenaar niet
-gedaan te hebben,” vervolgde Eduard van Rheijn onverstoorbaar zijne
-lezing. „Ik zal wel niet behoeven te zeggen, dat ik het stellige
-voornemen gemaakt heb, in de toekomst anders te handelen; dat ik mij
-tot plicht gesteld heb, voortaan de bevolking tegen den opiumgruwel
-zooveel mogelijk te beschermen. Maar... maar, die gelofte is gauwer
-gedaan geworden, dan wel volvoerd. Want, wie heb ik hier te Atjeh te
-beschermen? Eene bevolking? O, Heer, alles wat hier rondom mij krioelt,
-lijkt overal op, daarop evenwel niet. Gaat in uwe gedachten na, wat
-hier is geschied. Na de landing van generaal Van Swieten in 1873 is de
-bevolking stelselmatig achteruitgetrokken, naarmate onze troepen
-vooruitdrongen. Toen die opperofficier naar Nederland terugkeerde,
-hadden wij eene plek grond in bezit, die door de ingezetenen volkomen
-verlaten was, en waarop geen enkele hunner voorkwam, tenzij men de
-strook tusschen de Atjeh-rivier en de zee, het zoogenaamde gebied van
-Marassa uitzonderen wil, waarop hoogstens twee duizend zielen woonden,
-die zich evenwel volstrekt niet verslaafd aan het opiumgebruik
-vertoonden. Later onder het beheer van kolonel Pel verbeterde de
-toestand niet, het tegendeel was waar. Verbitterder dan ooit streed de
-bevolking tegen de gehate indringers; en hoewel de opperbevelhebber het
-benarde Kota Radja, dat hem toevertrouwd was, poogde lucht te
-verschaffen, en daarin ook meesterlijk slaagde, zoo werd zijne positie
-nog meer geïsoleerd, als het mogelijk was, en hadden geene andere
-aanrakingen met de bevolking plaats dan met de wapens in de hand, en
-dat niet om elkander eerbewijzingen toe te brengen; maar wel om
-elkander op het allervinnigst te bestoken.... Gij weet het, althans de
-geschiedenis heeft het u kunnen leeren, het eerste, wat onder de
-plooien van de Nederlandsche vlag hier in Indië verrijst, is niet een
-bedehuis, niet eene school, maar eene opiumkit. Dat zijn de eerste
-zegeningen van de beschaving. Zoo ook hier. Van de overwonnelingen was
-nog niemand aanwezig om opium te rooken, toch moest er een pachter
-zijn!... Waarom?... Zie Eduard, wanneer ik mij die vraag ernstig stel,
-dan valt er geen ander antwoord op te geven, dan dat zulks geschiedde,
-om de Nederlandsche natie diets te maken, dat de periode van
-gelduitgeven voor Atjeh haast gesloten zou zijn, en dat die van
-geldverdienen ging aanbreken. Gij zult u nog herinneren, hoe de
-dagbladpers in Nederland een jubelkreet uitte, toen in 1875 vernomen
-werd, dat het recht tot den verkoop van opium in het klein te Atjeh
-192,000 gulden ’s jaars of 16,000 ’s maands opgebracht had. Zij, die
-nadachten, schudden bedenkelijk het hoofd, en toch kon in hun brein
-niet opkomen, welke schromelijke gevolgen die ongelukkige zoogenaamde
-bate zou hebben.
-
-„Het ligt voor de hand, nietwaar? dat geen pachter zou gevonden zijn,
-wanneer slechts opium te verkoopen ware geweest aan de trouw gebleven
-Marassanen. Wanneer toch aangenomen zou kunnen worden, dat daarvan alle
-mannen schoven,—hetgeen in de verste verte niet waar is; onder den
-kleinen man is het opiumschuiven minder in zwang dan op Java,—dan zoude
-dat nog geen driehonderd schuivers uitmaken. Van die is onmogelijk
-16,000 gulden ’s maands pacht te betalen, al aten zij opium, al dronken
-zij opium, in stede van dat vergift slechts te rooken. Reken, dat de
-pachter ook nog de van Gouvernementswege verstrekte opium te betalen
-heeft, dat hij zijne overige uitgaven het hoofd moet bieden, dat hij
-leven moet, en er ook op staat om eenige winst te maken; zoodat veilig
-mag aangenomen worden dat, om 16,000 gulden pacht te kunnen betalen
-minstens voor drie malen die som aan opium is verkocht moeten worden
-[206] Maar, wie gebruikte dan de opium, die zoo’n bate aan ’s lands kas
-bezorgde?
-
-„Wie? Ik zal het u zeggen, Eduard:
-
-„In de eerste plaats de Inlandsche soldaten van het leger te velde
-alhier, over wie ten gevolge van den oorlogstoestand, en ten gevolge
-van de hoogst gebrekkige kampementen en bivouacs, onmogelijk voldoende
-toezicht te houden was; terwijl van repressieve en nog minder van
-preventieve maatregelen sprake kon zijn. De handlangers van den
-opiumpachter zwierven door die kampementen en die bivouacs rond, en
-verwaardigden zich grootmoedig, niet alleen de soldij, maar, als de
-gelegenheid er voor bestond, ook de kleeding van den verlokte tegen het
-vergift in te ruilen. Zeg, begrijpt gij nu, waarde vriend, waarom de
-verliezen aan zieken gedurende den Atjeh-oorlog zoo groot zijn geweest,
-zoo groot blijven? Begrijpt gij nu, waarom de Indische hospitalen en
-gezondheids-etablissementen zoo overvuld zijn geworden en gebleven?
-Begrijpt gij nu, een der redenen, waarom het Indische leger zóó
-gedemoraliseerd is, dat,—rekent men de krijgsmacht te Atjeh niet mede,
-die men, ondanks alle vrede-ficties en alle hansworsterijen van
-geconcentreerde stellingen, wel genoodzaakt is op compleet en in staat
-van tegenweer te houden,—het dan volgens bevoegde beoordeelaars niet
-overdreven genoemd mag worden, de bewering te uiten, dat van dat leger
-bij ernstige opstanden of bij aanranding onzer koloniën door een
-westerschen vijand zeer weinig of niets te verwachten is.
-
-„Wijdt nu eens eene gedachte aan de som gelds, die ieder soldaat,
-wanneer hij, afgericht en gedrild, bij het leger te velde ingedeeld
-wordt, vertegenwoordigt; eene gedachte aan de uitgaven, welke zijne
-verpleging in de ziekeninrichtingen vereischt, en vraagt u dan af, of
-het niet van bekrompenheid bij onze bestuurders getuigt, die zulke
-fictieve baten te hulp riepen.
-
-„Ik noemde de Inlandsche soldaten in de eerste plaats als de
-verbruikers van het vergift, door het vaderlijke Nederlandsche bestuur
-langs wettigen weg beschikbaar gesteld. De Chineesche arbeiders en
-landbouwers, die men met overgroote kosten te Penang, te Malakka, te
-Singapore, te Tandjong Pinang, tot in China toe van Gouvernementswege
-aangeworven heeft, om de veroverde maar door de Atjehers verlaten
-landstreek te bevolken, leverden een ander contingent, en een groot
-ook, aan de opiumschuivers, en derhalve ook aan de vlottende bevolking
-der hospitalen en aan de blijvende der kerkhoven. Wie zal het wagen de
-onkosten naar waarheid te berekenen, benoodigd geweest om de bressen,
-door het heulsap in de gelederen dier arbeiders veroorzaakt, te
-dichten?
-
-„Eene derde categorie van klanten van den opiumpachter alhier waren en
-zijn de bedienden van officieren, van ambtenaren, van leveranciers. En
-al veroorzaakt die categorie nu wel geene onkosten voor vervanging en
-verpleging aan het rijk, zoo moet van eene andere zijde geconstateerd
-worden, dat ten gevolge van de démoralisatie, onder die klasse
-teweeggebracht, te Kota Radja, maar vooral te Oleh-leh eene
-onveiligheid voor have en goed heerscht, waarvan gij u op Java moeilijk
-een met de werkelijkheid overeenkomend denkbeeld zoudt kunnen vormen.
-
-„Wat op zedelijkheidsgebied te Oleh-leh, die havenplaats van Kota
-Radja, waar te nemen is, is mij onmogelijk te beschrijven. Wat er in en
-om de opiumkit, in en om het plekje, waar het vergift langs wettigen
-weg verkregen wordt, gebeurde en nog steeds gebeurt, is eenvoudig niet
-weer te geven. Wij zagen afzichtelijke tooneelen in de kit te
-Kaligaweh, nietwaar? Welnu, wat hier voorvalt, overtreft hetgeen de
-meest bedorven verbeelding zich kan voortooveren. Hier zijn polyphilen
-volstrekt niet zeldzaam; terwijl de dienst, waartoe de Macaosche
-hetaïres, die in hare vreemdsoortige kleeding aan jongens gelijk zijn,
-veelal geprest worden, eenvoudig afzichtelijk is te noemen.
-
-„Gij zult mij wellicht te gemoet voeren, dat, wanneer het vergift niet
-langs wettigen weg, het langs clandestienen verkregen ware geworden.
-Neen! driemaal neen!!! Het vijandelijk land bevond zich destijds, en
-bevindt zich thans weer zoo streng mogelijk geblokkeerd [207]. Geen
-handelsvaartuig kon of kan het noordwestelijke gedeelte van Sumatra’s
-kust naderen, zonder doorzocht te zijn. Toen was en nu nog is een
-betrekkelijk gering toezicht voldoende om te beletten, dat ook maar een
-enkele taël [208] clandestiene opium in het door ons bezette gedeelte
-van het Atjehsche rijk aan wal gebracht kwam, of komt. Er was toen, en
-er is ook thans nog slechts zeer weinig moeite te nemen, om het vergift
-te weren [209]. Maar neen, dat vooral wilde men niet, en wil men nog
-niet. Bij voorbaat moeten reeds maatregelen genomen worden, om de
-opiumpacht tot vollen bloei te kunnen brengen, wanneer de bevolking van
-het beoorloogd wordende land den nek onder het juk zal gekromd hebben.
-Ook moest der Nederlandsche natie zand in de oogen gestrooid worden met
-een bate, die te Atjeh werkelijk opgebracht wordt, maar die op zedelijk
-en op financiëel gebied hoogst nadeelig werkt. Om dat tweeledige doel
-te bereiken, is men er niet voor teruggedeinsd, de militaire macht en
-andere landsdienaren te vergiftigen, te démoraliseeren, ja aan de
-grootste verdierlijking prijs te geven! En, dat alles ter wille van het
-uitzicht op de rijke baten, die het opiummonopolie ook in dien hoek van
-den Archipel aan ’s lands kas zal afwerpen, wanneer Atjeh eenmaal de
-zegeningen van het Nederlandsche bestuur zal aanvaarden, en langs
-wettigen weg vergiftigd zal worden.
-
-„Dat het mij onder die omstandigheden moeielijk, ja ondoenlijk zal
-worden om mijnen plicht als mensch te kunnen uitvoeren, zal ik wel niet
-behoeven uiteen te zetten. Die plicht kan toch met dien van ambtenaar
-onmogelijk overeen gebracht worden....”
-
-
-
-
-
-
-
-XXXII.
-
-EENE WETENSCHAPPELIJKE OPIUMKIT.
-
-
-„Nu donnerwetter! Wo ist meinherr Grenits dan toch?” deed zich in de
-buitengalerij een stem hooren, die Van Rheijn’s voorlezing afbrak.
-
-„Daar is onze Pool,” zei deze, terwijl hij Verstork’s brief samenvouwde
-en in den zak stak. „Het restant van Willem’s schrijven bevat verder
-weinig belangrijks meer. Of het daarenboven voorzichtig zou mogen
-heeten, om van dergelijke ontboezemingen buiten onzen kring te laten
-blijken, betwijfel ik zeer, en....”
-
-De heer Murowsky verscheen in de omlijsting der deur.
-
-„Ich kom spaat, nietwaar?” zeide hij, nadat hij den gevangene als
-gastheer begroet, en met de anderen een handdruk gewisseld had, in zijn
-koeterwaalsch, dat wij evenwel achterwege zullen laten. „Maar,
-donnerwetter...”
-
-„Niet vloeken docter,” zei Van Beneden. „Was juffrouw Van Bemmelen op
-de aloon-aloon?”
-
-De Pool bloosde tot achter zijn ooren.
-
-„Ja,” antwoordde hij, bedremmeld.
-
-„Nu, dan behoeft gij u niet te verontschuldigen. Gij hebt met haar
-gewandeld, en dan....”
-
-„Maar, ik heb niet met haar gewandeld.”
-
-„Waarom komt gij dan zoo laat?” vroeg Van Rheijn.
-
-„Gij wist toch, dat wij u wachtten.”
-
-„Misschien nog eens eventjes op de kapellenjacht geweest?” vroeg
-Grashuis.
-
-„Ik zie onzen Pool al met zijn netje een prachtige sfinx achterna
-zitten,” zei Van Beneden.
-
-„Het mocht wat!” bromde Murowsky niet zonder hoon. „Een echte sfinx,
-die mij te pakken had.”
-
-„Kom, vooruit, illustre landgenoot van Sobiesky, van Poniatowsky en
-andere helden op sky! Vooruit met je nieuws!” riep Van Rheijn. „Maar,
-pas op, als uwe verontschuldiging geen steek houdt!”
-
-„Toen ik op de aloon-aloon wandelde, wenkte mijn chef mij tot zich,”
-verhaalde Murowsky, „en verzocht mij om na de muziekuitvoering bij hem
-aan huis te komen.”
-
-„En?” vroegen allen.
-
-„Zoo’n verzoek is een order, dat weet gij allen wel,” knorde de Pool.
-
-„Jawel. Wat had hij u te vertellen?” vroeg Van Rheijn nieuwsgierig.
-
-„Misschien wel een zeldzame vorm van pneumato....” wilde Van Beneden
-vragen.
-
-De Pool liet hem daartoe geen tijd.
-
-„Hij had mij mijne overplaatsing mede te deelen,” zeide hij.
-
-„Uwe overplaatsing?”
-
-„Ja, ik was al zoo lang hier! Bijna vijf en een halve maand.”
-
-„Maar, waarheen?”
-
-„Naar Gombong.”
-
-„Wel, dan feliciteer ik u wel,” zei Grashuis, „Gombong is een
-allerliefst plaatsje.”
-
-„Ge hadt het erger kunnen treffen, b. v. Singkel of Atjeh,” meende Van
-Rheijn.
-
-„Dat’s waar,” zeide Murowsky met een zucht. „Maar, waar ligt Gombong?
-Vergeef mij die vraag; maar de Indische aardrijkskunde wordt in Polen
-slechts spaarzaam beoefend.”
-
-„Gombong ligt in Bagelen,” antwoordde Van Rheijn.
-
-„Maar waar ligt Bagelen?” ging Murowsky met vragen onverstoorbaar
-voort.
-
-„Bagelen? Wel in die richting,” antwoordde de adspirant-controleur, met
-een gevoel van meerderheid in de gewilde richting wijzende.
-
-„Dus niet over zee?”
-
-„Neen, waarde Pool. Ge kunt er met een rijtuig komen. Vraag maar aan
-Van Nerekool, die is er kort geleden nog geweest. Die heeft er zijn
-hart verloren.”
-
-„Te Gombong?” vroeg Murowsky.
-
-„Neen, maar dichtbij, te Karang Anjer. Gij kent toch juffrouw Anna van
-Gulpendam wel?”
-
-„Zeker,” antwoordde de officier van gezondheid. „Wie zou dat mooie kind
-niet kennen?”
-
-„Welnu, juffrouw Van Gulpendam is derwaarts vertrokken en heeft het
-hart van onzen vriend medegenomen.”
-
-„Dat is slim,” zei Murowsky, zich in de beteekenis van dat
-Nederlandsche woord vergissende.
-
-„Vindt ge?” vroeg Grashuis.
-
-„Zouden we niet aan onze proefneming denken, heeren,” viel Karel van
-Nerekool in, wien dat gesprek over Anna weinig behaagde.
-
-„Dat ’s waar ook!” riep de dokter uit. „Onze experimenta! Gij weet het:
-experientia optima rerum magistra (de ervaring is de beste leermeester
-der dingen). Hebt gij mijn pakje ontvangen?”
-
-„Ja,” antwoordde Grenits; „daar ligt het op dat knaapje.”
-
-Murowsky haalde een paar thermometers, een hygrometer, een aneroïde
-barometer, een stethoscoop en een weegschaaltje te voorschijn; terwijl
-Van Rheijn een bedoedan en een doosje met tjandoe voor den dag haalde.
-
-„Wat ziet dat goedje er vies uit,” zei Van Beneden, die het doosje
-geopend had.
-
-Murowsky nam het van hem over, en doceerde pedant weg:
-
-„Opium is een amorfe kleverige massa, die snijdbaar is, en op de
-snijdvlakken eene bruinzwarte kleur vertoont. Als een gomachtig lichaam
-is die massa niet splijtbaar, daarentegen kneedbaar. De reuk is flauw
-zoetachtig, en het aanvoelen is tamelijk vettig. De hoofdbestanddeelen,
-die er in aangetroffen worden, zijn de morphine en de narcotine. Zonder
-deze is het product geheel waardeloos.”
-
-„Maar, wie onzer zal zich aan de proef onderwerpen?” vroeg Van Beneden.
-
-„Wij zullen er om loten,” sprak Van Rheijn.
-
-„Als ik maar niet meê behoef te doen,” sprak de dokter. „Want ik moet
-de waarnemingen verrichten.”
-
-„Zou het niet het beste zijn, dat ik de proef nam?” zei Grenits.
-
-„Waarom gij eerder dan een ander?”
-
-„Omdat ik hier in de gevangenis al den tijd zal hebben, om mijn roes
-uit te slapen.”
-
-„Dat’s waar,” zei Van Rheijn. „Ik stem voor het voorstel. Want ik moet
-morgen ochtend op het residentie-kantoor aanwezig zijn.”
-
-„En ik moet morgen pleiten,” zei Van Beneden. „Gijlieden weet: de zaak
-van Setrosmito.”
-
-„Dat is waar ook,” riepen allen. „En die zitting van den landraad
-zouden wij ongaarne missen.”
-
-„Dus aangenomen, dat ik schuiven zal, nietwaar?” vroeg Grenits.
-
-„Ja, ja,” antwoordden allen. „Dat is goed, Theodoor!”
-
-„Welaan dan, ik ben gereed.”
-
-„Jawel, maar ik nog niet,” zei Murowsky.
-
-„Ik ook nog niet,” voegde Eduard van Rheijn er bij.
-
-De Pool begon met den meest deftigen ernst de voorhanden zijnde tjandoe
-te wegen, en bevond dat er 0,0092 K.G. aanwezig was. Dat teekende hij
-zorgvuldig in een zakboekje op.
-
-„Zet er bij,” zei Van Rheijn, „dat het vijf en twintig mata’s zijn.”
-
-„Vijf en twintig wat?” vroeg Murowsky.
-
-„Vijf en twintig mata’s!”
-
-„Mata’s? [210]... Oogen?” vroeg de Pool.
-
-Allen barstten in lachen uit.
-
-„Neen, waarde dokter,” hernam Van Rheijn. „Luister. Voor de opium heeft
-het gouvernement het navolgende standgewicht: de pikoel = 100 katies,
-het katie =16 taëls, de taël = 10 tji, de tji = 10 mata’s; zoodat...”
-
-„Jawel, jawel,” zei de dokter, „nu begrijp ik. Laat ons voortmaken. De
-zon is reeds onder. Vriend Grenits laat de lamp opsteken.”
-
-Inderdaad, het was bijna kwart over zessen, en dan is de zon in de
-maand Augustus reeds eenigen tijd onder de kim verdwenen.
-
-Toen de bediende van Grenits de astraallamp opgestoken had, en
-heengegaan was, ging de Pool voort:
-
-„En nu uitkleeden,” zei hij tot Theodoor.
-
-„Uitkleeden?” vroeg deze.
-
-„Ja, zeker. Gij moet in slaapbroek en kabaai gekleed zijn. Ik moet het
-bovenrif kunnen zien.”
-
-Grenits ging naar zijn slaapvertrek, en kwam een oogenblik daarna terug
-in het traditioneele nachttenue van Nederlandsch-Indië.
-
-De dokter liet hem zich nu op den divan uitstrekken, voelde hem den
-pols, deed hem de tong uitsteken, ausculteerde hem, door aandachtig met
-den stethoscoop zijn borstkas te beluisteren. Hij percuteerde die
-borstkas met zijn plessometer, waarop hij met een coquet hamertje
-uiterst handig kon tikken. De gelaatstrekken van den Pool stonden bij
-die verrichtingen bij het strakke af; zij moesten den verheven ernst te
-kennen geven, die den priester der wetenschap bezielde; maar misten
-hare lachverwekkende uitwerking op de omstanders niet. Zelfs Grenits
-kon een glimlach niet weerhouden.
-
-„Waartoe al die poespas?” mompelde August van Beneden Leendert Grashuis
-in het oor.
-
-„Waarom schermt gijlieden juristen steeds met latijnsche aanhalingen?”
-vroeg deze schalks, maar ook op gedempten toon. „Dat hoort er zoo bij.”
-
-„Wel, dokter, is mijn karkas in orde?” was de vraag van Grenits.
-
-„Normaal!” sprak Murowsky, met iets hols en iets plechtigs in zijne
-stem. „Nu moet ik nog den barometer observeeren, dan kan met de proef
-begonnen worden.”
-
-Hij bevond, dat het genoemde instrument op 765° stond, en teekende dit
-op.
-
-„Zie zoo,” zei hij tot Theodoor, „nu ben ik klaar. O, ja, nog wat....
-Wanneer hebt gij het laatst gegeten?”
-
-„Om half een, de gewone rijsttafel.”
-
-„Het is nu half zeven,” zei de arts, terwijl hij nauwkeurig op zijn
-horloge keek. „Dus zes uren geleden. Hebt gij daarbij geestrijke
-dranken gedronken?”
-
-„Niets, als een enkel glas pale ale.”
-
-De dokter plaatste hem toen zijne twee thermometers onder de oksels.
-
-Eduard van Rheijn had intusschen den voorraad tjandoe in vijf en
-twintig nagenoeg gelijke deelen afgedeeld. Daarna ontstak hij de
-palita, en hield zich onledig de deeltjes tjandoe aan het einde van een
-stokje in de vlam van het lampje te verwarmen, en zacht te maken, ten
-einde ze met zeer fijn gesneden Java-tabak te vermengen, en tot ronde
-pilletjes te kunnen rollen. Dat ging onzen aspirant-controleur vrij
-handig af. Hij had zich door Lim Ho laten wijzen, en deze had hem met
-genoegen onderricht gegeven.
-
-„Wie weet,” had de Chinees met een grijns gedacht, „of de Europeanen
-ook nog niet eens smaak in de lekkernij zullen krijgen [211]?”
-
-Toen Eduard met zijn pillendraaien klaar was, haalde hij de bedoedan te
-voorschijn, die uit een vrij dikken bamboesteel bestond, die zoo wat
-drie decimeters lang, fraai lichtbruin gepolitoerd, en waarvan het eene
-uiteinde der buis gesloten en het andere open was. Dicht bij het
-gesloten einde was op het buitenvlak en loodrecht op de as van de buis
-een klein aarden pijpenkopje aangebracht.
-
-„Het is eene spiksplinternieuwe,” verzekerde Van Rheijn, „die ik
-aangeschaft heb.”
-
-„Goddank!” zei Grenits. „Verbeeldt jullie, dat het eene gebruikte was,
-waaraan zoo’n oude schuiver gezogen en gesaliveerd had! Poeah!”
-
-„Toch is voor de lekkerbekken, voor de „feinschmeckers” een oude pijp
-zeer gewild. Hoe donkerder de steel doorgerookt is, en hoe meer de
-pijpenkop met „tahi madat” [212] aangeslagen is, hoe heerlijker het
-schuiven moet zijn.”
-
-Eduard deed toen een madatpilletje in het pijpenkopje, reikte de
-bedoedan aan Theodoor over, en plaatste de brandende palita op een
-knaapje onder het bereik van den proefnemer. Deze lag op een divan
-uitgestrekt met geopende kabaai, dus met de borstkas bloot, rustende
-het hoofd op een niet te zacht kussen.
-
-„Wij moesten dat vuile, smerige hoofdkussen hier hebben,” zei Grashuis
-lachende. „Gij weet wel, wat wij te Kaligaweh in de opiumkit gezien
-hebben.”
-
-„Dank je wel, Leendert,” antwoordde Grenits. „Daartoe zou ik mijn
-krullebol niet leenen. Neen, dit kussen is goed.”
-
-Hij draaide zijn hoofd naar de palita, nam den steel der bedoedan in
-den mond, en wilde het pijpenkopje bij de vlam brengen, zooals hij dat
-op den bewusten avond de schuivers had zien doen.
-
-„Een oogenblik! Een oogenblik!” riep Murowsky uit. „Niet zoo haastig!”
-
-Hij greep Theodoor’s polsgewricht, en keek toen gedurende eene minuut
-met den meest deftigen ernst op zijn horloge, legde den stethoscoop
-aan, en luisterde aandachtig. Daarna nam hij de thermometers en las af,
-maar herplaatste ze terstond. In zijn boekje schreef hij op: pols 72,
-ademhaling 24, temperatuur 37,5.
-
-„Zie zoo,” zei hij. „Ga nu je gang maar.”
-
-Grenits zoog het vlammetje met een lange ademhaling door den pijpenkop
-naar binnen. Bij het verbranden van het opiumballetje verbreidde zich
-eene onaangename, zoetachtige lucht door het vertrek, die de omstanders
-aan lauw bloed en keukenstroop deed denken.
-
-„Inslikken! Inslikken!” riep Van Rheijn tot Grenits.
-
-Maar, dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Bij de poging daartoe
-overviel Theodoor een hoestbui, die hem noodzaakte den mond te openen,
-waardoor de ingezwelgde rook in dikke spiralen ontsnapte, en de
-onaangename lucht in het vertrek nog vermeerderde.
-
-„Poeah! Poeah!” riep Grenits al kuchende uit.
-
-„Wat gevoelt ge? Wat proeft ge?” vroeg Murowsky.
-
-„Ik gevoel niets, als wat benauwdheid van het hoesten. Wat ik proef, is
-een akelige, zoete smaak, waarvan ik geene beschrijving kan geven.”
-
-De haal was flink gedaan. Het geheele madat-balletje was verbrand. Van
-Rheijn laadde den pijpenkop met een tweede pilletje.
-
-„Gij moet nu trachten den rook in te slikken”, zei hij. „Gij hebt dat
-toch meer gedaan bij het gebruiken van sigaren, om den rook door de
-neusgaten te doen uitkomen.”
-
-„Ik zal probeeren,” antwoordde Theodoor. „Maar hij is zoo walgelijk
-zoet, die rook.”
-
-Het rooken werd herhaald. Het gelukte Grenits werkelijk den rook in te
-slikken, hem een poos binnen te houden, waarna hij hem in fijne
-krulletjes langs den neus liet ontsnappen.
-
-Dokter Murowsky teekende in zijn zakboekje op: pols 70, ademhaling 25,
-temperatuur normaal.
-
-Op zijne vraag: „wat ondervindt ge?” antwoordde Grenits:
-
-„Niets. Alleen de zoete smaak is verdwenen, en door een vrij bitteren
-vervangen.”
-
-Bij de derde pijp klaagde Theodoor, dat zijn hoofd zwaar werd, en hij
-eene lichte neiging tot slapen ondervond.
-
-Bij de vierde en vijfde pijp nam de slaperigheid toe. Grenits weerstond
-die neiging evenwel. Hij gaf op alles correct antwoord, hoewel hij een
-poos op dat antwoord liet wachten. Hij verklaarde te merken, dat zijn
-denkvermogen langzamer werkte. Hij moest namelijk iedere vraag lang
-overdenken, om haar te begrijpen, en een antwoord er op te vinden. Hij
-kon evenwel nog zonder hulp overeind gaan zitten, en ook ongehinderd
-door het vertrek op en neer gaan. Nauwkeurig teekende dokter Murowsky
-dat alles op, en bevond na de zesde pijp, dat de slaperigheid toenam,
-en dat de pols 70 slagen aangaf, terwijl de ademhaling tot 28 steeg.
-
-Na de achtste pijp was de slaperigheid nog toegenomen; Theodoor
-vermocht evenwel nog op het horloge te zien, hoe laat het was. Na de
-negende werd het spreken moeilijker en onduidelijker. Op aandringen van
-den dokter verklaarde Grenits, dat hij een gevoel had, alsof zijne tong
-in omvang toegenomen was. Na de tiende pijp klaagde de proefnemer
-andermaal over den bitteren smaak in den mond, alsook over duizelingen.
-De dokter greep dadelijk zijne hand, en bevond den polsslag en de
-ademhaling onveranderd. Na de elfde kon Grenits zich niet meer zonder
-hulp van den divan oprichten, en moest bij het gaan ondersteund worden;
-want zijne schreden waren zeer onzeker. Na de twaalfde pijp, die zeer
-langzaam gerookt werd, trad eene merkbare verandering in. Theodoor lag
-met gesloten oogen. Wanneer hij die bijwijlen opende, dan was de blik
-helder, hetgeen zeer afstak met de slaperigheid van vroeger. Hij
-verklaarde, dat hij een uiterst aangenaam gevoel ondervond, waarvan hij
-evenwel geene beschrijving wist te geven.
-
-„Karel, Karel,” wendde hij zich tot Van Nerekool, „maak wat muziek.”
-
-Deze stond op, en zette zich aan de pianino, en begon zeer zacht de
-variaties van Chopin op den „Don Juan” te spelen. Het gelaat van den
-schuiver teekende verrukking. Het was te zien, dat hij iederen toon,
-ieder accoord genoot, in zich opnam.
-
-„Nog meer spelen!” prevelde hij, toen Karel geëindigd had. „Nog meer
-spelen, nog meer rooken!”
-
-Na de dertiende pijp nam de verrukking toe. Grenits gaf steeds het
-verlangen te kennen meer te rooken. Hij lachte, strekte de armen uit,
-en maakte bewegingen, alsof hij iets zeer aangenaams zag. Op Murowsky’s
-vraag, waarom hij lachte, antwoordde hij, terwijl hij het uitschaterde,
-dat hij het niet wist. Eindelijk verzocht hij Van Nerekool om eene
-passage uit Schuman’s „Manfred” te spelen. Bij de veertiende en
-vijftiende pijp nam de verrukking steeds toe. Onafgebroken zetelde een
-glimlach op het gelaat des rookers. Hij gaf evenwel op geen der hem
-gestelde vragen antwoord. Daarenboven begon hij iets meer beweeglijk te
-worden en lag niet meer zoo stil als voorheen.
-
-Na de zestiende pijp klaagde Grenits, dat het rooken telkens afgebroken
-moest worden om de pijp te stoppen. Hij verweet Van Rheijn, dat hij
-geen tweede bedoedan medegebracht had. Dan had de proef onafgebroken
-kunnen voortgezet worden. Dokter Murowsky constateerde, dat de
-polsslagen 72 en de ademhaling 28 bedroegen, dat evenwel de conjunctiva
-(bindvlies van het oog) sterk met bloed beloopen, en dat de oogleden
-zwaar en de oogen zelven gesloten waren.
-
-Na de zeventiende pijp sprong de rooker plotseling op, en wilde door
-het vertrek heen en weer wandelen; maar viel daarbij omver, en kon niet
-meer opstaan. Hij moest op den divan teruggedragen worden. Hij verzocht
-met schuiven door te gaan, hetgeen, nadat de dokter verklaard had, dat
-er hoegenaamd geen gevaar bestond, toegestaan werd.
-
-Na de achttiende pijp begon de verrukking, die een weinig geweken
-scheen, andermaal in te treden. De bewegingen des schuivers werden
-vaker, en verkregen een aard van ongebondenheid. Als hij de oogen
-opende was het, alsof hij een beeld met de oogen vervolgde.
-
-Na de twintigste pijp nam de verrukking hand over hand toe. Grenits’
-bewegingen waren thans libidineus, zijne gebaren, alsof hij onzedelijke
-betastingen verrichtte. Zijn mond prevelde vrouwennamen, vermengd met
-zeer erotische beschrijvingen. Op de vraag van Murowsky, hoe hij zich
-bevond, antwoordde hij:
-
-„O, ik ondervind een overheerlijk gevoel! Zoo iets wat ik nimmer
-voorheen ondervonden heb!”
-
-Terwijl de dokter opteekende: „Sclerotica (oogwit) zeer ontstoken, pols
-70, ademhaling 26, temperatuur 37,8, en daarop liet volgen: „algemeene
-verhooging der sexualiteit, satyriasis treedt in,” ging Theodoor voort
-met zijne ongebonden bewegingen en gebaren. Op de vraag van Murowsky,
-of hij niets verlangde, antwoordde hij:
-
-„Ik wil en verlang niets, als dat ge mij met rust rooken laat. Waar is
-eene nieuwe pijp? Die Eduard ook!... Zoo moet de proef mislukken!”
-
-Een oogenblik daarna riep hij uit:
-
-„O! als dat Mahomet’s paradijs is, dan wil ik steeds rooken! Waar is
-toch de pijp?”
-
-„Zouden wij er geen eind aan maken?” vroeg Van Nerekool. „Ik vrees, dat
-bij dien staat van overspanning onzen vriend een ongeluk overkomt.”
-
-„Neen, daar is geen gevaar voor,” antwoordde de Pool. „Daar sta ik voor
-in. De pols is zoo kalm mogelijk. De ademhaling is sedert het begin der
-proef ietwat versneld; terwijl de temperatuur slechts 0,3° toegenomen
-is. Het zou jammer zijn de proef te staken. Zij is allerbelangrijkst
-voor de wetenschap.”
-
-Na de een en twintigste pijp, werd Grenits al woester en ongebondener.
-Meestal lag hij stil en onbeweeglijk. Maar aan zijn gelaat was genoeg
-te ontwaren, wat in zijn binnenste omging; terwijl, wanneer hij woorden
-prevelde of bewegingen of gebaren volvoerde, die van den meest
-dierlijken wellust getuigden.
-
-Zoo ging het voort tot bij de vier en twintigste pijp. Toen antwoordde
-hij op Murowsky’s vraag, hoe hij zich gevoelde?
-
-„Ik heb een gevoel van groote rust, een uiterst aangenaam gevoel.”
-
-Dat was evenwel voor den Pool lang niet voldoende. Hij hield Grenits’
-pols met den rechter wijsvinger bedekt, terwijl zijn linkerhand vlak
-uitgestrekt lag op diens borst.
-
-„Maar, wat gevoelt gij?” vroeg hij met aandrang.
-
-Theodoor antwoordde niet. Zijn borst hijgde hartstochtelijk, zijn
-handen strekten zich naar een denkbeeldig wezen uit, alsof hij het
-wilde omarmen. Zijn gelaat teekende zoo eene gelukzaligheid, dat alle
-omstanders hem met verwondering gadesloegen.
-
-„Dokter, dokter!” prevelde Van Nerekool, „is het nog geen tijd om die
-proef te eindigen? Het begint walgelijk te worden. Zie die gebaren, die
-heupbewegingen eens!”
-
-Maar de Pool had daar geen ooren naar.
-
-„Geen gevaar, geen gevaar!” riep hij. „In het belang der wetenschap
-moeten wij voort!”
-
-Met de taaie vasthoudendheid van den geleerde, die met zijn
-wetenschappelijk oog een hem nog onbekend verschijnsel bespiedt sloeg
-hij Theodoor’s bewegingen gade. Hij bevoelde hem, hij betastte hem, en
-keek hem daarbij als het ware de woorden uit den mond. Hij was
-wanhopig, dat de patiënt zoo weinig sprak.
-
-„Grenits! Grenits!” riep hij, „hoort ge mij?” vroeg hij, terwijl hij
-den patiënt tegen den neus knipte.
-
-Deze bromde eenige woorden, terwijl hij zich heen en weer bewoog.
-
-„Hoort ge mij?... Grenits! hoort ge mij?” herhaalde hij trillend van
-ongeduld.
-
-Deze ging voort met brommen en met zich heen en weer te bewegen.
-
-„Hoort ge mij?” herhaalde de Pool. „Zeg, hoort ge mij?”
-
-„Ja, ja, maar laat mij met rust,” kwam er met moeite uit.
-
-„Wat gevoelt gij toch? Zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt.”
-
-Hij boog zich nog verder over den patiënt, en wendde het
-belangstellende oog niet van hem af. Het was de geleerde die, bij zijn
-hartstocht om een der natuurgeheimen zich te zien ontraadselen, in
-staat is vivisectie op zijn evenmensch uit te voeren.
-
-„O, zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt,” kreet hij; terwijl hij
-voortging Theodoor tegen den neus te knippen.
-
-„Wat ik gevoel....” bromde deze.... „wat ik gevoel... O! het is nog
-heerlijker dan...........” [213]
-
-„Afschuwelijk! Afschuwelijk!” kreet Van Nerekool. „Aan dat tooneel moet
-een einde komen!”
-
-Hij rukte Eduard de pijp uit de hand, en trapte die met den voet plat,
-greep het doosje met tjandoe, en wierp het laatste balletje, dat Van
-Rheijn reeds klaar had gemaakt, de deur uit.
-
-„Goed zoo!” riepen Grashuis en Van Beneden. „Daar moest een einde aan
-komen!”
-
-„Het is jammer, doodjammer!” mompelde de geneeskundige.
-
-Hij begon evenwel gauw van meening te veranderen. Grenits’ toestand
-begon hem inderdaad bezorgd te maken. De pols was tot 62 slagen en de
-ademhaling tot 24 gedaald. Daarentegen steeg de lichaamswarmte tot
-38,6. De patiënt was zeer onrustig, stamelde voortdurend bandelooze
-taal. Zijn oogen waren met bloed beloopen, en zijn aangezicht zeer
-opgezet. De huid van het lichaam had een droog gevoel, toch waren de
-handen vochtig van een klam zweet. Voortdurend vroeg hij om te rooken.
-
-„De pijp?... Waar is de pijp?.... Van Rheijn, waar is de pijp!”
-schreeuwde hij schier, te midden der meest gruwelijke en
-onsamenhangende uitdrukkingen.
-
-Murowsky beijverde zich, hem zeer sterke koffie, die hij door den
-cipier bijtijds had laten gereedmaken, te doen drinken, waarbij hij hem
-het vocht met een lepel in den mond goot. Hij verfrischte zijn hoofd
-met ijswater, liet hem van tijd tot tijd aan vluchtige alkali ruiken,
-en slaagde er eindelijk, na lang tobben, in hem tot bedaren te brengen.
-
-Het was vooral de koffie, die hem scheen goed te doen. Na eerst dien
-drank afgeweerd te hebben, vroeg hij er later om. Langzamerhand begon
-hij rustiger te worden. Lang nog evenwel behielden de volzinnen, die
-hij uitte, een niet te miskennen erotische tint. Ook dat begon
-eindelijk te verminderen. Zijne stem werd zachter, zijn spreken
-zeldzamer, en eindelijk viel hij in een gerusten slaap; waarbij
-Murowsky constateerde, dat de pols 70, de ademhaling 24 en de
-lichaamswarmte 37,4° bedroeg.
-
-„Gansch normaal!” verklaarde hij thans. „Ik zal evenwel heden nacht bij
-hem doorbrengen.”
-
-De vergunning van den cipier daartoe werd niet moeilijk verkregen.
-Grenits sliep evenwel drie en dertig uren aan een stuk en gevoelde zich
-bij het ontwaken vrij wel, een weinig afgematheid en hoofdpijn niet
-medegerekend. Nadat hij gebaad had, was ook dat over. Toen evenwel
-ondervond hij een schrikbarenden honger, en kon de cipier hem niet vlug
-en copieus genoeg laten bedienen.
-
-Drie dagen later was Murowsky naar zijn nieuw garnizoen vertrokken. Hij
-had zich evenwel voorgenomen zijne aanteekeningen uit te werken en zijn
-opstel aan een der wetenschappelijke tijdschriften van Duitschland toe
-te zenden.
-
-De opinie der overige vrienden omtrent het opiumverbruik was thans
-onwrikbaar gevestigd. Zelfs Van Rheijn, die vroeger, wel niet als
-verdediger van het opiummonopolie was opgetreden, maar toch wel eens
-verschoonende omstandigheid voor de Indische regeering bepleit had, was
-volkomen bekeerd. Theodoor Grenits evenwel werd knorrig, wanneer later
-op zijn bewegingen, gebaren en uitingen gedurende de proefneming
-gezinspeeld werd.
-
-„Het is verdraaid,” riep hij uit, „dat ik den bedoedan nog zal
-aanraken, hoe verleidelijk mij de beelden nog voor den geest staan.
-Gijlieden zult mij evenwel zeer verplichten, wanneer gij voortaan geen
-woord meer daarover zult reppen. Intusschen”, zoo vervolgde hij met
-geestdrift, „Vrienden, de handen in elkander! En oorlog, oorlog à
-outrance aan de opium!”
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIII.
-
-IN DE REGENTS-PANDOPPO.
-
-
-Daags na die proefneming zou het een merkwaardige dag zijn voor de
-ingezetenen van Santjoemeh.
-
-De landraad vergaderde toch, en zou heden na de te voeren pleidooien
-uitspraak doen in de zaak van Setrosmito,—den vader, zooals men weet,
-van baboe Dalima,—die beschuldigd van opiumsmokkelarij en van moord op
-een bandoelan in de uitoefening zijner functiën gepleegd, in de
-gevangenis zijn lot zat af te wachten.
-
-De getuigen waren gehoord, en de beschuldigde had bekend een Chinees
-met zijn kris gedood te hebben; maar hardnekkig ontkend, dat hij
-schuldig was aan opiumsmokkelarij.
-
-Geheel Santjoemeh was op de been, althans het Europeesche gedeelte;
-want men wist, dat August van Beneden pleiten zou. Wel was onze
-rechtsgeleerde reeds in de zaak van baboe Dalima als pleitbezorger
-opgetreden, maar had zich daarbij meer tot aanwijzingen bepaald, en
-zich minder als redenaar ontwikkeld; zoodat zijne thans te voeren
-pleitrede als zijn maidenspeech kon beschouwd worden. Daarenboven had
-hij in gezellige kringen en bij verschillende andere gelegenheden
-genoegzame bewijzen van redenaarstalent gegeven, om te doen
-veronderstellen, dat men heerlijke oogenblikken van kunstgenot zoude
-doorbrengen. Er werd bij verteld, dat de gepleegde moord aanleiding
-gevonden had in onbetamelijke handelingen, door den vermoorden
-bandoelan jegens het dochtertje van den moordenaar gepleegd. Het
-Santjoemehsche publiek was vrij wel op de hoogte van de
-afzichtelijkheden, die zich de bandoelans bij de visitatie aan den
-lijve gewoonlijk veroorloofden, zoodat een ieder het er voor hield, dat
-zeer pikante zaken gehoord zouden worden, en overtuigd was, dat de
-jeugdige rechtsgeleerde, die van ijver voor den dienst van Themis
-blaakte, de gelegenheid niet zoude laten voorbijgaan, zonder den vinger
-te leggen op de opiumpacht, die snerkende brandwonde voor de Javaansche
-maatschappij, die schande voor de blanke overheerschers.
-
-De pandoppo van de regentswoning, waarin de landraadzittingen plaats
-hadden, was dan ook reeds lang voor den tijd der opening gevuld. Zelfs
-dames waren verschenen [214], en onder haar de schoone Laurentia van
-Gulpendam waarschijnlijk ter wille van de kiesche dingen, die gehoord
-zouden worden. Het talrijke bediendenpersoneel dier pandoppo keek
-verwonderd op; want, dat was aan zoo’n toeloop niet gewend,—gewoonlijk
-toch blonk het publiek bij dergelijke zittingen door zijne afwezigheid
-uit.—De „boedjang’s” (bedienden) hadden de handen vol met het aanbieden
-van stoelen, en waarachtig die kwamen weldra te kort, hoe weelderig zoo
-eene Kaboepatèn (regentswoning) ook gemeubeld is.
-
-Ware het avond geweest, en hadden de kroonlampen, die in die pandoppo
-hingen, met heldere vlam geschitterd, dan had men aan een gezellige
-bijeenkomst kunnen gelooven, of beter nog aan een séance van een
-goochelaar of zoo iets. Aan het einde der ruime hal bevond zich toch
-eene verhevenheid, drie trappen hoog, waarop eene vrij groote tafel,
-met groen laken bekleed, bevracht met een dik boek en allerlei
-overtuigingsstukken, en omgeven met een aantal stoelen. Een
-politie-oppasser, die blijkbaar, uit houding en gelaat af te leiden,
-het gewicht zijner functie begreep, stond op post bij die tafel, om de
-profanen daarvan verwijderd te houden. Wanneer een spotvogel dien man
-opgedragen had zijn sabel te trekken, zou hij voorzeker het roestige
-stuk ijzer met edelen zwaai uit de scheede voor den dag gehaald hebben.
-
-In afwachting van de komst van de leden van den landraad, kortte de
-menigte den tijd zoo aangenaam mogelijk. Men begroette elkander, men
-lachte, men kortswijlde, men praatte, en gedroeg zich daar in dien
-tempel der gerechtigheid als in een café-chantant gedurende de pauze.
-
-„Goeden morgen, mevrouw Van Gulpendam, komt gij ook eens eene zitting
-bijwonen?”
-
-Het was de heer Thomasz, de substituut-griffier, die heden, omdat de
-griffier zelf fungeerde, en amateur een kijkje kwam nemen, en dus van
-de gelegenheid gebruik maakte, om de schoone Laurentia zijne hulde aan
-te bieden.
-
-„Goeden morgen, mijnheer Thomasz,” antwoordde de residents-vrouw,
-terwijl zij hem hare fraaie hand reikte. „Ja, ik kom ook eens kijken.
-Ik heb nimmer eene landraadzitting bijgewoond. Ik ben wel nieuwsgierig.
-Het zal wel interessant wezen, nietwaar?”
-
-„Dat denk ik ook, mevrouw. Hoewel voor mij, de getuigenverhooren meer
-pikants opleverden.”
-
-„Dat kan ik denken. Maar... die afschuwelijke moordenaar zal zeker
-veroordeeld worden?”
-
-„Dat is nog zoo geheel zeker niet, mevrouw.”
-
-„Niet?”
-
-„Neen, wel sluit het requisitoir van den hoofddjaksa als een bus; maar
-sedert de residenten en assistent-residenten als voorzitters van de
-landraden door rechterlijke ambtenaren vervangen zijn, [215] speelt
-eene ziekelijke philantropie den baas, en het zou mij niet verwonderen,
-dat deze booswicht vrijgesproken werd, vooral nu....”
-
-„Ja, ik weet wat gij zeggen wilt, mijnheer Thomasz,” viel Laurentia hem
-in de rede. „Vooral nu een Europeaan voor zoo’n Javaanschen ellendeling
-zal gaan pleiten [216]. Het is ongehoord! Maar, wie betaalt dien
-advocaat, mijnheer Thomasz?”
-
-„Shut! mevrouw. Dat is een geheim!”
-
-„Een geheim?... Gij schijnt het toch te weten. Kom vooruit! met wat gij
-weet. Voor de vrouw van den resident moogt gij geen geheimen hebben.”
-
-Thomasz glimlachte even.
-
-„Laten wij even op die estrade gaan,” zeide hij, „dan kan niemand ons
-hooren.”
-
-Beiden stapten de verhevenheid op, naderden de tafel en hielden zich,
-alsof zij de voorwerpen, daarop uitgespreid, bekeken. De
-politie-oppasser wachtte zich wel der njonja resident en den
-toean-kripier dat te beletten.
-
-„Welnu,” vroeg Laurentia, „nu kunt gij spreken. Wie betaalt dien
-advocaat?”
-
-„Een kongsie, mevrouw.”
-
-„Van Chineezen?” vroeg de schoone Laurentia onstuimig.
-
-„Dat heb ik niet gezegd, mevrouw,” antwoordde de substituut-griffier
-met eene buiging.
-
-„Eene kongsie van wie dan?”
-
-„Van Europeanen, mevrouw.”
-
-„Gij kent ze! O, loochen dat maar niet. Ik zie het op uw gezicht.”
-
-„Stil, mevrouw, daar naderen een paar dames den trap.... Zie,” sprak
-Thomasz overluid, „dat is de kris, waarmede de moord geschied is. Het
-bloed zit nog aan het gevlamde lem. Daar, die zwarte vlek.”
-
-Mevrouw Van Gulpendam greep het wapen.
-
-„Zeg mij de namen,” zeide zij zacht.
-
-„Ik weet maar een. Van Nerekool....”
-
-„Van Nerekool!.... Altijd die Van Nerekool!” siste de schoone vrouw
-tusschen de tanden.
-
-En zich naar de pandoppo wendende:
-
-„Henriëtte! Henriëtte!” riep zij tot een der genaderd zijnde dames.
-„Kijk, hier is de kris, waarmede de moord gepleegd werd.”
-
-De geroepene trad met hare vriendin de estrade op. Het was alsof de
-politie-oppasser een pas vooruit wilde doen. Een trotsch gebaar van de
-schoone Laurentia weerhield hem.
-
-„Is dat de kris?” vroeg Henriëtte.
-
-„Ja,... Zie, zoo.... dwars door den strot,” zei mevrouw Van Gulpendam,
-met het wapen een vervaarlijken zwaai makende, die de dames deed
-achteruit stuiven.
-
-„De schoone Laurentia is inderdaad schoon!” prevelden een paar
-jongelieden tegen elkander. „Kijk die houding eens, die buste, dat
-trotsche gelaat, die hand, welke den dolk omklemt. Net Lady Macbeth!
-En, kijk dien onberispelijken voetwreef eens!....”
-
-„Ja, zij poseert!” antwoordde een ander. „Zij weet, zij gevoelt, dat
-wij haar bewonderen.”
-
-„Wees niet bang,” ging mevrouw Van Gulpendam voort. „Kijk, hier zit het
-bloed van het slachtoffer, nietwaar mijnheer Thomasz?”
-
-„Ajakkes!” riepen de beide dames. „En durft gij dat aanraken, lieve
-mevrouw?”
-
-„Waarom niet?” antwoordde Laurentia hooghartig, terwijl zij den kris
-kletterend op de tafel smeet. „Dat ding bijt niet.”
-
-„Dat is zoo, lieve mevrouw,” zei Henriëtte. „Maar de gedachte alleen,
-dat daarmede een mensch vermoord is....”
-
-„Slechts een Chinees!” antwoordde mevrouw Van Gulpendam neusoptrekkend.
-
-„Is een Chinees dan geen mensch, lieve mevrouw?”
-
-„Maar zoo wat,” was de meening van de trotsche Laurentia.
-
-„Goed, dat Lim Yang Bing of Lim Ho u niet hooren, mevrouw!” merkte de
-heer Thomasz op.
-
-„O, met die is het wat anders!” hervatte de hooghartige vrouw.
-
-„Dat zijn de opiumpachters!”
-
-„Dat zijn de millionairs!”
-
-Die beide uitingen waren door de twee andere dames met de aan haar
-geslacht eigen beminnelijkheid gezegd, welke Laurentia onaangenaam
-kittelde. Zij liet er evenwel niets van ontwaren.
-
-„Ja, het is waar ook,” sprak Henriëtte, de beminnelijkheid vervolgende.
-„Waar zijn die twee Chineezen? Kijk, daar is de kapitein-Chinees, daar
-is ook Kam Tjeng Bie, de rijke handelaar; maar de opiumpachters zie ik
-niet.”
-
-„Die zullen zich wel wachten heden de landraadzitting bij te wonen!”
-antwoordde een der andere dames.
-
-„Ja; want die hebben genoeg te doen met de toebereidselen voor de
-bruiloft, die eerstdaags zal plaats hebben,” liet mevrouw Van Gulpendam
-als ’t ware achteloos volgen.
-
-„Is de moordenaar niet de vader van baboe Dalima?” vroeg Henriëtte,
-„welke Lim Ho beschuldigd heeft van....”
-
-„Allemaal praatjes, liefste Henriëtte!” viel Laurentia in, „en daarvan
-mag men in het babbelachtige Santjoemeh geen tiende voor waar aannemen.
-Maar.... mijnheer Thomasz, wat is dat voor „gollokh” (kapmes), die daar
-op tafel ligt? Heeft de moordenaar dat ook gebruikt? Er zit bloed aan.”
-
-„O, dat is eenvoudig kippenbloed,” antwoordde de substituut-griffier.
-
-„Kippenbloed?” vroeg Henriëtte lachende.
-
-„Ja, lieve mevrouw, dat is de „gollokh soempah.””
-
-„De gollokh soempah?”
-
-„Het eeds-kapmes in onze taal, mevrouw. Het is daarmede, dat de
-Chineezen den eed afleggen.”
-
-„Hebt gij dat wel eens gezien, mijnheer Thomasz?”
-
-„Dikwijls, mevrouw.”
-
-„Toe, vertel eens. Hoe gebeurt dat?”
-
-„Och heel eenvoudig, dames. De te beëedigen getuige wordt door den
-Chineezen tolk en vergezeld van een der leden van den landraad buiten
-gebracht bij een houtblok. Daar wordt hem den gollokh ter hand gesteld,
-waarmede hij een zwart kuiken op dat houtblok den kop afhouwt. Niets
-meer en niets minder. Het is eene handeling zonder beteekenis, die,
-wanneer men haar voor den eersten keer ziet gebeuren, een zeer
-bespottelijk figuur maakt.”
-
-„Waarom een zwart kuiken, mijnheer Thomasz?” vroeg Henriëtte.
-
-„Ik weet het niet, mevrouw,” antwoordde de substituut-griffier. „Maar,
-gij weet, dat het wit de rouwkleur der Chineezen is.”
-
-„Dat’s waar ook. Maar... eene zwarte kip?... Dus zou er toch eene
-beteekenis ten grondslag van de handeling liggen?” hernam Henriëtte
-nadenkend.
-
-„Het is mogelijk; maar ik heb ze nimmer kunnen ontdekken, hoeveel
-navraag ik ook bij de tolken en bij de Chineesche hoofden ingesteld
-heb,” antwoordde de heer Thomasz. „Er bestaat evenwel een andere
-Chineesche eedsaflegging, dames, die in zeer wichtige gevallen gebezigd
-wordt. Die is niet van beteekenis ontbloot.”
-
-„Bestaan er wichtiger gevallen, dan voor den rechter getuigenis der
-waarheid af te leggen?” vroeg Henriëtte schamper.
-
-„Zeker, mevrouw!”
-
-„Wichtiger dan het geven van getuigenis, waarvan de veroordeeling en
-het leven van een mensch kan afhangen?”
-
-„Zeker, mevrouw!”
-
-„Die ben ik wel benieuwd te hooren!”
-
-„Bij voorbeeld: de groote eed, die door het gouvernement gevergd wordt
-bij de aanstelling der Chineesche officieren.” [217]
-
-„Zoo, is dat wichtiger?” vroeg Henriëtte met een schaterlach.
-
-„Die groote eed wordt ook, evenwel zelden, bij zeer belangrijke civiele
-gedingen gevergd. [218]
-
-„Waarbij het de dubbeltjes geldt, nietwaar? Dat begrijp ik. Maar toe,
-vertel ons iets van den eed.”
-
-„Gaarne, mevrouw. Ik weet er evenwel niet veel van. De eed, daarbij
-gebezigd, is ontleend aan den eed, dien men in China aan vorsten en
-hoofdbeambten bij hunne aanstelling oplegt, en bestaat daarin, dat de
-persoon, die den eed aflegt, het door hem betuigde op een rood papier
-schrijft en het alles met de zwaarste vervloekingen, die bij onwaarheid
-of bij het niet nakomen hem zullen treffen, beëedigt. De eedaflegger
-brengt dit papier in gezelschap van een paar officieren zijner natie,
-en van een paar tolken naar de Pen-ta-King [219] (tempel), waar hij
-door een drietal Chineesche priesters den „King-Long” (tempelheer) en
-den „Low-tsoe” (meester van den wierookpot), bijgestaan door een „Thao
-kew”, (hoofdman) bij den ingang ontvangen wordt. Die priesters zijn
-gekleed in een soort van miskleed van roode zijde, niet ongelijk aan de
-koorkappen der Roomsche priesters bij sommige gelegenheden. Evenwel is
-daarop eene graphische voorstelling van het Cosmogenische Eerste
-beginsel [220] in gouddraad geborduurd. Zoodra in den tempel
-aangekomen, legt de eedsaflegger het beschreven roode papier op de
-„Hijeng Keng” [221] (offertafel) tusschen een aantal brandende kaarsen,
-eenige flesschen wijn en wat gebak, die tot offerande bestemd zijn,
-voor den „Tao-peh-kong” [222] (afgodsbeeld) neder. De priesters
-schreeuwen dan gedurende een poos eenige gebeden, waarbij zij bij
-sommige passages geducht de schel bengelen. Daarna leest de
-eedsaflegger het geschrevene op het papier met luide stem voor, terwijl
-alsdan vlijtig wierook gebrand wordt. Eindelijk brengt hij het papier
-bij de vlam van een der kaarsen, en laat het op de offertafel tot asch
-verbranden. Daarmede is de plechtigheid uit. De priesters schreeuwen
-nog wel hunne onaangenaam klinkende neusklanken; maar de
-gecommitteerden en de beëedigde maken dat zij buiten den tempel komen.
-Ziedaar dames, het weinige, wat ik heb kunnen waarnemen. Ik hoop, dat
-ik een verstaanbaar begrip van die plechtigheid medegedeeld heb.”
-
-„Wij danken u zeer, mijnheer Thomasz,” antwoordde Laurentia, terwijl
-zij hem minzaam een handje toestak, maar intusschen den trotschen blik
-over de verzamelde menigte in de pandoppo liet waren.
-
-„Naar wien zou zij kijken?” prevelde een der jongelieden beneden in de
-ruimte.
-
-„Naar mij niet, helaas!” antwoordde zijn toespreker. „Misschien
-naar....”
-
-„Toean, toean darie rad!” (de heeren van den raad) kondigde een
-politie-oppasser aan met eene stem, alsof een Fransche huissier het „la
-Cour, messieurs!” uitgegalmd had.
-
-De naam van hem, naar wien de schoone Laurentia kon uitgezien hebben,
-bleef onuitgesproken.
-
-En inderdaad, daar uit een der vertrekken van de bijgebouwen, waarop
-men van uit de pandoppo tusschen de „kree’s” [223] door uitzicht had,
-verschenen een paar Europeesche heeren, een paar Javaansche hoofden en
-een paar Chineesche officieren, die zich in plechtstatigen optocht naar
-de pandoppo begaven, en op de estrade plaats namen.
-
-In de eerste plaats verscheen Mr. Greveland, de opvolger van Mr.
-Zuidhoorn en voorzitter van den landraad, daarop volgden Radhen Mas
-Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo, de regent van Santjoemeh, Radhen Pandjie
-Merto Winoto, de patih, en babah Thang Ing Gwam: de majoor der
-Chineezen, welke drie de leden van den landraad uitmaakten. Daarop kwam
-Mas Wirio Kesoemo, de hoofddjaksa, waarachter de griffier trad; terwijl
-de stoet besloten werd door Hadjie Moehammad Kassan, de panghoeloe of
-priester.
-
-De voorzitter was gekleed in de rechterlijke toga met bef en barret, de
-griffier in zwarten rok en witten pantalon, de Javaansche leden van den
-raad natuurlijk in hun nationaal kostuum: kort buisje met staanden en
-met goud geborduurden kraag, daaronder een met idem geborduurd vest,
-eindelijk de fraai gestikte sarong in fijne plooitjes voor den buik
-geordend, en het hoofd, behalve met den hoofddoek ook met den „kopja”
-gedekt, dat vormlooze tooisel, hetwelk op een eindje kachelpijp gelijkt
-dat met smalle gallonnetjes versierd zoude zijn. De majoor-Chinees was
-in het mandarijnen-pak gestoken, dat in vorm zooveel van een Roomsch
-miskleed heeft, hetwelk evenwel, zoowel aan den voor- als aan den
-achterkant, met een monsterachtigen draak in goud geborduurd op het
-lichtblauw laken zou prijken. Zijn hoofd was getooid met eene soort
-pet, ook van lichtblauw laken, die veel van eene barret had, maar
-stijver was en die op den eenigszins verheven bol een pluisje of
-kwastje vertoonde, waarin een veelvlakkige schitterende blauwe steen
-ontwaard werd.
-
-De panghoeloe was in de Arabische chlamyde gehuld, eene soort lange
-jurk van donkere stof, die hem tot aan de hielen reikte. Hij had een
-vervaarlijken grooten tulband op het hoofd, die aanduiden moest, dat de
-man het graf des Profeets bezocht had, en dus „Hadjie”
-(bedevaartganger) was. In zijn handen hield hij een boek, dat er niet
-zeer zindelijk uitzag. Dat was de Koran.
-
-Op de trappen van de estrade, ter weerszijden van de tafel, namen
-ettelijke Javaansche jongelingen plaats, die natuurlijk ook in het
-nationaal costuum gedost waren, evenwel geen kopja droegen. Dat waren
-de „mantrie’s” gewoonlijk jongelieden van aanzienlijke geboorte, die
-toeluisteren en zich oefenen kwamen, om later in staatsdienst te kunnen
-treden. Zij zaten daar op die treden met voor zich gekruiste beenen en
-hadden hun schrijfbordje op de knieën rustende, gereed om de snuggere
-opmerkingen op te teekenen, welke aan de vergetelheid moesten ontrukt
-worden.
-
-Mr. Greveland zat natuurlijk voor het midden der langwerpige tafel.
-Rechts van hem zat de regent, en links de griffier. Naast den regent
-zat de djaksa, die den panghoeloe aan zijne rechterzijde had. Naast den
-griffier zat de patih en naast dezen de majoor-Chinees. Deze plaatsing
-was stipt volgens de etiquette, waarop de meeste Oostersche volkeren
-zoo gesteld zijn, bepaald.
-
-Een oogenblik, nadat die rechterlijke stoet had plaats genomen,
-verscheen August van Beneden, ook gekleed in de toga, en nam op
-aanwijzing van den voorzitter plaats aan het uiteinde van de tafel
-naast den majoor-Chinees. Het was een eigenaardige aanblik [224], welke
-die pandoppo van de regentswoning thans opleverde.
-
-Zooals gewoonlijk, was het een ruime loods, welker hoog dak op een
-achttal pilaren rustte, en dus aan de zijden geheel open was. Tot
-tempering van het schelle licht en ook om de onbescheiden blikken van
-buiten te weren, waren de vakken tusschen de pilaren door groen
-geschilderde kree’s beschermd, terwijl bovendien achter de leden van
-den landraad nog een zeildoek gespannen was.
-
-Vlak achter die leden zaten eenige Javanen nedergehurkt, die belast
-waren, met de dichtgeslagen pajoengs der Javaansche hoofden in de hand
-te houden, evenwel zoo, dat die emblamata van gezag achter hunne
-meesters goed zichtbaar waren.
-
-Zooals die raad daar zitting nam, die als type kon gelden van de
-rechtbanken voor de Inlanders op Java [225], vertoonde hij een
-wonderlijk mengelmoes van de drie grondbeginselen, welke het
-Nederlandsche bestuur min of meer, maar steeds uiterst behendig, tracht
-te behartigen. Vooreerst het Europeesche recht, vertegenwoordigd door
-den voorzitter, dan de Inlandsche gewoonten en gebruiken, die vergen,
-dat de beide raadslieden uit Javaansche grooten, als het kan, uit
-edellieden bestaan, en eindelijk het Musulmansche recht, waaromtrent de
-priester de leden op de hoogte moet brengen.
-
-Tusschen de estrade en de eerste rei stoelen was eene betrekkelijk
-groote ruimte gelaten, zonder dat evenwel een zweem van afsluiting te
-bespeuren was. Ter weerszijde van die estrade stonden een paar
-politie-oppassers met hunne gele uitmonstering en met hunne sabels op
-zijde, die aan gele bandelieren bengelden. Die Javanen schenen vrij wel
-met hunne figuur verlegen. Zij waren niet gewoon bij dergelijke
-gelegenheden zooveel publiek te zien.
-
-Dat de schoone Laurentia in het midden der eerste rij stoelen had
-plaats genomen, verwonderde niemand. Die plaats kwam haar als
-njonja-resident toe. Naast en onmiddellijk achter haar hadden zich de
-voornaamsten van Santjoemeh, of die zich daarvoor hielden,
-gerangschikt. Daarachter vulde eene bonte menigte de pandoppo, die
-evenwel sedert dat de landraad binnen gekomen was, fluisterend met
-elkander sprak.
-
-Eduard van Rheijn, Karel van Nerekool en Leendert Grashuis ontbraken
-natuurlijk niet, en hadden op de derde of vierde rij plaats genomen,
-vanwaar zij een goed overzicht hadden.
-
-„Kijk Thomasz zich eens aangenaam bij de schoone Laurentia maken,”
-merkte Van Rheijn op.
-
-„Ja, hij zet zijn beste beentje voor,” antwoordde Grashuis.
-
-„Het is met hem tegenwoordig koek en ei in het residentiehuis,”
-prevelde een jongmensch, die achter onze vrienden gezeten was.
-
-„Er loopen al zeer zonderlinge praatjes,” fluisterde een ander.
-
-„Ja, in Santjoemeh zijn de praatjes niet zeldzaam,” zei Van Rheijn
-glimlachend. „Santjoemeh zonder chronique scandaleuse is ondenkbaar.”
-
-„Drommels, als het er naar gemaakt wordt!”
-
-„En als de waarschijnlijkheid een handje medehelpt!”
-
-„Zoo, gaat ge dan op waarschijnlijkheden af, wanneer het de eer van
-eene vrouw geldt?” vroeg Eduard stekelig.
-
-„Men verhaalt, dat de tusschenkomst van ’Mbok Karjå ingeroepen is.”
-
-„En, als dat afzichtelijke wijf ergens in gemoeid is, ja, dan...”
-
-„Men?” vroeg Van Rheijn. „Wie is die „men”? herhaalde hij ongeduldig.”
-
-„Wel iedereen.”
-
-„Daar hoor ik toch niet bij!”
-
-„En ik ook niet! betuigde Grashuis.
-
-„Shut!.... Laurentia schijnt iets te hooren,” fluisterde Van Rheijn.
-„Zie haar eens de ooren spitsen!”
-
-„Wat ziet Van Beneden er deftig uit in zijn toga!” zei Leendert
-Grashuis hardop.
-
-„Die japon flatteert hem niets,” zei Van Rheijn. „Hij zit er in als een
-parapluie in zijn foudraal!”
-
-In dit oogenblik keerde zich Mevrouw Van Gulpendam om, en monsterde met
-een blik den groep jongelieden daar achter haar. Allen bogen diep bij
-wijze van groet. Minzaam beantwoordde zij dien. Van Rheijn evenwel werd
-met een innemenden glimlach begunstigd. Gold die zijne vergelijking van
-Van Beneden met een parapluie?
-
-„Olijkert!” prevelde een der achter hem zittenden, en gaf hem een
-lichten stomp in de zijde. „Geeft ge daarom zoo af op die „men”?”
-
-„Schei toch uit met dien nonsens! Je moest je schamen!”
-
-„Hebt gij al een invitatie gekregen?” vroeg Grashuis, om het gesprek
-een andere richting te geven.
-
-„Welke invitatie?”
-
-„Om de receptie bij gelegenheid van het huwelijk van Lim Ho bij te
-wonen.”
-
-„Ja, die heb ik gekregen.”
-
-„Ik ook.”
-
-„En, ik ook.
-
-„Een rare gewoonte,” zei Van Nerekool, „die receptie ten huize van den
-bruigom te houden.”
-
-„Dat is zoo geheel afwijkend van hetgeen bij westersche volkeren plaats
-heeft.”
-
-„Zooals alles, wat bij de Chineezen voorvalt,” zei Eduard van Rheijn
-lachende. „Het is bij hen alles averechts. Zij hebben wit voor
-rouwkleur, blauw voor halven rouw; hunne dames dragen pantalons en de
-mannen waaiers; zij laten messen, lepels en vorken aan ons barbaren
-over, en goochelen hun maal met een paar stokjes heel behendig naar
-binnen; zij hebben een afschuw van eene pen, maar schilderen hunne
-gedachten met een penseel in loodrechte zuilen op het papier; zij
-meenen dat de nakomelingen de voorouders tot adellijken stempelen,
-zoodat men bij hen na den dood graaf of baron kan worden; zij betalen
-hun dokter, wanneer zij gezond, maar weigeren betaling, wanneer zij
-ziek zijn. Laat die menschen dan ook bruiloft houden bij den bruidegom
-in stede van bij de bruid.”
-
-Een algemeen gelach begroette dien koddigen uitval van den
-aspirant-controleur, die niet zacht gesproken had. Zelfs mevrouw Van
-Gulpendam stemde met het gelach in, en knikte hem vriendelijk toe.
-
-„Ziet ge wel, gelukkige sterveling, in welk goed boekje ge staat?”
-
-„Shut... heeren. Daar komt de moordenaar!”
-
-„Zoo zonder boeien?”
-
-„Jawel, de wet vergt, dat de beschuldigde vrij en frank voor zijne
-rechters verschijne!”
-
-„Maar verbiedt niet, dat de suppoosten in zijne nabijheid blijven.”
-
-„Shut!....”
-
-Mr. Greveland had een slag op de tafel met den houten hamer gedaan.
-
-„Deurwaarder, zorg dat er stilte heersche!” sprak hij met waardigheid.
-
-Deze een sienjo, liep door de pandoppo op en neer, en beijverde zich
-stilte te verkrijgen.
-
-„Shut!... Shut!... dames en heeren!... Shut!” schreeuwde hij, en maakte
-daarbij alleen meer leven dan het geheele gezelschap bij elkander.
-
-De voorzitter klopte herhaaldelijk met zijn hamer.
-
-„Stilte!” werd er geroepen.
-
-„Stilte!... Shut!” herhaalde de deurwaarder; terwijl hij bedarend en
-smeekend de armen uitstak, alsof hij òf zwemmen òf een storm bezweren
-wilde.
-
-Eindelijk gelukte het al die tongen, al die monden in bedwang te
-krijgen. Een der minst volgzamen was de schoone Laurentia. Voor wie zou
-zij zich ook als residentsvrouw te ontzien hebben? Die heeren van de
-rechterlijke macht zijn ook zoo aanmatigend!.... Maar eindelijk hield
-ook haar gekakel op.
-
-„De zitting is geopend!” sprak de voorzitter plechtig; terwijl hij
-andermaal een slag met den hamer deed hooren.
-
-„Suppoost, laat den beschuldigde nader komen.”
-
-Setrosmito werd door een der politie-oppassers tot bij de trappen der
-estrade voor de tafel gebracht, waar men hem deed nederhurken. De man
-zag er ellendig uit. Wie hem vroeger gezien had, zou hem waarlijk niet
-herkend hebben. Die lange maanden, welke hij in de gevangenis
-doorgebracht had, hadden hunne werking waarlijk niet gemist. Hij was
-verschrikkelijk vermagerd; het bruin zijner gelaatskleur was in een
-fletsgrauw overgegaan; zijne lange haren, die bij vlokken onder zijn
-hoofddoek uitkwamen, waren grijs, schier wit geworden. Hij zag bij zijn
-voorwaarts treden schuchter rond, sloeg een smeekenden blik op August
-van Beneden, die hem bemoedigend toe wenkte, en hurkte toen gelaten
-neder. Bij zijn verschijnen voor de estrade was een hartverscheurende
-gil van: „Allah! tobat!” (Ach God!) opgegaan, die een streng: „diam!”
-(stilte!) aan den deurwaarder ontlokte. Daar achter stonden ettelijke
-Javaansche vrouwen, die de echtgenoote van Setrosmito, welke de zitting
-had willen bijwonen, vergezelden. De laatstbedoelde had dien gil, welke
-ieder hoofd had doen omwenden, geslaakt, toen zij den ongelukkigen, in
-wien zij haren echtvriend ternauwernood herkende, had zien voortreden.
-Van Nerekool snelde naar de arme vrouw toe, liet haar door een der
-bedienden van den regent een soort tabouret geven, en bracht haar tot
-bedaren.
-
-„Nu stil zijn, ’Mbok Dalima,” [226] sprak hij. „Anders kunt gij hier
-niet blijven.”
-
-Snikkend verborg het arme schepsel het gelaat in hare beide handen.
-Allerwege werd gemompeld:
-
-„De vrouw van den moordenaar!..... Arme vrouw!”
-
-„Stilte!” brulde de deurwaarder.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIV.
-
-EENE LANDRAADZITTING.—VAN BENEDEN’S PLEIDOOI.
-
-
-Toen de opschudding, door dien gil veroorzaakt, bedaard was, begon Mr.
-Greveland, zich tot den beschuldigde wendende, het verhoor:
-
-„Hoe heet gij?” vroeg hij.
-
-De djaksa vertolkte die vraag in het Javaansch. [227]
-
-„Setrosmito, Kandjeng toean,” antwoordde beklaagde, met voorover
-gebogen hoofd en den blik op den vloer gevestigd.
-
-„Waar zijt gij geboren?”
-
-„Te Kaligaweh, Kandjeng toean.”
-
-„Hoe oud zijt gij?”
-
-„Dat weet ik niet, Kandjeng toean.”
-
-„Schrijf maar op: omstreeks veertig jaren,” zei de djaksa tot den
-griffier.
-
-Die had niet noodig dat op te schrijven. Het stond er reeds uit het
-voorloopig verhoor.
-
-„Waar woont gij?”
-
-„In de cipieran, Kandjeng toean,” antwoordde de beklaagde onnoozel.
-
-„Maar, voordat gij in de gevangenis kwaamt?”
-
-„In de dèsa Kaligaweh, Kandjeng toean.”
-
-„Setrosmito, weet gij waarom gij thans voor den raad verschijnt.”
-
-„Engèh, Kandjeng toean.”
-
-„Zeg het ons dan.”
-
-„Ik ben beschuldigd van opiumsmokkelarij en van moord op een Chinees,”
-antwoordde de Javaan uiterst kalm en steeds met neêrgeslagen blik.
-
-Eene rilling ging door de pandoppo. Algemeen gefluister werd vernomen.
-
-„Stilte!” vermaande de voorzitter.
-
-„Stilte!” brulde de deurwaarder.
-
-„Bekent gij dat gedaan te hebben?” vroeg Mr. Greveland.
-
-De djaksa herhaalde de vraag. De beschuldigde antwoordde niet dadelijk.
-Het was alsof hij zich bedacht. Steelsgewijze wierp hij een blik op
-August van Beneden, die hem bemoedigend toesprak:
-
-„Antwoord vrij uit, Setrosmito.”
-
-„Neen, Kandjeng toean, ik heb geen opium gesmokkeld. Ik maak nimmer
-gebruik van de bedoedan. Ja, ik heb den Chinees gedood, omdat hij zich
-onwelvoegelijke handelingen jegens mijn kind veroorloofde.”
-
-De Javaan sprak uiterst zacht tegenover die heeren en tegenover zijne
-hoofden. Hij bezigde daarenboven de Javaansche taal, die bijna door
-niemand in de pandoppo verstaan werd, zoodat zijn antwoord geen indruk
-maakte.
-
-„Setrosmito,” ging de voorzitter voort, „luister nu goed. Men zal u
-voorlezen, waarvan gij beschuldigd wordt, als ook wat gij zelf en de
-getuigen verklaard hebben.”
-
-„Engèh, Kandjeng toean.”
-
-Daarop begon de griffier met die eentonige stem, die soort ambtenaren
-zoo eigen, de voorlezing van de verschillende verhooren bij de
-voorloopige instructie opgemaakt. Dat ging zoo vlug, zoo rad, en met
-zoo gedempte stem, dat niemand in de pandoppo, zelfs de voorzitter, die
-toch zoo nabij de griffier zat, iets er van begreep. De beklaagde nog
-het minst van allen, daar de voorlezing in het Maleisch geschiedde,
-eene taal, die door een eenvoudigen Javaanschen dèsaman niet begrepen
-wordt. Van tijd tot tijd hield de voorlezer stil, om den djaksa tijd te
-gunnen het voornaamste voor den beklaagde te vertalen. Dit ging en zoo
-rad en vlug, dat betwijfeld moest worden, of deze ook van die vertaling
-iets begreep. Hij zat daar steeds met gebogen hoofd nedergehurkt, hield
-den blik onafgebroken op eene plek van den grond gevestigd, frommelde
-met beide handen als in de grootste verlegenheid aan de slippen van
-zijn baatje, en antwoordde slechts, wanneer de djaksa hem vroeg of hij
-begreep:
-
-„Engèh, Kandjeng toean.”
-
-De voorlezing was vervelend. Zelfs de leden van den raad fluisterden
-onder elkander, en herhaaldelijk moest Mr. Greveland door ernstigen
-blik aan dat gefluister een einde maken. Onder de toehoorders evenwel
-bepaalde men zich niet tot gefluister, en hoewel men nu wel niet hardop
-praatte, zoo ontstond er toch een gebrom en gegons, hier en daar
-vermengd met damesgegiechel, dat aan de waardigheid der Justitie wel
-afbreuk deed. Te vergeefs riep de deurwaarder al de macht zijner longen
-te hulp om stilte te gebieden. Een oogenblik hielp het; maar ook
-slechts een oogenblik. Onmiddellijk daarop had het gegons weer plaats,
-alsof een geheele bijenzwerm de pandoppo vulde.
-
-„Wat leest die griffier onverdraaglijk,” grinnikte mevrouw Van
-Gulpendam.
-
-„Hij draagt zijn neus steeds dat baantje op,” antwoordde de heer
-Thomasz.
-
-„Als uw chef dat eens hoorde?” vroeg een der dames.
-
-„Shut!...” zei de substituut-griffier. „Hij weet niet, dat hij door
-zijn voorgevel praat. Hij mocht zich eens willen verbeteren.”
-
-„Stil, mijnheer Thomasz,” zei Laurentia schaterend. „Gij moet mij niet
-zoo aan het lachen brengen.”
-
-„Ik, mevrouw?”
-
-„Ja, gij! De resident heeft wel gelijk, als hij beweert, dat gij een
-droog komiek zijt.”
-
-„Is dat de meening van den resident, mevrouw?”
-
-„Staat het praedicaat u niet aan?”
-
-„Het is niet vleiend voor een rechterlijk ambtenaar,” antwoorde de
-substituut-griffier met een gezicht zoo uiig ernstig, dat de schoonen
-het uitgierden. „Denk eens dames! Een komiek griffier!”
-
-„Schei uit, mijnheer Thomasz,” gilde schier Laurentia. „Zie de heer
-Greveland eens een ernstigen blik op u werpen!”
-
-„Wat duurt dat geprevel lang,” klonk eene stem in het achterste
-gedeelte der pandoppo.
-
-„Als men nog eene sigaar kon aansteken tot tijdverdrijf!”
-
-„Of een bittertje krijgen!” riep een ander.
-
-„Ik vroeg straks een glas bier aan den oppasser; ik stik van de dorst!”
-
-„En?...”
-
-„Jawel! morgen brengen! „Traboleh, toean”, (dat mag niet, mijnheer)
-kreeg ik ten antwoord van dien kanarievogel, die een gezicht zette als
-drie dagen west-mousson.”
-
-„Willen we naar de soos gaan? Die is vlak bij.”
-
-„Als ik wist, dat die vervelende pruttelaar nog lang werk had....”
-
-„Stilte!” riep de deurwaarder. „Eerbied toch voor de justitie!”
-
-Eerbied voor de Justitie!... Men was gekomen uit nieuwsgierigheid en...
-men verveelde zich doodelijk.
-
-Eindelijk had de griffier zijn rol ten einde, en was de laatste vraag
-van den djaksa: „hebt gij verstaan, Setrosmito?” geschied, en had deze
-zijn eentonig klinkend: „engèh, Kandjeng toean” gepreveld. Er had nog
-eenig geschuifel en gemompel plaats, dat zoo krachtig mogelijk door de
-stentorstem van den deurwaarder overvleugeld werd.
-
-Toen de stilte weer ingetreden was, nam de djaksa het woord, om als
-officier van het Openbaar Ministerie zijne akte van beschuldiging voor
-te dragen. Deze, een merkwaardig stuk, kon evenwel slechts hen boeien,
-die van de aanhangige zaak niets afwisten.
-
-Het was een omvangrijke uiteenzetting der feiten, zooals zij door den
-bandoelan Singomengolo opgegeven waren. De officier van het Openbaar
-Ministerie nam de beschuldiging van opiumsmokkelarij als overtuigend
-bewezen aan. Hij wees op het sluwe van de bergplaats, waar de sluikwaar
-onder het pandanmatje der baleh gevonden was. De opium en het doosje,
-waarin zij vervat was, lagen daar als stukken van overtuiging ter
-tafel! Hij ging in korte trekken na, tot welke listen de smokkelaars
-hun toevlucht nemen, hoe zij daarbij eene stoute vindingrijkheid ten
-toon spreiden, maar daarbij van de grootste démoralisatie bewijzen
-geven. Ernstig ontwikkelde Mas Wirio Kesoema, hoe de opiumhartstocht
-hand over hand op Java toenam, hoe die hartstocht vooral voeding vond
-door den smokkelhandel. Hij werd schier welsprekend, toen hij op de
-noodzakelijkheid drukte, om dien morshandel met alle ten dienste
-staande middelen te breidelen.
-
-„Gaat eens in uw gedachten na,” riep hij met schier indrukwekkende stem
-uit, „hoeveel millioenen door die bedrieglijke handelingen aan ’s rijks
-schatkist ontsnappen, waardoor èn de welvaart van het groote rijk der
-blanken ginds aan de overzijde van de onmetelijke wereldzee gelegen, èn
-de welvaart van geheel Indië, maar vooral van ons gezegend Java
-ergerlijk benadeeld worden. Die millioenen zijn niet bij eenheden, maar
-bij tientallen te tellen; en vraagt u nu eens af, welk nuttig gebruik
-van die schatten kon gemaakt worden, wanneer zij regelmatig en
-ongestoord in ’s lands kas vloeiden!”
-
-Bij die laatste zinsnede had de hoofddjaksa, die aanvankelijk meer het
-woord tot de leden van den landraad richtte, zich naar het publiek
-gewend, overtuigd dat zijne woorden daar wel instemming zouden vinden.
-Het waren toch voor het meerendeel Nederlanders, die daar verzameld
-waren, en op die miste dat geklikklak van tientallen millioenen,
-hetwelk een weerklank van geldstukken, die tegen elkander geschud
-zouden zijn, liet hooren, zijnen invloed niet. Een goedkeurend gemompel
-werd vernomen, vele knikken van goedkeuring werden ontwaard, en menige
-stem prevelde onhoorbaar zacht:
-
-„Ja, als we van dien ellendigen opiumsmokkelhandel verlost waren!”
-
-Sterk door die bewijzen van instemming, die zijn vluggen blik niet
-ontgaan waren, uitte Mas Wirio Kesoemo dan ook de hoop, dat de rechters
-geene gelegenheid zouden laten voorbijgaan om die slang, die zich ten
-koste van de volkswelvaart voedde, te verpletteren, en rekende er op,
-dat zij den beschuldigde, die voor hen zat, en die zich nog aan eene
-andere veel grootere euveldaad schuldig had gemaakt, de zwaarst
-mogelijke straf zouden opleggen, door de reglementen en wetten
-aangegeven! Zij zouden daardoor daadwerkelijk aanspraak verwerven op de
-dankbaarheid van de geheele Nederlandsche natie!
-
-Het scheelde weinig, of het meerendeel der aanwezigen in de pandoppo
-had met een daverend handgeklap een voorproef van die dankbaarheid
-gegeven. Een enkel bravo-geroep werd vernomen, maar onmiddellijk gesust
-onder het indrukwekkende geschreeuw van: „stilte! stilte!” van den
-deurwaarder.
-
-De hoofddjaksa was bij zijne laatste woorden tot het tweede gedeelte
-van de beschuldiging, waaronder Setrosmito gebukt ging,
-gekomen,—namelijk die van moord op den Chineeschen bandoelan,—welke met
-de misdaad van smokkelarij een ondeelbare zaak uitmaakte.
-
-Schier ademloos hing het geheele publiek aan zijne lippen, toen hij,
-zijn requisitoir vervolgende, een verhaal gaf, hoe de beschuldigde zich
-tegen de huiszoeking verzet had; hoe hij bij het vinden van het
-noodlottige doosje vertoornd den bandoelan voor „gemeenen hond” had
-gescholden; hoe hij naar de kris gegrepen en zich, toen Singomengolo
-verschrikt achteruitgestoven was, op den Chineeschen opiumjager gestort
-had, en dien weerloozen, het gesiksakte lem van de kris door de keel
-gehaald had; terwijl moordenaar en vermoorde door een gulp bloed
-overstroomd werden.
-
-Die beschrijving, in al hare ruwheid voorgedragen, verwekte een diepe
-sensatie onder de menigte. Een der dames viel onder het slaken van een
-gil in onmacht, en moest naar buiten gedragen worden. Dat gaf eenige
-opschudding, waarbij Setrosmito een angstigen blik achter zich wierp,
-om toch te zien, wat er gebeurd was.
-
-„Stilte!... Stilte!” schreeuwde de deurwaarder met onvermoeide longen.
-
-Toen de menigte tot bedaren gebracht was, ging Mas Wirio Kesoemo voort
-met op de toenemende stoutmoedigheid der smokkelaars te wijzen, die
-voor geen moord terugdeinsden, om hunne sluikwaar te redden. Hij drong
-er op aan, dat de rechtbank een streng voorbeeld zoude stellen, ter
-bescherming der opiumpolitie, die anders hare zoo zwaarwichtige zaak
-niet zou kunnen volvoeren; en eindigde zijn requisitoir met den eisch
-van de straffe des doods door ophanging, of mocht de verdediging er in
-slagen verzachtende omstandigheden te bepleiten, tot twintigjarigen
-dwangarbeid in den ketting.
-
-Toen de djaksa zweeg, heerschte er een diepe stilte in de pandoppo. Men
-zou een speld hebben kunnen hooren vallen. De eisch van een
-menschenleven maakt steeds een vreeselijken indruk op de menigte, hoe
-wuft die ook wezen moge. Een soort van betoovering snoerde aller
-monden, het was alsof eene algemeene beklemming aller harten tot
-stilstand dwong. Die stilte duurde een korte poos, en was allen
-ondragelijk; terwijl niemand zich aan den invloed daarvan wist te
-ontworstelen. Een zucht van verlichting ontsnapte dan ook aan aller
-borst, toen de voorzitter die stilte verbrak.
-
-„Setrosmito,” vroeg Mr. Greveland, „hebt gij gehoord, wat de
-„toean-pfiskal” (heer-fiskaal) gezegd heeft?”
-
-De beschuldigde keek op die vraag den spreker aandachtig aan, maar
-antwoordde niet. Het geheele requisitoir was in het Maleisch
-voorgelezen, waarvan de eenvoudige dèsabewoner geen woord verstaan had.
-Dat drukte zijn gelaat genoegzaam uit. De voorzitter herhaalde zijne
-vraag, die door den djaksa vertolkt werd. Setrosmito sloeg een blik op
-August van Beneden, en antwoordde op een hoofdknik van dezen:
-
-„Engèh, Kandjeng toean.”
-
-„En hebt gij daar niets op aan te merken?”
-
-Een nieuwe blik op den advocaat.
-
-„Bottèn, Kandjeng toean,” klonk het onverschillig.
-
-Een kreet van afgrijzen ging in de pandoppo op.
-
-„Stilte!... Stilte, heeren!” brulde de deurwaarder.
-
-„Het woord is aan de verdediging!” sprak daarop Mr. Greveland, toen hij
-zich kon doen verstaan.
-
-„Eindelijk!” prevelde Grashuis diep ademhalend.
-
-„Nu zullen wij wat moois hooren!” zei mevrouw Van Gulpendam smalend, en
-zoo overluid, dat de advocaat haar hooren kon.
-
-Deze verrees kalm van zijn stoel, veegde zich, alvorens het woord te
-nemen, het zweet af, dat op zijn voorhoofd parelde, en sprak met eene
-duidelijke stem, die door de geheele pandoppo weerklonk:
-
-„Het proces, dat voor U Edel Achtbaren thans gevoerd wordt, behoort
-gansch eigenaardig op Java te huis, ja, zou op geen andere plek der
-aarde mogelijk wezen. Niets eenvoudiger dan de eisch van het Openbaar
-Ministerie! Er is gesmokkeld, er moet gestraft worden! Er is gedood, er
-moet gehangen worden! Zeker, het recht moet zijn loop hebben! Die
-misdaan heeft moet gestraft worden. Wij leven in het Oosten, in het
-land der vergeldingswet: Oog om oog, tand om tand! Maar, zelfs
-tegenover die harde wet, der beschaving zoo onwaardig, staat het recht
-van onderzoek, het recht van verdediging, dat vooral onze mildere
-wetgeving den beklaagde verzekert, en waarvan ik namens den
-ongelukkige, die voor u zit zijn lot af te wachten, wensch gebruik te
-maken.
-
-„Hadden zich de daadzaken toegedragen, zooals die door het Openbaar
-Ministerie zijn uiteengezet, dan zou mij niets anders overblijven dan
-den rampzaligen in de clementie van de rechtbank aan te bevelen. Maar,
-neen, dan zou ik mij niet ingelaten hebben met eene verdediging, die
-door mijn gemoed zoude veroordeeld worden. Ik ben dus eene andere
-meening toegedaan, dan het Openbaar Ministerie en ik ben gereed de
-gronden te ontwikkelen, die mij tot een geheel andere conclusie zullen
-voeren, dan wij zoo even gehoord hebben. Leent mij derhalve eene
-onverdeelde aandacht.
-
-„Maar, alvorens tot die ontwikkeling over te gaan,” ging de jeugdige
-advocaat met sympathieke stem voort, „wensch ik hulde te brengen aan
-den ijver, aan de toewijding, aan het schrandere begrip van een man,
-van wien ik moeielijk zonder terughoudendheid spreken kan, omdat ik
-door de innigste vriendschapsbanden aan hem verbonden ben.
-
-„De heer Willem Verstork, die controleur van de afdeeling Banjoe Pahit
-was, toen de feiten plaats hadden, welke ons bezighouden, nam de taak
-op zich, om naast de instructie, die van wege den officier van Justitie
-ingesteld werd, de onderzoekingen, die hij begonnen had, voort te
-zetten. Hij heeft het resultaat zijner bevindingen in handen der
-bevoegde autoriteiten gesteld. Waarom die niet bij de stukken der
-procedure aangetroffen worden? Vergeeft mij, dat ik daarover heenglijd.
-Ik zou zoo’n poel van ongerechtigheden aan te roeren hebben, in
-onmiddellijk verband staande met de opium-pacht, dat ik daarvoor te
-eerder terugdeins, daar ik een aanzienlijk gedeelte van uwen kostbaren
-tijd daartoe zou moeten in beslag nemen. Voor de zaak van den
-ongelukkige, die ik te bepleiten heb, zal het voldoende zijn te
-constateeren, dat de stukken, waar ik op doel, onwraakbaar bestaan, en
-dat ik volkomen authentieke afschriften daarvan, door den Gouverneur
-van Atjeh en door den Directeur van Justitie te Batavia behoorlijk
-gelegaliseerd, hier voor mij heb liggen.
-
-„Gij allen,” en hierbij wendde de jeugdige advocaat zich met een
-sierlijke beweging zoowel naar de leden van den landraad als naar het
-publiek, „kent Willem Verstork, en zou ik kunnen heenglijden over de
-edele eigenschappen, welke het karakter van dien landsdienaar sieren,
-ware ik der verdediging, die ik op mij genomen heb, niet verplicht Mr.
-Greveland, den voorzitter van den raad, die eerst onlangs te Santjoemeh
-aankwam, op de hoogte te brengen, dat de schrijver der stukken de
-onkreukbaarste ambtenaar is, die de achting en liefde van al zijne
-ondergeschikten, hetzij Inlanders of niet, heeft weten te verwerven;
-dat hij de edelste zoon en bloedverwant is, die voor zijne moeder en
-zijne nog jongere zusters en broeders alles over heeft; en dat ik geen
-tegenspraak te vreezen heb, wanneer ik in dezen kring verklaar, dat hij
-is de rechtschapenste mensch, die zich in onze Nederlandsche kolonie
-beweegt.”
-
-Een stormachtige toejuiching, gepaard met een oorverdoovend handgeklap,
-was het antwoord van dat beroep op de algemeene instemming. Terwijl zij
-aan den eenen kant mevrouw Van Gulpendam de lippen van kwalijk verbeten
-toorn op elkander deed klemmen, maakte zij den deurwaarder schier
-waanzinnig, die dan ook zijn „stilte!” met alle macht hooren deed.
-
-„Terwijl ik toch met ingenomenheid eene zoodanige hulde begroet, een
-onzer verdienstelijke ambtenaren gebracht, waarvan ik reeds veel
-vernam,” sprak Mr. Greveland, na met zijn hamer de noodige stilte
-verkregen te hebben, „zie ik mij evenwel verplicht tegen dergelijke
-betuigingen hetzij van bijval, hetzij van afkeuring te waarschuwen,
-daar ik anders verplicht zoude zijn het lokaal te doen ontruimen!...
-Mr. Van Beneden mag ik u verzoeken met uwe verdediging voort te gaan.”
-
-„Na het gepleegde feit,” ging August voort, die zich den tijd te nutte
-gemaakt had, om zich het voorhoofd af te wisschen en een teug ijswater
-te verorberen. „Na het gepleegde feit trok Verstork herhaaldelijk naar
-Kaligaweh. Hij herinnerde zich Racine’s vers:
-
-
- Un seul jour ne fait point d’un mortel vertueux,
- Un perfide assassin, un lâche meurtrier!
-
-
-„Hij meende Setrosmito te kennen; maar hij wilde zich grondig
-overtuigen. En allerwegen vernam hij, dat de man, die daar voor u zit,
-gebukt onder de zoo zware beschuldiging, welke wij gehoord hebben, een
-onbesproken echtgenoot is, een braaf vader, een arbeidzaam landbouwer,
-een van die onderworpen naturen, die, door hun veelvuldig voorkomen
-hier op Java, het mogelijk maken, dat geheel een volk, dat terecht het
-zachtmoedigste der aarde genoemd wordt, den nek kromt onder het juk,
-dat het met fiskalische wreedheid op de schouders is gelegd. Ik heb
-hier een stuk voor mij liggen, waarbij de wedono van het district
-Banjoe Pahit getuigt, bij gelegenheid, dat er een loerah voor de dèsa
-Kaligaweh moest gekozen worden, niemand waardiger geacht moest worden
-dan Setrosmito, vooral omdat hij geheel vrij was van opium-verbruik;
-maar dat hij toch die keuze moest ontraden, omdat de eenvoudige
-sawahbewerker niet lezen of schrijven kon.
-
-„Hoe komt het, dat zoo’n man, waarvan zulke onwraakbare getuigenissen
-te geven zijn, voor u zit als een opiumsmokkelaar, als een moordenaar?
-
-„Opiumsmokkelaar!... O! uw oog heeft reeds verraden, wat in uwe zielen
-omgaat. Gijlieden weet genoegzaam, wat in de residentie Santjoemeh
-gebeurt. Gij keert het hoofd af, wanneer gij dat woord hoort!
-Opiumsmokkelaar!... Waarop grondde het Openbaar Ministerie die
-beschuldiging? Op niets anders, gij hoordet het, dan op de verklaring
-van een bandoelan van den opiumpachter, van een afzichtelijk wezen, die
-door de publieke opinie, als tot alles in staat, gebrandmerkt wordt! Op
-niets anders dan op dat doosje, dat daar ligt, hetwelk Singomengolo bij
-den beklaagde zoude gevonden hebben! Maar,... het is nog zoo lang niet
-geleden, dat hier op diezelfde tafel een aantal doosjes lagen,
-afkomstig van denzelfden bandoelan; terwijl U Edel Achtbaren zich toen
-genoopt zagen, de dochter van den beklaagde vrij te spreken, bij wie
-diezelfde man volgens zijne verklaring een dergelijk doosje zoude
-gevonden hebben. Met welke bewijzen wordt die verklaring van den
-bandoelan gestaafd, dat dit doosje onder het pandan-matje van de
-baleh-baleh in Setrosmito’s woning gevonden werd? Door geen enkel,
-hoort ge? Door geen enkel! Wij daarentegen kunnen op bewijzen steunen,
-die onweêrlegbaar blijken. Ik neem al weer mijn toevlucht tot de
-geschriften van Verstork. Luistert:
-
-„„Toen de Chineesche bandoelan, van een paar oppassers vergezeld, zich
-aan de hut van Setrosmito aanmeldde, om huiszoeking te doen, werd hem
-dat gereedelijk toegestaan, nadat die drie zich aan de gewone visitatie
-hadden onderworpen. [228] Toen werd niets gevonden, ook niet onder het
-pandan-matje van de baleh-baleh. Dat hebben mij de twee
-politieoppassers en de dèsalieden Sidin en Sariman, die bij de
-huiszoeking tegenwoordig waren, onder aanbod van eede verklaard. De
-laatsten betuigden zelfs, dat bedoeld pandan-matje tweemalen opgetild
-was geworden, en dat de Chinees het hoofdkussen, hetwelk daarop lag,
-nauwkeurig doorzocht had.”
-
-„Dat is duidelijk, mijne heeren! Maar laat ik met de lezing van
-Verstork’s schriftuur vervolgen:
-
-„„Later kwam Singomengolo om zelf huiszoeking te doen. Toen deze zich
-niet aan de gebruikelijke visitatie wilde onderwerpen, protesteerde
-Setrosmito en zeide: „dan zal er wel opium in mijn huis gevonden
-worden. Ik ken die streken!” Ik heb een bewijs van dat alles, door den
-kebajan der dèsa geteekend, hier bij mijn schrijven gevoegd.”
-
-„En er werd opium gevonden, mijne heeren! En wel ter plaatse, waar de
-Chineesche bandoelan, toch een slimme vogel, tot twee keeren niets
-gevonden had! Is dat duidelijk of niet?
-
-„Opiumsmokkelaar!.... De raad zal begrijpen, dat ik die beschuldiging
-ver, ver wegwerp, niet omdat ze niet rechterlijk zoude bewezen zijn,—in
-opium-procedures worden soms de vreemdsoortigste bewijzen
-aangenomen,—maar omdat mijn cliënt geheel onschuldig en het slachtoffer
-is van een dier snoode aanslagen, die,—iedereen weet dat,—zoo
-gewoonlijk gebezigd worden, wanneer iemand uit den weg geruimd moet
-worden, of wanneer een ellendeling zich wreken wil.
-
-„Opiumsmokkelaar!... Het Openbaar Ministerie heeft met onmiskenbaren
-toeleg gewezen op de millioenen, die door den sluikhandel voor de
-schatkist verloren gaan. Wiens hart heeft niet getrild bij de
-ontwikkeling van die welsprekende woorden, al zij het dan ook van niet
-edele gevoelens! Ja, daar gaan millioenen door den sluikhandel
-verloren, maar niet op de wijze, zooals het ons voorgelegd werd, niet
-in doosjes, waarin slechts voor luttele waarde geborgen is. De
-millioenen, die gesloken worden... Och, heb ik wel noodig aan te
-wijzen, wie de sluikers zijn? Uw hart heeft de namen reeds geraden, uw
-mond die reeds gepreveld. Die sluikers verblinden ongemoeid de goê
-gemeente met hunne weelde, en houden er Singomengolo’s op na, om
-ongelukkigen, die hen hinderlijk zijn, uit den weg te ruimen. Heb ik
-wel noodig die namen, die op aller lippen zweven, te herhalen? Och, wat
-zou het baten? Een Procureur-Generaal van het hoogste rechterlijke
-college was eens zoo vrij den vinger op de wond te leggen, en zijne
-onthullingen aan den Gouverneur-Generaal te doen. Wat heeft het
-gegeven? Vraagt u dat af.”
-
-Hier stokte de advocaat een oogenblik, als wilde hij die laatste
-woorden, aan welke hij de scherpte eener wig gegeven had, tijd gunnen
-in het brein zijner toehoorders te dringen. Het was stil, zeer stil in
-die ruimte, en schier ademloos zat de menigte daar, de woorden van den
-jeugdigen rechtsgeleerde aan te hooren. Allen waren onder den invloed
-van zijn woord, en op ieders gelaat was te lezen: „Ja, dat is de
-toestand, zooals hij door de Regeering met haar gruwelijk
-monopoliestelsel in het leven geroepen is, zooals hij door haar met
-allen ijver gekweekt en bestendigd wordt.”
-
-„En nu het tweede feit, waarvan mijn cliënt beschuldigd is,” ging
-August van Beneden, na eene korte pauze, voort. „Zal het mij gelukken
-hem ook van die aantijging te zuiveren, zooals ik dat van het eerste
-deed? Hier valt niet te ontkennen. De daad is gepleegd. Het slachtoffer
-ligt in het graf, en het wapen, de kris, waarmede de daad volbracht
-werd, bevindt zich daar voor u. Het Openbaar Ministerie heeft
-afgrijselijk plastisch aangegeven, hoe de beschuldigde dat wapen door
-de keel van den verslagene gehaald heeft. De toeleg daarvan is niet
-onduidelijk; toch heeft het de verdediging daarmede meer dienst gedaan
-dan de afgrijselijke indruk, daardoor teweeg gebracht, nadeel heeft
-kunnen uitoefenen. Want, hier moet al dadelijk de vraag rijzen: hoe
-komt een wezen van zoo zachtmoedigen aard, als de man is, dien ik u
-deed kennen, tot zoo eene daad van woest geweld?
-
-„Ik beroep mij alweêr op het onderzoek van den controleur Verstork. Dat
-onderzoek heb ik op den voet gevolgd; ik heb het als het ware herhaald.
-Laat mij u mededeelen, wat ik daarbij ervoer. Ja, ik zal daarbij
-plastisch zijn, maar het Openbaar Ministerie heeft mij daarvan het
-voorbeeld gegeven. Ja, ik zal in bizonderheden moeten afdalen, die het
-gehoor van mijn auditorium zullen aandoen; maar ik word door de taak,
-die ik op mij heb genomen, er toe gedwongen!”
-
-En nu ontwikkelde de jeugdige rechtsgeleerde eene welsprekendheid,
-welks weêrga men nimmer te Santjoemeh, nimmer in geheel
-Nederlandsch-Indië wellicht vernomen had. Hij sprak niet alleen, hij
-bezigde ook gebaren. Hij „speelde comedie,” zooals mevrouw Van
-Gulpendam hatelijk tot eene vriendin prevelde. Ja, hij vertoonde dat
-drama, hetwelk hij heropbouwde, zooals Cuvier met een enkel
-wervelbeentje het geheele geraamte van een antediluviaansch monster te
-voorschijn tooverde. Hij vertoonde als het ware, hoe de opiumjagers die
-rustige hut van den eerzamen landbouwer binnendrongen; men zag, hoe
-Singomengolo weigerde zich aan ieder onderzoek te onderwerpen; men
-woonde het bij, hoe de aterlingen het schamele, huisraad het onderste
-boven haalden; men vernam, hoe de kinderen schreiden bij de losbandige
-handelingen der aterlingen, die noch jeugd, noch kunne ontzagen; men
-hoorde schier den kreet van „Allah tobat!” van de radelooze moeder,
-maar aanschouwde tevens, hoe Setrosmito bij dien kreet het oog van
-Singomengolo had afgewend, en hoe deze van die verstrooiing gebruik
-maakte, om met triomfeerend gebaar de sluikwaar te voorschijn te
-brengen. Hoe de toorn en de verontwaardiging over zoo’n daad den
-ongelukkigen Javaan tot het bezigen van een scheldnaam verleidde; hoe
-die met een vuistslag vlak voor den mond door Singomengolo beantwoord
-werd; hoe dolle drift, door die handtastelijkheid opgewekt, den
-ongelukkigen de hand naar de kris deed uitsteken; hoe in dat oogenblik
-de kreet van de kleine Kembang weerklonk, en den toestand van het
-zevenjarige meisje, dat aan de gemeenste betastingen ten prooi stond
-van den laaghartigen Chineeschen bandoelan, voor den rampzaligen vader
-onthulde;... dat alles ging voor de oogen der rechters, der
-toeschouwers voorbij, en maakte diepen indruk op aller gemoed.
-
-Het „laat los” door den van woede ziedenden vader uitgekreten, werd
-door den advocaat met onvergelijkelijke energie herhaald; beschreven
-werd door hem, hoe de aterling in stede van aan dat bevel te
-gehoorzamen voortging met de ontuchtige beweging, waarop het „sterf
-dan!” weerklonk op eene wijze, die de geheele pandoppo met ontzetting
-vervulde.
-
-Het was een benauwende droom, die allen beklemde. Aller oogen, aller
-harten hingen aan de lippen van den advocaat, die daar stond, alsof hij
-de geest van het treurige drama was, dien hij door zijn woorden
-opgewekt had. Zelfs Setrosmito, die van de geheele rede, die in het
-Nederlandsch gevoerd werd, geen woord begrepen had, en geruimen tijd
-steeds met gebogen hoofd voor zich had zitten kijken, had zich
-langzamerhand naar zijn verdediger gewend en zijn blik diep
-doordringend op den jongen man gevestigd. Neen, hij verstond dien
-woordenvloed niet! Maar hij begreep de gebaren. Hij zag daar zijn
-geschandvlekt kind; hij zag de hand van den advocaat het noodlottige
-gebaar, dat een menschenleven kostte voltooien. Met van hartstocht
-tintelende oogen knikte hij den jongen man toe, terwijl dikke tranen
-over zijne wangen biggelden.
-
-„Engèh, mekatèn, Kandjeng toean!” (Ja, zoo is het gebeurd,) prevelde
-hij hoorbaar te midden der diepe stilte, die heerschte, tot de
-Javaansche hoofden en strekte de armen smeekend uit.
-
-„En, als ik nu, na den gang der feiten”, zoo vervolgde August van
-Beneden zijne pleitrede met klimmende geestdrift, „onweerlegbaar
-afgebakend te hebben, de vraag stel: „Is die man schuldig, die, ja een
-mensch doodde, maar niet anders deed, dan op te treden in een
-noodlottig oogenblik tot bescherming van zijn onschuldig kind?” Wat zal
-dan het antwoord op die vraag zijn? Zou iemand den steen kunnen werpen
-op dien man, die het wapen trok en hanteerde, maar om zijn kind te
-vrijwaren van de snoodste mishandeling, die in het bijzijn van een
-vader gepleegd kan worden? Ja, maar,.... het geldt de opiumpolitie,
-hoorden wij uit de akte van beschuldiging! Zou ik kunnen denken, dat
-iemand hier onder het dak aanwezig is, die ter wille van die
-opium-politie het schuldig zou wenschen uitgesproken te zien, dan zou
-ik in volle wanhoop uitroepen: wee der natie, welke zoo’n aterling
-bevat, die ter wille van de opium-pacht zoo de rechtsbeginselen met
-voeten treedt! Die natie is hare ontbinding nabij!”
-
-Onbeschrijflijk was de indruk, welke die woorden op de menigte teweeg
-brachten. Het was of eene huivering allen daar in die pandoppo
-overviel.
-
-„En nu,” ging de jeugdige rechtsgeleerde, zich tot het Openbaar
-Ministerie wendende met klimmende zeggingskracht voort, die de
-huivering tot rilling deed overgaan. „En nu, ga voort, gij! Stapelt de
-eene rechterlijke dwaling op de andere, maakt er u een voetstuk van,
-trek uw onfeilbaarheid hoog genoeg op, dat de kreet van de ten offer
-gebrachte onschuld aan de opiumpacht, dien onverzadelijken Minotaurus,
-uw oor niet zal kunnen bereiken!
-
-„Van boven zal eindelijk de wederlegging en de wedervergelding u
-eenmaal bereiken. Eens zal het Nederlandsche volk ontwaken, en, bij
-gebreke van den bliksem des Allerhoogsten, de euveldaders, de
-aanbidders van den opium-afgod verpletteren!
-
-„Wat u betreft, heeren rechters,” vervolgde August met veel zachtere
-stem, maar toch met geestdriftvolle overtuiging, die onmogelijk te
-wederstaan was, tot de leden van den landraad. „Wat u betreft, stelt u
-in de plaats van den ongelukkige, wiens oogen straks tranen vergoten,
-toen ik het voorgevallene ook voor hem bevattelijk schetste. Stelt u
-voor, welke oogenblikken van hope en vreeze, welke oogenblikken van
-doodsangsten die man, die daar zijn lot zit af te wachten, ondergaan
-heeft en in dezen stond ondergaat; dan zult gij eenigermate de
-onuitsprekelijke vreugde kunnen beseffen, die den ongelukkigen
-moordenaar, die zijn geheel gezin vervullen zal, wanneer gij over
-eenige minuten het „niet schuldig” zult uitspreken, en gij een vader,
-die zoo zijn gezin weet te verdedigen, aan zijne kinderen zult
-weergeven.”
-
-Na die woorden viel meester Van Beneden uitgeput op zijn stoel neder.
-Het was reeds laat en de zon stond hoog in het zenith aan den hemel.
-Een benauwende warmte heerschte in de pandoppo, en drukte loodzwaar op
-de menigte; terwijl een onmetelijke ontroering allen bevangen had,
-welke het hare er toe bijdroeg, om de gemoederen als in eene schroef te
-klemmen.... Een oogenblik heerschte er een huiveringwekkende stilte,
-die door enkele snikken afgebroken werd.... Toen barstte eene algemeene
-toejuiching los, die het dakgebinte tot in den nok deed trillen, en die
-de deurwaarder, hoe omvangrijk zijn stentorstem ook was, onvermogend
-was, tot bedaren te brengen.
-
-Gedurende geruimen tijd hielden die uitingen van geestdriftvolle
-instemming met het gesprokene aan, en bedaarden eerst, toen de
-voorzitter andermaal dreigde het lokaal te zullen doen ontruimen!
-
-Het Openbaar Ministerie was verpletterd. Zich door den stroom
-medegesleept gevoelende, die de geheele beschuldiging verzwolgen had,
-poogde de djaksa te verwerven, dat de zitting verdaagd werd. Maar die
-poging mislukte. Mr. Greveland doorzag toch, welken betreurenswaardigen
-indruk die verdaging zoude teweeg brengen.
-
-In de noodzakelijkheid zijnde, om dadelijk te repliceeren, kon Mas
-Wirio Kesoemo niet anders dan beneden zijn onderwerp blijven. Hij
-prevelde, zonder dat hem eenige aandacht geschonken werd, ettelijke
-omsamenhangende volzinnen, waarin zoo iets voorkwam van de
-noodzakelijkheid om de opiumpacht en de bandoelans te beschermen. Hij
-stotterde, draalde, hervatte later en zweeg eindelijk, zonder dat hij
-eenige oplettendheid verworven had.
-
-Toen hij geëindigd had, vroeg de voorzitter, of de verdediging van haar
-recht tot antwoord gebruik wenschte te maken.
-
-Mr. Van Beneden volbracht toen een prachtig gebaar van minachting.
-
-„Neen, mijnheer de voorzitter,” antwoordde hij, „alles wat ik zou
-kunnen zeggen, zou slechts den indruk verzwakken van het gesprokene
-door het Openbaar Ministerie, wien de beklaagde nog meer dan aan de
-verdediging zijn invrijheidstelling verschuldigd zal zijn!”
-
-Na een oogenblik van stilte vroeg de voorzitter aan den panghoeloe, wat
-het heilige boek voorschreef.
-
-„Oog om oog, tand om tand!” sprak deze op slaperigen toon uit. „Die man
-heeft gedood, die man moet sterven!”
-
-Een kreet klonk door de ruimte. „Een Javaansche vrouw was flauw
-gevallen,” mompelde men.
-
-De leden van den raad trokken zich in de raadkamer terug. Na een lange
-poos verschenen zij weder en las de griffier een breed gemotiveerd
-vonnis voor, waarin, na een ontelbaar „aangeziens” en „overwegendes”
-eindelijk het „onschuldig” voor beide feiten uitgesproken werd.
-
-Nu brak een ware storm los. De meeste toeschouwers vlogen op Van
-Beneden toe, om hem geluk te wenschen met de behaalde overwinning.
-Zelfs de voorzitter, wel verre van thans die algemeene geestdrift te
-stuiten, sloot zich daarbij aan. August trok den steeds gehurkt
-zittenden Setrosmito overeind, fluisterde hem iets in het oor, dat door
-den regent bevestigend herhaald werd. De Javaan wierp een enkelen blik
-op den jeugdigen rechtsgeleerde, wiens hand hij op zijn borst drukte,
-terwijl hij eenige onverstaanbare woorden uitte; maar die blik was voor
-August voldoende. Daarin was zich niet te vergissen: dat was de blik
-van eene dankbare ziel. Achter in de pandoppo mompelde eene stem: „De
-gerechtigheid der blanken is groot!”
-
-Een oogenblik later was de menigte uit elkander.
-
-„Drommels,” zei Grashuis bij het naar huis gaan tot den advocaat, „ik
-ben nog onder de betoovering. Dat is te begrijpen! Maar, hoe hebt gij
-het aangelegd, om de Inlandsche leden van den raad onder uwen invloed
-te krijgen?”
-
-„Wel, heel eenvoudig. Gisteren avond heb ik hun mijn pleidooi in het
-Maleisch voorgelezen!” [229]
-
-„O, zoo! Nu, dat is leuk!”
-
-De jeugdige rechtsgeleerde verzweeg, dat bij die gelegenheid de oude
-regent van Santjoemeh zijne hand had gegrepen en hem toegefluisterd
-had:
-
-„Gij zijt een braaf mensch!”
-
-
-
-
-
-
-
-XXXV.
-
-TWEE VRIENDINNEN IN HET KARANG BOLLONGSCHE.
-
-
-Op de westelijke helling van den Goenoeng Poleng, [230] die bergmassa,
-welke als het ware de kern uitmaakt van het Karang Bollonggebergte, aan
-Java’s zuiderstrand gelegen, verhief zich in de nabijheid van de kleine
-dèsa Ajo, een schamel hutje, dat daar tusschen een paar ribben van den
-steilen bergwand voor het oog van de van noord en zuid naderenden, als
-in een terreinplooi verscholen lag.
-
-De plek, waar het hutje stond, kon schilderachtig genoemd worden. Wel
-is waar, werd aan de achterzijde het uitzicht belemmerd door het steil
-oploopend terrein, dat rotsachtig en derhalve slechts met een mager
-stekelig gras of met bergstruikjes bedekt was. Ook ter weerszijden was
-de blik beperkt, door de slechts spaarzaam met teelaarde bedekte
-rotswrongen, die de boorden uitmaakten van de versteende plooi, welke
-het gebouwtje verborg. Maar aan den voorkant strekte zich een
-vergezicht uit, dat in liefelijkheid en schoonheid uitmuntte, en alles
-vergoedde, wat het landschap aan de andere zijden tekort kwam. Van het
-schamele voorgalerijtje gezien, daalde de helling vrij schielijk, en
-opende daardoor een horizon, die wat afwisseling betrof, de meest
-eischende verbeelding moest voldoen. Vooreerst spreidde zich het
-hellend vlak voor de toeschouwers uit, dat zich aanvankelijk kaal en
-slechts met bruin verweerde rotsblokken en struikjes bezaaid,
-vertoonde, waartusschen een paadje grillig slingerde, als wilde het een
-wedstrijd in bochtige wendingen aangaan met een beekje, dat kronkelend
-en klaterend, klotsend en schuimend langs zijne phantastisch ingesneden
-bedding voortspoedde en bruischte. Maar lager op die helling begon het
-plantenrijk zich al meer en meer te doen gelden, nog maar door enkele
-boomen met krom verwrongen stammetjes en knoestige takken, later door
-meer opgaande vertegenwoordigers van het gebied van Silvanus, om
-eindelijk over te gaan in een vruchtboomen-boschje, waarboven ettelijke
-klapperboomen met hunne sierlijke bladeren en pluimen uitstaken, en dat
-allerbevalligst den omtrek der kleine dèsa Ajo aangaf.
-
-Liefelijk vertoonden zich van die hoogte de hutten der Inlanders met
-hare bruine daken en goudgele omwandingen te midden van het levendig
-groen, en spiegelden zich in de Kali Djetis, die de dèsa ten westen
-begrensde, daar ter plaatse een sierlijken bocht beschreef, om zich met
-eene breede monding in den Indischen Oceaan te storten.
-
-Ook de aanblik van die wereldzee bracht het zijne bij om het panorama,
-dat zich voor de hut uitspreidde, tot een zeer merkwaardig te maken.
-Was toch de zee kalm, dan strekte zij zich met haar donkerblauw vlak
-eindeloos, eindeloos ver, tot bij den gezichteinder uit, die daar ginds
-zijn onberispelijken boog vormde, en glinsterde onder de tropische
-zonnestralen als een spiegel van metaal; terwijl eenige weinige
-visschersvaartuigen, die de Moeara Djetis trachtten binnen te komen,
-met hare blanke maar vreemdsoortige zeilen de watervlakte aangenaam
-stoffeerden. Stond de zuidoost-passaat stevig door en werd die in zijn
-opruiende beweging door den vloed geholpen, ja, dan was er geen zeil te
-bespeuren; maar dan rolden machtige deininggolven aan, die bij het
-bereiken van de riviermonding, onder den tegenstand, dien zij van het
-afstroomende bergwater ondervonden, woest opsteigerden, een oogenblik
-als een blauwen muur voortrolden, om eindelijk zich in eene machtige
-krul over te buigen, in verblindend schuim te breken, en zoo eene
-branding of beter eene baar te vormen, die een verheven schouwspel
-opleverde, welke de Moeara in eene kokende melkzee veranderde, maar ook
-ieder vaartuig met verwoesting en verderf bedreigde, dat door zoo’n
-golf overvallen werd. Dan werd daar een „prororoca” [231] in het klein
-vertoond, welk natuurtafereel evenwel, van het standpunt der hut, in
-zijne geringste bizonderheden kon waargenomen worden.
-
-Het hutje zelf was een schamel gebouwtje, dat even als alle anderen van
-die soort van de meest primitieve materialen, bamboe en atap,
-vervaardigd was. Het was eigenlijk slechts een omwand en overdekt klein
-vierkant, waarin aan de voor- en de achterzijde eene deur uitgespaard
-was, die daar ter plaatse op een soort galerijtje opende; terwijl in de
-flankzijden een paar vierkante luiken den dienst van vensters moesten
-verrichten. Of het innerlijke van dat vierkant in vertrekjes afgedeeld
-was, weten wij niet. De blik van den romanschrijver mag niet altijd de
-onbescheidenheid te ver drijven. Hij is gedwongen sommige gevoeligheden
-te sparen. Hij mag zijne lezers een opiumkit binnenvoeren, en hen al de
-gruwelen openbaren, die daarin voorvallen, wanneer hij zich ten doel
-stelt door de afzichtelijkheid der tooneelen tot verbetering te leiden;
-hij mag echter niet doelloos eene hut voor zijnen lezer openen,
-waarin.....
-
-Maar, hoe schamel het gebouwtje ook was, hetwelk daar op die
-berghelling eenzaam en verlaten stond, hoe armoedig het zich ook
-voordeed, toch onderscheidde het zich van die hutten daar ginds, daar
-beneden, van de hutten der dèsabewoners. Het was namelijk proper, en
-droeg niet den stempel van onreinheid, welke veelal de Javaansche
-woning van den eenvoudigen dorpsbewoner kenmerkt, wanneer Europeesch
-toezicht daaraan ontbreekt. De Javanen zijn en blijven een Oostersch
-volk, en hebben hunne punten van overeenkomst met andere takken van die
-groote afstamming, men moge hen Mooren, Hindoe’s, Arabieren, Chineezen,
-Egyptenaren, Berbers of zelfs Grieken, Italianen dan wel Spanjaarden
-noemen. Het geheele huisje zag er met zijn dakbedekking van nieuwe
-nipah-bladeren, [232] met zijne omwandingen van goudgele „poeloepoe”
-[233] (bamboe-horden) netjes en zindelijk uit, terwijl er zich voor een
-erfje, tot tuintje ingericht, met goed onderhouden paden, door
-weelderige grasperkjes slingerende, vertoonde. Ook de bloemperken en de
-sierplanten duidden op nauwgezette verzorging, en was het geheele erfje
-ook aan de achterzijde, door een vrij dichte „loentas” [234]-heg
-omgeven. Achter het huisje strekte zich tusschen de omheining een
-bescheiden grasperk uit, waarop kruiselings geplaatste bamboestaken
-ontwaard werden, die door lange touwen aan elkander verbonden, en zoo
-tot droogtoestellen ingericht waren voor lijnwaden, voornamelijk voor
-vrouwenkledingstukken, als sarongs en slendangs, die er dan ook in vrij
-groot getal in den wind wapperden.
-
-In de kleine voorgalerij ontwaren wij, behalve een enkelen
-bloempot,—zeer zeldzaam in een Javaansche woning,—waarin een prachtige
-struik van Devonshire rozen in vollen bloei, een „tenoenan” (Inlandsch
-weefgetouw), waarover een jong meisje, op een laag bamboebankje met
-kruiselings gebogen beenen gezeten, gebukt is, en vlijtig en met
-onafgewende aandacht de telkenmale zich anders kruisende draden van de
-ketting op en neer doet gaan, om daartusschen de „welira” (schietspoel)
-met behendige hand heen en weer te voeren. Van ons recht als
-romanschrijver gebruik makende, naderen wij, hoewel wij dat huisje niet
-vermochten binnen te dringen, steelsgewijze die voorgalerij, en maken
-van de onverdeelde oplettendheid der weefster op haren arbeid gebruik,
-om niet alleen de verdere voorwerpen daarin aanwezig, maar vooral om
-haar, die zoo ijverig werkt, te bespieden. Dat het lieve kind ijverig
-arbeidt, is te zien, zoowel aan het weefsel, hetwelk op de „gondong”
-(haspelblok) van het weefgetouw gerold is, en wat zij heden nog
-vervaardigde, als aan de „djantra,” (spinnewiel) die klaar staat, om
-dadelijk den draad te leveren, wanneer de welira daaraan gebrek krijgt.
-
-Wat het meisje zelve betreft, zij zit voorover gebogen, haar gelaat is
-niet te zien. Hare kleeding, een eenvoudig katoenen baatje van
-lichtblauwe kleur, een fraai gebloemde sarong met donkeren grond,
-duiden er op, dat het eene Javaansche is, ook de bruingele kleur der
-handen en van het weinige, dat van het gelaat zichtbaar is, zoomede de
-haardos, die glad naar achteren gekamd en in eenen weelderigen „kondeh”
-(wrong) tegen het achterhoofd opgebonden werd. Maar... die kondeh, hoe
-zorgvuldig hij gevormd en bevestigd is, trekt toch onze aandacht.
-Enkele vlokjes ontsnappen daaraan, en kronkelen zich, zoo in
-tegenstelling met de stijve, pijpensteelachtige haren der volbloed
-Javaansche schoonen, bevallig om den wrong; terwijl de kortere haartjes
-daaronder sierlijke krulletjes vormen en den lichtbruinen nek, dien wij
-bespeuren kunnen, met een donker getint waas overtijgen.
-
-„Zou het eene nonna [235] zijn?” rijst er in onze gedachte op.
-
-Tot die meening hellen wij te meer over, daar bij het bankje een paar
-„tjenella’s” (slofjes) staan, die, hoewel uiterst eenvoudig, toch
-hoogst zeldzaam door Javaansche vrouwen en meisjes gedragen worden,
-daarenboven op een voetje wijzen, zoo geheel verschillend in afmeting
-van de gewoonlijk breed uit elkaar getrapte onderdanen der Inlandsche
-schoonen. Terwijl wij nog zoo staan te turen, maakt de weefster eene
-beweging, waarbij een hagelwit teentje onder den sarong uit komt turen,
-en door zijn verschil in tint met gelaat, hals en handen ons zelfs aan
-het nonnaschap doet twijfelen. Zij kijkt op, werpt, onbewust dat zij
-bespied wordt, een verstrooiden blik over het fraaie panorama, hetwelk
-zich voor haar uitspreidt, zucht eens diep, en....
-
-„Dat gelaat!” mompelen wij, „waar hebben wij dat lieve gelaat
-aanschouwd?”
-
-Wij hebben geen tijd om ons daarvan rekenschap te geven. Juist, toen
-het jonge meisje het hoofdje weer wil voorover brengen, om hare taak te
-hervatten, worden lichte voetstappen op het pad vernomen, dat van de
-dèsa Ajo naar het hutje voert. De weefster kijkt op, tuurt, kijkt
-scherp uit, en prevelt schier ontzet van verwondering:
-
-„Dalima!”
-
-Ja, het is Dalima, die daar met vluggen tred het erf optreedt en de
-voorgalerij genaakt. De weefster vliegt van haar bankje op, en nog voor
-dat de aankomende het drietal treden opgeklommen is, liggen de twee
-aanvallige wezens in elkanders armen, terwijl twee kreten in elkander
-samensmelten:
-
-„Nana!”
-
-„Dalima!”
-
-Ja, nu herkennen wij de eene zoowel als de andere. De weefster is Anna
-van Gulpendam, de andere is de arme Dalima, die wij bij hare
-nasporingen tot Karang Anjer volgden, maar daar uit het oog verloren.
-
-„Waar komt gij vandaan?” vroeg Anna; terwijl zij nogmaals het
-Javaansche meisje aan het hart drukte.
-
-„Heden kom ik van de dèsa Ajo,” antwoordde Dalima schalks.
-
-„Hoe kwaamt gij daar?”
-
-„Wel, van de dèsa Pring toetool. Daar was ik gisteren.”
-
-„Maar... wat hadt gij daar te maken?”
-
-„En daags te voren was ik te Gombong, en vroeger te Karang Anjer.”
-
-„Te Karang Anjer?.... Maar, wat hadt gij daar te doen?”
-
-„Om Nana te zoeken!”
-
-„Om mij te zoeken? Zijt gij daarom van Santjoemeh herwaarts gekomen?
-Hebt gij daarvoor die verre reis afgelegd en.... dat in uw toestand?”
-
-Die laatste woorden werden met zekere schuchterheid uitgebracht, maar
-vergezeld van een blik op Dalima’s middel, hetwelk geen vergissing
-toeliet.
-
-„Ja, Nana!” sprak het Javaansche meisje kalm en onbevangen. „Toen ik de
-gevangenis verlaten heb, dank zij de hulp van den „toean rakker njang
-moeda”” (jongen heer rechter), vervolgde zij met een doordringenden
-blik op Anna, waaronder deze het bloed naar het hoofd voelde opstijgen,
-„heb ik mijne moeder opgezocht. Die bevond zich, alweer dank zij toean
-Nerekool, met de kinderen in onbezorgde omstandigheden. Toen dacht ik
-aan Nana. Ik vernam van den toean, dat nonna niet meer te Karang Anjer
-was, dat zij van daar spoorloos verdwenen was. Ik begon te begrijpen
-waarom. Ik gevoelde, hoezeer mijne lieve Nana zich verlaten en
-ongelukkig gevoelen moest. Ik ondervond een onuitsprekelijk
-verlangen—het onweerstaanbaar verlangen der jonge vrouwen in mijn
-toestand,”—voegde zij er met een treurigen glimlach bij, „om Nana op te
-zoeken, ten einde haar mijne diensten te kunnen wijden. Toen ben ik
-vertrokken, en...”
-
-„Weet toean Van Nerekool van uw vertrek?” vroeg Anna verschrikt.
-
-„Neen, Nana, volstrekt niet.”
-
-„Hebt gij hem niets medegedeeld omtrent uw voornemen?”
-
-„Neen, Nana.”
-
-„Hebt gij u niets van uw plan laten ontvallen? Niet alleen jegens
-mijnheer Van Nerekool, maar ook jegens uwe moeder? Dalima, bedenk u
-wel!”
-
-„Neen, jegens toean Karel, heb ik mij niets laten ontvallen, Nana. Aan
-mijne moeder heb ik verteld, dat ik u ging zoeken.”
-
-„Waar?”
-
-„Wel, te Karang Anjer, Nana.”
-
-„Maar gij wist, dat ik te Karang Anjer niet meer was?”
-
-„O, ik wilde njonja Steenvlak vragen. Die zou mij wel vertellen, waar
-gij waart.”
-
-„Zijt gij bij mevrouw Steenvlak geweest?”
-
-„Ja, Nana.”
-
-„En?”
-
-„Ik vernam daar niets. De njonja wist uw verblijf, dat erkende zij;
-maar zij had u beloofd, het aan niemand bekend te maken.”
-
-Anna haalde diep adem. Nu scheen zij eerst gerustgesteld.
-
-„Maar, hoe hebt gij mij dan gevonden, Dalima?” vroeg zij.
-
-„Ja, Nana, hoe moet ik dat verhalen? Ik heb overal rondgedoold; ik heb
-overal gevraagd: bij de verspanningen van de posterij, bij de loerah’s
-der dèsa’s, bij de gardoe’s en warong’s langs den weg; in één woord
-overal en bij een ieder. Zoo ronddwalende kwam ik in de dèsa Prembanan
-aan....”
-
-„In de dèsa Prembanan?” vroeg Anna gejaagd.
-
-„Daar vond ik uw eerste spoor. Gij hebt daar koffie gedronken aan eene
-warong, terwijl een gebroken pikolan van uwe tandoe verwisseld
-werd....”
-
-Anna bekeek hare matgele handen.
-
-„Ja, bekijk uwe handen maar,” vervolgde Dalima glimlachende, „de
-scherpziende oogen van de waronghoudster konden door de „boreh” [236]
-(verf) weinig of niet op een dwaalspoor gebracht worden. Zij giste, dat
-gij eene blanke of eene Solosche poetri waart.”
-
-„En verder?” vroeg Anna.
-
-„Gij hebt haar gevraagd, hoever Prembanan van de dèsa’s Sikaja en Pring
-toetool verwijderd was, nietwaar?”
-
-„Dat is zoo.”
-
-„Welnu, dat spoor heb ik gevolgd, berg op, berg af.”
-
-„Arm, arm meisje! En dat in den toestand, waarin gij u bevindt!” zei
-Anna, terwijl zij Dalima andermaal aan het hart drukte. „Arm kind, gij
-ziet er dan ook wel vermagerd uit.”
-
-„O, maar ik ben sterk, Nana.... Maak u niet ongerust. Te Pring toetool
-kreeg ik verdere tijdingen. Gij waart naar de dèsa Ajo. Daar vond ik
-nog de tandoe, die u aangebracht had, op het erf van den loerah, en
-vernam daar, dat gij hier een huis hebt laten bouwen.... wat fraai
-is....”
-
-Bij die woorden keek Dalima rond en liet een zucht ontglippen, die met
-het gesprokene wel in strijd was. In de gedachte vergeleek het
-Javaansche meisje toch die hut met het residentiepaleis te Santjoemeh.
-
-Tot nu toe hadden de beide jonge wezens het gesprek staande, maar op
-elkander leunende, als het ware in elkanders armen geklemd, gevoerd.
-
-„Laten wij gaan zitten,” sprak Anna, die de aarzeling harer gezellin
-zeer goed begreep; „gij zult wel vermoeid zijn, Dalima.”
-
-Zij nam weer plaats op haar bankje bij de tenoenan. Dalima hurkte aan
-hare voeten op een matje neder, en leunde het hoofd op de schoot van
-het blanke meisje. En weldra was het gesprek tusschen de deerns in
-vollen gang.
-
-„Neen, ik ben niet vermoeid, Nana,” hernam Dalima. „Ik kom heden
-slechts van Ajo, waar ik gisteren ochtend al heel vroeg aangekomen ben.
-Ik heb dus tijd genoeg gehad om uit te rusten.”
-
-„Maar vertel mij nu, Dalima, van uw wedervaren, van uw proces,” vroeg
-Anna.
-
-En nu volgde het verhaal van hetgeen de lezer reeds weet. Dat Van
-Nerekool niet vergeten werd, laat zich begrijpen. Het dankbaar gemoed
-van het Javaansche meisje gedoogde niet, dat die naam verzwegen bleef.
-Zelfs had het er iets van, of hij meer op hare lippen kwam, als stipt
-noodzakelijk was, zoo zelfs dat Anna andermaal aan Dalima vroeg:
-
-„Gij verzekert mij, gij zweert mij, dat mijnheer Van Nerekool u niet
-gezonden heeft, om mij op te sporen?”
-
-„Dat zweer ik, Nana,” sprak het Javaansche meisje met volle overtuiging
-in hare stem.
-
-„En gij moet mij beloven, dat gij op geenerlei wijze hem bekend zult
-maken, dat gij mij gevonden hebt.”
-
-Dalima antwoordde daar niet dadelijk op. Blijkbaar aarzelde zij.
-
-„Als gij mij die belofte niet doet,” sprak Anna ernstig, „dan kunt gij
-niet bij mij blijven, Dalima, dan ga ik zelfs verhuizen en God alleen
-weet waarheen.”
-
-„Niet bij u blijven, Nana!” kreet het Javaansche meisje. „Ik, die
-zoover gekomen ben om bij u te zijn! Dat kunt gij niet meenen!... Niet
-bij u blijven! Dat is immers onmogelijk! Ik heb ouders, vrienden, allen
-verlaten om bij u te zijn; en... nu spreekt gij er van mij heen te
-zenden....”
-
-Het arme kind kon niet voort. Onbedwingbare snikken verstikten hare
-stem.
-
-„Neen,” sprak Anna diep met haar bewogen, „neen, ik wil u niet
-wegzenden; integendeel, ik wil u bij mij houden. Maar gij moet mij de
-belofte doen, aan niemand over mijne aanwezigheid hier te berichten.
-Wilt gij?”
-
-Dalima wierp zich weenend in hare armen.
-
-„Gij zijt hier zoo alleen, zoo armoedig!...” snikte zij.
-
-„Dat is niets. Daar ben ik al aan gewend.”
-
-„Hij bemint u zoo zeer!” vervolgde de kleine baboe.
-
-„Geen woord meer daarover, Dalima!” sprak Anna streng. „Gij kunt den
-slagboom niet begrijpen, die tusschen mijnheer Van Nerekool en mij
-opgeworpen is. Nimmer kan van een huwelijk iets komen! Laat u dat eens
-en vooral gezegd zijn!”
-
-Het Javaansche meisje antwoordde geen woord daarop, maar snikte voort.
-
-„Wilt gij mij die belofte doen?” vroeg Anna.
-
-„Ik had hem zoo gaarne mijne dankbaarheid betoond,” prevelde Dalima
-schier onhoorbaar, „door zijn geluk te bewerken.”
-
-„Gij zoudt oorzaak van zijn ongeluk zijn, Dalima!”
-
-„Zijn ongeluk?... Vereenigd met u?... O, Nana!...”
-
-„Nogmaals, geen woord meer daarover!... Geef mij nu de hand, Dalima...
-Zoo... En gij belooft mij, wat ik van u verg?”
-
-Zij keek het nedergehurkte meisje diep en navorschend in de schoone
-oogen.
-
-„Dat alles baart mij groot hartzeer,” stamelde Dalima; „maar als Nana
-het zoo wil... dan mag ik niet ongehoorzaam zijn... Ik beloof het u.”
-
-„Zoo is het goed,” antwoordde Anna gerustgesteld, evenwel met een
-smartelijken glimlach. „Nu ben ik blij, dat gij gekomen zijt; want gij
-zult mij o, zoo veel kunnen helpen. Kijk eens wat fraai „kain polèng
-mas [237]” ik daar op de tenoenan heb?”
-
-„Maakt gij die, Nana?” vroeg Dalima op medelijdenden toon. „Gij, de
-dochter van een Kandjeng toean resident?”
-
-„Dat is nog iets, wat gij nimmermeer aanroeren moet, Dalima,” hernam
-Anna weemoedig. „Niemand kent mij hier. Men weet zelfs niet, dat ik
-eene blanke ben. Men houdt mij, gij zeidet het reeds, voor eene
-Solosche prinses, die door haren vader verbannen is. O, er loopen
-daarover zulke aardige verhaaltjes. Het eene al zonderlinger dan het
-andere. Dat prædicaat van „poetri” maakt mij voor de bevolking tot een
-half bovennatuurlijk wezen, en verschaft mij een onbedongen veiligheid.
-En, zelfs de oude vrouw, die mijne geweefde goederen verkoopt, ziet mij
-voor eene verwante van „Njahi lårå Kidoel” (vorstin, maagd van het
-zuiden) aan en bedingt er veel hoogere prijzen voor dan anders het
-geval ware.”
-
-„Worden die kains, die gij maakt, verkocht, Nana?” vroeg Dalima,
-terwijl zij hare handen met smartelijke verbazing in elkander sloeg.
-„Gij, een „anak” (kind) van een Kandjeng toean!”
-
-„Die anak van een Kandjeng toean moet evenals ieder menschenkind eten,
-Dalima. Kom, laat mij voortmaken; ik heb al te veel verpraat. Die kain
-poleng mas is mij besteld, en moet ik zoo spoedig mogelijk afmaken.”
-
-Anna hervatte hare weefspoel, liet de kettingdraden ijverig op en neer
-gaan, terwijl zij met de „tjokel” (lat) den inslagdraad nauwkeurig
-aandrukte. Dalima keek haar aan, en tranen schoten haar in de oogen.
-Dat duurde evenwel slechts kort.
-
-Het Javaansche meisje greep het spinnewiel, plaatste dat naast de
-tenoenan, zoodanig dat zij beiden haar gesprek konden voortzetten, en
-begon nu te spinnen. Zij legde daarbij zoo eene behendigheid aan den
-dag, dat Anna haar goedkeurend toeknikte en zeide:
-
-„Zoo zal ik flink hulp hebben en goed vooruitkomen. Niets hield mij
-toch meer op, dan telkenmale te spinnen wanneer mijn welira ledig was.”
-
-„Maar ik kan niet alleen spinnen,” zei Dalima glimlachende, en niet
-zonder een zweem van trots. „Gij zult eens zien, ik kan u ook aflossen
-bij het weven. Maar, vooral kan ik goed batikken.”
-
-„Kunt ge? Dat zal mij werkelijk veel helpen. Daarin gevoel ik me nog
-een beetje links, hoewel ik al handiger ben dan in den beginne. Straks
-zal ik u, alvorens wij voor het eten gaan zorgen, mijn kunststukken op
-dat gebied laten zien.”
-
-Zoo pratende, werkten de beide meisjes een paar uren vlijtig door,
-totdat het tijd werd om naar de keuken te gaan. Ook hier heerschte de
-grootste schamelheid, en was geen verfijnd „kokki bitja” (keukenboek)
-noodig, om het eenvoudige maal te bereiden. Dalima wilde niet, dat Nana
-zich met iets zoude bemoeien. Zij nam haar den mand met „bras” (rauwe
-rijst) af, liep er mede naar het beekje, dat langs het erf vloeide,
-waschte de korrels, totdat het water helder uit den mand liep, zette de
-koekoesan (mand) in de dandang (waterketel) te vuur, bereidde den
-sambal oelak, wikkelde eenige gezouten visschen met kruiden en
-spaansche peper in pisangbladeren, om er „pèpèsan ikan” van te maken en
-roosterde die licht op het houtskolenvuur, bakte een paar lapjes
-vleesch, en was klaar, lang voordat de rijst gaar was.
-
-„Maar, waar is de tafel, Nana?” vroeg zij rondkijkende. „En waar het
-tafelgoed? Dat ik alles klaar zet.”
-
-„Gij vergeet Dalima, dat ik geheel en al eene Javaansche geworden ben.
-Wil ik niet herkend worden, dan moet ik mij geheel en al naar de
-gebruiken der dèsabewoners voegen. Daar is mijne tafel, en hier zijn
-mijn lepel en vork.”
-
-Dat zeggende, wees Anna op een gebloemd pandanmatje, dat op den vloer
-in het middenvertrek harer woning uitgestrekt lag, en liet hare fraaie
-vingertjes zien. Dalima zuchtte diep.
-
-„Maar, is het noodzakelijk, dat gij zoo werkt, zoo leeft, Nana?” vroeg
-zij. „Hebt gij dan in het geheel geen geld?”
-
-„Geld heb ik wel, Dalima. Ik ben zelfs rijk voor mijn toestand,”
-antwoordde het fiere meisje. „Maar gij vergeet altijd, dat ik mij
-schuil houd, dat ik dat niet doen kan, wanneer ik als eene blanke leef
-en niets doe, en van de levenswijze der Javanen afwijk. Wie weet
-daarenboven, welke toekomst mij boven het hoofd hangt, en hoe te pas
-mij het geld kan komen, dat ik nu zoo spaarzaam mogelijk, in uw oog
-schriel misschien, uitzuinig.”
-
-„O, Nana!” wilde Dalima met een zucht tusschenbeide brengen.
-
-„Och, laten wij over wat anders praten,” ging Anna kalm voort. „Kom,
-terwijl de rijst gaar kookt, mijne pogingen om te batikken bekijken.”
-
-Zij nam hare baboe mede naar de achtergalerij, waar verscheidene
-„gawangan’s” (ramen) stonden, waarop geweven lijnwaden gespannen waren,
-die alle de stadiën van het batikken vertoonden. Hier was er een,
-waarvan de grond nog geheel wit was, en waarop de teekening nog eerst
-aangebracht was, die het bloemwerk zoude vormen. Elders was die
-teekening reeds gedeeltelijk met was overdekt om die plaatsen bij het
-verven te beveiligen. Op een ander raam was reeds de grondverf
-aangebracht en was de teekening bij deelen van de wasbescherming
-ontbloot, om op hunne beurt de gewilde kleur te ontvangen. Overal
-stonden kuipjes met verf: met „nila” (indigo), met „njoganni” (roode
-verf), [238] met „mengkoedoe” (bruine verf), met „koenier” (gele verf)
-enz., die gereed waren om door de lijnwaden, die ter kleuring bestemd
-waren, opgenomen te worden. Voor alles had Dalima een goedkeurenden
-knik. Zij greep zelfs een „tjanting” (pannetje) met was gevuld, zette
-dat op het vuur, en beijverde zich daarna het vloeibare kleefmiddel
-door het fijne tuitje op eene teekening te brengen, om zoo een proef
-van hare behendigheid te geven.
-
-„Ziet ge, Nana,” riep zij na welslagen triomfeerend uit, „dat ik u zal
-kunnen helpen! Ik zal u zelfs leeren de „aboe kesambi” [239] te
-gebruiken, die ik hier niet zie. Dan zult gij eens zien, welke fraaie
-bloemen gij verkrijgen zult!”
-
-Zoo was Dalima in de hut op de helling van den Goenoeng Poleng een
-onderkomen gewaarborgd, een onderkomen bij hare zoo dierbare jonge
-meesteres, aan wie zij, met de aanhankelijkheid der Javaansche
-bedienden meestal zoo eigen, innig verknocht was. Beide meisjes werkten
-en zwoegden thans te zamen. Anna stond geen der werkzaamheden van haar
-schamel huishoudentje af. Alles moest gezamenlijk volbracht worden. Zij
-had in Dalima niet de aanwinst eener bediende, maar wel van eene
-vriendin gedaan. Zij zouden elkander tot steun strekken.
-
-Of dat lang zou duren?
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVI.
-
-LIM HO’S HUWELIJK.
-
-
-Op een mooien Septembermorgen van hetzelfde jaar, waarin ons verhaal
-speelt, was geheel Santjoemeh in rep en roer. En niet zonder reden. Het
-was toch de vastgestelde huwelijksdag van Lim Ho. Van Lim Ho, den zoon
-van den opiumpachter, den zoon van den millionair Lim Yang Bing, met de
-lieve Ngow Ming Nio, het schoonste Chineesche meisje van Santjoemeh,
-wellicht van geheel Nederlandsch-Indië, de eenige dochter van den
-schatrijken ouden Ngow Ming Than, die in alles, alles handel gedreven
-had, waarmede maar geld te verdienen was geweest, en dan ook geacht,
-geëerd en gevierd was ter wille van de millioenen, die ook hij bezat.
-
-Het geld heeft overal een zekere aantrekkingskracht, dus ook te
-Santjoemeh, en de samenkoppeling van zoo onmetelijke kapitalen moest de
-algemeene belangstelling opwekken. Daarenboven, een dergelijk Chineesch
-huwelijk kwam zeldzaam voor, en wat verhaald werd van de pracht, die
-bij de feestelijkheden ten huize van Lim Yang Bing zoude ten toon
-gespreid worden, grensde aan het wonderbaarlijke, en klonk als een
-sprookje uit de Duizend en één nacht. Geheel Santjoemeh, dat hier
-verstaan moet worden als tout Paris bij dergelijke gelegenheden, had
-dan ook gedongen en geïntrigeerd, om eene invitatie-kaart machtig te
-worden, en menig bekoorlijk glimlachje was babah Ong Sing Kok of babah
-Than Soeï, de „lengganan’s” (leveranciers) van mevrouw Zoetbrouw of van
-mevrouw Greenhoed, dames die over het algemeen met hare glimlachjes,
-vooral tegenover Chineezen niet kwistig waren, ten deel gevallen, omdat
-vermeend werd, dat die leveranciers een wit voetje bij het
-bediendepersoneel van Lim Yang Bing hadden, en zoo een
-uitnoodigingskaart machtig konden worden. Er werd zelfs verhaald, dat
-eene nonna [240] een zoen beloofd had aan een neef van Lim Ho, wanneer
-die hare ouders zoo’n kaart bezorgde. Deze, een sluwe vogel, zooals de
-meeste Chineezen zijn, had evenwel de onderhandeling niet willen
-aanvaarden, zonder vooraf voorschot genoten te hebben, dat bij de
-eindafrekening niet medegeteld zoude worden. Daar werd nog bij
-gefluisterd, dat de onderhandelingen lang, zeer lang geduurd hadden, en
-dat Lim Ho’s neef iedere gelegenheid te baat genomen had, om het lieve
-meisje in het geheim omtrent de gemaakte vorderingen te komen
-berichten, en dan nadere pogingen van verder voorschot afhankelijk
-gesteld had. Als het waar was, dan had die nonna de zoo innig verlangde
-kaart met menigen zoen betaald.
-
-Hoe het ook zij, Santjoemeh had dien dag de koorts, de koorts van
-opgewondenheid. En mocht nu ook al eene herinnering oprijzen aan het
-gebeurde met Lim Ho en baboe Dalima, dan stoorde dat de feestvreugde
-niet, en deed niemand te huis blijven. De meest kitteloorige gewetens
-werden gerustgesteld met de machtspreuk: Er heeft geene vervolging
-plaats gehad, dus is er niets gebeurd. En is er ook al iets geschied,
-dan zal het wel zoo erg niet geweest zijn. Er waren er zelfs, die stipt
-aan de geruchten dienaangaande geloof geslagen hadden, en den Chinees
-omtrent zijn bonne fortune benijd hadden. Dalima was toch zoo mooi!
-
-Neen, niemand ontzag zich om de feestelijkheden bij te wonen.
-Integendeel!
-
-Reeds daags te voren was Santjoemeh in rep en roer gebracht door een
-optocht naar den Chineeschen tempel.
-
-Hoewel de zonen van het hemelsche rijk geen kerkelijk huwelijk kennen,
-[241] had men het toch raadzaam geacht, de gunsten van de godin Má Tsów
-Pô [242] die beschermheilige der huwelijkscandidaten en jonggetrouwden
-te laten afsmeeken.
-
-Daartoe had zich in den vooravond van den huwelijksdag een stoet
-gevormd voor het huis der bruid van twaalf Chineesche knapen, welke
-door de stad trokken, voorafgegaan eerst door een talrijk korps
-Inlandsche muzikanten, die op hunne koperinstrumenten, geaccompagneerd
-door eene monsterachtige dikke trom, de meest luchthartige walsen,
-polka’s, mazurka’s en redowa’s ten gehoore brachten, die, in weerwil
-van de onwelluidendheid hunner uitvoering, een Johann Strauss aan het
-trippelen zouden gemaakt hebben, wanneer die hen had kunnen hooren.
-Daarop volgde een Chineesch muziekkorps, dat met zijne krassende,
-eensnarige violen, met zijne trillende bekkens, met zijne
-valschklinkende en krijschende blaasinstrumenten met het eerste
-afwisseling hield, en een mengelmoes van tonen te berde bracht, die
-alle gehoortrommelvliezen alleronaangenaamst aandeden, maar toch het
-vermogen niet hadden de nieuwsgierige menigte op de vlucht te drijven.
-
-De stoet werd geopend en besloten door een zestal fakkeldragers,
-terwijl hij ter weerszijden door een achttal „lolleng’s” (papieren
-lantaarns) omgeven werd, die met hun fraai getemperd licht hoog op rood
-beschilderde stokken gedragen, en met hunne wonderlijke vormen, aan het
-geheel een echt Chineesch relief verleenden.
-
-De knapen, die den hoofdtrein van den stoet vormden en „lo jen see”
-genoemd worden, wandelden twee aan twee, en waren gekleed met een soort
-nangkin jasje, dat slechts tot aan den knie reikte, en waaronder de
-bloote beenen en voeten uitstaken. [243] Op het hoofd droegen zij
-kegelvormige hoeden met opliggende roode franjes versierd. Ieder hunner
-hield een „pa-lee” in de hand, een metalen hollen ring, waarin kleine
-stukjes ijzer verborgen, of waaraan kleine belletjes bevestigd waren,
-en waarmede zij een zacht ratelend klingelend geluid voortbrachten.
-
-In den tempel aangekomen, schaarden zich de knapen rondom het beeld van
-Má Tsów Pô, dat voorgesteld was op de wolken staande, met een kroon op
-het hoofd, als zinnebeeld van hare waardigheid van Koningin des Hemels,
-murmelden, zongen, en prevelden op de maat gebeden en bezweringen,
-terwijl zij daarbij hunne ringen krachtig schudden. Toen dat zoo
-omstreeks een uur geduurd had, keerde de stoet huiswaarts, onder
-begeleiding van eene nog grootere volksmenigte, dan zich bij den
-heenmarsch te zaam gedrongen had.
-
-Maar den volgenden dag was de groote feestdag.
-
-Reeds van des morgens vroeg ratelden de rijtuigen door Santjoemeh, om
-de genoodigden uit de omstreken, als: landheeren, ambtenaren, enz. af
-te halen. Toen het tien uren sloeg, was de élite van de ingezetenen van
-de residentie in de binnengalerij van de woning van Lim Yang Bing
-vereenigd, de heeren waren òf in galacostuum, òf in groot tenue, òf
-zwart gerokt. De dames waren in baltoilet en werden bij den ingang door
-jeugdige Chineezen van bouquetten voorzien, bestaande uit licht
-rozenkleurige rozen. Naarmate de gasten verschenen, werden bij den
-ingang „mertjons” [244] afgestoken, en dat in grooter aantal naar
-gelang de binnentredende een hooger standpunt in de maatschappij innam.
-Wanneer twee of meer gasten tegelijk binnentraden, werd een evenredig
-grooter aantal rissen mertjons afgebrand, en knetterde dat vuurwerk
-soms zoodanig, dat hooren en zien verging.
-
-Eindelijk verscheen ook de resident Van Gulpendam met zijne gade, die
-plechtstatig door de officieren der Chineezen ontvangen en binnengeleid
-werden; terwijl intusschen buiten een geknetter en gedonder weergalmde
-alsof geheel Santjoemeh uit elkander moest springen. Bij die
-gelegenheid werden ook een paar lilla’s (koperen slangstukken)
-afgevuurd, en waren er vleiers, die èn aan de schoone Laurentia èn aan
-Lim Yang Bing verzekerden dat, daarbij vergeleken, de uitbarsting van
-Krakatoea kinderspel was geweest.
-
-Het doel van dat vreeselijk spektakel was tweeledig: vooreerst om de
-„Shan Sao” (booze geesten) te verschrikken en te verdrijven, ook om tot
-vreugdebewijs op dezen heugelijken dag te dienen.
-
-Zoodra de resident aangekomen was, trok, voorafgegaan door een korps
-muzikanten en door de blootvoeters, die des avonds te voren gefungeerd
-hadden, een lange stoet van vrienden en bekenden van den bruidegom
-voorbij, om de bruid aan het huis harer ouders te gaan afhalen.
-
-Intusschen nam Lim Yang Bing, bijgestaan zoowel door den majoor als
-door den kapitein der Chineezen, de honneurs waar, terwijl de heeren
-luitenants dier natie heel galant als ceremoniemeesters dienden. Allen
-beijverden zich dan ook, om de gasten van ververschingen te doen
-voorzien, en begon reeds een geknal van ontkurkte Champagneflesschen
-vernomen te worden, hetwelk zich met het geratel der vuurwerken mengde,
-en bruiste het heerlijke vocht, dat in groote zilveren kommen in een
-ijsbad afgekoeld was, in prachtig geslepen kristallen kelken. Der dames
-werd Hypocras, Guldenwater, Chartreuse, enz. aangeboden.
-
-Lim Yang Bing had de schoone Laurentia den arm geboden, en beiden
-bewogen zich ongedwongen door de ruime binnengalerij, die reeds in
-gewone omstandigheden prachtig mocht heeten, maar thans voor deze
-plechtige gelegenheid feestelijk was uitgedost. Alle houtwerken, als
-draagstijlen, balken, architraven waren kunstig gebeeldhouwd en zwaar
-verguld, en stelden òf afzichtelijke draken òf tooneelen uit het
-huiselijk leven in China voor. De omwanding was zacht rozenrood [245]
-genuanceerd; terwijl de vloer, die uit fijn Carrarisch marmer bestond,
-bedekt was met matten, van uiterst smal gespleten rottan vervaardigd.
-Aan het uiteinde der galerij bevond zich het altaar van den Tao Peh
-Kong, dat allerprachtigst versierd was, terwijl groote strooken van
-roode zijde, waarop zwarte Chineesche letters, ter weerszijden daarvan
-prijkten.
-
-„Vertel mij toch eens, babah,” vroeg de residentsvrouw, „wat beteekent
-toch dat gekrabbel op die roode lappen?”
-
-„Dat zijn spreuken, njonja, afkomstig van Kong Foe Hi,” antwoordde de
-Chinees galant.
-
-„Maar, wat beteekenen zij?”
-
-„O, die eene, njonja, beteekent: moge de vijf zegeningen nederdalen
-over deze woning.”
-
-„En de anderen?”
-
-„Dat zijn de vijf zegeningen.”
-
-„En die zijn?”
-
-„Een lang leven, vrede en rust, liefde voor de deugd, rijkdom en een
-einde, dat het leven kroont.”
-
-„En wat beteekenen die letters op die „lollengs” (lantaarns)? Hé! wat
-zijn die mooi!” sprak mevrouw Van Gulpendam, terwijl zij op de vele
-lantaarns wees, die aan de zoldering en aan de balken der galerij
-hingen.
-
-Het waren prachtige zeskantige toestellen, uiterst kunstig van gedreven
-koper in Chineeschen stijl vervaardigd, met kristallen vakken, die zeer
-fijn geslepen waren.
-
-„Ja, die zijn zeer fraai,” erkende Lim Yang Bing met een glimlach van
-zelfvoldoening. „Maar zij kosten ook veel geld. Zou njonja kunnen
-raden, hoeveel zoo’n lolleng kost?”
-
-„Hoe wil ik dat, babah, minstens vijftig gulden?”
-
-De Chinees verhief de borst, en een eigenaardig glimlachje speelde om
-zijne lippen.
-
-„O, njonja, hoe kunt gij zoo misraden! Ik dacht, dat gij onze
-kunstwerken meer waardeerdet.”
-
-„Hoeveel kosten ze dan?” vroeg de sluwe vrouw.
-
-„Iedere lolleng kost te Canton drie honderd en vijftig gulden, en met
-de vracht en inkomende rechten...”
-
-„Zij zullen wel gesmokkeld zijn,” zeide Laurentia lachende.
-
-„Bij Kong! Neen! Ik kan de bewijzen van de betaalde rechten laten zien.
-Wil njonja....?”
-
-„Neen, neen; ik geloof u. Maar hoeveel kosten ze u hier?”
-
-„Bijna vierhonderd gulden, njonja.”
-
-„En daar hangen er een dertigtal meen ik?”
-
-„Neen, slechts vijf en twintig, njonja.”
-
-„Slechts! slechts!” zei mevrouw Van Gulpendam lachende. „Me dunkt, voor
-tienduizend guldens aan lantaarns!”
-
-Lim Yang Bing’s gelaat glom van genoegen. Evenals de meeste parvenu’s
-genoot hij dubbel, wanneer de menschen bekend waren met de prijzen der
-kostbaarheden, die hij uitstalde.
-
-„En zie eens die „how-iâ’s.””
-
-De pachter wees op een paar levensgroote tijgerbeelden van rood marmer,
-die ineengedoken op een voetstuk van zwart marmer voor de twee
-hoofdpilaren der galerij voor het altaar zaten.
-
-„Ja, die zijn mooi!” zei de njonja. „Die zullen ook niet goedkoop zijn.
-Is het niet?”
-
-„Zij kosten ieder vijfduizend gulden.”
-
-„Maar, babah.”
-
-„Ja, als men bruiloft houdt, dan moet men het goed doen. Ziet gij dien
-haan daar op het altaar?”
-
-„Ja, babah; die is prachtig gesneden.”
-
-„Die is van perzikhout gebeeldhouwd, en kost alleen twaalfhonderd
-gulden.”
-
-„Maar, gij moet rijk zijn, babah.”
-
-„Och zoo,...” meesmuilde de Chinees, overdreven trotsch in zijn
-bescheidenheid. „Weet gij, wat mij het bruiloftsmaal en het diner van
-heden avond kosten?”
-
-„Neen, babah, zeg op.”
-
-„Die kosten bijna vijftienduizend gulden.”
-
-„Gij moet zeer rijk zijn, babah,” vleide de residentsvrouw.
-
-„Och, zoo maar, niet erg,” teemde de Chinees. „Gij weet nog niet,
-hoeveel ik mijn zoon medegeef, njonja?”
-
-„Aan Lim Ho, den bruidegom? Neen, dat weet ik niet. Toe, zeg mij,
-babah.”
-
-„Twee millioen guldens,” fluisterde hij half dronken van genot.
-
-„Twee millioen guldens!” kreet mevrouw Van Gulpendam. „Maar, gij moet
-ontzettend rijk zijn, babah Lim Yang Bing!”
-
-„Toch niet zoo erg, njonja.”
-
-„En dat alles uit de opiumpacht, nietwaar?”
-
-De Chinees keek haar aan. Dat woord opiumpacht ontnuchterde hem een
-weinig.
-
-„En gij zijt nog niet ten volle drie jaren pachter, nietwaar, babah?”
-
-Lim Yang Bing knikte stilzwijgend. Hij verwenschte reeds in zijn
-binnenste zijne praalzucht en snoeverij.
-
-„Hebt gij dezer dagen den resident gesproken?” vroeg de schoone
-Laurentia, die het ijzer smeedde, terwijl het heet was.
-
-„Neen, njonja,” antwoordde de Chinees beleefd, maar teruggetrokken.
-
-„Hij zal u over de pacht spreken, babah. Die eindigt immers met dit
-loopende jaar, nietwaar?”
-
-„Ja, njonja.”
-
-„En de verpachting van de drie volgende jaren zal nog in deze maand
-plaats hebben, is zoo niet?”
-
-„Ja, njonja.”
-
-„Zijt gij van plan mede te bieden?”
-
-„Ik denk het wel, njonja...”
-
-„Ja, njonja; neen, njonja; ik denk het wel, njonja...” herhaalde
-Laurentia op kluchtigen toon. „Maar... shut! men beluistert ons.... Wat
-beteekenen die letters op die lollengs, babah?”
-
-Die laatste vraag was met luider stem door de schoone vrouw op den haar
-eigen, giegelenden, luchthartigen toon gesproken.
-
-„Op die twee staat slechts: hemellantaarn.”
-
-„En op die daar?”
-
-„Die letters beteekenen: „Wij smeeken U om geluk en voorspoed.””
-
-Zij waren inmiddels verder voortgetreden, en verwijderd van de
-vermeende luisteraars.
-
-„Wij kunnen nu weer voortgaan,” zei Laurentia fluisterend. „Gij schijnt
-het met die pacht lauw op te nemen. Ik vrees, dat gij een mededinger
-zult hebben.”
-
-„Wie?” vroeg Lim Yang Bing thans met eenige drift.
-
-„Ik heb hooren mompelen van Kwee Sioen Liem, van Solo.”
-
-„Die!” mompelde de Chinees onthutst.
-
-„Hij is rijk en kan u veel schade doen,” sprak mevrouw Van Gulpendam,
-terwijl zij hem strak aankeek.
-
-Lim Yang Bing antwoordde niet, maar stapte met afgemeten schreden naast
-de schoone vrouw voort.
-
-„Dat nieuws schijnt u niet te deeren,” merkte de residentsvrouw met
-iets schampers in hare stem op.
-
-„Is het daarover, dat de resident met mij spreken wil?” vroeg hij.
-
-„Daarover en over nog iets anders. Het gouvernement wil hoogere pacht
-innen.”
-
-„Ho, ho!” grinnikte de Chinees.
-
-„Ge betaalt thans twaalf ton aan pachtschat, nietwaar? Dat zal minstens
-twintig ton moeten worden. Anders exploiteert het gouvernement zelf het
-monopolie.”
-
-„Ha, ha!” zei thans Lim Yang Bing, daarbij smadelijk glimlachende. „Dat
-zou ik wel eens willen zien!... Maar een verhoogde pachtschat is
-onmogelijk,” voegde hij er nadenkend bij.... „Thans kost het moeite, om
-zonder verlies te werken.”
-
-„En gij geeft uwen zoon twee millioen ten huwelijk mede [246]!” merkte
-Laurentia spottend op.
-
-„Ja,...” ging hij onverstoorbaar voort, als hadde hij die woorden niet
-gehoord, „werd het aantal kitten in de residentie vermeerderd...
-dan...”
-
-„Is het niet anders?” vroeg Laurentia luchthartig. „Hoeveel zijn er
-thans? Dat is mij om het even. Hoeveel wilt gij er meer hebben?”
-
-De pachter dacht een oogenblik na. Hij prevelde iets binnensmonds, en
-scheen in berekeningen verdiept te zijn.
-
-„Minstens tien,” antwoordde hij.
-
-„Dat is veel;... maar als tien opiumkitten meer in het pachtcontract
-opgenomen worden, zijt gij dan bereid tot twintig ton op te bieden?”
-
-Lim Yang Bing boog toestemmend; maar had den tijd niet om mondeling
-daar nog iets bij te voegen.
-
-De stoet, die de bruid afgehaald had, was aangekomen, en verscheen aan
-den ingang van de galerij. Het was thans, alsof hemel en aarde vergaan
-moest, zooveel mertjons werden thans afgestoken, terwijl de Chineesche
-muzikanten, die den stoet vergezelden, eene krijschende cacophonie
-deden weerklinken, die aller gehoorvliezen op eene geduchte proef
-stelden. Als er nog een booze geest in den omtrek achtergebleven was,
-dan moest die bij dat spektakel wel de vlucht nemen. Tegen zoo iets was
-zelfs geen Shan Sao bestand.
-
-Inmiddels was een troep Chineesche meisjes, met fraai besneden gelaat
-en zedig in haar schilderachtige kleeding van gele zijde, met rose
-sjerpen om de slanke middels, te voorschijn getreden, om de bruid te
-verwelkomen, en haar een krans van perzikbloesems en eenige
-snuisterijen, o. a. een haan, van perzikhout gesneden, aan te bieden.
-[247] Lim Ho was ook vooruitgetreden, om de lieve Ngow Ming Nio de hand
-te reiken en haar naar eene welvoorziene tafel te geleiden. Op die
-tafel waren, behalve een menigte spijzen, waaronder haaienvinnen, soep
-van hertenpezen en vogelnestjes, „kiemlo” en „bahmieh” [248] niet
-ontbraken, een menigte „tsoe” (granaatappels) aanwezig, zoodanig
-opengesneden, dat de geheele kern met de menigvuldige zaadpitten
-blootlagen, als zinnebeeld van het groot aantal kinderen, dat men het
-jonge paar toewenschte. Daar naast lagen een groot aantal „kaam”
-(oranjeappels) opgestapeld, als zinnebeeld van de zoetheid des levens,
-die de jonge lieden eeuwig mochten smaken; alsook eenige klompen aan
-elkander gegroeide „ô-á” (oesters), als zinnebeeld van de splitsing en
-toch onverbreekbare eensgezindheid van de familie; en eindelijk eenige
-stekken van „koaka” (suikerriet), als zinnebeeld van het
-huwelijksleven, dat even als het riet, van knoop tot knoop, van
-geleding tot geleding, in zoetheid toeneemt.
-
-De beide verloofden namen aan de tafel plaats, Lim Ho links van Ngow
-Ming Nio [249]. Voor ieder hunner werd een prachtige gouden bokaal
-nedergezet. Beide bekers waren met wijn gevuld, en door middel van een
-rooden zijden draad aan elkander verbonden. Bruid en bruidegom dronken
-tegelijkertijd, elk voor zich, de helft van den wijn, ruilden daarop
-van bokalen, evenwel daarbij zorgende, dat de verbindingsdraad niet
-brak, en ledigden nu de bekers geheel en al.
-
-„Oef!” mompelde Van Beneden, die met eenige zijner vrienden ook de
-huwelijksplechtigheid bijwoonde. „Oef! het is om den adem er bij te
-verliezen. Ik wed, dat zoo’n bokaal anderhalve flesch inhoudt. Voor Lim
-Ho is dat niets; maar dat lieve kind....”
-
-„Zou je niet eens met de lieve Ngow Ming Nio willen drinken?” vroeg
-Grenits ondeugend.
-
-„Shut!...” zei Grashuis, en wees op een groepje Chineezen in de
-nabijheid.
-
-„Hoe heet de plechtigheid, babah?” vroeg hij aan een hunner.
-
-„Tsioe Hoen, toean,” antwoordde de aangesprokene.
-
-„Tsioe Hoen? Wat beteekent dat?”
-
-De Chinees lachte schalks.
-
-„Kawin babassa,” antwoordde hij ondeugend.
-
-De omstanders proestten het uit.
-
-„Dus eigenlijk het huwelijk bewijnen,” [250] zei Grenits, die in de
-algemeene hilariteit deelde.
-
-„Shut!! Shut!!” klonk het van alle kanten.
-
-De resident Van Gulpendam keek vervaarlijk boos rond. De schoone
-Laurentia was diep verontwaardigd over de stoornis der
-bekerplechtigheid. Van Rheijn had wel onder den grond willen kruipen
-tegenover die toornige blikken.
-
-„Shut!... Shut!!” schreeuwde hij nog harder, als al de anderen te
-zamen.
-
-Toen het huwelijk bewijnd was, greep de bruidegom de linkerhand der
-bruid, hief die ter hoogte harer borst op, terwijl beiden tegen
-elkander bogen.
-
-„Ik wou, dat dat lieve bekje „ja” tegen mij knikte,” mompelde Grenits.
-
-„Een lief bekje, dat millioenen meêbrengt!” beaamde August van Beneden
-knikkend.
-
-„Shut!” klonk het alweer.
-
-„Millioenen, die voortspruiten uit... Zeg, waaruit?” vroeg Theodoor
-fluisterend, maar uitdagend.
-
-Onze advocaat boog verlegen het hoofd.
-
-„Gij hebt gelijk!” prevelde hij. „Uit die bron verlang ik geen cent.”
-
-„Shut!”
-
-De oogen van den resident Van Gulpendam schoten bliksemstralen.
-
-Nu werden twee schotels voor het paar neergezet, die met pilletjes ter
-dikte van eene groote erwt, rood en wit van kleur dooreengemengd,
-gevuld waren.
-
-„Waarschijnlijk bruidsuikers?” zei Grashuis.
-
-„Ik weet het niet,” antwoordde Van Beneden.
-
-„Babah,” vroeg Grenits aan zijn nevenbuurman in het gedrang, „is dat
-„obat” (medicijn)?”
-
-„Tida toean,” antwoordde de Chinees. „De roode balletjes stellen den
-Jang voor, het mannelijk beginsel, en de witte de Jin of het vrouwelijk
-beginsel der natuur...” [251]
-
-„Shut!” klonk het allerwegen.
-
-Bruid en bruidegom grepen een gouden lepel, namen een rood en een wit
-balletje, lieten dat in den mond glijden, en negen diep tegen elkander.
-Daarna werden de schotels omgeruild en de ceremonie herhaald, waarmede,
-in verband met de beduiding daarvan op het dualisme der natuur, de
-bezegeling van het huwelijk afgeloopen was. De band was geklonken, en
-de lieve Ngow Ming Nio was met Lim Ho onverbreekbaar verbonden. Het
-eene stel millioenen aan het andere! Of er bij het voltrekken der
-plechtigheid door den bruidegom eene enkele gedachte aan zijn
-slachtoffer, aan baboe Dalima gewijd werd?
-
-Als laatste ceremoniëel nam de jonge gade den lepel, schepte daarop
-twee balletjes, bracht die met liefelijk gebaar tot voor de lippen van
-haren echtgenoot, en noodigde hem met verlokkenden lonk tot eten. Die
-daad was de betuiging der jonge vrouw, dat zij gereed was om alle
-lasten van het innerlijke huishouden te torsen. Een der oudste
-familieleden prevelde, echter hoorbaar voor iedereen, eenige Chineesche
-woorden.
-
-„Wat beduidt dat?” vroeg Grenits aan zijn vriendelijken Chineeschen
-berichtgever.
-
-„O, toean,” antwoordde deze, „dat is eene aanhaling uit de Sji-king,
-uit het Boek der Liederen, dat lang, zeer lang geleden gedrukt werd.
-[252]”
-
-„Maar, wat beteekent die aanhaling?”
-
-„O, zij is zeer fraai,” hernam de babah. „Luister slechts: „De
-perzikboom is jong en schoon, en schitterend zijn zijne bloesems; deze
-jonge vrouw gaat naar haar toekomstig huis, en zal uitmuntend hare
-huiselijke zaken regelen.””
-
-Toen de jonge vrouw haren echtgenoot zoo zinnebeeldig bediend had,
-negen beiden andermaal zeer diep voor elkander, en was de
-huwelijksplechtigheid afgeloopen.
-
-Zoodra was die laatste betuiging niet volbracht, of daar bulderden de
-kanonnetjes weer, daar knetterden de salvo’s van ontelbare bossen
-mertjons, daar joedelde de kapel der Santjoemehsche schutterij, die ook
-verschenen was om het feest op te luisteren, hare vroolijkste deuntjes,
-daar krijschte het Chineesche orkest allerjammerlijkst en veroorzaakten
-dat geknal, dat geknetter, dat getrommel, dat getoet, dat gezaag zoo
-een mengelmoes van geluiden, dat de gehoorvliezen der aanwezigen
-verondersteld konden worden met buffelleder te zijn gevoerd.
-
-Inmiddels namen de jonggehuwden plaats voor het altaar van den Tao Peh
-Kong, staken eerst een paar geurige offerstokjes [253] aan, bogen toen
-voor het beeld, ook voor elkander en staken daarna de brandende stokjes
-in een wierookpot, prachtig in goud gedreven, die ter halver hoogte met
-welriekende asch gevuld was. Na die plichtpleging jegens den huisgod,
-keerden zich de jonggetrouwden om, ten einde de gelukwenschen der
-aanwezigen te ontvangen.
-
-Dit gedeelte van het ceremoniëel was niet nationaal. Bij Chineesche
-huwelijken, waarbij de blanken geen toegang hebben, begeven de
-jonggehuwden zich dadelijk na afloop der plechtigheid naar hunne
-vertrekken. Hier was het een te gemoet komen aan Westersche gewoonten,
-en onthielden de Chineezen zich dan ook, aan die felicitatiën deel te
-nemen; maar beijverden de meeste hunner zich om eene verdubbeling van
-vuurwerk af te steken, en zoo de spoken en kwade voorteekenen te
-verdrijven.
-
-De resident Van Gulpendam, met de schoone Laurentia aan den arm,
-openden den optocht van Europeanen, die zich daar voor de
-saamgekoppelde millioenen kwamen buigen. Want, al was de bruid ook al
-lief, al werd ook Lim Ho in het dagelijksche leven een „aardige vent”
-genoemd, het zou niemand in de gedachten zijn gekomen, om die
-plechtigheid bij te wonen. Het gebeurde met baboe Dalima was nog van te
-jonge dagteekening. Maar, nu twee millioenen van den eenen kant met
-twee millioenen van den anderen kant verbonden werden, nu het de zoon
-van Lim Yang Bing, den oppermachtigen opiumpachter gold, nu verdrong
-zich de blanke bevolking van Santjoemeh rondom het jeugdige echtpaar,
-om het hare oprechte heilwenschen aan te bieden.
-
-Van Gulpendam meende zelfs, na de jonggetrouwden de hand gedrukt te
-hebben, hen met een paar gevoelvolle woorden te moeten toespreken.
-Gelukkig voor de jonggehuwden, dat zij de Hollandsche scheepstermen,
-die hij bezigde, en niet in het Maleisch vertalen kon, niet verstonden;
-gelukkig voor het ongeduld der achteraankomenden, dat Laurentia haren
-echtvriend tot beknoptheid met de punt van haar blooten elleboog
-aanmaande. De banaliteiten van het hoofd van gewestelijk bestuur namen
-een einde, en nu was het een handjes-drukken, een gefleem, een geteem,
-zoowel ten opzichte van de rijke ouders der jonggehuwden als tegenover
-dezen, dat den opmerkzamen toeschouwer het hart van walging moest
-beklemmen.
-
-Toch ontging het noch aan Lim Yang Bing, noch aan Lim Ho, dat noch
-Theodoor Grenits, noch August van Beneden, noch Leendert Grashuis, noch
-Eduard van Rheijn vooruitgetreden waren, om een handdruk met de
-jonggehuwden te wisselen. Zij hadden van het algemeen gedrang gebruik
-gemaakt om naar buiten te treden. Karel van Nerekool was zelfs in het
-geheel niet verschenen. Hij had den afkeer niet kunnen overwinnen, dien
-hem de bruidegom inboezemde, hoewel hij zich, toen hij later de
-bizonderheden der trouwplechtigheid vernam, de belofte deed, om bij
-voorkomende gelegenheid zoo’n ceremoniëel te gaan bijwonen, al zou het
-dan ook op bescheidener voet gevierd worden.
-
-Gelukkig, dat onze vrienden het huis verlaten hadden; want nog was de
-ommegang der feliciteerenden niet ten einde gebracht, toen eensklaps de
-champagnekurken knalden, alsof zij een wedstrijd in ruchtbaarheid
-wilden aangaan met de buiten steeds knetterende mertjons. Weldra
-stonden alle aanwezende Chineezen, zoowel als alle Europeanen met een
-beker schuimenden feestwijn in de hand, en weerklonken allerwegen de
-luidruchtige toejuichingen, terwijl de Chineesche „trauwkoei’s”
-(violen) en bekkens krijschten, alsof zij een tandenknarsing wilden te
-voorschijn roepen, de schutterijkapel fanfares deed hooren, en de
-slangstukjes en mertjons losbrandden, alsof het de bestorming eener
-vijandelijke veste gold. Het echtpaar verdween, te midden van dat
-ontzettend rumoer, waarschijnlijk om hunne gehoorvliezen te redden.
-
-
-
-Des avonds had een vormelijk diner van 80 couverts plaats, waarvan het
-menu zorgvuldig door een Franschen maître d’hôtel was opgemaakt
-Grappenmakers vertelden evenwel daags daarna, dat daarop echte
-Chineesche gerechten voorgekomen waren, als Potage Kiemlo à la Tartare,
-Potage Printanier à l’ail, [254] Croquettes aux oreilles de rats, [255]
-Bouchées d’ailerons de requins, Consommées de tripang, [256] enz., enz.
-
-De resident Van Gulpendam bracht bij het dessert een luisterrijken
-dronk uit op de jonggehuwden. Daarna ook een op de Chineesche
-officieren, waarbij hij de hoop uitdrukte, dat Nederland steeds in hen
-zulke trouwe en nuttige onderdanen mocht vinden, als tot heden plaats
-gevonden had. Het hoofd van Gewestelijk Bestuur drukte op dat woord
-nuttig en verwierf dan ook aan het einde zijner rede een storm van
-toejuichingen. Die laatste toast, werd beantwoord door Lim Yang Bing,
-die een dronk aan mevrouw en den heer Van Gulpendam wijdde, daarbij
-Santjoemeh gelukwenschte met het bezit van zoo’n achtbaar echtpaar en
-den wensch uitsprak, dat het tot heil der bevolking in het algemeen, en
-der Chineesche maatschappij in het bizonder, gegeven mocht zijn die
-edelaardige menschen nog lang aan het hoofd der residentie te zien.
-
-Het was gelukkig, dat het dakgebinte der Chineesche woning stevig, dat
-de muren en zuilen onwrikbaar gegrondvest waren, anders hadden
-ongevallen plaats gegrepen bij de daverende toejuichingen, die met het
-geweld van een orkaan losbarstten. De grond schudde letterlijk onder de
-voeten van de feestvierenden bij de losbrandingen van het geschut en
-van de mertjons, terwijl de lucht binnenshuis in trilling geraakte door
-het snelvuur, dat door de knallende champagnekurken, die met behendige
-hand gelicht werden, uitgevoerd werd. Waarlijk, met zoo’n geestdrift
-werden de woorden van den rijken opiumpachter begroet!
-
-Na het diner volgde de dansreceptie, die door bijna geheel Santjoemeh
-bijgewoond werd. Tegen middernacht werd in den tuin van de woning een
-prachtig Chineesch vuurwerk afgestoken, waarbij onze gestaarte broeders
-het bewijs leverden, hoe onmetelijk ver zij in de pyrotechnie boven de
-Europeesche kunstenaars van het vak staan. Daarna werd de partij
-voortgezet, en eerst bij het aanbreken van den dag verlieten de laatste
-paren het dansterrein.
-
-„Een prachtig, een luisterrijk feest, babah!” complimenteerde de
-resident een paar dagen later Lim Yang Bing. „Drommels, de kombuis
-heeft gerookt!”
-
-„Ja, Kandjeng toean,” antwoordde de opiumpachter, terwijl een glimlach
-van voldane ijdelheid zijne lippen deed krullen. „Het heeft ook aardig
-geld gekost. Er is alleen aan champagne voor tweeduizend gulden
-gedronken, en aan rhijnwijn voor twaalfhonderd gulden. Het vuurwerk,
-dat ik uit Canton liet komen, kost ruim drie duizend gulden.”
-
-De man zwom in een hemel van gelukzaligheid bij die mededeeling.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVII.
-
-EENE WALGELIJKE TEGENKANTING.—TWEE OPIUMKONGSIE’S IN GEVECHT.
-
-
-Bijna geheel Santjoemeh had feestgevierd. Het was dan ook geen
-alledaagsche zaak, dat namelijk de zoon van den rijken opiumpachter van
-Santjoemeh trouwde met de dochter van een niet minder rijken
-emeritus-volgeling van Mercurius. Bij de samenkoppeling van zoovele
-millioenen kon en mocht een Nederlandsch publiek niet anders dan de
-grootste belangstelling aan den dag leggen en dat had het ook gedaan.
-
-Bijna geheel Santjoemeh werd gezegd; en daarin ligt opgesloten, dat
-niet allen behoefte gevoeld hadden de receptie met hunne
-tegenwoordigheid luister bij te zetten. Hadden ook enkelen, zooals Van
-Beneden, Grashuis, Van Rheijn en Grenits, zich door hunne
-weetgierigheid op ethnologisch gebied laten verlokken om de Chineesche
-huwelijksplechtigheid te gaan zien, zoo waren zij toch niet over te
-halen geweest bij het diner aan te zitten of de danspartij bij te
-wonen. Zij waren integendeel overeengekomen, om, terwijl de Europeesche
-bewoners zich binnen, en de Inlandsche bevolking voor het woonhuis van
-Lim Yang Bing in gang Pinggir verdrongen, ten huize van Van Nerekool
-bij elkander te komen, om gezellig dien avond door te brengen.
-
-Toen zij evenwel Karels woning binnentraden, vonden zij den jeugdigen
-rechter nog in zijn studeervertrek onder de kap eener groote
-astraallamp over zijne schrijftafel gebogen.
-
-„Nog aan den arbeid?” vroeg de een.
-
-„Is het zoo druk bij den raad van Justitie?” meesmuilde de andere.
-
-„Drommels, dat heet ik dienstijver hebben!” kreet een derde.
-
-„In de ornithologie zou Karel onder de „rari aves” (zeldzame vogels)
-gesorteerd worden!” riep August van Beneden uit. „Kom, wie werkt er nog
-op dit uur, nu geheel Santjoemeh feestviert? Hoort ze daar ginds eens
-toeteren en spektakel maken.”
-
-En inderdaad bij de doodsche stilte, die in het overige gedeelte der
-residentie’s hoofdplaats heerschte, werden in de verte het geschetter
-der fanfares, het geknetter der mertjons en het gedonder van het
-geschut vernomen.
-
-„Ja, daar wordt spektakel genoeg gemaakt,” merkte Theodoor Grenits
-verachtelijk glimlachende op.
-
-„Vrienden,” zei Van Nerekool, „wel heb ik het grootste gedeelte van den
-dag ijverig besteed; want zooals Leendert juister opgemerkt heeft, dan
-hij wel meende, is het in den tegenwoordigen tijd zeer volhandig bij
-den raad van Justitie; toch hield iets anders mijne aandacht bezig,
-toen gij zoo even binnentraadt...”
-
-„En is het onbescheiden te vragen, wat onzen gastheer het hoofd zoo
-over zijne schrijftafel deed bukken?” vroeg Theodoor.
-
-„Ik bracht juist een brief van Willem ten einde, dien ik zooeven
-ontvangen had, en die mij de pen heeft doen neerleggen.”
-
-„Van Willem Verstork?”
-
-„Hoe maakt hij het?”
-
-„Is hij welvarend?”
-
-„Kan hij het te Atjeh nog al uithouden?”
-
-Die vragen kruisten elkander en werden nagenoeg gelijktijdig
-uitgesproken. Een ieder van dat vijftal droeg den waardigen controleur
-een goed hart toe.
-
-„Vrienden,” antwoordde Van Nerekool, „Willem is welvarend, en weet zich
-uitmuntend in die militaire wereld daar ginds te schikken.”
-
-„Gelukkig!” meende Van Rheijn, die niet veel met sabelslepers, zooals
-hij gewoonlijk de officieren noemde, ophad. „Ik verlang volstrekt niet
-in zijne plaats te zijn.”
-
-„Wat schrijft hij, Karel?” vroeg August van Beneden.
-
-„Och, zijn brief is te lang, om u heden voor te lezen,” antwoordde Van
-Nerekool. „Daarenboven is het grootste gedeelte gewijd aan mijne
-particuliere omstandigheden, en treedt hij omtrent de ouders van Anna
-van Gulpendam in bizonderheden, die ik zonder onkiesch te zijn, niet
-kan mededeelen. Zijne bedoeling, om mij van mijne liefde te genezen, is
-voorzeker welgemeend; toch maakt dat schrijven mij diep neerslachtig,
-daar mij de klove, die mij van het lieve meisje scheidt, al meer en
-meer onoverkomelijk aangrijnst.... Waar mag zij toch zijn? Wist ik dat
-maar; och, dan was alles nog niet verloren.”
-
-Allen keken elkander aan. Er was daar eene snaar aangeroerd, die den
-gastheer tot weemoed moest stemmen.
-
-„Kom Karel,” sprak Grashuis bemoedigend, „geef aan die neerslachtigheid
-niet toe. Gij moet u in het onvermijdelijke weten te schikken.
-Daarenboven, wie weet wat de toekomst bereidt?”...
-
-„Maar, zij is weg... spoorloos verdwenen!” jammerde Van Nerekool.
-
-Eduard van Rheijn glimlachte vreemdsoortig, maar antwoordde daar niet
-direct op.
-
-„Ook baboe Dalima is verdwenen,” zeide hij.
-
-Van Nerekool schudde ongeduldig het hoofd, alsof hij zeggen wilde: „wat
-kan mij dat schelen?”
-
-„Ik ben dezer dagen te Kaligaweh geweest,” ging de adspirant-controleur
-voort, „en heb daar bij toeval den ouden Setrosmito gesproken. Zij is
-volgens hem geruimen tijd geleden naar Karang Anjer gereisd....”
-
-„Naar Karang Anjer?” riep Van Nerekool uit. „En wat?....”
-
-„Maar sedert heeft hare familie niets meer van haar gehoord.”
-
-„Niets?”
-
-„Neen, niets. Zoodat hare ouders niet weten, of zij dood of levend is.”
-
-Moedeloos liet Karel het hoofd op de borst zinken.
-
-„Een opflikkering der hoop,...” prevelde hij; „en daarna weer zwarte
-nacht!”
-
-Allen keken een poos bedrukt voor zich.
-
-„En schrijft Willem niets anders dan over die aangelegenheid?” vroeg
-Van Beneden, die den gedachtenloop van den gastheer een andere wending
-wenschte te geven.
-
-„Jawel,” antwoordde Karel, die langzamerhand zijne geestkracht herwon.
-„Kom, laten wij in de binnengalerij plaats nemen, dan zal ik u het
-meest wetenswaardige van zijn brief mededeelen. Het is hier niets
-gezellig voor vriendenkout.”
-
-Allen verlieten het studeervertrek van den rechtsgeleerde, dat
-inderdaad met zijne folianten, die van waanwijsheid zwollen, niet tot
-vertrouwelijkheid verlokte.
-
-„Sabieio, lakas kassi karossi, dan roko sama toean toean!” (Sabieio,
-geef de heeren stoelen en sigaren.) klonk het bevel des gastheers. En
-toen allen gezeten waren, en geurige manillasigaren opgestoken hadden:
-
-„Zullen de heeren een glas bier gebruiken?” vervolgde hij.
-
-En op de toestemmende beweging zijner gasten:
-
-„Sabieio, kassi bier ajam,” [257] vervolgde hij, „sama ajer batoe,”
-(Sabieio, geef haantjesbier met ijs).
-
-Toen allen zich aan het heerlijke Cambrinusvocht gelaafd hadden, hernam
-Van Nerekool:
-
-„Ik zal u het bedoelde gedeelte uit Willem’s brief voorlezen. Luistert:
-
-„Herinnert gij u nog, dat ik ulieden bij het diner na de varkensjacht
-in den djoerang Pringapoes mededeeling deed van een recept van
-pilletjes om de opium te bestrijden, [258] alsook welk succes ik en
-anderen daarmede reeds verworven hadden. Grenits was niets gesticht
-over die mededeeling, en zag de toekomst niet rooskleurig voor mij in.
-Zijne woorden hebben mij lang in de ooren geklonken, en nog staan zij
-onuitwischbaar in mijn geheugen gegrift. „Houdt dat pillenrecept voor
-u,” sprak hij waarschuwend. „De minister van Koloniën, die bezig is de
-opiuminkomsten door alle mogelijke middelen zoo hoog mogelijk op te
-zweepen, zou daarin eene aanranding van het gouden kalf zien. Er zijn
-zendelingen in hun evangeliearbeid verhinderd, er zijn menschen de
-Koloniën uitgezet, en er zijn ambtenaren gepensioneerd geworden, die
-veel minder gedaan hadden, dan zulke pillen aan den man gebracht.”
-Karel, gij weet dat, hoewel, met het oog op de toekomst mijner
-familieleden een oogenblik terneergeslagen, ik toch Theodoor’s woorden
-bij eenig nadenken slechts opnam als eene zwartgallige ontboezeming,
-geuit ten gevolge van ons gesprek bij den maaltijd, dat hoofdzakelijk
-over opium-schandalen en opium-ongerechtigheden geloopen had. Grenits
-zelf zag den toestand minder donker in dan zijne woorden wel
-aanduidden; want lachende hernam hij op mijne bewering, dat het zoo erg
-niet loopen zou: „maar een Nederlandschen Leeuw zult gij met uwe pillen
-niet verdienen.”
-
-„Neen, Karel, eene decoratie heb ik niet beoogd. Het weinige goede, wat
-ik deed, verrichtte ik om dat goede zelf, niet met den blik op eene
-mogelijke belooning. Zulk streven heb ik steeds volgaarne aan anderen
-overgelaten, omdat zelden het waarlijk goede, soms wel het tegendeel
-daarvan, maar bijna immer eene zekere ruggegraatslenigheid met die
-uiterlijke teekenen van de tevredenheid der machthebbenden beloond
-wordt. De gedachte alleen, dat ik zou kunnen verdacht worden van zoo
-dienstvaardige spierbundels in mijne lendenen te hebben, zou mij
-ongeschikt tot iedere poging daartoe maken.
-
-„De pijl, door Theodoor daartoe afgeschoten, miste dus zijn doel. Toch
-kon hij noch ik vermoeden, hoeveel sarcasme in zijn laatsten volzin, en
-hoe doeltreffend zijne voorafgegane raadgeving geweest was. Let goed op
-het geen volgen gaat.
-
-„Ik was nog niet lang hier, toen mij een schrijven van de Bataviasche
-Secretarie gewerd. Dat gebeurde wel meer, wanneer men inlichtingen
-omtrent sommige civiele kwestiën, b. v. inkomende rechten of zoo iets
-wenschte te hebben, en den Militairen Gouverneur niet bemoeielijken
-wilde. Maar ditmaal bevreemdde het mij toch, dat ik dat stuk niet door
-tusschenkomst der hoogstgeplaatste autoriteit ontving. Wel was het een
-geschreven stuk, toch was het geene missive. Het had meer den vorm
-eener circulaire, die evenwel gewoonlijk gedrukt of geautografeerd is.
-Dat document luidde: [259] „Te Batavia is eene poging ontdekt om
-pillen, bestaande uit of vermengd met opium, in te voeren als medicijn.
-Ter zake is door de Indische regeering beslist, dat, aangezien die
-pillen moeten worden beschouwd als bereide opium, invoer van die pillen
-anders dan voor rekening van het gouvernement, alsmede de verkoop,
-anders dan door den pachter, verboden is, behoudens de bij Indisch
-Staatsblad 1872, No. 170 ten behoeve der particuliere apothekers
-vastgestelde uitzondering. UWEd. Gestr. wordt verzocht aan dien last
-der Regeering stipt de hand te doen houden.”
-
-„Dat fraaie stuk was geteekend door den directeur van Binnenlandsch
-Bestuur.
-
-„Ik had hier te Oleh-leh met de door mij besproken pilletjes pogingen
-aangewend, om Chineesche opiumschuivers van hunne heillooze
-verslaafdheid aan het heulsap af te brengen, en die pogingen waren met
-een uitstekenden uitslag bekroond. Ik had ook een paar honderdtallen
-van die pilletjes aan ettelijke officieren verstrekt, om aan hunne
-ondergeschikten uit te reiken, en die ook waren opgetogen over de
-heerlijke werking van het middel. Mijn trophée bedoedans was dan ook
-met een zestal vermeerderd; en ik erken, Karel, dat wanneer mijn oog op
-die werktuigen van zedelijke verwoesting viel, die daar nu als
-zichtbaar teeken der behaalde overwinning aan den wand hingen, ik een
-gevoel van tevredenheid met mij zelven niet kon onderdrukken.
-
-„Moest ik nu die pogingen staken? Ik kon niet gelooven, dat de
-regeering wars zoude zijn, het hare bij te brengen, om zoovele
-rampzaligen, als ten gevolge van het opiumgebruik in Indië
-rondkrioelen, de reddende hand toe te steken. Voorzeker, zij was
-misleid, en het gold maar alleen haar de oogen te openen. Die pillen
-beschikbaar bij de pachters stellen, moest het doel, met dat middel
-beoogd, doen falen. Ik stelde dan ook een uitvoerig stuk op, waarin ik
-de uitkomsten aantoonde niet alleen door mij, maar ook door de
-evangelieverkondigers van het Nederlandsch Zendelinggenootschap, zoo
-ook door de hierboven bedoelde officieren verkregen. Van de
-laatstbedoelden legde ik authentieke verklaringen deswege over. Ten
-slotte stelde ik op grond der opgedane ervaring voor, ten opzichte van
-de pillen, door bedoeld Zendelinggenootschap vervaardigd, eene
-uitzondering met betrekking tot den uitgevaardigden last te maken.
-
-„Karel, wat had ik gedaan! Ja, ik had als eerlijk man de inspraak van
-mijn hart gevolgd. Maar ik was al te eenvoudig van gemoed, toen ik
-gelooven kon, dat de regeering ook maar een klein beetje van hare
-prooi, zelfs ter wille van het zedelijksheidsbeginsel, zou laten varen.
-Ik was al te kinderlijk van gemoed, toen ik zoo’n stuk schreef in een
-tijd, dat geld, geld bij de regeering alles primeert, dat schrapen als
-de hoogste vaderlandsche deugd wordt aangemerkt en het oog gesloten
-wordt voor de bas-fonds, waarin geschraapt wordt.
-
-„Al heel spoedig—ja, zelfs met keerende mail—ontving ik in antwoord op
-mijn welgemeend pogen het navolgende schrijven: „In het voorstel,
-vervat in uw schrijven van den zooveelsten, verlangt de regeering niet
-te treden. Immers invoer van zoogenaamde opiumpillen moet in den
-laatsten tijd, behalve ter hoofdplaats Batavia, ook hebben plaats gehad
-in andere residentiën van Java. Ofschoon die pillen heeten bestemd te
-zijn, om de schuivers het gebruik van opium af te leeren, dienen zij
-toch inderdaad om hun, die zich, hetzij wegens de hooge kosten of om
-andere redenen, niet op de gewone wijze van opium kunnen voorzien, het
-opiumgenot op goedkooper wijze te verschaffen. [260] Bestond er reeds
-twijfel, terwijl gij controleur in de residentie Santjoemeh waart, dat
-gij er u als ambtenaar toe leendet, om—zij het dan ook zoogenaamd met
-een goed doel—de verordeningen der regeering omtrent het
-opium-monopolie te ontduiken, en zoo mede te werken tot benadeeling van
-’s lands inkomsten,—uw schrijven geeft thans de meeste zekerheid, dat
-gij dergelijke praktijken op uwe nieuwe standplaats beproefd hebt. Op
-de diensten van een ambtenaar, die zóó ’s lands belangen opvat, kan de
-regeering onmogelijk prijs stellen; en ware het niet, dat de
-beweegredenen, die u genoopt hebben te handelen, zooals gij deedt,
-ontegenzeggelijk een goed doel beoogden, alsook dat uwe
-familie-verhoudingen mij hebben doen terugdeinzen, zou ik u als
-onbekwaam voor den dienst bij het Binnenlandsch Bestuur, voor ontslag
-hebben voorgedragen. Ik heb den Gouverneur last gegeven u in uwe gangen
-ernstig na te gaan, en bij de minste tekortkoming onmiddellijk te
-rapporteeren. Gij moet goed begrijpen, dat de Staat hooger toewijding
-noodig heeft, dan het gehoor geven aan ziekelijke philantropische
-opwellingen, en dat derhalve bij de minste reden van ontevredenheid,
-gij op geene consideratie hoegenaamd te rekenen hebt...””
-
-„Het is schandelijk!” kreet Theodoor Grenits, toen Van Nerekool ophield
-met lezen. „En zoo eene behandeling overkomt een man, met zoo’n
-edelaardig karakter als onze Willem.”
-
-„O, die opium, die opium!” vervolgde Grashuis even opgewonden. „Hij
-bederft de beste sappen van onze natie. Is het reeds zoover gekomen,
-dat men de middelen weert, die bij de bestaande toestanden heil zouden
-kunnen aanbrengen!”
-
-„Ja, het is schandelijk!” beaamde Van Beneden.
-
-„Maar, vrienden,” kwam Van Rheijn tusschenbeide, „zijn wij niet te
-uitsluitend in onze opvattingen, in onze oordeelvellingen? Zou het niet
-waar kunnen zijn, dat onder het mom van genezing aan te brengen,
-inderdaad sluikhandel met die pillen beoogd werd...”
-
-„O, Eduard,” viel hem Van Nerekool in de reden, „hoe komt gij er toe
-Willem Verstork van sluikhandel te verdenken?”
-
-„En het Nederlandsche zendelinggenootschap?” voegde Leendert Grashuis
-er aan toe.
-
-„Vergeef mij, vrienden,” antwoordde Eduard van Rheijn, terwijl hij
-driftig van zijn stoel opsprong. „Gij verstaat mij verkeerd. Zoo iets
-te kennen te geven, was mijne meening niet. Voor mij staat het als een
-paal boven water dat, èn Willem èn de zendelingen bij hunne pogingen
-onkreukbaar eerlijk en rechtschapen handelden. Maar zoudt gij niet
-kunnen aannemen, dat onverlaten, zich achter dat geneesmiddel
-verschuilende, zuivere opium pillen invoeren, om zoo de schatkist te
-benadeelen?”
-
-„Zoo iets kan wel,” zei Grenits nadenkend.
-
-„En is het dan geen zaaks,” vervolgde Van Rheijn, „dat de regeering een
-zoodanigen clandestienen invoer tegenga? Onder den dekmantel van die
-pillen, zou het opiumverbruik zoo een al te groote vlucht kunnen
-nemen....”
-
-„Zonder dat de staatskas er wel bij voer!” viel Grashuis in. „Als die
-maar gestijfd wordt, dan is men in regeeringskringen van die vlucht van
-het opiumverbruik zoo afkeerig niet. Integendeel!”
-
-„Daarenboven Verstork’s voorstel, om eene uitzondering te maken omtrent
-de pillen van het Nederlandsche Zendelinggenootschap was aannemelijk
-genoeg,” merkte Theodoor Grenits op. „Men kon het middel handhaven en
-beschermen, maar de vervalschingen daarop tegengaan. Maar, dat wil men
-blijkbaar niet. Geen loodje mag aan de hoeveelheid vergift ontbreken,
-die de Inlandsche bevolking opgedrongen wordt, en iedere poging om tot
-verbetering te geraken moet, wat er ook al in de Vertegenwoordiging in
-den Haag gefemeld en geteemd wordt, ten ernstigste tegengegaan worden.
-Vrienden, gij herinnert u onze discussiën nog wel. Valt de uitspraak
-nog wel te betwisten: dat de opium als eene vervloeking op het arme
-Indië rust?”
-
-Allen keken elkander een poos ernstig en stilzwijgend aan. Helaas,
-neen, tegen die uitspraak was niet op te komen. In aller boezem was die
-overtuiging gevestigd.
-
-„Ja, die opium!...” zei August van Beneden met een zucht. „Vrienden,...
-wij zullen van thema veranderen, zonder ons onderwerp prijs te geven,
-wat ook jammer zoude zijn. Gelukkig, dat een vijftal protesteerenden
-zich binnen Santjoemeh bevinden, terwijl de lucht van de fanfares
-trilt, en de grond dreunt door het gedonder van het geschut bij de
-feestviering van de samenkoppeling der millioenen, uit die bron
-verkregen. De gestaarte afstammelingen van het Hemelsche Rijk zijn nu
-zoo eendrachtig om hunne Tao Peh Kong vereenigd, maar dat is niet
-altijd zoo het geval. Er kunnen zich omstandigheden voordoen, waarbij
-zij uiterst vinnig tegenover elkander staan. Bij het nasnuffelen dezer
-dagen van eenige overjarige documenten, kwam mij een Kongsie-geschil in
-handen, dat mij een diepen blik in den fatalen kring gunde, waarin zich
-de opiumpacht beweegt. Wij zitten zoo gezellig bij elkander, laat mij u
-die geschiedenis vertellen. Alleen moet gij niet op personen en op
-plaatsnamen letten, ook niet op de jaartallen. Ik vind geen vrijheid om
-de handelenden, die nog leven, te brandmerken, en dat zult gij, met het
-oog op mijn standpunt van pleitbezorger, ongetwijfeld billijken. Voor
-den gang van het verhaal is evenwel iets meer noodig dan het aanduiden
-van personen door N. N. of P. P. en van plaatsen door X of Y, hetgeen
-daarenboven iets stuitends heeft, zoo zal ik mij veroorloven
-gefingeerde namen in te vlechten. Als gijlieden daaraan maar wilt
-denken.
-
-„In het jaar—kom laten wij zeggen: ruim een tiental jaren
-geleden,—bestond er in eene residentie’s hoofdplaats van Java—laten wij
-aannemen in Santjoemeh—eene machtige opiumkongsie,—die wij Hok Bie
-zullen noemen. Deze kongsie Hok Bie had het oog geslagen op de
-opiumpacht van een aan Santjoemeh grenzend pachtperceel, dat wij
-Bengawan zullen heeten. Maar ter zelfder tijd had dat pachtperceel
-Bengawan ook de begeerlijkheid opgewekt van een jeugdig Chinees,—dien
-wij Tio Siong Mo zullen heeten,—die rijk was, evenwel de millioenen
-niet zoo voor het grijpen had, als dat met de kongsie Hok Bie het geval
-was.
-
-„Het zou mij te ver leiden, vrienden”, vervolgde Van Beneden, „wanneer
-ik u de intrigues mededeelde, die afgesponnen werden, de kuiperijen en
-omkooperijen, die plaats hadden, om het beoogde pachtcontract machtig
-te worden. Laat het u genoeg zijn te weten, dat van weêrszijden alle
-krachten werden ingespannen, en niet zonder reden; want het
-pachtperceel Bengawan gold destijds voor het vetste van geheel Java, en
-telt thans nog, als ik mij niet bedrieg, het grootste aantal
-opiumkitten, waar tegenover staat, dat het de meest armzalige bevolking
-van het geheele eiland bezit.”
-
-„Aanvankelijk scheen de kongsie Hok Bie de overhand te zullen behalen.
-Zij verwierf toch van den resident, wien de verpachting opgedragen was,
-[261] dat de soliditeit der borgen van hare tegenpartij betwijfeld
-werd, waardoor deze buiten mededinging gehouden zoude worden. Tio Siong
-Mo zette zich evenwel schrap, bekampte de omkoopers met hunne eigene
-wapenen, en wist de soliditeit zijner borgen te staven. Hoe?... Och,
-dat zult gijlieden wel kunnen gissen.”
-
-„Jawel, jawel,” zei Grenits. „Ga maar voort. Dat is zoo klaar voor ons
-als een klontje kandijsuiker!”
-
-„Toen dat niet lukte, keek de kongsie Hok Bie naar andere middelen om.
-Eerst poogde zij Tio Siong Mo’s borgen om te koopen, dat dezen zich
-failliet zouden verklaren. Toen dat niet opging, deed zij den
-gevaarlijken mededinger een bod van vijf tonnen gouds, wanneer hij zich
-terugtrok. Vijf tonnen gouds! Het bod was mooi, dat moet erkend worden.
-Toch aarzelde Tio Siong Mo geen oogenblik met zijne weigering; want de
-pacht van het perceel Bengawan bracht veel, veel meer winst op.
-
-„Eindelijk was de groote dag daar. Aanvankelijk werd door een vijftal
-mededingers geboden, maar drie daarvan verlieten voor en na het
-strijdperk, en bleven de vertegenwoordigers van de kongsie Hok Bie en
-Tio Siong Mo alleen tegenover elkander in het krijt.
-
-„Ik zal u maar niet vermoeien met den strijd, die met afwisselende
-stoutmoedigheid en behoedzaamheid gevoerd werd. Er waren spannende
-oogenblikken. Hok Bie bood eindelijk ƒ 80,000....”
-
-„Tachtig duizend gulden!” kreet Van Rheijn.... „Maar, dat is niet
-veel.”
-
-„’s Maands! ’s Maands, waarde Eduard!” suste hem Van Beneden.
-
-„Dat is 960,000 gulden,” antwoordde Van Rheijn. „Nog niet veel. Hier te
-Santjoemeh....”
-
-„Voor dien tijd een buitensporige prijs, vrienden,” viel hem August in
-de rede. „Laat u dat gezegd zijn. Ik heb er mij van overtuigd.”
-
-„En hoe ging het verder?” vroeg Van Nerekool.
-
-„„Tachtig duizend!” had de vertegenwoordiger van Hok Bie geroepen, en
-daarmede gemeend zijn tegenstander te overbluffen en te verpletteren;
-want hij was van zestig op tachtig gesprongen.
-
-„Drommels!” zei Van Rheijn. „En hoe verder?”
-
-„Tio Siong Mo liet er geen gras over groeien; maar antwoordde leuk:
-
-„„Dan sareboe!” (nog één duizend)
-
-„Hij sprak die woorden, alsof hij zeggen wilde, dat hij ieder bod
-zijner tegenpartij eenvoudig met duizend gulden wilde overschrijden.
-
-„Hok Bie’s „wakil” (vertegenwoordiger) keek verbluft op. Met dien
-laatsten sprong had hij de uiterste grens van de strekking zijner
-volmacht bereikt. Hij mocht niet verder.
-
-„„Delapan poeloe satoe reboe roepiah!” zei de resident aanmoedigend tot
-den aarzelende.
-
-„„Delapan poeloe satoe reboe roepiah!” herhaalde de secretaris, die
-voor afslager dienst deed.
-
-„Niemand sprak. Eindelijk klonk de formule van „tiga kali!” (derde
-maal) vergezeld van een harden hamerslag, en was de pacht aan Tio Siong
-Mo toegewezen.
-
-„Het was veel: negenhonderd twee en zeventig duizend gulden alleen aan
-pachtschat! Maar de jeugdige Chinees lachte in zijn vuistje; hij was er
-overtuigd van, dat uit het pachtperceel Bengawan meer dan het dubbele
-te kloppen was. Of hij niet buiten den waard rekende?....
-
-„De kongsie Hok Bie was woedend over de geleden nederlaag, en besloot
-dan ook zich te wreken. In hare eerste bijeenkomst stelde zij vier ton
-ter beschikking, om Tio Siong Mo niet alleen ten val te brengen, maar
-om hem zelfs een plaatsje in ’s lands gevangenis te bezorgen. Twee der
-oudste leden der kongsie belastten zich met die opdracht.”
-
-„Ik ben eens benieuwd, hoe zij dat aanlegden,” zei Grenits, die bij
-zoo’n concurrentie als koopman zenuwachtig de neusvleugels openspalkte,
-niet ongelijk aan een jong, vurig paard, dat ongeduldig is om vooruit
-te schieten.
-
-„Dat ging vrij eenvoudig, hoewel het razend veel geld kostte,” ging
-August van Beneden voort. „Als het evenwel het koelen hunner
-hartstochten of het botvieren hunner ijdelheid geldt, dan zijn de
-Chineezen volstrekt niet gierig....”
-
-„Ook niet, wanneer het geldt, eene spiering uit te gooien om een
-kabeljauw te vangen,” meende Leendert Grashuis.
-
-„Accoord, maar laat mij nu voortgaan,” zei Van Beneden. „Anders komen
-wij er van avond niet.”
-
-„Juist,” zei Eduard. „Maak voort; want ook ik heb eene
-opium-geschiedenis mee te deelen en nog wat meer.”
-
-„Vooruit dan maar, August!” maande Theodoor Grenits.
-
-„Een paar belendende pachtperceelen, die aan de Javazee grensden, waren
-nog niet verpacht. De kongsie Hok Bie wierp er zich hongerig op....”
-
-„Nu, dat laat zich hooren,” zei Van Rheijn. „Bij gemis aan het vette
-perceel Bengawan, een paar ietwat magerder, dat compenseert.”
-
-„De kongsie Hok Bie wierp er zich hongerig op,” ging August
-onverstoorbaar voort, „en besteedde voor die beide perceelen ƒ 40,000
-’s maands, hoewel er op de vingeren uit te rekenen was, dat bij een
-dergelijken pachtschat geld bijgelegd moest worden.”
-
-„Maar, wat was hun doel met die pacht?” vroeg Van Nerekool.
-
-„Eene groote strook van Java’s noorderstrand te hunner beschikking te
-krijgen.”
-
-„Oho!” riepen Grenits en Van Rheijn, voor wien een licht opging.
-
-„Begint gijlieden te begrijpen?” vroeg August van Beneden met een
-glimlach. „Dat is gelukkig! Gij weet, de residentie Bengawan grenst ten
-noorden aan die twee pachtperceelen. En de gevolgen bleven dan ook niet
-uit. De kust aan de Java-zee stond voor de kongsie Hok Bie open. De
-smokkelvaartuigen voeren ijverig tusschen die kust en Singapore en Bali
-op en neer; de smokkelwaar vond haren weg door hare pachtperceelen en
-binnen zeer korten tijd was Bengawan zoodanig met gesloken opium
-overstroomd, die tegen acht duiten [262] willig van de hand gezet werd,
-een prijs, waarvoor de wettige pachter onmogelijk slijten kon. Toch
-trachtte Tio Siong Mo het onvermijdelijke te trotseeren. Hij begon met
-stipt aan zijne verplichtingen te voldoen, en den bedongen pachtschat
-op de gestelde datums in ’s lands kas te storten, in de hoop, dat de
-Europeesche ambtenaren hem steunen zouden, tegenover den sluikhandel,
-die ’s lands kas dreigde te benadeelen. Welk gevolg zijne vertoogen bij
-de hoofden van Gewestelijk Bestuur in de verschillende residentiën
-hadden?.... Schwamm darüber.... En, mocht hij ook van een enkelen
-hoofdambtenaar medewerking ondervinden, van de mindere opiumbeambten
-ondervond hij dat niet. Integendeel, die waren geheel en al op de hand
-van de machtige kongsie Hok Bie, die geen dienst, haar bewezen,
-onbeloond liet. Dat prompte betalen van den pachtschat ging goed,
-zoolang Tio Siong Mo geld had. Hoe welvoorzien evenwel zijne kas was,
-het was ook hier: waar steeds veel van afgaat en schier niets bijkomt,
-daar is het einde slechts een quaestie van tijd. In de tweede helft van
-het tweede pachtjaar failleerde Tio Siong Mo. Hij kon onmogelijk zijne
-onkosten dekken, en had toen een kolossalen achterstand bij ’s lands
-kas, waarvan zeer weinig te recht kwam; omdat zijne borgen op het
-wichtig oogenblik naar Singapore ontvlucht waren, en zoo slim met hunne
-bezittingen omgesprongen hadden, dat zij niets dan schulden
-achterlieten.
-
-„„De Nederlandsche regeering is het zwaard zonder genade,” sprak de
-Directeur van Financiën, en liet uit naam van diezelfde regeering, die
-door doeltreffende maatregelen, zoowel in haar als in des pachters
-belang, sluikerij op zoo groote schaal, als langs de noordkust van Java
-geschied was, onmogelijk moest gemaakt hebben, maar dat nagelaten had,
-den armen Tio Siong Mo in de gevangenis stoppen, waarin hij jarenlang
-zuchtte, en waaruit hij eerst kort geleden, toen men zag, dat die
-gijzeling toch niets gaf, ontslagen is. Kan men op het gebied van
-belooningen soms niet zonder reden beweren, dat de paarden, die de
-haver verdienen, ze niet altijd krijgen, zoo ziet gij ook uit deze
-épisode, dat zij die gestraft worden, niet altijd de ware schuldigen
-zijn.”
-
-„Maar hoe ging het met de pacht van Bengawan na dat faillissement?”
-vroeg Van Rheijn nieuwsgierig.
-
-„Natuurlijk moest dat perceel door den val van Tio Siong Mo
-binnenstijds herverpacht worden. Wie de nieuwe pachters geworden zijn,
-blijkt niet uit de stukken; wel uit eene teemende jeremiade van den
-Directeur van Financiën, waarbij hij de rechters tot groote
-gestrengheid jegens den gefailleerde aanspoorde, dat het perceel bij
-die herverpachting slechts ƒ 41,000 opbracht. Zoodat het rijk, behalve
-de achterstallige tonnen van den gefailleerde, ook nog een geldelijk
-nadeel van veertigduizend gulden ’s maands had.”
-
-„Goed zoo!” riep Grenits uit. „Ik wou, dat dit jaar in jaar uit en met
-alle pachtperceelen gebeurde, dan zou er wel een middel gevonden
-worden, om aan dat opiumverbruik een einde te maken!”
-
-„Maar, hoe ging het met de door de kongsie Hok Bie gepachte perceelen
-langs de noordkust?” vroeg Eduard, die in zijne qualiteit van
-aspirant-controleur het naadje van de kous wilde weten.
-
-„Wat zou de kongsie er mede gedaan hebben? Die brachten slechts verlies
-op. Toen het doel dan ook bereikt was, deed zij de pacht aan eene
-bevriende kongsie, natuurlijk tegen groot verlies over. Hok Bie wilde
-er niets meer van weten....”
-
-„En de moraal van die geschiedenis is?” vroeg Leendert Grashuis.
-
-„Eenvoudig deze,” viel Theodoor Grenits in: „dat, van welken kant wij
-ook de opiumpacht bekijken, zij steeds een walgelijken aanblik
-verleent.”
-
-„En, zoo iets vormt de voornaamste bron der koloniale inkomsten der
-Nederlanders!”
-
-„Ja, daartoe is ze door de machthebbenden, die door de onbegrijpelijke
-lauwheid der natie de handen vrij hebben, in den laatsten tijd
-opgevoerd worden!”
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVIII.
-
-DE AMBTENAREN EN DE OPIUM.—DE VOGELNESTPLUK TE KARANG BOLLONG.
-
-
-Het vijftal vrienden zat een poos in gedachten verzonken. Het waren
-harde waarheden voor het Nederlandsche hart, die daar weerklonken
-hadden; maar het waren waarheden, die niet weg te cijferen of weg te
-redeneeren waren. Ernstig zaten alle vijf daar op hunne „karossi
-gojang” te wiegelen, en de blauwe spiralen, die zij aan hunne
-manilla-sigaren ontlokten, na te oogen; totdat in de verte een
-verdubbeld gebulder van het geschut vernomen werd, en een verdubbeld
-geknetter der mertjons, schier verdoofd door een uitbundig gejuich,
-hetwelk in het feestgebouw ontstaan, zich naar buiten uitbreidde, en
-door de duizenden Inlanders, die stonden te nontonnen en geduldig op
-het vuurwerk te wachten, herhaald werd. Dat cressendo van feestgejoel
-was waarschijnlijk veroorzaakt door den toast van Lim Yang Bing op den
-resident Van Gulpendam.
-
-„Sabieio, isi glas!” (Sabieio vul de glazen!) riep Van Nerekool, zich
-aan zijne zwaarmoedige gedachten ontwringende, die door het verhaal van
-Van Beneden niet verdrongen waren.
-
-Een oogenblik luisterde ons gezelschap nog naar het spektakel. Toen dat
-evenwel ook weer in de verte weggestorven was, hervatte Eduard van
-Rheijn het gesprek.
-
-„Waarde August,” zei hij, „straks bezigdet gij de woorden, dat Tio
-Siong Mo geene medewerking van de mindere opiumbeambten ondervond, dat
-die integendeel geheel en al op de hand der machtige kongsie Hok Bie
-waren. Die uitspraak zal u wel niet ontvallen zijn; maar zult gij wel
-degelijke motieven daartoe gehad hebben. Evenwel, het is mij niet
-duidelijk, of gij met dat vonnis de Europeesche dan wel de Inlandsche
-opiumbeambten wildet treffen. Vergeet niet, uwe beschuldiging is
-zwaar.”
-
-Van Beneden keek strak voor zich, haalde eens diep adem, en wachtte een
-paar seconden, alvorens hij antwoordde:
-
-„Zeker is mijne beschuldiging zwaar, dat gevoel ik als rechtsgeleerde
-het beste. En gij hadt gelijk, toen gij meendet, dat ik haar niet
-ondoordacht uitsprak. Wien zij geldt? Inlandsche of Europeesche
-beambten? Ik geloof, dat ik beide landaarden gerust in dezelfde
-beschuldiging wikkelen kan. Het moet mij evenwel van het hart, dat ik
-vooral de blanken op het oog had....”
-
-„August, zijt gij niet te eenzijdig in uwe oordeelvelling?” vroeg Van
-Rheijn diepbewogen.
-
-„Luister, Eduard,” antwoordde Van Beneden. „Onder het groot aantal
-processtukken, die zaak van Tio Siong Mo betreffende, trof ik ook eene
-nota aan van een hooggeplaatst ambtenaar, die uitermate bevoegd was een
-oordeel te vellen, en wien dat oordeel ook gevraagd was. [263] Zie
-hier, wat die nota ongeveer inhield:
-
-„„De traktementen van de ambtenaren tot tegengang van den sluikhandel
-in opium zijn uiterst schamel; terwijl hun geene hulpmiddelen bij hun
-zeer moeielijk bedrijf ten dienste staan. Het gevolg daarvan is, dat
-zeer weinig geschikte sujetten zich voor dat baantje aanbieden. Hoe
-geschiedt dan de aanvulling? Te hooi en te gras worden eenige
-individuën aangenomen, en ter beschikking gesteld van een of anderen
-resident. Die menschen, die in den regel een minder gunstig verleden
-achter zich hebben, en van den opiumsluikhandel een zeer beperkt
-denkbeeld hebben, worden dan op een traktement van ƒ 150 ’s maands
-geplaatst op verschillende punten, waar de meeste clandestiene opium
-ingevoerd wordt. Uit den aard der zaak zijn die punten niet in of
-onmiddellijk nabij bewoonde plaatsen gelegen. Het tegendeel is waar.
-Hunne stations bevinden zich in den regel in de schier ontoegankelijke
-moerassen, en de schier ondoordringbare wildernissen van Java’s
-noorderstrand. Van eene woning is daar geen sprake, sommige huren tegen
-25 of 30 gulden ’s maands een bamboekrotje, of bouwen er op eigen
-kosten een.
-
-„Personeel ter hunner beschikking, daarvan bestaat niets, niets!
-Daarvoor is geen geld beschikbaar. Ze moeten—God betere het!—maar hulp
-vragen, als er wat aan de hand is, aan de dèsa-hoofden en komen dan in
-den regel bij den duivel te biecht.
-
-„Die ambtenaren worden door de residenten verplicht twee paarden te
-houden, en genieten daarvoor aan fouragegelden ƒ 10 ’s maands per
-paard. Fondsen tot het aanschaffen dier paarden worden eenvoudig niet
-verstrekt. Hierdoor worden zij genoodzaakt gebruik te maken van de
-bepaling om vier maanden voorschot op traktement te mogen nemen, dat
-hun in zestien achtereenvolgende termijnen afgetrokken wordt. Rekent
-men nu de korting voor weduwen- en weezenfonds daarbij, dan krijgen de
-ongelukkigen ƒ 102 in handen, waarvan huishuur en bediendeloon afgaat,
-zoodat hun slechts 67 gulden overblijven om veelal met een gezin van te
-leven en zich te kleeden. Waar hunne, al is het ook maar eene schamele
-inrichting van daan moet komen? Er blijft die menschen niets anders
-over dan zich tot de pachters te wenden, die in dergelijke gevallen
-volgaarne als geldschieters optreden. Wordt zoo den beambten de leer
-niet opgedrongen: uit hun baantje te halen, wat er uit te halen is?”
-
-„En zoo, waarde Eduard,” ging Van Beneden voort, „gebeurt het, dat alle
-opiumbeambten direct of indirect onder de afhankelijkheid van de
-pachters staan of langzamerhand geraken. De gevolgen daarvan liggen,
-dat moet gij erkennen, voor de hand. Bij die nota lag een lijst van
-individuën, die tengevolge van hulp aan de smokkelaars tegen de
-belangen der pachters verleend, ontslagen waren. Dat getal was groot.
-Anderen waren ledepoppen van de pachters en durfden zich niet tegen den
-sluikhandel van dezen verzetten. Een derde categorie kwam in die nota
-voor, helaas, de minst talrijke, dat waren zij, die hunnen plicht
-ernstig opvatten en van de stelling uitgingen, dat de pachters als
-smokkelaars even goed strafbaar zijn als anderen, en derhalve die
-pachters even ijverig controleerden. Maar.... Maar... dezen hielden het
-niet lang uit, maar verdwenen al heel spoedig van het tooneel. Hun werd
-dan door de residenten ten laste gelegd: gemis aan tact en beleid. „Was
-toch eenmaal eene klacht ingediend, dan moest het recht zijn loop
-hebben, en... de regeering ziet zeer ongaarne, dat hare pachters
-bemoeielijkt worden, als dezen maar trouw hunne financiëele
-verplichtingen jegens de Staatskas vervullen...”
-
-„Maar... waar blijft onder dergelijke omstandigheden de telken jare
-herhaalde verzekering van den Minister van Koloniën in de
-vertegenwoordiging,” vroeg Grenits vrij heftig, „dat het opiumverbruik
-zoo veel mogelijk tegengegaan wordt. De regeering beschermt, zooals wij
-hoorden, den sluikhandel der pachters, en dezen, om hunne sluikwaren
-aan den man te brengen, dringen de bevolking met alle geoorloofde en
-ongeoorloofde middelen het vreeselijke heulsap op.”
-
-„De conclusie van wat ik mededeelde,” ging Van Beneden voort, „is, dat
-geen fatsoenlijk man wil of kan in dienst treden als ambtenaar tot
-tegengang van den sluikhandel, men moet dus de toevlucht tot personen
-van minder gehalte nemen. En... vandaar, beste vrienden, dat de
-kuiperijen van de kongsie Hok Bie tegenover den pachter Tio Siong Mo
-mogelijk waren, en dat zij het verloop konden hebben, hetwelk ik
-mededeelde....”
-
-„Al weer een blik te meer in den toestand, door de opiumpacht
-geschapen,” zei Van Nerekool. „Kom, laten wij het onderwerp uitputten.
-Zeide Van Rheijn straks niet, dat ook hij een opiumgeschiedenis te
-vertellen had?”
-
-„Ja,” antwoorde deze, „en nog wat anders ook.”
-
-„Kom, vooruit dan,” zei Leendert Grashuis. „Ik meende al een boel te
-weten, maar telkenmale openen zich nieuwe gezichtspunten.”
-
-„Zijt gijlieden allen van sigaren voorzien?” vroeg de gastheer
-uitnoodigend. „Wij zijn geheel en al gehoor, Eduard.”
-
-„Ik heb een brief van Murowsky,” begon Van Rheijn.
-
-„Van Murowsky, onzen dokter?”
-
-„Van onzen „beobachter” hij de wetenschappelijke opiumschuiverij?”
-
-„Van hem zelven. Daar die brief weinig of geen zielsgeheimen bevat, en
-hij daarenboven aan ons allen geadresseerd is, zal ik hem u, in
-tegenstelling van de gedragslijn, door onzen gastheer gevolgd, in zijn
-geheel voorlezen.”
-
-„Drommels, het is reeds laat,” merkte Grashuis op. „Reeds negen uur.”
-
-„Komt er iets over kapellen in voor?”
-
-„Ja.”
-
-„En over kevers en slangen?”
-
-„Misschien ook.”
-
-„Och, dan sta God ons bij! De heeren entomologen kunnen zoo langdradig
-zijn; zij schenken je geen enkelen poot, geen antenne (voelspriet),
-geen dekschild, geen...”
-
-„Dat zal nog al meevallen,” antwoordde Eduard op die uitvallen
-glimlachend. „Luistert maar:
-
-„„Hoe ik het te Gombong uithoud?” vroegt gij mij in uwen laatsten
-brief, waarde vriend. Ja, in den beginne zag het er dienaangaande
-somber uit. Gij weet, dat ik de lieve Agatha van Bemmelen een goed hart
-toedroeg, en ik geloof ook, dat zij hare kijkertjes niet dichtkneep,
-wanneer zij mij te Santjoemeh tegenkwam. Aanvankelijk dus bij mijne
-komst hier, dacht ik slechts aan haar, verafschuwde mijne nieuwe
-omgeving en vloekte den chef, die mij de poets gebakken had, mijne
-overplaatsing naar hier te bewerken. Van entomologie geen sprake. De
-enkele malen, dat ik probeerde afleiding daarbij te zoeken, mislukte
-mijne poging volkomen. Waar ik ook ging of kuierde, zag ik slechts één
-beeld, dat der bekoorlijke Agatha met hare fonkelende oogen en
-bekoorlijke koonen, en vergat ik mij zoodanig, dat de fraaiste
-vlinder-exemplaren mijnen neus voorbijvlogen, zonder dat ik er aan
-dacht mijn netje er naar uit te steken. Ik gaf het op en smeet mijn
-insectengereedschap in een hoek. Maar, wat te doen te Gombong? Al de
-officieren, daar aanwezig, hadden hun werkkring als leeraren bij de
-pupillen-inrichting aangewezen, en hadden het druk genoeg. Ik
-daarentegen had bijna niets te doen. Het luchtgestel te Gombong is
-wanhopig gezond, en als oprechte Roomsche heb ik menig schietgebedje
-gedaan, om, kon ik geene epidemie verwerven, dan toch een geval onder
-handen te krijgen, merkwaardig genoeg om mijne aandacht te boeien.....”
-
-„Wel heb je ooit zoo’n Poolschen zonderling gezien!” riep Theodoor uit.
-„Bidden om eene epidemie! Zoo’n vent moesten ze de kolonie uitzetten,
-of op zijn minst in het nieuwgebouwde gekkenhuis te Buitenzorg een
-plaatsje bezorgen.”
-
-„Bah, iedereen bidt: Geef ons heden ons dagelijksch brood,” zei Eduard.
-„Verlangt hier onze August niet naar processen? En is een geding niet
-erger dan eene epidemie? Maar, laat mij voortgaan.”
-
-„Toen mijn gebed niet verhoord werd, nam ik de dichtkunst te baat, of
-beter ik wisselde het een met het ander af. Ik bezong haar, die
-afwezige, in alexandrijnen, in jamben, in pentameters, in hexameters,
-in oden, in idyllen, in lyrische gedichten, in sonnetten, in stanzen,
-in het Duitsch, in het Poolsch....”
-
-„Dat zal mooi geklonken hebben,” viel Grashuis in.
-
-„In het Poolsch, in het Fransch, ja zelfs tot in het Latijn....”
-
-De vrienden schaterden het uit.
-
-„In het Latijn!” schreeuwde Grenits. „Is de vent dol?”
-
-„Verbeeld je, dat het lieve kind,” kwam Van Beneden tusschenbeide,
-„eene ode van haar aanbidder ontving, getiteld: „Solus occasus, virgini
-Agathae pulcherrimae Bemmelensi dedicatus. [264] Ik wou dan haar
-bakkesje wel zien.”
-
-„Schei uit met je gekheid en laat mij voortgaan,” zei Van Rheijn, die
-evenals de anderen hartelijk lachte, toen hij de vertaling vernomen
-had.
-
-„...En God weet, hoeveel papier ik vol geklad zoude hebben, toen ik
-eensklaps vernam, dat Agatha van Bemmelen geëngageerd was, en al heel
-spoedig zou trouwen. Toen greep ik al mijne dichterlijke producten,
-stookte er des avonds een vuurtje van, dat overheerlijk hielp om de
-muskieten en oude nesterijen te verdrijven. Ik noodigde al de
-officieren van het garnizoen bij elkander, gaf een flinke
-champagne-fuif, en was na een nacht, dien ik doorbracht, alsof ik de
-Zeven Heilige Slapers van de Roomsche Heiligen-legende concurrentie
-wilde aandoen, totaal genezen.”
-
-„Die Pool is een practische kerel. Om een voorbeeld aan te nemen, hoor
-je Karel!”
-
-„Ik hervatte mijne insectenjacht en begreep toen eerst dat de
-hemidiptera, de diptera, de hymenoptera, de lepitoptera, de
-coleoptera....”
-
-„Zeg, zou je die barbaarsche namen, waarvan wij toch niets begrijpen,
-niet overslaan?” vroeg Grenits. „Dat zoo’n Pool ze gebruikt, kan er nog
-door; die weet niet beter. Maar, dat gij ons met dien poespas verveelt,
-is onvergeeflijk.”
-
-„Ik ben al klaar,” antwoordde Theodoor, „.... de coleoptera, de
-crustaceeën [265] mijne beste vrienden waren, en mij de meeste
-verstrooiing zouden aanbieden. Ik trof het gelukkig. Zieken waren er
-geene, en tot overmaat van geruststelling was een officier van
-gezondheid, dus een collega, hier aangekomen, die drie maanden verlof
-bekomen had, om hier in dit gematigd en bestendig luchtgestel herstel
-van eene beginnende miltziekte te zoeken. Die vroeg niet beter, dan om
-mij bij voorkomende ziektegevallen te kunnen vervangen, al ware het ook
-om de verveling te bestrijden, waaraan hij onmiskenbaar ten prooi was.
-Gretig maakte ik van de aangeboden gelegenheid gebruik, en vroeg aan
-den militairen kommandant permissie, om mij gedurende acht dagen in het
-Karang Bollongsche gebergte, dat hier in de nabijheid gelegen is, aan
-den entomologischen hartstocht te mogen wijden.
-
-„Ga jij maar kapellen en snuitkevers vangen,” sprak de goedhartige
-kapitein. „Zorg echter, dat ge in dat woeste bergland geen ongeluk
-krijgt, en dat ge op uw tijd weer present zijt.”
-
-„Een uur later was ik met mijn geweer over den schouder, met de
-weitasch om en de blikken trommel voor mijne verzameling op den rug, op
-het pad, terwijl mijn bediende mij met het overig benoodigde volgde.
-Van Gombong marcheerde ik over de dessa’s Karang-djati, Ringodono naar
-Pring-toetoel, alwaar ik in het hartje van het woeste gebergte was. Ik
-legde dat traject niet in eens af, maar besteedde er ruim twee dagen
-over.
-
-„Ik zal u niet bezighouden met het welslagen mijner jacht, dat zou
-parelen voor de zwijnen geworpen zijn....”
-
-„Heb je ooit van z’n leven!” riep Grenits uit. „Onze Pool schittert
-niet door beleefdheidsvormen.”
-
-„Hij geeft u de pasmunt weerom, van die barbaarsche woorden van
-straks,” lachte Van Rheijn; „maar laat mij voortgaan: „Toch wil ik u
-mededeelen, dat ik redenen te over heb tot tevredenheid. Ik heb onder
-meer anderen een zeldzamen Ulysses gevangen, en eenen schoonen Priamos.
-Maar wat de glorie mijner collectie zal uitmaken, is een Atlas, die met
-zijne uitgespreide vleugelen nagenoeg eene ruimte van een voet in het
-vierkant beslaat; maar daarover wil ik niet uitweiden. Wat hebt gij
-daaraan? Neen, ik heb een onderwerp, dat voor u en uwe vrienden meer
-aantrekkelijk zal zijn. Onze proefneming met het opiumschuiven heeft
-mij langen tijd door het hoofd gespookt, en ben ik nog lang niet
-ulieder gesprekken vergeten, welke bij die gelegenheid gehouden werden.
-Die hebben mij de oogen geopend en mij er toe aangezet, om ook mijne
-opmerkingen te maken, waar mij bizonderheden van het opiumverbruik
-onder de oogen zouden komen. Ik ben hier waarlijk goed terecht gekomen.
-
-„Natuurlijk kwam ik bij mijne omzwervingen in het Karang Bollongsche
-gebergte in aanraking met den vogelnestpluk. Of gijlieden omtrent dat
-middel van inkomsten van den Nederlandschen Staat op de hoogte zijt of
-niet, is mij geheel om het even. Om evenwel tot mijn onderwerp: het
-opiumverbruik in deze streken te geraken, ben ik verplicht daarvan een
-vluchtig overzicht te geven. Gij moet er dus aan gelooven.”
-
-„Drommels,” zei Grenits, „dat belooft!”
-
-„Ik wed, dat wij een massa geleerdheid zullen te slikken krijgen,”
-meende Grashuis. „Zoo’n product der Duitsche universiteiten kan
-onuitstaanbaar pedant zijn.”
-
-„Toch niet,” antwoordde Eduard van Rheijn. „Ik voor mij heb tal van
-wetenswaardige bizonderheden in dezen brief aangetroffen. Maar, laat
-mij voortgaan:”
-
-„Het Karang Bollongsche gebergte is, zooals gij wel weten zult, een
-uitlooper van den Goenoeng Djampong [266], die een verbindingsrug
-daarstelt tusschen het Midanganggebergte en den Goenoeng Batoer met
-zijne voortzettingen. [267] De hoofdmassa van het Karang
-Bollonggebergte bestaat uit uitgestrekte kalkbanken, die eene
-hoogvlakte vormen, Goenoeng Poleng genoemd, en aan de zeezijde door een
-breeden band van trachietrotsen omgeven zijn, die loodrecht uit den
-Indischen Oceaan opstijgen. In dien rotsmuur heeft de wereldzee met
-hare machtige deininggolven, die ongehinderd van de Zuidpool aanrollen,
-om tegen Java’s Zuidkust te breken, talrijke holen uitgespoeld, waarvan
-sommigen zeer diep onder den grond uitloopen. [268] In het binnenste
-gedeelte van die holen bouwen een soort van zwaluwen, door de Inlanders
-„manoek lawet” en door de zoölogen „hirundo esculenta” geheeten...”
-
-„Dacht ik het niet,” viel Grenits met koddige verontwaardiging in,
-„daar begint de Pool al met zijne latijnsche benamingen. God alleen
-weet, wat ons nog te wachten staat!”
-
-„En ik dan, die den brief reeds gelezen heb?” vroeg Van Rheijn. „Neen,
-maak je maar niet ongerust, dat latijn zal wel losloopen. Ik ga voort:
-
-„„....Hirundo esculenta geheeten, hunne nesten tegen de kale
-rotswanden. Die nesten bestaan uit eene slijmerige zelfstandigheid,
-welke in de maag dier zwaluwen aangetroffen wordt. Die vogeltjes
-bedekken de plek van den rotsmuur, die zij uitgekozen hebben om hun
-nest te dragen, met een uiterst dun laagje van dat slijm. Zoodra dat
-droog en behoorlijk verhard is, leggen ze er een tweede laagje over,
-dat eveneens drogen moet, alvorens met den bouw verder te kunnen gaan.
-Zoo wordt voortgegaan, totdat het nestje voltooid is. Is dat het geval,
-dan heeft het den vorm verkregen van een schoteltje van geringe
-middellijn, dat doormidden gebroken en met den breukrand tegen de rots
-gehecht zoude zijn. De nestjes bestaan dus uit een geleiachtige massa,
-die een lichtgele kleur heeft, en zijn, wanneer zij van supérieure
-qualiteit zijn, eenigermate doorschijnend...”
-
-„En dat eten de Chineezen, nietwaar?” vroeg Grashuis. „Wat lekkers
-zouden zij daaraan vinden?”
-
-„Laat mij voortgaan.”
-
-„„De Chineezen vinden die nestjes, behoorlijk geweekt en toebereid, een
-délicatesse. Een kop bouillon van die slijmachtige zelfstandigheid
-vertegenwoordigt voor hen het fijnste, hetwelk het verhemelte strelen
-kan. Zij schrijven er daarenboven eene groote geneeskracht aan toe, en
-prijzen zoo’n kop bouillon als een nimmer falend aphrodisiacon aan.
-Volgens mij, is dat de eenige te noemen eigenschap, welke waarde aan
-die nestjes verleent....”
-
-„En zoo iets behoort alweer tot de inkomsten van het Nederlandsche
-Gouvernement!” [269] riep Grenits uit. „Gelukkig dat de inzameling der
-vogelnestjes uiterst beperkt is, anders zou men die Chineezen, welke er
-afkeerig van mochten zijn, dat kostje wel weten op te dringen, zooals
-men de pachters behulpzaam is, de bevolking naar de opiumkit te
-drijven.”
-
-„„.... De inzameling der nestjes,” ging Eduard van Rheijn met lezen
-voort, „geschiedt driemalen in het jaar. De eerste pluk begint in het
-laatst van April, en wordt „Oedoean Kesongo” geheeten, de tweede begint
-half Augustus en heet „Oedoean telor”, en de derde „Oedoean kapat”
-heeft in December plaats.
-
-„Die inzameling is me een arbeid, dien ik van harte aan de Javaantjes
-gun, welke zich daarmede bezighouden. Verbeeldt u, dat, om de ingangen
-der grotten te bereiken, men middels ladders langs den loodrechten wand
-der rotsen naar beneden moet. De ladder, b. v. die naar de
-Djoembling-grot voert, is maar eventjes 660 voeten lang. O, mijn hart
-popelde om zoo’n tocht naar die onderaardsche holen mede te maken.
-Maar, als ik mij op mijn buik vlijde, en het hoofd over den rotsrand
-bracht, terwijl een paar Javanen mij bij de beenen vasthielden; als ik
-dan die bengelende rottanladder zag, die onder den invloed der bries
-heen en weêr bewoog, nu eens plat tegen den rotswand aangedrukt, dan
-eens buigende onder een inspringend gedeelte, en zich daar voor het oog
-verbergende; als ik dan onmetelijk diep onder mij de lange deiningbaren
-zag komen aanrollen, om daar aan den voet dier rotsen een woest en wild
-tafereel te vormen, een chaos van wild opspringende golven, die in
-verblindend wit schuim, in fijn verdeeld waterstof braken; als dan mijn
-oor den donder van die onmetelijke branding vernam, en ik de rots,
-waarop ik lag, onder mij voelde dreunen, vrienden dan bekroop mij zoo’n
-gevoel van angst, dat ik onwillekeurig terugdeinsde, en de hand niet
-uitstak naar die ladder, welke ik besloten had af te klimmen.
-
-„O! hoe verheven en grootsch was toch het tafereel, dat zich daar aan
-den voet dier steenmassa ontwikkelde. Die aanrollende deininggolf, die
-als eene beweegbare heuvelreeks over het prachtig azuurblauw van den
-Indischen Oceaan kwam aanrollen; dat ombuigen van de baar in een
-machtige krul, wanneer zij de puinmassa genaderd was, die den voet der
-rotsen omzoomt, en waarbij zij zich met fladderende, zilveren franje
-tooide; dat neerdonderen van die krul, waarbij zij zich in eene kokende
-melkzee veranderde, waarin iedere droppel, ieder schuimdeeltje onder de
-zonnestralen als een diamant fonkelde; dat fijn verdeeld waterstof, dat
-die dwarrelende massa daar beneden in licht, doorzichtig zilverwaas
-hulde, dat alles vormde een tooneel, hetwelk voor mij onvergetelijk is
-en dan ook onuitwischbaar in mijne ziel gegrift staat. Soms als een
-hooge baar aangerold kwam, bedolf zij den ingang van sommige grotten
-geheel en al, en drong er met kracht in, om den uitspoelingsarbeid
-voort te zetten. Een oogenblik was het dan, alsof die holen verdwenen
-waren; maar als dan de aangerolde golf terugliep, dan, onder den
-aandrang der met ontzettende kracht saamgeperste lucht in zoo’n
-spelonk, spoot het water met een machtigen straal van vijf- of
-zeshonderd meter lengte naar buiten, als eene onmetelijke horizontale
-fontein met ontzettend gesis en geblaas, die in de terugijlende baar
-dwarrelende kolken en hooggaande keergolven veroorzaakte.
-
-„Neen, neen, neen! Ik durfde daar langs die ladder niet naar beneden.
-Toch ben ik besloten bij een volgenden keer in zoo’n grot in te
-dringen. De Javanen verzekeren mij dat, wanneer de zon in het zuider
-halfrond staat, en de zuid-oost passaat derhalve ver van Java’s
-zuidkust verwijderd blijft, er bij uiterst kalme dagen gelegenheid
-bestaat, de Goewah (grot) Temon met een niet diepgaand schuitje binnen
-te komen. De loerah van de dèsa Ajo heeft mij beloofd, wanneer ik hem
-vooraf waarschuwde, eene djoekoeng voor mij in gereedheid te zullen
-houden. In afwachting evenwel, dat ik den pluk met eigen oogen zou
-aanschouwen, moest ik mij vergenoegen met de beschrijving der
-werkzaamheden daarvan, welke mij door de hoofden medegedeeld werd, te
-vergenoegen. Ziet hier, wat ik vernam:
-
-„Van af den ingang der grotten, hebben de Javanen een paar stellages
-van rottantouwen langs de wanden met „tali doek” [270] vastgemaakt. Een
-dier touwen dient om de voeten op te zetten, de andere om zich met ééne
-hand vast te houden, terwijl met de andere hand de nestjes van de
-wanden worden afgenomen. De nestjes, welke niet met de hand bereikt
-kunnen worden, en in het algemeen die, welke zich aan het plafond der
-grot bevinden, worden met een langen bamboe, waaraan een ijzeren haak
-bevestigd is, afgestoken en in een netje opgevangen.
-
-„Zooals gij daaruit zien kunt, is dat inzamelen van die vogelnestjes
-een zeer gevaarlijke arbeid. Eerst de ladder tot aanmerkelijke diepte
-langs die loodrechte rotsmassa’s boven die kokende zee afklimmen; dan
-in die holen dringen, waarin de oceaan zijne golven stuwt [271]. Bij
-onstuimig weder kan niet in alle grotten gearbeid worden, en gebeurt
-het wel, dat de stellingen weggeslagen en de werkers tegen de rotsen
-verbrijzeld worden of ellendig verdrinken.
-
-„Of er vele menschen gevonden worden, die zich met die inzameling
-bezighouden, zult ge vragen. Gij weet, dat geen volk meer gehecht is
-aan zijn geboortegrond dan de Javaan. Zoo ook hier. Er bestaat geen
-woester, geen ondankbaarder grond dan die der landstreek in het Karang
-Bollongsche gebergte. Van den veldarbeid is nagenoeg niets te halen. De
-kleine rijstvelden, die tusschen de berghellingen aangetroffen worden,
-hebben niets te beteekenen. De schrale bevolking heeft zich volgens de
-overlevering steeds met de inzameling der vogelnestjes bezig gehouden,
-en dat doet zij nog. Of zij, vóór dat de Nederlandsche regeering zich
-de opbrengst van de vogelnestklippen toeëigende, beter of slechter
-betaald werden, heb ik onmogelijk kunnen opsporen. Wat deze evenwel aan
-hare arbeiders liefderijk verstrekt, is minder dan schamel te noemen.
-Ik heb eene opgave in handen gehad van een ambtenaar in deze streken
-[272], waaruit mij blijkt, dat de arbeider voor iederen zak, waarin
-tachtig nestjes gaan, in ’s lands pakhuis afgeleverd, eene som van 15,
-zegge in letters VIJFTIEN CENTEN erlangt...”
-
-„Ja, maar,” viel Grashuis in, „alvorens de mopperijen van den Pool te
-vervolgen, dienen wij te weten, welke handelswaarde die tachtig nestjes
-hebben.”
-
-„Daar kan ik u als koopman op dienen,” antwoordde Theodoor Grenits. „De
-Chineezen geven heel graag vijf duizend gulden voor een pikoel
-vogelnestjes, en daar honderd nestjes ongeveer één katie wegen, en een
-pikoel honderd katies bevat, zoo ontvangt ons gouvernement vierhonderd
-gulden, waarvoor zij den armen drommel met vijftien centen afscheept.
-Het is bij God schandelijk!”
-
-„Maar heeft het gouvernement geen andere uitgaven?” vroeg Van Beneden.
-
-„Laat mij voortlezen,” zeide Eduard van Rheijn. „Uwe vraag, August, zal
-dan ook beantwoord worden.”
-
-„Welnu, vervolg!”
-
-„.... Het is waar,” ging Van Rheijn voort, „dat hij, wanneer het hem
-meêloopt, twaalf zakken kan afleveren....”
-
-„Dat is ƒ 1.80!” brulde Grenits. „En dan moet het nog meêloopen! God
-betere het!”
-
-„Laat mij nu met lezen voortmaken,” zeide Eduard ongeduldig.
-
-„.... Men moet Javaan zijn, om zich ter wille van zoo’n luttele som
-herhaaldelijk in doodsgevaar te begeven; want om dat resultaat te
-verwerven, moet de arme drommel zeer dikwijls naar beneden naar het
-hol, wat men hem aangewezen heeft. De kleinste pluk toch duurt nog
-altijd drie weken, de grootste soms langer dan twee maanden. Hoe het
-gelukt is, hem daartoe over te halen? Die vraag zie ik op aller lippen
-zweven. Luistert: Vooreerst heeft men de hoofden in den arm genomen.
-Gij kent de aanhankelijkheid van den inboorling voor hen. Deze worden
-dan ook oneindig beter betaald. Waar de arbeider slechts ƒ 1,80 in
-handen krijgt, ontvangt b. v. de loerah van de Goewah’s Gedee en
-Lenkong twintig gulden, plus émolumenten van allerlei aard, niet om te
-werken, maar om wat toezicht te houden, zooals het heet. Maar de
-eerbied en de gehoorzaamheid van den Javaan voor zijne hoofden, zouden
-bij zoo schrale verdiensten waarschijnlijk tekort geschoten zijn. Men
-heeft dan ook een ander middel te baat genomen. En dat middel,
-vrienden, is....de opium!
-
-„Ik laat buiten bespreking al de bijgeloovige fratsen, die het
-gouvernement niet alleen toelaat, maar betaalt, ter zake van die
-vogelnest-inzameling; alsook de afgodische eeredienst aan Njahi Ratoe
-Segårå Kidoel [273] gebracht, alvorens de pluk begint, en uit dezelfde
-staatskas bekostigd. Maar ik wijs op de opium, die te baat genomen
-wordt, en waarvan wij de werking, bij eenigszins aanzienlijke
-hoeveelheid gebruikt, hebben kunnen gadeslaan. Welnu, bij alles wat die
-pluk betreft, of daarmede in eenig verband staat, wordt opium
-verstrekt. Moeten de wajang- en toppengspelers gehaald worden, dan
-worden vijf „bekels” (kleine hoofden) en vier „sekeps” (gewone
-dèsalieden) daarvoor afgezonden, en ontvangen de eersten daarvoor ieder
-1 en de laatsten ieder ½ „kedawang” [274] amfioen. Voor het schoonmaken
-van de Goewah Bollong worden loerahs en sekeps benoemd, die
-respectievelijk daarvoor 2 en 1 kedawang amfioen ontvangen. De wajang-
-en toppengspelers ontvangen bij hunne komst ieder 16 kedawangs en 4
-voor „sadjen” of offerande, en bij hun heengaan nog ieder 16 kedawangs
-amfioen.
-
-„In de Goewah Bollong wordt vóór de pluk gesmuld en feestgevierd, en
-daartoe sapies of karbouwen en een bok geslacht. Voor het slachten van
-elk dier worden 8 kedawangs amfioen verstrekt. Voor het aanbrengen van
-elken achterbout dier geslachte dieren, die ieder begeleid en gedragen
-worden door een bekel en twee sekeps, ontvangt ieder bekel 1 en iedere
-sekep ½ kedawang amfioen. Bij het naar de klippen brengen der ladders,
-iedere ladder begeleid en gedragen door twee bekels en twee sekeps,
-ontvangen eerstgemelden ieder 1 kedawang en de laatste ½ kedawang
-amfioen.
-
-„O, ik ben nog lang niet ten einde. De opiumverleiding heeft nog veel
-verdere strekking. Vrienden, leest maar verder:
-
-„Bij het feest worden de navolgende hoeveelheden verstrekt: aan iederen
-loerah en iederen „gandih” (klein hoofd) 2 kedawangs, aan de overige
-feestvierenden ieder 1 kedawang.” In de nota, die ik voor mij heb
-liggen, staat letterlijk: [275]
-
-„„Het is niet mogelijk met juistheid op te geven het getal personen,
-hetwelk bij die feesten tegenwoordig is: doch aangezien aan elk der
-aanwezigen amfioen wordt verstrekt, laat het zich denken, dat niemand,
-die tot die feesten wordt toegelaten, afwezig zal blijven.”
-
-„Bij het openen der ingangen van iedere grot worden 8 kedawangs
-amfioen, en voor het vastmaken der stellingen in ieder harer nog eens 8
-kedawangs verstrekt.”
-
-„Gedurende de inzameling der nestjes”.... och, hoe zal ik dat ten einde
-brengen? Laat het mij beproeven. „De loerah van de Goewah Gedeh krijgt
-76, die van de Goewah Dahar 64, die van de Goewah Mandoe Lårå 44 en de
-overige loerahs 40 kedawangs amfioen. De „toekan’s” van die genoemde
-grotten ieder 54, de bekels 24 en de sikeps ieder 12 kedawangs.
-
-„Maar, dat is nog niet alles. De dèsa’s, die met het vervaardigen der
-ladders belast zijn, worden in opium betaald; de personen, die de
-geplukte nestjes moeten bewaken, ontvangen opium. Het verzenden van het
-product, het overbrengen van bevelen, het terugbrengen der ladders, het
-bewaken der grotten, alles, alles wordt beloond met het gevaarlijke
-heulsap. Het is in een woord eene kolossale schuifpartij, en wel het
-geschiktste middel om den hartstocht voor het noodlottige narcoticum
-zooveel mogelijk op te zweepen.
-
-„Maar,.... waarom over dat onderwerp verder uitgeweid? Mijn brief is
-toch al lang genoeg, en ik heb ulieden nog het een en ander te
-vertellen...”
-
-„Is de brief nog lang?” vroeg Grashuis.
-
-„Ik heb nog eenige bladzijden te lezen,” antwoordde Eduard van Rheijn.
-
-„Het is anders een geheele brochure, die ge reeds voorgelezen hebt”,
-meende Van Beneden.
-
-„Toch uiterst interessant!” zei Theodoor Grenits. „Drommels, die Polen
-kijken goed uit hun oogen.”
-
-„Hij is in de leer bij de moffen geweest. Ge weet, die stelen met hun
-oogen.”
-
-„Getuige de Fransch-Duitsche oorlog, waarbij de moffen bewezen,
-Frankrijk veel beter te kennen dan de Franschen zelven.”
-
-„Zouden wij niet voortmaken?” vroeg Van Rheijn. „Het
-allerinteressantste komt eerst aan.”
-
-Die laatste volzin werd door een zonderlingen blik op Karel van
-Nerekool vergezeld.
-
-„Zouden wij eerst niet eens drinken?” vroeg Grenits.
-
-„Drommels, ja!” zei Van Rheijn, „mijne keel is droog als een rasp.”
-
-„Sabieio!” riep Van Nerekool, „isi glas!” (Sabieio, vul de glazen).
-
-Terwijl de bediende zich van dien plicht kweet, staken de heeren eene
-nieuwe sigaar op, wiegelden in hunne wipstoelen een oogenblik op en
-neêr, en waren daarna, weêr geheel gehoor.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIX.
-
-MUROWSKY OP HET SPOOR.—EEN OPIUMVERPACHTING TE SANTJOEMEH.
-
-
-„.... Dus ter zake,” zoo ging Van Rheijn voort.
-
-„Twee dagen voor dat mijn verlof om was, en dat ik dus weer in mijn
-garnizoen te Gombong terug moest zijn, was ik des morgens, voor het
-aanbreken van den dageraad van de dèsa Ajo, waar ik overnacht had, op
-weg gegaan, om de westelijke hellingen van den Goenoeng Poleng te
-exploreeren, waar ik hoopte een goeden oogst te maken, in welke hoop ik
-niet bedrogen ben geworden. Want, vrienden, ik ben op dien tocht een
-prachtigen en ongeschonden Arjuna machtig geworden, eene groote
-beeldschoone kapel met groengouden vleugels, puntig uitloopende en met
-een breeden rand, fluweelachtig zwart omboord. Eene zeldzaamheid! O, ik
-was in een gelukkig tijdperk! Daags te voren had ik van een dèsaman van
-Ajo een Cybium Diadema of Grooten Kroontepelbak voor een kleinigheid
-gekocht, dien hij verzekerde op het strand in een der kleine kreken
-langs de Zuidkust van het eiland Noesa Kambangan [276] gevonden te
-hebben. Het is eene prachtige bruine met wit gevlekte schelp, in den
-vorm eener ineengedrongene evoluta....
-
-„Maar genoeg daarvan; ik keer tot mijn onderwerp weêr. Ik was dus voor
-dag en dauw op marsch gegaan en was reeds een eind weg op het pad, toen
-het morgenrood de geheele bergmassa van Karang Bollong in gloed zette.
-Mijn pad liep dwars over de ribben van den Goenoeng Poleng, en
-doorsneed ieder ravijn, dat, van de hoogte afdalende, soms erg
-kronkelde, maar steeds in een breeden trechtervorm in de smalle vlakte
-vervloot, welke zich langs de zee of langs de Kali Djetis uitstrekte.
-Hoe hooger ik kwam, hoe fraaier het panorama werd, dat zich aan mijne
-voeten uitstrekte. Ik was in dit frissche morgenuur geheel en al
-verrukking en soms verdwenen mijne entomologische neigingen, om mij
-slechts oog te laten voor de pracht, die mij omgaf. Ik was eindelijk op
-een wrong aangekomen, die zich tusschen twee vrij diepe ravijnen
-uitstrekte, en stond een oogenblik stil om uit te blazen van de
-inspanning, veroorzaakt door de beklimming van de zeer steile helling,
-waarlangs mijn pad gevoerd had. In beide ravijnen murmelden beekjes,
-die van den Poleng afdalende, zich dartelend, schuimend en klotsend
-zeewaarts spoedden, en zich van de hoogten, waarop ik stond als een
-paar zilveren linten voordeden, die kronkelend en wentelend, bevallig
-en als het ware achteloos, daar in de diepte door de morgenbries waren
-uitgespreid. In het ravijn, dat ik zoo even verlaten had, lagen
-trachiet-rotsblokken, puinbrokken van het centraalgebergte, allerwegen
-verspreid. Dat was ook het geval in het tweede ravijn, waarin ik
-afdalen moest; maar tusschen die rotsen en de struiken werd ik, een
-honderd voeten beneden mij, het atappen dak gewaar eener Javaansche
-woning, waarvan ik ook een gedeelte der kleine voorgalerij kon
-waarnemen. Zonderling, die kleine hut, die daar eenzaam in het gebergte
-en op eenigen afstand van de dèsa Ajo gelegen was, trok mijne aandacht.
-Zou het een menschenhater zijn, die daar zoo verlaten leefde? Mijn oog
-kon door een geopend raam in een der vertrekken dringen, en meende ik
-eene helderwitte klamboe (bedgordijn) zich onder den invloed der
-morgenbries lichtelijk heen en weder te zien bewegen. Zelfs meende ik
-een stoel te ontwaren. Dat vooral intrigueerde mij; want in den regel
-zijn dat meubelen, waarvan de Javaan zich de weelde niet veroorlooft,
-of gebruikt hij ook al eene klamboe, dan bestaat die meestal uit
-bontkleurig katoen....”
-
-Van Rheijn staakte hier zijn voorlezing een oogenblik om een teug bier
-te genieten; maar sloeg daarbij een zonderling doordringenden blik op
-Van Nerekool, die in zijn wipstoel op en neer wiegelde en wel ietwat
-het voorkomen had, alsof hij niet hoorde, maar met zijn gedachte elders
-was.
-
-„Luistert gij wel, Karel?” vroeg Eduard.
-
-Van Nerekool schrikte als het ware bij die toespraak.
-
-„Ziet gij wel,” hernam Van Rheijn lachende; „terwijl ik mij afsloof, om
-Murowsky’s brochure-brief ten einde te brengen, zit onze rechterlijke
-ambtenaar te mijmeren, en dwaalt, met zijne gedachten, God weet waar,
-maar niet in de nabijheid van de dèsa Ajo. Wacht maar een oogenblik,
-dat zal wel anders worden. Het mooiste voor hem komt nu. Luistert
-maar.”
-
-Van Nerekool glimlachte ongeloovig, deed een paar halen aan zijne
-sigaar, zette zich rechtop in zijn stoel en scheen nu te luisteren. Van
-Rheijn vervolgde:
-
-„.... Maar, terwijl ik daar zoo stond te turen en te peinzen, vernam ik
-daar diep, zeer diep onder mij gegiechel, gelach, vroolijk gekweel, in
-één woord de zilvertonen van een paar meisjes-stemmen. Ik rekte den
-hals uit en keek in de richting, vanwaar dat vriendelijk geluid kwam;
-maar hoe ik mij ook inspande, ik zag niets. Wel bespeurde ik, dat daar
-ginds de schuimende beek een scherpen bocht maakte; maar daar dichtbij
-den waterkant stond een groote Wariengien, die met zijne loofkroon
-ieder onbescheiden oog trotseerde; terwijl een bevallige groep struiken
-den blik van terzijde afweerde. Intusschen ging het geginnegap voort,
-thans vermengd met geplons en geplas van water, waartusschen nu en dan
-een lief gilletje vernomen werd. Ik begreep, dat eenige meisjes zich
-daar in het heldere bergwater met baden verlustigden. Wat zal ik ter
-verschooning mijner onbescheidenheid aanvoeren? Ik kan niet anders
-aanhalen, dan het hier te lande zoo algemeen gezegde: een mensch is
-geen stokvisch, ook geen snijboon! Mijn pad voerde naar beneden naar de
-aantrekkelijke plek, en, zonder dat ik veel nadacht over hetgeen ik
-deed, was ik weldra op weg Acteon en zijne nieuwsgierigheid op te
-volgen. Het is waar, dat ik er volstrekt niet op rekende, eene Diana,
-eene godin, te bespieden.
-
-„Ik daalde behoedzaam de helling af, en zorgde daarbij geen gerucht te
-maken, ten einde de badende schoonen niet te verschrikken. Aanvankelijk
-daalde het pad rechttoe rechtaan naar den Wariengien af, die eene
-groote oppervlakte overschaduwde. Als dat zoo voortging, dan zou ik
-binnen weinige minuten onder den boom aangekomen zijn. Maar bij eene
-groote rots aangeland, die den weg versperde, boog het pad links af en
-scheen, den afstand verkortende, naar een anderen bocht derzelfde beek
-te voeren, alwaar de overgang bestaan moest; want ik zag onmiddellijk
-aan den overkant het pad langs de tegenovergelegen helling van het
-ravijn opslingeren. Wat stond mij te doen? Mijne nieuwsgierigheid werd
-nog vermeerderd door het geplons en gedartel, dat nu meer in mijne
-nabijheid vernomen werd. Ik bezweek dan ook voor de verleiding, en
-verliet het pad, om den Wariengien te kunnen naderen. Het toeval was
-mij gunstig. Van af de bedoelde sperrots strekte zich eene hellende
-terreinstrook uit, die geheel en al met struiken begroeid was,
-waartusschen vele kapellen fladderden, maar waarvoor ik thans geen oog
-had. Zelfs had ik mijne trommel en mijn netje bij de rots
-achtergelaten, om meer ongedwongen in mijne bewegingen te zijn. Ik
-sloop als een Dajak of als een Alfoer of Papoe, van struik tot
-struik.....”
-
-Allen schreeuwden het uit van lachen.
-
-„Ik zie den Pool als een Alfoer, in quasi Adams-tenue, naar de badenden
-toesluipen!” grinnikte Grenits.
-
-„Met slechts een „ewah” [277],” schreeuwde Van Rheijn.
-
-„Maar, laat mij voortgaan, het meest belangwekkende komt nu. Luister je
-wel, Karel?”
-
-„Daar ontgaat mij geen lettergreep,” antwoordde deze onrustig, „haast
-je maar.”
-
-„.... Van struik tot struik en naderde zoo dicht mogelijk. Eindelijk
-stond ik voor een soort heg, die den Wariengien omgaf en mij het verder
-doordringen ondoenlijk maakte. De fraaie wilde vijgeboom stond aan den
-rand van een waterbekken, dat bijna ovaalrond in de grauwe
-trachietrots, waaruit de beekoever bestond, uitgespoeld, wellicht door
-menschenhanden uitgehouwen was. Dat bekken was ongeveer twintig M. lang
-en vijftien breed, en werd door de dichte loofkroon van den Wariengien
-heerlijk overschaduwd. Het werd uit de beek, waarvan het eigenlijk een
-kleine komvormige baai uitmaakte, gevoed; het water was diep, maar zoo
-helder, dat men de kleinste steentjes op den bodem zien kon. Maar, dat
-alles merkte ik zoo dadelijk niet op. Die bizonderheden kwamen mij
-eerst later voor den geest. Iets anders boeide vooreerst mijne
-aandacht. Daar midden in dat bekken, welks bovenrand ik, achter mijne
-heg verborgen, ter hoogte van een twintigtal voeten beheerschte,
-zwommen en dartelden een paar vrouwelijke wezens. Hoe zal ik u
-beschrijven, wat ik zag, wat ik ondervond, zonder daarbij het bloed van
-een uwer op zijne wangen te jagen...”
-
-Eduard keek andermaal Van Nerekool ter sluiks aan.
-
-„Ga voort! Ga voort!” riep deze onstuimig, na dien blik opgevangen te
-hebben.
-
-„.... Beiden waren in het gewone badkostuum der Javaansche vrouwen
-gekleed, dat wil zeggen: zij hadden slechts den sarong om de lendenen
-geslagen. Gij weet, hoe bevallig en toch hoe kiesch de Indische
-schoonen met dat kleedingstuk kunnen coquetteeren, hoe zij dat tot
-onder de oksels omhoog kunnen halen en op de bovenwelving des boezems
-kunnen vastmaken, waardoor deze, alsook de heupen en de dijen, vooral
-wanneer de sarong nat is, zoo plastisch mogelijk gemodelleerd worden.
-Beide meisjes waren zeer schoon, hoewel in ieder harer een
-verschillende grondvorm waargenomen kon worden. De eene vertoonde de
-type eener schoone Javaansche, met haar klein opgewipt neusje, met hare
-ronde wangen en eenigszins zwellende lippen. Voor een oogenblik ging
-zij in een ondiepe plaats van het bekken staan, sloeg zich den sarong,
-die bij het zwemmen losgegaan was, vaster om de heupen, en was het mij
-duidelijk, dat ik daar een vrouw voor mij had, welke in gezegende
-omstandigheden verkeerde....”
-
-Andermaal hield Van Rheijn een ondeelbare poos op, om een blik op Karel
-te werpen. Deze zat hijgende van ongeduld, hem de woorden uit den mond
-te kijken.
-
-„Voort! Voort dan toch!” prevelde hij.
-
-„...De andere was meer slank; hare buste, die zich bewonderenswaardig
-fraai onder den natten sarong afteekende, gaf wel aan, dat die met het
-Europeesche corset in aanraking was geweest. Haar gelaat duidde ook op
-eene andere afkomst dan hare gezellin. Ware de huid ook niet bruin
-getint, dan zou aan eene Europeesche afstamming niet te twijfelen zijn
-geweest, vooral met het oog op hare lokken, die wel gitzwart, maar toch
-zijdeachtig van aard, hare schouders als met eenen mantel omgaven, en
-haar bij het zwemmen in sierlijke en weelderige krullen op de
-watervlakte achterna golfden. Nu evenwel meende ik de Arabische type in
-het heerlijke wezen, dat zich daar te midden van het kristalheldere
-water bewoog, te ontwaren. Eene Arabische? Neen, neen, dat kon niet;
-want ik meende dat gelaat te herkennen.
-
-„Vrienden, ik ben onmachtig om een denkbeeld van het bevallige
-tafereel, dat zich daar voor mijn oog uitspreidde, te ontwikkelen,
-hetwelk de werkelijkheid eenigszins nabij zou komen. De pen kan zoo
-iets niet, daartoe zou het penseel van een begaafden schilder, van een
-die gloed en kleuren wist te vatten, van een Hans Makart in een woord,
-noodig zijn.
-
-„Onbewust, dat zij daar in dat eenzame bekken, hetwelk in eene echte
-wildernis, ver van eenig pad verwijderd, gelegen was, door een
-onbescheiden oog bespied werden, zwommen, dartelden, stoeiden de
-bevallige wezens als echte Naiaden. Zij vervolgden elkander, smeten
-elkander met water, bereikten elkander, poogden elkander in het heldere
-vocht onder te dompelen, waarbij de aangevallene alsdan alle werk had
-om te beletten, dat de knoop, die den sarong moest bevestigen, op de
-boezemwelving losging. Dat spel duurde lang, zeer lang; het scheen dat
-de lieve wezens zich van het heerlijke genot niet konden losrukken.
-
-„Eindelijk evenwel sprak de slankste der twee:
-
-„„Soedah! moesti poelang, boe!”” (genoeg, wij moeten naar huis
-terugkeeren, baboe).
-
-„Het was dus Maleisch en geen Javaansch, dat die badenden spraken?”
-vroeg Grashuis.
-
-„Neen, het was geen Javaansch,” antwoordde Eduard, andermaal een blik
-op Van Nerekool werpende, „maar laat mij voortgaan. De ontknooping is
-nabij.
-
-„...De lieve spreekster zwom naar den wal, ging op den rotsachtigen
-oever zitten, waarbij zij hare lieve kleine voetjes in het water liet
-hangen, en begon haren weelderigen haardos uit te wringen. Zij zat met
-het gelaat van mij afgewend en, van het standpunt, waar ik mij bevond,
-kon ik bij de bewegingen, die zij maakte, om hare lokken tot een kondeh
-op te binden, eenigermate tusschen hare schouders door haren rug
-ontwaren. Was het lichtspiegeling, of bedroog mijn oog mij?... Maar ik
-meende, dat de huid van dien rug niet zoo donker getint was als wel het
-gelaat en de handen. Ten uiterste nieuwsgierig, wilde ik scherper
-toekijken. Ik greep een tak van een der mij omringende struiken en boog
-mij voorover, zoover ik kon. Helaas!.... of beter: de hemel zij
-geprezen! Bij die beweging gleed ik uit; een stuk steen raakte onder
-mijn voet los, rolde de helling af en viel met een geweldigen plons
-vlak naast en rechts van de schoone baadster in het water. Het scheelde
-waarachtig weinig, of ik was er ook ingetuimeld. Wat zou het lieve kind
-geschrikt hebben! Het was nu al erg. Bij den plons, dien de steen
-maakte, stiet het lieve meisje een gil uit, maakte eene beweging naar
-de linkerzijde, alsof zij vluchten wilde, maar waarbij haar sarong, aan
-eenige oneffenheden vasthakende, losgleed, en....
-
-„Bij alle Goden!... het was eene volbloed Europeesche! Waren ook al
-gelaat, hals, schouders, armen, handen en voeten bruin getint, de rug,
-de rugholte, de dijen, in een woord alle deelen, die gewoonlijk bedekt
-zijn en daar nu zoo eensklaps ontsluierd werden, waren lelieblank, van
-dat matwit, hetwelk de brunettes kenmerkt. Nu ging mij een licht op...
-Juffrouw Van Gulpendam, die zoo spoorloos verdwenen was... Dat gelaat,
-hetwelk ik meende te herkennen.... O, ik kon mij niet vergissen, zij
-was het!... Nu herkende ik haar in weerwil van de bruine kleur... De
-verschrikte meisjes, die mij achter de dichte heg niet zien konden,
-waren toch zoo verschrikt, dat zij ijlings haar badgoed grepen, en een
-paadje opstoven, hetwelk naar het hiervoren bedoelde hutje voerde. Ik
-kon evenwel de kleine Javaansche nog hooren zeggen:
-
-„„Tida takoet, Nana, tida ada orang!” (Wees niet bang Nana, er is daar
-geen mensch), waarmede zij waarschijnlijk te kennen gaf, dat zij het
-losraken van dien onbescheiden steen aan de beweging van een dier of
-aan het toeval toeschreef. In weerwil van die verzekering spoedden
-beiden zich voort, en ik zag haar weldra onder het beschermend dak van
-het huisje verdwijnen.
-
-„Ik begreep, welke onbescheidenheid ik gepleegd had, en bleef dan ook
-om het kiesche gevoel van de lieve jonkvrouw te sparen, zoo lang
-mogelijk in mijne schuilplaats. Toen ik berekenen kon, dat zij het
-opgegeven hadden, verder uit te kijken, sloop ik zoo langzaam mogelijk,
-gebukt en steeds gedekt door de struiken, naar het benedengedeelte van
-het ravijn, tot ik door eene buiging van een bergwrong, de hut uit het
-oog verloor, en voor een rijzig persoon, derhalve ook voor hare
-bewoonsters onzichtbaar was.
-
-„Ziedaar, vrienden, mijn wedervaren. Ik heb mij gehaast u dat te
-schrijven. Ik weet, hoe gelukkig ik een uwer met deze mededeeling zal
-maken. Raad vermag ik niet te geven. Ik stel mij evenwel ter
-beschikking, om de bedoelde hut aan te wijzen....”
-
-„Anna!... Anna weêrgevonden!” kreet Karel van Nerekool, terwijl hij
-onstuimig van zijn stoel opgesprongen was, en de binnengalerij
-opgewonden op en neer liep.
-
-„Wat wilt ge doen?” vroeg Van Beneden.
-
-„Wat ik doen wil?... Ik vertrek morgen ochtend!... Ik zal...”
-
-„Geen overijling, wat ik u bidden mag,” stuitte hem Grashuis.
-
-„Geen overijling, zegt ge? ... En als zij intusschen weêr verdwijnt?”
-
-„Ik geloof niet, dat daar gevaar voor bestaat,” meende Van Rheijn. „De
-meisjes, van hun schrik bekomen, en niemand ontwarende, zullen in de
-meening verkeerd hebben, dat zij door een loos alarm op de vlucht
-gejaagd zijn zoodat zij er niet aan gedacht hebben, die eenzame plek te
-verlaten.”
-
-„Vrienden,” sprak August van Beneden, „ik geloof, dat wij het beste
-doen, om te gaan slapen. Het is reeds laat. Laten wij de zaak
-overpeinzen, dan kunnen wij morgen beraadslagen, wat er te doen valt.
-In ieder geval mag Karel morgen ochtend niet vertrekken; hij zou
-zoodoende zijne geheele loopbaan bederven. Een rechterlijk ambtenaar
-mag zich zoo maar niet als een deserteur van zijne standplaats
-verwijderen.”
-
-„Ja,” sprak Karel, „gaat gijlieden slapen. Ik ga terstond eene aanvraag
-om verlof schrijven.”
-
-„Dat is goed,” sprak Theodoor Grenits. „Dan hebben wij eenige dagen om
-te overleggen. Karel, ik, die geen verlof te vragen heb, ziehier mijne
-hand. Ik vergezel u bij dien tocht.”
-
-De jongelieden drukten elkander de hand en gingen naar hunne woning,
-terwijl de feesttonen der Chineesche bruiloft in de verte nog vernomen
-werden.
-
-
-
-Van Nerekool vroeg verlof aan; maar kon dat zoo spoedig niet
-verkrijgen.
-
-Mr. Greveland, door de veelvuldige zaken bij den raad van Justitie
-aanhangig, daartoe genoodzaakt, kon hem geen voorloopig verlof
-verleenen, hoezeer Karel daarop ook aandrong. De voorzitter was
-verplicht de aanvraag aan de beslissing van den Directeur van Justitie
-te Batavia te onderwerpen. Van Nerekool moest dus geduld betrachten. In
-afwachting grepen evenwel gebeurtenissen plaats, die invloed op den
-loop van ons verhaal uitoefenen, en derhalve hare mededeeling
-vereischen.
-
-Niet lang na de voltrekking van Lim Ho’s huwelijk met de lieve, rijke
-Ngow Ming Nio moest de verpachting van het opium-middel voor de jaren
-18.., 18.. en 18.. plaats hebben. Dat was eene belangrijke gebeurtenis
-voor de ambtenaars-wereld, die bij de bestaande fiscalische neigingen,
-waarvan het moederland onmiskenbare teekenen aan den dag legde, van
-hooge beteekenis was voor de aan het roer zittenden, zoowel te Batavia
-als in den Haag. Als toch de Minister van Koloniën op een groot aantal
-millioenen als opbrengst van den pachtschat zou kunnen wijzen, zou hij
-en met hem zijn mederegeerders zich vaster op het kussen gevoelen, daar
-zij meenden en niet ten onrechte, dat bij zoo’n behandeling van zaken,
-zij bij de Volksvertegenwoordiging een schreefje voor zouden hebben. En
-zoo moesten alle pogingen aangewend worden, om dat doel te bereiken.
-
-Voor den resident Van Gulpendam, wij weten het, bestond nog een andere
-drijfveer, om de gegadigden voor de opiumpacht tot eene zeldzame
-inspanning aan te sporen. Hij liet niets onbeproefd. Door
-tusschenpersonen liet hij concurreerende kongsie’s tot mededingen
-verlokken, bij welke pogingen de schoone Laurentia, natuurlijk achter
-de schermen en door tusschenkomst van de afzichtelijke ’Mbok Karjå, hem
-waardiglijk ter zijde stond. Het gold toch voor de trotsche
-residents-vrouw haar Gulpie het „bertes knabbeldat” te bezorgen.
-
-Nu de driejarige pacht met ultimo December ten einde liep, was sedert
-maanden, voor dat de herverpachting plaats had, van bestuurswege de
-grootste activiteit aan den dag gelegd geworden. Allerwegen was het
-toezicht op den sluikhandel, die niet van den pachter uitging,
-verscherpt geworden. De kusten werden ijverig bewaakt; bandoelans en
-politie moesten in de weer en behoefden bij hunne nasporingen in huis
-en aan den lijve geene angstvalligheid te betrachten, vooral niet bij
-hunne vervolgingen van hen, die geen opium of het heulsap slechts matig
-gebruikten. Het succes was volkomen. Onder den invloed van de genomen
-maatregelen klom het debiet der pachters buitengewoon en stegen de
-detailprijzen van het vergift in evenredigheid.
-
-„Als die toestand bestendigd kon blijven!” juichte Lim Ho, die niet
-altijd zijn tong aan banden kon leggen, wanneer er over de pacht
-gesproken werd.
-
-Lim Yang Bing, die mededinging vreesde, trok de schouders op. Hij had
-dien uitslag wel willen geheim houden; maar met zoovele kitten, als
-onder het beheer zijner kongsie stonden, was dat onmogelijk.
-
-Maar ook daarmede vergenoegde de resident Van Gulpendam zich niet. Hij
-liet door zijne gedienstige geesten behendig het gerucht verspreiden,
-dat het aantal opiumkitten in de residentie belangrijk opgevoerd zoude
-worden. Dat hielp. Er begon dan ook langzamerhand eene koortsachtige
-opgewondenheid in de Chineesche kamp te heerschen.
-
-Toen de groote dag daar was, wapperde al heel vroeg aan den top van den
-vlaggestok, die zich voor het residentiehuis verhief, een groote nieuwe
-driekleedsvlag, [278] de fraaiste, die in het residentiehuis te vinden
-was geweest, en ontwikkelde hare plooien en golvingen bevallig in de
-morgenbries. De oppassers, die heden allen present waren en zeker een
-korps van een twintigtal uitmaakten, waren, in nieuwe pakjes gestoken
-en hadden hunne bandeliers met het fraaiste geel aangestreken en met
-gomwater glimmend gepoetst. Ook de pradjoerits, die de wacht betrokken,
-waren in groot tenue gekleed en was aan de houding en den ernst der
-twee schildwachten, die voor het perron der voorgalerij op en neer
-drentelden, onmiskenbaar te bespeuren, dat zij zich van den gewichtigen
-dag, dien zij beleefden, bewust waren.
-
-De resident Van Gulpendam had ter opluistering der plechtigheid een
-paar assistent-residenten en een paar controleurs uit de naburige
-afdeelingen opgeroepen. Dezen, waaraan zich de ambtenaren van
-Binnenlandsch Bestuur, ter hoofdplaats aanwezig, aansloten, vereenigden
-zich zoo omstreeks tien uur in de voorgalerij van het residentiehuis.
-Allen waren in groot ambtelijk costuum gekleed, met zilveren oranje- en
-eikentakken, die emblemata van onkreukbare reinheid en fieren
-mannenmoed, op den kraag hunner rokken geborduurd, met de wit
-cachemieren pantalon, van breed galon op de zijnaden voorzien, met den
-statiedegen op zijde, en den chapeau claque zwierig onder den arm.
-
-Langzamerhand verschenen ook Chineezen, allen in onberispelijk
-zindelijk wit baadje en zwarten pantalon met uitermate breede pijpen
-gekleed, het hoofd zorgvuldig glad geschoren en glimmend gepoetst,
-terwijl de kruinvlok, die den staart vormde, uiterst zorgzaam
-behandeld, en de vlecht, vermengd met de roode, blauwe of witte zijden
-koord, die aan moest geven of zij gehuwd, jonggezel of in den rouw
-waren, kunstvaardig, haast wiskunstig ineengestrengeld was.
-
-Eerst waren het slechts nieuwsgierigen, die maar een kijkje kwamen
-nemen; weldra verschenen echter ook de aanzienlijken, de meer gegoeden,
-eindelijk de rijken, zij, die als ernstige mededingers konden
-aangemerkt worden. Het allerlaatst verschenen Lim Yang Bing en Lim Ho,
-die bij het uitstappen van hun rijtuig de aanwezige personen van hunnen
-landaard met een uitvorschenden blik monsterden.
-
-Een oogenblik mengden zich de zonen van het Hemelsche rijk onder de
-ambtenaren, en vormden zoo een groep, waarbij begroetingen en
-handjesdrukken plaats hadden, die van de innigste verstandhouding
-moesten getuigen. Toen evenwel de pradjoerit der wacht, om aan te
-duiden dat het half elf was, een slag op de metalen klok, naast zijn
-schilderhuis geplaatst, gegeven had, trad de resident Van Gulpendam,
-vergezeld van zijn secretaris, beiden ook in galacostuum, de
-voorgalerij in; terwijl mevrouw Van Gulpendam, met Van Rheijn gearmd,
-ook in de omlijsting van een der deuren der binnengalerij verscheen.
-
-Alle hoofden, in de voorgalerij aanwezig, bogen diep. Daarbuiten
-presenteerden de schildwachten het geweer. De oppassers schaarden zich
-in één gelid naast den pajoengstandaard, waarin thans een fonkelnieuw
-waardigheidsemblema prijkte.
-
-Het korps ambtenaren trad vooruit, en bogen andermaal het hoofd, om
-hulde te bewijzen aan den Vertegenwoordiger van den
-Gouverneur-Generaal, die op zijn beurt de Vertegenwoordiger van
-Neêrlands Koning in die verre Aziatische gewesten is.
-
-Daarna traden de Chineezen vooruit, om dezelfde plichtpleging te
-verrichten; waarna de twee groepen Europeanen en Chineezen gescheiden
-bleven.
-
-Eenige dezer laatsten, waaronder vooral Lim Yang Bing en Lim Ho, traden
-op de schoone Laurentia toe, om haar hoffelijk te begroeten. De
-lieftallige vrouw reikte ieder hunner en ook aan sommigen der naastbij
-staanden eene hand en noodigde al de babahs even naar binnen te treden,
-om zich te laven aan een verfrisschenden dronk.
-
-„Het was toch zoo ontzettend warm in dit seizoen te Santjoemeh,”
-betuigde zij.
-
-De Chineezen, met een glimlach op het fletse, gele gelaat, bogen
-dankbaar, wierpen elkander een veelbeteekenenden blik toe; maar volgden
-de schoone vrouw door de binnengalerij naar de pandoppo. Daar stonden
-op een groote tafel drie of vier presenteerbladen met kelken beladen,
-terwijl daaronder kuipjes met ijs ontwaard werden, waarin een menigte
-champagneflesschen met hare verzilverde halzen behoorlijk gerangschikt
-waren.
-
-„Boeka anggoer poeff!” (maak champagne open) beval Laurentia aan een
-viertal bedienden.
-
-De kurken knalden en weldra stond iedere babah, arm of rijk, met een
-schuimend glas in de hand en stelde er eene eer in met de
-njonja-resident te mogen klinken. Als de Chineezen champagne drinken,
-dan laten zij zich niet onbetuigd, en, hoewel zij over het algemeen
-zeer op vormelijkheid gesteld zijn, en de meesten hunner bij iedere
-andere gelegenheid met een klein mondje en saamgeknepen lippen kleine
-teugjes gelept zouden hebben, zooals zij dat wel eens van Europeanen
-bij officiëele gelegenheden gezien hadden, gedroegen zij zich nu
-anders. Laurentia beduidde hen, dat, wanneer zij de eer genoten, met
-eene njonja te klinken, het glas in eens geledigd moest worden.
-
-„De toean toean noemen dat ad fundum,” merkte de majoor-Chinees op.
-
-„Juist, babah,” sprak de schoone vrouw; terwijl zij met hem aanstiet.
-
-In een ondeelbaar oogenblik waren alle glazen leeg.
-
-„Isi glas lagie!” beval zij.
-
-En nu, onder het een of ander voorwendsel, zorgde mevrouw Van
-Gulpendam, dat de glazen telkens geleêgd werden; terwijl zij met
-fonkelende oogen er voor waakte, dat de bedienden ijverig met de
-champagneflesschen rondliepen om in te schenken.
-
-Intusschen was de resident Van Gulpendam een oogenblik in de
-voorgalerij met zijne ambtenaren blijven praten.
-
-„Waar blijven de babah’s toch?” vroeg hij na een poos. „Kom, heeren,”
-vervolgde hij met een glimlach. „Ik geloof niet, dat wij het ons
-berouwen zullen, wanneer wij hen gaan opzoeken. Het is ontzettend heet;
-vindt ge niet?”
-
-Terwijl hij zich het parelende zweet van het voorhoofd met een batisten
-zakdoek afveegde, stapte hij aan het hoofd der beborduurde en
-gegalonneerde landsdienaren naar binnen.
-
-„Dacht ik het niet!” riep hij met zegepralenden blik uit, en tot de
-bedienden:
-
-„Lakas, kassie glas sama toean toean!”
-
-Zoodra dat geschied was, verwijderde Laurentia zich ongemerkt, en liet
-de heeren der schepping met elkander. De resident fluisterde een paar
-woorden met Kwee Sioem Liem, een der rijkste Chineezen, die gedurende
-dat korte gesprek eenen onderzoekenden blik op Lim Yang Bing trachtte
-te werpen.
-
-„Ik zal tot het uiterste gaan, Kandjeng toean,” sprak de babah, „tapeh
-saja takoet” (maar ik vrees).
-
-„Tida takoet!” (vrees niet) stelde de resident hem gerust.
-
-„Ja, maar; Kandjeng toean, de pacht zal voor mij te hoog loopen!”
-
-„Bedenk, babah, dat er acht opiumkitten meer voor de residentie in het
-pachtcontract opgenomen zijn.”
-
-„Dat is zoo Kandjeng toean; maar...”
-
-Maar de Kandjeng toean hoorde niet meer. Hij trad vooruit, nam den
-steek van het hoofd, hief het glas omhoog, hetwelk hem zooeven door een
-der bedienden was aangereikt.
-
-„Op het welslagen van de pacht!” riep hij, en ontlokte daarmede een
-luid gejuich aan de gestaarte medeburgers, op wien het edele vocht van
-de Veuve Cliquot blijkbaar zijn invloed begon uit te oefenen.
-
-„Op den Kandjeng toean resident!” riep de assistent-resident van
-politie.
-
-„Op den majoor-Chinees!” riep een ander ambtenaar.
-
-Dat ging zoo voort. Op alle die ingestelde dronken werd bescheid
-gedaan. Waarachtig, hier en daar begonnen de scheef staande oogen der
-babah’s wonderlijk zonderling te kijken.
-
-Daar sloeg de klok elf uur. Trillend weêrklonken de metalen tonen door
-de lucht.
-
-„En nu onze verpachting!” riep de resident. „Ik heb hen, die bij deze
-pacht niet slagen mochten, mede te deelen, dat over ettelijke dagen de
-verpachting van het opiummiddel voor het pachtperceel Bengawan en een
-paar dagen later voor het perceel eener andere residentie zal
-geschieden; zoodat voor velen winst en groote winst te maken is.”
-
-Met den resident aan het hoofd, stapten de aanwezigen de binnengalerij
-in, en groepeerden zich daar rondom eene groote tafel met wit marmeren
-blad, waarop een massa paperassen uitgespreid lagen. Aan het boveneinde
-plaatste zich de resident, omgeven door zijn fonkelenden staf van
-ambtenaren, tegenover den drom Chineezen, de beide groepen door de
-tafel gescheiden. Ter zijde tegen den muur van de binnengalerij hing
-een keurige schilderij, een borstbeeld in levensgrootte van Koning
-Willem III, die nu als het ware het middelpunt uitmaakte van de beide
-groepen, uit Europeanen en Aziaten bestaande.
-
-„De secretaris zal ons de voorwaarden van het te sluiten pachtcontract
-voorlezen,” sprak de resident plechtig.
-
-Bedoelde ambtenaar begon en wauwelde met eentonige stem en schier
-onverstaanbaar, de reeks artikelen, die hij bijna van buiten scheen te
-kennen. Het was ook maar eene bloote formaliteit. De gegadigden voor
-dat contract kenden den inhoud op hun duimpje. Alleen den aanhef: in
-naam des Konings! waarbij, op het voorbeeld van den resident, alle
-aanwezigen het hoofd diep voor het borstbeeld bogen, sprak de
-secretaris met plechtige stem uit. Ook het artikel, waarbij bepaald
-was, dat de nieuwe pachters het recht zouden hebben, een aantal
-opiumkitten meer te kunnen openen, dan bij het oude pachtcontract
-bepaald was, werd met verheffing van stem en met statigen nadruk
-voorgelezen, om toch maar het gemoed der belanghebbenden te treffen.
-
-Toen die lezing ten einde was, sprak de resident:
-
-„De vorige pachtschat voor het perceel Santjoemeh bedroeg: twaalf
-honderd twee en dertig duizend gulden!.... Twaalf honderd twee en
-dertig duizend gulden!.... Wie biedt hooger?”
-
-„Twaalf honderd vijf en dertig duizend!” riep een stem.
-
-„Twaalf honderd veertig duizend!” eene andere.
-
-„Twaalf honderd vijftig duizend!” klonk het uit dien hoek.
-
-„Twaalf honderd zestig!” uit den anderen.
-
-Er had eene poos verademing plaats.
-
-„Twaalf honderd zestig duizend!” herhaalde de resident Van Gulpendam
-kalm en afgemeten.
-
-„Dertien honderd duizend!” riep Kwee Sioen Liem, die zich ter zijde van
-de tafel hield.
-
-Lim Yang Bing, die nog niet gesproken had, keek uitvorschend op.
-
-„Veertien honderd duizend!” riep hij thans, zich in den strijd
-mengende.
-
-„Vijftien honderd duizend!”
-
-Het gevecht was in vollen gang.
-
-„Zestien honderd duizend!” was het antwoord van den opiumpachter.
-
-Andermaal trad eene stilte in.
-
-„Panas ini hari,” (het is warm vandaag) fluisterde eene stem.
-
-De resident gaf een wenk aan een der oppassers, die zich in zijne
-nabijheid ophielden. Onmiddellijk stormden een viertal bedienden toe
-met hunne groote presenteerbladen, waarop de heerlijk afgekoelde
-champagne in hare bevallige coupes parelde. Gretig tastten de Chineezen
-toe. Het was toch ook zoo snikheet.
-
-„Zestien honderd duizend gulden!” herhaalde de resident.
-
-In dit oogenblik greep de tegenstander van Lim Yang Bing twee der
-aangeboden kelken en sloeg den inhoud met koortsachtige opgewondenheid
-naar binnen.
-
-„Zestien honderd vijf en twintig duizend!” riep hij.
-
-„Zeventien honderd duizend!” riposteerde de opiumpachter.
-
-Andermaal een stilte, die slechts door hijgende ademhalingen afgebroken
-werd, alsook door het getik der glazen, welke van nu af door de
-bedienden, hiertoe door de schoone Laurentia aangezet, die achter eene
-zijdeur de ontwikkeling van het tooneel stond gade te slaan,
-onafgebroken aangeboden of gevuld werden.
-
-„Zeventien honderd duizend!” herhaalde de resident Van Gulpendam.
-
-„Zeventien honderd vijf en twintig duizend!” antwoordde de concurrent
-van Lim Yang Bing.
-
-„Achttien honderd duizend!” riep deze.
-
-Er was weer een glas verleidelijk vocht noodig, om de tegenpartij tot
-riposteeren aan te moedigen.
-
-„Achttien honderd vijf en twintig duizend!” bracht Kwee Sioen Liem uit
-op een toon zoo heesch, alsof zijne stem hem begaf.
-
-„Negentien honderd duizend! bood de opiumpachter.
-
-De tegenstander wankelde. Toch vermande hij zich genoegzaam, om evenwel
-met een schier onhoorbare stem uit te brengen:
-
-„Negentien honderd vijf en twintig duizend gulden!”
-
-„Doea millioen!” riep Lim Yang Bing zegevierend uit.
-
-Doodsche stilte volgde op dat bod... Men zou eene speld hebben kunnen
-hooren vallen. Men voelde, dat de tegenstand daarbij gebroken was. De
-kampende wilde nog antwoorden; maar zijne kongsiegenooten trokken hem
-achteruit en beletten hem te spreken.
-
-„Twee millioen gulden!” herhaalde de resident Van Gulpendam en liet er
-op volgen: „ik breng de gegadigden in herinnering, dat het aantal
-opiumkitten bij dit contract aanzienlijk vermeerderd is.”
-
-Maar het mocht niet baten... De bedienden vulden steeds ijverig de
-glazen... Maar niets, niets meer hielp.
-
-„Twee millioen guldens... eenmaal!....”
-
-„Twee millioen guldens... tweemaal!....”
-
-„Twee millioen guldens... Biedt niemand hooger?.... Twee millioen
-guldens... driemaal!”
-
-Boum! daar viel onherroepelijk de hamer.
-
-„Behoudens de nadere goedkeuring van de Nederlandsch-Indische
-Regeering,” sprak thans de resident Van Gulpendam plechtig, „is aan
-babah Lim Yang Bing de opiumpacht toegewezen!”
-
-Bij die woorden omringden de ambtenaren het hoofd van gewestelijk
-bestuur en wenschten hem geluk met den afloop der verpachting.
-Terzelfder tijd omringde het gros der Chineezen Lim Yang Bing, om hem
-de hand te drukken. De schoone Laurentia zorgde voor een laatste glas
-champagne, om dien zoo gunstigen afloop te bezegelen. Voor een
-oogenblik heerschte daar in die groepen veel geestdrift en
-opgewondenheid. Of er evenwel eene gedachte aan de bevolking gewijd
-werd, welke vele malen die millioenen ten koste van haren welvaart
-zoude moeten opbrengen? Ziet, dat zou niet kunnen bevestigd worden....
-Ja, toch een was er, namelijk Van Rheijn. Deze sloeg een blik op het
-beeld van Neêrlands Koning en vroeg zich af: of het zijn Koninklijke
-wil was, dat zoo gehandeld werd? Helaas! het antwoord bleef uit. Rustig
-waarde de blik van den Vorst op die joelende menigte.
-
-
-
-Nauwelijks was de resident van zijne omgeving ontslagen, of hij stormde
-met stralend gelaat naar zijn kantoor, en weldra trad hij naar buiten
-met twee telegrammen in de hand, nagenoeg van denzelfden inhoud:
-„Opium-verpachting te Santjoemeh opgebracht twee millioen—Van
-Gulpendam.” De eene was bestemd voor Batavia, de andere voor den Haag.
-
-Toen hij den oppasser, die belast werd, om daarmede naar het
-telegraafbureau te ijlen, had zien verdwijnen, keek hij met
-tevredenheid en zelfgenoegzaamheid rondom zich en toen zijn oog op
-Neêrland’s vlag viel, welker heldere frissche kleuren zich bevallig
-loom onder de zwakke bries ontplooiden, meende hij, dat zij naar het
-noordwesten, naar het vaderland wezen. Daarin zag hij eene voorbode en
-prevelde:
-
-„Ja, uit dien hoek moet de belooning komen!”
-
-Zich omkeerende, stond Laurentia voor hem. Hij keek haar doordringend
-aan.
-
-„Gij nog hier?” vroeg hij.
-
-Zij evenwel zonder hem te antwoorden, greep hem bij den arm, trok hem
-met zacht geweld in de binnengalerij terug, en daar, voor ieder
-onbescheiden oog verborgen, sloot zij hem met krachtigen arm aan haren
-zwoegenden boezem.
-
-„Gulpie!” riep zij uit, „Gulpie! Ge hebt u zelven overtroffen!”
-
-„Ja,” zei hij met valsche zedigheid. „Dat fregat is aardig naar binnen
-geloodst, al zeg ik het zelf. Als men in den Haag nu maar niet
-ondankbaar zal wezen.”
-
-
-
-
-
-
-
-XL.
-
-HET „VIRTUS NOBILITAT”.—ANNA EN DALIMA.—EEN TELEGRAM.
-
-
-Neen, men was in den Haag niet ondankbaar. Geen acht dagen waren
-voorbijgesneld, of de telegraaf had de tijding aangebracht, dat het Z.
-M. den Koning behaagd had, den resident Van Gulpendam te benoemen tot
-ridder van den Nederlandschen Leeuw. Toen later de bizonderheden van
-die benoeming per mail in Indië ontvangen werden, vernam men, dat
-onmiddellijk na het bericht ontvangen te hebben van den uitslag der
-opiumverpachting te Santjoemeh, de raadslieden der kroon in
-buitengewone vergadering samengekomen waren, waarin de Minister van
-Koloniën, met eene aan opgewondenheid grenzende opgetogenheid, gewezen
-had op de hooge verdiensten van den resident Van Gulpendam en op de
-groote voordeelen, die voor de schatkist ontstaan zouden, wanneer
-andere residenten tot dergelijke plichtsbetrachting opgewekt konden
-worden. Hij hield zijne collega’s voor oogen, dat, nu de baten uit de
-gouvernements-koffiecultuur aan het ebben waren, de opium thans reeds
-de kurk was, die het schip van Staat drijvende moest houden, en dat het
-zaaks was, de inkomsten van dat middel ieder jaar op te voeren, zooals
-hij zich dan ook beijverd had te doen, sedert hij door den Koning
-vertrouwvol geroepen was, om de uitgaven voor de Koloniën met de
-inkomsten in overeenstemming te brengen. Bewust, dat hij niets nieuws
-verkondigen zoude, liet hij evenwel na, er op te wijzen, dat de
-koffiecultuur, die, mits oordeelkundig en menschkundig in exploitatie
-gebracht, steeds ruime baten had kunnen blijven afwerpen, terwijl zij
-welvaart onder de bevolking verspreidde, thans door wanbeheer en
-ergerlijke knevelarij te gronde gericht was; terwijl het steeds meer en
-meer opgezweept wordende opiumverbruik ten vloek van het vaderland, ten
-vloek van de Koloniën moest wezen. Opgetogen gaven zijne
-medebestuurders dan ook hunnen bijval te kennen en ondersteunden de
-voordracht tot het verleenen der Leeuwenorde, waaraan helaas! de
-constitutioneele Vorst zijn sanctie niet kon onthouden.
-
-Hoewel sommigen het hoofd schudden bij het vernemen van die benoeming,
-was toch schier geheel Santjoemeh uitgelaten van vreugde, toen men het
-heugelijke telegram in de couranten las. Kaartjes, brieven en
-telegrammen van gelukwenschen stroomden van alle kanten, zoowel uit
-Nederland als uit Indië toe. De bezoeken, die de familie Van Gulpendam
-ontving, waren ontelbaar en het was voor hen, die niet met het algemeen
-gevoelen instemden, inderdaad moeielijk zich van die bewijzen van
-belangstelling te onthouden. Te licht zou toch zoo iets aan afgunst
-toegeschreven worden.
-
-Maar bij die betuigingen bleef het niet. Feesten, diners en
-dansrecepties werden allerwege georganiseerd, om de heugelijke
-gebeurtenis te vieren. De regent van Santjoemeh opende de rij en werd
-daarin gevolgd door het korps ambtenaren, door de leden van de
-sociëteit Eensgezindheid, door den majoor-Chinees, enz. enz. Als
-slotbouket van al die feestelijkheden had er ten residentiehuize een
-luisterrijk bal plaats, om al de betoonde hulde te reciproceeren,
-waarop, het zal wel niet behoeven vermeld te worden, geheel Santjoemeh
-tegenwoordig moest wezen, en ook was.
-
-Bij al die gelegenheden werden toasten uitgebracht, speeches gehouden,
-gelegenheidsgedichten opgezegd, solo- en choorzangen voorgedragen, en
-dat alles om den man te verheerlijken, wiens borst zoo waardig met het
-„virtus nobilitat” prijkte. Laurentia had met haar fijn, vrouwelijk
-schoonheidsgevoel gewild, dat haar Gulpie op al die feesten verschenen
-zoude zijn, gedecoreerd met een elegant kruisje, aan een miniatuur
-strikje van Nassausch blauw lint met oranjestrepen, hetgeen bepaald van
-goeden smaak getuigd zoude hebben. Maar Van Gulpendam had zich daaraan
-niet willen onderwerpen. Hij had fluks een kruis van Batavia laten
-komen, groot als een theeschoteltje met daaraan geëvenredigden lap
-lint.
-
-„Als je een vlag vertoont,” had hij zijne vrouw tegemoet gevoerd, „moet
-hij ook op een mijl afstand zichtbaar zijn, en moet je hem flink laten
-uitwaaien.”
-
-Tegen dat zeemans-aphorisme was niets in te brengen geweest.
-
-De man had dan ook veel genoten in die dagen, en zijn genot zoude
-onvermengd geweest zijn, wanneer niet geruchten zich verspreid hadden,
-dat er aan de rust en de tevredenheid onder de bevolking, waarvan hij
-steeds in zijne rapporten aan de regeering gewaagde, meer ontbrak dan
-hij met zijne geschriften wilde aantoonen. Er werd toch van
-samenscholingen, van samenzweringen gemompeld, en, werd er bijgevoegd,
-dat meer aan staatkundige woelingen te denken viel, dan aan beramingen
-van ketjoe’s. Merkwaardig, een Bataviaasch dagblad van die bewegingen
-in verscheidene residentiën sprekende, duidde er op, dat de „prang
-sabil” (de heilige oorlog) voorbereid werd, en beweerde goed ingelicht
-te zijn. Dat blad schuldig aan het feit, de machthebbenden uit hunne
-rustige rust opgejaagd te hebben, werd op zijn vingeren getikt. De
-drukkerij werd gesloten, en de redacteur verbannen, om te bewijzen: dat
-de rust ongestoord en de pers slechts gevaarlijk was.
-
-Maar, nu werd ook een wenk van boven aan den resident Van Gulpendam
-gegeven, dat hij alles moest in het werk stellen, om te laten zien, dat
-de toestand werkelijk bevredigend was, en de artikelen der dagbladen
-slechts onrustbarende praatjes bevat hadden.
-
-Gedurende die week van feestelijkheden had Van Gulpendam reeds eenige
-tochten gemaakt naar de zoogenaamde bedreigde punten, maar had alles
-rustig bevonden. Onder den prikkel van de Europeesche ambtenaren,
-hadden de Inlandsche hoofden nauwgezet hunne opwachting bij den
-Kandjeng toean gemaakt, en daarbij nog een woord van gelukwensching
-geuit, ter zake van de hooge onderscheiding, die hem te beurt gevallen
-was.
-
-Het kon niet beter. Voor allen, ambtenaren en hoofden had hij dan ook
-een welwillend woord, een woord van goedkeuring en aanmoediging, om tot
-spoorslag te dienen op den ingeslagen weg voort te gaan.
-
-Wel liet zich eene enkele stem hooren, die in dat koor van betuigingen
-over rust een kleinen dissonant liet vernemen. Het was een Europeesch
-ingezetene, een industrieel, wiens suikerfabriek aan de uiterste grens
-van de residentie Santjoemeh gelegen was. Deze verzekerde, dat hij
-vertrouwbare berichten had, volgens welke werkelijk soms
-samenscholingen in een bosch, nabij zijne onderneming gelegen, plaats
-vonden, en hij beweerde zelfs de namen van een paar der leiders te
-kennen. Overigens zeide hij, dat hij met het doeleinde der samenkomsten
-niet bekend was, maar dat zij hem verdacht en, zelfs bij de meest
-onschuldige strekking, gevaarlijk voorkwamen.
-
-„En die namen?” had de resident smalend gevraagd.
-
-„Ik ken er slechts twee,” was het antwoord, „het moeten vader en zoon
-zijn, Pak Ardjan en Ardjan geheeten. De laatste moet een moedige,
-doortastende vent zijn, en beiden zouden in de dèsa Kaligaweh van de
-afdeeling Banjoe Pahit te huis behooren.”
-
-De resident voelde, dat hij verbleekte bij het hooren van die namen.
-Hij greep zijn zakdoek om de zweetdruppels, die op zijn voorhoofd
-parelden, af te vegen, meer echter om zijne aandoening te verbergen.
-
-Men bood hem een glas ijswater aan; hij herstelde zich echter spoedig,
-en, alsof hij er op uit was, om den indruk zijner ontroering, wanneer
-die opgemerkt mocht zijn, te vernietigen, hernam hij:
-
-„Och, kom. Die kerels van Kaligaweh zijn reeds lang naar den overwal
-gevlucht. Die zullen zich wel niet op Nederlandsch grondgebied
-vertoonen. Nog niet lang geleden zijn zij te Singapore gezien,
-daaromtrent zijn mijne berichten stellig.”
-
-„En toch, resident,” antwoordde de suikerfabrikant ernstig, „ben ik
-hier niet gerust. Gij weet hier in Indië, zijn de grensposten der
-Europeesche nederzettingen gewoonlijk het slachtoffer, en worden dan de
-Europeanen in den regel op gruwelijke wijze vermoord. Mijne fabriek
-ligt wel afgelegen, en, komt het tot eene uitbarsting, dan zijn in het
-gunstigste geval twee dagen noodig, alvorens politie of militaire macht
-haar bereiken kan. Ik wilde u wel verzoeken om eenig politie-personeel
-op de onderneming te plaatsen, waarop ik vertrouwen zou kunnen. Ik zal
-ze wel wapenen.”
-
-„Politie-personeel, mijn goede heer? Waartoe?” vroeg de resident, die
-zijne geheele zelfbeheersching hernomen had, met een glimlach. „Gij
-schept u herschenschimmige angsten. Het is al te dwaas!”
-
-„Ik weet, wat ik weet,” hernam de fabrikant, „en ik kom er rond voor
-uit: de mij medegedeelde berichten komen mij volstrekt niet
-ongeloofwaardig voor.”
-
-„Mij wel,” antwoorde Van Gulpendam ietwat sarcastisch.
-
-„Als gij u in mijne plaats bevondt, met een geheel huisgezin in deze
-eenzame buurt, dan zoudt gij in de gegeven omstandigheden wel anders
-spreken.”
-
-Hoewel Van Gulpendam nu wel niet van de stof vervaardigd was, waaruit
-de helden groeien, zoo was hij toch ook geen lafaard. Daarenboven hij
-begreep, dat het oogenblik gekomen was pour payer de sa personne. Wat
-zou men te Batavia wel zeggen, wanneer daar die angstvalligheid
-vernomen werd?
-
-„Het mocht wat!” riep hij met denzelfden sarcastischen glimlach uit.
-„Kom, om u te toonen, hoe verzekerd ik ben, dat er niets aan de hand
-is, noodig ik mij en mijne echtgenoote uit, om een veertiental dagen op
-de fabriek te komen logeeren. Ik weet, dat de kombuis goed is... Neemt
-gij aan?
-
-„Volgaarne, resident,” sprak de fabrikant met vuur.
-
-Hij rekende er op, dat het hoofd van gewestelijk bestuur zich onder de
-hoede van een sterk korps politiedienaren zou stellen.
-
-„Wel,” antwoordde Van Gulpendam. „Zoodra de feesten te Santjoemeh
-afgeloopen zijn, zal ik u bericht zenden; maak maar al vast een paar
-vertrekken voor ons klaar.”
-
-„En gij brengt eenige oppassers mede?”
-
-„Volstrekt niet. Een paar mijner bedienden, meer niet. Ik wil u laten
-zien, dat ik ten volle vertrouwen in den toestand stel, dat ik voor
-niets bevreesd ben. Dat is dus afgesproken, nietwaar?”
-
-Buiten, maar vlak voor de galerij, waarin dit gesprek gehouden was,
-drentelden een paar pradjoerits als eerewacht voor den Kandjeng toean
-op en neêr. Als iemand op een dier twee mannen gelet had, dan had hij
-opgemerkt, dat die schildwacht zoodanig op en neer wandelde, dat hij
-steeds in de nabijheid der pratenden bleef; ook dat hij scherp
-toeluisterde, waarbij zijn oogen meer dan eens woest en onheilspellend
-flikkerden. Bij de laatste volzinnen van het gesprek, verspreidde zich
-een waas van tevredenheid over zijn gelaat en, had de man eene
-westersche klassieke opvoeding gehad, dan zou hij voorzeker gepreveld
-hebben: Jupiter, quem vult perdere, prius dementat. (Wien de goden ten
-verderve willen voeren, ontnemen zij eerst het verstand).
-
-Toen Van Gulpendam te Santjoemeh teruggekeerd was, verkondigde hij
-allerwegen, dat hij en zijne echtgenoote door dat voortdurende
-feestvieren uitgeput waren, dat zij rust noodig hadden, en dan ook
-besloten waren om op de fabriek „Soeka maniesan” een veertiental dagen
-te gaan uitblazen.
-
-En, inderdaad, twee dagen na de eindpartij vertrokken de beide
-echtgenooten, die zich slechts door de lijfmeid van de schoone
-Laurentia en een tweetal mannelijke bedienden lieten vergezellen. Op
-den bok nam evenwel een oppasser naast den koetsier plaats. Die moest
-den gouden pajoeng omhoog houden, ten teeken dat de Kandjeng toean in
-het rijtuig zat.
-
-„Mocht er eene westmousson’s bui in dien hoek broeien, och, dan is de
-pajoeng voldoende om haar af te doen drijven,” had Van Gulpendam tot
-zijne wederhelft gezegd.
-
-Denzelfden dag vertrokken ook Karel van Nerekool en Theodoor Grenits
-naar Gombong, om van daar uit, gezamenlijk met Murowsky, Anna van
-Gulpendam in hare eenzaamheid te gaan verrassen. Beide rijtuigen
-kruisten elkander bij het verlaten van de hoofdplaats Santjoemeh. Dat,
-waarboven de gouden pajoeng prijkte, sloeg oostwaarts in; het andere,
-waarin de twee vrienden gezeten waren, zuidwaarts.
-
-
-
-Nadat nonna Anna en baboe Dalima bij het baden zoo geschrokken waren,
-hadden zij het niet meer gewaagd, onverzeld naar de zoo afgelegen
-badplaats te gaan. Wel meenden zij verzekerd te zijn, dat geen
-menschelijk wezen haar bespied had, dat de steen die naast Anna in het
-water geplonst was, door een dier, b. v. een tjelleng, of eene geit
-losgetrapt was; maar de schrik, dien zij ondervonden hadden, had hen
-toch de mogelijkheid eener onbescheidenheid doen beseffen. Anna
-overreedde eene bejaarde Javaansche vrouw, om haren intrek in het hutje
-te nemen. Die zou dan telkens naar de badplaats gaan, en daar, terwijl
-de jonge meisjes in het frissche water zouden dartelen, tegen
-onbescheiden oogen waken, en haar, bij voorkomen, van de nadering van
-menschelijke wezens tijdig kennis geven. Het in dienst nemen dier nènèh
-had nog eene andere voordeelige zijde. Aan haar toch konden enkele
-huiselijke werkzaamheden opgedragen worden, waardoor de twee nijvere
-meisjes meer tijd zouden hebben, om onafgebroken op haar weefgetouw, of
-bij hare verfkuip door te brengen. Hoe meer zij toch werkten, hoe meer
-geld zij verdienden; want de kahin’s en slendang’s, die zij weefden, en
-de sarong’s, die zij batikten, waren zeer gewild. In den regel hadden
-zij meer bestellingen, dan waaraan zij voldoen konden. Het gevolg
-daarvan was, dat er dan ook een zekere welvaart in de ons bekende hut
-heerschte, en.... was het daaraan te wijten, of kon niemand ongevoelig
-blijven bij den aanblik der twee lieve meisjes; maar wanneer zij eens
-een enkelen keer in de dèsa Ajo verschenen, alwaar zij geen vrees van
-herkend te worden behoefden te koesteren, dan werd hen van wege de
-jongelingschap van dat dorp menigen teederen blik toegeworpen, soms ook
-wel eens een liefdevol woord toegefluisterd. De deerns hadden er dan
-pret in, en lachten er hartelijk om. Op een dag zei Dalima snaaksch en
-spottend:
-
-„Als zij eens wisten, dat zij de dochter van een resident, van een
-Kandjeng toean voor zich hadden, wat zouden zij verschrikt achteruit
-stuiven.”
-
-„Spreek daarover niet weder, Dalima!” zei Anna hoogst ernstig. „Gij
-weet, dat ik daarover niet wil hooren reppen. Ik ben geene
-residentsdochter meer.”
-
-Maar, toen zij ontwaarde, dat die ernst hare trouwe gezellin bedroefde,
-liet zij er met een glimlach op volgen:
-
-„Alsof de Ajosche „boedjans” (jongelingen) het op mij gemunt hadden!”
-
-„Op wie anders, Nana?”
-
-„Op een van ons beiden, maar zeker op mij niet. Dat zie ik maar al te
-goed. Al die lonkjes en „soeara manies” (zoete gezegden) zijn voor u,
-Dalima.”
-
-„Hoe kunt gij het zeggen, Nana?” hernam de baboe half boos.
-
-„Ik zeg slechts de waarheid, Dalima!”
-
-„Hebt gij wel eens op Kjahi Wångså [279] gelet, Nana? Die heeft slechts
-oogen voor u.”
-
-„Neen, voor u, Dalima!”
-
-„Neen, voor u, Nana!”
-
-Zoo kibbelden de meisjes bijna dagelijks en het was niet uit te maken,
-wie harer dan het laatste woord behield.
-
-„Als het de Kjahi eens was, die ons zoo verschrikt had....,” zei Anna
-eens, terwijl zij met hare vriendin weer zoo aan het praten was.
-
-„Wat bedoelt ge, Nana?”
-
-„Als het die lummel eens was, die ons bij het baden begluurd had.”
-
-„Dat zou hij niet gedurfd hebben. Geen der boedjans zijn daar „brani”
-(stoutmoedig) genoeg voor. En hij wel het minst.”
-
-„Daar komt nog al stoutmoedigheid bij te pas, tegenover twee meisjes,
-zou ik meenen.”
-
-„Toch zou hij het niet gedurfd hebben. Maar, wees gerust; niemand heeft
-ons bespied. Gij weet, hoe lang wij uitgekeken hebben, en hoewel wij
-het pad rechts en links over eene groote uitgestrektheid konden
-gadeslaan, hebben wij niemand bespeurd.”
-
-„En toch blijft mij het geval raadselachtig toeschijnen.”
-
-„Als daar iemand geweest is, dan was het een blanke.”
-
-„Een blanke, Dalima?”
-
-„Ja, nu het al zoo lang geleden is, kan ik het u wel vertellen. Vroeger
-zou ik u slechts noodeloos ongerust gemaakt hebben. Des avonds voor het
-gebeurde met dien steen, is een blanke in de dèsa Ajo aangekomen en
-heeft daar bij den loerah overnacht.”
-
-„Dalima, wie was hij?” vroeg Anna ontsteld.
-
-„Weet ik het, Nana. Ik heb genoeg gevraagd; ik heb niets anders kunnen
-vernemen, dan dat hij zich bezighield met „tangkap koepoe koepoe”
-(kapellenvangen) Poeah. [280]”
-
-„Hebt gij hem gezien, heeft hij u gezien, Dalima?”
-
-„Wel neen, Nana. Hij is voor dag en dauw weêr vertrokken. Het laatst is
-hij gezien te Pring-toetoel, en toen begaf hij zich in oostelijke
-richting.”
-
-„Waarom hebt gij mij dat niet vroeger gezegd?”
-
-„Om u noodeloos ongerust te maken? Daartoe was geen reden.”
-
-Een oogenblik zaten de twee meisjes sprakeloos. Dalima, die vreesde,
-dat Anna over haar ontevreden was, vroeg bedroefd:
-
-„Zijt gij boos op mij, Nana?”
-
-„Neen, Dalima.”
-
-„Waar denkt gij dan zoo ernstig aan?”
-
-„Ik zou wel willen verhuizen.”
-
-„Verhuizen?”
-
-„Ja, nog verder het gebergte in; nog verder zuidwaarts, waar de
-landstreek nog eenzamer, nog woester is, daar dicht bij de
-vogelnestgrotten. Ik zou wel mijn intrek in een dier grotten willen
-nemen.
-
-„Waar denkt gij aan, Nana?” vroeg Dalima verschrikt.
-
-„O, ik heb zoo’n voorgevoel, dat Karel mij op het spoor is,” hernam
-Anna met een zucht.
-
-„Dat had hij al lang moeten zijn,” antwoordde de baboe met eenige
-kleinachting in haar stem. „Een Javaan had u wel gevonden.”
-
-„En Ardjan dan?”
-
-Dalima verbleekte bij het hooren van dien naam.
-
-„Die is voortvluchtig,” sprak zij somber. „Allah alleen weet, waar hij
-zich ophoudt, en wat hij uitvoert. Daarenboven ik ben zijn „toenangan,”
-(verloofde) niet meer. Voor hem ben ik slechts een gevallen meisje.”
-
-Beiden zwegen andermaal en schenen in hare gedachten verzonken. Anna
-gevoelde spijt, dat zij eene zoo teedere snaar aangeroerd had. Na een
-oogenblik van stilzwijgen hernam Dalima weêr:
-
-„Maar, als het eens zoo ware, dat die toean rakker u werkelijk op het
-spoor was...?”
-
-„O, zwijg. De gedachte alleen ontzet me! Ik zou dadelijk willen
-vluchten!”
-
-„Wat hebt gij toch tegen hem?” vroeg de baboe met aandrang.
-
-„Zwijg, Dalima!”
-
-„Houdt gij niet meer van hem? Hebt gij hem uit uw hart gebannen...?
-Nu?”
-
-„Zwijg!” riep Anna in de grootste ontroering uit. „Niet meer van hem
-houden?... O, als dat zoo ware!.... Uit mijn hart gebannen?... Er gaat
-geen dag, geen uur, geen minuut schier voorbij, dat ik niet aan hem
-denk.”
-
-„Maar, Nana,” hernam de argelooze Javaansche, „waarom dan zoo wreed?”
-
-„Zwijg, Dalima!”
-
-„Weet gij dan niet, hoe ongelukkig gij dien jongen man maakt, Nana?”
-
-„O, zwijg, ik bid er u om. Nimmer, nimmer kan ik hem, noch een ander
-toebehooren!”
-
-Dalima keek haar aan. Wat in haar binnenste omging, was niet moeielijk
-te raden. Op haar gelaat teekende zich verwondering en ergernis. In
-hare oogen was te lezen:
-
-„Wat hebben die blanken toch voor „tinka’s”! (grillen.) Hoe lastig
-maken zij zich het leven toch.”
-
-Na een oogenblik bedenkens, wilde zij het gesprek weêr hervatten, en
-opende daartoe reeds den mond; toen eensklaps de nènèh de galerij
-binnenkwam. Zij was voor de keukenbenoodigdheden naar de dèsa geweest,
-en kwam thans rekening en verantwoording over hare inkoopen doen. Dat
-gaf gelukkig afleiding; maar toen zij met haar nieuwtjes begon, bracht
-zij groote ontsteltenis bij de beide meisjes teweeg. Zij verhaalde
-toch, dat drie blanken in de dèsa waren aangekomen en hunnen intrek bij
-den loerah genomen hadden.
-
-„Drie blanken!” riep Anna verschrikt uit.
-
-„Ja, Nana,” antwoordde de vrouw, die niet beter wetende, dan dat zij
-eene rasgenoote voor zich had, het voorbeeld van Dalima gevolgd had en
-de residentsdochter met den naam Nana aansprak.
-
-„Hebt gij ze gezien, nèh?” vroeg Dalima.
-
-„Neen,” was het antwoord.
-
-„Hebt gij ook vernomen, wat ze in de negorij komen uitvoeren?”
-
-„Daaromtrent loopen de verhalen uiteen,” antwoordde de nènèh. „De een
-vertelt, dat het „wong spor” [281] (lieden van den spoorweg) zijn, die
-zich met jagen vermaken. En, inderdaad, hebben zij geweren bij zich.
-Een ander vertelt, dat zij jacht op slangen maken. Nu daar kunnen zij
-hier genoeg van vangen. Bij het hierheen komen heb ik nog een „oelor
-welang” [282] op het pad gezien. Gelukkig, dat ik haar bijtijds
-bemerkte, anders had ik er op getrapt, en dan was ik dood. Een derde
-vertelt, dat die toean toean de vogelnestgrotten komen bezichtigen.”
-
-„Hebt gij niets anders gehoord?”
-
-„Neen, Nana. Maar, waarom zijt gij zoo raar, als waart gij bevreesd.
-Die blanken doen niemand kwaad. Ziet... daar komen zij het pad op....”
-
-Anna keek in de aangeduide richting en slaakte een hartverscheurenden
-kreet. In de grootste ontsteltenis greep zij een slendang, dien zij
-over het hoofd sloeg, en, gevolgd door Dalima, die evenals zij Van
-Nerekool onder de aankomenden herkend had, ijlde zij het pad op, dat in
-tegenovergestelde richting naar den zuiderkant van het Polenggebergte
-voerde. De drie mannen zagen twee gedaanten uit de hut te voorschijn
-treden, en heênvluchten.
-
-„Daar is zij!” riep Murowsky.
-
-„Anna!... Anna!...” riep Van Nerekool met hartverscheurende stem.
-
-Te vergeefs. Door eene buiging van het pad waren de twee meisjes weldra
-achter de rotsen verdwenen.
-
-
-
-Alvorens tot het slottafereel van onzen roman te komen, zijn wij
-verplicht andermaal eene schrede achterwaarts te doen.
-
-Van Nerekool was met Grenits per rijtuig naar Wonosobo gereisd, van
-waar de twee vrienden den tocht te paard voortgezet hadden. O, zij
-hadden geen tijd, geen oog om de heerlijke landschappen, de verheven
-bergpartijen, die ze doorreisden, te aanschouwen of te bewonderen.
-Karel gunde slechts een verstrooiden blik aan het hem omringende,
-wanneer Grenits hem daarop opmerkzaam poogde te maken, en had slechts
-een kreet in den mond:
-
-„Voort! Theodoor, voort!”
-
-Voor hunne afreis hadden zij Murowsky getelegrafeerd. Zij vonden den
-officier van gezondheid dan ook gereed, om hen te vergezellen. Daar
-zijn collega nog steeds te Gombong vertoefde, had de militaire
-bevelhebber er geen bezwaar in gevonden, hem andermaal een verlof voor
-vier dagen toe te staan. De reizigers waren evenwel laat in den
-namiddag aangekomen; zij waren daarenboven vrij vermoeid van den
-flinken rit; zoodat besloten moest worden den tocht eerst den volgenden
-morgen voort te zetten. Van dat gedwongen oponthoud werd gebruik
-gemaakt, om in den vooravond een bezoek bij den chef van Murowsky af te
-leggen.
-
-„Als gij lieden met u drieën er op losgaat,” sprak de goedige
-krijgsman, terwijl hij hen de hand drukte, „dan mogen de kapellen en
-snuitkevers zich wel verdekt opstellen. Dan zal er eene slachting onder
-gehouden worden. Hebt gijlieden wel kurken en spelden genoeg, om de
-arme krijgsgevangenen op te prikken? Enfin, ik wensch den heeren alle
-succes.”
-
-Maar, terwijl zij daar zoo bij dien kommandant een glas bier zaten te
-genieten, bracht een beambte een telegram, bestemd voor Murowsky. Deze
-greep het papier.
-
-„Gij permitteert?” vroeg hij den kapitein en diens ega.
-
-„Voor telegrammen worden dergelijke plichtplegingen niet vereischt,”
-antwoordde de gastheer. „Open spoedig, misschien wel van een patiënt.
-Als uwe kapellenvangst daarmede maar niet in gevaar wordt gebracht.”
-
-Murowsky opende het couvert, en sloeg een blik op de onderteekening.
-
-„Van Van Rheijn,” zei hij tot de vrienden... „God in den hemel!” riep
-hij vervolgens in de grootste ontsteltenis uit.
-
-„Wat is er? Wat is er?” riepen alle aanwezenden.
-
-„„Zeg aan Van Nerekool, dat de resident Van Gulpendam en zijne ega,
-door eene bende ketjoe’s vermoord zijn. Bizonderheden per brief!”” las
-de dokter voor.
-
-Allen zaten een oogenblik stom van ontzetting. Van Nerekool greep
-koortsachtig het telegram, trad tot bij de lamp, las, en wreef zich
-daarna de oogen, alsof hij die niet vertrouwde.
-
-„Het is maar al te waar!” sprak hij eindelijk.
-
-„Is mijnheer Van Nerekool familie van de verslagenen?” vroeg de vrouw
-des huizes aan Grenits; toen zij het gelaat van den rechterlijken
-ambtenaar de meest opgewonden aandoeningen zag verraden.
-
-„Vergeef mij, mevrouw,” antwoordde Theodoor. „Wij verlieten Santjoemeh
-tegelijkertijd met de familie Van Gulpendam. De gedachte aan den
-gruwzamen moord op personen gepleegd, die wij gedurende de
-feestelijkheden aldaar levenslustig te midden van ons zagen, is wel
-geschikt om ons te doen ontstellen.”
-
-De dame knikte toestemmend.
-
-„Het is ontzettend!” prevelde zij.
-
-„Vrienden,” sprak Van Nerekool tot Murowsky en Grenits, „onze tocht zal
-eenige uren uitgesteld dienen te worden. Onder de gegeven
-omstandigheden moet ik noodzakelijk mevrouw Steenvlak spreken. Hoever
-is Karang Anjer hier van daan, kapitein?”
-
-„Zes palen, mijnheer Van Nerekool.”
-
-„Nog zoo ver? Zou er mogelijkheid bestaan, dat ik een paard zou kunnen
-bekomen?”
-
-„Gij kunt het mijne krijgen,” sprak de kapitein. „Wat is uw voornemen?”
-
-„Ik wenschte dadelijk naar Karang Anjer te kunnen rijden. Het is nu
-ongeveer zeven uur. Ik kan voor achten daar zijn. Morgen ochtend met
-het krieken van den dag begeef ik mij weer op weg, en ben dan omstreeks
-zes uren hier, om den tocht naar Karang Bollong te vervolgen. Wees
-gerust, kapitein, ik zal uw paard goed verzorgen.”
-
-„O, daar twijfel ik niet aan,” antwoordde de kommandant. „Bij de
-Steenvlaks vindt het een goeden stal.”
-
-En opstaande, ging hij naar achteren om bevelen tot opzadelen te geven.
-
-„Juffrouw Van Gulpendam heeft bij de Steenvlaks gelogeerd,” sprak de
-vrouw des huizes, ietwat nieuwsgierig omtrent dat overhaaste vertrek
-van Van Nerekool naar Karang Anjer.
-
-„Juist, mevrouw,” antwoordde Murowsky. „Misschien weet mevrouw
-Steenvlak, waar dat jonge meisje is, dan kan zij op den ramp, die haar
-treft, voorbereid worden.”
-
-Grenits vroeg intusschen aan Van Nerekool, wat hij van plan was te
-doen.
-
-„Zij zal mij thans niet weigeren een brief voor Anna mede te geven. In
-zulke omstandigheden kan de raad van eene beproefde vriendin
-veelvermogend zijn. Keurt gij mijn pogen niet goed?”
-
-Theodoor knikte bevestigend, en drukte zijn vriend de hand.
-
-Tien minuten later zat Van Nerekool in het zadel, en joeg spoorslags
-den weg naar Karang Anjer op, waar de familie Steenvlak evenwel met de
-gruwzame gebeurtenis in de residentie Santjoemeh reeds bekend was. De
-assistent-resident had ook een telegram ontvangen.
-
-
-
-
-
-
-
-XLI.
-
-DE KETJOE’S TE SOEKA MANIESAN.—EENE ONTZETTENDE TERECHTSTELLING.
-
-
-De noodlottige tijding was maar al te waar!
-
-Toen de familie Van Gulpendam te Soeka maniesan aankwam, kon de
-eigenaar dier suikerfabriek niet anders verklaren, dan dat in den
-laatsten tijd geen spoor van agitatie te bemerken was; dat hij
-meermalen de plek in het naburige bosch, waar vroeger samenscholingen
-zouden plaats hebben gehad, had laten bespieden, zonder dat evenwel
-daar iemand ontmoet was geworden; zoodat hij tot de meening was
-gekomen, òf dat hij verkeerd was ingelicht geweest, òf dat de
-bijeenkomsten thans op eene andere plaats gehouden werden.
-
-Van Gulpendam liet den assistent-resident, die aan het hoofd der
-afdeeling stond, waarin Soeka maniesan gelegen was, ontbieden, zoo ook
-den regent en de wedono’s in die afdeeling, maar vernam niets
-onrustbarends. Integendeel, die ambtenaren betuigden, dat de streek de
-meest gewenschte rust genoot; hoewel de regent daarbij niet ontveinsde,
-dat er wel armoede heerschte.
-
-„En wat is de oorzaak van die armoede, Radhen Adipattih? [283]” had de
-resident gevraagd.
-
-Het Javaansche hoofd krabte zich achter het oor. Hij had wel willen
-vrijgesteld zijn van het beantwoorden van die vraag. Toen het antwoord
-zich wachten liet, vroeg Van Gulpendam:
-
-„Wordt de bevolking door de landheeren der omliggende fabrieken
-behoorlijk voor haren arbeid uitbetaald?”
-
-„O, ja, Kandjeng toean.”
-
-„Is de rijstoogst mislukt, of heeft die soms minder opgebracht, dan
-waarop gerekend werd?”
-
-„Neen, Kandjeng toean. De oogst is zelfs zeer overvloedig geweest; de
-landbouwers hebben vele „gedengs” (bossen) paddie in de „loemboeng”
-(schuur) kunnen binnenbrengen.”
-
-„Maar, waaruit ontspruit dan toch die armoede, Radhen Adipattih?”
-
-„Ik weet het niet, Kandjeng toean,” antwoordde het Javaansche hoofd met
-een zucht.
-
-Hij wist het wel; maar durfde er niet voor uitkomen, overtuigd als hij
-was, dat hij, wanneer hij de waarheid onthulde, de gramschap van den
-resident zoude opwekken. Hij wist, dat de loemboengs leêg waren. Ja, de
-oogst was overvloedig geweest; maar de paddie was niet in de schuren
-terechtgekomen. De Javaan is een groot kind. Zijn oogst was verkwanseld
-geworden, terwijl hij nog te velde stond. Om wat geld in handen te
-hebben, was zijne rijst, alvorens zij rijp was, in handen van
-Chineesche opkoopers overgegaan. En dat geld had zijn weg gevonden naar
-de opiumkit, naar het speelhol, naar het pandjeshuis, naar de lade van
-die Heilige Drieëenheid, die tot grondslag van de Nederlandsche
-inkomsten strekken. Neen, de regent durfde zijn gedachten niet
-openbaren. Hij sloeg een bedeesden blik op het groote kruis, dat op de
-borst van den resident prijkte, en herhaalde met een zucht:
-
-„Ik weet het niet, Kandjeng toean.”
-
-Na dat alles gehoord te hebben, verklaarde Van Gulpendam geen andere
-kamers te willen betrekken dan in de bijgebouwen; hij zou zich
-volgaarne vergenoegen met de gewone logeerkamers [284] van de fabriek.
-
-„Maar, resident,” antwoordde de fabrikant, „uwe vertrekken in het
-hoofdgebouw zijn klaar.”
-
-„Daar wil ik niets van weten, waarde heer,” hernam Van Gulpendam; „ik
-wil u bewijzen, dat ik de toestanden hier geheel en al vertrouw, en dat
-ik daar buiten even gerust zal slapen als in uw hoofdgebouw.”
-
-Van dat voornemen was hij niet af te brengen geweest. En, inderdaad,
-hij scheen gelijk te hebben. De berichten, die van allerwegen
-binnenkwamen, waren van zoo’n geruststellenden aard, dat de eigenaar
-van de fabriek „Soeka maniesan” tot de meening begon over te hellen,
-dat hij misleid was. De eerste nacht, dien de familie Van Gulpendam in
-hare vertrekken doorbracht, ging dan ook ongestoord voorbij, en genoten
-de echtelingen een heerlijke rust.
-
-De daaropvolgende dag werd gesleten met eene nauwkeurige bezichtiging
-van de suikerfabriek, die evenwel op het punt was hare jaarlijksche
-campagne te sluiten, daar de maaltijd op zijn eind liep. In den
-namiddag werd eene verkwikkende wandeling ondernomen, waarbij het
-residentspaar getroffen werd door de hulde-bewijzen, die het vanwege de
-ontmoet wordende Inlanders ontving. Niet dat het daar niet aan gewoon
-was; het tegendeel kon beweerd worden. Steeds had Van Gulpendam, zelfs
-toen hij nog controleur was, stipt en streng geëischt, dat terwijl hij
-in de binnenlanden vertoefde, ieder Javaan, die hem ontmoette, moest
-hurken en zijn „sembah” brengen, dat iedere vrouw het gelaat moest
-afwenden [285]. Maar, hier geschiedde dat met zulke innige teekenen van
-schuchterheid, dat die voor bewijzen van diep ontzag en van eerbied
-door het ijdele paar opgenomen werden. Neen, hier in deze streken was
-niets te vreezen. Zooveel kennis van het Javaansche karakter meende Van
-Gulpendam wel opgedaan te hebben.
-
-Ook de avonduren werden prettig doorgebracht. De eigenaar van Soeka
-maniesan had eenige familiën van de rondom liggende ondernemingen
-uitgenoodigd, waaraan allen als om strijd voldaan hadden. De heeren en
-ook sommige dames maakten een gezellig partijtje; terwijl anderen zich
-met muziek maken onledig hielden. Zweefden ook al eenige onprettige
-gedachten door het brein van den resident, terwijl hij daar in de
-voorgalerij van de fraaie heerenwoning aan het ombertafeltje zat, zoo
-werden die geheel verdreven door de rustige omgeving, welke het geheele
-landschap, hetwelk zich daar voor hem uitspreidde, kenmerkte. De maan
-stond hoog aan den hemel, en overgoot alles met haar liefelijk licht.
-Een zacht windje ritselde door het loof der fraaie schaduwboomen, die
-het geheele gebouw omgaven. Alles ademde de grootst mogelijke kalmte,
-die in een tropisch gewest zooveel kan bijbrengen, om de avonduren zoo
-genotrijk mogelijk te maken. Zoo streek de avond uiterst genoegelijk
-voorbij, en sloeg het middernachtuur, alvorens de rijtuigen voorkwamen,
-die de gasten huiswaarts moesten brengen.
-
-Toen die vertrokken waren en de bewoners van Soeka maniesan zich ter
-ruste wilden leggen, kwam een der „mandoors” (opzieners) der fabriek
-rapporteeren, dat men eene gedaante achter de tuinomheining had zien
-sluipen.
-
-„Waarschijnlijk een dief,” sprak de man onverschillig, alsof dat eene
-niet ongewone gebeurtenis was.
-
-„Kom, wij zullen eene ronde maken,” sprak de eigenaar, terwijl hij een
-geweer greep, en een tweede den resident aanbood, hetwelk deze met een
-gebaar weigerde.
-
-Hij en Van Gulpendam, vergezeld van den opziener, stapten naar buiten,
-terwijl de dames zich naar hunne slaapvertrekken begaven. Zooals gezegd
-is, was het zacht en kalm weêr. De beide blanken wandelden rond, maar
-bespeurden niets verdachts. Door de frissche nachtlucht verlokt,
-strekten zij hunne wandeling verder uit, dan oorspronkelijk hun plan
-was geweest. Zij waren naar buiten getreden, en wandelden nu in een
-paar rietvelden rond, die aan het erf der fabriek paalden, en waarvan
-de rietstekken gedeeltelijk geoogst waren. Het gekapte riet was reeds
-naar de fabriek vervoerd; maar over een groote uitgestrektheid stonden
-de stengels nog overeind en wachtten op de hand der arbeiders. Op de
-ontruimde gedeelten van de velden lagen hier en daar groote hoopen
-„dagoe” (droge bladeren), die van de geoogste stengels afgesneden en
-bestemd waren, om ook naar de fabriek vervoerd te worden; ten einde
-daar als brandstof gebezigd te worden. De eigenaar van Soeka maniesan
-was een degelijk suikerfabrikant, een geleerde met betrekking tot zijn
-vak in den volsten zin des woords. Van Gulpendam was door zijne
-betrekking van ambtenaar bij het Binnenlandsch Bestuur jarenlang met de
-suikerindustrie op Java in aanraking geweest; zoodat het gesprek
-tusschen die twee mannen niet behoefde te kwijnen. Gevolgd door den
-opziener, wandelden de beide heeren voort, en onderhielden zich over de
-verschillende rietsoorten, die aangeplant werden. Van Gulpendam meende,
-dat de „teboe-njamploong” het meeste suikergehalte bevatte; de andere
-verklaarde, dat de ondervinding hem geleerd had, dat zulks met de
-teboe-itam [286] het geval was. Beiden bleven op hun stuk staan, en de
-discussie daaromtrent werd vrij levendig; toen plotseling een gil
-weerklonk, en een aantal mannen, met knuppels gewapend, en met zwart
-gemaakte gezichten, van achter de hoopen dadoe te voorschijn sprongen,
-en recht op de wandelenden lossprongen. Het drietal, onthutst door die
-plotselinge verschijning, zette het op een loopen; maar nog hadden zij
-slechts weinige passen gedaan, of de vluggere Javanen hadden althans
-den eigenaar van de fabriek ingehaald, dien zij met een knuppelslag op
-het hoofd deden neêrtuimelen, alvorens hij zijn geweer in den aanslag
-had kunnen brengen. Op het erf werd de resident ingehaald, maar in
-stede van neêrgehouwen te worden, werd hij gegrepen, op den grond
-geworpen en zwaar gekneveld. Waar de mandoor gebleven was, dat mocht
-een raadsel heeten. Wellicht had die zich laten vallen, en had zich
-achter een hoop bladeren of achter een struik verstopt. Terwijl Van
-Gulpendam gebonden werd, kon hij nog zien, hoe een twaalftal mannen op
-het vleugelgebouw aanvlogen, waar de slaapkamer van zijne echtgenoote
-aangetroffen werd. Hij wilde hulp roepen; maar eene machtige vuist
-drong hem een prop, van een oud vod gemaakt, in den mond. Hij zag, hoe
-de aanvallers de deur poogden te openen, en hoe zij haar met hunne
-knodsen uit hare hengsels sloegen, toen zij haar gesloten vonden. Hij
-zag de bende naar binnen stormen. Een akelig gejammer steeg op, dat
-door een vreeselijken gil afgebroken werd, waarna niets meer vernomen
-werd.
-
-Dat alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat slechts het openrameien
-dier slaapkamerdeur de bewoners van het hoofdgebouw, of de weinige
-arbeiders, die bij de stoomwerktuigen in de fabriek de wacht hadden,
-deed opschrikken. Voor dat iemand verscheen, die tot redding zou hebben
-kunnen bijdragen, kwamen de aanvallers bij hunne makkers terug, die Van
-Gulpendam bewaakten, terwijl een hunner zonder zijne stem te
-omzwachtelen, zeide:
-
-„Kom, pak op! Ginds in het rietveld staan de paarden.”
-
-„Njonja mattie?” (is de mevrouw dood) vroeg een hunner doodbedaard.
-
-„Mattie!” (dood) was het antwoord, waarbij evenwel de stem van den
-spreker van wraakzucht trilde. „Kom, vooruit! pak dat blanke zwijn op,
-of wij krijgen de werklieden der fabriek op het lijf. Ik zou dien hond
-dan moeten krissen. En dat zou jammer zijn.”
-
-Een paar bamboestaken werden tusschen de gebonden armen en beenen van
-Van Gulpendam gestoken.
-
-„Ik ben de Kandjeng toean resident!” trachtte hij uit te brengen.
-
-Of hij verstaan werd, viel te betwijfelen. De eenige uitwerking van
-zijn gemompel was, dat hem een vuistslag op den mond toegediend werd,
-die den prop nog dieper in de mondholte deed dringen.
-
-„Eoh, angkat!” (Kom, pak op) werd het bevel herhaald.
-
-Een viertal Javanen tilden de bamboestaken op hunne schouders, en
-draafden met hunnen last weg. Met doffe stem kreunde de lijder onder
-die behandeling; maar dat werd niet gehoord, en hoorde het ook al
-iemand, dan werd er volstrekt geen acht op geslagen.
-
-Op korten afstand van het erf stonden een zestal gezadelde paarden. Op
-een daarvan werd Van Gulpendam stevig gebonden. Toen dat geschied was,
-werden de andere paarden bestegen en voort ging het.
-
-„Ka djaga monjet!” riep een der ruiters tot de achterblijvenden.
-
-„Engèh! Engèh!” kreten de overigen.
-
-Zoodra de ruiters in het nachtelijk duister verdwenen waren, staken de
-overige aanvallers het vuur in de rietvelden. De vlammen sloegen weldra
-ten hemel en loeiden vreeselijk, waarbij zich het knappen van het riet
-mengde. Terwijl een ieder hunner zich daarna uit de voeten maakte,
-begonnen de alarmtonen van de „tongtong” in de nabijheid van de fabriek
-te weêrklinken.
-
-
-
-Terwijl die oplichting te Soeka maniesan volvoerd werd, geschiedde er
-op hetzelfde oogenblik eene tweede, die met even gunstigen uitslag
-bekroond werd.
-
-Op een afstand van ongeveer zes palen van de hoofdplaats Santjoemeh lag
-een vreemdsoortig gebouw in de plooien van het oploopend terrein
-alleraangenaamst verscholen. Ware het van Italiaansche of Zwitsersche
-bouworde geweest, dan zou men het eene villa of een chalet hebben
-kunnen noemen. Maar èn nok èn kanteelen èn deuren èn ramen gaven zoo
-duidelijk den Mongoolschen bouwtrant aan, dat zich daarin niet te
-vergissen viel. Het was dan ook een Chineesch lusthuis, hetwelk zich
-daar verhief, en eerst sedert weinige weken in eigendom op Lim Ho, den
-zoon van den opiumpachter van Santjoemeh overgegaan was.
-
-Had iemand ooit gehoopt, dat die babah, na zijn huwelijk, tot een meer
-geregelde levenswijze zoude teruggekeerd zijn, diens waan zou hem
-spoedig ontnomen zijn, wanneer hij een bezoek aan bedoeld lusthuis
-zoude gebracht hebben, en daarin ontvangen zoude zijn. Dat eenzaam
-gelegen gebouw was bestemd om de slachtoffers van de hartstochten van
-den Chinees op te nemen, en haren val mogelijk te maken. De vertrekken
-daarvan waren weelderig op Aziatische wijze gemeubeld. De heerlijkste
-divans werden in alle kamers aangetroffen; terwijl de wanden met
-kostbare schilderijen, echter allen van wellustige, zelfs van
-pornografische strekking, versierd waren. [287]
-
-In denzelfden nacht toen Soeka maniesan, door eene bende ketjoe’s
-aangetast was, werd ook dat Chineesche lusthuis overrompeld. Hier
-gelukte de onderneming nog gemakkelijker dan bij de suikerfabriek. Lim
-Ho, die met misdadige oogmerken het echtelijk dak verlaten had, en
-ongeduldig de prooi zat af te wachten, die zijne driften gaande gemaakt
-had, en hem toegevoerd zoude worden, was slechts van een paar
-Chineesche dienstbaren vergezeld, die geen weerstand zouden en ook niet
-konden bieden. Omstreeks middernacht werd aan de deur geklopt. De
-babah, overspannen van het wachten, en, in de meening dat ’t het
-slachtoffer was, beval te openen. Toen het slot evenwel omgedraaid en
-de grendel afgeschoven was, drongen een zestal zwaar gewapende en zwart
-gemaakte mannen naar binnen. Lim Ho, den lafhartigen aard van zijn ras
-getrouw, verbleekte, en dacht er niet aan, zich te weêr te stellen.
-Fluks keek hij in het rond, of er geen uitweg bestond, om te kunnen
-ontvluchten; maar toen hij de beide deuren van het vertrek, waarin hij
-zich bevond, door de aanvallers bezet zag, poogde hij in zijn
-lafhartige vrees onder een der divans te kruipen. Hij werd evenwel
-gegrepen, in een oogwenk gekneveld, op een paard gebonden en
-weggevoerd.
-
-Hier, evenals te Soeka maniesan, hadden de aanvallers alles
-onaangeroerd gelaten. Zij hadden niets van de kostbaarheden aangeraakt;
-maar zich bepaald tot den moord op mevrouw Van Gulpendam en de
-ontvoering van den resident en van den pachterszoon. Dat de eigenaar
-van de suikerfabriek een slag op het hoofd had ontvangen, was volstrekt
-niet geschied uit zucht om baldadigheid te plegen. Die man zou toch de
-fabriekswerklieden hebben kunnen wekken, om zich aan hun hoofd ter
-vervolging te stellen. Dat mocht niet! De slag was evenwel niet
-gevaarlijk geweest. Toen men de eerste ontsteltenis over den gepleegden
-moord op mevrouw Van Gulpendam te boven was gekomen en men uittrok, om
-den brand in de rietvelden te blusschen, vond men den eigenaar van
-Soeka maniesan even buiten de omheining van het erf. Aanvankelijk dacht
-men, dat ook hij dood was, daar hij nog steeds bewusteloos was. Toen
-hij evenwel binnen de woning gebracht was, bespeurde zijne echtgenoote
-al ras, dat haar man niet gewond was en nog teekenen van leven gaf. In
-allerijl werden pogingen aangewend, om hem tot bewustzijn te brengen,
-wat evenwel eerst laat slaagde. De dag was reeds aangebroken, toen de
-politie op Soeka maniesan verscheen. Er viel niets anders te doen, dan
-den moord en de ontvoering te constateeren. IJverig werd onderzocht,
-het geheele fabriekspersoneel werd ten scherpste ondervraagd; maar
-zonder eenig licht te verspreiden omtrent het lot van den resident Van
-Gulpendam. Dicht bij de afgebrande rietvelden werden sporen van paarden
-ontdekt, maar dat gaf niets; want door de geheerscht hebbende droogte,
-waren die spoedig door den morgenwind met eene stoflaag overdekt,
-zoodat niet eens te ontdekken was, waarheen de ruiters zich gewend
-hadden. De suikerfabrikant wist niets anders mede te deelen, dan dat
-hij eensklaps een troep zwartgemaakte kerels had te voorschijn zien
-springen, dat hij had willen vluchten, maar ingehaald was geworden, en
-daarbij een slag op het hoofd had gekregen, die hem bewusteloos had
-doen neêrstorten. Wat daarna gebeurd was, wist hij natuurlijk niet. De
-verklaring van den mandoor was nog onbeduidender als het kon. Deze
-zeide, zich dadelijk bij het verschijnen der zwarte mannen in een
-grooten hoop dadoe verstopt te hebben, en daaruit eerst te voorschijn
-te zijn gekropen, toen het rietveld in brand geraakte, en hij beducht
-was, dat zijne schuilplaats ook door de vlammen aangetast kon worden.
-En in dien bladerenhoop had hij niets kunnen zien, niets kunnen
-waarnemen.
-
-Waar moest men den resident Van Gulpendam zoeken? Waarlijk, de politie
-was ten einde raad! De geheele residentie Santjoemeh was in spanning en
-vol afgrijzen bij de gedachte aan het vermoedelijk lot, dat het hoofd
-van gewestelijk bestuur getroffen kon hebben. Maar, wat men ook deed,
-of hoe men ook zocht, er werd geen meerder licht verspreid, totdat een
-visscher, die, met zijne schuit de Moeara Tjatjing willende instevenen,
-buiten de branding het naakte lijk van een Europeaan aantrof, dat in
-zijn prauw opnam, en bij den loerah van Kaligaweh, de meest nabijzijnde
-dèsa aanbracht. Had de eenvoudige Javaan geweten, dat dit het lijk van
-den Kandjeng toean was, dan zou hij waarschijnlijk het hoofd afgewend
-hebben en tot zijne visschersgezellen gepreveld hebben:
-
-„Laat Allah’s gerechtigheid onaangeroerd voorbijdrijven!”
-
-Als hij had kunnen gissen, welke bron van moeielijkheden en
-onaangenaamheden hij voor zich zelven opende, dan zou hij zich wel
-gewacht hebben, dat lijk aan te raken. De boeaja’s (kaaimannen) zouden
-wel voor de verdere begrafenis gezorgd hebben.
-
-Nu begon de loerah met hem in verzekerde bewaring te nemen, en werd hij
-ontelbare malen verhoord door den wedono, door den pattih, door den
-regent, door den controleur, door den assistent-resident van politie,
-door den rechter van instructie. Al die autoriteiten meenden in hem den
-draad van het geheimzinnig drama in handen te hebben, en martelden den
-armen drommel, die, ten einde raad, eindelijk verklaarde: „poessing
-kapala” (ijlhoofdig) en „bingoeng” (verward van denkbeelden) te zijn.
-
-Het gevonden lijk werd voor dat van den resident herkend. Twijfel was
-niet geoorloofd geweest. Het gelaat was nagenoeg ongeschonden. Die
-deelen van het lichaam evenwel, die door de zeemonsters gespaard
-werden, waren uitermate opgezwollen en ontstoken bevonden en was het
-blijkbaar, dat de overledene een vreeselijken marteldood gestorven was,
-hoewel niet kon geconstateerd worden, dat eenig scherp voorwerp
-aangewend was geworden, om hem van het leven te berooven.
-
-Wat was er met hem gebeurd?
-
-
-
-„Ka djaga monjet!” had het bevel van den ketjoe-aanvoerder geluid.
-
-En, inderdaad, het was naar de strandhut aan de Moeara Tjatjing,
-waarmede de lezer in de eerste hoofdstukken kennis maakte, dat de
-ruiterbende in woesten ren heenijlde. Zorgvuldig werden de dèsa’s
-vermeden, die men langs paden omtrok; hier en daar werd ook eene gardoe
-geschuwd, welker wachthebbenden men meende niet te kunnen vertrouwen.
-Maar ongestoord werd de tocht voortgezet, en de dageraad brak aan, toen
-het wortelboombosch bereikt werd, waarin de djaga monjet gelegen was.
-
-Toen Van Gulpendam, steeds zwaar gekneveld, die hut binnengedragen
-werd, was Lim Ho daar reeds aangebracht en lag, aan handen en voeten
-gebonden, op den vloer uitgestrekt. Op een teeken van den aanvoerder,
-een lange, slanke Javaan, werden de boeien van beiden geslaakt, en den
-prop uit hun mond verwijderd. Rondom hen stonden een twintigtal
-Javanen, allen onkenbaar gemaakt. De Chinees hield zich stil, en was
-van angst als vernietigd. De blanke, toen hij zich vrij in het gebruik
-zijner ledematen gevoelde, rekte zich uit en begon op een toon van
-trotsche hooghartigheid:
-
-„Weet gij wel, dat ik de Kandjeng toean resident ben?”
-
-„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de aanvoerder met eene stem, die
-van gemaakte onderdanigheid getuigde.
-
-„Dezer dagen werd ik nog door den Kandjeng toean Radja met de bewijzen
-van de hoogste gunst vereerd,” ging Van Gulpendam voort, op zijne
-Leeuwenorde wijzende, die nog in groot formaat op zijnen lichtblauwen
-residents-rok bengelde.
-
-„Engèh, Kandjeng toean,” klonk het antwoord; terwijl allen den sembah
-ten teeken van eerbied maakten.
-
-„Kandjeng Gouvernement zal u vreeselijk straffen, wanneer mij een haar
-op het hoofd gekrenkt wordt!”
-
-Een hoongelach begroette die woorden. Twintig handen grepen naar het
-gevest hunner krissen. De aanvoerder maakte een teeken. Allen waren
-weer stom.
-
-„Alvorens Kandjeng Gouvernement zal kunnen straffen,” sprak de Javaan,
-„zult gij beiden dood zijn.”
-
-„Dood!” riep Lim Ho in den grootsten angst uit.
-
-„Dood!” herhaalde Van Gulpendam. „Dat zult gij niet! Mijn dood zou
-vreeselijk gewroken worden!”
-
-„Gijlieden zijt den dood schuldig,” antwoordde de aanvoerder bedaard.
-„Dat vonnis, wat wij uitgesproken hebben, zal volbracht worden;...
-daarna kan men met ons doen wat men wil,... als men ons ten minste in
-handen krijgt.”
-
-„Maar, wat heb ik gedaan?” vroeg Lim Ho in de grootste wanhoop.
-
-„Wat gij gedaan hebt? Gij hebt een man, die u niets anders misdaan had,
-dan dat hij zijne vrouw wilde maken van het meisje, waar gij het
-wellustige oog op geworpen hadt, hier bij deze hut, de folterendste
-mishandeling doen ondergaan! Wat gij gedaan hebt? Gij hebt datzelfde
-meisje met behulp van de njonja van dien ellendeling daar, met list in
-uwe macht weten te krijgen, om, nadat gij uwe vuige lusten op haar
-botgevierd hadt, haar van opiumsmokkel te laten aanklagen!”
-
-Lim Ho’s gelaat werd aschgrauw van angst en ontzetting, toen hij die
-woorden vernam. Hij begon te begrijpen, in wiens handen hij zich
-bevond. Van Gulpendam meende nog steeds hooghartigheid tegenover die
-dreigende bende te moeten aan den dag leggen. Hij kon nog maar niet
-begrijpen, dat die Javanen de hand aan hem, den Kandjeng toean, zouden
-durven slaan. Hij meende evenwel die bende eenigszins naar den mond te
-moeten spreken.
-
-„Als het waar is, wat gij daar zegt,” wendde hij zich tot het
-opperhoofd, „dan is Lim Ho ongetwijfeld zeer schuldig en zal ik zeker
-alles doen, om hem zijn straf te doen geworden; maar wat heb ik
-gedaan?”
-
-„Gij, gij, Kandjeng toean,” hernam de aanvoerder heftig en met sissende
-stem, „gij hebt de misdaden van dien Chineeschen hond mogelijk gemaakt!
-Gij hebt den man, waarvan ik straks sprak, in de gevangenis laten
-werpen, gij zelf hebt hem tot een gruwelijke straf veroordeeld; terwijl
-gij wist, dat hij onschuldig was, alleen om den opiumsmokkelhandel van
-dien schavuit te bemantelen! Gij hebt den opiumpachter een middel aan
-de hand gedaan, om den vader van de verloofde van dien onschuldig
-veroordeelde in de onmogelijkheid te stellen, zijn kind te verdedigen
-bij den aanslag, die Lim Ho voornemens was op haar te ondernemen!
-Vraagt gij nog, wat gij gedaan hebt! Gij en uwe vrouw zijt daar
-schuldig aan! Gij en uwe vrouw zijt den dood schuldig! Het vonnis is
-reeds gedeeltelijk voltrokken; het zal ook verder zijn voortgang
-hebben!”
-
-„Wa... wat? gedeeltelijk voltrokken....” kreet de resident. „Mijne
-vrouw...?”
-
-„Zeg aan den Kandjeng toean, wat er met de njonja gebeurde,” wendde de
-aanvoerder zich tot een van zijn gevolg.
-
-„Njonja mampoes!” was het korte antwoord.
-
-„Ja, de njonja is dood!” riep de aanvoerder woest uit. „Wij zijn haar
-genadig geweest, een enkele steek maakte een einde aan haar gevloekt
-leven. Zie hier op deze kris, die vlekken werden veroorzaakt door haar
-bloed!”
-
-„Die gil, dien ik dus gehoord heb....”
-
-„Was haar laatste geluid op deze aarde.... Maar...” ging de Javaan,
-ontembaar hartstochtelijk voort: „Denk niet, dat wij zoo met u zullen
-omspringen. Met eene vrouw konden wij kassian hebben! Gij, gij evenwel
-zult lijden! Gij zult lijden voor de martelingen, die gij anderen
-aangedaan hebt!”
-
-„Vrees echter de bestraffende hand van de Nederlanders. Die zullen mij
-weten te wreken!”
-
-„Om gerechtigheid op u uit te oefenen, trotseer ik alles!”
-
-„Gerechtigheid uitoefenen!... Wie zijt gij dan, die beweert
-gerechtigheid te willen uitoefenen door moord en doodslag? Zeg, wie
-zijt gij?”
-
-„Wie ik ben?... Hebt gij dat niet reeds geraden? Is geen enkel beeld
-van allen, die onder uw wanbestuur te gronde gingen, voor uwe misdadige
-ziel verschenen?... Wie ik ben?... Gij zult het weten!”
-
-In een hoek van het vertrek stond een koelvat met water. De Javaan
-greep den gevulden klapperdop, die er bij behoorde en wiesch zich het
-gelaat af.
-
-„Herkent gij mij nu?” vroeg hij, terwijl hij zich in zijne volle lengte
-voor de beide gevangenen ophief.
-
-„Ardjan!” kreet Lim Ho ontzet.
-
-„Ardjan!” herhaalde van Gulpendam niet minder verschrikt.
-
-Beiden begrepen nu, dat zij een vreeselijken dood te gemoet gingen. De
-te vereffenen rekening was verschrikkelijk.
-
-„Genade! Heb medelijden met ons!” kreten beiden; terwijl ze
-nederknielden en klappertandend het hoofd op den bodem bogen.
-
-„Medelijden!” kreet de aanvoerder schier gillend. „Hebt gij medelijden
-met Dalima en den ouden Setrosmito gehad? Zeg!... Hebt gij medelijden
-met mij en mijn vader gehad?... Spreek dan toch!... Dalima
-geschandvlekt, en ik en mijn vader maanden lang in de gevangenis
-opgesloten, om ten slotte door u, door uzelven voor een lange reeks van
-jaren tot dwangarbeid veroordeeld te worden!... En ik zou medelijden
-met u hebben?... Ha! ha!... Dan was ik wel de grootste „bodohk”
-(domkop) der geheele wereld!... Daarenboven... zeg... wat zoudt gij
-doen, wanneer ik medelijden gevoelde, en ik u vrijliet? Zeg, gij
-Kandjeng toean, wat zoudt gij doen?”
-
-Die laatste woorden waren met zachtere stem uitgesproken. De aanvoerder
-scheen na te denken en te aarzelen. De blanke aterling meende daar een
-sprankje hoop te ontwaren. Bibberend van angst klemde hij zich aan dien
-stroohalm vast. Hij richtte zich op zijn wankelende knieën overeind, en
-handenwringende sprak hij, terwijl dikke tranen hem over de wangen
-biggelden:
-
-„O, vrees niets!... Ik zal alles vergeven... Ik zal Kandjeng
-Gouvernement smeeken ook zoo te doen, en de groote Heer te Batavia zal
-mij verhooren... Al het onrecht, dat gepleegd is, zal hersteld
-worden... Ik zal zelfs zorgen, dat gij een ruime schadeloosstelling
-zult erlangen... Ik zal ze u zelfs uit eigen middelen betalen. Geloof
-mij, al wat gebeurd is, zal gebeterd worden....”
-
-„Ook de schending van Dalima?” liet zich eene rauwe stem achter den
-aanvoerder hooren. „De blanken meenen almachtig te zijn, of zij zien
-ons Javanen al voor zeer onnoozel aan!”
-
-Die woorden wekten Ardjan uit den aanval van verweekelijking op, die
-hem scheen overmeesterd te hebben en hem als het ware in boeien
-geklonken hield. Hij schudde het hoofd, alsof hij eene onwelkome
-gedachte wilde verdrijven. Bij die beweging ging zijn hoofddoek los en
-zwierden hem de lange haren woest en wild over de schouders en den rug.
-
-„Neen, geen genade, geen medelijden!” riep hij uit. „Nu gij daar in
-mijne macht zijt, kruipt gij aan mijne voeten, laf en ellendig als het
-vreesachtigste dier. Hebt gij ooit een Javaan zoo walgelijk lafhartig
-zien handelen, al gold het ook zijn leven? Gij hebt er genoeg naar de
-galg gezonden, om te weten, hoe geheel anders dan de blanken, de bruine
-menschen weten te sterven. Medelijden!... Ha, ha, ha!... Thans doet gij
-beloften, en... wie weet, in uwe ziel berekent gij reeds, hoe gij die
-zult kunnen verkrachten! Beloften van een blanke!... Ha, ha, ha! Alsof
-wij de waarde daarvan niet kennen... Wanneer heeft ooit een blanke zijn
-woord tegenover ons Javanen gehouden? Wanneer...”
-
-Een zijner makkers fluisterde Ardjan iets in het oor.
-
-„Gij hebt gelijk, laten wij het kort maken. Neen, geen medelijden!
-Integendeel, een wreeden dood! Ik had u den meest gruwzamen, de
-„hoekoem madoe” [288] toegedacht...”
-
-Lim Ho slaakte een kreet van ontzetting bij die woorden.
-
-„Ampoen! Ampoen!” huilde hij.
-
-„....maar die duurt te lang,” vervolgde Ardjan onverstoorbaar kalm.
-„Wij zouden, voor dat gijlieden dood waart, overvallen kunnen worden,
-en dat zou jammer zijn. Neen, daarvan ben ik afgestapt. Gij zult de
-„hoekoem Kamadoog” [289] ondergaan. Lim Ho, die hebt gij op mij laten
-toepassen; toen ik niets misdaan had, en de Kandjeng toean vond goed,
-die misdaad ongestraft te laten. Gijlieden zult niet kunnen zeggen, dat
-ik wreeder ben dan gij waart.”
-
-„Kassian! Kassian!” kreten de beide ellendelingen.
-
-„Neen, geen medelijden!” antwoordde Ardjan. En een teeken aan zijne
-makkers gevende, vervolgde hij: „Ontkleedt hen, en brengt hen naar
-beneden!”
-
-In een oogwenk was dat bevel volvoerd. De fraaie residentsrok werd Van
-Gulpendam met hardhandigen ijver van het lichaam gereten. Pantalon,
-hemd, enz. volgden aan flarden. Het „virtus nobilitat” lag weldra
-vertreden onder den voet. Terzelfder tijd onderging de Chinees dezelfde
-bewerking, en weldra stonden beiden naakt voor hunne rechters. De
-handen werden hen op den rug gebonden, waarna de beide rampzaligen
-eenvoudig den trap afgesmeten werden. De aanvoerder herinnerde Lim Ho,
-hoeveel pret deze, acht maanden geleden, aan den dag gelegd had, toen
-Ardjan en de Chineezen Than Khan en Liem King dezelfde buiteling van
-boven naar beneden maakten. Fluks waren beiden nu aan de Niboengpalmen
-gebonden, die voor de hut stonden, en waaraan de beide genoemde
-Chineezen en Ardjan gekneveld geweest waren.
-
-„De Kandjeng toean aan dien boom daar!” gelastte de Javaan, op den
-boom, waarmede hij in herinneringsvolle aanraking geweest was,
-wijzende.
-
-„Ampoen! Kassian!” smeekten beide veroordeelden.
-
-Niemand luisterde naar hen. Toen zij behoorlijk gebonden waren, klonk
-het bevel:
-
-„En, nu er op los!”
-
-Daar traden een viertal mannen vooruit, ieder met een bos van de
-vreeselijke netels gewapend. En daar kletterden de slagen folterend op
-de huid van de twee misdadigers. Waar de bladeren raakten, kromp het
-lichaam van pijn weg.
-
-De Chinees beet zich de lippen ten bloede; maar liet geen kik meer
-hooren. Aanvankelijk wilde Van Gulpendam dat voorbeeld volgen; maar de
-Westerlingen bezitten de taaie zielskracht der Oosterlingen in
-gevaarvolle oogenblikken niet. Eerst begon hij te kreunen en te kermen;
-daarna weende, huilde, en gilde hij. Niets mocht baten; niets kon zijne
-beulen verteederen.
-
-„Kassian! Ampoen! Saja minta ampoen!” (ik vraag vergeving) kreet hij.
-
-Op dat gehuil klonk tot antwoord:
-
-„Dalima! Ardjan! Pak Ardjan! Setrosmito!”
-
-En in het brein van den ongelukkigen blanke weerklonk nog een naam.
-Even schrikkelijk, misschien nog schrikkelijker dan de anderen:
-
-„Meidema! Meidema!”
-
-„Ampoen! Kassian!” kreet hij voortdurend.
-
-Maar zijne stem verzwakte langzamerhand. Eindelijk was zij niet
-verstaanbaar meer, en slechts aan een onduidelijk gerochel gelijk. Het
-regende voortdurend slagen met de vreeselijke netel. Het hoofd viel ten
-slotte ter zijde; ten teeken, dat de lijder alle bewustzijn verloren
-had. Lim Ho had het geluk gehad reeds vroeger zoo ver gekomen en dus
-aan alle lijden onttogen te zijn. Met een van wraakgierigen wellust
-stralend gelaat stond Ardjan zijne beide slachtoffers met verslindende
-blikken aan te staren. Zijne borst hijgde, zijne ademhaling siste,
-zijne vuisten balden zich krampachtig, terwijl de vreeselijke
-strafoefening volvoerd werd. Hij moest zich inspannen, zich weêrhouden,
-om ook niet zoo’n bos Kamadoog-takken te grijpen en mede los te slaan
-op de beide aterlingen, die er niet voor teruggedeinsd waren, de een,
-om hem dezelfde mishandeling te doen ondergaan, en hem in zijne
-dierbaarste genegenheid te krenken, beiden om hem wegens
-opiumsmokkelarij tot langdurigen dwangarbeid te doen veroordeelen.
-Neen, er was geen greintje mededoogen in zijne ziel voor die mannen,
-die zijn geheele bestaan verwoest hadden. Iedere slag deed hem trillen
-bij de herinnering aan hetgeen hij onder diezelfde mishandeling geleden
-had. En, zou er nog plaats voor deernis in zijn ziel geweest zijn, dan
-ware zij verstikt geworden door zijn vader, die achter hem stond en hem
-aanhoudend slechts een woord in het oor fluisterde: „Dalima! Dalima!”
-
-De beide lijders hadden reeds sedert lang het bewustzijn verloren; toch
-dacht Ardjan er niet aan om de mishandeling te doen ophouden. Bij
-iederen slag, bij iedere aanraking met de vreeselijke bladeren, kromp
-de huid der lijders, in weerwil van hunne bewusteloosheid, pijnlijk
-weg. De spieren spanden zich daarbij, zwollen op tot bundels, tot
-knoesten en deelden schrikverwekkende schokken aan die lichamen mede,
-die overigens op hunne beenen niet meer vermochten te staan, en als
-levenlooze voorwerpen, als zakken in de touwen hingen, die hen aan de
-boomstammen gebonden hielden. Meestal hadden de zoo vreeselijk
-gemartelden de oogen gesloten. Soms evenwel openden zij ze, en dan
-verschenen die spiegels der ziel hoogrood met bloed beloopen, en
-verrieden door de wezenloosheid van hunnen blik het ontzettende lijden,
-waardoor het lichaam gefolterd werd. Stervende sloegen beide lijders
-met het hoofd, dat zij niet meer rechtop konden houden, rechts en
-links, voor- en achterwaarts, zoodat het meermalen tegen den ruwen
-Niboeng-stam bonste, waarbij dan de vlokken schuim, die hunne lippen
-kroonden, her- en derwaarts vlogen.
-
-Maar!... aan alles komt een einde; zoo ook aan dat langgerekt lijden.
-Langzamerhand namen de stuiptrekkende bewegingen der gefolterden af, en
-hingen de lichamen roerloos in hunne banden. Het was, alsof de ziel het
-lichaam ontvloden was. Toen eerst sprak Ardjan op den meest
-onverschilligen toon het woord „soedah” (genoeg) uit. Toen zijne
-makkers hem vragend aankeken, vervolgde hij: „boekah!” (maak los);
-terwijl hij daarbij zonder een woord verder te spreken, met den vinger
-naar de zee wees. In een ommezien waren de touwen doorgesneden, en
-ploften de lichamen tegen den grond. Bij dien val opende Van Gulpendam
-nog eens de oogen.
-
-„Meidema!” prevelde hij verstaanbaar, „Meidema!”
-
-De gedachte aan die rampzalige familie, aan die brave lieden, wier
-ongeluk hij veroorzaakt had, benauwde zijne ziel in dien uitersten
-stond. Met dien naam op de lippen blies hij den laatsten adem uit. Ook
-Lim Ho gaf geen teeken van leven meer.
-
-De beide lijken werden naar de Kali Tjatjing gesleept, en daar aan den
-stroomdraad der snelstroomende rivier overgegeven, die hen in weinige
-minuten de wateren der Java-zee toevoerde.
-
-En heel in de verte tusschen de beide landtongen door, was de
-Chineesche schoenerbrik Kiem Ping Hin te bespeuren, die, hare zending
-getrouw, daar buiten den smokkelrayon, met de Engelsche vlag in top,
-voor anker lag, en het intreden van den zeewind afwachtte, om de kust
-te kunnen naderen, ten einde hare smokkelwaar voor rekening van de
-kongsie Lim Yang Bing aan wal te brengen.
-
-
-
-
-
-
-
-XLII.
-
-NAAR EN IN DE GOEWAH TEMON.—BESLUIT.
-
-
-„Anna!... Anna!...” had Van Nerekool geroepen.
-
-In dien kreet had hij zijne geheele ziel gelegd. Maar, te vergeefs. Bij
-de buiging van het pad waren de beide meisjes achter de rotsen
-verdwenen. Toen Karel, Theodoor en Murowsky het punt bereikten, waar
-zij de lieve gestalten voor het laatst gezien hadden, was er van haar
-niets meer te bespeuren.
-
-„Anna!... Anna!” herhaalde Van Nerekool zijn geroep.
-
-Een heldere echo antwoordde als eene bespotting achter hem van den
-kant, van waar zij kwamen.
-
-Een oogenblik stonden alle drie stil, om adem te scheppen. Het pad
-slingerde scherp omhoog, en bij de snelheid, waarmede zij zich
-voortgespoed hadden, was het geen wonder, dat zij verademing noodig
-hadden.
-
-„Anna!... Anna!...” kreet Karel andermaal.
-
-Niets dan de echo, die van den verkeerden kant, de beide lettergrepen:
-Anna! Anna! scherp liet hooren.
-
-Eindelijk ijlden zij weêr voort. Het pad slingerde steeds over de
-ribben en wrongen, die van den nok van de bergmassa afdaalden, vermeed
-hier een groote rots, week ginds voor een plotselinge kronkeling van
-eene woeste bergbeek uit, overwon elders door zijn zigzag-wendingen
-eene te scherpe helling, maar bleef steeds klimmen, en voerde blijkbaar
-naar den nokrand, die het plateau van den Goenoeng Poleng omgaf. Soms,
-ja veelvuldig zelfs, daalde het pad, om het ravijn tusschen twee
-bergribben te overschrijden; maar dat dalen, wel verre van ontspanning
-te verleenen, putte integendeel meer uit; want, afgescheiden dat
-daarbij de knieën op die steile hellingvlakten schier ontwricht werden,
-werd iedere afdaling door eene hoogere stijging gevolgd, die de longen
-op eene geduchte proef stelde.
-
-Maar.... voort! altijd voort! spoedden de drie vrienden. Het ongeduld
-van Van Nerekool gedoogde geen talmen, geene vertraging. Alle drie
-hijgden, snakten naar adem of bliezen als noordkapers; maar getroostten
-zich die inspanning en ijlden voort. Naar hunne meening moesten zij de
-beide meisjes inhalen. Aan een ontkomen kon niet gedacht worden, want
-het eenige pad kronkelde door zoo’n woest terrein, dat een rechts of
-links uitwijken tot de onmogelijkheden gerekend konde worden.
-Intusschen van Anna en Dalima werd niets meer bespeurd, hoe de
-vervolgers dan ook uitkeken, wanneer zij een hoogen ribnok bereikt
-hadden, en soms een uitgestrekt gedeelte van het te volgen pad overzien
-konden.
-
-Eindelijk hadden zij het hoogste punt van den plateaurand bereikt, en
-stonden een oogenblik uit te blazen van de geweldige inspanning. Maar,
-hoe zij ook uitkeken, van de beide lieve meisjes was geen spoor te
-ontdekken. Het pad, dat nu niet meer klom of daalde, slingerde tusschen
-rotsblokken, heuveltoppen en boschjes van dwergachtig geboomte door, en
-leverde geen uitgebreiden gezichtskring op.
-
-„Zij kunnen ons niet ver voor zijn,” sprak Van Nerekool. „Kom, vooruit!
-Vooruit!”
-
-Toch vergiste de rechterlijke ambtenaar zich eenigermate. De meisjes
-waren veel voor. Vooreerst hadden zij reeds een aanmerkelijken
-voorsprong gehad, toen de vervolging begon. Dan hadden zij zich met
-vluggen voet gerept op dat pad, hetwelk haar bekend was, en dat zij
-gewoon waren te betreden. Zelfs hadden zij door die bekendheid
-gelegenheid gevonden, hier en daar een bocht, een kronkeling af te
-snijden. Eindelijk had de angst van ingehaald te worden, Anna vleugelen
-verleend, en was Dalima genoodzaakt geweest haar te volgen. Toen zij
-het plateau bereikt hadden, liepen zij recht voor zich uit in
-zuidelijke richting. De zee kon niet ver meer af zijn. Het gedonder der
-branding, die zich, zoolang de meisjes zich op de berghelling bevonden
-hadden, als een verwijderd gerommel had laten vernemen, was thans
-duidelijker waarneembaar. Ja, naarmate de meisjes volgens de ingeslagen
-richting voortijlden, konden zij den grond soms voelen trillen onder de
-machtige mokerslagen, die de oceaan aan de loodrechte rotswanden,
-waartegen hij brak, toebracht.
-
-„Waar loopen wij heen, Nana?” vroeg Dalima hijgend.
-
-„Voort! voort!” riep Anna; terwijl zij schuchter achter zich keek.
-
-„Maar, waarheen, Nana?”
-
-„Naar ginds!” sprak het meisje beslist; terwijl zij met den vinger
-zuidwaarts wees.
-
-„Maar, daar is de zee!” kreet Dalima.
-
-„Ja, daar moeten wij zijn!”
-
-„Maar, wat wilt ge daar?”
-
-„Daar weet ik een schuilplaats, waar ons niemand vinden zal.”
-
-„Daar eene schuilplaats, Nana?”
-
-„Ja, kom voort! Voort! Nog eene inspanning! Wij naderen!”
-
-„Eene schuilplaats! Maar, gij hebt mij verteld, Nana,” hernam Dalima
-voortstrompelend, echter met hijgenden adem, „dat daar niets was dan de
-naakte rots?”
-
-„Maar in die rots zijn holen?” sprak Anna gejaagd.
-
-„In de Goewah’s!” kreet de baboe ontzet. „Wilt gij daarin uwe toevlucht
-nemen?”
-
-Anna antwoordde eenige woorden, die de baboe niet verstaan kon. Als een
-hinde voortijlende, was de residentsdochter hare Javaansche gezellin
-ietwat vooruit gekomen. Helaas, hoe sterk van gestel deze laatste ook
-was, hoeveel goede wil haar ook bezielde, de toestand, waarin zij zich
-bevond, deed zich gelden. De last, dien zij te torsen had, was dubbel,
-en bij de inspanning, die zij had moeten aanwenden, was het geen
-wonder, dat de krachten haar begonnen te begeven. Het bloed begon haar
-naar het hoofd te stijgen, hare slapen klopten, hare ooren suisten,
-hare oogen werden met een roodachtig waas overtogen, een ondragelijk
-gevoel van loomheid en matheid overviel haar. Toch strompelde zij
-voort. Met beide handen ondersteunde zij hare lendenen, die dreigden te
-bezwijken. Hare ademhaling werd sissend, zij was eene onmacht nabij.
-Maar hare geestkracht hield haar staande. Zij volgde hare gezellin,
-terwijl zij prevelde:
-
-„Madjoe! Madjoe!” (vooruit, vooruit).
-
-Neen, zij zou Nana in dezen stond niet aan haar lot overlaten.
-
-Zoo ging het nog een poos voort. Eindelijk bij het omslaan van een
-rotsgevaarte, dat het pad scheen af te sluiten, stond Anna stil. Voor
-haar breidde zich de Indische Oceaan, die zij van eene hoogte van 1200
-voeten beheerschte, in zijne geheele onmetelijkheid uit. Angstig keek
-zij achter zich. Het pad, dat zij gevolgd had, was van hier over eene
-groote uitgestrektheid waarneembaar; maar daarop was hoegenaamd niets
-te ontwaren. Zouden de drie mannen de vervolging opgegeven hebben? Of
-zouden zij haar niet bespeurd hebben? Zij meende toch herhaaldelijk
-haren naam te hebben hooren roepen. Dat kon evenwel eene uitwerking
-harer angstige verbeelding geweest zijn. Nogmaals liet zij het oog
-achterwaarts waren, en peilde den gezichteinder met scherpen blik.
-Maar, niets! niets! Toen wijdde zij hare aandacht aan Dalima, die
-hijgend en kreunend bij haar aangekomen was, en zich schier onmachtig
-op den grond had laten vallen. Zij zette zich naast hare gezellin
-neder, sprak haar moed toe, wreef en kneedde haar op Inlandsche wijze
-de zenuwbundels van hoofd en hals, klopte haar in de handen, en liet
-niet na, haar de meest teedere zorgen te wijden, dan toen zij Dalima
-kalm zag. Toen dat doel bereikt was, keek zij nog eens angstig
-achterwaarts; maar trad, toen zij niets bespeurde, vastbesloten vooruit
-naar den rand der helling, die voor haar afdaalde naar beneden.
-
-„Ja,” prevelde zij, „de ladder hangt er steeds. Ik heb veel van de
-Goewah Temon [290] hooren verhalen. Daarin zal ik, als het moet, een
-toevlucht zoeken.”
-
-En andermaal noordwaarts kijkende.
-
-„Maar ik hoop, dat ik dien schrikkelijken tocht niet zal behoeven te
-ondernemen... Ik zie niets,” zei ze met een zucht. „Als Karel mij op
-het spoor was, dan zou hij nu reeds op het plateau verschenen zijn.”
-
-Toen keerde zij het gelaat naar den vollen Oceaan. Zij bleef steeds, al
-verborg zij zich ook onder een Javaansch kleed, een kind van het
-Westen, dat wil zeggen, dat zij een open oog had voor de heerlijkheden,
-welke de natuur ter bewondering aanbood. Voor haar strekte zich de
-Indische zee uit; daar ginds ver met de lucht samensmeltende, maar toch
-een kring vormende, die de afscheidingslijn, waar lucht en water
-elkander schenen te raken, scherp waarneembaar maakte. Iets dichter bij
-nam de zee een donkerblauwe tint aan, die met het azuur des hemels een
-eigenaardige schakeering vormde, welke te merkbaarder werd door de
-groote deininggolven die van het Zuiden aangerold kwamen, en vaak de
-verbeelding in de war brachten door de meening, dat zij als het ware
-vloeibare heuvelenrijen waren, die zich van de kim losgescheurd hadden,
-en nu met den spoed van een sneltrein naar den Java-wal losstormden.
-Die deiningbaren waren glad en effen, want geen windje rimpelde hare
-hellingen; zoodat men ze met de plooien zoude hebben kunnen vergelijken
-van een horizontaal uitgespannen onmetelijk blauw doek, dat in golvende
-beweging gebracht werd. De vlakken dier golven, welke regelmatig als de
-gelederen van een defileerend leger aanrukten, waren naar de zijde van
-den gezichteinder zwakhellend, als ware de oceaan te amechtig om zich
-te verheffen. Maar naar den kant van den wal was die helling steil,
-scherp, en rolde donker-, soms zwartblauw getint, en deed zich voor als
-een onmetelijken muur, die naderbij rolde. Aanvankelijk was de top van
-den deininggolf zacht afgerond; maar, hoe meer de baar den wal naderde,
-des te meer steigerde die top op, des te scherper werd hij. De beide
-hellingen naderden elkander al meer en meer. Eindelijk was het geene
-ronding meer, die de beide vlakken verbond; het was een nok, later nog
-slechts een scherpe kam, die, driest en wild de beweging van den voet
-van den golf vooruitliep, daardoor al steiler werd, eindelijk begon
-voorover te hellen, een cirkelboog, een onmetelijke krul vormde, nog
-meer kromde, ten slotte als het ware scheurde, en zich met een breeden
-sneeuwwitten rand, als met eene schitterend zilveren franje tooiende,
-met donderend geweld nederplofte, waarbij hij de oppervlakte van den
-oceaan in de onmiddellijke nabijheid in een verblindend witte melkzee
-deed veranderen, welke schuimend, donderend, opstuivend en klotsend
-tegen den rotswand kwam opstormen, die haar toeriep: tot hiertoe en
-niet verder!
-
-Anna vermeed daar in de diepte aan hare voeten, waar de watermassa in
-woedende golven kookte en bruiste, te kijken. Zij vreesde haren moed te
-voelen ontzinken, als het wichtige oogenblik mocht aanbreken. Zij keek
-maar liever daar ver, zeer ver aan den horizon. Daar nagenoeg zuiver
-ten Westen werd Noesa Kembangan ontwaard, dat fraaie, heuvelachtige
-eiland, hetwelk zich met zijn weelderigen plantengroei op den afstand,
-van waar het jonge meisje er naar tuurde, als een bloemenmand op de
-watervlakte drijvende, vertoonde. Zij zag daar den vuurtoren, welke
-zich op den Tjimering-heuvel [291] verhief, en door zijne witte kleur
-zeer tegen de blauwe lucht afstak; zoodat hij zich als een smalle,
-rechtstandige wolkenzuil vertoonde. Hier en daar was het oppervlak der
-zee gespikkeld met blanke zeilen, die haar bevallig stoffeerden, alsof
-groote, witte watervogels er op dartelden. En even of het toeval die
-gelijkenis wilde bekrachtigen, kwam er een zwerm steltloopers voorbij
-gevlogen, die als een mat-witten band op het azuur des hemels vormden
-en krijschend naar het Westen vlogen, waarschijnlijk om de vischrijke
-moerassen, die de Kinderzee omgeven, een bezoek te brengen. Die snelle
-vlucht legde eene weemoedige gedachte in Anna’s hart.
-
-„Ook ik wilde wel heênvliegen,” prevelde zij, „heênvliegen ver, zeer
-ver!”
-
-En onder den spoorslag van die opwelling wierp zij een blik op haar
-vervlogen leven. Het beeld van Karel van Nerekool verscheen voor haren
-geest. Als in een droom tooverde haar de phantasie voor, hoe gelukkig
-zij aan de zijde van dien man had kunnen zijn. Zij herinnerde zich, de
-„invitation à la valse,” bij welker heerlijke tonen zij, in zijne armen
-gestrengeld, gezweefd had, en hem de bekentenis zijner liefde ontsnapt
-was. Zij doorleefde in gedachten de heerlijke oogenblikken, die zij
-daarna in den tuin van het residentiehuis genoten had. Zij zag het
-Pandanboschje, waarachter Karel haar staande hield, om haar nogmaals
-zijne liefde te belijden. En, bij het rythmisch gedonder van den
-oceaan, die aan hare voeten zijne machtige melodieën deed hooren,
-weerklonk in hare ooren, de vertolking van het fraaie duo, door picolo
-en cornet à piston gebracht:
-
-
- „Un jour l’âme ravie,
- Je vous vis si jolie,
- Que je vous crus sortie
- Du céleste séjour.
- Etait-ce donc un ange, une femme,
- Qui venait d’embraser mon âme?
- Las! Je ne sais encor... mais depuis ce beau jour,
- Je sais que j’âime d’un pur amour!”
-
-
-Zij voelde Karels armen hare leest omklemmen. Zij hoorde zijne stem:
-
-„Anna, ik heb u lief, onmetelijk lief, anders lief dan ik mijne moeder,
-mijne zuster, anders dan ik mijn eigen zou liefhebben!”
-
-Wat heerlijke woorden! Wat goddelijke stond! En voortdroomende:
-
-„Zeg, Anna,” fluisterde hij, „zeg, bemint gij mij, dierbare? O, ik weet
-het, gij hebt mij daarop straks reeds antwoord gegeven; maar herhaal
-dat „ja” hier, waar wij ons alleen en ver van het gewoel der wereld
-bevinden, alleen onder het oog van God. O, herhaal dat woord, Anna, dat
-mij zoo gelukkig maakt.”
-
-Zij had goed onthouden, het lieve kind. Geen wonder, die woorden waren
-in haar hart gegrift. En zij voelde den kus, die de bezegeling van haar
-antwoord was. Zij voelde;... maar evenals te Santjoemeh was de
-ontwaking uit den schoonen droom nabij. De stem harer moeder meende zij
-nog te hooren. Verschrikt keek zij op. Zij wilde vl... Neen... dat
-niet! Zij vloekte niemand; maar toch sloeg zij de oogen met een
-verwijtenden blik ten hemel op, bij het besef van zooveel geluk, dat in
-ramp verkeerd was. Het liefelijke droombeeld was reeds verdwenen.
-
-„Een verwoest leven!” zuchtte zij.
-
-Een plotselinge kreet deed haar ontzetten.
-
-„Nana,” riep Dalima, „toean toean njang datang!” (de heeren komen).
-
-En, inderdaad, Anna zag daar met schrik bij eene buiging van het pad
-Murowsky, Van Nerekool en Grenits met groote haast naderbij treden.
-Zonder zich te bedenken, liep zij de scherpe helling, die voor haar
-naar de zee afdaalde, naar beneden.
-
-„Nana! Nana!” riep Dalima in de grootste ontsteltenis uit. „Wat gaat
-gij doen?”
-
-Het arme Javaansche meisje poogde hare gezellin te volgen, maar
-alvorens zij opgestaan was, was Anna haar reeds ver vooruit.
-Daarenboven beladen en vermoeid, als zij was, kon zij haar onmogelijk
-vlug genoeg volgen. Toen zij aan het uiteinde der helling gekomen was,
-welke in een loodrechten rotswand eindigde, die steil in zee afdaalde,
-kwam zij nog tijdig genoeg, om daar op een afstand Anna de bovenste
-sporten eener rottanladder te zien grijpen, welke langs dien
-natuurlijken muur naar beneden voerde.
-
-„Nana!... Nana!...” kreet zij.
-
-Zij stormde vooruit. Zij zag haar den voet op de ladder zetten;... zij
-zag haar lichaam trede voor trede verdwijnen.
-
-„Nana!... Nana!...”
-
-Nu kon zij het hoofd nog slechts zien... Dat dook ook weg. Nu ontwaarde
-zij slechts de handen, die de bovenste sport omklemden...
-
-„Nana!... Nana!...”
-
-Ook die handen lieten los;... eerst de eene... toen de andere... Juist
-bukte Dalima zich, om die laatste hand te grijpen... Weg!... weg!
-
-Toen wierp zich het Javaansche meisje voorover op den bodem, en bracht
-het hoofd over den rand van den afgrond, die daar onder haar gaapte.
-Helaas! wat zij daar zag was ijzingwekkend. Maar, zij had geen tijd, om
-hare aandacht te wijden, aan wat daar beneden haar oog trof.
-
-„Nana!... Nana!...” kreet zij nogmaals.
-
-Maar, daar voelde zij zich bij den arm gegrepen. Zij keek op. Van
-Nerekool stond naast haar.
-
-„Gij, Dalima!” riep hij uit, niet begrijpende, wat er gebeurde. „Waar
-is nonna Anna!”
-
-„Allah! tobat, toean!” riep de baboe, steeds op den grond liggende, met
-hartverscheurende stem uit, en wees met den vinger in de diepte.
-
-„Daar, daar?” vroeg Karel ten hevigste ontsteld; terwijl hij zich op
-zijne beurt op den grond wierp, om in de vervaarlijke diepte te turen.
-
-Gelukkig, dat Grenits en Murowsky hem op den voet gevolgd waren. Bij de
-gevaarlijke stelling, die hij innam, en bij het meer dan onvoorzichtig
-voorover buigen van het bovenlijf over den rotsrand, was het noodig,
-dat die twee hem bij de beenen grepen.
-
-„Karel!... Karel!...” riepen zij ontzet.
-
-„Anna!... Anna!...” kreet hij op hartverscheurenden toon.
-
-Daar beneden zich zag hij het meisje langs de lange ladder [292]
-behoedzaam naar beneden dalen. Van rottankabels vervaardigd, wiegelde
-die ladder onder den last, dien zij droeg. Haar uiteinde raakte de zee,
-en werd door de verbolgen branding heen en weer geslingerd. Kwam de
-baar aanstuiven, dan werd dat uiteinde meegesleept, de grot in, waarin
-het water met donderend geweld drong: liep zij terug, dan volgde dat
-uiteinde de beweging, die de kracht eener cataract had, met zooveel
-onstuimigheid spoot dan als het ware het water naar buiten. Bij dat
-slingeren smakte Anna herhaalde malen tegen den rotswand, of hing zij
-op aanmerkelijken afstand van dien muur boven de zee, die onder haar
-woelde, kookte, zich in fijn verdeeld waterstof sloeg, en naar het
-meisje opspatte als naar eene wisse prooi.
-
-Afgrijzen, ontzetting bevingen Van Nerekool bij dat schouwspel.
-
-„Anna!... Anna!...” kreet hij andermaal.
-
-Dezen keer scheen zij gehoord te hebben. Schuchter keek zij omhoog. Zij
-was reeds twee derde der ladder afgedaald. Toen zij dat hoofd, hetwelk
-zij dadelijk herkende, zich daar boven haar tegen de heldere, blauwe
-lucht zag afteekenen, stiet zij een gil uit, en haastte zich verder
-naar beneden.
-
-Van Nerekool sprong op.
-
-„Ik moet naar beneden,” sprak hij gejaagd.
-
-En, voor dat zijne vrienden zich tegen dat voornemen hadden kunnen
-verzetten, had hij de topeinden der ladder gegrepen, het been over den
-afgrond uitgestrekt, en op een der eerste sporten geplaatst, en begon
-hij de schrikkelijke afdaling. Het was thans de beurt van Grenits en
-Murowsky, om zich op den grond te werpen, ten einde gade te slaan, wat
-daar beneden hen gebeurde.
-
-Het was een ontzettend schouwspel, die twee wezens daar op die
-beweeglijke ladder boven die woedende branding te zien bengelen. Beiden
-gevoelden zich benauwd, schier ademloos, en bovenal rampzalig
-ongelukkig, daar zij in den uitersten nood geene hulp vermochten aan te
-brengen.
-
-Toen Anna bemerkte, dat Van Nerekool haar volgde, gaf zij onbewust
-gehoor aan den aandrang, die haar bezielde, om te vluchten, en daalde
-nog sneller naar beneden. Evenwel begon eene andere gedachte haar bezig
-te houden. Veel had zij de bewoners van de dèsa Ajo over de Goewah
-Temon hooren vertellen. Zij wist, dat bij eb de ingang van die grot,
-welke met de oppervlakte der zee gelijk was, te bereiken en daar in te
-dringen was. Zij wist ook, dat het indringen slechts zwemmende kon
-geschieden, daar de zool der schacht ter hoogte van zes voeten onder
-water was. Daarvoor was zij evenwel niet teruggedeinsd; want zij zwom
-als eene meeuw. Maar... maar... dat was bij eb. Bij eb!... Ja, bij
-eb... wanneer de zee kalm is en de branding ver van de voet der rotsen
-verwijderd blijft... En thans... thans beukten de golven tegen de
-rotswanden, de deining brak tegen hun voet.... Het was haar
-daarenboven, alsof iedere vloedgolf hooger steeg... En zij daalde
-steeds... daalde... daalde nog meer.
-
-„Anna!... Anna!” kreet Karel boven haar.
-
-Eindelijk had zij het gewelf van de grot bereikt. Zij wist, dat die
-ingang bij lagen waterstand vijftig voet hoog was. Wat kwam haar die
-poortopening nu klein voor! O, een groot gedeelte was onder de
-wateroppervlakte bedolven. Zij meende de rottanstellingen te kunnen
-bereiken, die van den ingang langs de wanden der grot naar haar
-binnenste aangebracht waren, om de vogelnestplukkers bij hunne
-inzameling ten dienst te zijn... Zij stak reeds de hand uit, om die
-kabels te grijpen... Daar krulde een onmetelijk hooge baar aan hare
-voeten, brak met donderend geweld, en schudde het ondereind der ladder,
-die zonder steun voor de opening der grot slingerde, met zoo’n kracht,
-dat het arme meisje, ten hoogste ontsteld, het bewustzijn verloor, de
-handen losliet en in de diepte neerstortte.
-
-„Een verwoest leven!” kreet zij nog in haren val.
-
-Van Nerekool zag haar een oogenblik in het midden van die kokende
-branding drijven. Vol afgrijzen zag hij haar in dat witte schuim als in
-een lijkwa rollen en wentelen. Een ondeelbare seconde zag hij haren
-donkeren haardos in rijke lokken op dien helderen grond golven; toen
-werd zij door de opdringende zee de grot ingesleurd, en was zij voor
-zijn blik verdwenen. In zijn oog was zij verloren, onherroepelijk
-verloren. Hij bengelde daar boven den afgrond, die het dierbaarste
-wezen verzwolgen had en wist niet wat te doen. Hij zag de baar tot rust
-komen, hij zag haar naar zee terugijlen, hij zag het water met
-grootsche kracht de grot uitstroomen; maar... in de helderblauwe kolom,
-die daar als het ware voortspoot, werd hij niets gewaar, dat op een
-lijk of op een drenkeling geleek. Hij begreep, dat Anna in de grot
-gebleven was; hetzij zij zich had weten te grijpen, hetzij zij met hare
-kleeding ergens aan was blijven haken. Snel daalde hij. Hij moest van
-het oogenblik gebruik maken. Hij moest, voor dat een nieuwe baar
-aanrolde, het bovengewelf bereikt hebben. Met koortsachtige haast greep
-hij de sporten. Hij gebruikte zijne voeten niet; neen, hij gleed
-veeleer naar beneden, en.... daar greep hij een der rottankabels der
-stelling, en had zijn voet de ladder verlaten, toen deze andermaal
-geweldig geschud, en voor den ingang heftig heen en weder geslingerd
-werd.
-
-Hij was nu betrekkelijk in veiligheid. Twee zeer dikke kabels strekten
-zich op evenwijdigen afstand van elkander langs den wand naar het
-binnenste der grot uit. Van afstand tot afstand waren zij met
-gemoetoe-touw aan uitstekende rotspunten bevestigd. Op den eenen kon
-hij de voeten zetten, en zich aan den anderen met de handen.
-vastklemmen. Onder hem kookte de zee, boven hem en rondom hem
-fladderden de „lawets” (zeezwaluwen) met schellen kreet, en vlogen door
-het opspattende zeeschuim en het fijn verdeelde waterstof de grot in en
-uit, verschrikt als zij waren, over het verschijnen van dat menschelijk
-wezen, hetwelk niet anders kon, volgens hen, dan een aanslag komen doen
-op hunne nesten.
-
-Grenits en Murowsky hadden het vallen van Anna en het verdwijnen van
-Karel in de grot met de grootste ontsteltenis waargenomen.
-
-„Wat nu?” riep de een.
-
-„Wij kunnen hierboven niets doen!” riep de andere.
-
-Dalima smeekte om mededeeling van hetgeen zij gezien hadden. Toen zij
-dat vernomen had, riep zij:
-
-„Dan snel naar den loerah van de dèsa Ajo, die heeft eene djoekoeng,
-waarmede hij wel eens de Goewah’s bezoekt!”
-
-En het moedige Javaansche meisje vergat haren toestand, vergat
-vermoeidheid, en ijlde reeds het pad, gevolgd door de beide Europeanen,
-af.
-
-
-
-En ziet, ja, zij vonden de djoekoeng, waarvan Dalima gesproken had.
-
-De loerah zette een bedenkelijk gezicht, toen hij den wensch der twee
-blanken vernam. Hij wees hoofdschuddend naar de monding der kali
-Djeties. En, inderdaad, daar worstelde het afstroomende rivierwater met
-den opkomenden vloed, en deed de aanrollende deininggolven in woeste
-brekers opstuiven. Het hart der twee vrienden gevoelde zich op dat
-gezicht als in eene klemschroef besloten. Zouden zij het moeten
-opgeven, en Van Nerekool aan zijn lot overlaten?
-
-„Vijftig gulden, loerah,” zei Theodoor Grenits, „wanneer gij ons in de
-grot brengt!”
-
-De Javaan krabde zich met een eigendommelijk gebaar in den hoofddoek
-achter het oor.
-
-„En ik voeg er vijftig bij,” vulde Murowsky aan.
-
-Het gekrab werd verdubbeld. De Javaan was besluiteloos. Hij wisselde
-angstvallig eenige woorden met een paar mannen van zijn gevolg. Deze
-schenen niet zoo zwaartillend. Zij antwoordden met een gebaar van
-geruststelling en sprongen in de djoekoeng, waarin de beide Europeanen
-hen volgden.
-
-„Ieder uwer vijf en twintig gulden, als wij het doel bereiken,” sprak
-Grenits aanmoedigend tot hen.
-
-„En ik doe er evenveel bij,” sprak de Pool. „En nu flink de „dajoengs”
-(pagaaien) gerept!”
-
-De loerah had plaats aan den achtersteven van het ranke vaartuig
-genomen, en voerde den stuurpagaai. Ook de beide Europeanen en zelfs
-Dalima hadden zich van een pagaai voorzien en hielpen naar vermogen om
-te roeien. De djoekoeng schoot onder den aandrang van die zes
-schepbladen snel vooruit.
-
-Aanvankelijk, zoolang het vaartuig in de baai was, ging alles goed. De
-loerah stuurde naar het midden van den ingang der Moeara, om de
-wielingen en terugstroomingen des waters door den gekartelden,
-rotsachtigen oever teweeggebracht, te mijden. Met den stroomdraad der
-rivier meegaande, schoot de djoekoeng als een pijl aan de boogpees
-ontsnapt, vooruit. Maar, zoo meer zij de monding naderde, zoo meer liet
-zich de aandrang van den oceaan gevoelen. De stroomsnelheid der rivier
-vertraagde toch langzamerhand, vertraagde nog meer, totdat zij
-eindelijk schier niet meer merkbaar was. Daarentegen begon nu de
-oppervlakte van het water in beweging te komen. Reeds kabbelden golfjes
-tegen den voorsteven, alsof zij dien lekten; die golfjes namen in
-omvang toe, zij sloegen langs de boorden en begonnen aan het vaartuig
-eene stampende beweging te geven. Men was de zone der brekers nabij. De
-djoekoeng schoot immer vooruit; zij bevond zich reeds te midden van de
-melkzee, door de branding veroorzaakt, te midden der kokende
-opborrelingen, door een zoo even neergeploften deininggolf veroorzaakt.
-Zij scheen op schuim te dansen.
-
-De loerah zat met saamgeknepen lippen en met scherpziend oog vooruit te
-turen, en hield zijn stuurpagaai onwrikbaar vast, hoezeer de golven er
-tegen beukten, hoezeer de wielingen hem in zijne hand poogden te
-verwrikken. Hij tuurde uit. Zou hij kunnen laten vooruitschieten? Toen
-de eerst nabijzijnde baar brak, was de uitgeholde boomstam nog op een
-zekeren afstand er van verwijderd. Zou hij de ruimte tusschen die en de
-daaropvolgende kunnen doorstevenen, alvorens die tweede brak? Neen,
-meende hij, dat ging niet. Hij keek uit, daar kwam de baar nader. Als
-eene onmetelijke plooi kwam zij aangerold. Voor hen, die in de
-djoekoeng zaten, had zij het voorkomen van een berg. Zij ijlde het
-vaartuig te gemoet, dat op zijne beurt onder den druk der vijf pagaaien
-steeds krachtig vooruitstevende. De baar naderde, zij steigerde reeds,
-als het ware; loodrecht verhief zij zich voor den notedop, die onzinnig
-genoeg scheen, haar te willen trotseeren; reeds kuifde zij zich met een
-schitterenden zilverrand, en scheen een aanrollenden blauwen muur te
-zijn, die, blinkend gepolijst, onder de zonnestralen schitterde.
-
-„Brenti!” (ophouden) beval plotseling de loerah, die de gedaante der
-baar en haren afstand zorgvuldig gadesloeg.
-
-De dajoengs staakten hunnen voortstuwenden arbeid, en had de djoekoeng
-spoedig hare voortgaande beweging verloren. Daarop was het, alsof zij
-zonder eenigen aandrang vooruitging de baar te gemoet. Het was of zij
-opgezogen zoude worden in de krul, die zich vormen ging.
-
-„Moendoer! Moendoer!” (achteruit!) schreeuwde de loerah; terwijl hij
-zelf zijn werktuig te water sloeg.
-
-Gelukkig, dat het ranke notedopje aan dien aandrang dadelijk
-gehoorzaamde en achteruitstoof; want, daar helde de baar in een
-onmetelijken boog voorover. Een oogenblik, slechts, een ondeelbare
-seconde gunde zij aan de opvarenden der djoekoeng, die haar zoo nabij
-gadesloegen, een blik in de uitholling, welke zij daarstelde, en
-waardoor zij zich als een overgrooten in vorming zijnde cilinder
-voordeed, wiens wanden gedeeltelijk uit zachtblauw doorschijnend
-kristal zouden bestaan. Maar nog meer krulde de baartop voorover,
-vormde ongeveer drie vierde van een cirkelomtrek, en plofte toen met
-donderend geweld op slechts weinige passen van het vaartuigje uiteen,
-en overtoog het geheele oppervlak der zee in de nabijheid met blinkend
-wit schuim.
-
-„Madjoe! Madjoe!” (vooruit) schreeuwde de loerah.
-
-En daar schoot de djoekoeng, door krachtige armen voortgestuwd, over de
-wielingen, de kolken, de schuimmassa’s, die haar omringden. O, zij
-moest zich reppen. Zij moest die streek voorbij zijn, alvorens de
-achteraan rollende golf haar bereikt zoude hebben, zij moest in volle
-zee zijn, alvorens die dezelfde branding onderging. Met kracht sloegen
-de dajoengs te water, en trillend schoot het vaartuig vooruit. Nog een
-poos, nog eene inspanning.... Daar verhief zich de steven....
-
-„Madjoe! Madjoe!” moedigde de loerah aan; terwijl hij zelf zijne
-inspanningen verdubbelde.
-
-Het vaartuig, stevig voortgestuwd, steeg tegen de helling der baar op,
-die nog niet steil opgesteigerd was, verscheen een oogenblik op de
-kruin van den waterheuvel, alsof hare beide uiteinden in de lucht
-zweefden, en zij slechts in het middengedeelte ondersteund werd, schoot
-de andere helling vlug af, en.... was nu buiten gevaar.
-
-Ras stuurde de loerah zuidoostwaarts. Er was evenwel tijd noodig om den
-ingang van de Goewah Temon te bereiken. Toen men dan ook ter harer
-hoogte kwam, was de eb reeds ingetreden en had de stuurman slechts
-eenige voorzichtigheid te betrachten, om die grot binnen te loopen.
-
-
-
-Wat vond inmiddels daar binnen plaats?
-
-Toen Van Nerekool op de stelling aangeland was, schreed hij in het
-halfduister, dat in de spelonk heerschte, behoedzaam voorwaarts. Hij
-bespeurde, dat dit onderaardsche gewelf zich zeer ver onder den berg
-uitstrekte; maar hij bemerkte ook, dat de zool der grot onmerkbaar
-klom, zoodat de zee, behoudens in eenige nevenholen, in de hoofdgrot
-slechts een paar honderd voet naar binnen drong. Maar in dat gedeelte
-heerschte zij dan ook in deze oogenblikken met oppermachtigen scepter.
-Aanvankelijk bespeurde hij niets van hetgeen hij zocht. Hij keek scherp
-uit, terwijl hij zijn koorddansers kunststuk volbracht, en de grot al
-dieper en dieper indrong. Eindelijk, daar bij een groot trachietblok,
-waartegen het water heftig bruischte en dwarrelde, meende hij iets te
-ontwaren. Van de uitstekende gedeelten van de ruwe rotsmassa, liet hij
-zich behendig naar beneden zakken, en was gelukkig genoeg de
-bovenvlakte van die trachietmassa te bereiken. Ook deze verleende hem
-steunpunten genoeg, om naar de wateroppervlakte af te dalen en daar
-vond hij Anna geheel bewusteloos, die zich in haren doodsangst aan de
-brokstukken van het reddende blok geklemd had. Het benedengedeelte van
-haar lichaam lag in het water; het hoofd rustte op haren arm, die een
-vooruitstekenden rotsbrok omgaf. Snel omvatte Karel haar middel, en
-tilde haar tegen het trachietblok op. Hij moest zich haasten; want het
-was niet te ontkennen, de vloed liep al hooger en hooger, en onmogelijk
-was het niet, dat het rampzalige, bewustelooze meisje medegevoerd werd.
-Na eene geweldige inspanning gelukte het hem, haar op het bovenvlak van
-de rots te tillen en nam hij daar naast haar plaats. Hij ontdeed zich
-van zijn jasje en spreidde dat op den steen uit, om haar de zitplaats
-zooveel mogelijk zachter te maken. Haar hoofdje rustte op zijnen
-schoot, en in die houding liet hij haar stil rusten. Met zijn zakdoek
-wischte hij haar het zeewater van het bleeke gelaat en spreidde hare
-weelderige lokken over zijne knieën uit, om die te doen drogen. Een
-enkele blik had hem de overtuiging geschonken, dat de vloed nimmer het
-bovenvlak van het trachietblok bereikt had, en dat zij derhalve daar
-veilig zaten. Hij begreep dat, zoolang de eb niet ingetreden was, er
-aan geen terugtocht te denken viel, daarvoor was het geweld van de
-deininggolven dier onmetelijke wereldzee te groot. Met laag water zou
-het mogelijk zijn de ladder, die nog steeds voor de opening der grot
-heftig heen en weder geslingerd werd, te bereiken. Anna zou tegen dien
-tijd wel tot bewustzijn teruggekeerd zijn; zij zou dan kunnen zwemmen
-tot bij de opening en eenmaal op de ladder...
-
-„Komt tijd, komt raad!” prevelde hij binnensmonds, terwijl hij het
-aangebeden meisje, dat daar op zijne knieën lag, met teederheid
-beschouwde. „Daarenboven Grenits en Murowsky zullen wel geene pogingen
-onbeproefd laten om ons te hulp te komen.”
-
-Het was eene kritieke tijdruimte, welke de rechterlijke ambtenaar
-doorleefde.
-
-Daar voor hem lag het wezen uitgestrekt, dat hem het dierbaarst op
-aarde was, dat hij liefhad, dat hij hartstochtelijk aanbad; het wezen,
-dat hem zijn slaap ontroofde, welks beeld hem immer en overal voor
-oogen zweefde, naar welks bezit hij haakte met al den gloed van zijne
-geaardheid, die ongekunsteld maar onbedorven onder den weerstand, die
-zijne liefde ontmoet had, in lichten laaie was opgegaan. Anna in hare
-Javaansche kleeding was slechts gedekt door sarong en kabaja. De
-slendang, die haar hoofdje bedekt had, was zij bij het afdalen der
-ladder kwijt geraakt. Die zeer eenvoudige kleeding daarenboven, vooral
-de kabaja, van uiterst lichte stof vervaardigd, was kletsnat, en
-modelleerde derhalve haren hals, haren boezem, hare schouders, hare
-lendenen, hare heupen en dijen zoo plastisch, dat zij schier geen
-bedekking mocht heeten, en rustte het meisje onbewust, in hare volle
-bekoorlijkheid, uitdagend schoon, op den schoot van hem, die haar
-aanbad, maar die onder dien lieven last een lijden onderging, hetwelk
-waarachtig een plaats in Dante’s hel had mogen erlangen.
-
-Het schemerlicht, dat in de grot heerschte, de nevel van fijn verdeeld
-waterstof, die uit de bulderende branding opsteeg, en de grot als met
-een mystieken ether vulde, brachten het hunne bij, om aan de houding
-van het lieve kind, iets verhevens, iets bovenaardsch mede te deelen.
-Onbewust van den gloeienden hartstocht, die haar omzweefde, lag Anna
-daar zoo kalm en rein, terwijl hare ademhaling den boezem regelmatig
-deed op en neêr gaan, en bij wijlen, wanneer een diepere zucht zich
-baan brak, eene onbescheiden gaping van de kabaja deed ontstaan, welke
-bekoorlijkheden liet ontwaren, die door den blik van den verliefde
-verslonden werden en zijne hartstochtelijkheid nog vermeerderden.
-
-Langzaam vlood de tijd heen, te langzaam voor den armen gefolterde.
-
-Intusschen had het water opgehouden te wassen, en was weldra de
-terugtred der golven merkbaar! Iedere baar, die nu de grot binnendrong,
-woelde, kookte, bruiste, schuimde als de voorafgaande, maar klom minder
-hoog, spatte minder op. Maar, dat zou nog uren zoo moeten duren,
-alvorens er aan gedacht kon worden, naar den ingang der grot te
-schrijden.
-
-„Och, dat Anna toch bijkwam,” zuchtte Van Nerekool; terwijl zijn
-branderige blik op het lieve gelaat en op de aanbiddenswaardige
-omtrekken van dat schoon gevormde lichaam strak bleef gevestigd. „In
-haar zelve zou zij een veiliger schutsengel hebben, dan in mij!”
-
-Gelukkig, zijne bede werd verhoord. Bij eene poging, die zij in haren
-bewusteloozen toestand deed, om een paar droppels van hare wang af te
-wisschen, wilde hij haar helpen. Met zachte hand bewoog hij zijn
-zakdoek over die koon. Hij had zich evenwel daarbij moeten voorover
-bukken, en kwam zijn brandend heete adem met haar gelaat en haren hals
-in aanraking. Dat deed haar ontwaken. Mat en lusteloos sloeg zij de
-oogen op;.... maar kon geen besef krijgen, waar zij zich bevond. Zij
-draaide het hoofd.... keek rond en eindelijk ook Karel in het gelaat.
-Met een kreet voer zij op.
-
-„Gij, gij hier?” riep zij, terwijl zij opvliegen wilde om te vluchten.
-
-Hij greep haar om het middel, en trok haar aan zijne borst.
-
-„Pas op, Anna,” sprak hij. „Gij zult uitglijden, de zee is nog
-onstuimig.”
-
-„Gij, gij hier?” herhaalde zij. „Maar ik wil... ik zal...”
-
-En zij poogde zich los te rukken uit zijne armen.
-
-„Bedaar, Anna! Wees voorzichtig; de rots is nat geworden en derhalve
-glibberig,” zei hij geruststellend. „Pas op, het gevaar is nog groot.”
-
-Hij sprak zoo zacht, zoo wegsleepend, dat het jonge meisje de
-worsteling wilde opgeven. Toen zij evenwel een blik op haar zelve
-sloeg, en ontwaardde in welken staat zij zich in de armen van een man
-bevond, toen poogde zij zich andermaal los te rukken. Haar gelaat was
-door het zeewater van de verf, die het bedekt had, gereinigd geworden.
-De blos, die hare wangen kleurde, was dus duidelijk waarneembaar; zij
-sloeg de oogen schuchter voor zijnen brandenden blik neder.
-
-„Laat mij, Karel, laat mij” sprak zij in de uiterste verwarring.
-
-Hij klemde haar vaster tegen zijne borst aan, en overdekte haar gelaat
-met honderden kussen.
-
-„Anna, ik bemin je! Anna, ik heb je weêrgevonden,” kreet hij in het
-paroxysme van den hartstocht. „Anna, nimmer verlaat ik je weer!”
-
-„Maar, Karel, heb toch medelijden met mij,” sprak zij met aarzelende,
-beschroomde stem, terwijl zij zijne liefkoozingen zooveel mogelijk
-afweerde. „Ik kan en mag u nimmer toebehooren.”
-
-„Anna!” kreet hij; terwijl hij haar nog vaster tegen zich aanklemde.
-
-Zij vergiste zich hoogstwaarschijnlijk in de beteekenis van dat gebaar.
-Althans met weemoedige stembuiging hernam zij:
-
-„Neen, Karel, uwe echtgenoote kan ik niet worden, en... nietwaar?...
-gij hebt mij te lief, om mij anders te verlangen.”
-
-De blik van het jonge meisje was daarbij zoo treurig, dat Van Nerekool
-besefte, hoezeer hij hare gevoeligheid gekwetst had. Hij liet haar uit
-zijne omklemming los, hoewel hij zijn eenen arm om haar middel geslagen
-hield.
-
-„Maar, Anna,” hernam hij, „waarom zoudt gij nu mijne echtgenoote niet
-kunnen worden?” vroeg hij met aandrang.
-
-„Destijds niet en nu niet,” sprak zij beslist. „Ik schreef u de redenen
-uitvoerig... Laat mij nu los!”
-
-Zij wilde zich ook van dien eenen arm ontslaan; dat gedoogde hij echter
-niet.
-
-„Maar, Anna, de omstandigheden zijn zoo veranderd...” hernam hij.
-
-„Welke omstandigheden?” vroeg zij hem in het gelaat starende.
-
-„Nu uw vader en moeder d...”
-
-„Wat, mijn vader en moeder dood?”... riep zij uit, voordat hij het
-laatste woord nog uitgesproken had.
-
-Hij knikte bevestigend. Het jonge meisje bedekte zich het gelaat met
-beide handen en snikte hoorbaar. Het was een zonderling tooneel daar in
-die half duistere grot, die twee jongelieden, waarvan de eene in zijne
-hemdsmouwen zat, en de andere met haar natte sarong en kabaja
-ternauwernood gekleed mocht heeten, daar bij elkander op die rots te
-zien zitten. Zij met de handen voor het gelaat, hij haar uitvorschend
-aanstarend, en de gedachten bespiedend, welke in dat maagdelijk gemoed
-woelden en waarvan zijn levensgeluk afhing.
-
-„Maar, is het wel waar?” vroeg zij hevig snikkend. „Het zou te wreed
-zijn zoo eene tijding te verzinnen! Karel!... Karel, wat moet ik
-gelooven?”
-
-„Zoudt gij kunnen denken, Anna, lieve Anna, dat ik zoo met uw
-kinderlijk gevoel zou kunnen spelen? Dat is mij toch miskennen, zeg,
-Anna?”
-
-Zij weende bitter en was troosteloos. Hij trok haar naar zich toe. Nu
-evenwel bood zij geen weerstand, maar vlijde zich aan zijne borst. Het
-was alsof zij, nu zij wees was, nu zij zich alleen op de wereld
-gevoelde, thans bescherming zocht bij den man, die zoozeer indruk op
-haar gemaakt had.
-
-„Beiden dood...” herhaalde zij. „Waaraan zijn zij gestorven? Vertel
-mij, hoe zich dat toegedragen heeft. Gij komt regelrecht van
-Santjoemeh, gij zult, gij moet dus alles weten.”
-
-„Integendeel, mijne Anna, ik weet niets. Toen ik Santjoemeh verliet,
-waren uwe ouders springlevend. Dien morgen toen ik met Grenits naar
-herwaarts reisde....
-
-„Met Grenits?” vroeg zij. „Theodoor Grenits? Is die bij u?”
-
-„Ja, dierbare,.... toen reisden mijnheer en mevrouw Van Gulpendam, naar
-Soeka maniesan?”
-
-„Soeka maniesan?... Wat is dat?” vroeg zij.
-
-„Dat is eene suikerfabriek in het oostelijk gedeelte van de residentie
-Santjoemeh gelegen.... Eerst te Gombong kregen wij tijding van het
-overlijden, een telegram...”
-
-En, nu verhaalde hij in weinige woorden, hetgeen hij wist, en wat niet
-veel was, namelijk, dat het paar door eene bende ketjoe’s was
-omgebracht. De brief, waarbij Van Rheijn hem bizonderheden toezeide,
-had hij nog niet ontvangen. Die zou wel te Gombong liggen.
-
-Na dat verhaal zweeg Van Nerekool een poos. Hij wilde Anna tijd gunnen,
-om van de ontsteltenis te bekomen, die dat bericht op hare zoo
-teêrgevoelige ziel moest gemaakt hebben. Het lieve kind zat, tegen hem
-aangeleund, bitter te schreien. Neen, haar karakter had hoegenaamd
-geene punten van overeenkomst met dat van hare ouders. Zij zelve had de
-scheiding bewerkstelligd; zij was heengegaan om hen nimmer weer te
-zien; zij had het ouderlijke huis verlaten, met het vaste voornemen
-daarin nimmer terug te keeren. Nu evenwel de dood tusschenbeide trad,
-om het weerzien onmogelijk en de scheiding onherroepelijk te maken,
-vloog hare ziel de wezens, waar zij het leven aan verschuldigd was, te
-gemoet, en vergat zij het geledene, het verkeerde, om slechts aan het
-goede te denken. Ja, zij was innig bedroefd; en wanneer het in hare
-macht gestaan had, zou zij, al ware het ten koste van haar leven, het
-gebeurde ongedaan maken.
-
-Terwijl zij daar zoo gezeten hadden, was de eb langzamerhand
-ingetreden, en trok het water zich terug. Bij iedere deininggolf, die
-aanrolde, drong minder water de grot binnen, spatte het minder hoog,
-pleegde het minder geweld. Dat ging afnemend zoo voort, totdat de
-kracht aan het aanrollende zilt geheel en al ontbrak om zich te doen
-gelden. Het waren nog slechts golfjes, die de Goewah binnendrongen,
-zich daar in de grot kringsgewijze uitbreidden, en met zacht geklots de
-rots, waarop onze jongelieden zaten, kwamen lekken.
-
-„Het wordt tijd, dierbare Anna,” begon Van Nerekool om de stilte af te
-breken, en aan de smart zijner gezellin eene afleiding te bezorgen.
-„Wij zouden andermaal door den vloed verrast kunnen worden.”
-
-Zij hief het hoofdje op, en keek rond. Toen zij de zee zoo kalm zag,
-begreep ook zij, dat er niet gedraald mocht worden; want dat anders de
-vloed weer zou kunnen komen opzetten. Zij veegde hare tranen af.
-
-„Ja, wij moeten heen,” sprak zij.... „Maar kunt gij zwemmen? Want gij
-ziet, het water dat in de grot blijft staan, is veel te diep om
-doorwaad te kunnen worden.... Ja... kunt ge? Dan is de ladder, die daar
-bengelt, spoedig bereikt.”
-
-Zij wilde zich reeds van de rots, waarop zij redding gevonden hadden,
-laten afglijden. Maar hij weerhield haar, sloeg den arm nog vaster om
-haar middel, en drukte haar zacht tegen zich aan.
-
-„Het is nu, na die vreeselijke mededeeling, wel geen tijd om over
-liefde te spreken,” hernam hij. „Maar Anna, ik heb mij in den laatsten
-tijd zoo ontzettend ongelukkig gevoeld, beloof mij in dit uur, mij niet
-meer te willen ontvluchten?”
-
-Zij keek hem aan. Tranen blonken in hare schoone oogen. Een waas van
-droefenis was over haar geheele wezen uitgespreid, en het was haar
-onmogelijk een woord te kunnen uiten.
-
-„Alle hinderpalen tot onze verbinding zijn nu opgeheven,” ging hij
-zacht fluisterend aan haar oor voort. „Gij zijt thans uwe eigene
-meesteres. Zeg, Anna, mag ik hopen?”....
-
-Zij wendde het hoofdje af; maar lei hem de hand op den mond. Hij greep
-die hand, hij drukte er een innigen kus op.
-
-„Dank!” zei hij. „Neen, gij kunt mij in dit uur geen ander antwoord
-geven... Nogmaals dank!... Maar, Anna nu te water. Wij moeten hier
-weg!”
-
-Juist wilden beiden zich van de rots laten glijden, toen stemmen
-vernomen werden. Verrast keken beiden op. Het waren Dalima, Grenits en
-Murowsky, vergezeld van een paar Javanen, die—wij weten het—in eene
-djoekoeng bij den ingang der grot verschenen.
-
-„God!” riep Anna, „en ik in die natte kleeding!”
-
-Zij sloeg een blik op zich en bloosde hevig, toen zij zag hoe hare
-natte kabaai en sarong hare ledematen plastisch modelleerden. Zij
-voelde het oog van Karel op haar rusten, en dat maakte hare verwarring
-nog grooter. Hij evenwel, nam het jasje, waarop zij gezeten had, en
-bood haar dat aan.
-
-De djoekoeng naderde intusschen, en zoowel Dalima als de twee vrienden
-waren uitgelaten van vreugde, toen zij de reeds verloren gewaanden
-springlevend terugvonden. De loerah van de dèsa Ajo had bij het van wal
-steken uit voorzorg een paar sarongs medegenomen.
-
-„Om de lijken in te wikkelen,” had hij gezegd, zoozeer was hij
-overtuigd, dat een ongeluk gebeurd was.
-
-De sarongs kwamen nu goed te pas. Anna wikkelde zich er goed in, en
-werd daarbij door Dalima geholpen. Daarna liet zij zich in den
-djoekoeng glijden.
-
-Weinige minuten later waren zij buiten de grot, en ongeveer een paar
-uren later waren Anna, Dalima, Van Nerekool, Grenits en Murowsky in het
-huisje op de helling van den Goenoeng Poleng vereenigd. In die
-samenkomst werden snelle besluiten genomen en voor dat de zon het
-zenith overschreden had, zaten Anna en Dalima ieder in een tandoe, en
-waren op weg naar Karang Anjer. De blanken vormden eene escorte bij die
-twee draagstoelen, die indrukwekkend mocht heeten, daar alle drie met
-jachtgeweren gewapend waren.
-
-Bij de familie Steenvlak was Anna de gulste gastvrijheid beschoren. Zij
-zou daar blijven logeeren, totdat.... Ja, totdat de rouwtijd om zoude
-zijn.
-
-Toen dat alles goed geregeld was, keerden de jonge mannen naar Gombong
-terug. Theodoor en Karel wilden van den kapitein-kommandant afscheid
-nemen en hem bedanken voor het verleende verlof aan Murowsky.
-
-„Wel,” vroeg de brave krijgsman, „zijt gijlieden in uwe jacht
-geslaagd?”
-
-„Uitmuntend,” antwoordde Grenits.
-
-„Hebt gij fraaie exemplaren buit gemaakt?”
-
-„Ja, kapitein,” antwoordde Murowsky schalks; „wij hebben onder anderen
-een fraai, een onvindbaar kapelletje, een puella formosa [293]
-gevangen.”
-
-„Nou, geluk met dat diertje; maar blijf mij met jullie Latijn van het
-lijf.”
-
-Zelfs Van Nerekool kon een glimlach niet weerhouden bij de gedachte aan
-het kapelletje dat opgespoord was.
-
-
-
-Veertien maanden later trad Anna van Gulpendam met Karel van Nerekool
-in den echt. Het huwelijk werd zonder praal voltrokken te Karang Anjer
-door en ten huize van den assistent-resident Steenvlak. August van
-Beneden en Theodoor Grenits waren de getuigen van de bruid, en Eduard
-van Rheijn en Murowsky die van den bruidegom. Bij het eindigen der
-plechtigheid kwam ook Willem Verstork aan, die na den dood van den
-resident Van Gulpendam weer naar de residentie Santjoemeh overgeplaatst
-werd. Niemand rekende meer op zijne tegenwoordigheid, daar een telegram
-de tijding aangebracht had, dat het stoomschip, waarmede hij van
-Batavia naar zijne bestemmingsplaats reisde, ter hoogte van Tegal aan
-den grond geraakt was. Toen evenwel het vlotbrengen van het vaartuig
-niet voorspoedig ging, was hij ontscheept, en had de reis van
-laatstgenoemde plaats per postrijtuig over de hellingen van den Slamat
-[294] naar Karang Anjer aanvaard. Hij moest en hij zou het huwelijk van
-Karel van Nerekool bijwonen! Hij ondervond ook bij deze landreis
-vertraging, waardoor hij te laat aankwam voor de plechtigheid; maar
-toch nog vroeg genoeg, om op dezen heuglijken dag in te stemmen in het
-koor van gelukwenschen, dat het jonge paar ten deel viel. Als ooit
-hartelijke handdrukken gewisseld waren, dan kon dat betuigd worden van
-dien vriendendrom, die, bij gebrek aan verwanten van weerszijden, de
-jonggetrouwden omgaf.
-
-Na de voltrekking van het huwelijk, vertrokken mevrouw en mijnheer Van
-Nerekool naar Tjilatjap, van waar zij met de boot naar Batavia zouden
-reizen. De rechterlijke ambtenaar was bij den raad van Justitie aldaar
-overgeplaatst. De anderen keerden naar hunne standplaats, Murowsky naar
-Gombong en de overigen naar Santjoemeh terug, waar zij hunne
-dagelijksche taak, hen door het lot op de schouders gelegd, hervatten.
-Allen werden evenwel door eene machtige gedachte beheerscht, die—zoo
-namen zij zich voor—alle hunne daden zoude kenmerken. En die gedachte
-was: Onverbiddelijke oorlog, oorlog á outrance aan de opiumpacht!
-Slaagde men er in te voorkomen, dat het verderfelijke heulsap der arme
-bevolking met behulp der regeering en der politie opgedrongen werd, dan
-zoude het opiumverbruik wel verminderen.
-
-
-
-En nu, om ten slotte te eindigen met de persoon, welker naam tot titel
-van dit boek strekt, zij den lezer medegedeeld, dat baboe Dalima
-weinige maanden, nadat de beide geliefden elkander in een der grotten
-van het Karang Bollongsche gebergte weêrgevonden hadden, een dood kind
-had ter wereld gebracht. Dat had haar uitermate bedroefd; want in
-weerwil van de misdaad, waarvan zij het slachtoffer geweest was, had
-zij een gevoel van moederweelde in zich voelen ontkiemen en grooter
-worden, naarmate het wezen, dat zij binnen hare lendenen omsloten
-droeg, zich ontwikkelde. O, zij zou dat kindje zoo teeder bemind
-hebben, zij zou het zoo verzorgd, zoo geliefkoosd hebben, als wel geen
-ander moeder het beter vermocht. Zij had reeds een wiegje voor het
-wicht klaar, geene wieg, zooals wij Westerlingen die kennen, neen, een
-eenvoudig mandje van bamboelatjes, maar door haar zelve gevlochten,
-doch van binnen zoo weelderig, zoo mollig van kussens voorzien, en door
-een harer sarongs omgeven om des nachts de muskieten en over dag de te
-felle lichtstralen af te wenden, dat het als het ware een nestje zou
-vormen, dat opgehangen met een paar stevige touwen aan de sparren van
-de voorgalerij van het vertrekje, hetwelk zij bewonen zou, heen en weer
-wiegelen zou; terwijl zij, overgelukkig in hare moedervreugde, zacht op
-de gambang [295] zoude tokkelen, om het dierbaar wezentje door de
-heerlijke tonen te verrukken. En dat alles was nu weg! Hare vrucht was
-niet bestand geweest tegen de vermoeienissen, welke zij zich zelve
-opgelegd had, tegen de aandoeningen, die haar bij den tocht naar de
-Goewah Temon, waar hare Nana zoo in levensgevaar verkeerd had, bestormd
-hadden. Ja, zij was uiterst bedroefd geweest; maar... de tijd verzacht
-de grootste smarten. Daarenboven zij was nu bij Nana, zij zou tot haren
-laatsten snik bij haar blijven. Zij was met haar naar Batavia gereisd.
-Zij zou de baboe zijn van de kleine Van Nerekooltjes, die de
-huwelijksweelde van het jonge paar zouden komen verrijken en, voor
-ieder, die met de innige genegenheid bekend is, waarmede de Javanen
-zich in den huishoudelijken omgang aan de blanken hechten, wanneer zij
-door dezen goed behandeld worden, zal het duidelijk zijn, dat zij dat
-voornemen stipt getrouw zou blijven.
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Opgenomen in het Jaarboekje der Indologische Vereeniging voor het
-jaar 1886.
-
-[2] Tandjang-soorten = Risophoren. De voornaamste soorten op Java’s
-noordkust zijn: Tandjang Bangoe of R. macronata, Kajoe Tinggi of R.
-Roxburgh, en T. Lanan of R. conjugata.
-
-[3] Boeaja’s, boeloes, kapitings en oedangs. Boeaja is de maleische
-naam van den kaaiman. Op het modderige strand van Java’s noordkust
-wordt voornamelijk de Crocidilus biporcatus aangetroffen. Boeloes
-beteekent schildpad. Op bedoeld strand komt de Chelona imbricata het
-meest voor. Mimi is de inlandsche naam van de degenkrab, de Limulus
-Polyphemus. Kapiting beteekent krab. Hier wordt voornamelijk op de
-Cancer Pagurus (zeekrab) gedoeld. Oedang beteekent garnaal of Crangon.
-In den Ind. Archipel worden garnalensoorten aangetroffen, die in omvang
-de grootste kreeften evenaren; maar er bestaan ook soorten, die
-microscopisch klein zijn.
-
-[4] Saoe-boomen. Mimusops kauki is een boom, die tot de Sapotaceeën
-behoort. Hij ontwikkelt een zwaren stam, komt veelvuldig op de lage
-stranden langs en op de eilanden in de Javazee voor en levert zeer
-fraai en uitmuntend timmerhout op.
-
-[5] Katjangmatten en atappen. Dit zijn bouwmaterialen, die gewoonlijk
-van de breede bladeren van den Nipahpalm vervaardigd worden.
-
-[6] Babah is de algemeene benaming van op Java of in den Archipel
-geboren Chineezen, het best te vergelijken met „liplap.”
-
-[7] Moeara Tjatjing. Moeara beteekent monding. Gewoonlijk wordt die
-naam aan kleine inhammen gegeven, waarin riviertjes uitwateren.
-Tjatjing beteekent pier, aardworm. Sommige riviertjes worden aldus van
-wege hunne kronkelingen genoemd.
-
-[8] Prahoe sajab is eene vlerkprauw, die door een geraamte van lang
-uitstekende bamboestaken in holle zee tegen omslaan beveiligd wordt.
-
-[9] Sero’s zijn vischfuiken, die aaneengeschakeld in zee, vooral bij
-riviermondingen geplaatst worden. Met stevige staken worden die fuiken
-bevestigd. Meestal vormen die staken hechte staketsels, die bij
-hooggaande zee de aanrollende baar in haren loop vertragen, zoodat haar
-kam of nok de beweging niet vooruitijlt, waardoor het breken belet
-wordt. Achter zoo’n staketsel, waarin gewoonlijk schaakvormig openingen
-gespaard zijn, treft een vaartuig betrekkelijk kalm water aan; het
-gevaar althans is dan verdwenen.
-
-[10] Matamata. Mata beteekent oog; mata-mata oogen. ’t Is eene niet
-onduidelijke uitdrukking om een spion aan te duiden.
-
-[11] Gemoetoe touw. Gemoetoe is eene zwarte vezelsoort, die tusschen de
-bladsteelen en den stam van sommige palmsoorten, vooral van de Arengga
-Saccharifera, aangetroffen en ook Idjoek genoemd wordt. Van die
-vezelstof wordt touw geslagen, dat in lenigheid bij het henneptouw
-achterstaat, maar in lichtheid en duurzaamheid het van dit wint.
-
-[12] Tombokken. Tombokh is een vierkant bekapte boomstam, waarin
-uithollingen uitgespaard zijn om rijst in te stampen. Wordt ook wel als
-foltertuig gebezigd. De patiënt wordt dan op het tombokhblok
-uitgestrekt, en met de zware stampers deerlijk gebeukt en gekneusd, tot
-de dood er op volgt.
-
-[13] Niboeng. Is eene fraaie en slanke palmsoort. Areca Nibung, die
-veelvuldig op moerassige stranden voorkomt. Het buitenhout van den stam
-is uitermate hard, en laat zich in de lengte gemakkelijk splijten.
-
-[14] De smokkel-rayon. Het is allen vaartuigen, die opium aan boord
-hebben, verboden om de kusten van Nederlandsch-Indië elders dan de
-plaats van inklaring op korter afstand dan drie mijlen te naderen,
-tenzij noodweer, averij of andere onheilen zulks noodzakelijk maken.
-
-[15] Het cachet Van der Leeuw in groen lak was destijds een zeer gewild
-botermerk in Ned.-Indië.
-
-[16] Taël is een gewicht om kostbare zaken als goud, opium, enz. mede
-te wegen. De taël weegt 0,0386 K.G.
-
-[17] Madat en tjandoe. Tjandoe is gezuiverde opium. Madat is tjandoe
-met tabak vermengd, die tot balletjes gekneed en tot rooken gereed is.
-
-[18] Salak. Een stamlooze palmsoort, door de plantenkundigen Sacca
-edulis genoemd, draagt rinsch wrange vruchten, die evenwel door velen
-zeer gewild zijn.
-
-[19] Rein als de witte bloem, waarvan zij den naam draagt.—Dalima
-beteekent granaat en heet bij de geleerden Punica granatum. Er zijn
-verscheiden dalima-soorten op Java, waarvan D. meirah met vuurroode, D.
-soesoen, de in den tekst bedoelde, met witte, D. koening met gele en D.
-berrem met dubbele bloem de voornaamste zijn.
-
-In Indië is het niet zeldzaam, dat aan meisjes de naam eener bloem
-gegeven wordt. Schrijver heeft te Batavia een lieve baboe gekend, die
-Baboe Dalima heette. Wat uiterlijk betreft, heeft die wel ietwat voor
-model van haar romantisch zusje gediend.
-
-[20] Zoolang de kongsie dat goed zal vinden.—De oud-Gouverneur-Generaal
-Duymaer van Twist verklaarde op 25 Februari 1859 in de Tweede Kamer:
-„Er waren Inlanders, die door de Chineesche pachters verbannen waren
-naar een aangewezen oord van Java, op straffe des doods in geval van
-terugkeer; het waren de zoodanigen, voor wier getuigenis de pachters
-bevreesd waren, wanneer hun smokkelhandel aan het licht mocht komen.”
-
-[21] Orang oppas of oppasser is de benaming in Ned.-Indië voor
-politie-agenten.
-
-[22] Kamadoog is de Javaansche naam van het Karbouwenblad of de
-Duivelsnetel, de Urtica urentissima der geleerden. Schrijver heeft eens
-de toepassing van die bladeren op een blanke gezien, die hardnekkig
-rheumatische verlamming simuleerde en aan alle listen en lagen, om het
-bewijs van zijn toeleg te erlangen, weerstand bood. Hij was op het punt
-om voor den milit. dienst afgekeurd te worden, toen de behandelende
-geneesheer een laatste proef nam. Een paar striemen met een bosje
-Kamadoog-bladeren op den naakten rug waren voldoende om ieders geweten
-te bevredigen. De simuleerende vloog onder een Himmel kreuz
-donnerwetter, das ist ja Feuer! overeind, van het bed af en het vertrek
-uit. Nimmer heeft die man later meer aan verlamming geleden. De
-Kamadoog wordt ook gebezigd bij gevechten van tijgers met karbouwen.
-Door de onduldbare branderige pijnen worden de arme dieren tot den
-hoogst mogelijken graad van woede opgezweept.
-
-[23] Sirihkalk wordt van schelpen gebrand, is zeer zacht en mist de
-scherpte van de steenkalk.
-
-[24] Sirihblad, waarin de pinangnoot. Dat blad is afkomstig van eene
-slingerplant, door de geleerden Chavica bettle genoemd. De pinangnoot
-is de vrucht van eene palmsoort Areca pinang genoemd.
-
-[25] Pandoppo is eene ruime overdekte galerij, die achter het
-hoofdgebouw van iedere aanzienlijke woning in Ned. Indië aangetroffen
-wordt, en loodrecht daarop aangebracht is. ’t Is de meest geliefkoosde
-plek van het huis.
-
-[26] Semoet api letterlijk vertaald vuurmier. Dit is de roode
-boschmier, die wanneer zij slechts over de huid loopt reeds een
-onaangenaam branderig gevoel te weeg brengt. Een beet van het diertje
-doet zich als eene brandwond gevoelen. De semoet api is de Formica rufa
-der geleerden.
-
-[27] Tjitjaks en Gekko’s zijn hagedissoorten. Met de eerste wordt
-bedoeld de muurhagedis, de Lacerta muralis; met de tweede de
-Platydactylus guttatus.
-
-[28] Doekoen is een ongepromoveerde Inlandsche geneeskundige,
-gewoonlijk eene oude tooverkol, die dan veel werk van aphrodisiaca
-maakt.
-
-[29] Cultuurprocenten. Destijds genoten de Nederlandsche ambtenaren bij
-het Binnenlandsche Bestuur op Java een tantum van de producten, die
-door de bevolking voor de Europeesche markt opgebracht moesten worden.
-Dat was wel het meest zedelooze middel om tot de exploitatie van een
-volk aanleiding te geven, dat uitgedacht is kunnen worden. Tot welke
-onbillijkheden de hebzucht, geprikkeld door zoo’n middel, gevoerd
-heeft, is niet te beschrijven. Gelukkig behoort die
-cultuurprocenten-aera tot de geschiedenis.
-
-[30] Poesaka wapens. Poesaka heeft hier de beteekenis van erfstuk. De
-Javaan koestert grooten eerbied en aanhankelijkheid voor de wapens,
-kris, lans, enz. zijner voorouders.
-
-[31] Dat kan ik begrijpen. Aan de opium worden erotische uitwerkingen
-toegeschreven. Ziet daaromtrent de Proeve van eene geschiedenis van den
-handel en het verbruik van opium in Ned.-Indië door J. C. Baud, gewezen
-minister van koloniën, voorkomende in de Bijdragen tot de Taal-, Land-
-en Volkenkunde in Ned.-Indië. Eerste deel 1853. Die eminente staatsman
-op koloniaal gebied laat zich in die verhandeling uit liefde voor de
-waarheid tot zoo eene openhartigheid, en tot zoo een realisme
-verleiden, dat een romanschrijver hem onmogelijk op dat terrein volgen
-kan.
-
-[32] Anak s.... Anak beteekent kind. Omtrent de beteekenis der hier
-bedoelde uitdrukking zie men Max Havelaar door Multatuli 5de druk
-bladz. 267.
-
-[33] Tali api. Vuurtouw of lont. Sedert de verschijning van de
-Zweedsche tandstickors op de wereldmarkt, is het gebruik van tali api
-grootendeels verdwenen. Dat ’s wel jammer; want dat heeft het
-verdwijnen van den tali-api-jongen tengevolge gehad, en die was eene
-echt Oostersche figuur in eene Oostersche omgeving. Geheel verdwenen is
-de tali-api-jongen evenwel nog niet. In Java’s binnenlanden zou menige
-groote hem niet willen missen; want die jongen behoort tot de staatsie.
-
-[34] De opiumpachter, die aan het hoofd stond der smokkelaars van het
-heulsap. Dat is geen laster. De Regeering is er zoo van overtuigd, dat
-een Minister v. Kol. bij depêche van 16 April 1869 aan den Koning
-schreef o. a.: het blijkt daaruit, dat de smokkelhandel der pachters
-aanleiding geeft tot ondermijning van het gezag.
-
-Een Procureur-Generaal bij het Hoog Gerechtshof van N.-I. schreef bij
-miss. dd. 3 October 1866 aan den Gouv.-Gen.:
-
-„Oost- en West-Java zijn overdekt met een goed georganiseerd net van
-sluikhandel, waarvan de draden zich bevinden in handen van de pachters,
-een net dat, om de ongehoorde voordeelen, die het oplevert, trots de
-hoogste boeten, trots de hoogste straffen, zal blijven bestaan, zoolang
-het belang der pachters medebrengt het te behouden.”
-
-[35] Vijf en twintig à dertig percent morphium. De Levantsche opium
-bevat 7–15 %, de Bengaalsche iets meer morphium. Is de tjandoe van
-onvervalschte opium verkregen, dan wordt gewoonlijk 25 % van dat
-alkaloïd aangetroffen. Zie daaromtrent het voorkomende op bl. 692 van
-den Ind. Gids Meinummer 1885, waar het gevoelen van den heer F.
-Hekmeijer, 1e apotheker v. h. N.-I. leger en bekend als uitstekend
-scheikundige, medegedeeld wordt, in verband met de bewering van J. C.
-Baud, dat uit onvervalschte opium slechts 15⁄32 tjandoe gewonnen wordt.
-
-[36] Wanneer hij nog een tiental pikols rijst verorberd zal hebben. Een
-gewoon gezegde in Ned. Indië, om op een langer verblijf daar te lande
-te duiden. Er wordt gerekend, dat iemand een katie of 1⁄100 pikol rijst
-per dag eet. Om dus tot een nuttig Indisch ambtenaar vervormd te
-worden, werden Van Nerekool nog ongeveer 2¾ jaar gegeven.
-
-[37] Landraad. De landraden op Java zijn de gewone dagelijksche
-rechtbanken voor Inlanders en met dezen gelijkgestelden. Zij zijn
-gevestigd op alle hoofdplaatsen van gewesten en van afdeelingen, aan
-wier hoofd een assistent-resident geplaatst is, en zijn samengesteld
-uit twee Inlandsche hoofden tot leden, uit den panghoeloe tot adviseur,
-en worden gepresideerd door een rechterlijk ambtenaar. De djaksa
-(Inlandsch officier van justitie) vervult daarbij de betrekking van
-ambtenaar van het openbaar ministerie; terwijl aan die rechtbanken
-daarenboven nog een griffier en een deurwaarder (beiden Europeanen)
-toegevoegd zijn. Voor enkele residentiën treden de residenten of
-assistent-residenten als voorzitters der landraden op.
-
-[38] Hij heeft in ieder geval voor mijn pleizier zooveel maanden
-gezeten. Zulke gevallen zijn niet zeldzaam. Die zich daarvan overtuigen
-wil, zie Macht tegen recht door den raadsheer bij het Hoog Gerechtshof
-van Ned. Indië Mr. M. C. Piepers, Eerste gedeelte bladz. 196.
-
-[39] Een minister van Koloniën eens aan den Koning schreef. Ziet
-daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 47 hiervoren. Een
-uittreksel van bedoelde depêche is te vinden op bladz. 25 van Eene
-bijdrage tot de studie der opiumquaestie op Java.—De officiëele
-litteratuur door Mr. W. K. Baron Van Dedem, Lid van de Tweede Kamer der
-Staten Generaal.
-
-[40] Om die zaak aan de behandeling van den bevoegden rechter te
-onttrekken. Dat zoo iets wel eens voorvalt, is te lezen op bladz. 15,
-16, 17, 18 en 19 van de brochure Iets over de afhankelijkheid van de
-Nederlandsch-Indische rechterlijke ambtenaren, in de laatste helft van
-1880 bij J. H. De Bussy te Amsterdam uitgegeven.
-
-[41] Den Grooten Heer met den stralenkrans van zijne meervoudige
-zonneschermen omgaf. Het is begrijpelijk, dat ijdele ambtenaren er meer
-dan een pajoeng op na houden. In den regel staan in zoo’n standaard
-vier van die hoogwaardigheids emblemata, b. v.: een voor hooge
-gelegenheden als: Koningsverjaardag, Chineesch Nieuwjaar, Garebeg
-besar, enz.; een voor gewone officieele, eene voor niet officieele
-gelegenheden, als het afleggen van bezoeken, enz. en eene voor de
-wandelingen.
-
-[42] Pretto ook „tahi madat” genoemd, is het uitschraapsel van de
-opiumpijp. Dat residu wordt vermengd met het verdikte sap, vooral van
-de Sedap malam, de Polyanthes tuberosa en van de Gandja, de Canabis
-Indica. Zoo wordt de opium in N.-I. op groote schaal vervalscht, zeer
-ten nadeele—hoe jammer nietwaar?—van de schatkist, maar vooral ten
-nadeele van de menschheid; want de vervalschingsmiddelen zijn nog veel
-schadelijker, dan de morphine, die het hoofdbestanddeel der opium
-uitmaakt.
-
-[43] O! sama djoega, Kandjeng toean. Dat tafereel van den resident met
-den Chinees en den hond is meesterlijk in teekening gebracht door J.
-den Beer in zijne Tjampoer-Adoek, uitgave van Gualth. Kolff te Leiden
-en G. Kolff & Co., te Batavia.
-
-[44] Gekko’s oendoek, oerat minjangan, laler idjoe, sarong lawet, Van
-al deze dieren worden door zoogenaamde deskundigen teeldriftprikkels
-vervaardigd. Zie omtrent de gekko de aanteekening No. 2 op bladz. 40
-hiervoren. De oendoek, te Bandjermasin sedjangang genoemd, is een
-vischje dat zeer veel in de moerassige streken van Zuid Borneo, maar
-ook hier en daar op Java aangetroffen wordt. Het heeft een kop, die wel
-eenige overeenkomst met dien van een paard heeft. Ik heb niet kunnen
-opsporen, hoe de geleerden deze heeten. Zij kan niet tot de Hypocampi
-behooren, die in het aquarium te Amsterdam aanwezig zijn; het verschil
-daarmede is te groot. De oendoek, waarop hier bedoeld wordt, heeft
-geheel en al het lichaam van een visch, maar kan zich met de
-borstvinnen zeer vlug over drooggevallen modder voortbewegen. Er
-bestaan verscheidene soorten van oendoek. Die soort evenwel, die met
-fijne grasgroene schubben bedekt is, wordt voor erotische doeleinden
-het meest geschikt geacht. Oerat minjangan zijn hertenpeezen,
-voornamelijk afkomstig van de Cervus russa. Er wordt in hertenpeezen
-een belangrijken handel gedreven, daar de Chineezen een kopje bouillon,
-daarvan gekookt, als een uitstekend aphrodisiacon hebben leeren kennen.
-De laler idjoe, hier bedoeld, is eene vrij groote groengoudvlieg, wie
-de erotische eigenschappen van de Kantharis toegekend worden. Sarong
-lawet zijn de zoo bekende eetbare vogelnestjes. Lawet is de Javaansche
-naam van de zeezwaluw, de hirundo esculenta, die haar nestje uit een
-soort slijm bouwt. Ook die nestjes worden als uitstekend
-opwekkingsmiddel door de Chineezen geroemd.
-
-[45] Daoen gettal is een gewas, dat door de Javanen Rawèh, en door de
-geleerden Mucuna prurita geheeten wordt. De boontjes worden voor een
-sterk werkend aphrodisiacon gehouden.
-
-[46] Een paal is eene lengtemaat gebruikelijk op Java van 1506,94
-meter.
-
-[47] De heerlijkste manga’s, de lekkerste ramboetan’s, de rinschste
-assam’s, de saprijkste bliembieng’s, de geurigste djeroeks en de meest
-verfrisschende djamboe’s. De manga-boom met zijne niervormige vruchten
-is een gewas, dat 40 voet hoog wordt, en eene dichte kruin vormt. Er
-bestaan vele variëteiten van manga’s op Java, waarvan de Mangifera
-Indica en de M. foetida de voornaamste zijn. De ramboetan met zijn
-vleezig behaarde roode en gele vruchten, vormt ook een hoogen boom, die
-door de plantenkundigen Nephelium lappaceum geheeten wordt. De pohon
-assam is de zoo fraaie tamarindeboom met zijn fijn gevind loof, de
-Tamarindus Indica. De bliembieng met zijne komkommervormige frissche
-vrucht is meer een struik, en is in twee hoofdsoorten verdeeld: de
-bliembieng manies = Averrhoa carambola, en de bliembieng assam =
-Averrhoa bilimbi. De djamboeboom is mede een fraai gewas, meestal met
-machtige kruin. Er bestaan wel 70 soorten in Ned.-Indië, waarvan de
-djamboe Samarang of Jambosa alba, de djamboe bol of J. domestica, de
-djamboe ajer of J. aquosa, de djamboe mawar of J. vulgaris de
-voornaamsten zijn.
-
-[48] Katja-piring, kembang mentega, melattie, poekoel ampat, kemoening,
-kembang spatoe, patra kombala. Allen bloemstruiken, ware sierplanten.
-De Katja-piring = Gardenia grandiflora; de kembang mentega = Nerium
-oderum; de melattie = Jasminum Sambac; de poekoel ampat = Mirabilis
-jalappa; de kemoening = Murraga exotica; de kembang spatoe = Hibiscus
-rosa sinensis; de patra kombala = Caesalpinia pulcherrima.
-
-[49] Bamboe betong = Bambusa nigra ciliata.
-
-[50] Bandeng’s, djampal’s batak’s, gaboes zijn vischsoorten, die door
-de ichtyologen respectivelijk Lutodeira chanos, Pangasius djambal,
-Anabas scandens, en Ophicephalus striatus geheeten worden.
-
-[51] Singo was eerst in handen van wervers voor het leger gevallen. De
-Gouv.-Gen. Duymaer van Twist meende de ergerlijke praktijken, die
-gebezigd werden, om met behulp van opium, vrouwen en dobbelspel de
-Inlanders te ronselen, te moeten tegengaan, en verbood die praktijken
-ernstig bij circulaire. Maar, heel kort daarop verscheen eene geheime
-circulaire, waarbij de eerste ingetrokken en de schandelijke toestand
-bestendigd werd.
-
-[52] Het aantal opiumkitten in het pachtdistrict met een tiental
-vermeerderd werd. De lezer kan de waarheid van die bewering toetsen.
-Bij art. 8 van de opium ordonnantie (Ind. Stsbl. No. 197 van 1872) was
-het aantal opiumkitten voor de residentie Samarang op 42 bepaald. Bij
-eene volgende opium ordonnantie, twee jaren later geslagen, (Ind.
-Stsbl. No. 229 van 1874) werd dat aantal voor die residentie op 52 en
-negen jaren later (Stsbl. No. 197 van 1883) op 61 bepaald. Toch schreef
-de Min. van Kol. Rochussen, op 4 Mei 1858, dat geen meer afdoend middel
-om het opiumverbruik tegen te gaan, kan worden aangewend, dan het getal
-der opiumkitten te verminderen. „Het is,” zoo waren zijne woorden,
-„door de vermenigvuldiging van deze, dat de Inlandsche bevolking zich
-meer en meer in verzoeking gebracht ziet, om zich aan het gebruik van
-het verderfelijk heulsap over te geven en de amfioenpacht zelve van het
-doel, dat er mede beoogd moet worden, zich van lieverlede verwijdert.”
-
-Bij circulaire van den Directeur van Middelen en Domeinen, d.d. 4 Nov.
-1862, No. 3823 (B 1298), werd den residenten medegedeeld: „dat de
-Regeering met vasten wil er naar streeft, om het amfioenverbruik door
-verbodsbepalingen en beperkingen tegen te gaan. Daartoe beveelt zij aan
-eene inkrimping van het aantal kitten” enz. Die circulaire is nimmer
-ingetrokken en derhalve nog van kracht. Maar, zeg mij: kon die vaste
-wil der Regeering op ergerlijker wijze gebrandmerkt worden dan door
-haar zelve geschied is?
-
-[53] Galangan’s zijn dijkjes, die de natte rijstvelden omgeven. Die
-dijkjes moeten goed onderhouden worden, wil de landbouwer geene
-teleurstellingen bij het bevloeien zijner sawah’s ondervinden. Zij
-moeten van tijd tot tijd verlegd worden, eerstens om de vruchtbare
-maagdelijke aarde, waaruit zij bestaan, weer met den bodem te
-vermengen; ook om te beletten, dat die dijkjes broeinesten worden van
-ongedierte als slangen, yoeyoe’s (krabbesoort) enz.
-
-[54] In den vollen oogsttijd. De rijstoogst valt op Java niet overal
-gelijktijdig in. Op de strandvlakten heeft hij gewoonlijk einde Juni
-plaats, in de bergstreken later.
-
-[55] Het is dan voor haar eene ware kermis. Dat is ook het gevoelen van
-den oud-Hoofd-inspecteur der Cultures in Ned. O. Indië K. W. van
-Gorkom. Zie zijne Oost-Indische Cultures 1e deel bladz. 115.
-
-[56] Gamelan is een muziek-orchest, uit vele metalen bekkens en andere
-instrumenten bestaande. Na de Koloniale Tentoonstelling te Amsterdam
-vertrouwt de schrijver, dat voor het lezend publiek een verdere uitleg
-overbodig is.
-
-[57] Aloon aloon is een plein, dat schier in iedere dèsa aangetroffen
-wordt. Gewoonlijk wordt het door Wariengienboomen, de Ficus religiosa,
-een der prachtigste keerkringsgewassen overschaduwd. Aan de westzijde
-staat gewoonlijk het bedehuis, de missighiet, terwijl de andere zijden
-door de woningen der hoofden ingenomen worden. Voor de komst der
-blanken had daar onder die boomen de rechtsbedeeling door de Javaansche
-hoofden plaats.
-
-[58] Kamprits en kalongs. De kamprit is eene kleine soort vledermuis,
-die in verbazende menigte onder de daken der dèsa-woningen huizen, en
-bij het vallen van den avond in dichte zwermen uitvliegen. De meest
-verspreide soort op Java is de Vesperugo noctula, die hoofdzakelijk van
-insecten leeft. De kalong behoort even als de voorgaande tot de
-handvleugeligen, maar is veel grooter. Hij bereikt de grootte van een
-jongen patrijshond, en is een ware plaag voor de dèsa-bewoners, daar
-hij zich uitsluitend met vruchten voedt. Door de geleerden wordt hij
-Pteropus edulis geheeten.
-
-[59] Sedap malam. Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78.
-
-[60] De Pernakh-an gedang en de gambang. De eerstgenoemde is een der
-kleinste bekkens van het Javaansche orchest en met zeer hoogen toon. Er
-bestaan twee instrumenten van dien naam, die evenwel in afmeting, maar
-ook in toon met elkander verschillen. De gambang is een schuitvormige
-bak, op welks randen latten van zeer klankrijk hout rusten, die met een
-paar kamertjes bespeeld worden.
-
-[61] De rebab en de gender. Eerstgenoemde is eene tweesnarige viool. De
-gender is even als de gambang een schuitvormige bak, een soort
-glaslatten-harmonica, waarvan de toetsen evenwel van metaal zijn.
-
-[62] Topeng is de naam van de oorspronkelijke tooneelvoorstelling op
-Java, die door ettelijke acteurs en actrices met begeleiding van het
-gamelanspel uitgevoerd wordt. Meestal worden daarbij historische
-legenden aanschouwelijk gemaakt.
-
-[63] Ronggeng zou kunnen vertaald worden door het woord actrice. De
-ronggeng kan bij de topeng niet ontbeerd worden. In den regel zijn de
-ronggeng’s zeer schoone vrouwen maar tevens lichtekooien van de ergste
-soort.
-
-[64] Hadden de Chineezen alle redenen van tevredenheid. De lezer zou
-kunnen meenen, dat de schrijver hier bij het ontwerpen van dit
-verleidingstafereel overdreef, of de waarheid geweld aandeed. Luister
-eens, wat de Min. van Kol. Hasselman, bij de behandeling der begrooting
-van N.-Indië in de volle Tweede Kamer liet hooren. Het waren woorden,
-die hem destijds als resident door een opiumpachter ingefluisterd
-waren. Het gold toen inkrimping van het bestaande aantal opium-kitten.
-„Er kwam nog iets bij,” zei de Chinees in het vuur van de verdediging
-zijner belangen. „Er kwam nog iets bij, namelijk: dat het zoo jammer
-was, als eene kit, nadat ze met veel moeiten en kosten was productief
-gemaakt, werd ingetrokken. Men moest om de bevolking te lokken, feesten
-en danspartijen geven, en dit mocht toch niet tot eene vergeefsche
-moeite worden gemaakt.”
-
-Wanneer nu in den boezem der vertegenwoordiging, waarin slechts uiterst
-schroomvallig, vooral door Ministers v. Kol. de opiumkwestie behandeld
-wordt, zulke mededeelingen weerklonken hebben, dan kan de lezer
-oordeelen over wat er er in werkelijkheid omgaat, en dan moge hij
-uitspraak doen, of het in den tekst voorkomend verleidingstafereel
-overdreven mag heeten.
-
-[65] Krachtige bondgenooten aangetroffen in de vrouwen. In de
-Itinerario, Voijage ofte Schipvaert van Jan Huygen van Linschoten, een
-Haarlemmer, die in 1569 naar Indië zeilde, worden uitvoerige
-bizonderheden aangetroffen, die een romanschrijver niet bezigen mag.
-Die bizonderheden geven evenwel de oorzaken aan, waarom de vrouwen in
-N.-I. op het samenzijn met een opiumschuiver zoo verlekkerd zijn. Jean
-Chrétien Baud, hoewel niet zoo in bizonderheden afdalende, bevestigt
-volkomen het bestaan dier oorzaken in zijne Proeve, in de aanteekening
-No. 1 op bladz. 43 hiervoren reeds aangehaald. Men zie ook Van Dedem’s
-studie in de aanteekening No. 1 op bladz. 74 hiervoren aangehaald. Bij
-inzien van die aangehaalde werken zal de lezer ook ervaren, waarom de
-opium naast of zelfs boven ieder ander aphrodisiacon gesteld kan
-worden.
-
-[66] Mata’s. Een mata, ook wel „tiembang” genaamd, is het 1⁄1600 van
-een katie, of het 0,368 van een milligram.
-
-[67] Tegen slechts veertien cent per mata. Zie Koloniale Verslag voor
-1884, hoofdstuk M., Afd. I., bladz. 154.
-
-[68] Van den eenen zwijmel in den anderen overgingen. Een volbloed
-Chinees schreef nog niet zoo heel lang geleden in de Times: „Wijs mij
-één geval, waarin iemand zich heeft gehouden aan eene vaste hoeveelheid
-opium, waarmede hij tien jaren geleden begon, en ik zal u honderd
-gevallen toonen, waarin men begon met eene matige hoeveelheid, doch
-binnen tien jaren het gebruik zoo toenam, dat het de schuivers te
-gronde richtte.”
-
-[69] Waarvan het verhaal onmogelijk moge schijnen; maar die helaas!
-toch zoo dikwerf plaats vindt. Helaas, hoe dikwijls hebben de Indische
-dagbladen gelegenheid zoodanige gebeurtenissen mede te deelen.
-Dergelijke berichten van opiumschandalen komen schier nog menigvuldiger
-voor, dan in de Nederlandsche dagbladen die der kinderlijkjes in
-grachten, slooten, enz. gevonden.
-
-[70] Njonja mahal. Zie daaromtrent bladz. 160 van Macht tegen recht
-Piepers, bij de aanteekening hiervoren op bladz. 73, reeds aangehaald.
-
-[71] Ngoh, de Watergod. Zie daaromtrent bladz. 299 van de Jaarlijksche
-feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen door Dr. J. J. M. de Groot.
-
-[72] Bij de beschrijving van de werkkring van het Binn. Bestuur vindt
-men op bladz. 153 van de Regeerings-Almanak voor 1881 aangeteekend,
-omtrent deze Inl. ambtenaren: „Elken regent is een patih toegevoegd, in
-alles zijn plaatsbekleeder, door wien de regent zijne bevelen laat
-overbrengen aan mindere hoofden en die voor de tenuitvoerlegging dier
-bevelen te zorgen heeft.”
-
-[73] Kanarie-boomen, eene fraaie boomsoort met prachtige kruin, door de
-geleerden Canarium commune geheeten.
-
-[74] Pradjoerits zijn zoogenaamde regentstroepen, infanteristen, die
-eigenlijk tot niets anders dienen, dan tot geur der civiele ambtenaren.
-Geen deskundige heeft hen ooit eenige militaire waarde toegekend.
-
-[75] Hoofd-djaksa is de officier van justitie en de openbare aanklager
-bij de Inlandsche rechtbanken in Ned. Indië. Zie deswege bladz. 67 van
-den Regeerings-Almanak voor N.-I. van 1881; ook de bladzn. 305 en
-volgenden tot 311 van de Essai sur les principes régissant
-l’administration de la justice aux Indes Orientales hollandaises, door
-Mr. Winckel. De Inlandsche officieren van justitie bij de landraden in
-de hoofdplaatsen der residentiën voeren den titel van hoofd-djaksa. Hem
-zijn een of meer helpers toegevoegd, die officieel adjunct hoofd-djaksa
-heeten, maar in den regel evenals de officieren van justitie bij de
-landraden in de onderafdeelingen slechts djaksa genoemd worden.
-
-[76] Radhen ajoe. Zoo worden de eerste vrouwen van de Javaansche
-grooten genoemd, die als Mahomedanen de veelwijverij toegedaan zijn.
-
-[77] Tjemårå’s. Er zijn in Indië verscheiden soorten van dat gewas. De
-hier bedoelde is de Casuarina equisetifolia.
-
-[78] Pandan rampeh gedeh. Dit is de Pandanus latifolius der geleerden.
-Wordt veel op Java aangekweekt om zijne sierlijkheid, maar vooral om
-zijne aangenaam riekende bladeren, die fijn gesneden door de vrouwen in
-het haar gedragen worden.
-
-[79] Makassaren. De inheemsche paarden van Zuid-Celebes zijn door den
-geheelen Archipel beroemd. Zij worden Makassaren genoemd naar de
-hoofdplaats Makassar.
-
-[80] Kedoeërs en Batakkers. In den tijd, lang geleden, toen de
-Nederlanders nog hart voor hunne koloniën hadden, werden Friesche
-hengsten ingevoerd en in de residentiën Kedoe en
-Preanger-Regentschappen stoeterijen opgericht. De stoeterijen zijn
-reeds lang verdwenen; maar de afstammelingen van die Friesche hengsten
-vormen een zeer fraai en krachtig paardenras, dat evenwel door gebrek
-aan nieuw bloed langzamerhand uitsterft. Batakkers zijn een fraai
-inheemsch paardenras, in de Bataklanden in Noord-Sumatra. Het zijn
-kleine paarden, maar van zoo edelen vorm, dat moeielijk iets meer
-volmaakt op dit gebied uit te denken is.
-
-[81] Tamarinde-boom is een groote kruinboom met uiterst fijn gevinde
-bladeren. Bij de geleerden heet hij Tamarindus indica.
-
-[82] Toeri- of klampiesstruikjes zijn sierlijke gewassen, die door de
-geleerden genoemd worden, de eerste: Agati grandiflora, de tweede
-Acacia tomentosa.
-
-[83] Wedono, djoeroetoelis, loerah, kabajan, kamitoewa en tjarik zijn
-allen titels van Javaansche hoofden. De wedono is het districtshoofd,
-de djoeroetoelis is zijn schrijver, de loerah is het dèsahoofd en de
-drie vorigen zijn leden van het dèsabestuur.
-
-[84] Als de bevolking er gebruik van mag maken. De tijd ligt zoo ver
-niet achter ons, dat de Javaan geprest werd, om in onbetaalden
-heerendienst prachtige wegen over berg en dal voor zijne blanke
-overheerschers aan te leggen, evenwel daarvan zelf geen gebruik mocht
-maken, maar zich vergenoegen moest met de zoogenaamde karrewegen, naar
-welker onderhoud niemand omzag, en dan ook in een niet te beschrijven
-toestand van verwaarloozing verkeerden.
-
-[85] Met dispensatie van het afleggen van eenig examen. Bij koninklijk
-besluit dd. 21 Januari 1879 No. 28 werd aan tien Nederlandsche
-landsdienaren dispensatie verleend van het examen, bedoeld bij
-Staatsblad No. 194 van 1864. Men hoopte door dien maatregel de
-comptabiliteits-wet, die dreigde te stranden, in vlot water te brengen.
-De lezer kan nagaan welke specialiteiten toen naar Ned. Indië gezonden
-zijn. Helaas! de zoo schoone Koloniën ondervinden er de naweën en
-Nederland plukt er de vruchten van.
-
-[86] Die zij gewoonlijk ’s Vrijdags slechts aan hadden. De Vrijdag,
-hari Djoemahat, is de Zondag der Mahomedanen.
-
-[87] Kanarievogel. De uniformen der oppassers zijn ruim met geel laken
-uitgemonsterd. Van daar die gebruikelijke benaming.
-
-[88] Te zeer gewoon aan zoo’n bejegening. Voor hen, wien deze episode
-te sterk gekleurd mocht voorkomen, raden wij eene vlijtige inzage van
-de Indische dagbladen aan. Zij zullen dan menig staaltje lezen, als het
-ondervolgende, dat een uit zoovelen uitgekozen en in het Indische
-Vaderland van 16 Januari 1883 aangetroffen wordt: „OPIUMZAKEN. Toen
-gisteren namiddag de opiumambtenaar Steinfort huiszoeking zou doen bij
-den Chinees Lim Kwa Hong, vond deze laatste bij de gebruikelijke
-visitatie aan den lijve, dat de oppasser van den heer S., Rono genaamd,
-een klein doosje met klandestiene tjandoe bij zich had.” Hetzelfde feit
-werd op denzelfden dag ook door het dagblad de Locomotief medegedeeld.
-
-[89] Keh is eene gemeenzame benaming van een Chinees, bijna een
-scheldnaam.
-
-[90] Kedjineman hier in de beteekenis van wachthebbende.
-
-[91] Wariengienboom. Zie de aanteekening No. 3 op bladz. 94 hiervoren.
-
-[92] Kalong. Is eene soort vliegende hond, die tot de handvleugeligen
-behoort. Hij wordt door de zoölogen Pteropus edulis geheeten. Edulis
-beteekent eetbaar, en werkelijk dat dier wordt door ettelijke jagers
-met graagte genuttigd.
-
-[93] Kwenni. Is eene soort manga, en wordt door de botanici Mangifera
-foetida geheeten.
-
-[94] Tongeret oetan wordt door de entomologen Tosena fasciata geheeten.
-
-[95] Baud’s bekende Proeve. Zie omtrent den titel dier verhandeling de
-aanteekening Nr. 1 op bladz. 43 hiervoren.
-
-[96] Companie ketjil = de kleine kompagnie is de benaming bij den
-Inlander van de Nederlandsche Handelmaatschappij.
-
-[97] Wiens naam mij ontschoten is. Die Chinees heet Li Schi Tschin. Hij
-schreef in 1596 zijn Pen Tsao Kang Mo of Chineesche pharmacopoea.
-
-[98] Von Miclucho Maclay. Zie daaromtrent Natuurkundig Tijdschrift van
-N.-I. XXXVste Deel.
-
-[99] Mannen als Rochussen, Loudon, Hasselman, Van Bosse. Rochussen: zie
-zijn missive aan de Ind. Regeering dd. 3 Mei 1858; Loudon: zie Tweede
-Kamerzitting December 1861; Hasselman: zie zijn brief aan den Koning
-dd. 16 April 1869; Van Bosse: zie Kamerzitting 11 Maart 1872.
-
-[100] De kit is nog open. Bij art. 7 van het regl. voor de opiumpacht
-op Java en Madoera (Ordonn. 25 Sept. 1874 Ind. Stsbl. No. 228) wordt o.
-a. ook bepaald, dat: de kitten worden gesloten en de opiumverkoop
-gestaakt tusschen elf uur des avonds en half zes des morgens.
-
-[101] De pijp uitkrabben, om zoo het noodlottige narcoticum machtig te
-worden. De opiumpachters koopen dat uitkrabsel, hetwelk „tahi madat”
-geheeten wordt, op, om hunne officiëele waar mede te vervalschen. Die
-vervalsching wordt bij art. 13 van het bij de vorige noot op bladz. 212
-aangehaalde reglement met zware boete bedreigt. Hoe edelaardig niet
-waar? Den Javaan tegen vervalschte vergiftiging te beschermen! Er dient
-bij verteld te worden, dat die vervalsching te zeer de onvervalschte
-vergiftiging van het Staatsmonopolie zou benadeelen.
-
-[102] Om zoo het noodlottige narcoticum machtig te worden. Zie
-daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78.
-
-[103] Dagteekent reeds van 1824. Dat besluit is van 3 December en te
-vinden in het Ind. Staatsblad No. 44 van dat jaar.
-
-[104] Omdat men vreesde, dat de bevolking koffie zou stelen, om zich
-aan het amfioenschuiven te kunnen overgeven. Zie Baud’s Proeve enz.
-reeds in de aanteek. No. 1 op bladz. 43 hiervoren aangehaald. Op bladz.
-162 van het daar vermelde deel der Bijdragen staat woordelijk: „De
-Preangerlanden werden van het pachtgebied uitgesloten en alle invoer
-van opium aldaar verboden. Dat stond in verband met de vrees voor
-sluikhandel in koffie. Verslaafden de Inlanders zich aan het
-amfioenrooken, dan zouden zij, meende men, de Gouvernements-koffie
-verkoopen om aan die neiging te kunnen voldoen.”
-
-[105] Met vrede te Atjeh te decreteeren, die nog in de verste verte
-niet te bespeuren is. Zie hieromtrent de hoofdartikelen in 1885 in de
-Nederlandsche dagbladen: Het Algemeen Handelsblad, De Amsterdammer, Het
-Vaderland en zooveel anderen in de maand Juli 1885 gepubliceerd.
-
-[106] En de Vertegenwoordiging nam die raming zonder blikken en blozen
-aan. Och, wat was Grenits nog naïef met zijne verontwaardiging. De
-opiumramingen van 1886 en van 1887, die respectievelijk 21 en bijna 22
-millioen bedroegen, zijn evenzeer zonder blikken of blozen aangenomen.
-Nederland heeft geld noodig en dan komt het er niet op aan, uit welk
-riool dat geld door de Regeering met vuil viezen vinger gehaald wordt.
-In de Eerste Kamer werd de Minister Sprenger van Eyk in 1885 nog
-geprezen voor zijn financiëel beleid. Hoera, voor de Nederlandsche
-Vertegenwoordiging!
-
-[107] Lees de Indische dagbladen maar geregeld. Alle verschenen
-artikelen op te sommen, is niet doenlijk. Maar de lezing van b. v. Het
-Indische Vaderland van 15 Januari en 8 Februari 1883, en ook de
-Locomotief van 25 Juli en 1 Augustus van hetzelfde jaar kan ik
-aanbevelen.
-
-[108] Elke regeling moet worden veroordeeld, die de strekking heeft, om
-door een vermeerderd debiet de rijzing van den pachtschat te
-verkrijgen. Grenits kwam waarlijk beslagen op het ijs, want de Minister
-van Koloniën Rochussen verkondigde in nagenoeg dezelfde bewoordingen
-dezelfde stelling in zijne missive aan de Ind. Regeering dd. 3 Mei
-1858. Hoe die waarlijk verheven grondstelling nagekomen is en wordt,
-leert de noot op de vorige bladzijde.
-
-[109] Door een minister van Koloniën tot een belastingheffingsstelsel
-verheven is. Zie de inlichtingen van den Min. v. K. Sprenger van Eyk,
-aan de Tweede Kamer aangeboden bij zijne geleidende missive dd.
-September 1884 No. 1.
-
-[110] Dan wordt hij beboet. Ziet ook over het bezit en verkoop van
-opium door apothekers in Ned. Indië de Ordonnantie dd. 8 October 1872
-(Ind. Stbl. No 170).
-
-[111] Stipt en onwrikbaar hun plicht zullen doen. Ja, dat zullen zij!
-Maar... hoe wordt hun plichtsbetrachting door de Regeerende personen
-gewaardeerd? In de Kamerzitting van 11 November 1885 permitteerde de
-Min v. Kol. Sprenger van Eyk zich de persiflage: „zij pruttelen wel,
-maar dat is niet gevaarlijk. Rechtmatige klachten inbrengen wordt in
-den mond van die Excellentie pruttelen geheeten, en daaraan wordt eerst
-aandacht geschonken als het gevaarlijk wordt.
-
-[112] Atapoepoe of de Tomini-baai. Eerstgenoemde is een kleine kampong
-op de noordkust van het eiland Timor vlak bij de Portugeesche grens
-gelegen. De Tomini-baai is een groote inham, welke de Moluksche zee in
-Noord-Oost-Celebes maakt.
-
-[113] Advocaat Winckel. Deze rechtsgeleerde, die redacteur was van een
-der Indische bladen, werd in 1873 wegens eenige ondoordachte woorden
-over den toenmaligen Gouverneur-Generaal met betrekking tot den
-Atjeh-oorlog zonder vorm van proces uit Nederlandsch-Indië gebannen.
-
-[114] Dit distichon beteekent vrij vertaald: hij die een kus verwerft
-en het overige niet weet te veroveren, is waard, dat hij datgene
-verliest, wat hij reeds erlangd heeft.
-
-[115] Vierbekkige palita. In het meerendeel der dèsa’s van Java’s
-binnenlanden, waar de petroleum-verlichting nog niet is doorgedrongen,
-wordt een soort van ijzeren bakje met vier tuitjes in de toeken, waarin
-in katjang- of klapper-olie een pitje ligt, tot lamp gebezigd.
-
-[116] Sembong, Kemanden kerbo en Oering aring zijn heestergewassen, die
-op Java veelvuldig langs berghellingen op steenachtigen bodem werden
-aangetroffen. Zij behooren tot de Compositeeën. De eerstgenoemde wordt
-Conyza balsamifera genoemd. De bladeren, vooral de jonge spruiten zijn
-zeer welriekend. De Kemanden kerbo heet C. Macrophylis en de derde
-genoemde Eclypta erecta.
-
-[117] Oeweh lilin is eene rottansoort en heet Calamus melanoloma.
-
-[118] Djatie doeri. Dit is eene variëteit van gedoornde Tectona
-Grandis.
-
-[119] Siwallan is de Javaansche naam van een dwergpalm, die niet hooger
-wordt dan 20 voet. Hij wordt door de geleerden Borassus flabelliformis
-geheeten.
-
-[120] Melati bloem. Zie de aanteekening No. 1 op bladz. 89 hiervoren.
-
-[121] Tjoe is jonge arak. Wordt door Chineezen veel gedronken. De
-Bataviasche tjoe heeft onder hen een zeer gunstigen naam.
-
-[122] Maar den dood niet ontkomen zouden. Een gewond wild sterft in den
-regel in tropische gewesten. De tallooze vliegen en andere insekten,
-die zich op de wonden werpen, maken genezing onmogelijk.
-
-[123] Komessoe is een boom, die nog al op Java op steenachtigen grond
-aangetroffen wordt. In de Vorstenlanden heet hij Pohon malam, en wordt
-daar soms aangeplant, voor de was, die uit de vruchten getrokken wordt
-en mienjak tangkallah heet. De plantenkundigen noemen den boom, die tot
-de Laurineeën behoort: Cylicodaphne sebifera.
-
-[124] Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 44 hiervoren.
-
-[125] Soengoe mattie. Soengoe beteekent: zeker en mattie: dood. Dus de
-uitdrukking: zeker dood; kan gelijk gesteld worden met de Nederlandsche
-uitdrukking: „ik mag doodvallen” of iets dergelijks, om de waarheid te
-bevestigen.
-
-[126] Koekoesan is een spits toeloopende kegelvormige mand van
-bamboevlechtwerk, waarin de rijst in den stoom van een ketel „dandang”
-genaamd, gaar wordt gestoomd.
-
-[127] Kerri’s, sajoran’s, sambalan’s en atjaran’s. Kerri is eene soort
-bouillon, waarvan de „koenier” (curcuma longa) het hoofdbestanddeel
-uitmaakt. Sajor is de naam voor groenten. Tot toespijs wordt een soort
-bouillon gekookt, sterk spaanschgepeperd, waarin vele groentesoorten.
-Zoo’n groentesoep heet sajoran. Sambalan’s zijn ook alweer
-saus-bereidingen, waarin de sambal of lombokh (spaansche peper) niet
-vergeten is. Atjaran’s zijn zuren.
-
-[128] Kerri ikan. Is eene kerri- of koenier-bouillon, van visch
-gekookt.
-
-[129] Piendang ajam en piendang klowek zijn lichte bouillons van kip of
-gerookt vleesch gekookt, zonder groenten, maar met zeer veel spaansche
-peper.
-
-[130] Rawoen daging, sajor loddeh en sajor gado gado zijn verschillende
-bouillons, naar hunne verschillende bestanddeelen genoemd.
-
-[131] Sambal oelak, s. goreng oedang, s. telor, s. ikan mejrah, s.
-peteh, s. badjak. S. oelak is eenvoudig spaansche peper met zout
-fijngewreven. S. goreng oedang is sp. peper met garnalen gebraden. S.
-telor is sp. peper met eieren toebereid. S. ikan mejrah is sp. peper
-met makassaarsche roode vischjes. S. peteh is sp. peper met petehboonen
-gebraden. De petehboon is de peulvrucht van eene groote accaciasoort,
-die door de geleerden Parkia speciosa geheeten wordt. S. batjak
-beteekent letterlijk vertaald: zeeroovers-sambal, van wege de scherpte,
-die door het aanwenden van lombokh-rawiet of l. sejtan (Capsicum
-baccatum) verkregen wordt.
-
-[132] Atjar bawang, a. lombokh, a. tjampoer adoek beteekent: zuur met
-uien of met sp. peper vervaardigd en gemengd zuur.
-
-[133] Dendeng ragi, d. minjangan. Dendeng zijn dunne lapjes vleesch,
-die, na met zout en met verscheidene kruiden ingewreven te zijn, in de
-zon gedroogd worden. D. ragi is afkomstig van rundvleesch, d. minjangan
-van hertenvleesch.
-
-[134] Sasateh, besengeh en petjiel zijn kleine stukjes vleesch
-gebraden, gepoft of geroosterd, de eerstgenoemde aan zeer dunne stokjes
-geregen.
-
-[135] Ajam goreng en a. pangang is gebraden en gepofte kip. De laatste
-is een heerlijk gerecht, wanneer de kip voor het poffen behoorlijk met
-kruiden ingewreven en met boter besmeerd is.
-
-[136] Ikan goerami en i. bandeng assep. Ikan goerami is een heerlijke
-zoetwatervisch door de ichtyologen Olphromeus olfax geheeten. De andere
-behoort tot de Clupea en wordt Lutadeira Chanos genoemd. Assep
-beteekent gerookt.
-
-[137] Telor troeboek, kroepoek oedang. Telor troeboek is gezouten
-vischkuit, afkomstig van eene groote staart-elft-soort, die in groote
-menigte in de Brouwerstraat, een onderdeel van Straat Malakka, op de
-oostkust van Sumatra gevangen wordt. Die elft heet Alausa macrusus.
-Kroepoek oedang is een deeg van fijngewreven garnalen, dat, aan zeer
-dunne koeken gesneden, zeer krap gebakken is.
-
-[138] In dezelfde keuken klaargemaakt. De schrijver heeft het in 1859
-bijgewoond, dat een geheel Boegineesche kompagnie soldaten te
-Martapoera (Zuid en Ooster Afdeeling van Borneo) tot een begin van
-verzet kwam, omdat zij een en dezelfde keuken moest deelen met eene
-Europeesche kompagnie, aan welke laatste op gezette tijden spek
-verstrekt werd. Inlandsche soldaten beweerden, dat hun eten
-verontreinigd werd door de aanraking met het keukengereedschap, dat op
-zijn beurt met het spek in aanraking was geweest.
-
-[139] De opiumpacht rust op het land als eene ware vervloeking. Overal
-ontmoet men haren stempel. Helaas ook bij de justitie. Zie het lijvige
-werk Macht tegen recht door Mr. M. C. Piepers, 1ste deel, bladz. 81 der
-aanteekeningen.
-
-[140] Als ik mij wel herinner. Het is niet te verwonderen, dat een jong
-koopman als Grenits de verslagen van de zittingen van den Raad van Ned.
-Indië niet ongeschonden in het hoofd had. Het advies van dat
-regeeringslichaam, waarop de jeugdige handelaar doelde, was in de
-zitting van 21 Mei 1861 uitgebracht en luidde woordelijk:
-
-„De opiumpacht heeft steeds als middel van inkomst de belangstelling
-van de regeering dezer landen in hooge mate gaande gehouden, en ieder
-middel, dat leiden kon om de jaarlijksche opbrengst van deze pacht op
-te voeren, werd met gretigheid aangenomen. Zelfs de latere tijd getuigt
-daarvan, want de in 1832 aangenomen en sedert gevolgde wijze van
-opiumverpachting had ten doel om van dezen tak van inkomst meer
-voordeel voor de schatkist te hebben, en het mag niet worden ontkend,
-dat het gestadig toenemen van den opiumpachtschat voor de Regeering tot
-dusverre geene onverschillige zaak is geweest.”
-
-Hoort ge, Nederlanders? Ieder middel—ik cursiveerde die woorden—dat
-leiden kon de jaarlijksche opbrengst van deze pacht op te voeren, werd
-met gretigheid aangenomen. Ieder middel! Ook de meest onzedelijke! En
-laat u nu niet misleiden, dat die volzin op het verledene, op 1871 zou
-duiden. Telken jare wordt de opbrengst van de opium op de begrooting
-door uwen Min. v. Kol. twee millioen hooger geraamd, wat aan een bevel
-gelijk staat, om den opiumhartstocht al hooger en hooger op te zweepen.
-
-[141] De rijke ervaring door mij op dit gebied gedaan, Nederlanders
-minder dan ooit fantaiseerde ik hier. Ik laat hier Controleur Verstork
-zijne ervaring uitkramen. Och, dat er zulke controleurs te vinden
-waren! Maar, wiens waarheidlievendheid ik dan benuttigd heb?....
-Eenvoudig die van een eerbiedwaardig evangelie-verkondiger, van een
-man, die zijne waarheidsliefde niet ten offer brengt voor wereldsche
-aangelegenheden, die zijn geweten niet verkoopt aan den fiscus. De
-geheele volgende tirade, voorkomende op bladz. 290 en volgd., is
-woordelijk overgenomen uit een stuk, getiteld: nog een woord over
-opium, geschreven door den zendeling-leeraar P. Jansz, in het
-Maart-nummer van de Indische Gids van 1882. Dat plagiaat zij mij door
-dien waren Christen vergeven! Ik kon het niet van mij verkrijgen, zijn
-opstel onbenut te laten. En de woorden, die hij bezigde, en de
-toestanden, die hij schetste, waren zoo treffend, dat het mij
-onmogelijk was, daaraan iets meer te veranderen, dan voor de
-inlassching in mijne romantische schets noodig was.
-
-[142] Kediri heeft eene bevolking van ruim 700,000 zielen. Zie Indische
-Gids, 1882 het artikel: Eene stem uit Indië. Ik verheel dat plagiaat
-niet. Integendeel, ik beijver mij die stem uit Indië in breeder kring
-over te brengen.
-
-[143] Nieuwsgierig als een neusaap. Neusapen behooren voornamelijk op
-Borneo te huis. Het zijn roodharige apen, die ter gemelde plaats een
-vrij langen en welgevormden neus bezitten, waarin echter geen neusbeen
-aanwezig is. Dat klompje vleesch verleent die apen een koddig en
-voornaam uiterlijk. Zij worden door de geleerden Symnopethicus nasicus
-geheeten en zijn zeer nieuwsgierig van aard.
-
-[144] Het zijn pilletjes. Zie deswege de Catalogus der afd. Ned.
-Koloniën op de Intern. Koloniale en Uitvoer Tentoonstelling in 1883 in
-Amsterdam, 3de groep op bladz. 5 van het aanhangsel, vermeldende de
-voorwerpen van wege het Ned. Zendelinggenootschap ingezonden.
-
-[145] De lezer bedenke, dat deze roman voor het optreden van Mr.
-Keuchenius als minister van Koloniën geschreven werd. Ik heb de
-overtuiging dat mits men dien Staatsman daartoe den tijd late, hij het
-middel wel zal weten te vinden, den opiumramp krachtig tegen te gaan.
-
-[146] Om aan de meest onzedelijke lusten te voldoen of hun haat te
-koelen. Die geheele tirade, beginnende met de woorden: „dat de
-opiumpacht is een Staat in den Staat” is getrokken uit het Indisch
-Vaderland No. 168 van 1883. Lezers, gij ziet, ik beken gaarne plagiaat.
-
-[147] Staatsblad No. 136 van 1876. Bij bedoeld Staatsblad is den
-controleur van het Binnenlandsch Bestuur het opsporen van overtredingen
-omtrent de wettelijke bepalingen betreffende de opiumpacht op Java en
-Madoera opgedragen.
-
-[148] Nontonnende. Nontonnen is eene Indische uitdrukking, waarmede te
-verstaan gegeven wordt: buiten gade te slaan, te zien of te hooren, wat
-binnen gebeurt. Geschiedt in Ned. Indië bij concerten, opera’s,
-receptiën, enz. veel. Bij zulke gelegenheid is soms meer publiek buiten
-dan binnen.
-
-[149] Dat was bij den val van den minister Van Bloemen Waanders.
-
-[150] Brengbreng is een metalen bekken, dat wanneer er op geslagen
-wordt, een uiterst onaangenamen trillenden toon voortbrengt. Dit bekken
-wordt bij oproepingen, maar vooral bij vendutiën gebruikt.
-
-[151] Broeang beteekent in het maleisch: beer, de Ursus der zoölogen.
-Bekin broeang, in de beteekenis, die in den tekst daaraan gegeven is,
-zou gelijk staan of een Hollander tegen een Franschman van faire des
-ours gewaagde.
-
-[152] Crotons. De Adal adal wordt door de plantenkundigen: C. Tiglium,
-de Kamilakkian: C. Corylifolius, de Camilla: Rothlera tinctoria of C.
-Philippense, de wasdragende: C. Sebiferus genoemd.
-
-[153] Tottokh is de benaming van de blanken, die niet in Ned.-Indië
-geboren zijn.
-
-[154] Aloon-aloon. Zie daaromtrent de aanteekening op bladz. 94 van het
-eerste deel.
-
-[155] Boepati is de Javaansche, eenigszins verouderde naam voor de
-Inlandsche machthebbenden, die door de Nederlanders Regenten genoemd
-worden.
-
-[156] Inlandsch kind. Zoo worden gewoonlijk de afstammelingen genoemd
-van een Europeeschen vader en eene inlandsche moeder.
-
-[157] Toean lakkel zou hier moeten klinken: toean rakker. Rakker als de
-Inlandsche verbastering van het woord rechter, waarvan de Chineezen
-wegens de moeilijkheid, die zij ondervinden om de r uit te spreken,
-lakkel maken.
-
-[158] Dat geheele tooneel is geen fictie maar weer te vinden in de
-brochure:
-
-Iets over de tegenwoordige afhankelijkheid van de Nederlandsch-Indische
-rechterlijke ambtenaren in de aanteekening op bladz. 75 van het 1ste
-deel reeds aangehaald. De lezer zal zich daar kunnen overtuigen, hoe
-stipt nauwkeurig ik in mijne beschrijving ben. Dat plagiaat erken ik
-gaarne.
-
-[159] Artikel 24 van het reglement voor de opiumpacht op Java en Madura
-(Ordonnantie dd. 25 September 1874 Stbl. v. N.-I. No. 228) luidt als
-volgt:
-
-„De voor de aangehaalde en verbeurdverklaarde opium overeenkomstig art.
-22 uit ’s lands kas uit te keeren gelden, zoomede de boeten, verbeurd
-en voldaan ter zake van overtredingen van dit reglement, worden
-onverwijld, nadat de veroordeeling kracht van gewijsde zaak heeft
-bekomen, of nadat in de gevallen, bedoeld bij Art. 415 van het Inl.
-regl. de boete vrijwillig is voldaan en verklaard is, dat in de
-verbeurd verklaring wordt berust, verdeeld als volgt:
-
-a) aan den aanbrenger of aanbrengers 3⁄7​; b) aan den aanhaler of de
-aanhalers 2⁄7​; c) aan allen, die tot het ontdekken der overtreding en
-het doen der aanhaling hebben medegewerkt 1⁄7​; blijvende... enz.”
-
-[160] Zie de aanteekening op blz. 27 hierachter.
-
-[161] Een paal is gelijk aan 1506,96 Meter.
-
-[162] De heer Meidema doelt hier op het besluit van 18 Sept. 1853 No 5
-(Ind. Stbl. No 73) waarin bij Art. 1 1a B. bepaald is: dat de
-aanbrengloonen nimmer kunnen genoten worden door hoofden van
-gewestelijk en plaatselijk bestuur en hunne secretarissen, doch dat
-hunne aandeelen in den buit, bijaldien een van deze ambtenaren als
-aanhaler of aanbrenger mocht voorkomen, zullen worden gebracht ten bate
-van den lande; en op het besluit 11 April 1874 No 14 (Ind. Stsbl. No
-106) waarbij de vorenstaande bepaling toepasselijk is verklaard voor de
-assistent-residenten voor de politie.
-
-[163] Nan Hioeng is een Chineesche stad in de provincie Kwantoeng op 2½
-graad nagenoeg ten noorden van Canton gelegen. Volgens de babah’s op
-Java zijn de omstreken van die stad het zijde-district bij
-uitnemendheid.
-
-[164] Zie omtrent het geven van geschenken bladz. 463 en volgende van
-de Jaarlijksche feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen door Dr. J.
-M. de Groot.
-
-[165] Sobat baai beteekent: goede vriend. Sobat is de verbastering van
-het Arabische sjachbat = vriend.
-
-[166] Art. 23 van het opium-reglement luidt:
-
-„Alle overtredingen der bij dit reglement gemaakte bepalingen waarop
-geen bizondere straffen zijn gesteld, worden gestraft met boete van een
-duizend tot tienduizend gulden voor elke hoeveelheid van honderd katie
-opium of daar beneden, waarmede de overtreding is gepleegd en een
-honderd gulden voor elke katie meer en bovendien met gevangenis, de
-eerste maal voor den tijd van een maand tot drie jaren en bij herhaling
-voor den tijd van drie maanden tot vijf jaren.
-
-„De gevangenisstraf in de vorige alinea bedoeld, wordt met opzicht tot
-Inlanders en met hen gelijkgestelde personen vervangen door dwangarbeid
-buiten den ketting van gelijke duur.”
-
-Dwangarbeid staat gelijk met onze tuchthuisstraf.
-
-Nederlanders, hoort gij het? Dwangarbeid voor een eenvoudige sluikerij!
-Verbeeld u, dat iemand hier te lande voor eene eenvoudige
-smokkelgeschiedenis van gedistilleerd tot tuchthuisstraf zou kunnen
-veroordeeld worden. Verontwaardigd werpt gij die veronderstelling ver
-van u. Ja, maar uwe lasthebbers daar ginds hebben reglementen volgens
-welke de Inlanders voor eene eenvoudige opiumsmokkelarij tot
-dwangarbeid veroordeeld kunnen worden. En ziet het Weekblad van het
-recht maar eens nauwkeurig in, dan zult gij ervaren dat die straf ook
-toegepast wordt.
-
-Tot zulke vreeselijke anomaliën brengt de gevloekte opiumpacht!
-
-[167] Zoo worden op Java rooftochten genoemd, die meestal
-gewapenderhand uitgevoerd worden. Gewoonlijk worden zij des nachts
-ondernomen, terwijl de deelnemers zich het gelaat meestal hebben zwart
-gemaakt. Het ligt voor de hand, dat doodslag, plundering en
-brandstichting daarbij niet zelden voorkomen.
-
-[168] De landrente wordt op Java en Madoera met uitzondering van de
-vorstenlanden Soerakarta en Djokjokarta, geheven van alle beplante
-gronden, waarop zakelijke rechten worden uitgeoefend, en die niet
-vallen onder de bepalingen omtrent de verponding. De inning daarvan is
-opgedragen aan de dèsahoofden, die daarvoor 8% collecteloon genieten,
-en aan Inlandsche beambten, ondercollecteurs bij de Inlandsche
-inkomsten genaamd, wien hiervoor eene bezoldiging is toegelegd naar de
-belangrijkheid van hunne perceptiën.
-
-[169] Het recht tot den verkoop van opium in het klein wordt op
-periodieke tijden door de Nederlandsche regeering aan de meestbiedenden
-verpacht, terwijl de pachters, behalve dien bedongen pachtschat de
-opium uit ’s lands pakhuizen moeten ontvangen tegen ƒ 30 het katie of ƒ
-3000 per pikol. De opium kost het gouvernement alles en alles gerekend
-slechts ƒ 13,87 per katie.
-
-[170] Zie daaromtrent o. a. het voorloopig verslag van de commissie tot
-onderzoek der ontwerpen van wet tot vaststelling der begrooting van
-Ned. Indië voor 1886 in de afdeelingen der Tweede Kamer. (laatste
-alinea § 3, te vinden op bladz. 4 van dat document).
-
-[171] In Nederl. Indië bevinden zich in alle wachtkamers van de
-militaire garnizoenen scherpe patronen, die in eene blikken trommel
-opgeborgen zijn. Die trommel is evenwel verzegeld, en de kommandant der
-wacht is voor den goeden staat der zegels verantwoordelijk. Natuurlijk
-mag die trommel bij dreigend gevaar onder verantwoordelijkheid van dien
-kommandant geopend worden.
-
-[172] Het Besser-gebergte is een bergketen, die dwars door de
-residentie Bagelen en meer bepaald door de afdeeling Ledok loopt, en
-een verbindingsrug daarstelt tusschen het Midanganggebergte aan de eene
-zijde en de vulkanen Soembieng en Sindoro aan de andere zijde. Het
-punt, waar de weg over den nok van het Besser-gebergte voert, ligt op
-1900 voet boven de oppervlakte der zee.
-
-[173] Het Midangang-, Paras- en Boetakgebergte. Het Midanganggebergte
-vormt de grens tusschen de residentiën Banjoemas en Bagelen. In zijn
-hoogsten top bereikt het 3318 voet. Het Parasgebergte ligt in de
-Afdeeling Keboemen. De hoogste top verheft zich op 1660 voet. Het
-Boetak-gebergte ligt in de Afdeeling Karang Anjer en bereikt eene
-hoogte van 1252 voet.
-
-[174] Zie daaromtrent de aanteekening No. 2 op bladz. 140 van het 1e
-deel.
-
-[175] In Java’s binnenlanden zijn langs de groote wegen op bepaalde
-afstanden Rijks postpaarden gestationneerd, die, wanneer de dienst
-zulks toelaat, ook voor particulieren tegen betaling verkrijgbaar zijn.
-
-[176] Een gardoe is een wachthuis. Op Java bestaan overal langs de
-wegen dergelijke wachthuizen, die door dèsa-volk betrokken worden.
-
-[177] Roepanja kasar dan hitam en bahoenja ketjoet. De in den tekst
-bedoelde commissie van keuring en weging bij opiumsmokkel bestaat
-gewoonlijk uit Chineezen, die van scheikunde in de verste verte geen
-denkbeeld hebben, en dan ook slechts op gevoel, kleur en reuk afgaan,
-om te constateeren of de aangehaalde opium al dan niet afkomstig is van
-de Gouvernementskitten. Wanneer de lezer nu zal weten, dat de
-opiumpachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars en
-opiumvervalschers zijn, dat de kithouders op hunne beurt een gild
-vormen van nog erger allooi dan hunne bazen, dan kan hij zich een
-denkbeeld maken, welke soort van rechtsbedeeling den Javanen gewordt.
-Dat de lezer nu niet meene, dat ik hier fantaiseer of overdrijf. De
-hierboven gebezigde Maleische uitdrukking is getrokken uit een
-behoorlijk beëedigd proces-verbaal van zoogenaamde deskundigen. Hij,
-die daaromtrent meer wil weten, zie het Ind. Weekblad van het Recht No.
-863 van 1879, waarin een vonnis van den landraad te Djoana, praesident
-Mr. J. H. Abedanon, dat te recht eene dergelijke keuring brandmerkte.
-Maar tegenover ééne zoodanige behandeling van zaken, hoevele
-veroordeelingen geschieden niet ter wille van de opiumpacht? De inzage
-van No. 879 jaargang 1880 van hetzelfde Weekblad is ook
-aanbevelenswaardig. Daarin komt een vonnis voor van den landraad te
-Koedoes, en stelt de redactie daaronder: „Bovenstaand vonnis is wel in
-staat om menigen politierechter te doen terugdenken aan de tallooze
-veroordeelingen in dergelijke zaken, die hij op grond van een onderzoek
-door deskundige Chineezen op de politierol heeft uitgesproken.”
-
-’k Voeg aan het woord der redactie v. h. Weekbl. v. h. Recht dezen
-uitroep toe: En aan de veroordeelingen tot DWANGARBEID, gelijkstaande
-aan onze TUCHTHUISSTRAF! Nederlanders! hoort gij het!?
-
-[178] Een straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke
-werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter
-zake in overtreding bevonden. Die straf is geheel en al overeenkomstig
-de 6de alinea van art. 23 van het reglement voor de opiumpacht op Java
-en Madoera, (Ordonn. 25 Sept. 1874 Stbl. No. 228) zooals zij gewijzigd
-werd bij Ordonn. dd. 27 Aug. 1879 Stbl. No. 262.)
-
-[179] De listige streken van de opiumjagers, om de beklaagden aan
-overtreding schuldig te doen verklaren (bladz. 115). Die omtrent zulke
-streken gesticht wil zijn, sla het Indisch Weekblad van het Recht op,
-bij voorbeeld van 1878, 1879, 1882, Nos. 804, 843 en 966 en leze daar
-ter plaatse de betrekkelijke vonnissen van de landraden te Japara,
-Koedoes en Bodjonegoro. Hij leze ook de Indische dagbladen, b. v. de
-Locomotief van 18 Jan. en 21 Febr. 1883, het Ind. Vaderland van 27
-Jan., 7 en 17 Febr. en 24 Aug. 1883. En wanneer zulke vonnissen en
-dergelijke feiten te constateeren zijn, dan moet de bekentenis afgelegd
-worden, dat de Inlander ter wille van den opiumpachtschat met gebonden
-handen en voeten aan eene vreeselijke bende is overgeleverd. Want, dat
-men zich nogmaals afvrage: tegenover ééne vrijspraak, hoeveel
-veroordeelingen door de politierechters? Tegenover één ontmaskerd feit
-in de dagbladen, hoevele ergerlijke gebeurtenissen door de opiumbent in
-het donker gepleegd?
-
-[180] Opium ondergaat tot zuivering eene koking met water. Gewoonlijk
-gaat die koking gepaard met eene vervalsching, die ten doel heeft een
-veel grooter product aan tjandoe te verkrijgen dan bij het
-opium-reglement bedoeld wordt. Dat nu dergelijke bewerkingen door niet
-scheikundigen uitgevoerd, niet steeds identiek hetzelfde product
-opleveren, ligt voor de hand en zal voornamelijk begrepen worden door
-apothekers, bierbrouwers, zeepzieders, enz., menschen, die, met de
-meest mogelijke kundigheden toegerust, niet altijd verhoeden kunnen,
-dat hunne praeparaten verschillen met vroegere door hen vervaardigde.
-Bovendien het Ind. Weekbl. v. h. Recht No. 955 van 1881 levert het
-bewijs, dat zelfs reuk, smaak en gevoel voor de Chineesche deskundigen
-volstrekt niet voldoende zijn om sluikopium van wettelijke te
-onderscheiden. De landraad van Blitar, praeside Mr. M. Levie,
-behandelde toch eene zaak, waarbij opium, onder de noodige waarborgen
-bij den opiumpachter gekocht, door de Chineesche Commissie van keuring
-verklaard werd voor clandestiene opium, omdat de opium van de pachters
-was geuriger, donkerder van kleur en dikker van stof.
-
-[181] Die uitspraak, wierp het Vaderland in zijn nummer van den 3den
-December 1887 den Franschen naar het hoofd. Steeds de oude geschiedenis
-van den balk en den splinter!
-
-[182] De lezer vergete niet, dat de roman vóór 1886 speelt, dus den
-heer Keuchenius niet geldt.
-
-[183] Hadde de handeling van mijn roman in 1886 plaats gegrepen, dan
-had ik niet de aanbieding van de roman van Ebers laten doen maar van de
-oeconomisch critische en historische verhandeling van „de Opium in
-Nederlandsch en in Britsch-Indië” door J. A. B. Wiselius. In zijn
-voorwoord zegt die Ned. Indische Ambtenaar:
-
-„Zonder als apologeet voor opiumgebruik op te treden, moeten wij met
-den tijdgeest, die uitbreiding van dit consumptie-artikel in al de vijf
-werelddeelen voorstaat, vrede sluiten.”
-
-Hoe gerustgesteld moet zich het geweten van menig regeeringsman door
-die verklaring gevoelen! Ik vind het dan ook een snoode ondankbaarheid,
-dat den Hr. W. het VIRTUS NOBILITAT nog niet uitgereikt is.
-
-[184] Ratoe Lårå Kidoel is een bovennatuurlijk wezen van het vrouwelijk
-geslacht. De naam zou kunnen vertaald worden door: Koningin-Maagd van
-het Zuiden.
-
-[185] Mer-api beteekent letterlijk vertaald: vuurberg. Met dien naam
-worden door de bevolking veelal nog werkende vulkanen aangeduid.
-
-[186] Waaraan de natuur geene bizondere hinderpalen in den weg gelegd
-heeft. De schrijver heeft te Meester Cornelis bijgewoond, dat de jonge
-Javaansche vrouw van een Inlandsch militair, nog geen half uur na hare
-verlossing, zich met haar kind c. ann. naar de rivier begaf, daar zich
-zelve en haar kind reinigde, de ann. in een pot deed, die door haren
-echtgenoot dadelijk begraven werd, waarna zij naar de kazerne
-terugkeerde, een paar uren rust genoot met haar kind aan de borst, en
-toen hare gewone werkzaamheden hervatte, alsof er niets gebeurd was,
-terwijl een oude vrouw met de jonggeborene solde. Ik wil dat voorbeeld
-nu niet als eene type geven, alsof alle Javaansche kraamvrouwen zoo
-zouden handelen. Toch kan betuigd worden, dat de bevalling der
-Inlandsche vrouwen in Indië lang zoo lastig niet is als van hare
-Europeesche geslachtsgenooten.
-
-[187] Obat mentellang. Obat beteekent medicijn. Mentellang is de Inl.
-naam van eene windende halfheester, door den geleerden Clitorea
-Ternatea genaamd en onder de Papilionaceeën gerangschikt. Aan den
-wortel worden zekere eigenschappen toegeschreven, die hier niet nader
-behoeven aangeduid te worden, daar die uit den tekst genoegzaam
-duidelijk zullen zijn.
-
-[188] Van de lange smalle bladeren van den kokosboom wordt een
-vlechtwerk gemaakt, dat den vorm heeft van een vierkant zakje. Dat
-zakje wordt gedeeltelijk met rijst gevuld en dan gekookt. Door de
-koking zet de rijst uit, en vult het zakje geheel, dat nu den vorm van
-een kussentje verkregen heeft. Zoo’n zakje met gekookte rijst wordt
-katoepat genaamd, en is voor reizigers door eenzame streken schier
-onontbeerlijk, daar die rijst, wanneer de katoepat goed gekookt is,
-eene deegachtige massa oplevert, die niet gauw verzuurt of tot bederf
-overgaat en met wat lombok en zout genuttigd, zeer smakelijk is.
-
-[189] Dat, wanneer een pauw gezien of gehoord wordt, een tijger steeds
-nabij is, heeft de schrijver meermalen door Javanen en ook door Eur.
-liefhebbers van de jacht hooren verzekeren. Junghuhn vermeldt die
-bizonderheid ook, en meent de oorzaak van dat samenzijn daarin te
-vinden, dat de pauw op de uitwerpselen van den tijger zou azen.
-
-[190] Kawat beteekent eigenlijk metaaldraad, waarvan kabar kawat =
-telegram, pal kawat = telegraafpaal, bitjara kawat = telegrapheeren. De
-telegraafpalen, die in Java’s binnenlanden gewoonlijk uit kapokboomen
-(Eriodendron anfractuosum) bestaan, zijn op ongeveer 50 passen van
-elkaar geplant, zoodat de afstand, hier aan Dalima opgegeven, op ± 1750
-M. of 1⅙ paal geschat kan worden.
-
-[191] Warong is een kraampje, waarin etenswaren, vooral rijst en
-vruchten, verkocht worden. Zulke kraampjes worden in Java’s
-binnenlanden langs druk begane wegen veelvuldig aangetroffen. De
-koffie, welke daar geschonken wordt, is in den regel overheerlijk. Het
-ligt in den aard der zaak, dat die warongs, waar de voorbijgangers zich
-laven en te goed doen, de uitverkoren plaatsen zijn, waar de nieuwtjes
-gewisseld worden; terwijl daarenboven de waronghoudster, wie niets
-ontgaat, al de menschen uit de geheele buurt kent.
-
-[192] Pisangblad. De pisang = musa paradisiaca, draagt lange en vrij
-breede bladeren, die door den Inlander tot velerlei doeleinden, maar
-vooral bij zijne maaltijden bij wijze van bord gebezigd worden.
-
-[193] Sambal peteh. Zie daaromtrent de aanteekening No. 6 op bladz. 283
-van het eerste deel.
-
-[194] Nassi ketan. Is een kleverige soort rijst door de geleerde Oryza
-glutinosa geheeten. Is met de in den tekst aangeduide toespijs eene
-zeer gewilde lekkernij.
-
-[195] Goela aren beteekent palmsuiker. Is een product van de Arenga
-saccharifera.
-
-[196] Ramboetan is de Nepheleum Lappaceum. Eene zeer smakelijke vrucht.
-
-[197] Doerian is de Durio zebethinus. Insgelijks eene lekkere vrucht
-maar met sterken geur.
-
-[198] Tandoe is een draagtoestel van velerlei vorm. Soms van een licht
-bamboeshuisje waarin twee personen zitten kunnen, meestal is het
-evenwel slechts een zak als eene hangmat. Bij de eenvoudigste zijn twee
-dragers benoodigd; bij zwaardere evenwel meer.
-
-[199] De å klank heerscht op geheel midden- en Oost-Java in alle open
-lettergrepen, die niet door andere met een gewijzigden klank of met een
-sluitmedeklinker gevolgd worden. Bewesten de lijn die bij de Javazee
-dicht bij de hoofdplaats Pekalongan begint en niet ver van Bagelen’s
-hoofdplaats Poerworedjo bij de Indische zee eindigt, gaat die å klank
-in de heldervolle a over.
-
-[200] Ma is eene hartelijke uitdrukking, welke jonge meisjes tegenover
-niet oude getrouwde vrouwen bezigen.
-
-[201] Japara-meubelen: In de residentie Japara houden zich vele Javanen
-onledig met het vervaardigen van meubelen, die wat smaak en soliditeit
-betreft, het bewijs leveren, dat zij ook op dat gebied met beleid tot
-degelijke werklieden gevormd kunnen worden.
-
-[202] Hier wordt het zoo dichterlijke werk van Silvio Pellico bedoeld.
-
-[203] Sirihspuw. Bij het kauwen van sirih,—die uit tabak, kalk en
-stukjes pinangnoot en gambier bestaat, welke ingrediënten in een
-sirihblad gewikkeld, en zoo tot eene pruim gevormd zijn,—wordt het
-speeksel bruinrood. De pinangnoot is afkomstig van de Areca catechu, de
-gambier of terra Japonica van de Acacia catechu en het sirihblad van de
-Chavica bettle.
-
-[204] Van Rheijn gaf hier bewijzen vlug benaderend uit het hoofd te
-kunnen rekenen. Een mata is gelijk aan 0,000386 kilogr. Vijfentwintig
-mata’s zijn dus = 0,00965 kilogr. De vergissing is dus niet groot.
-
-[205] Zie omtrent dien geleerde de aanteekening No. 1 op bladz. 211 van
-het eerste deel.
-
-[206] Dat om 16.000 gulden te kunnen betalen, minstens voor drie malen
-die som aan opium is verkocht moeten worden. Dat zal wellicht
-overdreven voorkomen. Ik laat hieronder woordelijk eene rekening
-volgen, die mij door een opiumambtenaar werd ter hand gesteld, en die
-aan de officiëele bescheiden kan getoetst worden.
-
-Op bladz. 154 van het Kol. Verslag over 1883 vindt men
-aangeteekend, dat de opiumpachter van het perceel
-Semarang aan pachtschat betaald heeft ƒ 1,260,000
-dat aan hem gedurende dat jaar verstrekt zijn 23600
-katies ruwe opium uit ’s rijks magazijnen ad. ƒ 30 het
-katie 708,000
-Nu heeft die pachter eene uitgave gehad, om van die
-hoeveelheid ruwe opium te maken tjandoe en
-madatpilletjes, gereed om gerookt te worden, ongeveer van 12,000
-In het pachtperceel Semarang bestaan volgens Stbl. No.
-229 van 1814, 52 opiumkitten, ((Bij Ord. dd. 7 Aug. 1883
-Stbl. No. 197 werd het aantal kitten voor de volgende
-jaren op 61 bepaald. Dus werd de toestand voor den
-pachter nog ongunstiger.)) die gemiddeld eene uitgave
-vereischen van ƒ 1000 ’s maands 624,000
- =========
-totaal uitgaven 2,604,000
-
-Transport uitgaven 2,604,000
-Volgens alle deskundigen, ook volgens art. 16 van de
-Ordonn. van 25 Sept. 1874, Stbl. 228, levert het zuiveren
-van ruwe opium 50% verlies op, zoodat van de uit de
-rijksmagazijnen ontvangen 23600 katies ruwe opium slechts
-11800 katies tjandoe verkregen werden.
-Het aangehaalde Koloniale Verslag geeft aan, dat de
-pachter zijn tjandoe verkocht heeft tegen ƒ 0,14 per mata
-of tegen ƒ 224 per katie 2,643,200
- =========
-zoodat er eene netto winst gemaakt is van ƒ 39,200
-
-Maar een opiumpachter in N.-I. is in weinige jaren millionair. De
-bedoelde heeft minstens ƒ 10,000 ’s maands noodig om zijn huishouden te
-voeren. Vraagt u nu eens af, hoe dat van nog geen ƒ 40,000 ’s jaars te
-doen is.
-
-De quaestie verandert evenwel, wanneer de
-sluikhandel in het spel komt. Een der meest
-bevoegde autoriteiten, de Directeur der Middelen
-D. Castens, nam aan, dat de pachters bij de 1600
-kisten opium, die hen van gouvernementswege
-verstrekt worden, nog 800 kisten sluikten. Dat
-is dus de helft. Nemen wij dat ook aan voor het
-onderhavige geval, dan debiteerde de bedoelde
-opiumpachter nog 11800 katies ruwe opium of 5900
-katies tjandoe, tegen ƒ 0,14 de mata, en
-verkreeg dus een ontvangst van 1,121,600
-tegen eene uitgaaf van 11800 katies opium maal ƒ 13,87,
-die hem de gesmokkelde opium maar kost 163,777;
-waarbij te voegen om te zuiveren en te
-prepareeren 6,000; 169,777
- =========
-zoodat er overblijft eene winst van ƒ 951,823
-
-En die, gevoegd bij de winst behaald op het wettig verstrekte vergift,
-toelaat eene aardige som ’s jaars, stuk te slaan, en na ommekomst van
-een driejarigen pachttermijn als Chinees-millionair in de wereld rond
-te kijken.
-
-Men zal wellicht tegenwerpen, dat eene maandelijksche uitgaaf van
-ƒ 1000 voor iedere opiumkit overdreven is. Toch niet. Iedere kit, zelfs
-de kleinste, behoeft minstens twee Chineesche beambten: een weger en
-een kassier, ettelijke hetaïren en ander ontuchtig gespuis, enz. Voegt
-daar nu bij het legio van opiumbeambten, opiumjagers, opiumspionnen,
-dat betaald en goed betaald moet worden, de ongelden die besteed moeten
-worden tot omkooperij van Inlandsche en Europeesche ambtenaren, tot het
-geven van tandakpartijen, tot het onderhoud der kitten, der wachthuizen
-langs het strand en de wegen, enz. enz. enz., dan is de raming van
-ƒ 1000 ’s maands per kit ver beneden het gemiddelde.
-
-[207] De lezer zal zich herinneren, dat, toen de HH. v. Goltstein en v.
-Lansberghe in 1881 den vrede op het papier decreteerden, de blokkade
-opgeheven en de havens onzer vredelievende vijanden voor den handel
-zijn opengesteld. Sedert is men daarop terug moeten komen.
-
-[208] Een taël is het 1⁄16 van een katie of 0,0386 kilogr. De taël
-heeft 100 mata’s.
-
-[209] Wil de lezer weten, hoe de regeering zich beijvert de opium te
-Atjeh te weren? Bij art. 1 van het reglement voor de pacht van het
-recht tot invoer en verkoop van opium in Groot-Atjeh, vastgesteld bij
-Ord. dd. 6 October 1884 Stbl. No. 168 is o. a. bepaald:
-
-„De pachter is bevoegd te onderzoeken of en zoo ja, hoeveel opium een
-vaartuig aan boord heeft, zoomede om een wacht aan boord te plaatsen,
-om te waken tegen ongeoorloofde lossing van opium.”
-
-Ik laat de mogelijkheid van het ontstaan van internationale geschillen
-door dien maatregel buiten bespreking. Door die bepaling wordt evenwel
-zeer zeker de opiumpachter gebaat; maar ’s lands kas?... Ik geloof
-niet, dat er eene bepaling zou kunnen uitgedacht zijn, die beter eene
-overstrooming van sluikopium in de hand zou kunnen werken en de
-verstrekking van wettige opium tot een minimum zou kunnen brengen. In
-verband hiermede leze men nog eens de aanteekening No. 1 op bladz. 47
-van het eerste deel.
-
-[210] Mata beteekent eigenlijk oog.
-
-[211] De schrijver heeft in Indië een voorbeeld gezien van een volbloed
-Europeaan, die zich aan het opiumschuiven had overgegeven. Het was
-iemand van aanzienlijke afkomst, die evenwel misbruik van sterken drank
-gemaakt had. Tengevolge van dat misbruik was hij impotent geworden en
-had toen ter opwekking zijne toevlucht tot de opiumpijp genomen. Na
-volslagen uitputting is hij uiterst ellendig gestorven.—Te Londen
-bestaan reeds verscheidene kitten en neemt die hartstocht hand over
-hand toe.
-
-[212] Tahi madat. Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78
-van het eerste deel.
-
-[213] O, het is nog heerlijker dan.... Het restant van den volzin is te
-vinden op den 20sten regel van bladz. 246 van deel XXXV van het
-Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. De openhartigheid,
-die daar door den geleerden Russischen Schrijver betracht wordt, mag ik
-mij als romanschrijver niet veroorloven. Ik vind hier aanleiding om
-mede te deelen, dat ik in hoofdzaak de proefneming door den heer Von
-Miclucho Maclay gevolgd heb. Ik heb haar echter verrijkt met ettelijke
-waarnemingen, die ik gelegenheid had te doen, alsook met die, welke mij
-door zeer geloofwaardige mannen medegedeeld werden. Ik heb het
-manuscript eener beschrijving van zoo eene proefneming voor mij liggen,
-die in afschuwelijkheid alles te boven gaat, wat te bedenken is.
-
-Intusschen dien ik hier bij te voegen, dat niet dikwijls dergelijke
-hoeveelheden opium, als bij die proef verbruikt werden, in eens
-geschoven worden; hoewel te constateeren valt, dat er zijn, die veel
-meer gebruiken. Oppenheim geeft aan, dat de meeste schuivers met een
-grein beginnen, dus met iets minder dan twee mata’s, en het al heel
-spoedig brengen tot drie drachma’s, dus tien mata’s. Verscheidene
-Javaansche hoofden hebben mij bekend, dat er schuivers waren, die voor
-vijf gulden in eene keer gebruikten. De gemiddelde prijs der mata is 14
-cent, dat zou dus ruim 35 mata’s zijn. Von Miclucho Maclay had bij zijn
-proef 107 grein of 18,4 mata’s gebruikt.
-
-[214] Zelfs dames waren verschenen. Dit is ten opzichte der Ind. dames
-een licentia poetica, die mijne pen ontsnapt is. Zelden of nooit worden
-in Indië rechtsgedingen door schoonen bijgewoond. Zij laten dat
-volgaarne aan hare zoo veel volmaaktere zusteren in de brandpunten der
-beschaving, bijv. te Brussel bij het proces der gebroeders Peltzer, of
-te ’s Hage bij het proces van Jeanne Lorette over. Vooral de
-laatstbedoelden zien met diepe kleinachting op hare Indo-Europeesche
-geslachtsgenooten neer. Zij hebben er wel redenen toe!
-
-[215] Sedert de residenten en assistent-residenten als voorzitters van
-de landraden door rechterlijke ambtenaren vervangen zijn. Zie
-daaromtrent de aanteekening No 1. op bladz. 72 van het eerste deel. Dat
-er menschen zijn, die de vroegere toestanden betreuren, laat zich
-begrijpen.
-
-[216] Vooral nu een Europeaan voor zoo’n Javaanschen ellendeling zal
-pleiten. Gewoonlijk worden voor den landraad geen pleidooien gehouden.
-Ziehier, wat Mr. Winckel in zijn Essai sur les principes rêgissant
-l’administration de la justice aux Indes Orientales hollandaises op
-bladz. 309 dienaangaande zegt: La procédure devant le C. d. P. (conseil
-du pays) est assez semblable à celle en tout pays civilisé, sauf que le
-M. P. (ministère public) assiste aux délibérations en chambre du
-conseil, l’absence normale d’un défenseur et la manière de prèter
-serment.
-
-[217] Bij de aanstelling der Chineesche officieren. Hier mag niet aan
-militaire aanstellingen gedacht worden. De Chineezen in N.-I. hebben
-een soort van zelfbestuur—o, heel weinig, zeer weinig!—en worden hunne
-hoofden door het Nederl. Ind. gouvernement aangesteld. Daarbij
-verkrijgen zij evenwel militaire titels—niets meer—als van majoor,
-kapitein en luitenant, welke titels ook nog titulair verleend kunnen
-worden. Zoo bezat de Chineesche gemeente te Batavia in 1881 een
-majoor-, vier kapiteins- en zes luitenants-effectief en een majoor-,
-drie kapiteins- en tien luitenants-titulair.
-
-[218] Die groote eed wordt ook bij zeer belangrijke civiele gedingen
-gevergd. Zie daaromtrent Winckels Essai, hierboven in de aanteekening
-No. 2 aangehaald op bladz. 149.
-
-[219] Pen-ta-King letterlijk vertaald: tempel van de witte steenrots.
-
-[220] Eene graphische voorstelling van het Cosmogenisch Eerste
-beginsel. Die voorstelling is te vinden op bladz. 46 van de
-Jaarlijksche Feesten en gebruiken van de Emoy Chineezen door Dr. J. J.
-M. de Groot.
-
-[221] Hijeng-Keng letterlijk: het aanbieden der offerande.
-
-[222] Tao-peh-kong letterlijk: groote heeroom; is het beeld, dat in de
-meeste Chineesche tempels en huizen op Java aangetroffen wordt.
-Vertegenwoordigt de goden en het beginsel van het graan door de
-kolonisten uit hun vaderland medegebracht.
-
-[223] Kree’s. Een soort matwerk van gespleten bamboe of rottan, ter
-afwering van het schelle daglicht.
-
-[224] Het was een eigenaardige aanblik. De heeren Woodbury en Page,
-photografen te Batavia hebben indertijd een fraaie photographie, zoo’n
-landraadzitting voorstellende, in den handel gebracht. Waren de
-onkosten niet te hoog, dan zou ik mijn werk met een copie daarvan
-hebben verrijkt.
-
-[225] Als type van de rechtbanken voor Inlanders op Java. Java, zonder
-de eilanden Madoera, Bawean en Karimon Djawa, bezat in 1881 83
-dergelijke landraden, waarvan 53 door rechterlijke ambtenaren
-voorgezeten werden, dus 30 door niet-rechtsgeleerden. Aan dien toestand
-is weinig veranderd, daar volgens de Regeerings-Almanak voor 1889 op
-Java nog 28 landraden door niet-rechtsgeleerden gepresideerd worden.
-
-[226] ’Mbok Dalima. Het is gewoonte op Java, dat de ouders bij de
-geboorte van hun oudste kind diens naam aannemen met voorvoeging van
-pak of ’mbok (vader of moeder.) Zoo beteekent Pak Ardjan: vader van
-Ardjan, ’Mbok Dalima: moeder van Dalima. Er is iets liefs, nietwaar, in
-die gewoonte?
-
-[227] De djaksa vertolkte die vraag in het Javaansch. Ongeloofelijk
-nietwaar? dat de rechterlijke ambtenaar, die het Openbaar Ministerie
-waarneemt, voor tolk speelt. Ziehier, wat Mr. Winckel op bladz. 305 in
-zijne hiervoren reeds aangehaalde Essai sur les principes schrijft: „A
-l’encontre de toutes les ordonnances et de tous les règlements, le
-ministère public sert d’interprête. Interrogé en Javanais par le
-djaksa, le témoin et l’accusé répondent naturellement, comme ils ont
-répondu a l’interrogatoire préable, fait par le même personnage. Voilà
-le débat oral devenu inutile.”
-
-[228] Zich aan de gewone visitatie hadden onderworpen. Zie daaromtrent
-de aanteekening No. 1 op bladz. 192 van het eerste deel.
-
-[229] Mijn pleidooi in het Maleisch voorgelezen. Dat zoo iets meer
-gebeurt en ook noodzakelijk is, zal de lezer wel gevoelen. De meeste
-jonge advocaten kennen geen Maleisch genoeg, om vooral in den beginne
-van hunne loopbaan met die sierlijkheid en die overtuiging te kunnen
-spreken, welke toch waarborgen van succes geven.
-
-[230] De Goenoeng Poleng verheft zich op ongeveer 1500 meter boven de
-oppervlakte der zee.
-
-[231] Een „prororoca” is de Spaansche benaming voor een
-natuurverschijnsel, dat zich bij vloed in de monding van snel
-stroomende rivieren voordoet. Aanvankelijk is het, alsof de
-zoetwaterstroom den vloed weerhoudt door te komen, ja, terugdringt,
-totdat deze laatste in den strijd eindelijk de overhand verkrijgt en
-dan binnen den tijd van een uur, soms binnen minder tijd, den
-waterstand in zulk eene monding twaalf tot vijftien voet boven den
-ebstand doet stijgen, waartoe op de omliggende kusten zes uren noodig
-zijn. De meest merkwaardige „prororoca” wordt in de monding van de
-Amazonen-rivier aangetroffen. Intusschen wordt het verschijnsel bij
-springvloed ook op Sumatra’s Oostkust, en wel in de Kampar, de Rokan,
-de Panei en Assahanrivieren waargenomen; ook in sommige rivieren op de
-Zuidkust van Java.
-
-[232] Nipah-bladeren zijn afkomstig van Nipa Fruticans. Deze is volgens
-professor W. R. A. Suringar een zonderlinge dwergpalm met zeer korten
-stam, en eene kroon van 13 tot 30 voet lange vederbladeren.
-
-[233] Poeloepoe. Daaronder verstaat men den bamboehalm in de lengte
-doorgespleten en platgeslagen. Zij vormt dan eene soort lenige plank.
-
-[234] Loentas is een sierlijk struikgewas, door de geleerden Conyza
-indica geheeten. Het leent zich bizonder tot het daarstellen van fraaie
-heggen en heeft zeer welriekende bladeren.
-
-[235] Nonna beteekent eigenlijk jonge juffrouw en wordt die naam steeds
-aan meisjes gegeven van blank ras, hetzij volbloed of gemengd. Hier is
-dat nonna evenwel in de beteekenis opgenomen van meisje van gemengd
-ras. Het is eene nonna, wil zeggen: het is een dochter van ouders,
-waarvan de een tot het Europeesche en de andere tot het Inlandsche ras
-behoort. Nonna voor de vrouwelijke, sienjo voor de mannelijke telgen.
-
-[236] Boreh is een geel kleurmiddel, afkomstig van de radix Curcuma
-officinalis, hetwelk veelvuldig door Javaansche vrouwen gebruikt wordt,
-om zich de huid bij feestelijke gelegenheden te verven. Hier werd het
-door het Europeesche meisje gebruikt om de blankheid van hare tint te
-verbergen, in zoo’n geval wordt het gewone boreh vermengd met poeder
-van de Koenir poetih toma of Curcuma Zerumbet, welk mengsel eene fraaie
-bruine kleur oplevert.
-
-[237] Kain Poleng is gestreept goed, dat met vooraf geverfde garens
-geweven en somwijlen met gouddraad doorweven wordt. Is dus een
-tegenhanger van de „kain batik”, waarbij de figuren later op het witte
-goed gebracht werden.
-
-[238] Njoganni (roode verf) is afkomstig van de Caesalpinia sapan;
-Mengkoedoe (bruine verf) wordt voornamelijk getrokken uit de bast van
-de Morinda citrifolia; Koenier (gele verf) Curcuma longa.
-
-[239] Aboe kesambi. Aboe beteekent asch. Kesambi is een boom, die door
-de geleerden Schleichera trijaga geheeten wordt. Van die asch wordt
-door de Javaansche ververs een loog vervaardigd, om overgangen der
-tinten zacht, minder scherp te maken.
-
-[240] Nonna hier in de beteekenis van meisjes van gemengd ras.
-
-[241] De zonen van het hemelsche rijk geen kerkelijk huwelijk kennen.
-Zie deswege bladz. 586 van de jaarlijksche feesten en gebruiken van de
-Emoy-Chineezen, door Dr. J. J. M. de Groot.
-
-[242] Má Tsów Pô kan vertaald worden door Voormoeder de Vrouw. Dat is
-een wonderdoend wezen, dat door Keizer Thai Sioe van de Soeng dynastie
-in de laatste helft der Xde eeuw tot godin verheven werd, onder den
-titel van Onze Lieve Vrouw van Macht en Goedertierenheid. Dr. de Groot
-vertelt omtrent die godin een aardige legende op bladz. 208 en volg.
-van het hier in de onmiddellijk voorafgaande aanteekening aangehaald
-werk. Má Tsów Pô is de beschermster van jonge huwelijken en staat als
-godin der vruchtbaarheid in groot aanzien.
-
-[243] Waaronder de bloote beenen en voeten uitsteken. Daarom worden zij
-ook Lo-hân-kha of blootvoeters geheeten. Dat costuum is een stipt
-vereischte.
-
-[244] Mertjons zijn kleine cilindervormige kokertjes van dicht
-ineengerold papier, die met kruit zijn geladen. In ieder kokertje zit
-een lontje, dat met een lange algemeene lont is saamgevlochten. Een ris
-mertjons bestaat gewoonlijk uit een paar honderd van die kokertjes. Zoo
-een ris wordt gewoonlijk aan den deurstijl of het raam der
-feestvierenden opgehangen en het benedeneinde van de lont aangestoken.
-Het opklimmende vuur ontsteekt achtereenvolgens de lontjes der
-kokertjes, die opvolgend uit elkander barsten, hetgeen een geluid
-veroorzaakt, alsof een goed gevoed rottenvuur van degelijk gedrilde
-soldaten vernomen wordt. Van afstand tot afstand worden soms grootere
-en zwaardere mertjons ingevlochten, die dan ook een veel zwaarderen
-slag geven, hetgeen voor het gehoor het zware geschut tusschen het
-geknetter van het geweervuur laat vernemen.
-
-[245] Rozenrood. Beter ware hier gezegd in fijn persikbloesemkleur
-genuanceerd. De persikbloesem is het emblema van geluk bij de Chineezen
-in den echtelijken staat.
-
-[246] En gij geeft uwen zoon twee millioen ten huwelijk mede! Het zij
-ons veroorloofd hier een entrefilet, dat voor ons ligt en uit een der
-Indische dagbladen—waarschijnlijk uit de Locomotief—uitgeknipt is mede
-te deelen: „Cijfers en feiten. Een paar weken geleden zonden „de Heer
-en Mevrouw” Tan Thwan Tik en „de Heer en Mevrouw” Liem Liong Kien
-communicatie rond omtrent het voorgenomen huwelijk van den broeder der
-eerstgenoemden „den heer” Tan Thwan Soen, met de dochter der
-laatstgenoemden, de bekoorlijke „Mejuffrouw” Liem Yang Nio, met de
-mededeeling, dat de receptie zou plaats hebben ten huize van den WelEd.
-Heer Liem Liong Kien te Semarang Gang Pinggir.
-
-„Gister had de receptie plaats. De grootpapa van Mejuffrouw Liem Yang
-Nio—ach! thans geen Mejuffrouw Liem Yang Nio meer!—de oude majoor
-Chinees Beh Biauw Tjoan, heeft volgens de Chineesche kerk ƒ 14000
-opgedokt voor de bruiloftskosten. En de bruigom brengt twee millioen,
-volgens anderen vier millioen mee ten huwelijk.
-
-„Ho Yam Lo, de tegenwoordige opiumpachter van Semarang, heeft in drie
-jaren tijd, zegt men, drie millioen netto winst gemaakt. Men vraagt
-natuurlijk niet hoe. Men vraagt ook niet in welk een poel van corruptie
-en rechtsverkrachting wij hier rondbaggeren. Indien wij trachtten
-daarop een antwoord te geven, zou het ons, bij gebrek aan wettig
-bewijsmiddel, waarschijnlijk slecht vergaan.”
-
-[247] Een krans van perzikbloemen en eenige snuisterijen, o. a. een
-haan, van perzikhout gesneden, aan te bieden. De perzikboom is bij de
-Chineezen het zinnebeeld van levenskracht en eeuwigheid. De
-perzikbloesem is het zinnebeeld van vrouwelijke deugd. De perzik is een
-schrikbeeld voor spoken en kwade geesten. De haan is het zinnebeeld der
-zon en als zoodanig ook een afweerder van spoken en kwade invloeden.
-Het aanbieden van een krans van perzikbloesem op Java moge
-onwaarschijnlijk voorkomen, maar men verlieze niet uit het oog, dat de
-perzikboom, de Amygdalus der geleerden, in het Tengersche gebergte
-veelvuldig voorkomt en de vrucht op de passars van Java’s oostkust te
-koop aangeboden wordt. Schrijver dezes heeft meermalen op de hellingen
-van den Merbaboe en Merapi talrijke perzikboomen in vollen bloei en de
-vruchten op den passar van Salatiga te koop aangeboden gezien.
-
-[248] Kiemlo en bahmieh. Kiemlo is een eigenaardig machtig vette soep,
-van varkensspek gekookt. Bahmieh is ook een vet kostje, maar waarbij
-het varkensvleesch en spek in kleine dobbelsteentjes gesneden, te
-midden van een hoop Taughi, peultjes, en andere ingrediënten en van een
-hoop mieh, eene soort van Chineesche vermicelli voorkomt. Kiemlo en
-bahmieh worden zelfs door Europeesche dames niet versmaad.
-
-[249] Lim Ho links van Ngow Ming Nio. De linksche kant is bij de
-Chineezen de eereplaats.
-
-[250] Het huwelijk bewijnen. Zie omtrent die plechtigheid de reeds
-vroeger aangehaalde Jaarlijksche feesten en gebruiken enz. van Dr. J.
-J. M. de Groot op bladz. 68.
-
-[251] De roode balletjes stellen den Jang, of het mannelijke beginsel
-en de witte de Jin of het vrouwelijk beginsel der natuur voor. Volgens
-de Chineesche cosmogonie is als eerste beginsel de natuur de Thaï Ki of
-het Groote Opperste aangenomen. Uit dat Groote Opperste werd Jang en
-Jin of het mannelijk en het vrouwelijk principe geboren, die de beide
-regelaars der natuur genoemd worden. De Hemel, de vader van het Heelal
-vertegenwoordigt dat mannelijke en de Aarde, die door hem met warmte en
-regen wordt bevrucht, het vrouwelijke. Ook is de zon vereenzelvigd met
-Jang en de maan met Jin; en warmte en koude, licht en duisternis, in
-één woord, alle werkingen der natuur worden zooveel mogelijk tot die
-twee principes teruggebracht. (Zie de Groot’s Feesten en gebruiken op
-bladz. 45.)
-
-[252] Het boek der liederen, dat lang, zeer lang geleden gedrukt werd.
-Volgens Dr. J. J. M. de Groot dagteekent de ode, waarin de in den tekst
-bedoelde woorden voorkomen, van uit de XIde eeuw vóór Christus.
-
-[253] Offerstokjes. Dat zijn lange dunne staafjes, van een mengsel van
-wierook en asch van sandelhout vervaardigd. Die welriekende staafjes
-worden op dunne stokjes bevestigd.
-
-[254] À l’ail. De Chineezen zijn groote liefhebbers van knoflook.
-
-[255] Oreilles de rats. In het Maleisch „koeping tikoes” (rattenooren)
-geheeten. Dat is een soort champignon, die den vorm van de ooren van
-die knaagdieren hebben. Vandaar de meening bij sommigen, als zouden de
-Chineezen rattenooren verorberen.
-
-[256] Tripang is een zeedier, dat tot de stekelhuidigen behoort en dat
-gedroogd en gerookt den Chineezen een zeer gewild gerecht oplevert. De
-soort, die daartoe gewild is, wordt door de geleerden Holothuria edulis
-genoemd. Zij wordt bij de Moluksche en Philipijnsche eilanden gevangen
-en veelvuldig in den handel gebracht.
-
-[257] Bier ajam beteekent kippenbier en duidt op het Haantjesbier van
-de firma Rendorp, dat te recht eene gunstige vermaardheid in Indië
-verworven heeft.
-
-[258] Een recept van pilletjes om de opium te bestrijden. Zie des wege
-bladz. 298–299 van het eerste deel en de gemaakte opmerking No. 2 aan
-de voet van de eerst aangehaalde bladz.
-
-[259] Dat document luidde. De twee volgende volzinnen in den tekst zijn
-letterlijk overgenomen uit het Koloniaal verslag van 1884, bladz. 145.
-De lezer kan daaruit zien, dat ook op letterkundig gebied de officiëele
-litteratuur niet zielverheffend is.
-
-[260] Het opiumgenot op goedkooper wijze te verschaffen. De volzin,
-waarin die tusschenzin voorkomt en de onmiddellijk voorafgaande is te
-vinden in het Koloniaal Verslag van 1885 op bladz. 158.
-
-[261] Zij verwierf toch van den resident, wien de verpachting
-opgedragen was. De opiumverpachting heeft niet altijd op de hoofdplaats
-van het betrokken pachtperceel plaats. Art. 4 van de Voorwaarden,
-waarop het recht tot den verkoop van opium in het klein op Java en
-Madura zal worden verpacht (Ordonn. dd. 7 Aug. 1883, Stbl. No. 197),
-luidt:
-
-„De verpachting wordt gehouden:
-
-„a) Voor de residentiën Bantam, Batavia en Krawang door den resident
-van Batavia, ter hoofdplaats Batavia;
-
-„b) Voor de residentiën Soerakarta, Djokdjokarta, Kedoe, Bagelen en
-Banjoemas, door de respectieve residenten, ieder voor zooveel zijn
-gewest betreft, ter hoofdplaats Semarang;
-
-„c) voor de andere gewesten op hunne hoofdplaatsen, door de Hoofden van
-Gewestelijk Bestuur.”
-
-[262] Acht duiten zijn gelijk aan ƒ 0,0666. In de binnenlanden van Java
-zijn nog vele duiten in omloop en in vele gevallen door de bevolking
-meer gewild dan de centen.
-
-[263] Eene nota van een hooggeplaatst ambtenaar, die uitermate bevoegd
-was een oordeel te vellen en wien dat oordeel ook gevraagd was. Die
-nota heeft de schrijver in afschrift bij het ternederstellen dezer
-bladzijden voor zich liggen.
-
-[264] Solus occasus, virgini Agathae pulcherrimae Bemmelensi dedicatus
-beteekent: Een zonsondergang, opgedragen aan de zeer schoone jonkvrouw
-Agatha van Bemmelen.
-
-[265] Hemidiptera, diptera, hymenoptera, lepitoptera, coleoptera,
-crustaceeën. Hemidiptera zijn halfvleugelige insecten met halve
-schilden; diptera dubbelvleugelige insecten; hymenoptera
-vliesvleugelige insecten; lepitoptera zijn stofvleugelige insecten als
-de vlinders, de coleoptera zijn schildvleugelige als de kevers en de
-torren; crustaceeën zijn schaaldieren als de krabben.
-
-[266] De Goenoeng Djampong is in de residentie Banjoemas gelegen en
-bereikt eene hoogte van 2580 voet.
-
-[267] De Goenoeng Batoer met zijne voortzettingen, ook in de residentie
-Banjoemas gelegen, is 1987 voet hoog.
-
-[268] Waarvan sommigen zeer diep onder den grond uitloopen. De Goewah
-Lengkong strekt zich b. v. over een afstand van 700 voet onder den
-grond uit.
-
-[269] En zoo iets behoort alweer tot de inkomsten van het Nederlandsche
-Gouvernement. De afdeeling Karang Bollong levert jaarlijks 50 pikols
-vogelnestjes op. De geheele inkomsten van dat middel is voor 1886
-geraamd op ƒ 174.000.
-
-[270] Tali doek. Tali beteekent touw. Doek, ook gemoetoe genaamd, zie
-de aanteekening op bladz. 9 van het eerste deel. De rottansoort,
-waarvan de touwen vervaardigd worden, die zoowel tot het samenstellen
-der ladders en stellingen, waarvan in dit hoofdstuk gesproken wordt,
-dienen, wordt door den geleerde Calamus rhomboideus genoemd, en heeft
-halmen van vijftig tot zestig M. lengte, die eene dikte van ongeveer
-twee duim middellijn hebben.
-
-[271] In die holen, waarin de Oceaan zijne golven stuwt. In het Karang
-Bollongsche bestaan slechts drie grotten, waarin de zee niet dringt,
-dat zijn de Goewah’s Lenkong, Loe-ee en Tjangak.
-
-[272] Ik heb eene opgave in handen gehad van een ambtenaar in deze
-streken. Zie de Beschrijving van de Vogelnestklippen te Karang Bollong
-door C. J. P. Carlier, assistent-resident te Ambal in het Tijdschrift
-voor de Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, uitgegeven door het
-Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, jaargang 1853,
-bladz. 304.
-
-[273] Njahi Ratoe Segårå Kidoel. Njahi is de titel van eene voorname
-vrouw. Ratoe beteekent: vorstin, koningin. Segårå is zee, en Kidoel het
-Zuiden. Dus eigenlijk: mevrouw de koningin van de zee in het Zuiden.
-Dat wonderdoend wezen wordt ook Lårå Kidoel of Maagd van het Zuiden
-genoemd. Zij wordt gewoonlijk afgebeeld als eene zeer schoone vrouw,
-met de voeten staande op een overwonnen stier, met zeven armen, in de
-handen waarvan zij verschillende voorwerpen houdt, waaronder een
-zwaard, een pijl, een werpschijf, een boog, een schild, enz. Het is in
-een woord Doerga, de gemalin van Siva uit den eeredienst van Brahma,
-welke hier nog door de Javanen als Ratoe Lårå Kidoel vereerd wordt. Zie
-ook de aanteekening No. 1 op bladz. 103 hiervoren.
-
-[274] Kedawang schijnt een plaatselijke naam in het Karang Bollongsche
-te zijn voor een gewicht, dat de zwaarte van een vierde duit heeft.
-Eene niet al te afgesleten duit weegt drie milligram, zoodat een
-kedawang ongeveer twee mata’s weegt. Men lette goed op die verhouding,
-om te kunnen nagaan, hoe alles gedaan wordt om den opiumhartstocht op
-te zweepen.
-
-[275] In de nota, die ik voor mij heb liggen, staat letterlijk. Zie
-bladz. 319 van het hiervoren aangehaalde boekdeel in de noot op bladz.
-238.
-
-[276] Eiland Noesa Kambangan is een pleonasme, daar het woord Noesa
-eiland beteekent. Het pleonasme is evenwel geijkt; nog nooit hoorde ik
-spreken van het eiland Kambangan. Het is een woest bergachtig eiland
-met zeer steile oevers. In de zuidkust worden evenwel eenige kleine
-inhammen aangetroffen, die een zandig strand opleveren. Het eiland ligt
-tusschen 7°41′50″ en 7°46′30″ Zuiderbreedte en 109°40′24″ en 109°1′55″
-Oosterlengte van Greenwich.
-
-[277] Een ewah is een kleedingsstuk bij de Dajaks, bestaande uit een
-strook linnen, soms ook wel van geklopte boombast vervaardigd, die het
-middel omgeeft en om der eerbaarheidswille tusschen de beenen
-doorgeslagen wordt.
-
-[278] Driekleedsvlag. Wanneer de drie banen van een vlag ieder slechts
-uit de breedte van het gebezigde vlaggedoek bestaan, wordt zoo’n vlag
-een éénkleedsvlag genoemd. De banen van een driekleedsvlag hebben dus
-drie breedten van het vlaggedoek en zijn natuurlijk ook evenredig
-langer. Zoo’n groote vlag wordt alleen bij solemneele gelegenheden
-gebruikt.
-
-[279] Kjahi is een titel, Wångså een naam.
-
-[280] Tangkap koepoe koepoe. Poeah! In den regel is de Inlander bang
-voor kapellen. Zelfs zijn er vele blanke dames, op Java geboren, die de
-fraaiste kapel voor niets ter wereld zouden willen aanraken. Velen
-beweren, dat het stuifmeel der vleugels hevige jeukingen doet ontstaan;
-anderen zijn overtuigd, dat daardoor melaatschheid (lepra) veroorzaakt
-wordt.
-
-[281] Wong spor. Lieden van het spoor. De spoorweg van Djokdjokarta
-naar Tjifatjap was in aanleg.
-
-[282] Oelor welang. Een der gevaarlijkste slangensoorten, die op Java
-aangetroffen worden. Haar beet veroorzaakt binnen weinige uren den
-dood.
-
-[283] Adipattih is schier een vorstelijke titel.
-
-[284] Gewone logeerkamers. Bij iedere aanzienlijke Europeesche woning
-op Java behooren een paar blokken bijgebouwen, die onder meer ook de
-logeerkamers bevatten. In een tropisch land is zulke inrichting wel
-aanbevelenswaardig. Wanneer evenwel zeer hooge gasten ontvangen worden,
-wordt dezen gewoonlijk huisvesting in het hoofdgebouw aangeboden.
-
-[285] Iedere vrouw het gelaat moest afwenden. In zeer vele streken der
-binnenlanden van Java is dat gebruik nog in zwang. Ontmoet daar een
-Javaansche vrouw, soms beladen met een kind of met een gevulde mand in
-haren slendang, een blanke, een van het overheersende ras, dan keert
-zij den tegemoet tredende den rug toe, leunt met het hoofd tegen een
-boom of een rotswand en laat hem zoo voorbijtrekken. Men zal moeten
-bekennen, dat dit een rare hulde is. Maar ’s lands wijs, ’s land eer.
-
-[286] Teboe-njamploong en Teboe-itam zijn variëteiten van de Saccharum
-officinarum. De eerstgenoemde rietsoort heeft een lichtgele bast, de
-teboe-itam eene zwartbruine. De laatstbedoelde wordt ook Cheribonsch
-riet genoemd en munt uit door suikergehalte.
-
-[287] Terwijl de wanden met kostbare schilderijen, echter allen van
-wellustige, zelfs van pornografische strekking versierd waren.
-Indertijd bevond zich op het terrein, waar thans de binnenhaven van
-Tandjong Prioek gegraven is, zoo’n lusthuis te midden van een
-klappertuin verscholen. Het heette een badhuis; maar waar de eigenaren
-de viezigheden, die de wanden tooiden, vandaan gehaald hadden, weet de
-hemel. Het waren evenwel allen Europeesche kunstproducten!
-
-[288] Hoekoem madoe is eene verschrikkelijke doodstraf, die in enkele
-gedeelten van den Archipel soms op zeer groote misdadigers toegepast
-wordt. Zij bestaat daarin, dat men den veroordeelde, na hem geheel
-ontkleed en aan een paal gebonden te hebben, de beenen en het onderlijf
-met „madoe” (honing) besmeert. Het duurt alsdan niet lang, of die
-lichaamsdeelen zijn met myriaden mieren overdekt, die uiterst belust op
-het zoete goedje zijn. Maar behalve de honing, tasten zij ook de huid
-en het vleesch van den patiënt aan, zoodat binnen een zestal uren de
-beenderen blootgelegd, ja afgekloven mogen heeten. De lezer zal wel
-gissen, welke ontzettende folteringen de martelaar ondergaat, alvorens
-de dood hem uit zijn lijden verlost.
-
-[289] Hoekoem Kamadoog. Zie daaromtrent de aanteekening bladz. 33 van
-het eerste deel.
-
-[290] Goewah Temon. Die vogelnestklip ligt aan de westzijde van den
-Watoe Boetak, een uitlooper van den Goenoeng Poleng.
-
-[291] De Tjimeringheuvel op het eiland Noesa Kembangan bevindt zich op
-7°46′30″ Z. Breedte en 109°1′55″ O. Lengte van Greenwich. Op dien
-heuvel—525 voet hoog—verheft zich een vuurtoren ter hoogte van 80 voet
-met wit draailicht, dat op 6 D. G. Mijlen zichtbaar is.
-
-[292] De lange ladder. De ladder van de Goewah Djoembling is 660 voet
-lang, die van de Tenom-grot, waarop hier gedoeld wordt, verschilt
-daarmede zeer weinig.
-
-[293] Puella formosa beteekent: schoon meisje. Zooals de lezer wel
-gissen zal, doelde hier de olijke Pool op het vinden van Anna van
-Gulpendam.
-
-[294] De Slamat is een nog steeds werkende vulkaan in Midden-Java op de
-grenzen der residentiën Tegal en Banjoemas gelegen. Hij bereikt eene
-hoogte van 10.385 voet.
-
-[295] De gambang. Zie hieromtrent de noot op bladz. 98 van het eerste
-deel.
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BABOE DALIMA ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.