summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/66297-0.txt5920
-rw-r--r--old/66297-0.zipbin124181 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66297-h.zipbin367534 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66297-h/66297-h.htm6840
-rw-r--r--old/66297-h/images/fig1.pngbin4591 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66297-h/images/fig2a.pngbin6305 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66297-h/images/fig2b.pngbin4535 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66297-h/images/fig3.pngbin4487 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66297-h/images/frontispiece.jpgbin72670 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66297-h/images/new-cover.jpgbin60727 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66297-h/images/p116.pngbin56678 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66297-h/images/signature.pngbin3430 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66297-h/images/titlepage.pngbin6718 -> 0 bytes
16 files changed, 17 insertions, 12760 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..b0920bf
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #66297 (https://www.gutenberg.org/ebooks/66297)
diff --git a/old/66297-0.txt b/old/66297-0.txt
deleted file mode 100644
index 32c340b..0000000
--- a/old/66297-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,5920 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Antony van Leeuwenhoek, by P. J. Haaxman
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Antony van Leeuwenhoek
- De ontdekker der infusorien, 1675-1875
-
-Author: P. J. Haaxman
-
-Release Date: September 13, 2021 [eBook #66297]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file
- was produced from images generously made available by The
- Internet Archive)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ANTONY VAN LEEUWENHOEK ***
-
-
-
-
- ANTONY VAN LEEUWENHOEK.
-
- DE ONTDEKKER DER INFUSORIËN
- 1675–1875.
-
- DOOR
- P. J. HAAXMAN,
- APOTHEKER TE ROTTERDAM.
-
-
- MET PORTRET, FACSIMILE EN AFBEELDINGEN.
-
-
- LEIDEN,
- S. C. VAN DOESBURGH.
- 1875.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORBERICHT.
-
-
-Op den 24sten September van het jaar 1874, bij gelegenheid der 47ste
-Vergadering van Duitsche natuuronderzoekers en artsen te Gratz ving Dr.
-Ferdinand Cohn, Hoogleeraar aan de Universiteit te Breslau zijn
-redevoering „Over de onzichtbare vijanden in de lucht” aan met de
-volgende woorden:
-
-„Wanneer in het volgend jaar de Vereeniging van Duitsche
-natuuronderzoekers weder in Gratz bijeenkomt, zal het juist tweehonderd
-jaren geleden zijn, dat het door vergrootglazen gescherpt oog van
-Antony van Leeuwenhoek voor het eerst de aanschouwing van een wereld
-vergund werd, die niet alleen de aarde en het water, maar het geheele
-luchtruim met een onzichtbaar leven vervult.”
-
-Toen het nu uit eene correspondentie van Prof. Cohn met een mijner
-vrienden, over den juisten datum waarop Leeuwenhoek deze groote
-ontdekking gedaan had, gebleken was, dat de herinnering aan de
-ontdekking der infusoriën van onzen beroemden landgenoot in een
-wetenschappelijken kring in Duitschland feestelijk zou herdacht worden,
-vond een der leden van de „Nederlandsche Dierkundige vereeniging” zich
-daardoor opgewekt, in de Vergadering van den 21sten Juni 1874 te
-Middelburg gehouden, op dit voornemen de aandacht te vestigen en werd
-naar aanleiding daarvan door hem de vraag gedaan, of Nederland daarbij
-mocht stilzitten en of ook bij ons deze Nederlandsche ontdekking niet
-gevierd behoorde te worden. Dit denkbeeld, al dadelijk toegejuicht, gaf
-aanleiding, dat in de volgende najaarsvergadering te Amsterdam
-gehouden, een voorstel met betrekking tot deze feestviering werd
-aangenomen en niet lang daarna eene uitnoodiging van wege het bestuur
-der Dierkundige Vereeniging, aan de verschillende geleerde
-Genootschappen in Nederland werd gericht, om tot verwezenlijking van
-dit plan mede te werken.
-
-Deze uitnoodiging werd met sympathie ontvangen, en later afgevaardigden
-tot eene Vergadering te Amsterdam bijeengeroepen, alwaar dit plan tot
-eene feestelijke herdenking dezer groote ontdekking op den 8sten
-September 1875 vastgesteld en eene commissie tot regeling dezer
-feestviering benoemd werd.
-
-Het was met het oog op dezen aanstaanden herinneringsdag aan de
-belangrijke ontdekking van Leeuwenhoek gewijd, dat het vroeger reeds
-bij mij gerezen voornemen, om een nieuwe uitgave van mijne
-„Levensbeschrijving van Antony van Leeuwenhoek”, die in het jaar 1871
-in het Nederlandsch Tijdschrift voor geneeskunde was opgenomen, te
-bewerken en uittegeven, tot uitvoering kwam.
-
-Het portret van Leeuwenhoek is gecopieerd naar het schoone en geloof ik
-eenige, in olieverf geschilderde, toebehoorende aan den WelEd. ZGel.
-Heer Dr. C. H. W. van Kaathoven te Leiden, die daartoe, met zijne
-bekende welwillendheid zijn toestemming gegeven heeft.
-
-De gedenkpenning, afgebeeld in het bekende werk van Mr. Gerard van Loon
-„de Nederlandsche Historiepenningen,” is met de meeste getrouwheid
-daarnaar vervaardigd. Beide deze afbeeldingen zullen voorzeker den
-vereerders van Leeuwenhoek niet onwelkom zijn.
-
-Nog enkele aanteekeningen, die ik aangaande Leeuwenhoek, sedert de
-eerste uitgave, in de gelegenheid was te verzamelen, zijn hier
-ingevoegd, waaronder vooral belangrijk zijn, de weinig bekende, mij
-eerst onlangs onder de aandacht gekomen bijzonderheden, omtrent Johan
-Ham van Arnhem, in de brieven van Leeuwenhoek vermeld als de ontdekker
-der spermatozoïden, in het jaar 1862 medegedeeld door Prof. H. I.
-Halbertsma, in de „Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie
-van wetenschappen, Afdeeling Natuurkunde.”
-
-Ten slotte acht ik het niet onnoodig melding te maken van een verschil
-dat er bestaat omtrent de maand van het jaar 1675, waarin Leeuwenhoek
-de infusoriën in regen- en andere wateren heeft waargenomen en welk
-verschil Prof. Cohn aanleiding gaf, na mijne levensbeschrijving van
-Leeuwenhoek gelezen te hebben, nadere opheldering daaromtrent te
-vragen.
-
-In Duitschland namelijk heeft men, op gezag van Prof. C. G. Ehrenberg
-te Berlijn, deze datum in April gesteld, en in navolging van dezen
-geleerde hebben alle schrijvers, die over dit onderwerp gehandeld
-hebben, deze tijdsbepaling van de ontdekking der infusoriën door
-Leeuwenhoek overgenomen.
-
-Genoemde geleerde had namelijk in zijn brochure „die Infusionsthierchen
-als vollendete Organismen”, 1838 p. 528 geschreven, dat Leeuwenhoek de
-„Entdeckung der Belebung des Wassers durch mikroskopische
-Aufgussthierchen” in April 1675 gemaakt had, terwijl die in 1677 door
-de Royal Society te Londen is medegedeeld geworden.
-
-Toen ik nu onlangs de eer had, op verzoek van Prof. Ehrenberg, een
-exemplaar van mijne brochure over Leeuwenhoek aan hem toe te zenden en
-hij mij later een afdruk toegezonden had van het „Sitzungs-Bericht der
-Gesellschaft naturforschende Freunde zu Berlin, März 1875,” las ik
-daarin op pag. 53 het volgende:
-
-„Herr Ehrenberg erinnerte daran, dass Leeuwenhoek seine folgenreiche
-Entdeckung der Belebung des Wassers durch mikroskopische
-Aufgussthierchen im April 1675 gemacht und 1677 der Londoner Society of
-Sciences mitgetheilt habe, und das diese von ihm selbst später noch
-vielfach erweiterte Entdeckung in diesem Jahre ihre 200 jährige Weihe
-erhalte, so dass die Aprilsitzung dieser Gesellschaft geeignet sei,
-dies speciell auszusprechen.”
-
-Ik was toen dadelijk er op bedacht de aandacht van Prof. Ehrenberg te
-vestigen op eene dwaling waarin hij verkeerde, namelijk, dat de maand
-van het jaar 1675 waarin Leeuwenhoek de diertjes in regenwater enz.
-waarnam, niet de door hem genoemde, maar „half September” was; en dat
-deze naar mijne meening juistere tijdsbepaling volgde uit de
-bewoordingen, vervat in een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek aan
-Constantijn Huygens d.d. 7 November 1676, berustende in de verzameling
-manuscripten der Leidsche Hoogeschool, van welken brief benevens van
-alle door Leeuwenhoek aan andere geleerden geschreven en in die
-verzameling voorkomende, ik door de zorg van Dr. du Rieu, conservator
-der manuscripten aan genoemde Akademie, afschriften mocht bekomen. Daar
-nu deze brief niet gevonden wordt, noch in de Latijnsche, noch in de
-Hollandsche verzameling van de brieven van Leeuwenhoek in 5 deelen in
-4º. welke met den 28sten brief aanvangt, en wel van 1679, en deze brief
-aan Constantijn Huygens van 7 November 1676 gedateerd is, zoo kon Prof.
-Ehrenberg daarvan geen kennis dragen en berustte zijne opvatting, als
-zou deze ontdekking in April 1675 zijn gedaan, op eene onnauwkeurigheid
-of onduidelijkheid in den text van de Philos. Transactions Vol. X p.
-821, waaruit Ehrenberg genoemden datum van April zou kunnen ontleend
-hebben.
-
-Eenigen tijd daarna ontving ik een schrijven van Prof. Ehrenberg, in
-antwoord op mijn brief, waarin hij mij berichtte, dat hij door mijne
-mededeeling in eene voor hem nog niet te verklaren tegenstrijdigheid
-met het geprojecteerde Jubilé van Leeuwenhoek geraakt was; dat hij op
-zijn hoogen leeftijd en om de moeilijkheid aan de nasporing der
-oorspronkelijke bronnen verbonden bezwaarlijk dit verschil kon
-oplossen, waarom hij mij verzocht dit onderzoek voor hem te willen
-bewerkstelligen.
-
-Ik heb aan dit verlangen van den grijzen geleerde volgaarne voldaan en
-hem medegedeeld, dat de door hem genoemden datum van April 1675 op
-eene, voor hem echter begrijpelijke, dwaling berustte, doordien hij,
-niet bekend zijnde met den brief aan Huygens, het verband niet kon
-opmerken, dat er bestond, tusschen dezen brief en de mededeeling in de
-Phil. Transactions van 25 Maart 1677, waaruit Prof. Ehrenberg zijn
-datum ontleend had.
-
-Deze brief van Leeuwenhoek aan de Royal Society, gedateerd 9 October
-1676 begint aldus:
-
-„In the year 1675 I discover’d living creatures in Rain water,” enz. en
-daarop volgen dan, als vervolg op den inhoud van dezen brief van 1676,
-eenige observaties, gedaan den 26, 30 en 31 Mei en 9 Juni, doch het
-jaartal staat er niet bij vermeld. Wanneer men nu de oorspronkelijke
-brief van Leeuwenhoek aan C. Huygens van 7 Nov. 1676 daarmede in
-verband brengt, dan wordt het duidelijk dat, òf in de Phil. Transact.
-het jaartal 1676 verzuimd is te drukken achter de datums van Mei en van
-9 Juni, òf dat Leeuwenhoek die verzuimd heeft te schrijven, want de
-inhoud van dezen brief aan Huygens van 9 Juni, komt geheel overeen met
-dien in de Phil. Transact. van 9 Juni, behalve dat bij den laatsten geen
-jaartal vermeld wordt.
-
-Genoemde brief aan Huygens begint aldus:
-
-„Omtrent half September 1675 ontdekte ik in regenwater, dat eenige
-weinige dagen in den zon gestaan had, kleine diertjes” enz. en hij
-vervolgt, na de beschrijving der verschillende door hem waargenomen
-soorten aldus:
-
-„Den 9 Juni 1676 heb ik in een porceleinen schotel het water zoo zuiver
-gevangen als mij doenlijk was en in een schoon rein glas gedaan..... en
-na verloop van 24 uren daarin levende schepselen gezien”, terwijl in de
-Phil. Transact Vol X p. 823 staat: „June 9th.” (zonder Jaartal) „having
-received, early in the morning, some Rain water in a dish as before and
-poured it in to a very clean wine glass, and exposed it in to the air”
-enz.; en iets verder leest men in den brief aan Huygens „Op mijn plaats
-in de open lucht staat een put die omtrent 15 voet diep is”..... „dit
-water is des zomers zoo koud, dat men er de hand niet lang in kan
-houden”..... „In dit water heb ik een groote menigte zeer kleine
-dierkens ontdekt” enz. En in de Phil. Transactions p. 826 leest men:
-„In the open Court of my House I have a well, which is about 15 foot
-deep”..... „This water is in Summertime so cold, that you cannot
-possibly endure your hand in it”....... „Not thinking at all to meet
-with any living creatures in it, looking upon it in September of the
-last year” (dus 1675), „I discover’d in it a great number of living
-animals” enz.
-
-Nu is het duidelijk, dat, als Leeuwenhoek aan Huygens schrijft, dat hij
-„half September 1675” die diertjes ontdekte en hij het vervolg van dit
-onderzoek op den 9 Juni 1676 mededeelt, de datum van die ontdekking
-onmogelijk April 1675 kan geweest zijn, maar dat in Leeuwenhoek’s brief
-in de Phil. Transactions, bij de vermelding van zijne Observaties in
-Mei en vervolgens, het jaartal 1676 verzuimd is te plaatsen. Hierdoor,
-schreef ik aan Prof. Ehrenberg, is het duidelijk, dat de verwarring,
-door dit verzuim in de Phil. Transact. ontstaan is en zijne opvatting,
-als zoude de vermelde datums van Mei, Juni enz. op het jaar 1675 en
-niet op 1676 waarin de brief van Leeuwenhoek geschreven is, slaan,
-verklaarbaar is.
-
-Ik meende deze wederlegging van een schrijver van zoo groote autoriteit
-als Prof. Ehrenberg, eenigszins uitvoerig te moeten behandelen, ten
-einde eene dwaling voor goed uittemaken, waarin opvolgende schrijvers,
-op het voetspoor van dezen geleerde, geraakt waren; deze uitweiding
-hier ter plaatse moge daarom verschooning vinden.
-
-Overigens hoop ik dat, nu mijne Levensbeschrijving van Leeuwenhoek in
-anderen en beteren vorm, in een wijderen kring zal worden verspreid, op
-een gunstig onthaal en een welwillend oordeel.
-
-
- Rotterdam, Augustus 1875.
-
- P. J. HAAXMAN.
-
-
-
-
-
-
-
-
-Hoewel in onderscheidene geschriften van vroeger en later tijd, waarin
-de belangrijke ontdekkingen van onzen beroemden landgenoot Antony van
-Leeuwenhoek besproken worden, een kort levensbericht van hem gevonden
-wordt, toch mist men daarin bijzonderheden die men alleen door een
-opzettelijk onderzoek van den belangrijken en rijken inhoud zijner
-brieven, die slechts door enkele schrijvers voor bijzondere doeleinden
-zijn onderzocht geworden, kan te weten komen. Men vindt er veel in
-opgeteekend, dat een helder licht verspreidt over zijn karakter en
-persoonlijkheid, waardoor alleen een juister beeld van dien
-natuuronderzoeker kan geschetst worden.
-
-Tot het aanvaarden van die taak had ik reeds lang het voornemen
-opgevat, daar ik in het bezit ben van aanteekeningen door mij tot dit
-doel verzameld, waarvan de bijzonderheden tot nog toe niet bekend waren
-en voornamelijk bestonden in authentieke afschriften van eigenhandige
-brieven, grootendeels berustende in de verzameling van manuscripten in
-de bibliotheek der Leidsche Hoogeschool. Vooral echter is de lust tot
-het bewerken en tot een geheel brengen dier aanteekeningen bij mij
-levendig geworden en tot uitvoering gekomen, na de lezing van het goed
-geschreven opstel van de hand van Émile Blanchard [1], „Les premières
-observations au microscope.” Uit de brieven van Leeuwenhoek zelven,
-gedurende zijn langen en roemvollen loopbaan aan de beroemdste
-geleerden en aanzienlijke mannen van zijn tijd, zoowel in zijn
-vaderland, als in het buitenland geschreven, poogde ik de stof te
-putten, om meer opzettelijk zijn karakter als mensch en zijne
-verdiensten in verschillende deelen der natuurwetenschap, voornamelijk
-als nauwkeurig waarnemer met het microscoop, te doen uitkomen en
-daarbij in een zoo veel mogelijk volledig en uitgewerkt geheel, alles
-bijeentebrengen, wat bij verschillende schrijvers dikwijls zeer
-oppervlakkig en niet zelden onnauwkeurig omtrent Leeuwenhoek is
-opgeteekend.
-
-En verdient iemand de moeite eener meer nauwgezette studie, dan is het
-zeker de man, die als nederig burger van Delft, hoewel door zijne stad-
-en landgenooten in zijn leven niet naar verdiensten gewaardeerd, door
-de grootste geleerden der beschaafde wereld van zijn tijd, met eer en
-roem en bovenal met groote achting werd vermeld. Vorsten en
-hooggeplaatsten rekenden het zich tot eene eere hem te zien en zijne
-waarnemingen met het microscoop te bewonderen; zijn roem was zoo ver
-doorgedrongen, dat zelfs uit Engeland, Frankrijk, Duitschland, Italië,
-België en Spanje vorsten, en geleerden zijne nederige woning opzochten,
-om persoonlijk den man te leeren kennen, die de geheimen der natuur
-door zijn, in dien tijd, onnavolgbare microscopen voor het oog had
-blootgelegd, en beschouwingen en theoriën daarop gebouwd, over de
-gewichtigste vraagstukken der physiologie van menschen, dieren en
-planten, ter overweging had gegeven. De geleerdste natuuronderzoekers
-en philosophen van dien en lateren tijd vonden daarin stof voor de
-diepzinnigste bespiegelingen en de gewichtigste nasporingen, en op den
-grond door hem gelegd, werden later stelsels gebouwd die nog als waar
-en deugdelijk zijn aangenomen. Door zijne talrijke microscopische
-onderzoekingen, heeft hij den weg gebaand tot de kennis van het
-samenstel der meest verschillende deelen van het dierlijk lichaam en
-van de planten. Leeuwenhoek wees alzoo reeds vóór twee eeuwen den weg
-aan, die nog in onze dagen betreden wordt en waarop nog zoo vele
-belangrijke nasporingen en ontdekkingen gedaan worden.
-
-Leeuwenhoek, hoewel hij eene voor den tijd waarin hij leefde
-zorgvuldige opvoeding genoten had, behoorde niet tot den, wat men
-noemt, geleerden stand. Hij was niet bestemd geworden om door eene
-Academische opleiding eenmaal een rang onder de geleerden in te nemen,
-daar hij de kennis der Latijnsche taal miste, die nog tegenwoordig van
-zeer groot belang gerekend voor eene degelijke wetenschappelijke
-ontwikkeling, zeker in het midden der XVIIde tot het begin der XVIIIde
-eeuw, een eerste vereischte was om in eenigen tak van wetenschap
-ervaren te worden en welke taal niet uitsluitend het eigendom der
-geleerden van dien tijd was, maar in het algemeen tot eene beschaafde
-opvoeding behoorde. En wat meer is, Leeuwenhoek was zelfs onbekend met
-de levende vreemde talen, zoodat hij genoodzaakt was zijne brieven, die
-voor het grootste gedeelte aan de „Royal Society” te Londen gericht
-waren, door anderen eerst in het Latijn te laten vertalen, waarna zij
-daaruit in het Engelsch werden overgezet; zoo als wij straks
-gelegenheid zullen vinden meer bepaald aan te wijzen.
-
-Niettegenstaande deze ongunstige verhouding, waardoor hij zoo zeer
-achter stond bij zijne geleerde tijdgenooten, zien wij in hem gaven
-ontwikkelen, die de bewondering van half Europa opwekten, door hem
-onderzoekingen ten uitvoer brengen, die krachtig bijgedragen hebben om
-den roem van ons vaderland op wetenschappelijk gebied te handhaven, en
-die belangrijke diensten bewezen hebben aan de natuurkundige
-wetenschappen. Nog wordt van Leeuwenhoek gesproken, als van den „vader
-der micrographie” en zijn naam genoemd tegelijk met mannen als
-Fallopius, Eustachius, Harvey, Colonna, Boerhaave, Swammerdam, de
-Graaf, Ruisch, en andere beroemde geleerden der 16de, 17de en 18de
-eeuw.
-
-Deze buitengewone man nu, begaafd met eene groote scherpzinnigheid,
-helder oog, gezond verstand, taai geduld en eenvoudig godvruchtig
-gemoed, deed zich, zoo als uit zijne brieven blijkt, als een
-achtingswaardig Hollandsch burger kennen. Hij was in zijn gedrag en
-schrijfstijl de meer eenvoudige zeden van zijn tijd tot eer en werd om
-zijne beproefde kunde zeer dikwijls door vele, geringe, zoowel als
-aanzienlijke stadgenooten, geraadpleegd.
-
-Leeuwenhoek, als door instinct geleid lot het bespieden der natuur in
-hare geheimste schuilhoeken en in hare schijnbaar geringste
-voortbrengselen, werd door alles wat hem omringde aangetrokken; alles
-wekt zijne aandacht, niets is die onwaardig; hij onderwerpt het aan het
-geduldigst en nauwkeurigst onderzoek, en het is daaraan toe te
-schrijven dat de geringste kleinigheid vaak aanleiding gaf tot de
-belangrijkste werkzaamheden. Van daar ook de onregelmatige wijze,
-waarop hij nu deze dan gene onderzoeking ondernam en zijne nasporingen
-elkander als opeenstapelden. Hij liet zich in dit onderzoek door
-anderen den weg niet wijzen, maar werkte onafhankelijk, rustig voort,
-hervatte hetzelfde onderwerp een- en andermaal op verschillende tijden
-met vernieuwde vlijt, en leerde daardoor de zaken onpartijdiger inzien
-en vroeger opgevatte meeningen en dwalingen herstellen. Wat den
-geleerdsten en grootsten denkers ontsnapte, gelukte hem dikwijls tot
-hunne groote verbazing, zoodat wij van hem lezen [2] dat de grootste
-lichten van ons land zich zeer over zijne ontdekkingen verwonderden en
-de geleerde Hudde, Burgemeester van Amsterdam een groot Mathematicus en
-Physicus van dien tijd, zeide: „dat hetgeen hen allen, Wis- en
-Natuurkundigen, ontsnapt was, voor een ongeleerden, zooals Leeuwenhoek,
-bewaard scheen.”
-
-Wanneer wij nu nagaan dat onze Leeuwenhoek, gedurende bijna eene halve
-eeuw onafgebroken, bewerktuigde en onbewerktuigde stoffen, vaste en
-vloeibare zelfstandigheden, dieren en planten en zelfs de laagst
-georganiseerde wezens met zijne voor dien tijd voortreffelijke en toch
-zoo eenvoudige microscopen onderzocht, en wij hem de meest onverwachte
-ontdekkingen zien doen, die het verrassendst licht verspreidden over de
-belangrijkste verschijnselen van het leven, dan kunnen wij onze
-bewondering voor zulk een talent, niet weêrhouden. Al is het dat hij
-door zijne gelukkige en schitterende ontdekkingen en door den lof, die
-hem van alle kanten door de aanzienlijksten en geleerdsten werd
-gebracht, wel eens in zijne ijdelheid werd gestreeld en eene eenmaal
-opgevatte meening niet gemakkelijk varen liet, ja zelfs soms met
-hardnekkigheid tegen de krachtigste argumenten bleef staande houden, al
-moet erkend worden dat hij soms, door zijne verbeelding en de begeerte
-om gedurig nieuwe ontdekkingen te doen, medegesleept, dingen meende
-waar te nemen, die reeds in zijn leven op deugdelijke gronden in
-twijfel werden getrokken en die ook in lateren tijd als onjuist en
-onwaar zijn aangewezen; dit alles kan gerust worden afgetrokken van de
-som zijner talrijke ontdekkingen en er blijft nog genoeg over om hem
-met eerbied aan te staren.
-
-En heeft nu deze merkwaardige man, van wien het nageslacht met zooveel
-eerbied spreekt, die de achting genoot van de grootste geleerden en
-beroemdste denkers van zijn tijd, die van vorsten en hooge
-staatspersonen talrijke bewijzen van onderscheiding en vriendschap
-genoot, ook van zijne landgenooten, vooral van het Bestuur van ons
-land, de bewijzen ontvangen, dat het ware verdiensten op prijs stelde?
-Wij aarzelen niet, uit hetgeen wij daaromtrent vinden aangeteekend,
-zulks ontkennend te beantwoorden, daar het bekend is, dat hij als stil
-burger van Delft geleefd heeft en gestorven is en tot op hoogen
-leeftijd in eene ondergeschikte ambtelijke, zij het dan ook in eene
-voor dien tijd niet onvoordeelige, maar toch nederige maatschappelijke
-betrekking werkzaam was.
-
-Dat hij zelf gevoelde, dat men zijne diensten niet beloond had, zoo als
-hij billijkerwijze had mogen verwachten, kan blijken uit de
-bewoordingen in een brief aan G. C. Leibnitz gericht, toen hij reeds 84
-jaren oud en dus aan den avond van zijn leven genaderd was.
-
-„Het is,” zegt hij, „eenige jaren geleden, dat eenige Heeren van de
-Hooge Regeeringe van ons lant, eenige van mijne ontdekkinge quamen
-sien. Een van die Heeren seide tot de andere Heeren, in mijn presentie:
-„sal men soo veel arbeyt onbeloont laaten?” waarop de andere
-antwoordde: „dit seggen wij alle, en waarom doen wij het niet?”” [3]
-
-Maar het wordt tijd dat wij, eer verder in de bijzonderheden van zijn
-lang en roemvol leven te treden, onze aandacht op den persoon van
-Leeuwenhoek vestigen en hem eenigszins nader leeren kennen.
-
-Antony van Leeuwenhoek [4] werd te Delft geboren den 24sten October
-1632. Hij was de zoon van Philippus Antonius van Leeuwenhoek en
-Margaretha Jacobsdr. Bel van den Bergh [5] uit welk huwelijk, behalve
-Antony, nog drie dochters gesproten zijn, namelijk Margaretha,
-Geertruida en Catharina [6].
-
-Zijne ouders waren van zeer deftige, aanzienlijke en bemiddelde
-afkomst. Wij vinden vermeld, dat hij van moeders zijde was
-vermaagschapt aan de aanzienlijke Delftsche geslachten van Hogenhoek,
-Bleiswijk, Swalmius en Mathenesse [7] terwijl hij zelf zegt [8], dat
-zijn groot- en overgrootvaders brouwers te Delft waren en ook zijne
-grootmoeder eene dochter was van een brouwer, welk bedrijf in de XIVde
-en XVde eeuw aldaar in groot aanzien was [9].
-
-Leeuwenhoek had reeds in zijn vroege jeugd zijn vader door den dood
-verloren. Hij werd door zijne moeder te Warmond ter school besteld,
-alwaar hij zijn eerste onderwijs ontving; en daar hij bestemd scheen om
-in den ambtelijken administratieven stand te worden opgeleid en een oom
-van hem, die Secretaris en Procureur te Benthuizen was, in die
-betrekking op te volgen, zoo werd hij vervolgens, na voltooid
-elementair onderwijs, daarheen gebracht, ten einde zich verder voor
-zijn aanstaande betrekking bekwaam te maken en voor te bereiden.
-
-Dat hij, zoowel te Warmond, als te Benthuizen, goede gronden zal gelegd
-hebben voor zijne intellectueele ontwikkeling en bij voorzeker
-gunstigen aanleg, zich den tijd aldaar doorgebracht goed ten nutte zal
-gemaakt hebben in het verwerven van die kundigheden, die onder zijn
-bereik kwamen, is van een man met zulk een werkzamen, onderzoekenden
-geest als wij Leeuwenhoek later zullen leeren kennen, zeker te
-verwachten. Dat hij zich hier en later, vooral in de wiskundige
-wetenschappen geoefend heeft, blijkt uit vele brieven van hem in
-lateren tijd geschreven, waaruit zijn grondige kennis in die richting
-onmiskenbaar aan den dag komt. Zoo bij voorbeeld, waar hij het aantal
-„vis-veseltjes” (draadjes, fila) uit de Kabeljauw, die vervat zijn in
-de „circumferentie van een visstriemtje” (fibrilla) wil uitrekenen,
-maakt hij gebruik van de leer van Archimedes, om den inhoud van den
-cirkel door de kennis van den omtrek te berekenen [10]; alsmede, waar
-hij door uitrekening tracht te bepalen, dat er tienmaal zoo veel
-levende dieren uit een hom van een Kabeljauw voortkomen, dan er
-menschen op aarde wonen, stelt hij, om dit laatste getal te berekenen,
-„de lengte van den grooten cirkel van den aardbol op 5400 mijlen
-gerekend zijnde, 22—7—5400 = 1718 mijlen voor de as van den aardbol” en
-berekent volgens den regel van Metius „om de superfitie van een
-cloot-bult te berekenen, 7 geeft 22, wat geeft het quadraat getal van
-de asse,” enz. enz. [11]. Nog blijkt zijne wiskundige kennis onder
-anderen uit een postscriptum achter een brief [12], waar hij zegt: „De
-hoogte van onze nieuwe kerkstooren is voor veel jaren door mij, ende
-wijlen den Landmeter Spoors, yder met syn quadrant afgezien, en
-bevonden hoog te syn 299 voeten” [13].
-
-Ik haal deze voorbeelden, die met nog vele anderen zouden kunnen
-vermeerderd worden slechts aan, om te doen uitkomen, dat Leeuwenhoek,
-hij moge dan al niet tot den geleerden stand behoord en vooral geen
-geleerde opvoeding genoten hebben, toch niet zoo onontwikkeld was als
-doorgaans vele schrijvers vermelden.
-
-Nadat onze jeugdige Leeuwenhoek eenigen tijd te Benthuizen had
-doorgebracht en zijn mindere geschiktheid of lust voor de
-werkzaamheden, aan de betrekkingen bij zijn oom verbonden, zal gebleken
-zijn, besloot zijn moeder hem een meer practische loopbaan te openen en
-bracht hem in 1648, op den leeftijd van 16 jaren, te Amsterdam in
-aanraking met een voornaam lakenhandelaar, op wiens kantoor hij werd
-aangenomen en waar hij al spoedig de functie van boekhouder en kassier
-vervulde [14].
-
-Hoe lang hij in deze betrekking te Amsterdam gebleven is, kan uit de
-berichten van dien tijd niet opgemaakt worden. Boitet, die hier onze
-eenige leidsman is, spreekt van „eenige jaren”, waarna hij weder naar
-Delft terug keerde; en daar hij, altijd volgens denzelfden schrijver,
-kort daarna in het huwelijk trad en dit huwelijk, blijkens mijn
-familie-register, in het jaar 1654 plaats had, zoo kan daaruit met
-genoegzame zekerheid worden opgemaakt, dat dit niet langer dan 5 à 6
-jaren kan geweest zijn. In die jaren nu moet bij Leeuwenhoek
-langzamerhand de lust tot natuuronderzoek zijn voorbereid en ontwikkeld
-geworden; en hoewel hij de plichten, aan zijne maatschappelijke
-betrekking verbonden, zeker niet zal veronachtzaamd hebben, zoo kan men
-aannemen, dat de beschaving van zijn geest en het onderzoeken van
-hetgeen hem omringde en zijn aandacht wekte, hem zijn vrijen tijd
-nuttig heeft doen doorbrengen.
-
-De waarschijnlijkheid dat hij, tijdens zijn verblijf te Amsterdam in
-aanraking gekomen is met kundige mannen en geleerden van naam, die bij
-hem den lust voor de natuurstudie zullen hebben opgewekt en
-aangewakkerd, alsmede, dat hij daar het eerst kennis zal gemaakt hebben
-met een instrument, dat hij later door eigen inspanning en volharding
-tot zulk een volmaking bracht, mag men wel veilig als gegrond aannemen,
-hoewel de beweering van sommige schrijvers, dat hij aldaar met beroemde
-natuurkundigen vriendschap had weten aan te knoopen [15] naar mijn
-oordeel niet dan eene veronderstelling mag heeten.
-
-Ik waag het ten slotte nog ééne meening te uiten, die ik vermeen niet
-zoo geheel zonder grond te zijn, ter verklaring van den bij hem
-opgewekten lust tot het onderzoeken en bestudeeren van insecten en
-andere voorwerpen door het microscoop. Zij is deze: Johannes
-Swammerdam, over wien ik later meerdere bijzonderheden zal mededeelen,
-was een tijdgenoot en (blijkens de noot op bl. 26) een bijzondere
-kennis van Leeuwenhoek, daar hij in 1637 te Amsterdam geboren werd en
-dus slechts weinige jaren jonger was dan hij; de vader nu van
-Swammerdam was Apotheker te Amsterdam en bezat een uitgebreide en toen
-reeds algemeen beroemde en bekende groote verzameling van voorwerpen
-uit de natuurlijke historie, en andere curiositeiten die hij had
-bijeengebracht. Johannes Swammerdam had, van der jeugd af, een groote
-voorliefde voor de natuurlijke geschiedenis aan den dag gelegd en
-bijzonder voor die der insecten, welken lust hij ruimschoots bevredigen
-kon door het dagelijksch beschouwen van de voorwerpen in het kabinet
-zijns vaders, dat hij, volgens zijn levensbeschrijver Boerhaave, in
-orde hield en rangschikte. Wat is nu natuurlijker, dan dat Leeuwenhoek,
-tijdens zijn verblijf te Amsterdam, bij dien Apotheker toegang zal
-gehad hebben, aldaar de lust voor natuurstudie in het beschouwen der
-insecten enz. zal hebben voelen opgewekt en kennis gemaakt hebben met
-een instrument, waarmede hij later zooveel ten uitvoer bracht. Deze
-onderstelling dunkt mij is alleszins aannemelijk en geenszins
-ongegrond.
-
-Intusschen stond hem aanvankelijk en ook later, zeker het gebrekkige
-zijner letterkundige ontwikkeling in den weg om dieper door te dringen
-in hetgeen vooral door buitenlandsche geleerden onderzocht en
-geschreven was; maar, door eigen oefening en studie, trachtte hij zich
-zelven eigen te maken, wat hem in zijne ontwikkeling in den weg stond.
-
-Die lust tot onderzoek en oefening bleef hem altijd bij, en vooral toen
-hij in de kracht van zijn leven was, schijnt hij eene opmerkelijke
-volharding in dit opzicht aan den dag gelegd te hebben. Boitet zegt van
-hem [16] „dat hij zich, kort na zijn huwelijk, zonder onderwijs van
-iemant, in de navigatie, sterrekunde, wiskunde, filosofie en
-natuurkunde, en wel met zoo veel vrucht oefende, dat men hem wel bij de
-voornaamste meesters in die kunst gelijk mag stellen, en met een woord
-gezegt er geen kunstenaar was die hem in de laatste wetenschap
-overtrof,” en hij voegt er, hoogelijk ingenomen met zijn held, bij:
-„Zooveel vermogt die onbezweke naarstigheid dezes grooten mans, dewelke
-in deze evengenoemde kunsten zijn eigen meester was. Dus wort het
-aloude gezeg bewaarheit, „dat de Goden alles voor zweet en arbeyt veil
-hebben.””
-
-Ik stem ten volle in met hetgeen Émile Blanchard, in zijn artikel in de
-„Revue des deux mondes” (pag. 407) zegt, waar hij van de groote gaven
-van Leeuwenhoek bij weinige wetenschappelijke ontwikkeling gewaagt:
-„Alors l’âme est pénétrée d’un regret; on voudrait voir Leeuwenhoek
-pourvu des connaissances générales qui permettraient à cet esprit
-ingénieux de s’élever à quelques hautes conceptions. Avec une forte
-instruction, Leeuwenhoek en effet aurait sans doute mérité d’être
-compté au nombre des génies dont s’honore l’humanité.”
-
-Bij al de bovengenoemde kundigheden, die Leeuwenhoek zich door eigen
-studie had verworven, schijnt hij zich ook nog in de Scheikunde
-geoefend en zich daarmede bezig gehouden te hebben. Ook hieromtrent
-bericht ons Boitet, „dat hij zich zoo ver in de Scheikunst geoefend
-had, dat hij uit ruw erts goud en zilver wist te scheiden, waarvan er
-bij zijn in leven zijnde dochter verscheydene gedenkstukken voorhanden
-waren.”
-
-Dat hij nimmer Latijn geleerd had en zelfs onbekend was met vreemde
-levende talen, blijkt uit onderscheidene gezegden van hem in zijne
-brieven, waarin hij betuigt, dat zijne manuscripten voor hem in het
-Latijn werden overgezet, om daarna naar Engeland aan de Koninklijke
-Sociëteit te worden toegezonden [17]. Dit wordt ook bevestigd door
-Thomas Molyneux, een Engelsch Natuurkundige. Deze geleerde bezocht
-dikwijls ons land en kwam herhaaldelijk in Leiden. In het jaar 1685,
-toen de onderzoekingen en ontdekkingen van Leeuwenhoek reeds eenige
-jaren in Engeland bekend waren gemaakt en vooral zijne ontdekkingen
-over de, later zoogenoemde, infusoria in regen- en andere wateren, de
-verbazing van de geleerde leden der Royal Society hadden opgewekt,
-waarbij niet minder zijne vroegere waarnemingen over de bloedbolletjes
-en den bloedsomloop, alsmede die omtrent de zoogenoemde zaaddiertjes
-(spermatozoïden), ieders belangstelling hadden gaande gemaakt, was men
-natuurlijk zeer verlangend iets naders omtrent den persoon van dien
-grooten ontdekker van de „geheimen der natuur” te vernemen, die men tot
-nog toe slechts uit zijne brieven kende. Toen nu Molyneux in het
-voorjaar van 1685 zich naar Holland begaf, werd hem door Sir François
-Aston, Secretaris der Royal Society opgedragen ook Delft te bezoeken,
-aldaar kennis met Leeuwenhoek te maken, en tevens van hem te weten te
-komen, op welke wijze hij zijn microscopen maakte, waarmede hij
-uitkomsten verkreeg, die men in Engeland met moeite, en dan nog
-onvolledig, kon bekomen met de beste microscopen, die men daar kon
-vervaardigen. Molyneux voldeed aan deze opdracht. In de vergadering van
-dit geleerd Genootschap werd daarop een brief van Molyneux ontvangen,
-gedateerd uit Leiden d.d. 13 Februari 168⅘ N. S. (nieuwe stijl). Deze
-was van den volgenden inhoud:
-
-„Ik heb tot nu toe het antwoord op uwe laatste uitgesteld, omdat ik u
-nog geen bericht kon geven van Mijnheer Leeuwenhoek, doch ik bezocht
-hem voorleden week uit uw naam. Hij vertoonde mij vele zaken door zijne
-microscopen, welke onnoodig is hier te vermelden, daar hij zelf u de
-beschrijving daarvan uitvoerig heeft medegedeeld. Wat zijn microscopen
-zelf aangaat, zoo waren allen, die hij mij liet zien, ten getale van
-minstens een dozijn, van ééne soort, bestaande elk uit een klein glas
-geslepen („„Ik vermeld dit, omdat men algemeen gelooft, dat de glazen
-voor zijn microscopen met de lamp geblazen zijn; die geenen, die ik
-zag, kan ik verzekeren dat niet geblazen zijn””), geplaatst tusschen
-twee dunne platte koperen plaatjes, omtrent één duim breed en
-anderhalven duim lang. In deze twee openingen, één voor en één achter
-het glas, welke grooter of kleiner waren, naarmate het glas meerder of
-minder convex was, of dat het vergrootte. Vlak over deze opening was
-aan de eene zijde nu eens eene naald aangebracht, dan weder een dun
-plat plaatje van glas of doorschijnende stof, waarop hij, al naar het
-noodig was, of op de punt, het voorwerp dat hij wilde bezien,
-vastmaakte, daarop het naar het licht keerde en nu door middel van twee
-kleine schroefjes het voorwerp juist in den focus van zijn glas
-lichtte, waarna hij dan zijn waarnemingen bewerkstelligde. Zoodanige
-waren de microscopen die ik zag en deze vertoont hij aan de
-nieuwsgierigen die hem komen bezoeken; maar behalve deze, vertelde hij
-mij, had hij nog eene andere soort, door welke geen levende ziel,
-behalve hij zelf zag; deze soort bewaart hij geheel voor zijn eigen
-waarnemingen en hij verzekerde mij, dat zij diegene, die hij mij had
-laten zien, verre overtroffen; doch hij wilde mij niet toestaan ze te
-zien, dus al wat ik kan doen is eenvoudig te gelooven, want ik heb er
-geen ondervinding van”.
-
-„Wat nu de microscopen aangaat, waardoor het mij vergund werd te zien”
-[18], vervolgt Molyneux, „zoo vergrootten deze niet veel meer dan
-verscheidene glazen, die ik, zoowel in Engeland als in Ierland gezien
-heb, doch in ééne bijzonderheid moet ik zeggen, overtreffen zij ze
-allen, namelijk in hunne buitengewone helderheid en dat zij alle
-voorwerpen zoo uitstekend helder vertoonen. Want ik herinner er aan,
-dat wij in eene vrij donkere kamer waren, met slechts één raam
-voorzien, waar de zon toen ook niet op scheen, en toch vertoonden de
-voorwerpen zich schooner en duidelijker dan diegeenen, die ik vroeger
-door microscopen gezien heb, hoewel er de zon geheel op scheen, of dat
-zij meer dan gewoon licht ontvingen, door weêrkaatsende spiegels of op
-andere wijze. Zoodat ik vermeen, dat het hoofdzakelijk, zoo niet geheel
-alleen aan deze bijzonderheid is toe te schrijven dat zijne glazen alle
-andere overtreffen, die over het algemeen, hoe meer zij vergrooten, het
-voorwerp des te duisterder vertoonen, en zijn eenig geheim bestaat,
-geloof ik, daarin, dat hij de glazen helderder slijpt en ze beter
-polijst dan anderen kunnen doen.” En nu vervolgt Molyneux, „Ik vond in
-hem een beschaafd, vriendelijk man en zonder twijfel met groote
-bekwaamheden voorzien, maar tegen mijne verwachting geheel en al
-ongeletterd, daar hij, noch het Latijn, noch Fransch of Engelsch, of
-eenige andere der nieuwe talen, behalve zijn moedertaal machtig is,
-hetgeen een groote hinderpaal is om zich met hem, voornamelijk over
-zijne waarnemingen te onderhouden, want daar hij volstrekt onbekend is
-met de denkbeelden van anderen, moet hij geheel op zijn eigen oordeel
-afgaan en heeft hij dan ook zulk een vertrouwen op zijn eigen opgevatte
-meening, dat hij, zooals ik opmerkte, nu en dan tot ongerijmdheden of
-in bizarre verklaringen vervalt, ja soms zoodanig, dat zij in het
-geheel niet met de waarheid overeentebrengen zijn. Gij ziet, Mijnheer,
-hoe vrij ik mijn gedachten over hem uit, zooals gij mij dit verzocht
-hebt” [19].
-
-
-
-Nadat alzoo Leeuwenhoek gedurende vijf à zes jaren te Amsterdam gewoond
-had waar de drukten en beslommeringen aan een handelszaak verbonden,
-aan zijn meer en meer ontwikkelenden lust tot natuuronderzoekingen en
-eigen studie hinderlijk zullen geweest zijn, besloot hij in het jaar
-1653 of 1654 naar Delft terug te keeren [20].
-
-Hij trad kort daarna, namelijk den 26sten Juli 1654, in het huwelijk
-met mejufvrouw Barbara de Mey dochter van Elias de Mey en Maria Viruly.
-Zij was geboren den 13den December 1629 en was alzoo 25 jaren oud toen
-zij met Leeuwenhoek huwde. Uit dit huwelijk werden hem vijf kinderen
-geboren, en wel drie zonen en twee dochters, waarvan hij er slechts één
-over hield, daar de overige hem door den dood ontnomen werden. Deze
-overgeblevene was zijne dochter Maria, die ongehuwd bleef en haar vader
-tot in zijn hoogen ouderdom en op zijn sterfbed verzorgde.
-
-Deze dochter, Maria, werd geboren den 22sten September 1656 en overleed
-den 25sten April 1745, zoodat zij haar vader 23 jaren overleefde en den
-hoogen ouderdom van 88 jaren bereikte [21].
-
-Na eene vereeniging van 12 jaren overleed zijne echtgenoote, en wel den
-11den Juli 1666 [22], waarna hij een tweede huwelijk aanging met
-mejufvrouw Cornelia Swalmius [23], die hem één kind schonk, dat echter
-vroeg gestorven is.
-
-Leeuwenhoek schijnt in onbekrompen omstandigheden verkeerd te hebben,
-want eerst in het jaar 1660 werd hem eene Stadsbetrekking opgedragen,
-die hem een vast inkomen verzekerde. Gedurende de zes eerste jaren van
-zijn huwelijk leefde hij geheel voor zijne studie en moet hij dus de
-middelen bezeten hebben, niet alleen om in de behoefte van zijn gezin
-naar behooren te voorzien, maar ook om zich de noodige instrumenten
-voor zijne onderzoekingen te kunnen aanschaffen; en daar de
-Stadsbetrekking die hij gedurende 39 jaren bekleedde, zooals wij straks
-zullen zien niet buitengewoon voordeelig was, kon hij daardoor niet tot
-den welgestelden stand geraakt zijn. Dat hij tot den deftigen
-vermogenden stand moet behoord hebben is voorts afteleiden uit de
-aanzienlijke collectie microscopen, gedeeltelijk van zilver en enkele
-zelfs van goud, allen bewaard in afzonderlijke daartoe vervaardigde
-Japansch verlakte cabinetjes, die hij naliet en waarvan er zeven op den
-Catalogus van de verkooping, die na zijn dood gehouden werd, voorkomen.
-Evenzoo kan men dit opmaken uit hetgeen Boitet vermeldt, dat er
-„verscheidene gedenkstukken van zijn hand, bij zijn dochter voorhanden
-waren, vervaardigd uit goud en zilver;” en vervolgens uit de van hem
-bestaande portretten, die hem voorstellen in de kleeding en houding van
-den aanzienlijken stand van dien tijd [24]; eindelijk uit den inhoud
-van een brief aan Robert Hooke van 4 November 1681 [25], waaruit blijkt
-dat hij er zelfs een paard op na hield, waarvan hij schrijft, dat hij
-na een sterke rit er mede gedaan te hebben, de urine, die zeer dik was
-en aschkleurig, onderzocht. Ook bezat hij een buiten-tuin, zoo als
-blijkt uit den 61ste brief, blz. 247. Uit een en ander is de
-vermelding, dat hij een vermogend man was, genoegzaam gemotiveerd.
-
-Intusschen werd hij door het Bestuur van Delft met eene betrekking
-begiftigd, die hem een voor dien tijd niet onaanzienlijk inkomen
-verschafte, terwijl de diensten, daaraan verbonden, gering waren,
-zoodat hij genoegzamen vrijen tijd overhield om zich aan zijn
-geliefkoosde studiën en onderzoekingen te kunnen wijden. Deze post
-bestond in de betrekking van „Kamerbewaarder der Kamer van Heeren
-Schepenen van Delft”, eene bediening, volgens van Haastert, in vroegere
-dagen waardig genoeg aan den deftigen burgerstand. Deze betrekking werd
-hem den 26sten Maart 1660, dus toen hij 28 jaren oud was, gegeven. Hij
-vervulde deze betrekking gedurende 39 jaren, namelijk tot aan het jaar
-1699, doch behield het salaris daaraan verbonden tot aan zijn dood.
-
-Tengevolge mijner nasporingen omtrent den aard dezer betrekking en
-andere bijzonderheden daaromtrent in het werk gesteld, zijn mij door
-den oud Archivaris en Secretaris van Delft Mr. J. Soutendam, uit het
-Archief een paar afschriften verschaft, die ik niet onbelangrijk acht
-hier mede te deelen. Een dezer extracten luidt aldus:
-
-3de Memoriaal van H.H. Burgemeesteren van Delft, fol. 365.
-
-„Den 26sten Maart 1660 is Antony Leeuwenhoek, in plaats van Jan Strick,
-tot Camerbewaarder gestelt, op gelijke gagie, baten ende emolumenten.”
-Zijne Commissie luidt als volgt: (fol. 364 en 365 ibid. „Mijnen Heeren
-Burgemeesteren ende Regeerders der stad Delft hebben gestelt ende
-committeeren bij desen, Antony Leeuwenhoek tot het waarnemen van de
-Camer, daer de H.H. Schout, Schepens ende die van de wet deser Stadt
-vergaderen, om de voorz. Camer te openen ende te sluyten, soo op
-ordinaris als extraordinaris vergaderingen van de voorn. Heeren, op
-soodanige wijsen, als des vereyscht ende nodig sal wesen; item deselve
-Heeren te betonen alle respect, eere ende reverentie ende naerstelyck
-te agtervolgen ende getrouwelyck te effectueren alle diensten, die hem
-sullen werden belast, ende secreet te houden ’t gunt hij in de Camer
-soude mogen hooren; de voorz. Camer pertinentelyck te reynigen ende
-schoon te houden, ’t vuyr, soo wanneer den tijd sulcx sal vereyschen,
-op syn bequamen tijd aan te leggen ende de koolen, die ongeconsumeert
-soude moge wesen, tot syn profyt wel te bewaren, dat geen ongeluk daar
-van ofte van het Ligt van de kaarsen en geschiedde ende sal voorts
-alles doen dat een goet ende getrouw Camerbewaarder schuldig is te doen
-ende behoort. Voor welcken dienst de voorz. Antony Loeuwenhoek sal
-genieten soodanigen gagie, bate ende emolumenten als voorn. Jan Strick
-saliger syn voorzaat in dienste heeft genoten, ende sal desselfs dienst
-ingaan metten 24 January 1660 ende syn gagie betaalt werden op
-soodanige termynen, als die aan den voorz. Strick betaalt syn geweest.
-Actum bij al de Burgmeesteren collegialiter vergadert den 26sten Maart
-1660 ende geteekent bij den Pensionaris J. Camerling.”
-
-Het salaris aan dezen post verbonden wordt opgegeven in de
-„Thesauriers-rekening” van Delft van 1661 fol. 113 en 114: „Antony
-Leeuwenhoek, Camerbewaarder van de Raatcamer twee hondert ’t sestich
-gl. over één jaar wedde, verschenen den 24sten January 1661, dus: ijc
-lxgl.” „Den selven voor het schoonmaeken van de Schepenen-, Vroetschap-
-ende Schutterskamer; Item voor de behoeften die hij daer toe van nooden
-heeft, de somma van liiij gl. Alzoo te samen een tractement van ƒ 314.”
-De „Stads-secretaris,” zoo schrijft mij Mr. Soutendam, ontving te dien
-tijde, behalve het „tabbertlaken of stedekleeding” en den „vrijdom van
-Stads-accijns ƒ 800 ’s jaars.” Het baantje was ook (altijd volgens Mr.
-Soutendam), niets minder eervol, dan dat van Kamerheer aan ’t Hof,
-„mutatis mutandis;” natuurlijk zal Leeuwenhoek het vuile werk wel door
-een bode of bediende hebben laten waarnemen.
-
-Er is verder in het Archief niets gevonden, waaruit kan blijken of
-Leeuwenhoek om deze betrekking gevraagd heeft. Waarschijnlijk zal een
-zijner vrienden, in de Regeering zittende, hem die wel bezorgd hebben.
-In die dagen was alles „correspondentie” van ’t hoogste ambt tot het
-minste toe.
-
-Behalve deze betrekking van Camerbewaarder, schijnt hem nog een andere
-te zijn opgedragen blijkens een afschrift uit het „15de Memoriaal van
-Burgemeesteren van Delft” fol. 118 en 119 als volgt:
-
-„Mortificatie van het generaal-wijkmeesterschap, d.d. 23 December 1711,
-nadat Antony Leeuwenhoek, die dese betrekking tegen een tractement van
-ƒ 50 ’s jaars bekleedde, sal sijn overleden.” Het blijkt echter niet,
-wanneer hij deze sinecure gekregen heeft.
-
-Verder vindt men in hetzelfde: „Memoriaal”, fol. 206 en 207. „Resolutie
-ter verbetering van Stads-finantie, d.d. 30 December 1718”: „Dat na
-overlijden van Antony Leeuwenhoek en Arnold Ramp, de kamerbewaarder van
-Schepenen-kamer voortaan niet meer sal toegelegt worden als ƒ 300”.
-Hieruit blijkt dus, dat Leeuwenhoek nog tractement ontving, ofschoon
-hij reeds een opvolger of hulp had. De „Thesauriers-rekening” van 1699
-geeft hiervan opheldering; daaruit blijkt, dat Leeuwenhoek, als
-Camerbewaarder der Raat-camer enz., over een jaarwedde, verschenen
-October 1699, ontving.... „iiijc gl.” „Den selven, of nu Arnold Ramp,
-voor ’t schoonmaken van Schepens-camer enz.... Liiij gl.”
-
-Hij behield dus ’t tractement van „Camerbewaarder” en van
-„generaal-wijkmeester” (twee sinecures) tot aan zijn dood en betaalde ƒ
-54 aan Arnold Ramp. Het is echter niet kunnen blijken, wanneer dit
-salaris tot ƒ 400 verhoogd werd.
-
-Van het jaar 1654 af, vermoedelijk het jaar dat hij zich voor goed in
-Delft met der woon vestigde, tot het jaar 1673 toe, het jaar waarin het
-eerst microscopische waarnemingen van Leeuwenhoek door bemiddeling van
-Dr. Reinier de Graaf, aan de „Royal Society” te Londen werden
-medegedeeld, en zijn naam alzoo in het buitenland en spoedig daarna
-overal algemeen bekend is geworden, vinden wij niets omtrent hem
-aangeteekend. Er was dus een tijdvak van 19 jaren, dat men een tijdvak
-van voorbereiding kan noemen, waarin hij zich voldoende kon oefenen,
-zoowel in het aanleeren als verder volmaken van de kunst om de lenzen,
-die hij voor zijne microscopen gebruikte en die wij zullen zien dat hij
-zelf vervaardigde, zoodanig te slijpen en te polijsten, dat zij de
-bewondering van kenners en geleerden, opwekten. Men trachtte op
-allerlei wijzen achter zijn geheim te komen, hetgeen hij echter
-zorgvuldig voor zich zelven hield. Hij zal zich overigens gedurende
-dien tijd vlijtig hebben geoefend in het beschouwen van de voorwerpen,
-die zijne aandacht wekten.
-
-Leeuwenhoek moet daarvoor een allergelukkigsten aanleg hebben bezeten
-en bovenal een scherp, helder gezicht, dat hem, niettegenstaande de
-dagelijksche langdurige en onafgebroken inspanning, tot aan zijn hoogen
-ouderdom toe, bewaard bleef. Dit getuigt ook Uffenbach [26], toen hij
-hem in 1710, dus toen hij 78 jaren oud was, bezocht. „Wir muszten uns
-wundren, dasz er fast gar nicht zittert, und noch ein gar
-unvergleichlich Gesicht hat, da er auch die Augen durch sein observiren
-gar sehr angreiffe.” Zelfs noch kort voor zijn dood, die den
-onvermoeiden grijsaard op 91jarigen leeftijd eindelijk van zijne
-geliefde bezigheden afriep, was hem nog het volkomen gebruik daarvan
-bewaard gebleven. En dat zijn oogen in het beschouwen en waardeeren der
-voorwerpen scherper zagen dan die van anderen, kan men opmaken uit eene
-periode van hem, uit een brief aan den Burgemeester van Delft Jan
-Meerman [27], van den 28sten Februari 1713, dus toen hij den ouderdom
-van 81 jaren bereikt had.
-
-„Alle dese figuren syn door een en hetselve vergrootglas geteykent, die
-de Teykenaar soo groot heeft geteykent als hy die quam te sien: dog
-wanneer ik die na myn oog soude uytbeelden, soude ik die veel grooter
-uytbeelden.”
-
-Leeuwenhoek zal ook wel een geruimen tijd noodig gehad hebben eer hij
-in de bewerking zijner instrumenten, waartoe hij al de benoodigdheden
-zelf maakte, die vaardigheid verkregen had, dat zij ten gebruike
-geschikt waren. Hij getuigt zelf daarvan, in een brief aan de „Royal
-Society” van 12 Januari 1689 [28]. „Ick hebbe hier vooren geseit, hoe
-ik myn Instrumenten hebbe toegestelt, die eenige veel netter en
-bequamer souden maken. Dog men moet weten, dat ik in geen konsten ben
-onderwesen, daartoe men hamer of vijl gebruikt, als alleen, dat ik heb
-gesien, hoe men het staal hard, en tempert, en een dril maakt, waarmede
-men een gat in yser, koper, of silver drilt. Hoe en waarmede een
-silver-smit syn silver aaneen soldeert.
-
-„Dit gesien hebbende, heb ik myn selven soo verre geoefent, dat ik
-sedert veel jaren myn gereetschap hebbe gemaakt, hetwelke ik in
-verscheide saken hebbe van node gehad. En dus is het, dat hetgeene dat
-ik tot myn gebruik van node hebbe, alleen maar uyt den rouwe by my
-gemaakt werd.”
-
-Later schijnt hij zich echter zoo zeer in deze metaalbewerking geoefend
-te hebben, dat hij met meer tevredenheid over zijn werk spreken kon. In
-een anderen brief (9 Juni 1699) [29] zegt hij: „Terwijl ik besig ben om
-desen te schrijven, heb ik wel 8 à 10 vergroot-glasen voor my leggen,
-die door my met silver gemonteert syn, en alhoewel ik gans geen
-onderrigtinge en hebbe gehad, om in eenig metaal met hamer of vijl te
-arbeyden, soo monteer ik egter myn glasen; en myn werktuygen syn soo
-toegestelt, dat werkbasen in ’t Gout seggen, my niet te sullen
-nawerken.”
-
-Hieruit en uit vele andere bijzonderheden blijkt, dat hij overal
-opmerkte of er iets voor hem te leeren viel en dan maar handen aan het
-werk sloeg totdat hij eindelijk zijn doel bereikte. Vooral maakte hij
-al zijn beschikbaren tijd zich ten nutte voor de volmaking van een
-instrument, waarmede hij later zulke groote ontdekkingen gedaan heeft.
-De slijping en polijsting zijner glazen zal hem wel het meest
-inspanning en tijd gekost hebben en wij zouden zoo gaarne weten wie hem
-daartoe den weg gewezen heeft. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij het
-slijpen zelf aanvankelijk bij een glasslijper afgezien, zooals zoovele
-andere zaken, en dat daarvoor, tijdens hij nog in Amsterdam woonde,
-waar het slijpen van diamanten toen reeds tot een hoogen trap van
-volkomenheid gebracht was, wel gelegenheid zal hebben bestaan, mag men
-veilig aannemen.
-
-Behalve het slijpen van glas had hij zich ook zelf geoefend in het
-glasblazen, en het bewerken van metalen; zoo beschrijft hij, in een
-brief aan Mr. Antonius Heinsius van 18 Aug. 1695 [30] hoe hij een
-glazen bol geblazen heeft om voor zekere proef tot het onderzoek van
-buskruit te dienen, „UEd. Gestr. Heere zoude wel meenen dat ik in de
-kunst van glasblasen, bij de kaars of lamp geoefend was. Ik hebbe geen
-andere kennisse van glasblasen gehad, als dat, wanneer op onse jaarmart
-een glasblaser in de stad was gekomen, die sijn glas-blazen bij de
-lamp, om gelt liet zien, en als doen op desselfs handeling agting
-nemende, heb ik het bij de hand gevat, en dus kan ik alleen maar
-blasen, hetgeene ick tot mijne verrigtinge van noode hebbe.” Ook blijkt
-uit het gesprek met Uffenbach dat hij in het glasblazen groote ervaring
-gekregen had. Uffenbach zegt daarvan in zijn verhaal van zijn bezoek
-bij Leeuwenhoek [31].
-
-„Was die geblasenen Gläser anbelangt, versiecherte Herr Leuwenhoek,
-dasz er durch zehen-jähriges speculiren es dahin gebracht, dasz er eine
-taugliche Art blasen gelernt, welche aber nicht rund wáren. Mein Bruder
-wolte solches nicht glauben, sondern hielte es für Holländisch gejokt,
-indem es unmöglich ist, in Blasen etwas anders als ein Kugel oder
-Endung zu formiren.” Men ziet het, wat anderen onmogelijk voorkwam, kon
-Leeuwenhoek bereiken door zijn onvermoeide werkzaamheid, hij liet zich
-door geen moeielijkheden afbrengen van zijn eenmaal opgevatte
-voornemens, waar het hem te doen was om iets te leeren; nimmer verloor
-hij den moed, al moest hij aanvankelijk met groote bezwaren kampen,
-maar hij hield zoo lang vol totdat hij, zoo als hij gedurig eigenaardig
-uitdrukt „zich zelven kon bevredigen.”
-
-Eindelijk was dan de tijd van ernstige voorbereiding volbracht en
-gevoelde hij zich sterk genoeg om hetgeen hij onderzocht en gevonden
-had ook onder de oogen van anderen te brengen. Goed toegerust treedt
-hij nu onverwacht te voorschijn en doet zich weldra kennen als getrouw
-waarnemer der natuur. Doch hij plaatste zich zelf niet met eigenwaan op
-den voorgrond, maar werd daartoe aangespoord door een geleerde van
-naam, Dr. Reinier de Graaf, die zeker al eenigen tijd met hem in
-wetenschappelijke aanraking zal zijn geweest en de gelegenheid zal
-gehad hebben om zijn ervaring in het waarnemen door het microscoop
-optemerken [32]. Deze keurde zijn onderzoekingen wel waardig om onder
-de oogen te komen van deskundigen. Bij gelegenheid dat de Graaf zijn
-twist met Swammerdam over wetenschappelijke geschilpunten aan het
-oordeel en de beslissing van de „Royal Society” onderwierp, schreef hij
-den 27sten Mei 1673 tevens aan Mr. Oldenburg, Secretaris van dit
-collegie, over Leeuwenhoek en sloot een brief van hem in, gedateerd 28
-April 1673, welken brief de Graaf gezorgd had in het Latijn te
-vertalen, ten einde deze door de Engelsche geleerden zou kunnen
-verstaan worden. De Graaf vestigt in dit schrijven de aandacht der
-Koninklijke Sociëteit op „zekeren Mr. Leeuwenhoek, die onlangs
-microscopen gemaakt heeft, uitmuntende boven de tot hiertoe
-vervaardigde door Eustachio Divini en anderen”, er bijvoegende: „dat
-hij een voorbeeld van hun uitstekendheid gegeven heeft door
-onderscheidene onderzoekingen daarmede te bewerkstelligen en dat hij
-gaarne bereid zou zijn moeielijke zaken tot onderzoek van de leden te
-ontvangen, indien belangstellenden slechts lust hebben ze hem toe te
-zenden.”
-
-De waarnemingen van Leeuwenhoek, waarvan hij in zijn brief gewag
-maakte, werden in de „Philosophical Transactions,” Vol. VIII, pag.
-6037, opgenomen, onder den titel „A specimen of some observations made
-by a Microscope contrived by Mr. Leeuwenhoek, Concerning Mould upon the
-skin, flesh etc; the Sting of a Bee, etc., lately communicated by Dr.
-Regnerus de Graaf.”
-
-Deze waarnemingen van den Hollandschen natuuronderzoeker werden door de
-leden der Koninklijke Sociëteit met groote belangstelling ontvangen en
-men sprak de hoop uit, dat hij ze weldra door meer anderen zou doen
-achtervolgen. Deze waardeering en uitnoodiging was inderdaad eene
-krachtige aanmoediging voor een tot nog toe vergeten, maar
-onderzoeklievenden waarnemer, wiens nasporingen alleen nog maar de
-nieuwsgierigheid zijner vrienden en bekenden, nauwlijks in staat om er
-den wijden omvang van te begrijpen en te waardeeren, hadden opgewekt.
-Van nu af waren het de geleerden en wel van de beroemde Engelsche
-Sociëteit, die zich met den arbeid van den eenvoudigen Delvenaar zouden
-bezig houden! Bemoedigende gedachte die zijn ijver aanspoorde en hem
-zijne pogingen deed verdubbelen om de verwachtingen, die men van hem
-koesterde, niet te beschamen.
-
-Voor dat wij echter meer in bijzonderheden de onderzoekingen van
-Leeuwenhoek nagaan en zijne verdiensten in het licht stellen, willen
-wij kortelijk een blik slaan op de hoogte der kennis, waarop men ten
-tijde van Leeuwenhoek, met betrekking tot de vervaardiging van
-microscopen, stond. Daarna zullen wij de microscopen van Leeuwenhoek
-bespreken en zien wáárin deze uitmuntten boven anderen van dien tijd,
-waarbij wij genoegzaam gelegenheid zullen vinden om enkele
-bijzonderheden, hem zelven betreffende, te vermelden. Eindelijk kunnen
-wij onze aandacht onverdeeld wijden aan de belangrijkheid zijner
-ontdekkingen, welke, schoon vele er van groote tegenspraak moesten
-ondervinden en hem zelfs aan bespotting en beschimping blootstelden,
-echter door anderen hoog gewaardeerd en verdedigd werden, en waarvan
-sommigen zelfs nog in dezen tijd, als onomstootelijke waarheden worden
-erkend.
-
-Het is door den Hoogleeraar P. Harting in zijn: „Bijdrage tot de
-geschiedenis der mikroskopen in ons Vaderland” (Utrecht 1846) en zijn:
-„Het Mikroskoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen
-toestand” (3 deelen 1850) [33] op onwederlegbare gronden aangetoond,
-dat de eer der gewichtige ontdekking van het microscoop in de 17de eeuw
-aan Nederland toekomt. De Italianen roemen in dit opzicht nog wel hun
-Fontana en Galilaeus, van wien de eerste zich de eer der uitvinding
-toeëigende, daar hij in het jaar 1646 schreef, dat hij reeds in 1618
-het microscoop had uitgevonden; doch de gronden die zij voor hun
-beweren, aanvoeren, zijn onhoudbaar; want daar de Italianen de
-uitvinding van het microscoop in 1612 aan Galilaeus toeschrijven, zoo
-is het bewezen, dat de eer dezer uitvinding aan Hans en Zacharias
-Janssen van Middelburg toekomt en dat die zelfs reeds lang vóór 1610
-plaats had, hoewel het moeielijk te bepalen schijnt hoe lang vóór dien
-tijd. [34]
-
-Het blijkt echter, dat reeds in zeer oude tijden het vergrootend
-vermogen van bolle, doorschijnende lichamen, alsmede de kunst om glas
-en berg-kristal te slijpen, bekend is geweest en men met het einde der
-XVde eeuw reeds daarin eenige vordering had gemaakt, doch er verliepen
-meer dan twee eeuwen eer het eenvoudig microscoop uitgevonden werd,
-welke uitvinding ten onrechte aan Drebbel in het jaar 1621 wordt
-toegeschreven. Het waarschijnlijkst, volgens Harting, is, dat de
-uitvinding der brillen, die alleen daarin bestond, dat men begonnen was
-de lenzen te slijpen met een verderen brandpunts-afstand dan vroeger,
-tusschen 1285 en 1290 geschied is. Verder zegt Harting [35], dat het
-brillenslijpen, na 1363, allengs tot een handwerk was geworden, dat men
-op het laatst der XVIde eeuw twee brillenslijpers te Middelburg (de
-genoemde Janssens) vond, en ten tijde van Leeuwenhoek drie te Leiden,
-zooals hij zelf in een brief aan G. C. Leibnitz, d.d. 28 September 1715
-[36] zegt: „daar sijn drie Glaseslijpers geweest te Leyden, bij dewelke
-de studenten het glaseslijpen gingen leeren” enz. Uit een en ander
-blijkt, dat het zeker is, dat het samengesteld microscoop te Middelburg
-reeds eenige jaren vóór 1610 is uitgevonden.
-
-De Hoogleeraar Harting maakt de opmerking [37], dat het bevreemdend is,
-dat de uitvinding van een werktuig, hetwelk voor den onderzoekenden
-blik eene geheel nieuwe wereld ontsluit, aanvankelijk zoo weinig de
-aandacht getrokken heeft, dat het bestaan ervan jaren lang ter
-nauwernood buiten de muren der woonplaats van den uitvinder is bekend
-geweest, daar men, noch in 1611 in de „Dioptrica” van Keppler, noch in
-het werk van Syrturus, dat over verrekijkers en het slijpen van glazen
-handelt en in 1618 verscheen, iets vindt opgeteekend, waaruit hunne
-bekendheid met het microscoop blijkt. Eerst in 1625 maakte een Italiaan
-Franciscus Stellubi eenige microscopische waarnemingen bekend over de
-verschillende deelen der honigbij.
-
-De eigenlijke geschiedenis van het enkelvoudig microscoop vangt eerst
-aan op het tijdstip, toen men begon lenzen te vervaardigen, welke een
-genoegzaam korten brandpunts-afstand bezaten, om eene eenigszins
-aanmerkelijke vergrooting daar te stellen, dat, volgens Harting [38],
-hoogstwaarschijnlijk eerst geschied is na en ten gevolge der uitvinding
-van het samengesteld microscoop.
-
-Een der eersten, die het enkelvoudig microscoop zoodanig inrichtte, dat
-het geschikt was voor wetenschappelijke nasporingen, was onze
-Leeuwenhoek.
-
-Wij zagen boven, dat Dr. Reinier de Graaf in den brief, dien hij bij de
-toezending der eerste waarnemingen van Leeuwenhoek aan de „Royal
-Society” te Londen schreef, als eene bijzonderheid mededeelde „dat deze
-Leeuwenhoek onlangs microscopen gemaakt had, uitmuntende boven die tot
-hiertoe vervaardigd worden door Eustachio Divini.” Deze microscopen van
-Eustachio de Divinis nu waren in dien tijd zeer beroemd en worden
-beschreven in de „Philosophical Transactions” no. 42, pag. 842. Divini
-had, behalve de objectieflens, twee plano-convexe oogglazen zoodanig
-geplaatst, dat zij elkander in het midden hunner bolle oppervlakte
-raakten. Deze oogglazen waren ongeveer zoo breed als de handpalm eens
-mans, en de buis, waarin zij besloten waren, was zoo dik als een mans
-dij. Een vrij onhandig instrument alzoo, dat niet gemakkelijk in het
-gebruik moet zijn geweest en veel overeenkomst met een kleine mortier
-moet hebben gehad. Het was omstreeks 16½ duim lang; de verschillende
-vergrootingen werden verkregen door uittrekking tot verschillende
-lengte. De geringste vergrooting was van 41, de sterkste van 143maal in
-middellijn.
-
-Het voornaamste, waardoor de microscopen van Leeuwenhoek uitmuntten
-boven die van anderen van zijn tijd, bestond in de kennis van het
-slijpen en polijsten zijner lenzen en in het stellen (monteeren)
-daarvan.
-
-Men maakte destijds ook veel gebruik van gesmolten glazen bolletjes,
-omdat men niet best terecht kon met het slijpen der lenzen, en niemand
-ten tijde van Leeuwenhoek hem hierin op zijde schijnt gestreefd te
-hebben.
-
-De eerste, die deze glazen bolletjes vervaardigde, was Robert Hooke
-[39], die in 1663 de vervaardiging ervan beproefde en ze later
-verbeterde. Hij maakte van deze bolletjes onder anderen gewag in een
-verslag, door hem uitgebracht in de vergadering van 14 Maart 1678 van
-de „Royal Society” [40], ten gevolge van het te vergeefsch opsporen van
-de kleine diertjes in peperwater door Leeuwenhoek waargenomen, hetwelk
-hem nu bij het gebruik maken van zijn verbeterde inrichting van zijn
-microscoop gelukte.
-
-Hij bezigde daartoe een enkelvoudig microscoop, gemaakt uit een klein
-glasbolletje, waardoor het voorwerp buitengewoon vergroot kon worden,
-welk bolletje hij, met de lamp, van een glazen draad smolt. In 1668
-vervaardigde Hartsoeker [41] op dergelijke wijze glasbolletjes, die
-vrij goed waren en hun vergrootend vermogen moet zeer aanzienlijk
-geweest zijn.
-
-In 1677 maakte Butterfelld [42] deze bolletjes door tot fijn poeder
-gestoten glas, dat hij aan de punt eener naald in de vlam van een
-spirituslamp hield, tot een bolletje samen te smelten. Ook Jan van
-Mussenbroek vervaardigde dergelijke glasbolletjes, naar de methode van
-Hooke en schijnt daarin zeer te hebben uitgemunt. Het verst van allen
-bracht het daarin Pater Della Torre van Napels [43]. Deze bracht het
-bolletje, dat hij op de wijze van Hooke aan een glasdraad gesmolten
-had, in eene komvormige holte, gemaakt in een stukje tripoli, waarin
-vervolgens het bolletje op nieuw gesmolten werd door de vlam der
-glasblazerslamp. De glasbolletjes van Della Torre vergrootten ongemeen
-sterk. De „Royal Society” te Londen ontving er in 1763 eenige van,
-waarvan het grootste een diameter had van 1⁄36 duim en 640maal in
-middellijn vergrootte; de doorsnede van het kleinste was 1⁄144 duim en
-zijn vergrootend vermogen 2560maal. Zulke sterk vergrootende bolletjes
-zijn echter, volgens Prof. Harting, wegens hun zeer korten
-brandpunts-afstand, als microscoop weinig bruikbaar. Volgens Harting
-geven de bolletjes van 300–900maal vergrooting het zuiverste beeld,
-zoodat zij zelfs in dit opzicht geslepen lenzen van gelijke vergrooting
-dikwijls werkelijk overtreffen.
-
-Ook Leeuwenhoek schijnt zich aanvankelijk van zulke bolletjes bediend,
-maar die later verworpen en er zelfs eene groote verachting voor aan
-den dag gelegd te hebben, zooals blijkt uit hetgeen Uffenbach
-daaromtrent verhaalt, bij gelegenheid van zijn bezoek ten zijnen huize
-[44].
-
-„Als wir Herr Leuwenhoek ferner fragten, ob er denn alle seine Gläser
-schlieffe und keine bliese? verneinte er solches, und bezeigte eine
-grosse Verachtung gegen diese geblasene Gläser” „Er wiese uns, wie dunn
-seine Microscopia gegen anderen wären, und wie nahe de laminae
-zwisschen welche das Glas ist, beysammen waren, so dasz kein sphärisch
-Glas dazwischen seyn könnte, sondern alle seine Gläser waren auf beyden
-Seiten convex geschliffen.” Daarenboven gebruikte Leeuwenhoek ook
-microscopen met dubbele glazen. „Er hatte auch einige Microscopia mit
-doppelten Gläsern die, ob sie gleich doppelt, und einwendig nach ihrer
-behörigen Distanz vermuthlich durch eine laminam separirt waren,
-demnoch nicht viel dicker als die einfachen waren.” Deze vergrootten,
-volgens Leeuwenhoek, een „weinig meer” dan zijn enkelvoudige
-microscopen.
-
-Wij zijn alzoo genaderd tot het microscoop waarvan Leeuwenhoek zich
-bediende voor zijne onderzoekingen, en het is door alles wat wij
-daaromtrent hebben kunnen opsporen uitgemaakt, dat hij de glazen
-daartoe gebezigd zelf sleep en polijstte en dat deze niet uit gesmolten
-glasbolletjes bestonden maar uit een tot eene biconvexe lens geslepen
-helder glas.
-
-Hij besteedde veel zorg aan het kiezen van het geschiktste soort van
-glas, en gebruikte ook gerold bergkristal. De zuiverheid en helderheid
-er van moet buitengemeen groot geweest zijn, hetgeen blijkt, zoowel uit
-de getuigenis zijner tijdgenooten, als uit vele der daarmede gedane
-waarnemingen van hemzelven.
-
-De lens in Leeuwenhoek’s microscopen was gevat tusschen twee koperen of
-zilveren, soms ook wel gouden plaatjes, waarin zich één, soms twee en
-ook wel eens drie openingen bevonden. Bij van Haastert [45] is zulk een
-microscoop met ééne opening op het titelblad afgebeeld, zoo als ook in
-fig. 1 is geteekend. Deze afbeelding komt geheel overeen met een
-dergelijk instrumentje van Leeuwenhoek afkomstig en door hem
-vervaardigd, waarmede ik in mijn jeugd dikwijls kleine insecten,
-vlerkjes en andere voorwerpen heb bezichtigd. Er werd, helaas, toen
-door mij niet meer waarde aan gehecht dan aan gewoon speelgoed, zoodat
-het in het ongereede is geraakt en verloren ging. Het komt in alle
-opzichten overeen met de 26 microscopen, die Leeuwenhoek aan de „Royal
-Society” heeft nagelaten. Baker [46] had deze microscopen gedurende
-drie maanden ter onderzoeking onder zijne berusting en beschrijft ze
-zeer uitvoerig. Deze beschrijving nu is zoowel toepasselijk op de hier
-bijgevoegde fig. 1 als op fig. 2, daar de laatste alleen daarin
-verschilt dat er twee lenzen in zijn en het microscoop alzoo ingericht
-was om twee verschillende vergrootingen te geven. Fig. 1 stelt het
-microscoop voor met ééne, fig. 2 A en B met twee openingen en aan beide
-zijden gezien.
-
-Ook op het physisch kabinet te Utrecht komt een dergelijk microscoop
-voor als bij van Haastert is afgebeeld. Onlangs ben ik bekend geworden
-met een microscoop van Leeuwenhoek op het physisch kabinet der Leidsche
-Academie, een paar jaren geleden ten geschenke gegeven door een
-officier van gezondheid, met een paar andere kleinigheden, onder
-anderen een rood marokijnen étui, waarop de naam Leeuwenhoek duidelijk
-te lezen is. Ook op het Anatomisch kabinet te Leiden is een microscoop
-van Leeuwenhoek afkomstig.
-
-Omtrent deze microscopen en den waarschijnlijken gever kan ik
-mededeelen, dat ik in het jaar 1872 van den officier van gezondheid
-1ste klasse Hallegraeff, sedert overleden, een schrijven heb ontvangen,
-mij meldende, dat hij in het bezit was van:
-
-1º. Een microscoop van L. overeenkomende met fig. 1, p. 34 dezer
- brochure;
-2º. Een microscooptoestel tot onderzoeking van den bloedsomloop (fig.
- 3, pag. 36);
-3º. Een loupe van Leeuwenhoek;
-4º. Een rood marokijn lederen étui met vijf in koper gevatte lenzen en
- eene lens nog niet in koper gevat, dus in het geheel zes.
-
-Een en ander was uit Rusland weder naar Nederland terug gebracht door
-den Hoogleeraar de Gorter, door wiens betrekkingen het aan den vader
-van den briefschrijver en later aan hem was present gedaan. Als eene
-bijzonderheid meldde hij mij nog dat op het étui met eigenaardige
-krulletters geschreven staat „Anth. van Leeuwenhoek”. Tevens berichtte
-mij ZEd., dat hij van plan was een en ander aan de Leidsche Hoogeschool
-ten geschenke aan te bieden; derhalve zijn de op de Academie berustende
-voorwerpen kennelijk de bovenbeschrevene.
-
-Ook is mij bekend geworden, dat er op het stedelijk museum te Gouda een
-microscoop aanwezig is.
-
-De beschrijving volgens Baker is de volgende. De voorzijde is fig. 2 B.
-Het platte gedeelte A is samengesteld uit twee koperen of zilveren
-plaatjes, aan elkander vastgemaakt met kleine klinknageltjes, b b b b b
-b. Tusschen deze plaatjes is eene zeer kleine biconvexe lens, in een
-holligheid geplaatst, recht tusschen twee gaatjes, tegenover elkander
-in de plaatjes gedrild bij c. Aan de eene zijde van de plaatjes is een
-koperen of zilveren strookje d met een schroef e gehecht, welk
-schroefje door beiden gaat. Een ander gedeelte van dit strookje
-winkelhaaks omgebogen schiet onder de plaatjes door en komt aan de
-andere zijde uit. Door dit omgebogen einde loopt, recht opwaarts, eene
-lange fijndradige schroef, welke in- en uitgeschroefd wordende, de
-plaat, waarop het voorwerp gehecht wordt, hooger of lager brengt.
-Hierop staat een grof ruw gemaakt pennetje i, waaraan het voorwerp moet
-worden vastgehecht en dat door een handvatsel k wordt omgedraaid. Men
-kan de vertoonplaat met het pennetje er op, verder van de vergrootende
-lens doen afwijken, of nader daarbij laten komen door middel eener
-kleine schroef l, die horizontaal door de plaat b loopende en tegen de
-achterzijde van het werktuig dragende, als het noodig is deze plaat
-verder afdringt. Het eind van de lange schroef g komt door de
-vertoonplaat heen bij m, alwaar zij rond draait, maar niet als een
-schroef werkt, dewijl haar draad zoo hoog niet reikt. Leeuwenhoek
-maakte zijne voorwerpen aan de punt van het pennetje met de eene of
-andere klevende stof vast en bewaarde zulk een stel zorgvuldig, zoodat
-hij voor ieder voorwerp weder een ander microscoop noodig had en er ten
-slotte eenige honderden bij elkander had, zoo als hij zelf zegt in een
-brief aan Hans Sloane, Secretaris der „Royal Society” d.d., 24 December
-1700 [47]. „Ick hebbe hondert en hondert geslepene vergrootglasen, daar
-van de meeste zoo scherp sien, selfs by duystere dagen, en dat by geen
-ander als dag ligt enz.” Wanneer het voorwerp alleen kon gezien worden
-als het uitgespreid was, deed hij een weinig op een plaatje van zeer
-dun glas, dat hij op dezelfde wijze met de klevende stof op de punt
-vasthechtte [48]. Voor sommige waarnemingen met vloeistoffen, zoo als
-onder anderen, om den bloedsomloop te bezichtigen, wijzigde hij dien
-toestel. Hij beschrijft die inrichting zeer uitvoerig in een brief aan
-de „Royal Society” van 12 Januari 1689 [49] (Fig. 3). Zij bestond uit
-eene aan beide uiteinden rechthoekig omgebogen koperen of zilveren
-plaat, a, in welker omgebogen gedeelten b en c de ronde openingen e en
-i waren aangebracht, bestemd ter opneming eener glazen buis, die dan
-door de veeren r en d werd vastgeklemd. In zulk een glazen buis bracht
-hij dan water en een klein vischje of aaltje met de vinnen of den
-staart zoodanig er buiten geplaatst, dat men den bloedsomloop er in kon
-waarnemen. De lens, die even als bij alle microscopen van Leeuwenhoek,
-tusschen 2 plaatjes besloten was, werd dan vóór de buis gesteld door
-middel van de rechtopstaande plaat g, die door de beide schroeven h h
-op een gedeelte van c bevestigd was, en waaraan de lensplaat door de
-schroef f werd vastgemaakt [50]. Leeuwenhoek heeft verscheidene van
-deze toestellen vervaardigd, want op den Catalogus zijner microscopen,
-die na zijn dood verkocht zijn, worden niet minder dan 8 zilveren en 4
-koperen vermeld.
-
-Deze Catalogus, in het bezit van Prof. Harting, voert den volgenden
-titel:
-
-„Catalogus van het vermaarde Cabinet van vergrootglasen, met zeer veel
-moeyte en kosten in veele jaren geïnventeert, gemaakt en nagelaten door
-wijlen den Heer Antony van Leeuwenhoek. In zijn Ed. leven Lid van de
-Koninklijke societeit der Wetenschappen te Londen, welke verkogt zullen
-worden op Maandag den 29 Mey 1747 binnen de stad Delft, op St. Lucas
-Gildekamer, des voormiddags van 10 tot 12 uren, en des namiddags van
-half drie tot 5 uren. Te Delft gedrukt bij Reinier Boitet, Stadsdrukker
-1747.” Hij is op zwaar schrijfpapier gedrukt, met Hollandschen en
-Latijnschen tekst. Voorin bevindt zich eene fraaie op koper gegraveerde
-zinnebeeldige plaat, voorstellende een kabinet met laden waarin
-microscopen en een paar kinderen deze beschouwende; een hunner heeft
-een dito microscoop als in fig. 2 is afgebeeld in de hand, maar dit is
-met „drie” openingen voorzien. Eene andere plaat stelt het portret van
-Leeuwenhoek voor. De Catalogus, 43 bladz. groot, is geheel doorschoten
-met wit papier, waarop de namen van al de koopers en de prijzen die
-voor de microscopen besteed zijn, nauwkeurig staan aangeteekend; het
-getal nommers is 196, terwijl bijna ieder nommer twee microscoopstellen
-aangeeft, de laatste 15 nommers bestaan ieder uit een aantal van 12
-koperen plaatjes met vergrootglazen. Daarenboven zijn er nog op vermeld
-zeven Japansch verlakte Cabinetjes, benevens een verlakte vierkante
-doos en een doos, waarin eenige glazenbuizen met olie, plantgewassen,
-drogerijen enz.
-
-Het gezamenlijk aantal der microscoopstellen, met inbegrip der
-bovengenoemde plaatjes met vergrootglazen, de meesten met een voorwerp
-voorzien waarvan de namen in den Catalogus vermeld zijn, bedraagt niet
-minder dan 527. Hiervan zijn er 3 van goud, 147 van zilver, waarvan 1
-met drie, 6 met twee, 140 met één en ook zonder objecten. Voorts 5 met
-zilver gemonteerde koperen stellen en koperen met drie objecten en 375
-koperen met 1 object en zonder.
-
-Als eene bijzonderheid staat bij no. 126 een koperen stel vermeld, dat
-„het vergrootglas geslepen is van een sandje en het object is een
-sandje.” Bij drie der microscopen staat opzettelijk dat het
-vergrootglas is geslepen van Amersfoortsche diamant. Van de gouden
-wogen er twee 10 Engels 17 azen, de derde 10 Engels 14 azen. Een der
-eerste van deze gouden werd verkocht voor 23 gulden 15 stuivers,
-terwijl de beide anderen opgehouden werden. De overige microscopen
-golden: de koperen van 15 stuivers tot 3 gulden het paar; de zilveren 2
-tot 7 gulden, 1 koperen stel, waarvan het object was „ongeboren
-oesters” (!) in een glazen buisje 8 gulden. Een enkel der zilveren gold
-10 gulden.
-
-De geheele verkooping bracht de voor dien tijd zeer aanzienlijke som
-van 737 gulden en 3 stuivers op.
-
-Al deze microscopen schijnen in ons land gebleven te zijn; ten minste
-onder de namen der koopers in den Catalogus heb ik geen buitenlandsche
-gevonden. De naam Dirk Haaxman komt op de lijst der koopers herhaalde
-malen voor en het is daarom te verwonderen dat er niet meer van deze
-microscoopjes in mijne familie, waarvan echter weinig leden der andere
-takken mij bekend zijn, gevonden werden.
-
-Daar nu al de lenzen van deze groote verzameling door Leeuwenhoek „met
-eigen hand” geslepen zijn en de metalen stellen eveneens door hem
-zelven vervaardigd werden, waarbij nog gevoegd moet worden de
-verzameling van 26 microscopen, aan de „Royal Society” vermaakt, en nog
-een groot aantal, die hij bij zijn leven ten geschenke zal gegeven
-hebben, zoo staat men verbaasd, dat Leeuwenhoek, bij den tijd aan zulk
-een arbeid besteed, nog genoegzame gelegenheid kon overhouden tot het
-nemen zijner proeven, als men weet hoe verbazend tijdroovend het
-praepareeren alleen der voorwerpen is om ze geschikt voor de observatie
-te maken, terwijl bovendien vele proeven door hem talrijke malen werden
-herhaald, eer hij een bevredigend resultaat verkreeg. [51] Hij betuigt
-zelf [52] dienaangaande van een door hem ingesteld onderzoek: „Aan dese
-geseyde waarnemingen hebbe ik meer tyd besteed als vele zullen
-gelooven: dog ik heb ze met genoegen gedaan, en geen agt gegeven op die
-geenen die mij zeggen, waarom zoo veel moeyte gedaan, en wat nut doet
-het; dog ik schrijf niet voor sulke en alleen voor de wysgeerige.”
-
-Leeuwenhoek was er steeds op bedacht zijne glazen meer en meer te
-volmaken. „Wat mijne vergrootglasen aangaan,” zegt hij in een brief aan
-de „Royal Society,” d.d. 9 Juni 1699 [53] „daarvan wil ik mij niet
-beroemen; ik maak deselve soo goet, als in mijn vermogen is, en moet
-seggen, dat wij sedert veel jaren deselve niet alleen beter en beter
-hebben gesleepen, maar ook deselve van tijd tot tijd beter gemonteert
-hebben, waaraan ook veel is gelegen, en ik hebbe wel behaamt die
-vergrootglazen maken, en haar daarover beroemen, die selfs geen
-bequaamheit hadden om te oordeelen, of een glas scharp ontdekt; en
-gelijk yder een niet bequaam is om van een vergrootglas wel te
-oordeelen, veel min kan men bequaam syn, om ontdekkingen voort te
-brengen, en dus doende, moet ymant die nieuwe ontdekkingen tragt in ’t
-ligt te brengen, niet van één gesigt oordeelen, maar men moet deselve
-veel malen sien: want my komt te meer malen voor, dat luyden, siende
-door een vergroot-glas seggen, nu sie ik dat, en dan weder dat, en
-wanneer men haar onderrigt, sien sy dat ze in haar meyninge bedrogen
-syn, en dat meer is, soo kan self die geene die gewoon is door
-vergroot-glasen te zien, in syn meyninge verleyt werden.” Men ziet het,
-Leeuwenhoek nam niet alles dadelijk voor waar en zeker aan, wat hij op
-het eerste gezicht waarnam en logenstrafte daardoor zijne benijders en
-bedillers, die hem verweten, dat hij zich veelal maar verbeeldde te
-sien, wat niet in werkelijkheid bestond.
-
-De groote lof die overal, vooral in Engeland, van Leeuwenhoek’s
-ontdekkingen uitging, had ten gevolge dat velen trachtten zich door
-eigen aanschouwing van de waarheid te overtuigen, te meer daar zijne
-waarnemingen in vele opzichten geheel nieuw waren en onderwerpen
-betroffen, van het hoogste gewicht voor de physiologische wetenschap
-van die dagen; want nauwelijks waren er drie jaren verloopen sedert het
-begin zijner betrekking met de „Royal Society,” of reeds had hij het
-meerendeel der weefsels en vloeistoffen van het organismus in meerdere
-of mindere mate onderzocht. Aangespoord door de gelukkige ontdekkingen
-die hij deed en geprikkeld door de belangstelling, die men aan zijne
-waarnemingen schonk, wijdde hij dan ook zich met zijn geheele ziel aan
-zijne geliefkoosde nasporingen.
-
-Doch weldra werd hem eene buitengewone verrassing bereid. Eene geheel
-nieuwe wereld van wezens in het water levende en die tot nu toe voor
-iedereen verborgen waren gebleven, ontdekte zich aan zijn navorschend
-oog. In een enkelen droppel water ontdekte hij vol verbazing eene
-ontelbare menigte van de kleinste wezens van den meest verschillenden
-vorm, die zich met eene ongeloofelijke snelheid en levendigheid heen en
-weder bewogen. Men was tot nog toe gewoon een kaas- of andere myt al
-voor het kleinste diertje der schepping te houden, maar met de diertjes
-vergeleken, die Leeuwenhoek in water ontdekte, was zulk eene myt als
-een reus te beschouwen. Een nieuw veld van beschouwing ontwikkelde zich
-door deze ontdekking aan den denkenden geest. Overal in de natuur is
-het leven verbreid en dat in zulk eene verkwistende mate als men dit
-nimmer zou hebben kunnen vermoeden. Zulks werd door Leeuwenhoek in een
-brief aan de „Royal Society,” d.d. 9 October 1676 duidelijk
-uiteengezet, welke mededeeling ten gevolge had, dat de „Royal Society”
-zich gedurende onderscheidene zittingen van het jaar 1677 met den
-belangrijken inhoud dezer missive bezig hield.
-
-Men besloot aan hem te schrijven en hem uit te noodigen om zijne
-methode van onderzoek mede te deelen, ten einde de resultaten zijner
-nasporingen te kunnen nagaan en waardeeren, terwijl in den boezem der
-vergadering zelve de meest geanimeerde besprekingen over dit
-ongeloofelijk feit werden gehouden. Wij lezen [54], dat ten gevolge van
-de ontvangen mededeelingen van Leeuwenhoek omtrent de ontdekking van
-met het bloote oog onzichtbare, uiterst kleine diertjes in regen-,
-sneeuw-, wel- en andere wateren, alsmede in water, waarin peper, gember
-en andere kruiderijen gedurende eenigen tijd hadden geweekt, dat in de
-vergaderingen van 5 April 1677 Dr. Nehemiah Grew werd opgedragen te
-beproeven, wat hij in dezelfde wateren kon ontdekken, terwijl in de
-vergadering van 15 October aan Robert Hooke dit zelfde verzoek gericht
-en deze tevens uitgenoodigd werd een microscoop te maken, dat zoo veel
-mogelijk, zoo niet geheel, gelijk was in kracht met dat van
-Leeuwenhoek, omdat men te vergeefs had getracht met de hun ten dienste
-staande instrumenten deze diertjes te zien.
-
-In de vergadering van 1 November 1677 [55] bracht men verslag uit
-omtrent een menigte dunne glazen buisjes van verschillende grootte,
-eenige tienmaal dikker dan een hoofdhaar van een mensch, en andere veel
-dunner, welke men gemaakt had, om eene bewering van Hooke te
-constateeren, ter bestrijding van de waarneming van Leeuwenhoek, dat
-men de kleine diertjes in een waterig vocht, in zulke buisjes beschouwd
-zijnde, door elkander zou zien wriemelen. Hooke deelde mede, dat deze
-alzoo gevulde buisjes zelven als het ware vergrootglazen werden,
-waardoor de omvang van zoodanige lichaampjes in het vocht schijnbaar
-zeer vermenigvuldigd zich zou moeten vertoonen, vooral aan de zijde van
-de buisjes die het verst van het oogglas verwijderd waren. Maar
-niettegenstaande dit hulpmiddel, waardoor de sterkte van het microscoop
-nog vermeerderd werd, verklaarde men „niets” van dergelijke diertjes te
-kunnen waarnemen.
-
-Er werd daarom bevolen, dat tegen de volgende vergadering peperwater
-zou worden gereed gemaakt en er ook voor een beter microscoop moest
-gezorgd worden, opdat de waarheid of onwaarheid van „Leeuwenhoek’s
-bewering” duidelijk mocht blijken.
-
-Vóór dat deze discussiën in de vergadering plaats hadden, schijnt men
-reeds aan Leeuwenhoek den twijfel der vergadering over de juistheid
-zijner waarneming te hebben kenbaar gemaakt, ten gevolge waarvan hij
-het noodig geacht had getuigenissen van geloofwaardige personen over te
-leggen, die zijne ontdekkingen konden bevestigen, want zoo voegde men
-er bij: „opdat de verzekeringen van Leeuwenhoek zoo mogelijk
-proefondervindelijk zouden kunnen onderzocht worden, daar hij zoo vele
-getuigenissen had geleverd van hen die ooggetuigen van deze waarneming
-geweest waren.” Daarop werden de namen dezer getuigen in de vergadering
-gelezen, waaronder er waren van twee predikanten, één notaris en acht
-andere geloofwaardige personen, tot staving van de waarheid van zijne
-vroegere verzekeringen omtrent het ongeloofelijke aantal kleine
-diertjes dat hij in zulk peperwater zich had zien bewegen en waarvan
-enkelen het getal op tienduizend, anderen op dertigduizend en nog
-anderen op vijfenveertig duizend in een enkelen droppel, ter groote van
-een gierstkorrel schatteden. In de vergadering van 8 November 1677 [56]
-werd daarop het verslag door Hooke uitgebracht, omtrent het onderzoek
-van peperwater, dat aan hem was opgedragen. Hij vertoonde daarop eene
-verbeterde inrichting van zijn microscoop, waarin de buisjes
-doelmatiger konden bevestigd worden en waarmede ook eene betere
-verlichting kon worden aangebracht.... „Maar,” zoo betuigt Hooke,
-„hoewel hij het peperwater zeer sterk had gemaakt door weeking van
-heele zwarte peper, gedurende 2 of 3 dagen lang met regenwater, zoo kon
-er, niettegenstaande zijn microscoop nu veel beter was ingericht dan in
-de vorige vergadering, „toch niets van Leeuwenhoek’s diertjes bespeurd
-worden.” De vice-president Mr. Henshaw, die toch zijn geloof aan de
-waarnemingen van Leeuwenhoek niet wilde opgeven, dewijl hij een te goed
-vertrouwen had in de deugdelijkheid zijner observatiën, maakte de
-opmerking, dat het wellicht nu in den winter geen geschikte tijd voor
-de voortteling van dergelijke diertjes zou zijn, en hij voegde er bij,
-dat hij een lid der vergadering gesproken had, die den vorigen zomer
-met het microscoop van Leeuwenhoek zelven, deze diertjes in Holland
-gezien had, doch ze nu, veertien dagen geleden, niet kon vinden in
-peperwater dat hier (in Londen) gemaakt was.”
-
-Niettegenstaande deze gegronde opmerking beweerde Dr. Wistler, dat deze
-„denkbeeldige schepsels” inderdaad niets anders waren dan „kleine in
-het water drijvende peperdeeltjes” en geen diertjes. Doch deze bewering
-werd krachtig tegengesproken door Dr. Mapletoft. Hij repliceerde, dat
-Leeuwenhoek stellig verzekerd had dat hij die diertjes, zoowel levend,
-als dood had aangetoond, en in den laatsten toestand, zoodra hij azijn
-bij het peperaftreksel gevoegd had. Hooke was echter niet gemakkelijk
-tot overtuiging te brengen; hij onderzocht nu andermaal het peperwater
-met zijn microscoop en verklaarde dat hij de opmerking van Dr. Wistler
-als gegrond moest erkennen, want dat hij er thans eene groote
-hoeveelheid fijn peperstof in op- en nederdalende beweging in gezien
-had. Ten slotte werd het uitzicht geopend, dat hij in de volgende
-vergadering een microscoop zou ter tafel brengen, dat nog veel meer
-vergrooten zou en dat alsdan de quaestie uitgemaakt zou worden.
-
-Het beslissende oogenblik was aangebroken. De vergadering van den 15den
-November 1677 werd geopend, en wat rapporteerde nu dezelfde Hooke? „Dat
-hij nieuw peperwater bereid had met zuiver regenwater en eene kleine
-hoeveelheid gewone zwarte peperkorrels en dit mengsel gedurende negen à
-tien dagen met elkander in aanraking gelaten had,” en „dat hij
-gedurende de geheele week lang, een groot aantal buitengewoon kleine
-diertjes heen en weder had zien zwemmen,” welke hem, door zijn glas
-gezien, toeschenen de grootte van eene myt te bezitten, welk glas
-volgens zijne berekening honderdduizendmalen in omtrek vergrootte
-(waarschijnlijk een glasbollelje) en dat mitsdien kon worden opgemaakt
-dat deze diertjes honderdduizendmaal kleiner waren dan eene myt. Hun
-vorm zegt Hooke „kwam overeen met een zeer klein helder blaasje, ovaal
-of eivormig van gedaante.”
-
-Men kan zich lichtelijk de verrassing der vergadering voorstellen, toen
-de leden ieder om strijd zich rondom het microscoop van Hooke
-verdrongen om zich van het ongeloofelijke feit te overtuigen. Al de
-aanwezige leden, zegt de verslaggever dezer belangrijke vergadering,
-overtuigden zich nu van de waarheid van Leeuwenhoek’s ontdekking. Zij
-bevestigden allen, dat zij nu de diertjes zagen en ze op allerlei
-wijzen door het water heen en weder zagen bewegen; men verklaarde ze
-voor wezenlijke diertjes en erkende dat er geenerlei optische
-misleiding kon plaats hebben.
-
-Schitterender kon de reputatie van den Delftschen burger wel niet
-gevestigd worden, dan in de erkenning van de waarheid van hetgeen hij
-had waargenomen, nu zelfs de meest ongeloovige zich moest gewonnen
-geven. De leden der vergadering waren dan ook dadelijk bereid om hun
-vorig mistrouwen en ongeloof openlijk te erkennen. Wij lezen namelijk
-in de notulen dezer vergadering: „dat er besloten werd nota te nemen
-van deze thans zoo goed geconstateerde feiten, en tevens dat er
-aanteekening zou gehouden worden van de namen van hen die deze diertjes
-met hun eigen oogen hadden gezien. Zulks waren: Mr. Henshaw, Sir
-Christopher Wren, Sir John Hoskyns, Sir Jonas Mone, Dr. Mapletoft, Mr.
-Hill, Dr. Croune, Dr. Nehemiah Grew, Mr. Aubrey en nog verschillende
-anderen, zoodat er niet langer aan Mr. Leeuwenhoek’s ontdekking te
-twijfelen viel.”
-
-Omtrent de ontdekking van den eigenaardigen vorm, de soorten en
-bijzondere eigenschappen die Leeuwenhoek aan deze kleine diertjes kon
-waarnemen, heeft hij zich zeer uitvoerig uitgelaten in een schrijven
-aan Constantijn Huygens d.d. 7 November 1676 [57]. Hij zegt daarin,
-„dat hij omstreeks half September van het jaar 1675 in regenwater, dat
-eenige weinige dagen in een ton gestaan had, kleine diertjes, in zijn
-oog meer dan tienduizendmaal kleiner dan het diertje dat Dr. Swammerdam
-heeft afgebeeld en met den naam van watervloo of waterluis
-bestempelde,” gevonden heeft. De „eerste soort,” die hij in dit water
-ontdekte, bestond uit 5, 6, 7 à 8 zeer heldere „globulen”; zij staken
-somtijds twee hoorntjes uit het voorste gedeelte van hun lichaam en
-dezen waren in voortdurende beweging. Hun lichaam was rondachtig en aan
-het achterlijf een weinig spits, waar zij een staart hadden, die
-driemaal langer dan het lichaam was. Eene „tweede soort” beschrijft hij
-als een eirond lichaam, van boven gezien uit 8, 10 à 12 globulen
-bestaande, zij waren zeer helder en konden hun lichaam in een volkomen
-ronde gedaante veranderen; iedere globule, zegt hij, verbeeldde zich
-als verheven met een puntje uit te steken en voorzien met verscheidene
-ongeloofelijke dunne pootjes, die zich snel bewogen; deze soort was een
-weinig grooter dan de eerste. Eene „derde soort” was eenmaal zoo lang
-als breed en naar schatting wel achtmaal kleiner dan de eerste soort,
-hij „imagineerde zich”, dat hij daaraan „vinnetjes of pootjes” kon
-waarnemen; zij bewogen zich zeer snel, zoowel in het rond als in een
-rechte lijn. De „vierde soort,” die hij waarnam, was zoo klein dat hij
-er geen figuur aan kon bekennen; deze waren in zijn oog meer dan
-duizend maal kleiner dan het oog van een luis; zij gingen in snelheid
-van beweging de bovenvermelde diertjes nog te boven. Verder zegt
-Leeuwenhoek, dat hij, behalve deze vier soorten nog verscheidene andere
-soorten van diertjes waarnam, waarvan eenigen zeer groot waren, zoo als
-een „kleine myter”, anderen wederom waren „zeer monstereus.” Hij
-beschrijft deze niet nader, maar zegt er alleen van, dat zij doorgaans
-uit zulke zachte deelen bestonden, dat, wanneer het water, waarin zij
-lagen, was opgedroogd of weggeloopen, zij uiteen barstten.
-
-Leeuwenhoek zegt in dienzelfden brief, dat op de open plaats achter
-zijn huis zich een put bevindt, welke omtrent 15 voeten diep is, en
-waarvan het water in het midden van den zomer zoo koud was, dat men er
-de hand niet lang in kon houden. Ook in dit water ontdekte hij eene
-groote menigte zeer kleine diertjes en wel, wat de grootte betreft,
-overeenkomende met de vierde der beschrevene soorten, maar nadat dit
-water eenige dagen gestaan had, ontdekte hij er vele andere diertjes in
-van verschillenden vorm en grootte. Ook in zeewater nam hij dergelijke
-diertjes waar. Verder beschrijft hij de ontwikkeling van diertjes door
-peper in sneeuwwater te laten weeken, waarvan ik de bijzonderheden
-reeds vermeld heb.
-
-Men kan zich gemakkelijk voorstellen welk eene uitwerking deze
-belangrijke ontdekking van het bestaan eener geheele wereld van
-schepselen, die tot nog toe geheel en al onbekend waren gebleven, moest
-teweegbrengen in een tijd, waarin talrijke ontdekkingen in
-onderscheidene gedeelten der natuurwetenschappen, zulk eene groote en
-levendige belangstelling niet slechts onder de geleerden, maar zelfs
-bij alle menschen van beschaving en verstand hadden opgewekt.
-
-„In onzen tijd,” zoo zegt E. Blanchard, in zijn genoemd artikel in de
-„Revue des deux mondes” deze ontdekking van Leeuwenhoek besprekende,
-„is het bestaan van myriaden diertjes van de laagste organisatie in
-bijna alle wateren aan niemand onbekend, en men stelt ze op openbare
-soirees door het hydro-oxygeen-microscoop ten toon, maar nog steeds,
-hoe bekend zij zijn, nog steeds schijnen deze diertjes de denkers tot
-de ernstigste overpeinzingen uit te noodigen en hen tot de erkenning te
-brengen, dat nergens de natuur zoo groot is dan in het oneindig
-kleine.”
-
-En van welk eene beteekenis de ontdekking van Leeuwenhoek omtrent
-kleine organismen in het water en in de lucht, vooral in onzen tijd
-gerekend wordt, kan men afleiden uit het verband dat men in de
-geneeskunde heeft gemeend te vinden, tusschen het ontstaan en de
-verspreiding van besmettelijke ziekten en het optreden van bacteriën en
-aanverwante organismen; een vraagstuk van het hoogste gewicht, voor de
-volledige oplossing waarvan echter de tijd nog niet gekomen schijnt.
-Vooral verdient daarbij de belangrijke studie de aandacht, die Dr.
-Ferdinand Cohn, hoogleeraar te Breslau, in 1872 over bacteriën heeft
-nedergelegd in zijn „Untersuchungen über Bacteriën” [58] en zijne
-beschouwing over de betrekking waarin deze kleine wezens gebracht
-worden tot de belangrijkste probleemen der algemeene natuurwetenschap,
-zoodat zij, zoo als Cohn zich uitdrukt, „door eene onzichtbare, maar
-tegelijk onweêrstaanbare macht, de gewichtigste gebeurtenissen der
-levende en levenlooze natuur beheerschen en zelfs in het bestaan der
-menschen tegelijk geheimzinnig en diep ingrijpen.”
-
-Het kan wel niet anders of de gelukkige ontdekking van Leeuwenhoek
-moest de geleerden van dien tijd er op bedacht doen zijn hunne
-microscopen te verbeteren en zoo mogelijk aan die van Leeuwenhoek te
-doen evenaren. Hooke was daarin onvermoeid en vertoonde in de
-vergadering van 6 December 1677 [59] een verbeterd samengesteld
-microscoop, waarmede hij de kleine diertjes in het peperwater veel meer
-vergroot en duidelijker nog dan vroeger liet zien. Dit had hij
-vervaardigd door het objectiefglas van een veel kleineren bol te maken.
-Verder vertoonde hij een nieuw soort van enkelvoudig microscoop,
-waarmede hij dezelfde diertjes vertoonde, die in eene kleine haarbuis
-heen en weder zwommen.
-
-Allen die daardoor zagen, verklaarden het voorkomen dezer kleine
-schepsels nu veel helderder en duidelijker dan op de andere wijze met
-het samengesteld microscoop, hoewel dit een van de beste soorten was.
-
-Geen wonder dat men zeer verlangend was de microscopen van Leeuwenhoek
-zelven te zien en de wijze te kennen, die door hem gevolgd was om zijn
-glazen zoodanig te slijpen, dat hij er die belangrijke waarnemingen
-mede kon doen.
-
-In de vergadering van den 23sten November 1681 [60] sprak Mr. Henshaw
-ten gevolge van nieuwe observaties, die Leeuwenhoek aan de Sociëteit
-had toegezonden, als zijn gevoelen uit, dat de glazen, waarmede
-Leeuwenhoek „deze vreemde ontdekkingen maakte, zeer buitengewoon
-moesten zijn en op eene andere wijze gemaakt, dan gewoonlijk bekend en
-gebruikelijk was.” Hooke maakte de opmerking dat het geen andere waren
-dan die hij zelf vermeld had in de voorrede van zijn „Micrographia,”
-namelijk zeer kleine doorschijnende gesmolten glasbolletjes in hun
-geheel of door slijpen tot een lens gevormd of op eene andere wijs
-gemaakt.
-
-Ook merkte hij aan, „dat de ontdekkingen van Leeuwenhoek zeer geholpen
-zouden worden door de wijze waarop hij het licht op zijne voorwerpen
-liet vallen en dat hij zeker voor zijne buitengewone onderzoekingen een
-geschikte kamer moest bezitten.” Dit laatste wordt echter weêrsproken
-door hetgeen Dr. Molyneux er van getuigt, die sprekende van zijn bezoek
-aan Leeuwenhoek zegt, „dat hij, tijdens het beschouwen van de
-microscopen zich in eene vrij donkere kamer bevond met slechts één raam
-voorzien, waar zelfs de zon toen niet op scheen, en dat zich toch de
-voorwerpen schooner en duidelijker vertoonden, dan die hij in Engeland
-of elders gezien had, ofschoon daar de zon op scheen, of door
-weerkaatsende spiegels meer dan gewoon licht ontvingen.”
-
-Ten gevolge dezer discussiën werd door Mr. Henshaw voorgesteld aan
-Leeuwenhoek te verzoeken, „dat hij zijn uitvinding mocht willen bekend
-maken, indien het iets nieuws was.” Aan dit verzoek werd dan ook door
-Leeuwenhoek welwillend voldaan. In de vergadering van 1 April 1685 [61]
-werd een brief van Dr. Molyneux voorgelezen van den 14den Maart, waarin
-hij mededeelde, dat de glazen, die Leeuwenhoek hem liet zien, de
-voorwerpen niet meer vergrootten dan verscheidene glazen die hij zelf
-vroeger zag en daardoor alzoo niets meer kon ontdekt worden dan hetgeen
-gemakkelijk met behulp van andere microscopen kon gezien worden, zoodat
-alzoo een verslag van deze microscopen te geven geenszins voldoende zou
-zijn. Doch, voegt hij er bij: „Het zijn alleen zijn eigene glazen, die
-deze meer dan gewone ontdekkingen doen.” Daarbij vermeldt hij gehoord
-te hebben, „dat hij nooit die glazen van betere soort verkocht.”
-
-Niet alleen verkocht Leeuwenhoek niet die glazen van „betere soort,”
-zooals Molyneux zegt, maar geen zijner microscopen was voor geld te
-verkrijgen. Uffenbach had daartoe een aanzoek bij hem gedaan, doch
-zonder gevolg. [62]
-
-Ook uit een brief van Huygens schijnt te blijken, dat Leeuwenhoek de
-kunst, die hij met inspanning van al zijn krachten tot zulk eene hoogte
-had gebracht, niet gaarne aan anderen mededeelde. Huygens verhaalt
-namelijk, dat toen de Landgraaf van Hessen Cassel hem bezocht en zijn
-microscopen verlangde te zien, hij een kast toonde, waarin deze bewaard
-waren, doch ze zeer zorgvuldig in de handen hield en, na de
-nieuwsgierigheid van zijn bezoeker te hebben bevredigd, voorzichtig de
-kast weder sloot, vreezende naar het schijnt dat zij hem door anderen
-mochten afhandig gemaakt worden, waardoor men dan in de gelegenheid zou
-zijn achter zijn geheim te komen [63].
-
-Dit geheim nu van de wijze waarop Leeuwenhoek zijne lenzen sleep en ze
-die buitengemeene helderheid gaf, liet hij zich door niemand ontlokken
-en ontweek steeds zorgvuldig daarvan iemand verklaring te geven, of wel
-beantwoordde de aanzoeken daartoe met stilzwijgen. Ook had men hem
-meermalen aangespoord die kunst aan anderen te leeren en er bij
-voorbeeld aan jongelieden onderricht in te geven. Leibnitz schijnt hem
-in dien geest daarover geschreven te hebben, waarop Leeuwenhoek hem in
-de volgende bewoordingen antwoordde [64]: „Om jonge luyden tot het
-slypen van glasen aan te voeren, ende als een school op te regten; daar
-uyt kan ik niet sien dat veel soude voortkomen; want door myne
-ontdekkingen en slypen van glasen, syn veele studenten tot Leyden
-aangemoedigt, ende daar syn drie Glasenslypers geweest, bij dewelke de
-studenten het glasenslypen gingen leeren. Maar wat is ’er uyt
-voort-gekomen? niets, soo veel my bekent is; omdat meest alle de
-studenten daar op uyt komen, om door de wetenschappen gelt te bekomen,
-of wel door de geleertheyd geagt te syn; ende dat steekt in het glas te
-slypen, ende in het ontdekken van de saaken, die voor onse oogen
-verborgen syn, niet. En het staat ook by mij vast, dat van duyzent
-menschen geen een bequaam is, om sig over te geven tot soodanige
-studie, omdat er veel tijds toe vereyst wert, veel gelt gespilt wert,
-ende men gedurig met syne gedagten moet besig wesen, sal men wat
-uytvoeren. Ende daarenboven syn de meeste menschen niet weetgierig; ja
-eenigen, daar men het niet van behoorde te wagten seggen, wat is ’er
-aangelegen of wy het weten?”
-
-Men ziet dat ook in den tijd van Leeuwenhoek de beoefening der
-wetenschap om de wetenschap zelve, tot de zeldzaamheden scheen te
-behooren en dat ook toen reeds de practische geest bij de studeerenden
-was doorgedrongen, die men thans zoo gaarne uitsluitend aan onze eeuw
-wil toeschrijven.
-
-Nog zegt hij in een anderen brief aan denzelfden geleerde, van 13 Maart
-1716: [65] „Ik hebbe gans geen genegenheyt gehadt om ymant te
-onderwysen, want als ik het aan een gaf, soude ik aan meer moeten doen,
-omdat verscheyde souden meenen dat ik het aan haar uyt maagschap en
-andere om haar gesachlykheyt verschuldigt was; ende dus sou ik my tot
-een slaafachtigheyt overgeven daar ik een vry man soek te blijven: en
-tragt ook geen loon daarvoor te trekken.” En elders zegt hij: „om wel
-te slagen moet men veel tyd aan de studie wyden, veel geldt besteden en
-geheel syn siel toewyden aan de overpeinsinge, hetgeen sekerlyk niet
-van dien aart is, om een groot aantal jonge lieden aan te trekken.”
-
-Behalve aan het slijpen zijner glazen, hechtte Leeuwenhoek bijzonder
-veel aan de monteering er van. In zijn oordeel over een beweeren van
-zekeren Dalepatius aan den schrijver van een boekje genaamd: „Nouvelles
-de la République”, als zou deze een vergrootglas hebben uitgevonden
-„soo goet dat ’er geen beter kan gemaakt werden, dewijl het een
-sigtbaar stip, naeuwlyks in groote te boven gaat” enz. repliceert
-Leeuwenhoek [66]: „Wat syn vergroot-glas belangt, van soo een ongemeene
-kleynheit, en soo goet als er kan gemaakt werden, dat sullen wy daar by
-laten. Maar om soodanige glaasjes wel te monteeren daar vereyst meer
-oordeel toe, als om deselvige te maken.”
-
-Naar het oordeel van Leeuwenhoek is het juist niet de bijzondere
-kleinheid der lenzen, die de deugdzaamheid aan de microscopen
-verzekert, want hij zegt daarvan iets verder in denzelfden brief: „Wat
-mij belangt, al hoewel ze by my al omtrent 40 jaren geleden van een
-ongemeene kleynigheit zijn gemaakt geweest, soo zyn ze by my weynig in
-gebruyk, en ze dienen na myn oordeel niet, om eerste ontdekkinge te
-doen, en daar toe syn bequaam die geene, die uyt een grooter diameter
-syn geslepen.”
-
-Leeuwenhoek maakte ook van een hulpmiddel gebruik om de verlichting
-zijner voorwerpen met opvallend licht te versterken. Dit bestond in het
-aanwenden van een metalen hol spiegeltje, in welks midden hij zijn lens
-plaatste. Dit spiegeltje is verklaard in een brief van 12 Januari 1689
-aan de „Royal Society” [67].
-
-Men vindt dit spiegeltje dat Leeuwenhoek in den genoemden brief „een
-kommetje” noemt en dat hij aan het microscoop had vastgesoldeerd, zeer
-nauwkeurig afgebeeld in de bij dien brief gevoegde plaat, alsmede in
-Harting’s „mikroskoop”, deel 3, pl. 1, fig. 8; dergelijke spiegeltjes
-zijn geheel op dezelfde wijze later, in 1738, door Lieberkuhn aan zijn
-microscopen toegevoegd, aan wien men ten onrechte hunne uitvinding
-toeschrijft.
-
-Het blijkt, zoowel uit het kistje met de 26 microscopen, aan de „Royal
-Society” nagelaten, als uit andere gegevens en verklaringen van
-Leeuwenhoek zelven in zijne brieven, dat hij microscopen vervaardigde
-met verschillend vergrootend vermogen.
-
-Baker [68] geeft voor de vergrootingen der bovenvermelde 26
-microscopen, voor een duidelijkheidsafstand van 8 Engelsche duimen de
-volgende:
-
-
- één van 40 malige middellijn-vergrooting
- één ,, 53 ,, ,, ,,
- twee ,, 57 ,, ,, ,,
- drie ,, 66 ,, ,, ,,
- twee ,, 72 ,, ,, ,,
- acht ,, 80 ,, ,, ,,
- drie ,, 100 ,, ,, ,,
- één ,, 114 ,, ,, ,,
- één ,, 133 ,, ,, ,,
- één ,, 169 ,, ,, ,,
-
-
-En dat Leeuwenhoek ook microscopen vervaardigde die een veel sterker
-vermogen bezaten, dan het meest vergrootende van de Londensche
-verzameling, blijkt uit het boven reeds vermelde exemplaar van hem,
-berustende op het physisch kabinet te Utrecht. Dit is in zilver
-gemonteerd en vergroot 270 maal, hetwelk dus een aanmerkelijk verschil
-is; terwijl de lens, volgens verklaring van den Hoogleeraar Harting,
-biconvex geslepen is.
-
-Zonder mij te verdiepen in eene uitvoerige beschrijving op hoedanige
-wijze de bepaling van de sterkte der microscopen in vroegeren en
-lateren lijd geschiedde, wil ik echter de wijze van bepaling hier
-vermelden, waarop deze gewoonlijk geschiedt en met behulp waarvan Prof.
-Harting het microscoop van Leeuwenhoek heeft onderzocht [69]. Dit
-onderzoek, geschiedt door middel van het zoogenaamde Nobert’sche
-proefplaatje. Dit plaatje is beschreven in „Poggendorff’s Annalen
-1846”, no. 2 S. 175. Nobert kwam op het denkbeeld om glazen plaatjes te
-vervaardigen met een aantal van 10 tot 30 groepen van lijnen; deze
-lijnen zijn in de eerste groep het verst, in de laatste groep het minst
-ver van elkander verwijderd. Men kan alzoo de verschillende groepen
-achter elkander in het midden vrij in het veld brengen en onderzoeken,
-welke groep door het microscoop nog in afzonderlijke lijnen kan ontleed
-worden. Bij het onderzoek nu van de lens van Leeuwenhoek bleek het
-Prof. Harting, dat, bij eene gunstige verlichting, door deze lens, de
-3de groep zeer gemakkelijk en de 4de (​1⁄704 mill.) nog met moeite kon
-worden opgelost.
-
-Eene niet minder belangrijke zaak bij de beschouwing van Leeuwenhoek’s
-microscopen is de wijze te leeren kennen, waarop hij de grootte van de
-voorwerpen bepaalde, die door hem werden waargenomen.
-
-Hij koos daartoe nu eens een korrel grof zand, dan weder een gierst- of
-mosterdzaadje; of hij vergeleek ze bij de dikte van een hoofd- of van
-een baardhaar, ja zelfs van een haar uit zijn paruik! Later weder
-gebruikt hij als punt van vergelijking de grootte der bloedbolletjes,
-die hem een zijner eerste en zeker een zijner belangrijkste
-ontdekkingen herinnerde.
-
-In den aanvang was zijn punt van vergelijking een baardhaar. In een
-brief aan Robert Hooke d.d. 12 November 1680 [70] zegt hij daaromtrent
-het volgende:
-
-„Ik heb dan een verdeelde copere linie, en neem naeukeurig agt, door
-een goet microscope, hoeveel delen, dat een van de dikste hairen van
-myn baard, op een verdeelde linie beslaat; als by exempel, een zoodanig
-hair syn diameter is so lang, door een microscope te zien, als 50
-delen, en als dan trek ik met de punct van een naald op de kopere
-lineaal sodanigen streep, die in myn bloote oog, my so te voren komt,
-als ik door myn microscope, „de dunste” ader in de vlieg komen te sien,
-en ik oordeel, dat als 9 sodanige dunne strepen, als ik met de punct
-van een naalde getrokken heb, nevens den anderen lage, een vijftigste
-part van de diameter van een hair souden uitmaken. Komen dan 450
-diameters van de dunste aderen, die ik in een vlieg seer destinct sie,
-uyt te maken een diameter van een hair van myn baard, so is dan een
-hair van myn baard 200,000 maal dikker, dan de dunste bloedvaten van
-een vlieg.”
-
-Een paar jaren later bezigt hij, eveneens in een schrijven aan Hooke
-d.d. 3 Maart 1682 [71] „een klein sandje, waar hij calculeerde, dat de
-vleesstriemtjes (= „fibrillae”) van een os door hem geoordeeld werden
-zoo dun te zijn dat 50 van deselvige nevens den andere leggende de
-lengte uitmaken van 1⁄20 van een duym, zoodat dan 1000 vleesstriemtjens
-in de lengte van een duym, dat is dan 1,000000 vleesstriemtjens met
-haar membranen omwonden in een quadraet duym komen”, en een paar regels
-verder: „Op een ander tijd sag ik in een ossetonge, drie kleyne
-musculen vlees, yder met haar menbraan omwonden, nevens den anderen
-leggen, dat wanneer als ik deselvige overdwars hadde doorgesneden, soo
-veel plaets niet en besloegen, als een kleyn sandje, (waarvan 100
-sanden nevens den anderen leggende, de lengte van een duim maer
-uitmaken), zoude die konnen bedekt houden.”
-
-Later bepaalt hij, in een brief aan François Aston, d.d. 25 Juli 1684
-[72] deze grootte wat nauwkeuriger, zoodat men nu een eenigszins
-beteren maatstaf voor zijn berekening erlangt. Hij zegt, „als ik sedert
-weinige dagen doende was met een oog van een manspersoon, zag ik in het
-zwartachtig vlies of menbrane uytnemende dunne striemtjens of vaatgens,
-en om derzelver dunte my die voor oogen te stellen, nam ik een grof
-sant, wiens axe dat seer na 1⁄30 van een duym was, dit sant, door een
-microscope siende, oordeelde ik dat deszelfs axe ten minsten 330
-deelen, op seekere verdeelde lineaal uytmaekten, en dat, wanneer 8 van
-de verhaalde dunne vaatgens nevens den anderen lagen, geen 1⁄330 van de
-axe van een sant in lengte souden uitmaken.”
-
-Leeuwenhoek bezigde echter altijd deze bepaling als eene vergelijking
-om slechts eene aanschouwelijke voorstelling te geven van de kleinheid
-der voorwerpen, door hem met het microscoop waargenomen. In veel later
-tijd schijnt hij de onzekerheid van de vergelijking met zandkorrels,
-wegens hun groot verschil in grootte, te hebben ingezien, en bedient
-hij zich nu van een’ „geerst-greijntje of een mostersaetje”, zooals
-bijv. uit een brief aan Hermanus Boerhaave, d.d. 26 Augustus 1717 [73]
-blijkt. „Ik hebbe voor desen geseyt, dat ik soodanige kleyne dierkens
-in ’t water sag swemmen, dat ze met haar duysent millioenen in groote
-geen grof sant souden uytmaken. Maar alsoo der tussen de grove sanden
-een groot onderscheyt in groote is, zoo wil ik liever seggen, de groote
-van een geerst-greyntje of mostert-saetje, ende seggen dat, by aldien
-duysent millioenen van die kleyne diertjes nevens den anderen lagen,
-deselve de lengte niet souden bereyken van een geerst-greyntje of
-mostert-saetje”. Nog eene curieuse vergelijking in de maatbepaling
-vindt men in een brief aan Constantijn Huygens, d.d. 21 Mei 1679 [74].
-Zij betreft de grootte der zeer kleine (vooronderstelde) vaatjes in een
-diertje in het peperwater. Daartoe bepaalde hij eerst hoeveel
-haar-breedten de lengte van een duim uitmaken.
-
-Dit beschrijft hij aldus: „Hebbende dan een koperen lineaal, daer op de
-duymen verdeelt waren in dry deelen en yder weder in 10 deelen, is
-summa een duym in 30 verdeelt. Op dese verdelinge heb ick geleyt het
-haer van myn paruyck, en dat door een microscope geobserveerd en
-geoordeelt, dat 20 hair-breeten 1⁄30 van een duym uytmaken, comt dan
-600 hair-breeten in de lenghte van een duym”.
-
-De Hoogleeraar Harting, deze maatbepalingen van Leeuwenhoek
-besprekende, zegt daarvan, [75] dat als men bedenkt hoe uiterst
-gebrekkig de handelwijze van Leeuwenhoek was, men niet nalaten kan zich
-te verwonderen over de mate van nauwkeurigheid, die sommige zijner
-bepalingen werkelijk bezitten, iets dat men alleen verklaren kan, door
-de juistheid van een oog, dat door een jaren lange oefening eene
-zekerheid in het bepalen van maten verkregen had, welke een minder goed
-waarnemer geheel moet missen. Zoo bepaalt hij bijv. [76] de doormeter
-van een bloedlichaampje gemiddeld op dien van 1⁄100 van een zandkorrel,
-dat is, (deze 1⁄30 duim in diameter hebbende) 1⁄300 duim; en werkelijk
-komt deze bepaling zeer na overeen met de gemiddelde grootte der
-bloedlichaampjes, zooals deze tegenwoordig met onze nauwkeurige
-hulpmiddelen gevonden wordt.
-
-Deze wijze van maatbepaling bij vergelijking met andere voorwerpen van
-bekende grootte, was echter niet alleen aan Leeuwenhoek eigen, maar
-werd door beroemde geleerden van dien tijd eveneens gebruikt. Robert
-Hooke onder anderen zegt in een brief aan Leeuwenhoek d.d. 18 April
-1778 [77] „dat de musculen van kreeften, krabben en garnalen bestonden
-uit eene ontelbare menigte zeer kleine draadjes, bijna honderd malen
-kleiner dan een haar van zijn hoofd.”
-
-Een tijdgenoot van Leeuwenhoek, Dr. James Jurin, bezigde de volgende
-maatbepaling. Hij wond een zeer fijn zilverdraad zoo vele malen om een
-speld of eenig ander dun lichaam, dat er geen tusschenruimten meer
-tusschen de draden gelaten werden, waarvan hij zich met een
-vergrootglas overtuigde. Hij mat nu met een passertje nauwkeurig een
-zeker getal dezer omwindingen en door de gevonden maat door het aantal
-omwindingen te deelen, verkreeg hij de dikte van het gebruikte
-zilverdraad. Nu knipte hij de draad in kleine stukjes en strooide er
-eenige van op het voorwerp dat hij onderzocht, als het ondoorschijnend
-en er onder als het doorschijnend was en vergeleek dan met het oog de
-deelen van het voorwerp met de dikte van zulk een stukje draad. Jurin
-zond eenige stukjes van zulk een draad aan Leeuwenhoek [78] die
-daarover, naar het schijnt zeer tevreden was, dewijl deze wijze van
-maatbepaling door hem bevestigd werd (in de Philosophical Transactions
-no. 377), ofschoon hij toch aan zijn eigen methode de voorkeur is
-blijven geven.
-
-In het praepareeren van de voorwerpen moet Leeuwenhoek eene bijzondere
-vaardigheid gehad hebben, waarbij hem zijn vaste hand, scherp gezicht
-en groot geduld uitnemend te stade kwamen.
-
-Daarvan zijn talrijke voorbeelden voorhanden in zijne brieven, waarin
-hij omstandig zijne wijze van behandeling beschrijft. Zoo zegt hij in
-een brief aan de „Royal Society” [79], waarin hij uitvoerig de angel
-eener mug beschrijft en zegt dat die uit vier bijzondere angels
-bestaat, die in geschikte orde in elkander leggen: „Soo ymant genegen
-waar in het observeeren van de angels van de mugge my na te volgen, soo
-wil ik den soodanigen recommenderen dat hij langmoedig is. Want de
-gesamenlijke vier werktuigen of angels, die in geschikte orde leggen,
-uyt de koker te halen, ende de koker te openen, dat heb ik veelmaal
-achter den anderen teweeggebracht, maar dese werktuigen uyt den anderen
-te halen, ende die soodanig voor het vergrootglas te stellen, dat men
-die instinct aan anderen kan laten sien, daartoe vereyst geen kleyne
-moeite. Ik heb meer dan honderd muggen daarom gedoot, ende mijne
-observatiën op verscheyden dagen moeten hervatten enz.”
-
-In een anderen brief [80], waarin hij uitvoerig de gedaante en
-structuur van de luis, de voortteeling dezer parasiten enz. uiteen zet,
-beschrijft hij onder anderen, hoe bij den mannelijken parasiet, geen
-eieren zooals hij vroeger gemeend had voorkwamen, maar testikels en dat
-er van deze vier in getal waren. „Deze testikels,” zegt hij, „leggen
-yder twee soo digt by den anderen, ende wel voornamentlijk met
-derselver twee einden, soodanig als of yder afdragent vat te samen
-vereenigde, en het veeltijds soo quam te vertoonen, als of deselve maar
-een afdragend zaatvat hadde, yder van dese testiculen oordeele ik
-omtrent een vierdedeel van de groote van een volmaakte luiseney te
-sullen uitmaken.” En iets verder: „Wijders haalde ik veelmaal uit de
-mannekens luizen, derselver mannelyke leden, als ook bragt ik veelmaal
-de angels tot myn groot genoege uit het agterlyf van de luis, en ook
-nam ik die wel uit de luis, doch niet sonder het ontstukken breken van
-de dunne hoornachtige deelen die al diep in hun lijf vast waren, enz.”
-Verder maakte hij een calculatie van de dikte van den angel der luis en
-zegt dat deze wel 700maal dunner was dan een haar van zijn hand.
-
-Deze vaardigheid van hand en scherpheid van gezicht komt vooral ook uit
-in de onderzoeking van de oogen van den Rombout, als ook van die van
-bijen, muggen en andere insecten. Deze namelijk hebben twee halve
-manen, waarin een ongemeen getal kleine halve bolletjes zijn, die met
-de uiterste regelmatigheid en netheid in elkander overkruisende lijnen
-geplaatst zijn en naar traliewerk gelijken. Deze zijn een verzameling
-van facetten (Leeuwenhoek noemt ze gezichten, oogen), die zoo volmaakt
-glad en gepolijst zijn, dat ze als zoo vele spiegels, de beelden van
-alle uitwendige voorwerpen terugkaatsen. Robert Hooke telde 14,000
-halve oogen of facetten in de twee oogen van een hommel; Leeuwenhoek
-calculeerde 6236 in de twee oogen van de kapel van den zijdeworm, 7362
-in die van den schalbyter, 8000 in die van de gewone vlieg, terwijl hij
-er in de beide oogen van den Rombout 25,088 berekende. Hij bemerkte ook
-in het middenpunt van iedere facet een klein doorschijnend vlakje, dat
-helderder was dan het overige, dat hij voor den oogappel hield, waar de
-lichtstralen doorgelaten worden tot op het netvlies.
-
-Leeuwenhoek sneed zulk een oog van den Rombout (ook puistebyter
-genoemd) af, reinigde het met een penseel met water van al de
-aanhangende vaten en onderzocht het door zijn microscoop. Hij plaatste
-het een weinig verder van de lens, zoodat hij den rechten
-brandpuntsafstand tusschen dit voorwerp en de lens van zijn microscoop
-liet, en toen door beiden, als door een verrekijker, naar den toren van
-de nieuwe kerk, welke 299 voeten hoog en 750 voeten ver van zijn woning
-verwijderd was, ziende, kon hij duidelijk door ieder facet den geheelen
-toren omgekeerd zien, hoewel niet grooter dan de punt van eene fijne
-naald, en toen zijn gezicht naar een huis aan de overzijde richtende,
-zag hij door een menigte van de kleine halve bolletjes niet alleen den
-gevel van het huis, maar insgelijks de deuren en vensters en was in
-staat te onderscheiden, of de vensters open of gesloten waren. Van
-Haastert [81], die van zoodanig onderzoek ook gewag maakt, voegt er nog
-bij, „dat dit verrassend gezicht Leeuwenhoek zoo opgetogen maakte, dat
-hij zijne buren tot zich deed roepen om hun dat zonderling gezicht
-eveneens te doen opmerken.”
-
-En niet minder komt deze vaardigheid uit in zijne ontleding van de
-gezichtszenuwen van een honigbij [82]. Hij nam het hoornvlies uit het
-hoofd en beschouwde de stof waarmede dit gevuld was. Terwijl hij
-vroeger meende te hebben waargenomen dat het uit een draadachtig wezen
-bestond vond hij nu, bij nauwkeurige beschouwing, dat al die deeltjes
-ten naasten bij van dezelfde lengte waren, aan het eene einde iets
-dikker dan aan het andere en daarbij aan het dikkere einde rondachtig,
-en kwam tot de ontdekking, dat ieder dezer deeltjes een gezichtszenuw
-was en dat het dikkere of ronde einde geplaatst was in de kleine holte
-van ieder oog, dat in het hoornvlies is, „kortom” zegt hij, „soo veel
-gesichten in ’t hoornvlies syn, soo veel gesicht-senuwen.” Hij geeft in
-genoemden brief eene nauwkeurige afbeelding van een bundel van
-zoodanige gezichts-zenuwen en eindigt met de betuiging: „Dese verhaalde
-verwonderenswaardige zaken en volmaaktheid in het oog van een vlieg
-ontdekt hebbende, moeten wy al weder seggen: Hoe weynig is ’t dat wy
-weten! en heeft dit plaats in soo een groote vlieg, soo heeft het alle
-die volmaaktheit in al de vliegjens die der zijn.”
-
-Ik kan mij niet onthouden ook nog het slot van denzelfden brief aan te
-halen, waarin zijn fijnheid van praepareeren zoo duidelijk uitkomt en
-bezig daartoe liefst weder zijn eigen woorden: „Ik hebbe een kleyne
-mugge gevangen, die geen angel had om te steken. Dese mugge snede ik
-het hoofd af, om uit de oogen, ofte gesigten, de gesigt-senuwen te
-halen, maar ik konde die mijn selven niet klaar genoeg voor de oogen
-stellen, schoon ik het tot drie à viermalen toe hervatte, in welk
-ondersoek my veel malen de hersenen uyt het hooft van de mugge, omset
-met een groote menigte van vaaten, die ik vast stelde bloedvaten te
-syn, te voorschijn quamen, en gelukte het mij dat ik de hersenen met
-derselver bloed-vaaten omvangen, vry ongeschonden uit het hooft van de
-mugge haalde, die ik voor het vergrootglas gestelt hebbende den
-teykenaar over gaf, om af te teykenen, te meer, omdat my van een
-voornaam Heer geseyt was, dat seker persoon, als men van myne
-ontdekkingen quam te spreken, veel maal quam te seggen, dat het
-onmogelijk was te doen, hetgeene ik quam te seggen, omdat, seyde
-denselven, myne instrumenten, die ik daartoe moet gebruyken, hoe kleyn
-ik die mogte komen te maken, niet bequaam konden syn, om die
-ontledingen te doen, die ik kome te verhalen; maer ik kreune my aan
-geen quaatsprekers, het is ligt een van die geenen, die wel wenste mede
-sulks te kunnen uitwerken.”
-
-Het is opmerkelijk dat hij dat scherpe oog, zoo onontbeerlijk in het
-doen van zulke uiterst fijne onderzoekingen, tot een zeer hoogen
-ouderdom behield, zoo als blijkt uit een brief aan zijn neef Abraham
-van Bleiswijk van 2 Maart 1717 [83], toen hij dus reeds 85 jaren oud
-was.
-
-Hij beschrijft daarin met minutieuse nauwkeurigheid, dat hij de fijne
-zenuwen uit het ruggemerg van eene koe gesneden had en bevond dat deze
-bestonden uit uiterst dunne vaatjes, waarvan honderden te samen eene
-zenuw daarstelden en men zelfs in eenigen openingen van eene
-onbegrijpelijke kleinheid vond. Hij maakte van deze zenuw eene
-doorsnede ter dikte nauwelijks van een baardhaar, ten einde die door
-zijn microscoop te beschouwen.
-
-Bij die gelegenheid werd hem toegevoegd, dat hij zich om zijn hooge
-jaren toch niet mocht onthouden om zijne onderzoekingen voort te
-zetten, waarvan hij de moeielijkheid zelf inzag en deed opmerken
-zeggende: „ende immers is het seer swaar te ontdekken alle die
-verdeelingen en men kan bezwaarlijk bekennen, dat soo een dun senutje
-in soo vele spranken kan verdeelt worden,” maar dat hij daarom toch
-niet mocht stil staan, want „dat de vrugten, die in den herfst rijp
-werden, langst konden duren.”
-
-Leeuwenhoek was voor niets zoo gevoelig, als dat men zijn
-waarheidsliefde in twijfel trok of verdacht maakte en beweerde dat hij
-zich door zijn verbeelding liet misleiden om anderen maar wat wijs te
-maken, ’t geen hij zelf beter wist niet zoo te zijn. Wanneer hij de
-zaken, die hij mededeelt, niet „met zekerheid” gezien had, waarschuwt
-hij er zelf voor „dat het bij hem nog niet tot klaarheid gekomen is.”
-Ook wijst hij er herhaaldelijk op, wat hij werkelijk „gezien”, en wat
-hij zich „geïmagineerd” heeft.
-
-In een brief aan de „Royal Society” [84] zegt hij: „En nademaal my veel
-maal te vooren komt, dat veele myn schryvens niet konnen aannemen, en
-stoutelyk derven seggen, dat zy my niet en gelooven, daar ik nogtans
-een groot hater van de loogen, en een groot liefhebber van de waarheid
-ben enz.” en elders [85].... „Dog ik ben sulks getroost, ik tragt niet
-dan waarheden te ontdekken, en soo ik bevinde, dat ik hier of daar in
-kome te missen, ik sal gaarne belydenis van mijne dwalinge doen”, en in
-zijn brief aan Leibnitz [86] zegt hij onder anderen: „Ik sie wel dat ik
-veele geleerde Heeren in myne ware ontdekkinge en ook in myne stellinge
-niet sal brengen: ik wil dan liever my selven troosten dan twisten; als
-ik maar het geluk mag hebben, gelijk ik besit, dat ook veele groote
-mannen myne ontdekkinge aannemen.”
-
-Een der eerste maar zeker belangrijkste ontdekkingen, die Leeuwenhoek
-gedaan heeft, had betrekking op de physische samenstelling van het
-bloed, en werd door hem reeds op den 15den Augustus 1673 bewerkstelligd
-[87]. Tot op zijn tijd toe geloofde men dat het bloed eene gelijkmatig
-roode vloeistof was; doch hij erkende, dat deze vloeistof bijna
-kleurloos was, maar dat daarin kleine lichaampjes gesuspendeerd waren,
-welke eene roode kleur hadden en deze kleur aan de geheele vloeistof
-mededeelden. Ofschoon Swammerdam reeds in 1658 in het bloed eener
-kikvorsch een onnoemlijk aantal „eivormige deeltjes” had waargenomen,
-zoo werd aan deze observatie echter geen publiciteit gegeven, en daar
-de geschriften van Swammerdam eerst in het begin der XVIIde eeuw in het
-licht verschenen, zoo konden deze geen invloed hebben uitgeoefend op de
-ontdekking van Leeuwenhoek, tenzij hij zulks van Swammerdam zelf of van
-anderen mocht vernomen hebben.
-
-Ook Malpighi had reeds twaalf jaren vóór Leeuwenhoek, bij het
-beschouwen van het bloed eener egel onder het microscoop, roode
-lichaampjes onderscheiden, doch hij had deze voor vetbolletjes gehouden
-en er zich verder niet mede bezig gehouden. De verdienste van
-Leeuwenhoek in dit opzicht blijft dus in zijn geheel. Zoo is het ook
-bekend, dat Athanasius Kirscher in 1650 over lichaampjes geschreven
-heeft, die hij in het bloed van koortslijders als „kleine wurmpjes”
-zeide gezien te hebben. Leeuwenhoek echter onderzocht nauwkeurig het
-bloed van den mensch en later ook van verschillende dieren, zoo als van
-den os, het schaap, het konijn, de vleermuis, vogels, visschen enz. Bij
-de zoogdieren vond hij den vorm dezer lichaampjes steeds rondachtig, op
-kleine lenzen gelijkende en noemde ze daarom „globulen”; later zag hij
-bij de vogels, kikvorschen en eenige soorten van visschen enz., dat
-deze lichaampjes afgeplat en eivormig van gedaante waren [88] en noemde
-deze, in onderscheiding der eersten, „particulen”. Latere
-onderzoekingen hebben echter geleerd, dat de eersten niet bolrond zijn,
-maar platgedrukt, op kleine schijfjes gelijkende, waarom zij thans
-„bloedschijfjes” genoemd worden.
-
-Beide deze soorten vond hij drijvende in een helder vocht (serum) [89].
-Zijn oordeel over den betrekkelijken diameter van deze bloedlichaampjes
-was vrij juist. Zij waren volgens hem zeer klein bij de zoogdieren,
-grooter bij de vogels, nog grooter bij den kikvorsch en de visschen. De
-grootte dezer bloedlichaampjes bij den mensch, den os, het schaap en
-het konijn stelde hij zoo, dat honderd dezer „globulen” naast elkander
-liggende nauwlijks de ruimte van een zandkorrel beslaan [90], de
-zandkorrel berekend = 1⁄30 van een duim [91] in diameter, alzoo 1⁄3000
-duim, welke maatbepaling zeer nabij komt met de grootte der
-bloedlichaampjes, zoo als deze later door de juistere maatbepalingen,
-door micrometers, zijn waargenomen (​1⁄125 millimeter). Deze diameter
-wordt door Rudolf en Hodgein eveneens als 1⁄3000 duim opgegeven; Wagner
-stelde ze 1⁄4000​, Paget tusschen 1⁄3500 en 1⁄4000 [92]. Bij de
-visschen is deze diameter van 1⁄1800​–​1⁄4000 bevonden en bij de
-kikvorschen = 1⁄1200​–​1⁄1920 duim [93].
-
-Niet minder groot is de verdienste van Leeuwenhoek in de waarnemingen
-omtrent den omloop des bloeds. De ontdekking van dezen omloop komt
-evenwel niet aan Leeuwenhoek maar aan Harvey toe. Leeuwenhoek echter
-bestudeerde den bloedsomloop met zeldzame nauwkeurigheid en volharding.
-Hij bezigde daartoe bij voorkeur den staart van jonge kikvorschen en
-het zwemvlies dat de vingers bij deze dieren vereenigt [94]; deze
-leverden hem uitmuntende voorwerpen voor zijne waarnemingen, zoowel
-omdat zij uiterst doorschijnend zijn, als dewijl de bloedlichaampjes
-bij deze dieren, zoo als wij zagen, grooter zijn dan bij de zoogdieren.
-Gaarne nam hij hiertoe ook vleermuizen en bespiedde hare dunne
-vliesachtige vleugels, doorsneden met talrijke vaten [95]. Ook bezigde
-hij dikwijls het oor van jonge konijnen, waarvan de huid nog zeer
-doorschijnend is en onderscheidde daarin den doorgang van het bloed uit
-de slagaderen in de aderen [96]. Jonge alen en andere visschen, die hij
-daartoe in glazen buizen met den staart er buiten, voor zijn microscoop
-plaatste, deden hem dit verschijnsel eveneens bewonderen [97]. Hij
-trachtte zelfs de snelheid te berekenen, waarmede de omloop des bloeds,
-bij voorbeeld in den staart eener aal, plaats had en berekende, dat,
-zoo in deze visch het hart 11 duimen van den staart verwijderd is, het
-bloed in een uur 13malen van het hart lot den staart teruggevoerd
-wordt; de afstand van den kop tot het hart slechts 1½ duim zijnde, zou
-zulks tusschen deze deelen in denzelfden tijd 96maal plaats hebben
-[98]. Zijne berekening omtrent de snelheid van den omloop van het bloed
-bij den mensch was, dat in één uur tijds de bloedsomloop 45malen plaats
-heeft. Volgens Sebastian [99] schijnt die binnen 1–3 minuten plaats te
-grijpen, terwijl Leeuwenhoek de grootste snelheid van het hart tot aan
-de uiterste deelen van de voeten en van daar weder terug tot het hart,
-bepaalde op 2⅔maal, tot aan de vingers en terug naar het hart
-4​4⁄1​1maal, in buik en borst 12maal en in het hoofd 8maal in het uur
-[100].
-
-Omtrent den doortocht van het bloed door de slagaderen in de aderen
-ontstond reeds in den tijd van Harvey grooten strijd. De tegenstanders
-van dezen grooten physioloog wierpen hem tegen, dat wanneer het bloed
-direct uit de slagaderen in de aderen overging, het de deelen, waardoor
-het heen vloeide niet zou kunnen voeden. Het vraagstuk was nog
-onbeslist, toen Leeuwenhoek in 1686 aan de „Royal Society” een brief
-schreef, waarin hij, in strijd met de opinie van Harvey, meende te
-hebben ontdekt, dat de doortocht van het bloed niet onmiddellijk uit de
-slagaderen in de aderen plaats had [101]. Later echter, in 1698, toonde
-hij, na zorgvuldig microscopisch onderzoek, duidelijk den samenhang van
-de slagaderen met de aderen aan en wilde zelfs geen haarvaten tusschen
-de beide genoemde vaten afzonderlijk onderscheiden, omdat het, zooals
-hij zeide, onmogelijk was te bepalen, noch waar de slagaderen eindigen,
-noch waar de aderen beginnen [102]. In dit tijdvak stelde men ook de
-chemische theorie op den voorgrond en wilde men de fermentatie van het
-bloed als zeker vaststellen, dewijl men bloedlichaampjes voor
-luchtbellen aanzag.
-
-Deze hypothese werd krachtig door Leeuwenhoek bestreden en door vele
-microscopische waarnemingen overtuigend wederlegd, welke proeven
-voldingend aantoonden, dat er volstrekt geen luchtbellen in de
-bloedvaten aanwezig waren, hetgeen zeker plaats zou hebben als het
-bloed gistte [103].
-
-Het is, omtrent deze waarnemingen aangaande de bloedlichaampjes wel der
-vermelding waardig, dat zij den grondslag legden voor de theorie van
-onzen beroemden landgenoot Boerhaave over de inflammatie en andere
-ziekten [104], terwijl het overigens opmerkelijk is dat een man als
-Leeuwenhoek, bij gemis aan fundamenteele wetenschappelijke kundigheden,
-door eenvoudige beschouwing van den poot van een kikvorsch, het oor van
-een konijn, den staart van een visch enz., een vraagstuk als de
-bloedsomloop, dat zoo lang in onzekerheid verkeerd had, voor ieder
-belangstellende zoo aanschouwelijk maakte. Ook zijne observaties
-omtrent de structuur der capillaire vaten zijn door latere onderzoekers
-als nauwkeurig erkend [105].
-
-Behalve bovengenoemde belangrijke onderzoekingen, verdienen zijne
-waarnemingen omtrent de „beenderen” en de „tanden”, die eveneens tot de
-eerste observaties van Leeuwenhoek behooren, die onder de oogen der
-Engelsche geleerden gebracht waren, vermeld te worden.
-
-Hij deelde zijne waarnemingen in 1674 aan de Royal Society mede en
-vond, dat zij uit bolletjes bestonden [106]; maar reeds in 1678 kwam
-hij van dit gevoelen terug, daar hij opgemerkt had dat deze bolletjes
-de uiteinden of topjes waren van buisjes of pijpjes, waaruit de
-beenderen bestaan. Hij erkende zijne dwaling in een brief aan de „Royal
-Society” [107], zette toen dit onderzoek onvermoeid voort en vond, dat
-de vaste deelen der beenderen uit vierderlei pijpjes bestonden, van
-verschillende wijdte en kringsgewijs geplaatst.
-
-De Heer van der Boon [108], deze waarnemingen besprekende, merkt
-daarbij op, dat, wanneer men deze beschrijving vergelijkt met de
-kennis, die men tegenwoordig van het weefsel der beenderen bezit, men
-dan te recht zich verwonderen moet over de geringe waarde, die men tot
-nu toe gehecht heeft aan het onderzoek omtrent het weefsel der
-beenderen door onzen Leeuwenhoek. Nog meer, vervolgt hij, moeten wij
-zulks betuigen bij de overweging van de kennis die hij had van het
-maaksel der „tanden”, hetwelk zoo volkomen door hem is beschreven, dat
-daardoor de eer, die in onze dagen aan Purkinje ten deel viel, namelijk
-van de eerste geweest te zijn, die het ware weefsel der tanden leerde
-kennen, grootendeels vervalt. [109] In een brief aan de „Royal
-Society”, d.d. 4 April 1687 [110] zegt Leeuwenhoek gevonden te hebben,
-dat de tanden bestaan uit saamgevoegde, zeer dunne pijpjes, die alle in
-het binnenste van den tand aanvangen en aan den omtrek eindigen [111].
-
-Dat Leeuwenhoek ten gevolge zijner nieuwe ontdekkingen en beschouwingen
-velerlei tegenspraak moest ondervinden, die hem de vele gelukkige
-oogenblikken, door hem genoten bij de waarneming van de wonderen der
-schepping en het ontdekken eener nieuwe wereld van wezens, zeer
-vergalden, daarvan kan men wel verzekerd zijn; die tegenspraak
-ondervonden immers zoo velen, die als hoog geleerd erkend en beroemd
-waren en iets nieuws hadden waargenomen, dat aan anderen ontsnapt was
-en waarvan de gevolgtrekkingen, geliefkoosde meeningen en theoriën
-omverstootten. En zou dan Leeuwenhoek, de ongeletterde, zou een
-Kamerbewaarder van Schepenskamer, die zijne waarnemingen zoo eenvoudig,
-zoo ongekunsteld en ontdaan van allen uiterlijken glans van geleerde
-termen, aan de wereld ter overweging gaf en die zulke lang betwiste,
-hoogstbelangrijke vraagstukken golden, zulke tegenspraak zijn ontgaan?
-Dat was niet te verwachten en zij werd hem ook geenszins onthouden. In
-vele brieven beklaagt hij zich over die tegenspraak en het gelukte hem
-vaak die te beschamen, en als al zijne aangevoerde bewijzen en
-verklaringen toch bleken niet in staat te zijn om vooroordeelen te
-overwinnen, troostte hij zich met zijn vaste overtuiging daar tegenover
-te stellen en zeide: „Maar ik en stoor my sulks niet, ik weet dat ik de
-waarheyt hebbe” [112], en hij haalt de schouders op over de onkunde en
-het vooroordeel dat hy te bestrijden had, waar hy, onder anderen, over
-den gewaanden honigdauw sprekende, waaraan men het bederf in de tarwe
-toeschreef, zegt: „Ik houd my verseekert, dat het vallen van den
-gewaanden honigdauw alleen maar verdigt-selen syn, die ligtelyk van een
-out wyfs spinnerokken syn voortgesproten, wy willen het haar niet
-qualyk afnemen, dat ze aan de oude dwalinge tot nog toe syn blyven
-hangen en wenschen haar toe dat ze hare misslagen mogen leeren kennen,
-ende de waarheid omhelsen” [113].
-
-Die tegenspraak werd vooral uitgelokt door zijne ontdekkingen van de
-kleine diertjes in regen- en andere wateren en in waterige aftreksels,
-zoo als ik die boven beschreven heb en aan welke diertjes, om de wijze,
-waarop zij verkregen werden, eene eeuw later de oneigenlijke naam van
-„afgietseldiertjes, infusoria”, gegeven werd.
-
-En geen wonder! De ontdekking toch van wezens, wier ontsachelijk
-geringe grootte zoo lang aan het menschelijk oog onttrokken was
-gebleven, waardoor een nieuw veld van wereldbeschouwing geopend werd en
-de waarneming van de omstandigheden, waaronder deze kleine levende
-schepselen te voorschijn traden; de voorstelling die hij er van leverde
-dat deze, op de eenvoudigste wijze georganiseerde wezens „niet van zelf
-ontstonden, maar ieder in hun verschillende soort werden voortgebracht
-uit germen of kiemen, die in de lucht aanwezig waren”, druischte zoo
-zeer in tegen de algemeen aangenomen begrippen, dat het niet te
-verwonderen is dat Leeuwenhoek de hevigste tegenspraak te verduren had.
-En wanneer wij ons herinneren, dat nog in onzen tijd groote strijd
-gevoerd wordt over het al of niet van zelf ontstaan van levende
-organismen, dat nog de „generatio spontanea”, niettegenstaande de meest
-overtuigende proeven en redeneeringen het onhoudbare van die stelling
-hebben bewezen, nog hare verdedigers vindt onder mannen van naam in de
-geleerde wereld, dan verwondert ons de tegenspraak, die Leeuwenhoek
-ondervond in geenen deele, en stijgt onze bewondering in geen geringe
-mate over het verlichte oordeel van den moedigen en zelfstandigen
-denker, die zijn tijd ver vooruit was en zich door geen blind geloof of
-gezag liet leiden of beheerschen, maar datgeene trachtte te
-doorgronden, waarin door anderen berust werd en die ook moed genoeg had
-om voor zijne overtuiging uit te komen, al moest hij daardoor gesmaad
-en verguisd worden.
-
-Ook beklaagt hij zich zoo weinig medewerking en hulp bij zijne eigen
-stadgenooten te ondervinden. In een brief aan den heer L. van
-Velthuyzen d.d. 11 Mei 1679, in het bezit nu van wijlen den Heer van
-Dam van Noordeloos te Rotterdam en waarvan ik copie mocht nemen,
-schrijft hij „Ick heb soo nu en dan wel te kennen gegeven, dat ick het
-bloet van ongesonde menschen etc. etc, genegen was om te sien, maer ick
-heb noyt ’t een of ’t ander bekomen en daarom is mijn voornemen geen
-versoeck na dees tijd meer te doen.” En aan zeker Ciciliaansch edelman
-die hem kwam bezoeken, beklaagde hij zich eveneens, dat hij binnen
-Delft geen hulp kon bekomen, waarop deze hem antwoordde „Ick verwonder
-my niet, want de Hollanders syn niet genegen als om gelt te winnen.”—
-
-Leeuwenhoek’s grootste strijd met de geleerden van alle landen ontstond
-ten gevolge zijner waarnemingen omtrent de zoogenaamde zaaddiertjes en
-zijne beschouwingen over de voortteeling, die zoo geheel indruischten
-tegen de toen algemeen aangenomen zienswijze over dit onderwerp.
-
-Kort nadat hij de bovenvermelde ontdekking der infusoria gedaan had,
-werd er eene andere door hem openbaar gemaakt, die van niet minder
-belang te achten is en de hoofden en pennen der geleerden van dien tijd
-geruimen tijd heeft bezig gehouden, eene ontdekking, ten gevolge
-waarvan de mannen der wetenschap zich als het ware in twee gelederen
-schaarden over de gevolgtrekkingen, die Leeuwenhoek er uit afleidde en
-zijne theorie over de voortteeling, die hij er op grondvestte. De voor-
-en tegenstanders bestreden elkander dikwijls met de scherpe wapenen der
-bespotting en verguizing, totdat men, door de ontwikkeling der
-wetenschap beter voorgelicht, eene voorstelling aannam, die beter met
-de resultaten der ontleedkunde overeenkwam. Deze nieuwe ontdekking nu,
-welke wij zullen zien, dat volgens mededeeling van Leeuwenhoek zelf,
-niet aan hem, maar aan zekeren Ham moet worden toegeschreven, betrof de
-waarneming van levende wezens in het voortteelingsvocht der dieren.
-
-Omtrent den eigenlijken ontdekker dezer „animalcula spermatica,” ook
-„spermatozoïden” genoemd, bestond nog veel verschil van gevoelen.
-
-De ware toedracht van zaken nu wordt door Leeuwenhoek aan den Heer
-Harmen van Zoelen, Oud-Burgemeester van Rotterdam, in een brief d.d. 17
-December 1698 [114] zeer uitvoerig verhaald. Toen namelijk later
-Hartsoeker zich de eer der ontdekking wederrechtelijk toeëigende,
-rekende Leeuwenhoek zich verplicht dezen brief, in uittreksel
-medetedeelen. Hij zegt daarin o. a., dat hij in November van het jaar
-1677 aan de Koninklijke Sociëteit te Londen geschreven had, een brief
-van den Heer Craanen Hoogleeraar te Leiden ontvangen te hebben, met
-verzoek om zijn neef, den Heer Ham, student in de medicijnen eenige
-zijner waarnemingen te laten zien, die hem dan ook in Augustus 1677 een
-bezoek bracht. Toen deze hem nu voor de tweede maal bezocht, bracht hij
-een glazen fleschje mede, waarin hij „eenig ontloopen zaad van een man
-medebragt, die bij een ongesont vrouwspersoon hadde geweest.” Deze Heer
-Ham had dit vocht door het microscoop bezien en daarin „levende
-schepsels” zich zien bewegen en meende dat deze uit bederf waren
-voortgekomen. Hij had er staarten aan opgemerkt en bovendien had hij
-gezien, dat zij niet meer dan 24 uren in het leven bleven; tevens
-verhaalde hij, dat, toen hij de patiënt terpentijn had ingegeven, de
-diertjes daarvan stierven. Leeuwenhoek onderzocht nu op zijn beurt het
-vocht, door een weinig er van in een haarbuisje te brengen, bezag het
-in het bijzijn van Ham en vond zijne ontdekking alleszins bewaarheid.
-Onmiddellijk daarop werd dit onderwerp een punt van nauwgezet onderzoek
-voor hem. Hij onderzocht herhaalde malen nu ook gezond sperma, vooral
-ook van verschillende dieren en vond de waarneming bij allen
-bewaarheid. Somtijds vond hij „meer dan duizend levende schepsels in de
-quantiteyt materie van een grof sand.” Zij waren kleiner dan de
-bolletjes van het bloed, de vorm er van was rondachtig, van onder spits
-toeloopende en met een langen dunnen staart voorzien, die circa 5 à
-6maal zoo lang was en omtrent 25maal dunner dan het lichaam. Zij
-bewogen zich door eene slangsgewijze beweging van den staart.
-
-Tot bevestiging van de waarheid, dat zijne medegedeelde ontdekking
-reeds vóór het jaartal (1678), waarin Hartsoeker beweerde dezelfde
-waarneming te hebben gedaan, was geschied, voegt hij er nog aan toe:
-dat die in zijn schrijven gedateerd, Nov. 1677, was opgenomen in de
-„Philosophical Transactions” no. 142 zijnde van December 1677 en
-Januari en Februari 1678.
-
-Daar er omtrent den persoon van Ham, zijn waren naam en nationaliteit,
-zeer verkeerde lezingen bestaan, acht ik het niet ongepast te dezer
-plaatse melding te maken van bijzonderheden, die mij eerst onlangs zijn
-bekend geworden uit eene mededeeling in 1862 gedaan door Prof. H. I.
-Halbertsma [115] waaruit blijkt, dat niet Lodewijk Ham of Hamme, door
-sommigen voor een Duitscher, een jong geneesheer uit Dantzig gehouden,
-maar Johan Ham van Arnhem de ontdekker der spermatozoïden is. De
-belangrijkheid dezer Nederlandsche ontdekking moge mij ter verschooning
-strekken voor de uitweiding over zijn persoon.
-
-Tot de meening dat Ham een Duitscher zou geweest zijn heeft, volgens
-Prof. Halbertsma, Haller [116] aanleiding gegeven, als hij zegt:
-„Inventorem esse credo, Ludovicum Hamme (auctorem libri de herniis et
-de crocodilo) juvenem germanum”.
-
-Kurt Sprengel [117] neemt echter, in later tijd, deze meening van
-Haller reeds als eene uitgemaakte zaak aan, waar hij zegt: „Es war in
-August des Jahrs 1677, als ein junger Arzt aus Dantzig, Ludwig von
-Hammen, die damals in Leiden studirte, den berühmter Anton von
-Leeuwenhoek zu Delft besuchte, und diesen zuerst auf die Körperchen im
-männlichen Saamen aufmircksam machte, auch sie ihm wirklich zeigte.”
-
-Deze Ludwig von Hammen nu schijnt zich inderdaad in Leiden te hebben
-opgehouden, zoo als blijkt uit eene plaats in zijne „Dissertatio de
-Herniis”, Ed. tertia L. B. 1681, opgedragen aan Prof. Drelincourt, p.
-61, waarin hij gewag maakt van eene waarneming, die hij in „Leydensium
-Nosocomio” heeft gemaakt en ook op pag. 76 van eene andere observatie
-spreekt, waargenomen „ni fallor, Lugduni ad Rhenam.”
-
-Op het gezag nu van Haller en Kurt Sprengel hebben vele der nieuwere
-schrijvers dezen Ludwig von Hammen uit Dantzig voor den ontdekker der
-spermatozoïden gehouden, zoo als onder anderen in de „Allgemeine
-Encyclopædie” van Ersch en Gruber [118] en Kölliker [119] en Eckhard
-[120].
-
-Ook Ehrenberg, Henle en Frey schijnen, volgens Prof. Halbertsma deze
-meening aan te kleven, ofschoon zij over Ham niets meer weten te zeggen
-dan dat hij een Leidsch student was. Prof. Halbertsma nu toont in
-bovengenoemde mededeeling het ongegronde van deze meening aan en
-gelooft het bewijs te kunnen leveren, dat deze Ham de voornaam Johan
-voerde en dat hij een Arnhemmer, dus een Hollander van geboorte was.
-
-Uit eene korte levensschets namelijk van dezen Johan Ham, in het werk
-van Muys [121] citeert Halbertsma de latijnsche zinsnede, aldaar
-voorkomende op p. 288, waarin de ontdekking van Ham der spermatozoïden,
-in 1677 door hem aan Leeuwenhoek medegedeeld, wordt vermeld en waaruit
-verder blijkt, dat hij doctor in de medicijnen was, de practijk heeft
-uitgeoefend te Arnhem, dat hij secretaris van Legatie is geweest bij
-den keurvorst van Brandenburg en later aan het hoofd van hetzelfde
-gezantschap heeft gestaan; dat hij, teruggekeerd in het vaderland,
-Burgemeester is geworden van Arnhem en eindelijk Gelderland bij de
-Staten-Generaal heeft vertegenwoordigd. Het blijkt hieruit dat Haller,
-daar hij dezen schrijver Muys aanhaalt, bekend was met den levensloop
-van Johan Ham, hoewel hij desniettemin gelooft dat hij een Duitscher
-was.
-
-Prof. Halbertsma heeft allen twijfel die nog mocht hebben blijven
-bestaan over de juistheid van hetgeen Muys ons aangaande Ham mededeelt,
-opgeheven, door de nasporingen, welke de heer Bakhuyzen van den Brink
-in ’s Rijks Archief en de Heer Nyhoff in het provinciaal Archief van
-Gelderland, op zijn verzoek hebben in het werk gesteld. Uit dit
-onderzoek blijkt, dat Ham niet Ludwig maar Johan en niet von Hammen,
-maar kortweg Ham heette.
-
-Onder dien naam komt hij voor in zijn briefwisseling met hunne
-Hoog-Mogenden, te vinden in ’s Rijks Archief en ook in de rekeningen
-der stad Arnhem. En ten overvloede vindt men dat in den „Catalogus
-inscriptionum”, voorkomende in het Archief van den Senaat der
-Hoogeschool te Leiden, zijne inschrijving als student op de volgende
-wijze staat: „1671 Sept. 16. Johannes Ham, Philosophiae studiosus ann.
-20, by Anneken Schepsel in de Nieuwstraat”. Het behoeft geen
-verwondering te baren, dat Ham als student in de philosophie werd
-ingeschreven en later bij Leeuwenhoek voorkomt als student in de
-medicijnen, daar de beoefening van verschillende vakken van wetenschap
-niet zoo gescheiden was als thans. De Hoogleeraar Theodor Craanen,
-wiens neef onze Ham was, was bijvoorbeeld ook Doctor in de philosophie
-en medicijnen en doceerde zelfs deze beide vakken. Daar nu verder geen
-bijzonderheden meer omtrent den levensloop van Ham kunnen medegedeeld
-worden en hij ook, volgens gedane nasporingen, noch te Leiden, noch te
-Harderwijk gepromoveerd is, zoo behoort het niet tot de
-onmogelijkheden, dat hij, na zijne studiën te Leiden te hebben
-volbracht, den graad van Doctor in het buitenland, bij voorbeeld aan
-eene Duitsche Hoogeschool verkregen heeft, eene handeling die niet
-zonder voorbeeld is. Ham is vermoedelijk in 1650 of 1651 geboren,
-blijkens zijn inschrijving in September 1671 te Leiden als student,
-toen hij den leeftijd van 20 jaren bereikt had. Met minder juistheid
-nog is zijn sterfjaar op te geven, hoewel met zekerheid is vast te
-stellen, dat hij in 1723 nog leefde, daar Ham toen, blijkens de stads
-rekeningen van Arnhem, voor de derde maal als Burgemeester van Arnhem
-uit de steden van het kwartier van Veluwe gecommitteerd werd ter
-vergadering van Hunne Hoog-Mogenden.
-
-Na deze uitwijding over Johan Ham, keeren wij tot de zaak zelve terug.
-
-Op uitnoodiging der „Royal Society” zette Leeuwenhoek nu zijne
-waarnemingen over de spermatozoïden met ijver voort, verzekerde zich
-van de aanwezigheid dezer lichaampjes bij den hond, de kat, het konijn,
-den haan, en vele andere dieren en vond dat ze allen overeenkwamen met
-die, welke hij reeds beschreven had. Ook in den walvisch was hij in de
-gelegenheid die te observeeren en vond daarbij dat zij in dit groote
-dier geen grootere afmetingen bezaten, dan die hij bij de kleine dieren
-waarnam. Bij den kikvorsch en in de hom van verschillende visschen, die
-hij met hetzelfde doel onderzocht, vond hij ze in een verbazend groot
-aantal.
-
-De observatie van Leeuwenhoek was in alle opzichten juist, maar, zoo
-als later bleek, vergiste hij zich in de natuur der waargenomen
-lichaampjes, daar deze geen diertjes zijn, maar veeleer als celachtige
-weefseldeeltjes moeten beschouwd worden.
-
-Deze waarneming van de spermatozoïden bij de mannelijke dieren deed hem
-eene theorie der voortteeling bedenken, namelijk, dat van deze diertjes
-de grootste zich in de baarmoeder voedden, daar tot wasdom geraakten en
-de vrucht of het foetus vormden. Deze theorie, hoewel zij tegen de toen
-algemeen aangenomen zienswijze indruischte, werd door velen aangenomen,
-zoo als onder anderen door Huygens, Boerhaave, Hartsoeker, maar door
-niet weinigen betwijfeld en ontkend, waaronder Harveus, de Graaf,
-Kerkringius, Nuck, Swammerdam en anderen.
-
-Intusschen was Leeuwenhoek met hart en ziel en uit volle overtuiging
-zijne theorie der voortteeling toegedaan en verdedigde zijne stellingen
-met kracht tegen al wie zich met hem daarover in het strijdperk durfde
-wagen, zoo als blijkt uit hetgeen hij daarover schreef, toen Dr. Martin
-Lister zijne stellingen omtrent de voortteeling uit een diertje van het
-mannelijk zaad in de „Philosophical Transactions” had bestreden [122].
-„Ik moet” zegt hij [123], „tot UE. Hoog Edele Heeren seggen dat de
-gemelde tegenwerpingen mijn gevoelen niet een stip om soo te spreeken,
-doen veranderen.”
-
-François Aston schreef hem in Februari van het jaar 1683 over zijne
-theorie, „dat deze zeer ingenieus was, maar dat zij veel tegenspraak in
-de wereld zou ondervinden.” Leeuwenhoek antwoordde daarop, dat hij dit
-ook wel gedacht had: „Want de werelt is met een voor-oordeel omtrent
-het eyernest ingenomen maar,” voegt hij er bij „ik heb al veel geleerde
-Heeren in ons land gevonden, die myne stellingen approberen.” [124] Aan
-Leibnitz schreef hij [125]. „Seker seer verstandig Heer in onze stad,
-seyde tot my, Leeuwenhoek, gij hebt de waarheyt, maar bij u leven sal
-zy geen ingang vinden. Ende dus komt het my niet vreemt voor, dat ik in
-myn leven wert tegengesproken.” In zijne missive van 30 Maart 1683 aan
-dezen geleerde schrijft hij [126]: „Ik weet wel, dat myne stellinge
-omtrent de voorttelinge by eenige gants verworpen werden, gelyk dan ook
-seker Autheur onlangs uitgegeven heeft een boekje, waarin den selven op
-telt seventig Autheuren, die geschreven hebben dat alle de vruchten soo
-van menschen als beesten uit een ey voortkomen” .... „Maar laat nu
-onsen Autheur dit voegen by zyn 70 Autheuren, ja, laat hem (soo hy wil
-en kan) met andere tot seventig maal seventig voor den dag komen, die
-alle het ovarium ofte eyernest vast stellen, en seggen dat het mannelyk
-saat niet in de baarmoeder werd gestort, ik segge dat sy altemaal
-gedwaalt hebben, en dat zy nog alle dwalen, die seggen, dat menschen en
-dieren uit eyeren voortkomen ende dat geen mannelyk saad in de
-baarmoeder komt, ja dat dit al van de onnoselste stellingen syn, die
-onder de geneesmeesters in swang gaan.” Men ziet het, Leeuwenhoek dorst
-zijn tegenstanders te woord staan en liet zich niet gemakkelijk uit het
-veld slaan. Telkens als het pas gaf spreekt hij met groote minachting
-van de „gewaande eyernesten”, van „dat tuig, dat men eyeren noemt.”
-Vooral was hij scherp tegen Bontekoe [127], die zijne observaties
-omtrent de zaaddiertjes en de generatie in een belachelijk daglicht had
-trachten te stellen. In een brief aan de „Royal Society” van 30 Maart
-1685 [128] laat hij zich over deze handelwijze van Bontekoe aldus uit:
-
-„My is laatst ter hand gekomen een boekje, genaamt „Collectanea
-medico-physica”, alwaar, Cent. 5 pag. 8, onder ander geseid werd: „Maar
-het allerverwonderenste is, dat ons den geleerden Heer Cornelis
-Bontekoe verhaald uit den curieusen Leeuwenhoek, dat ’s menschen sperma
-vol soude zyn van kleine kinderkens, en soo voorts en andere dingen na
-yders aard.” Waarna hy laat volgen: „’t Is waar dat de Heer Bontekoe my
-veel maal met geselschap is wesen besoeken, maar ik heb nooit tegen
-hem, ofte tegen iemand ter wereld, die redenen gebruikt, dat ’s
-menschen sperma vol is van kleine kinderkens, maar wel geseid, dat het
-vol is van levendige dierkens of wormkens die lange staarten
-hebben”.... Ik moet dan klaagsgewijze zeggen, hoe dat men myne redenen
-niet alleen verdraait, of die qualijk voort seid, maar zelfs die op het
-papier met den druk komt gemeen te maken.”
-
-Als een staaltje van de wijze waarop de waarnemingen van Leeuwenhoek
-zoowel van het ontdekken der diertjes in het water, als in het sperma
-werden gecritiseerd diene het volgende curieus versje, dat ik in een
-oud geschrift [129] vond. Daarin wordt op ironische wijze de bewering
-van Leeuwenhoek van het vinden van levende diertjes in verschillende
-vochten enz. en dat hij wormen meende te zien, waar anderen niet het
-minst daarvan konden bespeuren gehekeld, de schrijver is overtuigd dat
-men over zijne waarnemingen hetzelfde oordeel kan vellen dat Dr. Becker
-in zijn „Närre Weisheit und weise Narheit”, 1682, no. 38 heeft
-aangevoerd:
-
-
- „Die Welt still steht,
- Und nicht umgeht,
- Wie recht die Gelehrten meynen;
- Ein jeder ist Seines Wurms vergewyzt,
- Copernicus des Seines,
- Und also Herr Lewenhoeck des Seinen”.
-
-
-Onder de scherpste tegenstanders van Leeuwenhoek, niet alleen bij zijn
-leven, maar zelfs na zijn dood, moet men zijn land- en tijdgenoot
-Hartsoeker rekenen. Deze geleerde, wiens scherpe critiek zelfs mannen
-als Bernard, Leibnitz, Newton en anderen niet spaarde, had zich de
-moeite gegeven, om na den dood van Leeuwenhoek zijne brieven te
-onderzoeken. Hartsoeker heeft dit onderzoek geplaatst achter zijn
-„Cours de Physique, accompagné d’un extrait critique des lettres de Mr.
-Leeuwenhoek,” welk werk in 1730 bij Jan Swart te ’s Hage, na den dood
-van Hartsoeker, is in het licht gegeven.
-
-Dit critisch onderzoek draagt het karakter van persoonlijken wrok en
-geringschatting, waarvan de proeven schier op iedere bladzijde te
-vinden zijn.
-
-Een paar voorbeelden van de wijze, waarop Hartsoeker gewoon was in zijn
-„Extrait critique” de waarnemingen van Leeuwenhoek te critiseeren,
-zullen voldoende zijn, om zijn scherpen toon te leeren kennen.
-
-Van de brieven in het algemeen sprekende, zegt hij daarvan, dat zij
-geschreven zijn „dans un stile bas et rampant” hoewel hij niet nalaten
-kon te erkennen, dat zij „contiennent parmi quantité d’observations
-inutiles et chimériques, quelques unes de très bonnes et qui servent à
-l’avancement des sciences.”
-
-
-Hij spreekt verder met minachting van zijn persoon, en niet zonder
-jaloezie, wegens de onderscheiding die hij van anderen ondervond: „Je
-n’ai jamais été surpris qu’un homme comme nôtre auteur, dont le genie
-étoit assurément au dessous du médiocre, ait parlé comme il a fait des
-globules du sang, du lait etc.; mais mon étonnement a été bien grand de
-voir que de célèbres médecins et professeurs en philosophie et en
-médecine, l’ont cité avec éloge sur sa belle découverte des pretenduës
-boules, et ont adopté son galimatias.”
-
-Dat ook Leeuwenhoek zelf niet vriendschappelijk gezind was ten opzichte
-van Hartsoeker kan blijken uit de volgende passage uit het genoemde
-„Extrait critique”. „J’ai été trois fois chez lui. J’y fus la prémière
-fois avec un bourguemestre de Rotterdam et avec mon père vers la fin de
-l’année 1672, ou au commencement de l’année 1673, dont il s’est fort
-bien souvenu comme on le verra dans la suite. J’y fus la deuxième fois
-seul, vers la fin de l’année 1679 à mon retour de Paris. Cette visite,
-que je lui rendis, moité dans la ruë et moitié a l’entrée de sa maison,
-m’attira son disgrace et m’en fit un ennemis capital, à cause que je
-lui fis sur ses ridicules anatomies, quelques objections aux quelles il
-ne pouvoit me répondre. Comment faites-vous, lui disois je, pour
-disséquer, par exemple, une puce, et qui plus est, une mite, pour tirer
-les testicules de leur corps, pour ouvrir ces testicules et en ôter la
-semence, enfin pour voir que cette semence est remplie de petits
-animaux en forme de petites anguilles fort longues et fort minces; de
-quels verres vous servez vous pour faire cette anatomie? Si le verre
-est petit, vous n’avez pas assés de lumière, parce que vous le cachez à
-vous même; s’il est grand il ne grossit pas assés. Mais de quels
-couteaux vous servez vous? Celui qui auroit le tranchant le plus fin et
-le plus aigu écraseroit le vaisseau plutôt que de l’ouvrir .... et la
-dessus s’ennuiant sans doute de mes objections, il me congédia assez
-brusquement, disant qu’il avoit d’autres affaires.”
-
-Zijn derde en laatste bezoek bracht hij aan Leeuwenhoek in 1697 of
-1698. Hartsoeker was toen in gezelschap van den Burgemeester van Delft,
-wien hij verzocht had zijn naam niet te noemen.
-
-Leeuwenhoek had tot ontvangst zijner gasten alles in gereedheid
-gebracht, ten einde hen eenige praeparaten te laten zien. De
-burgemeester niet aan dit verzoek van Hartsoeker denkende, stelde hem
-aan Leeuwenhoek voor, waarop Leeuwenhoek, zoo zegt H., in zijn Extrait
-critique: „me regardant avec un air dédaigneux, et d’un oeil
-d’indignation et de mépris, serra d’abord toute la boutique, sans
-vouloir nous faire voir la moindre chose, et peu s’en fallut qu’il ne
-nous mit par les bras hors de sa maison.”
-
-Aan het slot van de critiek zijner brieven gekomen, zegt Hartsoeker, in
-de beoordeeling van zijn laatsten brief, vol van scherpte en
-persoonlijke antipathie: „Tout ce qu’il y dit a été dit et redit mille
-fois, de sorte que ce ne sont qu’autant de parôles perduës; et pour ce
-qui est des figures qu’il a fait graver de ses observations, elles ne
-signifient rien du tout, et ne representent que des traits confus”.
-
-Blijkt nu uit al het aangevoerde, dat Leeuwenhoek, wegens zijne
-ontdekkingen en vooral zijne „speculatiën” over de voortteeling, veel
-tegenspraak ondervond en dikwijls aan hevige aanvallen blootstond, aan
-den anderen kant had hij ook warme voorstanders onder de beroemdste en
-geleerdste mannen van zijn tijd. Hiervan blijkt ons vooral uit eene
-correspondentie met Leibnitz, d.d. 28 September 1715 [130]. Deze had
-hem namelijk geschreven, dat de geleerde Vallisnieri te Padua zijne
-stellingen ontkende en dat hij (Leibnitz) weldra een werk dacht uit te
-geven over dit onderwerp, waarin hij hem recht zou laten wedervaren.
-Leeuwenhoek antwoordde: „Wij hebben in ons lant een spreekwoort, dat
-ééne bonte kraaij geen koude winter maakt, is de Heer Vallisnieri tegen
-myne stellinge, daar syn der wel duyzent voor my.”
-
-Van deze uitspraak van Leibnitz ten gunste van de stellingen van
-Leeuwenhoek, alsmede van zijn groote verdiensten, blijkt ons nog nader
-uit eene verwijzing naar het boven bedoelde geschrift, de „Theodicae”
-van Leibnitz, waarin hij werkelijk deze theorie van Leeuwenhoek
-verdedigt.
-
-In een door Prof. C. G. Ehrenberg in 1845 gehouden redevoering in de
-vergadering van de Pruisische Akademie van Wetenschappen, ter
-herdenking van den geboortedag van Leibnitz [131], wordt namelijk door
-genoemden geleerde met de hoogste achting over Leeuwenhoek gesproken,
-als van iemand, op wiens oordeel als nauwkeurig, scherp waarnemer,
-Leibnitz zeer hoogen prijs stelde.
-
-Na eene korte vermelding van de tusschen Leeuwenhoek en Leibnitz
-gevoerde correspondentie in de jaren 1715 en 1716 (toen de laatste 60
-en Leeuwenhoek reeds 84 jaren oud was), voornamelijk bevattende de
-gevoelens van den laatsten, in antwoord op door Leibnitz aan zijn
-oordeel onderworpen vragen, omtrent de physiologische beteekenis der
-spermatozoïden, zegt Ehrenberg, dat Leibnitz getuigde: „dat hij de
-meeningen van Leeuwenhoek over dit vraagstuk voor zeer waarschijnlijk
-hield en die ook in zijn Theodicae [132] had uitgesproken.”
-
-Ehrenberg zelf noemt in genoemde redevoering Leeuwenhoek’s ontdekkingen
-der infusoriën in het water en der spermatozoïden in het mannelijk
-sperma, „twee der schitterendste en onvergankelijkste
-ontwikkelingsmomenten der menschelijke kennis.” Ehrenberg zegt aldaar
-verder van Leeuwenhoek, dat hij niet, zoo als Haller in zijne beroemde
-physiologie aangeeft, een voormalig brillenslijper te Delft was
-geweest, „maar een onafhankelijk, zonder strenge school gevormden, maar
-door Boerhaave en Huygens, zijn hoogstverdienstelijke landslieden,
-persoonlijk geachten, met vele beroemde mannen van zijn tijd en ook met
-Leibnitz in schriftelijke verbintenis staanden man, de onafhankelijke
-zoon van een welvarende brouwersfamilie te Delft, wiens
-wetenschappelijke trouw, vlijt en geniale ontdekkingen alle erkentenis
-en eer verdienen.”
-
-Leeuwenhoek werd door Leibnitz nog in zijn, na zijn dood uitgekomen
-„Protogeae”, in het bijzonder met de volgende woorden, welke als
-antwoord en dankbetuiging moesten strekken voor den laatsten aan hem
-gezonden brief, herdacht:
-
-„Et velim microscopia ad inquisitionem adhiberi, quibus tantum
-praestitit sagax Leeuwenhoekii Philosophi Delphensis diligentia, ut
-saepe indigner humanae ignaviae, quae aperire oculos et in paratam
-scientiae possessionem ingredi non dignatur. Nam si saperemus jam
-passim ille imitatores haberet” [133].
-
-Omtrent het gunstig oordeel van Boerhaave over de stellingen van
-Leeuwenhoek, zegt hij in een zijner brieven: „de Heer Boerhaave in syn
-oratie, verwerpt onder andere de stellinge van verscheyde Heeren
-omtrent de voortteelinge, en seyt dat de myne in Italiën, Duytslant,
-Engelant, ende Vrankryk, werden aangenomen.”
-
-Leeuwenhoek achtte het vooral noodig de bedenkingen, die bij de leden
-der „Royal Society” tegen het groot aantal diertjes door hem in het
-sperma waargenomen, gerezen waren, te wederleggen. Hij deed dit in een
-brief aan Nehemiah Grew, d.d. 25 April 1699 [134] en zegt daarin het
-volgende: „en alhoewel in myn selven versekert dat dese myne verhaalde
-observatiën by weynige menschen sullen aangenomen worden, nademaal het
-onmogelyk is, sulken grooten getal van levende schepsels in soo een
-quantiteit materie te bevatten, soo wil ik alle de geenen die het
-selvige verwerpen, het haar ten goede afnemen, te meer, omdat wanneer
-ik van het groot getal van levende schepsels in ’t water schreef, by de
-Koninglyke Societeyt selfs niet konde aangenomen werden. Maar daar ik
-myne calculatie en eenigsints myn methode van doen beschreef, soo heeft
-UEd. confrater de Heer Robert Hooke het getal noch vergroot ende my
-geschreven, dat zyn Koninglyke Majesteit sulks gehoort hebbende,
-begeerig was om hetselvige te sien, ende dat hy hem beliefde, en de
-dierkens siende, met verwondering deselve aanschouwde, ende met groot
-respect van myn naam sprak. Want soo waaragtig, als ik van de dierkens
-in het water heb geschreven, soo waaragtig schrijf ik van de dierkens
-in ’t mannelijk zaad van menschen, beesten, vogelen ende visschen, en
-het sal my genoeg zyn, soo ik maar credit by UEd. en de geleerde Heeren
-Philosophen vinde, waaraan ik ook niet en twijffele.”
-
-Leeuwenhoek was echter, bij al zijn vasthouden aan hetgeen hij voor
-waarheid hield, volstrekt niet onvatbaar voor overtuiging, zoo als
-sommige schrijvers wel eens hebben gezegd. Dit kan, onder meer andere
-betuigingen van hem in zijne brieven, blijken uit zijne volgende
-verklaring in een brief aan George Garden [135] „myn voornemen is niet
-hartnekkig by myn stellinge te blijven, maar zoo ras, als men my
-waarschynlyke redenen te gemoet voert, daar van ik een bevattinge kan
-krygen, dat ik de myne sal verlaten, en tot een ander overgaan, te
-meer, omdat doorgaans myne tragtingen tot geen ander eynde strekken,
-als omme waarheyt, soo veel in myn vermogen is, voor de oogen te
-stellen, die te omhelsen, ende myn kleyn talent, dat ik ontfangen heb,
-te besteden, om de werelt, van haar Out-Heydens bygeloof af te trekken,
-ende tot de waarheyt over te gaan, ende die aan te kleven.” En elders
-[136] „Ik weet wel, dat in myne stellinge die ik kome te maken, niet
-alle over een komen, maar tegen den anderen strijdende saaken daar
-onder gevonden werden, soo sal ik al weder seggen, dat myn doen is,
-niet langer myn gevoelen staande te houden, tot der tyd en wyle ik
-beter onderrigt werde of dat myne aanmerkingen my tot andere gedagten
-doen over gaan en ik sal my noyt schame van dit myn doen af te wyken.”
-Dat is de taal van een eerlijk, eenvoudig, oprecht gemoed, en
-onwillekeurig worden wij met eerbied vervuld voor den man, die pal
-stond tegen onwaardige verguizing en bespotting, maar vatbaar was voor
-overtuiging. Hoe meer men de brieven van Leeuwenhoek doorleest, hoe
-meer men versterkt wordt in deze gunstige opinie omtrent hem, die wel
-niet vrij was van gebreken, gedeeltelijk ook toe te schrijven aan zijne
-beperkte ontwikkeling, maar die overigens edel van hart en eenvoudig
-van zin was en daarvan talrijke bewijzen gaf.—
-
-Bij het doorlezen zijner brieven treft ons zijn onbevangenheid van
-oordeel, zijn oorspronkelijkheid in het verklaren en beoordeelen van
-feiten door hem waargenomen, en zijn helder inzicht in vele zaken,
-waardoor hij bleek een zelfstandig denker te zijn, die weinig behebt
-was met de vooroordeelen van zijn tijd, deze, waar hij kon, bestreed en
-zich alzoo in de eeuw waarin hij leefde, als een man van vooruitgang
-deed kennen.
-
-Vooral werd de lichtgeloovigheid der groote menigte scherp door hem
-bestreden; dit bleek o. a. als hij in de gelegenheid was te waarschuwen
-tegen vreemde geneesheeren en het gelooven in hunne hoogdravende
-aankondigingen van zoogenaamde onfeilbare middelen tegen allerlei
-kwalen. Hij doet dit met ernst en overtuiging en wij zien daarin het
-bewijs, dat Leeuwenhoek reeds twee eeuwen geleden wijzer was dan zoo
-velen van onzen tijd. „Het is te beklagen” zegt hij [137] „dat veele
-menschen in ons lant soo ligt-geloovig zyn, want laat maar een vreemde
-geneesheer in ons lant komen, die sig selven beroemt van groote cure
-gedaan te hebben, gelyk ze gemeenlyk doen, en haar roemen met veel
-leugens weten op te pronken. Dit pochen en snorken vint veeltyds niet
-alleen ingang by den gemeenen man, maar het gaat ook over tot luyden,
-waarvan men een beter oordeel verwagte; en als men deze vreemde
-opsnuyvers omtrent saken, die ze behoorde te weten, komt aan te
-spreken, bevind men haar slegte knegten te zijn. Eenigen tijd geleden
-en is in ons land gekomen, een grooten, botten opgever en leugenaar,
-zynde een Hoogduytser, die sig beroemde, door syn poeder „Sympatie”,
-alle gebreken die men hem kwam te noemen, te sullen genesen. Dezen
-pofhans die bragt men uyt een nabygelegen stad, met een karos aan myn
-huis, opdat ik soo een wonderlyke geneeser soude aanschouwen; dese syne
-geneesinge bestond alleen door syn poeder Sympatie te gebruyken op de
-urine van de lyder. Nadat ik de opsnorkinge van geneesinge in ’t breede
-soo lang hadde aangehoort, dat het my verveelde, versogt ik de vryheid
-te mogen hebben, om myne gedagten soo als ze by my lagen, te uytten,
-dat my wierd toegestaan, waarop ik, sonder veel omwegen, op het eerste
-seyde, dat wy Hollanders sulks niet en sullen gelooven, enz. en op het
-tweede dat ik het agte een onmogelijkheid, en dat alle, die sulke taal
-voeren, door my voor desen was geseyt, en nog staande gehouden wierd,
-dat het maar bedriegers syn; in ’t kort, hy verhaalde soo vele
-geneesinge en door sulke wegen, die geen de minste schyn van waarheden
-konnen hebben, en die by alle verstandige verworpelyk syn. Ja soodanig,
-dat ik my schaamde over syn onnoselheid, en gelyk ik voorseyd hadde,
-dat ze alle sullen bedrogen werden, die met hem aanslaan, gelyk gevolg
-sulks geleerd heeft, want hy is met schande vertrokken”.... „Is ’t niet
-miserabel”, zegt hij iets verder, „dat onse natie haar aan sulke
-menschen overgeven, daar ze ten genoege konnen gedient werden van oude
-ervaren geneesmeesters, onze inboorlingen en die door de bank meer
-begaaftheden bezitten, als de vreemde die we behaamt hebben” .... „Ons
-leert de ondervindinge hoe onervarender in konsten en wetenschappen,
-voornamentlijk in de genees- en heelkunde, hoe grooter roemers.” Ten
-slotte betuigt hy het zyn roeping te achten tegen al dergelyke dwaling
-te stryden en te waarschuwen: „dese opmerkinge komende van iemant die
-de waarheden omhelst en de werelt, soo veel als in syn gering vermogen
-is, van de dwalinge ende het vooroordeel, die niet als te veel nog in
-swang gaan, af te leyden.”
-
-Het blijkt dat Leeuwenhoek’s helder oordeel en zijn kennis van vele
-zaken door zijne stadgenooten en ook elders langzamerhand algemeen
-bekend was geworden en men hem over allerlei aangelegenheden kwam
-raadplegen. Zoo werd hij niet zelden door geneesheeren geraadpleegd
-over verschillende verrichtingen in het menschelijk lichaam en trachtte
-hij meermalen hunne in zijn oog verkeerde denkbeelden, door bewijzen te
-wederleggen, waarbij hij zich niet altijd van zekere bijtende scherpte
-onthouden kon, want hij was een man, die zonder aanzien des persoons
-zijn gevoelen rond weg uitsprak en wien, zoo als men zegt, het hart op
-de tong lag. Niet zelden geraakte hij dan ook met hen aan het
-discuteeren en veroordeelde met scherpte hunne verkeerde zienswijzen.
-Men oordeele over de volgende staaltjes [138]. „Weynige dagen geleden,
-kome ik by eene vrouwe, die eenige kleyne uytsypelinge van vogtigheden,
-beneden aan het been hadde”.... „Om nu het verhaalde ongemak te
-genezen, hadde seker geneesheer alle syne bedenkelyke middelen in ’t
-werk gestelt dog alles te vergeefs en tusschen beyde verscheyde
-purgeerende medicamenten ingegeven, onder anderen had ze een dag à twee
-daar te vooren een kleyn poeyertje ingenomen, waarvan ze wel agt
-afgangen hadde gehad. De geneesmeester sulks geseyt werdende, bekende
-dat het te veel ware, en dat drie afgange genoeg hadde geweest”.... „De
-lydster is van geen starkte en daar by mager en gelijk wel 25 andere
-geneesmeesters, haar souden aanraden het matelyk theedrinken, soo
-verbied sulks haar genees-meester. Dese mishandeling van stark purgeren
-en hoorende dat haar ligchaam met roode puysten was uytgeslagen
-geweest, dede my uytbarsten met een hevigheid te seggen, soo een swak
-ligchaam soo een poeyer in te geven, sulken werkinge te veroorsaken is
-eer een moortmiddel, dan een geneesmiddel. Naderhand versta ik, dat het
-poeyertje, dat de afgange hadde veroorsaakt, omtrent een aas zwaarte
-heeft gewogen, dat geen tienduysenste gedeelte van een pont is. Als nu
-soo een kleyne quantiteit stoffe, sulke beweginge in maag en darmen kan
-te weeg brengen, mogen wy niet met regt soodanige stoffe een
-„Moortpoeder” noemen”?
-
-Nog verhaalt hij [139] dat zeker Doctor in de medicynen hem een
-papiertje vertoonde, waarin eenige kleine deeltjes waren, door zekere
-jufvrouw in haar urine geloosd, met verzoek die te examineeren. Hij
-beschouwde deze voorwerpen door zijn microscoop en bemerkte al
-dadelijk, dat het zaadjes uit de aalbes waren. De geneesheer, die hij
-dit mededeelde, wist daar geen verklaring van te geven, en scheen niet
-ongenegen om de zaak voor mogelijk te achten, doch Leeuwenhoek bewees
-duidelijk, dat zulke zaadjes onmogelijk door de maag en ingewanden in
-de blaas konden geraken, maar was van gevoelen, dat eerder een der
-dienstboden die zaden in den waterpot zou geworpen hebben, „om door
-sulk doen, haar juffrouw te meerder kon beklaagt werden.” „Wij vinden
-menschen,” vervolgt hij, „die de naam wel willen dragen van doorgaans
-siekelyk te syn, omdat men haar beklagen en medelyden souden hebben.”
-
-Van wege de „Royal Society” werd hem het onderzoek van haren
-opgedragen, die zeker geneesheer uit Pleymouth, Yonge genaamd, aan dat
-collegie had toegezonden, met mededeeling dat deze haren, volgens
-zeggen, door eene vrouw in hare urine geloosd waren. Hij voldeed aan
-die opdracht en ontdekte dat het niets anders was dan schapenwol,
-zoodat hier bedrog in het spel was [140].
-
-Leeuwenhoek verhaalt in dienzelfden brief nog een ander geval, waarin
-hij verzocht werd een steen te onderzoeken, die door zekere vrouw zou
-geloost zijn en waarvan hij het bedrog onmiddellijk aantoonde. „Een
-seker vrouwspersoon,” zoo verhaalt hij, „maakte de onnosele menschen
-wys, dat zy verscheyde steenen, door ordinaire waterloosinge, met smert
-quyt wierde. Dit geloofde ook in die tijd seker geneesmeester, en ook
-eenige kerkelyke personen, soo dat vele medelyden met haar hadde, en
-groote opschuddinge in de stad maakte. Seker geneesheer (dien hij
-echter niet noemt waarschynlijk om de lichtgeloovige te sparen) gaf my
-soodanigen steen in de hand, om die te examineren. Maar ik gaf hem
-aanstonts over, nadat ik alvooren met myn sleutel op deselvige hadden
-geslagen, en daardoor met het bloote oog gesien, dat het een stuk van
-een gebakke vloersteen was. En sulks wierd ook by eenige
-Hooge-leeraars, die deselvige ten proeve hadden gestelt, bevestigt, en
-sedert dat deze valsheyt ontdekt was, heb ik niet gehoort, dat sy meer
-veynsde steenen quyt te worden.”
-
-Overigens was zijn oordeel over geneeskundigen en het gebruiken van
-geneesmiddelen alles behalve gunstig. Hij was te zeer gewoon geraakt om
-de verrichtingen in het dierlijk lichaam nategaan en zal daar zeker
-veel over gelezen hebben, zoodat hij zich over de werking der
-geneesmiddelen een eigen oordeel en verklaring gevormd had, en vooral
-over de verandering, die het bloed door vermenging met zekere zouten
-onder het microscoop ondervond. Hij meende dan ook, dat het op gelijke
-wijze inwendig een dergelijken invloed zou ondervinden; vandaar dat hij
-vele ongesteldheden toeschreef aan den te dikken toestand van het
-bloed, zoodat het te traag door de nauwe capillaire buisjes vloeide.
-Hij meende dat veel drinken deze dikke bloedmassa weder zou verdunnen
-en paste deze theorie dan ook getrouwelijk op zijn eigen lichaam toe;
-zoo was zijn gewoonte [141] als hij des avonds wat overvloedig
-gesoupeerd had, den anderen morgen meer dan gewoonlijk koffie te
-gebruiken en wel zoo heet en schielijk mogelijk, ten einde zweeten te
-bevorderen, „en soo door sulk doen” zegt hij, „mijn lighaam niet kan
-herstelt worden, een gantschen Apoteecq, beeld ik my in, sal soo veel
-tot herstelling van myn lighaam niet konnen uytleveren, en dit is ook
-het eenigste middel, die ik sedert veel jaren hebbe in ’t werk gestelt,
-als ik een koorts gewaar werd, alleen met dat onderscheyd, dat ik my
-ook door thé-drinken soo doe sweeten.” Na eene lange redeneering over
-de gevolgen van het te dik zijn van het bloed, de vertraging der
-circulatie en het ontstaan hierdoor van allerlei ongesteldheden,
-besluit hij met de volgende, gansch niet malsche tirade, waarbij ook de
-Apotheker zijn deel krijgt:.... „Dit soo synde, is het te beklagen, dat
-de geneeskunde geoeffent werd van soo veele, by de welke geen goet
-oordeel is, want wat Apoteeker, wat Chirurgyn isser, die sig niet
-onderwint in geringe voorvallen, purgeerende saaken in te geven, en dit
-is by veele het eenigste dat sy verrigten konnen, waardoor ze veele
-haar eynde komen te verhaasten, want de meeste hebben gants geen kennis
-van het maaksel van ons lighaam, veel min dat ze de bequaamheid hebben,
-om de sieke wel te ondervragen, en dan te overwegen waaruyt de
-ongemakken syn voortkomende. Het werd by eenige geoordeelt datter
-geneesmeesters gevonden worden, die maar om welstaans wille en als niet
-te vergeefs by de sieken te komen, het eene ofte het andere
-ordonneeren, en ten anderen, omdat ze de medicamenten souden leveren,
-of ook wel om de Apoteeker gelt in de beurs te jagen”.... Zelf had hij
-dan ook weinig vertrouwen in de geneesheeren en was er niet toe te
-brengen, bij voorkomende ongesteldheid, geneesmiddelen te gebruiken.
-„Wat my belangt,” zegt hy, „wij sullen wel wagt houden, dat soodanige
-moort-poeders [142] uyt ons lighaam blyven, en ook wel wagten voor alle
-geneesmeesters, die diergelyke lighaam schade toebrengende, sulke
-saaken in ’t werk stellen. Want soodanigen medicament berooft het
-lighaam van de dunne stoffe, die de menigvuldige vaatgens, leggende in
-de holligheden van de darmen, uyt de chyl soude overgenomen, ons bloet
-en andere sappen verdunt, en voedsel toegebracht hebben. Ook blykt
-klaar, dat meest alle de geene die heden door purgeren verscheyde
-afgangen hebben gehad, des anderen daags hardlyvig sullen syn, welke
-hardlyvigheid alleen veroorsaakt werd, beeld ik my in, omdat het
-lighaam des daags te vooren, door het ontydig wegstooten van de chyl,
-gebrek aan genoegsamen vogt geleden heeft, nu alle de vogt uyt hetgeene
-men genuttigt heeft, soodanig uit het lighaam heeft overgenomen, dat de
-excrementen hard syn.”
-
-Ook had hij dikwijls langdurige gesprekken met geneeskundigen over de
-voeding en de verteering der spijzen, over de circulatie van het bloed
-door het ligchaam en over de bestrijding van de toen heerschende
-meening, dat het bloed, door de lucht die in de longen door het
-inademen komt, in een gistenden toestand geraakt. Hierover laat hij
-zich aldus uit [143]: „Ik heb sedert eenige jaren tegen verscheyde
-doctoren tragten staande te houden, dat ’er geen fermentatie in het
-bloed is, en onder anderen ook op wat manier ik my imagineerde, dat het
-bloed door het lighaam wierd voortgestooten, hoe hert en pols in een
-koortsige stark slaande, egter de circulatie van het bloet (meest)
-langsamer is; hoe onse vlees draatjens, schoon er geen bloedvaatjens
-door loopen, egter van het arteriaal bloed gevoed werden; hoe de spys
-in de maag en darmen verbryselt werd. Onder de doctoren was er een die
-my meenigmaal quam besoeken; dese verhaalde in presentie van andere
-Heeren, dat hy een groot gevallen had gehad in myne stellinge; dat hy
-laatst van my vertrekkende met nog een doctor, die in ’t geselschap
-was, den gantschen nagt, over myne redenen, die ik gewisselt had, hadde
-gephilosopheert; dat hy daarover soude schryven, maar my de eer soude
-geven, alsoo hy met een ander zyn gedagten niet wilde pronken.”
-
-Leeuwenhoek had echter ook zonderlinge denkbeelden over sommige zaken;
-zoo schreef hij de oorzaak, waarom bij voorbeeld azijn en andere zuren
-een zuren smaak bezaten, daaraan toe, dat de aan beide zijden scherp
-toeloopende kristalletjes, die hij onder het microscoop waarnam, als
-hij azijn op een glaasje van zelf liet verdampen en die hij „het zout
-van den edik” (azijn) noemde, met deze scherpe of nijpende deelen op
-den tong prikken en het gevoel veroorzaken, dat wij zuur noemen!
-Eveneens schrijft hij het gevoel van hitte of branden van de peper op
-de tong toe, aan de scherpe naaldvormige kristallen, die hij door
-aftrekken van peper in water onder het microscoop bekwam en die hij de
-„soutdeelen der peper” noemde; deze deelen nu zouden dan met hun
-scherpe deelen zoodanig op de tong of in den mond steken, of kwetsen,
-dat men daardoor de bekende heete of brandende smaak ondervond. Zoo ook
-schreef hij de vergiftige werking der kwikzouten daaraan toe, dat de
-puntige scherpe uiteinden der microscopische kristalletjes, de
-darmwanden en bloedvaten verwondden en daardoor dikwijls de dood
-veroorzaakt werd!
-
-De zoete smaak werd volgens Leeuwenhoek veroorzaakt, doordat de deelen
-van de suiker, hoewel uit scherpe punten of hoeken bestaande, in het
-vocht van den mond de scherpte verliezen en eene zoo zachte buigzame
-gedaante aannemen, dat, wat zij op de tong ontmoeten, daarvoor buigen
-moet waardoor deze zoo aangenaam daar zijn, dat zij ons den smaak van
-zoet doen gevoelen [144].—
-
-Vragen van allerlei aard werden dikwijls aan zijn oordeel onderworpen
-en men ging zelfs zoo ver, dat men aan hem de kennis over verborgen
-zaken toeschreef, oordeelende dat de ontdekkingen, die hij bekend
-maakte, tot de onmogelijkheden behoorden en alleen met behulp van
-geheime kunsten konden bewerkt worden. „Ik weet wel,” zoo zegt hij in
-een brief aan zijn neef Dr. Abraham van Bleyswyk [145], „dat dit mijn
-schrijven bij eenigen niet zal aangenomen werden, als oordeelende dat
-de geseyde ontdekkingen onmogelijk zijn te weeg te brengen; maar ik
-trek mij zoodanig tegenspreken niet aan. Men seyt tegenwoordig by de
-onverstandige nog van my, dat ik een tovenaar ben; ende dat ik de
-menschen vertoon dat ’er niet en is, dog het is haar te vergeven, zy
-weten niet beter.”
-
-Allerlei onderzoekingen werden hem opgedragen, door aanzienlijke
-stadgenooten, geleerden, corporatiën en handelaars. Ieder stelde prijs
-op zijn ervaring en doorzicht en hij was er de man niet naar om een
-onderzoek, dat hem was opgedragen, niet met ernst te ondernemen, of te
-rusten, voor dat hij een bevredigend resultaat van de hem voorgestelde
-onderzoekingen kon geven. De Royal Society noodigde hem onder anderen
-in 1680 uit om zijne proeven, over de werking van sommige scheikundige
-praeparaten, waarover hij reeds vroeger zijne bevinding had
-medegedeeld, voort te zetten. Zij voegde er bij „dat zijne speculatiën
-over dit onderwerp ten hoogste waardig waren om verder te worden
-vervolgd ter ontdekking der verborgen werking der geneesmiddelen in het
-menschelijk lichaam.” Zij bevalen hem dit onderzoek aan met hartelijke
-toewensching van een goed succes [146].
-
-Leeuwenhoek bleef niet in gebreke aan die vereerende opdracht te
-voldoen. Dit onderzoek bepaalde zich bij de waarneming met het
-microscoop van de verandering die de bloedlichaampjes ondervonden, als
-zij met sommige stoffen, vooral sal volatile oleosum werden vermengd.
-Hij zag dan bij dit laatste dat het bloed dadelijk eene veel lichter
-roode kleur verkreeg, terwijl hij waarnam dat de bloedlichaampjes
-binnen een kwart minuut verdwenen waren. Deze kleursverandering en
-oplossende werking moet aan de ammonia worden toegeschreven, waaruit
-dit praeparaat hoofdzakelijk bestaat, zijnde een mengsel van ammonia
-liquida, met barnsteen-, muscaatnoot-, anijs-, en kaneel-olie.
-
-Paulus Hermanus, Hoogleeraar in de Kruidkunde te Leiden, stelde zijn
-groot cabinet van zaden voor hem open, daar hij Leeuwenhoek’s
-belangrijke waarnemingen omtrent de structuur van het hout en andere
-merkwaardige onderzoekingen betrekkelijk de planten-physiologie
-waardeerde en persoonlijk met hem bekend was. Hij noodigde Leeuwenhoek
-uit de zaden, die hem behaagden, ter onderzoeking er uit te nemen.
-Onder meer andere viel zijn aandacht op het „Carpok-zaad”, hetwelk hij
-beschrijft [147] als de zaaddragende vrucht van Panjala sive Arbor
-lanigera Bontii, in den „Hortus Malab.” T. III pag. 59. Wij maken hier
-alzoo kennis met dezelfde stof, welke wij als kapok kennen [148].
-
-In het jaar 1685 werd door Constantijn Huygens zijn oordeel gevraagd
-over de mogelijkheid, dat boomen, omgekeerd in de aarde geplant,
-wortelen, en de takken en bladeren in den grond tot wortelen zouden
-kunnen groeien [149]. De bewoordingen van dien brief van den beroemden
-Huygens zijn zoo vleiend voor Leeuwenhoek en getuigen zoo zeer van de
-hooge achting, die Huygens voor hem koesterde, dat ik mij niet kan
-onthouden deze hier in te voegen.
-
-
- Hage den 17 December 1685.
-
- Monsieur Leeuwenhoek,
-
- Ik en werde nooyt moede UE. onvermoeyde neerstigheyt te pryzen, in
- ’t ondersoek van geheymenissen die weynig van onse voor-ouderen in
- gedachten syn gekomen, en veele van onse nakomelingen tot een licht
- en spoor sullen strekken, om dieper en dieper waarheden op te
- delven. UE. is daartoe tegenwoordig op een fraay pad, daar van niet
- ligt en behoort te scheyden; soo groot is ’t gevolg van aller
- dingen eerste begintselen, soo UE. meer en meer staat gewaar te
- werden.
-
- Ik weet niet of gy ooyt kennisse hebt gehadt van het planten van
- boomen averegtsom, soo dat de wortelen in de lucht tot takken
- uytgroeyen. Verstaat Lindenboomen. Tot nog toe en hebben ’t myn
- hovenieren niet te wege konnen brengen. Maar myn autheur is al te
- aansienlyk om my daer aan te laten twyfelen. Dat was voor eenige
- jaren den Heer Churfurst van Brandenburg hier synde met syn tweede
- Churfurstinne, die my beyde in vollen ernst confirmeerden, menigte
- van experimenten van sulke wortel-boomen onder haar gebied te
- hebben, uytstekende in groote wijdte, boven het gewoonlyk gewas.
- Myn zoon van Zeelhem [150] sedert met syn Hoogheyt in die landen
- geweest, verklaart er sig mede getuyge af.
-
- UE. discoursen van ’t gewas van de boomen en kruyden hebben my dit
- weder in gedenken gebragt. UE. kan der op speculeren en bedenken
- hoe het overeen kan gebragt werden, met hetgeene UE. ondervind in
- de maximen van de nature u soo verre bekent. Ik blijve
-
- Uw altoos dienstwillige vriend en dienaar,
- C. Huygens, V. Z.
-
-
-Leeuwenhoek oordeelde dat dit zeer wel kon, als de klapvliezen
-(schuinloopende streepen) in de groote vaten zoo ver konden gebracht
-worden, dat zij door het opgestooten vocht, averechtsom gedrukt werden,
-en dat hij dit reeds twintig jaar geleden bij een wijngaard had
-opgemerkt, waarvan hij eene jonge plant in het midden dwars doorsneed
-en den een onderst boven naast den anderen in den grond plantte, en
-nadat deze wijngaart twee a drie jaren gestaan had, kon hij geen
-onderscheid aan beiden zien en droegen beiden goede vruchten. Ook liet
-hij nu in zijn tuin twee jonge lindeboomen planten, de een op de gewone
-wijs en de andere met de wortels naar boven, welke laatste, hoewel
-aanvankelijk trager in het groeien, zich toch later goed ontwikkelde en
-wortelde.
-
-In 1690 onderzocht hij de zoo schadelijke insecten, die hunne eieren in
-het koren leggen en zoo doen ontstaan wat men gewoonlijk de klander
-noemt.
-
-Het wormpje door de korenkopers en bakkers „wolf” genoemd, beschrijft
-hij uitvoerig, gaat zijn metamorphose na, totdat het als een vliegend
-motje uit het omwindsel van de pop te voorschijn komt. Hij had
-opgemerkt dat eenige dezer motjes, die hij in een glazen buis had
-gesloten waarin hij de damp van brandende zwavel had laten komen,
-daardoor stierven. Aanstonds was zijn practische geest gereed dit
-verschijnsel in het groot toe te passen op het verdrijven van deze
-plaag van de graanzolders. Uit de grootte van het buisje dat hij
-gebezigd had en de hoeveelheid zwavel door hem gebruikt, maakte hij
-eene berekening hoeveel zwavel er noodig zou zijn, om een korenzolder
-te zuiveren en vond dat daartoe een pond zwavel voldoende was, als men
-dit in twee a drie potten op den zolder geplaatst liet verbranden,
-waarbij dan alle openingen goed gesloten moesten worden; deze zwaveling
-moest men doen zoodra de motten bespeurd worden en vóór dat zij in de
-gelegenheid waren eieren te leggen, en deze bewerking eenige dagen
-achter elkander volhouden [151].
-
-Deze zelfde zuiveringsmethode paste hij ook toe, naar aanleiding van
-een verzoek van Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, om
-maatregelen te beramen tegen den worm in de muscaatnoot. Hij was van
-oordeel, dat, wanneer de zolders, waar de nooten bewaard werden, alle
-maanden goed werden gezwaveld, de levende insecten, die uit de wormen
-kwamen, zouden gedood en dus het verder doorknagen der nooten zou
-voorkomen worden. Ook achtte hij het zwavelen van het ruim der schepen,
-waarin men de nooten inlaadde, zeer dienstig, ter verjaging van dit en
-ander ongedierte [152].
-
-In 1696 werd hem door Nicolaas Witson, President Burgemeester van
-Amsterdam, uit naam van Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, het
-onderzoek opgedragen van een mineraal uit Tartarije afkomstig. Dit
-bleek hem bij verhitting in een glazen buis veel lood te bevatten.
-Later onderzocht hij nog een ander uit Sumatra en vond daarin goud en
-zilver, benevens zwavel, dat hij in een gesmolten toestand verzamelde
-[153].
-
-Hij onderzocht ook het katoenzaad en merkte onder anderen op dat het
-veel olie bevatte, en dat men, door die af te zonderen, er een groote
-hoeveelheid van in den handel zou kunnen brengen, ten einde voor
-velerlei doeleinden gebruikt te worden [154]. Tarwe, rogge, gerst,
-boekweit en een menigte andere zaden werden door hem ontleedkundig
-onderzocht en tevens de zetmeelbolletjes er uit afgezonderd, die hij
-nauwkeurig beschrijft en afbeeldt; dit deed hij ook van rijst, boonen,
-erwten, enz. en beschreef de verandering, die zij ondergaan, wanneer
-zij, na met water verwarmd te zijn, door het microscoop beschouwd
-worden [155]. Verder ontdekt hij dat het onderscheid tusschen witte en
-zwarte peper alleen daarin gelegen is, dat de laatste het onrijpe zaad
-is, nog bekleed met zijn buitenste omkleedsel terwijl de inwendige
-rijpe witte korrel de witte peper is, die dan ook krachtiger is dan de
-onrijpe zwarte peper [156].
-
-Belangrijk is ook zijn onderzoek naar het ontstaan en den aard der
-zoogenaamde galnoten, waarvan hij den waren aard goed waarnam en het
-insect beschreef, waaraan zij hun ontstaan te danken hebben [157]. Wij
-hebben boven gezien dat hij op een zijner portretten, in het bezit van
-Dr. van Kaathoven, met een met galnoten voorzienen eiken tak is
-afgebeeld, hetwelk op dit onderzoek doelt. Zulk een met galnoten
-voorzienen eiken tak vindt men ook in den geciteerden 50sten Brief
-afgebeeld op blz. 44, met doorgesneden galnoten, en het insect dat wij
-kennen als galwesp, (Cynips Gallae tinctoriae).
-
-Nog vond hij dat het branden of steken der brandnetels veroorzaakt
-wordt door een vocht, dat zich bij de aanraking der fijne haartjes
-waarmede de stengels en bladen bezet zijn, daaruit ontlast en in de
-huid dringt [158]. Ook het steken der mieren en het brandend gevoel en
-de opzwelling daardoor waargenomen, schrijft hij toe aan een scherp
-vocht, dat deze insecten bij het steken uit hun angels ontlasten [159].
-
-Evenzoo bestudeerde hij het vlies, dat het wit der eieren onder de
-schaal bedekt en vond dat dit uit onderscheidene zeer dunne vliezen
-bestond, waarvan hij er acht waarnam [160].
-
-De vorm der gistcellen ontsnapte evenmin aan zijne nasporingen; hij
-onderzocht biergist en vond dat die uit zeer vele kleine ronde
-„globulen” bestond, waarvan er dikwijls 2, 3 en 4 samen gevoegd waren;
-het is niet te verwonderen dat hij omtrent het ontstaan en den waren
-aard der gist geen juiste voorstelling had, daar men eerst in veel
-lateren tijd daaromtrent tot klaarheid is gekomen. Hij beschrijft ze
-als door de hitte van het water „ontdane deeltjes van de tarwe, gerst,
-enz. die, als het bier koud geworden was, weder stremden en alzoo de
-zeer kleine deeltjes of globulen in het bier vormden”.
-
-Aan Leeuwenhoek komt ook de eer toe het eerst zoetwater-polypen (?) te
-hebben waargenomen, doch de hier volgende beschrijving toont, dat het
-door hem waargenomen dier geen zoetwater-polyp kan geweest zijn, maar
-waarschijnlijk Vaginicola crystallina. Hij deelde deze waarneming mede
-aan de Royal Society in zijn missive van 4 November 1704 [161], terwijl
-hij in een anderen brief, eveneens aan dit collegie, d.d. 28 Juni 1713
-[162] het maaksel van dit diertje, dat in een kokertje, onder aan
-eendekroos vastgehecht, geplaatst was, beschrijft. Hij deelde mede dat
-dit kokertje aan het uiterste einde iets dikker was dan een hoofdhaar
-en bestond uit kleine ronde bolletjes. Hij zag dat als het diertje zijn
-lichaam uit het kokertje bracht en de raderen en tandsgewijze deeltjes
-in het rond bewoog, er dan zulk een rond deeltje uit eene
-doorschijnende plaats te voorschijn kwam, welk deeltje, in grootte
-toenemende, zeer snel om zijn as draaide en onveranderlijk zijn plaats
-bleef behouden, tot zoo lang het diertje zijn lichaam voor een gedeelte
-in het kokertje plaatste en dit alzoo met een rond bolletje vergroot
-werd. Door de groote beweging, die het diertje met zijn raderwerk in
-het water teweegbracht, werden vele kleine deeltjes naar hetzelve
-heengevoerd, die het met groote gulzigheid tot zijn voedsel bezigde.
-Hij beschrijft verder nog eene andere soort, die met een „langen
-staart” [163] aan de worteltjes van het eendekroos waren vastgehecht,
-en die, door het uiterste van hun lichaam snel rond te draaien, het
-water in groote beweging brachten. Deze konden hun „staart” snel in- en
-uittrekken, waardoor het water van plaats veranderde, en zij
-gelegenheid hadden hun voedsel tot zich te trekken. Hij zag er nog
-andere, die veel grooter waren, met een kort en dik lichaam, die
-eveneens met een „staartje” aan het kroos vast zaten; deze konden zich
-verplaatsen en maakten met het voorste gedeelte van hun lichamen eene
-ronddraaiende beweging.
-
-Bij de vermelding van de hoogst belangrijke ontdekkingen en
-waarnemingen van Leeuwenhoek, die onze aandacht hebben bezig gehouden,
-zou ik zijne verdiensten te kort doen, indien ik niet te dezer plaatse
-opzettelijk stilstond bij zijne ontdekkingen op het gebied der
-planten-anatomie, waarvan de Hoogleeraar H. C. van Hall getuigt [164],
-„dat deze inzonderheid, wanneer wij den tijd nagaan, waarin Leeuwenhoek
-leefde, van veel gewicht zijn en talrijke microscopische ontdekkingen
-bevatten, welke velen gewoon zijn als uit lateren tijd afkomstig aan te
-merken.”
-
-Zijn eerste belangrijke onderzoeking op het gebied der plantenkunde,
-die wij van hem beschreven vinden, is vervat in een brief aan Robert
-Hooke, d.d. 12 Januari 1680 [165] en betreft de inwendige vorming van
-het hout. Hij beschrijft daarin de groote opgaande vaten van het
-eikenhout en toont aan dat deze ieder voorjaar het eerst in het hout
-gevormd worden [166], waardoor de afscheiding der verschillende
-jaarkringen duidelijk wordt. Hij wees aan, hoe deze vaten van binnen
-gevuld zijn met blaasjes, die uit zeer dunne vliesjes bestaan en
-beeldde deze ook af.
-
-Deze groote opgaande vaten zijn de Holz-zellen van Schultz [167].
-Leeuwenhoek spreekt ook nog van kleiner opgaande vaten en wijst
-duidelijk aan, dat de vliesjes, waaruit deze bestaan, gestippeld zijn
-met deeltjes, die hem „als globulen” voorkwamen [168]. Daar nu
-Leeuwenhoek (volgens van Hall) reeds in 1680 het aanzijn der stippen
-aanwees, wordt hij te recht gehouden voor den ontdekker der, door de
-nieuwere plantkundigen aldus genoemde gestippelde vaten (vasa spiralia
-punctata). De derde soort van opgaande vaten, die Leeuwenhoek waarnam,
-beschrijft hij als „zeer klein en in groote menigte aanwezig, bestaande
-mede uit zeer dunne vliesjes” [169]. Dit zijn volgens van Hall de
-verlengde cellen van Kieser of de vasa fibrosa van Link. Verder wees
-Leeuwenhoek de schuins loopende streepen op de gestippelde vaten aan en
-beeldt deze zeer duidelijk af [170].
-
-Van de mergstralen (radii medullares) onderscheidt Leeuwenhoek de
-groote mergstralen van de kleinere, die tusschen de opgaande vaten
-(verlengde cellen of vasa fibrosa) zijn samengedrongen [171]. De
-afbeelding, die hij van deze mergstralen tusschen de verlengde cellen
-in het olmenhout geeft, is zeer fraai en duidelijk.
-
-Leeuwenhoek heeft veel bijgedragen tot de kennis der eenvoudige
-spiraalvaten en ontdekte deze het eerst in den wortel van den
-muscaatnootboom. Hij leverde daarvan reeds in 1695 eene zeer duidelijke
-afbeelding en beschrijft [172] zulk een spiraalvat, dat ten deele uit
-zoodanige kringsgewijze deelen is samengesteld, even als of, zegt hij
-„wy ons inbeelden te hebben eene seer dikke spelt ende dat wy om
-soodanige spelt digt omwonden hadden een seer dun koperdraatje, en dat
-wy, na de omwindinge, de spelt uyt het koperdraat hadden getrokken, als
-wanneer het dunne koperdraat de omwindinge voor het meerendeel hadde
-behouden.” De bladen der boomen, zegt hij [173] bestaan uit deze
-eenvoudige spiraalvaten, als ook de zaadstrengen van den amandel,
-hazelnoot enz.
-
-Leeuwenhoek moet ook gehouden worden voor den ontdekker van de niet
-ontrolbare spiraalvaten (Treppengange), die hij in 1692 in het
-lindenhout beschreef [174].
-
-Als bovenal merkwaardig wijst Prof. van Hall op de nasporingen die
-Leeuwenhoek nog na zijn 80ste levensjaar in het werk gesteld heeft
-omtrent de inwendige samenstelling van het hout van den kokosboom. Hij
-beschrijft namelijk in een brief aan Boerhaave, d.d. 28 Sept. 1716
-[175], de van die onzer gewone boomen geheel verschillende vorming van
-dit hout en wijst aan [176] hoe deze soort van palmboom geen eigenlijk
-gezegde schors bezit; geen horizontale vaten of mergstralen [177]; hoe
-de bundels spiraalvaten in dit hout niet in een jaarkring vereenigd,
-maar verspreid staan [178]. Eindelijk geeft Leeuwenhoek eene
-beschrijving van de „witachtige stoffe, die van binnen tegen de harde
-schors van de noot aanligt en mede uit spiraalvaten schijnt
-samengevoegt te syn;” de daarbij door hem gevoegde afbeelding geeft,
-volgens van Hall, een zeer klaar denkbeeld der zoogenaamde vasa
-vermiformia.
-
-Zijne verdere waarnemingen over de poreuse cellen [179]; de eigene
-bewegende bolletjes in het eigen sap (succus proprius) [180]; de
-verklaring van de eerste wording der cellen [181]; de vorming van
-nieuwe cellen uit de oudere [182]; de beschrijving der samengestelde
-cellen in de mattebies [183]—dit alles doet hem kennen als een
-nauwkeurig waarnemer, en bevat veel dat door de nieuwere
-natuuronderzoekers op gelijke wijze geleerd wordt [184].
-
-Minder gelukkig, zegt Prof. van Hall, is Leeuwenhoek geweest ten
-aanzien van de vorming der vrucht en van het zaad. Hij verviel namelijk
-door zijne vergelijking van de voortteeling der dieren met die der
-planten wel eens in verkeerde begrippen. Leeuwenhoek’s beschrijving en
-afbeelding echter van de wijze, waarop de zaadlappen (cotyledones) in
-het zaad van de boekweit zijn omgeplooid en opgevouwen in het midden
-van het meel (albumen) [185], waaruit dit zaad hoofdzakelijk bestaat,
-noemt van Hall „opmerkenswaardig”. Leeuwenhoek vestigt de aandacht op
-het nut van deze meelachtige stof tot voeding der kiemende plant en
-leert ons, hoe die stof niet aanwezig is in vele andere zaden, waarin
-dan de geheele holte van het zaad door de kiem zelve wordt aangevuld.
-
-Verder heeft Leeuwenhoek het een en ander opgeteekend over de
-ontkieming der planten en heeft het eerst de kieming van het fijne
-pluizige zaad der wilgen, in 36 uren tijds, beschreven en afgebeeld
-[186] enz. enz.
-
-Uit deze opgaven ziet men, dat Leeuwenhoek niet minder dan in het
-dierenrijk, ook in het plantenrijk hoogst belangrijke ontdekkingen en
-onderzoekingen heeft bewerkstelligd, die recht geven hem ook in dezen
-tak der natuurwetenschap onder de beste onderzoekers te tellen.
-
-De getuigenis die G. R. Treviranus [187] van Leeuwenhoek geeft: „dat
-hij, niettegenstaande de mindere volkomenheid zijner werktuigen, toch
-vele zaken beter dan latere waarnemers met veel sterker vergrootende
-microscopen, gezien heeft,” is wel verdient, en Kieser zegt [188] van
-de vier voornaamste grondleggers van de ontleding der planten het
-volgende:
-
-„Hooke geeft slechts enkele, doch bruikbare microscopische
-afbeeldingen, Grew is het bevalligste, Malpighi het uitvoerigste, maar
-Leeuwenhoek het getrouwste. Malpighi en Grew hebben zich dikwijls door
-vooraf opgevatte meeningen laten wegslepen, doch hunne werken zijn
-systematisch. Leeuwenhoek geeft slechts alleen staande, doch rijke en
-tot nu toe vaak miskende bijdragen tot de hoogere planten-anatomie.” En
-het mag dan ook eene welverdiende hulde genoemd worden aan den
-onvermoeiden natuuronderzoeker, dat de beroemde Engelsche plantkundige
-R. Brown een nieuw planten-geslacht uit Nieuw-Holland ter zijner eere
-naar zijn naam, Leeuwenhoekia, genoemd heeft. „In memoriam,” zegt hij,
-„Antonii van Leeuwenhoek, micrographi celeberrimi, in cujus operibus
-plures et perpulchrae observationes de plantarum structura exstant”
-[189].
-
-Het is niet doenlijk al den arbeid door Leeuwenhoek behalve het reeds
-opgenoemde verricht, in al de bijzonderheden te vermelden; wij zouden
-anders nog stil moeten staan bij de ontdekking der „aalachtige
-diertjes” in den azijn, de bacteriën in het vuil en slijm der tanden,
-de kristalvorm die hij van een groot aantal verschillende zouten
-beschreef, de pissteenen en mineralen die hij analyseerde, de
-koraalgewassen die hij onderzocht; in een woord, schier geen voorwerp
-was er dat zijn aandacht ontsnapte en waaraan hij niet zijne krachten
-beproefde, ten einde zijn weetlust te voldoen en den waren aard, de
-eigenschappen en samenstelling er van te leeren kennen.
-
-Die lust tot werken bleef hem onafgebroken gedurende zijn geheele leven
-bij, en verflauwde niet bij het klimmen zijner jaren en „zelfs nog 36
-uren vóór zijn dood, toen hij bijna 91 jaren oud was, en zijn leden al
-begonnen te verkleumen (zoo verhaalt ons Boitet, „Beschrijving van
-Delft, pag. 768”), gloeide het vuur van yver noch soodanig, dat hy met
-zyn byna versteve en stamelende lippen zyn gedachten noch op het papier
-liet stellen, over eene soort van zant, ’t geen hem door zeker
-aanzienlyk Heer en Bewinthebber der Oost-Indische Compagnie behandigt
-wiert, om te zien of ’er ook eenig gout onder verborgen was” [190].
-
-
-
-Zeer veel van de belangrijkste voorwerpen, welke Leeuwenhoek gedurende
-zijn lang leven onderzocht, bewaarde hij, ieder met het daarbij
-behoorend microscoop-stelletje, ten einde die van tijd tot tijd aan
-eene nadere beschouwing te kunnen onderwerpen, of ze aan zijne vrienden
-of belangstellenden, die hem van heinde en ver kwamen bezoeken, te
-vertoonen. Volgens den Hoogleeraar Harting [191] was Leeuwenhoek de
-eerste, die gezegd kan worden eene verzameling van microscopisch
-anatomische praeparaten te hebben aangelegd. En dat hij in de
-vervaardiging daarvan bijzonder uitmuntte, blijkt zoowel uit de door
-hem zelven gegeven beschrijvingen als uit de getuigenis zijner
-tijdgenooten, die in de gelegenheid waren zijne praeparaten te zien.
-Folkes, een tijdgenoot en president der „Royal Society” te Londen,
-deelt daaromtrent het volgende mede [192]:
-
-„Bovendien moeten wij niet vergeten, dat hij door eene bijzondere
-bekwaamheid uitmuntte in het praepareeren zijner voorwerpen, ten einde
-die op de geschiktste wijze door het microscoop te beschouwen en ik ben
-overtuigd, dat iedereen dit met mij eens zal zijn, die eenige van deze
-voorwerpen zelf zal willen onderzoeken, zoo als die nog goed
-geconserveerd door zijne lenzen te zien zijn. Wat mij aangaat, zoo heb
-ik zoo veel moeilijkheid ondervonden in deze toebereiding der
-voorwerpen, dat er bij voorbeeld een zeer groot verschil bestond in het
-voorkomen van een en hetzelfde voorwerp, en dat, zoo als het door Mr.
-Leeuwenhoek gepraepareerd was, toen het door mij zelf werd onderzocht.
-Ik heb nu deze opmerking gemaakt, opdat men zich wel wachten zou
-voorbarig een der observaties van dezen Heer te veroordeelen, wanneer
-het niet gelukt die door zijn eigen glazen te verifieeren. Wij voor ons
-zijn in dit opzicht in veel ongunstiger voorwaarden geplaatst, doordien
-Leeuwenhoek veel meer ondervinding heeft dan wij, en hij zelf heeft ons
-gewaarschuwd, dat zelfs zij, die het meest geoefend zijn in het gebruik
-van zijne lenzen, zich nog kunnen bedriegen, indien zij hun oordeel
-gronden op hetgeen zich aan hun oog voordoet, voordat zij zich door
-herhaalde proefnemingen er van verzekerd hebben. Maar wij hebben zulk
-een groot aantal zijner verrassendste ontdekkingen gezien, die door de
-meest oordeelkundige waarnemers zijn bevestigd geworden, dat wij zeker
-geen de minste reden hebben zijn getrouwheid te wantrouwen in al de
-andere waarnemingen, die niet zoo herhaaldelijk en met zulk een groote
-zorg zijn onderzocht geworden als deze.”
-
-Dat Leeuwenhoek zijne praeparaten een aantal jaren in goed
-geconserveerden staat wist te bewaren, kan ook blijken uit zijn eigen
-bewoordingen in een brief, d.d. 17 November 1716, aan Leibnitz
-geschreven [193]. „Ik hebbe sedert eenige weynige weeken aan twee
-Heeren Professoren van grooten naam de doode (zaad) diertjes, soo als
-ik deselve wel twaalf jaren geleden op een seer dun glaasje hadde
-geplaatst, laten sien, waaraan men seer bescheydelyk het lighaam en de
-staart konde bekennen.”
-
-Men kan aannemen, dat de praeparaten die door Leeuwenhoek bewaard
-werden geen andere bewerking ondergaan hebben, dan dat zij gedroogd
-werden; eene handelwijze, zoo als de Hoogleeraar Harting zegt, die tot
-voor korten tijd schier de eenige was, die men tot dit oogmerk bezigde.
-
-De verzameling microscopische praeparaten, die Leeuwenhoek heeft
-nagelaten en die met de daarbij behoorende microscoopstellen voorkomen
-in den Catalogus der verkooping, die daarvan na zijn dood te Delft
-gehouden werd (zie bl. 38), bestond uit de volgende voorwerpen:
-
-
- DIERLIJKE VOORWERPEN.
-
- Spiervezelen van een walvisch.
- ,, ,, ,, kabeljauw.
- ,, ,, het hart van een eendvogel.
- Dwarse doorsnede der spieren van eene visch.
- Huidschubben van een mensch.
- Kristal-lens van een os.
- Bloedbolletjes van een mensch.
- Lever van een varken.
- Dwarse doorsnede der blaas.
- Blaas van een os.
- Papillae der tong van een os.
- Haar van een schaap.
- ,, ,, ,, bever.
- ,, ,, ,, eland.
- ,, ,, ,, beer.
- ,, uit de neus.
- Schub van een baars.
- ,, ,, ,, tong.
- Spinwerktuig van eene spinnekop.
- Draden ,, ,, ,,
- Angel ,, ,, ,,
- Tanden ,, ,, ,,
- Oogen ,, ,, ,,
- Spinwerktuig van een zijdeworm.
- Hersenen van eene vlieg.
- Gezichtszenuwen van eene vlieg.
- Uiteinde der pooten.
- Angel en koker van eene vloo.
- Pooten ,, ,, ,,
- Oogen van een rombout.
- ,, ,, ,, kever.
- Angel ,, ,, luis.
- Huid ,, ,, ,,
- Legangel ,, ,, ,,
- Bloedkoraal.
- Doorsnede van een oesterschelp.
- Ongeboren oesters in een buisje.
-
-
- PLANTAARDIGE VOORWERPEN.
-
- Dwarse en overlangsche doorsnede van ijpenhout.
- ,, ,, ,, ,, ,, greenenhout.
- ,, ,, ,, ,, ,, ebbenhout.
- ,, ,, ,, ,, ,, lindenhout.
- ,, ,, ,, ,, ,, eikenhout.
- ,, ,, ,, ,, ,, kaneel.
- ,, ,, ,, ,, ,, kurk.
- ,, ,, ,, ,, ,, bies.
- Doorsnede van uitgedolven hout.
- Kiem uit het zaad der rogge.
- Vaatbundels uit de muscaatnoot.
-
-
- MINERALE VOORWERPEN.
-
- Stukjes wit marmer.
- ,, bergkristal.
- ,, diamant.
- ,, bladgoud.
- ,, stofgoud.
- ,, zilvererts.
- Salpeter-kristallen enz.
-
-
-Het volgende moge tot bewijs strekken dat Leeuwenhoek niet enkel door
-zijne microscopische waarnemingen uitmuntte, maar ook op ander gebied
-met goed gevolg de natuurwetenschappen beoefende:
-
-Hij verhaalt in een brief aan den Heer Nicolaas Witsen, Burgemeester
-van Amsterdam, d.d. 10 Juli 1696, hoe hij eenige jaren geleden met den
-Heer Christiaan Huygens over de dagelijksche omwenteling der aarde
-sprekende, hem een door hem uitgevonden toestel, voor eene
-aanschouwelijke verklaring van deze beweging liet zien, welke geleerde
-daarin zoo veel genoegen had, dat hij Leeuwenhoek verzocht ook voor hem
-zulk een toestel te maken. Het bestond in eene flesch of glazen bol met
-korten wijden hals, welke hij met water vulde en er eenige stukjes
-fijngeslagen rood lak in deed; daarna hing hij er een looden kogel in,
-waarin een klein gaatje geboord was, waardoor een touwtje was gestoken
-waaraan de kogel hing. Hij sloot vervolgens de glazen bol met eene
-kurk, welke eveneens met eene opening voorzien was waardoor het touwtje
-ging. Hij liet nu de kogel door middel van dit in de kurk gestoken touw
-zoo ver in den bol zakken, dat deze maar even van den bodem van het
-glas verwijderd was, waarna hij den bol omgaf met een netsgewijs
-gevlochten touw of lint, welks einden zoo lang waren, dat deze een voet
-boven den hals van den glazen bol uitkwamen; deze einden nam hij te
-samen en draaide ze, terwijl de bol op een kussen op de tafel stond,
-vele malen met de vingers, even als een koord, om.
-
-Nu lichte hij den geheelen aldus ingerichten toestel aan deze
-ineengedraaide uiteinden even van het kussen op, waardoor dus de bol in
-eene snelle ronddraaiende beweging geraakte. De loden kogel nu in de
-glazen bol stelde den aardbol voor, het water in den bol de
-waterachtige lucht waarin wij leven, en de stukjes lak de wolken.
-Wanneer nu de bol in de beschreven ronddraaiende beweging was, bleef de
-kogel alleen, ofschoon langzaam ronddraaiende, als stil hangen, terwijl
-de lakdeeltjes, die, toen de bol nog in rust was, zich om den kogel
-gelegerd hadden, in het omdraaien zich tegen de wanden van den bol
-plaatsten en zich dus zoo ver van den kogel verwijderden, als de holte
-van den bol zulks toeliet. Plaatste hij nu het toestel weder op het
-kussen, zoo zag hij, dat de lakdeeltjes verward op den kogel
-nedervielen. Nu gaf hij aan dit experiment de volgende verklaring: dat,
-gelijk door de beweging van het glas de lakdeeltjes van den kogel
-werden weggestooten, hij zich voorstelde, dat de wolken door de
-dagelijksche omwenteling of draaiing van den aardbol in de lucht werden
-opgehouden, en dat, even als met het stil houden van het glas al de
-lakdeeltjes zich rondom den kogel plaatsen en deze bedekken, hij zich
-voorstelde dat het toe zou gaan, wanneer de aardbol stil stond en het
-heelal om de aarde werd bewogen, namelijk; dat al de wolken en ook de
-waterdeelen en andere zware stoffen, waarin wij leven, niet in de lucht
-zouden kunnen blijven zweven, maar nederstorten op den aardbol. Verder
-toonde hij aan, door de kurk met het touwtje, waaraan de kogel in den
-bol hing, uit den hals op te trekken, doch zoo, dat hij het touwtje met
-den kogel zoo laag liet zakken, dat deze nabij den bodem van den glazen
-bol aan kwam leggen, en hij dan dezen kogel door zachtjes aan het touw,
-waaraan hij hing te draaien, in eene rondgaande beweging bracht, dat de
-lakdeeltjes van den kogel werden afgestooten, waaruit hij de beweging
-van de aarde om haren as aanschouwelijk voorstelde en waardoor eveneens
-de vochtige dampen werden weggestooten.
-
-Deze aanschouwelijke voorstelling van de ronddraaiende beweging der
-aarde schijnt aan Huygens stof tot nadenken te hebben gegeven, hij
-beschrijft eene verbeterde inrichting van den glazen bol, door die te
-vervangen door een cilindrisch vat, en wel in een brief aan
-Leeuwenhoek, van 6 Maart 1690, waarvan zich het manuscript in de
-bibliotheek der Leidsche Hoogeschool bevindt.
-
-
-
-Het was geen wonder dat landgenoot en vreemdeling begeerte gevoelden
-een man persoonlijk te leeren kennen van wien zoo grooten naam uitging,
-wiens waarnemingen algemeen eene buitengewone belangstelling hadden
-opgewekt en wiens ontdekkingen op de gewichtigste vraagstukken der
-physiologie van menschen, dieren en planten betrekking hadden.
-
-Het ontbrak dan ook niet aan een tal van personen, die hem gingen
-opzoeken; velen voorzeker werden alleen gedreven door de begeerte om
-hunne nieuwsgierigheid te bevredigen en het wonderbare, waarvan het
-gerucht tot hen gekomen was, met eigen oogen te aanschouwen, maar ook
-niet weinigen, die door edeler drijfveeren werden aangespoord en vooral
-zijne microscopen wenschten te zien waarmede hij zulke ontdekkingen
-deed, ten einde zoo mogelijk het geheim zijner bewerking van hem te
-leeren. Voorts kwamen zij om hunne bewondering over zijne waarnemingen
-te betuigen, wetenschappelijke quaesties, die hij ter sprake gebracht
-had, te overwegen en hulde te brengen aan zijn onvermoeide vlijt en
-volhardenden ijver. Herhaalde malen kwamen hem dan ook leden der
-beroemde Royal Society bezoeken en brachten hem de groeten over van de
-grootste Engelsche geleerden, zoo als Robert Hooke, François Aston,
-Christopher Wren, Hans Sloane, Nehemiah Grew, Richard Waller, Thomas
-Gale enz. enz., die hem dikwijls, als bewijs hunner belangstelling,
-afdrukken der „Philosophical Transactions” toezonden, waarin zijne
-ontdekkingen waren opgenomen en andere wetenschappelijke onderwerpen,
-die daarmede in verband stonden, werden behandeld.
-
-Beroemde landgenooten, zoo als Constantijn en Christiaan Huygens,
-Reinier de Graaf, Swammerdam, Heinsius, Boerhaave, Ruysch, enz.
-bezochten hem herhaaldelijk en bespraken met hem de onderwerpen, die
-hunne belangstelling hadden opgewekt. Genees- en Heelmeesters kwamen
-niet zelden zijn gevoelen vragen over onderwerpen van geneeskundigen
-aard, terwijl zijn briefwisseling met de meesten hunner, alsmede met
-Leibnitz, Cink, Narrez, Rega, Gerard van Loon, Poot, Rabus en anderen,
-de stof leverden voor de belangrijke verzameling, die onder den naam
-van „de brieven van Leeuwenhoek” niet minder dan een 190tal bedragen,
-behalve nog een aanzienlijk aantal aan bijzondere personen, die niet in
-zijne verzameling gevonden worden en het meer dan honderdtal, waarvan
-ik boven melding maakte als na zijn dood ter verkoop aangeboden, en
-waarvan er zeker hier en daar in bijzondere verzamelingen nog zullen te
-vinden zijn.
-
-Onder de geleerde vreemdelingen, die niet verzuimden bij het bezoeken
-van ons land ook een uitstap naar Delft te doen, ten einde den
-beroemden Leeuwenhoek te zien en het een en ander merkwaardigs van hem
-te beschouwen, behoort ook een geleerde Duitscher Zacharias Conrad von
-Uffenbach. Deze verhaalt, in zijn in 1754 in het licht gegeven
-„Merkwürdige Reisen durch Nieder-Sachsen, Holland und Engelland 3er
-Th.”, dat hij met zijn broeder op den 4den December 1710 een bezoek
-bracht „bij den beroemden „Observatore microscopico Leeuwenhoek”,” doch
-dat hij daartoe eene bijzondere aanbeveling noodig had [194], daar
-Leeuwenhoek, die toen reeds 78 à 79 jaren oud was, den toegang tot hem
-niet meer zoo gereedelijk toestond, dewijl hij gedurig door allerhande
-nieuwsgierige bezoekers bleek lastig gevallen te zijn; zoo als blijkt
-uit het verzoek dat zoowel Leeuwenhoek, als zijne dochter Maria, aan de
-reizigers bij hun vertrek op het hart drukten, om aan niemand te zeggen
-dat zij bij haar vader waren toegelaten geworden. „Als wir gehen
-wolten” verhaalt Uffenbach „bate sowohl der wunderliche Mann, als auch
-seine Tochter instäntlich, dasz wir doch niemand sagen solten, dasz wir
-bey ihne gewesen und etwas gesehe; denn es seye alt, und des vieles
-Ueberlaufens, sonderlich von Leuten, die keine rechte Liefhaber seyen,
-ganz mühe.”
-
-Uffenbach en zijn broeder werden bij dit bezoek door de dochter van
-Leeuwenhoek vriendelijk ontvangen en vooraf in eene zijkamer gelaten,
-waar zij hun verhaalde „dat haar vader sedert eenige jaren veel nieuwe
-zaken met zijne microscopen ontdekt had, doch dat hij bij zijn leven
-niets meer van zijne waarnemingen wilde uitgeven, dewijl men hem in
-geschriften smadelijk bejegend om zijne meeningen over sommige
-onderwerpen bespot had en hem beschuldigde dat hij meer door zijne
-verbeelding dan door zijne glazen had gezien.”
-
-De geleerde reizigers werden door Leeuwenhoek „gar höflich” ontvangen.
-Het eerste dat hij hun zeer duidelijk en schoon liet zien, was de
-omloop van het bloed in den staart van eene kleine bot. Verder
-vertoonde Leeuwenhoek in eene mossel de ontwikkeling der jongen, ook
-sneed hij een darm der mossel open en toonde door zijn microscoop eene
-groote hoeveelheid zand aan, dat de mossels met het slijm, waarin zij
-leven tot zich nemen. Hij meende daarbij dat dit zand diende tot
-vorming der schalen voor de jongen, even als de hoenders behoefte
-hebben aan zand en kalk voor de vorming der eierschaal.
-
-Voorts toonde Leeuwenhoek in een haarbuisje meer dan dertig uiterst
-kleine jonge oesters in spiritus vini bewaard, welke zeer duidelijk te
-onderkennen waren.
-
-Op hun vraag, hoe hij deze kleine oesters in zulke haarbuisjes had
-gekregen, antwoordde hij, dat hij den darm eener oester opensneed en
-met een pennemes een weinig van de daarin vervatte materie nam, hetwelk
-hij dan op den nagel van zijn duim afstreek, waarop hij vervolgens een
-droppel brandewijn goot en het haarbuisje in dit mengsel stak, waardoor
-het vocht dan van zelf door het capillair vermogen werd opgezogen, en
-daarmede ook de jonge oesters in het buisje kwamen.
-
-Behalve nog andere merkwaardige zaken vertoonde Leeuwenhoek een
-zandkorreltje, dat even als het schoonste kristal met facetten voorzien
-was.
-
-Verder vertoonde hij nog de schub van eene visch en liet hen de
-verschillende laminae zien, waaruit zij bestond die allen over elkander
-lagen.
-
-Ook wilde Leeuwenhoek hen toonen, dat de mensch, zoo als hij meende,
-ook schubben zou bezitten en schraapte met een pennemes langs zijn arm,
-van welk afschraapsel hij een weinig op een glaasje bracht. Nog
-vertoonde hij het oog eener vlieg, bestaande uit talrijke zeszijdige
-halve bolletjes, „welchen Herr Leeuwenhoek vor lauter Augen hielte, und
-also die Vliegen zu mehr als Argus machte.” Ook liet hij de vleugel
-eener vlieg met hare talrijke vertakkingen van zenuwen en aderen zien;
-alsmede de angel eener mug. Deze vertoonde zich door zijn microscoop
-wel twee duimen lang te zijn; en eindelijk liet hij hen zijn cabinet
-zien, waarin hij, zegt Uffenbach, wel een driehonderdtal van de
-genoemde microscopen, met voorwerpen voorzien, bewaarde.
-
-Betreffende het gesprek dat de gebroeders vervolgens met Leeuwenhoek
-hielden over de wijze waarop hij zijne glazen sleep, en of hij er geene
-uit gesmolten glasbolletjes vervaardigde, en over andere
-bijzonderheden, de vervaardiging zijner microscopen betreffende, heb ik
-reeds het noodige op blz. 25 vermeld.
-
-De gebroeders Uffenbach maakten het echter met al hun vragen en
-uithooren onzen Leeuwenhoek vrij lastig, daar zij zeer goed bemerkten,
-dat hij op zijn hoede was, om zich niet meer dan hij dienstig oordeelde
-over enkele bijzonderheden uit te laten. „Doch lockten wir ihm” zoo
-verhaalt Uffenbach met zekere genoegdoening over zijn listig uithooren,
-„durch allerhande Frage eines und des andere aus.”
-
-Onze reizigers verlieten hem zeer voldaan en verheugd, dat zij zoo veel
-merkwaardigs bij dezen „wunderlichen Alten,” gezien hadden.
-
-Onder de vorstelijke personen, die van den beroemden micrograaph
-gehoord hadden en hem in Delft opzochten, vinden wij het bezoek
-aangeteekend van Anton Ulrich, Hertog van Brunswijk; Karel II en George
-I, koningen van Engeland; de Landgraaf van Hessen Cassel; Augustus
-koning van Polen; Frederik I, koning van Pruissen; de Keurvorst van den
-Palts en zijn zoon en broeder; Prins Lichtensteyn, die hem namens Karel
-III, koning van Spanje kwam uitnoodigen om met zijne microscopen in den
-Haag te komen, ten einde hem die te laten zien; Anna Maria, koningin
-van Engeland, en eindelijk Czaar Peter I van Rusland.
-
-Omtrent het bezoek van deze twee laatstgenoemde vorstelijke personen
-vond ik de volgende bijzonderheden:
-
-Toen in het jaar 1691 of 1692 de koningin van Engeland ons land
-bezocht, begaf zij zich ook naar Delft om den beroemden Leeuwenhoek te
-zien en zijne microscopische merkwaardigheden te beschouwen, doch vond
-hem niet in de stad. Geen wonder dat Leeuwenhoek, toen hij bij zijne
-terugkomst vernam, welk een hooge personage hem bezocht had en welk
-eene groote onderscheiding hem daardoor beschoren was geweest, zich
-over die teleurstelling zeer beklaagde. Hij wenschte echter zijne
-erkentelijkheid voor dit bezoek op eene wijze te betoonen, die hem
-toedacht de Hooggeplaatste bezoekster het meest welgevallig te zijn en
-droeg in eene sierlijke voorrede een gedeelte, namelijk, het derde
-vervolg zijner brieven, die hij voor de pers had gereed gemaakt, aan
-haar op.
-
-Gelukkiger was hij echter eenige jaren later bij gelegenheid van een
-bezoek hier te lande van Czaar Peter I, in 1697–1698.
-
-Mr. Gerard van Loon [195] beschrijft dit bezoek aan Leeuwenhoek op de
-volgende wijze:
-
-„Zijn (Czaar Peter I) vertrek uit ’s Gravenhage geschiedde met een
-binnenjagt over Delft, alwaar hij de deftige wapenhuizen der Staten van
-Holland met zeer veel oplettendheid bezigtigde en het jacht voor het
-kruithuis der Algemeene Staten, nabij Delft, deed stil houden, en door
-twee Heeren zijns gevolgs den vermaarden Antoni van Leeuwenhoek deed
-verzoeken van zich in een der volgende vrachtschepen met zijn
-weergalooze vergrootglazen bij hem te vervoegen, dewijl hij zelf bij
-het doorvaren aan zijn huis wel zou gekomen zijn, bijaldien hij dit om
-den toevloed der menigte te ontvlieden met verdagt niet had
-achtergelaten. Hij vervoegde zich derwaarts en had de eer van onder
-andere zeldzame ontdekkingen den wonderlijken omloop des bloeds in een
-aale-staart, door middel zijner zonderlinge vergrootglazen tot zoo
-groot genoegen des Vorsts te doen beschouwen, dat zoo in deze als in
-andere bespiegelingen bij de twee uren werd gesleten en de Czaar vóór
-zijn vertrek den gemelden Leeuwenhoek, wegens te laten zien van zoo
-overkleyne voorwerpen bij handtasting ook van zijne zonderlinge
-dankbaarheid verzekerde.”
-
-Het is inderdaad niet te verwonderen, dat bij het ondervinden van zoo
-veel onderscheiding en belangstelling in zijn persoon en werkzaamheden,
-het hart van den eenvoudigen Kamerbewaarder van H.H. Schepenen van
-Delft zich wel eens een weinig zal verheven hebben, of dat eenig gevoel
-van trots hem bezielde. De uitingen van bewondering van hetgeen men bij
-hem zag, vervulden dan ook zijn hart met groote vreugde.
-
-„Ik heb” zoo schreef hij aan den Secretaris der „Royal Society”, toen
-hij, nu de bekendmaking van zijne ontdekking der bloed lichaampjes en
-zijne waarnemingen van den bloedsomloop daarover een zeer vleienden
-brief ontvangen had, „met een levendig genoegen gezien, dat mijne
-microscopische waarnemingen niet onaangenaam zijn geweest aan u, noch
-aan uwe vrienden de philosophen en dit heeft mij krachtig aangespoord
-om mijne nasporingen voort te zetten;” of waar hij, van wege de „Royal
-Society” een brief ontving [196] waarin de Secretaris Richard Waller
-hem schrijft: „Wij hebben de uwe van enz.... ontvangen en in eene
-vergadering van de R. S. vertoont, alwaar ze gelesen wierden tot
-genoegen van alle de tegenwoordige leden; en daar werd bevolen, dat men
-U.E. bedanken soude over U.E. vriendelijke communicatiën, U.E. alle
-voorspoet die U.E. selfs begeeren kunt toewenschende en u ook
-aanmoedigende om voort te varen en nieuwe ontdekkingen van dees selve
-natuere te maken, nademaal niemant beter versien is met gereetschap, of
-beter gebruyk daarvan in microscopische observatien heeft gemaakt, als
-U.E. zelfs.”
-
-Behalve de belangstelling, die Leeuwenhoek door de vereerende bezoeken
-die hij ontving, mocht ondervinden, werden zijne verdiensten op vele
-andere wijzen erkend en werd hij door vele aanzienlijken met groote
-hartelijkheid en onderscheiding bejegend. Zoo bleek de hartelijke
-wijze, waarop hij in het huisgezin van een der aanzienlijkste
-landgenooten steeds ontvangen werd, uit de opdracht van het vijfde
-vervolg zijner brieven aan den Heer Frederik Adriaan, Baron van Reede,
-Heer van Renswoude enz. enz.
-
-Verschillende dichters, waaronder ook Arnold Hoogvliet en de beroemde
-Poot, voelden zich geïnspireerd om de brieven, die door den toen reeds
-86jarigen grijsaard geschreven waren en onder den naam van
-„Sendbrieven” het 5de deel van de brieven van Leeuwenhoek uitmaken, in
-te leiden.
-
-In den aanhef schildert de dichter Hoogvliet, hoe de bloemen, het gras
-en de klaver, die in de Mei-maand hun geuren verspreiden, in het najaar
-en in den winter verdwenen zijn, en alles gestorven is; wijst op een
-wonder, namelijk een hof, die altijd bloeit en waarin bloemen en
-vruchten te garen zijn, die de groote Leeuwenhoek in den winter van
-zijn leven geplant heeft en zelfs deed rijpen: En nu vervolgt hij:
-
-
- „Zagt, myn Zangnimf, wil bedaaren!
- ’t Is geen winter in ’t vernuft,
- Dat, na vijf en tachtig Jaaren,
- Altydt arbeydt onversuft.
- Hoe zou ’t winter weezen konnen,
- In het brein des grooten mans,
- Dat, door zoo veel glaaze zonnen,
- Staag met warmte, licht en glans,
- Wordt gekoestert en beschenen?” enz.
-
-
-Hij beschrijft dan verder in vloeiende regelen de verschillende
-waarnemingen en ontdekkingen door hem in dier en plant met zijn
-microscoop gedaan, waardoor in het schijnbaar kleinste en nietigste
-schepsel de grootste wonderen worden ontdekt. Dit opmerkende, zegt hij,
-zal men:
-
-
- Aanstonts, vol verbaastheit zeggen,
- Dit’s gedaan door de eige handt,
- Die den bliksem maakte en donder,
- Die de hemelkringen sloot
- Want het onbegrijplijk wonder
- Is zoowel in ’t kleyne als ’t groot.
-
-
-Ontbrak het Leeuwenhoek niet aan bewijzen, dat men zijne verdiensten
-waardeerde en op prijs stelde, zoo schijnt men die echter, wat ons land
-betreft, niet door bijzondere erkenning te hebben beloond; zoo men
-daaronder ten minste niet rekenen wil, de douceurs, die het bestuur van
-Delft, wegens het ten geschenke ontvangen van eenige zijner gedrukte
-brieven aan de „Royal Society” hem gegeven heeft. Men vindt namelijk in
-het „6de lopende memoriaal” van H.H. Burgemeester van Delft, de
-volgende aanteekening:
-
-„Den 4 April 1693, per cassa, aan Antony van Leeuwenhoek de somma van
-36 gld., over de „presentatie” zijner brieven, zijnde: „Brieven,
-geschreven aan de Koninkl. Societeyt te Londen.””
-
-Voor het 5de en 6de vervolg dier Brieven, ontving de groote
-natuurvorscher, respectievelijk 30 en 24 gld. Dergelijke vereeringen of
-douceurs (zoo schreef mij Mr. Soutendam) waren toen zeer gebruikelijk.
-O. a. ontving ’s mans tijdgenoot Dr. Abrahamus Berkel, Rector der
-Latijnsche scholen, voor de „dedicatie” van: „Enchiridion Epicteti,”
-hetwelk hij met zijn noten heeft doen drukken en uitgeven, de som van
-63 gld.
-
-Dat zoodanige erkenning echter, ten minsten later, al ware die
-geschied, in zijn smaak zou gevallen zijn, mag men uit enkele
-uitdrukkingen in zijn correspondentie betwijfelen. Leibnitz schijnt dit
-punt in eene briefwisseling met Leeuwenhoek te hebben aangeroerd;
-althans zegt hij, in een antwoord aan Leibnitz d.d. 13 Maart 1716
-[197]. „Die geene die in onzen landen, om haar kennisse en
-wetenschappen, vergelding krygen, dat syn Heeren Professoren,
-Predicanten, en de Meesters in de Latynze schoolen, die soo veel Latyn
-konnen, dat ze de jonge luyden in die taal konnen onderwijsen. De
-groote hemelbeschouwer, wylen Christiaan Huygens, heeft mij verhaalt,
-dat sekere persoon in eene andere provinsie twee duysent guldens heeft
-bekomen, over syn dienst in ’t maken van tafels. Waar over de selve
-misnoegt was, seggende, men behoorde hem beter uyt het lant te bannen,
-als dat gelt te geven; want hy heeft eerlyke luyden beledigt. In ’t
-kort” zegt L. ten slotte „ik weyger giften om niet verpligt te syn.”
-
-Intusschen was men toch in het buitenland er op bedacht den ijverigen
-natuuronderzoeker geschenken aan te bieden, als blijken van de
-waardeering zijner werkzaamheden.
-
-Zoo vereerde hem de Landgraaf van Hessen-Cassel, op zijn reis door
-Holland, waarbij hij Leeuwenhoek in Delft bezocht en vele belangrijke
-zaken uit zijne verzameling bezichtigd had, uit erkentelijkheid, twee
-gedenkpenningen met diens beeltenis voorzien.
-
-Toen Leeuwenhoek den Landgraaf daarover zijn dankbaarheid in een brief
-betuigde, antwoordde deze hem, zoo als Leeuwenhoek dit in hetzelfde
-schrijven aan Leibnitz vermeldt [198]. „Uwe gift is grooter als de
-mijne.”
-
-Eene groote onderscheiding viel hem den 24sten Mei 1716 te beurt, van
-wege de Hoogeschool te Leuven. Hij was al sedert geruimen tijd met
-Antoni Cink, Narrez en Rega, Hoogleeraren in de Natuur- en Geneeskunde
-aldaar in correspondentie. Deze briefwisseling geschiedde veelal door
-tusschenkomst van Mr. Gerard van Loon, den bekenden schrijver der
-Nederlandsche Historiepenningen, en werd in de jaren 1713–1715 gevoerd.
-
-Deze Hoogleeraren, leden van het Collegie van „’t Wilde Swijn” te
-Leuven, voelden zich gedrongen aan Leeuwenhoek een schitterend blijk
-hunner achting en warme belangstelling aan te bieden. Op hun last
-namelijk werd een zilveren gedenkpenning vervaardigd, die op de
-voorzijde het borstbeeld van Leeuwenhoek vertoonde, met het omschrift:
-„Antonius Leeuwenhoek Regiae Societatis angliae membrum.”
-
-Op de andere zijde ziet men in het verschiet de stad Delft, en op den
-voorgrond een bijen-korf, met eenige daarom rondvliegende bijen,
-benevens eene bloeiende plant, terwijl de spreuk uit Virgilius er op
-voorkomt (Georgia IV. v. 6.)
-
-
- In tenui labor, at tenuis non gloria [199].
-
-
-Gerard van Loon werd persoonlijk belast hem dit eereblijk, met een
-begeleidend, vereerend schrijven, op plechtige wijze te overhandigen.
-Leeuwenhoek betuigde in een brief aan genoemde Professoren zijn grooten
-dank, ook voor het Latijnsch lofdicht, dat bij wijze van opdracht er
-aan was toegevoegd. Van dit gedicht zegt hij, dat het was: „Vol van
-vloeijende aardigheden”.
-
-Als een bewijs hoe gevoelig Leeuwenhoek was wegens de groote eer hem
-aangedaan, diene hetgeen hij laat volgen: „En als ik gedenk aan de
-loftuytingen, die in UEd. brief, ende in het lofdigt, werden gemelt,
-soo werde ik niet alleen schaamroot, maar myn oogen tranen meermalen;
-te meer omdat myn arbeyt, dien ik veel jaren agter een gedaan hebbe,
-niet is geweest om den lof dien ik nu geniet, daardoor te behalen, maar
-meest uyt een drift van weetgierigheyt, die in my meer woont, gelijk ik
-merk, dan in veel andere menschen.” (Het blijkt uit een brief aan
-Leeuwenhoek, d.d. 22 Juni 1716, dat dit gedicht was vervaardigd door J.
-G. Kerkherdere „synen Keyserlyke en Koninglyke Majesteits-Historicus.”)
-In dezen brief geeft hij nogmaals lucht aan zijn dankbaar gevoel, in
-bewoordingen, die als eene bijdrage te meer mogen gelden van de
-waardeering van Leeuwenhoek’s karakter. Hij drukt zich aldus uit: „....
-ende dat ingesien hebbende, stond ik verbaast, met ontsteltenisse van
-myn ligchaam, over de menigvuldige uitdruksels van hooge agtinge, die
-UE. Hooggeleerde ende wydvermaarde Heere, in uw noyt volpresen vers
-komt te doen. Ik ken immers my selven tot soo verre, dat ik op het
-honderste deel niet waardig ben de uytdrukselen, die gy over myn
-geringen arbeyt komt te doen: want die komt alleen voort uyt een
-neyginge, die ik hebbe om de beginselen van de geschapene saaken te
-ondersoeken, tot soo verre als het my mogelyk was.”
-
-De dichter Poot maakte op dezen gedenkpenning het volgende bijschrift:
-
-
- De Rotte duik’ daer de oven,
- Erasmus in metael verkeert,
- Wij loven ’t kunstig Loven (Leuven)
- Dat d’ eer van Delf met zilver eert.
- ’t Zent Leeuwenhoek naar ’t leven,
- Aan Leeuwenhoek, door munt herteelt,
- Wat kon men grooter geven?
- Dees helt verdient een zinnebeelt.
- Doch wort de magt niet kranker,
- Zoo glinstert hy van gout op ’t lest;
- Maar ’t zilver is vry blanker,
- En dat gelykt zyn inborst best.
- Dus pryst de School ’s mans grysheit,
- De wysheit kroont de wijsheit!
-
-
-De grootste eer nogtans, waarop Leeuwenhoek zelf den hoogsten prijs
-stelde en waarop hij met verschoonbare verheffing dikwijls roemde, was
-zijne benoeming tot „Lid der Royal Society te Londen.” Deze
-onderscheiding viel hem te beurt toen hij nog in de kracht van zijn
-leven was, namelijk op 46jarigen leeftijd. Ik spreek er het laatst van
-omdat ik de bijzonderheden, die deze benoeming voorafgingen en
-vergezelden, eenigszins uitvoeriger wilde mededeelen; daarbij heb ik
-gebruik gemaakt van de aanteekeningen, die men bij Birch, „the History
-of the Royal Society of London,” 1757, vol. IV vindt, omtrent het
-verhandelde in de vergaderingen van dit geleerd genootschap, welke
-aanteekeningen men als het Notulenboek der Sociëteit kan aanmerken.
-
-Nadat Leeuwenhoek, sedert zijn eerste aanraking met dit geleerd
-genootschap in 1673, in eene immer levendiger correspondentie was
-getreden en hij zijne onderzoekingen, over onderscheiden onderwerpen,
-voornamelijk die van de bloedlichaampjes en de circulatie van het bloed
-had bestudeerd, waarvan de resultaten zoo belangrijk waren voor de
-physiologie en hij kort daarna de niet minder belangrijke ontdekking
-deed van de infusoria, welke ontdekkingen wij boven gezien hebben, dat
-zoo zeer de verbazing en bewondering van de leden der „Royal Society”
-hadden opgewekt, had zijne benoeming tot Lid van dit Collegie in de
-vergadering van 29 Januari 1680 plaats [200]. Birch teekende van dit
-besluit der vergadering het volgende aan: „Dr. Heusch, Mr. Firmin, Mr.
-Houghton worden gekozen; evenzoo ook Mr. Leeuwenhoek, op voorstel van
-Dr. Croune.”
-
-In dezelfde vergadering werd aan Dr. Gale, Secretaris van het Collegie,
-opgedragen, om een diploma voor hem gereed te maken. Aan genoemden
-geleerde werd in de vergadering van 12 Februari [201], gevraagd of het
-diploma reeds gereed was en bevolen dat het zegel der Sociëteit er aan
-gehecht zou worden. Men schijnt Leeuwenhoek echter nog eene extra
-onderscheiding waardig gekeurd te hebben, zoo als ik dit bij geen der
-benoemingen in dit Collegie bij Birch vermeld gevonden heb, namelijk:
-„er werd bevolen dat er tevens een zilveren doos voor moest gemaakt
-worden, waarin dit diploma zou worden besloten, en op welke doos de
-„wapens der Sociëteit” zouden worden gegraveerd [202].”
-
-In de vergadering van den 23sten Februari werd de vervaardiging daarvan
-aan zekeren Mr. Hunt opgedragen. Het diploma werd vervolgens, toen
-alles gereed was, met een begeleidend schrijven, namens de Sociëteit,
-door den Engelschen gezant bij de Hollandsche regeering aan Leeuwenhoek
-overhandigd [203].
-
-Zoo was dan het ideaal van den grooten natuuronderzoeker verwezenlijkt
-en zijn vurigste wensch vervuld. Voortaan zal hij medegerekend worden
-onder de illustere leden van het hoogste wetenschappelijk collegie van
-Europa, dat, hoewel reeds in 1645 opgericht, ten tijde van Leeuwenhoek
-nog slechts kort geleden op vaste grondslagen was gevestigd en de
-beroemdste geleerden der beschaafde wereld van dien tijd in zijn
-gelederen telde [204].
-
-Dat hij niet naliet, zoo spoedig doenlijk zijne dankbaarheid voor de
-ontvangen onderscheiding kenbaar te maken, zal wel geen verwondering
-baren. Reeds in de vergadering van den 13den Maart 1680 rapporteerde
-Robert Hooke, dat hij drie brieven van Leeuwenhoek ontvangen had,
-waarvan de eerste betuigingen bevatte van zijn warmen dank aan den
-President en de leden der Sociëteit, voor de eer hem aangedaan. De
-tweede brief behelsde het bericht van ontvangst van het diploma en
-vernieuwde betuigingen van zijn dank, en tevens de verzekering van zijn
-voortdurenden ijver om de Sociëteit te dienen, zoo veel hij kon en dat
-hij dit zou blijven doen, zoo lang hij leefde; terwijl de derde weder
-eenige waarnemingen van hem behelsde.
-
-En Leeuwenhoek heeft woord gehouden. Niet alleen, dat hij, zoo als ik
-boven aanstipte, tot op 85jarigen leeftijd in geregelde briefwisseling
-met de Sociëteit verkeerde, toen hij (20 November 1717) zoo het scheen
-voor goed afscheid er van nam, maar het blijkt ook uit hetgeen ik in de
-„Philosophical Transactions” van na den bovengenoemden datum, tot op
-het jaar 1723, zijn sterfjaar, gevonden heb, dat zijn werkzame geest
-zich geen rust gunde, vooral daar zijn verstand en oog ook nog in dat
-tijdsverloop helder bleef, hoewel zijne handen „swak werden, ende een
-weynig bevinge ondervonden” zoo als hij zich in dien brief uitdrukte.
-
-In het 31ste en 32ste deel namelijk der „Transactions” worden nog een
-achttal brieven gevonden van de jaren 1720 tot 1723 (waaruit blijkt,
-dat hij dus gedurende een halve eeuw met de „Royal Society”
-briefwisseling gevoerd heeft), terwijl hij nog op zijn sterfbed aan
-zijn vriend Johannes Hoogvliet [205] opdroeg, twee brieven, die hij in
-den laatsten tijd geschreven had, in het Latijn te vertalen en in zijn
-naam aan de Sociëteit toe te zenden.
-
-De treffende bijzonderheden van deze laatste opdracht mag ik niet
-achterhouden; ze zijn ons bewaard gebleven in het 32ste deel der
-„Philosophical Transactions”, pag. 435, waarin bericht wordt „dat een
-brief ontvangen is van Johannes Hoogvliet, d.d. 1 September 1723, aan
-den Secretaris der „Royal Society” Jacobus Jurin, overleggende twee
-brieven, die op verzoek van den stervenden Leeuwenhoek werden
-toegezonden.” Deze missive van Hoogvliet was van den volgenden inhoud
-en in ’t Latijn geschreven:
-
-„Onze eerwaardige grijsaard Leeuwenhoek liet mij, toen hij reeds met
-den dood kampte, maar desniettemin nog aan zijn geliefde studie dacht,
-tot zich roepen en vroeg, mij met reeds half gebroken oogen aanstarende
-en in afgebroken woorden, of ik deze beide brieven in het Latijn wilde
-overzetten en aan u, zeer geleerde Heer toezenden. Daar ik het verzoek
-van zulk een man, zoo als ik dat reeds sedert eenige jaren gewoon was,
-niet kon weigeren, zoo zend ik u, zeer geleerde Heer, het laatst
-geschenk van mijnen stervenden vriend, hopende dat deze zijne laatste
-werkzaamheden u aangenaam zullen zijn.”
-
-De inhoud dezer twee brieven was:
-
-
- 1º. Over de globulen in het bloed en in den moer van den wijn.
- 2º. Over de voortteeling der dieren en over de klopping van het
- middenrif.
-
-
-Uit den inhoud dezer twee brieven ziet men, dat de twee belangrijkste
-onderwerpen, die zoo zeer bijgedragen hadden om zijn naam onsterfelijk
-te maken en waaraan hij schier zijn geheele leven gewijd had, hem zelfs
-op zijn sterfbed voor den geest zweefden en tot op het laatst zijns
-levens het gewichtig onderwerp zijner onderzoekingen uitmaakten.
-
-Men meene echter niet dat zijn eenigste gedachten op de stoffelijke
-dingen der aarde gevestigd waren, zoodat hij zelfs met den dood voor
-oogen zijn geest daarmede uitsluitend zou hebben bezig gehouden. Neen,
-wij kunnen uit onderscheidene plaatsen in zijne brieven zien, dat een
-innig godvruchtige geest in hem woonde en hij in alles wat hij
-verwonderlijks zag en opmerkte Gods grootheid en almacht roemde. Hoor
-onder anderen wat hij zegt in een brief aan Nicolaas Witsen [206],
-„Want wy en konnen den Heere en maker van het geheel-Al, niet meer
-verheerlyken, als dat wy in alle zaken, hoe klein die ook in onse
-bloote oogen mogen zijn, als ze maar leven en wasdom hebben ontfangen,
-zyn Al-wysheit en volmaaktheit, met de uiterste verwondering sien
-uitsteken.”
-
-Of zijn ontboezeming in een brief aan Frederik Adriaan [207] over het
-ontstaan van de oneindig kleine diertjes. „O diepte der Wysheyt, hoe
-ondoorgrondelijk zyn uwe werken, zullender nu nog menschen gevonden
-werden, die seggen datter geen God is?”
-
-Ik zou deze voorbeelden nog met een aantal anderen kunnen vermeerderen,
-doch het aangevoerde zal, vertrouw ik, voldoende zijn om zijn vromen
-geest te kenschetsen.
-
-Nadat de eerbiedwaardige grijsaard deze zijne laatste beschikkingen
-gemaakt had, kon hij gerust het hoofd nederleggen, omringd door zijne
-geliefde dochter, betrekkingen en trouwe vrienden, en met recht kan van
-hem gezegd worden, dat hij gewerkt had, zoo lang het voor hem dag was.
-
-Leeuwenhoek overleed den 26sten Augustus 1723 en had alzoo den ouderdom
-van bijna 91 jaren bereikt, waarvan hij er met zekerheid meer dan 60
-onafgebroken aan zijne geliefkoosde natuurstudiën had gewijd.
-
-Hij werd in de St. Hippolitus- of Oude Kerk te Delft begraven, alwaar
-een gedenkteeken nog in goed onderhouden toestand gevonden wordt, dat
-zijne dochter Maria, 17 jaren na het overlijden van haren vader, ter
-zijner nagedachtenis en eere heeft doen oprichten. Dit gedenkteeken
-bestaat uit een spits toeloopende naald van hardsteen, door eene vaas
-gedekt, al waar in het bovengedeelte de buste van Leeuwenhoek in wit
-marmer is aangebracht, en waaronder men de volgende inscriptie leest:
-
-
- „Piae et aet. (ernae) Memor. (iae) Antonii a Leeuwenhoek, reg.
- (iae) angl. (icae) Societ. (atis) membr. (o), qui naturae
- penetralia et physices arcana microscopiis ab ipso inventis et
- mirabili arte fabricatis assiduo studio et perscrutatione detegendo
- et idiomate belgico describendo de toto terrarum orbe optime
- meruit.”
-
- Nat. Delphi XXIV Oct. An. MVICXXXII.
- Ibique denat. XXVI Aug. An. MVIICXXIII.
-
-
-Onder den breed uitloopenden voet der grafnaald, welke op vier bollen
-rust, in het midden waarvan een wit marmeren doodshoofd op kruiselings
-gelegde doodsbeenderen, leest men de volgende inscriptie:
-
-
- „Patri charissimo hoc monumentum filia Maria”
- A. Leeuwenhoek Moerens P. (osuit).
-
-
-Het geheele monument is omgeven door een sierlijk bewerkt ijzeren hek,
-terwijl vóór dit hek zich het familiegraf bevindt, gedekt door eene
-zware zerk, waarop het volgende opschrift is uitgehouwen:
-
-
- „Hier rust Antony van Leeuwenhoek, oudste lid van de Koninklyke
- Sosyteyt in Londe, gebooren binnen de Stadt Delft op den 24sten
- October 1632 en overleden op den 26sten Augustus 1723, out synde 90
- jaren 10 maanden en 2 dagen.
-
- „Heeft elk, o wandelaar, alom
- Ontzagh voor hoogen ouderdom
- En wonderbare gaven,
- Zoo zet eerbiedigh hier uw stap:
- Hier legt de grijse wetenschap
- In Leeuwenhoek begraven” [208].
-
-
-En eindelijk is, geheel aan het onderste gedeelte der zerk nog
-uitgehouwen:
-
-
- „en Maria van Leeuwenhoek desselfs dogter, geboren te Delft den
- 22sten September 1656 en overleden den 25sten April 1745.”
-
-
-Verder is op de zerk uitmuntend uitgehouwen een schoon bewerkte
-vliegende arend, met den kop hemelwaarts gericht, terwijl hij met de
-klauwen een schild vastklemt, waarop zijn familiewapen [209] zal
-gegrift geweest zijn, doch dat er in den Franschen tijd is uitgehouwen,
-zoo als dit met al de wapenschilden in ons land, op oude monumenten,
-waar deze vroeger bestonden, het geval is geweest. Het is een schild
-van goud, beladen met een klimmenden leeuw van azuur, getongd en
-geklauwd van keel. Het schild gedekt door een schuin staanden helm,
-waarop als helmteeken een vogelvlucht van goud en azuur, gedekt met
-helmdekken van goud en azuur. Onderaan ligt eene sphynx; dezelfde
-figuur, die ook voorkomt op de allegorische titelplaat voor het eerste
-deel van de brieven van Leeuwenhoek, en waarvan de beteekenis is,
-volgens de uitlegging van deze titelplaat door den dichter T. van der
-Wilt:
-
-
- „Scherpzinnigheid, waarmede
- ’t Verborge wert ontdekt, en ’t duistere verklaart”...
-
-
-De dichter Poot maakte nog een ander gedicht „ter eeuwige
-gedachtenisse” van zijn vriend Leeuwenhoek, waarvan de laatste regelen
-dus luiden:
-
-
- „O Leeuwenhoek, zoo blank van hart als hair,
- Ter quader uur door ’t straffe lot bemagtigt,
- Ziet uit uw graf, zie eens na hondert jaer,
- Hoe door de faem uw glori wort bekrachtigt.
- Wy zullen, als de lente weligh bloeit,
- En ’t kille sneeu komt op ’t gebergt ontdoien,
- Uw stil vertrek, uw rustplaets onvermoeit,
- Met geurigh loof en versch gebloemt bestroien,
- Terwyl zult ge u vermaken in den rei
- Der zaligen, daer andre starren lichten.
- Vergeef my nu, dat ik weemoedigh schrei
- ’k Zal in myn ziel voor u een eerzuil stichten.—
- En gy, die hier uws Vaders lyk betreurt,
- Marye, eilaas! hoe schynt het heil verdweenen!
- Bewys uw rou: ’t valt schaers een kint te beurt,
- Zoo groot een’ Helt en Vader te beweenen.”
-
-
-Zoo als uit al het bovenvermelde blijkt, zijn de bijzonderheden omtrent
-de waarnemingen van Leeuwenhoek alle ontleend aan brieven door hem aan
-de „Royal Society” te Londen en aan particulieren geschreven en beslaan
-dus ook zijne geschriften uit eene verzameling dezer brieven, die allen
-op verschillende tijden, aanvankelijk ieder afzonderlijk of enkelen te
-samen, schijnen gedrukt en uitgegeven te zijn, blijkens de pagineering,
-die in het eerste deel niet doorloopend is, maar voor iederen brief
-afzonderlijk, en ook door de verschillende titels, waaronder zij bij
-onderscheidene boekverkoopers te Delft en te Leiden zijn gedrukt en
-uitgegeven.
-
-Er bestaan van deze zelfde brieven twee uitgaven, namelijk de
-Hollandsche en de Latijnsche; beiden in vijf 4º deelen, waarvan het
-vijfde deel de zoogenaamde „Sendbrieven” bevat.
-
-De Hollandsche verzameling, die in mijn bezit is, dateert van
-1685–1718. Daarin zijn de brieven van Leeuwenhoek opgenomen, deels
-onder den titel van „Ontleedingen en Ontdekkingen” enz., deels onder
-dien van „Ondervindingen en Beschouwingen” enz., deels onder dien van
-„Vervolg der brieven”, waarvan er zeven zijn.
-
-Deel I vangt aan met den 28sten brief en loopt tot no. 52, bevattende
-de brieven van de jaren 1679 tot 1686, terwijl daarin ook het Eerste
-Vervolg van no. 53 tot 60, loopende van April 1687 tot November van dat
-zelfde jaar gevonden worden.
-
-Deel II bevat het Tweede tot Vierde Vervolg van no. 61 tot no. 83,
-loopende van 1688 tot 1694.
-
-Deel III bevat het Vijfde en Zesde Vervolg van no. 84 tot no. 107,
-loopende van 1694 tot 1696.
-
-Deel IV bevat het Zevende Vervolg van no. 108 tot no. 146, loopende van
-1697 tot 1702.
-
-Deel V eindelijk bevat de „Sendbrieven” vervat in 46 brieven, loopende
-van 1712 tot 1716. Na aftrek dus van de 28 niet uitgegevene zijn er in
-deze verzameling in het geheel 165 brieven opgenomen.
-
-De reden waarom deze brieven eerst met den 28sten aanvangen schijnt
-niet met zekerheid bekend te zijn. De drukker van de brieven, die in
-het eerste deel voorkomen, zegt aan het begin van het „Register” op den
-28sten tot den 52sten brief: „De voorgaande 27 brieven by den Auteur
-geschreven, en heeft hij tot noch toe niet konnen resolveren, die met
-den druk gemeen te maken; dus hier de 28ste Brief de eerste is die
-gedrukt is.”
-
-Van Haastert [210] oppert het vermoeden, als of hij den inhoud dezer 26
-brieven uit kieschheid niet geschikt voor de publiciteit zou gekeurd
-hebben, doelende op een postscriptum onder een brief van Leeuwenhoek,
-handelende over de zaaddiertjes, waar hij zegt:
-
-„Ik heb nog eenige afzonderlijke waarnemingen over de vrouwen en de
-bevrugting enz., doch ik houde die terug om geen aanstoot te geven.” En
-in een anderen brief aan Petrus Rabus [211], „Myne stellingen omtrent
-de versamelinge, bevrugtwerdinge en voorttelinge van onze vrouwen enz.,
-hebbe ik sedert dat ze UE. onlangs tot mijnent gelezen had, nog aan een
-zeer geleerd en voornaam Heer laten zien en daarby gezeid, dat UE. my
-hadde aangeboden om het in ’t Latyn over te zetten, en in die taal
-wereltkundig te maken. Doch die Heer is, nevens my, van gevoelen, dat
-wy zulks best mogten laten; eensdeels enz.... en ten anderen, uit vreze
-dat de werelt, die dog boos en bot genoeg is, de Natuerkennis tot haar
-verderf mogt gebruiken en meer en meer in ongebondenheid uitspatten.”
-
-Ik kan mij echter met deze opgegeven reden niet vereenigen, dewijl ik
-in de brieven, die ik van Leeuwenhoek in de „Philosophical
-Transactions” aan de „Royal Society” van vóór 1679 geschreven, gevonden
-heb, die een zestiental bedragen, er slechts eene gevonden heb die over
-de spermatozoïden handelt.
-
-Het is zeker te verwonderen, dat juist de brieven van 1673, waarin hij
-zijn eerste brief aan bovengenoemd Collegie schreef, tot 1679, waarin
-de 28ste of eerste brief der Verzameling is geschreven, in deze
-verzameling gemist worden. Deze toch vertegenwoordigen een tijdvak,
-waarin zijne waarnemingen, zoo zeer de bewondering en verbazing van de
-leden der „Royal Society” opwekten, dat daardoor niet alleen de
-aandacht op hem gevestigd werd, maar hem de hooge onderscheiding werd
-waardig gekeurd als Lid van dat beroemd genootschap te worden
-aangenomen en dat onder omstandigheden zoo vereerend voor hem als
-wellicht zelden aan een ander zijn te beurt gevallen. Zijne in het
-IXde, Xde en XIde deel der „Philosophical Transactions” opgenomene
-brieven hebben betrekking op zijne microscopische onderzoekingen van
-„bloed, melk, beenderen, de hersens, het haar, het kristallynvocht, de
-gezichtszenuw, de textuur van het hout, de kleine diertjes in regen-,
-wel-, zee-, en sneeuwwater, alsmede in water, waarin men peper had
-laten trekken; de structuur der tanden, beenderen, ivoor.”
-
-Ik vermoed eer dat Leeuwenhoek geen afschriften van deze eerste brieven
-zal gehouden hebben, zoo als hij dit van de anderen deed en mij uit
-enkele perioden in sommige zijner brieven gebleken is, en hij daarom
-buiten de gelegenheid was, toen men bij hem op de uitgave zijner
-brieven begon aan te dringen, daaraan, wat deze 27 eerste betreft,
-gevolg te geven. Dat Leeuwenhoek aanvankelijk tot die uitgave niet uit
-eigen beweging, maar op aandrang van anderen is overgegaan, blijkt uit
-een brief van zijn eersten uitgever Daniel van Gaesbeek te Leiden van 1
-Januari 1684, bij wijze van opdracht voor het eerste deel geplaatst,
-waarin hij dus aanvangt: „Als alle de werelt seer verwondert sprak, van
-de uitvindinge tot beschouwinge der onsienelyke
-verborgenheidswaarheden, door UE. opgelost; ende dat veele boeken in
-andere landen en taalen daar af gewaagden, brande myn lust, om meede
-een oog-getuige daar in te zijn; soo heeft my den geleerden
-Medicyn-meester de Heer Cornelis van ’s Gravesande, Raad en Scheepen
-der stad Delft, bij UE. geleid: waar ik door UE. konstige en niet min
-loflyke uitvindinge, die verwonderlyke verborgentheden Gods, door UE.
-beleefde goeddadigheid komende te beschouwen, soo bevond ik, dat de
-vreemde boeken die daar af door de wereld sweeven, in den zin,
-afteekening en waardigheid niet weinig verschilden, en ook dat onse
-eige ingeboorne landsaten in haar taal niet kosten genieten die
-wetenschappen, die reeds eenige naburige volkeren in haar eygen taal en
-sprake waren bekend geworden. Derhalve niet rustende, ofte ik had
-bekoomen yets van ’t gene UE. selfs de weerelt meede gedeelt had, so
-wierden my ter hand besteld (door een Heer, die ik en de wereld daar
-voor moet danken) deese UE. nevensgaande brieven, by UE. „meede
-Broeders van dat Hoogloflijke Collegie des Koninklijke Sociëteits in
-Engeland”. Deese (waarin soo bysondere wonderheden waren aan te
-schouwen) dagten my te waardig, om niet aan alle onse Landsgenooten in
-haar eigen taal (door hulp van den voornoemden Heer, en myn druk-pers,
-mitsgaders de konstige hand des plaat-snyders, Abraham de Blois te
-Delft) sigtbaar voor te stellen, als zijnde een grondsteen, waar op
-alle wijsgeerige en doordringende verstanden voort bouwen en haare
-wetenschappen verder verklaren. Soo leg ik deese myne daad en sorge
-wederom voor UE. neder; in hoope, dat dit myn stout bestaan by UE. over
-’t hoofd gesien, ende ten besten geduid sal werden; dat ook UE. deese
-uwe eerstelingen (die dan een Engels, dan een Frans, en dan wederom een
-Oud-Rooms hulsel syn opgeset en daardoor veel van haar eygen wesen en
-luyster hebben verloren, en nu eerst het ligt in haar eygen vaderland
-komen te aanschouwen) niet en sult afwijsen; maar als UE. eygene
-vrugten en maaksels uwes verstands erkennen en aannemen; ende daardoor
-nog meer en meer bewogen werden, omme niet alleen UE. verdere
-ondervindingen, maar ook die gene, die UE. (zoo ik onderrigt ben)
-omtrent thien jaren herwaards aan het Hoogloffelijk Collegie in
-Engeland heb opgedist, tot voldoeninge van onse ingesetene wijsgeerders
-meede te deelen, en dien kostelijken schat onse ingeboorne niet langer
-te onthouden, waartoe ik hoope God de Heere UE. ondersoekingen meerder
-en altoos sal zeegenen”.
-
-Deze laatste periode doelt blijkbaar op de eerste 27 brieven, die
-Leeuwenhoek aan de „Royal Society” geschreven had.
-
-Nog op eene andere gaping in de bekendmaking zijner brieven in de
-Hollandsche en Latijnsche verzameling wil ik wijzen.
-
-De laatste brief namelijk van het „Zevende vervolg” (Deel IV) eindigt
-met den 146sten brief, gedateerd 10 April 1702, terwijl de eerste der
-46 „Sendbrieven” de dagteekening draagt van 8 November 1712. Er is dus
-weder een tijdvak van 10 jaren, waarin geen brieven van Leeuwenhoek in
-onze taal of in het Latijn afzonderlijk zijn gedrukt. Mogelijk zijn het
-deze brieven, waarop gedoeld wordt aan het slot van den Catalogus der
-verkooping der microscopen in de volgende noot: „N.B. In den boedel van
-wijle Jufvrouw Maria van Leeuwenhoek zijn gevonden eenige nagelaten
-manuscripten of brieven van haar vader, den Heer Antoni van
-Leeuwenhoek, dewelke door Z.E. in deszelfs leven geschreven en in eene
-nette en goede orde geschikt zijn, om als een vervolg op zijne
-voorgaande uitgegeven brieven gedrukt te kunnen worden; alle de Platen
-daartoe behoorende, zijn daarbij en reeds in ’t koper gegraveert, zoo
-als de Latijnsche vertaling van voorzeide brieven. Iemand genegen
-zijnde dit werk te laten drukken, kan zich addresseren aan de
-Executeurs van de voorz. boedel.” Wat er van die brieven geworden is
-ben ik niet te weten kunnen komen.
-
-Eene andere verklaring, die mij, in verband met het boven vermelde,
-niet onwaarschijnlijk voorkomt, vond ik in hetgeen zijne dochter aan
-von Uffenbach, tijdens zijn bezoek aan Leeuwenhoek mededeelde. „Sie
-erzählte uns,” zegt hij, „dass ihr Vater seit einigen Jahren viel neues
-durch seine Microscopia entdekt hätte, er wolte aber in seinen leben
-nichts mehr von seinen Observationen herausgeben, weil ihne einiger
-Schimpf, vermuthlich in Schriften, wiederfahren, da man sich über seine
-sonderliche Meinungen in seinen Schriften hin und wieder spottisch
-aufgehalten, und ihm schuld gegeben, er habe mehr durch seine
-Einbildung gesehen, als durch seine Gläser.” [212] Dit bezoek nu had
-juist plaats in 1710, en de door zijne dochter bedoelde „nieuwe
-waarnemingen” kunnen dus zeer goed slaan op die, welke hij sedert 1702
-ondernomen en aan de Royal Society had medegedeeld. Ik heb deze brieven
-in de „Philosophical Transactions” van de jaren 1702–1712, deel
-XXIII–XXVII, gevonden, de volgende waarnemingen worden er in vermeld:
-„Over het groen kroos in het water groeiende, en eenige diertjes daarin
-gevonden; de zaden van verschillende Oost-Indische planten; den
-kinabast; het beslag der tong bij koortsen; de bloedvaten; de
-circulatie van het bloed bij de visschen; candysuiker; de zaadvaten;
-spiervezels en bloed van den walvisch; de huid van den olifant; de
-voortteeling der mossels; de milt; roodkoraal; samenstelling van
-diamanten.”
-
-Eindelijk heb ik nog, na de laatste der „Sendbrieven” d.d. 20 Nov.
-1717, waar hij, om zijne hooge jaren, afscheid neemt van de Royal
-Society, in het XXXIste en XXXIIste deel der „Transactions” een achttal
-brieven gevonden, van de jaren 1720 tot 1723, hetzelfde jaar, waarin
-hij gestorven is, handelende: „Over beenderen; het middenrif; de
-spiervezels der visschen; de vaten in sommige soorten van hout, en over
-spiervezels in verschillende dieren; de membranen die de vaatbundels
-omsluiten, waarin een spier verdeeld is; de spiraalvaten van de
-bladeren; het wollige bekleedsel der persikken en kweeappels;” waarbij
-eindelijk nog gevoegd moeten worden de beide brieven, die Leeuwenhoek
-op zijn sterfbed aan zijn vriend Johannes Hoogvlied verzocht in het
-Latijn over te zetten en aan de Royal Society toe te zenden, welke
-brieven ik reeds uitvoeriger besproken heb.
-
-De Latijnsche verzameling bestaat eveneens uit vijf deelen in 4º. onder
-de volgende titels:
-
-Deel I onder dien van: „Anatomia et contemplatio nonnullorum naturae
-invisibilium secretorum, comprehensorum Epistolis quibusdam scriptis”
-etc. Lugd. Bat. 1685.
-
-Deel II: „Epistolae ad Societatem Regiam Londinensium et alios viros
-illustros datur.” Lugd. Bat. 1689.
-
-Deel III: „Anatomia, hoc de interioribus rerum, cum animatarum, tum
-inanimatarum, ope et beneficio exquisitissimorum microscopiorum
-detectis.” Lugd. Bat. 1689.
-
-Deel IV: „Arcana naturae ope microscopiorum detecta.” Delphi 1695–1697.
-
-Deel V: „Epistolae physiologicae super compluribus naturae arcanis,
-hactenus nunquam editae,” Delphi 1709.
-
-Later heeft men ze nog gezamenlijk uitgegeven onder den titel: „Opera
-omnia seu Arcana naturae ope exactissimorum microscopiorum detecta;”
-doch men heeft er een nieuw titelblad voor geplaatst met de jaartallen
-1715–1722.
-
-A. J. van der Aa [213] vermeldt eveneens de bovengenoemde Hollandsche
-en Latijnsche uitgaven in vijf deelen, waarin de brieven van
-Leeuwenhoek zijn vervat, en bevestigt, door de vermelding der
-afzonderlijke titels, waaronder zij zijn uitgekomen, dat enkele dezer
-brieven bij een-, twee-, drie- en meertallen te samen afzonderlijk zijn
-uitgegeven en, zoo als ik boven opmerkte, betrekking hebben op de 52
-eerste brieven, altijd daarvan afgetrokken de 27 eerste niet gedrukte,
-terwijl hij zoowel van de Hollandsche als de Latijnsche uitgave de
-geheele uitvoerige titels mededeelt. Men vindt verder nog bij van der
-Aa zijne correspondentie met Petrus Rabus, de uitgever van de „Boekzaal
-van Europa,” welk tijdschrift tot op onzen tijd onder den naam van
-„Boekzaal der geleerde wereld” is bekend gebleven.
-
-In de Hollandsche en Latijnsche verzamelingen zijner brieven vindt men
-er echter slechts één aan genoemden schrijver, die een bijzonder vriend
-van Leeuwenhoek moet geweest zijn.
-
-Deze correspondentie heeft Rabus in zijn „Boekzaal” bekend gemaakt; ze
-is de volgende:
-
-1. „Korte inhoud van een brief, geschreven uit Kolmar, behelzende een
-overzeldzame ziekte van eene vrouw, die rijpen (rupsen) uit haar regter
-oor loosde”, en brief van Leeuwenhoek aan den schrijver van de Boekzaal
-over de vorenstaande historie.
-
-2. „Uittreksel uit een brief van den grooten onderzoeker der
-Natuurgeheimen den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan den
-schrijver van de Boekzaal, waarin gehandeld wordt van de vis, Roch
-genaamd, deszelfs eijeren, bloedvaten enz.” Delft den 21 Mei 1695, (In
-de P. R. Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1695, blz. 322).
-
-3. „Brief van den grooten natuur-beschouwer den Heere Antoni van
-Leeuwenhoek, geschreven aan P. Rabus, zoo als ze van woorde tot woorde
-luid (een vervolg van ’s Mans ontdekkingen, wegens het hoornvlies en d’
-oogen van een Rombout (Korebout of Puistebijter); ontleding van ’t
-gemelde vlies. Beschouwing door ’t zelve. Uit hoevele schubachtige
-opeenleggende deelen het bestaat. Volmaaktheid van ’t oog. Reden waarom
-het vliegend dier met zoo veel duizende gezigten voorzien is; Krabbe-,
-kreeften- en garnaals-oogen. Eijernesten der vorensgezeide Rombouten,
-Groot getal eijeren. Oorzaken waarom uit die eijeren niet meer
-voortgekomene dieren gezien worden. Besluit van de voortteelinge” in P.
-Rabus. Boekzaal, Nov. en Dec. 1694. blz. 511.
-
-4. „Brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek aan den schrijver van de
-Boekzaal (P. Rabus) gezonden, als een vervolg van zijn gevoelen over de
-historie van de vrouw van Kolmar, in de naast voorgaande twee maanden
-verhandeld en onderzogt. Bij Rabus, Boekzaal van Europa,” Julij en Aug,
-1695, blz. 92; Sept. en Oct. blz. 258.
-
-5. „Brief van Antoni van Leeuwenhoek aan P. Rabus, waarin gehandeld
-word van den zoogenaamden Honigdauw. Wat de boeren en het algemeene
-volk daardoor verstaan. Waarneming van zeker glimpend vocht op
-lindebladen. Zoutdeelen in dezelve. Deze vocht in ’t oog als een
-olyachtige stoffe voorkomende, valt geenszins uit de lucht. Ze wordt
-uit de bladeren uitgestooten. Beschouwing van meer boomen en hare
-bladen, bijzonderlijk den Wijngaert. Bevestiging van het voorgestelde.
-Nog iets van de wigchelroede”; in P. Rabus, Boekzaal van Europa, Julij
-en Aug. 1696, blz. 144.
-
-6. „Uittreksel uit zekeren brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek,
-den vijfden van Grasmaand 1697 aan de Koninklijke Maatschappij te
-Londen geschreven, wegens den zeilsteen en het ijzer”, in Rabus,
-Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1697, blz. 459.
-
-7. „P. Rabus, Brief aan den grooten uitvinder der Natuurgeheimen, den
-Heer Ant. van Leeuwenhoek”; in Boekzaal van Europa, 1693, blz. 159.
-
-8. „Uittreksel uit een brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek,
-geschreven aan den schrijver der Boekzaal. Over de vloo-teelt”; in
-Boekzaal van Europa, 1633, blz. 554.
-
-9. „Brief van den schrijver des Boekzaals aan Antoni van Leeuwenhoek
-afgevaardigt, over een zonderlinge historie van goud, zilver of andere
-bergstoffen, met een tweesprankelig takje van een boom te ontdekken”;
-in Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1696, blz. 495 en Antwoord van
-Ant. van Leeuwenhoek, blz. 522.
-
-Van deze brieven zijn No. 1, 2, 4, 7 en 9 niet in de verzameling zijner
-brieven te vinden, terwijl over den inhoud van No. 3 gehandeld wordt in
-het IIIde deel, 5de vervolg, 85ste brief, blz. 5; van No. 5 in het
-IIIde deel, 6de vervolg; 104de brief, blz. 293 en IVde deel, 7de
-vervolg 109de brief; van No. 6, in het IVde deel, 7de vervolg, 108ste
-brief, blz. 3; van No. 8 in het IIde deel, 4de vervolg, 76ste brief,
-blz. 561.
-
-Men vindt nog bij van der Aa vermeld, dat de brieven van Leeuwenhoek in
-de „Giornale Litterati te Modena” zijn opgenomen.
-
-Ook zijn de Microscopische beschouwingen, vervat in de „Philos.
-Transact.” No. 3, pag. 51; No. 94, pag. 6037; No. 97, pag. 6116; No.
-102, 106, 108, 117, 136, 143, door Leske in het Hoogduitsch overgezet
-en uitgegeven, 2 deelen in één band.
-
-Verder: „De generatione Hominis, liber Petri Gercke, Med. Dr. Chymiae,
-Theoriae, et Materiei Med. Profess. P. O. in Academia Julia Serenissimi
-Ducis Brunsvic. et Luneb. à consiliis Aulae et Archiatri ac Regiae
-Societatis Scientiarum Berol. Membri. Helmst. 1744.”
-
-Een uittreksel van Leeuwenhoek’s brieven verscheen achter „Cours de
-Physique, accompagné de plusieurs Pièces concernant la Physique, qui
-ont déja paru et d’un Extrait critique des Lettres de Mr. Leeuwenhoek,
-par feu Mr. Hartsoeker, A la Haye, 1730 4º.” ’t welk aanwezig is op de
-Academische Bibliotheek te Leiden.
-
-Eene uitvoerige lijst van de brieven van Leeuwenhoek kan men ook vinden
-bij L. Theod. Gronovius, Bibliotheca Regni animali atque lapidi. L. B.
-1760, pag. 159.
-
-Verder vermeldt Dr. Herman August Hagen in zijn „Bibliotheca
-entomologica,” Leipzig 1862, een 15tal brieven, allen van
-entomologischen inhoud.
-
-Prof. Louis Agassiz heeft de brieven van Zoölogischen inhoud van
-Leeuwenhoek opgenomen in zijn „Bibliographia zoologiae et geologiae,”
-London 1852.
-
-J. Victor Carus en Wilhelm Engelmann hebben dit gedaan in hun
-„Bibliotheca Zoölogica,” Leipzig 1861, voor een aanzienlijk aantal
-zijner brieven, die zij onder de desbetreffende rubrieken hebben
-vermeld.
-
-Eindelijk volgt hier de korte inhoud van de acht manuscripten van
-Leeuwenhoek, die ik geraadpleegd heb, waarvan er twee berusten in de
-Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, Cat. XVIII, Huygens, No. 26 en
-30, en de overigen in de verzameling waren van Mr. L. C. Luzac, doch na
-diens overlijden verkocht zijn [214], als: I. vijf aan Constantijn
-Huygens; II. twee aan Christiaan Huygens; III. een aan N. Oldenburg,
-Secretaris der Royal Society te Londen, terwijl er zich nog één
-eigenhandig geschreven brief van Christiaan Huygens aan Leeuwenhoek bij
-bevindt, waarbij gevoegd is een door Leeuwenhoek geschreven en
-uitgewerkte berekening, ten betooge, dat er meer dan tienmaal zoo veel
-levende dieren uit de hom van een cabeljau voortkomen als er menschen
-op de aarde leven. Dezelfde berekening wordt gevonden in een
-„postscriptum” onder een brief van Leeuwenhoek aan Nehemias Grew,
-Secretaris der Royal Society te Londen (28ste brief, blz. 14).
-
-Al deze brieven zijn geteekend Antoni Leeuwenhoeck, de voornaam met een
-lange i zonder „van” en met „ck.”
-
-De inhoud dezer manuscripten is de volgende:
-
-I. 1º. d.d. 5 April 1674: Over de globulen in melk, het haar, de
-nagels; de vorming van melk in de vrouwen-borsten uit bloed.
-
-2º. d.d. 24 April 1674: Over de bloedbolletjes; de beenderen; waaraan
-de witte kleur aan fijngestoten gekleurde stoffen is toe te schrijven;
-de bolletjes in de kuit van cabeljauw.
-
-3º. d.d. 7 November 1676: Over de diertjes in gekruide wateren, en in
-regen- en andere wateren, waarin hij zes verschillende diertjes
-beschrijft; de aaltjes in azijn; Leeuwenhoek bedankt in deze brief aan
-het slot, voor het aanbod van zijn zoon, Christiaan Huygens, om zijne
-observatiën in de Fransche taal over te zetten en ze in die taal
-wereldkundig te maken.
-
-4º. d.d. 26 December 1678: Opmerkingen over de door Christiaan Huygens
-waargenomen en afgebeelde diertjes in verschillende wateren; over het
-zoogenaamde stof op de vleugels der kapellen en afbeelding dezer
-schoone schubjes.
-
-5º. d.d. 21 Mei 1679: Speculatien over de kleine vatjes en zenuwen in
-de kleine diertjes in het water enz.; calculatie omtrent de grootte
-dezer diertjes.
-
-II. 1º. d.d. 15 Februarij 1677: Dankzegging voor de vertaling in het
-Fransch zijner observatiën.
-
-2º d.d. 15 Mei 1679: Medegegeven aan zijn zusters zoon Antoni Molyn of
-du Molyn. (Zie mijn familieregister). Over de beweging der kleine
-diertjes met een lange staart. Aanbeveling aan Chr. Huygens om, vóór
-hij zijn „Dioptrica” uitgeeft, het boekje van Robert Hooke, „Lectures
-and collections” te lezen.
-
-III. d.d. 1 Junij 1674. Dankzegging voor ontvangen nommers der
-„Philosophical Transactions” en voor de aanmoediging van Boyle, om
-voort te gaan in het onderzoeken van de „bloeijende couleur”, die het
-bloed uit de aderen ondergaat, als het aan lucht is blootgesteld;
-observatie over het nederzakken der bloedbolletjes naar den bodem; over
-de wijze hoe hij bloed en melk in dunne glazen pijpjes observeert, en
-beschrijving en afbeelding dezer fijne haarbuisjes; over de drukking
-die de lichamen door de lucht ondervinden (hij zond er eenige der boven
-beschreven haarbuisjes om het bloed in waar te nemen bij); over de
-structuur van beenderen en tanden; over de lever; de hersenen en het
-ruggemerg eener koe; het vleesch en de dunne striempjes daarin;
-speeksel; de menschelijke opperhuid.
-
-IV. d.d. 6 Maart 1690. Minute van een brief van Christiaan Huygens aan
-Leeuwenhoek. Over eene verbeterde wijze om de glazen bol in te richten,
-ten einde de ronddraaiende beweging der aarde aan te toonen (zie bl. 66
-en zesde vervolg 101ste brief, blz. 263).
-
-Verder handelt een eigenhandig geschreven brief van Leeuwenhoek aan den
-Heer L. van Velthuysen, in het bezit geweest van wijlen den Heer van
-Dam van Noordeloos te Rotterdam, van 11 Mei 1679: Over de figuur van
-een plant in zaaden te zien; de spiraalvaten in de zaden, het hout en
-andere deelen der planten; de schimmel op oud leder en hoe het gevormd
-wordt; over de witte vloed.
-
-Later is mij nog door Dr. du Rieu bericht, dat door hem in een bundel
-nog niet op den catalogus gebrachte brieven, gevonden zijn vier brieven
-van Leeuwenhoek:
-
-1º. Een afschrift van een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek, waarvan
-het oorspronkelijke berust bij den Heer Mazel, Oud-Secretaris-Generaal
-van Buitenlandsche Zaken te ’s Hage „Over de zoogenaamde zaaddiertjes”;
-de aaltjes in den azijn, waaromtrent Leeuwenhoek vermeldt, dat er 8 á
-10 in een glazen pijp te zien waren, welk getal, na verloop van 3 maal
-24 uren, tot meer dan 80 was vermenigvuldigd, en dat hij zich niet kan
-begrijpen hoe deze zonder voortteeling kunnen ontstaan. Dit bracht hij
-over op de vermenigvuldiging van de diertjes in het regenwater, waarbij
-het hem eveneens onbegrijpelijk is, hoe zij voortteelen. Hij verdiept
-zich verder in dezen brief over de vraag, waar het zaad van daan komt,
-waaruit de diertjes voortkomen, die in het sperma van menschen en
-dieren gevonden wordt.
-
-2º. De eigenhandige brief in Halbertsma’s dissertatie, pag. 70 vermeld
-als No. VIII der „Philos. Transact.”
-
-3º. De eigenhandige brief, eveneens in genoemde dissertatie op pag. 69
-vermeld, en in het Engelsch vertaald te vinden in de „Philos.
-Transact.” Vol. XXIV, pag. 1614.
-
-Aan het hoofd van dezen brief teekent Prof. Halbertsma aan, dat deze
-geschreven is in een tijd, dat Leeuwenhoek boos was en in het
-Hollandsch althans niets uitgaf. Deze brief handelt over de cochenilje
-en bevat eene wederlegging van de bewering, dat deze stof geen diertjes
-zouden zijn. Hij haalt daarbij aan de verklaring van een ooggetuige,
-namelijk een oud Spanjaard van Jamaica, en beschrijft de wijze hoe deze
-op de bladeren en takjes van zeker gewas „prikle-pear” of Indische
-vijg, met dikke ronde bladeren en scherpe stekels voorzien,
-voortplanten, en hoe zij eindelijk door den rook van brandende stoffen
-gedood en verzameld worden op onder de planten uitgespreide kleeden
-enz. Deze bijzonderheden zegt Leeuwenhoek ontleend te hebben uit de
-„Philos. Transact.” van de maanden Maart, April, Mei en Juni 1691,
-waarvan hij zich eene vertaling had doen maken.
-
-4º. Twee eigenhandige brieven aan den dichter van verzen op zijn
-afbeeldsel gemaakt, namelijk H. K. Poot, terwijl het tweede gedicht te
-vinden is vóór de „Sendbrieven” van Leeuwenhoek. Deze brieven zijn van
-10 Mei 1716. Hij handelt daarin: „over de diertjes in het water,” en
-voegt er eene uitvoerige berekening bij van hunne grootte, terwijl de
-tweede handelt: „over de maagdepalm,” waarvan men beweerde, dat de
-bloem, die het droeg, geen zaad zou voortbrengen, welke bewering hij
-door zijne onderzoekingen logenstrafte.
-
-Deze aan Poot geschreven brieven waren bezegeld met een cachet, waarin
-het vrij goed bewaarde portret van Leeuwenhoek gegraveerd was, zooals
-blijkt uit de goede gelijkenis met het gegraveerde portret, uitgegeven
-bij zijn „Ontledingen en ontdekkingen.” Leiden 1686.
-
-Eindelijk werd mij nog niet lang geleden door Dr. du Rieu medegedeeld,
-dat door hem in den „Navorscher” van 1864, blz. 351, een afschrift is
-gevonden van een brief van Leeuwenhoek, d.d. 9 Febr. 1701, aan Frederik
-Adriaan van Rhede en handelende over verfstoffen en turfgraving.
-
-Ook van al deze brieven zijn mij, door de welwillende zorg van Dr. du
-Rieu, nauwkeurige afschriften toegezonden.
-
-
-
-De bronnen die ik bij de samenstelling dezer levensbeschrijving heb
-geraadpleegd, zijn, behalve de boven genoemde manuscripten, enz. de
-volgende:
-
-
-D. Hoogstraten, Algemeen woordenboek voor kunsten en wetenschappen,
-1729.
-
-H. Baker, Nuttig gebruik van het Mikroskoop enz., uit het Engelsch door
-M. Houttuyn 1755.
-
-H. Baker, Het mikroskoop gemakkelijk gemaakt enz., uit het Engelsch
-door M. Houttuyn 1778.
-
-G. Stoll, Anleitung zur Historie der medicinischen Gelahrheit. 1731.
-
-Z. C. von Uffenbach, Merkwürdige Reisen durch Nieder Sachsen, Holland,
-und Engelland, 1754.
-
-A. v. Haller, Bibliotheca anatomica, Tom. I. 1774.
-
-G. van Loon, Beschrijving der Nederl. historiepenningen. Bd. III. 1723.
-
-Collot d’Escury, Holland’s Roem in kunsten en wetenschappen. Deel 7.
-1844.
-
-G. Nieuwenhuis, Woordenboek van kunsten en wetenschappen. Deel 5. 1859.
-
-Isaac van Haastert, Antoni van Leeuwenhoek vereerend herdacht enz.
-1823.
-
-Tijdschrift voor natuurlijke geschiedenis- en physiologie, uitgegeven
-door Prof. I. van der Hoeven, en W. H. de Vriese 1834. 1e deel,
-bevattende: Eene verhandeling van H. C. van Hall over Antony van
-Leeuwenhoek en zijne verdiensten voor de plantkunde.
-
-N. G. van Kampen, Beknopte geschiedenis der letteren en wetenschappen
-2e deel.
-
-H. Halbertsma I. fil., Dissertatio historico-medica inauguralis de
-Antonii Leeuwenhoekii meritis in quasdam partes anatomiae microscopiae
-1843. Inhoud: De vita Leeuwenhoekii; de sanguine; de vasis et
-circulatione; de ossibus; de dentibus.
-
-F. Le Sueur Fleck, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud: De
-musculis; de lente crystallina.
-
-N. H. van Charante, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud: De
-nervis; de epidermide; de pilis; de materie ad dentes haerente.
-
-A. van der Boon Cs., Geschiedenis der ontdekkingen in de ontleedkunde
-van den mensch, gedaan in de Noordelijke Nederlanden, 1851.
-
-G. Cuvier, Histoire des sciences naturelles. Tom. 2. 1841.
-
-P. Harting, Het mikroskoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en
-tegenwoordigen toestand. 3e deel 1850.
-
-Émile Blanchard, Les premières observations au microscope, in „Revue
-des deux mondes 15 Juill. 1868.”
-
-Boitet, Beschrijving der stad Delft 1729.
-
-Birch, the History of the Royal Society of London 1757.
-
-Biographie Universelle etc. Paris 1819 T. XXIV.
-
-Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Academie van Wetenschappen,
-Afdeeling Natuurkunde, deel 13. 3e stuk. 1862, waarin eene verhandeling
-voorkomt van Prof. H. Halbertsma over Johan Ham van Arnhem.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-
-[1] „Revue des deux mondes” 15 juillet, 1868 pag. 379.
-
-[2] N. G. van Kampen, „Beknopte geschiedenis der Letteren en
-Wetenschappen in de Nederlanden”, 2de deel, blz. 58.
-
-[3] 20ste Sendbrief van 13 Maart 1716, blz. 189.
-
-[4] De naam van Leeuwenhoek wordt verschillend geschreven. Uit een
-achttal eigenhandig door hem geschreven brieven aan Constantijn en
-Christiaan Huygens, en aan N. Oldenburg, Secretaris der „Royal Society”
-te Londen, van de jaren 1674, 1676, 1677 en 1679, berustende in de
-Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, waarvan ik door de zorg van Dr.
-du Rieu, „conservator der manuscripten” bij genoemde Bibliotheek,
-nauwkeurige afschriften bekomen heb, alsmede uit een eigenhandigen
-brief van Leeuwenhoek aan den Heer L. van Velthuysen, van het jaar
-1679, in het bezit van wijlen den Wel-Ed. Geb. Heer Van Dam van
-Noordeloos te Rotterdam, van welke ik zelf een afschrift mocht nemen,
-teekent hij zich Antoni (lange i) Leeuwenhoe(c)k, terwijl een andere
-brief van hem, in het jaar 1701 aan „Burgemeesteren en Regeerders der
-stad Delft” geschreven, betrekking hebbende op zeker verschil in de
-steenkolenmaten te Delft en te Rotterdam, welke brief berust in het
-Archief van Delft, en waarvan mij door den Heer Mr. Soutendam,
-Secretaris en oud-Archivaris van Delft, welwillend afschrift verleend
-werd, de onderteekening draagt van Antoni, (lange i) van Leeuwenhoek
-(zonder c), terwijl in zijne gedrukte brieven de c vóór de k aan het
-einde van zijn naam nu eens gebezigd, dan weggelaten is. Ook moet nog
-opgemerkt worden, dat hij steeds een lange i bezigde bij het
-„schrijven” van zijn voornaam Antoni, waardoor deze dan ook in zijn
-gedrukte brieven met een y wordt gespeld. Overigens was het schrijven
-van de c vóór de k, in vroegeren tijd, algemeen en komt in „ick, melck,
-dick, volmaeckt enz.” steeds voor in zijne brieven, terwijl men in het
-schrijven van den naam in oude tijden geenszins de juistheid en
-gelijkheid van spelling, of het gebruiken of weglaten van het
-voorzetsel „van” in acht nam, zoo als in onzen tijd, waar dit verzuim
-in rechten de belangrijkste gevolgen kan hebben. Voegt men nu hierbij
-dat Leeuwenhoek’s dochter, die na zijn dood een gedenknaald ter zijner
-eere in de Oude Kerk te Delft liet oprichten, daarop en op de zerk, die
-zijn graf dekte, zijn naam aldus liet stellen: „Antony van
-Leeuwenhoek,” dan acht ik mij hierdoor genoegzaam verantwoord zijn naam
-ook aldus te schrijven.
-
-[5] Margaretha Bel van den Bergh was de dochter van Jacob Sebastiaanzn.
-Bel van den Bergh, van een oud en aanzienlijk Delftsch geslacht. Deze
-laatste was in 1608 lid der 40en van de Stedelijke Regeering, en in
-1610 en 1612 Schepen van Delft, terwijl reeds in 1579 bij Boitet gewag
-gemaakt wordt van zijn vader Bastiaan Corneliszn., als lid der 40en,
-Kerkmeester, en andere waardigheden bekleedende.
-
-[6] In een oud familie-register in mijn bezit vindt men aangeteekend,
-dat zijn oudste zuster Margaretha, uit haar huwelijk met Jan du Molyn,
-vijf kinderen geboren werden, namelijk Philippus, Maria, Margaretha,
-Geertruida en Antony, waarvan Maria huwde met Cornelis Haaxman, terwijl
-Philippus en Geertruida ongehuwd overleden, Margaretha met Arnoldus van
-den Heuvel en Antony met .... Poelgeest huwde, welke laatste zich aan
-de geneeskunde wijdde. Van dezen Antony Molyn (of du Molyn), die zich
-tot voortzetting zijner studiën naar Parijs begaf, maakt Leeuwenhoek
-gewag in zijn brief aan Christiaan Huygens, d.d. 15 Mei 1679, aanwezig
-in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool en waarvan eene kopie in
-mijn bezit is.
-
-[7] Boitet, „Beschrijving der stad Delft, 1729, in fol., blz. 765.”
-Isaac van Haastert, „Antony van Leeuwenhoek vereerend herdacht, 1823,
-pag. 10” D. Hoogstraten, „Algemeen Woordenboek voor Kunsten en
-Wetenschappen 1729, blz. 138.”
-
-[8] 22ste Sendbrief, blz. 206.
-
-[9] Dat de brouwers veelal onder de aanzienlijke en rijke burgers
-gerekend werden, kan blijken uit hetgeen bij Boitet, bl. 646, gemeld
-wordt.
-
-„Yder weet ook, dat de brouwers in dese stad altijt boven andere
-koopluiden verheven wierden; mannen die doorgaans op het kussen der
-stad zaten.” En dat dit bedrijf goede winsten afwierp blijkt uit het
-volgend slot van een gedicht van Jacob van der Does:
-
- „Wat dunkt u leser? heeft dat volck niet wel gebrout?
- Dat ’t hare kassen sien voor mout gepropt met gout?”
-
-[10] 35ste Brief, blz. 24.
-
-[11] 28ste Brief, blz. 14. De in dezen brief uitvoerig uitgewerkte
-berekening is ook van zijn eigen hand aanwezig in de verzameling
-manuscripten van Leeuwenhoek in de Leidsche Bibliotheek (Cat. VIII.
-Huygens no. 30).
-
-[12] 4de Sendbrief, blz. 43. Brief aan den Heer Jan Meermans,
-Burgemeester van Delft.
-
-[13] Zie ook den 67sten Brief (2de vervolg) van 1 April 1689, blz. 335,
-waarin hij berekent, hoe snel het bloed in het lichaam moet loopen, eer
-het tot de uiterste deelen van de voeten en van daar weder naar het
-hart komt, en door welke kracht; waarbij hij onder anderen zegt: „Dese
-myne demonstratiën syn seer licht te verstaan, voor diegeene, die de
-begintselen van de waterwicht van Mr. Simon van Stevin, sal doorlesen
-hebben.”
-
-Dit blijkt ook nog uit zijn 111de Brief (zevende vervolg) van 9 Mei,
-1698, blz. 46, waar hij, onder anderen, sprekende over het oog van den
-scharrebijter, in eene noot zegt: „Ik spreek hier tegen degeenen, die
-een weynig in de Gesigt-kunde geoefent syn” en verder: „Wij weten dus,
-wanneer wij eenig ligchaam voor een vergrootglas stellen, het nog
-verder, nog digter bij het vergrootglas moet staan, als het brantpunt
-van het vergrootglas is, en wat verder of te nader bij is, vertoonen de
-lighamen niet scharp, maar verwart,” enz.
-
-[14] Boitet, t. a. p., blz. 795 verhaalt, „dat hij, niet meer dan 16
-jaren oud zijnde, als boekhouder en kassier aldaar ageerde; en alhoewel
-hij door de bezigheid van deze tweevoudige bediening werk genoeg had om
-dezelve in orde waar te nemen, wist zijne buitengewone naarstigheid
-gedurig noch zooveel tijd tot de lakenwerkerij uit te koopen, dat hij
-binnen den tijd van zes weken als meester zijn proef deed, om zich in
-der tijd tot deze koophandel, waartoe hij zich echter nooit heeft
-afgezondert, te zetten.”
-
-[15] Nieuwenhuis’s „woordenboek van kunsten en wetenschappen enz. 1859
-deel V Letter L”.
-
-[16] T. a. p., blz. 365.
-
-[17] Vergelijk daaromtrent (5de vervolg) de 85ste Brief, blz. 13; de
-10de Sendbrief, blz. 96 en Philos. Transact. Vol. XXXV, pag. 433.
-
-[18] Dat Leeuwenhoek inderdaad microscopen voor zijn eigen gebruik er
-op nahield die sterker vergrootten, dan die hij aan anderen liet zien,
-blijkt uit hetgeen hij zelf betuigt, in een brief aan Henry Oldenburg,
-Secretaris der „Royal Society” (no. 96, blz. 170). „Te meer doen ik
-zeyde, dat nog in datzelfde water, twee à drie soorten van veel
-kleynder dierkens waren, die voor syn oogen verborgen waren, en die ik
-door andere glasen en methoden, die ik alleen voor myn zelve houde,
-kome te sien;” terwijl ook de Hoogleeraar Harting mededeelt, dat op het
-physisch kabinet te Utrecht een microscoop aanwezig is van Leeuwenhoek,
-waarvan hij betuigt, dat de lens zeer goed is en bewijst, dat hij het
-in de kunst van zeer kleine lenzen te slijpen, inderdaad reeds op eene
-groote hoogte gebracht had. Deze lens, namelijk, was biconvex en
-vergrootte 270 maal, en alzoo „merkelijk meerder dan de sterkste lens
-van de microscopen, door Leeuwenhoek aan de „Royal Society” vermaakt,
-en waarvan de grootste vergrooting door Baker wordt opgegeven als te
-zijn 160 maal. (P. Harting, „Het microscoop, deszelfs gebruik,
-geschiedenis en tegenwoordigen toestand,” enz., 3de deel, 1850, blz.
-44.
-
-[19] Birch, „the History of the Royal Society of London,” 1757, Vol.
-IV, pag. 365.
-
-[20] Het huis, waarin Leeuwenhoek gewoond heeft, is nog aanwezig en te
-vinden op den hoek der „Botersteeg en het Oude Delft,” wijk 4, no. 455,
-doch het is aan de vóórzijde kennelijk gemoderniseerd, terwijl het aan
-den kant der Botersteeg en van achteren nog het aanzien van oudheid
-behouden heeft. Aan de zijde der Botersteeg (Oud-Delft) vindt men nog
-als eene bijzonderheid aan het ijzeren hek, dat het vóórgedeelte
-afsluit, een astrolabium aangebracht.
-
-[21] Familie-register.
-
-[22] Ibidem en Boitet, t. a. p., blz. 765.
-
-[23] De familie Swalmius behoorde tot een aanzienlijk en deftig
-geslacht. Bij Boitet, t. a. p., blz. 440, komt in de naamlijst van
-Predikanten, die sedert de reformatie in Delft gestaan hebben, in het
-jaar 1617 Henricus Swalmius voor, terwijl in de 40ste Sendbrief, blz.
-390, een brief voorkomt aan zijn neef Mr. Adriaan Swalmius, Advocaat
-voor den Hove van Holland.
-
-[24] Er bestaat van Leeuwenhoek een fraai „in olieverw geschilderd”
-portret, in het bezit van Dr. van Kaathoven, te Leiden. Deze schilderij
-stelt hem voor in de deftige kleedij van den aanzienlijken stand van
-dien tijd. Dr. van Kaathoven heeft mij de zeer gewaardeerde toestemming
-verleend, van deze schilderij eene afbeelding te laten maken, waardoor
-de waarde dezer uitgave belangrijk verhoogt wordt. Van deze schilderij
-zijn mij de volgende bijzonderheden door den geachten bezitter
-medegedeeld: Aan de rechter zijde (links van den toeschouwer) ziet men
-vóór hem op eene tafel het ontrolde diploma met het aanhangend zegel in
-rood zegellak (in doos) van het lidmaatschap der Koninklijke Sociëteit
-te Londen, en vóór zich heeft hij een blad papier waarop onduidelijke
-figuren zijn getrokken, terwijl hij in de rechter hand een passer
-houdt. Vóór den donkeren achtergrond is een hemelglobe aangebracht en
-men bespeurt op dien achtergrond een landschap, waarin men zonder
-andere voorwerpen, alléén de kronkelingen eener rivier ziet, waarmede
-waarschijnlijk die der Theems zijn voorgesteld. De naam van den
-schilder wordt echter niet op de schilderij aangetroffen. Dit
-geschilderd portret nu komt in gelaatstrekken, houding en kleeding,
-geheel en al overeen met een ander portret van Leeuwenhoek in zwarte
-kunst in fol. (eveneens in het bezit van Dr. van Kaathoven), doch
-hetgeen in het „geschilderd” portret links van den aanschouwer is, ziet
-men in de prent ter rechter zijde; de donkere achtergrond achter de
-hemelglobe, stelt op de prent duidelijker een gordijn voor. In de
-plaats van een passer in de hand staat er op de prent een microscoop
-van de eerste uitvinding van Leeuwenhoek op de tafel, in plaats van het
-diploma enz., een eikenblad met galnoten en het vergrootglas, terwijl
-hij ook, evenals op de schilderij, vóór zich een blad papier heeft,
-waarop dezelfde, maar nog onduidelijker figuren dan op de schilderij
-zijn getrokken. Verder ziet men op de prent op den donkeren achtergrond
-niet het landschap met de kronkelingen der rivier. Onder dit portret in
-„zwarte kunst” leest men: J. Verkolje pinx., fec. et exc. 1685.
-
-Nu is de vraag of dit „geschilderd” portret het „echte” door Verkolje
-geschilderde is, dat later, hetzij door hem zelven, hetzij door een
-andere hand in sommige attributen enz. is veranderd? of dat er een
-ander „geschilderd” portret van Leeuwenhoek bestaat waaronder, even als
-onder dat van zw. kunst den naam van Verkolje gelezen wordt?
-
-(Johannes Verkolje, geb. te Amsterdam 1650, was sedert 1672 te Delft
-woonachtig en wordt onder de vermaarde schilders gerekend. Hij overleed
-te Delft in 1693.) (Zie over zijn leven en schilderijen onder anderen
-Houbraken, III, blz. 282), doch noch bij dezen schrijver, noch in
-andere levensbeschrijvingen van Nederlandsche schilders, vond Dr. van
-Kaathoven onder de werken van J. Verkolje van een ander dan van de
-prent in zwarte kunst gewag gemaakt.
-
-Behalve deze beide beschreven portretten van Leeuwenhoek zijn er nog
-een zestal andere drukken in het bezit van denzelfden verzamelaar, die
-onderling eenigermate verschillen, als:
-
- „Antonius a Leeuwenhoek, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.” 4º.
- „Idem, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.”, 4º.
- „Antoni van Leeuwenhoek, geboren te Delft, Ao. 1632.”
- „J. Verkolje pinx., Zw. k.” fol.
- „Antonius a Leeuwenhoek, J. C. Phillips inv. et fec.,” 1747, 8º.
- „Idem (Antoni). Idem fecit.” 1740, fol.
- „Antonius Leeuwenhoekius,” J. Gourée sculpt. med.
-
-Eindelijk bezit Dr. van Kaathoven nog een op Delftsch aardewerk
-vervaardigd portret van Leeuwenhoek, dat van boven met een oor voorzien
-is, bestemd om opgehangen te worden, waarop weder andere attributen dan
-op de schilderij zijn aangebracht; uit dit portret is Leeuwenhoek bijna
-niet te herkennen.
-
-Ik zelf bezit drie borden van fijn echt Delftsch aardewerk of
-porcelein, op één waarvan het portret van Leeuwenhoek, dat volkomen in
-gelaatstrekken en kleeding met het boven beschrevene overeenkomt; links
-van den aanschouwer ziet men den toren der Oude Kerk te Delft, rechts
-eene draperie en onderaan „Antoni van Leeuwenhoek, Lit van de
-Koninglijke Societeyt in Londen, geboren tot Delft 1632”, op een goud
-veld in zwarte letters gebakken, het geheel met een zware, met kleuren
-en goud versierden rand omgeven.
-
-Het tweede bord stelt voor de „grafnaald,” zooals die zich in de oude
-Kerk te Delft bevindt, met de buste van Leeuwenhoek en daaronder „P. M:
-Antoni a Leeuwen. Reg. Anglo. Societ.” omgeven door een zware gouden
-rand met gekleurde slingers. Op dezen rand leest men in zwarte letters:
-„Grafnaald van den heer Antoni van Leeuwenhoek in de Oude Kerk te
-Delft, geboren den 21sten October 1632, overleden den 26sten Augustus
-1723.”
-
-Op het derde bord is het „familie-wapen” van Leeuwenhoek gebakken,
-voorstellende een leeuw op een goud veld in schoone kleuren, en boven
-dien ben ik nog in het bezit van een theeschoteltje, van zeer fijn dun
-Delftsch porcelein, eveneens met het „familie-wapen” in goud en
-kleuren, maar in plaats van de kroon, een helm met vederen gedekt door
-een kroon. Onderaan leest men op een gouden band in zwarte letter
-„Maria Leeuwenhoek”. De borden zijn op de tentoonstelling van
-Nederlandsche oudheden, in het jaar 1863 te Delft gehouden, geweest,
-terwijl zij eveneens, bij gelegenheid der feestelijke herdenking van de
-ontdekking der microscopische wezens door van Leeuwenhoek, op den 8sten
-September 1875 te Delft tevieren, op eene tentoonstelling van het geen
-van Leeuwenhoek’s microscopen en andere bijzonderheden op hem
-betrekkelijk is kunnen bijeengebracht worden, zullen voorkomen.
-
-[25] 34ste Brief bl. 11.
-
-[26] Zacharias Conrad von Uffenbach, „Merkwürdige Reisen durch
-Nieder-Sachsen, Holland und Engeland.” Ulm. 1754. 3 Th. S. 349.
-
-[27] 23ste Sendbrief, blz. 31.
-
-[28] 2de vervolg, 66ste brief, blz. 323.
-
-[29] Zevende vervolg, 116de Brief, blz. 97.
-
-[30] 5de Vervolg, 93ste Brief, blz. 127.
-
-[31] „Merkwürdige Reisen”. etc. t. a. p.
-
-[32] Reinier de Graaf te Schoonhoven geboren in het jaar 1641 vestigde
-zich na voleindigde studiën in zijn geboorteplaats en werd van daar
-naar Delft beroepen, alwaar hij zich als geneesheer vestigde. Hij
-schreef behalve zijn werk over het „Succus pancreaticus,” over de
-voortplanting van den mensch en over de vrouwelijke geslachtsdeelen,
-waarover zijn grooten strijd met Swammerdam ontstond, waarvan gezegd
-werd dat hij zoo gevoelig was, wegens de scherpe en onheusche critiek
-van Swammerdam, dat hij tengevolge daarvan van verdriet stierf. Ook
-Leeuwenhoek maakt gewag van dezen vinnigen twist en de gevolgen er van.
-In een brief aan George Garden te Aberdeen van 19 Maart 1694 (2de
-vervolg 81ste Brief bl. 670) zegt hij: „Wat nu Swammerdam en Reinier de
-Graaf hare stellingen belangt: Ick hebbe die Heeren speciaal gekend en
-zij hebben verscheyde malen in myn huys geweest, en met vermaak
-beschout mijne ontdekkingen en twijfel ook niet, zoo die Heeren nu nog
-leefden, of zy souden schaamroot werden over hare ingebeelde
-verdigsels, daar zy tegen malkanderen als yder willende de eer hebben
-van de nieuwe ontdekking van voorttelinge, door het eyer-nest, door de
-hevige ontmoetinge, die zy met malkanderen met woorden voerden, de
-laatste niet alleen siek wierde, maar ook de dood daarop volgde, zoo
-mij doen ter tijd berigt wierd.”
-
-[33] Van dit werk is in 1866 eene Hoogduitsche uitgave in het licht
-verschenen onder den titel: „P. Harting, Das Mikroskop. Theorie,
-Gebrauch, Geschichte und gegenwärtiger Zustand der selben. Deutsche
-Originalausgabe, von Verfasser revidirt und Vervollständigt.
-Herausgegeben van Dr. Fr. Wilh. Theile. In drei Bänden.”
-
-[34] De hoogleeraar Harting zegt onder anderen in zijn bovenvermeld
-„het Mikroskoop” p. 26, dat de getuigenis van het recht van Hans en
-Zacharias Janssen op de uitvinding van het microscoop te vinden is in
-het boekje van Petrus Borellus: „De vero telescopii inventore, cum
-brevi omnium conspiculiorum historia.... accessit etiam centuria
-observationum microscopicarum. Hagae comitum 1633,” waarin een brief
-voorkomt aan den schrijver gericht door Willem Boreel, Middelburger van
-geboorte en toenmaals gezant bij het Hof van Frankrijk. Uit dezen brief
-blijkt, dat Boreel den in de buurt van het huis zijns vaders wonenden
-brillenslijper Hans en diens zoon Zacharias zeer goed gekend heeft, en
-dikwijls in hun winkel is geweest, en dat door hen, „lang vóór” 1610
-microscopen zijn gemaakt, waarvan zij er een aan Prins Maurits gegeven
-hebben, en naderhand een ander aan den Aartshertog Albert van
-Oostenrijk, die dit werktuig aan Drebbel schonk, bij wien Boreel het
-zelf gezien heeft. Vandaar waarom sommigen Drebbel voor den uitvinder
-hielden, ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat deze eenmaal in het
-bezit van het microscoop van Hans en Zacharias Janssen zijnde, dit zal
-hebben nagemaakt.
-
-[35] „Het mikroskoop,” enz., Deel III blz. 21.
-
-[36] 18de Sendbrief, blz. 169.
-
-[37] „Het mikroskoop,” enz., Deel III, blz. 34.
-
-[38] „Het mikroskoop,” t. a. p., blz. 37.
-
-[39] Robert Hooke, een beroemd Engelsch Philosooph en Geneeskundige,
-was geboren op het eiland Wight, in het jaar 1635 en overleed in 1702.
-Hij studeerde te Oxford in de medicijnen, werd in 1664 Hoogleeraar in
-de Wiskunde aan het „Gresham-College” te Londen. Hij muntte ook uit als
-werktuigkundige en was ten tijde van Leeuwenhoek een der Secretarissen
-der „Royal Society.”
-
-[40] Birch, t. a. p., pag. 393.
-
-[41] Nicolaas Hartsoeker was een beroemd Nederlandsch Natuurkundige en
-werd in 1656 te Gouda geboren. Zijn vader was Remonstrantsch predikant
-te Rotterdam. Hij was bestemd voor den geestelijken stand, doch wijdde
-zich, tegen den zin zijns vaders aan de Wis- en Natuurkundige
-Wetenschappen, zoodat hij, ten einde zijn vader niet zou ontdekken, dat
-hij des nachts studeerde, de dekens van zijn bed voor de vensters van
-zijn slaapvertrek spande. Hij betaalde zijn onderwijzer die hem ook
-optische glazen leerde slijpen, van zijn zakgeld. Het toeval bracht hem
-tot eene belangrijke ontdekking. Opgemerkt hebbende, dat het einde van
-een glazen draad, in de vlam eener kaars gehouden, eene bolvormige
-gedaante kreeg, en dit verschijnsel toepassende op de proeven, die hij
-Leeuwenhoek had zien doen, vervaardigde hij daarmede microscopen, die
-hij beweerde die van Leeuwenhoek te evenaren. Deze was geen vriend van
-hem, omdat hij voorgaf de ontdekking der zaaddiertjes reeds vóór hem
-gedaan te hebben. Hoe Leeuwenhoek over hem dacht, blijkt uit een brief
-d.d. 9 December 1698 (113de Brief, blz. 63) aan Harm. van Zoelen,
-Oud-Burgemeester van Rotterdam. „Wat voor een persoon desen Hartsoeker
-is, weet ik niet, omdat er meer zijn, die den naam van Hartsoeker
-voeren, en ten mynen huyse zijn geweest, en onder anderen veel jaren
-geleden, een out bedaagt man, die men tot my seyde, dat een prediker
-van de Remonstrantsche gemeente te Rotterdam was, by sig hebbende een
-soon, die een jong student was, en welke toen van syn vader veelmaal
-wierde aangemaant, om nauwkeurig toe te sien, want ik saaken vertoonde,
-soo als den Prediker seyde, die noyt in de Werelt waren kundig
-geweest”....„Dat de Heer Hartsoeker de woorden voert, dat hy na syne
-kennisse, de eerste van allen is, die het saad der dieren met de
-vergrootglasen heeft beginnen te ondersoeken, komt my vreemt voor” enz.
-(Hierover later).
-
-Hartsoeker hield zich van 1674–1677 te Leiden op, begaf zich daarna
-naar Parijs en hield zich daar bezig met het vervaardigen van
-teleskopen. In 1679 keerde hij naar Holland terug, doch ging weder naar
-Parijs, waar hij tot het jaar 1696 bleef. Hij vestigde zich daarna te
-Amsterdam, zich bezig houdende met astronomische waarnemingen, en
-ontving weldra eene uitnoodiging van Czaar Peter den Eerste, om hem als
-Hoogleeraar in de mathesis naar Petersburg te volgen, welk aanbod hij
-echter afsloeg. Later nam hij dergelijk beroep naar Dusseldorp aan,
-keerde later naar Holland terug en overleed te Utrecht in 1725.
-
-[42] „Philos. Transactions,” 1677, pag. 226.
-
-[43] „Harting’s Mikroskoop,” t. a. p. 3de Deel, blz. 53.
-
-[44] Uffenbach’s Reisen enz. t. a. p.
-
-[45] „Antoni van Leeuwenhoek, Vereerend herdacht” door Isaac van
-Haastert enz., 1823.
-
-[46] Henry Baker schreef een werk over „Het Nuttig gebruik van het
-Mikroskoop” en later een ander: „Het Mikroskoop gemakkelijk gemaakt;”
-beiden door Houttuyn vertaald in 1755 en 1770. Hij verhaalt in het
-eerstgenoemde werk blz. 453, dat deze 26 microscopen vervat waren in
-een klein kistje, hetwelk Leeuwenhoek bij zijn overlijden aan de „Royal
-Society” had nagelaten en dat door Martin Folker aan de Sociëteit werd
-aangeboden. Men vindt daarvan de mededeeling in „Philos. Transact.” no.
-380.
-
-Omtrent deze microscopen heb ik dezer dagen, door een mijner
-betrekkingen te Londen woonachtig, onderzoek laten doen bij den
-tegenwoordigen secretaris der Royal Society Dr. Walter White, die
-bekend bleek te zijn met de relatiën van dit college met Leeuwenhoek
-gedurende de jaren 1673–1718. Het was hem bekend dat Leeuwenhoek
-verschillende voorwerpen aan dat college had ten geschenke gegeven,
-doch er was daarvan niets meer aanwezig. Er wordt nu nog onderzocht of
-er soms microscopen van Leeuwenhoek bij het Kings College te vinden
-zijn, waarvan ik spoedig bericht verwacht, zoodat ik wellicht vóór het
-afdrukken dezer uitgave daar nog mededeeling van doen kan.
-
-[47] 7de Vervolg, 135ste brief, blz. 305.
-
-[48] „Philosophical Transactions” Vol XXXij, pag. 450.
-
-[49] 2de Vervolg, 66ste Brief blz. 308.
-
-[50] Deze beschrijving is gevolgd naar „Harting’s mikroskoop,” Deel III
-blz. 380.
-
-[51] Uffenbach geeft over Leeuwenhoek’s werkzaamheid zijn verwondering
-te kennen („Merkw. Reisen” t. a. p.) in deze bewoordingen: „Es ist zich
-übrigens nicht genug zu verwundern, über Hern Leeuwenhoek’s grossen
-Fleisz und Arbeitsamkeit, so woll in Observationen zu machen, als auch
-Gläser zu schliffen, und die Machienen zu denen Microscopiis zu
-machen.”
-
-[52] 2de Sendbrief, blz. 22.
-
-[53] 7de Vervolg, 116de Brief, blz. 96.
-
-[54] Birch t. a. p., Vol. III, pag. 338 en 346.
-
-[55] Birch t. a. p., pag. 346.
-
-[56] Birch t. a. p., blz. 349.
-
-[57] De eigenhandige brief van Leeuwenhoek aan Constantijn Huygens,
-waaraan ik deze bijzonderheden ontleend heb, en waarvan een afschrift
-in mijn bezit is, bevindt zich in de Bibliotheek der Leidsche
-Hoogeschool.
-
-[58] „Beiträge zur Biologie der Pflanzen” 2e Heft S. 127.
-
-[59] Birch t. a. p., blz. 358.
-
-[60] Birch t. a. p., Deel IV pag. 104.
-
-[61] Birch t. a. p., blz. 386.
-
-[62] „Zuletz” zegt hij „wiese uns Herr Leeuwenhoek sein cabinet, in
-welchen er wohl ein Duzent lackirter kästgen, und in diesen wohl
-anderthalf hundert ob vermeldeter kleinen Futerälgen hatte, in deren
-jedem zwey kleinen sorte lagen. Als wir uns über diesen Vorrath
-wunderten, und fragten, ob er denn keine verkauffte, indem wir gerne
-etliche haben möchten, sagte er; nein, bey meinen Leben nicht. Er war
-auch sehr geheim mit seiner Arbeit, wie er sie machte.” En iets later
-zegt Uffenbach: „Wir hatte gerne gefragt, warum er so viele Microscopia
-machte und doch keine verkauffen wolte, wir fürchteten aber, wie
-möchten eine Holländischen, oder kein Antworth bekommen.” Uffenbach,
-waarschijnlijk uit spijt over dit weigerend antwoord, laat zich
-daarover echter in onheusche gevolgtrekkingen uit, zeggende:
-„Vermuttlich steckt vornemlich der Neid dahinter, dasz er bey seinen
-Lebzeiten niemand seine Art von Microscopiis zu Handen kommen lassen
-will.”
-
-[63] Dr. Halbertsma, „Dissertatio historico-medica inauguralis de
-Antonii Leeuwenhoekii meritis, in quasdam partes anatomiae
-microscopiae”, 1843, pag. 12.
-
-[64] 18de Sendbrief, blz. 169.
-
-[65] 20ste Sendbrief, blz. 189.
-
-[66] 2de Vervolg, 66ste Brief, blz. 312.
-
-[67] 7de Vervolg, 116de Brief, blz. 100.
-
-[68] „Employement for the Microscope. Londen, 1753. (Hollandsche
-vertaling) Nuttig gebruik van het Mikroskoop. Amsterdam, 1756, blz.
-456.”
-
-[69] Het Mikroskoop, enz. t. a. p. dl. 3, blz. 44.
-
-[70] 33ste Brief, blz. 17.
-
-[71] 35ste Brief, blz. 17.
-
-[72] 41ste Sendbrief, blz. 37.
-
-[73] 41ste Sendbrief, blz. 404.
-
-[74] Manuscript in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, waarvan
-afschrift in mijn bezit is.
-
-[75] „Het Mikroskoop t. a. p. 3de deel, blz. 404.”
-
-[76] Brief aan de „Royal Society van 25 Juli 1684, No. 42, blz. 32.”
-
-[77] Zie 36ste Brief, blz. 33.
-
-[78] Robert Smith, volkomen samenstel der optica of gesichtkunde 1753
-pag. 338 (uit het Engelsch „Dissertations upon Physico-Mathematical
-Subjects 1732” p. 45).
-
-[79] 2de Vervolg, 64ste Brief, blz. 243.
-
-[80] 6de Vervolg, 98ste Brief, blz. 198.
-
-[81] T. a. p. blz. 18.
-
-[82] 4de Vervolg, 83ste Brief, blz. 723 en 7de Vervolg, 111de Brief,
-blz. 48.
-
-[83] 32ste Sendbrief, blz. 317.
-
-[84] 47ste Brief, blz. 48.
-
-[85] 7de Vervolg, 113de Brief, blz. 374.
-
-[86] 30ste Sendbrief, bladz. 304.
-
-[87] „Philosophical Transactions, Vol. IX, pag. 23. More microsc.
-observ. made bij Mr. L. Upon the globuls of the Blood” etc. Deze brief
-werd eerst, na in het Engelsch vertaald te zijn, in de Vergadering van
-27 April 1674 voorgelezen, en werd dit onderwerp nader vervolgd in een
-brief, d.d. 4 September 1674.
-
-[88] 1ste Vervolg, 65ste Brief, blz. 294.
-
-[89] 7de Vervolg, 128ste Brief, blz. 232.
-
-[90] 42ste Brief, blz. 32.
-
-[91] Ibidem, blz. 37.
-
-[92] Halbertsma, t. a. p. pag. 32.
-
-[93] Ibidem, t. a. p. pag. 33.
-
-[94] 2de Vervolg, 65ste Brief, blz. 284.
-
-[95] 3de Vervolg, 67ste Brief, blz. 341.
-
-[96] 3de Vervolg, 68ste Brief, blz. 353.
-
-[97] 2de Vervolg, 66ste Brief, blz. 289, 300, 306.
-
-[98] 2de Vervolg, 67ste Brief, blz. 333.
-
-[99] Van der Boon, t. a. p., blz. 29.
-
-[100] 2de Vervolg, 67ste Brief, blz. 332.
-
-[101] 2de Vervolg, 65ste Brief, blz. 382.
-
-[102] 2de Vervolg, 67ste Brief, blz. 334.
-
-[103] 3de Vervolg, 68ste Brief, blz. 355, en „Biographie Universelle
-etc. Paris 1819.” T. XXIV, pag. 363.
-
-[104] „Biographie Universelle, t. a. p.”
-
-[105] A. van der Boon, t. a. p., blz. 29.
-
-[106] „Philosophical Transactions.” Vol. IX, p. 125; Halbertsma, Diss.,
-t. a. p. blz. 51.
-
-[107] „Philosophical Transactions.” Vol. XII, p. 1002; 49ste Brief,
-blz. 31. Halbertsma, Diss., t. a. p. blz. 51.
-
-[108] Van der Boon etc., t. a. p.
-
-[109] Van der Boon, t. a. p., blz., 81.
-
-[110] 53ste Brief, blz. 1.
-
-[111] Men leze verder wat van der Boon daaromtrent mededeelt, ten
-betooge, dat Leeuwenhoek anderhalve eeuw vroeger reeds bekend maakte,
-wat Purkinje en anderen daaromtrent als nieuw vermelden, t. a. p., blz.
-81.
-
-[112] 41ste Sendbrief, blz. 405.
-
-[113] 7de Vervolg, 109de Brief, blz. 27.
-
-[114] 7de Vervolg, 113de Brief, blz. 65.
-
-[115] Deze bijzonderheden komen niet voor in de eerste uitgave mijner
-biographie van Leeuwenhoek; zij zijn ontleend aan de „Verslagen en
-mededeelingen der Koninklijke Akademie van wetenschappen, Afdeeling
-Natuurkunde, deel 13, 3e stuk,” alwaar deze mededeeling van Prof.
-Halbertsma, op blz. 342 voorkomt.
-
-[116] A. Haller, „Elem. Physiologiae, Lugd. Bat. 1765. Tom. VII, p.
-523.”
-
-[117] „Versuch einer pragmat. Geschichte der Arzneykunde Halle 1801.
-Th. IV, S. 293.”
-
-[118] In deze Encyclopaedie wordt eene korte levensbeschrijving van
-Ludwig von Hammen gevonden, waaruit blijkt dat hij in het jaar 1652,
-waarschijnlijk te Dantzig, geboren werd, zich aan de geneeskunde gewijd
-en te Montpellier gestudeerd heeft, alwaar hij tot Doctor gepromoveerd
-werd. Hij vestigde zich te Dantzig, werd te gelijkertijd lijfarts van
-Johan Sobieski, koning van Polen, maar stierf zeer jong n. m. den 15
-Maart 1680. Er zijn van hem geen geschriften bekend als zijn doctorale
-dissertatiën „Curriculum medicum Monspeliense” 1674, 4º en „de herniis
-diss.” en „de crocodilo et vesicae mendaci calculo epistolae. Gedani
-1677, 4º Lugd. Bat. 1682, 12º.” Verder staat er te lezen, dat het
-tamelijk zeker schijnt, dat hij, tegen Hartsoeker’s beweeringen, de
-ontdekker der zaaddiertjes is, welke ontdekking hij in Augustus 1677
-mededeelde aan „dem Professor” (!) Ant. v. Leeuwenhoek te Delft.
-
-[119] „Mikroskopische Anatomie II. 2. S. 398.”
-
-[120] „Lehrbuch der Anatomie des menschen. Giessen 1862. S. 228.”
-
-[121] „De carnis musculosae fibrarumque carnearum structuram L. B.
-1741.”
-
-[122] „Philosophic. Transactions, no. 247, fol. 337.”
-
-[123] 7de Vervolg, 117de Brief, blz. 102.
-
-[124] 38ste Brief, blz. 4.
-
-[125] 18de Sendbrief, pag. 168.
-
-[126] 45ste Brief, blz. 43.
-
-[127] Cornelis Bontekoe was geboren te Alkmaar in het jaar 1647,
-studeerde en promoveerde te Leiden, en werd beroepen als Hoogleeraar te
-Frankfort a/Oder. Hij overleed in 1685.
-
-[128] 45ste Brief, blz. 74.
-
-[129] „Anleitung zur historie der medicinischen Gelährheit von Gottlieb
-Stolle”. Jena, 1731, 4º., 3de Th. S. 535.
-
-Deze en vele andere bronnen werden mij met groote welwillendheid
-verstrekt door den Hoogleeraar Dr. Groshans, wiens rijke verzameling
-boeken ten allen tijde mij ten dienste stond.
-
-[130] Sendbrieven no. 20, blz. 166.
-
-[131] „Rede zur Feier des Leibnitz’schen Jahrestages über Leibnitz’ens
-Methode Verhältniss zur Natur-Forschung und Briefwechsel mit
-Leeuwenhoek, in der öffentlichen Sitzung der Königlich-Preuss. Akademie
-der Wissenschaften am 3 Juli 1845 gehalten von Christian Gottfried
-Ehrenberg.” Deze redevoering is te vinden in de Bibliotheek der
-Leidsche Hoogeschool.
-
-[132] De „Theodicae” van Leibnitz verscheen in 1710.
-
-[133] Ook zou ik wenschen, dat bij het onderzoek de microscopen werden
-aangewend, waarmede de schrandere en ijverige Leeuwenhoek zoo veel
-heeft gepraesteerd, dat ik mij dikwijls verontwaardig over der menschen
-traagheid, die de oogen niet willen openen en zich niet verwaardigen te
-geraken in het voor de hand liggend bezit van wetenschap. Want indien
-wij wijs waren zoude hij reeds overal navolgers hebben.
-
-[134] 28ste Brief, blz. 13.
-
-[135] 4de Vervolg, 81ste Brief, blz. 671.
-
-[136] 3de Vervolg, 74ste Brief, blz. 507.
-
-[137] 7de Vervolg, 120ste Brief, blz. 138.
-
-[138] 7de Vervolg, 120ste Brief, blz. 130.
-
-[139] 3de Vervolg, 72ste Brief, blz. 449.
-
-[140] „Philosophical Transactions. Vol. XXVI, pag. 416.”
-
-[141] 7de Vervolg, 120ste Brief, blz. 133.
-
-[142] Dit doelt op hetgeen hij omtrent zoodanige purgeermiddelen op
-blz. 86 gezegd heeft.
-
-[143] 38ste Brief, blz. 21.
-
-[144] No. 43, blz. 66.
-
-[145] 32ste Sendbrief, blz. 317.
-
-[146] 49ste Brief, blz. 30.
-
-[147] 51ste Brief, blz. 67, terwijl de bijgevoegde afbeeldingen der met
-den kapokvezel en zaden gevulde vrucht, volkomen juist zijn, zijnde een
-exemplaar van deze vrucht aanwezig in het pharmacognostisch kabinet van
-het Rotterd. Depart. der Ned. Maatsch. t. b. der Pharmacie.
-
-[148] De plant waarvan de kapok afkomstig is, heet „Eriophorus Javana”
-Rumph., „Bombax pentandrum” L. „Ceiba pentandra” Gärtner, „Eriodendron
-anfractuosum” Dec.
-
-[149] 2de Vervolg, 64ste Brief, blz. 245.
-
-[150] Christiaan Huygens, Heer van Zeelhem, enz.
-
-[151] 3de Vervolg, 71ste Brief, blz. 397, 405.
-
-[152] 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 42, 6de Vervolg, 99ste Brief.
-
-[153] 6de Vervolg, 100ste Brief, blz. 251–255.
-
-[154] 49ste Brief, blz. 26.
-
-[155] 55ste Brief, blz. 28–52. 26ste Sendbrief, blz. 235–253.
-
-[156] 3de Vervolg, blz. 395.
-
-[157] 50ste Brief, blz. 45.
-
-[158] 59ste Brief, blz. 130.
-
-[159] 58ste Brief, blz. 105.
-
-[160] 40ste Sendbrief, blz. 391.
-
-[161] „A letter concerning green weeds growing in water and some
-animalcula found about them.” Philosophical Transactions, vol. 23.
-
-[162] 7de Sendbrief, blz. 64.
-
-[163] Vangarmen.
-
-[164] „Verhandeling over Antoni van Leeuwenhoek en zijne verdiensten
-voor de plantkunde; in het Tijdschrift voor Natuurlijke Geschiedenis,
-uitgegeven door Prof. J. van der Hoeven en W. H. de Vriese, 1834, 1ste
-deel.
-
-[165] 29ste Brief, blz. 17.
-
-[166] 29ste Brief, blz. 19.
-
-[167] Van Hall, t. a. p., blz. 6.
-
-[168] 29ste Brief, blz. 26.
-
-[169] 29ste Brief, blz. 19.
-
-[170] 29ste Brief, blz. 26.
-
-[171] 29ste Brief, blz. 12.
-
-[172] 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 50.
-
-[173] 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 52.
-
-[174] 74ste Brief, blz. 482.
-
-[175] 28ste Sendbrief, blz. 261.
-
-[176] 28ste Sendbrief, blz. 264.
-
-[177] 28ste Sendbrief, blz. 266.
-
-[178] 28ste Sendbrief, blz. 269.
-
-[179] 2de Vervolg, 74ste brief van 12 Augustus 1692, blz. 484 en 496,
-497.
-
-[180] 29ste Brief van 12 Januari 1680.
-
-[181] 46ste Brief van 30 Maart 1685, blz. 75.
-
-[182] 3de Vervolg, 74ste Brief van 12 Augustus 1692.
-
-[183] 3de Vervolg, 74ste Brief van 12 Augustus 1692, blz. 488.
-
-[184] Van Hall t. a. p., blz. 18.
-
-[185] 55ste Brief van 13 Juni 1687, blz. 37.
-
-[186] 46ste Brief van 13 Juli 1685, blz. 27.
-
-[187] „Vermischte Schriften”, I. S. 145. Van Hall t. a. p., blz. 21.
-
-[188] „Elemente der Phytotomie”. Jena, 1815, I. S. 36.
-
-[189] R. Brown, „Prodromus Florae Novae Hollandiae,” pag. 573. Van Hall
-t. a. p., blz. 25.
-
-[190] De dichter Hendrik Schim, die aan hem op zijn 90sten verjaardag
-eenige dichtregelen wijdde, en hem daarin tot rust van zijn arbeid
-aanmaande, vervolgde echter, niet onkundig zijnde dat de wakkere grijze
-te naarstig was om stil te zijn, in deze woorden:
-
- „Neen schryf, en doet ons al uw zeldzaamheden erven,
- Al zoudt gy met de pen in uwe vingers sterven.
- Als Plato ondersoek, zoo lang uw levensglas
- Noch loopt,” enz.—
-
-[191] „Het Mikroskoop, t. a. p. 3de dl. blz. 464, 465”.
-
-[192] „Philosophical Transactions Th. XXXII, pag. 446”.
-
-[193] 30ste Sendbrief, blz. 295.
-
-[194] Deze aanbeveling werd hen door Cornelis van Arckel, Predikant te
-Delft, later te Rotterdam, met wien Leeuwenhoek bevriend was,
-verstrekt.
-
-[195] Gerard van Loon, „Beschrijving der Nederlandsche
-Historiepenningen.” Bd. III, blz. 223.
-
-[196] 3de Vervolg, 71ste Brief, slot, blz. 436.
-
-[197] 20ste Sendbrief, blz. 189.
-
-[198] 20ste Sendbrief, blz. 189.
-
-[199] Van Loon voegt er deze vertaling bij:
-
-„Zijn arbeid valt op kleine zaken, maar is van geen kleine glorie”. Bd.
-III, pag. 223.
-
-[200] Er is eene tegenstrijdigheid in de genoemde aanteekening bij
-Birch, dat de benoeming van Leeuwenhoek tot Lid der Royal Society in
-1680 zou zijn geschied, terwijl Leeuwenhoek zelf in den 46sten
-Sendbrief opgeeft dat hij in 1679 werd benoemd. Dit jaartal 1679 is op
-zijn grafzerk in de Oude kerk te Delft uitgehouwen en wordt ook genoemd
-in mijn vroeger vermeld familieregister. Deze tegenstrijdigheid kan,
-dunkt mij, worden opgelost, door de vermelding, dat men in dien tijd
-gewoon was, het jaartal, van den aanvang des jaars, tot ongeveer in het
-midden van Maart, zoodanig te schrijven, dat het vorig jaartal er bij
-vermeld werd, zoodat men dan schreef 16​79⁄80 enz. Ook de dateering
-geschiedde volgens oude en nieuwe stijl, welke circa 10 dagen met
-elkander schijnt te hebben verschild.
-
-[201] Birch, t. a. p., pag. 11.
-
-[202] Birch, t. a. p., pag. 13.
-
-[203] Halbertsma’s Dissertatie, t. a. p., blz. 18.
-
-[204] De stichting der Royal Society dagteekent van de onrustigste
-dagen waarin Engeland verkeerd heeft, namelijk van het jaar 1645,
-hetzelfde jaar van den slag van Naseby, die de macht van Karel I
-vernietigde. Eenige geleerde mannen, afgemat door de eindelooze
-politieke twisten en vervolgingen, kwamen overeen, om op zekeren dag in
-iedere week zich te vereenigen, ten einde zich over wetenschappelijke
-onderwerpen te onderhouden en op deze wijze, de twisten te vergeten,
-die hun vaderland te gronde dreigden te richten.
-
-De eerste bijeenkomsten hadden plaats te Londen. Toen de onlusten
-iedereen, die maar eenigszins de partij des konings scheen toegedaan te
-zijn, noodzaakten Londen te verlaten, verplaatsten zij hun zetel naar
-Oxford.
-
-Gedurende het protectoraat van Cromwell bleven de leden verspreid en
-liet het collegie niets van zich hooren, tot op de verheffing van Karel
-II, toen zij in 1659 weder naar Londen terugkeerden en hunne
-vergaderingen, even als vroeger, in het Gresham-College hervatteden.
-
-Men ondervond opnieuw tegenspoed, doordien het gewoon lokaal waarin zij
-vergaderden, tot eene kazerne werd ingericht. In 1660 werd hun collegie
-door patent-brieven voor goed geconstitueerd, ondervond de Sociëteit
-spoedig eene groote uitbreiding en werd van zeer groot gewicht in de
-wetenschappelijke wereld. Dien voorspoed was het voor een groot deel
-verschuldigd aan den ijver van zijn Secretaris Heinrich Oldenburg, een
-Duitscher.
-
-De „Philosophical Transactions” werden het eerst in 1665 uitgegeven en
-werden, bijna zonder eenige afbreking tot op onzen tijd toe geregeld
-voortgezet.
-
-Het belang dat dit Collegie stelde in de onderzoekingen van Leeuwenhoek
-heeft zeker veel bijgedragen tot prikkel en aansporing voor hem om
-zijne waarnemingen en ontdekkingen met onverflauwden ijver
-voorttezetten.
-
-(George Cuvier. „Histoire des sciences naturelles” 1841. Émile
-Blanchard „Les observations au microscope” in de Revue des deux mondes
-1868 p. 389.)
-
-[205] Johannes Hoogvliet was Heelmeester te Delft.
-
-[206] 6de Vervolg, 99ste Brief, blz. 231.
-
-[207] 5de Vervolg, 89ste Brief, blz. 62.
-
-[208] Dit grafschrift werd door den dichter Poot gemaakt.
-
-[209] Van dit familiewapen maakte ik reeds melding op blz. 19, Noot.
-
-[210] T. a. p., blz. 26.
-
-[211] Derde deel, 85ste Brief, blz. 13.
-
-[212] Uffenbach’s Reisen enz. t. a. p.
-
-[213] „Biographisch Woordenboek der Nederlanden. (Letter L.)”
-
-[214] Dit werd mij eerst onlangs door Dr. du Rieu medegedeeld terwijl
-dit laatste blad ter perse was.
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ANTONY VAN LEEUWENHOEK ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/66297-0.zip b/old/66297-0.zip
deleted file mode 100644
index dbd361d..0000000
--- a/old/66297-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66297-h.zip b/old/66297-h.zip
deleted file mode 100644
index 1241b33..0000000
--- a/old/66297-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66297-h/66297-h.htm b/old/66297-h/66297-h.htm
deleted file mode 100644
index dbc0447..0000000
--- a/old/66297-h/66297-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,6840 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2021-09-13T19:50:01Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>Antony van Leeuwenhoek: De ontdekker der infusoriën, 1675–1875</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="P. J. Haaxman">
-<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="P. J. Haaxman">
-<meta name="DC.Title" content="Antony van Leeuwenhoek: De ontdekker der infusoriën, 1675–1875">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<meta name="DC:Subject" content="#####">
-<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */
-html {
-line-height: 1.3;
-}
-body {
-margin: 0;
-}
-main {
-display: block;
-}
-h1 {
-font-size: 2em;
-margin: 0.67em 0;
-}
-hr {
-height: 0;
-overflow: visible;
-}
-pre {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-a {
-background-color: transparent;
-}
-abbr[title] {
-border-bottom: none;
-text-decoration: underline;
-text-decoration: underline dotted;
-}
-b, strong {
-font-weight: bolder;
-}
-code, kbd, samp {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-small {
-font-size: 80%;
-}
-sub, sup {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-}
-sub {
-bottom: -0.25em;
-}
-sup {
-top: -0.5em;
-}
-img {
-border-style: none;
-}
-body {
-font-family: serif;
-font-size: 100%;
-text-align: left;
-margin-top: 2.4em;
-}
-div.front, div.body {
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-div.back {
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div0 {
-margin-top: 7.2em;
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-.div1 {
-margin-top: 5.6em;
-margin-bottom: 5.6em;
-}
-.div2 {
-margin-top: 4.8em;
-margin-bottom: 4.8em;
-}
-.div3 {
-margin-top: 3.6em;
-margin-bottom: 3.6em;
-}
-.div4 {
-margin-top: 2.4em;
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div5, .div6, .div7 {
-margin-top: 1.44em;
-margin-bottom: 1.44em;
-}
-.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
-.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
-margin-bottom: 0;
-}
-blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
-.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
-margin-top: 0;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-td.tocDivNum {
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-margin-top: 3.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-border: none;
-border-bottom: 1px solid black;
-width: 45%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-}
-hr.dotted {
-border-bottom: 2px dotted black;
-}
-hr.dashed {
-border-bottom: 2px dashed black;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.42em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.84em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
-color: #660000;
-}
-.fnreturn {
-color: #AAAAAA;
-font-size: 80%;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-a {
-text-decoration: none;
-}
-a:hover {
-text-decoration: underline;
-background-color: #e9f5ff;
-}
-a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-top: -0.5em;
-text-decoration: none;
-margin-left: 0.1em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
-float: left;
-min-width: 1.0em;
-margin-left: -0.1em;
-padding-top: 0.9em;
-padding-right: 0.4em;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-white-space: nowrap;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.index p {
-text-indent: -1em;
-margin-left: 1em;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em 0;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 1.7;
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-tr, td, th {
-vertical-align: top;
-}
-tr.bottom, td.bottom, th.bottom {
-vertical-align: bottom;
-}
-td.label, tr.label td {
-font-weight: bold;
-}
-td.unit, tr.unit td {
-font-style: italic;
-}
-td.leftbrace, td.rightbrace {
-vertical-align: middle;
-}
-span.sum {
-padding-top: 2px;
-border-top: solid black 1px;
-}
-table.inlinetable {
-display: inline-table;
-}
-table.borderOutside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderOutside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-}
-table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.verticalBorderInside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border-left: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft {
-border-left: 0 solid black;
-}
-table.borderAll {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderAll td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop {
-border-top: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight {
-border-right: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft {
-border-left: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom {
-border-bottom: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal {
-border-top: 1px solid black !important;
-border-bottom: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical {
-border-right: 1px solid black !important;
-border-left: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll {
-border: 1px solid black !important;
-}
-tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop {
-border-top: none !important;
-}
-tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight {
-border-right: none !important;
-}
-tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft {
-border-left: none !important;
-}
-tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom {
-border-bottom: none !important;
-}
-tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal {
-border-top: none !important;
-border-bottom: none !important;
-}
-tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical {
-border-right: none !important;
-border-left: none !important;
-}
-tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll {
-border: none !important;
-}
-.cellDoubleUp {
-border: 0 solid black !important;
-width: 1em;
-}
-td.alignDecimalIntegerPart {
-text-align: right;
-border-right: none !important;
-padding-right: 0 !important;
-margin-right: 0 !important;
-}
-td.alignDecimalFractionPart {
-text-align: left;
-border-left: none !important;
-padding-left: 0 !important;
-margin-left: 0 !important;
-}
-td.alignDecimalNotNumber {
-text-align: center;
-}
-.lgouter {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-display: table;
-}
-.lg {
-text-align: left;
-padding: .5em 0 .5em 0;
-}
-.lg h4, .lgouter h4 {
-font-weight: normal;
-}
-.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
-color: #777;
-font-size: 90%;
-left: 16%;
-margin: 0;
-position: absolute;
-text-align: center;
-text-indent: 0;
-top: auto;
-width: 1.75em;
-}
-p.line, .par.line {
-margin: 0 0 0 0;
-}
-span.hemistich {
-visibility: hidden;
-}
-.verseNum {
-font-weight: bold;
-}
-.speaker {
-font-weight: bold;
-margin-bottom: 0.4em;
-}
-.sp .line {
-margin: 0 10%;
-text-align: left;
-}
-.castlist, .castitem {
-list-style-type: none;
-}
-.castGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.castGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.castGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-span.ditto {
-display: inline-block;
-vertical-align: middle;
-text-align: center;
-}
-span.ditto span.s {
-height: 0;
-visibility: hidden;
-line-height: 0;
-}
-span.ditto span.d {
-display: block;
-text-align: center;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.ditto span.i {
-position: relative;
-top: -2px;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pageNum {
-display: inline;
-font-size: 70%;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.right-marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-right: 3%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-text-align: right;
-width: 11%
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink::after {
-content: "\0000A0\01F4D8";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.catlink::after {
-content: "\0000A0\01F4C7";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
-content: "\0000A0\002197\00FE0F";
-color: blue;
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
-text-align: left;
-}
-.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.cover-imagewidth {
-width:480px;
-}
-.frontispiecewidth {
-width:534px;
-}
-.signaturewidth {
-width:519px;
-}
-.titlepage-imagewidth {
-width:446px;
-}
-.fig1width {
-width:144px;
-}
-.fig2awidth {
-width:245px;
-}
-.fig2bwidth {
-width:240px;
-}
-.fig3width {
-width:193px;
-}
-.xd31e3314 {
-text-indent:2em;
-}
-.p116width {
-width:359px;
-}
-.xd31e3611 {
-margin-left:2em;
-}
-.xd31e3623 {
-text-align:center;
-}
-.xd31e3664 {
-text-indent:6em;
-}
-@media handheld {
-}
-/* ]]> */ </style>
-</head>
-<body>
-
-<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of Antony van Leeuwenhoek, by P. J. Haaxman</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Antony van Leeuwenhoek</p>
-<p style='display:block; margin-top:0; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:0;'>De ontdekker der infusorien, 1675-1875</p>
-
-<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: P. J. Haaxman</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: September 13, 2021 [eBook #66297]</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div>
-
-<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file was produced from images generously made available by The Internet Archive)</div>
-
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ANTONY VAN LEEUWENHOEK ***</div>
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frontispiece"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure frontispiecewidth"><img src="images/frontispiece.jpg" alt="Antoni van Leeuwenhoek" width="534" height="720"><p class="figureHead"><i>Antoni van Leeuwenhoek</i></p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure signaturewidth"><img src="images/signature.png" alt="Handtekening: Antoni van Leeuwenhoek" width="519" height="126"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="446" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">ANTONY VAN LEEUWENHOEK.</div>
-<div class="subTitle">DE ONTDEKKER DER <span class="corr" id="xd31e116" title="Bron: INFUSORIEN">INFUSORIËN</span></div>
-<div class="subTitle">1675–1875.</div>
-</div>
-<div class="byline">DOOR
-<br>
-<span class="docAuthor">P. J. HAAXMAN</span>,
-<br>
-APOTHEKER TE ROTTERDAM.</div>
-<div class="docImprint">MET PORTRET, FACSIMILE EN AFBEELDINGEN.
-<br>
-LEIDEN,<br>
-S. C. VAN DOESBURGH.<br>
-<span class="docDate">1875.</span></div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb.iii">[<a href="#pb.iii">III</a>]</span></p>
-<div id="voorbericht" class="div1 preface"><span class="pageNum">[<a href="#voorbericht.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">VOORBERICHT.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Op den 24<sup>sten</sup> September van het jaar 1874, bij gelegenheid der 47<sup>ste</sup> Vergadering van Duitsche natuuronderzoekers en artsen te Gratz ving Dr. Ferdinand
-Cohn, Hoogleeraar aan de Universiteit te Breslau zijn redevoering „Over de onzichtbare
-vijanden in de lucht” aan met de volgende woorden:
-</p>
-<p>„Wanneer in het volgend jaar de Vereeniging van Duitsche natuuronderzoekers weder
-in Gratz bijeenkomt, zal het juist tweehonderd jaren geleden zijn, dat het door vergrootglazen
-gescherpt oog van Antony van Leeuwenhoek voor het eerst de aanschouwing van een wereld
-vergund werd, die niet alleen de aarde en het water, maar het geheele luchtruim met
-een onzichtbaar leven vervult.”
-</p>
-<p>Toen het nu uit eene correspondentie van Prof. Cohn met een mijner vrienden, over
-den juisten datum waarop Leeuwenhoek deze groote ontdekking gedaan had, gebleken was,
-dat de herinnering aan de ontdekking der infusoriën van onzen beroemden landgenoot
-in een wetenschappelijken kring in Duitschland feestelijk zou herdacht worden, vond
-een der leden van de „Nederlandsche Dierkundige vereeniging” zich daardoor opgewekt,
-in de Vergadering van den 21<sup>sten</sup> Juni 1874 te Middelburg gehouden, op dit voornemen de aandacht te vestigen en werd
-naar aanleiding daarvan door hem de vraag gedaan, of Nederland daarbij mocht stilzitten
-en of ook bij ons deze Nederlandsche <span class="pageNum" id="pb.iv">[<a href="#pb.iv">IV</a>]</span>ontdekking niet gevierd behoorde te worden. Dit denkbeeld, al dadelijk toegejuicht,
-gaf aanleiding, dat in de volgende najaarsvergadering te Amsterdam gehouden, een voorstel
-met betrekking tot deze feestviering werd aangenomen en niet lang daarna eene uitnoodiging
-van wege het bestuur der Dierkundige Vereeniging, aan de verschillende geleerde Genootschappen
-in Nederland werd gericht, om tot verwezenlijking van dit plan mede te werken.
-</p>
-<p>Deze uitnoodiging werd met sympathie ontvangen, en later afgevaardigden tot eene Vergadering
-te Amsterdam bijeengeroepen, alwaar dit plan tot eene feestelijke herdenking dezer
-groote ontdekking op den 8<sup>sten</sup> September 1875 vastgesteld en eene commissie tot regeling dezer feestviering benoemd
-werd.
-</p>
-<p>Het was met het oog op dezen aanstaanden herinneringsdag aan de belangrijke ontdekking
-van Leeuwenhoek gewijd, dat het vroeger reeds bij mij gerezen voornemen, om een nieuwe
-uitgave van mijne „Levensbeschrijving van Antony van Leeuwenhoek”, die in het jaar
-1871 in het Nederlandsch Tijdschrift voor geneeskunde was opgenomen, te bewerken en
-uittegeven, tot uitvoering kwam.
-</p>
-<p>Het portret van Leeuwenhoek is gecopieerd naar het schoone en geloof ik eenige, in
-olieverf geschilderde, toebehoorende aan den WelEd. ZGel. Heer Dr. C.&nbsp;H.&nbsp;W. van Kaathoven
-te Leiden, die daartoe, met zijne bekende welwillendheid zijn toestemming gegeven
-heeft.
-</p>
-<p>De gedenkpenning, afgebeeld in het bekende werk van Mr. Gerard van Loon „de Nederlandsche
-Historiepenningen,” is met de meeste getrouwheid daarnaar vervaardigd. Beide deze
-afbeeldingen zullen voorzeker den vereerders van Leeuwenhoek niet onwelkom zijn.
-</p>
-<p>Nog enkele aanteekeningen, die ik aangaande Leeuwenhoek, sedert de eerste uitgave,
-in de gelegenheid was te verzamelen, zijn hier ingevoegd, waaronder vooral belangrijk
-zijn, de weinig bekende, mij eerst onlangs onder de aandacht gekomen bijzonderheden,
-omtrent Johan Ham van Arnhem, in de brieven van Leeuwenhoek vermeld als de ontdekker
-der spermatozoïden, in het jaar 1862 medegedeeld door Prof. H.&nbsp;I. Halbertsma, in de
-„Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie van wetenschappen, Afdeeling
-Natuurkunde.”
-</p>
-<p>Ten slotte acht ik het niet onnoodig melding te maken van een verschil dat er bestaat
-omtrent de maand van het jaar 1675, waarin <span class="pageNum" id="pb.v">[<a href="#pb.v">V</a>]</span>Leeuwenhoek de infusoriën in regen- en andere wateren heeft waargenomen en welk verschil
-Prof. Cohn aanleiding gaf, na mijne levensbeschrijving van Leeuwenhoek gelezen te
-hebben, nadere opheldering daaromtrent te vragen.
-</p>
-<p>In Duitschland namelijk heeft men, op gezag van Prof. C.&nbsp;G. Ehrenberg te Berlijn,
-deze datum in April gesteld, en in navolging van dezen geleerde hebben alle schrijvers,
-die over dit onderwerp gehandeld hebben, deze tijdsbepaling van de ontdekking der
-infusoriën door Leeuwenhoek overgenomen.
-</p>
-<p>Genoemde geleerde had namelijk in zijn brochure „<span lang="de">die Infusionsthierchen als vollendete Organismen</span>”, 1838 p. 528 geschreven, dat Leeuwenhoek de „<span lang="de">Entdeckung der Belebung des Wassers durch mikroskopische Aufgussthierchen</span>” in April 1675 gemaakt had, terwijl die in 1677 door de Royal Society te Londen is
-medegedeeld geworden.
-</p>
-<p>Toen ik nu onlangs de eer had, op verzoek van Prof. Ehrenberg, een exemplaar van mijne
-brochure over Leeuwenhoek aan hem toe te zenden en hij mij later een afdruk toegezonden
-had van het „<span lang="de">Sitzungs-Bericht der Gesellschaft naturforschende Freunde zu Berlin, März 1875</span>,” las ik daarin op pag. 53 het volgende:
-</p>
-<p lang="de">„Herr Ehrenberg erinnerte daran, dass Leeuwenhoek seine folgenreiche Entdeckung der
-Belebung des Wassers durch mikroskopische Aufgussthierchen im April 1675 gemacht und
-1677 der Londoner Society of Sciences mitgetheilt habe, und das diese von ihm selbst
-später noch vielfach erweiterte Entdeckung in diesem Jahre ihre 200 jährige Weihe
-erhalte, so dass die Aprilsitzung dieser Gesellschaft geeignet sei, dies speciell
-auszusprechen.”
-</p>
-<p>Ik was toen dadelijk er op bedacht de aandacht van Prof. Ehrenberg te vestigen op
-eene dwaling waarin hij verkeerde, namelijk, dat de maand van het jaar 1675 waarin
-Leeuwenhoek de diertjes in regenwater enz. waarnam, niet de door hem genoemde, maar
-„half September” was; en dat deze naar mijne meening juistere tijdsbepaling volgde
-uit de bewoordingen, vervat in een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek aan Constantijn
-Huygens <abbr title="de dato">d.d.</abbr> 7 November 1676, berustende in de verzameling manuscripten der Leidsche Hoogeschool,
-van welken brief benevens van alle door Leeuwenhoek aan andere geleerden geschreven
-en in die verzameling voorkomende, ik door de <span class="pageNum" id="pb.vi">[<a href="#pb.vi">VI</a>]</span>zorg van Dr. du Rieu, conservator der manuscripten aan genoemde Akademie, afschriften
-mocht bekomen. Daar nu deze brief niet gevonden wordt, noch in de Latijnsche, noch
-in de Hollandsche verzameling van de brieven van Leeuwenhoek in 5 deelen in 4<sup>o</sup>. welke met den 28sten brief aanvangt, en wel van 1679, en deze brief aan Constantijn
-Huygens van 7 November 1676 gedateerd is, zoo kon Prof. Ehrenberg daarvan geen kennis
-dragen en <span class="corr" id="xd31e196" title="Bron: beruste">berustte</span> zijne opvatting, als zou deze ontdekking in April 1675 zijn gedaan, op eene onnauwkeurigheid
-of onduidelijkheid in den text van de <span lang="en">Philos. Transactions</span> Vol. X p. 821, waaruit Ehrenberg genoemden datum van April zou kunnen ontleend hebben.
-</p>
-<p>Eenigen tijd daarna ontving ik een schrijven van Prof. Ehrenberg, in antwoord op mijn
-brief, waarin hij mij berichtte, dat hij door mijne mededeeling in eene voor hem nog
-niet te verklaren tegenstrijdigheid met het geprojecteerde Jubilé van Leeuwenhoek
-geraakt was; dat hij op zijn hoogen leeftijd en om de moeilijkheid aan de nasporing
-der oorspronkelijke bronnen verbonden bezwaarlijk dit verschil kon oplossen, waarom
-hij mij verzocht dit onderzoek voor hem te willen bewerkstelligen.
-</p>
-<p>Ik heb aan dit verlangen van den grijzen geleerde volgaarne voldaan en hem medegedeeld,
-dat de door hem genoemden datum van April 1675 op eene, voor hem echter begrijpelijke,
-dwaling <span class="corr" id="xd31e205" title="Bron: beruste">berustte</span>, doordien hij, niet bekend zijnde met den brief aan Huygens, het verband niet kon
-opmerken, dat er bestond, tusschen dezen brief en de mededeeling in de <span lang="en">Phil. Transactions</span> van 25 Maart 1677, waaruit Prof. Ehrenberg zijn datum ontleend had.
-</p>
-<p>Deze brief van Leeuwenhoek aan de Royal Society, gedateerd 9 October 1676 begint aldus:
-</p>
-<p>„<span lang="en">In the year 1675 I discover’d living creatures in Rain water</span><span class="corr" id="xd31e216" title="Niet in bron">,”</span> enz. en daarop volgen dan, als vervolg op den inhoud van dezen brief van 1676, eenige
-observaties, gedaan den 26, 30 en 31 Mei en 9 Juni, doch het jaartal staat er niet
-bij vermeld. Wanneer men nu de oorspronkelijke brief van Leeuwenhoek aan C. Huygens
-van 7 Nov. 1676 daarmede in verband brengt, dan wordt het duidelijk dat, òf in de
-Phil. Transact. het jaartal 1676 verzuimd is te drukken achter de datums van Mei en
-van 9 Juni, òf dat Leeuwenhoek die verzuimd heeft te schrijven, want de inhoud van
-dezen brief aan <span class="pageNum" id="pb.vii">[<a href="#pb.vii">VII</a>]</span>Huygens van 9 Juni, komt geheel overeen met dien in de Phil. Transact. van 9 Juni,
-<span class="ex">behalve dat bij den laatsten geen jaartal vermeld wordt</span>.
-</p>
-<p>Genoemde brief aan Huygens begint aldus:
-</p>
-<p>„Omtrent <span class="ex">half September</span> 1675 ontdekte ik in regenwater, dat eenige weinige dagen in den zon gestaan had,
-kleine diertjes” enz. en hij vervolgt, na de beschrijving der verschillende door hem
-waargenomen soorten aldus:
-</p>
-<p>„Den <span class="ex">9 Juni 1676</span> heb ik in een porceleinen schotel het water zoo zuiver gevangen als mij doenlijk
-was en in een schoon rein glas gedaan.…. en na verloop van 24 uren daarin levende
-schepselen gezien”, terwijl in de Phil. Transact Vol X p. 823 staat: <span class="corr" id="xd31e234" title="Niet in bron">„</span><span class="ex">June</span> 9th.” (zonder Jaartal) „<span lang="en">having received, early in the morning, some Rain water in a dish as <span class="corr" id="xd31e240" title="Bron: beforen">before</span> and poured it in to a very clean wine glass, and <span class="corr" id="xd31e243" title="Bron: exponed">exposed</span> it in to the air</span>” enz.; en iets verder leest men in den brief aan Huygens „Op mijn plaats in de open
-lucht staat een put die omtrent 15 voet diep is”.…. „dit water is des zomers zoo koud,
-dat men er de hand niet lang in kan houden”.…. „In dit water heb ik een groote menigte
-zeer kleine dierkens ontdekt” enz. En in de <span lang="en">Phil. Transactions</span> p. 826 leest men: „<span lang="en">In the open Court of <span class="corr" id="xd31e252" title="Bron: mij">my</span> House I have a well, which is about 15 foot deep”.…. <span class="corr" id="xd31e255" title="Niet in bron">„</span>This water is in Summertime so cold, that you cannot possibly endure your hand in
-it”.…… <span class="corr" id="xd31e257" title="Niet in bron">„</span>Not thinking at all to meet with any living creatures in it, looking upon it in <span class="ex">September of the last year</span></span>” (dus 1675), „<span lang="en">I discover’d in it a great number of living animals”</span> enz.
-</p>
-<p>Nu is het duidelijk, dat, als Leeuwenhoek aan Huygens schrijft, dat hij „half September
-1675” die diertjes ontdekte en hij het vervolg van dit onderzoek op den 9 Juni 1676
-mededeelt, de datum van die ontdekking onmogelijk April 1675 kan geweest zijn, maar
-dat in Leeuwenhoek’s brief in de <span lang="en">Phil. Transactions</span>, bij de vermelding van zijne Observaties in Mei en vervolgens, het jaartal 1676 verzuimd
-is te plaatsen. Hierdoor, schreef ik aan Prof. Ehrenberg, is het duidelijk, dat de
-verwarring, door dit verzuim in de Phil. Transact. ontstaan is en zijne opvatting,
-als zoude de vermelde datums van Mei, Juni enz. op het jaar 1675 en niet op 1676 waarin
-de brief van Leeuwenhoek geschreven is, slaan, verklaarbaar is.
-<span class="pageNum" id="pb.viii">[<a href="#pb.viii">VIII</a>]</span></p>
-<p>Ik meende deze wederlegging van een schrijver van zoo groote autoriteit als Prof.
-Ehrenberg, eenigszins uitvoerig te moeten behandelen, ten einde eene dwaling voor
-goed uittemaken, waarin opvolgende schrijvers, op het voetspoor van dezen geleerde,
-geraakt waren; deze uitweiding hier ter plaatse moge daarom verschooning vinden.
-</p>
-<p>Overigens hoop ik dat, nu mijne Levensbeschrijving van Leeuwenhoek in anderen en beteren
-vorm, in een wijderen kring zal worden verspreid, op een gunstig onthaal en een welwillend
-oordeel.
-</p>
-<p class="dateline"><span class="sc">Rotterdam</span>, Augustus 1875.
-</p>
-<p class="signed">P.&nbsp;J. HAAXMAN.
-<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div id="avl" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#avl.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first">Hoewel in onderscheidene geschriften van vroeger en later tijd, waarin de belangrijke
-ontdekkingen van onzen beroemden landgenoot Antony van Leeuwenhoek besproken worden,
-een kort levensbericht van hem gevonden wordt, toch mist men daarin bijzonderheden
-die men alleen door een opzettelijk onderzoek van den belangrijken en rijken inhoud
-zijner brieven, die slechts door enkele schrijvers voor bijzondere doeleinden zijn
-onderzocht geworden, kan te weten komen. Men vindt er veel in opgeteekend, dat een
-helder licht verspreidt over zijn karakter en persoonlijkheid, waardoor alleen een
-juister beeld van dien natuuronderzoeker kan geschetst worden.
-</p>
-<p>Tot het aanvaarden van die taak had ik reeds lang het voornemen opgevat, daar ik in
-het bezit ben van aanteekeningen door mij tot dit doel verzameld, waarvan de bijzonderheden
-tot nog toe niet bekend waren en voornamelijk bestonden in authentieke afschriften
-van eigenhandige brieven, grootendeels berustende in de verzameling van manuscripten
-in de bibliotheek der Leidsche Hoogeschool. Vooral echter is de lust tot het bewerken
-en tot een geheel brengen dier aanteekeningen bij mij levendig geworden en tot uitvoering
-gekomen, na de lezing van het goed geschreven opstel van de hand van Émile Blanchard<a class="noteRef" id="xd31e287src" href="#xd31e287">1</a>, „<span lang="fr">Les premières observations au microscope.</span>” Uit de brieven van Leeuwenhoek zelven, gedurende zijn langen en roemvollen loopbaan
-aan de beroemdste <span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>geleerden en aanzienlijke mannen van zijn tijd, zoowel in zijn vaderland, als in het
-buitenland geschreven, poogde ik de stof te putten, om meer opzettelijk zijn karakter
-als mensch en zijne verdiensten in verschillende deelen der natuurwetenschap, voornamelijk
-als nauwkeurig waarnemer met het microscoop, te doen uitkomen en daarbij in een zoo
-veel mogelijk volledig en uitgewerkt geheel, alles bijeentebrengen, wat bij verschillende
-schrijvers dikwijls zeer oppervlakkig en niet zelden onnauwkeurig omtrent Leeuwenhoek
-is opgeteekend.
-</p>
-<p>En verdient iemand de moeite eener meer nauwgezette studie, dan is het zeker de man,
-die als nederig burger van Delft, hoewel door zijne stad- en landgenooten in zijn
-leven niet naar verdiensten gewaardeerd, door de grootste geleerden der beschaafde
-wereld van zijn tijd, met eer en roem en bovenal met groote achting werd vermeld.
-Vorsten en hooggeplaatsten rekenden het zich tot eene eere hem te zien en zijne waarnemingen
-met het microscoop te bewonderen; zijn roem was zoo ver doorgedrongen, dat zelfs uit
-Engeland, Frankrijk, Duitschland, Italië, België en Spanje vorsten, en geleerden zijne
-nederige woning opzochten, om persoonlijk den man te leeren kennen, die de geheimen
-der natuur door zijn, in dien tijd, onnavolgbare microscopen voor het oog had blootgelegd,
-en beschouwingen en theoriën daarop gebouwd, over de gewichtigste vraagstukken der
-physiologie van menschen, dieren en planten, ter overweging had gegeven. De geleerdste
-natuuronderzoekers en philosophen van dien en lateren tijd vonden daarin stof voor
-de diepzinnigste bespiegelingen en de gewichtigste nasporingen, en op den grond door
-hem gelegd, werden later stelsels gebouwd die nog als waar en deugdelijk zijn aangenomen.
-Door zijne talrijke microscopische onderzoekingen, heeft hij den weg gebaand tot de
-kennis van het samenstel der meest verschillende deelen van het dierlijk lichaam en
-van de planten. Leeuwenhoek wees alzoo reeds vóór twee eeuwen den weg aan, die nog
-in onze dagen betreden wordt en waarop nog zoo vele belangrijke nasporingen en ontdekkingen
-gedaan worden.
-</p>
-<p>Leeuwenhoek, hoewel hij eene voor den tijd waarin hij leefde zorgvuldige opvoeding
-genoten had, behoorde niet tot den, wat <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>men noemt, geleerden stand. Hij was niet bestemd geworden om door eene Academische
-opleiding eenmaal een rang onder de geleerden in te nemen, daar hij de kennis der
-Latijnsche taal miste, die nog tegenwoordig van zeer groot belang gerekend voor eene
-degelijke wetenschappelijke ontwikkeling, zeker in het midden der XVIIde tot het begin
-der XVIIIde eeuw, een eerste vereischte was om in eenigen tak van wetenschap ervaren
-te worden en welke taal niet uitsluitend het eigendom der geleerden van dien tijd
-was, maar in het algemeen tot eene beschaafde opvoeding behoorde. En wat meer is,
-Leeuwenhoek was zelfs onbekend met de levende vreemde talen, zoodat hij genoodzaakt
-was zijne brieven, die voor het grootste gedeelte aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” te Londen gericht waren, door anderen eerst in het Latijn te laten vertalen, waarna
-zij daaruit in het Engelsch werden overgezet; zoo als wij straks gelegenheid zullen
-vinden meer bepaald aan te wijzen.
-</p>
-<p>Niettegenstaande deze ongunstige verhouding, waardoor hij zoo zeer achter stond bij
-zijne geleerde tijdgenooten, zien wij in hem<span id="xd31e309"></span> gaven ontwikkelen, die de bewondering van half Europa opwekten, door hem onderzoekingen
-ten uitvoer brengen, die krachtig bijgedragen hebben om den roem van ons vaderland
-op wetenschappelijk gebied te handhaven, en die belangrijke diensten bewezen hebben
-aan de natuurkundige wetenschappen. Nog wordt van Leeuwenhoek gesproken, als van den
-„vader der micrographie” en zijn naam genoemd tegelijk met mannen als Fallopius, Eustachius,
-Harvey, Colonna, Boerhaave, Swammerdam, de Graaf, Ruisch, en andere beroemde geleerden
-der 16de, 17de en 18de eeuw.
-</p>
-<p>Deze buitengewone man nu, begaafd met eene groote scherpzinnigheid, helder oog, gezond
-verstand, taai geduld en eenvoudig godvruchtig gemoed, deed zich, zoo als uit zijne
-brieven blijkt, als een achtingswaardig Hollandsch burger kennen. Hij was in zijn
-gedrag en schrijfstijl de meer eenvoudige zeden van zijn tijd tot eer en werd om zijne
-beproefde kunde zeer dikwijls door vele, geringe, zoowel als aanzienlijke stadgenooten,
-geraadpleegd.
-</p>
-<p>Leeuwenhoek, als door instinct geleid lot het bespieden der <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>natuur in hare geheimste schuilhoeken en in hare schijnbaar geringste voortbrengselen,
-werd door alles wat hem omringde aangetrokken; alles wekt zijne aandacht, niets is
-die onwaardig; hij onderwerpt het aan het geduldigst en nauwkeurigst onderzoek, en
-het is daaraan toe te schrijven dat de geringste kleinigheid vaak aanleiding gaf tot
-de belangrijkste werkzaamheden. Van daar ook de onregelmatige wijze, waarop hij nu
-deze dan gene onderzoeking ondernam en zijne nasporingen elkander als opeenstapelden.
-Hij liet zich in dit onderzoek door anderen den weg niet wijzen, maar werkte onafhankelijk,
-rustig voort, hervatte hetzelfde onderwerp een- en andermaal op verschillende tijden
-met vernieuwde vlijt, en leerde daardoor de zaken onpartijdiger inzien en vroeger
-opgevatte meeningen en dwalingen herstellen. Wat den geleerdsten en grootsten denkers
-ontsnapte, gelukte hem dikwijls tot hunne groote verbazing, zoodat wij van hem lezen<a class="noteRef" id="xd31e316src" href="#xd31e316">2</a> <span id="xd31e321"></span>dat de grootste lichten van ons land zich zeer over zijne ontdekkingen verwonderden
-en de geleerde Hudde, Burgemeester van Amsterdam een groot Mathematicus en Physicus
-van dien tijd, zeide: „dat hetgeen hen allen, Wis- en Natuurkundigen, ontsnapt was,
-voor een ongeleerden, zooals Leeuwenhoek, bewaard scheen.”
-</p>
-<p>Wanneer wij nu nagaan dat onze Leeuwenhoek, gedurende bijna eene halve eeuw onafgebroken,
-bewerktuigde en onbewerktuigde stoffen, vaste en vloeibare zelfstandigheden, dieren
-en planten en zelfs de laagst georganiseerde wezens met zijne voor dien tijd voortreffelijke
-en toch zoo eenvoudige microscopen onderzocht, en wij hem de meest onverwachte ontdekkingen
-zien doen, die het verrassendst licht verspreidden over de belangrijkste verschijnselen
-van het leven, dan kunnen wij onze bewondering voor zulk een talent, niet weêrhouden.
-Al is het dat hij door zijne gelukkige en schitterende ontdekkingen en door den lof,
-die hem van alle kanten door de aanzienlijksten en geleerdsten werd gebracht, wel
-eens in zijne ijdelheid werd gestreeld en <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>eene eenmaal opgevatte meening niet gemakkelijk varen liet, ja zelfs soms met hardnekkigheid
-tegen de krachtigste argumenten bleef staande houden, al moet erkend worden dat hij
-soms, door zijne verbeelding en de begeerte om gedurig nieuwe ontdekkingen te doen,
-medegesleept, dingen meende waar te nemen, die reeds in zijn leven op deugdelijke
-gronden in twijfel werden getrokken en die ook in lateren tijd als onjuist en onwaar
-zijn aangewezen; dit alles kan gerust worden afgetrokken van de som zijner talrijke
-ontdekkingen en er blijft nog genoeg over om hem met eerbied aan te staren.
-</p>
-<p>En heeft nu deze merkwaardige man, van wien het nageslacht met zooveel eerbied spreekt,
-die de achting genoot van de grootste geleerden en beroemdste denkers van zijn tijd,
-die van vorsten en hooge staatspersonen talrijke bewijzen van onderscheiding en vriendschap
-genoot, ook van zijne landgenooten, vooral van het Bestuur van ons land, de bewijzen
-ontvangen, dat het ware verdiensten op prijs stelde? Wij aarzelen niet, uit hetgeen
-wij daaromtrent vinden aangeteekend, zulks ontkennend te beantwoorden, daar het bekend
-is, dat hij als stil burger van Delft geleefd heeft en gestorven is en tot op hoogen
-leeftijd in eene ondergeschikte ambtelijke, zij het dan ook in eene voor dien tijd
-niet onvoordeelige, maar toch nederige maatschappelijke betrekking werkzaam was.
-</p>
-<p>Dat hij zelf gevoelde, dat men zijne diensten niet beloond had, zoo als hij billijkerwijze
-had mogen verwachten, kan blijken uit de bewoordingen in een brief aan G.&nbsp;C. Leibnitz
-gericht, toen hij reeds 84 jaren oud en dus aan den avond van zijn leven genaderd
-was.
-</p>
-<p>„<span lang="nl">Het is</span>,” zegt hij, „<span lang="nl">eenige jaren geleden, dat eenige Heeren van de Hooge Regeeringe van ons lant, eenige
-van mijne ontdekkinge quamen sien. Een van die Heeren seide tot de andere Heeren,
-in mijn presentie: „sal men soo veel arbeyt onbeloont laaten?” waarop de andere antwoordde:
-„dit seggen wij alle, en waarom doen wij het niet?</span>”<span class="corr" title="Niet in bron">”</span><a class="noteRef" id="xd31e338src" href="#xd31e338">3</a>
-<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span></p>
-<p>Maar het wordt tijd dat wij, eer verder in de bijzonderheden van zijn lang en roemvol
-leven te treden, onze aandacht op den persoon van Leeuwenhoek vestigen en hem eenigszins
-nader leeren kennen.
-</p>
-<p>Antony van Leeuwenhoek<a class="noteRef" id="xd31e346src" href="#xd31e346">4</a> werd te Delft geboren den 24sten October 1632. Hij was de zoon van Philippus Antonius
-van Leeuwenhoek en Margaretha Jacobsdr. Bel van den Bergh<a class="noteRef" id="xd31e379src" href="#xd31e379">5</a> uit <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>welk huwelijk, behalve Antony, nog drie dochters gesproten zijn, namelijk Margaretha,
-Geertruida en Catharina<a class="noteRef" id="xd31e386src" href="#xd31e386">6</a>.
-</p>
-<p>Zijne ouders waren van zeer deftige, aanzienlijke en bemiddelde afkomst. Wij vinden
-vermeld, dat hij van moeders zijde was vermaagschapt aan de aanzienlijke Delftsche
-geslachten van Hogenhoek, Bleiswijk, Swalmius en Mathenesse<a class="noteRef" id="xd31e391src" href="#xd31e391">7</a> terwijl hij zelf zegt<a class="noteRef" id="xd31e394src" href="#xd31e394">8</a>, dat zijn groot- en overgrootvaders brouwers te Delft waren en ook zijne grootmoeder
-eene dochter was van een brouwer, welk bedrijf in de XIVde en XVde eeuw aldaar in
-groot aanzien was<a class="noteRef" id="xd31e397src" href="#xd31e397">9</a>.
-</p>
-<p>Leeuwenhoek had reeds in zijn vroege jeugd zijn vader door den dood verloren. Hij
-werd door zijne moeder te Warmond <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>ter school besteld, alwaar hij zijn eerste onderwijs ontving; en daar hij bestemd
-scheen om in den ambtelijken administratieven stand te worden opgeleid en een oom
-van hem, die Secretaris en Procureur te Benthuizen was, in die betrekking op te volgen,
-zoo werd hij vervolgens, na voltooid elementair onderwijs, daarheen gebracht, ten
-einde zich verder voor zijn aanstaande betrekking bekwaam te maken en voor te bereiden.
-</p>
-<p>Dat hij, zoowel te Warmond, als te Benthuizen, goede gronden zal gelegd hebben voor
-zijne intellectueele ontwikkeling en bij voorzeker gunstigen aanleg, zich den tijd
-aldaar doorgebracht goed ten nutte zal gemaakt hebben in het verwerven van die kundigheden,
-die onder zijn bereik kwamen, is van een man met zulk een werkzamen, onderzoekenden
-geest als wij Leeuwenhoek later zullen leeren kennen, zeker te verwachten. Dat hij
-zich hier en later, vooral in de wiskundige wetenschappen geoefend heeft, blijkt uit
-vele brieven van hem in lateren tijd geschreven, waaruit zijn grondige kennis in die
-richting onmiskenbaar aan den dag komt. Zoo bij voorbeeld, waar hij het aantal „<span lang="nl">vis-veseltjes</span>” (draadjes, fila) uit de Kabeljauw, die vervat zijn in de „<span lang="nl">circumferentie van een visstriemtje</span>” (fibrilla) wil uitrekenen, maakt hij gebruik van de leer van Archimedes, om den
-inhoud van den cirkel door de kennis van den omtrek te berekenen<a class="noteRef" id="xd31e427src" href="#xd31e427">10</a>; alsmede, waar hij door uitrekening tracht te bepalen, dat er tienmaal zoo veel levende
-dieren uit een hom van een Kabeljauw voortkomen, dan er menschen op aarde wonen, stelt
-hij, om dit laatste getal te berekenen, „de lengte van den grooten cirkel van den
-aardbol op 5400 mijlen gerekend zijnde, 22—7—5400 = 1718 mijlen voor de as van den
-aardbol” en berekent volgens den regel van Metius „<span lang="nl">om de superfitie van een cloot-bult te berekenen, 7 geeft 22, wat geeft het quadraat
-getal van de asse</span>,” enz. enz.<a class="noteRef" id="xd31e433src" href="#xd31e433">11</a>. Nog blijkt zijne wiskundige kennis onder anderen uit een postscriptum achter <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>een brief<a class="noteRef" id="xd31e442src" href="#xd31e442">12</a>, waar hij zegt: „<span lang="nl">De hoogte van onze nieuwe kerkstooren is voor veel jaren door mij, ende wijlen den
-Landmeter Spoors, yder met syn quadrant afgezien, en bevonden hoog te syn 299 voeten</span>”<a class="noteRef" id="xd31e448src" href="#xd31e448">13</a>.
-</p>
-<p>Ik haal deze voorbeelden, die met nog vele anderen zouden kunnen vermeerderd worden
-slechts aan, om te doen uitkomen, dat Leeuwenhoek, hij moge dan al niet tot den geleerden
-stand behoord en vooral geen geleerde opvoeding genoten hebben, toch niet zoo onontwikkeld
-was als doorgaans vele schrijvers vermelden.
-</p>
-<p>Nadat onze jeugdige Leeuwenhoek eenigen tijd te Benthuizen had doorgebracht en zijn
-mindere geschiktheid of lust voor de werkzaamheden, aan de betrekkingen bij zijn oom
-verbonden, zal gebleken zijn, besloot zijn moeder hem een meer practische loopbaan
-te openen en bracht hem in 1648, op den leeftijd van 16 jaren, te Amsterdam in aanraking
-met een voornaam lakenhandelaar, op wiens kantoor hij werd aangenomen en waar hij
-al spoedig de functie van boekhouder en kassier vervulde<a class="noteRef" id="xd31e466src" href="#xd31e466">14</a>.
-<span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span></p>
-<p>Hoe lang hij in deze betrekking te Amsterdam gebleven is, kan uit de berichten van
-dien tijd niet opgemaakt worden. Boitet, die hier onze eenige leidsman is, spreekt
-van „eenige jaren”, waarna hij weder naar Delft terug keerde; en daar hij, altijd
-volgens denzelfden schrijver, kort daarna in het huwelijk trad en dit huwelijk, blijkens
-mijn familie-register, in het jaar 1654 plaats had, zoo kan daaruit met genoegzame
-zekerheid worden opgemaakt, dat dit niet langer dan 5 à 6 jaren kan geweest zijn.
-In die jaren nu moet bij Leeuwenhoek langzamerhand de lust tot natuuronderzoek zijn
-voorbereid en ontwikkeld geworden; en hoewel hij de plichten, aan zijne maatschappelijke
-betrekking verbonden, zeker niet zal veronachtzaamd hebben, zoo kan men aannemen,
-dat de beschaving van zijn geest en het onderzoeken van hetgeen hem omringde en zijn
-aandacht wekte, hem zijn vrijen tijd nuttig heeft doen doorbrengen.
-</p>
-<p>De waarschijnlijkheid dat hij, tijdens zijn verblijf te Amsterdam in aanraking gekomen
-is met kundige mannen en geleerden van naam, die bij hem den lust voor de natuurstudie
-zullen hebben opgewekt en aangewakkerd, alsmede, dat hij daar het eerst kennis zal
-gemaakt hebben met een instrument, dat hij later door eigen inspanning en volharding
-tot zulk een volmaking bracht, mag men wel veilig als gegrond aannemen, hoewel de
-beweering van sommige schrijvers, dat hij aldaar met beroemde natuurkundigen vriendschap
-had weten aan te knoopen<a class="noteRef" id="xd31e475src" href="#xd31e475">15</a> naar mijn oordeel niet dan eene veronderstelling mag heeten.
-</p>
-<p>Ik waag het ten slotte nog ééne meening te uiten, die ik vermeen niet zoo geheel zonder
-grond te zijn, ter verklaring van den bij hem opgewekten lust tot het onderzoeken
-en bestudeeren van insecten en andere voorwerpen door het microscoop. Zij is deze:
-Johannes Swammerdam, over wien ik later meerdere bijzonderheden zal mededeelen, was
-een tijdgenoot en (blijkens <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>de noot op bl. 26) een bijzondere kennis van Leeuwenhoek, daar hij in 1637 te Amsterdam
-geboren werd en dus slechts weinige jaren jonger was dan hij; de vader nu van Swammerdam
-was Apotheker te Amsterdam en bezat een uitgebreide en toen reeds algemeen beroemde
-en bekende groote verzameling van voorwerpen uit de natuurlijke historie, en andere
-curiositeiten die hij had bijeengebracht. Johannes Swammerdam had, van der jeugd af,
-een groote voorliefde voor de natuurlijke geschiedenis aan den dag gelegd en bijzonder
-voor die der insecten, welken lust hij ruimschoots bevredigen kon door het dagelijksch
-beschouwen van de voorwerpen in het kabinet zijns vaders, dat hij, volgens zijn levensbeschrijver
-Boerhaave, in orde hield en rangschikte. Wat is nu natuurlijker, dan dat Leeuwenhoek,
-tijdens zijn verblijf te Amsterdam, bij dien Apotheker toegang zal gehad hebben, aldaar
-de lust voor natuurstudie in het beschouwen der insecten enz. zal hebben voelen opgewekt
-en kennis gemaakt hebben met een instrument, waarmede hij later zooveel ten uitvoer
-bracht. Deze onderstelling dunkt mij is alleszins aannemelijk en geenszins ongegrond.
-</p>
-<p>Intusschen stond hem aanvankelijk en ook later, zeker het gebrekkige zijner letterkundige
-ontwikkeling in den weg om dieper door te dringen in hetgeen vooral door buitenlandsche
-geleerden onderzocht en geschreven was; maar, door eigen oefening en studie, trachtte
-hij zich zelven eigen te maken, wat hem in zijne ontwikkeling in den weg stond.
-</p>
-<p>Die lust tot onderzoek en oefening bleef hem altijd bij, en vooral toen hij in de
-kracht van zijn leven was, schijnt hij eene opmerkelijke volharding in dit opzicht
-aan den dag gelegd te hebben. Boitet zegt van hem<a class="noteRef" id="xd31e489src" href="#xd31e489">16</a> „dat hij zich, kort na zijn huwelijk, zonder onderwijs van iemant, in de navigatie,
-sterrekunde, wiskunde, filosofie en natuurkunde, en wel met zoo veel vrucht oefende,
-dat men hem wel bij de voornaamste meesters in die kunst gelijk mag stellen, en met
-een woord gezegt er geen kunstenaar was die hem in de laatste <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>wetenschap overtrof,” en hij voegt er, hoogelijk ingenomen met zijn held, bij: „<span lang="nl">Zooveel vermogt die onbezweke naarstigheid dezes grooten mans, dewelke in deze evengenoemde
-kunsten zijn eigen meester was. Dus wort het aloude gezeg bewaarheit, „dat de Goden
-alles voor zweet en arbeyt veil hebben.<span class="corr" id="xd31e496" title="Bron: ”">””</span></span>
-</p>
-<p>Ik stem ten volle in met hetgeen Émile Blanchard, in zijn artikel in de „<span lang="fr">Revue des deux mondes</span>” (pag. 407) zegt, waar hij van de groote gaven van Leeuwenhoek bij weinige wetenschappelijke
-ontwikkeling gewaagt: „<span lang="fr">Alors <span class="corr" id="xd31e506" title="Bron: l’àme">l’âme</span> est pénétrée d’un regret; on voudrait voir Leeuwenhoek pourvu des connaissances générales
-qui permettraient à cet esprit ingénieux de s’élever à quelques hautes conceptions.
-Avec une forte instruction, Leeuwenhoek en effet aurait sans doute mérité <span class="corr" id="xd31e509" title="Bron: d’ètre">d’être</span> compté au nombre des génies dont <span class="corr" id="xd31e512" title="Bron: ’shonore">s’honore</span> l’humanité.</span>”
-</p>
-<p>Bij al de bovengenoemde kundigheden, die Leeuwenhoek zich door eigen studie had verworven,
-schijnt hij zich ook nog in de Scheikunde geoefend en zich daarmede bezig gehouden
-te hebben. Ook hieromtrent bericht ons Boitet, „<span lang="nl">dat hij zich zoo ver in de Scheikunst geoefend had, dat hij uit ruw erts goud en zilver
-wist te scheiden, waarvan er bij zijn in leven zijnde dochter verscheydene gedenkstukken
-voorhanden waren.</span>”
-</p>
-<p>Dat hij nimmer Latijn geleerd had en zelfs onbekend was met vreemde levende talen,
-blijkt uit onderscheidene gezegden van hem in zijne brieven, waarin hij betuigt, dat
-zijne manuscripten voor hem in het Latijn werden overgezet, om daarna naar Engeland
-aan de Koninklijke Sociëteit te worden toegezonden<a class="noteRef" id="xd31e523src" href="#xd31e523">17</a>. Dit wordt ook bevestigd door Thomas Molyneux, een Engelsch Natuurkundige. Deze geleerde
-bezocht dikwijls ons land en kwam herhaaldelijk in Leiden. In het jaar 1685, toen
-de onderzoekingen en ontdekkingen van Leeuwenhoek reeds eenige jaren in Engeland bekend
-waren gemaakt en vooral zijne ontdekkingen over de, later zoogenoemde, infusoria in
-regen- en andere wateren, de verbazing van de geleerde leden der <i>Royal Society</i> hadden opgewekt, <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>waarbij niet minder zijne vroegere waarnemingen over de bloedbolletjes en den bloedsomloop,
-alsmede die omtrent de zoogenoemde zaaddiertjes (spermatozoïden), ieders belangstelling
-hadden gaande gemaakt, was men natuurlijk zeer verlangend iets naders omtrent den
-persoon van dien grooten ontdekker van de „geheimen der natuur” te vernemen, die men
-tot nog toe slechts uit zijne brieven kende. Toen nu Molyneux in het voorjaar van
-1685 zich naar Holland begaf, werd hem door Sir François Aston, Secretaris der <i>Royal Society</i> opgedragen ook Delft te bezoeken, aldaar kennis met Leeuwenhoek te maken, en tevens
-van hem te weten te komen, op welke wijze hij zijn microscopen maakte, waarmede hij
-uitkomsten verkreeg, die men in Engeland met moeite, en dan nog onvolledig, kon bekomen
-met de beste microscopen, die men daar kon vervaardigen. Molyneux voldeed aan deze
-opdracht. In de vergadering van dit geleerd Genootschap werd daarop een brief van
-<span class="corr" id="xd31e534" title="Bron: Molineux">Molyneux</span> ontvangen, gedateerd uit Leiden d.d. 13 Februari 168⅘ N.&nbsp;S. (nieuwe stijl). Deze
-was van den volgenden inhoud:
-</p>
-<p>„Ik heb tot nu toe het antwoord op uwe laatste uitgesteld, omdat ik u nog geen bericht
-kon geven van Mijnheer Leeuwenhoek, doch ik bezocht hem voorleden week uit uw naam.
-Hij vertoonde mij vele zaken door zijne microscopen, welke onnoodig is hier te vermelden,
-daar hij zelf u de beschrijving daarvan uitvoerig heeft medegedeeld. Wat zijn microscopen
-zelf aangaat, zoo waren allen, die hij mij liet zien, ten getale van minstens een
-dozijn, van ééne soort, bestaande elk uit een klein glas geslepen („„Ik vermeld dit,
-omdat men algemeen gelooft, dat de glazen voor zijn microscopen met de lamp geblazen
-zijn; die geenen, die ik zag, kan ik verzekeren dat niet geblazen zijn””), geplaatst
-tusschen twee dunne platte koperen plaatjes, omtrent één duim breed en anderhalven
-duim lang. In deze twee openingen, één voor en één achter het glas, welke grooter
-of kleiner waren, naarmate het glas meerder of minder convex was, of dat het vergrootte.
-Vlak over deze opening was aan de eene zijde nu eens eene naald aangebracht, dan weder
-een dun plat plaatje van glas of doorschijnende stof, waarop hij, al naar het noodig
-was, of op de punt, het voorwerp dat hij wilde bezien, <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>vastmaakte, daarop het naar het licht keerde en nu door middel van twee kleine schroefjes
-het voorwerp juist in den focus van zijn glas lichtte, waarna hij dan zijn waarnemingen
-bewerkstelligde. Zoodanige waren de microscopen die ik zag en deze vertoont hij aan
-de nieuwsgierigen die hem komen bezoeken; maar behalve deze, vertelde hij mij, had
-hij nog eene andere soort, door welke geen levende ziel, behalve hij zelf zag; deze
-soort bewaart hij geheel voor zijn eigen waarnemingen en hij verzekerde mij, dat zij
-diegene, die hij mij had laten zien, verre overtroffen; doch hij wilde mij niet toestaan
-ze te zien, dus al wat ik kan doen is eenvoudig te gelooven, want ik heb er geen ondervinding
-van”.
-</p>
-<p>„Wat nu de microscopen aangaat, waardoor het mij vergund werd te zien”<a class="noteRef" id="xd31e543src" href="#xd31e543">18</a>, vervolgt Molyneux, „zoo vergrootten deze niet veel meer dan verscheidene glazen,
-die ik, zoowel in Engeland als in Ierland gezien heb, doch in ééne bijzonderheid moet
-ik zeggen, overtreffen zij ze allen, namelijk in hunne buitengewone helderheid en
-dat zij alle voorwerpen zoo uitstekend helder vertoonen. Want ik herinner er aan,
-dat wij in eene vrij donkere kamer waren, met slechts één raam voorzien, waar de zon
-toen ook niet op scheen, en toch vertoonden de voorwerpen zich <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>schooner en duidelijker dan diegeenen, die ik vroeger door microscopen gezien heb,
-hoewel er de zon geheel op scheen, of dat zij meer dan gewoon licht ontvingen, door
-weêrkaatsende spiegels of op andere wijze. Zoodat ik vermeen, dat het hoofdzakelijk,
-zoo niet geheel alleen aan deze bijzonderheid is toe te schrijven dat zijne glazen
-alle andere overtreffen, die over het algemeen, hoe meer zij vergrooten, het voorwerp
-des te duisterder vertoonen, en zijn eenig geheim bestaat, geloof ik, daarin, dat
-hij de glazen helderder slijpt en ze beter polijst dan anderen kunnen doen.” En nu
-vervolgt Molyneux<span class="corr" id="xd31e565" title="Bron: .">,</span> „Ik vond in hem een beschaafd, vriendelijk man en zonder twijfel met groote bekwaamheden
-voorzien, maar tegen mijne verwachting geheel en al ongeletterd, daar hij, noch het
-Latijn, noch Fransch of Engelsch, of eenige andere der nieuwe talen, behalve zijn
-moedertaal machtig is, hetgeen een groote hinderpaal is om zich met hem, voornamelijk
-over zijne waarnemingen te onderhouden, want daar hij volstrekt onbekend is met de
-denkbeelden van anderen, moet hij geheel op zijn eigen oordeel afgaan en heeft hij
-dan ook zulk een vertrouwen op zijn eigen opgevatte meening, dat hij, zooals ik opmerkte,
-nu en dan tot ongerijmdheden of in bizarre verklaringen vervalt, ja soms zoodanig,
-dat zij in het geheel niet met de waarheid overeentebrengen zijn. Gij ziet, Mijnheer,
-hoe vrij ik mijn gedachten over hem uit, zooals gij mij dit verzocht hebt”<a class="noteRef" id="xd31e568src" href="#xd31e568">19</a>.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Nadat alzoo Leeuwenhoek gedurende vijf à zes jaren te Amsterdam gewoond had waar de
-drukten en beslommeringen aan een handelszaak verbonden, aan zijn meer en meer ontwikkelenden
-lust tot natuuronderzoekingen en eigen studie hinderlijk zullen geweest zijn, besloot
-hij in het jaar 1653 of 1654 naar Delft terug te keeren<a class="noteRef" id="xd31e578src" href="#xd31e578">20</a>.
-<span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span></p>
-<p>Hij trad kort daarna, namelijk den 26sten Juli 1654, in het huwelijk met mejufvrouw
-Barbara de Mey dochter van Elias de Mey en Maria Viruly. Zij was geboren den 13den
-December 1629 en was alzoo 25 jaren oud toen zij met Leeuwenhoek huwde. Uit dit huwelijk
-werden hem vijf kinderen geboren, en wel drie zonen en twee dochters, waarvan hij
-er slechts één over hield, daar de overige hem door den dood ontnomen werden. Deze
-overgeblevene was zijne dochter Maria, die ongehuwd bleef en haar vader tot in zijn
-hoogen ouderdom en op zijn sterfbed verzorgde.
-</p>
-<p>Deze dochter, Maria, werd geboren den 22sten September 1656 en overleed den 25sten
-April 1745, zoodat zij haar vader 23 jaren overleefde en den hoogen ouderdom van 88
-jaren bereikte<a class="noteRef" id="xd31e592src" href="#xd31e592">21</a>.
-</p>
-<p>Na eene vereeniging van 12 jaren overleed zijne echtgenoote, en wel den 11den Juli
-1666<a class="noteRef" id="xd31e597src" href="#xd31e597">22</a>, waarna <span class="corr" id="xd31e600" title="Bron: bij">hij</span> een tweede huwelijk aanging met mejufvrouw Cornelia Swalmius<a class="noteRef" id="xd31e603src" href="#xd31e603">23</a>, die hem één kind schonk, dat echter vroeg gestorven is.
-</p>
-<p>Leeuwenhoek schijnt in onbekrompen omstandigheden verkeerd te hebben, want eerst in
-het jaar 1660 werd hem eene Stadsbetrekking opgedragen, die hem een vast inkomen verzekerde.
-Gedurende de zes eerste jaren van zijn huwelijk leefde hij geheel voor zijne studie
-en moet hij dus de middelen bezeten hebben, niet alleen om in de behoefte van zijn
-gezin naar behooren te voorzien, maar ook om zich de noodige instrumenten voor zijne
-onderzoekingen te kunnen aanschaffen; en daar de Stadsbetrekking die hij gedurende
-39 jaren bekleedde, zooals wij <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>straks zullen zien niet buitengewoon voordeelig was, kon hij daardoor niet tot den
-welgestelden stand geraakt zijn. Dat hij tot den deftigen vermogenden stand moet behoord
-hebben is voorts afteleiden uit de aanzienlijke collectie microscopen, gedeeltelijk
-van zilver en enkele zelfs van goud, allen bewaard in afzonderlijke daartoe vervaardigde
-Japansch verlakte cabinetjes, die hij naliet en waarvan er zeven op den Catalogus
-van de verkooping, die na zijn dood gehouden werd, voorkomen. Evenzoo kan men dit
-opmaken uit hetgeen Boitet vermeldt, dat er „verscheidene gedenkstukken van zijn hand,
-bij zijn dochter voorhanden waren, vervaardigd uit goud en zilver;” en vervolgens
-uit de van hem bestaande portretten, die hem voorstellen in de kleeding en houding
-van den aanzienlijken stand van dien tijd<a class="noteRef" id="xd31e610src" href="#xd31e610">24</a>; eindelijk uit den inhoud van een brief aan Robert Hooke van 4 <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>November 1681<a class="noteRef" id="xd31e672src" href="#xd31e672">25</a>, waaruit blijkt dat hij er zelfs een paard op na hield, waarvan hij schrijft, dat
-hij na een sterke rit er mede gedaan te hebben, de urine, die zeer dik was en aschkleurig,
-onderzocht. Ook bezat hij een buiten-tuin, zoo als blijkt uit den <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>61ste brief, blz. 247. Uit een en ander is de vermelding, dat hij een vermogend man
-was, genoegzaam gemotiveerd.
-</p>
-<p>Intusschen werd hij door het Bestuur van Delft met eene betrekking begiftigd, die
-hem een voor dien tijd niet onaanzienlijk inkomen verschafte, terwijl de diensten,
-daaraan verbonden, gering waren, zoodat hij genoegzamen vrijen tijd overhield om zich
-aan zijn geliefkoosde studiën en onderzoekingen te kunnen wijden. Deze post bestond
-in de betrekking van „Kamerbewaarder der Kamer van Heeren Schepenen van Delft”, eene
-bediening, volgens van Haastert, in vroegere dagen waardig genoeg aan den deftigen
-burgerstand. Deze betrekking werd hem den 26sten Maart 1660, dus toen hij 28 jaren
-oud was, gegeven. Hij vervulde deze betrekking gedurende 39 jaren, namelijk tot aan
-het jaar <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>1699, doch behield het salaris daaraan verbonden tot aan zijn dood.
-</p>
-<p>Tengevolge mijner nasporingen omtrent den aard dezer betrekking en andere bijzonderheden
-daaromtrent in het werk gesteld, zijn mij door den oud Archivaris en Secretaris van
-Delft Mr. J. Soutendam, uit het Archief een paar afschriften verschaft, die ik niet
-onbelangrijk acht hier mede te deelen. Een dezer extracten luidt aldus:
-</p>
-<p>3de Memoriaal van <abbr title="Heeren">H.H.</abbr> Burgemeesteren van Delft, fol. 365.
-</p>
-<p>„<span lang="nl">Den 26sten Maart 1660 is Antony Leeuwenhoek, in plaats van Jan Strick, tot Camerbewaarder
-gestelt, op gelijke gagie, baten ende emolumenten.</span>” Zijne Commissie luidt als volgt: (fol. 364 en 365 ibid. „<span lang="nl">Mijnen Heeren Burgemeesteren ende Regeerders der stad Delft hebben gestelt ende committeeren
-bij desen, Antony Leeuwenhoek tot het waarnemen van de Camer, daer de H.H. Schout,
-Schepens ende die van de wet deser Stadt vergaderen, om de voorz. Camer te openen
-ende te sluyten, soo op ordinaris als extraordinaris vergaderingen van de voorn. Heeren,
-op soodanige wijsen, als des vereyscht ende nodig sal wesen; item deselve Heeren te
-betonen alle respect, eere ende reverentie ende naerstelyck te agtervolgen ende getrouwelyck
-te effectueren alle diensten, die hem sullen werden belast, ende secreet te houden
-’t gunt hij in de Camer soude mogen hooren; de voorz. Camer pertinentelyck te reynigen ende
-schoon te houden, ’t vuyr, soo wanneer den tijd sulcx sal vereyschen, op syn bequamen
-tijd aan te leggen ende de koolen, die ongeconsumeert soude moge wesen, tot syn profyt
-wel te bewaren, dat geen ongeluk daar van ofte van het Ligt van de kaarsen en geschiedde
-ende sal voorts alles doen dat een goet ende getrouw Camerbewaarder schuldig is te
-doen ende behoort. Voor welcken dienst de voorz. Antony Loeuwenhoek sal genieten soodanigen
-gagie, bate ende emolumenten als voorn. Jan Strick saliger syn voorzaat in dienste
-heeft genoten, ende sal desselfs dienst ingaan metten 24 January 1660 ende syn gagie
-betaalt werden op soodanige termynen, als die aan den voorz. Strick betaalt syn geweest.
-Actum bij al de Burgmeesteren collegialiter vergadert <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>den 26sten Maart 1660 ende geteekent bij den Pensionaris J. Camerling.</span>”
-</p>
-<p>Het salaris aan dezen post verbonden wordt opgegeven in de „Thesauriers-rekening”
-van Delft van 1661 fol. 113 en 114: „<span lang="nl">Antony Leeuwenhoek, Camerbewaarder van de Raatcamer twee hondert ’t sestich gl. over
-één jaar wedde, verschenen den 24sten January 1661, dus: ijc lxgl.</span>” „<span lang="nl">Den selven voor het schoonmaeken van de Schepenen-<span class="corr" id="xd31e707" title="Niet in bron">,</span> Vroetschap- ende Schutterskamer; Item voor de behoeften die hij daer toe van nooden
-heeft, de somma van liiij gl.</span><span id="xd31e709"></span> Alzoo te samen een tractement van ƒ&nbsp;314.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> De „Stads-secretaris,” zoo schrijft mij Mr. Soutendam, ontving te dien tijde, behalve
-het „tabbertlaken of stedekleeding” en den „vrijdom van Stads-accijns ƒ&nbsp;800 ’s jaars.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> Het baantje was ook (altijd volgens Mr. Soutendam), niets minder eervol, dan dat
-van Kamerheer aan ’t Hof, „<span lang="la">mutatis mutandis</span>;” natuurlijk zal Leeuwenhoek het vuile werk wel door een bode of bediende hebben
-laten waarnemen.
-</p>
-<p>Er is verder in het Archief niets gevonden, waaruit kan blijken of Leeuwenhoek om
-deze betrekking gevraagd heeft. Waarschijnlijk zal een zijner vrienden, in de Regeering
-zittende, hem die wel bezorgd hebben. In die dagen was alles „correspondentie” van
-’t hoogste ambt tot het minste toe.
-</p>
-<p>Behalve deze betrekking van Camerbewaarder, schijnt hem nog een andere te zijn opgedragen
-blijkens een afschrift uit het „15de Memoriaal van Burgemeesteren van Delft” fol.
-118 en 119<span id="xd31e721"></span> als volgt:
-</p>
-<p>„Mortificatie van het generaal-wijkmeesterschap, d.d. 23 December 1711, nadat Antony
-Leeuwenhoek, die dese betrekking tegen een tractement van ƒ 50 ’s jaars bekleedde,
-sal sijn overleden<span class="corr" id="xd31e725" title="Bron: ,">.</span>” Het blijkt echter niet, wanneer hij deze sinecure gekregen heeft.
-</p>
-<p>Verder vindt men in hetzelfde: „Memoriaal”, fol. 206 en 207.<span id="xd31e730"></span> „Resolutie ter verbetering van Stads-finantie, d.d. 30 December 1718”: „Dat na overlijden
-van Antony Leeuwenhoek en Arnold Ramp, de kamerbewaarder van Schepenen-kamer voortaan
-niet meer sal toegelegt worden als ƒ&nbsp;300”. Hieruit blijkt dus, dat Leeuwenhoek nog
-tractement ontving, ofschoon hij reeds een opvolger <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>of hulp had. De „Thesauriers-rekening” van 1699 geeft hiervan opheldering; daaruit
-blijkt, dat Leeuwenhoek, als Camerbewaarder der Raat-camer enz., over een jaarwedde,
-verschenen October 1699, ontving.…<span class="corr" id="xd31e734" title="Bron: ” "> „</span>iiijc g<i>l</i>.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> „Den selven, of nu Arnold Ramp, voor ’t schoonmaken van Schepens-camer enz.… Liiij
-g<i>l</i>.”
-</p>
-<p>Hij behield dus ’t tractement van „Camerbewaarder” en van „generaal-wijkmeester” (twee
-sinecures) tot aan zijn dood en betaalde ƒ 54 aan Arnold Ramp. Het is echter niet
-kunnen blijken, wanneer dit salaris tot ƒ 400 verhoogd werd.
-</p>
-<p>Van het jaar 1654 af, vermoedelijk het jaar dat hij zich voor goed in Delft met der
-woon vestigde, tot het jaar 1673 toe, het jaar waarin het eerst microscopische waarnemingen
-van Leeuwenhoek door bemiddeling van Dr. Reinier de Graaf, aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” te Londen werden medegedeeld, en zijn naam alzoo in het buitenland en spoedig daarna
-overal algemeen bekend is geworden, vinden wij niets omtrent hem aangeteekend. Er
-was dus een tijdvak van 19 jaren, dat men een tijdvak van voorbereiding kan noemen,
-waarin hij zich voldoende kon oefenen, zoowel in het aanleeren als verder volmaken
-van de kunst om de lenzen, die hij voor zijne microscopen gebruikte en die wij zullen
-zien dat hij zelf vervaardigde, zoodanig te slijpen en te polijsten, dat zij de bewondering
-van kenners en geleerden, opwekten. Men <span class="corr" id="xd31e750" title="Bron: trachte">trachtte</span> op allerlei wijzen achter zijn geheim te komen, hetgeen hij echter zorgvuldig voor
-zich zelven hield. Hij zal zich overigens gedurende dien tijd vlijtig hebben geoefend
-in het beschouwen van de voorwerpen, die zijne aandacht wekten.
-</p>
-<p>Leeuwenhoek moet daarvoor een allergelukkigsten aanleg hebben bezeten en bovenal een
-scherp, helder gezicht, dat hem, niettegenstaande de dagelijksche langdurige en onafgebroken
-inspanning, tot aan zijn hoogen ouderdom toe, bewaard bleef. Dit getuigt ook Uffenbach<a class="noteRef" id="xd31e756src" href="#xd31e756">26</a>, toen hij hem in 1710, dus toen hij 78 jaren oud was, bezocht. „<span lang="de">Wir muszten uns wundren, dasz er fast gar nicht zittert, und noch ein gar unvergleichlich
-<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>Gesicht hat, da er auch die Augen durch sein observiren gar sehr angreiffe.</span>” Zelfs noch kort voor zijn dood, die den onvermoeiden grijsaard op 91jarigen leeftijd
-eindelijk van zijne geliefde bezigheden afriep, was hem nog het volkomen gebruik daarvan
-bewaard gebleven. En dat zijn oogen in het beschouwen en waardeeren der voorwerpen
-scherper zagen dan die van anderen, kan men opmaken uit eene periode van hem, uit
-een brief aan den Burgemeester van Delft Jan Meerman<a class="noteRef" id="xd31e770src" href="#xd31e770">27</a>, van den 28sten Februari 1713, dus toen hij den ouderdom van 81 jaren bereikt had.
-</p>
-<p lang="nl">„Alle dese figuren syn door een en hetselve vergrootglas geteykent, die de Teykenaar
-soo groot heeft geteykent als hy die quam te sien: dog wanneer ik die na myn oog soude
-uytbeelden, soude ik die veel grooter uytbeelden.”
-</p>
-<p>Leeuwenhoek zal ook wel een geruimen tijd noodig gehad hebben eer hij in de bewerking
-zijner instrumenten, waartoe hij al de benoodigdheden zelf maakte, die vaardigheid
-verkregen had, dat zij ten gebruike geschikt waren. Hij getuigt zelf daarvan, in een
-brief aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” van 12 Januari 1689<a class="noteRef" id="xd31e780src" href="#xd31e780">28</a>. „<span lang="nl">Ick hebbe hier vooren geseit, hoe ik myn Instrumenten hebbe toegestelt, die eenige
-veel netter en bequamer souden maken. Dog men moet weten, dat ik in geen konsten ben
-onderwesen, daartoe men hamer of vijl gebruikt, als alleen, dat ik heb gesien, hoe
-men het staal hard, en tempert, en een dril maakt, waarmede men een gat in yser, koper,
-of silver drilt. Hoe en waarmede een silver-smit syn silver aaneen soldeert.</span>
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e787" title="Niet in bron">„</span><span lang="nl">Dit gesien hebbende, heb ik myn selven soo verre geoefent, dat ik sedert veel jaren
-myn gereetschap hebbe gemaakt, hetwelke ik in verscheide saken hebbe van node gehad.
-En dus is het, dat hetgeene dat ik tot myn gebruik van node hebbe, alleen maar uyt
-den rouwe by my gemaakt werd.</span>”
-</p>
-<p>Later schijnt hij zich echter zoo zeer in deze metaalbewerking geoefend te hebben,
-dat hij met meer tevredenheid over <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>zijn werk spreken kon. In een anderen brief (9 Juni 1699)<a class="noteRef" id="xd31e795src" href="#xd31e795">29</a> zegt hij: „<span lang="nl">Terwijl ik besig ben om desen te schrijven, heb ik wel 8 à 10 vergroot-glasen voor
-my leggen, die door my met silver gemonteert syn, en alhoewel ik gans geen onderrigtinge
-en hebbe gehad, om in eenig metaal met hamer of vijl te arbeyden, soo monteer ik egter
-myn glasen; en myn werktuygen syn soo toegestelt, dat werkbasen in ’t Gout seggen,
-my niet te sullen nawerken.</span>”
-</p>
-<p>Hieruit en uit vele andere bijzonderheden blijkt, dat hij overal opmerkte of er iets
-voor hem te leeren viel en dan maar handen aan het werk sloeg totdat hij eindelijk
-zijn doel bereikte. Vooral maakte hij al zijn beschikbaren tijd zich ten nutte voor
-de volmaking van een instrument, waarmede hij later zulke groote ontdekkingen gedaan
-heeft. De slijping en polijsting zijner glazen zal hem wel het meest inspanning en
-tijd gekost hebben en wij zouden zoo gaarne weten wie hem daartoe den weg gewezen
-heeft. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij het slijpen zelf aanvankelijk bij een glasslijper
-afgezien, zooals zoovele andere zaken, en dat daarvoor, tijdens hij nog in Amsterdam
-woonde, waar het slijpen van diamanten toen reeds tot een hoogen trap van volkomenheid
-gebracht was, wel gelegenheid zal hebben bestaan, mag men veilig aannemen.
-</p>
-<p>Behalve het slijpen van glas had hij zich ook zelf geoefend in het glasblazen, en
-het bewerken van metalen; zoo beschrijft hij, in een brief aan Mr. Antonius Heinsius
-van 18 Aug. 1695<a class="noteRef" id="xd31e804src" href="#xd31e804">30</a> hoe hij een glazen bol geblazen heeft om voor zekere proef tot het onderzoek van
-<span class="corr" id="xd31e807" title="Bron: buskruid">buskruit</span> te dienen, „<span lang="nl">UEd. Gestr. Heere zoude wel meenen dat ik in de kunst van glasblasen, bij de kaars
-of lamp geoefend was. Ik hebbe geen andere kennisse van glasblasen gehad, als dat,
-wanneer op onse jaarmart een glasblaser in de stad was gekomen, die sijn glas-blazen
-bij de lamp, om gelt liet zien, en als doen op desselfs handeling agting nemende,
-heb ik het bij de hand gevat<span class="corr" id="xd31e812" title="Bron: ,,">,</span> en dus kan ik alleen <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>maar blasen, hetgeene ick tot mijne verrigtinge van noode hebbe.</span>” Ook blijkt uit het gesprek met Uffenbach dat hij in het glasblazen groote ervaring
-gekregen had. Uffenbach zegt daarvan in zijn verhaal van zijn bezoek bij Leeuwenhoek<a class="noteRef" id="xd31e818src" href="#xd31e818">31</a>.
-</p>
-<p>„<span lang="de">Was die geblasenen Gläser anbelangt, versiecherte Herr Leuwenhoek, dasz er durch zehen-jähriges
-speculiren es dahin gebracht, dasz er eine taugliche Art blasen gelernt, welche aber
-nicht rund wáren. Mein Bruder wolte solches nicht glauben, sondern hielte es für Holländisch
-<span class="ex" lang="nl">gejokt</span>, indem es unmöglich ist, in Blasen etwas anders als ein Kugel oder Endung zu formiren.</span>” Men ziet het, wat anderen onmogelijk voorkwam, kon Leeuwenhoek bereiken door zijn
-onvermoeide werkzaamheid, hij liet zich door geen moeielijkheden afbrengen van zijn
-eenmaal opgevatte voornemens, waar het hem te doen was om iets te leeren; nimmer verloor
-hij den moed, al moest hij aanvankelijk met groote bezwaren kampen, maar hij hield
-zoo lang vol totdat hij, zoo als hij gedurig eigenaardig uitdrukt „zich zelven kon
-bevredigen.”
-</p>
-<p>Eindelijk was dan de tijd van ernstige voorbereiding volbracht en gevoelde hij zich
-sterk genoeg om hetgeen hij onderzocht en gevonden had ook onder de oogen van anderen
-te brengen. Goed toegerust treedt hij nu onverwacht te voorschijn en doet zich weldra
-kennen als getrouw waarnemer der natuur. Doch hij plaatste zich zelf niet met eigenwaan
-op den voorgrond, maar werd daartoe aangespoord door een geleerde van naam, Dr. Reinier
-de Graaf, die zeker al eenigen tijd met hem in wetenschappelijke aanraking zal zijn
-geweest en de gelegenheid zal gehad hebben om zijn ervaring in het waarnemen door
-het microscoop optemerken<a class="noteRef" id="xd31e834src" href="#xd31e834">32</a>. Deze keurde zijn onderzoekingen wel waardig om onder <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>de oogen te komen van deskundigen. Bij gelegenheid dat de Graaf zijn twist met Swammerdam
-over wetenschappelijke geschilpunten aan het oordeel en de beslissing van de „<span lang="en">Royal Society</span>” onderwierp, schreef hij den 27sten Mei 1673 tevens aan Mr. Oldenburg, Secretaris
-van dit collegie, over Leeuwenhoek en sloot een brief van hem in, gedateerd 28 April
-1673, welken brief de Graaf gezorgd had in het Latijn te vertalen, ten einde deze
-door de Engelsche geleerden zou kunnen verstaan worden. De Graaf vestigt in dit schrijven
-de aandacht der Koninklijke Sociëteit op „zekeren Mr. Leeuwenhoek, die onlangs microscopen
-gemaakt heeft, uitmuntende boven de tot hiertoe vervaardigde door Eustachio Divini
-en anderen”, er bijvoegende: „dat hij een voorbeeld van hun uitstekendheid gegeven
-heeft door onderscheidene onderzoekingen daarmede te bewerkstelligen en dat hij gaarne
-bereid zou zijn moeielijke zaken tot onderzoek van de leden te ontvangen, indien belangstellenden
-slechts lust hebben ze hem toe te zenden.”
-</p>
-<p>De waarnemingen van Leeuwenhoek, waarvan hij in zijn brief gewag maakte, werden in
-de „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>,” Vol. VIII, pag. 6037, opgenomen, onder den titel „<span lang="en">A specimen of some observations made by a Microscope contrived by Mr. Leeuwenhoek,
-Concerning<span class="corr" id="xd31e861" title="Bron: ” „"> </span>Mould upon the skin, flesh etc; the Sting of a Bee, etc., lately communicated <span class="corr" id="xd31e864" title="Bron: bij">by</span> Dr. Regnerus de Graaf.</span>”
-</p>
-<p>Deze waarnemingen van den Hollandschen natuuronderzoeker werden door de leden der
-Koninklijke Sociëteit met groote belangstelling <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>ontvangen en men sprak de hoop uit, dat hij ze weldra door meer anderen zou doen achtervolgen.
-Deze waardeering en uitnoodiging was inderdaad eene krachtige aanmoediging voor een
-tot nog toe vergeten, maar onderzoeklievenden waarnemer, wiens nasporingen alleen
-nog maar de nieuwsgierigheid zijner vrienden en bekenden, nauwlijks in staat om er
-den wijden omvang van te begrijpen en te waardeeren, hadden opgewekt. Van nu af waren
-het de geleerden en wel van de beroemde Engelsche Sociëteit, die zich met den arbeid
-van den eenvoudigen Delvenaar zouden bezig houden! Bemoedigende gedachte die zijn
-ijver aanspoorde en hem zijne pogingen deed verdubbelen om de verwachtingen, die men
-van hem koesterde, niet te beschamen.
-</p>
-<p>Voor dat wij echter meer in bijzonderheden de onderzoekingen van Leeuwenhoek nagaan
-en zijne verdiensten in het licht stellen, willen wij kortelijk een blik slaan op
-de hoogte der kennis, waarop men ten tijde van Leeuwenhoek, met betrekking tot de
-vervaardiging van microscopen, stond. Daarna zullen wij de microscopen van Leeuwenhoek
-bespreken en zien wáárin deze uitmuntten boven anderen van dien tijd, waarbij wij
-genoegzaam gelegenheid zullen vinden om enkele bijzonderheden, hem zelven betreffende,
-te vermelden. Eindelijk kunnen wij onze aandacht onverdeeld wijden aan de belangrijkheid
-zijner ontdekkingen, welke, schoon vele er van groote tegenspraak moesten ondervinden
-en hem zelfs aan bespotting en beschimping blootstelden, echter door anderen hoog
-gewaardeerd en verdedigd werden, en waarvan sommigen zelfs nog in dezen tijd, als
-onomstootelijke waarheden worden erkend.
-</p>
-<p>Het is door den Hoogleeraar P. Harting in zijn: „Bijdrage tot de geschiedenis der
-mikroskopen in ons Vaderland” (Utrecht 1846) en zijn: „Het Mikroskoop, deszelfs gebruik,
-geschiedenis en tegenwoordigen toestand” (3 deelen 1850)<a class="noteRef" id="xd31e876src" href="#xd31e876">33</a> op onwederlegbare gronden <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>aangetoond, dat de eer der gewichtige ontdekking van het microscoop in de 17de eeuw
-aan Nederland toekomt. De Italianen roemen in dit opzicht nog wel hun Fontana en Galilaeus,
-van wien de eerste zich de eer der uitvinding toeëigende, daar hij in het jaar 1646
-schreef, dat hij reeds in 1618 het microscoop had uitgevonden; doch de gronden die
-zij voor hun beweren, aanvoeren, zijn onhoudbaar; want daar de Italianen de uitvinding
-van het microscoop in 1612 aan Galilaeus toeschrijven, zoo is het bewezen, dat de
-eer dezer uitvinding aan Hans en Zacharias Janssen van Middelburg toekomt en dat die
-zelfs reeds lang vóór 1610 plaats had, hoewel het moeielijk te bepalen schijnt hoe
-lang vóór dien tijd<span class="corr" title="Niet in bron">.</span><a class="noteRef" id="xd31e885src" href="#xd31e885">34</a>
-</p>
-<p>Het blijkt echter, dat reeds in zeer oude tijden het vergrootend vermogen van bolle,
-doorschijnende lichamen, alsmede de kunst om glas en berg-kristal te slijpen, bekend
-is geweest en men met het einde der XVde eeuw reeds daarin eenige vordering had gemaakt,
-doch er verliepen meer dan twee eeuwen eer het eenvoudig microscoop uitgevonden werd,
-welke uitvinding ten onrechte aan Drebbel in het jaar 1621 wordt toegeschreven. Het
-waarschijnlijkst, volgens Harting, is, dat de uitvinding der brillen, die alleen daarin
-bestond, dat men begonnen was de lenzen te <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>slijpen met een verderen brandpunts-afstand dan vroeger, tusschen 1285 en 1290 geschied
-is. Verder zegt Harting<a class="noteRef" id="xd31e895src" href="#xd31e895">35</a>, dat het brillenslijpen, na 1363, allengs tot een handwerk was geworden, dat men
-op het laatst der XVIde eeuw twee brillenslijpers te Middelburg (de genoemde Janssens)
-vond, en ten tijde van Leeuwenhoek drie te Leiden, zooals hij zelf in een brief aan
-G.&nbsp;C. Leibnitz, d.d. 28 September 1715<a class="noteRef" id="xd31e898src" href="#xd31e898">36</a> zegt: „<span lang="nl">daar sijn drie Glaseslijpers geweest te Leyden, bij dewelke de studenten het glaseslijpen
-gingen leeren</span>” enz. Uit een en ander blijkt, dat het zeker is, dat het samengesteld microscoop
-te Middelburg reeds eenige jaren vóór 1610 is uitgevonden.
-</p>
-<p>De Hoogleeraar Harting maakt de opmerking<a class="noteRef" id="xd31e906src" href="#xd31e906">37</a>, dat het bevreemdend is, dat de uitvinding van een werktuig, hetwelk voor den onderzoekenden
-blik eene geheel nieuwe wereld ontsluit, aanvankelijk zoo weinig de aandacht getrokken
-heeft, dat het bestaan ervan jaren lang ter nauwernood buiten de muren der woonplaats
-van den uitvinder is bekend geweest, daar men, noch in 1611 in de „Dioptrica” van
-Keppler, noch in het werk van Syrturus, dat over verrekijkers en het slijpen van glazen
-handelt en in 1618 verscheen, iets vindt opgeteekend, waaruit hunne bekendheid met
-het microscoop blijkt. Eerst in 1625 maakte een Italiaan Franciscus Stellubi eenige
-microscopische waarnemingen bekend over de verschillende deelen der honigbij.
-</p>
-<p>De eigenlijke geschiedenis van het enkelvoudig microscoop vangt eerst aan op het tijdstip,
-toen men begon lenzen te vervaardigen, welke een genoegzaam korten brandpunts-afstand
-bezaten, om eene eenigszins aanmerkelijke vergrooting daar te stellen, dat, volgens
-Harting<a class="noteRef" id="xd31e911src" href="#xd31e911">38</a>, hoogstwaarschijnlijk eerst geschied is na en ten gevolge der uitvinding van het
-samengesteld microscoop.
-</p>
-<p>Een der eersten, die het enkelvoudig microscoop zoodanig inrichtte, dat het geschikt
-was voor wetenschappelijke nasporingen, was onze Leeuwenhoek.
-</p>
-<p>Wij zagen boven, dat Dr. Reinier de Graaf in den brief, <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>dien hij bij de toezending der eerste waarnemingen van Leeuwenhoek aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” te Londen schreef, als eene bijzonderheid mededeelde „dat deze Leeuwenhoek onlangs
-microscopen gemaakt had, uitmuntende boven die tot hiertoe vervaardigd worden door
-Eustachio Divini.” Deze microscopen van Eustachio de Divinis nu waren in dien tijd
-zeer beroemd en worden beschreven in de „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” n<sup>o</sup>. 42, pag. 842. Divini had, behalve de objectieflens, twee plano-convexe oogglazen
-zoodanig geplaatst, dat zij elkander in het midden hunner bolle oppervlakte raakten.
-Deze oogglazen waren ongeveer zoo breed als de handpalm eens mans, en de buis, waarin
-zij besloten waren, was zoo dik als een mans dij. Een vrij onhandig instrument alzoo,
-dat niet gemakkelijk in het gebruik moet zijn geweest en veel overeenkomst met een
-kleine mortier moet hebben gehad. Het was omstreeks 16½ duim lang; de verschillende
-vergrootingen werden verkregen door uittrekking tot verschillende lengte. De geringste
-vergrooting was van 41, de sterkste van 143maal in middellijn.
-</p>
-<p>Het voornaamste, waardoor de microscopen van Leeuwenhoek uitmuntten boven die van
-anderen van zijn tijd, bestond in de kennis van het slijpen en polijsten zijner lenzen
-en in het stellen (monteeren) daarvan.
-</p>
-<p>Men maakte destijds ook veel gebruik van gesmolten glazen bolletjes, omdat men niet
-best terecht kon met het slijpen der lenzen, en niemand ten tijde van Leeuwenhoek
-hem hierin op zijde schijnt gestreefd te hebben.
-</p>
-<p>De eerste, die deze glazen bolletjes vervaardigde, was Robert Hooke<a class="noteRef" id="xd31e932src" href="#xd31e932">39</a>, die in 1663 de vervaardiging ervan beproefde en ze later verbeterde. Hij maakte
-van deze bolletjes onder anderen gewag in een verslag, door hem uitgebracht in de
-vergadering <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>van 14 Maart 1678 van de „<span lang="en">Royal Society</span>”<a class="noteRef" id="xd31e946src" href="#xd31e946">40</a>, ten gevolge van het te vergeefsch opsporen van de kleine diertjes in peperwater
-door Leeuwenhoek waargenomen, hetwelk hem nu bij het gebruik maken van zijn verbeterde
-inrichting van zijn microscoop gelukte.
-</p>
-<p>Hij bezigde daartoe een enkelvoudig microscoop, gemaakt uit een klein glasbolletje,
-waardoor het voorwerp buitengewoon vergroot kon worden, welk bolletje hij, met de
-lamp, van een glazen draad smolt. In 1668 vervaardigde <span class="corr" id="xd31e951" title="Bron: Hartstoeker">Hartsoeker</span><a class="noteRef" id="xd31e953src" href="#xd31e953">41</a> op dergelijke wijze glasbolletjes, die vrij goed waren en hun vergrootend vermogen
-moet zeer aanzienlijk geweest zijn.
-<span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span></p>
-<p>In 1677 maakte Butterfelld<a class="noteRef" id="xd31e972src" href="#xd31e972">42</a> deze bolletjes door tot fijn poeder gestoten glas, dat hij aan de punt eener naald
-in de vlam van een spirituslamp hield, tot een bolletje samen te smelten. Ook Jan
-van Mussenbroek vervaardigde dergelijke glasbolletjes, naar de methode van Hooke en
-schijnt daarin zeer te hebben uitgemunt. Het verst van allen bracht het daarin Pater
-Della Torre van Napels<a class="noteRef" id="xd31e978src" href="#xd31e978">43</a>. Deze bracht het bolletje, dat hij op de wijze van Hooke aan een glasdraad gesmolten
-had, in eene komvormige holte, gemaakt in een stukje tripoli, waarin vervolgens het
-bolletje op nieuw gesmolten werd door de vlam der glasblazerslamp. De glasbolletjes
-van Della Torre vergrootten ongemeen sterk. De „<span lang="en">Royal Society</span>” te Londen ontving er in 1763 eenige van, waarvan het grootste een diameter had van
-1⁄36 duim en 640maal in middellijn vergrootte; de doorsnede van het kleinste was 1⁄144
-duim en zijn vergrootend vermogen 2560maal. Zulke sterk vergrootende bolletjes zijn
-echter, volgens Prof. Harting, wegens hun zeer korten brandpunts-afstand, als microscoop
-weinig bruikbaar. Volgens Harting geven de bolletjes van 300–900maal vergrooting het
-zuiverste beeld, zoodat zij zelfs in dit opzicht geslepen lenzen van gelijke vergrooting
-dikwijls werkelijk overtreffen.
-</p>
-<p>Ook Leeuwenhoek schijnt zich aanvankelijk van zulke bolletjes bediend, maar die later
-verworpen en er zelfs eene groote verachting voor aan den dag gelegd te hebben, zooals
-blijkt uit hetgeen Uffenbach daaromtrent verhaalt, bij gelegenheid van zijn bezoek
-ten zijnen huize<a class="noteRef" id="xd31e986src" href="#xd31e986">44</a>.
-<span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span></p>
-<p>„<span lang="de">Als wir Herr Leuwenhoek ferner fragten, ob er denn alle seine Gläser schlieffe und
-keine bliese? verneinte er solches, und bezeigte eine grosse Verachtung gegen diese
-geblasene Gläser” „Er wiese uns, wie dunn seine Microscopia gegen anderen wären, und
-wie nahe de laminae zwisschen welche das Glas ist, beysammen waren, so dasz kein sphärisch
-Glas dazwischen seyn könnte, sondern alle seine Gläser waren auf beyden Seiten convex
-geschliffen.</span>” Daarenboven gebruikte Leeuwenhoek ook microscopen met dubbele glazen. „<span lang="de">Er hatte auch einige Microscopia mit doppelten Gläsern die, ob sie gleich doppelt,
-und einwendig nach ihrer behörigen Distanz vermuthlich durch eine laminam separirt
-waren, demnoch nicht viel dicker als die einfachen waren.</span>” Deze vergrootten, volgens Leeuwenhoek, een „weinig meer” dan zijn enkelvoudige microscopen.
-</p>
-<p>Wij zijn alzoo genaderd tot het microscoop waarvan Leeuwenhoek zich bediende voor
-zijne onderzoekingen, en het is door alles wat wij daaromtrent hebben kunnen opsporen
-uitgemaakt, dat hij de glazen daartoe gebezigd zelf sleep en <span class="corr" id="xd31e1000" title="Bron: polijste">polijstte</span> en dat deze niet uit gesmolten glasbolletjes bestonden maar uit een tot eene biconvexe
-lens geslepen helder glas.
-</p>
-<p>Hij besteedde veel zorg aan het kiezen van het geschiktste soort van glas, en gebruikte
-ook gerold bergkristal. De zuiverheid en helderheid er van moet buitengemeen groot
-geweest zijn, hetgeen blijkt, zoowel uit de getuigenis zijner tijdgenooten, als uit
-vele der daarmede gedane waarnemingen van hemzelven.
-</p>
-<p>De lens in Leeuwenhoek’s microscopen was gevat tusschen twee koperen of zilveren,
-soms ook wel gouden plaatjes, waarin zich één, soms twee en ook wel eens drie openingen
-bevonden. Bij van Haastert<a class="noteRef" id="xd31e1006src" href="#xd31e1006">45</a> is zulk een microscoop met ééne opening op het titelblad afgebeeld, zoo als ook in
-fig. 1 is geteekend. Deze afbeelding komt geheel overeen met een dergelijk instrumentje
-van Leeuwenhoek afkomstig en door hem vervaardigd, waarmede ik in mijn jeugd dikwijls
-kleine insecten, vlerkjes en andere voorwerpen heb bezichtigd. Er werd, helaas, toen
-<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>door mij niet meer waarde aan gehecht dan aan gewoon speelgoed, zoodat het in het
-ongereede is geraakt en verloren ging. Het komt in alle opzichten overeen met de 26
-microscopen, die Leeuwenhoek aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” heeft nagelaten. Baker<a class="noteRef" id="xd31e1014src" href="#xd31e1014">46</a> had deze microscopen gedurende drie maanden ter onderzoeking onder zijne berusting
-en beschrijft ze zeer uitvoerig. Deze beschrijving nu is zoowel toepasselijk op de
-hier bijgevoegde fig. 1 als op fig. 2, daar de laatste alleen daarin verschilt dat
-er twee lenzen in zijn en het microscoop alzoo ingericht was om twee verschillende
-vergrootingen te geven. Fig. 1 stelt het microscoop voor met ééne, fig. 2 A en B met
-twee openingen en aan beide zijden gezien.
-</p>
-<div class="figure fig1width"><img src="images/fig1.png" alt="Fig. 1." width="144" height="343"><p class="figureHead">Fig. 1.</p>
-</div><p>
-</p>
-<div class="figure fig2awidth"><img src="images/fig2a.png" alt="Fig. 2 A." width="245" height="399"><p class="figureHead">Fig. 2 A.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Ook op het physisch kabinet te Utrecht komt een dergelijk microscoop voor als bij
-van Haastert is afgebeeld. Onlangs ben <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>ik bekend geworden met een microscoop van Leeuwenhoek op het physisch kabinet der
-Leidsche Academie, een paar jaren geleden ten geschenke gegeven door een officier
-van gezondheid, met een paar andere kleinigheden, onder anderen een rood marokijnen
-étui, waarop de naam Leeuwenhoek duidelijk te lezen is. Ook op het Anatomisch kabinet
-te Leiden is een microscoop van Leeuwenhoek afkomstig.
-</p>
-<p>Omtrent deze microscopen en den waarschijnlijken gever kan ik mededeelen, dat ik in
-het jaar 1872 van den officier van gezondheid 1ste klasse Hallegraeff, sedert overleden,
-een schrijven heb ontvangen, mij meldende, dat hij in het bezit was van:
-</p>
-<p>1<sup>o</sup>. Een microscoop van L. overeenkomende met fig. 1, p. 34 dezer brochure;
-</p>
-<p>2<sup>o</sup>. Een microscooptoestel tot onderzoeking van den bloedsomloop (fig. 3, pag. 36);
-</p>
-<p>3<sup>o</sup>. Een loupe van Leeuwenhoek;
-</p>
-<p>4<sup>o</sup>. Een rood marokijn lederen étui met vijf in koper gevatte lenzen en eene lens nog
-niet in koper gevat, dus in het geheel zes.
-</p>
-<p>Een en ander was uit Rusland weder naar Nederland terug gebracht door den Hoogleeraar
-de Gorter, door wiens betrekkingen het aan den vader van den briefschrijver en later
-aan hem was present gedaan. Als eene bijzonderheid meldde hij mij nog dat op het étui
-met eigenaardige krulletters geschreven staat „Anth. van Leeuwenhoek”. Tevens berichtte
-mij ZEd., dat hij van plan was een en ander aan de Leidsche Hoogeschool ten <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>geschenke aan te bieden; derhalve zijn de op de Academie berustende voorwerpen kennelijk
-de bovenbeschrevene.
-</p>
-<p>Ook is mij bekend geworden, dat er op het stedelijk museum te Gouda een microscoop
-aanwezig is.
-</p>
-<div class="figure fig2bwidth"><img src="images/fig2b.png" alt="Fig. 2 B." width="240" height="380"><p class="figureHead">Fig. 2 B.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>De beschrijving volgens Baker is de volgende. De voorzijde is fig. 2 B. Het platte
-gedeelte A is samengesteld uit twee koperen of zilveren plaatjes, aan elkander vastgemaakt
-met kleine klinknageltjes, <i>b b b b b b</i>. Tusschen deze plaatjes is eene zeer kleine biconvexe lens, in een holligheid geplaatst,
-recht tusschen twee gaatjes, tegenover elkander in de plaatjes gedrild bij <i>c</i>. Aan de eene zijde van de plaatjes is een koperen of zilveren strookje <i>d</i> met een schroef <i>e</i> gehecht, welk schroefje door beiden gaat. Een ander gedeelte van dit strookje winkelhaaks
-omgebogen schiet onder de plaatjes door en komt aan de andere zijde uit. Door dit
-omgebogen einde loopt, recht opwaarts, eene lange fijndradige schroef, welke in- en
-uitgeschroefd wordende, de plaat, waarop het voorwerp gehecht wordt, hooger of lager
-brengt. Hierop staat een grof ruw gemaakt pennetje <i>i</i>, waaraan het voorwerp moet worden vastgehecht en dat door een handvatsel <i>k</i> wordt omgedraaid. Men kan de vertoonplaat met het pennetje er op, verder van de vergrootende
-lens doen afwijken, of nader daarbij laten komen door middel eener kleine schroef
-<i>l</i>, die <span class="corr" id="xd31e1090" title="Bron: horisontaal">horizontaal</span> door de plaat <i>b</i> loopende en tegen de achterzijde van het werktuig dragende, als het noodig is deze
-plaat verder afdringt. Het eind van de lange schroef <i>g</i> komt door de vertoonplaat heen bij <i>m</i>, alwaar zij rond draait, maar niet als een schroef werkt, dewijl haar draad zoo hoog
-niet reikt. Leeuwenhoek maakte zijne voorwerpen aan de punt van het pennetje <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>met de eene of andere klevende stof vast en bewaarde zulk een stel zorgvuldig, zoodat
-hij voor ieder voorwerp weder een ander microscoop noodig had en er ten slotte eenige
-honderden bij elkander had, zoo als hij zelf zegt in een brief aan Hans Sloane, Secretaris
-der „<span lang="en">Royal Society</span>” d.d.<span class="corr" id="xd31e1105" title="Bron: .">,</span> 24 December 1700<a class="noteRef" id="xd31e1108src" href="#xd31e1108">47</a>. „<span lang="nl">Ick hebbe hondert en hondert geslepene vergrootglasen, daar van de meeste zoo scherp
-sien, selfs by duystere dagen, en dat by geen ander als dag ligt</span> enz.” Wanneer het voorwerp alleen kon <span class="corr" id="xd31e1114" title="Bron: gesien">gezien</span> worden als het uitgespreid was, deed hij een weinig op een plaatje van zeer dun glas,
-dat hij op dezelfde wijze met de klevende stof op de punt vasthechtte<a class="noteRef" id="xd31e1118src" href="#xd31e1118">48</a>. Voor sommige waarnemingen met vloeistoffen, zoo als onder anderen, om den bloedsomloop
-te bezichtigen, wijzigde hij dien toestel. Hij beschrijft die inrichting zeer uitvoerig
-in een brief aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” van 12 Januari 1689<a class="noteRef" id="xd31e1127src" href="#xd31e1127">49</a> (Fig. 3). Zij bestond uit eene aan beide uiteinden rechthoekig omgebogen koperen
-of zilveren plaat, <i>a</i>, in welker omgebogen gedeelten <i>b</i> en <i>c</i> de ronde openingen <i>e</i> en <i>i</i> waren aangebracht, bestemd ter opneming eener glazen buis, die dan door de veeren
-<i>r</i> en <i>d</i> werd vastgeklemd. In zulk een glazen buis bracht hij dan water en een klein vischje
-of aaltje met de vinnen of den staart zoodanig er buiten geplaatst, dat men den bloedsomloop
-er in kon waarnemen. De lens, die even als bij alle microscopen van Leeuwenhoek, tusschen
-2 plaatjes besloten was, werd dan vóór de buis gesteld door middel van de rechtopstaande
-plaat <i>g</i>, die door de beide schroeven <i>h h</i> op een gedeelte <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>van <i>c</i> bevestigd was, en waaraan de lensplaat door de schroef <i>f</i> werd vastgemaakt<a class="noteRef" id="xd31e1156src" href="#xd31e1156">50</a>. Leeuwenhoek heeft verscheidene van deze toestellen vervaardigd, want op den Catalogus
-zijner microscopen, die na zijn dood verkocht zijn, worden niet minder dan 8 zilveren
-en 4 koperen vermeld.
-</p>
-<div class="figure fig3width"><img src="images/fig3.png" alt="Fig. 3." width="193" height="400"><p class="figureHead">Fig. 3.</p>
-</div><p>
-</p>
-<p>Deze Catalogus, in het bezit van Prof. Harting, voert den volgenden titel:
-</p>
-<p>„<span lang="nl">Catalogus van het vermaarde Cabinet van vergrootglasen, met zeer veel moeyte en kosten
-in veele jaren geïnventeert, gemaakt en nagelaten door wijlen den Heer Antony van
-Leeuwenhoek. In zijn Ed. leven Lid van de Koninklijke societeit der Wetenschappen
-te Londen, welke verkogt zullen worden op Maandag den 29 Mey 1747 binnen de stad Delft,
-op St. Lucas Gildekamer, des voormiddags van 10 tot 12 uren, en des namiddags van
-half drie tot 5 uren. Te Delft gedrukt bij Reinier Boitet, Stadsdrukker 1747.</span>” Hij is op zwaar schrijfpapier gedrukt, met Hollandschen en Latijnschen tekst. Voorin
-bevindt zich eene fraaie op koper gegraveerde zinnebeeldige plaat, voorstellende een
-kabinet met laden waarin microscopen en een paar kinderen deze beschouwende; een hunner
-heeft een dito microscoop als in fig. 2 is afgebeeld in de hand, maar dit is met „drie”
-openingen voorzien. Eene andere plaat stelt het portret van Leeuwenhoek voor. De Catalogus,
-43 bladz. groot, is geheel doorschoten met wit papier, waarop de namen van al de koopers
-en de prijzen die voor de microscopen besteed zijn, nauwkeurig staan aangeteekend;
-het getal nommers is 196, terwijl bijna ieder nommer twee microscoopstellen aangeeft,
-de laatste 15 nommers bestaan ieder uit een aantal van 12 koperen plaatjes met vergrootglazen.
-Daarenboven zijn er nog op vermeld zeven Japansch verlakte Cabinetjes, benevens een
-verlakte vierkante doos en een doos, waarin eenige glazenbuizen met olie, plantgewassen,
-drogerijen enz.
-</p>
-<p>Het gezamenlijk aantal der microscoopstellen, met inbegrip der bovengenoemde plaatjes
-met vergrootglazen, de meesten met <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>een voorwerp voorzien waarvan de namen in den Catalogus vermeld zijn, bedraagt niet
-minder dan 527. Hiervan zijn er 3 van goud, 147 van zilver, waarvan 1 met drie, 6
-met twee, 140 met één en ook zonder objecten. Voorts 5 met zilver gemonteerde koperen
-stellen en koperen met drie objecten en 375 koperen met 1 object en zonder.
-</p>
-<p>Als eene bijzonderheid staat bij n<sup>o</sup>. 126 een koperen stel vermeld, dat „het vergrootglas geslepen is van een sandje en
-het object is een sandje.” Bij drie der microscopen staat opzettelijk dat het vergrootglas
-is geslepen van Amersfoortsche diamant. Van de gouden wogen er twee 10 Engels 17 azen,
-de derde 10 Engels 14 azen. Een der eerste van deze gouden werd verkocht voor 23 gulden
-15 stuivers, terwijl de beide anderen opgehouden werden. De overige microscopen golden:
-de koperen van 15 stuivers tot 3 gulden het paar; de zilveren 2 tot 7 gulden, 1 koperen
-stel, waarvan het object was „ongeboren oesters” (!) in een glazen buisje 8 gulden.
-Een enkel der zilveren gold 10 gulden.
-</p>
-<p>De geheele verkooping bracht de voor dien tijd zeer aanzienlijke som van 737 gulden
-en 3 stuivers op.
-</p>
-<p>Al deze microscopen schijnen in ons land gebleven te zijn; ten minste onder de namen
-der koopers in den Catalogus heb ik geen buitenlandsche gevonden. De naam Dirk Haaxman
-komt op de lijst der koopers herhaalde malen voor en het is daarom te verwonderen
-dat er niet meer van deze microscoopjes in mijne familie, waarvan echter weinig leden
-der andere takken mij bekend zijn, gevonden werden.
-</p>
-<p>Daar nu al de lenzen van deze groote verzameling door Leeuwenhoek „met eigen hand”
-geslepen zijn en de metalen stellen eveneens door hem zelven vervaardigd werden, waarbij
-nog gevoegd moet worden de verzameling van 26 microscopen, aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” vermaakt, en nog een groot aantal, die hij bij zijn leven ten geschenke zal gegeven
-hebben, zoo staat men verbaasd, dat Leeuwenhoek, bij den tijd aan zulk een arbeid
-besteed, nog genoegzame gelegenheid kon overhouden tot het nemen zijner proeven, als
-men weet hoe verbazend tijdroovend het praepareeren alleen der voorwerpen is om ze
-geschikt voor de observatie te maken, terwijl bovendien vele proeven door <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>hem talrijke malen werden herhaald, eer hij een bevredigend resultaat verkreeg.<a class="noteRef" id="xd31e1186src" href="#xd31e1186">51</a> Hij betuigt zelf<a class="noteRef" id="xd31e1192src" href="#xd31e1192">52</a> dienaangaande van een door hem ingesteld onderzoek: „<span lang="nl">Aan dese geseyde waarnemingen hebbe ik meer tyd besteed als vele zullen gelooven:
-dog ik heb ze met genoegen gedaan, en geen agt gegeven op die geenen die mij zeggen,
-waarom zoo veel moeyte gedaan, en wat nut doet het; dog ik schrijf niet voor sulke
-en alleen voor de wysgeerige.</span>”
-</p>
-<p>Leeuwenhoek was er steeds op bedacht zijne glazen meer en meer te volmaken. „<span lang="nl">Wat mijne vergrootglasen aangaan</span>,” zegt hij in een brief aan de „<span lang="en">Royal Society,</span>” d.d. 9 Juni 1699<a class="noteRef" id="xd31e1207src" href="#xd31e1207">53</a> „<span lang="nl">daarvan wil ik mij niet beroemen; ik maak deselve soo goet, als in mijn vermogen is,
-en moet seggen, dat wij sedert veel jaren deselve niet alleen beter en beter hebben
-gesleepen, maar ook deselve van tijd tot tijd beter gemonteert hebben, waaraan ook
-veel is gelegen, en ik hebbe wel behaamt die vergrootglazen maken, en haar daarover
-beroemen, die selfs geen bequaamheit hadden om te oordeelen, of een glas scharp ontdekt;
-en gelijk yder een niet bequaam is om van een vergrootglas wel te oordeelen, veel
-min kan men bequaam syn, om ontdekkingen voort te brengen, en dus doende, moet ymant
-die nieuwe ontdekkingen tragt in ’t ligt te brengen, niet van één gesigt oordeelen,
-maar men moet deselve veel malen sien: want my komt te meer malen voor, dat luyden,
-siende door een vergroot-glas seggen, nu sie ik dat, en dan weder dat, en wanneer
-men haar onderrigt, sien sy dat ze in haar meyninge bedrogen syn, en dat meer is,
-soo kan self die geene die gewoon is door vergroot-glasen te zien, in syn meyninge
-verleyt werden.</span>” Men ziet het, Leeuwenhoek nam niet alles dadelijk voor waar en zeker aan, wat hij
-op het eerste gezicht waarnam en logenstrafte daardoor zijne benijders <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>en bedillers, die hem verweten, dat hij zich veelal maar verbeeldde te sien, wat niet
-in werkelijkheid bestond.
-</p>
-<p>De groote lof die overal, vooral in Engeland, van Leeuwenhoek’s ontdekkingen uitging,
-had ten gevolge dat velen trachtten zich door eigen aanschouwing van de waarheid te
-overtuigen, te meer daar zijne waarnemingen in vele opzichten geheel nieuw waren en
-onderwerpen betroffen, van het hoogste gewicht voor de physiologische wetenschap van
-die dagen; want nauwelijks waren er drie jaren verloopen sedert het begin zijner betrekking
-met de „<span lang="en">Royal Society,</span>” of reeds had hij het meerendeel der weefsels en vloeistoffen van het organismus
-in meerdere of mindere mate onderzocht. Aangespoord door de gelukkige ontdekkingen
-die hij deed en geprikkeld door de belangstelling, die men aan zijne waarnemingen
-schonk, wijdde hij dan ook zich met zijn geheele ziel aan zijne geliefkoosde nasporingen.
-</p>
-<p>Doch weldra werd hem eene buitengewone verrassing bereid. Eene geheel nieuwe wereld
-van wezens in het water levende en die tot nu toe voor iedereen verborgen waren gebleven,
-ontdekte zich aan zijn navorschend oog. In een enkelen droppel water ontdekte hij
-vol verbazing eene ontelbare menigte van de kleinste wezens van den meest verschillenden
-vorm, die zich met eene ongeloofelijke snelheid en <span class="corr" id="xd31e1222" title="Bron: levendigdeid">levendigheid</span> heen en weder bewogen. Men was tot nog toe gewoon een kaas- of andere myt al voor
-het kleinste diertje der schepping te houden, maar met de diertjes vergeleken, die
-Leeuwenhoek in water ontdekte, was zulk eene myt als een reus te beschouwen. Een nieuw
-veld van beschouwing ontwikkelde zich door deze ontdekking aan den denkenden geest.
-Overal in de natuur is het leven verbreid en dat in zulk eene verkwistende mate als
-men dit nimmer zou hebben kunnen vermoeden. Zulks werd door Leeuwenhoek in een brief
-aan de „<span lang="en">Royal Society,</span>” d.d. 9 October 1676 duidelijk uiteengezet, welke mededeeling ten gevolge had, dat
-de „<span lang="en">Royal Society</span>” zich gedurende onderscheidene zittingen van het jaar 1677 met den belangrijken inhoud
-dezer missive bezig hield.
-</p>
-<p>Men besloot aan hem te schrijven en hem uit te noodigen om zijne methode van onderzoek
-mede te deelen, ten einde de <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>resultaten zijner nasporingen te kunnen nagaan en waardeeren, terwijl in den boezem
-der vergadering zelve de meest geanimeerde besprekingen over dit ongeloofelijk feit
-werden gehouden. Wij lezen<a class="noteRef" id="xd31e1235src" href="#xd31e1235">54</a>, <span id="xd31e1241"></span>dat ten gevolge van de ontvangen mededeelingen van Leeuwenhoek omtrent de ontdekking
-van met het bloote oog onzichtbare, uiterst kleine diertjes in regen-, sneeuw-, wel-
-en andere wateren, alsmede in water, waarin peper, gember en andere kruiderijen gedurende
-eenigen tijd hadden geweekt, dat in de vergaderingen van 5 April 1677 Dr. Nehemiah
-Grew werd opgedragen te beproeven, wat hij in dezelfde wateren kon ontdekken, terwijl
-in de vergadering van 15 October aan Robert Hooke dit zelfde verzoek gericht en deze
-tevens uitgenoodigd werd een microscoop te maken, dat zoo veel mogelijk, zoo niet
-geheel, gelijk was in kracht met dat van Leeuwenhoek, omdat men te vergeefs had getracht
-met de hun ten dienste staande instrumenten deze diertjes te zien.
-</p>
-<p>In de vergadering van 1 November 1677<a class="noteRef" id="xd31e1245src" href="#xd31e1245">55</a> bracht men verslag uit omtrent een menigte dunne glazen buisjes van verschillende
-grootte, eenige tienmaal dikker dan een hoofdhaar van een mensch, en andere veel dunner,
-welke men gemaakt had, om eene bewering van Hooke te constateeren, ter bestrijding
-van de waarneming van Leeuwenhoek, dat men de kleine diertjes in een waterig vocht,
-in zulke buisjes beschouwd zijnde, door elkander zou zien wriemelen. Hooke deelde
-mede, dat deze alzoo gevulde buisjes zelven als het ware vergrootglazen werden, waardoor
-de omvang van zoodanige lichaampjes in het vocht schijnbaar zeer vermenigvuldigd zich
-zou moeten vertoonen, vooral aan de zijde van de buisjes die het verst van het oogglas
-verwijderd waren. Maar niettegenstaande dit hulpmiddel, waardoor de sterkte van het
-microscoop nog vermeerderd werd, verklaarde men „niets” van dergelijke diertjes te
-kunnen waarnemen.
-</p>
-<p>Er werd daarom bevolen, dat tegen de volgende vergadering peperwater zou worden gereed
-gemaakt en er ook voor een <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>beter microscoop moest gezorgd worden, opdat de waarheid of onwaarheid van „Leeuwenhoek’s
-bewering” duidelijk mocht blijken.
-</p>
-<p>Vóór dat deze discussiën in de vergadering plaats hadden, schijnt men reeds aan Leeuwenhoek
-den twijfel der vergadering over de juistheid zijner waarneming te hebben kenbaar
-gemaakt, ten gevolge waarvan hij het noodig geacht had getuigenissen van geloofwaardige
-personen over te leggen, die zijne ontdekkingen konden bevestigen, want zoo voegde
-men er bij: „opdat de verzekeringen van Leeuwenhoek zoo mogelijk proefondervindelijk
-zouden kunnen onderzocht worden, daar hij zoo vele getuigenissen had geleverd van
-hen die ooggetuigen van deze waarneming geweest waren.” Daarop werden de namen dezer
-getuigen in de vergadering gelezen, waaronder er waren van twee predikanten, één notaris
-en acht andere geloofwaardige personen, tot staving van de waarheid van zijne vroegere
-verzekeringen omtrent het ongeloofelijke aantal kleine diertjes dat hij in zulk peperwater
-zich had zien bewegen en waarvan enkelen het getal op tienduizend, anderen op dertigduizend
-en nog anderen op vijfenveertig duizend in een enkelen droppel, ter groote van een
-gierstkorrel schatteden. In de vergadering van 8 November 1677<a class="noteRef" id="xd31e1254src" href="#xd31e1254">56</a> werd daarop het verslag door Hooke uitgebracht, omtrent het onderzoek van peperwater,
-dat aan hem was opgedragen. Hij vertoonde daarop eene verbeterde inrichting van zijn
-microscoop, waarin de buisjes doelmatiger konden bevestigd worden en waarmede ook
-eene betere verlichting kon worden aangebracht.… „Maar,” zoo betuigt Hooke, „hoewel
-hij het peperwater zeer sterk had gemaakt door weeking van heele zwarte peper, gedurende
-2 of 3 dagen lang met regenwater, zoo kon er, niettegenstaande zijn microscoop nu
-veel beter was ingericht dan in de vorige vergadering, „toch niets van Leeuwenhoek’s
-diertjes bespeurd worden.” De vice-president Mr. Henshaw, die toch zijn geloof aan
-de waarnemingen van Leeuwenhoek niet wilde opgeven, dewijl hij een te goed vertrouwen
-had in de deugdelijkheid zijner observatiën, maakte de opmerking, dat het wellicht
-nu in den winter geen geschikte <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>tijd voor de voortteling van dergelijke diertjes zou zijn, en hij voegde er bij, dat
-hij een lid der vergadering gesproken had, die den vorigen zomer met het microscoop
-van Leeuwenhoek zelven, deze diertjes in Holland gezien had, doch ze nu, veertien
-dagen geleden, niet kon vinden in peperwater dat hier (in Londen) gemaakt was.”
-</p>
-<p>Niettegenstaande deze gegronde opmerking beweerde Dr. Wistler, dat deze „denkbeeldige
-schepsels” inderdaad niets anders waren dan „kleine in het water drijvende peperdeeltjes”
-en geen diertjes. Doch deze bewering werd krachtig tegengesproken door Dr. Mapletoft.
-Hij repliceerde, dat Leeuwenhoek stellig verzekerd had dat hij die diertjes, zoowel
-levend, als dood had aangetoond, en in den laatsten toestand, zoodra hij azijn bij
-het peperaftreksel gevoegd had. Hooke was echter niet gemakkelijk tot overtuiging
-te brengen; hij onderzocht nu andermaal het peperwater met zijn microscoop en verklaarde
-dat hij de opmerking van Dr. Wistler als gegrond moest erkennen, want dat hij er thans
-eene groote hoeveelheid fijn peperstof in op- en nederdalende beweging in gezien had.
-Ten slotte werd het uitzicht geopend, dat hij in de volgende vergadering een microscoop
-zou ter tafel brengen, dat nog veel meer vergrooten zou en dat alsdan de quaestie
-uitgemaakt zou worden.
-</p>
-<p>Het beslissende oogenblik was aangebroken. De vergadering van den 15den November 1677
-werd geopend, en wat rapporteerde nu dezelfde Hooke? „Dat hij nieuw peperwater bereid
-had met zuiver regenwater en eene kleine hoeveelheid gewone zwarte peperkorrels en
-dit mengsel gedurende negen à tien dagen met elkander in aanraking gelaten had,<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> en „dat hij gedurende de geheele week lang, een groot aantal buitengewoon kleine
-diertjes heen en weder had zien zwemmen,” welke hem, door zijn glas gezien, toeschenen
-de grootte van eene myt te bezitten, welk glas volgens zijne berekening honderdduizendmalen
-in omtrek vergrootte (waarschijnlijk een glasbollelje) en dat mitsdien kon worden
-opgemaakt dat deze diertjes honderdduizendmaal kleiner waren dan eene myt. Hun vorm
-zegt Hooke <span class="corr" id="xd31e1264" title="Niet in bron">„</span>kwam overeen met een zeer klein helder blaasje, ovaal of eivormig van gedaante.”
-</p>
-<p>Men kan zich lichtelijk de verrassing der vergadering voorstellen, toen de leden ieder
-om strijd zich rondom het microscoop <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>van Hooke verdrongen om zich van het ongeloofelijke feit te overtuigen<span class="corr" id="xd31e1270" title="Bron: ,">.</span> Al de aanwezige leden, zegt de verslaggever dezer belangrijke vergadering, overtuigden
-zich nu van de waarheid van Leeuwenhoek’s ontdekking. Zij bevestigden allen, dat zij
-nu de diertjes zagen en ze op allerlei wijzen door het water heen en weder zagen bewegen;
-men verklaarde ze voor wezenlijke diertjes en erkende dat er geenerlei optische misleiding
-kon plaats hebben.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e1274" title="Bron: Schittender">Schitterender</span> kon de reputatie van den Delftschen burger wel niet gevestigd worden, dan in de erkenning
-van de waarheid van hetgeen hij had waargenomen, nu zelfs de meest ongeloovige zich
-moest gewonnen geven. De leden der vergadering waren dan ook dadelijk bereid om hun
-vorig mistrouwen en ongeloof openlijk te erkennen. Wij lezen namelijk in de notulen
-dezer vergadering: „dat er besloten werd nota te nemen van deze thans zoo goed geconstateerde
-feiten, en tevens dat er aanteekening zou gehouden worden van de namen van hen die
-deze diertjes met hun eigen oogen hadden gezien. Zulks waren: Mr. Henshaw, Sir Christopher
-Wren, Sir John Hoskyns, Sir Jonas Mone, Dr. Mapletoft, Mr. Hill, Dr. Croune, Dr. Nehemiah
-Grew, Mr. Aubrey en nog verschillende anderen, zoodat er niet langer aan Mr. Leeuwenhoek’s
-ontdekking te twijfelen viel.”
-</p>
-<p>Omtrent de ontdekking van den eigenaardigen vorm, de soorten en bijzondere eigenschappen
-die Leeuwenhoek aan deze kleine diertjes kon waarnemen, heeft hij zich zeer uitvoerig
-uitgelaten in een schrijven aan <span class="corr" id="xd31e1280" title="Bron: Constantyn">Constantijn</span> Huygens d.d. 7 November 1676<a class="noteRef" id="xd31e1283src" href="#xd31e1283">57</a>. Hij zegt daarin, „dat hij omstreeks half September van het jaar 1675 in regenwater,
-dat eenige weinige dagen in een ton gestaan had, kleine diertjes, in zijn oog meer
-dan tienduizendmaal kleiner dan het diertje dat Dr. Swammerdam heeft afgebeeld en
-met den naam van watervloo of waterluis bestempelde,” gevonden heeft. De „eerste soort,”
-die hij in dit water ontdekte, bestond uit 5, 6, 7 à 8 zeer heldere „globulen”; zij
-staken somtijds twee hoorntjes uit het voorste gedeelte van hun lichaam <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>en dezen waren in voortdurende beweging. Hun lichaam was rondachtig en aan het achterlijf
-een weinig spits, waar zij een staart hadden, die driemaal langer dan het lichaam
-was. Eene „tweede soort” beschrijft hij als een eirond lichaam, van boven gezien uit
-8, 10 à 12 globulen bestaande, zij waren zeer helder en konden hun lichaam in een
-volkomen ronde gedaante veranderen; iedere globule, zegt hij, <span class="corr" id="xd31e1291" title="Bron: verbeelde">verbeeldde</span> zich als verheven met een puntje uit te steken en voorzien met verscheidene <span class="corr" id="xd31e1294" title="Bron: ongelofelijk">ongeloofelijke</span> dunne pootjes, die zich snel bewogen; deze soort was een weinig grooter dan de eerste.
-Eene „derde soort” was eenmaal zoo lang als breed en naar schatting wel achtmaal kleiner
-dan de eerste soort, hij „imagineerde zich”, dat hij daaraan „vinnetjes of pootjes”
-kon waarnemen; zij bewogen zich zeer snel, zoowel in het rond als in een rechte lijn.
-De „vierde soort,” die hij waarnam, was zoo klein dat hij er geen figuur aan kon bekennen;
-deze waren in zijn oog meer dan duizend maal kleiner dan het oog van een luis; zij
-gingen in snelheid van beweging de bovenvermelde diertjes nog te boven. Verder zegt
-Leeuwenhoek, dat hij, behalve deze vier soorten nog verscheidene andere soorten van
-diertjes waarnam, waarvan eenigen zeer groot waren, zoo als een „kleine myter”, anderen
-wederom waren „zeer monstereus.” Hij beschrijft deze niet nader, maar zegt er alleen
-van, dat zij doorgaans uit zulke zachte deelen bestonden, dat, wanneer het water,
-waarin zij lagen, was opgedroogd of weggeloopen, zij uiteen barstten.
-</p>
-<p>Leeuwenhoek zegt in dienzelfden brief, dat op de open plaats achter zijn huis zich
-een put bevindt, welke omtrent 15 voeten diep is, en waarvan het water in het midden
-van den zomer zoo koud was, dat men er de hand niet lang in kon houden. Ook in dit
-water ontdekte hij eene groote menigte zeer kleine diertjes en wel, wat de grootte
-betreft, overeenkomende met de vierde der beschrevene soorten, maar nadat dit water
-eenige dagen gestaan had, ontdekte hij er vele andere diertjes in van verschillenden
-vorm en grootte. Ook in zeewater nam hij dergelijke diertjes waar. Verder beschrijft
-hij de ontwikkeling van diertjes door peper in sneeuwwater te laten weeken, waarvan
-ik de bijzonderheden reeds vermeld heb.
-<span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span></p>
-<p>Men kan zich gemakkelijk voorstellen welk eene uitwerking deze belangrijke ontdekking
-van het bestaan eener geheele wereld van schepselen, die tot nog toe geheel en al
-onbekend waren gebleven, moest teweegbrengen in een tijd, waarin talrijke ontdekkingen
-in onderscheidene gedeelten der natuurwetenschappen, zulk eene groote en levendige
-belangstelling niet slechts onder de geleerden, maar zelfs bij alle menschen van beschaving
-en verstand hadden opgewekt.
-</p>
-<p>„In onzen tijd,” zoo zegt E. Blanchard, in zijn genoemd artikel in de „<span lang="fr">Revue des deux mondes</span>” deze ontdekking van Leeuwenhoek besprekende, „is het bestaan van myriaden diertjes
-van de laagste organisatie in bijna alle wateren aan niemand onbekend, en men stelt
-ze op openbare soirees door het hydro-oxygeen-microscoop ten toon, maar nog steeds,
-hoe bekend zij zijn, nog steeds schijnen deze diertjes de denkers tot de ernstigste
-overpeinzingen uit te noodigen en hen tot de erkenning te brengen, dat nergens de
-natuur zoo groot is dan in het oneindig kleine.”
-</p>
-<p>En van welk eene beteekenis de ontdekking van Leeuwenhoek omtrent kleine organismen
-in het water en in de lucht, vooral in onzen tijd gerekend wordt, kan men afleiden
-uit het verband dat men in de geneeskunde heeft gemeend te vinden, tusschen het ontstaan
-en de verspreiding van besmettelijke ziekten en het optreden van bacteriën en <span class="corr" id="xd31e1308" title="Bron: aanverwandte">aanverwante</span> organismen; een vraagstuk van het <span class="corr" id="xd31e1311" title="Bron: hoogtste">hoogste</span> gewicht, voor de volledige oplossing waarvan echter de tijd nog niet gekomen schijnt.
-Vooral verdient daarbij de belangrijke studie de aandacht, die Dr. Ferdinand Cohn,
-hoogleeraar te Breslau, in 1872 over bacteriën heeft nedergelegd in zijn „<span lang="de">Untersuchungen über Bacteriën</span>”<a class="noteRef" id="xd31e1317src" href="#xd31e1317">58</a> en zijne beschouwing over de betrekking waarin deze kleine wezens gebracht worden
-tot de belangrijkste probleemen der algemeene natuurwetenschap, zoodat zij, zoo als
-Cohn zich uitdrukt, „door eene onzichtbare, maar tegelijk <span class="corr" id="xd31e1323" title="Bron: onwêerstaanbare">onweêrstaanbare</span> macht, de gewichtigste gebeurtenissen der levende en levenlooze natuur beheerschen
-en zelfs in het bestaan der menschen tegelijk geheimzinnig en diep ingrijpen.”
-<span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span></p>
-<p>Het kan wel niet anders of de gelukkige ontdekking van Leeuwenhoek moest de geleerden
-van dien tijd er op bedacht doen zijn hunne microscopen te verbeteren en zoo mogelijk
-aan die van Leeuwenhoek te doen evenaren. Hooke was daarin onvermoeid en vertoonde
-in de vergadering van 6 December 1677<a class="noteRef" id="xd31e1330src" href="#xd31e1330">59</a> een verbeterd samengesteld microscoop, waarmede hij de kleine diertjes in het peperwater
-veel meer vergroot en duidelijker nog dan vroeger liet zien. Dit had hij vervaardigd
-door het objectiefglas van een veel kleineren bol te maken. Verder vertoonde hij een
-nieuw soort van enkelvoudig microscoop, waarmede hij dezelfde diertjes vertoonde,
-die in eene kleine haarbuis heen en weder zwommen.
-</p>
-<p>Allen die daardoor zagen, verklaarden het voorkomen dezer kleine schepsels nu veel
-helderder en duidelijker dan op de andere wijze met het samengesteld microscoop, hoewel
-dit een van de beste soorten was.
-</p>
-<p>Geen wonder dat men zeer verlangend was de microscopen van Leeuwenhoek zelven te zien
-en de wijze te kennen, die door hem gevolgd was om zijn glazen zoodanig te slijpen,
-dat hij er die belangrijke waarnemingen mede kon doen.
-</p>
-<p>In de vergadering van den 23sten November 1681<a class="noteRef" id="xd31e1339src" href="#xd31e1339">60</a> sprak Mr. Henshaw ten gevolge van nieuwe observaties, die Leeuwenhoek aan de Sociëteit
-had toegezonden, als zijn gevoelen uit, dat de glazen, waarmede Leeuwenhoek „deze
-vreemde ontdekkingen maakte, zeer buitengewoon moesten zijn en op eene andere wijze
-gemaakt, dan gewoonlijk bekend en gebruikelijk was.” Hooke maakte de opmerking dat
-het geen andere waren dan die hij zelf vermeld had in de voorrede van zijn „<span class="corr" id="xd31e1344" title="Bron: Micographia">Micrographia</span>,” namelijk zeer kleine doorschijnende gesmolten glasbolletjes in hun geheel of door
-slijpen tot een lens gevormd of op eene andere wijs gemaakt.
-</p>
-<p>Ook merkte hij aan, „dat de ontdekkingen van Leeuwenhoek zeer geholpen zouden worden
-door de wijze waarop hij het licht op zijne voorwerpen liet vallen en dat hij zeker
-voor zijne buitengewone <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>onderzoekingen een geschikte kamer moest bezitten.” Dit laatste wordt echter weêrsproken
-door hetgeen Dr. Molyneux er van getuigt, die sprekende van zijn bezoek aan Leeuwenhoek
-zegt, „dat hij, tijdens het beschouwen van de microscopen zich in eene vrij donkere
-kamer bevond met slechts één raam voorzien, waar zelfs de zon toen niet op scheen,
-en dat zich toch de voorwerpen schooner en duidelijker vertoonden, dan die hij in
-Engeland of elders gezien had, ofschoon daar de zon op scheen, of door weerkaatsende
-spiegels meer dan gewoon licht ontvingen.”
-</p>
-<p>Ten gevolge dezer discussiën werd door Mr. Henshaw voorgesteld aan Leeuwenhoek te
-verzoeken, „dat hij zijn uitvinding mocht willen bekend maken, indien het iets nieuws
-was.” Aan dit verzoek werd dan ook door Leeuwenhoek welwillend voldaan. In de vergadering
-van 1 April 1685<a class="noteRef" id="xd31e1353src" href="#xd31e1353">61</a> werd een brief van Dr. Molyneux voorgelezen van den 14den Maart, waarin hij mededeelde,
-dat de glazen, die Leeuwenhoek hem liet zien, de voorwerpen niet meer vergrootten
-dan verscheidene glazen die hij zelf vroeger zag en daardoor alzoo niets meer kon
-ontdekt worden dan hetgeen gemakkelijk met behulp van andere microscopen kon gezien
-worden, zoodat alzoo een verslag van deze microscopen te geven geenszins voldoende
-zou zijn. Doch, voegt hij er bij: „Het zijn alleen <span class="ex">zijn eigene</span> glazen, die deze meer dan gewone ontdekkingen doen.” Daarbij vermeldt hij gehoord
-te hebben, „dat hij nooit die glazen van betere soort verkocht.”
-</p>
-<p>Niet alleen verkocht Leeuwenhoek niet die glazen van „betere soort,” zooals Molyneux
-zegt, maar geen zijner microscopen was voor geld te verkrijgen. Uffenbach had daartoe
-een aanzoek bij hem gedaan, doch zonder gevolg.<a class="noteRef" id="xd31e1362src" href="#xd31e1362">62</a>
-<span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span></p>
-<p>Ook uit een brief van Huygens schijnt te blijken, dat Leeuwenhoek de kunst, die hij
-met inspanning van al zijn krachten tot zulk eene hoogte had gebracht, niet gaarne
-aan anderen mededeelde<span class="corr" id="xd31e1385" title="Bron: ,">.</span> Huygens verhaalt namelijk, dat toen de Landgraaf van Hessen Cassel hem bezocht en
-zijn microscopen verlangde te zien, hij een kast toonde, waarin deze bewaard waren,
-doch ze zeer zorgvuldig in de handen hield en, na de nieuwsgierigheid van zijn bezoeker
-te hebben bevredigd, voorzichtig de kast weder sloot, vreezende naar het schijnt dat
-zij hem door anderen mochten afhandig gemaakt worden, waardoor men dan in de gelegenheid
-zou zijn achter zijn geheim te komen<a class="noteRef" id="xd31e1388src" href="#xd31e1388">63</a>.
-</p>
-<p>Dit geheim nu van de wijze waarop Leeuwenhoek zijne lenzen sleep en ze die buitengemeene
-helderheid gaf, liet hij zich door niemand ontlokken en ontweek steeds zorgvuldig
-daarvan iemand verklaring te geven, of wel beantwoordde de aanzoeken daartoe met stilzwijgen.
-Ook had men hem meermalen aangespoord die kunst aan anderen te leeren en er bij voorbeeld
-aan jongelieden onderricht in te geven. Leibnitz schijnt hem in dien geest daarover
-geschreven te hebben, waarop Leeuwenhoek hem in de volgende bewoordingen antwoordde<a class="noteRef" id="xd31e1397src" href="#xd31e1397">64</a>: „<span lang="nl">Om jonge luyden tot het slypen van glasen aan te voeren, ende als een school op te
-regten; daar uyt kan ik niet sien dat veel soude voortkomen; want door myne ontdekkingen
-en slypen van glasen, syn veele studenten tot Leyden aangemoedigt, ende daar syn drie
-Glasenslypers geweest, bij dewelke de studenten het glasenslypen gingen <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>leeren. Maar wat <span class="corr" id="xd31e1404" title="Bron: is’er">is ’er</span> uyt voort-gekomen? niets, soo veel my bekent is; omdat meest alle de studenten daar
-op uyt komen, om door de wetenschappen gelt te bekomen, of wel door de geleertheyd
-geagt te syn; ende dat steekt in het glas te slypen, ende in het ontdekken van de
-saaken, die voor onse oogen verborgen syn, niet. En het staat ook by mij vast, dat
-van duyzent menschen geen een bequaam is, om sig over te geven tot soodanige studie,
-omdat er veel tijds toe vereyst wert, veel gelt gespilt wert, ende men gedurig met
-syne gedagten moet besig wesen, sal men wat uytvoeren. Ende daarenboven syn de meeste
-menschen niet weetgierig; ja eenigen, daar men het niet van behoorde te wagten <span id="xd31e1407"></span>seggen, wat is ’er aangelegen of wy het weten?</span>”
-</p>
-<p>Men ziet dat ook in den tijd van Leeuwenhoek de beoefening der wetenschap om de wetenschap
-zelve, tot de zeldzaamheden scheen te behooren en dat ook toen reeds de practische
-geest bij de studeerenden was doorgedrongen, die men thans zoo gaarne uitsluitend
-aan onze eeuw wil toeschrijven.
-</p>
-<p>Nog zegt hij in een anderen brief aan denzelfden geleerde, van 13 Maart 1716:<a class="noteRef" id="xd31e1413src" href="#xd31e1413">65</a> „<span lang="nl">Ik hebbe gans geen genegenheyt gehadt om ymant te onderwysen, want als ik het aan
-een gaf, soude ik aan meer moeten doen, omdat verscheyde souden meenen dat ik het
-aan haar uyt maagschap en andere om haar gesachlykheyt verschuldigt was; ende dus
-sou ik my tot een slaafachtigheyt overgeven daar ik een vry man soek te blijven: en
-tragt ook geen loon daarvoor te trekken.</span>” En elders zegt <span class="corr" id="xd31e1419" title="Bron: hy">hij</span>: „<span lang="nl">om wel te slagen moet men veel tyd aan de studie wyden, veel geldt besteden en geheel
-syn siel toewyden aan de overpeinsinge, hetgeen sekerlyk niet van dien aart is, om
-een groot aantal jonge lieden aan te trekken.</span>”
-</p>
-<p>Behalve aan het slijpen zijner glazen, hechtte Leeuwenhoek bijzonder veel aan de monteering
-er van. In zijn oordeel over een beweeren van zekeren Dalepatius aan den schrijver
-van een boekje genaamd<span class="corr" id="xd31e1427" title="Bron: ;">:</span> „<span lang="fr">Nouvelles de la République</span>”, als zou deze een vergrootglas hebben uitgevonden „<span lang="nl">soo goet dat ’er geen beter <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>kan gemaakt werden, dewijl het een sigtbaar stip, naeuwlyks in groote te boven gaat</span>” enz. repliceert Leeuwenhoek<a class="noteRef" id="xd31e1438src" href="#xd31e1438">66</a>: „<span lang="nl">Wat syn vergroot-glas belangt, van soo een ongemeene kleynheit, en soo goet als er
-kan gemaakt werden, dat sullen wy daar by laten. Maar om soodanige glaasjes wel te
-monteeren daar vereyst meer oordeel toe, als om deselvige te maken.</span>”
-</p>
-<p>Naar het oordeel van Leeuwenhoek is het juist niet de bijzondere kleinheid der lenzen,
-die de deugdzaamheid aan de microscopen verzekert, want hij zegt daarvan iets verder
-in denzelfden brief: „<span lang="nl">Wat mij belangt, al hoewel ze by my al omtrent 40 jaren geleden van een ongemeene
-kleynigheit zijn gemaakt geweest, soo zyn ze by my weynig in gebruyk, en ze dienen
-na myn oordeel niet, om eerste ontdekkinge te doen, en daar toe syn bequaam die geene,
-die uyt een grooter diameter syn geslepen.</span>”
-</p>
-<p>Leeuwenhoek maakte ook van een hulpmiddel gebruik om de verlichting zijner voorwerpen
-met opvallend licht te versterken. Dit bestond in het aanwenden van een metalen hol
-spiegeltje, in welks midden hij zijn lens plaatste. Dit spiegeltje is verklaard in
-een brief van 12 Januari 1689 aan de „<span lang="en">Royal Society</span>”<a class="noteRef" id="xd31e1454src" href="#xd31e1454">67</a>.
-</p>
-<p>Men vindt dit spiegeltje dat Leeuwenhoek in den genoemden brief „een kommetje” noemt
-en dat hij aan het microscoop had vastgesoldeerd, zeer nauwkeurig afgebeeld in de
-bij dien brief gevoegde plaat, alsmede in Harting’s „mikroskoop”, deel 3, pl. 1, fig.
-8; dergelijke spiegeltjes zijn geheel op dezelfde wijze later, in 1738, door Lieberkuhn
-aan zijn microscopen toegevoegd, aan wien men ten onrechte hunne uitvinding toeschrijft.
-</p>
-<p>Het blijkt, zoowel uit het kistje met de 26 microscopen, aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” nagelaten, als uit andere gegevens en verklaringen van Leeuwenhoek zelven in zijne
-brieven, dat hij microscopen vervaardigde met verschillend vergrootend vermogen.
-</p>
-<p>Baker<a class="noteRef" id="xd31e1466src" href="#xd31e1466">68</a> geeft voor de vergrootingen der bovenvermelde 26 <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>microscopen, voor een duidelijkheidsafstand van 8 Engelsche duimen de volgende:
-</p>
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop">één </td>
-<td class="cellTop"><span class="seg">van</span> </td>
-<td class="cellTop"> 40 </td>
-<td class="cellRight cellTop"><span class="seg">malige middellijn-vergrooting</span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">één </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 53 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">malige</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">middellijn-vergrooting</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">twee </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 57 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">malige</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">middellijn-vergrooting</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">drie </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 66 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">malige</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">middellijn-vergrooting</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">twee </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 72 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">malige</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">middellijn-vergrooting</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">acht </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td> 80 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">malige</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">middellijn-vergrooting</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">drie </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>100 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">malige</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">middellijn-vergrooting</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">één </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>114 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">malige</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">middellijn-vergrooting</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">één </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td>133 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">malige</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">middellijn-vergrooting</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">één </td>
-<td class="cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td>
-<td class="cellBottom">169 </td>
-<td class="cellRight cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">malige</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">middellijn-vergrooting</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span></td>
-</tr>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p>En dat Leeuwenhoek ook microscopen vervaardigde die een veel sterker vermogen bezaten,
-dan het meest vergrootende van de Londensche verzameling, blijkt uit het boven reeds
-vermelde exemplaar van hem, berustende op het physisch kabinet te Utrecht. Dit is
-in zilver gemonteerd en vergroot 270 maal, hetwelk dus een aanmerkelijk verschil is;
-terwijl de lens, volgens verklaring van den Hoogleeraar Harting, biconvex geslepen
-is.
-</p>
-<p>Zonder mij te verdiepen in eene uitvoerige beschrijving op hoedanige wijze de bepaling
-van de sterkte der microscopen in vroegeren en lateren lijd geschiedde, wil ik echter
-de wijze van bepaling hier vermelden, waarop deze gewoonlijk geschiedt en met behulp
-waarvan Prof. Harting het microscoop van Leeuwenhoek heeft onderzocht<a class="noteRef" id="xd31e1600src" href="#xd31e1600">69</a>. Dit onderzoek, geschiedt door middel van het zoogenaamde Nobert’sche proefplaatje.
-Dit plaatje is beschreven in „Poggendorff’s Annalen 1846”, n<sup>o</sup>. 2 S. 175. Nobert kwam op het denkbeeld om glazen plaatjes te vervaardigen met een
-aantal van 10 tot 30 groepen van lijnen; deze lijnen zijn in de eerste groep het verst,
-in de laatste groep het minst ver van elkander verwijderd. Men kan alzoo de verschillende
-groepen achter elkander in het midden vrij in het veld brengen en onderzoeken, welke
-groep door het microscoop nog <span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span>in afzonderlijke lijnen kan ontleed worden. Bij het onderzoek nu van de lens van Leeuwenhoek
-bleek het Prof. Harting, dat, bij eene gunstige verlichting, door deze lens, de 3de
-groep zeer gemakkelijk en de 4de (​1⁄704 mill.) nog met moeite kon worden opgelost.
-</p>
-<p>Eene niet minder belangrijke zaak bij de beschouwing van Leeuwenhoek’s microscopen
-is de wijze te leeren kennen, waarop hij de grootte van de voorwerpen bepaalde, die
-door hem werden waargenomen.
-</p>
-<p>Hij koos daartoe nu eens een korrel grof zand, dan weder een gierst- of mosterdzaadje;
-of hij vergeleek ze bij de dikte van een hoofd- of van een baardhaar, ja zelfs van
-een haar uit zijn paruik! Later weder gebruikt hij als punt van vergelijking de grootte
-der bloedbolletjes, die hem een zijner eerste en zeker een zijner belangrijkste ontdekkingen
-herinnerde.
-</p>
-<p>In den aanvang was zijn punt van vergelijking een baardhaar. In een brief aan Robert
-Hooke d.d. 12 November 1680<a class="noteRef" id="xd31e1614src" href="#xd31e1614">70</a> zegt hij daaromtrent het volgende:
-</p>
-<p>„<span lang="nl">Ik heb dan een verdeelde copere linie, en neem naeukeurig agt, door een goet microscope,
-hoeveel delen, dat een van de dikste hairen van myn baard, op een verdeelde linie
-beslaat; als by exempel, een zoodanig hair syn diameter is so lang, door een microscope
-te zien, als 50 delen, en als dan trek ik met de punct van een naald op de kopere
-lineaal sodanigen streep, die in myn bloote oog, my so te voren komt, als ik door
-myn microscope, „de dunste” ader in de vlieg komen te sien, en ik oordeel, dat als
-9 sodanige dunne strepen, als ik met de punct van een naalde getrokken heb, nevens
-den anderen lage, een vijftigste part van de diameter van een hair souden uitmaken.
-Komen dan 450 diameters van de dunste aderen, die ik in een vlieg seer destinct sie,
-uyt te maken een diameter van een hair van myn baard, so is dan een hair van myn baard
-200,000 maal dikker, dan de dunste bloedvaten van een vlieg.</span>”
-</p>
-<p>Een paar jaren later bezigt hij, eveneens in een schrijven aan Hooke d.d. 3 Maart
-1682<a class="noteRef" id="xd31e1624src" href="#xd31e1624">71</a> „<span lang="nl">een klein sandje, waar hij calculeerde, <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>dat de vleesstriemtjes (= „fibrillae”) van een os door hem geoordeeld werden zoo dun
-te zijn<span id="xd31e1631"></span> dat 50 van deselvige nevens den andere leggende de lengte uitmaken van 1⁄20 van een
-duym, zoodat dan 1000 vleesstriemtjens in de lengte van een duym, dat is dan 1,000000
-vleesstriemtjens met haar membranen omwonden in een quadraet duym komen</span>”, en een paar regels verder: „<span lang="nl">Op een ander tijd sag ik in een ossetonge, drie kleyne musculen vlees, yder met haar
-menbraan omwonden, nevens den anderen leggen, dat wanneer als ik deselvige overdwars
-hadde doorgesneden, soo veel plaets niet en besloegen, als een kleyn sandje, (<span id="xd31e1636"></span>waarvan 100 sanden nevens den anderen leggende, de lengte van een duim maer uitmaken),
-zoude die konnen bedekt houden.</span>”
-</p>
-<p>Later bepaalt hij, in een brief aan François Aston, d.d. 25 Juli 1684<a class="noteRef" id="xd31e1641src" href="#xd31e1641">72</a> deze grootte wat nauwkeuriger, zoodat men nu een eenigszins beteren maatstaf voor
-zijn berekening erlangt. Hij zegt, „<span lang="nl">als ik sedert weinige dagen doende was met een oog van een manspersoon, zag ik in
-het zwartachtig vlies of menbrane uytnemende dunne striemtjens of vaatgens, en om
-derzelver dunte my die voor oogen te stellen, nam ik een grof sant, wiens axe dat
-seer na 1⁄30 van een duym was, dit sant, door een microscope siende, oordeelde ik
-dat deszelfs axe ten minsten 330 deelen, op seekere verdeelde lineaal uytmaekten,
-en dat, wanneer 8 van de verhaalde dunne vaatgens nevens den anderen lagen, geen 1⁄330
-van de axe van een sant in lengte souden uitmaken.</span>”
-</p>
-<p>Leeuwenhoek bezigde echter altijd deze bepaling als eene vergelijking om slechts eene
-aanschouwelijke voorstelling te geven van de kleinheid der voorwerpen, door hem met
-het microscoop waargenomen. In veel later tijd schijnt hij de onzekerheid van de vergelijking
-met zandkorrels, wegens hun groot verschil in grootte, te hebben ingezien, en bedient
-hij zich nu van een’ „<span lang="nl">geerst-greijntje of een mostersaetje</span>”, zooals bijv. uit een brief aan Hermanus Boerhaave, d.d. 26 Augustus 1717<a class="noteRef" id="xd31e1652src" href="#xd31e1652">73</a> blijkt. „<span lang="nl">Ik hebbe voor desen geseyt, dat ik soodanige kleyne dierkens in <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>’t water sag swemmen, dat ze met haar duysent millioenen in groote geen grof sant
-souden uytmaken. Maar alsoo der tussen de grove sanden een groot onderscheyt in groote
-is, zoo wil ik liever seggen, de groote van een geerst-greyntje of mostert-saetje,
-ende seggen dat, by aldien duysent millioenen van die kleyne diertjes nevens den anderen
-lagen, deselve de lengte niet souden bereyken van een geerst-greyntje of mostert-saetje</span>”. Nog eene curieuse vergelijking in de maatbepaling vindt men in een brief aan <span class="corr" id="xd31e1660" title="Bron: Constantyn">Constantijn</span> Huygens, d.d. 21 Mei 1679<a class="noteRef" id="xd31e1663src" href="#xd31e1663">74</a>. Zij betreft de grootte der zeer kleine (vooronderstelde) vaatjes in een diertje
-in het peperwater. Daartoe bepaalde hij eerst hoeveel haar-breedten de lengte van
-een duim uitmaken.
-</p>
-<p>Dit beschrijft hij aldus: „<span lang="nl">Hebbende dan een koperen lineaal, daer op de duymen verdeelt waren in dry deelen en
-yder weder in 10 deelen, is summa een duym in 30 verdeelt. Op dese verdelinge heb
-ick geleyt het haer van myn paruyck, en dat door een microscope geobserveerd en geoordeelt,
-dat 20 hair-breeten 1⁄30 van een duym uytmaken, comt dan 600 hair-breeten in de lenghte
-van een duym</span>”.
-</p>
-<p>De Hoogleeraar Harting<span class="corr" id="xd31e1673" title="Niet in bron">,</span> deze maatbepalingen van Leeuwenhoek besprekende, zegt daarvan,<a class="noteRef" id="xd31e1675src" href="#xd31e1675">75</a> dat als men bedenkt hoe uiterst gebrekkig de handelwijze van Leeuwenhoek was, men
-niet nalaten kan zich te verwonderen over de mate van nauwkeurigheid, die sommige
-zijner bepalingen werkelijk bezitten, iets dat men alleen verklaren kan, door de juistheid
-van een oog, dat door een jaren lange oefening eene zekerheid in het bepalen van maten
-verkregen had, welke een minder goed waarnemer geheel moet missen. Zoo bepaalt hij
-bijv.<a class="noteRef" id="xd31e1678src" href="#xd31e1678">76</a> de doormeter van een bloedlichaampje gemiddeld op dien van 1⁄100 van een zandkorrel,
-dat is, (deze 1⁄30 duim in diameter hebbende) 1⁄300 duim; en werkelijk komt deze bepaling
-zeer na overeen met de gemiddelde grootte der bloedlichaampjes, zooals deze <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>tegenwoordig met onze nauwkeurige hulpmiddelen gevonden wordt.
-</p>
-<p>Deze wijze van maatbepaling bij vergelijking met andere voorwerpen van bekende grootte,
-was echter niet alleen aan Leeuwenhoek eigen, maar werd door beroemde geleerden van
-dien tijd eveneens gebruikt. Robert Hooke onder anderen zegt in een brief aan Leeuwenhoek
-d.d. 18 April 1778<a class="noteRef" id="xd31e1689src" href="#xd31e1689">77</a> „dat de musculen van kreeften, krabben en garnalen bestonden uit eene ontelbare menigte
-zeer kleine draadjes, bijna honderd malen kleiner dan een haar van zijn hoofd.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Een tijdgenoot van Leeuwenhoek, Dr. James Jurin, bezigde de volgende maatbepaling.
-Hij wond een zeer fijn zilverdraad zoo vele malen om een speld of eenig ander dun
-lichaam, dat er geen tusschenruimten meer tusschen de draden gelaten werden, waarvan
-hij zich met een vergrootglas overtuigde. Hij mat nu met een passertje nauwkeurig
-een zeker getal dezer omwindingen en door de gevonden maat door het aantal omwindingen
-te deelen, verkreeg hij de dikte van het gebruikte zilverdraad. Nu knipte hij de draad
-in kleine stukjes en strooide er eenige van <span class="ex">op</span> het voorwerp dat hij onderzocht, als het ondoorschijnend en er <span class="ex">onder</span> als het doorschijnend was en vergeleek dan met het oog de deelen van het voorwerp
-met de dikte van zulk een stukje draad. Jurin zond eenige stukjes van zulk een draad
-aan Leeuwenhoek<a class="noteRef" id="xd31e1702src" href="#xd31e1702">78</a> die daarover, naar het schijnt zeer tevreden was, dewijl deze wijze van maatbepaling
-door hem bevestigd werd (in de <span lang="en">Philosophical Transactions</span> n<sup>o</sup>. 377), ofschoon hij toch aan zijn eigen methode de voorkeur is blijven geven.
-</p>
-<p>In het praepareeren van de voorwerpen moet Leeuwenhoek eene bijzondere vaardigheid
-gehad hebben, waarbij hem zijn vaste hand, scherp gezicht en groot geduld uitnemend
-te stade kwamen.
-<span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span></p>
-<p>Daarvan zijn talrijke voorbeelden voorhanden in zijne brieven, waarin hij omstandig
-zijne wijze van behandeling beschrijft. Zoo zegt hij in een brief aan de „Royal Society<span class="corr" title="Niet in bron">”</span><a class="noteRef" id="xd31e1723src" href="#xd31e1723">79</a>, waarin hij uitvoerig de angel eener mug beschrijft en zegt dat die uit vier bijzondere
-angels bestaat, die in geschikte orde in elkander leggen: „<span lang="nl">Soo ymant genegen waar in het observeeren van de angels van de mugge my na te volgen,
-soo wil ik den soodanigen recommenderen dat hij langmoedig is. Want de gesamenlijke
-vier werktuigen of angels, die in geschikte orde leggen, uyt de koker te halen, ende
-de koker te openen, dat heb ik veelmaal achter den anderen teweeggebracht, maar dese
-werktuigen uyt den anderen te halen, ende die soodanig voor het vergrootglas te stellen,
-dat men die instinct aan anderen kan laten sien, daartoe vereyst geen kleyne moeite.
-Ik heb meer dan honderd muggen daarom gedoot, ende mijne observatiën op verscheyden
-dagen moeten hervatten</span> enz.”
-</p>
-<p>In een anderen brief<a class="noteRef" id="xd31e1731src" href="#xd31e1731">80</a>, waarin hij uitvoerig de gedaante en structuur van de luis, de voortteeling dezer
-parasiten enz. <span class="corr" id="xd31e1734" title="Bron: uit een">uiteen</span> zet, beschrijft hij onder anderen, hoe bij den mannelijken parasiet, geen eieren
-zooals hij vroeger gemeend had voorkwamen, maar testikels en dat er van deze vier
-in getal waren. „<span lang="nl">Deze testikels</span>,” zegt hij, „<span lang="nl">leggen yder twee soo digt by den anderen, ende wel voornamentlijk met derselver twee
-einden, soodanig als of yder afdragent vat te samen vereenigde, en het veeltijds soo
-quam te vertoonen, als of deselve maar een afdragend zaatvat hadde, yder van dese
-testiculen oordeele ik omtrent een vierdedeel van de groote van een volmaakte luiseney
-te sullen uitmaken.</span>” En iets verder: „<span lang="nl">Wijders haalde ik veelmaal uit de mannekens luizen, derselver mannelyke leden, als
-ook bragt ik veelmaal de angels tot myn groot genoege uit het agterlyf van de luis,
-en ook nam ik die wel uit de luis, doch niet sonder het ontstukken breken van de dunne
-hoornachtige deelen<span id="xd31e1745"></span> die al diep in hun lijf vast waren</span><span class="corr" id="xd31e1747" title="Bron: .">,</span> enz.” Verder <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>maakte hij een calculatie van de dikte van den angel der luis en zegt dat deze wel
-700maal dunner was dan een haar van zijn hand.
-</p>
-<p>Deze vaardigheid van hand en scherpheid van gezicht komt vooral ook uit in de onderzoeking
-van de oogen van den Rombout, als ook van die van <span class="corr" id="xd31e1755" title="Bron: byen">bijen</span>, muggen en andere insecten. Deze namelijk hebben twee halve manen, waarin een ongemeen
-getal kleine halve bolletjes zijn, die met de uiterste regelmatigheid en netheid in
-elkander overkruisende lijnen geplaatst zijn en naar traliewerk gelijken. Deze zijn
-een verzameling van facetten (Leeuwenhoek noemt ze gezichten, oogen), die zoo volmaakt
-glad en gepolijst zijn, dat ze als zoo vele spiegels, de beelden van alle uitwendige
-voorwerpen terugkaatsen. Robert Hooke telde 14,000 halve oogen of facetten in de twee
-oogen van een hommel; Leeuwenhoek calculeerde 6236 in de twee oogen van de kapel van
-den zijdeworm, 7362 in die van den schalbyter, 8000 in die van de gewone vlieg, terwijl
-hij er in de beide oogen van den Rombout 25,088 berekende. Hij bemerkte ook in het
-middenpunt van iedere facet een klein doorschijnend vlakje, dat helderder was dan
-het overige, dat hij voor den oogappel hield, waar de lichtstralen doorgelaten worden
-tot op het netvlies.
-</p>
-<p>Leeuwenhoek sneed zulk een oog van den Rombout (ook puistebyter genoemd) af, reinigde
-het met een penseel met water van al de aanhangende vaten en onderzocht het door zijn
-microscoop. Hij plaatste het een weinig verder van de lens, zoodat hij den rechten
-brandpuntsafstand tusschen dit voorwerp en de lens van zijn microscoop liet, en toen
-door beiden, als door een verrekijker, naar den toren van de nieuwe kerk, welke 299
-voeten hoog en 750 voeten ver van zijn woning verwijderd was, ziende, kon hij duidelijk
-door ieder facet den geheelen toren omgekeerd zien, hoewel niet grooter dan de punt
-van eene fijne naald, en toen zijn gezicht naar een huis aan de overzijde richtende,
-zag hij door een menigte van de kleine halve bolletjes niet alleen den gevel van het
-huis, maar insgelijks de deuren en vensters en was in staat te onderscheiden, of de
-vensters open of gesloten waren. Van Haastert<a class="noteRef" id="xd31e1760src" href="#xd31e1760">81</a>, die van zoodanig onderzoek <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>ook gewag maakt, voegt er nog bij, „dat dit verrassend gezicht Leeuwenhoek zoo opgetogen
-maakte, dat hij zijne buren tot zich deed roepen om hun dat zonderling gezicht eveneens
-te doen opmerken.”
-</p>
-<p>En niet minder komt deze vaardigheid uit in zijne ontleding van de gezichtszenuwen
-van een honigbij<a class="noteRef" id="xd31e1767src" href="#xd31e1767">82</a>. Hij nam het hoornvlies uit het hoofd en beschouwde de stof waarmede dit gevuld was.
-Terwijl hij vroeger meende te hebben waargenomen dat het uit een draadachtig wezen
-bestond vond hij nu, bij nauwkeurige beschouwing, dat al die deeltjes ten naasten
-bij van dezelfde lengte waren, aan het eene einde iets dikker dan aan het andere en
-daarbij aan het dikkere einde rondachtig, en kwam tot de ontdekking, dat ieder dezer
-deeltjes een gezichtszenuw was en dat het dikkere of ronde einde geplaatst was in
-de kleine holte van ieder oog, dat in het hoornvlies is, „kortom” zegt hij, „<span lang="nl">soo veel gesichten in ’t hoornvlies syn, soo veel gesicht-senuwen.</span>” Hij geeft in genoemden brief eene nauwkeurige afbeelding van een bundel van zoodanige
-gezichts-zenuwen en eindigt met de betuiging: „<span lang="nl">Dese verhaalde verwonderenswaardige zaken en volmaaktheid in het oog van een vlieg
-ontdekt hebbende, moeten wy al weder seggen: Hoe weynig is ’t dat wy weten! en heeft
-dit plaats in soo een groote vlieg, soo heeft het alle die volmaaktheit in al de vliegjens
-die der zijn.</span>”
-</p>
-<p>Ik kan mij niet onthouden ook nog het slot van denzelfden brief aan te halen, waarin
-zijn fijnheid van praepareeren zoo duidelijk uitkomt en bezig daartoe liefst weder
-zijn eigen woorden: „<span lang="nl">Ik hebbe een kleyne mugge gevangen, die geen angel had om te steken. Dese mugge snede
-ik het hoofd af, om uit de oogen, ofte gesigten, de gesigt-senuwen te halen, maar
-ik konde die mijn selven niet klaar genoeg voor de oogen stellen, schoon ik het tot
-drie à viermalen toe hervatte, in welk ondersoek my veel malen de hersenen uyt het
-hooft van de mugge, omset met een groote menigte van vaaten, die ik vast stelde bloedvaten
-te syn, te voorschijn quamen, en gelukte het mij dat ik de hersenen met derselver
-bloed-vaaten omvangen, vry ongeschonden <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>uit het hooft van de mugge haalde, die ik voor <span class="corr" id="xd31e1782" title="Bron: he">het</span> vergrootglas gestelt hebbende den teykenaar over gaf, om af te teykenen, te meer,
-omdat my van een voornaam Heer geseyt was, dat seker persoon, als men van myne ontdekkingen
-quam te spreken, veel maal quam te seggen, dat het onmogelijk was te doen, hetgeene
-ik quam te seggen, omdat, seyde denselven, myne instrumenten, die ik daartoe moet
-gebruyken, hoe kleyn ik die mogte komen te maken, niet bequaam konden syn, om die
-ontledingen te doen, die ik kome te verhalen; maer ik kreune my aan geen quaatsprekers,
-het is ligt een van die geenen, die wel wenste mede sulks te kunnen uitwerken.</span>”
-</p>
-<p>Het is opmerkelijk dat hij dat scherpe oog, zoo onontbeerlijk in het doen van zulke
-uiterst fijne onderzoekingen, tot een zeer hoogen ouderdom behield, zoo als blijkt
-uit een brief aan zijn neef Abraham van Bleiswijk van 2 Maart 1717<a class="noteRef" id="xd31e1788src" href="#xd31e1788">83</a>, toen hij dus reeds 85 jaren oud was.
-</p>
-<p>Hij beschrijft daarin met minutieuse nauwkeurigheid, dat hij de fijne zenuwen uit
-het ruggemerg van eene koe gesneden had en bevond dat deze bestonden uit uiterst dunne
-vaatjes, waarvan honderden te samen eene zenuw daarstelden en men zelfs in eenigen
-openingen van eene onbegrijpelijke kleinheid vond. Hij maakte van deze zenuw eene
-doorsnede ter dikte nauwelijks van een baardhaar, ten einde die door zijn microscoop
-te beschouwen.
-</p>
-<p>Bij die gelegenheid werd hem toegevoegd, dat hij zich om zijn hooge jaren toch niet
-mocht onthouden om zijne onderzoekingen voort te zetten, waarvan hij de moeielijkheid
-zelf inzag en deed opmerken zeggende: „<span lang="nl">ende immers is het seer swaar te ontdekken alle die verdeelingen en men kan bezwaarlijk
-bekennen, dat soo een dun senutje in soo vele spranken kan verdeelt worden</span>,” maar dat hij daarom toch niet mocht stil staan, want „<span lang="nl">dat de vrugten, die in den herfst rijp werden, langst konden duren</span>.”
-</p>
-<p>Leeuwenhoek was voor niets zoo gevoelig, als dat men zijn waarheidsliefde in twijfel
-trok of verdacht maakte en beweerde dat hij zich door zijn verbeelding liet misleiden
-om anderen maar wat wijs <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>te maken, ’t geen hij zelf beter wist niet zoo te zijn. Wanneer hij de zaken, die
-hij mededeelt, niet „met zekerheid” gezien had, waarschuwt hij er zelf voor „dat het
-bij hem nog niet tot klaarheid gekomen is.” Ook wijst hij er herhaaldelijk op, wat
-hij werkelijk „gezien”, en wat hij zich „geïmagineerd” heeft.
-</p>
-<p>In een brief aan de „Royal Society<span class="corr" title="Niet in bron">”</span><a class="noteRef" id="xd31e1808src" href="#xd31e1808">84</a> zegt hij: „<span lang="nl">En nademaal my veel maal te vooren komt, dat veele myn schryvens niet konnen aannemen,
-en stoutelyk derven seggen, dat zy my niet en gelooven, daar ik nogtans een groot
-hater van de loogen, en een groot liefhebber van de waarheid ben</span> enz.” en elders<a class="noteRef" id="xd31e1814src" href="#xd31e1814">85</a>.… „<span lang="nl">Dog ik ben sulks getroost, ik tragt niet dan waarheden te ontdekken, en soo ik bevinde,
-dat ik hier of daar in kome te missen, ik sal gaarne belydenis van mijne dwalinge
-doen</span>”, en in zijn brief aan Leibnitz<a class="noteRef" id="xd31e1820src" href="#xd31e1820">86</a> zegt hij onder anderen: „<span lang="nl">Ik sie wel dat ik veele geleerde Heeren in myne ware ontdekkinge en ook in myne stellinge
-niet sal brengen: ik wil dan liever my selven troosten dan twisten; als ik maar het
-geluk mag hebben, gelijk ik besit, dat ook veele groote mannen myne ontdekkinge aannemen.</span>”
-</p>
-<p>Een der eerste maar zeker belangrijkste ontdekkingen, die Leeuwenhoek gedaan heeft,
-had betrekking op de physische samenstelling van het bloed, en werd door hem reeds
-op den 15den Augustus 1673 bewerkstelligd<a class="noteRef" id="xd31e1831src" href="#xd31e1831">87</a>. Tot op zijn tijd toe geloofde men dat het bloed eene gelijkmatig roode vloeistof
-was; doch hij erkende, dat deze vloeistof bijna kleurloos was, maar dat daarin kleine
-lichaampjes gesuspendeerd waren, welke eene roode kleur hadden en deze kleur aan de
-geheele vloeistof mededeelden. Ofschoon Swammerdam reeds in 1658 in het bloed eener
-kikvorsch een onnoemlijk aantal „eivormige deeltjes” had waargenomen, <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>zoo werd aan deze observatie echter geen publiciteit gegeven, en daar de geschriften
-van Swammerdam eerst in het begin der XVIIde eeuw in het licht verschenen, zoo konden
-deze geen invloed hebben uitgeoefend op de ontdekking van Leeuwenhoek, tenzij hij
-zulks van Swammerdam zelf of van anderen mocht vernomen hebben.
-</p>
-<p>Ook Malpighi had reeds twaalf jaren vóór Leeuwenhoek, bij het beschouwen van het bloed
-eener egel onder het microscoop, roode lichaampjes onderscheiden, doch hij had deze
-voor vetbolletjes gehouden en er zich verder niet mede bezig gehouden. De verdienste
-van Leeuwenhoek in dit opzicht blijft dus in zijn geheel. Zoo is het ook bekend, dat
-Athanasius Kirscher in 1650 over lichaampjes geschreven heeft, die hij in het bloed
-van koortslijders als „kleine wurmpjes” zeide gezien te hebben. Leeuwenhoek echter
-onderzocht nauwkeurig het bloed van den mensch en later ook van verschillende dieren,
-zoo als van den os, het schaap, het konijn, de vleermuis, vogels, visschen enz. Bij
-de zoogdieren vond hij den vorm dezer lichaampjes steeds rondachtig, op kleine lenzen
-gelijkende en noemde ze daarom „globulen”; later zag hij bij de vogels, kikvorschen
-en eenige soorten van visschen enz., dat deze lichaampjes afgeplat en eivormig van
-gedaante waren<a class="noteRef" id="xd31e1844src" href="#xd31e1844">88</a> en noemde deze, in onderscheiding der eersten, „particulen”. Latere onderzoekingen
-hebben echter geleerd, dat de eersten niet bolrond zijn, maar platgedrukt, op kleine
-schijfjes gelijkende, waarom zij thans „bloedschijfjes” genoemd worden.
-</p>
-<p>Beide deze soorten vond hij drijvende in een helder vocht (serum)<a class="noteRef" id="xd31e1849src" href="#xd31e1849">89</a>. Zijn oordeel over den betrekkelijken diameter van deze bloedlichaampjes was vrij
-juist. Zij waren volgens hem zeer klein bij de zoogdieren, grooter bij de vogels,
-nog grooter bij den kikvorsch en de visschen. De grootte dezer bloedlichaampjes bij
-den mensch, den os, het schaap en het konijn stelde hij zoo, dat honderd dezer „globulen”
-naast elkander liggende nauwlijks de <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>ruimte van een zandkorrel beslaan<a class="noteRef" id="xd31e1854src" href="#xd31e1854">90</a>, de zandkorrel berekend = 1⁄30 van een duim<a class="noteRef" id="xd31e1857src" href="#xd31e1857">91</a> in diameter, alzoo 1⁄3000 duim, welke maatbepaling zeer nabij komt met de grootte
-der bloedlichaampjes, zoo als deze later door de juistere maatbepalingen, door micrometers,
-zijn waargenomen (​1⁄125 millimeter). Deze diameter wordt door Rudolf en Hodgein eveneens
-als 1⁄3000 duim opgegeven; Wagner stelde ze 1⁄4000​, Paget tusschen 1⁄3500 en 1⁄4000​<a class="noteRef" id="xd31e1860src" href="#xd31e1860">92</a>. Bij de visschen is deze diameter van 1⁄1800​–​1⁄4000 bevonden en bij de kikvorschen
-= 1⁄1200​–​1⁄1920 duim<a class="noteRef" id="xd31e1864src" href="#xd31e1864">93</a>.
-</p>
-<p>Niet minder groot is de verdienste van Leeuwenhoek in de waarnemingen omtrent den
-omloop des bloeds. De ontdekking van dezen omloop komt evenwel niet aan Leeuwenhoek
-maar aan Harvey toe. Leeuwenhoek echter bestudeerde den bloedsomloop met zeldzame
-nauwkeurigheid en volharding. Hij bezigde daartoe bij voorkeur den staart van jonge
-kikvorschen en het zwemvlies dat de vingers bij deze dieren vereenigt<a class="noteRef" id="xd31e1869src" href="#xd31e1869">94</a>; deze leverden hem uitmuntende voorwerpen voor zijne waarnemingen, zoowel omdat zij
-uiterst doorschijnend zijn, als dewijl de bloedlichaampjes bij deze dieren, zoo als
-wij zagen, grooter zijn dan bij de zoogdieren. Gaarne nam hij hiertoe ook vleermuizen
-en bespiedde hare dunne vliesachtige vleugels, doorsneden met talrijke vaten<a class="noteRef" id="xd31e1872src" href="#xd31e1872">95</a><span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Ook bezigde hij dikwijls het oor van jonge konijnen, waarvan de huid nog zeer doorschijnend
-is en onderscheidde daarin den doorgang van het bloed uit de slagaderen in de aderen<a class="noteRef" id="xd31e1877src" href="#xd31e1877">96</a>. Jonge alen en andere visschen, die hij daartoe in glazen buizen met den staart er
-buiten, voor zijn microscoop plaatste, deden hem dit verschijnsel eveneens bewonderen<a class="noteRef" id="xd31e1880src" href="#xd31e1880">97</a>. Hij trachtte zelfs de snelheid te berekenen, waarmede de omloop des bloeds, <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>bij voorbeeld in den staart eener aal, plaats had en berekende, dat, zoo in deze visch
-het hart 11 duimen van den staart verwijderd is, het bloed in een uur 13malen van
-het hart lot den staart teruggevoerd wordt; de afstand van den kop tot het hart slechts
-1½ duim zijnde, zou zulks tusschen deze deelen in denzelfden tijd 96maal plaats hebben<a class="noteRef" id="xd31e1886src" href="#xd31e1886">98</a>. Zijne berekening omtrent de snelheid van den omloop van het bloed bij den mensch
-was, dat in één uur tijds de bloedsomloop 45malen plaats heeft. Volgens Sebastian<a class="noteRef" id="xd31e1892src" href="#xd31e1892">99</a> schijnt die binnen 1–3 minuten plaats te grijpen, terwijl Leeuwenhoek de grootste
-snelheid van het hart tot aan de uiterste deelen van de voeten en van daar weder terug
-tot het hart, bepaalde op 2⅔maal, tot aan de vingers en terug naar het hart 4​4⁄1​1maal,
-in buik en borst 12maal en in het hoofd 8maal in het uur<a class="noteRef" id="xd31e1895src" href="#xd31e1895">100</a>.
-</p>
-<p>Omtrent den doortocht van het bloed door de slagaderen in de aderen ontstond reeds
-in den tijd van Harvey grooten strijd. De tegenstanders van dezen grooten physioloog
-wierpen hem tegen, dat wanneer het bloed direct uit de slagaderen in de aderen overging,
-het de deelen, waardoor het heen vloeide niet zou kunnen voeden. Het vraagstuk was
-nog onbeslist, toen Leeuwenhoek in 1686 aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” een brief schreef, waarin hij, in strijd met de opinie van Harvey, meende te hebben
-ontdekt, dat de doortocht van het bloed niet onmiddellijk uit de slagaderen in de
-aderen plaats had<a class="noteRef" id="xd31e1903src" href="#xd31e1903">101</a>. Later echter, in 1698, toonde hij, na zorgvuldig microscopisch onderzoek, duidelijk
-den samenhang van de slagaderen met de aderen aan en wilde zelfs geen haarvaten tusschen
-de beide genoemde vaten afzonderlijk onderscheiden, omdat het, zooals hij zeide, onmogelijk
-was te bepalen, noch waar de slagaderen eindigen, noch waar de aderen beginnen<a class="noteRef" id="xd31e1906src" href="#xd31e1906">102</a>. In dit tijdvak stelde men ook de chemische theorie op den voorgrond en wilde men
-de fermentatie <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>van het bloed als zeker vaststellen, dewijl men bloedlichaampjes voor luchtbellen
-aanzag.
-</p>
-<p>Deze hypothese werd krachtig door Leeuwenhoek bestreden en door vele microscopische
-waarnemingen overtuigend wederlegd, welke proeven voldingend aantoonden, dat er volstrekt
-geen luchtbellen in de bloedvaten aanwezig waren, hetgeen zeker plaats zou hebben
-als het bloed gistte<a class="noteRef" id="xd31e1913src" href="#xd31e1913">103</a>.
-</p>
-<p>Het is, omtrent deze waarnemingen aangaande de bloedlichaampjes wel der vermelding
-waardig, dat zij den grondslag legden voor de theorie van onzen beroemden landgenoot
-Boerhaave over de inflammatie en andere ziekten<a class="noteRef" id="xd31e1922src" href="#xd31e1922">104</a>, terwijl het overigens opmerkelijk is dat een man als Leeuwenhoek, bij gemis aan
-fundamenteele wetenschappelijke kundigheden, door eenvoudige beschouwing van den poot
-van een kikvorsch, het oor van een konijn, den staart van een visch enz., een vraagstuk
-als de bloedsomloop, dat zoo lang in onzekerheid verkeerd had, voor ieder belangstellende
-zoo aanschouwelijk maakte. Ook zijne observaties omtrent de structuur der capillaire
-vaten zijn door latere onderzoekers als nauwkeurig erkend<a class="noteRef" id="xd31e1928src" href="#xd31e1928">105</a>.
-</p>
-<p>Behalve bovengenoemde belangrijke onderzoekingen, verdienen zijne waarnemingen omtrent
-de „beenderen” en de „tanden”, die eveneens tot de eerste observaties van Leeuwenhoek
-behooren, die onder de oogen der Engelsche geleerden gebracht waren, vermeld te worden.
-</p>
-<p>Hij deelde zijne waarnemingen in 1674 aan de Royal Society mede en vond, dat zij uit
-bolletjes bestonden<a class="noteRef" id="xd31e1935src" href="#xd31e1935">106</a>; maar reeds in 1678 kwam hij van dit gevoelen terug, daar hij opgemerkt had dat deze
-bolletjes de uiteinden of topjes waren van buisjes of pijpjes, waaruit de beenderen
-bestaan. Hij erkende zijne dwaling in een brief aan de „Royal Society<span class="corr" title="Niet in bron">”</span><a class="noteRef" id="xd31e1942src" href="#xd31e1942">107</a>, zette toen <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>dit onderzoek onvermoeid voort en vond, dat de vaste deelen der beenderen uit vierderlei
-pijpjes bestonden, van verschillende wijdte en kringsgewijs geplaatst.
-</p>
-<p>De Heer van der Boon<a class="noteRef" id="xd31e1957src" href="#xd31e1957">108</a>, deze waarnemingen besprekende, merkt daarbij op, dat, wanneer men deze beschrijving
-vergelijkt met de kennis, die men tegenwoordig van het weefsel der beenderen bezit,
-men dan te recht zich verwonderen moet over de geringe waarde, die men tot nu toe
-gehecht heeft aan het onderzoek omtrent het weefsel der beenderen door onzen Leeuwenhoek.
-Nog meer, vervolgt hij, moeten wij zulks betuigen bij de overweging van de kennis
-die hij had van het maaksel der „tanden”, hetwelk zoo volkomen door hem is beschreven,
-dat daardoor de eer, die in onze dagen aan Purkinje ten deel viel, namelijk van de
-eerste geweest te zijn, die het ware weefsel der tanden leerde kennen, grootendeels
-vervalt.<a class="noteRef" id="xd31e1960src" href="#xd31e1960">109</a> In een brief aan de „Royal Society<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>, d.d. 4 April 1687<a class="noteRef" id="xd31e1965src" href="#xd31e1965">110</a> zegt Leeuwenhoek gevonden te hebben, dat de tanden bestaan uit saamgevoegde, zeer
-dunne pijpjes, die alle in het binnenste van den tand aanvangen en aan den omtrek
-eindigen<a class="noteRef" id="xd31e1968src" href="#xd31e1968">111</a>.
-</p>
-<p>Dat Leeuwenhoek ten gevolge zijner nieuwe ontdekkingen en beschouwingen velerlei tegenspraak
-moest ondervinden, die hem de vele gelukkige oogenblikken, door hem genoten bij de
-waarneming van de wonderen der schepping en het ontdekken eener nieuwe wereld van
-wezens, zeer vergalden, daarvan kan men wel verzekerd zijn; die tegenspraak ondervonden
-immers zoo velen, die als hoog geleerd erkend en beroemd waren en iets nieuws hadden
-waargenomen, dat aan anderen ontsnapt was en waarvan de gevolgtrekkingen, geliefkoosde
-meeningen en theoriën omverstootten. En zou dan Leeuwenhoek, de ongeletterde, zou
-een Kamerbewaarder van Schepenskamer, die zijne waarnemingen <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>zoo eenvoudig, zoo ongekunsteld en ontdaan van allen uiterlijken glans van geleerde
-termen, aan de wereld ter overweging gaf en die zulke lang betwiste, hoogstbelangrijke
-vraagstukken golden, zulke tegenspraak zijn ontgaan? Dat was niet te verwachten en
-zij werd hem ook geenszins onthouden. In vele brieven beklaagt hij zich over die tegenspraak
-en het gelukte hem vaak die te beschamen, en als al zijne aangevoerde bewijzen en
-verklaringen toch bleken niet in staat te zijn om vooroordeelen te overwinnen, troostte
-hij zich met zijn vaste overtuiging daar tegenover te stellen en zeide: „<span lang="nl">Maar ik en stoor my sulks niet, ik weet dat ik de waarheyt hebbe</span>”<a class="noteRef" id="xd31e1978src" href="#xd31e1978">112</a>, en hij haalt de schouders op over de onkunde en het vooroordeel dat hy te bestrijden
-had, waar hy, onder anderen, over den gewaanden honigdauw sprekende, waaraan men het
-bederf in de tarwe toeschreef, zegt: „<span lang="nl">Ik houd my verseekert, dat het vallen van den gewaanden honigdauw alleen maar verdigt-selen
-syn, die ligtelyk van een out wyfs spinnerokken syn voortgesproten, wy willen het
-haar niet qualyk afnemen, dat ze aan de oude dwalinge tot nog toe syn blyven hangen
-en wenschen haar toe dat ze hare misslagen mogen leeren kennen, ende de waarheid omhelsen</span>”<a class="noteRef" id="xd31e1984src" href="#xd31e1984">113</a>.
-</p>
-<p>Die tegenspraak werd vooral uitgelokt door zijne ontdekkingen van de kleine diertjes
-in regen- en andere wateren en in waterige aftreksels, zoo als ik die boven beschreven
-heb en aan welke diertjes, om de wijze, waarop zij verkregen werden, eene eeuw later
-de oneigenlijke naam van „afgietseldiertjes, infusoria”, gegeven werd.
-</p>
-<p>En geen wonder! De ontdekking toch van wezens, wier ontsachelijk geringe grootte zoo
-lang aan het menschelijk oog onttrokken was gebleven, waardoor een nieuw veld van
-wereldbeschouwing geopend werd en de waarneming van de omstandigheden, waaronder deze
-kleine levende schepselen te voorschijn traden; de voorstelling die hij er van leverde
-dat deze, op de eenvoudigste wijze georganiseerde wezens „niet van zelf ontstonden,
-maar ieder in hun verschillende soort werden voortgebracht <span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span>uit germen of kiemen, die in de lucht aanwezig waren”, druischte zoo zeer in tegen
-de algemeen aangenomen begrippen, dat het niet te verwonderen is dat Leeuwenhoek de
-hevigste tegenspraak te verduren had. En wanneer wij ons herinneren, dat nog in onzen
-tijd groote strijd gevoerd wordt over het al of niet van zelf ontstaan van levende
-organismen, dat nog de „<span lang="la">generatio spontanea</span>”, niettegenstaande de meest overtuigende proeven en redeneeringen het onhoudbare
-van die stelling hebben bewezen, nog hare verdedigers vindt onder mannen van naam
-in de geleerde wereld, dan verwondert ons de tegenspraak, die Leeuwenhoek ondervond
-in geenen deele, en stijgt onze bewondering in geen geringe mate over het verlichte
-oordeel van den moedigen en zelfstandigen denker, die zijn tijd ver vooruit was en
-zich door geen blind geloof of gezag liet leiden of beheerschen, maar datgeene trachtte
-te doorgronden, waarin door anderen berust werd en die ook moed genoeg had om voor
-zijne overtuiging uit te komen, al moest hij daardoor gesmaad en verguisd worden.
-</p>
-<p>Ook beklaagt hij zich zoo weinig medewerking en hulp bij zijne eigen stadgenooten
-te ondervinden. In een brief aan den heer L. van Velthuyzen d.d. 11 Mei 1679, in het
-bezit nu van wijlen den Heer van Dam van Noordeloos te Rotterdam en waarvan ik copie
-mocht nemen, schrijft hij „<span lang="nl">Ick heb soo nu en dan wel te kennen gegeven, dat ick het bloet van ongesonde menschen
-etc. etc, genegen was om te sien, maer ick heb noyt ’t een of ’t ander bekomen en
-daarom is mijn voornemen geen versoeck na dees tijd meer te doen.</span>” En aan zeker Ciciliaansch edelman die hem kwam bezoeken, beklaagde hij zich eveneens,
-dat hij binnen Delft geen hulp kon bekomen, waarop deze hem antwoordde „<span lang="nl">Ick verwonder my niet, want de Hollanders syn niet genegen als om gelt te winnen.</span>”—
-</p>
-<p>Leeuwenhoek’s grootste strijd met de geleerden van alle landen ontstond ten gevolge
-zijner waarnemingen omtrent de zoogenaamde zaaddiertjes en zijne beschouwingen over
-de voortteeling, die zoo geheel indruischten tegen de toen algemeen aangenomen zienswijze
-over dit onderwerp.
-</p>
-<p>Kort nadat hij de bovenvermelde ontdekking der infusoria gedaan <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>had, werd er eene andere door hem openbaar gemaakt, die van niet minder belang te
-achten is en de hoofden en pennen der geleerden van dien tijd geruimen tijd heeft
-bezig gehouden, eene ontdekking, ten gevolge waarvan de mannen der wetenschap zich
-als het ware in twee gelederen schaarden over de gevolgtrekkingen, die Leeuwenhoek
-er uit afleidde en zijne theorie over de voortteeling, die hij er op grondvestte.
-De voor- en tegenstanders bestreden elkander dikwijls met de scherpe wapenen der bespotting
-en verguizing, totdat men, door de ontwikkeling der wetenschap beter voorgelicht,
-eene voorstelling aannam, die beter met de resultaten der ontleedkunde overeenkwam.
-Deze nieuwe ontdekking nu, welke wij zullen zien, dat volgens mededeeling van Leeuwenhoek
-zelf, niet aan hem, maar aan zekeren Ham moet worden toegeschreven, betrof de waarneming
-van levende wezens in het voortteelingsvocht der dieren.
-</p>
-<p>Omtrent den eigenlijken ontdekker dezer „animalcula spermatica,” ook „spermatozoïden”
-genoemd, bestond nog veel verschil van gevoelen.
-</p>
-<p>De ware toedracht van zaken nu wordt door Leeuwenhoek aan den Heer Harmen van Zoelen,
-Oud-Burgemeester van Rotterdam, in een brief d.d. 17 December 1698<a class="noteRef" id="xd31e2011src" href="#xd31e2011">114</a> zeer uitvoerig verhaald. Toen namelijk later Hartsoeker zich de eer der ontdekking
-wederrechtelijk toeëigende, rekende Leeuwenhoek zich verplicht dezen brief, in uittreksel
-medetedeelen. Hij zegt daarin o. a., dat hij in November van het jaar 1677 aan de
-Koninklijke Sociëteit te Londen geschreven had, een brief van den Heer Craanen Hoogleeraar
-te Leiden ontvangen te hebben, met verzoek om zijn neef, den Heer Ham, student in
-de medicijnen eenige zijner waarnemingen te laten zien, die hem dan ook in Augustus
-1677 een bezoek bracht. Toen deze hem nu voor de tweede maal bezocht, bracht hij een
-glazen fleschje mede, waarin hij „<span lang="nl">eenig ontloopen zaad van een man medebragt, die bij een ongesont vrouwspersoon hadde
-geweest.</span>” Deze Heer Ham had dit vocht door het microscoop bezien en daarin „levende schepsels”
-zich zien bewegen en meende dat deze uit bederf waren voortgekomen. <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>Hij had er staarten aan opgemerkt en bovendien had hij gezien, dat zij niet meer dan
-24 uren in het leven bleven; tevens verhaalde hij, dat, toen hij de patiënt terpentijn
-had ingegeven, de diertjes daarvan stierven. Leeuwenhoek onderzocht nu op zijn beurt
-het vocht, door een weinig er van in een haarbuisje te brengen, bezag het in het bijzijn
-van Ham en vond zijne ontdekking alleszins bewaarheid. Onmiddellijk daarop werd dit
-onderwerp een punt van nauwgezet onderzoek voor hem. Hij onderzocht herhaalde malen
-nu ook gezond sperma, vooral ook van verschillende dieren en vond de waarneming bij
-allen bewaarheid. Somtijds vond hij „<span lang="nl">meer dan duizend levende schepsels in de quantiteyt materie van een grof sand.</span>” Zij waren kleiner dan de bolletjes van het bloed, de vorm er van was rondachtig,
-van onder spits toeloopende en met een langen dunnen staart voorzien, die circa 5
-à 6maal zoo lang was en omtrent 25maal dunner dan het lichaam. Zij bewogen zich door
-eene slangsgewijze beweging van den staart.
-</p>
-<p>Tot bevestiging van de waarheid, dat zijne medegedeelde ontdekking reeds vóór het
-jaartal (1678), waarin Hartsoeker beweerde dezelfde waarneming te hebben gedaan, was
-geschied, voegt hij er nog aan toe: dat die in zijn schrijven gedateerd, Nov. 1677,
-was opgenomen in de „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” n<sup>o</sup>. 142 zijnde van December 1677 en Januari en Februari 1678.
-</p>
-<p>Daar er omtrent den persoon van Ham, zijn waren naam en nationaliteit, zeer verkeerde
-lezingen bestaan, acht ik het niet ongepast te dezer plaatse melding te maken van
-bijzonderheden, die mij eerst onlangs zijn bekend geworden uit eene mededeeling in
-1862 gedaan door Prof. H.&nbsp;I. Halbertsma<a class="noteRef" id="xd31e2033src" href="#xd31e2033">115</a> waaruit blijkt, dat niet Lodewijk Ham of Hamme, door sommigen voor een Duitscher,
-een jong geneesheer uit Dantzig gehouden, maar Johan Ham van Arnhem de ontdekker der
-spermatozoïden is. De belangrijkheid <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>dezer Nederlandsche ontdekking moge mij ter verschooning strekken voor de uitweiding
-over zijn persoon.
-</p>
-<p>Tot de meening dat Ham een Duitscher zou geweest zijn heeft, volgens Prof. Halbertsma,
-Haller<a class="noteRef" id="xd31e2040src" href="#xd31e2040">116</a> aanleiding gegeven, als hij zegt: „<span lang="la">Inventorem esse credo, Ludovicum Hamme (auctorem libri de herniis et de crocodilo)
-juvenem germanum</span>”.
-</p>
-<p>Kurt Sprengel<a class="noteRef" id="xd31e2050src" href="#xd31e2050">117</a> neemt echter, in later tijd, deze meening van Haller reeds als eene uitgemaakte zaak
-aan, waar hij zegt: „<span lang="de">Es war in August des Jahrs 1677, als ein junger Arzt aus Dantzig, Ludwig von Hammen,
-die damals in Leiden studirte, den berühmter Anton von Leeuwenhoek zu Delft besuchte,
-und diesen zuerst auf die Körperchen im männlichen Saamen aufmircksam machte, auch
-sie ihm wirklich zeigte.</span>”
-</p>
-<p>Deze Ludwig von Hammen nu schijnt zich inderdaad in Leiden te hebben opgehouden, zoo
-als blijkt uit eene plaats in zijne „<span lang="la">Dissertatio de Herniis</span>”, Ed. tertia L.&nbsp;B. 1681, opgedragen aan Prof. Drelincourt<span class="corr" id="xd31e2063" title="Bron: .">,</span> p. 61, waarin hij gewag maakt van eene waarneming, die hij in „<span lang="la">Leydensium Nosocomio</span>” heeft gemaakt en ook op pag. 76 van eene andere observatie spreekt, waargenomen
-„<span lang="la">ni fallor, Lugduni ad Rhenam<span class="corr" title="Niet in bron">.</span></span>”
-</p>
-<p>Op het gezag nu van Haller en Kurt Sprengel hebben vele der nieuwere schrijvers dezen
-Ludwig von Hammen uit Dantzig voor den ontdekker der spermatozoïden gehouden, zoo
-als onder anderen in de „<span lang="de">Allgemeine Encyclopædie</span>” van Ersch en Gruber<a class="noteRef" id="xd31e2078src" href="#xd31e2078">118</a> en Kölliker<a class="noteRef" id="xd31e2103src" href="#xd31e2103">119</a> en Eckhard<a class="noteRef" id="xd31e2106src" href="#xd31e2106">120</a>.
-<span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span></p>
-<p>Ook Ehrenberg, Henle en Frey schijnen, volgens Prof. Halbertsma deze meening aan te
-kleven, ofschoon zij over Ham niets meer weten te zeggen dan dat hij een Leidsch student
-was. Prof. Halbertsma nu toont in bovengenoemde mededeeling het ongegronde van deze
-meening aan en gelooft het bewijs te kunnen leveren, dat deze Ham de voornaam Johan
-voerde en dat hij een Arnhemmer, dus een Hollander van geboorte was.
-</p>
-<p>Uit eene korte levensschets namelijk van dezen Johan Ham, in het werk van Muys<a class="noteRef" id="xd31e2113src" href="#xd31e2113">121</a> citeert Halbertsma de latijnsche zinsnede, aldaar voorkomende op p. 288, waarin de
-ontdekking van Ham der spermatozoïden, in 1677 door hem aan Leeuwenhoek medegedeeld,
-wordt vermeld en waaruit verder blijkt, dat hij doctor in de medicijnen was, de practijk
-heeft uitgeoefend te Arnhem, dat hij secretaris van Legatie is geweest bij den keurvorst
-van Brandenburg en later aan het hoofd van hetzelfde gezantschap heeft gestaan; dat
-hij, teruggekeerd in het vaderland, Burgemeester is geworden van Arnhem en eindelijk
-Gelderland bij de Staten-Generaal heeft vertegenwoordigd. Het blijkt hieruit dat Haller,
-daar hij dezen schrijver Muys aanhaalt, bekend was met den levensloop van Johan Ham,
-hoewel hij desniettemin <span class="ex">gelooft</span> dat hij een Duitscher was.
-</p>
-<p>Prof. Halbertsma heeft allen twijfel die nog mocht hebben blijven bestaan over de
-juistheid van hetgeen Muys ons aangaande Ham mededeelt, opgeheven, door de nasporingen,
-welke de heer Bakhuyzen van den Brink in ’s Rijks Archief en de Heer Nyhoff in het
-provinciaal Archief van Gelderland, op zijn verzoek hebben in het werk gesteld. Uit
-dit onderzoek blijkt, dat Ham niet Ludwig maar Johan en niet von Hammen, maar kortweg
-Ham heette.
-</p>
-<p>Onder dien naam komt hij voor in zijn briefwisseling met hunne Hoog-Mogenden, te vinden
-in ’s Rijks Archief en ook in de rekeningen der stad Arnhem. En ten overvloede vindt
-men dat in den „<span lang="la">Catalogus inscriptionum</span>”, voorkomende in het Archief van den Senaat der Hoogeschool te Leiden, zijne inschrijving
-als student op de volgende wijze staat: „1671 <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>Sept. 16. Johannes Ham, <span lang="la">Philosophiae studiosus ann. 20</span>, by Anneken Schepsel in de Nieuwstraat”. Het behoeft geen verwondering te baren,
-dat Ham als student in de philosophie werd ingeschreven en later bij Leeuwenhoek voorkomt
-als student in de medicijnen, daar de beoefening van verschillende vakken van wetenschap
-niet zoo gescheiden was als thans. De Hoogleeraar Theodor Craanen, wiens neef onze
-Ham was, was bijvoorbeeld ook Doctor in de philosophie en medicijnen en doceerde zelfs
-deze beide vakken. Daar nu verder geen bijzonderheden meer omtrent den levensloop
-van Ham kunnen medegedeeld worden en hij ook, volgens gedane nasporingen, noch te
-Leiden, noch te Harderwijk gepromoveerd is, zoo behoort het niet tot de onmogelijkheden,
-dat hij, na zijne studiën te Leiden te hebben volbracht, den graad van Doctor in het
-buitenland, bij voorbeeld aan eene Duitsche Hoogeschool verkregen heeft, eene handeling
-die niet zonder voorbeeld is. Ham is vermoedelijk in 1650 of 1651 geboren, blijkens
-zijn inschrijving in September 1671 te Leiden als student, toen hij den leeftijd van
-20 jaren bereikt had. Met minder juistheid nog is zijn sterfjaar op te geven, hoewel
-met zekerheid is vast te stellen, dat hij in 1723 nog leefde, daar Ham toen, blijkens
-de stads rekeningen van Arnhem, voor de derde maal als Burgemeester van Arnhem uit
-de steden van het kwartier van Veluwe gecommitteerd werd ter vergadering van Hunne
-Hoog-Mogenden.
-</p>
-<p>Na deze uitwijding over Johan Ham, keeren wij tot de zaak zelve terug.
-</p>
-<p>Op uitnoodiging der „<span lang="en">Royal Society</span>” zette Leeuwenhoek nu zijne waarnemingen over de spermatozoïden met ijver voort,
-verzekerde zich van de aanwezigheid dezer lichaampjes bij den hond, de kat, het konijn,
-den haan, en vele andere dieren en vond dat ze allen overeenkwamen met die, welke
-hij reeds beschreven had. Ook in den walvisch was hij in de gelegenheid die te observeeren
-en vond daarbij dat zij in dit groote dier geen grootere afmetingen bezaten, dan die
-hij bij de kleine dieren waarnam. Bij den kikvorsch en in de hom van verschillende
-visschen, die hij met hetzelfde doel onderzocht, vond hij ze in een verbazend groot
-aantal.
-<span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span></p>
-<p>De observatie van Leeuwenhoek was in alle opzichten juist, maar, zoo als later bleek,
-<span class="corr" id="xd31e2140" title="Bron: vergistte">vergiste</span> hij zich in de natuur der waargenomen lichaampjes, daar deze geen diertjes zijn,
-maar veeleer als celachtige weefseldeeltjes moeten beschouwd worden.
-</p>
-<p>Deze waarneming van de spermatozoïden bij de mannelijke dieren deed hem eene theorie
-der voortteeling bedenken, namelijk, dat van deze diertjes de grootste zich in de
-baarmoeder voedden, daar tot wasdom geraakten en de vrucht of het foetus vormden.
-Deze theorie, hoewel zij tegen de toen algemeen aangenomen zienswijze indruischte,
-werd door velen aangenomen, zoo als onder anderen door Huygens, Boerhaave, Hartsoeker,
-maar door niet weinigen betwijfeld en ontkend, waaronder Harveus, de Graaf, Kerkringius,
-Nuck, Swammerdam en anderen.
-</p>
-<p>Intusschen was Leeuwenhoek met hart en ziel en uit volle overtuiging zijne theorie
-der voortteeling toegedaan en verdedigde zijne stellingen met kracht tegen al wie
-zich met hem daarover in het strijdperk durfde wagen, zoo als blijkt uit hetgeen hij
-daarover schreef, toen Dr. Martin Lister zijne stellingen omtrent de voortteeling
-uit een diertje van het mannelijk zaad in de „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” had bestreden<a class="noteRef" id="xd31e2149src" href="#xd31e2149">122</a>. „Ik moet” zegt hij<a class="noteRef" id="xd31e2158src" href="#xd31e2158">123</a>, „tot UE. Hoog Edele Heeren seggen dat de gemelde tegenwerpingen mijn gevoelen niet
-een stip om soo te spreeken, doen veranderen.”
-</p>
-<p>François Aston schreef hem in Februari van het jaar 1683 over zijne theorie, „dat
-deze zeer ingenieus was, maar dat zij veel tegenspraak in de wereld zou ondervinden.”
-Leeuwenhoek antwoordde daarop, dat hij dit ook wel gedacht had: „<span lang="nl">Want de werelt is met een voor-oordeel omtrent het eyernest ingenomen maar</span>,” voegt hij er bij „<span lang="nl">ik heb al veel geleerde Heeren in ons land gevonden, die myne stellingen approberen.</span>”<a class="noteRef" id="xd31e2169src" href="#xd31e2169">124</a> Aan Leibnitz schreef hij<a class="noteRef" id="xd31e2172src" href="#xd31e2172">125</a>. „<span lang="nl">Seker seer verstandig Heer in onze stad, seyde tot my, Leeuwenhoek, gij hebt de waarheyt,
-maar bij u <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>leven sal zy geen ingang vinden. Ende dus komt het my niet vreemt voor, dat ik in
-myn leven wert tegengesproken.</span>” In zijne missive van 30 Maart 1683 aan dezen geleerde schrijft hij<a class="noteRef" id="xd31e2184src" href="#xd31e2184">126</a>: „<span lang="nl">Ik weet wel, dat myne stellinge omtrent de voorttelinge by eenige gants verworpen
-werden, gelyk dan ook seker Autheur onlangs uitgegeven heeft een boekje, waarin den
-selven op telt seventig Autheuren, die geschreven hebben dat alle de vruchten soo
-van menschen als beesten uit een ey voortkomen</span>” .… „<span lang="nl">Maar laat nu onsen Autheur dit voegen by zyn 70 Autheuren, ja, laat hem (soo hy wil
-en kan) met andere tot seventig maal seventig voor den dag komen, die alle het ovarium
-ofte eyernest vast stellen, en seggen dat het mannelyk saat niet in de baarmoeder
-werd gestort, ik segge dat sy altemaal gedwaalt hebben, en dat zy nog alle dwalen,
-die seggen, dat menschen en dieren uit eyeren voortkomen ende dat geen mannelyk saad
-in de baarmoeder komt, ja dat dit al van de onnoselste stellingen syn, die onder de
-geneesmeesters in swang gaan.</span>” Men ziet het, Leeuwenhoek dorst zijn tegenstanders te woord staan en liet zich niet
-gemakkelijk uit het veld slaan. Telkens als het pas gaf spreekt hij met groote minachting
-van de „<span lang="nl">gewaande eyernesten</span>”, van „<span lang="nl">dat tuig, dat men eyeren noemt</span>.” Vooral was hij scherp tegen Bontekoe<a class="noteRef" id="xd31e2199src" href="#xd31e2199">127</a>, die zijne observaties omtrent de zaaddiertjes en de generatie in een belachelijk
-daglicht had trachten te stellen. In een brief aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” van 30 Maart 1685<a class="noteRef" id="xd31e2206src" href="#xd31e2206">128</a> laat hij zich over deze handelwijze van Bontekoe aldus uit:
-</p>
-<p>„<span lang="nl">My is laatst ter hand gekomen een boekje, genaamt „Collectanea medico-physica”, alwaar,
-Cent. 5 pag. 8, onder ander geseid werd: „Maar het allerverwonderenste is, dat ons
-den geleerden Heer Cornelis Bontekoe verhaald uit den curieusen Leeuwenhoek, dat ’s
-menschen sperma vol soude zyn van kleine <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>kinderkens, en soo voorts en andere dingen na yders aard.” Waarna hy laat volgen:
-„’t Is waar dat de Heer Bontekoe my veel maal met geselschap is wesen besoeken, maar
-ik heb nooit tegen hem, ofte tegen iemand ter wereld, die redenen gebruikt, dat ’s
-menschen sperma vol is van kleine kinderkens, maar wel geseid, dat het vol is van
-levendige dierkens of wormkens die lange staarten hebben”.… <span id="xd31e2216"></span>Ik moet dan klaagsgewijze zeggen, hoe dat men myne redenen niet alleen verdraait,
-of die qualijk voort seid, maar zelfs die op het papier met den druk komt gemeen te
-maken.</span>”
-</p>
-<p>Als een staaltje van de wijze waarop de waarnemingen van Leeuwenhoek zoowel van het
-ontdekken der diertjes in het water, als in het sperma werden gecritiseerd diene het
-volgende curieus versje, dat ik in een oud geschrift<a class="noteRef" id="xd31e2221src" href="#xd31e2221">129</a> vond. Daarin wordt op ironische wijze de bewering van Leeuwenhoek van het vinden
-van levende diertjes in verschillende vochten enz. en dat hij wormen meende te zien,
-waar anderen niet het minst daarvan konden bespeuren gehekeld, de schrijver is overtuigd
-dat men over zijne waarnemingen hetzelfde oordeel kan vellen dat Dr. Becker in zijn
-„<span lang="de">Närre Weisheit und weise Narheit</span>”, 1682, n<sup>o</sup>. 38 heeft aangevoerd:
-</p>
-<div lang="de" class="lgouter">
-<p class="line">„Die <span class="corr" id="xd31e2243" title="Bron: welt">Welt</span> still steht,
-</p>
-<p class="line">Und nicht umgeht,
-</p>
-<p class="line">Wie recht die Gelehrten meynen;
-</p>
-<p class="line">Ein jeder ist Seines Wurms vergewyzt,
-</p>
-<p class="line">Copernicus des Seines,
-</p>
-<p class="line">Und also Herr Lewenhoeck des Seinen”.</p>
-</div>
-<p class="first">Onder de scherpste tegenstanders van Leeuwenhoek, niet <span class="corr" id="xd31e2253" title="Bron: alalleen">alleen</span> bij zijn leven, maar zelfs na zijn dood, moet men zijn land- en tijdgenoot Hartsoeker
-rekenen. Deze geleerde, wiens <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>scherpe critiek zelfs mannen als Bernard, Leibnitz, Newton en anderen niet spaarde,
-had zich de moeite gegeven, om na den dood van Leeuwenhoek zijne brieven te onderzoeken.
-Hartsoeker heeft dit onderzoek geplaatst achter zijn „<span lang="fr">Cours de Physique, accompagné d’un extrait critique des lettres de Mr. Leeuwenhoek</span>,” welk werk in 1730 bij Jan Swart te ’s Hage, na den dood van Hartsoeker, is in het
-licht gegeven.
-</p>
-<p>Dit critisch onderzoek draagt het karakter van persoonlijken wrok en geringschatting,
-waarvan de proeven schier op iedere bladzijde te vinden zijn.
-</p>
-<p>Een paar voorbeelden van de wijze, waarop Hartsoeker gewoon was in zijn „<span lang="fr">Extrait critique</span>” de waarnemingen van Leeuwenhoek te critiseeren, zullen voldoende zijn, om zijn scherpen
-toon te leeren kennen.
-</p>
-<p>Van de brieven in het algemeen sprekende, zegt hij daarvan, dat zij geschreven zijn
-„<span lang="fr">dans un stile bas et rampant</span>” hoewel hij niet nalaten kon te erkennen, dat zij „<span lang="fr">contiennent parmi quantité d’observations inutiles et <span class="corr" id="xd31e2274" title="Bron: chimeriques">chimériques</span>, quelques unes de très bonnes et qui servent à l’avancement des sciences.</span>”
-</p>
-<p>Hij spreekt verder met minachting van zijn persoon, en niet zonder jaloezie, wegens
-de onderscheiding die hij van anderen ondervond: „<span lang="fr">Je n’ai jamais été surpris qu’un homme comme <span class="corr" id="xd31e2283" title="Bron: notre">nôtre</span> auteur, dont le genie étoit assurément au dessous du médiocre, ait parlé comme il
-a fait des globules du sang, du lait etc.; mais mon étonnement a été bien grand de
-voir que de célèbres médecins et professeurs en philosophie et en médecine, l’ont
-cité avec <span class="corr" id="xd31e2286" title="Bron: élòge">éloge</span> sur sa belle découverte des pretenduës boules, et ont adopté <span class="corr" id="xd31e2292" title="Bron: sont">son</span> galimatias.</span>”
-</p>
-<p>Dat ook Leeuwenhoek zelf niet vriendschappelijk gezind was ten opzichte van Hartsoeker
-kan blijken uit de volgende passage uit het genoemde „<span lang="fr">Extrait critique</span>”. „<span lang="fr">J’ai été trois fois chez lui. J’y fus la prémière fois avec un bourguemestre de Rotterdam et avec mon père vers la fin de l’année 1672, ou au commencement de
-l’année 1673, dont il s’est fort bien souvenu comme on le verra dans la suite. J’y
-fus la <span class="corr" id="xd31e2306" title="Bron: deuxiéme">deuxième</span> fois seul, vers la fin de l’année 1679 à mon retour de Paris. Cette visite, que je
-lui rendis, moité dans la ruë et moitié a <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>l’entrée de sa maison, m’attira son disgrace et m’en fit un ennemis capital, à cause que je lui fis sur ses ridicules anatomies,
-quelques objections aux quelles il ne pouvoit me répondre. Comment faites-vous, lui
-disois je, pour disséquer, par exemple, une puce, et qui plus est, une mite, pour
-tirer les testicules de leur corps, pour ouvrir ces testicules et en ôter la semence,
-enfin pour voir que cette semence est remplie de petits animaux en forme de petites
-anguilles fort longues et fort minces; de quels verres vous servez vous pour faire
-cette anatomie? Si le verre est petit, vous n’avez pas assés de lumière, parce que vous le cachez à vous même; s’il est grand il ne grossit pas
-assés. Mais de quels couteaux vous servez vous? Celui qui auroit le tranchant le plus fin
-et le plus aigu écraseroit le vaisseau plutôt que de l’ouvrir .… et la dessus s’ennuiant
-sans doute de mes objections, il me congédia assez brusquement, disant qu’il avoit
-d’autres affaires.</span>”
-</p>
-<p>Zijn derde en laatste bezoek bracht hij aan Leeuwenhoek in 1697 of 1698. Hartsoeker
-was toen in gezelschap van den Burgemeester van Delft, wien hij verzocht had zijn
-naam niet te noemen.
-</p>
-<p>Leeuwenhoek had tot ontvangst zijner gasten alles in gereedheid gebracht, ten einde
-hen eenige praeparaten te laten zien. De burgemeester niet aan dit verzoek van Hartsoeker
-denkende, stelde hem aan Leeuwenhoek voor, waarop Leeuwenhoek, zoo zegt H., in zijn
-<span lang="fr">Extrait critique</span>: „<span lang="fr">me regardant avec un air dédaigneux, et d’un oeil d’indignation et de mépris, serra
-d’abord toute la boutique, sans vouloir nous faire voir la moindre chose, et peu s’en
-fallut qu’il ne nous mit par les bras hors de sa maison.</span>”
-</p>
-<p>Aan het slot van de critiek zijner brieven gekomen, zegt Hartsoeker, in de beoordeeling
-van zijn laatsten brief, vol van scherpte en persoonlijke antipathie: „<span lang="fr">Tout ce qu’il y dit a été dit et redit mille fois, de sorte que ce ne sont qu’autant
-de parôles perduës; et pour ce qui est des figures qu’il a fait graver de ses observations, elles ne
-signifient rien du tout, et ne representent que des traits confus</span>”.
-</p>
-<p>Blijkt nu uit al het aangevoerde, dat Leeuwenhoek, wegens <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>zijne ontdekkingen en vooral zijne „speculatiën” over de voortteeling, veel tegenspraak
-ondervond en dikwijls aan hevige aanvallen blootstond, aan den anderen kant had hij
-ook warme voorstanders onder de beroemdste en geleerdste mannen van zijn tijd. Hiervan
-blijkt ons vooral uit eene correspondentie met Leibnitz, d.d. 28 September 1715<a class="noteRef" id="xd31e2354src" href="#xd31e2354">130</a>. Deze had hem namelijk geschreven, dat de geleerde Vallisnieri te Padua zijne stellingen
-ontkende en dat hij (Leibnitz) weldra een werk dacht uit te geven over dit onderwerp,
-waarin hij hem recht zou laten wedervaren. Leeuwenhoek <span class="corr" id="xd31e2360" title="Bron: antwoorde">antwoordde</span>: „<span lang="nl">Wij hebben in ons lant een spreekwoort, dat ééne bonte kraaij geen koude winter maakt,
-is de Heer Vallisnieri tegen myne stellinge, daar syn der wel duyzent voor my.</span>”
-</p>
-<p>Van deze uitspraak van Leibnitz ten gunste van de stellingen van Leeuwenhoek, alsmede
-van zijn groote verdiensten, blijkt ons nog nader uit eene verwijzing naar het boven
-bedoelde geschrift, de „<span lang="la">Theodicae</span>” van Leibnitz, waarin hij werkelijk deze theorie van Leeuwenhoek verdedigt<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>In een door Prof. C.&nbsp;G. Ehrenberg in 1845 gehouden redevoering in de vergadering van
-de Pruisische Akademie van Wetenschappen, ter herdenking van den geboortedag van Leibnitz<a class="noteRef" id="xd31e2375src" href="#xd31e2375">131</a>, wordt namelijk door genoemden geleerde met de hoogste achting over Leeuwenhoek gesproken,
-als van iemand, op wiens oordeel als nauwkeurig, scherp waarnemer, Leibnitz zeer hoogen
-prijs stelde.
-</p>
-<p>Na eene korte vermelding van de tusschen Leeuwenhoek en Leibnitz gevoerde correspondentie
-in de jaren 1715 en 1716 (toen de laatste 60 en Leeuwenhoek reeds 84 jaren oud was),
-voornamelijk bevattende de gevoelens van den laatsten, in antwoord op door Leibnitz
-aan zijn oordeel onderworpen vragen, <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>omtrent de physiologische beteekenis der <span class="corr" id="xd31e2386" title="Bron: spermatozoiden">spermatozoïden</span>, zegt Ehrenberg, dat Leibnitz getuigde: „dat hij de meeningen van Leeuwenhoek over
-dit vraagstuk voor zeer waarschijnlijk hield en die ook in zijn Theodicae<a class="noteRef" id="xd31e2389src" href="#xd31e2389">132</a> had uitgesproken.”
-</p>
-<p>Ehrenberg zelf noemt in genoemde redevoering Leeuwenhoek’s ontdekkingen der infusoriën
-in het water en der <span class="corr" id="xd31e2394" title="Bron: spermatozoiden">spermatozoïden</span> in het mannelijk sperma, „twee der schitterendste en onvergankelijkste ontwikkelingsmomenten
-der menschelijke kennis.” Ehrenberg zegt aldaar verder van Leeuwenhoek, dat hij niet,
-zoo als Haller in zijne beroemde physiologie aangeeft, een voormalig brillenslijper
-te Delft was geweest, „maar een onafhankelijk, zonder strenge school gevormden, maar
-door Boerhaave en Huygens, zijn hoogstverdienstelijke landslieden, persoonlijk geachten,
-met vele beroemde mannen van zijn tijd en ook met Leibnitz in schriftelijke verbintenis
-staanden man, de onafhankelijke zoon van een welvarende brouwersfamilie te Delft,
-wiens wetenschappelijke trouw, vlijt en geniale ontdekkingen alle erkentenis en eer
-verdienen.”
-</p>
-<p>Leeuwenhoek werd door Leibnitz nog in zijn, na zijn dood uitgekomen „Protogeae”, in
-het bijzonder met de volgende woorden, welke als antwoord en dankbetuiging moesten
-strekken voor den laatsten aan hem gezonden brief, herdacht:
-</p>
-<p>„<span lang="la">Et velim microscopia ad inquisitionem adhiberi, quibus tantum praestitit sagax Leeuwenhoekii
-Philosophi Delphensis diligentia, ut saepe indigner humanae ignaviae, quae aperire
-oculos et in paratam scientiae possessionem ingredi non dignatur. Nam si saperemus
-jam passim ille imitatores haberet</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span><a class="noteRef" id="xd31e2404src" href="#xd31e2404">133</a>.
-</p>
-<p>Omtrent het gunstig oordeel van Boerhaave over de stellingen van Leeuwenhoek, zegt
-hij in een zijner brieven: „<span lang="nl">de Heer Boerhaave in syn oratie, verwerpt onder andere de stellinge <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>van verscheyde Heeren omtrent de voortteelinge, en seyt dat de myne in Italiën, Duytslant,
-Engelant, ende Vrankryk, werden aangenomen.</span>”
-</p>
-<p>Leeuwenhoek achtte het vooral noodig de bedenkingen, die bij de leden der „<span lang="en">Royal Society</span>” tegen het groot aantal diertjes door hem in het sperma waargenomen, gerezen waren,
-te wederleggen. Hij deed dit in een brief aan Nehemiah Grew, d.d. 25 April 1699<a class="noteRef" id="xd31e2419src" href="#xd31e2419">134</a> en zegt daarin het volgende: „<span lang="nl">en alhoewel in myn selven versekert dat dese myne verhaalde observatiën by weynige
-menschen sullen aangenomen worden, nademaal het onmogelyk is, sulken grooten getal
-van levende schepsels in soo een quantiteit materie te bevatten, soo wil ik alle de
-geenen die het selvige verwerpen, het haar ten goede afnemen, te meer, omdat wanneer
-ik van het groot getal van levende schepsels in ’t water schreef, by de Koninglyke
-Societeyt selfs niet konde aangenomen werden. Maar daar ik myne calculatie en eenigsints
-myn methode van doen beschreef, soo heeft UEd. confrater de Heer Robert Hooke het
-getal noch vergroot ende my geschreven, dat zyn Koninglyke Majesteit sulks gehoort
-hebbende, begeerig was om hetselvige te sien, ende dat hy hem beliefde, en de dierkens
-siende, met verwondering deselve aanschouwde, ende met groot respect van myn naam
-sprak. Want soo waaragtig, als ik van de dierkens in het water heb geschreven, soo
-waaragtig schrijf ik van de dierkens in ’t mannelijk zaad van menschen, beesten, vogelen
-ende visschen, en het sal my genoeg zyn, soo ik maar credit by UEd. en de geleerde
-Heeren Philosophen vinde, waaraan ik ook niet en twijffele.</span>”
-</p>
-<p>Leeuwenhoek was echter, bij al zijn vasthouden aan hetgeen hij voor waarheid hield,
-volstrekt niet onvatbaar voor overtuiging, zoo als sommige schrijvers wel eens hebben
-gezegd. Dit kan, onder meer andere betuigingen van hem in zijne brieven, blijken uit
-zijne volgende verklaring in een brief aan George Garden<a class="noteRef" id="xd31e2427src" href="#xd31e2427">135</a> „<span lang="nl">myn voornemen is niet hartnekkig by myn stellinge <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>te blijven, maar zoo ras, als men my waarschynlyke redenen te gemoet voert, daar van
-ik een bevattinge kan krygen, dat ik de myne sal verlaten, en tot een ander overgaan,
-te meer, omdat doorgaans myne tragtingen tot geen ander eynde strekken, als omme waarheyt,
-soo veel in myn vermogen is, voor de oogen te stellen, die te omhelsen, ende myn kleyn
-talent, dat ik ontfangen heb, te besteden, om de werelt, van haar Out-Heydens bygeloof
-af te trekken, ende tot de waarheyt over te gaan, ende die aan te kleven.</span>” En elders<a class="noteRef" id="xd31e2435src" href="#xd31e2435">136</a> „<span lang="nl">Ik weet wel, dat in myne stellinge die ik kome te maken, niet alle over een komen,
-maar tegen den anderen strijdende saaken daar onder gevonden werden, soo sal ik al
-weder seggen, dat myn doen is, niet langer myn gevoelen staande te houden, tot der
-tyd en wyle ik beter onderrigt werde of dat myne aanmerkingen my tot andere gedagten
-doen over gaan en ik sal my noyt schame van dit myn doen af te wyken.</span>” Dat is de taal van een eerlijk, eenvoudig, oprecht gemoed, en onwillekeurig worden
-wij met eerbied vervuld voor den man, die pal stond tegen onwaardige verguizing en
-bespotting, maar vatbaar was voor overtuiging. Hoe meer men de brieven van Leeuwenhoek
-doorleest, hoe meer men versterkt wordt in deze gunstige opinie omtrent hem, die wel
-niet vrij was van gebreken, gedeeltelijk ook toe te schrijven aan zijne beperkte ontwikkeling,
-maar die overigens edel van hart en eenvoudig van zin was en daarvan talrijke bewijzen
-gaf.—
-</p>
-<p>Bij het doorlezen zijner brieven treft ons zijn onbevangenheid van oordeel, zijn oorspronkelijkheid
-in het verklaren en beoordeelen van feiten door hem waargenomen, en zijn helder inzicht
-in vele zaken, waardoor hij bleek een zelfstandig denker te zijn, die weinig behebt
-was met de vooroordeelen van zijn tijd, deze, waar hij kon, bestreed en zich alzoo
-in de eeuw waarin hij leefde, als een man van vooruitgang deed kennen.
-</p>
-<p>Vooral werd de lichtgeloovigheid der groote menigte scherp door hem bestreden; dit
-bleek <span class="corr" id="xd31e2444" title="Bron: a. o.">o. a.</span> als hij in de gelegenheid <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>was te waarschuwen tegen vreemde geneesheeren en het gelooven in hunne hoogdravende
-aankondigingen van zoogenaamde onfeilbare middelen tegen allerlei kwalen. Hij doet
-dit met ernst en overtuiging en wij zien daarin het bewijs, dat Leeuwenhoek reeds
-twee eeuwen geleden wijzer was dan zoo velen van onzen tijd. „<span lang="nl">Het is te beklagen</span>” zegt <span class="corr" id="xd31e2452" title="Bron: hy">hij</span><a class="noteRef" id="xd31e2454src" href="#xd31e2454">137</a> „<span lang="nl">dat veele menschen in ons lant soo ligt-geloovig zyn, want laat maar een vreemde geneesheer
-in ons lant komen, die sig selven beroemt van groote cure gedaan te hebben, gelyk
-ze gemeenlyk doen, en haar roemen met veel leugens weten op te pronken. Dit pochen
-en snorken vint veeltyds niet alleen ingang by den gemeenen man, maar het gaat ook
-over tot luyden, waarvan men een beter oordeel verwagte; en als men deze vreemde opsnuyvers
-omtrent saken, die ze behoorde te weten, komt aan te spreken, bevind men haar slegte
-knegten te zijn. Eenigen tijd geleden en is in ons land gekomen, een grooten, botten
-opgever en leugenaar, zynde een Hoogduytser, die sig beroemde, door syn poeder „Sympatie”,
-alle gebreken die men hem kwam te noemen, te sullen genesen. Dezen pofhans die bragt
-men uyt een nabygelegen stad, met een karos aan myn huis, opdat ik soo een wonderlyke
-geneeser soude aanschouwen; dese syne geneesinge bestond alleen door syn poeder Sympatie
-te gebruyken op de urine van de lyder. Nadat ik de opsnorkinge van geneesinge in ’t
-breede soo lang hadde aangehoort, dat het my verveelde, versogt ik de vryheid te mogen
-hebben, om myne gedagten soo als ze by my lagen, te uytten, dat my wierd toegestaan,
-waarop ik, sonder veel omwegen, op het eerste seyde, dat wy Hollanders sulks niet
-en sullen gelooven, enz. en op het tweede dat ik het agte een onmogelijkheid, en dat
-alle, die sulke taal voeren, door my voor desen was geseyt, en nog staande gehouden
-wierd, dat het maar bedriegers syn; in ’t kort, hy verhaalde soo vele geneesinge en
-door sulke wegen, die geen de minste schyn van waarheden konnen hebben, en die by
-alle verstandige verworpelyk syn. Ja soodanig, dat ik my schaamde over syn onnoselheid,
-en gelyk ik voorseyd hadde, dat ze alle sullen <span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>bedrogen werden, die met hem aanslaan, gelyk gevolg sulks geleerd heeft, want hy is
-met schande vertrokken”.… „Is ’t niet miserabel</span>”, zegt <span class="corr" id="xd31e2463" title="Bron: hy">hij</span> iets verder, „<span lang="nl">dat onse natie haar aan sulke menschen overgeven, daar ze ten genoege konnen gedient
-werden van oude ervaren geneesmeesters, onze inboorlingen en die door de bank meer
-begaaftheden bezitten, als de vreemde die we behaamt hebben” .… „Ons leert de ondervindinge
-hoe onervarender in konsten en wetenschappen, voornamentlijk in de genees- en heelkunde,
-hoe grooter roemers.” Ten slotte betuigt hy het zyn roeping te achten tegen al dergelyke
-dwaling te stryden en te waarschuwen: „dese opmerkinge komende van iemant die de waarheden
-omhelst en de werelt, soo veel als in syn gering vermogen is, van de dwalinge ende
-het vooroordeel, die niet als te veel nog in swang gaan, af te leyden.</span>”
-</p>
-<p>Het blijkt dat Leeuwenhoek’s helder oordeel en zijn kennis van vele zaken door zijne
-stadgenooten en ook elders langzamerhand algemeen bekend was geworden en men hem over
-allerlei aangelegenheden kwam raadplegen. Zoo werd hij niet zelden door geneesheeren
-geraadpleegd over verschillende verrichtingen in het menschelijk lichaam en trachtte
-hij meermalen hunne in zijn oog verkeerde denkbeelden, door bewijzen te wederleggen,
-waarbij hij zich niet altijd van zekere bijtende scherpte onthouden kon, want hij
-was een man, die zonder aanzien des persoons zijn gevoelen rond weg uitsprak en wien,
-zoo als men zegt, het hart op de tong lag. Niet zelden geraakte hij dan ook met hen
-aan het discuteeren en veroordeelde met scherpte hunne verkeerde zienswijzen. Men
-oordeele over de volgende staaltjes<a class="noteRef" id="xd31e2471src" href="#xd31e2471">138</a>. „<span lang="nl">Weynige dagen geleden, kome ik by eene vrouwe, die eenige kleyne uytsypelinge van
-vogtigheden, beneden aan het been hadde”.… „Om nu het verhaalde ongemak te genezen,
-hadde seker geneesheer alle syne bedenkelyke middelen in ’t werk gestelt dog alles
-te vergeefs en tusschen beyde verscheyde purgeerende medicamenten ingegeven, onder
-anderen had ze een dag à twee daar te vooren een kleyn poeyertje ingenomen, waarvan
-ze wel agt afgangen hadde gehad. De geneesmeester sulks <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>geseyt werdende, bekende dat het te veel ware, en dat drie afgange genoeg hadde geweest”.…
-„De lydster is van geen starkte en daar by mager en gelijk wel 25 andere geneesmeesters,
-haar souden aanraden het matelyk theedrinken, soo verbied sulks haar genees-meester.
-Dese mishandeling van stark purgeren en hoorende dat haar ligchaam met roode puysten
-was uytgeslagen geweest, dede my uytbarsten met een hevigheid te seggen, soo een swak
-ligchaam soo een poeyer in te geven, sulken werkinge te veroorsaken is eer een moortmiddel,
-dan een geneesmiddel. Naderhand versta ik, dat het poeyertje, dat de afgange hadde
-veroorsaakt, omtrent een aas zwaarte heeft gewogen, dat geen tienduysenste gedeelte
-van een pont is. Als nu soo een kleyne quantiteit stoffe, sulke beweginge in maag
-en darmen kan te weeg brengen, mogen wy niet met regt soodanige stoffe een „Moortpoeder”
-noemen</span>”?
-</p>
-<p>Nog verhaalt hij<a class="noteRef" id="xd31e2481src" href="#xd31e2481">139</a> dat zeker Doctor in de medicynen hem een papiertje vertoonde, waarin eenige kleine
-deeltjes waren, door zekere jufvrouw in haar urine geloosd, met verzoek die te examineeren.
-Hij beschouwde deze voorwerpen door zijn microscoop en bemerkte al dadelijk, dat het
-zaadjes uit de aalbes waren. De geneesheer, die hij dit mededeelde, wist daar geen
-verklaring van te geven, en scheen niet ongenegen om de zaak voor mogelijk te achten,
-doch Leeuwenhoek bewees duidelijk, dat zulke zaadjes onmogelijk door de maag en ingewanden
-in de blaas konden geraken, maar was van gevoelen, dat eerder een der dienstboden
-die zaden in den waterpot zou geworpen hebben,<span class="corr" id="xd31e2484" title="Bron: ” "> „</span><span lang="nl">om door sulk doen, haar juffrouw te meerder kon beklaagt werden.</span>” „<span lang="nl">Wij vinden menschen</span>,” vervolgt <span class="corr" id="xd31e2492" title="Bron: hy">hij</span>, „<span lang="nl">die de naam wel willen dragen van doorgaans siekelyk te syn, omdat men haar beklagen
-en medelyden souden hebben.</span>”
-</p>
-<p>Van wege de „<span lang="en">Royal Society</span>” werd hem het onderzoek van haren opgedragen, die zeker geneesheer uit Pleymouth,
-Yonge genaamd, aan dat collegie had toegezonden, met mededeeling dat deze haren, volgens
-zeggen, door eene vrouw in hare <span class="corr" id="xd31e2503" title="Bron: urien">urine</span> geloosd waren. Hij voldeed aan die opdracht en ontdekte dat <span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>het niets anders was dan schapenwol, zoodat hier bedrog in het spel was<span id="xd31e2508"></span><a class="noteRef" id="xd31e2509src" href="#xd31e2509">140</a>.
-</p>
-<p>Leeuwenhoek verhaalt in dienzelfden brief nog een ander geval, waarin hij verzocht
-werd een steen te onderzoeken, die door zekere vrouw zou geloost zijn en waarvan hij
-het bedrog onmiddellijk aantoonde. „<span lang="nl">Een seker vrouwspersoon</span>,” zoo verhaalt hij, „<span lang="nl">maakte de onnosele menschen wys, dat zy verscheyde steenen, door ordinaire waterloosinge,
-met smert quyt wierde. Dit geloofde ook in die tijd seker geneesmeester, en ook eenige
-kerkelyke personen, soo dat vele medelyden met haar hadde, en groote opschuddinge
-in de stad maakte. Seker geneesheer (dien hij echter niet noemt waarschynlijk om de
-lichtgeloovige te sparen) gaf my soodanigen steen in de hand, om die te examineren.
-Maar ik gaf hem aanstonts over, nadat ik alvooren met myn sleutel op deselvige hadden
-geslagen, en daardoor met het bloote oog gesien, dat het een stuk van een gebakke
-vloersteen was. En sulks wierd ook by eenige Hooge-leeraars, die deselvige ten proeve
-hadden gestelt, bevestigt, en sedert dat deze valsheyt ontdekt was, heb ik niet gehoort,
-dat sy meer veynsde steenen quyt te worden.</span>”
-</p>
-<p>Overigens was zijn oordeel over geneeskundigen en het gebruiken van geneesmiddelen
-alles behalve gunstig. Hij was te zeer gewoon geraakt om de verrichtingen in het dierlijk
-lichaam nategaan en zal daar zeker veel over gelezen hebben, zoodat hij zich over
-de werking der geneesmiddelen een eigen oordeel en verklaring gevormd had, en vooral
-over de verandering, die het bloed door vermenging met zekere zouten onder het microscoop
-ondervond. Hij meende dan ook, dat het op gelijke wijze inwendig een dergelijken invloed
-zou ondervinden; vandaar dat hij vele ongesteldheden toeschreef aan den te dikken
-toestand van het bloed, zoodat het te traag door de nauwe capillaire buisjes vloeide.
-Hij meende dat veel drinken deze dikke bloedmassa weder zou verdunnen en paste deze
-theorie dan ook getrouwelijk op zijn eigen lichaam toe; zoo was zijn gewoonte<a class="noteRef" id="xd31e2525src" href="#xd31e2525">141</a> <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>als hij des avonds wat overvloedig gesoupeerd had, den anderen morgen meer dan gewoonlijk
-koffie te gebruiken en wel zoo heet en schielijk mogelijk, ten einde zweeten te bevorderen,
-„<span lang="nl">en soo door sulk doen</span>” zegt hij, „<span lang="nl">mijn lighaam niet kan herstelt worden, een gantschen Apoteecq, beeld ik my in, sal
-soo veel tot herstelling van myn lighaam niet konnen uytleveren, en dit is ook het
-eenigste middel, die ik sedert veel jaren hebbe in ’t werk gestelt, als ik een koorts
-gewaar werd, alleen met dat onderscheyd, dat ik my ook door thé-drinken soo doe sweeten.</span>” Na eene lange redeneering over de gevolgen van het te dik zijn van het bloed, de
-vertraging der circulatie en het ontstaan hierdoor van allerlei ongesteldheden, besluit
-hij met de volgende, gansch niet malsche tirade, waarbij ook de Apotheker zijn deel
-krijgt:.… „<span lang="nl">Dit soo synde, is het te beklagen, dat de geneeskunde geoeffent werd van soo veele,
-by de welke geen goet oordeel is, want wat Apoteeker, wat Chirurgyn isser, die sig
-niet onderwint in geringe voorvallen, purgeerende saaken in te geven, en dit is by
-veele het eenigste dat sy verrigten konnen, waardoor ze veele haar eynde komen te
-verhaasten, want de meeste hebben gants geen kennis van het maaksel van ons lighaam,
-veel min dat ze de bequaamheid hebben, om de sieke wel te ondervragen, en dan te overwegen
-waaruyt de ongemakken syn voortkomende. Het werd by eenige geoordeelt datter geneesmeesters
-gevonden worden, die maar om welstaans wille en als niet te vergeefs by de sieken
-te komen, het eene ofte het andere ordonneeren, en ten anderen, omdat ze de medicamenten
-souden leveren, of ook wel om de Apoteeker gelt in de beurs te jagen</span>”.… Zelf had hij dan ook weinig vertrouwen in de geneesheeren en was er niet toe te
-brengen, bij voorkomende ongesteldheid, geneesmiddelen te gebruiken. „<span lang="nl">Wat my belangt</span>,” zegt hy, „<span lang="nl">wij sullen wel wagt houden, dat soodanige moort-poeders<a class="noteRef" id="xd31e2547src" href="#xd31e2547">142</a> uyt ons lighaam blyven, en ook wel wagten voor alle geneesmeesters, die diergelyke
-lighaam schade <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>toebrengende, sulke saaken in ’t werk stellen. Want soodanigen medicament berooft
-het lighaam van de dunne stoffe, die de menigvuldige vaatgens, leggende in de holligheden
-van de darmen, uyt de chyl soude overgenomen, ons bloet en andere sappen verdunt,
-en voedsel toegebracht hebben. Ook blykt klaar, dat meest alle de geene die heden
-door purgeren verscheyde afgangen hebben gehad, des anderen daags hardlyvig sullen
-syn, welke hardlyvigheid alleen veroorsaakt werd, beeld ik my in, omdat het lighaam
-des daags te vooren, door het ontydig wegstooten van de chyl, gebrek aan genoegsamen
-vogt geleden heeft, nu alle de vogt uyt hetgeene men genuttigt heeft, soodanig uit
-het lighaam heeft overgenomen, dat de excrementen hard syn.</span>”
-</p>
-<p>Ook had hij dikwijls langdurige gesprekken met geneeskundigen over de voeding en de
-verteering der spijzen, over de circulatie van het bloed door het ligchaam en over
-de bestrijding van de toen heerschende meening, dat het bloed, door de lucht die in
-de longen door het inademen komt, in een gistenden toestand geraakt. Hierover laat
-hij zich aldus uit<a class="noteRef" id="xd31e2558src" href="#xd31e2558">143</a>: „<span lang="nl">Ik heb sedert eenige jaren tegen verscheyde doctoren tragten staande te houden, dat
-’er geen fermentatie in het bloed is, en onder anderen ook op wat manier ik my imagineerde,
-dat het bloed door het lighaam wierd voortgestooten, hoe hert en pols in een koortsige
-stark slaande, egter de circulatie van het bloet (meest) langsamer is; hoe onse vlees
-draatjens, schoon er geen bloedvaatjens door loopen, egter van het arteriaal bloed
-gevoed werden; hoe de spys in de maag en darmen verbryselt werd. Onder de doctoren
-was er een die my meenigmaal quam besoeken; dese verhaalde in presentie van andere
-Heeren, dat hy een groot gevallen had gehad in myne stellinge; dat hy laatst van my
-vertrekkende met nog een doctor, die in ’t geselschap was, den gantschen nagt, over
-myne redenen, die ik gewisselt had, hadde gephilosopheert; dat hy daarover soude schryven,
-maar my de eer soude geven, alsoo hy met een ander zyn gedagten niet wilde pronken.</span>”
-</p>
-<p>Leeuwenhoek had echter ook zonderlinge denkbeelden over <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>sommige zaken; zoo schreef hij de oorzaak, waarom bij voorbeeld azijn en andere zuren
-een zuren smaak bezaten, daaraan toe, dat de aan beide zijden scherp toeloopende kristalletjes,
-die hij onder het microscoop waarnam, als hij azijn op een glaasje van zelf liet verdampen
-en die hij „<span lang="nl">het zout van den edik</span>” (azijn) noemde, met deze scherpe of nijpende deelen op den tong prikken en het gevoel
-veroorzaken, dat wij zuur noemen! Eveneens schrijft hij het gevoel van hitte of branden
-van de peper op de tong toe, aan de scherpe naaldvormige kristallen, die hij door
-aftrekken van peper in water onder het microscoop bekwam en die hij de „<span lang="nl">soutdeelen der peper</span>” noemde; deze deelen nu zouden dan met hun scherpe deelen zoodanig op de tong of
-in den mond steken, of kwetsen, dat men daardoor de bekende heete of brandende smaak
-ondervond. Zoo ook schreef hij de vergiftige werking der kwikzouten daaraan toe, dat
-de puntige scherpe uiteinden der microscopische kristalletjes, de darmwanden en bloedvaten
-verwondden en daardoor dikwijls de dood veroorzaakt werd!
-</p>
-<p>De zoete smaak werd volgens Leeuwenhoek veroorzaakt, doordat de deelen van de suiker,
-hoewel uit scherpe punten of hoeken bestaande, in het vocht van den mond de scherpte
-verliezen en eene zoo zachte buigzame gedaante aannemen, dat, wat zij op de tong ontmoeten,
-daarvoor buigen moet waardoor deze zoo aangenaam daar zijn, dat zij ons den smaak
-van zoet doen gevoelen<a class="noteRef" id="xd31e2576src" href="#xd31e2576">144</a>.—
-</p>
-<p>Vragen van allerlei aard werden dikwijls aan zijn oordeel onderworpen en men ging
-zelfs zoo ver, dat men aan hem de kennis over verborgen zaken toeschreef, oordeelende
-dat de ontdekkingen, die hij bekend maakte, tot de onmogelijkheden behoorden en alleen
-met behulp van geheime kunsten konden bewerkt worden. „<span lang="nl">Ik weet wel</span>,” zoo zegt hij in een brief aan zijn neef Dr. Abraham van Bleyswyk<a class="noteRef" id="xd31e2584src" href="#xd31e2584">145</a>, <span class="corr" id="xd31e2587" title="Niet in bron">„</span><span lang="nl">dat dit mijn schrijven bij eenigen niet zal aangenomen werden, als oordeelende dat
-de geseyde ontdekkingen onmogelijk zijn te weeg te brengen; <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>maar ik trek mij zoodanig tegenspreken niet aan. Men seyt tegenwoordig by de onverstandige
-nog van my, dat ik een tovenaar ben; ende dat ik de menschen vertoon dat ’er niet
-en is, dog het is haar te vergeven, zy weten niet beter.</span>”
-</p>
-<p>Allerlei onderzoekingen werden hem opgedragen, door aanzienlijke stadgenooten, geleerden,
-corporatiën en handelaars. Ieder stelde prijs op zijn ervaring en doorzicht en hij
-was er de man niet naar om een onderzoek, dat hem was opgedragen, niet met ernst te
-ondernemen, of te rusten, voor dat hij een bevredigend resultaat van de hem voorgestelde
-onderzoekingen kon geven. De Royal Society noodigde hem onder anderen in 1680 uit
-om zijne proeven, over de werking van sommige scheikundige praeparaten, waarover hij
-reeds vroeger zijne bevinding had medegedeeld, voort te zetten. Zij voegde er bij
-„<span lang="nl">dat zijne speculatiën over dit onderwerp ten hoogste waardig waren om verder te worden
-vervolgd ter ontdekking der verborgen werking der geneesmiddelen in het menschelijk
-lichaam.</span>” Zij bevalen hem dit onderzoek aan met hartelijke toewensching van een goed succes<a class="noteRef" id="xd31e2598src" href="#xd31e2598">146</a>.
-</p>
-<p>Leeuwenhoek bleef niet in gebreke aan die vereerende opdracht te voldoen. Dit onderzoek
-bepaalde zich bij de waarneming met het microscoop van de verandering die de bloedlichaampjes
-ondervonden, als zij met sommige stoffen, vooral sal volatile oleosum werden vermengd.
-Hij zag dan bij dit laatste dat het bloed dadelijk eene veel lichter roode kleur verkreeg,
-terwijl hij waarnam dat de bloedlichaampjes binnen een kwart minuut verdwenen waren.
-Deze kleursverandering en oplossende werking moet aan de ammonia worden toegeschreven,
-waaruit dit praeparaat hoofdzakelijk bestaat, zijnde een mengsel van <span lang="la">ammonia liquida</span>, met barnsteen-, muscaatnoot-, anijs-, en kaneel-olie.
-</p>
-<p>Paulus Hermanus, Hoogleeraar in de Kruidkunde te Leiden, stelde zijn groot cabinet
-van zaden voor hem open, daar hij Leeuwenhoek’s belangrijke waarnemingen omtrent de
-structuur van het hout en andere merkwaardige onderzoekingen betrekkelijk de planten-physiologie
-waardeerde en persoonlijk met hem bekend was. Hij noodigde Leeuwenhoek uit de zaden,
-die hem behaagden, <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>ter onderzoeking er uit te nemen. Onder meer andere viel zijn aandacht op het „Carpok-zaad”,
-hetwelk hij beschrijft<a class="noteRef" id="xd31e2610src" href="#xd31e2610">147</a> als de zaaddragende vrucht van <span lang="la">Panjala sive Arbor lanigera Bontii</span>, in den „Hortus Malab.” T. III pag. 59. Wij maken hier alzoo kennis met dezelfde
-stof, welke wij als kapok kennen<a class="noteRef" id="xd31e2616src" href="#xd31e2616">148</a>.
-</p>
-<p>In het jaar 1685 werd door Constantijn Huygens zijn oordeel gevraagd over de mogelijkheid,
-dat boomen, omgekeerd in de aarde geplant, wortelen, en de takken en bladeren in den
-grond tot wortelen zouden kunnen groeien<a class="noteRef" id="xd31e2633src" href="#xd31e2633">149</a>. De bewoordingen van dien brief van den beroemden Huygens zijn zoo vleiend voor Leeuwenhoek
-en getuigen zoo zeer van de hooge achting, die Huygens voor hem koesterde, dat ik
-mij niet kan onthouden deze hier in te voegen.
-</p>
-<blockquote lang="nl">
-<p class="first dateline">Hage den 17 December 1685.
-</p>
-<p class="salute">Monsieur Leeuwenhoek,
-</p>
-<p><span id="xd31e2642"></span>Ik en werde nooyt moede UE. onvermoeyde neerstigheyt te pryzen, in ’t ondersoek van
-geheymenissen die weynig van onse voor-ouderen in gedachten syn gekomen, en veele
-van onse nakomelingen tot een licht en spoor sullen strekken, om dieper en dieper
-waarheden op te delven. UE. is daartoe tegenwoordig op een fraay pad, daar van niet
-ligt en behoort te scheyden; soo groot is ’t gevolg van aller dingen eerste begintselen,
-soo UE. meer en meer staat gewaar te werden.
-</p>
-<p>Ik weet niet of gy ooyt kennisse hebt gehadt van het planten van boomen averegtsom,
-soo dat de wortelen in de lucht tot takken uytgroeyen. Verstaat Lindenboomen. Tot
-nog toe en hebben ’t myn hovenieren niet te wege konnen brengen. Maar myn autheur
-is al te aansienlyk om my daer aan te laten twyfelen. <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>Dat was voor eenige jaren den Heer <span class="corr" id="xd31e2648" title="Bron: Churfust">Churfurst</span> van Brandenburg hier synde met syn tweede Churfurstinne, die my beyde in vollen ernst
-confirmeerden, menigte van experimenten van sulke wortel-boomen onder haar gebied
-te hebben, uytstekende in groote wijdte, boven het gewoonlyk gewas. Myn zoon van Zeelhem<a class="noteRef" id="xd31e2651src" href="#xd31e2651">150</a> sedert met syn Hoogheyt in die landen geweest, verklaart er sig mede getuyge af.
-</p>
-<p>UE. discoursen van ’t gewas van de boomen en kruyden hebben my dit weder in gedenken
-gebragt. UE. kan der op speculeren en bedenken hoe het overeen kan gebragt werden,
-met hetgeene UE. ondervind in de maximen van de nature u soo verre bekent. Ik blijve
-</p>
-<p class="salute">Uw altoos dienstwillige vriend en dienaar,
-<br>C. Huygens, V. Z.</p>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>Leeuwenhoek oordeelde dat dit zeer wel kon, als de klapvliezen (schuinloopende streepen)
-in de groote vaten zoo ver konden gebracht worden, dat zij door het opgestooten vocht,
-averechtsom gedrukt werden, en dat hij dit reeds twintig jaar geleden bij een wijngaard
-had opgemerkt, waarvan hij eene jonge plant in het midden dwars doorsneed en den een
-onderst boven naast den anderen in den grond plantte, en nadat deze wijngaart twee
-a drie jaren gestaan had, kon hij geen onderscheid aan beiden zien en droegen beiden
-goede vruchten. Ook liet hij nu in zijn tuin twee jonge lindeboomen planten, de een
-op de gewone wijs en de andere met de wortels naar boven, welke laatste, hoewel aanvankelijk
-trager in het groeien, zich toch later goed ontwikkelde en wortelde.
-</p>
-<p>In 1690 onderzocht hij de zoo schadelijke insecten, die hunne eieren in het koren
-leggen en zoo doen ontstaan wat men gewoonlijk de klander noemt.
-</p>
-<p>Het wormpje door de korenkopers en bakkers „wolf” genoemd, beschrijft hij uitvoerig,
-gaat zijn metamorphose na, totdat het als een vliegend motje uit het omwindsel van
-de pop te voorschijn komt. Hij had opgemerkt dat eenige dezer motjes, die <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>hij in een glazen buis had gesloten waarin hij de damp van brandende zwavel had laten
-komen, daardoor stierven. Aanstonds was zijn practische geest gereed dit verschijnsel
-in het groot toe te passen op het verdrijven van deze plaag van de graanzolders. Uit
-de grootte van het buisje dat hij gebezigd had en de hoeveelheid zwavel door hem gebruikt,
-maakte hij eene berekening hoeveel zwavel er noodig zou zijn, om een korenzolder te
-zuiveren en vond dat daartoe een pond zwavel voldoende was, als men dit in twee a
-drie potten op den zolder geplaatst liet verbranden, waarbij dan alle openingen goed
-gesloten moesten worden; deze zwaveling moest men doen zoodra de motten bespeurd worden
-en vóór dat zij in de gelegenheid waren eieren te leggen, en deze bewerking eenige
-dagen achter elkander volhouden<a class="noteRef" id="xd31e2666src" href="#xd31e2666">151</a>.
-</p>
-<p>Deze zelfde zuiveringsmethode paste hij ook toe, naar aanleiding van een verzoek van
-Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, om maatregelen te beramen tegen den worm
-in de muscaatnoot. Hij was van oordeel, dat, wanneer de zolders, waar de nooten bewaard
-werden, alle maanden goed werden gezwaveld, de levende insecten, die uit de wormen
-kwamen, zouden gedood en dus het verder doorknagen der nooten zou voorkomen worden.
-Ook achtte hij het zwavelen van het ruim der schepen, waarin men de nooten inlaadde,
-zeer dienstig, ter verjaging van dit en ander ongedierte<a class="noteRef" id="xd31e2672src" href="#xd31e2672">152</a>.
-</p>
-<p>In 1696 werd hem door Nicolaas Witson, President Burgemeester van Amsterdam, uit naam
-van Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, het onderzoek opgedragen van een mineraal
-uit Tartarije afkomstig. Dit bleek hem bij verhitting in een glazen buis veel lood
-te bevatten. Later onderzocht hij nog een ander uit Sumatra en vond daarin goud en
-zilver, benevens zwavel, dat hij in een gesmolten toestand verzamelde<a class="noteRef" id="xd31e2677src" href="#xd31e2677">153</a>.
-</p>
-<p>Hij onderzocht ook het katoenzaad en merkte onder anderen op dat het veel olie bevatte,
-en dat men, door die af te <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>zonderen, er een groote hoeveelheid van in den handel zou kunnen brengen, ten einde
-voor velerlei doeleinden gebruikt te worden<a class="noteRef" id="xd31e2686src" href="#xd31e2686">154</a>. Tarwe, rogge, gerst, boekweit en een menigte andere zaden werden door hem ontleedkundig
-onderzocht en tevens de zetmeelbolletjes er uit afgezonderd, die hij nauwkeurig beschrijft
-en afbeeldt; dit deed hij ook van rijst, boonen, erwten, enz. en beschreef de verandering,
-die zij ondergaan, wanneer zij, na met water verwarmd te zijn, door het microscoop
-beschouwd worden<a class="noteRef" id="xd31e2689src" href="#xd31e2689">155</a>. Verder ontdekt hij dat het onderscheid tusschen witte en zwarte peper alleen daarin
-gelegen is, dat de laatste het onrijpe zaad is, nog bekleed met zijn buitenste omkleedsel
-terwijl de inwendige rijpe witte korrel de witte peper is, die dan ook krachtiger
-is dan de onrijpe zwarte peper<a class="noteRef" id="xd31e2692src" href="#xd31e2692">156</a>.
-</p>
-<p>Belangrijk is ook zijn onderzoek naar het ontstaan en den aard der zoogenaamde galnoten,
-waarvan hij den waren aard goed waarnam en het insect beschreef, waaraan zij hun ontstaan
-te danken hebben<a class="noteRef" id="xd31e2697src" href="#xd31e2697">157</a>. Wij hebben boven gezien dat hij op een zijner portretten, in het bezit van Dr. van
-Kaathoven, met een met galnoten voorzienen eiken tak is afgebeeld, hetwelk op dit
-onderzoek doelt. Zulk een met galnoten voorzienen eiken tak vindt men ook in den geciteerden
-50sten Brief afgebeeld op blz. 44, met doorgesneden galnoten, en het insect dat wij
-kennen als galwesp, (<span lang="la">Cynips Gallae tinctoriae</span>).
-</p>
-<p>Nog vond hij dat het branden of steken der brandnetels veroorzaakt wordt door een
-vocht, dat zich bij de aanraking der fijne haartjes waarmede de stengels en bladen
-bezet zijn, daaruit ontlast en in de huid dringt<a class="noteRef" id="xd31e2705src" href="#xd31e2705">158</a>. Ook het steken der mieren en het brandend gevoel en de opzwelling daardoor waargenomen,
-schrijft hij toe aan een scherp vocht, dat deze insecten bij het steken uit hun angels
-ontlasten<a class="noteRef" id="xd31e2708src" href="#xd31e2708">159</a>.
-<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span></p>
-<p>Evenzoo bestudeerde hij het vlies, dat het wit der eieren onder de schaal bedekt en
-vond dat dit uit onderscheidene zeer dunne vliezen bestond, waarvan hij er acht waarnam<a class="noteRef" id="xd31e2714src" href="#xd31e2714">160</a>.
-</p>
-<p>De vorm der gistcellen ontsnapte evenmin aan zijne nasporingen; hij onderzocht biergist
-en vond dat die uit zeer vele kleine ronde „globulen” bestond, waarvan er dikwijls
-2, 3 en 4 samen gevoegd waren; het is niet te verwonderen dat hij omtrent het ontstaan
-en den waren aard der gist geen juiste voorstelling had, daar men eerst in veel lateren
-tijd daaromtrent tot klaarheid is gekomen. Hij beschrijft ze als door de hitte van
-het water „<span lang="nl">ontdane deeltjes van de tarwe, gerst, enz. die, als het bier koud geworden was, weder
-stremden en alzoo de zeer kleine deeltjes of globulen in het bier vormden</span>”.
-</p>
-<p>Aan Leeuwenhoek komt ook de eer toe het eerst zoetwater-polypen (?) te hebben waargenomen,
-doch de hier volgende beschrijving toont, dat het door hem waargenomen dier geen zoetwater-polyp
-kan geweest zijn, maar waarschijnlijk Vaginicola crystallina. Hij deelde deze waarneming
-mede aan de Royal Society in zijn missive van 4 November 1704<a class="noteRef" id="xd31e2724src" href="#xd31e2724">161</a>, terwijl hij in een anderen brief, eveneens aan dit collegie, d.d. 28 Juni 1713<a class="noteRef" id="xd31e2729src" href="#xd31e2729">162</a> het maaksel van dit diertje, dat in een kokertje, onder aan eendekroos vastgehecht,
-geplaatst was, beschrijft. Hij deelde mede dat dit kokertje aan het uiterste einde
-iets dikker was dan een hoofdhaar en bestond uit kleine ronde bolletjes. Hij zag dat
-als het diertje zijn lichaam uit het kokertje bracht en de raderen en tandsgewijze
-deeltjes in het rond bewoog, er dan zulk een rond deeltje uit eene doorschijnende
-plaats te voorschijn kwam, welk deeltje, in grootte toenemende, zeer snel om zijn
-as draaide en onveranderlijk zijn plaats bleef behouden, tot zoo lang het diertje
-zijn lichaam voor een gedeelte in het kokertje plaatste en dit alzoo met een rond
-bolletje vergroot werd. Door <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>de groote beweging, die het diertje met zijn raderwerk in het water teweegbracht,
-werden vele kleine deeltjes naar hetzelve heengevoerd, die het met groote gulzigheid
-tot zijn voedsel bezigde. Hij beschrijft verder nog eene andere soort, die met een
-„langen staart”<a class="noteRef" id="xd31e2734src" href="#xd31e2734">163</a> aan de worteltjes van het eendekroos waren vastgehecht, en die, door het uiterste
-van hun lichaam snel rond te draaien, het water in groote beweging brachten. Deze
-konden hun „staart” snel in- en uittrekken, waardoor het water van plaats veranderde,
-en zij gelegenheid hadden hun voedsel tot zich te trekken. Hij zag er nog andere,
-die veel grooter waren, met een kort en dik lichaam, die eveneens met een „staartje”
-aan het kroos vast zaten; deze konden zich verplaatsen en maakten met het voorste
-gedeelte van hun lichamen eene ronddraaiende beweging.
-</p>
-<p>Bij de vermelding van de hoogst belangrijke ontdekkingen en waarnemingen van Leeuwenhoek,
-die onze aandacht hebben bezig gehouden, zou ik zijne verdiensten te kort doen, indien
-ik niet te dezer plaatse opzettelijk stilstond bij zijne ontdekkingen op het gebied
-der planten-anatomie, waarvan de Hoogleeraar H.&nbsp;C. van Hall getuigt<a class="noteRef" id="xd31e2739src" href="#xd31e2739">164</a>, „dat deze inzonderheid, wanneer wij den tijd nagaan, waarin Leeuwenhoek leefde,
-van veel gewicht zijn en talrijke microscopische ontdekkingen bevatten, welke velen
-gewoon zijn als uit lateren tijd afkomstig aan te merken.”
-</p>
-<p>Zijn eerste belangrijke onderzoeking op het gebied der plantenkunde, die wij van hem
-beschreven vinden, is vervat in een brief aan Robert Hooke, d.d. 12 Januari 1680<a class="noteRef" id="xd31e2744src" href="#xd31e2744">165</a> en betreft de inwendige vorming van het hout. Hij beschrijft daarin de groote opgaande
-vaten van het eikenhout en toont aan dat deze ieder voorjaar het eerst in het hout
-gevormd worden<a class="noteRef" id="xd31e2747src" href="#xd31e2747">166</a>, waardoor de afscheiding der verschillende jaarkringen duidelijk wordt. Hij <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>wees aan, hoe deze vaten van binnen gevuld zijn met blaasjes, die uit zeer dunne vliesjes
-bestaan en beeldde deze ook af.
-</p>
-<p>Deze groote opgaande vaten zijn de Holz-zellen van Schultz<a class="noteRef" id="xd31e2756src" href="#xd31e2756">167</a>. Leeuwenhoek spreekt ook nog van kleiner opgaande vaten en wijst duidelijk aan, dat
-de vliesjes, waaruit deze bestaan, gestippeld zijn met deeltjes, die hem „als globulen”
-voorkwamen<a class="noteRef" id="xd31e2759src" href="#xd31e2759">168</a>. Daar nu Leeuwenhoek (volgens van Hall) reeds in 1680 het aanzijn der stippen aanwees,
-wordt hij te recht gehouden voor den ontdekker der, door de nieuwere plantkundigen
-aldus genoemde gestippelde vaten (<span lang="la">vasa spiralia punctata</span>). De derde soort van opgaande vaten, die Leeuwenhoek waarnam, beschrijft hij als
-„zeer klein en in groote menigte aanwezig, bestaande mede uit zeer dunne vliesjes”<a class="noteRef" id="xd31e2765src" href="#xd31e2765">169</a>. Dit zijn volgens van Hall de verlengde cellen van Kieser of de vasa fibrosa van
-Link. Verder wees Leeuwenhoek de schuins loopende streepen op de gestippelde vaten
-aan en beeldt deze zeer duidelijk af<a class="noteRef" id="xd31e2768src" href="#xd31e2768">170</a>.
-</p>
-<p>Van de mergstralen (radii medullares) onderscheidt Leeuwenhoek de groote mergstralen
-van de kleinere, die tusschen de opgaande vaten (verlengde cellen of vasa fibrosa)
-zijn samengedrongen<a class="noteRef" id="xd31e2774src" href="#xd31e2774">171</a>. De afbeelding, die hij van deze mergstralen tusschen de verlengde cellen in het
-olmenhout geeft, is zeer fraai en duidelijk.
-</p>
-<p>Leeuwenhoek heeft veel bijgedragen tot de kennis der eenvoudige spiraalvaten en ontdekte
-deze het eerst in den wortel van den muscaatnootboom. Hij leverde daarvan reeds in
-1695 eene zeer duidelijke afbeelding en beschrijft<a class="noteRef" id="xd31e2779src" href="#xd31e2779">172</a> zulk een spiraalvat, dat ten deele uit zoodanige kringsgewijze deelen is samengesteld,
-even als of, zegt hij „<span lang="nl">wy ons inbeelden te hebben eene seer dikke spelt ende dat wy om soodanige spelt digt
-omwonden hadden een seer dun koperdraatje, en dat wy, na de omwindinge, de spelt uyt
-het koperdraat hadden getrokken, als wanneer het <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>dunne koperdraat de omwindinge voor het meerendeel hadde behouden.</span>” De bladen der boomen, zegt hij<a class="noteRef" id="xd31e2787src" href="#xd31e2787">173</a> bestaan uit deze eenvoudige spiraalvaten, als ook de zaadstrengen van den amandel,
-hazelnoot enz.
-</p>
-<p>Leeuwenhoek moet ook gehouden worden voor den ontdekker van de niet ontrolbare spiraalvaten
-(Treppengange), die hij in 1692 in het lindenhout beschreef<a class="noteRef" id="xd31e2792src" href="#xd31e2792">174</a>.
-</p>
-<p>Als bovenal merkwaardig wijst Prof. van Hall op de nasporingen die Leeuwenhoek nog
-na zijn 80ste levensjaar in het werk gesteld heeft omtrent de inwendige samenstelling
-van het hout van den kokosboom. Hij beschrijft namelijk in een brief aan Boerhaave,
-d.d. 28 Sept. 1716<a class="noteRef" id="xd31e2797src" href="#xd31e2797">175</a>, de van die onzer gewone boomen geheel verschillende vorming van dit hout en wijst
-aan<a class="noteRef" id="xd31e2800src" href="#xd31e2800">176</a> hoe deze soort van palmboom geen eigenlijk gezegde schors bezit; geen horizontale
-vaten of mergstralen<a class="noteRef" id="xd31e2803src" href="#xd31e2803">177</a>; hoe de bundels spiraalvaten in dit hout niet in een jaarkring vereenigd, maar verspreid
-staan<a class="noteRef" id="xd31e2807src" href="#xd31e2807">178</a>. Eindelijk geeft Leeuwenhoek eene beschrijving van de „witachtige stoffe, die van
-binnen tegen de harde schors van de noot aanligt en mede uit spiraalvaten schijnt
-samengevoegt te syn;” de daarbij door hem gevoegde afbeelding geeft, volgens van Hall,
-een zeer klaar denkbeeld der zoogenaamde vasa vermiformia.
-</p>
-<p>Zijne verdere waarnemingen over de poreuse cellen<a class="noteRef" id="xd31e2812src" href="#xd31e2812">179</a>; de eigene bewegende bolletjes in het eigen sap (<span lang="la">succus proprius</span>)<a class="noteRef" id="xd31e2818src" href="#xd31e2818">180</a>; de verklaring van de eerste wording der cellen<a class="noteRef" id="xd31e2821src" href="#xd31e2821">181</a>; de vorming van nieuwe cellen uit de oudere<a class="noteRef" id="xd31e2824src" href="#xd31e2824">182</a>; de beschrijving der samengestelde <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>cellen in de mattebies<a class="noteRef" id="xd31e2830src" href="#xd31e2830">183</a>—dit alles doet hem kennen als een nauwkeurig waarnemer, en bevat veel dat door de
-nieuwere natuuronderzoekers op gelijke wijze geleerd wordt<a class="noteRef" id="xd31e2833src" href="#xd31e2833">184</a>.
-</p>
-<p>Minder gelukkig, zegt Prof. van Hall, is Leeuwenhoek geweest ten aanzien van de vorming
-der vrucht en van het zaad. Hij verviel namelijk door zijne vergelijking van de voortteeling
-der dieren met die der planten wel eens in verkeerde begrippen. Leeuwenhoek’s beschrijving
-en afbeelding echter van de wijze, waarop de zaadlappen (cotyledones) in het zaad
-van de boekweit zijn omgeplooid en opgevouwen in het midden van het meel (albumen)<a class="noteRef" id="xd31e2838src" href="#xd31e2838">185</a>, waaruit dit zaad hoofdzakelijk bestaat, noemt van Hall „opmerkenswaardig”. Leeuwenhoek
-vestigt de aandacht op het nut van deze meelachtige stof tot voeding der kiemende
-plant en leert ons, hoe die stof niet aanwezig is in vele andere zaden, waarin dan
-de geheele holte van het zaad door de kiem zelve wordt aangevuld.
-</p>
-<p>Verder heeft Leeuwenhoek het een en ander opgeteekend over de ontkieming der planten
-en heeft het eerst de kieming van het fijne pluizige zaad der wilgen, in 36 uren tijds,
-beschreven en afgebeeld<a class="noteRef" id="xd31e2843src" href="#xd31e2843">186</a> enz. enz.
-</p>
-<p>Uit deze opgaven ziet men, dat Leeuwenhoek niet minder dan in het dierenrijk, ook
-in het plantenrijk hoogst belangrijke ontdekkingen en onderzoekingen heeft bewerkstelligd,
-die recht geven hem ook in dezen tak der natuurwetenschap onder de beste onderzoekers
-te tellen.
-</p>
-<p>De getuigenis die G.&nbsp;R. Treviranus<a class="noteRef" id="xd31e2849src" href="#xd31e2849">187</a> van Leeuwenhoek geeft: „dat hij, niettegenstaande de mindere volkomenheid zijner
-werktuigen, toch vele zaken beter dan latere waarnemers met veel sterker vergrootende
-microscopen, gezien heeft,” is wel verdient, en Kieser zegt<a class="noteRef" id="xd31e2852src" href="#xd31e2852">188</a> van de vier voornaamste grondleggers van de ontleding der planten het volgende:
-<span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span></p>
-<p>„Hooke geeft <span class="corr" id="xd31e2862" title="Bron: slechfs">slechts</span> enkele, doch bruikbare microscopische afbeeldingen, Grew is het bevalligste, Malpighi
-het uitvoerigste, maar Leeuwenhoek het getrouwste. Malpighi en Grew hebben zich dikwijls
-door vooraf opgevatte meeningen laten wegslepen, doch hunne werken zijn systematisch.
-Leeuwenhoek geeft slechts alleen staande, doch rijke en tot nu toe vaak miskende bijdragen
-tot de hoogere planten-anatomie.” En het mag dan ook eene welverdiende hulde genoemd
-worden aan den onvermoeiden natuuronderzoeker, dat de beroemde Engelsche plantkundige
-R. Brown een nieuw planten-geslacht uit Nieuw-Holland ter zijner eere naar zijn naam,
-Leeuwenhoekia, genoemd heeft.<span id="xd31e2865"></span> „<span lang="la">In memoriam</span>,” zegt hij, „<span lang="la">Antonii van Leeuwenhoek, micrographi celeberrimi, in cujus operibus plures et perpulchrae
-observationes de plantarum structura exstant</span>”<a class="noteRef" id="xd31e2873src" href="#xd31e2873">189</a>.
-</p>
-<p>Het is niet doenlijk al den arbeid door Leeuwenhoek behalve het reeds opgenoemde verricht,
-in al de bijzonderheden te vermelden; wij zouden anders nog stil moeten staan bij
-de ontdekking der „aalachtige diertjes” in den azijn, de bacteriën in het vuil en
-slijm der tanden, de kristalvorm die hij van een groot aantal verschillende zouten
-beschreef, de pissteenen en mineralen die hij analyseerde, de koraalgewassen die hij
-onderzocht; in een woord, schier geen voorwerp was er dat zijn aandacht ontsnapte
-en waaraan hij niet zijne krachten beproefde, ten einde zijn weetlust te voldoen en
-den waren aard, de eigenschappen en samenstelling er van te leeren kennen.
-</p>
-<p>Die lust tot werken bleef hem onafgebroken gedurende zijn geheele leven bij, en verflauwde
-niet bij het klimmen zijner jaren en „<span lang="nl">zelfs nog 36 uren vóór zijn dood, toen hij bijna 91 jaren oud was, en zijn leden al
-begonnen te verkleumen (zoo verhaalt ons Boitet, „Beschrijving van Delft, pag. 768”),
-gloeide het vuur van yver noch soodanig, dat hy met zyn byna versteve en stamelende
-lippen zyn gedachten noch op het papier liet stellen, over eene soort van zant, ’t
-geen hem door zeker aanzienlyk Heer en Bewinthebber der Oost-Indische Compagnie <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>behandigt wiert, om te zien of ’er ook eenig gout onder verborgen was</span>”<a class="noteRef" id="xd31e2893src" href="#xd31e2893">190</a>.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Zeer veel van de belangrijkste voorwerpen, welke Leeuwenhoek gedurende zijn lang leven
-onderzocht, bewaarde hij, ieder met het daarbij behoorend microscoop-stelletje, ten
-einde die van tijd tot tijd aan eene nadere beschouwing te kunnen onderwerpen, of
-ze aan zijne vrienden of belangstellenden, die hem van heinde en ver kwamen bezoeken,
-te vertoonen. Volgens den Hoogleeraar Harting<a class="noteRef" id="xd31e2911src" href="#xd31e2911">191</a> was Leeuwenhoek de eerste, die gezegd kan worden eene verzameling van microscopisch
-anatomische praeparaten te hebben aangelegd. En dat hij in de vervaardiging daarvan
-bijzonder uitmuntte, blijkt zoowel uit de door hem zelven gegeven beschrijvingen als
-uit de getuigenis zijner tijdgenooten, die in de gelegenheid waren zijne praeparaten
-te zien. Folkes, een tijdgenoot en president der „<span lang="en">Royal Society</span>” te Londen, deelt daaromtrent het volgende mede<a class="noteRef" id="xd31e2917src" href="#xd31e2917">192</a>:
-</p>
-<p>„Bovendien moeten wij niet vergeten, dat hij door eene bijzondere bekwaamheid uitmuntte
-in het praepareeren zijner voorwerpen, ten einde die op de <span class="corr" id="xd31e2925" title="Bron: geschikste">geschiktste</span> wijze door het microscoop te beschouwen en ik ben overtuigd, dat iedereen dit met
-mij eens zal zijn, die eenige van deze voorwerpen zelf zal willen onderzoeken, zoo
-als die nog goed geconserveerd door zijne lenzen te zien zijn. Wat mij aangaat, zoo
-heb ik zoo veel moeilijkheid ondervonden in deze toebereiding der voorwerpen, dat
-er bij voorbeeld een zeer groot verschil bestond in het voorkomen van een en hetzelfde
-voorwerp, en dat, zoo als het door Mr. <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>Leeuwenhoek gepraepareerd was, toen het door mij zelf werd onderzocht. Ik heb nu deze
-opmerking gemaakt, opdat men zich wel wachten zou voorbarig een der observaties van
-dezen Heer te veroordeelen, wanneer het niet gelukt die door zijn eigen glazen te
-verifieeren. Wij voor ons zijn in dit opzicht in veel ongunstiger voorwaarden geplaatst,
-doordien Leeuwenhoek veel meer ondervinding heeft dan wij, en hij zelf heeft ons gewaarschuwd,
-dat zelfs zij, die het meest geoefend zijn in het gebruik van zijne lenzen, zich nog
-kunnen bedriegen, indien zij hun oordeel gronden op hetgeen zich aan hun oog voordoet,
-voordat zij zich door herhaalde proefnemingen er van verzekerd hebben. Maar wij hebben
-zulk een groot aantal zijner verrassendste ontdekkingen gezien, die door de meest
-oordeelkundige waarnemers zijn bevestigd geworden, dat wij zeker geen de minste reden
-hebben zijn getrouwheid te wantrouwen in al de andere waarnemingen, die niet zoo herhaaldelijk
-en met zulk een groote zorg zijn onderzocht geworden als deze.”
-</p>
-<p>Dat Leeuwenhoek zijne praeparaten een aantal jaren in goed geconserveerden staat wist
-te bewaren, kan ook blijken uit zijn eigen bewoordingen in een brief, d.d. 17 November
-1716, aan Leibnitz geschreven<a class="noteRef" id="xd31e2932src" href="#xd31e2932">193</a>. „<span lang="nl">Ik hebbe sedert eenige weynige weeken aan twee Heeren Professoren van grooten naam
-de doode (zaad) diertjes, soo als ik deselve wel twaalf jaren geleden op een seer
-dun glaasje hadde geplaatst, laten sien, waaraan men seer bescheydelyk het lighaam
-en de staart konde bekennen.</span>”
-</p>
-<p>Men kan aannemen, dat de praeparaten die door Leeuwenhoek bewaard werden geen andere
-bewerking ondergaan hebben, dan dat zij gedroogd werden; eene handelwijze, zoo als
-de Hoogleeraar Harting zegt, die tot voor korten tijd schier de eenige was, die men
-tot dit oogmerk bezigde.
-</p>
-<p>De verzameling microscopische praeparaten, die Leeuwenhoek heeft nagelaten en die
-met de daarbij behoorende microscoopstellen voorkomen in den Catalogus der verkooping,
-die daarvan na zijn dood te Delft gehouden werd (zie bl. 38), bestond uit de volgende
-voorwerpen:
-<span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span></p>
-<p>DIERLIJKE VOORWERPEN.
-</p>
-<ul>
-<li><span class="seg">Spiervezelen van</span> <span class="seg">een</span> walvisch.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Spiervezelen</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">een</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> kabeljauw.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Spiervezelen</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> het hart van een eendvogel.
-</li>
-<li>Dwarse doorsnede der spieren van eene visch.
-</li>
-<li>Huidschubben van een mensch.
-</li>
-<li>Kristal-lens van een os.
-</li>
-<li>Bloedbolletjes van een mensch.
-</li>
-<li>Lever van een varken.
-</li>
-<li>Dwarse doorsnede der blaas.
-</li>
-<li>Blaas van een os.
-</li>
-<li>Papillae der tong van een os.
-</li>
-<li><span class="seg">Haar</span> <span class="seg">van een</span> schaap.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Haar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">een</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> bever.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Haar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">een</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> eland.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Haar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">een</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> beer.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Haar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> uit de neus.
-</li>
-<li><span class="seg">Schub van een</span> baars.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Schub</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">een</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> tong.
-</li>
-<li>Spinwerktuig <span class="seg">van eene spinnekop</span>.
-</li>
-<li>Draden <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">eene</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">spinnekop</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span>
-</li>
-<li>Angel <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">eene</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">spinnekop</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span>
-</li>
-<li>Tanden <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">eene</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">spinnekop</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span>
-</li>
-<li>Oogen <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">eene</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">spinnekop</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span>
-</li>
-<li>Spinwerktuig van een zijdeworm.
-</li>
-<li>Hersenen van eene vlieg.
-</li>
-<li>Gezichtszenuwen van eene vlieg.
-</li>
-<li>Uiteinde der pooten.
-</li>
-<li>Angel en koker <span class="seg">van eene vloo</span>.
-</li>
-<li>Pooten <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">eene</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">vloo</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span>
-</li>
-<li><span class="seg">Oogen van een</span> rombout.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Oogen</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">een</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> kever.
-</li>
-<li>Angel <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">een</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg">luis</span>.
-</li>
-<li>Huid <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">een</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">luis</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span>
-</li>
-<li>Legangel <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">een</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">luis</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span>
-</li>
-<li>Bloedkoraal.
-<span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span></li>
-<li>Doorsnede van een oesterschelp.
-</li>
-<li>Ongeboren oesters in een buisje.</li>
-</ul><p>
-</p>
-<p>PLANTAARDIGE VOORWERPEN.
-</p>
-<ul>
-<li><span class="seg">Dwarse en overlangsche doorsnede van</span> ijpenhout.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Dwarse</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">en</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">overlangsche</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">doorsnede</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> greenenhout.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Dwarse</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">en</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">overlangsche</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">doorsnede</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> ebbenhout.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Dwarse</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">en</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">overlangsche</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">doorsnede</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> lindenhout.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Dwarse</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">en</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">overlangsche</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">doorsnede</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> eikenhout.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Dwarse</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">en</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">overlangsche</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">doorsnede</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> kaneel.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Dwarse</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">en</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">overlangsche</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">doorsnede</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> kurk.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Dwarse</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">en</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">overlangsche</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">doorsnede</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> bies.
-</li>
-<li>Doorsnede van uitgedolven hout.
-</li>
-<li>Kiem uit het zaad der rogge.
-</li>
-<li>Vaatbundels uit de muscaatnoot.</li>
-</ul><p>
-</p>
-<p>MINERALE VOORWERPEN.
-</p>
-<ul>
-<li><span class="seg">Stukjes</span> wit marmer.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Stukjes</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> bergkristal.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Stukjes</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> diamant.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Stukjes</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> bladgoud.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Stukjes</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> stofgoud.
-</li>
-<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Stukjes</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> zilvererts.
-</li>
-<li>Salpeter-kristallen enz.</li>
-</ul><p>
-</p>
-<p>Het volgende moge tot bewijs strekken dat Leeuwenhoek niet enkel door zijne microscopische
-waarnemingen uitmuntte, maar ook op ander gebied met goed gevolg de natuurwetenschappen
-beoefende:
-</p>
-<p>Hij verhaalt in een brief aan den Heer Nicolaas Witsen, Burgemeester van Amsterdam,
-d.d. 10 Juli 1696, hoe hij eenige jaren geleden met den Heer Christiaan Huygens over
-de dagelijksche omwenteling der aarde sprekende, hem een door hem uitgevonden toestel,
-voor eene aanschouwelijke verklaring van deze beweging liet zien, welke geleerde daarin
-zoo veel genoegen had, dat hij Leeuwenhoek verzocht ook voor hem zulk een toestel
-te maken. Het bestond in eene flesch of glazen bol met korten wijden hals, welke hij
-met water vulde en er eenige stukjes fijngeslagen rood lak in deed; daarna hing hij
-er een looden kogel in, waarin een klein gaatje geboord was, waardoor een <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>touwtje was gestoken waaraan de kogel hing. Hij sloot vervolgens de glazen bol met
-eene kurk, welke eveneens met eene opening voorzien was waardoor het touwtje ging.
-Hij liet nu de kogel door middel van dit in de kurk gestoken touw zoo ver in den bol
-zakken, dat deze maar even van den bodem van het glas verwijderd was, waarna hij den
-bol omgaf met een netsgewijs gevlochten touw of lint, welks einden zoo lang waren,
-dat deze een voet boven den hals van den glazen bol uitkwamen; deze einden nam hij
-te samen en draaide ze, terwijl de bol op een kussen op de tafel stond, vele malen
-met de vingers, even als een koord, om.
-</p>
-<p>Nu lichte hij den geheelen aldus ingerichten toestel aan deze ineengedraaide uiteinden
-even van het kussen op, waardoor dus de bol in eene snelle ronddraaiende beweging
-geraakte. De loden kogel nu in de glazen bol stelde den aardbol voor, het water in
-den bol de waterachtige lucht waarin wij leven, en de stukjes lak de wolken. Wanneer
-nu de bol in de beschreven ronddraaiende beweging was, bleef de kogel alleen, ofschoon
-langzaam ronddraaiende, als stil hangen, terwijl de lakdeeltjes, die, toen de bol
-nog in rust was, zich om den kogel gelegerd hadden, in het omdraaien zich tegen de
-wanden van den bol plaatsten en zich dus zoo ver van den kogel verwijderden, als de
-holte van den bol zulks toeliet. Plaatste hij nu het toestel weder op het kussen,
-zoo zag hij, dat de lakdeeltjes verward op den kogel nedervielen. Nu gaf hij aan dit
-experiment de volgende verklaring: dat, gelijk door de beweging van het glas de lakdeeltjes
-van den kogel werden weggestooten, hij zich voorstelde, dat de wolken door de dagelijksche
-omwenteling of <span class="corr" id="xd31e3167" title="Bron: draaing">draaiing</span> van den aardbol in de lucht werden opgehouden, en dat, even als met het stil houden
-van het glas al de lakdeeltjes zich rondom den kogel plaatsen en deze bedekken, hij
-zich voorstelde dat het toe zou gaan, wanneer de aardbol stil stond en het heelal
-om de aarde werd bewogen, namelijk; dat al de wolken en ook de waterdeelen en andere
-zware stoffen, waarin wij leven, niet in de lucht zouden kunnen blijven zweven, maar
-nederstorten op den aardbol. Verder toonde hij aan, door de kurk met het touwtje,
-waaraan de kogel in den bol hing, uit den <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>hals op te trekken, doch zoo, dat hij het <span class="corr" id="xd31e3172" title="Bron: touwje">touwtje</span> met den kogel zoo laag liet zakken, dat deze nabij den bodem van den glazen bol aan
-kwam leggen, en hij dan dezen kogel door zachtjes aan het touw, waaraan hij hing te
-draaien, in eene rondgaande beweging bracht, dat de lakdeeltjes van den kogel werden
-afgestooten, waaruit hij de beweging van de aarde om haren as aanschouwelijk voorstelde
-en waardoor eveneens de vochtige dampen werden weggestooten.
-</p>
-<p>Deze aanschouwelijke voorstelling van de ronddraaiende beweging der aarde schijnt
-aan Huygens stof tot nadenken te hebben gegeven, hij beschrijft eene verbeterde inrichting
-van den glazen bol, door die te vervangen door een cilindrisch vat, en wel in een
-brief aan Leeuwenhoek, van 6 Maart 1690, waarvan zich het manuscript in de bibliotheek
-der Leidsche Hoogeschool bevindt.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Het was geen wonder dat landgenoot en vreemdeling begeerte gevoelden een man persoonlijk
-te leeren kennen van wien zoo grooten naam uitging, wiens waarnemingen algemeen eene
-buitengewone belangstelling hadden opgewekt en wiens ontdekkingen op de gewichtigste
-vraagstukken der physiologie van menschen, dieren en planten betrekking hadden.
-</p>
-<p>Het ontbrak dan ook niet aan een tal van personen, die hem gingen opzoeken; velen
-voorzeker werden alleen gedreven door de begeerte om hunne nieuwsgierigheid te bevredigen
-en het wonderbare, waarvan het gerucht tot hen gekomen was, met eigen oogen te aanschouwen,
-maar ook niet weinigen, die door edeler drijfveeren werden aangespoord en vooral zijne
-microscopen wenschten te zien waarmede hij zulke ontdekkingen deed, ten einde zoo
-mogelijk het geheim zijner bewerking van hem te leeren. Voorts kwamen zij om hunne
-bewondering over zijne waarnemingen te betuigen, wetenschappelijke quaesties, die
-hij ter sprake gebracht had, te overwegen en hulde te brengen aan zijn onvermoeide
-vlijt en volhardenden ijver. Herhaalde malen kwamen hem dan ook leden der beroemde
-Royal Society bezoeken en brachten hem de groeten over van de grootste Engelsche geleerden,
-zoo als Robert Hooke, François Aston, Christopher <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>Wren, Hans Sloane, Nehemiah Grew, Richard Waller, Thomas Gale enz. enz., die hem dikwijls,
-als bewijs hunner belangstelling, afdrukken der „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” toezonden, waarin zijne ontdekkingen waren opgenomen en andere wetenschappelijke
-onderwerpen, die daarmede in verband stonden, werden behandeld.
-</p>
-<p>Beroemde landgenooten, zoo als <span class="corr" id="xd31e3189" title="Bron: Constantyn">Constantijn</span> en Christiaan Huygens, Reinier de Graaf, Swammerdam, Heinsius, Boerhaave<span class="corr" id="xd31e3192" title="Bron: .">,</span> Ruysch, enz. bezochten hem herhaaldelijk en bespraken met hem de onderwerpen, die
-hunne belangstelling hadden opgewekt. Genees- en Heelmeesters kwamen niet zelden zijn
-gevoelen vragen over onderwerpen van geneeskundigen aard, terwijl zijn briefwisseling
-met de meesten hunner, alsmede met Leibnitz, Cink, Narrez, Rega, Gerard van Loon,
-Poot, Rabus en anderen, de stof leverden voor de belangrijke verzameling, die onder
-den naam van „de brieven van Leeuwenhoek” niet minder dan een 190tal bedragen, behalve
-nog een aanzienlijk aantal aan bijzondere personen, die niet in zijne verzameling
-gevonden worden en het meer dan honderdtal, waarvan ik boven melding maakte als na
-zijn dood ter verkoop aangeboden, en waarvan er zeker hier en daar in bijzondere verzamelingen
-nog zullen te vinden zijn.
-</p>
-<p>Onder de geleerde vreemdelingen, die niet verzuimden bij het bezoeken van ons land
-ook een uitstap naar Delft te doen, ten einde den beroemden Leeuwenhoek te zien en
-het een en ander merkwaardigs van hem te beschouwen, behoort ook een geleerde Duitscher
-Zacharias Conrad von Uffenbach. Deze verhaalt, in zijn in 1754 in het licht gegeven
-„<span lang="de">Merkwürdige Reisen durch Nieder-Sachsen, Holland und Engelland 3er Th.</span>”, dat hij met zijn broeder op den 4den December 1710 een bezoek bracht „bij den beroemden
-„<span lang="it">Observatore microscopico</span> Leeuwenhoek”,<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> doch dat hij daartoe eene bijzondere <span class="corr" id="xd31e3205" title="Bron: aanbeveeling">aanbeveling</span> noodig had<a class="noteRef" id="xd31e3208src" href="#xd31e3208">194</a>, daar Leeuwenhoek, die toen reeds 78 à 79 jaren oud was, den toegang tot hem niet
-meer zoo gereedelijk toestond, dewijl hij gedurig door allerhande nieuwsgierige bezoekers
-<span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>bleek lastig gevallen te zijn; zoo als blijkt uit het verzoek dat zoowel Leeuwenhoek,
-als zijne dochter Maria, aan de reizigers bij hun vertrek op het hart drukten, om
-aan niemand te zeggen dat zij bij haar vader waren toegelaten geworden. „<span lang="de">Als wir gehen wolten</span>” verhaalt Uffenbach „<span lang="de">bate sowohl der wunderliche Mann, als auch seine Tochter instäntlich, dasz wir doch
-niemand sagen solten, dasz wir bey ihne gewesen und etwas gesehe; denn es seye alt,
-und des vieles Ueberlaufens, sonderlich von Leuten, die keine rechte Liefhaber seyen,
-ganz mühe.</span>”
-</p>
-<p>Uffenbach en zijn broeder werden bij dit bezoek door de dochter van Leeuwenhoek vriendelijk
-ontvangen en vooraf in eene zijkamer gelaten, waar zij hun verhaalde „dat haar vader
-sedert eenige jaren veel nieuwe zaken met zijne microscopen ontdekt had, doch dat
-hij bij zijn leven niets meer van zijne waarnemingen wilde uitgeven, dewijl men hem
-in geschriften smadelijk bejegend om zijne meeningen over sommige onderwerpen bespot
-had en hem beschuldigde dat hij meer door zijne verbeelding dan door zijne glazen
-had gezien.”
-</p>
-<p>De geleerde reizigers werden door Leeuwenhoek „<span lang="de">gar höflich</span>” ontvangen. Het eerste dat hij hun zeer duidelijk en schoon liet zien, was de omloop
-van het bloed in den staart van eene kleine bot. Verder vertoonde Leeuwenhoek in eene
-mossel de ontwikkeling der jongen, ook sneed hij een darm der mossel open en toonde
-door zijn microscoop eene groote hoeveelheid zand aan, dat de mossels met het slijm,
-waarin zij leven tot zich nemen. Hij meende daarbij dat dit zand diende tot vorming
-der schalen voor de jongen, even als de hoenders behoefte hebben aan zand en kalk
-voor de vorming der eierschaal.
-</p>
-<p>Voorts toonde Leeuwenhoek in een haarbuisje meer dan dertig uiterst kleine jonge oesters
-in <span lang="la">spiritus vini</span> bewaard, welke zeer duidelijk te onderkennen waren.
-</p>
-<p>Op hun vraag, hoe hij deze kleine oesters in zulke haarbuisjes had gekregen, antwoordde
-hij, dat hij den darm eener oester opensneed en met een pennemes een weinig van de
-daarin vervatte materie nam, hetwelk hij dan op den nagel van zijn duim afstreek,
-waarop hij vervolgens een droppel brandewijn goot en het haarbuisje in dit mengsel
-stak, waardoor het vocht <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>dan van zelf door het capillair vermogen werd opgezogen, en daarmede ook de jonge
-oesters in het buisje kwamen.
-</p>
-<p>Behalve nog andere merkwaardige zaken vertoonde Leeuwenhoek een zandkorreltje, dat
-even als het schoonste kristal met facetten voorzien was<span class="corr" id="xd31e3237" title="Bron: ,">.</span>
-</p>
-<p>Verder vertoonde hij nog de schub van eene visch en liet hen de verschillende laminae
-zien, waaruit zij bestond die allen over elkander lagen.
-</p>
-<p>Ook wilde Leeuwenhoek hen toonen, dat de mensch, zoo als hij meende, ook schubben
-zou bezitten en schraapte met een pennemes langs zijn arm, van welk afschraapsel hij
-een weinig op een glaasje bracht. Nog vertoonde hij het oog eener vlieg, bestaande
-uit talrijke zeszijdige halve bolletjes, „<span lang="de">welchen Herr Leeuwenhoek vor lauter Augen hielte, und also die <span class="corr" id="xd31e3246" title="Bron: vliegen">Vliegen</span> zu mehr als Argus machte.</span>” Ook liet hij de vleugel eener vlieg met hare talrijke vertakkingen van zenuwen en
-aderen zien; alsmede de angel eener mug. Deze vertoonde zich door zijn microscoop
-wel twee duimen lang te zijn; en eindelijk liet hij <span class="corr" id="xd31e3250" title="Bron: hem">hen</span> zijn cabinet zien, waarin hij, zegt Uffenbach, wel een driehonderdtal van de genoemde
-microscopen, met voorwerpen voorzien, bewaarde.
-</p>
-<p>Betreffende het gesprek dat de gebroeders vervolgens met Leeuwenhoek hielden over
-de wijze waarop hij zijne glazen sleep, en of hij er geene uit gesmolten glasbolletjes
-vervaardigde, en over andere bijzonderheden, de vervaardiging zijner microscopen betreffende,
-heb ik reeds het noodige op blz. 25 vermeld.
-</p>
-<p>De gebroeders Uffenbach maakten het echter met al hun vragen en uithooren onzen Leeuwenhoek
-vrij lastig, daar zij zeer goed bemerkten, dat hij op zijn hoede was, om zich niet
-meer dan hij dienstig oordeelde over enkele bijzonderheden uit te laten. „<span lang="de">Doch lockten wir ihm</span>” zoo verhaalt Uffenbach met zekere genoegdoening over zijn listig uithooren, „<span lang="de">durch allerhande Frage eines und des andere aus.</span>”
-</p>
-<p>Onze reizigers verlieten hem zeer voldaan en verheugd, dat zij zoo veel merkwaardigs
-bij dezen „<span lang="de">wunderlichen Alten</span>,” gezien hadden.
-</p>
-<p>Onder de vorstelijke personen, die van den beroemden micrograaph <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>gehoord hadden en hem in Delft opzochten, vinden wij het bezoek aangeteekend van Anton
-Ulrich, Hertog van Brunswijk; Karel II en George I, koningen van Engeland; de Landgraaf
-van Hessen Cassel; Augustus koning van Polen; Frederik I, koning van Pruissen; de
-Keurvorst van den Palts en zijn zoon en broeder; Prins Lichtensteyn, die hem namens
-Karel III, koning van Spanje kwam uitnoodigen om met zijne microscopen in den Haag
-te komen, ten einde hem die te laten zien; Anna Maria, koningin van Engeland, en eindelijk
-Czaar Peter I van Rusland.
-</p>
-<p>Omtrent het bezoek van deze twee laatstgenoemde vorstelijke personen vond ik de volgende
-bijzonderheden:
-</p>
-<p>Toen in het jaar 1691 of 1692 de koningin van Engeland ons land bezocht, begaf zij
-zich ook naar Delft om den beroemden Leeuwenhoek te zien en zijne microscopische merkwaardigheden
-te beschouwen, doch vond hem niet in de stad. Geen wonder dat Leeuwenhoek, toen hij
-bij zijne terugkomst vernam, welk een hooge personage hem bezocht had en welk eene
-groote onderscheiding hem daardoor beschoren was geweest, zich over die teleurstelling
-zeer beklaagde. Hij wenschte echter zijne erkentelijkheid voor dit bezoek op eene
-wijze te betoonen, die hem toedacht de Hooggeplaatste bezoekster het meest welgevallig
-te zijn en droeg in eene sierlijke voorrede een gedeelte, namelijk, het derde vervolg
-zijner brieven, die hij voor de pers had gereed gemaakt, aan haar op.
-</p>
-<p>Gelukkiger was hij echter eenige jaren later bij gelegenheid van een bezoek hier te
-lande van Czaar Peter I, in 1697–1698.
-</p>
-<p>Mr. Gerard van Loon<a class="noteRef" id="xd31e3276src" href="#xd31e3276">195</a> beschrijft dit bezoek aan Leeuwenhoek op de volgende wijze:
-</p>
-<p>„Zijn (Czaar Peter I) vertrek uit ’s Gravenhage geschiedde met een binnenjagt over
-Delft, alwaar hij de deftige wapenhuizen der Staten van Holland met zeer veel oplettendheid
-bezigtigde en het jacht voor het kruithuis der Algemeene Staten, nabij Delft, deed
-stil houden, en door twee Heeren zijns gevolgs <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>den vermaarden Antoni van Leeuwenhoek deed verzoeken van zich in een der volgende
-vrachtschepen met zijn weergalooze vergrootglazen bij hem te vervoegen, dewijl hij
-zelf bij het doorvaren aan zijn huis wel zou gekomen zijn, bijaldien hij dit om den
-toevloed der menigte te ontvlieden met verdagt niet had achtergelaten. Hij vervoegde
-zich derwaarts en had de eer van onder andere zeldzame ontdekkingen den wonderlijken
-omloop des bloeds in een aale-staart, door middel zijner zonderlinge vergrootglazen
-tot zoo groot genoegen des Vorsts te doen beschouwen, dat zoo in deze als in andere
-bespiegelingen bij de twee uren werd gesleten en de Czaar vóór zijn vertrek den gemelden
-Leeuwenhoek, wegens te laten zien van zoo overkleyne voorwerpen bij handtasting ook
-van zijne zonderlinge dankbaarheid verzekerde.”
-</p>
-<p>Het is inderdaad niet te verwonderen, dat bij het ondervinden van zoo veel onderscheiding
-en belangstelling in zijn persoon en werkzaamheden, het hart van den eenvoudigen Kamerbewaarder
-van H.H. Schepenen van Delft zich wel eens een weinig zal verheven hebben, of dat
-eenig gevoel van trots hem bezielde. De uitingen van bewondering van hetgeen men bij
-hem zag, vervulden dan ook zijn hart met groote vreugde.
-</p>
-<p>„Ik heb” zoo schreef hij aan den Secretaris der „<span lang="en">Royal Society</span>”, toen hij, nu de bekendmaking van zijne ontdekking der bloed lichaampjes en zijne
-waarnemingen van den bloedsomloop daarover een zeer vleienden brief ontvangen had<span class="corr" id="xd31e3292" title="Bron: .">,</span> „<span id="xd31e3295"></span>met een levendig genoegen gezien, dat mijne microscopische waarnemingen niet onaangenaam
-zijn geweest aan u, noch aan uwe vrienden de philosophen en dit heeft mij krachtig
-aangespoord om mijne nasporingen voort te zetten;” of waar hij, van wege de „<span lang="en">Royal Society</span>” een brief ontving<a class="noteRef" id="xd31e3300src" href="#xd31e3300">196</a> waarin de Secretaris Richard Waller hem schrijft: „<span lang="nl">Wij hebben de uwe van enz.… ontvangen en in eene vergadering van de R.&nbsp;S. vertoont,
-alwaar ze gelesen wierden tot genoegen van alle de tegenwoordige leden; en daar werd
-bevolen, dat men U.E. bedanken soude over U.E. vriendelijke communicatiën, U.E. alle
-voorspoet <span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span>die U.E. selfs begeeren kunt toewenschende en u ook aanmoedigende om voort te varen
-en nieuwe ontdekkingen van dees selve natuere te maken, nademaal niemant beter versien
-is met gereetschap, of beter gebruyk daarvan in microscopische observatien heeft gemaakt,
-als U.E. zelfs.</span>”
-</p>
-<p>Behalve de belangstelling, die Leeuwenhoek door de vereerende bezoeken die hij ontving,
-mocht ondervinden, werden zijne verdiensten op vele andere wijzen erkend en werd hij
-door vele aanzienlijken met groote hartelijkheid en onderscheiding bejegend. Zoo bleek
-de hartelijke wijze, waarop hij in het huisgezin van een der aanzienlijkste landgenooten
-steeds ontvangen werd, uit de opdracht van het vijfde vervolg zijner brieven aan den
-Heer Frederik Adriaan, Baron van Reede, Heer van Renswoude enz. enz.
-</p>
-<p>Verschillende dichters, waaronder ook Arnold Hoogvliet en de beroemde Poot, voelden
-zich geïnspireerd om de brieven, die door den toen reeds 86jarigen grijsaard geschreven
-waren en onder den naam van „Sendbrieven” het 5de deel van de brieven van Leeuwenhoek
-uitmaken, in te leiden.
-</p>
-<p>In den aanhef schildert de dichter Hoogvliet, hoe de bloemen, het gras en de klaver,
-die in de Mei-maand hun geuren verspreiden, in het najaar en in den winter verdwenen
-zijn, en alles gestorven is; wijst op een wonder, namelijk een hof, die altijd bloeit
-en waarin bloemen en vruchten te garen zijn, die de groote Leeuwenhoek in den winter
-van zijn leven geplant heeft en zelfs deed rijpen: En nu vervolgt hij:
-</p>
-<div lang="nl" class="lgouter">
-<p class="line">„Zagt, myn Zangnimf, wil bedaaren!
-</p>
-<p class="line xd31e3314">’t Is geen winter in ’t vernuft,
-</p>
-<p class="line">Dat, na vijf en tachtig Jaaren,
-</p>
-<p class="line xd31e3314">Altydt arbeydt onversuft.
-</p>
-<p class="line">Hoe zou ’t winter weezen konnen,
-</p>
-<p class="line xd31e3314">In het brein des grooten mans,
-</p>
-<p class="line">Dat, door zoo veel glaaze zonnen,
-</p>
-<p class="line xd31e3314">Staag met warmte, licht en glans,
-</p>
-<p class="line">Wordt gekoestert en beschenen?” enz.</p>
-</div>
-<p class="first">Hij beschrijft dan verder in vloeiende regelen de verschillende <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>waarnemingen en ontdekkingen door hem in dier en plant met zijn microscoop gedaan,
-waardoor in het schijnbaar kleinste en nietigste schepsel de grootste wonderen worden
-ontdekt. Dit opmerkende, zegt hij, zal men:
-</p>
-<div lang="nl" class="lgouter">
-<p class="line">Aanstonts, vol verbaastheit zeggen,
-</p>
-<p class="line xd31e3314">Dit’s gedaan door de eige handt,
-</p>
-<p class="line">Die den bliksem maakte en donder,
-</p>
-<p class="line xd31e3314">Die de hemelkringen sloot
-</p>
-<p class="line">Want het onbegrijplijk wonder
-</p>
-<p class="line xd31e3314">Is zoowel in ’t kleyne als ’t groot.</p>
-</div>
-<p class="first">Ontbrak het Leeuwenhoek niet aan bewijzen, dat men zijne verdiensten waardeerde en
-op prijs stelde, zoo schijnt men die echter, wat ons land betreft, niet door bijzondere
-erkenning te hebben beloond; zoo men daaronder ten minste niet rekenen wil, de douceurs,
-die het bestuur van Delft, wegens het ten geschenke ontvangen van eenige zijner gedrukte
-brieven aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” hem gegeven heeft. Men vindt namelijk in het „6de lopende memoriaal” van H.H. Burgemeester
-van Delft, de volgende aanteekening:
-</p>
-<p>„Den 4 April 1693, per cassa, aan Antony van Leeuwenhoek de somma van 36 gld., over
-de „presentatie” zijner brieven, zijnde: „Brieven, geschreven aan de Koninkl. Societeyt
-te Londen.”<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Voor het 5<sup>de</sup> en 6<sup>de</sup> vervolg dier Brieven, ontving de groote natuurvorscher, <span class="corr" id="xd31e3357" title="Bron: respectivelijk">respectievelijk</span> 30 en 24 gld. Dergelijke vereeringen of douceurs (zoo schreef mij Mr. Soutendam)
-waren toen zeer gebruikelijk. O. a. ontving ’s mans tijdgenoot Dr. Abrahamus Berkel,
-Rector der Latijnsche scholen,<span id="xd31e3360"></span> voor de „dedicatie” van: „<span lang="la">Enchiridion Epicteti</span>,” hetwelk hij met zijn noten heeft doen drukken en uitgeven, de som van 63 gld.
-</p>
-<p>Dat zoodanige erkenning echter, ten minsten later, al ware die geschied, in zijn smaak
-zou gevallen zijn, mag men uit enkele uitdrukkingen in zijn correspondentie betwijfelen.
-Leibnitz schijnt dit punt in eene briefwisseling met Leeuwenhoek te hebben aangeroerd;
-althans zegt hij, in een antwoord aan Leibnitz <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>d.d. 13 Maart 1716<a class="noteRef" id="xd31e3370src" href="#xd31e3370">197</a>. „<span lang="nl">Die geene die in onzen landen, om haar kennisse en wetenschappen, vergelding krygen,
-dat syn Heeren Professoren, Predicanten, en de Meesters in de Latynze schoolen, die
-soo veel Latyn konnen, dat ze de jonge luyden in die taal konnen onderwijsen. De groote
-hemelbeschouwer, wylen Christiaan Huygens, heeft mij verhaalt, dat sekere persoon
-in eene andere provinsie twee duysent guldens heeft bekomen, over syn dienst in ’t
-maken van tafels. Waar over de selve misnoegt was, seggende, men behoorde hem beter
-uyt het lant te bannen, als dat gelt te geven; want hy heeft eerlyke luyden beledigt.
-In ’t kort</span>” zegt L. ten slotte „<span lang="nl">ik weyger giften om niet verpligt te syn.</span>”
-</p>
-<p>Intusschen was men toch in het buitenland er op bedacht den ijverigen natuuronderzoeker
-geschenken aan te bieden, als blijken van de waardeering zijner werkzaamheden.
-</p>
-<p>Zoo vereerde hem de Landgraaf van Hessen-Cassel, op zijn reis door Holland, waarbij
-hij Leeuwenhoek in Delft bezocht en vele belangrijke zaken uit zijne verzameling bezichtigd
-had, uit erkentelijkheid, twee gedenkpenningen met diens beeltenis voorzien.
-</p>
-<p>Toen Leeuwenhoek den Landgraaf daarover zijn dankbaarheid in een brief betuigde, antwoordde
-deze hem, zoo als Leeuwenhoek dit in hetzelfde schrijven aan Leibnitz vermeldt<a class="noteRef" id="xd31e3383src" href="#xd31e3383">198</a>. „Uwe gift is grooter als de mijne.”
-</p>
-<p>Eene groote onderscheiding viel hem den 24sten Mei 1716 te beurt, van wege de Hoogeschool
-te Leuven. Hij was al sedert geruimen tijd met Antoni Cink, Narrez en Rega, Hoogleeraren
-in de Natuur- en Geneeskunde aldaar in correspondentie. Deze briefwisseling geschiedde
-veelal door tusschenkomst van Mr. Gerard van Loon, den bekenden schrijver der Nederlandsche
-Historiepenningen, en werd in de jaren 1713–1715 gevoerd.
-</p>
-<p>Deze Hoogleeraren, leden van het Collegie van „’t Wilde Swijn” te Leuven, voelden
-zich gedrongen aan Leeuwenhoek een schitterend blijk hunner achting en warme belangstelling
-<span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>aan te bieden. Op hun last namelijk werd een zilveren gedenkpenning vervaardigd, die
-op de voorzijde het borstbeeld van Leeuwenhoek vertoonde, met het omschrift: „<span lang="la">Antonius Leeuwenhoek Regiae Societatis angliae membrum.</span>”
-</p>
-<div class="figure p116width"><img src="images/p116.png" alt="Gedenkpenning." width="359" height="713"></div><p>
-</p>
-<p>Op de andere zijde ziet men in het verschiet de stad Delft, en op den voorgrond een
-bijen-korf, met eenige daarom rondvliegende <span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span>bijen, benevens eene bloeiende plant, terwijl de spreuk uit Virgilius er op voorkomt
-(Georgia IV. v. 6.)
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p lang="la" class="line">In tenui labor, at tenuis non gloria<a class="noteRef" id="xd31e3404src" href="#xd31e3404">199</a>.</p>
-</div>
-<p class="first">Gerard van Loon werd persoonlijk belast hem dit eereblijk, met een begeleidend, vereerend
-schrijven, op plechtige wijze te overhandigen. Leeuwenhoek betuigde in een brief aan
-genoemde Professoren zijn grooten dank, ook voor het Latijnsch lofdicht, dat bij wijze
-van opdracht er aan was toegevoegd. Van dit gedicht zegt hij, dat het was: „<span lang="nl">Vol van vloeijende aardigheden</span>”.
-</p>
-<p>Als een bewijs hoe gevoelig Leeuwenhoek was wegens de groote eer hem aangedaan, diene
-hetgeen hij laat volgen: „<span lang="nl">En als ik gedenk aan de loftuytingen, die in UEd. brief, ende in het lofdigt, werden
-gemelt, soo werde ik niet alleen schaamroot, maar myn oogen tranen meermalen; te meer
-omdat myn arbeyt, dien ik veel jaren agter een gedaan hebbe, niet is geweest om den
-lof dien ik nu geniet, daardoor te behalen, maar meest uyt een drift van weetgierigheyt,
-die in my meer woont, gelijk ik merk, dan in veel andere menschen.</span>” (Het blijkt uit een brief aan Leeuwenhoek, d.d. 22 Juni 1716, dat dit gedicht was
-vervaardigd door J.&nbsp;G. Kerkherdere „<span lang="nl">synen Keyserlyke en Koninglyke Majesteits-Historicus.</span>”) In dezen brief geeft hij nogmaals lucht aan zijn dankbaar gevoel, in bewoordingen,
-die als eene bijdrage te meer mogen gelden van de waardeering van Leeuwenhoek’s karakter.
-Hij drukt zich aldus uit: „<span lang="nl">.… ende dat ingesien hebbende, stond ik verbaast, met ontsteltenisse van myn ligchaam,
-over de menigvuldige uitdruksels van hooge agtinge, die UE. Hooggeleerde ende wydvermaarde
-Heere, in uw noyt volpresen vers komt te doen. Ik ken immers my selven tot soo verre,
-dat ik op het honderste deel niet waardig ben de uytdrukselen, die gy over myn geringen
-arbeyt komt te doen: want die komt alleen voort uyt een neyginge, die ik hebbe om
-de beginselen van de geschapene saaken te ondersoeken, tot soo verre als het my mogelyk
-was.</span>”
-<span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span></p>
-<p>De dichter Poot maakte op dezen gedenkpenning het volgende bijschrift:
-</p>
-<div lang="nl" class="lgouter">
-<p class="line xd31e3314">De Rotte duik’ daer de oven,
-</p>
-<p class="line">Erasmus in metael verkeert,
-</p>
-<p class="line xd31e3314">Wij loven ’t kunstig Loven (Leuven)
-</p>
-<p class="line">Dat d’ eer van Delf met zilver eert.
-</p>
-<p class="line xd31e3314">’t Zent Leeuwenhoek naar ’t leven,
-</p>
-<p class="line">Aan Leeuwenhoek, door munt herteelt,
-</p>
-<p class="line xd31e3314">Wat kon men grooter geven?
-</p>
-<p class="line">Dees helt verdient een zinnebeelt.
-</p>
-<p class="line xd31e3314">Doch wort de magt niet kranker,
-</p>
-<p class="line">Zoo glinstert hy van gout op ’t lest;
-</p>
-<p class="line xd31e3314">Maar ’t zilver is vry blanker,
-</p>
-<p class="line">En dat gelykt zyn inborst best.
-</p>
-<p class="line xd31e3314">Dus pryst de School ’s mans grysheit,
-</p>
-<p class="line xd31e3314">De wysheit kroont de wijsheit!</p>
-</div>
-<p class="first">De grootste eer nogtans, waarop Leeuwenhoek zelf den hoogsten prijs stelde en waarop
-hij met verschoonbare verheffing dikwijls roemde, was zijne benoeming tot „Lid der
-Royal Society te Londen.” Deze onderscheiding viel hem te beurt toen hij nog in de
-kracht van zijn leven was, namelijk op 46jarigen leeftijd. Ik spreek er het laatst
-van omdat ik de bijzonderheden, die deze benoeming voorafgingen en vergezelden, eenigszins
-uitvoeriger wilde mededeelen; daarbij heb ik gebruik gemaakt van de aanteekeningen,
-die men bij Birch, „<span lang="en">the History of the Royal Society of London</span>,” 1757, vol. IV vindt, omtrent het verhandelde in de vergaderingen van dit geleerd
-genootschap, welke aanteekeningen men als het Notulenboek der Sociëteit kan aanmerken.
-</p>
-<p>Nadat Leeuwenhoek, sedert zijn eerste aanraking met dit geleerd genootschap in 1673,
-in eene immer levendiger correspondentie was getreden en hij zijne onderzoekingen,
-over onderscheiden onderwerpen, voornamelijk die van de bloedlichaampjes en de circulatie
-van het bloed had bestudeerd, waarvan de resultaten zoo belangrijk waren voor de physiologie
-en hij kort daarna de niet minder belangrijke ontdekking deed van de infusoria, welke
-ontdekkingen wij boven gezien hebben, dat <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>zoo zeer de verbazing en bewondering van de leden der „<span lang="en">Royal Society</span>” hadden opgewekt, had zijne benoeming tot Lid van dit Collegie in de vergadering
-van 29 Januari 1680 plaats<a class="noteRef" id="xd31e3463src" href="#xd31e3463">200</a>. Birch teekende van dit besluit der vergadering het volgende aan: „Dr. Heusch, Mr.
-Firmin<span class="corr" id="xd31e3466" title="Niet in bron">,</span> Mr. Houghton worden gekozen; <span id="xd31e3468"></span>evenzoo ook Mr. Leeuwenhoek, op voorstel van Dr. Croune.”
-</p>
-<p>In dezelfde vergadering werd aan Dr. Gale, Secretaris van het Collegie, opgedragen,
-om een diploma voor hem gereed te maken. Aan genoemden geleerde werd in de vergadering
-van 12 Februari<a class="noteRef" id="xd31e3472src" href="#xd31e3472">201</a>, gevraagd of het diploma reeds gereed was en bevolen dat het zegel der Sociëteit
-er aan gehecht zou worden. Men schijnt Leeuwenhoek echter nog eene extra onderscheiding
-waardig gekeurd te hebben, zoo als ik dit bij geen der benoemingen in dit Collegie
-bij Birch vermeld gevonden heb, namelijk: „er werd bevolen dat er tevens een zilveren
-doos voor moest gemaakt worden, waarin dit diploma zou worden besloten, en op welke
-doos de „wapens der Sociëteit” zouden worden gegraveerd<a class="noteRef" id="xd31e3477src" href="#xd31e3477">202</a>.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>In de vergadering van den 23sten Februari werd de vervaardiging daarvan aan zekeren
-Mr. Hunt opgedragen. Het diploma werd vervolgens, toen alles gereed was, met een begeleidend
-schrijven, namens de Sociëteit, door den Engelschen <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>gezant bij de Hollandsche regeering aan Leeuwenhoek overhandigd<a class="noteRef" id="xd31e3486src" href="#xd31e3486">203</a>.
-</p>
-<p>Zoo was dan het ideaal van den grooten natuuronderzoeker verwezenlijkt en zijn vurigste
-wensch vervuld. Voortaan zal hij medegerekend worden onder de <span class="corr" id="xd31e3493" title="Bron: illustre">illustere</span> leden van het hoogste wetenschappelijk collegie van Europa, dat, hoewel reeds in
-1645 opgericht, ten tijde van Leeuwenhoek nog slechts kort geleden op vaste grondslagen
-was gevestigd en de <span class="corr" id="xd31e3496" title="Bron: beroemste">beroemdste</span> geleerden der beschaafde wereld van dien tijd in zijn gelederen telde<a class="noteRef" id="xd31e3499src" href="#xd31e3499">204</a>.
-<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span></p>
-<p>Dat hij niet naliet, zoo spoedig doenlijk zijne dankbaarheid voor de ontvangen onderscheiding
-kenbaar te maken, zal wel geen verwondering baren. Reeds in de vergadering van den
-13den Maart 1680 rapporteerde Robert Hooke, dat hij drie brieven van Leeuwenhoek ontvangen
-had, waarvan de eerste betuigingen bevatte van zijn warmen dank aan den President
-en de leden der Sociëteit, voor de eer hem aangedaan. De tweede brief behelsde het
-bericht van ontvangst van het diploma en vernieuwde betuigingen van zijn dank, en
-tevens de verzekering van zijn voortdurenden ijver om de Sociëteit te dienen, zoo
-veel hij kon en dat hij dit zou blijven doen, zoo lang hij leefde; terwijl de derde
-weder eenige waarnemingen van hem behelsde.
-</p>
-<p>En Leeuwenhoek heeft woord gehouden. Niet alleen, dat hij, zoo als ik boven aanstipte,
-tot op 85jarigen leeftijd in geregelde briefwisseling met de Sociëteit verkeerde,
-toen hij (20 November 1717) zoo het scheen voor goed afscheid er van nam, maar het
-blijkt ook uit hetgeen ik in de „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” van na den bovengenoemden datum, tot op het jaar 1723, zijn sterfjaar, gevonden
-heb, dat zijn werkzame geest zich geen rust gunde, vooral daar zijn verstand en oog
-ook nog in dat tijdsverloop helder bleef, hoewel zijne handen „<span lang="nl">swak werden, ende een weynig bevinge ondervonden</span>” zoo als hij zich in dien brief uitdrukte.<span id="xd31e3540"></span>
-</p>
-<p>In het 31ste en 32ste deel namelijk der „<span lang="en">Transactions</span>” worden nog een achttal brieven gevonden van de jaren 1720 tot 1723 (waaruit blijkt,
-dat hij dus gedurende een halve eeuw met de „<span lang="en">Royal Society</span>” briefwisseling gevoerd heeft), terwijl hij nog op zijn sterfbed aan zijn vriend
-Johannes Hoogvliet<a class="noteRef" id="xd31e3550src" href="#xd31e3550">205</a> opdroeg, twee brieven, die hij in den laatsten tijd geschreven had, in het Latijn
-te vertalen en in zijn naam aan de Sociëteit toe te zenden.
-<span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span></p>
-<p>De treffende bijzonderheden van deze laatste opdracht mag ik niet achterhouden; ze
-zijn ons bewaard gebleven in het 32ste deel der „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>”, pag. 435, waarin bericht wordt „dat een brief ontvangen is van Johannes Hoogvliet,
-d.d. 1 September 1723, aan den Secretaris der „<span lang="en">Royal Society</span>” Jacobus Jurin, overleggende twee brieven, die op verzoek van den stervenden Leeuwenhoek
-werden toegezonden.” Deze missive van Hoogvliet was van den volgenden inhoud en in
-’t Latijn geschreven:
-</p>
-<p>„Onze eerwaardige grijsaard Leeuwenhoek liet mij, toen hij reeds met den dood kampte,
-maar desniettemin nog aan zijn geliefde studie dacht, tot zich roepen en vroeg, mij
-met reeds half gebroken oogen aanstarende en in afgebroken woorden, of ik deze beide
-brieven in het Latijn wilde overzetten en aan u, zeer geleerde Heer toezenden. Daar
-ik het verzoek van zulk een man, zoo als ik dat reeds sedert eenige jaren gewoon was,
-niet kon weigeren, zoo zend ik u, zeer geleerde Heer, het laatst geschenk van mijnen
-stervenden vriend, hopende dat deze zijne laatste werkzaamheden u aangenaam zullen
-zijn.”
-</p>
-<p>De inhoud dezer twee brieven was:
-</p>
-<ul>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">1<sup>o</sup>.</span> Over de globulen in het bloed en in den moer van den wijn.
-</li>
-<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">2<sup>o</sup>.</span> Over de voortteeling der dieren en over de klopping van het middenrif.</li>
-</ul><p>
-</p>
-<p>Uit den inhoud dezer twee brieven ziet men, dat de twee belangrijkste onderwerpen,
-die zoo zeer bijgedragen hadden om zijn naam onsterfelijk te maken en waaraan hij
-schier zijn geheele leven gewijd had, hem zelfs op zijn sterfbed voor den geest zweefden
-en tot op het laatst zijns levens het gewichtig onderwerp zijner onderzoekingen uitmaakten.
-</p>
-<p>Men meene echter niet dat zijn eenigste gedachten op de stoffelijke dingen der aarde
-gevestigd waren, zoodat hij zelfs met den dood voor oogen zijn geest daarmede uitsluitend
-zou hebben bezig gehouden. Neen, wij kunnen uit onderscheidene plaatsen in zijne brieven
-zien, dat een innig godvruchtige geest in hem woonde en hij in alles wat hij verwonderlijks
-zag en opmerkte Gods grootheid en almacht roemde. Hoor onder anderen wat <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>hij zegt in een brief aan Nicolaas Witsen<a class="noteRef" id="xd31e3587src" href="#xd31e3587">206</a>, „<span lang="nl">Want wy en konnen den Heere en maker van het geheel-Al, niet meer verheerlyken, als
-dat wy in alle zaken, hoe klein die ook in onse bloote oogen mogen zijn, als ze maar
-leven en wasdom hebben ontfangen, zyn Al-wysheit en volmaaktheit, met de uiterste
-verwondering sien uitsteken.</span>”
-</p>
-<p>Of zijn ontboezeming in een brief aan Frederik Adriaan<a class="noteRef" id="xd31e3595src" href="#xd31e3595">207</a> over het ontstaan van de oneindig kleine diertjes. „<span lang="nl">O diepte der Wysheyt, hoe ondoorgrondelijk zyn uwe werken, zullender nu nog menschen
-gevonden werden, die seggen datter geen God is?</span>”
-</p>
-<p>Ik zou deze voorbeelden nog met een aantal anderen kunnen vermeerderen, doch het aangevoerde
-zal, vertrouw ik, voldoende zijn om zijn vromen geest te kenschetsen.
-</p>
-<p>Nadat de eerbiedwaardige grijsaard deze zijne laatste beschikkingen gemaakt had, kon
-hij gerust het hoofd nederleggen, omringd door zijne geliefde dochter, betrekkingen
-en trouwe vrienden, en met recht kan van hem gezegd worden, dat hij gewerkt had, zoo
-lang het voor hem dag was.
-</p>
-<p>Leeuwenhoek overleed den 26sten Augustus 1723 en had alzoo den ouderdom van bijna
-91 jaren bereikt, waarvan hij er met zekerheid meer dan 60 onafgebroken aan zijne
-geliefkoosde natuurstudiën had gewijd.
-</p>
-<p>Hij werd in de St. Hippolitus- of Oude Kerk te Delft begraven, alwaar een gedenkteeken
-nog in goed onderhouden toestand gevonden wordt, dat zijne dochter Maria, 17 jaren
-na het overlijden van haren vader, ter zijner nagedachtenis en eere heeft doen oprichten.
-Dit gedenkteeken bestaat uit een spits toeloopende naald van hardsteen, door eene
-vaas gedekt, al waar in het bovengedeelte de buste van Leeuwenhoek in wit marmer is
-aangebracht, en waaronder men de volgende inscriptie leest:
-</p>
-<blockquote lang="la">
-<p class="first">„Piae et aet. (ernae) Memor. (iae) Antonii a Leeuwenhoek, reg. (iae) angl. (icae)
-Societ. (atis) membr. (o), qui naturae penetralia et physices arcana microscopiis
-ab ipso <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>inventis et mirabili arte fabricatis assiduo studio et perscrutatione detegendo et
-idiomate belgico describendo de toto terrarum orbe optime meruit.”
-</p>
-<p class="xd31e3611">Nat. Delphi XXIV Oct. An. MVI<sup>C</sup>XXXII.
-<br>Ibique denat. XXVI Aug. An. MVII<sup>C</sup>XXIII.</p>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>Onder den breed uitloopenden voet der grafnaald, welke op vier bollen rust, in het
-midden waarvan een wit marmeren doodshoofd op kruiselings gelegde doodsbeenderen,
-leest men de volgende inscriptie:
-</p>
-<p lang="la" class="xd31e3623">„Patri charissimo hoc monumentum filia Maria”<br>
-A. Leeuwenhoek Moerens P. (osuit).
-</p>
-<p>Het geheele monument is omgeven door een sierlijk bewerkt ijzeren hek, terwijl vóór
-dit hek zich het familiegraf bevindt, gedekt door eene zware zerk, waarop het volgende
-opschrift is uitgehouwen:
-</p>
-<blockquote>
-<p lang="nl" class="first">„Hier rust Antony van Leeuwenhoek, oudste lid van de Koninklyke Sosyteyt in Londe,
-gebooren binnen de Stadt Delft op den 24sten October 1632 en overleden op den 26sten
-Augustus 1723, out synde 90 jaren 10 maanden en 2 dagen.
-</p>
-<div lang="nl" class="lgouter">
-<p class="line">„Heeft elk, o wandelaar, alom
-</p>
-<p class="line">Ontzagh voor hoogen ouderdom
-</p>
-<p class="line xd31e3314">En wonderbare gaven,
-</p>
-<p class="line">Zoo zet eerbiedigh hier uw stap:
-</p>
-<p class="line">Hier legt de grijse wetenschap
-</p>
-<p class="line xd31e3314">In Leeuwenhoek begraven”<a class="noteRef" id="xd31e3641src" href="#xd31e3641">208</a>.
-</p>
-</div>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>En eindelijk is, geheel aan het onderste gedeelte der zerk nog uitgehouwen:
-</p>
-<blockquote>
-<p lang="nl" class="first">„en Maria van Leeuwenhoek desselfs dogter, geboren te Delft den 22sten September 1656
-en overleden den 25sten April 1745.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span></p>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>Verder is op de zerk uitmuntend uitgehouwen een schoon <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>bewerkte vliegende arend, met den kop hemelwaarts gericht, terwijl hij met de klauwen
-een schild vastklemt, waarop zijn familiewapen<a class="noteRef" id="xd31e3657src" href="#xd31e3657">209</a> zal gegrift geweest zijn, doch dat er in den Franschen tijd is uitgehouwen, zoo als
-dit met al de wapenschilden in ons land, op oude monumenten, waar deze vroeger bestonden,
-het geval is geweest. Het is een schild van goud, beladen met een klimmenden leeuw
-van azuur, getongd en geklauwd van keel. Het schild gedekt door een <span class="corr" id="xd31e3660" title="Bron: schuim">schuin</span> staanden helm, waarop als helmteeken een vogelvlucht van goud en azuur, gedekt met
-helmdekken van goud en azuur. Onderaan ligt eene sphynx; dezelfde figuur, die ook
-voorkomt op de allegorische titelplaat voor het eerste deel van de brieven van Leeuwenhoek,
-en waarvan de beteekenis is, volgens de uitlegging van deze titelplaat door den dichter
-T. van der Wilt:
-</p>
-<div lang="nl" class="lgouter">
-<p class="line xd31e3664">„Scherpzinnigheid, waarmede</p>
-<p class="line">’t Verborge wert ontdekt, en ’t duistere verklaart”…</p>
-</div>
-<p class="first">De dichter Poot maakte nog een ander gedicht „ter eeuwige gedachtenisse” van zijn
-vriend Leeuwenhoek, waarvan de laatste regelen dus luiden:
-</p>
-<div lang="nl" class="lgouter">
-<p class="line xd31e3314">„O Leeuwenhoek, zoo blank van hart als hair,
-</p>
-<p class="line">Ter quader uur door ’t straffe lot bemagtigt,
-</p>
-<p class="line xd31e3314">Ziet uit uw graf, zie eens na hondert jaer,
-</p>
-<p class="line">Hoe door de faem uw glori wort bekrachtigt.
-</p>
-<p class="line xd31e3314">Wy zullen, als de lente weligh bloeit,
-</p>
-<p class="line">En ’t kille sneeu komt op ’t gebergt ontdoien,
-</p>
-<p class="line xd31e3314">Uw stil vertrek, uw rustplaets onvermoeit,
-</p>
-<p class="line">Met geurigh loof en versch gebloemt bestroien,
-</p>
-<p class="line xd31e3314">Terwyl zult ge u vermaken in den rei
-</p>
-<p class="line">Der zaligen, daer andre starren lichten.
-</p>
-<p class="line xd31e3314">Vergeef my nu, dat ik weemoedigh <span class="corr" id="xd31e3686" title="Bron: schei">schrei</span>
-</p>
-<p class="line">’k Zal in myn ziel voor u een eerzuil stichten.—
-</p>
-<p class="line xd31e3314">En gy, die hier uws Vaders lyk betreurt,
-</p>
-<p class="line">Marye, eilaas! hoe schynt het heil verdweenen!
-</p>
-<p class="line xd31e3314">Bewys uw rou: ’t valt schaers een kint te beurt,
-</p>
-<p class="line">Zoo groot een’ Helt en Vader te beweenen.”</p>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span></p>
-<p>Zoo als uit al het bovenvermelde blijkt, zijn de bijzonderheden omtrent de waarnemingen
-van Leeuwenhoek alle ontleend aan brieven door hem aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” te Londen en aan particulieren geschreven en beslaan dus ook zijne geschriften uit
-eene verzameling dezer brieven, die allen op verschillende tijden, aanvankelijk ieder
-afzonderlijk of enkelen te samen, schijnen gedrukt en uitgegeven te zijn, blijkens
-de pagineering, die in het eerste deel niet doorloopend is, maar voor iederen brief
-afzonderlijk, en ook door de verschillende titels, waaronder zij bij onderscheidene
-boekverkoopers te Delft en te Leiden zijn gedrukt en uitgegeven.
-</p>
-<p>Er bestaan van deze zelfde brieven twee uitgaven, namelijk de Hollandsche en de Latijnsche;
-beiden in vijf 4<sup>o</sup> deelen, waarvan het vijfde deel de zoogenaamde „Sendbrieven” bevat.
-</p>
-<p>De Hollandsche verzameling, die in mijn bezit is, dateert van 1685–1718. Daarin zijn
-de brieven van Leeuwenhoek opgenomen, deels onder den titel van „Ontleedingen en Ontdekkingen”
-enz., deels onder dien van „Ondervindingen en Beschouwingen” enz., deels onder dien
-van „Vervolg der brieven”, waarvan er zeven zijn.
-</p>
-<p>Deel I vangt aan met den 28sten brief en loopt tot n<sup>o</sup>. 52, bevattende de brieven van de jaren 1679 tot 1686, terwijl daarin ook het Eerste
-Vervolg van n<sup>o</sup>. 53 tot 60, loopende van April 1687 tot November van dat zelfde jaar gevonden worden.
-</p>
-<p>Deel II bevat het Tweede tot Vierde Vervolg van n<sup>o</sup>. 61 tot n<sup>o</sup>. 83, loopende van 1688 tot 1694.
-</p>
-<p>Deel III bevat het Vijfde en Zesde Vervolg van n<sup>o</sup>. 84 tot n<sup>o</sup>. 107, loopende van 1694 tot 1696.
-</p>
-<p>Deel IV bevat het Zevende Vervolg van n<sup>o</sup>. 108 tot n<sup>o</sup>. 146, loopende van 1697 tot 1702.
-</p>
-<p>Deel V eindelijk bevat de „Sendbrieven” vervat in 46 brieven, loopende van 1712 tot
-1716. Na aftrek dus van de 28 niet uitgegevene zijn er in deze verzameling in het
-geheel 165 brieven opgenomen.
-</p>
-<p>De reden waarom deze brieven eerst met den 28sten aanvangen schijnt niet met zekerheid
-bekend te zijn. De drukker van de brieven, die in het eerste deel voorkomen, zegt
-aan het begin <span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span>van het „Register” op den 28sten tot den 52sten brief: „De voorgaande 27 brieven by
-den Auteur geschreven, en heeft hij tot noch toe niet konnen resolveren, die met den
-druk gemeen te maken; dus hier de 28ste Brief de eerste is die gedrukt is.”
-</p>
-<p>Van Haastert<a class="noteRef" id="xd31e3749src" href="#xd31e3749">210</a> oppert het vermoeden, als of hij den inhoud dezer 26 brieven uit kieschheid niet
-geschikt voor de publiciteit zou gekeurd hebben, doelende op een postscriptum onder
-een brief van Leeuwenhoek, handelende over de zaaddiertjes, waar hij zegt:
-</p>
-<p>„<span lang="nl">Ik heb nog eenige afzonderlijke waarnemingen over de vrouwen en de bevrugting enz.,
-doch ik houde die terug om geen aanstoot te geven.</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> En in een anderen brief aan Petrus Rabus<a class="noteRef" id="xd31e3760src" href="#xd31e3760">211</a>, „<span lang="nl">Myne stellingen omtrent de versamelinge, bevrugtwerdinge en voorttelinge van onze
-vrouwen enz., hebbe ik sedert dat ze UE. onlangs tot mijnent gelezen had, nog aan
-een zeer geleerd en voornaam Heer laten zien en daarby gezeid, dat UE. my hadde aangeboden
-om het in ’t Latyn over te zetten, en in die taal wereltkundig te maken. Doch die
-Heer is, nevens my, van gevoelen, dat wy zulks best mogten laten; eensdeels enz.…
-en ten anderen, uit vreze dat de werelt, die dog boos en bot genoeg is, de Natuerkennis
-tot haar verderf mogt gebruiken en meer en meer in ongebondenheid uitspatten.</span>”
-</p>
-<p>Ik kan mij echter met deze opgegeven reden niet vereenigen, dewijl ik in de brieven,
-die ik van Leeuwenhoek in de „<span lang="en">Philosophical Transactions</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” van vóór 1679 geschreven, gevonden heb, die een zestiental bedragen, er slechts
-eene gevonden heb die over de spermatozoïden handelt.
-</p>
-<p>Het is zeker te verwonderen, dat juist de brieven van 1673, waarin hij zijn eerste
-brief aan bovengenoemd Collegie schreef, tot 1679, waarin de 28ste of eerste brief
-der Verzameling is geschreven, in deze verzameling gemist worden. Deze toch vertegenwoordigen
-een tijdvak, waarin zijne waarnemingen, zoo zeer de <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>bewondering en verbazing van de leden der „<span lang="en">Royal Society</span>” opwekten, dat daardoor niet alleen de aandacht op hem gevestigd werd, maar hem de
-hooge onderscheiding werd waardig gekeurd als Lid van dat beroemd genootschap te worden
-aangenomen en dat onder omstandigheden zoo vereerend voor hem als wellicht zelden
-aan een ander zijn te beurt gevallen. Zijne in het IXde, Xde en XIde deel der „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” opgenomene brieven hebben betrekking op zijne microscopische onderzoekingen van
-„bloed, melk, beenderen, de hersens, het haar, het kristallynvocht, de gezichtszenuw,
-de textuur van het hout, de kleine diertjes in regen-, wel-, zee-, en <span class="corr" id="xd31e3785" title="Bron: sneeuwater">sneeuwwater</span>, alsmede in water, waarin men peper had laten trekken; de structuur der tanden, beenderen,
-ivoor.”
-</p>
-<p>Ik vermoed eer dat Leeuwenhoek geen afschriften van deze eerste brieven zal gehouden
-hebben, zoo als hij dit van de anderen deed en mij uit enkele perioden in sommige
-zijner brieven gebleken is, en hij daarom buiten de gelegenheid was, toen men bij
-hem op de uitgave zijner brieven begon aan te dringen, daaraan, wat deze 27 eerste
-betreft, gevolg te geven. Dat Leeuwenhoek aanvankelijk tot die uitgave niet uit eigen
-beweging, maar op aandrang van anderen is overgegaan, blijkt uit een brief van zijn
-eersten uitgever Daniel van Gaesbeek te Leiden van 1 Januari 1684, bij wijze van opdracht
-voor het eerste deel geplaatst, waarin hij dus aanvangt: „<span lang="nl">Als alle de werelt seer verwondert sprak, van de uitvindinge tot beschouwinge der
-onsienelyke verborgenheidswaarheden, door UE. opgelost; ende dat veele boeken in andere
-landen en taalen daar af gewaagden, brande myn lust, om meede een oog-getuige daar
-in te zijn; soo heeft my den geleerden Medicyn-meester de Heer Cornelis van ’s Gravesande,
-Raad en Scheepen der stad Delft, bij UE. geleid: waar ik door UE. konstige en niet
-min loflyke uitvindinge, die verwonderlyke verborgentheden Gods, door UE. beleefde
-goeddadigheid komende te beschouwen, soo bevond ik, dat de vreemde boeken die daar
-af door de wereld sweeven, in den zin, afteekening en waardigheid niet weinig verschilden,
-en ook dat onse eige ingeboorne landsaten in haar taal niet kosten genieten die wetenschappen,
-die reeds eenige naburige volkeren in haar eygen <span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>taal en sprake waren bekend geworden. Derhalve niet rustende, ofte ik had bekoomen
-yets van ’t gene UE. selfs de weerelt meede gedeelt had, so wierden my ter hand besteld
-(door een Heer, die ik en de wereld daar voor moet danken) deese UE. nevensgaande
-brieven, by UE. „meede Broeders van dat Hoogloflijke Collegie des Koninklijke Sociëteits
-in Engeland”. Deese (waarin soo bysondere wonderheden waren aan te schouwen) dagten
-my te waardig, om niet aan alle onse Landsgenooten in haar eigen taal (door hulp van
-den voornoemden Heer, en myn druk-pers, mitsgaders de konstige hand des plaat-snyders,
-Abraham de Blois te Delft) sigtbaar voor te stellen, als zijnde een grondsteen, waar
-op alle wijsgeerige en doordringende verstanden voort bouwen en haare wetenschappen
-verder verklaren. Soo leg ik deese myne daad en sorge wederom voor UE. neder; in hoope,
-dat dit myn stout bestaan by UE. over ’t hoofd gesien, ende ten besten geduid sal
-werden; dat ook UE. deese uwe eerstelingen (die dan een Engels, dan een Frans, en
-dan wederom een Oud-Rooms hulsel syn opgeset en daardoor veel van haar eygen wesen
-en luyster hebben verloren, en nu eerst het ligt in haar eygen vaderland komen te
-aanschouwen) niet en sult afwijsen; maar als UE. eygene vrugten en maaksels uwes verstands
-erkennen en aannemen; ende daardoor nog meer en meer bewogen werden, omme niet alleen
-UE. verdere ondervindingen, <span id="xd31e3794"></span>maar ook die gene, die UE. (zoo ik onderrigt ben) omtrent thien jaren herwaards aan
-het Hoogloffelijk Collegie in Engeland heb opgedist, tot voldoeninge van onse ingesetene
-wijsgeerders meede te deelen, en dien kostelijken schat onse ingeboorne niet langer
-te onthouden, waartoe ik hoope God de Heere UE. ondersoekingen meerder en altoos sal
-zeegenen</span>”.
-</p>
-<p>Deze laatste periode doelt blijkbaar op de eerste 27 brieven, die Leeuwenhoek aan
-de „<span lang="en">Royal Society</span>” geschreven had.
-</p>
-<p>Nog op eene andere gaping in de bekendmaking zijner brieven in de Hollandsche en Latijnsche
-verzameling wil ik wijzen.
-</p>
-<p>De laatste brief namelijk van het „Zevende vervolg” (Deel <span class="corr" id="xd31e3806" title="Bron: 1V">IV</span>) eindigt met den 146sten brief, gedateerd 10 April 1702, terwijl de eerste der 46
-„Sendbrieven” de dagteekening draagt van 8 <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>November 1712. Er is dus weder een tijdvak van 10 jaren, waarin geen brieven van Leeuwenhoek
-in onze taal of in het Latijn afzonderlijk zijn gedrukt. Mogelijk zijn het deze brieven,
-waarop gedoeld wordt aan het slot van den Catalogus der verkooping der microscopen
-in de volgende noot: „N.B. In den boedel van wijle Jufvrouw Maria van Leeuwenhoek
-zijn gevonden eenige nagelaten manuscripten of brieven van haar vader, den Heer Antoni
-van Leeuwenhoek, dewelke door Z.E. in deszelfs leven geschreven en in eene nette en
-goede orde geschikt zijn, om als een vervolg op zijne voorgaande uitgegeven brieven
-gedrukt te kunnen worden; <span class="corr" id="xd31e3811" title="Bron: aIle">alle</span> de Platen daartoe behoorende, zijn daarbij en reeds in ’t koper gegraveert, zoo als
-de Latijnsche vertaling van voorzeide brieven. Iemand genegen zijnde dit werk te laten
-drukken, kan zich addresseren aan de Executeurs van de voorz. boedel.” Wat er van
-die brieven geworden is ben ik niet te weten kunnen komen.
-</p>
-<p>Eene andere verklaring, die mij, in verband met het boven vermelde, niet onwaarschijnlijk
-voorkomt, vond ik in hetgeen zijne dochter aan von Uffenbach, tijdens zijn bezoek
-aan Leeuwenhoek mededeelde. „<span lang="de">Sie erzählte uns</span>,” zegt hij, „<span lang="de">dass ihr Vater seit einigen Jahren viel neues durch seine Microscopia entdekt hätte,
-er wolte aber in seinen leben nichts mehr von seinen Observationen herausgeben, weil
-ihne einiger Schimpf, vermuthlich in Schriften, wiederfahren, da man sich über seine
-sonderliche Meinungen in seinen Schriften hin und wieder spottisch aufgehalten, und
-ihm schuld gegeben, er habe mehr durch seine Einbildung gesehen, als durch seine Gläser.</span>”<a class="noteRef" id="xd31e3822src" href="#xd31e3822">212</a> Dit bezoek nu had juist plaats in 1710, en de door zijne dochter bedoelde „nieuwe
-waarnemingen” kunnen dus zeer goed slaan op die, welke hij sedert 1702 ondernomen
-en aan de Royal Society had medegedeeld. Ik heb deze brieven in de „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” van de jaren 1702–1712, deel XXIII–XXVII, gevonden, de volgende waarnemingen worden
-er in vermeld: „Over het groen kroos in het water groeiende, en eenige diertjes daarin
-gevonden; de zaden van verschillende Oost-Indische planten; <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>den kinabast; het beslag der tong bij koortsen; de bloedvaten; de circulatie van het
-bloed bij de visschen; candysuiker; de zaadvaten<span class="corr" id="xd31e3836" title="Bron: ,">;</span> spiervezels en bloed van den walvisch; de huid van den olifant; de voortteeling der
-mossels; de milt; roodkoraal; samenstelling van diamanten.”
-</p>
-<p>Eindelijk heb ik nog, na de laatste der „Sendbrieven” d.d. 20 Nov. 1717, waar hij,
-om zijne hooge jaren, afscheid neemt van de Royal Society, in het XXXIste en XXXIIste
-deel der „<span lang="en">Transactions</span>” een achttal brieven gevonden, van de jaren 1720 tot 1723, hetzelfde jaar, waarin
-hij gestorven is, handelende: „Over beenderen; het middenrif; de spiervezels der visschen;
-de vaten in sommige soorten van hout, en over spiervezels in verschillende dieren;
-de membranen die de vaatbundels omsluiten, waarin een spier verdeeld is; de spiraalvaten
-van de bladeren; het wollige bekleedsel der persikken en kweeappels;” waarbij eindelijk
-nog gevoegd moeten worden de beide brieven, die Leeuwenhoek op zijn sterfbed aan zijn
-vriend Johannes Hoogvlied verzocht in het Latijn over te zetten en aan de Royal Society
-toe te zenden, welke brieven ik reeds uitvoeriger besproken heb.
-</p>
-<p>De Latijnsche verzameling bestaat eveneens uit vijf deelen in 4<sup>o</sup>. onder de volgende titels:
-</p>
-<p>Deel I onder dien van: „<span lang="la">Anatomia et contemplatio nonnullorum naturae invisibilium secretorum, comprehensorum
-Epistolis quibusdam scriptis</span>” etc. Lugd. Bat. 1685.
-</p>
-<p>Deel II: „<span lang="la">Epistolae ad Societatem Regiam Londinensium et alios viros illustros datur.</span>” Lugd. Bat. 1689.
-</p>
-<p>Deel III<span class="corr" id="xd31e3861" title="Bron: ;">:</span> „<span lang="la">Anatomia, hoc de interioribus rerum, cum animatarum, tum inanimatarum, ope et beneficio
-exquisitissimorum microscopiorum detectis.</span>” Lugd. Bat. 1689.
-</p>
-<p>Deel IV: „<span lang="la">Arcana naturae ope microscopiorum detecta.</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> Delphi 1695–1697.
-</p>
-<p>Deel V: „<span lang="la">Epistolae physiologicae super compluribus naturae arcanis, hactenus nunquam editae</span>,” Delphi 1709.
-</p>
-<p>Later heeft men ze nog gezamenlijk uitgegeven onder den titel: „<span lang="la">Opera omnia seu Arcana naturae ope exactissimorum microscopiorum detecta</span>;” doch men heeft er een nieuw titelblad voor geplaatst met de jaartallen 1715–1722.
-<span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span></p>
-<p>A.&nbsp;J. van der Aa<a class="noteRef" id="xd31e3886src" href="#xd31e3886">213</a> vermeldt eveneens de bovengenoemde Hollandsche en Latijnsche uitgaven in vijf deelen,
-waarin de brieven van Leeuwenhoek zijn vervat, en bevestigt, door de vermelding der
-afzonderlijke titels, waaronder zij zijn uitgekomen, dat enkele dezer brieven bij
-een-, twee-, drie- en meertallen te samen afzonderlijk zijn uitgegeven en, zoo als
-ik boven opmerkte, betrekking hebben op de 52 eerste brieven, altijd daarvan afgetrokken
-de 27 eerste niet gedrukte, terwijl hij zoowel van de Hollandsche als de Latijnsche
-uitgave de geheele uitvoerige titels mededeelt. Men vindt verder nog bij van der Aa
-zijne correspondentie met Petrus Rabus, de uitgever van de „Boekzaal van Europa,”
-welk tijdschrift tot op onzen tijd onder den naam van „Boekzaal der geleerde wereld”
-is bekend gebleven.
-</p>
-<p>In de Hollandsche en Latijnsche verzamelingen zijner brieven vindt men er echter slechts
-één aan genoemden schrijver, die een bijzonder vriend van Leeuwenhoek moet geweest
-zijn.
-</p>
-<p>Deze correspondentie heeft Rabus in zijn „Boekzaal” bekend gemaakt; ze is de volgende:
-</p>
-<p>1. „Korte inhoud van een brief, geschreven uit Kolmar, behelzende een overzeldzame
-ziekte van eene vrouw, die rijpen (rupsen) uit haar regter oor loosde”, en brief van
-Leeuwenhoek aan den schrijver van de Boekzaal over de vorenstaande historie.
-</p>
-<p>2. „Uittreksel uit een brief van den grooten onderzoeker der Natuurgeheimen den Heere
-Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan den schrijver van de Boekzaal, waarin gehandeld
-wordt van de vis, Roch genaamd, deszelfs eijeren, bloedvaten enz.” Delft den 21 Mei
-1695, (In de P.&nbsp;R. Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1695, blz. 322).
-</p>
-<p>3. „<span lang="nl">Brief van den grooten natuur-beschouwer den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven
-aan P. Rabus, zoo als ze van woorde tot woorde luid (een vervolg van ’s Mans ontdekkingen, wegens het hoornvlies en d’ oogen van een Rombout
-(Korebout of Puistebijter); ontleding van ’t gemelde vlies. Beschouwing door ’t zelve.
-Uit hoevele schubachtige opeenleggende deelen het bestaat. Volmaaktheid van ’t oog.
-Reden waarom het vliegend dier <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>met zoo veel duizende gezigten voorzien is; Krabbe-, kreeften- en garnaals-oogen.
-Eijernesten der vorensgezeide Rombouten, Groot getal eijeren. Oorzaken waarom uit
-die eijeren niet meer voortgekomene dieren gezien worden. Besluit van de voortteelinge</span>” in P. Rabus. Boekzaal, Nov. en Dec. 1694. blz. 511.
-</p>
-<p>4. „Brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek aan den schrijver van de Boekzaal (P.
-Rabus) gezonden, als een vervolg van zijn gevoelen over de historie van de vrouw van
-Kolmar, in de naast voorgaande twee maanden verhandeld en onderzogt. Bij Rabus, Boekzaal
-van Europa,” Julij en Aug, 1695, blz. 92; Sept. en Oct. blz. 258.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e3905" title="Bron: 4">5</span>. „Brief van Antoni van Leeuwenhoek aan P. Rabus, waarin gehandeld word van den zoogenaamden
-Honigdauw. Wat de boeren en het algemeene volk daardoor verstaan. Waarneming van zeker
-glimpend vocht op lindebladen. Zoutdeelen in dezelve. Deze vocht in ’t oog als een
-olyachtige stoffe voorkomende, valt geenszins uit de lucht. Ze wordt uit de bladeren
-uitgestooten. Beschouwing van meer boomen en hare bladen, bijzonderlijk den Wijngaert.
-Bevestiging van het voorgestelde<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Nog iets van de wigchelroede”; in P. Rabus, Boekzaal van Europa, Julij en Aug. 1696,
-blz. 144.<span id="xd31e3910"></span>
-</p>
-<p>6. „Uittreksel uit zekeren brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek, den vijfden
-van Grasmaand 1697 aan de Koninklijke Maatschappij te Londen geschreven, wegens den
-zeilsteen en het ijzer”, in Rabus, Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1697, blz. 459.
-</p>
-<p>7. „P. Rabus, Brief aan den grooten uitvinder der Natuurgeheimen, den Heer Ant. van
-Leeuwenhoek”; in Boekzaal van Europa, 1693, blz. 159.<span id="xd31e3915"></span>
-</p>
-<p>8. „Uittreksel uit een brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan
-den schrijver der Boekzaal. Over de vloo-teelt”; in Boekzaal van Europa, 1633, blz.
-554.
-</p>
-<p>9. „Brief van den schrijver des Boekzaals aan Antoni van Leeuwenhoek afgevaardigt,
-over een zonderlinge historie van goud, zilver of andere bergstoffen, met een tweesprankelig
-takje van een boom te ontdekken”; in Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1696, blz.
-495 en Antwoord van Ant. van Leeuwenhoek, blz. 522.
-<span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span></p>
-<p>Van deze brieven zijn N<sup>o</sup>. 1, 2, 4, 7 en 9 niet in de verzameling zijner brieven te vinden, terwijl over den
-inhoud van N<sup>o</sup>. 3 gehandeld wordt in het IIIde deel, 5de vervolg, 85ste brief, blz. 5; van N<sup>o</sup>. 5 in het IIIde deel, 6de vervolg<span class="corr" id="xd31e3933" title="Bron: ,">;</span> 104de brief, blz. 293 en IVde deel, 7de vervolg 109de brief<span class="corr" id="xd31e3936" title="Bron: ,">;</span> van N<sup>o</sup>. 6, in het IVde deel, 7de vervolg, 108ste brief, blz. 3; van N<sup>o</sup>. 8 in het IIde deel, 4de vervolg, 76ste brief, blz. 561.
-</p>
-<p>Men vindt nog bij van der Aa vermeld, dat de brieven van Leeuwenhoek in de „<span lang="it">Giornale Litterati</span> te Modena” zijn opgenomen.
-</p>
-<p>Ook zijn de Microscopische beschouwingen, vervat in de „Philos. Transact.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> N<sup>o</sup>. 3, pag. 51; N<sup>o</sup>. 94, pag. 6037; N<sup>o</sup>. 97, pag. 6116; N<sup>o</sup>. 102, 106, 108, 117, 136, 143, door Leske in het Hoogduitsch overgezet en uitgegeven,
-2 deelen in één band.
-</p>
-<p>Verder: „<span lang="la">De generatione Hominis, liber Petri Gercke, Med. Dr. Chymiae, Theoriae, et Materiei
-Med. Profess. P.&nbsp;O. in Academia Julia Serenissimi Ducis Brunsvic. et Luneb. à consiliis
-Aulae et Archiatri ac Regiae Societatis Scientiarum Berol. Membri. Helmst. 1744.</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Een uittreksel van Leeuwenhoek’s brieven verscheen achter „<span lang="fr">Cours de Physique, accompagné de plusieurs Pièces concernant la Physique, qui ont
-déja paru et d’un Extrait critique des Lettres de Mr. Leeuwenhoek, par feu Mr. Hartsoeker,
-A la Haye, 1730 4<sup>o</sup>.</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> <span class="corr" id="xd31e3982" title="Bron: ’twelk">’t welk</span> aanwezig is op de Academische Bibliotheek te Leiden.
-</p>
-<p>Eene uitvoerige lijst van de brieven van Leeuwenhoek kan men ook vinden bij L. Theod.
-Gronovius, <span lang="la">Bibliotheca Regni animali atque lapidi.</span> L.&nbsp;B. 1760, pag. 159.
-</p>
-<p>Verder vermeldt Dr. Herman August Hagen in zijn „<span lang="la">Bibliotheca entomologica</span>,” Leipzig 1862, een 15tal brieven, allen van entomologischen inhoud.
-</p>
-<p>Prof. Louis Agassiz heeft de brieven van Zoölogischen inhoud van Leeuwenhoek opgenomen
-in zijn „<span lang="la"><span class="corr" id="xd31e3998" title="Bron: Bibliotheca">Bibliographia</span> zoologiae et geologiae</span>,” London 1852.
-</p>
-<p>J. Victor Carus en Wilhelm Engelmann hebben dit gedaan in hun „<span lang="la">Bibliotheca Zoölogica</span>,” Leipzig 1861, voor een aanzienlijk aantal zijner brieven, die zij onder de desbetreffende
-rubrieken hebben vermeld.
-<span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span></p>
-<p>Eindelijk volgt hier de korte inhoud van de acht manuscripten van Leeuwenhoek, die
-ik geraadpleegd heb, waarvan er twee berusten in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool,
-Cat. XVIII, Huygens, N<sup>o</sup>. 26 en 30, en de overigen in de verzameling waren van Mr. L.&nbsp;C. Luzac, doch na diens
-overlijden verkocht zijn<a class="noteRef" id="xd31e4013src" href="#xd31e4013">214</a>, als: I. vijf aan Constantijn Huygens; II. twee aan Christiaan Huygens; III. een
-aan N. Oldenburg, Secretaris der Royal Society te Londen, terwijl er zich nog één
-eigenhandig geschreven brief van Christiaan Huygens aan Leeuwenhoek bij bevindt, waarbij
-gevoegd is een door Leeuwenhoek geschreven en uitgewerkte berekening, ten betooge,
-dat er meer dan tienmaal zoo veel levende dieren uit de hom van een cabeljau voortkomen
-als er menschen op de aarde leven. Dezelfde berekening wordt gevonden in een „postscriptum”
-onder een brief van Leeuwenhoek aan Nehemias Grew, Secretaris der Royal Society te
-Londen (28ste brief, blz. 14).
-</p>
-<p>Al deze brieven zijn geteekend Antoni Leeuwenhoeck, de voornaam met een lange i zonder
-„van” en met „ck.”
-</p>
-<p>De inhoud dezer manuscripten is de volgende:
-</p>
-<p>I. 1<sup>o</sup>. d.d. 5 April 1674: Over de globulen in melk, het haar, de nagels; de vorming van
-melk in de vrouwen-borsten uit bloed.
-</p>
-<p>2<sup>o</sup>. d.d. 24 April 1674: Over de bloedbolletjes; de beenderen; waaraan de witte kleur
-aan fijngestoten gekleurde stoffen is toe te schrijven; de bolletjes in de kuit van
-cabeljauw.
-</p>
-<p>3<sup>o</sup>. d.d. 7 November 1676: Over de diertjes in gekruide wateren, en in regen- en andere
-wateren, waarin hij zes verschillende diertjes beschrijft; de aaltjes in azijn; Leeuwenhoek
-bedankt in deze brief aan het slot, voor het aanbod van zijn zoon, Christiaan Huygens,
-om zijne observatiën in de Fransche taal over te zetten en ze in die taal wereldkundig
-te maken.
-</p>
-<p>4<sup>o</sup>. d.d. 26 December 1678: Opmerkingen over de door Christiaan Huygens waargenomen en
-afgebeelde diertjes in verschillende <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>wateren; over het zoogenaamde stof op de vleugels der kapellen en afbeelding dezer
-schoone schubjes.
-</p>
-<p>5<sup>o</sup>. d.d. 21 Mei 1679: Speculatien over de kleine vatjes en zenuwen in de kleine diertjes
-in het water enz.; calculatie omtrent de grootte dezer diertjes.
-</p>
-<p>II. 1<sup>o</sup>. d.d<span class="corr" id="xd31e4051" title="Bron: ,">.</span> 15 Februarij 1677: Dankzegging voor de vertaling in het Fransch zijner observatiën.
-</p>
-<p>2<sup>o</sup> d.d. 15 Mei 1679: Medegegeven aan zijn zusters zoon Antoni Molyn of du Molyn. (Zie
-mijn familieregister). Over de beweging der kleine diertjes met een lange staart.
-Aanbeveling aan Chr. Huygens om, vóór hij zijn „Dioptrica” uitgeeft, het boekje van
-Robert Hooke, „<span lang="en">Lectures and collections</span>” te lezen.
-</p>
-<p>III. d.d. 1 Junij 1674. Dankzegging voor ontvangen nommers der „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” en voor de aanmoediging van Boyle, om voort te gaan in het onderzoeken van de „<span lang="nl">bloeijende couleur</span>”, die het bloed uit de aderen ondergaat, als het aan lucht is blootgesteld; observatie
-over het nederzakken der bloedbolletjes naar den bodem; over de wijze hoe hij bloed
-en melk in dunne glazen pijpjes observeert, en beschrijving en afbeelding dezer fijne
-haarbuisjes; over de drukking die de lichamen door de lucht ondervinden (hij zond
-er eenige der boven beschreven haarbuisjes om het bloed in waar te nemen bij); over
-de structuur van beenderen en tanden; over de lever; de hersenen en het ruggemerg
-eener koe; het vleesch en de dunne striempjes daarin; speeksel; de menschelijke opperhuid.
-</p>
-<p>IV. d.d. 6 Maart 1690. Minute van een brief van Christiaan Huygens aan Leeuwenhoek.
-Over eene verbeterde wijze om de glazen bol in te richten, ten einde de ronddraaiende
-beweging der aarde aan te toonen (zie bl. 66 en zesde vervolg 101ste brief, blz. 263).
-</p>
-<p>Verder handelt een eigenhandig geschreven brief van Leeuwenhoek aan den Heer L. van
-Velthuysen, in het bezit geweest van wijlen den Heer van Dam van Noordeloos te Rotterdam,
-van 11 Mei 1679: Over de figuur van een plant in zaaden te zien; de spiraalvaten in
-de zaden, het hout en andere deelen der planten; de schimmel op oud leder en hoe het
-gevormd wordt; over de witte vloed.
-<span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span></p>
-<p>Later is mij nog door Dr<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> du Rieu bericht, dat door hem in een bundel nog niet op den catalogus gebrachte brieven,
-gevonden zijn vier brieven van Leeuwenhoek:
-</p>
-<p>1<sup>o</sup>. Een afschrift van een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek, waarvan het oorspronkelijke
-berust bij den Heer Mazel, Oud-Secretaris-Generaal van Buitenlandsche Zaken te ’s
-Hage „Over de zoogenaamde zaaddiertjes<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>; de aaltjes in den azijn, waaromtrent Leeuwenhoek vermeldt, dat er 8 <span class="corr" id="xd31e4086" title="Bron: â">á</span> 10 in een glazen pijp te zien waren, welk getal, na verloop van 3 maal 24 uren, tot
-meer dan 80 was vermenigvuldigd, en dat hij zich niet kan begrijpen hoe deze zonder
-voortteeling kunnen ontstaan. Dit bracht hij over op de vermenigvuldiging van de diertjes
-in het regenwater, waarbij het hem eveneens onbegrijpelijk is, hoe zij voortteelen.
-Hij verdiept zich verder in dezen brief over de vraag, waar het zaad van daan komt,
-waaruit de diertjes voortkomen, die in het sperma van menschen en dieren gevonden
-wordt.
-</p>
-<p>2<sup>o</sup>. De eigenhandige brief in Halbertsma’s dissertatie, pag. 70 vermeld als N<sup>o</sup>. VIII der „Philos. Transact.”
-</p>
-<p>3<sup>o</sup>. De eigenhandige brief, eveneens in genoemde dissertatie op pag. 69 vermeld, en in
-het Engelsch vertaald te vinden in de „Philos. Transact.” Vol. XXIV, pag. 1614.
-</p>
-<p>Aan het hoofd van dezen brief teekent Prof. Halbertsma aan<span class="corr" id="xd31e4104" title="Bron: .">,</span> dat deze geschreven is in een tijd, dat Leeuwenhoek boos was en in het Hollandsch
-althans niets uitgaf. Deze brief handelt over de cochenilje en bevat eene wederlegging
-van de bewering, dat deze stof geen diertjes zouden zijn. Hij haalt daarbij aan de
-verklaring van een ooggetuige, namelijk een oud Spanjaard van Jamaica, en beschrijft
-de wijze hoe deze op de bladeren en takjes van zeker gewas „<span lang="en">prikle-pear</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> of Indische vijg, met dikke ronde bladeren en scherpe stekels voorzien, voortplanten,
-en hoe zij eindelijk door den rook van brandende stoffen gedood en verzameld worden
-op onder de planten uitgespreide kleeden enz. Deze bijzonderheden zegt Leeuwenhoek
-ontleend te hebben uit de „Philos. Transact.” van de maanden Maart, April, Mei en
-Juni 1691, waarvan hij zich eene vertaling had doen maken.
-</p>
-<p>4<sup>o</sup>. Twee eigenhandige brieven aan den dichter van verzen op zijn afbeeldsel gemaakt,
-namelijk H.&nbsp;K. Poot, terwijl het tweede <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>gedicht te vinden is vóór de „Sendbrieven” van Leeuwenhoek. Deze brieven zijn van
-10 Mei 1716. Hij handelt daarin: „over de diertjes in het water,<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> en voegt er eene uitvoerige berekening bij van hunne grootte, terwijl de tweede handelt:
-„over de maagdepalm,<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> waarvan men beweerde, dat de bloem, die het droeg, geen zaad zou voortbrengen, welke
-bewering hij door zijne onderzoekingen logenstrafte.
-</p>
-<p>Deze aan Poot geschreven brieven waren bezegeld met een cachet, waarin het vrij goed
-bewaarde portret van Leeuwenhoek gegraveerd was, zooals blijkt uit de goede gelijkenis
-met het gegraveerde portret, uitgegeven bij zijn „Ontledingen en ontdekkingen.” Leiden
-1686.
-</p>
-<p>Eindelijk werd mij nog niet lang geleden door Dr. du Rieu medegedeeld, dat door hem
-in den „Navorscher” van 1864, blz. 351, een afschrift is gevonden van een brief van
-Leeuwenhoek, d.d. 9 Febr. 1701, aan Frederik Adriaan van Rhede en handelende over
-verfstoffen en turfgraving.
-</p>
-<p>Ook van al deze brieven zijn mij, door de welwillende zorg van Dr. du Rieu, nauwkeurige
-afschriften toegezonden.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>De bronnen die ik bij de samenstelling dezer levensbeschrijving heb geraadpleegd,
-zijn, behalve de boven genoemde manuscripten, enz. de volgende:
-</p>
-<p>D. Hoogstraten, Algemeen woordenboek voor kunsten en wetenschappen, 1729.
-</p>
-<p>H. Baker, Nuttig gebruik van het Mikroskoop enz., uit het Engelsch door M. Houttuyn
-1755.
-</p>
-<p>H. Baker, Het mikroskoop gemakkelijk gemaakt enz., uit het Engelsch door M. Houttuyn
-1778.
-</p>
-<p>G. Stoll, <span lang="de">Anleitung zur Historie der medicinischen Gelahrheit.</span> 1731.
-</p>
-<p>Z.&nbsp;C. von Uffenbach, <span lang="de">Merkwürdige Reisen durch Nieder Sachsen, Holland, und Engelland</span>, 1754.
-<span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span></p>
-<p>A. v. Haller, <span lang="la">Bibliotheca anatomica</span><span class="corr" id="xd31e4148" title="Niet in bron">,</span> Tom. I. 1774.
-</p>
-<p>G. van Loon, Beschrijving der Nederl. historiepenningen. Bd. III. 1723.
-</p>
-<p>Collot d’Escury, Holland’s Roem in kunsten en wetenschappen. Deel 7. 1844.
-</p>
-<p>G. Nieuwenhuis, Woordenboek van kunsten en wetenschappen. Deel 5. 1859.
-</p>
-<p>Isaac van Haastert, Antoni van Leeuwenhoek vereerend herdacht enz. 1823.
-</p>
-<p>Tijdschrift voor natuurlijke geschiedenis- en physiologie, uitgegeven door Prof. I.
-van der Hoeven, en W.&nbsp;H. de Vriese 1834. 1e deel, bevattende: Eene verhandeling van
-H.&nbsp;C. van Hall over Antony van Leeuwenhoek en zijne verdiensten voor de plantkunde.
-</p>
-<p>N.&nbsp;G. van Kampen, Beknopte geschiedenis der letteren en wetenschappen 2e deel.
-</p>
-<p>H. Halbertsma I. fil., <span lang="la">Dissertatio historico-medica inauguralis de Antonii Leeuwenhoekii meritis in quasdam
-partes anatomiae microscopiae 1843. Inhoud: De vita Leeuwenhoekii; de sanguine; de
-vasis et circulatione; de ossibus; de dentibus.</span>
-</p>
-<p>F. Le Sueur Fleck, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud: <span lang="la">De musculis; de lente crystallina.</span>
-</p>
-<p>N.&nbsp;H. van Charante, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud: <span lang="la">De nervis; de epidermide; de pilis; de materie ad dentes haerente.</span>
-</p>
-<p>A. van der Boon Cs., Geschiedenis der ontdekkingen in de ontleedkunde van den mensch,
-gedaan in de Noordelijke Nederlanden, 1851.
-</p>
-<p>G. Cuvier, <span lang="fr">Histoire des sciences naturelles. Tom. 2. 1841.</span>
-<span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span></p>
-<p>P. Harting, Het mikroskoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen toestand.
-3e deel 1850.
-</p>
-<p>Émile Blanchard, <span lang="fr">Les premières observations au microscope</span>, in „<span lang="fr">Revue des deux mondes 15 Juill. 1868.</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Boitet, Beschrijving der stad Delft 1729.
-</p>
-<p>Birch, <span lang="en">the History of the Royal Society of London 1757.</span>
-</p>
-<p lang="fr">Biographie Universelle etc. Paris 1819 T. XXIV.
-</p>
-<p>Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Academie van Wetenschappen, Afdeeling Natuurkunde,
-deel 13. 3e stuk. 1862, waarin eene verhandeling voorkomt van Prof. H. Halbertsma
-over Johan Ham van Arnhem.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd31e287">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e287src">1</a></span> <span lang="fr">„Revue des deux mondes” 15 <span class="corr" id="xd31e290" title="Bron: Juillet">juillet</span></span>, 1868 pag. 379.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e287src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e316">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e316src">2</a></span> N.&nbsp;G. van Kampen, „Beknopte geschiedenis der Letteren en Wetenschappen in de Nederlanden<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>, 2de deel, blz. 58.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e316src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e338">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e338src">3</a></span> 20ste Sendbrief van 13 Maart 1716, blz. 189.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e338src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e346">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e346src">4</a></span> De naam van Leeuwenhoek wordt verschillend geschreven. Uit een achttal eigenhandig
-door hem geschreven brieven aan Constantijn en Christiaan Huygens, en aan N. Oldenburg,
-Secretaris der „<span lang="en">Royal Society</span>” te Londen, van de jaren 1674, 1676, 1677 en 1679, berustende in de Bibliotheek der
-Leidsche Hoogeschool, waarvan ik door de zorg van Dr. du Rieu, „conservator der manuscripten”
-bij genoemde Bibliotheek, nauwkeurige afschriften bekomen heb, alsmede uit een eigenhandigen
-brief van Leeuwenhoek aan den Heer L. van Velthuysen, van het jaar 1679, in het bezit
-van wijlen den Wel-Ed. Geb. Heer Van Dam van Noordeloos te Rotterdam, van welke ik
-zelf een afschrift mocht nemen, teekent hij zich Antoni (<i>lange i</i>) Leeuwenhoe(<i>c</i>)k, terwijl een andere brief van hem, in het jaar 1701 aan „Burgemeesteren en Regeerders
-der stad Delft” geschreven, betrekking hebbende op zeker verschil in de steenkolenmaten
-te Delft en te Rotterdam, welke brief berust in het Archief van Delft, en waarvan
-mij door den Heer Mr. Soutendam, Secretaris en oud-Archivaris van Delft, welwillend
-afschrift verleend werd, de onderteekening draagt van Antoni, (<i>lange i</i>) van Leeuwenhoek (<i>zonder c</i>), terwijl in zijne gedrukte brieven de <i>c</i> vóór de <i>k</i> aan het einde van zijn naam nu eens gebezigd, dan weggelaten is. Ook moet nog opgemerkt
-worden, dat hij steeds een lange <i>i</i> bezigde bij het „schrijven” van zijn voornaam Antoni, waardoor deze dan ook in zijn
-gedrukte brieven met een <i>y</i> wordt gespeld. Overigens was het schrijven van de <i>c</i> vóór de <i>k</i>, in vroegeren tijd, algemeen en komt in „<span lang="nl">ick, melck, dick, volmaeckt</span> enz.” steeds voor in zijne brieven, terwijl men in het schrijven van den naam in
-oude tijden geenszins de juistheid en gelijkheid van spelling, of het gebruiken of
-weglaten van het voorzetsel „<i>van</i>” in acht nam, zoo als in onzen tijd, waar dit verzuim in rechten de belangrijkste
-gevolgen kan hebben. Voegt men nu hierbij dat Leeuwenhoek’s dochter, die na zijn dood
-een gedenknaald ter zijner eere in de Oude Kerk te Delft liet oprichten, daarop en
-op de zerk, die zijn graf dekte, zijn naam aldus liet stellen: „Antony van Leeuwenhoek,”
-dan acht ik mij hierdoor genoegzaam verantwoord zijn naam ook aldus te schrijven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e346src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e379">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e379src">5</a></span> Margaretha Bel van den Bergh was de dochter van Jacob Sebastiaanzn. <span class="pageNum" id="pb7n">[<a href="#pb7n">7</a>]</span>Bel van den Bergh, van een oud en aanzienlijk Delftsch geslacht. Deze laatste was
-in 1608 lid der 40en van de Stedelijke Regeering, en in 1610 en 1612 Schepen van Delft,
-terwijl reeds in 1579 bij Boitet gewag gemaakt wordt van zijn vader Bastiaan Corneliszn.,
-als lid der 40en, Kerkmeester, en andere waardigheden bekleedende.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e379src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e386">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e386src">6</a></span> In een oud familie-register in mijn bezit vindt men aangeteekend, dat zijn oudste
-zuster Margaretha, uit haar huwelijk met Jan du Molyn, vijf kinderen geboren werden,
-namelijk Philippus, Maria, Margaretha, Geertruida en Antony, waarvan Maria huwde met
-Cornelis Haaxman, terwijl Philippus en Geertruida ongehuwd overleden, Margaretha met
-Arnoldus van den Heuvel en Antony met .… Poelgeest huwde, welke laatste zich aan de
-geneeskunde wijdde. Van dezen Antony Molyn (of du Molyn), die zich tot voortzetting
-zijner studiën naar Parijs begaf, maakt Leeuwenhoek gewag in zijn brief aan Christiaan
-Huygens, d.d. 15 Mei 1679, aanwezig in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool en
-waarvan eene kopie in mijn bezit is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e386src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e391">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e391src">7</a></span> Boitet, „Beschrijving der stad Delft, 1729, in fol., blz. 765.” Isaac van Haastert,
-„Antony van Leeuwenhoek vereerend herdacht, 1823, pag. 10” D. Hoogstraten, „Algemeen
-Woordenboek voor Kunsten en Wetenschappen 1729, blz. 138.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e391src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e394">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e394src">8</a></span> 22ste Sendbrief, blz. 206.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e394src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e397">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e397src">9</a></span> Dat de brouwers veelal onder de aanzienlijke en rijke burgers gerekend werden, kan
-blijken uit hetgeen bij Boitet, bl. 646, gemeld wordt.
-</p>
-<p class="footnote cont">„<span lang="nl">Yder weet ook, dat de brouwers in dese stad altijt boven andere koopluiden verheven
-wierden; <span id="xd31e403"></span>mannen die doorgaans op het kussen der stad zaten.</span>” En dat dit bedrijf goede winsten afwierp blijkt uit het volgend slot van een gedicht
-van Jacob van der Does:
-</p>
-<div class="q">
-<div class="nestedtext">
-<div class="nestedbody">
-<div lang="nl" class="lgouter footnote">
-<p class="line">„Wat dunkt u leser? heeft dat volck niet wel gebrout?
-</p>
-<p class="line">Dat ’t hare kassen sien voor mout gepropt met gout?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div><p></p>
-</div>
-<div id="xd31e427">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e427src">10</a></span> 35ste Brief, blz. 24.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e427src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e433">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e433src">11</a></span> 28ste Brief, blz. 14. De in dezen brief uitvoerig uitgewerkte berekening is ook van
-zijn eigen hand aanwezig in de verzameling manuscripten van Leeuwenhoek in de Leidsche
-Bibliotheek (Cat. VIII. Huygens n<sup>o</sup>. 30).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e433src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e442">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e442src">12</a></span> 4de Sendbrief, blz. 43. Brief aan den Heer Jan Meermans, Burgemeester van Delft.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e442src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e448">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e448src">13</a></span> Zie ook den 67sten Brief (2de vervolg) van 1 April 1689, blz. 335, waarin hij berekent,
-hoe snel het bloed in het lichaam moet loopen, eer het tot de uiterste deelen van
-de voeten en van daar weder naar het hart komt, en door welke kracht; waarbij hij
-onder anderen zegt: „<span lang="nl">Dese myne demonstratiën syn seer licht te verstaan, voor diegeene, die de begintselen
-van de waterwicht van Mr. Simon van Stevin, sal doorlesen hebben.</span>”
-</p>
-<p class="footnote cont">Dit blijkt ook nog uit zijn 111de Brief (zevende vervolg) van 9 Mei, 1698, blz. 46,
-waar hij, onder anderen, sprekende over het oog van den scharrebijter, in eene noot
-zegt: „<span lang="nl">Ik spreek hier tegen degeenen, die een weynig in de Gesigt-kunde geoefent syn</span>” en verder: „<span lang="nl">Wij weten dus, wanneer wij eenig ligchaam voor een vergrootglas stellen, het nog verder,
-nog digter bij het vergrootglas moet staan, als het brantpunt van het vergrootglas
-is, en wat verder of te nader bij is, vertoonen de lighamen niet scharp, maar verwart</span>,” enz.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e448src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e466">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e466src">14</a></span> Boitet, t. a. p., blz. 795 verhaalt, „dat hij, niet meer dan 16 jaren oud zijnde,
-als boekhouder en kassier aldaar ageerde; en alhoewel hij door de bezigheid van deze
-tweevoudige bediening werk genoeg had om dezelve in orde waar te nemen, wist zijne
-buitengewone naarstigheid gedurig noch <span class="pageNum" id="pb10n">[<a href="#pb10n">10</a>]</span>zooveel tijd tot de lakenwerkerij uit te koopen, dat hij binnen den tijd van zes weken
-als meester zijn proef deed, om zich in der tijd tot deze koophandel, waartoe hij
-zich echter nooit heeft afgezondert, te zetten.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e466src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e475">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e475src">15</a></span> Nieuwenhuis’s „woordenboek van kunsten en wetenschappen enz. 1859 deel V Letter L<span class="corr" id="xd31e477" title="Bron: )">”</span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e475src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e489">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e489src">16</a></span> T. a. p., blz. 365.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e489src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e523">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e523src">17</a></span> Vergelijk daaromtrent (5de vervolg) de 85ste Brief, blz. 13; de 10de Sendbrief, blz.
-96 en <i>Philos. Transact.</i> Vol. XXXV, pag. 433.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e523src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e543">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e543src">18</a></span> Dat Leeuwenhoek inderdaad microscopen voor zijn eigen gebruik er op nahield die sterker
-vergrootten, dan die hij aan anderen liet zien, blijkt uit hetgeen hij zelf betuigt,
-in een brief aan Henry Oldenburg, Secretaris der „<span lang="en">Royal Society</span>” (n<sup>o</sup>. 96, blz. 170). „<span lang="nl">Te meer doen ik zeyde, dat nog in datzelfde water, twee à drie soorten van veel kleynder
-dierkens waren, <span id="xd31e553"></span>die voor syn oogen verborgen waren, en die ik door andere glasen en methoden, <span class="ex">die ik alleen voor myn zelve houde</span>, kome te sien;</span>” terwijl ook de Hoogleeraar Harting mededeelt, dat op het physisch kabinet te Utrecht
-een microscoop aanwezig is van Leeuwenhoek, waarvan hij betuigt, dat de lens zeer
-goed is en bewijst, dat hij het in de kunst van zeer kleine lenzen te slijpen, inderdaad
-reeds op eene groote hoogte gebracht had. Deze lens, namelijk, was biconvex en vergrootte
-270 maal, en alzoo „merkelijk meerder dan de sterkste lens van de microscopen, door
-Leeuwenhoek aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” vermaakt, en waarvan de grootste vergrooting door Baker wordt opgegeven als te zijn
-160 maal. (P. Harting, „Het microscoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen
-toestand,” enz., 3de deel, 1850, blz. 44.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e543src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e568">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e568src">19</a></span> Birch, „<span lang="en">the History of the Royal Society of London</span>,” 1757, Vol. IV, pag. 365.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e568src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e578">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e578src">20</a></span> Het huis, waarin Leeuwenhoek gewoond heeft, is nog aanwezig en te vinden op den hoek
-der „Botersteeg en het Oude Delft,” wijk 4, n<sup>o.</sup> 455, doch het is aan de vóórzijde kennelijk gemoderniseerd, terwijl het aan den kant
-der Botersteeg en van achteren nog het aanzien van oudheid behouden <span class="pageNum" id="pb16n">[<a href="#pb16n">16</a>]</span>heeft. Aan de zijde der Botersteeg (Oud-Delft) vindt men nog als eene bijzonderheid
-aan het ijzeren hek, dat het vóórgedeelte afsluit, een <i>astrolabium</i> aangebracht.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e578src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e592">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e592src">21</a></span> Familie-register.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e592src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e597">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e597src">22</a></span> Ibidem en Boitet, t. a. p., blz. 765.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e597src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e603">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e603src">23</a></span> De familie Swalmius behoorde tot een aanzienlijk en deftig geslacht. Bij Boitet, t.
-a. p., blz. 440, komt in de naamlijst van Predikanten, die sedert de reformatie in
-Delft gestaan hebben, in het jaar 1617 Henricus Swalmius voor, terwijl in de 40ste
-Sendbrief, blz. 390, een brief voorkomt aan zijn neef Mr. Adriaan Swalmius, Advocaat
-voor den Hove van Holland.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e603src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e610">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e610src">24</a></span> Er bestaat van Leeuwenhoek een fraai „in olieverw geschilderd” portret, in het bezit
-van Dr. van Kaathoven, te Leiden. Deze schilderij stelt hem voor in de deftige kleedij
-van den aanzienlijken stand van dien tijd. Dr. van Kaathoven heeft mij de zeer gewaardeerde
-toestemming verleend, van deze schilderij eene afbeelding te laten maken, waardoor
-de waarde dezer uitgave belangrijk verhoogt wordt. Van deze schilderij zijn mij de
-volgende bijzonderheden door den geachten bezitter medegedeeld: Aan de rechter zijde
-<span class="corr" id="xd31e613" title="Niet in bron">(</span>links van den toeschouwer) ziet men vóór hem op eene tafel het ontrolde diploma met
-het aanhangend zegel in rood zegellak (in doos) van het lidmaatschap der Koninklijke
-Sociëteit te Londen, en vóór zich heeft hij een blad papier waarop onduidelijke figuren
-zijn getrokken, terwijl hij in de rechter hand een passer houdt. Vóór den donkeren
-achtergrond is een hemelglobe aangebracht en men bespeurt op dien achtergrond een
-landschap, waarin men zonder andere voorwerpen, alléén de kronkelingen eener rivier
-ziet, waarmede waarschijnlijk die der Theems zijn voorgesteld. De naam van den schilder
-wordt echter niet op de schilderij aangetroffen. Dit geschilderd portret nu komt in
-gelaatstrekken, houding en kleeding, geheel en al overeen met een ander portret van
-Leeuwenhoek in zwarte kunst in fol. (eveneens in het bezit van Dr. van Kaathoven),
-doch hetgeen in het „geschilderd” portret links van den aanschouwer is, ziet men in
-de prent ter rechter zijde; de donkere achtergrond achter de hemelglobe, stelt op
-de prent duidelijker een gordijn voor. In de plaats van een passer in de hand staat
-er op de prent een microscoop van de eerste uitvinding van Leeuwenhoek op de tafel,
-in plaats van het diploma enz., een eikenblad met galnoten en het vergrootglas, terwijl
-hij ook, evenals op de <span class="pageNum" id="pb18n">[<a href="#pb18n">18</a>]</span>schilderij, vóór zich een blad papier heeft, waarop dezelfde, maar nog onduidelijker
-figuren dan op de schilderij zijn getrokken. Verder ziet men op de prent op den donkeren
-achtergrond niet het landschap met de kronkelingen der rivier. Onder dit portret in
-„zwarte kunst” leest men: J. Verkolje pinx., fec. et exc. 1685.
-</p>
-<p class="footnote cont">Nu is de vraag of dit „geschilderd” portret het „echte” door Verkolje geschilderde
-is, dat later, hetzij door hem zelven, hetzij door een andere hand in sommige attributen
-enz<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> is veranderd? of dat er een ander „geschilderd” portret van Leeuwenhoek bestaat waaronder,
-even als onder dat van zw. kunst den naam van Verkolje gelezen wordt?
-</p>
-<p class="footnote cont">(Johannes Verkolje, geb. te Amsterdam 1650, was sedert <span class="corr" id="xd31e623" title="Bron: 1572">1672</span> te Delft woonachtig en wordt onder de vermaarde schilders gerekend. Hij overleed
-te Delft in 1693.) (Zie over zijn leven en schilderijen onder anderen Houbraken, III,
-blz. 282), doch noch bij dezen schrijver, noch in andere levensbeschrijvingen van
-Nederlandsche schilders, vond Dr. van Kaathoven onder de werken van J. Verkolje van
-een ander dan van de prent in <i>zwarte kunst</i> gewag gemaakt.
-</p>
-<p class="footnote cont">Behalve deze beide beschreven portretten van Leeuwenhoek zijn er nog een zestal andere
-drukken in het bezit van denzelfden verzamelaar, die onderling eenigermate verschillen,
-als:
-</p>
-<ul>
-<li>„Antonius a Leeuwenhoek, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.” 4<sup>o</sup>.
-</li>
-<li>„Idem, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.”, 4<sup>o</sup>.
-</li>
-<li>„Antoni van Leeuwenhoek, geboren te Delft, A<sup>o</sup>. 1632.”
-</li>
-<li>„J. <span class="corr" id="xd31e648" title="Bron: Verkoltje">Verkolje</span> pinx., Zw. k.” fol.
-</li>
-<li>„Antonius a Leeuwenhoek, J.&nbsp;C. Phillips inv. et fec.,” 1747, 8<sup>o</sup>.
-</li>
-<li>„Idem (Antoni). Idem fecit.” 1740, fol.
-</li>
-<li>„Antonius Leeuwenhoekius,” J. Gourée sculpt. med.</li>
-</ul><p>
-</p>
-<p class="footnote cont">Eindelijk bezit Dr. van Kaathoven nog een op Delftsch aardewerk vervaardigd portret
-van Leeuwenhoek, dat van boven met een oor voorzien is, bestemd om opgehangen te worden,
-waarop weder andere attributen dan op de schilderij zijn aangebracht; uit dit portret
-is Leeuwenhoek bijna niet te herkennen.
-</p>
-<p class="footnote cont">Ik zelf bezit drie borden van fijn echt Delftsch aardewerk of porcelein, op één waarvan
-het portret van Leeuwenhoek, dat volkomen in gelaatstrekken en kleeding met het boven
-beschrevene overeenkomt; links van <span class="pageNum" id="pb19n">[<a href="#pb19n">19</a>]</span>den aanschouwer ziet men den toren der Oude Kerk te Delft, rechts eene draperie en
-onderaan „<span lang="nl">Antoni van Leeuwenhoek, Lit van de Koninglijke Societeyt in Londen, geboren tot Delft
-1632</span>”, op een goud veld in zwarte letters gebakken, het geheel met een zware, met kleuren
-en goud versierden rand omgeven.
-</p>
-<p class="footnote cont">Het tweede bord stelt voor de „grafnaald,” zooals die zich in de oude Kerk te Delft
-bevindt, met de buste van Leeuwenhoek en daaronder „P. M: Antoni a Leeuwen. Reg. Anglo.
-Societ.” omgeven door een zware gouden rand met gekleurde slingers. Op dezen rand
-leest men in zwarte letters: „Grafnaald van den heer Antoni van Leeuwenhoek in de
-Oude Kerk te Delft, geboren den 21sten October 1632, overleden den 26sten Augustus
-1723.”
-</p>
-<p class="footnote cont">Op het derde bord is het „familie-wapen” van Leeuwenhoek gebakken, voorstellende een
-leeuw op een goud veld in schoone kleuren, en boven dien ben ik nog in het bezit van
-een theeschoteltje, van zeer fijn dun Delftsch porcelein, eveneens met het „familie-wapen”
-in goud en kleuren, maar in plaats van de kroon, een helm met vederen gedekt door
-een kroon. Onderaan leest men op een gouden band in zwarte letter „Maria Leeuwenhoek”.
-De borden zijn op de tentoonstelling van Nederlandsche oudheden, in het jaar 1863
-te Delft gehouden, geweest, terwijl zij eveneens, bij gelegenheid der feestelijke
-herdenking van de ontdekking der microscopische wezens door van Leeuwenhoek, op den
-8sten September 1875 te Delft tevieren, op eene tentoonstelling van het geen van Leeuwenhoek’s
-microscopen en andere bijzonderheden op hem betrekkelijk is kunnen bijeengebracht
-worden, zullen voorkomen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e610src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e672">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e672src">25</a></span> 34ste Brief bl. 11.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e672src" title="Ga terug naar noot 25 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e756">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e756src">26</a></span> Zacharias Conrad von Uffenbach, „<span lang="de">Merkwürdige Reisen durch Nieder-Sachsen, Holland und Engeland.</span>” Ulm. 1754. 3 <span class="corr" id="xd31e761" title="Bron: Tb.">Th.</span> S. 349.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e756src" title="Ga terug naar noot 26 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e770">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e770src">27</a></span> 23ste Sendbrief, blz. 31.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e770src" title="Ga terug naar noot 27 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e780">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e780src">28</a></span> 2de vervolg, 66ste brief, blz. 323.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e780src" title="Ga terug naar noot 28 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e795">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e795src">29</a></span> Zevende vervolg, 116de Brief, blz. 97.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e795src" title="Ga terug naar noot 29 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e804">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e804src">30</a></span> 5de Vervolg, 93ste Brief, blz. 127.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e804src" title="Ga terug naar noot 30 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e818">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e818src">31</a></span> „<span lang="de">Merkwürdige Reisen</span>”. etc. t. a. p.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e818src" title="Ga terug naar noot 31 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e834">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e834src">32</a></span> Reinier de Graaf te Schoonhoven geboren in het jaar 1641 vestigde zich na voleindigde
-studiën in zijn geboorteplaats en werd van daar naar Delft beroepen, alwaar hij zich
-als geneesheer vestigde. Hij schreef behalve zijn werk over het „<span lang="la">Succus pancreaticus</span>,” over de voortplanting van den mensch en over de vrouwelijke geslachtsdeelen, waarover
-zijn grooten strijd met Swammerdam ontstond, waarvan gezegd werd dat hij zoo gevoelig
-was, wegens de scherpe en onheusche critiek van Swammerdam, <span class="pageNum" id="pb26n">[<a href="#pb26n">26</a>]</span>dat hij tengevolge daarvan van verdriet stierf. Ook Leeuwenhoek maakt gewag van dezen
-vinnigen twist en de gevolgen er van. In een brief aan George Garden te Aberdeen van
-19 Maart 1694 (2de vervolg 81ste Brief bl. 670)<span id="xd31e841"></span> zegt hij<span class="corr" id="xd31e843" title="Niet in bron">:</span> „<span lang="nl">Wat nu Swammerdam en Reinier de Graaf hare stellingen belangt: Ick hebbe die Heeren
-speciaal gekend en zij hebben verscheyde malen in myn huys geweest, en met vermaak
-beschout mijne ontdekkingen en twijfel ook niet, zoo die Heeren nu nog leefden, of
-zy souden schaamroot werden over hare ingebeelde verdigsels, daar zy tegen malkanderen
-als yder willende de eer hebben van de nieuwe ontdekking van voorttelinge, door het
-eyer-nest, door de hevige ontmoetinge, die zy met malkanderen met woorden voerden,
-de laatste niet alleen siek wierde, maar ook de dood daarop volgde, zoo mij doen ter
-tijd berigt wierd.</span>”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e834src" title="Ga terug naar noot 32 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e876">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e876src">33</a></span> Van dit werk is in 1866 eene Hoogduitsche uitgave in het licht verschenen onder den
-titel: „<span lang="de">P. Harting, Das Mikroskop. Theorie, Gebrauch, Geschichte und gegenwärtiger Zustand
-der selben. Deutsche Originalausgabe, von Verfasser revidirt und Vervollständigt.
-Herausgegeben van Dr. Fr. Wilh. Theile. In drei Bänden.</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e876src" title="Ga terug naar noot 33 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e885">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e885src">34</a></span> De hoogleeraar Harting zegt onder anderen in zijn bovenvermeld „het Mikroskoop” p.
-26, dat de getuigenis van het recht van Hans en Zacharias Janssen op de uitvinding
-van het microscoop te vinden is in het boekje van Petrus Borellus: „<span lang="la">De vero telescopii inventore, cum brevi omnium conspiculiorum historia.… accessit
-etiam centuria observationum microscopicarum. Hagae comitum 1633</span>,” waarin een brief voorkomt aan den schrijver gericht door Willem Boreel, Middelburger
-van geboorte en toenmaals gezant bij het Hof van Frankrijk. Uit dezen brief blijkt,
-dat Boreel den in de buurt van het huis zijns vaders wonenden brillenslijper Hans
-en diens zoon Zacharias zeer goed gekend heeft, en dikwijls in hun winkel is geweest,
-en dat door hen, „lang vóór” 1610 microscopen zijn gemaakt, waarvan zij er een aan
-Prins Maurits gegeven hebben, en naderhand een ander aan den Aartshertog Albert van
-Oostenrijk, die dit werktuig aan Drebbel schonk, bij wien Boreel het zelf gezien heeft.
-Vandaar waarom sommigen Drebbel voor den uitvinder hielden, ofschoon het zeer waarschijnlijk
-is, dat deze eenmaal in het bezit van het microscoop van Hans en Zacharias Janssen
-zijnde, dit zal hebben nagemaakt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e885src" title="Ga terug naar noot 34 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e895">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e895src">35</a></span> „Het mikroskoop,” enz., Deel III blz. 21.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e895src" title="Ga terug naar noot 35 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e898">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e898src">36</a></span> 18de Sendbrief, blz. 169.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e898src" title="Ga terug naar noot 36 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e906">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e906src">37</a></span> „Het mikroskoop,” enz., Deel III, blz. 34.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e906src" title="Ga terug naar noot 37 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e911">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e911src">38</a></span> „Het mikroskoop,” t. a. p., blz. 37.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e911src" title="Ga terug naar noot 38 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e932">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e932src">39</a></span> Robert Hooke, een beroemd Engelsch Philosooph en Geneeskundige, was geboren op het
-eiland Wight, in het jaar 1635 en overleed in 1702. Hij studeerde te <span class="corr" id="xd31e934" title="Bron: Oxfort">Oxford</span> in de medicijnen, werd in 1664 Hoogleeraar in de Wiskunde aan het „Gresham-College”
-te Londen. Hij muntte ook uit als werktuigkundige en was ten tijde van Leeuwenhoek
-een der Secretarissen der „<span lang="en">Royal Society.</span>”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e932src" title="Ga terug naar noot 39 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e946">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e946src">40</a></span> Birch, t. a. p., pag. 393.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e946src" title="Ga terug naar noot 40 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e953">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e953src">41</a></span> Nicolaas Hartsoeker was een beroemd Nederlandsch Natuurkundige en werd in 1656 te
-Gouda geboren. Zijn vader was Remonstrantsch predikant te Rotterdam. Hij was bestemd
-voor den geestelijken stand, doch wijdde zich, tegen den zin zijns vaders aan de Wis-
-en Natuurkundige Wetenschappen, zoodat hij, ten einde zijn vader niet zou ontdekken,
-dat hij des nachts studeerde, de dekens van zijn bed voor de vensters van zijn slaapvertrek
-spande. Hij betaalde zijn onderwijzer die hem ook optische glazen leerde slijpen,
-van zijn zakgeld. Het toeval bracht hem tot eene belangrijke ontdekking. Opgemerkt
-hebbende, dat het einde van een glazen draad, in de vlam eener kaars gehouden, eene
-bolvormige gedaante kreeg, en dit verschijnsel toepassende op de proeven, die hij
-Leeuwenhoek had zien doen, vervaardigde hij daarmede microscopen, die hij beweerde
-die van <span class="corr" id="xd31e956" title="Bron: Leeu enhoek">Leeuwenhoek</span> te evenaren. Deze was geen vriend van hem, omdat hij voorgaf de ontdekking der zaaddiertjes
-reeds vóór hem gedaan te hebben. Hoe Leeuwenhoek over hem dacht, blijkt uit een brief
-d.d. 9 December 1698 (113de Brief, blz. 63) aan Harm. van Zoelen, Oud-Burgemeester
-van Rotterdam. „<span lang="nl">Wat voor een persoon desen Hartsoeker is, weet ik niet, omdat er meer zijn, die den
-naam van Hartsoeker voeren, en ten mynen huyse zijn geweest, en onder anderen veel
-jaren geleden, een out bedaagt man, die men tot my seyde, dat een prediker van de
-Remonstrantsche gemeente te Rotterdam was, by sig hebbende een soon, die een jong
-student was, en welke toen van syn vader veelmaal wierde aangemaant, om nauwkeurig
-toe te sien, want ik saaken vertoonde, soo als den Prediker seyde, die noyt in de
-Werelt waren kundig geweest”.…„Dat de Heer <span class="corr" id="xd31e961" title="Bron: Hartstsoeker">Hartsoeker</span> de woorden voert, dat hy na syne kennisse, de eerste van allen is, die het saad der
-dieren met de vergrootglasen heeft beginnen te ondersoeken, komt my vreemt voor</span>” enz. (Hierover later).
-<span class="pageNum" id="pb32n">[<a href="#pb32n">32</a>]</span></p>
-<p class="footnote cont">Hartsoeker hield zich van 1674–1677 te Leiden op, begaf zich daarna naar Parijs en
-hield zich daar bezig met het vervaardigen van teleskopen. In 1679 keerde hij naar
-Holland terug, doch ging weder naar Parijs, waar hij tot het jaar 1696 bleef. Hij
-vestigde zich daarna te Amsterdam, zich bezig houdende met astronomische waarnemingen,
-en ontving weldra eene uitnoodiging van Czaar Peter den Eerste, om hem als Hoogleeraar
-in de mathesis naar Petersburg te volgen, welk aanbod hij echter afsloeg. Later nam
-hij dergelijk beroep naar Dusseldorp aan, keerde later naar Holland terug en overleed
-te Utrecht in 1725.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e953src" title="Ga terug naar noot 41 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e972">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e972src">42</a></span> „<span lang="en">Philos. Transactions</span>,” 1677, pag. 226.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e972src" title="Ga terug naar noot 42 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e978">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e978src">43</a></span> „Harting’s Mikroskoop,” t. a. p. 3de Deel, blz. 53.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e978src" title="Ga terug naar noot 43 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e986">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e986src">44</a></span> Uffenbach’s Reisen enz. t. a. p.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e986src" title="Ga terug naar noot 44 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1006">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1006src">45</a></span> „Antoni van Leeuwenhoek, Vereerend herdacht” door Isaac van Haastert enz., 1823.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1006src" title="Ga terug naar noot 45 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1014">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1014src">46</a></span> Henry Baker schreef een werk over „Het Nuttig gebruik van het Mikroskoop” en later
-een ander: „Het Mikroskoop gemakkelijk gemaakt;” beiden door Houttuyn vertaald in
-1755 en 1770. Hij verhaalt in het eerstgenoemde werk blz. 453, dat deze 26 microscopen
-vervat waren in een <span class="pageNum" id="pb35n">[<a href="#pb35n">35</a>]</span>klein kistje, hetwelk Leeuwenhoek bij zijn overlijden aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” had nagelaten en dat door Martin Folker aan de Sociëteit werd aangeboden. Men vindt
-daarvan de mededeeling in „Philos. Transact.” n<sup>o</sup>. 380.
-</p>
-<p class="footnote cont">Omtrent deze microscopen heb ik dezer dagen, door een mijner betrekkingen te Londen
-woonachtig, onderzoek laten doen bij den tegenwoordigen secretaris der <span lang="en">Royal Society</span> Dr. Walter White, die bekend bleek te zijn met de relatiën van dit college met Leeuwenhoek
-gedurende de jaren 1673–1718. Het was hem bekend dat Leeuwenhoek verschillende voorwerpen
-aan dat college had ten geschenke gegeven, doch er was daarvan niets meer aanwezig.
-Er wordt nu nog onderzocht of er soms microscopen van Leeuwenhoek bij het Kings College
-te vinden zijn, waarvan ik spoedig bericht verwacht, zoodat ik wellicht vóór het afdrukken
-dezer uitgave daar nog mededeeling van doen kan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1014src" title="Ga terug naar noot 46 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1108">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1108src">47</a></span> 7de Vervolg, 135ste brief, blz. 305.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1108src" title="Ga terug naar noot 47 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1118">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1118src">48</a></span> „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” Vol XXXij, pag. 450.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1118src" title="Ga terug naar noot 48 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1127">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1127src">49</a></span> 2de Vervolg, 66ste Brief blz. 308.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1127src" title="Ga terug naar noot 49 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1156">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1156src">50</a></span> Deze beschrijving is gevolgd naar „Harting’s mikroskoop,” Deel III blz. 380.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1156src" title="Ga terug naar noot 50 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1186">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1186src">51</a></span> Uffenbach geeft over Leeuwenhoek’s werkzaamheid zijn verwondering te kennen („Merkw.
-Reisen” t. a. p.) in deze bewoordingen: „<span lang="de">Es ist zich übrigens nicht genug zu verwundern, über Hern Leeuwenhoek’s grossen Fleisz
-und Arbeitsamkeit, so woll in Observationen zu machen, als auch Gläser zu schliffen,
-und die Machienen zu denen Microscopiis zu machen.</span>”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1186src" title="Ga terug naar noot 51 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1192">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1192src">52</a></span> 2de Sendbrief, blz. 22.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1192src" title="Ga terug naar noot 52 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1207">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1207src">53</a></span> 7de Vervolg, 116de Brief, blz. 96.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1207src" title="Ga terug naar noot 53 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1235">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1235src">54</a></span> Birch t. a. <span class="corr" id="xd31e1237" title="Bron: P">p</span>., Vol. III, pag. 338 en 346.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1235src" title="Ga terug naar noot 54 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1245">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1245src">55</a></span> Birch t. a. p., pag. 346.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1245src" title="Ga terug naar noot 55 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1254">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1254src">56</a></span> Birch t. a. p., blz. 349.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1254src" title="Ga terug naar noot 56 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1283">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1283src">57</a></span> De eigenhandige brief van Leeuwenhoek aan <span class="corr" id="xd31e1285" title="Bron: Constantyn">Constantijn</span> Huygens, waaraan ik deze bijzonderheden ontleend heb, en waarvan een afschrift in
-mijn bezit is, bevindt zich in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1283src" title="Ga terug naar noot 57 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1317">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1317src">58</a></span> „<span lang="de">Beiträge zur Biologie der Pflanzen</span>” 2e Heft S. 127.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1317src" title="Ga terug naar noot 58 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1330">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1330src">59</a></span> Birch t. a. p<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>, blz. 358.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1330src" title="Ga terug naar noot 59 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1339">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1339src">60</a></span> Birch t<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> a. p., Deel IV pag. 104.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1339src" title="Ga terug naar noot 60 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1353">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1353src">61</a></span> Birch t. a. p., blz. 386.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1353src" title="Ga terug naar noot 61 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1362">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1362src">62</a></span> „<span lang="de">Zuletz</span>” zegt hij „<span lang="de">wiese uns Herr Leeuwenhoek sein cabinet, in welchen er wohl ein Duzent lackirter kästgen,
-und in diesen wohl anderthalf hundert ob vermeldeter kleinen Futerälgen hatte, in
-deren jedem zwey kleinen sorte lagen. Als wir uns über diesen Vorrath wunderten, und
-fragten, ob er denn keine verkauffte, indem wir gerne etliche haben möchten, sagte
-er; nein, bey meinen Leben nicht. Er war auch sehr geheim mit <span class="pageNum" id="pb50n">[<a href="#pb50n">50</a>]</span>seiner Arbeit, wie er sie machte.</span>” En iets later zegt Uffenbach<span class="corr" id="xd31e1372" title="Bron: .">:</span> „<span lang="de">Wir hatte gerne gefragt, warum er so viele Microscopia machte und doch keine verkauffen
-wolte, wir fürchteten aber, wie möchten eine Holländischen, oder kein Antworth bekommen.</span>” Uffenbach, waarschijnlijk uit spijt over dit weigerend antwoord, laat zich daarover
-echter in onheusche gevolgtrekkingen uit, zeggende: „<span lang="de">Vermuttlich steckt vornemlich der Neid dahinter, dasz er bey seinen Lebzeiten niemand
-seine Art von Microscopiis zu Handen kommen lassen will.</span>”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1362src" title="Ga terug naar noot 62 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1388">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1388src">63</a></span> Dr. Halbertsma, „<span lang="la">Dissertatio historico-medica inauguralis de Antonii Leeuwenhoekii meritis, in quasdam
-partes anatomiae microscopiae</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span>, 1843, pag. 12.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1388src" title="Ga terug naar noot 63 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1397">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1397src">64</a></span> 18de Sendbrief, blz. 169.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1397src" title="Ga terug naar noot 64 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1413">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1413src">65</a></span> 20ste Sendbrief, blz. 189.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1413src" title="Ga terug naar noot 65 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1438">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1438src">66</a></span> 2de Vervolg, 66ste Brief, blz. 312.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1438src" title="Ga terug naar noot 66 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1454">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1454src">67</a></span> 7de Vervolg, 116de Brief, blz. 100<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1454src" title="Ga terug naar noot 67 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1466">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1466src">68</a></span> „<span lang="en">Employement for the Microscope</span>. Londen, 1753. (Hollandsche vertaling) Nuttig gebruik van het Mikroskoop. Amsterdam,
-1756, blz. 456.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1466src" title="Ga terug naar noot 68 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1600">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1600src">69</a></span> Het Mikroskoop, enz. t. a<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> p. dl. 3, blz. 44.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1600src" title="Ga terug naar noot 69 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1614">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1614src">70</a></span> 33ste Brief, blz. 17.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1614src" title="Ga terug naar noot 70 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1624">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1624src">71</a></span> 35ste Brief, blz. 17.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1624src" title="Ga terug naar noot 71 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1641">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1641src">72</a></span> 41ste Sendbrief, blz. 37.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1641src" title="Ga terug naar noot 72 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1652">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1652src">73</a></span> 41ste Sendbrief, blz. 404.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1652src" title="Ga terug naar noot 73 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1663">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1663src">74</a></span> Manuscript in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, waarvan afschrift in mijn bezit
-is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1663src" title="Ga terug naar noot 74 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1675">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1675src">75</a></span> „Het Mikroskoop t. a. p. 3de deel, blz. 404.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1675src" title="Ga terug naar noot 75 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1678">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1678src">76</a></span> Brief aan de „Royal Society van 25 Juli 1684, N<sup>o</sup>. 42, blz. 32.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1678src" title="Ga terug naar noot 76 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1689">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1689src">77</a></span> Zie 36ste Brief, blz. 33.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1689src" title="Ga terug naar noot 77 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1702">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1702src">78</a></span> Robert Smith, <span lang="nl">volkomen samenstel der optica of gesichtkunde 1753</span> pag. 338 (uit het Engelsch „<span lang="en">Dissertations upon Physico-Mathematical Subjects 1732</span>” p. 45).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1702src" title="Ga terug naar noot 78 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1723">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1723src">79</a></span> 2de Vervolg, 64ste Brief, blz. 243.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1723src" title="Ga terug naar noot 79 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1731">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1731src">80</a></span> 6de Vervolg, 98ste Brief, blz. 198.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1731src" title="Ga terug naar noot 80 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1760">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1760src">81</a></span> T. a. p. blz. 18.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1760src" title="Ga terug naar noot 81 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1767">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1767src">82</a></span> 4de Vervolg, 83ste Brief, blz. 723 en 7de Vervolg, 111de Brief, blz. 48.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1767src" title="Ga terug naar noot 82 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1788">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1788src">83</a></span> 32ste Sendbrief, blz. 317.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1788src" title="Ga terug naar noot 83 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1808">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1808src">84</a></span> 47ste Brief, blz. 48.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1808src" title="Ga terug naar noot 84 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1814">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1814src">85</a></span> 7de Vervolg, 113de Brief, blz. 374.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1814src" title="Ga terug naar noot 85 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1820">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1820src">86</a></span> 30ste Sendbrief, bladz<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> 304.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1820src" title="Ga terug naar noot 86 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1831">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1831src">87</a></span> „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>, Vol. IX, pag. 23. <span lang="en">More microsc. observ. made bij Mr. L. Upon the globuls of the Blood</span>” etc. Deze brief werd eerst, na in het Engelsch vertaald te zijn, in de Vergadering
-van 27 April 1674 voorgelezen, en werd dit onderwerp nader vervolgd in een brief,
-d.d. 4 September 1674.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1831src" title="Ga terug naar noot 87 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1844">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1844src">88</a></span> 1ste Vervolg, 65ste Brief, blz. 294.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1844src" title="Ga terug naar noot 88 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1849">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1849src">89</a></span> 7de Vervolg, 128ste Brief, blz. 232.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1849src" title="Ga terug naar noot 89 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1854">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1854src">90</a></span> 42ste Brief, blz. 32.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1854src" title="Ga terug naar noot 90 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1857">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1857src">91</a></span> Ibidem, blz. 37.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1857src" title="Ga terug naar noot 91 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1860">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1860src">92</a></span> Halbertsma, t. a. p. pag. 32.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1860src" title="Ga terug naar noot 92 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1864">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1864src">93</a></span> Ibidem, t. a. p. pag. 33.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1864src" title="Ga terug naar noot 93 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1869">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1869src">94</a></span> 2de Vervolg, 65ste Brief, blz. 284.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1869src" title="Ga terug naar noot 94 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1872">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1872src">95</a></span> 3de Vervolg, 67ste Brief, blz. 341<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1872src" title="Ga terug naar noot 95 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1877">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1877src">96</a></span> 3de Vervolg, 68ste Brief, blz. 353.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1877src" title="Ga terug naar noot 96 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1880">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1880src">97</a></span> 2de Vervolg, 66ste Brief, blz. 289, 300, 306.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1880src" title="Ga terug naar noot 97 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1886">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1886src">98</a></span> 2de Vervolg<span class="corr" id="xd31e1888" title="Bron: .">,</span> 67ste Brief, blz. 333.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1886src" title="Ga terug naar noot 98 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1892">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1892src">99</a></span> Van der Boon, t. a. p., blz. 29.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1892src" title="Ga terug naar noot 99 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1895">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1895src">100</a></span> 2de Vervolg, 67ste Brief, blz. 332.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1895src" title="Ga terug naar noot 100 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1903">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1903src">101</a></span> 2de Vervolg, 65ste Brief, blz. 382.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1903src" title="Ga terug naar noot 101 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1906">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1906src">102</a></span> 2de Vervolg, 67ste Brief, blz. 334.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1906src" title="Ga terug naar noot 102 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1913">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1913src">103</a></span> 3de Vervolg, 68ste Brief, blz. 355, en „<span lang="fr">Biographie Universelle etc. Paris 1819</span>.” T. XXIV, pag. 363<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1913src" title="Ga terug naar noot 103 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1922">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1922src">104</a></span> „<span lang="fr">Biographie Universelle</span>, t. a. p.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1922src" title="Ga terug naar noot 104 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1928">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1928src">105</a></span> A. van der Boon, t. a. p., blz. 29.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1928src" title="Ga terug naar noot 105 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1935">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1935src">106</a></span> „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>.” Vol. IX, p. 125; Halbertsma, Diss., t. a. p. blz. 51.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1935src" title="Ga terug naar noot 106 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1942">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1942src">107</a></span> „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>.” Vol. XII, p. 1002; 49ste Brief, blz. 31. Halbertsma, Diss.<span class="corr" id="xd31e1947" title="Niet in bron">,</span> t. a<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> p. blz. 51<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1942src" title="Ga terug naar noot 107 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1957">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1957src">108</a></span> Van der Boon etc., t. a. p.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1957src" title="Ga terug naar noot 108 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1960">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1960src">109</a></span> Van der Boon, t. a. p., blz., 81.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1960src" title="Ga terug naar noot 109 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1965">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1965src">110</a></span> 53ste Brief, blz. 1.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1965src" title="Ga terug naar noot 110 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1968">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1968src">111</a></span> Men leze verder wat van der Boon daaromtrent mededeelt, ten betooge, dat Leeuwenhoek
-anderhalve eeuw vroeger reeds bekend maakte, wat Purkinje en anderen daaromtrent als
-nieuw vermelden, t. a. p., blz. 81.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1968src" title="Ga terug naar noot 111 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1978">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1978src">112</a></span> 41ste Sendbrief, blz. 405.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1978src" title="Ga terug naar noot 112 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e1984">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1984src">113</a></span> 7de Vervolg, 109de Brief, blz. 27.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e1984src" title="Ga terug naar noot 113 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2011">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2011src">114</a></span> 7de Vervolg, 113de Brief, blz. 65.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2011src" title="Ga terug naar noot 114 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2033">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2033src">115</a></span> Deze bijzonderheden komen niet voor in de eerste uitgave mijner biographie van Leeuwenhoek;
-zij zijn ontleend aan de „Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie van
-wetenschappen, Afdeeling Natuurkunde, deel 13, 3e stuk,” alwaar deze mededeeling van
-Prof. Halbertsma, op blz. 342 voorkomt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2033src" title="Ga terug naar noot 115 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2040">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2040src">116</a></span> A. Haller, „Elem. Physiologiae, Lugd. Bat. 1765. Tom. VII, p. 523<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2040src" title="Ga terug naar noot 116 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2050" lang="de">
-<p class="footnote" lang="de"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2050src">117</a></span> „Versuch einer pragmat. Geschichte der Arzneykunde Halle 1801. Th. IV, S. 293<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2050src" title="Ga terug naar noot 117 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2078">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2078src">118</a></span> In deze Encyclopaedie wordt eene korte levensbeschrijving van Ludwig von Hammen gevonden,
-waaruit blijkt dat hij in het jaar 1652, waarschijnlijk te Dantzig, geboren werd,
-zich aan de geneeskunde gewijd en te Montpellier gestudeerd heeft, alwaar hij tot
-Doctor gepromoveerd werd. Hij vestigde zich te Dantzig, werd te gelijkertijd lijfarts
-van Johan Sobieski, koning van Polen, maar stierf zeer jong n. m. den 15 Maart 1680.
-Er zijn van hem geen geschriften bekend als zijn doctorale dissertatiën „<span lang="la">Curriculum medicum <span class="corr" id="xd31e2082" title="Bron: Mouspeliense">Monspeliense</span></span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> 1674, 4<sup>o</sup> en „<span lang="la">de herniis diss.</span>” en „<span lang="la">de crocodilo et vesicae mendaci calculo epistolae</span>. Gedani 1677, 4<sup>o</sup> Lugd. Bat. 1682, 12<sup>o</sup>.” Verder staat er te lezen, dat het tamelijk zeker schijnt, dat hij, tegen Hartsoeker’s
-beweeringen, de ontdekker der zaaddiertjes is, welke ontdekking hij in Augustus 1677
-mededeelde aan „dem Professor” (!) Ant. v. Leeuwenhoek te Delft.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2078src" title="Ga terug naar noot 118 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2103" lang="de">
-<p class="footnote" lang="de"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2103src">119</a></span> „Mikroskopische Anatomie II. 2. S. 398.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2103src" title="Ga terug naar noot 119 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2106" lang="de">
-<p class="footnote" lang="de"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2106src">120</a></span> „Lehrbuch der Anatomie des menschen. Giessen 1862. S. 228.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2106src" title="Ga terug naar noot 120 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2113" lang="la">
-<p class="footnote" lang="la"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2113src">121</a></span> „De carnis musculosae fibrarumque carnearum structuram L.&nbsp;B. 1741.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2113src" title="Ga terug naar noot 121 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2149">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2149src">122</a></span> „<span lang="en">Philosophic. Transactions</span>, n<sup>o</sup>. 247, fol. 337.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2149src" title="Ga terug naar noot 122 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2158">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2158src">123</a></span> 7de Vervolg, 117de Brief, blz. 102.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2158src" title="Ga terug naar noot 123 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2169">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2169src">124</a></span> 38ste Brief, blz. 4.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2169src" title="Ga terug naar noot 124 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2172">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2172src">125</a></span> 18de Sendbrief, pag<span class="corr" id="xd31e2174" title="Bron: ,">.</span> 168.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2172src" title="Ga terug naar noot 125 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2184">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2184src">126</a></span> 45ste Brief, blz. 43.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2184src" title="Ga terug naar noot 126 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2199">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2199src">127</a></span> Cornelis Bontekoe was geboren te Alkmaar in het jaar 1647, studeerde en promoveerde
-te Leiden, en werd beroepen als Hoogleeraar te Frankfort a/Oder. Hij overleed in 1685.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2199src" title="Ga terug naar noot 127 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2206">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2206src">128</a></span> 45ste Brief, blz. 74<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2206src" title="Ga terug naar noot 128 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2221">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2221src">129</a></span> „<span lang="de">Anleitung zur historie der medicinischen Gelährheit von Gottlieb Stolle</span>”. Jena, 1731, 4<sup>o</sup>., 3de Th. S. 535.
-</p>
-<p class="footnote cont">Deze en vele andere bronnen werden mij met groote welwillendheid verstrekt door den
-Hoogleeraar Dr. Groshans, wiens rijke verzameling boeken ten allen tijde mij ten dienste
-stond.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2221src" title="Ga terug naar noot 129 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2354">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2354src">130</a></span> Sendbrieven n<sup>o</sup>. 20, blz. 166.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2354src" title="Ga terug naar noot 130 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2375">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2375src">131</a></span> „<span lang="de">Rede zur Feier des Leibnitz’schen Jahrestages über Leibnitz’ens Methode Verhältniss
-zur Natur-Forschung und Briefwechsel mit Leeuwenhoek, in der öffentlichen Sitzung
-der Königlich-Preuss. Akademie der Wissenschaften am 3 Juli 1845 gehalten von Christian
-Gottfried Ehrenberg.</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> Deze redevoering is te vinden in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2375src" title="Ga terug naar noot 131 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2389">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2389src">132</a></span> De „Theodicae” van Leibnitz verscheen in 1710.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2389src" title="Ga terug naar noot 132 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2404">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2404src">133</a></span> Ook zou ik wenschen, dat bij het onderzoek de microscopen werden aangewend, waarmede
-de schrandere en ijverige Leeuwenhoek zoo veel heeft gepraesteerd, dat ik mij dikwijls
-verontwaardig over der menschen traagheid, die de oogen niet willen openen en zich
-niet verwaardigen te geraken in het voor de hand liggend bezit van wetenschap. Want
-indien wij wijs waren zoude hij reeds overal navolgers hebben.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2404src" title="Ga terug naar noot 133 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2419">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2419src">134</a></span> 28ste Brief, blz. 13.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2419src" title="Ga terug naar noot 134 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2427">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2427src">135</a></span> 4de Vervolg, 81ste Brief, blz. 671.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2427src" title="Ga terug naar noot 135 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2435">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2435src">136</a></span> 3de Vervolg, 74ste Brief, blz. 507.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2435src" title="Ga terug naar noot 136 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2454">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2454src">137</a></span> 7de Vervolg, 120ste Brief, blz. 138.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2454src" title="Ga terug naar noot 137 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2471">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2471src">138</a></span> 7de Vervolg, 120ste Brief, blz. 130.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2471src" title="Ga terug naar noot 138 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2481">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2481src">139</a></span> 3de Vervolg, 72ste Brief, blz. 449.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2481src" title="Ga terug naar noot 139 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2509">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2509src">140</a></span> „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>. Vol. XXVI, pag. 416.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2509src" title="Ga terug naar noot 140 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2525">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2525src">141</a></span> 7de Vervolg, 120ste Brief<span class="corr" id="xd31e2527" title="Niet in bron">,</span> blz. 133.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2525src" title="Ga terug naar noot 141 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2547" lang="nl">
-<p class="footnote" lang="nl"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2547src">142</a></span> Dit doelt op hetgeen hij omtrent zoodanige purgeermiddelen op blz<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> 86 gezegd heeft.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2547src" title="Ga terug naar noot 142 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2558">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2558src">143</a></span> 38ste Brief, blz. 21.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2558src" title="Ga terug naar noot 143 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2576">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2576src">144</a></span> No. 43, blz. 66.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2576src" title="Ga terug naar noot 144 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2584">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2584src">145</a></span> 32ste Sendbrief, blz. 317.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2584src" title="Ga terug naar noot 145 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2598">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2598src">146</a></span> 49ste Brief, blz. 30.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2598src" title="Ga terug naar noot 146 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2610">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2610src">147</a></span> 51ste Brief, blz. 67, terwijl de bijgevoegde afbeeldingen der met den kapokvezel en
-zaden gevulde vrucht, volkomen juist zijn, zijnde een exemplaar van deze vrucht aanwezig
-in het pharmacognostisch kabinet van het Rotterd. Depart. der Ned. Maatsch. t. b.
-der Pharmacie.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2610src" title="Ga terug naar noot 147 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2616">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2616src">148</a></span> De plant waarvan de kapok afkomstig is, heet „<span lang="la">Eriophorus Javana</span>” Rumph., „<span lang="la">Bombax pentandrum</span>” L. „<span lang="la">Ceiba pentandra</span>” Gärtner, „<span lang="la">Eriodendron anfractuosum</span>” Dec.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2616src" title="Ga terug naar noot 148 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2633">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2633src">149</a></span> 2de Vervolg, 64ste Brief, blz. 245.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2633src" title="Ga terug naar noot 149 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2651">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2651src">150</a></span> Christiaan Huygens, Heer van Zeelhem, enz.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2651src" title="Ga terug naar noot 150 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2666">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2666src">151</a></span> 3de Vervolg, 71ste Brief, blz. 397, 405.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2666src" title="Ga terug naar noot 151 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2672">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2672src">152</a></span> 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 42, 6de Vervolg, 99ste Brief.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2672src" title="Ga terug naar noot 152 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2677">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2677src">153</a></span> 6de Vervolg, 100ste Brief<span class="corr" id="xd31e2679" title="Niet in bron">,</span> blz. 251–255.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2677src" title="Ga terug naar noot 153 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2686">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2686src">154</a></span> 49ste Brief, blz. 26.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2686src" title="Ga terug naar noot 154 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2689">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2689src">155</a></span> 55ste Brief, blz. 28–52. 26ste Sendbrief, blz. 235–253.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2689src" title="Ga terug naar noot 155 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2692">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2692src">156</a></span> 3de Vervolg, blz. 395.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2692src" title="Ga terug naar noot 156 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2697">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2697src">157</a></span> 50ste Brief, blz. 45.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2697src" title="Ga terug naar noot 157 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2705">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2705src">158</a></span> 59ste Brief, blz. 130.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2705src" title="Ga terug naar noot 158 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2708">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2708src">159</a></span> 58ste Brief, blz. 105.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2708src" title="Ga terug naar noot 159 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2714">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2714src">160</a></span> 40ste Sendbrief, blz. 391.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2714src" title="Ga terug naar noot 160 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2724" lang="en">
-<p class="footnote" lang="en"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2724src">161</a></span> „A letter concerning green weeds growing in water and some animalcula found about
-them.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> Philosophical Transactions, vol. 23.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2724src" title="Ga terug naar noot 161 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2729">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2729src">162</a></span> 7de Sendbrief, blz. 64.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2729src" title="Ga terug naar noot 162 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2734">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2734src">163</a></span> Vangarmen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2734src" title="Ga terug naar noot 163 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2739">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2739src">164</a></span> „Verhandeling over Antoni van Leeuwenhoek en zijne verdiensten voor de plantkunde;
-in het Tijdschrift voor Natuurlijke Geschiedenis, uitgegeven door Prof. J. van der
-Hoeven en W.&nbsp;H. de Vriese, 1834, 1ste deel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2739src" title="Ga terug naar noot 164 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2744">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2744src">165</a></span> 29ste Brief, blz. 17.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2744src" title="Ga terug naar noot 165 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2747">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2747src">166</a></span> 29ste Brief<span class="corr" id="xd31e2749" title="Niet in bron">,</span> blz. 19.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2747src" title="Ga terug naar noot 166 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2756">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2756src">167</a></span> Van Hall, t. a. p., blz. 6.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2756src" title="Ga terug naar noot 167 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2759">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2759src">168</a></span> 29ste Brief, blz. 26.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2759src" title="Ga terug naar noot 168 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2765">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2765src">169</a></span> 29ste Brief, blz. 19.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2765src" title="Ga terug naar noot 169 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2768">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2768src">170</a></span> 29ste Brief, blz. 26.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2768src" title="Ga terug naar noot 170 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2774">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2774src">171</a></span> 29ste Brief, blz. 12.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2774src" title="Ga terug naar noot 171 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2779">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2779src">172</a></span> 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 50.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2779src" title="Ga terug naar noot 172 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2787">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2787src">173</a></span> 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 52.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2787src" title="Ga terug naar noot 173 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2792">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2792src">174</a></span> 74ste Brief, blz. 482.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2792src" title="Ga terug naar noot 174 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2797">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2797src">175</a></span> 28ste Sendbrief, blz. 261.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2797src" title="Ga terug naar noot 175 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2800">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2800src">176</a></span> 28ste Sendbrief, blz. 264.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2800src" title="Ga terug naar noot 176 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2803">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2803src">177</a></span> 28ste Sendbrief, blz. 266<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2803src" title="Ga terug naar noot 177 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2807">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2807src">178</a></span> 28ste Sendbrief, blz. 269.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2807src" title="Ga terug naar noot 178 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2812">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2812src">179</a></span> 2de Vervolg, 74ste brief van 12 Augustus 1692, blz. 484 en 496, 497.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2812src" title="Ga terug naar noot 179 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2818">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2818src">180</a></span> 29ste Brief van 12 Januari 1680.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2818src" title="Ga terug naar noot 180 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2821">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2821src">181</a></span> 46ste Brief van 30 Maart 1685, blz. 75.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2821src" title="Ga terug naar noot 181 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2824">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2824src">182</a></span> 3de Vervolg, 74ste Brief van 12 Augustus 1692.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2824src" title="Ga terug naar noot 182 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2830">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2830src">183</a></span> 3de Vervolg, 74ste Brief van 12 Augustus 1692, blz. 488.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2830src" title="Ga terug naar noot 183 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2833">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2833src">184</a></span> Van Hall t. a. p., blz. 18.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2833src" title="Ga terug naar noot 184 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2838">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2838src">185</a></span> 55ste Brief van 13 Juni 1687, blz. 37.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2838src" title="Ga terug naar noot 185 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2843">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2843src">186</a></span> 46ste Brief van 13 Juli 1685, blz. 27.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2843src" title="Ga terug naar noot 186 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2849">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2849src">187</a></span> „Vermischte Schriften”, I.&nbsp;S. 145. Van Hall t. a. p., blz. 21.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2849src" title="Ga terug naar noot 187 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2852">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2852src">188</a></span> „<span lang="de">Elemente der Phytotomie</span>”. Jena, 1815, I.&nbsp;S. 36.<span id="xd31e2857"></span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2852src" title="Ga terug naar noot 188 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2873">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2873src">189</a></span> R. Brown, „<span lang="la">Prodromus Florae Novae Hollandiae</span>,<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> pag. 573. Van Hall t. a. p.<span class="corr" id="xd31e2880" title="Niet in bron">,</span> blz. 25.<span id="xd31e2882"></span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2873src" title="Ga terug naar noot 189 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2893">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2893src">190</a></span> De dichter Hendrik Schim, die aan hem op zijn 90sten verjaardag <span class="corr" id="xd31e2895" title="Bron: eenge">eenige</span> dichtregelen wijdde, en hem daarin tot rust van zijn arbeid aanmaande, vervolgde
-echter, niet onkundig zijnde dat de wakkere grijze te naarstig was om stil te zijn,
-in deze woorden:
-</p>
-<div class="q">
-<div class="nestedtext">
-<div class="nestedbody">
-<div lang="nl" class="lgouter footnote">
-<p class="line">„Neen schryf, en doet ons al uw zeldzaamheden erven,
-</p>
-<p class="line">Al zoudt gy met de pen in uwe vingers sterven.
-</p>
-<p class="line">Als Plato ondersoek, zoo lang uw levensglas
-</p>
-<p class="line">Noch loopt,” enz.—</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div><p></p>
-</div>
-<div id="xd31e2911">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2911src">191</a></span> „Het Mikroskoop, t. a. p. 3de dl. blz. 464, 465”.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2911src" title="Ga terug naar noot 191 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2917">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2917src">192</a></span> „<span lang="en">Philosophical Transactions</span> Th. XXXII, pag. 446”.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2917src" title="Ga terug naar noot 192 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e2932">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2932src">193</a></span> 30ste Sendbrief, blz. 295.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e2932src" title="Ga terug naar noot 193 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3208">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3208src">194</a></span> Deze aanbeveling werd hen door Cornelis van Arckel, Predikant te Delft, later te Rotterdam,
-met wien Leeuwenhoek bevriend was, verstrekt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3208src" title="Ga terug naar noot 194 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3276">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3276src">195</a></span> Gerard van Loon, „Beschrijving der Nederlandsche Historiepenningen.” Bd<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> III, blz. 223.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3276src" title="Ga terug naar noot 195 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3300">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3300src">196</a></span> 3de Vervolg, 71ste Brief, slot, blz. 436.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3300src" title="Ga terug naar noot 196 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3370">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3370src">197</a></span> 20ste Sendbrief, blz. 189.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3370src" title="Ga terug naar noot 197 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3383">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3383src">198</a></span> 20ste Sendbrief, blz. 189.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3383src" title="Ga terug naar noot 198 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3404" lang="nl">
-<p class="footnote" lang="nl"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3404src">199</a></span> Van Loon voegt er deze vertaling bij:
-</p>
-<p class="footnote cont">„Zijn arbeid valt op kleine zaken, maar is van geen kleine glorie”. Bd. III, pag.
-223.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3404src" title="Ga terug naar noot 199 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3463">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3463src">200</a></span> Er is eene tegenstrijdigheid in de genoemde aanteekening bij Birch, dat de benoeming
-van Leeuwenhoek tot Lid der Royal Society in 1680 zou zijn geschied, terwijl Leeuwenhoek
-zelf in den 46sten Sendbrief opgeeft dat hij in 1679 werd benoemd. Dit jaartal 1679
-is op zijn grafzerk in de Oude kerk te Delft uitgehouwen en wordt ook genoemd in mijn
-vroeger vermeld familieregister. Deze tegenstrijdigheid kan, dunkt mij, worden opgelost,
-door de vermelding, dat men in dien tijd gewoon was, het jaartal, van den aanvang
-des jaars, tot ongeveer in het midden van Maart, zoodanig te schrijven, dat het vorig
-jaartal er bij vermeld werd, zoodat men dan schreef 16​79⁄80 enz. Ook de dateering
-geschiedde volgens oude en nieuwe stijl, welke circa 10 dagen met elkander schijnt
-te hebben verschild.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3463src" title="Ga terug naar noot 200 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3472">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3472src">201</a></span> Birch<span class="corr" id="xd31e3474" title="Niet in bron">,</span> t. a. p., pag. 11.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3472src" title="Ga terug naar noot 201 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3477">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3477src">202</a></span> Birch, t. a. p., pag. 13.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3477src" title="Ga terug naar noot 202 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3486">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3486src">203</a></span> Halbertsma’s Dissertatie, t. a. p.<span class="corr" id="xd31e3488" title="Niet in bron">,</span> blz. 18.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3486src" title="Ga terug naar noot 203 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3499">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3499src">204</a></span> De stichting der Royal Society dagteekent van de onrustigste dagen waarin Engeland
-verkeerd heeft, namelijk van het jaar 1645, hetzelfde jaar van den slag van Naseby,
-die de macht van Karel&nbsp;I vernietigde. Eenige geleerde mannen, afgemat door de eindelooze
-politieke twisten en vervolgingen, kwamen overeen, om op zekeren dag in iedere week
-zich te vereenigen, ten einde zich over wetenschappelijke onderwerpen te onderhouden
-en op deze wijze, de twisten te vergeten, die hun vaderland te gronde dreigden te
-richten.
-</p>
-<p class="footnote cont">De eerste bijeenkomsten hadden plaats te Londen. Toen de onlusten iedereen, die maar
-eenigszins de partij des konings <span class="corr" id="xd31e3503" title="Bron: schenen">scheen</span> toegedaan te zijn, noodzaakten Londen te verlaten, verplaatsten zij hun zetel naar
-Oxford.
-</p>
-<p class="footnote cont">Gedurende het protectoraat van Cromwell bleven de leden verspreid en liet het collegie
-niets van zich hooren, tot op de verheffing van Karel&nbsp;II, toen zij in 1659 weder naar
-Londen terugkeerden en hunne vergaderingen, even als vroeger, in het Gresham-College
-hervatteden.
-</p>
-<p class="footnote cont">Men ondervond opnieuw tegenspoed, doordien het gewoon lokaal waarin zij vergaderden,
-tot eene kazerne werd ingericht. In 1660 werd hun collegie door patent-brieven voor
-goed geconstitueerd, ondervond de Sociëteit spoedig eene groote uitbreiding en werd
-van zeer groot gewicht in de wetenschappelijke wereld. Dien voorspoed was het voor
-een groot deel verschuldigd aan den ijver van zijn Secretaris Heinrich Oldenburg,
-een Duitscher.
-</p>
-<p class="footnote cont">De „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” werden het eerst in 1665 uitgegeven en werden, bijna zonder eenige afbreking tot
-op onzen tijd toe geregeld voortgezet.
-</p>
-<p class="footnote cont">Het belang dat dit Collegie stelde in de onderzoekingen van Leeuwenhoek heeft zeker
-veel bijgedragen tot prikkel en aansporing voor hem om zijne waarnemingen en ontdekkingen
-met onverflauwden ijver voorttezetten.
-<span class="pageNum" id="pb121n">[<a href="#pb121n">121</a>]</span></p>
-<p class="footnote cont">(George Cuvier. „<span lang="fr">Histoire des sciences naturelles</span>” 1841. Émile Blanchard „<span lang="fr">Les observations au microscope</span>” in de <span lang="fr">Revue des deux mondes</span> 1868 p. 389<span id="xd31e3527"></span>.)&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3499src" title="Ga terug naar noot 204 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3550">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3550src">205</a></span> Johannes Hoogvliet was Heelmeester te Delft.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3550src" title="Ga terug naar noot 205 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3587">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3587src">206</a></span> 6de Vervolg, 99ste Brief, blz. 231.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3587src" title="Ga terug naar noot 206 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3595">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3595src">207</a></span> 5de Vervolg, 89ste Brief, blz. 62.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3595src" title="Ga terug naar noot 207 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3641" lang="nl">
-<p class="footnote" lang="nl"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3641src">208</a></span> Dit grafschrift werd door den dichter Poot gemaakt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3641src" title="Ga terug naar noot 208 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3657">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3657src">209</a></span> Van dit familiewapen maakte ik reeds melding op blz. 19, Noot.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3657src" title="Ga terug naar noot 209 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3749">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3749src">210</a></span> T. a. p.<span class="corr" id="xd31e3751" title="Niet in bron">,</span> blz. 26.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3749src" title="Ga terug naar noot 210 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3760">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3760src">211</a></span> Derde deel, 85ste Brief, blz. 13.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3760src" title="Ga terug naar noot 211 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3822">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3822src">212</a></span> Uffenbach’s <span lang="de">Reisen</span> enz. t<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> a. p.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3822src" title="Ga terug naar noot 212 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e3886">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3886src">213</a></span> „Biographisch Woordenboek der Nederlanden. (Letter L.)”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e3886src" title="Ga terug naar noot 213 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd31e4013">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4013src">214</a></span> Dit werd mij eerst onlangs door Dr. du Rieu medegedeeld terwijl dit laatste blad ter
-perse was.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd31e4013src" title="Ga terug naar noot 214 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div class="div1" id="toc">
-<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
-<table summary="Inhoudsopgave">
-<tr id="voorbericht.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#voorbericht">VOORBERICHT.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#voorbericht">III</a></td>
-</tr>
-<tr id="avl.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#avl">Antony van Leeuwenhoek.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#avl">1</a></td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata" summary="Metadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>Antony van Leeuwenhoek: De ontdekker der infusoriën, 1675–1875</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>P. J. Haaxman</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/282525110/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>1875</td>
-<td></td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2021-08-28 Begonnen.
-</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
-<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links
-voor u niet werken.</p>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e116">n.v.t.</a></td>
-<td class="width40 bottom">INFUSORIEN</td>
-<td class="width40 bottom">INFUSORIËN</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e196">VI</a>, <a class="pageref" href="#xd31e205">VI</a></td>
-<td class="width40 bottom">beruste</td>
-<td class="width40 bottom">berustte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e216">VI</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">,”</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e234">VII</a>, <a class="pageref" href="#xd31e255">VII</a>, <a class="pageref" href="#xd31e257">VII</a>, <a class="pageref" href="#xd31e787">23</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1264">44</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2587">90</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e240">VII</a></td>
-<td class="width40 bottom">beforen</td>
-<td class="width40 bottom">before</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e243">VII</a></td>
-<td class="width40 bottom">exponed</td>
-<td class="width40 bottom">exposed</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e252">VII</a></td>
-<td class="width40 bottom">mij</td>
-<td class="width40 bottom">my</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e290">1</a></td>
-<td class="width40 bottom">Juillet</td>
-<td class="width40 bottom">juillet</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e309">3</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="34 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e321">4</a>, <a class="pageref" href="#xd31e403">7</a>, <a class="pageref" href="#xd31e553">14</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1241">42</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1407">51</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1636">55</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2216">77</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2642">92</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3468">119</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3794">129</a></td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e477">10</a></td>
-<td class="width40 bottom">)</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e496">12</a></td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="width40 bottom">””</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e506">12</a></td>
-<td class="width40 bottom">l’àme</td>
-<td class="width40 bottom">l’âme</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e509">12</a></td>
-<td class="width40 bottom">d’ètre</td>
-<td class="width40 bottom">d’être</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e512">12</a></td>
-<td class="width40 bottom">’shonore</td>
-<td class="width40 bottom">s’honore</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e534">13</a></td>
-<td class="width40 bottom">Molineux</td>
-<td class="width40 bottom">Molyneux</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e565">15</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1105">37</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1747">58</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1888">65</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2063">72</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3192">108</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3292">112</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4104">137</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e600">16</a></td>
-<td class="width40 bottom">bij</td>
-<td class="width40 bottom">hij</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e613">17</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">(</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="23 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e623">18</a></td>
-<td class="width40 bottom">1572</td>
-<td class="width40 bottom">1672</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e648">18</a></td>
-<td class="width40 bottom">Verkoltje</td>
-<td class="width40 bottom">Verkolje</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e707">21</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1673">56</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1947">66</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2527">87</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2679">94</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2749">97</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2880">101</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3466">119</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3474">119</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3488">120</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3751">127</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4148">139</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e709">21</a>, <a class="pageref" href="#xd31e721">21</a>, <a class="pageref" href="#xd31e730">21</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1631">55</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2508">87</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2857">100</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2865">101</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2882">101</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3360">114</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3527">121</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3540">121</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3910">133</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3915">133</a></td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e725">21</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1270">45</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1385">50</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2174">75</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3237">110</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4051">136</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e734">22</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2484">86</a></td>
-<td class="width40 bottom">” </td>
-<td class="width40 bottom"> „</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e750">22</a></td>
-<td class="width40 bottom">trachte</td>
-<td class="width40 bottom">trachtte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e761">22</a></td>
-<td class="width40 bottom">Tb.</td>
-<td class="width40 bottom">Th.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e807">24</a></td>
-<td class="width40 bottom">buskruid</td>
-<td class="width40 bottom">buskruit</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e812">24</a></td>
-<td class="width40 bottom">,,</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e841">26</a></td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e843">26</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e861">26</a></td>
-<td class="width40 bottom">” „</td>
-<td class="width40 bottom"> </td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e864">26</a></td>
-<td class="width40 bottom">bij</td>
-<td class="width40 bottom">by</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e934">30</a></td>
-<td class="width40 bottom">Oxfort</td>
-<td class="width40 bottom">Oxford</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e951">31</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hartstoeker</td>
-<td class="width40 bottom">Hartsoeker</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e956">31</a></td>
-<td class="width40 bottom">Leeu enhoek</td>
-<td class="width40 bottom">Leeuwenhoek</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e961">31</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hartstsoeker</td>
-<td class="width40 bottom">Hartsoeker</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1000">33</a></td>
-<td class="width40 bottom">polijste</td>
-<td class="width40 bottom">polijstte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1090">36</a></td>
-<td class="width40 bottom">horisontaal</td>
-<td class="width40 bottom">horizontaal</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1114">37</a></td>
-<td class="width40 bottom">gesien</td>
-<td class="width40 bottom">gezien</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1222">41</a></td>
-<td class="width40 bottom">levendigdeid</td>
-<td class="width40 bottom">levendigheid</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1237">42</a></td>
-<td class="width40 bottom">P</td>
-<td class="width40 bottom">p</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1274">45</a></td>
-<td class="width40 bottom">Schittender</td>
-<td class="width40 bottom">Schitterender</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1280">45</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1285">45</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1660">56</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3189">108</a></td>
-<td class="width40 bottom">Constantyn</td>
-<td class="width40 bottom">Constantijn</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1291">46</a></td>
-<td class="width40 bottom">verbeelde</td>
-<td class="width40 bottom">verbeeldde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1294">46</a></td>
-<td class="width40 bottom">ongelofelijk</td>
-<td class="width40 bottom">ongeloofelijke</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1308">47</a></td>
-<td class="width40 bottom">aanverwandte</td>
-<td class="width40 bottom">aanverwante</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1311">47</a></td>
-<td class="width40 bottom">hoogtste</td>
-<td class="width40 bottom">hoogste</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1323">47</a></td>
-<td class="width40 bottom">onwêerstaanbare</td>
-<td class="width40 bottom">onweêrstaanbare</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1344">48</a></td>
-<td class="width40 bottom">Micographia</td>
-<td class="width40 bottom">Micrographia</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1372">50</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1404">51</a></td>
-<td class="width40 bottom">is’er</td>
-<td class="width40 bottom">is ’er</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1419">51</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2452">84</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2463">85</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2492">86</a></td>
-<td class="width40 bottom">hy</td>
-<td class="width40 bottom">hij</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1427">51</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3861">131</a></td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1734">58</a></td>
-<td class="width40 bottom">uit een</td>
-<td class="width40 bottom">uiteen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1745">58</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1755">59</a></td>
-<td class="width40 bottom">byen</td>
-<td class="width40 bottom">bijen</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1782">61</a></td>
-<td class="width40 bottom">he</td>
-<td class="width40 bottom">het</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2082">72</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mouspeliense</td>
-<td class="width40 bottom">Monspeliense</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2140">75</a></td>
-<td class="width40 bottom">vergistte</td>
-<td class="width40 bottom">vergiste</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2243">77</a></td>
-<td class="width40 bottom">welt</td>
-<td class="width40 bottom">Welt</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2253">77</a></td>
-<td class="width40 bottom">alalleen</td>
-<td class="width40 bottom">alleen</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2274">78</a></td>
-<td class="width40 bottom">chimeriques</td>
-<td class="width40 bottom">chimériques</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2283">78</a></td>
-<td class="width40 bottom">notre</td>
-<td class="width40 bottom">nôtre</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2286">78</a></td>
-<td class="width40 bottom">élòge</td>
-<td class="width40 bottom">éloge</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2292">78</a></td>
-<td class="width40 bottom">sont</td>
-<td class="width40 bottom">son</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2306">78</a></td>
-<td class="width40 bottom">deuxiéme</td>
-<td class="width40 bottom">deuxième</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2360">80</a></td>
-<td class="width40 bottom">antwoorde</td>
-<td class="width40 bottom">antwoordde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2386">81</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2394">81</a></td>
-<td class="width40 bottom">spermatozoiden</td>
-<td class="width40 bottom">spermatozoïden</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2444">83</a></td>
-<td class="width40 bottom">a. o.</td>
-<td class="width40 bottom">o. a.</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2503">86</a></td>
-<td class="width40 bottom">urien</td>
-<td class="width40 bottom">urine</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2648">93</a></td>
-<td class="width40 bottom">Churfust</td>
-<td class="width40 bottom">Churfurst</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2862">101</a></td>
-<td class="width40 bottom">slechfs</td>
-<td class="width40 bottom">slechts</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2895">102</a></td>
-<td class="width40 bottom">eenge</td>
-<td class="width40 bottom">eenige</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2925">102</a></td>
-<td class="width40 bottom">geschikste</td>
-<td class="width40 bottom">geschiktste</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3167">106</a></td>
-<td class="width40 bottom">draaing</td>
-<td class="width40 bottom">draaiing</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3172">107</a></td>
-<td class="width40 bottom">touwje</td>
-<td class="width40 bottom">touwtje</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3205">108</a></td>
-<td class="width40 bottom">aanbeveeling</td>
-<td class="width40 bottom">aanbeveling</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3246">110</a></td>
-<td class="width40 bottom">vliegen</td>
-<td class="width40 bottom">Vliegen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3250">110</a></td>
-<td class="width40 bottom">hem</td>
-<td class="width40 bottom">hen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3295">112</a></td>
-<td class="width40 bottom">Ik heb </td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">7</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3357">114</a></td>
-<td class="width40 bottom">respectivelijk</td>
-<td class="width40 bottom">respectievelijk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3493">120</a></td>
-<td class="width40 bottom">illustre</td>
-<td class="width40 bottom">illustere</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3496">120</a></td>
-<td class="width40 bottom">beroemste</td>
-<td class="width40 bottom">beroemdste</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3503">120</a></td>
-<td class="width40 bottom">schenen</td>
-<td class="width40 bottom">scheen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3660">125</a></td>
-<td class="width40 bottom">schuim</td>
-<td class="width40 bottom">schuin</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3686">125</a></td>
-<td class="width40 bottom">schei</td>
-<td class="width40 bottom">schrei</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3785">128</a></td>
-<td class="width40 bottom">sneeuwater</td>
-<td class="width40 bottom">sneeuwwater</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3806">129</a></td>
-<td class="width40 bottom">1V</td>
-<td class="width40 bottom">IV</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3811">130</a></td>
-<td class="width40 bottom">aIle</td>
-<td class="width40 bottom">alle</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3836">131</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3933">134</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3936">134</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3905">133</a></td>
-<td class="width40 bottom">4</td>
-<td class="width40 bottom">5</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3982">134</a></td>
-<td class="width40 bottom">’twelk</td>
-<td class="width40 bottom">’t welk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3998">134</a></td>
-<td class="width40 bottom">Bibliotheca</td>
-<td class="width40 bottom">Bibliographia</td>
-<td class="bottom">6</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4086">137</a></td>
-<td class="width40 bottom">â</td>
-<td class="width40 bottom">á</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Afkortingen</h3>
-<p>Overzicht van gebruikte afkortingen.</p>
-<table class="abbreviationtable" summary="Overzicht van gebruikte afkortingen.">
-<tr>
-<th>Afkorting</th>
-<th>Uitgeschreven</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">d.d.</td>
-<td class="bottom">de dato</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">H.H.</td>
-<td class="bottom">Heeren</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ANTONY VAN LEEUWENHOEK ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br>
-<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br>
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
-
-</body>
-</html>
diff --git a/old/66297-h/images/fig1.png b/old/66297-h/images/fig1.png
deleted file mode 100644
index 32e5df2..0000000
--- a/old/66297-h/images/fig1.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66297-h/images/fig2a.png b/old/66297-h/images/fig2a.png
deleted file mode 100644
index 4cb45d0..0000000
--- a/old/66297-h/images/fig2a.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66297-h/images/fig2b.png b/old/66297-h/images/fig2b.png
deleted file mode 100644
index fd11056..0000000
--- a/old/66297-h/images/fig2b.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66297-h/images/fig3.png b/old/66297-h/images/fig3.png
deleted file mode 100644
index 57368a6..0000000
--- a/old/66297-h/images/fig3.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66297-h/images/frontispiece.jpg b/old/66297-h/images/frontispiece.jpg
deleted file mode 100644
index 9cb8705..0000000
--- a/old/66297-h/images/frontispiece.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66297-h/images/new-cover.jpg b/old/66297-h/images/new-cover.jpg
deleted file mode 100644
index 68d6b59..0000000
--- a/old/66297-h/images/new-cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66297-h/images/p116.png b/old/66297-h/images/p116.png
deleted file mode 100644
index 4208f04..0000000
--- a/old/66297-h/images/p116.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66297-h/images/signature.png b/old/66297-h/images/signature.png
deleted file mode 100644
index c7d167d..0000000
--- a/old/66297-h/images/signature.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66297-h/images/titlepage.png b/old/66297-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index ff5f55c..0000000
--- a/old/66297-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ