diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-22 21:08:31 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-22 21:08:31 -0800 |
| commit | 56d47cdbd3feed2759051a0c52d8773477ad7a02 (patch) | |
| tree | f118eb1455c47fc077fb78a80f8443de7f1cfd52 /old/65832-0.txt | |
| parent | 61022804d76b3193ce0206673e27719ce2d8aaea (diff) | |
Diffstat (limited to 'old/65832-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/65832-0.txt | 28248 |
1 files changed, 0 insertions, 28248 deletions
diff --git a/old/65832-0.txt b/old/65832-0.txt deleted file mode 100644 index 737b947..0000000 --- a/old/65832-0.txt +++ /dev/null @@ -1,28248 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Baboe Dalima, by Michaël Théophile Hubert -Perelaer - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Baboe Dalima - -Author: Michaël Théophile Hubert Perelaer - -Release Date: July 13, 2021 [eBook #65832] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book - was produced from scanned images of public domain material - from the Google Books project.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BABOE DALIMA *** - - - - VERZAMELDE - Romantische Werken - - VAN - - M. T. H. PERELAER - Gep. Hoofdofficier van het Nederl.-Ind. Leger - - EERSTE NAAR TIJDSORDE GERANGSCHIKTE UITGAVE, - BEZORGD DOOR DEN SCHRIJVER - - - VIII–IX - - BABOE DALIMA - - - AMSTERDAM - UITGEVERS-MAATSCHAPPY »ELSEVIER” - - - - - - - -VOORWOORD VOOR DEN EERSTEN DRUK. - - -In den avond van den 4den Februari 1885, had de schrijver dezer -bladzijden in eene buitengewone vergadering van de Indologische -Vereeniging te Delft eene lezing gehouden over »de opium in Ned. -Indië.” [1] Bij terugkeer naar ’s-Gravenhage evenwel betuigde een der -hoorders zijn leedwezen, dat het onderwerp in zoo’n droog kleed -gestoken was, en beweerde, dat die behandeling, zooals zij voorgedragen -was, ongenietbaar voor het groote publiek genoemd moest worden, wat z. -i. jammer was. - -Dat ik bij het vernemen van die woorden, die niets van eene loftuiting, -wel het tegendeel daarvan hadden, vreemd opkeek, zal wel niet betuigd -behoeven te worden. - -»Gij moet mij niet verkeerd verstaan,” beantwoordde de criticus dien -blik. »Mijne meening is niet, iets op de verdiensten van die -verhandeling af te dingen. Voor een gezelschap hoogleeraren, maar -vooral voor de jongelingschap, die daar zat te luisteren, was zij m. i. -onverbeterlijk en was de toon, die aangeslagen was, de juiste, om die -jeugdige harten te doen ontvonken; maar de aanhaling van de wettelijke -bepalingen, waarop het geheele monopolie gegrondvest is, en van de -fragmenten uit Kamerspeeches, uit rapporten, uit adviezen, enz., enz., -die medegedeeld moesten worden, verleenden aan den arbeid iets -boekerigs, iets je ne sais quoi, waartegen een Nederlandsch publiek -niet kan. Ware zij anders uitgevallen, dan zou ik u voorgesteld hebben, -die verhandeling bij uwen uitgever te brengen en haar door den druk te -laten verspreiden. Zooals zij thans is, zou zij evenwel geen koopers -vinden en de weinigen, die haar zouden koopen, zouden haar niet ten -einde brengen. En... toch ware het wenschelijk, dat die woorden, die -daar weerklonken hebben, de ooren van velen, van duizenden bereikten... -Ware het niet mogelijk...?” - -Ja, ware het niet mogelijk...? Dat was de laatste galm, dien ik nog -opving. De criticus mocht verder praten, zooveel hij wilde. Ik zat in -een hoek van het coupé, en... Ja, ware het niet mogelijk?... Dat was de -gedachte, die mij uitsluitend bezighield, terwijl de trein in het -sombere duister van een zwarten februari-nacht voortijlde; ... en nog -stond het stoomgevaarte in het station te ’s-Hage niet stil, toen reeds -het gronddenkbeeld zich in mijn brein geworteld had van het boek, -hetwelk het lezend publiek hierbij aangeboden wordt. - -Ben ik geslaagd in mijne poging?... Die poging was, om hetgeen op het -gebied van het opium-monopolie in Nederlandsch-Indië voorvalt, onder -het bereik van ieders bevatting te brengen, en het in zoo’n kleed te -steken, dat tot voortlezen zoude aanmoedigen. O, ik heb mij niet -ontveinsd: de moeielijkheden, die gelegen waren in het hullen van droge -reglementen en bepalingen in een romantisch gewaad, de moeielijkheden -om de maatregelen tot uitvoering dier gedrochtelijke -bestuursordonnantiën in een verhaaltrant voor te dragen, die tot lezen -zouden nopen. Toch meen ik van het mij gestelde doel niet te ver -verwijderd gebleven te zijn. Ga ik af op het oordeel van ettelijke -mijner vrienden, wien ik mijn manuscript liet inzien, dan meen ik mijn -onderwerp zoodanig behandeld te hebben, dat de lezer zich genoopt zal -voelen mijn boek, in weerwil van de vele feilen, die het op vindings- -en litterarisch gebied aankleven, ten einde toe te lezen. En mocht die -uitslag verkregen, mocht die hoop vervuld zijn, dan vertrouw ik, dat ik -den lezer aan het einde tot den uitroep verlokt zal hebben van: -Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan den opiumpacht! - -In mijn boek komen afschuwelijke tafereelen voor, tafereelen, die mij -genoopt hebben, op den omslag het dicton: la mère en interdira la -lecture à sa fille te plaatsen, om het verwijt te ontgaan, dat het door -onbedacht te laten slingeren in handen van onervaren jeugd mocht -geraken, voor wien, ik erken dat, het geen lectuur is. Ik heb geen -vermaak geschept bij het ontwerpen van die tafereelen, die trouwens -meestal slechts herinneringen zijn. Integendeel, menigmaal heb ik de -pen moeten neerleggen, omdat walging mij belette voort te gaan. Eens -zelfs brak ik den arbeid af, met het bepaalde plan niet voort te gaan. -Maar toen werd mij aan het verstand gebracht, dat bij de behandeling -van een onderwerp als de opium, de immoraliteit niet bij den schrijver, -maar in de maatschappij schuilt. Toen werd er mij op gewezen, dat -evenmin als de geneesheer zal nalaten het een of andere ziektegeval te -onderzoeken, al mocht hij het ook vies of walgelijk vinden, zoo min mag -hij, die zich geroepen gevoelt, bestaande wandrochtelijkheden in onze -Staatsinstellingen aan te toonen, zich door het kwade en vieze van zijn -onderwerp laten weerhouden om het te bestudeeren en aan te toonen. - -En ziet, dat is het standpunt, hetwelk ik wensch in te nemen. Ik hoop, -dat de criticus dat eerbiedigen zal. - -Overigens, meen ik, het navolgende te moeten aanteekenen: Het geheele -verhaal is fictief. Er heeft geen familie Van Gulpendam bestaan, geen -van Nerekool, geen.... enz. Of evenwel geen residenten zouden bestaan -hebben als Van Gulpendam, geene ambtenaarsvrouwen als de residents-ega, -ziet, dat mag ik niet bevestigen; en ik twijfel er niet aan, of zij, -die Ned. Indië kennen, zullen zich wel personen herinneren, welke die -grondtype nabij komen. Dat er karakters als Van Nerekool, als Grenits, -als Van Beneden, Grashuis bestaan, daaraan valt Goddank niet te -twijfelen. En wie van hen, die in de binnenlanden van Java vertoefden, -zal niet in Baboe Dalima de type erkennen van de toewijdingsvolle -geaardheid der Javaansche bedienden, wanneer zij goed behandeld worden? - - - -En nu,.... mijn boek, treedt de wereld in, verricht het werk, dat ik u -opdroeg; dring, zooals ik hoop, in alle klassen door en dat slechts een -kreet door u ontlokt worde: - -Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan de opiumpacht, die -schandelijke bron van inkomsten van ons Nederlanders! - - - Den Haag, Mei 1886. - - DE SCHRIJVER. - - - - - - - -VOORWOORD VOOR DEN TWEEDEN DRUK. - - -Ik herhaal heden de vraag, die ik drie jaren geleden, bij het -verschijnen van mijn boek deed: »Ben ik geslaagd?”.... En volmondig -roep ik uit: ja! ja!! ja!!! - -Wel is mijn boek weergaloos heftig aangevallen. Met al meer en meer -stijgende verbittering noemde de een het een slecht, een ander een vies -boek, werd de litterarische waarde er van betwist, ja, soms met -knodsslagen verguisd; - -..... waar niemand der zoo woeste recensenten verstoutte zich te -zeggen, dat, wat in dat boek stond, onwaar was; - -..... maar het boek trok in den vreemde de aandacht; want in het -Engelsch werd het door een Reverend vertaald en had daar alle succes; -in het Duitsch is men druk bezig met vertalen, in het Fransch is men -begonnen; - -..... maar het boek beleeft in weerwil van alle kuiperijen en alle -verguizing in Nederland den tweeden druk; - -..... maar het boek vond verdedigers in mannen als Gronemann en -Sandick, die hunne meening durfden te onderteekenen, wat voor mij wel -opweegt tegen zooveel naamloos geschrijf; - -..... maar eindelijk, het boek heeft school gemaakt. Na de verschijning -hebben mannen als Bool, Kielstra, Brooshooft, Meulenbelt, Struyck, -Zeegers, en nu nog zeer kort geleden Jhr. Elout van Soeterwoude -artikelen geschreven, voordrachten gehouden, die, hoewel in anderen -vorm gegoten, niets anders over de opiumkwestie behelzen, dan in mijn -boek te vinden is. Dezer dagen wordt zelfs gewerkt en hard gewerkt ook -voor de oprichting van een anti-opium-bond. Hoerah! - -Had ik ongelijk te beweren, dat ik geslaagd ben? - -Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te meenen, dat mijn boek aan die -beweging, aan die teekenen des tijds niet vreemd gebleven is. En mocht -ik mij dienaangaande vergissen, dan heb ik toch de overtuiging, dat -door den romanvorm, dien ik koos, om mij tot de menigte te wenden, -gruwelen van de opiumpacht in breederen kring, in die gedeelten der -maatschappij bekend geraakt en doorgedrongen zijn, waar veelal geleerde -verhandelingen weinig toegang hebben. - -Nu de uitgevers er toe besloten, het boek binnen het bereik van ieders -beurs te stellen, zal de kring van hen, die bekend zullen raken met -hetgeen er ten opzichte van het verbruik en misbruik van de opium -omgaat, zich al meer en meer uitbreiden; en dat zal aan de menschheid -ten goede komen. Want er is niets, wat meer misdaden, misdrijven, -euveldaden, fiskalischen willekeur verhindert, dan licht, voortdurend -helder licht. - -En nu, ik herhaal, wat ik bij de eerste uitgaaf zeide: Ga, mijn boek en -verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en -ontlok den kreet: - -Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan de opiumpacht, die -schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat! - - - Den Haag, November 1889. - - DE SCHRIJVER. - - - - - - - -VOORWOORD - -VOOR DEN DERDEN DRUK. - - -In mijn Voorwoord voor den tweeden druk van mijn Opium-Roman „Baboe -Dalima” schreef ik o. a.: „Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te -meenen, dat mijn boek aan die beweging, aan die teekenen des tijds -(betreffende de Opiumpacht in Nederlandsch Oost-Indië) niet vreemd -gebleven is.” Dat schreef ik in November 1889. Wij tellen nu bijna -1899. Wat is er in dat klein decennium geschied? - -Vooreerst toch kwam de Anti-Opium-Bond tot stand, bestuurd door mannen -van het edelste gehalte, edele figuren, die tot de waardigsten op ieder -gebied der Nederlandsche natie gerekend moeten worden. Die Bond gaf een -tijdschrift uit, getiteld: de Opiumvloek, waarin op merkwaardige wijze -de bestaande kwaal in het hart aangetoond werd. - -Daarbij sloten zich artikelen in dagbladen en tijdschriften over het -Opium-pachtstelsel in verschillende richtingen aan, en beijverden zich -mannen als de H.H. Groeneveldt, Bosscher, Van Dedem, Van den Berg, Van -Kesteren, Elout van Soeterwoude, de Waal, Brooshooft, Be-Ik-Sam, Jansz, -Zegers, Groneman, Hora Siccama, Sandick, Kielstra, Sprenger van Eyck, -Bool, enz., enz., enz., ieder van zijn standpunt uit, de -Opium-aangelegenheden toe te lichten. En hoewel daardoor nog al met -elkander afwijkende zienswijzen en adviezen ontstonden, en enkelen zich -voor het behoud van het Opium-pachtstelsel verklaarden, kwam de -Regeering, na lang en grondig beraad, er toch toe een ander stelsel, -namelijk het Régie-stelsel te willen beproeven. - -Régie, waarde lezers, is een stelsel, waarbij de Regeering het -debiteeren van Opium in ’t klein aan zich houdt, en door hare beambten -doet uitvoeren. Daardoor vervalt de pacht en wordt de kooper geheel en -al onafhankelijk van de vreeselijke bent dienaren van de Chineesche -Opiumpachters. - -Die proef met de Régie werd op 1 September 1894 op het eiland Madoera -begonnen. - -Maar, nu geraakte Leiden in nood. Wat werd er al niet bijgebracht om de -Régie te doen mislukken! De een trachtte te betoogen, dat bij de -algemeene invoering der Régie de Opium-sluikhandel onmogelijk zal zijn -te keer te gaan. Een ander beweerde, dat er geene betrouwbare personen -te vinden zouden zijn, om als verkoopers van de bereide Opium (tjandoe) -in ’t klein op te treden. Een derde meende, dat de -Nederlandsch-Indische Regeering niet opgewassen zou zijn tegen de macht -der Chineesche pachters. Van eene andere zijde werd gepoogd de -Afgevaardigden ter Staten-Generaal tegen de Régie in te nemen, door de -Duitenplaag aan de kwestie vast te knoopen. - -Evenwel, in weerwil van al die hinderpalen, die men hard, zeer hard -deed klinken, had Z. Exc. de Minister van Koloniën de voldoening in -zijne Memorie van Toelichting op de Indische Begrooting voor 1896 te -kunnen verklaren, dat de proef met de Opium-Régie op Madoera is -geslaagd. - -Sedert is die Régie in ettelijke Residentiën op Java ingevoerd, en ik -mag zeggen met evenveel succes. Toch valt niet te ontkennen, dat die -invoering langzaam, uiterst langzaam voortschrijdt. O, ik beaam het ten -volle: er doen zich vele moeielijkheden, vele teleurstellingen voor. -Maar, die zijn niet van dien aard om aan den einduitslag te wanhopen, -òf om maar tot verdaging aanleiding te geven. Daarenboven, dat is het -lot dat alle groote hervormingen wacht. Die zijn nimmer tot stand -gekomen zonder strijd, zonder bezwaren te ondervinden, inzonderheid -wanneer daarmede groote geldelijke belangen gemoeid zijn. Vooral deze -laatste omstandigheid is niet over het hoofd te zien. O, als ik eens -alles kon openbaren, wat mij toevertrouwd werd omtrent hetgeen er al -zoo omgaat in de handelswereld, om toch maar de groote winsten niet te -derven, welke de Opium oplevert. Men denke maar eens aan de Chateau -Lafitte-poging. Dat is eene die faalde; maar, lezer, vraagt u af, -hoevelen slagen. En, hoewel de tegenwoordige Regeering begrijpt, dat -het schande zoude zijn, te verflauwen bij den aangebonden strijd, -schande, driedubbele schande, nu die strijd gevoerd wordt tegen een -algemeen erkend onrecht en het grootsche doel heeft de geheele -bevolking van Insulinde te verlossen van een dwangjuk, dat haar -loodzwaar op de schouders is gelegd, zoo zal zij zich gedwongen zien -zich voor te bereiden op een strijd, die des te vinniger zal zijn, -naarmate de hoeveelheid Mammonschijven daarmede gemoeid zijn. - -Ik heb gemeend, daarop te moeten wijzen, nu mijn boek geroepen wordt, -om andermaal voor het voetlicht te treden, nu het geroepen wordt om, -tengevolge van zijn matigen prijs, eene andere klasse der bestaande -maatschappij binnen te dringen, in die klasse, die weldra geroepen zal -worden, ook in die aangelegenheid haren weldadigen invloed uit te -oefenen. - - - -Hoe de Nederlanders lezen kunnen? Ik wensch ter beantwoording van die -vraag het ondervolgende ter neder te stellen. In het Kroningsnummer van -Sociale Stemmen, Orgaan van den Oranje-Bond van Orde liet ik onder den -titel van: Eene stem uit de oude Garde een opstel opnemen, waarin onder -anderen voorkwam: „En zal het onze aanvallige Koningin gelukken het -Opium-monopolie aan gewetenlooze Chineezen te ontrukken en in handen -eener heilaanbrengende Régie doen overgaan, zal het Haar gelukken de -gedwongen cultures en onbetaalde heerendiensten tot het verleden te -doen afdalen, dan zal van daar, uit die honderde eilanden, die, volgens -den dichter, bij den Evenaar den Oceaan een smaragden-krans om het -voorhoofd slaan, een gejuich uit dertig millioen keelen opgaan, die nu: -heil onzer Koningin! roepen; maar dan als een ernstig gebed zullen -prevelen: Allah’s zegen over het hoofd der Vorstin, die ons zooveel -weldeed!” Wat heb ik niet over dien volzin moeten hooren! Alsof ik -daardoor zoo inconsequent mogelijk ware geweest! Alsof ik daardoor het -vooropgestelde beginsel, in Baboe Dalima verkondigd, hadde gebroken! - -„Wat!” werd mij toegeroepen: „Gij, die oorlog à outrance aan het -Opium-monopolie verklaard hadt, die dat hard, zeer hard uitgebazuind -hebt, gaat nu de Opium-Régie als heilaanbrengend bewierooken! Alsof die -geen monopolie zou mogen genoemd worden!” - -„Met uw verlof, heeren,” luidde mijn antwoord. „Ik heb oorlog à -outrance aan de Opium-pacht verklaard, wat geheel iets anders beteekent -dan gij mij in den mond legt. Vergeef mij, dat ik U die kleinigheid -opmerk.” - -„Maar, gij noemt de Opium-Régie heilaanbrengend en verdedigt dus het -Opium-gebruik....” - -„Dat doe ik niet!” trachtte ik in het midden te brengen, evenwel te -vergeefs; ik werd overschreeuwd met: - -„Dat is geheel en al inconsequent met de strekking van uw’ -Opium-roman.” - -„Inconsequent met de strekking van mijn Opium-roman?!” kreet ik. -„Zeker, zoolang het Opium-gebruik niet geheel en al zal kunnen gefnuikt -worden, zal ik de Régie, zooals zij ingevoerd zal worden, -heilaanbrengend noemen; want zij zal in de eerste plaats den Inlander -volkomen onafhankelijk maken van de vreeselijke bent, die nog over het -grootste gedeelte van Java in staat is, hem naar de Opium-kit te -drijven. Die onafhankelijkheid dient vooraf gewaarborgd te worden en -dat zal zij zijn bij een loyale tenuitvoerlegging van het -Régie-stelsel. Niemand zal daarbij gedwongen worden Opium te koopen, -nog minder het te gebruiken; en dan zal ontwaard worden, dat de toename -van het aantal Opiumschuivers tot staan zal gebracht zijn. Dan is reeds -een groot doel bereikt en veel gewonnen. Het is dat doel, wat mij voor -oogen zweeft, wanneer ik de Régie als heilaanbrengend roem. Die dus -daarin eene verdediging van mijnentwege van het Opium-gebruik en -derhalve eene zwenking in mijne grondbeginselen ziet, dien antwoord ik -pertinent, dat hij zich deerlijk vergist. Het Opium-gebruik zal in mij -nimmer een verdediger vinden.” - -Of ik mijn auditorium overtuigd had? - -Ik geef gewonnen, dat een geheel ophouden van het Opiumgebruik wel het -beste voor de Inlandsche bevolking zou zijn. Maar, zou dat zoo -voetstoots te verwachten zijn, nadat er van der blanken zijde sedert -bijna vier eeuwen zooveel gedaan is—ik zal niet zeggen om het vergift -in te voeren—maar om het met alle ten dienste staande middelen te -bevorderen, ja de bevolking tot het gebruik te dwingen en om, zooals de -heer Cremer zich uitliet, door de invoering van de Opiumpacht niet in -eene behoefte te voorzien maar wel om die te scheppen? Neen, zoo iets -is niet te verwachten. Daartoe is het kwaad, na zooveel zorgvuldige -verpleging, te diep ingeworteld. Te velen, ja te velen zijn aan het -gevaarlijke goedje verslaafd geworden om niet beducht te zijn voor de -gevolgen van eene op bevel geheele onthouding. Die geheele onthouding, -thans ingevoerd, zou oneindig grootere rampen in het leven roepen, dan -het „Sluit Schiedam” in onze Nederlandsche gewesten zou te weeg -brengen. Maar, courir au plus pressé; eerst den steeds wassenden -vooruitgang van het Opiumverbruik gestuit. Is dat bereikt, dan is het -tijdstip gekomen om met vaste hand in te grijpen, ten einde het gebruik -langzamerhand te breidelen. Dan zal het tijdstip daar zijn om op de -vanen der ware menschenvrienden de leus te schrijven van: Oorlog à -outrance aan het opium-verbruik! - -Ziedaar, mijn grondbeginsel uiteengezet. Ik hoop nu verschoond te -blijven van woordenzifterijen met het doel om mijn karakter aan te -tasten. - - - -Maar, er ligt mij nog iets op het hart met betrekking tot mijn -Opium-roman Baboe Dalima. Ik wensch hier er op te wijzen, hoe dat boek -op allerlei gebied aangevallen, ja gehavend is geworden door H.H. -Critici. Geconstateerd kan echter worden, dat geen hunner, hoe fel -hunne aanvallen ook waren, zich verstout heeft te schrijven, dat de -feiten, in dat boek vermeld, aan de waarheid te kort deden. De heer J. -L. Zegers, zendeling-leeraar van den Nederlandsch-Indischen -Zendingsbond, destijds gestationneerd te Indramajo, merkte die -bijzonderheid op in zijne heerlijke studie: Het Opium-vraagstuk -(Nijmegen, P. J. Milborn, 1890) met de woorden: Wat mij echter in die -kritiek herhaaldelijk getroffen heeft, is dat men om de bijzonderheden -de hoofdzaak uit het oog verloor, en wat men ook tegen de détails had -in te brengen, den grondslag van het geheele betoog onaangeroerd moest -laten. Ja, ik heb dien geheelen volzin met kapitale letters laten -zetten en met reden. Ik was in mijn hart den onpartijdigen -Evangeliedienaar wel dankbaar voor die betuiging. Zij woog bij mij wel -op tegen iedere verguizing, mij aangedaan, omdat ik in den Mammon de -onreine bron aangetast had, waaruit nog altijd met vuilviezen vinger -dubbeltje voor, dubbeltje na tot stijving der staatsinkomsten, te -voorschijn gehaald wordt. Ik vond er de bevestiging in—in de betuiging -van den heer Zegers wel te verstaan,—dat ik bij het ontwikkelen van de -hoofdstrekking van mijn roman, de waarheid, niets dan de waarheid -verkondigd had, en meende dat mijne waarheidsliefde onaangetast was -gebleven. - -Ik schijn mij evenwel vergist te hebben. Waaruit ik dat afleid, nu -niemand iets krenkends omtrent die waarheidsliefde geschreven heeft? -Luistert. In April van dit jaar hield een gevierd schrijver eene lezing -in eene bijeenkomst hier te Nijmegen. Hij droeg daarbij een paar -allergezelligste novellen voor. In de pauze liet hij zich aan mij -voorstellen en betuigde mij bij die gelegenheid, dat hij Baboe Dalima -gelezen had; maar dat hij gedurende zijn verblijf op Java geen baboe -Dalima bespeurd had. - -Ik hernam lachende: - -„Dat spijt mij voor u, ik kan u toch verzekeren, dat Java wel degelijk -op tal van fraaie meisjeskopjes bogen kan, zooals ik dat lieve -kindermeisje geteekend heb.” - -„Ja, maar,” antwoordde mijn spreker, „ik bedoel geen kindermeisje, maar -uw Opium-roman, en zeg u, dat ik op Java niets van Opium gemerkt heb.” - -Ik keek mijn spreker met verbazing aan. Maar, alvorens ik hem -antwoorden kon, werd op hem, als gevierd persoon beslag gelegd, en -verzochten ettelijke personen aan hem gepresenteerd te worden. Ons -gesprek was dus afgebroken, en mij zou de gelegenheid ontbreken om het -weer op te vatten. Dat heeft mij wel gespeten. - -Wat ik hem zou geantwoord hebben? O, eenvoudig dit: - -„Gij hebt, mijn waarde heer, bij uwe heen- en terugreis naar en van -Java, telkenmale de Middellandsche zee in hare volle uitgestrektheid -doorstoomd. Voorzeker hebt Gij, met uw open oog voor alles wat schoon -is, Amphitrite in haren zoo reinen blauwen mantel opgetogen en vol -bewondering gade geslagen. Voorzeker hebt Gij gelegenheid gehad, gade -te slaan, wanneer een zoel windje dien mantel in zachte golfjes, in -wegdoezelende kabbellingjes deed opzwellen en de zon of de maan in de -facetten glinsterde en u het geheel als een onmetelijk edelgesteente -voor de oogen flonkerde. Dat was fraai, buitengewoon fraai, nietwaar? -Maar.... hebt gij dan wel eene gedachte gewijd, wat er onder dien -fraaien schitterenden mantel geschiedde, welke ontzettende strijd daar -gestreden, welke afzichtelijke daden van geweld van den machtigen tegen -den zwakkeren gevoerd werd? Hebt Gij Java doorreisd, zonder iets van de -Opiumramp gewaar te worden, dan hebt Gij dat zoo fraaie eiland -doorkruist, zooals Gij de Middellandsche zee doorstoomd hebt, zonder -den fraaien mantel op te tillen, die u het innerlijke leven van de -inboorlingen bedekte.” - -Ziet, dat zou ik geantwoord hebben. - -Zal nu die man zijne meening omtrent de Opium in breeder kring -openbaren, dan blijft mij niets over te doen dan overluid te -verkondigen, dat wat omtrent den Opium-hartstocht en de schandalen van -de Opiumpacht, door mij in den Opium-roman Baboe Dalima door mij -onthuld is, der waarheid nauwkeurig getrouw gebleven is. - - - -En, na dit gezegd te hebben, herhaal ik, wat ik in mijn Voorwoord van -den eersten en tweeden druk ter neder stelde: „Ga mijn boek, ga en -verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en -ontlok den kreet: - -Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan de Opium-pacht, die -schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat! - - - -Tot herinnering voeg ik hierbij dat 7⁄10 van het eiland Java en al de -Buitenbezittingen nog aan den demoraliseerenden invloed van de -Chineesche Opium-pachters overgeleverd zijn. - - - De Schrijver. - - Nijmegen, October 1898. - - - - - - - -INHOUD. - - - Bladz. - Voorwoord Eerste druk V - Voorwoord Tweede druk VII - Voorwoord Derde druk VIII - I. By Moeara Tjatjing 4 - II. In de djaga monjet 15 - III. De Kamadoog-straf.—De familie Van Gulpendam 29 - IV. De draden verwikkelen 45 - V. In de voor- en binnengalerij 60 - VI. Een echtpaar 72 - VII. Een verraderlijk dèsa-genoot 88 - VIII. Een dèsa in verval.—Pak Ardjan’s arrestatie 104 - IX. Kuiperijen.—Een vrienden-drietal 118 - X. Une invitation à la chasse et une invitation - à la valse 132 - XI. In den residentstuin 146 - XII. Echtgenoot en gade.—Moeder en dochter 161 - XIII. Op den weg naar het jachtterrein 176 - XIV. Een huiszoeking met hare gevolgen 191 - XV. Onder den Wariengienboom.—In de opiumkit 203 - XVI. Het opium-monopolie.—Een vertrouwelijk uurtje 221 - XVII. In den Djoerang Pringapoes 239 - XVIII. De onschuld ten val 252 - XIX. Toeloeng! Toeloeng, toean! 265 - XX. Aan de rijsttafel 280 - XXI. Op het kantoor van den resident 300 - XXII. Eene vendutie wegens vertrek in Java’s binnenlanden 312 - XXIII. Eene verhinderde landraadzitting 1 - XXIV. Ouders en dochter.—Gezag tegenover plicht 15 - XXV. Eva’s dochteren en de slang 31 - XXVI. Aardig gemanoeuvreerd! 45 - XXVII. Summum jus summa injuria.—Vader en zoon - veroordeeld.—Singomengolo vermoord 58 - XXVIII. Correspondentie 71 - XXIX. Van Nerekool op verkenning.—Eene vrijspraak 85 - XXX. Baboe Dalima naar Karang Anjer 102 - XXXI. Vriendengekeuvel.—De opium te Atjeh 116 - XXXII. Eene wetenschappelijke opiumkit 133 - XXXIII. In de regents-pandoppo 147 - XXXIV. Eene landraadzitting.—Van Beneden’s pleidooi 162 - XXXV. Twee vriendinnen in het Karang Bollongsche 179 - XXXVI. Lim Ho’s huwelijk 193 - XXXVII. Eene walgelijke tegenkanting.—Twee opium-kongsie’s - in gevecht 211 - XXXVIII. De ambtenaren en de opium.—De vogelnestpluk te - Karang Bollong 226 - XXXIX. Murowsky op het spoor.—Een opiumverpachting te - Santjoemeh 243 - XL. Het »virtus nobilitat”.—Anna en Dalima.—Een telegram 261 - XLI. De ketjoe’s te Soeka maniesan.—Eene ontzettende - terechtstelling 275 - XLII. Naar en in de Goewah Temon.—Besluit 293 - - - - - - - -I. - -BIJ MOEARA TJATJING. - - -Het was een sombere Februarinacht van het jaar 188*. - -De noordwesten wind spookte met volle kracht langs Java’s noordkust, -joeg, tierde, gilde en huilde, alsof een troep demonen in het in -allerijl voortstuivende zwarte zwerk hun helschen sabbath vierden. Hij -deed de verbolgen wateren der Java-zee in huizenhooge baren -opsteigeren, welke zich kromden en krulden, om eindelijk wild en woest -te breken in machtige kuiven van wit schuim, die met hun raadselachtig -bleek phosphorisch geschemer gedurende een ondeelbaar oogenblik hare -onmiddellijke omgeving verlichtten, dadelijk daarop in een -fantastischen vonkenregen uiteen spatten, om eene duisternis achter te -laten nog zwarter, als het kon, dan te voren heerschte. - -Met ontembare kracht zweepten de vertoornde golven den moerassigen -Java-wal. Zij braken in de nabijheid daarvan, liepen voor en na met -haar zwak lichtend schuim langs de flauwe helling op, om -achtereenvolgens een oogenblik later weer met toomelooze vaart -zeewaarts te ijlen, en een nieuwe, aanrollende golf te ontmoeten. Deze, -in haar aandrang vertraagd, gebroken, vormde met de achterwaarts -ijlende eene dwarrelende massa van water en schuim, welke tot eene -donderende branding opstoof en opkookte, om eindelijk te zamen in een -lange keergolf andermaal langs het strand op te loopen en het lagere -gedeelte te overstroomen. - -Dat strand vormde ter plaatse, waar de gebeurtenissen, die hier -verhaald worden, een aanvang nemen, als op zoovele andere plekken van -Java’s noordkust, een uitgestrekt moeras, dat, uit vet kleislib -bestaande, onder den invloed der keerkrings-zonnestralen, met zoo een -rijkdom van bizonderen plantengroei getooid was, dat de daardoor -gevormde wildernis schier spookachtig mocht heeten. Allerwege was de -zwak glooiende strandvlakte met Tandjang-soorten [2] overdekt, die -steltloopers uit het plantenrijk, welke de lage zeeoevers tusschen de -keerkringen, door haar omzoomd, in de verte op eene machtige -palissadeering doen gelijken, die met dicht loof gekroond zoude zijn. - -Ware het dag geweest bij het begin van dit verhaal, dan zou het oog -duizende en nog eens duizende boomkruinen hebben kunnen ontwaren, die -in elkander smeltende, zich op ongeveer dertig voeten boven den grond -verhieven op korte stammen, die zelf den bodem niet bereikten, maar -gedragen werden door hoog boven den bodem reikende wortels. Deze -splitsten en vertakten zich herhaaldelijk en veelvuldig; zoodat iedere -boom met een veelvoetig wezen te vergelijken was, waarvan de dragers of -beenen met die zijner naburen in en door elkander groeiden en -vergroeiden, en een onuitwarbaar net vormden van wortelstengels en -wortelgeledingen, hetwelk daarenboven doorweven was met de ranken van -wel is waar schaars voorkomende slingerplanten, welke evenwel die -stronken als met festoenen wonderlijk tooiden en hare uitloopers in de -boomkruinen verborgen. - -Ware het dag geweest, dan zou den blik toegang onder die kruinen gegund -zijn, waar tusschen die duizende wortelstaken, welke als het ware een -uitgestrekten doolhof vormden, een gewriemel van levende wezens plaats -had, dat den opmerker met een gevoel van walging had moeten vervullen. -Daar lagen toch veelal enkele „boeaja’s” met glurende oogen hare prooi -te bespieden; daar schoten eene menigte „boeloes” en „mimi’s” vooruit, -bij het najagen van hunnen buit; daar wemelden monsterachtige -„kapiting’s” bij duizenden, en „oedang’s” [3] in alle grootten, van den -omvang der Noorsche lobsters tot de onbeduidendheid der nauwelijks waar -te nemen zeespinnen, bij millioentallen binnen een betrekkelijk -beperkten gezichtskring, in den afzichtelijken modder, die door immer -en immer aangevoerden plantendetritus, van dat vreemdsoortige woud -afkomstig, gevormd en gevoed werd. In dien modder, die zich tusschen de -tallooze wortelstengels ophoopte, daardoor weerhouden en zoo onder -gunstige omstandigheden tot voortgaande landaanwinning zeer veel -bijdroeg, wentelden en leefden gewoonlijk die zeedieren, zoo niet -eendrachtelijk, dan toch in eene soort van gewapende overeenkomst, die -hen tot bondgenooten maakte, wanneer het gold eene prooi te -bemachtigen, welker kwaad gesternte haar op die kust aanbracht. - -Maar.... halt! Neen; al ware het ook dag geweest, dan nog zoude van al -die gedrochten waarschijnlijk niets te bespeuren zijn geweest, -verscholen als zij zich hielden, nu de noordwester storm zijnen -oppermachtigen scepter zwaaide, nu de oppervlakte der zee in beroering -was, nu de golven met ongewoon geweld den oever zweepten, en den -boschbodem wild en woest overstroomden, in de diepte der zee, waar geen -stormgeweld der wateren rust kon verstoren. - -Dicht bij de smalle strook lands, waar niet alleen bij storm, maar ten -alle tijde land en water om het bezitrecht twistten, verscholen te -midden van een groep Saoe-boomen [4] welke tusschen het Tandjang-bosch -als bij uitzondering voorkwamen, stond een hutje, dat van de landzijde, -door het dichte gebladerte als door een ondoordringbaren muur omgeven, -niet te bespeuren was. Aan den anderen kant evenwel gunde het een -ruimen blik op de zee, hoewel het toch zoodanig geplaatst was, dat het -door de loofkruinen, die het omgaven, ook voor den onbescheiden blik -van die zijde gevrijwaard was. Dat hutje, niets anders dan een -wachthuisje en eigenaardig „djaga monjet” (apenwacht) geheeten, was -hoogst oorspronkelijk met „katjang-matten” omwand, met „atappen” [5] -gedekt en op palen hoog boven den grond tusschen de boomkruinen -gebouwd; zoodat de golven, die soms het strand schenen te willen -verzwelgen, er onder door konden stroomen, waarbij zij met een -onheilspellend, doch gevaarloos geraas tegen de hoofdjukken, waarop het -gebouwtje rustte, braken en zich verdeelden. Een boomstam, van -inkervingen voorzien, deed de dienst van trap of ladder, en verleende -toegang tot het hutje, waarin dikke duisternis heerschte, hoewel het -niet ledig was. Een paar stemmen, wier eigenaren zich verbeeldden -fluisterend te spreken, hadden ten gevolge van het gehuil van den storm -langzamerhand zulk eene toonhoogte bereikt, dat het gesprek meer op -gillen dan op praten geleek, hetgeen evenwel zonder hinder of nadeel -kon plaats hebben, daar het niemand in de hersens kon komen in dat weer -en op dat uur op deze plek te verschijnen. De meest ijverige -kustwachter zelfs zou voor zulk eene plichtsopvatting teruggedeinsd -zijn. De stemmen, die vernomen werden, spraken de maleische taal; maar -behoorden klaarblijkelijk aan Chineezen, af te leiden uit de -keelgeluiden, die zij deden hooren, ook uit de omstandigheid, dat zij -de r door de letter l vervingen, hetgeen te zamen aan hunne uitspraak -een hoogst onaangenamen hollen maar tevens weekelijken, ja lispelenden -tongval bijzette. En inderdaad, het waren twee Chineezen, die daar in -het hutje in de omlijsting der deur op den vloer gedoken zaten, en, hoe -zwart de nacht ook was, met loerenden blik het oog over de oppervlakte -der zee lieten waren. - -„Neen,” sprak de een, na een lang stilzwijgen, „neen, er is niets te -zien. Met dat weer zou het ook het noodlot tarten zijn. Gij zult zien, -dat de Kiem Ping Hin hare ankerplaats bij Poeloe Karabab met zoo’n -storm niet verlaten heeft.” - -„En toch luidden de bevelen van den „babah” [6] stellig”, antwoordde de -andere. „Wij zijn op onzen post, om de bemanning van de Kiem Ping Hin -bij het aan wal brengen harer lading behulpzaam te zijn.” - -„Ongetwijfeld, Than Khan, dat zijn wij, en onze betaling zullen wij -niet ontgaan; maar tegen de onmogelijkheid valt niet te strijden. Hoor -den wind huilen, de branding donderen; voel onze djaga monjet schudden! -Zoudt gij thans op zee willen zijn?” - -„Ik?” riep Than Khan verschrikt uit, „voor geen schatten der wereld! -Maar.... gij weet, de Arabier Awal Boep Said is een stout zeeman, die -zich door geen noodweer...” - -„Wacht.... daar zie ik iets, Than Khan. Daar, daar in die richting. -Kijk, daar.... daar krult een groote golf... Kijk, bij het schijnsel -van het schuim.... Bij Kong!... eene „djoekoeng!” (uitgeholde boomstam) -waarin twee.... weg is ze weer!” - -„Ja, Liem King,” antwoordde Than Khan, „ik heb het vaartuigje ook -gezien. Er zaten twee personen in, twee Javanen, een man en eene -vrouw.” - -„De man pagaaide hard, de vrouw scheen bevreesd; want zij hield de -handen voor de oogen.” - -„De djoekoeng richtte zich naar den wal; maar zij zal nimmer door de -branding geraken.” - -„Zij zette koers naar de Moeara Tjatjing. [7] Als zij in die richting -kan blijven voortstevenen, dan is zij gered.” - -„Ja, maar in die woeste zee zal het vaartuig omkantelen.” - -„Dat zou eerst feest zijn voor de boeaja’s, Than Khan. De djoekoeng -evenwel was eene „prahoe sajab” [8] en ge weet, er moet veel gebeuren, -eer zoo eene zinkt.” - -„Om het even, ik ben blij, dat ik niet in die prahoe sajab zit.” - -„Kijk.... kijk, daar is het vaartuig weer! Waarachtig het zet koers -naar de Moeara. Als het de „sero’s” [9] bereikt, dan is alle gevaar -geweken.” - -„Ja, als het de sero’s bereikt. Maar... maar....” - -„Een tweede prahoe!” riep Liem King. „Een barkas! Daar zijn blanken -in!” - -Daar knalden eensklaps twee, drie, vier geweerschoten van uit het -laatstbedoelde vaartuig in de richting van de djoekoeng. Maar met -welken uitslag? Dat was onmogelijk na te gaan. De beide vaartuigen -waren een oogenblik elk in het lichtende schuim van eene groote baar -voor het oog onzer beide verspieders verschenen, waarna de zwarte nacht -met volle heerschappij weer ingetreden was, zoodat er niets meer te -bespeuren viel, hoe scherp zij ook uitkeken. - -Zoo ging een kwartieruur voorbij, toen Than Khan plotseling uitriep: - -„Eene stoomboot!” - -En werkelijk, daar heel ver uit den wal schitterde het groene en het -roode licht eener stoomboot, en hoog boven die twee, haar wit toplicht -in den mast. - -„Eene kustwachter,” sprak Liem King. „Waarschijnlijk de Matamata [10]. -Als de Kiem Ping Hin werkelijk zee gekozen heeft, dan zal zij hare -lichten wel gedoofd, en zich uit de voeten gemaakt hebben. Kom, wij -kunnen wel naar de dèsa terugkeeren. Heden nacht zal wel geen -smokkelwaar aan wal gebracht kunnen worden.” - -Een poos keken de Chineezen naar het stoomschip uit. Dat de drie -lichten zichtbaar waren, was het bewijs dat de boot vlak op de kust -aanhield, alsof zij op den wal wilde zetten. Dat duurde evenwel een -korte poos, toen verdween het groene licht plotseling, wat een teeken -was, dat het vaartuig over stuurboord wendde. Een poos bleef het roode -licht nog zichtbaar; maar ook dat verdween, zoodat het witte toplicht -alleen zichtbaar bleef. Daar dit laatste niet van plaats scheen te -veranderen, kwamen de beide gestaarte bewoners van het Hemelsche rijk -tot de gevolgtrekking, dat de boot òf ten anker gegaan was, òf -bijgedraaid lag, en langzaam vooruitstoomde om met den kop in den wind, -zonder te deinzen, den storm het hoofd te kunnen bieden. - -„Neen, ge hebt gelijk; door de tegenwoordigheid van dien vervloekten -Matamata zal geene sluikwaar aan den wal te brengen zijn. Kom, laat ons -gaan.” - -„Wij zullen eerst eens bij de Tjatjing gaan kijken. Wellicht dat we -daar iets van de djoekoeng vernemen.” - -Zij klommen langs den boomstam, die tot trap diende, naar beneden en -stapten, terwijl de wind in de boomtakken en tusschen de steltwortels -van het Rhisophoren-woud huilde, langs een pad, dat zij op den tast in -de dikke duisternis vinden moesten. Dat pad werd bij wijlen door een -golf zeewater overstelpt, zoodat onze twee Chineezen, door het zilte -vocht moesten plassen. Maar dat schrikte hen niet af; zij kenden het -pad zoo goed, dat al ware het weer nog ruwer, al ware de nacht nog -zwarter geweest, zij even zeker voortgestapt zouden hebben. Daarenboven -het pad, dat zij door dat strandbosch af te leggen hadden, was niet -lang. Na weinige minuten hadden zij de kleine rivier Tjatjing bereikt, -die daar in de nabijheid in de Java-zee uitmondde. Daar, waar de beide -Chineezen aankwamen, maakte dat riviertje een elleboog, alsof het, -alvorens zich in de zee te verliezen, zich bedacht, en op zijne -schreden wilde terugkeeren. Daar ter plaatse weken de wortelboomen -terug, en lieten eene vrij breede oeverstrook ontwaren, die met kort -gras bedekt was. Van hier was de blik over de rivier onbeperkt; maar, -of de Chineezen al tuurden, er was in den zwarten nacht niets te -bespeuren. - -„Als de djoekoeng de Moeara heeft bereikt, dan zoude zij hier moeten -aangekomen zijn,” bromde Than Khan, „zij kunnen niet verder -stroomopwaarts, daar de Tjatjing tot hier alleen bevaarbaar is, en -verderop door de moerasplanten geheel en al versperd wordt.” - -„Stil!” maande Liem King aan. „Ik hoor stemmen.” - -En werkelijk, in weerwil van het gefluit van den wind werd een zacht -gekreun gehoord. Onze beide Chineezen spitsten de ooren, oriënteerden -zich, stapten met zachte schreden in de richting van dat geluid voort -en stieten weldra tegen een vaartuig, dat ter halverwege uit het water -met zijn voorste gedeelte op het droge lag. - -„De djoekoeng!” fluisterde Than Khan. - -Zij schreden, steeds op het gekreun afgaande, langs den uitgeholden -boomstam voort, welks bamboevlerken er naast gedeeltelijk verbrijzeld -lagen, en ontdekten op een korten afstand een paar menschelijke wezens, -die in het gras lagen. - -„Wie is daar?” riep Liem King, terwijl hij behoedzaam nader trad. - -„Ik,” antwoordde een zwakke stem. - -„Wie is ik?” - -„Ik, Ardjan.” - -„Ardjan, van de Kiem Ping Hin?” - -Een lichte kreet ontsnapte bij die vraag uit den mond der -schipbreukelingen. - -„Diam!” (stil) fluisterde de andere. - -Beide Chineezen bukten zich over hem, die zich Ardjan genoemd had. -Iemand te herkennen, was bij de heerschende duisternis evenwel -onmogelijk. Een hunner haalde een dievenlantaarntje uit den zak, streek -een lucifer aan en ontstak licht. Toen hij het gelaat van den -naastbijzijnde verkend had, riep hij uit: - -„Inderdaad, het is Ardjan! Hoe komt gij hier?” - -„Ik ben overboord gevallen.” - -„Met die djoekoeng?” vroeg Liem King op spottenden toon. - -„Die heb ik, terwijl ik rondzwom, in zee aangetroffen.” - -„En die vrouw ook? Wie is zij?” - -„Dat is Moenah, mijne zuster.” - -„Uwe zuster?” vroeg Than Khan met een gemeenen lach in den toon zijner -stem. „Is die ook over boord gevallen?” - -En te gelijker tijd liet hij het licht zijner lantaarn op het gelaat -van de beweerde zuster vallen. Onder dien straal vertoonde zich de -lieve gestalte van een bekoorlijke zestienjarige Javaansche maagd, -welke schuchter haar hoofd in haren „slendang” (sjerp), die, evenals -haar geheele kleeding, kletsnat van zeewater was, poogde te -verschuilen. - -„Maar, dat is Dalima, de kleine baboe van den toean resident,” zei Than -Khan, haar den slendang van het gelaat trekkende. - -Het meisje kromp bij die woorden van schrik ineen. - -De beide Chineezen fluisterden elkander wat in het oor, waartusschen de -naam van Lim Ho verstaanbaar klonk. Had men het gelaat van Dalima in -dit oogenblik gade kunnen slaan, dan voorzeker had men bij het hooren -van dien naam de grootste ontsteltenis daarop kunnen lezen. Lim Ho was -de zoon van den opiumpachter te Santjoemeh, die in lichten laaie van -onkuisch minnevuur voor het lieve Javaansche meisje ontvlamd was. Hij -had haar groote sommen geld en rijke geschenken laten aanbieden, echter -te vergeefs. Hij had zich tot haren vader, een eenvoudig landbouwer uit -de dèsa Kaligaweh, nabij de hoofdplaats gelegen, gewend, evenwel met -even ongunstig gevolg. De aterling had gezworen, dat hij de lieve maagd -zou bezitten, al zou hij ook voor dat bezit eene misdaad moeten -bedrijven. Hij was een booswicht, die voor niets terugdeinsde. - -Was het wonder, dat het meisje ontstelde bij het hooren van dien -gehaten naam? Zij kende dien persoon, en thans ook de Chineezen, in -wier macht zij zich bevond. - -Andermaal fluisterden deze laatsten elkander wat toe, en gebruikten -daarbij nog voorzichtigheidshalve de Chineesche taal, die geen der -beide Javanen, noch Ardjan, noch Dalima, verstonden. En, nog voor dat -de eerstbedoelde zich had kunnen te weer stellen, hadden beide -Chineezen zich op hem geworpen en hem de handen aan de voeten gebonden -met een dun „gemoetoe-touw,” [11] dat Liem King uit den diepen zak -zijner kolossaal wijde broek gehaald had, en wel zoodanig, dat de -Javaan als een hoepel krom gekneveld daar neder lag. Maar al had de -tijd, om zich te verdedigen, niet ontbroken, dan nog ware dat Ardjan -onmogelijk geweest. In de eerste plaats was hij geheel ontwapend. Bij -het ondernemen toch van het zeetochtje, dat hem in de Moeara Tjatjing -bracht, had hem zelfs de gelegenheid ontbroken, om zijn „badeh” (kleine -dolk) mede te nemen. Dàn was hij door het krachtige pagaaien, om de -djoekoeng door de hevige branding te brengen, zoo vermoeid, dat, toen -de Chineezen hem aantroffen, hij daar schier ademloos nederlag, in -ieder geval onbekwaam was eenige krachtsinspanning te kunnen -uitoefenen. Het gekreun, dat vernomen was geworden, had hij geslaakt -bij het zwoegen zijner borst om weer tot adem te komen. - -Toen hij gekneveld was, bonden de Chineezen ook Dalima de polsen en de -enkels bij elkander, en legden haar in het gras neder, haar -aanbevelende onbewegelijk te blijven liggen, met bedreiging haar anders -te zullen vermoorden. Als de beide schavuiten het gelaat van het meisje -bij het hooren van die bedreiging hadden kunnen gadeslaan, dan had de -minachtende uitdrukking op de lieve trekken hen niet ontgaan, en -voorzeker had die hun ernstig te denken gegeven. - -Toen het meisje gebonden was, grepen zij een stuk bamboe van de prahoe -sajap, staken die onder de armen van Ardjan door, tilden dien -draagstok, met den last daaraan hangende, op hunne schouders, en liepen -op een sukkeldrafje het pad op, dat zij een oogenblik te voren -afgekomen waren. De Javaan schreeuwde het uit bij die beweging. Hij -werd gefolterd door de pijn, welke veroorzaakt werd door de zwaarte -zijns lichaams, die zich geducht op zijne bovenarmen deed gevoelen. Die -ledematen werden daarenboven nog deerlijk gekneusd tengevolge van de -zwiepende beweging van den veerkrachtigen draagstok, door den -sukkeldraf te weeg gebracht. Het was, of de beenderen van de -bovenarmen, waaraan het geheele lijf als een zak hing, gebroken moesten -worden. Maar de twee Chineezen stoorden zich aan dat geschreeuw niet, -en sukkelden maar voort. Te vergeefs smeekte Ardjan hen, hem te willen -dooden, daar de pijn onduldbaar was; te vergeefs trachtte hij, toen dat -niet lukte, door beleedigende uitdrukkingen hen te vertoornen, om hen -zoo tot wraakoefening te verleiden. Maar, voor de smeekbeden hadden de -aterlingen slechts een spottenden schaterlach over; het „aso tjina” -(chineesche hond), dat hen naar het hoofd geslingerd was, zette Than -Khan betaald met een geduchten vuistslag, met de vrijgebleven hand -toegebracht, die het duldeloos lijden van den rampzaligen slechts -vermeerderde. - -Eindelijk waren de beide dragers met hun vracht bij de djaga monjet -aangekomen. Daar ontdeden zij de voeten van den geknevelden van de -touwen; maar lieten zijne armen gedeeltelijk gebonden. Toen noodzaakten -zij hem den boomtrap te beklimmen, en lieten hem daarbij de punten -hunner dolken voelen. Hij begreep, dat de geringste weerstand hem het -leven kon kosten. Nu dat pijnlijk dragen geëindigd was, had hij minder -wanhopige opvattingen omtrent het bestaan. Hij voldeed dan ook gedwee -aan den last, en was in een oogwenk boven. Daar werd hij weer gebonden, -en, om iedere poging tot ontvluchting ijdel te maken, werd hem de -bamboe, die tot draagstok gediend had, door de opening der -elleboogsgewrichten, gevormd bij het buigen der armen, achter den rug -gestoken, zoodat hem, daar de handen stijf voor de borst gebonden -waren, de geringste beweging de meest ondragelijke pijnen aan zijne -deerlijk gekneusde armen moest veroorzaken. Toen ook zijne voeten -gekneveld waren, werd hij lang uit op den grond uitgestrekt, en uit -overmaat van voorzorg aan een der hoofdstijlen van het gebouwtje -vastgebonden. - -Toen ijlden de beide Chineezen heen, om ook Dalima te halen. Wat zij -met haar voor hadden, was henzelven nog niet duidelijk. Liem King -stelde voor, om het bezit van het meisje tot prijs van eene -dobbelpartij te maken. Than Khan, meer geldzuchtig, rekende zijn makker -voor, wat er van den rijken pachterszoon te wachten was, wanneer hem -het duifje in handen gespeeld werd. Het verschil van gevoelen was nog -niet tot verevening gebracht, toen zij de Tjatjing bereikten, waar zij -het meisje behoorlijk gebonden achtergelaten hadden. Zij zagen alras -in, dat verder twisten overbodig was; want die plek was ledig. Hoe zij -ook zochten, van Dalima was geen spoor te vinden. Geen spoor? .... -Jawel, achter een struik in de nabijheid werden de touwen gevonden, -waarmede het meisje gebonden was geweest. Klaarblijkelijk was het haar -mogelijk geweest, de handen bij den mond te brengen en was zij er in -geslaagd te touwen met hare tanden door te knagen. Toen zij de handen -vrij had gehad, was het verder kinderwerk geweest, om hare voeten van -de boeien te ontslaan. - -„Drommels!” riep Liem King uit „Dat „moeka manies” (zoete bekje) is -voor ons verloren!” - -„Ja,” antwoordde Than Khan met een zucht, „wij zijn een aardig sommetje -kwijt! Zij zou Lim Ho veel waard geweest zijn.” - -„Wij zullen bij de „kongsie” (vennootschap) niet over haar mogen -reppen, denk ik.” - -„Zeker niet, van haar gewagen, nu zij ons ontsnapt is, zou gevaarlijk -zijn.” - -„Maar, wat met Ardjan thans aan te vangen? Dien moesten wij ook maar -laten loopen. Hij moest eens over Dalima klappen.” - -„Dat durft hij niet. Als hij een woord kikte, dat hij met het meisje er -van door geweest is, dan zou Lim Ho hem laten „tombokken.” [12] - -„Ik ben van meening hem te laten loopen.” - -„Hm!... Waarom?.... Hij moest aan boord van de Kiem Ping Hin zijn... -Hoe komt hij hier thans met die djoekoeng?.... Geloof mij, daar zit -iets achter.... Wellicht heeft de kongsie er belang bij, dat te weten.” - -„Hadden wij Dalima maar zoo stevig gebonden, als wij hem gedaan -hebben,” zei Than Khan. - -„Och, die lieve polsen en die arme enkels, wat zouden die geleden -hebben, wanneer wij daar een touw zoo strak om gebonden hadden?” - -„Om het even, dan hadden wij haar nog. En, nu is zij gevlogen. -Waarheen?” - -„Ja, waarheen?.... Kom, laat ons voortmaken, anders ontkomt ons de -andere ook. En, er is iets, hetwelk mij voorspelt, dat wij in hem eene -goede vangst gemaakt hebben.” - -Toen de twee Chineezen bij de djaga monjet aangekomen waren, was Ardjan -er nog. Hij lag nog steeds gebonden, zooals zij hem verlaten hadden. -Hij had geen lid kunnen bewegen. Toen hij de Chineezen alleen zag -terugkomen, verhelderde zijn oog. - -„Waar is Dalima?” vroeg hij met vuur. - -De Chineezen antwoordden niet. - -„Is zij ontvlucht?” - -Than Khan knikte ja. Die knik scheen bij het schijnsel der -dievenlantaarn zoo droefgeestig, dat Ardjan aan de waarheid dier -bevestiging niet twijfelen kon. Toen voelde hij zich gerust. O, dat hij -toch ook had kunnen ontvluchten! Hij had wel gepoogd die verwenschte -touwen los te maken; maar och, zijne armen deden hem zoo zeer, het was -alsof die gebroken waren. Hij had die poging wel moeten staken. Waar -zou het lieve meisje thans zijn? O, daaromtrent bekommerde hij zich -weinig. Wellicht was zij naar Kaligaweh geloopen. Daar woonden hare -ouders, en dat was het dichtste bij. Die dèsa moest zij dan thans nabij -zijn. Misschien was zij den weg naar Santjoemeh ingeslagen, waar de -residentsfamilie woonde, waarbij zij als baboe diende. Dan zou zij nog -een goed eind weg af te leggen hebben. De dag zou wel aangebroken zijn, -alvorens zij kon aankomen. Als zij dan maar alles dadelijk vertelde... -ja, dan was voor hem nog redding mogelijk..... - -Hij werd in zijn overpeinzingen gestoord door Liem King, die hem vroeg, -waar hij zoo in ’t holle van den nacht van daan kwam. - -„Wel van Santjoemeh, ik wilde met Dalima naar Sepoetran varen, om van -daar naar hare ouders te Kaligaweh te gaan. Door den westen-wind werden -wij zeewaarts gevoerd. Ik heb geroeid uit alle macht om de Moeara -Tjatjing te bereiken.” - -„Om de Moeara Tjatjing te bereiken?” grinnikte Than Khan. „Wat had je -daar te verrichten? Je wist zeker, dat je ons hier zoudt aantreffen? Is -het zoo niet?” - -Ardjan huiverde. Hij antwoordde evenwel bedaard: - -„Ik kon Sepoetran niet meer bereiken, en werd naar volle zee gedreven. -Ik moest dus trachten de meest nabijzijnde plaats te halen.” - -„Maar je werd achtervolgd? Er is zelfs op je geschoten!” - -„Dat was de barkas van dien ellendigen Matamata, die mij voor een -smokkelaar aanzag.” - -„Had je geen sluikwaren bij je?” - -Ardjan antwoordde niet. Als de twee Chineezen zijne omstandigheden -gekend hadden, dan hadden zij voorzeker die vraag niet gedaan. - -„Maar, je bent „djoeroemoedi” (stuurman) op de Kiem Ping Hin; moest je -niet aan boord zijn?” - -De Javaan aarzelde hier een oogenblik; daarna antwoordde hij: - -„Ik had verlof van kapitein Awal Boep Said om twee etmalen aan den wal -door te brengen.” - -„Maak dat je „nènèh” (oude moeder) wijs! In dezen tijd? Nu de zaken in -vollen gang zijn?” - -„Het is toch zoo.” - -„Nu, dat zal de kongsie straks uitmaken.” - -Het drietal verviel na die woordenwisseling in een langdurig -stilzwijgen. De Chineezen wikkelden zich in eene soort sprei, en zaten -gedoken op den vloer, met het hoofd op de borst, op het punt van in -eene sluimering te vervallen. Ardjan was nog altijd uiterst pijnlijk -aan de bamboe geregen, en op den rug uitgestrekt liggende. Het was -donker in de hut; de deur en de luiken waren toch gesloten om de kille -morgenlucht zooveel mogelijk buiten te sluiten. Als de Javaan het hoofd -rechts en links wendde, dan kon hij evenwel door de reten der „Niboeng” -[13] latten, die den vloer uitmaakten, bespeuren, dat de dag aanbrak. -Een grauw licht toch schoot onder de ruimte der hut, en bescheen daar -den walgelijken modder, waarin een menigte dieren als alen, -moerasslangen, leguanen, water-hagedissen, enz. reeds rondkrioelden, om -op de onreinheden van allerlei aard die zoo’n hut veelal opleverde, te -azen. - -Dat duurde zoo een poos, toen plotseling een schot in de verte -weerklonk, dat de beide Chineezen deed opschrikken. Dat schot was een -sein. Than Khan vloog naar de deur. Toen die geopend werd, was het -buiten volle dag. De zon was op het punt op te komen, en kleurde de -oosterkim met onvergelijkelijke purperpracht. - - - - - - - -II. - -IN DE DJAGA MONJET. - - -Een oogenblik stonden de twee Chineezen alsof zij met blindheid -geslagen waren. De pupil hunner oogen, in het duister der hut zeer -uitgezet, werd pijnlijk aangedaan door het schelle licht, en moest tijd -hebben om in te krimpen, alvorens zij iets zien konden. Maar, toen zij -zich een poos de oogen gewreven hadden en daarna uitkeken, ontwaarden -zij, dat de wind, die ’s nachts zoo akelig had aangegaan, bijna geheel -gevallen was, dat de dikke wolken, die de duisternis zoo zwart gemaakt -hadden, gescheurd, gereten, meerendeels verstrooid en verdwenen waren, -en het blauwe azuur des hemels overal door lieten. In het oosten was de -hemel smetteloos rein; de zon steeg met vollen luister boven den -horizon en tooide alles, wat zij met hare stralen aanraakte: de golven -op de zee, de wortelstengels van het Rhisophoren-woud, of de bladeren -van de kruinen daarboven, met het zuiverste goud. Maar voor die pracht -hadden onze Chineezen geen oogen. Zij doorzochten daarentegen met -scherpen blik de oppervlakte der zee, niet om het wentelen der golven, -of het breken der branding van den nog steeds verbolgen oceaan gade te -slaan, niet om de fraai gekuifde baren, die als van gesmolten goud, -getooid met zilver schuim, schenen, te bewonderen; maar om te -bespieden, wat op die oppervlakte voorviel, hetgeen hunne -belangstelling meer gaande maakte. - -Ginds bij den horizon werd een vaartuig zichtbaar, dat op de -aanrollende golven danste en stampte. Met het bloote oog was te zien, -dat het een schoenerbrik was, die onder klein zeil scherp bij den wind -lag, en de kust niet scheen te willen naderen. Aan den voortop woei een -seinvlag, die evenwel op dien afstand niet te onderscheiden was. Liem -King greep een scheepskijker, wiens oorspronkelijke koperkleur onder de -laag vuil, die hem bedekte, niet meer te herkennen was, en die eene -bergplaats vond in een hoekje van het dak der hut, tusschen de atappen -en de latten, die deze laatsten droegen. Na een poos turens, waarbij -hij van veel oefening blijken gaf, zei hij tot zijn makker: - -„Het zijn de letters T. F. N. W., die daar op een rooden achtergrond -wapperen. Het is ongetwijfeld de Kiem Ping Hin, die gisteren avond had -moeten aankomen en die....” - -„Nu ten anker zal willen komen.” - -„Neen, die buiten den smokkel-rayon [14] wil blijven. Ziet ge, nu gaat -zij over stag.... loopt meer uit den wal.... Thans bergt zij hare -zeilen, gaat voor anker....” - -„Dat’s brutaal! De Matamata was van nacht nog hier.” - -„Waar de Kiem Ping Hin thans geankerd ligt, kan de stoomer haar niets -doen. Daarenboven van dien is niets meer te bespeuren. De schoener -voert bovendien voorzichtigheidshalve de Engelsche vlag. Onder die is -hij volkomen veilig, al lag hij ook dichter bij de kust. De „Blanda’s” -(Hollanders) zijn bang als de dood voor de Engelschen.” - -„Kijk, daar wordt eene boot uitgezet.” - -„Dan zal een van ons zich naar de aanlegplaats bij de Tjatjing moeten -spoeden.” - -„Gij!” - -„Neen, gij!” - -„Waarom niet beiden te zamen?” - -„Omdat de voorzichtigheid ons gebiedt, dien kerel niet alleen en -onbewaakt te laten,” antwoordde Than Khan op Ardjan wijzende. - -„Laat er ons dan om dobbelen.” - -„Mij goed.” - -Liem King haalde een aantal witte steentjes ter grootte eener boon voor -den dag, waaronder ook ettelijke zwarten. Hij wierp die met eene zekere -behendigheid op eene houten plank, die voor dat spel bestemd scheen. Na -den worp werd geteld, hoeveel zwarte steentjes in een groep bij -elkander lagen. Daarop wierp Khan Than. - -„Ik heb gewonnen,” riep deze. „Kijk, hier liggen zeven zwarten bij -elkander. Gij teldet maar vijf.” - -„Nu, dan ga ik.” - -„Maar, mondje dicht over Dalima!” - -„Natuurlijk,” was het antwoord. - -Ardjan glimlachte smadelijk bij het vernemen van die aanbeveling. - -Than Khan hurkte op den drempel van de deur der hut neder, evenwel zoo, -dat, terwijl hij het oog over de baai kon laten waren, hem echter geen -enkele beweging van den Javaan ontgaan kon. Hij scherpte den blik om -gade te slaan, hetgeen op de oppervlakte der zee voorviel. De djaga -monjet stond ter zijde in eene ombuiging van het strand der kleine -baai, zoodat de Chinees het volle gezicht op hare monding had, en niets -aan zijne waarneming ontsnappen kon. - -Hij zag de sloep van den schoenerbrik bemand worden; hij zag een -vijftal Chineezen langs de stormladder bij de valreep daarin afdalen; -hij zag dat vaartuig afsteken, over de oppervlakte der deinende zee -glijden, in de branding geraken, daarin stampen, slingeren en -worstelen; hij nam de inspanningen waar van de roeiers, om dat -moeielijke punt door te stevenen; hij bewonderde de behendigheid van -hem, die het roer in de hand had en den kop der sloep onwrikbaar op de -golf gericht hield. - -„Dat is Lim Ho zelf,” prevelde hij. - -Ardjan kromp ineen van schrik, bij het hooren van dien naam. - -„Lim Ho?” vroeg hij, terwijl zijne stem zielsangst verried. - -„Ja,” antwoordde Than Khan. „Zij zullen gauw hier zijn. Kijk, daar -schiet de sloep de Moeara in.” - -Inderdaad, het vaartuig, door een achttal riemen voortgestuwd, vloog -door het water, toen het maar eenmaal die gevaarlijke branding te boven -gekomen was. Achter de sero’s en in de baai trof de sloep glad water -aan; zij schoot de monding der Kali Tjatjing in en had weldra de -aanlegplaats bereikt, waar Liem King het gezelschap wachtte, en het -onmiddellijk naar het wachthuisje geleidde. - -Niet zoodra evenwel hadden de nieuw aangekomen Chineezen het vaartuig -verlaten, of de roeiers—allen Javanen—haastten zich, onder toezicht van -een hunner, om eenige blikken en vaatjes, die op den bodem der sloep -opgestapeld lagen, aan wal te brengen, en in allerijl achter eenige -struiken te verbergen. - -„Lekker die zwarte boter!” grinnikte er een, op de vaatjes wijzende, -die er uitzagen, alsof zij pas eene Nederlandsche boerderij verlaten -hadden, en allen het cachet van Van der Leeuw [15] in groen lak -vertoonden. - -„Ik wou, dat ik maar een paar taël [16] van die boter had,” antwoordde -een ander lachend. - -„Straks maar naar de „pentjandon” (opiumkit) van babah Tjoa Tiong Ling -toe. Daar kunt ge van die zwarte boter krijgen en spoedig genoeg van uw -zuur verdiende gagie verlost zijn.” - -„Om het even, het is toch maar een lekker ding, die...” - -„Ja, vooral als wij er veel aan verdienen.” - -Blikken en vaatjes waren spoedig voor het meest scherpziend oog -verborgen, waarna de roeiers zich op weg naar de djaga monjet begaven. - -Daar vond intusschen een ander tafereel plaats. - -Toen de vijf Chineezen in het wachthuisje waren aangekomen, werd -onmiddellijk een aanvang gemaakt met de ondervraging van Ardjan, die -steeds zwaar gekneveld op den bodem uitgestrekt lag. Liem King had -onder weg de bizonderheden van de gevangenneming van den Javaan -verhaald, zonder evenwel zich iets te hebben laten ontvallen, wat op -Dalima doelde. - -Gedurende die mededeeling had Lim Ho, een rijzige Chinees, de -aanvoerder der overigen, ongeveer vijf en twintig jaren oud, met eene -geel fletse gelaatskleur, harde trekken en gluipende schuinstaande -oogen, aandachtig toegeluisterd. Hij had een glimlach van tevredenheid -niet kunnen onderdrukken, toen hij vernam, dat het de „djoeroemoedi” -Ardjan was, die gevangen genomen werd. Zoodra het verhaal uit was, -vroeg hij op onverschilligen toon: - -„Was de Javaan alleen?” - -„Ja, geheel alleen,” antwoordde Liem King. - -Een zweem van teleurstelling vloog over het gelaat van Lim Ho. - -„Hij was gezeten in eene djoekoeng?” vroeg hij. - -„Ja, babah.” - -„Kan die djoenkoeng ook in zee omgeslagen zijn?” - -„Best mogelijk,” antwoordde de sluwe Chinees. „Toen Than Khan en ik de -djoekoeng vonden, lag Ardjan kletsnat en ademloos op het strand, alsof -hij in het water gelegen had, en waren de bamboezen der sajab -verbrijzeld.” - -„Wij zullen dat straks wel vernemen,” sprak Lim Ho trotsch voornaam. - -Toen hij het hutje ingetreden was, vroeg hij aan Ardjan, zonder hem -evenwel met een blik te verwaardigen: - -„Waarom ben je ontvlucht?” - -„Ik had „sakit hatie” (hartzeer), antwoordde deze. „Ik verveelde mij -aan boord en wilde naar de dèsa terug.” - -„En daarom heb je Dalima meegenomen.” - -Ardjan antwoordde niet. Liem King en Than Khan verbleekten. - -„Waar is de „prawan” (maagd) verdronken?” vroeg Lim Ho verder. - -„Verdronken!...” riep Ardjan verschrikt uit. „Heeft men haar -verdronken?” - -„Of men haar verdronken heeft? Is de djoekoeng, waarmede gij beide van -de Kiem Ping Hin ontvlucht zijt, dan niet omgeslagen? Waar is dat -gebeurd? Misschien heeft Dalima zich nog kunnen redden.” - -„Zich nog kunnen redden!.. Maar de djoekoeng is niet omgeslagen!” kreet -Ardjan. „Wij zijn beiden aan land gekomen. Zij uiterst beangst door het -noodweer, ik zeer vermoeid van het pagaaien.” - -„Maar, waar is zij dan gebleven?” - -„Dat weet ik niet. Vraag dat aan Liem King en Than Khan.” - -Die twee stonden te bibberen van angst. - -„Hebt gijlieden gehoord?” vroeg Lim Ho hooghartig. „Ik wacht op -antwoord!” - -„Ik weet niet, wat er van het meisje geworden is!” stamelde Than Khan. - -„Zij kan wel door een kaaiman verslonden zijn,” prevelde Liem King. - -„Is zij meê aan wal gekomen, ja of neen?” vroeg Lim Ho aan Ardjan, -terwijl hij van ongeduld op den vloer stampte, zoodat de geheele hut -dreunde en schudde. - -„Ja,” antwoordde de Javaan. „Die twee hebben mij eerst en daarna Dalima -armen en beenen gebonden. Toen hebben zij mij hierheen gedragen, en -zijn daarna het meisje gaan halen. Zij zijn evenwel zonder haar -teruggekomen.” - -Lim Ho keek de beide Chineezen met doordringenden blik aan. - -„Waarschijnlijk is zij door een kaaiman verslonden,” herhaalde Liem -King. - -„Of door een tijger weggehaald,” vulde Than Khan aan. - -Lim Ho stak een fluitje in den mond. Een oorverscheurend schril geluid -weerklonk. Een der Javaansche matrozen, die inmiddels bij de hut -aangekomen waren, trad binnen. - -„Roep je sobats!” (makkers) klonk het bevel. - -In een oogwenk waren allen binnen. - -„Bindt die schavuiten!” beval Lim Ho; terwijl hij op Liem King en Than -Khan wees. - -Dat was spoedig geschied. De Javanen haalden hun hart op, toen zij die -twee Chineezen mochten knevelen. Het ging ruw en hardhandig toe. De -touwen werden zoo strak mogelijk aangehaald! De slachtoffers kermden. -O, als het eens op Java tot eene uitbarsting mocht komen! Dan wee, de -zonen van het Hemelsche rijk! Of bij zoo’n catastrophe eene andere -natie ook niet in de klem zou geraken? - -Toen de beide Chineezen gebonden waren, riep Lim Ho: - -„En nu op de jacht! Een meisje, de kleine Dalima, is ontvlucht! -Vijfhonderd „ringgiet’s” (rijksdaalders) voor hem, die dat lieve kind -opspoort en mij uitlevert!” - -Een juichkreet ging op, en onder het slaken daarvan, stormde de bende -naar buiten. - -Toen de Javanen verdwenen waren, liet Lim Ho zich door een zijner -volgelingen zijne pijp aanreiken, stopte het kleine kopje, dat aan een -langen steel van zeer fraai bamboe met uiterst korte geledingen stak, -met goudgeele haarfijne tabak, ontstak daarna die pijp, en deed eenige -halen, waarbij hij den rook door de neusgaten uitblies. Hij zette zich -toen neder op den eenigen stoel,—een lomp onbehouwen meubel, met de -„gollokh” (kapmes) ruw bewerkt,—in het vertrek aanwezig, terwijl de -overige Chineezen neerhurkten, en richtte het woord tot Ardjan. - -„Vertel nu,” sprak hij, „hoe je met Dalima van de Kiem Ping Hin -ontsnapt bent. Je wist toch, dat ik naar het bezit van dat meisje -haakte?.... Maar, pas op! niet liegen! want je leven is in mijn hand, -dat begrijp je!” - -Ardjan kreunde. Hij verzocht, dat zijne banden geslaakt zouden worden. -Zooals hij gebonden was, was het niet uit te houden, beweerde hij. - -„Neen, eerst vertellen!” sprak Lim Ho. „Daarna zal ik zien.” - -Intusschen gaf hij toch met een enkel woord bevel, den gefolterden -Javaan van de bamboe te ontdoen, die hem de armen op den rug gewrongen -hield. Toen dat marteltuig verwijderd en Ardjan wat tot verademing -gekomen was, beval de Chinees: - -„Komaan, spreek; ik luister.” - -„Gij weet,” zoo begon de Javaan, „dat ik djoeroemoedi aan boord van de -Kiem Ping Hin ben. Het vaartuig lag gisteren namiddag achter Poeloe -Kalajan niet ver van Santjoemeh ten anker, toen eene djoekoeng op zij -schoot, waarin een paar uwer landslieden gezeten waren. Aanvankelijk -dacht ik, dat zij gesmokkelde opium, die tot de lading van den schoener -behoorde, kwamen afhalen. Ik wierp hen eene tali (touw) toe, en was hen -bij het aan boord klimmen behulpzaam. Maar, in stede dat zij iets -kwamen halen, brachten zij wat. Zij tilden een zak aan het dek, die den -vorm had van een menschengedaante. Dat ging mij echter niet aan; zoo -iets had ik meer aan boord gezien. Ik hielp zelf dat pak in de hut van -den kapitein brengen. Ik lachte en schertste zelfs met de twee -Chineezen over het genoegelijk uurtje, dat kapitein Awal Boep Said -wachtte. - -„Toen die aan boord kwam, gaf ik hem kennis van het buitenkansje, dat -hem, zooals ik meende, genoegen moest doen. Maar, in stede van naar -zijne hut te vliegen, bleef hij op het dek, en beval mij zorgvuldig uit -te kijken, daar hij gasten verwachtte. - -„En, inderdaad, weinige uren later kwaamt gij, Lim Ho, met een paar -uwer vrienden aan boord. Het was tijd, dat gij den schoener bereiktet; -want het was reeds nacht geworden, en de noordwester storm was in -aantocht. Nauwelijks waart gij dan ook aan boord, of hij brak los. Toen -ik u zag, bekroop mij een onaangenaam gevoel, en onwillekeurig dacht ik -aan het pak, dat aan boord gebracht was, en in de hut van Awal Boep -Said op het bed lag. Ik wilde naar beneden sluipen, om eens een kijkje -te nemen; maar de kapitein, die het naderend slechte weer gadesloeg, -deed de brassen strak zetten, en een tweede anker uitbrengen. Ik kreeg -mijn deel in de werkzaamheden, en kon het dek niet verlaten. - -„Toen ik een uur later in de kajuit kwam, laagt gij op eene rustbank -uitgestrekt, en waart bezig met opiumrooken. Gij hadt de pijp in handen -en zwelgdet met blijkbaar genoegen den rook in. Naast u stond een uwer -volgelingen, die bezig was een balletje „madat” klaar te maken en te -kneden, terwijl eene zekere hoeveelheid „tjandoe” [17] zich in uwe -nabijheid in een doosje bevond. - -„O, ik wist, wat dat alles beteekende! Voor hem, wiens zinnen door -overmatige prikkeling verstompt en verdoofd zijn, is opwekking noodig. -Een duifje was in uwe macht, gij moest uwe uitgeputte krachten -opwekken. Daarenboven, gij wildet de meest mogelijke genietingen van uw -slachtoffer erlangen; want ge kent de eigenschappen van de opium en -weet er gebruik van te maken. - -„Ik lachte er nog om. Och, zoo iets gebeurt zoo vaak in de wereld! Een -hadji heeft mij verteld, dat de opium een geschenk van Ngahebi Mohammed -is, en dat de gelukzaligen in den hemel slechts door dat middel hunne -krachten schragen, en ten gevolge van dat middel zoo door de hoeri’s -geliefd worden. - -„Maar toch bekroop mij een beangstigend gevoel, dat mij tot -nieuwsgierigheid dwong. Sedert lang is Dalima mij door hare ouders tot -vrouw bestemd. Ik heb nog maar weinig ringgiets te verdienen, om de som -bij elkaar te hebben, die noodig is, om een span karbouwen te koopen. -Als ik die zal bezitten, dan is de huwelijksdag daar. Maar, ik weet -ook, Lim Ho;” en hierbij siste de stem van den Javaan en klonk schier -dreigend, „maar ik weet ook, dat gij naar het bezit van het meisje -haakt;.... ik weet, welke kostbaarheden gij haar hebt laten zien;.... -ik weet, welke som gij haren vader voor hare onschuld geboden hebt.... -Ik wilde zien, wie daar in de hut opgesloten was. Toch had ik nog geen -erg op Dalima! Zij had uwe voorstellen smadelijk afgewezen. Haar vader -had u met zijn kris gedreigd.... Hoe zou de baboe van den toean -resident in uwe macht geraakt zijn?.... Dat was immers onmogelijk....” - -„Ja, dat was onmogelijk!” grinnikte Lim Ho, wiens verdorven gemoed door -het verhaal van den Javaan gekitteld werd. „Ja, dat was onmogelijk!.... -Vertel eens, Ong Kwat, hoe zij je in handen kwam.” - -„Dat ’s onnoodig”, hervatte Ardjan. „Zij zelf heeft mij dat in de -djoekoeng verhaald. Gisteren wandelde zij met een kind, een neefje van -haren heer, in de Salak-laan [18] achter het residentiehuis. Het kind -wierp zijn bal in eene sloot langs den weg. Dalima bad een Chinees, die -daar bij toeval passeerde, om het speeltuig op te visschen. Hij voldeed -aan dat verzoek; maar in stede van den bal aan het kind terug te geven, -wierp hij hem met alle kracht en zoo ver hij kon, in den tuin. Het kind -liep juichend den bal na; onderwijl sprong de Chinees op het meisje -toe, dat zonder erg het kind natuurde, stopte haar, voor dat zij een -gil had kunnen slaken, een prop in den mond, wierp haar een zak over -het hoofd en droeg haar tot aan het einde van de laan, waar zij in eene -djoekoeng gelegd werd, die daar in de sloot dobberde. Het vaartuig -stelde zich in beweging, en een uur later was zij aan boord van de Kiem -Ping Hin....” - -„Juist, zoo is het gebeurd, nietwaar, Ong Kwat?” vroeg Lim Ho. - -De aangesprokene bevestigde met een hoofdknik en een grijns, en -antwoordde: - -„Ik had reeds vier dagen op dat hapje geloerd!” - -„Ga, nu maar voort, Ardjan,” maande de Chinees aan. „Maar, ik waarschuw -je voor leugens!” - -„Bij mijn binnenkomen in de kajuit keek ik eens rond. Gij, Lim Ho, -waart geheel versuft van het opiumrooken, maar hadt het stadium nog -niet bereikt, dat de opium iemand in woestwilden hartstocht doet -ontvlammen. Uw helper, misschien ook onder den invloed, wijdde zijne -geheele aandacht aan de madatballetjes, die hij kneedde. Buiten u -beiden was niemand in de kajuit. Ik sloop de hut binnen en bij het -licht der lantaarn, die er brandde, herkende ik in een oogopslag -Dalima. Ik bedacht mij niet lang, maar sprong op haar toe, en sneed in -een oogwenk hare banden los, vloog de hut en de kajuit met lichten tred -uit, en was in een oogenblik weer terug, met eenige mannenkleeding, die -ik haar gaf. Zij trok die aan, en een poos later had ik haar op het -voorschip achter een hoop zeilen geborgen, die daar lagen. - -„De storm woedde intusschen met volle kracht en het was misschien -daaraan te danken, dat zij onbemerkt de hut had kunnen verlaten. De -kapitein Awal Boep Said liep met angstige schreden het achterdek op en -neer, en liet als trouwe muselman zijn bidsnoer door de vingers -glijden, terwijl zijne lippen van tijd tot tijd een Allah ackhbar! (God -is groot) of een Bismilla! (de Heer zij gezegend) prevelden. De andere -opvarenden schuilden in het volks-logies; terwijl uwe metgezellen -zeeziek in hunne kooien lagen. - -„Van die omstandigheid maakte ik gebruik. Ik haalde de djoekoeng, -waarmeê Dalima aan boord was gebracht, en die op zij van het schip op -de golven lag te dansen, naar mij toe. Het meisje gleed langs een touw -er in; ik volgde haar, greep een dajong (pagaai) en weldra dreven wij, -door den wind voortgezweept, ver van de Kiem Ping Hin. - -„Ik had gehoopt de kust te kunnen bereiken, die het naast bij het -residentie-huis lag; maar toen de djoekoeng achter Poeloe Kelajan uit -kwam, grepen haar wind en stroom en dreven wij op Allah’s genade heen. - -„Ik zette spoedig de sajab’s uit, die in het vaartuig lagen. Die hebben -belet, dat wij verdronken zijn; want al heel spoedig waren wij in de -branding, die op den „Oedjoeng” (kaap) staat. Ik pagaaide uit alle -macht. Als wij die kaap voorbijdreven, dan waren wij verloren. Het -gelukte mij eindelijk die branding te doorworstelen. Nog een poging.... -en wij waren de Moeara Tjatjing binnen. Toen wij geland waren, viel ik -uitgeput op den grond en, voor dat ik tot adem had kunnen komen, hadden -Than Khan en Liem King ons beiden, Dalima en mij, gebonden. Ik werd -hierheen gedragen. Wat van het meisje geworden is, weet ik niet. Ik heb -haar niet meer terug gezien. Ziedaar, de volle waarheid.” - -Er trad een stilte in, die eenige oogenblikken duurde. Het was of Lim -Ho nadacht en niemand durfde zijn gedachtengang storen. - -Eindelijk sprak hij, terwijl hij zich tot Than Khan en Liem King -wendde: - -„Wat hebt ge op dat verhaal aan te merken?” - -Geen van beiden antwoordden. - -„Wilt ge spreken!” riep Lim Ho met kwalijk verbeten woede uit, terwijl -hij zijne twee gevangenen, die even als Ardjan, gebonden op den vloer -uitgestrekt lagen, een schop met zijne harde sandalen in de zijde gaf. - -„Die Javaan liegt!” riep Liem King, van de pijn krimpende uit. „Wij -hebben geen meisje gezien.” - -„Hij heeft haar waarschijnlijk het bosch in laten vluchten, voor wij -bij hem aankwamen.” - -„Ik had mijn leven voor Dalima gegeven!” sprak Ardjan hartstochtelijk. -„Maar, ik lag uitgeput van vermoeidheid op den grond; ik heb haar niet -kunnen verdedigen. Babah, ik lieg niet! Die twee mannen moeten weten, -wat er van het meisje geworden is.” - -Lim Ho prevelde eenige woorden binnensmonds, en scheen te overdenken, -wat hem te doen stond. Plotseling verhieven zich in de nabijheid der -hut eenige stemmen. Het waren de roeiers, die jacht op Dalima gemaakt -hadden, en thans kwamen berichten, dat hunne pogingen vruchteloos -geweest waren. Zij hadden het meisje niet gevonden. - -Bij die tijding glom er iets tevredens, iets dankbaars in den blik van -Ardjan. - -„Tenzij dit als een spoor van haar ware aan te merken,” sprak een der -roeiers, terwijl hij een bundel touwwerk liet zien. „Dat heb ik bij een -struik, dicht bij de plaats waar onze sloep geland is, gevonden.” - -„Dat zijn de „talies” (touwen), waarmede Than Khan en Liem King de -polsen en de enkels van Dalima gebonden hebben,” sprak Ardjan ernstig -en bedaard. - -Lim Ho vestigde den blik op de beide schavuiten. Deze zwegen. Dat -stomme bewijs hunner leugentaal snoerde hen den mond. - -Toen sprak de babah een paar woorden, waarop èn Ardjan èn Than Khan èn -Liem King van angst krompen en om genade smeekten. Lim Ho bleef evenwel -doof voor hunne kreten, verwaardigde hen ter nauwernood met een blik; -terwijl hij de twee Chineezen bij wijlen met koele woede een schop -toebracht. - -In kort afgebroken bewoordingen gaf hij zijne bevelen, die door de -Javaansche roeiers met spoed werden ten uitvoer gelegd. Een paar hunner -stoven naar buiten; terwijl de anderen de twee gebonden Chineezen, -alsook Ardjan overeind hielpen, en zich gereed maakten hen naar buiten -te brengen. - -„Heb medelijden met ons!” smeekte Than Khan. - -„Waar is Dalima?” was het antwoord op woesten toon uitgebracht. - -„Wij weten het niet.” - -„En gij?” was de vraag tot Ardjan. - -„Ik weet het ook niet. Zij zal waarschijnlijk naar het huis van den -toean resident teruggekeerd zijn.” - -„Heb medelijden!” gilde Liem King op zijne beurt. - -„Geen medelijden met kerels als gij!” - -„Maar, wat hebben wij toch gedaan?” vroegen de twee Chineezen. - -„Gij hebt Dalima in handen gehad, en gij hebt haar laten ontvluchten!” -antwoordde Lim Ho, terwijl hij met verbeten woede op de tanden knarste. - -„En gij, gij,” ging hij sissend voort, terwijl hij zich tot Ardjan -wendde. „Gij, die u vermeten hebt, dat meisje van boord te -ontvoeren....” - -„Zij is mijne bruid!” kreet deze. - -„Uwe bruid!... Alsof een zoo lief kind de prooi van zoo’n Javaanschen -hond zou kunnen zijn! Maar .... ge zijt gisteren avond van de Kiem Ping -Hin ontvlucht. Is er in de djoekoeng?...” - -Een walgelijk gemeene grijns van teleurgestelden wellust teekende zich -bij die half uitgesproken vraag op het flets gele gelaat van Lim Ho. - -„Bij Allah! neen!” riep de Javaan onstuimig uit. „Dalima is rein, als -de witte bloem, waarvan zij den naam draagt. [19] Daarenboven ik had in -die djoekoeng, bij den storm die heerschte, wel wat anders te doen dan -te minnekoozen.” - -„Dat is je geluk!” brulde Lim Ho. „Als je haar niet geëerbiedigd hadt, -dan was je den dood schuldig! Dan zou ik je met eigen hand gekrist -hebben! Nu zal ik je alleen maar straffen, omdat je ontvlucht bent. Ik -wil de geschiedenis met Dalima vergeten.... Maar,” ging hij met een -grijnslach voort, „je bent ontvlucht, om aan de strandbewakers kennis -van de oogmerken van de Kiem Ping Hin te geven....” - -„Dat’s onwaar!” riep Ardjan uit. - -„Je hebt dus verraad jegens de kongsie willen plegen.” ging Lim Ho -voort, zonder op de ontkenning van den Javaan acht te slaan. - -„Dat’s onwaar!” herhaalde de rampzalige in volle wanhoop. „Ik ben -ontvlucht, om Dalima te redden. Kris mij daarom; maar ik ben geen -verrader!” - -„Je hebt verraad tegen de kongsie willen plegen!” ging de Chinees -onverstoorbaar voort. „Je kent de „adat” (gebruiken) van onze -vereeniging, nietwaar? Je zult dezelfde tuchtiging als die twee daar -krijgen; daarna zal ik je aan boord van de Kiem Ping Hin laten brengen, -niet meer als djoeroemoedi, maar als slaaf, om op Poeloe Bali afgezet -te worden, waar je op straffe des doods als je zoudt willen -terugkeeren, blijven zult, zoo lang de kongsie dat goed zal vinden.” -[20] - -„Dood mij liever!” sprak de Javaan woest. „Ik heb geen verraad jegens -de kongsie gepleegd. Ik kan en wil in geen andere negorij leven, dan -waar Dalima woont!” - -Lim Ho’s gelaat teekende al den haat, die zijn ziel kon koesteren -jegens den medeminnaar, die de genegenheid van het lieve meisje bezat, -dat wist hij. Hij verwaardigde zich tot geen enkel antwoord; maar gaf -een teeken aan de roeiers, die de gevangenen voortduwden, en hen met -slagen en stompen den ingekorven boom, die tot trap diende, deden -afklimmen; maar waarbij de ongelukkigen, wier handen gebonden waren, en -zich dus niet grijpen konden, een voor een naar beneden ploften en -liggen bleven, tot dat zij weer overeind geholpen werden. - -Lim Ho en zijne medestaartgenooten schaterden bij die buiteling van de -pret, terwijl deze vroolijkheid als aanmoedigend opgenomen werd, en de -roeiers nog meer aanzette, om hunne hardhandige geestigheden op de -slachtoffers bot te vieren. - - - - - - - -III. - -HOEKOEM KAMADOOG.—DE FAMILIE VAN GULPENDAM. - - -Buiten was de natuur zeer weinig in overeenstemming met het tooneel, -dat de menschen op dat plekje daar voorbereidden. - -De stormwind, die des nachts geheerscht had, was gevallen en in eene -luwe bries overgegaan. Zacht ritselden de bladeren der kruinen van de -wortelboomen op het strand; met een harmonisch gemurmel kwamen de -golven, die als het ware aan de branding, welke de kust met een -zilveren franje omzoomde, ontsnapt waren, den oever lekken, daartegen -oploopen, om weer terug te ijlen, en het bevallig spel een oogenblik -later weer te hervatten. Van de strandhut werd tusschen de beide kapen -door, die de Moeara Tjatjing omzoomd hielden, een vergezicht op de -volle zee genoten, dat schilderachtig genoemd mocht worden. Onder de -schitterende stralen der zon, stak het levendige blauw der zee helder -af. De oppervlakte van den oceaan deinde nog, de baren liepen elkander -nog na, alsof zij elkander vervolgden; hier en daar tooide zich nog een -golf met eene kuif van verblindend wit schuim, maar de geesel van den -noordwesten wind ontbrak er aan. De toeschouwer begreep, dat wat hij -daar zag, het wegstervende op en neer gaan was van den boezem van -Amphitrite, nadat de hartstocht bekoeld was. En te midden van de -opening, door de beide kapen gevormd, werd, als in eene omlijsting van -groen gevat, de schoenerbrik Kiem Ping Hin zichtbaar, die daar op een -kanonschots-afstand van den wal voor anker lag, en op de aanrollende -deining bevallig op en neer bewoog, terwijl de Engelsche vlag aan haren -gaffel in sierlijke plooien wapperde. - -Voor de hut en voor het boschje Saoe-boomen, waarin zij verscholen lag, -stond een groep Niboeng-palmen met hare gladde stammen recht als een -kaars, met hare bevallige kruinen van gevinde bladeren, die daar boven -hoog in de lucht onder de zachte bries wuifden. Overigens sloot het -Rhisophoren-woud, met zijne duizende en duizende vertakte -wortelstammen, een dichten en voor het oog ondoordringbaren kring om de -hut, die slechts aan de zeezijde open was. - -Op een wenk van Lim Ho werden den gevangenen de kleederen van het lijf -gerukt, en werden de rampzaligen spiernaakt ieder aan den stam van een -dier palmen recht overeind, met het gelaat naar den boom gekeerd, -gebonden. De touwen, die gediend hadden om de handen en voeten van -Dalima te knevelen, werden nu gebezigd om de twee Chineezen aan den -boom te binden, die voor hen een ware folterpaal zou worden. - -Met angstigen blik keken de slachtoffers bij dat binden rond. Hun -ontsteld oog bespeurde evenwel nog niet, wat zij zochten en toch -vreesden te zien. Zij stonden daar bibberende, hoewel de stralen der -tropische zon hen op de ruggen brandden, met de handen hoog boven het -hoofd vastgemaakt, met een touwgordel om de lendenen en om de -kniegewrichten, die geen enkele beweging, dan met ontzettend lijden -gepaard, gedoogde. Die touwen toch waren van gemoetoe geslagen en -bijgevolg hard, ruw en stekelig. - -Plotseling stootte Than Khan een lichten kreet uit. Bij zijn angstig -rondkijken had hij een paar matrozen, ieder met een pak bladeren -gewapend, zien naderen. Hij wist dus, dat het folteruur gekomen was. - -Van die bladeren, die nog aan de heesterachtige takken zaten, en er -voor het oog breed hartvormig uitzagen, grove zaagtandige randen -bezaten, en wier beide oppervlakten zich wit donzig vertoonden, werden -met eenige voorzorg, die wel begrepen zal worden, een drietal bossen -gebonden. Toen die klaar waren, gaf Lim Ho een teeken. Daarop naderden -drie matrozen, die de ondertakken der bosjes met een lap of vod bekleed -hadden, de slachtoffers, en begonnen hen den rug, de lendenen, de -zitvlakken, de dijen en de kuiten met die bladeren te slaan. Het was -eigenlijk geen slaan, wat geschiedde; het was meer een wuiven, een -streelen, alsof het doel bestond lastige vliegen van die naakte -lichamen te verwijderen. Nu en dan werd een ietwat hardere tik -toegebracht, alsof een weerspannig insekt, dat de plaats niet wilde -verlaten, verjaagd moest worden. Het was een zeldzaam schouwspel, dat -daar vertoond werd. Het gelaat van de gevangenen teekende onmiskenbaren -angst, die voor den oningewijde, die dat tooneel had kunnen gadeslaan, -geen reden van bestaan had. Het was toch, alsof de handelende personen -zich slechts beijverden, de geknevelden met die bundels bladeren -frischheid toe te wuiven. Toch begonnen de slachtoffers reeds teekenen -van pijn te vertoonen. Waar de bladeren raakten, kromp het lichaam -pijnlijk weg. De ledematen begonnen te trillen, de spieren te werken en -te spannen. Het gekittel, het gestreel, afgewisseld met lichte slagen, -ging voort. De lijders krompen, wrongen, verdraaiden hunne lichamen al -meer en meer. Hunne spieren zwollen op tot bundels, die de armen, de -beenen, den rug en den hals akelig misvormden. De gelaatstrekken werden -verwrongen, de oogen puilden uit hunne kassen. Toch gingen de beulen -met hunne streeling voort. De ademhaling der ongelukkigen werd korter, -werd hijgend. Een zacht gekreun ontsnapte aan hunnen mond. Zij knarsten -op de tanden; zij trachtten de smart te verbijten, door hunne lippen -ten bloede te havenen. Niets, niets mocht baten! - -„Kassian, babah!” (heb medelijden, babah) was de kreet, die hunnen mond -ontvlood. - -Maar deze, wel verre van deernis met de gefolterden te hebben, gaf een -teeken aan de beulen, die toen van taktiek veranderden, en de streeling -door eene geregelde afranseling lieten volgen. Het regende toen slagen -op de lichamen der ongelukkigen; hunne huid weerklonk onder het -gekletter der bladeren, welke, minder gruwzaam dan de menschen, die hen -bezigden, begonnen te scheuren en hare stengels te verlaten. Toen die -slagen begonnen, was het geen gekreun meer, dat de gemartelden lieten -hooren; het was een gebrul, een gehuil, door de onduldbare smarten aan -hunne lippen ontwrongen; het was als het geluid van een wild dier, dat -doodelijk gekwetst, in een laatste geloei zijne wegstervende krachten -verzamelt. De ledematen der ongelukkigen wrongen niet meer, krompen -niet meer; neen, de ongelukkigen omgaven de boomstammen met hunne armen -en beenen als slangen, die er zich om wriemelden; zij drukten zich -tegen die stammen aan, alsof zij zich er indringen, in verbergen -wilden. Neen, de bladeren-marteling bracht geene verwonding, geene -kneuzing, zelfs geene blauwe plekken te weeg. Maar de huid was opgezet, -zag er rood en vurig uit, alsof zij geblakerd was. Daarenboven bij de -onmenschelijke inspanning, door de pijn veroorzaakt, drongen de -bindtouwen diep in het vleesch, schuurden en verscheurden de weefsels -onder de hevige bewegingen der lijders, en weldra vloot het bloed in -stralen langs de polsen en armen, langs de lendenen en dijen, langs de -beenen en voeten, en vormde roode plekken op den glibberigen bodem. - -Maar, wat was de smart door die touwen veroorzaakt, te vergelijken bij -de onduldbare pijn, door die duivelsbladeren teweeggebracht! - -Reeds waren de martelwerktuigen voor het grootste gedeelte ontbladerd. -Het waren nog maar takjes, hier en daar nog van een verscheurd blad -voorzien. De andere overblijfselen lagen verlept, verreten, vernietigd -rondom de drie lijders op den grond verspreid, en nog dacht Lim Ho er -niet aan om de foltering te doen ophouden. Het was, alsof hij zijne -slachtoffers onder de marteling wilde doen bezwijken. Hij liet een -oogenblik halt houden, niet uit deernis, o neen, maar om de lichamen -der ongelukkigen met water te doen besproeien, waardoor de reeds zoo -onuitstaanbare pijnen nog vermeerderd werden. De onmensch was op het -punt bevelen te geven om het slaan te hervatten, toen plotseling een -alarmkreet vernomen werd. - -„Orang oppas! orang oppas!” [21] klonk het. - -Met woesten spoed sprongen Lim Ho en ettelijken zijner accolyten op de -beide gemartelde Chineezen los, sneden de touwen door, die hen aan de -Niboeng-palmen gebonden hielden, en sleepten de halfbewustelooze -rampzaligen, die zich in duldelooze smarten kromden en kronkelden, -langs het pad voort, dat naar de aanlegplaats der sloep voerde. Een -paar andere volgelingen van Lim Ho wilden ook op Ardjan toetreden; maar -de angst sloeg hen om het hart, toen zij de aanmoedigingskreten van de -naderenden hoorden. Zij sloegen op de vlucht. Het was tijd ook, dat de -sloep bereikt werd; want nauwelijks hadden allen daarin plaats genomen, -en was het vaartuig afgestoken, of een viertal agenten geleid door -Dalima en gevolgd door een aantal dèsabewoners, verschenen al -schreeuwend en tierend in de nabijheid van de djaga monjet. - -„Allah!” kreet het jonge meisje, toen zij Ardjan bemerkte, die nog -altijd aan den boom gebonden was en van pijn kreunde, hoewel hij als -eene levenlooze massa aan de touwen hing, die hem omknelden. - -„Allah!” riep zij, terwijl zij op hem toetrad. „Wat hebben zij hem toch -gedaan?” - -Men omringde den ongelukkige; men sneed zijne banden door; men legde -hem op een matje, dat fluks uit het wachthuisje gehaald was. Maar de -rampzalige kon geen woord spreken. Hij brulde en raasde van de pijn en -wentelde over den grond met kronkelingen als een worm, die vertreden -was. - -„Allah!... Adoe!... Sakit, sakit!” (O God... o wee!... Pijn, pijn!) -kreet hij. - -„Sakit apa?” (Waar is de pijn? Wat scheelt je?) vroeg Dalima, die naast -hem gehurkt zat. - -„Sakit Kamadoog!” brulde de lijder tusschen twee smartkreten. - -„Sakit Kamadoog!” riepen de omstanders ontzet. - -En ja, daar raapte een der aanwezigen een der bossen geschonden -bladeren op, die tot foltertuig gediend hadden, en vertoonde aan de -menigte de vreeselijke brandnetel, die de meesten deed verbleeken. - -En inderdaad, de Kamadoog [22] is een vreeselijk gewas in den volsten -zin des woords, waarvan de lichtste aanraking reeds eene hevige -branderige jeuking doet ontstaan, en die als marteltuig gebezigd, den -lijder gedurende minstens zeven dagen ondragelijke pijnen en -verstijving der ledematen, gepaard aan hevige koortsen, doet -ondervinden. - -„Heeft ook iemand sirihkalk [23] bij zich?” vroeg Dalima smeekend. - -Enkelen der aanwezigen haalden hunne reeds gereed gemaakte -sirihpruimpjes, die zij bij zich droegen, voor den dag, ontvouwden het -sirihblad, waarin de pinangnoot [24], de kalk en de tabak besloten was, -waaruit eene lekkere pruim bestaat, gaven de kalk daarvan aan het -meisje over, dat zich haastte den lijder met het deegvormige alkali in -te smeeren. Maar, helaas! de oppervlakte van het lichaam van den -lijder, die in aanraking geweest was met de behaarde bladeren van de -vreeselijke netel, was zoo groot en de voorraad sirihkalk zoo klein, -dat zelfs het derde gedeelte der branderige plekken niet met het -beweerde pijnstillend middel behandeld kon worden. - -Het meisje was wanhopig. - -De lijder werd binnen het hutje gebracht, om van de brandende -zonnestralen bevrijd te zijn, die zoowel de pijnlijkheid der huid als -den koortsgloed, die hem naar het hoofd steeg, vermeerderden. Toen -snelden eenige lieden heen, om zoowel de noodige kalk als wat olie te -halen, die ook tot leniging der smart zoude dienen. Tegen den avond -hoopte men, dat de pijnen in zoo verre verminderd zouden zijn, dat de -lijder vervoerd zoude kunnen worden. - -Terwijl Ardjan zoo verzorgd werd, stevende de sloep van Lim Ho de djaga -monjet voorbij en de kleine baai uit. Wel riepen de politiedienaars de -opvarenden toe, terug te keeren en den wal aan te doen. Niemand stoorde -zich evenwel aan dat bevel, en er waren geen vuurwapens bij de hand om -die lastgeving klem bij te zetten en te doen uitvoeren. Het antwoord -was dan ook slechts een uitdagend geschreeuw. - -Lim Ho had bij het voorbijvaren der strandhut duidelijk Dalima herkend, -welke bij hare bedrijvigheid, om den gemartelden Javaan te helpen, heen -en weer, in en uit liep. Hij voelde eene onuitsprekelijke woede in zich -opwellen. Hij wilde naar den wal;.... maar voordat hij daartoe de -noodige bevelen had gegeven, kwam hij tot bezinning. Het zou toch als -krankzinnigenwerk moeten beschouwd worden, het meisje thans in de -gegeven omstandigheden te willen ontvoeren. Hoezeer hij ook op de macht -van zijn geld mocht kunnen rekenen, zoo in het licht der zon, zoo ten -aanschouwe van al die dèsabewoners zoude de omkooping der -politie-agenten niet doenlijk zijn. Hij balde in kwalijk verbeten woede -de vuist tegen den wal, maar weerhield het bevel. De sloep was weldra -buiten de Moeara Tjatjing, en zette koers op de Kiem Ping Hin, waarop -de matrozen de zeilen reeds los gooiden, om dadelijk te kunnen -vertrekken. - -Juist toen Lim Ho aan boord stapte, kwam de kapitein Awal Boep Said hem -melden, dat de rook van een stoomschip even boven den horizon te zien -was. - -„Zeer waarschijnlijk is het de Matamata, die hier de kustwacht -uitoefent,” zeide hij. - -„Die blanke domkoppen!” zeide Lim Ho met een smadelijken glimlach op de -lippen. „Bij nacht verkondigen hunne gekleurde lichten uren van te -voren hunne nadering. Bij dag jagen zij eene pikzwarte rookzuil naar -den hemel omhoog, die mijlen ver te zien is, en niemand onzer bedriegen -kan. Ik wed, dat zij ons nog niet bespeurd hebben, terwijl zij voor ons -niet onopgemerkt bleven.” - -„Dat ’s mogelijk, babah,” antwoordde de gezagvoerder; „maar wat zijn -uwe bevelen?” - -„Met het rijzen der zon is ook de westenwind aangewakkerd. Wel, -dadelijk onder zeil en koers naar het eiland Bali.” - -Een kwartier later boog de Kiem Ping Hin bevallig stuurboord over onder -den indruk van haar zeiltuig, en richtte den steven naar het oosten. -Toen de Matamata ter hoogte van de Moeara Tjatjing kwam, was het -smokkelvaartuig, een uitmuntend zeiler, de kim zeer nabij. Het -vertoonde zich nog maar als eene flauwe witte stip op het blauw des -hemels. Het lompe douane-vaartuig, dat bij de meest gunstige -gelegenheid slechts zes mijlen in de wacht liep, en het tot acht kon -brengen, wanneer de vuren flink opgepookt en de veiligheidskleppen -bezwaard werden, kon er niet aan denken een wedloop met den ranken -schoenerbrik te gaan houden, die met de bries, welke doorstond, -gemakkelijk elf mijlen aflegde. In minder dan een uur hadden de beide -vaartuigen dan ook elkander uit het gezicht verloren. - - - -Wat was er inmiddels met Dalima gebeurd, dat deze zoo van pas kwam, om -haren Ardjan van een gedwongen ballingschap te redden? - -Zoodra zij het touw, dat hare handen gebonden hield, doorgeknabbeld -had, wat haar met hare fraaie witte, maar scherpe tanden niet veel tijd -gekost had, had zij zich beijverd, de banden te ontknoopen, die hare -voeten omkneld hielden. Dat was ook snel geschied, en met een -verachtelijk gebaar wierp zij die touwen van zich en ijlde voort. Een -oogenblik bedacht zij zich, of zij niet eerst de djaga monjet zou -naderen. Misschien zou zij Ardjan te hulp kunnen komen. Maar, daar -hoorde zij de stemmen van de beide Chineezen, die het pad afkwamen om -haar te halen. Toen sloeg haar de schrik om het hart, en zonder te -bedenken, dat deze omstandigheid eene nadering der hut niet onmogelijk -maakte, repte zij zich voort. Zij zou naar hare meesteres wederkeeren, -zij zou die smeeken; ja, maar... zou die?... Dan zou zij zich tot den -resident wenden om hulp, en die zou hare bede niet afwijzen. Pijlsnel -als eene gejaagde hinde ijlde zij voort. Als echt natuurkind was zij in -dat woud niets ongerust. Daarenboven scheen zij den weg te kennen, en -ras was zij tusschen de ontelbare wortelstammen verdwenen. - -Toen zij het erf van de residentswoning langs den achterkant -binnentrad, was het zeer vroeg in den ochtend. Het heerenhuis naderbij -komende, bemerkte zij de dochter van den resident, die alleen in de -groote „pandoppo” [25] met een boek in de hand op een „krossi gojang” -(wipstoel) zat te wiegelen en geheel in hare lectuur verdiept was. -Zacht sloop Dalima de pandoppo binnen, hurkte met eene bevallige -beweging in de nabijheid van het blanke meisje op den vloer neder, -kruiste de beenen onder zich, of beter voor haar lichaam, en naderde nu -met zacht schuivende bewegingen, waarbij zij zich met de linkerhand -opgaf en met de andere zediglijk den „sarong” (onderkleed) in bedwang -hield, tot in de onmiddellijke nabijheid van den wipstoel, die nog -altijd onafgebroken op en neer ging. - -„Nana!” fluisterde zij met lispelende stem, alsof een zachte ademtocht -hare lippen ontvlood. - -Het aangesproken meisje, in hare lectuur gestoord, vloog bij het hooren -van haren naam verschrikt op. „Siapa ada?” (Wie is daar?) kreet zij met -een lichten gil. - -Het was een schoon kind van ongeveer achttien lentes, dat daar van -haren stoel opgerezen was, en zich in hare volle bevalligheid vertoonde -in de stralen der morgenzon, welke door de jaloezie-ramen binnendrong, -die zoo breed mogelijk opgeslagen waren, om de frissche ochtendlucht in -de pandoppo toegang te verleenen. Het was eene lieve, rijzige brunette -met een matblank voorhoofd onder de fraaie, weelderige en donkere -krullen; met prachtige bruine oogen, die met hunnen lieftalligen blik -van eene zachtmoedige geaardheid getuigden; met frissche ronde wangen, -waartusschen een allerliefst fijn besneden neusje zetelde, dat een -beeldhouwer tot eer zou verstrekt hebben; met allerbekoorlijkst fijn -gevormde lipjes, die aan eene pas ontloken roos deden denken, en -waaronder eene kleine afgeronde kin prijkte, die evenwel een kuiltje -vertoonde, dat door zijne sierlijkheid en zijn teeder rozenrood den -blik verlokte en de bewondering afdwong. De buste van het lieve kind -was zedig verborgen door eene lief gefestonneerde kabaja, die evenwel -zooveel schoons en zulke welgevulde vormen te raden gaf, dat de -bewering niet te stout zoude klinken, dat onder dat fijn baptist een -der meest volmaakte meesterstukken van de schepping verscholen was. Zoo -als zij daar stond, was een der slippen van de kabaja bij haar -verschrikt opvliegen opgeslagen, en vertoonde een smaakvol gebloemden -sarong, die evenwel de fraaie ronding der heup aan die zijde uitdagend -modelleerde, verder over het been afviel en een allerliefst blank -rooskleurig voetje schalks zichtbaar liet, dat met de teentjes even in -een geborduurd snoeperig slofje verscholen was. Hoewel het uiterlijk -van het schoone meisje schrik aanduidde, stond zij daar met hare zacht -blozende wangen, met haar vragend oog, met hare half geopende lippen, -met haren zwoegenden boezem, zoo bevallig, zoo idealistisch schoon, dat -zij een Makart gerust tot model had kunnen strekken. - -„Siapa, ada?” was haar verschrikte kreet geweest. - -„Saja, Nana,” fluisterde Dalima schier onhoorbaar. - -Het lieve blanke meisje, waarvan wij hierboven een zwak beeld trachtten -te ontwerpen, heette Anna. In de wandeling werd zij door de bedienden -met het gebruikelijke „nonna” (juffrouw) aangesproken. Baboe Dalima, -die, hetzij door hare jeugd, hetzij door hare lieftalligheid, een -schreefje voor had bij de dochter des huizes, ja haast een speelnoot -van haar was, noemde haar steeds Nonna Anna, dat eerst tot Nonanna, -eindelijk tot Nana ingekrompen was. De lezer ziet, dat die naam Nana -met de roman van Zola geen punt van overeenkomst heeft; ook niet met -het monster, dat te Cawnpore en te Lucknow in Engelsch Indië zoo’n -treurige vermaardheid kreeg. - -Op dat „saja Nana” bukte het jonge meisje aan hare voeten, en toen zij -daar Dalima gehurkt zag zitten, herstelde zij schier onmiddellijk van -haren schrik. Zij wilde het meisje opbeuren, dat evenwel in die houding -zitten bleef. - -„Gij, Dalima!” riep zij uit. „Waar zijt ge geweest? Waar komt gij van -daan? O, mama is zoo boos op u.” - -„Nana, ik ben ontvoerd geworden.” - -„Door wien?” - -„Door lieden van Lim Ho.” - -„Van Lim Ho?” riep Anna ontsteld uit. „Zijt gij in zijne macht -geweest?” - -„Ja.” - -„Den geheelen nacht?” - -„Neen; Allah heeft mij beschermd, en...” - -„Zoo, is die loopster terug?” viel haar eene stem in de rede, die de -meisjes schrikken deed. - -Het was Anna’s moeder, die de pandoppo binnengetreden was, zonder dat -de twee jonge meisjes haar hadden hooren naderen. Zij kwam uit de -badkamer, zoo als haar rijke zwarte haardos bewees, die in prachtige -golvingen zwierde, en de kabaja kletsnat gemaakt had, hoewel zij rug en -schouders met een fijnen badhanddoek beschermd had, dien zij nu onder -het achteroverbuigen van het hoofd van onder de lokken uittrok, en aan -eene „nènèh” (oude Javaansche vrouw), die haar met de badbenoodigdheden -onmiddellijk volgde, overreikte, met aanbeveling hem dadelijk te laten -drogen. - -Mevrouw Laurentia van Gulpendam, geboren Termolen, was eene statige -matrone, van ruim zeven lustra, wier uiterlijk nog zeer bevallig was en -niet te veel door het moederschap geleden had. Zij had maar een kind, -de lieve Anna, gebaard, dat zij nog, ten einde haren onberispelijken -boezem niet te schaden en hare schoonheidsmiddelen niet te zien -verwelken, aan de zorgen eener min toevertrouwd had. In weerwil van zoo -veel voorzorgen deed zich toch de invloed van den tijd gelden, en al -moest ook erkend worden, dat zij den jarenlast met eere torschte, zoo -waren toch een laagje „bedak” (stuifmeel van rijst) en nog andere -toiletgeheimmiddelen noodig, om hier en daar een onbescheiden rimpeltje -te „breeuwen”,—volgens de uitdrukking van haren echtgenoot, die altijd -veel met marinezaken had op gehad, en het eigenaardige taaleigen der -zeemanswereld bij alles, zoowel in zijne officiëele omgeving, als in de -huwelijkskoets te pas bracht,—of de teint wat te helpen, nog de -frischheid der jeugd te vertoonen. Hier en daar zou een enkele -zilverdraad in den rijken kastanjebruinen haardos even merkbaar worden; -wanneer nènèh Wong toewa zich niet haastte bij de ontdekking, dat -verraderlijke haar uit te trekken. De nog steeds fraai gevormde lippen -begonnen ook wat van hun inkarnaat te verliezen; ook de mondhoeken -volvoerden voor de ingewijden eene bijna nog onmerkbare nederhangende -beweging, die eene onaangename plooi dreigde te vormen; maar nènèh Wong -toewa had ook voor het mondtoilet eene zuurachtige vloeistof, welke -door eene soort van „semoet api” [26] geleverd werd, en als vinaigre de -toilette dienst deed, en voor de rimpels der mondhoeken een smeerseltje -uit vet van „tjitjaks” en „gekko’s,” [27] waarin in gesmolten toestand -ettelijke schorpioenen en duizendpooten den folterdood gestorven waren. -Nènèh Wong toewa had als ervaren „doekoen” [28] nog meer wondermiddelen -ter harer beschikking. Want betooverde de statige Laurentia nog steeds -haren gemaal door hare bekoorlijkheden; moest de buitenwereld erkennen, -dat zij nog steeds eene schoone vrouw genoemd moest worden; verwekten -haar middel, hare schouders, haar boezem, wanneer zij in gala gekleed -op eene dansreceptie verscheen, nog steeds afwijkende gedachten bij het -mannelijke, en ijverzuchtige opwellingen bij het vrouwelijke gedeelte -van het gezelschap, dan kwam nènèh Wong toewa daarvoor den eereprijs -toe, dien zij dan ook, achter een schutsel staande, ten volle genoot, -wanneer zij bij zoo’n gelegenheid hare „njonja” (mevrouw) bespieden en -opmerken kon, hoe gevierd en aangebeden deze werd. - -Laurentia Termolen was eene residentsdochter, en een zeer lieftallig -meisje, toen zij op nog zeer jeugdigen leeftijd—zij was toen nog geen -zeventien jaar oud—in het huwelijk trad met den heer Van Gulpendam, die -destijds controleur bij het binnenlandsch bestuur en de rechterhand van -haren vader, den resident, was. Zij was in Indië, maar uit volbloed -Europeesche ouders geboren, die haar voorzeker eene goede opvoeding -hadden gegeven, wanneer het ten koste leggen van groote sommen voor het -onderwijs in talen, in muziek, in dansen, enz. ja, het zenden van hun -kind voor een paar jaar naar Nederland, daarop aanspraak kunnen geven. -Onder gewone omstandigheden zou zij dan ook tot eene uitstekende vrouw -gevormd zijn. Die omstandigheden hadden evenwel ontbroken; omdat papa -en mama beiden uiterst heerschzuchtige wezens waren, die daarenboven, -of beter ten gevolge daarvan, eene hoofdhartstocht hadden, namelijk de -zucht tot grooten sier, tot groot vertoon. Maar dat kostte geld, veel -geld, zeer veel geld zelfs, en de middelen, die gebezigd werden, om dat -aardsche slijk machtig te worden, konden niet altijd den toets van -welbegrepen eerlijkheid doorstaan. Als kind had Laurentia gesprekken -opgevangen, later had zij dingen zien gebeuren, had zij kibbelarijen -bijgewoond, waarin verkwistingszucht en oneerlijkheidsbeginselen om den -voorrang twistten, en zoo was haar hart vergiftigd en zoo had zij -kiemen van verderf in zich opgenomen, die de grootste verwoestingen -zouden veroorzaken. Ware zij in Nederland in goede handen terecht -gekomen, dan zouden die vergiftigde kiemen verstikt zijn; maar met haar -was het als met zoo vele Indische kinderen gegaan. Men had haar -gebezigd als eene bron van financiëele inkomsten, die terdege -geëxploiteerd moest worden, en waar tegenover slechts een uiterlijk -vernisje van goede manieren, un jargon de bon ton moest aangebracht -worden. Van hartsontwikkeling, van inborst was geen sprake geweest. - -Van Gulpendam zou misschien, als hij er de man naar geweest was, er in -geslaagd zijn, om nog een keer in dat gemoed te weeg te brengen. Maar -deze, naar Indië gegaan om carrière te maken, en dan zoo spoedig, maar -vooral zoo rijk mogelijk, naar Nederland terug te keeren, was zelf van -geen allooi om anderen ten voorbeeld te strekken. Zijne leerschool bij -den resident Termolen daarenboven was niet geschikt geweest, om hem op -beteren weg te brengen. Daar had hij den stelregel: make money... but -make money als het ware ingezogen, en zijne verbintenis met de schoone -Laurentia had het hare bijgedragen, om dien nog dieper wortel te doen -schieten. - -Na haar huwelijk had zij haren echtgenoot moeten volgen, die er voor -zorgde steeds uiterst eenzame plaatsingen in de binnenlanden der -residentie van zijn schoonvader te erlangen. Zoo was hij controleur te -Brandowo geweest, daarna assistent-resident te Bandjar Oetara, plaatsen -waar nagenoeg geen Europeesch personeel aanwezig was, en waar dus -niemand de handelingen van het ambtenaarsgezin had kunnen gadeslaan. -Hoe hij daar dan ook in uiterst goede relatiën gestaan had, èn met den -regent van wege de cultuurprocenten [29], èn met den gedelegeerde van -den opiumpachter, die beiden noodig hadden, dat de oogen van de -Nederlandsche autoriteit niet te veel zagen; ook hoe zij geld uitleende -tegen twee percent ’s maands en zich niet ontzag kostbare zaken als -juweelen, poesaka-wapens [30] enz. in onderpand aan te nemen, was een -diep geheim gebleven, en had Van Gulpendam niet verhinderd tot resident -op te klimmen. Zijne jarenlange afzondering had ook geen gunstige -uitwerking op zijn karakter, ook niet op dat zijner eega gehad. Door de -gedurige aanraking met niemand anders dan ondergeschikten, die steeds -voor hen bogen, was vooral het humeur van Laurentia onverdragelijk -geworden. Zij was de heerschzuchtige vrouw verpersoonlijkt, en dat -karaktergebrek was zoo met haar uiterlijk samengeweven, dat zij, -wanneer zij zich in haar gevoel van eigenwaarde als residentsvrouw met -vorstelijk voorkomen bij officiëele gelegenheden aan het vulgus -vertoonde, voor een uitmuntend beeld van Juno, die meest trotsche van -alle godinnen, zou hebben kunnen dienen. - -Dat was Anna’s mama, die de pandoppo binnentrad en bij het zien van -baboe Dalima gramstorig uitriep: - -„Zoo, is die loopster terug? Zeg, „anak monjet,” (apenkind) waar ben je -geweest? Zeker, jij „larie” (op den loop gegaan) met je „toenangan” -(vrijer).” - -„Ampon, njonja,” (vergeving, mevrouw) kreet het Javaansche meisje, „ik -ben niet weggeloopen.” - -„Heb je sienjo Leo niet in den steek gelaten in den tuin?” - -„Ik werd ontvoerd.” - -„Door wien?” - -„Door vreemde Chineezen.” - -„Hoe heeft zich dat toegedragen?” - -Het meisje verhaalde de ontvoering door Ong Kwat, die de lezer reeds -vernam. Alleen dient hier nog bijgevoegd te worden, dat Sienjo Leo, een -kind van den broeder van den resident was, dat sedert geruimen tijd bij -de familie logeerde, daar de vader, sedert jaren weduwnaar, zich op -Billiton bevond. - -„En waarheen werdt je gebracht?” vroeg de njonja resident niet zonder -aandoening in hare stem, bij het zoo opwekkend verhaal van die -schaking. - -„Aan boord van een groot schip.” - -„Van wie was dat schip?” - -„Ik weet het niet. Ik was er evenwel niet lang, toen kwam Lim Ho”... - -„Lim Ho?” riep mevrouw van Gulpendam uit. „Lim Ho, de zoon van Lim Yang -Bing, den opiumpachter?” - -„Dezelfde,” antwoordde Dalima, die nog steeds aan de voeten van nonna -Anna gehurkt zat, bedeesd. - -Om den mond van de njonja speelde een vreemde glimlach, terwijl hare -oogen een bizonder vuur vertoonden. - -„Anna ga eens aan pa in de voorgalerij vragen, of hij geen kop koffie -verlangt, en bezorg die dan,” sprak zij tot hare dochter. - -Toen het jonge meisje, dat den wenk begreep, verdwenen was, vroeg -Laurentia haastig en met hijgenden boezem: - -„En?”.... - -O, Dalima begreep dien blik zeer goed, hoe onervaren zij ook nog in de -wereld was. Zij begreep ook, waarom de nonna heengezonden was. - -„Lim Ho ging opium schuiven,” antwoordde zij kalm. - -„Dat kan ik begrijpen,” [31] fluisterde de njonja meer dan zij sprak, -terwijl zij een doordringenden blik op het meisje vestigde. „Dat kan ik -begrijpen, alvorens....” - -Het is niet mogelijk een denkbeeld te geven van het gelaat van mevrouw -van Gulpendam bij het laten glippen van dat woord „alvorens”. Die wild -glinsterende oogen, die vooruitdringende, licht trillende onderkaak, -die half geopende lippen, welke de hijgende ademhaling sissend doorgang -verleenden, daarbij die zwoegende boezem onder de dunne en half natte -kabaja, dat alles getuigde van hartstochten, die ongetemd loeiden. Op -dat gelaat was alles te lezen, zelfs het leedwezen, dat Van Gulpendam -zich niet aan het opiumschuiven overgaf. - -„En,.... wat gebeurde verder?” vroeg zij, na het meisje een poos -aangestaard te hebben. - -„Niets,” was het rustige antwoord. - -„Niets!.... Je liegt, anak s...... [32] Lim Ho zou je aan boord van een -vaartuig gelokt hebben, om....” - -„Alvorens hij met opiumschuiven klaar was, werd ik gered,” viel het -meisje snel in. - -„Gered!... Gered!... Door wien?” - -„Door Ardjan!” - -„Door Ardjan!??? Door Ardjan!... O, jou slecht schepsel!” kreet de -njonja. „Nu begrijp ik alles! Je hebt sienjo Leo in den steek gelaten, -om een slippertje te maken met jou Ardjan, en nu wil je je achter Lim -Ho verschuilen!... Wacht, ik zal jou!... Gulpendam!... -Gulpendaaam!!...” - -Hare stem weerklonk, terwijl zij haren echtgenoot riep, zoo scherp en -schril door de pandoppo, dat een paar bedienden kwamen aangevlogen, in -den waan dat er onraad was. - -„Pangil toean besar!” (roep den grooten heer) klonk het bevel. - -„Ampon, njonja, ampooon!” (vergeving, mevrouw vergeving), kreet het -meisje op langgerekten toon. - -„Neen, geen vergeving voor zoo’n slecht schepsel als jij!” - - - - - - - -IV. - -DE DRADEN VERWIKKELEN. - - -De heer Van Gulpendam kwam aangevlogen. Als de schoone Laurentia riep, -dan, hoewel hij de Kandjeng toean residèn (de hoogmogende heer -resident) was, mocht hij de vlugheid in persoon geheeten worden. De -booze wereld fluisterde, dat hij het niet mocht wagen, minder rap te -zijn. - -Ook hij was nog op voet van vrede, dat wil zeggen: in slaapbroek en -kabaja gekleed, en was juist bezig, in de voorgalerij van het prachtige -residentiehuis gezeten, zijn kop koffie te slurpen en een sigaar te -rooken, toen de stem van zijne vrouw door de geheele woning weerklonk. - -„Gulpendam!.... Gulpendaaam!” - -Bij het langgerekte van die laatste lettergreep vloog hij van zijn -wipstoel met zoo’n vaart op, dat die wiegelmachine, onder den druk, -daarbij ontvangen, vier voeten achteruit vloog. - -„Oppas!.... Pajoeng!.... lakas!” (oppasser!.... de zonnescherm!.... -Gauw!) - -Behalve het gebruiken van zeemanstermen had de man nog een zwak, -namelijk steeds den pajoeng, dat emblema van gezag in het Oosten, in -zijne nabijheid te willen hebben. In de voorgalerij stonden steeds een -viertal van die zonneschermen in eene stelling naast den stoel, waarop -de resident placht te zitten. In het kantoor stond er een vlak naast -den schrijflessenaar van den hoofdambtenaar. In de residentelijke -slaapkamer stond een ander recht zichtbaar naast het hoofdeneind van de -echtelijke bedkoets. Er mochten eens dieven des nachts komen, die -zouden vol ontzag voor het prestige van den pajoeng terugdeinzen! De -heerschzuchtige Laurentia was voor die machtspreuk gezwicht en had het -teeken des gezags van haren echtgenoot in haren troonzaal geduld. Maar -zij had er met hand en tand aan vastgehouden, dat geen pajoeng in de -pandoppo, waar zij als huisvrouw uitsluitend de macht in handen wilde -hebben, verscheen. Wilde de resident eene wandeling maken, dan klonk -het onveranderlijk: „Oppas!.... Pajoeng!” en dan volgden de -zonnescherm, met den sigarenkoker en de „tali api” [33] (brandende -lont) gedwee achter aan. Soms droeg de oppasser ook, wanneer de hooge -wandelaar zijn voorhoofd door het frissche windje wilde laten afkoelen, -de residentspet met breeden galon, eerbiedig in de hand, zooals een -roomsch priester het sacrament zou gedragen hebben. - -Toen Van Gulpendam in de pandoppo verscheen, klonk hem vrij barsch in -het oor: - -„Wat moet die pajoeng hier? Gij weet, dat ik dat ding niet zien wil -hier!” - -En tot den oppasser klonk nog barscher: - -„Moendoer! lari! lakas!” (Achteruit! weg! gauw!) - -Een wenk van den resident aan zijnen onafscheidelijken oppasser deed -dezen verdwijnen. - -„Hier; Dalima is terug,” begon mevrouw. „Raad eens, waar dat slechte -schepsel geweest is.” - -„Hoe kan ik dat raden? Zij zal in de dèsa haar anker hebben laten -vallen.” - -„In de dèsa!.... Het mocht wat!.... Zij is met haren Ardjan er van door -geweest!” - -„Ampooon, njonjaaa!” kreet het arme meisje, dat genoeg Hollandsch -verstond, om geen woord te verliezen. - -„En nu heeft ze een geheelen roman te vertellen,” ging mevrouw in een’ -adem voort. „Ze zou door Lim Ho ontvoerd zijn; en zij zou den nacht aan -boord van een schip doorgebracht hebben! Denk eens aan!” - -Bij den naam van Lim Ho, en bij het gewagen van een schip, spitste de -resident de ooren. Hij had toch rapport van den gezagvoerder van de -Matamata ontvangen, dat de Kiem Ping Hin op de kust gezien was. Die -schoenerbrik was het eigendom van den opiumpachter, die aan het hoofd -stond der smokkelaars van het heulsap. [34] - -„Welk schip?” vroeg hij met eenige drift. - -„Weet ik het?” was het antwoord van mevrouw. „Vraag het die slechte -meid.” - -„Ampooon, njonjaa!” kreet Dalima, die steeds op den grond gehurkt zat. -„Ampooon, njaa!” - -„Kom, vertel, wat er gebeurd is, Dalima,” vroeg de resident op goedigen -toon. - -„Allah, toean!” (O, God, mijnheer). „Zij hebben Ardjan gevangen -genomen! Kassian!” (heb medelijden). - -„Ardjan gevangen genomen?.... Maar, wie....?” - -„Babah Than Khan en babah Liem King,” antwoordde het meisje weenend. - -„Een paar handlangers van den pachter,” prevelde Van Gulpendam -binnensmonds en overluid. „Waar werd hij gevangen genomen?” - -„Bij de Moeara Tjatjing toean!” - -„Hoe kwam hij daar?” - -„Hij was met mij ontvlucht!”... - -„Hoort ge wel?” gilde mevrouw. - -„Van het schip,” vulde Dalima snikkend aan. - -„Van het schip!... van het schip!” kreet Laurentia. „Ontvlucht van hier -uit het huis! Dat zal meer de waarheid zijn!” - -„Laat haar toch van wal steken, anders bezeilen wij nooit geen land”, -bromde de resident. En zich tot het meisje wendende. „Vertel nu eerst, -hoe ge aan boord van dat schip gekomen zijt.” - -Dalima, steeds met gekruiste beenen op den vloer zittende, verhaalde -thans hare lotgevallen, van af dat ze uit den tuin der residentswoning -ontvoerd werd, totdat ze, na de touwen doorgebeten en zich zelve -bevrijd te hebben, ontvlucht was. Reeds bij het begin van dat verhaal -was nonna Anna de pandoppo weer binnengetreden en had daarvan alles -aangehoord. - -„Ardjan is dus daar aan de Moeara Tjatjing achtergebleven?” vroeg de -resident. - -„Hij was gebonden, toen hem de twee Chineezen aan een „pikolan” -(draagstok) wegdroegen. Ver hebben zij hem evenwel niet gebracht; want -ik had ternauwernood mijne voeten ontslagen van de touwen, die mij -bonden, toen ik het licht hunner lantaarn tusschen de bladeren zag -schitteren, en ik hunne stemmen hoorde naderen. Ware het dag geweest, -dan zouden zij mij hebben moeten zien vluchten. Waarschijnlijk zou ik -dan niet ontkomen zijn.” - -„Zou Ardjan daar nog zijn?” vroeg de resident met nadruk. - -„Dat weet ik niet, toean. Ik hoorde hen zeggen, dat zij eerst hem en -daarna mij naar de djaga monjet wilden brengen.” - -„Naar de djaga monjet?... Oppas!... Oppas!...” riep Van Gulpendam. - -„Ik zou den pajoeng maar weglaten!” sprak zijne echtgenoote vrij -schamper. - -„Oppas,” beval de resident, zonder op die liefelijke aanmerking te -letten, aan den binnengetreden dienaar: „Oppas, ga onmiddellijk met een -paar van uwe makkers naar de Moeara Tjatjing. Roep volk van de naburige -dèsa op. Neem dan genoegzaam lieden tot assistentie mede, en tracht den -Javaan Ardjan te arresteeren. Hier, baboe Dalima zal u tot gids -verstrekken.” - -„Gelooft ge dus het verhaal van die deern?” vroeg zijne vrouw. - -„Niet geheel en al. Ik heb er evenwel belang bij, die zaak tot -helderheid te brengen.” - -En zich tot den oppasser wendende: - -„Voldoe stipt aan het bevel, en breng mij zoo spoedig mogelijk rapport. -En nu ga, neem Dalima mede.” - -Toen de oppasser met het Javaansche meisje vertrokken was, fluisterde -hij tot zijne vrouw: - -„In die geheele zaak ligt een opium-schandaal, weest er verzekerd van. -Waar Lim Ho in betrokken is, kan niet anders dan eene zaak zijn, die -het licht niet mag zien. En is mijne peiling juist.... dan zal de rijke -pipa moeten over de brug komen.” - -Bij die laatste woorden maakte de resident met den duim en voorsten -vinger der rechterhand eene beweging, die geldafschuiven moest -beteekenen. Mevrouw Van Gulpendam trachtte dat gebaar, door met een -blik op hare dochter Anna te wijzen, te stuiten. - -„Kom, kom,” sprak de heer gemaal ietwat hoonend, „zij is geen kind -meer. Op haren leeftijd hadt gij bij uwe ouders al veel meer gezien. -Langzamerhand zal zij ook moeten leeren begrijpen, van waar het geld -komt, dat het huishouden kost. Niet waar Anna?” ging hij voort, terwijl -hij het meisje onder de kin streelde. „Als ge later getrouwd zult zijn, -zult ge ook wel gaarne in eene fraaie woning gehuisvest zijn, zult ge -ook gaarne veel juweelen, de prachtigste japonnen, de elegantste -rijtuigen, de fraaiste en de vurigste paarden hebben?” - -„Wie zou dàt niet?” antwoordde het lieve kind met een bekoorlijken -glimlach... „hoewel”... ging zij aarzelend voort, „ik aan juweelen en -prachtige japonnen niet bizonder hecht...” - -„Jawel, jawel,” zei de resident lachend. „We kennen dat. Op dien -leeftijd denken alle meisjes: most adorned, when unadorned. Dat -verandert evenwel later, en dan begrijpen alle vrouwen, dat het een -levenskwestie is, zich zoo schoon mogelijk te maken... En nu Anna, ga -eens kijken of mijn ontbijt in de voorgalerij gereed gezet is. Zorg -voor kalkoeneitjes. De heer Van Nes, mijn secretaris, zal ze komen -keuren. Zorg voor de eer van de kombuis.” - -Toen het meisje weg was, ging hij voort tot Laurentia: - -„Over een paar dagen moet ik onzen beer aan John Pryce te Batavia -betalen. Dat zijn 20.000 gulden, waarvan ik het eerste duizendtal niet -eens bij elkander heb. Is mijn bestek omtrent die zaak van Lim Ho goed, -och, dan zeilt die duitenkwestie koers; ja dan zal nog wel wat meer -gelogd worden, en een sommetje overschieten. En dat kan te pas komen, -nietwaar?” - -„Maar, dat wegloopen van Dalima?....” - -„Niet te vlug van stapel! Is het anker te water gegaan, zoo als zij -verhaald heeft, dan.... Ja dan vrees ik, dat Lim Ho achter het net -gevischt heeft. Maar.... dat zal hem nog meer zeil doen bijzetten.... -En goed beschouwd, als wij het roer onwrikbaar houden, dan zal ons die -zaak geen labberkoeltje zijn; want zoo’n Chinees heeft voor het -bevredigen zijner hartstochten veel, zeer veel over. Laat mij nu het -zeil naar den wind brassen, en zorgt gij alleen, dat gij mij de loef -niet afsteekt.” - - - -Het was zoo heel vroeg niet meer,—ongeveer half acht des avonds,—toen -de uitgezonden oppasser den resident rapporteeren kwam, dat hij Ardjan -op aanwijzing van Dalima gevonden had. - -Toen de heer Van Gulpendam die mededeeling ontving, was hij pas van het -diner opgestaan, en zat met ega en dochter in de voorgalerij der -prachtige residents-woning de vrienden en bekenden af te wachten, die -den na-avond van dien dag in den gezelligen kring van de gastvrije -familie wenschten door te brengen. Ja, in den gezelligen kring van die -gastvrije familie! Want in weerwil van de gebreken, welke de -echtelieden aankleefden, verdienden zij die euphemistische waardeering -ten volle. De zucht tot schitteren droeg, wel is waar, het hare daartoe -bij, maar werd door le bon ton van mevrouw en mijnheer zoodanig -getemperd, dat de gezelligheid eer bevorderd dan benadeeld werd. - -Iedereen had evenwel op zulke avonden geen toegang tot het -residentie-huis. Neen, de algemeene receptiën hadden slechts eenmaal -des weeks en wel op Woensdag plaats. Dan werden de kleine ambtenaren, -de subalterne officieren, de leden van den handelsstand, de planters, -de vreemden, de onverschilligen in één woord, ontvangen. Dan troonde de -resident, in zijn rok van lichtblauw laken met zilveren knoopen, en wit -cachemiren pantalon gekleed, in al den luister, dien een residentelijk -ambt aan een sterveling verleenen kan. Dan was de schoone Laurentia met -al hare juweelen getooid, aan eene schitterende pauw gelijk. Maar, dan -was ook tusschen de zuilen van die woning geen zweem van gezelligheid -te vinden. Dan waren trotschheid, verwaandheid, laatdunkenheid en -hooghartigheid aan den eenen kant, en deemoed en gedweeheid, soms -vermengd met nauwelijks bedwongen spotzucht, aan den anderen, schering -en inslag van het samenzijn. - -Neen, de gewone avonden waren voor de intimes of voor de -hooggeplaatsten, die door hunne traktementen of inkomsten den -residents-troon nabij kwamen. Dan verschenen de Afdeelings-Kommandant, -die minstens kolonel was, de President van den raad van Justitie, de -Chef van den geneeskundigen dienst, de Voorzitter van den landraad, de -Secretaris der residentie, de Vertegenwoordiger der Kompanie ketjiel -(Handelmaatschappij), enz. Die kwamen dan zonder omstand, zonder -bizondere plichtplegingen, koutten een oogenblik met mevrouw en met de -lieve Anna, behandelden dan de nieuwtjes van den dag, waarna zij aan de -speeltafeltjes plaats namen, om een ombertje te leggen. Gewoonlijk -maakte mevrouw Van Gulpendam haar partijtje dan mede, en was in den -regel niet de minst gelukkige, vooral wanneer in den naävond een -fijntje tegen een gulden het fischje met een pot gespeeld werd. Het -jonge meisje maakte dan van die speelzucht gebruik om, wanneer voor de -behoorlijke bediening der spelenden gezorgd was, naar binnen te -sluipen, aan de piano in de binnengalerij plaats te nemen, en daar het -hartje op te halen aan de melodieën van Chopin, van Beethoven, van -Mozart en van zooveel andere virtuozen, wier meesterstukken door het -lieve kind met eene ware geestverrukking beoefend werden. - -Zoo zou het heden avond ook geschieden, hoewel aan het pianospel een -andere dienst zou opgedragen worden. - -Toen toch de oppasser den resident het wedervaren van Ardjan tot in de -kleinste bizonderheden medegedeeld had, ook dat hij den Javaan, die in -ijlende koorts verkeerde, naar het hospitaal ter behandeling gebracht -had, helderde het gelaat van den hoofd-ambtenaar op. - -„Te drommel,” prevelde hij tusschen de tanden. „Die gekheid met die -duivelsnetels kan den pipa van Lim Ho duur te staan komen.” - -Met de meeste aandacht volgde mevrouw Van Gulpendam van verre de -aandoeningen, die zich op het gelaat van haren echtgenoot weerkaatsten. -Wat evenwel de goede luim van den resident ten top voerde, was dat de -oppasser rapporteerde, dat zijne lieden, geholpen door het dèsavolk, -eenige vaatjes en eenige blikken gevonden hadden, die onder dik -struikgewas ingegraven waren, en waarschijnlijk opium bevatten. - -„Wie hebben die vaatjes en blikken gevonden?” vroeg de resident. - -„Wij allen, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser, die voor zijn heer -met gekruiste knieën zat. - -„Ook het dèsavolk?” - -„Engèh (ja) Kandjeng toean.” - -Dat antwoord stond den resident niet erg aan, dat was op zijn gelaat -genoeg leesbaar. - -„En waar hebt ge die vondst gelaten? Hebt ge haar hierheen -meegebracht?” vroeg hij verder. - -„Ampon, (vergeving) Kandjeng toean! Ik heb die vaatjes en die blikken -bij den assistent-resident van politie afgegeven.” - -„Ezel!” bromde de resident tusschen de tanden. - -„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser, die het epitheton niet -begreep. - -Het woord „engèh” ligt den Javaan in den mond bestorven, wanneer hij -tot een Europeaan spreek. Het is het antwoord, wat hij ook geeft, -wanneer hij het hem toegevoegde niet begrijpt. Het moet niet zoozeer -opgenomen worden als de uitdrukking van eigen meening, als wel als een -beleefd toegeven aan de meening van de boven hem gestelden. Van -Gulpendam kende het Javaansche karakter te goed, om over het antwoord -verbaasd te zijn. - -„Ga naar den assistent-resident,” zei hij, en „zeg, dat ik hem verzoek -dadelijk bij mij te komen.” - -De oppasser schoof op zijn zitvlak eenige passen achteruit, stond toen -op, en ijlde heen om den ontvangen last te volvoeren. Nauwelijks was -hij weg, of een paar der verwachte gasten kwamen opdagen. Een oogenblik -later was, na de gewone begroetingen, en plichtplegingen, het gesprek -algemeen. - -Anna maakte van die gelegenheid gebruik, om naar achteren te gaan. -Dalima was terug, en zij was nieuwsgierig, hoe het met Ardjan was -afgeloopen. Zij had wel eenige woorden van haren vader met den oppasser -opgevangen; maar het rechte was haar toch ontsnapt. - -Toen zij achter in de pandoppo kwam, vond zij het lieve Javaansche -meisje daar gehurkt zitten, terwijl haar de tranen langs de wangen -stroomden. - -„Wat is er gebeurd, Dalima?” vroeg Anna. „Kom vertel mij.” - -„O Nana!... zij hebben mijn Ardjan zoo mishandeld!” - -En daarop verhaalde het meisje in welken deerniswaardigen toestand zij -den Javaan teruggevonden had. - -„O, had ik maar eerder kunnen aankomen!” kreet zij. - -„Maar, wie heeft hem zoo mishandeld?” vroeg Anna. - -„Lim Ho,” antwoordde Dalima. - -„Lim Ho? Hoe kwam die daar?” - -„Dat weet ik niet; maar ik heb hem goed herkend, toen hij voorbij de -djaga monjet de Moeara Tjatjing uitvoer.” - -„Kunt ge u niet vergist hebben, Dalima?” - -„Neen, Nana; ik zag hem de vuist ballen, toen hij voorbij voer. Ik ben -zeker, dat hij teruggekeerd zou zijn, als hij maar gedurfd had. Ook -sprak Ardjan eenige woorden, die mij zekerheid verschaften.” - -„Maar, waarom heeft hij Ardjan zoo met de Kamadoog mishandeld?” - -„Weet ik het? Waarschijnlijk omdat hij mijn verloofde is; misschien -ook, omdat hij mij van de Kiem Ping Hin, ontvoerd en gered heeft. O, -Nana, de arme Ardjan is waanzinnig. Hij spreekt slechts wartaal.” - -„En waar is Ardjan nu?” - -„In het hospitaal, waar de oppassers hem gebracht hebben, nadat zij bij -den assistent-resident van politie geweest zijn.” - -„Bij den assistent-resident? Wat moesten zij daar doen?” - -„Daar hebben zij eenige vaatjes en ettelijke blikken met opium -afgegeven,” antwoordde Dalima. - -„Opium?” vroeg Anna verschrikt. „Waar hebben ze die gevonden?” - -„In de nabijheid der hut, waar Ardjan gemarteld werd.” - -„In de nabijheid der .... Dus te gelijk met hem gevonden?” - -„Ja, Na!” - -Het blanke meisje dacht een oogenblik na. - -„Als dat maar niet noodlottig voor Ardjan zal zijn!” prevelde zij -binnen’smonds. - -En na een oogenblik het stilzwijgen bewaard te hebben, als om hare -gedachten te verzamelen, vroeg zij: - -„Waart ge alleen met Ardjan, toen gij met de djoekoeng het schip -verliet?” - -„Ja, Nana!” - -„Was niets in die djoekoeng? Herinner je goed.” - -„Neen, niets! Wat zou er in hebben kunnen zijn? Wij hebben ons langs -eene „tali” (touw) er in laten zakken, terwijl de storm bulderde, en -waren blij van het schip zoo spoedig mogelijk verwijderd te geraken.” - -Nonna Anna dacht nog een oogenblik na. Daarna sprong zij op, liep naar -hare kamer, die in de binnengalerij uitkwam, en was in een oogwenk weer -terug met hare schrijfcassette in de hand. Zij zette zich neder bij een -der lampen, die de pandoppo verlichtten, en schreef ijverig een -briefje. Toen dat klaar was, zei ze tot de baboe: - -„Gij wilt het welzijn van Ardjan, nietwaar, Dalima?” - -„Zeker, Nana!” - -„Breng dan dat briefje bij den heer Van Nerekool, ge weet wel?....” - -„Ja, die in Gang Aboe, dicht bij de Roomsche kerk woont. Maar, dat is -zoo ver. En het is reeds zoo laat.” - -„Zeg dat Sodikromo, de tuinjongen met je meegaat. Neem een „sâdos” -(dos-à-dos), dan is de boodschap spoedig volbracht. Spoedig, haast je!” - -Een oogenblik later waren Dalima en Sodikromo in zoo een voertuig, om -de boodschap der nonna uit te voeren. - -Middelerwijl hadden mevrouw en de resident Van Gulpendam hunne gasten, -die reeds aangekomen waren, met al de beleefdheid en minzaamheid, die -zij ontwikkelen konden, ontvangen. - -„Wel, dat is lief van u, kolonel, dat gij heden avond ons partijtje -getrouw blijft,” sprak de schoone Laurentia tot een der nieuw -aangekomenen, die hoewel niet in uniform gekleed, toch door zijne -houding, maar wel het allermeest door zijn borstelig geknipt wit -hoofdhaar en zijnen stekeligen grauwen knevel, den militair verried. - -„Wel, mevrouw, waarom zou ik ons partijtje heden avond niet getrouw -gebleven zijn?” was de vraag van den hoofdofficier. - -„Van Gulpendam heeft mij verteld, dat er weer nare tijdingen van Atjeh -zijn, en dat vele troepen uit deze militaire afdeeling derwaarts moeten -vertrekken. Nu dacht ik, dat bezigheden u soms zouden verhinderd -hebben, om...” - -„Om mijn ombertje te leggen? Toch niet, mevrouw. Er zou al heel veel -moeten gebeuren, dat mij er toe brengen zou, zoo’n lief gezelschap te -leur te stellen. Neen, ik heb mijne bevelen gegeven, en voor de rest -zorgt mijn chef van den staf.” - -„En gij, overste,” wendde mevrouw zich tot een ander harer gasten. -„Hadt gij het heden niet druk met die nare tijdingen. Er zal ook wel -weer eene belangrijke ambulance meê moeten, nietwaar? Ik heb ten minste -als gedelegeerde van het Roode Kruis van het Centraal Comité te Batavia -in dien zin eene mededeeling ontvangen.” - -„Och, neen, mevrouw, over drukte heb ik niet te klagen,” antwoordde -deze, die chef van den geneeskundigen dienst te Santjoemeh was. „De -voorzieningen voor de versterking naar Atjeh zijn allen getroffen, en -heb ik daaraan mijne aandacht niet meer te wijden. Toch is het gevaar -groot geweest, dat ik heden avond geen deel aan ons partijtje had -kunnen nemen.” - -„Ei zoo! Toch geen gevaarlijke zieke onder onze kennissen?” vroeg -mevrouw Van Gulpendam deelnemend. - -„Gelukkig, neen. Maar, terwijl ik aan het dineeren was, kwam mij de -geneesheer van de wacht uit het hospitaal verwittigen, dat er een -Inlander door politie-agenten binnen gebracht was, die -ziekteverschijnselen vertoonde, welke hem uiterst vreemd voorkwamen, en -waaromtrent zijne diagnostika hem in den steek liet.” - -„Zijne... Wat liet hem in den steek?” vroeg mevrouw Van Gulpendam. - -„Zijne diagnostika, mevrouw. Vergeef mij dat barbaarsche woord,” -antwoordde de overste. „Maar dat is de leer van de herkenning der -ziekten. Daar de lijder in het oog van den jeugdigen arts in extremis -was, bleef mij niets anders over, dan met hem naar het hospitaal te -gaan. Gij weet de toewijding van een geneesheer moet die eens priesters -zijn.” - -„Jawel, jawel; maar ga voort.” - -„Ik kwam bij den lijder. En raadt eens wat het was? O, die jeugdige -artsen van de hedendaagsche school! Die man had den mond vol van -absente diaeresis; van aanwezige efflorescentia en formicatie, gepaard -aan hemiantropie; maar zag niet, dat hij met eene eenvoudige maar toch -flink toegepaste urticatie te doen had.” - -„Met eene flink toegepaste wat?” vroeg de residentsvrouw. - -„Urticatie, mevrouw, of zooals dat hier genoemd wordt: met eene flink -toegepaste geeseling met karbouwbladeren.” - -„Met karbouwbladeren?” vroeg de resident, die bij dat woord aandachtig -werd. „Die worden immers in het Javaansch Kamadoog geheeten?” - -„Juist, resident.” - -„Nu, overste. Laat vieren je verhaal. Loop van stapel alsjeblieft. Een -tienmijls vaart!” - -„Wel. Die oolijke arts had mij wel kunnen thuis laten. Er viel niets -anders te doen, dan wat de Javanen reeds voor den lijder gedaan hadden, -namelijk de pijnlijkste plekken met sirihkalk in te smeeren, en de -overige met versche klapperolie. De man lag in een hevige ijlende -koorts; maar daarvoor had ik niet moeten geroepen zijn. Daarvoor heeft -die arts zijne antifebrilia en zijne antidinika.” - -„Hoelang duren de gevolgen van zoo’n urticatie, zoo als gij dat noemt, -overste?” vroeg de resident. - -„Ja, dat’s ongelijk, dat hangt er van af, hoelang de geeseling geduurd -heeft. Het onderhavige sujet heeft er duchtig van langs gehad. Ik denk, -dat de ijlende koorts nog wel twee maal vier en twintig uren zal duren. -Daarna zal zij afnemen. Maar, het zal wel veertien dagen duren, -alvorens die man weer op de been zal zijn.” - -„Drommels, zoo lang?” vroeg Van Gulpendam. - -„Ja, en dat nog wel in het gunstigste geval, resident.” - -„En blijven geen nadeelige gevolgen later over?” - -„Als de lijder de koorts goed doorstaat, neen.” - -„Ook geen litteekenen, geen huidverkleuring?” - -„Neen, resident.” - -„Zoodat later na genezing, de mishandeling niet te constateeren is?” - -„Neen, volstrekt niet.... Maar, resident, die vragen.... Stelt gij -belang in den lijder?” - -„Neen, hoe zou ik dat kunnen? Ik ken hem niet eens. Ik weet van het -geval niet eens af; maar ik heb wel eens van die eigenaardige Hoekoem -Kamadoog gehoord en was begeerig iets van hare gevolgen te vernemen.” - -Andere gasten verschenen, waardoor dat gesprek afgebroken werd. Na de -gewone plichtplegingen werd vier en vier plaats aan de speeltafeltjes -genomen, terwijl de lieve Anna zich met de thee onledig hield. Maar nog -waren de omberpartijtjes niet begonnen, toen de assistent-resident van -politie verscheen. Na zijne eerbiedige hulde aan de dames des huizes -gebracht, en met de aanwezigen een handdruk gewisseld te hebben, sprak -hij tot den huisheer: - -„Vergeef mij, resident, dat ik u stoor; maar ik kreeg de boodschap -dadelijk bij u te komen.” - -„Juist, mijnheer Meidema,” antwoordde de heer Van Gulpendam opstaande, -en tot zijne partners: „Heeren,” zei hij, „gij zult een oogenblik met u -drieën moeten spelen.... Kom, Meidema.” - -De twee ambtenaren traden een zijvertrek in van de binnengalerij. - -„Mijnheer Meidema,” begon de resident dadelijk, nadat hij de deur van -het vertrek zorgvuldig gesloten had. „Er is heden eene belangrijke -opium-aanhaling gedaan, nietwaar?” - -„Ja, resident. Er zijn bij mij afgegeven drie botervaatjes en vijftien -blikken. In de botervaatjes is de opium verpakt evenals boter, d. w. z. -er is een vaatje van tien kilo in een ander geplaatst, en met grof zout -omgeven. De blikken bevatten ieder vijf kilo ongeveer. Zoodat de -aanhaling nagenoeg anderhalve pikol bedraagt.” - -„Zoo, nog al aardig,” meende de resident. - -„Die ongeveer negen duizend gulden waard is,” vulde Meidema aan. - -„He! he! mijnheer Meidema. De regeering verstrekt de ruwe opium tegen -dertig gulden het katie aan de pachters. Derhalve 150 × 30 is volgens -mij nog maar vier duizend vijf honderd gulden. Is ’t niet?” - -„Ja, resident, U hebt gelijk. Maar de aanhaling betreft geen ruwe -opium, maar tjandoe. En gij weet wel, dat van een katie opium slechts -15⁄32 tjandoe na zuivering gewonnen wordt.” - -„Zoo?” sprak de heer Van Gulpendam met een doordringenden blik op den -assistent-resident. „Maar is het wel opium?” - -„Het is beter dan dat,” antwoordde deze zonder den wenk te begrijpen. -„Het is tjandoe, zooals ik zei. Zie, hier heb ik een monster. Het is -zuiver Bengaalsch product.” - -„Zouden we dat monster niet eens in handen van een scheikundige -stellen?” - -„Zoo als ge wilt, resident. Maar, mij dunkt, dat het geheel overbodig -is. Het is tjandoe, die op zijn minst vijf en twintig à dertig percent -morphium [35] bevat.” - -„Zoo!.... Ik meen maar.... Enfin, gij moet het weten. De smokkelwaar is -u in handen gesteld.... Gij kent de herkomst van die vaatjes en -blikken, nietwaar?” - -„Ja, resident. Uw „kapala oppas” (hoofd der oppassers) heeft mij -gerapporteerd, dat die opium afkomstig is van de Kiem Ping Hin, en gij -weet wie....” - -„Van de Kiem Ping Hin?.... Hoe komt gij er aan?” - -„Hoe ik er aan kom, resident? Wel, ik zeide het u reeds. Van uw kapala -oppas.” - -„Oppas! Oppas!!” riep de heer Van Gulpendam met uitgezette stem. - -Als een stormwind kwam zoo’n gedienstige geest aangevlogen. - -„Is dat de man, die bij u geweest is?” vroeg de hoofdambtenaar aan den -assistent-resident. - -„Ja, resident.” - -„Oppas,” sprak de heer Van Gulpendam, terwijl hij den Javaanschen -bediende met strakken blik aankeek, „die opium, die gij bij den toean -assistent bracht, is immers bij Ardjan gevonden?” - -„Engèh, Kandjèng toean!” antwoordde de oppasser; „tapèh (maar)....” - -„Niets van tapèh! Eenvoudig, ja of neen!” hernam de resident op -strengen toon. - -„Engèh Kandjèng toean!” - -„Hoort gij het, mijnheer Meidema?” - -„Ja, resident, ik hoor het,” antwoordde deze met strak gelaat. - -„Gij zult dus dienovereenkomstig de verbalen laten opmaken.” - -„Maar, resident....” - -„Geen maren, mijnheer.. Ge hebt slechts stipt uwen plicht te -vervullen.” - -„Is er nog iets van uwe bevelen, resident?” - -„Dank u.” - -Een oogenblik later waren de twee omberpartijtjes in vollen gang, en -hief de schoone Laurentia een juichkreet aan. Zij had vier matadors -zesde schoppen, met groot mariage klaveren en harten zeven in de hand. - -„Vole déclarée, schoppen!” riep zij. - -„Begint ze nu al met hare rafelbuien!” bromde haar echtgenoot, die aan -het andere tafeltje zat. „Dat’s vroeg.” - - - - - - - -V. - -IN DE VOOR- EN BINNEN-GALERIJ. - - -Toen de heer Meidema het residents-erf met zijn milord verliet, reed -juist een ander voor en stapte de heer van Nerekool de trappen op, die -toegang tot de voorgalerij verleenden, waarin de spelers gezeten waren. - -Het zal den lezer wellicht vreemd voorgekomen zijn, dat een jeugdig, -fijngevoelig, beschaafd meisje, als Anna van Gulpendam was, een briefje -aan een jong mensch durfde te schrijven, ook dat die jonkman zoo -dadelijk aan die roepstem gehoor gaf. In de eerste plaats mag niet -vergeten worden, dat de lieve Anna, toen zij dat briefje schreef, -geheel aan den aandrang van baboe Dalima gehoorzaamde, en om redding -aan te brengen, geheel aan de uitspraak van haar hart gehoor gaf, -zonder te bedenken, dat hare handeling minder welvoegelijk geheeten kon -worden. Dan ook moet verhaald worden, dat tusschen de twee jongelieden -wel geen liefdesverkeer bestond, maar toch eene soort aantrekking -jegens elkander ontstaan was, geboren uit overeenkomstige -gewaarwordingen, die zich al heel spoedig bij hunne wederzijdsche -aanrakingen geopenbaard hadden. Beiden waren naturen van edelen -stempel, wier eigen hart en brein onbezoedeld en derhalve niet in staat -waren, elkander van berispenswaardige gedachten te verdenken. Eene -genegenheid bestond tusschen hen, dat viel niet te miskennen. Maar -voorshands was dat nog niets dan de band, die twee naturen van hunnen -stempel in het goede en het edele aaneenstrengelde. Of die genegenheid -een meer teederen vorm zou kunnen aannemen? De toekomst zal dat -wellicht ontsluieren. - -„Goeden avond, mevrouw. Mag ik naar den staat uwer gezondheid -vernemen?” - -„Is die lummel daar weer! Wat komt die kadrajer aan boord doen?” bromde -de resident tusschen de tanden, terwijl de schoone Laurentia zoo -aanminnig mogelijk antwoordde: - -„Wel, dat is lief van u, mijnheer Van Nerekool, u te vertoonen. -Waarlijk, gij verwent ons niet. Uwe bezoeken zijn al zeer zeldzaam.” - -„Ik voel mij gelukkig, dat mevrouw Van Gulpendam zulks opmerkt,” hernam -de pas aangekomene, „maar gij weet, ik speel niet, en bij zulke -hartstochtelijke liefhebbers, ben ik op zijn minst genomen, ik zou het -haast noemen, fâcheux troisième.” - -Zijn blik waarde bliksemsnel door de galerij rond; maar vond niet wie -hij zocht. Zich tot de heeren wendende: - -„Wel resident, ik behoef naar uw welstand niet te vragen. En u, -kolonel, en u, overste, evenmin. Gij allen zijt de gezondheid -gepersonifieerd. Hoe maken de heeren het met het partijtje? Wel, heer -secretaris,” ging hij voort, tot een der heeren aan het andere -tafeltje. - -„Het mocht beter,” pruttelde deze. „De avond is mooi begonnen.” - -„Ja, mijnheer Van Nerekool,” zei mevrouw van Gulpendam. „Gij zijt een -oogenblik te laat gekomen. Ik heb zoo even een prachtige vole gespeeld -en gewonnen!” - -„Een vole, mevrouw?” - -„Ja, en een gewaagde ook! Verbeeld u. Ik had vier matadors zesde in de -schoppen, groot mariage klaveren en harten zeven.” - -„En hebt ge dien gewonnen mevrouw?” - -„Ja, zeker, door mijn fijn spel. Ik speelde eerst drie matadors, toen -waren de troeven er uit. Daarop speelde ik klaverenheer en ging toen -door met twee troeven...” - -„Jawel,” viel de secretaris in. „En ik liet mij verschalken. Ik had -klaverenboer derde en hartenheer. Ik zag het harten regenen: vrouw, -boer, aas, enz., enz., dat viel achter elkander. Op die troeven speelde -mevrouw klaverenvrouw, daarop weer troef en nog eens troef. Ja, ik had -de klaveren zorgvuldig geteld; de zeven was nog niet gevallen. En.... -waarachtig! daar wierp ik mijn hartenheer weg, en....” - -„Zal de heer Van Nerekool een kop thee of een kop koffie gebruiken?” -brak eene lieftallige stem, die omberverhandeling af. - -De aangesprokene keerde zich met drift om. - -„Dag juffrouw Anna! Hoe vaart gij?” vroeg hij innig belangstellend. -„Maar, waartoe dat te vragen? Gij ziet er uit als eene pas ontloken -Devonshire-roos, zoo lieftallig, zoo....” - -„Zult gij thee of koffie gebruiken?” vroeg Anna, op wier lippen een -schalkschen glimlach zweefde bij die komplimentjes. - -„Hebt gij de koffie gezet, juffrouw Anna?” - -„Neen, de kokkie deed dat.” - -„En de thee?” - -„O, dat ’s mijn departement, mijnheer Van Nerekool.” - -„Mag ik dan om een kop thee verzoeken?” - -„De kokkie heeft anders lekkere koffie van echte Preanger -mannetjes-boonen gezet,” riep mevrouw Van Gulpendam den jongen man toe. - -„O, ik twijfel geen oogenblik aan het meesterschap in het koffiezetten -van uwe kokkie, mevrouw; maar vergeef mij, ik zal een kop thee -prefereeren. Dat heeft nog zoo iets vaderlandsch; juffrouw Anna, als ik -u bidden mag, een kop thee.” - -„Ja, maar op eene voorwaarde,” snapte het jonge meisje. - -„Bij voorbaat aangenomen! Welke is die voorwaarde?” - -„Dat gij straks de fleurs d’oranger, gij weet wel die keurige -quatre-mains van Ludovic met mij speelt...” - -Van Nerekool trok een bedenkelijk gezicht. - -„Of gij nu ook al een gezicht zet als eene muffe rechtspleging, dat -baat u ziet zooveel niet,” ging het jonge meisje voort, terwijl zij met -den rose nagel van haar allerliefst gevormd duimpje een knappend geluid -tegen hare hagelblanke en fraai geordende tandjes veroorzaakte en een -spotziek glimlachje dat gebaar iets pikants bijzette, „les fleurs -d’oranger! of geen thee! Dat ’s mijn ultimatum! Zoo noemt men immers de -voorwaarde, die onmiddellijk de oorlogsverklaring voorafgaat, nietwaar, -kolonel?” - -„Ja, juffrouw Anna,” antwoordde de oude krijgsman, die geen woord van -de vraag gehoord had, verdiept als hij was in het netelige van een -gewaagden sans-prendre, dien hij ondernomen had. - -„Een ultimatum! eene oorlogsverklaring! Juffrouw Anna, wie zou u den -oorlog durven verklaren? Neen, liever dan daarvan verdacht te worden, -speel ik den geheelen avond les fleurs d’oranger. Kom, dadelijk!” - -„Dat is weer in een ander uiterste vervallen, mijnheer Van Nerekool,” -spotte het meisje. „Is het dan met de heeren van de rechterlijke macht -overal en in alles steeds hetzelfde als in hun gerechtszaal, waar -zij,—zoo als papa beweert—slechts leliën van onschuld, of slechts -afgrijselijke booswichten gelieven te ontwaren?” - -„Zoo erg is het met ons niet, juffrouw Anna; maar.... zoudt gij mij -toestaan hier achter de kaarten een lesje in het omberen van uwe mama -te ontvangen?” - -„Zeer zeker, sta ik dat toe. Ik ga onderwijl voor de thee zorgen, -vervolgens voor de andere „minoeman” (dranken). Daarna zal ik iets van -Beethoven spelen....” - -„Prachtig, juffrouw Anna. Mag ik dan de tweede sonate in D dur, opus -36, verzoeken?” - -„De heeren zijn tyrannen,” antwoordde het meisje met een bekoorlijken -glimlach. „Nu goed dan, gij zult die sonate hebben, maar daarna, pas -op, dan de fleurs d’oranger! En,.... ga nu maar les nemen in het -omberen.” - -Een oogenblik later zat Van Nerekool achter mevrouw Van Gulpendam haar -fijn en gesloten spel te bewonderen; terwijl Anna de honneurs waarnam -en bedrijvig heen en weer trippelde, om toe te zien, dat de bedienden -stipt hunnen plicht waarnamen en de gasten niet onverzorgd lieten. - -Terwijl de jonge man daar achter de schoone Laurentia gezeten was en -aandachtig in hare kaarten tuurde, teekende zich zijn profiel, onder de -uitstraling der prachtige en overdadige gaslampen, die de galerij met -een zee van licht overstroomden, heerlijk af. Karel van Nerekool was -een jong mensch, van vijf of zes en twintig jaren oud, die te Leiden in -de rechten gestudeerd had en als jongste lid bij den raad van Justitie -te Santjoemeh geplaatst was, toen hij weinige maanden geleden van -Batavia aankwam. Hij was een rijzig man, met blonde haren, die hij -uiterst kieskeurig verzorgde, met een fraai besneden gelaat, waarvan de -Europeesche blos nog niet geweken was en dat rechts en links omlijst -werd door een krachtigen ringbaard, die vol en weelderig met den dicht -gevulden knevel ineen liep, maar de kin geheel vrij liet. Die baard was -iets blonder dan het hoofdhaar, ja mocht op eene zekere mate van -vergulding bogen, die den jongen man evenwel niet misstond. Zijne -beschaving hield gelijken tred met zijn uiterlijk, zoodat hij in zijne -omgeving voor een uiterst aangenaam mensch gold, hetgeen hij ook ten -volle verdiende. In iets evenwel viel hij die omgeving uit de hand. Hij -was een rechtsgeleerde in de zuivere beteekenis van het woord. Een -geleerde, een beoefenaar van het recht! Noch de studie der Pandecten, -noch die der Instituten, noch die van het Jus civilis in een woord, -noch de studie van het Jus Justineanum, van het Jus Cesareum of van het -Moderne recht hadden zijn karakter kunnen bederven. En mocht de -casuïstiek eenige aantrekkelijkheid voor hem hebben, dan was het niet -om daaruit casus positiones of juridische subtiliteiten te smeden; -neen, dan diende zij hem in tegendeel als gewetens-dialektiek, die hem -voor kunstgrepen of sluwe vondsten beveiligde. Recht door zee, eerlijk -als goud en rein als diamant waren drie volksgezegden, die volkomen op -hem van toepassing waren. Dat hij zich met die eigenschappen, welke -door een soort van rondborstigen spreektrant, die hem, hoewel hij -daarbij steeds den stempel van man van opvoeding en beschaving bleef -bewaren, niet gedoogde zijne meening ook maar het geringste te -omzwachtelen, nog meer uitkwamen, in geen groot getal vrienden mocht -verheugen, zal voor iederen denker duidelijk zijn, die een diepen blik -in de verdorvenheid der hedendaagsche maatschappij heeft leeren slaan. -Stipte rechtvaardigheidsbeginselen, rondborstigheid van uitdrukking, -gepaard aan nauwgezette waarheidsliefde zijn geen faktoren om in de -tegenwoordige wereld, maar vooral in de Indische ambtenaars-wereld -vooruit te komen! - -Vooral de resident Van Gulpendam had, hoewel hij den jongen man als -rechterlijk ambtenaar uit zijn huis niet weren kon, een waren hekel aan -hem en had dat dikwijls aan zijn chef, den voorzitter van den raad van -Justitie te Santjoemeh, een reeds bejaard rechtsgeleerde, te kennen -gegeven. - -„Och,” had deze met een sluw lachje geantwoord. „De heer Van Nerekool -is nog een jeugdig borstje. Wanneer hij nog een tiental pikols rijst -verorberd zal hebben [36], zal hij wel tot een nuttig Indisch ambtenaar -vervormd zijn. Wie onzer had, bij het begin zijner loopbaan in zijne -jeugd, ook niet zulke idealistische denkbeelden als hij?” - -De heer Van Gulpendam had bij dat antwoord vreemd opgekeken. Hij toch -voelde zijn geweten onbezwaard met de schuld ooit idealistische -denkbeelden gekoesterd te hebben, althans met zoodanige, als waarmede -de jeugdige rechterlijke ambtenaar besmet was. - -De jonkman zat trouw achter de kaarten van de schoone Laurentia te -turen. - -„Ik kan niet zeggen, dat gij mij geluk aanbrengt, mijnheer Van -Nerekool,” zei mevrouw met een gedwongen glimlachje. „Sedert gij achter -mij zijt komen zitten, heb ik geen spel meer in handen gekregen. Ga aan -ginds tafeltje bij den resident eens kijken.” - -„Dank je wel!” riep deze. „Ge wilt mij de déveine endosseeren!” - -Er zijn geen bijgelooviger menschen in de wereld dan fijne ombreurs. - -Van Nerekool was bij de bemerking van Laurentia opgestaan. Maar bij de -woorden van den resident verkeerde hij in twijfel wat te doen, toen de -stem van de dochter des huizes weerklonk: - -„En mijn fleurs d’oranger, mijnheer Van Nerekool? Waar blijft u? Kom, -het is tijd.” - -„En de sonate in D dur, juffrouw Anna? Waar blijft die? Ik heb nog -niets gehoord!” - -„Dat ’s waar ook. Die had ik vergeten. Kom dan de muziek voor mij -omslaan.” - -„Ja, ga de muziek omslaan,” prevelde de schoone Laurentia, terwijl zij -de twee jongelieden even natuurde, maar terstond weer naar haar spel -keek. „Kijk, daar hebben we het al! Nauwelijks is hij weg, of ik raap -heel andere kaarten op.” - -„Zoo’n uitkijk achter de kaart, kan ik niet velen,” pruttelde Van -Gulpendam van zijn kant. „Wat komt zoo’n lummel, die niet speelt, toch -hier doen?” - -„Hm! misschien het omberen leeren,” antwoordde de kolonel. - -„Kom, dat leert hij nooit! Daartoe mist hij geheel en al praktischen -zin.” - -„U hebt volkomen gelijk, resident,” beaamde de voorzitter van den raad -van Justitie, „en zonder praktischen zin brengt men het in het omberen -niet ver.” - -„En ook niet in andere aangelegenheden!” vulde Van Gulpendam met een -afdoenden toon in zijne stem aan. „Kom, laat ons voortspelen. Ik zit -aan de voorhand, welnu: sans prendre. Harten!” - -De beide jongelieden waren de binnengalerij binnen getreden, en niet -zoodra waren zij uit het gezicht van de spelenden of Van Nerekool -begon: - -„Ik heb uw briefje ontvangen, juffrouw Anna, en zooals gij ziet, ben ik -dadelijk gekomen.” - -„In Gods naam, spreek zacht,” fluisterde het meisje. En hardop -vervolgde zij: „Help mij even de muziek uitzoeken.” - -En terwijl zij met hun beiden de muziekbladen een voor een uit de -sierlijk gesneden étagère, die naast de piano stond, haalden en -bekeken, fluisterde het jonge meisje: - -„Gisteren is onze baboe Dalima uit den tuin ontvoerd... Stil! -onderbreek mij niet, anders heb ik geen tijd. De hoofdschuldige is hier -Lim Ho. Zij werd echter bevrijd door Ardjan, haren aanstaande. Die is -evenwel op last van den Chinees vreeselijk met karbouwen-bladeren -gegeeseld geworden, zoodat hij thans in het hospitaal...” - -„Zie, hier heb ik de fleurs d’oranger, juffrouw Anna,” sprak van -Nerekool, die iemand in de voorgalerij van zijn stoel had hooren -opstaan, overluid. - -„Maar, waar blijft de sonate?” vroeg het jonge meisje even luid. „O, -hier heb ik ze! Och, mijnheer Van Nerekool, leg dien zwaren bundel op -de piano, als ik u bidden mag.” - -„Dus de sonate voor den wals?” vroeg hij met een glimlach. - -„Is dat niet het beste? Ik ken die sonate zoo grondig, dat ik zal -kunnen spelen en tevens mijn verhaal voortzetten.” - -Anna nam plaats voor het klavier. Hij stond naast haar, gereed om de -bladen om te slaan. - -„Ik vertelde u,” ging zij haar verhaal voort, terwijl zij den -prachtigen aanvang aansloeg van dat in alle zijne deelen op groote -schaal opgezet en keurig uitgewerkt kunststuk, „dat Ardjan in het -hospitaal opgenomen moest worden wegens de mishandeling, die hij -ondergaan had. Maar het is dat niet, wat mij aanleiding gaf, om u dat -briefje te schrijven.” - -„Wát dan, juffrouw Anna? Ik ben geheel gehoor.” - -„Luister aandachtig.” - -En terwijl de vlugge vingeren van het muzikale meisje de innigste -gewaarwordingen des harten, die de goddelijke Beethoven in zijn -kunststuk heeft neergelegd, tot ontwikkeling lieten komen; terwijl zij -al de reine gevoelens, die den mensch in de zonnige dagen der jeugd, in -den heerlijken glans der liefde en der ontvonkte hoop doortintelen -kunnen, tot vertolking brachten; terwijl zij de zoo schoone droomerijen -des toondichters, doorweven met de lichte wolkjes van somberheid, die -den zonneschijn van zijn gemoed bedreigden, heerlijk lieten uitkomen, -vertelde het lieve kind de ontvoering en de redding van Dalima, in -welken deerniswaardigen toestand de arme Javaan teruggevonden was; maar -ook dat in zijne nabijheid eene vrij aanzienlijke partij sluik-opium -ontdekt werd, die bij den assistent-resident van politie afgegeven was. - -Van Nerekool luisterde, hoewel hij geen oog van de muziek afwendde, en -zich geen enkelen keer bij het omslaan der bladeren vergiste, zoo -aandachtig toe, dat geen woord hem ontsnapte. Bij de laatste woorden -betrok zijn gelaat. Het jonge meisje, die dat waas zeer goed opmerkte, -vervolgde evenwel haar spel, en bracht het slot der sonate, waarin een -verbazenden rijkdom neergelegd is van levenverwekkende gedachten, die -van alle kanten schijnen samen te stroomen om het gevoel der hoogste -blijdschap op te wekken, tot zoo’n schitterend einde, dat de spelers, -in de voorgalerij, die onder den invloed van het kunstvaardige spel een -oogenblik hun partijtje gestaakt hadden, luide hunne toejuichingen liet -hooren. - -„Weet ge zeker, dat het opium is? juffrouw Anna?” vroeg Van Nerekool, -terwijl de bravo’s voor nog weerklonken, fluisterend. - -„Hoe wil ik dat weten?” antwoordde het jonge meisje, eveneens op -gedempten toon. - -„Is die opium met Dalima en Ardjan aan den wal gekomen?” - -„Neen, in de djoekoeng, waarmede zij den wal bereikten, was niets van -dien aard.” - -„Wie heeft dan die opium aan den wal gebracht?” - -„Dat wist Dalima niet... En nu,” ging zij met luider stem voort. „En nu -de fleurs d’oranger!” - -„Maar, hoe komt gij er toe te vreezen, dat Ardjan beschuldigd zal -worden, die opium aan den wal gebracht te hebben? Mij dunkt, daartoe -bestaat niet de minste aanleiding; tenzij....” - -„Sjtt.... straks!” - -En daar weerklonk onder de vier handen die heerlijke wals met zijne -sprankelende noten, die de ruime hal der binnengalerij vervulden, in -ware trossen, in ware bouquetten van melodiën naar buiten ruischten, en -zoo een heerlijk aanhangsel, schier een vervolg van levenslustige -opwekking vormden van Beethovens sonate van straks. Terwijl de nagalm -der laatste akkoorden nog waarneembaar was, beantwoordde het jonge -meisje de laatste vraag van Van Nerekool: - -„Straks is de heer Meidema bij papa geweest, en....” - -Het lieve kind aarzelde. - -„En?” vroeg van Nerekool. „Kom, juffrouw Anna, gij moet mij alles -mededeelen.” - -„Ik ving een gedeelte van hun gesprek op.” - -„Een weinig geluisterd?” - -Het meisje bloosde allerbekoorlijkst. Het inkarnaat overtoog tot hare -oortjes. - -„Welnu, ja,” antwoordde zij met eenige vastberadenheid. „Ik had papa -den oppasser hooren gelasten, om mijnheer Meidema te roepen, en ik kon -de gedachte niet van mij zetten, dat dit in verband stond met Ardjan. -Toen de assistent-resident kwam, sloop ik dan ook achter het schutsel, -hetwelk de deur maskeert, en....” - -„Nu, en...? Juffrouw Anna, gij moet mij alles zeggen,” - -„En, toen heb ik alles gehoord....!” - -„Alles, wat?” - -„Wat zij verteld hebben....” - -„Ja, maar, wat hebben zij verteld?” - -„Dat kan ik zoo niet weergeven, mijnheer Van Nerekool.” - -„Ja, maar toch de quintessenz. Kom, juffrouw Anna?” - -„Mijnheer Van Nerekool, ik weet niet of ik u alles mag vertellen....” - -„Maar, lieve juffrouw Anna, waarom hebt gij mij dan laten roepen? Vraag -u dat af.” - -„Ik wilde zoo graag den aanstaande van Dalima redden.” - -„Juist; dat meen ik reeds begrepen te hebben. Maar, hoe kan ik dat -doen, als ik de toedracht der zaak niet weet? Volgens mij bestaat er -geen schijn van gevaar, dat Ardjan van smokkelarij beschuldigd zal -worden. Wees openhartig met mij.” - -„O, ik zou zoo gaarne,” zuchtte het meisje schier onhoorbaar. „Maar het -is zoo moeielijk.” - -„Waarin bestaat die moeielijkheid?” - -„O, dat gesprek van papa met mijnheer Meidema. Maar... komaan... gij -hebt gelijk. Ik zal openhartig zijn en u alles vertellen.” - -En daarop verhaalde het jonge meisje het geheele gesprek, dat de beide -ambtenaren gehouden hadden. Zij verzweeg niets, noch de geschatte -waarde van de opiumpartij, noch de vermoedelijke herkomst, door Meidema -bekend gesteld, noch het verhoor van den kapala oppas. Toen zij -mededeelde, hoe haar vader de schuldigheid van Ardjan den -politiebediende als het ware opgedrongen had, overdekte het schaamrood -hare wangen en was zij zichtbaar verlegen. Van Nerekool begreep den -gemoedstoestand van de lieve maagd, die zich voor de daden van haren -vader schaamde. Hij wist thans genoeg en wenschte dat gesprek ter wille -van het meisje te bekorten. - -„Gij zeidet zoo even, dat de heer Meidema van een schip gesproken had, -waarvan die opium afkomstig zoude zijn. Heeft hij ook den naam van dat -schip genoemd?” - -„Ja, ik geloof de Hing Kim Lin of de Lim King Him of zoo iets -dergelijks.” - -„Kan het ook de Kiem Ping Hin zijn?” vroeg de rechterlijke ambtenaar -met nadruk. „Bedenk u wel.” - -„Ja, die naam is het, mijnheer Van Nerekool.” - -Deze sloeg een meewarigen blik op het jonge meisje, terwijl een zucht -aan zijne lippen ontgleed. - -„Waarom kijkt gij mij zoo droevig aan?” vroeg zij. - -„Weet gij wien de Kiem Ping Hin toebehoort?” - -„Neen.” - -„Aan Lim Ho!” - -„Aan Lim Ho?.... den zoon van den opiumpachter!” kreet zij, terwijl zij -de handen voor het gelaat sloeg, alsof zij zich wenschte te verbergen. - -„Juist,” antwoordde Van Nerekool, die het meisje aandachtig gadesloeg. - -Deze herinnerde zich thans dat vreeselijke gesprek, tusschen hare -ouders, waarbij zij des morgens tegenwoordig was geweest. Tranen van -schaamte ontsprongen hare oogleden, droppelden tusschen hare vingeren -door, en gleden over de fraai gevormde handen, terwijl zij angstig -prevelde: - -„Ach God! Ach God!” - -„Juffrouw Anna,” sprak Van Nerekool, met zooveel droefheid bewogen, -„laat de hoop niet varen, wat ik u bidden mag. Ik zal alles doen, wat -in mijn vermogen is, om den onschuldige te redden. Dat beloof ik u.” - -„Maar, mijn vader?” vroeg het jonge meisje, terwijl zij met eene snelle -beweging hare oogen met haren zakdoek afdroogde.... „Maar mijn -vader?”.... - -„Die mag natuurlijk niets van ons gesprek vernemen.” - -„Neen, dat bedoel ik niet, mijnheer Van Nerekool. Kan die ook bij die -zaak gecompromitteerd worden?” - -„Ik hoop van neen; ik zal alles zoo trachten te schikken, dat hij -ongemoeid blijft. Wees gerust.” - -„Kom, laat ons dit gesprek dan eindigen. Ik ga naar achteren, om mijn -ontroering te verbergen. Blijf gij nog wat bij het klavier.” - -„Ja, ik zal nog wat spelen, daarna zal ik afscheid van het gezelschap -nemen.” - -Een kwartier later bevond zich Van Nerekool andermaal achter de -ombreurs. Die waren evenwel met „de laatste” bezig, zoodat weinige -oogenblikken later het kaartspel geëindigd was. - -„Mevrouw Van Gulpendam is een waar gelukskind,” betuigde de kolonel, -terwijl hij met bezorgden blik zijne overgeblevene fischjes telde. - -Niet lang daarna waren de gasten van de familie Van Gulpendam -vertrokken, en stond de resident nog een oogenblik de vertrekkenden na -te turen. - -„Koela noewoen, Kandjeng toean” (ik vraag verlof groote heer, om iets -te zeggen) klonk eene stem zacht prevelend achter den hoofdambtenaar. - -Toen deze zich omkeerde, zag hij daar den kapala oppas gehurkt zitten. - -„Wat hebt ge mij te zeggen?” vroeg hij dezen. - -„Ik heb mij straks vergist, Kandjeng toean.” - -„Vergist, waarmede?” - -„Toen ik aan den assistent-resident verklaarde, dat die opium bij -Ardjan gevonden was.” - -„Bangsat! (gemeene kerel)” brulde de resident. „Als je je woorden durft -in te trekken, dan zal ik je wegjagen! Dan zal ik je in de „cipieran” -(gevangenis) stoppen! Begrepen?!!” - -„Engèh. Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser met eentonige stem en -onbegrijpelijk strak gelaat, terwijl hij, de saamgevouwen handen, aan -zijn voorhoofd brengende, de „sembah” (groet) eerbiedig volbracht. - - - - - - - -VI. - -EEN ECHTPAAR. - - -Van Nerekool’s bemoeiingen zouden weinig vruchten dragen; daarentegen -zouden zij hem veel verdriet berokkenen. Och, hij was nog zoo jong, en -daardoor nog zoo onervaren in de doolhoven van ongerechtigheden, die in -Nederlandsch-Indië door de rechterlijke zoowel als door de -administratieve macht bewandeld worden, wanneer die in aanraking komen -met zaken, welke het opiummonopolie gelden. - -Eenige weken na zijn onderhoud met Anna van Gulpendam, vernam hij van -haar, bij gelegenheid hij zijn bezoek bij de residents-familie -herhaalde, dat Ardjan het hospitaal verlaten had, maar naar de -gevangenis overgebracht was. Hij won toen inlichtingen in bij den -rechtsgeleerden voorzitter van den landraad [37] te Santjoemeh, die hem -mededeelde, dat de Javaan van opiumsmokkelarij beschuldigd was, en dat -nog wel van eene vrij belangrijke partij. - -„Er doet zich evenwel bij die zaak eene eigenaardige bizonderheid -voor,” vervolgde Mr. Zuidhoorn, de bedoelde voorzitter, „waarvan ik de -strekking niet begrijp.” - -„En die is, waarde collega?” vroeg van Nerekool. - -„Ik heb verleden week een brief van den resident ontvangen, waarbij hij -mij mededeeling doet van de volgorde, en op welke data hij verlangt, -dat de aanhangige overtredingszaken door den landraad zouden worden -afgedaan.” - -„Maar dat is geheel en al in strijd met artikel 337 van het Inlandsch -reglement, en met artikel 47 van het reglement op de rechterlijke -organisatie.” - -„Juist. Ik heb dan ook gladweg geweigerd. Maar luister verder. Op dat -lijstje komt de zaak Ardjan het laatste voor. Begrijpt gij dat?” - -„Ik meen van ja. Bij die zaak ontbreken de bewijzen; ja, ik ben -overtuigd, dat die Javaan valschelijk beschuldigd wordt. Nu rekt men de -preventieve gevangenis zoodanig, dat wanneer eene vrijstelling volgt, -de administratief gezaghebbende met zelfvoldoening kan uitroepen: „hij -heeft in allen gevalle voor mijn pleizier zoo vele maanden gezeten.”” -[38] - -Mr. Zuidhoorn keek bij die woorden zijn jongeren collega met -doordringenden blik aan. - -„Het kan zijn,” zei hij na een poos. „Ik heb er evenwel eene andere -meening voor.” - -„En die is?” - -„Gij weet, dat ik een verlof naar Nederland tot herstel van gezondheid -heb gevraagd?” - -„Ja. Maar, wat zou dat?” - -„Wat dat zou? Wel, door het groot aantal overtredingen, die te -berechten zijn, zou de zaak Ardjan volgens de aangeduide volgorde eerst -over zes of acht weken ongeveer aan de beurt zijn.” - -„Welnu?” - -„Maar, dan ben ik waarschijnlijk reeds lang vertrokken.” - -„Dat is zoo; maar wat geeft dat? Ter uwer vervanging zal toch wel een -ander rechterlijk ambtenaar naar Santjoemeh gezonden worden, om den -landraad te presideeren.” - -Een bittere glimlach zweefde om de lippen van Mr. Zuidhoorn. - -„Wie weet, waar die vervanger van daan moet komen. In Indië gaat het -reizen niet vlug. Moet b. v. Mr. Raabtoon van Padang komen, of Mr. -Nellens van Makassar, dan gaan er minstens twee maanden voorbij, -alvorens een hunner hier behoorlijk geïnstalleerd is. En inmiddels....” - -„Kan men immers een ander rechterlijk ambtenaar voorloopig met de -afdoening der landraadzaken belasten.” - -„Dat zou men kunnen; maar dat zal men niet doen. Gij weet toch dat -krachtens de eerste alinea van artikel 93 van het reglement op de -rechterlijke organisatie en het beleid der Justitie in Ned.-Indië, de -resident, bij ontstentenis van den titularis, als voorzitter van den -landraad kan optreden.” - -„Welnu?” - -„Welnu, de gevolgtrekking van dat alles is eenvoudig te maken. Als ik -weg zal zijn, berecht de resident de zaak Ardjan.” - -„Maar waarom zou hij zoo iets doen, collega?” - -„Weet ik het? Denk er om, dat een minister van Koloniën eens aan den -Koning schreef [39], dat de ambtenaren door de opiumpachters, die de -grootste opiumsmokkelaars zijn, stelselmatig omgekocht worden, en dat -zoodoende het gezag der uitvoerders van het gezag der regeering -ondermijnd wordt, omdat die in afhankelijkheid gebracht zijn van -Chineesche pachters en sluikers. Zie, ik ben meer ervaren in opiumzaken -dan gij, en als ik nu die opdracht beschouw, om de vervolging van -Ardjan te verdagen, dan kan ik de gedachte niet van mij zetten, dat -hier eene poging aanwezig is, om die zaak aan de behandeling van den -bevoegden rechter te onttrekken.” [40] - -„Maar, dat is afschuwelijk!” - -„Zeker is het dat.” - -„En wat hebt gij gedaan?” - -„Mijn plicht. Ik heb u reeds gezegd, dat ik gladweg geweigerd heb die -zaak te verdagen. Zij zal nu op hare beurt a. s. dinsdag over veertien -dagen voor komen.” - - - -Dat zou zij niet. - -Weinige dagen voor dat dit gesprek tusschen de twee rechterlijke -ambtenaren plaats vond, kreeg de resident Van Gulpendam op het -onverwachts een bezoek. - -Op het onverwachts, ja! Want het was zondag, en ongeveer twee uren in -den namiddag; twee tijdstippen waarop niemand in Nederlandsch-Indië op -bezoeken gesteld is. - -Als populair man had de resident tegen half elf de „Sociëteit” bezocht, -en had zich daar onledig gehouden met het biljardspel, waarbij hij aan -zijne jeugdige kadrajers—zoo noemde hij zijne ambtenaren—getoond had, -dat, al had hij niet te Delft of Leiden gezwabberd, hij toch nog wel -een bal in de milieu snijen kon, en het bandeffekt niet verleerd had. -Hij was zoo omstreeks half één te huis gekomen, had met smaak -gerijsttafeld, waarna hij, in het zalig bewustzijn den dag des Heeren -verder ongestoord te kunnen genieten, zich in slaapbroek en kabaai -gekleed had, en gereed was om het traditioneele middagdutje te gaan -snoepen. Hij had reeds den deurknop van het slaapvertrek in de hand, -toen de kapala oppas hem naderde, zich op den grond liet glijden, den -„sembah” maakte, en den Kandjeng toean zacht toefluisterde, dat babah -Lim Yang Bing een oogenblik gehoor verzocht. - -„Babah Lim Yang Bing!” riep de resident verrast uit. „Toekan pak?” (de -opiumpachter) vroeg hij. - -„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser. - -„Kassi massokh sini! lakas!” (laat hem hier binnenkomen, terstond) -luidde het bevel. - -„Maar, Gulpendam?” zei mevrouw. „In dat tenue?” - -„Kan niet schelen! Zeilen als er wind waait, vrouwlief. Maar, o ja...” - -En een anderen oppasser wenkende: - -„Bowah bekakas pajoeng di sini,” (breng de pajoengstandaard hier) beval -hij. - -De schoone Laurentia trok de schouders op: - -„Het is wat moois,” pruttelde zij, „de resident in slaapbroek en -kabaai, en de gouden pajoeng naast hem!” - -„Het prestige! vrouwlief! Ge zult me eens het bestek zien opmaken. De -wind is aan het ruimen! Gaat gij nu maar naar kooi.” - -„Het is gezellig, zoo alleen,” pruttelde de schoone Laurentia met haren -innemendsten glimlach. „Kom, jaag dien Chinees weg!” - -„Neen, dat kan niet. De kombuis moet rooken, nietwaar? Denk aan den -beer aan John Pryce...” - -Maar mevrouw was al weg. Een harer vrouwelijke bedienden had haar komen -influisteren, dat ’Mbok Karjå in de keuken zat, en haar wenschte te -spreken. ’Mbok Karjå was eene vriendin van nènèh Wong toewa, en -nagenoeg even oud als deze, maar had nog andere koorden op haren boog -dan de vertrouwelinge van de residentsvrouw. Behalve doekoen, was zij -o. a. ook „bepårrå” (rondventster van juweelen). - -„Die komt te pas en ook te onpas,” prevelde mevrouw Van Gulpendam met -een zweem van teleurstelling, „maar wat er aan te doen?” - -Zij was naar hare kamer geijld, na hare dienstbode den last gegeven te -hebben de oude vrouw derwaarts te brengen. - -Bij het binnenkomen van de pandoppo kruisten zich de Chinees met het -Javaansche wijf. Geen hunner scheen den andere te kennen. Toch zweefde -een glimlach op de lippen van den babah. Voor ieder ander dan voor -’Mbok Karjå was het de stereotype lach, welke op het gele gelaat van -iederen zoon van het Hemelsche Rijk zetelt, die in tegenwoordigheid van -machthebbenden toegelaten wordt. Voor het oude wijf was die glimlach -evenwel eene tevredenheidsbetuiging. Voorgegaan door den bediende, trad -zij de binnengalerij binnen en verdween in de slaapkamer van de njonja, -terwijl de Chinees den resident naderde, die behagelijk in een wipstoel -zat te wiegelen, waar vlak naast de pajoengstandaard stond, die den -Grooten Heer met den stralenkrans van zijne meervoudige zonneschermen -omgaf [41]. - -„Wel babah,” begon de resident, na den Chinees met een enkel handgebaar -een stoel gewezen te hebben, „wat drijft u op dit warme uur van den dag -naar herwaarts?” - -De Chinees had ongedwongen plaats genomen en antwoordde luchtig en met -een knipoogje: „Ik wenschte naar den staat van de gezondheid van den -Kandjeng toean te vernemen.” - -„Drommels, babah, dat had ge even goed op een ander oogenblik kunnen -doen.” - -„Toch niet, Kandjeng toean. Dit uur is het beste voor een gesprek. Het -lichaam en de geest zijn dan zoo rustig, dat een goed woord dan eerder -een goede plaats vindt...” - -„O, zoo, babah heeft een goed woord te doen?” vroeg de resident -glimlachend. - -„Ook wenschte ik, dat niemand mij zag, toen ik den tuin van het -residentiehuis insloop.” - -Van Gulpendam spitste de ooren. - -„Zoo geheimzinnig, babah!” zeide hij. „Is er weer iets met de pacht?” - -„Ja, Kandjeng toean; maar toch ook nog wat anders.” - -„Nu, laat hooren, babah.” - -Bijkans had hij gezegd: „voorwaarts, halfwerk.” Als hij er de maleische -vertaling dadelijk van had kunnen uitgooien, zou het zeker geschied -zijn. Bij tijds bedacht hij zich, dat de Chinees de scheepstermen toch -niet zou begrijpen. - -Babah Lim Yang Bing verhaalde nu op zijn manier, de aanhaling van de -partij opium bij de djaga monjet in de Moeara Tjatjing, en trachtte den -resident aan het verstand te brengen, dat hetgeen daar gecalangeerd -was, geen opium was. - -„Maar, wat is het dan?” vroeg Van Gulpendam. - -„Niets anders dan „pretto” [42] vermengd met verschillende „gettahs” -(verdikt plantensap).” - -„Wel, dan is de zaak gezond, babah,” zei de resident spottend. „Dan -bestaat er geen overtreding.” - -„Ja, maar de assistent-resident van politie beweert, dat het wel opium -is.” - -„Drommels!” - -„Hij heeft een paar Chineesche experten geraadpleegd en die, niet -wetende, van waar of van wien die aanhaling afkomstig was, hebben -verklaard, dat het is uitmuntende tjandoe, „roepanja bahoenja dan -rasanja,” (naar reuk en smaak te oordeelen) beter dan die door het -Gouvernement aan de pachters verstrekt...” - -„Heeft de assistent-resident u dat gezegd, babah?” vroeg Van Gulpendam -verbaasd. - -„Ja, Kandjeng toean. Hij heeft nog meer gedaan. Hij heeft een monster -in handen gesteld van den apotheker.” - -„En wat heeft die beslist?” - -„Die heeft een proces-verbaal opgemaakt, waarbij geconstateerd is, dat -het tjandoe is met een gehalte van 32 percent morphine.” - -„Dat ’s jammer, babah; dan kan ik er niets meer aan doen. Dan moet de -zaak haren loop hebben.” - -„Maar, als de Kandjeng toean toch wilde....” - -„Neen, babah, neen,...” sprak hij verstrooid en op een toon, alsof hij -aan iets anders dacht. „Neen, er is niets aan te doen.” - -„Dat spijt mij,” sprak de Chinees als met een zucht, ofschoon de -stereotype glimlach van zijn gelaat niet week. - -En met een soort tact het onderwerp van het gesprek wijzigende, bleef -hij een oogenblik praten over de nieuwtjes van den dag, over den -handel, over de aangekomen schepen, enz., toen hij eindelijk uitriep: - -„Gisteren kwam de Wijberton van de Rotterdamsche Lloyd op de reede. Ik -heb daarmede een fraaie factuur havanah-sigaren gekregen. Er is een -kleine partij bij, dozijns-gewijs in sigarenkokers verpakt. Die zijn -zeer fraai. Ik heb zoo’n koker bij mij. Wil de Kandjeng toean haar eens -bezichtigen?” - -De Chinees haalde bij die woorden een sigarenkoker voor den dag, die -wat vorm betrof, snoeperig mocht heeten, terwijl zij op het bovenvlak -een borduurwerkje vertoonde, hetwelk een lief frisch bouquet rozen -voorstelde. - -De resident bekeek en bewonderde den koker en opende hem daarna. Twaalf -onberispelijk fijne havanahpunten vertoonden hare goudkleur, en duidde -dan ook door den heerlijken geur, die zich verspreidde, dat daar -uitstekend fabrikaat in dien koker verscholen was. En gedurende het -gewawel van den Chinees, èn gedurende de bezichtiging van den -sigarenkoker was de resident als afgetrokken, als verstrooid geweest. -Blijkbaar waren zijne gedachten elders. Hij reikte den koker aan den -Chinees weer over met de woorden: - -„Zeer fraai, inderdaad.” - -„Mag ik dat den Kandjeng toean aanbieden?” - -„Wat, gij wilt?....” - -„O, het is slechts eene kleinigheid. De Kandjeng toean zal eene -heerlijke sigaar rooken, dat verzeker ik hem, en hij doet mij een groot -genoegen met dat luttele geschenk van mij aan te nemen.” - -Zonder een woord te antwoorden, zonder een gebaar van toestemming liet -de resident geheel achteloos den sigarenkoker op het penanttafelje -vallen, dat naast hem stond, en vervolgde, als ware er niets gebeurd, -het gesprek van straks: - -„Toen die opium aan wal gebracht werd, was er toen iemand aan den -oever?” - -„Niemand dan mijne twee spionnen: Liem King en Than Khan.” - -„Kunt gij die vertrouwen?” - -„O, volkomen! Die zijn hoegenaamd niet te vreezen,” antwoordde de -Chinees met een valschen glimlach. - -„De opium werd aangetroffen in de nabijheid van de plek, waar Ardjan -gevonden werd?” - -„Ja, geen twee honderd vademen er van daan.” - -„En daarbij werd eene djoekoeng gevonden, waarmede hij aan wal gekomen -is, nietwaar?” - -„Ja, een prahoe sajab, Kandjeng toean.” - -„Dan weet ik genoeg, babah.” - -De sluwe Chinees begreep met een half woord. Hij stond op, om zich te -verwijderen. De resident wenkte hem om nog te blijven zitten. - -„Gij spreekt niet van de andere zaak, babah,” zei hij achteloos. - -„Van welke?” - -„Ardjan is vreeselijk mishandeld geworden door uw zoon Lim Ho.” - -„Men heeft slechts verdriet van zijne kinderen, Kandjeng toean,” -betuigde de Chinees. - -„Er is door den chef van den geneeskundigen dienst een proces-verbaal -opgemaakt, dat zeer bezwarend is. Ik vrees, ik vrees....” - -„Och, een mensch heeft op de wereld veel te doorstaan, Kandjeng toean. -Is er geen middel, om dat met dien toean dokter te schikken?” - -„Wie weet? Als ik die zaak te behandelen had, dan....” - -„Astaga! (och) Kandjeng toean, help mij, ik bid u....” - -„Ik zal zien.... Veel zal van u afhangen, babah. Mishandeling wordt -zwaar, zeer zwaar gestraft!” - -De Chinees begreep den niet te ingewikkelden wenk. Hij tastte in den -zak, en haalde een keurig theedoosje, fraai van zilver vervaardigd, te -voorschijn. - -„Ik ontving ook met de Wijberton een stel prachtig zilverwerk uit -Parijs. Zie mij dat ciseleerwerk eens aan. Zou Van Kempen in Den Haag -het zoo kunnen?” - -„Ja, het is fraai, zeer fraai zelfs,” antwoordde de resident -bewonderend. - -„Ik heb die doos met zuivere Chousong laten vullen, zooals nooit naar -Europa verzonden, en zooals alleen aan het hof te Pekin gedronken -wordt. Ruik dien inhoud eens, Kandjeng toean.” - -De resident bracht de geopende doos aan den neus, maar liet alvorens -den blik er in vallen. - -„Heerlijk! heerlijk!” sprak hij. „Gij moet mij van die soort thee -zenden. De „njonja” (mevrouw) pruttelt altijd over haren „lengganan” -(leverancier).” - -„O, mag ik den Kandjeng toean verzoeken, die doos voor de njonja aan te -nemen?” - -„Ik dank u voor haar, babah; gij doet haar daarmede werkelijk -genoegen.” - -Het gelaat van den Chinees glom van tevredenheid. Hij meende een voet -in den stijgbeugel te hebben. - -„Mag ik hopen, dat Kandjeng toean de zaak zal....” - -„Ik beloof niets, babah,” antwoordde Van Gulpendam. „Ik zal zien, wat -ik doen kan.” - -De resident stond op, om te toonen, dat de audientie geëindigd was. -Plotseling bedacht hij zich: - -„Gij weet, wie uw zoon Lim Ho wegens die mishandeling aangeklaagd -heeft?” - -„Ja, Kandjeng toean. Dat is Pak Ardjan, de vader van den djoeroemoedi.” - -„Dat’s een erge opiumsmokkelaar, nietwaar? Die zal nog wel eens in de -kaars vliegen.” - -De Chinees keek verrast op; maar hij begreep met een half woord. - -„Zoo staat hij ten minste bij de politie bekend,” vervolgde de resident -achteloos. „Nu, om het even, ik zal zien, wat ik doen kan.” - -Babah Lim Yang Bing trad op het hoofd van gewestelijk bestuur toe, en -reikte hem ongedwongen de hand. Maatje aan maatjes dief, och dat mocht -wel, nietwaar? Maar in dat oogenblik kwam Anna’s lieveling-hond, een -fraaie kangoeroe, de pandoppo binnen gevlogen, en sprong -kwispelstaartend tegen den heer des huizes op. Deze greep den voorpoot -van den fraai getijgerden hond en legde hem in de uitgestoken hand van -den babah. - -„O! sama djoega, Kandjeng, toean!” (O, dat is voor mij hetzelfde, Hoog -Edele Heer) betuigde de Chinees met zijn onverstoorbaren glimlach op de -lippen, terwijl hij hartelijk den hondenpoot schudde. - -Of de Nederlandsche hoofdambtenaar dat: „O! sama djoega, Kandjeng -toean” [43] van den Chinees begreep? Toen hij zich alleen in de -pandoppo bevond, opende hij den sigarenkoker met hebzuchtigen blik, en -schudde haar op tafel leeg. Zijn gelaat straalde als het ware een waas -van verrukking uit. Iedere havanah was toch in een bankbiljet van -duizend gulden gewikkeld, echter zoo, dat de punteinden der sigaren -onbekleed waren gebleven, en dus bij het openen van den sigarenkoker -van het bankpapier niets te ontwaren was. Hij tastte in de theedoos, en -stiet ook daarin met de vingers op van die voor het gevoel zoo zachte -papiertjes. Hij wilde ze er uithalen; maar zich plotseling bezinnende, -borg hij de kostbare sigaren weer op, greep koker en doos en stoof naar -zijn kantoor, waar hij den bekenden brief over de regeling der volgorde -van de gedingen aan den voorzitter van den landraad van Santjoemeh -schreef. Toen hij daarmeê klaar was, hoorde hij zijne ega in de -binnengalerij, die juist van ’Mbok Karjå, afscheid nam. - -„Hari ontong!” (een geluksdag) fluisterde hij de schoone Laurentia in -het oor. - -Hij sloeg den arm om haren hals, en troonde haar zoo mede. - -„Hari ontong?” vroeg zij, terwijl zij zijne omhelzing beantwoordde, -door haren arm om zijne leest te slaan, en hem met schitterende oogen -aan te kijken. - -In het echtelijk vertrek aangekomen, sloot hij, zonder zijne gade los -te laten, de deur, en gaf een draai aan den sleutel. Dat handgebaar -verlevendigde nog meer, als het kon, de nieuwsgierigheid van haren -blik. Met een bevallige beweging sloot zij zich nog inniger tegen hem -aan, en drukte hem een kus op de lippen. - -Maar, bij de tafel aangekomen, liet hij haar los, schudde den -sigarenkoker en het theedoosje daarop leeg, en liet de schoone -Laurentia vijf en twintig papiertjes ontwaren, waaromtrent zich niet te -vergissen viel, en die wel duidelijk op hare zijdeachtige oppervlakten -te kennen gaven, dat elk daarvan eene waarde van duizend gulden -vertegenwoordigde. - -Een zweem van teleurstelling vloog over het gelaat van de schoone -vrouw. Maar, dat was slechts bliksemsnel geweest, geheel en al -onmerkbaar voor haren echtgenoot. Die zag haar integendeel met -verrukking toetasten, de sigaren ontdoen van het dure omhulsel, de -bankbiljetten, die uit het theebusje te voorschijn gekomen en erg -verkreukeld waren, gladstrijken en om hare vingeren winden. - -„Vijf en twintig duizend gulden!” zei zij opgetogen. „Een aardig -sommetje!.... Waarlijk, het is heden hari ontong; want dat gevoegd bij -wat ik heb....” - -„Wat gij hebt?” - -„Ja, wat ik zoo even van ’Mbok Karjå ontvangen heb.” - -„Maar, wat dan toch?.... Vertel....” - -„Strakjes,” antwoordde Laurentia. „Eerst dat....” - -Zij ontwikkelde daarop een „boengkoesan” (pakje), dat op de tafel lag, -naast eene kartonnen doos, die alle sporen droeg geopend te zijn -geweest. Toen zij de pisangbladeren, dien de boengkoesan omsloten, -opengemaakt en verwijderd had, kwam daaruit een kommetje van gemeen -aardewerk, waarin eene groenachtige lillende geleimassa, die er zeer -vies uitzag, ontwaard werd. - -„Eerst dat!” herhaalde Laurentia; terwijl zij met een Chineesch steenen -lepeltje eene hoeveelheid van die groene massa ter dikte van eene -hazelnoot schepte, en hem dat voor den mond hield, alsof zij hem voeren -wilde. „Eerst dat, Gulpie!” - -Van Gulpendam sloeg een radeloozen blik op dien afzichtelijken knikker. -Zijn gelaat gaf walging te kennen. - -„Alweer die viezigheid,” zei hij onderworpen. „Het geeft toch niets.” - -„O, dat is een geheel nieuwe „obat” (middel). Die moet werken. ’Mbok -Karjå, heeft die verkregen door „gekko’s,” „oendoek”, „oerat -minjangan”, „laler idjoe” en „sarong lawet” [44]met „daoen gettal” -[45], tot een dikke gelei te laten verkoken en indampen.” - -„En wil je me dat laten slikken?” - -„Kom, Gulpie!” zei de schoone Laurentia, met smeekende, maar vurig -schitterende oogen, terwijl zij hem het lepeltje met de eene hand voor -den mond hield, en met de andere den rug krieuwelde. „Kom, je zult eens -ondervinden, welke heerlijke uitwerking.... Toe.... kom, slik! daarna -zal ik je vertellen, hoe ik een even groote hari ontong heb als gij... -Toe, ventje, wees nu niet kinderachtig....” - -Of het de fleemende en teedere smeekingen zijner echtgenoote waren, of -wel de toezegging van het verhaal, die Van Gulpendam deden zwichten? -Genoeg zij het, dat hij de oogen sloot, den mond opende; terwijl zij -hem het lepeltje tusschen de lippen bracht, en den vaal groenachtigen -inhoud op de tong ledigde. Hij maakte, terwijl hij proefde, zoo een -gebaar van walging, dat zijn middenrif eene waarlijk onheilspellende -beweging volvoerde. - -„Slikken!... Slikken!” riep de schoone Laurentia, en klopte hem -zachtkens met de mollige vlakke hand op den rug. „Slikken!... Toe, -slikken!... Zoo!... zoo is het goed! En nu aflikken! Toe, het goedje is -te kostbaar!” - -En de rampzalige echtgenoot was genoodzaakt tot het laatste zweempje -van het vieze goedje, dat op het lepeltje was blijven kleven, af te -likken en in te zwelgen, totdat hij eindelijk daarmeê klaar was. - -„En nu het verhaal?” vroeg hij. - -„Kom hier op den divan bij mij zitten, Gulpie,” zeide zij. „Ik zal je -alles vertellen.” - -Zij nam evenwel de kartonnen doos met zich, en zette die in hare -nabijheid op den divan neder. Toen nam zij naast van Gulpendam plaats, -en sloeg de beenen kruiselings onder haar lijf, waarbij de bovenopening -der kabaja onbescheiden genoeg gaapte, om een blik te gunnen aan een -boezem, die nog schoone plastische vormen vertoonde, en nog wel -geschikt was, om zelfs een echtgenoot te boeien, ja, in vuur en vlam te -zetten. - -En nu verhaalde zij, dat ’Mbok Karjå haar in het diepste geheim -medegedeeld had, dat Lim Ho tot dolwordens toe verliefd was op baboe -Dalima en,—alsof zij dat niet reeds wist, voegde zij er met een -vreemden glimlach bij,—en, dat hij er alles, alles voor over had, om -het schoone meisje in zijn bezit te krijgen. De ontvoering van laatst -was daar het bewijs wel van, en het had den armen jongen wel gespeten, -dat hij toen zijn doel niet bereikt had. - -Dat verhaal geschiedde niet vloeiend, niet onafgebroken in eens. Neen, -de schoone Laurentia was artiste in het vak. Zij nam haren tijd -behoorlijk waar, en wist de noodige nuanceering aan te brengen, hier en -daar van eenige schuchtere terughouding te doen blijken, dan weer eene -vrijheid van uitdrukking te betrachten, die het hartstochtelijke, ja -het onkiesche vrij wel nabij kwam. Zij manoeuvreerde zoo, dat het slot -van het verhaal, hetwelk met eene schildering van den hartstochtelijken -Chinees tegenover de bekoorlijkheden van de lieve Dalima als met een -vuurwerkbouquet eindigde, op het verbeide oogenblik plaats had. - -Van Gulpendam had eerst met alle aandacht zitten luisteren. Dat sterk -gekleurde verhaal had hem geboeid. Maar,... was ’t het mixtum -compositum, hetwelk hij geslikt had, dat begon te werken? Of was het de -fraaie gezichtseinder, welke hem de kabaja-opening der schoone -Laurentia bood, die zijne aantrekkingskracht op hem uitoefende? Of -waren andere machten in het spel? Want de sluwe vrouw had vele streken -op haar kompas. Bij haar was het verleidelijke niet altijd gelegen in -hetgeen zij uitsprak; wel meestal in hetgeen zij behendig weerhield, in -hetgeen zij met een schier niet waar te nemen gebaar te kennen gaf, in -het gesluierde van een oogknipje, in de nevengedachte van eene -pruilende beweging der lippen, in de beteekenis van een glimlach, die -dien der engelen in naïeviteit kon evenaren. Hoe het ook zij, waaraan -ook toe te schrijven, aan een dezer beweegkrachten of aan den invloed -van allen te zamen, zooveel is zeker, dat bij de bewerking hoofd en -hart van den ambtenaar met behendige hand gekneed werden. Genoeg zij -het te weten, dat hij, na eerst kalm en aandachtig toegeluisterd te -hebben, zichtbaar onrustig werd; dat hij zachtkens naar zijne -levensgezellin toeschoof. Toen hij haar zoo dicht mogelijk genaderd -was, vleidde hij zich streelend tegen dat schoon gevormde lichaam, -leunde met het hoofd op haren schouder, verborg het gelaat onder hare -weelderige donkere krullen, snoof met kracht en met wellust den -bloemengeur, waarmede zij doortrokken waren, daaruit op, en sloeg zijn -arm om de aanvallige leest, die hem als het ware daartoe uitnoodigde. -In één woord, hij was geheel en al hartstocht, geheel en al in -lichtenlaaie opgegaan, toen zij haar verhaal beëindigde met de woorden: - -„’Mbok Karjå,” zoo besloot zij haar verhaal, „heeft mijne hulp voor -haren beschermeling, voor den smachtend verliefde ingeroepen. Zij heeft -mij verzocht te pogen Dalima gunstig voor haren aanbidder te stemmen. -Als dankbaarheidsbetoon van den gelukkige, dien ik zou maken, heeft zij -mij dit aangeboden.” - -En bij die woorden opende Laurentia de kartonnen doos en haalde daaruit -een fraai bloedkoralen snoer, hetwelk eene groote rosette van -edelgesteente tot sluitstuk had. - -„Zie,” sprak zij, „die briljanten alleen zijn ruim tien duizend gulden -waard.” Zij sloeg zich het fraaie snoer om den blanken hals. De -prachtig roode koralen, met haren rooskleurigen weerschijn, deden -inderdaad de fijne huid, die zij tooiden, in hare bedwelmende -vleeschkleurige schakeering overheerlijk uitkomen. Het snoer slingerde -in bevallige bochten langs de welgevulde sleutelbeenderen, terwijl het -briljante sluitstuk tusschen de hartvormige uitsnijding van de kabaja -daalde, waar het zijne naaste omgeving met zijne schitterende -lichtstralen overtoog. - -Maar Van Gulpendam had thans geene oogen voor het juweel. Hij omvatte -het middel zijner echtvriendin hartstochtelijk met beide armen, klemde -haar onstuimig aan de borst, overdekte hare wangen, haar voorhoofd, -hare lippen, haren hals, de hartvormige uitsnijding met kussen, met -brandende kussen, en riep in de hoogste vervoering uit: - -„Je bent schoon, mijne Laurentia! Onvergelijkelijk schoon!” - -„De obat!... De obat!” juichte zij, terwijl zij haren echtgenoot met -hare schoone oogen diep in de zijne staarde, en hem als het ware -verslond. „Zie je wel! De obat!... Ditmaal heeft ’Mbok Karjå, zich -zelve overtroffen!... Zie je wel, Gulpie!... Zie je wel...” - -„Ja, mijn Laurtje!” kreet hij in vervoering! „Ja, de obat!... Ik voel -het. Ik steven met volle zeilen! Klaar bij het anker!... Betoel, -betoel! (inderdaad) Hari ontong!” - - - - - - - -VII. - -EEN VERRADERLIJK DÈSA-GENOOT. - - -Op een twaalftal palen [46] afstands, ten zuidoosten van Santjoemeh, -lag in een schilderachtig, heuvelachtig terrein, hetwelk veelvuldige, -maar vooral liefelijke afwisselingen voor het oog aanbood, de dèsa -Kaligaweh, te midden van een uitgestrekt klapperbosch, dat er een -breeden smaragdkrans om sloeg, en met de wuivende bladerentakken, welke -van eene nabij gelegen hoogte gezien, eene machtige guirlande van groen -vormden, die zich, onder den invloed der zachte bries, als van -grasgroen kantwerk vervaardigd, vertoonde. - -Die klapper-aanplant vormde als het ware den voorhof van de dèsa; want -zij zelve lag verscholen in een waar boschje van ooftboomen, waarin de -heerlijkste „manga’s,” de lekkerste „ramboetan’s,” de rinschste -„assam’s,” de saprijkste „bliembieng’s,” de geurigste „djeroek’s” en de -meest verfrisschende „djamboe’s” [47] en nog zooveel andere gaven van -de intertropische Pomona, in vele verscheidenheden vertegenwoordigd -waren. Hier en daar stoffeerde struikgewas als ware sierplanten de -ruimten tusschen de hutten en de boomen en vervulden de -„katja-piring’s,” de „kembang mantega,” de „melattie’s,” de -„poekoel-ampat,” de „kemoening,” de „kembang spatoe,” de „patra -kombala” [48] en zooveel andere bloemsoorten, de lucht met hare -liefelijke geuren, of streelden het oog met hare schitterende, maar -aangename verscheidenheid van kleuren. - -De omheining zelve der dèsa bestond uit dichte rijen van bamboestoelen, -van die dikke en lange bamboe-betong- [49] soort, die zoo kostbaar -bouwmateriaal voor het Inlandsch huishouden oplevert, maar als -afsluitingsmiddel onverbeterlijk is met zijn lange en zware halmen, die -als het ware stam aan stam groeien, en hoog in de lucht onder de vracht -der loofpluim, welke zij te torsen hebben, bevallig overbuigen, en zoo -een heerlijk beschaduwd terrein leveren. - -Kaligaweh was geen groote dèsa. Een dertigtal hutten in de meest -schilderachtige wanorde in het vruchtboomenbosch verspreid, vormden de -eigenlijke kom der gemeente. De bewoners hielden zich voornamelijk -bezig met den rijstbouw, waartoe zich de dèsa-gronden uitstekend -leenden, en vruchtbare „sawah’s” (rijstvelden) amphitheatersgewijs -langs die heuvelhellingen vormden. In het lagere gedeelte dier gronden, -werden „tambakhs” (vischvijvers) aangetroffen, die „bandeng’s,” -„djampal’s”, „batak’s” „gaboes” [50] en meer anderen vischsoorten -opleverden, die door de Europeanen en Chineezen te Santjoemeh zeer -gewild waren, en derhalve goede prijzen opbrachten. De bewoners van -Kaligaweh zouden dan ook welvarend genoemd kunnen zijn, richtte een -hartstocht hare verwoestingen niet onder hen aan. Die hartstocht was de -opium, en die hartstocht ondermijnde niet alleen aller welvaart, maar -ook de gestellen van hen, die zich aan het gebruik van het -verderfelijke heulsap hadden overgegeven. Helaas, het moest erkend -worden, dat zeer weinig inwoners daaraan niet verslaafd waren. En toch -velen herinnerden zich zeer goed, dat vroeger van de geheele dèsa geen -enkele bewoner opium gebruikte. Hoe geheel anders was het thans! - -Het was ongeveer twaalf jaren geleden, toen een dèsagenoot, die in -zijne jeugd uitgeweken was, om elders een bestaan te vinden, te -Kaligaweh teruggekeerd was. - -Met dien man, die Singomengolo heette, maar in de wandeling Singo -genaamd werd, was de opiumramp over de vroeger zoo gelukkige dèsa -losgebroken. - -Singo was eerst in handen van wervers voor het leger gevallen. [51] -Door van zijn als Javaan aangeboren hartstocht voor het spel misbruik -te maken, door hem in de geheimenissen van de opiumgenietingen in te -wijden, was het die zielenverkoopers gelukt van een dommelend oogenblik -misbruik te maken, om hem zich voor zes jaren te laten verbinden. Het -handgeld hielpen die ellendelingen den bedrogene zoo spoedig mogelijk -in de opiumkit, in bordeelen, in speelhuizen, met hanengevechten -afhandig te maken. Toen was hij voor zes jaren soldaat. - -Toen dat tijdperk om was, verliet hij het leger, waarbij hij evenwel -geen onwaardig figuur gemaakt had, en trad als oppasser in dienst bij -een controleur van het binnenlandsch bestuur in een der -binnenafdeelingen van Java. In die betrekking ontwikkelde hij een zeker -talent bij het opsporen van politie-overtredingen, en erlangde den naam -van zeer geslepen te zijn. Als zoodanig trok hij de aandacht van den -gedelegeerde van den opiumpachter, die hem aanwierf voor de -pachtkongsi, welke na gebleken verdienstelijkheid, zich beijverde hem -eene aanstelling als „bandoelan” (opiumjager) van het hoofd van -gewestelijk bestuur te Santjoemeh te bezorgen. In die betrekking legde -hij zooveel sluwheid, zooveel vaardigheid aan den dag, dat hij niet -alleen bij het opsporen van smokkelopium uitmuntte, maar ook bij andere -voorkomende lichtschuwe zaken; zoodat hij bij babah Lim Yang Bing -weldra in blakende gunst stond. Die opiumpachter bezigde hem dan ook -bij voorkeur in die gevallen, waarin zijne sluwste acolijten te kort -schoten. Singo bewees vooral onschatbare diensten, door bij die -personen, welke op de een of andere wijs den pachter in den weg -stonden, steeds smokkelopium te vinden, al had de betrokkene nimmer -heulsap gezien. - -In het jaar 1874 bewerkte babah Lim Yang Bing, natuurlijk door macht -van geld, dat het aantal opiumkitten in het pachtdistrict Santjoemeh -met een tiental vermeerderd werd. [52] Onder de rampzalige dèsa’s, die -door het Nederlandsche bestuur met zoo’n pest vergiftigd werden, -behoorde ook Kaligaweh. Maar... tusschen het oprichten van zoo’n -opiumhol en dat rendeerend te maken, gaapte voor het oogenblik eene -wijde kloof, die noodzakelijk aangevuld moest worden. Althans zoo -begreep het de pachter. Wel was er eene kit verrezen,—zoo smerig -mogelijk, om aan de traditiën van zoo’n hol getrouw te blijven,—wel -prijkte boven de deur een groot zwart houten bord, waarop met -duidelijke witte letters: opiumverkoopplaats te lezen stond, welk -Nederlandsch woord daaronder in het Javaansch en in het Chineesch, met -de eigendommelijke karakters dier talen herhaald was; wel begunstigden -de twee Chineezen, die de kit exploiteerden, de voorbijgangers met -hunne innemendste glimlachjes, waarbij hunne gelaatstrekken met de -schuin staande oogen eene type van wulpsche gemeenheid daarstelden; -maar het was alles te vergeefs, de nieuw verrezen kit bleef verstoken -zelfs van een eerste bezoek. - -Babah Lim Yang Bing zag zeer goed in, dat zoo’n voorbeeld aanstekelijk -was. Het was toch opmerkelijk, hoe welvarend niet alleen Kaligaweh was, -maar het geheele onderdistrict, waartoe die dèsa behoorde, in -vergelijking met die streken, waar de opiumkitten bloeiden. Ook het -gezonde uiterlijk van hare bewoners, de stevige breede borstkassen, de -flinke gespierde armen en de open gelaatstrekken der mannen, de -bevallige ronding van heupen en schouders bij de vrouwen, hare -welgevulde wangen, waarop zich een blosje aangenaam baan brak door de -lieve bronskleur, staken merkbaar af bij de ziekelijke en de aschgrauwe -troniën der wandelende geraamten van de opiumschuivers, die elders -aangetroffen werden. Maar, wat vooral de aandacht van den geslepen -opiumpachter niet ontging, waren de rijke rijstvelden, die het geheele -district overdekten, en de daarin liggende dèsa’s met haar donkergroen -loof der vruchtboomen, liefelijk als eilandjes in eene zee van zacht -getint lichtgroen, omvatten, wanneer het graan opschietende was en de -frissche halmen aan de geheele omgeving helderheid en levendigheid -bijzetten; of die dèsa’s als in goud omklonken hielden, wanneer de -gulden aren, gerijpt door de keerkringszon, in den oogsttijd het zware -hoofd bogen en onder den drang van een speelsch windje golfden, en met -hare regelmatig op- en neergaande beweging aan eene goudgele deining -gelijk, het ontworpen beeld van eilanden te midden van den Oceaan nog -treffender maakte. - -In welk seizoen en van welken kant men destijds de dèsa Kaligaweh ook -naderde, steeds getuigden de sawah’s van goed verrichten arbeid, zoowel -bij de diepgrondbewerking van de velden als bij het onderhoud en het -doelmatig periodiek verleggen der „galangan’s” (dijkjes) [53]. De -gevolgen daarvan waren—de lezer vernam het reeds—een welvaart, die -scherp afstak bij het kommervol bestaan, dat in naburige streken -gesleten werd. - -Daaraan moest een einde gemaakt worden. Niet alleen dat die welvaart -wegens het voorbeeld een doorn in het oog van babah Lim Yang Bing was; -maar met het hebzuchtig karakter zijnen landaard eigen, wenschte hij -zich een groot deel der gegoedheid van de eenvoudige bewoners toe te -eigenen. Wij zagen het evenwel, zijne pogingen met de „petjandon” -(opiumkit) hadden weinig of geen gevolg. Maar, dat zou, dat moest -anders worden! - -Op zekeren dag—het was in den vollen oogsttijd [54]—keerde de -bevolking, mannen en vrouwen, jongelingen en meisjes, bij het vallen -van den avond van de velden terug, waar de vrouwen ijverig de ani-ani -(snoeimesjes) gehanteerd hadden, om de rijpe aren halm voor halm af te -snijden, en de mannen vlijtig bezig geweest waren met het overnemen der -„potjongs” (bosjes) van de snijdsters, om die tot „gedeng’s” (grootere -bossen) saam te binden. Op aller gelaat was vergenoegdheid te lezen; -want de oogst was toch overvloedig geweest, geen „ama’s” (plagen) -hadden het gewas geteisterd, zoodat de sawahbezitters vele pikols -product konden opschuren, en de „bawon” (snijloon in natura) voor de -helpers rijkelijk mocht genoemd worden. Dat was reeds eene verklaarbare -reden van vreugde en opgewondenheid, welke dien voor de Javanen zoo -feestvollen dag kenmerkte. - -„Pottong paddie” (rijstsnijden, rijstoogst) is inderdaad een echt -nationale feestdag voor de landbouwende bevolking van het schoone Java, -een dag van vreugde, van meerder beteekenis voor die primitieve -gemoederen, dan alle Mohammedaansche vieringen te zamen. Het is dan -voor haar eene ware kermis. [55] In bonte massa’s komen de vrouwen en -de meisjes op het veld; menig hart begint daar voor het eerst van -minnevuur te kloppen, menige liefdes-intrigue komt daar tot stand, -menig jawoord wordt daar gelispeld. De geheele omgeving in die dichte -graanvelden leent zich toch tot afzondering en daardoor tot dartel -minnespel. En.... valt het niet te ontkennen, dat bij zoo’n gelegenheid -hier en daar eene onbewaakte onschuld ondergaat; wordt ook al een offer -op het altaar van Lucina geplengd, zoo mag daarbij ook niet verzwegen -worden, dat bij dat oogsten menige band ontstaat, die later door den -„panghoeloe” (priester) vaster gestrengeld en gesloten wordt, ook dat -de gevolgen nimmer tot zoo huiveringwekkende misdaden voert, als in -meer verfijnde maatschappijen voorvallen. - -Toen de vroolijke bende paddiesnijdsters en snijders de dèsa naderde, -klonken haar de opwekkende tonen van de „gamelan” [56] tegen. Men keek -elkander verbaasd, maar toch met verrukten blik aan. Niemand wist -uitsluitsel te geven, aan wien men die attentie te danken had. - -Maar op de „aloon aloon” [57] aangekomen, zag men daar onder de -prachtige Wariengienboomen, die dat dorpspleintje omgaven en heerlijk -beschaduwden, twee loodsen opgeslagen, die beiden met Nederlandsche -vlaggen getooid waren, en waarvan de eene thans nog hermetisch gesloten -was. In de andere evenwel waren op den achtergrond de muzikanten met -gekruiste beenen op den grond bij hunne instrumenten gezeten, en deden -hunne bekkens luid en rythmisch weerklinken. De voorgrond der loods was -ledig; maar die was vrij wel verlicht, terwijl de bodem daar gelijk -gemaakt en met fijn zand bestrooid was. Een luid gejuich ging op het -gezicht daarvan onder de oogstvierders op; want zij bevroedden, dat zij -op meer genot dan op een eenvoudig concert vergast zouden worden. - -Singo, die door babah Lim Yang Bing met uitgebreide volmacht naar -Kaligaweh afgevaardigd was, stond in de nabijheid van de gamelan tegen -een der bamboestijlen, die het dak der loods torsten, geleund, en -knipte een oogje tegen de aankomenden, die voor het meerendeel tot -zijne kennissen behoorden, en hem met een juichenden groet -verwelkomden. - -De mesjes, de stroobanden, die tot het binden der bossen moesten -dienen, de rijstbossen zelven waren spoedig opgeborgen, zoo ook de -„toedoeng’s” en „bakoel’s”, die tot schaduwrijke hoofdbedekking gediend -hadden bij den arbeid in het volle zonlicht op de sawah’s; en weldra -vulde de geheele bevolking het pleintje voor de muziekloods, en hurkte -stoeiend en dartelend op het mollige grastapeet neder. - -Het Oog des dags was intusschen in het westen ondergegaan. Enkele -sterren flonkerden hoog boven in de donkerblauwe lucht met zachten -glans, terwijl de maan, die bijna vol was, als een bloedroode bol boven -den horizon gestegen was, en tusschen de takken en bladeren der -Wariengiens door scheen, en de grilligste schaduwvormen op de menigte -wierp. Rondom de loofkruinen beschreven ontelbare „kamprits” een -doolhof van onuitwarbare wendingen en bogen, en stieten daarbij hunnen -scherpen maar kort afgebroken gil uit; terwijl hoog daarboven ettelijke -„kalongs” [58] al krijschende in geheimzinnige kringen rondvlogen, als -zochten zij de saprijkste vruchten uit, waarop zij straks in dien rijk -voorzienen gaard zouden neervallen. - -Toen allen gezeten waren, gaf Singomengolo aan de artisten een teeken, -en daar weerklonk de gamelan met vol orchest en vulde het pleintje met -hare welluidende tonen. - -„Bôgirô! bôgirô!” juichten de vroolijksten van de toeschouwers. - -En inderdaad, dat eerste stuk, dat daar ten gehoore gebracht werd, kon -het best met eene westersche ouverture vergeleken worden, waaraan al de -instrumenten, waaruit het Javaansche orchest bestond, deelnamen. Vol en -oorverdoovend klonken soms de bekkens, maar gingen bij wijlen in -solopartijen over, die liefelijk het oor streelden. Zichtbaar waren de -muzikanten in de beste stemming, en smaakten dan ook het genoegen aller -aandacht te boeien, hetgeen hun bewezen werd door de diepe stilte, die -onder de jolige menigte heerschte. - -Bij de slotakkoorden evenwel werden allen rumoerig, terwijl, toen de -bekkens zwegen, een onmetelijk gejuich zich verhief, dat de verrukking -der toehoorders moest beduiden en voor handgeklap, bij Oosterlingen -ongebruikelijk, moest gelden. - -Singomengolo, geholpen door een paar handlangers, ook door de beide -Chineezen, houders der opiumkit, bood aan de notabelen „rôkô’s” -(sigaren in bladeren gewikkeld) aan, terwijl bij de vrouwelijke -voorname toeschouwsters „goelali” en „kwee kwee” (suikerwerk en -gebakjes) rondgediend werden. In den omtrek der beide loodsen stonden -eenige „warong’s” (kraampjes), waar de minder voorname gemeente haren -snoeplust kon voldoen. Een daverend gejuich ging op, toen de belusten -van de venters en ventsters vernamen, dat die lekkernijen kosteloos te -verkrijgen waren, dat men die vrijgevigheid aan Singo te danken had, -die zoo zijn terugkeer in zijne geboorteplaats wenschte te vieren. Des -milden gevers hand werd allerwege hartelijk gedrukt. De verlokker -verzweeg evenwel wijselijk, dat de tabak, waaruit de rôkô’s gerold -waren, met een aftreksel van opium gedrenkt was; ook dat het sap van de -„sedap malam” [59] gediend had bij de bereiding der gebakjes en andere -lekkernijen. Een ieder liet zich de versnaperingen goed smaken, en had -een woord van dank voor den milden Singomengolo. - -Op een wenk van dezen laatste entonneerde de gamelan weder. Een ieder -hernam zijne plaats en met uitbundig gejuich werden de eerste -muziektonen begroet. - -„Taroe Polo! Taroe Polo!” klonk het uit veler mond. - -Allen schonken de meeste aandacht aan de voordracht. Maar, hoewel ieder -dèsa-bewoner het motief, of beter het verhaal kende, waarop de artisten -klankrijk borduurden, luisterde men toch in menigen groep gaarne naar -den een of anderen oude van dagen, die de legende verhaalde, welke daar -door de muziek onder tonen gebracht werd. De Javaansche muziek toch is -de vertolking, de belichaming, de rythmeering van de zoo ontelbare -sprookjes, verhalen en legenden in die streken. Zij is er een -integreerend deel van, zooals de toonbuiging der stem en de gebaren dat -bij rederijkers-voordrachten zijn. De legende van Taroe Polo was een -der meest boeiende, en derhalve uiterst geschikt om de gemoederen voor -liefelijke gewaarwordingen toegankelijk te maken. Zacht, maar toch -verstaanbaar klonk de stem van den verhaler tusschen de muziektonen: - -Taroe Polo was een jong vorst, die, eens op de jacht zijnde, in het -dichte tropische woud een ouden en half vervallen „kraton” (vorstelijk -verblijf), welks bestaan niemand zelfs vermoedde, vond. In weerwil van -de dichte wildernis, die den bouwval omgaf, drong hij er in door, en -vond in een der menigvuldige vertrekken, dat gespaard en zeer goed -onderhouden was, eene wonderschoone vorstin, die door een stoet van -jeugdige vrouwelijke bedienden omgeven was, die wel niet met hare -gebiedster in schoonheid wedijveren konden, maar toch als toonbeelden -van vrouwelijke bevalligheid konden gelden. De vorstin was eene -koningsdochter, die daar in dat eenzame oord door eene wreede moeder -geplaatst was, omdat deze haar wenschte uit te huwelijken aan eenen -bejaarden, maar machtigen vorst, dien zij zelve voor hare dochter -uitverkoren had. Pangerang (prins) Taroe Polo voelde bij den eersten -aanblik der schoone kluizenaarster de liefde zijn hart binnensluipen. -Hij draalde geen oogenblik om haar daarvan bekentenis te doen. Hoor, -hoe de kleine „pernakh-an gedang” en de „gambang” [60] met hare zachte -zilvertonen de gevoelens van den jeugdigen vorst vertolken. Luister, -hoe hare geluiden zuiver, rein weerklinkend, bidden, smeeken, terwijl -de jongeling voor de schoone neerhurkt. De lieve maagd was volstrekt -niet ongevoelig voor die uitingen van genegenheid, van liefde. Haar -boezem zwol, zuchten braken zich baan; dat vertelt de „soelieng” -(fluit) met hare smachtende tonen genoegzaam. Haar gevoel werd evenwel -in bedwang gehouden door hare omgeving, die, geheel op de hand harer -moeder, deze innig verkleefd was. Zij kon zich derhalve slechts -stokkend, met kort afgebroken woorden, ja met enkele lettergrepen -uitdrukken. Dat geven de tonen der „tjemplong” (liggende harp) -duidelijk aan. Met zachtheid en list wist zij evenwel hare -gezelschapsdames voor een oogenblik te verwijderen. En toen dat gelukt -was, barstte een concert van hartstochtelijke juichtonen van de beide -verliefden los, die door de „rebab,” de „gender,” [61] de soelieng en -de tjemplong weergegeven worden. Na alzoo hunne wederzijdsche gevoelens -betuigd te hebben, kwam het verliefde paar tot de overtuiging, dat er -aan het vermurwen der heerschzuchtige moeder van de lieve schoone niet -te denken viel, dat de omgeving der vorstin onomkoopbaar was, en dat -niets overbleef, dan naar het gebergte te vluchten. - -De aanminnige maagd aarzelde evenwel, hare schuchterheid deed haar voor -dien uitersten stap terugdeinzen. Maar de smeekbeden van Taroe Polo, nu -eens smachtend als het suizend windje, dat door de Wariengien-kruinen -ritselt, dan weer hartstochtelijk als de orkaan, die zijne boeien -slaakt en loeiend over de velden giert, bracht haar aan het wankelen. -Haar eigen hart bestormde haar, hare liefde deed zich gelden en -behaalde eene volledige overwinning op hare besluiteloosheid, maar het -was vooral de vrees, dat hare moeder van hare liefde voor Taroe Polo -kennis zou dragen, die den doorslag gaf. Met blooden, neergeslagen -blik, maar met een bekoorlijken glimlach viel zij in de armen van haren -minnaar, en ijlde met hem de blauwe bergen, die in het verschiet lagen, -te gemoet. - -Het geheele Javaansche orchest viert dien luisterrijken uitslag en -duidt met bekkenslag in versnelde tijdmaat de rapheid der vlucht van -het jeugdige paar aan; om ten slotte met eene zachte maar toch -genotvolle jammerklacht van de schoone prinses, en met eenen -uitbundigen jubelkreet door den verliefden prins, bij de overwinning -geslaakt, te eindigen. - -Ademloos zat de geheele bevolking van Kaligaweh nog te luisteren, -terwijl de laatste klanken der gamelan zachtvloeiend in de verte -wegstierven. - -De maan was intusschen hooger gestegen, had bij die stijging zijne -bloedroode kleur verloren, en gluurde thans nieuwsgierig over en door -de Wariengien-kruinen op die landelijke aloon-aloon, alwaar zij allen, -die daar zaten, met haar zilverlicht overgoot. - -Middelerwijl was ook de tweede loods geopend geworden, en zag men daar -een groep mannen, op den grond gehurkt, ijverig Chineesche speelkaarten -hanteeren. - -De Javaan is een dobbelaar in zijn hart. Het spel is zijn grootste -hartstocht, ja de moeder van alle anderen, die wellicht niet gevaarlijk -voor hem zouden zijn, wanneer die eerste niet opgewekt werd. - -Al dadelijk stonden ettelijke mannen op, om aan het verleidelijke spel -deel te gaan nemen; terwijl anderen, die nog meer van de gamelan en van -de topeng, [62] die ook gegeven zoude worden, wilden genieten, aan -Singo en diens handlangers andermaal van die rôkô’s vroegen, die hen -zoo heerlijk gesmaakt hadden. Ook de vrouwtjes waren erg belust op de -lekkere rijstgebakjes, die haar aangeboden waren, en gaven te verstaan, -dat een duplikaatje van die lekkernijen niet onwelkom zoude zijn. -Maar...., daar wachtten hen de sluwe suppoosten van babah Lim Yang -Bing. Met een innemenden glimlach werd beduid, dat de voorraad, die tot -geschenken bestemd werd, verstrekt was; terwijl tevens te kennen werd -gegeven, dat die rôkô’s en die kwee-kwee bij de warongs te krijgen -zouden zijn. Men keek elkander aan. Bij de warongs! Ja, maar daarbij -werd nu kontant geld gevorderd; en.... al waren de bewoners van -Kaligaweh welvarend te noemen, van het slijk der aarde was onder hen -niet veel te vinden. - -Singomengolo raadde hunne gedachten, en wees met een duivelachtig -gebaar naar het geopende speelhol. - -„Daar waren „doeit” (duiten), „katip’s” (dubbeltjes), „stalie’s” -(kwartjes), „roepiah’s” en „ringgiet’s” (guldens en rijksdaalders) voor -de gelukkigen te krijgen,” grinnikte hij. - -Dat was olie in het vuur geworpen. - -„Maar om te spelen, is geld tot inzet noodig,” meende een der -omstanders. - -„En de gesneden paddie dan?” vroeg de verleider met eenen -duivelen-lach. - -Daar ging voor de menigte een licht op. Dat zij zoo iets had kunnen -vergeten! - -„Zal die paddie in betaling aangenomen worden?” - -„Ja, zeker. En voor den vollen marktprijs ook!” antwoordde de -verleider. „En”, liet hij er verlokkend op volgen, „dat het heden hari -ontong is, kunt gij daar zien. Kijk Kromomidjo eens de ringgiets laten -klinken!” - -En, waarlijk daar stond een der dèsabewoners te tandakken (dansen) en -te springen van vreugde, terwijl hij in de op elkaar gehouden -handholten drie rijksdaalders liet rinkelen. - -Drie rijksdaalders! Dat was op zijn minst het loon voor een halve maand -arbeidens! En die waren in weinige oogenblikken gewonnen! Er behoorde -maar wat stoutmoedigheid toe. De fortuin was wel te bestormen! Zoo -verzekerde althans de rampzalige, die in de loos gespannen netten -verstrikt was. - -Maar.... was het achterdocht, of was het voorzichtigheid? Nog niet veel -bossen paddi vonden hun weg naar de speelloods. Maar,.... daar maakten -èn Kaseran en Wongsowidjojo èn Kamidin, èn Sidin, èn zoo veel anderen -dezelfde gebaren als zoo even Kromomidjo. Ook zij tandakten en gilden -van de pret, en lieten aan de verzamelde dèsa-bewoners, de eene twee, -de andere vijf, de derde zeven en zelfs een tien gulden zien, die zij -in een ommezien gewonnen hadden. Waarlijk, Singomengolo, was een brave -vriend, die zijne dèsa-genooten kwam gelukkig maken, door hen te -leeren, gauw en gemakkelijk geld te verdienen! - -Toen was er geen houden meer aan. Al ras zat de geheele speelloods vol, -en waren daar vele groepjes, die het blinde geluk tartten, terwijl -buiten de gamelan weerklonk en de krijschende stemmen der „ronggeng’s” -[63] vernomen werden. - -Maar de houders der speelloods waren sluwe kerels. Neen, zij mochten de -bevolking van Kaligaweh bij zoo’n eerste proef niet afschrikken. Neen, -slechts een zeer klein gedeelte van den oogst was in hunne handen -overgegaan; want, sloeg men de gelukkige en opgewekte gezichten der -spelers gade, dan was het duidelijk, dat daar niet veel verliezers -onder schuilden, en werden die ook al aangetroffen, dan waren het -slechts dezulken, die een klein verlies wel dragen konden. Waarlijk, de -croupiers maakten geene zaken dien dag; hoewel zij slim genoeg er voor -zorgden, nu de indruk gegeven was, dat hun verlies niet buitengewoon -was; zoodat de rijksdaalders tot guldens, en de guldens tot kwartjes in -de handen der spelers bij het op en neergaan van het geluk geslonken -waren. Maar toch wonnen de spelers nog genoeg, om vroolijk en opgeruimd -te zijn. - -Eindelijk, toen het middernachtsuur bij de „gardoe” (wachthuis) van het -dèsa-hoofd op de „tongtong” (hollen blok) weerklonken had, verklaarden -de spelbazen, dat zij wenschten te eindigen; omdat het voor hen eene -ware „malam tjelaka” (ongeluks-nacht) was. En werkelijk de kaarten -werden opgeborgen en de lichten uitgeblazen. - -Maar, terwijl men zich nu nog bij de gamelan een poos verlustigde, werd -de zucht voor de lekkere rôkô’s andermaal gaande. Hiermede maakten de -waronghouders goede zaken, en daar die ook al weer acolijten van babah -Lim Yang Bing waren, keerden de bij het spel prijsgegeven gelden -gedeeltelijk in den zak der kongsie terug, zoodat de opoffering niet te -groot was. - -Eindelijk was de voorraad van die lekkere stroosigaartjes, die toch al -niet te groot genomen was, uitgeput. Toen verwezen Singo en zijne -handlangers met eenen onbeschrijfelijken gemeenen grijnslach de -belusten naar de opiumkit, waar volgens hunne verzekering veel -lekkerder waar te genieten was. Daar troonden inmiddels de ronggengs op -de „baleh-baleh’s” (rustbanken) voor het oog van een ieder, kneedden -met bevallige vingeren de balletjes madat, en wierpen vurig verlokkende -blikken op, en richtten menig ontuchtig gebaar tot de arme -slachtoffers, die, hunkerend voor de deur van dat heillooze hol stonden -te turen, maar nog aarzelden om binnen te treden. - -Helaas, voor enkelen was de verlokking te sterk! Opgewonden door het -gift, dat reeds met volle teugen ingezwolgen was, verlokt door de -uitnoodiging tot wellust van die schoone jeugdige vrouwen, bezweek al -ras de eene voor en de andere na. En hoewel dien eersten avond niet -alle hokjes van de opiumkit bezet werden, zoo hadden de Chineezen, die -haar bestuurden, alle redenen van tevredenheid. [64] - -Babah Lim Yang Bing prevelde dan ook binnen’smonds toen hij dien -uitslag vernam: - -„Een onbetaalbare kerel, die Singomengolo, dien ik in waarde moet -houden!” - - - - - - - -VIII. - -EENE DÈSA IN VERVAL, PAK ARDJAN’S ARRESTATIE. - - -Die aanvankelijk niet ongunstig uitgevallen proef werd stelselmatig -voortgezet, en avond op avond weerklonk het zoo verleidelijk -gamelanspel op de aloon-aloon van Kaligaweh, en herhaalden zich de -geschetste verlokkingen. Zoo iets kostte babah Lim Yang Bing in den -beginne eenig geld. Maar dat zoude èn rente èn kapitaal wel opbrengen. -Het duurde dan ook zoo heel lang niet, of het werd minder noodzakelijk -de dobbelaars te laten winnen. Gebeurde dat nog, dan was het nog maar -een enkele maal, om de hoop op winst niet verloren te doen gaan. -Integendeel, de spelers begonnen al meer en meer te verliezen, en de -eene bos paddie voor en de andere na ging in handen van de spelbazen -over, die, het moet erkend worden, royale prijzen besteedden en het -product zelfs tegen sommen boven den marktprijs overnamen. - -Maar niet alleen was de speelwoede in Kaligaweh in lichtenlaaie -losgebroken, het opiumverbruik nam ten gevolge van het menschonteerende -verleidingsstelsel hand over hand toe, en zes maanden waren -ternauwernood verstreken, toen erkend moest worden, helaas! dat een -zeer groot gedeelte der bevolking tot het opiumschuiven was overgegaan. -De pachters toch hadden krachtige bondgenooten aangetroffen in de -vrouwen, [65] die al zeer spoedig den invloed bespeurden, welke het -amfioenrooken op hare echtgenooten uitoefende, en zij waren het, die de -rampzaligen op het pad des verderfs, in plaats van hen te weerhouden, -daarop voortstuwden. - -Toch was de heillooze uitwerking van het vergift zoo dadelijk niet waar -te nemen. Neen, die vijand werkte in het donker, langzaam, uiterst -langzaam, maar zeker. O, in den beginne was het verbruik van opium zoo -gering. Een paar „mata’s” [66] daags, nog niet eens die hoeveelheid, -waren voor die oorspronkelijke lieden, aan de werking van het gift niet -gewoon, voldoende om de zalige rust, den heerlijken slaap met zijne -betooverende droomen van overschoone en wulpsche hoerie’s, waarmede de -Profeet Mohammed zijn paradijs bevolkt heeft, te genieten. Het dubbel -aantal mata’s verschafte de grootste opgewektheid, de hoogst -opgezweepte natuurdrift. En die zaligheid, dat genot was bij den -opiumpachter te koop tegen slechts veertien cent per mata [67]. -Waarlijk, het was te geefs! - -Maar... maar, volstond de schuiver aanvankelijk met die geringe -hoeveelheid, die toch reeds eene bres in zijn bescheiden budget -veroorzaakte, omdat die uitgave vrij geregeld wederkeerde; -langzamerhand gewende het gestel van de rampzaligen er aan, zoodat die -hoeveelheid grooter genomen moest worden, om de verlangde uitwerking te -erlangen. Vond een enkele beluste bevrediging, wanneer hij slechts nu -en dan, bijvoorbeeld eens in de week de „bedoedan” (opiumpijp) ter hand -nam, helaas, naarmate de zenuwen aan den prikkel gewenden, werd de -behoefte daaraan grooter, en zoo waren er reeds verscheidenen aan te -wijzen, die, wanneer de werking van het narcoticum opgehouden had, -loom, naargeestig, zenuwachtig, ongeduldig waren, en zich derhalve -hoogst ongelukkig gevoelden. Geen ander middel bestond daartegen dan om -de bedoedan weer ter hand te nemen, het verdoovingsmiddel andermaal in -te zwelgen, waardoor ze eindelijk bijna zonder tusschenpoozen van den -eenen zwijmel in den anderen overgingen [68]. - -Dat daarbij de stoffelijke welvaart der dèsa-bewoners onvermijdelijk te -gronde ging, wie zal dat betwijfelen? Niet alleen de uitgaven voor de -zoo verleidelijke opiumballetjes overschreden reeds de draagkracht van -menigeen; maar ook de opgewekte sexueele driften eischten bevrediging, -en verslonden het laatste spoor van gegoedheid. Daarenboven was de lust -tot arbeiden—toch al niet groot in een tropisch land—gestoord, ja -vernietigd. Werkte het heulsap niet, dan was de schuiver een lodderig, -vadzig, lui, slaperig wezen; geheel onbekwaam tot de geringste -inspanning, waarin dan de levensvonk slechts aangeblazen kon worden -door eene vernieuwde overprikkeling door het schandelijke middel. - -Daarbij werden de hygiënische verhoudingen bij de bevolking van -Kaligaweh dermate geschokt, dat die den meest gewonen opmerker moesten -in het oog vallen. Werd de dèsa toch, hetgeen slechts uiterst zeldzaam -geschiedde, door blanken bezocht, dan bespeurde die, wanneer zij die -streken vroeger doorreisd en het gezonde en krachtige uiterlijk der -bevolking bewonderd hadden, thans in het tijdperk, waarin het verhaal -handelt, mannen en vrouwen, die door hun ellendig voorkomen hunne -meewarigheid wel gaande moesten maken. - -O, daarin was zich niet te vergissen. Zij hadden daar slachtoffers van -den opium-hartstocht voor zich. Die grauwbleeke gezichten, waarop de -Oostersche bronstint niet meer te herkennen was; die saamgeschrompelde -huid, die het uiterlijk vertoonde van perkament, hetwelk zonder te -verschroeien aan eene overgroote hitte was blootgesteld geweest; die -hoekige gelaatstrekken, welke het hoofd op een afzichtelijk bekkeneel -deden gelijken; die fletse blikken van de diep ingezonken oogen met -donkerblauw omkringd; die gebogen gestalten en die ingedoken -borstkassen; die wonderbaarlijke vermagering van het bovenrif, welke -veroorloofde de ribben te tellen en eene gedachte aan doorzichtigheid -deed opwellen, want de specimina, die ontwaard werden, hadden -ternauwernood een vod, een ellendig stuk „kahin” (kleedingstuk) om de -lendenen geslagen, ten einde hunne naaktheid te bedekken; dat -vreeselijk kuchen, hetwelk vernomen werd, en diep uit de holte -klinkende van eene beklemde borst en van aangetaste longen sprak, en -het geheele rif akelig deed wankelen en schudden; die spillebeentjes, -zoo dun, zoo mager, welke het geheel bijna niet meer vermochten te -dragen, dat alles stelde het stereotype beeld daar van het verguisde -pronkstuk der schepping, en stempelde zich tot herkenningsmerk, tot -onwraakbare getuige van het langdurig lijden, van de onafzienbare -ellende, die daar doorstaan waren, en waardoor die lichamen gesloopt -werden. - -Toen Singomengolo de dèsa, waar hij het levenslicht aanschouwde, maar -waar hij als dankbaarheidsbetuiging de vreeselijkste hartstochten -achtergelaten had, later terugzag, mochten zijne lippen zich waarlijk -bij het doortrekken van het district tot een duivelenlach omkrullen. Al -wat hij daar waarnam: die met mos en onkruid overdekte klapperboomen -om, en die andere verwaarloosde ooftboomen in de dèsa, die in het -geheel niet onderhouden galangan’s en waterleidingen der sawah’s, die -slecht bewerkte velden, die weinige buffels, welker vermagerd en -ziekelijk voorkomen van onvoldoende verzorging spraken, dat alles was -zijn werk! Hij was de schuld, dat bij den oogst het product schamel en -schraal uitviel. Hij was de schuld, dat die armzalige oogst, nog voor -dat de ani-ani, haar werk verrichtte, reeds vervreemd was. Hij was de -schuld, dat kleederen, huisraad en akkergereedschap voor spotprijzen -verpand werden, en in de kolk van den volksramp verdwenen. - -Maar babah Lim Yang Bing, de opiumpachter en zijne vrienden Ong Sing -Beh en Kouw Thang, de pachters van het pandjes- en van het speelhuis te -Kaligaweh, maakten goede, zeer goede zaken, en door zulke luisterrijke -tusschenkomst voer de Nederlandsche schatkist er ook goed bij, althans -in vergelijking met vroeger, toen die drie middelen, zoo als de -Nederlanders die bronnen van geldschrapen noemen, in die dèsa weinig of -niets aan den fiscus, dien onverzadelijken Moloch, opbrachten. Vroolijk -en lustig zou dan ook Neêrlands vlag in den wind hebben moeten wapperen -en fier en trotsch zou het Nederlandsche wapen met het virile „Je -Maintiendrai” hebben moeten prijken boven dat opiumhol, boven dat -pandjeshol, boven dat speelhol, welke als aangebedene Drievuldigheid, -tot eenheid van doel voerden van het meest volmaakte -uitzuigingsstelsel, waarmede een rampzalig overheerd volk bedeeld is -kunnen worden! - -Onder de ellendige verdwaasden, die in den put vielen voor hen -gegraven, behoorde Pak Ardjan, de vader van den gewezen djoeroemoedie -van den schoenerbrik Kiem Ping Hin, die vroeger een gegoed Javaansch -landbouwer, bezitter van een span krachtige „kebo’s” (buffels) mocht -heeten, in betrekkelijken korten tijd have en goed verschoven, -verdobbeld en verbrast en zijn gezin in een poel van de afzichtelijkste -ellende gedompeld had. - -Waar was het vriendelijke huisje gebleven met zijne goudgele omwanding -van plat uitgespreide bamboehalmen, met zijn donkerbruin dak van -„nipah-atap” (bladerenbedekking), dat huisje waarin Pak Ardjan vroeger, -met vrouw en kinderen, zijne dagen zoo genoegelijk sleet, en de -toekomst met zooveel vertrouwen te gemoet zag? - -Helaas! de hut, die het rampzalige gezin thans betrok, was klein, laag, -bedompt en hoogst vervallen. In het eenige vertrek, waaruit zij -bestond, heerschte eene onaangename muffe lucht, die door in bederf -overgaande bamboe gewoonlijk verspreid wordt. Een blik op de schamele -omwanding, die aan het benedengedeelte verrot, overigens half vergaan -en door de „boeboek” (snuitkevertjes) aangetast was; een blik op het -dak, hetwelk, door het vergaan der bamboe-dwarslatten, akelig doorboog -en overigens in stof verviel; een blik op de bamboe-baleh-baleh, het -eenige meubel aanwezig, liet geen twijfel over van waar die bedompte -lucht kwam. Op de morsige matjes, die den nog morsiger bodem bedekten, -krioelden de kinderen spiernaakt rond, terwijl de moeder en ook de -vader, als hij te huis was, in lompen gehuld, die nooit gewasschen -werden, en door het langdurig gebruik het lichaam aan flarden -verlieten, op den bodem gehurkt, met verglaasden en dom uitzienden blik -dat schouwspel aanstaarden. - -Aanstaarden! Ja, als het turen van den machinalen blik zoo mag geheeten -worden. Want de vader had van den rampvollen toestand zijn’s gezins -geen besef meer! De ontzettende zelfzucht, die door het opiumverbruik -ontwikkeld wordt, de steeds grooter wordende onverschilligheid omtrent -zijne geheele omgeving, tot zelfs omtrent vrouw en kinderen toe, de -hand over hand toenemende gemakzucht en de afkeer van iederen arbeid, -van elke zorg, van elke inspanning, die den opiumschuiver beheerscht, -waardoor hij ten laatste dag en nacht aan niets anders denkt dan aan de -voldoening van zijn hoofdhartstocht en de nevenlusten daarvan, waaraan -alles rondom hem ten dienste moet staan, benevelde zijn oog, en maakte -hem aan den rand van den afgrond stekeblind. - -Verkeerde hij in den lethargischen staat, door het gematigd opiumrooken -voortgebracht, dan was hij rustig, dan was hij tevreden, dan dommelde -en droomde hij, en bouwde voor zich alleen een paradijs op, waarin -slechts wulpsche beelden zijn geest en oog verrukten. Had hij de -opiumhoeveelheid vermeerderd en het volgend stadium van waanzin -bereikt, dan, ongeacht de tegenwoordigheid zijner kinderen, vervolgde -hij zijne vrouw, die hem alsdan als eene hoeri van het paradijs -verscheen, met de schandelijkste handtastelijkheden; dan hadden er in -die hut, op welk uur van den dag of den nacht ook, omhelzingen en -handelingen plaats, die voor het oog van die onschuldige kleinen hadden -moeten gesluierd worden. Helaas! de man was dan aan een dier gelijk, -onbekwaam om zijne hartstochten te kunnen breidelen. - -Was het paroxysme bereikt, begon de werking van het vreeselijke gift te -bedaren, dan verviel de ellendeling in een staat van vernietiging die -voor hem, maar nog meer voor zijne geheele omgeving een kelk van lijden -was. Want dan begon de schuiver te beven, dan kwam zijn geheel -zenuwstel in beroering, dan spookten allerlei vreeselijke beelden hem -door het hoofd, dan was hij ongedurig en angstig, dan voelde hij pijn -door het geheele lichaam, dan was hij het sterven nabij, zoo verzekerde -hij met onaangenaam en zuchtend geklaag, en dan was er slechts één -middel om hem uit dien onduldbaren toestand te helpen, dat was -andermaal de opiumpijp ter hand te nemen, om de kwaal door het vergift -te bestrijden. - -En dan moest de vrouw uit om tjandoe te koopen. Van waar zij het geld -vandaan haalde, moest zij maar weten. - -En dan moest een kind de madatballetjes kneden en rollen; een ander de -lamp verzorgen, bij dat rooken onontbeerlijk, en de pijp stoppen; een -ander sterke koffie zetten, meestal afkomstig van diefstal uit de -gouvernementstuinen. En als dat alles niet altijd door armoede mogelijk -was, zelfs als dat voor het ongeduld van den zenuwlijder niet vlug -genoeg in zijn werk ging, dan vervulde hij die rampzalige hut met -kermen en klagen, met schelden en verwijtingen, waarmede hij allen -radeloos en diep neerslachtig maakte. - -In zoo’n midden was Ardjan opgegroeid, en hoewel hij nog niet zoo -verdorven als zijn vader was, zoo hadden zijne ziel en hart in het zoo -ontvangbare tijdperk der jeugd indrukken opgedaan, die het mogelijk -maakten, dat hij in dienst van een smokkelvaartuig getreden was, en dat -hij gevoelens omtrent zijne verplichtingen jegens de kongsie, die hem -bij hare misdadige handelingen bezigde, aan den dag legde, zooals hij -in de djaga monjet bij Moeara Tjatjing tegenover Lim Ho den zoon van -Lim Yang Bing, den opiumpachter van Santjoemeh verkondigde. - -Zoolang Ardjan, de oudste zoon van het rampzalige gezin, klein was, was -dat gezin in de meest dierlijke ellende gedompeld gebleven. Toen deze -evenwel, na eerst een korten tijd als matroos aan boord van een -gouvernementskruisboot gediend te hebben, eene plaats aan boord van den -schoener Kiem Ping Hin verwierf, braken andere dagen aan, vooral toen -Ardjan, door zijn van nature helder verstand geholpen, tot djoeroemoedi -opklom. Hij kwam toch toen in de gelegenheid, om in aanraking met de -lading van het vaartuig te komen en van eene waar, als opium is, was -geene groote hoeveelheid noodig, om reeds voor een betrekkelijke groote -waarde weg te kunnen moffelen; terwijl zijne opvattingen omtrent het -mijn en het dijn hem daartoe ook verlokten. Het ontvreemde heulsap -leverde hij aan zijn vader af, die zoo niet alleen zijnen hartstocht -ten volle bot kon vieren, maar door het van de hand zetten van het -overige gedeelte nog al winst maakte, die evenwel, wel verre van het -huisgezin ten goede te komen, in de grootste ongebondenheid werd -verteerd. - -Zoo was de stand van zaken, toen de resident Van Gulpendam den -opiumpachter den wenk gaf, dat Pak Ardjan als een erge opiumsmokkelaar -bij de politie aangeteekend stond. - -Uit het bovenstaande valt te ontwaren, dat die bewering van het hoofd -van gewestelijk bestuur waarheid bevatte; want sedert lang was de -opiumpolitie den onverlaat op het spoor, zonder hem te kunnen snappen. -Zoolang trouwens Ardjan aan boord van de Kiem Ping Hin diende, was daar -nimmer een ernstige poging toe gedaan. - -Ook was het waar, wat de resident aan den opiumpachter medegedeeld had, -dat Pak Ardjan, onkundig van de verdenking, die op zijn zoon geworpen -was, van de door de politie aangehaalde opium aan wal gebracht te -hebben, Lim Ho aangeklaagd had wegens de vreeselijke mishandeling, die -de Javaan ondergaan had. De oude opiumschuiver had dat niet gedaan, uit -deernis met zijn zoon, ook niet omdat hij de mishandeling wreken wilde, -nog minder uit een gevoel van recht, dat hem zoude aangespoord hebben -om den euveldader zijne verdiende straf te bezorgen. Neen. Kort voor -zijn wedervaren bij Moeara Tjatjing, had Ardjan bij zijn vader eenige -katie’s opium bezorgd. Zoolang die voorraad duurde, zou hij zich om de -mishandeling zijn’s zoons niet bekommerd hebben; maar toen die slonk, -begon hij voor de toekomst te vreezen, vooral toen zijn zoon het -verblijf in het hospitaal met dat in de boeien verwisselde. Met zijn -versuft brein had hij gedacht de invrijheidstelling van Ardjan te -kunnen bespoedigen, door een klacht tegen Lim Ho in te dienen. Die raad -was hem door een pleitbezorger gegeven, die in een geding met den -rijken zoon van den nog rijkeren opiumpachter eene goudader meende -ontdekt te hebben. Die klacht werd bij den landraad ingediend, en de -voorloopige dagvaardingen dientengevolge beteekend. - -Den jeugdigen rechter Van Nerekool werd het onderzoek van die zaak door -Mr. Zuidhoorn opgedragen, en vol vertrouwen om in de eerste plaats aan -de eischen van zijn rechtsgevoel te voldoen, en den onverlaat, die zich -zoo eene mishandeling veroorloofde, aan den wrekenden arm der justitie -over te leveren, maar ook om zijne belofte aan Anna, de schoone dochter -van den resident Van Gulpendam, gegeven, na te komen, namelijk om den -verloofde van baboe Dalima te redden, had deze die zaak aanvaard, en -meende haar tot een goed einde te kunnen brengen. - -Maar op een namiddag,—de zon stond nog hoog aan den hemel,—had Pak -Ardjan zijn voorraad smokkelopium, die hij in een blikken trommel -verstopt, in een eenzaam naburig ravijn diep in den grond, onder een -dikke laag rolsteenen verborgen had, gaan bezoeken, en bevonden dat -helaas! hoogstens nog maar een paar taël over waren. Hij nam die mede -naar huis; want hij had eenige toezeggingen aan opiumschuivers gedaan, -waaraan hij voldoen wilde. Het gold goede klanten, die ruim betaalden. - -Maar nauwelijks te huis gekomen, hoorde hij van zijne kinderen, dat -Singomengolo in de dèsa verschenen was, ook dat die naar hem gevraagd -had. Hoewel die verschijning, en ook die vraag, hem nu wel niet vreemd -voorkwamen, zoo bekroop hem toch een onverklaarbaar gevoel van onrust, -dat hem aandreef, om zijne smokkelwaar te verheimelijken. Ware hij in -normalen toestand geweest, dan ware hij, terwijl hij nog niet ontdekt -was, omgekeerd, om de opium weer in het ravijn op te bergen. Maar hij -begon zich loom te gevoelen, zijne zenuwen speelden hem parten, zijn -denkvermogen raakte in de war; in één woord, hij was het stadium nabij, -dat hij weer eene overprikkeling van het heillooze narcoticum noodig -had. Hij had nog even den tijd om een paar mata’s van zijn voorraad -voor eigen gebruik af te zonderen, waarna hij het overige in een -nipahblad wikkelde, en het tusschen de atappen van de dakbedekking der -schamele hut inschoof en zoo verborg. Toen hij daarmede klaar was, -begon het lieve leven, en moest het geheele huisgezin op de been, om -hem bij zijn vreeselijken opiumhartstocht ter wille te zijn. - -Maar, terwijl hij op de baleh-baleh uitgestrekt lag en ternauwernood -aan zijne derde pijp bezig was, zoodat hij nog niet geheel onder den -invloed van het papaverproduct verkeerde, verscheen Singomengolo, -vergezeld van een viertal politieoppassers en van de Chineezen van de -opiumkit, op den drempel der deur. De opiumjager begreep dadelijk, wat -er gaande was, hoewel Pak Ardjan terstond opgevlogen was, en met eene -zekere behendigheid de opiumpijp onder het smerige hoofdkussen, dat op -de baleh-baleh onmisbaar behoorde, geborgen had, en twee zijner -kinderen, het eene de „palita” (lampje) onder de rustbank verstopt had, -en het andere den voorraad opium verheimelijkte. De weeachtige zoete -lucht, die evenwel in het bedompte vertrek heerschte, kon niemand, wel -het allerminst een bandoelan, zoo geslepen als de vertrouweling des -pachters was, misleiden. - -„Hier is opium gerookt,” sprak deze norsch, terwijl hij met zijne -handlangers het huis binnendrong. - -„Neen, waarachtig niet,” stamelde Pak Ardjan geheel van zijn stuk, -terwijl zijne vrouw met de kinderen als eene kudde vreesachtige schapen -in een hoek van het vertrek samenschoolden. - -„Bezet de deur en de ramen,” beval Singo aan de dienaren der politie. - -En zich tot Pak Ardjan wendende, herhaalde hij: - -„Hier is opium gerookt!” - -„Neen, waarachtig niet!” - -„En hier is de pijp!” sprak de opiumjager triomfeerend; terwijl hij het -corpus delicti van onder het hoofdkussen te voorschijn haalde. „Hier is -de pijp; zij is nog warm.” - -Pak Ardjan, toch al niet op zijn gemak, was bij dat bewijs geheel -vernietigd. - -„Waar is de opium?” vroeg Singomengolo barsch. - -Geen antwoord. - -„O, wij zullen haar wel vinden!” ging hij met akeligen glimlach op de -lippen voort. - -Hij gaf een teeken aan de beide Chineezen en aan de politiedienaren, -welke deuren en ramen niet in het oog te houden hadden. En nu begon, -door hem voorgegaan, een nasporing,—eene jacht mag zij wel genoemd -worden,—waarvan het verhaal ongeloofelijk moge schijnen, maar die -helaas! toch zoo dikwerf plaats vindt. [69] - -Onder de baleh-baleh, onder de matjes, die den grond bedekten, werd -gezocht; in den bodem, die den vloer der hut uitmaakte, werd gewroet; -onder de „dapoer” en in de asch van dat primitieve kooktoestel werd -getast; hoofdkussens met verdachte kapok-klonters werden opengesneden, -en den inhoud over den vloer verspreid; de weinige kisten en „kapèk” -(sluitmanden), die aangetroffen waren, werden geopend, en de lompen, -die zij bevatten, uitgeschud en verachtelijk neergesmeten, het -armoedige huisraad, de weinige potten en pannen, de rijstketel, het -tombokhblok, de „bakoel’s”, (rijstmanden), tot de sirihdoos toe, werden -doorsnuffeld; maar niets, niets werd gevonden. - -Singomengolo was vertoornd. Nu gelastte hij de visitatie aan den lijve. -Eerst werd Pak Ardjan gegrepen en, toen hij zich verzette, werd hem -onder het toedienen van een groot aantal vuistslagen, de smerige -vodden, die hij droeg, van het lijf gescheurd, en weldra stond hij daar -met zijne afzichtelijke magerheid spiernaakt voor zijn gezin. Onder den -aandrang van dat kiesche gevoel, hetwelk zelfs den meest verdorvene -blijft beheerschen, hurkte hij jammerend neder, om zijne naaktheid voor -zijne kinderen te dekken. Toen was het de beurt van de vrouw en de -kinderen, waaronder meisjes van 7 tot 14 jaren. Met de grootste -zedeloosheid gingen hier de onverlaten te werk, en volvoerden de -gruwelijkste aanrakingen, de gemeenste betastingen. Noch het kinderlijk -gevoel ten opzichte der moeder, noch de onschuld der jeugd kon hen -weerhouden; zij zochten en wroetten met wulpschen vinger, terwijl hunne -lippen nog met beestachtigen kortswijl de magerheid der „prawan’s” -(maagden) bespotten. Het was een afzichtelijk tafereel, dat daar onder -het oog der politie geschiedde, ja met hare medewerking volvoerd werd; -want èn de bandoelans èn de politieoppassers wedijverden met de -Chineezen in ontuchtige handelingen. - -De kinderen schreiden, de meisjes zuchtten, en de moeder gilde onder -die behandeling; maar niets mocht baten. Maar eindelijk, bij een nog -losbandiger gebaar, door een der politieagenten gepleegd, waarbij de -oudste dochter, de lieve Sarina, een meisje van veertien jaren, haar -sarong ontviel, en zij een kreet van schrik slaakte, sprong Pak Ardjan -woedend overeind, vloog op den lafhartigen wellusteling aan, trok hem -den sabel uit de scheede, en begon den onverlaat een paar houwen toe te -deelen, die dezen noodzaakten, onder het uiten vaneen akelig jammerend -gehuil, het tooneel zijner heldendaden te verlaten. - -Maar helaas! de tot radeloosheid getergde vader, wiens dolle woede hem -blind voor hetgeen thans rondom hem voorviel, maakte, en wiens -uitgeteerde arm geene inspanning van eenigen duur kon verleenen, was -dadelijk gegrepen en ontwapend, alvorens hij verder nog ter verdediging -van zijn zoo gehoond gezin kon optreden. Hij werd gruwelijk gekneveld. -Met de meest verfijnde wreedheid werden hem de enkels aan elkander -gebonden, waarbij men hem het stekelige gemoetoetouw tusschen de teenen -doorreeg, hetgeen bij iedere beweging van den ongelukkige afgrijselijke -smarten veroorzaakte. Om hem verder onschadelijk te maken, werden hem -de handboeien aangelegd. Maar, daar de braceletten van dat werktuig van -barbaarsch geweld veel te veel ruimte aanboden, en de zeer vermagerde -polsen slechts gebrekkig en onvoldoende omsloten, werden zij met wiggen -aangevuld, die in der haast van een paar stukjes brandhout gesneden, en -tusschen den ijzeren band en den arm ingedreven werden, hetgeen den -ongelukkigen zulke onduldbare pijnen veroorzaakte, dat hij in een -klagend gehuil uitbarstte, dat veel van dat van een zieltogend dier weg -had. - -Maar nu de opium? De opium? Die was tot nu toe niet gevonden! - -Singomengolo krabde zich achter het oor. Het geval was netelig. - -Wat zou de Kandjeng toean residèn aangaan! Maar.... om dien lachte hij. -Och, die zou bulderen, blaffen, maar zich zorgvuldig van bijten -onthouden. - -Wat zou echter babah Lim Yang Bing zeggen? Zou die zijn ijver niet -verdenken? - -En, als de „soerat soerat kabar” (nieuwsbladen) aan het praten gingen! -En dat zouden die neuswijzige papieren zeker doen. Daaromtrent was geen -twijfel te koesteren. En, als dan de „toean toean rakkers” (de heeren -rechters) kennis van de zaak namen! Ja, dat kon reeds niet anders. Pak -Ardjan had zich gewapenderhand en geweldadig tegen de politie, en nog -wel tegen de opiumpolitie, verzet, een vergrijp dat niet verzwegen kon -blijven, dat bovendien door de „Blanda’s” (Hollanders) ten rechte zwaar -gestraft werd. Maar dan zou ook uitkomen, dat hij huiszoeking gedaan, -en daarbij niets gevonden had! Dan zou wellicht nog meer te berde -komen! Men was toch „terlaloe korang adjar” (te gemeen) met de meisjes -omgesprongen... En de toean toean rakkers waren zoo nieuwsgierig! Die -zouden dat wel te weten komen! - -O, dat toch opium gevonden ware! Of beter, dat hij zijne voorzorgen -maar goed genomen had!... Dan... - -„En toch,” zoo mompelde hij, terwijl zijne oogen met arendsblikken de -schamele hut doorzochten, „de inlichtingen waren zoo nauwkeurig -mogelijk. Ik moest wachten totdat Pak Ardjan van de „Djoerang-Tjatjing” -(het wormen-ravijn) terugkeerde, dan... Maar, het ware misschien -verstandiger geweest, hem in dat ravijn te overvallen?... Maar... neen, -neen; dan zou hij hebben kunnen beweren, dat hij die opium gevonden -had. En die heeren rechters zijn zoo lichtgeloovig en zoo aarzelend om -straf op te leggen... Neen, neen... die opium moest bij Pak Ardjan aan -huis gevonden worden! Dan eerst was er een aanneembaar bewijs van -schuld aanwezig!... Maar, dat is zij niet, niets gevonden... Eh, èh... -wat is dat?”... - -En met een sprongetje was Singomengolo in den hoek van het vertrek, -waar hij eene doorbuiging in de atappen zag. Het was, alsof die nog -kort geleden een weinig verschoven waren; en eene minder donker getinte -streep lieten ontwaren, die aanduidde, dat de nipahblâren daar niet -onmiddellijk aan den invloed van den rook, welke bij gebrek aan een -schoorsteen, bij keukenbedrijvigheid het geheele vertrek vulde, hadden -bloot gestaan. De bandoelan bracht de hand tusschen de atappen, tastte -en zocht een oogenblik, en eindigde met twee pakjes te voorschijn te -brengen. Hij opende die haastig, en stiet een triomfkreet uit. Het was -de opium, die Pak Ardjan kort voor het huisbezoek daar geborgen had. - -„Loe djoesta, bangsat!” (je loogt, schurk), voegde de opiumjager den -rampzaligen Javaan toe, terwijl hij hem daarbij met de vlakke hand voor -de tanden sloeg, dat het bloed uit de lippen van den mishandelde -parelde. - -Maar deze sprak geen woord. - -Toen de buitgemaakte opium behoorlijk door getuigen bezichtigd was, -werd de betrapte overtreder in eene smerige „tandoe” (draagzetel) -geworpen, die door ettelijke dèsa-bewoners, tot dien dienst geprest, -gedragen werd, en zoo, behoorlijk geëscorteerd en bewaakt, naar de -gevangenis van Santjoemeh overgebracht. - -Weinige dagen later was eene aanklacht door den resident Van Gulpendam -bij den landraad te Santjoemeh ingediend omtrent Pak Ardjan, die -beschuldigd was van opiumsmokkelarij, en van gewapend verzet tegen de -politie, waarbij een der dienaren bij de uitoefening van zijn plicht -ernstig gewond was. - -Toen Mr. Zuidhoorn, de voorzitter van dien raad, die beschuldiging las, -kon hij een bitteren glimlach niet verbergen. - -„Het is walgelijk! walgelijk!” mompelde hij. - - - - - - - -IX. - -KUIPERIJEN.—EEN VRIENDEN-DRIETAL. - - -Toen Lim Ho van zijn vader, babah Lim Yang Bing, de gevangenneming van -Pak Ardjan, zijn aanklager wegens de Kamadoog-mishandeling bij den -landraad, en de omstandigheden, waaronder zij plaats gevonden had, -vernam, grinnikte hij van genoegen. - -„Die is al vast van de baan geknikkerd,” dacht hij. „Bij een eenigszins -verstandige behandeling van zaken is die veroordeeld, en de duivel weet -waarheen gezonden, alvorens de opiumsmokkel-perkara van Moeara Tjatjing -aan de beurt gebracht zal zijn. Die gevaarlijke getuige is dan weg.” - -Hij verviel in diep gepeins. - -Drommels, hij had een kostbaar kleinood aan de „njonja” (mevrouw) van -den resident laten aanbieden, en had daarvoor slechts ternauwernood de -ijle toezegging gekregen, dat zij trachten zou, het meisje gunstig voor -hem te stemmen. - -„Betoel, njonja mahal!” [70] (Waarachtig, het is eene dure mevrouw) -grinnikte hij. „Bij Kong! wat zal hare daadwerkelijke hulp wel kosten, -wanneer ik die bij weigering van het meisje zou noodig hebben? Astaga! -dat zal naar geld ruiken!” - -Maar de gevangenneming van Pak Ardjan gaf aan zijne gedachten eenen -zekeren loop. - -„Neen, het meisje is niet te winnen, daar ben ik zeker van; die haat -mij te zeer! Maar, dat is het juist, wat haar voor mij zoo -aantrekkelijk maakt. Zij is mooi, zij is lief, dat’s waar; maar daar -zijn zoo vele mooie en lieve prawan’s in de dèsa’s.... Dat is flauwe, -bekende kost!.... Die weerspannige deern voor mijn wil te doen -bukken;.... haar, die mij verfoeit, met mijne kussen te kunnen -overdekken;.... in de armen van haar, die mij veracht, de hoogste -wellust te genieten;.... om haar daarna, naar lichaam en ziel verlept -en verflenst, te kunnen wegtrappen,.... ziet.... dat is de „sambal”, -(gepeperde toespijs) die ik bij mijn verlangen naar haar najaag! En bij -Kong! Aan dat verlangen zal ik bot vieren! Hoe? Dat weet ik nog niet. -Met list of met geweld? Om het even; als het noodig zal zijn, met -beiden tegelijk!” - -Zoo prevelde hij, terwijl hij op de weelderige kussens van eene fraai -bewerkte rottanbank in het ouderlijke huis uitgestrekt lag met de lange -Chineesche pijp in den mond, waaruit hij de heerlijkste tabak, die het -Hemelsche Rijk oplevert, rookte. - -„Met list?”.... zoo ging hij, na een paar halen gedaan te hebben, bij -zich zelven voort. „Met list?.... Wat staat mij het meest in den weg? -De wil van het jonge meisje. Ja, maar die zal wel te buigen zijn, -wanneer de gelegenheid zich zal aanbieden.... Dat zal desnoods de taak -van het geweld zijn. Maar,.... wie staat mij nog meer in den weg? De -njonja resident, bij wie zij als baboe in dienst is? Neen, van die heb -ik, als het er op aan komt, hulp te verwachten, vooral, wanneer ik....” - -En hierbij volvoerde de aterling de eigenaardige beweging der -Chineezen, wanneer zij geld tellen, welke daarin bestaat, dat zij met -ieder gebaar het eene hoopje muntstukken, goudgeld, guldens of -rijksdaalders, regelmatig, zonder dat het eene stuk iets meer of iets -minder over het andere geschoven is, naast het andere uitstrijken, -zonder ooit eene enkele munt te veel of te weinig neer te leggen. - -„Is er niemand anders, die mij in den weg staat?....” ging hij voort. -„Ardjan, haar verloofde? Ja, maar die zijn zaak is gezond. Hij zit in -de stadsboeien, en is beschuldigd van een paar pikols opium binnen -gesmokkeld te hebben. Lang voor dat dit proces uitgewezen is, en hij -zijn straf zal uitgezeten hebben, moet het feit voltrokken zijn; dan -moet Dalima de mijne geweest zijn! Daarna?.... Och, dan.... dan denk ik -niet meer aan haar. De vraag zal dan zijn, welk lief bekje mij verder -boeien zal? Dus.... Ardjan is ook niet te vreezen. En wanneer die uit -de boeien komt, zal de kongsie wel raad met hem weten!.... Blijft nog -over Setrosmito, Dalima’s vader.... O, die ellendige Javaan heeft mij -met zijn kris gedreigd, toen ik hem vijf honderd ringgiets voor de -onschuld zijner dochter bood.... Dat moet ik hem nog betaald zetten! -Maar hoe?.... O, een denkbeeld!.... Die gevangenneming van Pak Ardjan -is zoo van een leien dakje geloopen. Als Setrosmito ook zoo in de val -kon raken; al ware het maar voor weinige weken....” - -En opspringende van de bank, snelde hij naar eene kleine gong, die op -een fraai voetstuk van kostbaar Chineesch aardewerk, rijk met slangen -en krokodillen en relief voorzien, bij een pilaar stond, greep daar een -ebbenhouten stokje in den vorm van een krokodillenkop, dat zinnebeeld -van Ngoh, den Watergod, [71] gesneden, en deed daarmede een paar slagen -op het klankrijke metalen instrument. Onmiddellijk daarop trad een -zwierig gekleede Javaansche bediende binnen, die tot bij de rustbank -naderde, daar neerhurkte, het plat zijner handen op het voorhoofd -bracht, het hoofd boog en zoo zijn „sembah” (groet) eerbiedig bracht. - -„Zou Singomengolo te Santjoemeh zijn, Drono? vroeg Lim Ho. - -„Ik heb hem heden ochtend nog gezien, babah,” antwoordde Drono, terwijl -hij zijn sembah herhaalde. - -„Loop hem dan onmiddellijk zoeken. Hij zal wel in de nabijheid der -opiumkit zwerven. Ik moet hem dadelijk spreken.” - -„Saja, babah,” antwoordde de Javaan, terwijl hij een paar passen al -hurkende achteruitschoof, toen opstond en steeds front naar den Chinees -makende, achteruitstapte, en zoo door de fraai gebeeldhouwde deur van -het vertrek verdween. - -„Slechts voor weinige weken....” zoo ging Lim Ho met zijnen -gedachtengang voort. „En in dien tijd, zou de gelegenheid wel gevonden -worden, om de lieve Dalima te lokken.... O!... daarbij zou de njonja -resident zeer behulpzaam kunnen zijn. Maar, dat zal duur worden!... Om -het even, geld is er genoeg!” - -En bij die gedachte sprong hij andermaal op om de gong te doen klinken. -Toen een ander Javaan verscheen, vroeg hij: - -„Is Drono al weg?” - -„Nog niet, babah,” was het antwoord, „maar hij is op het punt te -vertrekken.” - -„Loop dan gauw en roep hem hier!” was het bevel. - -Een oogenblik later trad Lim Ho’s getrouwe voor hem. - -„Begeef u, voor gij Singo gaat zoeken, naar het huis van ’Mbok Karjå, -en zeg haar, dat ik haar oogenblikkelijk wensch te spreken.” - -„Saja, babah,” was het antwoord, vergezeld van den onafscheidelijken -sembah. - -„Maar, dadelijk, dadelijk!” sprak Lim Ho ongeduldig. - -„Saja, babah.” - -’Mbok Karjå betrad daags daarna het residentiehuis en verzocht bij de -„njonja besar” (de groote mevrouw) toegelaten te worden. Dat geschiedde -terstond; want het was in de ochtenduren, en de schoone Laurentia had -haar „spen” (dispens) reeds verzorgd, en de benoodigdheden aan „kokkie” -(kokkin) uitgegeven, en hield zich juist onledig met na die bezigheden -haar ochtendkabaja tegen een fijnen baptisten, met rijk gewerkte -entre-deux gefestonneerd, te verwisselen. Voor die oude „doekoen” -(kwakzalfster) had zij trouwens nimmer belet. Zij ontving haar steeds, -wanneer het mogelijk was, op ieder uur van den dag. - -„Tabeh, njonja;” zei de oude vrouw op dien slependen toon, der -Javaansche onderdanigheid zoo eigen, terwijl zij aan de voeten der -Europeesche dame nederhurkte. - -„Tabeh nènèh,” antwoordde Laurentia. - -„Heeft de obat van laatst goed gewerkt?” vroeg het akelige wijf om het -gesprek te beginnen. - -„Overheerlijk nèh! Ge moet me daarvan een goeden voorraad geven.” - -„Ik heb daar al aan gedacht, njonja; maar de ingrediënten zijn zoo -moeielijk te krijgen. Zij zijn zoo duur.” - -De njonja greep een beursje, dat in haar werkmandje lag en stopte de -oude een paar rijksdaalders in de hand. - -„Ziedaar, om die ingrediënten aan te schaffen. Zorg er maar goed voor.” - -Het oude wijf knoopte al grinnikend de geldstukken in den punt van een -smerigen zakdoek, waaraan reeds een bos sleutels bengelde, en beloofde -dat de njonja tevreden zou zijn. - -Daarna begon ’Mbok Karjå over sienjo Leo te babbelen en uit te weiden, -„wat voor schalksch ventje dat was. Als het kind op straat wandelde, -dan keek iedereen het aanvallig schepseltje na. Misschien wierp dan de -een of ander ook wel een blik toe aan de baboe, die het jongetje -vergezelde. Want, het moest erkend worden, dat baboe Dalima schoon, -zeer schoon was. De njonja moest dat lieve meisje zoo niet laten gaan -wandelen. Zij was te mooi, en er waren altijd menschen geneigd, om de -onschuld te verderven. Dat wist de njonja ook wel. En het zou zoo -jammer zijn, wanneer die lieve meid in verkeerde handen viel. Er was -zooveel geld met haar te verdienen!” - -Zoo ratelde de oude voort. En zoo verhaalde zij met horten en stooten, -dat de hartstocht van Lim Ho voor het schoone meisje steeds -aanwakkerde, en dat hij al meer en meer genegen was, groote -opofferingen voor haar bezit te doen. - -De oogen van de hebzuchtige Europeesche vrouw glinsterden. ’Mbok Karjå -zag met sluwen blik, dat zij alles wagen kon. Voorover gebogen, maar -toch met den loerenden blik op Laurentia gevestigd, fluisterde zij een -poos, en scheen daarbij al de aandacht harer toehoorster te boeien; -want deze verloor blijkbaar geen woord, en bewoog herhaalde malen het -schoone hoofd als teeken van toestemming op en neer. Toen de nènèh hare -mededeeling geëindigd had, antwoordde mevrouw Van Gulpendam niet -dadelijk, maar dacht, zoo het scheen, ernstig na. Eindelijk sprak zij: - -„Boleh; tapeh.... mentega sama ikan!” - -Bij het eerste woord: boleh, dat: „het kan, het is uitvoerbaar” -beteekent, was er eene glinstering in het fletsche oog van het oude -wijf verschenen. Bij het overige gedeelte van de uitdrukking der njonja -teekende haar blik verbazing. En inderdaad, die Nederlandsche -uitdrukking, welke als would be geestigheid vaak, woordelijk in het -Maleisch vertaald, gehoord wordt, ontsnapte aan haar begrip. - -„Mentega sama ikan?” vroeg zij aarzelend. - -„Ja zeker, „boter bij den visch!”” herhaalde mevrouw Van Gulpendam in -het Maleisch. „Versta je dat niet, nènèh? Kontant, ’Mbok! kontant! Met -beloften laat ik mij niet afschepen!” - -„Tobat!” (Ach) zuchtte de oude, terwijl zij een doosje uit de plooien -van den band te voorschijn haalde, die haren sarong om de oude -verwelkte lendenen gesloten hield, en het de njonja aanbood. - -Daarin waren een paar kostbare gouden „kraboe’s” (oorknoppen) van -Chineesch maaksel, die van diamanten fonkelden. - -„Is dat alles?” vroeg mevrouw Van Gulpendam met een minachtenden -glimlach. - -„Zij zijn kostbaar,” mompelde het oude wijf. - -Maar de residentsvrouw schudde ongeduldig het hoofd. „Lim Ho heeft -gezegd, dat hij de njonja in persoon zijne dankbaarheid zou komen -betuigen, wanneer de zaak gelukt was.” - -Laurentia lachte hoonend. - -„Wanneer de zaak gelukt was!” herhaalde zij. „Het is wat moois!.... -Neen, ik wil den babah niet zien.” - -„Maar, njonja....” - -„Geen woord meer. Daar, neem die „kraboe’s” maar weer meê.” - -„Maar, wat moet ik Lim Ho zeggen?” vroeg ’Mbok Karjå. - -„Wat ge wilt, nèh!” - -„Maar, njonja....” - -„Geen woord meer daarover, ’Mbok. Zorg nu maar, dat ge me eene flinke -provisie van die obat brengt.” - -„Tobat!....” zuchtte het wijf. „Heeft de njonja anders niets?” - -„Neen.” - -„Ik heb anders thuis nog een partijtje juweelen, kraboe’s, -„tjientjing’s” (ringen).” - -„Neen... neen... nèh...; maar toch als ge soms „gelang’s” (armbanden) -weet?” - -„Gelang’s, njonja?... Welke?” - -„Gouden, natuurlijk, nèh... Ik heb er laatst gezien, de dochter van den -Majoor-Chinees had ze aan. O, zoo fraaie. Fijn geschubde slangen, van -„maas toewa” (oud goud), die zich drie of vier malen om den pols -wikkelden; daarbij oogen van briljanten, terwijl zij in den mond een -rosé-achtigen diamant hadden... kijk, zoo dik!” - -En de njonja vertoonde het boveneinde van haren pink. - -De oude ’Mbok Karjå verslond als het ware, de woorden die zij hoorde. - -„Als ik zoo een paar gelang’s kon koopen,” ging de njonja voort, „voor -die zou ik nog wat over hebben, er zou voor u ook wat te verdienen -zijn.” - -Dat laatste werd zeer achteloos gezegd, hoewel de schoone Laurentia de -oude vrouw met een enkelen blik als doorboorde. - -„Saja, njonja,” antwoordde deze, terwijl zij opkrabbelde. „Tabeh -njonja!” - -„Tabeh nèh!” - -Een half uur later stootte Lim Ho een ijselijken vloek uit, en -herhaalde de uitdrukking van: njonja mahal! Maar zijn hartstocht was te -zeer opgezweept, om hem te doen terugdeinzen. Hij overhandigde den -volgenden dag met de reeds bekende kraboe’s ook de gewenschte gelang’s -aan ’Mbok Karjå. - - - -Alvorens met het verhaal, hetwelk ons bezig houdt, verder te gaan, zal -de lezer een nadere kennis moeten aangaan met Mr. Van Nerekool, den -jeugdigen rechtsgeleerde, wiens hulp door Anna van Gulpendam voor -Ardjan, den verloofde van Dalima, ingeroepen was. De gang van het -verhaal vervoerde ons tot nu; het is tijd om een blik achterwaarts te -werpen. - -Karel van Nerekool, was—wij weten het reeds—een flink, rijzig jongman -van ongeveer acht en twintig jaren, met een fraai besneden gelaat, dat -wel wat ernstig door een paar hel blonde bakkenbaarden omlijst werd, -terwijl het hoofd met eenen ietwat meer donkeren krullendos prijkte. -Hij had zijne rechtskundige studiën te Leiden, dat Nederlandsche -Athene, verricht. Maar, hoewel hij steeds zijne examina cum laude had -afgelegd, zoo moest hij toch in oogenblikken van openhartigheid -erkennen, dat hij niet die partij van zijne geestvermogens had -getrokken, welke met eenig recht er van verwacht hadden kunnen worden. -Zoowel op het gymnasium, dat hij bezocht had, als op de hoogeschool had -hij bekend gestaan als een gemakzuchtige ten opzichte zijner studiën, -die evenwel met betrekking tot andere zaken volgaarne uit het gareel -sprong, om door die doellooze fantaisie voortgedreven te worden, welke -reeds bij het kind en bij den jongeling een uitverkoren geest stempelt. -Hij hield dol veel van alles, wat hem niet aanbevolen werd, en -daaronder sorteerden in de eerste plaats: de muziek, dan de -teekenkunst, de schilderkunst en de natuur. Als kind reeds had hij om -die afwijking van het aanbevolene dikwijls moeten schoolblijven. Maar, -wat nood? Dat hinderde hem minder. Hij kroop dan in een hoek van het -schoollokaal en droomde. Destijds werd wel eens gemompeld, wanneer hij -dan daar zoo eenzelvig terneer zat met zijn blondgelokt hoofd naar -boven gekeerd, en met den blik in het onmetelijke blauwe hemelruim -verloren: „arme jongen! dat draait op borstziekte uit!” Maar die -voorspelling werd geloochenstraft; met hem gebeurde het als met zoovele -anderen, de gezondheid gewerd hem met het intreden der manbaarheid. - -Nog zeer jong zijnde, had hij zijn vader verloren. Boosaardige -lieden,—van die, welke steeds eene hatelijke nieuwsgierigheid aan den -dag leggen omtrent zaken, die hen niet raken,—beweerden dat die vader -nimmer bestaan had, of beter uitgedrukt, nimmer bekend was. Waarop zij -dat grondden? Och, op nietigheden, waarbij zelfs Karel’s familienaam te -pas gebracht werd, die, zoo werd beweerd, het omgekeerde van den waren -naam zoude zijn. Maar, wat kan zoo iets den lezer belangstelling -inboezemen, in een tijd, waarin Goddank, de mensch het recht van -bestaan alleen uit dat bestaan ontleent, en slechts waardeering geniet, -wanneer hij haar door kunde, talent en eerlijkheid verdient? Een -zoodanig wezen is in het bezit van de meest eervolle verwantschap der -wereld, namelijk die der weldenkende lieden. - -Zijne moeder had den naam gehad een vrij aardig vermogen te bezitten. -De studiën van den jongen man waren niet alleen uit ruime beurs -bekostigd, maar hij was ook in staat gesteld geweest, om aan de meest -prettige partijen der Leidsche studeerende jongelingschap deel te -kunnen nemen, en geen hunner kon er zich op beroemen, het: - - - Io vivat! Nostrorum sanitas! - - -met meer geestdrift voorgedragen, en daarbij steeds de zoo licht -kwetsbare regelen der meest verfijnde wellevendheid in het oog gehouden -te hebben. Toen evenwel die moeder bij het eindigen van den studietijd -plotseling kwam te overlijden, bleek het, dat het vermogen, welk zij -bezat, bitter klein was, ja dat zij alles voor en na te gelde gemaakt -had, om de studiën, enz. van haren Karel te bekostigen. De voogd, die -zich met de boedelbereddering onledig gehouden had, gaf den jongen man -den raad in dienst van de rechterlijke macht in Nederlandsch-Indië over -te gaan. Die wenk werd gevolgd. Na een schitterend eindexamen werd -Karel van Nerekool tot rechterlijk ambtenaar benoemd en ter beschikking -gesteld van den Gouverneur-Generaal. Te Batavia aangekomen, werd hij -gedurende een jaar ter hoofdplaats aangehouden, om de leden van het -Hoog Gerechtshof, die vooral met hunne facultatieve en verplichte, -alsook met hunne antérieure en postérieure revisiën zeer achterlijk -waren, in het bijwerken van dien achterstalligen achterstand, zooals de -uitdrukking luidde, behulpzaam te zijn. - -Dit gaf hem een goed doorzicht in den gang van zaken, de rechtspraak -ten opzichte der Inlanders betreffende; want de behandeling der -facultatieve revisiën van de vonnissen in zake van misdrijf door de -landraden op Java en Madura gewezen, was daarbij zijn deel geworden. -Later was hij tot lid van den raad van Justitie te Santjoemeh benoemd -geworden, waardoor hij gelegenheid kreeg, zich nog verder te bekwamen. - -Daar evenwel vond hij in Mr. Zuidhoorn, den voorzitter van den landraad -in de hoofdplaats der residentie, een braaf, eerlijk man, een degelijke -gids, die de heerlijke eigenschappen van den jongen rechtsgeleerde tot -ontwikkeling bracht. Van dien ontving hij voorbeelden van vuurvaste -beginselen, van onwrikbaarheid en degelijkheid in de uitvoering der -vaak zoo moeielijke plichten in dienst van vrouwe Justitia. - -Van eene andere zijde had hij te Santjoemeh kennis gemaakt met twee -jongelieden, waarvan de een van zijn leeftijd was en de ander een -vijftal jaren minder telde. Dat waren de heeren Willem Verstork, -controleur, en Eduard van Rheijn, aspirant-controleur, beiden -behoorende bij den dienst van binnenlandsch bestuur in de residentie -Santjoemeh en waarvan de eerstgenoemde te Banjoe Pahit zetelde, de -hoofd-dèsa van de controle-afdeeling van dienzelfden naam, waartoe ook -het district Kaligaweh behoorde; terwijl de andere op de hoofdplaats -ten residentie-bureele zich voor zijn aanstaande betrekking moest -bekwamen. Beiden waren degelijke flinke jonge mannen, die, met een -onbedorven gemoed in Indië aangekomen, steeds recht door zee trachtten -te gaan, en iedere afwijking van de waarheid voor afschuwelijk hielden. -In hoofdzaak kwamen zij dus met de geaardheid van Mr. Karel van -Nerekool overeen. Toch liepen hunne karakters nog al uiteen; want de -heer Verstork was, wellicht ten gevolge van zijn langer verblijf in -Indië en zijne daardoor meerder opgedane ondervinding, meer buigzaam -van karakter en, ofschoon zelf niet in staat om iets ongeoorloofds te -bedrijven, toch in die mate volgzaam, dat hij voor zekere verrichtingen -zijner meerderen, die niet altijd in overeenstemming met wetten en -bepalingen uitvielen, of ook wel tegen de stiptste opvattingen der -eerlijkheidsbeginselen aandruischten, het oog sloot, om, zooals hij -zeide, zijne loopbaan niet te bederven. Menigmalen geraakte hij ten -gevolge van dien karaktertrek in botsing met de overige jongelieden, -maar verontschuldigde zich steeds door op zijne bizondere -omstandigheden te wijzen, die inderdaad tot mededoogen stemden. Ook hij -had ontijdig zijn vader verloren; maar was, minder gelukkig dan Van -Nerekool, als oudste zoon van een talrijk, maar onbemiddeld gezin -achtergebleven. En hoewel zijn moeder met de meeste heldhaftigheid in -haar levensonderhoud en dat harer kinderen trachtte te voorzien, zoo -reikten de verdiensten bij die pogingen behaald, bij lange na niet toe, -om dat doel ook maar gedeeltelijk te bereiken. Hierbij kwam nog, dat, -toen de oude heer Verstork kwam te overlijden, twee jonge broeders van -Willem in Europa waren, om daar hunne opleiding te erlangen. De studiën -dier jongelieden konden, zonder hunne toekomst totaal te verwoesten, -niet afgebroken worden. En zoo gebeurde het, dat onze controleur onder -zware zorgen gebukt ging, daar de toekomst van dat gezin, waarvan hij -eigenlijk de kostwinner was, geheel afhankelijk was van de loopbaan, -die hij zoude betreden. - -Waarlijk, die toestand moest tot toegevendheid stemmen, daar hij als -tegenwicht kon gelden, wanneer zijn houding in sommige gevallen als -lauw mocht aangemerkt zijn, of wanneer hij in de noodzakelijkheid -meende te verkeeren, om bij anderer tekortkomingen verzachtende -omstandigheden te bepleiten. Voor zich zelven was hij in handel en -wandel streng en veeleischend; en de toekomst zal leeren, dat, wanneer -hij de gevolgen der zaken goed inzag, hij ook met klem en geestkracht -kon optreden. - -Eduard van Rheijn, de aspirant-controleur, telde die halfheid nog niet -onder zijne gebreken. Wellicht was hij nog te jeugdig, om nu reeds -zoo’n karaktervorming te hebben ondergaan, als die welke bij Verstork -zich geopenbaard had; het viel evenwel niet te ontkennen, dat hij bij -den resident Van Gulpendam, ter wiens beschikking hij gesteld was, op -eene vreeselijke school was, om, zooals die dat uitdrukte, tot degelijk -Indisch ambtenaar gevormd te worden. - -De drie mannen waren vrienden in de volle beteekenis des woords, en -lieten geen enkel oogenblik voorbijgaan, om elkanders bijzijn te -genieten, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood. Voor Karel en -Eduard bestond die gelegenheid ruimschoots genoeg, daar zij beiden te -Santjoemeh woonden. Zij waren dan ook onafscheidelijk te noemen. Anders -was het met Verstork gesteld. De dèsa Banjoe Pahit, zijne standplaats, -was ruim twaalf palen van de hoofdplaats der residentie verwijderd, -zoodat van een dagelijksch verkeer met zijne vrienden geen sprake kon -zijn. Maar hij sprong iederen Zaterdag namiddag, wanneer zijn arbeid -beëindigd, en het kantoor gesloten was, te paard, reed dan spoorslags -naar Santjoemeh, alwaar hij zijn intrek bij een der vrienden nam. Dan -bracht hij den Zaterdag avond in de „Harmonie” door, waar de zoo -verdienstelijke muziek der schutterij zich liet hooren. Verder bracht -hij des Zondags enkele bezoeken, ook natuurlijk bij zijn onmiddellijken -chef, den resident, en vertrok weer des Maandags morgens nog voor dat -de dag aan den hemel was, om, na behoorlijk gebaad en ontbeten te -hebben, stipt tegen negen uur op zijn kantoor te kunnen verschijnen. - -Maar zoowel bij zijne bezoeken in de „Harmonie,” alwaar hij slechts een -paar glazen ijswater nuttigde, als bij zijne visites bij bekenden, was -hij meestal te zamen met zijne twee onafscheidelijken, die hem dan -zoomin mogelijk verlieten. Maar, het waren vooral de Zondag avonden, -die aan het vriendschappelijk verkeer der drie jongelieden onderling -gewijd waren. Zij kwamen dan te zamen, hetzij bij Van Nerekool, hetzij -bij Van Rheijn, en dan gingen de vertrouwelijke ontboezemingen, die uit -die vriendenharten ontsproten, hunnen gang. - -Bij een dier gelegenheden had Karel verhaald, hoe hij, na bij een -zijner bezoeken bij den resident Van Gulpendam kennis gemaakt te hebben -met diens dochter Anna, die kennismaking op de daarop gevolgde -danspartijen zoowel in de „Harmonie,” als bij den militairen -kommandant, en ten residentiehuize zelve, aangehouden, ja gekweekt had, -en daarbij betuigd, dat hij juffrouw Anna het liefste en het -beschaafdste meisje der geheele wereld vond. - -„Werkelijk,” had hij er bijgevoegd, „ik weet niet wat ik gevoel. Is het -eenvoudige genegenheid jegens een schoon en begaafd kind? Of is het -liefde, die zich in mijn hart begint te nestelen? Bij de geringe -ervaring, die ik van dit laatste gevoel heb, onthoud ik mij van eene -afdoende uitspraak. Maar, ik kan mij niet ontveinzen, dat ik mij -uiterst gelukkig gevoel, wanneer ik mij in hare tegenwoordigheid -bevind.” - -„En dat gebeurt nog al eens, nietwaar?” vroeg Eduard met ondeugenden -glimlach. „Sedert eenigen tijd is vriend Karel buitengewoon uithuizig. -Ik heb bijna niets meer aan hem. Bijna iederen avond is hij uit, en dan -is hij daar te vinden, waar juffrouw Anna met hare ouders bezoek -brengen, of wel hij gaat naar het residentiehuis, of het receptie is of -niet. Ik verdenk hem er zelfs van, aan de residentelijke ombertafel -plaats te nemen. Hoewel ik al verscheidene malen het residentiehuis -langs gewandeld ben, was dat te vergeefs; daar de voorgalerij, door -bloem- en sierstruiken te zeer gedekt is; zoodat mijn onbescheiden oog -zich omtrent mijne gissing niet heeft kunnen vergewissen.” - -Willem Verstork schudde bij die mededeelingen bedenkelijk het hoofd. - -„Is dat zoo?” vroeg hij met een doordringenden blik op Karel van -Nerekool. - -„Ja,” antwoordde deze zonder aarzelen. „Evenwel....” - -„Dat is zeer treurig,” viel hem Willem in de rede. - -„Treurig, wat?” vroeg Karel niet zonder drift. „Gij laat mij niet -uitspreken.” - -„Welnu dan, ga voort.” - -Van Nerekool verhaalde nu, hoe hij zich tot het meisje voelde -aangetrokken; maar ook, dat nog geen enkel woord aan zijn lippen -ontglipt was, hetgeen den toestand zijns harten had kunnen verraden. -Alles had zich nog maar bepaald tot gesprekken, die, wel is waar, hem -het frissche, ongekunstelde gemoed van de lieve maagd ontsluierden, -maar toch tot de alledaagsche mochten gerekend worden, tot -complimentjes en vernuftige steekspelen, zoo gewoonlijk, wanneer -jongelieden, wien het niet aan geest ontbreekt, en die hun licht niet -onder de koornmaat wenschen te verbergen, in elkanders bijzijn -verkeeren. Ja, hij was ten volle overtuigd, dat juffrouw Anna nog -geheel onbewust was met hetgeen in zijn hart omging. Op een avond -evenwel, het was reeds laat, had een Javaansche bediende een briefje -gebracht, waarbij het lieve meisje verzocht had, ten spoedigste bij -haar op het residentiehuis te komen. - -Willem glimlachte even, toen hij die mededeeling vernam, hetgeen -evenwel de ernstige plooi van zijn gelaat niet wegnam. - -„Lach niet,” hernam Karel ernstig, „hoewel ik niet ontkennen mag, dat -ook vreemde gedachten mijn brein bestormden. Het was zoo afwijkende van -alle aangenomen vormen, nietwaar? dat een jong meisje zoo’n verzoek aan -een jeugdig man deed. Voor het minst moest ik het voor eene -onbezonnenheid, voor eene ondoordachte handeling houden. Gelukkig werd -ik spoedig uit den droom gewekt. Met de meeste ongedwongenheid zag het -lieve kind mij bij hare ouders verschijnen, en, daar het niet ongewoon -was, dat ik met haar piano speelde, kon het niemands aandacht wekken, -dat wij ook toen in de hel verlichte binnengalerij bij het klavier -plaats namen. Ik vernam alras, waarvoor juffrouw Anna mij had laten -roepen. Zij wenschte mijne hulp in te roepen voor een Javaan, voor den -verloofde harer baboe, die van opiumsmokkelarij beschuldigd was.” - -En hierbij deelde hij mede, wat de lieve Anna hem èn van de -mishandeling, waaraan de Javaan bloot had gestaan, èn van de opium, die -te Moeara Tjatjing aangehaald was, verhaald had. - -Toen hij geëindigd had, herhaalde Willem Verstork op deelnemenden toon: - -„Dat is zeer treurig.” - -„Ja,” hernam Karel, die zich in de beduiding van die deelneming -vergiste. „Maar, ik hoop, dat die Javaan niet veroordeeld zal worden.” - -„En uwe.... genegenheid voor het lieve meisje is.... wel groot?” vroeg -„Willem aarzelend. - -„Sedert heb ik herhaalde malen gelegenheid gehad, zoo als Eduard u -verhaalde, de lieve Anna, nu eens bij de familie Zuidhoorn, dan weer -bij den militairen kommandant, dan weer bij hare ouders aan huis te -ontmoeten, om een woord over die ongelukkige politiezaak te wisselen, -en telkenmale kreeg ik sterker en sterker bewijzen van....” - -„De onschuld des Javaans?” vroeg Eduard van Rheijn ietwat spottend. - -„Neen, van de goedheid van haar hart, van het edelaardige harer ziel, -van het eenvoudige en degelijke van haar karakter, en.... waardste -vrienden, de bekentenis moet er uit: ik ben geheel en al onder haren -betooverenden invloed.” - -„Dat is zeer treurig!” herhaalde Willem Verstork hoogst ernstig. - -„Maar, voor den drommel, wat dan is zeer treurig?” vroeg Karel driftig. - -„Die genegenheid, beste vriend. Gij bereidt u eene vreeselijke toekomst -voor.” - -„Maar, waarmede dan?” - -„Vriend, ik verzoek acht dagen uitstel, om deze uwe vraag te -beantwoorden.” - -„Het is alsof het een vonnis in een strafrechtsgeding geldt!” zei Van -Nerekool neerslachtig. „Waarlijk, gij beangstigt mij. Zeg mij toch....” - -„Aanstaanden Zaterdag, Karel, komen wij weer zamen... en, vertrouw op -mijn woord, dan zal ik u antwoorden.” - -Welke pogingen Van Nerekool ook aanwendde, er was verder niets uit den -geheimzinnigen controleur te halen. Karel moest zich met de gedane -toezegging vergenoegen. - - - - - - - -X. - -UNE INVITATION À LA CHASSE, EN UNE INVITATION À LA VALSE. - - -Willem Verstork zou met betrekking tot die samenkomst woord houden; -evenwel niet op de wijze zooals hij zich voorgesteld had. Hij was toch -van meening geweest den volgenden Zaterdag als naar gewoonte naar -Santjoemeh te rijden, en daar tot des Maandags te blijven. Dat zou -geheel anders toegaan. - -Des Donderdags morgens ontvingen toch Karel van Nerekool en Eduard van -Rheijn eene uitnoodiging om naar Banjoe Pahit te komen. - -„Dat zal de rollen omkeeren zijn,” zoo schreef Verstork aan het -vriendentweetal. „Ik ben zoo dikwerf uw gast geweest, dat ik er op sta, -om ook eens als gastheer op te treden.... Als gastheer?.... Ik geloof, -dat mijne pen mij daar parten speelt.... Ja, parten! Want.... om als -gastheer op te kunnen treden, moet in de eerste plaats -gastvrijheid..... neen, neen.... gastvrijheid dat is het niet, wat ik -meen,... moet gastmildheid bewezen worden en, hoewel gijlieden mijn -nederig controleurshuis en mijne rijsttafel voor lief zoudt nemen, zoo -is het toch ver van mij, om u die aan te bieden. Waar gij onder dak -zult komen, weet ik waarachtig niet, ook niet waar gij wat „nassi” -(rijst) met „sambal oelik” (spaansche peper fijn gewreven met zout) -zult machtig worden. Een mooie invitatie! hoor ik u beiden pruttelen. -Toch reken ik er op, dat gij haar aannemen zult. Luistert: - -„Sedert eenigen tijd worden de „djagong-” (maïs) velden van de bewoners -mijner controle-afdeeling door „tjelleng’s” (wilde zwijnen) geteisterd. -Het is een ware ramp. Voornamelijk is het district Kaligaweh het -tooneel hunner nachtelijke verwoestingen, en schijnt de hoofdmacht van -die geduchte stroopers eene schuilplaats te vinden in de wildernissen, -die de „Djoerang” (ravijn) Pringapoes omgeven. Die djoerang, eene -woeste bergspleet, maakt zoo wat het centrum mijner afdeeling uit, en -zijn de dèsa’s Banjoe Pahit en Kaligaweh aan de beide uiteinden -daarvan, evenwel op een afstand van ongeveer vijf palen van elkander, -de eerste in het gebergte, de andere in de laagvlakte, die naar zee -voert, gelegen. - -„Het is mijn plan, om de streek zooveel mogelijk van dat schadelijk -gedierte te zuiveren, door aanstaanden Zaterdag en Zondag eene -klopjacht te houden. Andere dagen kan ik niet; mijne werkzaamheden -verbieden dat. Mijne uitnoodiging geldt dus eene jachtpartij, en die -zult gij gewis niet afslaan. - -„Ik zal Zaterdag ochtend een paar flinke paarden, die mij de „wedono” -(Inl. districtshoofd) voor mijne vrienden, die de jacht zullen -bijwonen, aangeboden heeft, zenden. Ik reken er op, dat gij beiden zoo -tegen twee uur uwe kantoorbezigheden vaarwel kunt zeggen, dat gij een -uur noodig zult hebben, om te baden en u in behoorlijk jachtcostuum te -steken—vergeet de hooge slobkousen niet, die zijn in het lastige -terrein en te midden van de doornachtige struiken onontbeerlijk;—zoodat -gij tegen drie uren te paard kunt zitten. Als gij nu de vurige dieren -den teugel behoorlijk zult vieren, dan zullen zij hunne zes palen wel -in het uur afleggen, en dan zijt gij tegen vijf uren ten mijnent. Is -dat afgesproken?....” - -„Ja! ja!” riepen Karel en Eduard met een verheffing van stem uit, alsof -zij den briefschrijver te Banjoe Pahit hunne instemming wilden laten -hooren. - -„Ik dien mijn jachtgeweer nog wel eens na te zien,” sprak Van Rheijn, -„en het zal niet ondienstig zijn, een paar revolver-pistolen mede te -nemen....” - -„Ja, dat beveelt ons Willem behoorlijk aan. Luistert: „Zorgt voor uwe -vuurwapens, dat die zich in bruikbaren toestand bevinden; want de -tjellengs zijn, wanneer zij in hun leger opgespoord worden, volstrekt -geene te verachten vijanden. Behalve uwe geweren, zijn revolvers of ten -minste een hartsvanger, die als sabelbajonet op het geweer bevestigd -kan worden, onontbeerlijk....” - -„Drommels, ik mag nog wel zoo’n ding te leen vragen; want wel heb ik -een jachtgeweer, maar daarop kan ik geen sabelbajonet bevestigen. Dat -is goed om „glatihk’s” (rijstdiefjes) of musschen te schieten. En -revolvers heb ik in het geheel niet. Waar moet ik daar aankomen.” - -„De regent van Santjoemeh, Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo -heeft eene fraaie repeteer-buks met keurigen yatagan, en de „patih” -(plaatsvervangend regent), [72] Radhen Pandjie Merto Winoto, heeft een -paar fraaie revolvers, prachtige Le Faucheux’s met centrale ontsteking. -Gaarne zullen zij u die wapens leenen.” - -„Ik zal dan maar beginnen met een bezoek in de „Kaboepaten” -(regentswoning) te brengen.” - -„Heden avond is het dansreceptie op het residentiehuis. Die Inlandsche -hoofdambtenaren zouden niet gaarne die feestelijkheid verzuimen. Gij -komt er zeker ook, nietwaar?” vroeg Eduard leuk. - -„Ja, zeker!” antwoordde Van Nerekool niet zonder hartstocht. „Zou -ik....” - -„Eene gelegenheid, om met de lieve Anna te kunnen dansen, laten -voorbijgaan,” viel hem Eduard in de rede. „Welnu, dan kunt gij die -wapens vragen. Dat bespaart u eene vervelende visite bij die Javaansche -grooten. Maar....” - -„Wat, maar?” - -„Kunt ge met zoo’n buks omgaan?” - -„Och, dat zal wel geen heksenwerk wezen. Te Leiden nam ik aan alle -schietoefeningen deel, en had den naam van een goed schutter te zijn. -Wees gerust.” - - - -Des avonds was het residentiehuis van Santjoemeh luisterlijk verlicht. -Zoowel in de ruime voorgalerij als in de binnengalerij en pandoppo, -alsook in de zijvertrekken van de statige woning, schitterden rijke -kronen, die met hare talrijke gasvlammen, door matte ballons getemperd, -die onmetelijke ruimten in een zacht licht hulden, en hare -stralenbundels tot over het erf wierpen, en daar te midden van den -bloemenhof, die het woonhuis omgaf, met de maan, welke helder scheen, -een wedstrijd aangingen, die onmogelijk ten voordeele van ’s menschen -vinding kon uitvallen. Want de nachtvorstin overgoot alles met haar -getemperd wit licht: huizen, wegen, grasperken, bloemen en bladeren, -liet hare stralen door de takken der heesters glijden en overal in het -halfdonker iets zachts ontwaren als een liefkoozing, iets -geheimzinnigs, als een onbegrensd droombeeld. De gasverlichting -daarentegen trok rondom het gebouw eenen rosachtigen kring, waarin wel -alles helder verlicht was; maar waarin alle voorwerpen als met onreinen -vinger aangeraakt schenen, in tegenstelling van het leliewitte, -waarmede de natuur-verlichting alles overgoot. Die rosse kring -verzwakte bij zijne grenzen naar gelang van de uitgebreidheid van den -stralencirkel. Op eenigen afstand scheen het gaslicht het maanlicht te -vervalschen; de lelietint behaalde evenwel al meer en meer de -overwinning, hoe verder het oog waarde, totdat zij onverdeeld heerschte -en alles omhulde. - -Vlak voor het residentiehuis strekte zich eene overschoone laan van -Kanarie-boomen [73] uit, die van het erf naar de hoofdplaats Santjoemeh -voerde. In dit uur, van uit de voorgalerij gezien, vertoonden zich de -gasvlammen, welke die laan heetten te verlichten, als groote -vuurvliegen, welke met de maanstralen, die door de volle kruinen vielen -en bij de zachte bries, waardoor het gebladerte bewogen werd, op den -breeden, goed onderhouden grintweg de meest grillige licht- en -schaduwbeelden vormden, als het ware krijgertje speelden. - -In de verte werden nog meer vuurvliegjes ontwaard: vuurroode, groene, -blauwe, gele, bijna al de kleuren van den regenboog in één woord. Dat -waren de rijtuigen van hen, die de dansreceptie zouden bijwonen, en met -hunne lantaarns met verschillend gekleurde glazen hunne nadering te -kennen gaven. - -De voorgalerij was nog ledig. Alleen de dochter des huizes stond een -oogenblik voor de balustrade de laan in hare geheele lengte te -overzien. - -„Dat roode licht daar met die schitteringen,” mompelde zij in zich -zelve, „is het rijtuig van den assistent-resident van politie. Dat -rijdt voorop. En dat blauwe, dat van den heer Zuidhoorn, en dat -violette van.... Ah! daar heel in de verte, dat groene.... Ik moet -weg.... Het voorste rijtuig nadert reeds het erf.... Ik ben evenwel -blij, dat Van Nerekool komt.... Hij mag mij evenwel hier niet op den -uitkijk zien staan.” - -En zich omkeerende, trad zij op hare ouders toe, die op de waarschuwing -van den kapala oppas, dat de rijtuigen der bezoekers in de verte -naderden, de binnengalerij ingetreden waren, en nam aan de zijde harer -moeder plaats, om de hulde en begroetingen der aankomende gasten te -ontvangen en te beantwoorden. - -De heer Van Gulpendam trad evenwel eerst nog de voorgalerij in. Hij was -eenvoudig in zwarten rok, en zonder eenige ambtelijke uitmonstering -gekleed, hoewel de pajoeng-standaard opzichtelijk genoeg aan het -uiteinde van de galerij geplaatst was. Hij naderde de balustrade om een -blik naar buiten te werpen. Beneden aan den voet van de monumentale -trappen, die aan weerszijden tot de voorgalerij toegang verleenden, -drentelden een paar „pradjoerits” [74], in groot tenu gekleed, op en -neer, met het geweer over den schouder, en regelden hun heen en weêr -wandelen zoodanig, dat zij elkander voor het midden der galerij -ontmoetten, daar rechtsomkeert maakten, waarbij zij zorgden dat hunne -bajonetlemmen tegen elkander tikten, welk geklikklak den resident -blijkbaar als goddelijke muziek in de ooren klonk. Hij liet althans een -welgevalligen blik op de beide schildwachten vallen; terwijl hij met -een soort van welbehagen de borst vooruitbracht, die door die beweging -voor zijn persoon betuigen moest: - -„Zie, dat is een huldebetoon aan mijn rang en verdiensten gebracht!” - -Vlak bij het hoofdgebouw, maar terzijde daarvan, was een kleine koepel -tijdelijk opgeslagen. Ook daaraan wijdde hij een blik. De muzikanten -der schutterij van Santjoemeh, eveneens in groot tenu gekleed, waren -reeds daarin aangekomen, en hielden zich onledig hunne muziekbladen op -de lessenaars gereed te leggen en andere aanstalten te treffen. Een -genadige hoofdknik tot den kapelmeester gaf de hooge tevredenheid van -den gewestelijken bestuurder te kennen. Daarna keerde hij tot vrouw en -dochter terug. - -„De rijtuigen loopen niet veel vaart,” zei hij. „Zij zijn evenwel in ’t -zicht.” - -De schoone Laurentia, stond reeds, aan eene koningin in trotschheid -gelijk, voor een sofa, in het middengedeelte der binnengalerij, daartoe -voor een kostbaar Japansch schutsel geplaatst, met in de eene hand een -sierlijken ruiker van de zeldzaamste bloemen, terwijl aan den pols van -de andere een kunstig in elpenbeen gesneden waaier bengelde, waarmede -zij allerbevalligst kon manoeuvreeren. Zij was uitermate deftig gekleed -in een japon van zwart satijn, die bewonderenswaardig de volmaaktheden -harer welgevulde vormen deed uitkomen. Het keurslijf, dat tot een -minder dan bescheiden omvang was teruggebracht, hetgeen in de -beteekenis opgevat moet worden, dat het zonder mouwen, en achter op den -rug zeer diep en voor op de borst zeer laag uitgesneden was, liet -ongehinderd hare keurige ronde mollige armen, hare fraaie als uit -albast gemodelleerde schouders en haren boezem ontwaren, die Venus -Kallipyga jaloersch zouden hebben kunnen maken. Nog een streepje lager, -dan zou dat keurs den veerkrachtigen inhoud niet hebben kunnen -bevatten, dien het nu binnen scherp aangewezen grenzen moest omsluiten. -Hare donkerbruine lokken waren in een wonderlijk kunstig kapsel op het -fraaie hoofd, door middel van een prachtigen diadeem van schitterende -diamanten opgehouden; terwijl eene menigte bevallige krulletjes over -het matwitte voorhoofd dartelden, en aan de zoo fonkelende donkere -oogen van de schoone vrouw een ongemeen verleidelijk vuur bijzetten. De -hals was versierd met het bloedkoralen snoer met diamanten sluitstuk, -hetwelk haar ’Mbok Karjå overhandigd had. Aan hare polsen prijkten -dergelijke armbanden, in den vorm van fijn geschubde slangen van oud -goud, met diamanten in den mond en met diamanten oogen, als zij zoozeer -bij de nonna van den majoor Chinees had bewonderd, en die Lim Ho den -uitroep van „betoel, njonja mahal!” afgeperst had. - -Naast haar stond hare dochter Anna, die zich in vrouwelijken smaak wel -van hare moeder onderscheidde. Zij was toch niet te bewegen geweest, -zich gedecolleteerd te vertoonen, welke machtspreuken Laurentia daartoe -aangewend had. Haar keurslijf, evenals haar japon van rooskleurige -zijde, was zedig tot aan den hals gesloten, maar kon de verbeelding -niet beletten, zich voorstellingen te maken van de schatten daarin -besloten, die volgens de heerschende mode met de meeste nauwkeurigheid -gemodelleerd werden. Van juweelen had het lieve kind een afkeer. Eene -eenvoudige donkerroode Malmaison-roos gloeide in de donkere haargolven, -die zoo bescheiden mogelijk gekapt waren, maar welker weelderigheid -niet te verbergen was geweest. Op den boezem prijkte een allerliefst -ontluikend knopje eener theeroos, dat met zijne fijn genuanceerde gele -tint den blik verlokte en de gedachten verstrooide, waar die, bij zoo -eene maagdelijk bescheiden, maar toch heerlijk afgeronde buste, een te -wilde vlucht namen. - -„Het is bespottelijk, Anna, zoo eenvoudig en ordinair gij op eene -partij verschijnt,” sprak mevrouw Van Gulpendam gramstorig, terwijl zij -het toilet harer dochter met sarcastisch oog monsterde. „Uwe -gouvernante van weleer deed zich beter voor. Zij zou thans voor de -dochter des huizes, gij voor de gouvernante doorgaan.” - -Die bewering was in den mond der lichtzinnig snappende moeder in -zooverre waar, dat de bedoelde gouvernante, een wufte Parisienne, -geheel en al den smaak van mevrouw Van Gulpendam gehuldigd, ja dien in -zijne buitensporigheden overprikkeld had, en daardoor een wit voetje -bij de vrouw des huizes verkregen had; terwijl booze tongen fluisterend -daarbij voegden, dat zij ook in blakende gunst bij den resident gestaan -had. Wat ook van dat alles waar moge geweest zijn, zooveel is zeker, -dat het mademoiselle Hélène Fouillée evenmin gelukt was het gemoed van -het jonge meisje, aan hare zorgen toevertrouwd, te bezoedelen, als -haren smaak te veronedelen. Op de scherpe bemerking harer moeder zou -Anna niet antwoorden, al ware haar ook de tijd daartoe gegund. Daar -weerklonken toch voetstappen op de trappen van de voorgalerij, en een -paar seconden later, vertoonden zich een aantal jongelieden van -verschillend ras, met blanke en met bruine wangen, met blonde lokken en -met zwarten haardos, zwaar geolied, en in stijfheid met pijpestelen -wedijverende, allen feestelijk gerokt, met gestukadoorde halzen, en den -gibus zwierig onder den arm. Dat waren de lichtmatrozen van het feest, -zooals de heer Van Gulpendam hen noemde, die levendigheid op den bak -moesten bijzetten, maar ook niet aarzelen mochten, met de vlaggelijn -bij de gaffel in de hand klaar te staan, waardoor hij in zijne -eigenaardige beeldspraak aanduidde, dat zij van alle markten thuis -moesten zijn. Voor het grootste gedeelte waren het schrijvers op het -residentiebureau, die als verplichte danseurs moesten optreden, wanneer -onverhoopt dames tapisseeren mochten. Bescheiden en nederig naderden -zij, om hun compliment bij de residentsfamilie af te steken, waarbij -zij een genadigen handdruk van den hoofdambtenaar verwierven, en een -vriendelijken hoofdknik van de lieve dochter; terwijl mama hen met -eigen hand een rozeknopje in het knoopsgat stak, en zoo tot -feestcommissarissen ridderde: - -„En nu, flink gedanst van avond, jongelui,” sprak de schoone Laurentia -met aanmoedigende stem en innemenden glimlach. - -„Stijve bries, geen labberkoeltje! Hoor jullie?” knorde de resident. - -Deemoedig waren alle hoofden bezig te buigen onder die winderige -aanbeveling, toen Laurentia plotseling uitriep: - -„Spoedig! Lakas! Daar komen gasten!” - -En inderdaad, daar reden de eerste rijtuigen het erf op. Als een zwarte -zwerm stoven de jongelieden naar buiten, en weldra traden een drietal -hunner weer de binnengalerij in, terwijl zij den arm geboden hadden aan -de gade van den assistent-resident van politie en hare twee dochters, -lieve aanvallige tweelingen van omstreeks twintig jaren oud. - -„Wel, dat is allerliefst van u, mevrouw Meidema!” betuigde de schoone -Laurentia met hare innemendste stem, terwijl zij de hand van de nieuw -aangekomene greep, haar naar zich toe trok, en een kus op het voorhoofd -drukte. - -Ook de twee meisjes verwierven die hooge gunst. - -„Ja, het is allerliefst,” ging de residentsvrouw snappend voort. „Ik -had niet durven hopen, u heden avond te zien; mevrouw Zuidhoorn -vertelde mij toch heden ochtend, dat een uwer jongere kinderen ziek -was.” - -„Ziek niet, lieve mevrouw, slechts ongesteld,” betuigde mevrouw -Meidema. „Een lichte verkoudheid anders niets.” - -De assistent-resident, die zijne dames onmiddellijk gevolgd was, boog -voor de vrouw en de dochter des huizes, en wisselde daarna een handdruk -met zijn chef. - -Bij de begroetingen der jonge dames onderling, had een der zusters Anna -van Gulpendam in het oor gefluisterd: - -„Ik heb u straks wat te vertellen, Anna.” - -„Geheimen, Mathilde?” had de andere gevraagd. - -Een hoofdknik was het antwoord. Trouwens er was geen ander mogelijk. -Want na de familie Meidema verschenen anderen, die zich om de -residents-familie verdrongen, ten einde die hare hulde aan te bieden. -Daar verschenen de voorzitters en de leden der rechterlijke macht, de -ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, de officieren van het -garnizoen, de voornaamste handelslieden en industrieelen uit de -residentie, en allen vergezeld van de vrouwelijke leden van hun gezin, -die de jaren bereikt hadden, om aan den dans deel te kunnen nemen. Daar -verschenen de regent van Santjoemeh Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe -Kesoemo, en zijn plaatsvervanger Radhen Pandjie Merto Winoto en de -hoofd-„djaksa” [75] Mas Djogo Dirdjo en nog meer Javaansche hoofden, en -allen met hunne radhen ajoe’s. [76] Daar verschenen de majoor der -Chineezen Tang Ing Gwan en de kapiteins Lim Liong Hie en Tjoa Kwat -Kong, en verscheiden luitenants dier natie. Ook kwamen Lim Yang Bing, -de opiumpachter te Santjoemeh en diens zoon Lim Ho opdagen. En die -allen wemelden om het drietal der residents-familie, hetwelk voor de -reeds gemelde sofa stond. En daar werd gebogen en geknikt en -geglimlacht; en daar werden handdrukken gewisseld en betuigingen -gesproken; inderdaad in den Haag kon men het niet beter. Als alle die -uitingen, die welwillendheid moesten te kennen geven, inderdaad het -uitvloeisel van in waarheid ondervonden gevoelens waren, dan zou -Santjoemeh een paradijs op aarde geweest zijn! Middelerwijl had de -schutterijmuziek de ouverture van La Dame blanche ten gehoore gebracht, -hetgeen evenwel slechts figuurlijk opgevat moet worden, daar niemand er -naar geluisterd had. - -Toen die ouverture geëindigd was, en men elkander genoeg gevleid, -bewierookt en becomplimenteerd had, gaf de resident een teeken, dat -door een der gedienstige geesten in de voorgallerij herhaald werd, -waarop de statige tonen eener stijve polonaise weerklonken, en alle -aanwezenden zich paarsgewijze door de ruime binnen- en voorgallerij -bewogen. Het was een deftige optocht, die veel van een defileermarsch -had, waarbij de critische oogen der dames elkanders toiletten vinnig -monsterden. De resident had zich aan het hoofd van den stoet gesteld, -gearmd met de ega van den militairen kommandant; onmiddellijk op hen -volgde de schoone Laurentia aan den arm van dien opperofficier; terwijl -de chef van den geneeskundigen dienst met de lieve Anna rondwandelde. -Dit was onze Van Nerekool een doorn in het oog geweest. Maar toen na de -polonaise de zoo opwekkende invitation à la valse weerklonk, en de oude -geneeskundige zijne schoone begeleidster naar hare plaats wilde -terugbrengen, toen hernam de jeugd hare rechten, en weldra zweefden -Anna en Karel door de binnengalerij. Het was een lust om het jonge paar -te zien, het genot straalde beiden de oogen uit. - -„Ik geloof, dat er nieuws is,” sprak Anna met zachte stem gedurende de -wals, „nieuws omtrent Ardjan.” - -„Omtrent Ardjan?” vroeg Van Nerekool ietwat bedremmeld. - -Waarachtig, niet de zaak maar de naam van Anna’s protégé was den -jeugdigen rechtsgeleerde ontschoten. Dat was genoegzaam op zijn vragend -gelaat te lezen. - -„Ja, Ardjan, de verloofde van baboe Dalima,” hernam Anna. „Zijt gij dat -nu al vergeten? O, die mannen!” - -„Ik erken schuld,” prevelde hij. „Maar welk nieuws is er, juffrouw Van -Gulpendam?” - -„Dat weet ik nog niet, mijnheer Van Nerekool....” - -„Wat klinkt dat stijf: dat mijnheer Van Nerekool....” - -„Wat klinkt dat stijf: dat juffrouw Van Gulpendam....” snapte het jonge -meisje. - -„Wilt gij mij het recht verleenen om juffrouw Anna te mogen zeggen, of -nog korter: Anna, lieve dierbare Anna?” - -Het lieve meisje bloosde allerbekoorlijkst van genoegen. Zij sprak geen -woord, maar hare hand, die op zijnen schouder rustte, moest haar tolk -zijn. Een lichte druk, die onmerkbaar mocht heeten, werd toch door den -overgelukkige opgevangen. Hij hield haar leest met de rechterhand -omvat; terwijl de hare in zijne linkerhand rustte, en zijn blik op het -aanminnige gelaat gevestigd was. - -Zoo zweefden zij een oogenblik stilzwijgend voort. - -„Ik wacht op antwoord, Anna, lieve dierbare Anna. Mag ik u zoo noemen?” - -Geen toon liet zich hooren; maar iets liefs, iets goddelijk onbestemds -ontwelde aan hare lippen. Het was als een zachte ademtocht, als een -bedwongen zuchtje, dat haar ontsnapte, maar den dienst van sluier moest -verrichten, door hare schuchterheid aan het onuitgesproken antwoord -verleend. Ja, maar,... het kon ook eene beklemde ademhaling geweest -zijn, door de inspanning van het dansen veroorzaakt. Met de -onhandigheid, verliefden zoo eigen, vatte Karel dat zuchtje in -laatstbedoelde beteekenis op. - -„Zijt gij vermoeid?” vroeg hij bezorgd. „Wil ik u op uwe plaats -brengen?” - -„O, neen,” sprak zij schier onhoorbaar zacht. „Ik ben volstrekt niet -vermoeid. Laten wij voortdansen.” - -Ja, hoe onervaren Van Nerekool ook wezen mocht, dit was duidelijk. - -„Volgaarne, lieve Anna,” antwoordde hij, terwijl hij haar in den -maalstroom van dansers en danseressen meetroonde. - -„Ik heb dus het recht u mijne lieve, dierbare Anna te noemen? Ja?...” - -Een sprekende blik van het schoone meisje was daar het antwoord op. - -„O, laat mij u vertellen, hoe lief ik u heb, hoezeer ik u bemin!” - -Krampachtig bewoog zich de fraai geganteerde hand op zijnen schouder. - -„Ja, lieve Anna, ik bemin u,” ging hij hartstochtelijk voort, „ik bemin -u zooals wellicht nimmer een man bemind heeft. Ik bemin u, met geheel -mijn hart, met geheel mijne ziel, en het gelukkigste oogenblik zal -wezen, wanneer ik u de mijne zal mogen noemen. Zeg, Anna, lieve -dierbare Anna, zeg, zou ik op wederliefde kunnen rekenen?” - -Bedeesd sloeg de lieve maagd de oogen neder voor zijnen vurigen blik; -maar het gold hier een keerpunt in haar leven, en zij had een te -eerlijk en openhartig gemoed om, wanneer het hare beginselen gold, hare -gevoelens te kunnen bemantelen. Zacht, maar toch volkomen hoorbaar voor -hem, beantwoordde zij die vraag met: „ja!” - -Een poos was hij stil, als in gedachten verzonken. Zacht zweefden zij -voort op de maat van de heerlijke muziek te midden van die menigte, -waarin zij, als in elkander opgegaan, zich eenzaam bevonden als een -eiland te midden van de woelige golven van den grooten oceaan. Maar -zijn arm had haar middel vaster omvat; een oogenblik was er geweest, -alsof hij haar aan zijne borst had willen klemmen, alsof hij bezit van -zijn schat had willen nemen. - -„Gij maakt mij overgelukkig, Anna, met dat kleine woord, wat voor mij -van oneindige beteekenis is!” ging hij eindelijk voort. „Maar -veroorlooft gij mij nu, dat ik morgen formeel aanzoek doe om uwe hand -bij uwe ouders?” - -Op die woorden betrok het gelaat van het lieve kind. Toch antwoordde -zij: - -„Zeker vergun ik u dat, mijnheer Van Ne......” - -„Karel heet ik, lieve Anna.” - -„Zeker vergun ik u dat, Karel; maar ik mag u niet ontveinzen, dat papa -niet van u houdt. Dat heb ik uit menig gesprek kunnen bemerken.” - -„Ja, dat heb ik ook wel bespeurd. Maar, wat heeft hij toch tegen mij?” - -„Ik geloof, dat hij het zelf niet weet. Een onverklaarbare antipathie. -Hij noemt u een dweper, een onpractisch mensch, een droomer, die het -niet ver in de wereld zal brengen.” - -„Beschouwt mijne Anna mij ook als een dweper?” - -De lieve meid beantwoordde die vraag met een gullen lach. - -„Ja, een dweper ben ik,” ging de jonge man voort. „Een dweper met het -goede, met het schoone! Een dweper met mijne Anna, ja zeker, dat ben -ik! Maar, zou het waar zijn, dat ik een onpractisch mensch, een droomer -ben, die het niet ver in de wereld brengen zal? Mij dunkt, dat ik in -dit oogenblik, waarin ik het liefste meisje ter wereld tracht te -bemachtigen, ik niet alleen van practischen zin blijken geef, die mij -naar het hoogste geluk, wat voor mij te bereiken zal zijn, doet haken; -maar ook, dat ik bewijzen lever, ik, wel verre van te droomen, -behoorlijk en levendig wakker ben. Vindt gij niet, lieve?” - -Een zachte druk op den schouder, die gedurende die wals al zoo veel te -verdragen had gehad, was het antwoord op dat beroep. - -„En zou die antipathie sterk genoeg zijn, dierbare Anna, om uwen vader -zoo afkeerig te maken, dat hij een huwelijk zou willen beletten, in -weerwil dat hij zou zien, dat uw geluk daarmede gegrondvest werd?” - -„Dat heb ik niet beweerd, Karel. Maar, dat wij moeielijkheden, -hinderpalen zullen ontmoeten, daarvan ben ik overtuigd.” - -„Welnu, dan zal er gestreden worden! Anna, Anna, ik reken op uwe -liefde, op uwe standvastigheid. Reken ook op de mijne. Niets, hoort ge, -niets ter wereld zal aan mijne liefde voor u afbreuk kunnen doen! Zelfs -de hinderpalen zullen het genot onzer verbintenis nog verhoogen....” - -De muziek eindigde de wals. De paren hielden met zweven op. Karel liet -Anna’s middel los, en bood haar den arm aan. - -„Laten wij nog een oogenblik voortwandelen,” sprak hij. „Ik zal dus -morgen een bezoek aan uwe ouders brengen, en daartoe in de ochtenduren -belet laten vragen. Dit is afgesproken, nietwaar?” - -Zij knikte met een bevalligen glimlach. - -Na een paar malen de binnengalerij rondgewandeld te hebben, bevonden -zij zich op een gegeven oogenblik voor een der deuren, die toegang tot -de almede rijk verlichte pandoppo verleenden. Verscheidene paren, -groepen van jonge meisjes traden die pandoppo door, om zich naar den -prachtigen tuin te begeven, die zich achter het residentiehuis -uitstrekte, om daar in de zoo liefelijke avonduren frischheid en koelte -te genieten. Anna en Karel volgden die beweging, en weldra bevonden zij -zich te midden van de sierlijkste planten en struiken, die de -keerkringszone maar aanbieden kon, en waartusschen de paden, in den -bevalligen stijl van een Engelsch park aangelegd, grillig maar smaakvol -als een kunstenaarsgedachte slingerden. - -„Ik meen daar Mathilda Meidema met een paar andere mijner vriendinnen -opgemerkt te hebben, daar in die Salak-laan. Zij heeft mij wat mede te -deelen..... Ik ben weer dadelijk bij u.” - -Of het schuchterheid was, angst voor het eerste oogenblik alleen zijn -met den geliefde des harten, wien zij zoo even een trouwhartig „ja” als -welkomsgroet voor zijne liefdes-ontboezeming toegefluisterd had? Of -wel, was het vrouwelijke nieuwsgierigheid, die haar dreef om de geheime -mededeeling van hare vriendin te vernemen, wellicht ook om die -deelgenoot te maken van haar geheim, dat haar het hart deed kloppen, -ongeduldig als het ware om het voor het volle licht te laten treden? -Wie weet? Zij wilde heenijlen, maar Van Nerekool weerhield haar met -zacht geweld, terwijl hij hare hand, die op zijn arm rustte, tegen zijn -hart drukte. - -„Straks zal nog wel tijd zijn, mijne Anna, mijne engelachtige Anna,” -sprak hij fluisterend, alsof hij vreesde, dat iemand in den tuin zijne -woorden mocht verstaan, „om te vernemen wat Mathilde te vertellen -heeft. Dit uur behoort mij.” - - - - - - - -XI. - -IN DEN RESIDENTS-TUIN. - - -De maan was inmiddels hoog aan den hemel gestegen, en vormde door de -kruinen van het hoog geboomte een wonderlijk mengsel van grillig -uitgeknipte schaduwbeelden, die, onder den invloed van de zachte bries, -die het gebladerte bewoog, elkander op de helgele paden of op de -liefelijke groene graszoden schenen te vervolgen. Hier en daar gleden -de stralen der nachtvorstin door het zoo fijne spichtige loof van een -groep Tjemårå’s, [77] sierlijke gewassen, welke zooveel overeenkomst -met de westersche lorkenboomen hebben, maar fijnere naalden dragen. Die -stralen verdeelden zich daarbij, alsof zij door een uiterst fijn -kantwerk speelden, wierpen daarbij geen schaduwen, maar werden als het -ware gezeefd, hetgeen een wonderlijk licht teweegbracht, en bij -dichterlijke zielen van bekoorlijke uitwerking moest zijn. Men zou -gezegd hebben, dat op die plekken, waar dat gezeefde licht ontwaard -werd, een ijle nevel de maan bedekte, onvermogend om straalbreking of -schaduwvorming te veroorzaken, maar die toch eene andere schakeering -van licht teweegbracht bij de witheldere omgeving. - -In die lanen, langs die grasperken, onder die boomkruinen werden -allerwege paartjes ontmoet, groepen van jonge meisjes, van jonge -mannen, van bedaagde matronen, van bejaarde heeren, die allen de -frissche avondlucht opzochten, en wezenlijk verademing vonden bij het -heerschen van het windje, dat zacht ruischend door de naalden der -Tjemårå’s voer. - -Na den wals bracht de muziek eene fantasie op de Traviata ten gehoor. -Toen picolo en cornet à piston het zoo heerlijke duo uit het eerste -bedrijf voordroegen, waarin de geliefden Violetta en Rudolph, tot de -erkenning van de gevoelens, die hen doortintelen, komen, toen de -vertolking der woorden: - - - „Un jour, l’âme ravie, - Je vous vis si jolie, - Que je vous crus sortie - Du céleste séjour. - Était-ce donc un ange, une femme, - Qui venait d’embraser mon âme? - Las! je ne sais encor.... mais depuis ce beau jour, - Je sais que j’aime d’un pur amour!” - - -zoo zuiver, zoo keurig weerklonk, toen sloeg Karel den arm om de leest -van zijne Anna, terwijl zij een boschje van Pandan rampeh gedeh [78], -dat met zijne overvloedige en breede bladeren een donkeren schaduwkring -daarstelde, omsloegen, waar zij de hoop konden koesteren voor een -oogenblik ongezien te vertoeven. - -„Mijne Anna, laat mij hier in deze eenzaamheid de woorden herhalen, die -ik straks sprak, terwijl de geheele wereld ons omringde, terwijl aller -oog op ons gevestigd was.” - -Het lieve kind trilde van aandoening in zijn arm. - -„Anna, ik heb u lief, onmetelijk lief, anders lief dan ik mijne moeder, -mijne zuster, anders dan ik mijn eigen zou liefhebben!” - -Hij sloot haar vast tegen zich aan, en klemde het lieve meisje aan -zijne mannelijke borst. - -„Ik kan slechts het geluk aan uwe zijde droomen. Steeds bij u te zijn, -steeds dezelfde lucht, die gij inademt deelachtig te zijn, moet de -hoogste zaligheid wezen! O, mijne Anna, laat ik u mijne liefde, mijne -onverdeelde liefde betuigen.” - -Hij klemde het meisje nog vaster als het kon tegen zich aan, waarbij -zij bekoorlijk het hoofdje op zijn schouder liet rusten. - -„Zeg, Anna,” vroeg hij hartstochtelijk, „zeg mij, of gij mij ook zoo -lief hebt? Zeg, bemint gij mij, dierbare?.... O, ik weet het, gij hebt -mij daarop straks reeds antwoord gegeven; maar herhaal dat „ja” hier in -de eenzaamheid, herhaal dat „ja” hier, waar wij ons alleen en ver van -het gewoel der wereld bevinden, alleen onder het oog van God, o, -herhaal dat woord, Anna, dat mij zoo gelukkig maakt!” - -Hij boog zijn oor naar hare lippen, en luisterde aandachtig; en daar -ontsnapte, terwijl zij de oogleden sloot, zacht en harmonisch, alsof -het tot het wonderlijk akkoord van de bries in de Tjemårå-naalden -behoorde, het goddelijk woordje aan haren lieven mond. - -Hij stiet bijna een kreet uit, boog het hoofd verder voorover. - -„Dierbare,” smeekte hij zacht prevelend, „dierbare, laten wij die -liefdesbetuiging, die mij zoo gelukkig maakt, bezegelen.” - -En voor dat Anna nog maar toestemmend had kunnen antwoorden, drukten -twee paar lippen op elkander, en sloten in eene innige omhelzing een -knoop, waarbij twee harten en zielen voor dit kortstondige leven aan -elkander verbonden zouden worden. - -Zoo stonden zij een korte poos, met de lippen op elkander gedrukt, en -in elkanders blik, als in eene onmetelijke zaligheid verzonken; terwijl -hoog boven hen de breede Pandanbladeren zacht wuifden, en hen hunne -geheimzinnige schaduw verleenden; terwijl de bries door de naburige -Tjemårå’s voer, en hun een wonderlijk gesuis ontlokte; en terwijl daar -ginds de cornet à piston herhaalde: - - - „... Mais depuis ce beau jour, - Je sais que j’aime d’un pur amour!” - - -Het oogenblik, hetwelk dat paar daar doorleefde, was een onvergetelijke -bladzijde uit hun levensboek! De schoonste wellicht!... Helaas! het -ontwaken was nabij. - -„Anna, Mathilde Meidema zoekt overal naar u. Waar zit ge toch, mijn -kind?” - -Het was de stem van de schoone Laurentia, die de beide verliefden -verschrikt deed opspringen. Met een oogopslag had de ervaringrijke -vrouw het geheele tooneel overzien. Met innemende stem ging zij voort: - -„Mathilde verliet mij daar ginds bij dat rozenperk. Als gij hier deze -laan volgt, zult gij haar voorzeker ontmoeten.” - -En toen hare dochter aarzelde: - -„O vrees niets,” ging zij voort. „Mijnheer Van Nerekool zal mij zijn -arm aanbieden, zoodat die niet treurend en verlaten achter zal blijven. -Ga gerust.” - -Die sarcastische woorden, evenwel op een toon van lieftallige -vriendelijkheid uitgesproken, ontzetten het meisje diep, en deden haar -met een angstig voorgevoel heenijlen. - -„En, nu met ons beiden, mijnheer Van Nerekool,” wendde zich mevrouw Van -Gulpendam tot den rechterlijken ambtenaar. „Wees zoo vriendelijk mij -uwen arm aan te bieden.” - -Zwijgend voldeed hij aan dat verzoek met een hoffelijke buiging. Het -hart zat hem evenwel in de keel, alsof hij een misdaad begaan had. - -„Kom,” sprak zij, „wij zullen deze Tjemårå-laan inslaan, zij is meer -verlicht en minder geheimzinnig donker dan die akelige Pandanlaan. Het -is waar, dat gij mij zulke liefelijkheden niet zult te vertellen -hebben, als gij Anna influisterdet, toen ik u beide ontmoette. Foei, -mijnheer Van Nerekool, dat was niet fraai gehandeld van u...” - -Karel sloeg een blik op de vrouw, die op zijn arm leunde, en met zoo -kalme, welluidende stem hare moederlijke afkeuring te kennen gaf. Zij -waren van achter de Pandanstruiken te voorschijn getreden, zoodat het -volle maanlicht haren blanken boezem, die slechts door een tullen -kantwerk voor de avondlucht bedekt heette, in zijne onberispelijke -volheid en heerlijkheid betooverend uitkwam. Als verblind sloot de -jonge man gedurende een ondeelbaar oogenblik de oogen; toen hij ze weer -opende, ontwaardde hij den diepen, donkeren blik van de schoone -Laurentia op zich gevestigd. Zij meende den indruk te raden, welke het -gezicht van die naakte schouders, armen en boezem op dat jeugdige en -voor indrukken vatbare gestel maakten. Haar blik was vragend, was -aanmoedigend. - -„Mevrouw,” sprak Karel met eene diepe ademhaling, alsof hij eene -onwelkome gedachte verbande, „gij hebt u waarschijnlijk verbaasd, dat -ik met mejuffrouw Anna eenigszins afgezonderd in den tuin wandelde...” - -„Met haar wandelde en haar kuste,” vulde Laurentia aan. - -„Welnu ja, en haar kuste,” ging Van Nerekool voort. „Maar, als gij -mocht meenen, dat wij met voorbedachten rade die plek opgezocht hadden, -dan...” - -Hij aarzelde een oogenblik om voort te gaan. - -„Dan?” vroeg zij met ondeugenden glimlach. - -„Dan zoudt gij juffrouw Anna en mij verongelijken.” - -„Ik vond toch de plaats om te kussen uitstekend gekozen,” hernam zij -met iets sarcastisch in hare stem. - -„En toch was het slechts toeval, hetwelk ons daar bracht. Geloof mij, -vóór dat oogenblik, of juister uitgedrukt, vóór dezen avond hebben wij -nooit een woord van liefde gewisseld...” - -„Ongeloofelijk, mijnheer Van Nerekool,” viel de schrandere vrouw hem -met een spottenden glimlach op de lippen in de rede. „Is het in gemoede -aanneembaar, dat twee jongelieden van beiderlei kunne elkander in een -verloren hoekje kussen, zonder dat vooraf woorden van toegenegenheid, -of van liefde gesproken zijn, zonder dat hartstocht in het spel is?”... - -„En toch is het zoo, mevrouw. Geloof mij toch; ik spreek nimmer -onwaarheid,” viel Karel op zijne beurt met eenige drift in. - -„Ja, ik weet het wel. Ik ben ook jong geweest... O,” ging de -behaagzuchtige vrouw met zacht dwepende stem voort bij die herinnering -aan die jeugd, waarvan zij noode afstand deed. „O, toen ik negentien -jaren was, was ik Anna geheel gelijk, was ik evenals zij eene -schoonheid in den knop, had ik even frissche, jeugdige gevoelens, had -ik een even speelschen geest...” - -Van Nerekool ijsde bij die vergelijking van de moeder met de dochter. - -„Was ik even goedaardig, even begeerenswaardig als zij. O, geloof mij,” -ging zij met eene soort opgewondenheid voort, terwijl zij hare hand met -meer kracht dan noodig was op zijn arm liet rusten, en dien arm zacht -drukte, „er is niet veel verbeeldingskracht noodig om te bespeuren, dat -Anna mij geheel gelijken zal...” - -Zij hield een oogenblik op, als bespeurde zij, dat haar onderwerp haar -vervoerde. - -„Zeker, mevrouw,” sprak Van Nerekool galant; terwijl hij den blik van -het gelaat der schoone vrouw langs hare schouders, boezem en gestalte -liet glijden, „het is te voorzien, dat juffrouw Anna in volmaaktheden -en bekoorlijkheden hare moeder nabij zal komen...” - -„O, geen complimenten, als ik u bidden mag, mijnheer Van Nerekool,” -meesmuilde zij met gekunstelde lieftalligheid. - -„Maar, mag ik u verzoeken mij te verklaren, wat die vergelijking te -beduiden heeft? Ik vat niet...” - -Laurentia schudde de weelderige lokken die haren hals bedekten en over -de schouders daalden. Neen, de lummel, die haar den arm gaf, begreep -haar niet. Dat was duidelijk. Eene vluchtige gedachte aan ’Mbok Karjå -doorkliefde haar brein, en ontwrong haar een zucht. - -„Och,” ging zij voort, terwijl haar boezem door eene versnelde -ademhaling min of meer onstuimig op en neer ging, „ik wilde maar -constateeren, dat ik ook jong geweest ben....” - -„En nog zijt,” betuigde Van Nerekool galant. - -„Dat ook wel gepoogd is, mij een kus te ontrooven,” vervolgde Laurentia -met een glimlach van genoegen op het gelaat bij die herinnering; „maar -dat gebeurde in het volle licht, in het bijzijn mijner ouders, en niet -in de donkere schaduw van een Pandan-boschje.” - -„Laat mij u vertellen, mevrouw, hoe dat gebeurd is,” sprak Van Nerekool -heel ernstig. „Sedert ruim een jaar bezoek ik uw huis. Eerst slechts -enkele malen, daarna drukker en drukker. De reden daarvan kan u als -schrandere vrouw niet ontgaan zijn. Ik had uwe dochter leeren kennen -en, hoe meer ik haar edel en lieftallig karakter doorgrondde, hoe -dieper drong de schicht mijn hart binnen, die mij reeds bij het eerste -bezoek getroffen had. Wat zal ik u verder vertellen, mevrouw. Ik voelde -weldra, dat mijn geheele geluk aan hare zijde te vinden was. Maar.... -boezemde ik ook al juffrouw Anna geen antipathie in, meende ik ook op -uwe welwillendheid eenigermate te kunnen rekenen, zoo bemerkte ik toch -alras, dat ik de genegenheid van den heer Van Gulpendam niet verworven -had, ja dat ik hem letterlijk tegenstond. Dat gevoel was hij, in -weerwil der door hem steeds betrachte beleefdheidsvormen, niet altijd -in staat te beheerschen, en brak zich wel eens baan, hoewel ik mij niet -over opzettelijke krenkingen te beklagen heb. Dat schrikte mij -eenigermate af. Van eene andere zijde weerhield mij de gedachte, dat -mijn inkomen nog niet groot genoeg is, om een huishoudentje, hoe -bescheiden ook, op te zetten. Dat ik juffrouw Anna geheel onkundig liet -van mijn genegenheid, zult gij wel bemerkt hebben. Of haar mijne liefde -ontgaan is, dat zou ik niet durven beweren, hoewel mij daaromtrent geen -woord ontviel....” - -„Maar, mijnheer Van Nerekool....” - -„Laat mij uitspreken, mevrouw.... Mij daaromtrent geen woord ontviel, -tot heden avond, toen mij in den zwijmel van de wals mijn geheim, dat -ik zoo lang, zoo trouw en zoo zorgvuldig bewaard had, ontsnapte. Ik was -dronken van vreugde, toen mij bij de bekentenis mijner liefde geene -afwijzing ten deel viel. En zult gij het nu als liefhebbende moeder van -uw kind kunnen wraken, dat ik, toen wij een oogenblik later te zamen -hier in den tuin wandelden, mijne liefde andermaal beleed en, door het -betooverende van de stille natuur in deze heerlijke omgeving, door het -verleidelijke van de hartstochtelijke muziek, die weerklonk en een echo -in mijn hart vond, vervoerd, den engel mijner wenschen, den reinen -engel mijner droomen in mijne armen sloot, aan het hart drukte en ons -liefdeverbond, dat wij gesloten hadden met een eersten kus bezegelden, -met een kus zoo rein, als de engelen in den hemel slechts wisselen -kunnen? O, mevrouw, ons geluk was toen grenzenloos, het goddelijke -nabij!” - -Karel van Nerekool had met vuur, met geestdrift gesproken. Neen, dat -was de taal niet der conventioneele gemoedsuitingen, zoo gebruikelijk -in eene zekere wereld, waar zij door de romantiek onzer dagen gekweekt, -als de schering en inslag der gesprekken vormen, en aan het samenzijn -een relief verleenen, als ware het een afdruk van een bladzijde uit -Georges Sand, uit Georges Ohnet of uit Hector Malot. Zijne woorden -kwamen uit het onverdorven hart voort, en misten hunne uitwerking niet -op de schoone begeleidster, die hij nog steeds aan den arm had. De -gevoelige Laurentia sloot onder den invloed, dien zij ondervond, de -oogen voor een oogenblik, als verblind door zooveel heerlijkheid. „Had -Van Gulpendam ooit zoo zijne liefde beleden, ooit zoo over haar -gesproken? Helaas, neen; die werd slechts beheerscht door geldzucht en -door.... En.... Maar, zij?.... zij?....” ging zij in haren -gedachtengang voort. „Was zij van die euvels vrij, die haar nu als -gruwelen, welken haren echtgenoot aankleefden, toeschenen?” Een -oogenblik moest zij bekennen, dat zij even schuldig was. Een oogenblik -nam het betere gevoel de overhand. Maar ook voor een oogenblik slechts; -want daarna bekroop haar een gevoel van lakenswaardige ijverzucht -jegens hare dochter. Een zweem van afgunst doortintelde haar, dat hare -Anna eene reine, fiere, mannelijke liefde deelachtig zou kunnen worden, -die haar onbekend was gebleven. Daarenboven aan zoo veel reinheid als -uit de ontboezemingen van Van Nerekool straalde, kon zij moeielijk -gelooven. Hare geaardheid bracht mede, de meening slechts toegedaan te -zijn, dat iedere liefde, iedere genegenheid van twee personen van -verschillende kunne slechts als de uiting van stoffelijken hartstocht, -de gevolgen van vleeschelijke lusten te beschouwen is. Reinheid en -liefde waren slechts klanken voor haar, die, als zij er eenig begrip -van had, slechts als eene prikkeling te meer der zinnelijkheid -beschouwd, en door haar als zoodanig uitgelegd werden. Onder den -aandrang dier onzalige opvattingen ontvielen haar dan ook de -sarcastische woorden: - -„Ja dat kan ik begrijpen. Een grenzenloos geluk achter dat -Pandan-boschje! Wil ik u zeggen, wat ik van dien reinen kus denk, -mijnheer Van Nerekool? Dat hij slechts is de uiting van den aandrang -naar zingenot. Gij, als heer zult toch wel de triviale beteekenis -kennen, welke uwe geslachtsgenooten aan een kus hechten?” - -„Vergeef mij, mevrouw,” antwoordde Van Nerekool met iets weemoedigs in -zijne stem, „maar ik ben nog jong en onbedreven....” - -„Dat merk ik!” gaf Laurentia spottend ten antwoord. - -„O, mevrouw, wat ik u bidden mag, laten wij den tijd niet doorbrengen -met woordspelingen. Ja, ik ben nog jong en onbedreven, ik herhaal het. -Ik heb geen verstand van die verschillende genegenheden, die in de -wereld in omloop schijnen te zijn, en die opgeborgen kunnen worden als -de stalen van een lakenkoopman, ieder in zijn eigen vakje: eene -genegenheid voor het hart, eene voor het hoofd, eene voor de zinnen. -Neen, ik bemin uwe dochter, oprecht, en welgemeend; maar vooral is die -liefde rein, en vrij van iedere jacht op zingenot, geloof mij! Ik had -gehoopt, dat zoo eene toespeling niet geschieden zou van wege de moeder -van haar, die ik boven alles vereer. Ik bemin juffrouw Anna met mijn -geheele wezen, en gevoel de heerlijke kracht van zulke liefde, die van -min edele bedoelingen geheel vrij is.” - -Mevrouw Van Gulpendam was zoozeer uit het veld geslagen door die -vooropgestelde beginselen van den jonkman, dat zij begreep, dat met zoo -iemand geen lichtzinnig spel te spelen was. - -„Maar, wat wilt gij nu van mij?” vroeg zij ietwat ongeduldig, daarbij -vergetende, dat zij den jongen man verzocht had haar den arm te bieden, -en dat zij het gesprek op het terrein gebracht had, dat haar thans -onaangenaam scheen. „Ik betrapte u, terwijl gij Anna op eene eenzame -plaats in uwe armen gesloten hieldt, en haar een kus op de lippen -druktet. Wat moet ik nu van die hoog geprezen reinheid van liefde -denken? Is hier de daad niet in strijd met de gepredikte beginselen? -Komt zoo’n gedrag te pas, wanneer de ouders van het meisje van die -genegenheid niets afweten?” - -„Mevrouw Van Gulpendam, ik heb u verklaard, hoe de omstandigheden mijns -ondanks ons verrast hebben. Gelooft gij mijne woorden niet, dan kan ik -slechts betreuren, dat gij, de moeder mijner Anna, zoo’n geringen dunk -van mijn karakter hebt. Maar, dàt mag mij nu niet meer weerhouden. Ik -sprak reeds met juffrouw Anna af, dat ik morgen belet bij u en den -resident zoude laten verzoeken, om u beiden de hand uwer dochter te -vragen. Ik snel nu den dag van morgen vooruit, en uit thans het -verzoek, hetwelk ik dan eerst wilde doen en voeg daarbij de bede uwe -welwillende tusschenkomst bij den heer Van Gulpendam te willen -verleenen.” - -Bij dat aanzoek was Karel van Nerekool blijven stilstaan, had den arm -van mevrouw Van Gulpendam losgelaten, zich verder naar haar gewend, en -haar als de moeder zijner Anna met een smeekenden blik aangekeken. -Gegeven zijn karakter, was het niet aanneembaar, dat hij met berekening -te werk ging; maar toen hij stilstond, bevond hij zich juist te midden -van eene ijle schaduwplek, door een groepje Tjemårå’s geworpen, en -verleende deze, terwijl zij den omtrek van den bodem als met eene -uiterst fijne arceering bedekte, den jongen man eene geheimzinnige -aureool, die zijn fraai besneden maar ernstig gelaat, zijne blonde -krullen, welke zijn ongedekt hoofd versierden, alsook zijne bevallige -gestalte ten gunstigste deed uitkomen. De schoone Laurentia sloeg als -ware kenster van mannelijke volkomenheid, eene bewonderenden blik op -den jongen man, die Anna ontzet zoude hebben, wanneer zij dien had -kunnen waarnemen, en er de beteekenis van had kunnen begrijpen. -Gelukkig dreef het gevaar voorbij; want de gedachtengang van de -realistische vrouw werd afgeleid door de nadering van een paar zonen -van het Hemelsche Rijk, die, in eene evenwijdig loopende laan -voorttredende, het fijne grind met hun vreemdsoortig omgebogen en -zwaarwichtig plomp schoeisel deden kraken. Het waren babah Tang Ing -Gwan, de majoor der Chineezen te Santjoemeh, en de opiumpachter babah -Lim Yang Bing, die eveneens een avondluchtje in den tuin kwamen -scheppen, en elkander openhartig beleden, dat zij, alles goed en -welbeschouwd, het in het geheel niet prettig op zoo’n Europeesch feest -vonden. - -„Alleen de naakte armen, schouders, enz., van die „njonja njonja en -nonna nonna” blanda (hollandsche vrouwen en meisjes) sprak de pachter -met een afzichtelijk gemeenen grijnslach, „kunnen mij verzoenen met -zoo’n vervelende samenkomst. Het moet toch erkend worden, dat die -schepsels welgemaakt zijn. Maar, wat streken van de echtgenooten en -vaders van die wezens, om met die dingen te pronken, en wat -schaamteloosheid en onkieschheid van die blanke vrouwen, om zich zoo in -het openbaar te vertoonen! Tjiss!” (foei). - -„Ja, tjiss!” zei de majoor-Chinees, een oud man, die er met zijne lange -grijze knevels, welke hem tot op de borst vielen, vrij indrukwekkend, -haast eerbiedwaardig uitzag, met ernstige stem. „Ja, tjiss! Ik zou -nimmer toelaten, dat mijne vrouw en mijne dochters zoo gekleed of beter -ongekleed in tegenwoordigheid van mannen verschenen.” - -„Hebt gij de njonja toean resident gezien? Die...” - -„Shutt! diam! (Stil)” zei de majoor waarschuwend. „Daar staat zij met -den toean „rakker njang moeda” (jeugdigen rechter) te praten. Wat zij -met dien te verhandelen mocht hebben?” - -Lim Yang Bing antwoordde niet, maar lachte fijntjes. De kuiperijen van -zijn zoon Lim Ho waren hem niet onbekend. Ook herinnerde hij zich zijn -gesprek met den resident. Van Nerekool behoorde toch tot de -rechterlijke macht. - -Neen, de njonja toean resident had niets anders dan het grindgekraak -gehoord; evenwel het bespeuren van die twee Chineezen, maar vooral van -den opiumpachter, dat eene herinnering aan Lim Ho en aan hare afspraken -met ’Mbok Karjå teweegbracht, deed den geldduivel bij haar zegevieren, -en alle andere hartstochten zwijgen. - -„Mijnheer Van Nerekool,” sprak zij met innemende stem, „de resident is -niet zoo erg tegen u gestemd, als gij wel veronderstelt. Maar hij is -alleen op practische menschen gesteld.... Laat mij uitspreken en val -mij niet in de rede. Ons onderhoud duurt al te lang.... De wereld mocht -eens meenen.... maar neen, niet waar? Gij bemint mijne dochter?....” - -Zij aarzelde en beefde over haar geheele lijf. De jonge man keek haar -met iets vreemds in het oog aan, dat zij scheen te begrijpen. - -„De resident is op practische menschen gesteld en.... vergeef mij,” -ging zij na eene lichte aarzeling voort, „gij behoort tot de practische -menschen niet!.... Neen,.... kijk mij zoo niet aan.... Gij beweegt u -nog in eene droomwereld, die van het werkelijke leven ver verwijderd -is. Gij stelt u de wereld anders voor als zij is, en wordt gij uit die -droomerijen niet bijtijds wakker, dan is het gevaar zeer groot, dat gij -nimmer carrière zult maken bij de rechterlijke macht, die gij u tot -loopbaan verkozen hebt. Dat is wel de meest prozaïsche loopbaan, die er -bestaan kan, en die het meest van droomerijen afkeerig is.” - -Van Nerekool luisterde aandachtig en onderworpen, hoewel hij eene -zekere onrust voelde opkomen, die hij ternauwernood vermocht te -bedwingen. - -„Ik ben gereed aan uw verzoek te voldoen,” ging de schoone Laurentia -met innemenden glimlach op de lippen voort, maar sprak daarbij hare -woorden met een nadruk uit, alsof zij de lettergrepen wilde tellen. „Ik -wil uwe voorspraak zijn, ik wil uwe zaak bij den resident bepleiten, -en... wanneer ik dat doe, dan kunt gij er zeker van zijn, dat Anna de -uwe zal worden....” - -„O, ik ben u dankbaar, mevrouw!” barstte de jonge man los; terwijl hij -de hand op zijn borst lei, alsof hij het kloppen daarvan wilde -bedwingen. - -Het had weinig gescheeld of hij had Anna’s moeder aan zijn hart -gedrukt, en haar met kussen overdekt. Gelukkig, dat hij zich weerhield; -want wie weet, welke verandering van inzichten zulk een onbezonnen daad -bij de prikkelbare vrouw teweeg had gebracht. - -„Bedaar, mijnheer Van Nerekool, bedaar!” suste Laurentia dat -enthousiasme. „Ik ben gereed uwe voorspraak te zijn, maar gij moet mij -eene belofte doen....” - -„O, spreek, mevrouw! spreek! Ik zal alles....” - -„De heer Zuidhoorn staat op het punt met verlof naar Nederland te -vertrekken, nietwaar? Welnu, er is eene zaak bij den landraad aanhangig -die ik gaarne tot een gewenscht einde gebracht zag.” - -„Maar, mevrouw, ik ben lid van den raad van Justitie; ik heb met den -landraad niets te maken.” - -„Op mijne voorspraak zult gij als jeugdig rechterlijk ambtenaar met het -voorzitterschap van den landraad bekleed worden, tot de komst van den -vervanger van den heer Zuidhoorn. Dat zal eene onderscheiding zijn, -nietwaar?” - -„Voorzeker, mevrouw! Spreek, o spreek!” - -„En... wie weet?... Maar ter zake. In de gevangenis zit een Javaan, -Ardjan genaamd, die opium gesmokkeld heeft....” - -Het hart klopte Van Nerekool schier hoorbaar in de borstkas. O, -voorzeker wenschte de moeder, evenzeer als zijne Anna, den Javaan te -hulp te komen. Hij meende dan ook in haren geest te spreken. - -„Die beschuldigd is van opium gesmokkeld te hebben, mevrouw,” viel hij -haar met zijn eerlijk gemoed in de rede. - -„Dat is hetzelfde, mijnheer Van Nerekool.” - -De jeugdige rechterlijke ambtenaar keek vreemd op. Hij begreep -volstrekt niet. - -„Ardjan is een aartssmokkelaar, en behoort tot een smokkelaarsfamilie,” -ging Laurentia niet zonder drift voort. „Zijn vader is kort geleden nog -betrapt, en heeft zich daarbij tegen de openbare macht verzet. Zulke -menschen moeten streng gestraft worden, hoort ge?” - -„Verzet tegen de openbare macht, voorzeker mevrouw. Wat echter de -smokkelarij betreft, is....” - -„Smokkelarij is diefstal, weet gij dat niet, mijnheer Van Nerekool? -Diefstal van ’s lands penningen, diefstal uit den zak der -belastingschuldigen!” - -„Ongetwijfeld, mevrouw. Maar ik wilde vragen: is die smokkelarij wel -behoorlijk bewezen?” - -„O, voorzeker. Ardjan is de schuldige, niemand anders. Ik weet wel, dat -er een soort komplot op touw gezet is, om Lim Ho, den zoon van den -opiumpachter, in verdenking te brengen. Den zoon van den opiumpachter! -die met zijn vader het grootste belang er bij heeft, dat de -smokkelhandel zooveel mogelijk tegengegaan wordt!... Het is eenvoudig -bespottelijk!.... Ja, ik weet ook, dat, om Lim Ho te bezwaren, eene -aanklacht bij den landraad ingediend is, als zoude Lim Ho den Javaan -Ardjan met karbouwenbladeren hebben laten geeselen. Maar, nietwaar, -mijnheer Van Nerekool, gij zult dat weefsel van leugen en bedrog weten -te verscheuren! Gij zult dat ellendige gebroed van sluikers en valsche -aanklagers onschadelijk maken!...” - -„Mevrouw, gij kunt overtuigd zijn, dat ik, wanneer ik tot tijdelijk -voorzitter van den landraad mocht benoemd worden, mijn plicht nauwgezet -zal volvoeren. Wie recht heeft, zal recht bedeeld worden; wie straf -heeft verdiend, zal haar niet ontgaan. Ik ben eenigszins op de hoogte -van die opiumsmokkelpartij, ook van het zoogenaamde verzet van Ardjan’s -vader, en ik meen nu reeds te kunnen verzekeren, dat die twee Javanen, -vader en zoon, zoo schuldig niet zijn, als zij schijnen....” - -„Wat een uilskuiken is die rechterlijke ambtenaar,” dacht mevrouw Van -Gulpendam. - -„Mijnheer Van Nerekool,” fluisterde zij den jongen man in het oor, „de -resident heeft gelijk; gij zijt geen practisch man.” - -„Mevrouw....” - -„Slechts, als gij mijne wenken volgt, is de hand mijner dochter voor u -bereikbaar. Bedenk u wel!” - -„Maar, wat eischt gij van mij?” - -„Ardjan en zijn vader moeten verbannen worden. Waarheen? Dat komt er -minder op aan. Naar de Molukken, naar Deli, naar Atjeh. Dàt laatste -oord ware wellicht het meest verkieslijke.” - -„Zij zullen verbannen worden, wanneer zij schuldig zijn.” - -„Schuldig of niet! Mijn wenk gehoorzamen,... of geen voorzitterschap -van den landraad! Doen wat ik wil,... of geene Anna!....” - -Het bloed vloog den jongen man bij die woorden naar het hoofd. Zijn -geheele gemoed kwam in opstand. Hij liet den arm der schoone -verleidster los, en, zonder zich te bedenken, siste hij eer dan hij -sprak, gejaagd: - -„Mevrouw, ik bemin uwe dochter innig; maar hare hand te koopen tegen -dien prijs, tegen den prijs van mijn geweten, dat nooit!” - -„Nooit?” - -„Nooit! Zij zelve zou mij verachten, wanneer ik zoo’n aanbod aannam. -Maar, het is geen ernst, nietwaar mevrouw?” - -„Hooge ernst en mijn laatste woord! Wilt gij oorlog of vrede?” - -„Ik verlang met niemand in onmin te komen. Maar een rein geweten is mij -boven alles dierbaar. Vaarwel, mevrouw!” - -En met het hoofd door beide handen omsloten, ijlde hij heen, verder den -tuin in, naar de eenzaamste plekken. Na een poos daar in de grootste -opgewondenheid rondgedoold te hebben, trad hij de binnengalerij weer -binnen, waar Mathilde Meidema hem tot haar riep. - -„Mijnheer Van Nerekool, mijne vriendin Anna heeft mij verzocht u het -navolgende te vertellen, namelijk: dat wanneer geene redding opdaagt, -Ardjan’s zaak reddeloos verloren is. Al de getuigen zijn verdwenen of -omgekocht, zoodat zijn veroordeeling zeker is.” - -„Van wie weet juffrouw Anna die bizonderheden?” - -„Van mij, mijnheer Van Nerekool.” - -„En van wie weet gij ze, juffrouw Meidema?” - -„Gij zijt wel nieuwsgierig uitgevallen, mijnheer de rechter. Dat hoort -zoo bij het vak nietwaar?” antwoordde het jonge meisje lachende. „Het -eenige, wat ik er bijvoegen kan, nu ik aan Anna’s opdracht voldaan heb, -is: doe er uw voordeel mede.” - -Daarop boog zij en ijlde heen. - -Karel drentelde nog een poos te midden der gasten rond. Maar na zijn -gesprek met mevrouw Van Gulpendam had hij rust noch duur. Hij keek nog -naar Anna rond, die echter als dochter des huizes aan tal van -vormelijkheden op zoo’n partij gebonden was. Hoewel het gelaat van het -lieve meisje weinig genoegen verraadde, zetelde daarop evenwel een -glimlachje, dat lieftallig mocht heeten; maar voor hem, die er op te -lezen vermocht, duidden die trekken onrust, ja angst aan. Bij dat -gezicht had het feest zijne bekoorlijkheid voor hem verloren; vooral, -daar hij het niet meer wagen durfde, haar te naderen. Hij zocht dan ook -zijn hoed op, nam afscheid van den resident en zijn echtgenoote, en was -weinige minuten later buiten. - -„Pas op! Bedenk u wel!” was het laatste woord geweest van de schoone -Laurentia, terwijl hij voor haar boog. - - - - - - - -XII. - -ECHTGENOOT EN GADE.—MOEDER EN DOCHTER. - - -Het was niet vroeg meer, en de zon stond reeds hoog aan den hemel, toen -het echtpaar Van Gulpendam den volgenden ochtend aan de onbijttafel -zat. Wel was de resident volgens gewoonte vroeg op geweest; de dames -evenwel hadden een gat in den dag geslapen. Toen eindelijk Laurentia -verscheen, vond zij haren echtgenoot reeds in zijn lichtblauwen -ambtsrok met zilveren knoopen, waarop het Nederlandsche wapen prijkte, -met een papier in de hand aan tafel gezeten, en overigens vrij nurksch -gestemd. - -„Eindelijk!” riep hij. - -„Wat eindelijk? beet zij hem toe. „Dat ’s zeker mijn goeden morgen!” - -„Wel mogelijk,” antwoordde hij knorrig. „Is dat een uur om te -ontbijten? Ge weet, dat ik zeer vele bezigheden heb.” - -„Waarom hebt ge niet vooraf ontbeten?” - -„Waarom? Waarom? Dat is ulieder stopwoord altijd. Het is u overbekend, -dat ik ongaarne alleen aan tafel zit.” - -„Dan hadt ge Anna kunnen roepen. Die zou u trouwens nieuws te vertellen -gehad hebben.” - -Het scheen, dat de schoone Laurentia, na het eindigen van het feest den -tijd niet genomen had, om haren echtgenoot op de hoogte te brengen. Zij -had het ook als gastvrouw zoo druk gehad! En daarbij geen enkelen dans -overgeslagen! De Santjoemehsche jongelieden waren verrukkelijk geweest. - -„Anna!... Anna!” knorde de resident. „Die zie ik nu nog niet. Kun -jullie vrouwen dan nimmer eens door den wind gaan, zonder den volgenden -dag in katzjammer te liggen? Maar,.... wat is er met Anna? Welk nieuws -zou die mij te vertellen hebben?” - -„Och, dat zij dat zelf maar doet.... Anna!... Pangil nonna!” (roep de -juffrouw) wendde Laurentia zich tot Dalima, die de pandoppo -binnengetreden was. - -„Nonna sebantar sedia, nja!” (De juffrouw is dadelijk gereed, mevrouw) -antwoordde de baboe. - -„Maar wat intusschen? Wat heeft zij mij te vertellen?” herhaalde Van -Gulpendam. - -„Och, ik laat haar liever zelve verhalen, hoe zij zich gisteren avond -in den tuin door Van Nerekool heeft laten omarmen. Zeg gij mij liever, -welk papier gij daar in de hand hebt. Gij weet, dat ik niet van -paperassen aan tafel houd. Die hebben ruimte genoeg, en daarenboven -volkomen verlof om op het kantoor te blijven.” - -Van Gulpendam had het nieuws van het gebeurde met zijne dochter koel -aangehoord, zoo koel zelfs, dat het zijne echtgenoot schier vertoornde. -Daarom had zij ook eene afleiding gezocht, en bezigde daartoe dat -onnoozele papier. Hij antwoordde kalm maar wrevelig: - -„Dat is een telegram, die ik zoo even ontvangen heb en mij zeer -ontstemt.” - -„Een telegram?” - -„Ja, uit den Haag. Kijk, gisteren avond ten negen uur bezorgd, en heden -ochtend om acht uur reeds hier.” - -„Ge drukt zoo op dat reeds, alsof dat vlug was. Ge herinnert u toch nog -den brief van Amy, toen wij haar met haar engagement gefeliciteerd -hadden. Onze telegram werd des morgens te elf uur op het -telegraaf-bureau te Santjoemeh bezorgd, en zij schreef ons, dat zij -dienzelfden ochtend ten negen uur onze felicitatie in handen had. Dat’s -vlug, ja vlugger dan vlug, dunkt me.” - -„Ik heb u al uitgelegd, Laurentia, dat de oorzaak daarvan in het -lengteverschil gelegen is.” - -„Jawel, jawel! De zon draait.... neen, de aarde draait zoo, en.... -jawel, dat weet ik. Maar dat belet niet, dat het vlug was. Een telegram -nog vroeger te ontvangen dan hij zelfs geschreven was. Maar wat behelst -die telegram uit den Haag, die u zoo ontstemt.” - -„Och, wat hebben vrouwen daar verstand van?” - -„Maar nog eens. Vertel op. Van wien is hij?” - -„Van mijn broeder Gerrit.” - -„En wat behelst hij. Laat mij niet zoolang wachten. Dat is niet -galant.” - -Van Gulpendam glimlachte vreemd bij dat woord galant. - -„Van de voordracht voor den Nederlandschen Leeuw kan niets komen. -Tenzij....” - -„Tenzij?” vroeg Laurentia uiterst nieuwsgierig. - -„Tenzij de opiumpacht in de residentie Santjoemeh meer opbrenge! De -begrooting van den tegenwoordigen minister van Koloniën valt niet in -den smaak. Men rekent op een paar millioenen meer van dat middel.” - -„Men?... Men?... Wie is die men?” - -„Wel.... Sidin toeroen lajer,” (Sidin laat de zeilen neer) beval de -resident voorzichtig. „De zon hindert zoo door die jaloezielatten. Wie -die men is? Wel de regeering, de ministers, de Tweede Kamer.” - -„Is het niet anders?” - -„Niet anders?.... Weet gij wel, dat de opiumpachter reeds meer dan -twaalf ton jaarlijks aan pachtschat betaalt?” - -„Welnu, dan zal hij bij de volgende verpachting voor vijftien, voor -achttien ton inschrijven!” - -„Gij spreekt er gemakkelijk over.” - -„Wanneer is die verpachting?” - -„In de maand September van dit jaar.” - -„Laat dat nu maar aan mij over.” - -„Ja, maar....” - -„Geen muizenissen.... De Javaantjes van de residentie zullen ieder maar -wat meer opium rooken, en.... gij zult het „bertes knabbeldat” of hoe -heet gij het?” - -„Virtus nobilitat.” - -„En gij zult het virtus nobilitat op de borst dragen; maar ik zal het -verdiend hebben.” - -„Hoe?” - -„Dat is mijn geheim, Gulpie. Gij zult zien, de opiumpacht vier of zes -ton meer. Dus geene muizenissen voor den tijd. Laat ons nu over iets -anders spreken. Hoe komt het, dat gij het gebeurde met Anna en Van -Nerekool zoo kalm opneemt?” - -„Kom, laten wij maar ontbijten; Anna komt nog niet, en ik heb geen -tijd.” - -„Goed, wij zullen ontbijten; maar dat zal u niet verhinderen mij te -antwoorden, nietwaar?” - -„Dat niet,” knikte Van Gulpendam. - -„Kassi koppie! nènèh!” (geef koffie nènèh) beval Laurentia aan hare -lijfmeid Wong toewa. - -Toen de twee geurige koppen voor het echtpaar stonden, en ieder hunner -zich een sneedje brood geboterd en met een laagje dun uitgesneden -„dageng assep minjagan” (gerookt hertenvleesch) bekleed had, vroeg de -nieuwsgierige vrouw: - -„Welnu, Gulpie?” - -„Wanneer ooit de poging, om de opiumpachtschat in deze residentie te -doen rijzen, slagen zal, dan zal ik waarschijnlijk de hulp van Van -Nerekool noodig hebben.” - -„Zijne hulp? Bij de opiumpacht?” vroeg de schoone Laurentia met loozen -glimlach, alsof zij niets begreep. - -„Luister. Wanneer Lim Ho in de zaak van Ardjan mocht veroordeeld -worden, dan zal noodzakelijk zijn vader Lim Yang Bing van de -mededinging uitgesloten moeten worden.” - -„Waarom dat?” - -„Om het geschreeuw der dagbladschrijvers den mond te snoeren. Welke -keel zouden die opzetten, wanneer den vader van den schuldige aan -opiumsmokkelarij en aan mishandeling de pacht gegund werd! Het zou nog -sterker klinken, dan het spektakel bij het gangspil, als het anker -gehieuwd wordt!” - -„Zou men zich te Batavia aan dat gekef storen?” - -„Ja en neen; men zal slechts minachting voor de schreeuwers over -hebben, men zal schouderophalend met Préault prevelen: „dagbladen zijn -de wereldgeschiedenis omgezet in gezanik;” maar toch uit een gevoel van -zelfdekkerij een onderzoek gelasten.” - -„Wat gij zelf zoudt houden, nietwaar?” - -„Jawel; maar als intusschen de Nederlandsche pers met hare -schreeuwzuster in zou gaan stemmen!” - -„Och, die is nog al mak op het chapiter opium. Die doet slechts mede, -wanneer zij daartoe genoodzaakt is.” - -„Jawel; maar men weet nooit welken kant een dobberend sloepje uitgaat, -ook niet welke intrigues in het spel kunnen komen. Als Lim Ho -veroordeeld werd, dan zou het zeer wenschelijk zijn, dat zijn vader -zich van de pacht onthield.” - -„Maar, hij is de rijkste van de Chineesche kongsie.” - -„Dat weet ik wel.” - -„En hij geëcarteerd, dan daalt de pacht, in stede van te klimmen.” - -„Zeker.” - -„En dan is uw bertes knabbeldat naar de maan!” - -„Juist!” - -„Maar,.... dan mag Lim Ho tot geen prijs veroordeeld worden,” zei -Laurentia met een sluwen glimlach. - -„Zeer goed gezien! Daartoe heb ik evenwel Van Nerekool noodig. Als die -onze schoonzoon werd, of hem de voorspiegeling daarvan slechts gedaan -werd, dan.... Ik heb u reeds verteld, dat ik van plan ben, om hem bij -het vertrek van Zuidhoorn, den landraad tijdelijk te laten -presideeren.” - -„Jawel, maar daarvan wil hij niets weten.” - -„Wil hij daarvan niets weten?” - -„Neen.” - -„Hoe weet ge dat?” - -„Wel, toen ik gisteren avond de twee zoenenden in den tuin verraste, -zond ik Anna heen, en toen....” - -„Toen?” vroeg de resident met eenige spanning. - -„Toen heb ik hem gepolst.” - -„Gepolst? O, die vrouwen! die vrouwen!” - -„Ja, gepolst; maar met dien man is niets aan te vangen.” - -En daarop verhaalde de schoone Laurentia vrij nauwkeurig het gesprek, -dat zij den avond te voren onder de Tjemårå-boomen gehouden had met -Karel van Nerekool; maar verzweeg zeer wijselijk, dat, wanneer zij met -een losbol te doen had gehad, zij in de verleiding ware gekomen de -mededingster harer dochter te worden. Toen dat verhaal geëindigd was, -en de residents-vrouw zweeg, herhaalde Van Gulpendam met een zucht: - -„O, die vrouwen! die vrouwen! Gij zijt veel te voorbarig te werk -gegaan. Hier had gelaveerd moeten worden, in stede van te lenzen. De -gelegenheid was wellicht gunstig, een echte zuid-oost passaat; maar gij -hebt er geen goed gebruik van gemaakt. Gij zijt met volle zeilen op het -doel afgegaan, en zijt de ankerplaats voorbij geschoten.” - -„Loop naar den drommel met je laveeren, je lenzen, je passaat, je -zeilen en je ankerplaats! en laat mij met rust!” zei de schoone -Laurentia, verstoord, dat hare pogingen zoo weinig gewaardeerd werden. - -„Maar de zaak is nu bedorven.” - -„Er viel niets aan te bederven; met dien lummel is niets aan te -vangen!” - -Er was iets bitters in den toon der schoone vrouw, toen zij die woorden -sprak. Als haar Gulpie de beteekenis van den grijnslach, welke die -woorden vergezelde, had kunnen opvangen.... Maar—zou het waar zijn, wat -de Fransche realistische school leert: dat er geen verblinder wezens -dan de echtgenooten bestaan? Van Gulpendam zag of beter begreep dien -lach niet. - -„Niets aan te vangen?” zei hij. „Misschien.... Luister Laurtje. Het is -na dat gesprek te voorzien, dat Van Nerekool binnenkort, heden wellicht -nog of morgen, bij mij aanzoek om de hand van onze Anna zal komen -doen.” - -„Welnu?” - -„Dan zal ik zien, welk land ik bezeilen kan. Wellicht breng ik hem tot -andere gedachten, en noop ik hem de noodhaven binnen te loopen.” - -„Ik hoop het! maar.... ik twijfel aan het welslagen.” - -„Bewerk gij intusschen Anna. Het zou niet onmogelijk zijn, dat Van -Nerekool haar nog zal trachten te praaien, alvorens mij aan boord te -loopen. Als dat gebeurde, zou dat niet anders dan gunstig kunnen -werken.... gij begrijpt mij;.... want Anna moet onze krachtigste -bondgenoote zijn.” - -„Maar, zoudt gij dan ons schoon en lief kind aan dien femelachtigen -lummel willen geven?” - -„Als het niet anders kan, ja! Maar dien koers gaan wij nog niet uit. -Als maar eerst het doel bereikt is, en wij in den passaat zijn, dan zal -er wel gelegenheid gevonden worden, om Anna over stag te doen gaan....” - -Laurentia knikte. Wat kenden die ouders nog weinig hun eenig kind! - -„En,” ging de resident met cynisme voort, „het verliefd uilskuiken als -onnutte ballast over boord te zetten.—Sjt!.. daar komt zij... Goeden -morgen, Anna! Hebt gij goed geslapen na die dansreceptie?... He, wat -heeft ze het hartje opgehaald! Wat liep dat korvetje van stapel! Geen -dans overgeslagen!” - -Anna was verbaasd. Haren vader was dus nog volstrekt niets bekend? Want -na het gebeurde in den tuin, had zij gemeend slechts ernstige gezichten -te zullen ontwaren. Daarin zat wel ietwat de reden, dat zij zoolang in -haar vertrek was gebleven. En ziet, zelden was haar vader haar -liefelijker te gemoet getreden. Zou mama geen tijd hebben gehad om de -wichtige mededeeling te doen? Dat was onaanneembaar! Hare ouders waren -reeds lang in de pandoppo; dat had zij wel van Dalima vernomen. En -toch.... Zij beantwoordde de lieftalligheid van papa met een -hartelijken kus, en wilde tot hare moeder gaan, toen de heer Van -Gulpendam zeide: - -„Zie zoo, ik heb gedejeuneerd, ik heb mijn morgenzoen. Ik ben klaar. Nu -aan den arbeid, die mij wacht! Ik laat de dames bij elkander. Anna, -luister goed naar uwe mama. Alles, wat zij u zeggen zal, is alsof het -van mij komt. Dag Anna, dag Laurentia.” - -En weg ging hij de binnengalerij door naar de voorgalerij, waar hij den -secretaris der residentie aantrof, die op hem wachtte. Hij bood dien -eene sigaar aan, nam er zelf eene, die hij aan de tali api ontstak, -door een oppasser eerbiedig aangereikt. Toen de sigaar goed rond -brandde, reikte hij de lont aan den secretaris over, die de bewerking -met evenveel zorg en nauwkeurigheid verrichtte; waarna de beide -ambtenaren de ruime voorgalerij een poos op en neer wandelden, en de -nieuwtjes van den dag en de te verrichten dienstaangelegenheden -bespraken. - -Intusschen had nonna Anna den gewonen morgengroet met hare moeder -gewisseld, had daarna naast haar aan den disch plaats genomen; terwijl -baboe Dalima haar van een kopje koffie, dat zij op de aanrechttafel -ingeschonken had, voorzag. - -„Ennakh, Nana! (zij is lekker, juffrouw Anna)” zei ze met een -bekoorlijken glimlach tot hare jeugdige meesteres. - -Deze knikte haar goedhartig tot dank toe, nam het kopje, en slurpte met -wellust en met kleine teugjes het geurige vocht, waarbij zij bij wijlen -het tipje harer tong over de fraaie lippen liet glijden, om als het -ware tot den laatsten droppel op te vangen. Toen het kopje leeg was, -gaf zij het aan de baboe over. - -„Minta lagi, Dalima!” (geef mij nog een) zei zij. - -„Engèh Nana,” antwoordde deze, het kopje aannemende en naar de -aanrechttafel ijlende. - -Anna boterde toen een sneedje brood; maar deed dat zoo langzaam en zoo -opmerkzaam, dat het blijkbaar was, dat iets anders haren geest -bezighield, en zij zich niet haastte het gesprek met hare moeder aan te -vangen. Deze zat stilzwijgend naast haar, en sloeg haar met -onafgebroken maar toch welwillenden blik gade. Zij bewonderde de -frissche huid harer dochter, die hoewel het jonge meisje een groot -gedeelte van den nacht gedanst, en het overige gedeelte waarschijnlijk -slapeloos doorgebracht had, er even helder als altijd uitzag; zij -bewonderde de slanke en toch weelderige gestalte harer dochter, die -onder de sierlijke kabaja verrukkelijk uitkwam en... berekende, in -hoeverre die bekoorlijkheden den koelen en bedachtzamen Van Nerekool -genoegzaam zouden kunnen boeien, om hem het hoofd te doen bukken onder -het juk, dat hem toegedacht werd. Blonk ook al het oog der moeder -trotsch en fier bij detailleeren met onbedriegelijk kennersoog van die -heerlijke vormen, zoo mengde zich toch eene weemoedige gedachte onder -die bewondering. Van der Hoop zei het reeds ruim een kwarteeuw geleden: - - - „Dochter aan het vrijen, moeder wordt oud!” - - -Zelfs een ijverzuchtig gevoel brak zich baan bij haar, wanneer zij aan -de edele gestalte van Karel dacht, die haar zoo onbegrijpelijk koel -bejegend had. Zou zij de hoop moeten opgeven, dien jonkman, in hare -netten te verstrikken, wanneer hij van het verwerven van Anna’s hand -zou moeten afzien?... Maar, weg met die beelden, weg met die gedachten! -De woorden van haren echtgenoot kwamen haar voor den geest. Zij moest -helpen, om den zoon van den opiumpachter te redden, wilde zij de borst -van haar Gulpie met het bertes knabbeldat versierd zien. - -Zoo zaten dochter en moeder een oogenblik naast elkander. De eene -durfde niet spreken en trachtte hare verlegenheid achter haren eetlust -te verschuilen. De andere had behoefte hare gedachten te verzamelen, -alvorens het gesprek in te leiden. Eindelijk begon Laurentia -goedhartig: - -„Zeg, Anna, hoe kwaamt gij er toe, gisteren avond met mijnheer Van -Nerekool in den tuin te gaan wandelen?” - -„Moeder!” stamelde het lieve meisje bedeesd. - -„Bloos niet, mijn kind. Ik zag genoegzaam gisteren, wat er gaande is. -Maar, dat verklaart mij nog niet, hoe gij aan die genegenheid komt. Ik -meen toch recht te hebben, Anna, op uw vertrouwen, nietwaar?” - -„Och, mama, wat moet ik u zeggen? Het gebeurde is zelfs voor mij geheel -onverklaarbaar.” - -„Maar, Anna?” - -„Ik bemin Karel, ziedaar alles, wat ik weet.” - -„Zeg, Anna, hebt gij uzelve wel onderzocht? Zijt ge verzekerd, dat de -gewaarwording, die gij ondervindt, dat ernstige en diepe gevoel is, -hetwelk de vrouw doet neerbuigen voor den man?” - -„Ja, mama!” - -„Hebt ge u afgevraagd, of het eene toegenegenheid voor het leven zal -zijn, die gij den man wilt wijden, die u voor een oogenblik geboeid -heeft?” - -„Ja, mama! Want mijne genegenheid is gegrond op het besef van de edele -hoedanigheden, die hem van andere mannen onderscheiden. Het is vooral -zijn eerlijk hart, dat mij getroffen heeft.” - -„Dat alles is wel wuft, Anna.” - -„Vindt gij dat wuft, mama; wanneer ik een open oog heb, niet voor -ijdele praal, niet voor een vernis van beschaving, maar voor degelijke -hoedanigheden, voor vastheid van karakter, voor eerlijkheid van -grondbeginselen?” - -„Tu, tu, tu! allemaal groote woorden.” - -„Zoudt gij mijne genegenheid afkeuren, mama?” - -„Afkeuren?.... Ik niet.” - -„Ja, ik weet het, papa houdt niet van Van Nerekool.” - -Mevrouw Van Gulpendam antwoordde daar niet op. - -„Hebt gij hem sedert lang lief?” vroeg zij. - -„Ja, mama. Ik heb hem lief gekregen, zonder dat ik het wist.” - -„Och kom.” - -„Zonder dat ik het bespeurde. Ik verzeker het u.” - -„Hoe en wanneer dan toch hebt gij ontwaart, dat gij hem lief hadt?” - -„Gij weet, mama, dat hij dikwijls, zeer dikwijls, hier aan huis kwam -nietwaar? - -„Welnu, ja. Maar, dat is geen antwoord op mijne vraag.” - -„Bij die bezoeken bevond hij zich meestal alleen met mij. Nu eens waart -gij met uw partijtje bezig; dan eens zaat gij te midden uwer -vriendinnen een toiletartikel of de geheimen van een plumpudding te -bespreken; een andere maal moest gij als gastvrouw, als de gade van de -hoogste autoriteit, de honneurs waarnemen, en u met generaals, -kolonels, voorzitters van justitieraden, inspecteurs, enz., enz. -bezighouden, en hadt bij al die gewichtige bedrijvigheden geen tijd om -uwe aandacht, aan uwe dochter te wijden....” - -„Maar, Anna, dat klinkt als een verwijt!....” - -„Laat mij uitspreken, mama. Gij hebt mij gevraagd, hoe die genegenheid -mijn hart binnen geslopen is, ik wil dat hart voor u blootleggen; gij -hebt daar recht op, want gij zijt mijne moeder.... Dan bevond ik mij -zoo alleen in die kringen, waarin alledaagschheid, waarin -zelfvoldaanheid en zelfgenoegzaamheid, middelmatigheid en wuftheid den -boventoon voerden; ik vond mij dan zoo alleen te midden van die -gesprekken, die mij niet boeiden, en van die personen, die mij -tegenstonden....” - -„Anna! Denk er om. Gij spreekt over het gezelschap uwer ouders.” - -„Kan ik het helpen, dat dit gezelschap mij weinig aantrekkelijk -voorkomt? Gebeurt u dat niet meermalen ook? Wees openhartig, mama.” - -Laurentia antwoordde niet op dat beroep. Zij verslond als het ware hare -dochter met hare oogen. - -„Ga voort!” zeide zij kortaf, maar toch met zachte stem. - -„Dan sloop ik naar mijn piano, gelukkig een overheerlijk middel te -hebben, mij aan die menigte te kunnen onttrekken; dan....” - -„Jawel, dan verdiepte zich mijne dochter in Beethoven, in Mendelssohn, -in Mozart, in Chopin, en ik weet niet in welke spelbrekers nog meer, en -verwaarloosde de wereld....” - -„En vergat die wereld, die voor mij geen aantrekkelijkheid had, in het -rijk der tonen, dat zich voor mij als een paradijs ontsloot!” - -„Mooi gezegd,” hernam mevrouw Van Gulpendam met iets vochtigs in het -oog; want de zoo gevoelig bewerktuigde vrouw bleef niet koud voor de -geestdrift harer dochter. „Maar, dat verklaart mij nog niet, hoe gij -ontdektet, dat gij Van Nerekool lief hadt.” - -„Onder al die wezens, die u daar omringden, waren er maar weinigen, die -zich aan het verleidelijke van een quadrille-partijtje, van een -redetwist over gedwongen arbeid in heerendienst, of aan een -beschrijving van een wit damasten burnou konden onttrekken, om....” - -„Om zich om de priesteres der Harmonie te scharen,” viel mevrouw Van -Gulpendam met goedhartigen glimlach in. - -„Om iets anders te genieten dan die beuzelgesprekken, die een samenzijn -van zoogenaamde lieden van de beau monde kenmerken. Onder die weinigen -behoorde mijnheer Van Nerekool, of beter, hij was de eenigste. Want, -waren er ook andere jonge lieden, die zich een oogenblik om mijn piano -schaarden, dan gold dat niet de muziek, die ik vertolkte, nog minder -den persoon van de vertolkster....” - -„He, he, hoe nederig, Anna!” - -„Maar alleen de dochter van den resident, die men wel, ter wille van -den vader, de beleefdheid wilde bewijzen, haar een oogenblik te -omringen; maar, die men in den steek liet, wanneer het „invallen” -klonk, of wanneer eene aanhaling uit het Koloniale Verslag of uit de -Java-courant vernomen werd.... Dan bevond ik mij met Karel alleen, en -vond in hem een kenner, die gevoelde, wat muziek beteekende! Zoo -bevonden wij ons meestal te midden eener groote menigte geïsoleerd, en, -zoo vonden onze gevoelens vertolking in de heerlijke tonen, die onze -vingeren ontlokten.... Neen, mama, glimlach niet; bij die gelegenheden -is nimmer een woord onzen mond ontglipt, dat ons ons hartgeheim kon -doen vermoeden. Wellicht zou dat woord immer gezwegen zijn geworden; -want ik ben overtuigd, dat Van Nerekool evenmin als ik aan liefde -dacht, en wij ons onbewust tot elkander aangetrokken gevoelden. Maar -gisteren avond.... gedurende de invitation à la valse is ons ons geheim -ontsnapt, en.... mama, gij waart tegenwoordig bij den eersten kus, die -tusschen ons gewisseld werd....” - -Terwijl zij die laatste woorden sprak, had het lieve meisje het hoofd -aan de borst van hare moeder gevlijd, die haar den arm om den hals -sloeg, en in de verrukkelijk schoone oogen staarde. - -„En nu, moeder, zult gij het uwe dochter kunnen vergeven, dat zij aan -de inspraak van haar hart gehoor gaf?” - -„Kindlief,” sprak Laurentia met zachtvloeiende stem, „niet alleen, dat -ik u vergeven kan, wat heel natuurlijk geweest is; maar, wat meer zegt, -er zouden omstandigheden zich kunnen voordoen, dat ik uwe keuze -goedkeuren kon.” - -Anna vloog op van hare plaats naast hare moeder. - -„Mijne keuze goedkeuren!.... Mama.... gij maakt mij overgelukkig!” - -En knielende, verborg het lieve kind het gelaat in den moederlijken -schoot, terwijl onbedwingbare snikken het tengere lichaam deden -schokken. Hare moeder, aan zoo veel hartstochtelijkheid niet gewoon, -beurde haar op. - -„Bedaar toch, Anna,” sprak zij. „Wat ik zeide, was toch zoo natuurlijk, -nietwaar? Waarom daarover zoo te ontroeren?... Zoudt gij dan kunnen -denken, dat ik uw geluk niet zou willen bevorderen?” - -„Mijn geluk!... Ja, mijn geluk!... lieve, beste mama!... Ja zeker, mijn -geluk!” kreet het opgewonden meisje; terwijl zij het gelaat harer -moeder met kussen overdekte. - -„Kom, Anna,” zei mevrouw Van Gulpendam eindelijk, om de opgewondenheid -harer dochter te stuiten. „Bedaar nu, en kom naast mij zitten, zooals -straks, dan kunnen wij hand in hand, en uw oog op het mijne gevestigd, -die teedere zaak verder behandelen. Kom hier, en ga zitten. Hier aan -mijn hart!” - -En zij koesterde het engelenkopje aan haren boezem, alsof.... Het was -evenwel het tegenovergestelde beeld van den landman met de slang.... - -„Zou papa zijne toestemming verleenen?” vroeg Anna; terwijl zij de -handen te zamen vouwde, alsof zij een gebed verrichten wilde. - -„Ik denk ja.” - -„O, wat zou dat gelukkig zijn! Zeg, moe, zou dat geluk niet te groot -zijn?” - -„Neen, Anna, neen! Maar luister. Zoo heel gemakkelijk zal papa niet te -veroveren zijn. Hij zal stormenderhand moeten verrast worden!” - -„Verrast?... Zeg, mama, hebt gij papa nog niets gezegd?” - -„Niet alleen stormenderhand verrast,” ging Laurentia voort, zonder de -gedane vraag te beantwoorden; „maar er zou iets moeten kunnen gebeuren, -waardoor Van Nerekool zijne geheele genegenheid won.” - -„Zijne genegenheid? Spreek mama; o, ik ben overtuigd, dat hij alles zal -doen om mijne hand te verwerven.” - -„Alles? Is hij dan zoo verliefd?.... Alles? Schept gij u geen -droombeelden?” - -„Droombeelden?” - -„Ja, droombeelden! Ik heb eenige redenen, om te veronderstellen, dat -die Karel zoo verliefd niet is, als hij bij u wel wil doen voorkomen.” - -„Mama!” zei Anna met een verwijtingsvollen blik op hare moeder. - -„Luister, Anna. Gisteren avond bleef ik, zooals ge weet, met Van -Nerekool in den tuin achter. Toen heb ik, na de bekentenis zijner -liefde aangehoord te hebben.....” - -„Mama!.... de bekentenis zijner liefde!....” kreet het jonge meisje -schier ademloos. - -„Bedaar,” ging Laurentia met een ijskouden glimlach voort. „Na de -bekentenis zijner liefde opende ik hem het vooruitzicht niet alleen op -het verwerven der toestemming van papa.....” - -„O, mama!... wat zijt ge goed!” fleemde thans het jonge meisje met de -veranderlijkheid van indrukken aan haar geslacht zoo eigen, terwijl zij -voortging het gelaat harer moeder met kussen te overdekken. - -„Laat mij voortgaan, Anna,” hernam Laurentia. „Ik opende hem niet -alleen dat vooruitzicht, maar ook dat van eene verbetering van positie, -waardoor een huwelijk met een meisje zooals gij meer mogelijk zou -worden.” - -„Een meisje zooals ik?” vroeg Anna verwonderd. „Ben ik dan anders als -andere meisjes, om een huwelijk minder mogelijk te maken, mama?” - -„Kindlief, gij zijt van kindsbeen af in eene zekere mate van weelde -opgevoed, en het zou u zeker sterk afvallen, wanneer gij van die -weelde, hoe weinig ook maar, afstand zoudt moeten doen.” - -„O, mama, als het den man mijner keuze geldt, dan ben ik tot alle -opofferingen in staat!” - -„Dat is eene zeer mooie romanphrase, Anna, die aan de werkelijkheid -evenwel niet getoetst kan worden. In die werkelijkheid is het -integendeel maar al te waar, dat, wanneer gebrek of schaarschte de deur -inkomt, de liefde het raam uitvliegt.” - -„Dat zal met Van Nerekool en mij niet te vreezen zijn, mama!” - -„Dat is alles goed en wel. Wij, uwe ouders zijn verplicht voor de -toekomst van ons kind te zorgen. Wij wenschen, dat de man, dien wij uw -verder levensgeluk zullen toevertrouwen, in staat zij, u eene -onbekommerde toekomst aan te bieden. Wij meenden den heer Van Nerekool -daartoe de hand te kunnen reiken; maar.....” - -„Wat antwoordde hij toch?” - -„Wat hij antwoordde? Hij had slechts één woord in den mond, en dat was: -„nooit!”” - -„Nooit!.... Ik begrijp niet goed, mama. Hij heeft u zijne liefde voor -mij bekend, en, toen gij hem het verkrijgen mijner hand in het uitzicht -steldet, heeft hij geantwoord: „nooit!” Hoe kan dat?” - -„Ik stelde hem eene voorwaarde.” - -„Eene voorwaarde?” - -„Eene huwelijksvoorwaarde, als ge wilt.” - -„Eene huwelijksvoorwaarde, waarop hij antwoordde: „nooit!” Mama, ik -begrijp minder dan ooit.” - -„Eene kleine voorwaarde, welker vervulling uwen vader genoegen moest -doen, daar die hem eer en roem zou aanbrengen, die alle hinderpalen -effenen en Van Nerekool zelven tot aanzien zou brengen.” - -„Och, mama, er heerscht hier slechts een misverstand. Karel is een edel -mensch, en het is vooral door den adel zijner ziel, dat ik mij tot hem -aangetrokken gevoel. Nog niet lang geleden heeft hij mij beloofd om den -aanstaande mijner baboe te redden, en hij zou....” - -„Den aanstaande uwer baboe....” kreet mevrouw Van Gulpendam. - -„Ja, van baboe Dalima, Wat zou dat?” - -„Maar het is juist die zaak, welke ik hem aanbeval....” - -„Welnu, zei ik het niet?” hernam Anna kalm. „Er heerscht hier slechts -een misverstand, wat wel te recht zal komen. Zeg mij, wat gij Van -Nerekool voorgeslagen hebt?” - -„Ja, juist. Gij alleen zijt in staat om de zaak te recht te helpen. -Bedenk, dat het de toekomst van Van Nerekool, en met die toekomst uw -huwelijk geldt.” - -En nu verhaalde de eerzuchtige en trotsche vrouw, dat zij voor haren -echtgenoot, voor Anna’s vader, het eereteeken van den Nederlandschen -Leeuw verlangde; dat dit echter niet verkregen kon worden dan door de -opvoering van de opium-inkomsten in de residentie Santjoemeh. Het -virtus nobilitat zou den prijs zijn voor de stijving van Neêrland’s -schatkist. - -„Maar, om die vermeerdering van pachtschat te bereiken,” ging Laurentia -voort, „is het noodig, dat Lim Yang Bing opiumpachter blijft, en dat -kan niet, wanneer zijn zoon Lim Ho wegens opiumsmokkelarij, en daarmede -gepaard gaande mishandeling veroordeeld wordt. Eene wreede -noodzakelijkheid is het dus....” - -Anna had die uiteenzetting eerst belangstellend, daarna met een -strakken blik, op de lippen harer moeder gevestigd, aangehoord, alsof -zij haar de woorden uit den mond wilde kijken. Nu vloog zij op en wild -en woest viel zij Laurentia in de rede. - -„Dat Ardjan in stede van Lim Ho veroordeeld wordt, om papa den -Nederlandschen leeuw te bezorgen!.... Dat kan, dat mag niet gebeuren! -Hoort ge, moeder?” - -„Maar, bedaar dan toch, Anna. Wat zijt ge een opgewonden kind.” - -„En, hebt ge die voorstellen aan Karel gedaan?.... Ja? O, dan ben ik -wel ongelukkig!” - -„Maar, Anna, luister dan toch!” - -„Nu begrijp ik zijn „nooit!”” zei het meisje bitter. „Neen, nooit zal -hij de echtgenoot van de dochter van zulke ouders worden!” - -En bij die woorden vloog zij de pandoppo uit, en sloot zich in hare -kamer op. - - - - - - - -XIII. - -OP WEG NAAR HET JACHTTERREIN. - - -„En, zijt gij nu klaar om te vertrekken?” - -Met die vraag stormde Eduard van Rheijn des Zaterdags namiddag bij Van -Nerekool de kamer binnen. - -„Voorzeker ben ik klaar,” antwoordde deze. „Maar zijn de paarden er -reeds?” - -„Daar heeft Verstork uitmuntend voor gezorgd. Mag ik uwen gedienstigen -geest voor een oogenblik uitzenden, dan staan ze binnen weinige minuten -trappelend voor de deur.” - -En inderdaad de jongelieden hadden nauwelijks tijd een glas bier met -elkander te drinken en eene sigaar op te steken, toen twee fraaie -rijpaarden verschenen, echte Makassaren, [79] niet zoo bizonder fraai -van bouw als Kedoeërs, of als Batakkers [80], maar voorzien van een -breede flinke borst, die èn kracht èn onvermoeibaarheid aanduidden, -voorzien van flink gespierde beenen, die wel slank en onbevallig, maar -daarbij sterk en lenig waren. - -In een oogwenk zaten de jongelieden te paard. - -„En uwe buks?” vroeg Eduard. - -„Sidin, kassi snaphan,” (Sidin geef mij mijn geweer aan) beval Van -Nerekool. - -De bediende reikte het prachtige wapen, dat de regent van Santjoemeh -den rechterlijken ambtenaar op diens verzoek geleend had. Deze hing het -met den cordonriem over den schouder, stak een paar revolvers in de -pistool-holsters, die voor aan het zadel bevestigd waren; zoodat hij in -bewapening nagenoeg met Eduard van Rheijn gelijk stond. Weldra hadden -de beide jongelieden Santjoemeh verlaten, en ijlden in stevigen draf in -oostelijke richting Banjoe Pahit tegemoet, hetwelk het doel van hunnen -rit was. - -Zij spraken niet veel met elkander; ja, zij wisselden niet meer dan nu -en dan een woord. Er bestond dan ook weinig reden van opgewektheid tot -een levendig gesprek. Hoewel de weg, dien zij volgden, vrij wel door -Tamarinde- [81] en Kanarie-boomen beschaduwd was, liet zich de -tropische warmte drukkend gevoelen, en zou die eerst temperen, wanneer -de zon de kim nabij zoude zijn. Maar, het was eerst drie uur in den -namiddag, de dagvorstin was dus nog ver verwijderd van dien eindpaal -harer dagelijksche reis. - -De paarden evenwel waren vurig en onvermoeibaar en spoedden ijverig -voort; in flinken draf, wanneer de baan effen was, in galop, wanneer -zij steeg. Zelden behoefden de edele dieren in stap gebracht te worden, -en waren dan nog in dien gang niet te houden. Daarbij het landschap, -hetwelk de beide vrienden doorsneden, was in den volsten zin des woords -verrukkelijk te noemen. Eerst voerde de weg door vriendelijke dèsa’s, -die met hunne bruine atap-daken, met hunne goudgele -kadjang-omwandingen, eene lieve schakeering vormden te midden van het -groen der vruchtboomen, die het geheel overschaduwden. Daarna volgden -klappertuinen, waar die slanke palmboomen, in rij en gelid geplant, -hoog in de lucht hunne wuivende bladertakken, waaruit hare kruinen -bestonden, verhieven en een zonderling grillige schaduw op de groene -graszoden wierpen, die den bodem bedekten. Verder doken de -schaakvormige vakken van een uitgebreid sawahveld uit de diepte van een -terreinplooi op, lieten de galangan’s, die haar omgaven met haar groen -kleed van gras of beschaduwd door „toeri”- of „klampies”- -[82]struikjes, duidelijk ontwaren, terwijl de vakken of velden in dit -jaargetij als ontelbare waterbekkens in de zon glinsterden, daar zij in -dit seizoen na den oogst, behoorlijk bevloeid waren, en dus aan -vierkanten vloeibaar zilver, met eene groene omlijsting omgeven, gelijk -waren. Achter dat sawahveld verhief zich het gebergte, dat met zijne -vooruitspringende heuvelen, geheel met maagdelijk bosch overdekt, een -donkergroenen band boven die glinsterende vakken vormde, die evenwel -langzamerhand, naarmate de afstand voor het oog vermeerderde en de -gezichtseinder zich derhalve uitbreidde, in het donkerblauwe overging, -hetgeen tegen het meer lichte azuur des hemels scherp maar bekoorlijk -afstak. Op sommige punten konden de ruiters, wanneer de paarden eene -heuvelkling in galop bestegen hadden, en eenige verademing genieten -moesten, bij het wenden van het hoofd de Java-zee bespeuren, die daar -bij den horizon onder het zonlicht als een onmetelijke spiegel lag te -schitteren, waarop de zeilen der vaartuigen zich als witte meeuwtjes -voordeden, of als tegenstelling de zwarte rook van een stoomschip, die -zich in dikke krullen somber over het watervlak omboog, ontwaard werd. - -Neen, onze jongelieden hadden, als het ware, geen tijd om het drukkende -der hitte te bemerken. Zij genoten nog den zoo bekoorlijken leeftijd, -die hen zoo vatbaar maakte voor alles, wat heerlijk en schoon is. En de -elkander opvolgende landschappen, die zich links en rechts van hen -uitspreidden, waren wel geschikt, om die dichterlijke gemoederen te -boeien. De tijd was inderdaad dan ook omgevlogen, toen zij bij eene -kleine dèsa, Kalimatti genaamd, een viertal heeren met een talrijk -gevolg, allen te paard, in de verte in het oog kregen, die hen -spoorslags tegemoet reden. - -„Hoera! daar is Willem Verstork!” riep Eduard van Rheijn. „Kijk, die -daar op dien prachtigen ijzerschimmel, die het hoofd van den -ruitergroep houdt.” - -„Wie is bij hem?” vroeg Karel van Nerekool. „Zie ik goed... dan zijn -het August van Beneden, Leendert Grashuis, Theodoor Grenits en.., bij -God!... ook Frits Mokesuep!” - -„Juist gezien! En geëscorteerd door den „wedono,” den „djoeroetoelis,” -den „loerah,” den „kabajan,” den „kamitoewa,” den „tjarik,” [83] in één -woord, God helpe! door het geheele district- en dèsa-bestuur van Banjoe -Pahit met hun talrijk gevolg. En waarachtig! allen in groote tenue, in -groot gala op hunne kleine paardjes gezeten, die met geel galon -geboorde chabrakken van tijgervel versierd zijn, en waarop de goed -gevulde en rijk gestikte zadels van rood laken of fluweel rusten! -Hoerah! „Ramen besar”! (groote pret)” riep Eduard van Rheijn opgewonden -uit, terwijl hij met zijn kurken helmhoed de tegemoet rijdenden -toewuifde. - -„Hoerah! hoerah! Rameh besar!” antwoordden die ook met gullen kreet, en -weldra had die ruitergroep onze beide vrienden bereikt en weerklonken -de begroetingen en verwelkomingen allerwegen. - -„Gij zijt eenigzins afgetrokken,” merkte Willem Verstork op, terwijl -hij Karel van Nerekool de hand schudde. „Scheelt er wat aan? Toch niet -ongesteld?”.... - -„Neen, ik ben zoo gezond mogelijk. Wat mij hindert, zal ik u later wel -vertellen....” - -„Mijnheer Van Nerekool souffreert aan een opgeloopen blauwtje,” merkte -een der jongelieden, die Verstork vergezelden, op. - -De controleur sloeg bij die woorden een blik op zijn vriend, en toen -hij merkte, dat de woorden van den onbezonnene raak getroffen hadden, -haastte hij zich het onderwerp van het gesprek te veranderen. - -„Als het geene ongesteldheid is, dan vooruit naar Banjoe Pahit! Heeren, -met drieën in draf!” En een oogenblik later: - -„In galop.... arrrrrsch!” kommandeerde hij, als ware hij een oud -kavallerie-officier. - -De zes blanken lieten de teugels op dat kommando schieten en stoven -vooruit, zonder de sporen behoeven te gebruiken, de laan in, die zich -voor hun oog uitstrekte en eene zachte rijbaan opleverde, daar zij met -een mollig tapijt van dicht ineengegroeid fijn gras bekleed was. - -„Wat een keurige weg!” kreet er een van het gezelschap. „Daaraan kun je -de goede zorgen van den controleur bespeuren.” - -Willem Verstork knikte, ingenomen met die bemerking goedkeurend het -hoofd. - -„Goede communicatie-middelen zijn de halve welvaart der bevolking,” -verkondigde hij machtspreukig. - -„Ja, als de bevolking er gebruik van mag maken [84],” merkte er een van -het gezelschap met schamperen glimlach op. - -Achter de blanke ruiters volgden op een korten, maar door de etiquette -aangewezen afstand, de Javaansche hoofden met hunne volgelingen, wier -moedige paardjes van zuiver inheemsch ras, die der Europeanen flink -volgden en in geen gang iets toegaven. - -Terwijl die ruiterstoet spoorslags op Banjoe Pahit toeijlt, nemen wij -de gelegenheid te baat om met de jongelieden, die den controleur -Verstork vergezelden, kennis te maken. - -August van Beneden dan was een Gelderschman van geboorte, een flinke, -gezonde jongen van ongeveer twintig jaren oud, wiens fijne stroogele -haren, die hij krullend droeg en uitermate verzorgde, met zijn wel -krachtig maar open gelaat, genoegzaam op zijne Betuwsche afkomst -duidden. Hij was advocaat, en had zich kort geleden als zoodanig te -Santjoemeh gevestigd. - -Leendert Grashuis, een Zuid-Hollander, was als adjunct-landmeter op het -kadastraal kantoor te Santjoemeh geplaatst. Hij had zeer goede -wiskundige studiën gemaakt, en steeds in de geodesische en -geomorphische wetenschappen uitgeblonken. Als ingenieur presteerde hij -uitnemende diensten bij het vaststellen der grenzen van het individueel -grondbezit in de residentie, waarbij nog zoo’n ontzettende verwarring -heerschte, vooral wanneer de officiëele kaarten in kwestiën van het -zakelijk recht, aan die eigendommen verbonden, te berde werden -gebracht. Steeds stond hij daarbij aan de zijde van recht en -billijkheid tegenover roofzucht en overdreven fiskale eischen, ongeacht -de zijde van waar, al was het ook van den Gouvernements kant, zij -ingebracht werden. Hij was ongeveer zeven en twintig jaren oud, had een -sierlijken blonden krullebol en een aangenaam gelaat, dat van veel -vriendelijkheid en volkomen openhartigheid getuigde, reden waarom hij -in de kringen, die hij bezocht, zeer gezien was. - -Wat Theodoor Grenits betreft, ook die was eene sympathieke natuur. Als -Limburger ontleende hij wel ietwat van de ongedwongenheid van dien -landaard, aan den meerderen omgang met de naburige Belgen toe te -schrijven, en was dan ook een gevierde man in de gezelschappen, waar -jeugd en blijheid ten troon zaten. Hij had zijne humaniora op het -Athenaeum te Maastricht volbracht, was later naar Leiden getrokken, om -daar op de hoogeschool in de rechten te studeeren; maar was deerlijk -mislukt. Nu was hij op een handelskantoor, waar hij zich bevlijtigde, -om in de koopmansloopbaan het tijdverlies in te halen, dat hij op de -Universiteit ondergaan had. Ook hij was eene edele openhartige natuur, -die met de twee vorige jongelieden een waardig klaverblad vormde. - -Anders was het gesteld met Frits Mokesuep, die met de anderen een -scherp kontrast vormde. Hij telde omstreeks dertig jaren, en bekleedde -de betrekking van commies bij de controle-afdeeling van de in- en -uitvoerrechten en accijnzen te Santjoemeh. Hij had in zijne jeugd -slechts elementair onderwijs genoten, doordat hij, nog zeer jong -zijnde, reeds door zijn vader op het kantoor van een ontvanger van de -rijksbelastingen in eene kleine provinciestad geplaatst was geworden. -Dat gebrek aan opvoeding had hem ieder vooruitzicht benomen, om het -ooit verder op de maatschappelijke ladder te brengen dan tot controleur -bij het financiewezen in het moederland. Door dat denkbeeld beheerscht, -had hij aan de oproeping van would be fiscale specialiteiten, indertijd -door den Minister van Koloniën gedaan, ten gevolge van de wijzigingen -in de steeds zoo slecht werkende comptabiliteits-wet in -Nederlandsch-Indië noodzakelijk geworden, gehoor gegeven, en was als -financiëel ambtenaar met dispensatie van het afleggen van eenig examen -[85] naar de overzeesche bezittingen vertrokken, in de hoop daar met -zijnen buigzamen geest, in weerwil van zijne wetenschappelijke -tekortkomingen, zich eene loopbaan overeenkomstig zijne aspiratiën te -kunnen scheppen. - -Maar bij aankomst te Batavia, als derde commies bij het departement van -Financiën geplaatst, had hij daarbij weldra de maat der bekrompenheid -zijner denkbeelden geleverd, en was hij dan ook spoedig naar Santjoemeh -overgeplaatst in de betrekking, die hij thans bekleedde, en -waarschijnlijk zijn bâton de maréchal zoude zijn. Hij was de fiscale -ambtenaar op en top in de meest ongunstige beteekenis van het woord, en -had die loopbaan den meest nadeeligen invloed op zijn karaktervorming -gehad. Hij was sluw, listig, geveinsd en uiterst valsch van aard. -Schrapen was zijn eenige wellust in dit ondermaansche, en alle -middelen, zelfs leugen en bedrog, werden door hem gebezigd om dien -hartstocht bot te vieren. Hoewel hij zijn particuliere welvaart -volstrekt niet veronachtzaamde, zoo had zijn schrapen toch meer -betrekking op de te innen belastingen, en vertolkte die zich bij zijne -bekrompen denkbeelden in plagerijen van de belastingschuldigen. Een -half centje naasten was het nec plus ultra van genot; maar nimmer -beschermde hij de belanghebbenden tegen te hooge betaling. Integendeel, -van zijne medewerking kon het Indisch bestuur verzekerd zijn, wanneer -zelfs door de meest willekeurige en onrechtmatige handelingen geld -afgeperst werd. Zijn uiterlijk stond in nauw verband met zijn karakter. -Hij had een smal toeloopend hoofd, dat schraal gedekt werd door -kastanjebruin haar, hetwelk in twee sierlijke lokken met bandolien, -gom-adragant, stijfsel, vischlijm of eenig ander kleefmiddel langs de -slapen geplakt was. Zijn gelaat was langwerpig en scherphoekig, en had -die vaalgele tint, welk een zuinig gebruikte handdoek aanneemt, wanneer -hij lang in de linnenkast heeft gelegen. Zijn neus was welgevormd, smal -en scherp, maar vormde met de vooruitstekende lippen van den kleinen -mond een profiel, dat het midden hield tusschen dat van eene meerkat en -van een vos, in ieder geval op de geaardheid van een knaagdier duidde. -Misschien was het daarom, dat zijne makkers hem gewoonlijk Muizenkop -heetten. Op de wangen of lippen was geen spoor van dons of van haar te -ontdekken. Een pater Jezuïet had dat fletsche gelaat kunnen benijden. - -Hoe Willem Verstork aan zoo’n weinig sympathieke kennis kwam? Och, dat -was eenvoudig: Mokesuep was de letter der fiscale bepalingen -geïncarneerd; en daar de controleur bij het innen van belastingen in -zijne afdeeling zoo weinig mogelijk met de kleingeestige -muggenzifterijen der financiëele ambtenaren te doen wilde hebben, zoo -had hij dien man in den arm genomen, die hem op het gebied van -accijnzen wel niet altijd den besten raad gaf, maar hem vrijwaarde van -onhebbelijke aanmerkingen. - -Maar, terwijl de lezer deze persoonsbeschrijvingen onder de oogen -kreeg, had de ruiterstoet den afstand, die de dèsa’s Kalimatti en -Banjoe Pahit van elkander scheidde, afgelegd, en was op het punt -laatstgenoemde plaats binnen te rijden. - -Banjoe Pahit, eene groote dèsa, die vriendelijk in een licht doorsneden -heuvelachtig terrein gelegen was, had heden ter eere van de verwacht -wordende gasten haar feestkleed aangetrokken. Allerwegen verschenen de -bewoners, zelfs de vrouwen en kinderen, in hunne beste kleederen, die -zij gewoonlijk ’s Vrijdags slechts aan hadden. [86] Aan den vlaggestok, -die op het erf van de controleurswoning stond, wapperde een -spiksplinter nieuwe Nederlandsche vlag. De wedono, de loerah, en de -andere hoofden, ja zelfs de „mantri tjatjar” (vaccinateur) der -afdeeling, en de „panghoeloe” (priester) hadden dat voorbeeld gevolgd, -en hunnen ijver en genegenheid trachten te betoonen door ook de -driekleur naast hunne woning, aan een bamboestaak, waaraan anders eene -kooi met „perkoetoet’s” (tortelduif) geheschen werd, thans te -ontrollen. Allerwegen klonk de gamelan en verleende aan de feestelijke -stemming der bewoners, die allen op de been waren en de heeren -vriendelijk begroetten, een eigenaardigen localen stempel. - -„Drommels,” herhaalde Eduard van Rheijn, „rameh besar! De controleur -doet de zaken goed! Dat belooft!” - -„Aan die ramen heb ik part noch deel,” antwoordde Verstork. „Maar de -bevolking is blij, dat wij haar van die bende tjellengs komen -verlossen, die ontzettend hare velden verwoesten. Gij zult eens zien -met hoeveel geestdrift zij morgen zullen uittrekken, om ons bij de -klopjacht behulpzaam te zijn.” - -De ruiterstoet was op het erf van het controleurshuis aangekomen en -steeg af. - -„Mijne heeren,” sprak Verstork tot Van Nerekool en Van Rheijn. „Ik heet -u welkom in mijne woning.” En meer in het algemeen: „Wij zullen ons een -oogenblik lekker maken en baden. Dan zal het tijd zijn om aan tafel te -gaan.” - -„Zoo vroeg?” was de vraag van een der gasten. - -„Zeker; want wij zullen na den maaltijd, die slechts een jagersdiner -zal mogen heeten, dat wil zeggen, voedzaam maar kort, andermaal te -paard stijgen om den Djoerang Pringapoes te verkennen, en voor -zonsondergang uit te maken, waar de klopjacht zal beginnen, en waar wij -positie zullen nemen, om de wilde zwijnen op te wachten.” - -„Wij hebben toch maanlicht, nietwaar?” vroeg Van Rheijn. „Ik meen -zelfs, dat wij volle maan hebben.” - -„Ja, en die zal goed te pas komen bij het naar huis rijden,” hernam de -controleur. „Geloof mij, die verkenning zal een geruimen tijd vorderen. -Dan zullen wij vroeg naar bed moeten gaan; want morgen ochtend moeten -wij bij het aanbreken van den dag bij den djoerang zijn, om onze -stelling in te nemen en de jacht te beginnen.” - -En zich tot de twee voornaamste Javaansche hoofden wendende, die de -blanken tot op het erf van den controleur gevolgd waren, zeide hij: - -„Wedono, en gij loerah, gij beiden gaat straks mede naar den djoerang, -niet waar?” - -„Engèh, Kandjeng toean,” was het antwoord. - -„Welnu, blijft dan met ons eten.” - -Maar de Javanen bedankten op de meest hoffelijke wijze. Zij hadden te -huis nog iets te verrichten; zij zouden evenwel op den bepaalden tijd -present zijn. Wat zij niet zeiden, maar toch dachten, was, dat zij -beducht waren, dat onder de spijzen varkensvleesch zoude voorgediend -worden, of dat eenigen der schotels met reuzel of iets dergelijks, -afkomstig van het verafschuwde onreine dier, toebereid zouden zijn. - - - -De zon was juist ondergegaan, toen de jagers de voornaamste toegangen -tot den Djoerang Pringapoes verkend hadden, en het plaatsen der -schutters op de verschillende punten met den wedono en de beide -loerah’s van Banjoe Pahit en Kaligaweh, welke laatste opontboden was, -besproken hadden. Men bevond zich toen bij het beneden gedeelte van den -djoerang, daar waar de beek, die het ravijn doorsneed, over haar -rotsbed van vak tot vak afdalende, eene reeks van watervalletjes en -stroomversnellingen vormde, die dit gedeelte van het reeds zoo schoone -landschap tot het schilderachtigste der geheele residentie Santjoemeh -maakten. Op een geweerschots-afstand spreidde zich de dèsa Kaligaweh in -de sawahvlakte uit, en weerspiegelde zich bij de wonderlijke tinten, -die den avondhemel bij het ondergaan der zon nuanceerden, in de -sawahvakken, die ook hier bevloeid waren, en stelde met hare -klapperboomen, met hare bamboestruiken, met hare menigte vruchtboomen, -waartusschen de gele omwandingen der hutten schier niet ontwaard -werden, een toovertooneel daar, hetwelk zich in den waterspiegel -verdubbelde, en zoo schoon was, dat de Europeanen zich aan dat gezicht -niet verzadigen konden. Alleen het verbleeken dier tinten bij het -intreden van den nacht, en bij het verschijnen van de maan boven de -kim, kon aan dat aanschouwen en bewonderen een einde maken. - -Juist zou men afscheid van den loerah van Kaligaweh nemen, na dien -aanbevolen te hebben, den volgenden ochtend met zijn volk op de -afgesproken plaatsen aanwezig te zijn, en had men reeds de paarden -gewend, om spoorslags naar Banjoe Pahit terug te keeren, toen -plotseling van den kant van eerstgenoemde dèsa een vreeselijk gegil -vernomen werd. Allen stonden dadelijk stil, en luisterden aandachtig. -Dat gegil hield aan, en duidelijk werd te midden van het verwarde -geschreeuw van vrouwen en kinderen het schrikkelijk klinkende „amokh! -amokh!” (moord! moord!) gehoord. - -„Wat mag er gaande zijn, loerah?” vroeg Willem Verstork aan het -dèsahoofd, dat nog bij de heeren stond. - -„Ik weet het niet, Kandjeng toean,” antwoordde deze, „maar wil ik gaan -hooren?” - -„Wacht even, daar komt een oppas aanrennen!” - -En inderdaad, hijgend en schier ademloos kwam zoo’n kanarievogel [87] -aangevlogen, die een pad over de galangan’s der rijstvelden in de -richting van den Djoerang Pringapoes volgde. Toen hij bij den troep -aangekomen was, hurkte hij in der haast voor den controleur neder, en -bracht den sembah. - -„Kandjeng toean,” sprak hij gejaagd, „er wordt amokh in de dèsa -gemaakt. Reeds is een bandoelan onder den kris gevallen en een oppas -deerlijk verwond!” - -„En wie is de amokhmaker?” vroeg Verstork. - -„Ik weet het niet, Kandjeng toean. Vrouwen en kinderen vluchtten -gillend en huilend; toen heb ik mij gehaast om naar den loerah rapport -te komen brengen. Maar bij het heenijlen hoorde ik roepen, dat -Setrosmito de amokhmaker zoude zijn.” - -„Setrosmito, de oude Setrosmito!” riep Verstork uit. „Onmogelijk, -nietwaar, loerah?” - -„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde het hoofd, - -„Die man is veel te bedaard,” ging de controleur voort. „Daarenboven -hij is niet aan het opiumschuiven verslaafd, nietwaar, loerah?” - -„Bottèn, (neen) Kandjeng toean!” was het voorzichtige antwoord. - -Het gegil hield aan. Duidelijk zag men, in weerwil van de -avondschemering, menschen in de grootste verwarring binnen den dèsarand -heen en weer ijlen. - -„Kom, heeren,” sprak de controleur. „Mijne aanwezigheid is op de plaats -des onheils noodig. Gaat gij met mij? Met een flinken galop zijn wij er -in weinige oogenblikken.” - -„Wij volgen u!” kreten al de jongelieden, op een na. - -„Is het wel voorzichtig?” waagde Mokesuep in het midden te brengen. - -Maar zijne vraag ging voor de anderen verloren. Die hadden op het -voorbeeld van Verstork hunne paarden in galop gezet, en ijlden den -landweg af, die naar Kaligaweh voerde. Mokesuep was evenwel te -bedachtzaam om te volgen. Vreeselijke verhalen van amokhpartijen -kruisten hem door zijn brein. Een oogenblik stond hij besluiteloos wat -te doen. Maar daar herhaalde zich het gegil met verdubbelde kracht, -terwijl de tontong’s als bezetenen weerklonken. Dat gaf den doorslag. -Hij wendde zijn paard, gaf het de sporen, en ijlde in razenden ren naar -Banjoe Pahit in plaats van naar Kaligaweh. - -„Bij zulke voorvallen is ’t verstandigst zijne huid te bergen,” dacht -hij. „Straks zullen de anderen mij wel volgen.” - -Terwijl de anderen voortreden in de richting van Kaligaweh, waarschuwde -hen Verstork. - -„Opgepast en uitgekeken,” sprak hij. „Bij amokhpartijen is het zaak op -zijne hoede te zijn, hoewel angstvalligheid niet aanbevolen kan worden, -daar deze het gevaar nog vermeerdert. Houdt uwe revolvers gereed!” - -De aanbeveling was evenwel overbodig. Toen de ruiters den dèsarand -doorjoegen, ontwaarden zij nog wel eenige verschrikte vrouwen, die -hunne kinderen in hunne armen sloten, als wilden zij ze beschermen; -maar de mannen stonden allen met de lans of de kris in de hand rondom -eene hut geschaard, die gesloten was, en niets merkwaardigs aanbood. -Wel weerklonk de kreet: - -„Als hij er uit komt, moeten wij hem op onze lansen opvangen!” - -„Wat is hier te doen?” vroeg de controleur, die van zijn paard sprong, -de teugels aan een der omstanders toewierp, en in den kring trad. - -„Setrosmito heeft amokh gemaakt, Kandjeng toean!” was het antwoord. - -„Toch Setrosmito?...” mompelde de ambtenaar onhoorbaar. - -Maar de vraag was ternauwernood gedaan, en het antwoord daarop gegeven, -of de deur der hut vloog open, terwijl Setrosmito op den drempel -verscheen. - -Het was een oudachtig man met reeds grauwende haren, die hem wild en -woest om het hoofd fladderden, daar hij zijn hoofddoek scheen verloren -te hebben. Zijn baatje was geheel gescheurd, zoodat slechts een vod -daarvan door een der armen opgehouden werd. Aangezicht, borst en handen -waren met bloed bevlekt, zoodat de rampzalige er schrikkelijk uitzag. - -„Daar is hij! Daar is hij!” kreet de menigte. „Opgepast!” - -Alle lansen bogen voorover tot verdediging gereed. - -„Ik wil niemand kwaad doen!” riep Setrosmito zijne dèsagenooten toe. -„Maar nadert mij niet om mij gevangen te nemen; want de eerste, die mij -aanraakt, steek ik neer!” - -En met zoo’n woest dreigend gebaar zwaaide hij den kris, dien hij in de -rechterhand had, dat de menigte achteruit stoof, zoodat de controleur, -die een oogenblik achteraf gestaan had, op den voorgrond kwam. Maar -nauwelijks had de ongelukkige den blanke in het oog gekregen: - -„Ampon, (vergeving) Kandjeng toean!” kreet hij, terwijl hij zijn wapen -van zich afslingerde, en aan de voeten van den ambtenaar neerhurkte. -„Ampon, Kandjeng toean!” herhaalde hij daar. - -Dat alles was zoo bliksemsnel in zijn werk gegaan, dat de meesten der -omringenden niet onmiddellijk vatten, wat er gaande was. Toen die met -bloed bevlekte man naar den controleur ijlde, meenden velen, dat deze -in gevaar verkeerde. Zijn metgezellen traden dan ook met den revolver -in de hand vooruit. Ook de Javanen wilden toespringen en den thans -weerloozen dorpgenoot afmaken; maar Verstork voorkwam hen, drong de -voorsten met de hand achteruit, en weerhield de overigen met het bevel: - -„Achteruit! Laat dien man! Ik beveel het!” - -En op den hurkenden Javaan toetredende, die andermaal op smeekenden -toon herhaalde: - -„Ampon, Kandjeng toean!” - -„Hebt gij amokh gemaakt, Setrosmito?” vroeg hij. - -„Heer! ik heb een bandoelan gedood, die „koerang adjar” -(onwelvoegelijk) met mijn kind handelde. Ja, dat heb ik gedaan. Ik heb -ook een oppas verwond, die hem daarbij hielp. Wie zou mijn kind -beschermd hebben, als ik het niet deed? Maar ik heb niemand anders -verwond of gedood. Dat zal de geheele negorij getuigen.” - -Verstork liet de oogen over de menigte gaan. Allen stonden daar -ademloos, geen woord van protest werd vernomen. - -„Gij bekent een bandoelan gedood en een oppas verwond te hebben?” vroeg -de controleur ernstig. - -„Engèh, Kandjeng toean!” klonk het schier onhoorbare antwoord van den -steeds hurkenden Javaan. - -„Wedono, laat dien man binden!” klonk het bevel jegens het -districtshoofd. - -„Ampon, Kandjeng toean,” kreet de rampzalige bij die woorden. „Ampon, -ik heb slechts mijn kind tegen vuile mishandelingen beschermd.” - -„Ge hebt u tegen de openbare machten verzet, dat mag niemand doen!” -sprak de controleur hoogst ernstig. „Maar, Setrosmito, de gerechtigheid -der blanken zal de zaak onderzoeken, en is uw kind mishandeld, dan zal -dat voorzeker in aanmerking genomen worden en uwe straf lichter maken.” - -Een dof gemompel ging onder de menigte op. Zij kende bij ervaring der -blanken gerechtigheid, wanneer het opiumzaken gold. Een bittere -glimlach zweefde op aller gelaat. Menige verwensching jegens het -onbarmhartige volk, dat het schoone Java overheert en uitzuigt, werd -gepreveld. Nu men inzag, dat men met geen amokhmaker die alles in -blinde en woeste drift neerstak, maar met een vader, die zijn kind -tegen de snoodste mishandelingen beschermde, te doen had, nu had de -geheele bevolking deernis met den ongelukkige. Een gebiedende blik van -den controleur, een handgebaar van den wedono waren voldoende, om ieder -gemompel tot zwijgen te brengen. - -„Gij zult dien man nauwlettend laten bewaken, wedono, gij en de loerah -staat mij borg voor hem,” beval de Nederlandsche ambtenaar, „en gij -zult zorgen, dat hij morgen ochtend vroeg onder een geleide van -gewapend dèsavolk naar Santjoemeh overgebracht wordt.” - -„Ampon, Kandjeng toean,” kreet nog de ongelukkige, die door zijne -dorpsgenooten gekneveld werd. - -„De Kandjeng toean besar zal beslissen, Setrosmito. Ik kan en mag niets -anders doen dan mijn plicht opvolgen.” - - - - - - - -XIV. - -EENE HUISZOEKING MET HARE GEVOLGEN. - - -Van een dadelijk terugkeeren naar Banjoe Pahit moest afgezien worden, -dat zagen de jagers ras in. Verstork moest zich onledig houden met het -instellen van een voorloopig onderzoek omtrent den manslag en de -verwonding die plaats hadden gehad. Hij deed dat nauwgezet als altijd, -en ziet hier wat uit dat onderzoek bleek: - -Het was ongeveer vijf uur in den namiddag geweest, toen Singomengolo, -de spion van den opiumpachter, vergezeld van een Chineeschen bandoelan, -zich in de dèsa Kaligaweh vertoond had. Beide personen hadden eerst een -bezoek aan de opiumkit gebracht, om daar van de gedelegeerden van den -pachter de noodige inlichtingen in te winnen. Daarna hadden zij zich -naar het huis van den loerah begeven en, bij afwezigheid van dat -dorpshoofd, die, wij weten het, voor de varkensjacht naar Banjoe Pahit -opgeroepen was, zich tot een ander lid van het dèsa-bestuur gewend, ten -einde den bijstand der politieagenten te erlangen. - -Door een paar oppassers vergezeld, begaf zich de Chineesche opium-spion -naar de woning van Setrosmito, Dalima’s vader, en gaf, daar aangekomen, -den wensch te kennen het huis van den Javaan te doorzoeken. - -„Gij bezoekt nimmer de kit van babah Than Kik Sioe” zei hij. „Gij koopt -er nimmer opium, zoodat de pachter tot de veronderstelling moet komen, -dat gij u van sluikopium voorziet. Ik heb in opdracht uw huis ten -nauwkeurigste te doorzoeken.” - -„Ik schuif geen opium in de kit, en ook niet in huis. Gij zult geen -opium bij mij vinden. Maar ga uw gang, babah,” was het rustige antwoord -van den trouwhartigen landbouwer. - -De Chinees en de beide oppassers wilden binnentreden. - -„Neen,” sprak Setrosmito bedaard. „Eerst moet jullie onderzocht -worden.” - -En zich tot eenige dorpsgenooten wendende, die op het verschijnen van -de politieagenten en den opiumjager nieuwsgierig bijgetreden waren: - -„Sidin en Sariman,” sprak hij, „helpt mij den bandoelan en de oppassers -te onderzoeken.” - -Het drietal, te zeer gewoon aan zoo’n bejegening, [88] onderwierp zich -aan de geëischte visitatie, die met de meest mogelijke nauwkeurigheid -geschiedde, zonder evenwel een spoor van opium op te leveren. - -Eerst daarna gebeurde het huisonderzoek, hetwelk eene herhaling mocht -genoemd worden van dat, hetwelk kort te voren bij Pak Ardjan had plaats -gehad. Maar, had Setrosmito bij de opiumjagers geen heulsap gevonden, -evenmin vonden dezen iets, wat op sluikwaren kon gelijken, hoe dikwerf -zij het huis in alle hoeken en gaten met de grootste nauwgezetheid -doorzochten. - -„Waar zijn uwe kinderen?” vroeg eindelijk de Chinees woedend en -wanhopig, dat niets te vinden was. - -„Die zijn op de gemeenteweide, waar zij op mijne twee karbouwen -passen.” - -De Chinees had een gemeenen grijnslach op het vuil bleeke gelaat, toen -hij vernam, dat de Javaan nog twee ploegdieren rijk was. Er waren -helaas! slechts weinige bewoners van Kaligaweh, die welvarende dèsa van -weleer, welke nog zooveel bezaten. Hij zei evenwel niets, maar spoedde -met de politiedienaren naar buiten, om zich naar Singomengolo te -begeven, ten einde dien van den stand van zaken mededeeling te doen. - -Die aterling glimlachte, en keek verachtelijk neer op den Chinees over -zijne onhandigheid. - -„Lim Ho en Lim Yang Bing hebben wat aan jou als bandoelan,” siste hij -hem te gemoet. „Jij zult nimmer sluikopium vinden.” - -„Maar jij ook niet, waar hij niet is.” - -„Wel, „Keh” [89], voor een ringgiet wedden, dat ik er vind?” - -„Onmogelijk. Ik heb het geheele huis het onderste boven gehaald. Ik heb -tot de bamboestijlen der hut doorzocht, en nergens iets gevonden.” - -„Hebt je ook onder den „dapoer” (vuurhaard) gezocht?” - -„Ja.” - -„Ook in de asch van den dapoer? Heb je den bodem der hut opgegraven?” - -„Ja.” - -„Ook onder de baleh-baleh? Heb je ook de „bantal’s” (kussens) -onderzocht?” - -„Ja, ja, ja! Ik ben geen kind!” sprak de Chinees gemelijk. - -„Geen kind, maar een domkop, nog dommer dan een karbouw ben je! Kom -maar meê,” ging Singomengolo voort, na die liefelijkheden, den -gestaarten natuurgenoot naar het hoofd geslingerd te hebben. „Kom maar -mee, dan zal ik je laten zien, dat waar jij niets vondt, ik wel wat zal -opsporen! Die dèsa-honden hebben steeds opium in huis.” - -De ellendeling vergat, dat hij in die dèsa het licht aanschouwd had. -Maar, zoo gaat het meer in de wereld. - -Het viertal maakte rechtsomkeert, en keerde naar de hut van Setrosmito -terug, om het onderzoek te hervatten. Toen de Javaan de aangekomenen op -nieuw wilde onderzoeken, weigerde Singomengolo botweg. - -„Als je mij aan het lijf komt, ransel ik je af als een schurftigen -hond!” zei hij barsch. - -Setrosmito protesteerde. - -„Ja, dan zal er wel opium in mijn huis gevonden worden,” zei hij. „Ik -ken die streken! Kabajan,” zoo wendde hij zich tot een lid van het -dèsa-bestuur, die onder de menigte voor het huis stond toe te kijken. -„Kabajan, ik roep u tot getuige van hetgeen hier gebeurt!” - -Deze echter, beducht om met de aterlingen van het opium-monopolie in -aanraking te komen, antwoordde niet, maar maakte zich ijlings uit de -voeten. Lachende trad Singomengolo met zijne acolyten de hut binnen. -Met hen evenwel ook Setrosmito’s kinderen, twee jongetjes en een -meisje, die met hunne buffels van de gemeenteweide huiswaarts gekeerd -waren, en groote oogen opzetten, toen zij zooveel volk voor het huis -hunner ouders verzameld zagen. - -De knapen waren kinderen van acht en negen jaren. Evenals de meeste -jeugdige Javaantjes hadden zij aardige lieve gezichtjes met schalks -kijkende bruine oogen. Hun uiterlijk werd, wat schoonheidsgevoel -aangaat, wel eenigermate benadeeld door de kaal geschoren hoofdjes, -waarop slechts eene vlok haar ter breedte eener hand gespaard was -gebleven, en die de een op de kruin, en de andere boven het linkeroor -droeg. Hunnen landaard getrouw, hadden zij fraai gevormde en lenige -ledematen, slanke lendenen en een uiterst dun middeltje, dat -voortreffelijk uitkwam, daar zij, argeloos volgens ’s landswijs, op -dien leeftijd spiernaakt liepen, en slechts een zilveren ring om de -voetenkels droegen. - -Het meisje, dat slechts zeven jaren telde, had ook een allerinnemendst -gezichtje, hetwelk onder den zwarten ongeschonden haardos bevallig -uitkwam. Het kind had bloote armen, maar de borst was bedekt met een -van veelkleurige lappen vervaardigde „otto” (slabbertje); terwijl om de -heupen een kettinkje geslagen was, waaraan een zilveren plaatje -bevestigd was, om het schaamdeel te bedekken. - -Bij hun binnentreden vonden zij Singomengolo druk bezig met in kisten -en potten en pannen te zoeken, waarbij hij echter door Setrosmito -nauwlettend op de handen gekeken werd. Dat verdroot den aterling, die -daardoor in zijne snoode plannen gedwarsboomd werd. Hij gaf een teeken -aan den Chinees, die met zijne scheefstaande oogen de kinderen akelig -gadesloeg, en een afzichtelijken grijns vertoonde bij het detailleeren -van de vormen der kleine Kembang (bloem). - -Op het teeken van Singomengolo greep hij een der knapen, en onder -voorwendsel van ook bij hen opium op te sporen, bevoelde en betastte -hij hen achtereenvolgens het naakte lichaam, zocht op de walgelijkste -wijze onder de oksels en overal waar een madat-balletje kon verborgen -zijn. De jongens weerstreefden wel, trachten den gewetenloozen schurk -te krabben en te bijten, maar gaven geen kik, die hun vader van het -toezicht, dat hij op de handelingen van Singomengolo hield, kon -afleiden. - -Maar toen de Chinees het meisje greep, en haar den otto van de borst -scheurde, gilde het arme kind allerverschrikkelijkst, rukte zich los, -en verborg het naakte lichaampje aan de borst harer moeder, die haar -omarmde, als wilde zij haar beschermen. Te vergeefs. De Chinees naderde -met zijn bleek, fletsch, akelig door lage hartstochten verwrongen -gelaat en, geholpen door de beide politieoppassers, sleurde hij het -meisje uit de armen der vrouw, die onvermogend was haar te beveiligen. - -„Straks jou beurt,” brulde de Chinees tegen de moeder „want die kleine -kat heeft tijd gehad om je opium over te reiken. Blijf zitten!” - -En nu werd het tooneel van betasting herhaald, dat nog walgelijker was, -daar de Chinees zich tegenover een schepseltje der teedere kunne -bevond, en zich alles meende te kunnen en mogen veroorloven. - -„Alah! tobat!” kreet de moeder bij zoo’n ontzettend schouwspel. - -Bij dien noodkreet keek Setrosmito even naar zijne vrouw op. - -Van dat schier ondeelbare oogenblik maakte Singomengolo, die tot nu toe -scherp op de handen gekeken was, gebruik. Fluks bracht hij de gesloten -hand onder een pandan-matje, dat op de baleh-baleh lag, en reeds -driemalen bij dat huisonderzoek zonder resultaat opgetild was geweest, -en haalde er triomfeerend een koperen doosje onder uit, dat hij met -gemaaktheid vertoonde. - -„Ziet ge wel!” riep hij uit, „dat hier „tjandoe glap” (gesloken opium) -in het huis aanwezig was.” - -Setrosmito werd bleek bij dat gezicht. Hij begreep bij de bestaande -rechtspleging der Nederlanders, in kwestie opiumgeschillen, wat hem te -wachten stond. Toorn en drift kookten in zijn gemoed. - -„Er was hier geen opium in huis!” riep hij in wanhoop uit, terwijl hij -onwillens de hand naar den kris uitstak, naar een oud erfstuk zijner -vaderen, dat tusschen de kadjang-omwanding boven de baleh-baleh -uitstak. „Gij, gemeene hond, hebt die opium onder dat matje verstopt!” - -Singomengolo beantwoordde die beschuldiging, welke zoo op den man af -was, met een vuistslag, die Setrosmito vlak voor den mond trof. -Brullend van woede rukte deze den kris uit de schreede. En juist in dit -oogenblik stiet Kembang plotseling een hartverscheurenden gil uit, die -Singomengolo het leven redde. De vader keek verbijsterd rond, maar toen -hij ontwaarde, welke afgrijselijke grijnslach op het walgelijk gelaat -van den Chinees zetelde, welk gemeen gebaar deze zich tegenover zijne -lieve aanminnige Kembang veroorloofde, steeg hem het bloed -onweerstaanbaar naar het hoofd, en veranderde zijn toorn van richting. -Een roode nevel, zoo rood als bloed, trok voor zijne oogen. - -„Toeloeng! toeloeng! Sakit! sakit!” (help! help! pijn! pijn!) gilde het -kind. - -Blind van drift en woede stortte zich de vader met den noodlottigen -kris in de hand naar den kant van den onverlaat. - -„Amokh! Amokh!” (moord! moord!) kreet een der politiedienaren bij het -zien van den gevlamden kris in de vuist van den waanzinnig vertoornden -vader. - -„Amokh! Amokh!” herhaalde de menigte buiten, zonder nog te weten, wat -er gaande was. - -Vrouwen en kinderen vlogen gillend weg. - -„Amokh! Amokh!” klonk het weldra van alle kanten. - -De mannen ijlden naar huis, om hunne lansen te halen, onbewust wien het -gold. - -„Amokh! Amokh!” herhaalden de „kedjinemans” [90] en stormden naar de -„gardoe” (wachthuis), waar zij de alarmtonen op de tongtong akelig -lieten weerklinken. - -De oppasser, die het eerst het woord amokh uitgeroepen had, had eene -poging willen aanwenden om zijn sabel te trekken. Het lem was evenwel -zoodanig in de scheede geroest, dat het wapen niet te ontblooten was. -De andere, geen tijd hebbende om zich te wapenen, wilde den verdoolde -bij den strot grijpen, maar ontving bij die poging een deerlijke sneede -over het aangezicht en borst, die wel is waar slechts eene niet -gevaarlijke vleeschwonde, maar eene aanmerkelijke verbloeding -veroorzaakte, en daarenboven zooveel pijn teweegbracht, dat de -gekwetste kreunend afliet en een goed heenkomen zocht. Zijn makker koos -op het gezicht van zooveel bloed ijlings het hazenpad. - -Nu bevond zich de woedende vader tegenover den Chinees, die nog steeds -het meisje omkneld hield, en wiens walgelijke handtastelijkheden -omtrent zijne onkuische bedoelingen geen twijfel overlieten. - -„Laat los! laat los!” schreeuwde de van woede ziedende vader -bekschuimend. - -Was de Chinees beteuterd op het gezicht van het gevaar, of zag hij in -zijne overspanning de aanwezigheid daarvan niet in? Genoeg zij het, hij -voldeed niet aan dat uiterste bevel des vaders. Hij stond daar met zijn -fletsch gelaat, dat, hoewel nog van hartstocht getuigende, toch een -wezenloozen glimlach verried. Zijne handen lieten niet los, herhaalden -integendeel als krampachtig de ontuchtige beweging, en trachtten alleen -het naakte meisje voor zich te duwen, om zich achter haar te dekken. - -„Amokh! Amokh!” klonk het in het rond. - -„Laat los!” kreet de vader nogmaals, dat door den onverlaat met een -dommen lach beantwoord werd. - -„Amokh! Amokh!” herhaalde de tongtong dreigend. - -„Laat los!.... Niet?.... Sterf dan als een hond!” riep de ongelukkige -vader. - -En bliksemsnel de gewapende hand omlaag brengende, haalde hij, alvorens -de Chinees tijd had achter het meisje, dat veel kleiner was dan hij, te -bukken, hem het gevlamde lem door de keel. - -„Adoe! Matti saja!” (O, wee! ik ben dood!) gilde de Chinees met woest -rollende oogen. Het waren zijne laatste woorden. Met krampachtige hand -trachtte hij de vervaarlijk gapende wond aan zijn hals te sluiten. Te -vergeefs. Het bloed spoot met kracht in fijne straaltjes als zoo vele -fonteintjes tusschen de gesloten vingeren door. Een akelige hoest -overviel hem, en een breede bloedgulp, die zijn mond ontsnapte, -overdekte de arme Kembang van het hoofd tot de voeten. Wankelend en -zich steeds met de eene hand aan het meisje vastklemmende, poogde de -doodelijk verwonde overeind te blijven staan. Vergeefsche poging! Hij -wankelde, alsof hij beschonken was, en viel eindelijk stervend neer. - -„Amokh! Amokh!” klonk het rondom de hut. - -„Amokh! Amokh!” herhaalde de tongtong. - -Setrosmito keek na zijne vreeselijke daad een oogenblik rond. Hij -veegde zich met de linkerhand de oogen af, en scheen langzamerhand tot -besef te komen. Eindelijk kreeg hij inzicht in den toestand. - -„Amokh! Amokh!” klonk het dreigend. - -Aan zijne voeten lag de Chinees in den doodstrijd nog te stuiptrekken, -maar bewoog zich weldra niet meer. Dat alles was in een ondeelbaar -oogenblik, met de bliksemsnelheid der gedachten geschied. Het vertrek -was overigens leeg, want gelijktijdig met den politieoppasser had ook -Singomengolo het hazenpad gekozen. Zelfs de knapen van Setrosmito, die -eerst dat geheele tooneel wezenloos hadden aanschouwd, waren voor den -dreigenden kris huns vaders gevlucht; zelfs de gade was beducht -heengeijld, en had haar naakt dochtertje met zich meegesleurd. - -„Amokh! Amokh!” - -Die kreet drong den ongelukkige, die al meer en meer tot bezinning -kwam, als eene bedreiging voor zijn leven in het oor. Want hij kende er -maar al te goed de schrikkelijke beteekenis van. Hij wist, dat wanneer -dat woord weerklinkt, de geheele bevolking te wapen vliegt, en zonder -onderzoek, zonder te weten wat en wien het geldt, den moordenaar te -lijf gaat, die soms niet anders deed, dan eigen lijf te verdedigen, of -zooals hier, als beschermer zijner kinderen op te treden. - -Daar drongen eenige gewapenden de hut binnen met de lansspitsen -vooruit. - -„Achteruit!” riep Setrosmito nog verwoed. „Die mij nadert, steek ik -neer, zooals ik dezen keh gedaan heb.” - -Verschrikt stoven allen de hut uit, en vormden daaromheen een dichten -kring, waarin druk gepraat, geschreeuwd en beraadslaagd, maar volstrekt -geen ijver aan den dag gelegd werd, om andermaal de hut binnen te -dringen. - -Het was toen, dat de controleur Verstork met zijn gezelschap aankwam, -en de moordzaak met de gevangenneming van den ongelukkige beëindigde. - -Gedurende den loop van het verhoor vertoonde Singomengolo de opium, die -hij zeide in het huis van Setrosmito gevonden, en in beslag genomen te -hebben. Het was eene kleine hoeveelheid, die, in de opiumkit gewogen -wordende, bleek schier vijftig mata’s, dus ongeveer achttien -milligrammen te bedragen. Het was eene bruin zwarte, kleverige massa, -die in een klein koperen doosje bevat was, hetwelk gemakkelijk in de -hand geborgen kon worden. De controleur nam dat doosje in beslag en -verzegelde het behoorlijk in tegenwoordigheid van den opiumjager. - -„Heeft iemand gezien,” vroeg hij dezen, „dat gij dat doosje onder het -matje op de baleh-baleh gevonden hebt?” - -„Ja, zeker, de Chinees....” - -„Die dood is? Anders niemand?” - -„Ja, en de beide oppassers?” - -„Die eerst geen opium gevonden hebben?” - -„Traberdoeli!” (om het even) zei de opiumjager onbeschaamd. „Ik, -Kandjèng toean, ik, beëedigd bandoelan, heb het gevonden. Mijn woord is -genoeg. De getuigenis dier twee oppassers is overbodig.” - -De controleur gunde hem een blik vol verachting. De opiumjager scheen -er zich echter niet veel van aan te trekken; maar vertrok na een -huichelend nederigen groet gebracht en gepreveld te hebben: - -„Ik ga rapport uitbrengen bij den opiumpachter en bij den -assistent-resident van politie.” - -Hij steeg daarop te paard, en verwijderde zich oogenschijnlijk langs -den grooten weg naar Santjoemeh. Oogenschijnlijk; omdat het later wel -blijken zal, waarheen hij zijne schreden wendde, en wat hij daar te -verrichten had. Intusschen sloeg hij dadelijk, na de dèsa verlaten te -hebben, een pad rechts in, dat door de sawahs liep, en dwars door het -heuvelterrein voerde, maar een verkorten weg naar de hoofdplaats -aanbood. Zijn paard, met den weg bekend, stapte flink door, en -middernacht was nog niet voorbij, toen hij een eenzaam staand hutje -bereikt had, wiens bewoner hij opklopte, en dien hij met eene boodschap -verder naar Santjoemeh zond. - -Toen de controleur Verstork met den wedono en den loerah, die hem -beiden bij dat lastige onderzoek in die netelige zaak ijverig -bijgestaan hadden, in de woning van den laatstbedoelde terugkeerde, was -het ongeveer negen uren in den avond. Hij vond zijne vrienden daar -vereenigd, die hem met ongeduld verbeidden. - -„Drommels!” pruttelde August van Beneden, ontstemd als hij was, nu hij, -na zich van het in verschiet zijnde jachtvermaak de meest overdreven -voorstellingen gemaakt te hebben, de geheele partij in gevaar gebracht -zag, waarbij nog kwam, dat hij zich in afwachting op den controleur -gruwelijk verveeld had. „Drommels, wat zijt gij lang weggebleven!” - -„Ik kon niet anders. Ik viel hier met den neus in de boter. -Daarenboven, wat ik heden avond afdoen kan, heb ik morgen niet te -verrichten.” - -„Morgen?” - -„Ja, morgen. Verbeeld u, dat ik, om u gezelschap te houden, en naar -Banjoe Pahit terug te rijden, dat onderzoek niet gehouden had, dan zou -dat morgen toch moeten geschieden, en dan was onze geheele jachtpartij -naar de maan.” - -„Morgen?” vroeg Eduard van Rheijn. „Zou Maandag ochtend ook nog niet -tijd genoeg zijn?” - -Verstork keek den adspirant-controleur verstoord aan. Hij had een bits -antwoord gereed; maar hij weerhield het en antwoordde bedaard: - -„Neen, Maandag ware het in het belang der zaak te laat. Het is eene -moordzaak, verwikkeld met eene opium-perkara; het zal moeite genoeg -kosten om de zaak tot helderheid te brengen.” - -„En zijt gij nu gereed.” - -„Ja” - -„Zoodat gij morgen niets meer te verrichten hebt?...” - -„Niets.” - -„En de jacht aanvoeren kunt?” - -„Ja, wees gerust. Ik heb nog maar een paar brieven te schrijven.” - -„Een paar brieven?” - -„Een kort verslag aan den resident en eene uitnoodiging aan den djaksa -(Inlandsch rechter van instructie) en aan den stadsgeneesheer om het -lijk te schouwen, en het visum repertum op te maken. Is ’t niet zoo Van -Nerekool,” zoo wendde hij zich tot den rechterlijken ambtenaar, „dat -moet immers zoo?” - -„Wat zegt ge?” vroeg deze, als uit een droom ontwakende, en zich het -voorhoofd wrijvende. - -In zijne gedachte verzonken, had hij niet gehoord. De vraag werd -herhaald en bevestigend beantwoord. - -„Wij hebben nog een flinken rit af te leggen, om terug te keeren naar -Banjoe Pahit,” merkte Theodoor Grenits op. „En morgen ochtend zal het -vroeg dag zijn, nietwaar?” - -„Dat laatste voorzeker; maar er valt aan geen terugkeeren naar Banjoe -Pahit te denken,” sprak Verstork, op zijn horloge kijkende. „Het is nu -reeds negen. Hoe helder de maan ook schijnt, zal het toch niet wel -mogelijk zijn, anders dan stapvoets te rijden; zoodat wij niet vóór het -middernachtuur in de „controliran” (controleurswoning) aankomen zullen. -Neen, ik zal hier bij den tjarik mijn officiëele paperassen schrijven, -die dan dadelijk door den loerah verzonden kunnen worden. De wedono zal -naar Banjoe Pahit terugrijden, om voor de jacht van morgen alles te -bezorgen. Hij zal de klopjagers daar aanvoeren. Dat alles is behoorlijk -besproken en behoeft geene wijziging, nu wij van slaapplaats wisselen, -nietwaar?” - -„Maar, waar zal mijn slaapplaats zijn?” vroeg August van Beneden -bezorgd. - -„Ja, wij moeten ons thans behelpen. Het zal zijn: à la guerre comme à -la guerre! Er is hier in de dèsa eene kleine „passangrahan” -(passantenhuis) voorzien van eene eenvoudige baleh-baleh. Wij zullen -den loerah verzoeken haar ietwat te meubileeren.” - -„Te meubileeren?” vroeg Theodoor Grenits. „Bestaat in dit afgelegen -oord een meubelmagazijn?” - -„Neen, waardste volgeling van Mercurius,” gaf Verstork lachend ten -antwoord, „zoo’n inrichting zou hier slechte zaken maken. Als we de -noodige hoofdkussens en een paar bultzakken machtig kunnen worden, dan -zal het wel zijn.”.. - -„Slechts één paar bultzakken voor ons zevenen? Dat is weinig,” sprak -Van Beneden, die als jurist wel wat op zijn gemak gesteld was. - -„Wat mij betreft, ik doe van mijn aandeel afstand,” zei de controleur. -„Ik prefereer de baleh-baleh. Ik heb daar meer op geslapen en -overheerlijk ook. De overigen kunnen er om loten. Maar....” - -„Maar wat?” vroeg Eduard van Rheijn. - -„Er werd gesproken van ons zevenen?... Ik tel er maar zes.... Wie -mankeert er?.... Te drommel, waar is Mokesuep?” - -„Ja, waar is Muizenkop?” vroegen een paar der anderen. - -„Die heeft zijn hielen gelicht, toen er amokh geroepen werd,” -antwoordde Van Rheijn. - -„Zijn hielen gelicht?” - -„Ik heb gezien, toen wij naar Kaligaweh trokken, dat hij spoorslags -naar Banjoe Pahit terugreed.” - -„Dat heet ik voorzichtig zijn,” merkte Grenits op. - -„Is voorzichtig wel het ware woord?” vroeg er een. - -„Om het even. Ik ben blij, dat de vent voorloopig weg is,” merkte een -ander op. „Verstork, hoe kom je toch aan dien gluipert.” - -„Och, ik heb dien man nog al noodig. In de belastingordonnantiën is hij -doorkneed; ik moet hem dus te vriend houden, dat begrijpt gijlieden?” - -„Ik wilde maar, dat hij morgen ochtend naar Santjoemeh doorreed.” - -„Dat zal hij wel niet. Wedono, zult ge morgen ochtend den heer Mokesuep -laten wekken?” - -„Engèh Kandjeng toean!” - -„En nu, heeren, laat ik u een half uurtje onder de hoede van den -loerah, die het u zoo aangenaam mogelijk zal maken, nietwaar, loerah?” - -„Engèh Kandjeng toean!” antwoordde ook deze. - -Weinige minuten later hadden de jagers bezit van de passangrahan -genomen, en zat de controleur in het voorgalerijtje van de -tjariks-woning ijverig te schrijven. - - - - - - - -XV. - -ONDER DEN WARIENGIENBOOM.—IN DE OPIUM-KIT. - - -Bij inspectie viel de passangrahan nog al mee. Waarachtig, het gelukte -den loerah niet alleen zes hoofdkussens, maar ook zes bultzakken en -zelfs zes rolkussens bijeen te brengen. Of ze zindelijk waren, kon bij -het armoedige licht van het lampje, hetwelk in het midden van het -vertrek hing, niet onderzocht worden. Maar de loerah had zichzelven -overtroffen, want hij had ook nog voor zes stoelen gezorgd, die wel is -waar kreupel en gebrekkig, maar toch bruikbaar waren, en als een -weelde-artikel in eene dèsa als Kaligaweh aangemerkt moesten worden. - -Om nu evenwel al te gaan rusten, daartoe bestond weinig aandrang. De -opgewektheid van zenuwen, ten gevolge van de spanning door die -amokhzaak teweeggebracht, liet zich nog te veel gevoelen, dan dat aan -slapen kon gedacht worden. Men greep de stoelen, bracht die op de -aloon-aloon voor de passangrahan, schikte hen in een kring en nam nu, -na eene geurige manilla-sigaar opgestoken te hebben, plaats. Van het -verkrijgen van wijn of bier, was natuurlijk geen sprake geweest, nog -minder van een grogje, hetzij van jenever of van brandy. Zoo iets treft -men in geen Javaansche dèsa in de binnenlanden, als er tenminste geen -Europeanen gevestigd zijn, aan. Maar de loerah had voor klapperwater -gezorgd, en dat werd een overheerlijke drank bevonden, vooral wanneer -hij afkomstig was van eene jonge noot, waarvan het vruchtvleesch zich -nog slechts in den staat van witachtige gelei langs de wanden van den -harden bast afgezet heeft. - -Het kringetje was ras onder een kolossalen Wariengienboom [91] gevormd, -welks knoestige takken zich hoog en zeer ver uitspreidden, en zoo eene -kruin vormden, die het grootste gedeelte der oppervlakte van de vrij -ruime aloon-aloon overdekte en schaduw verleende, wanneer de zon of de -maan in het zenith stond, en zoo den omvang van die kruin op den bodem -nauwkeurig bepaalde. Van verreweg het meerendeel der horizontaal -uitgespreide takken daalden bundels luchtwortels naar beneden, nu eens -als een vinger, dan weer als een pijpesteel zoo dik, soms zoo fijn als -een dun touw, die evenwel, bij het aanraken van den bodem, daarin -doordrongen, om hulpstammen te vormen, die den reus zijnen last hielpen -torsen. Van die bijstammen waren er velen te bespeuren, die rondom den -hoofdstam een zuilengewrocht daarstelden, en den schoonen boom eene -zekere mate van betoovering bijzetten. - -Het uitspansel was donkerblauw en buitengewoon helderrein. De sterren -fonkelden aan den hemel, hoewel het zachte maanlicht haar veel afbreuk -deed, en haren glans aanmerkelijk verbleekte. - -Eigenaardig aan de nachten, onder den blooten hemel in tropische -gewesten doorgebracht, was het volstrekt niet stil in de natuur. Een -zacht windje deed toch de millioenen bladeren van den kolossalen wilden -vijgeboom ritselen, en vormde dat met de overige geluiden, die vernomen -werden, als het ware den grondtoon van het concert, dat door -onzichtbare kunstenaars ten gehoore gebracht werd. Van tijd tot tijd -koerde in weerwil van het vergevorderde nachtelijk uur eene woudduif in -de onmetelijke kruin van den Wariengien, en werd door haar gaaiken -beantwoord; nu en dan liet zich een haan door de heldere maanstralen -verschalken, en dacht hij met zijn opwekkend kukelukuku, uit volle -borst aangeheven, den aanbrekenden dageraad reeds te begroeten; hier en -daar weerklonk het scherpe gepiep van de vele vleermuizen, die rondom -onder de loofkruin vlogen, en bij hare jacht op insecten, een waren -doolhof van in elkander grijpende kringen, spiralen, ellipsen, ovalen, -enz. beschreven, soms ook weerklonk het akelige gekrijsch van een paar -„kalongs”, [92] die met zacht onhoorbaren vlerkslag, in den eenen of -anderen vruchtboom van de dèsa waren neergestreken, en daar om het -ongestoorde bezit van eene heerlijke „manga” of „kwennie” [93] -plukhaarden. Maar al die geluiden, aangenaam of onaangenaam, konden als -solopartijen beschouwd worden van het naamlooze concert, dat overal -heerschte, hoewel de uitvoerders daarvan niet te bespeuren waren. In -dit nachtelijk uur toch weerklonk allerwegen, waarheen men het oor ook -wendde, een snerpend fijn trillend geluid, dat zich nu eens zóó sterk -liet hooren, dat het gehoorvlies er onaangenaam door werd aangedaan, -dan weer zacht vervloot als het gesuis van een schier onmerkbaar -briesje langs een graanveld, soms plotseling als op een gegeven teeken -ophield, alsof het ’t zacht lispelen der Wariengienbladeren wilde laten -vernemen, om echter even onverwacht weer met vernieuwde kracht in koor -te hervatten, en alles te overstemmen. Dat waren millioenen „tongeret -oetan,” [94] eene soort groen-roodkleurige cicade, die op iedere -grasspriet van de aloon-aloon, op iedere bladpunt van den onmetelijken -Wariengienboom gezeten, dat schril concert ten gehoore, en in -letterlijken zin de lucht soms in trillende beweging brachten. - -Of deze verschillende geluiden de aandacht onzer jagers boeiden? Of zij -gehoor verleenden aan die tonen, welke een intertropischen nacht meer -levendigheid schenken, dan aan het middaguur, wanneer de zon in het -toppunt staat, en alles in de natuur aamechtig doet zwijgen? Of zij oog -hadden voor den heerlijken nacht met zijn verkwikkend windje, met -zijnen schitterenden sterrenhemel, met zijn fraai en zacht maanlicht, -dat zulke grillige maar bevallige schaduwen vormde? Het is te -betwijfelen. Het gesprek dier jonge mannen liep toch—en zulks kan geene -verwondering baren—over de gebeurtenissen van den dag. Het tooneel van -maatschappelijke ellende, dat men onder de oogen had gehad, was te -aangrijpend geweest, om nu reeds verdrongen te worden. Die moordzaak -werd van alle kanten bekeken; maar, nadat men het verhaal van het -gebeurde vernomen had, hetwelk Verstork, alvorens te gaan schrijven, -medegedeeld had, was de deernis met Setrosmito en zijn gezin groot. - -„Welke ellende baart die gevloekte opiumpolitiek toch niet op dit -overigens zoo gezegende eiland,” sprak Grashuis. „Is het niet om zich -van schaamte het aangezicht te moeten sluieren, dat onder de inkomsten -van het Nederlandsche budget zoo’n bron aangetroffen wordt?” - -„Tu, tu tu!” antwoordde Van Beneden. „Die bron—ge bedoelt toch de -opiumpacht niet waar—is geheel en al gelijk te stellen met eene -verbruiksbelasting op een weelde-artikel.” - -„Accoord,” zei Grashuis, „maar wie leerde den bewoners van den -Indischen archipel dat weelde-artikel kennen?” - -„Wel, dat weet ik niet. Het zal daarmee gegaan zijn als met den sterken -drank. Van waar is dat distillatieproduct afkomstig? Wie vond het uit? -Ik geloof dat daarop moeielijk een bevredigend antwoord te geven is. -Dat kan met zekerheid verklaard worden, dat de uitvinding van de opium -niet op rekening van de Nederlanders kan gesteld worden.” - -„Zeer juist, ofschoon ik aarzelen zou, dat negatieve certificaat, als -bewijs van goed gedrag aan te nemen,” antwoordde Grashuis gemelijk. - -„Te minder,” merkte Grenits op, „daar het Nederlandsche geweten, is het -dan ook onschuldig aan de ontdekking van de opium, niet vrij te pleiten -is, van met den invoer van de opium begonnen te zijn, en...” - -„Kom, gekheid!” viel Van Rheijn in. „Dat is eene bewering, die wel den -toets van het onderzoek niet doorstaan kan! Neemt men Baud’s bekende -Proeve [95] ter hand. dan leeren wij, dat de Oostersche volkeren als -Turken, Perzen, Arabieren en Hindoe’s al reeds sedert vele, zeer vele -eeuwen aan het opiumverbruik verslaafd zijn. Het is dus aannemelijk, -dat toen de Nederlanders voor het eerst in Indië kwamen, zij er de -gewoonte om opium te schuiven reeds vonden...” - -„Mis, waarde ambtenaar,” viel hem Grenits in de rede. „Diezelfde Baud, -dien ik evenals gij als eene autoriteit beschouw, verklaart niet te -hebben kunnen ontdekken, wanneer het gebruik van opium in -Nederlandsch-Indië is aangevangen. Mij dunkt, dat zoo’n bekentenis in -den mond van dien Staatsman kenmerkend is. Had hij toch in zijne -geschiedenis kunnen staven, dat het gebruik van de opium bij de komst -der Nederlanders in Indië reeds ongeveer verbreid was, geloof dan vrij, -dat hij die wichtige bizonderheid voor de eer onzer natie niet zou -verzwegen hebben. Ik ga verder. Baud zelf komt later in zijne Proeve -tot de meening, dat toen de Europeanen zich in den loop der XVIde eeuw -in de Indische wateren begonnen te vertoonen, het opiumverbruik slechts -in de Molukken bekend was, en dat voor het overige gedeelte van den -Indischen Archipel kan aangenomen worden, dat dit verbruik zich -bepaalde tot eene zeer geringe hoeveelheid ten dienste van vreemde -oosterlingen, die zich in sommige havenplaatsen gevestigd hadden.” - -„Is die uiting niet als een personeele opvatting van Baud te -beschouwen?” vroeg Van Rheijn. „Wat zegt gij er van?” vervolgde hij -zich tot Van Nerekool wendende. „Baud was toch een tegenstander van het -opiumgebruik.” - -Maar de aangesprokene, afgetrokken en in zijne overpeinzingen verdiept -als hij was, antwoordde hem niet. Het stond te bezien, of hij de vraag -wel gehoord had. Grenits haastte zich evenwel te antwoorden: - -„Baud een tegenstander van het opiumgebruik!... Waaruit hebt gij dat -gehaald? Toch niet uit zijne Proeve? Die is met de meest mogelijke -onpartijdigheid samengesteld. Hij behandelt slechts de nadeelige -uitwerking van het heulsap met de meeste omzichtigheid, en in zijn -geheelen arbeid wordt geen spoor van een schema van een ontwerp ontdekt -om dat verbruik tegen te gaan. Gij spreekt evenwel van Baud’s -personeele opvatting?..... Maar die opvatting omtrent het verschijnen -van de opium in Indië wordt geschraagd door de reisverhalen van eene -menigte merkwaardige zeereizigers uit die dagen. Ziet de Itinerario’s -ofte voyages b. v. van Van Linschoten, van Cornelis Houtman, van -Wybrand, Van Warwijck, van den admiraal Matelief en van zooveel andere -verdienstelijke vaderlanders uit ons heldentijdvak, dan zult gij -bemerken, dat Baud in die opvatting volstrekt niet alleen staat.” - -„Wat drommel, vanwaar komt gij als koopman aan al die wetenschap?” -vroeg Van Rheijn niet zonder scherpte. Bij zoo’n discussie trad toch de -gewapende vrede tusschen den koopmans- en den ambtenaarstand, die in -Indië meer nog dan elders op die van kat en hond, welke genoodzaakt -zijn te samen op een erf te leven, gelijkt, eenigszins op den -voorgrond. - -„Wel, juist als koopman, heb ik eene studie gemaakt niet alleen van de -voortbrengselen van den Archipel, maar ook van de artikelen, die -voordeelige uitkomsten beloven,” antwoordde Theodoor. - -„En dat doet de opium voorzeker. Daarom zou die handelsstand dat -artikel wel in zijne handen wenschen,” hernam Van Rheijn vinnig. - -„Wat sommige handelaren wenschen, weet ik niet, en wil ik niet weten,” -antwoordde de andere koeltjes. „Maar ik zou uit zoo’n bron geen -voordeel willen hebben, en ik ben er zeker van, dat vele, zeer vele -vakgenooten daaromtrent eenstemmig met mij denken. Het bewijs, dunkt -me, ligt kenmerkend in de omstandigheid, dat voor zoover mij bekend is, -nimmer eene Europeesche firma als opiumpachter opgetreden is.” - -„En de Nederlandsche Handelmaatschappij dan?” vroeg Van Rheijn ietwat -hoonend. - -„De Nederlandsche Handelmaatschappij is als eene laatgeboren spruit der -Oost-Indische Compagnie, onzaliger nagedachtenis, te beschouwen, en als -het ware geïdentifiëerd met de Nederlandsche Regeering, wier winkelier -zij is in de kruideniersaffaire, aan te merken. Het opiummonopolie -wordt door den Staat gedreven; was het wonder, dat de „Companie ketjil” -[96] als opiumpachter optrad? Toch heeft het niet lang geduurd, dat dit -Europeesch handelslichaam, die eervolle betrekking behield. Volgens -Baud, trok de Regeering niet genoeg winsten uit die verpachting, zoodat -zij het andermaal met Chineezen wilde beproeven, die meer tuk op -voordeel, dien heilloozen handel tot zijnen hoogsten bloei zouden -brengen. Van een anderen kant, wanneer ik de namen der Nederlandsche -geslachten zie, wier hoofden toen der tijd de bestuurders en leden van -de Nederlandsche Handelmaatschappij waren, dan vermag ik de gedachte -niet te onderdrukken, dat die voorname lieden geen leedgevoel zullen -ondervonden hebben, toen die vuile bron van winstbejag voor hen -verstopt werd.” - -„Wat leutert ge toch van vuile bron van winstbejag,” viel Van Rheijn -korzelig in. „Drijft de Handelmaatschappij geen handel in jenever? -Verkoopt uwe firma dien drank niet? Zult gij, als gij eenmaal aan het -hoofd van een huis zult staan, iederen handel in sterken drank laten -varen?” - -„Evenals zoovele anderen stelt gij dus het opium-verbruik met het -jenever-verbruik gelijk?” viel Grenits in. „Ziet, gij en de velen, die -dat hier te lande en daar ginds in Nederland verkondigen, doen veel -meer kwaad, dan zij wel gissen kunnen, hoewel er verscheidene onder -zijn, die met behoorlijke kennis van zaken toegerust spreken, en -bijgevolg den omvang hunner woorden peilen kunnen; maar daarbij een -doel najagen, waaraan eerzucht in den regel niet vreemd is; terwijl de -anderen slechts praten, om hunne toehoorders aangenaam te stemmen. Want -o! het klinkt zoo verkwikkend voor Nederlandsche ooren, wanneer -menschen, die in de Oost geweest zijn, en het dus weten moeten, met -zoetsappige spraak verkondigen: „och, de opium is zoo’n groot kwaad -niet. De mensch heeft soms een prikkel, eene opwekking noodig. Ziet, de -heer Schaepman, die het toch wel goed met zijne schaapjens zal meenen, -misgunt den man een paar borrels jenever niet. Laten wij dat -geestelijke voorbeeld volgen, en den Javaan zijne opiumpijp niet -misgunnen. Opium en jenever staan op dezelfde lijn!” Ziet, dan openen -zich de ooren, die anders vrij wel gesloten bevonden worden, en dan -volgt menig beamende hoofdknik; want.... men acht zich dan van de -verplichting ontheven, om een einde te maken aan een zoo smerige bron -van inkomsten als het opium-monopolie is.” - -„Welnu, mijn waarde Grenits, vergeef mij, maar ik behoor ook tot de -lieden, die niet alleen die stelling met een beamenden hoofdknik -bevestigen, maar haar ook luide verkondigen durven. Ik houd staande, -dat beide artikelen: jenever en opium, als bedwelmings-middelen op -gelijke lijn staan, dat beide nadeelig te noemen zijn; het eene -wellicht niet in zoo’n hoogen graad dan het andere.” - -Het was Van Beneden, die zoo Van Rheijn te hulp kwam. Deze laatste keek -zegevierend rond en riep uit: - -„Ziet ge wel? Ik sta met mijne meening niet alleen. Bravo, August!” -„Zeker is ook het gebruik van jenever nadeelig te noemen....” - -„Pas op, dat de leden der Witte sociëteit in den Haag dat niet hooren!” -viel Grashuis lachend in. - -„Want,” ging Grenits onverstoorbaar voort, „dat gebruik vloeit voort -uit zucht naar verdooving en genot, uit zwakheid van wil, die het -bevredigen van die zucht, zij het ten koste van welvaart, huiselijk -geluk en gezondheid in de hand werkt. Ik zou den arbeid van father -Mathews, den Ierschen matigheids-apostel en van andere -afschaffings-vrienden niet moeten kennen, om dat over het hoofd te -zien. Maar, vergeeft gij mij op uwe beurt, wanneer ik de meening -aankleef, dat, nu gij het opiumverbruik met dat van jenever op ééne -lijn stelt, gij niet op de hoogte van bewezen daadzaken, niet op de -hoogte der koloniale litteratuur in zake opium zijt. Vaderlandsche -mannen toch als Van Linschoten, Valentijn, Baud, Van Dedem en zoo vele -anderen brandmerken de opium als aphrodisiacon, of duidelijker als een -middel tot opwekking van erotische driften. Eerstgenoemde deelt in -zijne reisbeschrijving openlijk bizonderheden omtrent de uitwerking van -het opiumverbruik mede, die van zoo’n aard zijn, dat, hoewel wij -slechts mannen onder elkander zijn, ik er toch voor terugdeins die -bizonderheden te herhalen. Vreemdelingen bevestigen dat oordeel -volkomen. Een beroemd Chineesch geleerde, wiens naam mij ontschoten is, -[97] schreef reeds in de XVIde eeuw, dat het gemeene volk in China de -opium als aphrodisiacon gebruikte. De Russische geleerde Von Miclucho -Maclay [98] schreef in 1873, nadat hij eene proef met opiumschuiven te -Hongkong genomen had, bizonderheden in zijn dagboek ter neer, die ik -uwe ooren besparen wil. Mijn dunkt, dat zoo iets te denken geeft. En -wanneer nu mannen als Rochussen, Loudon, Hasselman, Van Bosse, [99] en -zoovele anderen, die, hetzij als Gouverneur-Generaal, hetzij als -Minister van Koloniën, enkelen hunner in beide betrekkingen, optraden, -in de volle Vertegenwoordiging, van de opium spraken als van een kwaad, -van een allergrootst kwaad, van eene vergiftiging, van eene verpesting, -dan zal men mij gevoegelijk toe kunnen geven, dat de uitwerking en de -gevolgen van het opium-verbruik van eenen anderen aard en oneindig -heilloozer zijn, dan die van het alcohol-verbruik.” - -„Zou niet eens eene proef met opium schuiven te nemen zijn?” vroeg Van -Beneden. „Ik zou die uitwerking wel eens willen ondervinden.” - -„Ik ook,” antwoordde Van Rheijn. „En die wensch zal wel te volbrengen -zijn.” - -„Hoe zoo?” vroeg Grashuis. „Opium is toch zoo gemakkelijk niet te -verkrijgen voor ons Europeanen. Wij kunnen toch niet in eene kit gaan -schuiven tot spot van het volk.” - -„Luister. Ik tel onder mijne kennissen Lim Ho, de zoon van den -opiumpachter. Die zal mij wel eenige madat-balletjes verschaffen.” - -„Clandestiene?” vroeg Grenits lachende. „Gij weet de opiumpachters zijn -de grootste smokkelaars.” - -„Om het even. Opium is opium. Ik zal ook wel eene pijp machtig worden. -Zoodra ik die dingen heb, zal ik ulieden waarschuwen, dan vergaderen -wij ten mijnen huize. Wij zullen hartenazen, wie zich aan de proef zal -onderwerpen. Die door het lot aangewezen wordt, zal schuiven, terwijl -de anderen toezien en hunne opmerkingen maken zullen. Is dat -afgesproken?” - -„Ja, ja!” was de algemeene kreet, waarmede Van Nerekool, steeds -afgetrokken als hij was, niet instemde. - -„In afwachting van den uitslag der proef evenwel,” ging Van Rheijn -voort, „kan ik niet nalaten te betuigen, dat vriend Grenits zijne -stelling uitstekend verdedigd heeft. Waarlijk, ik had zoo veel -zaakkennis omtrent het opium-monopolie niet bij een handelsman -verwacht....” - -Deze glimlachte bitter. Och, zoo’n oordeelvelling vanwege iemand uit -het ambtenaarskorps was voor hem niets ongewoons. - -„Maar,” ging de aspirant-controleur voort, „hij zal mij nimmer -overtuigen, dat de opium meer onheilen sticht, meer rampen over het -volk uitstort, dan sterke drank zou doen.” - -Verstork, die gedurende dat gesprek zijne beknopte berichten aan de -autoriteiten te Santjoemeh beëindigd en verzonden had, was intusschen -nabij getreden en had zoowel de tirade van Grenits omtrent het -heillooze van het opium-verbruik als ook de laatste bewering van Van -Rheijn gehoord. Hij mengde zich terstond in het debat. - -„Kom,” sprak hij, „de gelegenheid om ons te overtuigen, omtrent hetgeen -Grenits beweert, is te schoon, om niet te worden benuttigd. Wij -bevinden ons in een der meest rampzalige dèsa’s, in een der meest -waarneembare slachtoffers van het opium-monopolie. Het is nog zoo lang -niet geleden, dat Kaligaweh als een der welvarendste en netste dorpen -kon aangemerkt worden. De opiumkit is gekomen en.... kijkt rondom u; -alles is even vervallen en verwaarloosd. De hutten storten schier in; -de wegen naar en door de dèsa zijn modderpoelen gelijk; van de -sierlijke heggen, welke die wegen en de erven der ingezetenen vroeger -omzoomden, is geen spoor meer te vinden. Kom, het is nog pas tien uur, -de kit is nog open [100]; daarenboven de bewoners, door die moordzaak -opgewekt, door de tegenwoordigheid van zooveel blanken in hunne dèsa -verontrust, zijn nog allen wakker. Wij kunnen dus de oogen den kost -geven, en onze weetgierigheid bevredigen.” - -Allen waren opgesprongen om den controleur te volgen. Alleen Van -Nerekool bleef met het hoofd in de handen rustende, wezenloos zitten. - -„Kom meê, Karel,” sprak Verstork, terwijl hij hem de hand op den -schouder legde. - -De jeugdige rechterlijke ambtenaar sprong schier verschrikt op. - -„Waarheen?” vroeg hij zoo onthutst, dat het blijkbaar was, dat hij met -zijn brein elders gedwaald had. - -„Kom, naar de opiumkit.” - -„Naar de opiumkit?” vroeg Van Nerekool ontsteld. „Om wat te doen? Ge -wilt toch niet....” - -„Schuiven, nietwaar? Neen,” vervolgde Verstork bij zijne aarzeling. -„Neen, wij gaan maar kijken. Maar, bereidt u voor op onsmakelijke -gezichten; want ik geloof, dat het bezoek aan de kit heden nacht -talrijk is. Maar.... wacht, willen wij volledige kennis betreffende -land- en volkenkunde opdoen, dan....” - -En zich tot een der oppassers wendende, die steeds in de nabijheid van -den ambtenaar van Binnenlandsch Bestuur verwijlden: - -„Sariman,” sprak hij, „roep dadelijk de twee Chineezen van de opiumkit -hier. Maar dadelijk, ik moet hen noodzakelijk terstond spreken.” - -„Engèh Kandjeng toean!” - -„Een oogenblik wachten, heeren! Anders zou het meest interessante -schouwspel voor onze land- en volkenkundige nasporingen een gesloten -boek wezen.” - -Het wachten duurde evenwel slechts zeer kort. De beide Chineezen kwamen -ijlings aangeloopen, door den politie-agent tot spoed aangezet, met een -ijverig: - -„Eo! lakas! lakas! Kandjeng toean pangil!! (Kom! gauw! gauw! de -verheven heer roept).” - -Toen de Chineezen bij den groep Europeanen aangekomen waren, sprak de -controleur tot zijn gezelschap: - -„Laat ons nu gaan.” - -„Maar, mijnheer heeft ons laten roepen,” sprak een der Chineezen -brutaal, toen hij zag, dat de controleur zich niet om hen bekommerde. - -„Stil, babah!” zei de heer Verstork. „Wij willen de opiumkit bezoeken. -Wees ons geleide.” - -„De opiumkit bezoeken?” kreet de babah. „Maar dan zal ik gaan...” - -„Hier, bij mij blijven! Alle twee!” sprak de controleur op bevelenden -toon. - -De beide Chineezen wisselden een blik met elkander; maar kikten geen -woord, en volgden de blanke heeren. - -De kit lag achter de missighiet, die zich aan de oosterzijde van de -aloon aloon bevond; zoodat de bezoekers slechts een honderdtal passen -af te leggen hadden, om die philantropische inrichting der -Nederlandsche overheerschers te bereiken. - -Neen, het was geen gebouw, dat, in het bewustzijn een der talrijke -zuigers te zijn, waardoor de Nederlandsche schatkist gevuld heet te -worden, trotsch en fier zich verhief! - -Neen, aan het uiterlijke was niet te ontdekken, dat het een der -toevoerbuizen was van het opium-monopolie, die vreeselijke zuig- en -perspomp, die millioenen en nog eens millioenen in de Nederlandsche -schatkist doet stroomen. - -Neen, driemaal neen! Het was slechts een armzalig, vuil, smerig -bamboegebouwtje, meer aan eene keet of schuur gelijk, waarvan de -omwanding bij den grond gedeeltelijk verrot was, en die eigenaardige -muffe lucht van in verderf verkeerende bamboe verspreidde, waarvan het -atappen-dak zichtbaar onder den last der jaren doorboog, en op het -hoofd der bezoekers dreigde neer te komen. Het innerlijke beantwoordde -volkomen aan het uiterlijke. Zeer laag van verdieping, was de -binnenruimte tusschen die muffe wanden en onder dat half vergane dak -uiterst bedompt; terwijl daarenboven de vochtige atmospheer, die er -heerschte, nog doortrokken was met die akelig weeë zoete lucht, die -verbrand wordende opium steeds en onbedriegelijk kenmerkt. De naakte -bodem diende tot vloer, maar was niet aangestampt, zooals gewoonlijk in -Javaansche huizen geschiedt. Integendeel, die vloer was hobbelig, hier -en daar met zwart-glimmende bulten bezaaid, die onder den naakten voet -der Javaansche, of onder het hardlederen schoeisel der Chineesche -bezoekers akelig glanzend gepolijst waren. Hier en daar was bij het -zwakke schijnsel eener onzindelijke petroleum-lamp eene vochtige plek, -soms een poeltje te ontdekken, gevuld met groenachtig bruin water van -zeer verdachte herkomst, dat er het zijne toe bijdroeg, om èn de -gezichts- èn de reukorganen uiterst onaangenaam aan te doen. Bij het -binnentreden door de lage deur wilde een der Chineezen iets uitroepen; -maar Verstork, die hem in het oog hield, greep hem bij den arm en -fluisterde hem dreigend toe: - -„Diam, (stil) babah!” - -Eene smalle vierkante ruimte strekte zich thans voor de bezoekers uit, -die begrensd werd door een wand, waarin twee deuren en eene -loketopening op te merken waren. - -„Die eene deur daar,” legde de controleur uit, „geeft toegang tot een -vertrekje, waarin een der kithouders gewoonlijk zetelt, om door die -loketopening roode papiertjes, overdekt met Chineesche karakters, aan -de koopers uit te reiken. De opiumverbruiker voorziet zich daar tegen -kontant geld van zoo’n papiertje, dat voor eene grootere of kleinere -hoeveelheid tjandoe, naarmate van den prijs die geofferd wordt, geldig -is. Met dat papiertje verdwijnt hij door die deur.” - -„Wat een smerige boel hier,” merkte Grashuis op. - -„O, dat is nog maar de voorhof,” antwoordde Verstork. „Komt, volgt -mij.” - -Hij schoof de tweede bamboedeur ter zijde, die niet middels scharnieren -draaide, maar krakend en piepend met lussen over een glad stuk hout -gleed. Men trad nu een gang binnen, die volkomen donker zou geweest -zijn, wanneer hij niet verlicht ware, door de zwakke stralen van -ellendige olielampjes, die door de veelvuldige reten der -bamboeomwanding drongen, welke den gang begrensde. De atmospheer was -hier nog bedompter, de akelige geur der madat nog weeër. De vloer was -hier zoo hobbelig, zoo glibberig en morsig, dat er veel behoedzaamheid -noodig was, om ter been te blijven, en zich niet in den zeeperigen -modder uit te strekken. Die gang maakte het middengedeelte van het -gebouw uit, en strekte zich langs twee rijen vierkante hokjes, ieder -twaalf in getal, waarin de binnenruimte van die keet afgedeeld was. De -onderlinge scheidingswanden waren slechts ter hoogte van ongeveer -anderhalven meter opgetrokken, zoodat van het eene hokje in het andere -te zien was. Door middel van bamboedeuren hadden die hokjes met den -gang, waarin onze Europeanen stonden, gemeenschap. - -„Mogen wij zoo eene deur openen?” vroeg Van Beneden, die reeds de hand -daartoe uitstak. - -„Tida bolèh, toean!” (dat mag niet, heer) riep een der Chineezen, die -de beweging bespeurde en daardoor de vraag begreep. - -„Diam loe!” (stil, jij) beval de controleur met gedempte stem. „Ga -buiten den gang!” - -En zich tot zijn gezelschap wendende, nadat de Chinees zich verwijderd -had, vervolgde hij: - -„Het zal wel onnoodig zijn die hokken binnen te treden. De reten van de -deuren en van de omwanding veroorloven voldoende het innerlijke gade te -slaan. De bespieding zal ons doel tot nasporing van hetgeen er in zoo’n -opiumkit omgaat, meer bevorderlijk zijn dan een openlijk binnentreden. -Kijk, hier hebt gij een opiumschuiver in het eerste stadium der -narcotische bedwelming.” - -En inderdaad, daar lag een Javaan op de baleh-baleh—meubel dat in ieder -hokje der opiumkit aanwezig was—half op de zijde uitgestrekt. Zijn -hoofddoek had hij afgesmeten, zoodat zijn lange haren over het -walgelijk vieze hoofdkussen, dat op die rustbank aangetroffen werd, -zwierden. Hij hield de oogen, die eenen extatischen toestand verrieden, -half gesloten, en bracht met de rechterhand den kleinen kop van de -opiumpijp aan de vlam, die boven een klein oliekommetje, van een dun -pitje voorzien, flikkerde, waarbij het hoofd, eenigermate door de -linkerhand gesteund, voorover boog, en den dikken bamboesteel van de -pijp tusschen de lippen nam. Zoo haalde hij uiterst langzaam den rook -van de verbrand wordende opium binnen. Daarmede klaar, liet hij den -steun der linkerhand varen, en wentelde zich, terwijl hij de pijp los -liet, op den rug, waarbij het hoofd, achterover gebogen op het kussen -kwam te rusten. De schuiver sloot nu de oogen geheel, en deed zichtbare -poging om den ingezwelgden rook in te slikken, blijkbaar uit de -bewegingen van keel, sleutelbeenderen en borstkas. Toen dat gelukt -scheen, bleef hij rustig liggen, terwijl een waas van tevredenheid, van -genieten zich over zijn gelaat spreidde. Dat waas vormde een schril -contrast met het overige uiterlijk van den man, zelfs met dat gelaat, -waarop het zetelde. Alvorens toch op de baleh-baleh plaats te nemen, -had hij zijn badjoe uitgeworpen en lag nu slechts met zijn sarong, een -walgelijk vies vod, gedekt, uitgestrekt. - -De man was mager als een geraamte, en had gevoegelijk eene plaats in -den Danse Macabre kunnen innemen. Bij de spaarzame verlichting van de -kleine palita waren zijne ribben gemakkelijk te tellen, en vertoonden -die eene reeks van slagschaduwen, welke ontwaren lieten, hoe diep de -vakken tusschen het beenderen-traliewerk weggeslonken waren. Zijne -armen waren aan dunne stokjes gelijk, die met eene fletsbruine -lederhuid overtrokken zouden zijn. Van de beenen was onder den sarong -niets te bespeuren; maar dat zij even dun en even vleeschloos waren als -de armen, viel uit de voeten op te maken, die onder dat kleedingstuk -uitstaken, en door hun skeletachtig uiterlijk een ontleedkundige in -verrukking zouden hebben gebracht. - -Nadat de man den ingeslokten rook een wijl in den maag gehouden had, -liet hij hem in uiterst fijne spiralen door de opengespalkte neusgaten -ontsnappen, hetgeen een zeker tijdsverloop vorderde. Toen wentelde hij -zich op zijde, en scheen in een diepen slaap gedompeld te zijn. - -Op dat gezicht sloop eene vrouwelijke gestalte, die in een donkeren -hoek van het hokje neergehurkt had gezeten en door onze bespieders -onopgemerkt was gebleven, naar buiten. De ongelukkige was daar aanwezig -geweest om.... Bij haren spoed om het vertrekje te verlaten, liep zij -haast de Europeanen tegen het lijf. - -„Astaga! Sejthan!” (O hemel! De duivel!) mompelde zij, zonder iemand in -dien donkeren gang te herkennen, en schoof ijlings een belendend -vertrek binnen. - -Daar was het gezicht, hetwelk zich voordeed, aangrijpender. Een oude -Javaan lag daar ook op de baleh-baleh uitgestrekt. Mager, hoekig en -uitgeteerd was hij als de eerste, die gadegeslagen werd. Hij had meer -dan één balletje madat verrookt, en bevond zich dan ook in een anderen -zielstoestand. Zijne diepliggende oogen schitterden met ongewoon vuur, -zijne borst hijgde en zijn gelaat werd door een beestachtigen glimlach, -waardoor de onderkaak ver voorbij de bovenkaak vooruitstak, ontsierd, -en er den stempel van de onedele natuurdrift, die hem beheerschte, op -zette. Ook deze lag met het bovenlijf bloot; maar bij den hartstocht, -die zijn lichaam deed trillen en bewegen, had hij ook nog den sarong -losgeworpen, en lag daar in denzelfden staat als waarin de dronken -aartsvader Noach door zijn zonen aangetroffen werd. - -Toen de krakende deur aan het vrouwmensch doorgang had verleend, beet -hij haar toe: - -„Waar ben je zoo lang gebleven? Kom, gauw, maak mij andermaal een pijp -klaar!” - -Het wezen gehoorzaamde zonder iets te antwoorden. Zij trad op de -baleh-baleh toe, nam wat tjandoe uit een doosje, liet dat boven de vlam -van de palita eenigszins week worden, vermengde het daarna met wat -uiterst fijn gesneden tabak, en rolde er tusschen hare vingeren een -pilletje van ter dikte van eene groote erwt, dat zij in het pijpenkopje -plaatste. Gedurende die bewerking reeds had de opiumschuiver in zijne -hartstochtelijke opgewondenheid de kabaja van dat vrouwelijke wezen -opengerukt, en zich aan de meest onkiesche betastingen overgegeven, die -zij toeliet, alsof het zoo hoorde. Toen zij zich voorover boog, om hem -de gereedgemaakte pijp aan te reiken, omvatte hij haar middel met den -eenen arm, sleurde haar met de andere hand den sarong van het lijf, -trok haar op zich en overdekte, terwijl zijne oogen daarbij van -koortsachtigen hartstocht uitpuilden, hare wangen, haren hals, hare -borst, met snuivende kussen. Hij.... - -„O, het is walgelijk, wat hier gebeurt!” riep Grashuis uit. „Kom laat -ons weggaan!” - -„O, God,” liet zich een kreet verder in den gang hooren. „Dat is -infaam! Gebeurt zoo iets? Kom, naar buiten! Naar buiten, vrienden! -Anders valt het vuur des hemels op ons!” - -Het was Van Beneden, die een paar passen verder in den donkeren gang -getreden was, en in een belendend vak gegluurd had. Hij stormde naar -buiten en trok zijne vrienden met zich mede. - -„Wat is er toch geschied?” vroeg Grenits. - -„O, hoe zal ik u kunnen vertellen, wat ik gezien heb,” antwoordde -August gejaagd. „Kom, voort!” - -„Kom, geene jongejuffrouwenkuren,” sprak Grashuis, „wij zijn gekomen, -om nopens de opium-gruwelen inlichting in te winnen. Wij moeten kunnen -hooren, wat ieder onzer ervaren heeft. Wat hebt gij gezien, Theodoor?” - -„Vraag mij niet. Het is te gruwelijk!.... Zoo iets laat zich niet -vertellen. En het slachtoffer van.... was een kind.... dat zich hevig -verzette....” - -„Ja, ik meende geschreeuw te hooren,” zei Van Rheijn. - -„En daar is niets aan te doen? Kom, laten wij dat kind gaan ontzetten! -Kom, Verstork, gij, als controleur....” - -Deze weerhield zijne makkers, die reeds weer naar binnen wilden -dringen. - -„Ik zal mij wel wachten in eene opium-zaak tusschen beiden te treden,” -sprak deze hoogst ernstig. „Te Batavia zou men mij al heel gauw als -ongeschikt voor Binnenlandsch Bestuur veroordeelen, terwijl ik in mijn -chef den resident Van Gulpendam geen steun zou vinden, hoe groot de -gruwel ook is. Mijne loopbaan zou onherroepelijk gebroken zijn. Ik ben -dus verplicht ter wille van den Nederlandschen Mammon Gods water over -Gods dijk te laten loopen....” - -„Maar ik, die zulke consideratiën niet te maken heb, ik zal....” - -„Blijf!” zei Verstork tot Grenits, die zich reeds gereed maakte om -andermaal de kit in te dringen. „Blijf, ik ben in uw gezelschap; al -traadt gij alleen binnen, gij zoudt niet verhinderen kunnen, dat ik in -de zaak betrokken zou worden.... Ik bid u dus.... Daarenboven, daar -komt het kind reeds naar buiten....” - -En werkelijk een Javaantje van nauwelijks tien jaren trad naar buiten, -en liep de Europeanen snikkende voorbij. - -„Het is schrikkelijk!” stoof Grenits op. „En bij zulke gruwelstukken -werkeloos te moeten blijven! Ik zou willen.... Maar....” wendde hij -zich tot Van Beneden, „zult gij nu nog blijven beweren, dat de opium in -uitwerking aan den jenever gelijk is?” - -August antwoordde niet, maar zijn gelaat teekende diep-gevoelde -verontwaardiging. - -„Kom,” sprak Verstork, hem trachtende te bedaren. „Kom, laten wij hier -niet blijven staan, mannen, vrouwen en kinderen omringen ons reeds....” - -„Die stonden straks door de reten van de omwandingen die vreeselijke -tooneelen gade te slaan,” viel hem Grenits in de rede. - -„En werden daarin door de pachters niet verhinderd, integendeel, met -een grijnslach aangemoedigd,” sprak Van Beneden. „Dat zag ik wel.” - -„Kom, laten wij hier niet blijven staan,” zei Verstork. „Laten wij weer -onder den Wariengienboom gaan zitten. Oppas,” zoo wendde hij zich tot -een der politiedienaren in zijne nabijheid, „zeg tegen de dèsalieden, -dat zij naar huis moeten gaan, het is tijd om te gaan slapen.” - - - - - - - -XVI. - -HET OPIUM-MONOPOLIE.—EEN VERTROUWELIJK UURTJE. - - -De bevolking van Kaligaweh gehoorzaamde gedwee, en weldra zaten onze -Europeanen alleen onder de ver uitgestrekte kruin van den kolossalen -wilden vijgeboom. Maar, hadden zij een poos te voren geen oogen gehad -voor de schoonheden van den keerkringsnacht, die hen omringde; thans na -dat bezoek aan de opiumkit hadden zij dat nog minder. Het gesprek liep -natuurlijk, nadat zij gezeten waren, over het geziene. - -„Er waren vier en twintig deuren in dien gang, heb ik geteld,” sprak -Grashuis, die als landmeter gewoon was met één blik eene plaatselijke -gesteldheid te overzien, „dus ook vier en twintig van die hokken. Als -allen... Het is jammer, dat wij ons hebben laten afschrikken, en ons -onderzoek niet hebben doorgezet.” - -„Neen, het is beter zoo,” antwoordde de controleur. „Weinig van die -hokken waren onbezet, en de tafereelen die gij onder het oog bij verder -onderzoek zoudt gekregen hebben, zouden slechts in verscheidenheid van -beestachtigheid afgewisseld hebben. Neen, ik herhaal het, het is beter -zoo. Maar, wanneer ik u nu vertel, dat de dèsa Kaligaweh ongeveer 80 -huisgezinnen telt met eene bevolking van 600 zielen, waaronder 130 -werkbare mannen, en daar bijvoeg, dat zoo’n kit bijna drie vierde van -de vier en twintig uren, die het etmaal vormen, geopend is, en wij -bovendien bij het binnentreden der schamele hutten, nog menigen -opiumschuiver zouden aantreffen dan kunt gij u een denkbeeld vormen van -de uitgestrektheid van het opiumverbruik.” - -„Is het bekend, hoeveel Inlanders op de honderd opium gebruiken?” vroeg -Grashuis die van cijfers hield. - -„Och, laten wij ons om geen getallen bekreunen, die vooral bij zoo’n -rekening niets anders bewijzen dan de behendigheid van de vervaardigers -der statistische tabellen in l’art de grouper les chiffres.” - -„En... wij weten,” vulde Grenits aan, „dat fiscale ambtenaren bij zoo -iets voor niets terugdeinzen!” - -„Goed, dat Muizenkop u niet hoort!” merkte Van Rheijn lachende op. „Ge -zoudt dien eens vuur zien vatten.” - -„Wat Kaligaweh betreft,” ging Verstork onverstoorbaar voort, „zou ik -durven beweren, dat daarin geen tien mannen voorkomen, die vrij van -opium-verbruik zijn...” - -„Bijna 93 ten honderd,” bromde Van Beneden, die hoewel rechtsgeleerde, -nog al met statistische cijfers solde. - -„Mij is dat gebleken, toen ik een jaar geleden tot de vervanging van -den loerah moest overgaan, die door overmatig misbruik van opium totaal -ongeschikt was geworden, en ik er op stond dat een opiumvrije gekozen -werd.” - -„Is dat gelukt?” vroeg Grenits. - -„Ja, met heel veel moeite. Ik had er toen aan gedacht, om Setrosmito, -den armen drommel, die straks zijn kris trok, tot loerah te verheffen. -De omstandigheid, dat hij niet lezen of schrijven kon, heeft mij -weerhouden. Maar bij het toen ingestelde onderzoek is mij gebleken, dat -ook vrouwen, en zelfs kinderen van acht en tien jaar oud, opium -gebruiken, en de pijp van den vader uitkrabben [101] om zoo het -noodlottige narcoticum machtig te worden. [102] - -„Maar Kaligaweh is waarschijnlijk slechts een uitzondering?” vroeg Van -Beneden. - -„Volstrekt niet,” antwoordde Verstork met eenige drift, „Ik ben in vele -residentiën gedurende mijne ambtelijke loopbaan geweest, maar ik durf -beweren, dat de toestanden op opiumgebied daar aan die in de residentie -Santjoemeh vrij wel gelijk zijn. Dèsa’s als Kaligaweh zijn er bij -honderden te tellen.” - -„Gij zult de Preanger Regentschappen toch uitzonderen?” vroeg Grenits. - -„Zeker daar is het opiumverbruik streng verboden,” antwoordde Verstork. - -„En werkt die maatregel daar goed?” - -„Uitstekend.” - -„Dat’s zeker een proef, die het bestuur neemt, om bij welslagen den -maatregel op geheel Java in te voeren?” vroeg Grashuis. - -„Neen, volstrekt niet,” antwoordde Verstork. „Vooreerst zou de proef -als proef veel te lang duren; want het betrekkelijk besluit dagteekent -reeds van 1824 [103]; dan ook werd die maatregel niet genomen om het -opiumverbruik tegen te gaan, maar wel, omdat men vreesde, dat de -bevolking koffie zou stelen om zich aan het amfioenschuiven te kunnen -overgeven. [104] - -„Nog al leuk,” meende Van Rheijn. - -„Is er hondscher bekentenis mogelijk, dat het opiumverbruik de -bevolking demoraliseert?” stoof Grashuis op. - -„Vraag u nu eens ernstig af,” sprak Grenits, „wanneer gij die -bizonderheid voegt bij de afschuwelijke tooneelen, die ons onder de -oogen kwamen, of het waar is, wat daar straks door Van Rheijn beweerd -en door Van Beneden beaamd werd, dat namelijk het opiumverbruik met het -alcoholverbruik op ééne lijn te stellen zou zijn? Neen, neen, neen! het -is oneindig afschuwelijker, dat is mijne meening!” - -„En ook de mijne,” sprak Verstork. „Iedere poging om de uitbreiding van -het opiumschuiven te breidelen, en het gebruik tegen te gaan, moet eene -veel grootere daad van menschenmin gerekend worden, dan elke poging der -afschaffings- en matigheidsvrienden met betrekking tot den sterken -drank. Maar....” - -„Maar wat?” - -„Iedere poging om het opiumverbruik tegen te gaan, is een bresschot op -het Nederlandsche budget gedaan.” - -„En als zoo iets in het spel komt, dan zijn de ooren daar ginds in den -Haag erg doof,” grinnikte Grenits. - -„Wel, daarin hebben ze gelijk,” viel Van Rheijn in. „Ze kunnen daar de -millioentjes, die door den opium opgebracht worden, onmogelijk missen.” - -„God sta mij bij!” viel Grenits in. „Welke redeneering! Wat zoudt gij -zeggen van den dief, die zijne euveldaad verontschuldigde, met de -bewering, dat hij het tientje hetwelk hij stal, noodig had om naar de -bierkneip te gaan; of dat een moordenaar aanvoerde, dat hij zijn oom -vergiftigd had, omdat hij de opengevallen erfenis gebruiken moest, -om.... zijne maitresse te onderhouden?” - -„Ho, ho, ho!” protesteerden een paar stemmen. „Die vergelijking!” - -„Het beeld is niet gevleid, maar toch waar,” antwoordde Verstork. -„Zoolang Nederland zich eene weelderige administratie als de hare -veroorlooft en den opiumhandel, zooals hij bestaat, handhaaft, verdient -het geen ander beeld dan dat van den man, die een tientje wegkaapt om -naar den biertempel te gaan.” - -„Eerder dat van den man, die zijn bloedverwant vergiftigt, om zijne -duiten machtig te worden. Dat beeld is juister,” voegde Grenits er aan -toe. „Het valt niet te ontkennen, dat, heeft Nederland Indië steeds als -eene melkkoe behandeld, in de laatste dagen het schrapen alle perken te -buiten gaat.” - -„Ho, ho!” verhieven zich weer de stemmen van Van Rheijn en van Van -Beneden als om te protesteeren. - -„Overdrijf ik? Zeg?.... Gaat men niet alle palen en perken te buiten -met de belastingen, die men op de schouders van nijveren en handelaren -gelegd heeft?” - -„Ja, maar in Nederland betalen ze ook belastingen,” meende Van Beneden. - -„Laat u behoorlijk inlichten, daar lang zooveel niet als hier!... Gaat -men niet alle palen te buiten, met de lasten der Inlanders, die reeds -zoo zwaar zijn, te verscherpen?” - -„Ja, ja! Zeer zeker!” sprak Verstork. - -„Gaat men niet alle perken te buiten, door ter wille van schraapzucht, -het Indische leger te behandelen zooals men doet,” ging Grenits voort. - -„Hoe dan?” vroeg Van Rheijn onnoozel. - -„Met vrede te Atjeh te decreteeren, [105] die nog in de verste verte -niet bespeurd kan worden, waardoor die zoo karig bezoldigden gladweg -het hun toekomende onthouden wordt, en zij derhalve bestolen worden.” - -„Och, wat kan u die sabelsleepers scheelen?” - -„Gaat men niet alle perken te buiten, door de hooge aandeelhouders der -Billiton-maatschappij den buit te laten behouden, die, als gij de -debatten daarover gelezen hebt, in de Vertegenwoordiging gevoerd, in ’s -lands kas behoorden te vloeien?” - -„Is dat wel een argument voor uwe stelling?” vroeg Van Rheijn. - -„Zijdelings, ja,” antwoordde Grenits, „want zij helpt mij de -beschuldiging schragen, die ik in te brengen heb, dat de demoralisatie -van Regeering, van Vertegenwoordiging, van kieskollegiën, van kiezers, -van de geheele natie ten top gestegen is.” - -„Brr! wat draaft ge door!” zei Grashuis met de beweging van een poedel, -die uit het water komt. - -„Gaat men niet alle perken te buiten, met het opzweepen van het -opiumverbruik....” - -„Opzweepen!... Dat gaat te ver!.... Die beschuldiging is onbillijk!...” -viel Van Beneden in. - -„Zoo! Dunkt u dat?... Welnu, neem Baud’s Proeve ter hand. Daarin zult -gij onweerlegbaar aangeteekend vinden, dat men er steeds op uit geweest -is, om de opium-opbrengsten op te zweepen. Er is geen brutaler waarheid -dan die der cijfers! En luistert: het opiummiddel, dat in 1832 drie -millioen, in 1842 bijna zeven millioen, in 1870 tien millioen, in 1880 -bijna dertien millioen had opgebracht, werd voor 1885 op bijna -negentien millioen geraamd, en de Vertegenwoordiging nam die raming -zonder blikken of blozen, zonder een woord van protest aan. [106] -Periodiek wordt in Regeerings- en in andere kringen van het vaderland -geteemd en geweend over de opium-ongerechtigheden; maar inmiddels laat -men de bestuurders volkomen de handen vrij, om volgens de geijkte -uitdrukking: er uit te halen, wat er uit te halen is.” - -„Maar,.... vergeef mij. Is het de plicht niet eener regeering, om eene -belasting zoo productief mogelijk te maken?” vroeg Van Rheijn. - -„Juist. Daarin zit het zedelooze en het demoraliseerende van het -opium-monopolie. Ter wille van de baten, die afgeworpen worden, wordt -het verbruik aangemoedigd, worden de inlanders naar de kit gedreven -door alle middelen, door de minst geoorloofde het liefste! Leest de -Indische dagbladen maar geregeld, [107] dan zult ge voldoende gesticht -worden over den gruwelijken last, die de Chineesche kithouders den -niet-verbruikers aandoen, welke controle zij op, en welken willekeur -zij jegens de verbruikers uitoefenen, wanneer dezen, wellicht tot -inkeer gekomen, hun verbruik verminderen.” - -„Of zich van sluikopium voorzien?” viel Van Beneden in. - -„Oorspronkelijk was de opiumpacht slechts bestemd,” ging Grenits -onverstoorbaar voort, „om, door het opdrijven van den amfioenprijs, dit -artikel te stellen onder het bereik van het geringst aantal personen; -zoodat, afgaande op die grondstelling, elke regeling moet worden -veroordeeld, die de strekking heeft, om door een vermeerderd debiet de -rijzing van den pachtschat te verkrijgen. [108] Nu, kort geleden, is -zij door een Minister van Koloniën tot een belastingheffingsstelsel -verheven [109]. Ziet, wanneer zulke feiten onwraakbaar te staven zijn, -dan moet het oordeel klinken; onze Regeering en onze Vertegenwoordiging -zijn overtuigd van het diep rampzalige van het opium-verbruik bij hun -Indische onderdanen; maar zij willen geen afstand doen van de gelden, -welke door de vergiftiging van geheel een volk opgebracht worden.” - -„Tu, tu, tu.... Vergiftiging!.... Wat voor woord!...” viel Van Beneden -in. - -„Vergiftiging, ja.... Wanneer bij een apotheker in Nederland opium -buiten zijne vergiftkas bevonden wordt,” antwoordde Grenits, „wanneer -hij opium aflevert zonder recept van een geneesheer, dan wordt hij -beboet, [110] nietwaar, vriend Van Nerekool?” - -Deze hief het hoofd op, liet den wezenloozen blik langs den kring gaan, -en knikte ja. Of hij gehoord had, wat gezegd was geworden, viel te -betwijfelen. Grenits echter, met dat toestemmend hoofdknikken tevreden, -ging voort. - -„En datzelfde vergift is hier zonder de minste controle te koop, ja -wordt den minderen man op de liederlijkste wijze door schurken, als de -Chineesche kithouders zijn, opgedrongen, en dat onder het oog, onder -het medeweten, onder de bescherming van het Nederlandsche bestuur!” - -„Och, altijd dat gehak op het Nederlandsche bestuur!” zei Van Rheijn -meesmuilend. „Vriend Grenits, ge zijt al met hetzelfde sop van -ontevredenheid overgoten als de overige handelaren en industriëelen -hier in Indië.” - -„Zou ik niet?” viel Grenits driftig in. „Hoewel ik met de denkbeelden -van het meerendeel hunner niet meê ga, zoo voel ik mij toch solidair -verbonden aan hen, waar het de dierbaarste belangen van handel en -nijverheid geldt. Op dat gebied, ja! kunt ge zeggen, dat ik met -hetzelfde sop overgoten ben.” - -„Hebben die pruttelaars zooveel te klagen?” vroeg Grashuis met leuke -stem. - -„Dat zou ik meenen! Zij worden onder het tegenwoordige régime niet -alleen gevild, maar uitgezogen op eene wijze, die in andere streken -voorzeker de hand naar de wapens zou doen uitstrekken. De Nederlanders -hadden bij hunnen opstand tegen Spanje, en de Belgen bij den hunnen -tegen de Nederlanders lang zulke grieven niet als de Indo-Europeanen -tegen hunne tegenwoordige onderdrukkers kunnen aanvoeren!” - -„Ho! ho! ho!” riepen verscheidene stemmen. - -„Dezen moeten belastingen opbrengen, waarbij de Xde penning, die onze -voorvaderen zoo ontstemde, als kinderspel kon beschouwd worden. En -welke rechten worden hun daartegenover toegekend. Als persiflage zou -kunnen gezegd worden, dat zij het recht hebben: hoegenaamd geen recht -te bezitten. Want, wat hier in Indië den naam van recht heeft, is -daarvan slechts een akelig masker; vooral wanneer het geldt fiscalische -onderwerpen, waarbij de Staat zich als een verscheurend dier op zijne -prooi werpt, en deze hoegenaamd geene bescherming te wachten heeft; -vooral wanneer het geldt botsingen met de opiumpachters, die Staten in -den Staat!” - -„Gij overdrijft! Gij overdrijft!” riep Van Rheijn uit. - -„Och, dat het waar ware!” antwoordde Grenits hartstochtelijk. „Maar -neemt het gruwelijke boek: Macht tegen Recht ter hand, dat boek -afkomstig van een lid van het Hoog Gerechtshof te Batavia, die vóór -dien tijd jaren lang advocaat-generaal bij dat hof was, schier een half -menschenleven als voorzitter van landraden, van raden van Justitie, -enz. doorbracht en die het dus weten kan en ook weet, en zegt mij -daarna nog dat ik overdrijf!” - -„De schrijver van dat boek is een ontevreden mensch, die zich slechts -één doel stelt, de wereld tegen de ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur -in het harnas te jagen.” - -„Eene schrikkelijke beschuldiging, die gij inbrengt tegen een man, die -in mijn oog den moed en daardoor de groote verdienste heeft van den -toestand onbewimpeld onthuld te hebben. Dat is in den regel de -dankbaarheid van ons Nederlanders!” - -„Ja, ik kan begrijpen, dat jullie kooplieden met dien man dweepen,” -riep Van Rheijn smadelijk uit. „Voor die ontevredenen is dat koren op -de molen!” - -„Dien ontevredenen heeft men redenen te over tot ontevredenheid -gegeven, vriend Van Rheijn.” - -„Kom, kom, een troepje tamme oproerlingen, waarmeê wel reê te schieten -zal zijn.” - -„Ja, dat is het geijkte woord, door sommige organen der Nederlandsche -pers gebruikt, toen zich de belastingschuldigen eenigen tijd geleden -met wettige middelen tegen de daden van willekeur en tegen de -afpersingen van het Indische bestuur verzetten. Tamme oproerlingen!...” -ging Grenits met rauwe stem en opgewonden voort. „Tamme -oproerlingen!... laat men daarover niet smalen in Nederland! Want bij -God! bij een anderen staat van zaken zou men daar wel met de handen in -het haar zitten, om met minder tamme oproerlingen klaar te komen! Dat -zij daar ginds toch niet vergeten, dat het schuim van Europa -saamgewield is moeten worden, om den oorlog te Atjeh te kunnen voeren; -want de Hollandsche heldenaard gaf in onze steden den weinigen, die -daarvoor aangeworven konden worden, het fraaie refrein in den mond: - - - „Ik ben mijn leven moe! - Ik ga naar Atjeh toe!” - - -„Grenits! Grenits!” bracht Verstork bedarend in het midden. - -„Ja, ik heb ongelijk,” sprak deze, „en zal eindigen. Maar, met dat vrij -ondoordachte „tamme oproerlingen” heeft men meer kwaad gedaan, dan wel -gegist kan worden; want men heeft er hier het bewijs door verkregen, -dat men in den wettelijken kamp van recht en billijkheid tegenover -gewetenlooze afpersing slechts hoon en scheldwoorden te verwachten -heeft. God behoede Nederland! Maar ik acht de meening niet ongegrond, -dat wanneer een man opstond, die aan een flink organiseerend talent den -takt paarde, om de onderling verdeelde ontevredenen om zich te scharen, -een man, die van de radeloosheid daar ginds gebruik zou weten te maken, -het moederland bange dagen door te brengen zoude hebben.” - -„Kom, kom! dat zal wel losloopen. Het leger zou dan zijn plicht wel -weten te doen!” - -„Zijn plicht? Gij het eerste smaaldet straks op de sabelsleepers! Heeft -de Regeering het recht op die plichtsvervulling te rekenen, nadat zij -op de meest hondsche wijze tegenover dat leger haren plicht verzaakt -heeft? Ik neem aan, en ben overtuigd, dat het officierskorps, in -weerwil van alles, stipt en onwrikbaar zijnen plicht zou doen. [111] -Maar.... kan men dat ook verwachten van de vreemdelingen, die men -herwaarts bracht, en die reeds te Atjeh naar den vijand met pak en zak, -met wapens en munitie overloopen, en dan bij geheele kompagniën zouden -overgaan? Kan men die plichtsbetrachting ook verwachten van de -Inlandsche manschappen, die meest allen door middel der onteerendste -streken, door opium, door speelwoede, door vrouwenlist, geronseld -werden? Zeg, zou dat van die te verwachten zijn? Neen, misleidt u -niet....” - -„Gij laat oproerige taal hooren!” sprak Van Rheijn gemelijk. - -„Noemt gij het oproerig zijn,” vroeg Grenits heftig, „wanneer ik den -vinger op den wonde leg?” - -„Mij dunkt,” kwam Verstork tusschen beiden. „Mij dunkt, heeren, dat het -tijd is om de discussie te sluiten. Bij dergelijke gesprekken wordt het -bloed warm, en.... Daarenboven, het is bijna middernacht. Wij moeten -gaan rusten; want morgen ochtend is het vroeg dag, en dan wacht ons -eene vermoeiende jacht. Denk er om: de Djoerang Pringapoes, dien wij -heden middag maar omgetrokken hebben, is geen danszaal! Dat zult gij -wel bemerken? Kom, slapen! wie mij lief heeft, die volge mij!” - -Allen stonden op, behalve Van Nerekool. - -„Ik ben blij, dat Muizenkop niet bij dat gesprek geweest is,” zei -Grashuis. „Drommels, morgen avond zou de resident het—wie weet hoe -verfraaid en verrijkt—reeds vernemen. En dan, vriend Grenits, zoudt gij -een lastig kwartier door te brengen hebben. Wie weet of ze je niet naar -Atapoepoe of de Tomini-baai [112] verbanden; wellicht zetten ze je wel -heel en al de koloniën uit. Denk steeds om den advocaat Winckel.” [113] - -Grenits maakte eene minachtende beweging met de schouders. - -„Gaat gij niet mede?” vroeg Verstork op Van Nerekool toetredende, toen -hij dien nog buiten zag zitten met het hoofd in de hand, nadat de -anderen den passangrahan reeds waren binnengetreden. - -De aangesprokene antwoordde niet; hij hief het hoofd slechts op, en -keek zijn vriend met een verbijsterd oog aan. - -„Wat scheelt er aan, Karel?” vroeg Verstork, terwijl hij zijn vriend de -hand op den schouder legde en naast hem plaats nam. „Zijt ge ziek? Gij -waart den geheelen dag zoo stil, zoo afgetrokken.” - -„Neen, ziek ben ik niet, Willem,” was het antwoord. „Maar, ik ben zoo -ongelukkig!” - -„Ongelukkig?... Kom vertel mij, waarin. Gij weet: medegedeeld leed -drukt slechts ten halve.” - -„Och, wat zou ik u mede te deelen hebben, waarvan gij de helft zoudt -kunnen torschen? Vriend Willem, herinnert gij u ons gesprek nog van -verleden Zaterdag te Santjoemeh?” - -„Zeker, en ik verbond mij daarbij, om u eene week later opheldering te -geven, waarom ik toen zeide, dat ik uwe opkomende genegenheid voor -Juffrouw Anna van Gulpendam zeer treurig vond. Dat is heden, nietwaar?” - -„Ja, vriend. Maar wat zoudt ge mij nog te zeggen hebben? In die acht -dagen is veel gebeurd. Gij wist zeker toen reeds, dat de resident Van -Gulpendam mij niet genegen was?” - -Verstork antwoordde niet onmiddellijk op die vraag; maar drong op -mededeeling van het gebeurde aan. - -„Kom,” sprak hij, „kom Karel, vertel wat u in die week wedervoer. Gij -weet het: uw hart ontmoet in het mijne een oprecht vriendenhart. -Komaan, vooruit!” - -„Maar, gij wildet gaan slapen?... En... dan, morgen die jacht?...” - -„Och, het is mij meermalen bij mijne tournées door de Gouvernements -koffietuinen overkomen, dat ik in de dèsa’s slapelooze nachten -doorbracht; terwijl mij toch den volgenden morgen een inspanningsvolle -dag wachtte. Spreek op! zooveel heb ik nog wel voor een vriend over, -dat ik mij voor hem een paar uren slapen ontzeggen wil.” - -Karel van Nerekool aarzelde niet langer. Hij had behoefte aan -mededeelzaamheid, hij had behoefte zijn hart in dat eens vriends uit te -storten. - -En nu volgde het verhaal van de liefdesbekentenis van den jongen man -aan zijne aangebedene bij gelegenheid van de dansreceptie ten -residentiehuize. Met de levendigste kleuren schilderde hij het -betooverende oogenblik, waarin hem het geheim zijner ziel gedurende den -zoo heerlijken wals in de binnengalerij ontsnapte; ook dat, waarin hij -de betuiging der wederliefde der lieve maagd ontving, waarin hun beider -lippen daar in den tuin elkander voor het eerst zochten en vonden. - - - „Oscula qui sumpsit, si non et cætera sumpsit, - Hæc quoque quæ datæ sunt, perdere dignus erat” [114] - - -mompelde Verstork, die in zijn jeugd ook klassieke studiën gemaakt had, -het tweeregelig vers van Ovidius in zijn „ars amandi” binnensmonds met -een glimlach. Maar, toen hij zijn vriend weemoedig het hoofd zag -schudden, ontwaarde hij, hoe diep dat arme hart gewond was. - -Op het verhaal van de liefdesvervoering, van die heilige oogenblikken, -daar in den residentstuin, achter dat Pandan-boschje doorgebracht, -volgde dat der ontnuchtering. Karel vertelde, hoe mevrouw Van Gulpendam -het tête à tête verstoord had: hij deelde het gesprek mede, hetwelk hij -daarop met de schoone Laurentia gehad had. Een bittere glimlach zweefde -om den mond van den controleur, toen hij vernam, welke -verleidingsmiddelen de aanzienlijke vrouw aangewend had. - -„Arme, arme vriend!” sprak hij. „En is dat alles?” - -„O, neen,” antwoordde Van Nerekool. - -„Welnu, ga voort.” - -„Daags daarna, begaf ik mij, zooals ik met Anna afgesproken had, naar -het residentiehuis, om de hand van het lieve meisje aan haren vader te -vragen. Het kostte mij veel moeite om gehoor te krijgen, en het was -niet dan nadat ik zeer lang geantichambreerd had, dat ik in de -tegenwoordigheid van den resident toegelaten werd. - -„„Ik heb niet veel tijd, mijnheer,” was zijne toespraak, toen hij mij -het kantoor, waarin hij mij ontving, zag binnentreden. „Loop een beetje -gauw van stapel, ik ben gehaast.” - -„„Mijnheer Van Gulpendam,” begon ik, „ik had gisteren een gesprek met -juffrouw Anna, en...” - -„„Laat vieren, alsjeblief,” viel hij mij in de rede, „ik herhaal het, -ik heb geen tijd om te slampamperen. Van dat gesprek heb ik zoo iets -vernomen. Ik kan het niet kiesch vinden van een rechterlijk ambtenaar, -met een jong meisje een geheim oppertje te zoeken. Recht door zee! is -mijne leus, mijnheer! Een eerlijk man gaat met volle zeilen op zijn -doel af. Dat bij-den-wind-knijpen is van mijne gading niet.” - -„„Resident, ik verklaarde reeds aan mevrouw, dat de omstandigheden mij -verrast hebben. Het is en was mijn doel, om openlijk aanzoek naar de -hand uwer dochter te doen. Van geheimzinnigheid kan dus geen sprake -zijn, en de reden van mijne komst is, mijnheer Van Gulpendam, geene -andere, dan om u mijne liefde voor juffrouw Anna te belijden, en u te -verzoeken haar mij als gade te geven.” - -„„Zoo, buit het uit dien hoek? Gij hebt een aardig bestek gemaakt. Kunt -gij wel gissen, wat ik in het logboek zal invullen? Niet?” - -„„Resident, de zaak is voor mij zoo ernstig mogelijk,” antwoordde ik, -verbaasd over die zeemanstaal. „Laat in Gods naam alle scherts varen. -Ik heb de eer u om de hand van uwe dochter te verzoeken.” - -„„Mijnheer Van Nerekool, ik ben zoo ernstig mogelijk,” hernam hij -ietwat geraakt. Van nu af evenwel kwam gedurende het gesprek geen -enkele scheepsterm meer over zijn lippen. „Hoe kunt gij mij verdenken, -scherts te bezigen, wanneer ik u vraag, of gij gissen kunt, welke -beslissing ik zal nemen?” - -„„Ik hoop, dat die beslissing mij gunstig zal wezen. O, ik bemin -juffrouw Anna onuitsprekelijk!” - -„„Dat zijn van die uitdrukkingen, die door alle verliefden gebezigd -worden. Is uwe liefde u ernst?” - -„„Hoe kunt gij zoo iets vragen?” antwoordde ik hartstochtelijk. - -„„Ik heb daar mijne redenen voor. Gij hebt gisteren avond een gesprek -met mijne echtgenoote gehad?” vroeg hij mij. - -„„Ja, resident,” was mijn antwoord. - -„„Die heeft u eene geheele toekomst voorgespiegeld, is dat zoo niet?” -was zijne tweede vraag. - -„Ik keek hem verbaasd aan. Het kon mij niet in het hoofd opkomen, dat -hij en zijne vrouw in dergelijke zaken eenstemmig dachten?” - -„Waarom niet?” vroeg Verstork. - -„Ik beschouwde den resident wel als een wuft mensch; ik meende steeds -evenwel, dat hij een eerlijk man was, die met de kuiperijen zijner -echtgenoote niets te maken had.” - -De bittere glimlach, die het gelaat van den controleur overtoog, ging -onder de dichte schaduw van den Wariengienboom voor Karel verloren. - -„Ga voort!” sprak hij zacht maar met bedaarde stembuiging, die zijne -gemoedsstemming onmogelijk kon verraden. - -„Op zijne laatste vraag antwoordde ik „ja resident, dat heeft mevrouw -gedaan.” - -„„Zoowel omtrent uwe loopbaan als omtrent uw aanzoek?” vroeg hij -verder. - -„„Ja, resident!” sprak ik gejaagd. - -„„Welnu; dan hebt gij uwe geheele toekomst in de hand,” hernam hij -verder. „En, dat gij thans hier zijt, doet mij de hoop koesteren, dat -gij nog eenmaal een practisch mensch in onze maatschappij zult worden.” - -„Willem, bij die woorden, die eene verdenking op het aanzoek, dat ik -deed, en waarvan mijn geheel toekomstig geluk afhing, wierp, voelde ik -den grond, als het ware, onder mij wegzinken. - -„„Resident,” zoo sprak ik in mijne vertwijfeling, „weet gij wat mevrouw -mij voorgesteld heeft?” - -„„Zoo wat, mijnheer Van Nerekool, zoo wat,” antwoordde hij losjes en -met ietwat spottende stem. „Zij heeft u de hoop voorgespiegeld de -opvolger te worden van den tegenwoordigen voorzitter van den landraad -te Santjoemeh, met uitzicht om in een niet al te verwijderd tijdstip -tot die betrekking definitief benoemd te worden. Zij heeft u de hand -niet geweigerd van Anna, die gij beweert zoo zeer te beminnen. Gij -ziet, dat ik op de hoogte der gedane toezeggingen ben, en als gij u -daaromtrent hebt willen vergewissen, hetgeen de daad van een inderdaad -practisch man zou zijn, weest dan gerust....” - -„Willem, ook die uitleg mijner gedachten kwetste mij. Welke onedele -roerselen gingen toch om in die ziel? Ik viel hem dan ook vrij heftig -in de rede: - -„„Het is op die voorspiegelingen niet, dat ik doelde, heer resident, -ook was het niet, om mij van uwe inzichten te vergewissen, toen ik u de -vraag deed, of gij wist wat mevrouw mij voorgesteld heeft!” - -„„Zoo, dan heb ik u niet begrepen, mijnheer Van Nerekool,” antwoordde -hij koel. „Wat bedoeldet gij dan wel met die vraag?” - -„„Wat ik bedoelde?” antwoordde ik. „Weet gij wel, dat mevrouw Van -Gulpendam mij voorgesteld heeft eed en plicht te verkrachten?” - -„„Och, kom?” zei hij spottend. - -„„Weet gij wel, dat mij het voorstel gedaan is, het mijne er toe bij te -brengen, om een onschuldige tot verbanning te doen veroordeelen?” ging -ik voort. - -„„Gij droomt, waarde heer,” antwoordde hij steeds spotachtig. - -„„Weet gij wel,” vervolgde ik, „dat mij in ruil voor dien prijs -uitzicht op de hand uwer dochter geopend werd? Dat mij voor den prijs -van een menschenleven eer en bevordering werd aangeboden?” - -„„Dat gaat te ver, mijnheer Van Nerekool!” hernam hij met gemaakten -toorn. „Ik verbied u zoodanige gedachten over mijne echtgenoote te -uiten! Wat? Gij komt hier om de hand mijner dochter te vragen en gij -hebt slechts hoon en laster over voor de moeder van het meisje, dat gij -zegt lief te hebben!” - -„„Hoon en laster!” riep ik uit. - -„Op dien uitroep herstelde hij zich oogenblikkelijk en hervatte: „Dat -is wellicht te sterk uitgedrukt. Er kan hier slechts sprake zijn van -een misverstand,” en met koelheid vervolgde hij: „Uw aanzoek vereert -mij en mijne dochter, mijnheer Van Nerekool. Het komt mij evenwel zeer -onverwacht; zoodat ik eenigen tijd noodig zal hebben, om over die -aangelegenheid, die het geluk van mijn kind betreft, na te denken. Er -is bovendien geen haast bij. Anna is nog zoo jong, te jong zelfs om aan -een huwelijk te denken.” - -„„Gij beneemt mij dus niet alle hoop?” vroeg ik levendig, terwijl ik -zijn hand greep. - -„Hij keek mij met een verbaasden blik aan. - -„„Ik beloof niets, volstrekt niets, mijnheer Van Nerekool,” sprak hij -ontwijkend. „Anna kan nog gerust een jaar, wellicht twee wachten, -alvorens aan een verbintenis voor haar leven te denken. En die dan -leeft, die dan zorgt, nietwaar? Intusschen...” - -„Hier haperde hij. - -„„Intusschen?...” vroeg ik schier ademloos. - -„„Intusschen zult gij wel doen, ging hij hardvochtig voort, met uwe -bezoeken op het residentiehuis te staken. Gij zult toch een braaf -meisje niet in opspraak willen brengen. Ik reken er dan ook op, u niet -anders dan bij officiëele receptie’s ten mijnent te zien!” - -„Willem, dat was duidelijk nietwaar? Ik was afgewezen.” - -Verstork keek zijn vriend met deelneming aan. - -„Ik had zoo’n voorgevoel van het leed, dat gij te gemoet gingt,” zei -hij. „Herinner u maar, hoedanig ik verleden week uwe mededeelingen -opnam.” - -„Ja, gij zoudt mij heden vertellen, waarom....” - -„Zeg, Karel, is dat nog wel noodig? Gij hebt, geloof ik, genoegzaam -kunnen peilen, in welken familiekring gij terecht zoudt zijn gekomen, -wanneer uw aanzoek ingewilligd ware geworden.” - -„Maar Willem, Anna is....” - -„Anna is het reinste en het liefste wezen, wat op het aardrijk kan -aangetroffen worden. Anna is onschuldig aan alles, en de vraag rijst -bij mij wel eens, hoe zoo eene heerlijke bloem in zoo’n midden heeft -kunnen ontkiemen, heeft kunnen ontwikkelen? Maar.... laat dat meisje -zijn, wat zij is; als gij met haar in het huwelijk zoudt treden, zou -het toch niet minder waar zijn, dat gij u gekluisterd zoudt vinden aan -hare ouders, die de meest zelfzuchtige, de meest verdorvene wezens -genoemd moeten worden, die in een fatsoenlijken kring plaats kunnen -nemen. Arme vriend, wat zoudt gij u in zoo eene omgeving rampzalig -gevoelen! Zie, het was daarop, dat ik u had willen wijzen.” - -Van Nerekool zuchtte diep en scheen in zijne gedachten verloren. Hij -zat daar met het achterhoofd door de hand ondersteund; terwijl zijn oog -als verdwaald hoog daarboven de openingen aanstaarde, die in de -bladerenkruin van den Wariengienboom te ontwaren waren, en waardoor de -maan, die hoog boven aan den hemel stond, hare stralen liet schijnen. - -Verstork eerbiedigde dat stilzwijgen gedurende een poos. Daarop sprak -hij: - -„Kom, gij hebt uw hart lucht gegeven; ik heb u met een woord op de -hoogte gebracht van hetgeen gij weten moest. Kom, ga thans vergetelheid -in den slaap zoeken. Gij hebt heden een voor u ongewonen en dus -vermoeienden rit afgelegd. Rust zal uw lichaam welkom zijn. Morgen -wachten ons nog grootere vermoeienissen. Ik reken er op, dat ook die -heilzaam zullen werken. Maar, willen wij tegen de inspanning van morgen -bestand zijn, dan is slaap noodig. Kom!” - -Van Nerekool zuchtte diep, maar antwoordde niet. Hij stond evenwel op -en volgde zijn vriend naar den passangrahan, waar zij de overigen reeds -in diepe rust vonden en zich dan ook naast hen op de baleh-baleh -uitstrekten. - - - - - - - -XVII. - -IN DEN DJOERANG PRINGAPOES. - - -„Toeaan!... Toeaaan!... Toeaaaan!” - -Zoo weerklonk het weinige uren later in den passangrahan, waar onze -vrienden te snurken lagen. - -Och, de slaap had zich ook over Karel van Nerekool erbarmd. Het had wel -lang geduurd. Vele malen, ja ontelbare malen had hij zich op de -baleh-baleh heen en weer gewenteld, en dat bamboegevaarte zoodanig doen -zuchten en kraken, dat èn aan Leendert Grashuis èn aan August van -Beneden, de nevenslaaplieden van den rampzaligen verliefde, nog al een -enkele maal een toornige uitroep ontlokt was van: - -„Lig toch niet zoo te schudden en te wiegen! Het is om zeeziek te -worden!” - -Of wel van: - -„Wat is de rechterlijke macht, in strijd met hare traditiën, -buitengewoon onrustig van nacht!” - -„Ik geloof, dat haar de muskieten kwellen!” - -„Of een boos geweten!” - -„Of een blauwe scheen!” - -Maar Karel was Goddank! eindelijk ingeslapen. Het was evenwel slechts -voor korten tijd. - -„Toeaaan!... Toeaaaan!”... - -Zoo liet zich de stem van straks andermaal hooren. Het was Verstork’s -bediende, die zich door den kedjineman van de gardoe had laten wekken, -en die thans op zijne beurt zijn heer wekte. Maar hij deed dat met den -voorzichtigen eerbied, dien ieder ervaren Javaan in dergelijke -omstandigheden betracht. Hij wist toch bij ervaring, dat de blanken -uiterst nurksch zijn, wanneer zij plotseling uit een weldadigen slaap -ontijdig opgewekt worden. Bij zulke gelegenheid hield hij zich liefst -op een betamelijken afstand; want eene oorvijg van den slaapdronken -toean was gauw opgeloopen. Niet, dat Verstork zoo bizonder vlug met de -gevreesde handbeweging was; integendeel, hij was bekend onder de -Inlandsche bevolking voor zijne zachtaardigheid; maar... in zoo’n -verbijsterden toestand is een klap gauw opgeloopen, en het was maar -beter zich buiten bereik te houden. Zoo dacht de gedienstige geest. - -„Toeaaan!... Toeaaaan!...” liet zich andermaal het gedempte maar -langgerekte geroep vernemen. - -Maar Verstork hoorde niet. - -„Toeaaan!... Kandjeng toeaaaan!”... - -Geen woord. - -De bediende trad de baleh-baleh nader. Bij zijn heer gekomen, herhaalde -hij evenwel thans nog meer gedempt en gerekt: - -„Toeaaan!... Toeaaaan!”... - -Verstork verroerde geen vin. Alleen Van Nerekool werd eenigermate -onrustig. - -Toen sloeg de bediende onvoelbaar zacht aan het voeteneind de sprei op, -die zijn heer toedekte. Bij de vierbekkige palita, [115] die met een -kettinkje aan een der daksparren van het gebouwtje bengelde, kon hij -genoegzaam rondkijken. Toen hij een der voeten van Verstork ontbloot -had, begon hij diens grooten teen te kriewelen. - -„Toeaaan!... Toeaaaan!...” herhaalde hij op lang gerekten toon en zeer -zacht, alsof hij door de deemoedigheid van zijn stem vergeving verzocht -voor de stoutmoedigheid zijner daad. Die aanraking van den teen van den -Kandjeng toean had op dezen de gewenschte uitwerking. Verstork vloog -verschrikt overeind. - -„Siapa itoe?” (wie is dat?) kreet hij uit, en betastte zijn voet met -een angst, alsof hij eene slang gevoeld had. - -En, inderdaad, de kille lederachtige huid van eene Javanen-hand leidt -er toe, om zich, vooral in slaapdronkenheid, dienaangaande te -vergissen. - -„Siapa itoe?” riep hij andermaal. - -„Saja, Kandjeng toean!” (ik, hooge heer!) klonk het uit den verst -verwijderden hoek van den passangrahan, vlak bij de deur. - -De gedienstige had zich instinktmatig met één sprongetje buiten het -bereik van den blanken man gesteld. - -„Maoe apa?” (wat wil je) vroeg de controleur in zijne slaapdronkenheid -woedend. - -„Soeda poekoel ampat, Kandjeng toean! Orang dèsa soeda bangoon.” (het -is reeds vier uur en de dèsabewoners zijn al op). - -„Zoooo!” was het langgerekte antwoord van den controleur, die zijne -nachtrust wel wat kort vond. - -Wie weet, welk een dwaas antwoord hij in zijne nog voortdurende -verbijstering zou gegeven hebben; maar August van Beneden, die naast -hem sliep, was door dat toeaaan! toeaaaan! van den bediende ook gewekt -geworden. Deze vloog nu overeind en maakte „overal”, zooals de resident -Van Gulpendam zich uitgedrukt zou hebben. - -„Op, jongens, op!” riep hij, terwijl hij met zulke heftige bewegingen -van de baleh-baleh afschoof, dat dit meubel schudde en kraakte, alsof -het door eene aardbeving heen en weer bewogen werd. - -„Wat is er?.... Wat is er?” riepen verscheidene stemmen ontsteld. - -De amokh-partij van den vorigen avond was hen nog niet uit het bloed. - -„Wat is er?... Wat is er?” - -„Wat er is?... Niets! Maar gijlieden moet opstaan. Het is vier uren. -Het dèsavolk staat reeds gereed voor de jacht!” - -De jacht!... Dat woord hielp. Het was immers om op jacht te gaan, dat -men uitgetogen was. - -In een ommezien waren de jagers op de been, gekleed, gewasschen, -gekamd, geschuierd.... zooals dat onder dergelijke omstandigheden in de -binnenlanden van Java plaats kan hebben, wanneer Europeanen in eene -passangrahan overnacht hebben. Er was slechts één waschtoestel aanwezig -en daarvan was de kom niet meer dan een scherf. Hoe zich de jagers -behielpen? Bij hun ongeduld om klaar te zijn, waren er die de methode -van den soldaat te velde, die ook niet altijd Sèvres of zelfs geen -Delftsch of Maastrichtsch aardewerk ten zijnen dienste heeft, volgden, -door een flinken teug water in den mond te nemen, dat in de -saamgehouden handen te spuiten, en zich daarmeê het aangezicht te -verfrisschen. - -Het middel was uiterst praktisch en werd waarschijnlijk ook door -Diogenes van Sinope, den Griekschen wijsgeer, gebezigd, die zoo’n -afkeer van omslag had. - -Maar, eindelijk was de jagers-bent klaar; zelfs Van Nerekool, die -verstrooiing voor zijne smart in lichamelijke vermoeienis ging zoeken. - -Toen de vrienden naar buiten stapten, zagen zij de geheele mannelijke -bevolking op de aloon-loon neergehurkt zitten; terwijl ieder hunner -zich tegen de morgenlucht met zijn sarong trachtte te dekken, door dat -kleedingstuk zoo hoog mogelijk over de schouders heen te trekken. Allen -hadden hunne lansen medegebracht, die zij als boonen-staken rechtop -hielden, en allen hadden eene vreeselijke groote ratel ter hand, niet -ongelijk aan het instrument, waarmede de nachtwachts in sommige -gedeelten van het vaderland, voorheen de vreedzame bewoners den slaap -uit de oogen dreven, onder voorwendsel over hunne rust te waken. De -maan schoot hare stralen thans onder den Wariengienboom, dien de lezers -wel kennen, en verlichtte dat heir van menschelijke wezens, die -evenwel, zooals zij daar neergehurkt zaten, uiterst veel van apen -hadden, en aan Darwin’s stelling eigenaardig veel kracht bijzett’en. - -„Zijn allen tegenwoordig, loerah?” vroeg Verstork aan het dèsahoofd. - -„Engèh, Kandjeng toean!” was het antwoord van dezen. - -„Zijn zij reeds afgedeeld?” - -„Engèh, Kandjeng toean!” - -„Welnu, laat dan het eene gedeelte de djagoengvelden der dèsa -omtrekken. Het tweede gedeelte moet zich langs den westkant over den -nok van den Djoerang Pringapoes verspreiden, terwijl het derde gedeelte -het ravijn intrekt.” - -„Engèh, Kandjeng toean!... tapeh...” (maar) - -„Tapeh wat?” vroeg de controleur de aarzeling van het dèsahoofd -opmerkende. - -„Zullen de tjellengs niet langs den oostkant van den djoerang -ontsnappen?” - -„Heeft de loerah dan niet gehoord, dat de menschen van Banjoe Pahit -dien kant en ook nog een gedeelte van den westkant zullen bewaken? -Welnu, dat is dan nu duidelijk begrepen. Wij gaan dadelijk te paard -stijgen, en zullen het boveneinde van den djoerang bezetten, waar alle -varkens, wanneer de beweging goed zal zijn uitgevoerd, voorbij moeten -komen. Luister nu goed, loerah.” - -„Engèh, Kandjeng toean.” - -„Wanneer wij het bovenuiteinde van het ravijn bereikt zullen hebben, -zullen wij een schot lossen.” - -„Zullen wij dat hier beneden hooren, heer?” - -„Drommels, ja! Dat is wat ver, loerah. Weet ge wat? Wij zullen nu -afrijden en wanneer de dag is aangebroken, maar goed aangebroken, -evenwel nog voor dat de zon op is, laat dan de drijvers, die de -djagoengvelden omgeven hebben, de drijfjacht beginnen. Zorg evenwel, -dat de weg naar het ravijn voor de tjellengs vrij blijft.” - -„Engèh, Kandjeng toean!” was het onveranderlijke antwoord van den -eerbiedvollen loerah. - -Met stille trom trokken de drijfjagers naar hunne posten, terwijl de -ruiters den weg naar Banjoe Pahit insloegen. - -Het was nog donker, zoodat stapvoets gereden moest worden, hetgeen -onder die omstandigheden te eerder geboden werd, daar de weg -aanvankelijk door natte sawahs slingerde, en niet zeer breed was; -zoodat eene geringe afwijking tot een onaangenaam modderbad aanleiding -kon geven. Aan de oosterkim begon zich evenwel eene lichtstreep te -ontwikkelen, eerst schier onmerkbaar als een zwak lichtverschijnsel, -dat bij den horizon waargenomen werd. Die streep werd langzamerhand -breeder, teekende zich zacht rozerood, daarna purper, eindelijk vurig -op de overigens donkere lucht af, en deed reeds de sterren, die in het -zenith nog prachtvol glinsterden, in hare nabijheid verbleeken. - -De weg slingerde opwaarts; want Banjoe Pahit lag veel hooger dan -Kaligaweh, dat eigenlijk tot de strandvlakte behoorde. Lustig reed men -er op los; terwijl de dagende streep al breeder en breeder werd, en de -ruiters hunne schaduwen—hoewel zwak nog maar—konden opmerken, die door -het rijzende licht veroorzaakt werden. Naarmate de dag vorderde, kon -men de paarden den teugel meer vieren, die dan ook weldra in stevigen -draf voortstoven bij het instinktmatige bewustzijn, hetwelk zij -bezaten, zij naar den kant van den stal heenijlden. - -Eindelijk waren de ruiters het boveneinde van het ravijn genaderd. Daar -stegen zij van de paarden, die door een paar Javanen van de drijfjagers -van Banjoe Pahit, die men reeds ontmoet had, en waarbij zich ook -Mokesuep aangesloten had, overgenomen en naar huis geleid werden. Het -was nog niet geheel dag. In het westen zag de lucht er nog donkerblauw -uit. Maar in het oosten tooide zij zich met de gulden kleuren van den -dageraad, die aankondigde, dat de dagvorstin nabij was. In de struiken -en boomen, die het ravijn tooiden en tot een ware wildernis maakten, -kweelden en floten eene menigte vogels, die zoo hun lofgezang den -Schepper brachten. De bladeren, de takken, de twijgen, de bloemen, de -grassprieten, alles was met die uiterst fijne dauwdropjes overdekt, die -in dien stond dan alles, als met een zilverwaas overtogen, doen -uitzien. - -Een oogenblik stonden onze vrienden dat heerlijke schouwspel, dat het -nog prachtiger van een zonsopgang voorafgaat, te genieten, toen -plotseling heel in de verte een vreeselijk leven ontwaard werd. - -„O, dat zullen onze drijvers zijn, die hun spectakel beginnen,” zei de -controleur. - -En inderdaad, daar ginds werden de ratels geroerd, werd op stukken -bamboe geklopt, werd gegild en geschreeuwd, op eene wijze, die alles in -de natuur, die trouwens in dezen plechtigen stond zoo stil mogelijk -was, overstemde. Dat geluid, hetwelk eerst heel verwijderd zich liet -hooren, maar langzamerhand naderde, was zoo opwekkend, dat zelfs Van -Nerekool, zijne smart vergetende, zijne buks met bevende hand omklemde, -en vol ongeduld op en neer trippelde. Er waren ettelijke van het -gezelschap, die hun wapen reeds in den aanslag hadden, gereed om te -schieten. - -„Wij hebben nog tijd”, sprak Verstork bedarend. „Houdt u rustig, anders -gebeuren er nog ongelukken met die vuurwapenen.” - -„Zijn wij hier goed geposteerd?” vroeg Grashuis. - -„Wij staan wel wat op elkaêr,” meende Van Beneden. - -„Wij zullen den ingang van het ravijn nog wat indringen,” zei de -controleur. - -Men schreed een vijftigtal passen voorwaarts, langs een vrij steil -voetpad, dat te midden van struikgewas en rotsblokken naar beneden -slingerde, terwijl vlak naast dat pad, de beek Banjoe Pahit hare -afdaling in het ravijn langs hare rotsachtige bedding begon, om van -trap tot trap naar beneden te stroomen, om hier een fraai bekken te -vormen, waarin het heldere bergwater tot de kleinste bizonderheden op -den bodem liet ontwaren, om daar schuimend en klotsend een waterval of -een stortvloed te vormen, om elders tusschen rotsblokken en onder -struiken geheimzinnig te verdwijnen, en daar ginds klaterend en -vroolijk weer te voorschijn te treden en het dartele spel te hervatten. - -Woest was de natuur hier, woest en wild. Toch bekoorde zij door hare -schilderachtigheid het oog. Toen men nagenoeg een derde gedeelte van de -helling afgedaald was, weken de rotswanden, die tot nu den ingang nauw -omsloten en tot eene spleet vervormd hadden, trechtervormig achteruit, -terwijl zij statig en fier omhoog rezen. - -Zoowel op den bodem van het ravijn, als langs die steile wanden, waren -de sporen zichtbaar, dat het niet altijd zoo veilig in die kloof was. -De dooreen geworpen rotsblokken, de akelig verwrongen boomstammen, wier -bulten, knoesten en uitwassen nog verdord gras en verdroogde takken -torschten, de glad uitgeschuurde strepen in de rotslagen verkondigden -genoegzaam, dat, wanneer de noordwestenwind ’s hemels sluizen ontsloot, -en de krachten van den „bandjir” (watervloed) ontketende, de Banjoe -Pahit hier in woeste golven, in driftige stroomen en tegenstroomingen, -in vreeselijke kolken hotste, klotste en woelde, huilde en loeide, en -dat het dan niet geraden was, zich in dit zoo diepe ravijn te bevinden. - -Terwijl onze jagers een blik aan die woeste omgeving wijdden, kwam het -spektakel der drijfjagers al nader en nader, hoewel het nog zeer -verwijderd mocht heeten. Geen enkel opgejaagd stuk wild had zich nog -vertoond. - -„Dat ’s verwonderlijk,” sprak August van Beneden, „ik dacht, dat wij -dadelijk aan het schieten zouden kunnen gaan. Kunnen ons de tjellengs, -als zij in dit ravijn zitten, niet langs een omweg ontkomen?” - -„Neen,” antwoordde Verstork. „De Djoerang Pringapoes heeft overal -schier loodrechte wanden, waartegen zelfs wilde varkens moeilijk op -kunnen. Slechts op een paar plaatsen zijn die wanden minder steil en -derhalve beklimbaar. Wanneer de loerahs van Banjoe Pahit en van -Kaligaweh mijne aanwijzingen goed opgevolgd hebben, dan zijn die punten -behoorlijk bezet, zoodat ontsnappen niet wel mogelijk is. Van de -benedenzijde drijven de dèsabewoners met hunne geraasmakende ratels de -varkens naar het ravijn toe, die er te eerder een toevlucht in zoeken -zullen, daar dit hunne natuurlijke verblijfplaats is.” - -„Jawel, maar dan zullen zij zich daarin schuilhouden, en hier is wel -plaats om kiekeboe te spelen,” meende Van Rheijn, „en dan kunnen wij -hier tot den dag des oordeels staan wachten.” - -„Dat zou kunnen gebeuren,” antwoordde Verstork met een glimlach, -„wanneer de drijfjagers met hunne ratels het ravijn niet van den -benedenkant binnendrongen, om het wild naar ons toe te jagen. Dat zult -ge zoo straks wel zien. Hoor die kerels eens een spektakel maken! Het -is of zij bezeten zijn!” - -En, inderdaad, bij dergelijke gelegenheden, kan de Javaan, hoe kalm en -flegmatiek in andere omstandigheden, ontzettend bedrijvig en rumoerig -wezen. Hij gilt, hij schreeuwt, hij fluit, hij sist, hij kraait, roept -en proest dan. Hij ratelt, hij slaat met alles, wat hij in de hand -heeft, op alles, wat hem voorkomt, op bamboestaken, op boomstammen, op -steenen, die niet altijd onwelluidend klinken, op zijne krisschede; hij -zou op den schedel van zijn buurman kloppen, als deze het niet belette. -En dat alles, om het meest mogelijke spektakel te maken, om daardoor -het wild, dat zoo heel mak niet is, vrees aan te jagen, en den kant uit -te drijven, werwaarts men wenscht, dat het vlucht. - -„Wij hebben nog eenige passen te doen,” ging Verstork voort, „dan komen -wij aan den Djoerang Ketjiel, waar eene kleine beek, de Karang Aleh, -zich in de Banjoe Pahit stort, en waar die te zamen door een vernauwing -van de Pringapoes stroomen. Door dit vernauwde gedeelte, dat slechts -een smalle spleet is—kijk daar ziet gij den ingang ervan—en door -loodrechte rotsmuren begrensd is, moet al het opgejaagde wild heen, om -het bovengedeelte van het ravijn te bereiken en te ontsnappen.” - -„Drommels, dat ziet er niet heel prettig uit,” zei Van Rheijn. „Het -schijnt hier wel een voorspel van de verwoesting van het heelal.” - -En waarlijk, de ravijnwanden, allen uit grauw lavatrachiet bestaande, -torenden steil hemelhoog op, terwijl hier en daar een afgevallen brok -in de helling was blijven liggen, waarop wat teelaarde neergekomen was, -en zoo een groen eilandje in die steenenmassa schiep. De rotsblokken, -die daar het terrein versperden, waren ontelbaar en reusachtig te -noemen; terwijl vele wilde struiken, waaronder de Sembong, de Kemanden -kerbo, en de Oering aring [116] en slingerplanten als de Oeweh lilin -[117] met hare vinnige doornen ruim vertegenwoordigd waren. Ettelijke -knoestige stammen van den Djatie doerie [118] en van den Siwallan [119] -staken hier en daar hunne schrale kruinen omhoog, en vermeerderden, -door dat zij tot steunpunten dienden voor de ontwortelde boomen, die de -bergstroom bij bandjir er tegen en tusschen door gesleurd had, de -moeielijkheden van dat terrein. - -„Nu moeten wij ons verdeelen, vrienden,” sprak Verstork. „Ziet, ik zal -hier met Van Nerekool en den wedono vlak tegenover die spleet post -vatten. Gaat gij, Leendert met August, boven op die rots, die daar -rechts ter zijde staat. Gij, Theodoor en Frits, daar op die -afgebrokkelde massa, die tegen de wandhelling ligt. Van die punten kunt -gij den ingang met uw vuur bestrijken, en... zijt gij inderdaad zulke -goede schutters, als gij wel eens voorgeeft, dan kan geen enkele -tjelleng den dood ontkomen. Maar, haast u; want hoort het spektakel -eens naderen.” - -En, inderdaad, het gegil der drijvers werd al meer en meer duidelijk. -Hun geklep en geratel werd oorverdoovend. Het was een leven, hetwelk -naderde, alsof alle duivels der hel losgebroken waren. - -Grenits had geen aangenaam gezicht gezet, toen hem Mokesuep tot makker -aangewezen was. Het was hem evenwel niet gegund, om zich eenige -aanmerking over die samenkoppeling met dien hem niet sympathieken -persoon te veroorloven; want het was tijd, dat de jagers zich naar de -hun aangewezen punten begaven, die met uitstekende kennis èn van het -wild, dat in aantocht was, èn van het terrein, waarop men zich bewoog, -gekozen waren. De schutters toch konden elkander duidelijk ontwaren, -zoodat geen gevaar bestond, dat zij ongelukken konden aanrichten; -terwijl de uitgang van het smalle rotsdéfilé voor allen zichtbaar was, -en zij op de verhevenheden, waarop zij stonden, voor een aanval der -dieren met hunne slagtanden tamelijk gevrijwaard waren. - -Maar... men tuurde, tuurde... en, hoewel de zool van dien uitgang -slechts met eenige dwergachtige struiken, te klein om een varken te -kunnen maskeeren, en met nog korter gras bedekt was, werd van het wild -niets bespeurd. Die oogenblikken van spanning duurden vrij lang voor de -ongeduldige Europeanen, die het onontbeerlijke flegma der Inlanders bij -zoo eene jacht niet bezaten. De wedono stond daar kalm en bedaard aan -een standbeeld gelijk. - -„Ik zie niets komen!” riep August van Beneden den controleur toe, -waarbij hij de handen als een scheepsroeper aan den mond had gebracht. -„Ik geloof, dat de dèsaluidjes het zich zeer gemakkelijk hebben -gemaakt, en het wild ter zijde hebben laten ontsnappen.” - -„Mij dunkt ook, dat het ravijn onbevolkt is,” meende Van Nerekool, wien -het lange wachten nog onaangenamer viel dan de anderen. - -Verstork vertolkte het vermoeden van Van Beneden aan den wedono, die -naast hem met het geweer in de hand stond, en vroeg hem, of zoo iets -mogelijk was? - -„Bolèh..., tapeh... brangkali tida, Kandjeng toean!” (Het kan... -maar... misschien is het zoo niet geschied.) was het bedachtzame -antwoord van het districtshoofd. - -Men wachtte... wachtte... Het geraas der drijfjagers naderde al meer en -meer, en werd duidelijker en duidelijker. Als dat nog zoo eenige -minuten duurde, dan zou het ontwijfelbaar blijken, dat het ravijn leeg -was, en het wild gevlogen; want dan zouden de dèsabewoners tot bij de -kloof genaderd zijn. - -Verstork stond te trappelen van ongeduld. De kwinkslagen, die de jagers -elkander toeriepen, maakten hem kregelig; hoewel zij volstrekt van -geene onwelwillendheid getuigden. Alleen Mokesuep, zijne geaardheid -getrouw, kon niet nalaten eene hatelijkheid met teemerige stem uit te -roepen. - -„Wij zullen niet vet worden van het varkensvleesch, dat wij schieten -zullen, controleur!” - -„Hoe je mond, akelige Muizenkop!” beet hem Theodoor Grenits toe. „Moet -jij altijd hatelijkheden debiteeren?” - -„Het is wat moois!” pruttelde Muizenkop! „Ik sta mij hier te -vervelen.... Men inviteert de menschen niet op eene varkensjacht, als -er geene varkens zijn.” - -„O, er zullen wel tjellengs geweest zijn, wees daar zeker van; maar kan -Verstork het helpen, als de drijvers ze hebben laten ontsnappen?” - -„Het zou....” - -Pang!... pang!... pang! barstte het geweervuur los, en brak de -hatelijkheden van den fiscalen ambtenaar af. Het waren Verstork, Van -Nerekool en de wedono, die vlak voor den ingang der kloof geposteerd -waren, een dwarrelenden grauwen hoop met snelheid hadden zien naderen, -hunne geweren vlug aan de schouders gebracht en vuur gegeven hadden. -Voor de overige jagers was nog niets te ontwaren. Het geklep, het -geratel en het gegil der drijvers verdubbelde als het ware bij het -vernemen der schoten, en overstemde ieder ander geluid. Zonder dat had -men het geknor en het gegrom der aankomende bende moeten hooren, en zou -daardoor reeds lang een einde aan de onzekerheid omtrent de uitkomst -der jacht gemaakt zijn. - -Bij het losbranden der drie geweerschoten waren de drie voorste -tjellengs, drie mannetjes, waarvan een kolossaal groote, getroffen en -neergestort. Dat deed de geheele aanstormende bende feitelijk -stilstaan, omdat de gekwetsten, die erbarmelijk schreeuwden, spartelden -en verwoed de naderenden beten en met hunne slagtanden raakten, den -nauwen doorgang gedeeltelijk versperden. Dat was slechts eene korte -verpoozing; want de drijvers naderden met hun ontzettend spectakel al -meer en meer en joegen de angstige bende voort. Een oogenblik snoven de -voorsten de lucht op, en stormden daarop over de lichamen der -gevallenen voorwaarts. Maar èn het drietal, dat het eerst vuur gegeven -en de geweren weer „vaardig” had, èn de rechts en links geplaatste -schutters, die nu ook het wild begonnen in het oog te krijgen, -heropenden het vuur, en joegen hunne kogels in den dichten drom, waarin -schier geen enkel schot verloren ging. Ontzettend was het tooneel van -verwarring, dat nu volgde. Akelig steenend vielen de getroffenen omver -of deden nog eenige passen, om elders neer te storten. - -De achterop dringenden beten en sloegen verwoed om zich heen om vrij -baan te maken. Moeders sprongen grimmig in de bres voor hare kleinen, -en waren niet het minst verbitterd tegen de gevallenen, die den weg -versperden en hunne pijnlijke ledematen met al de verwoedheid hunner -geaardheid verdedigden. En in dat gruwzame kluwen drongen voortdurend -de kogels der zeven schutters! Schot op schot weerklonk, velde steeds -de voorsten en maakte den slagboom in de nauwe engte nog -onoverkomelijker. - -Het duurde zoo een drietal minuten ongeveer, dat steeds de -achter-opdringende tjellengs de voorsten voorwaarts duwden, waarbij die -onder de wisse schoten der uitmuntende vuurwapenen in niet onervaren -handen noodlottig getroffen werden. - -„Is er geen gevaar, dat wij de drijvers raken kunnen?” vroeg Van -Nerekool aan Verstork. - -„Volstrekt niet,” antwoordde deze, „wanneer zij zich stipt aan de -instructies houden, die ik de hoofden gegeven heb. De kloof maakt iets -verder een elleboog, zoodat alle onze projectielen, die niet raken of -door het lichaam van zoo’n tjelleng heengaan, in den rotswand een -ondoordringbaren kogelvanger aantreffen. Hoort,.... de drijvers hebben -volgens afspraak hun voorwaartsche beweging reeds eenigszins gestaakt. -Die zal weldra geheel ophouden; want ook zij zijn beducht om naderbij -te komen, en zoo aan het gevaar, van door een verloren kogel getroffen -te worden, bloot te staan.” - -Inmiddels bleef het geraas der ratels aanhouden en was het vuur -onafgebroken met hetzelfde noodlottig gevolg voortgezet. Steeds poogde -de grommige bent voorwaarts te dringen, om uit die rampvolle engte te -geraken, steeds velden de kogels de voorsten neder en werd daardoor de -verwarring ten toppunt gevoerd. Eindelijk, na een poos in de grootste -radeloosheid rondgekrioeld te hebben, waarbij het geweervuur nieuwe -offers velde, maakten de overblijvenden, die niet talrijk meer waren, -en door een groot zwartachtig varken geleid werden, bij een plotseling -zwijgen der ratels achter hen rechtsomkeert, en stormden het ravijn -weer in, waaruit zij getracht hadden te ontvluchten. - - - - - - - -XVIII. - -DE ONSCHULD TEN VAL. - - -„Hoerah!” riep Mokesuep. „De vijand vlucht!” - -Innerlijk had dien held het hart in de borstkas geklopt. Hij had toch -gevreesd, dat de tjellengs doorgebroken zouden hebben; ja, dan ware een -gevecht met de sabelbajonet niet onmogelijk geweest. Angstig had hij -toch reeds uitgekeken naar een goed heenkomen tegen den steilen -rotswand op. Waren er projectielen geweest, die het wild niet getroffen -hadden, dan was dat zijne bevende hand te wijten. Eenige zijner kogels -waren zelfs over den rotswand, die de kloof begrensde, heengevlogen; -maar hadden gelukkig niemand der daarachter opgestelde Javanen gedeerd. -Het eigenaardig fluiten der projectielen uit zijne buks had dezen -evenwel beducht gemaakt; vandaar dan ook, dat zij wel wat te vroeg de -drijfjacht en hun spektakel gestaakt hadden. - -„Roep jij hoerah?” vroeg Grenits vertoornd. „Ik geloof, dat jij niet in -de wieg gelegd werdt om een Nimrod te worden.” - -„Het is beter zoo...” stamelde de lafaard, wiens lippen nog bleek van -angst waren. - -„Maar het overschot der bende ontsnapt ons,” kreet Grenits. „Kom, -vooruit! Zij vluchten, wij moeten hen achterna! Geen enkele mag ons -ontsnappen. Jongens, vooruit! vooruit!” - -Ook de andere jongelieden hadden zich teleurgesteld gevoeld bij dien -afloop. Op den kreet van Theodoor Grenits stoven allen vooruit met het -geweer in de hand de kloof in. Mokesuep evenwel bleef bedachtzaam -achter. Wel poogde de wedono hem meê te troonen met het aanmoedigend: -„lakas toean!” (vlug, mijnheer) maar de held maakte een afwijzend -gebaar, en bleef zijne makkers nakijken, totdat hij ze uit het oog -verloren had. Toen wierp hij het geweer met den bandelier over den -schouder, en sloeg het pad naar Banjoe Pahit in, terwijl hij mompelde: - -„Het zou wat moois zijn, als ik met zulk vuil gedierte handgemeen werd! -Neen, ik wil zien, of ik niet een wit voetje bij de vrouw van den kok -van Verstork kan krijgen. Een aardig bekje!... dat vrouwtje!... Een -slimmert, die controleur!... Als ik hem eens onder zijn duiven kon -schieten!...” - -Terwijl hij, zoo in zich zelven pratende, voorstapte, had hij den -boveningang van den Djoerang Pringapoes bereikt, en had toen een ruim -vergezicht over de terrasgewijs oploopende sawahvelden, die met hunne -bevloeide oppervlakten als zoovele spiegels in de zon glinsterden. Het -was nog niet laat, ternauwernood half acht. Hij keek rondom zich, maar -niet om de fraaie natuur te bewonderen. Voor zoo iets had zoo’n wezen -weinig gevoel. Neen, hij tuurde rondom zich met een gevoel van angst -over de eenzaamheid, waarin hij zich na al het spektakel van straks -bevond. O, hij hoorde nog wel geschreeuw en gegil in de verte, -waartusschen zich geweerschoten mengden; maar dat verwijderde zich al -meer en meer in de diepte van het ravijn, en het was eene betrekkelijke -stilte, die thans rondom hem heerschte. Hij keek uit met een gemengd -gevoel van verlangen, om toch een menschelijk wezen te ontwaren, en van -angst, dat hij Inlanders ontmoeten kon. Hij had toch zooveel van -„ketjoe’s” (roovers) gehoord, die wel eens de binnenlanden van sommige -streken van Java onveilig maakten. Ieder ander zou vertrouwen in het -geweer gesteld hebben, dat hij over den schouder droeg; maar daartoe -was hij van te lafhartigen aard. - -Hij stapte bedachtzaam voort. Eenigszins verwijderd van hem, doch bij -den voetrand eener heuvelenrij, die noordwaarts van hem gelegen was, -maar zich nog bij het bergstelsel, dat den Djoerang Pringapoes vormde, -aansloot, bespeurde hij eene eenzaam staande hut, die in de struiken -der wildernis, welke zich tot daar uitstrekte, verscholen lag, en, in -welker nabijheid een paar buffels langs het pad liepen te grazen. Hij -zag nog verder rondom zich, en ziet, daar... op het pad, hetwelk uit -het noordwesten kwam, en zich over de dijkjes der rijstvelden -slingerde, zag hij iemand aankomen, die zich naar de hut scheen te -begeven. Hij keek scherp uit. Het was een vrouwelijk wezen, dat was -buiten kijf. Dat stelde hem gerust. Tegenover eene vrouw, en dan nog -wel tegenover eene Javaansche, voelde hij zich dapper. Hij zou haar -inwachten, naar omstandigheden een gesprek met haar aanknopen en dan -zoo gezamenlijk naar Banjoe Pahit gaan. - -De naderende werd al meer en meer duidelijk, te midden der sawah’s, -waarboven hare omtrekken zich scherp voordeden en in de watervlakten -afspiegelden. - -„Drommels, wat eene mooie meid!” mompelde hij verrukt, na een poos -uitgekeken te hebben. „Des te beter, met zoo’n lief kind zal het eene -zeer aangename wandeling zijn.” - -Hij verrekende zich evenwel. Niet ver van de hut sloeg het meisje,—want -dat was het,—een zijpad in, hetwelk in zuidoostelijke richting langs de -sawah-terrassen afdaalde en naar Kaligaweh scheen te voeren. Dat stelde -hem teleur, en hij was op het punt om het lieve kind toe te roepen, -toen een Javaan plotseling uit de hut trad en het meisje wenkte. - -„Drommels,” prevelde Mokesuep, „dat is Singomengolo, de opiumspion. Wat -komt die hier doen?” - -Hij verstopte zich dadelijk achter eenige struiken, die langs den weg -stonden. - -Inderdaad, het was Singomengolo, de ellendeling, die wij des avonds te -voren Kaligaweh hebben zien verlaten, om zich naar de eenzaam gelegen -hut te begeven. Nogmaals wenkte deze, en riep, toen dat gebaar -onopgemerkt bleef: - -„Dalima!” - -Het vrouwelijke wezen keerde zich om en, werkelijk het was de lieve -kleine baboe van de familie Van Gulpendam. Zij stond een oogenblik -stil, hoewel hare wezenstrekken onverholen angst uitdrukten, bij het -ontwaren van den opiumjager, die haar niet onbekend was. Maar dat -stilstaan duurde slechts een oogenblik; want dadelijk daarop wilde zij -met rappen voet voortmaken. - -„Dalima!” klonk het andermaal. „Waarheen gaat gij?” - -„Naar Kaligaweh,” antwoordde het meisje gejaagd. - -„Kom eens hier,” riep haar Singomengolo toe. - -„Ik heb geen tijd, ik moet naar mijn vader,” riep zij terug, terwijl -zij voortijlde. - -„Kom toch hier. Er is iets met uw vader gebeurd.” - -„Wat? Ja, ik weet het. Men heeft mij verteld, dat hij ziek is. Daarom -heb ik zoo’n haast.” - -„Neen, uw vader is niet ziek. Het is veel erger.” - -Het meisje stond eensklaps stil. - -„Erger dan ziek?” vroeg zij. „Is hij dood?” - -„Neen... veel erger.” - -„Bij Allah! wat is er dan?” - -„Kom hier, dan zal ik het vertellen. Het zijn zaken, die men zoo niet -uitschreeuwen kan.” - -Dalima trad nader. Zij kwam de struiken, waarachter Mokesuep verscholen -zat, rakelings voorbij. Zij was zoo als gewoonlijk netjes gekleed, -droeg een gebloemde sarong om het middel, was verder met een baadje van -licht rooskleurig katoen getooid, terwijl over haren schouder een -ponceau roode zakdoek geslagen was, waaraan een bos sleutels, aan een -der punten geknoopt, bengelde. In den weelderigen gitzwarten „kondeh” -(haarwrong) droeg zij een dubbelde melati-bloem, [120] die daar te -midden van dat ebbenzwart als een wit roosje prijkte. Haar lief gelaat -vertoonde een zachten blos,—teweeggebracht door de morgenlucht, die, -hoewel niet koud, toch frisch was,—welk inkarnaat zich heerlijk aan het -zachte brons harer wangen paarde. - -Geen dier bekoorlijkheden ontsnapte aan het ervaren oog van den -verscholen fiscalen ambtenaar. Hij had werkelijk in sommige gevallen -wel eenig gevoel voor het schoone; hoewel dat dan meestal booze -neigingen bij hem opwekte, en niet zelden tot misdadige ontwerpen -aanleiding gaf. Wie weet, wat er gebeurd zou zijn, wanneer hij alleen -met Dalima naar Banjoe Pahit voortgewandeld ware? Thans was de -tegenwoordigheid van Singomengolo voldoende, om hem te noodzaken zich -schuil te houden. - -Toen het meisje de hut genaderd was, vroeg zij andermaal: - -„Wat is er dan?” - -„Kom maar binnen,” antwoorde de opiumjager, „dan zal ik u vertellen, -waarom uw vader gevangen is genomen.” - -Dalima stiet plotseling een kreet uit. Singomengolo verbeeldde zich, -dat het uit wanhoop was over de tijding, die hij zoo onbewimpeld -mededeelde. Maar eensklaps draaide het Javaansche meisje zich om, en -wilde heenvluchten. - -Zij had Lim Ho door de reet der deur ontwaard, die haar met van -hartstocht glinsterende oogen aanstaarde. Toen begreep zij alles. Zij -keerde om en ijlde heen; maar nog had zij geen tien passen afgelegd, of -Singomengolo, die haar dadelijk nazette, had haar ingehaald. Hij greep -haar bij de polsen en trachtte haar met zich voort te trekken. Het -meisje verzette zich hevig; zij gilde om hulp; zij trapte en schopte -naar haren belager en poogde hem in de handen te bijten, die hare armen -omkneld hielden. In één woord, zij stelde zich te weer als eene wilde -kat, en was vast besloten, zich tot het uiterste te verdedigen. -Inmiddels had zij hoop, dat haar hulpgeschreeuw gehoord zou worden. Zij -had toch een blanken man op het pad gezien, dat het hare kruiste. - -Ieder ander dan Mokesuep zou het arme kind te hulp gesneld zijn. Wie -weet, waartoe hij zich zou hebben laten verleiden, niet uit een gevoel -van meêwarigheid of ridderlijkheid; maar wel met de hoop op... Ja, -waarop? In het brein van zulke wezens ontkiemen de onedelste gedachten, -even als vergiftigde paddestoelen op een onreinen bodem. Maar,... ook -hij had het van laaghartige hartstochten blakende gelaat van Lim Ho -ontwaard. Hij begreep, wat er om handen was, en besloot zich stil te -houden, om van de omstandigheden zooveel mogelijk partij te trekken. -Lim Ho’s vader was toch onmetelijk rijk en zou, wanneer het zijn eigen -zoon gold, op geen papiertje van duizend gulden zien. Arme Dalima! -Wanhopig stelde zij zich te weer; hartverscheurend klonk haar: -„toeloeng! toeloeng!” (te hulp! te hulp!) Niets baatte. De aterling, -die haar helpen kon, hield zich schuil, zag de worsteling met een -cynisch oog aan, en vermeidde zich in het beschouwen harer vormen, die -bij de worsteling niet altijd bedekt bleven, en door hem met -welgevallen gedetailleerd werden. - -Toen die heillooze worsteling een poos geduurd had, en Singomengolo er -aan wanhoopte, het meisje verder voort te sleuren, riep hij Lim Ho te -hulp. Deze kwam naar buiten, en wilde haar in zijne armen klemmen, en -zoo verder dragen. Toen hij evenwel bij die poging een vinnigen beet in -het oor kreeg, werd de ellendeling woedend; hij greep haren kondeh, die -reeds bij de worsteling gedeeltelijk losgeraakt was, en zich nu geheel -ontrolde, sloeg den weelderigen haarwrong om de hand en sleepte nu, -terwijl Singomengolo steeds hare handen stevig vasthield, het meisje -binnen de hut. Lang nog liet zich het akelig gegil van: „toeloeng!.... -toeloeng, toean!” hooren, maar dat verstomde langzamerhand. Heel in de -verte klonken geweerschoten, evenwel zoo zwak, dat, al had het meisje -die ook in de hitte van den strijd vernomen, zij wel begrijpen moest, -hare stem op dien afstand niet gehoord zoude worden, en dat de hulp, -wanneer die opdaagde, te laat zou komen. - - - -Hoe kwam Dalima daar in dat morgenuur op die noodlottige plek? - -De lezer zal zich herinneren, dat Singomengolo, na zijne heldendaad in -de dèsa Kaligaweh uitgevoerd te hebben, zich op weg naar de eenzame hut -begeven, en den bewoner daarvan naar Santjoemeh gezonden had. Deze -laatste had twee boodschappen te verrichten. Hij moest eerst een -briefje aan Lim Ho eigenhandig bezorgen; daarna moest hij naar het -residentiehuis gaan, om Dalima mede te deelen, dat haar vader -plotseling bedenkelijk ziek was geworden, en hij haar nog voor het -laatst wenschte te zien. De boodschapper, een slimme kerel, steeg op -een dier kleine maar onvermoeibare Javaansche paarden, die met hunne -stalen spieren onbegrijpelijk snel groote afstanden kunnen afleggen. -Het was omstreeks elf uren, toen hij bij de sierlijke woning van babah -Lim Yang Bing stil hield. Hij trof het bizonder goed; want daar -ondervond hij geen oponthoud. Lim Ho lag behagelijk op eene weelderige -rustbank uitgestrekt, met het lange Chineesche pijpenroer in den mond, -met een kommetje „tjoe” [121] op een knaapje bij zich, en luisterde met -een soort verrukking naar een paar zijner bedienden, zonen van het -Hemelsche rijk evenals hij, die, met overeengeslagen beenen op een -stoel gezeten, op de „trauwkoei” (soort tweesnarige viool) speelden, en -aan dat instrument de meest erbarmelijke tonen ontlokten, die niet -alleen een Vieuxtemps of een Paganini, maar zelfs al de katers uit de -buurt, die anders op het gebied van muzikalisch gevoel niet zeer -kieskeurig uitgevallen waren, op de vlucht zouden gedreven hebben. -Zoodra Lim Ho den boodschapper ontwaardde, vloog hij van den divan op, -greep het briefje, opende het, en las slechts deze weinige woorden, die -een ervaren telegraaf-correspondent alle eer zouden aangedaan hebben: - -„Samoewa sedia! Di sini poekoel toedjoeh pagi pagi.” (Alles klaar! Hier -zijn om zeven uur in den ochtend). - -De Chinees greep zijn horloge, keek hoe laat en vroeg aan den -boodschapper welk weer het was. - -„Boelang trang, babah,” (heldere maneschijn, babah) was het antwoord. - -Lim Ho wierp hem een rijksdaalder toe, en gaf hem zijn afscheid, met de -aanbeveling zijn tweede boodschap goed uit te voeren, en den uitslag te -komen berichten. Daarna deed hij zijn paard zadelen en wachtte. - -In het residentiehuis viel het den boodschapper niet zoo gemakkelijk -zich van zijnen last te kwijten. Wel zaten de hoofdambtenaar en zijne -gade met nog ettelijke gasten rondom de speeltafeltjes; maar de dochter -des huizes, de lieve Anna, was reeds naar haar slaapvertrek gegaan, en -had ook aan hare baboe verlof gegeven, om te gaan rusten. De -boodschapper ging naar het achtererf en verkreeg eindelijk van een der -bedienden, dien hij daar aantrof, dat deze Dalima zou gaan wekken. - -Het meisje was wanhopig, toen zij vernam, dat haar vader stervende was. -Zij vloog de pandoppo binnen, en snelde naar het slaapvertrek harer -meesteres, die gelukkig nog niet te bed was. - -„Nana, minta permissie,” ik vraag verlof mompelde zij opgewonden, toen -Anna de deur opengemaakt had. - -„Kom, bedaar. Wat is er gaande?” vroeg het jonge Europeesche meisje, -die de ontsteltenis van Dalima opmerkte en haar trachtte te bedaren. - -De baboe verhaalde daarop, dat een man van Kaligaweh was aangekomen, en -haar had medegedeeld, dat haar vader stervende was, en verzocht zijne -oudste dochter nogmaals te zien. - -„O, Nana,” smeekte Dalima, „geef mij permissie, om naar huis te gaan! - -„Maar, Dalima, hoe laat is het thans?” - -En op eene smaakvolle pendule kijkende, die op eene console stond, -vervolgde zij. - -„Bijna middernacht!... Dat gaat niet. Hoe zult gij in het donker zoo -ver durven gaan?” - -„Nana weet, dat ik zeer moedig ben. Ik ken den weg. Ik zal het bergpad -inslaan. Daarop ontmoet ik geen mensch.” - -„Maar, het is juist die eenzaamheid, welke ik vrees. Gij kunt een -tijger of een tjelleng tegenkomen.” - -„Och, Nana, tijgers zijn er niet in de buurt. Anders zou men er wel van -gehoord hebben. En voor een tjelleng ben ik niet bang. Als men dien -niet aanvalt, gaat hij voor een mensch op den loop. Toe, Nana, geef mij -verlof! Ik ben morgen avond weer bij u.” - -„Ik durf niet, Dalima. Wat zal mama zeggen?” - -„Och, Nana,” kreet de kleine baboe in wanhoop, „gaat gij uwe mama -vragen.” - -„Zij doet het toch niet.” - -„Waarom niet?” - -„Zij zal even als ik vreezen, dat u in den donkeren nacht een ongeluk -zal overkomen. Hoe zult ge toch zoo iets durven, Dalima?” - -„Mijn vader is stervende; hij wil mij nog eens zien! Zie, Nana, dat -geeft mij moed. Ik zou naar Kaligaweh gaan, al ware de weg vol -„pontianaks,” (spoken) al ware er achter iederen boom een. En toch ben -ik voor spoken banger dan voor dieren of menschen. Nana, ik smeek u, -vraag uwe mama!” - -„Ik zal het doen; maar gij zult zien, dat het niets geven zal.” - -Anna schoot van den divan af, waarop zij zat, toen Dalima, aangeklopt -had, en waarop zij weder na haar binnenkomen met op Inlandsche wijze -gekruiste beenen plaats genomen had, en stak de reeds ontbloote voetjes -in de snoeperige slofjes, die achteloos ter neer geworpen waren. Het -lieve meisje was reeds in sarong en kabaai; maar om het even: zij trok -snel een rijk gefestonneerden peignoir aan, bond zich met vlugge en -bevallige beweging het reeds loshangende hoofdhaar in een dikken wrong -tegen het achterhoofd, en spoedde naar de voorgalerij, waar de spelers -nog met hun partijtje bezig waren. Tot groote verwondering van het -lieve kind willigde de schoone Laurentia dadelijk het gedane verzoek -in; maar beval, dat baboe Dalima nog eerst eenig naaiwerk zou -verrichten, hetgeen zij noodzakelijk den volgenden dag zou moeten -afmaken. Neen, mevrouw Van Gulpendam, behoorlijk door ’Mbok Karjå op de -hoogte gehouden, had er niets tegen, dat Dalima naar Kaligaweh ging. -Zij vond het zelfs prijzenswaardig in dat Javaansche meisje, dat zij -zooveel van hare ouders hield. Een honigzoete glimlach teekende zich op -haar gelaat, terwijl zij die woorden sprak, en niemand, en wel het -allerminst hare reine en onschuldige dochter kon gissen, welken afgrond -die woorden en glimlach verborgen. - -Anna bracht verheugd die boodschap harer moeder aan Dalima over, en in -de goedheid haars harten besteedde zij een groot gedeelte harer -nachtrust, om de baboe bij haar naaiwerk te helpen. Met het stellen van -dien eisch had de schoone Laurentia beoogd, dat Dalima niet in het -holle van den nacht, en derhalve waarschijnlijk ongemerkt de -noodlottige hut zou voorbij stappen. Door Anna ijverig geholpen, was -het de baboe mogelijk om zoo omstreeks drie uren den tocht te -aanvaarden. Na nog een groet met hare jeugdige meesteres gewisseld te -hebben, stapte zij het achtererf van het residentiehuis door, en -verliet den tuin middels een sleutel, die Anna haar verschaft had. Zij -bevond zich toen op het pad, dat dwars door de heuvelen en daarna door -de sawahs naar Kaligaweh voerde. De maan stond helder aan den hemel. -Moedig en vastberaden stapte zij voort, en had weldra Santjoemeh uit -het oog verloren, terwijl geen enkele gedachte aan eenig gevaar haar -brein kwelde, of haar hart verontrustte. - -Lim Ho, had van den boodschapper behoorlijk bericht ontvangen, dat de -lieve baboe de gefingeerde tijding van het stervensgevaar, waarin haar -vader zou verkeeren,—de lezer weet, dat den armen Setrosmito een andere -ramp trof,—vernomen had. - -„Baai,” (het is goed) sprak hij tevreden, „gij zult wel moede zijn en -niet wenschen naar de hut bij den djoerang terug te keeren, niet waar?” - -„Engèh, babah,” was het antwoord. - -„Welnu, men zal u hier eene „tampat tidor” (slaapplaats) aanwijzen, dan -kunt ge uitrusten. Morgen zal ik uwe moeite verder beloonen.” - -Toen de boodschapper verdwenen was, keek Lim Ho op zijn horloge. - -„Ampar poekoel satoe!” (bijna een uur) mompelde hij, binnensmonds. En -overluid vroeg hij natuurlijk in zijn landtaal: - -„Than Loa, is het paard reeds gezadeld?” - -Hij kreeg een paar Chineesche woorden ten antwoord. Daarop stond hij -op, zette een soort muts zonder klep op, die in vorm niet ongelijk aan -een Schotsch hoofddeksel was, greep eene karwats, trad naar buiten, en -wipte in het zadel. - -„Niet gaan slapen; wakker blijven!” beval hij zijne getrouwen aan. - -En den teugel vierende, was hij zeer spoedig uit het oog der naturende -bedienden verdwenen. - -Wel was de groote weg naar Kaligaweh, dien hij volgde veel langer dan -het voetpad, hetwelk Dalima een paar uren later zou inslaan. Maar door -zoo vroeg te vertrekken, zou hij reeds dadelijk een grooten voorsprong -op haar verkrijgen. Hij kon evenwel niet weten, dat zij, alvorens naar -haren vader te kunnen ijlen, nog naaiwerk te verrichten zoude hebben, -en meende integendeel, dat zij dadelijk vertrokken zou zijn. Zijn -paard, een bastaard-Perziaan was echter een uitmuntende klepper, die -hem wel spoedig en vóór Dalima ter gemelde plaats zou brengen. - -Het was ongeveer half vier, toen hij bij de hut aankwam, waar -Singomengolo hem wachtte. - -Beiden zaten nu den aanslag te beramen en te bespreken, die volgen -moest, waarbij Lim Ho veel ongeduld toonde over het lang uitblijven van -Dalima. Onder dat gekout brak eindelijk de dag aan, en was weldra -zoover gevorderd, dat de zonsopgang nabij was, toen plotseling heel in -de verte een vreeselijk gegil en een geratel en geklep vernomen werd, -alsof de wereld vergaan moest. Lim Ho vloog van het matje op, waarop -hij naast den opiumjager gehurkt zat. - -„Wat zou dat te beduiden hebben?” vroeg hij ontsteld. - -„Och,” antwoordde Singomengolo bedaard, „de toean controleur van Banjoe -Pahit heeft eene varkensjacht georganiseerd, en nu beginnen de -dèsalieden van die plaats en van Kaligaweh de drijfjacht.” - -„Hoe weet gij dat?” - -„Ik was gisteren te Kaligaweh, en ontmoette daar zelfs den toean -controleur met zijn gezelschap, die de voorbereidende maatregelen voor -de jacht kwamen nemen.” - -„Te Kaligaweh?...” - -„Ja, babah. Ik was daar, om den ouden Setrosmito op opiumsmokkelarij te -betrappen,” antwoordde de Javaan met een gemeenen grijnslach. - -„Dat’s waar ook.” - -Lim Ho sprak die woorden uit op een toon, alsof die opiumjacht, welke -toch den vader van zijn slachtoffer uit den weg moest ruimen, hem -geheel en al ontgaan was. - -„En hebt ge opium gevonden?” vroeg hij verder. - -„Zeker, babah! Ik vind altijd opium; dat weet gij wel!” - -„Ja, gij zijt een slimme vent,” antwoordde Lim Ho lachende. „Dus de -vader van Dalima is voor ettelijke weken goed verzorgd.” - -„O, langer als voor enkele weken!” - -„Langer? Is er dan iets gebeurd?” - -„Setrosmito heeft amokh gemaakt, en daarbij uw landsman Khouw Wantjiang -neêrgestooten, en een politiedienaar gewond. Het scheelde weinig, of ik -was er ook om koud. Maar ik poetste hem bij tijds.” - -Lim Ho wreef zich de handen. - -„Zoodat....” vroeg hij. - -„Zoodat,” ging Singomengolo voort, „de vader van Dalima, als hij niet -opgehangen wordt, wel tot levenslangen dwangarbeid zal veroordeeld -worden.” - -„Dat’s knapjes uitgevoerd,” zei Lim Ho, zich steeds de handen -wrijvende. „Maar... wat is dat?” - -Geweerschoten werden vernomen. De jacht op de wilde zwijnen was -begonnen. - -„O, dat zijn de blanke jagers, die in den Djoerang Pringapoes op -tjellengs schieten. Dat Allah hunne jacht zegene!” - -„Maar zouden die blanda’s ons niet kunnen hinderen. Het ravijn is niet -ver hier van daan.” - -„Die toeans zijn te druk met hunne jacht bezig, dan dat zij aan andere -beuzelingen hunne aandacht zullen wijden. Ik hoor ze liever daar in de -nabijheid in den Djoerang Pringapoes naar hartelust schieten, dan dat -ze op hunne kantoren zitten te schrijven. Een blanke met de pen in de -hand is meer te vreezen, en ook gevaarlijker dan met een geweer -gewapend.” - -Zoo zaten zij te kouten, en naar het verwijderde jachtrumoer te -luisteren. De tijd vloog heen. - -„Dalima komt maar niet,” zuchtte Lim Ho ongeduldig. - -„Jawel, daar ginds zie ik op het pad tusschen de sawahs iemand naderen. -Dat kan niemand anders zijn dan zij.” - -„Kijk, kijk, daar uit het ravijn komt een blanda!” riep Lim Ho uit. „Nu -is alles verloren!” - -Singomengolo keek uit, en bromde eene verwensching tusschen de tanden, -toen hij zag, dat de Chinees waarheid sprak. - -Hij tuurde, tuurde; maar kon zich maar geen rekenschap geven, wie dat -zijn kon. Dien toean had hij den vorigen avond niet te Kaligaweh -gezien. Het was toch een jager, want hij had een geweer in de hand, en -kwam van den kant van het ravijn en volgde het pad, dat langs de hut -voerde.... En niet ver van de hut zou die ongeluksvogel zich met Dalima -kruisen!... Het was om des duivels te worden!... Alle maatregelen waren -zoo goed genomen!.... En.... nu.... door dien ellendige!.... - -„Maar.....” riep Lim Ho eensklaps verheugd uit. „Het is „toean kapala -tikoes”, die daar komt. Nu, geen nood! Dien ken ik. Gij moet straks de -baboe maar roepen. Ik zal het wel met den blanke afmaken.” - -Lim Ho had den toean herkend, die door de meeste bewoners van -Santjoemeh Muizenkop geheeten werd, welken naam door grappenmakers in -„kapala tikoes” (kapala = hoofd en tikoes = muis) vertaald was. Nu -herkende Singomengolo den fiscalen ambtenaar ook, en begreep dat hunne -snoode plannen niet veel gevaar liepen. „Perkara oeang sadja,” (eene -geldkwestie slechts) zei hij met beteekenisvollen blik op den Chinees. - -Toen Dalima, op het kruispunt gekomen, het pad van Kaligaweh, wilde -inslaan, trad de Javaan naar buiten om haar te roepen, en zag hij den -blanke zich ijlings achter de struiken verschuilen. Op dat gezicht -waren de beide aterlingen geheel en al gerustgesteld, en had de aanslag -het aanvankelijk verloop, dat de lezer kent. - -Had Mokesuep ook al eenige aanvechting gevoeld, om bij den aanslag op -het lieve meisje als redder op te treden, dan werd dat betere gevoel -door het verschijnen van Lim Ho op de plaats der worsteling geheel -verstikt. - -Glimlachend verstopte de ellendeling zich nog nauwkeuriger achter de -struiken en prevelde: - -„Drommels! vrouw Fortuna reikt mij de hand. Ik moest een ezel zijn haar -af te wijzen.” - -Inmiddels stierf het hulpgeschrei van Dalima, afgestreden en uitgeput -als het arme meisje was, met hare krachten weg. - -„Toeloeng!... Toeloeng, toean! toeloeng!” was de laatste schelle kreet, -die door de eenzame landstreek weerklonk. Geen ander antwoord kwam -daarop, helaas! dan een flink onderhouden geweervuur in de verte. - - - - - - - -XIX. - -„TOELOENG! TOELOENG, TOEAN!” - - -Toch was het geroep en het gegil van het arme slachtoffer gehoord -geworden. Te laat, helaas evenwel om redding aan te brengen. - -Dat gedeelte der kloof, waarin de jagers ter vervolging van de -vluchtende tjellengs in allerijl gedrongen waren, was niet heel lang, -een vijftienhonderd meters hoogstens. Hare zool echter was uiterst -bochtig, en naast de kronkelende bedding van de Kali Banjoe Pahit -voortloopende, als met rotsblokken bezaaid; terwijl de wanden van -donkergrauwen trachietlava zich tot eene hoogte van vijftig of zestig -meters schier loodrecht verhieven. - -De lucht weergalmde in dien engen doorgang van het geknor en geschreeuw -der wilde varkens, die in wanhoop krioelden en vluchtten, over de -rotsen buitelden en tuimelden, in het riviertje een toevlucht zochten, -maar daarin door de woest voortschietende wateren medegevoerd en -onzacht met de lavablokken der bedding in aanraking gebracht werden. -Aan het wanhopig gegil der dieren, paarde zich aan den eenen kant van -de kloof het geratel, het geklop der drijfjagers, die bij de -achterwaartsche beweging der tjellengs hun spektakel hervat hadden, en -van den anderen kant het moorddadige geweervuur der Europeanen, dat -onverpoosd onderhouden werd. Radeloos en in de grootste verwarring -stormden de gejaagde dieren de Javanen te gemoet, welker geklop en -gegil hen bij ondervinding minder gevaarlijk voortkwam. Wel stelden -ettelijke der dèsabewoners, toen de drom in de nabijheid kwam, zich -ijverig te weer en staken er met hunne lansen duchtig op los. Maar het -meerendeel week, toen de grimmige bende op hen instormde, en sloeg -geheel en al op de vlucht, toen de kogels der jagers hen om de ooren -begonnen te snorren. Zoo’n cilindro-conische kogel van de hedendaagsche -draagbare vuurwapenen maakte ook zoo’n afgrijselijk gefluit bij het -afleggen harer baan, dat het was om iemand kippenvel op het lijf te -jagen. In minder dan geen tijd, was de linie der drijfjagers voor de -aanrennende zwijnenschaar als de nevel voor de morgenzon verdwenen. -Verreweg het meerendeel was op hooge rotsblokken geklommen; het andere -was in de dwergboomen geklauterd. Maar geen enkele Javaan had zich -achter rotsen of achter boomstammen verscholen, waar hem de slagtanden -der tjellengs bereiken konden. - -De bende wilde varkens was zeer geslonken. Het waren er niet velen, die -den doorbraak der linie drijfjagers overleefden. Het grootste gedeelte -was in de kloof onder de kogels der Europeesche schutters gevallen. Het -was eene ware slachting, die daar plaats gehad had. Een vijftiental -lijken lagen daar uitgestrekt, ongerekend de tjellengs, die met een -kogel in het lichaam, of de huid opengereten door een schampschot, hun -heil in de vlucht gezocht hadden, maar den dood niet ontkomen zouden -[122]. - -„Vooruit; Vooruit!” riep Verstork, aangemoedigd door den aanvankelijken -goeden uitslag van de jacht. „Vooruit! wij moeten trachten, dat er geen -enkele van dat schadelijk gedierte ontsnapt!” - -Dat was evenwel gemakkelijker gezegd en aanbevolen dan wel uitgevoerd. - -Wel stormden de jagers het ravijn in en de bende wilde zwijnen -achterna. Wel werd nog menig schot gelost, waarbij telkenmale een -slachtoffer viel; maar de varkens waren vlugger ter been, en nu de -insluitingsketen verbroken was, waren zij spoedig in de schier -onuitwarbare wildernis van doornachtige struiken, van woest dooreen -geworpen boomstammen en rotsblokken, waarmede de zool van het ravijn -overdekt was, uit het oog verdwenen. De jagers spanden alle krachten -in, om het wild te volgen; maar daartoe waren de vlugheid en de -lenigheid van een orang-oetan noodig geweest en, wie weet, of ook die -de vervolging niet had moeten opgeven. - -Opgeven?... Ja; want op een gegeven oogenblik stonden de blanke jagers -daar met gescheurde kleedingstukken, met verwonde handen door de -doornen, uitgeput van den verwoeden wedloop, hijgende naar hun adem. Op -het geroep eindelijk van Verstork kwamen zij langzamerhand te zamen. - -„Waar is Grashuis?” vroeg de controleur. - -„En waar is Grenits?” vroeg Van Rheijn. - -Men keek rond; maar zag hen niet. Een paar geweerschoten in de verte -gaven te kennen, dat de twee vermisten de jacht nog niet opgegeven -hadden. - -„Wij dienen hen te volgen,” sprak Verstork. „Men kan niet weten, wat er -gebeuren kan, en hoezeer hulp noodzakelijk kan zijn. In welke richting -hebben die schoten weerklonken?” - -Alle handen gingen omhoog; maar allen in verschillende richting. Als er -handen genoeg geweest waren, zouden alle streken van de kompasroos -aangewezen zijn. - -„Daar!” - -„Neen, daar!” - -„Gij vergist u, het was daar!” - -„Mis! het was in die richting!” - -„Drommels,” zei Verstork „dat ’s lastig. En zelf heb ik er niet zoo op -gelet, dat ik de richting zou kunnen aanwijzen. Die schoten hebben mij -verrast. Wij zullen wat wachten; er zullen nog wel schoten vallen.” - -„Dat ’s juist goed,” antwoordde August van Beneden, „dan kunnen wij wat -rusten en tot adem komen. Ik ga hier op die rots zitten.” - -Die rust duurde kort; want nog geen tien minuten later weerklonk -andermaal een schot, dat een poos later door een tweede gevolgd werd. -Dat geknal klonk verder verwijderd dan straks; maar de richting was -thans behoorlijk waargenomen. - -„Komt, heeren, daar heen!” sprak Verstork, terwijl hij zijn geweer -opnam. - -„Zouden wij nog niet een oogenblik toeven?” vroeg Van Beneden. -„Drommels, ik ben nog zoo moe!” - -„Ik zal onderwijl in dien boom klimmen,” sprak de wedono, op een -gladden Komessoe [123] wijzende. „Misschien zal ik de verdwaalden -ontdekken.” - -Het Javaansch districtshoofd, een vlugge jonge kerel was in een oogwenk -boven. Bij het klimmen ging hij geheel en al volgens zijn landaard te -werk. Hij omvatte den slanken boom met beide handen en steunde met de -voeten tegen den stam. Zoo kon hij afwisselend handen en voeten -verzetten, en was dan ook vlug in de kruin. - -„Ziet ge wat, wedono?” vroeg Verstork. - -„Nog niet, Kandjeng toean.... maar wacht!.... ja, daar ginds zijn ze. -Zij klauteren langs de helling van het ravijn op en zetten eenige -tjellengs na. Maar, dat is zeer ver.” - -„Kom heeren, nu op het pad! Wij zullen trachten onze vrienden in te -halen!” - -Inderdaad, Leendert Grashuis en Theodoor Grenits waren voortgespoed en -vervolgden met het ontembaar vuur, hetwelk moedige jongelieden kan -bevangen, die eene zoo opwekkende jacht bijwonen, een troepje wilde -varkens, hetwelk uit een kolossalen grooten beer, een vrouwtje en vier -biggetjes bestond. In woeste vaart ging het zoowel bij vervolgers als -vervolgden over en onder rotsen heen, door en over struiken, soms in -het riviertje, waarin de varkens onder de watervlakte verdwenen, -krachtig voortzwommen, en te midden van het wielende schuim -voortspoedden. Soms kregen de jagers het troepje varkens in het -gezicht, terwijl het over een rotsblok heenworstelde, dan trachtten zij -vast te staan op den moeielijken bodem om goed te kunnen mikken. Maar, -nog voor dat zij het geweer aan den schouder gebracht hadden, waren de -tjellengs òf onder een overhangend woest daar heen geworpen -rotsgevaarte, òf achter een struik verdwenen, en dan hervatten de -jagers de vervolging, die zij een oogenblik gestaakt hadden. - -Zoo ging het een poos voort, totdat de beer op zeker punt zijn gezin -tegen de helling van den ravijnwand wilde opvoeren, om zoo het vrije -veld te bereiken, waar de vlucht met meer spoed zou kunnen geschieden. -Helaas, maar ook daar zou de uitwerking der vuurwapenen van de twee -vervolgers haar voordeel hernemen. Reeds dadelijk bij het bestijgen van -de helling, waarbij het troepje een oogenblik op het korte gras voor -het oog zichtbaar werd, knalden twee schoten, en buitelde een der -biggetjes achterover en rolde de helling weer af. Grimmig snelde de -moeder te hulp. Maar, welke moeite zij ook deed om haar jong voort te -krijgen, het was te vergeefs. Voort moest zij, wilde zij niet onder de -wisse kogels vallen. Een oogenblik later stortte een ander biggetje, -thans evenwel ongewond, van de scherpe helling omlaag. Fluks was de -moeder weêr bij de hand om het diertje, dat slechts uitgegleden was, op -de been te helpen. Voor onpartijdige toeschouwers ware het aandoenlijk -geweest te zien hoe die moeder haar jong verzorgde, hoe zij het met -hare snuit liefderijk maar toch krachtig voortstootte, terwijl zij -daarbij een aanmoedigend geknor liet hooren. Helaas! jagers hebben geen -medelijdende harten! Nog was de moeder met haar jong niet bij den -hoofdgroep aangekomen, of daar knalden weer twee schoten, èn jong èn -moeder rolden de helling af naar beneden. Nog een zielsvol oog voor het -jong, waarna die goede moeder nog een woesten, wraakzuchtigen blik op -de jagers wierp, en een schrillen kreet uitte, om den vader te -waarschuwen. Daar klonk weer een schot, en een der kleinen rolde de -beide blanken te gemoet. De beer gromde vreeselijk, zette zich in -postuur met overeindstaande borstels en opgetrokken lippen, waardoor -niet alleen de slagtanden, maar ook de snijtanden, die er als beitels -uitzagen, schrikkelijk tegendreigden. Een tweede schot knalde dadelijk -daarop, maar miste. Toen de kruitdamp opgetrokken was, waren beer en -het laatste overgebleven biggetje in eene terreinplooi voor het oog -verdwenen. Maar Grenits en Grashuis gaven de vervolging niet op, en -voort ging het langs de wandhelling op. Inspanningsvol waren de -pogingen die de beide jagers aanwendden om den ravijnnok vóór het wild -te bereiken. Maar, al gaven zij het niet op en al klommen zij ook met -taaie voortvarendheid omhoog, zoo moesten zij zich toch bekennen, dat -eene rotshelling, waarop de gespleten en spits toeloopende hoeven van -een wild zwijn plaats en vat vonden, geen wandelpad was voor den -geschoeiden voet van Europeanen. - -Eindelijk waren de twee jagers na een onmenschelijk klimmen op den nok -van den steilen ravijnwand aangekomen. Hijgend keken zij rond, maar -ontwaarden van de vluchtelingen geen spoor. Die waren hen voorzeker -voor geweest, en thans in het struikgewas van de onafzienbare vlakte -verdwenen. Waarheen hen te zoeken? Dat zou immers noodeloos werk zijn. -Doodmoede als zij waren, wilden zij zich in de schaduw van eenige -struiken op het gras uitstrekken, om van hunne inspanning wat te -bekomen; toen Grenits plotseling een schreeuw uitstiet. Hij zag zich -aangevallen door den beer, die evenzeer uitgeput, daar met zijn jong -zich ook uitgestrekt had om te rusten. In zijn leger als het ware thans -bestookt, zag het woedende dier van de vlucht af en sloeg, zooals zijne -soortgenooten gewoonlijk doen, ten aanval over. Grenits had waarlijk -nauwelijks den tijd, om met een sprong uit te wijken en zijn geweer, -dat met den riem over den schouder hing, in tot verdediging gereede -positie te brengen. De beer ontweek behendig een bajonetsteek, dien hem -Theodoor toebracht, en rende op zijn tegenstander in. Gelukkig, dat -diens rechterbeen, door hooge lederen beenbekleeding beschermd was, -anders zou de jager deerlijk door de slagtanden van het woedende dier -verwond zijn. Nu evenwel was de slag, welke het zwijn door middel van -eene krachtige kopbeweging met den snuit toebracht, toch nog zoo hevig -dat Grenits het evenwicht, verloor, achterover tuimelde en in groot -gevaar verkeerde. Ware hij alleen geweest, dan voorzeker zou de beer -zich op hem gestort en, weerloos als de jager was, hem met zijne -machtige slagtanden den buik opengereten hebben. Grimmig en met bloed -beloopen oogen schoot hij reeds op den gevallene toe. Theodoor voelde -reeds in zijn aangezicht den brandend heeten adem van het monster, en -wachtte met dichtgeknepen oogen den noodlottigen schok af; toen op -eenmaal de tjelleng een gebrul van woede uitstiet en front naar een -anderen aanvaller moest maken. Hoe bliksemsnel het verhaalde toch in -zijn werk was gegaan, zoo had Leendert Grashuis evenwel tijd gehad om -snel eene patroon in zijn achterlaad-buks te schuiven en zijne bajonet -in aanvallende positie te brengen. Zooals hij zich evenwel tegenover de -strijdenden bevond, was er aan schieten niet te denken, daar hij meer -kans zou gehad hebben om zijn vriend dan den beer te treffen. De -minuten, ja de seconden waren goud waard. Theodoor lag reeds op den -grond uitgestrekt, en de noodlottige ontknooping kon niet uitblijven. -Toen bracht Grashuis het zwijn een bajonetsteek in de zijde toe, die -wel eene pijnlijke wonde veroorzaakte, maar op het rechter schouderblad -afschampte. Het monster keerde toen zijne geheele woede op den nieuwen -aanvaller, wilde hem een slag met de vooruitstekende tanden toebrengen, -maar die werd behendig op de bajonet opgevangen. Door den schok als -eene hoepel kromgebogen, drong evenwel het wapen, tot bij de -geweertromp in de keel van het dier door. Een oogenblik dacht Leendert -er aan, om zijn wapen terug te trekken; maar de onmogelijkheid daarvan -inziende haalde hij snel den trekker over, zoodat het dier de -losbrandende lading met den kogel door den kop kreeg. Het sprong met -reuzenkracht terug,—waarbij Grashuis zich zijn wapen uit de handen -gerukt zag,—draaide eenige malen in de rondte, en viel toen -stuiptrekkend neder. Weinige seconden later was de doodsstrijd -volstreden. - -Onthutst en beteuterd stonden de beiden Europeanen die stuiptrekkingen -een oogenblik aan te kijken. Alles was zoo bliksemsnel in zijn werk -gegaan, dat zij nog geen volkomen besef van het gebeurde en van de -uitkomst hadden. Maar, na een poos begrepen zij wat er gebeurd was; en -toen vielen zij in elkanders armen en feliciteerden elkander hartelijk. -En, waarlijk, zij hadden een bang oogenblik doorgestaan. Voor beiden -was het gevaar groot, maar voor Theodoor Grenits dreigend geweest. - -Toen aan de inspraken van het hart voldaan was, hernam de zwakke -menschelijke natuur hare rechten. De vervolging van het wild, de -beklimming van den steilen ravijnwand, het dadelijk daarop gevolgde -gevecht met al zijne aandoeningen hadden onze vrienden zoodanig -uitgeput, dat zij schier ademloos en met heftig zwoegende borstkast op -den bodem vielen, om tot verademing te komen. Zij konden zoo omstreeks -een tiental minuten gelegen hebben, toen Grenits het laatst -overgebleven biggetje in de nabijzijnde struiken meende te ontwaren. -Zonder op te staan, gleed hij eene patroon in het kamerstuk zijner -achterlaadbuks, bracht het wapen aan den schouder en vuurde af in de -richting, waar het varkentje onder de struiken verdwenen was. De echo -weerkaatste statig den knal van het schot, dat door de nabijheid van -het rotsachtige ravijn als de donder rolde.... Machtig als de geest des -onweders duurde dat een poos, waarna dat gedonder langzamerhand afnam, -zachter vernomen werd en eindelijk heel in de verte in eene zachte -rommeling wegstierf. Nog was het geluid waarneembaar, toen Grashuis -zich plotseling, als door eene machtige veer bewogen, op zijn ellebogen -ophief. - -„Hebt ge dat gehoord?” vroeg hij, terwijl verbazing zijne stem -kenmerkte. - -„Wat?... Het geratel van mijn schot? Ja, dat heb ik gehoord.” - -„Neen, niet uw schot. Het was, alsof ik eene menschenstem hoorde -roepen... Hoor!...” - -En werkelijk daar klonk heel verwijderd, maar toch vrij duidelijk: - -„Toeloeng!... Toeloeng, toean!” - -„Dat is eene vrouwenstem!” zei Grenits opspringende. - -„Toeloeng! toeloeng, toean!” klonk het weer. - -„Eene vrouwenstem die ons te hulp roept,” zei Grashuis. „Hoor...” - -„Toeloeng! toeloeng, toean!” - -„Ik zie geen andere toeans, dan wij. Onze makkers zijn ver weg... en in -het ravijn... En, van daar komt de stem niet,” merkte Grashuis verder -op. - -„Maar ik zie niets, Leendert,” zei Grenits, die aandachtig den geheelen -omtrek opnam. - -„Ik ook niet, hoe ik al tuur.” - -„Het weerkaatsen van de zonnestralen in de oppervlakte van het water -der sawahs doet mijne oogen zeer.” - -„Daar ginder, bij dat boschje, meen ik eene hut te zien. Het geroep kan -niet anders dan van daar komen.” - -„Toeloeng! toeloeng, toean!” klonk het. - -„Het is onmiskenbaar eene vrouwenstem, die om hulp roept.” - -„Maar, welke heeren kan zij roepen?” - -„Om het even. Vooruit! Onze bijstand wordt ingeroepen. Vooruit! Ik ben -niet moê meer!” - -Alvorens evenwel voort te snellen, wierpen de twee Europeanen eerst een -blik terug in het ravijn, waaruit zij een poos te voren geklauterd -waren, en zagen toen, dat hunne makkers hen volgden, en gereed waren de -helling van den ravijnwand op hunne beurt te beklimmen. Grenits schoot -zijn geweer af, om hunne aandacht te trekken, en toen aller oogen naar -boven gericht waren, riep hij hun zoo luid toe als hij kon, terwijl hij -den arm in de richting van het westen uitstrekte: - -„Daar! daar!” - -En daarop ijlden beiden voort. - -„Hebt gij verstaan, wat Theodoor riep?” vroeg Verstork aan Van -Nerekool. - -„Neen!” antwoordde deze. „De afstand was daartoe te groot; maar er -schijnt iets buitengewoons voorgevallen te zijn.” - -„Kom! laat ons voortspoeden.” - -En het troepje jagers beklom den bergwand. Zij waren evenwel niet zoo -bezield als straks hunne makkers; zoodat die bestijging wel driemaal -meer tijd kostte. Toen zij boven op den nok waren, zagen zij Grenits en -Grashuis, die te midden van de sawahvelden voortspoedden. -Laatstgenoemde keerde zich om en wenkte, toen hij zijne makkers -ontwaarde, om voort te maken. - -„Toeloeng! toeloeng, toean!” weerklonk het nogmaals, maar nu zoo zwak, -dat dit hulpgeroep bijna niet meer waarneembaar was. Toch waren de -beide Europeanen de hut meer nabij gekomen. - -„Voort! voort!” riep Grenits, zijn makkers tot spoed aanzettende. - -„Is het wel in deze richting, dat wij voortspoeden moeten?” vroeg -Grashuis. „Mij dunkt, dat wij ons van het geluid verwijderen.” - -Maar tijd tot bedenken was niet meer mogelijk. Daar vloog eene -vrouwengedaante de hut uit, en ijlde op hen toe. - -„Toeloeng, toean toean! toeloeng!” kreet zij, terwijl zij aan hunne -voeten nederstortte. - -Het was een Javaansch meisje, dat door geen van beiden herkend werd, -hetwelk met loshangende haren, spiernaakt en geheel bebloed aan hunne -voeten in het gras wentelde, en zich het gelaat met beide handen -bedekte. - -„Toeloeng, toean toean! Toeloeng!” kreunde zij. - -Onthutst door die onverwachte vreemdsoortige verschijning, keken de -twee jagers het meisje aan. In hunne verbazing wisten zij niet wat te -doen. Grenits geërgerd, een menschelijk wezen aan zijn voeten te zien, -vatte het meisje bij den arm en poogde haar overeind te helpen, maar -schuchter weerde zij hem af: - -„Maloe saja!” (ik ben beschaamd) prevelde zij, terwijl zij hare -loszwierende haren over haren boezem schikte, en zich verder daarin -zocht te dekken. - -Plotseling schoot eene mannengedaante, een Javaan, de hut uit, en op -het meisje toe. Met ruwe hand greep hij haar bij den arm, om haar -overeind te sleuren. - -„Adoe! (O wee!)” riep zij uit. - -En den kerel herkennende, rukte zij zich met verschrikt gebaar los. - -„Toeloeng, toean toean! toeloeng!” smeekte zij zich tot de beide -Europeanen wendende. - -„Wilt gij die vrouw eens loslaten!” zeide Grenits gramstorig. - -„Wat wilt ge van haar?” vroeg Grashuis aan Singomengolo, dien hij -herkende. - -„Zij is eene opium-smokkelaarster,” antwoordde deze. „Kom, a. s. [124] -voort!” - -„Kassian, toean toean!” (Heb medelijden met mij, heeren) kreet het -rampzalige meisje. - -„Kom voort!” riep Singomengolo woest en haar voortsleurende. - -„Die vrouw loslaten, of... ik sla je de hersens in,” dreigde Grenits, -zijn geweer bij den loop opnemende. - -Grashuis had inmiddels Singomengolo bij het middel gevat en trok hem -achteruit. - -„Ik ben bandoelan,” (opiumspion) sprak de Javaan trotsch. „Het zal den -heeren berouwen, mij gedreigd of aangeraakt te hebben!” - -En tot het vrouwelijk wezen: - -„Kom, voort!” sprak hij. - -„Nogmaals, laat die vrouw los!” zeide Grenits met dreigende stem. - -En, werkelijk, hij was op het punt, om den kolf van zijn geweer op het -hoofd van den ellendeling te doen nederkomen, toen hij zich bij den arm -gegrepen gevoelde, en eene stem hoorde fluisteren: - -„Pas op, Thedoor! het is katjesspel, het met lieden van den -opiumpachter aan te leggen.” - -Grenits keek om. Het was Mokesuep, die tot hem sprak. - -„Jij, Muizenkop? Waar kom jij vandaan?” - -„Ik ben op de jacht verdwaald. Maar bedaar... anders komt ge in -ongelegenheid.” - -„Er valt niet te bedaren, laat mijn arm los; dan zal ik dien opiumjager -noodzaken, die vrouw los te laten.” - -Singomengolo had de hand aan het gevest van zijn kris geslagen. Trotsch -en oploopend van aard, als hij was, zou hij iedere gewelddaad van den -blanke met een dolkstoot beantwoord hebben, ten minste, wanneer een -eerste kolfslag hem niet buiten gevecht had gesteld. Een oogenblik keek -hij met vonkelende en tartende oogen naar de beide blanken op. Toch -liet hij plotseling den arm van het vrouwelijke wezen los. Over de -sawah zag hij een anderen troep aankomen, waaronder zich niet alleen de -controleur van Banjoe Pahit, maar ook de wedono van het district -bevond. Als het kon, zou zijn bruin gelaat verbleekt zijn op dat -gezicht. - -„Wat is hier te doen?” vroeg Verstork toen hij nader getreden was. - -„Die vrouw heeft opium gesmokkeld, Kandjeng toean,” antwoordde -Singomengolo. - -„Die vrouw?...” - -„Maar,... dat is Dalima!” riep Van Nerekool uit. - -„Dalima?...” - -„Ja, Dalima, de baboe van den resident!” - -„Mooi zoo!” lachte Van Rheijn. „Nu hebben de residenten ook al baboe’s! -Misschien ook wel zuigflesschen!” - -Van Nerekool bloosde. Hij had vermeden te zeggen: de baboe van de -dochter van den resident. - -Verstork trok eene der handen van het gelaat der vrouw weg. - -„Ja,... het is Dalima!... En, die zou opium gesmokkeld hebben?” vroeg -hij verder, na een teeken aan een der volgelingen van den wedono -gegeven te hebben, die haar een slendang (een soort sjerp) toewierp, -waarin zij zich wikkelde. - -„Soengoe mattie!” (voorzeker) [125] antwoordde de bandoelan. „Ik heb -haar gevisiteerd...” - -„En haar de kleêren van het lijf gescheurd?” vroeg de controleur -streng. - -„Zij wilde het niet toelaten...” - -„En haar zoo toegetakeld?” vervolgde Verstork. - -„Apa boleh boeat, (wat is er aan te doen) Kandjeng toean? Zij verzette -zich. En... zie, dat heb ik gevonden.” - -Singomengolo vertoonde daarop een doosje, dat bijster veel overeenkomst -had met datgene, hetwelk den vorigen avond door den bandoelan aan den -controleur overgegeven was. Als deze het zelf niet verzegeld en naar -Santjoemeh opgezonden had, zou hij hebben kunnen gelooven, dat het -hetzelfde was. - -„Hebt gij dat doosje bij dat meisje gevonden?” vroeg de controleur met -nadruk. - -„Ja!” - -„Ik heb geen opium gesmokkeld,” kreet Dalima, steeds op den grond -gehurkt. „Ik ben in die hut gesleept geworden, en daar ben ik op de -gemeenste wijze mishandeld geworden...” - -„Maar, hoe komt ge hier?” vroeg Verstork. - -„Ik was op weg naar Kaligaweh. Iemand heeft heden nacht op het -residentiehuis komen berichten, dat mijn vader erg ziek was. Toen heb -ik èn van de njonja èn van nonna Anna verlof gekregen om naar den zieke -te mogen gaan....” - -„Verlof van de njonja en?...” - -„En van nonna Anna, ja, Kandjeng toean!” - -„Die kunnen dat dus getuigen?” - -„Ja, Kandjeng toean!” - -„Ik heb getuigen, die gezien hebben, dat dat meisje smokkel-opium bij -zich had.” - -„Wie zijn dat?” - -Singomengolo liet den sluwen blik rondom zich gaan. Hij zag Mokesuep de -hut binnentreden. Deze had van het kabaal gebruik gemaakt, om zich -achteraf te houden, en op het geschikte oogenblik de hut binnen te -sluipen. Hij had zijn redenen daartoe. Een glimlach krulde de lippen -van den Javaan. - -„Straks,” sprak hij, „was een „toean blanda” (een hollandsch heer) -hier.” - -„Een toean blanda? Hou je mij voor den gek? Pas op? Die onbeschaamdheid -zou ik je betaald zetten!” zei de controleur vertoornd. - -„Muizenkop was straks hier,” viel Grenits in. - -„Muizenkop?... Ik heb hem den geheelen ochtend niet gezien!... Waar -kwam die van daan?” - -„Ik weet het niet. Hij zeide, dat hij op de jacht verdwaald was.” - -„Maar, waar is hij nu?” - -„Dat weet ik niet. Zoo even stond hij daar nog.” - -„Maar,” ging Verstork voort, zich tot Singomengolo wendende: - -„Gij zeidet twee getuigen? Wie is de andere?” - -„Lim Ho,” was het antwoord. - -„Lim Ho, de zoon van den opiumpachter?” riep Van Nerekool ontzet uit. -„En, Dalima... in dien toestand?... O, nu begrijp ik alles!” - -„Lim Ho heeft mij vreeselijk mishandeld, en...” snikte het meisje, maar -kon niet meer voort. - -Dalima gebruikte in hare meer oorspronkelijke taal een andere -uitdrukking dan „mishandeld”, die evenwel niet weer te geven is. Toch -aarzelde zij om voort te gaan. - -„En?” vroeg de controleur. - -„Hij en die man daar,” zeide zij, „hebben mij vastgebonden.” - -„Ellendeling!” kreet Van Nerekool verontwaardigd uit, terwijl hij -Singomengolo met zijne vuist dreigde. - -„Zij heeft opium gesmokkeld, en die heb ik achterhaald. Dat is alles!” -antwoordde deze onbeschaamd. „De heeren moeten zich niet boos maken. -Die gemeene meid liegt!” - -„Ik lieg niet, en ik heb geen opium gesmokkeld!” antwoordde Dalima. -„Overigens verraadt mijn toestand genoegzaam, hoe men met mij gehandeld -heeft.” - -Op een wenk van den controleur, tilden haar een paar oppassers op, -waarbij zij hare handen noodig had, om zich zedig in tegenwoordigheid -van al die mannen te dekken. Van Nerekool hielp haar daarbij, en -verzocht een tweede slendang om het meisje in te wikkelen. - -„Hier heeft de snoodste misdaad plaats gehad,” sprak hij daarna tot den -controleur. „Het is schandelijk, hoe het meisje mishandeld is.” - -Na die voorloopige verpleging trad het gezelschap de hut in. Daar vond -men Mokesuep, die vriendschappelijk met Lim Ho eene sigaar zat te -rooken. Het oor van dezen laatsten was verbonden. - -„Zoo gij hier?” vroeg Verstork, zonder den Chinees een groet waardig te -keuren. - -„Ja, ik ben heden ochtend van de jacht afgeraakt, en heb rondgedwaald, -totdat ik deze hut aantrof, waar ik voor eene poos eene schuilplaats -tegen de zonnestralen gezocht heb. Foei, wat is het heet in die -sawah’s!” - -Dat werd op den meest mogelijk kalmen toon gezegd. Bij den laatsten -volzin blies de aterling, alsof hij het werkelijk zoo ondragelijk warm -gehad had. - -„Gij zijt dus al geruimen tijd hier?” - -„Ja, een half uur, als gij dat een geruimen tijd noemt.” - -„Uwe getuigenis wordt ingeroepen.” - -„Waarbij?” - -„Er is hier eene schandelijke misdaad gepleegd op dat meisje,” ging -Verstork voort. - -„Eene misdaad?” vroeg Mokesuep verwonderd. „Ik weet van niets.” - -„Hier is niets geschied,” mengde zich Singomengolo, die Hollandsch -verstond, maar Maleisch sprak, in het gesprek, „dan eene aanhaling van -opium, nietwaar babah?” - -De Chinees, die opgestaan was, toen de heeren binnengekomen waren, -wisselde een blik met Mokesuep, maar antwoordde terstond: - -„Niets anders, Kandjeng toean.” - -„Ik vraag u beiden niets,” sprak de controleur tot den Javaan en den -Chinees. En zich tot Mokesuep wendende, vervolgde hij: - -„Dat meisje, de baboe van den resident, beschuldigt die beiden van eene -vreeselijke misdaad.” - -Muizenkop, die Dalima niet kende, stond onthutst, toen hij die -bizonderheid vernam. De baboe van den resident! Als die machtige zich -eens partij voor zijne dienstbare stelde. Waarlijk, hij aarzelde... - -„Hoort ge, wat ik zeg?” vroeg de controleur hoogst ernstig, maar -ongeduldig. - -De aterling ving een blik op van Lim Ho, die daar onbeschaamd zijne -sigaar stond te rooken. - -„Ik heb niets gezien, controleur,” antwoordde hij. - -„Maar, ik beschuldig die baboe, opium gesmokkeld te hebben!” zei -Singomengolo sarrend. „Ik heb die bij haar gevonden! Dat heeft de babah -en dat heeft de toean gezien.” - -„Is dat waar?” vroeg de controleur. - -De Chinees antwoordde niet dadelijk. Hoe bedorven hij ook was, aarzelde -hij toch het meisje, dat hij onteerd had, in het verderf te storten. -Maar Singomengolo deed een schier onmerkbaar teeken. - -„Het is waar!” antwoordde Lim Ho. - -„Is dat waar?” vroeg de controleur aan Mokesuep. - -„Ja, het is waar!” was diens vastberaden antwoord. - -„Hebt gij gezien, dat de bandoelan dit doosje bij dat meisje gevonden -heeft?” - -De controleur vertoonde het doosje, dat hij straks van Singomengolo in -ontvangst genomen had. - -„Ja!” antwoordde de aterling. - -Dalima viel in zwijm. De overige aanwezigen konden een gebaar van -verachting niet onderdrukken; want allen waren van de onschuld van het -meisje overtuigd. - -„Ellendeling!” kreet Theodoor, die zijn toorn niet bedwingen kon. - -Een hoonlach was het antwoord daarop, die daarenboven door een gebaar -van minachting vergezeld ging. - -Dat was te veel voor Grenits. - -„Daar!... daar!...” riep de getergde in de hoogste woede uit, terwijl -hij den onmensch een, twee klappen om de ooren gaf. - -„Mijnheer Grenits!” sprak Verstork met waardigheid. „Ik bid u, matig u. -Maak mij mijne taak als ambtenaar niet moeielijker, dan zij reeds is.” - - - - - - - -XX. - -AAN DE RIJSTTAFEL. - - -Eenige uren later zaten de gezamenlijke jagers om de rijsttafel in de -pandoppo van de controleurswoning te Banjoe Pahit. - -De gezamenlijke jagers? Natuurlijk Frits Mokesuep uitgezonderd! - -Verstork, die overigens in het leven veel water in zijn wijn wist te -mengen, had ditmaal den afkeer niet kunnen overwinnen, dien dat -individu bij hem opwekte. Toen de arme Dalima verpleegd, en in eene -tandoe onder begeleiding van een politie-agent als gevangene naar -Santjoemeh opgezonden was, had hij Muizenkop te verstaan gegeven, dat, -in verband met het gebeurde met Grenits, zijn gezelschap verder minder -gewenscht was. - -„Mij dunkt,” had Mokesuep daarop geantwoord: „dat het den beleediger -zou moeten zijn, die het veld ruimde.” - -„Wellicht zou ik ook zoo redeneeren,” ging de controleur met ijzige -koelte voort; „maar alvorens ik u weder onder mijn dak zal ontvangen, -zult gij mij afdoende ophelderingen te geven hebben, hoe het komt, dat -gij u ver van het jachtterrein in deze hut bevondt op het oogenblik, -dat dit jonge meisje mishandeld is...” - -„Dat is zij niet!” viel Mokesuep in. - -„Let er wel op, dat ik niet zeg „onteerd”, maar „mishandeld”! Wij -hebben haar naakt en bebloed aangetroffen, toen zij onze hulp inriep. -Er heeft dus mishandeling plaats gehad in de tegenwoordigheid van u, -die aanspraak maakt op den naam van fatsoenlijk man. En, ik herhaal -het: zoolang gij mij niet afdoende ophelderingen zult gegeven hebben, -dat alleen onmacht u belet heeft, u als verdediger van dat meisje op te -werpen, zoolang wensch ik u niet in mijne woning te zien.” - -„Mijnheer Verstork!...” - -„Zult ge u kunnen zuiveren van de verdenking, die misschien ten -onrechte op u rust; niets zal mij aangenamer zijn, dat verzeker ik u. -Ik zal de eerste zijn, om u de hand te reiken, wanneer Theodoor Grenits -mij dan niet voor zal zijn. - -„Dan ben ik gereed u iedere genoegdoening te geven, die gij verlangen -moogt!” sprak deze hoogst ernstig. - -„Genoegdoening!” sprak Mokesuep hoonend. „Ik zal mij wel genoegdoening -weten te verschaffen!” - -„Dus gij weigert de gevraagde ophelderingen?” vroeg Verstork. - -„Ik heb u geene opheldering te geven, mijnheer Verstork. „Ik zal ze den -resident verschaffen.” - -„Dan, mijnheer Mokesuep, heb ik u niets meer te zeggen,” hernam de -controleur met eene stijve buiging. „Laat ik u niet ophouden.” - -Bij dat duidelijk afscheid wierp Muizenkop knarstandend zijn geweer met -den riem over den schouder, en verwijderde zich in gezelschap van Lim -Ho en van Singomengolo, die dat tooneel stilzwijgend hadden aangezien, -maar waarvan zij niet veel begrepen hadden, in de richting van -Santjoemeh, met den uitroep: - -„O! ik zal mij wreken!” - -Die bedreiging benam de vrienden den eetlust niet. Zoo als gezegd is, -zaten zij eenige uren later om de rijsttafel, in de pandoppo van de -controleur van Banjoe Pahit. - -Die pandoppo van de controleurswoning kon het in ruimte niet halen bij -die van het residentiehuis te Santjoemeh; maar, juist door hare -meerdere beknoptheid was zij des te gezelliger. Zij miste die holheid -tusschen de pilaren, die aan eene hal, dat hooge dakwerk, dat aan eene -kathedraal deed denken; zij had meer van eene huiskamer, waartoe het -smaakvolle meubilair, door Verstork bijeengebracht, veel bijbracht. En, -inderdaad, zijne huiskamer was dat luchtige vertrek, hetwelk met -jaloezie-ramen naar alle windstreken toegang aan de buitenlucht kon -verleenen, en aan den zonnekant voor de hitte gesloten kon worden, -waardoor er steeds eene heerlijke frischheid heerschte, die nog -bevorderd werd door de aangename schaduw der boomen, die de geheele -pandoppo als in een loofkring omsloten hielden en het schelle licht der -keerkringen liefelijk temperde. Daar zat Willem Verstork gedurende de -uren, die hij niet op zijn kantoor doorbracht; daar zat hij des -ochtends bij zonsopgang zijn eerste kop koffie te slurpen; daar ontbeet -hij; daar dineerde hij; daar zat hij zijne dagbladen, zijne -tijdschriften te genieten, terwijl hij des namiddags zijn kopje thee -dronk; daar zat hij veelal des avonds te mijmeren, en zich soms af te -vragen, of het wel goed was, dat de mensch in zoo eene eenzaamheid -alleen bleef? - -Ja, die pandoppo was steeds gezellig; maar was het vooral in dezen -stond, nu de gastheer zich door goede vrienden rondom den disch omringd -zag! En die disch bracht het zijne aan het gezellige van het samenzijn -bij. Daarop stonden toch dampende schotels rijst, hagelwit en droog van -korrel in de „koekoesan” [126] gekookt; daarop stonden toch schalen en -schoteltjes met alle mogelijke kerri’s, sajoran’s, sambalan’s, -atjaran’s [127] als: kerri ikan, [128] piendang ajam, piendang klowek, -[129] rawoen daging, sajor loddeh, sajor gado gado, [130] sambal oelak, -sambal goreng oedang, sambal telor, sambal ikan mejrah, sambal petèh, -sambal badjak, [131] atjar bawang, atjar lombok, atjar tjampoer-adoek, -[132] enz. enz. En dan die vleesch- en vischschotels met dendeng ragi, -met dendeng minjangan, [133] met sasateh, met besengeh, met petjiel, -[134] met ajam goreng, met ajam pangang, [135] met ikan goerami, met -ikan bandeng assep, [136] met telor troeboek, met kroepoek oedang, -[137] enz. enz. Alle die lekkernijen en nog zooveel meer waren bij eene -volledige rijsttafel onontbeerlijk, en brachten het hare er toe bij, om -ze heerlijk te doen smaken. Maar, wat vooral de aandacht der -Lucullussen bij het binnenkomen der pandoppo getrokken had, en hen bij -voorbaat begeerig had doen smekken, was een speen varkentje, dat geheel -gebraden, op zijne vier pootjes staande, met eene citroen in den snuit, -op een grooten schotel, in het midden van den disch stond te prijken. -Dat was een product van de jacht, een biggetje, hetwelk als een der -eerste slachtoffers onder de kogels der blanken gevallen was, en door -een van Verstork’s bedienden dadelijk naar huis gebracht was, om de -hoofdrol op den jagersdisch te vervullen. - -Ieder der gasten weerde zich goed. - -Maar... de arbeid der maaltanden en de genietingen van het verhemelte -der smulbroers lieten noch de tongen met rust, noch het spraakvermogen -indommelen. Het gekout aan dien disch was dan ook levendig, en de lezer -zal moeten erkennen, dat daartoe wel redenen voorhanden waren. - -„Die duivelsche Muizenkop,” zei Theodoor Grenits, „zou mij bijna uit -mijn humeur gebracht hebben!” - -„Kom, laat dien vent buiten bespreking,” antwoordde Eduard van Rheijn. -„Zijn naam alleen beneemt je den eetlust.” - -„Drommels! wat smaakt zoo’n schijf van dien „anak-tjelleng” -(varkenstelg) lekker!” zei August van Beneden. - -„Zeer lekker!” beaamde Van Rheijn. „Maar, hoeveel varkens zouden wij -wel neêrgelegd hebben?” - -„Dat weet ik niet,” antwoordde Verstork. - -„Toch zullen wij dat moeten weten, om te kunnen beoordeelen, of onze -jacht het beoogde doel bereikt heeft,” meende Van Beneden. „Hoe dat te -vernemen?” - -„Niet ongeduldig zijn, August,” maande Verstork. - -„Ja, ik ben heet gebakerd, Willem. Dat weet ge. Maar, hoe dat te weten -te komen? ik heb nog al ettelijke lijken zien liggen.” - -„De wedono zal ons dat straks wel komen rapporteeren.” - -„De wedono?.... Wat bliksem! waar is die gebleven?” - -„Wel, dien heb ik opgedragen, om met de beide loerah’s den Djoerang -Pringapoes te onderzoeken. Hij zal ons wel den uitslag van onze jacht -komen mededeelen.” - -Het woord was nog niet op de lippen van den controleur bestorven, toen -een der oppassers de komst van het districtshoofd aankondigde. - -„Kassi massokh!” (laat binnen komen), klonk het bevel. - -„Welnu, wedono,” sprak Verstork met een glimlach. „Gij komt onze -rijsttafel deelen? Dat vind ik goed van u.” Het Javaansche hoofd maakte -een gebaar van schrik. Hij deed een pas achterwaarts. Het gezicht van -het gebraden biggetje op de tafel boezemde hem ontzetting in. Ware de -rechtzinnige Mohammedaan Roomsch geweest, dan had hij waarachtig een -kruis geslagen! Nu prevelde hij schuchter: - -„Ampon, Kandjeng toean! Gij weet, dat wij Javanen geen varkensvleesch -eten.” - -„Maar gij kunt andere spijzen gebruiken, wedono. Daar staat -rundvleesch, kip, eend, visch, al wat gij maar wilt.” - -„Ik dank u, Kandjeng toean; maar die anak-tjelleng is in dezelfde -keuken klaar gemaakt [138], als die andere spijzen. En, gij weet, dat -verbiedt onze godsdienst.” - -„Het spijt mij, wedono.” - -„Maar, ik kwam, Kandjeng toean, om u rapport te brengen over de jacht.” - -„Welnu, wedono?” - -„Er zijn zevenentwintig tjellengs, groote en kleine geschoten. De -Chineezen van Kaligaweh en Banjoe Pahit hebben de gevallenen van de -bevolking opgekocht, en zijn bezig met het vervoer.” - -„Die Chineezen zijn ware smulpapen, wedono.” - -„Saja, Kandjeng toean,” antwoordde het districtshoofd, met een ietwat -gedwongen glimlach. - -„Dat is een mooi getal, wedono,” merkte Van Rheijn op. „Zou de bende -uitgeroeid zijn?” - -„Nagenoeg,” antwoordde de wedono. „Een groot gedeelte der bevolking -heeft de overblijvenden nagezet en nog menig dier afgemaakt. Het -overschot heeft eene toevlucht in het hooge gebergte, hetwelk het -district begrenst, gezocht; zoodat wij geen noemenswaardigen last meer -van die verwoestende dieren zullen hebben.” - -„Welnu, vrienden!” riep Verstork opgetogen uit, „dan is onze jacht -volkomen gelukt! een glas daarop!” - -Allen sprongen op met opgeheven wijnglas. Van Rheijn stopte den wedono -fluks een glas bier in de hand, en met een vroolijk „hiep, hiep -hoerah!” werd een dronk gewijd aan de bevolking van het district Banjoe -Pahit, welke van die lastige gasten verlost was. - -„Heeft de Kandjeng toean, mij nog iets te bevelen?” vroeg de wedono. -„Anders wenschte ik wel mij te verwijderen.” - -„Ja, wedono; vooraan in den Djoerang Pringapoes is een zeer groote -„tjelleng laki-laki” (beer) gevallen. Het is er een met zeer lange -slagtanden. Diens hoofd wenschte ik wel te hebben.” - -„Drommels, ja!” riep Van Beneden uit. „Une hure de sanglier à la sauce -piquante zou lekker zijn!” - -„Sjt, August!” zei Verstork; en zich verder tot den wedono wendende: -„En dan draag ik u op, wedono, om dadelijk het onderzoek in die zaak -van Dalima te beginnen.” - -„Saja, Kandjeng toean!” - -„Kom straks bij mij, ik heb u daarover nog te spreken.” - -„Saja, Kandjeng toean!” - -„Straks!” riep Van Beneden uit. „Straks?.... Niet waar vrienden: - - - Wij gaan nog niet naar huis, nog lang niet! nog lang niet!” - - -Het geheele gezelschap stemde met dien echt vaderlandschen deun in. -Toen het ietwat bedaarde, vervolgde Verstork: - -„Dienst gaat voor alles, vrienden! Straks als gij een dutje gaat doen, -en daarna zult gaan baden, zal ik het onderzoek met den wedono -voortzetten. Ik vertrek heden avond nog met ulieden naar Santjoemeh; -want morgen ochtend wensch ik den resident al heel vroeg te spreken.... -Hebt gij mij verstaan, wedono?” - -„Saja, Kandjeng toean!” - -„Welnu, laat ik u niet weerhouden.” - -Met een sierlijke buiging nam het districtshoofd afscheid. - -Het maal had zijn voortgang. Maar het aanroeren van de Dalima-zaak had -de feestvreugde der jagers wel getemperd. De herinnering aan het -gebeurde had iets kils teweeg gebracht, dat iedere vroolijkheid als het -ware verstijfde. - -„Die arme Dalima!” zei Grashuis met een grooten eendenbout tusschen de -vingeren, na een oogenblik van stilte. „Zou zij opium gesmokkeld -hebben?” - -„Loop heen!” antwoordde Van Beneden. „Ziet die lieve meid er als eene -smokkelaarster uit?” - -„August, een rechtsgeleerde mag zich niet door het uiterlijke laten -leiden,” zei Van Rheijn glimlachend. „Nietwaar Karel?” - -Van Nerekool was niet dadelijk met zijn antwoord gereed. Hij was bezig -eene heerlijke moot goerami van de graten te ontdoen. Na eene oogenblik -van bedenking, antwoordde hij evenwel: - -„Zeker niet; maar toch ben ik overtuigd, dat het meisje onschuldig is.” - -„Ja, de baboe van Nonna Anna! Zou dat anders kunnen, Karel!” - -„Wat het gekste is, is, dat de opium gevonden werd!” merkte Van Rheijn -op. - -„Gelooft gij daaraan?” vroeg er een. - -„Maar de getuigenis van Muizenkop?” - -„Van dien ellendeling?....” - -„De zaak is ernstig genoeg!” sprak Willem Verstork. - -„Er bestaat nog maar eene hoop,” zei Grashuis, „die is, dat nonna Anna -invloed genoeg op haren vader zal hebben, om de zaak gesust te -krijgen.” - -Een bittere glimlach ontsierde Van Nerekool’s gelaat. Hij zei evenwel -niets. - -„Als Lim Ho, de zoon van den opiumpachter, maar niet in de zaak -betrokken was,” sprak Verstork, „dan zou die hoop eenigen grond hebben, -dan zou er een mouw aan te passen zijn, nu evenwel...” - -„Zoudt gij dan kunnen denken, Willem,” viel Van Beneden hem in de rede, -„dat de rechterlijke macht....” - -„Jonge vriend,” sprak Verstork, „waarde August! Een hoog geplaatst -rechtsgeleerde hier in Nederlandsch-Indië heeft ergens gezegd: „de -opiumpacht rust op het land als eene ware vervloeking. Overal ontmoet -men haren stempel. Helaas! ook bij de justitie!” [139] Nietwaar, -Karel?” - -Deze knikte bevestigend. - -„Dat alles is treurig, zeer treurig,” zei Van Rheijn vergoelijkend. -„Maar het ergste is het opium-verbruik, dat de opiumpacht, noodzakelijk -maakt.” - -„Loop heen,” antwoordde Grenits gramstorig. - -„Maar, Theodoor!....” - -„Maar, Eduard!....” - -„Als er geen opium-verbruik bestond, was geen opiumpacht mogelijk. Dat -moet ge toch toegeven?” - -„Dat klinkt zeer fraai. Maar, als ik eens daar tegenoverstelde, dat -wanneer geen opiumpacht bestaan had, nooit het opium-verbruik zoo’n -vlucht genomen zou hebben. Dat klinkt minder fraai, maar is -gemakkelijker aan te toonen.” - -„Jawel, dat hebben we gisteren avond gehoord. Maar het bewijs daarvan, -dat is achterwege gebleven.” - -„En de geschiedenis dan?” - -„Jawel, de geschiedenis! Die is niets meer of minder dan de -persoonlijke uiting van den geschiedschrijver. De eene beweert, dat de -blanken de opium in het land gebracht hebben, anderen beweren weer -anders.” - -„Maar gij zult toch wel den Raad van Indië niet verdenken, hoop ik, -Eduard?” - -„En wat zei die Raad van Indië dan, Theodoor?” - -„Als ik mij wel herinner [140], niets meer en minder, dan dat de -opiumpacht steeds als middel van inkomst de belangstelling der -Regeering heeft gaande gehouden, en ieder middel, dat tot hoogere -opbrengst van die pacht voeren kan, gretig werd ter hand genomen.” - -„Ja, maar, is dat alles waar? - -„Ik hoop toch, dat gij mij gelooft, Eduard?” - -„Dat uwe aanhaling nauwkeurig is, zeker! Maar was de Raad goed -ingelicht, toen hij dat advies ter neer stelde?” - -„Als gij zoo doorgaat, dan is op niets meer te vertrouwen. Die menschen -worden betaald en grof betaald om op de hoogte te zijn. Maar, behalve -dat advies, wat gij wantrouwt, waarborgt u de voortdurende stijging van -de opbrengst der opiumpacht voldoende, dat het advies van den Raad -vertrouwbaar is. Ieder jaar wordt op de begrooting eene hoogere som -geraamd....” - -„Maar raming is nog geene opbrengst, Theodoor.” - -„Neen, maar bij het onderhavige middel wel. Hel en duivel worden -losgelaten, om het cijfer te bereiken, dat door den minister gesteld -is, en de minst kiesche middelen, ja, zelfs misdadige worden gebezigd, -om dat te overtreffen. Hoeveel Nederlandsche Leeuwen zijn niet -uitgereikt, omdat de opiumpacht in deze of gene residentie veel meer -opbracht dan geraamd was! O! wat prijkt dat „virtus nobilitat” keurig -op zoo’n borst!” - -„Maar,” vroeg August van Beneden, „is het opiumverbruik wel zoo -verderfelijk voor het lichaam, als beweerd wordt? Gisteren avond zagen -wij, dat het voor het zedelijke leven niet aanprijzenswaardig is. Maar -voor het lichaam? Men spreekt nog wel eens van vergiftiging, zelfs is -die beschuldiging gisteren avond ingebracht. Mij dunkt, dat die lieden -bij die vergiftiging oud kunnen worden, even als bij het gebruik van -een of meer bittertjes.” - -„Luistert,” sprak Verstork hoogst ernstig. „Wij zitten hier als -degelijke vertrouwbare mannen te zamen. Ik kan dus mijn gemoed laten -spreken. Ik kan dus zonder achterdocht u een blik gunnen in de rijke -ervaring door mij op dat gebied opgedaan. [141] - -„Ziet hier, wat ik opgemerkt heb: - -„De uitwerking van het langdurig opiumgebruik op het lichaam is overal -een eigenaardig bederf van het bloed en van al de vochten, en -verstoppingen in de vaten en wegen, waaruit op den duur ontstaat een -slepende en verwoestende, doorgaans ongeneeslijke dysenterie of -aamborstigheid, met de erbarmelijkste symptomen en onlijdelijke smarten -vergezeld. Daarbij toenemende ongevoeligheid voor alle medicijnen, -behalve de verdoovende in grootere giften,—tenzij met deze te zamen. -Die toestand dringt tot het palliatief van steeds vermeerderde -nuttiging van het gif, zonder welke hij voor den lijder gansch -ondragelijk wordt, tot welk ondragelijk lijden hij evenwel veroordeeld -is, zoolang hij niet van den eenen roes in den anderen kan overgaan. En -juist door de zoo lang volgehouden verkwisting is dit den meesten -lijders op verre na niet mogelijk. Waar nog goede en versterkende -voeding plaats heeft, kunnen die kwalen lang uitblijven; en menigeen is -er op die wijze zijn leven lang van bevrijd, ten minste van de hoogere -graden, hoewel dan toch denkelijk meestal door het steeds toenemend -gebruik van het verdoovend middel. Toch ziet men ook bij dezulken vaak -een anders licht verloopend toeval door het voorhanden bloed- en -vochtbederf, z. a. een eenvoudige wond, een bloedvin en dergelijke, een -kwaadaardige hoedanigheid aannemen, en tot een doodelijken afloop -komen. En wie zal er uitspraak over doen, hoeveel andere kwalen, die -van kachexie afhangen, en die zich in dit land zoo menigvuldig -vertoonen, door ’t opiumgebruik veroorzaakt of bevorderd worden? - -„Waar nog goede en versterkende voeding plaats heeft, zeide ik. Wij -weten echter al te goed,—en de Regeering ook,—dat niet dan zeer -weinigen op de massa der Inlanders in dat voorrecht op den duur zich -verheugen kunnen. Het is genoegzaam bekend, hoe schraal over ’t -algemeen de voeding van den Javaan is, zelfs van de tamelijk gegoeden, -en dat hij, ook waar de middelen niet ontbreken, doorgaans zeer weinig -werk maakt van wat wezenlijk spierkracht bijzet. Doch die voeding, hoe -veel of hoe weinig deugdelijks die bevat, moet zij niet bij verre de -meesten al minder en minder worden, waar een belangrijk, en steeds -belangrijker deel van het inkomen aan opium verspild wordt, zoodat -juist door het genot de eenige voorwaarde, om er zich eenigszins wel -bij te bevinden, al meer en meer onmogelijk wordt? - -„Maar,—zoo kan mij tegengeworpen worden,—bij dezulken is het gebruik -dan ook wegens hun onvermogen tot een geringe hoeveelheid beperkt, en -zij ondervinden er te minder nadeel van. Niet bij allen is dit het -geval. Daar zijn er, en niet weinigen, die tijdens hunne welgesteldheid -zich reeds aan een ruimer gebruik hadden gewend, en na hun bezittingen -in bedwelmenden rook te hebben doen verdwijnen, tot vermindering of -gedwongen onthouding zijn moeten komen, en de ellende daarvan -ruimschoots hun deel kunnen noemen. En de ondervinding bewijst -overtuigend, dat ook zeer velen, die op den duur niet meer dan eene -kleine hoeveelheid daags verbruiken, op den leeftijd van veertig jaar -of daarboven reeds in erge mate aan de bovengenoemde kwalen -laboreerden, meest aan dysenterie. Ik zelf heb te Berbek, te -Trenggalek, te Santjoemeh, te Banjoe Pahit en elders een groot aantal -van zulke lijders met geneesmiddelen geholpen, en had dus gelegenheid -te over, om mij omtrent alle bizonderheden te vergewissen. - -„Stelt men daar nu tegenover degenen bij ons, die een, twee of drie -bittertjes daags drinken, dan valt het ten duidelijkste in het oog, -hoeveel verderfelijker de opium werkt dan de sterke drank. De eerste -toch is veel meer bedwelmend en bovendien verdoovend, en daardoor ook -spoedig den eetlust verminderend, zoodat vaak zelfs bij ’t -voorhanden-zijn van de beste voeding, deze weinig kan uitwerken. Sterke -schuivers verklaarden mij meermalen, dat ze, tengevolge van hun -gewoonte, bij elken maaltijd niet meer dan eenige greepjes rijst konden -nuttigen, terwijl, wanneer ze met behulp van een middel, dat ik hun aan -de hand deed, hun opiumverbruik aanmerkelijk verminderd hadden, ze wel -tienmaal zooveel spijzen konden tot zich nemen. Dàn de veel grootere -verleidelijkheid van de opium door het aangename gevoel, dat zij in het -lichaam veroorzaakt, en waarmeê zij ook den geest tot wellustige -droomen voert, en door het wegnemen van alle gevoel van aanwezige -kwalen en pijnen, terwijl zij in veel grootere mate de geestkracht -(reeds zoo gering bij dit half uitgedoofde volk!) vermindert door de -telkens herhaalde verdooving, waardoor de patiënt te zekerder in de -kluisters van den hartstocht gevangen blijft, ook al staat hij nog maar -gelijk met onzen gewonen, matigen jeneverdrinker. - -„Zijn we alzoo ongemerkt gekomen tot de uitwerking op geest en gemoed, -dan moeten hier vooral vermeld worden de zelfzucht en eigenwaan, die -bij den opiumrooker in ontzettende mate toenemen; de steeds meer -lethale onverschilligheid omtrent zijn geheele omgeving, tot eigen -vrouw en kinderen toe; de volslagen indolentie en de afkeer van allen -arbeid, van alle zorg en bemoeienis, waardoor hij ten laatste nacht en -dag aan niets anders denkt dan aan de boeting van zijn hoofd- en al -zijn nevenlusten, waar alles rondom hem aan moet ten dienste staan. Een -jeneverdrinker vergt voor zijn genot geen anderen dienst, dan dat soms -de een of andere wordt uitgezonden om den drank voor hem te halen; maar -voor den schuiver, die zich nog de weelde van bediening kan vergunnen, -moet alles in het touw: de een om voor zijn duren lust de middelen te -verschaffen, de ander om zijn opium te gaan koopen, een derde om zijn -pijpjes te stoppen, een vierde om zijn koffie en andere versnaperingen -te bereiden. Is zijn roes zelf ook vrij wat bedaarder en stiller dan -van hem, die dronken is van sterken drank, wanneer daarna zijn kwalen -en smarten zich weêr laten voelen, en men hem niet aanstonds naar zijn -lust ter wille is, dan vervult hij huis en hof met kermen, en klagen, -schelden en verwijten, waarmeê allen het hart uit de keel wordt -gehaald! - -„Voeg hierbij de verzwakking van lichaam en verstomping van geest, die -de aan opium verslaafde ook als erfenis aan zijn nageslacht mededeelt, -terwijl meerderen hunner reeds op middelbaren leeftijd onvermogend zijn -tot geslachtsvoortplanting. Wat zal alzoo van de tweede of derde -generatie na de tegenwoordige te verwachten zijn?! - -„En nu de verarming,” dus ging Willem Verstork na eene kleine -verademing voort: „Hoe ontzettend veel welvaart is reeds en wordt nog -altijd door dat ziel en lichaam verdervend gif verslonden! Al heel -spoedig, bij lagere standen, is een schuiver—nog een matige!—zoover, -dat dagelijks zijn geheele verdienste aan opium opgaat. Het verlangen -naar aangenaam prikkelende en opwekkende lekkernijen, dat den roes -vergezelt, doet daar ook nog het zijne aan toe. Ze zijn legio, de -huisgezinnen, waar de vrouw den kost voor allen moet winnen, soms nog -bijgestaan door één of twee harer kinderen; en waar nu de vrouw zwak of -ziekelijk is, of door krankheid of kraambed geheel buiten staat is te -werken, daar is weldra de ellende niet te overzien. En inderdaad, dat -is veel, zeer veel algemeener dan in Europa door den sterken drank. - -„Al die lichaamskrachten en zielsvermogens, en al die welvaart, die nu -door de opium worden verteerd, moesten ten goede komen aan landbouw en -nijverheid. Wanneer die allen daarvoor besteed werden, hoeveel grooter -zouden de welvaart en het vertier zijn! En zou niet ook de -rijksschatkist daaruit veel meer ontvangen,—en zonder vloek er op!—dan -de opiumpacht haar kan opbrengen? Aan millioenen Inlanders ontbreken de -middelen, de geestkracht en de lust om hun velden en tuinen met zorg te -bearbeiden of te leeren bewerken, of om in handwerk vorderingen te -maken of het voor kwijning te behoeden; omdat ze nu eenmaal dat alles -aan opium verpand hebben en blijven offeren. En zijn niet landbouw en -nijverheid de hartader van den Staat? En de Staat zelf helpt met allen -ijver om die hartader te verstoppen, en alzoo zich zelf ten ondergang -te brengen!” - -Willem Verstork zweeg hier een poos. Na zoo lange tirade had hij -behoefte zijne spreek-organen met een teug kristalhelder bier te laven. -Alle aanwezenden zaten evenwel zwijgend daar, af te wachten wat nog -volgen zou. Onmiskenbaar maakte het gesprokene grooten indruk op hen, -want het was de eenvoudige onopgesmukte taal der eerlijke ervaring, die -daar klonk, en hoe jeugdig en hoe wuft enkelen van die mannen ook -waren, die taal maakte hunne belangstelling gaande, en vond ingang tot -hun hart. Eindelijk vervolgde de controleur, na nog eens adem gehaald -te hebben, aldus: - -„Gijlieden weet, dat ik mijn loopbaan niet geheel en al te Santjoemeh -doorgebracht heb. Als aspirant-controleur was ik op de hoofdplaats van -de residentie Kediri, als controleur tweede klasse was ik te Berbek en -te Trenggalek. Ik kan dus met kennis van zaken ook omtrent die -residentie spreken. Luistert: - -„Kediri heeft eene bevolking van ruim 700,000 zielen [142]; meerendeels -zijn de menschen arm. - -„De opium-pacht per jaar bedraagt 18 ton; voegt men daarbij de betaling -van de verstrekte opium, en de administratiekosten en de winst van den -pachter, dan mag het cijfer van 2½ millioen gerust worden aangenomen -als het bedrag, dat die arme bevolking jaarlijks vrijwillig betaalt, om -dagelijks eenige uren het genot te hebben, haar leed en treurig bestaan -te vergeten. Hierbij is nog niet gevoegd het rendement der onwettige -opium; dit is niet bekend, en een ieder kieze zich dus dit cijfer. - -„Hoe het mogelijk is, dat een arm volk zooveel kan opbrengen, behalve -nog cultuur- en heerendiensten, winst op het zout, landrente, -bedrijfsbelasting, invoerrechten, enz., is mij onbegrijpelijk. Doch men -moet ook zien, hoe zoo’n Javaansch gezin leeft. - -„Hun huis is gewoonlijk klein, van bamboe, en met stroo gedekt. -Huisraad vindt men er niet; een mat, uitgespreid op een bank van -bamboe, en een klein kussen van kapok, dienen om op te slapen. Gekookt -wordt er op den grond, in grove aarden potten en pannen, gegeten wordt -er met de handen uit pisangbladeren, gedronken uit een aarden kruik; de -kleederen worden zelden of nooit gewasschen, en gedragen tot ze als -lompen van het lijf vallen; de kinderen loopen naakt, en groeien met de -karbouwen in de modder op. ’s Morgens om 5 uur staat men op, en gaat -naar het werk, om tegen 6 uur present te zijn, ’t zij in de -rijstvelden, ’t zij in heerendienst aan de wegen, in de koffietuinen, -rietvelden, enz. Hij, die eens een dag vrij heeft, gaat werken bij -particulieren op een dagloon van 40 à 50 cents, waarvoor hij 10 uur -moet arbeiden. ’s Avonds te huis gekomen, wordt er wat gegeten, en de -helft van het dagloon aan opium verbruikt; om 8 uur is een ieder al in -diepe rust. De verlichting tot 8 uur bestaat uit een aarden schoteltje, -waarin wat stinkende olie en een katoenen pitje. - -„Ziedaar het tafereel van het dagelijksch leven van den -Javaan-opiumschuiver. Niets, niets hoegenaamd, wat eenige afleiding kan -geven aan den dagelijkschen sleur, altijd maar werken, en den meesten -tijd voor te weinig loon of gedwongen, voor niets. En dan nog zooals -gewoonlijk achter den rug uitgescholden te worden voor lui, is het niet -wat te erg! Zegt, zouden de Nederlanders nog wat medegevoel bezitten -voor hunnen medemensch? Zegt, zoude het niet hoog tijd worden, dat -eindelijk eens een einde kwam aan al dien gedwongen onbetaalden arbeid, -en dat die opium verbannen werd uit de nabijheid van den Javaan? -Daartoe moest ieder Nederlander naar zijn vermogen medewerken; want -ieder Nederlander is solidair aansprakelijk voor dien afschuwelijken -toestand. Ieder Nederlander heeft zich te schamen, zoolang de al te -gewillige Javaan op zoodanige brutale wijze zal geëxploiteerd blijven. - -„Alles, wat de Javaan verdient met zijn landbouw en in zijn weinigen -vrijen tijd, moet onder den een of anderen vorm geofferd worden aan den -moloch, genaamd ’s lands kas. Voor hem blijft alleen over rijst, en nog -niet genoeg voor het geheele jaar...” - -„Daarom,” ging Grenits met klem voort, toen de controleur zweeg, „zoekt -hij troost en vergetelheid in het gebruik van opium, evenals in -Nederland onder dergelijke ellende het volk naar de flesch grijpt. -Evenzoo wentelen zij in een vicieusen cirkel; ellende doet hunkeren -naar opium en jenever, en opium en jenever kweeken ellende; er behoort -wilskracht toe, om terug te komen van het gebruik van opium en jenever, -en juist die opium en jenever verlammen de wilskracht. - -„Daarom moet van het initiatief van het gezonken volk geene verbetering -verwacht worden, de kwaal grijpt steeds met grooter afmetingen om zich -heen; doch de Overheid moet die arme schepsels met krachtige hand uit -dien poel van jammer scheuren, al schreeuwen zij het uit van de pijn, -en al moet de krachtsinspanning bovenmate groot zijn. Ieder welgeaard -burger sta de Regeering naar vermogen bij in die moeielijke taak, en -een ieder, die uit baatzucht dwarsboomt, worde onschadelijk gemaakt. -Zoo Nederland en Nederlandsch-Indië niet kunnen bestaan, of liever -gezegd hunne huishouding dekken, zonder revenuën uit zulke immoreele -bronnen, als opiumverbruik, jeneververbruik en gedwongen onbetaalde -arbeid, dan ware het voor de eer van het land beter, om te doen, zooals -die huisvader, die geen huishouding meer kunnende bekostigen uit -eerlijk verkregen middelen, als commensaal bij een ander ging inwonen.” - -Allen zaten een oogenblik bewegingloos. Allen gevoelden, dat daar de -waarheid, de volle waarheid weerklonken had, hoewel Theodoor’s laatste -gevolgtrekking hunne Nederlandsche harten pijnlijk aandeed. - -Eindelijk sprong Van Beneden op, en vloog naar Verstork toe, greep -zijne hand en drukte die hartelijk. - -„Ik dank u,” zei hij met bewogen stem, „voor het inzicht, dat gij mij -in de zoo noodlottige werking van de opium verleend hebt. Ik ben nog -slechts jong rechtsgeleerde, en heb nog geen gelegenheid gehad om in -eene opiumzaak als pleitbezorger op te treden. Wel had ik veel gelezen -over de opiumpacht, over het opiumverbruik, wèl vernam ik veel, zeer -veel gisteren avond bij ons samenkomst onder den Wariengienboom op de -aloon aloon te Kaligaweh; maar gij, gij met uwe kalme, maar toch -bezielende taal hebt mijn geweten wakker geschud. In uw aller -tegenwoordigheid beloof ik plechtig, dat ik van de ons medegedeelde -ervaring bij iedere gelegenheid gebruik zal maken!” - -„Hoerah!” riep Leendert Grashuis. „Willem, zoo zal uwe verdienstelijke -oratie een daadwerkelijk en.... een dadelijk nut hebben. Ja, een -dadelijk!... Vrienden, ik heb een voorstel te doen....” - -„Laat hooren!” riepen allen. - -„Wij waren gisteren bijna getuigen van de amokhpartij, die te Kaligaweh -plaats had. Heden ochtend faalden maar weinige minuten, of onze oogen -hadden de snoodste misdaad te aanschouwen gekregen. Ik wil niet -ontleden, wat in ons aller hart omging bij die twee tafereelen, waarbij -de vader tot moordenaar gemaakt en de dochter onteerd werd; maar beide -gebeurtenissen staan in innig verband met de opiumpacht. Wij hebben zoo -even de betuiging van onzen meester in de rechten vernomen. Uit uw -aller naam zeg ik hem dank voor zoo edele gevoelens! Kom, vrienden, -laten wij in edelmoedigheid niet bij hem achterstaan! Dalima en haar -vader Setrosmito hebben eenen verdediger noodig bij het geding, dat -gevoerd zal worden. Welnu, de verdediger is gevonden. Beide -beschuldigden zullen in onzen August een man vinden, die hunne belangen -met warmte zal ter harte nemen. Ik meen reeds onzen rhetor in zijne -maidenspeech bij de verdediging van...? te hooren! Dat zal subliem -zijn......” - -„Ik dank je Leendert,” sprak Van Beneden niet zonder aandoening. „De -vrienden zullen geen te hooge opvatting omtrent mijne bereidwilligheid -tot het verleenen van hulp gemaakt hebben; dat verzeker ik hen!” - -„Ja, maar,” ging Grashuis voort. „Wij willen ons deel aan dat goede -werk hebben; nietwaar?” - -„Ja! ja!” riepen allen. - -„Luistert, en daarin bestaat mijn voorstel. Er kan hier geen sprake -zijn van het toewijzen van eenig honorarium aan onzen advocaat. Dat zou -hem de verdiensten van zijn liefdadig werk ontnemen. Maar bij zoo’n -proces komen onkosten voor, moeten voorschotten gedaan worden. Gij -allen weet, vrouwe Justitia is in Indië een dure, zeer dure deern! -Welnu, laten wij de handen in elkander slaan, en August voor al te -maken onkosten en te betalen voorschotten borg blijven, dan kunnen die -twee gedingen met alle klem gevoerd worden!” - -„Hoerah! hoerah!” riepen allen onstuimig. „Dat is afgesproken! August! -aan den gang!” - -„Nu dat geregeld en prachtig geregeld is,” hervatte Grenits, „wenschte -ik onzen gastheer eene vraag te doen.” - -„Spreek Theodoor,” zei Willem Verstork. - -„Ik ben handelaar, en als zoodanig nieuwsgierig als een neusaap. [143] -In mijn vak heb ik warenkennis en dus ook scheikunde noodig....” - -„Ter zake, ter zake!” riepen verscheidene stemmen. „Ajakkes, wat ben je -langdradig met je warenkennis!” - -„Nu hebt gij,” ging Theodoor onverstoorbaar voort, „in uw speech van -geneesmiddelen gesproken, die gij aangewend zoudt hebben, om -ongelukkigen van het opiumverbruik te genezen. Zijn dat -geheimmiddelen?” - -„Ziet ge mij voor een kwakzalver aan?” vroeg de controleur lachend. - -„Dus geen geheimmiddelen!” vervolgde Grenits, „maar welke middelen zijn -het dan?” - -„Het zijn pilletjes, [144] die mij door een zendeling aan de hand -gedaan zijn. Zij bestaan uit opium en radix rheï of rhabarberwortel, en -wel in de volgende proportie: twaalf pillen bevatten drie grein opium -en twaalf grein rheum. Zij worden toegediend om de vijf dagen: den -eersten keer twaalf, den tweeden negen, en de derde maal zes. Hoogst -zelden wordt die derde dosis gevraagd, daar de patiënten dan genezen -zijn.” - -„En.... kunt gij genezingen constateeren?” - -„Ja, zeker. In mijne schrijfkamer hangen bij wijze van trophée een -twaalftal bedoedans, die mij door de gebruikers gebracht zijn met de -gelofte nimmermeer de opiumpijp aan te raken. De zendeling, die mij het -middel aan de hand deed, kon ruim zeventig gevallen van genezing -constateeren.” - -„Mag ik u een raad geven, in het belang van bedoelden zendeling en van -u?” vroeg Grenits. - -„Ga je gang.” - -„Houdt dan dat pillenrecept voor u. De minister van Koloniën, die bezig -is de opiumkosten door alle mogelijke middelen zoo hoog mogelijk op te -zweepen, zou daarin eene aanranding van het Gouden Kalf zien. En er -zijn zendelingen in hun evangelie-arbeid verhinderd, er zijn menschen -de Koloniën uitgezet en er zijn ambtenaren gepensionneerd geworden, die -veel minder gedaan hadden, dan zulke pillen aan den man gebracht!” -[145]. - -Verstork verbleekte eenigszins bij die taal, waarvan hij de gegrondheid -erkende. Een oogenblik verwijlden zijn gedachten bij de dierbare -wezens, die zijnen steun nog zoo noodig hadden. Of hij zijne -rondborstige taal betreurde? Wie zal dat kunnen verzekeren of -ontkennen? Hij streek de hand over het voorhoofd, alsof hij eene -lastige gedachte wilde wegvegen: - -„Zoo erg is het niet,” sprak hij. - -„Maar een Nederlandschen Leeuw zult gij met uwe pillen niet verdienen,” -lachte Theodoor. - -„Om het even,” vervolgde de controleur. „Fais ce que dois, advienne que -pourra! Ik zal er geen pil minder om uitreiken!” - -En de oogen over den disch latende gaan, die vrij wel geplunderd -was,—allen hadden toch na die jachtpartij grooten eetlust aan den dag -gelegd,—vervolgde hij: - -„Ons maal is ten einde, vrienden. Gij zult na de strapatzen van -gisteren en heden, en na den korten nacht, dien wij te Kaligaweh -doorgebracht hebben, naar rust verlangen. Hier, de bedienden zullen u -uwe kamers wijzen. Ik ga aan den arbeid; want zooals afgesproken is, -vertrek ik straks met ulieden naar Santjoemeh. Ik wensch u allen eene -aangename middagrust!” - -Weinige minuten later was de pandoppo verlaten, en tegen het avonduur -joeg het vijftal jagers spoorslags den weg naar Santjoemeh op. - - - - - - - -XXI. - -OP HET KANTOOR VAN DEN RESIDENT. - - -Verstork kwam veel te laat. - -Hij had onmiddellijk na het gebeurde in de hut bij den Djoerang -Pringapoes te paard moeten stijgen, en naar Santjoemeh rennen, dan ware -het wellicht mogelijk geweest het onweder, dat zich boven zijn hoofd -samenpakte, te keeren. Nu had hij zich laten voorkomen, dat zou hij al -ras ondervinden. - -„Zoo!... Is dat het rapport van het gebeurde!” sprak de resident Van -Gulpendam op smalenden toon, toen de controleur na heel lang -geantichambreerd, en als zoodanig ontelbare malen de voorgalerij van -het residentiehuis op en neer gewandeld te hebben, tot zijn chef -toegelaten werd. „Zoo!... is dat het rapport? Eindelijk! Ik droeg er -gisteren ochtend voor het middaguur reeds kennis van! Smakelijke -rijsttafel voor mij, als zulke zaken in de residentie gebeuren kunnen! -Maar, de heeren vermaakten zich met de jacht, en dan... ja, dan kan -alles gebeuren, dan zien zij niets....” - -„Maar, resident!....” waagde Verstork in het midden te brengen. - -„Ik vraag u niets, mijnheer!” was het barsche antwoord. „Als ik u wat -vragen zal, dan is het tijd om te antwoorden. Maar, dan zal ik het -ervaren, dat het antwoord zich dan zal laten wachten.” - -Verstork stond daar op het kantoor van den hoofdambtenaar, bleek en -ontdaan, met de lippen op elkaar geklemd van verbeten woede. - -„Ik kan niet zeggen, dat gij alle zeilen bijgezet hebt, mijnheer -Verstork, om mij op de hoogte te stellen...” - -„Resident, ik...” - -„Nogmaals ik vraag u niets!” brulde de resident, terwijl hij een -toornigen en minachtenden blik op zijn ondergeschikte wierp. - -„Mij dunkt toch, resident, dat...” - -„Wilt ge zwijgen! Aan mij is alleen het woord!” - -„...Dat gij mij eene aanmerking over het indienen van het rapport -maaktet. En dan is het mijn plicht mij te verantwoorden,” ging Verstork -steeds doodsbleek, maar met onverschrokken moed voort. - -„Als gij niet zwijgt, zal ik den cons...” - -De resident versprak zich bijna en had haast den „constabel” gezegd; -maar hij hervatte: - -„...den „kapala oppas” roepen, om u te verwijderen.” - -„Bedenk, resident, dat ik geen korporaal van de week, of geen bootsman -van de wacht ben,” antwoordde Verstork scherp. „Ik verzeker u, dat, -wanneer dat gesprek zoo voortgaat, ik mij over zoo’n bejegening bij den -directeur van Binnenlandsch Bestuur, of beter nog, bij den -Gouverneur-Generaal zal beklagen.” - -Van Gulpendam verbleekte. Hij begreep, dat hij ditmaal te ver was -gegaan. Hij was ook zoo gewoon, dat iedereen, zelfs Verstork, dien hij -als een zachtaardig mensch had leeren kennen, voor hem boog en zijne -luimen verdroeg. Hij bond in, en vervolgde zoetsappig: - -„Vergeef mij, mijnheer Verstork; maar gij weet, dat ik bloedrijk van -gestel ben. Daarbij was ik ontstemd, dat mij de tijding van het -gebeurde, niet het eerst door mijne ambtenaren gewerd. Kom, ga zitten. -Ik zal dat rapport even doorloopen.” - -De controleur nam plaats, terwijl de resident voor zijn -schrijflessenaar zich met den rug naar het licht wendde, ten einde het -geschreven stuk in te zien. Buiten het kantoor drentelden in de -voorgalerij een paar politie-oppassers, die door de vrij heftige -woordenwisseling van straks in den omtrek gelokt waren. Een poos was -alles stil in dat kantoor. Op een gegeven oogenblik stoof de resident -evenwel weer op. - -„Jawel! Dacht ik het niet?... Ik was gewaarschuwd...” - -Maar zich bedenkende, zweeg hij verder, en wilde de lezing vervolgen. - -„Resident, het zij mij veroorloofd u te vragen, waar tegen gij -gewaarschuwd waart?” - -Van Gulpendam keek over het folio papier, dat hij in de hand had, den -controleur aan, wiens gelaat in het volle licht gekeerd was. - -„Mijnheer Verstork,” sprak hij met gemaakte waardigheid, „waarlijk, gij -moet die minder passende gewoonte afleeren, om steeds uwen meerderen te -ondervragen. Dat maakt, geloof mij, een fatalen indruk.... Ik wil u wel -zeggen, waartegen ik gewaarschuwd ben, niet omdat gij mij dat vraagt; -maar omdat ik het oirbaar acht, dat gij daarvan kennis draagt; wellicht -zult gij er toe besluiten kunnen uw rapport te wijzigen...” - -„Mijn rapport te wijzigen, resident?” - -„Mij is medegedeeld, dat er eene poging zal aangewend worden, om het te -doen voorkomen, alsof een aanslag op de eerbaarheid van die Javaansche -deern zoude voltrokken zijn.” - -„Maar resident, het geldt eene persoon, die in uw huis dienstbaar is, -die de baboe, bijna de gezellin uwer dochter is,” sprak Verstork hoogst -ernstig. - -„En die dus geheel onbesproken van gedrag moest zijn. Daarin deel ik uw -oordeel. Maar, dat is zij niet. Ettelijke dagen geleden is zij een -geheelen nacht aan het passagieren geweest, en had toen een geheelen -roman van eene kaperpartij te verhalen. Nu weer was zij ’s nachts -buiten, en werd opium bij haar bevonden. Zij is de dochter van een -opiumsmokkelaar, dat weet gij wel, daar bij haar vader Zaterdagavond -die amokhpartij heeft plaats gehad, waarvan gij mij gelukkig tijdig -bericht zondt; zij is de verloofde van een opiumsmokkelaar, en zij zelf -heeft bewezen eene smokkelaarster te zijn. Zij zit nu in de boei, dat -zal mij de moeite besparen, haar als eene echte slampampster van mijn -erf te laten wegjagen!” - -„Maar, resident,” hernam Verstork, toen zijn chef een oogenblik zweeg -om adem te halen, „toen wij op haar hulpgeschrei afkwamen, was zij -geheel naakt, met bloed bevlekt, en had zij loshangende haren. Alles -duidde op...” - -„Op een geweldadig verzet bij de visitatie. Ja, dat weet ik. Hebt gij -haar onderzocht?” - -„Neen, maar....” - -„Dat onderzoek heb ik aan deskundigen opgedragen... En ziet...” ging de -resident voort, terwijl hij naar buiten keek, „als ik het wel heb, -houdt daar het rijtuig van den dirigeerenden officier van gezondheid -voor het perron stil. Wij zullen weldra vernemen, wat er van aan is.” - -Al heel spoedig diende de kapala oppas den „toean obers-doekoen” aan, -die dan ook verscheen, op den resident toetrad, met hem een deftigen -handdruk wisselde, en diezelfde plichtpleging maar luchtiger ook bij -den controleur verrichtte. - -„Zoo, Verstork! Gij hier?” - -Maar, voor dat de controleur had kunnen antwoorden, viel de resident -in: - -„Ga zitten, overste!... En wel?...” - -„Geen kwestie, resident!” - -„Zoo, dat zeide ik u immers reeds... Maar de deern was toch verwond?” - -„Eenige onbeduidende schrammen op de dijen en op...” - -„Dus geen stu.., stu... Hoe noemdet gij het ook?” - -„Stuprum violentum... geen denken aan! Hier is overigens het visum -repertum, dat aan den legalen vorm volstrekt voldoet.” - -„Overste, ik dank u!” - -„Ik spoed mij heen, resident, ik heb mijne visites nog af te leggen. -Dag, resident, dag, Verstork!” - -„Geen excuses, overste; ik groet u!” - -Toen was de geneeskundige verdwenen. - -„Gij hoordet, nietwaar, mijnheer Verstork?” - -„Ja, resident; maar dat brengt mijne overtuiging niet aan het -wankelen.” - -„Niet?” - -„Neen, resident!” - -„Toch zou ik u in beraad willen geven,” zei de resident losjes, „om -bakzeil te halen, om bij te draaien.” - -„Ik begrijp u niet,” antwoordde Verstork, die zeer goed begreep. - -„Dan zal ik duidelijker spreken,” hernam Van Gulpendam afgemeten. „Ik -geef u in beraad dit rapport terug te nemen.” - -„Dat rapport terug nemen, resident! Waarom zou ik dat doen? Waartoe die -raad?” - -„Vooreerst, omdat de feiten daarin vermeld, verdraaid, overdreven en te -eenzijdig voorgesteld zijn...” - -„Resident!” - -„Die aan een tendenz-rapport doen denken,” ging de hoofdambtenaar -voort. „Dan komen er volzinnen in voor, die onmogelijk de Hooge -Regeering aangenaam kunnen stemmen. Bij voorbeeld deze:” - -Van Gulpendam bladerde en zocht een oogenblik in het rapport, en las -vervolgens: - -„„Het zij mij door U. H. Ed. Gestr. vergund er op te wijzen, dat ik in -mijne twaalfjarige loopbaan bij het Binnenlandsch Bestuur heb leeren -begrijpen, dat de opiumpacht is een Staat in den Staat; dat om der -wille van de opiumpacht, al wat een volk liefhebben of eerbiedigen kan, -met voeten wordt vertreden en vertrapt. De opiumpachter behoeft -politiereglement noch wetboek van strafrecht te ontzien; zijne -satellieten dringen de woningen binnen en schenden het huisrecht der -bevolking; zijne spionnen en zijne, althans de door hem betaalde -oppassers ontzien niets hoegenaamd. Een Europeaan zou streng gestraft -worden, wanneer hij deed tegenover de bevolking, wat het uitvaagsel van -het menschdom, dat in dienst van den pachter is, straffeloos die -bevolking aandoet. Den man ontzien zij niet, evenmin de vrouw of het -meisje. In de woningen, op den publieken weg houden ze den eenen en de -andere aan, en visiteeren en betasten hen op het bloote lijf, zonder -zich aan eenig protest te storen. De gemeenste streken voeren die -lieden uit, hunne straffeloosheid bezigende, om aan de meest -onzedelijke lusten te voldoen, of hun haat te koelen [146]. Het -gebeurde met het Javaansche meisje Dalima is daarvan weer een treurig -bewijs.”” - -De resident hield hier een oogenblik op, en keek zijn ondergeschikte -met doordringenden blik aan, die evenwel de oogen voor de zijne niet -neersloeg. - -„Zie,” ging hij voort, „als ik zulke volzinnen lees, dan”—en hierbij -bracht de hooggeplaatste den wijsvinger aan het voorhoofd,—„dan twijfel -ik of het bij u daar wel goed in orde is...” - -„Resident!” stoof Verstork op. „Dat gaat te ver!...” - -„Want, wat geeft gij onomwonden bij zoo’n schrijven te kennen? Dat in -uwe afdeeling die visitatiën in de woningen, op den openbaren weg -noodig zijn, om den smokkelhandel in opium tegen te gaan. Gij weet even -goed als ik, dat in den laatsten tijd verscheidene aanhalingen van -gesloken opium in uwe afdeeling geschied zijn. Ik heb slechts in -herinnering te brengen: de aanhaling te Moeara Tjatjing, die te -Kaligaweh bij Pak Ardjan, en deze nu weer bij Setrosmito en bij zijne -dochter Dalima. Kiemde bij mij reeds de meening, dat de afdeeling -Banjoe Pahit een brandpunt van opiumsmokkelhandel was, nu bevestigt gij -die meening door uwe onbesuisde taal....” - -„Resident, hoeveel ontzag ik in den regel ook voor uw verlicht oordeel -heb, moet ik thans toch protest aanteekenen, wanneer gij te verstaan -geeft, dat ik in mijne plichten met betrekking tot de opiumpacht zoude -tekort geschoten zijn, en dat daardoor de afdeeling Banjoe Pahit tot -een brandpunt van smokkelhandel zoude geworden zijn. Ik ben te -doordrongen van het voorgeschrevene bij Staatsblad No. 136 [147] van -1876, en heb eene te nauwgezette opvatting van mijne verplichtingen, om -die te verwaarloozen....” - -„Mijnheer Verstork, het was mijne meening niet....” wilde Van Gulpendam -invallen. - -„Laat mij voortgaan, resident. Ik word aangevallen, ik verdedig mij. -Dat is mijn recht. Van eene andere zijde is het onwaar, dat de -afdeeling Banjoe Pahit een brandpunt van opiumsmokkelhandel zoude -wezen....” - -„Gij beweert dus, dat er niet gesmokkeld wordt? En de gevallen, die ik -aanhaalde?” - -„Wanneer ik beweren zou, dat er niet gesmokkeld wordt, dan zou ik tegen -beter weten in der waarheid te kort doen, resident. Banjoe Pahit is aan -de overal genaakbare oevers van de Javazee gelegen, en bij de zeer -onvoldoende middelen, die tot het tegengaan van den smokkelhandel in -het werk gesteld, maar nog niet altijd doelmatig aangewend worden, ligt -het voor de hand, dat de smokkelaars, waartoe—en dat weet gij even goed -als ik—de opiumpachters in de eerste plaats behooren, daarmede hun -voordeel doen. Maar vergelijkt gij die smokkelarij met die van -aangrenzende afdeelingen en residentiën, die ook aan de Javazee gelegen -zijn, dan valt er te constateeren, dat Banjoe Pahit, wel verre van een -brandpunt van smokkelhandel te zijn, eerder kan aangehaald worden: als -eene afdeeling, waar de toestand nog het meest bevredigend mag genoemd -worden. En wat de gevallen van smokkelarij betreft, die door u vermeld -werden, ik heb als controleur die zaken ernstig onderzocht, en spreek -als mijne gemoedelijke overtuiging uit, dat de partij opium die te -Moeara Tjatjing aangehaald werd, afkomstig is van den schoenerbrik Kiem -Ping Hin, die onmogelijk in reuk van heiligheid kan staan; terwijl de -overige aanhalingen zeer kleine hoeveelheden betreffen, die niet -gevonden zouden geworden zijn, wanneer de bandoelans vooraf waren -gevisiteerd geworden.” - -„Dat alles, mijnheer Verstork, is wel mooi, maar toch te breedsprakig -voor het oogenblik,” antwoordde de resident met honigzoete stem. „Om -evenwel kort te gaan, ik herhaal mijne welgemeende raadgeving: „gaat -over stag, en neem dit rapport terug!”” - -Willem Verstork zat doodsbleek daar. Hij hield eene hand voor de oogen, -als vreesde hij in zijn binnenste te zien, en dacht een poos na. Als -een gloeiend ijzer voer hem de gedachte aan zijne moeder, aan zijne -zusters, aan zijne broeders, die zijne ondersteuning niet konden -ontberen, door het brein. Hij begreep den ontzettenden ernst van het -gehoorde. Daarin lag meer dan eene raadgeving, daar had bedreiging -weerklonken. Bedreiging in den mond van den machtigen meerderen tegen -den machteloozen minderen! Een oogenblik, maar ook slechts een enkel -aarzelde de gewetensvolle ambtenaar... toen hernam zijn natuurlijk -rechtsgevoel zijne opperheerschappij. - -„Resident,” sprak hij met zachte, maar nadrukkelijke stem, „welk zou uw -oordeel over mij moeten zijn, wanneer ik uwen raad opvolgde en dat -rapport terugnam? Ik laat onbesproken het geweld, dat ik mijne -eerlijkheidsbegrippen zou moeten aandoen....” - -„Mijnheerrr!....” riep de resident toornig uit. - -„Zoudt gij mij niet ongeschikt moeten achten voor mijn betrekking? -Zoudt gij niet minachting voor mijn karakter moeten opvatten? Zou uw -geweten u niet dwingen, mij tot ontslag uit ’s lands dienst voor te -dragen? In ieder geval zoudt gij onmogelijk nog vertrouwen in mij -kunnen stellen, nietwaar? En, in de betrekking, die ik bekleed, is dat -vertrouwen van mijn chef geheel onmisbaar!” - -De heer van Gulpendam had zich hersteld. Hij voelde, hoe klemmend de -woorden van den controleur waren. - -„Gij ziet de zaak te donker in,” hernam hij op zoetsappigen toon. -„Hoor, hoe ik die zaak beschouw. Gij hebt gisteren eene vermoeiende -jacht gemaakt, en daarbij zal de veldflesch wel een enkele maal -aangesproken zijn. Dat is natuurlijk. Na de jacht, eene jolige -rijsttafel, waarbij het koppige Haantjesbier en de zware Baourwijn, -misschien wel de Champagne, niet gespaard zijn geworden. Dat alles is -zoo aannemelijk, zoo natuurlijk bij jongelieden. In die gemoedstemming -hebt gij uw rapport geschreven....” - -„Dus, resident,” vroeg Verstork, „heeft dat rapport geen anderen indruk -bij u achtergelaten dan: òf dat ik niet wel bij het hoofd ben, òf dat -ik bij het schrijven daarvan onder den invloed van drank was?” - -„Gij hebt zoo’n manier van schiemannen, mijnheer Verstork,” antwoordde -Van Gulpendam. „Ik heb slechts een doel, en dat is: u in uw belang van -eene dwaasheid te weerhouden. Gij moet weten, of gij dat rapport al of -niet wilt terugnemen. Ik heb slechts eene waarschuwing bij het -gesprokene te voegen en die is: dat uwe geheele loopbaan van uwe -beslissing afhangt.” - -Verstork zuchtte. Hij begreep maar al te goed, dat hoe hij ook -handelde, de toestand netelig voor hem was. Maar hij struikelde niet op -de baan, die hij voor het rechte pad hield. - -„Resident, er moge gebeuren, wat wil! Maar dat rapport neem ik niet -terug,” sprak hij bedaard maar beslist. - -„Is dat uw laatste woord?” - -„Ja, resident!” - -„Bedenk u wel! Uw laatste woord?” - -„Ja, resident!” - -„Het zij zoo! Gij zult de gevolgen u zelven te wijten hebben.” - -„Die gevolgen ben ik gereed te gemoet te treden, resident!” - -„Ik zal dan dat rapport aan den Gouverneur-Generaal opzenden. Die moge -beslissen!” - -Verstork wilde opstaan en heengaan, in de meening, dat het onderhoud -geëindigd was. - -„Nog een oogenblik, mijnheer Verstork,” zei de heer Van Gulpendam. „Ik -heb nog een andere logrol af te laten loopen.” - -„Wat hebt gij, resident?...” vroeg de controleur. - -„Nog eene andere zaak te behandelen. Ga nog een oogenblik zitten. -Gisteren ochtend zijn een geacht ingezetene scheldwoorden toegevoegd, -en is hij mishandeld geworden; omdat hij op uwe vraag getuigenis der -waarheid afgelegd heeft. Die beschimping en die mishandeling is in uwe -tegenwoordigheid geschied, zonder dat gij uw gezach gebruikt hebt, om -dat te keer te gaan, om dat te verhoeden...” - -„Dat alles is zoo spoedig in zijn werk gegaan, het enkele woord, dat -toegevoegd werd, werd zoo snel gesproken, de klap, die gegeven werd, -kwam zoo onverwachts aan, dat niemand, zelfs gij niet, resident, -wanneer gij tegenwoordig waart geweest, zulks hadt kunnen verhoeden. -Eene herhaling, waarvoor evenwel geen gevaar bestond, zou ik echter -voorkomen hebben, dat verzeker ik u.” - -„Van dat alles weet ik niet af. Er is gescholden, er zijn klappen -gevallen; terwijl gij als hoogste ambtenaar er bij stondt. Zoo staat -die zaak! Had ik er nu den glimp aan kunnen geven, dat de jeugdige -jagers opgewonden waren, dat de handeling onder den invloed daarvan -gebeurd was...” - -„Neen, dat is zij niet, resident, althans niet onder den invloed van de -opgewondenheid, die gij te kennen geeft.” - -„Dus, in koelen bloede. Ik neem daar acte van, mijnheer Verstork! Ware -die zaak nog te sussen geweest, dan ontneemt gij mij daartoe de -gelegenheid, en ik meen, dat dit niet in uw belang is, en betwijfel of -uw vriend, die tot die handtastelijkheden overging, u daarvoor dankbaar -zal zijn.” - -„Mijn vriend? Wat heeft die met dat alles te maken?” - -„Wat die daarmede te maken heeft?... Dat zal hij genoeg bemerken. Ik -heb hier een proces-verbaal voor mij liggen, hetwelk ik aanhouden -wilde; maar nu aan den officier van justitie moet doorzenden. Dat alles -hadt gij kunnen voorkomen, mijnheer Verstork.” - -„Ik begin te begrijpen, resident, dat mijnheer Mokesuep zijn tijd niet -verbeuzeld heeft. Maar, om het even. Is het uwe meening, dat dat -luttele gebeurde vervolgd moet worden? Welnu, het recht hebbe zijn -loop! Ik zal de eerste zijn, om als getuige in die zaak op te treden.” - -De resident lachte vreemdsoortig, maar antwoordde niet. - -Verstork stond op. - -„Is er nog iets van uwe bevelen, resident?” vroeg hij diep buigende. - -„Niets meer, mijnheer Verstork.” - -„Dan neem ik de vrijheid u mijnen eerbiedigen groet aan te bieden!” - -Een lichte hoofdknik van den hoofdambtenaar, die achter zijn -schrijflessenaar bleef zitten, was het antwoord op die begroeting. Het -oogenblik daarna daalde Verstork de trappen van het perron van het -residentiehuis af. - -„Arme moeder! Arme zusters!” prevelde hij. - -„Dom potdeksel! Ja, aartsdom!” werd in het resident’s kantoor -gemompeld. „Nu die ezelachtige lummel niet tot bijleggen te bewegen is, -zal die zaak meer schiemanskunst vereischen!... Maar... ik tel menschen -te Batavia onder mijne vrienden, die de Atjeh-enquête in veilige haven -wisten binnen te loodsen, die generaal Van der Heijden door de -kluisgaten deden verdwijnen en dus ook met dit breeuwwerk niet verlegen -zullen zitten... Vooruit! Op het einde der baan is het „virtus -nobilitat” te verwerven!” - - - -Een paar uren later zat Verstork bij Van Nerekool, die zich alleen -thuis bevond,—daar Van Rheijn had laten weten, dat hij, wegens -dringende ambtsbezigheden op het residentie-kantoor, niet zou komen -eten,—aan de rijsttafel, en bespraken die twee de voorvallen van de -vorige dagen en van het bezoek dien eigen morgen aan den resident -gebracht. De controleur scheen zoo ter neer geslagen, dat Karel, hoewel -hijzelf geen zonneschijn in het hart koesterde, zich genoopt gevoelde, -hem op te beuren en moed in te spreken. - -„Kom, Willem,” sprak hij, „laat het hoofd zoo niet hangen! Gij zoudt -mij haast tot de meening brengen, dat gij berouw gevoelt over de -gevolgde gedragslijn.” - -„Dat nooit, Karel!” antwoordde Verstork zwaarmoedig, maar toch met -eenige drift. „Als het nog te doen ware, zou ik volkomen op dezelfde -wijze te werk gaan. Maar... o, mijne arme moeder! Mijne arme zusters!” - -„Stelt gij u den toestand niet te zwart voor?” - -„Te zwart!... Het gunstigste, wat mij overkomen kan, is dat ik -overgeplaatst, dat ik hier uit mijn werkkring weggerukt word...” - -„Welnu?” - -„Welnu, dat is reeds een ramp voor mij. Gij weet met hoeveel onkosten -eene overplaatsing hier in Indië gepaard gaat, afgescheiden de vraag: -waarheen ik verplaatst zal worden. Dat ik eene lucratieve controle zal -bekomen, wie zal dat gelooven? Ik zal jaren achtereen onder den druk -van financiëele lasten gebukt gaan, en inmiddels zal ik onmogelijk voor -mijne dierbaren kunnen doen, wat ik tot heden met zooveel liefde deed.” - -„Kom, beur het hoofd op!” antwoordde Karel van Nerekool. „In dat geval -zal nog wel uitkomst te vinden zijn. Ja, die zou ik u kunnen -voorspellen.” - -„Maar, Karel, dat is het meest gunstige geval, dat mij te wachten -staat. Ieder ander geval is schrikkelijk. Denk er aan, als ik eens -eenvoudig ontslagen werd!” - -„Kom, kom! Geen overdrijving! Hetgeen gij gedaan hebt, is, wel verre -van ontslag te verdienen, hoogst eervol voor u en zal door ieder -eerlijk man gewaardeerd worden!” - -„Eerlijk man?... Gij weet nog niet met wien ik te doen heb!” - -Van Nerekools gelaat vertoonde een pijnlijken trek. Hij had reeds -ervaren met wien zijn vriend in botsing kwam. - -„Maar,” ging hij opbeurend voort, „is die slag niet af te wenden? Is -zelfs dat meest gunstige geval niet te ontloopen?” - -„Ja, daarover pijnig ik mij het brein.” - -„Hebt gij ook kennissen te Batavia?” - -„Kennissen?... Een enkele. De heer Reijnael...” - -„De schoonzoon van het lid van den raad van Indië?... Ja? Wel dan zijt -gij gered! Kom, het hoofd omhoog! Laten wij te zamen een nauwkeurig -verhaal van het gebeurde opmaken, dan zendt gij dat naar Reijnael, -terwijl ik van mijn kant ook aan ettelijke kennissen te Batavia zal -schrijven, die niet zonder invloed zijn. Kom, onverschrokken den strijd -aanvaard!” - -Een oogenblik later zaten die mannen druk te schrijven, en toen Eduard -van Rheijn des namiddags zeer laat te huis kwam, waren twee brieven op -de post bezorgd, die ieder meer van een postpaket hadden, dan van een -eenvoudigen brief. De aspirant-controleur zag er somber uit. - -„Wat komt gij laat te huis?” vroeg Van Nerekool. „Zoo druk gehad?” - -„Ja,” was het korte antwoord. „Ik ben vermoeid en ga wat liggen.” - -„Is er iets bizonders aan de hand?” - -„Bizonders niet. Maar veel drukte!” - -„Waarmede?” - -„Vergeef mij,” antwoordde Van Rheijn met den vinger op den mond. „Dat -zijn ambtsgeheimen. Die mag ik niet vertellen.” - -Bij dat antwoord had hij willens of onwillens een meewarigen blik op -Willem Verstork geworpen. - - - - - - - -XXII. - -EENE VENDUTIE WEGENS VERTREK IN JAVA’S BINNENLANDEN. - - -Ongeveer veertien dagen later zaten op een Zaterdag avond een aantal -jonge lieden om de gezellige ronde tafel in de open lucht voor de -voorgalerij van „de Eensgezindheid,” de sociëteit van Santjoemeh. - -Zaterdag avond! Het was sociëteits-avond, en bij gevolg geheel -Santjoemeh op de been: het mannelijk gedeelte in de sociëteit of op het -voorerf aanwezig, het vrouwelijk gedeelte nontonnende [148] hetzij -nuffig in elegante rijtuigen gedoken, hetzij wandelende en daar -omdolende, om den waarlijk fraaien avondstond, die nog verrukkelijker -gemaakt werd door de lieve maan, die vol was, en tegen negen uur reeds -hoog aan den hemel stond, ook om de heerlijke muziek, die ten gehoore -gebracht werd, te genieten. - -In het sociëteits-gebouw zaten bij ettelijke dames de bejaarde heeren, -de deftigen, de machtigen afgemeten en voornaam hun partijtje te -spelen. De jongeren zaten in de voorgalerij, de joligsten daarvan -daarbuiten rondom de ronde tafel in den maneschijn, en waren er niet -rouwig over, dat de schoone sekse hen kon zien en waarlijk ook zag. - -„Ziet, daar wandelt de lieve Christine met hare mama en hare tante.” - -„En daar rijdt de nog lievere Hermance.” - -„Ho, ho!” - -„Wat een keurig span Persianen!” - -„Wat bedoelt ge? De vier dames?... Ja dat is een keurig vierspan. Of -het echter Persianen zijn? Naar het achterstel te oordeelen, is wel -iets voor die meening aan te voeren.” - -Allen lachten. - -„Kijk, daar is het rijtuig van den resident!” - -„Met de schoone Laurentia. Die komt zeker haar partijtje maken. Kijk -eens, hoe Van Rheijn zich beijvert, om haar bij het uitstijgen -behulpzaam te zijn, en haar den arm te bieden.” - -„Ja, ja!... De njonja van den Kandjeng toean resident!...” - -„Gij kunt zeggen, wat ge wilt, het is eene mooie vrouw! En ik benijd -Eduard wel.” - -„Toegegeven hare schoonheid; maar zij kan in de schaduw niet staan van -hare dochter.” - -„He, ja!... Maar, waar is toch nonna Anna? Men ziet haar nergens meer.” - -„Zoo ik hoor, gaat zij bij een vriendin, bij de echtgenoote van den -assistent-resident van Karang-Anjer logeeren.” - -„Karang-Anjer in Bagelen?... Drommels, dat is een eind uit de -buurt!.... Maar, is er iets met dat lieve kind?” - -„Van Nerekool heeft een blauwtje geloopen, en nu wil de resident, in -afwachting van de verplaatsing van Karel, zijne dochter zoolang uit de -buurt hebben.” - -„De verplaatsing van Van Nerekool?...” - -In dit oogenblik trad Grenits, die een poos in de leeskamer van het -sociëteits-gebouw geweest was, met een courant in de hand naderbij. - -„Goeden avond, Theodoor,” klonk aller groet; want de jeugdige koopman -was bij allen gezien en bemind. „Is er nieuws, dat gij zoo met de -Santjoemehsche courant in de hand loopt?” - -„Luistert, heeren!” sprak Grenits, terwijl hij het blad ontvouwde en -daaruit voorlas: - -„„Vendutie wegens vertrek.—Op Maandag den 24sten dezer zullen wij -wegens vertrek vendutie houden ten huize van den Wel Edelen Gestrengen -heer controleur W. Verstork te Banjoe Pahit, van een netten en goed -onderhouden inboedel, bestaande uit: Bataviasche en Japarasche -meubelen, waaronder: banken, gewone wip- en luiaardstoelen, tafels, -consoles met marmeren blad, spiegels, schilderijen, hang- en staande -lampen, terracotta-beelden, regulateur, zeilen, schutsels, ledikanten, -waschtafels met en zonder marmeren blad, kleer- en dispenskasten, -goedang-, keuken- en stalgereedschappen, enz. enz. Voorts nog eene -fraaie collectie rozen, crotons en varens in potten en tobben; eene -Bengaalsche koe met kalf, gevende drie flesschen melk; eene groote -partij pluimgedierte, waaronder: beo’s, kalkoenen, ganzen, eenden, -kippen en duiven; een milord; een tentwagen, zoo goed als nieuw; een -goed gedresseerd rijpaard, Sandelwood schimmel, ruim de maat; een span -wagenpaarden, schimmels; een paar dito, zwarte Batakkers. Met -commissiën belasten zich: Gladbach & Co.— - -„„Nota bene. Aanstaanden Maandag ochtend zullen van af half acht tot -half negen rijtuigen van de aloon aloon van Santjoemeh naar Banjoe -Pahit afrijden. Bezoekers van bovenvermelde vendutie genieten den -overtocht heen en terug gratis.” - -Toen Grenits ophield keken de aanwezigen elkander aan. - -„Niet dom, die vrije overtocht,” meesmuilde er een. - -„Verstork overgeplaatst?” vroeg een ander. „Waarheen toch? Hij verkoopt -tot zijn rijpaard!” - -„Hij gaat naar Atjeh,” antwoordde Grenits. „Daar, bij het -geconcentreerd stelsel, dat aangenomen is, heeft hij geen paard -noodig.” - -„Maar daar zijn de officieren met de civiele dienst belast. Daar is -geene vacature voor Verstork.” - -„Daar weet ik niets van. Ik vertel, wat mij Willem zelf medegedeeld -heeft. Maar, heeren, om ieder misverstand te vermijden omtrent die -advertentie, moet ik hier bijvoegen, dat Verstork van die rijtuigen tot -vrijen overtocht niets weet. Dat heb ik er aangelascht.” - -„Om een goed slaatje te maken,” lachte een van het gezelschap. - -„Wel mogelijk,” antwoordde Grenits droog. - -„Maar, waarom werd Verstork overgeplaatst, en dat nog wel naar Atjeh?” -vroeg er een. - -Grenits trok de schouders op, maar antwoordde niet. - -„Och, dat staat in verband met die geschiedenis... ge weet wel van die -mooie baboe Dalima met Lim Ho.” - -„Maar, waarbij Lim Ho de verleiding weerstaan heeft, zooals de -doekoen-majoor verklaart.” - -„Maar, waarbij hier vriend Grenits muilperen uitgedeeld heeft.” - -„O, ja, aan Muizenkop. Dat ’s waar ook. Zeg eens, wat heeft die daarop -gedaan?” - -„Mij aangeklaagd,” antwoordde Grenits. - -„Die ellendeling! Maar, hoe weet gij dat, Theodoor?” - -„Ik heb eene dagvaarding ontvangen om voor den raad van Justitie te -verschijnen.” - -„Ai... dan zit er vrij logies in de boeien voor u op. Maar troost je. -Wij zullen je van tijd tot tijd gezelschap komen houden, nietwaar, -heeren?” - -„Ja, ja!” werd er in koor geantwoord. - -„Die dan leeft, die dan zorgt,” hernam Grenits lachende, „word ik -veroordeeld, welnu, dan reken ik op de vrienden. Maar, nu die vendutie! -Ik noodig u allen om Maandag naar Banjoe Pahit te gaan!” - -„Steeds geschäftsman, die Grenits!” - -„Het geldt een onschuldige, die voor dierbare bloedverwanten te zorgen -heeft, in de mogelijkheid te stellen, die zorgen te kunnen blijven -waarnemen,” sprak Theodoor ernstig. - -„Zoo, is dat de zaak?” werd hem geantwoord. „Dan zullen wij allen -present zijn, nietwaar, makkers?” - -„Ja allen!” klonk de betuiging. „Daar geven wij de hand op!” - -„Dat is dus afgesproken!” - - - -„Ja, Verstork was overgeplaatst en nog wel naar Atjeh. Zijn uitvoerig -relaas, aan Reijnael geleverd, had niets gebaat. Had hij diens invloed -overschat? Of had deze gemeend er geen werk van te moeten maken? Hij -wist het niet. Ook het beroep, dat Van Nerekool op zijne kennissen -gedaan had, had gefaald. Men had hem eenige onbeduidende volzinnen tot -antwoord gegeven, waaruit hij moeielijk wijs had kunnen worden. - -De zaak was deze: Op een Vrijdag, den gewonen vergaderingsdag van den -Raad van Indië, waren de leden verrast geworden door de verschijning -van den Gouverneur-Generaal in persoon in hun midden, iets dat maar -hoogst zelden gebeurde. - -„Mijne heeren,” had de Opperlandvoogd na de gebruikelijke plichtpleging -gezegd, „ik heb eene aanklacht van ergerlijken aard van den resident -van Santjoemeh ontvangen, betreffende een controleur 1ste klasse. Ook -is een verweerschrift van dien ondergeschikten ambtenaar ingekomen, dat -met die aanklacht van den resident lijnrecht in strijd is. Het is -daarom, dat ik het advies der heeren wensch in te winnen. De resident -van Santjoemeh is een zeer ijverig staatsdienaar, die den lande -uitstekende diensten bewijst; maar in zijne uitspraken, vooral als het -zijne ondergeschikten geldt, is hij te absoluut, en laat hij zich wel -eens door zijne hartstochten leiden, waarbij evenwel, ik moet erkennen, -steeds ’s lands belangen in het oog worden gehouden. Zoo is het, naar -mij voorkomt, ook thans weer. Ik zou dan ook zonder aarzelen aan die -zaak eene zoodanige wending wenschen gegeven te zien, dat zonder dat de -hoogstgeplaatste zich in zijn gezach gekrenkt kon gevoelen, evenwel -beide partijen tevreden gesteld werden. Maar, er is hier meer. Het -verschil tusschen den resident en den controleur raakt den opiumpachter -van Santjoemeh genoegzaam, om een conflict met dezen te doen vreezen. -Ja, ik meen verder te kunnen gaan. Ik wensch mijn denkbeelden -onuitgesproken te laten omtrent de standpunten, door beide ambtenaren -ingenomen, en dus niet te willen beslissen, wie gelijk of ongelijk -heeft; maar het zou niet onmogelijk wezen, dat een nauwgezet onderzoek, -waarop trouwens de controleur aandringt, zooveel aan het licht zou -brengen, dat de tegenwoordige opiumpachter Lim Yang Bing van de -aanstaande verpachting zou moeten uitgesloten worden. Die eventualiteit -zou wellicht uit een billijkheids-oogpunt toe te juichen zijn; maar -hierbij valt niet uit het oog verloren te worden, dat Lim Yang Bing, -als de rijkste Chinees te Santjoemeh, aan het hoofd staat van de -voornaamste Kongsie aldaar, en als zoodanig een grooten invloed op zijn -rasgenooten uitoefent. Een onmiddellijk gevolg daarvan is, dat bij de -aanstaande opiumverpachting zijne uitsluiting een aanmerkelijke daling -van den pachtschat zou veroorzaken. En,... dat in een tijd als de -tegenwoordige!.... Ja, ik herhaal het, en dat in een tijd als de -tegenwoordige!... Ik heb toch een cijfertelegram uit den Haag -ontvangen, dat de begrooting van den Minister van Koloniën geene genade -in de oogen van de Vertegenwoordiging heeft gevonden, omdat de middelen -van inkomsten te laag geraamd zijn, en op de uitgaven niet genoeg -besnoeid is [149]. Dat telegram bevat meer, het meldt mij, dat een -uwer, mijne heeren, geroepen zal worden, om de opengevallen -portefeuille van Koloniën te aanvaarden. Wie hij ook zijn moge, ik -benijd hem die eer niet. Maar een eerste vereischte voor hem zal zijn: -de inkomsten zoo hoog mogelijk op te drijven, en daartoe leent zich de -opiumpacht, wat men er ook over zeggen of denken moge, bij -uitnemendheid. Om dus de taak van den aanstaanden minister niet te -verzwaren, zal het zaaks zijn, den opiumpachter van Santjoemeh de hand -boven het hoofd te houden. Dat zal allicht, zoo meldt mij de resident, -een verschil met den vorigen pachtschat van zes ton leveren....” - -De oogen van het jongste lid van den Raad schitterden met een ongemeen -vuur, bij het vernemen van dat cijfer. In zijn ijver voor de belangen -van ’s lands kas vergat hij in zooverre de bestaande etiquette, dat hij -den Opperlandvoogd, alvorens die geëindigd had, in de rede viel. - -„Het zij mij vergund, Uwe Excellentie, er op te wijzen,” sprak hij met -vuur, „en ik meen daarmede de tolk der overige leden te zijn, dat in -dat geval niet geaarzeld mag worden, om ieder middel aan te grijpen, om -de financiën van den Staat in evenwicht met de eischen des tijds te -brengen. Iedere bijdrage daartoe kan niet anders dan welkom wezen bij -een College, dat als dit met warmte doordrongen is van de echte, ware -vaderlandsliefde, die voor Neêrlands heil immer offervaardig moet -wezen. Nietwaar, mijne heeren?” - -De brutaliteit van dat beroep was zoo groot, dat zij juist door hare -verregaandheid alle welslagen erlangde. Alle hoofden bogen, en aller -lippen, die zooveel hadden kunnen antwoorden, wanneer de Oostersche zon -hunne geestkracht niet gesloopt had, prevelden thans mat en schier -slaperig: - -„Ja, Excellentie!” - -De Opperlandvoogd, die vlug zijn open blik langs die gebogen kruinen -had laten gaan, sprak toen met een zucht: - -„Dan is het lot van den bedoelden controleur beslist. Ik dank de heeren -voor hun advies!” - -Een oogenblik later roffelde de tamboer van de hoofdwacht aan het -Groote Huis te Weltevreden den generaalmarsch, en presenteerden de -manschappen kletterend de geweren voor den Vertegenwoordiger des -Konings, die daar heenreed naar zijn paleis op het Koningsplein in het -bewustzijn de Nederlandsche schatkist, maar niet de menschheid, een -grooten dienst bewezen te hebben. - -En vier dagen later had Willem Verstork niet alleen het besluit zijner -overplaatsing naar Atjeh, maar ook een dienstbrief van den directeur -van Binnenlandsch Bestuur in handen, waarin de hoop uitgedrukt werd: -„dat hij als controleur van zijne degelijke kennis van den inboorling -het meest nuttige gebruik zoude maken, om den militairen bevelhebber te -Kota Radja, in zijnen moeielijken werkkring tot bevrediging der -bevolking te schragen; maar ook, dat hij in zijne dienstbetrekkingen -met meer menschenkennis, maar vooral met meer deferentie voor de -gevoelens van zijne superieuren mocht te werk gaan, zullende hij in -gebreke daarvan, na deze waarschuwing, op geene inschikkelijkheid meer -te rekenen hebben.” - -„Wat zegt ge van zoo iets?” vroeg hij aan Van Nerekool. - -„Eenvoudig, dat het schande is,” antwoordde deze met van verbittering -trillende stem. - -„Het gunstigste geval, dat wij bespraken, is dus daar.... Overgeplaatst -naar Atjeh! Dus uit het kader van de ambtenaren van Binnenlandsch -Bestuur op Java en Madoera uitgestooten! Eene feitelijke degradatie! Is -dat het beginsel, hetwelk onze regeerders bezielt? Onze maatschappij is -rot, ja geheel rot!” - -„Geheel? Gelukkig, neen!” antwoordde Van Nerekool met overtuiging. „Een -deel dier maatschappij is onaangetast, en staat boven de onedele -kuiperijen van de gezachhebbenden. Dat deel heet de rechterlijke macht, -wie het eindelijk gelukken zal het monster van willekeur en onrecht te -breidelen.” - -Karel had met geestdrift en vuur deze zijne overtuiging geuit. Willem -Verstork keek hem aan, terwijl een bittere glimlach over zijn ontsteld -gelaat gleed. Hij antwoordde evenwel niet. Hij wilde den jeugdigen -rechterlijken ambtenaar niet ontnuchteren. De toekomst zou zich -daarmede wel in zijne plaats belasten. - - - -Banjoe Pahit, de afgelegen dèsa, die anders zoo kalm, zoo rustig was, -verkeerde op den gezegden morgen in rep en roer. - -Bij het hek der controleurswoning stond een Javaan met afgemeten slagen -op de „brengbreng” [150] te ranselen en trok door dat ongewone geluid -de Inlandsche bevolking, rondom zich. - -In die woning waren Grenits, Grashuis en Van Nerekool, die reeds daags -te voren aangekomen waren, met Verstork in de weer, om de laatste hand -te leggen aan het uitstallen van het meubilair, dat straks verkocht -zoude worden. Hier moest nog een schrijftafel verschikt, daar eene kast -anders geplaatst, elders een beeld of schilderij beter in het licht -gesteld worden. Grenits toch legde als scherpzinnig koopman zijne -vrienden uit, dat, na het adverteeren, de uitstalling de koopers het -meest verlokt. - -Eindelijk was alles klaar, en met een soort opgetogenheid stapte het -viertal de vertrekken door, en bewonderde hunne beschikkingen, die -vooral in de achtergalerij, waar het tafelservies, glaswerk en kristal -smaakvol gerangschikt waren, tot hun recht kwamen. - -„Alles ziet er zoo keurig uit!” kreet Grenits opgewonden, „dat men niet -meenen zou, zich te midden van het huishouden van een jonggezel te -bevinden. Willem, ik voorspel je eene prachtige vendutie!” - -De brengbreng weerklonk intusschen onverpoosd. - -Een paar rijtuigen reden in dat oogenblik het controleurserf op. Uit -een daarvan stapte de regent van Santjoemeh, en trad op de heeren toe. -Na de gebruikelijke buiging: - -„Wel, Radhen Mas Toemenggong,” sprak Grashuis, opgeruimd over het -verschijnen van het Javaansche hoofd, „gij komt zeker veel koopen?” - -„Bangkali, toean; tapeh, koerang oeang!” (misschien, mijnheer; maar, ik -heb gebrek aan geld) antwoordde de regent met geheimzinnigen glimlach. - -„Dat is wel te verhelpen, Radhen Mas,” lachte Grenits, „boleh bekin -broeang!” [151] (gij kunt beeren maken). - -Het bedachtzame hoofd lachte over de woordspeling, die hij begreep, -maar antwoordde niet. Hij had er den tijd niet toe. Uit het tweede -rijtuig, een ruime tentwagen, was een lid van de firma Gladbach en Co. -met zijn schrijverspersoneel gestegen, en trad op Verstork toe. - -„Slechts nieuws, controleur!” fluisterde hij hem in het oor. - -„Wat is er?” - -„De Chineezen te Santjoemeh hebben het wachtwoord gekregen, om niet op -uwe vendutie te koopen.” - -„Van wien?” - -„Weet ik het?” antwoordde de berichtgever schouderophalend. - -Ja, dat was eene zeer slechte tijding; want de Chineezen kunnen, -wanneer zij den verkooper goedgezind zijn, zoo eene vendutie uiterst -verlevendigen. Hunne onthouding dreigde nu een ramp te worden. Verstork -zuchtte eens, terwijl hij zijn inboedel overzag, die nu gevaar liep -voor een appel en een ei heen te zullen gaan. Die zucht werd hem niet -door hebzuchtige gevoelens afgeperst; maar wel door eene gedachte aan -zijne dierbaren daar ginds, die.... - -Hij had den tijd niet om zich aan zwaarmoedigheid over te geven. Thans -volgden de rijtuigen elkander met verbazende snelheid op. Tentwagens, -milords, reiswagens, dos à dos, en „kahar peer” (karretjes op veeren), -stoven onafgebroken het erf van de controleurswoning op, en ontlaadden -hunnen last op het perron der voorgalerij. Talrijke ruiters en ook -wandelaars van de naburige landgoederen verschenen, en het kostte den -oppassers inspanning, om die rijtuigen in de file te doen blijven, om -de gezadelde paarden behoorlijk te stallen, en de heeren uit te -noodigen naar binnen te treden. Alle maatschappelijke standen der -Europeesche samenleving in Indië waren daar vertegenwoordigd. -Landeigenaars, landhuurders, koffieplanters, rijstplanters, suiker- en -indigo-fabrikanten, steenbakkers, bosch-ontginners, handelaren, -assuradeuren, expediteurs, tokohouders, notarissen, advocaten, -rechters, procureurs, zaakwaarnemers, officieren van alle wapenen, enz. -enz. Het was alsof geheel Santjoemeh naar Banjoe Pahit verhuisd was. -Alle zaken stonden stil ter hoofdplaats. Zelfs was er geen enkel -huurrijtuig, dos à dos of kahar peer meer beschikbaar. Toen de resident -Van Gulpendam de bemerking maakte, dat die vervoermiddelen hunne gewone -standplaatsen niet innamen, kreeg hij ten antwoord, dat zij allen naar -Banjoe Pahit gereden waren. De hoofdambtenaar glimlachte op dat -bericht, maar innerlijk met verbeten woede. - -De brengbreng ging voort hare trillende tonen door het luchtruim te -laten weerklinken. - -Wie het minst in Verstork’s woning vertegenwoordigd werden, waren de -ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, alsook de kommiezen en -schrijvers van het residentie-bureau. Die hadden geen verlof tot dat -uitstapje kunnen bekomen. - -Het allermeest verdrong zich daar evenwel, met de haar eigene -bescheidenheid, de Javaansche bevolking van Banjoe Pahit. Die kwam -minder om te koopen, dan om ook eens een kijkje te nemen in de woning -van een blanken. - -Treêng, trrreêêng! klonk de brengbreng onophoudelijk. - -Toen de menigte nagenoeg bij elkander was, en de begroetingen en -plichtplegingen onder elkander afgeloopen waren, ging Verstork heen. -Het stuitte hem tegen de borst op zijne eigene vendutie tegenwoordig te -zijn. Hij ging naar den „panghoeloe,” (Mohammedaansche priester) met -wien hij nog eenige zaken betreffende den priesterraad te bespreken -had. Na afloop der vendutie zou hij met Van Nerekool, Grashuis en -Grenits naar Santjoemeh rijden. - -Nauwelijks was hij vertrokken, toen de agent van de firma Gladbach en -Co. den vendumeester eenige woorden toefluisterde, en deze aan een -zijner bedienden een teeken gaf. Onmiddellijk daarop liet de brengbreng -zich in een versneld tempo hooren. De slagen op het metalen bekken -volgden elkander als een stormwind op. Dat helsche leven duurde een -tiental minuten, daarop hield het plotseling op. De vendutie nam een -aanvang. - -Men zou den verkoop in de voorgalerij beginnen. Eene fraaie collectie -bloemen in sierlijke potten stonden dozijnsgewijs op de trappen der -galerij. Die zouden het eerst aan de beurt zijn. - -„Doewablas tampat kembang! Twaalf bloempotten!” begon de venduafslager, -terwijl de venduschrijver zich gereed maakte de noodige aanteekeningen -te maken. „Siapa taro oeang? Wie biedt er geld op?”. - -„Satoe roepiah!” (een gulden) riep eene stem. - -„Satoe roepiah!... Satoe roepiah!” herhaalde de venduafslager met -langgerekte en eentonige stem. - -„Satoe stengah!” (een en een half) antwoordde eene andere stem. - -„Saatoe stengaah!” herhaalde de afslager. - -„Doea roepiah!... Tiga roepiah!... Ampat roepiah!... Lima roepiah!” -(twee gulden, drie gulden, vier gulden, vijf gulden) volgden de -opbiedingen achtereenvolgens. - -„Limaaa roepiaaah! soedah di tawar!” (vijf gulden is geboden) dreunde -de stem des afslagers, na het hoofd opvolgend naar de bieders gewend te -hebben, en thans den voorlaatsten aankijkende. - -„Delapan roepiah!” (acht gulden) riep deze. - -„Delaapaan roepiaah!” herhaalde de echo. „Delaapaan roepiaah, di -tawar!” - -Dat opende weer het vuur. - -„Dan stali!” (en nog een kwartje) bood er een. - -„Delaapaan roepiaah, staali!” - -„Delapan stenga!” (acht en een half). - -„Delapan tiga tali!” (acht drie kwart). - -„Sembilan roepiah!” (negen gulden). - -„Sembiiilaan roepiaah!” - -„Sapoeloeh!... Sablas!... Doeablas!... Tigablas!” (Tien, elf, twaalf, -dertien). - -„Tiiigaablaas roepiaah! soeda di tawar!” - -„Te drommel, als ik maar wist, hoe ik die potten te Santjoemeh kreeg!” -klonk eene stem. - -„Tigaablaas roepiah, soedah di tawar! Tiigaablaas satoe kalie!” -(eenmaal). - -„Ik zal ze wel in mijn karretje nemen!” antwoordde een ander. - -„Tiigablaas!... doea kali! (tweemaal). - -„Ampatblas!... Limablas!” (veertien, vijftien) volgden de opbiedingen. - -„Liimaablaas roepiaah, di tawar!” - -„Doeapoeloeh roepiah!” (twintig gulden) klonk eene stem, die alles deed -verstommen. - -„Een mooi bod,” mompelde Grenits. - -„Doeaapoeloeoeh roepiaah! Doeaapoeoeloeh roepiaah!... satoe kali!... -Doeaapoeloeoeh roepiaah!... doea kali!... Doeaapoeoeloeh roepiaah!... -tiga kali...” - -Boem! daar viel de hamer. - -„Wie is de kooper?” vroeg de venduschrijver. - -„Ik, mijnheer!” antwoordde een officier, die er niet meer jeugdig -uitzag, en dan ook oud eerste luitenant was. - -„Wie is ik?” vroeg de vendumeester uit de hoogte. - -„Langeveld, 1e luitenant der infanterie.” - -„Mijnheer Langeveld, betaalt gij comptant?” vroeg de vendumeester. - -„Comptant?” vroeg de officier verbaasd. „Het vendukantoor geeft drie -maanden crediet.” - -„Alleen aan hen, die meer dan twee honderd vijftig gulden traktement -nebben.” - -„Die meer dan twee honderd vijftig gulden traktement hebben? Wie -beveelt dat?” - -„De superintendent van het vendukantoor te Santjoemeh,” antwoordde de -vendumeester. - -„De resident!” mompelde Van Nerekool. „Dat is infaam!” - -„Betaalt gij comptant?... Niet?...” ging de vendumeester voort, „dan -dient gij een borgtocht te stellen, anders moeten die bloempotten -andermaal geveild worden.” - -De officier, een man van onbesproken gedrag en naam, was vuurrood -geworden bij die onverwachte en noodelooze beleediging. - -„Luitenant Langeveld, ik zal uw borg zijn!” riep Van Nerekool uit. - -De officier boog dankbaar. De tweede partij bloemen, die veel fraaier -dan de eerste waren, bracht echter geen rijksdaalder op. Blijkbaar -waren alle aanwezigen onder den indruk van de schandelijkheid, die daar -gepleegd werd. Grenits begreep den toeleg van die handeling. Ras -raadpleegde hij Van Nerekool en eenige landheeren, die in de nabijheid -stonden. Toen het derde dozijn bloempotten zou geveild worden, riep een -breedgeschouderde heer uit: - -„Een woordje, heer vendumeester. Er wordt hier eene laagheid zonder -weerga beproefd, die de heeren Van Nerekool, Grenits en ik wenschen te -verijdelen. Voor ieder, die op deze vendutie wenscht te koopen en in de -termen valt om borgtocht te moeten stellen, bieden wij ons tot borg -aan!” - -„Bravo! Bravo!” was de algemeene kreet. - -„Is dat tot uw genoegen, heer vendumeester?” - -Deze knikte goedkeurend. Wat zou hij anders hebben kunnen doen? - -Nu was er evenwel geen houden meer aan. De derde partij bloemen bracht -reeds tachtig gulden op. De laatste twee honderd en vijftig. Het is -waar Grenits had bij het opveilen van die partij uitgeroepen: - -„Crotons! Prachtige mooie Crotons, [152] waaronder de Adal adal, de -Camilla, de Kamilakkian, de wasdragende Croton! Wie biedt er geld op? -Ik zet ze in voor zestig gulden!” - -Een gejuich volgde. En daar ging het. Zeventig... tachtig... negentig -gulden! Hooger! Nog hooger, totdat de twee honderd vijftig bereikt -waren. De gelukkige verwerver ontving een algemeen hoerah, en menigen -handdruk, alsof hij het groote lot uit de staatsloterij getrokken -hadde. - -Toen was de stoot gegeven! Stoelen, tafels, matten, lampen, kasten, -spiegels, schilderijen, enz. enz. dat alles ging voor verbazend hooge -prijzen. Het was in waarheid een stormloop, waarbij ieder der -aanwezenden iets van dien inboedel machtig trachtte te worden. Men zag -daar lange gezichten, niet over de bestede sommen, maar omdat de -prijzen zoo hoog liepen, dat zij onmogelijk voor ieders beurs -bereikbaar waren. - -In de achtergalerij bereikte evenwel de opgewondenheid haar toppunt. - -„Twaalf bitterglaasjes!” riep de venduafslager. - -Het waren gewone glazen kelkjes, die in Nederland met een stuiver het -stuk, in Indië met een kwartje goed betaald waren. - -„Twaalf bitterglaasjes! Doeablas glas pahit!” herhaalde de afslager. - -„Waaruit de bitter overheerlijk smaakt,” riep Grashuis. „Dat weet ik -bij ondervinding!” - -„We zouden ze kunnen probeeren,” riep eene stem. „Daar in dat -drankzetje staat eene karaf met bitter!” - -Een gejuich ging bij dat voorstel op. Een schenker was reeds bezig. - -„Twaalf bitterglaasjes!” herhaalde de afslager met lang gerekte stem. - -„Welk bitter is het?” - -„Maagdbitter!” riep een sienjo. - -„Pahit prawan!” vertaalde een tottokh. [153] - -„Een donderend hoerah begroette die proeve van overzetten. - -„Kees, je moet tolk worden! Beëedigd tolk! Daar ga je! Ik drink je -gezondheid met je pahit prawan!” - -„Doeablaas glaas pahiiit! Siapa njang taro oeang? Die een koopt, koopt -twaalf! Siapa njang bli satoe, bli doeablaas!” dreunde de -venduafslager. - -„Een ringgiet!” riep Grenits. - -„Doeaa roepiaah stengaah! Doeaaa stengaaah!” - -„Tiga!... Ampat!... Lima!... Anam!” (drie, vier, vijf, zes), weerklonk -het achtereenvolgens met de grootste snelheid. Het was den -venduafslager onmogelijk de opbiedingen te herhalen; hij stond maar met -het hoofd te draaien en te wenden, om te pogen de bieders aan te zien. - -„Aanaam roepiaah, di tawar!” kreeg hij eindelijk gelegenheid te roepen. - -„Toedjoeh!... Delapan!...” (zeven... acht). - -„Een tientje!” riep Grenits. - -„Saapoeloeh roepiaah!” vertolkte de venduafslager onverstoorbaar kalm. -Hij had wel andere kunststukken op dat gebied in zijn leven gezien. - -„Sapoeloeoeh roepiaah! Toean toean, tida di taro lagie?” (Bieden de -heeren niet hooger). - -„Me dunkt!” prevelde er een. - -„Saapoeoeloeh roepiaah! Saapoeloeoe roepiaah! Satoe kali.... -Saapoeoeloeh roepiaah! doea kali.... Saapoeloeoeh roepiaah! tiga kali!” - -Boem! - -„Een duur stelletje!” mompelde een luitenant. „Honderd twintig gulden. -Wat moet de pahit daaruit lekker smaken!” - -„Vooral pahit prawan!” - -„Schenk dan nog eens in!” - -Het laatste stuk der vendutie, eene gajoeng, eene eenvoudige gesteelde -klapperdop, om zich water in de badkamer mede over het lichaam te -storten, bracht vijf en twintig gulden op. - -De vrienden hadden eer van hun werk. Toen dan ook een half uur later, -de venduschrijver het totaal van de opbrengst mededeelde, liep de -controleurswoning gevaar in te storten door het gejuich, dat onder haar -dak opging. - -„Negen duizend, zeven honderd veertig gulden!” riep Verstork verbaasd; -toen hij daarvan mededeeling kreeg. - -„Het rommeltje was geen twee duizend waard! Vrienden, mijn dank!” - -En met warmte drukte hij Van Nerekool, Grashuis, Van Beneden en Grenits -de hand. - -„Gij hebt mij voor bange zorgen bewaard!” fluisterde hij hun in het -oor. - -Acht dagen later stond onze controleur opgeruimd en onbekommerd aan -boord van de Tambora, de boot, die hem naar zijne nieuwe standplaats -moest overbrengen. Bemoedigd en vertrouwvol nam hij afscheid van de -getrouwen, die hem tot aan boord uitgeleide gedaan hadden. - -„Nogmaals dank! innigen dank!” voegde hij hun toe. - -Het vendu-accept had hij door bemiddeling van Grenits zoo voordeelig -mogelijk verzilverd, en toen hij te Batavia aankwam, droeg hij een zeer -groot gedeelte van die som aan zijne moeder af, met aanbeveling niet -roekeloos met dat geld om te springen, daar het wel eens zou kunnen -gebeuren, dat hij ten gevolge zijner overplaatsing het bedrag zijner -maandelijksche toelage zou moeten verminderen. - -Toen de Tambora de kim nabij was, wuifden nog ettelijke zakdoeken hem -van uit een „tambangan” (sloep) op de reede van Santjoemeh na. - -„Brave, edele kerels!” prevelde hij over de verschansing gebogen, en -wischte zich een traan uit het oog. - - - - - - - -XXIII. - -EENE VERHINDERDE LANDRAADZITTING. - - -Voor de pandoppo van de regentswoning, uitkomende op de aloon-aloon -[154] te Santjoemeh, waarin de leden van den landraad op de hoofdplaats -van het gewest de vierschaar spanden, hield op zekeren dag, niet lang -na al het gebeurde, wat in de vorige hoofdstukken medegedeeld werd, een -rijtuig stil, en stapte een man er uit, die op het gezicht van de vrij -talrijke menigte, welke zich voor de trappen van het luchtige gebouw -bewoog, eenigszins verwonderd opkeek, maar niettemin kalm en deftig het -perron opsteeg, hetwelk toegang tot de binnenruimte verleende. - -Die man was Mr. Zuidhoorn, voorzitter van den landraad, die gekomen -was, om op den gestelden dag de terechtzitting te openen. De menigte, -welke zich voor de pandoppo verzameld had, waren meerendeels Javanen. -Dat was een zeer opmerkelijk feit, hetwelk de aandacht van den -rechterlijken ambtenaar moest trekken; want de Javaan, vroeger zoo -gewoon de terechtzittingen zijner Boepati’s [155] onder de Wariengien’s -der aloon-aloon bij te wonen, betoont zich thans zeer schuw om de -Nederlandsche gerechtszalen te betreden. In den regel verschijnt hij -daar niet dan geboeid of door een paar politiedienaren geëscorteerd, -dus als beschuldigde, misdadiger of getuige. - -Onder de verzamelde menigte bevonden zich ook ettelijke Chineezen, en -allen wachtten in spanning de dingen, die komen zouden. - -„Wat beteekent die oploop, mijnheer Thomasz?” vroeg de heer Zuidhoorn -bij het binnenkomen aan den substituut-griffier, die hij in de pandoppo -ontmoette. - -Deze, een Inlandsch kind, [156] keek bij die vraag eenigszins vreemd -op. - -„Gij ziet mij verrast aan,” ging Mr. Zuidhoorn voort. „Wat kan die -menigte hier te zamen brengen?” - -„Die menschen zijn benieuwd, hoe het zal afloopen,” antwoordde de -substituut niet zonder aarzeling. - -„Wat afloopen?” - -„Wel, de terechtzitting, mijnheer.” - -„De terechtzitting?... Biedt die dan heden zoo iets bizonders aan?” - -De substituut was blijkbaar niet op zijn gemak. - -„Mijnheer schijnt niets te weten van hetgeen er omgaat,” zei hij met -haperende stem. - -„Wat er omgaat?... Wat gaat er dan om?” - -De angstvalligheid van den heer Thomasz nam zichtbaar toe. Een vaal -waas verspreidde zich over zijn overigens toch al niet blank gelaat. - -„Maar, spreek dan toch!” zei Mr. Zuidhoorn met klem. - -„De Inlandsche leden.... van den landraad... hebben een brief van den -resident ontvangen,” kwam er hakkelend uit. - -„Een brief?... De Inlandsche leden?... Maar, wat behelst die brief? -Spreek dan toch!” - -„Die brief behelst het verbod, om met u zitting te nemen in den -landraad.” - -„Verbod, om met mij zitting te nemen!... Scheelt het u in het hoofd, -mijnheer Thomasz?” - -„Neen, waarlijk niet, mijnheer,” antwoordde de substituut met een -pijnlijken glimlach. „Gij ondervraagt mij; ik antwoord u. Dat verbod is -ook....” - -„Ga voort, wat ik u bidden mag. Dat verbod is ook?...” - -„Aan de Chineesche officieren adviseurs bij den landraad en aan den -hoofddjaksa verstrekt; zoodat...” - -„Zoodat?” - -„Er geen zitting kan plaats hebben, daar gij alleen zult zijn.” - -„Hoe is het mogelijk?...” kreet de rechterlijke ambtenaar. „Weet ge -wat, mijnheer Thomasz. Mijn rijtuig staat nog voor. Rijd daarmede -dadelijk naar die Inlandsche leden, ook naar de Chineesche adviseurs en -naar den hoofddjaksa, en zeg hun, dat ik gelast, dat zij komen moeten! -Het is heden zittingsdag, en zitting zal er gehouden worden!” - -„Ik zal uwe bevelen volbrengen, mijnheer Zuidhoorn; want gij zijt mijn -onmiddellijke chef,” antwoordde de substituut. - -„Goed! Haast u dan.” - -Toen de substituut vertrokken was, liep Mr. Zuidhoorn de leege pandoppo -opgewonden op en neer. - -„Het is ongehoord!” riep hij, tot zichzelf sprekende uit. „Ik kon en -mocht niet veronderstellen, dat men de zaken zoo ver zou drijven! Toch -had ik zulks kunnen voorzien. Domoor, die ik ben! Toen ik weken geleden -die opdracht van den resident ontving, om de volgorde van de aanhangige -gedingen te veranderen, en waaraan ik weigerde te voldoen, kreeg ik wel -inzicht, dat er iets bizonders aan de hand was; maar dat men tot zulken -willekeur zou durven overgaan..... Zelfs toen ik acht dagen geleden de -schriftelijke verklaring van den resident ontving, dat ik niet meer -bevoegd was om den landraad voor te zitten, omdat mij een verlof naar -Europa verleend was, kon ik niet denken, dat men tot zulke -wetsverkrachting zou overslaan. Ook niet, toen de resident mij gisteren -berichtte, dat hij van de hem bij artikel 92 van de Indische -rechterlijke organisatie verleende bevoegdheid wenschte gebruik te -maken, om de eerste landraadzitting te presideeren. Beide -aanschrijvingen nam ik eenvoudig voor kennisgeving aan, en beantwoordde -ze dus niet, in de meening, dat niemand zoo dwaas zou kunnen zijn, om -op zoo ergerlijke wijze met de wettelijke bepalingen om te springen. -Want, dwaas is het, een artikel van eene verouderde organisatie, die -vastgesteld werd, toen er nog niet aan gedacht werd, om afzonderlijke -rechterlijke ambtenaren tot voorzitters van landraden aan te stellen, -te baat te willen nemen. Maar..... wat is er toch aan de hand?” vroeg -hij zich af. - -En den bundel processtukken naslaande, dien de substituut-griffier op -de groene tafel had neergelegd, las hij op de agenda de eerst -voorkomende gedingen, en mompelde zijne opmerkingen daarachter: - -„’Mbok Bardjå, beschuldigd van clandestine vervoer van koffie!... Arm -volk, dat gedwongen wordt om koffie te planten; maar zelf geen koffie -mag drinken, en zich met het aftreksel van koffiebladeren moet tevreden -stellen!” - -„Bariddin, beschuldigd van eene „toedoeng patjoelon” (ambtenaarspet) in -het openbaar gedragen te hebben.... Bespottelijk, die ambtenaren van -Binnenlandsch Bestuur! zoo iets is heiligschennis in hun oogen!” - -„Sarina, beschuldigd van een kind te vondeling te hebben gelegd.... -Beter dan het wicht in een gracht gesmeten te hebben, zooals in Europa -bij dergelijke ongevallen gewoonlijk gebeurt.” - -„Pak Ardjan, be..schul..digd.. van.. opium.. smokkel.. en.. -ver..won..ding.. van.. een.. po..li..tie.. op..pas..ser..... Ik geloof, -dat ik er ben! Daar gaat me een licht op... En die tweede zaak: - -„Ardjan.. be..schul..digd.. van.. opium.. smokkel..... Ardjan!.. de -verloofde van baboe Dalima.” - -En de rechterlijke ambtenaar had die beide laatste zaken, voorkomende -op zijn agenda, gelezen met een nadruk, alsof hij de lettergrepen wilde -tellen, daarna bleef hij in gedachten verzonken, en bracht den -wijsvinger aan het voorhoofd. - -„Dat ik dàt heb kunnen vergeten! En Van Nerekool, welke die zaak nog -zoo met me besproken heeft! En.... overmorgen vertrek ik naar -Nederland.... Maar, neen, de terechtzitting zal heden plaats hebben! -Het koste wat het wil!... Wij zullen zien!” - -Ja, de rechterlijke ambtenaar zou zien; maar niet zoo als hij bedoelde. -Hij zou zien, dat de zitting niet plaats zou hebben. - -Zoover met zijne alleenspraak gekomen, ging de deur open, en verschenen -de regent van Santjoemeh en een der aanzienlijkste Javaansche hoofden -van de residentie, met name Radhen Ngahebi Wirio Kesoemo, beiden leden -van den landraad, en aan de beurt om zitting te nemen, alsook de -hoofdpanghoeloe (hoofdpriester) met zijn onafscheidelijken Koran in de -hand. Beide eersten bevestigden het bericht, door den substituut aan -Mr. Zuidhoorn medegedeeld, namelijk: dat de resident hen verboden had, -om de zitting bij te wonen. Zij waren evenwel opgekomen, nu de Kandjeng -toean rakker hen opgeroepen had. - -„Maar, waarop grondt de resident dat verbod?” vroeg de rechterlijke -ambtenaar. - -De regent trok de schouders op, en antwoordde voorzichtiglijk niet. -Radhen Ngahebi evenwel zeide: - -„Ik bracht gisteren avond een bezoek op het residentiehuis en vernam -toen van den Kandjeng toean, dat mijnheer, na verlof naar Nederland -verkregen te hebben, het recht niet meer heeft, om den landraad voor te -zitten, en dat daarom dat verbod was uitgevaardigd.” - -Mr. Zuidhoorn glimlachte verachtelijk, maar sprak tegenover de -Inlandsche hoofden geen woord, dat aan het prestige van den -vertegenwoordiger van het Nederlandsche gezag in de residentie te kort -zou kunnen doen. Hij zou er ook de tijd niet toe gehad hebben; want na -de Javaansche grooten traden de Chineesche adviseurs binnen, die almede -met een grooten, maar omzichtigen omhaal van woorden den „toean lakkel” -[157] betuigden, dat het hunne schuld niet was, dat zij zoo laat ter -zitting verschenen. - -Eindelijk trad de hoofddjaksa binnen, die na zijn eerbiedigen groet aan -den voorzitter en de leden van den landraad gebracht te hebben, -mededeelde, dat hij heden ochtend bij den resident geroepen was -geworden, en daar den mondelingen last ontvangen had, de zitting van -den landraad niet bij te wonen. - -„Ik ben evenwel Inlandsch officier van justitie, en derhalve onder u, -mijnheer Zuidhoorn, ressorteerende, kom ik uwe bevelen vragen,” zoo -eindigde hij zijne betuiging, terwijl hij voor zijn chef diep boog. - -„Djaksa,” antwoordde de voorzitter, „in dezen heb ik u geene bevelen te -geven. Gij bekleedt bij de rechterlijke macht zoo’n standpunt, dat gij -zelf moet weten, wat gij te doen of te laten hebt. Ik voor mij ben -stellig van plan zitting te nemen, en daar nu de raad voltallig is, wil -ik de vergadering openen. Ik verzoek de heeren plaats te nemen.” - -Nauwelijks was dat geschied, en had Mr. Zuidhoorn den traditioneelen -hamer reeds ter hand, gereed om de terechtzitting te openen, toen de -achterdeur van de pandoppo openging, en de secretaris der residentie in -de omlijsting daarvan verscheen. De man was in ambtsgewaad, terwijl, -omgeven door een troep oppassers, waarvan een den dichtgeslagen -residents-pajoeng achter hem verhief, ten teeken dat de verschijnende -in naam van den titularis optrad. Zonder zich eenigen groet te -verwaardigen, begon de secretaris: - -„Gij, Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo, en gij, Radhen Ngabehi -Wirio Kesoemo, en gij, panghoeloe Mas Ali Ibrahim, en gij, Ong Ang Thay -en Kwee Lie Liang, hebt als leden, als priester en als adviseurs bij -den landraad te Santjoemeh gisteren een schriftelijk bevelschrift van -den Kandjeng toean resident ontvangen, inhoudende pertinent verbod om -deze raadszitting bij te wonen. Ik ben door den Kandjeng toean resident -gezonden, om te vernemen, wat ulieden bewogen kan hebben, een zoo -grooten misslag te plegen, als gelegen is in het wetens en willens niet -opvolgen van de bevelen van hem, die de vertegenwoordiger is van den -Kandjeng toean Gouverneur-Generaal, die op zijne beurt te Batavia de -plaats bekleedt van den Kandjeng toean Radja dari Tanah Nederland dan -Hindia? Spreek, ik ben gereed om te hooren, wat gij tot verschooning -van zoo’n ongehoorzaam gedrag hebt in te brengen. Zijt overtuigd, dat -de Kandjeng toean resident uwe redenen met rechtvaardigheid zal weten -te wikken en te wegen.” - -Eene diepe stilte trad na die woorden in. Het was, zondert men Mr. -Zuidhoorn uit, alsof de mannen, die daar bij elkander zaten, bang waren -om adem te halen. Zij durfden elkander niet aan te kijken, en zouden -wel in den grond hebben willen verdwijnen. Hoe waren zij er toch toe -gekomen, om de bevelen van den Grooten Heer te weerstreven? Hunne -ongehoorzaamheid was verregaand! Zou de Kandjeng toean wel te verzoenen -zijn? Zoo waren de gedachten, die het brein doorkruisten van die -onafhankelijken, die heetten recht te moeten spreken over hunne -Inlandsche ondergeschikten. - -Mr. Zuidhoorn, die het Javaansche volkskarakter kende, die den deemoed -der Javaansche grooten voor de Nederlandsche bestuurders had leeren -peilen, en hen somwijlen in zijne gedachte met den hond vergeleken had, -die niet zelden de hand likt, welke hem afrost, had medelijden met hen. -Dat zij toch zoo’n ontzettende afhankelijkheid aan den dag legden, ook -waar zij geroepen waren, om plichten uit te oefenen, die niet dan met -volstrekte onafhankelijkheidszin uit te voeren waren, was minder hun te -wijten, dan aan het volk, dat eeuwenlang die afhankelijkheid ter wille -van zijn uitzuigingsstelsel stelselmatig gekweekt had. Na een poos -rondgekeken en afgewacht te hebben, of een der hoofden zich wenschte te -verantwoorden, sprak hij ernstig en plechtig, nadat de secretaris -ongeduldig nog gevraagd had: - -„Radhen Mas Toemenggoeng en Radhen Ngabehi, ik wacht op het antwoord, -dat ik den Kandjeng toean resident moet overbrengen.” - -„En wat ik u geven zal, heer secretaris,” antwoordde de Europeesche -rechterlijke ambtenaar. „Ik, als voorzitter van den landraad te -Santjoemeh, aan wien de leden, de priester, en de adviseurs in zaken, -dien raad rakende, rechtstreeks ondergeschikt zijn, heb heden ochtend -pertinente bevelen verstrekt, om ter terechtzitting te verschijnen. Die -leden en adviseurs hebben dus niets misdreven, daar zij stipt de -bevelen van hunnen onmiddellijken chef hebben opgevolgd. De geheele -verantwoordelijkheid komt op mij neer. Wil zoo goed zijn, heer -secretaris, deze mijne woorden aan den resident mede te deelen, en -verder door uwe tegenwoordigheid de opening der terechtzitting niet te -vertragen.” - -„Mijnheer Zuidhoorn, na uw verkregen verlof, hebt gij geen recht meer -om den landraad voor te zitten, en moet ik protest aanteekenen tegen -hetgeen hier gebeurt, en het voorzitterschap opeischen voor den -resident, die het zelf en heden nog wenscht uit te oefenen.” - -„Ik wensch, heer secretaris,” antwoordde Mr. Zuidhoorn, „in geen debat -met u te treden over mijne rechten. Gij kunt aan den resident -antwoorden, dat ik mijn voorzitterszetel niet afsta. Ik wensch mijn -plicht tot het laatst nauwgezet te vervullen. Nogmaals moet ik u -verzoeken den raad van uwe tegenwoordigheid te ontslaan, opdat hij -zijne werkzaamheden kunne beginnen.” - -„Mijnheer Zuidhoorn, weet wel wat ge doet!” klonk het dreigend uit des -secretaris mond. - -„De geheele verantwoordelijkheid komt op mij neer, heer secretaris. -Deurwaarder, zorg dat de zitting ongestoord kan geopend worden!” [158] - - - -De resident Van Gulpendam vloog schuimbekkend op, toen hij die -boodschap kreeg. In de hevigste gramschap liep hij de ruime voorgalerij -van het residentiehuis op en neer, waarbij hem de secretaris als een -hondje volgde, maar hem door zijne zwaarlijvigheid niet bij kon houden. - -„O, die hoon!” kreet de vertoornde machthebbende in volle woede. „Die -hoon! Ik zal hem wreken! Maar—wat te doen?... Intusschen gaat de raad -zijn gang, en volgt waarschijnlijk vrijspraak!... Die lui van de -rechterlijke macht zijn tot alles in staat! Maar, daar valt mij iets -in.... een kompagnie soldaten.... Ik zal ze met de bajonet als een -troep meeuwen uit elkander laten jagen!” - -Hij stormde naar zijn kantoor,—weinig indachtig, dat dergelijke -Buonepartsche maatregelen niet erg met het Nederlandsche volkskarakter -strooken,—om den militairen kommandant per briefje te verzoeken bij hem -te komen. Toen hij dat kattebelletje klaar had, riep hij met zoo’n -stentorstem: „Oppass! Oppass!” dat al de oppassers en het geheele -dienstpersoneel van het erf aangevlogen kwamen, in de meening, dat er -onraad was. Zelfs de pradjoerits, die op schildwacht stonden, velden -heldhaftig hunne geweren tegen een denkbeeldigen vijand, en wachtten in -die krijgshaftige houding de dingen af, die komen zouden. Ook de -schoone Laurentia, die in de pandoppo met haar kokkie de geheimzinnige -bestanddeelen en manipulatiën eener kippen-frikadel te detailleeren -zat, was opgevlogen, en stormde, terwijl zij met bevende hand hare -onbescheiden kabaja trachtte in bedwang te houden, de voorgalerij in, -met den uitroep: - -„Wat is er? Wat is er?” - -Maar, voor dat de resident kon antwoorden, en voor hij zijn briefje had -kunnen afgeven, beklom de substituut-griffier bij den landraad de -treden der galerij. Op dat gezicht vloog Van Gulpendam, wel kunnende -bevroeden dat daar tijding kwam, en zijn ongeduld niet kunnende -bedwingen, den aankomende te gemoet en vroeg onstuimig: - -„Wat is er, mijnheer Thomasz?” - -„Resident, ik kom u mededeelen, dat de landraad uit elkander gegaan is, -en zijne zitting tot heden over acht dagen uitgesteld heeft.” - -„Wat?... uit elkander gegaan?... Na het gebeurde met den secretaris?... -Hebben de leden geweigerd zitting te nemen?... O, die trouwe hoofden!” - -„Neen, resident, met uw verlof. De hoofden hebben niet geweigerd -zitting te nemen.” - -„Niet?... Wat is er dan gebeurd?” - -„Toen Mr. Zuidhoorn de vergadering wilde openen en reeds de woorden -sprak: „Deurwaarder, zorg dat de zitting kan geopend worden,” bleek -het, dat de deurwaarder verdwenen was.” - -„De deurwaarder verdwenen?” - -„Ja, resident. Die had zich uit de voeten gemaakt.” - -Het gelaat van Van Gulpendam glom van genoegen. - -„Maar, dat belette toch niet, dat de zitting doorging?” vroeg hij. - -„Ik had dien deurwaarder bij het heengaan opgedragen,” kwam hier de -secretaris tusschenbeide, „een stuk te schrijven, om den heer Zuidhoorn -en de leden van den landraad te sommeeren, het lokaal te ruimen.” - -„Een krasse maatregel, secretaris,” meende Van Gulpendam. - -„Keurt u hem af, resident?” - -„Ik!... Integendeel, maar wat gebeurde er verder?” - -„De arme drommel kon van verbouwereerdheid niet schrijven,” ging de -secretaris voort, „zoodat ik van dikteeren moest afzien; maar hem -opdroeg de sommatie mondeling te beteekenen.” - -„En toen?” vroeg de resident. - -„Toen ben ik heengegaan, resident, om u kennis te geven.” - -„Maar dan zal de heer Thomasz ons kunnen vertellen, wat er verder -gebeurde?” - -„Toen de deurwaarder weer binnen kwam,” hernam de substituut-griffier, -„stamelde hij eenige onverstaanbare woorden, die door niemand begrepen -werden, en waarvan Mr. Zuidhoorn geen notitie meende te moeten nemen. -Hij liet den hamer neervallen, om de zitting te openen, en verzocht den -hoofddjaksa, de akte van beschuldiging van de eerste zaak in te -brengen....” - -„Welke was die zaak, mijnheer Thomasz?” vroeg Van Gulpendam -nieuwsgierig. - -„Een clandestien koffievervoer, resident, gepleegd door eene oude -vrouw.” - -„En verder?” - -„Ja, Mr. Zuidhoorn had goed rondkijken, en dat deed hij ook met groote -oogen; want de hoofddjaksa, die een oogenblik te voren naast en op -eenigen afstand van den voorzitter gezeten was, was nu op zijne beurt -verdwenen.”~ - -„Verdwenen?” - -De heer Van Gulpendam schaterde het uit. - -„Ik kan mij het gezicht van Mr. Zuidhoorn verbeelden,” zei hij. -„Mijnheer Thomasz, gij zijt een onbetaalbaar verteller op den bak! Maar -verder? Laat vieren je loglijn!” - -„De djaksa werd overal gezocht, maar nergens gevonden. Een der -hulpdjaksa’s werd toen geroepen. Maar, hoewel die een oogenblik te -voren allen in de pandoppo aanwezig waren, kostte het moeite om er een -te ontmoeten.” - -„Dus werd er toch een gepraaid?” - -„Ja, resident.” - -„Hoe jammer!” - -Die uitroep ontsnapte den hoofdambtenaar zijns ondanks. - -„Er werd niets bij verbeurd,” antwoordde de substituut-griffier leuk. - -„Hoe dat zoo? Vertel op.” - -„Wel, toen Mr. Zuidhoorn den adjunct-djaksa beduidde, dat hij de plaats -moest vervullen van den afwezigen hoofddjaksa, kreeg de ongelukkige -gepreste zoo’n aanval van buikpijn...” - -„Een aanval van buikpijn?” kreet de resident opgewonden. „Kostelijk! -Kostelijk! En moest zeker naar het galjoen?” - -„Zoo’n aanval van buikpijn, dat hij de zonderlingste gezichten trok en -zich in allerlei bochten wrong.” - -„Onbetaalbaar! Ha, ha, ha!” - -„En eindelijk, met beide handen voor den buik en de gestalte in tweeën -gebogen, op een drafje wegliep.” - -„Met beide handen voor den buik!... Ha, ha, ha! Onbetaalbaar!” - -„Ja, resident, en er waren leden van den raad, die zich den neus -toeknepen. Zij meenden, dat de gevolgen van die plotseling ingetreden -buikpijn reeds hunne reukorganen bereikten.” - -„Stop!... mijnheer Thomasz!... ha, ha, ha!... Ankeren!... Gij doet mij -in katzjammer vallen van het lachen.” - -De substituut keek als droog komiek ernstig rondom zich. In zijne -ambtelijke loopbaan had hij nimmer zoo’n succes behaald. Hij meende -aangemoedigd te worden en dus te moeten voortgaan. - -„Ja, maar, resident, dat was het koddigste niet.” - -„Niet? Nu loop dan van stapel.” - -„Neen, resident. Het koddigste was het gezicht van den heer Zuidhoorn. -Dat hadt ge moeten zien. Met open mond, met gefronste wenkbrauwen en -met starren blik keek hij over zijn bril, dien hij heel laag op den -neus had hangen, den vluchtenden djaksa na, terwijl hij in zijne toga -er uitzag als een familie-parapluie in een te ruim foudraal, en hem -zijne barret in den nek stond.” - -„Onbetaalbaar! Onbetaalbaar!” grinnikte Van Gulpendam. „Gij zijt een -kostelijk verteller, mijnheer Thomasz.” - -De substituut-griffier boog nederig bij dat compliment. - -„En wat gebeurde verder?” vroeg de hoofdambtenaar. - -„Wel, resident, er was geen officier van justitie, er was geen -deurwaarder. De zitting kon geen voortgang hebben. De leden van den -raad keken glimlachend op hunne horlogiën, wat eene duidelijke -vingerwijzing was, dat zij er genoeg van hadden, om daar tot niets te -zitten. Mr. Zuidhoorn bleef niets anders over, dan zijn gezagshamer te -laten vallen, en de zitting tot de volgende week te verdagen. Toen heb -ik mij hierheen gespoed, om u bericht te brengen.” - -„Ik dank u, mijnheer Thomasz,” sprak de resident. „Ik zal mij ten -goeden tijd uwe toewijding herinneren.” - -En toen de substituut-griffier vertrokken was, vervolgde hij tot den -secretaris, die het geheele gesprek met over elkander geslagen armen -aangehoord had: - -„Het doel is dus bereikt!... Nu op getij werken! Zult gij zorgen, dat -alle stukken bij tijds gereed zijn. Ik zal aanstaande week den landraad -presideeren.” - -„Alles zal in orde zijn, resident. Maar mag ik mij eene opmerking -veroorlooven?” - -„Laat vieren je schoot, secretaris.” - -„Mij komt die zaak een gevaarlijk spel voor.” - -„Hoe dat zoo? Meent ge, dat ik bang ben, mij de handen in koud water te -branden?” - -„Ik meen, resident, dat het een gelukkig toeval is, dat de heer -Zuidhoorn uwe bevelen weerstreefd en zoo de zitting van heden -onmogelijk gemaakt heeft...” - -„Verder; loop van stapel.” - -„Wanneer hij toegegeven had, dan zoudt gij heden den raad voorgezeten -hebben, niet waar?” - -„Ja, zeker, en dan waren die zaken reeds in het gewenschte kielwater.” - -De secretaris krabde zich achter het oor. - -„Resident, zijt gij van mijnheer Meidema wel zeker?” - -„Van Meidema?... „Wat heeft die met de zaak te maken?” - -„De aanhaling van tjandoe te Moeara Tjatjing gedaan, is vrij -aanzienlijk. Ik meen, dat hij eenigermate rekent op de emolumenten, -voortspruitende uit de verbeurdverklaring, die noodwendig op het -rechterlijke vonnis van den landraad volgen moet.” [159] - -„Heeft hij u dat gezegd, of zich in dien zin uitgelaten?” - -„Dat juist niet, resident. Maar de heer Meidema heeft een groot gezin, -en het is te Santjoemeh niet onbekend, dat hij moeite heeft om rond te -komen. Het zou mij zelfs niet verwonderen, dat hij schulden had. Zoodat -zoo’n buit zeer goed te stade zoude komen.” - -„Maar op dien buit kan hij geen aanspraak maken. De bepalingen -verzetten zich daartegen.” [160] - -„Accoord, resident. Aan uw scherpziend oog ontsnapt niets. Maar, il y a -des accommodements avec le ciel, en bijgevolg ook....” - -„Maar welke?” vroeg Van Gulpendam met eenige drift. - -„Ziet ge, resident, dat weet ik niet. Maar, mij dunkt, dat, wanneer zoo -iets gezocht werd;.... bij voorbeeld, in deze zaak is baboe Dalima de -eigenlijke aanbrengster. Als die nu, om haren Ardjan te redden, haar -aandeel, van welks waarde zij geen begrip heeft, aan een derden -afstond....” - -De resident dacht een oogenblik na, daarna hernam hij met een glimlach: - -„Welnu, dat verklaart mij nog niet, waarom ik omtrent den heer Meidema -niet zeker zoude zijn. Volgens mij toch, zou dat aandeel in de verbeurd -verklaarde tjandoe hem lenig als zeilgaren moeten maken.” - -„Het kan zijn, resident, dat gij met uw verlicht oordeel gelijk hebt; -maar verlies artikel 23 van het opiumreglement niet uit het oog. Ik zou -er op durven zweren, dat Meidema zich dienovereenkomstig gedraagt; want -in het proces-verbaal van aanhaling, door hem als hoofd der -plaatselijke politie afgegeven, is wel is waar gerelateerd, dat de in -beslag genomen tjandoe niet ver van den Javaan Ardjan ontdekt is; maar -dat de beschuldigde aan den wal gekomen is in eene kleine prahoe sajab, -die onmogelijk dergelijke hoeveelheid kon bevatten, en daarenboven door -de golven stuk geslagen werd; terwijl de verpakking van de aangehaalde -tjandoe geen spoor aanduidt, van met vocht in aanraking geweest te -zijn.” - -„Staat dit in dat proces-verbaal?” - -„Ja, resident. Er staat nog meer in. Er wordt in vermeld, dat de -schoenerbrik Kiem Ping Hin in den bewusten nacht op de kust gezien is, -en dat vermeend wordt, dat de barkas van de Matamata jacht op de sloep -van het smokkelvaartuig gemaakt heeft.” - -„Hebt gij dat proces-verbaal gelezen?” vroeg Van Gulpendam thans hoogst -ernstig. - -„Ja, resident.” - -„Het zou kunnen, dat ge in het zog waart,” mompelde de hoofdambtenaar -meer dan hij sprak. „Heer secretaris, wees zoo vriendelijk, mij dat -proces-verbaal van den heer Meidema, zoodra het op het -residentie-bureau zal zijn ontvangen, toe te zenden, en verder een der -oppassers op te dragen dien heer namens mij te verzoeken, onmiddellijk -bij mij te komen. Denk vervolgens aan de opdracht van den directeur van -Financiën met betrekking tot die gerezen kwestie met den -Zouthoofddepot-pakhuismeester te Soemenap.” - -Dat was een „gij kunt gaan” in optima forma. - -Toen Van Gulpendam alleen was, sloeg hij den bundel Staatsbladen van -1874 op. - -„Artikel 23, zei de secretaris,” mompelde hij. „Laat zien..... Oho!... -Boete van duizend tot tienduizend gulden gesteld op de -overtredingen.... En... als ik bedenk, hoezeer Meidema op den avond van -het gebeurde, de waarde van den aangehaalden tjandoe uitmeette, dan.... -ja, dan ben ik verplicht, om toe te geven, dat de secretaris in het -ware kielwater is....” - -Hij sprong van zijn stoel op, en liep met driftige schreden de -voorgalerij op en neder. - -„O,” riep hij knarstandende uit: „Al die soesah (moeite) wordt mij -berokkend door dien Van Nerekool!.... O! als Anna toch gewild had!” - - - - - - - -XXIV. - -OUDERS EN DOCHTER.—GEZAG TEGENOVER PLICHT. - - -Neen, Anna had niet gewild. - -Toen de beide ouders poogden hunne dochter, die hun zoo weinig geleek, -tot hunne samenzwering over te halen, en haren invloed op Van Nerekool -uit te oefenen, antwoordde zij even beslist: „nooit!” als Karel dat op -den bewusten partijavond in den residentstuin aan mevrouw Van Gulpendam -gegeven had. - -„Neen, nooit!” zei het fiere meisje met allen nadruk. - -„Bedenk,” sprak hare moeder, „dat zijn carrière van zijne houding in -deze zaak afhangt.” - -„Nimmer zal Karel door het plegen van eene laagheid zijn carrière -trachten te bevorderen.” - -„Anna!” riep de resident woedend uit. „Ik raad je die taal te matigen.” - -„Wees toch bedaard, Gulpie,” suste hem Laurentia. „Drift leidt tot -niets.” - -En zich tot het jonge meisje wendende, vervolgde zij: - -„Bedenk, dat uwe vereeniging met Van Nerekool afhangt van zijne -gedragslijn...” - -„Mijne vereeniging!...” kreet Anna. - -„Eene vrouw, die liefheeft, kan machtig veel invloed uitoefenen op den -man, dien zij geboeid heeft.” - -„Gij zoudt willen, moeder, dat ik hem overhaalde, om een schanddaad te -plegen?” - -„Anna! pas op je woorden!” brulde Van Gulpendam. - -„Ik zou de kloof, die ons van elkander scheidt, nog wijder maken? Neen, -neen! Nu mijn geluk geheel verwoest is, heb ik slechts één wensch, -namelijk: dat mijn beeld zuiver en rein in zijn aandenken voortleve. De -zijne kan ik niet worden, dat gevoel ik. Dat de gedachte aan mij ten -minste vlekkeloos zij als de herinnering aan een schoonen droom!” - -„Maar, Anna,” vroeg Laurentia met hare meest innemende stembuiging, -„waarom zou uw geluk verwoest zijn? Is dat niet moedwillig in eigen -boezem wroeten?” - -„Och, bespaar mij het bitter lijden van de wreede woorden, die ik u en -mijn vader zou moeten doen hooren. Neen, mijn geluk is verwoest; aan -eene vereeniging met Van Nerekool valt niet meer te denken...” - -„Als gij maar wildet.” - -„Maar, moeder, ik wil niet. Veronderstel, dat Karel aan mijne -verlokkingen toegaf, dat hij uwe inzichten volgde, dan zou ieder teeder -gevoel bij mij uitgedoofd zijn; want ik zou den man verachten, die zijn -plicht ten offer bracht aan zijne liefde, die eene misdaad zoude -plegen, om het meisje machtig te worden, dat hij bemint.” - -„Anna! Ga zoo niet voort!” dreigde andermaal haar vader. - -„Ik moet toch zeggen, wat ik gevoel, vader. Ik moet spreken! ik moet -uitstorten, wat mij bezwaart, benauwt. Zooals ik wensch, dat de -herinnering aan mij rein en vlekkeloos bij hem achterblijve, zoo moet -ook hij verlangen dat zijn beeld als dat van een groot, edelmoedig, -deugdzaam en strikt rechtvaardig man in mijn hart bewaard blijve. Zou -ik het vreugdelooze leven, dat mij beschoren is, te gemoet moeten -treden met een gevoel van verachting voor hem, dien ik boven alle -stervelingen verheven achtte, dan zou mijn ongeluk te groot zijn. Neen, -ik wil Karels beeld ongeschonden in mijn hart bewaren!” - -Mevrouw Van Gulpendam zuchtte, terwijl haar echtgenoot van toorn -trilde. - -„Laten wij het kort maken,” sprak hij na een poos met besliste stem. -„Ge weigert dus, Anna, tot de inzichten uwer moeder toe te treden?” - -„Ja, pa!” was het antwoord, op even beslisten toon gegeven. - -„Gij bederft zijne carrière.” - -„Beter zijne carrière bedorven dan zijn karakter.” - -„Gij maakt een huwelijk tusschen u beiden onmogelijk.” - -„Die onmogelijkheid is mij niet te wijten; zij werd door mijne ouders -daargesteld.” - -„Maar waarmede?” kreet Laurentia. - -„Hij kan en mag de dochter niet trouwen van ouders, die hem zulke -voorstellen deden!” - -„Anna!” brulde haar vader, „dat gaat te ver! Daar moet een eind aan -komen! Een kind, dat zich zóó tegenover zijne ouders uitlaat, is die -ouders onwaard. Ik had besloten, om aan die dwaze liefdeshistorie, die -u compromitteert, een einde te maken, dat gij eenigen tijd te Karang -Anjer zoudt gaan logeeren, en dat gij aanstaande week zoudt vertrekken. -Ik wijzig uw vertrek thans in zooverre, dat het reeds op morgen bepaald -wordt.” - -„Op morgen?” viel mevrouw Van Gulpendam in. „Zal de familie Steenvlak -met die wijziging ingenomen zijn?” - -„De assistent-resident Steenvlak,” antwoordde de vader, „is naar -Batavia. Zijne echtgenoote en dochters zijn te Karang Anjer -achtergebleven. Daar de afwezigheid van den heer des huizes nog al -aanhouden kan, zullen de achtergeblevenen niet rouwig zijn, in een logé -eenige afleiding te vinden. In allen gevalle zal Anna er welkom zijn. -Ik ga naar mijn kantoor, en zal de familie Steenvlak onmiddellijk -telegrafeeren. Morgen ochtend vertrekt zij naar Poerworedjo. Daar zal -zij door een mijner kennissen afgehaald worden, die haar met zijn -postrijtuig over Koetoe Ardjo en Keboemen naar Karang Anjer zal -brengen.” - -Laurentia zuchtte. - -„Er blijft ons dan weinig tijd over, om haar goed in orde te brengen,” -zei zij, en toonde daardoor duidelijk aan, dat zij nog meer tegen de -„soesah” (moeite) dan tegen de verwijdering harer dochter opzag. - -„O, moeder,” zei Anna bedaard, „laat de zorg voor mijn goed maar aan -mij over. Morgen ochtend zal ik op het bestemde uur klaar staan.” - -„Blijft zij lang bij de Steenvlaks logeeren?” vroeg Laurentia. - -„Dat zal van haar afhangen. Ik wil haar niet terugzien; tenzij zij als -onderdanige dochter wederkeert, en bewijzen levert van andere gevoelens -omtrent hare ouders te koesteren, dan zij aan den dag gelegd heeft.” - -Bij die woorden keek Van Gulpendam zijne dochter aan, wellicht in de -hoop op haar gelaat een zweem van aandoening te bespeuren. Maar het -gelaat van Anna, dat wel bleek zag, liet niets bespeuren van wat in -haar binnenste omging. Noch neerslachtigheid, noch overmoed was op die -zachte trekken te lezen. Niets dan ernst, hooge ernst. - -„Alles is dus begrepen!” sprak de resident, terwijl hij opstond om naar -zijn kantoor te gaan. - -„Vader,” sprak Anna, „ja, ik heb alles begrepen. Ik ga morgen dit huis -verlaten, om daarin nimmer een voet meer te zetten. Wanneer gij die -scheiding niet uitgesproken hadt, dan zou ik er om verzocht hebben.” - -„Zoo, waait de mousson uit dien hoek? En wat zijn de plannen van mijne -trotsche dochter? Zij zal toch wel begrijpen, dat zij niet altijd ten -laste van de kombuis van de familie Steenvlak kan blijven?” vroeg de -resident, terwijl hij in eene uitdagende houding voor zijne dochter -staan bleef. - -„Wat mijne plannen zijn, vader? Vergun mij die voor mij te houden. Ik -neem voorshands de gastvrijheid der familie Steenvlak aan. Gij weet, -hoe innige vriendschap mij met de meisjes verbindt, welke innige -aanhankelijkheid en achting ik voor hare moeder koester. Wat ik later -doen zal; och, dat is nog zoo onbestemd. Al wilde ik het u mededeelen, -zou ik het nog niet kunnen. Vrees evenwel niet, wat er ook gebeure; -nimmer zal ik u lastig vallen.” - -„En denkt mijne dochter zoo maar de wereld in te kunnen treden zonder -één cent geld? Welke voorstellingen maakt zij zich toch van die -wereld?” - -„Vergeef mij; maar daarbij zal ik eene zeer teedere snaar moeten -aanroeren. Gij hebt mij eene opvoeding deelachtig doen zijn, die mij -nagenoeg onbekwaam maakt, om in mijn onderhoud te kunnen voorzien. Ik -zou muzieklessen kunnen geven, maar dat kan ik in Indië niet, zonder uw -naam in opspraak te brengen. Naar Nederland gaan en daar straat in -straat uit loopen om les te geven? Waarlijk de gedachte alleen doet mij -terugdeinzen. En toch... maar dat is van latere zorgen...” - -„Van latere zorgen,” grinnikte Van Gulpendam. „Ik meen, dat bij zulke -plannen geld verdienen hoofdzaak is.” - -„Welnu, dan ter zake,” hernam Anna met een zucht, maar vastberaden. „Ik -sprak er nooit over, en zou er ook nooit over gesproken hebben. Nu -evenwel de nood dringt, ben ik tot spreken gedwongen. Het is twee jaren -geleden, nietwaar, dat grootmama Van Gulpendam te Gouda overleden is? -Met dezelfde mail, waarmede het doodbericht aankwam, kreeg ik een -briefje van de overledene, dat mij door haren notaris toegezonden werd. -In dat briefje, waarbij de goede oude vrouw afscheid van mij nam, en -haar leedwezen betuigde, dat zij mij nimmer had mogen aanschouwen, -deelde zij mij mede, dat zij mij per testament 40.000 gulden vermaakt -had, en dat ik bij het intreden van mijn 20ste jaar mijn recht op die -som kon doen gelden. Alleen verzocht zij mij daarover nimmer met u te -spreken, om u niet van het genoegen te berooven, mij daarmede te kunnen -verrassen. Het briefje van den notaris bevestigde die tijding, en -deelde mij mede, dat die som tegen 3½ % belegd was in staatspapieren, -die op uitdrukkelijk verlangen van de overledene niet te gelde mochten -gemaakt worden. Welnu, van de rente van dat geld, dat gij mij wel niet -weigeren zult, zal ik zeer goed in mijn onderhoud kunnen voorzien. -Aanstaande jaar ben ik twintig jaren oud, dan zal ik over het kapitaal -kunnen beschikken. En die dan leeft, die dan zorgt.” - -Dat alles werd met zooveel kalmte, met zooveel eenvoud uit elkander -gezet, dat de beide ouders, het ernstige karakter van hun kind -kennende, begrepen, dat zij hier met een vooraf overwogen en -vastgenomen besluit te doen hadden. De wetenschap omtrent die erfenis, -welke Anna aan den dag legde, had hen eenigermate verrast. Zij hadden -toch steeds daarover gezwegen. Maar hunne dochter bleek thans zoo goed -ingelicht, dat ontkennen of ook maar weerstreven onmogelijk was. Een -beter gevoel begon zich van de moeder meester te maken. Een traan -glinsterde in haar oog. - -„Anna,” sprak zij, „gij gaat zoo eene vreeselijke toekomst te gemoet.” - -„Moeder, een vreeselijker lot, als mij hier getroffen heeft, kan mij -bezwaarlijk nog te beurt vallen. Ik heb in een oogenblik alles, wat mij -dierbaar op aarde was, verloren. Welke ramp zou mij nog kunnen treffen? -Ik tart het noodlot wreeder te zijn in de toekomst, als het tegenover -mij geweest is.” - -Van Gulpendam stond op. Hij bracht de hand aan zijn hals. Hij voelde -iets rauws in zijne keel. Het was de aandoening, die hem dreigde -meester te worden. Heerschzuchtig als hij was, verdrong hij evenwel dat -betere gevoel. De gedachte, dat zijn kind beter was dan hij, was hem -ondragelijk. - -„Kom, kom, allemaal romanphrasen,” zei hij, „die met het gezond -verstand in strijd zijn. Wij hebben elkander alles gezegd, wat wij te -zeggen hadden. Ik blijf bij mijn besluit: gij vertrekt morgen naar -Karang Anjer.” - -„Ik meen niet, vader, dat ik gepoogd heb, u van dat besluit af te -brengen,” sprak het meisje met een diep besef van eigenwaarde. - -„Welnu, dan is dat een uitgemaakte zaak! Dat hoofdje zal wel te temmen -wezen,” was zijn laatste woord bij het heengaan. - - - -Den volgenden ochtend, de dag was nog niet geheel aangebroken, stond -een tentwagen voor het perron van het residentiehuis te wachten. Het -was een van die lichte voertuigen, met vier paarden bespannen, waarmede -de Europeanen in Java’s binnenlanden, in die streken, welke nog -misdeeld zijn van spoorwegen, gewoon zijn soms verre afstanden langs -moeilijke wegen en over hooge bergen af te leggen. Een kleine koffer -werd op de buitenzitplaats achter het rijtuig met touwen gebonden. Dat -valiesje kon niet veel bevatten. Anna had niets dan het hoogst -noodzakelijke uit haars vaders huis willen meênemen, en daartoe had -haar alleen nog maar de redeneering kunnen overhalen, dat dit weinige -beschouwd kon worden als de renten te vertegenwoordigen, welke de som, -haar door hare grootmoeder nagelaten, gedurende de twee laatste jaren -afgeworpen had. Geen juweelen, geen sieraden van edel metaal, geene -fluweelen of zijden japonnen, geen kostbaar kantwerk bevatte dat -koffertje. Dat alles werd in het residentiehuis achtergelaten. Slechts -het onontbeerlijk linnengoed, slechts een tarlatanen kleedje, ziedaar -wat er in aangetroffen zou worden, wanneer iemand den blik er in -geslagen had. - -Nauwelijks was het koffertje vastgebonden, of Anna verscheen in de -voorgalerij. Zij was in een zwarte japon van den grootsten eenvoud -gekleed, had een donker gekleurd hoedje op het hoofd, en overigens -niets in het oog loopend aan het lichaam dan het witte kraagje om den -hals, en de manchetten om de polsen. Maar zelfs die witte strooken -zetten iets ernstigs aan hare geheele persoon bij. Niemand vergezelde -haar bij dien uittocht uit het ouderlijke huis. De vurige verlichting -van den dageraad overtoog alles met een dichterlijk rozerood in den -tuin en tot zelfs de meubels in de voorgalerij. Het meisje wierp een -weemoedigen blik rondom haar op die boomen, op die struiken, op die -bladeren, op die bloemen, die zooveel herinneringen in haar brein -opwekten. Een snik verscheurde haar de keel. Een oogenblik was het, of -zij in dien uitersten stond aarzelde. Maar, neen! met eene enkele -beweging der fraaie hand wischte zij zich de traan af, die over hare -wang biggelde. Zij wierp nog een blik rondom zich, sprong toen op een -struik Devonshire rozen toe, die in een sierlijken pot tegen de -balustrade der galerij stond, plukte een ontluikend knopje, stak dat -aan den boezem, terwijl zij met een snik prevelde: - -„Gij, mijne lievelingsbloem, zult mij in mijn ballingschap -vergezellen!” en was in een ondeelbaar oogenblik het rijtuig -ingestegen, dat zich dadelijk in beweging stelde. - -Geen zucht, geen blik meer. De scheiding was volbracht! Het voertuig -zwenkte het erf van het residentiehuis af, het prachtige hek door, en -ijlde met spoed Java’s bergland te gemoet. Anna leunde achterover in -het rijtuig, sloot de oogen, en gaf zich aan hare droeve gedachten -over. - -Achter de jaloezie-latten van een der talrijke deuren van het -hoofdgebouw der residentswoning, die tot de voorgalerij toegang -verleenden, had evenwel Anna’s moeder gestaan, die al de bewegingen van -hare dochter met angstigen blik had gadegeslagen. Zij had de oogen van -het lieve kind over al de voorwerpen harer omgeving zien waren. Zij had -haar de witte roos zien plukken en daarna in het rijtuig ijlen. Een -rauwe kreet ontwrong zich hare borst: - -„Mijn God, mijn God, dat alles zóó moest loopen!... Waar zooveel -gegevens waren om gelukkig te zijn!... Hoe zal dat alles nog eindigen?” - -Ja, hoe zou dat alles eindigen? Eene vraag, die door de toekomst -schrikkelijk zou beantwoord worden. - -Laat in den namiddag verliet Anna in eene kleine dèsa van Java’s -binnenlanden, waar verspannen moest worden, het rijtuig, en vroeg den -posthouder vergunning, om onder zijne bamboe-verandah een poos te mogen -toeven. Toen dat toegestaan was, haalde zij eene kleine nécessaire -tevoorschijn, en was weldra druk bezig met schrijven. Een oogenblik was -zij daarmede rustig onledig geweest, hoewel haar bleek en droevig -gelaat duidelijk aanduidde, dat het onderwerp, hetwelk zij behandelde, -hoogst ernstig was. Maar langzamerhand scheen dat onderwerp haar te -vervoeren. Eerst baanden zich een paar zuchten, uit de diepte harer -borst komende, een weg, en weldra parelden dikke, heete tranen in hare -oogen, die over haar marmerwitte wangen gleden en op het papier -droppelden. - -Ja, het onderwerp was ernstig, dat het lieve kind daar behandelde. Zij -schreef aan Van Nerekool. En hoewel in den zieletoestand, waarin zij -zich bevond, dat schrijven het innigste van haar hart blootlegde, en -alleen bestemd was, om hem onder het oog te komen, voor wien het -bestemd was, mag de romanschrijver over den schouder kijken zelfs van -eene vrouw, van een meisje, om hare gevoelens te bespieden, hare -beweegredenen te ontleden. Och, de brief was niet lang, hoewel hij haar -veel, zeer veel inspanning kostte. - -„Ik heb stelselmatig vermeden, mijnheer Van Nerekool,” schreef zij, „u -na de dansreceptie op het residentiehuis, andermaal te ontmoeten, welke -pogingen gij daartoe ook aangewend hebt. Bij die gelegenheid hebt gij -om mijne hand gedongen, en ik gaf u verlof om bij mijne ouders aanzoek -te doen. Deze daadzaken gaven u eenigermate het recht om op een nader -onderhoud met mij aan te dringen, en nopen mij thans ook, om u een -laatste woord toe te voegen. Nadat ik u verlaten had, hebt gij een -gesprek met mijne moeder gehad. Dat gesprek vernam ik daags daarna, -en.... o, vergeef mij... een kind mag de daden zijner ouders niet -gispen;... maar dat gesprek maakte, vooral toen mij bleek, dat mijn -vader daarmede instemde, eene vereeniging tusschen ons beiden -onmogelijk. Gij met uw ridderlijk en eerlijk karakter kunt geen -huwelijk aangaan met de dochter van menschen, die u zulke voorstellen -deden. Gij zult mij tegenwerpen, dat een kind niet schuldig of -medeplichtig mag geacht worden aan de daden zijner ouders. Niets is -meer waar dan dat, en ik gevoel mij dan ook even onbezwaard, even -fier,—als ik die uitdrukking in mijn toestand mag bezigen,—als toen ik -met de handelingen mijner ouders onbekend was. Maar den man steeds voor -mij te zien, wien de noodlottige aanbiedingen gedaan werden; in teedere -oogenblikken, wanneer wij ons in elkanders blikken zouden verloren -hebben, de gedachte te meenen kunnen lezen in het brein van den -beminden man, dat ik hem als prijs voorgeworpen werd voor een daad van -plichtsverkrachting; in zijn omgang met mijne ouders, die hij als -welopgevoed mensch voor het oog der wereld moest en voor mij met -achting en deferentie zou bejegenen, op zijn gunstigst genomen slechts -een aalmoes, aan mijne kinderlijke liefde toegeworpen, te moeten zien, -ziet Karel—laat ik u dien naam nog eens geven,—dat zou mij het leven -tot een hel maken en zou zijn weeromstuit op u niet missen. - -„Ik schrijf u dezen brief van Sapoeran, waar voor een oogenblik -verspannen wordt. Gij zult wel reeds vernomen hebben, dat ik naar -Karang Anjer bij de familie Steenvlak ga logeeren. Mijn vader heeft het -genoeg rondgebazuind, dat het u wel ter oore zal gekomen zijn. Welnu -ja, ik ben op weg naar die familie; maar dat is slechts de eerste -stappe op de moeilijke baan, die zich voor mij uitspreidt. Wat ik doen -zal? Vriend, dat weet ik nog niet. Wellicht dat ik naar Europa, of naar -Australië zal trachten te vertrekken. Zooveel is zeker, dat ik na een -kort verblijf bij de Steenvlaks, verdwijnen zal, spoorloos -verdwijnen...; want zelfs.... de naam van Van Gulpendam is mij -ondragelijk. - -„Maar, Karel, als ik verdwenen zal zijn, als zelfs mijn naam niet meer -genoemd zal worden, alsof het graf mij verzwolgen zal hebben, dan -nietwaar zult gij met uw edel karakter nog wel eene gedachte wijden aan -het meisje, dat, aan alles onschuldig, zich zoo gelukkig geacht zoude -hebben, zich de uwe te hebben kunnen noemen, maar voor wie dat geluk -niet weggelegd was. - -„Een verzoek heb ik u nog te doen. Zorg voor Dalima. O! ik ken haren -geheelen toestand. Ik weet meer van haar ongeluk, althans van de -oorzaken, dan gij. Maar, nietwaar, ter wille van mij zult gij die -rampzalige niet aan haar lot overlaten! O, voor die voorgewende -opiumsmokkelarij zal zij waarschijnlijk veroordeeld worden! Dat weet -ik. Met onze fatale Nederlandsche opvattingen van wat recht is, wanneer -het opiumzaken geldt, is het schier niet anders mogelijk. Maar houdt -haar de hand boven het hoofd. Laat haar niet, wanneer zij weer op vrije -voeten komt, in den poel van ellende verzinken, waarin hare rampzalige -rasgenooten terecht komen, wanneer zij schuldig of onschuldig met de -Nederlandsche strafwetgeving in aanraking gebracht zijn. - -„En nu, Karel, vaarwel. In dit leven zien wij elkander niet meer! Ik -kan u niet verzoeken mij te vergeten. Integendeel, ik smeek u, soms -eene gedachte over te hebben, voor haar, die zich slechts met haar -voornaam durft te onderteekenen: - -„ANNA.” - -Dien brief gaf het ongelukkige meisje aan den stalhouder over, die hem -behoorlijk verzond, evenwel niet zoo snel als zij wel gewenscht had. De -post in die streken werd slechts tweemalen per week verzonden. - -Hoewel Sapoeran niet zoo heel ver van Poeworedjo verwijderd lag, was de -zon toch reeds ondergegaan, toen het rijtuig laatstgenoemde plaats -bereikte. Anna nam haren intrek in het eenige hotel aldaar, en na een -weinig gegeten te hebben, ging zij, vermoeid als zij was, rusten en -viel gelukkig weldra in een vasten slaap. - -Bij het opgaan der zon zat het meisje weer in het rijtuig. Zij had ruim -36 palen [161] dien morgen af te leggen om hare bestemming Karang Anjer -te bereiken. De weg was evenwel goed en bijna waterpas, zoodat zij -tegen het middaguur te midden der lieve familie zat, die hare aankomst -met ongeduld verbeid had. - - - -Keeren wij na die kleine uitweiding, voor den draad van ons verhaal -onmisbaar, naar het residentie-huis te Santjoemeh terug. Toen de -secretaris vertrokken was, had de resident Van Gulpendam gezucht: - -„O, als Anna toch gewild had!” - -Een poos bleef hij bij dien gedachtenloop vertoeven, wikkende en -wegende, wat had kunnen geschieden, wanneer Van Nerekool door Anna -verlokt, als gedwee volgeling van het hoofd van gewestelijk bestuur, -tot voorzitter van den landraad had kunnen benoemd worden. - -„Maar het is niet anders,” prevelde hij. „Wij zullen evenwel dien -noord-wester stoker wel doorstaan, en ons schuitje op veilige ree -brengen! Maar... waarop doelde toch de secretaris met de aanhaling van -dat artikel van het opium-reglement? „Welk noemde hij ook weer?... O -ja... nummer 23. Laat mij dat andermaal inzien.” - -En andermaal den bundel Staatsbladen grijpende van het jaar 1874, dien -hij tusschen eene menigte andere jaargangen op een boekenrekje boven -zijn schrijflessenaar teruggeplaatst had, bladerde hij daar een poos -met ongeduldige oogen in, tot dat hij uitriep: - -„Hier heb ik No. 228. En nu artikel 23.... „Alle overtredingen der bij -dit reglement gemaakte bepalingen, waarop geene bizondere straffen zijn -gesteld, worden gestraft met eene boete van een duizend tot tienduizend -gulden voor elke hoeveelheid van honderd katies opium of daar beneden, -waarmede de overtreding is gepleegd, en een honderd gulden voor elke -katie meer.”.... Drommels!... Nogmaals, de secretaris heeft gelijk!... -Zoo, komt de stroom uit dien hoek?... Dan zullen wij nog een tuianker -moeten uitbrengen. Niet kwaad bedacht... Maar....” - -„Toean assistent mienta ketamoe sama Kandjeng toean,” (de heer -assistent vraagt om den grooten heer te mogen ontmoeten,) sprak een der -oppassers, den heer Meidema aandienende. - -„Kassi massokh?” (laat binnen komen) klonk het bevel. - -„Resident,” sprak de ambtenaar bij het binnentreden, „ik ontmoette den -heer secretaris, die mij mededeelde, dat gij mij wenschtet te spreken.” - -„Ja, mijnheer Meidema, ga een oogenblik zitten... Ik heb kennis bekomen -van het proces-verbaal omtrent de sluik-opium, te Moeara Tjatjing -aangehaald, maar tot mijne bevreemding zijn de daadzaken der aanhaling -niet in overeenstemming met het daar geverbaliseerde.” - -„Niet, resident?” - -„Neen, mijnheer Meidema; herinner u eens goed ons gesprek denzelfden -avond van de aanhaling,” ging de resident voort, terwijl hij zijn -ondergeschikten scherp aankeek. - -„Dat gesprek herinner ik mij zeer goed, resident.” - -„Welnu? Ik toonde u aan, als ik mij goed herinner en zelfs met -getuigen, dat de opium bij den Javaan Ardjan is ontdekt. Dat scheent -gij toen ook te beamen.” - -„Ja, resident, ik waagde het toen niet uwe zoo pertinent uitgesproken -meening te weerspreken. Maar, het was mijn plicht een onderzoek in te -stellen.” - -„En?” - -„En dat onderzoek heeft mij geleid tot de conclusiën, zooals zij -neergelegd zijn in mijn proces-verbaal, als hoofd der politie -afgegeven.” - -„Tegen alle klaarblijkelijkheid in?” - -„Met uw permissie, resident? Dat....” - -„Wil ik u eens zeggen, waartoe uw onderzoek u geleid heeft?” - -De Heer Meidema, door zijne redeneering vervoerd, lette op die vraag -niet, althans hij vervolgde: - -„Dat proces-verbaal is overigens voor den landraad niet bindend.” - -„Gelukkig ook!” sprak de resident niet zonder hoon in zijne -stembuiging. „Maar ik vroeg u, waartoe volgens mijne meening uw -onderzoek u geleid heeft!” - -„Waartoe het mij geleid heeft, resident? Ik vind die vraag in uw mond -vreemd. Ik heb dat onderzoek volgens plicht ingesteld tot opsporing van -de waarheid,” was het rustig gegeven antwoord. - -„Dat is het doel van ieder onderzoek, mijnheer Meidema. Maar voor u -leidde dat onderzoek wellicht tot een andere slotsom.” - -„En dat is, resident?” - -„Dat de op te leggen boeten, die onder de aanhalers verdeeld moeten -worden, gemakkelijker van den rijken opiumpachter te innen zullen zijn, -dan van den armen Javaan, bij wien niets te halen is.” - -„Resident! Die taal!” - -„Bedaar, mijnheer Meidema. Dat is de taal der werkelijkheid, die mij -uit iederen volzin van uw proces-verbaal tegenstraalt...” - -„Maar, resident, ik heb met die boeten niets te maken. Ik sta daar -geheel buiten. Ik ben volkomen op de hoogte der bepalingen, [162] en -weet waarlijk niet, hoe ik uwe woorden moet opvatten.” - -„Net of ik de loopjes niet ken, om de bepalingen te ontduiken!” sprak -de resident smalend. - -„Resident, ik zie mij verplicht u te verzoeken, uw oordeel omtrent mij -te wijzigen. Nimmer heb ik mij loopjes, als waarop gij doelt, -gepermitteerd. Nimmer is een cent van de boeten of van de verbeurd -verklaarde opium in mijn bezit geraakt. En zijt gij niet overtuigd, dat -ik de waarheid spreek, dan zijt gij door uw ambtseed verplicht mij bij -de regeering aan te klagen.” - -„Wij dwalen van het onderwerp af, mijnheer Meidema. Gij hebt een -onderzoek gehouden, zegt ge, nietwaar? Wie hebt ge alzoo gehoord?” - -„Wie ik gehoord heb, resident? Wel, in de eerste plaats den -beschuldigden Ardjan....” - -„Die wel zal verteld hebben, dat hij van niets weet. Ja, dat vat ik. En -vervolgens?” - -„Vervolgens baboe Dalima.” - -„Die ook wegens opiumsmokkelarij in de gevangenis zit. Die zal -daarenboven haren „toenangan” (verloofde) wel schoon gewasschen hebben. -Een kostelijke getuige, mijnheer Meidema, dat moet ik zeggen. Hebt gij -er nog meer?” - -„Ik heb het dèsavolk gehoord, dat dien nacht geprest werd om Ardjan te -halen.” - -„En?... Kom, zeil zetten!” - -„En hunne verklaringen staan lijnrecht tegenover die der -politieoppassers.” - -„Dat laat zich hooren. Dat dèsa-vee helpt elkander altijd. Maar zoo -iets mag uw geweten als hoofd der politie niet bevangen.” - -„Neen, resident, dat mag niet, en dat heeft het ook niet gedaan. Toen -mij die tegenspraak zoo pertinent bleek, ben ik naar Moeara Tjatjing -gegaan, om het vaartuig te bezichtigen, waarmede Ardjan die opium aan -wal zoude gebracht hebben.” - -„En gij vond niets?” - -„Ik vond de prahoe sajab en constateerde, dat die te klein was, om de -aangehaalde opium te kunnen bevatten.” - -„Als ik mij wel herinner, mijnheer Meidema, dan zou die prahoe sajab -twee personen bevat hebben. Ardjan en Dalima.” - -„Juist, resident.” - -„Dat vaartuig was dus voldoende om die twee over te voeren, nietwaar?” - -„Ja, resident; maar ook niets meer.” - -„Maar, als baboe Dalima eens niet in die prahoe sajab geweest was, -mijnheer Meidema?” - -„Niet in die prauw, resident?” - -„Dan zou die opium, goed gestuwd, wel plaats in dat vaartuigje gevonden -hebben, nietwaar?” - -„Dat is zoo, maar het bewijs....” - -„O, dat is te leveren. Ik kan met de hand op het geweten verklaren, dat -baboe Dalima dien nacht niet van het erf van het residentiehuis afwezig -is geweest. En niet alleen ik, maar alle huisgenooten kunnen dat -getuigen.” - -„Dat is zeer ernstig, resident,” antwoordde de heer Meidema. - -„Wat bedoelt gij daarmede? Kom, laat vieren den grooten schoot!” - -„Dat uwe verklaring lijnrecht tegenover die uwer dochter komt te -staan.” - -„Mijner dochter? Het gebeuzel van een onbezonnen kind!” - -„Ik heb een schriftelijk bewijs van juffrouw Van Gulpendam in handen, -behelzende het verhaal van de ontvoering van baboe Dalima, van hare -gevangenhouding aan boord van den schoenerbrik Kiem Ping Hin, van hare -redding door Ardjan.” - -De resident Van Gulpendam werd een oogenblik bleek bij dat bericht. Het -was hem, alsof hem een knodslag toegebracht werd. De heer Meidema liet -hem geen tijd om tot verhaal te komen, maar vervolgde: - -„Ik heb een bewijs in handen van den stuurman en de bemanning van den -kustwachter Matamata, waarin verklaard wordt, dat zij in den bewusten -nacht met de barkas jacht maakten op eene prahoe sajab, waarin twee -personen gezeten waren. Dat zij zelfs op die twee opvarenden geschoten -hebben, maar vlak voor de Moeara Tjatjing door de hooge branding -genoodzaakt waren de vervolging op te geven, omdat de logge barkas in -die woedende zee onhandelbaar was. Twee personen zaten dus in die -prahoe sajab, resident, en er was dus geen plaats meer voor die opium! -Daarenboven....” - -„Wat nog meer?” vroeg Van Gulpendam, die zich langzamerhand herstelde -van den schok, die hem getroffen had. - -„Daarenboven, de prahoe sajab werd bij de landing stuk geslagen. Het -wrak lag daar half door het water, half door den modder bedolven, en ik -heb door getuigen laten constateeren, dat de verpakking van den -gesloken opium niet met water in aanraking is geweest. Neen, resident, -mijne overtuiging is het: dat de sluikwaar niet in dat vaartuigje aan -wal is gebracht, ook dat Ardjan de sluiker niet is.” - -De resident zat nog een oogenblik na te denken. - -„Mijnheer Meidema,” vroeg hij, „gij hebt volgens plicht, de -hoeveelheid, soort en hoedanigheid van de aangehaalde opium ten -overstaan van den pachter, door eene commissie van deskundigen doen -constateeren?” - -„Ja, resident.” - -„Hebt gij die prahoe sajab in bewaring doen nemen en verzegelen?” - -„Ja, resident; maar door eene mij onverklaarbare opvatting, is die -prahoe door het wachtvolk van de stadsboei, waar ik haar had doen -deponeeren, stukgehakt en verbrand.” - -Een glimlach vloog over het gelaat van den resident. Hij prevelde -binnensmonds: „het lek is gevonden, en kan gebreeuwd worden.” En -overluid: - -„Dat is jammer! En aan wiens plichtverzuim is dat toe te schrijven?... -Maar om het even. Dat zal wel later onderzocht worden. Mijnheer -Meidema, mag ik u een goeden raad geven?” - -„Voor een goeden raad ben ik steeds toegankelijk, resident.” - -„Uwe financiëele omstandigheden zijn niet schitterend, nietwaar?” - -„Resident!” - -„Gij hebt een groot huishouden, en zit op groote lasten. Welnu, -verstaat u met den pachter.” - -„Hoe moet ik dat begrijpen?” - -„Gij zijt ontwikkeld genoeg, mijnheer Meidema, om mij te vatten. Lim -Yang Bing is rijk, en daarenboven een goed vader. Zijn zoon staat op -het punt een goed huwelijk te doen. Hij zal op eene kleinigheid niet -zien.” - -„Resident!” - -„En dan een andere raadgeving. Gelukkig is de landraad, die heden in -die opiumzaak uitspraak moest doen, verdaagd. Gij hebt thans tijd te -over om uw proces-verbaal van voorloopig onderzoek, dat volgens mij wel -wat te eenzijdig is, om het onpartijdig te kunnen noemen, te wijzigen.” - -„Dat nooit, resident!” viel Meidema zijn chef heftig in de rede. - -„Mijnheer Meidema, ik spreek als vriend tot u! Gij hebt een talrijk -huisgezin. Er zijn veel eters aan den bak!” - -„Nooit, nooit, resident!” - -„Dan kan ons onderhoud als afgeloopen beschouwd worden. Maar bedenk u -wel.” - -Toen de heer Meidema vertrokken was, stond de resident nog een -oogenblik hem na te staren. Eindelijk mompelde hij, terwijl hij -hartstochtelijk de tanden op elkander klemde: - -„Die tegenstand moet gebroken worden! Want en pardoens moeten strak -gezet worden!” - - - - - - - -XXV. - -EVA’S DOCHTEREN EN DE SLANG. - - -Een paar dagen later zat mevrouw Meidema met hare beide dochters in de -achtergalerij harer woning, zich onledig te houden met het verstellen -van de kleedingstukken der overige kinderen die erg toegetakeld waren. - -„Het is schande, hoe die jongens hunne kielen verscheuren kunnen,” -pruttelde Gesina, een van de lieve tweeling-meisjes, waarmede de lezer -zeer vluchtig kennis maakte, bij gelegenheid van de dans-receptie op -het residentie-huis. „Kijk me dat ding er eens uitzien! De eene mouw -hangt er met rafels bij, en het linker borststuk vertoont een -winkelhaak van onmatige grootte. Kijk eens, ma, is die kiel het -herstellen nog waard?” - -„Ja, zeker Sientje. Ga maar vlijtig aan den gang.” - -„Die bengels veroorzaken ons toch te veel werk, mama,” pruttelde -Gesina. - -„Kom, het zijn levenslustige jongens,” voerde hare zuster Mathilda ter -vergoelijking bij. - -„Moeten zij, om levenslustig te zijn, in de boomen klimmen, en hunne -kleeding verscheuren?” - -„Kan een jongen wel uit een boom blijven, wanneer hem een goudgele -manga tegengluurt? O, als ik een jongen was, deed ik ook zoo!” - -De moeder glimlachte over den uitval harer dochter. - -„Ik zie mijne Mathilda al daar boven in dien boom! Wat zou dat een lief -gezicht opleveren! Het zou bepaald zijn: horre Kees!” - -Mevrouw Meidema bracht dat, „horre Kees” zoo grappig er uit, terwijl -zij met de hand eene beweging maakte, alsof zij zich in de zijde -krabde, dat de beide meisjes het uitgierden. Eene poos moesten zij het -naaiwerk staken om uit te lachen. - -„Maar, ma,” begon Gesina, nadat de lachbui over was. „Zoudt gij ons -niet door eene „toekan minjahit” (naaister) kunnen laten helpen?” - -„Waar denkt mijn Sientje aan?” vroeg de moeder ernstig. - -„Ik vind het idée uitstekend,” kwam Mathilda hare zuster te hulp. - -„Maar kinderen eene toekan minjahit kost geld.” - -„En Anna van Gulpendam, die had wel eene naaister,” snapte Mathilda. - -„Ja, maar Anna van Gulpendam, is een eenig kind, Thilda, en daarenboven -de dochter van een resident.” - -„Is er zooveel verschil in het tractement van een resident en een -assistent-resident, mama?” - -„Dat zou ik denken. Hier, de resident heeft 1500 gulden ’s maands, en -papa slechts 500 gulden.” - -„Is dat zóóveel verschil? Dat dacht ik niet.” - -„De resident heeft slechts eene dochter en wij tellen zes rijstdiefjes, -Thilda.” - -„Zijn kinderen dan zoo duur, ma?” vroeg Gesina met een zucht. - -„Reken maar na: Kost, kleeding, schoolgeld en wat al niet meer.” - -„Het is jammer.” - -„Wat is jammer?” - -„Dat dat goedje zoo duur is, anders het is wel aardig.” - -„Hoor me nu zoo’n inconsequent meisje eens aan! Straks pruttelde ze -over het vele werk, dat die bengels veroorzaken, en nu vindt ze ze zulk -aardig goedje,” lachte mama. - -„Nu ja, mama... U moogt zoo niet vitten... Een mensch mag wel eens -pruttelen, vooral als men kielen te verstellen heeft,” antwoordde -Gesina, terwijl zij het hoofdje aan haar moeders borst vlijde. - -„Geld is toch nog niet alles, mama,” was de wijsgeerige ontboezeming -van Mathilda, die ijverig voortpikte, terwijl mevrouw Meidema de -bevallige beweging van Gesina met een streelend handgebaar door hare -lokken beantwoordde. - -„Geld is toch nog niet alles!” - -Dat sloeg volgens den gedachtengang van het schoone kind op het -geconstateerde verschil van tractement tusschen den resident Van -Gulpendam en haren vader. - -„Neen, zeker, Mathilde, geld is niet alles,” antwoordde Gesina. „Kijk -eens, zijn wij niet gelukkig?” - -„En laten wij de vergelijking voltooien,” ging Mathilda voort. „Zou men -in het residentiehuis gelukkiger zijn? O, als ik alles bedenk, dan kan -ik een zucht niet weerhouden. Arme, arme Anna!” - -„Hebt ge tijding van haar?” vroeg Gesina, die ook weer haar werk hervat -had. - -„Dezen ochtend ontving ik een brief van Karang Anjer. Maar, zooveel -mismoed, ja zooveel wanhoop straalt mij uit iederen volzin, uit iederen -regel tegen! Och, och, ik vrees het ergste. Met haar karakter uit een -stuk, is Anna tot iedere wanhoopsdaad in staat.” - -„Maar, wat is er toch met haar?” vroeg Gesina. - -„Het fijne weet ik er ook niet van. Anna is zeer geheimhoudend, wat die -zaken betreft. Maar voor het naaste meen ik toch te weten, dat hare -ouders een huwelijk met Van Nerekool niet inwilligen.” - -„Och, zij zal zich spoedig te Karang Anjer vervelen en dan komt ze -terug.” - -„Zou ze? Mij schrijft ze, dat ze nimmer meer terugkeert. O, haar brief -is zoo akelig droevig; hij geeft mij den indruk, alsof het een -afscheid, een vaarwel voor het leven ware. Zij verzoekt mij, als haar -trouwste vriendin, den steen niet op haar te werpen, wanneer hare -wanhoop haar den laatsten stap zal doen volvoeren, en de geheele wereld -dan hare nagedachtenis zal bezoedelen. Moeder, wat moet ik toch doen, -om die smart te lenigen? O, kon ik toch naar Karang Anjer!” - -„Mijn lief kind,” antwoordde de moeder, „het beste wat gij doen kunt, -is in uwe correspondentie met Anna zoo min mogelijk op hare liefde voor -Van Nerekool te zinspelen. Zij heeft u niet geheel tot haar -vertrouwelinge gemaakt. Er bestaan dus geheimen, die het onkiesch zou -zijn aan te raken, en waarbij uwe onhandige hand met het mes in de -smart wroeten, en de wond dus vlijmender maken zou. De tijd is een -groote heelmeester, die zal ook bij Anna zijne uitwerking niet missen. -Ik ken eenigermate den gang der gebeurtenissen... wie weet, of zich -alles nog niet ten goede keert.” - -„Kent gij de gebeurtenissen, moeder?” vroeg Mathilda. „O, vertel mij -die. Gij weet, hoe lief ik Anna heb. Alles wat op haar betrekking -heeft, boezemt mij belangstelling in.” - -„Mathilda,” antwoordde de moeder, „Anna, die, naar ik vermoed, de zaken -niet in haar geheel weet, heeft gemeend wat zij weet voor u geheim te -moeten houden. Zij heeft daar zeer goed aan gedaan...” - -„O, mama!....” - -„Want zij zou u een blik hebben moeten doen werpen in zoo’n poel van -ongerechtigheden, die zeer zeker voor de bevatting van een jong meisje -ongeschikt zijn, en haar hart dan ook hebben doen inkrimpen, en zich -doen terugtrekken. Vergun mij, dat ik haar voorbeeld volg... Maar... om -tot ons hoofdonderwerp terug te keeren. Gij zeidet zoo even: geld is -niet alles, nietwaar? Neen geld, is niet alles. Wij zien daar eene -familie, wie het aan geld niet ontbreekt, die daarenboven andere -gegevens heeft als: gezondheid, aanzien, de eerste positie in onze -maatschappij, enz. om overtevreden te zijn, en die toch het geluk mist. -Neen, geld is niet alles.... En toch....” - -De goede vrouw zuchtte diep. Dat zij daar met hare dochters zoo te -werken zat, duidde genoegzaam aan, dat het slijk der aarde haar niet -zoo onverschillig was, als dat „neen, geld is niet alles!” te verstaan -kon geven. Bij hare aarzeling om verder te gaan, keken haar de beide -meisjes aan. - -„En toch?...” vroeg Gesina. „Ga voort, moeder.” - -„En toch zou een paar honderd gulden tractement meer,” vervolgde -mevrouw Meidema, „onzen toestand zeer verbeteren. Och, wij zitten op -zoo groote lasten. Wij hebben zoo belangrijke betalingen te doen; -en...” - -Het zeil, dat de achtergalerij van het erf afsloot en voor het schelle -daglicht beschutte, werd in dit oogenblik opengeslagen, waardoor een -verblindende zonnestraal naar binnen drong, die allen deed opzien. - -„Babah Lim Yang Bing minta ketamoe sama toean” (babah Lim Yang Bing -vraagt om mijnheer te ontmoeten), sprak een der bedienden. - -„Maar, mijnheer is niet te huis, die is op zijn kantoor,” antwoordde -mevrouw Meidema. „Dat weet ge wel.” - -„Dat heb ik den babah ook gezegd, njonja,” antwoordde de Javaan. - -„Welnu?” - -„Hij wenscht de njonja te spreken.” - -Mevrouw Meidema maakte een gebaar van ongeduld. Lim Yang Bing, de -rijkste Chinees van de residentie Santjoemeh, wellicht van geheel -Nederlandsch-Indië, was evenwel geen man, die afgewezen kon worden. Het -gebeurde trouwens wel meer, dat hij zijne opwachting aan de dames kwam -maken, bij welke gelegenheden hij steeds de eene of andere snuisterijen -had te laten zien. - -„Laat hem maar binnen komen,” sprak mevrouw. - -In allerijl werd het naaiwerk weggemoffeld, en een borduurwerkje ter -hand genomen. Wat had zoo’n Chinees ook te zien, dat de Europeesche -familie zich zonder toekan minjahit moest behelpen. - -„Tabeh njonja, tabeh nonna, nonna. Saja halap...” - -Maar waarom te trachten het brabbelmaleisch van den Chinees weer te -geven. Dat zou een onmogelijkheid probeeren zijn door de moeielijkheid, -welke die landaard heeft om sommige medeklinkers uit te spreken, -waardoor zij die door andere verwisselen, en hun spreken schier niet te -volgen is. - -„Goeden dag, mevrouw, goeden dag, jonge dames,” sprak hij hoffelijk. -„Ik hoop, dat ik de dames niet ongelegen kom. Maar ik dacht den heer -assistent-resident te huis aan te treffen, en nu mij dat geluk niet ten -deel valt, kan ik niet nalaten mijn opwachting bij de dames te maken, -eerstens om naar den staat hunner gezondheid te informeeren, dan ook om -haar eene groote tijding mede te deelen.” - -„Eene groote tijding?” vroeg mevrouw Meidema, als alle vrouwen -nieuwsgierig. „Ga zitten, babah.” - -En zich tot den bediende wendende, die op de trappen der achtergalerij -gehurkt zat: - -„Todrono, kassi karossi!” (Todrono, geef een stoel.) - -De meisjes keken den Chinees, die met eene strijkage plaats nam, met -van nieuwsgierigheid schitterende oogen aan. - -„En uw groot nieuws, babah?” vroeg mevrouw Meidema ongeduldig. - -„Eerst moet ik omtrent den staat der gezondheid van de dames ingelicht -zijn,” antwoordde babah Lim Yang Bing met plichtpleging. - -„O, wij zijn gezond en wel,” antwoordde mevrouw Meidema. „Ik dank u.” - -„Dan zij Toean Allah geprezen!” zei de Chinees niet zonder -hoogdravendheid, maar met honigzoeten glimlach om de lippen. - -„Maar nu uw nieuws, babah?” vroeg Gesina ongeduldig. - -„De nonna heeft gelijk nieuwsgierig te zijn. Want vooral de jonge -meisjes zullen pret hebben.” - -„Maar spreek dan toch, babah!” zei Mathilde even ongeduldig als hare -zuster. - -„Het geldt een huwelijk,” antwoordde de Chinees. - -„Een huwelijk?” - -„Een Chineesch huwelijk?” - -„Ja, een Chineesch huwelijk,” antwoordde babah Lim Yang Bing met al den -nadruk, dien hij aan zijn woorden geven kon. - -„O, heerlijk!” kreten de meisjes. - -„En wie zijn de gelukkigen?” vroeg mevrouw Meidema. - -„Dat mag ik nog niet zeggen, nja.” - -„O, maar dan is het nog niet zeker,” zei Gesina teleurgesteld. - -„Zoo zeker,” sprak de Chinees, „dat ik de zijden stalen reeds bij mij -heb.” - -„De zijden stalen?” vroegen de meisjes te gelijker tijd. - -„Ja, de zijden stalen. De dames weten toch wel, dat bij dergelijke -gelegenheden door de huwelijkscandidaten geschenken aan de genoodigden -uitgedeeld worden. En daar de dames de huwelijksplechtigheid zullen -bijwonen, heb ik de stalen mede gebracht. O, prachtige zijde, die ik -van Nan Hioeng [163] heb laten komen. De dames moeten eens zien.” - -Hij haalde een klein pakje te voorschijn, dat hij losmaakte, en den -inhoud voor den verrukten blik der vrouwen tentoonstelde. - -„O! ziet eens die „tahi boeroeng” (groen met rooden weerschijn),” kreet -Gesina. „Wat zou een japon daarvan beeldig zijn!” - -„En kijk eens dat blauwe staal!” juichte Mathilda. „Kijk, donkerblauw -met dikke bouquetten. Als ik de keus had, dan....” - -„En kiest mevrouw niet?” vroeg de babah aan de moeder. - -Mevrouw Meidema liet den blik op het verleidelijk pakje vallen, maar... -aarzelde. - -„Toe, zoekt u ook een staal uit, mevrouw,” smeekte Lim Yang Bing met -innemend gebaar. - -„Maar... babah,” begon mevrouw. „Ik heb nimmer gehoord van geschenken -bij Chineesche huwelijken. Wel bij de oude- en nieuwejaarsfeesten.” - -„Ja, njonja, dat zijn de dagen, dat algemeen en aan ieder geschenken -gegeven worden, [164] maar bij huwelijken worden alleen aan goede -vrienden geschenken aangeboden. En ik noem den heer assistent-resident -mijn „sobat baai.” [165] - -„Ja, maar, babah, gij kent den heer Meidema.” - -„Zou de njonja mij zoo iets weigeren willen?” vroeg de Chinees -ontsteld. - -„O, mama!” prevelde Gesina met smeekenden blik. - -„Ik wil niet weigeren, babah. Alvorens evenwel iets te beslissen of te -kiezen, wenschte ik den heer Meidema te raadplegen.” - -„Niets natuurlijker dan dat. Dat is zelfs gemakkelijker voor mij. -Mevrouw kan mij dan tot voorspraak zijn bij den heer assistent.” - -„Tot voorspraak, babah?” vroeg mevrouw Meidema verwonderd. „Gij weet -wel, dat die voorspraak bij mijn man niet veel beteekent.” - -De Chinees lachte fijntjes en antwoordde: - -„Niet mij tot voorspraak, mevrouw; ik drukte mij verkeerd uit; maar tot -voorspraak van den bruidegom.” - -„Van den bruidegom? Dat ’s waar ook. Wie is toch die gelukkige, babah?” - -„Dat is nog een geheim, mevrouw... Maar ik zal het u maar zeggen. Dan -ben ik van uwe voorspraak overtuigd. Het is mijn zoon Lim Ho.” - -„Zoo... zoo... En met wie treedt hij in het huwelijk?” was de kalme -vraag van Mevrouw Meidema. - -„Met Ngow Ming Nio.” - -„De dochter van Ngow Ming Than? Ja?... Een mooi en rijk meisje. Ik -feliciteer u wel.” - -„En kan ik op de voorspraak van mevrouw voor Lim Ho rekenen?” vroeg Lim -Yang Bing. - -„Waarin heeft Lim Ho mijne voorspraak noodig?” was de wedervraag. - -„Och, de heer assistent-resident is den armen jongen niet erg genegen. -Als mevrouw een goed woord wilde doen.” - -„Maar, waaromtrent een goed woord? Met zijn huwelijk heeft de heer -Meidema niets uit te staan, nietwaar?” - -„Neen, njonja. Maar er is eene opium-perkara, waarin de arme jongen -betrokken is.” - -„O, daarvan wil ik niets weten,” riep mevrouw Meidema verschrikt uit. -„Daar, babah, steek die stalen maar weer bij u.” - -De Chinees was getroffen. Beteuterd rolde hij een poos de stalen te -zamen, en stak ze daarna in den zak. - -„Maar nja; de arme jongen is dood onschuldig.” - -„Daar wil ik niets van hooren, geen woord meer babah.” - -„Als de heer assistent-resident den armen jongen maar wilde hooren.” - -„Toe, ma!” smeekte Gesina, die de mooie zijden japon, aan den -gezichteinder zag verdwijnen. „Als pa den zoon van den pachter maar wil -hooren.” - -Mevrouw Meidema aarzelde. - -„Als mijne voorspraak niets anders geldt..... Dat wil ik hem wel -vragen,” sprak zij. - -„Ma, pas op!” fluisterde Mathilda waarschuwend, maar zacht. - -„Ik dank de njonja zeer. Wat zal de brave jongen gelukkig zijn!” viel -de Chinees in; terwijl hij de hand van mevrouw Meidema greep, en die -dankbaar drukte. „Ik zal die stalen....” - -„O, neen, niets van die stalen!” riep mevrouw Meidema uit. - -„Och, ma!” mompelde Gesina. - -„Pas op, ma!” fluisterde Mathilda. - -„Die geschenken hebben met uwe toezegging niets gemeens, mevrouw,” -haastte Lim Yang Bing, wien dat gefluister der jonge dames niet beviel, -te verzekeren. „Ik heb de eer u en uwe dochters, en natuurlijk ook -mijnheer Meidema, uit te noodigen de huwelijksplechtigheid en de -bruiloft van mijn zoon bij te wonen. Daar steekt niets in. Gij behoort -tot onze goede vrienden. En de jonggehuwden mogen uit erkentelijkheid -voor de ondervonden eer eenige geschenken aanbieden. Daar steekt nog -minder in. Dat is onze adat. Wie wil daar nu kwaad in zien?.... Dat is -dus afgesproken. Ik laat dat pakje met stalen hier, dan kunnen de dames -op hun gemak uitzoeken, en de zaak met den heer assistent-resident -bespreken.” - -Ja, zoo voorgesteld, ontmoette de aanbieding niet veel tegenkanting -meer. En al had die bestaan, dan zou mevrouw Meidema geen tijd -overgebleven zijn, om die te opperen. De Chinees lei met veel haast het -pakje op de tafel, boog diep voor de dames, prevelde zijn tabeh met nog -eenige woorden, waaruit kon opgemaakt worden, dat hij terug zoude komen -om omtrent de keuze der dames te vernemen en verdween. - -Toen de babah weg was, keken de meisjes elkander en hunne moeder aan, -Gesina met een glimlach op het lieve gelaat, Mathilda met eene ernstige -plooi om den mond. - -„Eene Chineesche bruiloft!” kreet de eene opgetogen. „Er zal voorzeker -receptie gehouden worden! Wat zal er gedanst worden! Als de Chineezen -eene partij geven, dan doen zij het goed.” - -„Bedaar toch, Sientje,” maande mevrouw Meidema hare dochter tot kalmte -aan, hoewel de goede moeder met verrukten blik die blijdschap aanzag. - -Och hare lievelingen waren zoo weinig in de gelegenheid zoo eene partij -bij te wonen. Een enkele keer in het jaar bij de residents-familie, -maar dat was ook al. - -„En wat zal ik in mijn nieuwe zijden japon pronken!” ging het meisje -voort, terwijl zij het pakje van de tafel greep. „O, bepaald, ik kies -die tahi boeroeng. En gij, Thilda?” - -„Ik weet het niet,” antwoordde deze met een zucht; „maar ik heb een -gevoel alsof dat pakje ongeluk over ons huis zal brengen.” - -„Kom, wat malligheid! Kijk eens die stalen!” sprak Gesina, terwijl zij -het pakje openrolde. „O, die fraaie bruine zijde! Kijk eens, mama, dat -zou wat voor u zijn! En die blauwe, dat is de keus van Thilda, die is -ook mooi. Maar in mijn oog is de tahi boeroeng de mooiste. Zie eens!... -Maar.... wat is dat?...” - -Gesina had het staal op haren knie willen leggen, om de veranderlijke -kleuren goed te doen uitkomen; maar bij die beweging gleden eenige -bankbiljetten uit het pakje op den grond. De dames zaten een oogenblik -als versteend; want met een oogopslag hadden zij papiertjes van vijf -honderd gulden herkend. Eindelijk bukte zich Gesina, raapte ze op, en -telde ze: een, twee, drie.... tot tien. - -„Vijf duizend gulden!” prevelde zij verward. „Hoe zouden die in dat -pakje komen? Dat ’s eene vergissing van den babah!” - -„Mijn voorgevoel!” dacht Mathilda bij zich zelve. - -„Vijf duizend gulden!” vloog door het brein van mevrouw Meidema, -terwijl zij het pakje bankbiljetten van hare dochter Gesina overnam. -„Vijf duizend gulden!” - -Wat ging er in hoofd en hart van die brave moeder om? O! hare eerste -gedachte was om den babah te laten terugroepen, om hem dat geld terug -te geven, en hem met zijne stalen de deur te wijzen. Vijf duizend -gulden!.... Maar, de Chinees was al zoo ver weg!.... - -Vijf duizend gulden!... En moesten de bedienden met die zaak in -wetenschap komen?... Neen, dat kon niet... Vijf duizend gulden!... Die -vertegenwoordigden tien maanden traktement van haren echtgenoot! Zij -streek de papiertjes een voor een glad, wond ze om haren vinger... Vijf -duizend gulden!... Van die som konden alle betalingen geschieden!.... -En, wat zou er moeten gebeuren?.... Vijf duizend gulden!... De beeren -betaald, zoude nog wel een sommetje overschieten... Meidema kon dan -eens verlof nemen naar de bovenlanden. Hij zag er in den laatsten tijd -zoo naar uit. Een paar weken verblijf in de berglucht zou hem goed -doen... Vijf duizend gulden!... Ook de knapen zouden nieuwe kielen... - -Zij werd gestoord in haren gedachtengang, door een rijtuig, dat het erf -opreed. - -„Daar is papa!” riep Gesina uit. „Gauw weg met die stalen en die -bankbiljetten!” - -Zij greep reeds toe. Zij had die zijden lapjes en die papiertjes reeds -opgerold, en was op het punt dat pakje onder het kielengoed, waarmede -zij bij het binnenkomen van den Chinees onledig was geweest, te doen -verdwijnen; toen hare moeder haar beiden afnam, en voor zich op tafel -neerlegde. - -Bij het hooren van de stem van haren echtgenoot, die in de voorgalerij -der woning aan de bedienden eenige bevelen gaf, was de brave vrouw uit -den zwijmel van booze gedachten, die haar in haren maalstroom dreigden -mee te sleepen, opgeschrikt. Neen, voor den man, aan wiens zijde zij -gedurende een groot gedeelte van haar leven rein en onbesproken had -voortgestapt, wilde zij geen geheimen hebben! Neen, voor den man, dien -zij zoo lange jaren in lief en leed, in voorspoed en in tegenspoed had -ter zijde gestaan, zou zij niets verzwijgen! Zij zou hem alles -blootleggen. Hij kon dan handelen, zooals hij zou meenen, dat goed was. -Zij waren wel arm; maar zij zou zich aan zijne beslissing onderwerpen. - -Dat alles bestormde in een ondeelbaar oogenblik het hoofd der brave -vrouw. Toen Meidema de achtergalerij binnentrad, was haar besluit -onwrikbaar genomen. - -De meisjes vlogen op, en gaven haar vader een kus. Ook de moeder -naderde en verwelkomde haren echtvriend. Deze evenwel zag met een -oogopslag, dat er iets haperde. Hij greep haar met beide handen bij de -schouders, en keek haar uitvorschend in de nog schoone oogen. - -„Zeg, mamaatje,” vroeg hij met opgeruimde stem, „is er iets?” - -„Ja, Meidema, ga zitten, ik heb u wat te vertellen.” - -„Hoe ernstig, mijn oudje! Kunnen de meisjes hier blijven?” - -„Ja, zeker. In die zaak heb ik voor haar geene geheimen. Ik verlang -zelfs, dat zij blijven.” - -„Drommels, hoe solemneel! Geldt het haar? Zijn zij ten huwelijk -gevraagd? Niet? Ik zou daarin ook geen reden vinden, om zoo’n gezicht -als zes weken westmousson te zetten.” - -„Maak nu geen gekheid.”— - -„Geldt het dan de knapen? Zijn die weer stout geweest? De pantalon -gescheurd? Of de kiel aan flarden? Ja, die jongens zijn een kruis! -Maar, kom... dat alles komt terecht.” - -Alles terecht?.... - -Bij die woorden bleef hij steken. Zijn onderhoud met den resident kwam -hem voor den geest. Hij stapte na de omhelzing de galerij op en neer, -haalde eene sigaar uit zijn koker, en keek Mathilda aan. Deze vloog op. - -„Mag ik ze aansteken, pa?” vroeg ze. - -Zij nam de sigaar in den mond, streek een lucifer aan, deed eenige -trekken, waarbij zij een allerkoddigst gezichtje zette, wanneer de -tabaks-rook haar in de neusgaten of oogen drong. Zij kuchte dan licht, -boog het hoofdje ter zijde, trok de neusvleugels eenigszins op, en -kneep de oogen dicht. Toen de sigaar goed rondgebrand was, stak zij ze -haren vader in den mond, met de woorden: - -„Ah bah! hoe leelijk! Dat de heeren zoo iets lekker kunnen vinden!” - -„Kleine feeks, ge hebt de sigaar verkeerd aan het dikke einde -aangestoken.” - -„Dat’s zuiniger, pa.” - -„Wel mogelijk; maar daarom smaakt ze zoo leelijk.” - -„Kom, pa. Tabak is toch tabak, en dan dat dikke eind in den mond, dat -ontsiert de lippen zoo. Kijk zoo, dat dunne eind, dat staat goed. Maar -pa, let nu eens op ma!” - -„Ga hier zitten, Meidema; want, wat ik je te zeggen heb, is ernstig.” - -„Ik zit al, wijfje, en luister aandachtig.” - -„Babah Lim Yang Bing is straks hier geweest.” - -„Zoo, ik kwam hem tegen. Hij groette mij allervriendelijkst, nog -vriendelijker dan anders.” - -„Weet gij wel, wat hij heeft komen doen?” - -„Wat hij heeft komen doen?...” vroeg de heer Meidema, ietwat -verwonderd. De naam van den pachter had reeds zijne aandacht gaande -gemaakt, zonder dat hij kon gissen, wat er aan de hand was. „Wat zou -hij hier hebben komen doen? Eenvoudig een praatje maken.” - -„Weet gij dat zijn zoon Lim Ho trouwen gaat?” - -„Daar heb ik zoo wat van gehoord, met de dochter van dien ouden rijken -Chinees, nietwaar?” - -„Ja, pa, met de lieve Ngow Ming Nio,” viel Gesina in. - -„Lim Yang Bing,” ging mevrouw Meidema voort, „heeft ons, u, mij en de -meisjes komen verzoeken om bij de huwelijksplechtigheid en op de -bruiloft tegenwoordig te zijn.” - -„Welnu, wat zou dat? Dat zal de meisjes pleizier doen, nietwaar -deerns?” zei hij, terwijl hij de wangen zijner tweelingen streelde. -„Zoo’n Chineesche huwelijksplechtigheid is allerinteressants. Ziet ge -daarom zoo ernstig?... O, ja!... vanwege de kleeding... Laatst met de -partij bij den resident werd reeds aanzoek om nieuwe japonnen gedaan... -Dat’s last...” - -„Neen, Meidema, dat is niet lastig; want de Chinees biedt ons -geschenken aan.” - -„Geschenken?” - -„Ja, hij zegt, dat de gebruiken medebrengen, dat jonggehuwden aan goede -bekenden geschenken uitdeelen.” - -„Accoord: wat suikerwerk, gebak of zoo iets. Maar, wat heeft dat?...” - -„Neen, geen snoeperijen, maar zijde, om japonnen van te maken.” - -„Zijde!... Is die vent dol? Van die adat heb ik nooit gehoord. En ik -ben toch al een tijd in Indië!” - -„Hij heeft zelf stalen van Chineesche zijde achtergelaten. Beelderig! -Prachtig mooi! Eene kleine voorwaarde was er evenwel aan verbonden.” - -„Eene voorwaarde?... En die is?” - -„Ik zou de voorspraak bij u zijn voor Lim Ho.” - -„Voor Lim Ho!!... Zoo! En wat hebt gij gezegd?” - -„Dat ik daar niets mede te maken wilde hebben.” - -„En waar zijn die stalen?... Geef hier, dat ik ze in het vuur werp!” - -„Zacht wat, Meidema!” - -„Voorspraak van Lim Ho! Met een zijden japonnetje wilde men u -omkoopen!” - -„Niet alleen met een zijden japonnetje, Meidema. Rol dat pakje eens -open!” - -De assistent-resident deed zulks woest en hartstochtelijk in zijne -opgewondenheid. - -„Wat is er?... Wat is er toch?” riep hij ongeduldig uit. - -Daar vielen hem de bankbiljetten op de voeten. Bleek en ontdaan raapte -hij ze op, telde ze, streek ze glad, keek zijne vrouw en kinderen met -strakken blik aan; maar sprak geen woord. Eindelijk, in een woesten -vloek uitbarstende, frommelde hij het pakje stalen en de bankbiljetten -tot een vormloozen klomp te zamen. - -„De duivel zal dien Chinees halen!” riep hij uit. „Daar zal de vent van -lusten!” - -En den bediende roepende; - -„Todrono, soeroe passang koeda!” (Todrono, gelast den koetsier de -paarden voor te spannen). - -Tien minuten later had hij het erf verlaten. - - - - - - - -XXVI. - -AARDIG GEMANOEUVREERD! - - -. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - -„Ja, resident, en ik klaag den opiumpachter aan wegens poging tot -omkooperij!” - -Het was de assistent-resident van politie, die zoo het verhaal aan den -heer Van Gulpendam besloot, waarbij hij het gebeurde bij zich aan huis -in geuren en kleuren had medegedeeld. - -„Bedaar, mijnheer Meidema, bedaar. Vast wat!.... Overijling is nadeelig -voor welke zaak ook. Zijt gij overtuigd, dat die vijfduizend gulden -daar in dat pakje gestopt zijn met het doel om u te willen omkoopen?” - -„Moet ik herhalen, resident, dat hij mijne echtgenoote verzocht, bij -mij tot voorspraak voor Lim Ho te dienen? Ja zeker, ben ik overtuigd -van die poging tot omkooping!” - -„Kunt gij niet aannemen, dat Lim Yang Bing, die een zeer weldadig man -is, begaan is met uwe benarde financiëele omstandigheden?” - -Meidema brulde schier van woede. - -„Mijne benarde financiëele omstandigheden!... Wie verbreidt toch dat -praatje? Zeker ben ik niet rijk; maar wanneer ieder zooveel orde op -zaken had als ik, dan zou...” - -„Laten wij niet van den wind afvallen, mijnheer Meidema,” stuitte de -resident bijtijds. - -„Ja, juist, resident! Wie geeft dien Chinees het recht zich met mijn -financiëele omstandigheden te bemoeien, en zich te permitteeren aan -mijne vrouw en dochters een cadeau van vijfduizend gulden aan te -bieden?” - -„Maar, is het wel een cadeau?” - -„Wat zou het anders zijn, resident?” - -„Kunt gij niet aannemen, dat dat pakje bankpapier onwillekeurig -tusschen die stalen zijde geraakt is? Gij weet hoe slordig zoo’n -Chinees met papieren geld omspringt. Soms hebben zij eene groote waarde -los in hun zak zitten. Zie, ik ben overtuigd, dat wanneer gij straks -Lim Yang Bing zult ontmoeten, alles zich ten duidelijkste zal oplossen. -Ik zal hem laten praaien. Vindt gij het goed?” - -„Mij wel, resident; maar wat hij ook zeggen of verklaren zal, ik trek -mijne aanklacht niet in.” - -„Niet zoo vroeg stoom afblazen, mijnheer Meidema, wat ik u bidden mag. -Laat mij het bestek nu eens uitzetten, dan zult gij zien, dat gij u in -den koers schromelijk vergist hebt.” - -Een oppasser werd geroepen, en kreeg bevel om dadelijk te paard te -stijgen, en in vollen ren naar den opiumpachter te rijden met de -boodschap: dat deze terstond bij den Kandjèng toean resident moest -komen. - -Nog geen half uur later, dat beide ambtenaren met een gesprek over -onverschillige zaken doorgebracht hadden, reed een elegante milord, -bespannen met het fraaiste span Perziaansche paarden, die maar te -bedenken waren, het erf van het residentiehuis op. Een oogenblik later -werd de opiumpachter aangediend. - -„Kassie massokh!” (laat binnen komen,) sprak de resident. - -Met zijn gewone ongedwongenheid en met een glimlach op het gelaat trad -Lim Yang Bing binnen. Hij had reeds van den oppasser vernomen, dat de -heer assistent-resident bij den toean bezaar was. Dat was hem als een -goed voorteeken voorgekomen. Hij meende nu dat die opium-smokkelzaak -van een leien dakje zou loopen. - -Opgeruimd klonk dan ook zijn: - -„Tabeh Kandjèng toean toean!”... - -De resident wees den Chinees een stoel, en toen deze plaats genomen -had, vervolgde hij: - -„Babah, de heer assistent-resident vermeent zich over u te beklagen te -hebben.” - -„Ik vermeen dat niet, resident,” viel Meidema in. „Ik beklaag mij -werkelijk.” - -De beide heeren spraken Maleisch, zoodat de pachter alles verstond. - -„En waarover beklaagt de heer assistent-resident zich?” vroeg hij -zoetsappig. - -Hij zag de geheele samenkomst aan voor eene komedie, die vertoond werd, -en waarin ieder zijne rol te vervullen had. Hij had zoo menig luimig -stukje mede helpen afspelen. - -„Waarover ik mij beklaag, babah? Ik klaag u aan, dat gij mij als hoofd -van de politie hebt willen omkoopen!” - -„Ik, Kandjèng toean?” vroeg de Chinees met gemaakte verwondering. -„Wanneer zou ik dat gedaan hebben?” - -„Nog geen uur geleden, dezen ochtend nog.” - -„De heer assistent-resident wil met mij spotten. Ja ik ontmoette hem -straks, maar had de eer niet hem heden te spreken. Hoe zou ik nu zoo -iets kunnen bedreven hebben?” - -„Gij zijt heden ochtend bij mijn gezin geweest, nietwaar?” - -„Ja, Kandjèng toean, om hen en u voor de bruiloft uit te noodigen, -zooals ik hier ook op het residentiehuis geweest ben, om de njonja en -den toean bezaar te verzoeken.” - -„Hebt gij de njonja-resident ook Chineesche zijde aangeboden voor een -japon?” vroeg de heer Meidema heftig. - -De Chinees knikte onder dien slag. Zijn geel gelaat werd vaal. Hij -begon te begrijpen, en keek den resident beteuterd aan. Maar deze, -tegenover Meidema gezeten, die hem aankeek, vermocht hem geen teeken te -geven. Toch was er iets aanmoedigends in de oogen van den -hoofdambtenaar te lezen. - -„Hebt gij de njonja-resident ook een pakje bankpapier aangeboden? Zeg?” - -En bij die woorden wierp de assistent-resident de geldswaarde op de -schrijftafel van den resident met een gebaar, alsof hij zich brandde. - -De Chinees werd loodkleurig. Hij had tijd noodig om zich te herstellen. - -„Ziet ge, resident. De schuld is op het aangezicht van den ellendeling -te lezen!” sprak Meidema opgewonden. - -Bij die woorden hernam de pachter zijn koelbloedigheid. Hij sprong op -het pakje banknoten toe, en telde ze nauwkeurig; „satoe, doea, tiga, -ampat,... sapoeloeh!” - -Toen een fletschen blik op den heer Meidema vestigende, vervolgde hij: - -„En beschuldigt de heer assistent-resident mij, hem te hebben willen -omkoopen?” - -„Ja, babah, daarvan beschuldig ik u!” - -„Maar, waarom geeft de heer assistent-resident dan niet de geheele som -terug?” vervolgde de Chinees met honigzoeten glimlach. - -„De geheele som?” - -„Ja, de geheele som,” antwoordde babah Lim Yang Bing. „Ik heb al lang -gemerkt, dat de heer assistent-resident mij en de mijnen niet genegen -is; maar het is toch te erg eene kleine som terug te brengen om mij ten -verderve te brengen en de grootere te behouden.” - -Dat werd zonder hartstocht, zonder omhaal, zonder verheffing van stem, -maar op teemenden toon gezegd, terwijl die gluiperige glimlach, welke -het gelaat der Chineezen steeds kenmerkt, wanneer zij zich in -tegenwoordigheid van gezaghebbende personen bevinden, waargenomen kon -worden. - -„Babah!” riep de heer Meidema toornig uit. „Babah pas op!” - -„Maar ik begrijp den toeleg van den heer assistent-resident,” ging de -Chinees, die zich niet van zijn stuk liet afbrengen, met zijnen -onverstoorbaren valschen lach voort. „Hij wil het grootste gedeelte van -het cadeau, dat ik mevrouw deed, behouden, en daar de boeten bijvoegen, -die Lim Ho betalen zal, wanneer hij en niet Ardjan als schuldig aan -opium-smokkelvrij veroordeeld wordt. Ik moet bekennen, dat het slim, -maar ik laat den Kandjèng toean oordeelen of het eerlijk is.” - -Meidema zat daar, alsof hij door den bliksem getroffen was. Eene -vreeselijke gedachte woelde hem door het brein. Ja, zijne financiën -waren niet in den besten toestand! Ja, zijn huisgezin ging gebukt onder -zware lasten! Ja, voor zijne kinderen gloorde maar zelden een vroolijk -uur! Ja... en... zou zijne echtgenoote onder den druk der -omstandigheden zich hebben laten verleiden hem niet de geheele waarheid -te zeggen? Had zij hem slechts een gedeelte van de gift genoemd, om te -zien, hoe hij het opnam?... Ja, zoo zal het gebeurd zijn.... Zijne -vrouw, zijne dochters, zij zaten daar ook zoo beteuterd, zoo -verbijsterd. En de gedragslijn, welke hij thans tegenover den resident, -die hem niet erg genegen was, aangenomen had. Hel en duivel!... Hij -sprong op. - -„Babah! gij liegt!” riep hij in de grootste verbolgenheid uit. - -„Als de heer assistent-resident „koerang adjar” (onwelvoegelijk) wordt, -dan verzoek ik den Kandjèng toean mij te veroorloven heen te gaan,” -antwoordde de Chinees op denzelfden sleependen, zangerigen toon, met -denzelfden valschen glimlach op de fletsche trekken. - -„Mijnheer Meidema, ik moet u verzoeken bedaard te blijven,” maande Van -Gulpendam op ernstigen toon. - -„Hoeveel heeft dan in dat pakje gezeten?” kreet Meidema wanhopig. - -„In dat pakje heb ik de njonja tien bankbiljetten van duizend en tien -van vijf honderd gulden aangeboden.” - -De assistent-resident kermde van ontsteltenis en wanhoop. - -„Is dat waar?” vroeg hij met haperende stem. - -„Soengoe matti!” (bij mijn dood), was het antwoord. - -„O, ik ga mij overtuigen!” kreet de ongelukkige en stormde het kantoor -van den resident uit. - -En de Chinees èn de resident keken hem met een glimlach na. - -„Goed gepareerd, babah!” sprak de laatste bewonderend, en binnensmonds -prevelde hij: - -„Ik ben eens benieuwd, welke noodhaven de koppige kerel bij het -invallen van die bui zal opzoeken.” - -„Kandjèng toean zal mij veroorloven naar huis te gaan?” vroeg babah Lim -Yang Bing deemoedig, maar steeds met loenschen glimlach. - -„Ja, babah.” - -En toen de gebruikelijke complimentjes gewisseld waren, en de Chinees -vertrokken was, tuurde hem de resident na en mompelde: - -„Een leepe vent, die pachter... Ja, die in de opium zit, moet met alle -winden kunnen zeilen.” - -Brieschend kwam Meidema te huis. - -Hij wachtte niet totdat zijn rijtuig het perron der voorgalerij bereikt -had. Nauwelijks was hij het erf opgereden, of hij wierp het portier -open, sprong het rijtuig uit en riep den koetsier toe: - -„Toengoe!” (wachten). - -Hij stormde de voor- en binnengalerij door. In de achtergalerij -aangekomen, waar de dames nog met hun verstelwerk bezig waren, vloog -hij op zijne echtgenoote toe, die bij het bemerken van zijn ontsteld -gelaat van haren zetel opgerezen was. Hij greep haar bij de polsen, en -met eene krachtige beweging, dwong hij haar voor hem te knielen. Dat -alles ging zoo snel in zijn werk, dat, hoewel de beide meisjes ook -opgevlogen waren, niemand harer eigenlijk begreep, wat er gebeurde. - -„Zoo!” brulde Meidema. „Dat is de houding, die u betaamt! En nu, -geantwoord! Waar is het overige geld?” - -„Welk overige geld?” kreet de rampzalige vrouw, zich onder zijne -ijzeren vuist in duizend bochten aan zijne voeten wringende. - -„De andere tien duizend gulden!” toornde de man. - -„Welke tien duizend gulden?” vroeg de arme moeder steeds geknield. -„Meidema laat me los; gij doet mij zeer!” - -„Neen, ik laat u niet los, voor dat ge me gezegd hebt, waar de tien -duizend gulden zijn,” antwoordde de verbolgen echtgenoot. - -„Maar, welke tien duizend gulden?” - -„Die de Chineesche pachter u met de vijf duizend gegeven heeft!” - -„Pa,” sprak Gesina, „laat mama los. Ik zal u vertellen, wat er van de -zaak is.” - -„Gij!” brulde de vader, zonder evenwel zijne echtgenoote los te laten, -die hij steeds geknield voor zich hield. - -„Ik heb het pakje van Lim Yang Bing aangenomen,” ging het meisje voort. -„Ik heb het geopend en de stalen zijde met mama en mijne zuster -bewonderd. Toen waren er geen bankbiljetten in, dat zweer ik, bij al -wat mij heilig is! Toen mama van eene voorspraak bij u niets weten -wilde, stak hij het pakje weer bij zich. Evenwel toen mama later er in -bewilligde, om u over die zijde te raadplegen, wierp de babah het pakje -op tafel en snelde heen...” - -„Maar die tien duizend gulden?” vroeg Meidema achterdochtig. - -„Laat mij uitspreken pa,” vervolgde Gezina. „Toen hij weg was, nam ik -de stalen weer op; maar nu ik mij goed herinner, dan waren het de -eerste stalen niet, die wij bewonderd hadden. Daar lette ik evenwel -toen niet op. Wij keken, keken, en waren geheel en al verrukking Ik lei -een der stalen op mijn knie om het effect te bewonderen, toen vielen -vijf duizend gulden uit dat pakje...” - -„Vijftien duizend, wilt ge zeggen?” vroeg de vader, die ongeduldig, -maar toch aandachtig geluisterd had. - -„Neen, pa, tien papiertjes van vijfhonderd gulden! Anders niet!” -antwoordde het meisje met vaste, rustige stem. - -„Is dat waar?” vroeg de vader, en keek zijn kinderen en zijne vrouw -uitvorschend in het gelaat. - -Maar de lieve kijkers van zijn tweeling blikten hem zoo schuldeloos, -zoo open en trouwhartig te gemoet; de oogen zijner gade vestigden zich -zoo vastberaden op de zijnen, dat twijfel onmogelijk was, toen alle -drie als uit een mond met eene stembuiging, die slechts aan een rein -geweten hare overtuigingskracht ontleende, antwoordden: - -„Ja, dat is waar!” - -Toen trok de rampzalige man zijn echtgenoote, die nog steeds geknield -voor hem lag, overeind, en kreet, terwijl hij haar aan zijne borst -klemde: - -„Ellendeling, die ik ben! Ik heb mijne dierbaren, hen, die ik het meest -liefheb op aarde, kunnen verdenken!” - -En zijn armen uitspreidende en om den hals zijner vrouw en kinderen -slaande. - -„Lievelingen,” sprak hij met een snik, „zult gij mij kunnen vergeven?” - -Die vier personen vormden daar voor een oogenblik een groep, die een -beeldhouwer had kunnen bekoren; maar die den menschenvriend, die dat -heerlijke schouwspel had kunnen bespieden, het hart van verrukking zou -hebben doen kloppen. De gade, de dochters overlaadden den man, die een -oogenblik te voren zoo getoornd had, met kussen en met liefkoozingen. -O, zij konden zich zeer goed in zijne plaats stellen, en zijne -verbolgenheid begrijpen. - -„Had ik geen recht,” zei Mathilda „toen ik beweerde, dat dat pakje -stalen mij ongeluk aanbrengend voorkwam?” - -„Maar, zeg mij, Meidema,” vroeg mevrouw; terwijl zij haren echtgenoot -met een traan in het oog aanzag. „Wat is er gebeurd, wat u zoo -gramstorig maakte?” - -„Die vuile Chinees heeft in presentie van den resident beweerd, dat hij -u geen vijf duizend, maar vijftien duizend gulden overhandigd had.” - -„O, God! Maar, dat is infaam!” - -„Ja, dat is het! Van zoo’n opium-exploitant echter is niet anders te -verwachten. Zoo’n wezen is tot alles in staat!” - -„Maar, kan u zoo iets niet benadeelen?” vroeg de bezorgde vrouw. Een -weinig ervaring van het raderwerk in Nederlandsch-Indië had zij wel. - -„Ja,” antwoordde Meidema met een zucht, „als ik met eerlijke lieden te -doen had, dan kon ik volkomen gerust zijn. Maar, nu?... Ik zal evenwel -trachten een schotje er voor te zetten! Mijn rijtuig staat nog voor; ik -ga snel naar den resident!” - - - -„Dat’s eene malle geschiedenis, mijnheer Meidema.” - -Dat was de eenige opmerking, die zich de resident Van Gulpendam -veroorloofde, toen de heer Meidema hem met al den gloed der -verontwaardiging, die zijne borst doortintelde, het gebeurde -medegedeeld had. Gedurende dat verhaal had de hoofdambtenaar met -onverdeelde aandacht, evenwel met strak niet aanmoedigend gelaat zitten -luisteren, terwijl soms een zweem van ongeduld met een sarcastisch -glimlachje op zijn gelaat om den voorrang streden. Dat uiterlijke -ontstemde den reeds overprikkelden assistent-resident zoodanig, dat -toen de resident zich zijne niet zeer heusche opmerking liet ontvallen, -hij niet zonder hartstocht antwoordde: - -„Eene malle geschiedenis!... Eene infâme geschiedenis, wilt ge zeggen, -resident!” - -„He, he, he! mijnheer Meidema. Niet zoo stout zeilen!” - -„Maar, resident, vindt gij het geene infâme geschiedenis?” - -„Jawel, jawel... maar, het is de vraag voor wien?” - -„Het is de vraag voor wien?... Resident, het schijnt, dat gij mij niet -gelooft!” - -„Niet te driftig, mijnheer Meidema. Luister eens...” - -„Maar, resident, dat vereischt eene nadere verklaring! Als gij mij niet -gelooft...” - -„Ik verlang nu, heer assistent-resident, dat gij mij aan het woord -laat!” - -Die woorden, met de meest mogelijke afgemetenheid en deftigheid -uitgesproken, zooals dat een resident in zijne volle waardigheid alleen -kan, brachten eene geheele omkeering bij zijn toehoorder te weeg. -Meidema bedwong zich, antwoordde geen enkele lettergreep, maar boog ten -teeken, dat hij luisterde. - -„Ik zei, dat het eene malle geschiedenis is,” hervatte de resident, „en -werkelijk, dat is zoo. Ik wil voor een oogenblik gelooven, dat gij een -eerlijk man zijt, mijnheer Meidema....” - -De ondergeschikte knarstandde bij die woorden. Hij deed eene -beweging;... maar, hij was vast besloten bedaard te blijven en te -luisteren. De resident vervolgde, alsof hij niets bemerkt had. - -„....Maar, gij moet mij toegeven, dat de schijn zeer tegen u pleit... -Tegen u, of... tegen uwe huisgenooten. Stel u eens op het standpunt van -den resident, van mij, die onpartijdig, zonder vooroordeelen, de zaken -moet overzien; en zie dan eens op welke schaal der balans van -onpartijdigheid de waarschijnlijkheden zich als het ware ophoopen. Uw -benarde financiëele omstandigheden zijn van algemeene bekendheid en -schaden uw karakter van eersten magistraat in de publieke opinie zeer. -Het is zoo moeielijk aan te nemen, dat iemand, onder zulke -omstandigheden gebukt, onpartijdig, onaantastbaar, onwrikbaar eerlijk -kan zijn. Daartoe zijn de verlokkingen van alle kanten te groot. Aan -den eenen kant de aanbiedingen der verleiders, die hunnen weg wel weten -te kiezen; aan den anderen kant de stemmen der huisgenooten, die onder -den druk van het kommerlijk bestaan kwijnen. De openbare meening is dus -bepaald tegen u. In die omstandigheden verschijnt de opiumpachter ten -uwent, biedt geschenken aan in den vorm van zijden japonnen voor uwe -echtgenoote en voor uwe dochters, biedt geschenken aan in den vorm van -geld. Wien zult gij nu willen wijsmaken, dat zoo iets geschieden kan, -zonder dat voorafgegane verhoudingen plaats gegrepen hebben, die tot -zulke aanbiedingen aanmoedigden? - -„Immers niemand. Zelf hebt gij verhaald, dat de pachter de voorspraak -uwer vrouw kwam inroepen. Hij moest dus wel overtuigd zijn, dat die -voorspraak te verwerven was, dat die voorspraak tot iets nuttig kon -zijn. En, moet gij dàt met mij instemmen, dan zijt gij van de -bekentenis niet meer verre, dat die voorspraak niet voor de eerste maal -ingeroepen werd. Gij zult althans den onpartijdige veroorlooven, dat -als zeer waarschijnlijk aan te nemen. Zie, dat is nog niet alles. Er is -meer. Zelf hebt gij bekend, dat gij aan de schuld van mevrouw Meidema -een oogenblik geloofd hebt. Aangrijpend was straks het verhaal van het -betreurenswaardige tooneel, dat bij u aan huis plaats gehad heeft, en -dat ik als hoofdambtenaar bij mijne ondergeschikten streng moet -afkeuren; maar wat mij in de gegeven omstandigheden begrijpelijk -voorkomt; echter mij tevens eene vingerwijzing geweest is, dat gij, gij -in persoon, uwe gade niet boven iedere verdenking verheven geacht -hebt.” - -Meidema zat daar doodsbleek, aan een beeld gelijk, stil, met de vurig -brandende oogen op den resident gevestigd, die met vaardige hand, ja -met eene zekere virtuositeit het mes in de wonde omkeerde. De -rampzalige beschuldigde zich in die oogenblikken erger dan de resident, -erger dan het iemand had kunnen doen. Voor den rechtvaardige is de stem -des eigen gewetens de schrikkelijkste stem! Ja, hij had zijne -wederhelft, zijnen aanminnigen tweeling verdacht! De resident had -gelijk! Maar, dat was helaas, niet het ergste, wat hem zijn geweten -verweet. Die verdenking had hij niet voor zich gehouden! Die verdenking -had hij niet in eigen boezem weten te bewaren! Eerlijk en trouwhartig, -had hij gemeend, dat de waarheid, de geheele waarheid steeds het meest -krachtige bewijs is. En, in een oogenblik van openhartigheid, had hij -medegedeeld, om aan te toonen, hoe onschuldig zijn huisgenooten waren, -tot welke handelingen van woest geweld hij zich in een oogenblik van -onzinnige smart had laten vervoeren! En daar keerde zich het wapen om, -niet alleen tegen hem, maar tegen haar, tegen haar van wier onschuld -hij thans overtuigd was, steeds overtuigd geweest was! O, God! Zijne -oogen deden hem zeer. Het was, of zij met witgloeiend ijzer omboord -waren. Zijn blik was niet meer strak, hij was aan dien van het -levenlooze beeld gelijk, van het beeld, dat de kunstenaar, onbekwaam om -den blik daarvan te bezielen, met akelige oogappels zonder iris -begiftigd heeft. Die wezenlooze oogen waren op zijn beul gevestigd. -Deze, onbekwaam om eenig medelijden te gevoelen, ging onbarmhartig -voort: - -„Is het nu niet aan te nemen, mijnheer Meidema, dat uwe echtgenoote, -voor uwe ruwheid beducht, zich tot eene eenvoudige ontkenning bepaald -heeft, nadat ze eerst u heeft trachten te misleiden omtrent die tien -duizend gulden? Zie,” ging de resident met vriendelijken glimlach -voort, „mij dunkt, dat het ’t meest verkieselijke voor alle partijen -ware, dat aan die betreurenswaardige zaak dien glimp gegeven werd. -Moeielijk kan men u voor de daden van mevrouw verantwoordelijk -stellen....!” - -Daar vloog Meidema op. - -„Neen!” kreet hij, „die glimp mag niet gegeven worden! Mijne vrouw is -onschuldig!” - -„Bedenkt, wat ge doet, mijnheer Meidema,” sprak Van Gulpendam met -teemende stem. „Laat ge dat anker glippen, dan blijft er geen ander -alternatief over, dan...” - -De aterling aarzelde. Hij deinsde terug voor hetgeen hij nog te zeggen -had. - -„Geen ander alternatief dan?...” vroeg Meidema met schorre stem. - -„Dan u voor den schuldige te houden, die met uw gezin samenspant!” - -„Resident!...” - -„Bedaar!... Ik stel dat alternatief niet; gij stelt het. Wordt gelet: -alweer op uwe financiëele omstandigheden, op den toon van verbittering, -die in uw proces-verbaal tegen Lim Ho heerscht; hoe daarin alles -aangegrepen wordt, om hem schuldig te doen schijnen, en hoe alles -vermeden wordt, wat op de schuld van den Javaan Ardjan kan wijzen, dan -geven de woorden, die de opiumpachter straks sprak, veel te denken. -Herinnert gij u die woorden nog? Zij waren wreed, maar misten hun à -propos niet. „Hij wil,” sprak de Chinees „het grootste gedeelte van het -cadeau, dat ik mevrouw aanbood, behouden, en daarbij de boete voegen, -die Lim Ho betalen zal, wanneer hij en niet Ardjan, als schuldig aan -opiumsmokkelarij veroordeeld wordt.” En, neem ik nu art. 24 van het -opiumreglement in aanmerking, in verband met al hetgeen ik u reeds -onder het oog bracht, dan zal ik er niet op behoeven te wijzen, dat gij -op mijne voorspraak niet zult kunnen rekenen,” - -De rampzalige zat daar als vernietigd. Hij sprak geen woord; terwijl -zijn oogen slechts wezenloos op zijn chef gevestigd bleven. - -„Neen, er is hier geen andere uitweg: of uwe vrouw is schuldig, of gij -zijt het! Misschien wel gij beiden! Er valt hier te kiezen... En dat -spoedig!... Want heden nog wil ik naar de regeering telegrapheeren.” - -Telegrapheeren!... De ongelukkige hoorde alleen dat woord. -Telegrapheeren! Ja, hij wist wat dat beteekende. - -Hij wist met hoeveel willekeur het lot der ambtenaren behandeld werd. -Telegrapheeren!... Hij zag zich reeds ontslagen,... door een ieder als -de pest geschuwd,... zijn gezin aan armoede, honger en ellende ten -prooi... In die oogenblikken, als las hij in de gedachte van den -rampzalige, weerklonk de stem van den machthebbende: - -„Kiezen, mijnheer Meidema! Hier valt aan geen uitstel te denken.” - -„Wat moet ik doen, resident?” snikte de arme man radeloos. - -„Wat gij moet doen? Hier is uw proces-verbaal! Het werd mij straks met -de stukken van den landraad, dien ik aanstaanden Dinsdag zal -presideeren, bezorgd. Dat proces-verbaal,... hier is het,... doet er -mede, wat gij wilt.” - -En hij stopte den waanzinnige het document in handen. Deze nam het aan, -bekeek het met wezenloozen blik. Hij deed met beide handen eene -beweging, alsof hij het verscheuren wilde; maar, alvorens de -noodlottige ruk volbracht was, stortte hij met een kreet bewusteloos op -den grond. - -Een dokter werd gehaald. Toen deze verscheen, vond hij den heer -Meidema, op een stoel in het kantoor, door het geheele huisgezin van -den resident omgeven, wezenloos zitten, terwijl de vloer rondom hem met -stuk gescheurde papieren bedekt was. De geneesheer sprak van „febris -cerebralis,” (hersenkoorts) en liet den patiënt naar het hospitaal -vervoeren. - -„Is het gevaarlijk, dokter?” vroeg de resident met de innigste -belangstelling. - -„Zeer gevaarlijk. Als de patiënt niet krankzinnig wordt, zal hij het -hard te verantwoorden hebben.” - -De resident reed dadelijk naar mevrouw Meidema, om haar op den slag -voor te bereiden, die haar trof. - -Des avonds las men in een der plaatselijken dagbladen het navolgende: - -„Een treurig bericht. Naar wij vernemen is de assistent-resident voor -de politie W. D. Meidema hevig ongesteld geworden. Aanvankelijk liet de -ziekte zich aanzien, alsof zij eene variëteit van hersenkoorts ware; -maar na een nauwkeurig onderzoek door onzen ijverigen en kundigen -dirigeerend officier van gezondheid, is deze tot de ervaring gekomen, -dat hij hier te doen heeft met een bizonderen vorm van melancholia -attonita. De faculteit heeft uitspraak gedaan, dat slechts herstel te -verwachten is van een eenigszins langdurig verblijf in een der -krankzinnigen-gestichten in Europa, en dat een spoedig vertrek -derwaarts zeer gewenscht is. Zijn wij goed ingelicht, dan heeft onze -resident reeds aan de regeering te Batavia getelegrapheerd: zoodat het -te voorzien is, dat het besluit, waarbij verlof naar Nederland verleend -zal worden, heden nog geslagen wordt. Ook is het aan de menschlievende -voorspraak van het hoofd van gewestelijk bestuur gelukt, passage aan -boord van de Noach III, die overmorgen de reis naar Patria aanvaardt, -voor de rampzalige familie te verkrijgen, en Mevrouw Van Gulpendam -spant van hare zijde ook alle krachten in, om de zoo zwaar beproefden -met raad en daad bij te staan. Als goede geniussen staan de resident en -zijne gade de ongelukkigen bij; en waarlijk, het is hartverheffend de -hoogere ambtenaren zóó voor hunne ondergeschikten te zien zorgen. - -„Onze beste wenschen voor het herstel van den heer Meidema, vergezellen -hem en zijn kroost.” - -De dagbladredactie was als gewoonlijk goed ingelicht geweest, dat moet -erkend worden. Op 14 Juli lichtte de Noach III het anker, en verliet -onder den invloed van den oost-mousson, die met volle kracht doorstond, -met welgevulde zeilen de reê van Santjoemeh, en was weldra, ook voor de -wachters op den uitkijk, aan de kim verdwenen. Toen de resident Van -Gulpendam, die in de goedheid zijns harten zijn ondergeschikte, dien -hij zooveel achting en zooveel liefde toedroeg, en met wiens lot hij -zoo begaan was,—dat alles verzekerde hij luidruchtig genoeg,—tot op de -reede uitgeleide gedaan, en daar die familie met warmte de hand gedrukt -had, de kleine stip aan den horizon had zien verdwijnen, ontsnapte hem -een zucht van verlichting, terwijl hij binnensmonds prevelde: - -„Aardig gemanoeuvreerd!” - - - - - - - -XXVII. - -SUMMUM JUS SUMMA INJURIA.—VADER EN ZOON VEROORDEELD.—SINGOMENGOLO -VERMOORD. - - -Een paar dagen later vertrok Mr. Zuidhoorn van Santjoemeh. Hij ging met -een der booten van de Nederlandsch-Indische Stoomvaartmaatschappij naar -Batavia, om van daar per Emirne naar Singapore te reizen, en zich ter -laatstgenoemde plaats aan boord van de Irouaddy van de Messageries -maritimes in te schepen, die hem naar Marseille zoude overvoeren. - -De rechtschapen rechterlijke ambtenaar had zich vast voorgenomen, om -ter hoofdplaats van Nederlandsch-Indië het gebeurde bij de laatste -landraadzitting te Santjoemeh aan de bevoegde autoriteiten mede te -deelen en binnen de grenzen eener betamelijke voorzichtigheid bekend te -stellen, welke drijfveeren hier in het spel waren. Maar... tusschen -voornemen en uitvoeren is een hemelsbreed verschil, dat ondervond hij -ras. Hij had slechts drie dagen oponthoud te Batavia; maar in dat -tijdsverloop was de Gouverneur-Generaal niet te spreken. Wel was Mr. -Zuidhoorn naar Buitenzorg gestoomd; maar vernam daar, dat Zijne -Excellentie dienzelfden dag vroeg naar Tjipannas vertrokken was. Er -bleef niets anders over, dan den volgenden ochtend per postrijtuig -derwaarts te rijden. Toen hij daar aankwam, wachtte hem eene nieuwe -teleurstelling. Hoewel hij daags te voren aan den adjudant van dienst -getelegrapheerd maar daarop geen antwoord bekomen had, werd hem -medegedeeld, dat de Opperlandvoogd met hevige koorts te bed lag, en -niemand ontvangen kon. De adjudant bracht veel verontschuldigingen bij, -en beweerde, dat de bedenkelijke toestand van Zijne Excellentie in den -nanacht eerst ingetreden was. - -Mr. Zuidhoorn bleef niets anders over, dan zijn ongelukkig gesternte te -betreuren, en naar Batavia terug te spoeden. Met die vergeefsche poging -had hij twee dagen zoek gemaakt. Restte hem dus nog maar een. - -Toen hij den volgenden morgen zijne opwachting maakte bij den directeur -van Justitie, kwam die hem met eene luidruchtige hartelijkheid te -gemoet. - -„Zijt gij er eindelijk, collega Zuidhoorn!” sprak hij, terwijl hij hem -met gekunstelde innigheid de hand schudde. „Ik ben blij u te zien. Ik -had me zoo’n schrikbeeld van uw toestand gemaakt. Ik dacht, dat ge -zieker waart. Enfin, zoo is het beter! Maar, het wordt tijd, dat ge met -verlof gaat...” - -Dat alles werd met eene radheid van tong gesproken, die tot doel had -andere gedachten te verbergen. - -„Dat ik zieker was!... Wat bedoelt ge daarmede, directeur? In geen -mijner brieven schilderde ik den toestand ongunstiger dan hij is. En -dan, dat het tijd wordt, dat ik met verlof ga?... Ik verzeker u, dat ik -wel had willen blijven.” - -„Nu, ja, voorzeker. Maar de invloed van het klimaat begon zich toch te -doen gevoelen...” - -„De invloed van het klimaat?...” - -„Ja, ziet ge. Als wij Europeanen langen tijd tusschen de keerkringen -doorbrengen, dan ontstaat er bij den een eene verslapping van -zenuwgestel, soms gepaard met eene verweeking, eene verpapping der -hersenen...” - -„Directeur!... die veronderstelling...” - -„Geldt u niet, collega Zuidhoorn, dat weet ik wel. Gij liet mij niet -uitspreken. Bij den anderen ontstaat eene overprikkeling, eene -zwaartillendheid....” - -„Directeur!... Is dat mijn geval?” - -„In den regel blijft de patiënt onkundig van zijn toestand, en is in de -heilige overtuiging, dat hij niet anders handelt dan gewoonlijk.” - -„Directeur, is dat mijn geval?” herhaalde Mr. Zuidhoorn zijne vraag. - -„Eenigermate, ja, collega. Zonder dat gij het merktet, toonde uw stijl -eene prikkelbaarheid, die, gij, als uitstekend juris peritus, zult mij -dat toegeven, bij een rechterlijk ambtenaar niet gewenscht is.” - -„Maar, directeur!... Ik ben niet bewust.” - -„Quantum est, quod nescimus!” (hoeveel bestaat er, wat wij niet weten!) - -„Maar, nimmer ontving ik eene opmerking ter zake!” - -„Zeer waar; maar, waarde collega, daarom bleef die overprikkelde -gemoedsstemming toch niet onopgemerkt. Aanvankelijk hield ik haar voor -het gevolg van innige en warme belangstelling in het rechterlijk -karakter, dat gij steeds als een priesterschap beschouwdet. Later -evenwel begon ik in te zien, dat een ziekte-proces aanhangig was; en -gij weet, vooral bij ons geldt de spreuk: mens sana in corpore sano -(eene gezonde ziel in een gezond lichaam), wil de rechter onpartijdig -kunnen optreden.” - -Mr. Zuidhoorn zat als door den donder getroffen. Was dat het oordeel -zijner meerderen, nadat hij zoo lange jaren onkreukbaar trouw en -nauwgezet in de doornachtige loopbaan van rechterlijk ambtenaar -werkzaam geweest was? Was dat zijne belooning? Was dat de kroon op het -werk? - -„Maar, directeur, gij zult mij toch wel één geval willen aanhalen, -waarin die overprikkelde gemoedsstemming zich merkbaar getoond heeft?” - -„Eén geval, waarde collega? Eén geval? Tien, twintig, staan ten mijnen -dienste!” - -„Ik vraag maar één, directeur.” - -„Welnu dan, die landraadzaak te Santjoemeh.” - -„Welke landraadzaak?” - -„Ziet ge wel, dat gij zelf in uw binnenste op meerdere zaken doelt.” - -„Dat is iemand op zijne woorden vangen, directeur,” antwoordde Mr. -Zuidhoorn kregelig. „Ik heb zooveel landraadzaken bijgewoond en -voorgezeten, dat de vraag, op welke gij doelt, mij gewettigd voorkomt.” - -„Wel, dat geval met den resident Van Gulpendam....” - -„Die den landraad wilde presideeren, waartoe hij geen recht had.” - -„Tu tu tu. Gij verliest artikel 92 van de Indische rechterlijke -organisatie uit het oog.... Maar, dat is toe te schrijven aan uw -zielstoestand....” - -„Maar, directeur, vergeef me, mijn zielstoestand heeft daarmede niets -te maken. Gij zegt artikel 92?” - -„Ja, waarbij een resident de bevoegdheid verleend wordt, wanneer hij -het nuttig of noodig oordeelt, om in persoon als voorzitter der in zijn -gewest gevestigde landraden op te treden.” - -„Directeur, toen dat artikel 92 ontworpen werd, was er nog volstrekt -geen sprake, om afzonderlijke rechtsgeleerde voorzitters van landraden -in het leven te roepen. Toen kon zoo’n artikel zijn nut hebben. Nu zou -het absurd zijn, dat de resident, een niet-rechtsgeleerde, den -rechtsgeleerden voorzitter zou op zijde kunnen dringen, om zelf het -bedoelde rechterlijke college voor te zitten! Mij dunkt, dat...” - -„Mr. Zuidhoorn, wij rechterlijke ambtenaren, zijn het allereerst -verplicht eerbied voor de geschreven wet te toonen. Eene bepaling moge -in ons oog betreurenswaardig zijn; zoolang zij kracht van wet heeft, -moeten wij de hand er aan houden. En... vergeef mij de vraag: hebt gij -dat in het onderhavige geval gedaan?” - -„Gij geeft mij dus ongelijk, directeur?” - -„Niet alleen ik, maar ook de Gouverneur-Generaal, die zeer ontstemd is -over uwe houding in deze zaak, waarin gij veel bijgedragen hebt, om het -prestige van de rechterlijke ambtenaren te verguizen!” - -„Ook de Gouverneur-Generaal?...” vroeg Mr. Zuidhoorn nadenkend. „Dat is -dus de reden geweest, dat ik geen gehoor bij Zijne Excellentie heb -kunnen verkrijgen?” - -„Hebt gij om gehoor verzocht?” - -„Ik was voorgisteren te Buitenzorg, en gisteren te Tjipannas.” - -„En...” - -„De adjudant van dienst deelde mij mede, dat Zijne Excellentie -bedlegerig was.” - -„Ziet ge wel!” - -„Maar, directeur, het geldt hier een der grootste schandalen, die ooit -gepleegd kunnen worden! Om den rijken opiumpachter te sparen, wordt een -arme Javaan...” - -„Onschuldig verklaagd, en zal waarschijnlijk onschuldig veroordeeld -worden,” antwoordde de directeur van Justitie met cynischen glimlach. -„Dat alles weet ik, dat hebt gij breedvoerig genoeg geschreven. Er valt -hier niets anders te doen, dan het hoofd te buigen. Gij weet: summum -jus summa injuria! (het uiterste recht kan het grootste onrecht zijn).” - -Mr. Zuidhoorn zat met het hoofd in de hand ernstig, ja met wanhopigen -blik voor zich te kijken. - -„Laat ik u een goeden raad geven,” vervolgde de directeur van Justitie -op vriendelijken toon: „Gij zijt ziek, en meer ernstig dan gij zelf wel -denkt. Gij vertrekt morgen met de Emirne, nietwaar? Welnu, laat alle -muizenissen hier te Batavia achter. Gaat onbezorgd en onbekommerd -nieuwe krachten in Europa opdoen, en komt over een paar jaren terug, -naar ziel en lichaam gezond, dan zult ge nog lange jaren tot sieraad -van onze rechterlijke macht kunnen optreden; want weinige juristen -kunnen de vergelijking met u doorstaan. En... vergeef mij, gij zult -begrijpen, dat mijn tijd kostbaar is, en... maar nog eene aanbeveling, -voor ik afscheid van u neem: Tracht steeds verwikkelingen met de -opiumpachters te mijden. U behoef ik niet te zeggen, dat zij zijn: -imperium in imperio (een rijk in het rijk) en ik voeg er zelfs bij: -malum malo proximum (het ongeluk grenst aan het kwaad). Doe er uw -voordeel mede! En nu wensch ik u eene voorspoedige reis en een spoedig -herstel in het oude vaderland. Dag, collega Zuidhoorn! Goede reis!” - - - -De landraad van Santjoemeh zou zoo spoedig geen zitting nemen, om zich -met de sluikopium, te Moeara Tjatjing aangehaald, en met die, welke te -Kaligaweh in de hut van Pak Ardjan gevonden was, onledig te houden. De -directeur van Justitie was den resident Van Gulpendam niet ongevallig, -toen hij hem mededeelde, dat, wegens gebrek aan rechterlijke -ambtenaren, er in den eersten tijd niet aan te denken viel, de vacature -bij den landraad aan te vullen. - -Hoewel de zittingen van dat rechterlijk lichaam geregeld wekelijks -plaats hadden, en thans door den resident gepresideerd werden, zoo -werden de bedoelde zaken toch van week tot week uitgesteld, waartoe de -tijdelijke voorzitter zijne gegronde redenen meende te hebben. - -Eindelijk evenwel, toen de hoofddjaksa den landraad had medegedeeld, -dat de beide Chineezen Than Khan en Liem King, de wachters in de djaga -monjet te Moeara Tjatjing, als ook Awal Boep Said, de gezagvoerder van -den schoenerbrik Kiem Ping Hin, op welker getuigenis de beschuldigde -Ardjan zich beroepen had, onmogelijk op te sporen waren, meende Van -Gulpendam dat het oogenblik gekomen was, om de bedoelde zaken af te -doen. - -Toen dan ook Ardjan bekende, dat hij in den bewusten Februari-nacht met -eene prahoe sajab, gedurende zeer onstuimig weer, aan den wal gekomen -was, dat daarbij door eene sloep van de Matamata jacht gemaakt, en op -hem geschoten was, en hij niet bewijzen kon, dat de aangehaalde opium, -die in de nabijheid, waar zijn vaartuigje strandde, gevonden was, niet -door hem aangebracht was, waren alle aanwijzingen tegen hem. Wel beriep -hij zich op baboe Dalima, die met hem in die prahoe gezeten zouden -hebben; maar toen door den voorzitter de verzekering gegeven werd, dat -de bedoelde deern dien nacht het erf van het residentiehuis niet -verlaten had, en dus haar verhoor niet anders kon leiden dan tot eene -leugenachtige verklaring, die in geenendeele de bestaande aanwijzingen -kon verzwakken; terwijl bovendien die Dalima thans zelve wegens -opium-smokkelarij vervolgd werd, hetgeen hare af te leggen getuigenis -moest in verdenking brengen, nam de landraad de conclusie van dat alles -aan, namelijk: dat het volkomen overbodig was die getuige te hooren. - -Toen daarenboven de djaksa nog medegedeeld had, dat Pak Ardjan, de -vader van den beschuldigde, ter zake van zijn eigen geding bekend had, -dat de sluikopium, die ten zijnen huize door Singomengolo achterhaald -was, hem door zijn zoon geleverd was, werd de schuld van den -laatstbedoelden boven alle bedenking verheven gewaand. - -Ardjan werd dan ook schuldig verklaard aan de poging om anderhalve -pikol tjandoe, gelijkstaande aan drie pikols ruwe opium, binnen te -smokkelen, en derhalve onder het bereik te vallen van artikel 23 van -het opium-reglement. Het vonnis verwees hem dan ook tot drie jaren -dwangarbeid buiten den ketting [166] en tot twee duizend gulden boete, -bij onvermogen te vervangen door ten arbeidstelling aan de publieke -werken voor den kost zonder loon, voor den tijd van drie maanden voor -elke honderd gulden. - -Ardjan werd dus veroordeeld tot acht jaren dwangarbeid en ten -arbeidstelling, hetgeen vrij wel hetzelfde beteekende. De onschuldig -veroordeelde knarste op de tanden, toen hij dat vonnis vernam. Of hij -een ander of een zachter van de gerechtigheid der blanken verwacht had? - -Na den zoon, de vader; na Ardjan, Pak Ardjan. - -Met diens zaak ging het nog eenvoudiger toe, als het kon. - -De beschuldigde had toch bekend, dat hij sluikopium in huis had. Door -eene menigte listige vragen verstrikt, had hij, zonder te beseffen, hoe -zwaar zijne getuigenis bij het geding zijns zoons zoude wegen, de -bekentenis afgelegd, dat die opium afkomstig was van Ardjan, die hem -daarvan van tijd tot tijd voorzag. Hij had bekend, dat hij de sabel van -een der politieoppassers uitgetrokken had, en dien onverlaat daarmede -een paar houwen had toegebracht, toen deze zich ontuchtige handelingen -tegenover zijn kind veroorloofd had. Helaas! op het aanvoeren van die -verzachtende omstandigheden werd ternauwernood gelet. Zij was niet eens -tot onderwerp van een onderzoek gemaakt geworden, en werd de -ongelukkige veroordeeld ter zake van: in het bezit bevonden te zijn van -sluikopium tot eene hoeveelheid van niet meer dan twee katies, voor de -eerste maal, behalve met de verbeurdverklaring van de aangehaalde -sluikwaar, tot tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost -zonder loon voor den tijd van drie maanden, en ter zake van gewelddadig -verzet tegen de opiumpolitie, waarbij een bedienaar der openbare macht -bij de uitoefening zijner bediening gewond was geworden, waardoor -blijkens visum repertum: onbekwaamheid tot het verrichten van -persoonlijken arbeid van meer dan twintig dagen veroorzaakt was, tot -tien jaren dwangarbeid in den ketting. - -Zoo waren dan vader en zoon veroordeeld; de eene onschuldig voor acht -jaren, de ander, schuldig aan een eenvoudig politievergrijp, dat met -eene geringe straf had geboet kunnen zijn, wanneer de zoo gewone -walgelijke handtastelijkheden, bij het opsporen van opium aan den -lijve, den reeds zoo diep gevallen vader van een verarmd huisgezin niet -tot misdrijf vervoerd, ja, genoopt hadden, dat hij nu met tien jaren -dwangarbeid zou moeten boeten. - -Zou moeten boeten?... Ja, wanneer daartoe de tijd gegund werd! - -Maar, alvorens het bevelschrift van den directeur van Justitie te -Santjoemeh ontvangen was, waarbij Atjeh tot plaats aangewezen was, -alwaar de veroordeelden hunne straf van dwangarbeid zouden moeten -ondergaan, waren deze uit de gevangenis ontvlucht. Gedurende een -stikdonkeren nacht, terwijl een hevig onweder zich boven Santjoemeh -ontlastte, en de schildwacht, een jong, Inlandsch soldaat, die binnen -den omheiningsmuur der gevangenis waken moest, door de verblindende -bliksemstralen en de ratelende donderslagen verschrikt, en ook door den -regen, die met stroomen viel, genoodzaakt, eene schuilplaats in zijn -schilderhuis gezocht had, voelde deze zich plotseling door eene ijzeren -vuist bij de keel gegrepen. Voor dat hij een kreet had kunnen slaken, -had hij een slag met een zwaar stuk hout op het hoofd gekregen, die hem -bewusteloos deed neerzijgen. Middelerwijl ratelde de donder, en plaste -de regen onafgebroken en met verdubbelde woede voort, zooals dat in -tropische streken slechts geschieden kan. Van die omstandigheid maakten -de beide veroordeelden behendig gebruik. Lenig en sterk, als een goed -Inlandsch stuurman moet zijn, hielp Ardjan zijn vader bij het beklimmen -van den ringmuur, klauterde toen zelf op den nok, liet den ouden man -aan den anderen kant zakken, en was met een sprongetje in een -ondeelbaar oogenblik naast hem. Geen der schildwachten, die buiten den -ringmuur waakten, lieten zich zien. Het weer was ook te bar, om buiten -het schilderhuis in dien zwarten nacht uit te turen. De regen viel -kletterend neder; daar buiten stroomde het water over plein en straat, -alsof alle rivieren hare boeien geslaakt hadden; terwijl van -verlichting geen spoor was, tenzij daarvoor een oliepitje moest gelden, -dat in een lantaarn, op een der hoeken van den ringmuur geplaatst, als -een gloeiende spijker glom, een ongelukkig bekrompen lichtcirkeltje -vormde, maar de duisternis daar buiten nog tastbaarder maakte. Juist, -toen de vluchtelingen den voet van den muur bereikt hadden, kliefde een -machtige bliksemstraal met hare gehakkelde baan het luchtruim, terwijl -schier tegelijkertijd een hevige donderslag vernomen werd, die met dat -krakende, kort afgebroken geluid zich hooren liet, bij dergelijken -electrische ontlading waarneembaar, wanneer zij ergens inslaat. En, -inderdaad, onmiddellijk op den donderslag volgde een ander krakend -geluid, en plofte een hemelhooge klapperboom, die midden door gespleten -was, ter aarde. Van de duisternis, welke na dien schel schitterenden en -verblindenden bliksemstraal ingetreden was, maakten de beide Javanen, -ongeduldig om hunne standplaats aan den voet van den ringmuur, waar zij -door eene ronde overvallen konden worden, te verlaten, behendig -gebruik, om het kleine plein, dat de gevangenis omgaf over te steken, -en den nabij zijnden dèsa-rand te bereiken. - -Daar waren zij gered, dat wisten zij; want geene der eenvoudige -dèsa-bewoners zou de misdaad willen begaan, slachtoffers van het -opium-monopolie aan de gerechtigheid der blanken te verraden. - -Toen de resident Van Gulpendam die ontvluchting vernam, was hij -woedend. Op zijne aansporing werd een der schildwachten, die zich liet -ontvallen, dat hij na het vallen van den boom eenig geplons in het -water, hetwelk over het plein stroomde, gehoord had, maar dat hij -onmogelijk iets had kunnen zien, en gemeend had, dat het een hond was, -welke die gevaarlijke nabijheid ontvluchtte, voor den krijgsraad -getrokken, en de kommandant bij de gevangeniswacht met veertien dagen -provoost gestraft. - -Ook werden de strengste nasporingen in het werk gesteld; maar te -vergeefs. Hoewel al de politie-agenten, al de spionnen, en al de -handlangers van den opiumpachter op het pad moesten, en hunne -vindingrijkste listen uitdachten, werd niets ontdekt. Het district -Banjoe Pahit, maar vooral de dèsa Kaligaweh werden maanden lang -nauwlettend gadegeslagen; de gade en kinderen van Pak Ardjan werden -angstvallig, maar sluw overal gevolgd, het gaf evenwel niets. Eindelijk -kwam men tot besluit, dat de beide veroordeelden, niet alleen niet naar -Kaligaweh teruggekeerd waren, maar zelfs de residentie Santjoemeh -verlaten hadden. - -Weldra dacht niemand meer aan die ontvluchting, en was zij reeds uit de -herinnering uitgewischt, toen zij een paar maanden later weer in het -geheugen teruggeroepen werd, door een voorval, dat wel geschikt was om -tot nadenken te stemmen. - -Op een avond was Singomengolo bij Lim Yang Bing verschenen, had dien -medegedeeld, dat hij de beide vluchtelingen meende op het spoor te -zijn, dat hij uit vrees voor uitlekking evenwel zijn vermoeden nog niet -wilde ontwikkelen; maar voor dien avond de hulp van een paar -handlangers, liefst Chineesche bandoelans verzocht, die hem op een -ontdekkingstocht moesten vergezellen. - -Hoe de Chinees zijne vragen ook draaide en plooide, hij kreeg niets -meer te weten. De bandoelan bleef er bij, dat het welslagen alleen -bereikt kon worden, door stipt geheim te houden, wat hij te weten was -gekomen. Daarenboven verklaarde hij, waren zijne gegevens lang niet -boven alle bedenking verheven, en kon het zeer goed zijn, dat hij op -een valsch spoor was. Het eenige, wat hij zich ontvallen liet, was dat -het onderzoekingsterrein niet ver van Kaligaweh gelegen was. - -Singomengolo vertrok dienzelfden avond met de twee handlangers, die hem -toegevoegd waren, maar keerde niet weder. Het werd den opiumpachter -raar te moede, toen hij zijn getrouwe den volgenden ochtend niet zag -verschijnen. Hij was toch zoo gewoon, dat de bandoelan hem stipt -iederen morgen rapport kwam uitbrengen over het verrichtte in de -laatste vier en twintig uren, ook om te bespreken, wat in het volgende -etmaal op het getouw moest gezet worden. Vooral heden had hij hem -stellig verwacht, om den afloop van de nasporing der twee vluchtelingen -te vernemen. Hij wachtte, wachtte. Het middaguur naderde reeds. Toen -werd hem zijn ongeduld te machtig. Hij liet haastig zijn milord -aanspannen, en reed in allerijl naar het residentiehuis. - -„Wat is er, babah?” vroeg de heer Van Gulpendam, toen hij Lim Yang Bing -haastig, en zoozeer afwijkende van de kalmte en bedaardheid, zijnen -landaard zoo eigen, het kantoor zag binnenkomen. - -„Kandjèng toean,” sprak de opiumpachter „ik kom uwe hulp inroepen.” - -En daarop verhaalde hij den resident, wat hij wist van de expeditie, -waar Singomengolo op uit was, en verheelde hem zijne ongerustheid niet, -nu de bandoelan nog niet terug was. - -De resident dacht een oogenblik na. Een bericht van een der landheeren -uit het district Banjoe Pahit doelde op de mogelijkheid, dat er -ketjoepartijen [167] in den omtrek zouden kunnen plaats hebben. Maar -dat bericht was zoo vaag, had zoo weinig steun; terwijl de nieuwe -controleur van Banjoe Pahit, wien hij dat bericht in handen gesteld -had, gerapporteerd had: dat de meest gewenschte rust in het district -heerschte; dat de bevolking tevreden was, en zich geen spoor van -onrustbarende verschijnselen voordeed; dat, wel is waar, de landrente -traag vloeide [168] maar dat integendeel de andere middelen van -inkomsten een beter aanzien hadden, die op bestaanden welvaart wezen; -zoodat dan ook, met de opiumkit te Kaligaweh tot grondslag, aangenomen -kon worden, dat bij de aanstaande opiumverpachting, de pachtschat voor -de residentie Santjoemeh aanmerkelijk hooger kon loopen; terwijl het te -voorzien was, dat ook de verstrekking van opium uit ’s lands pakhuis -aanzienlijk zoude vermeerderen. [169] - -Dat ambtelijk bericht had den resident zeer toegelachen en, hoewel de -grondslag, waaraan de nieuwe controleur zijne beweringen omtrent den -welvaart en den geest van tevredenheid ontleende, zoo valsch mogelijk -was, en iemand als Van Gulpendam niet kon misleiden, had het hem -voldaan, omdat het ’t dekschild was, waarachter zich te verbergen, -wanneer de gang van zaken later minder gewenscht mocht uitkomen. Den -bedoelden landheer was dan ook in heusche bewoordingen te kennen -gegeven, dat hij door zijne berichtgevers misleid was; maar, werd de -aanmaning er bij gevoegd, dat hij zich van het verspreiden van -onrustbarende tijdingen had te onthouden. - -Hoe kwam het, dat dit bericht den resident in de gedachte schoot, -terwijl hij met Lim Yang Bing sprak? Dat zou hij zelf moeielijk hebben -kunnen verklaren. Hoe zou ook de late terugkeer van Singomengolo,—want -anders kon het nog niet genoemd worden,—in verband staan met die -ketjoe-voorspellingen, die nog niet eens een begin van uitvoering gehad -hadden? Dat was immers niet denkbaar... Hij antwoordde den Chinees dan -ook: - -„Maar, babah, is uwe onrust wel gewettigd? Mij dunkt, dat het wel meer -voor moet komen, dat een bandoelan zich bij zijne nasporingen zal -verlaatten.” - -„Singomengolo nooit, Kandjèng toean! Diens maatregelen waren steeds zoo -goed getroffen, dat hij steeds op het gestelde uur bij mij was.” - -„Maar, welke hulp verlangt gij van mij, babah?” vroeg de resident. - -„Slechts enkele oppassers en een bevelschrift van u Kandjèng toean, dat -de dèsa-bewoners de politie behulpzaam moeten zijn.” - -„Wat wilt ge met die oppassers en met die dèsa-lieden?” - -„Den omtrek van Kaligaweh laten doorzoeken. Ik weet niet, Kandjèng -toean; maar ik heb zoo’n voorgevoel, dat Singomengolo in eene -hinderlaag gevallen is.” - -„Welnu, het zij zoo!” - -Weinige uren later doorkruiste eene talrijke bevolkings-patrouille de -omstreken van Kaligaweh zonder iets te ontdekken. De dèsa-lieden waren -reeds op het punt om uiteen te gaan, en de politie-oppassers om naar -Santjoemeh terug te keeren, toen eensklaps een visscher mededeelde, dat -hij bij het opvaren van de kali Tjatjing drie lijken had meenen te -bespeuren. Onmiddellijk trok men weer uit, en vond onder geleide van -den visscher in een zeer dicht gedeelte van het wortelboombosch, -evenwel vlak bij den rivieroever, het lijk van Singomengolo en van een -zijner Chineesche handlangers, beiden met krissteken zoodanig -doorboord, dat de dood er onmiddellijk op had moeten volgen. De andere -Chinees vertoonde nog teekenen van leven. Hij had eene vervaarlijke -wond aan den hals. Wellicht ware hij behouden gebleven, wanneer hij -dadelijk hulp had kunnen erlangen. Nu had een zoodanig bloedverlies -plaats gehad, dat alle hoop moest opgegeven worden. Toen de -bevolkings-patrouille hem naderde, opende hij nog flauw de oogen, -prevelde eenige onzamenhangende woorden, waarin wat van zwartgemaakte -kerels voorkwam, en de naam van Ardjan onduidelijk vernomen werd, stiet -eindelijk een diepen zucht uit, en.... was niet meer. - - - - - - - -XXVIII. - -CORRESPONDENTIE. - - -Sedert Verstork’s vertrek naar Atjeh, was het vriendenclubje, dat wij, -na de varkensjacht in den Djoerang Pringapoes, te Banjoe Pahit om de -gezellige rijsttafel vereenigd gezien hebben, eerder in zijne gevoelens -jegens elkander versterkt dan wel verzwakt geworden, hoewel een lid -daaraan ontvallen was. - -Ontvallen? Neen, waarlijk niet! Want, was Verstork ook ver verwijderd, -hij leefde in aller herinnering voort, en maakte meermalen het -onderwerp der gesprekken uit. Evenwel, dáárdoor bleef de band niet -alleen voortleven; maar eene drukke correspondentie wakkerde de -vriendschappelijke gevoelens onder die jonge mannen nog aan, en hield -hen op de hoogte, zoowel van hetgeen henzelven betrof, als van de -gebeurtenissen, die de ketting van ons verhaal uitmaken, en waarin hen -min of meer eene rol bedeeld was. - -Zoo had Van Rheijn, die onder Van Gulpendam’s invloed wel een oogenblik -van weifeling ondervonden had, ten opzichte van zijne verhouding tot -het vriendenclubje, maar die te bovengekomen was, toen hij de cynische -ontwikkeling der gebeurtenissen waarnam, Verstork omtrent zijn -vervanger te Banjoe Pahit en diens nadeeligen en ontbindenden invloed -op den gang van zaken in het district ingelicht. Alles ging achteruit -in de vroeger zoo welvarende streek. De rijstbouw werd ergerlijk -verwaarloosd, de teelt van „polowiedjo” (tweede gewassen) deelde -hetzelfde lot. Contractbreuk met de in het district aanwezige -landheeren kwam aan de orde van den dag; want de vroeger zoo nijvere -bewoners werden lui, vadsig en onbekwaam om gezetten arbeid te -verrichten. In één woord het geheele gewest ging zichtbaar achteruit en -eene vreeselijke toekomst te gemoet. Maar de opiumkit, de speelholen en -de pandjeshuizen floreerden, en leverden groote baten aan de pachters -van die middelen van inkomsten voor de Nederlandsche schatkist op. Om -aan den heerschenden hartstocht voor opium en spel te kunnen botvieren, -werd de smokkelhandel te baat genomen, kwam diefstal meer menigvuldig -voor; ja er werd gemompeld van ketjoetochten, die georganiseerd werden, -en reeds een begin van uitvoering zouden erlangd hebben. - -„De bandoelan Singomengolo,” zoo besloot Van Rheijn zijn brief, „gij -weet wel: de ellendeling, die in de zaak van de amokhpartij te -Kaligaweh en in de zaak van baboe Dalima de hand had, is in de -nabijheid van Moeara Tjatjing met twee zijner handlangers vermoord -geworden. Ik heb alle redenen, om hierin iets meer te zien dan de hand -van ketjoe’s. Ik meen, dat hier wraakneming in het spel is; want op het -lijk van den bandoelan werd nog eene som van acht en zestig gulden -gevonden, hetgeen aanduidt, dat diefstal de drijfveer der moordenaars -niet was. Eene andere omstandigheid, die op ander gebied ook te denken -geeft, is, dat bovendien bij Singomengolo vijf koperen doosjes gevonden -werden met opium gevuld, die in vorm volmaakt overeenkomen met de beide -doosjes, die gij te Kaligaweh en in de hut bij den Djoerang Pringapoes -in beslag genomen hebt. Inderdaad, ik begin in te zien, dat de -opiumpacht een vloek voor het land is. Ik leg die bekentenis thans gul -af. Gij zult u nog wel herinneren, dat ik vroeger daaromtrent niet zoo -geheel onverdeeld dacht. - -„Zoo is thans de toestand in de weinige maanden, nadat gij het district -verlaten hebt! En om de maat van ellende vol te meten, loopt thans een -gerucht, dat de landrente verhoogd [170] en de overige belastingen voor -de Inlanders verscherpt, terwijl hun nieuwe lasten op de schouders -gelegd zullen worden. Geldschrapen onder allerlei vorm! Onder den vorm -van gedwongen cultures, onder den vorm van heerendiensten, onder den -vorm van landrente, onder den vorm van belasting op het zout, onder den -vorm van in- en uitvoerrechten, onder den vorm van belasting op het -geslacht, onder den vorm van opiumkitten, onder den vorm van -speelholen, onder den vorm van lombarden, onder den vorm van.... Hel en -duivel! alles te zamen om den Inlander zijn laatste en zoo zuur -verdiende duit afhandig te maken! Willem, Willem, waar moet dat heen? -Ik voorzie niets dan rampen, die hetzij vroeg, hetzij laat, maar zeer -zeker komen zullen; want de toestand van het district Banjoe Pahit is -geen op zichzelf staande toestand; maar kan, met eenige schakeering in -de grondoorzaken, als type voor dien van geheel Java gelden....” - -Zoo verhaalde August van Beneden den gemeenschappelijken vriend de -incidenten, die bij de gedingen van den Javaan Setrosmito en van Baboe -Dalima opgeworpen werden. - -„Verbeeld je, Willem,” zoo schreef de jeugdige pleitbezorger, „dat van -bestuurswege moeilijkheden in den weg gelegd zijn, om mij als advocaat -in die twee gedingen toe te laten. En gij zult nooit raden waarom. -Omdat ik als getuige in beide zaken zou kunnen moeten gehoord worden. -Dat was niet dom gevonden; maar zooals gij wel denken kunt; ik liet mij -niet afschrikken. Die quaestie werd aan den rechter-commissaris uit den -raad van Justitie te Santjoemeh onderworpen, en die heeft op mijne -verklaring: dat ik in beide zaken niets gezien en derhalve niets te -getuigen had, en dat ik in beide zaken geheel belangeloos optrad, en -nadat ik en de officier van Justitie verklaard hadden ons -onvoorwaardelijk aan ’s raads uitspraak te zullen onderwerpen, -geconcludeerd: dat ik in beide zaken als pleiter zal kunnen optreden; -maar dat, wanneer mijne getuigenis onverhoopt ingeroepen wordt, ik niet -onder eede zal kunnen gehoord worden; omdat—let goed op die overweging, -Willem!—het niet aan te nemen is, dat, hoewel ik verklaard heb voor -mijne pleitbezorging geene belooning van welken aard ook genoten te -hebben, en nimmer te zullen genieten, ik als verdediger der beklaagden -geacht moet worden, zoo niet een dadelijk financiëel, dan toch een -zijdelingsch moreel belang te hebben bij het vrijspreken mijner -cliënten, en ik dus niet beschouwd kan worden als een in allen deelen -onpartijdig getuige in den zin der wet. - -„Hoe vindt gij die uitspraak? Ik kom er rond voor uit: als mensch en -jurist gesproken, in allen deelen correct! Maar, wanneer men dat -grondbeginsel eens consequent toepaste omtrent getuigen, vooral in -opiumprocessen, zijn dan niet alle getuigenissen van bandoelans, -opiumjagers, kithouders, enz., altemaal geboefte van het ellendigst -allooi, te wraken? Daar die personen deemoedig het wachtwoord van de -opiumpachters ontvangen, en daarenboven materieel belang onder den vorm -van premie, hen bij de wet als aandeel in de verbeurdverklaringen en op -te leggen boeten toegekend, hebben, moeten zij dus geacht worden geen -in allen deele onpartijdige getuigen in den zin der wet te zijn. O, aan -onze rechtspleging, vooral ten opzichte van Inlanders bij -opiumprocessen, ontbreekt nog veel! - -„De gedingen van baboe Dalima en van Setrosmito zullen door den -landraad berecht worden. Het gebeurt weinig, dat voor die rechtbank -gepleit wordt. Toch zal ik in laatstgenoemde zaak als verdediger -optreden. Wat de eerste zaak betreft zal de beklaagde, wanneer zij -mocht worden veroordeeld, in appèl komen bij den raad van Justitie te -Santjoemeh, en dan zal het zaak zijn de verdediging met klem te voeren. -Gij zult mij vragen: waarom die behandeling zoo? Luister, en neem -daarbij in acht, dat ik bij Van Nerekool te rade ben gegaan, alvorens -tot dat besluit gekomen te zijn: - -„Gij zult wel vernomen hebben, dat Singomengolo, de hoofdgetuige in -beide zaken, op geheimzinnige wijze vermoord is geworden. Aanvankelijk -meende ik, dat die gebeurtenis een gunstigen invloed op den gang dier -gedingen zoude hebben; maar het is mij gebleken, dat de bandoelan zijne -verklaring onder eede voor den officier van Justitie heeft afgelegd, -zoodat zijne getuigenis in het geding aanwezig is. Zijn dood levert nu -het groote nadeel op, dat hij niet met de beklaagden en met Lim Ho kan -geconfronteerd worden. Ik had zoo gehoopt, dat een breede -woordenwisseling, die ik tusschen hen zou uitgelokt hebben, het noodige -licht zou ontstoken, en mij de gegevens in handen zoude geleverd -hebben, om voor den vader zeer verzachtende omstandigheden ter zake van -zijn amokhmaken aan te voeren, en om de onschuld en de mishandeling van -de dochter te bewijzen. - -„Van eene andere zijde heeft mevrouw Van Gulpendam bij het voorloopig -onderzoek voor den rechter-commissaris verklaard, dat zij van de -afwezigheid van baboe Dalima in den bewusten nacht niets afwist, zoodat -het vast staat in het geding, dat het Javaansche meisje met -onbetamelijke doeleinden het residentie-erf verlaten zou hebben. Gij -zult u nog wel herinneren, dat zij zich in den ochtend van onze -zwijnenjacht er op beriep, dat zij verlof van de njonja en van nonna -Anna had, waarop gij haar nog vroegt, of die dat zouden kunnen -getuigen, en zij dat bevestigend beantwoordde. Maar juffrouw Van -Gulpendam dan? zult ge vragen. Willem, dat is eene rare geschiedenis. -De residentsdochter is, zooals algemeen verteld wordt, naar Karang -Anjer vertrokken, om bij de familie Steenvlak eenigen tijd te logeeren. -Toen nu het onderzoek in zake baboe Dalima zou plaats hebben, deelde de -resident mede, dat zijne dochter naar Europa vertrokken was, dat zij -daar bij eene tante, die in Zwitserland woont, zou gaan verblijf -houden. Maar het gekste is, dat onder de passagiers van al de -vertrokken schepen in de laatste maanden de naam van mejuffrouw Van -Gulpendam niet voorkomt. Gij weet, hoe nieuwsgierig de goê gemeente van -Santjoemeh is; men, gij weet wel die „men,” die alles ziet, alles -hoort, alles verneemt, heeft dan ook alle nasporingen gedaan zonder het -minste resultaat; terwijl de resident, wanneer een onbescheidene het -vertrek van zijne dochter ter sprake brengt, zich met eene zekere -luchthartigheid er van afmaakt, en een verward verhaal opdischt, -waarbij hij te verstaan wil geven, dat zij met eene boot van Tjilatjap -in gezelschap van een paar Engelsche dames naar Port Adelaïde zou -vertrokken zijn, om van daar per mail naar Engeland te reizen. Niemand -gelooft er iets van, vooral niet, omdat de resident nimmer den naam van -die boot heeft laten ontglippen. Er zijn nieuwsgierigen geweest, die -aan de firma Acraman Main en Cie te Adelaïde hebben getelegrafeerd, -maar bericht hebben gekregen: „Not to have heard anything of the -arrival of three ladies from the Dutch East-India,” (niets vernomen te -hebben omtrent de aankomst van drie dames van Nederlandsch-Indië). Van -Nerekool is wanhopig, dat kunt gij begrijpen. Hij is dezer dagen naar -Karang Anjer afgereisd, om nasporingen te doen omtrent het lieve -meisje, dat hij steeds met hart en ziel aanhangt. Hij is evenwel -onverrichterzake teruggekeerd. Hij zal u wel schrijven, en u op de -hoogte houden van zijne bevinding. Misschien heeft hij dat reeds -gedaan. - -„De slotsom is dus, waarde Willem, dat de zaken mijner cliënten slecht -staan. Toch geef ik den moed niet op. Ik zal het uiterste beproeven, om -die ongelukkigen te redden. Ik heb eene reden te meer, om er mijne -aandacht aan te wijden, en die is, dat baboe Dalima in belangwekkende -omstandigheden verkeert, zoodat de gevolgen van de misdaad van Lim Ho -niet uitgebleven zijn. Zal die omstandigheid in het geding te benutten -zijn? Ik twijfel er aan. Bij totaal gebrek aan bewijzen voor die -gepleegde misdaad, zal het ’t beste zijn, dunkt mij, die zaak zoo min -mogelijk aan te roeren: maar de weldenkenden zullen zich moeten -beijveren het rampzalige schepsel de behulpzame hand te reiken, wanneer -zij uit de gevangenis ontslagen zal zijn, door de veroordeeling haars -vaders geen te huis zal vinden, en, door de verklaring van den resident -Van Gulpendam geschandvlekt, geen huisgezin zal aantreffen, waar hare -diensten als baboe of bediende aanvaard zullen worden. Maar... komt -tijd, komt raad....” - -Een schrijven van Grenits hield de mededeeling in van de ontvluchting -van Ardjan en Pak Ardjan uit de gevangenis van Santjoemeh, en -schilderde de niet geringe ontsteltenis, die deze gebeurtenis in -officiëele kringen verwekt had. - -„Hoe onverschillig de resident oogenschijnlijk die ontvluchting ook -behandelt, wanneer zij ter sprake komt,” schreef de jeugdige koopman, -„blijft toch niet onbekend met welke zenuwachtigheid de vluchtelingen -opgespoord zijn geworden. Ik kan u verzekeren, dat zelfs de spionnen -van den opiumpachter in den arm zijn genomen, toen de politie in hare -taak te kort schoot. Maar sedert Singomengolo met twee opiumhandlangers -vermoord, maar niet beroofd zijn geworden, heerscht werkelijk angst in -de bestuurskringen, en is zelfs gemompeld geworden, dat de -pradjoerits-wacht aan het residentiehuis zoude verdubbeld worden. Ik -kan dat evenwel pertinent tegenspreken. Als gewoonlijk drentelen de -twee schildwachten voor het perron van den Grooten Heer op en neer. De -kommandant van dat eerbiedwekkend korps civiele soldaten verzekerde mij -zelfs, dat de patroontrommel in de wachtkamer van het residentiehuis -niet ontzegeld is. [171] Dat is gelukkig ook; want, wanneer die -dapperen met scherp gaan schieten, zijn zij mijns bedunkens -gevaarlijker voor de goedgezinden dan voor de kwaadwilligen. - -„Maar, met dat al ben ik blij, dat de beide Javanen ontsnapt zijn. -Hoewel niet binnen de grenzen eener goede justitie, is daardoor eene -gruwelijke onbillijkheid verhoed. Want de vader werd door de zedelooze -handelingen der opiumjagers tegenover zijne kinderen tot zijne -onbezonnen daad verleid; terwijl de zoon aan de hem ten laste gelegde -opiumsmokkelarij geheel onschuldig is, dat weet gij, zoowel als het -geheele publiek dat weet. - -„Mijne zaak met van Mokesuep zal nu spoedig voor den raad van Justitie -behandeld worden. Zij is zeer eenvoudig. Voor den officier van Justitie -heb ik bekend, dien man twee klappen toegebracht te hebben. Die -bekentenis wordt geschraagd, behalve door de aanklacht van den -beleedigde, ook door de getuigenissen van Grashuis en Lim Ho. Ik heb op -raad van Van Beneden mij op geen verschoonende omstandigheden beroepen; -ten einde de arme Dalima niet in opspraak te brengen. Na de verklaring -van den geneesheer, dat geene gewelddaad ten opzichte der eerbaarheid -gepleegd werd, is de mishandeling van het slachtoffer niet rechterlijk -te bewijzen. Toch zijn wij allen, die de varkensjacht bijwoonden, van -de gepleegde misdaad overtuigd; maar.... maar, wanneer zal toch eens -gerechtigheid in Indië uitgeoefend worden?....” - -De brief van Van Nerekool maakte op Verstork den meesten indruk, hoewel -hij volstrekt niet onverschillig gebleven was bij de mededeelingen van -de overige berichtgevers. De jeugdige, rechterlijke ambtenaar deelde -het verdwijnen van Anna van Gulpendam van Santjoemeh mede en wat daarop -gevolgd was. - -„Welke moeite ik mij ook gegeven heb, om haar te ontmoeten,” schreef -hij, „alles is te vergeefs geweest. Niet alleen, dat van wege hare -ouders alle mogelijke maatregelen getroffen waren, om eene samenkomst -te beletten; maar Anna zelve heeft hardnekkig geweigerd mij te -ontmoeten, toen ik mevrouw Meidema eindelijk overgehaald had mij te -waarschuwen, wanneer zij het bezoek van het jonge meisje wachtende was. -Zij is vertrokken, en eerst van Sapoeran kreeg ik een brief van -haar..... maar Willem, een brief, die mij alle hoop benam. - -„„Gij kunt geen huwelijk aangaan,” schreef zij, „met de dochter van -menschen, die u zulke voorstellen deden. Gij zult mij kunnen -tegenwerpen, dat een kind niet schuldig of medeplichtig mag geacht -worden aan de daden zijner ouders. Niets is meer waar dan dat, en ik -gevoel mij dan ook even onbezwaard, even fier, als ik die uitdrukking -in mijn toestand mag bezigen, als toen ik met de handelingen mijner -ouders onbekend was. Maar.... den man steeds voor mij te zien, wien de -noodlottige aanbiedingen gedaan werden; in teedere oogenblikken, -wanneer wij ons in elkanders blikken zouden verloren hebben, de -gedachte te meenen kunnen lezen in het brein van den beminden man: dat -ik hem als prijs voorgeworpen werd voor eene daad van -plichtsverkrachting; in zijn omgang met mijne ouders, die hij als -welopgevoed mensch voor het oog der wereld moest, en voor mij met -achting en deferentie zou bejegenen, op zijn gunstigst genomen slechts -eene aalmoes aan mijne kinderlijke liefde toegeworpen, te moeten zien; -zie, Karel, dat zou mij het leven tot eene hel maken en zijn -weeromstuit op u niet missen.” - -„Willem, Willem! uit die regels klinkt zooveel wanhoop tegen, maar ligt -daarin tevens zooveel liefde opgesloten, dat die brief mij tot den -gelukkigsten en tevens tot den rampzaligsten mensch heeft gemaakt der -aarde. - -„Ja, ik begrijp ten volle hare opvattingen omtrent het gedrag harer -ouders; maar juist daarom wordt zij mij te meer dierbaar, als dat -mogelijk ware. Haar edelaardig karakter treedt daarin in het volle -licht, en dwingt onverdeelden eerbied af. Willem, hoe komt toch zoo een -ouderenpaar aan zulk kind? Is het eene speling der natuur, dat uit de -samenkoppeling van twee zoo bedorven geaardheden zoo’n reine en edele -telg gesproten is? Hoe komt het, dat Anna in zoo’n midden, als waarin -zij opgevoed werd, onbesmet gebleven is? Allemaal raadsels, die voor -ons, die met de moedermelk de zwartgallige leer inzogen, dat de schuld -der ouders op de kinderen verhaald wordt, onoplosbaar zijn... - -„Gij ziet het, Willem, alles wat ik ondervind, vermeerdert mijne liefde -voor het reine wezen, dat ik op mijn levenspad ontmoet heb. Waartoe zal -dat alles leiden? Dat vraag ik mij veelmalen ernstig af; maar moet -daarbij bekennen, dat ik het antwoord nog niet gevonden heb. Ik deins -soms voor mij zelven terug;... want ik begin veranderingen in mijn -gemoedsleven te bespeuren, die ik ternauwernood waag te ontleden. -Worden die veroorzaakt door de hinderpalen, welke mijn gevoel voor Anna -ondervindt? Zouden die ook geboren zijn, wanneer mijne liefde, evenals -bij zoovele mijner medemenschen, een ongestoord verloop had gehad? Ik -durf daarop niet antwoorden; want het ideaal, dat ik mij vroeger van -het huwelijksleven vormde, was zoo verschillend met hetgeen thans in -mijn binnenste woedt, dat ik mij soms op een pijnlijken glimlach -betrap, wanneer ik mijne droombeelden van weleer herdenk, waarin de -vrouw meer een etherisch wezen gelijk was, dan wel eene natuurgenoote -van vleesch en bloed, die hartstochtelijk kan zijn en hartstocht kan -inboezemen. - -„Gij weet, hoe onaangevochten ik bleef ten opzichte van het sexueele -leven. O, dat is thans heel anders! Ik voel somwijlen een orkaan in -mijn binnenste loeien. Bij tijden stijgen brandende verlangens in mij -op voor dat schoone en bevallige wezen, voor die zoo fiere maagd, -welker kieschheid en reinheid haar boven alles aantrekkelijk voor mij -maakt. Zij ontvlucht mijne liefde, en... ik verheel het niet: er zijn -oogenblikken, dat ik niet alleen naar haar bezit haak; maar dat ik mij -zelven de belofte afleg, dat zij de mijne zal zijn, dat ik haar wil, -dat ik haar zal bezitten! En, dan is, helaas! in die uiting, niets -teeders, niets sentimenteels te ontwaren; maar dan is het de -hartstocht, die mij beheerscht, de doldriftige en zelfzuchtige -opwelling van den onbeteugelden natuurmensch, die zich op het voorwerp, -dat zijne genegenheid gaande maakt, gewelddadig tracht te werpen. - -„Na de ontvangst van dien brief heb ik aan Anna ontelbare malen -geschreven. Ik heb haar mijne liefde andermaal beleden. Ik heb haar -bezworen, haar hart niet voor mij te sluiten. Ik heb haar gesmeekt, -gebeden mij hare hand te reiken. Hare ouders zouden niet eeuwig mijn -aanzoek afwijzen. Mijne loopbaan zoude verbeteren; daarenboven, in -mijne geldelijke omstandigheden was reeds eene gunstige verandering -ontstaan, daar eene zuster mijner moeder mij bij haar overlijden wel -geen aanzienlijk vermogen nagelaten had, maar toch groot genoeg, om -onbezorgd de toekomst tegemoet te kunnen treden. Ik zou wel eene -plaatsing als rechterlijk ambtenaar weten te verwerven, ver van de -woonplaats harer ouders en, mocht werkelijk het verblijf in Indië haar -ondragelijk zijn, welnu dan stelde ik haar voor, te zamen naar -Australië te gaan. Daar zouden wij in den echt kunnen treden, en stil -en vergeten, maar gelukkig in onze liefde, in ons samenzijn kunnen -leven. - -„Dat alles schreef ik haar! O, ik schreef haar nog veel meer! Maar, -vriend, ik bekwam geen antwoord. Mijne brieven werden mij nauwgezet -ongeopend teruggezonden. Dat kenmerkte een vastgenomen besluit, waarvan -zij niet wilde afwijken. Zelf deed zij de brieven in hunne enveloppen, -en schreef er met vaste hand het adres op. O! daarin was zich niet te -vergissen, het was hare hand. - -„Wat moest ik doen? Wat moest ik doen? Ik verkeerde in de grootste -spanning. En toch kon ik door de massa werk, waarmede de raad van -Justitie overladen is, Santjoemeh niet verlaten. O, ik was zoo gaarne -naar Karang Anjer geijld. Mij dunkt, dat ik er in geslaagd zoude zijn, -om Anna de toekomst minder somber te doen inzien. - -„Eindelijk ontving ik ook mijn laatsten brief terug. Toen ik de -enveloppe in handen had, overviel mij reeds een soort van angst. En, -werkelijk, het adres was van eene andere hand. Haastig scheurde ik den -omslag open. Ja, het was alweer mijn ongeopende brief, waarbij evenwel -een blaadje gevoegd was, waarop slechts deze weinige woorden -voorkwamen: „Anna van Gulpendam heeft Karang Anjer verlaten.”” - -„Gij kunt begrijpen, Willem, wat er in mijn binnenste omging. Anna -heeft Karang Anjer verlaten! En geen enkele lettergreep daarbij, om mij -in te lichten, waarheen het dierbare schepsel vertrokken is! Wie had -die weinige woorden geschreven? Anna niet, dat zag ik met een -oogopslag. Maar, wie dan? Was het eene vrouwenhand? Och, het schrift -was regelmatig, fraai, met goed gevormde letters. Ja, dat kon! Er was -iets zachts, iets teeders in die halen, in die lijnen. Ja, het moest -het schrift eener vrouw zijn! Maar, van wie? Dat moest ik weten. Ik had -rust noch duur. Ik zou en moest naar Karang Anjer. Maar, hoe weg te -komen? Ge weet, dat de voorzitter van den raad van Justitie een vriend -van den resident Van Gulpendam is; waaruit voortvloeit, dat van het -verkrijgen van verlof geen sprake kon zijn. Ik vroeg dat dan ook niet, -en gelukkig ook; want voorzeker zoude dan later op mijne gangen gelet -zijn. - -„Intusschen kwam onverwacht hulp. Ik werd bedenkelijk ongesteld. -Congesties, gepaard met koortsen, maakten mij voor iederen arbeid -onbekwaam en, hoewel ik nog niet bedlegerig was, maakte mijn geneesheer -zich zoodanig ongerust over de hardnekkigheid der ziekteverschijnselen, -die voor de krachtigste medicamentatie niet wilden wijken, dat hij een -eenigszins voortgezet verblijf in een koel bergklimaat voor mijn -herstel noodzakelijk achtte. Gij kunt begrijpen, hoe ik te moede was, -toen hij die uitspraak deed. - -„„Zoudt gij mij eenige plaats bij voorkeur aanwijzen?” vroeg ik hem zoo -kalm mogelijk. - -„„Mij dunkt, Salatiga,” antwoordde hij. „Dat ligt op ruim 1800 voet.” - -„„Zou Wonosobo niet verkieselijker zijn?” vroeg ik onverschillig. - -„„Hebt gij daar eenige voorkeur voor?” - -„„De assistent-resident aldaar is mijn vriend,” antwoordde ik, „terwijl -ik onder de beheerders der landbouwondernemingen in den omtrek -verscheidene bekenden tel. Te Salatiga zou ik geheel vreemd zijn.” - -„„Wel, ga dan naar Wonosobo,” besliste hij. „Dat ligt nog hooger,—ik -meen op 2200 voet,—en zal dus voor uw herstel nog meer bevorderlijk -zijn.” - -Hij teekende het noodige bewijs, en.... reeds twee dagen later zat ik -in den reiswagen, en was naar mijne bestemming op weg. Willem, gij -weet: Wonosobo ligt op een afstand van drie en zeventig palen van -Karang Anjer. Wat hadden die te beduiden voor mijn ongeduld? Was het de -zekerheid, dat ik licht in de duisternis zoude erlangen? Of trad reeds -reactie in? Zoo veel is zeker, dat ik mij als herboren gevoelde, toen -de reis begon. - -„Had ik in eene andere gemoedsstemming verkeerd, dan ware die reis voor -mij uiterst belangrijk geweest; dan zoude de streek, die ik doortrok, -mij hebben kunnen boeien. Ik trok toch over het ruim acht duizend voet -hooge Prahoe-gebergte, daarna over het Diëng-plateau, dat klassieke -vulkaanstelsel, door den Duitschen natuuronderzoeker Frans Junghuhn zoo -meesterlijk beschreven; mijn weg voerde toch verder langs den Goenoeng -Panggonang en den Goenoeng Pakoeodja met hunne immer werkende -solfatara’s en ziedende heetwaterwellen; langs den Telerep, dien -verbrokkelden vulkaan, die van vroegere ontzettende uitbarstingen, wat -krachtsbetoon betreft, ons voorstellingsvermogen tartende, getuigt; -langs de Telågå Mendjer, dat dichterlijk kratermeer, hetwelk, diep -ingezonken en door hooge rotswanden omgeven, een der liefelijkste -waterbekkens vormt der geheele aarde; en verder langs de westelijke -hellingen van den Goenoeng Sindoro, dien schoonsten en regelmatigsten -van alle vulkanen van Java, welker horizontale kegelsnede zich op bijna -tienduizend voet boven de oppervlakte der zee verheft; om eindelijk te -Wonosobo aan te komen. Maar, ik had geen oogen voor al die schoonheden, -voor al die natuurwonderen, die in den vorm van piramidale vuurbergen, -van grillige bergruggen, van steile en hemelhooge rotswanden, van -woestvlietende bergstroomen, van donderende watervallen, van -verrukkelijke kratermeren, van overschoone bergvlakten, van -schilderachtige dalen, van schrikkelijke ravijnen, van donkere -afgronden, van eeuwenoude hoogwouden en liefelijke koffie- en -theeplantingen mij voorbij ijlden. Ik had slechts ééne gedachte: Anna! -en slechts één streven: zoo spoedig mogelijk aan te komen.” - -„„Ajo! k’sier, madjoe! madjoe!” (Komaan, koetsier, voort, voort!) was -mijn schier onafgebroken aanmoedigingskreet tot den automédon, die toch -al reeds zijn best deed, en zijn lange zweep met onbarmhartige -behendigheid hanteerde. - -„Toen ik Wonosobo bereikte, was mijn ongeduld nog niet bevredigd. Nog -lang niet! - -„De liefderijkste ontvangst en verpleging viel mij bij den -assistent-resident van Ledok ten deel. Gij kent de familie Kleinsma; ik -behoef dus daarover niet uit te weiden. De reis had ook den meest -gunstigen invloed op mijn gezondheidstoestand uitgeoefend; maar, toch -zouden ettelijke dagen noodig zijn, alvorens ik den tocht naar Karang -Anjer mocht en kon ondernemen. - -„Gedurende dien tijd bracht ik mijn gastheer zoo wat op de hoogte, en -gaf hem te kennen, dat ik, om zooveel mogelijk opspraak te voorkomen, -bij die excursie Poerworedjo, Bagelen’s hoofdplaats, wenschte te -vermijden. - -„„Drommels,”, zei Kleinsma, „dat is niet gemakkelijk. Dan moet ge over -Kaliwiro, Ngalian, Peniron en zoo naar Karang Anjer.” - -„„Is dat een groote omweg?” vroeg ik hem, meenende dat de mindere -gemakkelijkheid, waarvan hij sprak, daarop doelde. - -„„Volstrekt niet,” antwoordde hij. „Integendeel, die richting verkort -den afstand ruim een derde. Maar, die route is niet per rijtuig af te -leggen. Het wegenstelsel hier is zeer goed te noemen; maar in het -innerlijke der residentie is het slechts te paard te berijden. Daarbij -hebt gij een gids noodig, want die wegen kruisen elkander zoodanig, dat -zij een waren doolhof vormen, en dat, zelfs met de meest nauwkeurige -kaart van den topografischen dienst, verdwalen niet tot de -onmogelijkheden zou behooren.” - -„Dat schrikte mij niet af, Willem. Toen ik dan ook acht dagen in dat -gunstige klimaat doorgebracht had, en van koortsachtige aandoeningen -niets meer te bespeuren was, ondernam ik den tocht, die niet van -moeielijkheden ontbloot was. Wel waren de wegen uitmuntend; maar het -ging voortdurend bergop bergaf. De eene bergnok op, om in het -daarachter gelegen ravijn neer te dalen, en het stijgen daarna -andermaal te beginnen. Het paard, dat Kleinsma mij bezorgd had, was een -uitmuntend stevig Javaansch bergpaard, hetwelk, in weerwil van dat -terrein, zijn zes palen per uur geregeld aflegde. Ging de weg -bergopwaarts, dan nam het edele dier, zonder daartoe aangemoedigd te -zijn, den galop aan; ging het bergafwaarts, en was de helling niet al -te steil, dan was het steeds in draf; en in ieder ander geval in -stevigen stap, die den meest wakkeren voetganger deed achterblijven. - -„Te Ngalian verwisselde ik van paard, en verkreeg op aanbeveling van -den assistent-resident zoo mogelijk een nog beter rijdier van den -loerah dier plaats. Zoo trok ik over het Bessergebergte, [172] over de -uitloopers van het Midangang-, Paras- en Boetak- [173] gebergte, en -kwam des namiddags te vier uren te Karang Anjer aan. - -„Helaas, Willem, al die moeite was te vergeefs! Ik zou omtrent mijne -Anna niets vernemen. Ik zal u dat later wel mededeelen; thans ontbreekt -mij de moed om voort te gaan.” - - - - - - - -XXIX. - -VAN NEREKOOL OP VERKENNING.—EENE VRIJSPRAAK. - - -Ja, al die moeite van Van Nerekool was te vergeefs geweest! Toen hij te -Karang Anjer aangekomen was, vond hij in mevrouw Steenvlak eene lieve, -beschaafde, volbloed Nederlandsche vrouw, die hem, bij afwezigheid van -haren echtgenoot, gastvrij, ja gul ontving; maar zich geen woord liet -ontvallen, omtrent hetgeen van Anna van Gulpendam geworden was. Hoe de -rechterlijke ambtenaar zijne vragen ook inkleedde, de schrandere vrouw -wist een directe beantwoording te ontwijken en, bleef zij met hare -lieftalligheid der wellevendheid getrouw, dan toch lieten die -antwoorden den wanhopigen verliefde in het meest pijnlijke onzekere. -Hoe hij ook bad en smeekte, hij vond een gewillig oor, dat hem met het -meeste geduld en met de innemendste zachtzinnigheid aanhoorde; maar -zijne smeekingen en beden stuitten af op het onverzettelijke van een -genomen besluit. - -„Anna heeft hier bij ons eenige weken gelogeerd,” sprak zij, „en in -dien tijd ben ik er in geslaagd, mijnheer Van Nerekool, hare vriendin, -hare vertrouwelinge te worden. Het wanhopige meisje heeft mij alles -beleden. Alles, hoort ge? Zoowel uw beider liefde voor elkander, als de -oorzaken, die een onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden -daarstellen.” - -„Mevrouw!” kreet van Nerekool, ontzet bij die woorden. - -„Ik heb het lieve kind in alles gelijk moeten geven. Neen, van een -huwelijk tusschen u beiden kan onmogelijk iets komen, al slaagdet gij -er ook in om de toestemming harer ouders te verwerven. Dit zou slechts -een vreeselijk bestaan te gemoet treden zijn. Anna heeft gelijk, -wanneer zij beweert, dat de vrouw bij een dergelijke vereeniging een -reinen, onbevlekten naam ten huwelijk moet medebrengen....” - -„Maar, Mevrouw, Anna is rein,” viel haar Van Nerekool hartstochtelijk -in de rede. - -„Ik spreek van haren naam, mijnheer Van Nerekool, niet van haar -persoon. Een man moet in staat zijn steeds den naam zijner vrouw te -kunnen noemen, en daarover niet behoeven te blozen. Hare ouders moeten -zijne achting bezitten, en zijnen eerbied waardig zijn. Bestaat dat -niet, dan is het leven een hel voor beide echtgenooten; voor den een, -die steeds gedwongen zal zijn het nauwlettendste toezicht op hetgeen -hij zegt en niet zegt te houden, dat iedere vertrouwelijkheid zoude -verbannen; terwijl het minste ondoordachte woord den ander diep zou -wonden, en zelfs bij de meest onschuldige uiting eene zinspeling zoude -ontwaard worden. Een compromis in zulke omstandigheden is geheel en al -ondenkbaar.” - -„Maar, Mevrouw Steenvlak, ik stelde Anna voor, om Java te verlaten, om -naar Australië, naar Singapore of wie weet waarheen elders te gaan, om -ons daar in den echt te laten verbinden. Daar zoude niemand den naam -Van Gulpendam kennen, daar zouden wij voor elkander kunnen leven en -dan, dan... geloof ik wel, zoude met de liefde, die wij voor elkander -gevoelen, een vergeten van het ouderlijke verleden, en derhalve een -compromis mogelijk zijn. Van mijne zijde zoude nimmer een woord mijn -mond ontvallen, dat op gebeurde zaken zoude zinspelen. Ik zou beseffen, -hoezeer ik haar wonden zoude; en... vergeef mij, daartoe heb ik haar te -lief en zal ik haar immer te lief hebben.” - -„Daaraan twijfel ik geen enkel oogenblik, mijnheer Van Nerekool; maar -zelfs in het betrachten van die behoedzaamheid, die zij bespeuren zou -moeten, zou eene pijniging voor haar, en op den duur een onuitstaanbare -dwang voor u gelegen zijn. Overigens weet ik niet, wat gij haar -geschreven hebt. Dienaangaande heeft zij mij nimmer eenige mededeeling -gedaan.” - -„Dat heeft zij ook niet kunnen doen, mevrouw; want zij zond mij steeds -mijne brieven ongeopend terug.” - -„Daaraan heeft zij wel gedaan, en daardoor heeft zij zich vernieuwd -lijden bespaard... Ieder aanzoek van u, iedere poging van uwe zijde, om -de hinderpalen uit den weg te ruimen, kunnen niet anders dan kwetsen.” - -„Mevrouw!...” - -„Gij zegt mij, dat gij haar voorgesteld hebt naar Australië, naar -Singapore te gaan, om daar in het huwelijk te treden, nietwaar? Hoe -zoudt gij die reis volbracht hebben? Afzonderlijk?... Gij hebt er zelfs -niet aan gedacht, om haar als jong meisje die reis alleen te laten -maken! Te zamen?... Bedenk eens: hoe dat voorstel hare reine en -fijngevoelige ziel zoude gekwetst hebben! Neen, ik ben blij, dat zij -dien brief niet gelezen heeft.” - -„Maar, lieve mevrouw, wanneer ik mij nu eens bij den bestaanden -toestand neêrlei?” - -„Wat bedoelt ge?” - -„Wanneer ik over alle hinderpalen heenstapte, en haar trots hare -familie, ten huwelijk begeerde?...” - -„Ga niet voort, mijnheer Van Nerekool,” sprak mevrouw Steenvlak met -hoogen ernst. „Ga niet voort! Trots hare familie,... dat wil zeggen: -met alle gevolgen daaraan verbonden; met andere woorden: dat gij gereed -zoudt zijn, die familie overal met die achting en eerbied te bejegenen, -waarop zij door hare bloedverwantschap met uwe echtgenoote aanspraak -zoude hebben... Gij zoudt u zoodoende verachtelijk in Anna’s oogen -maken... Aan den eenen kant zoudt gij daardoor het afzien van uwen -persoon gemakkelijker maken; maar van de andere zijde zoudt gij de -rampzalige den laatsten steun in hare ballingschap ontrukt hebben. Eene -vrouw te overtuigen, dat zij een onwaardigen hare liefde geschonken -heeft, is wel de wreedste marteling, die men haar kan aandoen. Het -ongeschonden beeld van hem, dien zij bemind heeft, wellicht nog bemint, -in haar hart, veroorzaakt, in weerwil van den onoverkomelijken slagboom -tusschen u beiden, thans reeds de grootste verzachting voor de -vlijmende smart; zal later, naast het bewustzijn van stipt volgens -plicht gehandeld te hebben, de voornaamste troostgrond in haar eenzaam -leven zijn.” - -Karel van Nerekool had zich bij die uiteenzetting door mevrouw -Steenvlak het gelaat met beide handen bedekt. Bij die laatste woorden -sprong hij van zijn stoel op, trad op haar toe, en greep haar bij de -hand. - -„Haar eenzaam leven? zegt gij, mevrouw. O! zeg mij, waar Anna zich -bevindt? Misschien slaag ik er in, om haar te verteederen.... Zeg mij, -waar zij is?” - -„Doe daartoe geene moeite, mijnheer Van Nerekool. Zij schonk mij haar -vertrouwen; dat zal ik niet schenden. Zij heeft mij alle bizonderheden -medegedeeld; zij heeft mij geraadpleegd over de door haar te volgen -gedragslijn en ik heb haar levensplan ten volle goedgekeurd. En ik zou -haar de volbrenging van dat plan moeielijker maken dan zij reeds is? -Dat kunt gij van mij niet verlangen.” - -„Maar dat levensplan, wat is dat, wat behelst het?” - -„Eenvoudig, om vergeten te leven.” - -„Wellicht om te hu....” - -„Spreek dat woord niet uit, mijnheer Van Nerekool. In uwen mond is dat -eene lastering. Gij zijt onbillijk in uw veronderstelling! Zij heeft u -afgewezen; zij zal nimmer huwen.” - -„Maar, wat wil zij dan?” - -„Eenzaam en vergeten leven, en zoo den dood te gemoet gaan, dien zij -hoopt, dat niet lang uitblijven zal.” - -„Zij is toch niet ongesteld?” vroeg hij verschrikt. - -„Neen, maar dergelijke schokken zijn toch wel geschikt om de gezondheid -van een jong meisje te verwoesten, en haar leven te verkorten.” - -„Mevrouw, gij beangstigt mij.” - -„Ik deel u de waarheid mede.” - -„O, zeg mij, waar zij is?” - -„Nooit!” - -„Is zij op Java, is zij in Indië?” - -„Ik zeg niets.” - -„Is zij naar Europa?... O, ik smeek u, verlos mij uit die wreede -onzekerheid.” - -„Ik zeg niets; hoort ge: niets, mijnheer van Nerekool!” - -„Zijt gij dan niet te vermurwen, mevrouw Steenvlak?” - -„Ik ben getrouw aan het eens gegeven woord. Daarenboven...” - -„Maar, mevrouw, heb medelijden met mijn toestand....” viel Van Nerekool -in. - -„Daarenboven”, ging mevrouw Steenvlak voort, „ik heb de overtuiging, -dat, door te handelen, zooals ik doe, ik vele rampen voorkom.” - -„O, onverbiddelijk! Onverbiddelijk!” riep de jonge man wanhopig, -terwijl hij de woning uitstoof. - -Hij bleef nog een paar dagen te Karang Anjer, en nam zijn intrek bij -den regent, bij wien hij de gulste gastvrijheid ondervond. Hij poogde -dien Inlandschen hoofdambtenaar uit te hooren. Ja, die kende nonna Anna -wel. Menigmaal toch had zij met de njonja van den Kandjèng toean -bezoeken bij de radhen ajoe [174] afgelegd. Maar, zij was vertrokken, -zonder dat zij bij haar afscheidsbezoek medegedeeld had, werwaarts zij -reizen zou. Hij en zijne vrouw hadden gedacht, dat zij naar Santjoemeh -teruggekeerd was. - -De rampzalige verliefde doolde in den omtrek rond, informeerde bij de -loerah’s der omliggende dèsa’s, trachtte berichten in te winnen bij den -mandoor (opziener) van de paardenposterij [175]; maar nergens, nergens -ontving hij eenige aanduiding, die hem op het spoor kon brengen. Of de -menschen wisten niets, òf zij gehoorzaamden aan een gegeven wachtwoord, -en wilden niets zeggen. Dat laatste was volgens hem het meest -waarschijnlijke, daar hem bij de paardenposterij verzekerd werd, dat -men niet wist, dat de „nonna menoempang” (juffrouw logé) vertrokken -was. - -Bij zijne omzwervingen ging hij bij ettelijke gardoe’s [176] aanzitten -en herhaalde alweer zijn vraag of niemand wist, waarheen de „nonna -menoempang” vertrokken was, maar kreeg onverbiddelijk ten antwoord: -„Botten, ndårå!” (neen, mijnheer). - -In arrenmoede vertrok hij van Karang Anjer naar Tjilatjap. Hij wilde -onderzoeken, wat er van het praatje aan was, dat de resident Van -Gulpendam behendig verspreid had, als zoude zijne dochter naar Port -Adelaïde gereisd zijn. Gelukkig bezat de regent van Karang Anjer een -reiswagen, dien hij den rechterlijken ambtenaar volgaarne leende; -anders had deze de twee en vijftig palen, die hem van die havenplaats -scheidden, te paard moeten afleggen, hetgeen bij zijne zwaarmoedige -gemoedsstemming niet gunstig op zijn gezondheidstoestand zoude gewerkt -hebben. De weg van Karang Anjer naar Tjilatjap voert toch door eene -vlakte, die met het peil der zee bij vloed weinig verschilt; en, waar -hij nog dwars over eenige heuvelenrijen slingert, stellen die laatsten -door hare afhelling van noord naar zuid, in weerwil van hare nabijheid -van den Indischen Oceaan, aan het geregeld doorkomen van land- en -zeewind een hinderpaal daar, en maken de temperatuur nog drukkender. - -Maar ook in die havenplaats was niets te vernemen. Noch de -assistent-resident, noch de havenmeester, noch de agent van de Indische -stoomvaartmaatschappij, noch eenig ander cargadoor, wisten van een -vertrek van een jong meisje naar Australië of naar elders af. In -maanden had geen vreemd stoomschip die havenplaats aangedaan, en de -booten van de Indische stoomvaartmaatschappij, welke Australië -bezochten, koersten niet langs Java’s Zuidkust, maar langs de -Noordkust, om door Straat Bali den Indischen Oceaan binnen te stoomen. -Het verhaal dan ook, van die twee dames, onder wier geleide Anna -vertrokken zoude zijn, door Van Gulpendam geleverd, kon geheel en al -als een verzinsel beschouwd worden. - -Eindelijk keerde Karel van Nerekool over Bandjar Negara naar Wonosobo -terug. Daar verbleef hij slechts nog veertien dagen en vertrok toen, -dewijl zijn gezondheidstoestand onder den invloed van dat overheerlijk -luchtgestel daar aanmerkelijk verbeterd was, naar Santjoemeh, alwaar -hij zoowel door August van Beneden en Leendert Grashuis, als door -Theodoor Grenits en Eduard van Rheijn ontvangen en verwelkomd werd. - -„En?....” was de algemeene vraag, toen de vrienden den lichamelijken -welstand van Karel van Nerekool geconstateerd hadden. „En...?” - -Klaarblijkelijk doelden zij op het doel zijner nasporingen. Het -wenschen en verlangen, het trachten en pogen van den -gemeenschappelijken vriend was toch geen geheim voor hen gebleven. - -„Niets!” antwoordde Van Nerekool met een diepen zucht. „Zelfs geen -spoor!” - -„Ik ben ook niet geslaagd,” sprak Grenits. - -„Gij ook niet?” vroeg Karel. - -„Ik heb mij tot de geheele handelswereld van Nederlandsch-Indië -gewend,” antwoordde de jeugdige koopman, „maar van alle zijden luidden -de berichten, dat geen jong meisje, hetwelk ook maar eenigermate aan de -beschrijving, die ik gaf, voldeed, van de respectieve plaatsen -vertrokken is.” - -„Zoodat, volgens uw gevoelen?...” vroeg Karel. - -„Zoodat, volgens mijn gevoelen juffrouw Van Gulpendam Java niet -verlaten heeft.” - -„Maar, waar zou zij dan toch kunnen zijn?” vroeg Van Rheijn. - -„Ja, dat weet God!” zuchtte Van Nerekool. - -„En hare ouders,” meende Leendert Grashuis. „Het zou toch niet aan te -nemen zijn, dat een jong, minderjarig meisje ergens heen getrokken is, -zonder medeweten van vader en moeder.” - -„Daarenboven de resident Van Gulpendam is geen papa om meê te -gekscheren,” zei Van Rheijn. - -„Toch vrienden, meen ik, dat noch de resident, noch zijne echtgenoot -weten, waar Anna is,” antwoordde Van Nerekool. - -En daarop verhaalde hij zijn gesprek met mevrouw Steenvlak tot in de -kleinste bizonderheden aan zijne getrouwen. - -„Alleen die vrouw zou inlichting kunnen geven; maar zij wil niet!” zoo -eindigde hij de mededeeling. - -„Dan dient in de omstreken van Karang Anjer gezocht te worden,” meende -Van Beneden. - -„Dat heb ik gedaan; ik heb de geheele streek doorkruist, ik heb een -ieder ondervraagd, dien ik maar gissen kon, dat inlichtingen zou kunnen -geven. Alles, alles te vergeefs!” - -„Dan, Karel, dient ge de oplossing van dat raadsel aan den tijd over te -laten,” sprak Grashuis. - -„Aan den tijd!” zuchtte Van Nerekool. „Het moet wel! Maar, vrienden, ik -gevoel mij diep ongelukkig.” - -„Gij zult afleiding in uwe bezigheden vinden,” zei Van Beneden. „De -zaken bij den raad van Justitie zijn sedert uw vertrek niet -verminderd.” - -„Dan maar aan den arbeid!” sprak Karel. „God geve, dat hij die -uitwerking moge hebben, dien gij voorspelt, August.” - -„Dat brengt mij in herinnering, dat ik morgen voor dien raad moet -verschijnen,” zei Grenits. - -„Gij?” - -„Ja, in zake Mokesuep.” - -„O ja, die paar oorvijgen, die gij dien aterling toegediend hebt.” - -„Een achttal dagen brommen, vriend Theodoor,” zei Van Beneden. „Nu, dat -is zoo erg niet.” - - - -August van Beneden had zich niet erg vergist. Grenits werd door den -raad van Justitie tot tien dagen gevangenisstraf en eene boete van ƒ 25 -veroordeeld, wegens het toebrengen van slagen, die noch ziekte noch -ongesteldheid hadden veroorzaakt, maar die toegebracht waren aan -iemand, ter zake zijner afgelegde getuigenis in eene opiumsmokkelzaak, -waarbij evenwel de verontwaardiging van den beschuldigde in aanmerking -genomen was, over de onkiesche handelingen, die bij de visitatie aan -den lijve van een meisje door de opiumpolitie gepleegd waren, en -waarbij de klager Mokesuep tegenwoordig geweest was, zonder haar in -bescherming te nemen. - -Toen het vonnis, hetwelk door een groot publiek aangehoord werd, -uitgesproken was, staken alle handen zich naar Theodoor Grenits uit: -terwijl een ieder zich van Mokesuep afwendde en hem ontweek, als ware -hij een giftig kruipend gedierte geweest. In de openbare meening was de -gevonnisde de geschandvlekte niet. - -Weinige dagen later nam de landraad van Santjoemeh zitting in zake van -baboe Dalima, beschuldigd van opiumsmokkelarij. Ten heftigste ontkende -het Javaansche meisje, dat opium bij haar gevonden was, en beweerde -zelfs, dat niemand naar sluikwaar bij haar gezocht had. - -Zij gaf een ongekunsteld verhaal van het gebeurde, dat, zoowel door de -getuigenis van mevrouw Van Gulpendam als door die van Mokesuep -weersproken werd. Eerstgenoemde toch had eene schriftelijke verklaring -afgegeven, waarin zij getuigde, dat de baboe geen permissie had, om den -nacht buitenshuis door te brengen; maar wel om den volgenden ochtend -naar Kaligaweh te gaan, waarbij zij nog mededeelde, dat zij haar eene -voldoende taak van naaiwerk opgelegd had, die afgemaakt moest zijn, -alvorens te kunnen vertrekken. Mokesuep stak beide vingeren op en -bezwoer, dat het geheele verhaal van het meisje een verzinsel was; dat -zij zich wel is waar tegen eene visitatie aan den lijve hevig verzet -had, dat zij zelfs den Chinees Lim Ho, die gepoogd had hare handen vast -te houden, in het oor gebeten had, en dat bij de worsteling haar baadje -gescheurd en haar sarong losgerukt was, en zij daarbij eenige -onbeduidende krabben op de dijen en beenen bekomen had; maar dat van -eene mishandeling, als waarvan zij Lim Ho beschuldigde, geen sprake kon -zijn. Ook het visum repertum van den eerstaanwezenden officier van -gezondheid ontkende de misdaad, waarover het meisje zich beklaagde, en -constateerde alleen een viertal ontvellingen, die tot eenig -bloedverlies aanleiding hadden kunnen geven. Waarlijk, de -demoraliseerende invloed van den pachter was wel waarneembaar bij de -getuigen, en hoe gewetensvol de nieuwe landraads-voorzitter, die Mr. -Zuidhoorn vervangen had, ook was, zoo had hij zich genoodzaakt gezien, -van eene vervolging betreffende de misdaad, waarover baboe Dalima -klaagde, wegens gebrek aan bewijzen af te zien. - -Bleef dus de beschuldiging tegen haar, van opium gesmokkeld te hebben, -over. - -Ja, de verklaring van den overleden bandoelan Singomengolo was stellig. -Hij had een doosje, met tjandoe gevuld, onder den buikband, die den -sarong om haar middel sloot, tusschen de plooien van genoemd -kleedingstuk gevonden. Dat doosje was door de zorgen van den controleur -Verstork behoorlijk verzegeld geworden; en door de commissie van weging -en keuring was bevonden geworden, dat het inhield: achtentwintig mata’s -bereide opium, die er ruw en zwart uitzag, (roepanja kasar dan hitam) -en een zuren reuk (bahoenja ketjoet) [177] had, en derhalve beschouwd -werd, als niet afkomstig te zijn van den opiumpachter. Toen evenwel het -bedoelde doosje, dat in judicio aanwezig was, aan Mokesuep en Lim Ho -vertoond werd, aarzelde laatstgenoemde een poos, maar eindigde toch met -de verklaring af te leggen, dat hij bij de worsteling niet opgemerkt -had, dat Singomengolo het aangeduide doosje had gevonden, daar hij te -veel pijn aan zijn oor had, en zich onledig hield met dat gekwetste -deel te verbinden; dat hij dat doosje eerst gezien had, toen de -bandoelan het aan den controleur Versterk overhandigde. - -Zoo men ziet, was alle gevoel bij dien vrouwenschender nog niet -geweken. Maar, hoe geheel anders was het met Mokesuep, den ellendigen -fiscalen ambtenaar gesteld. Toen die voor de balie getreden was, om -getuigenis der waarheid te geven, verklaarde hij met een zekeren ophef, -dat hij den bandoelan het doosje had zien te voorschijn brengen, en -trad daarbij zelfs in zulke bizonderheden bij de plastische -beschrijving van de bewegingen van het meisje, dat de aanwezigen er van -walgden, en niet onduidelijk een gemompel van afkeuring lieten hooren. -De voorzitter zag zich dan ook genoodzaakt hem aan te manen, zich stipt -bij de zaak te houden, daar dergelijke uitweidingen overbodig geacht -moesten worden. - -De eisch van den hoofddjaksa, die als openbare aanklager optrad, was -dan ook schuldigverklaring van de beklaagde, en veroordeeling tot eene -straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor -den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in -overtreding bevonden [178]. - -Tegenover dat requisitoir wees August van Beneden er evenwel op, dat -het in judicio aanwezige doosje volmaakt geleek op dat, hetwelk ook -door denzelfden bandoelan bij Setrosmito, den vader van baboe Dalima, -zou aangehaald zijn. Hij constateerde, dat bij Singomengolo, na diens -vermoording een aantal doosjes gevonden waren, die geheel en al met die -twee overeenkwamen. Hij legde eene authentieke verklaring over van den -koperslager, van wien de bandoelan de bedoelde doosjes, twaalf in -getal, voor eene som van zeven gulden gekocht had, en stond bij dit -punt stil, vooral om de listige streken van de opiumjagers in -herinnering te brengen, aangewend om de beklaagden aan overtreding -schuldig te doen verklaren [179]. Ten slotte viel hij het -proces-verbaal van keuring van de in het doosje aanwezige opium aan, en -verwierp dat stuk als zonder bewijskracht in rechten, daar het -afgegeven was door Chineezen, daarenboven geen scheikundigen, die -slechts op de kleur, op den reuk en op het gevoel van het product waren -afgegaan, om tot de slotsom te geraken, dat het niet afkomstig was van -den opiumpachter, daarbij aantoonende, dat die pachters in den regel de -grootste opiumsmokkelaars zijn, wier ellendig mengelmoes voortdurend -verschilt, en gerust de meest eminente scheikundige getart kan worden -eene volmaakte gelijkheid van twee verschillende kooksels, afkomstig -van denzelfden pachter [180] aan te toonen. - -De overwinning, door den jeugdigen pleitbezorger behaald, was volkomen. -De landraad van Santjoemeh rechtdoende, verklaarde, dat het aan baboe -Dalima ten laste gelegde feit rechtens niet was bewezen, sprak haar -mitsdien daarvan vrij, en gelastte hare onverwijlde in vrijheidstelling -met verwijzing van den lande in de kosten. - -Een daverend hoerah begroette die uitspraak, en het publiek werd zoo -uitbundig in zijne uitingen, dat de voorzitter tot stilte moest doen -aanmanen. Toen Mokesuep de zaal verliet, vielen hem slechts blikken en -gebaren van diepe verachting ten deel; terwijl gesis en gefluit hem -begroette, toen hij in zijn rijtuig stapte, en wegreed. Blijkbaar was -men geheel en al op de hoogte van hetgeen in de hut bij den Djoerang -Pringapoes was voorgevallen, en was een ieder bekend met de walgelijke -rol, waartoe de fiscale ambtenaar zich geleend had. - -Toen de zitting afgeloopen was, omringde een talrijk publiek het zoo -ongelukkige Javaansche meisje. Helaas, haar toestand was niet meer voor -het oog te bemantelen. Ware het onderzoek naar het vaderschap -toegelaten in rechten, dan voorzeker zoude de procedure voor Lim Ho een -anderen afloop gehad hebben. In weerwil daarvan omringde haar thans een -talrijke menigte, die van de innigste deelneming deed blijken. Een -ieder had een gelukwensch over den afloop van het proces, een woord van -troost, een woord van aanmoediging voor haar. Ook Grenits, Van -Nerekool, Van Rheijn, Grashuis en Van Beneden verdrongen zich om het -arme schepsel, dat bij zooveel bewijzen van deelneming zich bewogen -gevoelde; maar toch tranen stortte bij de gedachte aan hare verwoeste -jeugd. Van Nerekool stelde Dalima voor, haar bij een bedaagd echtpaar -te brengen, waar zij al hare diensten aan de dame des huizes zou kunnen -wijden, en de liefderijkste verpleging zou ondervinden. Zij bedankte -den „toean rakker” hartelijk voor zijn aanbod en verklaarde bij hare -moeder haren intrek te willen nemen tot na hare bevalling. Als echt -natuurkind sprak zij die laatste woorden, zonder schroom en zonder -valsche schaamte. Zij nam evenwel de gelegenheid te baat, om eenig -bericht omtrent nonna Anna in te winnen. Helaas, Karel van Nerekool kon -haar niet anders mededeelen, dan dat hare meesteres naar Karang Anjer -vertrokken, en daarna spoorloos verdwenen was. - -„Karang Anjer, di mana?” (Karang Anjer, waar ligt dat) vroeg zij -nadenkend. - -Van Nerekool gaf haar de noodige aanwijzing, en vervoegde zich daarna -bij zijne vrienden, die door Grenits verzocht waren, om een glas op den -goeden afloop van het proces te drinken. Wel was het niet vroeg meer, -en drukten de schier loodrecht vallende zonnestralen zwaar. De paarden -der rijtuigen van onze bekenden waren evenwel vurig, en in weinig tijds -was de woning van den jeugdigen koopman bereikt. - -Binnenstormende, riep deze zijn bediende met alle haast: - -„Sidin! Sidin! lakas! kassi anggoer poeff!” (Sidin! gauw! geef -Champagne!) - -En weldra zat het vijftal met een kelk schuimende Veuve Cliquot in de -hand, en bracht August van Beneden zijn welgemeende gelukwenschen toe. - -Toen de opgewondenheid over het behaalde succes eenigszins bedaard was, -en de loop van het geding overzien werd, kon een gevoel van -teleurstelling niet bedwongen worden. - -„Is het niet om aan de toekomst van ons schoon Indië te moeten -wanhopen, dat wij in zoo’n zaak ons nog met dien afloop moeten -gelukwenschen!” sprak Grashuis. „Iedereen, zelfs de leden van den -landraad zijn overtuigd, dat de arme Dalima het slachtoffer geweest is -van de snoodste misdaad, en niet alleen is de misdadiger ongestraft -gebleven, maar de beste krachten moesten ingespannen worden, om de -onschuldige voor een strafvonnis te beveiligen. Zou zoo iets in -Nederland mogelijk zijn? Wat is er toch rots in den toestand hier?” - -„Wat er rots is in den maatschappelijken toestand hier?” vroeg Grenits. -„Dat is de opiumpacht, die alles overheerscht, alles demoraliseert! Gij -hebt de akte van beschuldiging van den hoofddjaksa gehoord. Hoe zat dat -stuk slim in elkander, en hoe sloeg het merkwaardig juist met het -bevelschrift van den resident tot terechtstelling van de arme Dalima! -Hoe behendig waren alle getuigen, die ten voordeele van haar konden -verklaren, geëcarteerd: Verstork naar Atjeh, juffrouw Van Gulpendam -niet te vinden; terwijl Mokesuep tegenwoordig was.” - -„Die ellendeling!” bromde van Rheijn. - -„Zonder onzen August”, ging Theodoor Grenits voort, „zoude, evenals -zooveel andere beklaagden voor opium-overtredingen, het mishandelde -meisje veroordeeld zijn. Gij vraagt, Leendert, of zoo iets in Nederland -mogelijk zou zijn. Ik matig mij geen oordeel aan, over hetgeen daar -mogelijk of onmogelijk is; maar vergeet niet, dat de opium-politiek van -daar uitgaat; dat telken jare het opium-middel ettelijke millioenen -hooger geraamd wordt, waardoor de opium-hartstocht al hooger en hooger -opgezweept wordt, en waardoor regeering en ambtenaren hier genoodzaakt -zijn de opium-pachters bij hun ellendig bedrijf en zijnen noodlottigen -nasleep te schragen. Is het niet om zich van schaamte te verbergen, tot -eene natie te behooren, die ter wille van ellendige geldzucht, ter -wille van meedoogenloos schrapen, zulke toestanden niet alleen gedoogt, -maar in het leven roept, en met de meest angstvallige zorgvuldigheid -kweekt?” - -Allen zuchtten. In die woorden lag niets dan waarheid. - -„Is het de natie wel, die de schuld aangewreven moet worden? Is het de -regeering niet, die dat alles verordent?” vroeg Van Rheijn. - -„Eene natie heeft slechts de regeering, die zij verdient!” [181] -antwoordde Grenits heftig. „Ja, de regeering handelt en verordent; maar -de natie ziet toe, en.... heeft nog eene loftuiting voor den minister -over, wanneer deze op de meest cynische wijze verklaart, dat hij er -uithaalt, wat er uit te halen is. Het is of de Nederlandsche natie eene -natie geworden is die, òf hare viriliteit verloren heeft, òf het -idiotisme zeer nabij is! Voor de koloniën geen oog, geen hart; -slechts... ééne gedachte: de minister balanceert zijne begrooting -alleraardigst! En deze van zijn succes zeker, veroorlooft zich in de -Vertegenwoordiging bons mots, die een gewoon mensch in een bierknijp -niet zoude durven gebruiken; maar vindt daarvoor nog dankbaren in en -buiten de wetgevende collegiën, welke die geestigheden uiterst leuk -vinden.” [182] - -Gelukkig kwam Sidin binnen en deed door zijn verschijnen, wat de -anderen niet te doen vermochten, namelijk: de verontwaardiging van den -jongen koopman te stuiten. De Javaan had twee groote brieven in de -hand, en reikte die aan zijn meester over. - -„Drommels, twee officiëele stukken!” zei Van Rheijn. - -„Een weddingschap, dat daar het bevelschrift is, om je naar Z. M. -boeien te begeven!” - -Grenits antwoordde niet, maar brak een der missives open. - -„Eene gewone huwelijks-aankondiging!” zei hij.... „Maar, van wien?” - -En het papier inziende: - -„Drommels, dat’s aardig”, zei hij. „Vrienden luistert: - -„Mijnheer en mevrouw Lim Yang Bing en mijnheer en mevrouw Ngow Ming -Than hebben de eer kennis te geven van het voorgenomen huwelijk van den -heer Lim Ho, den zoon van eerstgenoemden, met mejuffrouw Ngow Ming Nio, -dochter van laatstgenoemden. De plechtigheid en de daaropvolgende -receptie zal plaats hebben op den 3den September a. s. ten huize van -den heer Lim Yang Bing te Santjoemeh in Gang Pinggir.” - -„Warm van de plank,” zei Grenits met een bitteren glimlach. „Het proces -van Dalima is ternauwernood uitgewezen.” - -„De plechtigheid van zoo’n Chineesch huwelijk moet toch curieus zijn,” -viel van Rheijn in. „Wij gaan er toch heen, nietwaar?” - -„Mij wel, dat gij gaat,” sprak Van Nerekool, „als gij mij maar te huis -laat. Het zou mij onmogelijk zijn dien ellendigen Lim Ho eene hand te -reiken, en hem de gebruikelijke gelukwenschen aan te bieden.” - -„Kom,” zei Grashuis, „bij de groote menigte, die tegenwoordig zal zijn, -zal wel gelegenheid wezen om die plichtpleging ongemerkt achterwege te -laten. Wie zal zoo iets opmerken?” - -„Alweêr: des accommodements avec le ciel”, antwoordde Grenits lachende. -„Maar laat mij inzien, wat de tweede brief behelst.... Waarachtig, -Eduard zou zijne weddingschap gewonnen hebben! Ik moet mij overmorgen -ochtend ten negen uur aanmelden bij den cipier, om de mij opgelegde -gevangenisstraf gedurende tien achtereenvolgende dagen te ondergaan.” - -Allen zaten een oogenblik stil daar neer. Hoezeer het gedrag van -Grenits te verdedigen, ja de uiting van een ridderlijk gemoed te noemen -was geweest, zoo wierp het denkbeeld, tot gevangenisstraf verwezen te -zijn, een kil waas over die jonge mannen, die overigens enkel -levenslust ademden. De veroordeelde zelf was de eerste om de sombere -gedachten van zich te werpen. - -„Gij zult mij voor verveling behoeden, nietwaar vrienden?” - -„Ik heb een prachtigen roman van Ebers, Serapis, nieuw uitgekomen, dien -zal ik je zenden.” [183] - -„Ik zal mijn pianino naar de „cipieran” (gevangenis) laten brengen, dan -kun je naar hartelust tokkelen.” - -„En wij zullen je zoo dikwijls gezelschap komen houden, als zulks -mogelijk zal zijn.” - -„Juist vrienden, dat zal nog het beste zijn.” - -„En dan breng ik mijne viool mede.” - -„En ik mijn fluit.” - -„En dan laten wij de geheele cipieran une sarabande de condamnés -uitvoeren,” gilde Grenits bij voorbaat van de pret. - -„Wij zouden behalve die sarabande nog wat beters kunnen uitvoeren,” -viel Van Beneden in. - -„Wat dan?” vroegen allen. - -„Herinnert gij u nog, dat ik, toen wij onder den Wariengienboom op de -aloon-aloon van Kaligaweh gezeten waren, het plan opperde, om eene -proef te nemen met het opiumschuiven, ten einde de uitwerking daarvan -te ondervinden? Welnu, wij zouden het plan ten uitvoer kunnen brengen, -b. v. aanstaanden Zondag.” - -„Aangenomen, aangenomen!” was aller kreet. - -„Maar wie zal voor de madat en voor de bedoedan zorgen?” vroeg -Grashuis. - -„Dat heb ik op mij genomen,” antwoordde Van Rheijn. „Weest zonder -zorgen. Dat alles zal gereed zijn.” - -„Dat is dus afgesproken, nietwaar heeren?” - -Toen allen hunne instemming met een handdruk bezegeld hadden, ging de -vergadering uit elkander. - - - - - - - -XXX. - -BABOE DALIMA NAAR KARANG ANJER. - - -Op het hobbelige bergpad, dat tusschen de vulkanen Soembieng en Sindoro -doorslingert, stapte weinige dagen later Dalima met onbezweken en -veerkrachtigen pas voorwaarts. Het Javaansche meisje was eenvoudig in -sarong en kabaja gekleed, waarbij evenwel hare gewone netheid en -zindelijkheid niet onopgemerkt bleven. Over haren schouder droeg zij -een „boengkoesan”, een pakje, dat in haren slendang gebonden was, en -waarschijnlijk eenige schamele kleedingstukken bevatte. Wat ook nog -opmerking verdiende, was: dat zij niet blootvoets, maar met een soort -sandalen geschoeid was, waarmee zij goed overweg scheen te kunnen. - -Dat alles wees er op, dat het meisje eene verre reis wilde afleggen, en -haar uiterlijk duidde er op, dat zij reeds een aardig eind wegs achter -den rug had. - -Hoe kwam zij hier op dit punt, waar wij haar ontmoeten, en dat zoo ver -van Kaligaweh verwijderd lag? En, wat was het doel van hare reis? - -Wij hebben reeds gehoord, met hoeveel belangstelling zij berichten -inwon omtrent nonna Anna. Toen zij vernam, dat hare jeugdige meesteres -naar Karang Anjer gegaan, en daarna spoorloos verdwenen was, werd haar -oorspronkelijk brein werkzaam, en ontkiemde bij haar het plan, om van -haren kant nasporingen in het werk te stellen. Zij had, hoewel weinig -begrip hebbende van de maatschappelijke verhoudingen der Europeanen, -zoo’n gevoel, dat de lieve Nana rampzalig ongelukkig was, en besefte, -dat het arme kind behoefte had aan eene gezellin, aan een vertrouwd en -getrouw liefderijk wezen, die haar hare ramp zou helpen dragen. Maar... -Karang Anjer lag zoo ver, zoo onmetelijk ver in haar oog. Daar ginds -niet ver van de groote zee, in de nabijheid van het gebied van Ratoe -Lårå Kidoel [184], hadden haar hare dèsagenooten verteld! Maar dat -schrikte haar niet af. Zij zou moedig de reis aanvaarden, en koen -voorttreden, al voerde de weg ook, zooals haar verzekerd werd, langs -brullende „kawah’s” (solfatara’s), langs brandende „mer-api’s” [185], -langs duizelingwekkende „djoerang’s” (ravijnen), door eenzame „oetan’s” -(bosschen). Zij zou slechts bij dag reizen, dan had zij van wild -gedierte niets te vreezen. En zij was niet bang voor slecht volk; want, -wat zou bij haar vermoed kunnen worden? Zij zag er zoo armoedig uit, -dat niemand op de gedachte zou kunnen komen, dat bij haar wat te rooven -viel. En toch bezat zij een schat, een schat, dien zij angstvallig -bewaard had, en die zij nu ook in een slip van een baadje geknoopt had, -en nu in het pakje, dat zij droeg, medevoerde. Van tijd tot tijd had -nonna Anna haar toch eenig geld in de gevangenis te Santjoemeh bezorgd. -Ook August van Beneden en Karel van Nerekool hadden zich beijverd, het -arme Javaansche meisje wat toe te reiken, wanneer zij haar in de -cipieran opzochten, om inlichtingen omtrent het gebeurde in te winnen. -Zij had dat dankbaar aangenomen en zorgvuldig opgespaard; want zij -dacht aan de toekomst. En, zoo was zij thans bezitster van ruim veertig -guldens, die zij, alvorens te vertrekken, tegen „katip’s” (dubbeltjes) -en „tali’s” (kwartjes) had gewisseld, om onderweg geen „roepiah’s” -(guldens) en „ringgiets” (rijksdaalders) behoeven te laten zien, -hetgeen wellicht begeerlijkheid zou kunnen opwekken. - -Dat geld had het meest hare gedachten bezig gehouden, en haar wel een -oogenblik doen aarzelen om die groote reis te ondernemen. Zij had dat -toch bespaard om de onkosten te bestrijden, die hare bevalling -noodzakelijk zoude veroorzaken. Er zou toch een „doekoen” (vroedvrouw) -noodig zijn, medicijnen zouden aangeschaft moeten worden. Haar kindje -zou ook een „klamboe” (bedgordijnen) behoeven, om het te beveiligen -voor de muskieten. Zoo iets was wel geen gewoonte in de dèsa; maar zij -had toch bij de familie Van Gulpendam gezien, hoe rustig sienjo Leo -daarachter had liggen slapen. Zeker, haar kindje zou ook zoo’n klamboe -gekregen hebben! Daarenboven, èn eenigen tijd vóór, èn eenigen tijd nà -hare bevalling zou zij niet kunnen werken. Toch zou zij moeten eten; -want zij mocht hare moeder niet ten laste komen, die toch reeds zooveel -zorgen had met hare broertjes en zusjes, nu haar vader Setrosmito nog -steeds in de gevangenis zat. Ja, dat geld was haar dierbaar, aan dat -geld was zij gehecht; want zij begreep, hoe jeugdig zij ook was, dat de -nood hoog zou kunnen stijgen... Maar, al die overwegingen verdwenen, nu -het hare Nana gold! Neen, zij mocht niet aarzelen! Maar... de toestand, -waarin zij zich bevond? Zou die geen moeielijkheden in den weg stellen? -Daaraan dacht zij zelfs niet. Eene bevalling heeft voor een Javaansche -vrouw, dank zij hare onbekendheid met het noodlottige corset harer -noordsche zusteren, niets angstverwekkends, en wordt beschouwd als een -verrichting, waaraan de natuur geene bizondere hinderpalen in den weg -gelegd heeft. [186] Daarenboven het tijdstip harer verlossing was nog -veraf. Zij had nog ruim vier maanden voor zich. En zou dan hare taak -niet volbracht zijn, zou zij dan hare meesteres niet gevonden hebben, -of zou zij die dan nog niet kunnen verlaten;.... welnu, zij kende de -liefderijke goedhartigheid harer landgenooten. Zij wist, dat haar -toestand haar in het oog van niemand zou onteeren, al kon zij niet aan -iedereen gaan vertellen, op welke noodlottige wijze zij daarin geraakt -was. Zij wist, dat zij in dien grooten nood wel een beschermend dak zou -vinden, dat zelfs de meest behoeftige haar de behulpzame hand zou -bieden, en zijn schamel rantsoen rijst met haar zou deelen. Neen, al -had zij aan haren toestand gedacht, dan zou zij daarin geen beletsel -gevonden hebben om haar plan ten uitvoer te leggen. - -Wel had ’Mbok Karjå, de walgelijke handlangster van mevrouw van -Gulpendam, misschien wel op aanraden van deze, het meisje te Kaligaweh -opgezocht, en haar iets van „obat mentellang” [187] in het oor -gefluisterd. Eerst had Dalima haar niet begrepen, en verwonderde oogen -opgezet, Zij kende alle draden niet, waardoor die oude tooverkol aan -hare vroegere njonja verbonden was. Maar toen ’Mbok Karjå onder het mom -van belangstelling in het lot van het Javaansche meisje, duidelijker -gesproken, en zich zelfs daarbij een afzichtelijk gebaar veroorloofd -had, toen, onder den aandrang van de grenzenlooze verontwaardiging, -welke zij voelde opwellen, had zij het oude wijf de deur uitgejaagd, en -haar gedreigd, dat zij het dèsavolk te hulp zoude roepen, wanneer zij -zich weer vertoonde. Neen, het kind, dat zij onder het hart droeg, was -geen pand der liefde; het was geen afgebeden, zelfs geen gewenscht -kind! Het was haar zelfs door middel van misdaad opgedrongen. Hoevele -Christen jonkvrouwen zouden niet met haat en verachting op dat product -eener schandelijke handeling neerzien? Hoevelen harer zouden niet voor -een moord terugdeinzen, om zich van dien noodlottigen last te ontslaan? -Zij niet. O, zij zou dat kind, hetwelk geen schuld aan de misdaad zijns -vaders had, liefhebben, zij zou het koesteren, zij zou het opkweeken, -zij zou het troetelen. En, in afwachting van het oogenblik, dat het -onschuldige wicht zijne intrede in de wereld zoude doen, gunde zij het -met innige liefde haar hartebloed, waarmede zij het voedde. Neen, tot -zoo eene misdaad was zij niet in staat, die liet zij, als zij besef had -kunnen hebben van hetgeen in de wereld omging, aan de uitverkorenen der -beschaving over! - -En, zoo was zij op weg gegaan met haar boengkoesan over den schouder, -die haar geheele bezitting bevatte. Zij was over berg en dal getrokken, -en was nu, na een achttal dagen ijverig doorgestapt te hebben, het -einddoel der lange reis meer nabij gekomen. - -Wanneer zij des avonds eene dèsa bereikte, dan vroeg zij naar den -panghoeloe, den dorpspriester, en meldde zich bij dien aan als eene -zwerfster, die haren vader te Karang Anjer ging opzoeken. Deze, met het -oog op haren zichtbaren toestand, verwees haar dan steeds naar de eene -of andere brave vrouw, die haar liefderijk opnam en zich niet altijd -hare herbergzaamheid met een tiental centen liet betalen, maar -integendeel hare gast zich voor het vertrek nog te goed deed doen, en -nog menige „katoepat” [188] aan haar pakje bond, om onderweg te -verorberen. Niet altijd evenwel viel haar die gastvrijheid ten deel. -Het gebeurde toch, dat de inlichtingen, welke zij onderweg ingewonnen -had, omtrent de afstanden, door haar verkeerd verstaan waren, dat de -nacht inviel, alvorens zij een dèsa bereikte. Dan vroeg zij een -plaatsje op de „baleh-baleh” (ligplaats, brits) van de eerste de beste -gardoe, wat haar niet geweigerd werd. - -Eens zelfs ontbrak haar die toevlucht. De weg voerde toen door een -dicht bosch, de zon was ondergegaan, en daar onder dat lichte -bladerendak werd het donker, ja schier zwart. Het pad was nog alleen te -houden door, wanneer zij naar boven keek, de smalle strook van het -hemelruim waar te nemen, die tusschen de boomkruinen zichtbaar was, -zich in de richting van den weg uitstrekte, en waartusschen de sterren -fonkelden. Van eene dèsa was heinde en ver niets te ontwaren. Zij -spitste de ooren, om eenig geluid waar te nemen, zooals b. v. -hanengekraai of het rythmisch geluid van het rijsttombokken, dat van de -nabijheid van menschen zou getuigen. Maar, niets, niets! Hoe zij ook -uitkeek, en zich voortrepte, de zwarte omtrekken eener gardoe doemden -maar niet voor haar op. Plotseling deed zich het schrille „meoh! meoh!” -hooren eener pauw, die in den bovensten top van een hoogen boom de -laatste schemering van het daglicht, hetwelk in het westen op het punt -was te verdwijnen, begroette. - -Met schrik bedacht Dalima, dat de „merak” (pauw) hoogst zelden, in de -wildernis alleen ontmoet wordt, maar dat zij steeds in gezelschap van -den „harimao” (tijger) aangetroffen wordt. [189] Als echt natuurkind -nam zij niet veel tijd van beraad, maar wierp snel een blik rondom -haar, trad onmiddellijk het woud binnen, en klom ijlings in een niet te -dikken boom, die in hare nabijheid stond. Wel was hare toestand een -ernstige hinderpaal voor die gymnastische oefening; maar zij volbracht -die klautering bedaard, omvatte den boom met beide handen, steunde de -voeten tegen den stam, en werkte zich zoo zonder gevaar voor -beschadiging van hare vrucht naar boven, totdat zij de onderste takken -bereikt had. Eenmaal daar aangekomen, voelde zij zich in veiligheid. -Een „toetool” (panter) toch valt in den regel den mensch niet aan, en -een harimao, dat wist zij, klimt niet in de boomen. Zij maakte het zich -op die benedenste takken, die gelukkig sterk genoeg waren, om haar te -dragen en zich horizontaal uitstrekten, zoodat zij tot zitplaats konden -strekken, zoo gemakkelijk mogelijk; maar die nacht van bijna elf uren, -viel haar toch buitengewoon lang. Aan slapen viel niet te denken; want -dan liep zij gevaar haar evenwicht te verliezen, en naar beneden te -vallen. Daarenboven, die takken, waarop zij zat, en de stam, waartegen -zij rustte, waren ruw en knoestig, zoodat die hare ledematen pijnlijk -drukten. Wel poogde zij herhaaldelijk van houding te veranderen, maar -dat gaf slechts kortstondig verlichting. Zelfs beproefde zij op -Inlandsche wijze gehurkt te gaan zitten, maar zij had bij het klimmen -hare sandalen moeten laten vallen, zoodat de ruwe oneffenheden van den -bast der takken diep in de voetzolen drongen, en haar die houding -onverdragelijk maakten. Daarbij kwam nog, dat vele insecten als mieren, -bosch-muskieten, houtkevers, enz. haar kwelden, en zij niet altijd de -handen vrij had om hevige jeukingen, door dat lastig gedierte -veroorzaakt, te bestrijden. - -Zij had ook haar boengkoesan laten vallen, waarin hare kleederen, haar -geld, hare geheele bezitting, besloten waren. Maar daaromtrent -bekommerde zij zich weinig. Menschelijke wezens zouden toch op dat uur -niet in dat woud vertoeven, en, waren die er, dan zouden die nu wel -niet precies op die plek komen zwerven, en dieren zouden haar pakje wel -ongedeerd laten liggen. - -Zoo kroop die lange nacht voorbij, en begroette Dalima met een zucht -van verlichting, het zwakke schijnsel, dat den oostelijken -gezichteinder eindelijk begon te tinten. - -Toch was daarmede hare beproeving nog niet ten einde. In den nacht had -zij zeer verdachte geluiden waargenomen. Onmiskenbaar meende zij het -doffe en angstverwekkende „hoeh! hoeh!” van een harimao gehoord te -hebben. Neen, zij moest nog daar hoog gezeten blijven, hoe onduldbaar -zeer haar hare ledematen ook deden. Zij wist toch, dat de tijger juist -in de morgenschemering ronddwaalt; dat hij dan, onhoorbaar -voortsluipende, onrustig en ijverig zijne prooi opspoort; dat hij dan -naar de boschbeek ijlt om zijn brandenden dorst te lesschen, om -voorraad vocht op te doen voor den geheelen dag; dat het dan in een -woord juist het gevaarvolste tijdstip van den geheelen nacht is. Zij -zou, zij moest nog blijven, totdat het helder dag zou wezen, totdat de -zon boven den horizon gekomen zou zijn, om alles met haar vriendelijk -licht te beschijnen, en het verscheurend gedierte naar zijne -schuilhoeken te jagen. - -En, dat zij goed ingezien had, bleek haar uit het geschreeuw der pauw, -die den dageraad met haar „meoh! meoh!” begroette, zooals zij het -avondrood gedaan had. Dalima begreep, dat de tijger niet ver was. - -Zoo zat zij daar boven, bibberende in de koele morgenlucht, en zag de -lichtstrook in het Oosten zich langzamerhand uitstrekken en de sterren -van lieverlede verbleeken. Zoo zag zij den hemel daar ginds een licht -rosé-tint aannemen, die, terwijl zij al meer en meer naar het zenith -optrok, de donkere schakeeringen voor zich uitdreef, en haar naar het -binnenste van het woud deed terugtrekken. - -O, wat ging dat alles langzaam in zijn werk! Wat viel haar de tijd -lang! En geen wonder; want haar lijden was schier duldeloos. Zij -draaide en wrong hare verstijfde ledematen. Zij keek ongeduldig rond. - -Daar, onder haar, was alles nog grauw en donker. Ternauwernood kon zij -haar pakje en hare sandalen, die in het gras lagen, onderscheiden. Maar -boven haar heerschte reeds het volle licht, en jubelde een talrijk -vogelenkoor in de bladerenkronen, om de komst van de dagvorstin te -verheerlijken. - -Wat kwam die toch langzaam! - -Zij zag het uitspansel zich al meer en meer in een rood waas hullen, -terwijl de horizon in het Oosten in donkerpurper getint was. Onder den -weerschijn daarvan tooiden zich wolken, boomen, bladeren, takken in het -goud en drong het fraaie licht nu ook langzaam tot op den woudbodem -door. - -Eindelijk brak de zon door, steeg boven den boschrand, en overgoot -alles met haar verblindend licht. - -Nu was het oogenblik voor Dalima gekomen, om hare standplaats te -verlaten. Zij deed dat, na nog eens behoedzaam rondgekeken te hebben, -en betrachtte bij het omlaag klauteren dezelfde voorzichtigheid, met -betrekking tot haren toestand, als bij het omhoog klimmen. Toen zij den -bodem bereikt had, rekte zij hare ledematen uit, om die hunne vroegere -lenigheid te hergeven, greep haar boengkoesan, waaraan nog een paar -katoepats bengelden, reinigde die van den zwerm mieren, die haar -ontbijt wenschten te deelen, ijlde toen naar een beekje toe, dat zij in -de nabijheid hoorde murmelen, verfrischte zich het gelaat, de handen en -de voeten met het koele water, en zette zich daarbij neder, om hare -katoepats met een dronk uit de heldere beek te nuttigen; ten einde -daarna, gesterkt en bemoedigd, haren tocht voort te zetten. - -Zoo stapte zij dag in dag uit voort, totdat zij eindelijk bij eene -gardoe het heugelijke bericht inwon, dat de eerstvolgende dèsa, die zij -ontmoeten zou, Karang Anjer was. - -Of dat nog ver was? vroeg zij haren landgenoot. - -Deze krabde zich achter het oor. In het bepalen van afstanden heeft de -eenvoudige Javaan het voorzeker niet ver gebracht. Hij antwoordde -evenwel na een poos nagedacht te hebben, dat zij ongeveer nog „limå -poeloe pal kawat” [190] vijftig telegraafpalen, voorbij te komen had. -Bemoedigd bij dat bericht, stapte zij met rappen voet voort, en -bereikte dan ook een groot half uur later de bedoelde dèsa. - -Natuurlijk begaf zij zich dadelijk naar mevrouw Steenvlak, meldde zich -daar aan als de gewezen baboe van nonna Anna, en, daar deze laatste -veel, zeer veel over haar gesproken had, werd zij uiterst welwillend, -ja zelfs liefderijk door de familie Steenvlak ontvangen. Maar, omtrent -het doel harer reis kreeg de arme baboe daar niets te weten. Hoe zij -ook bad en smeekte, het was alles te vergeefs. „Ik weet het niet,” was -het eenige antwoord, hetwelk zij op alle hare vragen ontving. - -„Maar, njonjaa, Nanna heeft toch hier gelogeerd!” smeekte het -Javaansche meisje met tranen in hare stem. - -„Ja, Dalima, dat heeft zij.” - -„Maar, waar is zij dan, njaa?” - -„Zij is vertrokken.” - -„Waarheen, njaa?” - -„Dat weet ik niet.” - -Hoe het brave meisje hare vragen ook draaide of keerde, hoe zij ook -haar „njaa” smeekend lang aanhield, zij ontving niets anders dan dit -onverzettelijke antwoord. - -Wist mevrouw Steenvlak werkelijk niet, waarheen haar lief logeetje -vertrokken was? Dat was toch niet aannemelijk. Of vreesde zij, dat -baboe Dalima voor Van Nerekool werkzaam was? Dat kwam haar niet -onwaarschijnlijk voor, te meer niet, daar zij bevroedde, dat het -Javaansche meisje niet onkundig kon gebleven zijn omtrent de -genegenheid van de beide Europeesche jongelieden voor elkander, en ook, -dewijl Dalima zich geheel argeloos in het gesprek had laten ontvallen, -dat Karel van Nerekool haar wel eens in de gevangenis van Santjoemeh -opgezocht, en haar geld gegeven had. Zij zou de baboe daarom niet -minder geacht hebben. Integendeel; want zij doorzag zeer goed, dat -genegenheid voor hare jeugdige meesteres de voorname drijfveer van hare -handeling was, al zou die dan ook vermengd geweest zijn met een zweem -van dankbaarheid voor den rechtsgeleerden ambtenaar. Was het niet -aannemelijk, dat het eenvoudige Javaansche gemoed in eene vereeniging -der geliefden het hoogste geluk meende te zien voor beiden? Die -gedachte deed haar een oogenblik aarzelen; maar.... - -„Njonjaa, zeg mij toch, waar Nanna is!” hield Dalima aan. - -„Ik herhaal het, baboe: ik weet het niet,” antwoordde mevrouw -Steenvlak. - -„Maar, njaa, gij weet toch waarheen zij gereisd is?” vroeg het meisje -handenwringend. - -„Neen, zeg ik u, boe!” - -„Maar gij weet toch, in welke richting zij afgereisd is?” - -Zooals men ziet, het meisje was vasthoudend en liet zich niet gauw uit -het veld slaan. - -„Ja.... dat weet ik natuurlijk.” - -„O, zeg het mij, njaa,” sprak het meisje met een straal van hoop in het -oog. - -„Ik mag, ik kan niet, boe!” - -„Waarom niet, njaa?” - -„Voor dat nonna Anna vertrok, heb ik haar moeten beloven....” - -Mevrouw Steenvlak aarzelde. - -„Wat njaaa?” - -„Dat ik aan niemand—hoort ge aan niemand, Dalima!—iets zeggen mocht.” - -„Maar aan mij wel, njaaa!” - -„Neen. Aan niemand! Aan niemand! Daar heeft zij op gedrukt.” - -„Och, zij heeft wellicht mijne hulp noodig, njaaa! Waar is zij toch? -Zij is zoo ongewoon voor zich zelf te zorgen! Wie weet, hoe alleen zij -is! Och, zeg mij toch, njaaa, waar Nanna is!” kermde het jonge meisje. - -„Ik kan, ik mag niet, Dalima!” antwoordde mevrouw Steenvlak -onverzettelijk. „Ieder mensch moet de eenmaal gegeven belofte nakomen, -nietwaar?” - -Toch was de goede dame geroerd door de aanhankelijkheid van het lieve -schepsel, dat evenwel reeds zoo veel in het leven ondervonden had, -zoodat een verbitterd gemoed haar waarlijk wel te vergeven ware -geweest. Zij betreurde, dat zij aan Anna die belofte gedaan had; maar -met hare opvattingen omtrent het gegeven woord meende zij daarop niet -te mogen terugkomen, zoolang de betrokkene daarin niet bewilligd zoude -hebben. - -„Het beste, wat ik u raden kan,” vervolgde zij na een oogenblik het -snikkende meisje aangestaard te hebben, dat aan hare voeten zat te -kreunen, „is dat gij weer naar Santjoemeh, of beter nog naar Kaligaweh -terugkeert. Kan ik u daarin iets helpen?” - -Baboe Dalima knikte ontkennend. - -„Kom, ge zult wel reisgeld noodig hebben voor dien langen tocht, -nietwaar.” - -En haar beursje te voorschijn halende, reikte zij het weenende meisje -vier rijksdaalders toe. - -Zonder een woord te spreken nam Dalima het haar aangeboden geld aan, -knoopte het in een der punten van haren zakdoek, stond toen op, kuste -de handen van mevrouw Steenvlak en verdween. Toen zij buiten was, -prevelde zij: - -„Zooveel dagen langer, dat ik Nanna zoeken kan!” - -O, zij had niet veel noodig! Weinige centen voor haar nachtverblijf, -twintig of vijfentwintig centen voor hare voeding, dat was alles. In -plaats van dan ook te vertrekken, doolde zij nog ettelijke dagen in -Karang Anjer en omstreken rond. Zij strekte hare omzwervingen voor -haren toestand ver, zeer ver uit en bezocht daarbij vrij afgelegen -dèsa’s. Overal vroeg zij, overal onderzocht zij, overal drong zij door. -Zij deed, wat Van Nerekool, als blanke, als rechterlijk ambtenaar, niet -had kunnen doen. Zij nam plaats aan iederen „warong,” [191] dien zij op -haar pad ontmoette, at hier wat rijst, in een pisangblad [192] gevuld, -overheerlijk smakelijk gemaakt, met wat sambal peteh, [193] nuttigde -elders wat „nassi ketan,” [194] overdekt met fijn geraspte klappernoot, -of wel met siroop van „goela aren.” [195] Op eene andere plaats slurpte -zij een kop koffie, of verorberde een paar pisangvruchten, of een tros -„ramboetan” [196] of wel een paar pitten van eene heerlijke „doerian.” -[197] Die lekkernijen overschreden evenwel hare middelen niet volgens -hare rekening; want zij betaalde die met slechts weinige centen. Ja, -hier en daar bekeek haar de waronghoudster en antwoordde, wanneer de -smulster hare centen te voorschijn bracht: „bewaar die maar voor je -kindje, en neem nog een kop koffie.” - -Maar,... zij zat daar niet aan om te smullen; wel om berichten in te -winnen, om te ondervragen. Maar, helaas, hare pogingen werden -aanvankelijk met geen gunstigen uitslag bekroond. In de eerste dagen -vernam zij niets, Hoegenaamd niets! Zij was wanhopig. Gelukkig, dat dit -zoo niet blijven zou. - -Eens, toen zij tot de dèsa Prembanan, op een drietal palen ten -Zuidwesten van Karang Anjer gelegen, doorgedrenteld was, kreeg zij -eenig licht. Zij vernam daar, dat op zekeren dag, meer dan twee maanden -geleden, een der „pikolans” (draagbamboe) van een „tandoe” [198] -gebroken was, die noodzakelijk vervangen moest worden. Het draagtoestel -was neergezet moeten worden, en, daar een stevige bamboe niet heel -spoedig gevonden werd, sprong er eene nonna uit, die zich hier -neerzette en een kop koffie vroeg. - -„Eene nonna?” vroeg Dalima gejaagd. „Zijt gij daar wel zeker van?” - -„Ja, zeer zeker; wel was zij geheel en al als een Javaansch meisje -gekleed, met een zeer eenvoudigen gebatikten sarong en een chitsen -kabaja,—ook had zij sandalen aan hare voeten. Maar die voetjes gaven -genoegzaam te kennen, dat zij niet veel het zonlicht gezien hadden. Zij -waren blank en klein en niet uit elkander getreden, zooals onze voeten -gewoonlijk zijn. Ik geloof, dat de „poetri’s” (princessen) te Sålå, -geen kleinere en geen fraaiere kunnen hebben, hoewel het wel zijn kan, -dat zij een poetri ware.” - -„Wat bedoelt gij?” vroeg Dalima. - -„Wel, zij sprak het Javaansch geheel en al met de å klank [199], -zoodanig dat ik wel eenige moeite had, om haar te verstaan.” - -„Hebt gij met haar gesproken, ma?” [200] - -„Ja, zij heeft zoowat uw tongval.” - -„Maar, wat vroeg zij u, ma?” - -„Zij vroeg mij koffie en daarna ook eenige ramboetans.” - -„Niets anders, ma? Herinner u goed.” - -„Jawel, zij vroeg mij ook: hoe ver de dèsa Sikaja van hier ligt? Ik -antwoordde twee palen.” - -„En verder?” - -„Toen vroeg zij: hoe ver Sikaja van de dèsa Pringtoetoel gelegen is? -Daarop kon ik haar geen antwoord geven, want ik ben buiten de negorij -hier niet bekend.” - -„Hebt gij niets anders gehoord, ma?” - -„Neen.” - -„Maar, ma, hebt gij haar gelaat gezien?” - -„Zeker. Zou ik niet?” - -„En?” - -„Ja, het gelaat eener blanke, alleen wel wat bruin. Haar gelaat en hare -handen kwamen niet met hare voetjes overeen. Ik had zelfs eene -opwellende gedachte, alsof dat gelaat geverfd was. Misschien had de -nonna veel in de zon geloopen.” - -„En de haren, ma?” - -„In een „kondeh” (haarwrong) opgebonden.” - -„Maar welke kleur, ma?” - -„Donker als het uwe; maar toch zachter. Zelfs eenigzins gewolkt. O, -voorzeker is zij eene nonna.” - -„Ja, zij is het,” dacht Dalima. En overluid vroeg zij: „En weet gij -niets meer, ma?” - -„Niets,” antwoordde de waronghoudster. - -Baboe Dalima bedacht zich niet lang. Een kwartier later was zij op weg -naar Sikaja. - -Of zij daar even gelukkig in hare nasporingen was?.... Daags daarna -verscheen zij weer te Karang Anjer; maar thans om haar pakje te halen. -Toen verdween zij, en werd niemand meer iets van haar gewaar. Mevrouw -Steenvlak liet nog een paar oppassers naar haar informeeren. Maar die -kwamen te huis met de boodschap, dat het meisje vertrokken was. -Waarheen? Dat hadden zij niet kunnen vernemen. - -„Zij zal naar Santjoemeh teruggekeerd zijn,” dacht mevrouw Steenvlak. -„Heb ik goed gedaan, met ook tegenover Dalima mijn woord te houden? De -tijd zal het uitwijzen.... Anna scheen toch zeer gehecht aan hare baboe -en deze zou ongetwijfeld eene goede vriendin voor haar in hare -eenzaamheid geweest zijn.” - - - - - - - -XXXI. - -VRIENDENGEKEUVEL.—DE OPIUM TE ATJEH. - - -Op een vriendelijken Augustus-Zondag-namiddag was het levendig op het -aloon-aloon-plein van Santjoemeh. Daar liet zich toch het korpsmuziek -van het aldaar in garnizoen zijnde bataillon infanterie hooren. Vele -rijtuigen en ontelbare wandelaars bewogen zich op dat plein, dat door -zijn verschroeid aanzien wel verried, dat het in langen, zeer langen -tijd niet door den regen gedrenkt was. Het fijne gras, hetwelk in den -westmoesson aan dat plein een zoo frisch uiterlijk verleent, was toch -verdroogd, en tot donkerbruin verbrand; terwijl de roode kleiaarde hier -en daar kloven en reten vertoonde, gespleten als zij was onder den -invloed van de brandende zonnestralen. Maar op dat uur van den dag was -de dagvorstin reeds ver gevorderd in haren dalenden tak, en glinsterde -nog slechts achter de kruinen der Kanarie-boomen, die met haar -donkergroen de aloon-aloon als in eene lijst omgaven, en hare -slagschaduwen over het geheele plein wierpen. De noordoostmoesson -heerschte langs Java’s noordkust, ritselde in het gebladerte, bracht -overal, tot ver in de binnenlanden frischheid aan, en temperde de -warmte, in de middaguren opgedaan. - -Geheel Santjoemeh was dan ook op de been, en wemelden zoowel Inlanders -als Europeanen, zoowel Chineezen als Arabieren door elkander. Het was, -alsof een ieder zijn deel van de vrij goede muziek, zijn deel van de -frissche lucht wilde hebben. - -Geheel Santjoemeh? Toch niet. Voor hen, die met de Europeesche -ingezetenen bekend waren,—en die kennis behoefde zoo groot niet te zijn -in de bedoelde van Java’s strandplaatsen,—bestond in die menigte eene -leemte. Wel was de resident Van Gulpendam met zijne gade, de schoone -Laurentia, in een fraaien landauer met een paar prachtige Sydneyers -bespannen, op de aloon-aloon verschenen, en knikten allerwegen met de -meeste beminnelijkheid de groetenden toe; wel wemelden daar ambtenaren -van de rechterlijke macht, ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, -ambtenaren van den fiscus, met de hoofd- en subalterne-officieren van -het garnizoen, met de kommiezen, met de schrijvers van de verschillende -bureaux, met de koryphaeën van den handelsstand, van het -nijverheids-wezen door elkander; en waren allen vergezeld van hunne -echtgenooten, van hunne dochters; maar allen misten een viertal, dat -bij dergelijke gelegenheden nooit ontbrak, een viertal, dat door jeugd -en vroolijke geaardheid als het ware een cachet van opgewektheid aan -dergelijke bijeenkomsten in de open lucht bijzette, en dan ook de -fraaiste oogen tot zich trok en de innemendste glimlachjes oogstte. - -„Waar zou Eduard van Rheijn toch zitten?” - -„Waar Leendert Grashuis?” - -„Waar August van Beneden?” - -Zoo waren de uitroepen, die zich onder de wandelaars allerwegen -kruisten. - -„En Grenits? Theodoor, de vroolijke Theodoor? Waar die zit?” - -„O, die zit in de nor.” - -„In de nor?... Dat ’s waar ook! Voor tien dagen nietwaar? Maar,... dan -is het duidelijk, waar de anderen zitten!” - -„Die houden hem gezelschap.” - -„Dat ’s buiten kijf.” - -„Het is een troepje trouwe vrienden.” - -„Dat is zoo. Het is hartverheffend hen bij elkander te zien... Maar... -daar wandelt Mokesuep!” - -„Kijk eens, hoe diep hij voor den resident buigt! En met wat zwaai hij -zijn cilinder afneemt! Het bovenvlak raakt haast den grond.” - -„En wat innemenden glimlach de schoone Laurentia hem toezendt!” - -„Dat mag ook wel. In die zaak met Lim Ho...” - -„Shut!.... geen cancans!” - -„Zijn dat cancans, wat geheel Santjoemeh weet?” - -„Muizenkop zal Theodoor geen gezelschap gaan houden, meent ge?” - -„Hij moest zich daar vertoonen, ik geloof dat hij van een onaangename -kermis zou te huis komen!” - -„Ten volle zou hij zijn verdienste bekomen, die ellendeling!” - -„Kijk eens, daar wisselt hij een handdruk met den assistent-resident!” - -„O, die is nog baar hier. Als die hem zal kennen...” - -„Dan zal hij doen evenals de resident... en... - -„Zulke luidjes zijn niet zonder waarde.....” - -„Shut heeren! Laat ons een oogenblik luisteren: Le lever du soleil...” - -„Van wien?.... Het is wat moois! Kijk, de zon gaat juist onder!” - -„Stil nu, luistert!” - -Het was de laatste aria, die ten gehoore werd gebracht. Toen met eene -algemeene fuga het verschijnen der dagvorstin boven den horizon gevierd -was, en de muziektonen in een plechtig koraal wegsmolten, dook de -werkelijke zon achter de westelijke heuvelen van Santjoemeh weg. - -„Net twaalf uur in de war!” riep er een. „Of de zon of de kapelmeester -heeft te diep in het glaasje gekeken!” - -Eenige minuten later was de aloon-aloon van Santjoemeh verlaten. - -Maar de bezoekers van de Zondag-namiddag-muziek hadden gelijk gehad. -Van Nerekool, Van Rheijn en Van Beneden,—of de drie Vans, zooals de -geestigen van Santjoemeh de drie jongelieden noemden—waren Grenits -gezelschap gaan houden in de gevangenis, waarin hij sedert eenige dagen -opgesloten zat. Zij waren reeds vroeg derwaarts gegaan, dadelijk nadat -zij na het middagdutje gebaad hadden; zoodat de zon toen nog erg hoog -stond, en geen wandelaars zich op het pad vertoonden. Als trouwe -vrienden hadden zij die wandeluren, de kostelijkste van eene geheele -week, wel voor den armen gevangene over, eene opoffering, die hare -belooning in zich zelve vond. - -Het vertrek, waarin de vier jongelieden bij elkander waren, had -volstrekt geen naargeestig voorkomen, en was wel het minst geschikt, om -aan een gevangenis te doen denken. Het was eene niet al te groote -kamer, volmaakt vierkant, van zes op zes meters, met Escauzijnsche -steenen bevloerd en voorzien van twee vensters, die met jaloezie-ramen -konden gesloten worden, en ter weerszijden van de deur geplaatst waren. -Voor die kamer strekte zich eene vrij breede galerij uit, welker -architraaf door zuilen gedragen werd, die—wat weelde niet waar?—wel -eenigszins het streven van Dorische bouworde verrieden, evenwel van -hoogst eenvoudige kapiteelen voorzien, en overigens zonder cannelures -waren. Die galerij was gemeenschappelijk aan een viertal dito -vertrekken, die een zelfde doeleinde hadden, als waarvoor Grenits hier -was, namelijk: om hunne bewoners van de vrijheid te berooven. De -galerij paalde aan een pleintje, dat met frissche grasperken en fraaie -sierplanten prijkte, welke laatste eene groote verscheidenheid van -veelkleurige bloemen ter bewondering aanboden. Dat pleintje werd -gevormd door de verschillende gebouwen, die de eigenlijke gevangenis -uitmaakten, en haaks ten opzichte van elkander opgetrokken waren; -zoodat zij een ruim vierkant omgaven. Een der zijden van dat vierkant -werd ingenomen door de woning van den cipier, welke met eene dubbele -zuilenrij prijkte, en welks voorgalerij opgevroolijkt werd door eene -fraaie collectie rozen, die de meest uiteenloopende variëteiten van de -koningin der bloemen te zien gaf, van de dikke, dubbelde Persische roos -af tot de Devonshire en Malmaison, ja tot de theeroos en de altijd -groene roos toe. - -Het vertrek zelf van onzen gevangene was niet onaardig gemeubeld. Eene -nette tafel, eene gemakkelijke bank, een zestal stoelen,—allen -Japara-meubelen [201]—een smaakvolle spiegel, een viertal snoeperige -medaillon-portretten aan den wand, eene fraaie hanglamp aan het -plafond, terwijl de vloer met eene sierlijke mat van fijn gespleten -rottan bedekt was. Wat evenwel het fraaiste stuk in het vertrek moest -genoemd worden, was de piano, die Van Beneden naar de cipieran had -laten brengen. De slaapkamer, die vlak naast het beschreven vertrek -lag, en door middel van een binnendeur daarmede in verbinding stond, -was even smaakvol gemeubeld, zoodat Theodoor Grenits zijne -gevangenschap dan ook niets bar vond, en volstrekt geen aanleiding -vond, om „Mes Prisons” [202] of iets dergelijks te schrijven. - -„Het ziet er hier bepaald prettig uit,” merkte Grashuis op. „Het is de -eerste maal, dat ik eene gevangenis betreed, en kon derhalve niet -gissen, dat het gouvernement zoo voor de booswichten zorgde, die het -achter het slot houdt.” - -„Het mocht wat!” grinnikte Van Rheijn. - -„Gij moest maar eens hier aan den overzij gaan,” zei Van Beneden. - -„Waar hier aan de overzij?” - -„Daar, in dien vleugel. Daar is de gevangenis der Inlanders. Daar zoudt -gij wel anders spreken.” - -„Willen wij gaan kijken?” vroeg Leendert, die al opgesprongen was. - -„Dank je wel, laat het je genoeg wezen, dat ge daar door de ongure -geuren gauw verjaagd zoudt worden. Die menschen liggen daar -opeengehoopt, in een ellendige ruimte, veel te klein voor zooveel -gevangenen. Het eenige meubilair, dat gij daar zoudt zien, is niets -anders dan eene baleh-baleh, die in onzindelijkheid zoodanig met den -vloer wedijvert, dat van beiden de oorspronkelijke kleur niet meer te -erkennen is. Terwijl ’t—het meubilair wel te verstaan—des nachts nog -vermeerderd wordt met ettelijke vertegenwoordigers van het -tonnenstelsel, die het hunne ertoe bijdragen om de lucht te verpesten. -Voegt daar nu bij, dat slechts zeer spaarzaam licht en lucht door een -paar ronde en zwaar getraliede luiken aan de gevangenen bedeeld wordt, -zoodat het er uiterst bedompt en tamelijk schemerachtig is, dat de -wanden, die witgekalkt heeten, overdekt zijn met bloedvlekken, die er -streepsgewijs opgesmeerd en afkomstig zijn van muskieten en ander nog -meer onrein gedierte, die door de menschelijke bewoners tegen den muur -platgedrukt werden, met sirihspuw [203] en met andere nog meer -walgelijke viezigheden, dan zult gij mij dankbaar zijn, nietwaar? dat -ik u zoo’n bezoek afraad.” - -„August heeft gelijk,” sprak Grenits. „Gisteren waagde ik zoo’n bezoek, -en walg er nog van. Maar, laat ons van iets anders praten. Eduard, uw -jongen heeft straks een pakje gebracht.” - -„Zoo, dat is hem geraden. Waar ligt het? - -„Daar, op de piano.” - -„Vrienden,” sprak Van Rheijn, terwijl hij het bedoelde pakje opende. -„Hier hebt gij een fonkelnieuwe bedoedan. Ziet een smetteloos -pijpenkopje op een ongebruikten bamboesteel. En hier heb ik een -partijtje prachtige tjandoe, prima kwaliteit, zou Grenits zeggen.” - -„Het is waar ook,” zei Van Beneden, „onze schuifpartij nietwaar? -Hoeveel tjandoe hebt ge?” - -„In dit doosje bevinden zich vijf en twintig mata’s.” - -„Dat is in Nederlandsch gewicht?” - -„Drommels, laat zien.... Dat zal zoo wat ongeveer een centigram zijn.” -[204] - -„Is dat wel genoeg?” vroeg Grashuis. - -„Te veel, Leendert.” - -„Maar Von Miclucho Maclay [205] gebruikte honderd en zeven greinen bij -zijn merkwaardige proef.” - -„Jawel, maar reken maar na, zooals ik het gedaan heb. Honderd en zeven -greinen zijn nog maar achttien mata’s en eene breuk.” - -„Nu, dan zouden wij kunnen beginnen.” - -„Ho, ho! niet zoo haastig gebakerd,” antwoordde Van Rheijn. - -„Waarom nog langer te wachten? Wij bevinden ons zoo gezellig bij -elkander, dat de schuifpartij nu best plaats kan hebben.” - -„Ons doel is niet alleen nietwaar, om te gevoelen en waar te nemen, -welke uitwerking het opiumrooken heeft?...” - -„Mij dunkt,” sprak Grashuis, „dat van niets anders sprake is geweest.” - -„Jawel, dat is zoo; maar in ieders brein zal toch nog wel eene andere -gedachte voorgezeten hebben,” meende Van Nerekool. „Ongaarne toch zou -ik deelnemen aan eene proef, alleen om.... ja, hoe zal ik mij -uitdrukken? om het dierlijke van het vraagstuk te ondervinden of waar -te nemen.” - -„Ik ook niet,” sprak Van Beneden. - -„En ik ook niet,” zei Van Rheijn. - -„Toch,” zei Grenits, „zou dat wel de studie waard zijn. Als gij u maar -eens herinnert, wat wij in de kit te Kaligaweh zagen.” - -„Poeah! Poeah!” riepen de anderen. - -„Schei uit! Als onze proef tot zoo iets moet leiden, dan pas ik,” zei -Van Nerekool hoogst ernstig. - -„Daarom, vrienden, wilde ik aan onze proef een ander doel verbinden,” -sprak Van Rheijn, „namelijk: hoogst wetenschappelijke waarnemingen.” - -„Ja, maar.... wie zal die verrichten? Daartoe hoort een geneeskundige,” -meende Grashuis. - -„En wij met ons vieren vertegenwoordigen wel de rechterlijke macht, den -civiel ambtelijken dienst, de landmeterskennis, den handelsstand; maar -niet de faculteit,” zei Van Beneden. - -„En daaraan heb ik juist gedacht,” zei Van Rheijn. - -„Komaan, biecht op!” - -„Ik heb Murowsky verzocht om van de partij te zijn.” - -„Murowsky, de Pool?” - -„Murowsky, de slangentemmer?” - -„Murowsky, de kapellenvanger?” - -„Ja, heeren, onze officier van gezondheid Murowsky. Maar shut!.. Een -weinig eerbied voor den priester der wetenschap. Vergeet niet, dat hij -is de meest merkwaardige entomoloog, dien Indië ooit bezeten heeft, en -dat wil wat zeggen, nietwaar? sedert de Duitsche vorsten en vorstjes -zich om het zeerst beijverd hebben, om hunne huis- en keukenorden te -verleenen voor iedere compleete of niet-compleete verzameling van -opgeprikte of opgezette beestjes, of voor een bokaal walgelijke -insecten, die den folterdood in arak gestorven zijn. Vergeet ook niet, -dat hij is een ernstig waarnemer, die onze séance een waas van -geleerdheid zal verleenen, waardoor ze tot de merkwaardigste van de -geleerde wereld gestempeld zal worden. Onze Pool was verrukt, toen hij -ons voornemen vernam; hij was boven de wolken, toen ik hem verzocht de -proefneming bij te wonen, ja, te leiden. Hij zou zijne maximum en -minimum thermometers meêbrengen, ook zijn stethoskoop. Hij zou de -dichtheid en de vochtigheidsgraad van den dampkring waarnemen, en... -wat niet al meer. Gij zult eens zien, welken dosis geleerdheid hij zal -uitkramen!” - -„Maar, intusschen is hij nog niet hier,” merkte Grashuis op. - -„Misschien nog op de kapellenjacht,” meende Van Beneden. - -„Vergeef mij, hij is een groot muziekliefhebber,” antwoordde Van -Rheijn. „En voor niets ter wereld zou hij de uitvoering op de -aloon-aloon willen missen. Daarenboven hij is „sakit rindoe” (verliefd) -op Agatha van Bemmelen, en die zal wel in het familie-rijtuig op het -plein zijn.” - -„Zoo, zoo!” zei Grenits. „Dat’s een aardig kapelletje! En.... duiten -ook!” - -„Ja, de Polen zijn niet dom.” - -„Maar, wanneer komt hij nu?” - -„Hij heeft mij beloofd, dadelijk na de muziekuitvoering hier te zijn. -En een zijner deugden is: dat hij stipt woord houdt.” - -„Intusschen zouden wij wat muziek kunnen maken,” was het voorstel van -August van Beneden. - -„Karel is al aan den gang,” wenkte Grenits, terwijl hij op den genoemde -wees. - -En, inderdaad, Van Nerekool, die zich slechts weinig in het gesprek -gemengd had, was opgestaan en de pianino genaderd. Eerst had hij -gedachteloos eenige accoorden aangeslagen, eenige motieven -gepreludeerd; maar eindelijk als onder den invloed van zijne gedachten -aan Anna, die hem maar niet ontvloden, weerklonk l’Absence van Tal, en -vulde het vertrek met hare weemoedige melodie en aangrijpende trillers. - -„Neen,” zeide Eduard van Rheijn, „geen muziek! Gij ziet er de -uitwerking van. Waarachtig, hij zit daar met tranen in de oogen! En, -zoo iets is ongezond in een klimaat als dit, en in eene gevangenis als -deze.” - -Toen dan ook het laatste accoord aangeslagen was, en wegstierf, en Van -Nerekool de handen mismoedig op de toetsen liet rusten, terwijl hij het -hoofd diep voorover boog, riep hem Eduard: - -„Zeg eens, Karel, nu geen muziek! Kom bij ons zitten, en in afwachting, -dat Murowsky komt, heb ik hier een brief, dien ik van Verstork -ontvangen heb.” - -„Van Willem?” vroeg Van Nerekool, niet zonder belangstelling; terwijl -hij opstond en weer in den kring plaats nam. „Ik heb nog geen antwoord -op mijn schrijven.” - -„Ik ook niet,” zei Van Beneden. - -„En ik ook niet,” zei Grenits. - -„Geen uwer heeft nog antwoord gekregen,” hernam Eduard. „Hij heeft het -veel te druk daar te Kota Radja. En dat laat zich wel begrijpen; hij is -thans de eenige civiele ambtenaar in die militaire wereld.” - -„Die zeer klein geworden is, nu het concentratiestelsel tot stand -gebracht werd,” merkte Grashuis op. - -„Dat gij wel het isoleerstelsel kunt noemen, Leendert,” zei Grenits. -„Het zal niet lang meer duren, of onze krijgsmacht zal daar zitten als -Robinson Crusoë op zijn eiland, met geen andere aanrakingspunten dan -die der kogels met de omringende ingezetenen.” - -„Kom, Theodoor, geen politiek!” - -„Vooral geen Atjeh-politiek,” grinnikte Grenits. „Ja; ik weet het, daar -hebben wij Nederlanders nog grooter afkeer van dan de katten van het -water. En toch geldt het daar het innigst belang van vaderland en -kolonie, die....” - -„Schei uit! Schei uit!” - -„Uw wil geschiede, vrienden!” zei Grenits lachende. „Ik mag mijne -gasten, die mij, armen gevangene, liefderijk den tijd komen korten, -geene conversatie opdringen, die hun onaangenaam is. Maar, ik begrijp -niet, wat Willem daar te Kota Radja te besturen heeft. De Inlandsche -bevolking, die ons trouw gebleven is, en onze soldaten verraderlijk -overvalt....” - -„Alweer?... Schei uit, Theodoor!” - -„Hij zal toch niet voor de menage der troepen,” ging Grenits voort, „en -voor de gamelle der marine te zorgen hebben?” - -„Och, wat begrijpt een koopman van zoo iets?” antwoordde Van Rheijn -ietwat spijtig. „Het is net, alsof ik over den handel in madapollams -wilde medespreken.” - -„Dat’s waar ook,” viel Grenits lachende in. „Ik beken schuld. -Schoenmaker, houd je bij je leest! Maar, nu Willem’s brief? Wat -schrijft hij?” - -„Hier is hij,” zei Van Rheijn. „Vooraf dien ik ulieden evenwel te -zeggen, dat ik hem een overzicht gegeven heb van de veranderingen, die -in zijn vroegere contrôle-afdeeling Banjoe Pahit voorgevallen zijn, en -welke invloed de meêgaandheid van den tegenwoordigen controleur op den -toestand der bevolking aldaar heeft. Hij antwoordt daarop, en gij kunt -wel begrijpen, dat zijne ontboezemingen deswege niet rooskleurig zijn. -Luistert maar: - -„Hetgeen gij mij medegedeeld hebt, waarde Eduard, omtrent de -verhoudingen te Banjoe Pahit, heeft mij diep neerslachtig gemaakt. De -akkerbouw verwaarloosd, contractbreuken aan de orde van den dag, de -opiumhartstocht oppermachtig zijn scepter zwaaiende! Och! och! Is dat -alles aan mijn opvolger te wijten? Of moet niet de toestand geheel en -al voor mijne rekening gebracht worden? Zulke veranderingen geschieden -toch niet in eens! Neen, en doen zich de waarnemingen binnen een kort -bestek zoo verschillend voor, als gij die beschrijft, dan zijn er toch -voorafgaande gebeurtenissen noodig geweest, om tot zulke veranderingen -aanleiding te geven. Welnu, ik gevoel wroeging, dat ik niet altijd -gedaan heb, wat ik had moeten doen, en dat ik niet meer gedaan heb, dan -ik deed, om het opiumgebruik in die ongelukkige afdeeling tegen te -gaan. Wel is waar, is het mij niet te wijten, dat de bestaande -opiumkit, te Kaligaweh gevestigd werd. Zij bestond reeds, toen ik te -Banjoe Pahit geplaatst werd. Maar het kwaad had toen de afmetingen nog -niet, die het later aangenomen heeft. Toen nog waren zeer veel -dèsalieden in de afdeeling, die geen opium rookten. Ik kon toen -aantoonen, dat die kit geen reden van bestaan had, dat zij in geene -bestaande behoefte voorzag. Ik heb dat destijds gedaan; maar zwak, -vreesachtig als ik was, verzuimde ik om aan te toonen, dat diezelfde -kit tot verleiding diende, dat zij de bevolking tot volslagen armoede -en ellende moest voeren. Zie, dat is mijne schuld! En nu moge ik mij -als verzachtende omstandigheden voorprevelen kunnen; dat ik gehouden -was als ambtenaar de rijks-inkomsten te vermeerderen; dat, door het -opiumverbruik niet in den weg te staan, ik meêhielp het nadeelige saldo -voor de Nederlandsche schatkist te bestrijden; dat ik vooral niet van -wege den resident Van Gulpendam, en ook niet van wege de regeering hulp -te verwachten had, wanneer ik aan de verwoestingen van het opiumgebruik -zou pogen paal en perk te stellen; dat ik integendeel als glas zou -verbrijzeld geworden zijn, wanneer ik den vinger naar dien kurk van het -nationale financie-wezen zoude uitgestoken hebben; dat mijne dierbare -familiebetrekkingen, wier heden en wier toekomst van het geregeld -vloeien van mijn traktement afhankelijk zijn, tot de diepste ellende -verwezen zouden zijn, wanneer mijne ambtenaarsloopbaan gesloten zoude -zijn; dat alles baat mij niets, geeft mijn geweten geene bevrediging. -Want, onverbiddelijk als een streng geweten kan zijn, doet dat mij de -aanklacht hooren: dat ik aan mijnen eersten plicht als ambtenaar te -kort deed, door niet met klem voor de bevolking op te komen, die ik -toch bij eede bescherming toegezegd had. Helaas? gedane zaken hebben -geen keer.... - -„Als het geoorloofd ware, zich over den dood van een mensch te -verheugen, dan zou ik zulks kunnen doen, ten opzichte van Singomengolo, -den afschuwelijken bandoelan, die zooveel ongelukken veroorzaakt heeft. -Maar.... waartoe zich verheugen?... Voor hem zal weer een ander -gevonden worden, die de afzichtelijke rol van opiumspion op zich zal -nemen. De pachters zijn rijk genoeg, om zulke nietswaardigen, als het -zijn moet, te scheppen, en het Gouvernement?... het Gouvernement??... -nu ja,... dat steekt de op gruwelijke wijze verkregen penningen met een -glimlach in den zak, terwijl het Nederlandsche volk applaudisseert.” - -„Wordt het nog geen tijd om „schei uit!” te roepen?” vroeg Grenits -sarcastisch. - -„Zoo straks beschuldigde ik mij, mijnen plicht als ambtenaar niet -gedaan te hebben,” vervolgde Eduard van Rheijn onverstoorbaar zijne -lezing. „Ik zal wel niet behoeven te zeggen, dat ik het stellige -voornemen gemaakt heb, in de toekomst anders te handelen; dat ik mij -tot plicht gesteld heb, voortaan de bevolking tegen den opiumgruwel -zooveel mogelijk te beschermen. Maar... maar, die gelofte is gauwer -gedaan geworden, dan wel volvoerd. Want, wie heb ik hier te Atjeh te -beschermen? Eene bevolking? O, Heer, alles wat hier rondom mij krioelt, -lijkt overal op, daarop evenwel niet. Gaat in uwe gedachten na, wat -hier is geschied. Na de landing van generaal Van Swieten in 1873 is de -bevolking stelselmatig achteruitgetrokken, naarmate onze troepen -vooruitdrongen. Toen die opperofficier naar Nederland terugkeerde, -hadden wij eene plek grond in bezit, die door de ingezetenen volkomen -verlaten was, en waarop geen enkele hunner voorkwam, tenzij men de -strook tusschen de Atjeh-rivier en de zee, het zoogenaamde gebied van -Marassa uitzonderen wil, waarop hoogstens twee duizend zielen woonden, -die zich evenwel volstrekt niet verslaafd aan het opiumgebruik -vertoonden. Later onder het beheer van kolonel Pel verbeterde de -toestand niet, het tegendeel was waar. Verbitterder dan ooit streed de -bevolking tegen de gehate indringers; en hoewel de opperbevelhebber het -benarde Kota Radja, dat hem toevertrouwd was, poogde lucht te -verschaffen, en daarin ook meesterlijk slaagde, zoo werd zijne positie -nog meer geïsoleerd, als het mogelijk was, en hadden geene andere -aanrakingen met de bevolking plaats dan met de wapens in de hand, en -dat niet om elkander eerbewijzingen toe te brengen; maar wel om -elkander op het allervinnigst te bestoken.... Gij weet het, althans de -geschiedenis heeft het u kunnen leeren, het eerste, wat onder de -plooien van de Nederlandsche vlag hier in Indië verrijst, is niet een -bedehuis, niet eene school, maar eene opiumkit. Dat zijn de eerste -zegeningen van de beschaving. Zoo ook hier. Van de overwonnelingen was -nog niemand aanwezig om opium te rooken, toch moest er een pachter -zijn!... Waarom?... Zie Eduard, wanneer ik mij die vraag ernstig stel, -dan valt er geen ander antwoord op te geven, dan dat zulks geschiedde, -om de Nederlandsche natie diets te maken, dat de periode van -gelduitgeven voor Atjeh haast gesloten zou zijn, en dat die van -geldverdienen ging aanbreken. Gij zult u nog herinneren, hoe de -dagbladpers in Nederland een jubelkreet uitte, toen in 1875 vernomen -werd, dat het recht tot den verkoop van opium in het klein te Atjeh -192,000 gulden ’s jaars of 16,000 ’s maands opgebracht had. Zij, die -nadachten, schudden bedenkelijk het hoofd, en toch kon in hun brein -niet opkomen, welke schromelijke gevolgen die ongelukkige zoogenaamde -bate zou hebben. - -„Het ligt voor de hand, nietwaar? dat geen pachter zou gevonden zijn, -wanneer slechts opium te verkoopen ware geweest aan de trouw gebleven -Marassanen. Wanneer toch aangenomen zou kunnen worden, dat daarvan alle -mannen schoven,—hetgeen in de verste verte niet waar is; onder den -kleinen man is het opiumschuiven minder in zwang dan op Java,—dan zoude -dat nog geen driehonderd schuivers uitmaken. Van die is onmogelijk -16,000 gulden ’s maands pacht te betalen, al aten zij opium, al dronken -zij opium, in stede van dat vergift slechts te rooken. Reken, dat de -pachter ook nog de van Gouvernementswege verstrekte opium te betalen -heeft, dat hij zijne overige uitgaven het hoofd moet bieden, dat hij -leven moet, en er ook op staat om eenige winst te maken; zoodat veilig -mag aangenomen worden dat, om 16,000 gulden pacht te kunnen betalen -minstens voor drie malen die som aan opium is verkocht moeten worden -[206] Maar, wie gebruikte dan de opium, die zoo’n bate aan ’s lands kas -bezorgde? - -„Wie? Ik zal het u zeggen, Eduard: - -„In de eerste plaats de Inlandsche soldaten van het leger te velde -alhier, over wie ten gevolge van den oorlogstoestand, en ten gevolge -van de hoogst gebrekkige kampementen en bivouacs, onmogelijk voldoende -toezicht te houden was; terwijl van repressieve en nog minder van -preventieve maatregelen sprake kon zijn. De handlangers van den -opiumpachter zwierven door die kampementen en die bivouacs rond, en -verwaardigden zich grootmoedig, niet alleen de soldij, maar, als de -gelegenheid er voor bestond, ook de kleeding van den verlokte tegen het -vergift in te ruilen. Zeg, begrijpt gij nu, waarde vriend, waarom de -verliezen aan zieken gedurende den Atjeh-oorlog zoo groot zijn geweest, -zoo groot blijven? Begrijpt gij nu, waarom de Indische hospitalen en -gezondheids-etablissementen zoo overvuld zijn geworden en gebleven? -Begrijpt gij nu, een der redenen, waarom het Indische leger zóó -gedemoraliseerd is, dat,—rekent men de krijgsmacht te Atjeh niet mede, -die men, ondanks alle vrede-ficties en alle hansworsterijen van -geconcentreerde stellingen, wel genoodzaakt is op compleet en in staat -van tegenweer te houden,—het dan volgens bevoegde beoordeelaars niet -overdreven genoemd mag worden, de bewering te uiten, dat van dat leger -bij ernstige opstanden of bij aanranding onzer koloniën door een -westerschen vijand zeer weinig of niets te verwachten is. - -„Wijdt nu eens eene gedachte aan de som gelds, die ieder soldaat, -wanneer hij, afgericht en gedrild, bij het leger te velde ingedeeld -wordt, vertegenwoordigt; eene gedachte aan de uitgaven, welke zijne -verpleging in de ziekeninrichtingen vereischt, en vraagt u dan af, of -het niet van bekrompenheid bij onze bestuurders getuigt, die zulke -fictieve baten te hulp riepen. - -„Ik noemde de Inlandsche soldaten in de eerste plaats als de -verbruikers van het vergift, door het vaderlijke Nederlandsche bestuur -langs wettigen weg beschikbaar gesteld. De Chineesche arbeiders en -landbouwers, die men met overgroote kosten te Penang, te Malakka, te -Singapore, te Tandjong Pinang, tot in China toe van Gouvernementswege -aangeworven heeft, om de veroverde maar door de Atjehers verlaten -landstreek te bevolken, leverden een ander contingent, en een groot -ook, aan de opiumschuivers, en derhalve ook aan de vlottende bevolking -der hospitalen en aan de blijvende der kerkhoven. Wie zal het wagen de -onkosten naar waarheid te berekenen, benoodigd geweest om de bressen, -door het heulsap in de gelederen dier arbeiders veroorzaakt, te -dichten? - -„Eene derde categorie van klanten van den opiumpachter alhier waren en -zijn de bedienden van officieren, van ambtenaren, van leveranciers. En -al veroorzaakt die categorie nu wel geene onkosten voor vervanging en -verpleging aan het rijk, zoo moet van eene andere zijde geconstateerd -worden, dat ten gevolge van de démoralisatie, onder die klasse -teweeggebracht, te Kota Radja, maar vooral te Oleh-leh eene -onveiligheid voor have en goed heerscht, waarvan gij u op Java moeilijk -een met de werkelijkheid overeenkomend denkbeeld zoudt kunnen vormen. - -„Wat op zedelijkheidsgebied te Oleh-leh, die havenplaats van Kota -Radja, waar te nemen is, is mij onmogelijk te beschrijven. Wat er in en -om de opiumkit, in en om het plekje, waar het vergift langs wettigen -weg verkregen wordt, gebeurde en nog steeds gebeurt, is eenvoudig niet -weer te geven. Wij zagen afzichtelijke tooneelen in de kit te -Kaligaweh, nietwaar? Welnu, wat hier voorvalt, overtreft hetgeen de -meest bedorven verbeelding zich kan voortooveren. Hier zijn polyphilen -volstrekt niet zeldzaam; terwijl de dienst, waartoe de Macaosche -hetaïres, die in hare vreemdsoortige kleeding aan jongens gelijk zijn, -veelal geprest worden, eenvoudig afzichtelijk is te noemen. - -„Gij zult mij wellicht te gemoet voeren, dat, wanneer het vergift niet -langs wettigen weg, het langs clandestienen verkregen ware geworden. -Neen! driemaal neen!!! Het vijandelijk land bevond zich destijds, en -bevindt zich thans weer zoo streng mogelijk geblokkeerd [207]. Geen -handelsvaartuig kon of kan het noordwestelijke gedeelte van Sumatra’s -kust naderen, zonder doorzocht te zijn. Toen was en nu nog is een -betrekkelijk gering toezicht voldoende om te beletten, dat ook maar een -enkele taël [208] clandestiene opium in het door ons bezette gedeelte -van het Atjehsche rijk aan wal gebracht kwam, of komt. Er was toen, en -er is ook thans nog slechts zeer weinig moeite te nemen, om het vergift -te weren [209]. Maar neen, dat vooral wilde men niet, en wil men nog -niet. Bij voorbaat moeten reeds maatregelen genomen worden, om de -opiumpacht tot vollen bloei te kunnen brengen, wanneer de bevolking van -het beoorloogd wordende land den nek onder het juk zal gekromd hebben. -Ook moest der Nederlandsche natie zand in de oogen gestrooid worden met -een bate, die te Atjeh werkelijk opgebracht wordt, maar die op zedelijk -en op financiëel gebied hoogst nadeelig werkt. Om dat tweeledige doel -te bereiken, is men er niet voor teruggedeinsd, de militaire macht en -andere landsdienaren te vergiftigen, te démoraliseeren, ja aan de -grootste verdierlijking prijs te geven! En, dat alles ter wille van het -uitzicht op de rijke baten, die het opiummonopolie ook in dien hoek van -den Archipel aan ’s lands kas zal afwerpen, wanneer Atjeh eenmaal de -zegeningen van het Nederlandsche bestuur zal aanvaarden, en langs -wettigen weg vergiftigd zal worden. - -„Dat het mij onder die omstandigheden moeielijk, ja ondoenlijk zal -worden om mijnen plicht als mensch te kunnen uitvoeren, zal ik wel niet -behoeven uiteen te zetten. Die plicht kan toch met dien van ambtenaar -onmogelijk overeen gebracht worden....” - - - - - - - -XXXII. - -EENE WETENSCHAPPELIJKE OPIUMKIT. - - -„Nu donnerwetter! Wo ist meinherr Grenits dan toch?” deed zich in de -buitengalerij een stem hooren, die Van Rheijn’s voorlezing afbrak. - -„Daar is onze Pool,” zei deze, terwijl hij Verstork’s brief samenvouwde -en in den zak stak. „Het restant van Willem’s schrijven bevat verder -weinig belangrijks meer. Of het daarenboven voorzichtig zou mogen -heeten, om van dergelijke ontboezemingen buiten onzen kring te laten -blijken, betwijfel ik zeer, en....” - -De heer Murowsky verscheen in de omlijsting der deur. - -„Ich kom spaat, nietwaar?” zeide hij, nadat hij den gevangene als -gastheer begroet, en met de anderen een handdruk gewisseld had, in zijn -koeterwaalsch, dat wij evenwel achterwege zullen laten. „Maar, -donnerwetter...” - -„Niet vloeken docter,” zei Van Beneden. „Was juffrouw Van Bemmelen op -de aloon-aloon?” - -De Pool bloosde tot achter zijn ooren. - -„Ja,” antwoordde hij, bedremmeld. - -„Nu, dan behoeft gij u niet te verontschuldigen. Gij hebt met haar -gewandeld, en dan....” - -„Maar, ik heb niet met haar gewandeld.” - -„Waarom komt gij dan zoo laat?” vroeg Van Rheijn. - -„Gij wist toch, dat wij u wachtten.” - -„Misschien nog eens eventjes op de kapellenjacht geweest?” vroeg -Grashuis. - -„Ik zie onzen Pool al met zijn netje een prachtige sfinx achterna -zitten,” zei Van Beneden. - -„Het mocht wat!” bromde Murowsky niet zonder hoon. „Een echte sfinx, -die mij te pakken had.” - -„Kom, vooruit, illustre landgenoot van Sobiesky, van Poniatowsky en -andere helden op sky! Vooruit met je nieuws!” riep Van Rheijn. „Maar, -pas op, als uwe verontschuldiging geen steek houdt!” - -„Toen ik op de aloon-aloon wandelde, wenkte mijn chef mij tot zich,” -verhaalde Murowsky, „en verzocht mij om na de muziekuitvoering bij hem -aan huis te komen.” - -„En?” vroegen allen. - -„Zoo’n verzoek is een order, dat weet gij allen wel,” knorde de Pool. - -„Jawel. Wat had hij u te vertellen?” vroeg Van Rheijn nieuwsgierig. - -„Misschien wel een zeldzame vorm van pneumato....” wilde Van Beneden -vragen. - -De Pool liet hem daartoe geen tijd. - -„Hij had mij mijne overplaatsing mede te deelen,” zeide hij. - -„Uwe overplaatsing?” - -„Ja, ik was al zoo lang hier! Bijna vijf en een halve maand.” - -„Maar, waarheen?” - -„Naar Gombong.” - -„Wel, dan feliciteer ik u wel,” zei Grashuis, „Gombong is een -allerliefst plaatsje.” - -„Ge hadt het erger kunnen treffen, b. v. Singkel of Atjeh,” meende Van -Rheijn. - -„Dat’s waar,” zeide Murowsky met een zucht. „Maar, waar ligt Gombong? -Vergeef mij die vraag; maar de Indische aardrijkskunde wordt in Polen -slechts spaarzaam beoefend.” - -„Gombong ligt in Bagelen,” antwoordde Van Rheijn. - -„Maar waar ligt Bagelen?” ging Murowsky met vragen onverstoorbaar -voort. - -„Bagelen? Wel in die richting,” antwoordde de adspirant-controleur, met -een gevoel van meerderheid in de gewilde richting wijzende. - -„Dus niet over zee?” - -„Neen, waarde Pool. Ge kunt er met een rijtuig komen. Vraag maar aan -Van Nerekool, die is er kort geleden nog geweest. Die heeft er zijn -hart verloren.” - -„Te Gombong?” vroeg Murowsky. - -„Neen, maar dichtbij, te Karang Anjer. Gij kent toch juffrouw Anna van -Gulpendam wel?” - -„Zeker,” antwoordde de officier van gezondheid. „Wie zou dat mooie kind -niet kennen?” - -„Welnu, juffrouw Van Gulpendam is derwaarts vertrokken en heeft het -hart van onzen vriend medegenomen.” - -„Dat is slim,” zei Murowsky, zich in de beteekenis van dat -Nederlandsche woord vergissende. - -„Vindt ge?” vroeg Grashuis. - -„Zouden we niet aan onze proefneming denken, heeren,” viel Karel van -Nerekool in, wien dat gesprek over Anna weinig behaagde. - -„Dat ’s waar ook!” riep de dokter uit. „Onze experimenta! Gij weet het: -experientia optima rerum magistra (de ervaring is de beste leermeester -der dingen). Hebt gij mijn pakje ontvangen?” - -„Ja,” antwoordde Grenits; „daar ligt het op dat knaapje.” - -Murowsky haalde een paar thermometers, een hygrometer, een aneroïde -barometer, een stethoscoop en een weegschaaltje te voorschijn; terwijl -Van Rheijn een bedoedan en een doosje met tjandoe voor den dag haalde. - -„Wat ziet dat goedje er vies uit,” zei Van Beneden, die het doosje -geopend had. - -Murowsky nam het van hem over, en doceerde pedant weg: - -„Opium is een amorfe kleverige massa, die snijdbaar is, en op de -snijdvlakken eene bruinzwarte kleur vertoont. Als een gomachtig lichaam -is die massa niet splijtbaar, daarentegen kneedbaar. De reuk is flauw -zoetachtig, en het aanvoelen is tamelijk vettig. De hoofdbestanddeelen, -die er in aangetroffen worden, zijn de morphine en de narcotine. Zonder -deze is het product geheel waardeloos.” - -„Maar, wie onzer zal zich aan de proef onderwerpen?” vroeg Van Beneden. - -„Wij zullen er om loten,” sprak Van Rheijn. - -„Als ik maar niet meê behoef te doen,” sprak de dokter. „Want ik moet -de waarnemingen verrichten.” - -„Zou het niet het beste zijn, dat ik de proef nam?” zei Grenits. - -„Waarom gij eerder dan een ander?” - -„Omdat ik hier in de gevangenis al den tijd zal hebben, om mijn roes -uit te slapen.” - -„Dat’s waar,” zei Van Rheijn. „Ik stem voor het voorstel. Want ik moet -morgen ochtend op het residentie-kantoor aanwezig zijn.” - -„En ik moet morgen pleiten,” zei Van Beneden. „Gijlieden weet: de zaak -van Setrosmito.” - -„Dat is waar ook,” riepen allen. „En die zitting van den landraad -zouden wij ongaarne missen.” - -„Dus aangenomen, dat ik schuiven zal, nietwaar?” vroeg Grenits. - -„Ja, ja,” antwoordden allen. „Dat is goed, Theodoor!” - -„Welaan dan, ik ben gereed.” - -„Jawel, maar ik nog niet,” zei Murowsky. - -„Ik ook nog niet,” voegde Eduard van Rheijn er bij. - -De Pool begon met den meest deftigen ernst de voorhanden zijnde tjandoe -te wegen, en bevond dat er 0,0092 K.G. aanwezig was. Dat teekende hij -zorgvuldig in een zakboekje op. - -„Zet er bij,” zei Van Rheijn, „dat het vijf en twintig mata’s zijn.” - -„Vijf en twintig wat?” vroeg Murowsky. - -„Vijf en twintig mata’s!” - -„Mata’s? [210]... Oogen?” vroeg de Pool. - -Allen barstten in lachen uit. - -„Neen, waarde dokter,” hernam Van Rheijn. „Luister. Voor de opium heeft -het gouvernement het navolgende standgewicht: de pikoel = 100 katies, -het katie =16 taëls, de taël = 10 tji, de tji = 10 mata’s; zoodat...” - -„Jawel, jawel,” zei de dokter, „nu begrijp ik. Laat ons voortmaken. De -zon is reeds onder. Vriend Grenits laat de lamp opsteken.” - -Inderdaad, het was bijna kwart over zessen, en dan is de zon in de -maand Augustus reeds eenigen tijd onder de kim verdwenen. - -Toen de bediende van Grenits de astraallamp opgestoken had, en -heengegaan was, ging de Pool voort: - -„En nu uitkleeden,” zei hij tot Theodoor. - -„Uitkleeden?” vroeg deze. - -„Ja, zeker. Gij moet in slaapbroek en kabaai gekleed zijn. Ik moet het -bovenrif kunnen zien.” - -Grenits ging naar zijn slaapvertrek, en kwam een oogenblik daarna terug -in het traditioneele nachttenue van Nederlandsch-Indië. - -De dokter liet hem zich nu op den divan uitstrekken, voelde hem den -pols, deed hem de tong uitsteken, ausculteerde hem, door aandachtig met -den stethoscoop zijn borstkas te beluisteren. Hij percuteerde die -borstkas met zijn plessometer, waarop hij met een coquet hamertje -uiterst handig kon tikken. De gelaatstrekken van den Pool stonden bij -die verrichtingen bij het strakke af; zij moesten den verheven ernst te -kennen geven, die den priester der wetenschap bezielde; maar misten -hare lachverwekkende uitwerking op de omstanders niet. Zelfs Grenits -kon een glimlach niet weerhouden. - -„Waartoe al die poespas?” mompelde August van Beneden Leendert Grashuis -in het oor. - -„Waarom schermt gijlieden juristen steeds met latijnsche aanhalingen?” -vroeg deze schalks, maar ook op gedempten toon. „Dat hoort er zoo bij.” - -„Wel, dokter, is mijn karkas in orde?” was de vraag van Grenits. - -„Normaal!” sprak Murowsky, met iets hols en iets plechtigs in zijne -stem. „Nu moet ik nog den barometer observeeren, dan kan met de proef -begonnen worden.” - -Hij bevond, dat het genoemde instrument op 765° stond, en teekende dit -op. - -„Zie zoo,” zei hij tot Theodoor, „nu ben ik klaar. O, ja, nog wat.... -Wanneer hebt gij het laatst gegeten?” - -„Om half een, de gewone rijsttafel.” - -„Het is nu half zeven,” zei de arts, terwijl hij nauwkeurig op zijn -horloge keek. „Dus zes uren geleden. Hebt gij daarbij geestrijke -dranken gedronken?” - -„Niets, als een enkel glas pale ale.” - -De dokter plaatste hem toen zijne twee thermometers onder de oksels. - -Eduard van Rheijn had intusschen den voorraad tjandoe in vijf en -twintig nagenoeg gelijke deelen afgedeeld. Daarna ontstak hij de -palita, en hield zich onledig de deeltjes tjandoe aan het einde van een -stokje in de vlam van het lampje te verwarmen, en zacht te maken, ten -einde ze met zeer fijn gesneden Java-tabak te vermengen, en tot ronde -pilletjes te kunnen rollen. Dat ging onzen aspirant-controleur vrij -handig af. Hij had zich door Lim Ho laten wijzen, en deze had hem met -genoegen onderricht gegeven. - -„Wie weet,” had de Chinees met een grijns gedacht, „of de Europeanen -ook nog niet eens smaak in de lekkernij zullen krijgen [211]?” - -Toen Eduard met zijn pillendraaien klaar was, haalde hij de bedoedan te -voorschijn, die uit een vrij dikken bamboesteel bestond, die zoo wat -drie decimeters lang, fraai lichtbruin gepolitoerd, en waarvan het eene -uiteinde der buis gesloten en het andere open was. Dicht bij het -gesloten einde was op het buitenvlak en loodrecht op de as van de buis -een klein aarden pijpenkopje aangebracht. - -„Het is eene spiksplinternieuwe,” verzekerde Van Rheijn, „die ik -aangeschaft heb.” - -„Goddank!” zei Grenits. „Verbeeldt jullie, dat het eene gebruikte was, -waaraan zoo’n oude schuiver gezogen en gesaliveerd had! Poeah!” - -„Toch is voor de lekkerbekken, voor de „feinschmeckers” een oude pijp -zeer gewild. Hoe donkerder de steel doorgerookt is, en hoe meer de -pijpenkop met „tahi madat” [212] aangeslagen is, hoe heerlijker het -schuiven moet zijn.” - -Eduard deed toen een madatpilletje in het pijpenkopje, reikte de -bedoedan aan Theodoor over, en plaatste de brandende palita op een -knaapje onder het bereik van den proefnemer. Deze lag op een divan -uitgestrekt met geopende kabaai, dus met de borstkas bloot, rustende -het hoofd op een niet te zacht kussen. - -„Wij moesten dat vuile, smerige hoofdkussen hier hebben,” zei Grashuis -lachende. „Gij weet wel, wat wij te Kaligaweh in de opiumkit gezien -hebben.” - -„Dank je wel, Leendert,” antwoordde Grenits. „Daartoe zou ik mijn -krullebol niet leenen. Neen, dit kussen is goed.” - -Hij draaide zijn hoofd naar de palita, nam den steel der bedoedan in -den mond, en wilde het pijpenkopje bij de vlam brengen, zooals hij dat -op den bewusten avond de schuivers had zien doen. - -„Een oogenblik! Een oogenblik!” riep Murowsky uit. „Niet zoo haastig!” - -Hij greep Theodoor’s polsgewricht, en keek toen gedurende eene minuut -met den meest deftigen ernst op zijn horloge, legde den stethoscoop -aan, en luisterde aandachtig. Daarna nam hij de thermometers en las af, -maar herplaatste ze terstond. In zijn boekje schreef hij op: pols 72, -ademhaling 24, temperatuur 37,5. - -„Zie zoo,” zei hij. „Ga nu je gang maar.” - -Grenits zoog het vlammetje met een lange ademhaling door den pijpenkop -naar binnen. Bij het verbranden van het opiumballetje verbreidde zich -eene onaangename, zoetachtige lucht door het vertrek, die de omstanders -aan lauw bloed en keukenstroop deed denken. - -„Inslikken! Inslikken!” riep Van Rheijn tot Grenits. - -Maar, dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Bij de poging daartoe -overviel Theodoor een hoestbui, die hem noodzaakte den mond te openen, -waardoor de ingezwelgde rook in dikke spiralen ontsnapte, en de -onaangename lucht in het vertrek nog vermeerderde. - -„Poeah! Poeah!” riep Grenits al kuchende uit. - -„Wat gevoelt ge? Wat proeft ge?” vroeg Murowsky. - -„Ik gevoel niets, als wat benauwdheid van het hoesten. Wat ik proef, is -een akelige, zoete smaak, waarvan ik geene beschrijving kan geven.” - -De haal was flink gedaan. Het geheele madat-balletje was verbrand. Van -Rheijn laadde den pijpenkop met een tweede pilletje. - -„Gij moet nu trachten den rook in te slikken”, zei hij. „Gij hebt dat -toch meer gedaan bij het gebruiken van sigaren, om den rook door de -neusgaten te doen uitkomen.” - -„Ik zal probeeren,” antwoordde Theodoor. „Maar hij is zoo walgelijk -zoet, die rook.” - -Het rooken werd herhaald. Het gelukte Grenits werkelijk den rook in te -slikken, hem een poos binnen te houden, waarna hij hem in fijne -krulletjes langs den neus liet ontsnappen. - -Dokter Murowsky teekende in zijn zakboekje op: pols 70, ademhaling 25, -temperatuur normaal. - -Op zijne vraag: „wat ondervindt ge?” antwoordde Grenits: - -„Niets. Alleen de zoete smaak is verdwenen, en door een vrij bitteren -vervangen.” - -Bij de derde pijp klaagde Theodoor, dat zijn hoofd zwaar werd, en hij -eene lichte neiging tot slapen ondervond. - -Bij de vierde en vijfde pijp nam de slaperigheid toe. Grenits weerstond -die neiging evenwel. Hij gaf op alles correct antwoord, hoewel hij een -poos op dat antwoord liet wachten. Hij verklaarde te merken, dat zijn -denkvermogen langzamer werkte. Hij moest namelijk iedere vraag lang -overdenken, om haar te begrijpen, en een antwoord er op te vinden. Hij -kon evenwel nog zonder hulp overeind gaan zitten, en ook ongehinderd -door het vertrek op en neer gaan. Nauwkeurig teekende dokter Murowsky -dat alles op, en bevond na de zesde pijp, dat de slaperigheid toenam, -en dat de pols 70 slagen aangaf, terwijl de ademhaling tot 28 steeg. - -Na de achtste pijp was de slaperigheid nog toegenomen; Theodoor -vermocht evenwel nog op het horloge te zien, hoe laat het was. Na de -negende werd het spreken moeilijker en onduidelijker. Op aandringen van -den dokter verklaarde Grenits, dat hij een gevoel had, alsof zijne tong -in omvang toegenomen was. Na de tiende pijp klaagde de proefnemer -andermaal over den bitteren smaak in den mond, alsook over duizelingen. -De dokter greep dadelijk zijne hand, en bevond den polsslag en de -ademhaling onveranderd. Na de elfde kon Grenits zich niet meer zonder -hulp van den divan oprichten, en moest bij het gaan ondersteund worden; -want zijne schreden waren zeer onzeker. Na de twaalfde pijp, die zeer -langzaam gerookt werd, trad eene merkbare verandering in. Theodoor lag -met gesloten oogen. Wanneer hij die bijwijlen opende, dan was de blik -helder, hetgeen zeer afstak met de slaperigheid van vroeger. Hij -verklaarde, dat hij een uiterst aangenaam gevoel ondervond, waarvan hij -evenwel geene beschrijving wist te geven. - -„Karel, Karel,” wendde hij zich tot Van Nerekool, „maak wat muziek.” - -Deze stond op, en zette zich aan de pianino, en begon zeer zacht de -variaties van Chopin op den „Don Juan” te spelen. Het gelaat van den -schuiver teekende verrukking. Het was te zien, dat hij iederen toon, -ieder accoord genoot, in zich opnam. - -„Nog meer spelen!” prevelde hij, toen Karel geëindigd had. „Nog meer -spelen, nog meer rooken!” - -Na de dertiende pijp nam de verrukking toe. Grenits gaf steeds het -verlangen te kennen meer te rooken. Hij lachte, strekte de armen uit, -en maakte bewegingen, alsof hij iets zeer aangenaams zag. Op Murowsky’s -vraag, waarom hij lachte, antwoordde hij, terwijl hij het uitschaterde, -dat hij het niet wist. Eindelijk verzocht hij Van Nerekool om eene -passage uit Schuman’s „Manfred” te spelen. Bij de veertiende en -vijftiende pijp nam de verrukking steeds toe. Onafgebroken zetelde een -glimlach op het gelaat des rookers. Hij gaf evenwel op geen der hem -gestelde vragen antwoord. Daarenboven begon hij iets meer beweeglijk te -worden en lag niet meer zoo stil als voorheen. - -Na de zestiende pijp klaagde Grenits, dat het rooken telkens afgebroken -moest worden om de pijp te stoppen. Hij verweet Van Rheijn, dat hij -geen tweede bedoedan medegebracht had. Dan had de proef onafgebroken -kunnen voortgezet worden. Dokter Murowsky constateerde, dat de -polsslagen 72 en de ademhaling 28 bedroegen, dat evenwel de conjunctiva -(bindvlies van het oog) sterk met bloed beloopen, en dat de oogleden -zwaar en de oogen zelven gesloten waren. - -Na de zeventiende pijp sprong de rooker plotseling op, en wilde door -het vertrek heen en weer wandelen; maar viel daarbij omver, en kon niet -meer opstaan. Hij moest op den divan teruggedragen worden. Hij verzocht -met schuiven door te gaan, hetgeen, nadat de dokter verklaard had, dat -er hoegenaamd geen gevaar bestond, toegestaan werd. - -Na de achttiende pijp begon de verrukking, die een weinig geweken -scheen, andermaal in te treden. De bewegingen des schuivers werden -vaker, en verkregen een aard van ongebondenheid. Als hij de oogen -opende was het, alsof hij een beeld met de oogen vervolgde. - -Na de twintigste pijp nam de verrukking hand over hand toe. Grenits’ -bewegingen waren thans libidineus, zijne gebaren, alsof hij onzedelijke -betastingen verrichtte. Zijn mond prevelde vrouwennamen, vermengd met -zeer erotische beschrijvingen. Op de vraag van Murowsky, hoe hij zich -bevond, antwoordde hij: - -„O, ik ondervind een overheerlijk gevoel! Zoo iets wat ik nimmer -voorheen ondervonden heb!” - -Terwijl de dokter opteekende: „Sclerotica (oogwit) zeer ontstoken, pols -70, ademhaling 26, temperatuur 37,8, en daarop liet volgen: „algemeene -verhooging der sexualiteit, satyriasis treedt in,” ging Theodoor voort -met zijne ongebonden bewegingen en gebaren. Op de vraag van Murowsky, -of hij niets verlangde, antwoordde hij: - -„Ik wil en verlang niets, als dat ge mij met rust rooken laat. Waar is -eene nieuwe pijp? Die Eduard ook!... Zoo moet de proef mislukken!” - -Een oogenblik daarna riep hij uit: - -„O! als dat Mahomet’s paradijs is, dan wil ik steeds rooken! Waar is -toch de pijp?” - -„Zouden wij er geen eind aan maken?” vroeg Van Nerekool. „Ik vrees, dat -bij dien staat van overspanning onzen vriend een ongeluk overkomt.” - -„Neen, daar is geen gevaar voor,” antwoordde de Pool. „Daar sta ik voor -in. De pols is zoo kalm mogelijk. De ademhaling is sedert het begin der -proef ietwat versneld; terwijl de temperatuur slechts 0,3° toegenomen -is. Het zou jammer zijn de proef te staken. Zij is allerbelangrijkst -voor de wetenschap.” - -Na de een en twintigste pijp, werd Grenits al woester en ongebondener. -Meestal lag hij stil en onbeweeglijk. Maar aan zijn gelaat was genoeg -te ontwaren, wat in zijn binnenste omging; terwijl, wanneer hij woorden -prevelde of bewegingen of gebaren volvoerde, die van den meest -dierlijken wellust getuigden. - -Zoo ging het voort tot bij de vier en twintigste pijp. Toen antwoordde -hij op Murowsky’s vraag, hoe hij zich gevoelde? - -„Ik heb een gevoel van groote rust, een uiterst aangenaam gevoel.” - -Dat was evenwel voor den Pool lang niet voldoende. Hij hield Grenits’ -pols met den rechter wijsvinger bedekt, terwijl zijn linkerhand vlak -uitgestrekt lag op diens borst. - -„Maar, wat gevoelt gij?” vroeg hij met aandrang. - -Theodoor antwoordde niet. Zijn borst hijgde hartstochtelijk, zijn -handen strekten zich naar een denkbeeldig wezen uit, alsof hij het -wilde omarmen. Zijn gelaat teekende zoo eene gelukzaligheid, dat alle -omstanders hem met verwondering gadesloegen. - -„Dokter, dokter!” prevelde Van Nerekool, „is het nog geen tijd om die -proef te eindigen? Het begint walgelijk te worden. Zie die gebaren, die -heupbewegingen eens!” - -Maar de Pool had daar geen ooren naar. - -„Geen gevaar, geen gevaar!” riep hij. „In het belang der wetenschap -moeten wij voort!” - -Met de taaie vasthoudendheid van den geleerde, die met zijn -wetenschappelijk oog een hem nog onbekend verschijnsel bespiedt sloeg -hij Theodoor’s bewegingen gade. Hij bevoelde hem, hij betastte hem, en -keek hem daarbij als het ware de woorden uit den mond. Hij was -wanhopig, dat de patiënt zoo weinig sprak. - -„Grenits! Grenits!” riep hij, „hoort ge mij?” vroeg hij, terwijl hij -den patiënt tegen den neus knipte. - -Deze bromde eenige woorden, terwijl hij zich heen en weer bewoog. - -„Hoort ge mij?... Grenits! hoort ge mij?” herhaalde hij trillend van -ongeduld. - -Deze ging voort met brommen en met zich heen en weer te bewegen. - -„Hoort ge mij?” herhaalde de Pool. „Zeg, hoort ge mij?” - -„Ja, ja, maar laat mij met rust,” kwam er met moeite uit. - -„Wat gevoelt gij toch? Zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt.” - -Hij boog zich nog verder over den patiënt, en wendde het -belangstellende oog niet van hem af. Het was de geleerde die, bij zijn -hartstocht om een der natuurgeheimen zich te zien ontraadselen, in -staat is vivisectie op zijn evenmensch uit te voeren. - -„O, zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt,” kreet hij; terwijl hij -voortging Theodoor tegen den neus te knippen. - -„Wat ik gevoel....” bromde deze.... „wat ik gevoel... O! het is nog -heerlijker dan...........” [213] - -„Afschuwelijk! Afschuwelijk!” kreet Van Nerekool. „Aan dat tooneel moet -een einde komen!” - -Hij rukte Eduard de pijp uit de hand, en trapte die met den voet plat, -greep het doosje met tjandoe, en wierp het laatste balletje, dat Van -Rheijn reeds klaar had gemaakt, de deur uit. - -„Goed zoo!” riepen Grashuis en Van Beneden. „Daar moest een einde aan -komen!” - -„Het is jammer, doodjammer!” mompelde de geneeskundige. - -Hij begon evenwel gauw van meening te veranderen. Grenits’ toestand -begon hem inderdaad bezorgd te maken. De pols was tot 62 slagen en de -ademhaling tot 24 gedaald. Daarentegen steeg de lichaamswarmte tot -38,6. De patiënt was zeer onrustig, stamelde voortdurend bandelooze -taal. Zijn oogen waren met bloed beloopen, en zijn aangezicht zeer -opgezet. De huid van het lichaam had een droog gevoel, toch waren de -handen vochtig van een klam zweet. Voortdurend vroeg hij om te rooken. - -„De pijp?... Waar is de pijp?.... Van Rheijn, waar is de pijp!” -schreeuwde hij schier, te midden der meest gruwelijke en -onsamenhangende uitdrukkingen. - -Murowsky beijverde zich, hem zeer sterke koffie, die hij door den -cipier bijtijds had laten gereedmaken, te doen drinken, waarbij hij hem -het vocht met een lepel in den mond goot. Hij verfrischte zijn hoofd -met ijswater, liet hem van tijd tot tijd aan vluchtige alkali ruiken, -en slaagde er eindelijk, na lang tobben, in hem tot bedaren te brengen. - -Het was vooral de koffie, die hem scheen goed te doen. Na eerst dien -drank afgeweerd te hebben, vroeg hij er later om. Langzamerhand begon -hij rustiger te worden. Lang nog evenwel behielden de volzinnen, die -hij uitte, een niet te miskennen erotische tint. Ook dat begon -eindelijk te verminderen. Zijne stem werd zachter, zijn spreken -zeldzamer, en eindelijk viel hij in een gerusten slaap; waarbij -Murowsky constateerde, dat de pols 70, de ademhaling 24 en de -lichaamswarmte 37,4° bedroeg. - -„Gansch normaal!” verklaarde hij thans. „Ik zal evenwel heden nacht bij -hem doorbrengen.” - -De vergunning van den cipier daartoe werd niet moeilijk verkregen. -Grenits sliep evenwel drie en dertig uren aan een stuk en gevoelde zich -bij het ontwaken vrij wel, een weinig afgematheid en hoofdpijn niet -medegerekend. Nadat hij gebaad had, was ook dat over. Toen evenwel -ondervond hij een schrikbarenden honger, en kon de cipier hem niet vlug -en copieus genoeg laten bedienen. - -Drie dagen later was Murowsky naar zijn nieuw garnizoen vertrokken. Hij -had zich evenwel voorgenomen zijne aanteekeningen uit te werken en zijn -opstel aan een der wetenschappelijke tijdschriften van Duitschland toe -te zenden. - -De opinie der overige vrienden omtrent het opiumverbruik was thans -onwrikbaar gevestigd. Zelfs Van Rheijn, die vroeger, wel niet als -verdediger van het opiummonopolie was opgetreden, maar toch wel eens -verschoonende omstandigheid voor de Indische regeering bepleit had, was -volkomen bekeerd. Theodoor Grenits evenwel werd knorrig, wanneer later -op zijn bewegingen, gebaren en uitingen gedurende de proefneming -gezinspeeld werd. - -„Het is verdraaid,” riep hij uit, „dat ik den bedoedan nog zal -aanraken, hoe verleidelijk mij de beelden nog voor den geest staan. -Gijlieden zult mij evenwel zeer verplichten, wanneer gij voortaan geen -woord meer daarover zult reppen. Intusschen”, zoo vervolgde hij met -geestdrift, „Vrienden, de handen in elkander! En oorlog, oorlog à -outrance aan de opium!” - - - - - - - -XXXIII. - -IN DE REGENTS-PANDOPPO. - - -Daags na die proefneming zou het een merkwaardige dag zijn voor de -ingezetenen van Santjoemeh. - -De landraad vergaderde toch, en zou heden na de te voeren pleidooien -uitspraak doen in de zaak van Setrosmito,—den vader, zooals men weet, -van baboe Dalima,—die beschuldigd van opiumsmokkelarij en van moord op -een bandoelan in de uitoefening zijner functiën gepleegd, in de -gevangenis zijn lot zat af te wachten. - -De getuigen waren gehoord, en de beschuldigde had bekend een Chinees -met zijn kris gedood te hebben; maar hardnekkig ontkend, dat hij -schuldig was aan opiumsmokkelarij. - -Geheel Santjoemeh was op de been, althans het Europeesche gedeelte; -want men wist, dat August van Beneden pleiten zou. Wel was onze -rechtsgeleerde reeds in de zaak van baboe Dalima als pleitbezorger -opgetreden, maar had zich daarbij meer tot aanwijzingen bepaald, en -zich minder als redenaar ontwikkeld; zoodat zijne thans te voeren -pleitrede als zijn maidenspeech kon beschouwd worden. Daarenboven had -hij in gezellige kringen en bij verschillende andere gelegenheden -genoegzame bewijzen van redenaarstalent gegeven, om te doen -veronderstellen, dat men heerlijke oogenblikken van kunstgenot zoude -doorbrengen. Er werd bij verteld, dat de gepleegde moord aanleiding -gevonden had in onbetamelijke handelingen, door den vermoorden -bandoelan jegens het dochtertje van den moordenaar gepleegd. Het -Santjoemehsche publiek was vrij wel op de hoogte van de -afzichtelijkheden, die zich de bandoelans bij de visitatie aan den -lijve gewoonlijk veroorloofden, zoodat een ieder het er voor hield, dat -zeer pikante zaken gehoord zouden worden, en overtuigd was, dat de -jeugdige rechtsgeleerde, die van ijver voor den dienst van Themis -blaakte, de gelegenheid niet zoude laten voorbijgaan, zonder den vinger -te leggen op de opiumpacht, die snerkende brandwonde voor de Javaansche -maatschappij, die schande voor de blanke overheerschers. - -De pandoppo van de regentswoning, waarin de landraadzittingen plaats -hadden, was dan ook reeds lang voor den tijd der opening gevuld. Zelfs -dames waren verschenen [214], en onder haar de schoone Laurentia van -Gulpendam waarschijnlijk ter wille van de kiesche dingen, die gehoord -zouden worden. Het talrijke bediendenpersoneel dier pandoppo keek -verwonderd op; want, dat was aan zoo’n toeloop niet gewend,—gewoonlijk -toch blonk het publiek bij dergelijke zittingen door zijne afwezigheid -uit.—De „boedjang’s” (bedienden) hadden de handen vol met het aanbieden -van stoelen, en waarachtig die kwamen weldra te kort, hoe weelderig zoo -eene Kaboepatèn (regentswoning) ook gemeubeld is. - -Ware het avond geweest, en hadden de kroonlampen, die in die pandoppo -hingen, met heldere vlam geschitterd, dan had men aan een gezellige -bijeenkomst kunnen gelooven, of beter nog aan een séance van een -goochelaar of zoo iets. Aan het einde der ruime hal bevond zich toch -eene verhevenheid, drie trappen hoog, waarop eene vrij groote tafel, -met groen laken bekleed, bevracht met een dik boek en allerlei -overtuigingsstukken, en omgeven met een aantal stoelen. Een -politie-oppasser, die blijkbaar, uit houding en gelaat af te leiden, -het gewicht zijner functie begreep, stond op post bij die tafel, om de -profanen daarvan verwijderd te houden. Wanneer een spotvogel dien man -opgedragen had zijn sabel te trekken, zou hij voorzeker het roestige -stuk ijzer met edelen zwaai uit de scheede voor den dag gehaald hebben. - -In afwachting van de komst van de leden van den landraad, kortte de -menigte den tijd zoo aangenaam mogelijk. Men begroette elkander, men -lachte, men kortswijlde, men praatte, en gedroeg zich daar in dien -tempel der gerechtigheid als in een café-chantant gedurende de pauze. - -„Goeden morgen, mevrouw Van Gulpendam, komt gij ook eens eene zitting -bijwonen?” - -Het was de heer Thomasz, de substituut-griffier, die heden, omdat de -griffier zelf fungeerde, en amateur een kijkje kwam nemen, en dus van -de gelegenheid gebruik maakte, om de schoone Laurentia zijne hulde aan -te bieden. - -„Goeden morgen, mijnheer Thomasz,” antwoordde de residents-vrouw, -terwijl zij hem hare fraaie hand reikte. „Ja, ik kom ook eens kijken. -Ik heb nimmer eene landraadzitting bijgewoond. Ik ben wel nieuwsgierig. -Het zal wel interessant wezen, nietwaar?” - -„Dat denk ik ook, mevrouw. Hoewel voor mij, de getuigenverhooren meer -pikants opleverden.” - -„Dat kan ik denken. Maar... die afschuwelijke moordenaar zal zeker -veroordeeld worden?” - -„Dat is nog zoo geheel zeker niet, mevrouw.” - -„Niet?” - -„Neen, wel sluit het requisitoir van den hoofddjaksa als een bus; maar -sedert de residenten en assistent-residenten als voorzitters van de -landraden door rechterlijke ambtenaren vervangen zijn, [215] speelt -eene ziekelijke philantropie den baas, en het zou mij niet verwonderen, -dat deze booswicht vrijgesproken werd, vooral nu....” - -„Ja, ik weet wat gij zeggen wilt, mijnheer Thomasz,” viel Laurentia hem -in de rede. „Vooral nu een Europeaan voor zoo’n Javaanschen ellendeling -zal gaan pleiten [216]. Het is ongehoord! Maar, wie betaalt dien -advocaat, mijnheer Thomasz?” - -„Shut! mevrouw. Dat is een geheim!” - -„Een geheim?... Gij schijnt het toch te weten. Kom vooruit! met wat gij -weet. Voor de vrouw van den resident moogt gij geen geheimen hebben.” - -Thomasz glimlachte even. - -„Laten wij even op die estrade gaan,” zeide hij, „dan kan niemand ons -hooren.” - -Beiden stapten de verhevenheid op, naderden de tafel en hielden zich, -alsof zij de voorwerpen, daarop uitgespreid, bekeken. De -politie-oppasser wachtte zich wel der njonja resident en den -toean-kripier dat te beletten. - -„Welnu,” vroeg Laurentia, „nu kunt gij spreken. Wie betaalt dien -advocaat?” - -„Een kongsie, mevrouw.” - -„Van Chineezen?” vroeg de schoone Laurentia onstuimig. - -„Dat heb ik niet gezegd, mevrouw,” antwoordde de substituut-griffier -met eene buiging. - -„Eene kongsie van wie dan?” - -„Van Europeanen, mevrouw.” - -„Gij kent ze! O, loochen dat maar niet. Ik zie het op uw gezicht.” - -„Stil, mevrouw, daar naderen een paar dames den trap.... Zie,” sprak -Thomasz overluid, „dat is de kris, waarmede de moord geschied is. Het -bloed zit nog aan het gevlamde lem. Daar, die zwarte vlek.” - -Mevrouw Van Gulpendam greep het wapen. - -„Zeg mij de namen,” zeide zij zacht. - -„Ik weet maar een. Van Nerekool....” - -„Van Nerekool!.... Altijd die Van Nerekool!” siste de schoone vrouw -tusschen de tanden. - -En zich naar de pandoppo wendende: - -„Henriëtte! Henriëtte!” riep zij tot een der genaderd zijnde dames. -„Kijk, hier is de kris, waarmede de moord gepleegd werd.” - -De geroepene trad met hare vriendin de estrade op. Het was alsof de -politie-oppasser een pas vooruit wilde doen. Een trotsch gebaar van de -schoone Laurentia weerhield hem. - -„Is dat de kris?” vroeg Henriëtte. - -„Ja,... Zie, zoo.... dwars door den strot,” zei mevrouw Van Gulpendam, -met het wapen een vervaarlijken zwaai makende, die de dames deed -achteruit stuiven. - -„De schoone Laurentia is inderdaad schoon!” prevelden een paar -jongelieden tegen elkander. „Kijk die houding eens, die buste, dat -trotsche gelaat, die hand, welke den dolk omklemt. Net Lady Macbeth! -En, kijk dien onberispelijken voetwreef eens!....” - -„Ja, zij poseert!” antwoordde een ander. „Zij weet, zij gevoelt, dat -wij haar bewonderen.” - -„Wees niet bang,” ging mevrouw Van Gulpendam voort. „Kijk, hier zit het -bloed van het slachtoffer, nietwaar mijnheer Thomasz?” - -„Ajakkes!” riepen de beide dames. „En durft gij dat aanraken, lieve -mevrouw?” - -„Waarom niet?” antwoordde Laurentia hooghartig, terwijl zij den kris -kletterend op de tafel smeet. „Dat ding bijt niet.” - -„Dat is zoo, lieve mevrouw,” zei Henriëtte. „Maar de gedachte alleen, -dat daarmede een mensch vermoord is....” - -„Slechts een Chinees!” antwoordde mevrouw Van Gulpendam neusoptrekkend. - -„Is een Chinees dan geen mensch, lieve mevrouw?” - -„Maar zoo wat,” was de meening van de trotsche Laurentia. - -„Goed, dat Lim Yang Bing of Lim Ho u niet hooren, mevrouw!” merkte de -heer Thomasz op. - -„O, met die is het wat anders!” hervatte de hooghartige vrouw. - -„Dat zijn de opiumpachters!” - -„Dat zijn de millionairs!” - -Die beide uitingen waren door de twee andere dames met de aan haar -geslacht eigen beminnelijkheid gezegd, welke Laurentia onaangenaam -kittelde. Zij liet er evenwel niets van ontwaren. - -„Ja, het is waar ook,” sprak Henriëtte, de beminnelijkheid vervolgende. -„Waar zijn die twee Chineezen? Kijk, daar is de kapitein-Chinees, daar -is ook Kam Tjeng Bie, de rijke handelaar; maar de opiumpachters zie ik -niet.” - -„Die zullen zich wel wachten heden de landraadzitting bij te wonen!” -antwoordde een der andere dames. - -„Ja; want die hebben genoeg te doen met de toebereidselen voor de -bruiloft, die eerstdaags zal plaats hebben,” liet mevrouw Van Gulpendam -als ’t ware achteloos volgen. - -„Is de moordenaar niet de vader van baboe Dalima?” vroeg Henriëtte, -„welke Lim Ho beschuldigd heeft van....” - -„Allemaal praatjes, liefste Henriëtte!” viel Laurentia in, „en daarvan -mag men in het babbelachtige Santjoemeh geen tiende voor waar aannemen. -Maar.... mijnheer Thomasz, wat is dat voor „gollokh” (kapmes), die daar -op tafel ligt? Heeft de moordenaar dat ook gebruikt? Er zit bloed aan.” - -„O, dat is eenvoudig kippenbloed,” antwoordde de substituut-griffier. - -„Kippenbloed?” vroeg Henriëtte lachende. - -„Ja, lieve mevrouw, dat is de „gollokh soempah.”” - -„De gollokh soempah?” - -„Het eeds-kapmes in onze taal, mevrouw. Het is daarmede, dat de -Chineezen den eed afleggen.” - -„Hebt gij dat wel eens gezien, mijnheer Thomasz?” - -„Dikwijls, mevrouw.” - -„Toe, vertel eens. Hoe gebeurt dat?” - -„Och heel eenvoudig, dames. De te beëedigen getuige wordt door den -Chineezen tolk en vergezeld van een der leden van den landraad buiten -gebracht bij een houtblok. Daar wordt hem den gollokh ter hand gesteld, -waarmede hij een zwart kuiken op dat houtblok den kop afhouwt. Niets -meer en niets minder. Het is eene handeling zonder beteekenis, die, -wanneer men haar voor den eersten keer ziet gebeuren, een zeer -bespottelijk figuur maakt.” - -„Waarom een zwart kuiken, mijnheer Thomasz?” vroeg Henriëtte. - -„Ik weet het niet, mevrouw,” antwoordde de substituut-griffier. „Maar, -gij weet, dat het wit de rouwkleur der Chineezen is.” - -„Dat’s waar ook. Maar... eene zwarte kip?... Dus zou er toch eene -beteekenis ten grondslag van de handeling liggen?” hernam Henriëtte -nadenkend. - -„Het is mogelijk; maar ik heb ze nimmer kunnen ontdekken, hoeveel -navraag ik ook bij de tolken en bij de Chineesche hoofden ingesteld -heb,” antwoordde de heer Thomasz. „Er bestaat evenwel een andere -Chineesche eedsaflegging, dames, die in zeer wichtige gevallen gebezigd -wordt. Die is niet van beteekenis ontbloot.” - -„Bestaan er wichtiger gevallen, dan voor den rechter getuigenis der -waarheid af te leggen?” vroeg Henriëtte schamper. - -„Zeker, mevrouw!” - -„Wichtiger dan het geven van getuigenis, waarvan de veroordeeling en -het leven van een mensch kan afhangen?” - -„Zeker, mevrouw!” - -„Die ben ik wel benieuwd te hooren!” - -„Bij voorbeeld: de groote eed, die door het gouvernement gevergd wordt -bij de aanstelling der Chineesche officieren.” [217] - -„Zoo, is dat wichtiger?” vroeg Henriëtte met een schaterlach. - -„Die groote eed wordt ook, evenwel zelden, bij zeer belangrijke civiele -gedingen gevergd. [218] - -„Waarbij het de dubbeltjes geldt, nietwaar? Dat begrijp ik. Maar toe, -vertel ons iets van den eed.” - -„Gaarne, mevrouw. Ik weet er evenwel niet veel van. De eed, daarbij -gebezigd, is ontleend aan den eed, dien men in China aan vorsten en -hoofdbeambten bij hunne aanstelling oplegt, en bestaat daarin, dat de -persoon, die den eed aflegt, het door hem betuigde op een rood papier -schrijft en het alles met de zwaarste vervloekingen, die bij onwaarheid -of bij het niet nakomen hem zullen treffen, beëedigt. De eedaflegger -brengt dit papier in gezelschap van een paar officieren zijner natie, -en van een paar tolken naar de Pen-ta-King [219] (tempel), waar hij -door een drietal Chineesche priesters den „King-Long” (tempelheer) en -den „Low-tsoe” (meester van den wierookpot), bijgestaan door een „Thao -kew”, (hoofdman) bij den ingang ontvangen wordt. Die priesters zijn -gekleed in een soort van miskleed van roode zijde, niet ongelijk aan de -koorkappen der Roomsche priesters bij sommige gelegenheden. Evenwel is -daarop eene graphische voorstelling van het Cosmogenische Eerste -beginsel [220] in gouddraad geborduurd. Zoodra in den tempel -aangekomen, legt de eedsaflegger het beschreven roode papier op de -„Hijeng Keng” [221] (offertafel) tusschen een aantal brandende kaarsen, -eenige flesschen wijn en wat gebak, die tot offerande bestemd zijn, -voor den „Tao-peh-kong” [222] (afgodsbeeld) neder. De priesters -schreeuwen dan gedurende een poos eenige gebeden, waarbij zij bij -sommige passages geducht de schel bengelen. Daarna leest de -eedsaflegger het geschrevene op het papier met luide stem voor, terwijl -alsdan vlijtig wierook gebrand wordt. Eindelijk brengt hij het papier -bij de vlam van een der kaarsen, en laat het op de offertafel tot asch -verbranden. Daarmede is de plechtigheid uit. De priesters schreeuwen -nog wel hunne onaangenaam klinkende neusklanken; maar de -gecommitteerden en de beëedigde maken dat zij buiten den tempel komen. -Ziedaar dames, het weinige, wat ik heb kunnen waarnemen. Ik hoop, dat -ik een verstaanbaar begrip van die plechtigheid medegedeeld heb.” - -„Wij danken u zeer, mijnheer Thomasz,” antwoordde Laurentia, terwijl -zij hem minzaam een handje toestak, maar intusschen den trotschen blik -over de verzamelde menigte in de pandoppo liet waren. - -„Naar wien zou zij kijken?” prevelde een der jongelieden beneden in de -ruimte. - -„Naar mij niet, helaas!” antwoordde zijn toespreker. „Misschien -naar....” - -„Toean, toean darie rad!” (de heeren van den raad) kondigde een -politie-oppasser aan met eene stem, alsof een Fransche huissier het „la -Cour, messieurs!” uitgegalmd had. - -De naam van hem, naar wien de schoone Laurentia kon uitgezien hebben, -bleef onuitgesproken. - -En inderdaad, daar uit een der vertrekken van de bijgebouwen, waarop -men van uit de pandoppo tusschen de „kree’s” [223] door uitzicht had, -verschenen een paar Europeesche heeren, een paar Javaansche hoofden en -een paar Chineesche officieren, die zich in plechtstatigen optocht naar -de pandoppo begaven, en op de estrade plaats namen. - -In de eerste plaats verscheen Mr. Greveland, de opvolger van Mr. -Zuidhoorn en voorzitter van den landraad, daarop volgden Radhen Mas -Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo, de regent van Santjoemeh, Radhen Pandjie -Merto Winoto, de patih, en babah Thang Ing Gwam: de majoor der -Chineezen, welke drie de leden van den landraad uitmaakten. Daarop kwam -Mas Wirio Kesoemo, de hoofddjaksa, waarachter de griffier trad; terwijl -de stoet besloten werd door Hadjie Moehammad Kassan, de panghoeloe of -priester. - -De voorzitter was gekleed in de rechterlijke toga met bef en barret, de -griffier in zwarten rok en witten pantalon, de Javaansche leden van den -raad natuurlijk in hun nationaal kostuum: kort buisje met staanden en -met goud geborduurden kraag, daaronder een met idem geborduurd vest, -eindelijk de fraai gestikte sarong in fijne plooitjes voor den buik -geordend, en het hoofd, behalve met den hoofddoek ook met den „kopja” -gedekt, dat vormlooze tooisel, hetwelk op een eindje kachelpijp gelijkt -dat met smalle gallonnetjes versierd zoude zijn. De majoor-Chinees was -in het mandarijnen-pak gestoken, dat in vorm zooveel van een Roomsch -miskleed heeft, hetwelk evenwel, zoowel aan den voor- als aan den -achterkant, met een monsterachtigen draak in goud geborduurd op het -lichtblauw laken zou prijken. Zijn hoofd was getooid met eene soort -pet, ook van lichtblauw laken, die veel van eene barret had, maar -stijver was en die op den eenigszins verheven bol een pluisje of -kwastje vertoonde, waarin een veelvlakkige schitterende blauwe steen -ontwaard werd. - -De panghoeloe was in de Arabische chlamyde gehuld, eene soort lange -jurk van donkere stof, die hem tot aan de hielen reikte. Hij had een -vervaarlijken grooten tulband op het hoofd, die aanduiden moest, dat de -man het graf des Profeets bezocht had, en dus „Hadjie” -(bedevaartganger) was. In zijn handen hield hij een boek, dat er niet -zeer zindelijk uitzag. Dat was de Koran. - -Op de trappen van de estrade, ter weerszijden van de tafel, namen -ettelijke Javaansche jongelingen plaats, die natuurlijk ook in het -nationaal costuum gedost waren, evenwel geen kopja droegen. Dat waren -de „mantrie’s” gewoonlijk jongelieden van aanzienlijke geboorte, die -toeluisteren en zich oefenen kwamen, om later in staatsdienst te kunnen -treden. Zij zaten daar op die treden met voor zich gekruiste beenen en -hadden hun schrijfbordje op de knieën rustende, gereed om de snuggere -opmerkingen op te teekenen, welke aan de vergetelheid moesten ontrukt -worden. - -Mr. Greveland zat natuurlijk voor het midden der langwerpige tafel. -Rechts van hem zat de regent, en links de griffier. Naast den regent -zat de djaksa, die den panghoeloe aan zijne rechterzijde had. Naast den -griffier zat de patih en naast dezen de majoor-Chinees. Deze plaatsing -was stipt volgens de etiquette, waarop de meeste Oostersche volkeren -zoo gesteld zijn, bepaald. - -Een oogenblik, nadat die rechterlijke stoet had plaats genomen, -verscheen August van Beneden, ook gekleed in de toga, en nam op -aanwijzing van den voorzitter plaats aan het uiteinde van de tafel -naast den majoor-Chinees. Het was een eigenaardige aanblik [224], welke -die pandoppo van de regentswoning thans opleverde. - -Zooals gewoonlijk, was het een ruime loods, welker hoog dak op een -achttal pilaren rustte, en dus aan de zijden geheel open was. Tot -tempering van het schelle licht en ook om de onbescheiden blikken van -buiten te weren, waren de vakken tusschen de pilaren door groen -geschilderde kree’s beschermd, terwijl bovendien achter de leden van -den landraad nog een zeildoek gespannen was. - -Vlak achter die leden zaten eenige Javanen nedergehurkt, die belast -waren, met de dichtgeslagen pajoengs der Javaansche hoofden in de hand -te houden, evenwel zoo, dat die emblamata van gezag achter hunne -meesters goed zichtbaar waren. - -Zooals die raad daar zitting nam, die als type kon gelden van de -rechtbanken voor de Inlanders op Java [225], vertoonde hij een -wonderlijk mengelmoes van de drie grondbeginselen, welke het -Nederlandsche bestuur min of meer, maar steeds uiterst behendig, tracht -te behartigen. Vooreerst het Europeesche recht, vertegenwoordigd door -den voorzitter, dan de Inlandsche gewoonten en gebruiken, die vergen, -dat de beide raadslieden uit Javaansche grooten, als het kan, uit -edellieden bestaan, en eindelijk het Musulmansche recht, waaromtrent de -priester de leden op de hoogte moet brengen. - -Tusschen de estrade en de eerste rei stoelen was eene betrekkelijk -groote ruimte gelaten, zonder dat evenwel een zweem van afsluiting te -bespeuren was. Ter weerszijde van die estrade stonden een paar -politie-oppassers met hunne gele uitmonstering en met hunne sabels op -zijde, die aan gele bandelieren bengelden. Die Javanen schenen vrij wel -met hunne figuur verlegen. Zij waren niet gewoon bij dergelijke -gelegenheden zooveel publiek te zien. - -Dat de schoone Laurentia in het midden der eerste rij stoelen had -plaats genomen, verwonderde niemand. Die plaats kwam haar als -njonja-resident toe. Naast en onmiddellijk achter haar hadden zich de -voornaamsten van Santjoemeh, of die zich daarvoor hielden, -gerangschikt. Daarachter vulde eene bonte menigte de pandoppo, die -evenwel sedert dat de landraad binnen gekomen was, fluisterend met -elkander sprak. - -Eduard van Rheijn, Karel van Nerekool en Leendert Grashuis ontbraken -natuurlijk niet, en hadden op de derde of vierde rij plaats genomen, -vanwaar zij een goed overzicht hadden. - -„Kijk Thomasz zich eens aangenaam bij de schoone Laurentia maken,” -merkte Van Rheijn op. - -„Ja, hij zet zijn beste beentje voor,” antwoordde Grashuis. - -„Het is met hem tegenwoordig koek en ei in het residentiehuis,” -prevelde een jongmensch, die achter onze vrienden gezeten was. - -„Er loopen al zeer zonderlinge praatjes,” fluisterde een ander. - -„Ja, in Santjoemeh zijn de praatjes niet zeldzaam,” zei Van Rheijn -glimlachend. „Santjoemeh zonder chronique scandaleuse is ondenkbaar.” - -„Drommels, als het er naar gemaakt wordt!” - -„En als de waarschijnlijkheid een handje medehelpt!” - -„Zoo, gaat ge dan op waarschijnlijkheden af, wanneer het de eer van -eene vrouw geldt?” vroeg Eduard stekelig. - -„Men verhaalt, dat de tusschenkomst van ’Mbok Karjå ingeroepen is.” - -„En, als dat afzichtelijke wijf ergens in gemoeid is, ja, dan...” - -„Men?” vroeg Van Rheijn. „Wie is die „men”? herhaalde hij ongeduldig.” - -„Wel iedereen.” - -„Daar hoor ik toch niet bij!” - -„En ik ook niet! betuigde Grashuis. - -„Shut!.... Laurentia schijnt iets te hooren,” fluisterde Van Rheijn. -„Zie haar eens de ooren spitsen!” - -„Wat ziet Van Beneden er deftig uit in zijn toga!” zei Leendert -Grashuis hardop. - -„Die japon flatteert hem niets,” zei Van Rheijn. „Hij zit er in als een -parapluie in zijn foudraal!” - -In dit oogenblik keerde zich Mevrouw Van Gulpendam om, en monsterde met -een blik den groep jongelieden daar achter haar. Allen bogen diep bij -wijze van groet. Minzaam beantwoordde zij dien. Van Rheijn evenwel werd -met een innemenden glimlach begunstigd. Gold die zijne vergelijking van -Van Beneden met een parapluie? - -„Olijkert!” prevelde een der achter hem zittenden, en gaf hem een -lichten stomp in de zijde. „Geeft ge daarom zoo af op die „men”?” - -„Schei toch uit met dien nonsens! Je moest je schamen!” - -„Hebt gij al een invitatie gekregen?” vroeg Grashuis, om het gesprek -een andere richting te geven. - -„Welke invitatie?” - -„Om de receptie bij gelegenheid van het huwelijk van Lim Ho bij te -wonen.” - -„Ja, die heb ik gekregen.” - -„Ik ook.” - -„En, ik ook. - -„Een rare gewoonte,” zei Van Nerekool, „die receptie ten huize van den -bruigom te houden.” - -„Dat is zoo geheel afwijkend van hetgeen bij westersche volkeren plaats -heeft.” - -„Zooals alles, wat bij de Chineezen voorvalt,” zei Eduard van Rheijn -lachende. „Het is bij hen alles averechts. Zij hebben wit voor -rouwkleur, blauw voor halven rouw; hunne dames dragen pantalons en de -mannen waaiers; zij laten messen, lepels en vorken aan ons barbaren -over, en goochelen hun maal met een paar stokjes heel behendig naar -binnen; zij hebben een afschuw van eene pen, maar schilderen hunne -gedachten met een penseel in loodrechte zuilen op het papier; zij -meenen dat de nakomelingen de voorouders tot adellijken stempelen, -zoodat men bij hen na den dood graaf of baron kan worden; zij betalen -hun dokter, wanneer zij gezond, maar weigeren betaling, wanneer zij -ziek zijn. Laat die menschen dan ook bruiloft houden bij den bruidegom -in stede van bij de bruid.” - -Een algemeen gelach begroette dien koddigen uitval van den -aspirant-controleur, die niet zacht gesproken had. Zelfs mevrouw Van -Gulpendam stemde met het gelach in, en knikte hem vriendelijk toe. - -„Ziet ge wel, gelukkige sterveling, in welk goed boekje ge staat?” - -„Shut... heeren. Daar komt de moordenaar!” - -„Zoo zonder boeien?” - -„Jawel, de wet vergt, dat de beschuldigde vrij en frank voor zijne -rechters verschijne!” - -„Maar verbiedt niet, dat de suppoosten in zijne nabijheid blijven.” - -„Shut!....” - -Mr. Greveland had een slag op de tafel met den houten hamer gedaan. - -„Deurwaarder, zorg dat er stilte heersche!” sprak hij met waardigheid. - -Deze een sienjo, liep door de pandoppo op en neer, en beijverde zich -stilte te verkrijgen. - -„Shut!... Shut!... dames en heeren!... Shut!” schreeuwde hij, en maakte -daarbij alleen meer leven dan het geheele gezelschap bij elkander. - -De voorzitter klopte herhaaldelijk met zijn hamer. - -„Stilte!” werd er geroepen. - -„Stilte!... Shut!” herhaalde de deurwaarder; terwijl hij bedarend en -smeekend de armen uitstak, alsof hij òf zwemmen òf een storm bezweren -wilde. - -Eindelijk gelukte het al die tongen, al die monden in bedwang te -krijgen. Een der minst volgzamen was de schoone Laurentia. Voor wie zou -zij zich ook als residentsvrouw te ontzien hebben? Die heeren van de -rechterlijke macht zijn ook zoo aanmatigend!.... Maar eindelijk hield -ook haar gekakel op. - -„De zitting is geopend!” sprak de voorzitter plechtig; terwijl hij -andermaal een slag met den hamer deed hooren. - -„Suppoost, laat den beschuldigde nader komen.” - -Setrosmito werd door een der politie-oppassers tot bij de trappen der -estrade voor de tafel gebracht, waar men hem deed nederhurken. De man -zag er ellendig uit. Wie hem vroeger gezien had, zou hem waarlijk niet -herkend hebben. Die lange maanden, welke hij in de gevangenis -doorgebracht had, hadden hunne werking waarlijk niet gemist. Hij was -verschrikkelijk vermagerd; het bruin zijner gelaatskleur was in een -fletsgrauw overgegaan; zijne lange haren, die bij vlokken onder zijn -hoofddoek uitkwamen, waren grijs, schier wit geworden. Hij zag bij zijn -voorwaarts treden schuchter rond, sloeg een smeekenden blik op August -van Beneden, die hem bemoedigend toe wenkte, en hurkte toen gelaten -neder. Bij zijn verschijnen voor de estrade was een hartverscheurende -gil van: „Allah! tobat!” (Ach God!) opgegaan, die een streng: „diam!” -(stilte!) aan den deurwaarder ontlokte. Daar achter stonden ettelijke -Javaansche vrouwen, die de echtgenoote van Setrosmito, welke de zitting -had willen bijwonen, vergezelden. De laatstbedoelde had dien gil, welke -ieder hoofd had doen omwenden, geslaakt, toen zij den ongelukkigen, in -wien zij haren echtvriend ternauwernood herkende, had zien voortreden. -Van Nerekool snelde naar de arme vrouw toe, liet haar door een der -bedienden van den regent een soort tabouret geven, en bracht haar tot -bedaren. - -„Nu stil zijn, ’Mbok Dalima,” [226] sprak hij. „Anders kunt gij hier -niet blijven.” - -Snikkend verborg het arme schepsel het gelaat in hare beide handen. -Allerwege werd gemompeld: - -„De vrouw van den moordenaar!..... Arme vrouw!” - -„Stilte!” brulde de deurwaarder. - - - - - - - -XXXIV. - -EENE LANDRAADZITTING.—VAN BENEDEN’S PLEIDOOI. - - -Toen de opschudding, door dien gil veroorzaakt, bedaard was, begon Mr. -Greveland, zich tot den beschuldigde wendende, het verhoor: - -„Hoe heet gij?” vroeg hij. - -De djaksa vertolkte die vraag in het Javaansch. [227] - -„Setrosmito, Kandjeng toean,” antwoordde beklaagde, met voorover -gebogen hoofd en den blik op den vloer gevestigd. - -„Waar zijt gij geboren?” - -„Te Kaligaweh, Kandjeng toean.” - -„Hoe oud zijt gij?” - -„Dat weet ik niet, Kandjeng toean.” - -„Schrijf maar op: omstreeks veertig jaren,” zei de djaksa tot den -griffier. - -Die had niet noodig dat op te schrijven. Het stond er reeds uit het -voorloopig verhoor. - -„Waar woont gij?” - -„In de cipieran, Kandjeng toean,” antwoordde de beklaagde onnoozel. - -„Maar, voordat gij in de gevangenis kwaamt?” - -„In de dèsa Kaligaweh, Kandjeng toean.” - -„Setrosmito, weet gij waarom gij thans voor den raad verschijnt.” - -„Engèh, Kandjeng toean.” - -„Zeg het ons dan.” - -„Ik ben beschuldigd van opiumsmokkelarij en van moord op een Chinees,” -antwoordde de Javaan uiterst kalm en steeds met neêrgeslagen blik. - -Eene rilling ging door de pandoppo. Algemeen gefluister werd vernomen. - -„Stilte!” vermaande de voorzitter. - -„Stilte!” brulde de deurwaarder. - -„Bekent gij dat gedaan te hebben?” vroeg Mr. Greveland. - -De djaksa herhaalde de vraag. De beschuldigde antwoordde niet dadelijk. -Het was alsof hij zich bedacht. Steelsgewijze wierp hij een blik op -August van Beneden, die hem bemoedigend toesprak: - -„Antwoord vrij uit, Setrosmito.” - -„Neen, Kandjeng toean, ik heb geen opium gesmokkeld. Ik maak nimmer -gebruik van de bedoedan. Ja, ik heb den Chinees gedood, omdat hij zich -onwelvoegelijke handelingen jegens mijn kind veroorloofde.” - -De Javaan sprak uiterst zacht tegenover die heeren en tegenover zijne -hoofden. Hij bezigde daarenboven de Javaansche taal, die bijna door -niemand in de pandoppo verstaan werd, zoodat zijn antwoord geen indruk -maakte. - -„Setrosmito,” ging de voorzitter voort, „luister nu goed. Men zal u -voorlezen, waarvan gij beschuldigd wordt, als ook wat gij zelf en de -getuigen verklaard hebben.” - -„Engèh, Kandjeng toean.” - -Daarop begon de griffier met die eentonige stem, die soort ambtenaren -zoo eigen, de voorlezing van de verschillende verhooren bij de -voorloopige instructie opgemaakt. Dat ging zoo vlug, zoo rad, en met -zoo gedempte stem, dat niemand in de pandoppo, zelfs de voorzitter, die -toch zoo nabij de griffier zat, iets er van begreep. De beklaagde nog -het minst van allen, daar de voorlezing in het Maleisch geschiedde, -eene taal, die door een eenvoudigen Javaanschen dèsaman niet begrepen -wordt. Van tijd tot tijd hield de voorlezer stil, om den djaksa tijd te -gunnen het voornaamste voor den beklaagde te vertalen. Dit ging en zoo -rad en vlug, dat betwijfeld moest worden, of deze ook van die vertaling -iets begreep. Hij zat daar steeds met gebogen hoofd nedergehurkt, hield -den blik onafgebroken op eene plek van den grond gevestigd, frommelde -met beide handen als in de grootste verlegenheid aan de slippen van -zijn baatje, en antwoordde slechts, wanneer de djaksa hem vroeg of hij -begreep: - -„Engèh, Kandjeng toean.” - -De voorlezing was vervelend. Zelfs de leden van den raad fluisterden -onder elkander, en herhaaldelijk moest Mr. Greveland door ernstigen -blik aan dat gefluister een einde maken. Onder de toehoorders evenwel -bepaalde men zich niet tot gefluister, en hoewel men nu wel niet hardop -praatte, zoo ontstond er toch een gebrom en gegons, hier en daar -vermengd met damesgegiechel, dat aan de waardigheid der Justitie wel -afbreuk deed. Te vergeefs riep de deurwaarder al de macht zijner longen -te hulp om stilte te gebieden. Een oogenblik hielp het; maar ook -slechts een oogenblik. Onmiddellijk daarop had het gegons weer plaats, -alsof een geheele bijenzwerm de pandoppo vulde. - -„Wat leest die griffier onverdraaglijk,” grinnikte mevrouw Van -Gulpendam. - -„Hij draagt zijn neus steeds dat baantje op,” antwoordde de heer -Thomasz. - -„Als uw chef dat eens hoorde?” vroeg een der dames. - -„Shut!...” zei de substituut-griffier. „Hij weet niet, dat hij door -zijn voorgevel praat. Hij mocht zich eens willen verbeteren.” - -„Stil, mijnheer Thomasz,” zei Laurentia schaterend. „Gij moet mij niet -zoo aan het lachen brengen.” - -„Ik, mevrouw?” - -„Ja, gij! De resident heeft wel gelijk, als hij beweert, dat gij een -droog komiek zijt.” - -„Is dat de meening van den resident, mevrouw?” - -„Staat het praedicaat u niet aan?” - -„Het is niet vleiend voor een rechterlijk ambtenaar,” antwoorde de -substituut-griffier met een gezicht zoo uiig ernstig, dat de schoonen -het uitgierden. „Denk eens dames! Een komiek griffier!” - -„Schei uit, mijnheer Thomasz,” gilde schier Laurentia. „Zie de heer -Greveland eens een ernstigen blik op u werpen!” - -„Wat duurt dat geprevel lang,” klonk eene stem in het achterste -gedeelte der pandoppo. - -„Als men nog eene sigaar kon aansteken tot tijdverdrijf!” - -„Of een bittertje krijgen!” riep een ander. - -„Ik vroeg straks een glas bier aan den oppasser; ik stik van de dorst!” - -„En?...” - -„Jawel! morgen brengen! „Traboleh, toean”, (dat mag niet, mijnheer) -kreeg ik ten antwoord van dien kanarievogel, die een gezicht zette als -drie dagen west-mousson.” - -„Willen we naar de soos gaan? Die is vlak bij.” - -„Als ik wist, dat die vervelende pruttelaar nog lang werk had....” - -„Stilte!” riep de deurwaarder. „Eerbied toch voor de justitie!” - -Eerbied voor de Justitie!... Men was gekomen uit nieuwsgierigheid en... -men verveelde zich doodelijk. - -Eindelijk had de griffier zijn rol ten einde, en was de laatste vraag -van den djaksa: „hebt gij verstaan, Setrosmito?” geschied, en had deze -zijn eentonig klinkend: „engèh, Kandjeng toean” gepreveld. Er had nog -eenig geschuifel en gemompel plaats, dat zoo krachtig mogelijk door de -stentorstem van den deurwaarder overvleugeld werd. - -Toen de stilte weer ingetreden was, nam de djaksa het woord, om als -officier van het Openbaar Ministerie zijne akte van beschuldiging voor -te dragen. Deze, een merkwaardig stuk, kon evenwel slechts hen boeien, -die van de aanhangige zaak niets afwisten. - -Het was een omvangrijke uiteenzetting der feiten, zooals zij door den -bandoelan Singomengolo opgegeven waren. De officier van het Openbaar -Ministerie nam de beschuldiging van opiumsmokkelarij als overtuigend -bewezen aan. Hij wees op het sluwe van de bergplaats, waar de sluikwaar -onder het pandanmatje der baleh gevonden was. De opium en het doosje, -waarin zij vervat was, lagen daar als stukken van overtuiging ter -tafel! Hij ging in korte trekken na, tot welke listen de smokkelaars -hun toevlucht nemen, hoe zij daarbij eene stoute vindingrijkheid ten -toon spreiden, maar daarbij van de grootste démoralisatie bewijzen -geven. Ernstig ontwikkelde Mas Wirio Kesoema, hoe de opiumhartstocht -hand over hand op Java toenam, hoe die hartstocht vooral voeding vond -door den smokkelhandel. Hij werd schier welsprekend, toen hij op de -noodzakelijkheid drukte, om dien morshandel met alle ten dienste -staande middelen te breidelen. - -„Gaat eens in uw gedachten na,” riep hij met schier indrukwekkende stem -uit, „hoeveel millioenen door die bedrieglijke handelingen aan ’s rijks -schatkist ontsnappen, waardoor èn de welvaart van het groote rijk der -blanken ginds aan de overzijde van de onmetelijke wereldzee gelegen, èn -de welvaart van geheel Indië, maar vooral van ons gezegend Java -ergerlijk benadeeld worden. Die millioenen zijn niet bij eenheden, maar -bij tientallen te tellen; en vraagt u nu eens af, welk nuttig gebruik -van die schatten kon gemaakt worden, wanneer zij regelmatig en -ongestoord in ’s lands kas vloeiden!” - -Bij die laatste zinsnede had de hoofddjaksa, die aanvankelijk meer het -woord tot de leden van den landraad richtte, zich naar het publiek -gewend, overtuigd dat zijne woorden daar wel instemming zouden vinden. -Het waren toch voor het meerendeel Nederlanders, die daar verzameld -waren, en op die miste dat geklikklak van tientallen millioenen, -hetwelk een weerklank van geldstukken, die tegen elkander geschud -zouden zijn, liet hooren, zijnen invloed niet. Een goedkeurend gemompel -werd vernomen, vele knikken van goedkeuring werden ontwaard, en menige -stem prevelde onhoorbaar zacht: - -„Ja, als we van dien ellendigen opiumsmokkelhandel verlost waren!” - -Sterk door die bewijzen van instemming, die zijn vluggen blik niet -ontgaan waren, uitte Mas Wirio Kesoemo dan ook de hoop, dat de rechters -geene gelegenheid zouden laten voorbijgaan om die slang, die zich ten -koste van de volkswelvaart voedde, te verpletteren, en rekende er op, -dat zij den beschuldigde, die voor hen zat, en die zich nog aan eene -andere veel grootere euveldaad schuldig had gemaakt, de zwaarst -mogelijke straf zouden opleggen, door de reglementen en wetten -aangegeven! Zij zouden daardoor daadwerkelijk aanspraak verwerven op de -dankbaarheid van de geheele Nederlandsche natie! - -Het scheelde weinig, of het meerendeel der aanwezigen in de pandoppo -had met een daverend handgeklap een voorproef van die dankbaarheid -gegeven. Een enkel bravo-geroep werd vernomen, maar onmiddellijk gesust -onder het indrukwekkende geschreeuw van: „stilte! stilte!” van den -deurwaarder. - -De hoofddjaksa was bij zijne laatste woorden tot het tweede gedeelte -van de beschuldiging, waaronder Setrosmito gebukt ging, -gekomen,—namelijk die van moord op den Chineeschen bandoelan,—welke met -de misdaad van smokkelarij een ondeelbare zaak uitmaakte. - -Schier ademloos hing het geheele publiek aan zijne lippen, toen hij, -zijn requisitoir vervolgende, een verhaal gaf, hoe de beschuldigde zich -tegen de huiszoeking verzet had; hoe hij bij het vinden van het -noodlottige doosje vertoornd den bandoelan voor „gemeenen hond” had -gescholden; hoe hij naar de kris gegrepen en zich, toen Singomengolo -verschrikt achteruitgestoven was, op den Chineeschen opiumjager gestort -had, en dien weerloozen, het gesiksakte lem van de kris door de keel -gehaald had; terwijl moordenaar en vermoorde door een gulp bloed -overstroomd werden. - -Die beschrijving, in al hare ruwheid voorgedragen, verwekte een diepe -sensatie onder de menigte. Een der dames viel onder het slaken van een -gil in onmacht, en moest naar buiten gedragen worden. Dat gaf eenige -opschudding, waarbij Setrosmito een angstigen blik achter zich wierp, -om toch te zien, wat er gebeurd was. - -„Stilte!... Stilte!” schreeuwde de deurwaarder met onvermoeide longen. - -Toen de menigte tot bedaren gebracht was, ging Mas Wirio Kesoemo voort -met op de toenemende stoutmoedigheid der smokkelaars te wijzen, die -voor geen moord terugdeinsden, om hunne sluikwaar te redden. Hij drong -er op aan, dat de rechtbank een streng voorbeeld zoude stellen, ter -bescherming der opiumpolitie, die anders hare zoo zwaarwichtige zaak -niet zou kunnen volvoeren; en eindigde zijn requisitoir met den eisch -van de straffe des doods door ophanging, of mocht de verdediging er in -slagen verzachtende omstandigheden te bepleiten, tot twintigjarigen -dwangarbeid in den ketting. - -Toen de djaksa zweeg, heerschte er een diepe stilte in de pandoppo. Men -zou een speld hebben kunnen hooren vallen. De eisch van een -menschenleven maakt steeds een vreeselijken indruk op de menigte, hoe -wuft die ook wezen moge. Een soort van betoovering snoerde aller -monden, het was alsof eene algemeene beklemming aller harten tot -stilstand dwong. Die stilte duurde een korte poos, en was allen -ondragelijk; terwijl niemand zich aan den invloed daarvan wist te -ontworstelen. Een zucht van verlichting ontsnapte dan ook aan aller -borst, toen de voorzitter die stilte verbrak. - -„Setrosmito,” vroeg Mr. Greveland, „hebt gij gehoord, wat de -„toean-pfiskal” (heer-fiskaal) gezegd heeft?” - -De beschuldigde keek op die vraag den spreker aandachtig aan, maar -antwoordde niet. Het geheele requisitoir was in het Maleisch -voorgelezen, waarvan de eenvoudige dèsabewoner geen woord verstaan had. -Dat drukte zijn gelaat genoegzaam uit. De voorzitter herhaalde zijne -vraag, die door den djaksa vertolkt werd. Setrosmito sloeg een blik op -August van Beneden, en antwoordde op een hoofdknik van dezen: - -„Engèh, Kandjeng toean.” - -„En hebt gij daar niets op aan te merken?” - -Een nieuwe blik op den advocaat. - -„Bottèn, Kandjeng toean,” klonk het onverschillig. - -Een kreet van afgrijzen ging in de pandoppo op. - -„Stilte!... Stilte, heeren!” brulde de deurwaarder. - -„Het woord is aan de verdediging!” sprak daarop Mr. Greveland, toen hij -zich kon doen verstaan. - -„Eindelijk!” prevelde Grashuis diep ademhalend. - -„Nu zullen wij wat moois hooren!” zei mevrouw Van Gulpendam smalend, en -zoo overluid, dat de advocaat haar hooren kon. - -Deze verrees kalm van zijn stoel, veegde zich, alvorens het woord te -nemen, het zweet af, dat op zijn voorhoofd parelde, en sprak met eene -duidelijke stem, die door de geheele pandoppo weerklonk: - -„Het proces, dat voor U Edel Achtbaren thans gevoerd wordt, behoort -gansch eigenaardig op Java te huis, ja, zou op geen andere plek der -aarde mogelijk wezen. Niets eenvoudiger dan de eisch van het Openbaar -Ministerie! Er is gesmokkeld, er moet gestraft worden! Er is gedood, er -moet gehangen worden! Zeker, het recht moet zijn loop hebben! Die -misdaan heeft moet gestraft worden. Wij leven in het Oosten, in het -land der vergeldingswet: Oog om oog, tand om tand! Maar, zelfs -tegenover die harde wet, der beschaving zoo onwaardig, staat het recht -van onderzoek, het recht van verdediging, dat vooral onze mildere -wetgeving den beklaagde verzekert, en waarvan ik namens den -ongelukkige, die voor u zit zijn lot af te wachten, wensch gebruik te -maken. - -„Hadden zich de daadzaken toegedragen, zooals die door het Openbaar -Ministerie zijn uiteengezet, dan zou mij niets anders overblijven dan -den rampzaligen in de clementie van de rechtbank aan te bevelen. Maar, -neen, dan zou ik mij niet ingelaten hebben met eene verdediging, die -door mijn gemoed zoude veroordeeld worden. Ik ben dus eene andere -meening toegedaan, dan het Openbaar Ministerie en ik ben gereed de -gronden te ontwikkelen, die mij tot een geheel andere conclusie zullen -voeren, dan wij zoo even gehoord hebben. Leent mij derhalve eene -onverdeelde aandacht. - -„Maar, alvorens tot die ontwikkeling over te gaan,” ging de jeugdige -advocaat met sympathieke stem voort, „wensch ik hulde te brengen aan -den ijver, aan de toewijding, aan het schrandere begrip van een man, -van wien ik moeielijk zonder terughoudendheid spreken kan, omdat ik -door de innigste vriendschapsbanden aan hem verbonden ben. - -„De heer Willem Verstork, die controleur van de afdeeling Banjoe Pahit -was, toen de feiten plaats hadden, welke ons bezighouden, nam de taak -op zich, om naast de instructie, die van wege den officier van Justitie -ingesteld werd, de onderzoekingen, die hij begonnen had, voort te -zetten. Hij heeft het resultaat zijner bevindingen in handen der -bevoegde autoriteiten gesteld. Waarom die niet bij de stukken der -procedure aangetroffen worden? Vergeeft mij, dat ik daarover heenglijd. -Ik zou zoo’n poel van ongerechtigheden aan te roeren hebben, in -onmiddellijk verband staande met de opium-pacht, dat ik daarvoor te -eerder terugdeins, daar ik een aanzienlijk gedeelte van uwen kostbaren -tijd daartoe zou moeten in beslag nemen. Voor de zaak van den -ongelukkige, die ik te bepleiten heb, zal het voldoende zijn te -constateeren, dat de stukken, waar ik op doel, onwraakbaar bestaan, en -dat ik volkomen authentieke afschriften daarvan, door den Gouverneur -van Atjeh en door den Directeur van Justitie te Batavia behoorlijk -gelegaliseerd, hier voor mij heb liggen. - -„Gij allen,” en hierbij wendde de jeugdige advocaat zich met een -sierlijke beweging zoowel naar de leden van den landraad als naar het -publiek, „kent Willem Verstork, en zou ik kunnen heenglijden over de -edele eigenschappen, welke het karakter van dien landsdienaar sieren, -ware ik der verdediging, die ik op mij genomen heb, niet verplicht Mr. -Greveland, den voorzitter van den raad, die eerst onlangs te Santjoemeh -aankwam, op de hoogte te brengen, dat de schrijver der stukken de -onkreukbaarste ambtenaar is, die de achting en liefde van al zijne -ondergeschikten, hetzij Inlanders of niet, heeft weten te verwerven; -dat hij de edelste zoon en bloedverwant is, die voor zijne moeder en -zijne nog jongere zusters en broeders alles over heeft; en dat ik geen -tegenspraak te vreezen heb, wanneer ik in dezen kring verklaar, dat hij -is de rechtschapenste mensch, die zich in onze Nederlandsche kolonie -beweegt.” - -Een stormachtige toejuiching, gepaard met een oorverdoovend handgeklap, -was het antwoord van dat beroep op de algemeene instemming. Terwijl zij -aan den eenen kant mevrouw Van Gulpendam de lippen van kwalijk verbeten -toorn op elkander deed klemmen, maakte zij den deurwaarder schier -waanzinnig, die dan ook zijn „stilte!” met alle macht hooren deed. - -„Terwijl ik toch met ingenomenheid eene zoodanige hulde begroet, een -onzer verdienstelijke ambtenaren gebracht, waarvan ik reeds veel -vernam,” sprak Mr. Greveland, na met zijn hamer de noodige stilte -verkregen te hebben, „zie ik mij evenwel verplicht tegen dergelijke -betuigingen hetzij van bijval, hetzij van afkeuring te waarschuwen, -daar ik anders verplicht zoude zijn het lokaal te doen ontruimen!... -Mr. Van Beneden mag ik u verzoeken met uwe verdediging voort te gaan.” - -„Na het gepleegde feit,” ging August voort, die zich den tijd te nutte -gemaakt had, om zich het voorhoofd af te wisschen en een teug ijswater -te verorberen. „Na het gepleegde feit trok Verstork herhaaldelijk naar -Kaligaweh. Hij herinnerde zich Racine’s vers: - - - Un seul jour ne fait point d’un mortel vertueux, - Un perfide assassin, un lâche meurtrier! - - -„Hij meende Setrosmito te kennen; maar hij wilde zich grondig -overtuigen. En allerwegen vernam hij, dat de man, die daar voor u zit, -gebukt onder de zoo zware beschuldiging, welke wij gehoord hebben, een -onbesproken echtgenoot is, een braaf vader, een arbeidzaam landbouwer, -een van die onderworpen naturen, die, door hun veelvuldig voorkomen -hier op Java, het mogelijk maken, dat geheel een volk, dat terecht het -zachtmoedigste der aarde genoemd wordt, den nek kromt onder het juk, -dat het met fiskalische wreedheid op de schouders is gelegd. Ik heb -hier een stuk voor mij liggen, waarbij de wedono van het district -Banjoe Pahit getuigt, bij gelegenheid, dat er een loerah voor de dèsa -Kaligaweh moest gekozen worden, niemand waardiger geacht moest worden -dan Setrosmito, vooral omdat hij geheel vrij was van opium-verbruik; -maar dat hij toch die keuze moest ontraden, omdat de eenvoudige -sawahbewerker niet lezen of schrijven kon. - -„Hoe komt het, dat zoo’n man, waarvan zulke onwraakbare getuigenissen -te geven zijn, voor u zit als een opiumsmokkelaar, als een moordenaar? - -„Opiumsmokkelaar!... O! uw oog heeft reeds verraden, wat in uwe zielen -omgaat. Gijlieden weet genoegzaam, wat in de residentie Santjoemeh -gebeurt. Gij keert het hoofd af, wanneer gij dat woord hoort! -Opiumsmokkelaar!... Waarop grondde het Openbaar Ministerie die -beschuldiging? Op niets anders, gij hoordet het, dan op de verklaring -van een bandoelan van den opiumpachter, van een afzichtelijk wezen, die -door de publieke opinie, als tot alles in staat, gebrandmerkt wordt! Op -niets anders dan op dat doosje, dat daar ligt, hetwelk Singomengolo bij -den beklaagde zoude gevonden hebben! Maar,... het is nog zoo lang niet -geleden, dat hier op diezelfde tafel een aantal doosjes lagen, -afkomstig van denzelfden bandoelan; terwijl U Edel Achtbaren zich toen -genoopt zagen, de dochter van den beklaagde vrij te spreken, bij wie -diezelfde man volgens zijne verklaring een dergelijk doosje zoude -gevonden hebben. Met welke bewijzen wordt die verklaring van den -bandoelan gestaafd, dat dit doosje onder het pandan-matje van de -baleh-baleh in Setrosmito’s woning gevonden werd? Door geen enkel, -hoort ge? Door geen enkel! Wij daarentegen kunnen op bewijzen steunen, -die onweêrlegbaar blijken. Ik neem al weer mijn toevlucht tot de -geschriften van Verstork. Luistert: - -„„Toen de Chineesche bandoelan, van een paar oppassers vergezeld, zich -aan de hut van Setrosmito aanmeldde, om huiszoeking te doen, werd hem -dat gereedelijk toegestaan, nadat die drie zich aan de gewone visitatie -hadden onderworpen. [228] Toen werd niets gevonden, ook niet onder het -pandan-matje van de baleh-baleh. Dat hebben mij de twee -politieoppassers en de dèsalieden Sidin en Sariman, die bij de -huiszoeking tegenwoordig waren, onder aanbod van eede verklaard. De -laatsten betuigden zelfs, dat bedoeld pandan-matje tweemalen opgetild -was geworden, en dat de Chinees het hoofdkussen, hetwelk daarop lag, -nauwkeurig doorzocht had.” - -„Dat is duidelijk, mijne heeren! Maar laat ik met de lezing van -Verstork’s schriftuur vervolgen: - -„„Later kwam Singomengolo om zelf huiszoeking te doen. Toen deze zich -niet aan de gebruikelijke visitatie wilde onderwerpen, protesteerde -Setrosmito en zeide: „dan zal er wel opium in mijn huis gevonden -worden. Ik ken die streken!” Ik heb een bewijs van dat alles, door den -kebajan der dèsa geteekend, hier bij mijn schrijven gevoegd.” - -„En er werd opium gevonden, mijne heeren! En wel ter plaatse, waar de -Chineesche bandoelan, toch een slimme vogel, tot twee keeren niets -gevonden had! Is dat duidelijk of niet? - -„Opiumsmokkelaar!.... De raad zal begrijpen, dat ik die beschuldiging -ver, ver wegwerp, niet omdat ze niet rechterlijk zoude bewezen zijn,—in -opium-procedures worden soms de vreemdsoortigste bewijzen -aangenomen,—maar omdat mijn cliënt geheel onschuldig en het slachtoffer -is van een dier snoode aanslagen, die,—iedereen weet dat,—zoo -gewoonlijk gebezigd worden, wanneer iemand uit den weg geruimd moet -worden, of wanneer een ellendeling zich wreken wil. - -„Opiumsmokkelaar!... Het Openbaar Ministerie heeft met onmiskenbaren -toeleg gewezen op de millioenen, die door den sluikhandel voor de -schatkist verloren gaan. Wiens hart heeft niet getrild bij de -ontwikkeling van die welsprekende woorden, al zij het dan ook van niet -edele gevoelens! Ja, daar gaan millioenen door den sluikhandel -verloren, maar niet op de wijze, zooals het ons voorgelegd werd, niet -in doosjes, waarin slechts voor luttele waarde geborgen is. De -millioenen, die gesloken worden... Och, heb ik wel noodig aan te -wijzen, wie de sluikers zijn? Uw hart heeft de namen reeds geraden, uw -mond die reeds gepreveld. Die sluikers verblinden ongemoeid de goê -gemeente met hunne weelde, en houden er Singomengolo’s op na, om -ongelukkigen, die hen hinderlijk zijn, uit den weg te ruimen. Heb ik -wel noodig die namen, die op aller lippen zweven, te herhalen? Och, wat -zou het baten? Een Procureur-Generaal van het hoogste rechterlijke -college was eens zoo vrij den vinger op de wond te leggen, en zijne -onthullingen aan den Gouverneur-Generaal te doen. Wat heeft het -gegeven? Vraagt u dat af.” - -Hier stokte de advocaat een oogenblik, als wilde hij die laatste -woorden, aan welke hij de scherpte eener wig gegeven had, tijd gunnen -in het brein zijner toehoorders te dringen. Het was stil, zeer stil in -die ruimte, en schier ademloos zat de menigte daar, de woorden van den -jeugdigen rechtsgeleerde aan te hooren. Allen waren onder den invloed -van zijn woord, en op ieders gelaat was te lezen: „Ja, dat is de -toestand, zooals hij door de Regeering met haar gruwelijk -monopoliestelsel in het leven geroepen is, zooals hij door haar met -allen ijver gekweekt en bestendigd wordt.” - -„En nu het tweede feit, waarvan mijn cliënt beschuldigd is,” ging -August van Beneden, na eene korte pauze, voort. „Zal het mij gelukken -hem ook van die aantijging te zuiveren, zooals ik dat van het eerste -deed? Hier valt niet te ontkennen. De daad is gepleegd. Het slachtoffer -ligt in het graf, en het wapen, de kris, waarmede de daad volbracht -werd, bevindt zich daar voor u. Het Openbaar Ministerie heeft -afgrijselijk plastisch aangegeven, hoe de beschuldigde dat wapen door -de keel van den verslagene gehaald heeft. De toeleg daarvan is niet -onduidelijk; toch heeft het de verdediging daarmede meer dienst gedaan -dan de afgrijselijke indruk, daardoor teweeg gebracht, nadeel heeft -kunnen uitoefenen. Want, hier moet al dadelijk de vraag rijzen: hoe -komt een wezen van zoo zachtmoedigen aard, als de man is, dien ik u -deed kennen, tot zoo eene daad van woest geweld? - -„Ik beroep mij alweêr op het onderzoek van den controleur Verstork. Dat -onderzoek heb ik op den voet gevolgd; ik heb het als het ware herhaald. -Laat mij u mededeelen, wat ik daarbij ervoer. Ja, ik zal daarbij -plastisch zijn, maar het Openbaar Ministerie heeft mij daarvan het -voorbeeld gegeven. Ja, ik zal in bizonderheden moeten afdalen, die het -gehoor van mijn auditorium zullen aandoen; maar ik word door de taak, -die ik op mij heb genomen, er toe gedwongen!” - -En nu ontwikkelde de jeugdige rechtsgeleerde eene welsprekendheid, -welks weêrga men nimmer te Santjoemeh, nimmer in geheel -Nederlandsch-Indië wellicht vernomen had. Hij sprak niet alleen, hij -bezigde ook gebaren. Hij „speelde comedie,” zooals mevrouw Van -Gulpendam hatelijk tot eene vriendin prevelde. Ja, hij vertoonde dat -drama, hetwelk hij heropbouwde, zooals Cuvier met een enkel -wervelbeentje het geheele geraamte van een antediluviaansch monster te -voorschijn tooverde. Hij vertoonde als het ware, hoe de opiumjagers die -rustige hut van den eerzamen landbouwer binnendrongen; men zag, hoe -Singomengolo weigerde zich aan ieder onderzoek te onderwerpen; men -woonde het bij, hoe de aterlingen het schamele, huisraad het onderste -boven haalden; men vernam, hoe de kinderen schreiden bij de losbandige -handelingen der aterlingen, die noch jeugd, noch kunne ontzagen; men -hoorde schier den kreet van „Allah tobat!” van de radelooze moeder, -maar aanschouwde tevens, hoe Setrosmito bij dien kreet het oog van -Singomengolo had afgewend, en hoe deze van die verstrooiing gebruik -maakte, om met triomfeerend gebaar de sluikwaar te voorschijn te -brengen. Hoe de toorn en de verontwaardiging over zoo’n daad den -ongelukkigen Javaan tot het bezigen van een scheldnaam verleidde; hoe -die met een vuistslag vlak voor den mond door Singomengolo beantwoord -werd; hoe dolle drift, door die handtastelijkheid opgewekt, den -ongelukkigen de hand naar de kris deed uitsteken; hoe in dat oogenblik -de kreet van de kleine Kembang weerklonk, en den toestand van het -zevenjarige meisje, dat aan de gemeenste betastingen ten prooi stond -van den laaghartigen Chineeschen bandoelan, voor den rampzaligen vader -onthulde;... dat alles ging voor de oogen der rechters, der -toeschouwers voorbij, en maakte diepen indruk op aller gemoed. - -Het „laat los” door den van woede ziedenden vader uitgekreten, werd -door den advocaat met onvergelijkelijke energie herhaald; beschreven -werd door hem, hoe de aterling in stede van aan dat bevel te -gehoorzamen voortging met de ontuchtige beweging, waarop het „sterf -dan!” weerklonk op eene wijze, die de geheele pandoppo met ontzetting -vervulde. - -Het was een benauwende droom, die allen beklemde. Aller oogen, aller -harten hingen aan de lippen van den advocaat, die daar stond, alsof hij -de geest van het treurige drama was, dien hij door zijn woorden -opgewekt had. Zelfs Setrosmito, die van de geheele rede, die in het -Nederlandsch gevoerd werd, geen woord begrepen had, en geruimen tijd -steeds met gebogen hoofd voor zich had zitten kijken, had zich -langzamerhand naar zijn verdediger gewend en zijn blik diep -doordringend op den jongen man gevestigd. Neen, hij verstond dien -woordenvloed niet! Maar hij begreep de gebaren. Hij zag daar zijn -geschandvlekt kind; hij zag de hand van den advocaat het noodlottige -gebaar, dat een menschenleven kostte voltooien. Met van hartstocht -tintelende oogen knikte hij den jongen man toe, terwijl dikke tranen -over zijne wangen biggelden. - -„Engèh, mekatèn, Kandjeng toean!” (Ja, zoo is het gebeurd,) prevelde -hij hoorbaar te midden der diepe stilte, die heerschte, tot de -Javaansche hoofden en strekte de armen smeekend uit. - -„En, als ik nu, na den gang der feiten”, zoo vervolgde August van -Beneden zijne pleitrede met klimmende geestdrift, „onweerlegbaar -afgebakend te hebben, de vraag stel: „Is die man schuldig, die, ja een -mensch doodde, maar niet anders deed, dan op te treden in een -noodlottig oogenblik tot bescherming van zijn onschuldig kind?” Wat zal -dan het antwoord op die vraag zijn? Zou iemand den steen kunnen werpen -op dien man, die het wapen trok en hanteerde, maar om zijn kind te -vrijwaren van de snoodste mishandeling, die in het bijzijn van een -vader gepleegd kan worden? Ja, maar,.... het geldt de opiumpolitie, -hoorden wij uit de akte van beschuldiging! Zou ik kunnen denken, dat -iemand hier onder het dak aanwezig is, die ter wille van die -opium-politie het schuldig zou wenschen uitgesproken te zien, dan zou -ik in volle wanhoop uitroepen: wee der natie, welke zoo’n aterling -bevat, die ter wille van de opium-pacht zoo de rechtsbeginselen met -voeten treedt! Die natie is hare ontbinding nabij!” - -Onbeschrijflijk was de indruk, welke die woorden op de menigte teweeg -brachten. Het was of eene huivering allen daar in die pandoppo -overviel. - -„En nu,” ging de jeugdige rechtsgeleerde, zich tot het Openbaar -Ministerie wendende met klimmende zeggingskracht voort, die de -huivering tot rilling deed overgaan. „En nu, ga voort, gij! Stapelt de -eene rechterlijke dwaling op de andere, maakt er u een voetstuk van, -trek uw onfeilbaarheid hoog genoeg op, dat de kreet van de ten offer -gebrachte onschuld aan de opiumpacht, dien onverzadelijken Minotaurus, -uw oor niet zal kunnen bereiken! - -„Van boven zal eindelijk de wederlegging en de wedervergelding u -eenmaal bereiken. Eens zal het Nederlandsche volk ontwaken, en, bij -gebreke van den bliksem des Allerhoogsten, de euveldaders, de -aanbidders van den opium-afgod verpletteren! - -„Wat u betreft, heeren rechters,” vervolgde August met veel zachtere -stem, maar toch met geestdriftvolle overtuiging, die onmogelijk te -wederstaan was, tot de leden van den landraad. „Wat u betreft, stelt u -in de plaats van den ongelukkige, wiens oogen straks tranen vergoten, -toen ik het voorgevallene ook voor hem bevattelijk schetste. Stelt u -voor, welke oogenblikken van hope en vreeze, welke oogenblikken van -doodsangsten die man, die daar zijn lot zit af te wachten, ondergaan -heeft en in dezen stond ondergaat; dan zult gij eenigermate de -onuitsprekelijke vreugde kunnen beseffen, die den ongelukkigen -moordenaar, die zijn geheel gezin vervullen zal, wanneer gij over -eenige minuten het „niet schuldig” zult uitspreken, en gij een vader, -die zoo zijn gezin weet te verdedigen, aan zijne kinderen zult -weergeven.” - -Na die woorden viel meester Van Beneden uitgeput op zijn stoel neder. -Het was reeds laat en de zon stond hoog in het zenith aan den hemel. -Een benauwende warmte heerschte in de pandoppo, en drukte loodzwaar op -de menigte; terwijl een onmetelijke ontroering allen bevangen had, -welke het hare er toe bijdroeg, om de gemoederen als in eene schroef te -klemmen.... Een oogenblik heerschte er een huiveringwekkende stilte, -die door enkele snikken afgebroken werd.... Toen barstte eene algemeene -toejuiching los, die het dakgebinte tot in den nok deed trillen, en die -de deurwaarder, hoe omvangrijk zijn stentorstem ook was, onvermogend -was, tot bedaren te brengen. - -Gedurende geruimen tijd hielden die uitingen van geestdriftvolle -instemming met het gesprokene aan, en bedaarden eerst, toen de -voorzitter andermaal dreigde het lokaal te zullen doen ontruimen! - -Het Openbaar Ministerie was verpletterd. Zich door den stroom -medegesleept gevoelende, die de geheele beschuldiging verzwolgen had, -poogde de djaksa te verwerven, dat de zitting verdaagd werd. Maar die -poging mislukte. Mr. Greveland doorzag toch, welken betreurenswaardigen -indruk die verdaging zoude teweeg brengen. - -In de noodzakelijkheid zijnde, om dadelijk te repliceeren, kon Mas -Wirio Kesoemo niet anders dan beneden zijn onderwerp blijven. Hij -prevelde, zonder dat hem eenige aandacht geschonken werd, ettelijke -omsamenhangende volzinnen, waarin zoo iets voorkwam van de -noodzakelijkheid om de opiumpacht en de bandoelans te beschermen. Hij -stotterde, draalde, hervatte later en zweeg eindelijk, zonder dat hij -eenige oplettendheid verworven had. - -Toen hij geëindigd had, vroeg de voorzitter, of de verdediging van haar -recht tot antwoord gebruik wenschte te maken. - -Mr. Van Beneden volbracht toen een prachtig gebaar van minachting. - -„Neen, mijnheer de voorzitter,” antwoordde hij, „alles wat ik zou -kunnen zeggen, zou slechts den indruk verzwakken van het gesprokene -door het Openbaar Ministerie, wien de beklaagde nog meer dan aan de -verdediging zijn invrijheidstelling verschuldigd zal zijn!” - -Na een oogenblik van stilte vroeg de voorzitter aan den panghoeloe, wat -het heilige boek voorschreef. - -„Oog om oog, tand om tand!” sprak deze op slaperigen toon uit. „Die man -heeft gedood, die man moet sterven!” - -Een kreet klonk door de ruimte. „Een Javaansche vrouw was flauw -gevallen,” mompelde men. - -De leden van den raad trokken zich in de raadkamer terug. Na een lange -poos verschenen zij weder en las de griffier een breed gemotiveerd -vonnis voor, waarin, na een ontelbaar „aangeziens” en „overwegendes” -eindelijk het „onschuldig” voor beide feiten uitgesproken werd. - -Nu brak een ware storm los. De meeste toeschouwers vlogen op Van -Beneden toe, om hem geluk te wenschen met de behaalde overwinning. -Zelfs de voorzitter, wel verre van thans die algemeene geestdrift te -stuiten, sloot zich daarbij aan. August trok den steeds gehurkt -zittenden Setrosmito overeind, fluisterde hem iets in het oor, dat door -den regent bevestigend herhaald werd. De Javaan wierp een enkelen blik -op den jeugdigen rechtsgeleerde, wiens hand hij op zijn borst drukte, -terwijl hij eenige onverstaanbare woorden uitte; maar die blik was voor -August voldoende. Daarin was zich niet te vergissen: dat was de blik -van eene dankbare ziel. Achter in de pandoppo mompelde eene stem: „De -gerechtigheid der blanken is groot!” - -Een oogenblik later was de menigte uit elkander. - -„Drommels,” zei Grashuis bij het naar huis gaan tot den advocaat, „ik -ben nog onder de betoovering. Dat is te begrijpen! Maar, hoe hebt gij -het aangelegd, om de Inlandsche leden van den raad onder uwen invloed -te krijgen?” - -„Wel, heel eenvoudig. Gisteren avond heb ik hun mijn pleidooi in het -Maleisch voorgelezen!” [229] - -„O, zoo! Nu, dat is leuk!” - -De jeugdige rechtsgeleerde verzweeg, dat bij die gelegenheid de oude -regent van Santjoemeh zijne hand had gegrepen en hem toegefluisterd -had: - -„Gij zijt een braaf mensch!” - - - - - - - -XXXV. - -TWEE VRIENDINNEN IN HET KARANG BOLLONGSCHE. - - -Op de westelijke helling van den Goenoeng Poleng, [230] die bergmassa, -welke als het ware de kern uitmaakt van het Karang Bollonggebergte, aan -Java’s zuiderstrand gelegen, verhief zich in de nabijheid van de kleine -dèsa Ajo, een schamel hutje, dat daar tusschen een paar ribben van den -steilen bergwand voor het oog van de van noord en zuid naderenden, als -in een terreinplooi verscholen lag. - -De plek, waar het hutje stond, kon schilderachtig genoemd worden. Wel -is waar, werd aan de achterzijde het uitzicht belemmerd door het steil -oploopend terrein, dat rotsachtig en derhalve slechts met een mager -stekelig gras of met bergstruikjes bedekt was. Ook ter weerszijden was -de blik beperkt, door de slechts spaarzaam met teelaarde bedekte -rotswrongen, die de boorden uitmaakten van de versteende plooi, welke -het gebouwtje verborg. Maar aan den voorkant strekte zich een -vergezicht uit, dat in liefelijkheid en schoonheid uitmuntte, en alles -vergoedde, wat het landschap aan de andere zijden tekort kwam. Van het -schamele voorgalerijtje gezien, daalde de helling vrij schielijk, en -opende daardoor een horizon, die wat afwisseling betrof, de meest -eischende verbeelding moest voldoen. Vooreerst spreidde zich het -hellend vlak voor de toeschouwers uit, dat zich aanvankelijk kaal en -slechts met bruin verweerde rotsblokken en struikjes bezaaid, -vertoonde, waartusschen een paadje grillig slingerde, als wilde het een -wedstrijd in bochtige wendingen aangaan met een beekje, dat kronkelend -en klaterend, klotsend en schuimend langs zijne phantastisch ingesneden -bedding voortspoedde en bruischte. Maar lager op die helling begon het -plantenrijk zich al meer en meer te doen gelden, nog maar door enkele -boomen met krom verwrongen stammetjes en knoestige takken, later door -meer opgaande vertegenwoordigers van het gebied van Silvanus, om -eindelijk over te gaan in een vruchtboomen-boschje, waarboven ettelijke -klapperboomen met hunne sierlijke bladeren en pluimen uitstaken, en dat -allerbevalligst den omtrek der kleine dèsa Ajo aangaf. - -Liefelijk vertoonden zich van die hoogte de hutten der Inlanders met -hare bruine daken en goudgele omwandingen te midden van het levendig -groen, en spiegelden zich in de Kali Djetis, die de dèsa ten westen -begrensde, daar ter plaatse een sierlijken bocht beschreef, om zich met -eene breede monding in den Indischen Oceaan te storten. - -Ook de aanblik van die wereldzee bracht het zijne bij om het panorama, -dat zich voor de hut uitspreidde, tot een zeer merkwaardig te maken. -Was toch de zee kalm, dan strekte zij zich met haar donkerblauw vlak -eindeloos, eindeloos ver, tot bij den gezichteinder uit, die daar ginds -zijn onberispelijken boog vormde, en glinsterde onder de tropische -zonnestralen als een spiegel van metaal; terwijl eenige weinige -visschersvaartuigen, die de Moeara Djetis trachtten binnen te komen, -met hare blanke maar vreemdsoortige zeilen de watervlakte aangenaam -stoffeerden. Stond de zuidoost-passaat stevig door en werd die in zijn -opruiende beweging door den vloed geholpen, ja, dan was er geen zeil te -bespeuren; maar dan rolden machtige deininggolven aan, die bij het -bereiken van de riviermonding, onder den tegenstand, dien zij van het -afstroomende bergwater ondervonden, woest opsteigerden, een oogenblik -als een blauwen muur voortrolden, om eindelijk zich in eene machtige -krul over te buigen, in verblindend schuim te breken, en zoo eene -branding of beter eene baar te vormen, die een verheven schouwspel -opleverde, welke de Moeara in eene kokende melkzee veranderde, maar ook -ieder vaartuig met verwoesting en verderf bedreigde, dat door zoo’n -golf overvallen werd. Dan werd daar een „prororoca” [231] in het klein -vertoond, welk natuurtafereel evenwel, van het standpunt der hut, in -zijne geringste bizonderheden kon waargenomen worden. - -Het hutje zelf was een schamel gebouwtje, dat even als alle anderen van -die soort van de meest primitieve materialen, bamboe en atap, -vervaardigd was. Het was eigenlijk slechts een omwand en overdekt klein -vierkant, waarin aan de voor- en de achterzijde eene deur uitgespaard -was, die daar ter plaatse op een soort galerijtje opende; terwijl in de -flankzijden een paar vierkante luiken den dienst van vensters moesten -verrichten. Of het innerlijke van dat vierkant in vertrekjes afgedeeld -was, weten wij niet. De blik van den romanschrijver mag niet altijd de -onbescheidenheid te ver drijven. Hij is gedwongen sommige gevoeligheden -te sparen. Hij mag zijne lezers een opiumkit binnenvoeren, en hen al de -gruwelen openbaren, die daarin voorvallen, wanneer hij zich ten doel -stelt door de afzichtelijkheid der tooneelen tot verbetering te leiden; -hij mag echter niet doelloos eene hut voor zijnen lezer openen, -waarin..... - -Maar, hoe schamel het gebouwtje ook was, hetwelk daar op die -berghelling eenzaam en verlaten stond, hoe armoedig het zich ook -voordeed, toch onderscheidde het zich van die hutten daar ginds, daar -beneden, van de hutten der dèsabewoners. Het was namelijk proper, en -droeg niet den stempel van onreinheid, welke veelal de Javaansche -woning van den eenvoudigen dorpsbewoner kenmerkt, wanneer Europeesch -toezicht daaraan ontbreekt. De Javanen zijn en blijven een Oostersch -volk, en hebben hunne punten van overeenkomst met andere takken van die -groote afstamming, men moge hen Mooren, Hindoe’s, Arabieren, Chineezen, -Egyptenaren, Berbers of zelfs Grieken, Italianen dan wel Spanjaarden -noemen. Het geheele huisje zag er met zijn dakbedekking van nieuwe -nipah-bladeren, [232] met zijne omwandingen van goudgele „poeloepoe” -[233] (bamboe-horden) netjes en zindelijk uit, terwijl er zich voor een -erfje, tot tuintje ingericht, met goed onderhouden paden, door -weelderige grasperkjes slingerende, vertoonde. Ook de bloemperken en de -sierplanten duidden op nauwgezette verzorging, en was het geheele erfje -ook aan de achterzijde, door een vrij dichte „loentas” [234]-heg -omgeven. Achter het huisje strekte zich tusschen de omheining een -bescheiden grasperk uit, waarop kruiselings geplaatste bamboestaken -ontwaard werden, die door lange touwen aan elkander verbonden, en zoo -tot droogtoestellen ingericht waren voor lijnwaden, voornamelijk voor -vrouwenkledingstukken, als sarongs en slendangs, die er dan ook in vrij -groot getal in den wind wapperden. - -In de kleine voorgalerij ontwaren wij, behalve een enkelen -bloempot,—zeer zeldzaam in een Javaansche woning,—waarin een prachtige -struik van Devonshire rozen in vollen bloei, een „tenoenan” (Inlandsch -weefgetouw), waarover een jong meisje, op een laag bamboebankje met -kruiselings gebogen beenen gezeten, gebukt is, en vlijtig en met -onafgewende aandacht de telkenmale zich anders kruisende draden van de -ketting op en neer doet gaan, om daartusschen de „welira” (schietspoel) -met behendige hand heen en weer te voeren. Van ons recht als -romanschrijver gebruik makende, naderen wij, hoewel wij dat huisje niet -vermochten binnen te dringen, steelsgewijze die voorgalerij, en maken -van de onverdeelde oplettendheid der weefster op haren arbeid gebruik, -om niet alleen de verdere voorwerpen daarin aanwezig, maar vooral om -haar, die zoo ijverig werkt, te bespieden. Dat het lieve kind ijverig -arbeidt, is te zien, zoowel aan het weefsel, hetwelk op de „gondong” -(haspelblok) van het weefgetouw gerold is, en wat zij heden nog -vervaardigde, als aan de „djantra,” (spinnewiel) die klaar staat, om -dadelijk den draad te leveren, wanneer de welira daaraan gebrek krijgt. - -Wat het meisje zelve betreft, zij zit voorover gebogen, haar gelaat is -niet te zien. Hare kleeding, een eenvoudig katoenen baatje van -lichtblauwe kleur, een fraai gebloemde sarong met donkeren grond, -duiden er op, dat het eene Javaansche is, ook de bruingele kleur der -handen en van het weinige, dat van het gelaat zichtbaar is, zoomede de -haardos, die glad naar achteren gekamd en in eenen weelderigen „kondeh” -(wrong) tegen het achterhoofd opgebonden werd. Maar... die kondeh, hoe -zorgvuldig hij gevormd en bevestigd is, trekt toch onze aandacht. -Enkele vlokjes ontsnappen daaraan, en kronkelen zich, zoo in -tegenstelling met de stijve, pijpensteelachtige haren der volbloed -Javaansche schoonen, bevallig om den wrong; terwijl de kortere haartjes -daaronder sierlijke krulletjes vormen en den lichtbruinen nek, dien wij -bespeuren kunnen, met een donker getint waas overtijgen. - -„Zou het eene nonna [235] zijn?” rijst er in onze gedachte op. - -Tot die meening hellen wij te meer over, daar bij het bankje een paar -„tjenella’s” (slofjes) staan, die, hoewel uiterst eenvoudig, toch -hoogst zeldzaam door Javaansche vrouwen en meisjes gedragen worden, -daarenboven op een voetje wijzen, zoo geheel verschillend in afmeting -van de gewoonlijk breed uit elkaar getrapte onderdanen der Inlandsche -schoonen. Terwijl wij nog zoo staan te turen, maakt de weefster eene -beweging, waarbij een hagelwit teentje onder den sarong uit komt turen, -en door zijn verschil in tint met gelaat, hals en handen ons zelfs aan -het nonnaschap doet twijfelen. Zij kijkt op, werpt, onbewust dat zij -bespied wordt, een verstrooiden blik over het fraaie panorama, hetwelk -zich voor haar uitspreidt, zucht eens diep, en.... - -„Dat gelaat!” mompelen wij, „waar hebben wij dat lieve gelaat -aanschouwd?” - -Wij hebben geen tijd om ons daarvan rekenschap te geven. Juist, toen -het jonge meisje het hoofdje weer wil voorover brengen, om hare taak te -hervatten, worden lichte voetstappen op het pad vernomen, dat van de -dèsa Ajo naar het hutje voert. De weefster kijkt op, tuurt, kijkt -scherp uit, en prevelt schier ontzet van verwondering: - -„Dalima!” - -Ja, het is Dalima, die daar met vluggen tred het erf optreedt en de -voorgalerij genaakt. De weefster vliegt van haar bankje op, en nog voor -dat de aankomende het drietal treden opgeklommen is, liggen de twee -aanvallige wezens in elkanders armen, terwijl twee kreten in elkander -samensmelten: - -„Nana!” - -„Dalima!” - -Ja, nu herkennen wij de eene zoowel als de andere. De weefster is Anna -van Gulpendam, de andere is de arme Dalima, die wij bij hare -nasporingen tot Karang Anjer volgden, maar daar uit het oog verloren. - -„Waar komt gij vandaan?” vroeg Anna; terwijl zij nogmaals het -Javaansche meisje aan het hart drukte. - -„Heden kom ik van de dèsa Ajo,” antwoordde Dalima schalks. - -„Hoe kwaamt gij daar?” - -„Wel, van de dèsa Pring toetool. Daar was ik gisteren.” - -„Maar... wat hadt gij daar te maken?” - -„En daags te voren was ik te Gombong, en vroeger te Karang Anjer.” - -„Te Karang Anjer?.... Maar, wat hadt gij daar te doen?” - -„Om Nana te zoeken!” - -„Om mij te zoeken? Zijt gij daarom van Santjoemeh herwaarts gekomen? -Hebt gij daarvoor die verre reis afgelegd en.... dat in uw toestand?” - -Die laatste woorden werden met zekere schuchterheid uitgebracht, maar -vergezeld van een blik op Dalima’s middel, hetwelk geen vergissing -toeliet. - -„Ja, Nana!” sprak het Javaansche meisje kalm en onbevangen. „Toen ik de -gevangenis verlaten heb, dank zij de hulp van den „toean rakker njang -moeda”” (jongen heer rechter), vervolgde zij met een doordringenden -blik op Anna, waaronder deze het bloed naar het hoofd voelde opstijgen, -„heb ik mijne moeder opgezocht. Die bevond zich, alweer dank zij toean -Nerekool, met de kinderen in onbezorgde omstandigheden. Toen dacht ik -aan Nana. Ik vernam van den toean, dat nonna niet meer te Karang Anjer -was, dat zij van daar spoorloos verdwenen was. Ik begon te begrijpen -waarom. Ik gevoelde, hoezeer mijne lieve Nana zich verlaten en -ongelukkig gevoelen moest. Ik ondervond een onuitsprekelijk -verlangen—het onweerstaanbaar verlangen der jonge vrouwen in mijn -toestand,”—voegde zij er met een treurigen glimlach bij, „om Nana op te -zoeken, ten einde haar mijne diensten te kunnen wijden. Toen ben ik -vertrokken, en...” - -„Weet toean Van Nerekool van uw vertrek?” vroeg Anna verschrikt. - -„Neen, Nana, volstrekt niet.” - -„Hebt gij hem niets medegedeeld omtrent uw voornemen?” - -„Neen, Nana.” - -„Hebt gij u niets van uw plan laten ontvallen? Niet alleen jegens -mijnheer Van Nerekool, maar ook jegens uwe moeder? Dalima, bedenk u -wel!” - -„Neen, jegens toean Karel, heb ik mij niets laten ontvallen, Nana. Aan -mijne moeder heb ik verteld, dat ik u ging zoeken.” - -„Waar?” - -„Wel, te Karang Anjer, Nana.” - -„Maar gij wist, dat ik te Karang Anjer niet meer was?” - -„O, ik wilde njonja Steenvlak vragen. Die zou mij wel vertellen, waar -gij waart.” - -„Zijt gij bij mevrouw Steenvlak geweest?” - -„Ja, Nana.” - -„En?” - -„Ik vernam daar niets. De njonja wist uw verblijf, dat erkende zij; -maar zij had u beloofd, het aan niemand bekend te maken.” - -Anna haalde diep adem. Nu scheen zij eerst gerustgesteld. - -„Maar, hoe hebt gij mij dan gevonden, Dalima?” vroeg zij. - -„Ja, Nana, hoe moet ik dat verhalen? Ik heb overal rondgedoold; ik heb -overal gevraagd: bij de verspanningen van de posterij, bij de loerah’s -der dèsa’s, bij de gardoe’s en warong’s langs den weg; in één woord -overal en bij een ieder. Zoo ronddwalende kwam ik in de dèsa Prembanan -aan....” - -„In de dèsa Prembanan?” vroeg Anna gejaagd. - -„Daar vond ik uw eerste spoor. Gij hebt daar koffie gedronken aan eene -warong, terwijl een gebroken pikolan van uwe tandoe verwisseld -werd....” - -Anna bekeek hare matgele handen. - -„Ja, bekijk uwe handen maar,” vervolgde Dalima glimlachende, „de -scherpziende oogen van de waronghoudster konden door de „boreh” [236] -(verf) weinig of niet op een dwaalspoor gebracht worden. Zij giste, dat -gij eene blanke of eene Solosche poetri waart.” - -„En verder?” vroeg Anna. - -„Gij hebt haar gevraagd, hoever Prembanan van de dèsa’s Sikaja en Pring -toetool verwijderd was, nietwaar?” - -„Dat is zoo.” - -„Welnu, dat spoor heb ik gevolgd, berg op, berg af.” - -„Arm, arm meisje! En dat in den toestand, waarin gij u bevindt!” zei -Anna, terwijl zij Dalima andermaal aan het hart drukte. „Arm kind, gij -ziet er dan ook wel vermagerd uit.” - -„O, maar ik ben sterk, Nana.... Maak u niet ongerust. Te Pring toetool -kreeg ik verdere tijdingen. Gij waart naar de dèsa Ajo. Daar vond ik -nog de tandoe, die u aangebracht had, op het erf van den loerah, en -vernam daar, dat gij hier een huis hebt laten bouwen.... wat fraai -is....” - -Bij die woorden keek Dalima rond en liet een zucht ontglippen, die met -het gesprokene wel in strijd was. In de gedachte vergeleek het -Javaansche meisje toch die hut met het residentiepaleis te Santjoemeh. - -Tot nu toe hadden de beide jonge wezens het gesprek staande, maar op -elkander leunende, als het ware in elkanders armen geklemd, gevoerd. - -„Laten wij gaan zitten,” sprak Anna, die de aarzeling harer gezellin -zeer goed begreep; „gij zult wel vermoeid zijn, Dalima.” - -Zij nam weer plaats op haar bankje bij de tenoenan. Dalima hurkte aan -hare voeten op een matje neder, en leunde het hoofd op de schoot van -het blanke meisje. En weldra was het gesprek tusschen de deerns in -vollen gang. - -„Neen, ik ben niet vermoeid, Nana,” hernam Dalima. „Ik kom heden -slechts van Ajo, waar ik gisteren ochtend al heel vroeg aangekomen ben. -Ik heb dus tijd genoeg gehad om uit te rusten.” - -„Maar vertel mij nu, Dalima, van uw wedervaren, van uw proces,” vroeg -Anna. - -En nu volgde het verhaal van hetgeen de lezer reeds weet. Dat Van -Nerekool niet vergeten werd, laat zich begrijpen. Het dankbaar gemoed -van het Javaansche meisje gedoogde niet, dat die naam verzwegen bleef. -Zelfs had het er iets van, of hij meer op hare lippen kwam, als stipt -noodzakelijk was, zoo zelfs dat Anna andermaal aan Dalima vroeg: - -„Gij verzekert mij, gij zweert mij, dat mijnheer Van Nerekool u niet -gezonden heeft, om mij op te sporen?” - -„Dat zweer ik, Nana,” sprak het Javaansche meisje met volle overtuiging -in hare stem. - -„En gij moet mij beloven, dat gij op geenerlei wijze hem bekend zult -maken, dat gij mij gevonden hebt.” - -Dalima antwoordde daar niet dadelijk op. Blijkbaar aarzelde zij. - -„Als gij mij die belofte niet doet,” sprak Anna ernstig, „dan kunt gij -niet bij mij blijven, Dalima, dan ga ik zelfs verhuizen en God alleen -weet waarheen.” - -„Niet bij u blijven, Nana!” kreet het Javaansche meisje. „Ik, die -zoover gekomen ben om bij u te zijn! Dat kunt gij niet meenen!... Niet -bij u blijven! Dat is immers onmogelijk! Ik heb ouders, vrienden, allen -verlaten om bij u te zijn; en... nu spreekt gij er van mij heen te -zenden....” - -Het arme kind kon niet voort. Onbedwingbare snikken verstikten hare -stem. - -„Neen,” sprak Anna diep met haar bewogen, „neen, ik wil u niet -wegzenden; integendeel, ik wil u bij mij houden. Maar gij moet mij de -belofte doen, aan niemand over mijne aanwezigheid hier te berichten. -Wilt gij?” - -Dalima wierp zich weenend in hare armen. - -„Gij zijt hier zoo alleen, zoo armoedig!...” snikte zij. - -„Dat is niets. Daar ben ik al aan gewend.” - -„Hij bemint u zoo zeer!” vervolgde de kleine baboe. - -„Geen woord meer daarover, Dalima!” sprak Anna streng. „Gij kunt den -slagboom niet begrijpen, die tusschen mijnheer Van Nerekool en mij -opgeworpen is. Nimmer kan van een huwelijk iets komen! Laat u dat eens -en vooral gezegd zijn!” - -Het Javaansche meisje antwoordde geen woord daarop, maar snikte voort. - -„Wilt gij mij die belofte doen?” vroeg Anna. - -„Ik had hem zoo gaarne mijne dankbaarheid betoond,” prevelde Dalima -schier onhoorbaar, „door zijn geluk te bewerken.” - -„Gij zoudt oorzaak van zijn ongeluk zijn, Dalima!” - -„Zijn ongeluk?... Vereenigd met u?... O, Nana!...” - -„Nogmaals, geen woord meer daarover!... Geef mij nu de hand, Dalima... -Zoo... En gij belooft mij, wat ik van u verg?” - -Zij keek het nedergehurkte meisje diep en navorschend in de schoone -oogen. - -„Dat alles baart mij groot hartzeer,” stamelde Dalima; „maar als Nana -het zoo wil... dan mag ik niet ongehoorzaam zijn... Ik beloof het u.” - -„Zoo is het goed,” antwoordde Anna gerustgesteld, evenwel met een -smartelijken glimlach. „Nu ben ik blij, dat gij gekomen zijt; want gij -zult mij o, zoo veel kunnen helpen. Kijk eens wat fraai „kain polèng -mas [237]” ik daar op de tenoenan heb?” - -„Maakt gij die, Nana?” vroeg Dalima op medelijdenden toon. „Gij, de -dochter van een Kandjeng toean resident?” - -„Dat is nog iets, wat gij nimmermeer aanroeren moet, Dalima,” hernam -Anna weemoedig. „Niemand kent mij hier. Men weet zelfs niet, dat ik -eene blanke ben. Men houdt mij, gij zeidet het reeds, voor eene -Solosche prinses, die door haren vader verbannen is. O, er loopen -daarover zulke aardige verhaaltjes. Het eene al zonderlinger dan het -andere. Dat prædicaat van „poetri” maakt mij voor de bevolking tot een -half bovennatuurlijk wezen, en verschaft mij een onbedongen veiligheid. -En, zelfs de oude vrouw, die mijne geweefde goederen verkoopt, ziet mij -voor eene verwante van „Njahi lårå Kidoel” (vorstin, maagd van het -zuiden) aan en bedingt er veel hoogere prijzen voor dan anders het -geval ware.” - -„Worden die kains, die gij maakt, verkocht, Nana?” vroeg Dalima, -terwijl zij hare handen met smartelijke verbazing in elkander sloeg. -„Gij, een „anak” (kind) van een Kandjeng toean!” - -„Die anak van een Kandjeng toean moet evenals ieder menschenkind eten, -Dalima. Kom, laat mij voortmaken; ik heb al te veel verpraat. Die kain -poleng mas is mij besteld, en moet ik zoo spoedig mogelijk afmaken.” - -Anna hervatte hare weefspoel, liet de kettingdraden ijverig op en neer -gaan, terwijl zij met de „tjokel” (lat) den inslagdraad nauwkeurig -aandrukte. Dalima keek haar aan, en tranen schoten haar in de oogen. -Dat duurde evenwel slechts kort. - -Het Javaansche meisje greep het spinnewiel, plaatste dat naast de -tenoenan, zoodanig dat zij beiden haar gesprek konden voortzetten, en -begon nu te spinnen. Zij legde daarbij zoo eene behendigheid aan den -dag, dat Anna haar goedkeurend toeknikte en zeide: - -„Zoo zal ik flink hulp hebben en goed vooruitkomen. Niets hield mij -toch meer op, dan telkenmale te spinnen wanneer mijn welira ledig was.” - -„Maar ik kan niet alleen spinnen,” zei Dalima glimlachende, en niet -zonder een zweem van trots. „Gij zult eens zien, ik kan u ook aflossen -bij het weven. Maar, vooral kan ik goed batikken.” - -„Kunt ge? Dat zal mij werkelijk veel helpen. Daarin gevoel ik me nog -een beetje links, hoewel ik al handiger ben dan in den beginne. Straks -zal ik u, alvorens wij voor het eten gaan zorgen, mijn kunststukken op -dat gebied laten zien.” - -Zoo pratende, werkten de beide meisjes een paar uren vlijtig door, -totdat het tijd werd om naar de keuken te gaan. Ook hier heerschte de -grootste schamelheid, en was geen verfijnd „kokki bitja” (keukenboek) -noodig, om het eenvoudige maal te bereiden. Dalima wilde niet, dat Nana -zich met iets zoude bemoeien. Zij nam haar den mand met „bras” (rauwe -rijst) af, liep er mede naar het beekje, dat langs het erf vloeide, -waschte de korrels, totdat het water helder uit den mand liep, zette de -koekoesan (mand) in de dandang (waterketel) te vuur, bereidde den -sambal oelak, wikkelde eenige gezouten visschen met kruiden en -spaansche peper in pisangbladeren, om er „pèpèsan ikan” van te maken en -roosterde die licht op het houtskolenvuur, bakte een paar lapjes -vleesch, en was klaar, lang voordat de rijst gaar was. - -„Maar, waar is de tafel, Nana?” vroeg zij rondkijkende. „En waar het -tafelgoed? Dat ik alles klaar zet.” - -„Gij vergeet Dalima, dat ik geheel en al eene Javaansche geworden ben. -Wil ik niet herkend worden, dan moet ik mij geheel en al naar de -gebruiken der dèsabewoners voegen. Daar is mijne tafel, en hier zijn -mijn lepel en vork.” - -Dat zeggende, wees Anna op een gebloemd pandanmatje, dat op den vloer -in het middenvertrek harer woning uitgestrekt lag, en liet hare fraaie -vingertjes zien. Dalima zuchtte diep. - -„Maar, is het noodzakelijk, dat gij zoo werkt, zoo leeft, Nana?” vroeg -zij. „Hebt gij dan in het geheel geen geld?” - -„Geld heb ik wel, Dalima. Ik ben zelfs rijk voor mijn toestand,” -antwoordde het fiere meisje. „Maar gij vergeet altijd, dat ik mij -schuil houd, dat ik dat niet doen kan, wanneer ik als eene blanke leef -en niets doe, en van de levenswijze der Javanen afwijk. Wie weet -daarenboven, welke toekomst mij boven het hoofd hangt, en hoe te pas -mij het geld kan komen, dat ik nu zoo spaarzaam mogelijk, in uw oog -schriel misschien, uitzuinig.” - -„O, Nana!” wilde Dalima met een zucht tusschenbeide brengen. - -„Och, laten wij over wat anders praten,” ging Anna kalm voort. „Kom, -terwijl de rijst gaar kookt, mijne pogingen om te batikken bekijken.” - -Zij nam hare baboe mede naar de achtergalerij, waar verscheidene -„gawangan’s” (ramen) stonden, waarop geweven lijnwaden gespannen waren, -die alle de stadiën van het batikken vertoonden. Hier was er een, -waarvan de grond nog geheel wit was, en waarop de teekening nog eerst -aangebracht was, die het bloemwerk zoude vormen. Elders was die -teekening reeds gedeeltelijk met was overdekt om die plaatsen bij het -verven te beveiligen. Op een ander raam was reeds de grondverf -aangebracht en was de teekening bij deelen van de wasbescherming -ontbloot, om op hunne beurt de gewilde kleur te ontvangen. Overal -stonden kuipjes met verf: met „nila” (indigo), met „njoganni” (roode -verf), [238] met „mengkoedoe” (bruine verf), met „koenier” (gele verf) -enz., die gereed waren om door de lijnwaden, die ter kleuring bestemd -waren, opgenomen te worden. Voor alles had Dalima een goedkeurenden -knik. Zij greep zelfs een „tjanting” (pannetje) met was gevuld, zette -dat op het vuur, en beijverde zich daarna het vloeibare kleefmiddel -door het fijne tuitje op eene teekening te brengen, om zoo een proef -van hare behendigheid te geven. - -„Ziet ge, Nana,” riep zij na welslagen triomfeerend uit, „dat ik u zal -kunnen helpen! Ik zal u zelfs leeren de „aboe kesambi” [239] te -gebruiken, die ik hier niet zie. Dan zult gij eens zien, welke fraaie -bloemen gij verkrijgen zult!” - -Zoo was Dalima in de hut op de helling van den Goenoeng Poleng een -onderkomen gewaarborgd, een onderkomen bij hare zoo dierbare jonge -meesteres, aan wie zij, met de aanhankelijkheid der Javaansche -bedienden meestal zoo eigen, innig verknocht was. Beide meisjes werkten -en zwoegden thans te zamen. Anna stond geen der werkzaamheden van haar -schamel huishoudentje af. Alles moest gezamenlijk volbracht worden. Zij -had in Dalima niet de aanwinst eener bediende, maar wel van eene -vriendin gedaan. Zij zouden elkander tot steun strekken. - -Of dat lang zou duren? - - - - - - - -XXXVI. - -LIM HO’S HUWELIJK. - - -Op een mooien Septembermorgen van hetzelfde jaar, waarin ons verhaal -speelt, was geheel Santjoemeh in rep en roer. En niet zonder reden. Het -was toch de vastgestelde huwelijksdag van Lim Ho. Van Lim Ho, den zoon -van den opiumpachter, den zoon van den millionair Lim Yang Bing, met de -lieve Ngow Ming Nio, het schoonste Chineesche meisje van Santjoemeh, -wellicht van geheel Nederlandsch-Indië, de eenige dochter van den -schatrijken ouden Ngow Ming Than, die in alles, alles handel gedreven -had, waarmede maar geld te verdienen was geweest, en dan ook geacht, -geëerd en gevierd was ter wille van de millioenen, die ook hij bezat. - -Het geld heeft overal een zekere aantrekkingskracht, dus ook te -Santjoemeh, en de samenkoppeling van zoo onmetelijke kapitalen moest de -algemeene belangstelling opwekken. Daarenboven, een dergelijk Chineesch -huwelijk kwam zeldzaam voor, en wat verhaald werd van de pracht, die -bij de feestelijkheden ten huize van Lim Yang Bing zoude ten toon -gespreid worden, grensde aan het wonderbaarlijke, en klonk als een -sprookje uit de Duizend en één nacht. Geheel Santjoemeh, dat hier -verstaan moet worden als tout Paris bij dergelijke gelegenheden, had -dan ook gedongen en geïntrigeerd, om eene invitatie-kaart machtig te -worden, en menig bekoorlijk glimlachje was babah Ong Sing Kok of babah -Than Soeï, de „lengganan’s” (leveranciers) van mevrouw Zoetbrouw of van -mevrouw Greenhoed, dames die over het algemeen met hare glimlachjes, -vooral tegenover Chineezen niet kwistig waren, ten deel gevallen, omdat -vermeend werd, dat die leveranciers een wit voetje bij het -bediendepersoneel van Lim Yang Bing hadden, en zoo een -uitnoodigingskaart machtig konden worden. Er werd zelfs verhaald, dat -eene nonna [240] een zoen beloofd had aan een neef van Lim Ho, wanneer -die hare ouders zoo’n kaart bezorgde. Deze, een sluwe vogel, zooals de -meeste Chineezen zijn, had evenwel de onderhandeling niet willen -aanvaarden, zonder vooraf voorschot genoten te hebben, dat bij de -eindafrekening niet medegeteld zoude worden. Daar werd nog bij -gefluisterd, dat de onderhandelingen lang, zeer lang geduurd hadden, en -dat Lim Ho’s neef iedere gelegenheid te baat genomen had, om het lieve -meisje in het geheim omtrent de gemaakte vorderingen te komen -berichten, en dan nadere pogingen van verder voorschot afhankelijk -gesteld had. Als het waar was, dan had die nonna de zoo innig verlangde -kaart met menigen zoen betaald. - -Hoe het ook zij, Santjoemeh had dien dag de koorts, de koorts van -opgewondenheid. En mocht nu ook al eene herinnering oprijzen aan het -gebeurde met Lim Ho en baboe Dalima, dan stoorde dat de feestvreugde -niet, en deed niemand te huis blijven. De meest kitteloorige gewetens -werden gerustgesteld met de machtspreuk: Er heeft geene vervolging -plaats gehad, dus is er niets gebeurd. En is er ook al iets geschied, -dan zal het wel zoo erg niet geweest zijn. Er waren er zelfs, die stipt -aan de geruchten dienaangaande geloof geslagen hadden, en den Chinees -omtrent zijn bonne fortune benijd hadden. Dalima was toch zoo mooi! - -Neen, niemand ontzag zich om de feestelijkheden bij te wonen. -Integendeel! - -Reeds daags te voren was Santjoemeh in rep en roer gebracht door een -optocht naar den Chineeschen tempel. - -Hoewel de zonen van het hemelsche rijk geen kerkelijk huwelijk kennen, -[241] had men het toch raadzaam geacht, de gunsten van de godin Má Tsów -Pô [242] die beschermheilige der huwelijkscandidaten en jonggetrouwden -te laten afsmeeken. - -Daartoe had zich in den vooravond van den huwelijksdag een stoet -gevormd voor het huis der bruid van twaalf Chineesche knapen, welke -door de stad trokken, voorafgegaan eerst door een talrijk korps -Inlandsche muzikanten, die op hunne koperinstrumenten, geaccompagneerd -door eene monsterachtige dikke trom, de meest luchthartige walsen, -polka’s, mazurka’s en redowa’s ten gehoore brachten, die, in weerwil -van de onwelluidendheid hunner uitvoering, een Johann Strauss aan het -trippelen zouden gemaakt hebben, wanneer die hen had kunnen hooren. -Daarop volgde een Chineesch muziekkorps, dat met zijne krassende, -eensnarige violen, met zijne trillende bekkens, met zijne -valschklinkende en krijschende blaasinstrumenten met het eerste -afwisseling hield, en een mengelmoes van tonen te berde bracht, die -alle gehoortrommelvliezen alleronaangenaamst aandeden, maar toch het -vermogen niet hadden de nieuwsgierige menigte op de vlucht te drijven. - -De stoet werd geopend en besloten door een zestal fakkeldragers, -terwijl hij ter weerszijden door een achttal „lolleng’s” (papieren -lantaarns) omgeven werd, die met hun fraai getemperd licht hoog op rood -beschilderde stokken gedragen, en met hunne wonderlijke vormen, aan het -geheel een echt Chineesch relief verleenden. - -De knapen, die den hoofdtrein van den stoet vormden en „lo jen see” -genoemd worden, wandelden twee aan twee, en waren gekleed met een soort -nangkin jasje, dat slechts tot aan den knie reikte, en waaronder de -bloote beenen en voeten uitstaken. [243] Op het hoofd droegen zij -kegelvormige hoeden met opliggende roode franjes versierd. Ieder hunner -hield een „pa-lee” in de hand, een metalen hollen ring, waarin kleine -stukjes ijzer verborgen, of waaraan kleine belletjes bevestigd waren, -en waarmede zij een zacht ratelend klingelend geluid voortbrachten. - -In den tempel aangekomen, schaarden zich de knapen rondom het beeld van -Má Tsów Pô, dat voorgesteld was op de wolken staande, met een kroon op -het hoofd, als zinnebeeld van hare waardigheid van Koningin des Hemels, -murmelden, zongen, en prevelden op de maat gebeden en bezweringen, -terwijl zij daarbij hunne ringen krachtig schudden. Toen dat zoo -omstreeks een uur geduurd had, keerde de stoet huiswaarts, onder -begeleiding van eene nog grootere volksmenigte, dan zich bij den -heenmarsch te zaam gedrongen had. - -Maar den volgenden dag was de groote feestdag. - -Reeds van des morgens vroeg ratelden de rijtuigen door Santjoemeh, om -de genoodigden uit de omstreken, als: landheeren, ambtenaren, enz. af -te halen. Toen het tien uren sloeg, was de élite van de ingezetenen van -de residentie in de binnengalerij van de woning van Lim Yang Bing -vereenigd, de heeren waren òf in galacostuum, òf in groot tenue, òf -zwart gerokt. De dames waren in baltoilet en werden bij den ingang door -jeugdige Chineezen van bouquetten voorzien, bestaande uit licht -rozenkleurige rozen. Naarmate de gasten verschenen, werden bij den -ingang „mertjons” [244] afgestoken, en dat in grooter aantal naar -gelang de binnentredende een hooger standpunt in de maatschappij innam. -Wanneer twee of meer gasten tegelijk binnentraden, werd een evenredig -grooter aantal rissen mertjons afgebrand, en knetterde dat vuurwerk -soms zoodanig, dat hooren en zien verging. - -Eindelijk verscheen ook de resident Van Gulpendam met zijne gade, die -plechtstatig door de officieren der Chineezen ontvangen en binnengeleid -werden; terwijl intusschen buiten een geknetter en gedonder weergalmde -alsof geheel Santjoemeh uit elkander moest springen. Bij die -gelegenheid werden ook een paar lilla’s (koperen slangstukken) -afgevuurd, en waren er vleiers, die èn aan de schoone Laurentia èn aan -Lim Yang Bing verzekerden dat, daarbij vergeleken, de uitbarsting van -Krakatoea kinderspel was geweest. - -Het doel van dat vreeselijk spektakel was tweeledig: vooreerst om de -„Shan Sao” (booze geesten) te verschrikken en te verdrijven, ook om tot -vreugdebewijs op dezen heugelijken dag te dienen. - -Zoodra de resident aangekomen was, trok, voorafgegaan door een korps -muzikanten en door de blootvoeters, die des avonds te voren gefungeerd -hadden, een lange stoet van vrienden en bekenden van den bruidegom -voorbij, om de bruid aan het huis harer ouders te gaan afhalen. - -Intusschen nam Lim Yang Bing, bijgestaan zoowel door den majoor als -door den kapitein der Chineezen, de honneurs waar, terwijl de heeren -luitenants dier natie heel galant als ceremoniemeesters dienden. Allen -beijverden zich dan ook, om de gasten van ververschingen te doen -voorzien, en begon reeds een geknal van ontkurkte Champagneflesschen -vernomen te worden, hetwelk zich met het geratel der vuurwerken mengde, -en bruiste het heerlijke vocht, dat in groote zilveren kommen in een -ijsbad afgekoeld was, in prachtig geslepen kristallen kelken. Der dames -werd Hypocras, Guldenwater, Chartreuse, enz. aangeboden. - -Lim Yang Bing had de schoone Laurentia den arm geboden, en beiden -bewogen zich ongedwongen door de ruime binnengalerij, die reeds in -gewone omstandigheden prachtig mocht heeten, maar thans voor deze -plechtige gelegenheid feestelijk was uitgedost. Alle houtwerken, als -draagstijlen, balken, architraven waren kunstig gebeeldhouwd en zwaar -verguld, en stelden òf afzichtelijke draken òf tooneelen uit het -huiselijk leven in China voor. De omwanding was zacht rozenrood [245] -genuanceerd; terwijl de vloer, die uit fijn Carrarisch marmer bestond, -bedekt was met matten, van uiterst smal gespleten rottan vervaardigd. -Aan het uiteinde der galerij bevond zich het altaar van den Tao Peh -Kong, dat allerprachtigst versierd was, terwijl groote strooken van -roode zijde, waarop zwarte Chineesche letters, ter weerszijden daarvan -prijkten. - -„Vertel mij toch eens, babah,” vroeg de residentsvrouw, „wat beteekent -toch dat gekrabbel op die roode lappen?” - -„Dat zijn spreuken, njonja, afkomstig van Kong Foe Hi,” antwoordde de -Chinees galant. - -„Maar, wat beteekenen zij?” - -„O, die eene, njonja, beteekent: moge de vijf zegeningen nederdalen -over deze woning.” - -„En de anderen?” - -„Dat zijn de vijf zegeningen.” - -„En die zijn?” - -„Een lang leven, vrede en rust, liefde voor de deugd, rijkdom en een -einde, dat het leven kroont.” - -„En wat beteekenen die letters op die „lollengs” (lantaarns)? Hé! wat -zijn die mooi!” sprak mevrouw Van Gulpendam, terwijl zij op de vele -lantaarns wees, die aan de zoldering en aan de balken der galerij -hingen. - -Het waren prachtige zeskantige toestellen, uiterst kunstig van gedreven -koper in Chineeschen stijl vervaardigd, met kristallen vakken, die zeer -fijn geslepen waren. - -„Ja, die zijn zeer fraai,” erkende Lim Yang Bing met een glimlach van -zelfvoldoening. „Maar zij kosten ook veel geld. Zou njonja kunnen -raden, hoeveel zoo’n lolleng kost?” - -„Hoe wil ik dat, babah, minstens vijftig gulden?” - -De Chinees verhief de borst, en een eigenaardig glimlachje speelde om -zijne lippen. - -„O, njonja, hoe kunt gij zoo misraden! Ik dacht, dat gij onze -kunstwerken meer waardeerdet.” - -„Hoeveel kosten ze dan?” vroeg de sluwe vrouw. - -„Iedere lolleng kost te Canton drie honderd en vijftig gulden, en met -de vracht en inkomende rechten...” - -„Zij zullen wel gesmokkeld zijn,” zeide Laurentia lachende. - -„Bij Kong! Neen! Ik kan de bewijzen van de betaalde rechten laten zien. -Wil njonja....?” - -„Neen, neen; ik geloof u. Maar hoeveel kosten ze u hier?” - -„Bijna vierhonderd gulden, njonja.” - -„En daar hangen er een dertigtal meen ik?” - -„Neen, slechts vijf en twintig, njonja.” - -„Slechts! slechts!” zei mevrouw Van Gulpendam lachende. „Me dunkt, voor -tienduizend guldens aan lantaarns!” - -Lim Yang Bing’s gelaat glom van genoegen. Evenals de meeste parvenu’s -genoot hij dubbel, wanneer de menschen bekend waren met de prijzen der -kostbaarheden, die hij uitstalde. - -„En zie eens die „how-iâ’s.”” - -De pachter wees op een paar levensgroote tijgerbeelden van rood marmer, -die ineengedoken op een voetstuk van zwart marmer voor de twee -hoofdpilaren der galerij voor het altaar zaten. - -„Ja, die zijn mooi!” zei de njonja. „Die zullen ook niet goedkoop zijn. -Is het niet?” - -„Zij kosten ieder vijfduizend gulden.” - -„Maar, babah.” - -„Ja, als men bruiloft houdt, dan moet men het goed doen. Ziet gij dien -haan daar op het altaar?” - -„Ja, babah; die is prachtig gesneden.” - -„Die is van perzikhout gebeeldhouwd, en kost alleen twaalfhonderd -gulden.” - -„Maar, gij moet rijk zijn, babah.” - -„Och zoo,...” meesmuilde de Chinees, overdreven trotsch in zijn -bescheidenheid. „Weet gij, wat mij het bruiloftsmaal en het diner van -heden avond kosten?” - -„Neen, babah, zeg op.” - -„Die kosten bijna vijftienduizend gulden.” - -„Gij moet zeer rijk zijn, babah,” vleide de residentsvrouw. - -„Och, zoo maar, niet erg,” teemde de Chinees. „Gij weet nog niet, -hoeveel ik mijn zoon medegeef, njonja?” - -„Aan Lim Ho, den bruidegom? Neen, dat weet ik niet. Toe, zeg mij, -babah.” - -„Twee millioen guldens,” fluisterde hij half dronken van genot. - -„Twee millioen guldens!” kreet mevrouw Van Gulpendam. „Maar, gij moet -ontzettend rijk zijn, babah Lim Yang Bing!” - -„Toch niet zoo erg, njonja.” - -„En dat alles uit de opiumpacht, nietwaar?” - -De Chinees keek haar aan. Dat woord opiumpacht ontnuchterde hem een -weinig. - -„En gij zijt nog niet ten volle drie jaren pachter, nietwaar, babah?” - -Lim Yang Bing knikte stilzwijgend. Hij verwenschte reeds in zijn -binnenste zijne praalzucht en snoeverij. - -„Hebt gij dezer dagen den resident gesproken?” vroeg de schoone -Laurentia, die het ijzer smeedde, terwijl het heet was. - -„Neen, njonja,” antwoordde de Chinees beleefd, maar teruggetrokken. - -„Hij zal u over de pacht spreken, babah. Die eindigt immers met dit -loopende jaar, nietwaar?” - -„Ja, njonja.” - -„En de verpachting van de drie volgende jaren zal nog in deze maand -plaats hebben, is zoo niet?” - -„Ja, njonja.” - -„Zijt gij van plan mede te bieden?” - -„Ik denk het wel, njonja...” - -„Ja, njonja; neen, njonja; ik denk het wel, njonja...” herhaalde -Laurentia op kluchtigen toon. „Maar... shut! men beluistert ons.... Wat -beteekenen die letters op die lollengs, babah?” - -Die laatste vraag was met luider stem door de schoone vrouw op den haar -eigen, giegelenden, luchthartigen toon gesproken. - -„Op die twee staat slechts: hemellantaarn.” - -„En op die daar?” - -„Die letters beteekenen: „Wij smeeken U om geluk en voorspoed.”” - -Zij waren inmiddels verder voortgetreden, en verwijderd van de -vermeende luisteraars. - -„Wij kunnen nu weer voortgaan,” zei Laurentia fluisterend. „Gij schijnt -het met die pacht lauw op te nemen. Ik vrees, dat gij een mededinger -zult hebben.” - -„Wie?” vroeg Lim Yang Bing thans met eenige drift. - -„Ik heb hooren mompelen van Kwee Sioen Liem, van Solo.” - -„Die!” mompelde de Chinees onthutst. - -„Hij is rijk en kan u veel schade doen,” sprak mevrouw Van Gulpendam, -terwijl zij hem strak aankeek. - -Lim Yang Bing antwoordde niet, maar stapte met afgemeten schreden naast -de schoone vrouw voort. - -„Dat nieuws schijnt u niet te deeren,” merkte de residentsvrouw met -iets schampers in hare stem op. - -„Is het daarover, dat de resident met mij spreken wil?” vroeg hij. - -„Daarover en over nog iets anders. Het gouvernement wil hoogere pacht -innen.” - -„Ho, ho!” grinnikte de Chinees. - -„Ge betaalt thans twaalf ton aan pachtschat, nietwaar? Dat zal minstens -twintig ton moeten worden. Anders exploiteert het gouvernement zelf het -monopolie.” - -„Ha, ha!” zei thans Lim Yang Bing, daarbij smadelijk glimlachende. „Dat -zou ik wel eens willen zien!... Maar een verhoogde pachtschat is -onmogelijk,” voegde hij er nadenkend bij.... „Thans kost het moeite, om -zonder verlies te werken.” - -„En gij geeft uwen zoon twee millioen ten huwelijk mede [246]!” merkte -Laurentia spottend op. - -„Ja,...” ging hij onverstoorbaar voort, als hadde hij die woorden niet -gehoord, „werd het aantal kitten in de residentie vermeerderd... -dan...” - -„Is het niet anders?” vroeg Laurentia luchthartig. „Hoeveel zijn er -thans? Dat is mij om het even. Hoeveel wilt gij er meer hebben?” - -De pachter dacht een oogenblik na. Hij prevelde iets binnensmonds, en -scheen in berekeningen verdiept te zijn. - -„Minstens tien,” antwoordde hij. - -„Dat is veel;... maar als tien opiumkitten meer in het pachtcontract -opgenomen worden, zijt gij dan bereid tot twintig ton op te bieden?” - -Lim Yang Bing boog toestemmend; maar had den tijd niet om mondeling -daar nog iets bij te voegen. - -De stoet, die de bruid afgehaald had, was aangekomen, en verscheen aan -den ingang van de galerij. Het was thans, alsof hemel en aarde vergaan -moest, zooveel mertjons werden thans afgestoken, terwijl de Chineesche -muzikanten, die den stoet vergezelden, eene krijschende cacophonie -deden weerklinken, die aller gehoorvliezen op eene geduchte proef -stelden. Als er nog een booze geest in den omtrek achtergebleven was, -dan moest die bij dat spektakel wel de vlucht nemen. Tegen zoo iets was -zelfs geen Shan Sao bestand. - -Inmiddels was een troep Chineesche meisjes, met fraai besneden gelaat -en zedig in haar schilderachtige kleeding van gele zijde, met rose -sjerpen om de slanke middels, te voorschijn getreden, om de bruid te -verwelkomen, en haar een krans van perzikbloesems en eenige -snuisterijen, o. a. een haan, van perzikhout gesneden, aan te bieden. -[247] Lim Ho was ook vooruitgetreden, om de lieve Ngow Ming Nio de hand -te reiken en haar naar eene welvoorziene tafel te geleiden. Op die -tafel waren, behalve een menigte spijzen, waaronder haaienvinnen, soep -van hertenpezen en vogelnestjes, „kiemlo” en „bahmieh” [248] niet -ontbraken, een menigte „tsoe” (granaatappels) aanwezig, zoodanig -opengesneden, dat de geheele kern met de menigvuldige zaadpitten -blootlagen, als zinnebeeld van het groot aantal kinderen, dat men het -jonge paar toewenschte. Daar naast lagen een groot aantal „kaam” -(oranjeappels) opgestapeld, als zinnebeeld van de zoetheid des levens, -die de jonge lieden eeuwig mochten smaken; alsook eenige klompen aan -elkander gegroeide „ô-á” (oesters), als zinnebeeld van de splitsing en -toch onverbreekbare eensgezindheid van de familie; en eindelijk eenige -stekken van „koaka” (suikerriet), als zinnebeeld van het -huwelijksleven, dat even als het riet, van knoop tot knoop, van -geleding tot geleding, in zoetheid toeneemt. - -De beide verloofden namen aan de tafel plaats, Lim Ho links van Ngow -Ming Nio [249]. Voor ieder hunner werd een prachtige gouden bokaal -nedergezet. Beide bekers waren met wijn gevuld, en door middel van een -rooden zijden draad aan elkander verbonden. Bruid en bruidegom dronken -tegelijkertijd, elk voor zich, de helft van den wijn, ruilden daarop -van bokalen, evenwel daarbij zorgende, dat de verbindingsdraad niet -brak, en ledigden nu de bekers geheel en al. - -„Oef!” mompelde Van Beneden, die met eenige zijner vrienden ook de -huwelijksplechtigheid bijwoonde. „Oef! het is om den adem er bij te -verliezen. Ik wed, dat zoo’n bokaal anderhalve flesch inhoudt. Voor Lim -Ho is dat niets; maar dat lieve kind....” - -„Zou je niet eens met de lieve Ngow Ming Nio willen drinken?” vroeg -Grenits ondeugend. - -„Shut!...” zei Grashuis, en wees op een groepje Chineezen in de -nabijheid. - -„Hoe heet de plechtigheid, babah?” vroeg hij aan een hunner. - -„Tsioe Hoen, toean,” antwoordde de aangesprokene. - -„Tsioe Hoen? Wat beteekent dat?” - -De Chinees lachte schalks. - -„Kawin babassa,” antwoordde hij ondeugend. - -De omstanders proestten het uit. - -„Dus eigenlijk het huwelijk bewijnen,” [250] zei Grenits, die in de -algemeene hilariteit deelde. - -„Shut!! Shut!!” klonk het van alle kanten. - -De resident Van Gulpendam keek vervaarlijk boos rond. De schoone -Laurentia was diep verontwaardigd over de stoornis der -bekerplechtigheid. Van Rheijn had wel onder den grond willen kruipen -tegenover die toornige blikken. - -„Shut!... Shut!!” schreeuwde hij nog harder, als al de anderen te -zamen. - -Toen het huwelijk bewijnd was, greep de bruidegom de linkerhand der -bruid, hief die ter hoogte harer borst op, terwijl beiden tegen -elkander bogen. - -„Ik wou, dat dat lieve bekje „ja” tegen mij knikte,” mompelde Grenits. - -„Een lief bekje, dat millioenen meêbrengt!” beaamde August van Beneden -knikkend. - -„Shut!” klonk het alweer. - -„Millioenen, die voortspruiten uit... Zeg, waaruit?” vroeg Theodoor -fluisterend, maar uitdagend. - -Onze advocaat boog verlegen het hoofd. - -„Gij hebt gelijk!” prevelde hij. „Uit die bron verlang ik geen cent.” - -„Shut!” - -De oogen van den resident Van Gulpendam schoten bliksemstralen. - -Nu werden twee schotels voor het paar neergezet, die met pilletjes ter -dikte van eene groote erwt, rood en wit van kleur dooreengemengd, -gevuld waren. - -„Waarschijnlijk bruidsuikers?” zei Grashuis. - -„Ik weet het niet,” antwoordde Van Beneden. - -„Babah,” vroeg Grenits aan zijn nevenbuurman in het gedrang, „is dat -„obat” (medicijn)?” - -„Tida toean,” antwoordde de Chinees. „De roode balletjes stellen den -Jang voor, het mannelijk beginsel, en de witte de Jin of het vrouwelijk -beginsel der natuur...” [251] - -„Shut!” klonk het allerwegen. - -Bruid en bruidegom grepen een gouden lepel, namen een rood en een wit -balletje, lieten dat in den mond glijden, en negen diep tegen elkander. -Daarna werden de schotels omgeruild en de ceremonie herhaald, waarmede, -in verband met de beduiding daarvan op het dualisme der natuur, de -bezegeling van het huwelijk afgeloopen was. De band was geklonken, en -de lieve Ngow Ming Nio was met Lim Ho onverbreekbaar verbonden. Het -eene stel millioenen aan het andere! Of er bij het voltrekken der -plechtigheid door den bruidegom eene enkele gedachte aan zijn -slachtoffer, aan baboe Dalima gewijd werd? - -Als laatste ceremoniëel nam de jonge gade den lepel, schepte daarop -twee balletjes, bracht die met liefelijk gebaar tot voor de lippen van -haren echtgenoot, en noodigde hem met verlokkenden lonk tot eten. Die -daad was de betuiging der jonge vrouw, dat zij gereed was om alle -lasten van het innerlijke huishouden te torsen. Een der oudste -familieleden prevelde, echter hoorbaar voor iedereen, eenige Chineesche -woorden. - -„Wat beduidt dat?” vroeg Grenits aan zijn vriendelijken Chineeschen -berichtgever. - -„O, toean,” antwoordde deze, „dat is eene aanhaling uit de Sji-king, -uit het Boek der Liederen, dat lang, zeer lang geleden gedrukt werd. -[252]” - -„Maar, wat beteekent die aanhaling?” - -„O, zij is zeer fraai,” hernam de babah. „Luister slechts: „De -perzikboom is jong en schoon, en schitterend zijn zijne bloesems; deze -jonge vrouw gaat naar haar toekomstig huis, en zal uitmuntend hare -huiselijke zaken regelen.”” - -Toen de jonge vrouw haren echtgenoot zoo zinnebeeldig bediend had, -negen beiden andermaal zeer diep voor elkander, en was de -huwelijksplechtigheid afgeloopen. - -Zoodra was die laatste betuiging niet volbracht, of daar bulderden de -kanonnetjes weer, daar knetterden de salvo’s van ontelbare bossen -mertjons, daar joedelde de kapel der Santjoemehsche schutterij, die ook -verschenen was om het feest op te luisteren, hare vroolijkste deuntjes, -daar krijschte het Chineesche orkest allerjammerlijkst en veroorzaakten -dat geknal, dat geknetter, dat getrommel, dat getoet, dat gezaag zoo -een mengelmoes van geluiden, dat de gehoorvliezen der aanwezigen -verondersteld konden worden met buffelleder te zijn gevoerd. - -Inmiddels namen de jonggehuwden plaats voor het altaar van den Tao Peh -Kong, staken eerst een paar geurige offerstokjes [253] aan, bogen toen -voor het beeld, ook voor elkander en staken daarna de brandende stokjes -in een wierookpot, prachtig in goud gedreven, die ter halver hoogte met -welriekende asch gevuld was. Na die plichtpleging jegens den huisgod, -keerden zich de jonggetrouwden om, ten einde de gelukwenschen der -aanwezigen te ontvangen. - -Dit gedeelte van het ceremoniëel was niet nationaal. Bij Chineesche -huwelijken, waarbij de blanken geen toegang hebben, begeven de -jonggehuwden zich dadelijk na afloop der plechtigheid naar hunne -vertrekken. Hier was het een te gemoet komen aan Westersche gewoonten, -en onthielden de Chineezen zich dan ook, aan die felicitatiën deel te -nemen; maar beijverden de meeste hunner zich om eene verdubbeling van -vuurwerk af te steken, en zoo de spoken en kwade voorteekenen te -verdrijven. - -De resident Van Gulpendam, met de schoone Laurentia aan den arm, -openden den optocht van Europeanen, die zich daar voor de -saamgekoppelde millioenen kwamen buigen. Want, al was de bruid ook al -lief, al werd ook Lim Ho in het dagelijksche leven een „aardige vent” -genoemd, het zou niemand in de gedachten zijn gekomen, om die -plechtigheid bij te wonen. Het gebeurde met baboe Dalima was nog van te -jonge dagteekening. Maar, nu twee millioenen van den eenen kant met -twee millioenen van den anderen kant verbonden werden, nu het de zoon -van Lim Yang Bing, den oppermachtigen opiumpachter gold, nu verdrong -zich de blanke bevolking van Santjoemeh rondom het jeugdige echtpaar, -om het hare oprechte heilwenschen aan te bieden. - -Van Gulpendam meende zelfs, na de jonggetrouwden de hand gedrukt te -hebben, hen met een paar gevoelvolle woorden te moeten toespreken. -Gelukkig voor de jonggehuwden, dat zij de Hollandsche scheepstermen, -die hij bezigde, en niet in het Maleisch vertalen kon, niet verstonden; -gelukkig voor het ongeduld der achteraankomenden, dat Laurentia haren -echtvriend tot beknoptheid met de punt van haar blooten elleboog -aanmaande. De banaliteiten van het hoofd van gewestelijk bestuur namen -een einde, en nu was het een handjes-drukken, een gefleem, een geteem, -zoowel ten opzichte van de rijke ouders der jonggehuwden als tegenover -dezen, dat den opmerkzamen toeschouwer het hart van walging moest -beklemmen. - -Toch ontging het noch aan Lim Yang Bing, noch aan Lim Ho, dat noch -Theodoor Grenits, noch August van Beneden, noch Leendert Grashuis, noch -Eduard van Rheijn vooruitgetreden waren, om een handdruk met de -jonggehuwden te wisselen. Zij hadden van het algemeen gedrang gebruik -gemaakt om naar buiten te treden. Karel van Nerekool was zelfs in het -geheel niet verschenen. Hij had den afkeer niet kunnen overwinnen, dien -hem de bruidegom inboezemde, hoewel hij zich, toen hij later de -bizonderheden der trouwplechtigheid vernam, de belofte deed, om bij -voorkomende gelegenheid zoo’n ceremoniëel te gaan bijwonen, al zou het -dan ook op bescheidener voet gevierd worden. - -Gelukkig, dat onze vrienden het huis verlaten hadden; want nog was de -ommegang der feliciteerenden niet ten einde gebracht, toen eensklaps de -champagnekurken knalden, alsof zij een wedstrijd in ruchtbaarheid -wilden aangaan met de buiten steeds knetterende mertjons. Weldra -stonden alle aanwezende Chineezen, zoowel als alle Europeanen met een -beker schuimenden feestwijn in de hand, en weerklonken allerwegen de -luidruchtige toejuichingen, terwijl de Chineesche „trauwkoei’s” -(violen) en bekkens krijschten, alsof zij een tandenknarsing wilden te -voorschijn roepen, de schutterijkapel fanfares deed hooren, en de -slangstukjes en mertjons losbrandden, alsof het de bestorming eener -vijandelijke veste gold. Het echtpaar verdween, te midden van dat -ontzettend rumoer, waarschijnlijk om hunne gehoorvliezen te redden. - - - -Des avonds had een vormelijk diner van 80 couverts plaats, waarvan het -menu zorgvuldig door een Franschen maître d’hôtel was opgemaakt -Grappenmakers vertelden evenwel daags daarna, dat daarop echte -Chineesche gerechten voorgekomen waren, als Potage Kiemlo à la Tartare, -Potage Printanier à l’ail, [254] Croquettes aux oreilles de rats, [255] -Bouchées d’ailerons de requins, Consommées de tripang, [256] enz., enz. - -De resident Van Gulpendam bracht bij het dessert een luisterrijken -dronk uit op de jonggehuwden. Daarna ook een op de Chineesche -officieren, waarbij hij de hoop uitdrukte, dat Nederland steeds in hen -zulke trouwe en nuttige onderdanen mocht vinden, als tot heden plaats -gevonden had. Het hoofd van Gewestelijk Bestuur drukte op dat woord -nuttig en verwierf dan ook aan het einde zijner rede een storm van -toejuichingen. Die laatste toast, werd beantwoord door Lim Yang Bing, -die een dronk aan mevrouw en den heer Van Gulpendam wijdde, daarbij -Santjoemeh gelukwenschte met het bezit van zoo’n achtbaar echtpaar en -den wensch uitsprak, dat het tot heil der bevolking in het algemeen, en -der Chineesche maatschappij in het bizonder, gegeven mocht zijn die -edelaardige menschen nog lang aan het hoofd der residentie te zien. - -Het was gelukkig, dat het dakgebinte der Chineesche woning stevig, dat -de muren en zuilen onwrikbaar gegrondvest waren, anders hadden -ongevallen plaats gegrepen bij de daverende toejuichingen, die met het -geweld van een orkaan losbarstten. De grond schudde letterlijk onder de -voeten van de feestvierenden bij de losbrandingen van het geschut en -van de mertjons, terwijl de lucht binnenshuis in trilling geraakte door -het snelvuur, dat door de knallende champagnekurken, die met behendige -hand gelicht werden, uitgevoerd werd. Waarlijk, met zoo’n geestdrift -werden de woorden van den rijken opiumpachter begroet! - -Na het diner volgde de dansreceptie, die door bijna geheel Santjoemeh -bijgewoond werd. Tegen middernacht werd in den tuin van de woning een -prachtig Chineesch vuurwerk afgestoken, waarbij onze gestaarte broeders -het bewijs leverden, hoe onmetelijk ver zij in de pyrotechnie boven de -Europeesche kunstenaars van het vak staan. Daarna werd de partij -voortgezet, en eerst bij het aanbreken van den dag verlieten de laatste -paren het dansterrein. - -„Een prachtig, een luisterrijk feest, babah!” complimenteerde de -resident een paar dagen later Lim Yang Bing. „Drommels, de kombuis -heeft gerookt!” - -„Ja, Kandjeng toean,” antwoordde de opiumpachter, terwijl een glimlach -van voldane ijdelheid zijne lippen deed krullen. „Het heeft ook aardig -geld gekost. Er is alleen aan champagne voor tweeduizend gulden -gedronken, en aan rhijnwijn voor twaalfhonderd gulden. Het vuurwerk, -dat ik uit Canton liet komen, kost ruim drie duizend gulden.” - -De man zwom in een hemel van gelukzaligheid bij die mededeeling. - - - - - - - -XXXVII. - -EENE WALGELIJKE TEGENKANTING.—TWEE OPIUMKONGSIE’S IN GEVECHT. - - -Bijna geheel Santjoemeh had feestgevierd. Het was dan ook geen -alledaagsche zaak, dat namelijk de zoon van den rijken opiumpachter van -Santjoemeh trouwde met de dochter van een niet minder rijken -emeritus-volgeling van Mercurius. Bij de samenkoppeling van zoovele -millioenen kon en mocht een Nederlandsch publiek niet anders dan de -grootste belangstelling aan den dag leggen en dat had het ook gedaan. - -Bijna geheel Santjoemeh werd gezegd; en daarin ligt opgesloten, dat -niet allen behoefte gevoeld hadden de receptie met hunne -tegenwoordigheid luister bij te zetten. Hadden ook enkelen, zooals Van -Beneden, Grashuis, Van Rheijn en Grenits, zich door hunne -weetgierigheid op ethnologisch gebied laten verlokken om de Chineesche -huwelijksplechtigheid te gaan zien, zoo waren zij toch niet over te -halen geweest bij het diner aan te zitten of de danspartij bij te -wonen. Zij waren integendeel overeengekomen, om, terwijl de Europeesche -bewoners zich binnen, en de Inlandsche bevolking voor het woonhuis van -Lim Yang Bing in gang Pinggir verdrongen, ten huize van Van Nerekool -bij elkander te komen, om gezellig dien avond door te brengen. - -Toen zij evenwel Karels woning binnentraden, vonden zij den jeugdigen -rechter nog in zijn studeervertrek onder de kap eener groote -astraallamp over zijne schrijftafel gebogen. - -„Nog aan den arbeid?” vroeg de een. - -„Is het zoo druk bij den raad van Justitie?” meesmuilde de andere. - -„Drommels, dat heet ik dienstijver hebben!” kreet een derde. - -„In de ornithologie zou Karel onder de „rari aves” (zeldzame vogels) -gesorteerd worden!” riep August van Beneden uit. „Kom, wie werkt er nog -op dit uur, nu geheel Santjoemeh feestviert? Hoort ze daar ginds eens -toeteren en spektakel maken.” - -En inderdaad bij de doodsche stilte, die in het overige gedeelte der -residentie’s hoofdplaats heerschte, werden in de verte het geschetter -der fanfares, het geknetter der mertjons en het gedonder van het -geschut vernomen. - -„Ja, daar wordt spektakel genoeg gemaakt,” merkte Theodoor Grenits -verachtelijk glimlachende op. - -„Vrienden,” zei Van Nerekool, „wel heb ik het grootste gedeelte van den -dag ijverig besteed; want zooals Leendert juister opgemerkt heeft, dan -hij wel meende, is het in den tegenwoordigen tijd zeer volhandig bij -den raad van Justitie; toch hield iets anders mijne aandacht bezig, -toen gij zoo even binnentraadt...” - -„En is het onbescheiden te vragen, wat onzen gastheer het hoofd zoo -over zijne schrijftafel deed bukken?” vroeg Theodoor. - -„Ik bracht juist een brief van Willem ten einde, dien ik zooeven -ontvangen had, en die mij de pen heeft doen neerleggen.” - -„Van Willem Verstork?” - -„Hoe maakt hij het?” - -„Is hij welvarend?” - -„Kan hij het te Atjeh nog al uithouden?” - -Die vragen kruisten elkander en werden nagenoeg gelijktijdig -uitgesproken. Een ieder van dat vijftal droeg den waardigen controleur -een goed hart toe. - -„Vrienden,” antwoordde Van Nerekool, „Willem is welvarend, en weet zich -uitmuntend in die militaire wereld daar ginds te schikken.” - -„Gelukkig!” meende Van Rheijn, die niet veel met sabelslepers, zooals -hij gewoonlijk de officieren noemde, ophad. „Ik verlang volstrekt niet -in zijne plaats te zijn.” - -„Wat schrijft hij, Karel?” vroeg August van Beneden. - -„Och, zijn brief is te lang, om u heden voor te lezen,” antwoordde Van -Nerekool. „Daarenboven is het grootste gedeelte gewijd aan mijne -particuliere omstandigheden, en treedt hij omtrent de ouders van Anna -van Gulpendam in bizonderheden, die ik zonder onkiesch te zijn, niet -kan mededeelen. Zijne bedoeling, om mij van mijne liefde te genezen, is -voorzeker welgemeend; toch maakt dat schrijven mij diep neerslachtig, -daar mij de klove, die mij van het lieve meisje scheidt, al meer en -meer onoverkomelijk aangrijnst.... Waar mag zij toch zijn? Wist ik dat -maar; och, dan was alles nog niet verloren.” - -Allen keken elkander aan. Er was daar eene snaar aangeroerd, die den -gastheer tot weemoed moest stemmen. - -„Kom Karel,” sprak Grashuis bemoedigend, „geef aan die neerslachtigheid -niet toe. Gij moet u in het onvermijdelijke weten te schikken. -Daarenboven, wie weet wat de toekomst bereidt?”... - -„Maar, zij is weg... spoorloos verdwenen!” jammerde Van Nerekool. - -Eduard van Rheijn glimlachte vreemdsoortig, maar antwoordde daar niet -direct op. - -„Ook baboe Dalima is verdwenen,” zeide hij. - -Van Nerekool schudde ongeduldig het hoofd, alsof hij zeggen wilde: „wat -kan mij dat schelen?” - -„Ik ben dezer dagen te Kaligaweh geweest,” ging de adspirant-controleur -voort, „en heb daar bij toeval den ouden Setrosmito gesproken. Zij is -volgens hem geruimen tijd geleden naar Karang Anjer gereisd....” - -„Naar Karang Anjer?” riep Van Nerekool uit. „En wat?....” - -„Maar sedert heeft hare familie niets meer van haar gehoord.” - -„Niets?” - -„Neen, niets. Zoodat hare ouders niet weten, of zij dood of levend is.” - -Moedeloos liet Karel het hoofd op de borst zinken. - -„Een opflikkering der hoop,...” prevelde hij; „en daarna weer zwarte -nacht!” - -Allen keken een poos bedrukt voor zich. - -„En schrijft Willem niets anders dan over die aangelegenheid?” vroeg -Van Beneden, die den gedachtenloop van den gastheer een andere wending -wenschte te geven. - -„Jawel,” antwoordde Karel, die langzamerhand zijne geestkracht herwon. -„Kom, laten wij in de binnengalerij plaats nemen, dan zal ik u het -meest wetenswaardige van zijn brief mededeelen. Het is hier niets -gezellig voor vriendenkout.” - -Allen verlieten het studeervertrek van den rechtsgeleerde, dat -inderdaad met zijne folianten, die van waanwijsheid zwollen, niet tot -vertrouwelijkheid verlokte. - -„Sabieio, lakas kassi karossi, dan roko sama toean toean!” (Sabieio, -geef de heeren stoelen en sigaren.) klonk het bevel des gastheers. En -toen allen gezeten waren, en geurige manillasigaren opgestoken hadden: - -„Zullen de heeren een glas bier gebruiken?” vervolgde hij. - -En op de toestemmende beweging zijner gasten: - -„Sabieio, kassi bier ajam,” [257] vervolgde hij, „sama ajer batoe,” -(Sabieio, geef haantjesbier met ijs). - -Toen allen zich aan het heerlijke Cambrinusvocht gelaafd hadden, hernam -Van Nerekool: - -„Ik zal u het bedoelde gedeelte uit Willem’s brief voorlezen. Luistert: - -„Herinnert gij u nog, dat ik ulieden bij het diner na de varkensjacht -in den djoerang Pringapoes mededeeling deed van een recept van -pilletjes om de opium te bestrijden, [258] alsook welk succes ik en -anderen daarmede reeds verworven hadden. Grenits was niets gesticht -over die mededeeling, en zag de toekomst niet rooskleurig voor mij in. -Zijne woorden hebben mij lang in de ooren geklonken, en nog staan zij -onuitwischbaar in mijn geheugen gegrift. „Houdt dat pillenrecept voor -u,” sprak hij waarschuwend. „De minister van Koloniën, die bezig is de -opiuminkomsten door alle mogelijke middelen zoo hoog mogelijk op te -zweepen, zou daarin eene aanranding van het gouden kalf zien. Er zijn -zendelingen in hun evangeliearbeid verhinderd, er zijn menschen de -Koloniën uitgezet, en er zijn ambtenaren gepensioneerd geworden, die -veel minder gedaan hadden, dan zulke pillen aan den man gebracht.” -Karel, gij weet dat, hoewel, met het oog op de toekomst mijner -familieleden een oogenblik terneergeslagen, ik toch Theodoor’s woorden -bij eenig nadenken slechts opnam als eene zwartgallige ontboezeming, -geuit ten gevolge van ons gesprek bij den maaltijd, dat hoofdzakelijk -over opium-schandalen en opium-ongerechtigheden geloopen had. Grenits -zelf zag den toestand minder donker in dan zijne woorden wel -aanduidden; want lachende hernam hij op mijne bewering, dat het zoo erg -niet loopen zou: „maar een Nederlandschen Leeuw zult gij met uwe pillen -niet verdienen.” - -„Neen, Karel, eene decoratie heb ik niet beoogd. Het weinige goede, wat -ik deed, verrichtte ik om dat goede zelf, niet met den blik op eene -mogelijke belooning. Zulk streven heb ik steeds volgaarne aan anderen -overgelaten, omdat zelden het waarlijk goede, soms wel het tegendeel -daarvan, maar bijna immer eene zekere ruggegraatslenigheid met die -uiterlijke teekenen van de tevredenheid der machthebbenden beloond -wordt. De gedachte alleen, dat ik zou kunnen verdacht worden van zoo -dienstvaardige spierbundels in mijne lendenen te hebben, zou mij -ongeschikt tot iedere poging daartoe maken. - -„De pijl, door Theodoor daartoe afgeschoten, miste dus zijn doel. Toch -kon hij noch ik vermoeden, hoeveel sarcasme in zijn laatsten volzin, en -hoe doeltreffend zijne voorafgegane raadgeving geweest was. Let goed op -het geen volgen gaat. - -„Ik was nog niet lang hier, toen mij een schrijven van de Bataviasche -Secretarie gewerd. Dat gebeurde wel meer, wanneer men inlichtingen -omtrent sommige civiele kwestiën, b. v. inkomende rechten of zoo iets -wenschte te hebben, en den Militairen Gouverneur niet bemoeielijken -wilde. Maar ditmaal bevreemdde het mij toch, dat ik dat stuk niet door -tusschenkomst der hoogstgeplaatste autoriteit ontving. Wel was het een -geschreven stuk, toch was het geene missive. Het had meer den vorm -eener circulaire, die evenwel gewoonlijk gedrukt of geautografeerd is. -Dat document luidde: [259] „Te Batavia is eene poging ontdekt om -pillen, bestaande uit of vermengd met opium, in te voeren als medicijn. -Ter zake is door de Indische regeering beslist, dat, aangezien die -pillen moeten worden beschouwd als bereide opium, invoer van die pillen -anders dan voor rekening van het gouvernement, alsmede de verkoop, -anders dan door den pachter, verboden is, behoudens de bij Indisch -Staatsblad 1872, No. 170 ten behoeve der particuliere apothekers -vastgestelde uitzondering. UWEd. Gestr. wordt verzocht aan dien last -der Regeering stipt de hand te doen houden.” - -„Dat fraaie stuk was geteekend door den directeur van Binnenlandsch -Bestuur. - -„Ik had hier te Oleh-leh met de door mij besproken pilletjes pogingen -aangewend, om Chineesche opiumschuivers van hunne heillooze -verslaafdheid aan het heulsap af te brengen, en die pogingen waren met -een uitstekenden uitslag bekroond. Ik had ook een paar honderdtallen -van die pilletjes aan ettelijke officieren verstrekt, om aan hunne -ondergeschikten uit te reiken, en die ook waren opgetogen over de -heerlijke werking van het middel. Mijn trophée bedoedans was dan ook -met een zestal vermeerderd; en ik erken, Karel, dat wanneer mijn oog op -die werktuigen van zedelijke verwoesting viel, die daar nu als -zichtbaar teeken der behaalde overwinning aan den wand hingen, ik een -gevoel van tevredenheid met mij zelven niet kon onderdrukken. - -„Moest ik nu die pogingen staken? Ik kon niet gelooven, dat de -regeering wars zoude zijn, het hare bij te brengen, om zoovele -rampzaligen, als ten gevolge van het opiumgebruik in Indië -rondkrioelen, de reddende hand toe te steken. Voorzeker, zij was -misleid, en het gold maar alleen haar de oogen te openen. Die pillen -beschikbaar bij de pachters stellen, moest het doel, met dat middel -beoogd, doen falen. Ik stelde dan ook een uitvoerig stuk op, waarin ik -de uitkomsten aantoonde niet alleen door mij, maar ook door de -evangelieverkondigers van het Nederlandsch Zendelinggenootschap, zoo -ook door de hierboven bedoelde officieren verkregen. Van de -laatstbedoelden legde ik authentieke verklaringen deswege over. Ten -slotte stelde ik op grond der opgedane ervaring voor, ten opzichte van -de pillen, door bedoeld Zendelinggenootschap vervaardigd, eene -uitzondering met betrekking tot den uitgevaardigden last te maken. - -„Karel, wat had ik gedaan! Ja, ik had als eerlijk man de inspraak van -mijn hart gevolgd. Maar ik was al te eenvoudig van gemoed, toen ik -gelooven kon, dat de regeering ook maar een klein beetje van hare -prooi, zelfs ter wille van het zedelijksheidsbeginsel, zou laten varen. -Ik was al te kinderlijk van gemoed, toen ik zoo’n stuk schreef in een -tijd, dat geld, geld bij de regeering alles primeert, dat schrapen als -de hoogste vaderlandsche deugd wordt aangemerkt en het oog gesloten -wordt voor de bas-fonds, waarin geschraapt wordt. - -„Al heel spoedig—ja, zelfs met keerende mail—ontving ik in antwoord op -mijn welgemeend pogen het navolgende schrijven: „In het voorstel, -vervat in uw schrijven van den zooveelsten, verlangt de regeering niet -te treden. Immers invoer van zoogenaamde opiumpillen moet in den -laatsten tijd, behalve ter hoofdplaats Batavia, ook hebben plaats gehad -in andere residentiën van Java. Ofschoon die pillen heeten bestemd te -zijn, om de schuivers het gebruik van opium af te leeren, dienen zij -toch inderdaad om hun, die zich, hetzij wegens de hooge kosten of om -andere redenen, niet op de gewone wijze van opium kunnen voorzien, het -opiumgenot op goedkooper wijze te verschaffen. [260] Bestond er reeds -twijfel, terwijl gij controleur in de residentie Santjoemeh waart, dat -gij er u als ambtenaar toe leendet, om—zij het dan ook zoogenaamd met -een goed doel—de verordeningen der regeering omtrent het -opium-monopolie te ontduiken, en zoo mede te werken tot benadeeling van -’s lands inkomsten,—uw schrijven geeft thans de meeste zekerheid, dat -gij dergelijke praktijken op uwe nieuwe standplaats beproefd hebt. Op -de diensten van een ambtenaar, die zóó ’s lands belangen opvat, kan de -regeering onmogelijk prijs stellen; en ware het niet, dat de -beweegredenen, die u genoopt hebben te handelen, zooals gij deedt, -ontegenzeggelijk een goed doel beoogden, alsook dat uwe -familie-verhoudingen mij hebben doen terugdeinzen, zou ik u als -onbekwaam voor den dienst bij het Binnenlandsch Bestuur, voor ontslag -hebben voorgedragen. Ik heb den Gouverneur last gegeven u in uwe gangen -ernstig na te gaan, en bij de minste tekortkoming onmiddellijk te -rapporteeren. Gij moet goed begrijpen, dat de Staat hooger toewijding -noodig heeft, dan het gehoor geven aan ziekelijke philantropische -opwellingen, en dat derhalve bij de minste reden van ontevredenheid, -gij op geene consideratie hoegenaamd te rekenen hebt...”” - -„Het is schandelijk!” kreet Theodoor Grenits, toen Van Nerekool ophield -met lezen. „En zoo eene behandeling overkomt een man, met zoo’n -edelaardig karakter als onze Willem.” - -„O, die opium, die opium!” vervolgde Grashuis even opgewonden. „Hij -bederft de beste sappen van onze natie. Is het reeds zoover gekomen, -dat men de middelen weert, die bij de bestaande toestanden heil zouden -kunnen aanbrengen!” - -„Ja, het is schandelijk!” beaamde Van Beneden. - -„Maar, vrienden,” kwam Van Rheijn tusschenbeide, „zijn wij niet te -uitsluitend in onze opvattingen, in onze oordeelvellingen? Zou het niet -waar kunnen zijn, dat onder het mom van genezing aan te brengen, -inderdaad sluikhandel met die pillen beoogd werd...” - -„O, Eduard,” viel hem Van Nerekool in de reden, „hoe komt gij er toe -Willem Verstork van sluikhandel te verdenken?” - -„En het Nederlandsche zendelinggenootschap?” voegde Leendert Grashuis -er aan toe. - -„Vergeef mij, vrienden,” antwoordde Eduard van Rheijn, terwijl hij -driftig van zijn stoel opsprong. „Gij verstaat mij verkeerd. Zoo iets -te kennen te geven, was mijne meening niet. Voor mij staat het als een -paal boven water dat, èn Willem èn de zendelingen bij hunne pogingen -onkreukbaar eerlijk en rechtschapen handelden. Maar zoudt gij niet -kunnen aannemen, dat onverlaten, zich achter dat geneesmiddel -verschuilende, zuivere opium pillen invoeren, om zoo de schatkist te -benadeelen?” - -„Zoo iets kan wel,” zei Grenits nadenkend. - -„En is het dan geen zaaks,” vervolgde Van Rheijn, „dat de regeering een -zoodanigen clandestienen invoer tegenga? Onder den dekmantel van die -pillen, zou het opiumverbruik zoo een al te groote vlucht kunnen -nemen....” - -„Zonder dat de staatskas er wel bij voer!” viel Grashuis in. „Als die -maar gestijfd wordt, dan is men in regeeringskringen van die vlucht van -het opiumverbruik zoo afkeerig niet. Integendeel!” - -„Daarenboven Verstork’s voorstel, om eene uitzondering te maken omtrent -de pillen van het Nederlandsche Zendelinggenootschap was aannemelijk -genoeg,” merkte Theodoor Grenits op. „Men kon het middel handhaven en -beschermen, maar de vervalschingen daarop tegengaan. Maar, dat wil men -blijkbaar niet. Geen loodje mag aan de hoeveelheid vergift ontbreken, -die de Inlandsche bevolking opgedrongen wordt, en iedere poging om tot -verbetering te geraken moet, wat er ook al in de Vertegenwoordiging in -den Haag gefemeld en geteemd wordt, ten ernstigste tegengegaan worden. -Vrienden, gij herinnert u onze discussiën nog wel. Valt de uitspraak -nog wel te betwisten: dat de opium als eene vervloeking op het arme -Indië rust?” - -Allen keken elkander een poos ernstig en stilzwijgend aan. Helaas, -neen, tegen die uitspraak was niet op te komen. In aller boezem was die -overtuiging gevestigd. - -„Ja, die opium!...” zei August van Beneden met een zucht. „Vrienden,... -wij zullen van thema veranderen, zonder ons onderwerp prijs te geven, -wat ook jammer zoude zijn. Gelukkig, dat een vijftal protesteerenden -zich binnen Santjoemeh bevinden, terwijl de lucht van de fanfares -trilt, en de grond dreunt door het gedonder van het geschut bij de -feestviering van de samenkoppeling der millioenen, uit die bron -verkregen. De gestaarte afstammelingen van het Hemelsche Rijk zijn nu -zoo eendrachtig om hunne Tao Peh Kong vereenigd, maar dat is niet -altijd zoo het geval. Er kunnen zich omstandigheden voordoen, waarbij -zij uiterst vinnig tegenover elkander staan. Bij het nasnuffelen dezer -dagen van eenige overjarige documenten, kwam mij een Kongsie-geschil in -handen, dat mij een diepen blik in den fatalen kring gunde, waarin zich -de opiumpacht beweegt. Wij zitten zoo gezellig bij elkander, laat mij u -die geschiedenis vertellen. Alleen moet gij niet op personen en op -plaatsnamen letten, ook niet op de jaartallen. Ik vind geen vrijheid om -de handelenden, die nog leven, te brandmerken, en dat zult gij, met het -oog op mijn standpunt van pleitbezorger, ongetwijfeld billijken. Voor -den gang van het verhaal is evenwel iets meer noodig dan het aanduiden -van personen door N. N. of P. P. en van plaatsen door X of Y, hetgeen -daarenboven iets stuitends heeft, zoo zal ik mij veroorloven -gefingeerde namen in te vlechten. Als gijlieden daaraan maar wilt -denken. - -„In het jaar—kom laten wij zeggen: ruim een tiental jaren -geleden,—bestond er in eene residentie’s hoofdplaats van Java—laten wij -aannemen in Santjoemeh—eene machtige opiumkongsie,—die wij Hok Bie -zullen noemen. Deze kongsie Hok Bie had het oog geslagen op de -opiumpacht van een aan Santjoemeh grenzend pachtperceel, dat wij -Bengawan zullen heeten. Maar ter zelfder tijd had dat pachtperceel -Bengawan ook de begeerlijkheid opgewekt van een jeugdig Chinees,—dien -wij Tio Siong Mo zullen heeten,—die rijk was, evenwel de millioenen -niet zoo voor het grijpen had, als dat met de kongsie Hok Bie het geval -was. - -„Het zou mij te ver leiden, vrienden”, vervolgde Van Beneden, „wanneer -ik u de intrigues mededeelde, die afgesponnen werden, de kuiperijen en -omkooperijen, die plaats hadden, om het beoogde pachtcontract machtig -te worden. Laat het u genoeg zijn te weten, dat van weêrszijden alle -krachten werden ingespannen, en niet zonder reden; want het -pachtperceel Bengawan gold destijds voor het vetste van geheel Java, en -telt thans nog, als ik mij niet bedrieg, het grootste aantal -opiumkitten, waar tegenover staat, dat het de meest armzalige bevolking -van het geheele eiland bezit.” - -„Aanvankelijk scheen de kongsie Hok Bie de overhand te zullen behalen. -Zij verwierf toch van den resident, wien de verpachting opgedragen was, -[261] dat de soliditeit der borgen van hare tegenpartij betwijfeld -werd, waardoor deze buiten mededinging gehouden zoude worden. Tio Siong -Mo zette zich evenwel schrap, bekampte de omkoopers met hunne eigene -wapenen, en wist de soliditeit zijner borgen te staven. Hoe?... Och, -dat zult gijlieden wel kunnen gissen.” - -„Jawel, jawel,” zei Grenits. „Ga maar voort. Dat is zoo klaar voor ons -als een klontje kandijsuiker!” - -„Toen dat niet lukte, keek de kongsie Hok Bie naar andere middelen om. -Eerst poogde zij Tio Siong Mo’s borgen om te koopen, dat dezen zich -failliet zouden verklaren. Toen dat niet opging, deed zij den -gevaarlijken mededinger een bod van vijf tonnen gouds, wanneer hij zich -terugtrok. Vijf tonnen gouds! Het bod was mooi, dat moet erkend worden. -Toch aarzelde Tio Siong Mo geen oogenblik met zijne weigering; want de -pacht van het perceel Bengawan bracht veel, veel meer winst op. - -„Eindelijk was de groote dag daar. Aanvankelijk werd door een vijftal -mededingers geboden, maar drie daarvan verlieten voor en na het -strijdperk, en bleven de vertegenwoordigers van de kongsie Hok Bie en -Tio Siong Mo alleen tegenover elkander in het krijt. - -„Ik zal u maar niet vermoeien met den strijd, die met afwisselende -stoutmoedigheid en behoedzaamheid gevoerd werd. Er waren spannende -oogenblikken. Hok Bie bood eindelijk ƒ 80,000....” - -„Tachtig duizend gulden!” kreet Van Rheijn.... „Maar, dat is niet -veel.” - -„’s Maands! ’s Maands, waarde Eduard!” suste hem Van Beneden. - -„Dat is 960,000 gulden,” antwoordde Van Rheijn. „Nog niet veel. Hier te -Santjoemeh....” - -„Voor dien tijd een buitensporige prijs, vrienden,” viel hem August in -de rede. „Laat u dat gezegd zijn. Ik heb er mij van overtuigd.” - -„En hoe ging het verder?” vroeg Van Nerekool. - -„„Tachtig duizend!” had de vertegenwoordiger van Hok Bie geroepen, en -daarmede gemeend zijn tegenstander te overbluffen en te verpletteren; -want hij was van zestig op tachtig gesprongen. - -„Drommels!” zei Van Rheijn. „En hoe verder?” - -„Tio Siong Mo liet er geen gras over groeien; maar antwoordde leuk: - -„„Dan sareboe!” (nog één duizend) - -„Hij sprak die woorden, alsof hij zeggen wilde, dat hij ieder bod -zijner tegenpartij eenvoudig met duizend gulden wilde overschrijden. - -„Hok Bie’s „wakil” (vertegenwoordiger) keek verbluft op. Met dien -laatsten sprong had hij de uiterste grens van de strekking zijner -volmacht bereikt. Hij mocht niet verder. - -„„Delapan poeloe satoe reboe roepiah!” zei de resident aanmoedigend tot -den aarzelende. - -„„Delapan poeloe satoe reboe roepiah!” herhaalde de secretaris, die -voor afslager dienst deed. - -„Niemand sprak. Eindelijk klonk de formule van „tiga kali!” (derde -maal) vergezeld van een harden hamerslag, en was de pacht aan Tio Siong -Mo toegewezen. - -„Het was veel: negenhonderd twee en zeventig duizend gulden alleen aan -pachtschat! Maar de jeugdige Chinees lachte in zijn vuistje; hij was er -overtuigd van, dat uit het pachtperceel Bengawan meer dan het dubbele -te kloppen was. Of hij niet buiten den waard rekende?.... - -„De kongsie Hok Bie was woedend over de geleden nederlaag, en besloot -dan ook zich te wreken. In hare eerste bijeenkomst stelde zij vier ton -ter beschikking, om Tio Siong Mo niet alleen ten val te brengen, maar -om hem zelfs een plaatsje in ’s lands gevangenis te bezorgen. Twee der -oudste leden der kongsie belastten zich met die opdracht.” - -„Ik ben eens benieuwd, hoe zij dat aanlegden,” zei Grenits, die bij -zoo’n concurrentie als koopman zenuwachtig de neusvleugels openspalkte, -niet ongelijk aan een jong, vurig paard, dat ongeduldig is om vooruit -te schieten. - -„Dat ging vrij eenvoudig, hoewel het razend veel geld kostte,” ging -August van Beneden voort. „Als het evenwel het koelen hunner -hartstochten of het botvieren hunner ijdelheid geldt, dan zijn de -Chineezen volstrekt niet gierig....” - -„Ook niet, wanneer het geldt, eene spiering uit te gooien om een -kabeljauw te vangen,” meende Leendert Grashuis. - -„Accoord, maar laat mij nu voortgaan,” zei Van Beneden. „Anders komen -wij er van avond niet.” - -„Juist,” zei Eduard. „Maak voort; want ook ik heb eene -opium-geschiedenis mee te deelen en nog wat meer.” - -„Vooruit dan maar, August!” maande Theodoor Grenits. - -„Een paar belendende pachtperceelen, die aan de Javazee grensden, waren -nog niet verpacht. De kongsie Hok Bie wierp er zich hongerig op....” - -„Nu, dat laat zich hooren,” zei Van Rheijn. „Bij gemis aan het vette -perceel Bengawan, een paar ietwat magerder, dat compenseert.” - -„De kongsie Hok Bie wierp er zich hongerig op,” ging August -onverstoorbaar voort, „en besteedde voor die beide perceelen ƒ 40,000 -’s maands, hoewel er op de vingeren uit te rekenen was, dat bij een -dergelijken pachtschat geld bijgelegd moest worden.” - -„Maar, wat was hun doel met die pacht?” vroeg Van Nerekool. - -„Eene groote strook van Java’s noorderstrand te hunner beschikking te -krijgen.” - -„Oho!” riepen Grenits en Van Rheijn, voor wien een licht opging. - -„Begint gijlieden te begrijpen?” vroeg August van Beneden met een -glimlach. „Dat is gelukkig! Gij weet, de residentie Bengawan grenst ten -noorden aan die twee pachtperceelen. En de gevolgen bleven dan ook niet -uit. De kust aan de Java-zee stond voor de kongsie Hok Bie open. De -smokkelvaartuigen voeren ijverig tusschen die kust en Singapore en Bali -op en neer; de smokkelwaar vond haren weg door hare pachtperceelen en -binnen zeer korten tijd was Bengawan zoodanig met gesloken opium -overstroomd, die tegen acht duiten [262] willig van de hand gezet werd, -een prijs, waarvoor de wettige pachter onmogelijk slijten kon. Toch -trachtte Tio Siong Mo het onvermijdelijke te trotseeren. Hij begon met -stipt aan zijne verplichtingen te voldoen, en den bedongen pachtschat -op de gestelde datums in ’s lands kas te storten, in de hoop, dat de -Europeesche ambtenaren hem steunen zouden, tegenover den sluikhandel, -die ’s lands kas dreigde te benadeelen. Welk gevolg zijne vertoogen bij -de hoofden van Gewestelijk Bestuur in de verschillende residentiën -hadden?.... Schwamm darüber.... En, mocht hij ook van een enkelen -hoofdambtenaar medewerking ondervinden, van de mindere opiumbeambten -ondervond hij dat niet. Integendeel, die waren geheel en al op de hand -van de machtige kongsie Hok Bie, die geen dienst, haar bewezen, -onbeloond liet. Dat prompte betalen van den pachtschat ging goed, -zoolang Tio Siong Mo geld had. Hoe welvoorzien evenwel zijne kas was, -het was ook hier: waar steeds veel van afgaat en schier niets bijkomt, -daar is het einde slechts een quaestie van tijd. In de tweede helft van -het tweede pachtjaar failleerde Tio Siong Mo. Hij kon onmogelijk zijne -onkosten dekken, en had toen een kolossalen achterstand bij ’s lands -kas, waarvan zeer weinig te recht kwam; omdat zijne borgen op het -wichtig oogenblik naar Singapore ontvlucht waren, en zoo slim met hunne -bezittingen omgesprongen hadden, dat zij niets dan schulden -achterlieten. - -„„De Nederlandsche regeering is het zwaard zonder genade,” sprak de -Directeur van Financiën, en liet uit naam van diezelfde regeering, die -door doeltreffende maatregelen, zoowel in haar als in des pachters -belang, sluikerij op zoo groote schaal, als langs de noordkust van Java -geschied was, onmogelijk moest gemaakt hebben, maar dat nagelaten had, -den armen Tio Siong Mo in de gevangenis stoppen, waarin hij jarenlang -zuchtte, en waaruit hij eerst kort geleden, toen men zag, dat die -gijzeling toch niets gaf, ontslagen is. Kan men op het gebied van -belooningen soms niet zonder reden beweren, dat de paarden, die de -haver verdienen, ze niet altijd krijgen, zoo ziet gij ook uit deze -épisode, dat zij die gestraft worden, niet altijd de ware schuldigen -zijn.” - -„Maar hoe ging het met de pacht van Bengawan na dat faillissement?” -vroeg Van Rheijn nieuwsgierig. - -„Natuurlijk moest dat perceel door den val van Tio Siong Mo -binnenstijds herverpacht worden. Wie de nieuwe pachters geworden zijn, -blijkt niet uit de stukken; wel uit eene teemende jeremiade van den -Directeur van Financiën, waarbij hij de rechters tot groote -gestrengheid jegens den gefailleerde aanspoorde, dat het perceel bij -die herverpachting slechts ƒ 41,000 opbracht. Zoodat het rijk, behalve -de achterstallige tonnen van den gefailleerde, ook nog een geldelijk -nadeel van veertigduizend gulden ’s maands had.” - -„Goed zoo!” riep Grenits uit. „Ik wou, dat dit jaar in jaar uit en met -alle pachtperceelen gebeurde, dan zou er wel een middel gevonden -worden, om aan dat opiumverbruik een einde te maken!” - -„Maar, hoe ging het met de door de kongsie Hok Bie gepachte perceelen -langs de noordkust?” vroeg Eduard, die in zijne qualiteit van -aspirant-controleur het naadje van de kous wilde weten. - -„Wat zou de kongsie er mede gedaan hebben? Die brachten slechts verlies -op. Toen het doel dan ook bereikt was, deed zij de pacht aan eene -bevriende kongsie, natuurlijk tegen groot verlies over. Hok Bie wilde -er niets meer van weten....” - -„En de moraal van die geschiedenis is?” vroeg Leendert Grashuis. - -„Eenvoudig deze,” viel Theodoor Grenits in: „dat, van welken kant wij -ook de opiumpacht bekijken, zij steeds een walgelijken aanblik -verleent.” - -„En, zoo iets vormt de voornaamste bron der koloniale inkomsten der -Nederlanders!” - -„Ja, daartoe is ze door de machthebbenden, die door de onbegrijpelijke -lauwheid der natie de handen vrij hebben, in den laatsten tijd -opgevoerd worden!” - - - - - - - -XXXVIII. - -DE AMBTENAREN EN DE OPIUM.—DE VOGELNESTPLUK TE KARANG BOLLONG. - - -Het vijftal vrienden zat een poos in gedachten verzonken. Het waren -harde waarheden voor het Nederlandsche hart, die daar weerklonken -hadden; maar het waren waarheden, die niet weg te cijferen of weg te -redeneeren waren. Ernstig zaten alle vijf daar op hunne „karossi -gojang” te wiegelen, en de blauwe spiralen, die zij aan hunne -manilla-sigaren ontlokten, na te oogen; totdat in de verte een -verdubbeld gebulder van het geschut vernomen werd, en een verdubbeld -geknetter der mertjons, schier verdoofd door een uitbundig gejuich, -hetwelk in het feestgebouw ontstaan, zich naar buiten uitbreidde, en -door de duizenden Inlanders, die stonden te nontonnen en geduldig op -het vuurwerk te wachten, herhaald werd. Dat cressendo van feestgejoel -was waarschijnlijk veroorzaakt door den toast van Lim Yang Bing op den -resident Van Gulpendam. - -„Sabieio, isi glas!” (Sabieio vul de glazen!) riep Van Nerekool, zich -aan zijne zwaarmoedige gedachten ontwringende, die door het verhaal van -Van Beneden niet verdrongen waren. - -Een oogenblik luisterde ons gezelschap nog naar het spektakel. Toen dat -evenwel ook weer in de verte weggestorven was, hervatte Eduard van -Rheijn het gesprek. - -„Waarde August,” zei hij, „straks bezigdet gij de woorden, dat Tio -Siong Mo geene medewerking van de mindere opiumbeambten ondervond, dat -die integendeel geheel en al op de hand der machtige kongsie Hok Bie -waren. Die uitspraak zal u wel niet ontvallen zijn; maar zult gij wel -degelijke motieven daartoe gehad hebben. Evenwel, het is mij niet -duidelijk, of gij met dat vonnis de Europeesche dan wel de Inlandsche -opiumbeambten wildet treffen. Vergeet niet, uwe beschuldiging is -zwaar.” - -Van Beneden keek strak voor zich, haalde eens diep adem, en wachtte een -paar seconden, alvorens hij antwoordde: - -„Zeker is mijne beschuldiging zwaar, dat gevoel ik als rechtsgeleerde -het beste. En gij hadt gelijk, toen gij meendet, dat ik haar niet -ondoordacht uitsprak. Wien zij geldt? Inlandsche of Europeesche -beambten? Ik geloof, dat ik beide landaarden gerust in dezelfde -beschuldiging wikkelen kan. Het moet mij evenwel van het hart, dat ik -vooral de blanken op het oog had....” - -„August, zijt gij niet te eenzijdig in uwe oordeelvelling?” vroeg Van -Rheijn diepbewogen. - -„Luister, Eduard,” antwoordde Van Beneden. „Onder het groot aantal -processtukken, die zaak van Tio Siong Mo betreffende, trof ik ook eene -nota aan van een hooggeplaatst ambtenaar, die uitermate bevoegd was een -oordeel te vellen, en wien dat oordeel ook gevraagd was. [263] Zie -hier, wat die nota ongeveer inhield: - -„„De traktementen van de ambtenaren tot tegengang van den sluikhandel -in opium zijn uiterst schamel; terwijl hun geene hulpmiddelen bij hun -zeer moeielijk bedrijf ten dienste staan. Het gevolg daarvan is, dat -zeer weinig geschikte sujetten zich voor dat baantje aanbieden. Hoe -geschiedt dan de aanvulling? Te hooi en te gras worden eenige -individuën aangenomen, en ter beschikking gesteld van een of anderen -resident. Die menschen, die in den regel een minder gunstig verleden -achter zich hebben, en van den opiumsluikhandel een zeer beperkt -denkbeeld hebben, worden dan op een traktement van ƒ 150 ’s maands -geplaatst op verschillende punten, waar de meeste clandestiene opium -ingevoerd wordt. Uit den aard der zaak zijn die punten niet in of -onmiddellijk nabij bewoonde plaatsen gelegen. Het tegendeel is waar. -Hunne stations bevinden zich in den regel in de schier ontoegankelijke -moerassen, en de schier ondoordringbare wildernissen van Java’s -noorderstrand. Van eene woning is daar geen sprake, sommige huren tegen -25 of 30 gulden ’s maands een bamboekrotje, of bouwen er op eigen -kosten een. - -„Personeel ter hunner beschikking, daarvan bestaat niets, niets! -Daarvoor is geen geld beschikbaar. Ze moeten—God betere het!—maar hulp -vragen, als er wat aan de hand is, aan de dèsa-hoofden en komen dan in -den regel bij den duivel te biecht. - -„Die ambtenaren worden door de residenten verplicht twee paarden te -houden, en genieten daarvoor aan fouragegelden ƒ 10 ’s maands per -paard. Fondsen tot het aanschaffen dier paarden worden eenvoudig niet -verstrekt. Hierdoor worden zij genoodzaakt gebruik te maken van de -bepaling om vier maanden voorschot op traktement te mogen nemen, dat -hun in zestien achtereenvolgende termijnen afgetrokken wordt. Rekent -men nu de korting voor weduwen- en weezenfonds daarbij, dan krijgen de -ongelukkigen ƒ 102 in handen, waarvan huishuur en bediendeloon afgaat, -zoodat hun slechts 67 gulden overblijven om veelal met een gezin van te -leven en zich te kleeden. Waar hunne, al is het ook maar eene schamele -inrichting van daan moet komen? Er blijft die menschen niets anders -over dan zich tot de pachters te wenden, die in dergelijke gevallen -volgaarne als geldschieters optreden. Wordt zoo den beambten de leer -niet opgedrongen: uit hun baantje te halen, wat er uit te halen is?” - -„En zoo, waarde Eduard,” ging Van Beneden voort, „gebeurt het, dat alle -opiumbeambten direct of indirect onder de afhankelijkheid van de -pachters staan of langzamerhand geraken. De gevolgen daarvan liggen, -dat moet gij erkennen, voor de hand. Bij die nota lag een lijst van -individuën, die tengevolge van hulp aan de smokkelaars tegen de -belangen der pachters verleend, ontslagen waren. Dat getal was groot. -Anderen waren ledepoppen van de pachters en durfden zich niet tegen den -sluikhandel van dezen verzetten. Een derde categorie kwam in die nota -voor, helaas, de minst talrijke, dat waren zij, die hunnen plicht -ernstig opvatten en van de stelling uitgingen, dat de pachters als -smokkelaars even goed strafbaar zijn als anderen, en derhalve die -pachters even ijverig controleerden. Maar.... Maar... dezen hielden het -niet lang uit, maar verdwenen al heel spoedig van het tooneel. Hun werd -dan door de residenten ten laste gelegd: gemis aan tact en beleid. „Was -toch eenmaal eene klacht ingediend, dan moest het recht zijn loop -hebben, en... de regeering ziet zeer ongaarne, dat hare pachters -bemoeielijkt worden, als dezen maar trouw hunne financiëele -verplichtingen jegens de Staatskas vervullen...” - -„Maar... waar blijft onder dergelijke omstandigheden de telken jare -herhaalde verzekering van den Minister van Koloniën in de -vertegenwoordiging,” vroeg Grenits vrij heftig, „dat het opiumverbruik -zoo veel mogelijk tegengegaan wordt. De regeering beschermt, zooals wij -hoorden, den sluikhandel der pachters, en dezen, om hunne sluikwaren -aan den man te brengen, dringen de bevolking met alle geoorloofde en -ongeoorloofde middelen het vreeselijke heulsap op.” - -„De conclusie van wat ik mededeelde,” ging Van Beneden voort, „is, dat -geen fatsoenlijk man wil of kan in dienst treden als ambtenaar tot -tegengang van den sluikhandel, men moet dus de toevlucht tot personen -van minder gehalte nemen. En... vandaar, beste vrienden, dat de -kuiperijen van de kongsie Hok Bie tegenover den pachter Tio Siong Mo -mogelijk waren, en dat zij het verloop konden hebben, hetwelk ik -mededeelde....” - -„Al weer een blik te meer in den toestand, door de opiumpacht -geschapen,” zei Van Nerekool. „Kom, laten wij het onderwerp uitputten. -Zeide Van Rheijn straks niet, dat ook hij een opiumgeschiedenis te -vertellen had?” - -„Ja,” antwoorde deze, „en nog wat anders ook.” - -„Kom, vooruit dan,” zei Leendert Grashuis. „Ik meende al een boel te -weten, maar telkenmale openen zich nieuwe gezichtspunten.” - -„Zijt gijlieden allen van sigaren voorzien?” vroeg de gastheer -uitnoodigend. „Wij zijn geheel en al gehoor, Eduard.” - -„Ik heb een brief van Murowsky,” begon Van Rheijn. - -„Van Murowsky, onzen dokter?” - -„Van onzen „beobachter” hij de wetenschappelijke opiumschuiverij?” - -„Van hem zelven. Daar die brief weinig of geen zielsgeheimen bevat, en -hij daarenboven aan ons allen geadresseerd is, zal ik hem u, in -tegenstelling van de gedragslijn, door onzen gastheer gevolgd, in zijn -geheel voorlezen.” - -„Drommels, het is reeds laat,” merkte Grashuis op. „Reeds negen uur.” - -„Komt er iets over kapellen in voor?” - -„Ja.” - -„En over kevers en slangen?” - -„Misschien ook.” - -„Och, dan sta God ons bij! De heeren entomologen kunnen zoo langdradig -zijn; zij schenken je geen enkelen poot, geen antenne (voelspriet), -geen dekschild, geen...” - -„Dat zal nog al meevallen,” antwoordde Eduard op die uitvallen -glimlachend. „Luistert maar: - -„„Hoe ik het te Gombong uithoud?” vroegt gij mij in uwen laatsten -brief, waarde vriend. Ja, in den beginne zag het er dienaangaande -somber uit. Gij weet, dat ik de lieve Agatha van Bemmelen een goed hart -toedroeg, en ik geloof ook, dat zij hare kijkertjes niet dichtkneep, -wanneer zij mij te Santjoemeh tegenkwam. Aanvankelijk dus bij mijne -komst hier, dacht ik slechts aan haar, verafschuwde mijne nieuwe -omgeving en vloekte den chef, die mij de poets gebakken had, mijne -overplaatsing naar hier te bewerken. Van entomologie geen sprake. De -enkele malen, dat ik probeerde afleiding daarbij te zoeken, mislukte -mijne poging volkomen. Waar ik ook ging of kuierde, zag ik slechts één -beeld, dat der bekoorlijke Agatha met hare fonkelende oogen en -bekoorlijke koonen, en vergat ik mij zoodanig, dat de fraaiste -vlinder-exemplaren mijnen neus voorbijvlogen, zonder dat ik er aan -dacht mijn netje er naar uit te steken. Ik gaf het op en smeet mijn -insectengereedschap in een hoek. Maar, wat te doen te Gombong? Al de -officieren, daar aanwezig, hadden hun werkkring als leeraren bij de -pupillen-inrichting aangewezen, en hadden het druk genoeg. Ik -daarentegen had bijna niets te doen. Het luchtgestel te Gombong is -wanhopig gezond, en als oprechte Roomsche heb ik menig schietgebedje -gedaan, om, kon ik geene epidemie verwerven, dan toch een geval onder -handen te krijgen, merkwaardig genoeg om mijne aandacht te boeien.....” - -„Wel heb je ooit zoo’n Poolschen zonderling gezien!” riep Theodoor uit. -„Bidden om eene epidemie! Zoo’n vent moesten ze de kolonie uitzetten, -of op zijn minst in het nieuwgebouwde gekkenhuis te Buitenzorg een -plaatsje bezorgen.” - -„Bah, iedereen bidt: Geef ons heden ons dagelijksch brood,” zei Eduard. -„Verlangt hier onze August niet naar processen? En is een geding niet -erger dan eene epidemie? Maar, laat mij voortgaan.” - -„Toen mijn gebed niet verhoord werd, nam ik de dichtkunst te baat, of -beter ik wisselde het een met het ander af. Ik bezong haar, die -afwezige, in alexandrijnen, in jamben, in pentameters, in hexameters, -in oden, in idyllen, in lyrische gedichten, in sonnetten, in stanzen, -in het Duitsch, in het Poolsch....” - -„Dat zal mooi geklonken hebben,” viel Grashuis in. - -„In het Poolsch, in het Fransch, ja zelfs tot in het Latijn....” - -De vrienden schaterden het uit. - -„In het Latijn!” schreeuwde Grenits. „Is de vent dol?” - -„Verbeeld je, dat het lieve kind,” kwam Van Beneden tusschenbeide, -„eene ode van haar aanbidder ontving, getiteld: „Solus occasus, virgini -Agathae pulcherrimae Bemmelensi dedicatus. [264] Ik wou dan haar -bakkesje wel zien.” - -„Schei uit met je gekheid en laat mij voortgaan,” zei Van Rheijn, die -evenals de anderen hartelijk lachte, toen hij de vertaling vernomen -had. - -„...En God weet, hoeveel papier ik vol geklad zoude hebben, toen ik -eensklaps vernam, dat Agatha van Bemmelen geëngageerd was, en al heel -spoedig zou trouwen. Toen greep ik al mijne dichterlijke producten, -stookte er des avonds een vuurtje van, dat overheerlijk hielp om de -muskieten en oude nesterijen te verdrijven. Ik noodigde al de -officieren van het garnizoen bij elkander, gaf een flinke -champagne-fuif, en was na een nacht, dien ik doorbracht, alsof ik de -Zeven Heilige Slapers van de Roomsche Heiligen-legende concurrentie -wilde aandoen, totaal genezen.” - -„Die Pool is een practische kerel. Om een voorbeeld aan te nemen, hoor -je Karel!” - -„Ik hervatte mijne insectenjacht en begreep toen eerst dat de -hemidiptera, de diptera, de hymenoptera, de lepitoptera, de -coleoptera....” - -„Zeg, zou je die barbaarsche namen, waarvan wij toch niets begrijpen, -niet overslaan?” vroeg Grenits. „Dat zoo’n Pool ze gebruikt, kan er nog -door; die weet niet beter. Maar, dat gij ons met dien poespas verveelt, -is onvergeeflijk.” - -„Ik ben al klaar,” antwoordde Theodoor, „.... de coleoptera, de -crustaceeën [265] mijne beste vrienden waren, en mij de meeste -verstrooiing zouden aanbieden. Ik trof het gelukkig. Zieken waren er -geene, en tot overmaat van geruststelling was een officier van -gezondheid, dus een collega, hier aangekomen, die drie maanden verlof -bekomen had, om hier in dit gematigd en bestendig luchtgestel herstel -van eene beginnende miltziekte te zoeken. Die vroeg niet beter, dan om -mij bij voorkomende ziektegevallen te kunnen vervangen, al ware het ook -om de verveling te bestrijden, waaraan hij onmiskenbaar ten prooi was. -Gretig maakte ik van de aangeboden gelegenheid gebruik, en vroeg aan -den militairen kommandant permissie, om mij gedurende acht dagen in het -Karang Bollongsche gebergte, dat hier in de nabijheid gelegen is, aan -den entomologischen hartstocht te mogen wijden. - -„Ga jij maar kapellen en snuitkevers vangen,” sprak de goedhartige -kapitein. „Zorg echter, dat ge in dat woeste bergland geen ongeluk -krijgt, en dat ge op uw tijd weer present zijt.” - -„Een uur later was ik met mijn geweer over den schouder, met de -weitasch om en de blikken trommel voor mijne verzameling op den rug, op -het pad, terwijl mijn bediende mij met het overig benoodigde volgde. -Van Gombong marcheerde ik over de dessa’s Karang-djati, Ringodono naar -Pring-toetoel, alwaar ik in het hartje van het woeste gebergte was. Ik -legde dat traject niet in eens af, maar besteedde er ruim twee dagen -over. - -„Ik zal u niet bezighouden met het welslagen mijner jacht, dat zou -parelen voor de zwijnen geworpen zijn....” - -„Heb je ooit van z’n leven!” riep Grenits uit. „Onze Pool schittert -niet door beleefdheidsvormen.” - -„Hij geeft u de pasmunt weerom, van die barbaarsche woorden van -straks,” lachte Van Rheijn; „maar laat mij voortgaan: „Toch wil ik u -mededeelen, dat ik redenen te over heb tot tevredenheid. Ik heb onder -meer anderen een zeldzamen Ulysses gevangen, en eenen schoonen Priamos. -Maar wat de glorie mijner collectie zal uitmaken, is een Atlas, die met -zijne uitgespreide vleugelen nagenoeg eene ruimte van een voet in het -vierkant beslaat; maar daarover wil ik niet uitweiden. Wat hebt gij -daaraan? Neen, ik heb een onderwerp, dat voor u en uwe vrienden meer -aantrekkelijk zal zijn. Onze proefneming met het opiumschuiven heeft -mij langen tijd door het hoofd gespookt, en ben ik nog lang niet -ulieder gesprekken vergeten, welke bij die gelegenheid gehouden werden. -Die hebben mij de oogen geopend en mij er toe aangezet, om ook mijne -opmerkingen te maken, waar mij bizonderheden van het opiumverbruik -onder de oogen zouden komen. Ik ben hier waarlijk goed terecht gekomen. - -„Natuurlijk kwam ik bij mijne omzwervingen in het Karang Bollongsche -gebergte in aanraking met den vogelnestpluk. Of gijlieden omtrent dat -middel van inkomsten van den Nederlandschen Staat op de hoogte zijt of -niet, is mij geheel om het even. Om evenwel tot mijn onderwerp: het -opiumverbruik in deze streken te geraken, ben ik verplicht daarvan een -vluchtig overzicht te geven. Gij moet er dus aan gelooven.” - -„Drommels,” zei Grenits, „dat belooft!” - -„Ik wed, dat wij een massa geleerdheid zullen te slikken krijgen,” -meende Grashuis. „Zoo’n product der Duitsche universiteiten kan -onuitstaanbaar pedant zijn.” - -„Toch niet,” antwoordde Eduard van Rheijn. „Ik voor mij heb tal van -wetenswaardige bizonderheden in dezen brief aangetroffen. Maar, laat -mij voortgaan:” - -„Het Karang Bollongsche gebergte is, zooals gij wel weten zult, een -uitlooper van den Goenoeng Djampong [266], die een verbindingsrug -daarstelt tusschen het Midanganggebergte en den Goenoeng Batoer met -zijne voortzettingen. [267] De hoofdmassa van het Karang -Bollonggebergte bestaat uit uitgestrekte kalkbanken, die eene -hoogvlakte vormen, Goenoeng Poleng genoemd, en aan de zeezijde door een -breeden band van trachietrotsen omgeven zijn, die loodrecht uit den -Indischen Oceaan opstijgen. In dien rotsmuur heeft de wereldzee met -hare machtige deininggolven, die ongehinderd van de Zuidpool aanrollen, -om tegen Java’s Zuidkust te breken, talrijke holen uitgespoeld, waarvan -sommigen zeer diep onder den grond uitloopen. [268] In het binnenste -gedeelte van die holen bouwen een soort van zwaluwen, door de Inlanders -„manoek lawet” en door de zoölogen „hirundo esculenta” geheeten...” - -„Dacht ik het niet,” viel Grenits met koddige verontwaardiging in, -„daar begint de Pool al met zijne latijnsche benamingen. God alleen -weet, wat ons nog te wachten staat!” - -„En ik dan, die den brief reeds gelezen heb?” vroeg Van Rheijn. „Neen, -maak je maar niet ongerust, dat latijn zal wel losloopen. Ik ga voort: - -„„....Hirundo esculenta geheeten, hunne nesten tegen de kale -rotswanden. Die nesten bestaan uit eene slijmerige zelfstandigheid, -welke in de maag dier zwaluwen aangetroffen wordt. Die vogeltjes -bedekken de plek van den rotsmuur, die zij uitgekozen hebben om hun -nest te dragen, met een uiterst dun laagje van dat slijm. Zoodra dat -droog en behoorlijk verhard is, leggen ze er een tweede laagje over, -dat eveneens drogen moet, alvorens met den bouw verder te kunnen gaan. -Zoo wordt voortgegaan, totdat het nestje voltooid is. Is dat het geval, -dan heeft het den vorm verkregen van een schoteltje van geringe -middellijn, dat doormidden gebroken en met den breukrand tegen de rots -gehecht zoude zijn. De nestjes bestaan dus uit een geleiachtige massa, -die een lichtgele kleur heeft, en zijn, wanneer zij van supérieure -qualiteit zijn, eenigermate doorschijnend...” - -„En dat eten de Chineezen, nietwaar?” vroeg Grashuis. „Wat lekkers -zouden zij daaraan vinden?” - -„Laat mij voortgaan.” - -„„De Chineezen vinden die nestjes, behoorlijk geweekt en toebereid, een -délicatesse. Een kop bouillon van die slijmachtige zelfstandigheid -vertegenwoordigt voor hen het fijnste, hetwelk het verhemelte strelen -kan. Zij schrijven er daarenboven eene groote geneeskracht aan toe, en -prijzen zoo’n kop bouillon als een nimmer falend aphrodisiacon aan. -Volgens mij, is dat de eenige te noemen eigenschap, welke waarde aan -die nestjes verleent....” - -„En zoo iets behoort alweer tot de inkomsten van het Nederlandsche -Gouvernement!” [269] riep Grenits uit. „Gelukkig dat de inzameling der -vogelnestjes uiterst beperkt is, anders zou men die Chineezen, welke er -afkeerig van mochten zijn, dat kostje wel weten op te dringen, zooals -men de pachters behulpzaam is, de bevolking naar de opiumkit te -drijven.” - -„„.... De inzameling der nestjes,” ging Eduard van Rheijn met lezen -voort, „geschiedt driemalen in het jaar. De eerste pluk begint in het -laatst van April, en wordt „Oedoean Kesongo” geheeten, de tweede begint -half Augustus en heet „Oedoean telor”, en de derde „Oedoean kapat” -heeft in December plaats. - -„Die inzameling is me een arbeid, dien ik van harte aan de Javaantjes -gun, welke zich daarmede bezighouden. Verbeeldt u, dat, om de ingangen -der grotten te bereiken, men middels ladders langs den loodrechten wand -der rotsen naar beneden moet. De ladder, b. v. die naar de -Djoembling-grot voert, is maar eventjes 660 voeten lang. O, mijn hart -popelde om zoo’n tocht naar die onderaardsche holen mede te maken. -Maar, als ik mij op mijn buik vlijde, en het hoofd over den rotsrand -bracht, terwijl een paar Javanen mij bij de beenen vasthielden; als ik -dan die bengelende rottanladder zag, die onder den invloed der bries -heen en weêr bewoog, nu eens plat tegen den rotswand aangedrukt, dan -eens buigende onder een inspringend gedeelte, en zich daar voor het oog -verbergende; als ik dan onmetelijk diep onder mij de lange deiningbaren -zag komen aanrollen, om daar aan den voet dier rotsen een woest en wild -tafereel te vormen, een chaos van wild opspringende golven, die in -verblindend wit schuim, in fijn verdeeld waterstof braken; als dan mijn -oor den donder van die onmetelijke branding vernam, en ik de rots, -waarop ik lag, onder mij voelde dreunen, vrienden dan bekroop mij zoo’n -gevoel van angst, dat ik onwillekeurig terugdeinsde, en de hand niet -uitstak naar die ladder, welke ik besloten had af te klimmen. - -„O! hoe verheven en grootsch was toch het tafereel, dat zich daar aan -den voet dier steenmassa ontwikkelde. Die aanrollende deininggolf, die -als eene beweegbare heuvelreeks over het prachtig azuurblauw van den -Indischen Oceaan kwam aanrollen; dat ombuigen van de baar in een -machtige krul, wanneer zij de puinmassa genaderd was, die den voet der -rotsen omzoomt, en waarbij zij zich met fladderende, zilveren franje -tooide; dat neerdonderen van die krul, waarbij zij zich in eene kokende -melkzee veranderde, waarin iedere droppel, ieder schuimdeeltje onder de -zonnestralen als een diamant fonkelde; dat fijn verdeeld waterstof, dat -die dwarrelende massa daar beneden in licht, doorzichtig zilverwaas -hulde, dat alles vormde een tooneel, hetwelk voor mij onvergetelijk is -en dan ook onuitwischbaar in mijne ziel gegrift staat. Soms als een -hooge baar aangerold kwam, bedolf zij den ingang van sommige grotten -geheel en al, en drong er met kracht in, om den uitspoelingsarbeid -voort te zetten. Een oogenblik was het dan, alsof die holen verdwenen -waren; maar als dan de aangerolde golf terugliep, dan, onder den -aandrang der met ontzettende kracht saamgeperste lucht in zoo’n -spelonk, spoot het water met een machtigen straal van vijf- of -zeshonderd meter lengte naar buiten, als eene onmetelijke horizontale -fontein met ontzettend gesis en geblaas, die in de terugijlende baar -dwarrelende kolken en hooggaande keergolven veroorzaakte. - -„Neen, neen, neen! Ik durfde daar langs die ladder niet naar beneden. -Toch ben ik besloten bij een volgenden keer in zoo’n grot in te -dringen. De Javanen verzekeren mij dat, wanneer de zon in het zuider -halfrond staat, en de zuid-oost passaat derhalve ver van Java’s -zuidkust verwijderd blijft, er bij uiterst kalme dagen gelegenheid -bestaat, de Goewah (grot) Temon met een niet diepgaand schuitje binnen -te komen. De loerah van de dèsa Ajo heeft mij beloofd, wanneer ik hem -vooraf waarschuwde, eene djoekoeng voor mij in gereedheid te zullen -houden. In afwachting evenwel, dat ik den pluk met eigen oogen zou -aanschouwen, moest ik mij vergenoegen met de beschrijving der -werkzaamheden daarvan, welke mij door de hoofden medegedeeld werd, te -vergenoegen. Ziet hier, wat ik vernam: - -„Van af den ingang der grotten, hebben de Javanen een paar stellages -van rottantouwen langs de wanden met „tali doek” [270] vastgemaakt. Een -dier touwen dient om de voeten op te zetten, de andere om zich met ééne -hand vast te houden, terwijl met de andere hand de nestjes van de -wanden worden afgenomen. De nestjes, welke niet met de hand bereikt -kunnen worden, en in het algemeen die, welke zich aan het plafond der -grot bevinden, worden met een langen bamboe, waaraan een ijzeren haak -bevestigd is, afgestoken en in een netje opgevangen. - -„Zooals gij daaruit zien kunt, is dat inzamelen van die vogelnestjes -een zeer gevaarlijke arbeid. Eerst de ladder tot aanmerkelijke diepte -langs die loodrechte rotsmassa’s boven die kokende zee afklimmen; dan -in die holen dringen, waarin de oceaan zijne golven stuwt [271]. Bij -onstuimig weder kan niet in alle grotten gearbeid worden, en gebeurt -het wel, dat de stellingen weggeslagen en de werkers tegen de rotsen -verbrijzeld worden of ellendig verdrinken. - -„Of er vele menschen gevonden worden, die zich met die inzameling -bezighouden, zult ge vragen. Gij weet, dat geen volk meer gehecht is -aan zijn geboortegrond dan de Javaan. Zoo ook hier. Er bestaat geen -woester, geen ondankbaarder grond dan die der landstreek in het Karang -Bollongsche gebergte. Van den veldarbeid is nagenoeg niets te halen. De -kleine rijstvelden, die tusschen de berghellingen aangetroffen worden, -hebben niets te beteekenen. De schrale bevolking heeft zich volgens de -overlevering steeds met de inzameling der vogelnestjes bezig gehouden, -en dat doet zij nog. Of zij, vóór dat de Nederlandsche regeering zich -de opbrengst van de vogelnestklippen toeëigende, beter of slechter -betaald werden, heb ik onmogelijk kunnen opsporen. Wat deze evenwel aan -hare arbeiders liefderijk verstrekt, is minder dan schamel te noemen. -Ik heb eene opgave in handen gehad van een ambtenaar in deze streken -[272], waaruit mij blijkt, dat de arbeider voor iederen zak, waarin -tachtig nestjes gaan, in ’s lands pakhuis afgeleverd, eene som van 15, -zegge in letters VIJFTIEN CENTEN erlangt...” - -„Ja, maar,” viel Grashuis in, „alvorens de mopperijen van den Pool te -vervolgen, dienen wij te weten, welke handelswaarde die tachtig nestjes -hebben.” - -„Daar kan ik u als koopman op dienen,” antwoordde Theodoor Grenits. „De -Chineezen geven heel graag vijf duizend gulden voor een pikoel -vogelnestjes, en daar honderd nestjes ongeveer één katie wegen, en een -pikoel honderd katies bevat, zoo ontvangt ons gouvernement vierhonderd -gulden, waarvoor zij den armen drommel met vijftien centen afscheept. -Het is bij God schandelijk!” - -„Maar heeft het gouvernement geen andere uitgaven?” vroeg Van Beneden. - -„Laat mij voortlezen,” zeide Eduard van Rheijn. „Uwe vraag, August, zal -dan ook beantwoord worden.” - -„Welnu, vervolg!” - -„.... Het is waar,” ging Van Rheijn voort, „dat hij, wanneer het hem -meêloopt, twaalf zakken kan afleveren....” - -„Dat is ƒ 1.80!” brulde Grenits. „En dan moet het nog meêloopen! God -betere het!” - -„Laat mij nu met lezen voortmaken,” zeide Eduard ongeduldig. - -„.... Men moet Javaan zijn, om zich ter wille van zoo’n luttele som -herhaaldelijk in doodsgevaar te begeven; want om dat resultaat te -verwerven, moet de arme drommel zeer dikwijls naar beneden naar het -hol, wat men hem aangewezen heeft. De kleinste pluk toch duurt nog -altijd drie weken, de grootste soms langer dan twee maanden. Hoe het -gelukt is, hem daartoe over te halen? Die vraag zie ik op aller lippen -zweven. Luistert: Vooreerst heeft men de hoofden in den arm genomen. -Gij kent de aanhankelijkheid van den inboorling voor hen. Deze worden -dan ook oneindig beter betaald. Waar de arbeider slechts ƒ 1,80 in -handen krijgt, ontvangt b. v. de loerah van de Goewah’s Gedee en -Lenkong twintig gulden, plus émolumenten van allerlei aard, niet om te -werken, maar om wat toezicht te houden, zooals het heet. Maar de -eerbied en de gehoorzaamheid van den Javaan voor zijne hoofden, zouden -bij zoo schrale verdiensten waarschijnlijk tekort geschoten zijn. Men -heeft dan ook een ander middel te baat genomen. En dat middel, -vrienden, is....de opium! - -„Ik laat buiten bespreking al de bijgeloovige fratsen, die het -gouvernement niet alleen toelaat, maar betaalt, ter zake van die -vogelnest-inzameling; alsook de afgodische eeredienst aan Njahi Ratoe -Segårå Kidoel [273] gebracht, alvorens de pluk begint, en uit dezelfde -staatskas bekostigd. Maar ik wijs op de opium, die te baat genomen -wordt, en waarvan wij de werking, bij eenigszins aanzienlijke -hoeveelheid gebruikt, hebben kunnen gadeslaan. Welnu, bij alles wat die -pluk betreft, of daarmede in eenig verband staat, wordt opium -verstrekt. Moeten de wajang- en toppengspelers gehaald worden, dan -worden vijf „bekels” (kleine hoofden) en vier „sekeps” (gewone -dèsalieden) daarvoor afgezonden, en ontvangen de eersten daarvoor ieder -1 en de laatsten ieder ½ „kedawang” [274] amfioen. Voor het schoonmaken -van de Goewah Bollong worden loerahs en sekeps benoemd, die -respectievelijk daarvoor 2 en 1 kedawang amfioen ontvangen. De wajang- -en toppengspelers ontvangen bij hunne komst ieder 16 kedawangs en 4 -voor „sadjen” of offerande, en bij hun heengaan nog ieder 16 kedawangs -amfioen. - -„In de Goewah Bollong wordt vóór de pluk gesmuld en feestgevierd, en -daartoe sapies of karbouwen en een bok geslacht. Voor het slachten van -elk dier worden 8 kedawangs amfioen verstrekt. Voor het aanbrengen van -elken achterbout dier geslachte dieren, die ieder begeleid en gedragen -worden door een bekel en twee sekeps, ontvangt ieder bekel 1 en iedere -sekep ½ kedawang amfioen. Bij het naar de klippen brengen der ladders, -iedere ladder begeleid en gedragen door twee bekels en twee sekeps, -ontvangen eerstgemelden ieder 1 kedawang en de laatste ½ kedawang -amfioen. - -„O, ik ben nog lang niet ten einde. De opiumverleiding heeft nog veel -verdere strekking. Vrienden, leest maar verder: - -„Bij het feest worden de navolgende hoeveelheden verstrekt: aan iederen -loerah en iederen „gandih” (klein hoofd) 2 kedawangs, aan de overige -feestvierenden ieder 1 kedawang.” In de nota, die ik voor mij heb -liggen, staat letterlijk: [275] - -„„Het is niet mogelijk met juistheid op te geven het getal personen, -hetwelk bij die feesten tegenwoordig is: doch aangezien aan elk der -aanwezigen amfioen wordt verstrekt, laat het zich denken, dat niemand, -die tot die feesten wordt toegelaten, afwezig zal blijven.” - -„Bij het openen der ingangen van iedere grot worden 8 kedawangs -amfioen, en voor het vastmaken der stellingen in ieder harer nog eens 8 -kedawangs verstrekt.” - -„Gedurende de inzameling der nestjes”.... och, hoe zal ik dat ten einde -brengen? Laat het mij beproeven. „De loerah van de Goewah Gedeh krijgt -76, die van de Goewah Dahar 64, die van de Goewah Mandoe Lårå 44 en de -overige loerahs 40 kedawangs amfioen. De „toekan’s” van die genoemde -grotten ieder 54, de bekels 24 en de sikeps ieder 12 kedawangs. - -„Maar, dat is nog niet alles. De dèsa’s, die met het vervaardigen der -ladders belast zijn, worden in opium betaald; de personen, die de -geplukte nestjes moeten bewaken, ontvangen opium. Het verzenden van het -product, het overbrengen van bevelen, het terugbrengen der ladders, het -bewaken der grotten, alles, alles wordt beloond met het gevaarlijke -heulsap. Het is in een woord eene kolossale schuifpartij, en wel het -geschiktste middel om den hartstocht voor het noodlottige narcoticum -zooveel mogelijk op te zweepen. - -„Maar,.... waarom over dat onderwerp verder uitgeweid? Mijn brief is -toch al lang genoeg, en ik heb ulieden nog het een en ander te -vertellen...” - -„Is de brief nog lang?” vroeg Grashuis. - -„Ik heb nog eenige bladzijden te lezen,” antwoordde Eduard van Rheijn. - -„Het is anders een geheele brochure, die ge reeds voorgelezen hebt”, -meende Van Beneden. - -„Toch uiterst interessant!” zei Theodoor Grenits. „Drommels, die Polen -kijken goed uit hun oogen.” - -„Hij is in de leer bij de moffen geweest. Ge weet, die stelen met hun -oogen.” - -„Getuige de Fransch-Duitsche oorlog, waarbij de moffen bewezen, -Frankrijk veel beter te kennen dan de Franschen zelven.” - -„Zouden wij niet voortmaken?” vroeg Van Rheijn. „Het -allerinteressantste komt eerst aan.” - -Die laatste volzin werd door een zonderlingen blik op Karel van -Nerekool vergezeld. - -„Zouden wij eerst niet eens drinken?” vroeg Grenits. - -„Drommels, ja!” zei Van Rheijn, „mijne keel is droog als een rasp.” - -„Sabieio!” riep Van Nerekool, „isi glas!” (Sabieio, vul de glazen). - -Terwijl de bediende zich van dien plicht kweet, staken de heeren eene -nieuwe sigaar op, wiegelden in hunne wipstoelen een oogenblik op en -neêr, en waren daarna, weêr geheel gehoor. - - - - - - - -XXXIX. - -MUROWSKY OP HET SPOOR.—EEN OPIUMVERPACHTING TE SANTJOEMEH. - - -„.... Dus ter zake,” zoo ging Van Rheijn voort. - -„Twee dagen voor dat mijn verlof om was, en dat ik dus weer in mijn -garnizoen te Gombong terug moest zijn, was ik des morgens, voor het -aanbreken van den dageraad van de dèsa Ajo, waar ik overnacht had, op -weg gegaan, om de westelijke hellingen van den Goenoeng Poleng te -exploreeren, waar ik hoopte een goeden oogst te maken, in welke hoop ik -niet bedrogen ben geworden. Want, vrienden, ik ben op dien tocht een -prachtigen en ongeschonden Arjuna machtig geworden, eene groote -beeldschoone kapel met groengouden vleugels, puntig uitloopende en met -een breeden rand, fluweelachtig zwart omboord. Eene zeldzaamheid! O, ik -was in een gelukkig tijdperk! Daags te voren had ik van een dèsaman van -Ajo een Cybium Diadema of Grooten Kroontepelbak voor een kleinigheid -gekocht, dien hij verzekerde op het strand in een der kleine kreken -langs de Zuidkust van het eiland Noesa Kambangan [276] gevonden te -hebben. Het is eene prachtige bruine met wit gevlekte schelp, in den -vorm eener ineengedrongene evoluta.... - -„Maar genoeg daarvan; ik keer tot mijn onderwerp weêr. Ik was dus voor -dag en dauw op marsch gegaan en was reeds een eind weg op het pad, toen -het morgenrood de geheele bergmassa van Karang Bollong in gloed zette. -Mijn pad liep dwars over de ribben van den Goenoeng Poleng, en -doorsneed ieder ravijn, dat, van de hoogte afdalende, soms erg -kronkelde, maar steeds in een breeden trechtervorm in de smalle vlakte -vervloot, welke zich langs de zee of langs de Kali Djetis uitstrekte. -Hoe hooger ik kwam, hoe fraaier het panorama werd, dat zich aan mijne -voeten uitstrekte. Ik was in dit frissche morgenuur geheel en al -verrukking en soms verdwenen mijne entomologische neigingen, om mij -slechts oog te laten voor de pracht, die mij omgaf. Ik was eindelijk op -een wrong aangekomen, die zich tusschen twee vrij diepe ravijnen -uitstrekte, en stond een oogenblik stil om uit te blazen van de -inspanning, veroorzaakt door de beklimming van de zeer steile helling, -waarlangs mijn pad gevoerd had. In beide ravijnen murmelden beekjes, -die van den Poleng afdalende, zich dartelend, schuimend en klotsend -zeewaarts spoedden, en zich van de hoogten, waarop ik stond als een -paar zilveren linten voordeden, die kronkelend en wentelend, bevallig -en als het ware achteloos, daar in de diepte door de morgenbries waren -uitgespreid. In het ravijn, dat ik zoo even verlaten had, lagen -trachiet-rotsblokken, puinbrokken van het centraalgebergte, allerwegen -verspreid. Dat was ook het geval in het tweede ravijn, waarin ik -afdalen moest; maar tusschen die rotsen en de struiken werd ik, een -honderd voeten beneden mij, het atappen dak gewaar eener Javaansche -woning, waarvan ik ook een gedeelte der kleine voorgalerij kon -waarnemen. Zonderling, die kleine hut, die daar eenzaam in het gebergte -en op eenigen afstand van de dèsa Ajo gelegen was, trok mijne aandacht. -Zou het een menschenhater zijn, die daar zoo verlaten leefde? Mijn oog -kon door een geopend raam in een der vertrekken dringen, en meende ik -eene helderwitte klamboe (bedgordijn) zich onder den invloed der -morgenbries lichtelijk heen en weder te zien bewegen. Zelfs meende ik -een stoel te ontwaren. Dat vooral intrigueerde mij; want in den regel -zijn dat meubelen, waarvan de Javaan zich de weelde niet veroorlooft, -of gebruikt hij ook al eene klamboe, dan bestaat die meestal uit -bontkleurig katoen....” - -Van Rheijn staakte hier zijn voorlezing een oogenblik om een teug bier -te genieten; maar sloeg daarbij een zonderling doordringenden blik op -Van Nerekool, die in zijn wipstoel op en neer wiegelde en wel ietwat -het voorkomen had, alsof hij niet hoorde, maar met zijn gedachte elders -was. - -„Luistert gij wel, Karel?” vroeg Eduard. - -Van Nerekool schrikte als het ware bij die toespraak. - -„Ziet gij wel,” hernam Van Rheijn lachende; „terwijl ik mij afsloof, om -Murowsky’s brochure-brief ten einde te brengen, zit onze rechterlijke -ambtenaar te mijmeren, en dwaalt, met zijne gedachten, God weet waar, -maar niet in de nabijheid van de dèsa Ajo. Wacht maar een oogenblik, -dat zal wel anders worden. Het mooiste voor hem komt nu. Luistert -maar.” - -Van Nerekool glimlachte ongeloovig, deed een paar halen aan zijne -sigaar, zette zich rechtop in zijn stoel en scheen nu te luisteren. Van -Rheijn vervolgde: - -„.... Maar, terwijl ik daar zoo stond te turen en te peinzen, vernam ik -daar diep, zeer diep onder mij gegiechel, gelach, vroolijk gekweel, in -één woord de zilvertonen van een paar meisjes-stemmen. Ik rekte den -hals uit en keek in de richting, vanwaar dat vriendelijk geluid kwam; -maar hoe ik mij ook inspande, ik zag niets. Wel bespeurde ik, dat daar -ginds de schuimende beek een scherpen bocht maakte; maar daar dichtbij -den waterkant stond een groote Wariengien, die met zijne loofkroon -ieder onbescheiden oog trotseerde; terwijl een bevallige groep struiken -den blik van terzijde afweerde. Intusschen ging het geginnegap voort, -thans vermengd met geplons en geplas van water, waartusschen nu en dan -een lief gilletje vernomen werd. Ik begreep, dat eenige meisjes zich -daar in het heldere bergwater met baden verlustigden. Wat zal ik ter -verschooning mijner onbescheidenheid aanvoeren? Ik kan niet anders -aanhalen, dan het hier te lande zoo algemeen gezegde: een mensch is -geen stokvisch, ook geen snijboon! Mijn pad voerde naar beneden naar de -aantrekkelijke plek, en, zonder dat ik veel nadacht over hetgeen ik -deed, was ik weldra op weg Acteon en zijne nieuwsgierigheid op te -volgen. Het is waar, dat ik er volstrekt niet op rekende, eene Diana, -eene godin, te bespieden. - -„Ik daalde behoedzaam de helling af, en zorgde daarbij geen gerucht te -maken, ten einde de badende schoonen niet te verschrikken. Aanvankelijk -daalde het pad rechttoe rechtaan naar den Wariengien af, die eene -groote oppervlakte overschaduwde. Als dat zoo voortging, dan zou ik -binnen weinige minuten onder den boom aangekomen zijn. Maar bij eene -groote rots aangeland, die den weg versperde, boog het pad links af en -scheen, den afstand verkortende, naar een anderen bocht derzelfde beek -te voeren, alwaar de overgang bestaan moest; want ik zag onmiddellijk -aan den overkant het pad langs de tegenovergelegen helling van het -ravijn opslingeren. Wat stond mij te doen? Mijne nieuwsgierigheid werd -nog vermeerderd door het geplons en gedartel, dat nu meer in mijne -nabijheid vernomen werd. Ik bezweek dan ook voor de verleiding, en -verliet het pad, om den Wariengien te kunnen naderen. Het toeval was -mij gunstig. Van af de bedoelde sperrots strekte zich eene hellende -terreinstrook uit, die geheel en al met struiken begroeid was, -waartusschen vele kapellen fladderden, maar waarvoor ik thans geen oog -had. Zelfs had ik mijne trommel en mijn netje bij de rots -achtergelaten, om meer ongedwongen in mijne bewegingen te zijn. Ik -sloop als een Dajak of als een Alfoer of Papoe, van struik tot -struik.....” - -Allen schreeuwden het uit van lachen. - -„Ik zie den Pool als een Alfoer, in quasi Adams-tenue, naar de badenden -toesluipen!” grinnikte Grenits. - -„Met slechts een „ewah” [277],” schreeuwde Van Rheijn. - -„Maar, laat mij voortgaan, het meest belangwekkende komt nu. Luister je -wel, Karel?” - -„Daar ontgaat mij geen lettergreep,” antwoordde deze onrustig, „haast -je maar.” - -„.... Van struik tot struik en naderde zoo dicht mogelijk. Eindelijk -stond ik voor een soort heg, die den Wariengien omgaf en mij het verder -doordringen ondoenlijk maakte. De fraaie wilde vijgeboom stond aan den -rand van een waterbekken, dat bijna ovaalrond in de grauwe -trachietrots, waaruit de beekoever bestond, uitgespoeld, wellicht door -menschenhanden uitgehouwen was. Dat bekken was ongeveer twintig M. lang -en vijftien breed, en werd door de dichte loofkroon van den Wariengien -heerlijk overschaduwd. Het werd uit de beek, waarvan het eigenlijk een -kleine komvormige baai uitmaakte, gevoed; het water was diep, maar zoo -helder, dat men de kleinste steentjes op den bodem zien kon. Maar, dat -alles merkte ik zoo dadelijk niet op. Die bizonderheden kwamen mij -eerst later voor den geest. Iets anders boeide vooreerst mijne -aandacht. Daar midden in dat bekken, welks bovenrand ik, achter mijne -heg verborgen, ter hoogte van een twintigtal voeten beheerschte, -zwommen en dartelden een paar vrouwelijke wezens. Hoe zal ik u -beschrijven, wat ik zag, wat ik ondervond, zonder daarbij het bloed van -een uwer op zijne wangen te jagen...” - -Eduard keek andermaal Van Nerekool ter sluiks aan. - -„Ga voort! Ga voort!” riep deze onstuimig, na dien blik opgevangen te -hebben. - -„.... Beiden waren in het gewone badkostuum der Javaansche vrouwen -gekleed, dat wil zeggen: zij hadden slechts den sarong om de lendenen -geslagen. Gij weet, hoe bevallig en toch hoe kiesch de Indische -schoonen met dat kleedingstuk kunnen coquetteeren, hoe zij dat tot -onder de oksels omhoog kunnen halen en op de bovenwelving des boezems -kunnen vastmaken, waardoor deze, alsook de heupen en de dijen, vooral -wanneer de sarong nat is, zoo plastisch mogelijk gemodelleerd worden. -Beide meisjes waren zeer schoon, hoewel in ieder harer een -verschillende grondvorm waargenomen kon worden. De eene vertoonde de -type eener schoone Javaansche, met haar klein opgewipt neusje, met hare -ronde wangen en eenigszins zwellende lippen. Voor een oogenblik ging -zij in een ondiepe plaats van het bekken staan, sloeg zich den sarong, -die bij het zwemmen losgegaan was, vaster om de heupen, en was het mij -duidelijk, dat ik daar een vrouw voor mij had, welke in gezegende -omstandigheden verkeerde....” - -Andermaal hield Van Rheijn een ondeelbare poos op, om een blik op Karel -te werpen. Deze zat hijgende van ongeduld, hem de woorden uit den mond -te kijken. - -„Voort! Voort dan toch!” prevelde hij. - -„...De andere was meer slank; hare buste, die zich bewonderenswaardig -fraai onder den natten sarong afteekende, gaf wel aan, dat die met het -Europeesche corset in aanraking was geweest. Haar gelaat duidde ook op -eene andere afkomst dan hare gezellin. Ware de huid ook niet bruin -getint, dan zou aan eene Europeesche afstamming niet te twijfelen zijn -geweest, vooral met het oog op hare lokken, die wel gitzwart, maar toch -zijdeachtig van aard, hare schouders als met eenen mantel omgaven, en -haar bij het zwemmen in sierlijke en weelderige krullen op de -watervlakte achterna golfden. Nu evenwel meende ik de Arabische type in -het heerlijke wezen, dat zich daar te midden van het kristalheldere -water bewoog, te ontwaren. Eene Arabische? Neen, neen, dat kon niet; -want ik meende dat gelaat te herkennen. - -„Vrienden, ik ben onmachtig om een denkbeeld van het bevallige -tafereel, dat zich daar voor mijn oog uitspreidde, te ontwikkelen, -hetwelk de werkelijkheid eenigszins nabij zou komen. De pen kan zoo -iets niet, daartoe zou het penseel van een begaafden schilder, van een -die gloed en kleuren wist te vatten, van een Hans Makart in een woord, -noodig zijn. - -„Onbewust, dat zij daar in dat eenzame bekken, hetwelk in eene echte -wildernis, ver van eenig pad verwijderd, gelegen was, door een -onbescheiden oog bespied werden, zwommen, dartelden, stoeiden de -bevallige wezens als echte Naiaden. Zij vervolgden elkander, smeten -elkander met water, bereikten elkander, poogden elkander in het heldere -vocht onder te dompelen, waarbij de aangevallene alsdan alle werk had -om te beletten, dat de knoop, die den sarong moest bevestigen, op de -boezemwelving losging. Dat spel duurde lang, zeer lang; het scheen dat -de lieve wezens zich van het heerlijke genot niet konden losrukken. - -„Eindelijk evenwel sprak de slankste der twee: - -„„Soedah! moesti poelang, boe!”” (genoeg, wij moeten naar huis -terugkeeren, baboe). - -„Het was dus Maleisch en geen Javaansch, dat die badenden spraken?” -vroeg Grashuis. - -„Neen, het was geen Javaansch,” antwoordde Eduard, andermaal een blik -op Van Nerekool werpende, „maar laat mij voortgaan. De ontknooping is -nabij. - -„...De lieve spreekster zwom naar den wal, ging op den rotsachtigen -oever zitten, waarbij zij hare lieve kleine voetjes in het water liet -hangen, en begon haren weelderigen haardos uit te wringen. Zij zat met -het gelaat van mij afgewend en, van het standpunt, waar ik mij bevond, -kon ik bij de bewegingen, die zij maakte, om hare lokken tot een kondeh -op te binden, eenigermate tusschen hare schouders door haren rug -ontwaren. Was het lichtspiegeling, of bedroog mijn oog mij?... Maar ik -meende, dat de huid van dien rug niet zoo donker getint was als wel het -gelaat en de handen. Ten uiterste nieuwsgierig, wilde ik scherper -toekijken. Ik greep een tak van een der mij omringende struiken en boog -mij voorover, zoover ik kon. Helaas!.... of beter: de hemel zij -geprezen! Bij die beweging gleed ik uit; een stuk steen raakte onder -mijn voet los, rolde de helling af en viel met een geweldigen plons -vlak naast en rechts van de schoone baadster in het water. Het scheelde -waarachtig weinig, of ik was er ook ingetuimeld. Wat zou het lieve kind -geschrikt hebben! Het was nu al erg. Bij den plons, dien de steen -maakte, stiet het lieve meisje een gil uit, maakte eene beweging naar -de linkerzijde, alsof zij vluchten wilde, maar waarbij haar sarong, aan -eenige oneffenheden vasthakende, losgleed, en.... - -„Bij alle Goden!... het was eene volbloed Europeesche! Waren ook al -gelaat, hals, schouders, armen, handen en voeten bruin getint, de rug, -de rugholte, de dijen, in een woord alle deelen, die gewoonlijk bedekt -zijn en daar nu zoo eensklaps ontsluierd werden, waren lelieblank, van -dat matwit, hetwelk de brunettes kenmerkt. Nu ging mij een licht op... -Juffrouw Van Gulpendam, die zoo spoorloos verdwenen was... Dat gelaat, -hetwelk ik meende te herkennen.... O, ik kon mij niet vergissen, zij -was het!... Nu herkende ik haar in weerwil van de bruine kleur... De -verschrikte meisjes, die mij achter de dichte heg niet zien konden, -waren toch zoo verschrikt, dat zij ijlings haar badgoed grepen, en een -paadje opstoven, hetwelk naar het hiervoren bedoelde hutje voerde. Ik -kon evenwel de kleine Javaansche nog hooren zeggen: - -„„Tida takoet, Nana, tida ada orang!” (Wees niet bang Nana, er is daar -geen mensch), waarmede zij waarschijnlijk te kennen gaf, dat zij het -losraken van dien onbescheiden steen aan de beweging van een dier of -aan het toeval toeschreef. In weerwil van die verzekering spoedden -beiden zich voort, en ik zag haar weldra onder het beschermend dak van -het huisje verdwijnen. - -„Ik begreep, welke onbescheidenheid ik gepleegd had, en bleef dan ook -om het kiesche gevoel van de lieve jonkvrouw te sparen, zoo lang -mogelijk in mijne schuilplaats. Toen ik berekenen kon, dat zij het -opgegeven hadden, verder uit te kijken, sloop ik zoo langzaam mogelijk, -gebukt en steeds gedekt door de struiken, naar het benedengedeelte van -het ravijn, tot ik door eene buiging van een bergwrong, de hut uit het -oog verloor, en voor een rijzig persoon, derhalve ook voor hare -bewoonsters onzichtbaar was. - -„Ziedaar, vrienden, mijn wedervaren. Ik heb mij gehaast u dat te -schrijven. Ik weet, hoe gelukkig ik een uwer met deze mededeeling zal -maken. Raad vermag ik niet te geven. Ik stel mij evenwel ter -beschikking, om de bedoelde hut aan te wijzen....” - -„Anna!... Anna weêrgevonden!” kreet Karel van Nerekool, terwijl hij -onstuimig van zijn stoel opgesprongen was, en de binnengalerij -opgewonden op en neer liep. - -„Wat wilt ge doen?” vroeg Van Beneden. - -„Wat ik doen wil?... Ik vertrek morgen ochtend!... Ik zal...” - -„Geen overijling, wat ik u bidden mag,” stuitte hem Grashuis. - -„Geen overijling, zegt ge? ... En als zij intusschen weêr verdwijnt?” - -„Ik geloof niet, dat daar gevaar voor bestaat,” meende Van Rheijn. „De -meisjes, van hun schrik bekomen, en niemand ontwarende, zullen in de -meening verkeerd hebben, dat zij door een loos alarm op de vlucht -gejaagd zijn zoodat zij er niet aan gedacht hebben, die eenzame plek te -verlaten.” - -„Vrienden,” sprak August van Beneden, „ik geloof, dat wij het beste -doen, om te gaan slapen. Het is reeds laat. Laten wij de zaak -overpeinzen, dan kunnen wij morgen beraadslagen, wat er te doen valt. -In ieder geval mag Karel morgen ochtend niet vertrekken; hij zou -zoodoende zijne geheele loopbaan bederven. Een rechterlijk ambtenaar -mag zich zoo maar niet als een deserteur van zijne standplaats -verwijderen.” - -„Ja,” sprak Karel, „gaat gijlieden slapen. Ik ga terstond eene aanvraag -om verlof schrijven.” - -„Dat is goed,” sprak Theodoor Grenits. „Dan hebben wij eenige dagen om -te overleggen. Karel, ik, die geen verlof te vragen heb, ziehier mijne -hand. Ik vergezel u bij dien tocht.” - -De jongelieden drukten elkander de hand en gingen naar hunne woning, -terwijl de feesttonen der Chineesche bruiloft in de verte nog vernomen -werden. - - - -Van Nerekool vroeg verlof aan; maar kon dat zoo spoedig niet -verkrijgen. - -Mr. Greveland, door de veelvuldige zaken bij den raad van Justitie -aanhangig, daartoe genoodzaakt, kon hem geen voorloopig verlof -verleenen, hoezeer Karel daarop ook aandrong. De voorzitter was -verplicht de aanvraag aan de beslissing van den Directeur van Justitie -te Batavia te onderwerpen. Van Nerekool moest dus geduld betrachten. In -afwachting grepen evenwel gebeurtenissen plaats, die invloed op den -loop van ons verhaal uitoefenen, en derhalve hare mededeeling -vereischen. - -Niet lang na de voltrekking van Lim Ho’s huwelijk met de lieve, rijke -Ngow Ming Nio moest de verpachting van het opium-middel voor de jaren -18.., 18.. en 18.. plaats hebben. Dat was eene belangrijke gebeurtenis -voor de ambtenaars-wereld, die bij de bestaande fiscalische neigingen, -waarvan het moederland onmiskenbare teekenen aan den dag legde, van -hooge beteekenis was voor de aan het roer zittenden, zoowel te Batavia -als in den Haag. Als toch de Minister van Koloniën op een groot aantal -millioenen als opbrengst van den pachtschat zou kunnen wijzen, zou hij -en met hem zijn mederegeerders zich vaster op het kussen gevoelen, daar -zij meenden en niet ten onrechte, dat bij zoo’n behandeling van zaken, -zij bij de Volksvertegenwoordiging een schreefje voor zouden hebben. En -zoo moesten alle pogingen aangewend worden, om dat doel te bereiken. - -Voor den resident Van Gulpendam, wij weten het, bestond nog een andere -drijfveer, om de gegadigden voor de opiumpacht tot eene zeldzame -inspanning aan te sporen. Hij liet niets onbeproefd. Door -tusschenpersonen liet hij concurreerende kongsie’s tot mededingen -verlokken, bij welke pogingen de schoone Laurentia, natuurlijk achter -de schermen en door tusschenkomst van de afzichtelijke ’Mbok Karjå, hem -waardiglijk ter zijde stond. Het gold toch voor de trotsche -residents-vrouw haar Gulpie het „bertes knabbeldat” te bezorgen. - -Nu de driejarige pacht met ultimo December ten einde liep, was sedert -maanden, voor dat de herverpachting plaats had, van bestuurswege de -grootste activiteit aan den dag gelegd geworden. Allerwegen was het -toezicht op den sluikhandel, die niet van den pachter uitging, -verscherpt geworden. De kusten werden ijverig bewaakt; bandoelans en -politie moesten in de weer en behoefden bij hunne nasporingen in huis -en aan den lijve geene angstvalligheid te betrachten, vooral niet bij -hunne vervolgingen van hen, die geen opium of het heulsap slechts matig -gebruikten. Het succes was volkomen. Onder den invloed van de genomen -maatregelen klom het debiet der pachters buitengewoon en stegen de -detailprijzen van het vergift in evenredigheid. - -„Als die toestand bestendigd kon blijven!” juichte Lim Ho, die niet -altijd zijn tong aan banden kon leggen, wanneer er over de pacht -gesproken werd. - -Lim Yang Bing, die mededinging vreesde, trok de schouders op. Hij had -dien uitslag wel willen geheim houden; maar met zoovele kitten, als -onder het beheer zijner kongsie stonden, was dat onmogelijk. - -Maar ook daarmede vergenoegde de resident Van Gulpendam zich niet. Hij -liet door zijne gedienstige geesten behendig het gerucht verspreiden, -dat het aantal opiumkitten in de residentie belangrijk opgevoerd zoude -worden. Dat hielp. Er begon dan ook langzamerhand eene koortsachtige -opgewondenheid in de Chineesche kamp te heerschen. - -Toen de groote dag daar was, wapperde al heel vroeg aan den top van den -vlaggestok, die zich voor het residentiehuis verhief, een groote nieuwe -driekleedsvlag, [278] de fraaiste, die in het residentiehuis te vinden -was geweest, en ontwikkelde hare plooien en golvingen bevallig in de -morgenbries. De oppassers, die heden allen present waren en zeker een -korps van een twintigtal uitmaakten, waren, in nieuwe pakjes gestoken -en hadden hunne bandeliers met het fraaiste geel aangestreken en met -gomwater glimmend gepoetst. Ook de pradjoerits, die de wacht betrokken, -waren in groot tenue gekleed en was aan de houding en den ernst der -twee schildwachten, die voor het perron der voorgalerij op en neer -drentelden, onmiskenbaar te bespeuren, dat zij zich van den gewichtigen -dag, dien zij beleefden, bewust waren. - -De resident Van Gulpendam had ter opluistering der plechtigheid een -paar assistent-residenten en een paar controleurs uit de naburige -afdeelingen opgeroepen. Dezen, waaraan zich de ambtenaren van -Binnenlandsch Bestuur, ter hoofdplaats aanwezig, aansloten, vereenigden -zich zoo omstreeks tien uur in de voorgalerij van het residentiehuis. -Allen waren in groot ambtelijk costuum gekleed, met zilveren oranje- en -eikentakken, die emblemata van onkreukbare reinheid en fieren -mannenmoed, op den kraag hunner rokken geborduurd, met de wit -cachemieren pantalon, van breed galon op de zijnaden voorzien, met den -statiedegen op zijde, en den chapeau claque zwierig onder den arm. - -Langzamerhand verschenen ook Chineezen, allen in onberispelijk -zindelijk wit baadje en zwarten pantalon met uitermate breede pijpen -gekleed, het hoofd zorgvuldig glad geschoren en glimmend gepoetst, -terwijl de kruinvlok, die den staart vormde, uiterst zorgzaam -behandeld, en de vlecht, vermengd met de roode, blauwe of witte zijden -koord, die aan moest geven of zij gehuwd, jonggezel of in den rouw -waren, kunstvaardig, haast wiskunstig ineengestrengeld was. - -Eerst waren het slechts nieuwsgierigen, die maar een kijkje kwamen -nemen; weldra verschenen echter ook de aanzienlijken, de meer gegoeden, -eindelijk de rijken, zij, die als ernstige mededingers konden -aangemerkt worden. Het allerlaatst verschenen Lim Yang Bing en Lim Ho, -die bij het uitstappen van hun rijtuig de aanwezige personen van hunnen -landaard met een uitvorschenden blik monsterden. - -Een oogenblik mengden zich de zonen van het Hemelsche rijk onder de -ambtenaren, en vormden zoo een groep, waarbij begroetingen en -handjesdrukken plaats hadden, die van de innigste verstandhouding -moesten getuigen. Toen evenwel de pradjoerit der wacht, om aan te -duiden dat het half elf was, een slag op de metalen klok, naast zijn -schilderhuis geplaatst, gegeven had, trad de resident Van Gulpendam, -vergezeld van zijn secretaris, beiden ook in galacostuum, de -voorgalerij in; terwijl mevrouw Van Gulpendam, met Van Rheijn gearmd, -ook in de omlijsting van een der deuren der binnengalerij verscheen. - -Alle hoofden, in de voorgalerij aanwezig, bogen diep. Daarbuiten -presenteerden de schildwachten het geweer. De oppassers schaarden zich -in één gelid naast den pajoengstandaard, waarin thans een fonkelnieuw -waardigheidsemblema prijkte. - -Het korps ambtenaren trad vooruit, en bogen andermaal het hoofd, om -hulde te bewijzen aan den Vertegenwoordiger van den -Gouverneur-Generaal, die op zijn beurt de Vertegenwoordiger van -Neêrlands Koning in die verre Aziatische gewesten is. - -Daarna traden de Chineezen vooruit, om dezelfde plichtpleging te -verrichten; waarna de twee groepen Europeanen en Chineezen gescheiden -bleven. - -Eenige dezer laatsten, waaronder vooral Lim Yang Bing en Lim Ho, traden -op de schoone Laurentia toe, om haar hoffelijk te begroeten. De -lieftallige vrouw reikte ieder hunner en ook aan sommigen der naastbij -staanden eene hand en noodigde al de babahs even naar binnen te treden, -om zich te laven aan een verfrisschenden dronk. - -„Het was toch zoo ontzettend warm in dit seizoen te Santjoemeh,” -betuigde zij. - -De Chineezen, met een glimlach op het fletse, gele gelaat, bogen -dankbaar, wierpen elkander een veelbeteekenenden blik toe; maar volgden -de schoone vrouw door de binnengalerij naar de pandoppo. Daar stonden -op een groote tafel drie of vier presenteerbladen met kelken beladen, -terwijl daaronder kuipjes met ijs ontwaard werden, waarin een menigte -champagneflesschen met hare verzilverde halzen behoorlijk gerangschikt -waren. - -„Boeka anggoer poeff!” (maak champagne open) beval Laurentia aan een -viertal bedienden. - -De kurken knalden en weldra stond iedere babah, arm of rijk, met een -schuimend glas in de hand en stelde er eene eer in met de -njonja-resident te mogen klinken. Als de Chineezen champagne drinken, -dan laten zij zich niet onbetuigd, en, hoewel zij over het algemeen -zeer op vormelijkheid gesteld zijn, en de meesten hunner bij iedere -andere gelegenheid met een klein mondje en saamgeknepen lippen kleine -teugjes gelept zouden hebben, zooals zij dat wel eens van Europeanen -bij officiëele gelegenheden gezien hadden, gedroegen zij zich nu -anders. Laurentia beduidde hen, dat, wanneer zij de eer genoten, met -eene njonja te klinken, het glas in eens geledigd moest worden. - -„De toean toean noemen dat ad fundum,” merkte de majoor-Chinees op. - -„Juist, babah,” sprak de schoone vrouw; terwijl zij met hem aanstiet. - -In een ondeelbaar oogenblik waren alle glazen leeg. - -„Isi glas lagie!” beval zij. - -En nu, onder het een of ander voorwendsel, zorgde mevrouw Van -Gulpendam, dat de glazen telkens geleêgd werden; terwijl zij met -fonkelende oogen er voor waakte, dat de bedienden ijverig met de -champagneflesschen rondliepen om in te schenken. - -Intusschen was de resident Van Gulpendam een oogenblik in de -voorgalerij met zijne ambtenaren blijven praten. - -„Waar blijven de babah’s toch?” vroeg hij na een poos. „Kom, heeren,” -vervolgde hij met een glimlach. „Ik geloof niet, dat wij het ons -berouwen zullen, wanneer wij hen gaan opzoeken. Het is ontzettend heet; -vindt ge niet?” - -Terwijl hij zich het parelende zweet van het voorhoofd met een batisten -zakdoek afveegde, stapte hij aan het hoofd der beborduurde en -gegalonneerde landsdienaren naar binnen. - -„Dacht ik het niet!” riep hij met zegepralenden blik uit, en tot de -bedienden: - -„Lakas, kassie glas sama toean toean!” - -Zoodra dat geschied was, verwijderde Laurentia zich ongemerkt, en liet -de heeren der schepping met elkander. De resident fluisterde een paar -woorden met Kwee Sioem Liem, een der rijkste Chineezen, die gedurende -dat korte gesprek eenen onderzoekenden blik op Lim Yang Bing trachtte -te werpen. - -„Ik zal tot het uiterste gaan, Kandjeng toean,” sprak de babah, „tapeh -saja takoet” (maar ik vrees). - -„Tida takoet!” (vrees niet) stelde de resident hem gerust. - -„Ja, maar; Kandjeng toean, de pacht zal voor mij te hoog loopen!” - -„Bedenk, babah, dat er acht opiumkitten meer voor de residentie in het -pachtcontract opgenomen zijn.” - -„Dat is zoo Kandjeng toean; maar...” - -Maar de Kandjeng toean hoorde niet meer. Hij trad vooruit, nam den -steek van het hoofd, hief het glas omhoog, hetwelk hem zooeven door een -der bedienden was aangereikt. - -„Op het welslagen van de pacht!” riep hij, en ontlokte daarmede een -luid gejuich aan de gestaarte medeburgers, op wien het edele vocht van -de Veuve Cliquot blijkbaar zijn invloed begon uit te oefenen. - -„Op den Kandjeng toean resident!” riep de assistent-resident van -politie. - -„Op den majoor-Chinees!” riep een ander ambtenaar. - -Dat ging zoo voort. Op alle die ingestelde dronken werd bescheid -gedaan. Waarachtig, hier en daar begonnen de scheef staande oogen der -babah’s wonderlijk zonderling te kijken. - -Daar sloeg de klok elf uur. Trillend weêrklonken de metalen tonen door -de lucht. - -„En nu onze verpachting!” riep de resident. „Ik heb hen, die bij deze -pacht niet slagen mochten, mede te deelen, dat over ettelijke dagen de -verpachting van het opiummiddel voor het pachtperceel Bengawan en een -paar dagen later voor het perceel eener andere residentie zal -geschieden; zoodat voor velen winst en groote winst te maken is.” - -Met den resident aan het hoofd, stapten de aanwezigen de binnengalerij -in, en groepeerden zich daar rondom eene groote tafel met wit marmeren -blad, waarop een massa paperassen uitgespreid lagen. Aan het boveneinde -plaatste zich de resident, omgeven door zijn fonkelenden staf van -ambtenaren, tegenover den drom Chineezen, de beide groepen door de -tafel gescheiden. Ter zijde tegen den muur van de binnengalerij hing -een keurige schilderij, een borstbeeld in levensgrootte van Koning -Willem III, die nu als het ware het middelpunt uitmaakte van de beide -groepen, uit Europeanen en Aziaten bestaande. - -„De secretaris zal ons de voorwaarden van het te sluiten pachtcontract -voorlezen,” sprak de resident plechtig. - -Bedoelde ambtenaar begon en wauwelde met eentonige stem en schier -onverstaanbaar, de reeks artikelen, die hij bijna van buiten scheen te -kennen. Het was ook maar eene bloote formaliteit. De gegadigden voor -dat contract kenden den inhoud op hun duimpje. Alleen den aanhef: in -naam des Konings! waarbij, op het voorbeeld van den resident, alle -aanwezigen het hoofd diep voor het borstbeeld bogen, sprak de -secretaris met plechtige stem uit. Ook het artikel, waarbij bepaald -was, dat de nieuwe pachters het recht zouden hebben, een aantal -opiumkitten meer te kunnen openen, dan bij het oude pachtcontract -bepaald was, werd met verheffing van stem en met statigen nadruk -voorgelezen, om toch maar het gemoed der belanghebbenden te treffen. - -Toen die lezing ten einde was, sprak de resident: - -„De vorige pachtschat voor het perceel Santjoemeh bedroeg: twaalf -honderd twee en dertig duizend gulden!.... Twaalf honderd twee en -dertig duizend gulden!.... Wie biedt hooger?” - -„Twaalf honderd vijf en dertig duizend!” riep een stem. - -„Twaalf honderd veertig duizend!” eene andere. - -„Twaalf honderd vijftig duizend!” klonk het uit dien hoek. - -„Twaalf honderd zestig!” uit den anderen. - -Er had eene poos verademing plaats. - -„Twaalf honderd zestig duizend!” herhaalde de resident Van Gulpendam -kalm en afgemeten. - -„Dertien honderd duizend!” riep Kwee Sioen Liem, die zich ter zijde van -de tafel hield. - -Lim Yang Bing, die nog niet gesproken had, keek uitvorschend op. - -„Veertien honderd duizend!” riep hij thans, zich in den strijd -mengende. - -„Vijftien honderd duizend!” - -Het gevecht was in vollen gang. - -„Zestien honderd duizend!” was het antwoord van den opiumpachter. - -Andermaal trad eene stilte in. - -„Panas ini hari,” (het is warm vandaag) fluisterde eene stem. - -De resident gaf een wenk aan een der oppassers, die zich in zijne -nabijheid ophielden. Onmiddellijk stormden een viertal bedienden toe -met hunne groote presenteerbladen, waarop de heerlijk afgekoelde -champagne in hare bevallige coupes parelde. Gretig tastten de Chineezen -toe. Het was toch ook zoo snikheet. - -„Zestien honderd duizend gulden!” herhaalde de resident. - -In dit oogenblik greep de tegenstander van Lim Yang Bing twee der -aangeboden kelken en sloeg den inhoud met koortsachtige opgewondenheid -naar binnen. - -„Zestien honderd vijf en twintig duizend!” riep hij. - -„Zeventien honderd duizend!” riposteerde de opiumpachter. - -Andermaal een stilte, die slechts door hijgende ademhalingen afgebroken -werd, alsook door het getik der glazen, welke van nu af door de -bedienden, hiertoe door de schoone Laurentia aangezet, die achter eene -zijdeur de ontwikkeling van het tooneel stond gade te slaan, -onafgebroken aangeboden of gevuld werden. - -„Zeventien honderd duizend!” herhaalde de resident Van Gulpendam. - -„Zeventien honderd vijf en twintig duizend!” antwoordde de concurrent -van Lim Yang Bing. - -„Achttien honderd duizend!” riep deze. - -Er was weer een glas verleidelijk vocht noodig, om de tegenpartij tot -riposteeren aan te moedigen. - -„Achttien honderd vijf en twintig duizend!” bracht Kwee Sioen Liem uit -op een toon zoo heesch, alsof zijne stem hem begaf. - -„Negentien honderd duizend! bood de opiumpachter. - -De tegenstander wankelde. Toch vermande hij zich genoegzaam, om evenwel -met een schier onhoorbare stem uit te brengen: - -„Negentien honderd vijf en twintig duizend gulden!” - -„Doea millioen!” riep Lim Yang Bing zegevierend uit. - -Doodsche stilte volgde op dat bod... Men zou eene speld hebben kunnen -hooren vallen. Men voelde, dat de tegenstand daarbij gebroken was. De -kampende wilde nog antwoorden; maar zijne kongsiegenooten trokken hem -achteruit en beletten hem te spreken. - -„Twee millioen gulden!” herhaalde de resident Van Gulpendam en liet er -op volgen: „ik breng de gegadigden in herinnering, dat het aantal -opiumkitten bij dit contract aanzienlijk vermeerderd is.” - -Maar het mocht niet baten... De bedienden vulden steeds ijverig de -glazen... Maar niets, niets meer hielp. - -„Twee millioen guldens... eenmaal!....” - -„Twee millioen guldens... tweemaal!....” - -„Twee millioen guldens... Biedt niemand hooger?.... Twee millioen -guldens... driemaal!” - -Boum! daar viel onherroepelijk de hamer. - -„Behoudens de nadere goedkeuring van de Nederlandsch-Indische -Regeering,” sprak thans de resident Van Gulpendam plechtig, „is aan -babah Lim Yang Bing de opiumpacht toegewezen!” - -Bij die woorden omringden de ambtenaren het hoofd van gewestelijk -bestuur en wenschten hem geluk met den afloop der verpachting. -Terzelfder tijd omringde het gros der Chineezen Lim Yang Bing, om hem -de hand te drukken. De schoone Laurentia zorgde voor een laatste glas -champagne, om dien zoo gunstigen afloop te bezegelen. Voor een -oogenblik heerschte daar in die groepen veel geestdrift en -opgewondenheid. Of er evenwel eene gedachte aan de bevolking gewijd -werd, welke vele malen die millioenen ten koste van haren welvaart -zoude moeten opbrengen? Ziet, dat zou niet kunnen bevestigd worden.... -Ja, toch een was er, namelijk Van Rheijn. Deze sloeg een blik op het -beeld van Neêrlands Koning en vroeg zich af: of het zijn Koninklijke -wil was, dat zoo gehandeld werd? Helaas! het antwoord bleef uit. Rustig -waarde de blik van den Vorst op die joelende menigte. - - - -Nauwelijks was de resident van zijne omgeving ontslagen, of hij stormde -met stralend gelaat naar zijn kantoor, en weldra trad hij naar buiten -met twee telegrammen in de hand, nagenoeg van denzelfden inhoud: -„Opium-verpachting te Santjoemeh opgebracht twee millioen—Van -Gulpendam.” De eene was bestemd voor Batavia, de andere voor den Haag. - -Toen hij den oppasser, die belast werd, om daarmede naar het -telegraafbureau te ijlen, had zien verdwijnen, keek hij met -tevredenheid en zelfgenoegzaamheid rondom zich en toen zijn oog op -Neêrland’s vlag viel, welker heldere frissche kleuren zich bevallig -loom onder de zwakke bries ontplooiden, meende hij, dat zij naar het -noordwesten, naar het vaderland wezen. Daarin zag hij eene voorbode en -prevelde: - -„Ja, uit dien hoek moet de belooning komen!” - -Zich omkeerende, stond Laurentia voor hem. Hij keek haar doordringend -aan. - -„Gij nog hier?” vroeg hij. - -Zij evenwel zonder hem te antwoorden, greep hem bij den arm, trok hem -met zacht geweld in de binnengalerij terug, en daar, voor ieder -onbescheiden oog verborgen, sloot zij hem met krachtigen arm aan haren -zwoegenden boezem. - -„Gulpie!” riep zij uit, „Gulpie! Ge hebt u zelven overtroffen!” - -„Ja,” zei hij met valsche zedigheid. „Dat fregat is aardig naar binnen -geloodst, al zeg ik het zelf. Als men in den Haag nu maar niet -ondankbaar zal wezen.” - - - - - - - -XL. - -HET „VIRTUS NOBILITAT”.—ANNA EN DALIMA.—EEN TELEGRAM. - - -Neen, men was in den Haag niet ondankbaar. Geen acht dagen waren -voorbijgesneld, of de telegraaf had de tijding aangebracht, dat het Z. -M. den Koning behaagd had, den resident Van Gulpendam te benoemen tot -ridder van den Nederlandschen Leeuw. Toen later de bizonderheden van -die benoeming per mail in Indië ontvangen werden, vernam men, dat -onmiddellijk na het bericht ontvangen te hebben van den uitslag der -opiumverpachting te Santjoemeh, de raadslieden der kroon in -buitengewone vergadering samengekomen waren, waarin de Minister van -Koloniën, met eene aan opgewondenheid grenzende opgetogenheid, gewezen -had op de hooge verdiensten van den resident Van Gulpendam en op de -groote voordeelen, die voor de schatkist ontstaan zouden, wanneer -andere residenten tot dergelijke plichtsbetrachting opgewekt konden -worden. Hij hield zijne collega’s voor oogen, dat, nu de baten uit de -gouvernements-koffiecultuur aan het ebben waren, de opium thans reeds -de kurk was, die het schip van Staat drijvende moest houden, en dat het -zaaks was, de inkomsten van dat middel ieder jaar op te voeren, zooals -hij zich dan ook beijverd had te doen, sedert hij door den Koning -vertrouwvol geroepen was, om de uitgaven voor de Koloniën met de -inkomsten in overeenstemming te brengen. Bewust, dat hij niets nieuws -verkondigen zoude, liet hij evenwel na, er op te wijzen, dat de -koffiecultuur, die, mits oordeelkundig en menschkundig in exploitatie -gebracht, steeds ruime baten had kunnen blijven afwerpen, terwijl zij -welvaart onder de bevolking verspreidde, thans door wanbeheer en -ergerlijke knevelarij te gronde gericht was; terwijl het steeds meer en -meer opgezweept wordende opiumverbruik ten vloek van het vaderland, ten -vloek van de Koloniën moest wezen. Opgetogen gaven zijne -medebestuurders dan ook hunnen bijval te kennen en ondersteunden de -voordracht tot het verleenen der Leeuwenorde, waaraan helaas! de -constitutioneele Vorst zijn sanctie niet kon onthouden. - -Hoewel sommigen het hoofd schudden bij het vernemen van die benoeming, -was toch schier geheel Santjoemeh uitgelaten van vreugde, toen men het -heugelijke telegram in de couranten las. Kaartjes, brieven en -telegrammen van gelukwenschen stroomden van alle kanten, zoowel uit -Nederland als uit Indië toe. De bezoeken, die de familie Van Gulpendam -ontving, waren ontelbaar en het was voor hen, die niet met het algemeen -gevoelen instemden, inderdaad moeielijk zich van die bewijzen van -belangstelling te onthouden. Te licht zou toch zoo iets aan afgunst -toegeschreven worden. - -Maar bij die betuigingen bleef het niet. Feesten, diners en -dansrecepties werden allerwege georganiseerd, om de heugelijke -gebeurtenis te vieren. De regent van Santjoemeh opende de rij en werd -daarin gevolgd door het korps ambtenaren, door de leden van de -sociëteit Eensgezindheid, door den majoor-Chinees, enz. enz. Als -slotbouket van al die feestelijkheden had er ten residentiehuize een -luisterrijk bal plaats, om al de betoonde hulde te reciproceeren, -waarop, het zal wel niet behoeven vermeld te worden, geheel Santjoemeh -tegenwoordig moest wezen, en ook was. - -Bij al die gelegenheden werden toasten uitgebracht, speeches gehouden, -gelegenheidsgedichten opgezegd, solo- en choorzangen voorgedragen, en -dat alles om den man te verheerlijken, wiens borst zoo waardig met het -„virtus nobilitat” prijkte. Laurentia had met haar fijn, vrouwelijk -schoonheidsgevoel gewild, dat haar Gulpie op al die feesten verschenen -zoude zijn, gedecoreerd met een elegant kruisje, aan een miniatuur -strikje van Nassausch blauw lint met oranjestrepen, hetgeen bepaald van -goeden smaak getuigd zoude hebben. Maar Van Gulpendam had zich daaraan -niet willen onderwerpen. Hij had fluks een kruis van Batavia laten -komen, groot als een theeschoteltje met daaraan geëvenredigden lap -lint. - -„Als je een vlag vertoont,” had hij zijne vrouw tegemoet gevoerd, „moet -hij ook op een mijl afstand zichtbaar zijn, en moet je hem flink laten -uitwaaien.” - -Tegen dat zeemans-aphorisme was niets in te brengen geweest. - -De man had dan ook veel genoten in die dagen, en zijn genot zoude -onvermengd geweest zijn, wanneer niet geruchten zich verspreid hadden, -dat er aan de rust en de tevredenheid onder de bevolking, waarvan hij -steeds in zijne rapporten aan de regeering gewaagde, meer ontbrak dan -hij met zijne geschriften wilde aantoonen. Er werd toch van -samenscholingen, van samenzweringen gemompeld, en, werd er bijgevoegd, -dat meer aan staatkundige woelingen te denken viel, dan aan beramingen -van ketjoe’s. Merkwaardig, een Bataviaasch dagblad van die bewegingen -in verscheidene residentiën sprekende, duidde er op, dat de „prang -sabil” (de heilige oorlog) voorbereid werd, en beweerde goed ingelicht -te zijn. Dat blad schuldig aan het feit, de machthebbenden uit hunne -rustige rust opgejaagd te hebben, werd op zijn vingeren getikt. De -drukkerij werd gesloten, en de redacteur verbannen, om te bewijzen: dat -de rust ongestoord en de pers slechts gevaarlijk was. - -Maar, nu werd ook een wenk van boven aan den resident Van Gulpendam -gegeven, dat hij alles moest in het werk stellen, om te laten zien, dat -de toestand werkelijk bevredigend was, en de artikelen der dagbladen -slechts onrustbarende praatjes bevat hadden. - -Gedurende die week van feestelijkheden had Van Gulpendam reeds eenige -tochten gemaakt naar de zoogenaamde bedreigde punten, maar had alles -rustig bevonden. Onder den prikkel van de Europeesche ambtenaren, -hadden de Inlandsche hoofden nauwgezet hunne opwachting bij den -Kandjeng toean gemaakt, en daarbij nog een woord van gelukwensching -geuit, ter zake van de hooge onderscheiding, die hem te beurt gevallen -was. - -Het kon niet beter. Voor allen, ambtenaren en hoofden had hij dan ook -een welwillend woord, een woord van goedkeuring en aanmoediging, om tot -spoorslag te dienen op den ingeslagen weg voort te gaan. - -Wel liet zich eene enkele stem hooren, die in dat koor van betuigingen -over rust een kleinen dissonant liet vernemen. Het was een Europeesch -ingezetene, een industrieel, wiens suikerfabriek aan de uiterste grens -van de residentie Santjoemeh gelegen was. Deze verzekerde, dat hij -vertrouwbare berichten had, volgens welke werkelijk soms -samenscholingen in een bosch, nabij zijne onderneming gelegen, plaats -vonden, en hij beweerde zelfs de namen van een paar der leiders te -kennen. Overigens zeide hij, dat hij met het doeleinde der samenkomsten -niet bekend was, maar dat zij hem verdacht en, zelfs bij de meest -onschuldige strekking, gevaarlijk voorkwamen. - -„En die namen?” had de resident smalend gevraagd. - -„Ik ken er slechts twee,” was het antwoord, „het moeten vader en zoon -zijn, Pak Ardjan en Ardjan geheeten. De laatste moet een moedige, -doortastende vent zijn, en beiden zouden in de dèsa Kaligaweh van de -afdeeling Banjoe Pahit te huis behooren.” - -De resident voelde, dat hij verbleekte bij het hooren van die namen. -Hij greep zijn zakdoek om de zweetdruppels, die op zijn voorhoofd -parelden, af te vegen, meer echter om zijne aandoening te verbergen. - -Men bood hem een glas ijswater aan; hij herstelde zich echter spoedig, -en, alsof hij er op uit was, om den indruk zijner ontroering, wanneer -die opgemerkt mocht zijn, te vernietigen, hernam hij: - -„Och, kom. Die kerels van Kaligaweh zijn reeds lang naar den overwal -gevlucht. Die zullen zich wel niet op Nederlandsch grondgebied -vertoonen. Nog niet lang geleden zijn zij te Singapore gezien, -daaromtrent zijn mijne berichten stellig.” - -„En toch, resident,” antwoordde de suikerfabrikant ernstig, „ben ik -hier niet gerust. Gij weet hier in Indië, zijn de grensposten der -Europeesche nederzettingen gewoonlijk het slachtoffer, en worden dan de -Europeanen in den regel op gruwelijke wijze vermoord. Mijne fabriek -ligt wel afgelegen, en, komt het tot eene uitbarsting, dan zijn in het -gunstigste geval twee dagen noodig, alvorens politie of militaire macht -haar bereiken kan. Ik wilde u wel verzoeken om eenig politie-personeel -op de onderneming te plaatsen, waarop ik vertrouwen zou kunnen. Ik zal -ze wel wapenen.” - -„Politie-personeel, mijn goede heer? Waartoe?” vroeg de resident, die -zijne geheele zelfbeheersching hernomen had, met een glimlach. „Gij -schept u herschenschimmige angsten. Het is al te dwaas!” - -„Ik weet, wat ik weet,” hernam de fabrikant, „en ik kom er rond voor -uit: de mij medegedeelde berichten komen mij volstrekt niet -ongeloofwaardig voor.” - -„Mij wel,” antwoorde Van Gulpendam ietwat sarcastisch. - -„Als gij u in mijne plaats bevondt, met een geheel huisgezin in deze -eenzame buurt, dan zoudt gij in de gegeven omstandigheden wel anders -spreken.” - -Hoewel Van Gulpendam nu wel niet van de stof vervaardigd was, waaruit -de helden groeien, zoo was hij toch ook geen lafaard. Daarenboven hij -begreep, dat het oogenblik gekomen was pour payer de sa personne. Wat -zou men te Batavia wel zeggen, wanneer daar die angstvalligheid -vernomen werd? - -„Het mocht wat!” riep hij met denzelfden sarcastischen glimlach uit. -„Kom, om u te toonen, hoe verzekerd ik ben, dat er niets aan de hand -is, noodig ik mij en mijne echtgenoote uit, om een veertiental dagen op -de fabriek te komen logeeren. Ik weet, dat de kombuis goed is... Neemt -gij aan? - -„Volgaarne, resident,” sprak de fabrikant met vuur. - -Hij rekende er op, dat het hoofd van gewestelijk bestuur zich onder de -hoede van een sterk korps politiedienaren zou stellen. - -„Wel,” antwoordde Van Gulpendam. „Zoodra de feesten te Santjoemeh -afgeloopen zijn, zal ik u bericht zenden; maak maar al vast een paar -vertrekken voor ons klaar.” - -„En gij brengt eenige oppassers mede?” - -„Volstrekt niet. Een paar mijner bedienden, meer niet. Ik wil u laten -zien, dat ik ten volle vertrouwen in den toestand stel, dat ik voor -niets bevreesd ben. Dat is dus afgesproken, nietwaar?” - -Buiten, maar vlak voor de galerij, waarin dit gesprek gehouden was, -drentelden een paar pradjoerits als eerewacht voor den Kandjeng toean -op en neêr. Als iemand op een dier twee mannen gelet had, dan had hij -opgemerkt, dat die schildwacht zoodanig op en neer wandelde, dat hij -steeds in de nabijheid der pratenden bleef; ook dat hij scherp -toeluisterde, waarbij zijn oogen meer dan eens woest en onheilspellend -flikkerden. Bij de laatste volzinnen van het gesprek, verspreidde zich -een waas van tevredenheid over zijn gelaat en, had de man eene -westersche klassieke opvoeding gehad, dan zou hij voorzeker gepreveld -hebben: Jupiter, quem vult perdere, prius dementat. (Wien de goden ten -verderve willen voeren, ontnemen zij eerst het verstand). - -Toen Van Gulpendam te Santjoemeh teruggekeerd was, verkondigde hij -allerwegen, dat hij en zijne echtgenoote door dat voortdurende -feestvieren uitgeput waren, dat zij rust noodig hadden, en dan ook -besloten waren om op de fabriek „Soeka maniesan” een veertiental dagen -te gaan uitblazen. - -En, inderdaad, twee dagen na de eindpartij vertrokken de beide -echtgenooten, die zich slechts door de lijfmeid van de schoone -Laurentia en een tweetal mannelijke bedienden lieten vergezellen. Op -den bok nam evenwel een oppasser naast den koetsier plaats. Die moest -den gouden pajoeng omhoog houden, ten teeken dat de Kandjeng toean in -het rijtuig zat. - -„Mocht er eene westmousson’s bui in dien hoek broeien, och, dan is de -pajoeng voldoende om haar af te doen drijven,” had Van Gulpendam tot -zijne wederhelft gezegd. - -Denzelfden dag vertrokken ook Karel van Nerekool en Theodoor Grenits -naar Gombong, om van daar uit, gezamenlijk met Murowsky, Anna van -Gulpendam in hare eenzaamheid te gaan verrassen. Beide rijtuigen -kruisten elkander bij het verlaten van de hoofdplaats Santjoemeh. Dat, -waarboven de gouden pajoeng prijkte, sloeg oostwaarts in; het andere, -waarin de twee vrienden gezeten waren, zuidwaarts. - - - -Nadat nonna Anna en baboe Dalima bij het baden zoo geschrokken waren, -hadden zij het niet meer gewaagd, onverzeld naar de zoo afgelegen -badplaats te gaan. Wel meenden zij verzekerd te zijn, dat geen -menschelijk wezen haar bespied had, dat de steen die naast Anna in het -water geplonst was, door een dier, b. v. een tjelleng, of eene geit -losgetrapt was; maar de schrik, dien zij ondervonden hadden, had hen -toch de mogelijkheid eener onbescheidenheid doen beseffen. Anna -overreedde eene bejaarde Javaansche vrouw, om haren intrek in het hutje -te nemen. Die zou dan telkens naar de badplaats gaan, en daar, terwijl -de jonge meisjes in het frissche water zouden dartelen, tegen -onbescheiden oogen waken, en haar, bij voorkomen, van de nadering van -menschelijke wezens tijdig kennis geven. Het in dienst nemen dier nènèh -had nog eene andere voordeelige zijde. Aan haar toch konden enkele -huiselijke werkzaamheden opgedragen worden, waardoor de twee nijvere -meisjes meer tijd zouden hebben, om onafgebroken op haar weefgetouw, of -bij hare verfkuip door te brengen. Hoe meer zij toch werkten, hoe meer -geld zij verdienden; want de kahin’s en slendang’s, die zij weefden, en -de sarong’s, die zij batikten, waren zeer gewild. In den regel hadden -zij meer bestellingen, dan waaraan zij voldoen konden. Het gevolg -daarvan was, dat er dan ook een zekere welvaart in de ons bekende hut -heerschte, en.... was het daaraan te wijten, of kon niemand ongevoelig -blijven bij den aanblik der twee lieve meisjes; maar wanneer zij eens -een enkelen keer in de dèsa Ajo verschenen, alwaar zij geen vrees van -herkend te worden behoefden te koesteren, dan werd hen van wege de -jongelingschap van dat dorp menigen teederen blik toegeworpen, soms ook -wel eens een liefdevol woord toegefluisterd. De deerns hadden er dan -pret in, en lachten er hartelijk om. Op een dag zei Dalima snaaksch en -spottend: - -„Als zij eens wisten, dat zij de dochter van een resident, van een -Kandjeng toean voor zich hadden, wat zouden zij verschrikt achteruit -stuiven.” - -„Spreek daarover niet weder, Dalima!” zei Anna hoogst ernstig. „Gij -weet, dat ik daarover niet wil hooren reppen. Ik ben geene -residentsdochter meer.” - -Maar, toen zij ontwaarde, dat die ernst hare trouwe gezellin bedroefde, -liet zij er met een glimlach op volgen: - -„Alsof de Ajosche „boedjans” (jongelingen) het op mij gemunt hadden!” - -„Op wie anders, Nana?” - -„Op een van ons beiden, maar zeker op mij niet. Dat zie ik maar al te -goed. Al die lonkjes en „soeara manies” (zoete gezegden) zijn voor u, -Dalima.” - -„Hoe kunt gij het zeggen, Nana?” hernam de baboe half boos. - -„Ik zeg slechts de waarheid, Dalima!” - -„Hebt gij wel eens op Kjahi Wångså [279] gelet, Nana? Die heeft slechts -oogen voor u.” - -„Neen, voor u, Dalima!” - -„Neen, voor u, Nana!” - -Zoo kibbelden de meisjes bijna dagelijks en het was niet uit te maken, -wie harer dan het laatste woord behield. - -„Als het de Kjahi eens was, die ons zoo verschrikt had....,” zei Anna -eens, terwijl zij met hare vriendin weer zoo aan het praten was. - -„Wat bedoelt ge, Nana?” - -„Als het die lummel eens was, die ons bij het baden begluurd had.” - -„Dat zou hij niet gedurfd hebben. Geen der boedjans zijn daar „brani” -(stoutmoedig) genoeg voor. En hij wel het minst.” - -„Daar komt nog al stoutmoedigheid bij te pas, tegenover twee meisjes, -zou ik meenen.” - -„Toch zou hij het niet gedurfd hebben. Maar, wees gerust; niemand heeft -ons bespied. Gij weet, hoe lang wij uitgekeken hebben, en hoewel wij -het pad rechts en links over eene groote uitgestrektheid konden -gadeslaan, hebben wij niemand bespeurd.” - -„En toch blijft mij het geval raadselachtig toeschijnen.” - -„Als daar iemand geweest is, dan was het een blanke.” - -„Een blanke, Dalima?” - -„Ja, nu het al zoo lang geleden is, kan ik het u wel vertellen. Vroeger -zou ik u slechts noodeloos ongerust gemaakt hebben. Des avonds voor het -gebeurde met dien steen, is een blanke in de dèsa Ajo aangekomen en -heeft daar bij den loerah overnacht.” - -„Dalima, wie was hij?” vroeg Anna ontsteld. - -„Weet ik het, Nana. Ik heb genoeg gevraagd; ik heb niets anders kunnen -vernemen, dan dat hij zich bezighield met „tangkap koepoe koepoe” -(kapellenvangen) Poeah. [280]” - -„Hebt gij hem gezien, heeft hij u gezien, Dalima?” - -„Wel neen, Nana. Hij is voor dag en dauw weêr vertrokken. Het laatst is -hij gezien te Pring-toetoel, en toen begaf hij zich in oostelijke -richting.” - -„Waarom hebt gij mij dat niet vroeger gezegd?” - -„Om u noodeloos ongerust te maken? Daartoe was geen reden.” - -Een oogenblik zaten de twee meisjes sprakeloos. Dalima, die vreesde, -dat Anna over haar ontevreden was, vroeg bedroefd: - -„Zijt gij boos op mij, Nana?” - -„Neen, Dalima.” - -„Waar denkt gij dan zoo ernstig aan?” - -„Ik zou wel willen verhuizen.” - -„Verhuizen?” - -„Ja, nog verder het gebergte in; nog verder zuidwaarts, waar de -landstreek nog eenzamer, nog woester is, daar dicht bij de -vogelnestgrotten. Ik zou wel mijn intrek in een dier grotten willen -nemen. - -„Waar denkt gij aan, Nana?” vroeg Dalima verschrikt. - -„O, ik heb zoo’n voorgevoel, dat Karel mij op het spoor is,” hernam -Anna met een zucht. - -„Dat had hij al lang moeten zijn,” antwoordde de baboe met eenige -kleinachting in haar stem. „Een Javaan had u wel gevonden.” - -„En Ardjan dan?” - -Dalima verbleekte bij het hooren van dien naam. - -„Die is voortvluchtig,” sprak zij somber. „Allah alleen weet, waar hij -zich ophoudt, en wat hij uitvoert. Daarenboven ik ben zijn „toenangan,” -(verloofde) niet meer. Voor hem ben ik slechts een gevallen meisje.” - -Beiden zwegen andermaal en schenen in hare gedachten verzonken. Anna -gevoelde spijt, dat zij eene zoo teedere snaar aangeroerd had. Na een -oogenblik van stilzwijgen hernam Dalima weêr: - -„Maar, als het eens zoo ware, dat die toean rakker u werkelijk op het -spoor was...?” - -„O, zwijg. De gedachte alleen ontzet me! Ik zou dadelijk willen -vluchten!” - -„Wat hebt gij toch tegen hem?” vroeg de baboe met aandrang. - -„Zwijg, Dalima!” - -„Houdt gij niet meer van hem? Hebt gij hem uit uw hart gebannen...? -Nu?” - -„Zwijg!” riep Anna in de grootste ontroering uit. „Niet meer van hem -houden?... O, als dat zoo ware!.... Uit mijn hart gebannen?... Er gaat -geen dag, geen uur, geen minuut schier voorbij, dat ik niet aan hem -denk.” - -„Maar, Nana,” hernam de argelooze Javaansche, „waarom dan zoo wreed?” - -„Zwijg, Dalima!” - -„Weet gij dan niet, hoe ongelukkig gij dien jongen man maakt, Nana?” - -„O, zwijg, ik bid er u om. Nimmer, nimmer kan ik hem, noch een ander -toebehooren!” - -Dalima keek haar aan. Wat in haar binnenste omging, was niet moeielijk -te raden. Op haar gelaat teekende zich verwondering en ergernis. In -hare oogen was te lezen: - -„Wat hebben die blanken toch voor „tinka’s”! (grillen.) Hoe lastig -maken zij zich het leven toch.” - -Na een oogenblik bedenkens, wilde zij het gesprek weêr hervatten, en -opende daartoe reeds den mond; toen eensklaps de nènèh de galerij -binnenkwam. Zij was voor de keukenbenoodigdheden naar de dèsa geweest, -en kwam thans rekening en verantwoording over hare inkoopen doen. Dat -gaf gelukkig afleiding; maar toen zij met haar nieuwtjes begon, bracht -zij groote ontsteltenis bij de beide meisjes teweeg. Zij verhaalde -toch, dat drie blanken in de dèsa waren aangekomen en hunnen intrek bij -den loerah genomen hadden. - -„Drie blanken!” riep Anna verschrikt uit. - -„Ja, Nana,” antwoordde de vrouw, die niet beter wetende, dan dat zij -eene rasgenoote voor zich had, het voorbeeld van Dalima gevolgd had en -de residentsdochter met den naam Nana aansprak. - -„Hebt gij ze gezien, nèh?” vroeg Dalima. - -„Neen,” was het antwoord. - -„Hebt gij ook vernomen, wat ze in de negorij komen uitvoeren?” - -„Daaromtrent loopen de verhalen uiteen,” antwoordde de nènèh. „De een -vertelt, dat het „wong spor” [281] (lieden van den spoorweg) zijn, die -zich met jagen vermaken. En, inderdaad, hebben zij geweren bij zich. -Een ander vertelt, dat zij jacht op slangen maken. Nu daar kunnen zij -hier genoeg van vangen. Bij het hierheen komen heb ik nog een „oelor -welang” [282] op het pad gezien. Gelukkig, dat ik haar bijtijds -bemerkte, anders had ik er op getrapt, en dan was ik dood. Een derde -vertelt, dat die toean toean de vogelnestgrotten komen bezichtigen.” - -„Hebt gij niets anders gehoord?” - -„Neen, Nana. Maar, waarom zijt gij zoo raar, als waart gij bevreesd. -Die blanken doen niemand kwaad. Ziet... daar komen zij het pad op....” - -Anna keek in de aangeduide richting en slaakte een hartverscheurenden -kreet. In de grootste ontsteltenis greep zij een slendang, dien zij -over het hoofd sloeg, en, gevolgd door Dalima, die evenals zij Van -Nerekool onder de aankomenden herkend had, ijlde zij het pad op, dat in -tegenovergestelde richting naar den zuiderkant van het Polenggebergte -voerde. De drie mannen zagen twee gedaanten uit de hut te voorschijn -treden, en heênvluchten. - -„Daar is zij!” riep Murowsky. - -„Anna!... Anna!...” riep Van Nerekool met hartverscheurende stem. - -Te vergeefs. Door eene buiging van het pad waren de twee meisjes weldra -achter de rotsen verdwenen. - - - -Alvorens tot het slottafereel van onzen roman te komen, zijn wij -verplicht andermaal eene schrede achterwaarts te doen. - -Van Nerekool was met Grenits per rijtuig naar Wonosobo gereisd, van -waar de twee vrienden den tocht te paard voortgezet hadden. O, zij -hadden geen tijd, geen oog om de heerlijke landschappen, de verheven -bergpartijen, die ze doorreisden, te aanschouwen of te bewonderen. -Karel gunde slechts een verstrooiden blik aan het hem omringende, -wanneer Grenits hem daarop opmerkzaam poogde te maken, en had slechts -een kreet in den mond: - -„Voort! Theodoor, voort!” - -Voor hunne afreis hadden zij Murowsky getelegrafeerd. Zij vonden den -officier van gezondheid dan ook gereed, om hen te vergezellen. Daar -zijn collega nog steeds te Gombong vertoefde, had de militaire -bevelhebber er geen bezwaar in gevonden, hem andermaal een verlof voor -vier dagen toe te staan. De reizigers waren evenwel laat in den -namiddag aangekomen; zij waren daarenboven vrij vermoeid van den -flinken rit; zoodat besloten moest worden den tocht eerst den volgenden -morgen voort te zetten. Van dat gedwongen oponthoud werd gebruik -gemaakt, om in den vooravond een bezoek bij den chef van Murowsky af te -leggen. - -„Als gij lieden met u drieën er op losgaat,” sprak de goedige -krijgsman, terwijl hij hen de hand drukte, „dan mogen de kapellen en -snuitkevers zich wel verdekt opstellen. Dan zal er eene slachting onder -gehouden worden. Hebt gijlieden wel kurken en spelden genoeg, om de -arme krijgsgevangenen op te prikken? Enfin, ik wensch den heeren alle -succes.” - -Maar, terwijl zij daar zoo bij dien kommandant een glas bier zaten te -genieten, bracht een beambte een telegram, bestemd voor Murowsky. Deze -greep het papier. - -„Gij permitteert?” vroeg hij den kapitein en diens ega. - -„Voor telegrammen worden dergelijke plichtplegingen niet vereischt,” -antwoordde de gastheer. „Open spoedig, misschien wel van een patiënt. -Als uwe kapellenvangst daarmede maar niet in gevaar wordt gebracht.” - -Murowsky opende het couvert, en sloeg een blik op de onderteekening. - -„Van Van Rheijn,” zei hij tot de vrienden... „God in den hemel!” riep -hij vervolgens in de grootste ontsteltenis uit. - -„Wat is er? Wat is er?” riepen alle aanwezenden. - -„„Zeg aan Van Nerekool, dat de resident Van Gulpendam en zijne ega, -door eene bende ketjoe’s vermoord zijn. Bizonderheden per brief!”” las -de dokter voor. - -Allen zaten een oogenblik stom van ontzetting. Van Nerekool greep -koortsachtig het telegram, trad tot bij de lamp, las, en wreef zich -daarna de oogen, alsof hij die niet vertrouwde. - -„Het is maar al te waar!” sprak hij eindelijk. - -„Is mijnheer Van Nerekool familie van de verslagenen?” vroeg de vrouw -des huizes aan Grenits; toen zij het gelaat van den rechterlijken -ambtenaar de meest opgewonden aandoeningen zag verraden. - -„Vergeef mij, mevrouw,” antwoordde Theodoor. „Wij verlieten Santjoemeh -tegelijkertijd met de familie Van Gulpendam. De gedachte aan den -gruwzamen moord op personen gepleegd, die wij gedurende de -feestelijkheden aldaar levenslustig te midden van ons zagen, is wel -geschikt om ons te doen ontstellen.” - -De dame knikte toestemmend. - -„Het is ontzettend!” prevelde zij. - -„Vrienden,” sprak Van Nerekool tot Murowsky en Grenits, „onze tocht zal -eenige uren uitgesteld dienen te worden. Onder de gegeven -omstandigheden moet ik noodzakelijk mevrouw Steenvlak spreken. Hoever -is Karang Anjer hier van daan, kapitein?” - -„Zes palen, mijnheer Van Nerekool.” - -„Nog zoo ver? Zou er mogelijkheid bestaan, dat ik een paard zou kunnen -bekomen?” - -„Gij kunt het mijne krijgen,” sprak de kapitein. „Wat is uw voornemen?” - -„Ik wenschte dadelijk naar Karang Anjer te kunnen rijden. Het is nu -ongeveer zeven uur. Ik kan voor achten daar zijn. Morgen ochtend met -het krieken van den dag begeef ik mij weer op weg, en ben dan omstreeks -zes uren hier, om den tocht naar Karang Bollong te vervolgen. Wees -gerust, kapitein, ik zal uw paard goed verzorgen.” - -„O, daar twijfel ik niet aan,” antwoordde de kommandant. „Bij de -Steenvlaks vindt het een goeden stal.” - -En opstaande, ging hij naar achteren om bevelen tot opzadelen te geven. - -„Juffrouw Van Gulpendam heeft bij de Steenvlaks gelogeerd,” sprak de -vrouw des huizes, ietwat nieuwsgierig omtrent dat overhaaste vertrek -van Van Nerekool naar Karang Anjer. - -„Juist, mevrouw,” antwoordde Murowsky. „Misschien weet mevrouw -Steenvlak, waar dat jonge meisje is, dan kan zij op den ramp, die haar -treft, voorbereid worden.” - -Grenits vroeg intusschen aan Van Nerekool, wat hij van plan was te -doen. - -„Zij zal mij thans niet weigeren een brief voor Anna mede te geven. In -zulke omstandigheden kan de raad van eene beproefde vriendin -veelvermogend zijn. Keurt gij mijn pogen niet goed?” - -Theodoor knikte bevestigend, en drukte zijn vriend de hand. - -Tien minuten later zat Van Nerekool in het zadel, en joeg spoorslags -den weg naar Karang Anjer op, waar de familie Steenvlak evenwel met de -gruwzame gebeurtenis in de residentie Santjoemeh reeds bekend was. De -assistent-resident had ook een telegram ontvangen. - - - - - - - -XLI. - -DE KETJOE’S TE SOEKA MANIESAN.—EENE ONTZETTENDE TERECHTSTELLING. - - -De noodlottige tijding was maar al te waar! - -Toen de familie Van Gulpendam te Soeka maniesan aankwam, kon de -eigenaar dier suikerfabriek niet anders verklaren, dan dat in den -laatsten tijd geen spoor van agitatie te bemerken was; dat hij -meermalen de plek in het naburige bosch, waar vroeger samenscholingen -zouden plaats hebben gehad, had laten bespieden, zonder dat evenwel -daar iemand ontmoet was geworden; zoodat hij tot de meening was -gekomen, òf dat hij verkeerd was ingelicht geweest, òf dat de -bijeenkomsten thans op eene andere plaats gehouden werden. - -Van Gulpendam liet den assistent-resident, die aan het hoofd der -afdeeling stond, waarin Soeka maniesan gelegen was, ontbieden, zoo ook -den regent en de wedono’s in die afdeeling, maar vernam niets -onrustbarends. Integendeel, die ambtenaren betuigden, dat de streek de -meest gewenschte rust genoot; hoewel de regent daarbij niet ontveinsde, -dat er wel armoede heerschte. - -„En wat is de oorzaak van die armoede, Radhen Adipattih? [283]” had de -resident gevraagd. - -Het Javaansche hoofd krabte zich achter het oor. Hij had wel willen -vrijgesteld zijn van het beantwoorden van die vraag. Toen het antwoord -zich wachten liet, vroeg Van Gulpendam: - -„Wordt de bevolking door de landheeren der omliggende fabrieken -behoorlijk voor haren arbeid uitbetaald?” - -„O, ja, Kandjeng toean.” - -„Is de rijstoogst mislukt, of heeft die soms minder opgebracht, dan -waarop gerekend werd?” - -„Neen, Kandjeng toean. De oogst is zelfs zeer overvloedig geweest; de -landbouwers hebben vele „gedengs” (bossen) paddie in de „loemboeng” -(schuur) kunnen binnenbrengen.” - -„Maar, waaruit ontspruit dan toch die armoede, Radhen Adipattih?” - -„Ik weet het niet, Kandjeng toean,” antwoordde het Javaansche hoofd met -een zucht. - -Hij wist het wel; maar durfde er niet voor uitkomen, overtuigd als hij -was, dat hij, wanneer hij de waarheid onthulde, de gramschap van den -resident zoude opwekken. Hij wist, dat de loemboengs leêg waren. Ja, de -oogst was overvloedig geweest; maar de paddie was niet in de schuren -terechtgekomen. De Javaan is een groot kind. Zijn oogst was verkwanseld -geworden, terwijl hij nog te velde stond. Om wat geld in handen te -hebben, was zijne rijst, alvorens zij rijp was, in handen van -Chineesche opkoopers overgegaan. En dat geld had zijn weg gevonden naar -de opiumkit, naar het speelhol, naar het pandjeshuis, naar de lade van -die Heilige Drieëenheid, die tot grondslag van de Nederlandsche -inkomsten strekken. Neen, de regent durfde zijn gedachten niet -openbaren. Hij sloeg een bedeesden blik op het groote kruis, dat op de -borst van den resident prijkte, en herhaalde met een zucht: - -„Ik weet het niet, Kandjeng toean.” - -Na dat alles gehoord te hebben, verklaarde Van Gulpendam geen andere -kamers te willen betrekken dan in de bijgebouwen; hij zou zich -volgaarne vergenoegen met de gewone logeerkamers [284] van de fabriek. - -„Maar, resident,” antwoordde de fabrikant, „uwe vertrekken in het -hoofdgebouw zijn klaar.” - -„Daar wil ik niets van weten, waarde heer,” hernam Van Gulpendam; „ik -wil u bewijzen, dat ik de toestanden hier geheel en al vertrouw, en dat -ik daar buiten even gerust zal slapen als in uw hoofdgebouw.” - -Van dat voornemen was hij niet af te brengen geweest. En, inderdaad, -hij scheen gelijk te hebben. De berichten, die van allerwegen -binnenkwamen, waren van zoo’n geruststellenden aard, dat de eigenaar -van de fabriek „Soeka maniesan” tot de meening begon over te hellen, -dat hij misleid was. De eerste nacht, dien de familie Van Gulpendam in -hare vertrekken doorbracht, ging dan ook ongestoord voorbij, en genoten -de echtelingen een heerlijke rust. - -De daaropvolgende dag werd gesleten met eene nauwkeurige bezichtiging -van de suikerfabriek, die evenwel op het punt was hare jaarlijksche -campagne te sluiten, daar de maaltijd op zijn eind liep. In den -namiddag werd eene verkwikkende wandeling ondernomen, waarbij het -residentspaar getroffen werd door de hulde-bewijzen, die het vanwege de -ontmoet wordende Inlanders ontving. Niet dat het daar niet aan gewoon -was; het tegendeel kon beweerd worden. Steeds had Van Gulpendam, zelfs -toen hij nog controleur was, stipt en streng geëischt, dat terwijl hij -in de binnenlanden vertoefde, ieder Javaan, die hem ontmoette, moest -hurken en zijn „sembah” brengen, dat iedere vrouw het gelaat moest -afwenden [285]. Maar, hier geschiedde dat met zulke innige teekenen van -schuchterheid, dat die voor bewijzen van diep ontzag en van eerbied -door het ijdele paar opgenomen werden. Neen, hier in deze streken was -niets te vreezen. Zooveel kennis van het Javaansche karakter meende Van -Gulpendam wel opgedaan te hebben. - -Ook de avonduren werden prettig doorgebracht. De eigenaar van Soeka -maniesan had eenige familiën van de rondom liggende ondernemingen -uitgenoodigd, waaraan allen als om strijd voldaan hadden. De heeren en -ook sommige dames maakten een gezellig partijtje; terwijl anderen zich -met muziek maken onledig hielden. Zweefden ook al eenige onprettige -gedachten door het brein van den resident, terwijl hij daar in de -voorgalerij van de fraaie heerenwoning aan het ombertafeltje zat, zoo -werden die geheel verdreven door de rustige omgeving, welke het geheele -landschap, hetwelk zich daar voor hem uitspreidde, kenmerkte. De maan -stond hoog aan den hemel, en overgoot alles met haar liefelijk licht. -Een zacht windje ritselde door het loof der fraaie schaduwboomen, die -het geheele gebouw omgaven. Alles ademde de grootst mogelijke kalmte, -die in een tropisch gewest zooveel kan bijbrengen, om de avonduren zoo -genotrijk mogelijk te maken. Zoo streek de avond uiterst genoegelijk -voorbij, en sloeg het middernachtuur, alvorens de rijtuigen voorkwamen, -die de gasten huiswaarts moesten brengen. - -Toen die vertrokken waren en de bewoners van Soeka maniesan zich ter -ruste wilden leggen, kwam een der „mandoors” (opzieners) der fabriek -rapporteeren, dat men eene gedaante achter de tuinomheining had zien -sluipen. - -„Waarschijnlijk een dief,” sprak de man onverschillig, alsof dat eene -niet ongewone gebeurtenis was. - -„Kom, wij zullen eene ronde maken,” sprak de eigenaar, terwijl hij een -geweer greep, en een tweede den resident aanbood, hetwelk deze met een -gebaar weigerde. - -Hij en Van Gulpendam, vergezeld van den opziener, stapten naar buiten, -terwijl de dames zich naar hunne slaapvertrekken begaven. Zooals gezegd -is, was het zacht en kalm weêr. De beide blanken wandelden rond, maar -bespeurden niets verdachts. Door de frissche nachtlucht verlokt, -strekten zij hunne wandeling verder uit, dan oorspronkelijk hun plan -was geweest. Zij waren naar buiten getreden, en wandelden nu in een -paar rietvelden rond, die aan het erf der fabriek paalden, en waarvan -de rietstekken gedeeltelijk geoogst waren. Het gekapte riet was reeds -naar de fabriek vervoerd; maar over een groote uitgestrektheid stonden -de stengels nog overeind en wachtten op de hand der arbeiders. Op de -ontruimde gedeelten van de velden lagen hier en daar groote hoopen -„dagoe” (droge bladeren), die van de geoogste stengels afgesneden en -bestemd waren, om ook naar de fabriek vervoerd te worden; ten einde -daar als brandstof gebezigd te worden. De eigenaar van Soeka maniesan -was een degelijk suikerfabrikant, een geleerde met betrekking tot zijn -vak in den volsten zin des woords. Van Gulpendam was door zijne -betrekking van ambtenaar bij het Binnenlandsch Bestuur jarenlang met de -suikerindustrie op Java in aanraking geweest; zoodat het gesprek -tusschen die twee mannen niet behoefde te kwijnen. Gevolgd door den -opziener, wandelden de beide heeren voort, en onderhielden zich over de -verschillende rietsoorten, die aangeplant werden. Van Gulpendam meende, -dat de „teboe-njamploong” het meeste suikergehalte bevatte; de andere -verklaarde, dat de ondervinding hem geleerd had, dat zulks met de -teboe-itam [286] het geval was. Beiden bleven op hun stuk staan, en de -discussie daaromtrent werd vrij levendig; toen plotseling een gil -weerklonk, en een aantal mannen, met knuppels gewapend, en met zwart -gemaakte gezichten, van achter de hoopen dadoe te voorschijn sprongen, -en recht op de wandelenden lossprongen. Het drietal, onthutst door die -plotselinge verschijning, zette het op een loopen; maar nog hadden zij -slechts weinige passen gedaan, of de vluggere Javanen hadden althans -den eigenaar van de fabriek ingehaald, dien zij met een knuppelslag op -het hoofd deden neêrtuimelen, alvorens hij zijn geweer in den aanslag -had kunnen brengen. Op het erf werd de resident ingehaald, maar in -stede van neêrgehouwen te worden, werd hij gegrepen, op den grond -geworpen en zwaar gekneveld. Waar de mandoor gebleven was, dat mocht -een raadsel heeten. Wellicht had die zich laten vallen, en had zich -achter een hoop bladeren of achter een struik verstopt. Terwijl Van -Gulpendam gebonden werd, kon hij nog zien, hoe een twaalftal mannen op -het vleugelgebouw aanvlogen, waar de slaapkamer van zijne echtgenoote -aangetroffen werd. Hij wilde hulp roepen; maar eene machtige vuist -drong hem een prop, van een oud vod gemaakt, in den mond. Hij zag, hoe -de aanvallers de deur poogden te openen, en hoe zij haar met hunne -knodsen uit hare hengsels sloegen, toen zij haar gesloten vonden. Hij -zag de bende naar binnen stormen. Een akelig gejammer steeg op, dat -door een vreeselijken gil afgebroken werd, waarna niets meer vernomen -werd. - -Dat alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat slechts het openrameien -dier slaapkamerdeur de bewoners van het hoofdgebouw, of de weinige -arbeiders, die bij de stoomwerktuigen in de fabriek de wacht hadden, -deed opschrikken. Voor dat iemand verscheen, die tot redding zou hebben -kunnen bijdragen, kwamen de aanvallers bij hunne makkers terug, die Van -Gulpendam bewaakten, terwijl een hunner zonder zijne stem te -omzwachtelen, zeide: - -„Kom, pak op! Ginds in het rietveld staan de paarden.” - -„Njonja mattie?” (is de mevrouw dood) vroeg een hunner doodbedaard. - -„Mattie!” (dood) was het antwoord, waarbij evenwel de stem van den -spreker van wraakzucht trilde. „Kom, vooruit! pak dat blanke zwijn op, -of wij krijgen de werklieden der fabriek op het lijf. Ik zou dien hond -dan moeten krissen. En dat zou jammer zijn.” - -Een paar bamboestaken werden tusschen de gebonden armen en beenen van -Van Gulpendam gestoken. - -„Ik ben de Kandjeng toean resident!” trachtte hij uit te brengen. - -Of hij verstaan werd, viel te betwijfelen. De eenige uitwerking van -zijn gemompel was, dat hem een vuistslag op den mond toegediend werd, -die den prop nog dieper in de mondholte deed dringen. - -„Eoh, angkat!” (Kom, pak op) werd het bevel herhaald. - -Een viertal Javanen tilden de bamboestaken op hunne schouders, en -draafden met hunnen last weg. Met doffe stem kreunde de lijder onder -die behandeling; maar dat werd niet gehoord, en hoorde het ook al -iemand, dan werd er volstrekt geen acht op geslagen. - -Op korten afstand van het erf stonden een zestal gezadelde paarden. Op -een daarvan werd Van Gulpendam stevig gebonden. Toen dat geschied was, -werden de andere paarden bestegen en voort ging het. - -„Ka djaga monjet!” riep een der ruiters tot de achterblijvenden. - -„Engèh! Engèh!” kreten de overigen. - -Zoodra de ruiters in het nachtelijk duister verdwenen waren, staken de -overige aanvallers het vuur in de rietvelden. De vlammen sloegen weldra -ten hemel en loeiden vreeselijk, waarbij zich het knappen van het riet -mengde. Terwijl een ieder hunner zich daarna uit de voeten maakte, -begonnen de alarmtonen van de „tongtong” in de nabijheid van de fabriek -te weêrklinken. - - - -Terwijl die oplichting te Soeka maniesan volvoerd werd, geschiedde er -op hetzelfde oogenblik eene tweede, die met even gunstigen uitslag -bekroond werd. - -Op een afstand van ongeveer zes palen van de hoofdplaats Santjoemeh lag -een vreemdsoortig gebouw in de plooien van het oploopend terrein -alleraangenaamst verscholen. Ware het van Italiaansche of Zwitsersche -bouworde geweest, dan zou men het eene villa of een chalet hebben -kunnen noemen. Maar èn nok èn kanteelen èn deuren èn ramen gaven zoo -duidelijk den Mongoolschen bouwtrant aan, dat zich daarin niet te -vergissen viel. Het was dan ook een Chineesch lusthuis, hetwelk zich -daar verhief, en eerst sedert weinige weken in eigendom op Lim Ho, den -zoon van den opiumpachter van Santjoemeh overgegaan was. - -Had iemand ooit gehoopt, dat die babah, na zijn huwelijk, tot een meer -geregelde levenswijze zoude teruggekeerd zijn, diens waan zou hem -spoedig ontnomen zijn, wanneer hij een bezoek aan bedoeld lusthuis -zoude gebracht hebben, en daarin ontvangen zoude zijn. Dat eenzaam -gelegen gebouw was bestemd om de slachtoffers van de hartstochten van -den Chinees op te nemen, en haren val mogelijk te maken. De vertrekken -daarvan waren weelderig op Aziatische wijze gemeubeld. De heerlijkste -divans werden in alle kamers aangetroffen; terwijl de wanden met -kostbare schilderijen, echter allen van wellustige, zelfs van -pornografische strekking, versierd waren. [287] - -In denzelfden nacht toen Soeka maniesan, door eene bende ketjoe’s -aangetast was, werd ook dat Chineesche lusthuis overrompeld. Hier -gelukte de onderneming nog gemakkelijker dan bij de suikerfabriek. Lim -Ho, die met misdadige oogmerken het echtelijk dak verlaten had, en -ongeduldig de prooi zat af te wachten, die zijne driften gaande gemaakt -had, en hem toegevoerd zoude worden, was slechts van een paar -Chineesche dienstbaren vergezeld, die geen weerstand zouden en ook niet -konden bieden. Omstreeks middernacht werd aan de deur geklopt. De -babah, overspannen van het wachten, en, in de meening dat ’t het -slachtoffer was, beval te openen. Toen het slot evenwel omgedraaid en -de grendel afgeschoven was, drongen een zestal zwaar gewapende en zwart -gemaakte mannen naar binnen. Lim Ho, den lafhartigen aard van zijn ras -getrouw, verbleekte, en dacht er niet aan, zich te weêr te stellen. -Fluks keek hij in het rond, of er geen uitweg bestond, om te kunnen -ontvluchten; maar toen hij de beide deuren van het vertrek, waarin hij -zich bevond, door de aanvallers bezet zag, poogde hij in zijn -lafhartige vrees onder een der divans te kruipen. Hij werd evenwel -gegrepen, in een oogwenk gekneveld, op een paard gebonden en -weggevoerd. - -Hier, evenals te Soeka maniesan, hadden de aanvallers alles -onaangeroerd gelaten. Zij hadden niets van de kostbaarheden aangeraakt; -maar zich bepaald tot den moord op mevrouw Van Gulpendam en de -ontvoering van den resident en van den pachterszoon. Dat de eigenaar -van de suikerfabriek een slag op het hoofd had ontvangen, was volstrekt -niet geschied uit zucht om baldadigheid te plegen. Die man zou toch de -fabriekswerklieden hebben kunnen wekken, om zich aan hun hoofd ter -vervolging te stellen. Dat mocht niet! De slag was evenwel niet -gevaarlijk geweest. Toen men de eerste ontsteltenis over den gepleegden -moord op mevrouw Van Gulpendam te boven was gekomen en men uittrok, om -den brand in de rietvelden te blusschen, vond men den eigenaar van -Soeka maniesan even buiten de omheining van het erf. Aanvankelijk dacht -men, dat ook hij dood was, daar hij nog steeds bewusteloos was. Toen -hij evenwel binnen de woning gebracht was, bespeurde zijne echtgenoote -al ras, dat haar man niet gewond was en nog teekenen van leven gaf. In -allerijl werden pogingen aangewend, om hem tot bewustzijn te brengen, -wat evenwel eerst laat slaagde. De dag was reeds aangebroken, toen de -politie op Soeka maniesan verscheen. Er viel niets anders te doen, dan -den moord en de ontvoering te constateeren. IJverig werd onderzocht, -het geheele fabriekspersoneel werd ten scherpste ondervraagd; maar -zonder eenig licht te verspreiden omtrent het lot van den resident Van -Gulpendam. Dicht bij de afgebrande rietvelden werden sporen van paarden -ontdekt, maar dat gaf niets; want door de geheerscht hebbende droogte, -waren die spoedig door den morgenwind met eene stoflaag overdekt, -zoodat niet eens te ontdekken was, waarheen de ruiters zich gewend -hadden. De suikerfabrikant wist niets anders mede te deelen, dan dat -hij eensklaps een troep zwartgemaakte kerels had te voorschijn zien -springen, dat hij had willen vluchten, maar ingehaald was geworden, en -daarbij een slag op het hoofd had gekregen, die hem bewusteloos had -doen neêrstorten. Wat daarna gebeurd was, wist hij natuurlijk niet. De -verklaring van den mandoor was nog onbeduidender als het kon. Deze -zeide, zich dadelijk bij het verschijnen der zwarte mannen in een -grooten hoop dadoe verstopt te hebben, en daaruit eerst te voorschijn -te zijn gekropen, toen het rietveld in brand geraakte, en hij beducht -was, dat zijne schuilplaats ook door de vlammen aangetast kon worden. -En in dien bladerenhoop had hij niets kunnen zien, niets kunnen -waarnemen. - -Waar moest men den resident Van Gulpendam zoeken? Waarlijk, de politie -was ten einde raad! De geheele residentie Santjoemeh was in spanning en -vol afgrijzen bij de gedachte aan het vermoedelijk lot, dat het hoofd -van gewestelijk bestuur getroffen kon hebben. Maar, wat men ook deed, -of hoe men ook zocht, er werd geen meerder licht verspreid, totdat een -visscher, die, met zijne schuit de Moeara Tjatjing willende instevenen, -buiten de branding het naakte lijk van een Europeaan aantrof, dat in -zijn prauw opnam, en bij den loerah van Kaligaweh, de meest nabijzijnde -dèsa aanbracht. Had de eenvoudige Javaan geweten, dat dit het lijk van -den Kandjeng toean was, dan zou hij waarschijnlijk het hoofd afgewend -hebben en tot zijne visschersgezellen gepreveld hebben: - -„Laat Allah’s gerechtigheid onaangeroerd voorbijdrijven!” - -Als hij had kunnen gissen, welke bron van moeielijkheden en -onaangenaamheden hij voor zich zelven opende, dan zou hij zich wel -gewacht hebben, dat lijk aan te raken. De boeaja’s (kaaimannen) zouden -wel voor de verdere begrafenis gezorgd hebben. - -Nu begon de loerah met hem in verzekerde bewaring te nemen, en werd hij -ontelbare malen verhoord door den wedono, door den pattih, door den -regent, door den controleur, door den assistent-resident van politie, -door den rechter van instructie. Al die autoriteiten meenden in hem den -draad van het geheimzinnig drama in handen te hebben, en martelden den -armen drommel, die, ten einde raad, eindelijk verklaarde: „poessing -kapala” (ijlhoofdig) en „bingoeng” (verward van denkbeelden) te zijn. - -Het gevonden lijk werd voor dat van den resident herkend. Twijfel was -niet geoorloofd geweest. Het gelaat was nagenoeg ongeschonden. Die -deelen van het lichaam evenwel, die door de zeemonsters gespaard -werden, waren uitermate opgezwollen en ontstoken bevonden en was het -blijkbaar, dat de overledene een vreeselijken marteldood gestorven was, -hoewel niet kon geconstateerd worden, dat eenig scherp voorwerp -aangewend was geworden, om hem van het leven te berooven. - -Wat was er met hem gebeurd? - - - -„Ka djaga monjet!” had het bevel van den ketjoe-aanvoerder geluid. - -En, inderdaad, het was naar de strandhut aan de Moeara Tjatjing, -waarmede de lezer in de eerste hoofdstukken kennis maakte, dat de -ruiterbende in woesten ren heenijlde. Zorgvuldig werden de dèsa’s -vermeden, die men langs paden omtrok; hier en daar werd ook eene gardoe -geschuwd, welker wachthebbenden men meende niet te kunnen vertrouwen. -Maar ongestoord werd de tocht voortgezet, en de dageraad brak aan, toen -het wortelboombosch bereikt werd, waarin de djaga monjet gelegen was. - -Toen Van Gulpendam, steeds zwaar gekneveld, die hut binnengedragen -werd, was Lim Ho daar reeds aangebracht en lag, aan handen en voeten -gebonden, op den vloer uitgestrekt. Op een teeken van den aanvoerder, -een lange, slanke Javaan, werden de boeien van beiden geslaakt, en den -prop uit hun mond verwijderd. Rondom hen stonden een twintigtal -Javanen, allen onkenbaar gemaakt. De Chinees hield zich stil, en was -van angst als vernietigd. De blanke, toen hij zich vrij in het gebruik -zijner ledematen gevoelde, rekte zich uit en begon op een toon van -trotsche hooghartigheid: - -„Weet gij wel, dat ik de Kandjeng toean resident ben?” - -„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de aanvoerder met eene stem, die -van gemaakte onderdanigheid getuigde. - -„Dezer dagen werd ik nog door den Kandjeng toean Radja met de bewijzen -van de hoogste gunst vereerd,” ging Van Gulpendam voort, op zijne -Leeuwenorde wijzende, die nog in groot formaat op zijnen lichtblauwen -residents-rok bengelde. - -„Engèh, Kandjeng toean,” klonk het antwoord; terwijl allen den sembah -ten teeken van eerbied maakten. - -„Kandjeng Gouvernement zal u vreeselijk straffen, wanneer mij een haar -op het hoofd gekrenkt wordt!” - -Een hoongelach begroette die woorden. Twintig handen grepen naar het -gevest hunner krissen. De aanvoerder maakte een teeken. Allen waren -weer stom. - -„Alvorens Kandjeng Gouvernement zal kunnen straffen,” sprak de Javaan, -„zult gij beiden dood zijn.” - -„Dood!” riep Lim Ho in den grootsten angst uit. - -„Dood!” herhaalde Van Gulpendam. „Dat zult gij niet! Mijn dood zou -vreeselijk gewroken worden!” - -„Gijlieden zijt den dood schuldig,” antwoordde de aanvoerder bedaard. -„Dat vonnis, wat wij uitgesproken hebben, zal volbracht worden;... -daarna kan men met ons doen wat men wil,... als men ons ten minste in -handen krijgt.” - -„Maar, wat heb ik gedaan?” vroeg Lim Ho in de grootste wanhoop. - -„Wat gij gedaan hebt? Gij hebt een man, die u niets anders misdaan had, -dan dat hij zijne vrouw wilde maken van het meisje, waar gij het -wellustige oog op geworpen hadt, hier bij deze hut, de folterendste -mishandeling doen ondergaan! Wat gij gedaan hebt? Gij hebt datzelfde -meisje met behulp van de njonja van dien ellendeling daar, met list in -uwe macht weten te krijgen, om, nadat gij uwe vuige lusten op haar -botgevierd hadt, haar van opiumsmokkel te laten aanklagen!” - -Lim Ho’s gelaat werd aschgrauw van angst en ontzetting, toen hij die -woorden vernam. Hij begon te begrijpen, in wiens handen hij zich -bevond. Van Gulpendam meende nog steeds hooghartigheid tegenover die -dreigende bende te moeten aan den dag leggen. Hij kon nog maar niet -begrijpen, dat die Javanen de hand aan hem, den Kandjeng toean, zouden -durven slaan. Hij meende evenwel die bende eenigszins naar den mond te -moeten spreken. - -„Als het waar is, wat gij daar zegt,” wendde hij zich tot het -opperhoofd, „dan is Lim Ho ongetwijfeld zeer schuldig en zal ik zeker -alles doen, om hem zijn straf te doen geworden; maar wat heb ik -gedaan?” - -„Gij, gij, Kandjeng toean,” hernam de aanvoerder heftig en met sissende -stem, „gij hebt de misdaden van dien Chineeschen hond mogelijk gemaakt! -Gij hebt den man, waarvan ik straks sprak, in de gevangenis laten -werpen, gij zelf hebt hem tot een gruwelijke straf veroordeeld; terwijl -gij wist, dat hij onschuldig was, alleen om den opiumsmokkelhandel van -dien schavuit te bemantelen! Gij hebt den opiumpachter een middel aan -de hand gedaan, om den vader van de verloofde van dien onschuldig -veroordeelde in de onmogelijkheid te stellen, zijn kind te verdedigen -bij den aanslag, die Lim Ho voornemens was op haar te ondernemen! -Vraagt gij nog, wat gij gedaan hebt! Gij en uwe vrouw zijt daar -schuldig aan! Gij en uwe vrouw zijt den dood schuldig! Het vonnis is -reeds gedeeltelijk voltrokken; het zal ook verder zijn voortgang -hebben!” - -„Wa... wat? gedeeltelijk voltrokken....” kreet de resident. „Mijne -vrouw...?” - -„Zeg aan den Kandjeng toean, wat er met de njonja gebeurde,” wendde de -aanvoerder zich tot een van zijn gevolg. - -„Njonja mampoes!” was het korte antwoord. - -„Ja, de njonja is dood!” riep de aanvoerder woest uit. „Wij zijn haar -genadig geweest, een enkele steek maakte een einde aan haar gevloekt -leven. Zie hier op deze kris, die vlekken werden veroorzaakt door haar -bloed!” - -„Die gil, dien ik dus gehoord heb....” - -„Was haar laatste geluid op deze aarde.... Maar...” ging de Javaan, -ontembaar hartstochtelijk voort: „Denk niet, dat wij zoo met u zullen -omspringen. Met eene vrouw konden wij kassian hebben! Gij, gij evenwel -zult lijden! Gij zult lijden voor de martelingen, die gij anderen -aangedaan hebt!” - -„Vrees echter de bestraffende hand van de Nederlanders. Die zullen mij -weten te wreken!” - -„Om gerechtigheid op u uit te oefenen, trotseer ik alles!” - -„Gerechtigheid uitoefenen!... Wie zijt gij dan, die beweert -gerechtigheid te willen uitoefenen door moord en doodslag? Zeg, wie -zijt gij?” - -„Wie ik ben?... Hebt gij dat niet reeds geraden? Is geen enkel beeld -van allen, die onder uw wanbestuur te gronde gingen, voor uwe misdadige -ziel verschenen?... Wie ik ben?... Gij zult het weten!” - -In een hoek van het vertrek stond een koelvat met water. De Javaan -greep den gevulden klapperdop, die er bij behoorde en wiesch zich het -gelaat af. - -„Herkent gij mij nu?” vroeg hij, terwijl hij zich in zijne volle lengte -voor de beide gevangenen ophief. - -„Ardjan!” kreet Lim Ho ontzet. - -„Ardjan!” herhaalde van Gulpendam niet minder verschrikt. - -Beiden begrepen nu, dat zij een vreeselijken dood te gemoet gingen. De -te vereffenen rekening was verschrikkelijk. - -„Genade! Heb medelijden met ons!” kreten beiden; terwijl ze -nederknielden en klappertandend het hoofd op den bodem bogen. - -„Medelijden!” kreet de aanvoerder schier gillend. „Hebt gij medelijden -met Dalima en den ouden Setrosmito gehad? Zeg!... Hebt gij medelijden -met mij en mijn vader gehad?... Spreek dan toch!... Dalima -geschandvlekt, en ik en mijn vader maanden lang in de gevangenis -opgesloten, om ten slotte door u, door uzelven voor een lange reeks van -jaren tot dwangarbeid veroordeeld te worden!... En ik zou medelijden -met u hebben?... Ha! ha!... Dan was ik wel de grootste „bodohk” -(domkop) der geheele wereld!... Daarenboven... zeg... wat zoudt gij -doen, wanneer ik medelijden gevoelde, en ik u vrijliet? Zeg, gij -Kandjeng toean, wat zoudt gij doen?” - -Die laatste woorden waren met zachtere stem uitgesproken. De aanvoerder -scheen na te denken en te aarzelen. De blanke aterling meende daar een -sprankje hoop te ontwaren. Bibberend van angst klemde hij zich aan dien -stroohalm vast. Hij richtte zich op zijn wankelende knieën overeind, en -handenwringende sprak hij, terwijl dikke tranen hem over de wangen -biggelden: - -„O, vrees niets!... Ik zal alles vergeven... Ik zal Kandjeng -Gouvernement smeeken ook zoo te doen, en de groote Heer te Batavia zal -mij verhooren... Al het onrecht, dat gepleegd is, zal hersteld -worden... Ik zal zelfs zorgen, dat gij een ruime schadeloosstelling -zult erlangen... Ik zal ze u zelfs uit eigen middelen betalen. Geloof -mij, al wat gebeurd is, zal gebeterd worden....” - -„Ook de schending van Dalima?” liet zich eene rauwe stem achter den -aanvoerder hooren. „De blanken meenen almachtig te zijn, of zij zien -ons Javanen al voor zeer onnoozel aan!” - -Die woorden wekten Ardjan uit den aanval van verweekelijking op, die -hem scheen overmeesterd te hebben en hem als het ware in boeien -geklonken hield. Hij schudde het hoofd, alsof hij eene onwelkome -gedachte wilde verdrijven. Bij die beweging ging zijn hoofddoek los en -zwierden hem de lange haren woest en wild over de schouders en den rug. - -„Neen, geen genade, geen medelijden!” riep hij uit. „Nu gij daar in -mijne macht zijt, kruipt gij aan mijne voeten, laf en ellendig als het -vreesachtigste dier. Hebt gij ooit een Javaan zoo walgelijk lafhartig -zien handelen, al gold het ook zijn leven? Gij hebt er genoeg naar de -galg gezonden, om te weten, hoe geheel anders dan de blanken, de bruine -menschen weten te sterven. Medelijden!... Ha, ha, ha!... Thans doet gij -beloften, en... wie weet, in uwe ziel berekent gij reeds, hoe gij die -zult kunnen verkrachten! Beloften van een blanke!... Ha, ha, ha! Alsof -wij de waarde daarvan niet kennen... Wanneer heeft ooit een blanke zijn -woord tegenover ons Javanen gehouden? Wanneer...” - -Een zijner makkers fluisterde Ardjan iets in het oor. - -„Gij hebt gelijk, laten wij het kort maken. Neen, geen medelijden! -Integendeel, een wreeden dood! Ik had u den meest gruwzamen, de -„hoekoem madoe” [288] toegedacht...” - -Lim Ho slaakte een kreet van ontzetting bij die woorden. - -„Ampoen! Ampoen!” huilde hij. - -„....maar die duurt te lang,” vervolgde Ardjan onverstoorbaar kalm. -„Wij zouden, voor dat gijlieden dood waart, overvallen kunnen worden, -en dat zou jammer zijn. Neen, daarvan ben ik afgestapt. Gij zult de -„hoekoem Kamadoog” [289] ondergaan. Lim Ho, die hebt gij op mij laten -toepassen; toen ik niets misdaan had, en de Kandjeng toean vond goed, -die misdaad ongestraft te laten. Gijlieden zult niet kunnen zeggen, dat -ik wreeder ben dan gij waart.” - -„Kassian! Kassian!” kreten de beide ellendelingen. - -„Neen, geen medelijden!” antwoordde Ardjan. En een teeken aan zijne -makkers gevende, vervolgde hij: „Ontkleedt hen, en brengt hen naar -beneden!” - -In een oogwenk was dat bevel volvoerd. De fraaie residentsrok werd Van -Gulpendam met hardhandigen ijver van het lichaam gereten. Pantalon, -hemd, enz. volgden aan flarden. Het „virtus nobilitat” lag weldra -vertreden onder den voet. Terzelfder tijd onderging de Chinees dezelfde -bewerking, en weldra stonden beiden naakt voor hunne rechters. De -handen werden hen op den rug gebonden, waarna de beide rampzaligen -eenvoudig den trap afgesmeten werden. De aanvoerder herinnerde Lim Ho, -hoeveel pret deze, acht maanden geleden, aan den dag gelegd had, toen -Ardjan en de Chineezen Than Khan en Liem King dezelfde buiteling van -boven naar beneden maakten. Fluks waren beiden nu aan de Niboengpalmen -gebonden, die voor de hut stonden, en waaraan de beide genoemde -Chineezen en Ardjan gekneveld geweest waren. - -„De Kandjeng toean aan dien boom daar!” gelastte de Javaan, op den -boom, waarmede hij in herinneringsvolle aanraking geweest was, -wijzende. - -„Ampoen! Kassian!” smeekten beide veroordeelden. - -Niemand luisterde naar hen. Toen zij behoorlijk gebonden waren, klonk -het bevel: - -„En, nu er op los!” - -Daar traden een viertal mannen vooruit, ieder met een bos van de -vreeselijke netels gewapend. En daar kletterden de slagen folterend op -de huid van de twee misdadigers. Waar de bladeren raakten, kromp het -lichaam van pijn weg. - -De Chinees beet zich de lippen ten bloede; maar liet geen kik meer -hooren. Aanvankelijk wilde Van Gulpendam dat voorbeeld volgen; maar de -Westerlingen bezitten de taaie zielskracht der Oosterlingen in -gevaarvolle oogenblikken niet. Eerst begon hij te kreunen en te kermen; -daarna weende, huilde, en gilde hij. Niets mocht baten; niets kon zijne -beulen verteederen. - -„Kassian! Ampoen! Saja minta ampoen!” (ik vraag vergeving) kreet hij. - -Op dat gehuil klonk tot antwoord: - -„Dalima! Ardjan! Pak Ardjan! Setrosmito!” - -En in het brein van den ongelukkigen blanke weerklonk nog een naam. -Even schrikkelijk, misschien nog schrikkelijker dan de anderen: - -„Meidema! Meidema!” - -„Ampoen! Kassian!” kreet hij voortdurend. - -Maar zijne stem verzwakte langzamerhand. Eindelijk was zij niet -verstaanbaar meer, en slechts aan een onduidelijk gerochel gelijk. Het -regende voortdurend slagen met de vreeselijke netel. Het hoofd viel ten -slotte ter zijde; ten teeken, dat de lijder alle bewustzijn verloren -had. Lim Ho had het geluk gehad reeds vroeger zoo ver gekomen en dus -aan alle lijden onttogen te zijn. Met een van wraakgierigen wellust -stralend gelaat stond Ardjan zijne beide slachtoffers met verslindende -blikken aan te staren. Zijne borst hijgde, zijne ademhaling siste, -zijne vuisten balden zich krampachtig, terwijl de vreeselijke -strafoefening volvoerd werd. Hij moest zich inspannen, zich weêrhouden, -om ook niet zoo’n bos Kamadoog-takken te grijpen en mede los te slaan -op de beide aterlingen, die er niet voor teruggedeinsd waren, de een, -om hem dezelfde mishandeling te doen ondergaan, en hem in zijne -dierbaarste genegenheid te krenken, beiden om hem wegens -opiumsmokkelarij tot langdurigen dwangarbeid te doen veroordeelen. -Neen, er was geen greintje mededoogen in zijne ziel voor die mannen, -die zijn geheele bestaan verwoest hadden. Iedere slag deed hem trillen -bij de herinnering aan hetgeen hij onder diezelfde mishandeling geleden -had. En, zou er nog plaats voor deernis in zijn ziel geweest zijn, dan -ware zij verstikt geworden door zijn vader, die achter hem stond en hem -aanhoudend slechts een woord in het oor fluisterde: „Dalima! Dalima!” - -De beide lijders hadden reeds sedert lang het bewustzijn verloren; toch -dacht Ardjan er niet aan om de mishandeling te doen ophouden. Bij -iederen slag, bij iedere aanraking met de vreeselijke bladeren, kromp -de huid der lijders, in weerwil van hunne bewusteloosheid, pijnlijk -weg. De spieren spanden zich daarbij, zwollen op tot bundels, tot -knoesten en deelden schrikverwekkende schokken aan die lichamen mede, -die overigens op hunne beenen niet meer vermochten te staan, en als -levenlooze voorwerpen, als zakken in de touwen hingen, die hen aan de -boomstammen gebonden hielden. Meestal hadden de zoo vreeselijk -gemartelden de oogen gesloten. Soms evenwel openden zij ze, en dan -verschenen die spiegels der ziel hoogrood met bloed beloopen, en -verrieden door de wezenloosheid van hunnen blik het ontzettende lijden, -waardoor het lichaam gefolterd werd. Stervende sloegen beide lijders -met het hoofd, dat zij niet meer rechtop konden houden, rechts en -links, voor- en achterwaarts, zoodat het meermalen tegen den ruwen -Niboeng-stam bonste, waarbij dan de vlokken schuim, die hunne lippen -kroonden, her- en derwaarts vlogen. - -Maar!... aan alles komt een einde; zoo ook aan dat langgerekt lijden. -Langzamerhand namen de stuiptrekkende bewegingen der gefolterden af, en -hingen de lichamen roerloos in hunne banden. Het was, alsof de ziel het -lichaam ontvloden was. Toen eerst sprak Ardjan op den meest -onverschilligen toon het woord „soedah” (genoeg) uit. Toen zijne -makkers hem vragend aankeken, vervolgde hij: „boekah!” (maak los); -terwijl hij daarbij zonder een woord verder te spreken, met den vinger -naar de zee wees. In een ommezien waren de touwen doorgesneden, en -ploften de lichamen tegen den grond. Bij dien val opende Van Gulpendam -nog eens de oogen. - -„Meidema!” prevelde hij verstaanbaar, „Meidema!” - -De gedachte aan die rampzalige familie, aan die brave lieden, wier -ongeluk hij veroorzaakt had, benauwde zijne ziel in dien uitersten -stond. Met dien naam op de lippen blies hij den laatsten adem uit. Ook -Lim Ho gaf geen teeken van leven meer. - -De beide lijken werden naar de Kali Tjatjing gesleept, en daar aan den -stroomdraad der snelstroomende rivier overgegeven, die hen in weinige -minuten de wateren der Java-zee toevoerde. - -En heel in de verte tusschen de beide landtongen door, was de -Chineesche schoenerbrik Kiem Ping Hin te bespeuren, die, hare zending -getrouw, daar buiten den smokkelrayon, met de Engelsche vlag in top, -voor anker lag, en het intreden van den zeewind afwachtte, om de kust -te kunnen naderen, ten einde hare smokkelwaar voor rekening van de -kongsie Lim Yang Bing aan wal te brengen. - - - - - - - -XLII. - -NAAR EN IN DE GOEWAH TEMON.—BESLUIT. - - -„Anna!... Anna!...” had Van Nerekool geroepen. - -In dien kreet had hij zijne geheele ziel gelegd. Maar, te vergeefs. Bij -de buiging van het pad waren de beide meisjes achter de rotsen -verdwenen. Toen Karel, Theodoor en Murowsky het punt bereikten, waar -zij de lieve gestalten voor het laatst gezien hadden, was er van haar -niets meer te bespeuren. - -„Anna!... Anna!” herhaalde Van Nerekool zijn geroep. - -Een heldere echo antwoordde als eene bespotting achter hem van den -kant, van waar zij kwamen. - -Een oogenblik stonden alle drie stil, om adem te scheppen. Het pad -slingerde scherp omhoog, en bij de snelheid, waarmede zij zich -voortgespoed hadden, was het geen wonder, dat zij verademing noodig -hadden. - -„Anna!... Anna!...” kreet Karel andermaal. - -Niets dan de echo, die van den verkeerden kant, de beide lettergrepen: -Anna! Anna! scherp liet hooren. - -Eindelijk ijlden zij weêr voort. Het pad slingerde steeds over de -ribben en wrongen, die van den nok van de bergmassa afdaalden, vermeed -hier een groote rots, week ginds voor een plotselinge kronkeling van -eene woeste bergbeek uit, overwon elders door zijn zigzag-wendingen -eene te scherpe helling, maar bleef steeds klimmen, en voerde blijkbaar -naar den nokrand, die het plateau van den Goenoeng Poleng omgaf. Soms, -ja veelvuldig zelfs, daalde het pad, om het ravijn tusschen twee -bergribben te overschrijden; maar dat dalen, wel verre van ontspanning -te verleenen, putte integendeel meer uit; want, afgescheiden dat -daarbij de knieën op die steile hellingvlakten schier ontwricht werden, -werd iedere afdaling door eene hoogere stijging gevolgd, die de longen -op eene geduchte proef stelde. - -Maar.... voort! altijd voort! spoedden de drie vrienden. Het ongeduld -van Van Nerekool gedoogde geen talmen, geene vertraging. Alle drie -hijgden, snakten naar adem of bliezen als noordkapers; maar getroostten -zich die inspanning en ijlden voort. Naar hunne meening moesten zij de -beide meisjes inhalen. Aan een ontkomen kon niet gedacht worden, want -het eenige pad kronkelde door zoo’n woest terrein, dat een rechts of -links uitwijken tot de onmogelijkheden gerekend konde worden. -Intusschen van Anna en Dalima werd niets meer bespeurd, hoe de -vervolgers dan ook uitkeken, wanneer zij een hoogen ribnok bereikt -hadden, en soms een uitgestrekt gedeelte van het te volgen pad overzien -konden. - -Eindelijk hadden zij het hoogste punt van den plateaurand bereikt, en -stonden een oogenblik uit te blazen van de geweldige inspanning. Maar, -hoe zij ook uitkeken, van de beide lieve meisjes was geen spoor te -ontdekken. Het pad, dat nu niet meer klom of daalde, slingerde tusschen -rotsblokken, heuveltoppen en boschjes van dwergachtig geboomte door, en -leverde geen uitgebreiden gezichtskring op. - -„Zij kunnen ons niet ver voor zijn,” sprak Van Nerekool. „Kom, vooruit! -Vooruit!” - -Toch vergiste de rechterlijke ambtenaar zich eenigermate. De meisjes -waren veel voor. Vooreerst hadden zij reeds een aanmerkelijken -voorsprong gehad, toen de vervolging begon. Dan hadden zij zich met -vluggen voet gerept op dat pad, hetwelk haar bekend was, en dat zij -gewoon waren te betreden. Zelfs hadden zij door die bekendheid -gelegenheid gevonden, hier en daar een bocht, een kronkeling af te -snijden. Eindelijk had de angst van ingehaald te worden, Anna vleugelen -verleend, en was Dalima genoodzaakt geweest haar te volgen. Toen zij -het plateau bereikt hadden, liepen zij recht voor zich uit in -zuidelijke richting. De zee kon niet ver meer af zijn. Het gedonder der -branding, die zich, zoolang de meisjes zich op de berghelling bevonden -hadden, als een verwijderd gerommel had laten vernemen, was thans -duidelijker waarneembaar. Ja, naarmate de meisjes volgens de ingeslagen -richting voortijlden, konden zij den grond soms voelen trillen onder de -machtige mokerslagen, die de oceaan aan de loodrechte rotswanden, -waartegen hij brak, toebracht. - -„Waar loopen wij heen, Nana?” vroeg Dalima hijgend. - -„Voort! voort!” riep Anna; terwijl zij schuchter achter zich keek. - -„Maar, waarheen, Nana?” - -„Naar ginds!” sprak het meisje beslist; terwijl zij met den vinger -zuidwaarts wees. - -„Maar, daar is de zee!” kreet Dalima. - -„Ja, daar moeten wij zijn!” - -„Maar, wat wilt ge daar?” - -„Daar weet ik een schuilplaats, waar ons niemand vinden zal.” - -„Daar eene schuilplaats, Nana?” - -„Ja, kom voort! Voort! Nog eene inspanning! Wij naderen!” - -„Eene schuilplaats! Maar, gij hebt mij verteld, Nana,” hernam Dalima -voortstrompelend, echter met hijgenden adem, „dat daar niets was dan de -naakte rots?” - -„Maar in die rots zijn holen?” sprak Anna gejaagd. - -„In de Goewah’s!” kreet de baboe ontzet. „Wilt gij daarin uwe toevlucht -nemen?” - -Anna antwoordde eenige woorden, die de baboe niet verstaan kon. Als een -hinde voortijlende, was de residentsdochter hare Javaansche gezellin -ietwat vooruit gekomen. Helaas, hoe sterk van gestel deze laatste ook -was, hoeveel goede wil haar ook bezielde, de toestand, waarin zij zich -bevond, deed zich gelden. De last, dien zij te torsen had, was dubbel, -en bij de inspanning, die zij had moeten aanwenden, was het geen -wonder, dat de krachten haar begonnen te begeven. Het bloed begon haar -naar het hoofd te stijgen, hare slapen klopten, hare ooren suisten, -hare oogen werden met een roodachtig waas overtogen, een ondragelijk -gevoel van loomheid en matheid overviel haar. Toch strompelde zij -voort. Met beide handen ondersteunde zij hare lendenen, die dreigden te -bezwijken. Hare ademhaling werd sissend, zij was eene onmacht nabij. -Maar hare geestkracht hield haar staande. Zij volgde hare gezellin, -terwijl zij prevelde: - -„Madjoe! Madjoe!” (vooruit, vooruit). - -Neen, zij zou Nana in dezen stond niet aan haar lot overlaten. - -Zoo ging het nog een poos voort. Eindelijk bij het omslaan van een -rotsgevaarte, dat het pad scheen af te sluiten, stond Anna stil. Voor -haar breidde zich de Indische Oceaan, die zij van eene hoogte van 1200 -voeten beheerschte, in zijne geheele onmetelijkheid uit. Angstig keek -zij achter zich. Het pad, dat zij gevolgd had, was van hier over eene -groote uitgestrektheid waarneembaar; maar daarop was hoegenaamd niets -te ontwaren. Zouden de drie mannen de vervolging opgegeven hebben? Of -zouden zij haar niet bespeurd hebben? Zij meende toch herhaaldelijk -haren naam te hebben hooren roepen. Dat kon evenwel eene uitwerking -harer angstige verbeelding geweest zijn. Nogmaals liet zij het oog -achterwaarts waren, en peilde den gezichteinder met scherpen blik. -Maar, niets! niets! Toen wijdde zij hare aandacht aan Dalima, die -hijgend en kreunend bij haar aangekomen was, en zich schier onmachtig -op den grond had laten vallen. Zij zette zich naast hare gezellin -neder, sprak haar moed toe, wreef en kneedde haar op Inlandsche wijze -de zenuwbundels van hoofd en hals, klopte haar in de handen, en liet -niet na, haar de meest teedere zorgen te wijden, dan toen zij Dalima -kalm zag. Toen dat doel bereikt was, keek zij nog eens angstig -achterwaarts; maar trad, toen zij niets bespeurde, vastbesloten vooruit -naar den rand der helling, die voor haar afdaalde naar beneden. - -„Ja,” prevelde zij, „de ladder hangt er steeds. Ik heb veel van de -Goewah Temon [290] hooren verhalen. Daarin zal ik, als het moet, een -toevlucht zoeken.” - -En andermaal noordwaarts kijkende. - -„Maar ik hoop, dat ik dien schrikkelijken tocht niet zal behoeven te -ondernemen... Ik zie niets,” zei ze met een zucht. „Als Karel mij op -het spoor was, dan zou hij nu reeds op het plateau verschenen zijn.” - -Toen keerde zij het gelaat naar den vollen Oceaan. Zij bleef steeds, al -verborg zij zich ook onder een Javaansch kleed, een kind van het -Westen, dat wil zeggen, dat zij een open oog had voor de heerlijkheden, -welke de natuur ter bewondering aanbood. Voor haar strekte zich de -Indische zee uit; daar ginds ver met de lucht samensmeltende, maar toch -een kring vormende, die de afscheidingslijn, waar lucht en water -elkander schenen te raken, scherp waarneembaar maakte. Iets dichter bij -nam de zee een donkerblauwe tint aan, die met het azuur des hemels een -eigenaardige schakeering vormde, welke te merkbaarder werd door de -groote deininggolven die van het Zuiden aangerold kwamen, en vaak de -verbeelding in de war brachten door de meening, dat zij als het ware -vloeibare heuvelenrijen waren, die zich van de kim losgescheurd hadden, -en nu met den spoed van een sneltrein naar den Java-wal losstormden. -Die deiningbaren waren glad en effen, want geen windje rimpelde hare -hellingen; zoodat men ze met de plooien zoude hebben kunnen vergelijken -van een horizontaal uitgespannen onmetelijk blauw doek, dat in golvende -beweging gebracht werd. De vlakken dier golven, welke regelmatig als de -gelederen van een defileerend leger aanrukten, waren naar de zijde van -den gezichteinder zwakhellend, als ware de oceaan te amechtig om zich -te verheffen. Maar naar den kant van den wal was die helling steil, -scherp, en rolde donker-, soms zwartblauw getint, en deed zich voor als -een onmetelijken muur, die naderbij rolde. Aanvankelijk was de top van -den deininggolf zacht afgerond; maar, hoe meer de baar den wal naderde, -des te meer steigerde die top op, des te scherper werd hij. De beide -hellingen naderden elkander al meer en meer. Eindelijk was het geene -ronding meer, die de beide vlakken verbond; het was een nok, later nog -slechts een scherpe kam, die, driest en wild de beweging van den voet -van den golf vooruitliep, daardoor al steiler werd, eindelijk begon -voorover te hellen, een cirkelboog, een onmetelijke krul vormde, nog -meer kromde, ten slotte als het ware scheurde, en zich met een breeden -sneeuwwitten rand, als met eene schitterend zilveren franje tooiende, -met donderend geweld nederplofte, waarbij hij de oppervlakte van den -oceaan in de onmiddellijke nabijheid in een verblindend witte melkzee -deed veranderen, welke schuimend, donderend, opstuivend en klotsend -tegen den rotswand kwam opstormen, die haar toeriep: tot hiertoe en -niet verder! - -Anna vermeed daar in de diepte aan hare voeten, waar de watermassa in -woedende golven kookte en bruiste, te kijken. Zij vreesde haren moed te -voelen ontzinken, als het wichtige oogenblik mocht aanbreken. Zij keek -maar liever daar ver, zeer ver aan den horizon. Daar nagenoeg zuiver -ten Westen werd Noesa Kembangan ontwaard, dat fraaie, heuvelachtige -eiland, hetwelk zich met zijn weelderigen plantengroei op den afstand, -van waar het jonge meisje er naar tuurde, als een bloemenmand op de -watervlakte drijvende, vertoonde. Zij zag daar den vuurtoren, welke -zich op den Tjimering-heuvel [291] verhief, en door zijne witte kleur -zeer tegen de blauwe lucht afstak; zoodat hij zich als een smalle, -rechtstandige wolkenzuil vertoonde. Hier en daar was het oppervlak der -zee gespikkeld met blanke zeilen, die haar bevallig stoffeerden, alsof -groote, witte watervogels er op dartelden. En even of het toeval die -gelijkenis wilde bekrachtigen, kwam er een zwerm steltloopers voorbij -gevlogen, die als een mat-witten band op het azuur des hemels vormden -en krijschend naar het Westen vlogen, waarschijnlijk om de vischrijke -moerassen, die de Kinderzee omgeven, een bezoek te brengen. Die snelle -vlucht legde eene weemoedige gedachte in Anna’s hart. - -„Ook ik wilde wel heênvliegen,” prevelde zij, „heênvliegen ver, zeer -ver!” - -En onder den spoorslag van die opwelling wierp zij een blik op haar -vervlogen leven. Het beeld van Karel van Nerekool verscheen voor haren -geest. Als in een droom tooverde haar de phantasie voor, hoe gelukkig -zij aan de zijde van dien man had kunnen zijn. Zij herinnerde zich, de -„invitation à la valse,” bij welker heerlijke tonen zij, in zijne armen -gestrengeld, gezweefd had, en hem de bekentenis zijner liefde ontsnapt -was. Zij doorleefde in gedachten de heerlijke oogenblikken, die zij -daarna in den tuin van het residentiehuis genoten had. Zij zag het -Pandanboschje, waarachter Karel haar staande hield, om haar nogmaals -zijne liefde te belijden. En, bij het rythmisch gedonder van den -oceaan, die aan hare voeten zijne machtige melodieën deed hooren, -weerklonk in hare ooren, de vertolking van het fraaie duo, door picolo -en cornet à piston gebracht: - - - „Un jour l’âme ravie, - Je vous vis si jolie, - Que je vous crus sortie - Du céleste séjour. - Etait-ce donc un ange, une femme, - Qui venait d’embraser mon âme? - Las! Je ne sais encor... mais depuis ce beau jour, - Je sais que j’âime d’un pur amour!” - - -Zij voelde Karels armen hare leest omklemmen. Zij hoorde zijne stem: - -„Anna, ik heb u lief, onmetelijk lief, anders lief dan ik mijne moeder, -mijne zuster, anders dan ik mijn eigen zou liefhebben!” - -Wat heerlijke woorden! Wat goddelijke stond! En voortdroomende: - -„Zeg, Anna,” fluisterde hij, „zeg, bemint gij mij, dierbare? O, ik weet -het, gij hebt mij daarop straks reeds antwoord gegeven; maar herhaal -dat „ja” hier, waar wij ons alleen en ver van het gewoel der wereld -bevinden, alleen onder het oog van God. O, herhaal dat woord, Anna, dat -mij zoo gelukkig maakt.” - -Zij had goed onthouden, het lieve kind. Geen wonder, die woorden waren -in haar hart gegrift. En zij voelde den kus, die de bezegeling van haar -antwoord was. Zij voelde;... maar evenals te Santjoemeh was de -ontwaking uit den schoonen droom nabij. De stem harer moeder meende zij -nog te hooren. Verschrikt keek zij op. Zij wilde vl... Neen... dat -niet! Zij vloekte niemand; maar toch sloeg zij de oogen met een -verwijtenden blik ten hemel op, bij het besef van zooveel geluk, dat in -ramp verkeerd was. Het liefelijke droombeeld was reeds verdwenen. - -„Een verwoest leven!” zuchtte zij. - -Een plotselinge kreet deed haar ontzetten. - -„Nana,” riep Dalima, „toean toean njang datang!” (de heeren komen). - -En, inderdaad, Anna zag daar met schrik bij eene buiging van het pad -Murowsky, Van Nerekool en Grenits met groote haast naderbij treden. -Zonder zich te bedenken, liep zij de scherpe helling, die voor haar -naar de zee afdaalde, naar beneden. - -„Nana! Nana!” riep Dalima in de grootste ontsteltenis uit. „Wat gaat -gij doen?” - -Het arme Javaansche meisje poogde hare gezellin te volgen, maar -alvorens zij opgestaan was, was Anna haar reeds ver vooruit. -Daarenboven beladen en vermoeid, als zij was, kon zij haar onmogelijk -vlug genoeg volgen. Toen zij aan het uiteinde der helling gekomen was, -welke in een loodrechten rotswand eindigde, die steil in zee afdaalde, -kwam zij nog tijdig genoeg, om daar op een afstand Anna de bovenste -sporten eener rottanladder te zien grijpen, welke langs dien -natuurlijken muur naar beneden voerde. - -„Nana!... Nana!...” kreet zij. - -Zij stormde vooruit. Zij zag haar den voet op de ladder zetten;... zij -zag haar lichaam trede voor trede verdwijnen. - -„Nana!... Nana!...” - -Nu kon zij het hoofd nog slechts zien... Dat dook ook weg. Nu ontwaarde -zij slechts de handen, die de bovenste sport omklemden... - -„Nana!... Nana!...” - -Ook die handen lieten los;... eerst de eene... toen de andere... Juist -bukte Dalima zich, om die laatste hand te grijpen... Weg!... weg! - -Toen wierp zich het Javaansche meisje voorover op den bodem, en bracht -het hoofd over den rand van den afgrond, die daar onder haar gaapte. -Helaas! wat zij daar zag was ijzingwekkend. Maar, zij had geen tijd, om -hare aandacht te wijden, aan wat daar beneden haar oog trof. - -„Nana!... Nana!...” kreet zij nogmaals. - -Maar, daar voelde zij zich bij den arm gegrepen. Zij keek op. Van -Nerekool stond naast haar. - -„Gij, Dalima!” riep hij uit, niet begrijpende, wat er gebeurde. „Waar -is nonna Anna!” - -„Allah! tobat, toean!” riep de baboe, steeds op den grond liggende, met -hartverscheurende stem uit, en wees met den vinger in de diepte. - -„Daar, daar?” vroeg Karel ten hevigste ontsteld; terwijl hij zich op -zijne beurt op den grond wierp, om in de vervaarlijke diepte te turen. - -Gelukkig, dat Grenits en Murowsky hem op den voet gevolgd waren. Bij de -gevaarlijke stelling, die hij innam, en bij het meer dan onvoorzichtig -voorover buigen van het bovenlijf over den rotsrand, was het noodig, -dat die twee hem bij de beenen grepen. - -„Karel!... Karel!...” riepen zij ontzet. - -„Anna!... Anna!...” kreet hij op hartverscheurenden toon. - -Daar beneden zich zag hij het meisje langs de lange ladder [292] -behoedzaam naar beneden dalen. Van rottankabels vervaardigd, wiegelde -die ladder onder den last, dien zij droeg. Haar uiteinde raakte de zee, -en werd door de verbolgen branding heen en weer geslingerd. Kwam de -baar aanstuiven, dan werd dat uiteinde meegesleept, de grot in, waarin -het water met donderend geweld drong: liep zij terug, dan volgde dat -uiteinde de beweging, die de kracht eener cataract had, met zooveel -onstuimigheid spoot dan als het ware het water naar buiten. Bij dat -slingeren smakte Anna herhaalde malen tegen den rotswand, of hing zij -op aanmerkelijken afstand van dien muur boven de zee, die onder haar -woelde, kookte, zich in fijn verdeeld waterstof sloeg, en naar het -meisje opspatte als naar eene wisse prooi. - -Afgrijzen, ontzetting bevingen Van Nerekool bij dat schouwspel. - -„Anna!... Anna!...” kreet hij andermaal. - -Dezen keer scheen zij gehoord te hebben. Schuchter keek zij omhoog. Zij -was reeds twee derde der ladder afgedaald. Toen zij dat hoofd, hetwelk -zij dadelijk herkende, zich daar boven haar tegen de heldere, blauwe -lucht zag afteekenen, stiet zij een gil uit, en haastte zich verder -naar beneden. - -Van Nerekool sprong op. - -„Ik moet naar beneden,” sprak hij gejaagd. - -En, voor dat zijne vrienden zich tegen dat voornemen hadden kunnen -verzetten, had hij de topeinden der ladder gegrepen, het been over den -afgrond uitgestrekt, en op een der eerste sporten geplaatst, en begon -hij de schrikkelijke afdaling. Het was thans de beurt van Grenits en -Murowsky, om zich op den grond te werpen, ten einde gade te slaan, wat -daar beneden hen gebeurde. - -Het was een ontzettend schouwspel, die twee wezens daar op die -beweeglijke ladder boven die woedende branding te zien bengelen. Beiden -gevoelden zich benauwd, schier ademloos, en bovenal rampzalig -ongelukkig, daar zij in den uitersten nood geene hulp vermochten aan te -brengen. - -Toen Anna bemerkte, dat Van Nerekool haar volgde, gaf zij onbewust -gehoor aan den aandrang, die haar bezielde, om te vluchten, en daalde -nog sneller naar beneden. Evenwel begon eene andere gedachte haar bezig -te houden. Veel had zij de bewoners van de dèsa Ajo over de Goewah -Temon hooren vertellen. Zij wist, dat bij eb de ingang van die grot, -welke met de oppervlakte der zee gelijk was, te bereiken en daar in te -dringen was. Zij wist ook, dat het indringen slechts zwemmende kon -geschieden, daar de zool der schacht ter hoogte van zes voeten onder -water was. Daarvoor was zij evenwel niet teruggedeinsd; want zij zwom -als eene meeuw. Maar... maar... dat was bij eb. Bij eb!... Ja, bij -eb... wanneer de zee kalm is en de branding ver van de voet der rotsen -verwijderd blijft... En thans... thans beukten de golven tegen de -rotswanden, de deining brak tegen hun voet.... Het was haar -daarenboven, alsof iedere vloedgolf hooger steeg... En zij daalde -steeds... daalde... daalde nog meer. - -„Anna!... Anna!” kreet Karel boven haar. - -Eindelijk had zij het gewelf van de grot bereikt. Zij wist, dat die -ingang bij lagen waterstand vijftig voet hoog was. Wat kwam haar die -poortopening nu klein voor! O, een groot gedeelte was onder de -wateroppervlakte bedolven. Zij meende de rottanstellingen te kunnen -bereiken, die van den ingang langs de wanden der grot naar haar -binnenste aangebracht waren, om de vogelnestplukkers bij hunne -inzameling ten dienst te zijn... Zij stak reeds de hand uit, om die -kabels te grijpen... Daar krulde een onmetelijk hooge baar aan hare -voeten, brak met donderend geweld, en schudde het ondereind der ladder, -die zonder steun voor de opening der grot slingerde, met zoo’n kracht, -dat het arme meisje, ten hoogste ontsteld, het bewustzijn verloor, de -handen losliet en in de diepte neerstortte. - -„Een verwoest leven!” kreet zij nog in haren val. - -Van Nerekool zag haar een oogenblik in het midden van die kokende -branding drijven. Vol afgrijzen zag hij haar in dat witte schuim als in -een lijkwa rollen en wentelen. Een ondeelbare seconde zag hij haren -donkeren haardos in rijke lokken op dien helderen grond golven; toen -werd zij door de opdringende zee de grot ingesleurd, en was zij voor -zijn blik verdwenen. In zijn oog was zij verloren, onherroepelijk -verloren. Hij bengelde daar boven den afgrond, die het dierbaarste -wezen verzwolgen had en wist niet wat te doen. Hij zag de baar tot rust -komen, hij zag haar naar zee terugijlen, hij zag het water met -grootsche kracht de grot uitstroomen; maar... in de helderblauwe kolom, -die daar als het ware voortspoot, werd hij niets gewaar, dat op een -lijk of op een drenkeling geleek. Hij begreep, dat Anna in de grot -gebleven was; hetzij zij zich had weten te grijpen, hetzij zij met hare -kleeding ergens aan was blijven haken. Snel daalde hij. Hij moest van -het oogenblik gebruik maken. Hij moest, voor dat een nieuwe baar -aanrolde, het bovengewelf bereikt hebben. Met koortsachtige haast greep -hij de sporten. Hij gebruikte zijne voeten niet; neen, hij gleed -veeleer naar beneden, en.... daar greep hij een der rottankabels der -stelling, en had zijn voet de ladder verlaten, toen deze andermaal -geweldig geschud, en voor den ingang heftig heen en weder geslingerd -werd. - -Hij was nu betrekkelijk in veiligheid. Twee zeer dikke kabels strekten -zich op evenwijdigen afstand van elkander langs den wand naar het -binnenste der grot uit. Van afstand tot afstand waren zij met -gemoetoe-touw aan uitstekende rotspunten bevestigd. Op den eenen kon -hij de voeten zetten, en zich aan den anderen met de handen. -vastklemmen. Onder hem kookte de zee, boven hem en rondom hem -fladderden de „lawets” (zeezwaluwen) met schellen kreet, en vlogen door -het opspattende zeeschuim en het fijn verdeelde waterstof de grot in en -uit, verschrikt als zij waren, over het verschijnen van dat menschelijk -wezen, hetwelk niet anders kon, volgens hen, dan een aanslag komen doen -op hunne nesten. - -Grenits en Murowsky hadden het vallen van Anna en het verdwijnen van -Karel in de grot met de grootste ontsteltenis waargenomen. - -„Wat nu?” riep de een. - -„Wij kunnen hierboven niets doen!” riep de andere. - -Dalima smeekte om mededeeling van hetgeen zij gezien hadden. Toen zij -dat vernomen had, riep zij: - -„Dan snel naar den loerah van de dèsa Ajo, die heeft eene djoekoeng, -waarmede hij wel eens de Goewah’s bezoekt!” - -En het moedige Javaansche meisje vergat haren toestand, vergat -vermoeidheid, en ijlde reeds het pad, gevolgd door de beide Europeanen, -af. - - - -En ziet, ja, zij vonden de djoekoeng, waarvan Dalima gesproken had. - -De loerah zette een bedenkelijk gezicht, toen hij den wensch der twee -blanken vernam. Hij wees hoofdschuddend naar de monding der kali -Djeties. En, inderdaad, daar worstelde het afstroomende rivierwater met -den opkomenden vloed, en deed de aanrollende deininggolven in woeste -brekers opstuiven. Het hart der twee vrienden gevoelde zich op dat -gezicht als in eene klemschroef besloten. Zouden zij het moeten -opgeven, en Van Nerekool aan zijn lot overlaten? - -„Vijftig gulden, loerah,” zei Theodoor Grenits, „wanneer gij ons in de -grot brengt!” - -De Javaan krabde zich met een eigendommelijk gebaar in den hoofddoek -achter het oor. - -„En ik voeg er vijftig bij,” vulde Murowsky aan. - -Het gekrab werd verdubbeld. De Javaan was besluiteloos. Hij wisselde -angstvallig eenige woorden met een paar mannen van zijn gevolg. Deze -schenen niet zoo zwaartillend. Zij antwoordden met een gebaar van -geruststelling en sprongen in de djoekoeng, waarin de beide Europeanen -hen volgden. - -„Ieder uwer vijf en twintig gulden, als wij het doel bereiken,” sprak -Grenits aanmoedigend tot hen. - -„En ik doe er evenveel bij,” sprak de Pool. „En nu flink de „dajoengs” -(pagaaien) gerept!” - -De loerah had plaats aan den achtersteven van het ranke vaartuig -genomen, en voerde den stuurpagaai. Ook de beide Europeanen en zelfs -Dalima hadden zich van een pagaai voorzien en hielpen naar vermogen om -te roeien. De djoekoeng schoot onder den aandrang van die zes -schepbladen snel vooruit. - -Aanvankelijk, zoolang het vaartuig in de baai was, ging alles goed. De -loerah stuurde naar het midden van den ingang der Moeara, om de -wielingen en terugstroomingen des waters door den gekartelden, -rotsachtigen oever teweeggebracht, te mijden. Met den stroomdraad der -rivier meegaande, schoot de djoekoeng als een pijl aan de boogpees -ontsnapt, vooruit. Maar, zoo meer zij de monding naderde, zoo meer liet -zich de aandrang van den oceaan gevoelen. De stroomsnelheid der rivier -vertraagde toch langzamerhand, vertraagde nog meer, totdat zij -eindelijk schier niet meer merkbaar was. Daarentegen begon nu de -oppervlakte van het water in beweging te komen. Reeds kabbelden golfjes -tegen den voorsteven, alsof zij dien lekten; die golfjes namen in -omvang toe, zij sloegen langs de boorden en begonnen aan het vaartuig -eene stampende beweging te geven. Men was de zone der brekers nabij. De -djoekoeng schoot immer vooruit; zij bevond zich reeds te midden van de -melkzee, door de branding veroorzaakt, te midden der kokende -opborrelingen, door een zoo even neergeploften deininggolf veroorzaakt. -Zij scheen op schuim te dansen. - -De loerah zat met saamgeknepen lippen en met scherpziend oog vooruit te -turen, en hield zijn stuurpagaai onwrikbaar vast, hoezeer de golven er -tegen beukten, hoezeer de wielingen hem in zijne hand poogden te -verwrikken. Hij tuurde uit. Zou hij kunnen laten vooruitschieten? Toen -de eerst nabijzijnde baar brak, was de uitgeholde boomstam nog op een -zekeren afstand er van verwijderd. Zou hij de ruimte tusschen die en de -daaropvolgende kunnen doorstevenen, alvorens die tweede brak? Neen, -meende hij, dat ging niet. Hij keek uit, daar kwam de baar nader. Als -eene onmetelijke plooi kwam zij aangerold. Voor hen, die in de -djoekoeng zaten, had zij het voorkomen van een berg. Zij ijlde het -vaartuig te gemoet, dat op zijne beurt onder den druk der vijf pagaaien -steeds krachtig vooruitstevende. De baar naderde, zij steigerde reeds, -als het ware; loodrecht verhief zij zich voor den notedop, die onzinnig -genoeg scheen, haar te willen trotseeren; reeds kuifde zij zich met een -schitterenden zilverrand, en scheen een aanrollenden blauwen muur te -zijn, die, blinkend gepolijst, onder de zonnestralen schitterde. - -„Brenti!” (ophouden) beval plotseling de loerah, die de gedaante der -baar en haren afstand zorgvuldig gadesloeg. - -De dajoengs staakten hunnen voortstuwenden arbeid, en had de djoekoeng -spoedig hare voortgaande beweging verloren. Daarop was het, alsof zij -zonder eenigen aandrang vooruitging de baar te gemoet. Het was of zij -opgezogen zoude worden in de krul, die zich vormen ging. - -„Moendoer! Moendoer!” (achteruit!) schreeuwde de loerah; terwijl hij -zelf zijn werktuig te water sloeg. - -Gelukkig, dat het ranke notedopje aan dien aandrang dadelijk -gehoorzaamde en achteruitstoof; want, daar helde de baar in een -onmetelijken boog voorover. Een oogenblik, slechts, een ondeelbare -seconde gunde zij aan de opvarenden der djoekoeng, die haar zoo nabij -gadesloegen, een blik in de uitholling, welke zij daarstelde, en -waardoor zij zich als een overgrooten in vorming zijnde cilinder -voordeed, wiens wanden gedeeltelijk uit zachtblauw doorschijnend -kristal zouden bestaan. Maar nog meer krulde de baartop voorover, -vormde ongeveer drie vierde van een cirkelomtrek, en plofte toen met -donderend geweld op slechts weinige passen van het vaartuigje uiteen, -en overtoog het geheele oppervlak der zee in de nabijheid met blinkend -wit schuim. - -„Madjoe! Madjoe!” (vooruit) schreeuwde de loerah. - -En daar schoot de djoekoeng, door krachtige armen voortgestuwd, over de -wielingen, de kolken, de schuimmassa’s, die haar omringden. O, zij -moest zich reppen. Zij moest die streek voorbij zijn, alvorens de -achteraan rollende golf haar bereikt zoude hebben, zij moest in volle -zee zijn, alvorens die dezelfde branding onderging. Met kracht sloegen -de dajoengs te water, en trillend schoot het vaartuig vooruit. Nog een -poos, nog eene inspanning.... Daar verhief zich de steven.... - -„Madjoe! Madjoe!” moedigde de loerah aan; terwijl hij zelf zijne -inspanningen verdubbelde. - -Het vaartuig, stevig voortgestuwd, steeg tegen de helling der baar op, -die nog niet steil opgesteigerd was, verscheen een oogenblik op de -kruin van den waterheuvel, alsof hare beide uiteinden in de lucht -zweefden, en zij slechts in het middengedeelte ondersteund werd, schoot -de andere helling vlug af, en.... was nu buiten gevaar. - -Ras stuurde de loerah zuidoostwaarts. Er was evenwel tijd noodig om den -ingang van de Goewah Temon te bereiken. Toen men dan ook ter harer -hoogte kwam, was de eb reeds ingetreden en had de stuurman slechts -eenige voorzichtigheid te betrachten, om die grot binnen te loopen. - - - -Wat vond inmiddels daar binnen plaats? - -Toen Van Nerekool op de stelling aangeland was, schreed hij in het -halfduister, dat in de spelonk heerschte, behoedzaam voorwaarts. Hij -bespeurde, dat dit onderaardsche gewelf zich zeer ver onder den berg -uitstrekte; maar hij bemerkte ook, dat de zool der grot onmerkbaar -klom, zoodat de zee, behoudens in eenige nevenholen, in de hoofdgrot -slechts een paar honderd voet naar binnen drong. Maar in dat gedeelte -heerschte zij dan ook in deze oogenblikken met oppermachtigen scepter. -Aanvankelijk bespeurde hij niets van hetgeen hij zocht. Hij keek scherp -uit, terwijl hij zijn koorddansers kunststuk volbracht, en de grot al -dieper en dieper indrong. Eindelijk, daar bij een groot trachietblok, -waartegen het water heftig bruischte en dwarrelde, meende hij iets te -ontwaren. Van de uitstekende gedeelten van de ruwe rotsmassa, liet hij -zich behendig naar beneden zakken, en was gelukkig genoeg de -bovenvlakte van die trachietmassa te bereiken. Ook deze verleende hem -steunpunten genoeg, om naar de wateroppervlakte af te dalen en daar -vond hij Anna geheel bewusteloos, die zich in haren doodsangst aan de -brokstukken van het reddende blok geklemd had. Het benedengedeelte van -haar lichaam lag in het water; het hoofd rustte op haren arm, die een -vooruitstekenden rotsbrok omgaf. Snel omvatte Karel haar middel, en -tilde haar tegen het trachietblok op. Hij moest zich haasten; want het -was niet te ontkennen, de vloed liep al hooger en hooger, en onmogelijk -was het niet, dat het rampzalige, bewustelooze meisje medegevoerd werd. -Na eene geweldige inspanning gelukte het hem, haar op het bovenvlak van -de rots te tillen en nam hij daar naast haar plaats. Hij ontdeed zich -van zijn jasje en spreidde dat op den steen uit, om haar de zitplaats -zooveel mogelijk zachter te maken. Haar hoofdje rustte op zijnen -schoot, en in die houding liet hij haar stil rusten. Met zijn zakdoek -wischte hij haar het zeewater van het bleeke gelaat en spreidde hare -weelderige lokken over zijne knieën uit, om die te doen drogen. Een -enkele blik had hem de overtuiging geschonken, dat de vloed nimmer het -bovenvlak van het trachietblok bereikt had, en dat zij derhalve daar -veilig zaten. Hij begreep dat, zoolang de eb niet ingetreden was, er -aan geen terugtocht te denken viel, daarvoor was het geweld van de -deininggolven dier onmetelijke wereldzee te groot. Met laag water zou -het mogelijk zijn de ladder, die nog steeds voor de opening der grot -heftig heen en weder geslingerd werd, te bereiken. Anna zou tegen dien -tijd wel tot bewustzijn teruggekeerd zijn; zij zou dan kunnen zwemmen -tot bij de opening en eenmaal op de ladder... - -„Komt tijd, komt raad!” prevelde hij binnensmonds, terwijl hij het -aangebeden meisje, dat daar op zijne knieën lag, met teederheid -beschouwde. „Daarenboven Grenits en Murowsky zullen wel geene pogingen -onbeproefd laten om ons te hulp te komen.” - -Het was eene kritieke tijdruimte, welke de rechterlijke ambtenaar -doorleefde. - -Daar voor hem lag het wezen uitgestrekt, dat hem het dierbaarst op -aarde was, dat hij liefhad, dat hij hartstochtelijk aanbad; het wezen, -dat hem zijn slaap ontroofde, welks beeld hem immer en overal voor -oogen zweefde, naar welks bezit hij haakte met al den gloed van zijne -geaardheid, die ongekunsteld maar onbedorven onder den weerstand, die -zijne liefde ontmoet had, in lichten laaie was opgegaan. Anna in hare -Javaansche kleeding was slechts gedekt door sarong en kabaja. De -slendang, die haar hoofdje bedekt had, was zij bij het afdalen der -ladder kwijt geraakt. Die zeer eenvoudige kleeding daarenboven, vooral -de kabaja, van uiterst lichte stof vervaardigd, was kletsnat, en -modelleerde derhalve haren hals, haren boezem, hare schouders, hare -lendenen, hare heupen en dijen zoo plastisch, dat zij schier geen -bedekking mocht heeten, en rustte het meisje onbewust, in hare volle -bekoorlijkheid, uitdagend schoon, op den schoot van hem, die haar -aanbad, maar die onder dien lieven last een lijden onderging, hetwelk -waarachtig een plaats in Dante’s hel had mogen erlangen. - -Het schemerlicht, dat in de grot heerschte, de nevel van fijn verdeeld -waterstof, die uit de bulderende branding opsteeg, en de grot als met -een mystieken ether vulde, brachten het hunne bij, om aan de houding -van het lieve kind, iets verhevens, iets bovenaardsch mede te deelen. -Onbewust van den gloeienden hartstocht, die haar omzweefde, lag Anna -daar zoo kalm en rein, terwijl hare ademhaling den boezem regelmatig -deed op en neêr gaan, en bij wijlen, wanneer een diepere zucht zich -baan brak, eene onbescheiden gaping van de kabaja deed ontstaan, welke -bekoorlijkheden liet ontwaren, die door den blik van den verliefde -verslonden werden en zijne hartstochtelijkheid nog vermeerderden. - -Langzaam vlood de tijd heen, te langzaam voor den armen gefolterde. - -Intusschen had het water opgehouden te wassen, en was weldra de -terugtred der golven merkbaar! Iedere baar, die nu de grot binnendrong, -woelde, kookte, bruiste, schuimde als de voorafgaande, maar klom minder -hoog, spatte minder op. Maar, dat zou nog uren zoo moeten duren, -alvorens er aan gedacht kon worden, naar den ingang der grot te -schrijden. - -„Och, dat Anna toch bijkwam,” zuchtte Van Nerekool; terwijl zijn -branderige blik op het lieve gelaat en op de aanbiddenswaardige -omtrekken van dat schoon gevormde lichaam strak bleef gevestigd. „In -haar zelve zou zij een veiliger schutsengel hebben, dan in mij!” - -Gelukkig, zijne bede werd verhoord. Bij eene poging, die zij in haren -bewusteloozen toestand deed, om een paar droppels van hare wang af te -wisschen, wilde hij haar helpen. Met zachte hand bewoog hij zijn -zakdoek over die koon. Hij had zich evenwel daarbij moeten voorover -bukken, en kwam zijn brandend heete adem met haar gelaat en haren hals -in aanraking. Dat deed haar ontwaken. Mat en lusteloos sloeg zij de -oogen op;.... maar kon geen besef krijgen, waar zij zich bevond. Zij -draaide het hoofd.... keek rond en eindelijk ook Karel in het gelaat. -Met een kreet voer zij op. - -„Gij, gij hier?” riep zij, terwijl zij opvliegen wilde om te vluchten. - -Hij greep haar om het middel, en trok haar aan zijne borst. - -„Pas op, Anna,” sprak hij. „Gij zult uitglijden, de zee is nog -onstuimig.” - -„Gij, gij hier?” herhaalde zij. „Maar ik wil... ik zal...” - -En zij poogde zich los te rukken uit zijne armen. - -„Bedaar, Anna! Wees voorzichtig; de rots is nat geworden en derhalve -glibberig,” zei hij geruststellend. „Pas op, het gevaar is nog groot.” - -Hij sprak zoo zacht, zoo wegsleepend, dat het jonge meisje de -worsteling wilde opgeven. Toen zij evenwel een blik op haar zelve -sloeg, en ontwaardde in welken staat zij zich in de armen van een man -bevond, toen poogde zij zich andermaal los te rukken. Haar gelaat was -door het zeewater van de verf, die het bedekt had, gereinigd geworden. -De blos, die hare wangen kleurde, was dus duidelijk waarneembaar; zij -sloeg de oogen schuchter voor zijnen brandenden blik neder. - -„Laat mij, Karel, laat mij” sprak zij in de uiterste verwarring. - -Hij klemde haar vaster tegen zijne borst aan, en overdekte haar gelaat -met honderden kussen. - -„Anna, ik bemin je! Anna, ik heb je weêrgevonden,” kreet hij in het -paroxysme van den hartstocht. „Anna, nimmer verlaat ik je weer!” - -„Maar, Karel, heb toch medelijden met mij,” sprak zij met aarzelende, -beschroomde stem, terwijl zij zijne liefkoozingen zooveel mogelijk -afweerde. „Ik kan en mag u nimmer toebehooren.” - -„Anna!” kreet hij; terwijl hij haar nog vaster tegen zich aanklemde. - -Zij vergiste zich hoogstwaarschijnlijk in de beteekenis van dat gebaar. -Althans met weemoedige stembuiging hernam zij: - -„Neen, Karel, uwe echtgenoote kan ik niet worden, en... nietwaar?... -gij hebt mij te lief, om mij anders te verlangen.” - -De blik van het jonge meisje was daarbij zoo treurig, dat Van Nerekool -besefte, hoezeer hij hare gevoeligheid gekwetst had. Hij liet haar uit -zijne omklemming los, hoewel hij zijn eenen arm om haar middel geslagen -hield. - -„Maar, Anna,” hernam hij, „waarom zoudt gij nu mijne echtgenoote niet -kunnen worden?” vroeg hij met aandrang. - -„Destijds niet en nu niet,” sprak zij beslist. „Ik schreef u de redenen -uitvoerig... Laat mij nu los!” - -Zij wilde zich ook van dien eenen arm ontslaan; dat gedoogde hij echter -niet. - -„Maar, Anna, de omstandigheden zijn zoo veranderd...” hernam hij. - -„Welke omstandigheden?” vroeg zij hem in het gelaat starende. - -„Nu uw vader en moeder d...” - -„Wat, mijn vader en moeder dood?”... riep zij uit, voordat hij het -laatste woord nog uitgesproken had. - -Hij knikte bevestigend. Het jonge meisje bedekte zich het gelaat met -beide handen en snikte hoorbaar. Het was een zonderling tooneel daar in -die half duistere grot, die twee jongelieden, waarvan de eene in zijne -hemdsmouwen zat, en de andere met haar natte sarong en kabaja -ternauwernood gekleed mocht heeten, daar bij elkander op die rots te -zien zitten. Zij met de handen voor het gelaat, hij haar uitvorschend -aanstarend, en de gedachten bespiedend, welke in dat maagdelijk gemoed -woelden en waarvan zijn levensgeluk afhing. - -„Maar, is het wel waar?” vroeg zij hevig snikkend. „Het zou te wreed -zijn zoo eene tijding te verzinnen! Karel!... Karel, wat moet ik -gelooven?” - -„Zoudt gij kunnen denken, Anna, lieve Anna, dat ik zoo met uw -kinderlijk gevoel zou kunnen spelen? Dat is mij toch miskennen, zeg, -Anna?” - -Zij weende bitter en was troosteloos. Hij trok haar naar zich toe. Nu -evenwel bood zij geen weerstand, maar vlijde zich aan zijne borst. Het -was alsof zij, nu zij wees was, nu zij zich alleen op de wereld -gevoelde, thans bescherming zocht bij den man, die zoozeer indruk op -haar gemaakt had. - -„Beiden dood...” herhaalde zij. „Waaraan zijn zij gestorven? Vertel -mij, hoe zich dat toegedragen heeft. Gij komt regelrecht van -Santjoemeh, gij zult, gij moet dus alles weten.” - -„Integendeel, mijne Anna, ik weet niets. Toen ik Santjoemeh verliet, -waren uwe ouders springlevend. Dien morgen toen ik met Grenits naar -herwaarts reisde.... - -„Met Grenits?” vroeg zij. „Theodoor Grenits? Is die bij u?” - -„Ja, dierbare,.... toen reisden mijnheer en mevrouw Van Gulpendam, naar -Soeka maniesan?” - -„Soeka maniesan?... Wat is dat?” vroeg zij. - -„Dat is eene suikerfabriek in het oostelijk gedeelte van de residentie -Santjoemeh gelegen.... Eerst te Gombong kregen wij tijding van het -overlijden, een telegram...” - -En, nu verhaalde hij in weinige woorden, hetgeen hij wist, en wat niet -veel was, namelijk, dat het paar door eene bende ketjoe’s was -omgebracht. De brief, waarbij Van Rheijn hem bizonderheden toezeide, -had hij nog niet ontvangen. Die zou wel te Gombong liggen. - -Na dat verhaal zweeg Van Nerekool een poos. Hij wilde Anna tijd gunnen, -om van de ontsteltenis te bekomen, die dat bericht op hare zoo -teêrgevoelige ziel moest gemaakt hebben. Het lieve kind zat, tegen hem -aangeleund, bitter te schreien. Neen, haar karakter had hoegenaamd -geene punten van overeenkomst met dat van hare ouders. Zij zelve had de -scheiding bewerkstelligd; zij was heengegaan om hen nimmer weer te -zien; zij had het ouderlijke huis verlaten, met het vaste voornemen -daarin nimmer terug te keeren. Nu evenwel de dood tusschenbeide trad, -om het weerzien onmogelijk en de scheiding onherroepelijk te maken, -vloog hare ziel de wezens, waar zij het leven aan verschuldigd was, te -gemoet, en vergat zij het geledene, het verkeerde, om slechts aan het -goede te denken. Ja, zij was innig bedroefd; en wanneer het in hare -macht gestaan had, zou zij, al ware het ten koste van haar leven, het -gebeurde ongedaan maken. - -Terwijl zij daar zoo gezeten hadden, was de eb langzamerhand -ingetreden, en trok het water zich terug. Bij iedere deininggolf, die -aanrolde, drong minder water de grot binnen, spatte het minder hoog, -pleegde het minder geweld. Dat ging afnemend zoo voort, totdat de -kracht aan het aanrollende zilt geheel en al ontbrak om zich te doen -gelden. Het waren nog slechts golfjes, die de Goewah binnendrongen, -zich daar in de grot kringsgewijze uitbreidden, en met zacht geklots de -rots, waarop onze jongelieden zaten, kwamen lekken. - -„Het wordt tijd, dierbare Anna,” begon Van Nerekool om de stilte af te -breken, en aan de smart zijner gezellin eene afleiding te bezorgen. -„Wij zouden andermaal door den vloed verrast kunnen worden.” - -Zij hief het hoofdje op, en keek rond. Toen zij de zee zoo kalm zag, -begreep ook zij, dat er niet gedraald mocht worden; want dat anders de -vloed weer zou kunnen komen opzetten. Zij veegde hare tranen af. - -„Ja, wij moeten heen,” sprak zij.... „Maar kunt gij zwemmen? Want gij -ziet, het water dat in de grot blijft staan, is veel te diep om -doorwaad te kunnen worden.... Ja... kunt ge? Dan is de ladder, die daar -bengelt, spoedig bereikt.” - -Zij wilde zich reeds van de rots, waarop zij redding gevonden hadden, -laten afglijden. Maar hij weerhield haar, sloeg den arm nog vaster om -haar middel, en drukte haar zacht tegen zich aan. - -„Het is nu, na die vreeselijke mededeeling, wel geen tijd om over -liefde te spreken,” hernam hij. „Maar Anna, ik heb mij in den laatsten -tijd zoo ontzettend ongelukkig gevoeld, beloof mij in dit uur, mij niet -meer te willen ontvluchten?” - -Zij keek hem aan. Tranen blonken in hare schoone oogen. Een waas van -droefenis was over haar geheele wezen uitgespreid, en het was haar -onmogelijk een woord te kunnen uiten. - -„Alle hinderpalen tot onze verbinding zijn nu opgeheven,” ging hij -zacht fluisterend aan haar oor voort. „Gij zijt thans uwe eigene -meesteres. Zeg, Anna, mag ik hopen?”.... - -Zij wendde het hoofdje af; maar lei hem de hand op den mond. Hij greep -die hand, hij drukte er een innigen kus op. - -„Dank!” zei hij. „Neen, gij kunt mij in dit uur geen ander antwoord -geven... Nogmaals dank!... Maar, Anna nu te water. Wij moeten hier -weg!” - -Juist wilden beiden zich van de rots laten glijden, toen stemmen -vernomen werden. Verrast keken beiden op. Het waren Dalima, Grenits en -Murowsky, vergezeld van een paar Javanen, die—wij weten het—in eene -djoekoeng bij den ingang der grot verschenen. - -„God!” riep Anna, „en ik in die natte kleeding!” - -Zij sloeg een blik op zich en bloosde hevig, toen zij zag hoe hare -natte kabaai en sarong hare ledematen plastisch modelleerden. Zij -voelde het oog van Karel op haar rusten, en dat maakte hare verwarring -nog grooter. Hij evenwel, nam het jasje, waarop zij gezeten had, en -bood haar dat aan. - -De djoekoeng naderde intusschen, en zoowel Dalima als de twee vrienden -waren uitgelaten van vreugde, toen zij de reeds verloren gewaanden -springlevend terugvonden. De loerah van de dèsa Ajo had bij het van wal -steken uit voorzorg een paar sarongs medegenomen. - -„Om de lijken in te wikkelen,” had hij gezegd, zoozeer was hij -overtuigd, dat een ongeluk gebeurd was. - -De sarongs kwamen nu goed te pas. Anna wikkelde zich er goed in, en -werd daarbij door Dalima geholpen. Daarna liet zij zich in den -djoekoeng glijden. - -Weinige minuten later waren zij buiten de grot, en ongeveer een paar -uren later waren Anna, Dalima, Van Nerekool, Grenits en Murowsky in het -huisje op de helling van den Goenoeng Poleng vereenigd. In die -samenkomst werden snelle besluiten genomen en voor dat de zon het -zenith overschreden had, zaten Anna en Dalima ieder in een tandoe, en -waren op weg naar Karang Anjer. De blanken vormden eene escorte bij die -twee draagstoelen, die indrukwekkend mocht heeten, daar alle drie met -jachtgeweren gewapend waren. - -Bij de familie Steenvlak was Anna de gulste gastvrijheid beschoren. Zij -zou daar blijven logeeren, totdat.... Ja, totdat de rouwtijd om zoude -zijn. - -Toen dat alles goed geregeld was, keerden de jonge mannen naar Gombong -terug. Theodoor en Karel wilden van den kapitein-kommandant afscheid -nemen en hem bedanken voor het verleende verlof aan Murowsky. - -„Wel,” vroeg de brave krijgsman, „zijt gijlieden in uwe jacht -geslaagd?” - -„Uitmuntend,” antwoordde Grenits. - -„Hebt gij fraaie exemplaren buit gemaakt?” - -„Ja, kapitein,” antwoordde Murowsky schalks; „wij hebben onder anderen -een fraai, een onvindbaar kapelletje, een puella formosa [293] -gevangen.” - -„Nou, geluk met dat diertje; maar blijf mij met jullie Latijn van het -lijf.” - -Zelfs Van Nerekool kon een glimlach niet weerhouden bij de gedachte aan -het kapelletje dat opgespoord was. - - - -Veertien maanden later trad Anna van Gulpendam met Karel van Nerekool -in den echt. Het huwelijk werd zonder praal voltrokken te Karang Anjer -door en ten huize van den assistent-resident Steenvlak. August van -Beneden en Theodoor Grenits waren de getuigen van de bruid, en Eduard -van Rheijn en Murowsky die van den bruidegom. Bij het eindigen der -plechtigheid kwam ook Willem Verstork aan, die na den dood van den -resident Van Gulpendam weer naar de residentie Santjoemeh overgeplaatst -werd. Niemand rekende meer op zijne tegenwoordigheid, daar een telegram -de tijding aangebracht had, dat het stoomschip, waarmede hij van -Batavia naar zijne bestemmingsplaats reisde, ter hoogte van Tegal aan -den grond geraakt was. Toen evenwel het vlotbrengen van het vaartuig -niet voorspoedig ging, was hij ontscheept, en had de reis van -laatstgenoemde plaats per postrijtuig over de hellingen van den Slamat -[294] naar Karang Anjer aanvaard. Hij moest en hij zou het huwelijk van -Karel van Nerekool bijwonen! Hij ondervond ook bij deze landreis -vertraging, waardoor hij te laat aankwam voor de plechtigheid; maar -toch nog vroeg genoeg, om op dezen heuglijken dag in te stemmen in het -koor van gelukwenschen, dat het jonge paar ten deel viel. Als ooit -hartelijke handdrukken gewisseld waren, dan kon dat betuigd worden van -dien vriendendrom, die, bij gebrek aan verwanten van weerszijden, de -jonggetrouwden omgaf. - -Na de voltrekking van het huwelijk, vertrokken mevrouw en mijnheer Van -Nerekool naar Tjilatjap, van waar zij met de boot naar Batavia zouden -reizen. De rechterlijke ambtenaar was bij den raad van Justitie aldaar -overgeplaatst. De anderen keerden naar hunne standplaats, Murowsky naar -Gombong en de overigen naar Santjoemeh terug, waar zij hunne -dagelijksche taak, hen door het lot op de schouders gelegd, hervatten. -Allen werden evenwel door eene machtige gedachte beheerscht, die—zoo -namen zij zich voor—alle hunne daden zoude kenmerken. En die gedachte -was: Onverbiddelijke oorlog, oorlog á outrance aan de opiumpacht! -Slaagde men er in te voorkomen, dat het verderfelijke heulsap der arme -bevolking met behulp der regeering en der politie opgedrongen werd, dan -zoude het opiumverbruik wel verminderen. - - - -En nu, om ten slotte te eindigen met de persoon, welker naam tot titel -van dit boek strekt, zij den lezer medegedeeld, dat baboe Dalima -weinige maanden, nadat de beide geliefden elkander in een der grotten -van het Karang Bollongsche gebergte weêrgevonden hadden, een dood kind -had ter wereld gebracht. Dat had haar uitermate bedroefd; want in -weerwil van de misdaad, waarvan zij het slachtoffer geweest was, had -zij een gevoel van moederweelde in zich voelen ontkiemen en grooter -worden, naarmate het wezen, dat zij binnen hare lendenen omsloten -droeg, zich ontwikkelde. O, zij zou dat kindje zoo teeder bemind -hebben, zij zou het zoo verzorgd, zoo geliefkoosd hebben, als wel geen -ander moeder het beter vermocht. Zij had reeds een wiegje voor het -wicht klaar, geene wieg, zooals wij Westerlingen die kennen, neen, een -eenvoudig mandje van bamboelatjes, maar door haar zelve gevlochten, -doch van binnen zoo weelderig, zoo mollig van kussens voorzien, en door -een harer sarongs omgeven om des nachts de muskieten en over dag de te -felle lichtstralen af te wenden, dat het als het ware een nestje zou -vormen, dat opgehangen met een paar stevige touwen aan de sparren van -de voorgalerij van het vertrekje, hetwelk zij bewonen zou, heen en weer -wiegelen zou; terwijl zij, overgelukkig in hare moedervreugde, zacht op -de gambang [295] zoude tokkelen, om het dierbaar wezentje door de -heerlijke tonen te verrukken. En dat alles was nu weg! Hare vrucht was -niet bestand geweest tegen de vermoeienissen, welke zij zich zelve -opgelegd had, tegen de aandoeningen, die haar bij den tocht naar de -Goewah Temon, waar hare Nana zoo in levensgevaar verkeerd had, bestormd -hadden. Ja, zij was uiterst bedroefd geweest; maar... de tijd verzacht -de grootste smarten. Daarenboven zij was nu bij Nana, zij zou tot haren -laatsten snik bij haar blijven. Zij was met haar naar Batavia gereisd. -Zij zou de baboe zijn van de kleine Van Nerekooltjes, die de -huwelijksweelde van het jonge paar zouden komen verrijken en, voor -ieder, die met de innige genegenheid bekend is, waarmede de Javanen -zich in den huishoudelijken omgang aan de blanken hechten, wanneer zij -door dezen goed behandeld worden, zal het duidelijk zijn, dat zij dat -voornemen stipt getrouw zou blijven. - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Opgenomen in het Jaarboekje der Indologische Vereeniging voor het -jaar 1886. - -[2] Tandjang-soorten = Risophoren. De voornaamste soorten op Java’s -noordkust zijn: Tandjang Bangoe of R. macronata, Kajoe Tinggi of R. -Roxburgh, en T. Lanan of R. conjugata. - -[3] Boeaja’s, boeloes, kapitings en oedangs. Boeaja is de maleische -naam van den kaaiman. Op het modderige strand van Java’s noordkust -wordt voornamelijk de Crocidilus biporcatus aangetroffen. Boeloes -beteekent schildpad. Op bedoeld strand komt de Chelona imbricata het -meest voor. Mimi is de inlandsche naam van de degenkrab, de Limulus -Polyphemus. Kapiting beteekent krab. Hier wordt voornamelijk op de -Cancer Pagurus (zeekrab) gedoeld. Oedang beteekent garnaal of Crangon. -In den Ind. Archipel worden garnalensoorten aangetroffen, die in omvang -de grootste kreeften evenaren; maar er bestaan ook soorten, die -microscopisch klein zijn. - -[4] Saoe-boomen. Mimusops kauki is een boom, die tot de Sapotaceeën -behoort. Hij ontwikkelt een zwaren stam, komt veelvuldig op de lage -stranden langs en op de eilanden in de Javazee voor en levert zeer -fraai en uitmuntend timmerhout op. - -[5] Katjangmatten en atappen. Dit zijn bouwmaterialen, die gewoonlijk -van de breede bladeren van den Nipahpalm vervaardigd worden. - -[6] Babah is de algemeene benaming van op Java of in den Archipel -geboren Chineezen, het best te vergelijken met „liplap.” - -[7] Moeara Tjatjing. Moeara beteekent monding. Gewoonlijk wordt die -naam aan kleine inhammen gegeven, waarin riviertjes uitwateren. -Tjatjing beteekent pier, aardworm. Sommige riviertjes worden aldus van -wege hunne kronkelingen genoemd. - -[8] Prahoe sajab is eene vlerkprauw, die door een geraamte van lang -uitstekende bamboestaken in holle zee tegen omslaan beveiligd wordt. - -[9] Sero’s zijn vischfuiken, die aaneengeschakeld in zee, vooral bij -riviermondingen geplaatst worden. Met stevige staken worden die fuiken -bevestigd. Meestal vormen die staken hechte staketsels, die bij -hooggaande zee de aanrollende baar in haren loop vertragen, zoodat haar -kam of nok de beweging niet vooruitijlt, waardoor het breken belet -wordt. Achter zoo’n staketsel, waarin gewoonlijk schaakvormig openingen -gespaard zijn, treft een vaartuig betrekkelijk kalm water aan; het -gevaar althans is dan verdwenen. - -[10] Matamata. Mata beteekent oog; mata-mata oogen. ’t Is eene niet -onduidelijke uitdrukking om een spion aan te duiden. - -[11] Gemoetoe touw. Gemoetoe is eene zwarte vezelsoort, die tusschen de -bladsteelen en den stam van sommige palmsoorten, vooral van de Arengga -Saccharifera, aangetroffen en ook Idjoek genoemd wordt. Van die -vezelstof wordt touw geslagen, dat in lenigheid bij het henneptouw -achterstaat, maar in lichtheid en duurzaamheid het van dit wint. - -[12] Tombokken. Tombokh is een vierkant bekapte boomstam, waarin -uithollingen uitgespaard zijn om rijst in te stampen. Wordt ook wel als -foltertuig gebezigd. De patiënt wordt dan op het tombokhblok -uitgestrekt, en met de zware stampers deerlijk gebeukt en gekneusd, tot -de dood er op volgt. - -[13] Niboeng. Is eene fraaie en slanke palmsoort. Areca Nibung, die -veelvuldig op moerassige stranden voorkomt. Het buitenhout van den stam -is uitermate hard, en laat zich in de lengte gemakkelijk splijten. - -[14] De smokkel-rayon. Het is allen vaartuigen, die opium aan boord -hebben, verboden om de kusten van Nederlandsch-Indië elders dan de -plaats van inklaring op korter afstand dan drie mijlen te naderen, -tenzij noodweer, averij of andere onheilen zulks noodzakelijk maken. - -[15] Het cachet Van der Leeuw in groen lak was destijds een zeer gewild -botermerk in Ned.-Indië. - -[16] Taël is een gewicht om kostbare zaken als goud, opium, enz. mede -te wegen. De taël weegt 0,0386 K.G. - -[17] Madat en tjandoe. Tjandoe is gezuiverde opium. Madat is tjandoe -met tabak vermengd, die tot balletjes gekneed en tot rooken gereed is. - -[18] Salak. Een stamlooze palmsoort, door de plantenkundigen Sacca -edulis genoemd, draagt rinsch wrange vruchten, die evenwel door velen -zeer gewild zijn. - -[19] Rein als de witte bloem, waarvan zij den naam draagt.—Dalima -beteekent granaat en heet bij de geleerden Punica granatum. Er zijn -verscheiden dalima-soorten op Java, waarvan D. meirah met vuurroode, D. -soesoen, de in den tekst bedoelde, met witte, D. koening met gele en D. -berrem met dubbele bloem de voornaamste zijn. - -In Indië is het niet zeldzaam, dat aan meisjes de naam eener bloem -gegeven wordt. Schrijver heeft te Batavia een lieve baboe gekend, die -Baboe Dalima heette. Wat uiterlijk betreft, heeft die wel ietwat voor -model van haar romantisch zusje gediend. - -[20] Zoolang de kongsie dat goed zal vinden.—De oud-Gouverneur-Generaal -Duymaer van Twist verklaarde op 25 Februari 1859 in de Tweede Kamer: -„Er waren Inlanders, die door de Chineesche pachters verbannen waren -naar een aangewezen oord van Java, op straffe des doods in geval van -terugkeer; het waren de zoodanigen, voor wier getuigenis de pachters -bevreesd waren, wanneer hun smokkelhandel aan het licht mocht komen.” - -[21] Orang oppas of oppasser is de benaming in Ned.-Indië voor -politie-agenten. - -[22] Kamadoog is de Javaansche naam van het Karbouwenblad of de -Duivelsnetel, de Urtica urentissima der geleerden. Schrijver heeft eens -de toepassing van die bladeren op een blanke gezien, die hardnekkig -rheumatische verlamming simuleerde en aan alle listen en lagen, om het -bewijs van zijn toeleg te erlangen, weerstand bood. Hij was op het punt -om voor den milit. dienst afgekeurd te worden, toen de behandelende -geneesheer een laatste proef nam. Een paar striemen met een bosje -Kamadoog-bladeren op den naakten rug waren voldoende om ieders geweten -te bevredigen. De simuleerende vloog onder een Himmel kreuz -donnerwetter, das ist ja Feuer! overeind, van het bed af en het vertrek -uit. Nimmer heeft die man later meer aan verlamming geleden. De -Kamadoog wordt ook gebezigd bij gevechten van tijgers met karbouwen. -Door de onduldbare branderige pijnen worden de arme dieren tot den -hoogst mogelijken graad van woede opgezweept. - -[23] Sirihkalk wordt van schelpen gebrand, is zeer zacht en mist de -scherpte van de steenkalk. - -[24] Sirihblad, waarin de pinangnoot. Dat blad is afkomstig van eene -slingerplant, door de geleerden Chavica bettle genoemd. De pinangnoot -is de vrucht van eene palmsoort Areca pinang genoemd. - -[25] Pandoppo is eene ruime overdekte galerij, die achter het -hoofdgebouw van iedere aanzienlijke woning in Ned. Indië aangetroffen -wordt, en loodrecht daarop aangebracht is. ’t Is de meest geliefkoosde -plek van het huis. - -[26] Semoet api letterlijk vertaald vuurmier. Dit is de roode -boschmier, die wanneer zij slechts over de huid loopt reeds een -onaangenaam branderig gevoel te weeg brengt. Een beet van het diertje -doet zich als eene brandwond gevoelen. De semoet api is de Formica rufa -der geleerden. - -[27] Tjitjaks en Gekko’s zijn hagedissoorten. Met de eerste wordt -bedoeld de muurhagedis, de Lacerta muralis; met de tweede de -Platydactylus guttatus. - -[28] Doekoen is een ongepromoveerde Inlandsche geneeskundige, -gewoonlijk eene oude tooverkol, die dan veel werk van aphrodisiaca -maakt. - -[29] Cultuurprocenten. Destijds genoten de Nederlandsche ambtenaren bij -het Binnenlandsche Bestuur op Java een tantum van de producten, die -door de bevolking voor de Europeesche markt opgebracht moesten worden. -Dat was wel het meest zedelooze middel om tot de exploitatie van een -volk aanleiding te geven, dat uitgedacht is kunnen worden. Tot welke -onbillijkheden de hebzucht, geprikkeld door zoo’n middel, gevoerd -heeft, is niet te beschrijven. Gelukkig behoort die -cultuurprocenten-aera tot de geschiedenis. - -[30] Poesaka wapens. Poesaka heeft hier de beteekenis van erfstuk. De -Javaan koestert grooten eerbied en aanhankelijkheid voor de wapens, -kris, lans, enz. zijner voorouders. - -[31] Dat kan ik begrijpen. Aan de opium worden erotische uitwerkingen -toegeschreven. Ziet daaromtrent de Proeve van eene geschiedenis van den -handel en het verbruik van opium in Ned.-Indië door J. C. Baud, gewezen -minister van koloniën, voorkomende in de Bijdragen tot de Taal-, Land- -en Volkenkunde in Ned.-Indië. Eerste deel 1853. Die eminente staatsman -op koloniaal gebied laat zich in die verhandeling uit liefde voor de -waarheid tot zoo eene openhartigheid, en tot zoo een realisme -verleiden, dat een romanschrijver hem onmogelijk op dat terrein volgen -kan. - -[32] Anak s.... Anak beteekent kind. Omtrent de beteekenis der hier -bedoelde uitdrukking zie men Max Havelaar door Multatuli 5de druk -bladz. 267. - -[33] Tali api. Vuurtouw of lont. Sedert de verschijning van de -Zweedsche tandstickors op de wereldmarkt, is het gebruik van tali api -grootendeels verdwenen. Dat ’s wel jammer; want dat heeft het -verdwijnen van den tali-api-jongen tengevolge gehad, en die was eene -echt Oostersche figuur in eene Oostersche omgeving. Geheel verdwenen is -de tali-api-jongen evenwel nog niet. In Java’s binnenlanden zou menige -groote hem niet willen missen; want die jongen behoort tot de staatsie. - -[34] De opiumpachter, die aan het hoofd stond der smokkelaars van het -heulsap. Dat is geen laster. De Regeering is er zoo van overtuigd, dat -een Minister v. Kol. bij depêche van 16 April 1869 aan den Koning -schreef o. a.: het blijkt daaruit, dat de smokkelhandel der pachters -aanleiding geeft tot ondermijning van het gezag. - -Een Procureur-Generaal bij het Hoog Gerechtshof van N.-I. schreef bij -miss. dd. 3 October 1866 aan den Gouv.-Gen.: - -„Oost- en West-Java zijn overdekt met een goed georganiseerd net van -sluikhandel, waarvan de draden zich bevinden in handen van de pachters, -een net dat, om de ongehoorde voordeelen, die het oplevert, trots de -hoogste boeten, trots de hoogste straffen, zal blijven bestaan, zoolang -het belang der pachters medebrengt het te behouden.” - -[35] Vijf en twintig à dertig percent morphium. De Levantsche opium -bevat 7–15 %, de Bengaalsche iets meer morphium. Is de tjandoe van -onvervalschte opium verkregen, dan wordt gewoonlijk 25 % van dat -alkaloïd aangetroffen. Zie daaromtrent het voorkomende op bl. 692 van -den Ind. Gids Meinummer 1885, waar het gevoelen van den heer F. -Hekmeijer, 1e apotheker v. h. N.-I. leger en bekend als uitstekend -scheikundige, medegedeeld wordt, in verband met de bewering van J. C. -Baud, dat uit onvervalschte opium slechts 15⁄32 tjandoe gewonnen wordt. - -[36] Wanneer hij nog een tiental pikols rijst verorberd zal hebben. Een -gewoon gezegde in Ned. Indië, om op een langer verblijf daar te lande -te duiden. Er wordt gerekend, dat iemand een katie of 1⁄100 pikol rijst -per dag eet. Om dus tot een nuttig Indisch ambtenaar vervormd te -worden, werden Van Nerekool nog ongeveer 2¾ jaar gegeven. - -[37] Landraad. De landraden op Java zijn de gewone dagelijksche -rechtbanken voor Inlanders en met dezen gelijkgestelden. Zij zijn -gevestigd op alle hoofdplaatsen van gewesten en van afdeelingen, aan -wier hoofd een assistent-resident geplaatst is, en zijn samengesteld -uit twee Inlandsche hoofden tot leden, uit den panghoeloe tot adviseur, -en worden gepresideerd door een rechterlijk ambtenaar. De djaksa -(Inlandsch officier van justitie) vervult daarbij de betrekking van -ambtenaar van het openbaar ministerie; terwijl aan die rechtbanken -daarenboven nog een griffier en een deurwaarder (beiden Europeanen) -toegevoegd zijn. Voor enkele residentiën treden de residenten of -assistent-residenten als voorzitters der landraden op. - -[38] Hij heeft in ieder geval voor mijn pleizier zooveel maanden -gezeten. Zulke gevallen zijn niet zeldzaam. Die zich daarvan overtuigen -wil, zie Macht tegen recht door den raadsheer bij het Hoog Gerechtshof -van Ned. Indië Mr. M. C. Piepers, Eerste gedeelte bladz. 196. - -[39] Een minister van Koloniën eens aan den Koning schreef. Ziet -daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 47 hiervoren. Een -uittreksel van bedoelde depêche is te vinden op bladz. 25 van Eene -bijdrage tot de studie der opiumquaestie op Java.—De officiëele -litteratuur door Mr. W. K. Baron Van Dedem, Lid van de Tweede Kamer der -Staten Generaal. - -[40] Om die zaak aan de behandeling van den bevoegden rechter te -onttrekken. Dat zoo iets wel eens voorvalt, is te lezen op bladz. 15, -16, 17, 18 en 19 van de brochure Iets over de afhankelijkheid van de -Nederlandsch-Indische rechterlijke ambtenaren, in de laatste helft van -1880 bij J. H. De Bussy te Amsterdam uitgegeven. - -[41] Den Grooten Heer met den stralenkrans van zijne meervoudige -zonneschermen omgaf. Het is begrijpelijk, dat ijdele ambtenaren er meer -dan een pajoeng op na houden. In den regel staan in zoo’n standaard -vier van die hoogwaardigheids emblemata, b. v.: een voor hooge -gelegenheden als: Koningsverjaardag, Chineesch Nieuwjaar, Garebeg -besar, enz.; een voor gewone officieele, eene voor niet officieele -gelegenheden, als het afleggen van bezoeken, enz. en eene voor de -wandelingen. - -[42] Pretto ook „tahi madat” genoemd, is het uitschraapsel van de -opiumpijp. Dat residu wordt vermengd met het verdikte sap, vooral van -de Sedap malam, de Polyanthes tuberosa en van de Gandja, de Canabis -Indica. Zoo wordt de opium in N.-I. op groote schaal vervalscht, zeer -ten nadeele—hoe jammer nietwaar?—van de schatkist, maar vooral ten -nadeele van de menschheid; want de vervalschingsmiddelen zijn nog veel -schadelijker, dan de morphine, die het hoofdbestanddeel der opium -uitmaakt. - -[43] O! sama djoega, Kandjeng toean. Dat tafereel van den resident met -den Chinees en den hond is meesterlijk in teekening gebracht door J. -den Beer in zijne Tjampoer-Adoek, uitgave van Gualth. Kolff te Leiden -en G. Kolff & Co., te Batavia. - -[44] Gekko’s oendoek, oerat minjangan, laler idjoe, sarong lawet, Van -al deze dieren worden door zoogenaamde deskundigen teeldriftprikkels -vervaardigd. Zie omtrent de gekko de aanteekening No. 2 op bladz. 40 -hiervoren. De oendoek, te Bandjermasin sedjangang genoemd, is een -vischje dat zeer veel in de moerassige streken van Zuid Borneo, maar -ook hier en daar op Java aangetroffen wordt. Het heeft een kop, die wel -eenige overeenkomst met dien van een paard heeft. Ik heb niet kunnen -opsporen, hoe de geleerden deze heeten. Zij kan niet tot de Hypocampi -behooren, die in het aquarium te Amsterdam aanwezig zijn; het verschil -daarmede is te groot. De oendoek, waarop hier bedoeld wordt, heeft -geheel en al het lichaam van een visch, maar kan zich met de -borstvinnen zeer vlug over drooggevallen modder voortbewegen. Er -bestaan verscheidene soorten van oendoek. Die soort evenwel, die met -fijne grasgroene schubben bedekt is, wordt voor erotische doeleinden -het meest geschikt geacht. Oerat minjangan zijn hertenpeezen, -voornamelijk afkomstig van de Cervus russa. Er wordt in hertenpeezen -een belangrijken handel gedreven, daar de Chineezen een kopje bouillon, -daarvan gekookt, als een uitstekend aphrodisiacon hebben leeren kennen. -De laler idjoe, hier bedoeld, is eene vrij groote groengoudvlieg, wie -de erotische eigenschappen van de Kantharis toegekend worden. Sarong -lawet zijn de zoo bekende eetbare vogelnestjes. Lawet is de Javaansche -naam van de zeezwaluw, de hirundo esculenta, die haar nestje uit een -soort slijm bouwt. Ook die nestjes worden als uitstekend -opwekkingsmiddel door de Chineezen geroemd. - -[45] Daoen gettal is een gewas, dat door de Javanen Rawèh, en door de -geleerden Mucuna prurita geheeten wordt. De boontjes worden voor een -sterk werkend aphrodisiacon gehouden. - -[46] Een paal is eene lengtemaat gebruikelijk op Java van 1506,94 -meter. - -[47] De heerlijkste manga’s, de lekkerste ramboetan’s, de rinschste -assam’s, de saprijkste bliembieng’s, de geurigste djeroeks en de meest -verfrisschende djamboe’s. De manga-boom met zijne niervormige vruchten -is een gewas, dat 40 voet hoog wordt, en eene dichte kruin vormt. Er -bestaan vele variëteiten van manga’s op Java, waarvan de Mangifera -Indica en de M. foetida de voornaamste zijn. De ramboetan met zijn -vleezig behaarde roode en gele vruchten, vormt ook een hoogen boom, die -door de plantenkundigen Nephelium lappaceum geheeten wordt. De pohon -assam is de zoo fraaie tamarindeboom met zijn fijn gevind loof, de -Tamarindus Indica. De bliembieng met zijne komkommervormige frissche -vrucht is meer een struik, en is in twee hoofdsoorten verdeeld: de -bliembieng manies = Averrhoa carambola, en de bliembieng assam = -Averrhoa bilimbi. De djamboeboom is mede een fraai gewas, meestal met -machtige kruin. Er bestaan wel 70 soorten in Ned.-Indië, waarvan de -djamboe Samarang of Jambosa alba, de djamboe bol of J. domestica, de -djamboe ajer of J. aquosa, de djamboe mawar of J. vulgaris de -voornaamsten zijn. - -[48] Katja-piring, kembang mentega, melattie, poekoel ampat, kemoening, -kembang spatoe, patra kombala. Allen bloemstruiken, ware sierplanten. -De Katja-piring = Gardenia grandiflora; de kembang mentega = Nerium -oderum; de melattie = Jasminum Sambac; de poekoel ampat = Mirabilis -jalappa; de kemoening = Murraga exotica; de kembang spatoe = Hibiscus -rosa sinensis; de patra kombala = Caesalpinia pulcherrima. - -[49] Bamboe betong = Bambusa nigra ciliata. - -[50] Bandeng’s, djampal’s batak’s, gaboes zijn vischsoorten, die door -de ichtyologen respectivelijk Lutodeira chanos, Pangasius djambal, -Anabas scandens, en Ophicephalus striatus geheeten worden. - -[51] Singo was eerst in handen van wervers voor het leger gevallen. De -Gouv.-Gen. Duymaer van Twist meende de ergerlijke praktijken, die -gebezigd werden, om met behulp van opium, vrouwen en dobbelspel de -Inlanders te ronselen, te moeten tegengaan, en verbood die praktijken -ernstig bij circulaire. Maar, heel kort daarop verscheen eene geheime -circulaire, waarbij de eerste ingetrokken en de schandelijke toestand -bestendigd werd. - -[52] Het aantal opiumkitten in het pachtdistrict met een tiental -vermeerderd werd. De lezer kan de waarheid van die bewering toetsen. -Bij art. 8 van de opium ordonnantie (Ind. Stsbl. No. 197 van 1872) was -het aantal opiumkitten voor de residentie Samarang op 42 bepaald. Bij -eene volgende opium ordonnantie, twee jaren later geslagen, (Ind. -Stsbl. No. 229 van 1874) werd dat aantal voor die residentie op 52 en -negen jaren later (Stsbl. No. 197 van 1883) op 61 bepaald. Toch schreef -de Min. van Kol. Rochussen, op 4 Mei 1858, dat geen meer afdoend middel -om het opiumverbruik tegen te gaan, kan worden aangewend, dan het getal -der opiumkitten te verminderen. „Het is,” zoo waren zijne woorden, -„door de vermenigvuldiging van deze, dat de Inlandsche bevolking zich -meer en meer in verzoeking gebracht ziet, om zich aan het gebruik van -het verderfelijk heulsap over te geven en de amfioenpacht zelve van het -doel, dat er mede beoogd moet worden, zich van lieverlede verwijdert.” - -Bij circulaire van den Directeur van Middelen en Domeinen, d.d. 4 Nov. -1862, No. 3823 (B 1298), werd den residenten medegedeeld: „dat de -Regeering met vasten wil er naar streeft, om het amfioenverbruik door -verbodsbepalingen en beperkingen tegen te gaan. Daartoe beveelt zij aan -eene inkrimping van het aantal kitten” enz. Die circulaire is nimmer -ingetrokken en derhalve nog van kracht. Maar, zeg mij: kon die vaste -wil der Regeering op ergerlijker wijze gebrandmerkt worden dan door -haar zelve geschied is? - -[53] Galangan’s zijn dijkjes, die de natte rijstvelden omgeven. Die -dijkjes moeten goed onderhouden worden, wil de landbouwer geene -teleurstellingen bij het bevloeien zijner sawah’s ondervinden. Zij -moeten van tijd tot tijd verlegd worden, eerstens om de vruchtbare -maagdelijke aarde, waaruit zij bestaan, weer met den bodem te -vermengen; ook om te beletten, dat die dijkjes broeinesten worden van -ongedierte als slangen, yoeyoe’s (krabbesoort) enz. - -[54] In den vollen oogsttijd. De rijstoogst valt op Java niet overal -gelijktijdig in. Op de strandvlakten heeft hij gewoonlijk einde Juni -plaats, in de bergstreken later. - -[55] Het is dan voor haar eene ware kermis. Dat is ook het gevoelen van -den oud-Hoofd-inspecteur der Cultures in Ned. O. Indië K. W. van -Gorkom. Zie zijne Oost-Indische Cultures 1e deel bladz. 115. - -[56] Gamelan is een muziek-orchest, uit vele metalen bekkens en andere -instrumenten bestaande. Na de Koloniale Tentoonstelling te Amsterdam -vertrouwt de schrijver, dat voor het lezend publiek een verdere uitleg -overbodig is. - -[57] Aloon aloon is een plein, dat schier in iedere dèsa aangetroffen -wordt. Gewoonlijk wordt het door Wariengienboomen, de Ficus religiosa, -een der prachtigste keerkringsgewassen overschaduwd. Aan de westzijde -staat gewoonlijk het bedehuis, de missighiet, terwijl de andere zijden -door de woningen der hoofden ingenomen worden. Voor de komst der -blanken had daar onder die boomen de rechtsbedeeling door de Javaansche -hoofden plaats. - -[58] Kamprits en kalongs. De kamprit is eene kleine soort vledermuis, -die in verbazende menigte onder de daken der dèsa-woningen huizen, en -bij het vallen van den avond in dichte zwermen uitvliegen. De meest -verspreide soort op Java is de Vesperugo noctula, die hoofdzakelijk van -insecten leeft. De kalong behoort even als de voorgaande tot de -handvleugeligen, maar is veel grooter. Hij bereikt de grootte van een -jongen patrijshond, en is een ware plaag voor de dèsa-bewoners, daar -hij zich uitsluitend met vruchten voedt. Door de geleerden wordt hij -Pteropus edulis geheeten. - -[59] Sedap malam. Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78. - -[60] De Pernakh-an gedang en de gambang. De eerstgenoemde is een der -kleinste bekkens van het Javaansche orchest en met zeer hoogen toon. Er -bestaan twee instrumenten van dien naam, die evenwel in afmeting, maar -ook in toon met elkander verschillen. De gambang is een schuitvormige -bak, op welks randen latten van zeer klankrijk hout rusten, die met een -paar kamertjes bespeeld worden. - -[61] De rebab en de gender. Eerstgenoemde is eene tweesnarige viool. De -gender is even als de gambang een schuitvormige bak, een soort -glaslatten-harmonica, waarvan de toetsen evenwel van metaal zijn. - -[62] Topeng is de naam van de oorspronkelijke tooneelvoorstelling op -Java, die door ettelijke acteurs en actrices met begeleiding van het -gamelanspel uitgevoerd wordt. Meestal worden daarbij historische -legenden aanschouwelijk gemaakt. - -[63] Ronggeng zou kunnen vertaald worden door het woord actrice. De -ronggeng kan bij de topeng niet ontbeerd worden. In den regel zijn de -ronggeng’s zeer schoone vrouwen maar tevens lichtekooien van de ergste -soort. - -[64] Hadden de Chineezen alle redenen van tevredenheid. De lezer zou -kunnen meenen, dat de schrijver hier bij het ontwerpen van dit -verleidingstafereel overdreef, of de waarheid geweld aandeed. Luister -eens, wat de Min. van Kol. Hasselman, bij de behandeling der begrooting -van N.-Indië in de volle Tweede Kamer liet hooren. Het waren woorden, -die hem destijds als resident door een opiumpachter ingefluisterd -waren. Het gold toen inkrimping van het bestaande aantal opium-kitten. -„Er kwam nog iets bij,” zei de Chinees in het vuur van de verdediging -zijner belangen. „Er kwam nog iets bij, namelijk: dat het zoo jammer -was, als eene kit, nadat ze met veel moeiten en kosten was productief -gemaakt, werd ingetrokken. Men moest om de bevolking te lokken, feesten -en danspartijen geven, en dit mocht toch niet tot eene vergeefsche -moeite worden gemaakt.” - -Wanneer nu in den boezem der vertegenwoordiging, waarin slechts uiterst -schroomvallig, vooral door Ministers v. Kol. de opiumkwestie behandeld -wordt, zulke mededeelingen weerklonken hebben, dan kan de lezer -oordeelen over wat er er in werkelijkheid omgaat, en dan moge hij -uitspraak doen, of het in den tekst voorkomend verleidingstafereel -overdreven mag heeten. - -[65] Krachtige bondgenooten aangetroffen in de vrouwen. In de -Itinerario, Voijage ofte Schipvaert van Jan Huygen van Linschoten, een -Haarlemmer, die in 1569 naar Indië zeilde, worden uitvoerige -bizonderheden aangetroffen, die een romanschrijver niet bezigen mag. -Die bizonderheden geven evenwel de oorzaken aan, waarom de vrouwen in -N.-I. op het samenzijn met een opiumschuiver zoo verlekkerd zijn. Jean -Chrétien Baud, hoewel niet zoo in bizonderheden afdalende, bevestigt -volkomen het bestaan dier oorzaken in zijne Proeve, in de aanteekening -No. 1 op bladz. 43 hiervoren reeds aangehaald. Men zie ook Van Dedem’s -studie in de aanteekening No. 1 op bladz. 74 hiervoren aangehaald. Bij -inzien van die aangehaalde werken zal de lezer ook ervaren, waarom de -opium naast of zelfs boven ieder ander aphrodisiacon gesteld kan -worden. - -[66] Mata’s. Een mata, ook wel „tiembang” genaamd, is het 1⁄1600 van -een katie, of het 0,368 van een milligram. - -[67] Tegen slechts veertien cent per mata. Zie Koloniale Verslag voor -1884, hoofdstuk M., Afd. I., bladz. 154. - -[68] Van den eenen zwijmel in den anderen overgingen. Een volbloed -Chinees schreef nog niet zoo heel lang geleden in de Times: „Wijs mij -één geval, waarin iemand zich heeft gehouden aan eene vaste hoeveelheid -opium, waarmede hij tien jaren geleden begon, en ik zal u honderd -gevallen toonen, waarin men begon met eene matige hoeveelheid, doch -binnen tien jaren het gebruik zoo toenam, dat het de schuivers te -gronde richtte.” - -[69] Waarvan het verhaal onmogelijk moge schijnen; maar die helaas! -toch zoo dikwerf plaats vindt. Helaas, hoe dikwijls hebben de Indische -dagbladen gelegenheid zoodanige gebeurtenissen mede te deelen. -Dergelijke berichten van opiumschandalen komen schier nog menigvuldiger -voor, dan in de Nederlandsche dagbladen die der kinderlijkjes in -grachten, slooten, enz. gevonden. - -[70] Njonja mahal. Zie daaromtrent bladz. 160 van Macht tegen recht -Piepers, bij de aanteekening hiervoren op bladz. 73, reeds aangehaald. - -[71] Ngoh, de Watergod. Zie daaromtrent bladz. 299 van de Jaarlijksche -feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen door Dr. J. J. M. de Groot. - -[72] Bij de beschrijving van de werkkring van het Binn. Bestuur vindt -men op bladz. 153 van de Regeerings-Almanak voor 1881 aangeteekend, -omtrent deze Inl. ambtenaren: „Elken regent is een patih toegevoegd, in -alles zijn plaatsbekleeder, door wien de regent zijne bevelen laat -overbrengen aan mindere hoofden en die voor de tenuitvoerlegging dier -bevelen te zorgen heeft.” - -[73] Kanarie-boomen, eene fraaie boomsoort met prachtige kruin, door de -geleerden Canarium commune geheeten. - -[74] Pradjoerits zijn zoogenaamde regentstroepen, infanteristen, die -eigenlijk tot niets anders dienen, dan tot geur der civiele ambtenaren. -Geen deskundige heeft hen ooit eenige militaire waarde toegekend. - -[75] Hoofd-djaksa is de officier van justitie en de openbare aanklager -bij de Inlandsche rechtbanken in Ned. Indië. Zie deswege bladz. 67 van -den Regeerings-Almanak voor N.-I. van 1881; ook de bladzn. 305 en -volgenden tot 311 van de Essai sur les principes régissant -l’administration de la justice aux Indes Orientales hollandaises, door -Mr. Winckel. De Inlandsche officieren van justitie bij de landraden in -de hoofdplaatsen der residentiën voeren den titel van hoofd-djaksa. Hem -zijn een of meer helpers toegevoegd, die officieel adjunct hoofd-djaksa -heeten, maar in den regel evenals de officieren van justitie bij de -landraden in de onderafdeelingen slechts djaksa genoemd worden. - -[76] Radhen ajoe. Zoo worden de eerste vrouwen van de Javaansche -grooten genoemd, die als Mahomedanen de veelwijverij toegedaan zijn. - -[77] Tjemårå’s. Er zijn in Indië verscheiden soorten van dat gewas. De -hier bedoelde is de Casuarina equisetifolia. - -[78] Pandan rampeh gedeh. Dit is de Pandanus latifolius der geleerden. -Wordt veel op Java aangekweekt om zijne sierlijkheid, maar vooral om -zijne aangenaam riekende bladeren, die fijn gesneden door de vrouwen in -het haar gedragen worden. - -[79] Makassaren. De inheemsche paarden van Zuid-Celebes zijn door den -geheelen Archipel beroemd. Zij worden Makassaren genoemd naar de -hoofdplaats Makassar. - -[80] Kedoeërs en Batakkers. In den tijd, lang geleden, toen de -Nederlanders nog hart voor hunne koloniën hadden, werden Friesche -hengsten ingevoerd en in de residentiën Kedoe en -Preanger-Regentschappen stoeterijen opgericht. De stoeterijen zijn -reeds lang verdwenen; maar de afstammelingen van die Friesche hengsten -vormen een zeer fraai en krachtig paardenras, dat evenwel door gebrek -aan nieuw bloed langzamerhand uitsterft. Batakkers zijn een fraai -inheemsch paardenras, in de Bataklanden in Noord-Sumatra. Het zijn -kleine paarden, maar van zoo edelen vorm, dat moeielijk iets meer -volmaakt op dit gebied uit te denken is. - -[81] Tamarinde-boom is een groote kruinboom met uiterst fijn gevinde -bladeren. Bij de geleerden heet hij Tamarindus indica. - -[82] Toeri- of klampiesstruikjes zijn sierlijke gewassen, die door de -geleerden genoemd worden, de eerste: Agati grandiflora, de tweede -Acacia tomentosa. - -[83] Wedono, djoeroetoelis, loerah, kabajan, kamitoewa en tjarik zijn -allen titels van Javaansche hoofden. De wedono is het districtshoofd, -de djoeroetoelis is zijn schrijver, de loerah is het dèsahoofd en de -drie vorigen zijn leden van het dèsabestuur. - -[84] Als de bevolking er gebruik van mag maken. De tijd ligt zoo ver -niet achter ons, dat de Javaan geprest werd, om in onbetaalden -heerendienst prachtige wegen over berg en dal voor zijne blanke -overheerschers aan te leggen, evenwel daarvan zelf geen gebruik mocht -maken, maar zich vergenoegen moest met de zoogenaamde karrewegen, naar -welker onderhoud niemand omzag, en dan ook in een niet te beschrijven -toestand van verwaarloozing verkeerden. - -[85] Met dispensatie van het afleggen van eenig examen. Bij koninklijk -besluit dd. 21 Januari 1879 No. 28 werd aan tien Nederlandsche -landsdienaren dispensatie verleend van het examen, bedoeld bij -Staatsblad No. 194 van 1864. Men hoopte door dien maatregel de -comptabiliteits-wet, die dreigde te stranden, in vlot water te brengen. -De lezer kan nagaan welke specialiteiten toen naar Ned. Indië gezonden -zijn. Helaas! de zoo schoone Koloniën ondervinden er de naweën en -Nederland plukt er de vruchten van. - -[86] Die zij gewoonlijk ’s Vrijdags slechts aan hadden. De Vrijdag, -hari Djoemahat, is de Zondag der Mahomedanen. - -[87] Kanarievogel. De uniformen der oppassers zijn ruim met geel laken -uitgemonsterd. Van daar die gebruikelijke benaming. - -[88] Te zeer gewoon aan zoo’n bejegening. Voor hen, wien deze episode -te sterk gekleurd mocht voorkomen, raden wij eene vlijtige inzage van -de Indische dagbladen aan. Zij zullen dan menig staaltje lezen, als het -ondervolgende, dat een uit zoovelen uitgekozen en in het Indische -Vaderland van 16 Januari 1883 aangetroffen wordt: „OPIUMZAKEN. Toen -gisteren namiddag de opiumambtenaar Steinfort huiszoeking zou doen bij -den Chinees Lim Kwa Hong, vond deze laatste bij de gebruikelijke -visitatie aan den lijve, dat de oppasser van den heer S., Rono genaamd, -een klein doosje met klandestiene tjandoe bij zich had.” Hetzelfde feit -werd op denzelfden dag ook door het dagblad de Locomotief medegedeeld. - -[89] Keh is eene gemeenzame benaming van een Chinees, bijna een -scheldnaam. - -[90] Kedjineman hier in de beteekenis van wachthebbende. - -[91] Wariengienboom. Zie de aanteekening No. 3 op bladz. 94 hiervoren. - -[92] Kalong. Is eene soort vliegende hond, die tot de handvleugeligen -behoort. Hij wordt door de zoölogen Pteropus edulis geheeten. Edulis -beteekent eetbaar, en werkelijk dat dier wordt door ettelijke jagers -met graagte genuttigd. - -[93] Kwenni. Is eene soort manga, en wordt door de botanici Mangifera -foetida geheeten. - -[94] Tongeret oetan wordt door de entomologen Tosena fasciata geheeten. - -[95] Baud’s bekende Proeve. Zie omtrent den titel dier verhandeling de -aanteekening Nr. 1 op bladz. 43 hiervoren. - -[96] Companie ketjil = de kleine kompagnie is de benaming bij den -Inlander van de Nederlandsche Handelmaatschappij. - -[97] Wiens naam mij ontschoten is. Die Chinees heet Li Schi Tschin. Hij -schreef in 1596 zijn Pen Tsao Kang Mo of Chineesche pharmacopoea. - -[98] Von Miclucho Maclay. Zie daaromtrent Natuurkundig Tijdschrift van -N.-I. XXXVste Deel. - -[99] Mannen als Rochussen, Loudon, Hasselman, Van Bosse. Rochussen: zie -zijn missive aan de Ind. Regeering dd. 3 Mei 1858; Loudon: zie Tweede -Kamerzitting December 1861; Hasselman: zie zijn brief aan den Koning -dd. 16 April 1869; Van Bosse: zie Kamerzitting 11 Maart 1872. - -[100] De kit is nog open. Bij art. 7 van het regl. voor de opiumpacht -op Java en Madoera (Ordonn. 25 Sept. 1874 Ind. Stsbl. No. 228) wordt o. -a. ook bepaald, dat: de kitten worden gesloten en de opiumverkoop -gestaakt tusschen elf uur des avonds en half zes des morgens. - -[101] De pijp uitkrabben, om zoo het noodlottige narcoticum machtig te -worden. De opiumpachters koopen dat uitkrabsel, hetwelk „tahi madat” -geheeten wordt, op, om hunne officiëele waar mede te vervalschen. Die -vervalsching wordt bij art. 13 van het bij de vorige noot op bladz. 212 -aangehaalde reglement met zware boete bedreigt. Hoe edelaardig niet -waar? Den Javaan tegen vervalschte vergiftiging te beschermen! Er dient -bij verteld te worden, dat die vervalsching te zeer de onvervalschte -vergiftiging van het Staatsmonopolie zou benadeelen. - -[102] Om zoo het noodlottige narcoticum machtig te worden. Zie -daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78. - -[103] Dagteekent reeds van 1824. Dat besluit is van 3 December en te -vinden in het Ind. Staatsblad No. 44 van dat jaar. - -[104] Omdat men vreesde, dat de bevolking koffie zou stelen, om zich -aan het amfioenschuiven te kunnen overgeven. Zie Baud’s Proeve enz. -reeds in de aanteek. No. 1 op bladz. 43 hiervoren aangehaald. Op bladz. -162 van het daar vermelde deel der Bijdragen staat woordelijk: „De -Preangerlanden werden van het pachtgebied uitgesloten en alle invoer -van opium aldaar verboden. Dat stond in verband met de vrees voor -sluikhandel in koffie. Verslaafden de Inlanders zich aan het -amfioenrooken, dan zouden zij, meende men, de Gouvernements-koffie -verkoopen om aan die neiging te kunnen voldoen.” - -[105] Met vrede te Atjeh te decreteeren, die nog in de verste verte -niet te bespeuren is. Zie hieromtrent de hoofdartikelen in 1885 in de -Nederlandsche dagbladen: Het Algemeen Handelsblad, De Amsterdammer, Het -Vaderland en zooveel anderen in de maand Juli 1885 gepubliceerd. - -[106] En de Vertegenwoordiging nam die raming zonder blikken en blozen -aan. Och, wat was Grenits nog naïef met zijne verontwaardiging. De -opiumramingen van 1886 en van 1887, die respectievelijk 21 en bijna 22 -millioen bedroegen, zijn evenzeer zonder blikken of blozen aangenomen. -Nederland heeft geld noodig en dan komt het er niet op aan, uit welk -riool dat geld door de Regeering met vuil viezen vinger gehaald wordt. -In de Eerste Kamer werd de Minister Sprenger van Eyk in 1885 nog -geprezen voor zijn financiëel beleid. Hoera, voor de Nederlandsche -Vertegenwoordiging! - -[107] Lees de Indische dagbladen maar geregeld. Alle verschenen -artikelen op te sommen, is niet doenlijk. Maar de lezing van b. v. Het -Indische Vaderland van 15 Januari en 8 Februari 1883, en ook de -Locomotief van 25 Juli en 1 Augustus van hetzelfde jaar kan ik -aanbevelen. - -[108] Elke regeling moet worden veroordeeld, die de strekking heeft, om -door een vermeerderd debiet de rijzing van den pachtschat te -verkrijgen. Grenits kwam waarlijk beslagen op het ijs, want de Minister -van Koloniën Rochussen verkondigde in nagenoeg dezelfde bewoordingen -dezelfde stelling in zijne missive aan de Ind. Regeering dd. 3 Mei -1858. Hoe die waarlijk verheven grondstelling nagekomen is en wordt, -leert de noot op de vorige bladzijde. - -[109] Door een minister van Koloniën tot een belastingheffingsstelsel -verheven is. Zie de inlichtingen van den Min. v. K. Sprenger van Eyk, -aan de Tweede Kamer aangeboden bij zijne geleidende missive dd. -September 1884 No. 1. - -[110] Dan wordt hij beboet. Ziet ook over het bezit en verkoop van -opium door apothekers in Ned. Indië de Ordonnantie dd. 8 October 1872 -(Ind. Stbl. No 170). - -[111] Stipt en onwrikbaar hun plicht zullen doen. Ja, dat zullen zij! -Maar... hoe wordt hun plichtsbetrachting door de Regeerende personen -gewaardeerd? In de Kamerzitting van 11 November 1885 permitteerde de -Min v. Kol. Sprenger van Eyk zich de persiflage: „zij pruttelen wel, -maar dat is niet gevaarlijk. Rechtmatige klachten inbrengen wordt in -den mond van die Excellentie pruttelen geheeten, en daaraan wordt eerst -aandacht geschonken als het gevaarlijk wordt. - -[112] Atapoepoe of de Tomini-baai. Eerstgenoemde is een kleine kampong -op de noordkust van het eiland Timor vlak bij de Portugeesche grens -gelegen. De Tomini-baai is een groote inham, welke de Moluksche zee in -Noord-Oost-Celebes maakt. - -[113] Advocaat Winckel. Deze rechtsgeleerde, die redacteur was van een -der Indische bladen, werd in 1873 wegens eenige ondoordachte woorden -over den toenmaligen Gouverneur-Generaal met betrekking tot den -Atjeh-oorlog zonder vorm van proces uit Nederlandsch-Indië gebannen. - -[114] Dit distichon beteekent vrij vertaald: hij die een kus verwerft -en het overige niet weet te veroveren, is waard, dat hij datgene -verliest, wat hij reeds erlangd heeft. - -[115] Vierbekkige palita. In het meerendeel der dèsa’s van Java’s -binnenlanden, waar de petroleum-verlichting nog niet is doorgedrongen, -wordt een soort van ijzeren bakje met vier tuitjes in de toeken, waarin -in katjang- of klapper-olie een pitje ligt, tot lamp gebezigd. - -[116] Sembong, Kemanden kerbo en Oering aring zijn heestergewassen, die -op Java veelvuldig langs berghellingen op steenachtigen bodem werden -aangetroffen. Zij behooren tot de Compositeeën. De eerstgenoemde wordt -Conyza balsamifera genoemd. De bladeren, vooral de jonge spruiten zijn -zeer welriekend. De Kemanden kerbo heet C. Macrophylis en de derde -genoemde Eclypta erecta. - -[117] Oeweh lilin is eene rottansoort en heet Calamus melanoloma. - -[118] Djatie doeri. Dit is eene variëteit van gedoornde Tectona -Grandis. - -[119] Siwallan is de Javaansche naam van een dwergpalm, die niet hooger -wordt dan 20 voet. Hij wordt door de geleerden Borassus flabelliformis -geheeten. - -[120] Melati bloem. Zie de aanteekening No. 1 op bladz. 89 hiervoren. - -[121] Tjoe is jonge arak. Wordt door Chineezen veel gedronken. De -Bataviasche tjoe heeft onder hen een zeer gunstigen naam. - -[122] Maar den dood niet ontkomen zouden. Een gewond wild sterft in den -regel in tropische gewesten. De tallooze vliegen en andere insekten, -die zich op de wonden werpen, maken genezing onmogelijk. - -[123] Komessoe is een boom, die nog al op Java op steenachtigen grond -aangetroffen wordt. In de Vorstenlanden heet hij Pohon malam, en wordt -daar soms aangeplant, voor de was, die uit de vruchten getrokken wordt -en mienjak tangkallah heet. De plantenkundigen noemen den boom, die tot -de Laurineeën behoort: Cylicodaphne sebifera. - -[124] Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 44 hiervoren. - -[125] Soengoe mattie. Soengoe beteekent: zeker en mattie: dood. Dus de -uitdrukking: zeker dood; kan gelijk gesteld worden met de Nederlandsche -uitdrukking: „ik mag doodvallen” of iets dergelijks, om de waarheid te -bevestigen. - -[126] Koekoesan is een spits toeloopende kegelvormige mand van -bamboevlechtwerk, waarin de rijst in den stoom van een ketel „dandang” -genaamd, gaar wordt gestoomd. - -[127] Kerri’s, sajoran’s, sambalan’s en atjaran’s. Kerri is eene soort -bouillon, waarvan de „koenier” (curcuma longa) het hoofdbestanddeel -uitmaakt. Sajor is de naam voor groenten. Tot toespijs wordt een soort -bouillon gekookt, sterk spaanschgepeperd, waarin vele groentesoorten. -Zoo’n groentesoep heet sajoran. Sambalan’s zijn ook alweer -saus-bereidingen, waarin de sambal of lombokh (spaansche peper) niet -vergeten is. Atjaran’s zijn zuren. - -[128] Kerri ikan. Is eene kerri- of koenier-bouillon, van visch -gekookt. - -[129] Piendang ajam en piendang klowek zijn lichte bouillons van kip of -gerookt vleesch gekookt, zonder groenten, maar met zeer veel spaansche -peper. - -[130] Rawoen daging, sajor loddeh en sajor gado gado zijn verschillende -bouillons, naar hunne verschillende bestanddeelen genoemd. - -[131] Sambal oelak, s. goreng oedang, s. telor, s. ikan mejrah, s. -peteh, s. badjak. S. oelak is eenvoudig spaansche peper met zout -fijngewreven. S. goreng oedang is sp. peper met garnalen gebraden. S. -telor is sp. peper met eieren toebereid. S. ikan mejrah is sp. peper -met makassaarsche roode vischjes. S. peteh is sp. peper met petehboonen -gebraden. De petehboon is de peulvrucht van eene groote accaciasoort, -die door de geleerden Parkia speciosa geheeten wordt. S. batjak -beteekent letterlijk vertaald: zeeroovers-sambal, van wege de scherpte, -die door het aanwenden van lombokh-rawiet of l. sejtan (Capsicum -baccatum) verkregen wordt. - -[132] Atjar bawang, a. lombokh, a. tjampoer adoek beteekent: zuur met -uien of met sp. peper vervaardigd en gemengd zuur. - -[133] Dendeng ragi, d. minjangan. Dendeng zijn dunne lapjes vleesch, -die, na met zout en met verscheidene kruiden ingewreven te zijn, in de -zon gedroogd worden. D. ragi is afkomstig van rundvleesch, d. minjangan -van hertenvleesch. - -[134] Sasateh, besengeh en petjiel zijn kleine stukjes vleesch -gebraden, gepoft of geroosterd, de eerstgenoemde aan zeer dunne stokjes -geregen. - -[135] Ajam goreng en a. pangang is gebraden en gepofte kip. De laatste -is een heerlijk gerecht, wanneer de kip voor het poffen behoorlijk met -kruiden ingewreven en met boter besmeerd is. - -[136] Ikan goerami en i. bandeng assep. Ikan goerami is een heerlijke -zoetwatervisch door de ichtyologen Olphromeus olfax geheeten. De andere -behoort tot de Clupea en wordt Lutadeira Chanos genoemd. Assep -beteekent gerookt. - -[137] Telor troeboek, kroepoek oedang. Telor troeboek is gezouten -vischkuit, afkomstig van eene groote staart-elft-soort, die in groote -menigte in de Brouwerstraat, een onderdeel van Straat Malakka, op de -oostkust van Sumatra gevangen wordt. Die elft heet Alausa macrusus. -Kroepoek oedang is een deeg van fijngewreven garnalen, dat, aan zeer -dunne koeken gesneden, zeer krap gebakken is. - -[138] In dezelfde keuken klaargemaakt. De schrijver heeft het in 1859 -bijgewoond, dat een geheel Boegineesche kompagnie soldaten te -Martapoera (Zuid en Ooster Afdeeling van Borneo) tot een begin van -verzet kwam, omdat zij een en dezelfde keuken moest deelen met eene -Europeesche kompagnie, aan welke laatste op gezette tijden spek -verstrekt werd. Inlandsche soldaten beweerden, dat hun eten -verontreinigd werd door de aanraking met het keukengereedschap, dat op -zijn beurt met het spek in aanraking was geweest. - -[139] De opiumpacht rust op het land als eene ware vervloeking. Overal -ontmoet men haren stempel. Helaas ook bij de justitie. Zie het lijvige -werk Macht tegen recht door Mr. M. C. Piepers, 1ste deel, bladz. 81 der -aanteekeningen. - -[140] Als ik mij wel herinner. Het is niet te verwonderen, dat een jong -koopman als Grenits de verslagen van de zittingen van den Raad van Ned. -Indië niet ongeschonden in het hoofd had. Het advies van dat -regeeringslichaam, waarop de jeugdige handelaar doelde, was in de -zitting van 21 Mei 1861 uitgebracht en luidde woordelijk: - -„De opiumpacht heeft steeds als middel van inkomst de belangstelling -van de regeering dezer landen in hooge mate gaande gehouden, en ieder -middel, dat leiden kon om de jaarlijksche opbrengst van deze pacht op -te voeren, werd met gretigheid aangenomen. Zelfs de latere tijd getuigt -daarvan, want de in 1832 aangenomen en sedert gevolgde wijze van -opiumverpachting had ten doel om van dezen tak van inkomst meer -voordeel voor de schatkist te hebben, en het mag niet worden ontkend, -dat het gestadig toenemen van den opiumpachtschat voor de Regeering tot -dusverre geene onverschillige zaak is geweest.” - -Hoort ge, Nederlanders? Ieder middel—ik cursiveerde die woorden—dat -leiden kon de jaarlijksche opbrengst van deze pacht op te voeren, werd -met gretigheid aangenomen. Ieder middel! Ook de meest onzedelijke! En -laat u nu niet misleiden, dat die volzin op het verledene, op 1871 zou -duiden. Telken jare wordt de opbrengst van de opium op de begrooting -door uwen Min. v. Kol. twee millioen hooger geraamd, wat aan een bevel -gelijk staat, om den opiumhartstocht al hooger en hooger op te zweepen. - -[141] De rijke ervaring door mij op dit gebied gedaan, Nederlanders -minder dan ooit fantaiseerde ik hier. Ik laat hier Controleur Verstork -zijne ervaring uitkramen. Och, dat er zulke controleurs te vinden -waren! Maar, wiens waarheidlievendheid ik dan benuttigd heb?.... -Eenvoudig die van een eerbiedwaardig evangelie-verkondiger, van een -man, die zijne waarheidsliefde niet ten offer brengt voor wereldsche -aangelegenheden, die zijn geweten niet verkoopt aan den fiscus. De -geheele volgende tirade, voorkomende op bladz. 290 en volgd., is -woordelijk overgenomen uit een stuk, getiteld: nog een woord over -opium, geschreven door den zendeling-leeraar P. Jansz, in het -Maart-nummer van de Indische Gids van 1882. Dat plagiaat zij mij door -dien waren Christen vergeven! Ik kon het niet van mij verkrijgen, zijn -opstel onbenut te laten. En de woorden, die hij bezigde, en de -toestanden, die hij schetste, waren zoo treffend, dat het mij -onmogelijk was, daaraan iets meer te veranderen, dan voor de -inlassching in mijne romantische schets noodig was. - -[142] Kediri heeft eene bevolking van ruim 700,000 zielen. Zie Indische -Gids, 1882 het artikel: Eene stem uit Indië. Ik verheel dat plagiaat -niet. Integendeel, ik beijver mij die stem uit Indië in breeder kring -over te brengen. - -[143] Nieuwsgierig als een neusaap. Neusapen behooren voornamelijk op -Borneo te huis. Het zijn roodharige apen, die ter gemelde plaats een -vrij langen en welgevormden neus bezitten, waarin echter geen neusbeen -aanwezig is. Dat klompje vleesch verleent die apen een koddig en -voornaam uiterlijk. Zij worden door de geleerden Symnopethicus nasicus -geheeten en zijn zeer nieuwsgierig van aard. - -[144] Het zijn pilletjes. Zie deswege de Catalogus der afd. Ned. -Koloniën op de Intern. Koloniale en Uitvoer Tentoonstelling in 1883 in -Amsterdam, 3de groep op bladz. 5 van het aanhangsel, vermeldende de -voorwerpen van wege het Ned. Zendelinggenootschap ingezonden. - -[145] De lezer bedenke, dat deze roman voor het optreden van Mr. -Keuchenius als minister van Koloniën geschreven werd. Ik heb de -overtuiging dat mits men dien Staatsman daartoe den tijd late, hij het -middel wel zal weten te vinden, den opiumramp krachtig tegen te gaan. - -[146] Om aan de meest onzedelijke lusten te voldoen of hun haat te -koelen. Die geheele tirade, beginnende met de woorden: „dat de -opiumpacht is een Staat in den Staat” is getrokken uit het Indisch -Vaderland No. 168 van 1883. Lezers, gij ziet, ik beken gaarne plagiaat. - -[147] Staatsblad No. 136 van 1876. Bij bedoeld Staatsblad is den -controleur van het Binnenlandsch Bestuur het opsporen van overtredingen -omtrent de wettelijke bepalingen betreffende de opiumpacht op Java en -Madoera opgedragen. - -[148] Nontonnende. Nontonnen is eene Indische uitdrukking, waarmede te -verstaan gegeven wordt: buiten gade te slaan, te zien of te hooren, wat -binnen gebeurt. Geschiedt in Ned. Indië bij concerten, opera’s, -receptiën, enz. veel. Bij zulke gelegenheid is soms meer publiek buiten -dan binnen. - -[149] Dat was bij den val van den minister Van Bloemen Waanders. - -[150] Brengbreng is een metalen bekken, dat wanneer er op geslagen -wordt, een uiterst onaangenamen trillenden toon voortbrengt. Dit bekken -wordt bij oproepingen, maar vooral bij vendutiën gebruikt. - -[151] Broeang beteekent in het maleisch: beer, de Ursus der zoölogen. -Bekin broeang, in de beteekenis, die in den tekst daaraan gegeven is, -zou gelijk staan of een Hollander tegen een Franschman van faire des -ours gewaagde. - -[152] Crotons. De Adal adal wordt door de plantenkundigen: C. Tiglium, -de Kamilakkian: C. Corylifolius, de Camilla: Rothlera tinctoria of C. -Philippense, de wasdragende: C. Sebiferus genoemd. - -[153] Tottokh is de benaming van de blanken, die niet in Ned.-Indië -geboren zijn. - -[154] Aloon-aloon. Zie daaromtrent de aanteekening op bladz. 94 van het -eerste deel. - -[155] Boepati is de Javaansche, eenigszins verouderde naam voor de -Inlandsche machthebbenden, die door de Nederlanders Regenten genoemd -worden. - -[156] Inlandsch kind. Zoo worden gewoonlijk de afstammelingen genoemd -van een Europeeschen vader en eene inlandsche moeder. - -[157] Toean lakkel zou hier moeten klinken: toean rakker. Rakker als de -Inlandsche verbastering van het woord rechter, waarvan de Chineezen -wegens de moeilijkheid, die zij ondervinden om de r uit te spreken, -lakkel maken. - -[158] Dat geheele tooneel is geen fictie maar weer te vinden in de -brochure: - -Iets over de tegenwoordige afhankelijkheid van de Nederlandsch-Indische -rechterlijke ambtenaren in de aanteekening op bladz. 75 van het 1ste -deel reeds aangehaald. De lezer zal zich daar kunnen overtuigen, hoe -stipt nauwkeurig ik in mijne beschrijving ben. Dat plagiaat erken ik -gaarne. - -[159] Artikel 24 van het reglement voor de opiumpacht op Java en Madura -(Ordonnantie dd. 25 September 1874 Stbl. v. N.-I. No. 228) luidt als -volgt: - -„De voor de aangehaalde en verbeurdverklaarde opium overeenkomstig art. -22 uit ’s lands kas uit te keeren gelden, zoomede de boeten, verbeurd -en voldaan ter zake van overtredingen van dit reglement, worden -onverwijld, nadat de veroordeeling kracht van gewijsde zaak heeft -bekomen, of nadat in de gevallen, bedoeld bij Art. 415 van het Inl. -regl. de boete vrijwillig is voldaan en verklaard is, dat in de -verbeurd verklaring wordt berust, verdeeld als volgt: - -a) aan den aanbrenger of aanbrengers 3⁄7; b) aan den aanhaler of de -aanhalers 2⁄7; c) aan allen, die tot het ontdekken der overtreding en -het doen der aanhaling hebben medegewerkt 1⁄7; blijvende... enz.” - -[160] Zie de aanteekening op blz. 27 hierachter. - -[161] Een paal is gelijk aan 1506,96 Meter. - -[162] De heer Meidema doelt hier op het besluit van 18 Sept. 1853 No 5 -(Ind. Stbl. No 73) waarin bij Art. 1 1a B. bepaald is: dat de -aanbrengloonen nimmer kunnen genoten worden door hoofden van -gewestelijk en plaatselijk bestuur en hunne secretarissen, doch dat -hunne aandeelen in den buit, bijaldien een van deze ambtenaren als -aanhaler of aanbrenger mocht voorkomen, zullen worden gebracht ten bate -van den lande; en op het besluit 11 April 1874 No 14 (Ind. Stsbl. No -106) waarbij de vorenstaande bepaling toepasselijk is verklaard voor de -assistent-residenten voor de politie. - -[163] Nan Hioeng is een Chineesche stad in de provincie Kwantoeng op 2½ -graad nagenoeg ten noorden van Canton gelegen. Volgens de babah’s op -Java zijn de omstreken van die stad het zijde-district bij -uitnemendheid. - -[164] Zie omtrent het geven van geschenken bladz. 463 en volgende van -de Jaarlijksche feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen door Dr. J. -M. de Groot. - -[165] Sobat baai beteekent: goede vriend. Sobat is de verbastering van -het Arabische sjachbat = vriend. - -[166] Art. 23 van het opium-reglement luidt: - -„Alle overtredingen der bij dit reglement gemaakte bepalingen waarop -geen bizondere straffen zijn gesteld, worden gestraft met boete van een -duizend tot tienduizend gulden voor elke hoeveelheid van honderd katie -opium of daar beneden, waarmede de overtreding is gepleegd en een -honderd gulden voor elke katie meer en bovendien met gevangenis, de -eerste maal voor den tijd van een maand tot drie jaren en bij herhaling -voor den tijd van drie maanden tot vijf jaren. - -„De gevangenisstraf in de vorige alinea bedoeld, wordt met opzicht tot -Inlanders en met hen gelijkgestelde personen vervangen door dwangarbeid -buiten den ketting van gelijke duur.” - -Dwangarbeid staat gelijk met onze tuchthuisstraf. - -Nederlanders, hoort gij het? Dwangarbeid voor een eenvoudige sluikerij! -Verbeeld u, dat iemand hier te lande voor eene eenvoudige -smokkelgeschiedenis van gedistilleerd tot tuchthuisstraf zou kunnen -veroordeeld worden. Verontwaardigd werpt gij die veronderstelling ver -van u. Ja, maar uwe lasthebbers daar ginds hebben reglementen volgens -welke de Inlanders voor eene eenvoudige opiumsmokkelarij tot -dwangarbeid veroordeeld kunnen worden. En ziet het Weekblad van het -recht maar eens nauwkeurig in, dan zult gij ervaren dat die straf ook -toegepast wordt. - -Tot zulke vreeselijke anomaliën brengt de gevloekte opiumpacht! - -[167] Zoo worden op Java rooftochten genoemd, die meestal -gewapenderhand uitgevoerd worden. Gewoonlijk worden zij des nachts -ondernomen, terwijl de deelnemers zich het gelaat meestal hebben zwart -gemaakt. Het ligt voor de hand, dat doodslag, plundering en -brandstichting daarbij niet zelden voorkomen. - -[168] De landrente wordt op Java en Madoera met uitzondering van de -vorstenlanden Soerakarta en Djokjokarta, geheven van alle beplante -gronden, waarop zakelijke rechten worden uitgeoefend, en die niet -vallen onder de bepalingen omtrent de verponding. De inning daarvan is -opgedragen aan de dèsahoofden, die daarvoor 8% collecteloon genieten, -en aan Inlandsche beambten, ondercollecteurs bij de Inlandsche -inkomsten genaamd, wien hiervoor eene bezoldiging is toegelegd naar de -belangrijkheid van hunne perceptiën. - -[169] Het recht tot den verkoop van opium in het klein wordt op -periodieke tijden door de Nederlandsche regeering aan de meestbiedenden -verpacht, terwijl de pachters, behalve dien bedongen pachtschat de -opium uit ’s lands pakhuizen moeten ontvangen tegen ƒ 30 het katie of ƒ -3000 per pikol. De opium kost het gouvernement alles en alles gerekend -slechts ƒ 13,87 per katie. - -[170] Zie daaromtrent o. a. het voorloopig verslag van de commissie tot -onderzoek der ontwerpen van wet tot vaststelling der begrooting van -Ned. Indië voor 1886 in de afdeelingen der Tweede Kamer. (laatste -alinea § 3, te vinden op bladz. 4 van dat document). - -[171] In Nederl. Indië bevinden zich in alle wachtkamers van de -militaire garnizoenen scherpe patronen, die in eene blikken trommel -opgeborgen zijn. Die trommel is evenwel verzegeld, en de kommandant der -wacht is voor den goeden staat der zegels verantwoordelijk. Natuurlijk -mag die trommel bij dreigend gevaar onder verantwoordelijkheid van dien -kommandant geopend worden. - -[172] Het Besser-gebergte is een bergketen, die dwars door de -residentie Bagelen en meer bepaald door de afdeeling Ledok loopt, en -een verbindingsrug daarstelt tusschen het Midanganggebergte aan de eene -zijde en de vulkanen Soembieng en Sindoro aan de andere zijde. Het -punt, waar de weg over den nok van het Besser-gebergte voert, ligt op -1900 voet boven de oppervlakte der zee. - -[173] Het Midangang-, Paras- en Boetakgebergte. Het Midanganggebergte -vormt de grens tusschen de residentiën Banjoemas en Bagelen. In zijn -hoogsten top bereikt het 3318 voet. Het Parasgebergte ligt in de -Afdeeling Keboemen. De hoogste top verheft zich op 1660 voet. Het -Boetak-gebergte ligt in de Afdeeling Karang Anjer en bereikt eene -hoogte van 1252 voet. - -[174] Zie daaromtrent de aanteekening No. 2 op bladz. 140 van het 1e -deel. - -[175] In Java’s binnenlanden zijn langs de groote wegen op bepaalde -afstanden Rijks postpaarden gestationneerd, die, wanneer de dienst -zulks toelaat, ook voor particulieren tegen betaling verkrijgbaar zijn. - -[176] Een gardoe is een wachthuis. Op Java bestaan overal langs de -wegen dergelijke wachthuizen, die door dèsa-volk betrokken worden. - -[177] Roepanja kasar dan hitam en bahoenja ketjoet. De in den tekst -bedoelde commissie van keuring en weging bij opiumsmokkel bestaat -gewoonlijk uit Chineezen, die van scheikunde in de verste verte geen -denkbeeld hebben, en dan ook slechts op gevoel, kleur en reuk afgaan, -om te constateeren of de aangehaalde opium al dan niet afkomstig is van -de Gouvernementskitten. Wanneer de lezer nu zal weten, dat de -opiumpachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars en -opiumvervalschers zijn, dat de kithouders op hunne beurt een gild -vormen van nog erger allooi dan hunne bazen, dan kan hij zich een -denkbeeld maken, welke soort van rechtsbedeeling den Javanen gewordt. -Dat de lezer nu niet meene, dat ik hier fantaiseer of overdrijf. De -hierboven gebezigde Maleische uitdrukking is getrokken uit een -behoorlijk beëedigd proces-verbaal van zoogenaamde deskundigen. Hij, -die daaromtrent meer wil weten, zie het Ind. Weekblad van het Recht No. -863 van 1879, waarin een vonnis van den landraad te Djoana, praesident -Mr. J. H. Abedanon, dat te recht eene dergelijke keuring brandmerkte. -Maar tegenover ééne zoodanige behandeling van zaken, hoevele -veroordeelingen geschieden niet ter wille van de opiumpacht? De inzage -van No. 879 jaargang 1880 van hetzelfde Weekblad is ook -aanbevelenswaardig. Daarin komt een vonnis voor van den landraad te -Koedoes, en stelt de redactie daaronder: „Bovenstaand vonnis is wel in -staat om menigen politierechter te doen terugdenken aan de tallooze -veroordeelingen in dergelijke zaken, die hij op grond van een onderzoek -door deskundige Chineezen op de politierol heeft uitgesproken.” - -’k Voeg aan het woord der redactie v. h. Weekbl. v. h. Recht dezen -uitroep toe: En aan de veroordeelingen tot DWANGARBEID, gelijkstaande -aan onze TUCHTHUISSTRAF! Nederlanders! hoort gij het!? - -[178] Een straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke -werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter -zake in overtreding bevonden. Die straf is geheel en al overeenkomstig -de 6de alinea van art. 23 van het reglement voor de opiumpacht op Java -en Madoera, (Ordonn. 25 Sept. 1874 Stbl. No. 228) zooals zij gewijzigd -werd bij Ordonn. dd. 27 Aug. 1879 Stbl. No. 262.) - -[179] De listige streken van de opiumjagers, om de beklaagden aan -overtreding schuldig te doen verklaren (bladz. 115). Die omtrent zulke -streken gesticht wil zijn, sla het Indisch Weekblad van het Recht op, -bij voorbeeld van 1878, 1879, 1882, Nos. 804, 843 en 966 en leze daar -ter plaatse de betrekkelijke vonnissen van de landraden te Japara, -Koedoes en Bodjonegoro. Hij leze ook de Indische dagbladen, b. v. de -Locomotief van 18 Jan. en 21 Febr. 1883, het Ind. Vaderland van 27 -Jan., 7 en 17 Febr. en 24 Aug. 1883. En wanneer zulke vonnissen en -dergelijke feiten te constateeren zijn, dan moet de bekentenis afgelegd -worden, dat de Inlander ter wille van den opiumpachtschat met gebonden -handen en voeten aan eene vreeselijke bende is overgeleverd. Want, dat -men zich nogmaals afvrage: tegenover ééne vrijspraak, hoeveel -veroordeelingen door de politierechters? Tegenover één ontmaskerd feit -in de dagbladen, hoevele ergerlijke gebeurtenissen door de opiumbent in -het donker gepleegd? - -[180] Opium ondergaat tot zuivering eene koking met water. Gewoonlijk -gaat die koking gepaard met eene vervalsching, die ten doel heeft een -veel grooter product aan tjandoe te verkrijgen dan bij het -opium-reglement bedoeld wordt. Dat nu dergelijke bewerkingen door niet -scheikundigen uitgevoerd, niet steeds identiek hetzelfde product -opleveren, ligt voor de hand en zal voornamelijk begrepen worden door -apothekers, bierbrouwers, zeepzieders, enz., menschen, die, met de -meest mogelijke kundigheden toegerust, niet altijd verhoeden kunnen, -dat hunne praeparaten verschillen met vroegere door hen vervaardigde. -Bovendien het Ind. Weekbl. v. h. Recht No. 955 van 1881 levert het -bewijs, dat zelfs reuk, smaak en gevoel voor de Chineesche deskundigen -volstrekt niet voldoende zijn om sluikopium van wettelijke te -onderscheiden. De landraad van Blitar, praeside Mr. M. Levie, -behandelde toch eene zaak, waarbij opium, onder de noodige waarborgen -bij den opiumpachter gekocht, door de Chineesche Commissie van keuring -verklaard werd voor clandestiene opium, omdat de opium van de pachters -was geuriger, donkerder van kleur en dikker van stof. - -[181] Die uitspraak, wierp het Vaderland in zijn nummer van den 3den -December 1887 den Franschen naar het hoofd. Steeds de oude geschiedenis -van den balk en den splinter! - -[182] De lezer vergete niet, dat de roman vóór 1886 speelt, dus den -heer Keuchenius niet geldt. - -[183] Hadde de handeling van mijn roman in 1886 plaats gegrepen, dan -had ik niet de aanbieding van de roman van Ebers laten doen maar van de -oeconomisch critische en historische verhandeling van „de Opium in -Nederlandsch en in Britsch-Indië” door J. A. B. Wiselius. In zijn -voorwoord zegt die Ned. Indische Ambtenaar: - -„Zonder als apologeet voor opiumgebruik op te treden, moeten wij met -den tijdgeest, die uitbreiding van dit consumptie-artikel in al de vijf -werelddeelen voorstaat, vrede sluiten.” - -Hoe gerustgesteld moet zich het geweten van menig regeeringsman door -die verklaring gevoelen! Ik vind het dan ook een snoode ondankbaarheid, -dat den Hr. W. het VIRTUS NOBILITAT nog niet uitgereikt is. - -[184] Ratoe Lårå Kidoel is een bovennatuurlijk wezen van het vrouwelijk -geslacht. De naam zou kunnen vertaald worden door: Koningin-Maagd van -het Zuiden. - -[185] Mer-api beteekent letterlijk vertaald: vuurberg. Met dien naam -worden door de bevolking veelal nog werkende vulkanen aangeduid. - -[186] Waaraan de natuur geene bizondere hinderpalen in den weg gelegd -heeft. De schrijver heeft te Meester Cornelis bijgewoond, dat de jonge -Javaansche vrouw van een Inlandsch militair, nog geen half uur na hare -verlossing, zich met haar kind c. ann. naar de rivier begaf, daar zich -zelve en haar kind reinigde, de ann. in een pot deed, die door haren -echtgenoot dadelijk begraven werd, waarna zij naar de kazerne -terugkeerde, een paar uren rust genoot met haar kind aan de borst, en -toen hare gewone werkzaamheden hervatte, alsof er niets gebeurd was, -terwijl een oude vrouw met de jonggeborene solde. Ik wil dat voorbeeld -nu niet als eene type geven, alsof alle Javaansche kraamvrouwen zoo -zouden handelen. Toch kan betuigd worden, dat de bevalling der -Inlandsche vrouwen in Indië lang zoo lastig niet is als van hare -Europeesche geslachtsgenooten. - -[187] Obat mentellang. Obat beteekent medicijn. Mentellang is de Inl. -naam van eene windende halfheester, door den geleerden Clitorea -Ternatea genaamd en onder de Papilionaceeën gerangschikt. Aan den -wortel worden zekere eigenschappen toegeschreven, die hier niet nader -behoeven aangeduid te worden, daar die uit den tekst genoegzaam -duidelijk zullen zijn. - -[188] Van de lange smalle bladeren van den kokosboom wordt een -vlechtwerk gemaakt, dat den vorm heeft van een vierkant zakje. Dat -zakje wordt gedeeltelijk met rijst gevuld en dan gekookt. Door de -koking zet de rijst uit, en vult het zakje geheel, dat nu den vorm van -een kussentje verkregen heeft. Zoo’n zakje met gekookte rijst wordt -katoepat genaamd, en is voor reizigers door eenzame streken schier -onontbeerlijk, daar die rijst, wanneer de katoepat goed gekookt is, -eene deegachtige massa oplevert, die niet gauw verzuurt of tot bederf -overgaat en met wat lombok en zout genuttigd, zeer smakelijk is. - -[189] Dat, wanneer een pauw gezien of gehoord wordt, een tijger steeds -nabij is, heeft de schrijver meermalen door Javanen en ook door Eur. -liefhebbers van de jacht hooren verzekeren. Junghuhn vermeldt die -bizonderheid ook, en meent de oorzaak van dat samenzijn daarin te -vinden, dat de pauw op de uitwerpselen van den tijger zou azen. - -[190] Kawat beteekent eigenlijk metaaldraad, waarvan kabar kawat = -telegram, pal kawat = telegraafpaal, bitjara kawat = telegrapheeren. De -telegraafpalen, die in Java’s binnenlanden gewoonlijk uit kapokboomen -(Eriodendron anfractuosum) bestaan, zijn op ongeveer 50 passen van -elkaar geplant, zoodat de afstand, hier aan Dalima opgegeven, op ± 1750 -M. of 1⅙ paal geschat kan worden. - -[191] Warong is een kraampje, waarin etenswaren, vooral rijst en -vruchten, verkocht worden. Zulke kraampjes worden in Java’s -binnenlanden langs druk begane wegen veelvuldig aangetroffen. De -koffie, welke daar geschonken wordt, is in den regel overheerlijk. Het -ligt in den aard der zaak, dat die warongs, waar de voorbijgangers zich -laven en te goed doen, de uitverkoren plaatsen zijn, waar de nieuwtjes -gewisseld worden; terwijl daarenboven de waronghoudster, wie niets -ontgaat, al de menschen uit de geheele buurt kent. - -[192] Pisangblad. De pisang = musa paradisiaca, draagt lange en vrij -breede bladeren, die door den Inlander tot velerlei doeleinden, maar -vooral bij zijne maaltijden bij wijze van bord gebezigd worden. - -[193] Sambal peteh. Zie daaromtrent de aanteekening No. 6 op bladz. 283 -van het eerste deel. - -[194] Nassi ketan. Is een kleverige soort rijst door de geleerde Oryza -glutinosa geheeten. Is met de in den tekst aangeduide toespijs eene -zeer gewilde lekkernij. - -[195] Goela aren beteekent palmsuiker. Is een product van de Arenga -saccharifera. - -[196] Ramboetan is de Nepheleum Lappaceum. Eene zeer smakelijke vrucht. - -[197] Doerian is de Durio zebethinus. Insgelijks eene lekkere vrucht -maar met sterken geur. - -[198] Tandoe is een draagtoestel van velerlei vorm. Soms van een licht -bamboeshuisje waarin twee personen zitten kunnen, meestal is het -evenwel slechts een zak als eene hangmat. Bij de eenvoudigste zijn twee -dragers benoodigd; bij zwaardere evenwel meer. - -[199] De å klank heerscht op geheel midden- en Oost-Java in alle open -lettergrepen, die niet door andere met een gewijzigden klank of met een -sluitmedeklinker gevolgd worden. Bewesten de lijn die bij de Javazee -dicht bij de hoofdplaats Pekalongan begint en niet ver van Bagelen’s -hoofdplaats Poerworedjo bij de Indische zee eindigt, gaat die å klank -in de heldervolle a over. - -[200] Ma is eene hartelijke uitdrukking, welke jonge meisjes tegenover -niet oude getrouwde vrouwen bezigen. - -[201] Japara-meubelen: In de residentie Japara houden zich vele Javanen -onledig met het vervaardigen van meubelen, die wat smaak en soliditeit -betreft, het bewijs leveren, dat zij ook op dat gebied met beleid tot -degelijke werklieden gevormd kunnen worden. - -[202] Hier wordt het zoo dichterlijke werk van Silvio Pellico bedoeld. - -[203] Sirihspuw. Bij het kauwen van sirih,—die uit tabak, kalk en -stukjes pinangnoot en gambier bestaat, welke ingrediënten in een -sirihblad gewikkeld, en zoo tot eene pruim gevormd zijn,—wordt het -speeksel bruinrood. De pinangnoot is afkomstig van de Areca catechu, de -gambier of terra Japonica van de Acacia catechu en het sirihblad van de -Chavica bettle. - -[204] Van Rheijn gaf hier bewijzen vlug benaderend uit het hoofd te -kunnen rekenen. Een mata is gelijk aan 0,000386 kilogr. Vijfentwintig -mata’s zijn dus = 0,00965 kilogr. De vergissing is dus niet groot. - -[205] Zie omtrent dien geleerde de aanteekening No. 1 op bladz. 211 van -het eerste deel. - -[206] Dat om 16.000 gulden te kunnen betalen, minstens voor drie malen -die som aan opium is verkocht moeten worden. Dat zal wellicht -overdreven voorkomen. Ik laat hieronder woordelijk eene rekening -volgen, die mij door een opiumambtenaar werd ter hand gesteld, en die -aan de officiëele bescheiden kan getoetst worden. - -Op bladz. 154 van het Kol. Verslag over 1883 vindt men -aangeteekend, dat de opiumpachter van het perceel -Semarang aan pachtschat betaald heeft ƒ 1,260,000 -dat aan hem gedurende dat jaar verstrekt zijn 23600 -katies ruwe opium uit ’s rijks magazijnen ad. ƒ 30 het -katie 708,000 -Nu heeft die pachter eene uitgave gehad, om van die -hoeveelheid ruwe opium te maken tjandoe en -madatpilletjes, gereed om gerookt te worden, ongeveer van 12,000 -In het pachtperceel Semarang bestaan volgens Stbl. No. -229 van 1814, 52 opiumkitten, ((Bij Ord. dd. 7 Aug. 1883 -Stbl. No. 197 werd het aantal kitten voor de volgende -jaren op 61 bepaald. Dus werd de toestand voor den -pachter nog ongunstiger.)) die gemiddeld eene uitgave -vereischen van ƒ 1000 ’s maands 624,000 - ========= -totaal uitgaven 2,604,000 - -Transport uitgaven 2,604,000 -Volgens alle deskundigen, ook volgens art. 16 van de -Ordonn. van 25 Sept. 1874, Stbl. 228, levert het zuiveren -van ruwe opium 50% verlies op, zoodat van de uit de -rijksmagazijnen ontvangen 23600 katies ruwe opium slechts -11800 katies tjandoe verkregen werden. -Het aangehaalde Koloniale Verslag geeft aan, dat de -pachter zijn tjandoe verkocht heeft tegen ƒ 0,14 per mata -of tegen ƒ 224 per katie 2,643,200 - ========= -zoodat er eene netto winst gemaakt is van ƒ 39,200 - -Maar een opiumpachter in N.-I. is in weinige jaren millionair. De -bedoelde heeft minstens ƒ 10,000 ’s maands noodig om zijn huishouden te -voeren. Vraagt u nu eens af, hoe dat van nog geen ƒ 40,000 ’s jaars te -doen is. - -De quaestie verandert evenwel, wanneer de -sluikhandel in het spel komt. Een der meest -bevoegde autoriteiten, de Directeur der Middelen -D. Castens, nam aan, dat de pachters bij de 1600 -kisten opium, die hen van gouvernementswege -verstrekt worden, nog 800 kisten sluikten. Dat -is dus de helft. Nemen wij dat ook aan voor het -onderhavige geval, dan debiteerde de bedoelde -opiumpachter nog 11800 katies ruwe opium of 5900 -katies tjandoe, tegen ƒ 0,14 de mata, en -verkreeg dus een ontvangst van 1,121,600 -tegen eene uitgaaf van 11800 katies opium maal ƒ 13,87, -die hem de gesmokkelde opium maar kost 163,777; -waarbij te voegen om te zuiveren en te -prepareeren 6,000; 169,777 - ========= -zoodat er overblijft eene winst van ƒ 951,823 - -En die, gevoegd bij de winst behaald op het wettig verstrekte vergift, -toelaat eene aardige som ’s jaars, stuk te slaan, en na ommekomst van -een driejarigen pachttermijn als Chinees-millionair in de wereld rond -te kijken. - -Men zal wellicht tegenwerpen, dat eene maandelijksche uitgaaf van -ƒ 1000 voor iedere opiumkit overdreven is. Toch niet. Iedere kit, zelfs -de kleinste, behoeft minstens twee Chineesche beambten: een weger en -een kassier, ettelijke hetaïren en ander ontuchtig gespuis, enz. Voegt -daar nu bij het legio van opiumbeambten, opiumjagers, opiumspionnen, -dat betaald en goed betaald moet worden, de ongelden die besteed moeten -worden tot omkooperij van Inlandsche en Europeesche ambtenaren, tot het -geven van tandakpartijen, tot het onderhoud der kitten, der wachthuizen -langs het strand en de wegen, enz. enz. enz., dan is de raming van -ƒ 1000 ’s maands per kit ver beneden het gemiddelde. - -[207] De lezer zal zich herinneren, dat, toen de HH. v. Goltstein en v. -Lansberghe in 1881 den vrede op het papier decreteerden, de blokkade -opgeheven en de havens onzer vredelievende vijanden voor den handel -zijn opengesteld. Sedert is men daarop terug moeten komen. - -[208] Een taël is het 1⁄16 van een katie of 0,0386 kilogr. De taël -heeft 100 mata’s. - -[209] Wil de lezer weten, hoe de regeering zich beijvert de opium te -Atjeh te weren? Bij art. 1 van het reglement voor de pacht van het -recht tot invoer en verkoop van opium in Groot-Atjeh, vastgesteld bij -Ord. dd. 6 October 1884 Stbl. No. 168 is o. a. bepaald: - -„De pachter is bevoegd te onderzoeken of en zoo ja, hoeveel opium een -vaartuig aan boord heeft, zoomede om een wacht aan boord te plaatsen, -om te waken tegen ongeoorloofde lossing van opium.” - -Ik laat de mogelijkheid van het ontstaan van internationale geschillen -door dien maatregel buiten bespreking. Door die bepaling wordt evenwel -zeer zeker de opiumpachter gebaat; maar ’s lands kas?... Ik geloof -niet, dat er eene bepaling zou kunnen uitgedacht zijn, die beter eene -overstrooming van sluikopium in de hand zou kunnen werken en de -verstrekking van wettige opium tot een minimum zou kunnen brengen. In -verband hiermede leze men nog eens de aanteekening No. 1 op bladz. 47 -van het eerste deel. - -[210] Mata beteekent eigenlijk oog. - -[211] De schrijver heeft in Indië een voorbeeld gezien van een volbloed -Europeaan, die zich aan het opiumschuiven had overgegeven. Het was -iemand van aanzienlijke afkomst, die evenwel misbruik van sterken drank -gemaakt had. Tengevolge van dat misbruik was hij impotent geworden en -had toen ter opwekking zijne toevlucht tot de opiumpijp genomen. Na -volslagen uitputting is hij uiterst ellendig gestorven.—Te Londen -bestaan reeds verscheidene kitten en neemt die hartstocht hand over -hand toe. - -[212] Tahi madat. Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78 -van het eerste deel. - -[213] O, het is nog heerlijker dan.... Het restant van den volzin is te -vinden op den 20sten regel van bladz. 246 van deel XXXV van het -Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. De openhartigheid, -die daar door den geleerden Russischen Schrijver betracht wordt, mag ik -mij als romanschrijver niet veroorloven. Ik vind hier aanleiding om -mede te deelen, dat ik in hoofdzaak de proefneming door den heer Von -Miclucho Maclay gevolgd heb. Ik heb haar echter verrijkt met ettelijke -waarnemingen, die ik gelegenheid had te doen, alsook met die, welke mij -door zeer geloofwaardige mannen medegedeeld werden. Ik heb het -manuscript eener beschrijving van zoo eene proefneming voor mij liggen, -die in afschuwelijkheid alles te boven gaat, wat te bedenken is. - -Intusschen dien ik hier bij te voegen, dat niet dikwijls dergelijke -hoeveelheden opium, als bij die proef verbruikt werden, in eens -geschoven worden; hoewel te constateeren valt, dat er zijn, die veel -meer gebruiken. Oppenheim geeft aan, dat de meeste schuivers met een -grein beginnen, dus met iets minder dan twee mata’s, en het al heel -spoedig brengen tot drie drachma’s, dus tien mata’s. Verscheidene -Javaansche hoofden hebben mij bekend, dat er schuivers waren, die voor -vijf gulden in eene keer gebruikten. De gemiddelde prijs der mata is 14 -cent, dat zou dus ruim 35 mata’s zijn. Von Miclucho Maclay had bij zijn -proef 107 grein of 18,4 mata’s gebruikt. - -[214] Zelfs dames waren verschenen. Dit is ten opzichte der Ind. dames -een licentia poetica, die mijne pen ontsnapt is. Zelden of nooit worden -in Indië rechtsgedingen door schoonen bijgewoond. Zij laten dat -volgaarne aan hare zoo veel volmaaktere zusteren in de brandpunten der -beschaving, bijv. te Brussel bij het proces der gebroeders Peltzer, of -te ’s Hage bij het proces van Jeanne Lorette over. Vooral de -laatstbedoelden zien met diepe kleinachting op hare Indo-Europeesche -geslachtsgenooten neer. Zij hebben er wel redenen toe! - -[215] Sedert de residenten en assistent-residenten als voorzitters van -de landraden door rechterlijke ambtenaren vervangen zijn. Zie -daaromtrent de aanteekening No 1. op bladz. 72 van het eerste deel. Dat -er menschen zijn, die de vroegere toestanden betreuren, laat zich -begrijpen. - -[216] Vooral nu een Europeaan voor zoo’n Javaanschen ellendeling zal -pleiten. Gewoonlijk worden voor den landraad geen pleidooien gehouden. -Ziehier, wat Mr. Winckel in zijn Essai sur les principes rêgissant -l’administration de la justice aux Indes Orientales hollandaises op -bladz. 309 dienaangaande zegt: La procédure devant le C. d. P. (conseil -du pays) est assez semblable à celle en tout pays civilisé, sauf que le -M. P. (ministère public) assiste aux délibérations en chambre du -conseil, l’absence normale d’un défenseur et la manière de prèter -serment. - -[217] Bij de aanstelling der Chineesche officieren. Hier mag niet aan -militaire aanstellingen gedacht worden. De Chineezen in N.-I. hebben -een soort van zelfbestuur—o, heel weinig, zeer weinig!—en worden hunne -hoofden door het Nederl. Ind. gouvernement aangesteld. Daarbij -verkrijgen zij evenwel militaire titels—niets meer—als van majoor, -kapitein en luitenant, welke titels ook nog titulair verleend kunnen -worden. Zoo bezat de Chineesche gemeente te Batavia in 1881 een -majoor-, vier kapiteins- en zes luitenants-effectief en een majoor-, -drie kapiteins- en tien luitenants-titulair. - -[218] Die groote eed wordt ook bij zeer belangrijke civiele gedingen -gevergd. Zie daaromtrent Winckels Essai, hierboven in de aanteekening -No. 2 aangehaald op bladz. 149. - -[219] Pen-ta-King letterlijk vertaald: tempel van de witte steenrots. - -[220] Eene graphische voorstelling van het Cosmogenisch Eerste -beginsel. Die voorstelling is te vinden op bladz. 46 van de -Jaarlijksche Feesten en gebruiken van de Emoy Chineezen door Dr. J. J. -M. de Groot. - -[221] Hijeng-Keng letterlijk: het aanbieden der offerande. - -[222] Tao-peh-kong letterlijk: groote heeroom; is het beeld, dat in de -meeste Chineesche tempels en huizen op Java aangetroffen wordt. -Vertegenwoordigt de goden en het beginsel van het graan door de -kolonisten uit hun vaderland medegebracht. - -[223] Kree’s. Een soort matwerk van gespleten bamboe of rottan, ter -afwering van het schelle daglicht. - -[224] Het was een eigenaardige aanblik. De heeren Woodbury en Page, -photografen te Batavia hebben indertijd een fraaie photographie, zoo’n -landraadzitting voorstellende, in den handel gebracht. Waren de -onkosten niet te hoog, dan zou ik mijn werk met een copie daarvan -hebben verrijkt. - -[225] Als type van de rechtbanken voor Inlanders op Java. Java, zonder -de eilanden Madoera, Bawean en Karimon Djawa, bezat in 1881 83 -dergelijke landraden, waarvan 53 door rechterlijke ambtenaren -voorgezeten werden, dus 30 door niet-rechtsgeleerden. Aan dien toestand -is weinig veranderd, daar volgens de Regeerings-Almanak voor 1889 op -Java nog 28 landraden door niet-rechtsgeleerden gepresideerd worden. - -[226] ’Mbok Dalima. Het is gewoonte op Java, dat de ouders bij de -geboorte van hun oudste kind diens naam aannemen met voorvoeging van -pak of ’mbok (vader of moeder.) Zoo beteekent Pak Ardjan: vader van -Ardjan, ’Mbok Dalima: moeder van Dalima. Er is iets liefs, nietwaar, in -die gewoonte? - -[227] De djaksa vertolkte die vraag in het Javaansch. Ongeloofelijk -nietwaar? dat de rechterlijke ambtenaar, die het Openbaar Ministerie -waarneemt, voor tolk speelt. Ziehier, wat Mr. Winckel op bladz. 305 in -zijne hiervoren reeds aangehaalde Essai sur les principes schrijft: „A -l’encontre de toutes les ordonnances et de tous les règlements, le -ministère public sert d’interprête. Interrogé en Javanais par le -djaksa, le témoin et l’accusé répondent naturellement, comme ils ont -répondu a l’interrogatoire préable, fait par le même personnage. Voilà -le débat oral devenu inutile.” - -[228] Zich aan de gewone visitatie hadden onderworpen. Zie daaromtrent -de aanteekening No. 1 op bladz. 192 van het eerste deel. - -[229] Mijn pleidooi in het Maleisch voorgelezen. Dat zoo iets meer -gebeurt en ook noodzakelijk is, zal de lezer wel gevoelen. De meeste -jonge advocaten kennen geen Maleisch genoeg, om vooral in den beginne -van hunne loopbaan met die sierlijkheid en die overtuiging te kunnen -spreken, welke toch waarborgen van succes geven. - -[230] De Goenoeng Poleng verheft zich op ongeveer 1500 meter boven de -oppervlakte der zee. - -[231] Een „prororoca” is de Spaansche benaming voor een -natuurverschijnsel, dat zich bij vloed in de monding van snel -stroomende rivieren voordoet. Aanvankelijk is het, alsof de -zoetwaterstroom den vloed weerhoudt door te komen, ja, terugdringt, -totdat deze laatste in den strijd eindelijk de overhand verkrijgt en -dan binnen den tijd van een uur, soms binnen minder tijd, den -waterstand in zulk eene monding twaalf tot vijftien voet boven den -ebstand doet stijgen, waartoe op de omliggende kusten zes uren noodig -zijn. De meest merkwaardige „prororoca” wordt in de monding van de -Amazonen-rivier aangetroffen. Intusschen wordt het verschijnsel bij -springvloed ook op Sumatra’s Oostkust, en wel in de Kampar, de Rokan, -de Panei en Assahanrivieren waargenomen; ook in sommige rivieren op de -Zuidkust van Java. - -[232] Nipah-bladeren zijn afkomstig van Nipa Fruticans. Deze is volgens -professor W. R. A. Suringar een zonderlinge dwergpalm met zeer korten -stam, en eene kroon van 13 tot 30 voet lange vederbladeren. - -[233] Poeloepoe. Daaronder verstaat men den bamboehalm in de lengte -doorgespleten en platgeslagen. Zij vormt dan eene soort lenige plank. - -[234] Loentas is een sierlijk struikgewas, door de geleerden Conyza -indica geheeten. Het leent zich bizonder tot het daarstellen van fraaie -heggen en heeft zeer welriekende bladeren. - -[235] Nonna beteekent eigenlijk jonge juffrouw en wordt die naam steeds -aan meisjes gegeven van blank ras, hetzij volbloed of gemengd. Hier is -dat nonna evenwel in de beteekenis opgenomen van meisje van gemengd -ras. Het is eene nonna, wil zeggen: het is een dochter van ouders, -waarvan de een tot het Europeesche en de andere tot het Inlandsche ras -behoort. Nonna voor de vrouwelijke, sienjo voor de mannelijke telgen. - -[236] Boreh is een geel kleurmiddel, afkomstig van de radix Curcuma -officinalis, hetwelk veelvuldig door Javaansche vrouwen gebruikt wordt, -om zich de huid bij feestelijke gelegenheden te verven. Hier werd het -door het Europeesche meisje gebruikt om de blankheid van hare tint te -verbergen, in zoo’n geval wordt het gewone boreh vermengd met poeder -van de Koenir poetih toma of Curcuma Zerumbet, welk mengsel eene fraaie -bruine kleur oplevert. - -[237] Kain Poleng is gestreept goed, dat met vooraf geverfde garens -geweven en somwijlen met gouddraad doorweven wordt. Is dus een -tegenhanger van de „kain batik”, waarbij de figuren later op het witte -goed gebracht werden. - -[238] Njoganni (roode verf) is afkomstig van de Caesalpinia sapan; -Mengkoedoe (bruine verf) wordt voornamelijk getrokken uit de bast van -de Morinda citrifolia; Koenier (gele verf) Curcuma longa. - -[239] Aboe kesambi. Aboe beteekent asch. Kesambi is een boom, die door -de geleerden Schleichera trijaga geheeten wordt. Van die asch wordt -door de Javaansche ververs een loog vervaardigd, om overgangen der -tinten zacht, minder scherp te maken. - -[240] Nonna hier in de beteekenis van meisjes van gemengd ras. - -[241] De zonen van het hemelsche rijk geen kerkelijk huwelijk kennen. -Zie deswege bladz. 586 van de jaarlijksche feesten en gebruiken van de -Emoy-Chineezen, door Dr. J. J. M. de Groot. - -[242] Má Tsów Pô kan vertaald worden door Voormoeder de Vrouw. Dat is -een wonderdoend wezen, dat door Keizer Thai Sioe van de Soeng dynastie -in de laatste helft der Xde eeuw tot godin verheven werd, onder den -titel van Onze Lieve Vrouw van Macht en Goedertierenheid. Dr. de Groot -vertelt omtrent die godin een aardige legende op bladz. 208 en volg. -van het hier in de onmiddellijk voorafgaande aanteekening aangehaald -werk. Má Tsów Pô is de beschermster van jonge huwelijken en staat als -godin der vruchtbaarheid in groot aanzien. - -[243] Waaronder de bloote beenen en voeten uitsteken. Daarom worden zij -ook Lo-hân-kha of blootvoeters geheeten. Dat costuum is een stipt -vereischte. - -[244] Mertjons zijn kleine cilindervormige kokertjes van dicht -ineengerold papier, die met kruit zijn geladen. In ieder kokertje zit -een lontje, dat met een lange algemeene lont is saamgevlochten. Een ris -mertjons bestaat gewoonlijk uit een paar honderd van die kokertjes. Zoo -een ris wordt gewoonlijk aan den deurstijl of het raam der -feestvierenden opgehangen en het benedeneinde van de lont aangestoken. -Het opklimmende vuur ontsteekt achtereenvolgens de lontjes der -kokertjes, die opvolgend uit elkander barsten, hetgeen een geluid -veroorzaakt, alsof een goed gevoed rottenvuur van degelijk gedrilde -soldaten vernomen wordt. Van afstand tot afstand worden soms grootere -en zwaardere mertjons ingevlochten, die dan ook een veel zwaarderen -slag geven, hetgeen voor het gehoor het zware geschut tusschen het -geknetter van het geweervuur laat vernemen. - -[245] Rozenrood. Beter ware hier gezegd in fijn persikbloesemkleur -genuanceerd. De persikbloesem is het emblema van geluk bij de Chineezen -in den echtelijken staat. - -[246] En gij geeft uwen zoon twee millioen ten huwelijk mede! Het zij -ons veroorloofd hier een entrefilet, dat voor ons ligt en uit een der -Indische dagbladen—waarschijnlijk uit de Locomotief—uitgeknipt is mede -te deelen: „Cijfers en feiten. Een paar weken geleden zonden „de Heer -en Mevrouw” Tan Thwan Tik en „de Heer en Mevrouw” Liem Liong Kien -communicatie rond omtrent het voorgenomen huwelijk van den broeder der -eerstgenoemden „den heer” Tan Thwan Soen, met de dochter der -laatstgenoemden, de bekoorlijke „Mejuffrouw” Liem Yang Nio, met de -mededeeling, dat de receptie zou plaats hebben ten huize van den WelEd. -Heer Liem Liong Kien te Semarang Gang Pinggir. - -„Gister had de receptie plaats. De grootpapa van Mejuffrouw Liem Yang -Nio—ach! thans geen Mejuffrouw Liem Yang Nio meer!—de oude majoor -Chinees Beh Biauw Tjoan, heeft volgens de Chineesche kerk ƒ 14000 -opgedokt voor de bruiloftskosten. En de bruigom brengt twee millioen, -volgens anderen vier millioen mee ten huwelijk. - -„Ho Yam Lo, de tegenwoordige opiumpachter van Semarang, heeft in drie -jaren tijd, zegt men, drie millioen netto winst gemaakt. Men vraagt -natuurlijk niet hoe. Men vraagt ook niet in welk een poel van corruptie -en rechtsverkrachting wij hier rondbaggeren. Indien wij trachtten -daarop een antwoord te geven, zou het ons, bij gebrek aan wettig -bewijsmiddel, waarschijnlijk slecht vergaan.” - -[247] Een krans van perzikbloemen en eenige snuisterijen, o. a. een -haan, van perzikhout gesneden, aan te bieden. De perzikboom is bij de -Chineezen het zinnebeeld van levenskracht en eeuwigheid. De -perzikbloesem is het zinnebeeld van vrouwelijke deugd. De perzik is een -schrikbeeld voor spoken en kwade geesten. De haan is het zinnebeeld der -zon en als zoodanig ook een afweerder van spoken en kwade invloeden. -Het aanbieden van een krans van perzikbloesem op Java moge -onwaarschijnlijk voorkomen, maar men verlieze niet uit het oog, dat de -perzikboom, de Amygdalus der geleerden, in het Tengersche gebergte -veelvuldig voorkomt en de vrucht op de passars van Java’s oostkust te -koop aangeboden wordt. Schrijver dezes heeft meermalen op de hellingen -van den Merbaboe en Merapi talrijke perzikboomen in vollen bloei en de -vruchten op den passar van Salatiga te koop aangeboden gezien. - -[248] Kiemlo en bahmieh. Kiemlo is een eigenaardig machtig vette soep, -van varkensspek gekookt. Bahmieh is ook een vet kostje, maar waarbij -het varkensvleesch en spek in kleine dobbelsteentjes gesneden, te -midden van een hoop Taughi, peultjes, en andere ingrediënten en van een -hoop mieh, eene soort van Chineesche vermicelli voorkomt. Kiemlo en -bahmieh worden zelfs door Europeesche dames niet versmaad. - -[249] Lim Ho links van Ngow Ming Nio. De linksche kant is bij de -Chineezen de eereplaats. - -[250] Het huwelijk bewijnen. Zie omtrent die plechtigheid de reeds -vroeger aangehaalde Jaarlijksche feesten en gebruiken enz. van Dr. J. -J. M. de Groot op bladz. 68. - -[251] De roode balletjes stellen den Jang, of het mannelijke beginsel -en de witte de Jin of het vrouwelijk beginsel der natuur voor. Volgens -de Chineesche cosmogonie is als eerste beginsel de natuur de Thaï Ki of -het Groote Opperste aangenomen. Uit dat Groote Opperste werd Jang en -Jin of het mannelijk en het vrouwelijk principe geboren, die de beide -regelaars der natuur genoemd worden. De Hemel, de vader van het Heelal -vertegenwoordigt dat mannelijke en de Aarde, die door hem met warmte en -regen wordt bevrucht, het vrouwelijke. Ook is de zon vereenzelvigd met -Jang en de maan met Jin; en warmte en koude, licht en duisternis, in -één woord, alle werkingen der natuur worden zooveel mogelijk tot die -twee principes teruggebracht. (Zie de Groot’s Feesten en gebruiken op -bladz. 45.) - -[252] Het boek der liederen, dat lang, zeer lang geleden gedrukt werd. -Volgens Dr. J. J. M. de Groot dagteekent de ode, waarin de in den tekst -bedoelde woorden voorkomen, van uit de XIde eeuw vóór Christus. - -[253] Offerstokjes. Dat zijn lange dunne staafjes, van een mengsel van -wierook en asch van sandelhout vervaardigd. Die welriekende staafjes -worden op dunne stokjes bevestigd. - -[254] À l’ail. De Chineezen zijn groote liefhebbers van knoflook. - -[255] Oreilles de rats. In het Maleisch „koeping tikoes” (rattenooren) -geheeten. Dat is een soort champignon, die den vorm van de ooren van -die knaagdieren hebben. Vandaar de meening bij sommigen, als zouden de -Chineezen rattenooren verorberen. - -[256] Tripang is een zeedier, dat tot de stekelhuidigen behoort en dat -gedroogd en gerookt den Chineezen een zeer gewild gerecht oplevert. De -soort, die daartoe gewild is, wordt door de geleerden Holothuria edulis -genoemd. Zij wordt bij de Moluksche en Philipijnsche eilanden gevangen -en veelvuldig in den handel gebracht. - -[257] Bier ajam beteekent kippenbier en duidt op het Haantjesbier van -de firma Rendorp, dat te recht eene gunstige vermaardheid in Indië -verworven heeft. - -[258] Een recept van pilletjes om de opium te bestrijden. Zie des wege -bladz. 298–299 van het eerste deel en de gemaakte opmerking No. 2 aan -de voet van de eerst aangehaalde bladz. - -[259] Dat document luidde. De twee volgende volzinnen in den tekst zijn -letterlijk overgenomen uit het Koloniaal verslag van 1884, bladz. 145. -De lezer kan daaruit zien, dat ook op letterkundig gebied de officiëele -litteratuur niet zielverheffend is. - -[260] Het opiumgenot op goedkooper wijze te verschaffen. De volzin, -waarin die tusschenzin voorkomt en de onmiddellijk voorafgaande is te -vinden in het Koloniaal Verslag van 1885 op bladz. 158. - -[261] Zij verwierf toch van den resident, wien de verpachting -opgedragen was. De opiumverpachting heeft niet altijd op de hoofdplaats -van het betrokken pachtperceel plaats. Art. 4 van de Voorwaarden, -waarop het recht tot den verkoop van opium in het klein op Java en -Madura zal worden verpacht (Ordonn. dd. 7 Aug. 1883, Stbl. No. 197), -luidt: - -„De verpachting wordt gehouden: - -„a) Voor de residentiën Bantam, Batavia en Krawang door den resident -van Batavia, ter hoofdplaats Batavia; - -„b) Voor de residentiën Soerakarta, Djokdjokarta, Kedoe, Bagelen en -Banjoemas, door de respectieve residenten, ieder voor zooveel zijn -gewest betreft, ter hoofdplaats Semarang; - -„c) voor de andere gewesten op hunne hoofdplaatsen, door de Hoofden van -Gewestelijk Bestuur.” - -[262] Acht duiten zijn gelijk aan ƒ 0,0666. In de binnenlanden van Java -zijn nog vele duiten in omloop en in vele gevallen door de bevolking -meer gewild dan de centen. - -[263] Eene nota van een hooggeplaatst ambtenaar, die uitermate bevoegd -was een oordeel te vellen en wien dat oordeel ook gevraagd was. Die -nota heeft de schrijver in afschrift bij het ternederstellen dezer -bladzijden voor zich liggen. - -[264] Solus occasus, virgini Agathae pulcherrimae Bemmelensi dedicatus -beteekent: Een zonsondergang, opgedragen aan de zeer schoone jonkvrouw -Agatha van Bemmelen. - -[265] Hemidiptera, diptera, hymenoptera, lepitoptera, coleoptera, -crustaceeën. Hemidiptera zijn halfvleugelige insecten met halve -schilden; diptera dubbelvleugelige insecten; hymenoptera -vliesvleugelige insecten; lepitoptera zijn stofvleugelige insecten als -de vlinders, de coleoptera zijn schildvleugelige als de kevers en de -torren; crustaceeën zijn schaaldieren als de krabben. - -[266] De Goenoeng Djampong is in de residentie Banjoemas gelegen en -bereikt eene hoogte van 2580 voet. - -[267] De Goenoeng Batoer met zijne voortzettingen, ook in de residentie -Banjoemas gelegen, is 1987 voet hoog. - -[268] Waarvan sommigen zeer diep onder den grond uitloopen. De Goewah -Lengkong strekt zich b. v. over een afstand van 700 voet onder den -grond uit. - -[269] En zoo iets behoort alweer tot de inkomsten van het Nederlandsche -Gouvernement. De afdeeling Karang Bollong levert jaarlijks 50 pikols -vogelnestjes op. De geheele inkomsten van dat middel is voor 1886 -geraamd op ƒ 174.000. - -[270] Tali doek. Tali beteekent touw. Doek, ook gemoetoe genaamd, zie -de aanteekening op bladz. 9 van het eerste deel. De rottansoort, -waarvan de touwen vervaardigd worden, die zoowel tot het samenstellen -der ladders en stellingen, waarvan in dit hoofdstuk gesproken wordt, -dienen, wordt door den geleerde Calamus rhomboideus genoemd, en heeft -halmen van vijftig tot zestig M. lengte, die eene dikte van ongeveer -twee duim middellijn hebben. - -[271] In die holen, waarin de Oceaan zijne golven stuwt. In het Karang -Bollongsche bestaan slechts drie grotten, waarin de zee niet dringt, -dat zijn de Goewah’s Lenkong, Loe-ee en Tjangak. - -[272] Ik heb eene opgave in handen gehad van een ambtenaar in deze -streken. Zie de Beschrijving van de Vogelnestklippen te Karang Bollong -door C. J. P. Carlier, assistent-resident te Ambal in het Tijdschrift -voor de Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, uitgegeven door het -Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, jaargang 1853, -bladz. 304. - -[273] Njahi Ratoe Segårå Kidoel. Njahi is de titel van eene voorname -vrouw. Ratoe beteekent: vorstin, koningin. Segårå is zee, en Kidoel het -Zuiden. Dus eigenlijk: mevrouw de koningin van de zee in het Zuiden. -Dat wonderdoend wezen wordt ook Lårå Kidoel of Maagd van het Zuiden -genoemd. Zij wordt gewoonlijk afgebeeld als eene zeer schoone vrouw, -met de voeten staande op een overwonnen stier, met zeven armen, in de -handen waarvan zij verschillende voorwerpen houdt, waaronder een -zwaard, een pijl, een werpschijf, een boog, een schild, enz. Het is in -een woord Doerga, de gemalin van Siva uit den eeredienst van Brahma, -welke hier nog door de Javanen als Ratoe Lårå Kidoel vereerd wordt. Zie -ook de aanteekening No. 1 op bladz. 103 hiervoren. - -[274] Kedawang schijnt een plaatselijke naam in het Karang Bollongsche -te zijn voor een gewicht, dat de zwaarte van een vierde duit heeft. -Eene niet al te afgesleten duit weegt drie milligram, zoodat een -kedawang ongeveer twee mata’s weegt. Men lette goed op die verhouding, -om te kunnen nagaan, hoe alles gedaan wordt om den opiumhartstocht op -te zweepen. - -[275] In de nota, die ik voor mij heb liggen, staat letterlijk. Zie -bladz. 319 van het hiervoren aangehaalde boekdeel in de noot op bladz. -238. - -[276] Eiland Noesa Kambangan is een pleonasme, daar het woord Noesa -eiland beteekent. Het pleonasme is evenwel geijkt; nog nooit hoorde ik -spreken van het eiland Kambangan. Het is een woest bergachtig eiland -met zeer steile oevers. In de zuidkust worden evenwel eenige kleine -inhammen aangetroffen, die een zandig strand opleveren. Het eiland ligt -tusschen 7°41′50″ en 7°46′30″ Zuiderbreedte en 109°40′24″ en 109°1′55″ -Oosterlengte van Greenwich. - -[277] Een ewah is een kleedingsstuk bij de Dajaks, bestaande uit een -strook linnen, soms ook wel van geklopte boombast vervaardigd, die het -middel omgeeft en om der eerbaarheidswille tusschen de beenen -doorgeslagen wordt. - -[278] Driekleedsvlag. Wanneer de drie banen van een vlag ieder slechts -uit de breedte van het gebezigde vlaggedoek bestaan, wordt zoo’n vlag -een éénkleedsvlag genoemd. De banen van een driekleedsvlag hebben dus -drie breedten van het vlaggedoek en zijn natuurlijk ook evenredig -langer. Zoo’n groote vlag wordt alleen bij solemneele gelegenheden -gebruikt. - -[279] Kjahi is een titel, Wångså een naam. - -[280] Tangkap koepoe koepoe. Poeah! In den regel is de Inlander bang -voor kapellen. Zelfs zijn er vele blanke dames, op Java geboren, die de -fraaiste kapel voor niets ter wereld zouden willen aanraken. Velen -beweren, dat het stuifmeel der vleugels hevige jeukingen doet ontstaan; -anderen zijn overtuigd, dat daardoor melaatschheid (lepra) veroorzaakt -wordt. - -[281] Wong spor. Lieden van het spoor. De spoorweg van Djokdjokarta -naar Tjifatjap was in aanleg. - -[282] Oelor welang. Een der gevaarlijkste slangensoorten, die op Java -aangetroffen worden. Haar beet veroorzaakt binnen weinige uren den -dood. - -[283] Adipattih is schier een vorstelijke titel. - -[284] Gewone logeerkamers. Bij iedere aanzienlijke Europeesche woning -op Java behooren een paar blokken bijgebouwen, die onder meer ook de -logeerkamers bevatten. In een tropisch land is zulke inrichting wel -aanbevelenswaardig. Wanneer evenwel zeer hooge gasten ontvangen worden, -wordt dezen gewoonlijk huisvesting in het hoofdgebouw aangeboden. - -[285] Iedere vrouw het gelaat moest afwenden. In zeer vele streken der -binnenlanden van Java is dat gebruik nog in zwang. Ontmoet daar een -Javaansche vrouw, soms beladen met een kind of met een gevulde mand in -haren slendang, een blanke, een van het overheersende ras, dan keert -zij den tegemoet tredende den rug toe, leunt met het hoofd tegen een -boom of een rotswand en laat hem zoo voorbijtrekken. Men zal moeten -bekennen, dat dit een rare hulde is. Maar ’s lands wijs, ’s land eer. - -[286] Teboe-njamploong en Teboe-itam zijn variëteiten van de Saccharum -officinarum. De eerstgenoemde rietsoort heeft een lichtgele bast, de -teboe-itam eene zwartbruine. De laatstbedoelde wordt ook Cheribonsch -riet genoemd en munt uit door suikergehalte. - -[287] Terwijl de wanden met kostbare schilderijen, echter allen van -wellustige, zelfs van pornografische strekking versierd waren. -Indertijd bevond zich op het terrein, waar thans de binnenhaven van -Tandjong Prioek gegraven is, zoo’n lusthuis te midden van een -klappertuin verscholen. Het heette een badhuis; maar waar de eigenaren -de viezigheden, die de wanden tooiden, vandaan gehaald hadden, weet de -hemel. Het waren evenwel allen Europeesche kunstproducten! - -[288] Hoekoem madoe is eene verschrikkelijke doodstraf, die in enkele -gedeelten van den Archipel soms op zeer groote misdadigers toegepast -wordt. Zij bestaat daarin, dat men den veroordeelde, na hem geheel -ontkleed en aan een paal gebonden te hebben, de beenen en het onderlijf -met „madoe” (honing) besmeert. Het duurt alsdan niet lang, of die -lichaamsdeelen zijn met myriaden mieren overdekt, die uiterst belust op -het zoete goedje zijn. Maar behalve de honing, tasten zij ook de huid -en het vleesch van den patiënt aan, zoodat binnen een zestal uren de -beenderen blootgelegd, ja afgekloven mogen heeten. De lezer zal wel -gissen, welke ontzettende folteringen de martelaar ondergaat, alvorens -de dood hem uit zijn lijden verlost. - -[289] Hoekoem Kamadoog. Zie daaromtrent de aanteekening bladz. 33 van -het eerste deel. - -[290] Goewah Temon. Die vogelnestklip ligt aan de westzijde van den -Watoe Boetak, een uitlooper van den Goenoeng Poleng. - -[291] De Tjimeringheuvel op het eiland Noesa Kembangan bevindt zich op -7°46′30″ Z. Breedte en 109°1′55″ O. Lengte van Greenwich. Op dien -heuvel—525 voet hoog—verheft zich een vuurtoren ter hoogte van 80 voet -met wit draailicht, dat op 6 D. G. Mijlen zichtbaar is. - -[292] De lange ladder. De ladder van de Goewah Djoembling is 660 voet -lang, die van de Tenom-grot, waarop hier gedoeld wordt, verschilt -daarmede zeer weinig. - -[293] Puella formosa beteekent: schoon meisje. Zooals de lezer wel -gissen zal, doelde hier de olijke Pool op het vinden van Anna van -Gulpendam. - -[294] De Slamat is een nog steeds werkende vulkaan in Midden-Java op de -grenzen der residentiën Tegal en Banjoemas gelegen. Hij bereikt eene -hoogte van 10.385 voet. - -[295] De gambang. Zie hieromtrent de noot op bladz. 98 van het eerste -deel. - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BABOE DALIMA *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
