summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/65854-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/65854-0.txt')
-rw-r--r--old/65854-0.txt4815
1 files changed, 0 insertions, 4815 deletions
diff --git a/old/65854-0.txt b/old/65854-0.txt
deleted file mode 100644
index 90bdcd2..0000000
--- a/old/65854-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,4815 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Indische Huwelijken, by Annie Foore
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Indische Huwelijken
-
-Author: Annie Foore
-
-Release Date: July 17, 2021 [eBook #65854]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book
- was produced from scanned images of public domain material
- from the Google Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK INDISCHE HUWELIJKEN ***
-
-
-
-
- INDISCHE HUWELIJKEN
-
- DOOR
-
- ANNIE FOORE.
-
-
- Tweede Druk.
-
-
- ROTTERDAM,
- D. BOLLE.
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- Bladz.
- EEN EIGENZINNIG WEEUWTJE 7
- WILLIE’S MAMA 39
- GEKETEND 104
-
-
-
-
-
-
-
-EEN EIGENZINNIG WEEUWTJE.
-
-
-I.
-
-Het is in het begin van den westmoesson.
-
-De regen valt kletterend neêr op stoffige wegen; op arme inlanders, die
-te vergeefs beproeven zich te beschutten met die meest primitieve aller
-parapluies, een pisangblad; op pikolpaarden, wier wankelende tred en
-droef neêrhangende kop getuigen, dat hún tenminste niet kracht naar
-kruis gegeven wordt; op dichte bladeren, ruischend en suizelend, alsof
-ze elkaar vertellen wilden hoe goed ze doen, die frissche dronk, dat
-koele bad.
-
-De regen, of eigenlijk nog meer de rukwind, die nu en dan den regen
-naar binnen slaat, heeft daar even de van Hoedts verjaagd uit de
-voorgalerij. Ze hadden zich juist verzameld om de theetafel en er moet
-bij het opbreken iets grappigs voorgevallen zijn; tenminste al de leden
-der familie lachen van harte en vooral de vrouw des huizes schijnt
-dolle pret te hebben in de aardigheid.
-
-Mevrouw de weduwe van Hoedt,—de dikke dame in sarong en kabaai, die
-daar zoo uiterst gemakkelijk achterover leunt in haar uiterst
-gemakkelijken stoel,—is een der wel aangename verschijningen, die
-onmiddellijk op prettige gedachten brengen, als daar zijn: een goede
-tafel, een welvoorziene beurs en vooral een groote voorraad
-hartelijkheid, gereed om zich uit te storten in goedaardige
-glimlachjes, in vriendelijke woorden, maar ook in hulp en troost voor
-ieder, die ze mocht behoeven.
-
-Haar beide dochters, nauw de kinderschoenen ontwassen en slechts
-opmerkelijk door wipneusjes en verbaasde ronde oogen, gieren het uit
-van pret; het jonge mensch, dat, zoo lang als hij is, op den divan ligt
-uitgestrekt, met het gefatigeerde gezicht en het lorgnet in zijn ééne
-oog, schijnt zich ook te amuseeren, in zooverre men dat ten minste
-verwachten mag van iemand, die er zulk een gefatigeerd gezicht op
-nahoudt.
-
-„Kom, Jenny, lach je ook niet eens mee?” vraagt de oude dame, als ze
-eindelijk weer in staat is adem te halen, wat haar lang niet
-gemakkelijk valt na zulk een lachbui. „Nu, kijk eens op!”
-
-De vijfde van ’t gezelschap—de jonge vrouw—tot wie dat vriendelijk
-woord gericht werd, heft nu haar gelaat op en glimlacht met dien
-glimlach, waarvan men gevoelt dat hij wel op de lippen, maar niet in
-het hart is.
-
-„O, zeker, ’t is heel aardig, tante!”
-
-De spreekster gaat haastig voort met hare bezigheid: het arrangeeren
-van bloemen in een pièce de milieu, dat heden avond prijken zal op de
-tafel van mevrouw van Hoedt.
-
-„Wat dunkt u er van?” vraagt ze na een kleine pauze, en ze gaat iets
-verder staan om het effect te zien dat de prachtige bloemenschat te
-midden van kristal en zilver maakt.
-
-„Beeldig! beeldig!” roepen de meisjes, terwijl mevrouw met goedhartigen
-glimlach haar goedkeuring te kennen geeft en de heer met het lorgnet
-langzaam uitbrengt: „Je hebt een talent van bloemenschikken en
-dineetjes arrangeeren, dat kolossaal is, nichtje. Je schiet maar in één
-ding te kort: je moest ze zelf bijwonen.”
-
-„O, maar dat zal nicht nú doen! Niet waar, Jenny, vanavond kom je
-binnen?” roept de oudste der wipneusjes.
-
-„Toe ja, doe het maar!” vleit de tweede; „het zou zoo prettig zijn. En
-als je dan woudt pianospelen, dan konden we na het eten wat dansen,
-ja?”
-
-Eerst heeft Jenny eenigszins verwijtend den onvoorzichtigen neef
-aangezien, die blijkbaar spijt heeft dit onderwerp ter tafel te hebben
-gebracht; nu zegt ze met hooger blos, half gejaagd, half knorrig: „Neen
-meisjes, dat moet je me niet vragen. Ik wil graag alles in orde brengen
-voor het diner, maar bijwonen—neen, dat gaat niet, dat gaat niet!”
-
-„Wat is dat, Jen?” vraagt mevrouw van Hoedt nu, en de lach wijkt een
-oogenblik van het prettig vollemaansgezicht. „Heb je me laatst niet
-beloofd, dat je mijn eerstvolgend partijtje zoudt bijwonen—en ga je nu
-terug krabbelen? Kom, meidlief, dat is maar gekheid, hoor! Dat wordt
-toch een beetje overdreven! Me dunkt waarlijk dat je schreien en
-treuren nu lang genoeg geduurd heeft!”
-
-„Lang genoeg? O tante!.... ’t Is pas drie maanden dat hij dood is!”
-
-Er is in den kreet iets zoo treurigs, zoo diep treffends, zoo alsof ze
-om genade smeekte, dat de zoon des huizes ontsteld opziet en de meisjes
-besluiten om maar naar de badkamer te gaan:—Ma wou misschien praten met
-nicht Jenny.
-
-„Kassian, Ma,” zegt de jonge man als de zusjes zich uit de voeten
-gemaakt hebben, met een verwijtenden blik naar den kant zijner moeder.
-
-„Kassian? Neen, dat is nonsens van je, Gerard! Niemand heeft meer
-kassian met Jenny dan ik, dat weet ze ook wel. En ik begrijp heel goed
-dat ze haar man betreurt; dat heb ik ook gedaan ....”
-
-„Ja, Ma?” vraagt de zoon met zulk een ondeugenden trek op zijn bleek
-lusteloos gezicht, dat hij er tien jaar jonger uitziet.
-
-„Nu ja, ieder doet dat op zijn manier,” zegt de moeder, volstrekt niet
-geërgerd door die vraag; „maar zooals Jenny doet, dat is overdreven. Om
-je man huilen is goed, maar het moet niet te lang duren, dan wordt het
-ongezond en....”
-
-„En vervelend voor de huisgenooten!” barst de jonge weduwe eensklaps
-los. „Ja, tantelief, zeg het maar, ik weet het wel, het is voor u heel
-onpleizierig om in uw vroolijken kring nu reeds drie maanden lang zulk
-een treurig gezicht te hebben. O, ik wenschte....”
-
-„Neen, kind, dat is het niet!” en de oude dame trekt haar zacht tot
-zich en drukt een echt moederlijken kus op het bewolkt voorhoofd.
-„Neen, je behoeft je om ons niet te geneeren! Maar, beste meid, geloof
-me, als ik je aanraad om je wat tegen de akeligheid in te zetten, dan
-doe ik dat voor je eigen bestwil, nergens anders voor. Arme Jen!” zegt
-tante nu, terwijl ze haar onder de kin streelt en in het betraande
-gezichtje kijkt; „je wordt zoo bleek en zoo mager.... En als het nu nog
-wat hielp;—maar er valt nu eenmaal toch niet meer aan te
-veranderen....”
-
-Gerard, die reeds een paar maal ongeduldig de galerij heeft op en neêr
-geloopen, vindt nu het oogenblik gekomen om te zeggen: „Kom, Jenny, je
-bent niet oud en niet leelijk, je weet, dan kan een vrouw altijd nog
-pleizier hebben in haar leven.”
-
-„O, Gerard! Och, zeg toch zulke dingen niet!” en het zacht gelaat trekt
-pijnlijk samen.
-
-„Nu ja, nichtje, ik bedoel er ook niets bijzonders mede.... maar—de
-tijd slijt, zegt vader Cats, of iemand anders, daar wil ik afwezen.”
-
-„En dit zeg ik maar,” roept mevrouw van Hoedt nu uit, „een mensch kan
-nooit zoo bedroefd wezen of op den duur wil hij wel vertroost worden.”
-
-„Maar ik, ik wil niet vertroost worden, tante!”
-
-Met fier gebaar heft de weduwe het gebogen hoofd op en herhaalt het
-nogmaals: „Ik wil niet vertroost worden,—hoe dikwerf heb ik dat reeds
-gezegd!”
-
-De oude vrouw zet een gezicht, waarop goedhartig medelijden en ongeloof
-om den voorrang strijden.
-
-„Nu, nu, houd je maar bedaard, kind! Dat is waar, arme meid, dat Léo
-een engel van een jongen was.”
-
-„Ja,” zegt Gerard met warmte, „een ferme kerel, dat was hij! En u moogt
-er van denken wat u wilt, Ma; maar mij doet het goed, als ik zijn
-weduwe hoor zeggen dat ze niet vertroost wil worden.”
-
-Daar Gerard vindt dat hij zich eenigszins gecompromitteerd heeft door
-zooveel gevoel te toonen, haast hij zich op forschen toon om zijn
-jongen te roepen, dezen een onverdiend scheldwoord naar het hoofd te
-gooien en op zijne beurt voor geruimen tijd in de badkamer te
-verdwijnen.
-
-„Dat doet je goed, ja?” zegt de oude dame nu, terwijl ze met een wereld
-van goedhartigheid in den blik, haar zachte hand over die van Jenny
-heenstrijkt.
-
-„Ja, tante! Och, u zijt allen zoo vriendelijk voor me, zoo hartelijk en
-lief!”
-
-„Nu, wees jij dan ook eens lief en doe nu wat we allemaal zoo graag
-hebben, dat je deedt. Kom aan dat diner straks. Ik heb geen pleizier,
-Jenny, als ik denken moet, dat jij daar alleen zit te treuren. En de
-meisjes hebben ook geen rust, dat weet je wel! En.... wat het ergste
-is, er moet muziek zijn vanavond.”
-
-„Misschien wil Gerard wel spelen.”
-
-„Gerard? Och kom, die is na den eten tot alles ongeschikt,” zegt de
-moeder met een glimlach, die bewijst dat ze deze eigenaardigheid van
-haar zoon, evenals zijn andere eigenaardigheden, geenszins te
-misprijzen vindt.
-
-„De meisjes dan?”
-
-„O, dat weet je wel, die zijn veel te maloe, die raken in de war! Kom,
-Jenny, een mensch moet niet egoïst worden in zijn droefheid; pak je
-eens aan, wees eens flink! Geloof me, het zal je goed doen. Men moet
-zich zoo niet toegeven.... Nu, beste meid, wil je tante voor één keer
-dat pleizier niet eens doen?”
-
-Ze beloofde het. Ze had zooveel verplichting aan de brave ziel, die in
-dagen van smart een moeder voor haar geweest was, dat ze haar niets
-weigeren kon.
-
-Tante, op dit groote punt gerustgesteld, moest nu nog even zich gaan
-overtuigen, dat er niets in de war liep bij kokkie, dat het goed ging
-met het dekken der tafel, dat de kwee en de agar-agars gelukt
-waren.—Haar hart was wel twintig pond lichter, toen ze dat alles in de
-beste orde vond.
-
-Neen, daar hebben ze geen flauw begrip van, onze Amsterdamsche kooplui
-met hun kolossale fortuinen, zelfs onze Haagsche aristocraten met hun
-fijnen kunstsmaak niet, hoe het er uit kan zien bij ons,
-Indischluidjes, als wij partij geven.
-
-’t Is zoo, misschien waren we, een paar jaar geleden, maar arme
-drommels, die niet gedroomd hadden ooit partijen te zullen geven;
-misschien gaan we over een paar jaar met een mager pensioentje naar
-Holland, om het daar, in den Achterhoek, diep te betreuren dat we ooit
-partijen gaven; maar toch,—als we het doen, dan ziet onze woning er
-onbeschrijfelijk lief en feestelijk uit, veel feestelijker dan het
-deftigste granietsteenen gebouw op Keizers- of Heerengracht, bij een
-dergelijke gelegenheid.
-
-Dáár verkondigt alleen wat meer licht in de gang, het verdubbeld stel
-witte kuiten, en de gesloten vigilantes die nu en dan komen aanrollen,
-den voorbijganger dat er gasten worden verwacht, terwijl de zware
-voordeur zich zoo voorzichtig ontsluit om die gasten in te laten, alsof
-men vreesde dat er iemand zou kunnen binnendringen, die niet tot de
-uitverkoren clique, tot de deftige genoodigden behoort.
-
-Hier, bij ons Indischlui, is op zoo’n avond het geheele huis, met al
-zijn opengeslagen deuren en vensters, al zijn goed verlichte galerijen
-en kamers, al zijn bedienden, al zijn voorraad van dranken en
-ververschingen, gesteld ter beschikking van de gasten.
-
-Het met bloemen beplante erf wijst als van zelf den weg naar de
-vroolijk verlichte villa, en de heer des huizes ontvangt zelf de
-gasten, die door de open rijtuigen worden aangebracht, aan het bordes,
-om ze bij zijn vrouw of dochters te brengen.
-
-Niet deftig en geregeld maar in prettige wanorde bewegen de dames zich,
-bijna allen jong, of ten minste jeugdig gekapt en gekleed, door de
-ruime gaanderijen, en terwijl de heeren gezellig hun sigaar rooken en
-een kop koffie gebruiken, zooals die in Holland niet geschonken wordt,
-schoolt de inlander samen voor het erf om te luisteren naar die
-vroolijke klanken, de muziek en het gelach, om uren lang stil te staan
-kijken naar het woelig tooneel, dat met zijn bloemen en lichten, zijn
-beweeglijke gestalten en schitterende tinten zooveel bonte
-verscheidenheid schenkt.
-
-Ook de ruime, modern gebouwde woning der van Hoedts ziet er
-allerliefst, bijna uitlokkend uit op dezen avond.
-
-Er is maar één kamer in de villa waaruit geen licht naar buiten
-straalt, één kamer, waarvan de jaloezieën gesloten en de deuren
-gegrendeld blijven, hoewel de gasten reeds drukker en drukker komen
-aanrijden.
-
-Hier mocht niemand binnenkomen; hier durfden zelfs de huisgenooten niet
-aantikken, om nicht Jenny te herinneren aan haar belofte.
-
-De wipneusjes keken elkaar met hare ronde oogen nog eenigszins
-verschrikter aan dan gewoonlijk, toen ze in haar witte japonnetjes
-langs die kamer heenliepen; de gastvrouw hield een oogenblik op in
-bewondering van haar zwartfluweelen kleed, om zachtjes een „kassian” te
-fluisteren; Gerard mompelde iets van het altijd „beroerd” te vinden,
-als iemand bij hem aan huis zijn eigen zin niet kon doen.
-
-’t Is goed ook, dat die deur gesloten blijft, al was het maar om de
-stemming der gasten. Immers, ze mogen het niet vermoeden, wat daar
-omging in het hart der jonge vrouw, die straks in hun midden zal
-verschijnen, om het hare bij te brengen tot het welslagen van den
-avond. ’t Is goed, dat die deur gesloten blijft; immers, niemand mag
-het weten, waarom het gelaat, dat de groote toiletspiegel weerkaatst,
-zoo telkens bleek en rood wordt; waarom die boezem zoo jaagt en hijgt,
-terwijl ze hem in het keurslijf besluit; waarom die vingeren zoo beven,
-als ze de blonde lokken om het hoofd slingert.
-
-Wat haar zoo bitter grieft, het is dat dezelfde vrouw, die eenmaal
-Léo’s liefste tante was, er nu reeds op durft aandringen dat ze
-afleiding zoeken zal; wat haar het fiere bloed naar het voorhoofd
-jaagt, het is dat vernederend denkbeeld dat ze niet meer vrij is, vrij
-om te treuren en alleen te zijn, wanneer ze dat verkiest.
-
-„O ja, ze hebben me gehuisvest en gevoed,” roept ze uit in de
-overgroote bitterheid harer ziel; „maar hebben ze daarom het recht me
-te dwingen mee feest te vieren, als mijn hart breekt onder zijn
-wanhoop; hebben ze daarom het recht me te plaatsen in hun voorgalerij
-als meubel, dat ze zich hebben aangeschaft tot amusement van hun
-gasten?”
-
-Tante heeft haar lijfmeid binnen gezonden, met den last te helpen, en
-de goede Niam maant Mevrouw aan toch voort te gaan met kleeden: al de
-menschen zijn er reeds.... Jenny gehoorzaamt met koortsachtige haast,
-maar zonder eenige belangstelling, tot ze eindelijk in den spiegel een
-slanke gedaante in rouwgewaad, een droevig bleek gezichtje en een paar
-groote brandende oogen ziet. Zuchtend vraagt ze de meid om een
-waaier;—dan kan ze ten minste dat gezicht, dat eenmaal het zonnetje van
-tante’s partijen was, verbergen.
-
-Maar moet ze dan waarlijk naar vóór gaan, waarlijk zich begeven te
-midden dier feestvierenden, dier dames, nog gelukkig in het bezit van
-haar echtgenooten, dier heeren soms zoo meedoogenloos in hun
-spotternijen?
-
-Ja, ze moet het doen. Mevrouw van Hoedt, met al haar goedhartigheid, al
-haar inschikkelijkheid, zou nu toch boos worden! Immers—Jenny heeft het
-reeds vóór heden avond bespeurd—’t duurt tante wel wat heel lang met
-nichtjes droefheid. De goede vrouw was in een opwelling van medelijden
-alles geweest voor haar; geen moeite, geen opoffering, geen kosten
-waren gespaard voor Léo’s weduwe: maar nu.... het was al drie maanden
-geleden!
-
-En drie maanden is een lange tijd om te treuren en te klagen en mede te
-weenen met de weenenden!
-
-In de eerste smart is dat niet moeilijk; ge valt de bedroefde om den
-hals; ge zegt, dat ze bij u een thuis heeft; ge roept het uit, dat de
-arme man zoo goed en lief was en dat ge altijd zooveel van hem hebt
-gehouden; ge verzekert, dat ze bij u geheel vrij is, dat ze doen kan
-wat haar het beste voorkomt...
-
-Maar—er zijn niet veel sterke gevoelens, die na verloop van drie
-maanden niet een weinig verflauwen, en het medelijden behoort zeker
-niet tot de weinige, die tegen den lijd bestand blijken.
-
-Mevrouw van Hoedt was eigenlijk een weinig teleurgesteld. Natuurlijk
-dat Jenny bedroefd was en maar liefst alleen thuis wou blijven;
-natuurlijk dat ze in het begin stil en teruggetrokken bleef en niet
-meêlachte met de anderen:—maar dat alles zou wel overgaan met den tijd.
-
-Maar de tijd was gekomen en het was niet overgegaan; integendeel,
-Jenny, de eenmaal zoo vroolijke, levenslustige Jenny, die altijd zoo
-goed was geweest om den „boel aan den gang te helpen,” ze zat daar
-neer, alsof de geheele wereld haar onverschillig was geworden, alsof ze
-nooit meer zou kunnen lachen, veel minder ooit weer den boel aan den
-gang helpen op tantes partijen.
-
-Ziet ge, dat was ijselijk onplezierig, vooral in een kring als die,
-waarvan mevrouw van Hoedt het middelpunt uitmaakte, een kring, waarin
-elken morgen de vraag wordt opgeworpen: „Wat zullen we nu vandaag eens
-doen om pret te hebben?”
-
-Dubbel onplezierig in een familie, waarin enkele weduwen gevonden
-worden, die niet zoolang getreurd, neen, zelfs spoedig naar een
-plaatsvervanger uitgezien hebben.
-
-Jenny doet verkeerd, vindt haar tante. Dat lange treuren is goed in
-Holland, waarde menschen nog onder weduwkappen loopen, maar Indië is er
-het land niet voor.
-
-In het laatste heeft ze gelijk.
-
-’t Valt moeilijk om lang te blijven treuren in Indië. Elken morgen komt
-het blijde daglicht uw kamer binnen stroomen met nieuwe beloften van
-genot en geluk; elken dag worden deuren en vensters wijd geopend om
-vriendelijken zonneschijn en frisschen bloemengeur en vroolijke gasten
-binnen te laten; elken avond worden tal van lampen ontstoken om
-gezellige tooneeltjes te verlichten; ja, zelfs de nachten zijn
-opwekkend met hun zachte koelte, hun vriendelijke sterren.
-
-Maar er is een knagende pijn, die niet verdoofd wordt door al het
-gerucht en geraas der bedrijvige wereld; er is een leegte in het hart,
-die niet kan worden aangevuld met al de bloemen en zonnestralen der
-aarde; er is een treurigheid, die al de scherts en vroolijkheid der
-menschen niet kunnen wegnemen.... En die wonen in den boezem der jonge
-weduwe, welke thans, met een glimlach om de bleeke lippen, de helder
-verlichte voorgalerij binnentreedt en vriendelijk en innemend de gasten
-harer tante begroet.
-
-
-
-
-
-II.
-
-„Uw nichtje heeft wel gelijk, dat ze in den rouw is gegaan,” zegt de
-dame met de hooge jukbeenderen en het loensche oog, die aan Gerard’s
-linkerzijde is geplaatst.
-
-„Och ’t is eigenlijk een dwaasheid in ons warm Oostje! Mama heeft er
-genoeg tegen gepreekt, maar—ze was er op gesteld.”
-
-„En òf ze gelijk had! Het dragen van zwart, te pas of te onpas, is een
-geheim, waarmede de blondines haar voordeel weten te doen.”
-
-„Om u de waarheid te zeggen geloof ik, dat mijn nichtje tegenwoordig al
-heel weinig om die soort van dingen denkt,” antwoordt Gerard koel,
-„daar is ze veel te bedroefd voor.”
-
-„Zoo? Is ze nog bedroefd? Wel, men zou het haar zoo niet aanzeggen; ze
-amuseert zich nog al, dunkt me, vanavond. Maar komaan, meneer van
-Hoedt, daar moeten we nu ook niet al te veel van denken; u weet, er
-zijn twee dingen, die men in Indië niet verwachten kan: eerlijke
-dispensjongens en ontroostbare weduwen.”
-
-„Dat er geen ontroostbare weduwnaars zijn, zou ik eer gelooven, altijd
-in aanmerking nemende hoe hartelijk de vrouwen soms wezen kunnen,”—en
-de heer van Hoedt keert zich eenigszins bruusk van de spreekster af
-naar zijn andere buurvrouw, een lichtgetint nonnaatje, met
-gazellenoogen, die hem heel lief zouden aanzien, als ze maar durfden.
-
-Iets verder op is de jonge weduwe ook het onderwerp van discours.
-
-„Ja, mijnheer Verweijt,” zegt de vrouw des huizes, erg in haar schik
-dat alles zoo uitmuntend marcheert—„dat moogt u wèl zeggen; mijn
-nichtje is erg afgevallen!”
-
-„Maar ze is er niet minder mooi om; in mijn oog ten minste. Dat
-vrouwtje heeft van kind af zoo iets liefs, zoo iets interessants
-gehad....”
-
-„Ja, ’t is een fijn gezichtje.—En, verbeeld u, die wil zich nu gaan
-opsluiten als een non! Neen, ik ben het eens met Gerard—u weet, die kan
-soms zoo aardig uit den hoek komen—die zeî van middag tegen haar: „Kom,
-nichtjelief, je bent niet oud en niet leelijk, en dan kan een vrouw
-altijd nog plezier hebben in haar leven!”
-
-„Zeker! zeker! Nu, maar dat zal ze zelf ook wel begrijpen, denk ik?”
-
-„Neen, ziet u, dat is het juist! Zij wil maar stil zitten treuren en
-zich nergens vertoonen. Ik verzeker u, dat ik haar half heb moeten
-dwingen om binnen te komen vanavond.”
-
-„Zoo, zoo? Wel, u doet verstandig met haar niet toe te geven in die
-overdreven idées. ’t Zou zonde en jammer zijn, als zoo’n mooi, jong
-ding nu de wereld reeds vaarwel zei. Kassian, ze begint haar leven
-pas!”
-
-Mijnheer Verweijt laat telkens weer zijn blik heendwalen naar het mooie
-weeuwtje, en vraagt dan schijnbaar onverschillig: „Hoe lang is haar man
-dood?”
-
-„Ja.... pas drie maanden! ’t Is nog niet lang, maar och, een jaar is
-gauw om, en.... als de tijd maar eenmaal daar is, dan, dáár durf ik
-voor instaan, minnaars bij de vleet!”
-
-„Het moet een bijzonder gelukkig huwelijk geweest zijn?” vraagt de heer
-Verweijt op denzelfden onverschilligen toon.
-
-„Ja, Léo was een beste man! Maar wat zal ik zeggen? Er zijn nog meer
-goede mannen in de wereld. En—als men geen blanc-manger krijgen kan,
-moet men zich maar met maizena-podding behelpen!”
-
-Op den inval van deze eenigszins grove aardigheid kwam mevrouw van
-Hoedt, doordien op dit oogenblik juist de podding werd gepresenteerd,
-die de plaats van de mislukte blanc-manger moest vervullen. Glimlachend
-verklaarde nu de gast, dat hij dol van maizena hield en er werd niet
-meer over Jenny gesproken. Alleen knikte tante haar nu en dan eens
-bemoedigend toe; ook gaf ze van tijd tot tijd signalen, dat ze toch
-vooral het discours moest trachten levendig te houden, daar het aan dat
-gedeelte der tafel, waar zij geplaatst was, wel eenigszins begon te
-verflauwen.
-
-Mevrouw van Hoedt heeft zich anders niet over haar nichtje te beklagen;
-Jenny lacht; ze ledigt zelfs herhaaldelijk haar glas om toch maar te
-kunnen wezen, wat men van haar vraagt: geanimeerd!
-
-Geanimeerd? Terwijl dat gevoel haar aangrijpt met alles overmeesterende
-kracht, dat gevoel, alsof ze op moest vliegen en vluchten, vluchten ver
-van al die vreugde, ver van al dat geraas, om in haar eigen stille
-kamer neer te knielen voor zijn portret en hem te zeggen, dat het niet
-háár schuld is! Niet háár schuld, als die opgewonden heeren hun
-bewonderende blikken op haar durven richten; als ze lachen en schertsen
-moet en antwoorden op de vleiende woorden, die haar zoovele
-beleedigingen schijnen; niet háár schuld, als de wangen gloeien en de
-oogen schitteren van overspanning, en ze er daardoor zoo goed uitziet
-dat ze de algemeene aandacht trekt; niet háár schuld ook, zoo ze daar
-straks het gesprek heeft aangehoord, dat haar met vurige letters in het
-hart brandt, van die jongelui die een pari aangingen, dat haar
-weduwstaat niet lang duren zou....
-
-Eindelijk is het diner afgeloopen; de meeste heeren blijven nog even
-nazitten; de dames verspreiden zich in vóór- en binnengalerij; de jonge
-meisjes hebben op zich genomen voor het presenteeren van koffie en thee
-te zorgen, en Jenny trekt zich in een eenigszins vergeten hoek terug.
-Ze hoopt een oogenblik aan zich zelve te worden overgelaten.
-
-Maar neen, dat mag niet wezen. Nauwelijks heeft ze een boek of
-plaatwerk—ze weet niet eens wat het is—opgenomen, om zich daarachter te
-verschansen, als een grijs heer haar in het oog krijgt en dadelijk op
-haar toetreedt.
-
-Het is een goede kennis, ze heeft hem nog niet gesproken na Léo’s dood;
-zijn hartelijke handdruk en lieve manier van troosten verzoenen haar
-een weinig met de stoornis.
-
-„Wel, wel, mevrouwtje, wat hebben we dáár van opgehoord! Wie had kunnen
-denken, dat zoo’n flinke, krachtige man mij, oudje, nog vóór zou gaan!
-Mijn vrouw was er ook heelemaal ontdaan van; ze heeft u geschreven,
-niet waar?”
-
-„Ja, een heel lieven brief! Mevrouw moet niet denken dat ik er haar
-niet dankbaar voor ben, maar ik kon niet antwoorden!”
-
-„Wel zeker niet! Wie zou in zulke dagen ’t zoo nauw nemen? We hadden
-alleen graag eens iets van je gehoord; wat je plannen waren en hoe je
-achterbleeft. Jullie waart toch in een levensverzekering?”
-
-„Neen.”
-
-Een pijnlijke blos vliegt haar naar het hoofd.
-
-„Wat? En geen pensioen? Niets? Goede God, hoe is het mogelijk? ’t Is
-toch verschrikkelijk, die jonge menschen van den tegenwoordigen tijd,
-zóó je vrouw achter te laten!”
-
-De blos is verdwenen van Jenny’s gelaat en het staat strak en koud. „Ik
-ben volkomen tevreden, mijnheer, over de manier, waarop mijn man me
-heeft achtergelaten. Dat hij in geen levensverzekering is gegaan, was
-mijn wensch; ik had altijd gedacht, dat ik niet zou kunnen leven, als
-hij sterven moest.”
-
-En ze keert zich van den ouden heer af, die eenige malen het hoofd
-schudt, eenige malen zijn kopje thee opneemt en vergeet te drinken, en
-eindelijk zich voorneemt eens aan zijn vrouw te vragen of ze daar niet
-wat aan doen moeten?
-
-De ziel vervuld met bitterheid, verschanst de arme zich weder achter
-haar boek.
-
-Daar voelt ze hoe een zacht handje het hare grijpt en als ze opziet,
-ontmoet ze een paar groote grijze oogen, die vol deernis in de hare
-zien. Ze zegt niet veel, het lieve jonge vrouwtje, dat den vroolijken
-kring verliet om de weduwe eens toe te spreken; ten minste niet veel
-meer dan de groote grijze oogen reeds bij den eersten opslag zeiden,
-niet veel meer dan dat ze het zich zoo begrijpen kan, en dat het, och,
-zoo bitter, bitter hard moet zijn!
-
-Daar raakt ze met haar zachte vingeren de snaar aan, die een der
-pijnlijkste is in de ziel der bedroefde. „Och lieve,” zucht ze met een
-meelijdenden traan, „och lieve, hadt je maar een kindje!”
-
-Jenny staart in de vochtige oogen met verheugden, dankbaren blik. Dan
-was het ten minste niet zóó onverstandig geweest, die wensch naar ten
-minste één herinnering aan haar kortstondig geluk. Dan was het toch
-geen dwaasheid, geen waanzin, die zucht die daar zoo menigmaal was
-opgestegen naar den blauwen hemel: „als ik maar een kind had!”
-
-De menschen, de verstandige menschen, hadden haar zoo lang
-voorgehouden, hoe het kinderlooze van hun echt een geluk mocht heeten
-nu ze onverzorgd achterbleef, dat ze op het laatst dat onderwerp maar
-niet meer had aangeroerd. Maar zoo was er dan toch nog iemand die
-gevoelde als zij, iemand die begreep, dat het treurig is om geen kind
-te hebben, ook al is men onverzorgd achtergebleven!
-
-De jonge vrouw met de grijze oogen had geen haast om naar het vroolijk
-gezelschap terug te keeren; ze ging voort zachten balsem te gieten in
-dat arm, gewond hart, vriendelijk te troosten en te bemoedigen, te
-spreken over het gelukkig verleden, tot de bleeke lippen van haar
-toehoordster niet meer trilden en de brandende oogen vochtig werden van
-weldadige tranen.
-
-Jammer dat tante van Hoedt, bijna bezwijkend onder het gewicht van haar
-fluweelen kleed en de dampen, die het overvloedig diner haar naar het
-hoofd joeg, op Jenny kwam aanzeilen met verzoek wat muziek te maken.
-Jenny dankte de vriendin voor haar deelneming en stond op om naar de
-piano te gaan, toen Gerard haar voorkwam. „Laat mij het voor je doen,
-Jen! En ga gerust naar je kamer, als het je te zwaar wordt.”
-
-Hoe dankbaar was ze hem daarvoor! Want ja, het werd haar te zwaar; ze
-kon ter nauwernood staande blijven en ze zou dan ook beproeven of ze
-niet ongemerkt weg kon sluipen, om rustig te gaan uitweenen in de
-eenzaamheid.
-
-Maar dat ging niet zoo gemakkelijk. Toch beklaagde zij zich later niet,
-dat ze een oogenblik langer werd opgehouden; immers nu kon ze het
-opmerken, hoe kiesch en vriendelijk Gerard, de schijnbaar
-onverschillige Gerard, voor haar was.
-
-Toen het lieve meisje, aan wie hij,—ieder wist het—niet gaarne iets
-weigerde, haar gazellenoogen tot hem ophief, en vroeg om toch dat mooie
-stukje nog eens te zingen van:
-
-
- „Es ist bestimmt in Gottes Rath, dasz, man
- Vom liebsten was man hat, musz scheiden!”
-
-
-toen keek Gerard even rond in den grooten kring, die zich om de piano
-had gevormd, en toen hij zijn nichtje nog opmerkte onder de
-toehoorders, zei hij zacht: „Nu niet, straks misschien!” en begon een
-allerdwaaste potpourri van alle mogelijke en onmogelijke
-straatdeuntjes.
-
-Eerst vielen de jonge heeren, toen ook de jonge dames in, en weldra was
-de vroolijkheid zoo algemeen, de pret zoo opgewonden, dat een slanke,
-zwarte gestalte zich onbemerkt verwijderen kon, om niet meer gezien te
-worden bij het feest.
-
-
-
-
-
-III.
-
-Een paar dagen later gebeurt er in de vroolijke woning der van Hoedts
-iets, dat voor geruimen tijd de glimlach doet wijken van mevrouws
-goedhartig gezicht, ja, wat maar zelden gebeurt, dat haar knorrig en
-boos maakt.
-
-„Tante,” zeide Jenny, en het viel allen op, hoe bleek ze was en hoe
-haar lippen beefden; „tante, ik hoop niet, dat u me van ondankbaarheid
-zult beschuldigen.... maar ik ben besloten.... ik geloof, dat ik best
-doe met naar Holland te gaan, naar Mama....”
-
-„Kind!?”
-
-Eerst kan mevrouw van Hoedt geen woord uitbrengen. Dan, als ze haar
-kortademigheid een weinig te boven is, barst ze los in een stroom van
-vragen: „Wat beteekent dat? Is er iets gebeurd? Zeg me, Jen, heb je het
-hier niet goed? Is er iemand niet lief geweest? Heeft iemand je
-beleedigd?”
-
-„Neen, tante! iedereen is goed en lief voor me. En—niemand heeft me
-beleedigd—of het moest zijn dat hier in den geest, in de manier waarop
-men over jonge weduwen spreekt, iets beleedigends was.”
-
-„Kom, kind! dwaasheid, hoor! Wat heb je daar in dat akelige schriele
-Holland?”
-
-„U hebt zelf gezegd, dat Indië geen land is om lang te treuren; dus is
-het geen land voor weduwen, tante,” zegt de jonge vrouw vast.
-
-De wipneusjes brengen nu haar hartelijke gezichtjes dicht bij dat van
-haar nichtje en vleien dat ze toch blijven moet. Gerard komt ook
-naderbij, en verzekert dat hij alles doen zal wat hij kan om haar het
-leven te veraangenamen.
-
-Ze heeft de goede hartelijke menschen, die de arme weduwe zoo trouw en
-vriendelijk bijstonden, te zeer liefgekregen, om niet menigen traan te
-storten bij het denkbeeld van hen te gaan verlaten. Maar toch, haar
-besluit staat onherroepelijk vast: Indië is een goed land voor
-gelukkigen, voor bedroefden niet.
-
-Maar, hoe kon ze het hun zeggen wat haar naar Holland trok? Hoe kon ze
-het hun zeggen, dat ze een onbedwingbaar verlangen gevoelde om de
-plekjes weder te zien, die de stille getuigen waren geweest van haar
-jeugdige liefde, om weer te wonen en rond te wandelen in het eenvoudig
-dorpje, waar Léo haar had gevonden en gekozen om hem te volgen naar het
-vreemde land?
-
-Neen, ze zouden haar niet begrijpen, niet gelooven, als ze het hun
-toevertrouwde, dat, te midden van zonneschijn en eeuwigen zomer, in
-haar hart het verlangen leeft naar gure herfstdagen, die somber en
-droevig zullen zijn als haar arm, gebroken hart; naar geheimnisvolle
-schemeravonden, waarin zachte stemmen haar zullen komen verhalen van de
-vreugde, de zoete liefdeweelden van weleer; naar najaarsstormen, die
-zullen huilen om moeders eenzame woning en groeten fluisteren van den
-doode ver over zee; naar donkere nachten vol schaduwen en zuchten,
-waarin het is of de graven zich openen, waarin het haar zijn zal of de
-geliefde komt om haar aan het hart te drukken met de gloeiende liefde,
-die ze gekend heeft in al haar verrukkelijke zaligheid, en die dood
-noch graf overwint!
-
-Neen, dat alles kan ze hun niet zeggen.
-
-Ze kon slechts dankend hen zegenen en vragen om het haar te vergeven
-dat ze hen verliet, en hen opdragen om nu en dan eens naar zijn graf te
-gaan, om de bloemen te onderhouden, die teedere handen daar hadden
-geplant.
-
-
-
-De volgende stoomer voerde het jonge weeuwtje naar Holland. De heeren
-noemden het domheid, de dames bekenden dat ze het zich niet begrijpen
-konden, mevrouw van Hoedt schreide—tot ze op het denkbeeld kwam van een
-groot bal te geven om zich wat te verzetten.
-
-Op dat bal maakte ze met mijnheer Verweijt uit, dat het zonde en jammer
-was van zoo’n mooi jong ding, en op dat bal declareerde Gerard zich aan
-het lieve meisje met de gazellenoogen. Hij vernam bij die gelegenheid
-dat hij algemeen gedoodverfd werd met zijn nichtje, maakte zich erg
-boos en zei dat Jenny wel gelijk had: de geest in Indië is beleedigend
-voor jonge weduwen.
-
-Maar in het dorpje waar een zestal jaren geleden een gelukkige bruid
-van vrienden en betrekkingen scheidde, om den geliefde te volgen naar
-het nieuwe vaderland, rustte nu een vermoeid hoofd aan de moederborst,
-en snikte een gebroken stem; „O, dat doet zoo goed; zoo stil uit te
-weenen, dat doet zoo goed!”
-
-En dan „U gelooft het, niet waar, moeder, dat Léo’s weduwe niet
-vertroost wil worden?”
-
-
-
-
-
-
-
-WILLIE’S MAMA.
-
-
-I.
-
-„En als ik nu eens neen zeide?” vroeg ze lachend.
-
-„Maar je zult niet neen zeggen....”
-
-„Dat weet ik nog zoo zeker niet.”
-
-„Cecile?!”
-
-„Mijnheer Dorman.... Stil, Otto, och!.... laat me toch los. Nu dan, ik
-zeg niet neen.... Maar.... de melk kookt!”
-
-
-
-Dit was de liefdesverklaring van den heer Dorman en de wijze waarop
-juffrouw Haakstra die liefdesverklaring ontving.
-
-’t Vond plaats op een killen morgen, toen de bergen achter dikke nevels
-verscholen lagen en de regendruppels met eentonig getik neervielen van
-takken en daken; ’t vond plaats op de nuchtere maag in het ongezelligst
-hoekje van het geheele huis, waar ze, ieder met een kop koffie in de
-hand, stonden te wachten op het koken van de melk....!
-
-Alles zoo prozaïsch mogelijk!
-
-Maar wanneer het anders dan prozaïsch geweest was, wanneer de minnaar
-gesproken had van gloeiende liefde of eeuwige trouw, dan zou de
-uitverkorene, losbarstend in haar heldersten lach, zijn weggeloopen van
-den „mallen kwast”; nu liet ze de melk verkoken, terwijl hij haar kuste
-en nogmaals kuste, alsof niet papa op zijn koffie wachtte.—
-
-Cecile Haakstra is een der frissche, krachtige bloemen, die op
-Oosterschen bodem tieren: ze groeien op in de heerlijke berglucht, ze
-verbranden door het zonnetje, dat de blanke tint bruint, maar warmen
-gloed roept op de donzige wangen; ze worden gezond en sterk, ze blijven
-vroolijk en onbezorgd als kinderen, ook dan wanneer de slanke leest,
-door niets beklemd, zich reeds ontwikkelde tot den vollen wasdom der
-jonkvrouw.
-
-Schuldeloos en onbevreesd staarden Cecile’s groote eerlijke oogen de
-wereld in; de lachende mond met de schitterend witte tandjes was nooit
-om een antwoord verlegen; het aardig wipneusje scheen uit te noodigen
-tot den strijd, de mooie, kleine handjes waren krachtig en gespierd
-genoeg om het vurigst paard te mennen; met de fijne voetjes stapte ze
-moedig over groote keien, desnoods over modderpoelen heen.
-
-Als Otto Dorman iemand had gezocht om in goddelijke maanlichtnachten
-tochtjes te gaan maken op een Zwitsersch meer, zou hij haar niet
-gekozen hebben; ook niet om op te zien naar de sterren en te droomen
-van onbekende werelden of te peinzen over de raadselen des levens;
-allerminst om te verzinken in liefde’s zaligheid.... ze zou onder zijn
-teederste omhelzing opspringen als de melk kookte, zooals ze daar
-straks deed bij zijn eersten kus.
-
-Maar dat alles zocht hij niet.
-
-Hij zocht een vrouw in de beteekenis, daaraan gehecht door iemand, die
-jaren lang was blootgesteld aan de rampen en tegenspoeden van den
-vrijgezel.
-
-Reeds lang dacht hij over trouwen, maar trouwen schijnt een zaak te
-zijn, waarover men niet te lang denken moet wil men er toe komen, en
-juist begon hij het dan ook op te geven ooit een meisje naar zijn smaak
-te zullen vinden, toen zaken hem met den heer Haakstra in aanraking
-brachten. Otto Dorman was namelijk administrateur van een
-suikerfabriek, waarover, bij afwezigheid van den eigenaar, de
-superintendentie gehouden werd door Cecile’s vader, een rijk landheer,
-sedert vijf jaar weduwnaar. Het bestuur der geheele huishouding rustte
-op de krachtige schouders zijner oudste dochter, die ook de zorg van
-haar jongste broertje op zich had genomen: de twee andere zoons genoten
-hun opvoeding in Holland.
-
-Dorman moest een paar dagen bij den superintendent doorbrengen; hij
-logeerde in nette kamers, at aan een welvoorzienen disch, wandelde door
-den keurig onderhouden tuin, vertoefde in de comfortable ingerichte
-woning en kreeg een gewaarwording van welbehagen, zooals hij in zijn
-eigen wanordelijk huis niet kende.
-
-Als ieder Hollander vatbaar voor zeker geheim verlangen naar orde en
-netheid, gevoelde hij allerlei onbestemde wenschen in hem opkomen,
-wanneer hij de lieve gastvrouw, met haar sleutelmandje aan den arm,
-door huis en tuin zag rondgaan, hier bevelend, daar regelend, nu
-berispend, dan prijzend, maar altijd vriendelijk en vroolijk, altijd
-flink en ijverig.
-
-’t Waren maar onbestemde wenschen.
-
-Maar toen hij een geheele week achtereen ’s morgens met haar was
-uitgereden, ruimschoots in de gelegenheid om het golvend bruin haar en
-de prachtige taille in het amazonenkleed te bewonderen; ’s middags haar
-bespied had als ze met een vlugheid en bevalligheid, indische meisjes
-eigen, zat te tooveren met de naald; ’s avonds haar geaccompagneerd had
-bij het zingen harer vroolijke liedjes.... toen namen de onbestemde
-wenschen een zeer duidelijken vorm aan.
-
-Toch zou hij nog geaarzeld hebben, ja misschien was hij nooit tot een
-verklaring gekomen, als Cecile’s broêrtje, de ondeugende maar aardige
-Dolf, niet ziek was geworden.
-
-Hij bemerkte met hoeveel liefde en teederheid, met hoeveel moederlijke
-zorg ze het jongske oppaste, en, daar hij zijne bijzondere reden had om
-vóór alles iets moederlijks te wenschen in de vrouw die hij zich koos,
-was zijn besluit genomen. Hij wachtte slechts tot Dolf beter en Cecile
-weer te spreken was, en verraste haar toen met de declaratie bij de
-kokende melk.
-
-
-
-
-
-II.
-
-Herinnerde Cecile met haar frissche schoonheid en vroolijken lach aan
-een zonnestraal, papa deed denken aan een donkere wolk, zwanger van
-storm en onweêr.
-
-De man was echter zoo kwaad niet als hij scheen, of liever hij was in
-het geheel niet kwaad, maar hij nam er den schijn van aan; een slechte
-gewoonte, waardoor hij zichzelf het meest overlast aandeed, daar
-niemand zich om zijn gebulder bekommerde en zijn bloedrijk gestel
-altijd reden gaf om te vreezen voor een beroerte.
-
-„Wat kom je doen, Dorman?” vraagt hij niet onvriendelijk, als deze, na
-afloop van het ontbijt, zijn kamer binnentreedt, om het verzoek te
-wagen, dat, zooals Cecile lachend verklaarde, alle kans heeft om te
-worden afgewezen.
-
-„Goeden morgen, mijnheer Haakstra,” begint Dorman vrij overbodig, daar
-hij zijn schoonpapa in spe reeds tweemaal dien ochtend ontmoet heeft.
-„Ik zou het niet gewaagd hebben u te storen, maar zooals u weet,
-straks.... zou ik weggaan.”
-
-„Is uw vertrek uitgesteld?”
-
-„Neen, dat niet.... maar ik wou u toch vóór dien tijd even spreken, als
-het niet ongelegen komt....”
-
-„Ik dacht dat we alle zaken hadden afgehandeld!”
-
-„’t Geldt ook geen zaken. ’t Was.... ik heb... de hand gevraagd van uw
-dochter, mijnheer Haakstra!”
-
-„Wat? Van Cecile?.... Dat had je wel kunnen laten!”
-
-Er is reeds iets van langzaam naderenden donder in Haakstra’s stem.
-Dorman, beleedigd door dien uitval, antwoordt: „Cecile schijnt op dit
-punt anders te denken.”
-
-„Hé....? Je wilt toch niet beweren dat ze ja gezegd heeft?”
-
-„Hebt u iets tegen me, mijnheer Haakstra?” vraagt Dorman, plotseling
-kalm en rustig geworden tegenover dien ruwen toon.
-
-„Natuurlijk heb ik iets tegen je,” barst de oude heer los. „Dàt komt je
-je eenigste weghalen, je lieveling, je hulp en steun, en dàt vraagt je
-dan nog met een uitgestreken gezicht: „„Hebt u iets tegen me, mijnheer
-Haakstra?””
-
-„Ik weet,” begint de minnaar nu gemoedelijk, „hoe onmisbaar Cecile voor
-u is en ik begrijp volkomen hoe hard het u vallen moet haar af te
-staan, maar....”
-
-Een ratelende donderslag.
-
-„Afstaan?” buldert de bedreigde vader. „Afstaan? Cecile! Neen, zoover
-zijn we nog niet! Ik heb het nu vier jaar lang tegengehouden, en ik kan
-het nog langer tegenhouden ook! Maar nu een andere vraag, mijnheer
-Dorman. Wat zijn uwe antecedenten, dat u om mijn dochter komen durft?”
-
-De man, reeds lang rood van woede, wordt donkerpaars in zijn verweerd
-gezicht, maar Dorman is doodsbleek en zijn lippen beven, als hij fier
-het hoofd opheft en zijn tegenstander in de oogen ziet.
-
-„Mijn antecedenten zijn van dien aard, dat ze mij het volste recht
-geven uw dochter tot vrouw te vragen, mijnheer! U kent mijn familie,”
-gaat hij kalmer voort, „ik geloof dat ze wel met de uwe gelijk staat. U
-weet ook dat ik een weinig fortuin te wachten heb. Ik heb altijd in
-beschaafde kringen geleefd en een wetenschappelijke opvoeding genoten;
-aan de Militaire Academie te Breda officier geworden, heb ik vijf jaar
-gediend; niet zonder eer, dat bewijst mijn Willemsorde....”
-
-„Alles goed en wel,” spreekt Haakstra een weinig ter neer gezet; „maar
-de vraag is: waarvan moet Cecile leven?”
-
-„Toen ik den dienst verliet om administrateur van Soeka-Madjoe te
-worden, is me een tractement van ƒ 600 ’s maands toegestaan, benevens
-de gewone voordeelen, vrije woning, en zoo voorts! Ik maakte tot dusver
-jaarlijks tien- à vijftienduizend gulden aan procenten....”
-
-Een nieuwe slag, zwaarder dan de vorige.
-
-„Maar voor den duivel, als je dat alles hebt, dan kun je kiezen. Waarom
-moet je dan juist om mijn Non komen?”
-
-„Ik ben niet om Cecile gekomen: het toeval heeft ons saâm gebracht.
-Toch.... toch, mijnheer Haakstra, heb ik nog lang geaarzeld eer ik haar
-vroeg.... toch durfde ik haast niet op uwe toestemming rekenen.... Er
-is één groot bezwaar tegen ons huwelijk, waarop ik het mijn plicht acht
-u te wijzen vóór we verder gaan.... Ik heb een kind!”
-
-Als had een slang hem gestoken, zoo springt Haakstra overeind. „Een
-kind! Wel vervloekt.... Hoe kom je dááraan?”
-
-Dorman acht het overbodig die vraag te beantwoorden.
-
-„Een kind!” buldert de superintendent weer. „Een kind! Schaam je je
-niet, jou kijk in de wereld!”
-
-Een flauw lachje speelt om Otto’s lippen, als hij antwoordt: „Ik ben
-dertig jaar, mijnheer!”
-
-„Schande te meer! Iemand op dien leeftijd moest zulke dwaasheden niet
-begaan! Een kind.... God bewaar me! En waarvoor wou je dan mijn Cecile
-hebben? Om haar door een jaloersche ménagère te laten vergiftigen?”
-
-„De moeder is dood!”
-
-„Zoo? Je zegt het waarachtig of het je spijt! Dat is ten minste nog een
-geluk bij een ongeluk! Je zoudt... je zoudt dat kind natuurlijk de
-kampong in sturen?”
-
-„Neen, dat zou ik niet!”
-
-„Naar Holland dan?”
-
-„Neen! Mijn plan is mijn zoon bij me te houden.”
-
-„Bij je houden? Als je met Cecile getrouwd bent?”
-
-„Ik hoop dat zij een moeder zal willen wezen voor mijn arm jongske; ik
-verwacht dit van haar...”
-
-„Eén woord, mijnheer Dorman. Al was Cecile er toe te bewegen,—maar dat
-is ze niet, want ze heeft een afschuw van dat zwarte goedje,—maar al
-was ze er toe te bewegen, dan zou ik nooit—verstaat u me, nooit! mijn
-toestemming geven. De jongen moet weg.”
-
-„Ik mag, ik wil mijn eigen vleesch en bloed niet verstooten,” spreekt
-Dorman even vast als de heer Haakstra sprak.
-
-„De jongen moet weg! Als u wezenlijk van mijn dochter hieldt, zoudt u
-geen oogenblik aarzelen om voor haar dat kleine offer te brengen....”
-
-„Een klein offer.... o Mijnheer, hoe kunt u, die zelf vader zijt, zoo
-iets zeggen?...”
-
-„Daar kom ik niet in. De jongen moet weg. Mijn Non met een vóórkind op
-te schepen! Alsof er niet reeds genoeg huwelijken ongelukkig zijn
-geworden door die verwenschte vóórkinderen.... Neen, de jongen moet
-weg!”
-
-„Is dat uw laatste woord, mijnheer Haakstra?”
-
-„Mijn laatste woord.... Om je de waarheid te zeggen, Dorman, het spijt
-me. Als ik Non dan toch moest afstaan, dan zou ik het nog maar liever
-aan u doen, dan aan een ander. Maar stuur dien aap weg!”
-
-„Hij is geen aap! En ik stuur hem niet weg! Mijnheer Haakstra, ik
-geloof dat ons onderhoud verder nergens toe leiden kan. Er rest mij
-niets dan u dank te zeggen voor de genoten gastvrijheid; wilt u mijn
-groeten en de betuiging van mijn innig leedwezen overbrengen aan
-juffrouw Cecile?”
-
-Reeds houdt hij den knop van de deur in zijn hand, als Haakstra hem
-toeroept: „à propos, Dorman.... zeg er eens.... hm, hm, je bent zoo
-schrikkelijk heet gebakerd.... Ik wou alleen maar weten.... hm....
-heeft Cecile je gezegd dat ze veel van je hield?”
-
-„Ja.”
-
-„Zou ze het zich aantrekken, denk je?”
-
-„Ik denk het wel!”
-
-„Als je dan nog eens niet in de zaak besliste? Als je het nog eens een
-veertien dagen in beraad naamt en een goede gelegenheid zocht om dat
-zwartje kwijt te raken....”
-
-„Het spijt mij, mijnheer, maar.... ik mag het zelfs niet in beraad
-nemen.”
-
-„Loop dan naar den duivel!”
-
-
-
-
-
-III.
-
-Wat de oude heer volstrekt niet bedoeld had, toen hij donderslag op
-donderslag ratelen deed, was gebeurd: de bliksem sloeg in; eenige
-drukte in het logeergebouw en het voorbij rollen van den wagen, waarmee
-Dorman zich naar het nabijgelegen spoorwegstation laat brengen,
-bewijzen het.
-
-Het geklikklak van een paar damesslofjes wordt gehoord op den marmeren
-vloer der voorgalerij, de deur is geopend, iemand is genaderd, zeer
-dicht genaderd, maar de heer Haakstra is zóó verdiept in zijn
-schrijfwerk, dat hij niets hoort.... och, er zijn oogenblikken, waarin
-die groote man zoo klein is.
-
-„Papa!”
-
-Hij weet dat ze vóór hem staat, de donkere oogen fonkelend van drift,
-de kleine handjes tot vuisten gebald; hij kent zijn dochter en.... hij
-is bang voor haar.
-
-„Ja, Non, ja! Stoor me nu niet, lieve, ik heb een massa werk....”
-vraagt hij dringend, smeekend bijna.
-
-„Ik moet u spreken. Leg die pen maar neêr, pa!”
-
-„Waarlijk, Cecile....”
-
-„Papa.... ik ben volstrekt niet in een stemming om me met praatjes te
-laten afschepen.”
-
-Ze neemt hem de pen uit de handen, alsof hij een ondeugend kind geweest
-was dat tot zijn plicht moet gebracht worden. „Mag ik van u weten,
-papa, wat er tusschen u en mijnheer Dorman is voorgevallen?” vraagt ze
-dan.
-
-„Ja zeker, lieve. Maar ga toch zitten. Je bent zoo schrikkelijk
-opgewonden, kind!”
-
-„Wilt u me zeggen wat u mijnheer Dorman geantwoord hebt....? Of neen:
-doe het niet! Laat ik u eerst eens iets zeggen, papa.”
-
-„Ga je gang, kind, ga je gang!” roept Haakstra, verheugd over het
-uitstel dat hem geschonken wordt.
-
-Een gloeiende blos komt Cecile’s gelaat bedekken en haar stem is veel
-minder vast dan daareven, nu ze voortgaat: „Papa, Dorman heeft me
-gevraagd, dat weet u. En ik heb hem aangenomen, dat weet u ook.
-Maar.... wat u niet weet is dat er deze keer niets tegen te doen valt.”
-
-„Mijn lieve kind, niemand zal beproeven er iets tegen te doen. Dorman
-is een beste kerel en ik had hem graag tot schoonzoon gehad,
-waarachtig! Maar....”
-
-„Maar?”
-
-„Cecile, mijn lieve Non, je weet zeker niet dat hij.... een kind
-heeft?”
-
-Ze wordt doodsbleek en staart haar vader verschrikt in het gelaat. „Is
-dat waar, pa?”
-
-„Ja, lieve, maar al te waar,” antwoordt de oude heer.
-
-„Dat is erg jammer,” zegt het meisje na een lange stilte.
-
-„Niet waar? O, ik wist wel, dat je het een vreeselijk bezwaar zoudt
-vinden.”
-
-„Ja, dat is zeker. Ofschoon.... ziet u, er zou wel iets aan te doen
-zijn.... Hij kan het wegsturen.”
-
-„Maar dat is het juist! Ik sprak natuurlijk ook dadelijk van wegsturen,
-de kampong in, of naar Holland, of de Hemel weet waarheen! Maar daar
-wil hij niets van hooren; het kind moet bij hem blijven.”
-
-„Is hij gek?” vraagt Cecile, die enkele kernachtige uitdrukkingen van
-papa heeft overgenomen.
-
-„Ja, kind, dat mag je wel vragen.”
-
-„Maar hij zal toch wel tot andere gedachten te brengen zijn.... Als ik
-zelve eens met hem sprak, misschien....”
-
-„Denk dat niet, Cecile! Het schijnt dat hij dol is op dien jongen. Hij
-houdt idolaat van hem.”
-
-„Meer dan van mij ten minste,” zegt Cecile en bijt zich op de lippen en
-dringt een lastigen traan terug.
-
-„Je moet niet denken, Non,” begint nu de oude heer verteederd, „dat ik
-je dit verdriet niet gaarne zou bespaard hebben.... Ik heb gedaan wat
-ik kon... ja, toen alles reeds was afgehandeld, heb ik hem zelfs
-teruggeroepen en gevraagd of hij het dan ten minste niet veertien dagen
-in beraad wou nemen....”
-
-„En?”
-
-„O, hij maakte zich woedend, alleen bij de gedachte. Toen ik zijn
-jongen een zwartje noemde, werd hij zoo bleek als een doek. Hij wou
-naar geen rede hooren. Eindelijk heb ik gezegd dat hij naar den duivel
-kon loopen.... Dat vind je immers goed?”
-
-„Goed? U hadt het wel wat beleefder kunnen uitdrukken,” antwoordt
-Cecile met een flauw lachje.
-
-„Nu ja. Maar je bent het toch met me eens? Niet waar, poes, je zult je
-er niets van aantrekken?”
-
-„Daar kent u me toch te goed voor, pa! Als hij zoo gemakkelijk afstand
-kan doen van mij, dat hij het niet eens in beraad wou nemen, zou ik dan
-om hem treuren?”
-
-„En dat om zoo’n ellendigen njo, ’t is godgeklaagd!” roept de heer
-Haakstra nu. „Neen, het zou al te dwaas zijn als je er je iets van
-aantrokt, Non! Als je trouwen wilt, dan zijn er plenty goede partijen
-in de buurt. En mijn mooi meisje kan immers kiezen....”
-
-„Maar ik had nu al gekozen, pa! En u weet, bedorven kinderen krijgen
-graag hun zin....”
-
-„Ja. Maar Cile, hoe is het nu toch mogelijk? Je kent dien man nog geen
-veertien dagen en je zou voor hem je armen ouden vader gaan
-verlaten....?”
-
-„Pa, niet aandoenlijk worden....!” zegt Cecile.
-
-„En ik die nog wel dacht dat ik alles gedaan had om je het leven
-prettig te maken. Ik, die geloofde dat je voor mij en Dolf niet zoo
-heelemaal onverschillig....”
-
-„Schei toch uit, pa....” en Cecile’s stem beeft.
-
-„Mijn lieveling, ik kan je niet missen.... En je hadt me beloofd dat je
-niet van me zoudt weggaan!”
-
-„Dat zou ik ook niet. Neen, mijn lief, goed, oud brombeertje, dat zou
-ik ook niet,” roept Cecile uit, en de armen om haars vaders hals
-geslagen, kust ze hem op het gebruind gezicht; dan verbergt ze
-eensklaps het hoofd aan zijn borst, en fluistert: „Dat zou ik ook niet;
-maar.... o, papa! ik hield zooveel van hem.”
-
-
-
-
-
-IV.
-
-Door de spanning, waarin hij de laatste dagen verkeerde, had Dorman
-verzuimd, als naar gewoonte de bedienden kennis te geven van zijn
-terugkomst, en toen hij in zijn woning aankwam, vond hij in plaats van
-de lekkere rijsttafel, die hem welkom geweest zou zijn, alles in de
-diepste rust.
-
-De jongen, die hem vergezeld had, liep naar de bediendenkamers en in
-afwachting dat het dezen gelukken zou de slapers te wekken, wierp de
-heer des huizes zich op een divan in de binnengalerij.
-
-Het ongeluk wilde dat hij naar boven keek, naar het plafond; toen
-rondom zich; toen naar den grond: Hemelsche goedheid! hij wist dat het
-wanordelijk bij hem toeging, dat er veel vuil en weinig schoon gemaakt
-werd in zijn huis, maar dat het er zóó smerig, zóó haveloos uitzag, dat
-had hij nooit geweten.
-
-Zonder te bedenken dat ook bij hem gewoonte tweede natuur was geworden,
-dat zijn oog weinig of niet meer werd geërgerd door stof en spinrag,
-vuil en vlekken, vóór hij die weinige weken had doorgebracht in een
-nette omgeving, maakte Dorman zich zóó driftig, dat hij haast het
-oogenblik niet kon afwachten waarop hij zijn luie, vuile jongens onder
-handen zou nemen.
-
-De spen, wreed ontrukt aan de armen zijner gade, nog slaapdronken, en
-zich slechts ten deele bewust, dat zijn haastig gemaakt toilet
-volstrekt niet voldoet aan de eischen der zindelijkheid, komt het eerst
-aanloopen. Maar hij wordt slecht beloond voor zijn ijver.
-
-„Hoe durf je met zoo’n baadje binnenkomen, smeerlap?” is de eerste
-begroeting, en dan: „Scheer je weg!”
-
-De spen is verplet. Hoe kan hij ook weten dat toewan in den laatsten
-tijd altijd jongens om zich heen zag, gekleed in het helderste wit?
-
-De kok, verwaand als alle javaansche kokken, zoodra ze iets meer kunnen
-dan rijst koken, vindt het in het geheel niet zooals het behoort, dat
-hij gestoord werd in zijn middagdutje, maar zooals het de gewoonte is
-in jongeheeren-huishoudens, hij stormt naar den goedang, haalt een paar
-blikken en gaat ze warm maken.... ’t Is hoogst onaangenaam dat mijnheer
-op zoo’n ongelegen uur komt, maar over een kwartiertje kan kok weer op
-zijn balé balé liggen.
-
-„Waarom zijn die frikkadellen niet opgebraden?” vraagt Dorman als het
-eerste gerecht wordt binnengebracht. De bedienden trekken het wezenloos
-gezicht, dat ze voor zekere gelegenheden gereed houden, maar weldra
-klinkt het: „Roep den kok!”
-
-Het air van onbeschaamdheid waarmede deze zijn heer wilde tegentreden,
-maakt voor dat van schrik en bescheidenheid plaats, als hij hem in de
-oogen heeft gezien; gedreven door een plotseling ontwaakt plichtgevoel,
-vliegt hij naar de keuken en binnen den kortst mogelijken tijd komt het
-gerecht op tafel, zooals het behoort.
-
-Dorman proeft en zucht: „O, Cecile! uw frikkadel....!”
-
-De jongens hopen nog iets van het oogenblik, dat mijnheer alles zal
-vergeten in het genot van het eten, maar hun hoop blijkt ijdel:
-tusschen iedere bete, na elken dronk barsten er vragen los, waarop ze
-het antwoord schuldig moeten blijven.
-
-„Waarom is er geen mosterd? Kunnen ze geen zuur geven? Schamen ze zich
-niet om met een kapot tafellaken te dekken....? Waar is de naaister?
-Niet binnengekomen? Dan heeft ze haar ontslag!”
-
-Een paniek verspreidt zich onder het personeel.
-
-„Wat is er gevaren in hun heer, hun zachtmoedigen heer, op wien ze
-sedert jaren straffeloos proeven namen, hoe schandelijk ze hem
-bedriegen, hoe brutaal ze hem bestelen konden, met hoe weinig bediening
-hij wel tevreden zou zijn....”
-
-„O Cecile,” zucht intusschen Otto Dorman, „wat zag je tafel er altijd
-uitlokkend uit....”
-
-Nog staan de jongens te rillen en te beven, den angstigen blik
-gevestigd op het gelaat, dat bleek is van ergernis, als ze het
-plotseling zien veranderen; een zachte glimlach komt den mond
-ontplooien, een blijde glans ligt in het somber starend oog....
-
-Ieder keert zich naar de zijde van waar die betoovering kwam... dáár,
-in de deur der slaapkamer, staat het liefste kind, dat ooit een
-onwettig vader het hart deed zwellen van teederheid.
-
-’t Was een knaapje van ruim drie jaar, met een blonden krullebol en
-groote lichtblauwe oogen door zwarte wimpers beschaduwd, met een
-donkerrooden blos op de bruine wangen en een aardig rond gezichtje,
-waarin de min of meer dikke lippen en de eenigszins platte neus
-volstrekt niet misstonden.
-
-„Papa, papa!”
-
-„Willie, mijn lieve Willie.... Ben je blij dat paatje terug is?” en hij
-sluit het kind aan zijn borst.
-
-„Ja, Willie zoo alleen, Willie zoo sakit hati” [1], fluistert het
-knaapje, terwijl hij de kusjes van zijn vader beantwoordt.
-
-De spen brengt den hoogen stoel, waarop Willem altijd zit, aan tafel.
-Maar hij verlaat zijn plaats op papa’s knie niet, hij heeft zooveel te
-vertellen, zooveel opgespaarde liefdeblijkjes te geven.... Zijn bord en
-glas worden gebracht, maar hij schuift ze ter zijde, hij wil eten van
-papa’s bord, drinken uit papa’s glas.
-
-„Pa gaat mee naar bed met Willie?” vraagt hij eindelijk met dat vleiend
-stemgeluid, dat misschien de grootste bekoorlijkheid van een kind is.
-„Willie mag slapen in papa’s armen, ja?”
-
-Dit voorstel vindt bijval en weldra liggen vader en zoon in het groote
-ledikant, dat ze meest samen deelen, hoewel het heet dat Willem in zijn
-eigen bedje slaapt. In papa’s armen liggen is de geliefkoosde houding
-van het jongske, en spoedig komt dan ook het woelig hoofdje tot rust,
-staken de bezige handjes hun spel, krijgt het vriendelijk gezichtje die
-uitdrukking van ongestoord geluk, van volmaakte tevredenheid, die,
-helaas! slechts op kindergezichtjes te lezen is!
-
-Maar hoewel vermoeid, hoewel gewoon aan het middagdutje op dit uur,
-Otto Dorman kan de zoo gewenschte rust niet vinden.
-
-Als wilde horden vlogen hem de gedachten door het hoofd; ze lieten zich
-niet beteugelen de verlangens, de wenschen.... onstuimig joeg hem het
-bloed door de aderen bij de herinnering aan die koninklijke gestalte en
-hoe ze een oogenblik had gerust in zijn armen; bij de herinnering aan
-dien warmen blik vol zoete beloften, aan de bloeiende schoonheid die
-hem had kunnen toebehooren....
-
-Wat had hij gedaan....?
-
-Hij schold zich een dwaas.... hij wilde alles herstellen, nog heden tot
-haar terugkeeren.... zij moet de zijne worden, ondanks alle bezwaren,
-ondanks alle hinderpalen....
-
-Haastig springt hij overeind.... die beweging doet zijn jongske
-ontwaken. „Papa.... niet weggaan? Willie niet meer alleen laten!”
-
-„Neen, mijn jongen!”
-
-„Nooit? Nooit meer? Papa moet denken, Willie zoo alleen als papa
-weg....”
-
-Nog even last het knaapje zijn lieve vingertjes over vaders gelaat
-glijden; dan zoekt hij zijn hand en brengt die naar zijn lippen.... zoo
-sluimert hij weer in.
-
-Maar de vader buigt zich dieper en dieper over zijn slapend kind:....
-de strijd op het bleek gelaat, in het brandend oog is bedaard; een
-traan valt op de blonde krullen, als hij fluistert: „Slaap gerust, mijn
-jongen; papa zal bij Willie blijven.... altijd!”
-
-
-
-
-
-V.
-
-Dus was het einde van de prozaïsche declaratie bij de kokende melk nog
-prozaïscher dan het begin: er kon niets van komen, en de jongelui
-schikten zich voorbeeldig in hun lot.
-
-’t Is waar, de eerste week na die plotselinge scheiding ging wel wat
-langzaam voorbij...., men heeft toch altijd een onbestemd gevoel alsof
-het noodlot, het toeval tusschenbeide zal komen;.... ook de tweede week
-duurde nog lang, in het bijzonder voor Cecile, die, hoe hoog ze haar
-neusje ook in den wind stak en hoe vroolijk ze zong en hoe druk ze
-praatte, toch niet nalaten kon ’s avonds als de brieven kwamen, even te
-zien of er ook een van Soeka-Madjoe bij was.
-
-Maar toen er een maand was voorbij gegaan, keek ze zelfs niet meer naar
-de brieven; ze wandelde buitengewoon ver en reed buitengewoon wild; ze
-bedacht allerlei toertjes en toen op een der naburige plaatsen een bal
-werd gegeven, wilde ze er volstrekt heen.
-
-Ze maakte een prachtig toilet, décolleteerde zich veel meer dan haar
-gewoonte was, danste druk en,—wat haar anders nooit overkwam—den
-volgenden dag was ze doodmoê.
-
-Dorman had het altijd volhandig, maar sedert zijn terugkomst werkte hij
-halve nachten door; hij liet zijn huis met bezemen keeren, joeg de
-helft van zijn personeel weg, schold de andere helft de huid vol,
-verspreidde schrik en ontsteltenis onder de werklieden op de fabriek,
-sloeg de boedjans om de ooren, dat hun hoofddoeken her en der vlogen en
-was woedend op de employés als deze hem, tot hun eigen verbazing,
-telkens op een verzuim of vergissing betrapten.
-
-Intusschen geloofde Willie zich in den zevenden hemel.
-
-Zijn vader was altijd goed voor hem, maar zóó werd hij nooit met liefde
-overladen, met lekkers volgepropt, met speelgoed begiftigd als in deze
-dagen. ’t Was goed, dat het ventje er niets van begreep, als papa hem
-dagelijks verzekerde, hoe hij zijn alles was en de rest hem niets kon
-schelen—maar vreemd moest het schijnen, dat hij minder van het kind kon
-verdragen dan vroeger.
-
-Zoo was dan alles in orde: Otto kon troost zoeken in zijn zoon, Cecile
-in de teederheid van papa Haakstra.
-
-Maar de belangen van een onderneming gaan boven de gevoelens van den
-administrateur, ja zelfs boven die van den superintendent, en Haakstra,
-die slecht met de pen terecht kon en gewoon was zijn zaken zooveel
-mogelijk mondeling af te doen, zond op zekeren morgen, toen hem uit de
-correspondentie bleek, dat de bedoeling van den schrijver volstrekt
-niet begrepen was—een telegram waarbij de administrateur van
-Soeka-Madjoe verzocht werd over te komen.
-
-Er was niets aan te doen. Reeds den volgenden dag reed Dorman de breede
-laan op. Het rijtuig hield stil voor de marmeren trappen der prachtige
-villa; maar hoewel het tegen zes uur liep, de tijd dat het gezellig
-wordt in de voorgalerij, dat de lampen branden, de bloemen geuren, de
-stoelen tot schommelen en luieren noodigen, was er niemand vóór.
-
-Dorman had dikwijls den kleinen Dolf verwenscht, wanneer hij Cecile als
-haar schaduw volgde en elk tête à tête onmogelijk maakte; toen Dolf nu
-naar buiten kwam stormen, had hij het kind kunnen zegenen.
-
-„Is je pa niet thuis, Dolf?”
-
-„Neen, pa is exprès uitgegaan, omdat u kwam,” spreekt dit enfant
-terrible. „Waarom vindt pa het zoo „verduiveld beroerd” dat u hier
-logeeren moet?” vraagt hij dan nieuwsgierig.
-
-„’k Weet niet, Dolf. Kun je me mijn kamer wijzen?”
-
-„Ja, dadelijk. Maar wilt u Cile niet goeden avond zeggen? Ze is in de
-binnengalerij, kassian!”
-
-„Waarom kassian?”
-
-„Weet u dat niet? Ze is ziek! Kom maar mee! Cile, daar is meneer
-Dorman, je weet wel, van dolo....”
-
-Was dat Cecile? Hulpeloos uitgestrekt op den divan, bleek en vervallen,
-de lange bruine lokken achteloos teruggeslagen op de kussens.
-
-Dorman had zich precies voorgenomen, wat hij zeggen, hoe zij zich
-houden zou, en, zooals het gewoonlijk in zulke gevallen gaat, hij deed
-wat hij volstrekt niet had willen doen; hij riep „Cecile?” alsof hij
-haar nog altijd liefhad.
-
-„Dag mijnheer Dorman!” zei ze met een lachje zoo weemoedig als hij
-nooit had gezien om haar lippen. „Ik kan u geen hand geven,” voegde ze
-er verlegen bij.
-
-„Haar hand is gebroken,” verklaarde Dolf.
-
-„Mijn God, Cecile, ’t is toch niet waar?” riep Otto, die op een stoel
-naast haar rustbank was neergevallen en de andere hand in de zijne
-hield.
-
-„Neen, ’t is nog niet zeker. De dokter heeft er een gipsverband om
-gelegd; over vijf dagen wordt het losgemaakt. Maar mijn voet is
-verzwikt—en o, mijnheer Dorman, ik lig hier al vier weken....”
-
-Hij begreep ten volle wat dit beteekende: Cecile veroordeeld tot vier
-weken stil liggen!
-
-„Maar mijn hemel, kind! hoe is het gekomen?”
-
-„’t Is mijn eigen schuld geweest! Roméo was dol, het had drie dagen
-geregend en hij had al dien tijd op stal gestaan: en ik was ook dol;
-toen zijn we samen aan den haal gegaan—en hij heeft me afgegooid!”
-
-„Dat ellendige beest! Ik dacht wel dat hij nog eens kuren zou
-uithalen....”
-
-„Arme Roméo,” zeide Cecile lachend. „Hij krijgt van alles de schuld....
-pa wou hem doodschieten, mijn mooiste paardje! Maar wilt u niet iets
-gebruiken, mijnheer Dorman? Of gaat u zich misschien eerst wat
-opfrisschen? U hebt de kamer van vroeger.”
-
-Als hij een half uur later, gebaad en verkleed, binnenkomt, ligt ze nog
-in dezelfde houding, met een gesloten boek op haar schoot.
-
-„Leest u niet?” vraagt hij.
-
-„Mijn oogen doen te veel pijn. Ik lees den heelen dag; de letters
-beginnen me voor het gezicht te dansen.”
-
-Een lange stilte volgt. Eindelijk spreekt Otto terwijl hij het boek
-opneemt: „Mag ik wat voor je lezen, Cecile?”
-
-„Wil je, Dorman?”
-
-Hij had een melodieuse stem en het was een aandoenlijke
-liefdesgeschiedenis; toen de heer Haakstra eindelijk thuiskwam,
-voornemens „den vent die zijn Non voor zoo’n leelijken liplap had
-opgegeven,” heel onaangenaam te behandelen, bleef hij stom van
-verbazing in de deur der binnengalerij staan.
-
-Hij zou in de eerstvolgende dagen nog meer gelegenheid vinden om zich
-te verbazen.
-
-De zaken, die de administrateur met zijn superintendent te bespreken
-had, waren van dien aard, dat de heer Haakstra meende reden te hebben
-om nu en dan los te barsten in zware onweersbuien.
-
-Dit verlichte hem, want er had zich bijzonder veel electriciteit bij
-hem opgehoopt: de post van ziekenoppasser was weinig geschikt voor den
-ouden heer, vooral bij zoo’n prikkelbaar patiënt als Cecile was, want,
-weinig gewoon aan ziekte of tegenspoed, was haar humeur er niet op
-verbeterd door het in huis blijven. De vader verdroeg alles; maar als
-Dorman niet juist bijtijds gekomen was, had hij misschien een beroerte
-gekregen. Nu ging hij ’s morgens naar het kantoor en kon daar zoo lang
-en zoo hard hij verkoos razen en tieren. Dorman was bijzonder geduldig
-en als de gastheer soms een oogenblik bedaarde en opmerkte, dat ze
-niets vooruit kwamen op die manier, zei de gast, dat het er niet op
-aankwam, dat hij tijd genoeg had, dat het zijn plicht was aan te hooren
-welke de meening van den superintendent was in deze hoogst moeilijke
-zaak.
-
-Niet alleen als bliksemafleider deed Dorman dienst.
-
-„Ik moet je de courant nog voorlezen, Non!” zei Haakstra zuchtend.
-
-„’t Is heel lief van u, pa, maar mijnheer Dorman heeft het al gedaan,”
-antwoordde Cecile met een licht blosje.
-
-„Als u soms lust hebt in een toertje, mijnheer Haakstra, ik wil met
-genoegen juffrouw Cecile gezelschap houden,” sprak Otto.
-
-„Laat den tuinjongen maar begaan, pa; mijnheer Dorman heeft al naar de
-bloemen gezien en me die mooie bouquet gebracht.”
-
-Toen het Zaterdagavond werd, kon de oude heer weer als vroeger zijn
-vast partijtje maken. Cecile animeerde hem er zelfs toe; pa hoefde
-volstrekt niet bang te zijn, dat ze zich vervelen zou, ze zou met
-mijnheer Dorman een spelletje schaken.
-
-Alweer staarde de oude heer haar verwonderd aan; toen hij haar had
-voorgesteld te schaken, vond ze het vervelend.
-
-Intusschen was de aandoenlijke liefdesgeschiedenis tot een eind gekomen
-en bij de slotscène, die bijzonder treffend was, hadden Otto en Cecile
-elkander aangezien.... één oogenblik slechts, want Cecile wilde niet
-weten dat ze zoo flauw kon zijn van bij een boek te schreien.... maar
-toch lang genoeg.
-
-Intusschen was ook de dag aangebroken waarop het gipsverband van
-Cecile’s hand zou worden losgeknipt.
-
-De heer Haakstra was er eenigszins aan gewoon geraakt om door zijn
-dochter te worden verbaasd, maar wat hem aangreep, toen hij op dien dag
-onverwacht binnentrad, was meer dan verbazing: het was ontzetting!
-
-„Papa,” riep Cecile, terwijl ze zich blozend losmaakte uit de armen die
-haar, o zoo vast! omknelden, „papa, de dokter is er geweest; mijn hand
-is geheel in orde.... ik wist er niets beters meê te doen dan hem aan
-mijnheer Dorman te geven....”
-
-
-
-
-
-VI.
-
-Half acht.
-
-Mevrouw Dorman ziet naar de pendule, legt haar boek neer en buigt het
-hoofd voorover als iemand die luistert. Dan springt ze ongeduldig op
-van haar stoel, treedt naar het raam en staart naar buiten.
-
-’t Is pikdonker: ze ziet niets, maar ze hoort hoe de regen klettert en
-neêrvalt in dichte stroomen, hoe de rivier bruist en buldert met
-onheilspellend geraas.... en ze zucht bij de gedachte dat manlief uit
-is in zulk een hondeweer.
-
-’t Gebeurt niet dikwerf dat Otto haar wachten laat.
-
-Hij weet daarvoor te goed hoe lang haar de tijd valt in zijn
-afwezigheid, hij verlangt daarvoor te zeer naar het vriendelijk tehuis,
-waar zijn vrouw hem tegentreedt met een kus en een lach, altijd
-opgewekt, altijd vroolijk, keurig gekleed en gekapt, met dezelfde
-aardige manieren en onschuldige koketterie, die eertijds den vader, nu
-den echtgenoot, onweerstaanbaar boeien.
-
-Acht uur.
-
-Ze neemt haar plaats op het aardig stoeltje bij de marmeren tafel
-wederom in en slaat het boek, dat ze straks zoo knorrig neêrwierp,
-open, maar lezen kan ze niet; ze luistert naar den stormwind
-daarbuiten.
-
-Jammer dat hij zoo laat komt!
-
-Den geheelen langen, regenachtigen dag had ze zich verheugd op een
-gezellig avondje; er was een groote trommel gekomen van het
-Leesgezelschap, ze had met hem de illustraties willen zien, en dan was
-er die roman van Ebers, die zooveel opgang maakte; hij zou er haar een
-paar hoofdstukken uit voorlezen, had hij beloofd.....
-
-Als hij maar geen ongeluk gekregen heeft! Het is zoo donker en men kan
-zoo licht van den weg afraken.... links waar dat akelige diepe ravijn
-is.... o God.... hij zal toch niet?.... Maar neen; dat is het geraas
-van wielen, heel in de verte nog, maar toch naderend, steeds
-naderend.... ja, Goddank! daar is hij!
-
-Reeds is ze naar voren gevlogen, reeds heft ze het verheugd gezichtje
-tot hem op om den welkomstgroet te ontvangen.
-
-„Dag man! Ben je daar eindelijk?”
-
-„Dag kind! Ik heb je lang laten wachten, hè? Buiten mijn schuld,
-lieve.”
-
-„Wat een weêr.... Otto, is er iets gebeurd?”
-
-Eerst nu hij onder het volle licht der lampen kwam, heeft ze gezien hoe
-bleek hij is, hoe strak en somber zijn gelaat staat.
-
-„O God!” roep ze op eens, „er is bloed aan je handen, bloed aan je
-kleêren....”
-
-Verwonderd ziet hij haar aan. „Bloed? heb ik waarlijk zijn kop tot
-bloed geslagen? Nu, Cecile, maak je daar niet ongerust over, ’t is een
-beetje schurkenbloed.... Kom, geef me wat verwarmends te drinken....
-dan ga ik me verkleeden!”
-
-Met bevende hand schenkt ze een glas cognac in, dan volgt ze hem naar
-de kleedkamer en als ze de deuren gesloten heeft, achter den jongen die
-mijnheers natte laarzen uittrok, zegt ze op vasten toon: „Ik moet weten
-wat het is.”
-
-Het duurt lang voor er antwoord komt; hij werpt het eene natte
-kleedingstuk na het andere van zich; eerst als hij ze voor slaapbroek
-en kabaia heeft verwisseld, valt hij op den divan neer en zegt: „Wat
-het is? Ik heb een schurk afgeranseld.... half dood geslagen.... dàt is
-het!”
-
-„Dat is niet alles, Otto!”
-
-„Neen. Maar het overige....”
-
-„Is het iets akeligs?”
-
-„Akelig?” vraagt hij met een zonderlingen lach, „akelig! o neen! Je
-vader zou het ten minste niets akelig vinden.... ’t geldt immers maar
-zoo’n leelijken lippert....”
-
-„O, Otto....”
-
-„’t Is waar, er is een arm, hulpeloos wezentje mishandeld! God! wie
-weet hoe lang en hoe vaak reeds mishandeld.... Maar dat komt er immers
-niet op aan? Het was een kleurling, begrijp je, een onecht.... och, hoe
-noemt je vader dat ook weer.... een zwarte aap.... Maar Cecile! die
-zwarte aap, die onecht, die kleurling, dat is mijn kind.... mijn kind!
-mijn arme, lieve, kleine Willie....”
-
-Ze naderde hem en nam de handen weg, die hij voor het gelaat had
-geslagen; toen kuste ze het klamme voorhoofd, streek de vochtige haren
-terug van de slapen en zeide vriendelijk: „Je bent overspannen, Otto.
-Je hebt je veel te veel vermoeid; en dàt terwijl je den geheelen dag
-nog niets gebruikte.... kom, laten we verstandig zijn en eerst kalm
-gaan eten, dan kun je me straks vertellen wat er gebeurd is.”
-
-Hij liet zich gewillig naar de pendoppo voeren, waar hun een dier
-uitstekende dinéetjes wachtte, waarvan Cecile het geheim bezat; maar
-hij deed haar tafel weinig eer aan.
-
-Bleef Otto’s gelaat somber en droevig, Cecile scheen alle treurige
-gedachten van zich te hebben geweerd om geheel het vriendelijk, zorgend
-huismoedertje te wezen; ze bediende haar man zelve, ze animeerde hem om
-toch een goed glas wijn te drinken, na dien akeligen tocht door storm
-en regen; ze vertelde opgewekt de kleine gebeurtenissen van den dag, in
-één woord, ze gebruikte al de middelen, die een vrouw ten dienste staan
-om haar man in betere stemming te brengen.
-
-Toen het eten was afgeloopen, liet ze het theeblad in haar kamer, haar
-lief gezellig boudoir, gereed zetten, nam een werkje in handen, zette
-zich op de canapé, trok Dorman’s lagen luierstoel zoo dicht mogelijk
-tot zich en schonk hem een kopje in.
-
-Niet zoodra had hij aan de stomme en toch zoo welsprekende uitnoodiging
-gehoor gegeven of ze vroeg: „Nu, Otto, zeg me nu wat er gebeurd is?
-Kom, man, wat maakt je zoo bedroefd?”
-
-En als hij zwijgen blijft: „’t Moet wel iets buitengewoons zijn, dat
-het je zoo onrechtvaardig kon maken jegens papa....”
-
-„Ja, ik had dat niet moeten zeggen; ik weet dat het je grieft, Cecile.
-Maar onrechtvaardig! onrechtvaardig? Neen! Of spreekt hij niet altijd
-met zoo’n minachting over vóórkinderen. Heeft hij niet altijd allerlei
-bijnamen gereed voor die arme schepsels, alsof het hun schuld was dat
-Europeanen leven met inlandsche vrouwen, alsof zij er iets aan konden
-doen dat hun moeder een javaansche was? Neen, Cecile, onrechtvaardig is
-het niet! Of heeft hij je niet opgebracht in datzelfde vooroordeel? Zou
-je mijn arm jongske zoo wreed verstooten hebben als je vader het niet
-had gewild? Neen, kind, daar ben je te goed voor! Maar.... o, ik weet
-het.... hij heeft je het hoofd warm gemaakt; je hebt je laten opstoken;
-je hebt er je door hem toe laten gebruiken om me over te halen tot het
-doen van die belofte, die vervloekte belofte, waarbij ik mijn eigen
-kind, mijn vleesch en bloed verloochen....”
-
-Een donkere blos komt het gelaat der jonge vrouw verven.
-
-„Dorman, wat draaf je weer door! Mag ik weten tot het doen van welke
-belofte ik je heb overgehaald? Je bent met papa overeengekomen dat je
-zoon erkend zou worden, dat er dertig duizend gulden op hem zou worden
-vastgezet, dat hij over een paar jaar met ons mee zou gaan naar Holland
-om daar als een groot heer te worden opgevoed, dat je hem tot zoolang
-in je nabijheid kondt houden....”
-
-„En dat ik hem zou verbannen uit mijn huis.”
-
-„Juist. Als je je dat nog herinnert, was je er toen bijzonder op
-gesteld om iemand anders in je huis te brengen.... heb je soms berouw
-van den ruil?”
-
-Ze doet die vraag, het blozend gelaat met een allerliefsten,
-uitdagenden blik tot hem gewend en een oogenblik vergeet hij alles om
-in vervoering uit te roepen: „Neen, o neen! Dat weet je wel, ondeugd!
-Cecile,” gaat hij dan ernstig voort, „God alleen weet wat het me gekost
-heeft hem weg te zenden; je hebt me echter zijn gemis ruimschoots
-vergoed! Ook zou ik er niet over denken; maar, o Cile, ik heb een
-vreeselijke ontdekking gedaan.... hij wordt mishandeld, mijn arm, klein
-ventje....”
-
-„Neen, man?” vraagt ze ontsteld. „’t Is toch niet waar?”
-
-„Ik heb het met mijn eigen oogen gezien!”
-
-„Ben je dan vandaag op Djember geweest?”
-
-„Ja. Ik weet wel, Cecile, we hadden afgesproken, dat ik er niet zoo
-dikwerf meer heen zou gaan, maar och, soms grijpt me een
-onweerstaanbaar verlangen aan om hem....”
-
-„Ga voort. Wat zag je op Djember?”
-
-„Ze hadden door het kletteren van den regen—want de bui overviel me
-reeds op weg daarheen—mijn wagen niet hooren aankomen en—wie vond ik in
-dat vreeselijk weer op zijn bloote voetjes snikkend, gillend van angst,
-roepend om binnengelaten te worden?.... Willie! Cecile, ze hadden hem
-bont en blauw geslagen en toen buiten de deur gezet, omdat ze hem niet
-wilden hooren schreien....”
-
-„Kassian, kassian! het arme schaap!”
-
-„’t Schijnt dat hij al meer zoo mishandeld is. Maar hij heeft het me
-eerst nu durven bekennen. Barks had hem wijsgemaakt dat hij in een hol
-vol tijgers en slangen zou gegooid worden als hij iets vertelde.”
-
-„Maar Otto, ’t is vreeselijk! En dat, terwijl je hen zoo op het hart
-hebt gedrukt hem goed te behandelen, dat, terwijl we zoo’n hoog
-kostgeld voor hem betalen!”
-
-„Niet waar? Maar ik heb den ellendeling afgeranseld tot hij voor me lag
-te krimpen op den grond; ik heb hem voor iederen slag, dien hij mijn
-lieveling gegeven had, minstens een dozijn toegediend.”
-
-„Flink!” zegt Cecile. „Zoo’n kindermoorder! En het arme ventje?” laat
-ze er dan meelijdend op volgen.
-
-„Dat heb ik meegenomen.”
-
-„Meegenomen? Toch niet hierheen?” vraagt ze met plotselingen schrik.
-
-„En al was dat zoo?.... Wees niet bang, Cecile, ik weet onder welke
-voorwaarden je mijn vrouw bent geworden. Maar.... God, het is me nooit
-zoo zwaar gevallen mijn belofte te houden als vanavond... Cecile, hij
-drong zijn arm mishandeld lichaampje zoo tegen me aan.... hij smeekte
-zoo om bij mij te blijven....”
-
-„Waar is het kind?” vraagt ze koel en hard, met afgewend gelaat.
-
-„Bij Swiff, de employé.”
-
-„Hier op de fabriek? Otto, je weet dat ik hem niet zien wil!” en ze
-springt overeind.
-
-„Dat weet ik. Het is ook maar voor één nacht... Bij Swiff zou het
-anders goed voor hem wezen; zijn vrouw is een zacht, lief schepsel...
-en er zijn daar kinderen waarmee hij zou kunnen spelen....”
-
-Hij houdt den smeekenden blik gevestigd op haar half afgewend gelaat:
-dan grijpt hij haar hand.
-
-„Cecile, o Cecile!”
-
-’t Is een zware strijd die haar boezem hijgen doet en al het bloed
-terugjaagt naar haar wild kloppend hart.... als ze zich eindelijk tot
-hem keert, spreekt er zielenangst uit haar blik.... „Otto, Otto, eisch
-dat niet van me... ik kan, ik wil dat kind niet zien!”
-
-„Maar lieveling....?!”
-
-„Begrijp je dat dan niet? Begrijp je dan niet wat een vreeselijk
-denkbeeld het voor me is, dat de eerste de beste javaansche vrouw je
-zoo’n kind geven kon, terwijl ik.... ik....! o God! Juist omdat hij
-zoo’n mooi aardig jongetje is... Niet dat ik zooveel zou geëischt
-hebben. In het begin... ja, toen moest ik een mooi, sterk, vlug kind
-hebben, maar later vroeg ik zooveel niet meer! Als het zwak was, zou ik
-het wel verzorgd hebben en gekoesterd; als het leelijk was.... wat kwam
-er dat op aan? ’t Was toch ons kind! Maar dàt zelfs was nog te veel
-gevraagd! Niets! Niets! Al mijn vriendinnen hebben kinderen.... ik
-niet! Ik moet alleen blijven.... altijd alleen!”
-
-„Maar Cecile, wat praat je toch? We zijn drie jaar getrouwd en de
-doctoren zeggen....”
-
-„De doctoren.... o ja! Spreek me niet van de doctoren! Geduld,
-mevrouwtje! U is nog zoo jong, mevrouwtje! Een reisje naar Europa doet
-wonderen, mevrouwtje! De monsters!.... Hun vrouwen hebben kinderen!”
-
-„Lieve, wat ik je bidden mag, wind je nu niet op.”
-
-Maar terwijl hij haar tot kalmte vermaant weet hij reeds, dat hier geen
-vermanen meer baat; de wonde plek is aangeraakt; de schoone oogen
-gloeien van het somber vuur, de bleeke lippen trillen onder de
-hardstochtelijke taal die de herinnering aan haar gemis doet opwellen
-in haar hart.
-
-De vrienden van Dorman en ook enkele van hare kennissen veroordeelen de
-jonge vrouw om haar hardvochtigheid jegens kleinen Willie, maar Otto
-verwijt haar niets.
-
-Hij heeft haar strijd gezien.
-
-Eerst de toorn van het bedorven kind, wier wenschen altijd vervuld
-waren en die nu te vergeefs vroeg om hetgeen de armste vrouw van de
-fabriek in haar slendang droeg; toen het smachtend verlangen, het
-wanhopig dwingen; eindelijk het opgeven harer hoop, het afstand doen
-der hoogste vreugde, gevolgd door een zeker angstig ontwijken, een
-soort afkeer van diezelfde lieve wezentjes, waarnaar ze zoo vurig had
-verlangd, een afkeer, die zich nooit sterker openbaarde, dan wanneer er
-sprake was van den armen, kleinen Willie.
-
-Otto heeft haar strijd gezien.
-
-En hij oefent geduld met haar. En als nu eindelijk de storm bedaart,
-legt hij haar hoofd aan zijn borst en fluistert: „We hebben beiden ons
-leed te dragen, Cecile; laat ons elkaar helpen!”
-
-
-
-
-
-VII.
-
-Een jaar is voorbijgegaan.
-
-En het geluid, dat reeds zoo menig studeerend huisvader tot wanhoop
-bracht, dat de arme, met drukte overladen huismoeder zuchtend doet
-oprijzen van haar stoel, het geluid, dat hatelijk is om aan te hooren
-als het uit buurmans huis komt en toch ook weer zoo liefelijk als uw
-eerstgeboorne het voortbrengt, weerklinkt door de administrateurswoning
-van Soeka-Madjoe.
-
-Maar de jeugdige spruit der Dormans heeft het woord niet alleen: ze
-wordt overschreeuwd door een zwaar donderend stemgeluid.
-
-„Neen, maar heb ik nu van mijn leven!” roept de grootvader. „Dat is nog
-geen drie maanden oud en gilt en schreeuwt als een mager varken omdat
-ze haar zin niet krijgt! Wel jou drommelsche meid, wil je je wel eens
-stilhouden?” Maar dan, daar het kind plotseling zwijgt: „Nu, huil maar
-toe, mijn dotje! Heeft grootpapa je verschrikt met zijn harde stem? Ja,
-liefje, grootpapa is een schreeuwleelijk, daar heb je gelijk in, en jij
-bent een engel....”
-
-Cecile, die bezig was zich te kleeden, hoort het vreeselijk lawaai mee
-aan en zendt baboe om het kleintje over te nemen. Maar de goede ziel
-springt wel drie pas achteruit, nu Haakstra haar toebuldert: „Wat wou
-jij, ouwe totebel? Het kind? Geen kwestie van! Denk je dat we vier jaar
-op haar gewacht hebben, om haar nu aan de meiden toe te vertrouwen?
-Waarachtig niet!”
-
-„Ik kom dadelijk, pa,” roept Cecile.
-
-„Geen haast, Non!” is het antwoord. „Ze is goed bezorgd, daar kun je
-gerust op zijn.”
-
-Maar weinige oogenblikken later treedt Cecile toch naar buiten,
-bloeiend en blozend, met een lachje om de lippen en een flikkering in
-de oogen, die den vader herinnert aan de schoonste dagen van haar
-meisjesleven.
-
-„Is ze lastig geweest, pa?”
-
-„Lastig.... zoo’n engel? En al was ze het, wat dan? Ze heeft het recht
-om lastig te zijn, zou ik denken!”
-
-„Zeker pa! Geef haar nu maar hier, wilt u?”
-
-„Maar, voor den duivel, wat bezielt jullie toch? Zal ik dan mijn eigen
-kleinkind niet eens rustig in mijn armen kunnen houden, zonder dat er
-telkens een vrouwspersoon komt om me haar afhandig te maken?”
-
-„Ik wou haar in slaap sussen.”
-
-„Alsof ik dat niet kon! Kijk, ze doet de lieve lodderoogjes toe, die
-engel.... Sla de klamboe maar open, Cile; ze is al onder zeil. Zie zoo,
-daar ligt ze; net een schilderij! Zie me zulke beenen eens.... ’t is
-een pracht van een meid....”
-
-„En die handjes, pa, die kleine, rose vuistjes.”
-
-„Ja, en dan dat speknekje.... dáár kan ik maar niet afblijven.... Nu,
-dag lief, lekker diertje!”
-
-„Dag mijn mooi, zoet meisje!”
-
-De grootvader, bang dat zijn stekelige baard het kind zal doen
-ontwaken, zendt haar uit de verte een kushand toe, de moeder sluit
-zorgvuldig de gordijnen, dan zien ze elkaâr aan met een gelukkigen
-lach....
-
-„Willen we een eindje gaan loopen, pa, Otto te gemoet?”
-
-„Goed, kind!”
-
-Als ze buiten gekomen zijn, wandelen ze eerst zwijgend naast elkander
-voort, dan trekt de heer Haakstra Cecile’s arm door den zijnen en
-vraagt: „Dat hadden we niet gedacht, ja Non?”
-
-„Neen, o neen, papa!” roept ze uit. „Als ik het maar geweten had! Als
-ik het maar had durven hopen, dat ik er nog eens eentje zou krijgen, al
-was het over tien jaar geweest, dan zou ik wel geduld hebben gehad....”
-
-„En je kondt niet eens je beurt afwachten....”
-
-„’t Is waar, pa, ik heb me heel dwaas aangesteld. Ik had niet zoo
-moeten dwingen om dat eenige wat me ontzegd was; ik bezat toch zooveel!
-Een goed vadertje, een onbezorgd leven en een man, een man uit
-duizenden....”
-
-„Zeg het maar.... een volmaakt man!”
-
-„Lach me niet uit, pa, bijna is hij het. Natuurlijk heeft hij zijn
-gebreken, maar wat hindert dat bij iemand, die zoo goed, zoo edel, zoo
-flink en verstandig is?”
-
-„Dat is zeker, kind, je apprécieert hem, en dit kan men lang niet
-zeggen van alle vrouwen die een goeden man hebben.”
-
-„Apprécieeren.... ja! maar toch niet half genoeg! Als ik alleen maar
-bedenk wat hij voor me geweest is in mijn ziekte.”
-
-„Ja, toen heeft hij zich voorbeeldig gehouden. Ik heb hem dikwijls
-bewonderd in dien tijd, want—niet dat ik iets tot je nadeel zeggen wil,
-kind!—maar zoo lief als je zijt in gezonde dagen, zoo lastig kun je
-wezen als je ziek bent.”
-
-„Nu pa, u weet daar alles van!” roept ze lachend. „En als ik u nu zeg,
-dat ik ziek nog niet half zoo lastig ben als ik zijn kon in dien tijd,
-toen de gedachte, dat ik geen kinderen zou krijgen, me bijna
-krankzinnig maakte, maar dat hij altijd goed en geduldig voor me
-bleef.... dan zult u me toch toestemmen, dat hij bijna volmaakt is?”
-vraagt ze met groote tranen in de schitterende oogen.
-
-„Ik wil niets liever gelooven, kind!” zegt Haakstra, en dan: „Non, je
-verwonderde je gister dat ik alweer gelegenheid gevonden om bij jullie
-te komen, maar begrijp je dat niet, kind....? ’t Is omdat ik nergens
-liever ben dan hier, omdat het mijn oud hart goed doet, je zoo gelukkig
-te zien. Je begrijpt niet, wat dat zegt voor een vader, te weten dat
-zijn dochter veilig bezorgd is bij een braaf man. Wil je gelooven,
-kind, soms als ik zie hoe andere jonge vrouwen behandeld worden, dan
-schiet mijn hart vol, dan weet ik uit dankbaarheid niet....”
-
-„Stil, pa, daar komt hij aan. Laat hem in ’s hemelsnaam niets hooren;
-de heeren der schepping zijn overal beter tegen bestand dan tegen lof.”
-
-In een oogwenk is Otto van zijn paard. „Wel, dat is een goed idée van
-je om me te gemoet te komen!” en hij kuste zijn vrouw. „Nonnie sliep
-zeker?”
-
-„Ja, papa heeft haar in slaap gemaakt.”
-
-„U hebt daar slag van, geloof ik,” zegt Dorman, zich vriendelijk tot
-zijn schoonvader keerend, „meer dan ik ten minste.”
-
-„Wacht maar, als je er eens een half dozijntje gehad hebt! Jongen, je
-begint er langzamerhand zoo’n pleizier in te krijgen! En let eens op
-wat ik je zeg, Otto, met het zesde ben je nog veel gekker dan met
-nummer een; dat hebben wij ondervonden!”
-
-„Gekker dan we op Nonnie zijn kan het niet!” zegt Cecile. „Is ’t wel,
-man?”
-
-„Wat zei je, lieve?” vraagt Otto verstrooid.
-
-„Nu, jongelui, ik ga verder! Ik heb mijn twee uur nog niet geloopen
-vandaag en je wilt zeker liever bij manlief blijven....? Neen,
-waarachtig niet, kind! ga je gang, ik kan best de zon in het water zien
-schijnen. Je goede moeder had dat ook voor gewoonte: als ik van de
-fabriek kwam, stond ze me al van verre op te wachten en dan was ze met
-geen stokken van me af te slaan. ’k Weet niet hoe het komt, Cile, maar
-je herinnert me telkens aan je moeder, en vroeger was dat toch niet zoo
-het geval....”
-
-„Maar ze is in den laatsten tijd ook zoo veranderd,” zegt Otto met een
-teederen blik op zijn bekoorlijk vrouwtje.
-
-„Gekheid,” roept ze lachend. „Nu, tot straks, pa; hij is naar de tuinen
-geweest en doodmoê, wed ik.”
-
-„Ja, ik ben moê,” zegt Dorman, als ze, haar arm door den zijne,
-langzaam naar huis wandelen; „ik ben dood af. Maar toch zal ik geen
-rust kunnen nemen. Ik kwam alleen thuis om me te verkleeden en je te
-zeggen dat ik er straks dadelijk weer op uit moet....”
-
-„Maar Ot?”
-
-„Ja, lieve, ’t is vervelend voor je en het spijt me wel dat het juist
-treft nu pa hier logeert, maar er is niets aan te doen: Willie is ziek.
-Ik zei je gister al, dat hij zoo gloeierig was; hij ligt nu in een
-zware koorts.”
-
-„Waarlijk? Dan moet je natuurlijk gaan, man! Kan ik iets voor hem
-doen...? Heb je al om den dokter geschreven....? Neen? Stel dat toch
-niet uit! Ik zal maar dadelijk een man te paard zenden, ja?” en ze
-verhaast haar stap.
-
-„Goed, lieve,” en hij drukt haar arm dichter aan zijn borst, terwijl ze
-samen het huis betreden.
-
-„Nu, man, ik ga een sterken bouillon klaar maken en dan zullen we ook
-wat snoeperijtjes inpakken.... je weet wel van die ingelegde vruchten,
-die hem laatst zoo gesmaakt hebben, toen hij ook ziek was.”
-
-„Valt het je niet op, Cecile, dat Willie dikwerf ziek is in den
-laatsten tijd?”
-
-„Ja. Ga nu wat op den divan liggen. Hier is een kop thee.”
-
-„Ik begrijp niet wat hem scheelt. Je weet hoe ik er op gesteld was, dat
-hij bij Swiff zou komen, hoe lief ik het van je vond toen je daar niets
-meer tegen hadt.... maar wie kon toen denken dat het mensch tweelingen
-zou krijgen? ’t Is waar, de goede ziel doet wat ze kan; maar ze is zwak
-en dan dat eeuwigdurend gesukkel met haar eigen kinderen... neen,
-Willie krijgt niet de zorg, die hem toekomt.”
-
-„’t Spijt me zoo, Otto, te meer omdat ik het arme ventje niet gaarne
-weer ergens anders heen zou sturen, vooral met het oog op dat telkens
-ziek zijn. Neen, Otto, zoo kan het niet langer. Er moet een verandering
-komen in dien toestand, die langzamerhand onhoudbaar wordt,” zegt ze,
-zich plotseling tot hem keerend.
-
-„Wat bedoel je, Cecile?” en hij richt zich haastig overeind.
-
-„Ik bedoel.... dat het hier koel en stil is en dat je rustig moet gaan
-slapen en je niet bezorgd maken over Willie, omdat....”
-
-„Omdat....? Nu, Cecile, omdat....?”
-
-„Omdat.... Willie ook nog een mama heeft, al is het tot dusver eene
-heel slechte mama geweest!”
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-Toen de heer Haakstra, bezweet en vermoeid, terugkwam van de wandeling,
-die hij sedert tien jaren dagelijks deed in de nooit vervulde hoop, dat
-daardoor zijn corpulentie verminderen zou, riep hij met luider stem om
-selterswater, viel hijgend op een stoel neer en bemerkte volstrekt
-niet, dat zijn dochter niet zoo spraakzaam was als anders.
-
-Maar toen Cecile, bij een rechtstreeksche vraag, de oogen naar hem
-ophief, kwam het glas, op weg naar zijn dorstige lippen, tot staan en
-gilde hij: „Ze heeft waarachtig gehuild! Cile, Cile, wat is er?”
-
-„Ik weet niet pa.... een beetje zenuwachtigheid....”
-
-„Gekibbeld? Is Otto onaardig geweest? Zeg het, Cile!”
-
-„O neen! Zenuwachtigheid, anders niet.”
-
-„Het kind dan?” vraagt de grootvader, ontsteld bij de gedachte.
-
-„Het kind....?” en Cecile slaat de groote oogen naar hem op,
-„Nonnie.... neen. Maar er is nòg een kind en daar dacht ik aan, aan dat
-arme kleine ventje. Papa,” en ze legt haar hand op zijn arm en ziet hem
-in het gelaat, „is het nooit in u opgekomen dat we indertijd slecht en
-hardvochtig gehandeld hebben jegens Otto’s voorzoon?”
-
-„Neen, Cecile, integendeel!”
-
-„Ik geloof u gaarne, papa! Ik heb onze handelwijze ook nooit in dat
-licht beschouwd, tot.... kleine Non geboren werd. Maar sinds zij er is,
-sinds ik haar bezit.... weet ik zeker dat we er heel slecht aan gedaan
-hebben!”
-
-„Maar kind....?!”
-
-„Neen, word nu niet boos; laat me alles zeggen, pa! ik kan het niet
-langer zwijgen! Toen ik zoo ziek was en met den dag zwakker werd en
-eindelijk een gevoel kreeg alsof ik nooit weer beter zou worden, toen
-heeft me altijd de gedachte vervolgd, dat, als ik stierf, er een andere
-vrouw zou komen en Non, onze arme kleine Non, behandelen zooals ik
-Willie behandeld heb.”
-
-„Maar,” barst de oude heer los, „je kondt toch weten dat zoo iets nooit
-gebeuren zou. Grootpa was er ook nog!”
-
-„Ja,” zegt Cecile langzaam en dof, „dat is zoo. Willie had geen
-grootpa; Willie had niemand om hem te beschermen, niemand dan zijn
-vader! En dien hebben wij hem afgenomen.”
-
-Er volgt een lange stilte. Eindelijk begint de oude man:
-
-„Maak je me daar een verwijt van, Cecile?”
-
-„Neen, verre van daar! Ik weet dat u dacht te handelen voor mijn
-bestwil; ik weet dat u bij alles bestuurd werd door uw groote liefde
-voor mij. Dat is uw verontschuldiging. En ik wist toen nog niet hoe
-lief men zijn kind hebben kan.... ik wist toen nog niet, zooals ik het
-nu weet, wat het zijn moet als ze je kind van je wegnemen.... neen, ik
-heb het toen niet begrepen, wat mijn arme man daaronder lijden moest.”
-
-„Je vergeet, Cile, dat Dorman onmogelijk voor dien jongen voelen kan,
-wat jij voor Nonnie voelt bijvoorbeeld.”
-
-„Zeg dat niet. De moeder was bij de geboorte gestorven en hij heeft met
-een oude baboe altijd alleen voor hem gezorgd. Nu, u weet dat men zelfs
-van een hond of kat kan gaan houden door hem steeds liefde te bewijzen,
-hoeveel meer van zoo’n aanvallig kind?”
-
-„Aanvallig? Ken je den jongen dan, Cecile? Ik dacht dat je altijd
-geweigerd hadt hem te zien?!”
-
-„Ja, zoo dwaas ben ik geweest! Maar, o papa, in den tijd vóór Nonnie’s
-geboorte, toen ik daar maanden lang stil in mijn kamer liggen moest,
-toen ben ik over heel veel dingen gaan nadenken.... ’t was of het
-moederlijk gevoel reeds in me wakker werd, lang vóór ik moeder was, en
-toen, toen reeds had ik zooveel deernis met het arm verstooten kind. De
-eerste keer, dat we na mijn bevalling uitreden, heb ik Otto gevraagd me
-bij hem te brengen. Hij kwam in ons rijtuig en hij heeft me mama
-genoemd met de armpjes om mijn hals en zijn lief, zacht gezichtje tegen
-het mijne aan.... sedert kan ik hem niet vergeten.... ik voel me zoo
-schuldig jegens hem, vooral nu hij ziek is!”
-
-„Is hij ziek?”
-
-„Ja, Otto gaat van nacht bij hem waken. Papa, als hij eens erger
-werd.... als hij eens stierf....? Zijn vader zou het ons nooit vergeven
-en we zouden niet meer goed kunnen maken wat we misdaan hebben.”
-
-„Zou je dat wenschen, Cile?” vraagt hij, niet dan na eenigen strijd met
-zichzelven. „Goedmaken?”
-
-„Ja,” zegt ze ernstig, plechtig bijna. „Ik zou het wenschen om der
-wille van het kind en van Dorman en ook....” gaat ze fluisterend voort,
-„ook om Nonnie’s wil; soms is het me of ik in haar gestraft zal
-worden....”
-
-„Stil, kind, stil! Zeg toch niet zulke akelige dingen!” roept de oude
-heer ontsteld. Dan trekt hij zijn lieveling naar zich toe en vraagt
-zacht: „Meen je dat waarachtig, Cile....? En wat zou je dan willen
-doen?”
-
-„Wat ik zou willen doen?” roept ze uit. „O goeie, lieve pa, ik zie het
-aan uw oogen, dat u het al half met me eens zijt! Ik zou naar hem toe
-willen vliegen en hem hier halen en verzorgen....”
-
-„Wel, jou malle meid!” roept Haakstra nu onder een vervaarlijk snuiten.
-„’t Is vreemd, zooals je me vandaag aan je moeder denken doet.... Zij
-zou.... ja, ik geloof dat ze het kind ook zou gehaald hebben.... wat is
-er, ouwe totebel?” wendt hij zich eensklaps tot Nonnie’s meid.
-
-„Nonnie nangis,” zegt de baboe.
-
-„Ja we zouden haar heelemaal vergeten,” roept Cecile verschrikt, „het
-arme kind zal honger hebben.”
-
-Maar terwijl ze haastig naar binnen gaat, vindt ze nog een oogenblik
-tijd om den arm om haars vaders hals te slaan en twee, drie kussen op
-zijn betraand gezicht te drukken.
-
-
-
-Nadat de kleine verzorgd, de bouillon geproefd en goed bevonden, het
-mandje met versnaperingen gereed gemaakt was, ging het nijver
-huisvrouwtje manlief wekken met de tijding, dat ze een uur vroeger dan
-gewoonlijk had laten dekken, en hij dus vóór zijn vertrek naar Swiff
-den inwendigen mensch wat versterken kon.
-
-Op het punt van aan tafel te gaan, misten ze echter den ouden heer.
-Kromau verklaarde dat hij was uitgereden, Ketjil dat hij reeds was
-teruggekeerd, Djan dat hij in het geheel niet uit geweest was, tot
-eindelijk de baboe kwam zeggen, dat mijnheer in de slaapkamer was.
-
-„In onze slaapkamer?” riep Dorman. „Wat voert hij dáár uit?”
-
-„Hij zal met Nonnie spelen,” zei Cecile.
-
-Maar de heer Haakstra speelde niet met zijn kleinkind. Hij stond,
-vuurrood en terwijl groote zweetdroppels op zijn gelaat parelden,
-midden in het vertrek, met beide handen geklemd om de gesloten klamboe
-van het ledikant.
-
-„Wel, papa, we hebben u overal gezocht.... Wat doet u hier in het
-heilige der heiligen? En wat verstopt u daar in ons bed?” vraagt Dorman
-vroolijk.
-
-Maar hij ontvangt geen antwoord.
-
-„Papa, als u het goed vondt, wilden we wat vroeg eten. Dorman moet
-dadelijk weg,” begint Cecile nu.
-
-„Onnoodig!” spreekt de oude heer op zeer afdoenden toon.
-
-„Integendeel! hoog noodig! Ik moet om acht uur hier van daan,” roept
-Dorman, die ongeduldig begint te worden.
-
-„Onnoodig zeg ik je.”
-
-„Maar, hoe kunt u nu volhouden....?”
-
-„Je woudt naar je jongske gaan? Nu, ik zeg en ik houd vol dat het
-onnoodig is...!”
-
-Met één forschen ruk slaat hij de klamboe open en Willie vliegt op zijn
-vader toe.
-
-Een oogenblik staat Dorman onbewegelijk, het kind in de armen gedrukt;
-dan spreekt hij met bevende stem: „Willie, geef grootpa een kus!”
-
-„Neen, kind, mij moet je niet kussen,” roept Haakstra, maar steekt toch
-ondertusschen het aardig knaapje zijn behaard gezicht toe. „En jij ook,
-kerel, wees niet gek.... ’t is schande genoeg dat ik je kind zoo
-vervolgd heb, terwijl jij goed en trouw was voor het mijne.... Je
-begrijpt toch wel wie er achter heeft gezeten....?”
-
-„Cecile! O, mijn lieve vrouw!”
-
-Maar Cecile voert vader en echtgenoot naar het bedje, waarin Nonnie
-sluimert; dan fluistert ze: „Kust haar, bedankt haar! Zij is de kleine
-wonderdoenster, die mijn hart heeft verzacht.”
-
-
-
-
-
-
-
-GEKETEND.
-
-
-I.
-
-De Ardjoeno zetelt in zijn purperen mantel, goudgekroond door de
-dalende avondzon, omstuwd door zijn vasallen, de zachtglooiende
-heuvelrijen. Geen zuchtje, geen koeltje komt hem beroeren: Eölus heeft
-zich verscholen in het dichtst van het woud, waar hij stoeit met de
-bamboesstruiken, uitrust te midden der boschbloempjes op het geurig
-mos.
-
-Plotseling wordt hij gestoord in zijn zoete spelen: bloemen en struiken
-trillen onder een ratelenden donderslag, bliksemflitsen verlichten het
-door hem verkozen plekje, de witte kelkjes die daar straks luisterend
-bogen en vriendelijk knikten, verschuilen zich verschrikt; de vogelen,
-die bij het vroolijk mingekoos hun liefdezang aanhieven, zwijgen, en ’t
-is vergeefs als hij de wuivende bloemtrossen nasnelt, om ze nog een
-laatsten kus te ontrooven.
-
-Woedend over die stoornis schiet hij zijn vleugelen aan en snelt heen
-in dolle vaart; langs de sawahs, die nederig haar smaragdgroene hoofden
-buigen, langs de bosschen, die kermend genade vragen voor hun
-bladerdos, langs den bergstroom, die toornt en zijn golven ten strijde
-roept met klaterend geweld——
-
-Daar wordt hij gestuit in zijn vaart.... ’t is aan den voet van den
-Ardjoeno; de fiere, de onveranderlijke, die koel blijft neêrzien op het
-rumoer rondom hem. Maar met woester kracht verheft zich de storm. De
-wolken, straks blauw en vriendelijk als kinderoogen, zijn nu dreigend
-als de blik eens moordenaars; ze leggen zich rondom het trotsche
-berggevaarte, ze verduisteren de lichtende punten; ze strijken neer op
-de zacht groene oasen, ze omhullen de vriendelijke huisjes aan zijn
-voet; ze stijgen steeds hooger, zich slingerend om de breede heupen, de
-fiere borst omklemmend.
-
-Weldra ligt het goud van Ardjoeno’s kroon verstrooid, het purper van
-zijn mantel verscheurd; de vorst der bergen is een vormloozen klomp
-gelijk geworden.
-
-Nu—brullend en gierend juicht Eölus in zijn zegepraal, de bliksem
-speelt en woelt en flikkert door het somber rouwkleed, een dof gloeiend
-roodkleurig wolkgevaarte daalt af op den hooggeheven kruin en de
-Ardjoeno staat in licht laaie vlam.
-
-
-
-Vanuit de gesloten vensters der administrateurswoning, zoo
-schilderachtig gelegen aan den voet van den berg, slaan een paar
-ernstige, droomerige oogen het heerlijke natuurtooneel gade en het is
-een verzuchting meer dan een uitroep, die eindelijk wordt gehoord:
-„God, hoe prachtig! En te moeten gelooven, dat ik het weldra voor het
-laatst zien zal....”
-
-„Wat zijn dat voor sombere gedachten?” vraagt een vriendelijke stem,
-niet geheel vrij van den tongval, die het inlandsch kind verraadt.
-
-„Onno?!” roept de zieke, terwijl hij zich verheugd opheft in de kussens
-en den vriend de hand toesteekt. „Ik heb je niet hooren aankomen.”
-
-„Geen wonder met het helsch lawaai, dat het loeien van den wind maakt.
-En daarenboven, ik ben achter ingereden.”
-
-„Maar,” vraagt de zieke weer, „hoe zie ik je nu reeds terug? Ik dacht
-dat je minstens een dag of acht op Soerabaia zoudt blijven?”
-
-„Ja, dat had ik je gezegd.... Het is goed, dat ik terugkwam, niet waar?
-Je bent er niet op vooruitgegaan in de laatste drie dagen, Henri!”
-
-„Neen!” antwoordt deze met een diepen zucht.... „achteruit! altijd door
-achteruit! Ik heb weer een aanval gehad; vreeselijke benauwdheden, uren
-lang....”
-
-„Kort na mijn vertrek?”
-
-„Den volgenden dag.”
-
-„Je ligt niet gemakkelijk,” zegt Onno en schikt de kussens terecht en
-spreidt den plaid over de vermagerde beenen; dan wendt hij het bezorgd
-gelaat af en beiden staren zwijgend naar het natuurtooneel vóór hen.
-
-Grooter tegenstelling dan tusschen de twee mannen, die daar naast
-elkander gezeten zijn, is niet licht denkbaar.
-
-In den zacht kwijnenden blik van den zieke weerkaatst zich diep gevoel;
-in de gitzwarte oogen van den nieuw aangekomene gloeit een somber vuur;
-als Henri een oogenblik zonder pijn is, speelt er een vriendelijke trek
-om zijn lippen; Onno’s vastgesloten mond schijnt niet te kunnen
-glimlachen; het gelaat, omkransd met de weelderige blonde lokken, is,
-hoewel vervallen, edel van vorm en uitdrukking; dat van den bleeken man
-met de raafzwarte, sluike haren, is niet goed om aan te zien; er moet
-bitterheid hebben gewoond in zijn hart; er moeten booze gedachten zijn
-gegaan door zijn brein vóór die trekken zóó scherp, die rimpels zóó
-diep werden.
-
-Niettegenstaande dit zijn die beiden vrienden.
-
-De band, die hen vereent, moge niet de schoonste, en hechtste zijn: de
-vriendschap die ontstaat uit de overeenstemming der zielen; toch hebben
-ze elkaar hartelijk liefgekregen, Henri terwijl hij edelmoedig weldaden
-bewees, Onno, terwijl hij ze dankbaar ontving.
-
-„Ik kom met een mooi plannetje,” begint deze eindelijk. „Ik ben niet
-zooals je dacht naar Soerabaia geweest, maar naar Malang, naar mijn
-ouden vriend, den dokter. We hebben in het breede over je ziekte en
-haar raadselachtige verschijnselen gesproken en hij beveelt ten
-spoedigste verandering van lucht aan. Je weet, dokter Banck is van
-dezelfde opinie en dus heb ik maar eens heel eigenmachtig gehandeld en
-plaats besproken in het hôtel: twee ruime kamers met een voorgalerij en
-het uitzicht op de bergen. Als je het goed vondt, wou ik je voorstellen
-er morgen reeds heen te gaan. Er valt hier op de onderneming vooreerst
-niets te doen, waarbij we niet beiden gemist kunnen worden; het
-logement te Malang is uitmuntend ingericht, het eten goed en het
-klimaat verrukkelijk.... nu, wat zeg je er van?”
-
-„Dank voor je zorg. Maar.... de kinderen! We kunnen ze niet meenemen en
-het zal me hard vallen van hen te scheiden.... Wie weet hoe kort ik nog
-bij hen ben?”
-
-„Juist om de kinderen, juist in het belang van je meisjes moet je ieder
-middel tot herstel aangrijpen. ’t Is nu geen tijd meer om te
-aarzelen.... Waarom elkaar iets wijs te maken?.... Henri, je ziekte is
-ernstig, hoog ernstig; ’t is langzamerhand een strijd geworden op leven
-en dood.”
-
-Een plotselinge bleekheid bedekt het vermagerd gelaat. Henri drukt
-beide handen tegen het hart, dat zoo onwillig slaat bij de gedachte aan
-sterven; dan spreekt hij schor en klankloos: „’t Is goed; ik zal het
-doen.”
-
-„Waar zijn ze, de nonnetjes? Ik heb prachtige poppen meegebracht!”
-
-„In de achtergalerij, geloof ik. Wil je, als je toch weggaat, het even
-aan Marie zeggen. Ze moet zorgen, dat mijn goed wordt ingepakt.”————
-
-Een uur later, als Henri zijn versterkend soepje heeft gebruikt, als de
-kinderen verdwenen zijn, legt de zieke zich weder op den divan,
-waarnaast Onno’s leunstoel staat, en weldra vervallen de vrienden in
-den vertrouwelijken toon, dien de heeren nooit beter weten aan te
-slaan, dan gehuld in de blauwe wolkjes hunner havanna.
-
-„Wat zou ik gelukkig zijn!” roept Onno, nadat ze hun reisplan gemaakt
-en breedvoerig besproken hebben, „wat zou ik gelukkig zijn als dit
-uitstapje eens het gewenschte resultaat had....”
-
-„En ik dan!” zucht Henri. „Ik heb het nooit zoo geloofd, nooit zoo
-begrepen, maar.... God! het valt hard van het leven te scheiden! Toch,
-’t is niet om mijzelf alleen; ’t is allermeest om de kinderen. Mijn
-arme meisjes.... voor háár zou mijn dood een verschrikkelijke slag
-zijn.... En als ik nu nog maar beter gezorgd had voor mijn
-lievelingen....”
-
-„Maar je hebt immers gedaan wat in je vermogen was.”
-
-„Neen, dat is het juist wat ik me verwijt. Ik had mijn eerste plan
-moeten volgen, ze veel eer uit deze omgeving moeten verwijderen; ik had
-ze een jaar geleden moeten wegbrengen naar Europa.”
-
-„Neen, dat kon je niet, dat zou dwaasheid geweest zijn. Wie geeft, als
-hij dertig jaar is, een lucratieve betrekking, een zekere toekomst op?”
-
-„’t Zou dwaasheid geweest zijn. En toch geloof ik dat ik er toe gekomen
-was als Marie zich ons aanstaand vertrek niet zoo had aangetrokken. Ja,
-ik weet Onno, je gelooft niet aan gevoel bij inlandsche vrouwen, maar
-je zoudt medelijden gehad hebben met de arme ziel;.... ik ten minste
-had den moed niet haar de kinderen toen reeds te ontnemen.”
-
-Onno lacht een bitteren lach; dan spreekt hij langzaam: „’t Valt me,
-door ondervinding geleerd, altijd eenigszins moeilijk te gelooven aan
-de teedere aandoeningen van javaansche moeders. Maar het kan zijn, dat
-Marie een uitzondering maakt op den regel.”
-
-„Je vergeet dat ze niet geheel een javaansche is. Ze heeft, al is het
-dan ook bitter weinig, europeesch bloed in de aderen en daarenboven,
-zooals haar vader me heel fier verzekerde toen hij haar aan mij
-afstond: ze is Christin! Ze kan wat lezen en schrijven en in de acht
-jaar, die ze bij me was, heeft ze vrij aardig hollandsch leeren
-spreken.”
-
-„En—dat alles in aanmerking genomen, verbeeldt ze zich dat het niet
-meer dan recht en billijk zijn zou, zoo ze mettertijd mevrouw Reijkman
-werd,” zegt Onno.
-
-Een pijnlijke blos verft Henri’s bleeke wangen rood.
-
-„Dat nooit!” roept hij uit. „O neen, nooit!”
-
-„Je hebt haar daar immers ook geen hoop op gegeven?”
-
-„Wat zal ik je zeggen, Onno? Toen ik nog dacht dat ik hier een vrouw
-naar mijn smaak zou vinden, was het me een raadsel hoe zooveel
-Europeanen met een inlandsche huishoudster leven, ja, daarmee, zoo niet
-gelukkig, ten minste tevreden konden zijn. Zelfs toen ik er eindelijk
-door de omstandigheden zelf toe gebracht werd, was en bleef Marie niets
-anders voor me dan een noodzakelijk kwaad. Nadat de kinderen geboren
-waren, is dat eenigszins veranderd. Zij was goed voor hen; ze heeft ze
-altijd uitmuntend verzorgd, trouw opgepast....”
-
-„Zie je, dat is de macht van die schepsels, wijl ze moeder zijn,” roept
-Onno wrevelig uit.
-
-„Ja, ook alleen om de kinderen, alleen dat het me vreeselijk hindert,
-dat ze als het ware gebrandmerkt zijn door die onechte geboorte, is de
-gedachte aan een huwelijk wel eens bij me opgekomen. De kracht der
-samenwoning is anders niet groot gebleken. Marie staat te laag, ook in
-zedelijken zin, dat ik ooit genegenheid voor haar kon opvatten, en in
-den laatsten tijd heb ik zelfs iets tegen haar gekregen. Haar
-tegenwoordigheid maakt me kregel, onrustig!.... ’t is natuurlijk een
-gevolg van mijn ziekelijken toestand, maar er zijn oogenblikken waarin
-het me een verlossing schijnt als ze de kamer verlaat.”
-
-„Ze was er sterk tegen, dat je naar Europa gingt?” vraagt Onno na eene
-lange stilte.
-
-„Natuurlijk! Ze was letterlijk wanhopig toen ik verleden jaar het plan
-maakte en ik moest het toen opgeven. Zooals je weet heb ik deze keer
-tot het laatst gewacht met haar iets van het voorgenomen vertrek te
-zeggen.... mijn God, wat is het mensch te keer gegaan, toen ze het
-ontdekte;.... ik dacht dat ze krankzinnig worden zou....”
-
-„Vreemd hoe, toen ze zag dat al haar dreigen en schreeuwen niets hielp,
-ze op eens zich zoo kalm in haar lot heeft geschikt!” merkt Onno nu
-schijnbaar onverschillig op.
-
-„Neen, niet vreemd! Zoo zijn die wezens. Ze gevoelen heftig maar niet
-diep; daarom duren die hartstochtelijke scènes nooit lang,” antwoordt
-Henri argeloos.
-
-„Je zoudt er je dan ook niet aan gestoord hebben!”
-
-„O neen! Als ik toen niet op eens zoo ziek geworden was, dan was ik nu
-reeds in Holland; dan waren Edith en Nora reeds veilig.”
-
-„Nu, maak je daar niet ongerust over, Henri. Je hebt me tot hun voogd
-benoemd; je hebt me het recht gegeven om voor haar te zorgen.... ze
-zijn, ook als het ergste gebeuren mocht, goed bewaard.”
-
-„Dat weet ik,” zegt Henri, terwijl hij zijn vriend de hand reikt, „dat
-weet ik!”
-
-„Maar de gedachte kwelt je toch nog....?”
-
-„’t Is dat ze vroeg of laat zullen begrijpen aan welke verhouding ze
-haar bestaan te danken hebben! Lag haar toekomst in Indië, dan zouden
-ze rondom zich toestanden zien, die haar met het denkbeeld vertrouwd
-maken, zoo niet daarmeê verzoenen konden. Maar, zooals je weet, mijn
-wensch is niet alleen, dat ze naar Holland gaan, maar ook dat ze in
-Holland blijven. Och, ik had me zooveel illusies gemaakt omtrent die
-kinderen. Ik had vooral Edith, mijn fijn gevoelende, ernstige Edith,
-zoo gaarne gevormd naar het ideaal, dat me altijd is bijgebleven, het
-beeld mijner moeder. Maar daartoe was allereerst een andere omgeving
-noodig....”
-
-„Dat je familie zich nu ook de arme meisjes niet wil aantrekken!” zegt
-Onno met een zucht.
-
-„Ja, als mama nog leefde! Zij zou ze niet verstooten hebben. Voor haar
-waren het geen bastaards, voor haar waren het mijn kinderen. Maar de
-anderen,” en de blauwe oogen schieten vonken, „de anderen.... papa
-negeert eenvoudig haar bestaan; mijn broêr noemt ze bij voorkeur de
-„vruchten eener ongeoorloofde liefde” of „de kinderen der schande”,
-mijn zusters durven slechts uit de verte op haar zinspelen.”
-
-„Die huichelaars!”
-
-„Och neen, het is geen huichelarij! Ze gelooven wat ze zeggen: al hun
-oudhollandsche deftigheid, al hun stijve orthodoxie, al hun met de
-moedermelk ingezogen vooroordeelen, komen op tegen het bestaan van een
-wezen, dat de ambtenaar van den burgerlijken stand niet eerst permissie
-gaf ter wereld te komen!”
-
-„Nu, die ezels dan! Die ezels die zich geen oogenblik van den sleur
-losrukken, die zich niet één enkele maal uit het hollandsch slib
-opheffen kunnen, om zich te verplaatsen in een oostersch land met
-oostersche zeden en oostersche temperamenten vooral! Maar zeg niet dat
-ze het niet kunnen! Of zouden ze anders met zooveel stichting lezen van
-Jacob, die Rachel tot zich neemt, en Lea èn Bilha èn Zilpa of hoe ze
-heeten mogen; zouden ze anders Abraham met zijn Hagar een man Gods en
-Salomo met zijn duizend vrouwen een wijsgeer noemen? Neen, ze willen
-alleen niet, waar het hun broeders en vrienden geldt. Of is het klimaat
-niet hetzelfde gebleven? zijn mannen en vrouwen veranderd sinds
-Salomo?”
-
-„Laten wij ons niet aan hetzelfde euvel schuldig maken,” zegt Henri
-kalm, „maar rekening houden met het land waarin ze leven, de begrippen
-waarin ze werden opgevoed.”
-
-„Ik wil geen rekening daarmee houden!” roept Onno, „ik wil rekening
-houden met menschelijkheid en met niets anders dan menschelijkheid! De
-vraag is niet in welk land ze wonen, in welke begrippen ze werden
-opgevoed, de vraag is of het menschelijk kan heeten om een arm kind,
-dat niets misdaan heeft, levenslang te laten boeten voor een misdaad
-door zijn vader gepleegd, een misdaad, die nog daarenboven voor het
-wetboek der natuur denkbeeldig is! Rekening houden met de heerschende
-begrippen! Dat heeft mijn moeder gedaan, toen ze haar heer en kind
-verliet om een die rijker was te volgen; dat heeft mijn vader gedaan,
-toen hij een hollandsch meisje trouwde en haar verzweeg, dat hij er ook
-nog zoo iets op nahield als een vóórzoon... Rekening houden met de
-heerschende begrippen! Dat deed ook mijn stiefmoeder, toen ze me
-mishandelde en uithongerde en vervolgde, tot ik het ouderlijk huis
-ontvluchten moest.... Er is maar één geweest, die geen rekening hield
-met de heerschende begrippen, een, die niet vroeg of mijn vel bruin,
-mijn geboorte echt was, maar den armen verstooteling tot zich nam,
-voedde, kleedde.... en tot zijn vriend maakte.”
-
-Het toornig gelaat heeft een zachter uitdrukking aangenomen, de
-vochtige oogen zien naar Henri op met de dankbaarheid van een trouwen
-hond.
-
-„Flauwe kerel!” roept deze, „je hebt altijd veel te veel ophef gemaakt
-van die kleinigheid.”
-
-„Kleinigheid?” herhaalt Onno. „En toch.... ja! ik geloof dat sommigen
-van die gelukkigen, die levenslang liefde en medelijden ondervonden
-hebben, ja ’t is mogelijk dat die het beschouwd hadden als een
-kleinigheid! Maar Henri, voor mij was het de eerste maal—God is mijn
-getuige—de eerste maal in mijn treurig leven, dat iemand me anders dan
-met smaad en minachting behandelde. En daarom—neen Henri, het was geen
-kleinigheid, een diep vernederde zijn gevoel van eigenwaarde, een
-wanhopende den moed weer te geven!”
-
-„Nu, laten we er niet meer over praten. Je vergeet dat morgen om zeven
-uur de reiswagen voorkomt...”
-
-„En je bent moe? Ik hoop maar dat ik je niet heb opgewonden door mijn
-gebabbel?”
-
-„Neen, ik moet toch chloraal nemen. Ah! daar is Marie al.... zij zal me
-wel verder helpen. Tot morgen dan!”
-
-„Tot morgen!”
-
-
-
-
-
-II.
-
-„Tot morgen!”
-
-Als het morgen wordt, als de Ardjoeno uit de nevelen verrijst, gekleurd
-met zachtblozende tinten, gehuld in zilverwitte wolken, ligt Henri
-Reijkman ten prooi aan de vreeselijke toevallen die elken nieuwen
-aanval zijner kwaal vergezellen....
-
-De wagen wordt afgespannen en niemand spreekt nu van de reis naar
-Malang, ieder denkt met huivering aan de groote reis, die hij weldra
-zal aanvaarden.
-
-Drie doctoren verschijnen beurtelings of gezamenlijk aan de
-lijdenssponde; ze slaan de duldelooze pijnen, de heftige krampen gade
-en geven verdoovende middelen; ze verbazen zich over een
-lichaamskracht, die zoo lang weerstand biedt aan sluipkoortsen; ze
-laten zich bedriegen door korte vleugjes van herstel, die ze voor
-werkelijke beterschap houden; ze staan regelrecht tegenover elkaar in
-hun opinie omtrent de ziekte en lachen grimmig over elkanders
-vergissingen, maar eindelijk,—na vier weken weifelen en raden—zijn
-allen het eens op één punt: er is geen hoop meer!
-
-Edith en Nora, die eenmaal zoo gaarne vertoefden in papa’s kamer,
-ontvluchten het kermen en steunen; jeugd kan zich niet verdragen met
-lijden; de trouwe Arsan, uitgeput van vermoeienis, heeft verlof
-gevraagd om in de kampong uit te rusten; Marie, bleek en vermagerd, met
-holle oogen en akelig strakke trekken, spant haar laatste krachten in
-om den zieke niet alleen te laten, maar wordt telkens half bewusteloos
-weggedragen.
-
-Alleen Onno zit nog op zijn oude plek; hij laat zich niet verdrijven.
-Bij het krieken van den morgen, in de brandende middaghitte, onder het
-vallen van de schemering, ja, in het holst van den nacht, gevoelt
-Marie—wier zorg en waakzaamheid, volgens het algemeen oordeel,
-voorbeeldig zijn—dat twee oogen, die steken als dolken, haar volgen
-waarheen ze gaat; soms, als ze het waagt die oogen te ontmoeten, vaart
-haar een koude rilling door de leden als bij naderend gevaar.
-
-Enkele malen op het oogenblik dat ze den zieke de voorgeschreven
-medicijn wil toedienen, ontrukt zijn vriend haar flesch en glas; soms
-ook, als ze haar heer verzorgt met de fijne zachte handen, voelt ze
-zich ruw teruggestooten door dien anderen bewaker; eenmaal, toen ze
-zich alleen waande en Reijkman toesprak met lieve namen, klonk er een
-schaterende lach door het vertrek.
-
-Marie heeft Henri’s vriend altijd gewantrouwd, altijd gehaat, maar nu
-is ze voor hem vervuld van een doodelijken angst; daarom juicht ze als
-hij eindelijk gedwongen wordt zijn post te verlaten, als ze hoort hoe
-hij den zieke vertelt dat dringende zaken hem naar Passoeroean roepen,
-dat hij nog heden vertrekken moet.
-
-„Je komt immers terug; heel spoedig, vóór het te laat is....” fluistert
-de schorre, zwakke stem.
-
-„Wees gerust, Henri,” hoort Marie hem zeggen, „ik zal bij je zijn
-wanneer je me noodig hebt!” Maar ze hoort niet wat hij dan zijn vriend
-toefluistert: „Ik ga niet ver weg.”
-
-
-
-Het uur nadert, waarin de slangen en adders zich op het pad begeven,
-het uur dat de wilde varkens afwachten om het woud te verlaten en hun
-verwoestingen aan te richten in de riettuinen; het uur waarin de
-ketjoes elkaar het geheimzinnig teeken geven, dat ze gereed zijn voor
-een nachtelijken tocht.
-
-Op de breede, goed onderhouden wegen, die Soeka-madjoe omgeven, is het
-nog licht; maar tusschen het dicht geboomte kan men de smalle paadjes
-ter nauwernood herkennen.
-
-Toch schrijdt een vrouw daar voort, langzaam en bedaard, als had ze
-niets te vreezen, als ging ze voor louter genoegen een avondwandeling
-maken.
-
-Straks echter, als ze aan het eind is van de breede laan, die van de
-administrateurswoning naar de fabriek leidt, straks, als de smallere
-paden achter haar liggen, die van de fabriek naar talrijke kleine
-gebouwen voeren, ziet ze spiedend rondom zich; dan, zeker dat geen
-nieuwsgierig oog haar volgt, bukt ze haastig, neemt de goudgehakte
-slofjes van de bloote voeten, doet de fraaie overkabaia af en verbergt
-ze te zamen onder het dichte loof van eenig kreupelhout.
-
-Ze slaat den zijden slendang om het hoofd, zoodat van haar gelaat
-weinig zichtbaar blijft en nu ziet ze er in haar sitzen kabaia en
-rooden sarong uit als een gewone javaansche vrouw.... toch kan ze geen
-gewone javaansche zijn; aan de hand, waarmee ze den slendang vasthoudt,
-schittert een kostbaar juweel.
-
-Dan verhaast ze haar tred, meer en meer, steeds meer! tot ze voortrent
-als een gejaagd hert, de eene steilte op, de andere af; nu eens langs
-den boschkant, dan weer op de smalle dijkjes der sawahs, soms ook
-wadend door ondiepe slootjes of springend over hoekige steenen.
-
-Eindelijk geheel buiten adem, staat ze stil.
-
-’t Is voor een klein, net huis, zooals het de inlandsche kinderen bij
-voorkeur bewonen; met een tuintje er vóór en bloemen in bontgekleurde
-petroleumblikken langs de perken; met smalle vensters en daarachter
-witte gordijnen, schuin opgenomen door kleurige strikken; de weinige
-ruimte, die het houten gebouwtje aanbiedt, geheel ingenomen door
-meubelen, waarvan de eigenaardigheid daarin bestaat, dat geen enkel
-stuk gelijkt op het andere.
-
-Op haar zacht kloppen komt de bewoner naar buiten.
-
-Hij is nog jong in jaren, maar toch is er iets oudsch, iets vermoeids
-in het vervallen gelaat dat slechts spreekt van het dierlijke in den
-mensch; toch behoeft men die gebogen gestalte op de wankelende, dunne
-beenen, slechts even aan te zien om te weten welke der goden door hem
-het ijverigst gediend wordt.
-
-„Goeden avond, Marie!”
-
-Met een gebiedende beweging legt ze hem het zwijgen op.
-
-„Er is niemand,” fluistert hij, „ik ben alleen.”
-
-Maar toch is ze nog niet geheel gerustgesteld. Ze werpt een
-onderzoekenden blik in de beide ledige kamers; dan speurt ze angstig
-rond of ze niet gevolgd werd misschien; eerst als ze zeker is dat geen
-levend wezen zich in hun nabijheid bevindt, trekt ze haar broeder met
-zich mede naar binnen en zet zich naast hem op de bank.
-
-Een geluid van fluisterende stemmen dringt naar buiten door.
-Langzamerhand verheffen ze zich... het gesprek, in gebroken hollandsch
-begonnen, wordt in vloeiend maleisch voortgezet; eindelijk klinkt
-Marie’s toon schel en gebiedend.... ze opent de deur en, zonder haar
-broeder te groeten, neemt ze den terugtocht aan.
-
-Maar hij bemerkt dit ter nauwernood; hij lacht en grinnikt als iemand
-die een goeden koop heeft gesloten; hij ziet zijn zuster na met een
-zonderlingen blik, terwijl ze daarhenen snelt, den slendang om het
-hoofd geslagen.... aan de hand waarmede ze dien slendang vasthoudt,
-ontbreekt het kostbaar juweel.
-
-Alles zwijgt rondom den Ardjoeno.
-
-Eerst hield het geklop der rijstblokken op in de kampong, toen klonken
-de slagen van den gong luider in de toenemende stilte; het gegons der
-stemmen werd zwakker en zwakker, tot het eindelijk geheel wegstierf;
-het eentonig gezang van een teeder minnaar trilde nog op de koelte. Een
-nachtvogel krijschte; de bladeren op den grond ritselden als een
-kruipend gedierte daaronder wegschool.... toen werd ook zelfs het
-ritselen der bladeren niet meer gehoord.
-
-De vriendelijke fee, die in oostersche nachten haar tooverstaf zwaait,
-treedt nu van achter de blauwe wolken te voorschijn. Ze gluurt door het
-dichte loof der bosschen; dan zweeft ze over de velden, stoeiend met de
-wuivende pluimen der maïsstruiken, met de zacht gebogen kopjes der
-padihalmen; straks blijft ze een oogenblik leunen tegen de glooiing der
-heuvelrijen om dan te gaan dwalen in de sluimerende kampong.
-
-Dáár herschept ze de hutjes in vergulde paleizen, de bloemtuintjes in
-lustoorden, de beekjes in vloeibaar zilver; en eindelijk sluipt ze een
-geopend venster binnen en beschijnt het gloeiend gelaat van den
-jongeling, aan wiens borst de geliefde rust, wie de koelte zijn
-minnezang overbracht....
-
-De gong doet zijn twaalf slagen weerklinken in de onafgebroken
-stilte.... alles rust, alles zwijgt, maar... welk uur is het van den
-nacht, welk is het plekje der aarde waarin de mensch, de door liefde of
-haat, door hartstocht of winzucht vervolgde mensch, rust vinden kan?
-
-Uit de kleine nette woning, met de hooggekleurde bloempotten langs de
-paden, treedt Rudolf Bastoort, Marie’s broeder, te voorschijn; hij
-draagt het zwart glanzend hoofd ongedekt en helder verlicht de maan het
-bruin gelaat met de vermoeide trekken en de rood omrande, glurende
-oogen.
-
-Op bloote voeten, in slaapbroek en kabaia, met een oud flanellen jasje
-tot overkleed, gaat hij langzaam, steeds dieper en dieper het bosch in,
-de oogen gevestigd op den grond, waar, uit een dichten humuslaag,
-tallooze planten en plantjes oprijzen. Weldra bukt hij zich dieper naar
-den vochtigen bodem en zoekt daar met een ijver of de kiezels, die in
-het maanlicht glinsteren als diamanten, werkelijk kostbare steenen
-waren....
-
-Een uur is voorbijgegaan sinds hij het bosch betrad: nog zoekt hij te
-vergeefs. Nu en dan staat hij luisterend stil. Hoort hij daar geen
-geritsel....? Het zal een klapperrot of boschhoen geweest zijn, die
-opschrikten uit hun slaap.... Maar dit....? Dit zijn voetstappen, dicht
-achter hem! Neen, toch niet; hij moet zich vergist hebben. Een slang of
-hagedis misschien?
-
-Nu zet hij zich neer aan den voet van een boom en laat in de stralen
-van het maanlicht een juweel schitteren. Wat heeft het een moeite
-gekost dien steen Marie afhandig te maken. Wat heeft zij lang weerstand
-geboden, als hij den ring en altijd weder den ring vroeg tot loon voor
-zijn diensten?.... En toch, hij moest hem hebben! Met dien ring wil hij
-tot de schoonste der ronggèngs, tot de lang begeerde Maja gaan, en als
-hij haar dien in de oogen laat schitteren, zal ze hem toebehooren....
-Komaan! gezocht! gezocht!.... Marie’s opdracht moet vervuld worden!
-
-Wederom is een uur voorbij gegaan; daar slaakt Rudolf Bastoort een
-kreet van vreugde; hij heft zich op uit zijn gebukte houding; in de
-hand houdt hij een plantje met dikken, saprijken stengel, met
-donkergroene blaadjes, met fijnen purperen bloesem.
-
-Zonder zich ook nog eenmaal te bukken, zonder nog een enkel oogenblik
-rondom zich te zien, keert hij terug langs den weg, dien hij twee uur
-geleden gekomen is. Het is koud geworden, hij huivert; hij meent weer
-dat geheimzinnig ritselen achter zich te hooren, en verhaast zijn
-stap....
-
-Daar op eens gevoelt hij hoe een ijzeren vuist hem aangrijpt; hij wordt
-op den grond geworpen; knuppelslagen vallen in dichten regen op hem
-neer; vloekend, tierend van pijn verdedigt hij zich, met beide handen
-grijpt hij naar den aanvaller, maar een laatste slag komt hem op het
-hoofd neer en velt hem ter aarde.
-
-De maan is schuil gegaan, het eerste morgenlicht doorgebroken, als
-Rudolf Bastoort eindelijk ontwaakt uit zijn bedwelming: kermend en
-steunend richt hij het gekneusde lijf overeind en het duurt geruimen
-tijd voor hij weder geheel tot bewustzijn is teruggekeerd; dan zoekt
-hij met plotselingen schrik het juweel in zijn vestzakje.
-
-Hij vindt den ring, ook zijn horloge, ook zijn beurs; dus kan de
-aanvaller geen dief geweest zijn.... Misschien een vijand, misschien
-een Javaan, die zich wreken wilde....?
-
-Hij zal het ontdekken. Maar nu moet hij beproeven naar huis te komen;
-verkleumd en gewond als hij is, heeft hij allereerst rust noodig.
-
-Reeds heeft hij enkele schreden gedaan als hij plotseling terugkeert:
-het plantje, het kostbaar plantje...!
-
-Maar hoe hij ook staart op den grond, hoe hij zoekt en alles
-doorsnuffelt, hij vindt het niet.
-
-
-
-
-
-III.
-
-Hij vindt het niet want op dit oogenblik ligt het op de tafel waaraan
-dokter Banck is gezeten tegenover Onno.
-
-„Hoe hebt u het ontdekt?” vraagt de dokter.
-
-Onno strijkt met de hand over het voorhoofd als om orde te brengen in
-zijn verward brein.
-
-„Het is me nu,” begint hij eindelijk, „of ik het altijd geweten heb,
-altijd. Ik heb die vrouw gehaat van het oogenblik dat ze in zijn huis
-kwam; ik heb haar altijd gewantrouwd en op den morgen toen hij den
-eersten aanval kreeg, nu vier maanden geleden, toen wist ik het.... Ik
-wist het, en ik wist ook dat hij gered zou zijn, als ik hem aan haar
-macht kon onttrekken; ik heb alles beproefd om hem uit het huis te
-krijgen.... u weet hoe mijn plannen verijdeld werden!
-
-„Het eenige wat ik doen kon was hem te bewaken. Ik heb vier weken aan
-zijn bed gezeten.... wat ik in dien tijd niet heb uitgedacht om haar te
-betrappen! Maar ze was listiger dan ik! En dan—ik kon niet altijd
-waken.... Eens ben ik vier dagen en vier nachten achtereen wakker
-gebleven; hij begon reeds te beteren———ik viel in slaap; toen ik
-ontwaakte lag hij in een vreeselijk toeval.”
-
-„Hoe hebt u eindelijk de zekerheid verkregen?”
-
-„Ik bespiedde al haar gangen, en werd daarin bijgestaan door Arsan,
-Reijkman’s lijfjongen, die mijn vermoeden deelde. Hij had opgemerkt,
-dat ze soms ’s avonds, als het heette dat ze een wandeling ging maken,
-samenkomsten had met haar broeder, en—dat altijd na de bezoeken bij
-dien broeder een instorting volgde.... En nog kon ik niets bewijzen! O,
-God alleen weet wat ik heb uitgestaan, hoe het me tot razernij bracht,
-hoe ik soms, als ze naar binnen sloop en zich over mijn armen vriend
-heenboog, me geweld moest aandoen om haar niet aan te grijpen en te
-verwurgen.
-
-„Eindelijk besloot ik tot een laatste wanhopige daad: ik liet Henri met
-haar alleen. Ik nam den schijn aan alsof zaken mij naar Passoeroean
-riepen, maar bleef in den omtrek. Drie dagen heb ik, als inlander
-verkleed, tevergeefs rondom Bastoort’s huis gezworven.... Eindelijk,
-gisteravond, daar kwam Marie.... Ze spraken lang samen, ze scheidden
-met hooge woorden; ik wachtte. Tegen den nacht ging Bastoort uit en
-toen hij het vergif gevonden had....”
-
-„U weet zeker, dat het vergif is?”
-
-„Ik heb een vierde gedeelte van wat hier ligt voor mijn hond gekookt;
-hij was binnen het uur dood.”
-
-Er volgt een lange stilte.
-
-„Welke reden had ze om zich op hem te wreken?” vraagt dokter Banck
-eindelijk.
-
-„Ze schijnt er op gerekend te hebben dat hij haar trouwen zou; zijn
-vertrek naar Europa maakte dit onmogelijk en....”
-
-„Dus het gewone geval.”
-
-„Hadt u vermoedens?”
-
-„Ik heb altijd vermoedens, waar een ménagère is. U weet hoe ik reeds
-lang geleden ophield hem medicijnen te geven. We hebben geen middelen
-tegen het vergif van den inlander. Zelfs geen tegengif!”
-
-„Geen tegengif....? Dus moet hij sterven....? Dus moet ik hem voor mijn
-oogen zien vermoorden?” roept Onno in vreeselijken zielsangst.
-
-„Laat het u tot troost zijn dat zijn lijden kort zal wezen; hoogstens
-vier, vijf dagen!”
-
-„O Henri! Mijn vriend.... mijn weldoener!”
-
-De dokter keert zich haastig af; hij heeft veel geleerd in zijn
-dertigjarige praktijk,—niet om een man te zien weenen.
-
-„Vous l’avez voulu, George Dandin,” roept hij nu op eens met luider
-stem. „Vous l’avez voulu,” herhaalt hij nogmaals met de heftigheid van
-iemand, die zich zoekt te verzetten tegen een hem overmeesterend
-gevoel; „men moest geen medelijden hebben met Europeanen, die door hun
-huishoudsters vergiftigd worden, men moest niets anders zeggen dan:
-„Mijnheer, u hebt het gewild!””
-
-„Dat kan u geen ernst zijn, dokter! U weet zoo goed als ik dat de
-omstandigheden dikwerf dwingen tot die leefwijze.”
-
-„Wis en waarachtig is het me ernst, mijnheer,” roept Banck, zich meer
-en meer opwindende. „Waarom trouwen ze niet, dat vraag ik u? Zijn er
-geen meisjes genoeg misschien? Ik zal u eens iets zeggen, mijnheer. Ik
-heb nooit geweten hoe jongelui, die huishoudsters nemen, zich
-bezondigen vóór ik met verlof ging en in Holland al die lieve, aardige
-deerntjes zag—heele rijen, mijnheer, halve dozijnen in één huis,
-mijnheer, die zich zaten te verkniezen in een stil dorpje, die in een
-vervelend landstadje haar eentonig bestaan voortsleepten, en niets
-liever zouden gewenscht hebben dan brave vrouwen en zorgzame moeders te
-worden; lieve, verstandige meisjes, mijnheer, enkelen zelfs met een
-aardig stuivertje, die den hemel zouden danken als er een fatsoenlijk
-man uit Indië om haar kwam. Waarachtig, als je daar eens rondkijkt en
-al die vriendelijke gezichtjes lachen je toe, dan spijt het je dat een
-mensch maar één vrouw tegelijk mag nemen. Ik houd vol, een man, die
-ongetrouwd van verlof terugkomt, is een wreedaard, wat zeg ik, een
-monster van wreedaardigheid!”
-
-„U vergeet dat men een goed tractement moet hebben om hier een
-Europeesche vrouw te kunnen onderhouden.”
-
-„En zoo’n zwart dierage”—dit was de geliefkoosde uitdrukking van den
-dokter waar het Oostersche schoonen gold—„en zoo’n zwart dierage dan?
-Alsof die het geld niet met handen vol weggooiden! Alsof die zuinig en
-overleggend en ijverig waren, zooals een flink Hollandsch wijfje? Maar
-laat ons aannemen dat het kostbaarder is om getrouwd te leven, hoeveel
-gelukkiger is het ook niet? En wat wacht den Europeaan hier in de
-meeste gevallen als hij ongetrouwd blijft? Een eenzaam leven, zedelijke
-achteruitgang, vaderzorgen zonder vadervreugd of vadertrots, schaamte
-en onvoldaanheid; dikwerf de vrees, soms zelfs de zekerheid van
-bedrogen te worden. En—als ze er het leven dan nog maar afbrachten!
-Maar, mijnheer, als er eens een statistiek werd opgemaakt van de
-heeren, die, na met een inlandsche vrouw te hebben geleefd, aan
-onbekende oorzaken stierven, gelooft u niet dat men tot een vreeselijk
-resultaat zou geraken?”
-
-„Ik geloof het gaarne,” zegt Onno, die maar half geluisterd heeft,
-„maar om op mijn vriend terug te komen....”
-
-„Waartoe op hem terug te komen? Laat hem rustig sterven.... Hij heeft
-immers zijn laatste beschikkingen gemaakt; alles is geregeld, niet
-waar? Ik weet, het is hard.... maar er is geen.... ja, er is nog één
-middel om hem te redden.”
-
-„Één middel! O dokter, welk?”
-
-De dokter bedenkt zich een oogenblik. Dan spreekt hij langzaam: „Haar
-trouwen.”
-
-„U bedoelt....?” vraagt Onno verbijsterd.
-
-„Het schepsel trouwen! Vandaag nog! Morgen! Overmorgen is het misschien
-te laat!”
-
-„Haar trouwen? Marie trouwen? En waartoe?”
-
-„Opdat ze hem tegengif ingeeft. Ik heb meer dan één op die manier zien
-redden.”
-
-„Maar.... Henri zou op die manier niet gered willen worden. Neen, hij
-zou liever sterven, dan te leven, gekluisterd aan eene giftmengster!”
-
-„Behoeft hij te weten dat ze eene giftmengster is? Hij vermoedt niets,
-zegt u? Welnu? Is er geen enkele reden, waarom hij wenschen zou haar
-vóór zijn dood tot zijn wettige vrouw te maken? Die twee lieve meisjes
-zijn er immers? Wel, niets is gemakkelijker dan hem aan het verstand te
-brengen, dat nu het oogenblik gekomen is om „de moeder zijner kinderen”
-te réhabiliteeren. Ik heb hem—daar hij er op gesteld was, de volle
-waarheid te weten—gezegd, dat hij niet veel meer dan een week te leven
-heeft; laat hem haar trouwen om der wille zijner kinderen in de
-overtuiging, dat hij het doet op zijn sterfbed—wat misschien zal
-blijken waar te zijn, want hoogstwaarschijnlijk is hij reeds te ver
-heen om nog te herstellen.”
-
-„In Godsnaam.... Ik wil alles gedaan hebben.... Ik moet het onmogelijke
-beproeven....”
-
-
-
-Weinige dagen later, op een goddelijk schoonen ochtendstond, vol
-zonneglansen en bloemengeuren, weerklonk in de plechtige stilte van den
-morgen de vraag: „Henri Johan Reijkman, verklaart ge tot vrouw te nemen
-Maria Magdalena, dochter van Albertus Bastoort en de Javaansche vrouw
-Poengoet?”
-
-En ter nauwernood verstaanbaar, schor en zwak was het antwoord: „Ja.”
-
-
-
-
-
-IV.
-
-Midden tusschen de gezonde jongens en aardige meisjes, die ons huis
-vervullen met hun luidruchtige vroolijkheid, midden tusschen de
-goudgelokte, roodwangige cherubijnen, treft ons somtijds een zacht,
-bleek gezichtje, waaruit twee groote oogen ons aanstaren vol peinzenden
-ernst. Ze is niet de voorspoedigste, niet de gezondste geweest onzer
-kleinen. Niet half zoo grappig en schalksch als klein zusje, ook niet
-zoo flink en vlug als de broers, merken vreemden haar ter nauwernood op
-en wordt er weinig eer met haar ingelegd, wanneer er bezoek komt;
-toch—is ze de ouders liever dan een der anderen.
-
-Als papa haar naam noemt, verzacht zich zijn stem; als mama’s oog op
-haar rusten blijft, is het met onuitsprekelijke teederheid; soms, als
-de heerlijke starren zoo geheimnisvol schitteren in het bleek
-gezichtje, zoeken vader en moeder elkaars oogen en lezen ze in elkaars
-bezorgden blik de verzuchting, die geen van beiden durft uitspreken:
-„Als we haar maar behouden mogen!”
-
-Ze hebben haar lachend „klein moedertje” genoemd en ze is trotsch op
-dien naam. Wanneer mama uitgaat, tracht zij den vrede te bewaren onder
-het jonge volkje en het is vreemd hoe gaarne de wilde jongens naar haar
-luisteren, de kleintjes bij haar troost komen zoeken; wanneer er zorg
-woont in huis, weet de moeder het reeds, van wie de zachte voetstap is,
-die telkens weder gehoord wordt in de ziekenkamer, weet ze het wie die
-bloemen binnenbracht, wie die kleine oplettendheden heeft gehad; als er
-een feestje gevierd wordt, is het datzelfde vriendelijk handje,
-datzelfde lief stemmetje, dat niemand vergeet en allen tot blijdschap
-stemt.
-
-Met haar droomerigen blik ziet ze half verlangend, half angstig de
-wijde wereld in; soms is het of haar fijn besnaard gemoed ineenkrimpt
-bij al de harde en treurige waarheden, die ze er langzamerhand ontdekt;
-haar opmerkingen brengen ouderen en wijzeren in verwarring; en nu en
-dan moeten de ouders het antwoord schuldig blijven op haar vragen.
-
-Zelve heeft ze nog geen smart gekend; maar toch kan ze reeds mede
-gevoelen met hen die lijden; ze weet nog niets van den weemoed die er
-ligt op den bodem van het menschenhart; maar toch—ze verstaat reeds
-menschenharten—of ten minste de kunst om tot hen te spreken.
-
-Van een bewolkt voorhoofd kust ze met haar reine lippen de rimpels weg;
-brandende tranen droogt ze met haar zijden krullen; een verbitterd
-gemoed brengt ze tot kalmte door haar schuldeloos gekeuvel, haar
-blijden glimlach; een gelaat, door de zonde misvormd, moge zich vol
-schaamte afwenden van het hare, met smachtend verlangen vraagt het om
-een der goddelijke vonken, die daar glinsteren in die heerlijke oogen.
-
-De heilige taak, waarvoor anderen een geheel leven behoeven, vervult
-zij in de weinige jaren die haar geschonken worden, want—helaas! ze
-toeven niet lang in ons midden, die vriendelijke afgezanten uit
-gelukkiger oorden.
-
-Nog luisteren we naar de zilveren klanken der lieve stem als reeds het
-wiekgeklep wordt vernomen van de serafs, die het schoone zieltje komen
-ontvoeren; nog drukken we het blonde hoofd aan onze borst, als reeds
-een aureool het komt omkransen; nog staren we, vol verrukking, in de
-oogen wier glans niet van deze aarde is, als het duister rondom ons
-wordt en droevig en ledig.... dan vallen we op het aangezicht en
-schreien ten hemel: „Heer, we hebben een engel geherbergd!”
-
-Zulk een engel stond aan de zijde van Henri Reijkman in de bange uren
-van zijn terugkeer tot het leven; zulk een engel werd hem zijn
-aangebeden oudste, zijn zachte Edith.
-
-Hoewel langzaam, zoo onmerkbaar langzaam soms, dat zijn vrienden de
-hoop opgaven—hij herstelde: het vergif had vreeselijke verwoestingen
-aangericht, maar het krachtig lichaam behaalde de overwinning.
-
-Toen er niet meer getwijfeld behoefde te worden aan zijn behoud braken
-voor dokter Banck moeilijke oogenblikken aan.
-
-„Niet waar, dokter?” vroegen hem de dames, die een onbepaald vertrouwen
-stelden in hun kundigen geneesheer, „niet waar, het zijn praatjes, dat
-Reijkman beterend zou wezen? U hebt gezegd dat hij sterven moet en u
-gelooven wij.”
-
-„Rira bien qui rira le dernier,” sprak de specialiteit in leverziekten,
-„ik werd zoo uitgelachen, toen ik beweerde dat het de lever en niets
-dan de lever was.... nu ziet u eens!”
-
-„’t Schijnt, collega, dat ik den bal niet zoo ver missloeg,” sprak de
-dokter van Soerabaia, die, driemaal in consult geroepen, driemaal
-beweerd had dat het wel slijten zou.
-
-Dokter Banck zweeg, wat hem niet weinig kostte; bleef zwijgen, ook toen
-zijn goede kennissen hem lachend op den schouder tikten en vroegen of
-het haast geen tijd werd om Reijkman te gaan begraven.
-
-Maar toen zijn eigen vrouw, de bezitster van het vriendelijkste der
-vriendelijke gezichtjes, die hem hadden toegelachen bij zijn verblijf
-in Holland, toen zelfs zijn eigen vrouw meende te moeten opmerken: „Wat
-is dat jammer, ventje, dat je je zoo vergist hebt in die ziekte van
-Reijkman,” toen werd het hem te kras; hij zweeg niet meer, maar raasde
-en tierde tegen de zwarte dierages in het algemeen en het zwart
-dierage, genaamd Maria Magdalena, in het bijzonder.
-
-Maar al deze speldeprikken, hoe pijnlijk ook, waren niets vergeleken
-bij den degenstoot, die het hart van den goeden man doorboorde, toen
-hij op zekeren middag bij zijn patiënt zat.
-
-„Vrij van pijn en benauwdheid,” had Henri verklaard.
-
-„En de koorts drie dagen achtereen geheel weggebleven,” zei de dokter
-vroolijk, „nu nog maar flink versterken en alles is in orde.”
-
-„Dokter,” begon Reijkman nu met iets gejaagds in stem en gelaat, „ik
-had een verzoek aan u. Ik heb Onno reeds herhaaldelijk hetzelfde
-gevraagd, maar het schijnt wel of hij me niet begrijpt. Dat is de
-reden, waarom ik u er mee lastig val.”
-
-„Zeg maar wat je op het hart hebt, Reijkman.”
-
-„’t Is met het oog op mijn spoedig herstel; ik geloof niet dat ik gauw
-beter zal worden, als dat mensch hier blijft....”
-
-„Welk mensch?”
-
-„Mijn ménagère! Neen, u behoeft niet zoo verwonderd te kijken, dokter;
-ze hindert me! U moogt het den gril van een zieke noemen—misschien is
-het dat!—maar ik zou veel eer beter zijn, als zij niet zoo altijd om en
-bij me was. Dat valsche gezicht met die loerende oogen is me een
-ergernis; het agiteert me, het maakt me zenuwachtig....”
-
-Dokter Banck ziet den zieke ontsteld aan; hij weet niet wat te
-antwoorden. Eindelijk stamelt hij: „Ik geloof, Reijkman.... ik geloof
-toch, dat je de koorts hebt....”
-
-„En u hebt daareven zelf geconstateerd, dat de koorts sinds drie dagen
-niet is teruggekomen....? Neen, dokter, het is geen koortsachtige
-opgewondenheid, die me tot het doen van die vraag brengt! Het is niet
-sinds vandaag of gister, dat de gedachte in me opkwam me van dat
-gluiperig schepsel te ontdoen. Meer nog dan de noodzakelijkheid van de
-kinderen weg te brengen, was het de wensch om van Marie los te komen,
-die me dreef naar Europa.”
-
-„Maar dat alles is nu immers veranderd....”
-
-„Ja, dat weet ik: er kan van die reis vooreerst niets komen. Maar ik
-zie daarin geen reden om iemand bij me te houden, wier tegenwoordigheid
-me hatelijk is.”
-
-„Reijkman....! Je herinnert je toch....?”
-
-„Wat?” vraagt de zieke, met den doodelijksten angst in zijn gespannen
-trekken, „wat zou ik me herinneren?”
-
-Maar de dokter wendt haastig het hoofd af en blijft zwijgen. De man was
-immers half bewusteloos, toen hij het ja uitsprak, waardoor zijn leven
-gered, maar ook voor altijd van vreugd en geluk beroofd moest worden.
-Weinige uren na die laatste inspanning lag hij in heete koortsen....
-Niemand roerde, sedert hij weer bij kennis was, het pijnlijk onderwerp
-aan.... Zelfs Onno heeft het niet gewaagd er ook maar uit de verte op
-te zinspelen.... De hemel weet of hij zich de treurige waarheid bewust
-is....
-
-„Eén ding, Reijkman,” zegt de dokter eindelijk, „leg je hier nu niet
-noodeloos op te winden en wacht tot je geheel hersteld zijt, met je
-over die dingen moeilijk te maken.”
-
-„Ja,” zegt de patiënt volgzaam, „dat was ook eerst mijn voornemen,
-maar.... het wordt me met elken dag, met elk uur moeilijker! Ze is ook
-zoo hatelijk geworden in den laatsten tijd. Ze neemt airs aan, alsof ze
-de vrouw des huizes was....” en weer ziet Reijkman zijn geneesheer aan,
-met dat angstig vragende in den blik.
-
-„Adieu, Reijkman; mijn zieken wachten me.”
-
-Als Onno hem ontmoet in de galerij en angstig vraagt of Reijkman erger
-is, ontvangt hij tot eenig antwoord den kreet: „Hadt je mijn raad
-gevolgd, Onno! Hadt je hem stil laten sterven!”
-
-Onmiddellijk begeeft de trouwe vriend zich naar de ziekenkamer.
-Schijnbaar vroolijk informeert hij naar den toestand van den nu zoo
-ongeduldigen lijder.
-
-„Ik wou dat je eens rustig bij me kondt komen zitten, Onno; niet in
-zoo’n haast alsof je geen oogenblikje missen kunt! Neen, wat
-dichterbij! Het spreken valt me moeilijk; die schorheid gaat nog maar
-altijd niet over.... Nu is het goed, nu kan ik je in het gezicht zien
-en nu zul je me ook eindelijk antwoorden op de vraag, die ik je te doen
-heb.—Onno, je herinnert je zekere periode in mijn ziekte, toen de
-krampen en benauwdheden ophielden, maar die vreeselijke ijlende koorts
-me niet verlaten wilde?....”
-
-„Ja, zeker herinner ik me dat.”
-
-„Welnu. Uit dien tijd van waanzin en visioenen is me één tooneel
-bijgebleven. Al de andere akeligheden, al de dwaze en vreeselijke
-gezichten zijn, tegelijk met de koorts, verdwenen, maar dit eene staat
-me nog altijd voor den geest. Zonderling! al deze lange weken is het me
-bijgebleven, zelfs in mijn half bewusteloozen toestand.... Ik kan het
-niet vergeten....!”
-
-„En.... wat is het? Een droom?”
-
-Met groote krachtsinspanning, met doodsbleeke lippen begint Henri zijn
-verhaal.
-
-„Er rolden rijtuigen.... het deed me vreeselijk pijn in mijn hoofd;
-toen kwamen er menschen rondom mijn bed staan, met zwarte rokken en
-witte dassen.... de assistent-resident was er, en de dokter en jijzelf,
-en de geëmployeerden.... ze waren gekomen om me te begraven, geloof
-ik.... maar op eens zag ik Marie binnenkomen en.... een dwaas idée,
-niet waar? toen ze begrepen dat ik nog niet begraven behoefde te
-worden, vroegen ze me of ik dan met Marie trouwen wilde; zeker”—dit met
-een akeligen, schorren lach—„omdat ze hun zwarte rokken niet voor niets
-wilden aantrekken....”
-
-Een ijskoude rilling is den vriend door de leden gevaren. Zijn stem
-beeft als hij vraagt: „Weet je nog wat je geantwoord hebt, Henri?”
-
-„Neen, dat weet ik niet,” zegt deze met een mislukte poging om
-onbezorgd te spreken. „Neen, dat weet ik niet. Maar dat doet ook niets
-ter zake, niet waar?.... ’t Was toch maar een droom, een visioen! Ha!
-ha! men kan toch op vreemde denkbeelden komen in zoo’n ijlende koorts!
-Goddank dat het geen waarheid was!... Onno, waarom antwoord je niet?
-Zeg dan toch ook, dat het alles onzin, alles begoocheling geweest
-is.... God! Ik heb het gedroomd, niet waar? Gedroomd? Gedroomd?”
-
-Hij heeft in doodsangst de handen van zijn vriend gegrepen; hij staart
-hem in ’t gelaat en—leest zijn vonnis....
-
-„Henri! Vergeving!... Ik heb haar tot je vrouw gemaakt! Ik kon, ik
-mocht niet anders!”
-
-„Haar?.... Marie?.... Tot mijn vrouw?.... Haar?!”
-
-„Neen, neen! zeg dat niet zóó! Zie me zóó niet aan! Dàt heb ik niet
-verdiend! Henri, geloof je, dat ik je liefheb?... Ik mocht niet anders
-doen. Ik dacht dat je stervend waart. Ik wist dat je voor je kinderen
-een wettige moeder wenschte, ik meende in je geest te handelen...”
-
-„Door me te binden, voor eeuwig te binden aan dat schepsel, dat ik
-haat... dat ik verfoei....? Stil, spreek niet meer tegen me; ik
-gevoel... ik gevoel dat ik sterk genoeg zou zijn om een moord te
-begaan...”
-
-„O, Henri, vergeving!”
-
-„Nooit! Vloek over je! Vloek! Vloek!....”
-
-Als door een knodsslag getroffen, zoo wankelt Onno naar de deur; een
-blinde gelijk tast hij naar den knop... hij staat buiten in den
-vroolijken zonneschijn. Daar hoort hij een kinderstem. Edith nadert,
-zij slaat de armpjes om zijn hals; ze vraagt, wat hem deert.... O, het
-doet onuitsprekelijk goed die zachte vriendelijkheid van het lieve
-kind, maar er is een ander die troost behoeft.
-
-„Papa is ook bedroefd,” fluistert hij.
-
-Het kind heeft geen andere aanmaning noodig; vlug trippelen de kleine
-voetjes over den marmeren vloer en weldra nemen fijne, rooskleurige
-vingeren de handen weg, die in doodsangst geslagen werden voor het
-verwrongen gelaat; weldra ruischt een liefelijk stemmetje door het
-vertrek, waarin straks vervloekingen weerklonken, en weldra ligt Henri
-Reijkman te weenen als een kind op het blonde hoofd, dat zich nestelde
-aan zijn borst.
-
-
-
-
-
-V.
-
-„Arme papa!”
-
-Ze vermoedde niet welke de smart was die hem folterde, maar ’t scheen
-of ze alles begreep; ze kon niet weten welke slag hem getroffen had,
-maar ’t was of een geheime stem haar toefluisterde dat hier een lijdend
-hart van wanhoop te redden viel, en van nu af wijdde ze zich met al de
-teederheid van haar warm jong gemoed aan die taak.
-
-Als bij ingeving raadde het kind, wat menige vrouw levenslang verborgen
-blijft: ze wist wanneer haar vriendelijk gekeuvel hem wekken moest uit
-sombere gepeinzen, maar ook wanneer hij behoefte had aan rust en niets
-dan rust; ze wist wanneer ze hem vragen kon deel te nemen aan haar
-vroolijk spel, maar ook wanneer ze haar hoofdje aan zijn borst vlijen
-en een opkomenden storm bedaren moest door liefdeblijken.
-
-Toen de krachten terugkeerden was het op háár smeeken dat hij nu en dan
-eens naar buiten trad in de heerlijke natuur, maar het kostte moeite
-hem over te halen; daarbuiten scheen het hem nog ondragelijker dan in
-het halfdonker ziekvertrek; het was hem of de heldere zonneschijn al
-zijn dwaasheid blootlegde; het was hem of de vogels zongen, of de
-eenden kwaakten van zijn schande; immers schande, driedubbele schande
-noemde hij het, dat de naam, dien zijn vader met rechtmatigen trots
-noemde, den naam die zijn moeder zoo rein had bewaard, nu werd gedragen
-door Maria Bastoort!
-
-’t Was ook Edith die er hem toe bracht weer eens naar de fabriek te
-gaan. Wel wist ze het nog niet bij ervaring, dat werken leert vergeten,
-maar ze bemerkte hoe bezigheid papa goed deed. Het was een zware gang;
-met warme onverholen blijdschap ontvingen hem zijn ondergeschikten,
-maar hij kon niet werken met den lust en den ijver van voorheen;
-immers, voorheen werden de winsten weggelegd voor de reis naar Europa,
-voor de toekomst als de kinderen groot waren; nu waren alle plannen den
-bodem ingeslagen; nu was er geen toekomst—dan met Maria Bastoort!
-
-Er was tusschen hem en de vrouw, die de wet tot zijn gade gemaakt had,
-een vergelijk getroffen. Hij oordeelde dat hij niet het recht had haar
-verwijtingen te doen; alleen zeide hij haar zacht maar vast, dat ze
-nooit anders dan in naam zijn vrouw zou wezen, dat ze, toen ze van zijn
-toestand misbruik maakte om hem te ontrooven wat ze wist dat hij haar
-nooit vrijwillig zou geofferd hebben, voor altijd zijn genegenheid had
-verspeeld.
-
-Het was haar tamelijk onverschillig; niet zijn liefde had ze zich
-gewenscht, maar zijn titel, zijn rang, zijn geld,—en die kon hij haar
-niet ontnemen. Hij handelde juist zooals ze verwacht had: paarden,
-rijtuigen, bedienden, ruim huishoudgeld en nog ruimer kleedgeld stelde
-hij tot hare beschikking.
-
-Maar op zekere voorwaarden.
-
-Het huis was groot en ruim; wilde ze hem verplichten door het
-linkergedeelte te bewonen, terwijl hij zich tot de rechterzijde bepalen
-zou? Edith was aan hem gehecht, terwijl Nora háár lieveling heette;
-wilde ze Edith aan haar vader afstaan? En zou ze over het geheel hem
-niet tegenwerken bij de opvoeding der beide kinderen?
-
-En eindelijk—nog deze ééne groote gunst—wilde ze beloven hem niet te
-dwingen met haar uit te gaan?
-
-Neen, dat wilde ze niet!
-
-Waarvoor zou zij haar mooie toiletten koopen, als het niet was om er
-mee te schitteren in de gezelschappen; waarvoor zou ze alles verdragen,
-al zijn dwaze nukken inwilligen, wanneer het niet was in de hoop van
-als mevrouw Reijkman zich te vertoonen in kringen, waarin men vroeger
-haar naam niet genoemd, veel min haar tegenwoordigheid geduld zou
-hebben?
-
-Al de fierheid, die in hem was, kwam in opstand tegen het ondergaan van
-die laatste vernedering; hij smeekte en bad, hij dreigde en beleedigde;
-te vergeefs! Op dit ééne punt bleef Marie onverzettelijk.
-
-Het was, hoe grievend dan ook voor zijn gevoel, een ware verlossing,
-toen hem van verschillende zijden werd getoond, dat zijn komst altijd
-hoogst aangenaam zou wezen, maar men liever wenschte van bezoeken
-zijner vrouw verschoond te blijven;—zij bleef echter loeren op een
-gelegenheid om den triomf, waarvan zij zoo lang gedroomd had, te
-genieten.
-
-Weldra deed zich die voor. Er werd een groot feest gegeven door een der
-rijkste suikerlords uit den omtrek en Reijkman ontving een uitnoodiging
-voor zich en zijn vrouw.
-
-Hij wilde een voorwendsel zoeken om te weigeren. Maar Marie, wie het
-thuiszitten verveelde, dreigde alleen te gaan, zoo hij haar niet
-verzellen wilde.
-
-Hij gaf toe; hij liep de spitsroeden door en ze wondden hem dieper dan
-de felste zweepslagen ooit een ontblooten rug konden doen; de donkere
-blikken van de schoone vrouwen, wier liefde hij eenmaal zoo gemakkelijk
-had kunnen winnen en die nu schenen te vragen: moest ik dáárvoor
-versmaad worden? de spottende lachjes om meêdoogenlooze lippen, het
-gefluister van scherpe tongen, het deelnemend groeten of verlegen
-afwenden van bevriende gezichten....
-
-Er was één paar oogen, blauw en zacht als Insulinde’s hemel, dat
-telkens rusten bleef op Henri’s gelaat en deelnemend scheen te vragen,
-waarom het toch zoo treurig stond; er was één frisch, rooskleurig
-mondje, dat met half kinderlijken schroom hem toesprak; ze behoorden
-aan Constance van Raathoven, de eenige dochter van Passoeroean’s
-resident.
-
-Het kind was pas uit Holland terruggekeerd en begreep niet, welk recht
-de zwarte vrouw kon hebben op dezen jongen man, met zijn edel, blond
-gelaat, zoozeer gelijkend op het ideaal, dat ze zich gevormd had van
-den held harer droomen.
-
-Hij ving de zachte blikken op, zoo dikwerf ze op hem rusten bleven,
-gelijk de verschroeide bloem een dauwdrup opvangt; hij luisterde naar
-de tonen dier melodieuse stem.... misschien was het juist de blik uit
-die reine meisjesoogen, misschien waren het juist de woorden van dat
-schuldeloos kind... die hem het knellen van zijn keten zoo ondragelijk
-maakten, die zijn wanhoop opvoerden tot razernij....
-
-Het was goed dat het rollen van den wagen over het grint kleine Edith
-ontwaken deed; het was goed dat ze op haar bloote voetjes kwam
-aantrippelen en haar armen om papa’s hals sloeg en fluisterde, dat ze
-zoo koud was en vroeg of ze voor dien éénen nacht mocht slapen in
-papa’s bed....
-
-Ze sluimerde spoedig in, zooals kinderen dat doen kunnen, maar toch
-vroeg ze zich den volgenden morgen af, of ze gedroomd had, dat er, o
-zulke heete tranen op haar voorhoofd gevallen waren.
-
-
-
-Intusschen—ook na den bangsten nacht breekt een morgen aan, waarin
-alles geregeld zijn gang gaat; waarin ieder werkt en handelt alsof er
-niet zoo iets als smart en wanhoop bestond onder de menschen—en iedere
-morgen vond den administrateur van Soeka-madjoe op zijn post.
-
-Onno had gedurende de ziekte, die niet minder dan vijf maanden duurde,
-gedaan wat hij als geëmployeerde vermocht te doen, maar toch viel er
-nog veel te regelen, dat op het herstel van Reijkman had gewacht.
-
-Hij werkte zooals een man werkt, wiens doel het is zichzelf te
-ontvlieden; in brandende zonnehitte, in storm en regen steeg hij te
-paard, en eerst wanneer lichaam en geest doodelijk vermoeid waren,
-zocht hij rust, in de hoop dat de verdooving die op groote inspanning
-volgt, de booze droomen, de treurige gedachten zou verdrijven.
-
-Maar eindelijk toch brak de tijd aan dat alle achterstand ingehaald
-was, de aanplant geregeld, de tuinen in orde, de boeken bijgewerkt, de
-machineriën nagezien, de suikers verzonden; de tijd waarin den
-administrateur van een fabriek niet veel anders te doen overblijft, dan
-te wachten tot de zon den nieuwen oogst heeft rijp gestoofd.
-
-„Papa, nu hebt u het niet meer zoo druk, is het wel?” vroeg Edith op
-zekeren langen, regenachtigen namiddag, toen haar vader sedert een half
-uur de voorgalerij op en neder liep.
-
-„Neen, lieve. Waarom vraag je dat zoo?” antwoordde hij, terwijl hij een
-oogenblik stil stond om de hand langs haar zijden krullen te strijken.
-
-„Omdat.... weet u niet meer, wat u ons beloofd hebt, als de drukte
-voorbij was?”
-
-„Ja zeker! We zouden een beetje leeren samen—en spelen ook. Goed dat je
-me er aan herinnert, kind! We zullen dan maar dadelijk beginnen, hé?
-Maar eerst moet Nora hier zijn. Waar is ze?”
-
-„Bij mama, geloof ik.”
-
-„Nu, ga haar dan roepen.”
-
-„Ik weet niet of zij zal willen komen, papa.”
-
-„O zeker! Zeg maar dat ik een mooi geschiedenisje ga vertellen, een,
-dat ze nog nooit gehoord heeft.”
-
-Het duurde een geruime poos voor Edith terug kwam. Toen trad ze
-aarzelend nader, de lange wimpers rustend op de hoogblozende wangen.
-
-„Nora is.... Nora heeft een beetje hoofdpijn, papa! Ze kan onmogelijk
-komen... zegt mama.”
-
-„Hoofdpijn? Kassian! Is het erg?”
-
-„Neen pa! och neen, het is eigenlijk niets erg,” sprak Edith, meer en
-meer verward.
-
-„Edith!” vroeg Reijkman streng, terwijl hij zijn doordringenden blik op
-het kind vestigde, „wat is er?”
-
-Edith bleef zwijgen.
-
-Toen klonk er een droeve klacht van des vaders lippen. „Edith, mijn
-lieveling, ze hebben je toch niet geleerd te liegen?”
-
-In een oogwenk lag ze aan zijn borst. „O papa, wees niet bedroefd!
-Geloof me, papa, ik heb gezegd, dat ik niet jokken wilde, maar mama...”
-
-„Sst...” sprak Marie’s echtgenoot, „sst!”
-
-Daarop gaf hij in het javaansch een bevel aan Arsan en weinige
-oogenblikken later verscheen Nora, met een hoogrooden blos op de bruine
-kaken, met iets uitdagends in de fonkelende, zwarte oogen. Hij
-bestrafte haar met geen enkel woord; hij nam haar op zijn knie en begon
-te vertellen—van een kind, dat gelogen had en de vreeselijke gevolgen
-van dien leugen. Halverwege moest hij het verhaal afbreken; Edith was
-in een zenuwachtig snikken losgebarsten; ook van Nora’s donker gezicht
-was het uitdagende verdwenen, maar toen Reijkman haar aanzag en aan
-zijn hart drukte met de vraag: „Begrijp je nu hoe slecht het is om te
-jokken, liefje?” keerde ze het hoofdje om en wilde noch antwoorden,
-noch schuld bekennen, noch beterschap beloven.
-
-Maar hij was er de man niet naar om door een mislukte poging te worden
-afgeschrikt.
-
-Met al den ernst, al het geduld die de opvoeding van ieder kind, maar
-de opvoeding van een indisch kind vooral, eischt, met al de liefde die
-hij te geven had, wijdde hij zich aan de taak, die gelukkiger
-echtgenooten zoo gaarne op de schouders der moeder leggen. Hij zou dat
-trotsche hoofdje buigen, het goede zaad zaaien in dat jonge hartje, het
-onkruid uitroeien, dat Marie’s leiding zoo welig deed opschieten.
-
-Wat hij niet kon vermoeden, hij deed zichzelf oneindig veel goed door
-dat geregeld samenzijn met de kinderen; eerst was het hem een
-inspanning geweest, weldra werd het hem een genoegen; Edith’s ernstige
-vragen, die van zoo diep nadenken getuigden, verbaasden en verrasten
-hem; Nora’s aardige, kinderlijke opvatting van alles, wat hij haar
-trachtte duidelijk te maken, was hem een waar vermaak, en toen hij
-reeds vruchten van zijn onderwijs begon te zien, toen Nora met haar
-zoete stem en gracieus gebarenspel een gedichtje voor hem opzeide en
-Edith haar eersten brief naar Holland schreef, toen kwamen er weer
-goede oogenblikken in zijn eenzaam leven, toen herinnerde hij zich hoe
-een vriend eens beweerd had, dat men zich over een ongelukkig huwelijk
-leert troosten door de vreugde die de kinderen schenken, en hij vond
-die bewering niet meer zóó onzinnig als te voren.
-
-Waarmede hij de beide meisjes ook trachtte bezig te houden, welke
-spelletjes en pretjes hij ook bedacht, altijd herhaalden zij de vraag:
-„Een vertelseltje, papa!”
-
-Gelukkig was zijn auditorium niet moeilijk te voldoen; ’t ging als op
-de nutslezingen in kleine plaatsen; het deed er weinig toe of het
-verhaal nieuw was, nog minder of er logisch verband in werd gevonden,
-het allerminst of het een zedelijke strekking, had, als er maar een
-bepaalden tijd gesproken werd.
-
-Op een avond dat hij wat vermoeid en misschien daardoor niet zeer
-helder van hoofd was, wilde het hem maar niet gelukken een vertelsel
-saâm te flansen.
-
-„Dan maar een sprookje van moeder de Gans,” raadde Edith. „De schoone
-slaapster in het bosch bijvoorbeeld, pa?”
-
-’t Was lang geleden dat de kinderen dit voor het laatst hoorden en met
-ingehouden adem luisterden ze, hoe de booze toovergodin verscheen aan
-het doopmaal; hoe, niettegenstaande alle voorzorgen, de voorspelling
-vervuld en het mooie prinsesje door de schaar gewond werd.
-
-Eindelijk was de verhaler de slotscène genaderd; de jonge vreemde prins
-had het prachtig kasteel met zijn onbewaakte schatten en slapende
-bewoners betreden; hij drukte de koningsdochter den kus op de lippen
-die haar moest doen ontwaken....
-
-„He, hoe dom!” riep Nora op eens.
-
-„Stil toch!” fluisterde Edith verontwaardigd over die stoornis. „Toe
-pa, vertel verder!”
-
-Maar Nora’s uitroep had de aandacht van haar vader getrokken. „Waarom
-dom?” vroeg hij.
-
-„Omdat.... wel, papa, hij had immers alles kunnen wegnemen, het heele
-huis leêgdragen, als hij haar had laten slapen.”
-
-„Zou je dat in zijn plaats gedaan hebben, Nora?”
-
-„Ja zeker,” sprak Nora, zonder zich een oogenblik te bedenken.
-
-Henri Reijkman liet het kind van zijn knie glijden en toen ze,
-verschrikt over de uitwerking van haar gezegde, weder op hem toetrad,
-stiet hij haar terug.
-
-Terwijl Edith, de kleine handjes gevouwen, zat te peinzen en ten volle
-begreep waarmeê Nora papa zoo ontstemd had, terwijl Reijkman met
-gejaagden tred op en neer liep en zich afvroeg of dan niets, niets den
-verderfelijken invloed zijner vrouw onschadelijk maken kon, schaterde
-Marie het uit van lachen en beloonde het kind met gebak en noemde haar
-een pintere meid, toen ze het verhaal deed van hetgeen er was
-voorgevallen.
-
-Nooit was door de goede en booze geesten de strijd om een menschenziel
-met meer volharding gestreden, dan door dezen vader en deze moeder den
-strijd om het hart van dit zevenjarig kind.
-
-Nog bleef Reijkman hopen dat de overwinning aan zijn zijde verblijven
-zou. Nora was leugenachtig en vol listen en streken, maar er was toch
-ook veel goeds in haar verwilderd hartje; er woonden naast verkeerde
-gedachten ook betere wenschen en edeler verlangens; met Edith tot
-voorbeeld en onder ernstige leiding kon er nog iets liefs van haar
-komen....
-
-O, als hij de vrouw, die hem zijn geluk en zijn vrijheid had ontroofd,
-nu ook nog de ziel van zijn kind moest afstaan, dat zou te veel zijn!
-En hij worstelde om Nora’s behoud met de volharding van een man, met
-het geduld eener vrouw.
-
-Toch zou hij het moeten opgeven.
-
-’t Was in de plotseling gevallen schemering van een druiligen namiddag,
-dat Henri de beide meisjes zocht om met haar het gewone leeruurtje te
-beginnen.
-
-Te vergeefs liep hij de vóór- en achter- en binnengalerij door, en
-juist wilde hij Arsan roepen om ze in den tuin te gaan halen, toen hij
-achter het groote schutsel in de slaapkamer eenig gerucht vernam.
-
-Hij had in den laatsten tijd meer dan eens opgemerkt dat er in Nora’s
-zijn iets geheimzinnigs stak; telkens als hij haar onverwacht naderde,
-schrikte ze op en voortdurend had ze Edith dingen meê te deelen die
-papa niet hooren mocht....
-
-Zonder bepaald kwade vermoedens te koesteren, verontrustte hem dit en
-daarom bleef hij nu ook achter het scherm staan, in de hoop van
-onopgemerkt getuige te zijn van het gesprek.
-
-In de halve duisternis kwam het fijne, edele gezichtje van Edith, met
-de lange blonde krullen omkranst, teekenachtig uit tegen Nora’s
-donkergelokt kopje en haar groote fonkelende oogen. Er lag in het
-gelaat van het oudere zusje nieuwsgierigheid, maar een zekere angst en
-afschuw tevens, terwijl Nora de gloeiende wang tegen de hare drukte en
-fluisterde, fluisterde....
-
-Daar trof een woord het oor van den vader, een woord dat nimmer moest
-worden uitgesproken door reine kinderlippen, een woord waarvan de
-beteekenis geen kind mocht geopenbaard zijn....
-
-Verschrikt, ontroerd trad hij terug; nooit was hem de zonde zoo
-afschuwelijk voorgekomen, als nu zij den mond van zijn kind tot tolk
-had gekozen...
-
-Een oogenblik nog zag hij het roerloos aan hoe de kleine demon zich
-heenboog over het blonde zusje, gereed om haar de gemaakte ontdekking
-mede te deelen, toen greep hij Nora bij de schouders en sleurde ze ver
-weg, als ware ze een venijnig insekt geweest....
-
-
-
-De innige vertrouwelijkheid die eertijds tusschen Onno en zijn vriend
-bestond, had sinds eenigen tijd plaats gemaakt voor een veel koeler
-verhouding; daarom durfde Onno niet vragen toen hij Reijkman stiller
-vond dan gewoonlijk; daarom bleef hij zwijgen ook toen hij zag hoe Nora
-verbannen werd uit de tegenwoordigheid haars vaders, terwijl het Edith
-ten strengste verboden was in de vertrekken van Marie te komen. Eerst
-toen Reijkman sprak van een reis naar Soerabaia, vroeg hij of het voor
-particuliere zaken was.
-
-„Ja,” sprak Reijkman, „voor particuliere zaken maar... vraag niet
-verder, Onno!”
-
-Toen hij terugkwam, stond Edith hem van verre toe te wuiven; geheel
-haar lief gezichtje straalde van vreugde en nog vóór hij het huis had
-betreden, vloog ze hem in de armen.
-
-„Papa, waarom zijt u zoo lang weggebleven? U weet immers, dat ik niet
-zonder u kan?... En—kunt u dan zonder mij? Zeg paatje, kunt u zonder uw
-kleine Edith?”
-
-Op eens zag Edith haar vader doodsbleek worden, wankelen... ze riep oom
-Onno, en toen deze zijn vriend ter hulp snelde, vernam hij een dof
-snikken, een onsamenhangend gefluister: „Ze moet weg.... mijn
-lieveling! Naar Europa! Alles is reeds bepaald... over vier weken....
-God helpe me!”
-
-
-
-
-
-VI.
-
-’t Is in onze tropische nachten voor gelukkigen onuitsprekelijk zoet
-droomen: achterovergeleund in den gemakkelijken zetel, het gelaat tot
-den flonkerenden hemel gekeerd, terwijl heerlijke geuren opstijgen van
-de bebloemde aarde naar het wazig blauw der wolken, terwijl het koeltje
-door de lokken speelt, droomerig en teeder als de vingeren der
-geliefde, terwijl de sleepende tonen eener verwijderde muziek de
-gedachten vleugelen schenken en het beekje fluistert van wenschen die
-vervuld, van idealen, die werkelijkheid werden.
-
-’t Is zoet droomen voor den gelukkige.
-
-Maar ook den minder bevoorrechte, ook den balling, die niets dan
-teleurstelling vond in het land der vreemdelingschap, is het goed neer
-te zitten in den kalmen vrede van Insulinde’s nachten.
-
-De koelte moge hem van geen teedere aanraking eener aangebeden hand
-spreken, hem streelt ze het gloeiend voorhoofd met haar frisschen adem,
-hem vaagt ze den blos der ergernis van de wangen, hem kust ze toornige
-woorden van de lippen; de muziek moge hem niet voeren tot peinzen over
-het genotvol heden, ze voert hem terug tot het blij voorheen, ze
-verhaalt van een betere toekomst....
-
-En als het vriendelijk beekje ook langs zijn voeten stroomt, is het of
-hem wordt toegeruischt: Geduld! Geduld! Wij allen hebben onzen strijd
-op aarde! Ook ik was eenmaal een trotsche bergstroom met niets dan het
-blauw des hemels boven, het groen der heuvelen rondom me; thans word ik
-in boeien gekneld door menschenhanden; thans word ik ver van mijn
-schoone geboorteplek, gevoerd langs dorren zandgrond en kale rotsen en
-naakte vlakten, maar om eindelijk af te dalen in een vriendelijke
-vallei! Dáár zal de zon mij tooien met glinsterende juweelen; de
-kinderen zullen mij met bloemen strooien onder blij gezang, schoone
-vrouwen zullen haar ranke leden komen toevertrouwen aan mijn
-liefkoozingen, minnenden zullen neerzitten aan mijn oevers en het
-geklater mijner golfjes begeleiden met den klank hunner kussen....
-
-Toen Edith was heengegaan en met háár de laatste zonnestraal uit zijn
-sombere woning, toen ook Nora, om haar aan den verderfelijken invloed
-der moeder te onttrekken, onder streng toezicht van vreemden geplaatst
-was, toen de kinderstemmetjes niet meer weerklonken die de eenige
-juichtoon waren geweest in den droeven treurzang van zijn huiselijk
-leven, was het Henri Reijkman of hij den last van het bestaan moest
-afwerpen.
-
-Zijn goede engel had hem verlaten; zijn booze genius moest hem altijd
-nabij blijven, háár kon hij niet ontvluchten.... Waartoe langer zijn
-ellendig leven voortgesleept?
-
-’t Was een bange strijd geweest en meer dan eenmaal had hij een wapen
-in handen genomen en het aangezien met woest verlangen als redder,
-verlosser.... maar Edith’s geest zweefde nog door de stille woning,
-Edith’s voetstappen weerklonken nog door de ledige gaanderijen; ’t was
-hem of haar handjes hem het wapen uit de klamme vingeren loswoelde, of
-zij hem met zich voerde naar buiten, naar buiten waar aarde en hemel,
-met denzelfden reinen zilverschijn overgoten, lagen te sluimeren in den
-schoonen maanlichtnacht.
-
-Dan zat hij daar uren lang tot ieder geruisch had opgehouden in den
-omtrek, tot alles sliep en alles rustte, tot de bergen toornige titans
-geleken, en de boomen spookgestalten werden, maar ook de wolken
-daarhenen zweefden als engelen in hemelschen starbezaaiden dos.
-
-Dan boog hij luisterend het oor en ’t was als ruischte van verre over
-de eeuwige stilte van den Oceaan, waarop het kind zijns harten zwierf,
-hem een groet tegen; dan sloot hij de oogen en het was hem als bracht
-de zefir die als Noordenwind had geloeid om de ranke boot, waaraan haar
-dierbaar leven was toevertrouwd, hem woorden vol zoeten troost, dan
-droomde hij van een verre, verre toekomst, waarin de banden niet meer
-knellen, de ketens niet meer rammelen zouden, waarin hij als vrij en
-gelukkig man haar zou wederzien!
-
-Hij droomde haar zooals ze dan zijn zoude: een ranke maagd met teedere
-vormen, de blonde krullen los neervallend om het zacht gebogen hoofd,
-de blauwe oogen vol dwepende teederheid, vochtig en glanzend,
-fonkelende starren aan den onbewolkten hemel harer ziel, het
-vriendelijk mondje altijd bereid tot een lief woord, de zachte wangen
-gekleurd met den jonkvrouwelijken blos....
-
-’t Was een liefelijk beeld dat hij zich voor den geest tooverde en hij
-voltooide het langzaam, met innerlijk genot, hij teekende het en iedere
-penseelstreek deed hij met liefde, en als het beeld gereed was, bleef
-hij er op staren en legde al de trekken er van weg in zijn hart....
-
-De wind in de bamboestammen doortrilt de lucht als de onbestemde
-klanken eener Eölusharp; de eenzame woudduif kirt en haar tortel
-antwoordt uit de verte met een luiden jubeltoon; de zachtklagende tonen
-van een liefdezaag klimmen op uit de kampong.... nog fluistert de
-sombere droomer den naam van het aangebeden kind, maar straks, straks
-als de sterren elkaar zijn geheim reeds verklapten en de maan hem met
-een spotlach in het aangezicht staart, straks is het hem eensklaps
-duidelijk geworden wier beeld het is, dat hij draagt in zijn hart en
-trek voor trek teekent met zooveel liefde als hij zich het ideaal eener
-jonkvrouw denkt!
-
-Constance.... ach, Constance! Hoe gelukkig, hoe liefelijk moet het
-leven zijn aan uwe zijde....
-
-Daar verneemt hij het weer, dat afschuwelijk geluid, verzeld van het
-hoongelach der helgeesten, het ratelen zijner ketens!....
-
-De wachten zijn er reeds aan gewoon hem in het holle van den nacht te
-zien dwalen rondom het huis; de honden blaffen niet aan, zij kennen
-dien gejaagden stap; alleen zijn lievelingspaard op stal hinnikt, als
-verwachtte hij dat zijn meester hem zou bestijgen en met hem
-voortrennen in wilde vaart, zooals in menig vroegeren nacht....
-
-Maar hij gaat voorbij, den tuin in, het erf op. Eerst een paar uur
-later keert hij terug; vermoeid, bezweet, maar zonder dàt zou hij geen
-rust vinden op zijn eenzame legerstede. Hij gaat haastig het huis langs
-om achter binnen te treden en mijdt nu niet, zooals des daags, het
-gedeelte door Marie bewoond.
-
-Even blijft hij stilstaan. Is dat niet een mannenstem, die hij daar
-hoort in Marie’s vertrekken?....
-
-Hij wist niet of zijne vrouw sinds hij haar van zijn zijde verbande,
-hem de trouw had gehouden die echtgenooten elkaar beloven; maar hij
-wist dat de hartstochten, die haar beheerschten, niets met de zinnen
-gemeen hadden en had daarop vertrouwd toen hij zichzelf deed gelooven,
-dat ze ten minste niet op die wijze den naam, dien ze droeg, tot
-schande zou maken.
-
-Eén oogenblik trilde hij van woede bij de gedachte; maar toen
-glimlachte hij; de stem, die tot hem doordrong, was die van Marie’s
-broeder.
-
-Wie Rudolf Bastoort eenmaal in het laaghartig gezicht, in de listige
-oogen gezien had, wist, dat die man gewantrouwd moest worden. Reijkman
-had meer dan één staaltje ontvangen van zijn laagheid. Maar hij had
-hem, omdat hij de broeder zijner vrouw was—anders had hij hem gaarne
-zien hangen—uit zekere moeilijkheden gered. Na de laatste
-„moeilijkheid” echter verbood hij hem het huis, met bedreiging hem als
-dief en opiumsmokkelaar te doen opvatten, als hij het waagde zijn erf
-te betreden—vandaar dit bezoek in het holle van den nacht.
-
-„Och, Marie, kassian toch met je broêr,” riep de door drank en
-uitspatting heesche stem, een wanklank in de heilige stilte van den
-nacht.
-
-„Kassian met jij,” siste het snerpend geluid Henri zoo wèlbekend uit
-Marie’s oogenblikken van hevige drift, „kassian met jij? Jij moet zelf
-weten. Wie schulden maak, die betaal! Jij bent niet gek genoeg om hulp
-te verwachten van mij?”
-
-„Je begrijp misschien niet, Marie! Ze zetten me in den boei. Ze hebben
-ampioen gevonden bij mij in huis. Ik moet afkoopen....”
-
-„Ampioen gevonden....? Heel goed! ’k Heb lang verwacht.... ’k Ben
-blij....”
-
-„Ik moet honderd gulden hebben, Ria! minstens!”
-
-„Al moest je een gobang hebben, jij krijg niet van mij,” zegt de zuster
-bepaald. „Nu, ga weg!”
-
-De heer Rudolf Bastoort stort thans zijn gevoel uit in een walgelijk
-dronkemansgeween.
-
-„Waarom moet jij spelen, dronkenlap? Ben je een grooten mijnheer
-misskien?”
-
-„Neen,” zegt de broeder, terwijl hij eensklaps de onharmonische uiting
-zijner droefheid staakt. „Maar jij bent een groote mevrouw; jij kunt
-betalen en.... jij moet.... jij moet....!”
-
-„Moeten?” vraagt ze, ziedend van toorn. „Moeten?”
-
-„Ik zit in de benauwdheid, Ria, ik ben verloren....” kermt hij.
-
-„Tra per doeli!” [2]
-
-„Marie?!”
-
-„Ga weg, zeg ik. Ik roep de jongens! Ga weg, ja?”
-
-„Niet vóór ik het geld heb!”
-
-„Ben je gek, kerel?” gilt ze buiten zich zelve.
-
-„Dat vroeg je niet toen ik je helpen moest om...”
-
-„Diam!” [3] roept Marie gebiedend, maar fluisterend tevens.
-
-„Voor wat diam? Ik geef nergens meer om. Ik ga alles vertellen...”
-
-„Je bent niet brani. Je bent veel te bang.... laffe dronkaard...”
-
-„Bang dat ze jou hangen zullen? Och neen, ik zou het met pleizier zien!
-Je hebt het aan mij verdiend, nog veel meer dan aan mijnheer
-Reijkman...”
-
-„Jij hangt ook! Net zoo goed! Jij hebt me de vergift gegeven,” zegt ze
-met haar valschen lach.
-
-„Maar jij hebt het hem in de soep gedaan en in de koffie! Wat kan mij
-schelen, of ze me in de gevangenis zetten, daar kom ik toch in!”
-
-„Nu, ik zal... hoorde je daar niets? Ja, ja! een voetstap... ja, ik
-weet zeker... Als je me hebt verraden... ik vermoor je!”
-
-
-
-Pas verbleekten de sterren, pas kraaide de haan, toen Onno uit zijn
-slaap werd gewekt door het binnentreden van Reijkman. Verbaasd rees hij
-overeind en nauwelijks had hij bij het matte schijnsel van het
-morgenlicht hem in het gelaat gezien, of met een kreet van schrik was
-hij uit het bed gesprongen.
-
-„Henri?! Wat is er gebeurd? Een nieuw ongeluk?!”
-
-„Neen. Het oude ongeluk maar. Onno, geef me de hand! Ik heb je leelijk
-behandeld, oude vriend... ik heb je miskend...”
-
-„O, dat is niets... laat ons daar niet van spreken.”
-
-„Jawel, ik had het niet moeten doen. Maar ik kon het maar niet
-vergeten, dat jij het waart, die me met Marie hadt laten trouwen. Ik
-wist toen niet waarom je het deedt... het was om mij te redden, niet
-waar mijn jongen?”
-
-„Weet je het?... Hoe heb je het ontdekt?...”
-
-„Ik weet het; laat dat je genoeg zijn. Ze had me vergiftigd, niet waar?
-Je hebt heldhaftig gezwegen.... en ik heb je schandelijk gegriefd...
-Kun je me vergeven... mijn oude vriend?”
-
-„Vergeven? Henri!”
-
-„Dwaasheid! Maar.... je kende me zoo goed, Onno, tien jaar lang.... je
-hadt het kunnen, je hadt het moeten weten dat het leven geen waarde
-voor me hebben zou als ik het tot dien prijs behield. Ik, verbonden aan
-een gifmengster! Ik, getrouwd met een moordenares!”
-
-„Reijkman, je weet het nu.... je kunt je nu vrij maken! Wat verhindert
-je haar aan te klagen.... haar schuld is bewezen en....”
-
-„Stil! ’t is de moeder van mijn kinderen! Ik bid je, spreek daar nooit
-van. Hoor je, nooit! nooit! Ik mag daar niet aan denken.... Ik mag
-niet! ’t Zou de naam van mijn kinderen zijn, die ik voor altijd prijs
-gaf.... Ze hebben immers haar bloed in de aderen.... En toch.... o
-God!.... als ik haar aanklaagde en ze werd veroordeeld.... Onno! dan
-zou ik vrij zijn! Vrij! Begrijp je wat dat zeggen wil?.... Vrij om....
-maar neen, neen! Ik mag niet! Ze is Edith’s moeder....”
-
-„Mijn arme vriend!”
-
-„Ik moet rust hebben. Ik ben nog niet te bed geweest.... je zult me van
-morgen waarschijnlijk niet zien in de fabriek.... adieu!”
-
-„Henri, laat me met je meegaan.”
-
-„Waarom?”
-
-„Omdat.... neen, geloof me, ’t is beter dat er iemand bij je is. Je
-bent overspannen, je....”
-
-„Zeg het maar, mijn jongen, je vreest dat ik me van kant zal maken....
-Is ’t niet zoo? Wees gerust Onno. Er komt een oogenblik in het leven
-waarop het vreeselijkste ons niet meer onvoorbereid vindt, een
-oogenblik, waarin we door ervaring geleerd, het ergste verwachten! En
-dan.... laat me je dit zeggen, sinds ik het heengaan van Edith
-overleefd heb, kan er voor mij geen sprake meer zijn van zelfmoord.”
-
-
-
-
-
-VII.
-
-De oostmousson is aangebroken en met den oostmousson een reeks van
-overheerlijk schoone dagen.
-
-De zon verrijst des morgens aan een wolkeloos blauwen hemel en schenkt
-haar glanzen en stralen aan het heerlijk groenend landschap, kwistig en
-zonder voorbehoud, als een jong meisje haar lachjes. Tegen de helling
-van den Ardjoeno liggen de uitgebreide riettuinen zich te blakeren in
-den gloed; de rechte stammen, in rijen geschaard, gelijken een leger
-van soldaten met hier en daar de wuivende pluimen der aanvoerders.
-
-Ook voor dit leger nadert de vijand.
-
-Reeds ging er in de laatste dagen als een rilling door de gelederen; er
-steeg een onheilspellend gerucht op van uit de vlakte en weldra werd de
-vrees bewaarheid: bij het eerste ochtendgloren naderden de koelies met
-hunne kapmessen om de schoonste en krachtigste te vellen.
-
-Het was voor het maalfeest; de dag der dagen voor een suikerfabriek, de
-dag die op Soeka-madjoe met groote plechtigheid, met veel omhaal en
-drukte gevierd wordt, zooals trouwens past voor zulk een rijke,
-voorspoedige onderneming.
-
-Reeds gister, en eergister vooral, tegen het vallen van den avond,
-kwamen de inwoners der naburige dessa’s toestroomen; de nieuwe morgen
-brengt ze nog steeds in grooten getale.
-
-Aan hun adat getrouw, loopen ze als de ganzen achter elkaar en vormen
-zoo een bont-gekleurd lint, kronkelend langs de zonnig witte wegen,
-die, nu stijgend, dan dalend, met het donkergroen van palm en waringin
-tot achtergrond, met het zilver der kali omboord, een uiterst vroolijk
-en teekenachtig effect maken.
-
-Jong en oud, rijk en arm, aanzienlijk en gering zijn opgekomen en er is
-veel toilet gemaakt.
-
-Hooggele en hardblauwe zijde, grasgroen en lilas satijn, helrood
-katoen, gestreept, geruit of geparsemeerd, ziedaar de geliefkoosde
-kleuren der mannen; enkelen hebben zich gewaagd aan rose, hemelsblauw
-of zeegroen, maar de uitwerking daarvan op hun bruinen tint is
-verpletterend; anderen hebben zich vergaapt aan groote kleurige
-patronen met het gevolg dat ze op zebra’s en tijgers gelijken of op
-wandelende stukken weiland, bezaaid met reusachtige boterbloemen.
-
-De vrouwen verkozen stemmiger tinten; de rijken dragen een baatje
-koeroeng van zwarte zijde, de armen van donkerblauw katoen; jonge,
-knappe gezichten krijgen iets frisch door vroolijke sitzen of neteldoek
-kabaiaas; de dansmeiden schitteren boven allen uit door bonte
-slendangs, voorzien van veel franje en veel goud.
-
-Het systeem getrouw dat aan het toilet der Javanen ten grondslag
-ligt—alles bedekken en toch zoo min mogelijk te raden overig laten—zijn
-de fraaigeronde armen als worsten gestopt in nauwe mouwtjes, zijn de
-goedgevormde beenen der mannen gedrongen in kleedingstukken die ze
-omsluiten als het vel den paling; is de sarong getrokken om de slanke
-heupen, als wilde de javaansche het onze Yerseys en corsets cuirasse
-verbeteren.
-
-Behalve de zwarte oogen en de met dubbele hoeveelheid klapperolie
-gezalfde hoofden schittert er veel goud en zilver in het zonnetje; ook
-enkele echte en veel valsche diamanten; de mannen, die er overigens
-vreedzaam genoeg uitzien, dragen prachtige krissen op zijde, de vrouwen
-torschen gouden buikbanden, veel ringen en veel spelden in het haar of
-op de borst, maar de deftigheid, de eigenlijke chic hunner kleeding
-moet toch in al dat moois niet gezocht worden: die wordt gevonden in
-den kain.
-
-Er zijn kain kapala en kain pandjang, sarongs en slendangs uit alle
-oorden van Indië, in de wonderlijkste patronen en bontste kleuren,
-Palembang en Solo, Djocja en China zijn vertegenwoordigd en straks, als
-de heeren echtgenooten verdiept geraken in wajang of tandak zullen de
-dames elkaar van meer nabij bekijken, het doek tusschen de vingers
-nemen, wrijven, beruiken en ruilingen aangaan, waarvan ze, thuis
-gekomen, spijt hebben.
-
-Nu en dan ontstaat er in den zich langzaam voortbewegenden stoet een
-klein oponthoud. ’t Is als een reiswagen reeds van verre zijn nadering
-aankondigt door geschreeuw en zweepgeklap; ook als een américaine of
-lichte mylord komt voorbijsnellen met gasten voor den administrateur;
-soms ook is het een dogcart of bendie, die zijn min of meer
-bruingetinte vracht afzet voor de nette huisjes der employés; meest
-echter tjikarveers, volgepropt met Javanen.
-
-Toch wordt eindelijk ook door de laatste voetgangers het doel hunner
-wenschen bereikt. De groote witte pilaren, waarop in vergulde letters
-Soeka-madjoe prijkt, komen steeds nader en weldra ligt het uitgebreid
-terrein, waarop de feestelijkheden zullen plaats vinden, in het helder
-zonlicht, vroolijk en uitlokkend met zijn talrijke eerepoorten en
-triomfbogen, met zijn vlaggen en wimpels, zijn juichende menigte.
-
-Ook de weg die van de fabriek naar het woonhuis voert, is versierd en
-op dien weg zijn aller oogen gevestigd, zoodra de gong zijn negen
-slagen heeft doen hooren.
-
-Eensklaps barsten de gamelans los in hun vroolijk giro; van de breede
-marmeren trappen daalt een lange stoet van dames en heeren; de regent
-en de resident onder hun gouden pajongs, inlandsche hoofden, de
-geldhebbenden en machthebbenden uit den omtrek, geflankeerd door hunne
-wederhelften, maar niet, zooals in Holland het geval zou zijn, gevolgd
-door veelbelovend kroost: de zonen zijn in Europa, de dochters òf nog
-in broek en baadje, thuis, òf reeds getrouwd.
-
-Drukte en gejoel wordt niet gevonden onder een javaanschen volkshoop,
-maar als nu onder een opwekkenden marsch der inlandsche muziek de
-wolanda’s nader komen, ontstaat er een golvende beweging in de
-veelkleurige massa, en vroolijk dringt alles vooruit, met blijde
-verwachting op de bruine aangezichten.
-
-Weldra is het doel van den optocht bereikt.
-
-Zooals de bruid wordt getooid voor den gewichtigen stond, waarin ze het
-zorgeloos jongemeisjes-leven verwisselt voor de ernstige plichten der
-vrouw, zoo tooit men ook den molen eener suikerfabriek voor den morgen,
-waarop hij uit zijn rust wordt gewekt om, met inspanning van al zijn
-krachten, het werk te aanvaarden.
-
-Een tent van rood en wit doek is gespannen over de raderen, die straks
-in full speed de rietstokken gaan verbrijzelen; bloemruikers,
-guirlandes, wimpels, vlaggen en vuurwerken hangen in kwistigen
-overvloed van die tent af.
-
-Ook hier is, als bij zoo menige andere gelegenheid, door den Europeaan
-een offer gebracht aan het inlandsch bijgeloof.
-
-De toorn der machine—voor den Javaan een machtig wezen, bezield met
-menschelijke gevoelens en hartstochten—de toorn der machine moet
-verzoend worden. Hij wil bloed zien... en als niet aan zijn
-koninklijken wil gehoorzaamd wordt, zal weldra een flink werkman of
-vroolijk knaapje verpletterd liggen tusschen zijn raderen... Maar de
-bloedende kop van een karbouw werd boven den topcylinder opgehangen...
-men kan gerust aan ’t werk gaan.
-
-’t Is den Javaan echter niet genoeg, dat de toorn der booze geesten is
-afgewend, ook de goede geest moet zijn zegen geven.
-
-De gamelans zwijgen, heeren en dames scharen zich in wijden kring, de
-inlanders staan rondom, en in de groote plechtige stilte, die eensklaps
-onder die woelige menschenmassa ontstaan is, treedt een pengghoeloe
-naar voren.
-
-De priester draagt den oogst en het werk, dat men op het punt staat te
-beginnen, in Allah’s hooge bescherming op; de Javanen vallen in met hun
-„Amil, Amil!” het gebed wordt uitgesproken, enkele godsdienstige
-plechtigheden volbracht en de pengghoeloe heeft het zijne gedaan.
-
-Nu volgt een ceremonie van meer vroolijken aard. Alles dringt dichter
-naar den molen; de stoom, vooraf opgemaakt, begint te werken, de
-raderen zetten zich langzaam in beweging en de administrateur van
-Soeka-madjoe, met de schoonste rietstokken in de hand, nadert den
-resident.
-
-Hij wil hem de eerste vrucht van zijn oogst aanbieden, maar.... naast
-den resident staat zijn dochter, een blonde Céres gelijk in haar wit
-kleed met de frissche korenbloemen—en als door een plotselinge gedachte
-bezield legt Henri Reijkman den rietstok in hare handen.
-
-Een luid hoera breekt los nu Constance blozend en verlegen naar voren
-treedt en het riet onder den molen plaatst; de gamelans juichen, de
-muziek speelt haar vroolijkst airtje en weldra knallen de kurken van de
-champagneflesschen, terwijl heeren en dames nadertreden om den molen
-van rietstokken te voorzien.
-
-Eindelijk zal aan de laatste formaliteit voldaan worden. De
-karbouwenkop wordt afgenomen en in plechtigen optocht met volle muziek,
-onder het afsteken van vuurwerk, het oorverdoovend geknal van mortions
-en geweren, op eenigen afstand van den molen gebracht en daar begraven.
-
-Maar dan breekt ook het oogenblik aan, het oogenblik dat voor den
-inlander het schoonst van den dag is.
-
-Bergen van rijst in verschillende kleuren en vormen, in bladen
-gevlochten of gevouwen, toebereid met heete spijzen en ongewoon
-smakelijk door den overvloed van vleesch en visch, die iedere
-rijstmassa verzelt, verdwijnen als door tooverij, weggespoeld met veel
-koffie, bier en toebereid ijswater. Het is haast onbegrijpelijk hoe de
-eigenaars van die meer dan gevulde magen opgewektheid kunnen gevoelen
-om deel te nemen aan de volksspelen, maar toch! nauwelijks weerklinkt
-de muziek die hen naar het strijdperk roept of langzaam rijzen de
-Javaantjes overeind.
-
-Nog langzamer en niet zonder eenige inspanning gorden ze den
-buikband—dien ze straks gemakshalve losgespten—wederom aan en begeven
-zich, gevolgd door vrouw en kinderen, met loome schreden naar de arena.
-
-Het is er verre van daan dat hier Olympische spelen zouden gevierd
-worden. Alle hollandsche grappen en aardigheden zijn op javaanschen
-bodem overgebracht. Er wordt stroop gelikt, mast geklommen en zak
-geloopen. Toch—geheel hollandsch is het niet!
-
-De prijzen bestaan hier noch uit hammen noch uit bonte zakdoeken, noch
-uit baaien inexpressibles, en in plaats van den krachtigen vloek of het
-ruw bon mot waarmee onze sjouwers en boeren hun gevoel lucht geven,
-bewaart de inlander een diep stilzwijgen; bij neêrlaag zoowel als
-zegepraal, drukt de welbeheerschte tronie van den gelukkige, die een
-kostbaren kain uit den mast haalt, hetzelfde uit als die van den
-rampzalige, daareven van de boegspriet getuimeld, terwijl hij zonder
-hoofddoek en met een bedorven baatje staat uit te druipen.
-
-Er is voor de spelen een lommerrijk plekje gekozen, en waar de
-waringins het dichtst zijn is een aardig tentje opgeslagen opdat de
-gasten kunnen toezien. Luid gelach en vroolijke scherts weerklinken
-daar, maar weldra wordt toch het zonnetje zóó warm en het licht zóó
-schel, dat het voorstel van den administrateur om zijn koele woning te
-gaan opzoeken, algemeen bijval vindt.
-
-De rijsttafel wacht en nu volgen dames en heeren het voorbeeld hunner
-bruine broeders; de eetlust laat ook hier niets te wenschen over en ook
-hier zal na het overvloedig maal een weinig rust niet onwelkom zijn.
-
-Weldra begeven de gasten zich naar hunne kamers om—o woord vol zoete
-beteekenis voor den Indo-Europeaan!—om zich lekker te maken!
-
-Schoenen en kousen die benauwen, corsetten die al te weelderige vormen
-beklemmen, halsboorden, die dikke halzen tergen, ze worden losgetrokken
-en met onverdiende hardheid neergesmeten; haardossen verdwijnen,
-bedaklagen worden afgewasschen en sarong en kabaia met smachtend
-verlangen uit de handen der baboes aangenomen.
-
-Ontdaan van alle banden, lang uitgestrekt in het ruime, koele bed in
-het halfdonker met de gesloten jaloeziën, doen een paar uurtjes rust
-wonderen; een frisch bad en een geurig kop thee verrichten het overige
-en tegen den tijd dat de zon wegschuilt, komen dames en heeren met
-nieuwen glans te voorschijn.
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-Buiten beschijnt de maan het vroolijk tooneel, waar de Javanen zich
-geschaard hebben om den wajang; binnen verlichten talrijke lampen de
-ruime galerij, waar de tafel is aangericht.
-
-’t Is een prachtig diner.
-
-Op het fijn damast glinstert zilver en kristal in rijken overvloed;
-geurige bloemen zijn met kwistige, smaakvolle hand aangebracht; de
-schatten, die het meer en het woud opleveren, de fijne wijnen en
-uitgezochte gerechten uit de welvoorziene goedangs, komen
-achtereenvolgens het verhemelte streelen; het dessert munt uit door
-ongewone délicatesses....
-
-Jammer dat de heerlijke toebereiding van den reebout, de geur der
-ragouts, het croquante van het speenvarken enkele heeren telkens
-herinnert aan de diners op Soeka-madjoe in den tijd, toen mevrouw
-Reijkman nog Njai Marie was.
-
-Thans zit ze aan het hoofd van de tafel.
-
-Mooi is Marie nooit geweest, maar tien jaar geleden zag ze er vrij
-aardig uit met haar tengere vormen en rond gezichtje; nu is ze in
-omvang toegenomen en, ofschoon nog geen vijf en twintig jaar, begint ze
-reeds tanig en oudachtig te worden, terwijl de groote fonkelende oogen,
-die vroeger het donker gelaat eenigen glans gaven, tegenwoordig slechts
-ter sluiks opgeslagen en de witte tanden zelden gezien worden, even
-zelden als de vroolijke lach.
-
-Zou ze in sarong en kabaia onbevallig zijn, in europeesche
-kleederdracht is ze leelijk en, wat erger is dan leelijk, belachelijk.
-
-Het parijsch corset is niet gemaakt voor de welgevormde maar korte
-taille, de lange sleep van den donkerrooden japon slingert op de
-zonderlingste wijze heen en weer bij haar sarongstap; de voeten bewegen
-zich moeilijk in de hooggehakte schoenen; het valsch kapsel, waarin ze
-met moeite haar lang, dik haar dwong, drukt haar de hersens; de
-geplooide kraag, die den hals omsluit, schijnt door de wraakgodinnen
-uitgedacht om de gifmengster te herinneren aan de straf, die haar
-toekomt. Niettegenstaande dit alles geniet ze, geniet ze
-onuitsprekelijk.
-
-Immers, het is de eerste gelegenheid waarbij ze optreedt als vrouw des
-huizes; ’t is voor de eerste maal dat het maalfeest gegeven wordt,
-sedert zij, nu twee jaar geleden, mevrouw Reijkman werd.
-
-De tijd, waarin ze zich schuil moest houden voor de gasten en hen
-bedienen van achter het groote scherm, is voor altijd voorbij; de
-hooggeplaatste bezoekers, die toen veinsden haar niet te zien; hunne
-dames, die toen het hoofd zouden hebben omgedraaid, als ze haar
-toevallig ontmoetten; de jongelui die toen haar aanstaarden met
-onbeschaamde blikken, zij allen moeten nu voor haar buigen, zij allen
-moeten haar nu erkennen als de wettige vrouw van Henri Reijkman.
-
-Wat deert het haar, dat op het eenmaal zoo vroolijk gelaat van haar
-echtgenoot de diepste wanhoop te lezen staat, dat er geen glimlach
-heeft gespeeld om zijn bleeke lippen, sinds dat hartverscheurend
-oogenblik, toen Edith er voor de laatste maal een kus op drukte; wat
-deert haar zijn koele terughouding, hij kan zijn huwelijk toch niet
-ongedaan maken!
-
-Wat deert het haar, dat Onno haar noch de achting betoont, noch de
-beleefdheid bewijst, die hij als eerste geëmployeerde van Soeka-madjoe,
-aan de vrouw van zijn principaal verschuldigd is? Hij kan haar plagen
-zooveel hij wil; niet meer benadeelen nu zij eenmaal mevrouw Reijkman
-is.
-
-Wat deert het haar ook, dat de resident zijn gastvrouw niet schijnt te
-zien, dat de suikerlords, hoewel zelf vrij beleefd, vergaten hun
-vrouwen aan haar voor te stellen, dat enkele dames haar uit de hoogte
-behandelen, anderen gichelen en fluisteren zoodra ze niet langer in
-haar nabijheid is—ze kunnen haar toch niet verdringen van haar plaats!
-
-Neen! dat alles deert haar niet!
-
-Maar wat haar wèl deert, wat nu en dan een onheilspellend licht doet
-opvlammen in haar donker oog, wat haar maanden lang reeds vervolgt als
-een schrikbeeld, wat haar reeds menigmalen, als ze na een bangen nacht
-eindelijk insliep, knersetandend deed ontwaken, dat is het blonde kind
-met de blauwe oogen die eenmaal zoo medelijdend rustten op Henri
-Reijkman’s bleek gelaat, die nu naar hem zijn opgeheven met den
-vochtigen blik van een dwepend meisjeshart.
-
-De roode frissche lippen lachen zoo onbezorgd, het blanke voorhoofd is
-zoo rein, geheel de uitdrukking van het fijnbesneden gelaat zoo edel,
-geheel de vorm van het ranke lichaam zoo meisjesachtig, zoo kinderlijk
-nog bijna, dat men een Marie Bastoort zijn moet om iets zondigs te
-zoeken in de verhouding van Henri Reijkman en Constance van Raatshove.
-Maar zij meent er dat zondige in te vinden en met gebalde vuisten en
-kloppend hart slaat ze hen gade, en in haar verhit brein komen
-gedachten op, die haar doen verbleeken en beven te midden van het
-feestgewoel.
-
-
-
-’t Is middernacht.
-
-De sterren flonkeren met gouden glansen aan het azuur van den effen
-blauwen hemel, de nachtbloemen openen haar kelken en geuren als wisten
-ze hoe kort haar bloeitijd zijn zal, de vlinders dwarlen halfbedwelmd
-rondom. Een frissche koelte daalt van den Ardjoeno en komt de verhitte
-gezichten aanraken van de honderden mannen en vrouwen, die geschaard
-liggen rondom den wajang of genieten van de bevallige dansen en het
-onharmonisch gezang der ronggèngs.
-
-Uit de ruime pendoppo der administrateurswoning klinkt vroolijke muziek
-en de paren zweven op de maat eener wals, die steeds sneller, steeds
-wilder wordt.
-
-Het is niet alleen de jeugd, die hier danst: oud en jong doet mede; de
-resident heeft het bal geopend met de gade van den grondbezitter; te
-zamen dragen ze een eeuw op de schouders, maar het hart bleef jong en
-de voet vlug; een weeuwtje wier volwassen zoon in Holland gelukkig geen
-getuige kan zijn van mama’s aanvechtingen naar de vreugden des levens,
-draait lustig in de rondte met den geëmployeerde, wien het eerste dons
-om de kin speelt; een grijze overste heeft een piepjong nonnatje
-gekozen....
-
-Er zijn echter ook andere paartjes, jong en onbezorgd, vroolijk en
-bevallig, aardig om aan te zien. Maar geen schooner onder die allen dan
-de forsche en toch zoo slanke gestalte van den gastheer, met zijn dame,
-die er uitziet als een engel in haar wolken van wit, haar guirlandes
-vergeet-mij-niet, den krans in de goudglansende krullen.
-
-Ze rust in de armen, die haar omvatten, ze geeft zich geheel over aan
-het genot van den dans, en hij sluit haar vaster aan zijn borst, en
-staart in het schitterend blauw dier welsprekende oogen en—had hij tot
-heden toe slechts een zucht in antwoord op de taal dier oogen, nu
-fluistert hij en droomt—en in zijn droom hoort hij het rammelen niet
-van den keten, die achter hem aansleept.
-
-Uit den donkersten hoek van de groote pendoppo volgen een paar ernstige
-oogen het schoone paar; met warme bewondering maar met teedere
-bezorgdheid ook.
-
-Eindelijk rijst Onno overeind uit zijn verborgen plekje. Hij treed
-haastig voorwaarts; hij legt zijn hand op Henri’s arm, zoodra deze zijn
-dame verlaten heeft.
-
-„Henri!” fluistert hij.
-
-„Wat is er?” vraagt deze eenigszins ongeduldig.
-
-„Marie ziet je!”
-
-„Onno! één avond, één halven nacht van geluk maar!” vraagt Reijkman
-smeekend.
-
-En Onno laat hem los en treedt naar buiten; hij ziet op naar de
-sterren, die glimlachen en vroolijk knipoogen, want ze zijn te verre af
-om het lijden der menschen te zien, en peinzensmoê spreekt hij de vraag
-uit, die zijn ziel beroert, de vraag die in dit uur als in zooveel
-andere uren zijn warm, trouw vriendenhart vervult: „Is hij dan gedoemd
-tot het ongeluk, levenslang?.... Kan er dan niets, niets voor zijn
-verlossing gedaan worden?....”
-
-Maar de sterren glimlachen en knipoogen steeds voort en antwoorden
-niet. Wilder klinkt de muziek, luider het gegons der vroolijke stemmen,
-maar het zijn niet de blijde tonen die hem weer naar binnen drijven:
-het is het onbestemd voorgevoel van een naderende ramp.
-
-Hij moet weten wat er voorvalt. Henri,—dit heeft hij straks bespeurd
-aan zijn fonkelend oog, aan zijn koortsig gloeiend gelaat—is zichzelf
-niet; hij zou in dezen nacht van verrukking en opgewondenheid de
-grootste onvoorzichtigheid begaan; ook het schoone kind met den krans
-van vergeet-mij-niet weet niet welk gevaar haar dreigt; maar om Marie’s
-lippen speelt nu en dan de koude wreede grijnslach, dien hij somtijds
-heeft gezien in Henri’s ziekenkamer, en hij weet dat er dan gewaakt
-moet worden....
-
-Hij volgt de donkerroode japon met zijn strakken blik, waarheen zij
-zich ook beweegt; hij ziet hoe ze orders geeft aan de bedienden, niet
-flink en bepaald als gewoonlijk, maar verstrooid, hoe ze het eene glas
-champagne na het andere leegdrinkt en toch niet vroolijk wordt, hoe ze
-met de zwarte oogen één wit punt volgt in de balzaal....
-
-Weldra komt de wreede koude grijnslach niet meer nu en dan om de
-bleekblauwe lippen spelen, maar blijft en schijnt zich te verspreiden
-over geheel het strak gelaat, tot zelfs in de oogen.... als Onno dat
-ziet, grijpt een groote angst hem aan: hij moet zijn waakzaamheid
-verdubbelen.
-
-Op eens—daar wordt de roode japon niet meer gezien in de balzaal. Ieder
-is te zeer met zichzelf vervuld om haar te missen, die daar nu langzaam
-de breede trappen der pendoppo afdaalt en, als had ze behoefte aan een
-weinig frissche lucht, den bloemtuin achter het huis begint op en neder
-te wandelen.
-
-Ze loopt zoo bedaard mogelijk en niet zonder nu en dan eens stil te
-staan om aan een roos te ruiken of haar kleed beter op te nemen; ze
-kiest de zijde van het huis door haar bewoond; dáár verdwijnt ze een
-oogenblik in haar kamers en als ze wederom te voorschijn komt, neemt ze
-het kleed met de linkerhand te zamen; de rechter is niet meer vrij....
-
-Nu strekt ze haar wandeling wat verder uit; ze neemt den kant van de
-bijgebouwen; eerst rechts, naar de bediendenkamers; dan links naar de
-logeervertrekken....
-
-’t Is hier doodstil; geen sterveling beweegt zich, de logées zijn in de
-balzaal, de jongens en meiden bij de ronggèngs.
-
-Al de kamers zijn gesloten, ook die waarvoor Marie nu stilhoudt. Maar
-ze weet, dat het knipje van de jaloezie gebroken is, ze duwt er
-zachtkens tegen aan, het springt open en, daar het venster niet
-gesloten werd, kan ze nu over het vrij lange kozijn de kamer
-binnenklimmen.
-
-De half neergedraaide lamp verspreidt een flauw en schemerachtig licht
-in het vrij ruim vertrek.
-
-Marie kijkt rondom zich. Een paar kleine slofjes staan voor het bed; op
-de toilettafel ligt een gebroken waaier, een gouden armband; het witte
-kleedje met de korenbloemen, dat Constance van Raatshove heeft gedragen
-dien morgen, hangt aan het schutsel.
-
-De kamer ziet er uit, zooals iedere andere waarin een jong meisje zich
-voor het bal heeft gekleed, met bloemen en kanten en strikken overal
-verstrooid. Maar in deze kamer is een bedwelmend zoete geur, in deze
-kamer prijkt op het midden van de marmeren tafel een heerlijke, witte
-bloemtros.... Marie weet dat het de schoonste en zeldzaamste is der
-orchydeën, die Henri met zooveel zorg kweekt....
-
-Haar fonkelend oog rust langen tijd op die bloem; dan treedt ze snel en
-vast nader en scheurt haar van den stengel en trapt haar onder den
-voet. Een oogenblik nog en de rechterhand, tot nu toe zoo vastgeklemd,
-opent zich;.... een wit, fijn poeder gaat uit die hand over in den met
-water gevulden gendie [4].
-
-Als uilengekras, zoo onheilspellend weerklinkt haar akelig schorre lach
-door de stilte van den nacht; fluisterend, of ze vreesde voor haar
-eigen stem, spreekt ze: „Ha, ha! mooie meisjes worden warm van het
-dansen.... ze krijgen dorst, ze willen slapen, droomen van den knappen
-mijnheer... ze drinken, drinken!.... Het witte gezicht blauw, de roode
-wangen blauw....”
-
-Daar slaakt ze een rauwen gil. Ze heeft opgezien in den grooten spiegel
-tegenover haar; ze heeft een gloeienden blik ontmoet, gloeiend van haat
-en wraak, gloeiend van razende woede.
-
-Lang blijft het doodstil in Constance’s slaapvertrek. Als een tijger
-heeft Onno van achter zijn prooi besprongen en zóó plotseling was de
-aanval, zóó vast grepen de ijzeren vuisten, zóó krachtig nijpen ze, dat
-de gifmengster geen geluid kan voortbrengen. Nu... ze worstelt als een
-bezetene, ze tracht zich los te wringen, hem omver te werpen, ze bijt
-hem in de handen, ze krabt hem het gelaat tot bloed...
-
-Eindelijk is hij den strijd moede.
-
-Een ijzeren vuistslag komt neder op het hoofd, dat zooveel monsterlijks
-uitbroedde. Als ze bewusteloos achterover valt op den grond, zet Onno
-haar de knie op de borst.
-
-Dan grijpt hij den gendie.
-
-En als ze ontwaakt uit haar korte bezwijming, ziet ze vlak boven haar
-gelaat die vurige oogen vol haat, dien mond schuimend van woede, hoort
-ze het bevel dat haar doodvonnis is: „Drink!”
-
-Maar neen, ze wil niet drinken! Ze moet leven! Ze rukt zich los, ze
-kromt zich als een slang, ze kruipt en wentelt zich, ze smeekt om
-genade; dan tracht ze hem het glas uit de handen te slaan.
-
-Maar eindelijk begrijpt ze dat de kansen niet gelijk staan, hij is even
-listig en veel sterker dan zij. Ze heft een vreeselijk gegil aan, schor
-en woest. Ze schreeuwt om hulp, haar antwoorden de tonen van den
-vroolijken galop, en in haar verbeelding ziet ze Henri daarhenen
-zweven, stralend van geluk, met het blonde meisje in zijn armen...
-zooals hij háár nooit, nooit in de armen hield!
-
-„Neen! neen! Ik wil niet sterven! Zij zal hem niet hebben,” gilt ze.
-„Ik moet leven.”
-
-Maar daar sist het vlak bij haar oor: „Gifmengster! Hij zal haar
-trouwen... niet gedwongen, maar uit vrijen wil... En hij zal haar lief
-hebben... En ze zullen gelukkig zijn... En nu, drink!”
-
-Maar ze houdt de tanden vast opeengeklemd, de lippen gesloten; dan
-woelt ze door de lange, losgemaakte haren, waarin nog de juweelen
-schitteren....
-
-Onno buigt zich dieper over haar heen; de tegenstand wordt zwakker,
-steeds zwakker... hij giet haar het gif in de keel, tot den laatsten
-droppel toe!
-
-Daar flikkert iets in de schemering. Onno grijpt naar zijn borst....
-een vreeselijk stekende pijn!.... ruggelings valt hij achterover....
-
-
-
-Het is vijf uur in den morgen. De starren verbleeken en grijs en
-kleurloos breidt de hemel zich uit over den Ardjoeno; de gamelans
-zwijgen, ook de dansmuziek heeft opgehouden.... men maakt zich gereed
-tot scheiden.
-
-Nu wordt de gastvrouw gemist.
-
-Eerst zijn de groote galerijen, dan Marie’s vertrekken, dan geheel het
-huis, eindelijk zelfs de tuin doorzocht.... ten laatste vraagt Reijkman
-zijn logées in hun kamers te willen zien....
-
-Wat is het, dat hem drijft om zelf den sleutel te zoeken van die kamer
-links? Wat is het dat hem er toe brengt door de geopende jaloezie naar
-binnen te springen, nog vóór de deur ontsloten kon worden?...
-
-De lamp is uitgegaan, maar bij de vale ochtendschemering ziet hij
-midden in het vertrek, op den grond, een verwarde massa, als in één
-grooten bloedplas.
-
-Hij stoot de vensters open en.... neen, ’t is geen bloedplas, dat
-purperkleurige, ’t is de roode japon van Marie. En die akelige,
-bleekblauwe vlek in het midden met de zwarte slangen die ze
-omkronkelen, dat is Marie’s gelaat, dat zijn Marie’s lange haren!
-
-De doodsstrijd heeft afschuwelijke sporen achtergelaten op het door
-woede en wanhoop verwrongen gezicht.... Maar dicht naast het hare ligt
-een ander, bleek en strak.
-
-Henri Reijkman knielt zachtjes neêr bij den getrouwe; hij legt het
-moede hoofd aan zijn borst, hij drukt een langen kus op de bleeke
-lippen, hij roept luide den naam van zijn vriend.
-
-„Henri?! O, dat is goed!” fluistert een zwakke stem.
-
-„Onno, wat is er gebeurd?” vraagt Reijkman in de vreeselijkste
-spanning.
-
-„Ze heeft niet gedronken?” fluistert de zwakke stem.
-
-„Wie? Marie?”
-
-„Het meisje met de vergeet-mij-nietjes?”
-
-„Onno?... O God! nu begrijp ik het. Zij had haar willen vergiftigen...
-En o, mijn trouwe vriend, je hebt gewaakt over Constance?”
-
-„Heb ik goedgemaakt, wat ik misdeed, Henri?”
-
-„Ja, ja! duizendmalen! Maar Onno, wat deert je? Wat heeft ze je
-misdaan? Antwoord! Antwoord!”
-
-Onno wijst op den langen, scherpen haarnaald, waaraan een diamant
-fonkelt.
-
-„Die heeft ze me door het hart gestoken.”
-
-„God! Laat me hulp roepen.... Onno, je moogt niet sterven!”
-
-„Neen, neen! Blijf zoo zitten.... Laat mijn hoofd zoo liggen.... En zeg
-het nog eens en nog eens, dat ik alles heb goedgemaakt.... dat je nu
-gelukkig zult worden.... Zeg het, Henri!....”
-
-En terwijl Henri al zijn smart uitspreekt in één lange stomme
-omhelzing, terwijl heete tranen neerstroomen op het bleeke voorhoofd,
-terwijl hij woorden stamelt van eeuwige dankbaarheid en het uitroept
-dat de trouwe vriend nimmermeer zal vergeten worden in zijn huis, komt
-in den dood het donker gelaat een glimlach verhelderen, zoo liefelijk
-en zacht, zoo zalig en tevreden, als nooit te voren.
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Bedroefd.
-
-[2] ’t Kan mij niet schelen.
-
-[3] Stil.
-
-[4] Steenen karaf.
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK INDISCHE HUWELIJKEN ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.