diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/66297-0.txt | 5920 | ||||
| -rw-r--r-- | old/66297-0.zip | bin | 124181 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/66297-h.zip | bin | 367534 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/66297-h/66297-h.htm | 6840 | ||||
| -rw-r--r-- | old/66297-h/images/fig1.png | bin | 4591 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/66297-h/images/fig2a.png | bin | 6305 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/66297-h/images/fig2b.png | bin | 4535 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/66297-h/images/fig3.png | bin | 4487 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/66297-h/images/frontispiece.jpg | bin | 72670 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/66297-h/images/new-cover.jpg | bin | 60727 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/66297-h/images/p116.png | bin | 56678 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/66297-h/images/signature.png | bin | 3430 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/66297-h/images/titlepage.png | bin | 6718 -> 0 bytes |
16 files changed, 17 insertions, 12760 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..b0920bf --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #66297 (https://www.gutenberg.org/ebooks/66297) diff --git a/old/66297-0.txt b/old/66297-0.txt deleted file mode 100644 index 32c340b..0000000 --- a/old/66297-0.txt +++ /dev/null @@ -1,5920 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Antony van Leeuwenhoek, by P. J. Haaxman - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Antony van Leeuwenhoek - De ontdekker der infusorien, 1675-1875 - -Author: P. J. Haaxman - -Release Date: September 13, 2021 [eBook #66297] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file - was produced from images generously made available by The - Internet Archive) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ANTONY VAN LEEUWENHOEK *** - - - - - ANTONY VAN LEEUWENHOEK. - - DE ONTDEKKER DER INFUSORIËN - 1675–1875. - - DOOR - P. J. HAAXMAN, - APOTHEKER TE ROTTERDAM. - - - MET PORTRET, FACSIMILE EN AFBEELDINGEN. - - - LEIDEN, - S. C. VAN DOESBURGH. - 1875. - - - - - - - - -VOORBERICHT. - - -Op den 24sten September van het jaar 1874, bij gelegenheid der 47ste -Vergadering van Duitsche natuuronderzoekers en artsen te Gratz ving Dr. -Ferdinand Cohn, Hoogleeraar aan de Universiteit te Breslau zijn -redevoering „Over de onzichtbare vijanden in de lucht” aan met de -volgende woorden: - -„Wanneer in het volgend jaar de Vereeniging van Duitsche -natuuronderzoekers weder in Gratz bijeenkomt, zal het juist tweehonderd -jaren geleden zijn, dat het door vergrootglazen gescherpt oog van -Antony van Leeuwenhoek voor het eerst de aanschouwing van een wereld -vergund werd, die niet alleen de aarde en het water, maar het geheele -luchtruim met een onzichtbaar leven vervult.” - -Toen het nu uit eene correspondentie van Prof. Cohn met een mijner -vrienden, over den juisten datum waarop Leeuwenhoek deze groote -ontdekking gedaan had, gebleken was, dat de herinnering aan de -ontdekking der infusoriën van onzen beroemden landgenoot in een -wetenschappelijken kring in Duitschland feestelijk zou herdacht worden, -vond een der leden van de „Nederlandsche Dierkundige vereeniging” zich -daardoor opgewekt, in de Vergadering van den 21sten Juni 1874 te -Middelburg gehouden, op dit voornemen de aandacht te vestigen en werd -naar aanleiding daarvan door hem de vraag gedaan, of Nederland daarbij -mocht stilzitten en of ook bij ons deze Nederlandsche ontdekking niet -gevierd behoorde te worden. Dit denkbeeld, al dadelijk toegejuicht, gaf -aanleiding, dat in de volgende najaarsvergadering te Amsterdam -gehouden, een voorstel met betrekking tot deze feestviering werd -aangenomen en niet lang daarna eene uitnoodiging van wege het bestuur -der Dierkundige Vereeniging, aan de verschillende geleerde -Genootschappen in Nederland werd gericht, om tot verwezenlijking van -dit plan mede te werken. - -Deze uitnoodiging werd met sympathie ontvangen, en later afgevaardigden -tot eene Vergadering te Amsterdam bijeengeroepen, alwaar dit plan tot -eene feestelijke herdenking dezer groote ontdekking op den 8sten -September 1875 vastgesteld en eene commissie tot regeling dezer -feestviering benoemd werd. - -Het was met het oog op dezen aanstaanden herinneringsdag aan de -belangrijke ontdekking van Leeuwenhoek gewijd, dat het vroeger reeds -bij mij gerezen voornemen, om een nieuwe uitgave van mijne -„Levensbeschrijving van Antony van Leeuwenhoek”, die in het jaar 1871 -in het Nederlandsch Tijdschrift voor geneeskunde was opgenomen, te -bewerken en uittegeven, tot uitvoering kwam. - -Het portret van Leeuwenhoek is gecopieerd naar het schoone en geloof ik -eenige, in olieverf geschilderde, toebehoorende aan den WelEd. ZGel. -Heer Dr. C. H. W. van Kaathoven te Leiden, die daartoe, met zijne -bekende welwillendheid zijn toestemming gegeven heeft. - -De gedenkpenning, afgebeeld in het bekende werk van Mr. Gerard van Loon -„de Nederlandsche Historiepenningen,” is met de meeste getrouwheid -daarnaar vervaardigd. Beide deze afbeeldingen zullen voorzeker den -vereerders van Leeuwenhoek niet onwelkom zijn. - -Nog enkele aanteekeningen, die ik aangaande Leeuwenhoek, sedert de -eerste uitgave, in de gelegenheid was te verzamelen, zijn hier -ingevoegd, waaronder vooral belangrijk zijn, de weinig bekende, mij -eerst onlangs onder de aandacht gekomen bijzonderheden, omtrent Johan -Ham van Arnhem, in de brieven van Leeuwenhoek vermeld als de ontdekker -der spermatozoïden, in het jaar 1862 medegedeeld door Prof. H. I. -Halbertsma, in de „Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie -van wetenschappen, Afdeeling Natuurkunde.” - -Ten slotte acht ik het niet onnoodig melding te maken van een verschil -dat er bestaat omtrent de maand van het jaar 1675, waarin Leeuwenhoek -de infusoriën in regen- en andere wateren heeft waargenomen en welk -verschil Prof. Cohn aanleiding gaf, na mijne levensbeschrijving van -Leeuwenhoek gelezen te hebben, nadere opheldering daaromtrent te -vragen. - -In Duitschland namelijk heeft men, op gezag van Prof. C. G. Ehrenberg -te Berlijn, deze datum in April gesteld, en in navolging van dezen -geleerde hebben alle schrijvers, die over dit onderwerp gehandeld -hebben, deze tijdsbepaling van de ontdekking der infusoriën door -Leeuwenhoek overgenomen. - -Genoemde geleerde had namelijk in zijn brochure „die Infusionsthierchen -als vollendete Organismen”, 1838 p. 528 geschreven, dat Leeuwenhoek de -„Entdeckung der Belebung des Wassers durch mikroskopische -Aufgussthierchen” in April 1675 gemaakt had, terwijl die in 1677 door -de Royal Society te Londen is medegedeeld geworden. - -Toen ik nu onlangs de eer had, op verzoek van Prof. Ehrenberg, een -exemplaar van mijne brochure over Leeuwenhoek aan hem toe te zenden en -hij mij later een afdruk toegezonden had van het „Sitzungs-Bericht der -Gesellschaft naturforschende Freunde zu Berlin, März 1875,” las ik -daarin op pag. 53 het volgende: - -„Herr Ehrenberg erinnerte daran, dass Leeuwenhoek seine folgenreiche -Entdeckung der Belebung des Wassers durch mikroskopische -Aufgussthierchen im April 1675 gemacht und 1677 der Londoner Society of -Sciences mitgetheilt habe, und das diese von ihm selbst später noch -vielfach erweiterte Entdeckung in diesem Jahre ihre 200 jährige Weihe -erhalte, so dass die Aprilsitzung dieser Gesellschaft geeignet sei, -dies speciell auszusprechen.” - -Ik was toen dadelijk er op bedacht de aandacht van Prof. Ehrenberg te -vestigen op eene dwaling waarin hij verkeerde, namelijk, dat de maand -van het jaar 1675 waarin Leeuwenhoek de diertjes in regenwater enz. -waarnam, niet de door hem genoemde, maar „half September” was; en dat -deze naar mijne meening juistere tijdsbepaling volgde uit de -bewoordingen, vervat in een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek aan -Constantijn Huygens d.d. 7 November 1676, berustende in de verzameling -manuscripten der Leidsche Hoogeschool, van welken brief benevens van -alle door Leeuwenhoek aan andere geleerden geschreven en in die -verzameling voorkomende, ik door de zorg van Dr. du Rieu, conservator -der manuscripten aan genoemde Akademie, afschriften mocht bekomen. Daar -nu deze brief niet gevonden wordt, noch in de Latijnsche, noch in de -Hollandsche verzameling van de brieven van Leeuwenhoek in 5 deelen in -4º. welke met den 28sten brief aanvangt, en wel van 1679, en deze brief -aan Constantijn Huygens van 7 November 1676 gedateerd is, zoo kon Prof. -Ehrenberg daarvan geen kennis dragen en berustte zijne opvatting, als -zou deze ontdekking in April 1675 zijn gedaan, op eene onnauwkeurigheid -of onduidelijkheid in den text van de Philos. Transactions Vol. X p. -821, waaruit Ehrenberg genoemden datum van April zou kunnen ontleend -hebben. - -Eenigen tijd daarna ontving ik een schrijven van Prof. Ehrenberg, in -antwoord op mijn brief, waarin hij mij berichtte, dat hij door mijne -mededeeling in eene voor hem nog niet te verklaren tegenstrijdigheid -met het geprojecteerde Jubilé van Leeuwenhoek geraakt was; dat hij op -zijn hoogen leeftijd en om de moeilijkheid aan de nasporing der -oorspronkelijke bronnen verbonden bezwaarlijk dit verschil kon -oplossen, waarom hij mij verzocht dit onderzoek voor hem te willen -bewerkstelligen. - -Ik heb aan dit verlangen van den grijzen geleerde volgaarne voldaan en -hem medegedeeld, dat de door hem genoemden datum van April 1675 op -eene, voor hem echter begrijpelijke, dwaling berustte, doordien hij, -niet bekend zijnde met den brief aan Huygens, het verband niet kon -opmerken, dat er bestond, tusschen dezen brief en de mededeeling in de -Phil. Transactions van 25 Maart 1677, waaruit Prof. Ehrenberg zijn -datum ontleend had. - -Deze brief van Leeuwenhoek aan de Royal Society, gedateerd 9 October -1676 begint aldus: - -„In the year 1675 I discover’d living creatures in Rain water,” enz. en -daarop volgen dan, als vervolg op den inhoud van dezen brief van 1676, -eenige observaties, gedaan den 26, 30 en 31 Mei en 9 Juni, doch het -jaartal staat er niet bij vermeld. Wanneer men nu de oorspronkelijke -brief van Leeuwenhoek aan C. Huygens van 7 Nov. 1676 daarmede in -verband brengt, dan wordt het duidelijk dat, òf in de Phil. Transact. -het jaartal 1676 verzuimd is te drukken achter de datums van Mei en van -9 Juni, òf dat Leeuwenhoek die verzuimd heeft te schrijven, want de -inhoud van dezen brief aan Huygens van 9 Juni, komt geheel overeen met -dien in de Phil. Transact. van 9 Juni, behalve dat bij den laatsten geen -jaartal vermeld wordt. - -Genoemde brief aan Huygens begint aldus: - -„Omtrent half September 1675 ontdekte ik in regenwater, dat eenige -weinige dagen in den zon gestaan had, kleine diertjes” enz. en hij -vervolgt, na de beschrijving der verschillende door hem waargenomen -soorten aldus: - -„Den 9 Juni 1676 heb ik in een porceleinen schotel het water zoo zuiver -gevangen als mij doenlijk was en in een schoon rein glas gedaan..... en -na verloop van 24 uren daarin levende schepselen gezien”, terwijl in de -Phil. Transact Vol X p. 823 staat: „June 9th.” (zonder Jaartal) „having -received, early in the morning, some Rain water in a dish as before and -poured it in to a very clean wine glass, and exposed it in to the air” -enz.; en iets verder leest men in den brief aan Huygens „Op mijn plaats -in de open lucht staat een put die omtrent 15 voet diep is”..... „dit -water is des zomers zoo koud, dat men er de hand niet lang in kan -houden”..... „In dit water heb ik een groote menigte zeer kleine -dierkens ontdekt” enz. En in de Phil. Transactions p. 826 leest men: -„In the open Court of my House I have a well, which is about 15 foot -deep”..... „This water is in Summertime so cold, that you cannot -possibly endure your hand in it”....... „Not thinking at all to meet -with any living creatures in it, looking upon it in September of the -last year” (dus 1675), „I discover’d in it a great number of living -animals” enz. - -Nu is het duidelijk, dat, als Leeuwenhoek aan Huygens schrijft, dat hij -„half September 1675” die diertjes ontdekte en hij het vervolg van dit -onderzoek op den 9 Juni 1676 mededeelt, de datum van die ontdekking -onmogelijk April 1675 kan geweest zijn, maar dat in Leeuwenhoek’s brief -in de Phil. Transactions, bij de vermelding van zijne Observaties in -Mei en vervolgens, het jaartal 1676 verzuimd is te plaatsen. Hierdoor, -schreef ik aan Prof. Ehrenberg, is het duidelijk, dat de verwarring, -door dit verzuim in de Phil. Transact. ontstaan is en zijne opvatting, -als zoude de vermelde datums van Mei, Juni enz. op het jaar 1675 en -niet op 1676 waarin de brief van Leeuwenhoek geschreven is, slaan, -verklaarbaar is. - -Ik meende deze wederlegging van een schrijver van zoo groote autoriteit -als Prof. Ehrenberg, eenigszins uitvoerig te moeten behandelen, ten -einde eene dwaling voor goed uittemaken, waarin opvolgende schrijvers, -op het voetspoor van dezen geleerde, geraakt waren; deze uitweiding -hier ter plaatse moge daarom verschooning vinden. - -Overigens hoop ik dat, nu mijne Levensbeschrijving van Leeuwenhoek in -anderen en beteren vorm, in een wijderen kring zal worden verspreid, op -een gunstig onthaal en een welwillend oordeel. - - - Rotterdam, Augustus 1875. - - P. J. HAAXMAN. - - - - - - - - -Hoewel in onderscheidene geschriften van vroeger en later tijd, waarin -de belangrijke ontdekkingen van onzen beroemden landgenoot Antony van -Leeuwenhoek besproken worden, een kort levensbericht van hem gevonden -wordt, toch mist men daarin bijzonderheden die men alleen door een -opzettelijk onderzoek van den belangrijken en rijken inhoud zijner -brieven, die slechts door enkele schrijvers voor bijzondere doeleinden -zijn onderzocht geworden, kan te weten komen. Men vindt er veel in -opgeteekend, dat een helder licht verspreidt over zijn karakter en -persoonlijkheid, waardoor alleen een juister beeld van dien -natuuronderzoeker kan geschetst worden. - -Tot het aanvaarden van die taak had ik reeds lang het voornemen -opgevat, daar ik in het bezit ben van aanteekeningen door mij tot dit -doel verzameld, waarvan de bijzonderheden tot nog toe niet bekend waren -en voornamelijk bestonden in authentieke afschriften van eigenhandige -brieven, grootendeels berustende in de verzameling van manuscripten in -de bibliotheek der Leidsche Hoogeschool. Vooral echter is de lust tot -het bewerken en tot een geheel brengen dier aanteekeningen bij mij -levendig geworden en tot uitvoering gekomen, na de lezing van het goed -geschreven opstel van de hand van Émile Blanchard [1], „Les premières -observations au microscope.” Uit de brieven van Leeuwenhoek zelven, -gedurende zijn langen en roemvollen loopbaan aan de beroemdste -geleerden en aanzienlijke mannen van zijn tijd, zoowel in zijn -vaderland, als in het buitenland geschreven, poogde ik de stof te -putten, om meer opzettelijk zijn karakter als mensch en zijne -verdiensten in verschillende deelen der natuurwetenschap, voornamelijk -als nauwkeurig waarnemer met het microscoop, te doen uitkomen en -daarbij in een zoo veel mogelijk volledig en uitgewerkt geheel, alles -bijeentebrengen, wat bij verschillende schrijvers dikwijls zeer -oppervlakkig en niet zelden onnauwkeurig omtrent Leeuwenhoek is -opgeteekend. - -En verdient iemand de moeite eener meer nauwgezette studie, dan is het -zeker de man, die als nederig burger van Delft, hoewel door zijne stad- -en landgenooten in zijn leven niet naar verdiensten gewaardeerd, door -de grootste geleerden der beschaafde wereld van zijn tijd, met eer en -roem en bovenal met groote achting werd vermeld. Vorsten en -hooggeplaatsten rekenden het zich tot eene eere hem te zien en zijne -waarnemingen met het microscoop te bewonderen; zijn roem was zoo ver -doorgedrongen, dat zelfs uit Engeland, Frankrijk, Duitschland, Italië, -België en Spanje vorsten, en geleerden zijne nederige woning opzochten, -om persoonlijk den man te leeren kennen, die de geheimen der natuur -door zijn, in dien tijd, onnavolgbare microscopen voor het oog had -blootgelegd, en beschouwingen en theoriën daarop gebouwd, over de -gewichtigste vraagstukken der physiologie van menschen, dieren en -planten, ter overweging had gegeven. De geleerdste natuuronderzoekers -en philosophen van dien en lateren tijd vonden daarin stof voor de -diepzinnigste bespiegelingen en de gewichtigste nasporingen, en op den -grond door hem gelegd, werden later stelsels gebouwd die nog als waar -en deugdelijk zijn aangenomen. Door zijne talrijke microscopische -onderzoekingen, heeft hij den weg gebaand tot de kennis van het -samenstel der meest verschillende deelen van het dierlijk lichaam en -van de planten. Leeuwenhoek wees alzoo reeds vóór twee eeuwen den weg -aan, die nog in onze dagen betreden wordt en waarop nog zoo vele -belangrijke nasporingen en ontdekkingen gedaan worden. - -Leeuwenhoek, hoewel hij eene voor den tijd waarin hij leefde -zorgvuldige opvoeding genoten had, behoorde niet tot den, wat men -noemt, geleerden stand. Hij was niet bestemd geworden om door eene -Academische opleiding eenmaal een rang onder de geleerden in te nemen, -daar hij de kennis der Latijnsche taal miste, die nog tegenwoordig van -zeer groot belang gerekend voor eene degelijke wetenschappelijke -ontwikkeling, zeker in het midden der XVIIde tot het begin der XVIIIde -eeuw, een eerste vereischte was om in eenigen tak van wetenschap -ervaren te worden en welke taal niet uitsluitend het eigendom der -geleerden van dien tijd was, maar in het algemeen tot eene beschaafde -opvoeding behoorde. En wat meer is, Leeuwenhoek was zelfs onbekend met -de levende vreemde talen, zoodat hij genoodzaakt was zijne brieven, die -voor het grootste gedeelte aan de „Royal Society” te Londen gericht -waren, door anderen eerst in het Latijn te laten vertalen, waarna zij -daaruit in het Engelsch werden overgezet; zoo als wij straks -gelegenheid zullen vinden meer bepaald aan te wijzen. - -Niettegenstaande deze ongunstige verhouding, waardoor hij zoo zeer -achter stond bij zijne geleerde tijdgenooten, zien wij in hem gaven -ontwikkelen, die de bewondering van half Europa opwekten, door hem -onderzoekingen ten uitvoer brengen, die krachtig bijgedragen hebben om -den roem van ons vaderland op wetenschappelijk gebied te handhaven, en -die belangrijke diensten bewezen hebben aan de natuurkundige -wetenschappen. Nog wordt van Leeuwenhoek gesproken, als van den „vader -der micrographie” en zijn naam genoemd tegelijk met mannen als -Fallopius, Eustachius, Harvey, Colonna, Boerhaave, Swammerdam, de -Graaf, Ruisch, en andere beroemde geleerden der 16de, 17de en 18de -eeuw. - -Deze buitengewone man nu, begaafd met eene groote scherpzinnigheid, -helder oog, gezond verstand, taai geduld en eenvoudig godvruchtig -gemoed, deed zich, zoo als uit zijne brieven blijkt, als een -achtingswaardig Hollandsch burger kennen. Hij was in zijn gedrag en -schrijfstijl de meer eenvoudige zeden van zijn tijd tot eer en werd om -zijne beproefde kunde zeer dikwijls door vele, geringe, zoowel als -aanzienlijke stadgenooten, geraadpleegd. - -Leeuwenhoek, als door instinct geleid lot het bespieden der natuur in -hare geheimste schuilhoeken en in hare schijnbaar geringste -voortbrengselen, werd door alles wat hem omringde aangetrokken; alles -wekt zijne aandacht, niets is die onwaardig; hij onderwerpt het aan het -geduldigst en nauwkeurigst onderzoek, en het is daaraan toe te -schrijven dat de geringste kleinigheid vaak aanleiding gaf tot de -belangrijkste werkzaamheden. Van daar ook de onregelmatige wijze, -waarop hij nu deze dan gene onderzoeking ondernam en zijne nasporingen -elkander als opeenstapelden. Hij liet zich in dit onderzoek door -anderen den weg niet wijzen, maar werkte onafhankelijk, rustig voort, -hervatte hetzelfde onderwerp een- en andermaal op verschillende tijden -met vernieuwde vlijt, en leerde daardoor de zaken onpartijdiger inzien -en vroeger opgevatte meeningen en dwalingen herstellen. Wat den -geleerdsten en grootsten denkers ontsnapte, gelukte hem dikwijls tot -hunne groote verbazing, zoodat wij van hem lezen [2] dat de grootste -lichten van ons land zich zeer over zijne ontdekkingen verwonderden en -de geleerde Hudde, Burgemeester van Amsterdam een groot Mathematicus en -Physicus van dien tijd, zeide: „dat hetgeen hen allen, Wis- en -Natuurkundigen, ontsnapt was, voor een ongeleerden, zooals Leeuwenhoek, -bewaard scheen.” - -Wanneer wij nu nagaan dat onze Leeuwenhoek, gedurende bijna eene halve -eeuw onafgebroken, bewerktuigde en onbewerktuigde stoffen, vaste en -vloeibare zelfstandigheden, dieren en planten en zelfs de laagst -georganiseerde wezens met zijne voor dien tijd voortreffelijke en toch -zoo eenvoudige microscopen onderzocht, en wij hem de meest onverwachte -ontdekkingen zien doen, die het verrassendst licht verspreidden over de -belangrijkste verschijnselen van het leven, dan kunnen wij onze -bewondering voor zulk een talent, niet weêrhouden. Al is het dat hij -door zijne gelukkige en schitterende ontdekkingen en door den lof, die -hem van alle kanten door de aanzienlijksten en geleerdsten werd -gebracht, wel eens in zijne ijdelheid werd gestreeld en eene eenmaal -opgevatte meening niet gemakkelijk varen liet, ja zelfs soms met -hardnekkigheid tegen de krachtigste argumenten bleef staande houden, al -moet erkend worden dat hij soms, door zijne verbeelding en de begeerte -om gedurig nieuwe ontdekkingen te doen, medegesleept, dingen meende -waar te nemen, die reeds in zijn leven op deugdelijke gronden in -twijfel werden getrokken en die ook in lateren tijd als onjuist en -onwaar zijn aangewezen; dit alles kan gerust worden afgetrokken van de -som zijner talrijke ontdekkingen en er blijft nog genoeg over om hem -met eerbied aan te staren. - -En heeft nu deze merkwaardige man, van wien het nageslacht met zooveel -eerbied spreekt, die de achting genoot van de grootste geleerden en -beroemdste denkers van zijn tijd, die van vorsten en hooge -staatspersonen talrijke bewijzen van onderscheiding en vriendschap -genoot, ook van zijne landgenooten, vooral van het Bestuur van ons -land, de bewijzen ontvangen, dat het ware verdiensten op prijs stelde? -Wij aarzelen niet, uit hetgeen wij daaromtrent vinden aangeteekend, -zulks ontkennend te beantwoorden, daar het bekend is, dat hij als stil -burger van Delft geleefd heeft en gestorven is en tot op hoogen -leeftijd in eene ondergeschikte ambtelijke, zij het dan ook in eene -voor dien tijd niet onvoordeelige, maar toch nederige maatschappelijke -betrekking werkzaam was. - -Dat hij zelf gevoelde, dat men zijne diensten niet beloond had, zoo als -hij billijkerwijze had mogen verwachten, kan blijken uit de -bewoordingen in een brief aan G. C. Leibnitz gericht, toen hij reeds 84 -jaren oud en dus aan den avond van zijn leven genaderd was. - -„Het is,” zegt hij, „eenige jaren geleden, dat eenige Heeren van de -Hooge Regeeringe van ons lant, eenige van mijne ontdekkinge quamen -sien. Een van die Heeren seide tot de andere Heeren, in mijn presentie: -„sal men soo veel arbeyt onbeloont laaten?” waarop de andere -antwoordde: „dit seggen wij alle, en waarom doen wij het niet?”” [3] - -Maar het wordt tijd dat wij, eer verder in de bijzonderheden van zijn -lang en roemvol leven te treden, onze aandacht op den persoon van -Leeuwenhoek vestigen en hem eenigszins nader leeren kennen. - -Antony van Leeuwenhoek [4] werd te Delft geboren den 24sten October -1632. Hij was de zoon van Philippus Antonius van Leeuwenhoek en -Margaretha Jacobsdr. Bel van den Bergh [5] uit welk huwelijk, behalve -Antony, nog drie dochters gesproten zijn, namelijk Margaretha, -Geertruida en Catharina [6]. - -Zijne ouders waren van zeer deftige, aanzienlijke en bemiddelde -afkomst. Wij vinden vermeld, dat hij van moeders zijde was -vermaagschapt aan de aanzienlijke Delftsche geslachten van Hogenhoek, -Bleiswijk, Swalmius en Mathenesse [7] terwijl hij zelf zegt [8], dat -zijn groot- en overgrootvaders brouwers te Delft waren en ook zijne -grootmoeder eene dochter was van een brouwer, welk bedrijf in de XIVde -en XVde eeuw aldaar in groot aanzien was [9]. - -Leeuwenhoek had reeds in zijn vroege jeugd zijn vader door den dood -verloren. Hij werd door zijne moeder te Warmond ter school besteld, -alwaar hij zijn eerste onderwijs ontving; en daar hij bestemd scheen om -in den ambtelijken administratieven stand te worden opgeleid en een oom -van hem, die Secretaris en Procureur te Benthuizen was, in die -betrekking op te volgen, zoo werd hij vervolgens, na voltooid -elementair onderwijs, daarheen gebracht, ten einde zich verder voor -zijn aanstaande betrekking bekwaam te maken en voor te bereiden. - -Dat hij, zoowel te Warmond, als te Benthuizen, goede gronden zal gelegd -hebben voor zijne intellectueele ontwikkeling en bij voorzeker -gunstigen aanleg, zich den tijd aldaar doorgebracht goed ten nutte zal -gemaakt hebben in het verwerven van die kundigheden, die onder zijn -bereik kwamen, is van een man met zulk een werkzamen, onderzoekenden -geest als wij Leeuwenhoek later zullen leeren kennen, zeker te -verwachten. Dat hij zich hier en later, vooral in de wiskundige -wetenschappen geoefend heeft, blijkt uit vele brieven van hem in -lateren tijd geschreven, waaruit zijn grondige kennis in die richting -onmiskenbaar aan den dag komt. Zoo bij voorbeeld, waar hij het aantal -„vis-veseltjes” (draadjes, fila) uit de Kabeljauw, die vervat zijn in -de „circumferentie van een visstriemtje” (fibrilla) wil uitrekenen, -maakt hij gebruik van de leer van Archimedes, om den inhoud van den -cirkel door de kennis van den omtrek te berekenen [10]; alsmede, waar -hij door uitrekening tracht te bepalen, dat er tienmaal zoo veel -levende dieren uit een hom van een Kabeljauw voortkomen, dan er -menschen op aarde wonen, stelt hij, om dit laatste getal te berekenen, -„de lengte van den grooten cirkel van den aardbol op 5400 mijlen -gerekend zijnde, 22—7—5400 = 1718 mijlen voor de as van den aardbol” en -berekent volgens den regel van Metius „om de superfitie van een -cloot-bult te berekenen, 7 geeft 22, wat geeft het quadraat getal van -de asse,” enz. enz. [11]. Nog blijkt zijne wiskundige kennis onder -anderen uit een postscriptum achter een brief [12], waar hij zegt: „De -hoogte van onze nieuwe kerkstooren is voor veel jaren door mij, ende -wijlen den Landmeter Spoors, yder met syn quadrant afgezien, en -bevonden hoog te syn 299 voeten” [13]. - -Ik haal deze voorbeelden, die met nog vele anderen zouden kunnen -vermeerderd worden slechts aan, om te doen uitkomen, dat Leeuwenhoek, -hij moge dan al niet tot den geleerden stand behoord en vooral geen -geleerde opvoeding genoten hebben, toch niet zoo onontwikkeld was als -doorgaans vele schrijvers vermelden. - -Nadat onze jeugdige Leeuwenhoek eenigen tijd te Benthuizen had -doorgebracht en zijn mindere geschiktheid of lust voor de -werkzaamheden, aan de betrekkingen bij zijn oom verbonden, zal gebleken -zijn, besloot zijn moeder hem een meer practische loopbaan te openen en -bracht hem in 1648, op den leeftijd van 16 jaren, te Amsterdam in -aanraking met een voornaam lakenhandelaar, op wiens kantoor hij werd -aangenomen en waar hij al spoedig de functie van boekhouder en kassier -vervulde [14]. - -Hoe lang hij in deze betrekking te Amsterdam gebleven is, kan uit de -berichten van dien tijd niet opgemaakt worden. Boitet, die hier onze -eenige leidsman is, spreekt van „eenige jaren”, waarna hij weder naar -Delft terug keerde; en daar hij, altijd volgens denzelfden schrijver, -kort daarna in het huwelijk trad en dit huwelijk, blijkens mijn -familie-register, in het jaar 1654 plaats had, zoo kan daaruit met -genoegzame zekerheid worden opgemaakt, dat dit niet langer dan 5 à 6 -jaren kan geweest zijn. In die jaren nu moet bij Leeuwenhoek -langzamerhand de lust tot natuuronderzoek zijn voorbereid en ontwikkeld -geworden; en hoewel hij de plichten, aan zijne maatschappelijke -betrekking verbonden, zeker niet zal veronachtzaamd hebben, zoo kan men -aannemen, dat de beschaving van zijn geest en het onderzoeken van -hetgeen hem omringde en zijn aandacht wekte, hem zijn vrijen tijd -nuttig heeft doen doorbrengen. - -De waarschijnlijkheid dat hij, tijdens zijn verblijf te Amsterdam in -aanraking gekomen is met kundige mannen en geleerden van naam, die bij -hem den lust voor de natuurstudie zullen hebben opgewekt en -aangewakkerd, alsmede, dat hij daar het eerst kennis zal gemaakt hebben -met een instrument, dat hij later door eigen inspanning en volharding -tot zulk een volmaking bracht, mag men wel veilig als gegrond aannemen, -hoewel de beweering van sommige schrijvers, dat hij aldaar met beroemde -natuurkundigen vriendschap had weten aan te knoopen [15] naar mijn -oordeel niet dan eene veronderstelling mag heeten. - -Ik waag het ten slotte nog ééne meening te uiten, die ik vermeen niet -zoo geheel zonder grond te zijn, ter verklaring van den bij hem -opgewekten lust tot het onderzoeken en bestudeeren van insecten en -andere voorwerpen door het microscoop. Zij is deze: Johannes -Swammerdam, over wien ik later meerdere bijzonderheden zal mededeelen, -was een tijdgenoot en (blijkens de noot op bl. 26) een bijzondere -kennis van Leeuwenhoek, daar hij in 1637 te Amsterdam geboren werd en -dus slechts weinige jaren jonger was dan hij; de vader nu van -Swammerdam was Apotheker te Amsterdam en bezat een uitgebreide en toen -reeds algemeen beroemde en bekende groote verzameling van voorwerpen -uit de natuurlijke historie, en andere curiositeiten die hij had -bijeengebracht. Johannes Swammerdam had, van der jeugd af, een groote -voorliefde voor de natuurlijke geschiedenis aan den dag gelegd en -bijzonder voor die der insecten, welken lust hij ruimschoots bevredigen -kon door het dagelijksch beschouwen van de voorwerpen in het kabinet -zijns vaders, dat hij, volgens zijn levensbeschrijver Boerhaave, in -orde hield en rangschikte. Wat is nu natuurlijker, dan dat Leeuwenhoek, -tijdens zijn verblijf te Amsterdam, bij dien Apotheker toegang zal -gehad hebben, aldaar de lust voor natuurstudie in het beschouwen der -insecten enz. zal hebben voelen opgewekt en kennis gemaakt hebben met -een instrument, waarmede hij later zooveel ten uitvoer bracht. Deze -onderstelling dunkt mij is alleszins aannemelijk en geenszins -ongegrond. - -Intusschen stond hem aanvankelijk en ook later, zeker het gebrekkige -zijner letterkundige ontwikkeling in den weg om dieper door te dringen -in hetgeen vooral door buitenlandsche geleerden onderzocht en -geschreven was; maar, door eigen oefening en studie, trachtte hij zich -zelven eigen te maken, wat hem in zijne ontwikkeling in den weg stond. - -Die lust tot onderzoek en oefening bleef hem altijd bij, en vooral toen -hij in de kracht van zijn leven was, schijnt hij eene opmerkelijke -volharding in dit opzicht aan den dag gelegd te hebben. Boitet zegt van -hem [16] „dat hij zich, kort na zijn huwelijk, zonder onderwijs van -iemant, in de navigatie, sterrekunde, wiskunde, filosofie en -natuurkunde, en wel met zoo veel vrucht oefende, dat men hem wel bij de -voornaamste meesters in die kunst gelijk mag stellen, en met een woord -gezegt er geen kunstenaar was die hem in de laatste wetenschap -overtrof,” en hij voegt er, hoogelijk ingenomen met zijn held, bij: -„Zooveel vermogt die onbezweke naarstigheid dezes grooten mans, dewelke -in deze evengenoemde kunsten zijn eigen meester was. Dus wort het -aloude gezeg bewaarheit, „dat de Goden alles voor zweet en arbeyt veil -hebben.”” - -Ik stem ten volle in met hetgeen Émile Blanchard, in zijn artikel in de -„Revue des deux mondes” (pag. 407) zegt, waar hij van de groote gaven -van Leeuwenhoek bij weinige wetenschappelijke ontwikkeling gewaagt: -„Alors l’âme est pénétrée d’un regret; on voudrait voir Leeuwenhoek -pourvu des connaissances générales qui permettraient à cet esprit -ingénieux de s’élever à quelques hautes conceptions. Avec une forte -instruction, Leeuwenhoek en effet aurait sans doute mérité d’être -compté au nombre des génies dont s’honore l’humanité.” - -Bij al de bovengenoemde kundigheden, die Leeuwenhoek zich door eigen -studie had verworven, schijnt hij zich ook nog in de Scheikunde -geoefend en zich daarmede bezig gehouden te hebben. Ook hieromtrent -bericht ons Boitet, „dat hij zich zoo ver in de Scheikunst geoefend -had, dat hij uit ruw erts goud en zilver wist te scheiden, waarvan er -bij zijn in leven zijnde dochter verscheydene gedenkstukken voorhanden -waren.” - -Dat hij nimmer Latijn geleerd had en zelfs onbekend was met vreemde -levende talen, blijkt uit onderscheidene gezegden van hem in zijne -brieven, waarin hij betuigt, dat zijne manuscripten voor hem in het -Latijn werden overgezet, om daarna naar Engeland aan de Koninklijke -Sociëteit te worden toegezonden [17]. Dit wordt ook bevestigd door -Thomas Molyneux, een Engelsch Natuurkundige. Deze geleerde bezocht -dikwijls ons land en kwam herhaaldelijk in Leiden. In het jaar 1685, -toen de onderzoekingen en ontdekkingen van Leeuwenhoek reeds eenige -jaren in Engeland bekend waren gemaakt en vooral zijne ontdekkingen -over de, later zoogenoemde, infusoria in regen- en andere wateren, de -verbazing van de geleerde leden der Royal Society hadden opgewekt, -waarbij niet minder zijne vroegere waarnemingen over de bloedbolletjes -en den bloedsomloop, alsmede die omtrent de zoogenoemde zaaddiertjes -(spermatozoïden), ieders belangstelling hadden gaande gemaakt, was men -natuurlijk zeer verlangend iets naders omtrent den persoon van dien -grooten ontdekker van de „geheimen der natuur” te vernemen, die men tot -nog toe slechts uit zijne brieven kende. Toen nu Molyneux in het -voorjaar van 1685 zich naar Holland begaf, werd hem door Sir François -Aston, Secretaris der Royal Society opgedragen ook Delft te bezoeken, -aldaar kennis met Leeuwenhoek te maken, en tevens van hem te weten te -komen, op welke wijze hij zijn microscopen maakte, waarmede hij -uitkomsten verkreeg, die men in Engeland met moeite, en dan nog -onvolledig, kon bekomen met de beste microscopen, die men daar kon -vervaardigen. Molyneux voldeed aan deze opdracht. In de vergadering van -dit geleerd Genootschap werd daarop een brief van Molyneux ontvangen, -gedateerd uit Leiden d.d. 13 Februari 168⅘ N. S. (nieuwe stijl). Deze -was van den volgenden inhoud: - -„Ik heb tot nu toe het antwoord op uwe laatste uitgesteld, omdat ik u -nog geen bericht kon geven van Mijnheer Leeuwenhoek, doch ik bezocht -hem voorleden week uit uw naam. Hij vertoonde mij vele zaken door zijne -microscopen, welke onnoodig is hier te vermelden, daar hij zelf u de -beschrijving daarvan uitvoerig heeft medegedeeld. Wat zijn microscopen -zelf aangaat, zoo waren allen, die hij mij liet zien, ten getale van -minstens een dozijn, van ééne soort, bestaande elk uit een klein glas -geslepen („„Ik vermeld dit, omdat men algemeen gelooft, dat de glazen -voor zijn microscopen met de lamp geblazen zijn; die geenen, die ik -zag, kan ik verzekeren dat niet geblazen zijn””), geplaatst tusschen -twee dunne platte koperen plaatjes, omtrent één duim breed en -anderhalven duim lang. In deze twee openingen, één voor en één achter -het glas, welke grooter of kleiner waren, naarmate het glas meerder of -minder convex was, of dat het vergrootte. Vlak over deze opening was -aan de eene zijde nu eens eene naald aangebracht, dan weder een dun -plat plaatje van glas of doorschijnende stof, waarop hij, al naar het -noodig was, of op de punt, het voorwerp dat hij wilde bezien, -vastmaakte, daarop het naar het licht keerde en nu door middel van twee -kleine schroefjes het voorwerp juist in den focus van zijn glas -lichtte, waarna hij dan zijn waarnemingen bewerkstelligde. Zoodanige -waren de microscopen die ik zag en deze vertoont hij aan de -nieuwsgierigen die hem komen bezoeken; maar behalve deze, vertelde hij -mij, had hij nog eene andere soort, door welke geen levende ziel, -behalve hij zelf zag; deze soort bewaart hij geheel voor zijn eigen -waarnemingen en hij verzekerde mij, dat zij diegene, die hij mij had -laten zien, verre overtroffen; doch hij wilde mij niet toestaan ze te -zien, dus al wat ik kan doen is eenvoudig te gelooven, want ik heb er -geen ondervinding van”. - -„Wat nu de microscopen aangaat, waardoor het mij vergund werd te zien” -[18], vervolgt Molyneux, „zoo vergrootten deze niet veel meer dan -verscheidene glazen, die ik, zoowel in Engeland als in Ierland gezien -heb, doch in ééne bijzonderheid moet ik zeggen, overtreffen zij ze -allen, namelijk in hunne buitengewone helderheid en dat zij alle -voorwerpen zoo uitstekend helder vertoonen. Want ik herinner er aan, -dat wij in eene vrij donkere kamer waren, met slechts één raam -voorzien, waar de zon toen ook niet op scheen, en toch vertoonden de -voorwerpen zich schooner en duidelijker dan diegeenen, die ik vroeger -door microscopen gezien heb, hoewel er de zon geheel op scheen, of dat -zij meer dan gewoon licht ontvingen, door weêrkaatsende spiegels of op -andere wijze. Zoodat ik vermeen, dat het hoofdzakelijk, zoo niet geheel -alleen aan deze bijzonderheid is toe te schrijven dat zijne glazen alle -andere overtreffen, die over het algemeen, hoe meer zij vergrooten, het -voorwerp des te duisterder vertoonen, en zijn eenig geheim bestaat, -geloof ik, daarin, dat hij de glazen helderder slijpt en ze beter -polijst dan anderen kunnen doen.” En nu vervolgt Molyneux, „Ik vond in -hem een beschaafd, vriendelijk man en zonder twijfel met groote -bekwaamheden voorzien, maar tegen mijne verwachting geheel en al -ongeletterd, daar hij, noch het Latijn, noch Fransch of Engelsch, of -eenige andere der nieuwe talen, behalve zijn moedertaal machtig is, -hetgeen een groote hinderpaal is om zich met hem, voornamelijk over -zijne waarnemingen te onderhouden, want daar hij volstrekt onbekend is -met de denkbeelden van anderen, moet hij geheel op zijn eigen oordeel -afgaan en heeft hij dan ook zulk een vertrouwen op zijn eigen opgevatte -meening, dat hij, zooals ik opmerkte, nu en dan tot ongerijmdheden of -in bizarre verklaringen vervalt, ja soms zoodanig, dat zij in het -geheel niet met de waarheid overeentebrengen zijn. Gij ziet, Mijnheer, -hoe vrij ik mijn gedachten over hem uit, zooals gij mij dit verzocht -hebt” [19]. - - - -Nadat alzoo Leeuwenhoek gedurende vijf à zes jaren te Amsterdam gewoond -had waar de drukten en beslommeringen aan een handelszaak verbonden, -aan zijn meer en meer ontwikkelenden lust tot natuuronderzoekingen en -eigen studie hinderlijk zullen geweest zijn, besloot hij in het jaar -1653 of 1654 naar Delft terug te keeren [20]. - -Hij trad kort daarna, namelijk den 26sten Juli 1654, in het huwelijk -met mejufvrouw Barbara de Mey dochter van Elias de Mey en Maria Viruly. -Zij was geboren den 13den December 1629 en was alzoo 25 jaren oud toen -zij met Leeuwenhoek huwde. Uit dit huwelijk werden hem vijf kinderen -geboren, en wel drie zonen en twee dochters, waarvan hij er slechts één -over hield, daar de overige hem door den dood ontnomen werden. Deze -overgeblevene was zijne dochter Maria, die ongehuwd bleef en haar vader -tot in zijn hoogen ouderdom en op zijn sterfbed verzorgde. - -Deze dochter, Maria, werd geboren den 22sten September 1656 en overleed -den 25sten April 1745, zoodat zij haar vader 23 jaren overleefde en den -hoogen ouderdom van 88 jaren bereikte [21]. - -Na eene vereeniging van 12 jaren overleed zijne echtgenoote, en wel den -11den Juli 1666 [22], waarna hij een tweede huwelijk aanging met -mejufvrouw Cornelia Swalmius [23], die hem één kind schonk, dat echter -vroeg gestorven is. - -Leeuwenhoek schijnt in onbekrompen omstandigheden verkeerd te hebben, -want eerst in het jaar 1660 werd hem eene Stadsbetrekking opgedragen, -die hem een vast inkomen verzekerde. Gedurende de zes eerste jaren van -zijn huwelijk leefde hij geheel voor zijne studie en moet hij dus de -middelen bezeten hebben, niet alleen om in de behoefte van zijn gezin -naar behooren te voorzien, maar ook om zich de noodige instrumenten -voor zijne onderzoekingen te kunnen aanschaffen; en daar de -Stadsbetrekking die hij gedurende 39 jaren bekleedde, zooals wij straks -zullen zien niet buitengewoon voordeelig was, kon hij daardoor niet tot -den welgestelden stand geraakt zijn. Dat hij tot den deftigen -vermogenden stand moet behoord hebben is voorts afteleiden uit de -aanzienlijke collectie microscopen, gedeeltelijk van zilver en enkele -zelfs van goud, allen bewaard in afzonderlijke daartoe vervaardigde -Japansch verlakte cabinetjes, die hij naliet en waarvan er zeven op den -Catalogus van de verkooping, die na zijn dood gehouden werd, voorkomen. -Evenzoo kan men dit opmaken uit hetgeen Boitet vermeldt, dat er -„verscheidene gedenkstukken van zijn hand, bij zijn dochter voorhanden -waren, vervaardigd uit goud en zilver;” en vervolgens uit de van hem -bestaande portretten, die hem voorstellen in de kleeding en houding van -den aanzienlijken stand van dien tijd [24]; eindelijk uit den inhoud -van een brief aan Robert Hooke van 4 November 1681 [25], waaruit blijkt -dat hij er zelfs een paard op na hield, waarvan hij schrijft, dat hij -na een sterke rit er mede gedaan te hebben, de urine, die zeer dik was -en aschkleurig, onderzocht. Ook bezat hij een buiten-tuin, zoo als -blijkt uit den 61ste brief, blz. 247. Uit een en ander is de -vermelding, dat hij een vermogend man was, genoegzaam gemotiveerd. - -Intusschen werd hij door het Bestuur van Delft met eene betrekking -begiftigd, die hem een voor dien tijd niet onaanzienlijk inkomen -verschafte, terwijl de diensten, daaraan verbonden, gering waren, -zoodat hij genoegzamen vrijen tijd overhield om zich aan zijn -geliefkoosde studiën en onderzoekingen te kunnen wijden. Deze post -bestond in de betrekking van „Kamerbewaarder der Kamer van Heeren -Schepenen van Delft”, eene bediening, volgens van Haastert, in vroegere -dagen waardig genoeg aan den deftigen burgerstand. Deze betrekking werd -hem den 26sten Maart 1660, dus toen hij 28 jaren oud was, gegeven. Hij -vervulde deze betrekking gedurende 39 jaren, namelijk tot aan het jaar -1699, doch behield het salaris daaraan verbonden tot aan zijn dood. - -Tengevolge mijner nasporingen omtrent den aard dezer betrekking en -andere bijzonderheden daaromtrent in het werk gesteld, zijn mij door -den oud Archivaris en Secretaris van Delft Mr. J. Soutendam, uit het -Archief een paar afschriften verschaft, die ik niet onbelangrijk acht -hier mede te deelen. Een dezer extracten luidt aldus: - -3de Memoriaal van H.H. Burgemeesteren van Delft, fol. 365. - -„Den 26sten Maart 1660 is Antony Leeuwenhoek, in plaats van Jan Strick, -tot Camerbewaarder gestelt, op gelijke gagie, baten ende emolumenten.” -Zijne Commissie luidt als volgt: (fol. 364 en 365 ibid. „Mijnen Heeren -Burgemeesteren ende Regeerders der stad Delft hebben gestelt ende -committeeren bij desen, Antony Leeuwenhoek tot het waarnemen van de -Camer, daer de H.H. Schout, Schepens ende die van de wet deser Stadt -vergaderen, om de voorz. Camer te openen ende te sluyten, soo op -ordinaris als extraordinaris vergaderingen van de voorn. Heeren, op -soodanige wijsen, als des vereyscht ende nodig sal wesen; item deselve -Heeren te betonen alle respect, eere ende reverentie ende naerstelyck -te agtervolgen ende getrouwelyck te effectueren alle diensten, die hem -sullen werden belast, ende secreet te houden ’t gunt hij in de Camer -soude mogen hooren; de voorz. Camer pertinentelyck te reynigen ende -schoon te houden, ’t vuyr, soo wanneer den tijd sulcx sal vereyschen, -op syn bequamen tijd aan te leggen ende de koolen, die ongeconsumeert -soude moge wesen, tot syn profyt wel te bewaren, dat geen ongeluk daar -van ofte van het Ligt van de kaarsen en geschiedde ende sal voorts -alles doen dat een goet ende getrouw Camerbewaarder schuldig is te doen -ende behoort. Voor welcken dienst de voorz. Antony Loeuwenhoek sal -genieten soodanigen gagie, bate ende emolumenten als voorn. Jan Strick -saliger syn voorzaat in dienste heeft genoten, ende sal desselfs dienst -ingaan metten 24 January 1660 ende syn gagie betaalt werden op -soodanige termynen, als die aan den voorz. Strick betaalt syn geweest. -Actum bij al de Burgmeesteren collegialiter vergadert den 26sten Maart -1660 ende geteekent bij den Pensionaris J. Camerling.” - -Het salaris aan dezen post verbonden wordt opgegeven in de -„Thesauriers-rekening” van Delft van 1661 fol. 113 en 114: „Antony -Leeuwenhoek, Camerbewaarder van de Raatcamer twee hondert ’t sestich -gl. over één jaar wedde, verschenen den 24sten January 1661, dus: ijc -lxgl.” „Den selven voor het schoonmaeken van de Schepenen-, Vroetschap- -ende Schutterskamer; Item voor de behoeften die hij daer toe van nooden -heeft, de somma van liiij gl. Alzoo te samen een tractement van ƒ 314.” -De „Stads-secretaris,” zoo schrijft mij Mr. Soutendam, ontving te dien -tijde, behalve het „tabbertlaken of stedekleeding” en den „vrijdom van -Stads-accijns ƒ 800 ’s jaars.” Het baantje was ook (altijd volgens Mr. -Soutendam), niets minder eervol, dan dat van Kamerheer aan ’t Hof, -„mutatis mutandis;” natuurlijk zal Leeuwenhoek het vuile werk wel door -een bode of bediende hebben laten waarnemen. - -Er is verder in het Archief niets gevonden, waaruit kan blijken of -Leeuwenhoek om deze betrekking gevraagd heeft. Waarschijnlijk zal een -zijner vrienden, in de Regeering zittende, hem die wel bezorgd hebben. -In die dagen was alles „correspondentie” van ’t hoogste ambt tot het -minste toe. - -Behalve deze betrekking van Camerbewaarder, schijnt hem nog een andere -te zijn opgedragen blijkens een afschrift uit het „15de Memoriaal van -Burgemeesteren van Delft” fol. 118 en 119 als volgt: - -„Mortificatie van het generaal-wijkmeesterschap, d.d. 23 December 1711, -nadat Antony Leeuwenhoek, die dese betrekking tegen een tractement van -ƒ 50 ’s jaars bekleedde, sal sijn overleden.” Het blijkt echter niet, -wanneer hij deze sinecure gekregen heeft. - -Verder vindt men in hetzelfde: „Memoriaal”, fol. 206 en 207. „Resolutie -ter verbetering van Stads-finantie, d.d. 30 December 1718”: „Dat na -overlijden van Antony Leeuwenhoek en Arnold Ramp, de kamerbewaarder van -Schepenen-kamer voortaan niet meer sal toegelegt worden als ƒ 300”. -Hieruit blijkt dus, dat Leeuwenhoek nog tractement ontving, ofschoon -hij reeds een opvolger of hulp had. De „Thesauriers-rekening” van 1699 -geeft hiervan opheldering; daaruit blijkt, dat Leeuwenhoek, als -Camerbewaarder der Raat-camer enz., over een jaarwedde, verschenen -October 1699, ontving.... „iiijc gl.” „Den selven, of nu Arnold Ramp, -voor ’t schoonmaken van Schepens-camer enz.... Liiij gl.” - -Hij behield dus ’t tractement van „Camerbewaarder” en van -„generaal-wijkmeester” (twee sinecures) tot aan zijn dood en betaalde ƒ -54 aan Arnold Ramp. Het is echter niet kunnen blijken, wanneer dit -salaris tot ƒ 400 verhoogd werd. - -Van het jaar 1654 af, vermoedelijk het jaar dat hij zich voor goed in -Delft met der woon vestigde, tot het jaar 1673 toe, het jaar waarin het -eerst microscopische waarnemingen van Leeuwenhoek door bemiddeling van -Dr. Reinier de Graaf, aan de „Royal Society” te Londen werden -medegedeeld, en zijn naam alzoo in het buitenland en spoedig daarna -overal algemeen bekend is geworden, vinden wij niets omtrent hem -aangeteekend. Er was dus een tijdvak van 19 jaren, dat men een tijdvak -van voorbereiding kan noemen, waarin hij zich voldoende kon oefenen, -zoowel in het aanleeren als verder volmaken van de kunst om de lenzen, -die hij voor zijne microscopen gebruikte en die wij zullen zien dat hij -zelf vervaardigde, zoodanig te slijpen en te polijsten, dat zij de -bewondering van kenners en geleerden, opwekten. Men trachtte op -allerlei wijzen achter zijn geheim te komen, hetgeen hij echter -zorgvuldig voor zich zelven hield. Hij zal zich overigens gedurende -dien tijd vlijtig hebben geoefend in het beschouwen van de voorwerpen, -die zijne aandacht wekten. - -Leeuwenhoek moet daarvoor een allergelukkigsten aanleg hebben bezeten -en bovenal een scherp, helder gezicht, dat hem, niettegenstaande de -dagelijksche langdurige en onafgebroken inspanning, tot aan zijn hoogen -ouderdom toe, bewaard bleef. Dit getuigt ook Uffenbach [26], toen hij -hem in 1710, dus toen hij 78 jaren oud was, bezocht. „Wir muszten uns -wundren, dasz er fast gar nicht zittert, und noch ein gar -unvergleichlich Gesicht hat, da er auch die Augen durch sein observiren -gar sehr angreiffe.” Zelfs noch kort voor zijn dood, die den -onvermoeiden grijsaard op 91jarigen leeftijd eindelijk van zijne -geliefde bezigheden afriep, was hem nog het volkomen gebruik daarvan -bewaard gebleven. En dat zijn oogen in het beschouwen en waardeeren der -voorwerpen scherper zagen dan die van anderen, kan men opmaken uit eene -periode van hem, uit een brief aan den Burgemeester van Delft Jan -Meerman [27], van den 28sten Februari 1713, dus toen hij den ouderdom -van 81 jaren bereikt had. - -„Alle dese figuren syn door een en hetselve vergrootglas geteykent, die -de Teykenaar soo groot heeft geteykent als hy die quam te sien: dog -wanneer ik die na myn oog soude uytbeelden, soude ik die veel grooter -uytbeelden.” - -Leeuwenhoek zal ook wel een geruimen tijd noodig gehad hebben eer hij -in de bewerking zijner instrumenten, waartoe hij al de benoodigdheden -zelf maakte, die vaardigheid verkregen had, dat zij ten gebruike -geschikt waren. Hij getuigt zelf daarvan, in een brief aan de „Royal -Society” van 12 Januari 1689 [28]. „Ick hebbe hier vooren geseit, hoe -ik myn Instrumenten hebbe toegestelt, die eenige veel netter en -bequamer souden maken. Dog men moet weten, dat ik in geen konsten ben -onderwesen, daartoe men hamer of vijl gebruikt, als alleen, dat ik heb -gesien, hoe men het staal hard, en tempert, en een dril maakt, waarmede -men een gat in yser, koper, of silver drilt. Hoe en waarmede een -silver-smit syn silver aaneen soldeert. - -„Dit gesien hebbende, heb ik myn selven soo verre geoefent, dat ik -sedert veel jaren myn gereetschap hebbe gemaakt, hetwelke ik in -verscheide saken hebbe van node gehad. En dus is het, dat hetgeene dat -ik tot myn gebruik van node hebbe, alleen maar uyt den rouwe by my -gemaakt werd.” - -Later schijnt hij zich echter zoo zeer in deze metaalbewerking geoefend -te hebben, dat hij met meer tevredenheid over zijn werk spreken kon. In -een anderen brief (9 Juni 1699) [29] zegt hij: „Terwijl ik besig ben om -desen te schrijven, heb ik wel 8 à 10 vergroot-glasen voor my leggen, -die door my met silver gemonteert syn, en alhoewel ik gans geen -onderrigtinge en hebbe gehad, om in eenig metaal met hamer of vijl te -arbeyden, soo monteer ik egter myn glasen; en myn werktuygen syn soo -toegestelt, dat werkbasen in ’t Gout seggen, my niet te sullen -nawerken.” - -Hieruit en uit vele andere bijzonderheden blijkt, dat hij overal -opmerkte of er iets voor hem te leeren viel en dan maar handen aan het -werk sloeg totdat hij eindelijk zijn doel bereikte. Vooral maakte hij -al zijn beschikbaren tijd zich ten nutte voor de volmaking van een -instrument, waarmede hij later zulke groote ontdekkingen gedaan heeft. -De slijping en polijsting zijner glazen zal hem wel het meest -inspanning en tijd gekost hebben en wij zouden zoo gaarne weten wie hem -daartoe den weg gewezen heeft. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij het -slijpen zelf aanvankelijk bij een glasslijper afgezien, zooals zoovele -andere zaken, en dat daarvoor, tijdens hij nog in Amsterdam woonde, -waar het slijpen van diamanten toen reeds tot een hoogen trap van -volkomenheid gebracht was, wel gelegenheid zal hebben bestaan, mag men -veilig aannemen. - -Behalve het slijpen van glas had hij zich ook zelf geoefend in het -glasblazen, en het bewerken van metalen; zoo beschrijft hij, in een -brief aan Mr. Antonius Heinsius van 18 Aug. 1695 [30] hoe hij een -glazen bol geblazen heeft om voor zekere proef tot het onderzoek van -buskruit te dienen, „UEd. Gestr. Heere zoude wel meenen dat ik in de -kunst van glasblasen, bij de kaars of lamp geoefend was. Ik hebbe geen -andere kennisse van glasblasen gehad, als dat, wanneer op onse jaarmart -een glasblaser in de stad was gekomen, die sijn glas-blazen bij de -lamp, om gelt liet zien, en als doen op desselfs handeling agting -nemende, heb ik het bij de hand gevat, en dus kan ik alleen maar -blasen, hetgeene ick tot mijne verrigtinge van noode hebbe.” Ook blijkt -uit het gesprek met Uffenbach dat hij in het glasblazen groote ervaring -gekregen had. Uffenbach zegt daarvan in zijn verhaal van zijn bezoek -bij Leeuwenhoek [31]. - -„Was die geblasenen Gläser anbelangt, versiecherte Herr Leuwenhoek, -dasz er durch zehen-jähriges speculiren es dahin gebracht, dasz er eine -taugliche Art blasen gelernt, welche aber nicht rund wáren. Mein Bruder -wolte solches nicht glauben, sondern hielte es für Holländisch gejokt, -indem es unmöglich ist, in Blasen etwas anders als ein Kugel oder -Endung zu formiren.” Men ziet het, wat anderen onmogelijk voorkwam, kon -Leeuwenhoek bereiken door zijn onvermoeide werkzaamheid, hij liet zich -door geen moeielijkheden afbrengen van zijn eenmaal opgevatte -voornemens, waar het hem te doen was om iets te leeren; nimmer verloor -hij den moed, al moest hij aanvankelijk met groote bezwaren kampen, -maar hij hield zoo lang vol totdat hij, zoo als hij gedurig eigenaardig -uitdrukt „zich zelven kon bevredigen.” - -Eindelijk was dan de tijd van ernstige voorbereiding volbracht en -gevoelde hij zich sterk genoeg om hetgeen hij onderzocht en gevonden -had ook onder de oogen van anderen te brengen. Goed toegerust treedt -hij nu onverwacht te voorschijn en doet zich weldra kennen als getrouw -waarnemer der natuur. Doch hij plaatste zich zelf niet met eigenwaan op -den voorgrond, maar werd daartoe aangespoord door een geleerde van -naam, Dr. Reinier de Graaf, die zeker al eenigen tijd met hem in -wetenschappelijke aanraking zal zijn geweest en de gelegenheid zal -gehad hebben om zijn ervaring in het waarnemen door het microscoop -optemerken [32]. Deze keurde zijn onderzoekingen wel waardig om onder -de oogen te komen van deskundigen. Bij gelegenheid dat de Graaf zijn -twist met Swammerdam over wetenschappelijke geschilpunten aan het -oordeel en de beslissing van de „Royal Society” onderwierp, schreef hij -den 27sten Mei 1673 tevens aan Mr. Oldenburg, Secretaris van dit -collegie, over Leeuwenhoek en sloot een brief van hem in, gedateerd 28 -April 1673, welken brief de Graaf gezorgd had in het Latijn te -vertalen, ten einde deze door de Engelsche geleerden zou kunnen -verstaan worden. De Graaf vestigt in dit schrijven de aandacht der -Koninklijke Sociëteit op „zekeren Mr. Leeuwenhoek, die onlangs -microscopen gemaakt heeft, uitmuntende boven de tot hiertoe -vervaardigde door Eustachio Divini en anderen”, er bijvoegende: „dat -hij een voorbeeld van hun uitstekendheid gegeven heeft door -onderscheidene onderzoekingen daarmede te bewerkstelligen en dat hij -gaarne bereid zou zijn moeielijke zaken tot onderzoek van de leden te -ontvangen, indien belangstellenden slechts lust hebben ze hem toe te -zenden.” - -De waarnemingen van Leeuwenhoek, waarvan hij in zijn brief gewag -maakte, werden in de „Philosophical Transactions,” Vol. VIII, pag. -6037, opgenomen, onder den titel „A specimen of some observations made -by a Microscope contrived by Mr. Leeuwenhoek, Concerning Mould upon the -skin, flesh etc; the Sting of a Bee, etc., lately communicated by Dr. -Regnerus de Graaf.” - -Deze waarnemingen van den Hollandschen natuuronderzoeker werden door de -leden der Koninklijke Sociëteit met groote belangstelling ontvangen en -men sprak de hoop uit, dat hij ze weldra door meer anderen zou doen -achtervolgen. Deze waardeering en uitnoodiging was inderdaad eene -krachtige aanmoediging voor een tot nog toe vergeten, maar -onderzoeklievenden waarnemer, wiens nasporingen alleen nog maar de -nieuwsgierigheid zijner vrienden en bekenden, nauwlijks in staat om er -den wijden omvang van te begrijpen en te waardeeren, hadden opgewekt. -Van nu af waren het de geleerden en wel van de beroemde Engelsche -Sociëteit, die zich met den arbeid van den eenvoudigen Delvenaar zouden -bezig houden! Bemoedigende gedachte die zijn ijver aanspoorde en hem -zijne pogingen deed verdubbelen om de verwachtingen, die men van hem -koesterde, niet te beschamen. - -Voor dat wij echter meer in bijzonderheden de onderzoekingen van -Leeuwenhoek nagaan en zijne verdiensten in het licht stellen, willen -wij kortelijk een blik slaan op de hoogte der kennis, waarop men ten -tijde van Leeuwenhoek, met betrekking tot de vervaardiging van -microscopen, stond. Daarna zullen wij de microscopen van Leeuwenhoek -bespreken en zien wáárin deze uitmuntten boven anderen van dien tijd, -waarbij wij genoegzaam gelegenheid zullen vinden om enkele -bijzonderheden, hem zelven betreffende, te vermelden. Eindelijk kunnen -wij onze aandacht onverdeeld wijden aan de belangrijkheid zijner -ontdekkingen, welke, schoon vele er van groote tegenspraak moesten -ondervinden en hem zelfs aan bespotting en beschimping blootstelden, -echter door anderen hoog gewaardeerd en verdedigd werden, en waarvan -sommigen zelfs nog in dezen tijd, als onomstootelijke waarheden worden -erkend. - -Het is door den Hoogleeraar P. Harting in zijn: „Bijdrage tot de -geschiedenis der mikroskopen in ons Vaderland” (Utrecht 1846) en zijn: -„Het Mikroskoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen -toestand” (3 deelen 1850) [33] op onwederlegbare gronden aangetoond, -dat de eer der gewichtige ontdekking van het microscoop in de 17de eeuw -aan Nederland toekomt. De Italianen roemen in dit opzicht nog wel hun -Fontana en Galilaeus, van wien de eerste zich de eer der uitvinding -toeëigende, daar hij in het jaar 1646 schreef, dat hij reeds in 1618 -het microscoop had uitgevonden; doch de gronden die zij voor hun -beweren, aanvoeren, zijn onhoudbaar; want daar de Italianen de -uitvinding van het microscoop in 1612 aan Galilaeus toeschrijven, zoo -is het bewezen, dat de eer dezer uitvinding aan Hans en Zacharias -Janssen van Middelburg toekomt en dat die zelfs reeds lang vóór 1610 -plaats had, hoewel het moeielijk te bepalen schijnt hoe lang vóór dien -tijd. [34] - -Het blijkt echter, dat reeds in zeer oude tijden het vergrootend -vermogen van bolle, doorschijnende lichamen, alsmede de kunst om glas -en berg-kristal te slijpen, bekend is geweest en men met het einde der -XVde eeuw reeds daarin eenige vordering had gemaakt, doch er verliepen -meer dan twee eeuwen eer het eenvoudig microscoop uitgevonden werd, -welke uitvinding ten onrechte aan Drebbel in het jaar 1621 wordt -toegeschreven. Het waarschijnlijkst, volgens Harting, is, dat de -uitvinding der brillen, die alleen daarin bestond, dat men begonnen was -de lenzen te slijpen met een verderen brandpunts-afstand dan vroeger, -tusschen 1285 en 1290 geschied is. Verder zegt Harting [35], dat het -brillenslijpen, na 1363, allengs tot een handwerk was geworden, dat men -op het laatst der XVIde eeuw twee brillenslijpers te Middelburg (de -genoemde Janssens) vond, en ten tijde van Leeuwenhoek drie te Leiden, -zooals hij zelf in een brief aan G. C. Leibnitz, d.d. 28 September 1715 -[36] zegt: „daar sijn drie Glaseslijpers geweest te Leyden, bij dewelke -de studenten het glaseslijpen gingen leeren” enz. Uit een en ander -blijkt, dat het zeker is, dat het samengesteld microscoop te Middelburg -reeds eenige jaren vóór 1610 is uitgevonden. - -De Hoogleeraar Harting maakt de opmerking [37], dat het bevreemdend is, -dat de uitvinding van een werktuig, hetwelk voor den onderzoekenden -blik eene geheel nieuwe wereld ontsluit, aanvankelijk zoo weinig de -aandacht getrokken heeft, dat het bestaan ervan jaren lang ter -nauwernood buiten de muren der woonplaats van den uitvinder is bekend -geweest, daar men, noch in 1611 in de „Dioptrica” van Keppler, noch in -het werk van Syrturus, dat over verrekijkers en het slijpen van glazen -handelt en in 1618 verscheen, iets vindt opgeteekend, waaruit hunne -bekendheid met het microscoop blijkt. Eerst in 1625 maakte een Italiaan -Franciscus Stellubi eenige microscopische waarnemingen bekend over de -verschillende deelen der honigbij. - -De eigenlijke geschiedenis van het enkelvoudig microscoop vangt eerst -aan op het tijdstip, toen men begon lenzen te vervaardigen, welke een -genoegzaam korten brandpunts-afstand bezaten, om eene eenigszins -aanmerkelijke vergrooting daar te stellen, dat, volgens Harting [38], -hoogstwaarschijnlijk eerst geschied is na en ten gevolge der uitvinding -van het samengesteld microscoop. - -Een der eersten, die het enkelvoudig microscoop zoodanig inrichtte, dat -het geschikt was voor wetenschappelijke nasporingen, was onze -Leeuwenhoek. - -Wij zagen boven, dat Dr. Reinier de Graaf in den brief, dien hij bij de -toezending der eerste waarnemingen van Leeuwenhoek aan de „Royal -Society” te Londen schreef, als eene bijzonderheid mededeelde „dat deze -Leeuwenhoek onlangs microscopen gemaakt had, uitmuntende boven die tot -hiertoe vervaardigd worden door Eustachio Divini.” Deze microscopen van -Eustachio de Divinis nu waren in dien tijd zeer beroemd en worden -beschreven in de „Philosophical Transactions” no. 42, pag. 842. Divini -had, behalve de objectieflens, twee plano-convexe oogglazen zoodanig -geplaatst, dat zij elkander in het midden hunner bolle oppervlakte -raakten. Deze oogglazen waren ongeveer zoo breed als de handpalm eens -mans, en de buis, waarin zij besloten waren, was zoo dik als een mans -dij. Een vrij onhandig instrument alzoo, dat niet gemakkelijk in het -gebruik moet zijn geweest en veel overeenkomst met een kleine mortier -moet hebben gehad. Het was omstreeks 16½ duim lang; de verschillende -vergrootingen werden verkregen door uittrekking tot verschillende -lengte. De geringste vergrooting was van 41, de sterkste van 143maal in -middellijn. - -Het voornaamste, waardoor de microscopen van Leeuwenhoek uitmuntten -boven die van anderen van zijn tijd, bestond in de kennis van het -slijpen en polijsten zijner lenzen en in het stellen (monteeren) -daarvan. - -Men maakte destijds ook veel gebruik van gesmolten glazen bolletjes, -omdat men niet best terecht kon met het slijpen der lenzen, en niemand -ten tijde van Leeuwenhoek hem hierin op zijde schijnt gestreefd te -hebben. - -De eerste, die deze glazen bolletjes vervaardigde, was Robert Hooke -[39], die in 1663 de vervaardiging ervan beproefde en ze later -verbeterde. Hij maakte van deze bolletjes onder anderen gewag in een -verslag, door hem uitgebracht in de vergadering van 14 Maart 1678 van -de „Royal Society” [40], ten gevolge van het te vergeefsch opsporen van -de kleine diertjes in peperwater door Leeuwenhoek waargenomen, hetwelk -hem nu bij het gebruik maken van zijn verbeterde inrichting van zijn -microscoop gelukte. - -Hij bezigde daartoe een enkelvoudig microscoop, gemaakt uit een klein -glasbolletje, waardoor het voorwerp buitengewoon vergroot kon worden, -welk bolletje hij, met de lamp, van een glazen draad smolt. In 1668 -vervaardigde Hartsoeker [41] op dergelijke wijze glasbolletjes, die -vrij goed waren en hun vergrootend vermogen moet zeer aanzienlijk -geweest zijn. - -In 1677 maakte Butterfelld [42] deze bolletjes door tot fijn poeder -gestoten glas, dat hij aan de punt eener naald in de vlam van een -spirituslamp hield, tot een bolletje samen te smelten. Ook Jan van -Mussenbroek vervaardigde dergelijke glasbolletjes, naar de methode van -Hooke en schijnt daarin zeer te hebben uitgemunt. Het verst van allen -bracht het daarin Pater Della Torre van Napels [43]. Deze bracht het -bolletje, dat hij op de wijze van Hooke aan een glasdraad gesmolten -had, in eene komvormige holte, gemaakt in een stukje tripoli, waarin -vervolgens het bolletje op nieuw gesmolten werd door de vlam der -glasblazerslamp. De glasbolletjes van Della Torre vergrootten ongemeen -sterk. De „Royal Society” te Londen ontving er in 1763 eenige van, -waarvan het grootste een diameter had van 1⁄36 duim en 640maal in -middellijn vergrootte; de doorsnede van het kleinste was 1⁄144 duim en -zijn vergrootend vermogen 2560maal. Zulke sterk vergrootende bolletjes -zijn echter, volgens Prof. Harting, wegens hun zeer korten -brandpunts-afstand, als microscoop weinig bruikbaar. Volgens Harting -geven de bolletjes van 300–900maal vergrooting het zuiverste beeld, -zoodat zij zelfs in dit opzicht geslepen lenzen van gelijke vergrooting -dikwijls werkelijk overtreffen. - -Ook Leeuwenhoek schijnt zich aanvankelijk van zulke bolletjes bediend, -maar die later verworpen en er zelfs eene groote verachting voor aan -den dag gelegd te hebben, zooals blijkt uit hetgeen Uffenbach -daaromtrent verhaalt, bij gelegenheid van zijn bezoek ten zijnen huize -[44]. - -„Als wir Herr Leuwenhoek ferner fragten, ob er denn alle seine Gläser -schlieffe und keine bliese? verneinte er solches, und bezeigte eine -grosse Verachtung gegen diese geblasene Gläser” „Er wiese uns, wie dunn -seine Microscopia gegen anderen wären, und wie nahe de laminae -zwisschen welche das Glas ist, beysammen waren, so dasz kein sphärisch -Glas dazwischen seyn könnte, sondern alle seine Gläser waren auf beyden -Seiten convex geschliffen.” Daarenboven gebruikte Leeuwenhoek ook -microscopen met dubbele glazen. „Er hatte auch einige Microscopia mit -doppelten Gläsern die, ob sie gleich doppelt, und einwendig nach ihrer -behörigen Distanz vermuthlich durch eine laminam separirt waren, -demnoch nicht viel dicker als die einfachen waren.” Deze vergrootten, -volgens Leeuwenhoek, een „weinig meer” dan zijn enkelvoudige -microscopen. - -Wij zijn alzoo genaderd tot het microscoop waarvan Leeuwenhoek zich -bediende voor zijne onderzoekingen, en het is door alles wat wij -daaromtrent hebben kunnen opsporen uitgemaakt, dat hij de glazen -daartoe gebezigd zelf sleep en polijstte en dat deze niet uit gesmolten -glasbolletjes bestonden maar uit een tot eene biconvexe lens geslepen -helder glas. - -Hij besteedde veel zorg aan het kiezen van het geschiktste soort van -glas, en gebruikte ook gerold bergkristal. De zuiverheid en helderheid -er van moet buitengemeen groot geweest zijn, hetgeen blijkt, zoowel uit -de getuigenis zijner tijdgenooten, als uit vele der daarmede gedane -waarnemingen van hemzelven. - -De lens in Leeuwenhoek’s microscopen was gevat tusschen twee koperen of -zilveren, soms ook wel gouden plaatjes, waarin zich één, soms twee en -ook wel eens drie openingen bevonden. Bij van Haastert [45] is zulk een -microscoop met ééne opening op het titelblad afgebeeld, zoo als ook in -fig. 1 is geteekend. Deze afbeelding komt geheel overeen met een -dergelijk instrumentje van Leeuwenhoek afkomstig en door hem -vervaardigd, waarmede ik in mijn jeugd dikwijls kleine insecten, -vlerkjes en andere voorwerpen heb bezichtigd. Er werd, helaas, toen -door mij niet meer waarde aan gehecht dan aan gewoon speelgoed, zoodat -het in het ongereede is geraakt en verloren ging. Het komt in alle -opzichten overeen met de 26 microscopen, die Leeuwenhoek aan de „Royal -Society” heeft nagelaten. Baker [46] had deze microscopen gedurende -drie maanden ter onderzoeking onder zijne berusting en beschrijft ze -zeer uitvoerig. Deze beschrijving nu is zoowel toepasselijk op de hier -bijgevoegde fig. 1 als op fig. 2, daar de laatste alleen daarin -verschilt dat er twee lenzen in zijn en het microscoop alzoo ingericht -was om twee verschillende vergrootingen te geven. Fig. 1 stelt het -microscoop voor met ééne, fig. 2 A en B met twee openingen en aan beide -zijden gezien. - -Ook op het physisch kabinet te Utrecht komt een dergelijk microscoop -voor als bij van Haastert is afgebeeld. Onlangs ben ik bekend geworden -met een microscoop van Leeuwenhoek op het physisch kabinet der Leidsche -Academie, een paar jaren geleden ten geschenke gegeven door een -officier van gezondheid, met een paar andere kleinigheden, onder -anderen een rood marokijnen étui, waarop de naam Leeuwenhoek duidelijk -te lezen is. Ook op het Anatomisch kabinet te Leiden is een microscoop -van Leeuwenhoek afkomstig. - -Omtrent deze microscopen en den waarschijnlijken gever kan ik -mededeelen, dat ik in het jaar 1872 van den officier van gezondheid -1ste klasse Hallegraeff, sedert overleden, een schrijven heb ontvangen, -mij meldende, dat hij in het bezit was van: - -1º. Een microscoop van L. overeenkomende met fig. 1, p. 34 dezer - brochure; -2º. Een microscooptoestel tot onderzoeking van den bloedsomloop (fig. - 3, pag. 36); -3º. Een loupe van Leeuwenhoek; -4º. Een rood marokijn lederen étui met vijf in koper gevatte lenzen en - eene lens nog niet in koper gevat, dus in het geheel zes. - -Een en ander was uit Rusland weder naar Nederland terug gebracht door -den Hoogleeraar de Gorter, door wiens betrekkingen het aan den vader -van den briefschrijver en later aan hem was present gedaan. Als eene -bijzonderheid meldde hij mij nog dat op het étui met eigenaardige -krulletters geschreven staat „Anth. van Leeuwenhoek”. Tevens berichtte -mij ZEd., dat hij van plan was een en ander aan de Leidsche Hoogeschool -ten geschenke aan te bieden; derhalve zijn de op de Academie berustende -voorwerpen kennelijk de bovenbeschrevene. - -Ook is mij bekend geworden, dat er op het stedelijk museum te Gouda een -microscoop aanwezig is. - -De beschrijving volgens Baker is de volgende. De voorzijde is fig. 2 B. -Het platte gedeelte A is samengesteld uit twee koperen of zilveren -plaatjes, aan elkander vastgemaakt met kleine klinknageltjes, b b b b b -b. Tusschen deze plaatjes is eene zeer kleine biconvexe lens, in een -holligheid geplaatst, recht tusschen twee gaatjes, tegenover elkander -in de plaatjes gedrild bij c. Aan de eene zijde van de plaatjes is een -koperen of zilveren strookje d met een schroef e gehecht, welk -schroefje door beiden gaat. Een ander gedeelte van dit strookje -winkelhaaks omgebogen schiet onder de plaatjes door en komt aan de -andere zijde uit. Door dit omgebogen einde loopt, recht opwaarts, eene -lange fijndradige schroef, welke in- en uitgeschroefd wordende, de -plaat, waarop het voorwerp gehecht wordt, hooger of lager brengt. -Hierop staat een grof ruw gemaakt pennetje i, waaraan het voorwerp moet -worden vastgehecht en dat door een handvatsel k wordt omgedraaid. Men -kan de vertoonplaat met het pennetje er op, verder van de vergrootende -lens doen afwijken, of nader daarbij laten komen door middel eener -kleine schroef l, die horizontaal door de plaat b loopende en tegen de -achterzijde van het werktuig dragende, als het noodig is deze plaat -verder afdringt. Het eind van de lange schroef g komt door de -vertoonplaat heen bij m, alwaar zij rond draait, maar niet als een -schroef werkt, dewijl haar draad zoo hoog niet reikt. Leeuwenhoek -maakte zijne voorwerpen aan de punt van het pennetje met de eene of -andere klevende stof vast en bewaarde zulk een stel zorgvuldig, zoodat -hij voor ieder voorwerp weder een ander microscoop noodig had en er ten -slotte eenige honderden bij elkander had, zoo als hij zelf zegt in een -brief aan Hans Sloane, Secretaris der „Royal Society” d.d., 24 December -1700 [47]. „Ick hebbe hondert en hondert geslepene vergrootglasen, daar -van de meeste zoo scherp sien, selfs by duystere dagen, en dat by geen -ander als dag ligt enz.” Wanneer het voorwerp alleen kon gezien worden -als het uitgespreid was, deed hij een weinig op een plaatje van zeer -dun glas, dat hij op dezelfde wijze met de klevende stof op de punt -vasthechtte [48]. Voor sommige waarnemingen met vloeistoffen, zoo als -onder anderen, om den bloedsomloop te bezichtigen, wijzigde hij dien -toestel. Hij beschrijft die inrichting zeer uitvoerig in een brief aan -de „Royal Society” van 12 Januari 1689 [49] (Fig. 3). Zij bestond uit -eene aan beide uiteinden rechthoekig omgebogen koperen of zilveren -plaat, a, in welker omgebogen gedeelten b en c de ronde openingen e en -i waren aangebracht, bestemd ter opneming eener glazen buis, die dan -door de veeren r en d werd vastgeklemd. In zulk een glazen buis bracht -hij dan water en een klein vischje of aaltje met de vinnen of den -staart zoodanig er buiten geplaatst, dat men den bloedsomloop er in kon -waarnemen. De lens, die even als bij alle microscopen van Leeuwenhoek, -tusschen 2 plaatjes besloten was, werd dan vóór de buis gesteld door -middel van de rechtopstaande plaat g, die door de beide schroeven h h -op een gedeelte van c bevestigd was, en waaraan de lensplaat door de -schroef f werd vastgemaakt [50]. Leeuwenhoek heeft verscheidene van -deze toestellen vervaardigd, want op den Catalogus zijner microscopen, -die na zijn dood verkocht zijn, worden niet minder dan 8 zilveren en 4 -koperen vermeld. - -Deze Catalogus, in het bezit van Prof. Harting, voert den volgenden -titel: - -„Catalogus van het vermaarde Cabinet van vergrootglasen, met zeer veel -moeyte en kosten in veele jaren geïnventeert, gemaakt en nagelaten door -wijlen den Heer Antony van Leeuwenhoek. In zijn Ed. leven Lid van de -Koninklijke societeit der Wetenschappen te Londen, welke verkogt zullen -worden op Maandag den 29 Mey 1747 binnen de stad Delft, op St. Lucas -Gildekamer, des voormiddags van 10 tot 12 uren, en des namiddags van -half drie tot 5 uren. Te Delft gedrukt bij Reinier Boitet, Stadsdrukker -1747.” Hij is op zwaar schrijfpapier gedrukt, met Hollandschen en -Latijnschen tekst. Voorin bevindt zich eene fraaie op koper gegraveerde -zinnebeeldige plaat, voorstellende een kabinet met laden waarin -microscopen en een paar kinderen deze beschouwende; een hunner heeft -een dito microscoop als in fig. 2 is afgebeeld in de hand, maar dit is -met „drie” openingen voorzien. Eene andere plaat stelt het portret van -Leeuwenhoek voor. De Catalogus, 43 bladz. groot, is geheel doorschoten -met wit papier, waarop de namen van al de koopers en de prijzen die -voor de microscopen besteed zijn, nauwkeurig staan aangeteekend; het -getal nommers is 196, terwijl bijna ieder nommer twee microscoopstellen -aangeeft, de laatste 15 nommers bestaan ieder uit een aantal van 12 -koperen plaatjes met vergrootglazen. Daarenboven zijn er nog op vermeld -zeven Japansch verlakte Cabinetjes, benevens een verlakte vierkante -doos en een doos, waarin eenige glazenbuizen met olie, plantgewassen, -drogerijen enz. - -Het gezamenlijk aantal der microscoopstellen, met inbegrip der -bovengenoemde plaatjes met vergrootglazen, de meesten met een voorwerp -voorzien waarvan de namen in den Catalogus vermeld zijn, bedraagt niet -minder dan 527. Hiervan zijn er 3 van goud, 147 van zilver, waarvan 1 -met drie, 6 met twee, 140 met één en ook zonder objecten. Voorts 5 met -zilver gemonteerde koperen stellen en koperen met drie objecten en 375 -koperen met 1 object en zonder. - -Als eene bijzonderheid staat bij no. 126 een koperen stel vermeld, dat -„het vergrootglas geslepen is van een sandje en het object is een -sandje.” Bij drie der microscopen staat opzettelijk dat het -vergrootglas is geslepen van Amersfoortsche diamant. Van de gouden -wogen er twee 10 Engels 17 azen, de derde 10 Engels 14 azen. Een der -eerste van deze gouden werd verkocht voor 23 gulden 15 stuivers, -terwijl de beide anderen opgehouden werden. De overige microscopen -golden: de koperen van 15 stuivers tot 3 gulden het paar; de zilveren 2 -tot 7 gulden, 1 koperen stel, waarvan het object was „ongeboren -oesters” (!) in een glazen buisje 8 gulden. Een enkel der zilveren gold -10 gulden. - -De geheele verkooping bracht de voor dien tijd zeer aanzienlijke som -van 737 gulden en 3 stuivers op. - -Al deze microscopen schijnen in ons land gebleven te zijn; ten minste -onder de namen der koopers in den Catalogus heb ik geen buitenlandsche -gevonden. De naam Dirk Haaxman komt op de lijst der koopers herhaalde -malen voor en het is daarom te verwonderen dat er niet meer van deze -microscoopjes in mijne familie, waarvan echter weinig leden der andere -takken mij bekend zijn, gevonden werden. - -Daar nu al de lenzen van deze groote verzameling door Leeuwenhoek „met -eigen hand” geslepen zijn en de metalen stellen eveneens door hem -zelven vervaardigd werden, waarbij nog gevoegd moet worden de -verzameling van 26 microscopen, aan de „Royal Society” vermaakt, en nog -een groot aantal, die hij bij zijn leven ten geschenke zal gegeven -hebben, zoo staat men verbaasd, dat Leeuwenhoek, bij den tijd aan zulk -een arbeid besteed, nog genoegzame gelegenheid kon overhouden tot het -nemen zijner proeven, als men weet hoe verbazend tijdroovend het -praepareeren alleen der voorwerpen is om ze geschikt voor de observatie -te maken, terwijl bovendien vele proeven door hem talrijke malen werden -herhaald, eer hij een bevredigend resultaat verkreeg. [51] Hij betuigt -zelf [52] dienaangaande van een door hem ingesteld onderzoek: „Aan dese -geseyde waarnemingen hebbe ik meer tyd besteed als vele zullen -gelooven: dog ik heb ze met genoegen gedaan, en geen agt gegeven op die -geenen die mij zeggen, waarom zoo veel moeyte gedaan, en wat nut doet -het; dog ik schrijf niet voor sulke en alleen voor de wysgeerige.” - -Leeuwenhoek was er steeds op bedacht zijne glazen meer en meer te -volmaken. „Wat mijne vergrootglasen aangaan,” zegt hij in een brief aan -de „Royal Society,” d.d. 9 Juni 1699 [53] „daarvan wil ik mij niet -beroemen; ik maak deselve soo goet, als in mijn vermogen is, en moet -seggen, dat wij sedert veel jaren deselve niet alleen beter en beter -hebben gesleepen, maar ook deselve van tijd tot tijd beter gemonteert -hebben, waaraan ook veel is gelegen, en ik hebbe wel behaamt die -vergrootglazen maken, en haar daarover beroemen, die selfs geen -bequaamheit hadden om te oordeelen, of een glas scharp ontdekt; en -gelijk yder een niet bequaam is om van een vergrootglas wel te -oordeelen, veel min kan men bequaam syn, om ontdekkingen voort te -brengen, en dus doende, moet ymant die nieuwe ontdekkingen tragt in ’t -ligt te brengen, niet van één gesigt oordeelen, maar men moet deselve -veel malen sien: want my komt te meer malen voor, dat luyden, siende -door een vergroot-glas seggen, nu sie ik dat, en dan weder dat, en -wanneer men haar onderrigt, sien sy dat ze in haar meyninge bedrogen -syn, en dat meer is, soo kan self die geene die gewoon is door -vergroot-glasen te zien, in syn meyninge verleyt werden.” Men ziet het, -Leeuwenhoek nam niet alles dadelijk voor waar en zeker aan, wat hij op -het eerste gezicht waarnam en logenstrafte daardoor zijne benijders en -bedillers, die hem verweten, dat hij zich veelal maar verbeeldde te -sien, wat niet in werkelijkheid bestond. - -De groote lof die overal, vooral in Engeland, van Leeuwenhoek’s -ontdekkingen uitging, had ten gevolge dat velen trachtten zich door -eigen aanschouwing van de waarheid te overtuigen, te meer daar zijne -waarnemingen in vele opzichten geheel nieuw waren en onderwerpen -betroffen, van het hoogste gewicht voor de physiologische wetenschap -van die dagen; want nauwelijks waren er drie jaren verloopen sedert het -begin zijner betrekking met de „Royal Society,” of reeds had hij het -meerendeel der weefsels en vloeistoffen van het organismus in meerdere -of mindere mate onderzocht. Aangespoord door de gelukkige ontdekkingen -die hij deed en geprikkeld door de belangstelling, die men aan zijne -waarnemingen schonk, wijdde hij dan ook zich met zijn geheele ziel aan -zijne geliefkoosde nasporingen. - -Doch weldra werd hem eene buitengewone verrassing bereid. Eene geheel -nieuwe wereld van wezens in het water levende en die tot nu toe voor -iedereen verborgen waren gebleven, ontdekte zich aan zijn navorschend -oog. In een enkelen droppel water ontdekte hij vol verbazing eene -ontelbare menigte van de kleinste wezens van den meest verschillenden -vorm, die zich met eene ongeloofelijke snelheid en levendigheid heen en -weder bewogen. Men was tot nog toe gewoon een kaas- of andere myt al -voor het kleinste diertje der schepping te houden, maar met de diertjes -vergeleken, die Leeuwenhoek in water ontdekte, was zulk eene myt als -een reus te beschouwen. Een nieuw veld van beschouwing ontwikkelde zich -door deze ontdekking aan den denkenden geest. Overal in de natuur is -het leven verbreid en dat in zulk eene verkwistende mate als men dit -nimmer zou hebben kunnen vermoeden. Zulks werd door Leeuwenhoek in een -brief aan de „Royal Society,” d.d. 9 October 1676 duidelijk -uiteengezet, welke mededeeling ten gevolge had, dat de „Royal Society” -zich gedurende onderscheidene zittingen van het jaar 1677 met den -belangrijken inhoud dezer missive bezig hield. - -Men besloot aan hem te schrijven en hem uit te noodigen om zijne -methode van onderzoek mede te deelen, ten einde de resultaten zijner -nasporingen te kunnen nagaan en waardeeren, terwijl in den boezem der -vergadering zelve de meest geanimeerde besprekingen over dit -ongeloofelijk feit werden gehouden. Wij lezen [54], dat ten gevolge van -de ontvangen mededeelingen van Leeuwenhoek omtrent de ontdekking van -met het bloote oog onzichtbare, uiterst kleine diertjes in regen-, -sneeuw-, wel- en andere wateren, alsmede in water, waarin peper, gember -en andere kruiderijen gedurende eenigen tijd hadden geweekt, dat in de -vergaderingen van 5 April 1677 Dr. Nehemiah Grew werd opgedragen te -beproeven, wat hij in dezelfde wateren kon ontdekken, terwijl in de -vergadering van 15 October aan Robert Hooke dit zelfde verzoek gericht -en deze tevens uitgenoodigd werd een microscoop te maken, dat zoo veel -mogelijk, zoo niet geheel, gelijk was in kracht met dat van -Leeuwenhoek, omdat men te vergeefs had getracht met de hun ten dienste -staande instrumenten deze diertjes te zien. - -In de vergadering van 1 November 1677 [55] bracht men verslag uit -omtrent een menigte dunne glazen buisjes van verschillende grootte, -eenige tienmaal dikker dan een hoofdhaar van een mensch, en andere veel -dunner, welke men gemaakt had, om eene bewering van Hooke te -constateeren, ter bestrijding van de waarneming van Leeuwenhoek, dat -men de kleine diertjes in een waterig vocht, in zulke buisjes beschouwd -zijnde, door elkander zou zien wriemelen. Hooke deelde mede, dat deze -alzoo gevulde buisjes zelven als het ware vergrootglazen werden, -waardoor de omvang van zoodanige lichaampjes in het vocht schijnbaar -zeer vermenigvuldigd zich zou moeten vertoonen, vooral aan de zijde van -de buisjes die het verst van het oogglas verwijderd waren. Maar -niettegenstaande dit hulpmiddel, waardoor de sterkte van het microscoop -nog vermeerderd werd, verklaarde men „niets” van dergelijke diertjes te -kunnen waarnemen. - -Er werd daarom bevolen, dat tegen de volgende vergadering peperwater -zou worden gereed gemaakt en er ook voor een beter microscoop moest -gezorgd worden, opdat de waarheid of onwaarheid van „Leeuwenhoek’s -bewering” duidelijk mocht blijken. - -Vóór dat deze discussiën in de vergadering plaats hadden, schijnt men -reeds aan Leeuwenhoek den twijfel der vergadering over de juistheid -zijner waarneming te hebben kenbaar gemaakt, ten gevolge waarvan hij -het noodig geacht had getuigenissen van geloofwaardige personen over te -leggen, die zijne ontdekkingen konden bevestigen, want zoo voegde men -er bij: „opdat de verzekeringen van Leeuwenhoek zoo mogelijk -proefondervindelijk zouden kunnen onderzocht worden, daar hij zoo vele -getuigenissen had geleverd van hen die ooggetuigen van deze waarneming -geweest waren.” Daarop werden de namen dezer getuigen in de vergadering -gelezen, waaronder er waren van twee predikanten, één notaris en acht -andere geloofwaardige personen, tot staving van de waarheid van zijne -vroegere verzekeringen omtrent het ongeloofelijke aantal kleine -diertjes dat hij in zulk peperwater zich had zien bewegen en waarvan -enkelen het getal op tienduizend, anderen op dertigduizend en nog -anderen op vijfenveertig duizend in een enkelen droppel, ter groote van -een gierstkorrel schatteden. In de vergadering van 8 November 1677 [56] -werd daarop het verslag door Hooke uitgebracht, omtrent het onderzoek -van peperwater, dat aan hem was opgedragen. Hij vertoonde daarop eene -verbeterde inrichting van zijn microscoop, waarin de buisjes -doelmatiger konden bevestigd worden en waarmede ook eene betere -verlichting kon worden aangebracht.... „Maar,” zoo betuigt Hooke, -„hoewel hij het peperwater zeer sterk had gemaakt door weeking van -heele zwarte peper, gedurende 2 of 3 dagen lang met regenwater, zoo kon -er, niettegenstaande zijn microscoop nu veel beter was ingericht dan in -de vorige vergadering, „toch niets van Leeuwenhoek’s diertjes bespeurd -worden.” De vice-president Mr. Henshaw, die toch zijn geloof aan de -waarnemingen van Leeuwenhoek niet wilde opgeven, dewijl hij een te goed -vertrouwen had in de deugdelijkheid zijner observatiën, maakte de -opmerking, dat het wellicht nu in den winter geen geschikte tijd voor -de voortteling van dergelijke diertjes zou zijn, en hij voegde er bij, -dat hij een lid der vergadering gesproken had, die den vorigen zomer -met het microscoop van Leeuwenhoek zelven, deze diertjes in Holland -gezien had, doch ze nu, veertien dagen geleden, niet kon vinden in -peperwater dat hier (in Londen) gemaakt was.” - -Niettegenstaande deze gegronde opmerking beweerde Dr. Wistler, dat deze -„denkbeeldige schepsels” inderdaad niets anders waren dan „kleine in -het water drijvende peperdeeltjes” en geen diertjes. Doch deze bewering -werd krachtig tegengesproken door Dr. Mapletoft. Hij repliceerde, dat -Leeuwenhoek stellig verzekerd had dat hij die diertjes, zoowel levend, -als dood had aangetoond, en in den laatsten toestand, zoodra hij azijn -bij het peperaftreksel gevoegd had. Hooke was echter niet gemakkelijk -tot overtuiging te brengen; hij onderzocht nu andermaal het peperwater -met zijn microscoop en verklaarde dat hij de opmerking van Dr. Wistler -als gegrond moest erkennen, want dat hij er thans eene groote -hoeveelheid fijn peperstof in op- en nederdalende beweging in gezien -had. Ten slotte werd het uitzicht geopend, dat hij in de volgende -vergadering een microscoop zou ter tafel brengen, dat nog veel meer -vergrooten zou en dat alsdan de quaestie uitgemaakt zou worden. - -Het beslissende oogenblik was aangebroken. De vergadering van den 15den -November 1677 werd geopend, en wat rapporteerde nu dezelfde Hooke? „Dat -hij nieuw peperwater bereid had met zuiver regenwater en eene kleine -hoeveelheid gewone zwarte peperkorrels en dit mengsel gedurende negen à -tien dagen met elkander in aanraking gelaten had,” en „dat hij -gedurende de geheele week lang, een groot aantal buitengewoon kleine -diertjes heen en weder had zien zwemmen,” welke hem, door zijn glas -gezien, toeschenen de grootte van eene myt te bezitten, welk glas -volgens zijne berekening honderdduizendmalen in omtrek vergrootte -(waarschijnlijk een glasbollelje) en dat mitsdien kon worden opgemaakt -dat deze diertjes honderdduizendmaal kleiner waren dan eene myt. Hun -vorm zegt Hooke „kwam overeen met een zeer klein helder blaasje, ovaal -of eivormig van gedaante.” - -Men kan zich lichtelijk de verrassing der vergadering voorstellen, toen -de leden ieder om strijd zich rondom het microscoop van Hooke -verdrongen om zich van het ongeloofelijke feit te overtuigen. Al de -aanwezige leden, zegt de verslaggever dezer belangrijke vergadering, -overtuigden zich nu van de waarheid van Leeuwenhoek’s ontdekking. Zij -bevestigden allen, dat zij nu de diertjes zagen en ze op allerlei -wijzen door het water heen en weder zagen bewegen; men verklaarde ze -voor wezenlijke diertjes en erkende dat er geenerlei optische -misleiding kon plaats hebben. - -Schitterender kon de reputatie van den Delftschen burger wel niet -gevestigd worden, dan in de erkenning van de waarheid van hetgeen hij -had waargenomen, nu zelfs de meest ongeloovige zich moest gewonnen -geven. De leden der vergadering waren dan ook dadelijk bereid om hun -vorig mistrouwen en ongeloof openlijk te erkennen. Wij lezen namelijk -in de notulen dezer vergadering: „dat er besloten werd nota te nemen -van deze thans zoo goed geconstateerde feiten, en tevens dat er -aanteekening zou gehouden worden van de namen van hen die deze diertjes -met hun eigen oogen hadden gezien. Zulks waren: Mr. Henshaw, Sir -Christopher Wren, Sir John Hoskyns, Sir Jonas Mone, Dr. Mapletoft, Mr. -Hill, Dr. Croune, Dr. Nehemiah Grew, Mr. Aubrey en nog verschillende -anderen, zoodat er niet langer aan Mr. Leeuwenhoek’s ontdekking te -twijfelen viel.” - -Omtrent de ontdekking van den eigenaardigen vorm, de soorten en -bijzondere eigenschappen die Leeuwenhoek aan deze kleine diertjes kon -waarnemen, heeft hij zich zeer uitvoerig uitgelaten in een schrijven -aan Constantijn Huygens d.d. 7 November 1676 [57]. Hij zegt daarin, -„dat hij omstreeks half September van het jaar 1675 in regenwater, dat -eenige weinige dagen in een ton gestaan had, kleine diertjes, in zijn -oog meer dan tienduizendmaal kleiner dan het diertje dat Dr. Swammerdam -heeft afgebeeld en met den naam van watervloo of waterluis -bestempelde,” gevonden heeft. De „eerste soort,” die hij in dit water -ontdekte, bestond uit 5, 6, 7 à 8 zeer heldere „globulen”; zij staken -somtijds twee hoorntjes uit het voorste gedeelte van hun lichaam en -dezen waren in voortdurende beweging. Hun lichaam was rondachtig en aan -het achterlijf een weinig spits, waar zij een staart hadden, die -driemaal langer dan het lichaam was. Eene „tweede soort” beschrijft hij -als een eirond lichaam, van boven gezien uit 8, 10 à 12 globulen -bestaande, zij waren zeer helder en konden hun lichaam in een volkomen -ronde gedaante veranderen; iedere globule, zegt hij, verbeeldde zich -als verheven met een puntje uit te steken en voorzien met verscheidene -ongeloofelijke dunne pootjes, die zich snel bewogen; deze soort was een -weinig grooter dan de eerste. Eene „derde soort” was eenmaal zoo lang -als breed en naar schatting wel achtmaal kleiner dan de eerste soort, -hij „imagineerde zich”, dat hij daaraan „vinnetjes of pootjes” kon -waarnemen; zij bewogen zich zeer snel, zoowel in het rond als in een -rechte lijn. De „vierde soort,” die hij waarnam, was zoo klein dat hij -er geen figuur aan kon bekennen; deze waren in zijn oog meer dan -duizend maal kleiner dan het oog van een luis; zij gingen in snelheid -van beweging de bovenvermelde diertjes nog te boven. Verder zegt -Leeuwenhoek, dat hij, behalve deze vier soorten nog verscheidene andere -soorten van diertjes waarnam, waarvan eenigen zeer groot waren, zoo als -een „kleine myter”, anderen wederom waren „zeer monstereus.” Hij -beschrijft deze niet nader, maar zegt er alleen van, dat zij doorgaans -uit zulke zachte deelen bestonden, dat, wanneer het water, waarin zij -lagen, was opgedroogd of weggeloopen, zij uiteen barstten. - -Leeuwenhoek zegt in dienzelfden brief, dat op de open plaats achter -zijn huis zich een put bevindt, welke omtrent 15 voeten diep is, en -waarvan het water in het midden van den zomer zoo koud was, dat men er -de hand niet lang in kon houden. Ook in dit water ontdekte hij eene -groote menigte zeer kleine diertjes en wel, wat de grootte betreft, -overeenkomende met de vierde der beschrevene soorten, maar nadat dit -water eenige dagen gestaan had, ontdekte hij er vele andere diertjes in -van verschillenden vorm en grootte. Ook in zeewater nam hij dergelijke -diertjes waar. Verder beschrijft hij de ontwikkeling van diertjes door -peper in sneeuwwater te laten weeken, waarvan ik de bijzonderheden -reeds vermeld heb. - -Men kan zich gemakkelijk voorstellen welk eene uitwerking deze -belangrijke ontdekking van het bestaan eener geheele wereld van -schepselen, die tot nog toe geheel en al onbekend waren gebleven, moest -teweegbrengen in een tijd, waarin talrijke ontdekkingen in -onderscheidene gedeelten der natuurwetenschappen, zulk eene groote en -levendige belangstelling niet slechts onder de geleerden, maar zelfs -bij alle menschen van beschaving en verstand hadden opgewekt. - -„In onzen tijd,” zoo zegt E. Blanchard, in zijn genoemd artikel in de -„Revue des deux mondes” deze ontdekking van Leeuwenhoek besprekende, -„is het bestaan van myriaden diertjes van de laagste organisatie in -bijna alle wateren aan niemand onbekend, en men stelt ze op openbare -soirees door het hydro-oxygeen-microscoop ten toon, maar nog steeds, -hoe bekend zij zijn, nog steeds schijnen deze diertjes de denkers tot -de ernstigste overpeinzingen uit te noodigen en hen tot de erkenning te -brengen, dat nergens de natuur zoo groot is dan in het oneindig -kleine.” - -En van welk eene beteekenis de ontdekking van Leeuwenhoek omtrent -kleine organismen in het water en in de lucht, vooral in onzen tijd -gerekend wordt, kan men afleiden uit het verband dat men in de -geneeskunde heeft gemeend te vinden, tusschen het ontstaan en de -verspreiding van besmettelijke ziekten en het optreden van bacteriën en -aanverwante organismen; een vraagstuk van het hoogste gewicht, voor de -volledige oplossing waarvan echter de tijd nog niet gekomen schijnt. -Vooral verdient daarbij de belangrijke studie de aandacht, die Dr. -Ferdinand Cohn, hoogleeraar te Breslau, in 1872 over bacteriën heeft -nedergelegd in zijn „Untersuchungen über Bacteriën” [58] en zijne -beschouwing over de betrekking waarin deze kleine wezens gebracht -worden tot de belangrijkste probleemen der algemeene natuurwetenschap, -zoodat zij, zoo als Cohn zich uitdrukt, „door eene onzichtbare, maar -tegelijk onweêrstaanbare macht, de gewichtigste gebeurtenissen der -levende en levenlooze natuur beheerschen en zelfs in het bestaan der -menschen tegelijk geheimzinnig en diep ingrijpen.” - -Het kan wel niet anders of de gelukkige ontdekking van Leeuwenhoek -moest de geleerden van dien tijd er op bedacht doen zijn hunne -microscopen te verbeteren en zoo mogelijk aan die van Leeuwenhoek te -doen evenaren. Hooke was daarin onvermoeid en vertoonde in de -vergadering van 6 December 1677 [59] een verbeterd samengesteld -microscoop, waarmede hij de kleine diertjes in het peperwater veel meer -vergroot en duidelijker nog dan vroeger liet zien. Dit had hij -vervaardigd door het objectiefglas van een veel kleineren bol te maken. -Verder vertoonde hij een nieuw soort van enkelvoudig microscoop, -waarmede hij dezelfde diertjes vertoonde, die in eene kleine haarbuis -heen en weder zwommen. - -Allen die daardoor zagen, verklaarden het voorkomen dezer kleine -schepsels nu veel helderder en duidelijker dan op de andere wijze met -het samengesteld microscoop, hoewel dit een van de beste soorten was. - -Geen wonder dat men zeer verlangend was de microscopen van Leeuwenhoek -zelven te zien en de wijze te kennen, die door hem gevolgd was om zijn -glazen zoodanig te slijpen, dat hij er die belangrijke waarnemingen -mede kon doen. - -In de vergadering van den 23sten November 1681 [60] sprak Mr. Henshaw -ten gevolge van nieuwe observaties, die Leeuwenhoek aan de Sociëteit -had toegezonden, als zijn gevoelen uit, dat de glazen, waarmede -Leeuwenhoek „deze vreemde ontdekkingen maakte, zeer buitengewoon -moesten zijn en op eene andere wijze gemaakt, dan gewoonlijk bekend en -gebruikelijk was.” Hooke maakte de opmerking dat het geen andere waren -dan die hij zelf vermeld had in de voorrede van zijn „Micrographia,” -namelijk zeer kleine doorschijnende gesmolten glasbolletjes in hun -geheel of door slijpen tot een lens gevormd of op eene andere wijs -gemaakt. - -Ook merkte hij aan, „dat de ontdekkingen van Leeuwenhoek zeer geholpen -zouden worden door de wijze waarop hij het licht op zijne voorwerpen -liet vallen en dat hij zeker voor zijne buitengewone onderzoekingen een -geschikte kamer moest bezitten.” Dit laatste wordt echter weêrsproken -door hetgeen Dr. Molyneux er van getuigt, die sprekende van zijn bezoek -aan Leeuwenhoek zegt, „dat hij, tijdens het beschouwen van de -microscopen zich in eene vrij donkere kamer bevond met slechts één raam -voorzien, waar zelfs de zon toen niet op scheen, en dat zich toch de -voorwerpen schooner en duidelijker vertoonden, dan die hij in Engeland -of elders gezien had, ofschoon daar de zon op scheen, of door -weerkaatsende spiegels meer dan gewoon licht ontvingen.” - -Ten gevolge dezer discussiën werd door Mr. Henshaw voorgesteld aan -Leeuwenhoek te verzoeken, „dat hij zijn uitvinding mocht willen bekend -maken, indien het iets nieuws was.” Aan dit verzoek werd dan ook door -Leeuwenhoek welwillend voldaan. In de vergadering van 1 April 1685 [61] -werd een brief van Dr. Molyneux voorgelezen van den 14den Maart, waarin -hij mededeelde, dat de glazen, die Leeuwenhoek hem liet zien, de -voorwerpen niet meer vergrootten dan verscheidene glazen die hij zelf -vroeger zag en daardoor alzoo niets meer kon ontdekt worden dan hetgeen -gemakkelijk met behulp van andere microscopen kon gezien worden, zoodat -alzoo een verslag van deze microscopen te geven geenszins voldoende zou -zijn. Doch, voegt hij er bij: „Het zijn alleen zijn eigene glazen, die -deze meer dan gewone ontdekkingen doen.” Daarbij vermeldt hij gehoord -te hebben, „dat hij nooit die glazen van betere soort verkocht.” - -Niet alleen verkocht Leeuwenhoek niet die glazen van „betere soort,” -zooals Molyneux zegt, maar geen zijner microscopen was voor geld te -verkrijgen. Uffenbach had daartoe een aanzoek bij hem gedaan, doch -zonder gevolg. [62] - -Ook uit een brief van Huygens schijnt te blijken, dat Leeuwenhoek de -kunst, die hij met inspanning van al zijn krachten tot zulk eene hoogte -had gebracht, niet gaarne aan anderen mededeelde. Huygens verhaalt -namelijk, dat toen de Landgraaf van Hessen Cassel hem bezocht en zijn -microscopen verlangde te zien, hij een kast toonde, waarin deze bewaard -waren, doch ze zeer zorgvuldig in de handen hield en, na de -nieuwsgierigheid van zijn bezoeker te hebben bevredigd, voorzichtig de -kast weder sloot, vreezende naar het schijnt dat zij hem door anderen -mochten afhandig gemaakt worden, waardoor men dan in de gelegenheid zou -zijn achter zijn geheim te komen [63]. - -Dit geheim nu van de wijze waarop Leeuwenhoek zijne lenzen sleep en ze -die buitengemeene helderheid gaf, liet hij zich door niemand ontlokken -en ontweek steeds zorgvuldig daarvan iemand verklaring te geven, of wel -beantwoordde de aanzoeken daartoe met stilzwijgen. Ook had men hem -meermalen aangespoord die kunst aan anderen te leeren en er bij -voorbeeld aan jongelieden onderricht in te geven. Leibnitz schijnt hem -in dien geest daarover geschreven te hebben, waarop Leeuwenhoek hem in -de volgende bewoordingen antwoordde [64]: „Om jonge luyden tot het -slypen van glasen aan te voeren, ende als een school op te regten; daar -uyt kan ik niet sien dat veel soude voortkomen; want door myne -ontdekkingen en slypen van glasen, syn veele studenten tot Leyden -aangemoedigt, ende daar syn drie Glasenslypers geweest, bij dewelke de -studenten het glasenslypen gingen leeren. Maar wat is ’er uyt -voort-gekomen? niets, soo veel my bekent is; omdat meest alle de -studenten daar op uyt komen, om door de wetenschappen gelt te bekomen, -of wel door de geleertheyd geagt te syn; ende dat steekt in het glas te -slypen, ende in het ontdekken van de saaken, die voor onse oogen -verborgen syn, niet. En het staat ook by mij vast, dat van duyzent -menschen geen een bequaam is, om sig over te geven tot soodanige -studie, omdat er veel tijds toe vereyst wert, veel gelt gespilt wert, -ende men gedurig met syne gedagten moet besig wesen, sal men wat -uytvoeren. Ende daarenboven syn de meeste menschen niet weetgierig; ja -eenigen, daar men het niet van behoorde te wagten seggen, wat is ’er -aangelegen of wy het weten?” - -Men ziet dat ook in den tijd van Leeuwenhoek de beoefening der -wetenschap om de wetenschap zelve, tot de zeldzaamheden scheen te -behooren en dat ook toen reeds de practische geest bij de studeerenden -was doorgedrongen, die men thans zoo gaarne uitsluitend aan onze eeuw -wil toeschrijven. - -Nog zegt hij in een anderen brief aan denzelfden geleerde, van 13 Maart -1716: [65] „Ik hebbe gans geen genegenheyt gehadt om ymant te -onderwysen, want als ik het aan een gaf, soude ik aan meer moeten doen, -omdat verscheyde souden meenen dat ik het aan haar uyt maagschap en -andere om haar gesachlykheyt verschuldigt was; ende dus sou ik my tot -een slaafachtigheyt overgeven daar ik een vry man soek te blijven: en -tragt ook geen loon daarvoor te trekken.” En elders zegt hij: „om wel -te slagen moet men veel tyd aan de studie wyden, veel geldt besteden en -geheel syn siel toewyden aan de overpeinsinge, hetgeen sekerlyk niet -van dien aart is, om een groot aantal jonge lieden aan te trekken.” - -Behalve aan het slijpen zijner glazen, hechtte Leeuwenhoek bijzonder -veel aan de monteering er van. In zijn oordeel over een beweeren van -zekeren Dalepatius aan den schrijver van een boekje genaamd: „Nouvelles -de la République”, als zou deze een vergrootglas hebben uitgevonden -„soo goet dat ’er geen beter kan gemaakt werden, dewijl het een -sigtbaar stip, naeuwlyks in groote te boven gaat” enz. repliceert -Leeuwenhoek [66]: „Wat syn vergroot-glas belangt, van soo een ongemeene -kleynheit, en soo goet als er kan gemaakt werden, dat sullen wy daar by -laten. Maar om soodanige glaasjes wel te monteeren daar vereyst meer -oordeel toe, als om deselvige te maken.” - -Naar het oordeel van Leeuwenhoek is het juist niet de bijzondere -kleinheid der lenzen, die de deugdzaamheid aan de microscopen -verzekert, want hij zegt daarvan iets verder in denzelfden brief: „Wat -mij belangt, al hoewel ze by my al omtrent 40 jaren geleden van een -ongemeene kleynigheit zijn gemaakt geweest, soo zyn ze by my weynig in -gebruyk, en ze dienen na myn oordeel niet, om eerste ontdekkinge te -doen, en daar toe syn bequaam die geene, die uyt een grooter diameter -syn geslepen.” - -Leeuwenhoek maakte ook van een hulpmiddel gebruik om de verlichting -zijner voorwerpen met opvallend licht te versterken. Dit bestond in het -aanwenden van een metalen hol spiegeltje, in welks midden hij zijn lens -plaatste. Dit spiegeltje is verklaard in een brief van 12 Januari 1689 -aan de „Royal Society” [67]. - -Men vindt dit spiegeltje dat Leeuwenhoek in den genoemden brief „een -kommetje” noemt en dat hij aan het microscoop had vastgesoldeerd, zeer -nauwkeurig afgebeeld in de bij dien brief gevoegde plaat, alsmede in -Harting’s „mikroskoop”, deel 3, pl. 1, fig. 8; dergelijke spiegeltjes -zijn geheel op dezelfde wijze later, in 1738, door Lieberkuhn aan zijn -microscopen toegevoegd, aan wien men ten onrechte hunne uitvinding -toeschrijft. - -Het blijkt, zoowel uit het kistje met de 26 microscopen, aan de „Royal -Society” nagelaten, als uit andere gegevens en verklaringen van -Leeuwenhoek zelven in zijne brieven, dat hij microscopen vervaardigde -met verschillend vergrootend vermogen. - -Baker [68] geeft voor de vergrootingen der bovenvermelde 26 -microscopen, voor een duidelijkheidsafstand van 8 Engelsche duimen de -volgende: - - - één van 40 malige middellijn-vergrooting - één ,, 53 ,, ,, ,, - twee ,, 57 ,, ,, ,, - drie ,, 66 ,, ,, ,, - twee ,, 72 ,, ,, ,, - acht ,, 80 ,, ,, ,, - drie ,, 100 ,, ,, ,, - één ,, 114 ,, ,, ,, - één ,, 133 ,, ,, ,, - één ,, 169 ,, ,, ,, - - -En dat Leeuwenhoek ook microscopen vervaardigde die een veel sterker -vermogen bezaten, dan het meest vergrootende van de Londensche -verzameling, blijkt uit het boven reeds vermelde exemplaar van hem, -berustende op het physisch kabinet te Utrecht. Dit is in zilver -gemonteerd en vergroot 270 maal, hetwelk dus een aanmerkelijk verschil -is; terwijl de lens, volgens verklaring van den Hoogleeraar Harting, -biconvex geslepen is. - -Zonder mij te verdiepen in eene uitvoerige beschrijving op hoedanige -wijze de bepaling van de sterkte der microscopen in vroegeren en -lateren lijd geschiedde, wil ik echter de wijze van bepaling hier -vermelden, waarop deze gewoonlijk geschiedt en met behulp waarvan Prof. -Harting het microscoop van Leeuwenhoek heeft onderzocht [69]. Dit -onderzoek, geschiedt door middel van het zoogenaamde Nobert’sche -proefplaatje. Dit plaatje is beschreven in „Poggendorff’s Annalen -1846”, no. 2 S. 175. Nobert kwam op het denkbeeld om glazen plaatjes te -vervaardigen met een aantal van 10 tot 30 groepen van lijnen; deze -lijnen zijn in de eerste groep het verst, in de laatste groep het minst -ver van elkander verwijderd. Men kan alzoo de verschillende groepen -achter elkander in het midden vrij in het veld brengen en onderzoeken, -welke groep door het microscoop nog in afzonderlijke lijnen kan ontleed -worden. Bij het onderzoek nu van de lens van Leeuwenhoek bleek het -Prof. Harting, dat, bij eene gunstige verlichting, door deze lens, de -3de groep zeer gemakkelijk en de 4de (1⁄704 mill.) nog met moeite kon -worden opgelost. - -Eene niet minder belangrijke zaak bij de beschouwing van Leeuwenhoek’s -microscopen is de wijze te leeren kennen, waarop hij de grootte van de -voorwerpen bepaalde, die door hem werden waargenomen. - -Hij koos daartoe nu eens een korrel grof zand, dan weder een gierst- of -mosterdzaadje; of hij vergeleek ze bij de dikte van een hoofd- of van -een baardhaar, ja zelfs van een haar uit zijn paruik! Later weder -gebruikt hij als punt van vergelijking de grootte der bloedbolletjes, -die hem een zijner eerste en zeker een zijner belangrijkste -ontdekkingen herinnerde. - -In den aanvang was zijn punt van vergelijking een baardhaar. In een -brief aan Robert Hooke d.d. 12 November 1680 [70] zegt hij daaromtrent -het volgende: - -„Ik heb dan een verdeelde copere linie, en neem naeukeurig agt, door -een goet microscope, hoeveel delen, dat een van de dikste hairen van -myn baard, op een verdeelde linie beslaat; als by exempel, een zoodanig -hair syn diameter is so lang, door een microscope te zien, als 50 -delen, en als dan trek ik met de punct van een naald op de kopere -lineaal sodanigen streep, die in myn bloote oog, my so te voren komt, -als ik door myn microscope, „de dunste” ader in de vlieg komen te sien, -en ik oordeel, dat als 9 sodanige dunne strepen, als ik met de punct -van een naalde getrokken heb, nevens den anderen lage, een vijftigste -part van de diameter van een hair souden uitmaken. Komen dan 450 -diameters van de dunste aderen, die ik in een vlieg seer destinct sie, -uyt te maken een diameter van een hair van myn baard, so is dan een -hair van myn baard 200,000 maal dikker, dan de dunste bloedvaten van -een vlieg.” - -Een paar jaren later bezigt hij, eveneens in een schrijven aan Hooke -d.d. 3 Maart 1682 [71] „een klein sandje, waar hij calculeerde, dat de -vleesstriemtjes (= „fibrillae”) van een os door hem geoordeeld werden -zoo dun te zijn dat 50 van deselvige nevens den andere leggende de -lengte uitmaken van 1⁄20 van een duym, zoodat dan 1000 vleesstriemtjens -in de lengte van een duym, dat is dan 1,000000 vleesstriemtjens met -haar membranen omwonden in een quadraet duym komen”, en een paar regels -verder: „Op een ander tijd sag ik in een ossetonge, drie kleyne -musculen vlees, yder met haar menbraan omwonden, nevens den anderen -leggen, dat wanneer als ik deselvige overdwars hadde doorgesneden, soo -veel plaets niet en besloegen, als een kleyn sandje, (waarvan 100 -sanden nevens den anderen leggende, de lengte van een duim maer -uitmaken), zoude die konnen bedekt houden.” - -Later bepaalt hij, in een brief aan François Aston, d.d. 25 Juli 1684 -[72] deze grootte wat nauwkeuriger, zoodat men nu een eenigszins -beteren maatstaf voor zijn berekening erlangt. Hij zegt, „als ik sedert -weinige dagen doende was met een oog van een manspersoon, zag ik in het -zwartachtig vlies of menbrane uytnemende dunne striemtjens of vaatgens, -en om derzelver dunte my die voor oogen te stellen, nam ik een grof -sant, wiens axe dat seer na 1⁄30 van een duym was, dit sant, door een -microscope siende, oordeelde ik dat deszelfs axe ten minsten 330 -deelen, op seekere verdeelde lineaal uytmaekten, en dat, wanneer 8 van -de verhaalde dunne vaatgens nevens den anderen lagen, geen 1⁄330 van de -axe van een sant in lengte souden uitmaken.” - -Leeuwenhoek bezigde echter altijd deze bepaling als eene vergelijking -om slechts eene aanschouwelijke voorstelling te geven van de kleinheid -der voorwerpen, door hem met het microscoop waargenomen. In veel later -tijd schijnt hij de onzekerheid van de vergelijking met zandkorrels, -wegens hun groot verschil in grootte, te hebben ingezien, en bedient -hij zich nu van een’ „geerst-greijntje of een mostersaetje”, zooals -bijv. uit een brief aan Hermanus Boerhaave, d.d. 26 Augustus 1717 [73] -blijkt. „Ik hebbe voor desen geseyt, dat ik soodanige kleyne dierkens -in ’t water sag swemmen, dat ze met haar duysent millioenen in groote -geen grof sant souden uytmaken. Maar alsoo der tussen de grove sanden -een groot onderscheyt in groote is, zoo wil ik liever seggen, de groote -van een geerst-greyntje of mostert-saetje, ende seggen dat, by aldien -duysent millioenen van die kleyne diertjes nevens den anderen lagen, -deselve de lengte niet souden bereyken van een geerst-greyntje of -mostert-saetje”. Nog eene curieuse vergelijking in de maatbepaling -vindt men in een brief aan Constantijn Huygens, d.d. 21 Mei 1679 [74]. -Zij betreft de grootte der zeer kleine (vooronderstelde) vaatjes in een -diertje in het peperwater. Daartoe bepaalde hij eerst hoeveel -haar-breedten de lengte van een duim uitmaken. - -Dit beschrijft hij aldus: „Hebbende dan een koperen lineaal, daer op de -duymen verdeelt waren in dry deelen en yder weder in 10 deelen, is -summa een duym in 30 verdeelt. Op dese verdelinge heb ick geleyt het -haer van myn paruyck, en dat door een microscope geobserveerd en -geoordeelt, dat 20 hair-breeten 1⁄30 van een duym uytmaken, comt dan -600 hair-breeten in de lenghte van een duym”. - -De Hoogleeraar Harting, deze maatbepalingen van Leeuwenhoek -besprekende, zegt daarvan, [75] dat als men bedenkt hoe uiterst -gebrekkig de handelwijze van Leeuwenhoek was, men niet nalaten kan zich -te verwonderen over de mate van nauwkeurigheid, die sommige zijner -bepalingen werkelijk bezitten, iets dat men alleen verklaren kan, door -de juistheid van een oog, dat door een jaren lange oefening eene -zekerheid in het bepalen van maten verkregen had, welke een minder goed -waarnemer geheel moet missen. Zoo bepaalt hij bijv. [76] de doormeter -van een bloedlichaampje gemiddeld op dien van 1⁄100 van een zandkorrel, -dat is, (deze 1⁄30 duim in diameter hebbende) 1⁄300 duim; en werkelijk -komt deze bepaling zeer na overeen met de gemiddelde grootte der -bloedlichaampjes, zooals deze tegenwoordig met onze nauwkeurige -hulpmiddelen gevonden wordt. - -Deze wijze van maatbepaling bij vergelijking met andere voorwerpen van -bekende grootte, was echter niet alleen aan Leeuwenhoek eigen, maar -werd door beroemde geleerden van dien tijd eveneens gebruikt. Robert -Hooke onder anderen zegt in een brief aan Leeuwenhoek d.d. 18 April -1778 [77] „dat de musculen van kreeften, krabben en garnalen bestonden -uit eene ontelbare menigte zeer kleine draadjes, bijna honderd malen -kleiner dan een haar van zijn hoofd.” - -Een tijdgenoot van Leeuwenhoek, Dr. James Jurin, bezigde de volgende -maatbepaling. Hij wond een zeer fijn zilverdraad zoo vele malen om een -speld of eenig ander dun lichaam, dat er geen tusschenruimten meer -tusschen de draden gelaten werden, waarvan hij zich met een -vergrootglas overtuigde. Hij mat nu met een passertje nauwkeurig een -zeker getal dezer omwindingen en door de gevonden maat door het aantal -omwindingen te deelen, verkreeg hij de dikte van het gebruikte -zilverdraad. Nu knipte hij de draad in kleine stukjes en strooide er -eenige van op het voorwerp dat hij onderzocht, als het ondoorschijnend -en er onder als het doorschijnend was en vergeleek dan met het oog de -deelen van het voorwerp met de dikte van zulk een stukje draad. Jurin -zond eenige stukjes van zulk een draad aan Leeuwenhoek [78] die -daarover, naar het schijnt zeer tevreden was, dewijl deze wijze van -maatbepaling door hem bevestigd werd (in de Philosophical Transactions -no. 377), ofschoon hij toch aan zijn eigen methode de voorkeur is -blijven geven. - -In het praepareeren van de voorwerpen moet Leeuwenhoek eene bijzondere -vaardigheid gehad hebben, waarbij hem zijn vaste hand, scherp gezicht -en groot geduld uitnemend te stade kwamen. - -Daarvan zijn talrijke voorbeelden voorhanden in zijne brieven, waarin -hij omstandig zijne wijze van behandeling beschrijft. Zoo zegt hij in -een brief aan de „Royal Society” [79], waarin hij uitvoerig de angel -eener mug beschrijft en zegt dat die uit vier bijzondere angels -bestaat, die in geschikte orde in elkander leggen: „Soo ymant genegen -waar in het observeeren van de angels van de mugge my na te volgen, soo -wil ik den soodanigen recommenderen dat hij langmoedig is. Want de -gesamenlijke vier werktuigen of angels, die in geschikte orde leggen, -uyt de koker te halen, ende de koker te openen, dat heb ik veelmaal -achter den anderen teweeggebracht, maar dese werktuigen uyt den anderen -te halen, ende die soodanig voor het vergrootglas te stellen, dat men -die instinct aan anderen kan laten sien, daartoe vereyst geen kleyne -moeite. Ik heb meer dan honderd muggen daarom gedoot, ende mijne -observatiën op verscheyden dagen moeten hervatten enz.” - -In een anderen brief [80], waarin hij uitvoerig de gedaante en -structuur van de luis, de voortteeling dezer parasiten enz. uiteen zet, -beschrijft hij onder anderen, hoe bij den mannelijken parasiet, geen -eieren zooals hij vroeger gemeend had voorkwamen, maar testikels en dat -er van deze vier in getal waren. „Deze testikels,” zegt hij, „leggen -yder twee soo digt by den anderen, ende wel voornamentlijk met -derselver twee einden, soodanig als of yder afdragent vat te samen -vereenigde, en het veeltijds soo quam te vertoonen, als of deselve maar -een afdragend zaatvat hadde, yder van dese testiculen oordeele ik -omtrent een vierdedeel van de groote van een volmaakte luiseney te -sullen uitmaken.” En iets verder: „Wijders haalde ik veelmaal uit de -mannekens luizen, derselver mannelyke leden, als ook bragt ik veelmaal -de angels tot myn groot genoege uit het agterlyf van de luis, en ook -nam ik die wel uit de luis, doch niet sonder het ontstukken breken van -de dunne hoornachtige deelen die al diep in hun lijf vast waren, enz.” -Verder maakte hij een calculatie van de dikte van den angel der luis en -zegt dat deze wel 700maal dunner was dan een haar van zijn hand. - -Deze vaardigheid van hand en scherpheid van gezicht komt vooral ook uit -in de onderzoeking van de oogen van den Rombout, als ook van die van -bijen, muggen en andere insecten. Deze namelijk hebben twee halve -manen, waarin een ongemeen getal kleine halve bolletjes zijn, die met -de uiterste regelmatigheid en netheid in elkander overkruisende lijnen -geplaatst zijn en naar traliewerk gelijken. Deze zijn een verzameling -van facetten (Leeuwenhoek noemt ze gezichten, oogen), die zoo volmaakt -glad en gepolijst zijn, dat ze als zoo vele spiegels, de beelden van -alle uitwendige voorwerpen terugkaatsen. Robert Hooke telde 14,000 -halve oogen of facetten in de twee oogen van een hommel; Leeuwenhoek -calculeerde 6236 in de twee oogen van de kapel van den zijdeworm, 7362 -in die van den schalbyter, 8000 in die van de gewone vlieg, terwijl hij -er in de beide oogen van den Rombout 25,088 berekende. Hij bemerkte ook -in het middenpunt van iedere facet een klein doorschijnend vlakje, dat -helderder was dan het overige, dat hij voor den oogappel hield, waar de -lichtstralen doorgelaten worden tot op het netvlies. - -Leeuwenhoek sneed zulk een oog van den Rombout (ook puistebyter -genoemd) af, reinigde het met een penseel met water van al de -aanhangende vaten en onderzocht het door zijn microscoop. Hij plaatste -het een weinig verder van de lens, zoodat hij den rechten -brandpuntsafstand tusschen dit voorwerp en de lens van zijn microscoop -liet, en toen door beiden, als door een verrekijker, naar den toren van -de nieuwe kerk, welke 299 voeten hoog en 750 voeten ver van zijn woning -verwijderd was, ziende, kon hij duidelijk door ieder facet den geheelen -toren omgekeerd zien, hoewel niet grooter dan de punt van eene fijne -naald, en toen zijn gezicht naar een huis aan de overzijde richtende, -zag hij door een menigte van de kleine halve bolletjes niet alleen den -gevel van het huis, maar insgelijks de deuren en vensters en was in -staat te onderscheiden, of de vensters open of gesloten waren. Van -Haastert [81], die van zoodanig onderzoek ook gewag maakt, voegt er nog -bij, „dat dit verrassend gezicht Leeuwenhoek zoo opgetogen maakte, dat -hij zijne buren tot zich deed roepen om hun dat zonderling gezicht -eveneens te doen opmerken.” - -En niet minder komt deze vaardigheid uit in zijne ontleding van de -gezichtszenuwen van een honigbij [82]. Hij nam het hoornvlies uit het -hoofd en beschouwde de stof waarmede dit gevuld was. Terwijl hij -vroeger meende te hebben waargenomen dat het uit een draadachtig wezen -bestond vond hij nu, bij nauwkeurige beschouwing, dat al die deeltjes -ten naasten bij van dezelfde lengte waren, aan het eene einde iets -dikker dan aan het andere en daarbij aan het dikkere einde rondachtig, -en kwam tot de ontdekking, dat ieder dezer deeltjes een gezichtszenuw -was en dat het dikkere of ronde einde geplaatst was in de kleine holte -van ieder oog, dat in het hoornvlies is, „kortom” zegt hij, „soo veel -gesichten in ’t hoornvlies syn, soo veel gesicht-senuwen.” Hij geeft in -genoemden brief eene nauwkeurige afbeelding van een bundel van -zoodanige gezichts-zenuwen en eindigt met de betuiging: „Dese verhaalde -verwonderenswaardige zaken en volmaaktheid in het oog van een vlieg -ontdekt hebbende, moeten wy al weder seggen: Hoe weynig is ’t dat wy -weten! en heeft dit plaats in soo een groote vlieg, soo heeft het alle -die volmaaktheit in al de vliegjens die der zijn.” - -Ik kan mij niet onthouden ook nog het slot van denzelfden brief aan te -halen, waarin zijn fijnheid van praepareeren zoo duidelijk uitkomt en -bezig daartoe liefst weder zijn eigen woorden: „Ik hebbe een kleyne -mugge gevangen, die geen angel had om te steken. Dese mugge snede ik -het hoofd af, om uit de oogen, ofte gesigten, de gesigt-senuwen te -halen, maar ik konde die mijn selven niet klaar genoeg voor de oogen -stellen, schoon ik het tot drie à viermalen toe hervatte, in welk -ondersoek my veel malen de hersenen uyt het hooft van de mugge, omset -met een groote menigte van vaaten, die ik vast stelde bloedvaten te -syn, te voorschijn quamen, en gelukte het mij dat ik de hersenen met -derselver bloed-vaaten omvangen, vry ongeschonden uit het hooft van de -mugge haalde, die ik voor het vergrootglas gestelt hebbende den -teykenaar over gaf, om af te teykenen, te meer, omdat my van een -voornaam Heer geseyt was, dat seker persoon, als men van myne -ontdekkingen quam te spreken, veel maal quam te seggen, dat het -onmogelijk was te doen, hetgeene ik quam te seggen, omdat, seyde -denselven, myne instrumenten, die ik daartoe moet gebruyken, hoe kleyn -ik die mogte komen te maken, niet bequaam konden syn, om die -ontledingen te doen, die ik kome te verhalen; maer ik kreune my aan -geen quaatsprekers, het is ligt een van die geenen, die wel wenste mede -sulks te kunnen uitwerken.” - -Het is opmerkelijk dat hij dat scherpe oog, zoo onontbeerlijk in het -doen van zulke uiterst fijne onderzoekingen, tot een zeer hoogen -ouderdom behield, zoo als blijkt uit een brief aan zijn neef Abraham -van Bleiswijk van 2 Maart 1717 [83], toen hij dus reeds 85 jaren oud -was. - -Hij beschrijft daarin met minutieuse nauwkeurigheid, dat hij de fijne -zenuwen uit het ruggemerg van eene koe gesneden had en bevond dat deze -bestonden uit uiterst dunne vaatjes, waarvan honderden te samen eene -zenuw daarstelden en men zelfs in eenigen openingen van eene -onbegrijpelijke kleinheid vond. Hij maakte van deze zenuw eene -doorsnede ter dikte nauwelijks van een baardhaar, ten einde die door -zijn microscoop te beschouwen. - -Bij die gelegenheid werd hem toegevoegd, dat hij zich om zijn hooge -jaren toch niet mocht onthouden om zijne onderzoekingen voort te -zetten, waarvan hij de moeielijkheid zelf inzag en deed opmerken -zeggende: „ende immers is het seer swaar te ontdekken alle die -verdeelingen en men kan bezwaarlijk bekennen, dat soo een dun senutje -in soo vele spranken kan verdeelt worden,” maar dat hij daarom toch -niet mocht stil staan, want „dat de vrugten, die in den herfst rijp -werden, langst konden duren.” - -Leeuwenhoek was voor niets zoo gevoelig, als dat men zijn -waarheidsliefde in twijfel trok of verdacht maakte en beweerde dat hij -zich door zijn verbeelding liet misleiden om anderen maar wat wijs te -maken, ’t geen hij zelf beter wist niet zoo te zijn. Wanneer hij de -zaken, die hij mededeelt, niet „met zekerheid” gezien had, waarschuwt -hij er zelf voor „dat het bij hem nog niet tot klaarheid gekomen is.” -Ook wijst hij er herhaaldelijk op, wat hij werkelijk „gezien”, en wat -hij zich „geïmagineerd” heeft. - -In een brief aan de „Royal Society” [84] zegt hij: „En nademaal my veel -maal te vooren komt, dat veele myn schryvens niet konnen aannemen, en -stoutelyk derven seggen, dat zy my niet en gelooven, daar ik nogtans -een groot hater van de loogen, en een groot liefhebber van de waarheid -ben enz.” en elders [85].... „Dog ik ben sulks getroost, ik tragt niet -dan waarheden te ontdekken, en soo ik bevinde, dat ik hier of daar in -kome te missen, ik sal gaarne belydenis van mijne dwalinge doen”, en in -zijn brief aan Leibnitz [86] zegt hij onder anderen: „Ik sie wel dat ik -veele geleerde Heeren in myne ware ontdekkinge en ook in myne stellinge -niet sal brengen: ik wil dan liever my selven troosten dan twisten; als -ik maar het geluk mag hebben, gelijk ik besit, dat ook veele groote -mannen myne ontdekkinge aannemen.” - -Een der eerste maar zeker belangrijkste ontdekkingen, die Leeuwenhoek -gedaan heeft, had betrekking op de physische samenstelling van het -bloed, en werd door hem reeds op den 15den Augustus 1673 bewerkstelligd -[87]. Tot op zijn tijd toe geloofde men dat het bloed eene gelijkmatig -roode vloeistof was; doch hij erkende, dat deze vloeistof bijna -kleurloos was, maar dat daarin kleine lichaampjes gesuspendeerd waren, -welke eene roode kleur hadden en deze kleur aan de geheele vloeistof -mededeelden. Ofschoon Swammerdam reeds in 1658 in het bloed eener -kikvorsch een onnoemlijk aantal „eivormige deeltjes” had waargenomen, -zoo werd aan deze observatie echter geen publiciteit gegeven, en daar -de geschriften van Swammerdam eerst in het begin der XVIIde eeuw in het -licht verschenen, zoo konden deze geen invloed hebben uitgeoefend op de -ontdekking van Leeuwenhoek, tenzij hij zulks van Swammerdam zelf of van -anderen mocht vernomen hebben. - -Ook Malpighi had reeds twaalf jaren vóór Leeuwenhoek, bij het -beschouwen van het bloed eener egel onder het microscoop, roode -lichaampjes onderscheiden, doch hij had deze voor vetbolletjes gehouden -en er zich verder niet mede bezig gehouden. De verdienste van -Leeuwenhoek in dit opzicht blijft dus in zijn geheel. Zoo is het ook -bekend, dat Athanasius Kirscher in 1650 over lichaampjes geschreven -heeft, die hij in het bloed van koortslijders als „kleine wurmpjes” -zeide gezien te hebben. Leeuwenhoek echter onderzocht nauwkeurig het -bloed van den mensch en later ook van verschillende dieren, zoo als van -den os, het schaap, het konijn, de vleermuis, vogels, visschen enz. Bij -de zoogdieren vond hij den vorm dezer lichaampjes steeds rondachtig, op -kleine lenzen gelijkende en noemde ze daarom „globulen”; later zag hij -bij de vogels, kikvorschen en eenige soorten van visschen enz., dat -deze lichaampjes afgeplat en eivormig van gedaante waren [88] en noemde -deze, in onderscheiding der eersten, „particulen”. Latere -onderzoekingen hebben echter geleerd, dat de eersten niet bolrond zijn, -maar platgedrukt, op kleine schijfjes gelijkende, waarom zij thans -„bloedschijfjes” genoemd worden. - -Beide deze soorten vond hij drijvende in een helder vocht (serum) [89]. -Zijn oordeel over den betrekkelijken diameter van deze bloedlichaampjes -was vrij juist. Zij waren volgens hem zeer klein bij de zoogdieren, -grooter bij de vogels, nog grooter bij den kikvorsch en de visschen. De -grootte dezer bloedlichaampjes bij den mensch, den os, het schaap en -het konijn stelde hij zoo, dat honderd dezer „globulen” naast elkander -liggende nauwlijks de ruimte van een zandkorrel beslaan [90], de -zandkorrel berekend = 1⁄30 van een duim [91] in diameter, alzoo 1⁄3000 -duim, welke maatbepaling zeer nabij komt met de grootte der -bloedlichaampjes, zoo als deze later door de juistere maatbepalingen, -door micrometers, zijn waargenomen (1⁄125 millimeter). Deze diameter -wordt door Rudolf en Hodgein eveneens als 1⁄3000 duim opgegeven; Wagner -stelde ze 1⁄4000, Paget tusschen 1⁄3500 en 1⁄4000 [92]. Bij de -visschen is deze diameter van 1⁄1800–1⁄4000 bevonden en bij de -kikvorschen = 1⁄1200–1⁄1920 duim [93]. - -Niet minder groot is de verdienste van Leeuwenhoek in de waarnemingen -omtrent den omloop des bloeds. De ontdekking van dezen omloop komt -evenwel niet aan Leeuwenhoek maar aan Harvey toe. Leeuwenhoek echter -bestudeerde den bloedsomloop met zeldzame nauwkeurigheid en volharding. -Hij bezigde daartoe bij voorkeur den staart van jonge kikvorschen en -het zwemvlies dat de vingers bij deze dieren vereenigt [94]; deze -leverden hem uitmuntende voorwerpen voor zijne waarnemingen, zoowel -omdat zij uiterst doorschijnend zijn, als dewijl de bloedlichaampjes -bij deze dieren, zoo als wij zagen, grooter zijn dan bij de zoogdieren. -Gaarne nam hij hiertoe ook vleermuizen en bespiedde hare dunne -vliesachtige vleugels, doorsneden met talrijke vaten [95]. Ook bezigde -hij dikwijls het oor van jonge konijnen, waarvan de huid nog zeer -doorschijnend is en onderscheidde daarin den doorgang van het bloed uit -de slagaderen in de aderen [96]. Jonge alen en andere visschen, die hij -daartoe in glazen buizen met den staart er buiten, voor zijn microscoop -plaatste, deden hem dit verschijnsel eveneens bewonderen [97]. Hij -trachtte zelfs de snelheid te berekenen, waarmede de omloop des bloeds, -bij voorbeeld in den staart eener aal, plaats had en berekende, dat, -zoo in deze visch het hart 11 duimen van den staart verwijderd is, het -bloed in een uur 13malen van het hart lot den staart teruggevoerd -wordt; de afstand van den kop tot het hart slechts 1½ duim zijnde, zou -zulks tusschen deze deelen in denzelfden tijd 96maal plaats hebben -[98]. Zijne berekening omtrent de snelheid van den omloop van het bloed -bij den mensch was, dat in één uur tijds de bloedsomloop 45malen plaats -heeft. Volgens Sebastian [99] schijnt die binnen 1–3 minuten plaats te -grijpen, terwijl Leeuwenhoek de grootste snelheid van het hart tot aan -de uiterste deelen van de voeten en van daar weder terug tot het hart, -bepaalde op 2⅔maal, tot aan de vingers en terug naar het hart -44⁄11maal, in buik en borst 12maal en in het hoofd 8maal in het uur -[100]. - -Omtrent den doortocht van het bloed door de slagaderen in de aderen -ontstond reeds in den tijd van Harvey grooten strijd. De tegenstanders -van dezen grooten physioloog wierpen hem tegen, dat wanneer het bloed -direct uit de slagaderen in de aderen overging, het de deelen, waardoor -het heen vloeide niet zou kunnen voeden. Het vraagstuk was nog -onbeslist, toen Leeuwenhoek in 1686 aan de „Royal Society” een brief -schreef, waarin hij, in strijd met de opinie van Harvey, meende te -hebben ontdekt, dat de doortocht van het bloed niet onmiddellijk uit de -slagaderen in de aderen plaats had [101]. Later echter, in 1698, toonde -hij, na zorgvuldig microscopisch onderzoek, duidelijk den samenhang van -de slagaderen met de aderen aan en wilde zelfs geen haarvaten tusschen -de beide genoemde vaten afzonderlijk onderscheiden, omdat het, zooals -hij zeide, onmogelijk was te bepalen, noch waar de slagaderen eindigen, -noch waar de aderen beginnen [102]. In dit tijdvak stelde men ook de -chemische theorie op den voorgrond en wilde men de fermentatie van het -bloed als zeker vaststellen, dewijl men bloedlichaampjes voor -luchtbellen aanzag. - -Deze hypothese werd krachtig door Leeuwenhoek bestreden en door vele -microscopische waarnemingen overtuigend wederlegd, welke proeven -voldingend aantoonden, dat er volstrekt geen luchtbellen in de -bloedvaten aanwezig waren, hetgeen zeker plaats zou hebben als het -bloed gistte [103]. - -Het is, omtrent deze waarnemingen aangaande de bloedlichaampjes wel der -vermelding waardig, dat zij den grondslag legden voor de theorie van -onzen beroemden landgenoot Boerhaave over de inflammatie en andere -ziekten [104], terwijl het overigens opmerkelijk is dat een man als -Leeuwenhoek, bij gemis aan fundamenteele wetenschappelijke kundigheden, -door eenvoudige beschouwing van den poot van een kikvorsch, het oor van -een konijn, den staart van een visch enz., een vraagstuk als de -bloedsomloop, dat zoo lang in onzekerheid verkeerd had, voor ieder -belangstellende zoo aanschouwelijk maakte. Ook zijne observaties -omtrent de structuur der capillaire vaten zijn door latere onderzoekers -als nauwkeurig erkend [105]. - -Behalve bovengenoemde belangrijke onderzoekingen, verdienen zijne -waarnemingen omtrent de „beenderen” en de „tanden”, die eveneens tot de -eerste observaties van Leeuwenhoek behooren, die onder de oogen der -Engelsche geleerden gebracht waren, vermeld te worden. - -Hij deelde zijne waarnemingen in 1674 aan de Royal Society mede en -vond, dat zij uit bolletjes bestonden [106]; maar reeds in 1678 kwam -hij van dit gevoelen terug, daar hij opgemerkt had dat deze bolletjes -de uiteinden of topjes waren van buisjes of pijpjes, waaruit de -beenderen bestaan. Hij erkende zijne dwaling in een brief aan de „Royal -Society” [107], zette toen dit onderzoek onvermoeid voort en vond, dat -de vaste deelen der beenderen uit vierderlei pijpjes bestonden, van -verschillende wijdte en kringsgewijs geplaatst. - -De Heer van der Boon [108], deze waarnemingen besprekende, merkt -daarbij op, dat, wanneer men deze beschrijving vergelijkt met de -kennis, die men tegenwoordig van het weefsel der beenderen bezit, men -dan te recht zich verwonderen moet over de geringe waarde, die men tot -nu toe gehecht heeft aan het onderzoek omtrent het weefsel der -beenderen door onzen Leeuwenhoek. Nog meer, vervolgt hij, moeten wij -zulks betuigen bij de overweging van de kennis die hij had van het -maaksel der „tanden”, hetwelk zoo volkomen door hem is beschreven, dat -daardoor de eer, die in onze dagen aan Purkinje ten deel viel, namelijk -van de eerste geweest te zijn, die het ware weefsel der tanden leerde -kennen, grootendeels vervalt. [109] In een brief aan de „Royal -Society”, d.d. 4 April 1687 [110] zegt Leeuwenhoek gevonden te hebben, -dat de tanden bestaan uit saamgevoegde, zeer dunne pijpjes, die alle in -het binnenste van den tand aanvangen en aan den omtrek eindigen [111]. - -Dat Leeuwenhoek ten gevolge zijner nieuwe ontdekkingen en beschouwingen -velerlei tegenspraak moest ondervinden, die hem de vele gelukkige -oogenblikken, door hem genoten bij de waarneming van de wonderen der -schepping en het ontdekken eener nieuwe wereld van wezens, zeer -vergalden, daarvan kan men wel verzekerd zijn; die tegenspraak -ondervonden immers zoo velen, die als hoog geleerd erkend en beroemd -waren en iets nieuws hadden waargenomen, dat aan anderen ontsnapt was -en waarvan de gevolgtrekkingen, geliefkoosde meeningen en theoriën -omverstootten. En zou dan Leeuwenhoek, de ongeletterde, zou een -Kamerbewaarder van Schepenskamer, die zijne waarnemingen zoo eenvoudig, -zoo ongekunsteld en ontdaan van allen uiterlijken glans van geleerde -termen, aan de wereld ter overweging gaf en die zulke lang betwiste, -hoogstbelangrijke vraagstukken golden, zulke tegenspraak zijn ontgaan? -Dat was niet te verwachten en zij werd hem ook geenszins onthouden. In -vele brieven beklaagt hij zich over die tegenspraak en het gelukte hem -vaak die te beschamen, en als al zijne aangevoerde bewijzen en -verklaringen toch bleken niet in staat te zijn om vooroordeelen te -overwinnen, troostte hij zich met zijn vaste overtuiging daar tegenover -te stellen en zeide: „Maar ik en stoor my sulks niet, ik weet dat ik de -waarheyt hebbe” [112], en hij haalt de schouders op over de onkunde en -het vooroordeel dat hy te bestrijden had, waar hy, onder anderen, over -den gewaanden honigdauw sprekende, waaraan men het bederf in de tarwe -toeschreef, zegt: „Ik houd my verseekert, dat het vallen van den -gewaanden honigdauw alleen maar verdigt-selen syn, die ligtelyk van een -out wyfs spinnerokken syn voortgesproten, wy willen het haar niet -qualyk afnemen, dat ze aan de oude dwalinge tot nog toe syn blyven -hangen en wenschen haar toe dat ze hare misslagen mogen leeren kennen, -ende de waarheid omhelsen” [113]. - -Die tegenspraak werd vooral uitgelokt door zijne ontdekkingen van de -kleine diertjes in regen- en andere wateren en in waterige aftreksels, -zoo als ik die boven beschreven heb en aan welke diertjes, om de wijze, -waarop zij verkregen werden, eene eeuw later de oneigenlijke naam van -„afgietseldiertjes, infusoria”, gegeven werd. - -En geen wonder! De ontdekking toch van wezens, wier ontsachelijk -geringe grootte zoo lang aan het menschelijk oog onttrokken was -gebleven, waardoor een nieuw veld van wereldbeschouwing geopend werd en -de waarneming van de omstandigheden, waaronder deze kleine levende -schepselen te voorschijn traden; de voorstelling die hij er van leverde -dat deze, op de eenvoudigste wijze georganiseerde wezens „niet van zelf -ontstonden, maar ieder in hun verschillende soort werden voortgebracht -uit germen of kiemen, die in de lucht aanwezig waren”, druischte zoo -zeer in tegen de algemeen aangenomen begrippen, dat het niet te -verwonderen is dat Leeuwenhoek de hevigste tegenspraak te verduren had. -En wanneer wij ons herinneren, dat nog in onzen tijd groote strijd -gevoerd wordt over het al of niet van zelf ontstaan van levende -organismen, dat nog de „generatio spontanea”, niettegenstaande de meest -overtuigende proeven en redeneeringen het onhoudbare van die stelling -hebben bewezen, nog hare verdedigers vindt onder mannen van naam in de -geleerde wereld, dan verwondert ons de tegenspraak, die Leeuwenhoek -ondervond in geenen deele, en stijgt onze bewondering in geen geringe -mate over het verlichte oordeel van den moedigen en zelfstandigen -denker, die zijn tijd ver vooruit was en zich door geen blind geloof of -gezag liet leiden of beheerschen, maar datgeene trachtte te -doorgronden, waarin door anderen berust werd en die ook moed genoeg had -om voor zijne overtuiging uit te komen, al moest hij daardoor gesmaad -en verguisd worden. - -Ook beklaagt hij zich zoo weinig medewerking en hulp bij zijne eigen -stadgenooten te ondervinden. In een brief aan den heer L. van -Velthuyzen d.d. 11 Mei 1679, in het bezit nu van wijlen den Heer van -Dam van Noordeloos te Rotterdam en waarvan ik copie mocht nemen, -schrijft hij „Ick heb soo nu en dan wel te kennen gegeven, dat ick het -bloet van ongesonde menschen etc. etc, genegen was om te sien, maer ick -heb noyt ’t een of ’t ander bekomen en daarom is mijn voornemen geen -versoeck na dees tijd meer te doen.” En aan zeker Ciciliaansch edelman -die hem kwam bezoeken, beklaagde hij zich eveneens, dat hij binnen -Delft geen hulp kon bekomen, waarop deze hem antwoordde „Ick verwonder -my niet, want de Hollanders syn niet genegen als om gelt te winnen.”— - -Leeuwenhoek’s grootste strijd met de geleerden van alle landen ontstond -ten gevolge zijner waarnemingen omtrent de zoogenaamde zaaddiertjes en -zijne beschouwingen over de voortteeling, die zoo geheel indruischten -tegen de toen algemeen aangenomen zienswijze over dit onderwerp. - -Kort nadat hij de bovenvermelde ontdekking der infusoria gedaan had, -werd er eene andere door hem openbaar gemaakt, die van niet minder -belang te achten is en de hoofden en pennen der geleerden van dien tijd -geruimen tijd heeft bezig gehouden, eene ontdekking, ten gevolge -waarvan de mannen der wetenschap zich als het ware in twee gelederen -schaarden over de gevolgtrekkingen, die Leeuwenhoek er uit afleidde en -zijne theorie over de voortteeling, die hij er op grondvestte. De voor- -en tegenstanders bestreden elkander dikwijls met de scherpe wapenen der -bespotting en verguizing, totdat men, door de ontwikkeling der -wetenschap beter voorgelicht, eene voorstelling aannam, die beter met -de resultaten der ontleedkunde overeenkwam. Deze nieuwe ontdekking nu, -welke wij zullen zien, dat volgens mededeeling van Leeuwenhoek zelf, -niet aan hem, maar aan zekeren Ham moet worden toegeschreven, betrof de -waarneming van levende wezens in het voortteelingsvocht der dieren. - -Omtrent den eigenlijken ontdekker dezer „animalcula spermatica,” ook -„spermatozoïden” genoemd, bestond nog veel verschil van gevoelen. - -De ware toedracht van zaken nu wordt door Leeuwenhoek aan den Heer -Harmen van Zoelen, Oud-Burgemeester van Rotterdam, in een brief d.d. 17 -December 1698 [114] zeer uitvoerig verhaald. Toen namelijk later -Hartsoeker zich de eer der ontdekking wederrechtelijk toeëigende, -rekende Leeuwenhoek zich verplicht dezen brief, in uittreksel -medetedeelen. Hij zegt daarin o. a., dat hij in November van het jaar -1677 aan de Koninklijke Sociëteit te Londen geschreven had, een brief -van den Heer Craanen Hoogleeraar te Leiden ontvangen te hebben, met -verzoek om zijn neef, den Heer Ham, student in de medicijnen eenige -zijner waarnemingen te laten zien, die hem dan ook in Augustus 1677 een -bezoek bracht. Toen deze hem nu voor de tweede maal bezocht, bracht hij -een glazen fleschje mede, waarin hij „eenig ontloopen zaad van een man -medebragt, die bij een ongesont vrouwspersoon hadde geweest.” Deze Heer -Ham had dit vocht door het microscoop bezien en daarin „levende -schepsels” zich zien bewegen en meende dat deze uit bederf waren -voortgekomen. Hij had er staarten aan opgemerkt en bovendien had hij -gezien, dat zij niet meer dan 24 uren in het leven bleven; tevens -verhaalde hij, dat, toen hij de patiënt terpentijn had ingegeven, de -diertjes daarvan stierven. Leeuwenhoek onderzocht nu op zijn beurt het -vocht, door een weinig er van in een haarbuisje te brengen, bezag het -in het bijzijn van Ham en vond zijne ontdekking alleszins bewaarheid. -Onmiddellijk daarop werd dit onderwerp een punt van nauwgezet onderzoek -voor hem. Hij onderzocht herhaalde malen nu ook gezond sperma, vooral -ook van verschillende dieren en vond de waarneming bij allen -bewaarheid. Somtijds vond hij „meer dan duizend levende schepsels in de -quantiteyt materie van een grof sand.” Zij waren kleiner dan de -bolletjes van het bloed, de vorm er van was rondachtig, van onder spits -toeloopende en met een langen dunnen staart voorzien, die circa 5 à -6maal zoo lang was en omtrent 25maal dunner dan het lichaam. Zij -bewogen zich door eene slangsgewijze beweging van den staart. - -Tot bevestiging van de waarheid, dat zijne medegedeelde ontdekking -reeds vóór het jaartal (1678), waarin Hartsoeker beweerde dezelfde -waarneming te hebben gedaan, was geschied, voegt hij er nog aan toe: -dat die in zijn schrijven gedateerd, Nov. 1677, was opgenomen in de -„Philosophical Transactions” no. 142 zijnde van December 1677 en -Januari en Februari 1678. - -Daar er omtrent den persoon van Ham, zijn waren naam en nationaliteit, -zeer verkeerde lezingen bestaan, acht ik het niet ongepast te dezer -plaatse melding te maken van bijzonderheden, die mij eerst onlangs zijn -bekend geworden uit eene mededeeling in 1862 gedaan door Prof. H. I. -Halbertsma [115] waaruit blijkt, dat niet Lodewijk Ham of Hamme, door -sommigen voor een Duitscher, een jong geneesheer uit Dantzig gehouden, -maar Johan Ham van Arnhem de ontdekker der spermatozoïden is. De -belangrijkheid dezer Nederlandsche ontdekking moge mij ter verschooning -strekken voor de uitweiding over zijn persoon. - -Tot de meening dat Ham een Duitscher zou geweest zijn heeft, volgens -Prof. Halbertsma, Haller [116] aanleiding gegeven, als hij zegt: -„Inventorem esse credo, Ludovicum Hamme (auctorem libri de herniis et -de crocodilo) juvenem germanum”. - -Kurt Sprengel [117] neemt echter, in later tijd, deze meening van -Haller reeds als eene uitgemaakte zaak aan, waar hij zegt: „Es war in -August des Jahrs 1677, als ein junger Arzt aus Dantzig, Ludwig von -Hammen, die damals in Leiden studirte, den berühmter Anton von -Leeuwenhoek zu Delft besuchte, und diesen zuerst auf die Körperchen im -männlichen Saamen aufmircksam machte, auch sie ihm wirklich zeigte.” - -Deze Ludwig von Hammen nu schijnt zich inderdaad in Leiden te hebben -opgehouden, zoo als blijkt uit eene plaats in zijne „Dissertatio de -Herniis”, Ed. tertia L. B. 1681, opgedragen aan Prof. Drelincourt, p. -61, waarin hij gewag maakt van eene waarneming, die hij in „Leydensium -Nosocomio” heeft gemaakt en ook op pag. 76 van eene andere observatie -spreekt, waargenomen „ni fallor, Lugduni ad Rhenam.” - -Op het gezag nu van Haller en Kurt Sprengel hebben vele der nieuwere -schrijvers dezen Ludwig von Hammen uit Dantzig voor den ontdekker der -spermatozoïden gehouden, zoo als onder anderen in de „Allgemeine -Encyclopædie” van Ersch en Gruber [118] en Kölliker [119] en Eckhard -[120]. - -Ook Ehrenberg, Henle en Frey schijnen, volgens Prof. Halbertsma deze -meening aan te kleven, ofschoon zij over Ham niets meer weten te zeggen -dan dat hij een Leidsch student was. Prof. Halbertsma nu toont in -bovengenoemde mededeeling het ongegronde van deze meening aan en -gelooft het bewijs te kunnen leveren, dat deze Ham de voornaam Johan -voerde en dat hij een Arnhemmer, dus een Hollander van geboorte was. - -Uit eene korte levensschets namelijk van dezen Johan Ham, in het werk -van Muys [121] citeert Halbertsma de latijnsche zinsnede, aldaar -voorkomende op p. 288, waarin de ontdekking van Ham der spermatozoïden, -in 1677 door hem aan Leeuwenhoek medegedeeld, wordt vermeld en waaruit -verder blijkt, dat hij doctor in de medicijnen was, de practijk heeft -uitgeoefend te Arnhem, dat hij secretaris van Legatie is geweest bij -den keurvorst van Brandenburg en later aan het hoofd van hetzelfde -gezantschap heeft gestaan; dat hij, teruggekeerd in het vaderland, -Burgemeester is geworden van Arnhem en eindelijk Gelderland bij de -Staten-Generaal heeft vertegenwoordigd. Het blijkt hieruit dat Haller, -daar hij dezen schrijver Muys aanhaalt, bekend was met den levensloop -van Johan Ham, hoewel hij desniettemin gelooft dat hij een Duitscher -was. - -Prof. Halbertsma heeft allen twijfel die nog mocht hebben blijven -bestaan over de juistheid van hetgeen Muys ons aangaande Ham mededeelt, -opgeheven, door de nasporingen, welke de heer Bakhuyzen van den Brink -in ’s Rijks Archief en de Heer Nyhoff in het provinciaal Archief van -Gelderland, op zijn verzoek hebben in het werk gesteld. Uit dit -onderzoek blijkt, dat Ham niet Ludwig maar Johan en niet von Hammen, -maar kortweg Ham heette. - -Onder dien naam komt hij voor in zijn briefwisseling met hunne -Hoog-Mogenden, te vinden in ’s Rijks Archief en ook in de rekeningen -der stad Arnhem. En ten overvloede vindt men dat in den „Catalogus -inscriptionum”, voorkomende in het Archief van den Senaat der -Hoogeschool te Leiden, zijne inschrijving als student op de volgende -wijze staat: „1671 Sept. 16. Johannes Ham, Philosophiae studiosus ann. -20, by Anneken Schepsel in de Nieuwstraat”. Het behoeft geen -verwondering te baren, dat Ham als student in de philosophie werd -ingeschreven en later bij Leeuwenhoek voorkomt als student in de -medicijnen, daar de beoefening van verschillende vakken van wetenschap -niet zoo gescheiden was als thans. De Hoogleeraar Theodor Craanen, -wiens neef onze Ham was, was bijvoorbeeld ook Doctor in de philosophie -en medicijnen en doceerde zelfs deze beide vakken. Daar nu verder geen -bijzonderheden meer omtrent den levensloop van Ham kunnen medegedeeld -worden en hij ook, volgens gedane nasporingen, noch te Leiden, noch te -Harderwijk gepromoveerd is, zoo behoort het niet tot de -onmogelijkheden, dat hij, na zijne studiën te Leiden te hebben -volbracht, den graad van Doctor in het buitenland, bij voorbeeld aan -eene Duitsche Hoogeschool verkregen heeft, eene handeling die niet -zonder voorbeeld is. Ham is vermoedelijk in 1650 of 1651 geboren, -blijkens zijn inschrijving in September 1671 te Leiden als student, -toen hij den leeftijd van 20 jaren bereikt had. Met minder juistheid -nog is zijn sterfjaar op te geven, hoewel met zekerheid is vast te -stellen, dat hij in 1723 nog leefde, daar Ham toen, blijkens de stads -rekeningen van Arnhem, voor de derde maal als Burgemeester van Arnhem -uit de steden van het kwartier van Veluwe gecommitteerd werd ter -vergadering van Hunne Hoog-Mogenden. - -Na deze uitwijding over Johan Ham, keeren wij tot de zaak zelve terug. - -Op uitnoodiging der „Royal Society” zette Leeuwenhoek nu zijne -waarnemingen over de spermatozoïden met ijver voort, verzekerde zich -van de aanwezigheid dezer lichaampjes bij den hond, de kat, het konijn, -den haan, en vele andere dieren en vond dat ze allen overeenkwamen met -die, welke hij reeds beschreven had. Ook in den walvisch was hij in de -gelegenheid die te observeeren en vond daarbij dat zij in dit groote -dier geen grootere afmetingen bezaten, dan die hij bij de kleine dieren -waarnam. Bij den kikvorsch en in de hom van verschillende visschen, die -hij met hetzelfde doel onderzocht, vond hij ze in een verbazend groot -aantal. - -De observatie van Leeuwenhoek was in alle opzichten juist, maar, zoo -als later bleek, vergiste hij zich in de natuur der waargenomen -lichaampjes, daar deze geen diertjes zijn, maar veeleer als celachtige -weefseldeeltjes moeten beschouwd worden. - -Deze waarneming van de spermatozoïden bij de mannelijke dieren deed hem -eene theorie der voortteeling bedenken, namelijk, dat van deze diertjes -de grootste zich in de baarmoeder voedden, daar tot wasdom geraakten en -de vrucht of het foetus vormden. Deze theorie, hoewel zij tegen de toen -algemeen aangenomen zienswijze indruischte, werd door velen aangenomen, -zoo als onder anderen door Huygens, Boerhaave, Hartsoeker, maar door -niet weinigen betwijfeld en ontkend, waaronder Harveus, de Graaf, -Kerkringius, Nuck, Swammerdam en anderen. - -Intusschen was Leeuwenhoek met hart en ziel en uit volle overtuiging -zijne theorie der voortteeling toegedaan en verdedigde zijne stellingen -met kracht tegen al wie zich met hem daarover in het strijdperk durfde -wagen, zoo als blijkt uit hetgeen hij daarover schreef, toen Dr. Martin -Lister zijne stellingen omtrent de voortteeling uit een diertje van het -mannelijk zaad in de „Philosophical Transactions” had bestreden [122]. -„Ik moet” zegt hij [123], „tot UE. Hoog Edele Heeren seggen dat de -gemelde tegenwerpingen mijn gevoelen niet een stip om soo te spreeken, -doen veranderen.” - -François Aston schreef hem in Februari van het jaar 1683 over zijne -theorie, „dat deze zeer ingenieus was, maar dat zij veel tegenspraak in -de wereld zou ondervinden.” Leeuwenhoek antwoordde daarop, dat hij dit -ook wel gedacht had: „Want de werelt is met een voor-oordeel omtrent -het eyernest ingenomen maar,” voegt hij er bij „ik heb al veel geleerde -Heeren in ons land gevonden, die myne stellingen approberen.” [124] Aan -Leibnitz schreef hij [125]. „Seker seer verstandig Heer in onze stad, -seyde tot my, Leeuwenhoek, gij hebt de waarheyt, maar bij u leven sal -zy geen ingang vinden. Ende dus komt het my niet vreemt voor, dat ik in -myn leven wert tegengesproken.” In zijne missive van 30 Maart 1683 aan -dezen geleerde schrijft hij [126]: „Ik weet wel, dat myne stellinge -omtrent de voorttelinge by eenige gants verworpen werden, gelyk dan ook -seker Autheur onlangs uitgegeven heeft een boekje, waarin den selven op -telt seventig Autheuren, die geschreven hebben dat alle de vruchten soo -van menschen als beesten uit een ey voortkomen” .... „Maar laat nu -onsen Autheur dit voegen by zyn 70 Autheuren, ja, laat hem (soo hy wil -en kan) met andere tot seventig maal seventig voor den dag komen, die -alle het ovarium ofte eyernest vast stellen, en seggen dat het mannelyk -saat niet in de baarmoeder werd gestort, ik segge dat sy altemaal -gedwaalt hebben, en dat zy nog alle dwalen, die seggen, dat menschen en -dieren uit eyeren voortkomen ende dat geen mannelyk saad in de -baarmoeder komt, ja dat dit al van de onnoselste stellingen syn, die -onder de geneesmeesters in swang gaan.” Men ziet het, Leeuwenhoek dorst -zijn tegenstanders te woord staan en liet zich niet gemakkelijk uit het -veld slaan. Telkens als het pas gaf spreekt hij met groote minachting -van de „gewaande eyernesten”, van „dat tuig, dat men eyeren noemt.” -Vooral was hij scherp tegen Bontekoe [127], die zijne observaties -omtrent de zaaddiertjes en de generatie in een belachelijk daglicht had -trachten te stellen. In een brief aan de „Royal Society” van 30 Maart -1685 [128] laat hij zich over deze handelwijze van Bontekoe aldus uit: - -„My is laatst ter hand gekomen een boekje, genaamt „Collectanea -medico-physica”, alwaar, Cent. 5 pag. 8, onder ander geseid werd: „Maar -het allerverwonderenste is, dat ons den geleerden Heer Cornelis -Bontekoe verhaald uit den curieusen Leeuwenhoek, dat ’s menschen sperma -vol soude zyn van kleine kinderkens, en soo voorts en andere dingen na -yders aard.” Waarna hy laat volgen: „’t Is waar dat de Heer Bontekoe my -veel maal met geselschap is wesen besoeken, maar ik heb nooit tegen -hem, ofte tegen iemand ter wereld, die redenen gebruikt, dat ’s -menschen sperma vol is van kleine kinderkens, maar wel geseid, dat het -vol is van levendige dierkens of wormkens die lange staarten -hebben”.... Ik moet dan klaagsgewijze zeggen, hoe dat men myne redenen -niet alleen verdraait, of die qualijk voort seid, maar zelfs die op het -papier met den druk komt gemeen te maken.” - -Als een staaltje van de wijze waarop de waarnemingen van Leeuwenhoek -zoowel van het ontdekken der diertjes in het water, als in het sperma -werden gecritiseerd diene het volgende curieus versje, dat ik in een -oud geschrift [129] vond. Daarin wordt op ironische wijze de bewering -van Leeuwenhoek van het vinden van levende diertjes in verschillende -vochten enz. en dat hij wormen meende te zien, waar anderen niet het -minst daarvan konden bespeuren gehekeld, de schrijver is overtuigd dat -men over zijne waarnemingen hetzelfde oordeel kan vellen dat Dr. Becker -in zijn „Närre Weisheit und weise Narheit”, 1682, no. 38 heeft -aangevoerd: - - - „Die Welt still steht, - Und nicht umgeht, - Wie recht die Gelehrten meynen; - Ein jeder ist Seines Wurms vergewyzt, - Copernicus des Seines, - Und also Herr Lewenhoeck des Seinen”. - - -Onder de scherpste tegenstanders van Leeuwenhoek, niet alleen bij zijn -leven, maar zelfs na zijn dood, moet men zijn land- en tijdgenoot -Hartsoeker rekenen. Deze geleerde, wiens scherpe critiek zelfs mannen -als Bernard, Leibnitz, Newton en anderen niet spaarde, had zich de -moeite gegeven, om na den dood van Leeuwenhoek zijne brieven te -onderzoeken. Hartsoeker heeft dit onderzoek geplaatst achter zijn -„Cours de Physique, accompagné d’un extrait critique des lettres de Mr. -Leeuwenhoek,” welk werk in 1730 bij Jan Swart te ’s Hage, na den dood -van Hartsoeker, is in het licht gegeven. - -Dit critisch onderzoek draagt het karakter van persoonlijken wrok en -geringschatting, waarvan de proeven schier op iedere bladzijde te -vinden zijn. - -Een paar voorbeelden van de wijze, waarop Hartsoeker gewoon was in zijn -„Extrait critique” de waarnemingen van Leeuwenhoek te critiseeren, -zullen voldoende zijn, om zijn scherpen toon te leeren kennen. - -Van de brieven in het algemeen sprekende, zegt hij daarvan, dat zij -geschreven zijn „dans un stile bas et rampant” hoewel hij niet nalaten -kon te erkennen, dat zij „contiennent parmi quantité d’observations -inutiles et chimériques, quelques unes de très bonnes et qui servent à -l’avancement des sciences.” - - -Hij spreekt verder met minachting van zijn persoon, en niet zonder -jaloezie, wegens de onderscheiding die hij van anderen ondervond: „Je -n’ai jamais été surpris qu’un homme comme nôtre auteur, dont le genie -étoit assurément au dessous du médiocre, ait parlé comme il a fait des -globules du sang, du lait etc.; mais mon étonnement a été bien grand de -voir que de célèbres médecins et professeurs en philosophie et en -médecine, l’ont cité avec éloge sur sa belle découverte des pretenduës -boules, et ont adopté son galimatias.” - -Dat ook Leeuwenhoek zelf niet vriendschappelijk gezind was ten opzichte -van Hartsoeker kan blijken uit de volgende passage uit het genoemde -„Extrait critique”. „J’ai été trois fois chez lui. J’y fus la prémière -fois avec un bourguemestre de Rotterdam et avec mon père vers la fin de -l’année 1672, ou au commencement de l’année 1673, dont il s’est fort -bien souvenu comme on le verra dans la suite. J’y fus la deuxième fois -seul, vers la fin de l’année 1679 à mon retour de Paris. Cette visite, -que je lui rendis, moité dans la ruë et moitié a l’entrée de sa maison, -m’attira son disgrace et m’en fit un ennemis capital, à cause que je -lui fis sur ses ridicules anatomies, quelques objections aux quelles il -ne pouvoit me répondre. Comment faites-vous, lui disois je, pour -disséquer, par exemple, une puce, et qui plus est, une mite, pour tirer -les testicules de leur corps, pour ouvrir ces testicules et en ôter la -semence, enfin pour voir que cette semence est remplie de petits -animaux en forme de petites anguilles fort longues et fort minces; de -quels verres vous servez vous pour faire cette anatomie? Si le verre -est petit, vous n’avez pas assés de lumière, parce que vous le cachez à -vous même; s’il est grand il ne grossit pas assés. Mais de quels -couteaux vous servez vous? Celui qui auroit le tranchant le plus fin et -le plus aigu écraseroit le vaisseau plutôt que de l’ouvrir .... et la -dessus s’ennuiant sans doute de mes objections, il me congédia assez -brusquement, disant qu’il avoit d’autres affaires.” - -Zijn derde en laatste bezoek bracht hij aan Leeuwenhoek in 1697 of -1698. Hartsoeker was toen in gezelschap van den Burgemeester van Delft, -wien hij verzocht had zijn naam niet te noemen. - -Leeuwenhoek had tot ontvangst zijner gasten alles in gereedheid -gebracht, ten einde hen eenige praeparaten te laten zien. De -burgemeester niet aan dit verzoek van Hartsoeker denkende, stelde hem -aan Leeuwenhoek voor, waarop Leeuwenhoek, zoo zegt H., in zijn Extrait -critique: „me regardant avec un air dédaigneux, et d’un oeil -d’indignation et de mépris, serra d’abord toute la boutique, sans -vouloir nous faire voir la moindre chose, et peu s’en fallut qu’il ne -nous mit par les bras hors de sa maison.” - -Aan het slot van de critiek zijner brieven gekomen, zegt Hartsoeker, in -de beoordeeling van zijn laatsten brief, vol van scherpte en -persoonlijke antipathie: „Tout ce qu’il y dit a été dit et redit mille -fois, de sorte que ce ne sont qu’autant de parôles perduës; et pour ce -qui est des figures qu’il a fait graver de ses observations, elles ne -signifient rien du tout, et ne representent que des traits confus”. - -Blijkt nu uit al het aangevoerde, dat Leeuwenhoek, wegens zijne -ontdekkingen en vooral zijne „speculatiën” over de voortteeling, veel -tegenspraak ondervond en dikwijls aan hevige aanvallen blootstond, aan -den anderen kant had hij ook warme voorstanders onder de beroemdste en -geleerdste mannen van zijn tijd. Hiervan blijkt ons vooral uit eene -correspondentie met Leibnitz, d.d. 28 September 1715 [130]. Deze had -hem namelijk geschreven, dat de geleerde Vallisnieri te Padua zijne -stellingen ontkende en dat hij (Leibnitz) weldra een werk dacht uit te -geven over dit onderwerp, waarin hij hem recht zou laten wedervaren. -Leeuwenhoek antwoordde: „Wij hebben in ons lant een spreekwoort, dat -ééne bonte kraaij geen koude winter maakt, is de Heer Vallisnieri tegen -myne stellinge, daar syn der wel duyzent voor my.” - -Van deze uitspraak van Leibnitz ten gunste van de stellingen van -Leeuwenhoek, alsmede van zijn groote verdiensten, blijkt ons nog nader -uit eene verwijzing naar het boven bedoelde geschrift, de „Theodicae” -van Leibnitz, waarin hij werkelijk deze theorie van Leeuwenhoek -verdedigt. - -In een door Prof. C. G. Ehrenberg in 1845 gehouden redevoering in de -vergadering van de Pruisische Akademie van Wetenschappen, ter -herdenking van den geboortedag van Leibnitz [131], wordt namelijk door -genoemden geleerde met de hoogste achting over Leeuwenhoek gesproken, -als van iemand, op wiens oordeel als nauwkeurig, scherp waarnemer, -Leibnitz zeer hoogen prijs stelde. - -Na eene korte vermelding van de tusschen Leeuwenhoek en Leibnitz -gevoerde correspondentie in de jaren 1715 en 1716 (toen de laatste 60 -en Leeuwenhoek reeds 84 jaren oud was), voornamelijk bevattende de -gevoelens van den laatsten, in antwoord op door Leibnitz aan zijn -oordeel onderworpen vragen, omtrent de physiologische beteekenis der -spermatozoïden, zegt Ehrenberg, dat Leibnitz getuigde: „dat hij de -meeningen van Leeuwenhoek over dit vraagstuk voor zeer waarschijnlijk -hield en die ook in zijn Theodicae [132] had uitgesproken.” - -Ehrenberg zelf noemt in genoemde redevoering Leeuwenhoek’s ontdekkingen -der infusoriën in het water en der spermatozoïden in het mannelijk -sperma, „twee der schitterendste en onvergankelijkste -ontwikkelingsmomenten der menschelijke kennis.” Ehrenberg zegt aldaar -verder van Leeuwenhoek, dat hij niet, zoo als Haller in zijne beroemde -physiologie aangeeft, een voormalig brillenslijper te Delft was -geweest, „maar een onafhankelijk, zonder strenge school gevormden, maar -door Boerhaave en Huygens, zijn hoogstverdienstelijke landslieden, -persoonlijk geachten, met vele beroemde mannen van zijn tijd en ook met -Leibnitz in schriftelijke verbintenis staanden man, de onafhankelijke -zoon van een welvarende brouwersfamilie te Delft, wiens -wetenschappelijke trouw, vlijt en geniale ontdekkingen alle erkentenis -en eer verdienen.” - -Leeuwenhoek werd door Leibnitz nog in zijn, na zijn dood uitgekomen -„Protogeae”, in het bijzonder met de volgende woorden, welke als -antwoord en dankbetuiging moesten strekken voor den laatsten aan hem -gezonden brief, herdacht: - -„Et velim microscopia ad inquisitionem adhiberi, quibus tantum -praestitit sagax Leeuwenhoekii Philosophi Delphensis diligentia, ut -saepe indigner humanae ignaviae, quae aperire oculos et in paratam -scientiae possessionem ingredi non dignatur. Nam si saperemus jam -passim ille imitatores haberet” [133]. - -Omtrent het gunstig oordeel van Boerhaave over de stellingen van -Leeuwenhoek, zegt hij in een zijner brieven: „de Heer Boerhaave in syn -oratie, verwerpt onder andere de stellinge van verscheyde Heeren -omtrent de voortteelinge, en seyt dat de myne in Italiën, Duytslant, -Engelant, ende Vrankryk, werden aangenomen.” - -Leeuwenhoek achtte het vooral noodig de bedenkingen, die bij de leden -der „Royal Society” tegen het groot aantal diertjes door hem in het -sperma waargenomen, gerezen waren, te wederleggen. Hij deed dit in een -brief aan Nehemiah Grew, d.d. 25 April 1699 [134] en zegt daarin het -volgende: „en alhoewel in myn selven versekert dat dese myne verhaalde -observatiën by weynige menschen sullen aangenomen worden, nademaal het -onmogelyk is, sulken grooten getal van levende schepsels in soo een -quantiteit materie te bevatten, soo wil ik alle de geenen die het -selvige verwerpen, het haar ten goede afnemen, te meer, omdat wanneer -ik van het groot getal van levende schepsels in ’t water schreef, by de -Koninglyke Societeyt selfs niet konde aangenomen werden. Maar daar ik -myne calculatie en eenigsints myn methode van doen beschreef, soo heeft -UEd. confrater de Heer Robert Hooke het getal noch vergroot ende my -geschreven, dat zyn Koninglyke Majesteit sulks gehoort hebbende, -begeerig was om hetselvige te sien, ende dat hy hem beliefde, en de -dierkens siende, met verwondering deselve aanschouwde, ende met groot -respect van myn naam sprak. Want soo waaragtig, als ik van de dierkens -in het water heb geschreven, soo waaragtig schrijf ik van de dierkens -in ’t mannelijk zaad van menschen, beesten, vogelen ende visschen, en -het sal my genoeg zyn, soo ik maar credit by UEd. en de geleerde Heeren -Philosophen vinde, waaraan ik ook niet en twijffele.” - -Leeuwenhoek was echter, bij al zijn vasthouden aan hetgeen hij voor -waarheid hield, volstrekt niet onvatbaar voor overtuiging, zoo als -sommige schrijvers wel eens hebben gezegd. Dit kan, onder meer andere -betuigingen van hem in zijne brieven, blijken uit zijne volgende -verklaring in een brief aan George Garden [135] „myn voornemen is niet -hartnekkig by myn stellinge te blijven, maar zoo ras, als men my -waarschynlyke redenen te gemoet voert, daar van ik een bevattinge kan -krygen, dat ik de myne sal verlaten, en tot een ander overgaan, te -meer, omdat doorgaans myne tragtingen tot geen ander eynde strekken, -als omme waarheyt, soo veel in myn vermogen is, voor de oogen te -stellen, die te omhelsen, ende myn kleyn talent, dat ik ontfangen heb, -te besteden, om de werelt, van haar Out-Heydens bygeloof af te trekken, -ende tot de waarheyt over te gaan, ende die aan te kleven.” En elders -[136] „Ik weet wel, dat in myne stellinge die ik kome te maken, niet -alle over een komen, maar tegen den anderen strijdende saaken daar -onder gevonden werden, soo sal ik al weder seggen, dat myn doen is, -niet langer myn gevoelen staande te houden, tot der tyd en wyle ik -beter onderrigt werde of dat myne aanmerkingen my tot andere gedagten -doen over gaan en ik sal my noyt schame van dit myn doen af te wyken.” -Dat is de taal van een eerlijk, eenvoudig, oprecht gemoed, en -onwillekeurig worden wij met eerbied vervuld voor den man, die pal -stond tegen onwaardige verguizing en bespotting, maar vatbaar was voor -overtuiging. Hoe meer men de brieven van Leeuwenhoek doorleest, hoe -meer men versterkt wordt in deze gunstige opinie omtrent hem, die wel -niet vrij was van gebreken, gedeeltelijk ook toe te schrijven aan zijne -beperkte ontwikkeling, maar die overigens edel van hart en eenvoudig -van zin was en daarvan talrijke bewijzen gaf.— - -Bij het doorlezen zijner brieven treft ons zijn onbevangenheid van -oordeel, zijn oorspronkelijkheid in het verklaren en beoordeelen van -feiten door hem waargenomen, en zijn helder inzicht in vele zaken, -waardoor hij bleek een zelfstandig denker te zijn, die weinig behebt -was met de vooroordeelen van zijn tijd, deze, waar hij kon, bestreed en -zich alzoo in de eeuw waarin hij leefde, als een man van vooruitgang -deed kennen. - -Vooral werd de lichtgeloovigheid der groote menigte scherp door hem -bestreden; dit bleek o. a. als hij in de gelegenheid was te waarschuwen -tegen vreemde geneesheeren en het gelooven in hunne hoogdravende -aankondigingen van zoogenaamde onfeilbare middelen tegen allerlei -kwalen. Hij doet dit met ernst en overtuiging en wij zien daarin het -bewijs, dat Leeuwenhoek reeds twee eeuwen geleden wijzer was dan zoo -velen van onzen tijd. „Het is te beklagen” zegt hij [137] „dat veele -menschen in ons lant soo ligt-geloovig zyn, want laat maar een vreemde -geneesheer in ons lant komen, die sig selven beroemt van groote cure -gedaan te hebben, gelyk ze gemeenlyk doen, en haar roemen met veel -leugens weten op te pronken. Dit pochen en snorken vint veeltyds niet -alleen ingang by den gemeenen man, maar het gaat ook over tot luyden, -waarvan men een beter oordeel verwagte; en als men deze vreemde -opsnuyvers omtrent saken, die ze behoorde te weten, komt aan te -spreken, bevind men haar slegte knegten te zijn. Eenigen tijd geleden -en is in ons land gekomen, een grooten, botten opgever en leugenaar, -zynde een Hoogduytser, die sig beroemde, door syn poeder „Sympatie”, -alle gebreken die men hem kwam te noemen, te sullen genesen. Dezen -pofhans die bragt men uyt een nabygelegen stad, met een karos aan myn -huis, opdat ik soo een wonderlyke geneeser soude aanschouwen; dese syne -geneesinge bestond alleen door syn poeder Sympatie te gebruyken op de -urine van de lyder. Nadat ik de opsnorkinge van geneesinge in ’t breede -soo lang hadde aangehoort, dat het my verveelde, versogt ik de vryheid -te mogen hebben, om myne gedagten soo als ze by my lagen, te uytten, -dat my wierd toegestaan, waarop ik, sonder veel omwegen, op het eerste -seyde, dat wy Hollanders sulks niet en sullen gelooven, enz. en op het -tweede dat ik het agte een onmogelijkheid, en dat alle, die sulke taal -voeren, door my voor desen was geseyt, en nog staande gehouden wierd, -dat het maar bedriegers syn; in ’t kort, hy verhaalde soo vele -geneesinge en door sulke wegen, die geen de minste schyn van waarheden -konnen hebben, en die by alle verstandige verworpelyk syn. Ja soodanig, -dat ik my schaamde over syn onnoselheid, en gelyk ik voorseyd hadde, -dat ze alle sullen bedrogen werden, die met hem aanslaan, gelyk gevolg -sulks geleerd heeft, want hy is met schande vertrokken”.... „Is ’t niet -miserabel”, zegt hij iets verder, „dat onse natie haar aan sulke -menschen overgeven, daar ze ten genoege konnen gedient werden van oude -ervaren geneesmeesters, onze inboorlingen en die door de bank meer -begaaftheden bezitten, als de vreemde die we behaamt hebben” .... „Ons -leert de ondervindinge hoe onervarender in konsten en wetenschappen, -voornamentlijk in de genees- en heelkunde, hoe grooter roemers.” Ten -slotte betuigt hy het zyn roeping te achten tegen al dergelyke dwaling -te stryden en te waarschuwen: „dese opmerkinge komende van iemant die -de waarheden omhelst en de werelt, soo veel als in syn gering vermogen -is, van de dwalinge ende het vooroordeel, die niet als te veel nog in -swang gaan, af te leyden.” - -Het blijkt dat Leeuwenhoek’s helder oordeel en zijn kennis van vele -zaken door zijne stadgenooten en ook elders langzamerhand algemeen -bekend was geworden en men hem over allerlei aangelegenheden kwam -raadplegen. Zoo werd hij niet zelden door geneesheeren geraadpleegd -over verschillende verrichtingen in het menschelijk lichaam en trachtte -hij meermalen hunne in zijn oog verkeerde denkbeelden, door bewijzen te -wederleggen, waarbij hij zich niet altijd van zekere bijtende scherpte -onthouden kon, want hij was een man, die zonder aanzien des persoons -zijn gevoelen rond weg uitsprak en wien, zoo als men zegt, het hart op -de tong lag. Niet zelden geraakte hij dan ook met hen aan het -discuteeren en veroordeelde met scherpte hunne verkeerde zienswijzen. -Men oordeele over de volgende staaltjes [138]. „Weynige dagen geleden, -kome ik by eene vrouwe, die eenige kleyne uytsypelinge van vogtigheden, -beneden aan het been hadde”.... „Om nu het verhaalde ongemak te -genezen, hadde seker geneesheer alle syne bedenkelyke middelen in ’t -werk gestelt dog alles te vergeefs en tusschen beyde verscheyde -purgeerende medicamenten ingegeven, onder anderen had ze een dag à twee -daar te vooren een kleyn poeyertje ingenomen, waarvan ze wel agt -afgangen hadde gehad. De geneesmeester sulks geseyt werdende, bekende -dat het te veel ware, en dat drie afgange genoeg hadde geweest”.... „De -lydster is van geen starkte en daar by mager en gelijk wel 25 andere -geneesmeesters, haar souden aanraden het matelyk theedrinken, soo -verbied sulks haar genees-meester. Dese mishandeling van stark purgeren -en hoorende dat haar ligchaam met roode puysten was uytgeslagen -geweest, dede my uytbarsten met een hevigheid te seggen, soo een swak -ligchaam soo een poeyer in te geven, sulken werkinge te veroorsaken is -eer een moortmiddel, dan een geneesmiddel. Naderhand versta ik, dat het -poeyertje, dat de afgange hadde veroorsaakt, omtrent een aas zwaarte -heeft gewogen, dat geen tienduysenste gedeelte van een pont is. Als nu -soo een kleyne quantiteit stoffe, sulke beweginge in maag en darmen kan -te weeg brengen, mogen wy niet met regt soodanige stoffe een -„Moortpoeder” noemen”? - -Nog verhaalt hij [139] dat zeker Doctor in de medicynen hem een -papiertje vertoonde, waarin eenige kleine deeltjes waren, door zekere -jufvrouw in haar urine geloosd, met verzoek die te examineeren. Hij -beschouwde deze voorwerpen door zijn microscoop en bemerkte al -dadelijk, dat het zaadjes uit de aalbes waren. De geneesheer, die hij -dit mededeelde, wist daar geen verklaring van te geven, en scheen niet -ongenegen om de zaak voor mogelijk te achten, doch Leeuwenhoek bewees -duidelijk, dat zulke zaadjes onmogelijk door de maag en ingewanden in -de blaas konden geraken, maar was van gevoelen, dat eerder een der -dienstboden die zaden in den waterpot zou geworpen hebben, „om door -sulk doen, haar juffrouw te meerder kon beklaagt werden.” „Wij vinden -menschen,” vervolgt hij, „die de naam wel willen dragen van doorgaans -siekelyk te syn, omdat men haar beklagen en medelyden souden hebben.” - -Van wege de „Royal Society” werd hem het onderzoek van haren -opgedragen, die zeker geneesheer uit Pleymouth, Yonge genaamd, aan dat -collegie had toegezonden, met mededeeling dat deze haren, volgens -zeggen, door eene vrouw in hare urine geloosd waren. Hij voldeed aan -die opdracht en ontdekte dat het niets anders was dan schapenwol, -zoodat hier bedrog in het spel was [140]. - -Leeuwenhoek verhaalt in dienzelfden brief nog een ander geval, waarin -hij verzocht werd een steen te onderzoeken, die door zekere vrouw zou -geloost zijn en waarvan hij het bedrog onmiddellijk aantoonde. „Een -seker vrouwspersoon,” zoo verhaalt hij, „maakte de onnosele menschen -wys, dat zy verscheyde steenen, door ordinaire waterloosinge, met smert -quyt wierde. Dit geloofde ook in die tijd seker geneesmeester, en ook -eenige kerkelyke personen, soo dat vele medelyden met haar hadde, en -groote opschuddinge in de stad maakte. Seker geneesheer (dien hij -echter niet noemt waarschynlijk om de lichtgeloovige te sparen) gaf my -soodanigen steen in de hand, om die te examineren. Maar ik gaf hem -aanstonts over, nadat ik alvooren met myn sleutel op deselvige hadden -geslagen, en daardoor met het bloote oog gesien, dat het een stuk van -een gebakke vloersteen was. En sulks wierd ook by eenige -Hooge-leeraars, die deselvige ten proeve hadden gestelt, bevestigt, en -sedert dat deze valsheyt ontdekt was, heb ik niet gehoort, dat sy meer -veynsde steenen quyt te worden.” - -Overigens was zijn oordeel over geneeskundigen en het gebruiken van -geneesmiddelen alles behalve gunstig. Hij was te zeer gewoon geraakt om -de verrichtingen in het dierlijk lichaam nategaan en zal daar zeker -veel over gelezen hebben, zoodat hij zich over de werking der -geneesmiddelen een eigen oordeel en verklaring gevormd had, en vooral -over de verandering, die het bloed door vermenging met zekere zouten -onder het microscoop ondervond. Hij meende dan ook, dat het op gelijke -wijze inwendig een dergelijken invloed zou ondervinden; vandaar dat hij -vele ongesteldheden toeschreef aan den te dikken toestand van het -bloed, zoodat het te traag door de nauwe capillaire buisjes vloeide. -Hij meende dat veel drinken deze dikke bloedmassa weder zou verdunnen -en paste deze theorie dan ook getrouwelijk op zijn eigen lichaam toe; -zoo was zijn gewoonte [141] als hij des avonds wat overvloedig -gesoupeerd had, den anderen morgen meer dan gewoonlijk koffie te -gebruiken en wel zoo heet en schielijk mogelijk, ten einde zweeten te -bevorderen, „en soo door sulk doen” zegt hij, „mijn lighaam niet kan -herstelt worden, een gantschen Apoteecq, beeld ik my in, sal soo veel -tot herstelling van myn lighaam niet konnen uytleveren, en dit is ook -het eenigste middel, die ik sedert veel jaren hebbe in ’t werk gestelt, -als ik een koorts gewaar werd, alleen met dat onderscheyd, dat ik my -ook door thé-drinken soo doe sweeten.” Na eene lange redeneering over -de gevolgen van het te dik zijn van het bloed, de vertraging der -circulatie en het ontstaan hierdoor van allerlei ongesteldheden, -besluit hij met de volgende, gansch niet malsche tirade, waarbij ook de -Apotheker zijn deel krijgt:.... „Dit soo synde, is het te beklagen, dat -de geneeskunde geoeffent werd van soo veele, by de welke geen goet -oordeel is, want wat Apoteeker, wat Chirurgyn isser, die sig niet -onderwint in geringe voorvallen, purgeerende saaken in te geven, en dit -is by veele het eenigste dat sy verrigten konnen, waardoor ze veele -haar eynde komen te verhaasten, want de meeste hebben gants geen kennis -van het maaksel van ons lighaam, veel min dat ze de bequaamheid hebben, -om de sieke wel te ondervragen, en dan te overwegen waaruyt de -ongemakken syn voortkomende. Het werd by eenige geoordeelt datter -geneesmeesters gevonden worden, die maar om welstaans wille en als niet -te vergeefs by de sieken te komen, het eene ofte het andere -ordonneeren, en ten anderen, omdat ze de medicamenten souden leveren, -of ook wel om de Apoteeker gelt in de beurs te jagen”.... Zelf had hij -dan ook weinig vertrouwen in de geneesheeren en was er niet toe te -brengen, bij voorkomende ongesteldheid, geneesmiddelen te gebruiken. -„Wat my belangt,” zegt hy, „wij sullen wel wagt houden, dat soodanige -moort-poeders [142] uyt ons lighaam blyven, en ook wel wagten voor alle -geneesmeesters, die diergelyke lighaam schade toebrengende, sulke -saaken in ’t werk stellen. Want soodanigen medicament berooft het -lighaam van de dunne stoffe, die de menigvuldige vaatgens, leggende in -de holligheden van de darmen, uyt de chyl soude overgenomen, ons bloet -en andere sappen verdunt, en voedsel toegebracht hebben. Ook blykt -klaar, dat meest alle de geene die heden door purgeren verscheyde -afgangen hebben gehad, des anderen daags hardlyvig sullen syn, welke -hardlyvigheid alleen veroorsaakt werd, beeld ik my in, omdat het -lighaam des daags te vooren, door het ontydig wegstooten van de chyl, -gebrek aan genoegsamen vogt geleden heeft, nu alle de vogt uyt hetgeene -men genuttigt heeft, soodanig uit het lighaam heeft overgenomen, dat de -excrementen hard syn.” - -Ook had hij dikwijls langdurige gesprekken met geneeskundigen over de -voeding en de verteering der spijzen, over de circulatie van het bloed -door het ligchaam en over de bestrijding van de toen heerschende -meening, dat het bloed, door de lucht die in de longen door het -inademen komt, in een gistenden toestand geraakt. Hierover laat hij -zich aldus uit [143]: „Ik heb sedert eenige jaren tegen verscheyde -doctoren tragten staande te houden, dat ’er geen fermentatie in het -bloed is, en onder anderen ook op wat manier ik my imagineerde, dat het -bloed door het lighaam wierd voortgestooten, hoe hert en pols in een -koortsige stark slaande, egter de circulatie van het bloet (meest) -langsamer is; hoe onse vlees draatjens, schoon er geen bloedvaatjens -door loopen, egter van het arteriaal bloed gevoed werden; hoe de spys -in de maag en darmen verbryselt werd. Onder de doctoren was er een die -my meenigmaal quam besoeken; dese verhaalde in presentie van andere -Heeren, dat hy een groot gevallen had gehad in myne stellinge; dat hy -laatst van my vertrekkende met nog een doctor, die in ’t geselschap -was, den gantschen nagt, over myne redenen, die ik gewisselt had, hadde -gephilosopheert; dat hy daarover soude schryven, maar my de eer soude -geven, alsoo hy met een ander zyn gedagten niet wilde pronken.” - -Leeuwenhoek had echter ook zonderlinge denkbeelden over sommige zaken; -zoo schreef hij de oorzaak, waarom bij voorbeeld azijn en andere zuren -een zuren smaak bezaten, daaraan toe, dat de aan beide zijden scherp -toeloopende kristalletjes, die hij onder het microscoop waarnam, als -hij azijn op een glaasje van zelf liet verdampen en die hij „het zout -van den edik” (azijn) noemde, met deze scherpe of nijpende deelen op -den tong prikken en het gevoel veroorzaken, dat wij zuur noemen! -Eveneens schrijft hij het gevoel van hitte of branden van de peper op -de tong toe, aan de scherpe naaldvormige kristallen, die hij door -aftrekken van peper in water onder het microscoop bekwam en die hij de -„soutdeelen der peper” noemde; deze deelen nu zouden dan met hun -scherpe deelen zoodanig op de tong of in den mond steken, of kwetsen, -dat men daardoor de bekende heete of brandende smaak ondervond. Zoo ook -schreef hij de vergiftige werking der kwikzouten daaraan toe, dat de -puntige scherpe uiteinden der microscopische kristalletjes, de -darmwanden en bloedvaten verwondden en daardoor dikwijls de dood -veroorzaakt werd! - -De zoete smaak werd volgens Leeuwenhoek veroorzaakt, doordat de deelen -van de suiker, hoewel uit scherpe punten of hoeken bestaande, in het -vocht van den mond de scherpte verliezen en eene zoo zachte buigzame -gedaante aannemen, dat, wat zij op de tong ontmoeten, daarvoor buigen -moet waardoor deze zoo aangenaam daar zijn, dat zij ons den smaak van -zoet doen gevoelen [144].— - -Vragen van allerlei aard werden dikwijls aan zijn oordeel onderworpen -en men ging zelfs zoo ver, dat men aan hem de kennis over verborgen -zaken toeschreef, oordeelende dat de ontdekkingen, die hij bekend -maakte, tot de onmogelijkheden behoorden en alleen met behulp van -geheime kunsten konden bewerkt worden. „Ik weet wel,” zoo zegt hij in -een brief aan zijn neef Dr. Abraham van Bleyswyk [145], „dat dit mijn -schrijven bij eenigen niet zal aangenomen werden, als oordeelende dat -de geseyde ontdekkingen onmogelijk zijn te weeg te brengen; maar ik -trek mij zoodanig tegenspreken niet aan. Men seyt tegenwoordig by de -onverstandige nog van my, dat ik een tovenaar ben; ende dat ik de -menschen vertoon dat ’er niet en is, dog het is haar te vergeven, zy -weten niet beter.” - -Allerlei onderzoekingen werden hem opgedragen, door aanzienlijke -stadgenooten, geleerden, corporatiën en handelaars. Ieder stelde prijs -op zijn ervaring en doorzicht en hij was er de man niet naar om een -onderzoek, dat hem was opgedragen, niet met ernst te ondernemen, of te -rusten, voor dat hij een bevredigend resultaat van de hem voorgestelde -onderzoekingen kon geven. De Royal Society noodigde hem onder anderen -in 1680 uit om zijne proeven, over de werking van sommige scheikundige -praeparaten, waarover hij reeds vroeger zijne bevinding had -medegedeeld, voort te zetten. Zij voegde er bij „dat zijne speculatiën -over dit onderwerp ten hoogste waardig waren om verder te worden -vervolgd ter ontdekking der verborgen werking der geneesmiddelen in het -menschelijk lichaam.” Zij bevalen hem dit onderzoek aan met hartelijke -toewensching van een goed succes [146]. - -Leeuwenhoek bleef niet in gebreke aan die vereerende opdracht te -voldoen. Dit onderzoek bepaalde zich bij de waarneming met het -microscoop van de verandering die de bloedlichaampjes ondervonden, als -zij met sommige stoffen, vooral sal volatile oleosum werden vermengd. -Hij zag dan bij dit laatste dat het bloed dadelijk eene veel lichter -roode kleur verkreeg, terwijl hij waarnam dat de bloedlichaampjes -binnen een kwart minuut verdwenen waren. Deze kleursverandering en -oplossende werking moet aan de ammonia worden toegeschreven, waaruit -dit praeparaat hoofdzakelijk bestaat, zijnde een mengsel van ammonia -liquida, met barnsteen-, muscaatnoot-, anijs-, en kaneel-olie. - -Paulus Hermanus, Hoogleeraar in de Kruidkunde te Leiden, stelde zijn -groot cabinet van zaden voor hem open, daar hij Leeuwenhoek’s -belangrijke waarnemingen omtrent de structuur van het hout en andere -merkwaardige onderzoekingen betrekkelijk de planten-physiologie -waardeerde en persoonlijk met hem bekend was. Hij noodigde Leeuwenhoek -uit de zaden, die hem behaagden, ter onderzoeking er uit te nemen. -Onder meer andere viel zijn aandacht op het „Carpok-zaad”, hetwelk hij -beschrijft [147] als de zaaddragende vrucht van Panjala sive Arbor -lanigera Bontii, in den „Hortus Malab.” T. III pag. 59. Wij maken hier -alzoo kennis met dezelfde stof, welke wij als kapok kennen [148]. - -In het jaar 1685 werd door Constantijn Huygens zijn oordeel gevraagd -over de mogelijkheid, dat boomen, omgekeerd in de aarde geplant, -wortelen, en de takken en bladeren in den grond tot wortelen zouden -kunnen groeien [149]. De bewoordingen van dien brief van den beroemden -Huygens zijn zoo vleiend voor Leeuwenhoek en getuigen zoo zeer van de -hooge achting, die Huygens voor hem koesterde, dat ik mij niet kan -onthouden deze hier in te voegen. - - - Hage den 17 December 1685. - - Monsieur Leeuwenhoek, - - Ik en werde nooyt moede UE. onvermoeyde neerstigheyt te pryzen, in - ’t ondersoek van geheymenissen die weynig van onse voor-ouderen in - gedachten syn gekomen, en veele van onse nakomelingen tot een licht - en spoor sullen strekken, om dieper en dieper waarheden op te - delven. UE. is daartoe tegenwoordig op een fraay pad, daar van niet - ligt en behoort te scheyden; soo groot is ’t gevolg van aller - dingen eerste begintselen, soo UE. meer en meer staat gewaar te - werden. - - Ik weet niet of gy ooyt kennisse hebt gehadt van het planten van - boomen averegtsom, soo dat de wortelen in de lucht tot takken - uytgroeyen. Verstaat Lindenboomen. Tot nog toe en hebben ’t myn - hovenieren niet te wege konnen brengen. Maar myn autheur is al te - aansienlyk om my daer aan te laten twyfelen. Dat was voor eenige - jaren den Heer Churfurst van Brandenburg hier synde met syn tweede - Churfurstinne, die my beyde in vollen ernst confirmeerden, menigte - van experimenten van sulke wortel-boomen onder haar gebied te - hebben, uytstekende in groote wijdte, boven het gewoonlyk gewas. - Myn zoon van Zeelhem [150] sedert met syn Hoogheyt in die landen - geweest, verklaart er sig mede getuyge af. - - UE. discoursen van ’t gewas van de boomen en kruyden hebben my dit - weder in gedenken gebragt. UE. kan der op speculeren en bedenken - hoe het overeen kan gebragt werden, met hetgeene UE. ondervind in - de maximen van de nature u soo verre bekent. Ik blijve - - Uw altoos dienstwillige vriend en dienaar, - C. Huygens, V. Z. - - -Leeuwenhoek oordeelde dat dit zeer wel kon, als de klapvliezen -(schuinloopende streepen) in de groote vaten zoo ver konden gebracht -worden, dat zij door het opgestooten vocht, averechtsom gedrukt werden, -en dat hij dit reeds twintig jaar geleden bij een wijngaard had -opgemerkt, waarvan hij eene jonge plant in het midden dwars doorsneed -en den een onderst boven naast den anderen in den grond plantte, en -nadat deze wijngaart twee a drie jaren gestaan had, kon hij geen -onderscheid aan beiden zien en droegen beiden goede vruchten. Ook liet -hij nu in zijn tuin twee jonge lindeboomen planten, de een op de gewone -wijs en de andere met de wortels naar boven, welke laatste, hoewel -aanvankelijk trager in het groeien, zich toch later goed ontwikkelde en -wortelde. - -In 1690 onderzocht hij de zoo schadelijke insecten, die hunne eieren in -het koren leggen en zoo doen ontstaan wat men gewoonlijk de klander -noemt. - -Het wormpje door de korenkopers en bakkers „wolf” genoemd, beschrijft -hij uitvoerig, gaat zijn metamorphose na, totdat het als een vliegend -motje uit het omwindsel van de pop te voorschijn komt. Hij had -opgemerkt dat eenige dezer motjes, die hij in een glazen buis had -gesloten waarin hij de damp van brandende zwavel had laten komen, -daardoor stierven. Aanstonds was zijn practische geest gereed dit -verschijnsel in het groot toe te passen op het verdrijven van deze -plaag van de graanzolders. Uit de grootte van het buisje dat hij -gebezigd had en de hoeveelheid zwavel door hem gebruikt, maakte hij -eene berekening hoeveel zwavel er noodig zou zijn, om een korenzolder -te zuiveren en vond dat daartoe een pond zwavel voldoende was, als men -dit in twee a drie potten op den zolder geplaatst liet verbranden, -waarbij dan alle openingen goed gesloten moesten worden; deze zwaveling -moest men doen zoodra de motten bespeurd worden en vóór dat zij in de -gelegenheid waren eieren te leggen, en deze bewerking eenige dagen -achter elkander volhouden [151]. - -Deze zelfde zuiveringsmethode paste hij ook toe, naar aanleiding van -een verzoek van Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, om -maatregelen te beramen tegen den worm in de muscaatnoot. Hij was van -oordeel, dat, wanneer de zolders, waar de nooten bewaard werden, alle -maanden goed werden gezwaveld, de levende insecten, die uit de wormen -kwamen, zouden gedood en dus het verder doorknagen der nooten zou -voorkomen worden. Ook achtte hij het zwavelen van het ruim der schepen, -waarin men de nooten inlaadde, zeer dienstig, ter verjaging van dit en -ander ongedierte [152]. - -In 1696 werd hem door Nicolaas Witson, President Burgemeester van -Amsterdam, uit naam van Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, het -onderzoek opgedragen van een mineraal uit Tartarije afkomstig. Dit -bleek hem bij verhitting in een glazen buis veel lood te bevatten. -Later onderzocht hij nog een ander uit Sumatra en vond daarin goud en -zilver, benevens zwavel, dat hij in een gesmolten toestand verzamelde -[153]. - -Hij onderzocht ook het katoenzaad en merkte onder anderen op dat het -veel olie bevatte, en dat men, door die af te zonderen, er een groote -hoeveelheid van in den handel zou kunnen brengen, ten einde voor -velerlei doeleinden gebruikt te worden [154]. Tarwe, rogge, gerst, -boekweit en een menigte andere zaden werden door hem ontleedkundig -onderzocht en tevens de zetmeelbolletjes er uit afgezonderd, die hij -nauwkeurig beschrijft en afbeeldt; dit deed hij ook van rijst, boonen, -erwten, enz. en beschreef de verandering, die zij ondergaan, wanneer -zij, na met water verwarmd te zijn, door het microscoop beschouwd -worden [155]. Verder ontdekt hij dat het onderscheid tusschen witte en -zwarte peper alleen daarin gelegen is, dat de laatste het onrijpe zaad -is, nog bekleed met zijn buitenste omkleedsel terwijl de inwendige -rijpe witte korrel de witte peper is, die dan ook krachtiger is dan de -onrijpe zwarte peper [156]. - -Belangrijk is ook zijn onderzoek naar het ontstaan en den aard der -zoogenaamde galnoten, waarvan hij den waren aard goed waarnam en het -insect beschreef, waaraan zij hun ontstaan te danken hebben [157]. Wij -hebben boven gezien dat hij op een zijner portretten, in het bezit van -Dr. van Kaathoven, met een met galnoten voorzienen eiken tak is -afgebeeld, hetwelk op dit onderzoek doelt. Zulk een met galnoten -voorzienen eiken tak vindt men ook in den geciteerden 50sten Brief -afgebeeld op blz. 44, met doorgesneden galnoten, en het insect dat wij -kennen als galwesp, (Cynips Gallae tinctoriae). - -Nog vond hij dat het branden of steken der brandnetels veroorzaakt -wordt door een vocht, dat zich bij de aanraking der fijne haartjes -waarmede de stengels en bladen bezet zijn, daaruit ontlast en in de -huid dringt [158]. Ook het steken der mieren en het brandend gevoel en -de opzwelling daardoor waargenomen, schrijft hij toe aan een scherp -vocht, dat deze insecten bij het steken uit hun angels ontlasten [159]. - -Evenzoo bestudeerde hij het vlies, dat het wit der eieren onder de -schaal bedekt en vond dat dit uit onderscheidene zeer dunne vliezen -bestond, waarvan hij er acht waarnam [160]. - -De vorm der gistcellen ontsnapte evenmin aan zijne nasporingen; hij -onderzocht biergist en vond dat die uit zeer vele kleine ronde -„globulen” bestond, waarvan er dikwijls 2, 3 en 4 samen gevoegd waren; -het is niet te verwonderen dat hij omtrent het ontstaan en den waren -aard der gist geen juiste voorstelling had, daar men eerst in veel -lateren tijd daaromtrent tot klaarheid is gekomen. Hij beschrijft ze -als door de hitte van het water „ontdane deeltjes van de tarwe, gerst, -enz. die, als het bier koud geworden was, weder stremden en alzoo de -zeer kleine deeltjes of globulen in het bier vormden”. - -Aan Leeuwenhoek komt ook de eer toe het eerst zoetwater-polypen (?) te -hebben waargenomen, doch de hier volgende beschrijving toont, dat het -door hem waargenomen dier geen zoetwater-polyp kan geweest zijn, maar -waarschijnlijk Vaginicola crystallina. Hij deelde deze waarneming mede -aan de Royal Society in zijn missive van 4 November 1704 [161], terwijl -hij in een anderen brief, eveneens aan dit collegie, d.d. 28 Juni 1713 -[162] het maaksel van dit diertje, dat in een kokertje, onder aan -eendekroos vastgehecht, geplaatst was, beschrijft. Hij deelde mede dat -dit kokertje aan het uiterste einde iets dikker was dan een hoofdhaar -en bestond uit kleine ronde bolletjes. Hij zag dat als het diertje zijn -lichaam uit het kokertje bracht en de raderen en tandsgewijze deeltjes -in het rond bewoog, er dan zulk een rond deeltje uit eene -doorschijnende plaats te voorschijn kwam, welk deeltje, in grootte -toenemende, zeer snel om zijn as draaide en onveranderlijk zijn plaats -bleef behouden, tot zoo lang het diertje zijn lichaam voor een gedeelte -in het kokertje plaatste en dit alzoo met een rond bolletje vergroot -werd. Door de groote beweging, die het diertje met zijn raderwerk in -het water teweegbracht, werden vele kleine deeltjes naar hetzelve -heengevoerd, die het met groote gulzigheid tot zijn voedsel bezigde. -Hij beschrijft verder nog eene andere soort, die met een „langen -staart” [163] aan de worteltjes van het eendekroos waren vastgehecht, -en die, door het uiterste van hun lichaam snel rond te draaien, het -water in groote beweging brachten. Deze konden hun „staart” snel in- en -uittrekken, waardoor het water van plaats veranderde, en zij -gelegenheid hadden hun voedsel tot zich te trekken. Hij zag er nog -andere, die veel grooter waren, met een kort en dik lichaam, die -eveneens met een „staartje” aan het kroos vast zaten; deze konden zich -verplaatsen en maakten met het voorste gedeelte van hun lichamen eene -ronddraaiende beweging. - -Bij de vermelding van de hoogst belangrijke ontdekkingen en -waarnemingen van Leeuwenhoek, die onze aandacht hebben bezig gehouden, -zou ik zijne verdiensten te kort doen, indien ik niet te dezer plaatse -opzettelijk stilstond bij zijne ontdekkingen op het gebied der -planten-anatomie, waarvan de Hoogleeraar H. C. van Hall getuigt [164], -„dat deze inzonderheid, wanneer wij den tijd nagaan, waarin Leeuwenhoek -leefde, van veel gewicht zijn en talrijke microscopische ontdekkingen -bevatten, welke velen gewoon zijn als uit lateren tijd afkomstig aan te -merken.” - -Zijn eerste belangrijke onderzoeking op het gebied der plantenkunde, -die wij van hem beschreven vinden, is vervat in een brief aan Robert -Hooke, d.d. 12 Januari 1680 [165] en betreft de inwendige vorming van -het hout. Hij beschrijft daarin de groote opgaande vaten van het -eikenhout en toont aan dat deze ieder voorjaar het eerst in het hout -gevormd worden [166], waardoor de afscheiding der verschillende -jaarkringen duidelijk wordt. Hij wees aan, hoe deze vaten van binnen -gevuld zijn met blaasjes, die uit zeer dunne vliesjes bestaan en -beeldde deze ook af. - -Deze groote opgaande vaten zijn de Holz-zellen van Schultz [167]. -Leeuwenhoek spreekt ook nog van kleiner opgaande vaten en wijst -duidelijk aan, dat de vliesjes, waaruit deze bestaan, gestippeld zijn -met deeltjes, die hem „als globulen” voorkwamen [168]. Daar nu -Leeuwenhoek (volgens van Hall) reeds in 1680 het aanzijn der stippen -aanwees, wordt hij te recht gehouden voor den ontdekker der, door de -nieuwere plantkundigen aldus genoemde gestippelde vaten (vasa spiralia -punctata). De derde soort van opgaande vaten, die Leeuwenhoek waarnam, -beschrijft hij als „zeer klein en in groote menigte aanwezig, bestaande -mede uit zeer dunne vliesjes” [169]. Dit zijn volgens van Hall de -verlengde cellen van Kieser of de vasa fibrosa van Link. Verder wees -Leeuwenhoek de schuins loopende streepen op de gestippelde vaten aan en -beeldt deze zeer duidelijk af [170]. - -Van de mergstralen (radii medullares) onderscheidt Leeuwenhoek de -groote mergstralen van de kleinere, die tusschen de opgaande vaten -(verlengde cellen of vasa fibrosa) zijn samengedrongen [171]. De -afbeelding, die hij van deze mergstralen tusschen de verlengde cellen -in het olmenhout geeft, is zeer fraai en duidelijk. - -Leeuwenhoek heeft veel bijgedragen tot de kennis der eenvoudige -spiraalvaten en ontdekte deze het eerst in den wortel van den -muscaatnootboom. Hij leverde daarvan reeds in 1695 eene zeer duidelijke -afbeelding en beschrijft [172] zulk een spiraalvat, dat ten deele uit -zoodanige kringsgewijze deelen is samengesteld, even als of, zegt hij -„wy ons inbeelden te hebben eene seer dikke spelt ende dat wy om -soodanige spelt digt omwonden hadden een seer dun koperdraatje, en dat -wy, na de omwindinge, de spelt uyt het koperdraat hadden getrokken, als -wanneer het dunne koperdraat de omwindinge voor het meerendeel hadde -behouden.” De bladen der boomen, zegt hij [173] bestaan uit deze -eenvoudige spiraalvaten, als ook de zaadstrengen van den amandel, -hazelnoot enz. - -Leeuwenhoek moet ook gehouden worden voor den ontdekker van de niet -ontrolbare spiraalvaten (Treppengange), die hij in 1692 in het -lindenhout beschreef [174]. - -Als bovenal merkwaardig wijst Prof. van Hall op de nasporingen die -Leeuwenhoek nog na zijn 80ste levensjaar in het werk gesteld heeft -omtrent de inwendige samenstelling van het hout van den kokosboom. Hij -beschrijft namelijk in een brief aan Boerhaave, d.d. 28 Sept. 1716 -[175], de van die onzer gewone boomen geheel verschillende vorming van -dit hout en wijst aan [176] hoe deze soort van palmboom geen eigenlijk -gezegde schors bezit; geen horizontale vaten of mergstralen [177]; hoe -de bundels spiraalvaten in dit hout niet in een jaarkring vereenigd, -maar verspreid staan [178]. Eindelijk geeft Leeuwenhoek eene -beschrijving van de „witachtige stoffe, die van binnen tegen de harde -schors van de noot aanligt en mede uit spiraalvaten schijnt -samengevoegt te syn;” de daarbij door hem gevoegde afbeelding geeft, -volgens van Hall, een zeer klaar denkbeeld der zoogenaamde vasa -vermiformia. - -Zijne verdere waarnemingen over de poreuse cellen [179]; de eigene -bewegende bolletjes in het eigen sap (succus proprius) [180]; de -verklaring van de eerste wording der cellen [181]; de vorming van -nieuwe cellen uit de oudere [182]; de beschrijving der samengestelde -cellen in de mattebies [183]—dit alles doet hem kennen als een -nauwkeurig waarnemer, en bevat veel dat door de nieuwere -natuuronderzoekers op gelijke wijze geleerd wordt [184]. - -Minder gelukkig, zegt Prof. van Hall, is Leeuwenhoek geweest ten -aanzien van de vorming der vrucht en van het zaad. Hij verviel namelijk -door zijne vergelijking van de voortteeling der dieren met die der -planten wel eens in verkeerde begrippen. Leeuwenhoek’s beschrijving en -afbeelding echter van de wijze, waarop de zaadlappen (cotyledones) in -het zaad van de boekweit zijn omgeplooid en opgevouwen in het midden -van het meel (albumen) [185], waaruit dit zaad hoofdzakelijk bestaat, -noemt van Hall „opmerkenswaardig”. Leeuwenhoek vestigt de aandacht op -het nut van deze meelachtige stof tot voeding der kiemende plant en -leert ons, hoe die stof niet aanwezig is in vele andere zaden, waarin -dan de geheele holte van het zaad door de kiem zelve wordt aangevuld. - -Verder heeft Leeuwenhoek het een en ander opgeteekend over de -ontkieming der planten en heeft het eerst de kieming van het fijne -pluizige zaad der wilgen, in 36 uren tijds, beschreven en afgebeeld -[186] enz. enz. - -Uit deze opgaven ziet men, dat Leeuwenhoek niet minder dan in het -dierenrijk, ook in het plantenrijk hoogst belangrijke ontdekkingen en -onderzoekingen heeft bewerkstelligd, die recht geven hem ook in dezen -tak der natuurwetenschap onder de beste onderzoekers te tellen. - -De getuigenis die G. R. Treviranus [187] van Leeuwenhoek geeft: „dat -hij, niettegenstaande de mindere volkomenheid zijner werktuigen, toch -vele zaken beter dan latere waarnemers met veel sterker vergrootende -microscopen, gezien heeft,” is wel verdient, en Kieser zegt [188] van -de vier voornaamste grondleggers van de ontleding der planten het -volgende: - -„Hooke geeft slechts enkele, doch bruikbare microscopische -afbeeldingen, Grew is het bevalligste, Malpighi het uitvoerigste, maar -Leeuwenhoek het getrouwste. Malpighi en Grew hebben zich dikwijls door -vooraf opgevatte meeningen laten wegslepen, doch hunne werken zijn -systematisch. Leeuwenhoek geeft slechts alleen staande, doch rijke en -tot nu toe vaak miskende bijdragen tot de hoogere planten-anatomie.” En -het mag dan ook eene welverdiende hulde genoemd worden aan den -onvermoeiden natuuronderzoeker, dat de beroemde Engelsche plantkundige -R. Brown een nieuw planten-geslacht uit Nieuw-Holland ter zijner eere -naar zijn naam, Leeuwenhoekia, genoemd heeft. „In memoriam,” zegt hij, -„Antonii van Leeuwenhoek, micrographi celeberrimi, in cujus operibus -plures et perpulchrae observationes de plantarum structura exstant” -[189]. - -Het is niet doenlijk al den arbeid door Leeuwenhoek behalve het reeds -opgenoemde verricht, in al de bijzonderheden te vermelden; wij zouden -anders nog stil moeten staan bij de ontdekking der „aalachtige -diertjes” in den azijn, de bacteriën in het vuil en slijm der tanden, -de kristalvorm die hij van een groot aantal verschillende zouten -beschreef, de pissteenen en mineralen die hij analyseerde, de -koraalgewassen die hij onderzocht; in een woord, schier geen voorwerp -was er dat zijn aandacht ontsnapte en waaraan hij niet zijne krachten -beproefde, ten einde zijn weetlust te voldoen en den waren aard, de -eigenschappen en samenstelling er van te leeren kennen. - -Die lust tot werken bleef hem onafgebroken gedurende zijn geheele leven -bij, en verflauwde niet bij het klimmen zijner jaren en „zelfs nog 36 -uren vóór zijn dood, toen hij bijna 91 jaren oud was, en zijn leden al -begonnen te verkleumen (zoo verhaalt ons Boitet, „Beschrijving van -Delft, pag. 768”), gloeide het vuur van yver noch soodanig, dat hy met -zyn byna versteve en stamelende lippen zyn gedachten noch op het papier -liet stellen, over eene soort van zant, ’t geen hem door zeker -aanzienlyk Heer en Bewinthebber der Oost-Indische Compagnie behandigt -wiert, om te zien of ’er ook eenig gout onder verborgen was” [190]. - - - -Zeer veel van de belangrijkste voorwerpen, welke Leeuwenhoek gedurende -zijn lang leven onderzocht, bewaarde hij, ieder met het daarbij -behoorend microscoop-stelletje, ten einde die van tijd tot tijd aan -eene nadere beschouwing te kunnen onderwerpen, of ze aan zijne vrienden -of belangstellenden, die hem van heinde en ver kwamen bezoeken, te -vertoonen. Volgens den Hoogleeraar Harting [191] was Leeuwenhoek de -eerste, die gezegd kan worden eene verzameling van microscopisch -anatomische praeparaten te hebben aangelegd. En dat hij in de -vervaardiging daarvan bijzonder uitmuntte, blijkt zoowel uit de door -hem zelven gegeven beschrijvingen als uit de getuigenis zijner -tijdgenooten, die in de gelegenheid waren zijne praeparaten te zien. -Folkes, een tijdgenoot en president der „Royal Society” te Londen, -deelt daaromtrent het volgende mede [192]: - -„Bovendien moeten wij niet vergeten, dat hij door eene bijzondere -bekwaamheid uitmuntte in het praepareeren zijner voorwerpen, ten einde -die op de geschiktste wijze door het microscoop te beschouwen en ik ben -overtuigd, dat iedereen dit met mij eens zal zijn, die eenige van deze -voorwerpen zelf zal willen onderzoeken, zoo als die nog goed -geconserveerd door zijne lenzen te zien zijn. Wat mij aangaat, zoo heb -ik zoo veel moeilijkheid ondervonden in deze toebereiding der -voorwerpen, dat er bij voorbeeld een zeer groot verschil bestond in het -voorkomen van een en hetzelfde voorwerp, en dat, zoo als het door Mr. -Leeuwenhoek gepraepareerd was, toen het door mij zelf werd onderzocht. -Ik heb nu deze opmerking gemaakt, opdat men zich wel wachten zou -voorbarig een der observaties van dezen Heer te veroordeelen, wanneer -het niet gelukt die door zijn eigen glazen te verifieeren. Wij voor ons -zijn in dit opzicht in veel ongunstiger voorwaarden geplaatst, doordien -Leeuwenhoek veel meer ondervinding heeft dan wij, en hij zelf heeft ons -gewaarschuwd, dat zelfs zij, die het meest geoefend zijn in het gebruik -van zijne lenzen, zich nog kunnen bedriegen, indien zij hun oordeel -gronden op hetgeen zich aan hun oog voordoet, voordat zij zich door -herhaalde proefnemingen er van verzekerd hebben. Maar wij hebben zulk -een groot aantal zijner verrassendste ontdekkingen gezien, die door de -meest oordeelkundige waarnemers zijn bevestigd geworden, dat wij zeker -geen de minste reden hebben zijn getrouwheid te wantrouwen in al de -andere waarnemingen, die niet zoo herhaaldelijk en met zulk een groote -zorg zijn onderzocht geworden als deze.” - -Dat Leeuwenhoek zijne praeparaten een aantal jaren in goed -geconserveerden staat wist te bewaren, kan ook blijken uit zijn eigen -bewoordingen in een brief, d.d. 17 November 1716, aan Leibnitz -geschreven [193]. „Ik hebbe sedert eenige weynige weeken aan twee -Heeren Professoren van grooten naam de doode (zaad) diertjes, soo als -ik deselve wel twaalf jaren geleden op een seer dun glaasje hadde -geplaatst, laten sien, waaraan men seer bescheydelyk het lighaam en de -staart konde bekennen.” - -Men kan aannemen, dat de praeparaten die door Leeuwenhoek bewaard -werden geen andere bewerking ondergaan hebben, dan dat zij gedroogd -werden; eene handelwijze, zoo als de Hoogleeraar Harting zegt, die tot -voor korten tijd schier de eenige was, die men tot dit oogmerk bezigde. - -De verzameling microscopische praeparaten, die Leeuwenhoek heeft -nagelaten en die met de daarbij behoorende microscoopstellen voorkomen -in den Catalogus der verkooping, die daarvan na zijn dood te Delft -gehouden werd (zie bl. 38), bestond uit de volgende voorwerpen: - - - DIERLIJKE VOORWERPEN. - - Spiervezelen van een walvisch. - ,, ,, ,, kabeljauw. - ,, ,, het hart van een eendvogel. - Dwarse doorsnede der spieren van eene visch. - Huidschubben van een mensch. - Kristal-lens van een os. - Bloedbolletjes van een mensch. - Lever van een varken. - Dwarse doorsnede der blaas. - Blaas van een os. - Papillae der tong van een os. - Haar van een schaap. - ,, ,, ,, bever. - ,, ,, ,, eland. - ,, ,, ,, beer. - ,, uit de neus. - Schub van een baars. - ,, ,, ,, tong. - Spinwerktuig van eene spinnekop. - Draden ,, ,, ,, - Angel ,, ,, ,, - Tanden ,, ,, ,, - Oogen ,, ,, ,, - Spinwerktuig van een zijdeworm. - Hersenen van eene vlieg. - Gezichtszenuwen van eene vlieg. - Uiteinde der pooten. - Angel en koker van eene vloo. - Pooten ,, ,, ,, - Oogen van een rombout. - ,, ,, ,, kever. - Angel ,, ,, luis. - Huid ,, ,, ,, - Legangel ,, ,, ,, - Bloedkoraal. - Doorsnede van een oesterschelp. - Ongeboren oesters in een buisje. - - - PLANTAARDIGE VOORWERPEN. - - Dwarse en overlangsche doorsnede van ijpenhout. - ,, ,, ,, ,, ,, greenenhout. - ,, ,, ,, ,, ,, ebbenhout. - ,, ,, ,, ,, ,, lindenhout. - ,, ,, ,, ,, ,, eikenhout. - ,, ,, ,, ,, ,, kaneel. - ,, ,, ,, ,, ,, kurk. - ,, ,, ,, ,, ,, bies. - Doorsnede van uitgedolven hout. - Kiem uit het zaad der rogge. - Vaatbundels uit de muscaatnoot. - - - MINERALE VOORWERPEN. - - Stukjes wit marmer. - ,, bergkristal. - ,, diamant. - ,, bladgoud. - ,, stofgoud. - ,, zilvererts. - Salpeter-kristallen enz. - - -Het volgende moge tot bewijs strekken dat Leeuwenhoek niet enkel door -zijne microscopische waarnemingen uitmuntte, maar ook op ander gebied -met goed gevolg de natuurwetenschappen beoefende: - -Hij verhaalt in een brief aan den Heer Nicolaas Witsen, Burgemeester -van Amsterdam, d.d. 10 Juli 1696, hoe hij eenige jaren geleden met den -Heer Christiaan Huygens over de dagelijksche omwenteling der aarde -sprekende, hem een door hem uitgevonden toestel, voor eene -aanschouwelijke verklaring van deze beweging liet zien, welke geleerde -daarin zoo veel genoegen had, dat hij Leeuwenhoek verzocht ook voor hem -zulk een toestel te maken. Het bestond in eene flesch of glazen bol met -korten wijden hals, welke hij met water vulde en er eenige stukjes -fijngeslagen rood lak in deed; daarna hing hij er een looden kogel in, -waarin een klein gaatje geboord was, waardoor een touwtje was gestoken -waaraan de kogel hing. Hij sloot vervolgens de glazen bol met eene -kurk, welke eveneens met eene opening voorzien was waardoor het touwtje -ging. Hij liet nu de kogel door middel van dit in de kurk gestoken touw -zoo ver in den bol zakken, dat deze maar even van den bodem van het -glas verwijderd was, waarna hij den bol omgaf met een netsgewijs -gevlochten touw of lint, welks einden zoo lang waren, dat deze een voet -boven den hals van den glazen bol uitkwamen; deze einden nam hij te -samen en draaide ze, terwijl de bol op een kussen op de tafel stond, -vele malen met de vingers, even als een koord, om. - -Nu lichte hij den geheelen aldus ingerichten toestel aan deze -ineengedraaide uiteinden even van het kussen op, waardoor dus de bol in -eene snelle ronddraaiende beweging geraakte. De loden kogel nu in de -glazen bol stelde den aardbol voor, het water in den bol de -waterachtige lucht waarin wij leven, en de stukjes lak de wolken. -Wanneer nu de bol in de beschreven ronddraaiende beweging was, bleef de -kogel alleen, ofschoon langzaam ronddraaiende, als stil hangen, terwijl -de lakdeeltjes, die, toen de bol nog in rust was, zich om den kogel -gelegerd hadden, in het omdraaien zich tegen de wanden van den bol -plaatsten en zich dus zoo ver van den kogel verwijderden, als de holte -van den bol zulks toeliet. Plaatste hij nu het toestel weder op het -kussen, zoo zag hij, dat de lakdeeltjes verward op den kogel -nedervielen. Nu gaf hij aan dit experiment de volgende verklaring: dat, -gelijk door de beweging van het glas de lakdeeltjes van den kogel -werden weggestooten, hij zich voorstelde, dat de wolken door de -dagelijksche omwenteling of draaiing van den aardbol in de lucht werden -opgehouden, en dat, even als met het stil houden van het glas al de -lakdeeltjes zich rondom den kogel plaatsen en deze bedekken, hij zich -voorstelde dat het toe zou gaan, wanneer de aardbol stil stond en het -heelal om de aarde werd bewogen, namelijk; dat al de wolken en ook de -waterdeelen en andere zware stoffen, waarin wij leven, niet in de lucht -zouden kunnen blijven zweven, maar nederstorten op den aardbol. Verder -toonde hij aan, door de kurk met het touwtje, waaraan de kogel in den -bol hing, uit den hals op te trekken, doch zoo, dat hij het touwtje met -den kogel zoo laag liet zakken, dat deze nabij den bodem van den glazen -bol aan kwam leggen, en hij dan dezen kogel door zachtjes aan het touw, -waaraan hij hing te draaien, in eene rondgaande beweging bracht, dat de -lakdeeltjes van den kogel werden afgestooten, waaruit hij de beweging -van de aarde om haren as aanschouwelijk voorstelde en waardoor eveneens -de vochtige dampen werden weggestooten. - -Deze aanschouwelijke voorstelling van de ronddraaiende beweging der -aarde schijnt aan Huygens stof tot nadenken te hebben gegeven, hij -beschrijft eene verbeterde inrichting van den glazen bol, door die te -vervangen door een cilindrisch vat, en wel in een brief aan -Leeuwenhoek, van 6 Maart 1690, waarvan zich het manuscript in de -bibliotheek der Leidsche Hoogeschool bevindt. - - - -Het was geen wonder dat landgenoot en vreemdeling begeerte gevoelden -een man persoonlijk te leeren kennen van wien zoo grooten naam uitging, -wiens waarnemingen algemeen eene buitengewone belangstelling hadden -opgewekt en wiens ontdekkingen op de gewichtigste vraagstukken der -physiologie van menschen, dieren en planten betrekking hadden. - -Het ontbrak dan ook niet aan een tal van personen, die hem gingen -opzoeken; velen voorzeker werden alleen gedreven door de begeerte om -hunne nieuwsgierigheid te bevredigen en het wonderbare, waarvan het -gerucht tot hen gekomen was, met eigen oogen te aanschouwen, maar ook -niet weinigen, die door edeler drijfveeren werden aangespoord en vooral -zijne microscopen wenschten te zien waarmede hij zulke ontdekkingen -deed, ten einde zoo mogelijk het geheim zijner bewerking van hem te -leeren. Voorts kwamen zij om hunne bewondering over zijne waarnemingen -te betuigen, wetenschappelijke quaesties, die hij ter sprake gebracht -had, te overwegen en hulde te brengen aan zijn onvermoeide vlijt en -volhardenden ijver. Herhaalde malen kwamen hem dan ook leden der -beroemde Royal Society bezoeken en brachten hem de groeten over van de -grootste Engelsche geleerden, zoo als Robert Hooke, François Aston, -Christopher Wren, Hans Sloane, Nehemiah Grew, Richard Waller, Thomas -Gale enz. enz., die hem dikwijls, als bewijs hunner belangstelling, -afdrukken der „Philosophical Transactions” toezonden, waarin zijne -ontdekkingen waren opgenomen en andere wetenschappelijke onderwerpen, -die daarmede in verband stonden, werden behandeld. - -Beroemde landgenooten, zoo als Constantijn en Christiaan Huygens, -Reinier de Graaf, Swammerdam, Heinsius, Boerhaave, Ruysch, enz. -bezochten hem herhaaldelijk en bespraken met hem de onderwerpen, die -hunne belangstelling hadden opgewekt. Genees- en Heelmeesters kwamen -niet zelden zijn gevoelen vragen over onderwerpen van geneeskundigen -aard, terwijl zijn briefwisseling met de meesten hunner, alsmede met -Leibnitz, Cink, Narrez, Rega, Gerard van Loon, Poot, Rabus en anderen, -de stof leverden voor de belangrijke verzameling, die onder den naam -van „de brieven van Leeuwenhoek” niet minder dan een 190tal bedragen, -behalve nog een aanzienlijk aantal aan bijzondere personen, die niet in -zijne verzameling gevonden worden en het meer dan honderdtal, waarvan -ik boven melding maakte als na zijn dood ter verkoop aangeboden, en -waarvan er zeker hier en daar in bijzondere verzamelingen nog zullen te -vinden zijn. - -Onder de geleerde vreemdelingen, die niet verzuimden bij het bezoeken -van ons land ook een uitstap naar Delft te doen, ten einde den -beroemden Leeuwenhoek te zien en het een en ander merkwaardigs van hem -te beschouwen, behoort ook een geleerde Duitscher Zacharias Conrad von -Uffenbach. Deze verhaalt, in zijn in 1754 in het licht gegeven -„Merkwürdige Reisen durch Nieder-Sachsen, Holland und Engelland 3er -Th.”, dat hij met zijn broeder op den 4den December 1710 een bezoek -bracht „bij den beroemden „Observatore microscopico Leeuwenhoek”,” doch -dat hij daartoe eene bijzondere aanbeveling noodig had [194], daar -Leeuwenhoek, die toen reeds 78 à 79 jaren oud was, den toegang tot hem -niet meer zoo gereedelijk toestond, dewijl hij gedurig door allerhande -nieuwsgierige bezoekers bleek lastig gevallen te zijn; zoo als blijkt -uit het verzoek dat zoowel Leeuwenhoek, als zijne dochter Maria, aan de -reizigers bij hun vertrek op het hart drukten, om aan niemand te zeggen -dat zij bij haar vader waren toegelaten geworden. „Als wir gehen -wolten” verhaalt Uffenbach „bate sowohl der wunderliche Mann, als auch -seine Tochter instäntlich, dasz wir doch niemand sagen solten, dasz wir -bey ihne gewesen und etwas gesehe; denn es seye alt, und des vieles -Ueberlaufens, sonderlich von Leuten, die keine rechte Liefhaber seyen, -ganz mühe.” - -Uffenbach en zijn broeder werden bij dit bezoek door de dochter van -Leeuwenhoek vriendelijk ontvangen en vooraf in eene zijkamer gelaten, -waar zij hun verhaalde „dat haar vader sedert eenige jaren veel nieuwe -zaken met zijne microscopen ontdekt had, doch dat hij bij zijn leven -niets meer van zijne waarnemingen wilde uitgeven, dewijl men hem in -geschriften smadelijk bejegend om zijne meeningen over sommige -onderwerpen bespot had en hem beschuldigde dat hij meer door zijne -verbeelding dan door zijne glazen had gezien.” - -De geleerde reizigers werden door Leeuwenhoek „gar höflich” ontvangen. -Het eerste dat hij hun zeer duidelijk en schoon liet zien, was de -omloop van het bloed in den staart van eene kleine bot. Verder -vertoonde Leeuwenhoek in eene mossel de ontwikkeling der jongen, ook -sneed hij een darm der mossel open en toonde door zijn microscoop eene -groote hoeveelheid zand aan, dat de mossels met het slijm, waarin zij -leven tot zich nemen. Hij meende daarbij dat dit zand diende tot -vorming der schalen voor de jongen, even als de hoenders behoefte -hebben aan zand en kalk voor de vorming der eierschaal. - -Voorts toonde Leeuwenhoek in een haarbuisje meer dan dertig uiterst -kleine jonge oesters in spiritus vini bewaard, welke zeer duidelijk te -onderkennen waren. - -Op hun vraag, hoe hij deze kleine oesters in zulke haarbuisjes had -gekregen, antwoordde hij, dat hij den darm eener oester opensneed en -met een pennemes een weinig van de daarin vervatte materie nam, hetwelk -hij dan op den nagel van zijn duim afstreek, waarop hij vervolgens een -droppel brandewijn goot en het haarbuisje in dit mengsel stak, waardoor -het vocht dan van zelf door het capillair vermogen werd opgezogen, en -daarmede ook de jonge oesters in het buisje kwamen. - -Behalve nog andere merkwaardige zaken vertoonde Leeuwenhoek een -zandkorreltje, dat even als het schoonste kristal met facetten voorzien -was. - -Verder vertoonde hij nog de schub van eene visch en liet hen de -verschillende laminae zien, waaruit zij bestond die allen over elkander -lagen. - -Ook wilde Leeuwenhoek hen toonen, dat de mensch, zoo als hij meende, -ook schubben zou bezitten en schraapte met een pennemes langs zijn arm, -van welk afschraapsel hij een weinig op een glaasje bracht. Nog -vertoonde hij het oog eener vlieg, bestaande uit talrijke zeszijdige -halve bolletjes, „welchen Herr Leeuwenhoek vor lauter Augen hielte, und -also die Vliegen zu mehr als Argus machte.” Ook liet hij de vleugel -eener vlieg met hare talrijke vertakkingen van zenuwen en aderen zien; -alsmede de angel eener mug. Deze vertoonde zich door zijn microscoop -wel twee duimen lang te zijn; en eindelijk liet hij hen zijn cabinet -zien, waarin hij, zegt Uffenbach, wel een driehonderdtal van de -genoemde microscopen, met voorwerpen voorzien, bewaarde. - -Betreffende het gesprek dat de gebroeders vervolgens met Leeuwenhoek -hielden over de wijze waarop hij zijne glazen sleep, en of hij er geene -uit gesmolten glasbolletjes vervaardigde, en over andere -bijzonderheden, de vervaardiging zijner microscopen betreffende, heb ik -reeds het noodige op blz. 25 vermeld. - -De gebroeders Uffenbach maakten het echter met al hun vragen en -uithooren onzen Leeuwenhoek vrij lastig, daar zij zeer goed bemerkten, -dat hij op zijn hoede was, om zich niet meer dan hij dienstig oordeelde -over enkele bijzonderheden uit te laten. „Doch lockten wir ihm” zoo -verhaalt Uffenbach met zekere genoegdoening over zijn listig uithooren, -„durch allerhande Frage eines und des andere aus.” - -Onze reizigers verlieten hem zeer voldaan en verheugd, dat zij zoo veel -merkwaardigs bij dezen „wunderlichen Alten,” gezien hadden. - -Onder de vorstelijke personen, die van den beroemden micrograaph -gehoord hadden en hem in Delft opzochten, vinden wij het bezoek -aangeteekend van Anton Ulrich, Hertog van Brunswijk; Karel II en George -I, koningen van Engeland; de Landgraaf van Hessen Cassel; Augustus -koning van Polen; Frederik I, koning van Pruissen; de Keurvorst van den -Palts en zijn zoon en broeder; Prins Lichtensteyn, die hem namens Karel -III, koning van Spanje kwam uitnoodigen om met zijne microscopen in den -Haag te komen, ten einde hem die te laten zien; Anna Maria, koningin -van Engeland, en eindelijk Czaar Peter I van Rusland. - -Omtrent het bezoek van deze twee laatstgenoemde vorstelijke personen -vond ik de volgende bijzonderheden: - -Toen in het jaar 1691 of 1692 de koningin van Engeland ons land -bezocht, begaf zij zich ook naar Delft om den beroemden Leeuwenhoek te -zien en zijne microscopische merkwaardigheden te beschouwen, doch vond -hem niet in de stad. Geen wonder dat Leeuwenhoek, toen hij bij zijne -terugkomst vernam, welk een hooge personage hem bezocht had en welk -eene groote onderscheiding hem daardoor beschoren was geweest, zich -over die teleurstelling zeer beklaagde. Hij wenschte echter zijne -erkentelijkheid voor dit bezoek op eene wijze te betoonen, die hem -toedacht de Hooggeplaatste bezoekster het meest welgevallig te zijn en -droeg in eene sierlijke voorrede een gedeelte, namelijk, het derde -vervolg zijner brieven, die hij voor de pers had gereed gemaakt, aan -haar op. - -Gelukkiger was hij echter eenige jaren later bij gelegenheid van een -bezoek hier te lande van Czaar Peter I, in 1697–1698. - -Mr. Gerard van Loon [195] beschrijft dit bezoek aan Leeuwenhoek op de -volgende wijze: - -„Zijn (Czaar Peter I) vertrek uit ’s Gravenhage geschiedde met een -binnenjagt over Delft, alwaar hij de deftige wapenhuizen der Staten van -Holland met zeer veel oplettendheid bezigtigde en het jacht voor het -kruithuis der Algemeene Staten, nabij Delft, deed stil houden, en door -twee Heeren zijns gevolgs den vermaarden Antoni van Leeuwenhoek deed -verzoeken van zich in een der volgende vrachtschepen met zijn -weergalooze vergrootglazen bij hem te vervoegen, dewijl hij zelf bij -het doorvaren aan zijn huis wel zou gekomen zijn, bijaldien hij dit om -den toevloed der menigte te ontvlieden met verdagt niet had -achtergelaten. Hij vervoegde zich derwaarts en had de eer van onder -andere zeldzame ontdekkingen den wonderlijken omloop des bloeds in een -aale-staart, door middel zijner zonderlinge vergrootglazen tot zoo -groot genoegen des Vorsts te doen beschouwen, dat zoo in deze als in -andere bespiegelingen bij de twee uren werd gesleten en de Czaar vóór -zijn vertrek den gemelden Leeuwenhoek, wegens te laten zien van zoo -overkleyne voorwerpen bij handtasting ook van zijne zonderlinge -dankbaarheid verzekerde.” - -Het is inderdaad niet te verwonderen, dat bij het ondervinden van zoo -veel onderscheiding en belangstelling in zijn persoon en werkzaamheden, -het hart van den eenvoudigen Kamerbewaarder van H.H. Schepenen van -Delft zich wel eens een weinig zal verheven hebben, of dat eenig gevoel -van trots hem bezielde. De uitingen van bewondering van hetgeen men bij -hem zag, vervulden dan ook zijn hart met groote vreugde. - -„Ik heb” zoo schreef hij aan den Secretaris der „Royal Society”, toen -hij, nu de bekendmaking van zijne ontdekking der bloed lichaampjes en -zijne waarnemingen van den bloedsomloop daarover een zeer vleienden -brief ontvangen had, „met een levendig genoegen gezien, dat mijne -microscopische waarnemingen niet onaangenaam zijn geweest aan u, noch -aan uwe vrienden de philosophen en dit heeft mij krachtig aangespoord -om mijne nasporingen voort te zetten;” of waar hij, van wege de „Royal -Society” een brief ontving [196] waarin de Secretaris Richard Waller -hem schrijft: „Wij hebben de uwe van enz.... ontvangen en in eene -vergadering van de R. S. vertoont, alwaar ze gelesen wierden tot -genoegen van alle de tegenwoordige leden; en daar werd bevolen, dat men -U.E. bedanken soude over U.E. vriendelijke communicatiën, U.E. alle -voorspoet die U.E. selfs begeeren kunt toewenschende en u ook -aanmoedigende om voort te varen en nieuwe ontdekkingen van dees selve -natuere te maken, nademaal niemant beter versien is met gereetschap, of -beter gebruyk daarvan in microscopische observatien heeft gemaakt, als -U.E. zelfs.” - -Behalve de belangstelling, die Leeuwenhoek door de vereerende bezoeken -die hij ontving, mocht ondervinden, werden zijne verdiensten op vele -andere wijzen erkend en werd hij door vele aanzienlijken met groote -hartelijkheid en onderscheiding bejegend. Zoo bleek de hartelijke -wijze, waarop hij in het huisgezin van een der aanzienlijkste -landgenooten steeds ontvangen werd, uit de opdracht van het vijfde -vervolg zijner brieven aan den Heer Frederik Adriaan, Baron van Reede, -Heer van Renswoude enz. enz. - -Verschillende dichters, waaronder ook Arnold Hoogvliet en de beroemde -Poot, voelden zich geïnspireerd om de brieven, die door den toen reeds -86jarigen grijsaard geschreven waren en onder den naam van -„Sendbrieven” het 5de deel van de brieven van Leeuwenhoek uitmaken, in -te leiden. - -In den aanhef schildert de dichter Hoogvliet, hoe de bloemen, het gras -en de klaver, die in de Mei-maand hun geuren verspreiden, in het najaar -en in den winter verdwenen zijn, en alles gestorven is; wijst op een -wonder, namelijk een hof, die altijd bloeit en waarin bloemen en -vruchten te garen zijn, die de groote Leeuwenhoek in den winter van -zijn leven geplant heeft en zelfs deed rijpen: En nu vervolgt hij: - - - „Zagt, myn Zangnimf, wil bedaaren! - ’t Is geen winter in ’t vernuft, - Dat, na vijf en tachtig Jaaren, - Altydt arbeydt onversuft. - Hoe zou ’t winter weezen konnen, - In het brein des grooten mans, - Dat, door zoo veel glaaze zonnen, - Staag met warmte, licht en glans, - Wordt gekoestert en beschenen?” enz. - - -Hij beschrijft dan verder in vloeiende regelen de verschillende -waarnemingen en ontdekkingen door hem in dier en plant met zijn -microscoop gedaan, waardoor in het schijnbaar kleinste en nietigste -schepsel de grootste wonderen worden ontdekt. Dit opmerkende, zegt hij, -zal men: - - - Aanstonts, vol verbaastheit zeggen, - Dit’s gedaan door de eige handt, - Die den bliksem maakte en donder, - Die de hemelkringen sloot - Want het onbegrijplijk wonder - Is zoowel in ’t kleyne als ’t groot. - - -Ontbrak het Leeuwenhoek niet aan bewijzen, dat men zijne verdiensten -waardeerde en op prijs stelde, zoo schijnt men die echter, wat ons land -betreft, niet door bijzondere erkenning te hebben beloond; zoo men -daaronder ten minste niet rekenen wil, de douceurs, die het bestuur van -Delft, wegens het ten geschenke ontvangen van eenige zijner gedrukte -brieven aan de „Royal Society” hem gegeven heeft. Men vindt namelijk in -het „6de lopende memoriaal” van H.H. Burgemeester van Delft, de -volgende aanteekening: - -„Den 4 April 1693, per cassa, aan Antony van Leeuwenhoek de somma van -36 gld., over de „presentatie” zijner brieven, zijnde: „Brieven, -geschreven aan de Koninkl. Societeyt te Londen.”” - -Voor het 5de en 6de vervolg dier Brieven, ontving de groote -natuurvorscher, respectievelijk 30 en 24 gld. Dergelijke vereeringen of -douceurs (zoo schreef mij Mr. Soutendam) waren toen zeer gebruikelijk. -O. a. ontving ’s mans tijdgenoot Dr. Abrahamus Berkel, Rector der -Latijnsche scholen, voor de „dedicatie” van: „Enchiridion Epicteti,” -hetwelk hij met zijn noten heeft doen drukken en uitgeven, de som van -63 gld. - -Dat zoodanige erkenning echter, ten minsten later, al ware die -geschied, in zijn smaak zou gevallen zijn, mag men uit enkele -uitdrukkingen in zijn correspondentie betwijfelen. Leibnitz schijnt dit -punt in eene briefwisseling met Leeuwenhoek te hebben aangeroerd; -althans zegt hij, in een antwoord aan Leibnitz d.d. 13 Maart 1716 -[197]. „Die geene die in onzen landen, om haar kennisse en -wetenschappen, vergelding krygen, dat syn Heeren Professoren, -Predicanten, en de Meesters in de Latynze schoolen, die soo veel Latyn -konnen, dat ze de jonge luyden in die taal konnen onderwijsen. De -groote hemelbeschouwer, wylen Christiaan Huygens, heeft mij verhaalt, -dat sekere persoon in eene andere provinsie twee duysent guldens heeft -bekomen, over syn dienst in ’t maken van tafels. Waar over de selve -misnoegt was, seggende, men behoorde hem beter uyt het lant te bannen, -als dat gelt te geven; want hy heeft eerlyke luyden beledigt. In ’t -kort” zegt L. ten slotte „ik weyger giften om niet verpligt te syn.” - -Intusschen was men toch in het buitenland er op bedacht den ijverigen -natuuronderzoeker geschenken aan te bieden, als blijken van de -waardeering zijner werkzaamheden. - -Zoo vereerde hem de Landgraaf van Hessen-Cassel, op zijn reis door -Holland, waarbij hij Leeuwenhoek in Delft bezocht en vele belangrijke -zaken uit zijne verzameling bezichtigd had, uit erkentelijkheid, twee -gedenkpenningen met diens beeltenis voorzien. - -Toen Leeuwenhoek den Landgraaf daarover zijn dankbaarheid in een brief -betuigde, antwoordde deze hem, zoo als Leeuwenhoek dit in hetzelfde -schrijven aan Leibnitz vermeldt [198]. „Uwe gift is grooter als de -mijne.” - -Eene groote onderscheiding viel hem den 24sten Mei 1716 te beurt, van -wege de Hoogeschool te Leuven. Hij was al sedert geruimen tijd met -Antoni Cink, Narrez en Rega, Hoogleeraren in de Natuur- en Geneeskunde -aldaar in correspondentie. Deze briefwisseling geschiedde veelal door -tusschenkomst van Mr. Gerard van Loon, den bekenden schrijver der -Nederlandsche Historiepenningen, en werd in de jaren 1713–1715 gevoerd. - -Deze Hoogleeraren, leden van het Collegie van „’t Wilde Swijn” te -Leuven, voelden zich gedrongen aan Leeuwenhoek een schitterend blijk -hunner achting en warme belangstelling aan te bieden. Op hun last -namelijk werd een zilveren gedenkpenning vervaardigd, die op de -voorzijde het borstbeeld van Leeuwenhoek vertoonde, met het omschrift: -„Antonius Leeuwenhoek Regiae Societatis angliae membrum.” - -Op de andere zijde ziet men in het verschiet de stad Delft, en op den -voorgrond een bijen-korf, met eenige daarom rondvliegende bijen, -benevens eene bloeiende plant, terwijl de spreuk uit Virgilius er op -voorkomt (Georgia IV. v. 6.) - - - In tenui labor, at tenuis non gloria [199]. - - -Gerard van Loon werd persoonlijk belast hem dit eereblijk, met een -begeleidend, vereerend schrijven, op plechtige wijze te overhandigen. -Leeuwenhoek betuigde in een brief aan genoemde Professoren zijn grooten -dank, ook voor het Latijnsch lofdicht, dat bij wijze van opdracht er -aan was toegevoegd. Van dit gedicht zegt hij, dat het was: „Vol van -vloeijende aardigheden”. - -Als een bewijs hoe gevoelig Leeuwenhoek was wegens de groote eer hem -aangedaan, diene hetgeen hij laat volgen: „En als ik gedenk aan de -loftuytingen, die in UEd. brief, ende in het lofdigt, werden gemelt, -soo werde ik niet alleen schaamroot, maar myn oogen tranen meermalen; -te meer omdat myn arbeyt, dien ik veel jaren agter een gedaan hebbe, -niet is geweest om den lof dien ik nu geniet, daardoor te behalen, maar -meest uyt een drift van weetgierigheyt, die in my meer woont, gelijk ik -merk, dan in veel andere menschen.” (Het blijkt uit een brief aan -Leeuwenhoek, d.d. 22 Juni 1716, dat dit gedicht was vervaardigd door J. -G. Kerkherdere „synen Keyserlyke en Koninglyke Majesteits-Historicus.”) -In dezen brief geeft hij nogmaals lucht aan zijn dankbaar gevoel, in -bewoordingen, die als eene bijdrage te meer mogen gelden van de -waardeering van Leeuwenhoek’s karakter. Hij drukt zich aldus uit: „.... -ende dat ingesien hebbende, stond ik verbaast, met ontsteltenisse van -myn ligchaam, over de menigvuldige uitdruksels van hooge agtinge, die -UE. Hooggeleerde ende wydvermaarde Heere, in uw noyt volpresen vers -komt te doen. Ik ken immers my selven tot soo verre, dat ik op het -honderste deel niet waardig ben de uytdrukselen, die gy over myn -geringen arbeyt komt te doen: want die komt alleen voort uyt een -neyginge, die ik hebbe om de beginselen van de geschapene saaken te -ondersoeken, tot soo verre als het my mogelyk was.” - -De dichter Poot maakte op dezen gedenkpenning het volgende bijschrift: - - - De Rotte duik’ daer de oven, - Erasmus in metael verkeert, - Wij loven ’t kunstig Loven (Leuven) - Dat d’ eer van Delf met zilver eert. - ’t Zent Leeuwenhoek naar ’t leven, - Aan Leeuwenhoek, door munt herteelt, - Wat kon men grooter geven? - Dees helt verdient een zinnebeelt. - Doch wort de magt niet kranker, - Zoo glinstert hy van gout op ’t lest; - Maar ’t zilver is vry blanker, - En dat gelykt zyn inborst best. - Dus pryst de School ’s mans grysheit, - De wysheit kroont de wijsheit! - - -De grootste eer nogtans, waarop Leeuwenhoek zelf den hoogsten prijs -stelde en waarop hij met verschoonbare verheffing dikwijls roemde, was -zijne benoeming tot „Lid der Royal Society te Londen.” Deze -onderscheiding viel hem te beurt toen hij nog in de kracht van zijn -leven was, namelijk op 46jarigen leeftijd. Ik spreek er het laatst van -omdat ik de bijzonderheden, die deze benoeming voorafgingen en -vergezelden, eenigszins uitvoeriger wilde mededeelen; daarbij heb ik -gebruik gemaakt van de aanteekeningen, die men bij Birch, „the History -of the Royal Society of London,” 1757, vol. IV vindt, omtrent het -verhandelde in de vergaderingen van dit geleerd genootschap, welke -aanteekeningen men als het Notulenboek der Sociëteit kan aanmerken. - -Nadat Leeuwenhoek, sedert zijn eerste aanraking met dit geleerd -genootschap in 1673, in eene immer levendiger correspondentie was -getreden en hij zijne onderzoekingen, over onderscheiden onderwerpen, -voornamelijk die van de bloedlichaampjes en de circulatie van het bloed -had bestudeerd, waarvan de resultaten zoo belangrijk waren voor de -physiologie en hij kort daarna de niet minder belangrijke ontdekking -deed van de infusoria, welke ontdekkingen wij boven gezien hebben, dat -zoo zeer de verbazing en bewondering van de leden der „Royal Society” -hadden opgewekt, had zijne benoeming tot Lid van dit Collegie in de -vergadering van 29 Januari 1680 plaats [200]. Birch teekende van dit -besluit der vergadering het volgende aan: „Dr. Heusch, Mr. Firmin, Mr. -Houghton worden gekozen; evenzoo ook Mr. Leeuwenhoek, op voorstel van -Dr. Croune.” - -In dezelfde vergadering werd aan Dr. Gale, Secretaris van het Collegie, -opgedragen, om een diploma voor hem gereed te maken. Aan genoemden -geleerde werd in de vergadering van 12 Februari [201], gevraagd of het -diploma reeds gereed was en bevolen dat het zegel der Sociëteit er aan -gehecht zou worden. Men schijnt Leeuwenhoek echter nog eene extra -onderscheiding waardig gekeurd te hebben, zoo als ik dit bij geen der -benoemingen in dit Collegie bij Birch vermeld gevonden heb, namelijk: -„er werd bevolen dat er tevens een zilveren doos voor moest gemaakt -worden, waarin dit diploma zou worden besloten, en op welke doos de -„wapens der Sociëteit” zouden worden gegraveerd [202].” - -In de vergadering van den 23sten Februari werd de vervaardiging daarvan -aan zekeren Mr. Hunt opgedragen. Het diploma werd vervolgens, toen -alles gereed was, met een begeleidend schrijven, namens de Sociëteit, -door den Engelschen gezant bij de Hollandsche regeering aan Leeuwenhoek -overhandigd [203]. - -Zoo was dan het ideaal van den grooten natuuronderzoeker verwezenlijkt -en zijn vurigste wensch vervuld. Voortaan zal hij medegerekend worden -onder de illustere leden van het hoogste wetenschappelijk collegie van -Europa, dat, hoewel reeds in 1645 opgericht, ten tijde van Leeuwenhoek -nog slechts kort geleden op vaste grondslagen was gevestigd en de -beroemdste geleerden der beschaafde wereld van dien tijd in zijn -gelederen telde [204]. - -Dat hij niet naliet, zoo spoedig doenlijk zijne dankbaarheid voor de -ontvangen onderscheiding kenbaar te maken, zal wel geen verwondering -baren. Reeds in de vergadering van den 13den Maart 1680 rapporteerde -Robert Hooke, dat hij drie brieven van Leeuwenhoek ontvangen had, -waarvan de eerste betuigingen bevatte van zijn warmen dank aan den -President en de leden der Sociëteit, voor de eer hem aangedaan. De -tweede brief behelsde het bericht van ontvangst van het diploma en -vernieuwde betuigingen van zijn dank, en tevens de verzekering van zijn -voortdurenden ijver om de Sociëteit te dienen, zoo veel hij kon en dat -hij dit zou blijven doen, zoo lang hij leefde; terwijl de derde weder -eenige waarnemingen van hem behelsde. - -En Leeuwenhoek heeft woord gehouden. Niet alleen, dat hij, zoo als ik -boven aanstipte, tot op 85jarigen leeftijd in geregelde briefwisseling -met de Sociëteit verkeerde, toen hij (20 November 1717) zoo het scheen -voor goed afscheid er van nam, maar het blijkt ook uit hetgeen ik in de -„Philosophical Transactions” van na den bovengenoemden datum, tot op -het jaar 1723, zijn sterfjaar, gevonden heb, dat zijn werkzame geest -zich geen rust gunde, vooral daar zijn verstand en oog ook nog in dat -tijdsverloop helder bleef, hoewel zijne handen „swak werden, ende een -weynig bevinge ondervonden” zoo als hij zich in dien brief uitdrukte. - -In het 31ste en 32ste deel namelijk der „Transactions” worden nog een -achttal brieven gevonden van de jaren 1720 tot 1723 (waaruit blijkt, -dat hij dus gedurende een halve eeuw met de „Royal Society” -briefwisseling gevoerd heeft), terwijl hij nog op zijn sterfbed aan -zijn vriend Johannes Hoogvliet [205] opdroeg, twee brieven, die hij in -den laatsten tijd geschreven had, in het Latijn te vertalen en in zijn -naam aan de Sociëteit toe te zenden. - -De treffende bijzonderheden van deze laatste opdracht mag ik niet -achterhouden; ze zijn ons bewaard gebleven in het 32ste deel der -„Philosophical Transactions”, pag. 435, waarin bericht wordt „dat een -brief ontvangen is van Johannes Hoogvliet, d.d. 1 September 1723, aan -den Secretaris der „Royal Society” Jacobus Jurin, overleggende twee -brieven, die op verzoek van den stervenden Leeuwenhoek werden -toegezonden.” Deze missive van Hoogvliet was van den volgenden inhoud -en in ’t Latijn geschreven: - -„Onze eerwaardige grijsaard Leeuwenhoek liet mij, toen hij reeds met -den dood kampte, maar desniettemin nog aan zijn geliefde studie dacht, -tot zich roepen en vroeg, mij met reeds half gebroken oogen aanstarende -en in afgebroken woorden, of ik deze beide brieven in het Latijn wilde -overzetten en aan u, zeer geleerde Heer toezenden. Daar ik het verzoek -van zulk een man, zoo als ik dat reeds sedert eenige jaren gewoon was, -niet kon weigeren, zoo zend ik u, zeer geleerde Heer, het laatst -geschenk van mijnen stervenden vriend, hopende dat deze zijne laatste -werkzaamheden u aangenaam zullen zijn.” - -De inhoud dezer twee brieven was: - - - 1º. Over de globulen in het bloed en in den moer van den wijn. - 2º. Over de voortteeling der dieren en over de klopping van het - middenrif. - - -Uit den inhoud dezer twee brieven ziet men, dat de twee belangrijkste -onderwerpen, die zoo zeer bijgedragen hadden om zijn naam onsterfelijk -te maken en waaraan hij schier zijn geheele leven gewijd had, hem zelfs -op zijn sterfbed voor den geest zweefden en tot op het laatst zijns -levens het gewichtig onderwerp zijner onderzoekingen uitmaakten. - -Men meene echter niet dat zijn eenigste gedachten op de stoffelijke -dingen der aarde gevestigd waren, zoodat hij zelfs met den dood voor -oogen zijn geest daarmede uitsluitend zou hebben bezig gehouden. Neen, -wij kunnen uit onderscheidene plaatsen in zijne brieven zien, dat een -innig godvruchtige geest in hem woonde en hij in alles wat hij -verwonderlijks zag en opmerkte Gods grootheid en almacht roemde. Hoor -onder anderen wat hij zegt in een brief aan Nicolaas Witsen [206], -„Want wy en konnen den Heere en maker van het geheel-Al, niet meer -verheerlyken, als dat wy in alle zaken, hoe klein die ook in onse -bloote oogen mogen zijn, als ze maar leven en wasdom hebben ontfangen, -zyn Al-wysheit en volmaaktheit, met de uiterste verwondering sien -uitsteken.” - -Of zijn ontboezeming in een brief aan Frederik Adriaan [207] over het -ontstaan van de oneindig kleine diertjes. „O diepte der Wysheyt, hoe -ondoorgrondelijk zyn uwe werken, zullender nu nog menschen gevonden -werden, die seggen datter geen God is?” - -Ik zou deze voorbeelden nog met een aantal anderen kunnen vermeerderen, -doch het aangevoerde zal, vertrouw ik, voldoende zijn om zijn vromen -geest te kenschetsen. - -Nadat de eerbiedwaardige grijsaard deze zijne laatste beschikkingen -gemaakt had, kon hij gerust het hoofd nederleggen, omringd door zijne -geliefde dochter, betrekkingen en trouwe vrienden, en met recht kan van -hem gezegd worden, dat hij gewerkt had, zoo lang het voor hem dag was. - -Leeuwenhoek overleed den 26sten Augustus 1723 en had alzoo den ouderdom -van bijna 91 jaren bereikt, waarvan hij er met zekerheid meer dan 60 -onafgebroken aan zijne geliefkoosde natuurstudiën had gewijd. - -Hij werd in de St. Hippolitus- of Oude Kerk te Delft begraven, alwaar -een gedenkteeken nog in goed onderhouden toestand gevonden wordt, dat -zijne dochter Maria, 17 jaren na het overlijden van haren vader, ter -zijner nagedachtenis en eere heeft doen oprichten. Dit gedenkteeken -bestaat uit een spits toeloopende naald van hardsteen, door eene vaas -gedekt, al waar in het bovengedeelte de buste van Leeuwenhoek in wit -marmer is aangebracht, en waaronder men de volgende inscriptie leest: - - - „Piae et aet. (ernae) Memor. (iae) Antonii a Leeuwenhoek, reg. - (iae) angl. (icae) Societ. (atis) membr. (o), qui naturae - penetralia et physices arcana microscopiis ab ipso inventis et - mirabili arte fabricatis assiduo studio et perscrutatione detegendo - et idiomate belgico describendo de toto terrarum orbe optime - meruit.” - - Nat. Delphi XXIV Oct. An. MVICXXXII. - Ibique denat. XXVI Aug. An. MVIICXXIII. - - -Onder den breed uitloopenden voet der grafnaald, welke op vier bollen -rust, in het midden waarvan een wit marmeren doodshoofd op kruiselings -gelegde doodsbeenderen, leest men de volgende inscriptie: - - - „Patri charissimo hoc monumentum filia Maria” - A. Leeuwenhoek Moerens P. (osuit). - - -Het geheele monument is omgeven door een sierlijk bewerkt ijzeren hek, -terwijl vóór dit hek zich het familiegraf bevindt, gedekt door eene -zware zerk, waarop het volgende opschrift is uitgehouwen: - - - „Hier rust Antony van Leeuwenhoek, oudste lid van de Koninklyke - Sosyteyt in Londe, gebooren binnen de Stadt Delft op den 24sten - October 1632 en overleden op den 26sten Augustus 1723, out synde 90 - jaren 10 maanden en 2 dagen. - - „Heeft elk, o wandelaar, alom - Ontzagh voor hoogen ouderdom - En wonderbare gaven, - Zoo zet eerbiedigh hier uw stap: - Hier legt de grijse wetenschap - In Leeuwenhoek begraven” [208]. - - -En eindelijk is, geheel aan het onderste gedeelte der zerk nog -uitgehouwen: - - - „en Maria van Leeuwenhoek desselfs dogter, geboren te Delft den - 22sten September 1656 en overleden den 25sten April 1745.” - - -Verder is op de zerk uitmuntend uitgehouwen een schoon bewerkte -vliegende arend, met den kop hemelwaarts gericht, terwijl hij met de -klauwen een schild vastklemt, waarop zijn familiewapen [209] zal -gegrift geweest zijn, doch dat er in den Franschen tijd is uitgehouwen, -zoo als dit met al de wapenschilden in ons land, op oude monumenten, -waar deze vroeger bestonden, het geval is geweest. Het is een schild -van goud, beladen met een klimmenden leeuw van azuur, getongd en -geklauwd van keel. Het schild gedekt door een schuin staanden helm, -waarop als helmteeken een vogelvlucht van goud en azuur, gedekt met -helmdekken van goud en azuur. Onderaan ligt eene sphynx; dezelfde -figuur, die ook voorkomt op de allegorische titelplaat voor het eerste -deel van de brieven van Leeuwenhoek, en waarvan de beteekenis is, -volgens de uitlegging van deze titelplaat door den dichter T. van der -Wilt: - - - „Scherpzinnigheid, waarmede - ’t Verborge wert ontdekt, en ’t duistere verklaart”... - - -De dichter Poot maakte nog een ander gedicht „ter eeuwige -gedachtenisse” van zijn vriend Leeuwenhoek, waarvan de laatste regelen -dus luiden: - - - „O Leeuwenhoek, zoo blank van hart als hair, - Ter quader uur door ’t straffe lot bemagtigt, - Ziet uit uw graf, zie eens na hondert jaer, - Hoe door de faem uw glori wort bekrachtigt. - Wy zullen, als de lente weligh bloeit, - En ’t kille sneeu komt op ’t gebergt ontdoien, - Uw stil vertrek, uw rustplaets onvermoeit, - Met geurigh loof en versch gebloemt bestroien, - Terwyl zult ge u vermaken in den rei - Der zaligen, daer andre starren lichten. - Vergeef my nu, dat ik weemoedigh schrei - ’k Zal in myn ziel voor u een eerzuil stichten.— - En gy, die hier uws Vaders lyk betreurt, - Marye, eilaas! hoe schynt het heil verdweenen! - Bewys uw rou: ’t valt schaers een kint te beurt, - Zoo groot een’ Helt en Vader te beweenen.” - - -Zoo als uit al het bovenvermelde blijkt, zijn de bijzonderheden omtrent -de waarnemingen van Leeuwenhoek alle ontleend aan brieven door hem aan -de „Royal Society” te Londen en aan particulieren geschreven en beslaan -dus ook zijne geschriften uit eene verzameling dezer brieven, die allen -op verschillende tijden, aanvankelijk ieder afzonderlijk of enkelen te -samen, schijnen gedrukt en uitgegeven te zijn, blijkens de pagineering, -die in het eerste deel niet doorloopend is, maar voor iederen brief -afzonderlijk, en ook door de verschillende titels, waaronder zij bij -onderscheidene boekverkoopers te Delft en te Leiden zijn gedrukt en -uitgegeven. - -Er bestaan van deze zelfde brieven twee uitgaven, namelijk de -Hollandsche en de Latijnsche; beiden in vijf 4º deelen, waarvan het -vijfde deel de zoogenaamde „Sendbrieven” bevat. - -De Hollandsche verzameling, die in mijn bezit is, dateert van -1685–1718. Daarin zijn de brieven van Leeuwenhoek opgenomen, deels -onder den titel van „Ontleedingen en Ontdekkingen” enz., deels onder -dien van „Ondervindingen en Beschouwingen” enz., deels onder dien van -„Vervolg der brieven”, waarvan er zeven zijn. - -Deel I vangt aan met den 28sten brief en loopt tot no. 52, bevattende -de brieven van de jaren 1679 tot 1686, terwijl daarin ook het Eerste -Vervolg van no. 53 tot 60, loopende van April 1687 tot November van dat -zelfde jaar gevonden worden. - -Deel II bevat het Tweede tot Vierde Vervolg van no. 61 tot no. 83, -loopende van 1688 tot 1694. - -Deel III bevat het Vijfde en Zesde Vervolg van no. 84 tot no. 107, -loopende van 1694 tot 1696. - -Deel IV bevat het Zevende Vervolg van no. 108 tot no. 146, loopende van -1697 tot 1702. - -Deel V eindelijk bevat de „Sendbrieven” vervat in 46 brieven, loopende -van 1712 tot 1716. Na aftrek dus van de 28 niet uitgegevene zijn er in -deze verzameling in het geheel 165 brieven opgenomen. - -De reden waarom deze brieven eerst met den 28sten aanvangen schijnt -niet met zekerheid bekend te zijn. De drukker van de brieven, die in -het eerste deel voorkomen, zegt aan het begin van het „Register” op den -28sten tot den 52sten brief: „De voorgaande 27 brieven by den Auteur -geschreven, en heeft hij tot noch toe niet konnen resolveren, die met -den druk gemeen te maken; dus hier de 28ste Brief de eerste is die -gedrukt is.” - -Van Haastert [210] oppert het vermoeden, als of hij den inhoud dezer 26 -brieven uit kieschheid niet geschikt voor de publiciteit zou gekeurd -hebben, doelende op een postscriptum onder een brief van Leeuwenhoek, -handelende over de zaaddiertjes, waar hij zegt: - -„Ik heb nog eenige afzonderlijke waarnemingen over de vrouwen en de -bevrugting enz., doch ik houde die terug om geen aanstoot te geven.” En -in een anderen brief aan Petrus Rabus [211], „Myne stellingen omtrent -de versamelinge, bevrugtwerdinge en voorttelinge van onze vrouwen enz., -hebbe ik sedert dat ze UE. onlangs tot mijnent gelezen had, nog aan een -zeer geleerd en voornaam Heer laten zien en daarby gezeid, dat UE. my -hadde aangeboden om het in ’t Latyn over te zetten, en in die taal -wereltkundig te maken. Doch die Heer is, nevens my, van gevoelen, dat -wy zulks best mogten laten; eensdeels enz.... en ten anderen, uit vreze -dat de werelt, die dog boos en bot genoeg is, de Natuerkennis tot haar -verderf mogt gebruiken en meer en meer in ongebondenheid uitspatten.” - -Ik kan mij echter met deze opgegeven reden niet vereenigen, dewijl ik -in de brieven, die ik van Leeuwenhoek in de „Philosophical -Transactions” aan de „Royal Society” van vóór 1679 geschreven, gevonden -heb, die een zestiental bedragen, er slechts eene gevonden heb die over -de spermatozoïden handelt. - -Het is zeker te verwonderen, dat juist de brieven van 1673, waarin hij -zijn eerste brief aan bovengenoemd Collegie schreef, tot 1679, waarin -de 28ste of eerste brief der Verzameling is geschreven, in deze -verzameling gemist worden. Deze toch vertegenwoordigen een tijdvak, -waarin zijne waarnemingen, zoo zeer de bewondering en verbazing van de -leden der „Royal Society” opwekten, dat daardoor niet alleen de -aandacht op hem gevestigd werd, maar hem de hooge onderscheiding werd -waardig gekeurd als Lid van dat beroemd genootschap te worden -aangenomen en dat onder omstandigheden zoo vereerend voor hem als -wellicht zelden aan een ander zijn te beurt gevallen. Zijne in het -IXde, Xde en XIde deel der „Philosophical Transactions” opgenomene -brieven hebben betrekking op zijne microscopische onderzoekingen van -„bloed, melk, beenderen, de hersens, het haar, het kristallynvocht, de -gezichtszenuw, de textuur van het hout, de kleine diertjes in regen-, -wel-, zee-, en sneeuwwater, alsmede in water, waarin men peper had -laten trekken; de structuur der tanden, beenderen, ivoor.” - -Ik vermoed eer dat Leeuwenhoek geen afschriften van deze eerste brieven -zal gehouden hebben, zoo als hij dit van de anderen deed en mij uit -enkele perioden in sommige zijner brieven gebleken is, en hij daarom -buiten de gelegenheid was, toen men bij hem op de uitgave zijner -brieven begon aan te dringen, daaraan, wat deze 27 eerste betreft, -gevolg te geven. Dat Leeuwenhoek aanvankelijk tot die uitgave niet uit -eigen beweging, maar op aandrang van anderen is overgegaan, blijkt uit -een brief van zijn eersten uitgever Daniel van Gaesbeek te Leiden van 1 -Januari 1684, bij wijze van opdracht voor het eerste deel geplaatst, -waarin hij dus aanvangt: „Als alle de werelt seer verwondert sprak, van -de uitvindinge tot beschouwinge der onsienelyke -verborgenheidswaarheden, door UE. opgelost; ende dat veele boeken in -andere landen en taalen daar af gewaagden, brande myn lust, om meede -een oog-getuige daar in te zijn; soo heeft my den geleerden -Medicyn-meester de Heer Cornelis van ’s Gravesande, Raad en Scheepen -der stad Delft, bij UE. geleid: waar ik door UE. konstige en niet min -loflyke uitvindinge, die verwonderlyke verborgentheden Gods, door UE. -beleefde goeddadigheid komende te beschouwen, soo bevond ik, dat de -vreemde boeken die daar af door de wereld sweeven, in den zin, -afteekening en waardigheid niet weinig verschilden, en ook dat onse -eige ingeboorne landsaten in haar taal niet kosten genieten die -wetenschappen, die reeds eenige naburige volkeren in haar eygen taal en -sprake waren bekend geworden. Derhalve niet rustende, ofte ik had -bekoomen yets van ’t gene UE. selfs de weerelt meede gedeelt had, so -wierden my ter hand besteld (door een Heer, die ik en de wereld daar -voor moet danken) deese UE. nevensgaande brieven, by UE. „meede -Broeders van dat Hoogloflijke Collegie des Koninklijke Sociëteits in -Engeland”. Deese (waarin soo bysondere wonderheden waren aan te -schouwen) dagten my te waardig, om niet aan alle onse Landsgenooten in -haar eigen taal (door hulp van den voornoemden Heer, en myn druk-pers, -mitsgaders de konstige hand des plaat-snyders, Abraham de Blois te -Delft) sigtbaar voor te stellen, als zijnde een grondsteen, waar op -alle wijsgeerige en doordringende verstanden voort bouwen en haare -wetenschappen verder verklaren. Soo leg ik deese myne daad en sorge -wederom voor UE. neder; in hoope, dat dit myn stout bestaan by UE. over -’t hoofd gesien, ende ten besten geduid sal werden; dat ook UE. deese -uwe eerstelingen (die dan een Engels, dan een Frans, en dan wederom een -Oud-Rooms hulsel syn opgeset en daardoor veel van haar eygen wesen en -luyster hebben verloren, en nu eerst het ligt in haar eygen vaderland -komen te aanschouwen) niet en sult afwijsen; maar als UE. eygene -vrugten en maaksels uwes verstands erkennen en aannemen; ende daardoor -nog meer en meer bewogen werden, omme niet alleen UE. verdere -ondervindingen, maar ook die gene, die UE. (zoo ik onderrigt ben) -omtrent thien jaren herwaards aan het Hoogloffelijk Collegie in -Engeland heb opgedist, tot voldoeninge van onse ingesetene wijsgeerders -meede te deelen, en dien kostelijken schat onse ingeboorne niet langer -te onthouden, waartoe ik hoope God de Heere UE. ondersoekingen meerder -en altoos sal zeegenen”. - -Deze laatste periode doelt blijkbaar op de eerste 27 brieven, die -Leeuwenhoek aan de „Royal Society” geschreven had. - -Nog op eene andere gaping in de bekendmaking zijner brieven in de -Hollandsche en Latijnsche verzameling wil ik wijzen. - -De laatste brief namelijk van het „Zevende vervolg” (Deel IV) eindigt -met den 146sten brief, gedateerd 10 April 1702, terwijl de eerste der -46 „Sendbrieven” de dagteekening draagt van 8 November 1712. Er is dus -weder een tijdvak van 10 jaren, waarin geen brieven van Leeuwenhoek in -onze taal of in het Latijn afzonderlijk zijn gedrukt. Mogelijk zijn het -deze brieven, waarop gedoeld wordt aan het slot van den Catalogus der -verkooping der microscopen in de volgende noot: „N.B. In den boedel van -wijle Jufvrouw Maria van Leeuwenhoek zijn gevonden eenige nagelaten -manuscripten of brieven van haar vader, den Heer Antoni van -Leeuwenhoek, dewelke door Z.E. in deszelfs leven geschreven en in eene -nette en goede orde geschikt zijn, om als een vervolg op zijne -voorgaande uitgegeven brieven gedrukt te kunnen worden; alle de Platen -daartoe behoorende, zijn daarbij en reeds in ’t koper gegraveert, zoo -als de Latijnsche vertaling van voorzeide brieven. Iemand genegen -zijnde dit werk te laten drukken, kan zich addresseren aan de -Executeurs van de voorz. boedel.” Wat er van die brieven geworden is -ben ik niet te weten kunnen komen. - -Eene andere verklaring, die mij, in verband met het boven vermelde, -niet onwaarschijnlijk voorkomt, vond ik in hetgeen zijne dochter aan -von Uffenbach, tijdens zijn bezoek aan Leeuwenhoek mededeelde. „Sie -erzählte uns,” zegt hij, „dass ihr Vater seit einigen Jahren viel neues -durch seine Microscopia entdekt hätte, er wolte aber in seinen leben -nichts mehr von seinen Observationen herausgeben, weil ihne einiger -Schimpf, vermuthlich in Schriften, wiederfahren, da man sich über seine -sonderliche Meinungen in seinen Schriften hin und wieder spottisch -aufgehalten, und ihm schuld gegeben, er habe mehr durch seine -Einbildung gesehen, als durch seine Gläser.” [212] Dit bezoek nu had -juist plaats in 1710, en de door zijne dochter bedoelde „nieuwe -waarnemingen” kunnen dus zeer goed slaan op die, welke hij sedert 1702 -ondernomen en aan de Royal Society had medegedeeld. Ik heb deze brieven -in de „Philosophical Transactions” van de jaren 1702–1712, deel -XXIII–XXVII, gevonden, de volgende waarnemingen worden er in vermeld: -„Over het groen kroos in het water groeiende, en eenige diertjes daarin -gevonden; de zaden van verschillende Oost-Indische planten; den -kinabast; het beslag der tong bij koortsen; de bloedvaten; de -circulatie van het bloed bij de visschen; candysuiker; de zaadvaten; -spiervezels en bloed van den walvisch; de huid van den olifant; de -voortteeling der mossels; de milt; roodkoraal; samenstelling van -diamanten.” - -Eindelijk heb ik nog, na de laatste der „Sendbrieven” d.d. 20 Nov. -1717, waar hij, om zijne hooge jaren, afscheid neemt van de Royal -Society, in het XXXIste en XXXIIste deel der „Transactions” een achttal -brieven gevonden, van de jaren 1720 tot 1723, hetzelfde jaar, waarin -hij gestorven is, handelende: „Over beenderen; het middenrif; de -spiervezels der visschen; de vaten in sommige soorten van hout, en over -spiervezels in verschillende dieren; de membranen die de vaatbundels -omsluiten, waarin een spier verdeeld is; de spiraalvaten van de -bladeren; het wollige bekleedsel der persikken en kweeappels;” waarbij -eindelijk nog gevoegd moeten worden de beide brieven, die Leeuwenhoek -op zijn sterfbed aan zijn vriend Johannes Hoogvlied verzocht in het -Latijn over te zetten en aan de Royal Society toe te zenden, welke -brieven ik reeds uitvoeriger besproken heb. - -De Latijnsche verzameling bestaat eveneens uit vijf deelen in 4º. onder -de volgende titels: - -Deel I onder dien van: „Anatomia et contemplatio nonnullorum naturae -invisibilium secretorum, comprehensorum Epistolis quibusdam scriptis” -etc. Lugd. Bat. 1685. - -Deel II: „Epistolae ad Societatem Regiam Londinensium et alios viros -illustros datur.” Lugd. Bat. 1689. - -Deel III: „Anatomia, hoc de interioribus rerum, cum animatarum, tum -inanimatarum, ope et beneficio exquisitissimorum microscopiorum -detectis.” Lugd. Bat. 1689. - -Deel IV: „Arcana naturae ope microscopiorum detecta.” Delphi 1695–1697. - -Deel V: „Epistolae physiologicae super compluribus naturae arcanis, -hactenus nunquam editae,” Delphi 1709. - -Later heeft men ze nog gezamenlijk uitgegeven onder den titel: „Opera -omnia seu Arcana naturae ope exactissimorum microscopiorum detecta;” -doch men heeft er een nieuw titelblad voor geplaatst met de jaartallen -1715–1722. - -A. J. van der Aa [213] vermeldt eveneens de bovengenoemde Hollandsche -en Latijnsche uitgaven in vijf deelen, waarin de brieven van -Leeuwenhoek zijn vervat, en bevestigt, door de vermelding der -afzonderlijke titels, waaronder zij zijn uitgekomen, dat enkele dezer -brieven bij een-, twee-, drie- en meertallen te samen afzonderlijk zijn -uitgegeven en, zoo als ik boven opmerkte, betrekking hebben op de 52 -eerste brieven, altijd daarvan afgetrokken de 27 eerste niet gedrukte, -terwijl hij zoowel van de Hollandsche als de Latijnsche uitgave de -geheele uitvoerige titels mededeelt. Men vindt verder nog bij van der -Aa zijne correspondentie met Petrus Rabus, de uitgever van de „Boekzaal -van Europa,” welk tijdschrift tot op onzen tijd onder den naam van -„Boekzaal der geleerde wereld” is bekend gebleven. - -In de Hollandsche en Latijnsche verzamelingen zijner brieven vindt men -er echter slechts één aan genoemden schrijver, die een bijzonder vriend -van Leeuwenhoek moet geweest zijn. - -Deze correspondentie heeft Rabus in zijn „Boekzaal” bekend gemaakt; ze -is de volgende: - -1. „Korte inhoud van een brief, geschreven uit Kolmar, behelzende een -overzeldzame ziekte van eene vrouw, die rijpen (rupsen) uit haar regter -oor loosde”, en brief van Leeuwenhoek aan den schrijver van de Boekzaal -over de vorenstaande historie. - -2. „Uittreksel uit een brief van den grooten onderzoeker der -Natuurgeheimen den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan den -schrijver van de Boekzaal, waarin gehandeld wordt van de vis, Roch -genaamd, deszelfs eijeren, bloedvaten enz.” Delft den 21 Mei 1695, (In -de P. R. Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1695, blz. 322). - -3. „Brief van den grooten natuur-beschouwer den Heere Antoni van -Leeuwenhoek, geschreven aan P. Rabus, zoo als ze van woorde tot woorde -luid (een vervolg van ’s Mans ontdekkingen, wegens het hoornvlies en d’ -oogen van een Rombout (Korebout of Puistebijter); ontleding van ’t -gemelde vlies. Beschouwing door ’t zelve. Uit hoevele schubachtige -opeenleggende deelen het bestaat. Volmaaktheid van ’t oog. Reden waarom -het vliegend dier met zoo veel duizende gezigten voorzien is; Krabbe-, -kreeften- en garnaals-oogen. Eijernesten der vorensgezeide Rombouten, -Groot getal eijeren. Oorzaken waarom uit die eijeren niet meer -voortgekomene dieren gezien worden. Besluit van de voortteelinge” in P. -Rabus. Boekzaal, Nov. en Dec. 1694. blz. 511. - -4. „Brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek aan den schrijver van de -Boekzaal (P. Rabus) gezonden, als een vervolg van zijn gevoelen over de -historie van de vrouw van Kolmar, in de naast voorgaande twee maanden -verhandeld en onderzogt. Bij Rabus, Boekzaal van Europa,” Julij en Aug, -1695, blz. 92; Sept. en Oct. blz. 258. - -5. „Brief van Antoni van Leeuwenhoek aan P. Rabus, waarin gehandeld -word van den zoogenaamden Honigdauw. Wat de boeren en het algemeene -volk daardoor verstaan. Waarneming van zeker glimpend vocht op -lindebladen. Zoutdeelen in dezelve. Deze vocht in ’t oog als een -olyachtige stoffe voorkomende, valt geenszins uit de lucht. Ze wordt -uit de bladeren uitgestooten. Beschouwing van meer boomen en hare -bladen, bijzonderlijk den Wijngaert. Bevestiging van het voorgestelde. -Nog iets van de wigchelroede”; in P. Rabus, Boekzaal van Europa, Julij -en Aug. 1696, blz. 144. - -6. „Uittreksel uit zekeren brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek, -den vijfden van Grasmaand 1697 aan de Koninklijke Maatschappij te -Londen geschreven, wegens den zeilsteen en het ijzer”, in Rabus, -Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1697, blz. 459. - -7. „P. Rabus, Brief aan den grooten uitvinder der Natuurgeheimen, den -Heer Ant. van Leeuwenhoek”; in Boekzaal van Europa, 1693, blz. 159. - -8. „Uittreksel uit een brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek, -geschreven aan den schrijver der Boekzaal. Over de vloo-teelt”; in -Boekzaal van Europa, 1633, blz. 554. - -9. „Brief van den schrijver des Boekzaals aan Antoni van Leeuwenhoek -afgevaardigt, over een zonderlinge historie van goud, zilver of andere -bergstoffen, met een tweesprankelig takje van een boom te ontdekken”; -in Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1696, blz. 495 en Antwoord van -Ant. van Leeuwenhoek, blz. 522. - -Van deze brieven zijn No. 1, 2, 4, 7 en 9 niet in de verzameling zijner -brieven te vinden, terwijl over den inhoud van No. 3 gehandeld wordt in -het IIIde deel, 5de vervolg, 85ste brief, blz. 5; van No. 5 in het -IIIde deel, 6de vervolg; 104de brief, blz. 293 en IVde deel, 7de -vervolg 109de brief; van No. 6, in het IVde deel, 7de vervolg, 108ste -brief, blz. 3; van No. 8 in het IIde deel, 4de vervolg, 76ste brief, -blz. 561. - -Men vindt nog bij van der Aa vermeld, dat de brieven van Leeuwenhoek in -de „Giornale Litterati te Modena” zijn opgenomen. - -Ook zijn de Microscopische beschouwingen, vervat in de „Philos. -Transact.” No. 3, pag. 51; No. 94, pag. 6037; No. 97, pag. 6116; No. -102, 106, 108, 117, 136, 143, door Leske in het Hoogduitsch overgezet -en uitgegeven, 2 deelen in één band. - -Verder: „De generatione Hominis, liber Petri Gercke, Med. Dr. Chymiae, -Theoriae, et Materiei Med. Profess. P. O. in Academia Julia Serenissimi -Ducis Brunsvic. et Luneb. à consiliis Aulae et Archiatri ac Regiae -Societatis Scientiarum Berol. Membri. Helmst. 1744.” - -Een uittreksel van Leeuwenhoek’s brieven verscheen achter „Cours de -Physique, accompagné de plusieurs Pièces concernant la Physique, qui -ont déja paru et d’un Extrait critique des Lettres de Mr. Leeuwenhoek, -par feu Mr. Hartsoeker, A la Haye, 1730 4º.” ’t welk aanwezig is op de -Academische Bibliotheek te Leiden. - -Eene uitvoerige lijst van de brieven van Leeuwenhoek kan men ook vinden -bij L. Theod. Gronovius, Bibliotheca Regni animali atque lapidi. L. B. -1760, pag. 159. - -Verder vermeldt Dr. Herman August Hagen in zijn „Bibliotheca -entomologica,” Leipzig 1862, een 15tal brieven, allen van -entomologischen inhoud. - -Prof. Louis Agassiz heeft de brieven van Zoölogischen inhoud van -Leeuwenhoek opgenomen in zijn „Bibliographia zoologiae et geologiae,” -London 1852. - -J. Victor Carus en Wilhelm Engelmann hebben dit gedaan in hun -„Bibliotheca Zoölogica,” Leipzig 1861, voor een aanzienlijk aantal -zijner brieven, die zij onder de desbetreffende rubrieken hebben -vermeld. - -Eindelijk volgt hier de korte inhoud van de acht manuscripten van -Leeuwenhoek, die ik geraadpleegd heb, waarvan er twee berusten in de -Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, Cat. XVIII, Huygens, No. 26 en -30, en de overigen in de verzameling waren van Mr. L. C. Luzac, doch na -diens overlijden verkocht zijn [214], als: I. vijf aan Constantijn -Huygens; II. twee aan Christiaan Huygens; III. een aan N. Oldenburg, -Secretaris der Royal Society te Londen, terwijl er zich nog één -eigenhandig geschreven brief van Christiaan Huygens aan Leeuwenhoek bij -bevindt, waarbij gevoegd is een door Leeuwenhoek geschreven en -uitgewerkte berekening, ten betooge, dat er meer dan tienmaal zoo veel -levende dieren uit de hom van een cabeljau voortkomen als er menschen -op de aarde leven. Dezelfde berekening wordt gevonden in een -„postscriptum” onder een brief van Leeuwenhoek aan Nehemias Grew, -Secretaris der Royal Society te Londen (28ste brief, blz. 14). - -Al deze brieven zijn geteekend Antoni Leeuwenhoeck, de voornaam met een -lange i zonder „van” en met „ck.” - -De inhoud dezer manuscripten is de volgende: - -I. 1º. d.d. 5 April 1674: Over de globulen in melk, het haar, de -nagels; de vorming van melk in de vrouwen-borsten uit bloed. - -2º. d.d. 24 April 1674: Over de bloedbolletjes; de beenderen; waaraan -de witte kleur aan fijngestoten gekleurde stoffen is toe te schrijven; -de bolletjes in de kuit van cabeljauw. - -3º. d.d. 7 November 1676: Over de diertjes in gekruide wateren, en in -regen- en andere wateren, waarin hij zes verschillende diertjes -beschrijft; de aaltjes in azijn; Leeuwenhoek bedankt in deze brief aan -het slot, voor het aanbod van zijn zoon, Christiaan Huygens, om zijne -observatiën in de Fransche taal over te zetten en ze in die taal -wereldkundig te maken. - -4º. d.d. 26 December 1678: Opmerkingen over de door Christiaan Huygens -waargenomen en afgebeelde diertjes in verschillende wateren; over het -zoogenaamde stof op de vleugels der kapellen en afbeelding dezer -schoone schubjes. - -5º. d.d. 21 Mei 1679: Speculatien over de kleine vatjes en zenuwen in -de kleine diertjes in het water enz.; calculatie omtrent de grootte -dezer diertjes. - -II. 1º. d.d. 15 Februarij 1677: Dankzegging voor de vertaling in het -Fransch zijner observatiën. - -2º d.d. 15 Mei 1679: Medegegeven aan zijn zusters zoon Antoni Molyn of -du Molyn. (Zie mijn familieregister). Over de beweging der kleine -diertjes met een lange staart. Aanbeveling aan Chr. Huygens om, vóór -hij zijn „Dioptrica” uitgeeft, het boekje van Robert Hooke, „Lectures -and collections” te lezen. - -III. d.d. 1 Junij 1674. Dankzegging voor ontvangen nommers der -„Philosophical Transactions” en voor de aanmoediging van Boyle, om -voort te gaan in het onderzoeken van de „bloeijende couleur”, die het -bloed uit de aderen ondergaat, als het aan lucht is blootgesteld; -observatie over het nederzakken der bloedbolletjes naar den bodem; over -de wijze hoe hij bloed en melk in dunne glazen pijpjes observeert, en -beschrijving en afbeelding dezer fijne haarbuisjes; over de drukking -die de lichamen door de lucht ondervinden (hij zond er eenige der boven -beschreven haarbuisjes om het bloed in waar te nemen bij); over de -structuur van beenderen en tanden; over de lever; de hersenen en het -ruggemerg eener koe; het vleesch en de dunne striempjes daarin; -speeksel; de menschelijke opperhuid. - -IV. d.d. 6 Maart 1690. Minute van een brief van Christiaan Huygens aan -Leeuwenhoek. Over eene verbeterde wijze om de glazen bol in te richten, -ten einde de ronddraaiende beweging der aarde aan te toonen (zie bl. 66 -en zesde vervolg 101ste brief, blz. 263). - -Verder handelt een eigenhandig geschreven brief van Leeuwenhoek aan den -Heer L. van Velthuysen, in het bezit geweest van wijlen den Heer van -Dam van Noordeloos te Rotterdam, van 11 Mei 1679: Over de figuur van -een plant in zaaden te zien; de spiraalvaten in de zaden, het hout en -andere deelen der planten; de schimmel op oud leder en hoe het gevormd -wordt; over de witte vloed. - -Later is mij nog door Dr. du Rieu bericht, dat door hem in een bundel -nog niet op den catalogus gebrachte brieven, gevonden zijn vier brieven -van Leeuwenhoek: - -1º. Een afschrift van een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek, waarvan -het oorspronkelijke berust bij den Heer Mazel, Oud-Secretaris-Generaal -van Buitenlandsche Zaken te ’s Hage „Over de zoogenaamde zaaddiertjes”; -de aaltjes in den azijn, waaromtrent Leeuwenhoek vermeldt, dat er 8 á -10 in een glazen pijp te zien waren, welk getal, na verloop van 3 maal -24 uren, tot meer dan 80 was vermenigvuldigd, en dat hij zich niet kan -begrijpen hoe deze zonder voortteeling kunnen ontstaan. Dit bracht hij -over op de vermenigvuldiging van de diertjes in het regenwater, waarbij -het hem eveneens onbegrijpelijk is, hoe zij voortteelen. Hij verdiept -zich verder in dezen brief over de vraag, waar het zaad van daan komt, -waaruit de diertjes voortkomen, die in het sperma van menschen en -dieren gevonden wordt. - -2º. De eigenhandige brief in Halbertsma’s dissertatie, pag. 70 vermeld -als No. VIII der „Philos. Transact.” - -3º. De eigenhandige brief, eveneens in genoemde dissertatie op pag. 69 -vermeld, en in het Engelsch vertaald te vinden in de „Philos. -Transact.” Vol. XXIV, pag. 1614. - -Aan het hoofd van dezen brief teekent Prof. Halbertsma aan, dat deze -geschreven is in een tijd, dat Leeuwenhoek boos was en in het -Hollandsch althans niets uitgaf. Deze brief handelt over de cochenilje -en bevat eene wederlegging van de bewering, dat deze stof geen diertjes -zouden zijn. Hij haalt daarbij aan de verklaring van een ooggetuige, -namelijk een oud Spanjaard van Jamaica, en beschrijft de wijze hoe deze -op de bladeren en takjes van zeker gewas „prikle-pear” of Indische -vijg, met dikke ronde bladeren en scherpe stekels voorzien, -voortplanten, en hoe zij eindelijk door den rook van brandende stoffen -gedood en verzameld worden op onder de planten uitgespreide kleeden -enz. Deze bijzonderheden zegt Leeuwenhoek ontleend te hebben uit de -„Philos. Transact.” van de maanden Maart, April, Mei en Juni 1691, -waarvan hij zich eene vertaling had doen maken. - -4º. Twee eigenhandige brieven aan den dichter van verzen op zijn -afbeeldsel gemaakt, namelijk H. K. Poot, terwijl het tweede gedicht te -vinden is vóór de „Sendbrieven” van Leeuwenhoek. Deze brieven zijn van -10 Mei 1716. Hij handelt daarin: „over de diertjes in het water,” en -voegt er eene uitvoerige berekening bij van hunne grootte, terwijl de -tweede handelt: „over de maagdepalm,” waarvan men beweerde, dat de -bloem, die het droeg, geen zaad zou voortbrengen, welke bewering hij -door zijne onderzoekingen logenstrafte. - -Deze aan Poot geschreven brieven waren bezegeld met een cachet, waarin -het vrij goed bewaarde portret van Leeuwenhoek gegraveerd was, zooals -blijkt uit de goede gelijkenis met het gegraveerde portret, uitgegeven -bij zijn „Ontledingen en ontdekkingen.” Leiden 1686. - -Eindelijk werd mij nog niet lang geleden door Dr. du Rieu medegedeeld, -dat door hem in den „Navorscher” van 1864, blz. 351, een afschrift is -gevonden van een brief van Leeuwenhoek, d.d. 9 Febr. 1701, aan Frederik -Adriaan van Rhede en handelende over verfstoffen en turfgraving. - -Ook van al deze brieven zijn mij, door de welwillende zorg van Dr. du -Rieu, nauwkeurige afschriften toegezonden. - - - -De bronnen die ik bij de samenstelling dezer levensbeschrijving heb -geraadpleegd, zijn, behalve de boven genoemde manuscripten, enz. de -volgende: - - -D. Hoogstraten, Algemeen woordenboek voor kunsten en wetenschappen, -1729. - -H. Baker, Nuttig gebruik van het Mikroskoop enz., uit het Engelsch door -M. Houttuyn 1755. - -H. Baker, Het mikroskoop gemakkelijk gemaakt enz., uit het Engelsch -door M. Houttuyn 1778. - -G. Stoll, Anleitung zur Historie der medicinischen Gelahrheit. 1731. - -Z. C. von Uffenbach, Merkwürdige Reisen durch Nieder Sachsen, Holland, -und Engelland, 1754. - -A. v. Haller, Bibliotheca anatomica, Tom. I. 1774. - -G. van Loon, Beschrijving der Nederl. historiepenningen. Bd. III. 1723. - -Collot d’Escury, Holland’s Roem in kunsten en wetenschappen. Deel 7. -1844. - -G. Nieuwenhuis, Woordenboek van kunsten en wetenschappen. Deel 5. 1859. - -Isaac van Haastert, Antoni van Leeuwenhoek vereerend herdacht enz. -1823. - -Tijdschrift voor natuurlijke geschiedenis- en physiologie, uitgegeven -door Prof. I. van der Hoeven, en W. H. de Vriese 1834. 1e deel, -bevattende: Eene verhandeling van H. C. van Hall over Antony van -Leeuwenhoek en zijne verdiensten voor de plantkunde. - -N. G. van Kampen, Beknopte geschiedenis der letteren en wetenschappen -2e deel. - -H. Halbertsma I. fil., Dissertatio historico-medica inauguralis de -Antonii Leeuwenhoekii meritis in quasdam partes anatomiae microscopiae -1843. Inhoud: De vita Leeuwenhoekii; de sanguine; de vasis et -circulatione; de ossibus; de dentibus. - -F. Le Sueur Fleck, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud: De -musculis; de lente crystallina. - -N. H. van Charante, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud: De -nervis; de epidermide; de pilis; de materie ad dentes haerente. - -A. van der Boon Cs., Geschiedenis der ontdekkingen in de ontleedkunde -van den mensch, gedaan in de Noordelijke Nederlanden, 1851. - -G. Cuvier, Histoire des sciences naturelles. Tom. 2. 1841. - -P. Harting, Het mikroskoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en -tegenwoordigen toestand. 3e deel 1850. - -Émile Blanchard, Les premières observations au microscope, in „Revue -des deux mondes 15 Juill. 1868.” - -Boitet, Beschrijving der stad Delft 1729. - -Birch, the History of the Royal Society of London 1757. - -Biographie Universelle etc. Paris 1819 T. XXIV. - -Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Academie van Wetenschappen, -Afdeeling Natuurkunde, deel 13. 3e stuk. 1862, waarin eene verhandeling -voorkomt van Prof. H. Halbertsma over Johan Ham van Arnhem. - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN. - - -[1] „Revue des deux mondes” 15 juillet, 1868 pag. 379. - -[2] N. G. van Kampen, „Beknopte geschiedenis der Letteren en -Wetenschappen in de Nederlanden”, 2de deel, blz. 58. - -[3] 20ste Sendbrief van 13 Maart 1716, blz. 189. - -[4] De naam van Leeuwenhoek wordt verschillend geschreven. Uit een -achttal eigenhandig door hem geschreven brieven aan Constantijn en -Christiaan Huygens, en aan N. Oldenburg, Secretaris der „Royal Society” -te Londen, van de jaren 1674, 1676, 1677 en 1679, berustende in de -Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, waarvan ik door de zorg van Dr. -du Rieu, „conservator der manuscripten” bij genoemde Bibliotheek, -nauwkeurige afschriften bekomen heb, alsmede uit een eigenhandigen -brief van Leeuwenhoek aan den Heer L. van Velthuysen, van het jaar -1679, in het bezit van wijlen den Wel-Ed. Geb. Heer Van Dam van -Noordeloos te Rotterdam, van welke ik zelf een afschrift mocht nemen, -teekent hij zich Antoni (lange i) Leeuwenhoe(c)k, terwijl een andere -brief van hem, in het jaar 1701 aan „Burgemeesteren en Regeerders der -stad Delft” geschreven, betrekking hebbende op zeker verschil in de -steenkolenmaten te Delft en te Rotterdam, welke brief berust in het -Archief van Delft, en waarvan mij door den Heer Mr. Soutendam, -Secretaris en oud-Archivaris van Delft, welwillend afschrift verleend -werd, de onderteekening draagt van Antoni, (lange i) van Leeuwenhoek -(zonder c), terwijl in zijne gedrukte brieven de c vóór de k aan het -einde van zijn naam nu eens gebezigd, dan weggelaten is. Ook moet nog -opgemerkt worden, dat hij steeds een lange i bezigde bij het -„schrijven” van zijn voornaam Antoni, waardoor deze dan ook in zijn -gedrukte brieven met een y wordt gespeld. Overigens was het schrijven -van de c vóór de k, in vroegeren tijd, algemeen en komt in „ick, melck, -dick, volmaeckt enz.” steeds voor in zijne brieven, terwijl men in het -schrijven van den naam in oude tijden geenszins de juistheid en -gelijkheid van spelling, of het gebruiken of weglaten van het -voorzetsel „van” in acht nam, zoo als in onzen tijd, waar dit verzuim -in rechten de belangrijkste gevolgen kan hebben. Voegt men nu hierbij -dat Leeuwenhoek’s dochter, die na zijn dood een gedenknaald ter zijner -eere in de Oude Kerk te Delft liet oprichten, daarop en op de zerk, die -zijn graf dekte, zijn naam aldus liet stellen: „Antony van -Leeuwenhoek,” dan acht ik mij hierdoor genoegzaam verantwoord zijn naam -ook aldus te schrijven. - -[5] Margaretha Bel van den Bergh was de dochter van Jacob Sebastiaanzn. -Bel van den Bergh, van een oud en aanzienlijk Delftsch geslacht. Deze -laatste was in 1608 lid der 40en van de Stedelijke Regeering, en in -1610 en 1612 Schepen van Delft, terwijl reeds in 1579 bij Boitet gewag -gemaakt wordt van zijn vader Bastiaan Corneliszn., als lid der 40en, -Kerkmeester, en andere waardigheden bekleedende. - -[6] In een oud familie-register in mijn bezit vindt men aangeteekend, -dat zijn oudste zuster Margaretha, uit haar huwelijk met Jan du Molyn, -vijf kinderen geboren werden, namelijk Philippus, Maria, Margaretha, -Geertruida en Antony, waarvan Maria huwde met Cornelis Haaxman, terwijl -Philippus en Geertruida ongehuwd overleden, Margaretha met Arnoldus van -den Heuvel en Antony met .... Poelgeest huwde, welke laatste zich aan -de geneeskunde wijdde. Van dezen Antony Molyn (of du Molyn), die zich -tot voortzetting zijner studiën naar Parijs begaf, maakt Leeuwenhoek -gewag in zijn brief aan Christiaan Huygens, d.d. 15 Mei 1679, aanwezig -in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool en waarvan eene kopie in -mijn bezit is. - -[7] Boitet, „Beschrijving der stad Delft, 1729, in fol., blz. 765.” -Isaac van Haastert, „Antony van Leeuwenhoek vereerend herdacht, 1823, -pag. 10” D. Hoogstraten, „Algemeen Woordenboek voor Kunsten en -Wetenschappen 1729, blz. 138.” - -[8] 22ste Sendbrief, blz. 206. - -[9] Dat de brouwers veelal onder de aanzienlijke en rijke burgers -gerekend werden, kan blijken uit hetgeen bij Boitet, bl. 646, gemeld -wordt. - -„Yder weet ook, dat de brouwers in dese stad altijt boven andere -koopluiden verheven wierden; mannen die doorgaans op het kussen der -stad zaten.” En dat dit bedrijf goede winsten afwierp blijkt uit het -volgend slot van een gedicht van Jacob van der Does: - - „Wat dunkt u leser? heeft dat volck niet wel gebrout? - Dat ’t hare kassen sien voor mout gepropt met gout?” - -[10] 35ste Brief, blz. 24. - -[11] 28ste Brief, blz. 14. De in dezen brief uitvoerig uitgewerkte -berekening is ook van zijn eigen hand aanwezig in de verzameling -manuscripten van Leeuwenhoek in de Leidsche Bibliotheek (Cat. VIII. -Huygens no. 30). - -[12] 4de Sendbrief, blz. 43. Brief aan den Heer Jan Meermans, -Burgemeester van Delft. - -[13] Zie ook den 67sten Brief (2de vervolg) van 1 April 1689, blz. 335, -waarin hij berekent, hoe snel het bloed in het lichaam moet loopen, eer -het tot de uiterste deelen van de voeten en van daar weder naar het -hart komt, en door welke kracht; waarbij hij onder anderen zegt: „Dese -myne demonstratiën syn seer licht te verstaan, voor diegeene, die de -begintselen van de waterwicht van Mr. Simon van Stevin, sal doorlesen -hebben.” - -Dit blijkt ook nog uit zijn 111de Brief (zevende vervolg) van 9 Mei, -1698, blz. 46, waar hij, onder anderen, sprekende over het oog van den -scharrebijter, in eene noot zegt: „Ik spreek hier tegen degeenen, die -een weynig in de Gesigt-kunde geoefent syn” en verder: „Wij weten dus, -wanneer wij eenig ligchaam voor een vergrootglas stellen, het nog -verder, nog digter bij het vergrootglas moet staan, als het brantpunt -van het vergrootglas is, en wat verder of te nader bij is, vertoonen de -lighamen niet scharp, maar verwart,” enz. - -[14] Boitet, t. a. p., blz. 795 verhaalt, „dat hij, niet meer dan 16 -jaren oud zijnde, als boekhouder en kassier aldaar ageerde; en alhoewel -hij door de bezigheid van deze tweevoudige bediening werk genoeg had om -dezelve in orde waar te nemen, wist zijne buitengewone naarstigheid -gedurig noch zooveel tijd tot de lakenwerkerij uit te koopen, dat hij -binnen den tijd van zes weken als meester zijn proef deed, om zich in -der tijd tot deze koophandel, waartoe hij zich echter nooit heeft -afgezondert, te zetten.” - -[15] Nieuwenhuis’s „woordenboek van kunsten en wetenschappen enz. 1859 -deel V Letter L”. - -[16] T. a. p., blz. 365. - -[17] Vergelijk daaromtrent (5de vervolg) de 85ste Brief, blz. 13; de -10de Sendbrief, blz. 96 en Philos. Transact. Vol. XXXV, pag. 433. - -[18] Dat Leeuwenhoek inderdaad microscopen voor zijn eigen gebruik er -op nahield die sterker vergrootten, dan die hij aan anderen liet zien, -blijkt uit hetgeen hij zelf betuigt, in een brief aan Henry Oldenburg, -Secretaris der „Royal Society” (no. 96, blz. 170). „Te meer doen ik -zeyde, dat nog in datzelfde water, twee à drie soorten van veel -kleynder dierkens waren, die voor syn oogen verborgen waren, en die ik -door andere glasen en methoden, die ik alleen voor myn zelve houde, -kome te sien;” terwijl ook de Hoogleeraar Harting mededeelt, dat op het -physisch kabinet te Utrecht een microscoop aanwezig is van Leeuwenhoek, -waarvan hij betuigt, dat de lens zeer goed is en bewijst, dat hij het -in de kunst van zeer kleine lenzen te slijpen, inderdaad reeds op eene -groote hoogte gebracht had. Deze lens, namelijk, was biconvex en -vergrootte 270 maal, en alzoo „merkelijk meerder dan de sterkste lens -van de microscopen, door Leeuwenhoek aan de „Royal Society” vermaakt, -en waarvan de grootste vergrooting door Baker wordt opgegeven als te -zijn 160 maal. (P. Harting, „Het microscoop, deszelfs gebruik, -geschiedenis en tegenwoordigen toestand,” enz., 3de deel, 1850, blz. -44. - -[19] Birch, „the History of the Royal Society of London,” 1757, Vol. -IV, pag. 365. - -[20] Het huis, waarin Leeuwenhoek gewoond heeft, is nog aanwezig en te -vinden op den hoek der „Botersteeg en het Oude Delft,” wijk 4, no. 455, -doch het is aan de vóórzijde kennelijk gemoderniseerd, terwijl het aan -den kant der Botersteeg en van achteren nog het aanzien van oudheid -behouden heeft. Aan de zijde der Botersteeg (Oud-Delft) vindt men nog -als eene bijzonderheid aan het ijzeren hek, dat het vóórgedeelte -afsluit, een astrolabium aangebracht. - -[21] Familie-register. - -[22] Ibidem en Boitet, t. a. p., blz. 765. - -[23] De familie Swalmius behoorde tot een aanzienlijk en deftig -geslacht. Bij Boitet, t. a. p., blz. 440, komt in de naamlijst van -Predikanten, die sedert de reformatie in Delft gestaan hebben, in het -jaar 1617 Henricus Swalmius voor, terwijl in de 40ste Sendbrief, blz. -390, een brief voorkomt aan zijn neef Mr. Adriaan Swalmius, Advocaat -voor den Hove van Holland. - -[24] Er bestaat van Leeuwenhoek een fraai „in olieverw geschilderd” -portret, in het bezit van Dr. van Kaathoven, te Leiden. Deze schilderij -stelt hem voor in de deftige kleedij van den aanzienlijken stand van -dien tijd. Dr. van Kaathoven heeft mij de zeer gewaardeerde toestemming -verleend, van deze schilderij eene afbeelding te laten maken, waardoor -de waarde dezer uitgave belangrijk verhoogt wordt. Van deze schilderij -zijn mij de volgende bijzonderheden door den geachten bezitter -medegedeeld: Aan de rechter zijde (links van den toeschouwer) ziet men -vóór hem op eene tafel het ontrolde diploma met het aanhangend zegel in -rood zegellak (in doos) van het lidmaatschap der Koninklijke Sociëteit -te Londen, en vóór zich heeft hij een blad papier waarop onduidelijke -figuren zijn getrokken, terwijl hij in de rechter hand een passer -houdt. Vóór den donkeren achtergrond is een hemelglobe aangebracht en -men bespeurt op dien achtergrond een landschap, waarin men zonder -andere voorwerpen, alléén de kronkelingen eener rivier ziet, waarmede -waarschijnlijk die der Theems zijn voorgesteld. De naam van den -schilder wordt echter niet op de schilderij aangetroffen. Dit -geschilderd portret nu komt in gelaatstrekken, houding en kleeding, -geheel en al overeen met een ander portret van Leeuwenhoek in zwarte -kunst in fol. (eveneens in het bezit van Dr. van Kaathoven), doch -hetgeen in het „geschilderd” portret links van den aanschouwer is, ziet -men in de prent ter rechter zijde; de donkere achtergrond achter de -hemelglobe, stelt op de prent duidelijker een gordijn voor. In de -plaats van een passer in de hand staat er op de prent een microscoop -van de eerste uitvinding van Leeuwenhoek op de tafel, in plaats van het -diploma enz., een eikenblad met galnoten en het vergrootglas, terwijl -hij ook, evenals op de schilderij, vóór zich een blad papier heeft, -waarop dezelfde, maar nog onduidelijker figuren dan op de schilderij -zijn getrokken. Verder ziet men op de prent op den donkeren achtergrond -niet het landschap met de kronkelingen der rivier. Onder dit portret in -„zwarte kunst” leest men: J. Verkolje pinx., fec. et exc. 1685. - -Nu is de vraag of dit „geschilderd” portret het „echte” door Verkolje -geschilderde is, dat later, hetzij door hem zelven, hetzij door een -andere hand in sommige attributen enz. is veranderd? of dat er een -ander „geschilderd” portret van Leeuwenhoek bestaat waaronder, even als -onder dat van zw. kunst den naam van Verkolje gelezen wordt? - -(Johannes Verkolje, geb. te Amsterdam 1650, was sedert 1672 te Delft -woonachtig en wordt onder de vermaarde schilders gerekend. Hij overleed -te Delft in 1693.) (Zie over zijn leven en schilderijen onder anderen -Houbraken, III, blz. 282), doch noch bij dezen schrijver, noch in -andere levensbeschrijvingen van Nederlandsche schilders, vond Dr. van -Kaathoven onder de werken van J. Verkolje van een ander dan van de -prent in zwarte kunst gewag gemaakt. - -Behalve deze beide beschreven portretten van Leeuwenhoek zijn er nog -een zestal andere drukken in het bezit van denzelfden verzamelaar, die -onderling eenigermate verschillen, als: - - „Antonius a Leeuwenhoek, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.” 4º. - „Idem, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.”, 4º. - „Antoni van Leeuwenhoek, geboren te Delft, Ao. 1632.” - „J. Verkolje pinx., Zw. k.” fol. - „Antonius a Leeuwenhoek, J. C. Phillips inv. et fec.,” 1747, 8º. - „Idem (Antoni). Idem fecit.” 1740, fol. - „Antonius Leeuwenhoekius,” J. Gourée sculpt. med. - -Eindelijk bezit Dr. van Kaathoven nog een op Delftsch aardewerk -vervaardigd portret van Leeuwenhoek, dat van boven met een oor voorzien -is, bestemd om opgehangen te worden, waarop weder andere attributen dan -op de schilderij zijn aangebracht; uit dit portret is Leeuwenhoek bijna -niet te herkennen. - -Ik zelf bezit drie borden van fijn echt Delftsch aardewerk of -porcelein, op één waarvan het portret van Leeuwenhoek, dat volkomen in -gelaatstrekken en kleeding met het boven beschrevene overeenkomt; links -van den aanschouwer ziet men den toren der Oude Kerk te Delft, rechts -eene draperie en onderaan „Antoni van Leeuwenhoek, Lit van de -Koninglijke Societeyt in Londen, geboren tot Delft 1632”, op een goud -veld in zwarte letters gebakken, het geheel met een zware, met kleuren -en goud versierden rand omgeven. - -Het tweede bord stelt voor de „grafnaald,” zooals die zich in de oude -Kerk te Delft bevindt, met de buste van Leeuwenhoek en daaronder „P. M: -Antoni a Leeuwen. Reg. Anglo. Societ.” omgeven door een zware gouden -rand met gekleurde slingers. Op dezen rand leest men in zwarte letters: -„Grafnaald van den heer Antoni van Leeuwenhoek in de Oude Kerk te -Delft, geboren den 21sten October 1632, overleden den 26sten Augustus -1723.” - -Op het derde bord is het „familie-wapen” van Leeuwenhoek gebakken, -voorstellende een leeuw op een goud veld in schoone kleuren, en boven -dien ben ik nog in het bezit van een theeschoteltje, van zeer fijn dun -Delftsch porcelein, eveneens met het „familie-wapen” in goud en -kleuren, maar in plaats van de kroon, een helm met vederen gedekt door -een kroon. Onderaan leest men op een gouden band in zwarte letter -„Maria Leeuwenhoek”. De borden zijn op de tentoonstelling van -Nederlandsche oudheden, in het jaar 1863 te Delft gehouden, geweest, -terwijl zij eveneens, bij gelegenheid der feestelijke herdenking van de -ontdekking der microscopische wezens door van Leeuwenhoek, op den 8sten -September 1875 te Delft tevieren, op eene tentoonstelling van het geen -van Leeuwenhoek’s microscopen en andere bijzonderheden op hem -betrekkelijk is kunnen bijeengebracht worden, zullen voorkomen. - -[25] 34ste Brief bl. 11. - -[26] Zacharias Conrad von Uffenbach, „Merkwürdige Reisen durch -Nieder-Sachsen, Holland und Engeland.” Ulm. 1754. 3 Th. S. 349. - -[27] 23ste Sendbrief, blz. 31. - -[28] 2de vervolg, 66ste brief, blz. 323. - -[29] Zevende vervolg, 116de Brief, blz. 97. - -[30] 5de Vervolg, 93ste Brief, blz. 127. - -[31] „Merkwürdige Reisen”. etc. t. a. p. - -[32] Reinier de Graaf te Schoonhoven geboren in het jaar 1641 vestigde -zich na voleindigde studiën in zijn geboorteplaats en werd van daar -naar Delft beroepen, alwaar hij zich als geneesheer vestigde. Hij -schreef behalve zijn werk over het „Succus pancreaticus,” over de -voortplanting van den mensch en over de vrouwelijke geslachtsdeelen, -waarover zijn grooten strijd met Swammerdam ontstond, waarvan gezegd -werd dat hij zoo gevoelig was, wegens de scherpe en onheusche critiek -van Swammerdam, dat hij tengevolge daarvan van verdriet stierf. Ook -Leeuwenhoek maakt gewag van dezen vinnigen twist en de gevolgen er van. -In een brief aan George Garden te Aberdeen van 19 Maart 1694 (2de -vervolg 81ste Brief bl. 670) zegt hij: „Wat nu Swammerdam en Reinier de -Graaf hare stellingen belangt: Ick hebbe die Heeren speciaal gekend en -zij hebben verscheyde malen in myn huys geweest, en met vermaak -beschout mijne ontdekkingen en twijfel ook niet, zoo die Heeren nu nog -leefden, of zy souden schaamroot werden over hare ingebeelde -verdigsels, daar zy tegen malkanderen als yder willende de eer hebben -van de nieuwe ontdekking van voorttelinge, door het eyer-nest, door de -hevige ontmoetinge, die zy met malkanderen met woorden voerden, de -laatste niet alleen siek wierde, maar ook de dood daarop volgde, zoo -mij doen ter tijd berigt wierd.” - -[33] Van dit werk is in 1866 eene Hoogduitsche uitgave in het licht -verschenen onder den titel: „P. Harting, Das Mikroskop. Theorie, -Gebrauch, Geschichte und gegenwärtiger Zustand der selben. Deutsche -Originalausgabe, von Verfasser revidirt und Vervollständigt. -Herausgegeben van Dr. Fr. Wilh. Theile. In drei Bänden.” - -[34] De hoogleeraar Harting zegt onder anderen in zijn bovenvermeld -„het Mikroskoop” p. 26, dat de getuigenis van het recht van Hans en -Zacharias Janssen op de uitvinding van het microscoop te vinden is in -het boekje van Petrus Borellus: „De vero telescopii inventore, cum -brevi omnium conspiculiorum historia.... accessit etiam centuria -observationum microscopicarum. Hagae comitum 1633,” waarin een brief -voorkomt aan den schrijver gericht door Willem Boreel, Middelburger van -geboorte en toenmaals gezant bij het Hof van Frankrijk. Uit dezen brief -blijkt, dat Boreel den in de buurt van het huis zijns vaders wonenden -brillenslijper Hans en diens zoon Zacharias zeer goed gekend heeft, en -dikwijls in hun winkel is geweest, en dat door hen, „lang vóór” 1610 -microscopen zijn gemaakt, waarvan zij er een aan Prins Maurits gegeven -hebben, en naderhand een ander aan den Aartshertog Albert van -Oostenrijk, die dit werktuig aan Drebbel schonk, bij wien Boreel het -zelf gezien heeft. Vandaar waarom sommigen Drebbel voor den uitvinder -hielden, ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat deze eenmaal in het -bezit van het microscoop van Hans en Zacharias Janssen zijnde, dit zal -hebben nagemaakt. - -[35] „Het mikroskoop,” enz., Deel III blz. 21. - -[36] 18de Sendbrief, blz. 169. - -[37] „Het mikroskoop,” enz., Deel III, blz. 34. - -[38] „Het mikroskoop,” t. a. p., blz. 37. - -[39] Robert Hooke, een beroemd Engelsch Philosooph en Geneeskundige, -was geboren op het eiland Wight, in het jaar 1635 en overleed in 1702. -Hij studeerde te Oxford in de medicijnen, werd in 1664 Hoogleeraar in -de Wiskunde aan het „Gresham-College” te Londen. Hij muntte ook uit als -werktuigkundige en was ten tijde van Leeuwenhoek een der Secretarissen -der „Royal Society.” - -[40] Birch, t. a. p., pag. 393. - -[41] Nicolaas Hartsoeker was een beroemd Nederlandsch Natuurkundige en -werd in 1656 te Gouda geboren. Zijn vader was Remonstrantsch predikant -te Rotterdam. Hij was bestemd voor den geestelijken stand, doch wijdde -zich, tegen den zin zijns vaders aan de Wis- en Natuurkundige -Wetenschappen, zoodat hij, ten einde zijn vader niet zou ontdekken, dat -hij des nachts studeerde, de dekens van zijn bed voor de vensters van -zijn slaapvertrek spande. Hij betaalde zijn onderwijzer die hem ook -optische glazen leerde slijpen, van zijn zakgeld. Het toeval bracht hem -tot eene belangrijke ontdekking. Opgemerkt hebbende, dat het einde van -een glazen draad, in de vlam eener kaars gehouden, eene bolvormige -gedaante kreeg, en dit verschijnsel toepassende op de proeven, die hij -Leeuwenhoek had zien doen, vervaardigde hij daarmede microscopen, die -hij beweerde die van Leeuwenhoek te evenaren. Deze was geen vriend van -hem, omdat hij voorgaf de ontdekking der zaaddiertjes reeds vóór hem -gedaan te hebben. Hoe Leeuwenhoek over hem dacht, blijkt uit een brief -d.d. 9 December 1698 (113de Brief, blz. 63) aan Harm. van Zoelen, -Oud-Burgemeester van Rotterdam. „Wat voor een persoon desen Hartsoeker -is, weet ik niet, omdat er meer zijn, die den naam van Hartsoeker -voeren, en ten mynen huyse zijn geweest, en onder anderen veel jaren -geleden, een out bedaagt man, die men tot my seyde, dat een prediker -van de Remonstrantsche gemeente te Rotterdam was, by sig hebbende een -soon, die een jong student was, en welke toen van syn vader veelmaal -wierde aangemaant, om nauwkeurig toe te sien, want ik saaken vertoonde, -soo als den Prediker seyde, die noyt in de Werelt waren kundig -geweest”....„Dat de Heer Hartsoeker de woorden voert, dat hy na syne -kennisse, de eerste van allen is, die het saad der dieren met de -vergrootglasen heeft beginnen te ondersoeken, komt my vreemt voor” enz. -(Hierover later). - -Hartsoeker hield zich van 1674–1677 te Leiden op, begaf zich daarna -naar Parijs en hield zich daar bezig met het vervaardigen van -teleskopen. In 1679 keerde hij naar Holland terug, doch ging weder naar -Parijs, waar hij tot het jaar 1696 bleef. Hij vestigde zich daarna te -Amsterdam, zich bezig houdende met astronomische waarnemingen, en -ontving weldra eene uitnoodiging van Czaar Peter den Eerste, om hem als -Hoogleeraar in de mathesis naar Petersburg te volgen, welk aanbod hij -echter afsloeg. Later nam hij dergelijk beroep naar Dusseldorp aan, -keerde later naar Holland terug en overleed te Utrecht in 1725. - -[42] „Philos. Transactions,” 1677, pag. 226. - -[43] „Harting’s Mikroskoop,” t. a. p. 3de Deel, blz. 53. - -[44] Uffenbach’s Reisen enz. t. a. p. - -[45] „Antoni van Leeuwenhoek, Vereerend herdacht” door Isaac van -Haastert enz., 1823. - -[46] Henry Baker schreef een werk over „Het Nuttig gebruik van het -Mikroskoop” en later een ander: „Het Mikroskoop gemakkelijk gemaakt;” -beiden door Houttuyn vertaald in 1755 en 1770. Hij verhaalt in het -eerstgenoemde werk blz. 453, dat deze 26 microscopen vervat waren in -een klein kistje, hetwelk Leeuwenhoek bij zijn overlijden aan de „Royal -Society” had nagelaten en dat door Martin Folker aan de Sociëteit werd -aangeboden. Men vindt daarvan de mededeeling in „Philos. Transact.” no. -380. - -Omtrent deze microscopen heb ik dezer dagen, door een mijner -betrekkingen te Londen woonachtig, onderzoek laten doen bij den -tegenwoordigen secretaris der Royal Society Dr. Walter White, die -bekend bleek te zijn met de relatiën van dit college met Leeuwenhoek -gedurende de jaren 1673–1718. Het was hem bekend dat Leeuwenhoek -verschillende voorwerpen aan dat college had ten geschenke gegeven, -doch er was daarvan niets meer aanwezig. Er wordt nu nog onderzocht of -er soms microscopen van Leeuwenhoek bij het Kings College te vinden -zijn, waarvan ik spoedig bericht verwacht, zoodat ik wellicht vóór het -afdrukken dezer uitgave daar nog mededeeling van doen kan. - -[47] 7de Vervolg, 135ste brief, blz. 305. - -[48] „Philosophical Transactions” Vol XXXij, pag. 450. - -[49] 2de Vervolg, 66ste Brief blz. 308. - -[50] Deze beschrijving is gevolgd naar „Harting’s mikroskoop,” Deel III -blz. 380. - -[51] Uffenbach geeft over Leeuwenhoek’s werkzaamheid zijn verwondering -te kennen („Merkw. Reisen” t. a. p.) in deze bewoordingen: „Es ist zich -übrigens nicht genug zu verwundern, über Hern Leeuwenhoek’s grossen -Fleisz und Arbeitsamkeit, so woll in Observationen zu machen, als auch -Gläser zu schliffen, und die Machienen zu denen Microscopiis zu -machen.” - -[52] 2de Sendbrief, blz. 22. - -[53] 7de Vervolg, 116de Brief, blz. 96. - -[54] Birch t. a. p., Vol. III, pag. 338 en 346. - -[55] Birch t. a. p., pag. 346. - -[56] Birch t. a. p., blz. 349. - -[57] De eigenhandige brief van Leeuwenhoek aan Constantijn Huygens, -waaraan ik deze bijzonderheden ontleend heb, en waarvan een afschrift -in mijn bezit is, bevindt zich in de Bibliotheek der Leidsche -Hoogeschool. - -[58] „Beiträge zur Biologie der Pflanzen” 2e Heft S. 127. - -[59] Birch t. a. p., blz. 358. - -[60] Birch t. a. p., Deel IV pag. 104. - -[61] Birch t. a. p., blz. 386. - -[62] „Zuletz” zegt hij „wiese uns Herr Leeuwenhoek sein cabinet, in -welchen er wohl ein Duzent lackirter kästgen, und in diesen wohl -anderthalf hundert ob vermeldeter kleinen Futerälgen hatte, in deren -jedem zwey kleinen sorte lagen. Als wir uns über diesen Vorrath -wunderten, und fragten, ob er denn keine verkauffte, indem wir gerne -etliche haben möchten, sagte er; nein, bey meinen Leben nicht. Er war -auch sehr geheim mit seiner Arbeit, wie er sie machte.” En iets later -zegt Uffenbach: „Wir hatte gerne gefragt, warum er so viele Microscopia -machte und doch keine verkauffen wolte, wir fürchteten aber, wie -möchten eine Holländischen, oder kein Antworth bekommen.” Uffenbach, -waarschijnlijk uit spijt over dit weigerend antwoord, laat zich -daarover echter in onheusche gevolgtrekkingen uit, zeggende: -„Vermuttlich steckt vornemlich der Neid dahinter, dasz er bey seinen -Lebzeiten niemand seine Art von Microscopiis zu Handen kommen lassen -will.” - -[63] Dr. Halbertsma, „Dissertatio historico-medica inauguralis de -Antonii Leeuwenhoekii meritis, in quasdam partes anatomiae -microscopiae”, 1843, pag. 12. - -[64] 18de Sendbrief, blz. 169. - -[65] 20ste Sendbrief, blz. 189. - -[66] 2de Vervolg, 66ste Brief, blz. 312. - -[67] 7de Vervolg, 116de Brief, blz. 100. - -[68] „Employement for the Microscope. Londen, 1753. (Hollandsche -vertaling) Nuttig gebruik van het Mikroskoop. Amsterdam, 1756, blz. -456.” - -[69] Het Mikroskoop, enz. t. a. p. dl. 3, blz. 44. - -[70] 33ste Brief, blz. 17. - -[71] 35ste Brief, blz. 17. - -[72] 41ste Sendbrief, blz. 37. - -[73] 41ste Sendbrief, blz. 404. - -[74] Manuscript in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, waarvan -afschrift in mijn bezit is. - -[75] „Het Mikroskoop t. a. p. 3de deel, blz. 404.” - -[76] Brief aan de „Royal Society van 25 Juli 1684, No. 42, blz. 32.” - -[77] Zie 36ste Brief, blz. 33. - -[78] Robert Smith, volkomen samenstel der optica of gesichtkunde 1753 -pag. 338 (uit het Engelsch „Dissertations upon Physico-Mathematical -Subjects 1732” p. 45). - -[79] 2de Vervolg, 64ste Brief, blz. 243. - -[80] 6de Vervolg, 98ste Brief, blz. 198. - -[81] T. a. p. blz. 18. - -[82] 4de Vervolg, 83ste Brief, blz. 723 en 7de Vervolg, 111de Brief, -blz. 48. - -[83] 32ste Sendbrief, blz. 317. - -[84] 47ste Brief, blz. 48. - -[85] 7de Vervolg, 113de Brief, blz. 374. - -[86] 30ste Sendbrief, bladz. 304. - -[87] „Philosophical Transactions, Vol. IX, pag. 23. More microsc. -observ. made bij Mr. L. Upon the globuls of the Blood” etc. Deze brief -werd eerst, na in het Engelsch vertaald te zijn, in de Vergadering van -27 April 1674 voorgelezen, en werd dit onderwerp nader vervolgd in een -brief, d.d. 4 September 1674. - -[88] 1ste Vervolg, 65ste Brief, blz. 294. - -[89] 7de Vervolg, 128ste Brief, blz. 232. - -[90] 42ste Brief, blz. 32. - -[91] Ibidem, blz. 37. - -[92] Halbertsma, t. a. p. pag. 32. - -[93] Ibidem, t. a. p. pag. 33. - -[94] 2de Vervolg, 65ste Brief, blz. 284. - -[95] 3de Vervolg, 67ste Brief, blz. 341. - -[96] 3de Vervolg, 68ste Brief, blz. 353. - -[97] 2de Vervolg, 66ste Brief, blz. 289, 300, 306. - -[98] 2de Vervolg, 67ste Brief, blz. 333. - -[99] Van der Boon, t. a. p., blz. 29. - -[100] 2de Vervolg, 67ste Brief, blz. 332. - -[101] 2de Vervolg, 65ste Brief, blz. 382. - -[102] 2de Vervolg, 67ste Brief, blz. 334. - -[103] 3de Vervolg, 68ste Brief, blz. 355, en „Biographie Universelle -etc. Paris 1819.” T. XXIV, pag. 363. - -[104] „Biographie Universelle, t. a. p.” - -[105] A. van der Boon, t. a. p., blz. 29. - -[106] „Philosophical Transactions.” Vol. IX, p. 125; Halbertsma, Diss., -t. a. p. blz. 51. - -[107] „Philosophical Transactions.” Vol. XII, p. 1002; 49ste Brief, -blz. 31. Halbertsma, Diss., t. a. p. blz. 51. - -[108] Van der Boon etc., t. a. p. - -[109] Van der Boon, t. a. p., blz., 81. - -[110] 53ste Brief, blz. 1. - -[111] Men leze verder wat van der Boon daaromtrent mededeelt, ten -betooge, dat Leeuwenhoek anderhalve eeuw vroeger reeds bekend maakte, -wat Purkinje en anderen daaromtrent als nieuw vermelden, t. a. p., blz. -81. - -[112] 41ste Sendbrief, blz. 405. - -[113] 7de Vervolg, 109de Brief, blz. 27. - -[114] 7de Vervolg, 113de Brief, blz. 65. - -[115] Deze bijzonderheden komen niet voor in de eerste uitgave mijner -biographie van Leeuwenhoek; zij zijn ontleend aan de „Verslagen en -mededeelingen der Koninklijke Akademie van wetenschappen, Afdeeling -Natuurkunde, deel 13, 3e stuk,” alwaar deze mededeeling van Prof. -Halbertsma, op blz. 342 voorkomt. - -[116] A. Haller, „Elem. Physiologiae, Lugd. Bat. 1765. Tom. VII, p. -523.” - -[117] „Versuch einer pragmat. Geschichte der Arzneykunde Halle 1801. -Th. IV, S. 293.” - -[118] In deze Encyclopaedie wordt eene korte levensbeschrijving van -Ludwig von Hammen gevonden, waaruit blijkt dat hij in het jaar 1652, -waarschijnlijk te Dantzig, geboren werd, zich aan de geneeskunde gewijd -en te Montpellier gestudeerd heeft, alwaar hij tot Doctor gepromoveerd -werd. Hij vestigde zich te Dantzig, werd te gelijkertijd lijfarts van -Johan Sobieski, koning van Polen, maar stierf zeer jong n. m. den 15 -Maart 1680. Er zijn van hem geen geschriften bekend als zijn doctorale -dissertatiën „Curriculum medicum Monspeliense” 1674, 4º en „de herniis -diss.” en „de crocodilo et vesicae mendaci calculo epistolae. Gedani -1677, 4º Lugd. Bat. 1682, 12º.” Verder staat er te lezen, dat het -tamelijk zeker schijnt, dat hij, tegen Hartsoeker’s beweeringen, de -ontdekker der zaaddiertjes is, welke ontdekking hij in Augustus 1677 -mededeelde aan „dem Professor” (!) Ant. v. Leeuwenhoek te Delft. - -[119] „Mikroskopische Anatomie II. 2. S. 398.” - -[120] „Lehrbuch der Anatomie des menschen. Giessen 1862. S. 228.” - -[121] „De carnis musculosae fibrarumque carnearum structuram L. B. -1741.” - -[122] „Philosophic. Transactions, no. 247, fol. 337.” - -[123] 7de Vervolg, 117de Brief, blz. 102. - -[124] 38ste Brief, blz. 4. - -[125] 18de Sendbrief, pag. 168. - -[126] 45ste Brief, blz. 43. - -[127] Cornelis Bontekoe was geboren te Alkmaar in het jaar 1647, -studeerde en promoveerde te Leiden, en werd beroepen als Hoogleeraar te -Frankfort a/Oder. Hij overleed in 1685. - -[128] 45ste Brief, blz. 74. - -[129] „Anleitung zur historie der medicinischen Gelährheit von Gottlieb -Stolle”. Jena, 1731, 4º., 3de Th. S. 535. - -Deze en vele andere bronnen werden mij met groote welwillendheid -verstrekt door den Hoogleeraar Dr. Groshans, wiens rijke verzameling -boeken ten allen tijde mij ten dienste stond. - -[130] Sendbrieven no. 20, blz. 166. - -[131] „Rede zur Feier des Leibnitz’schen Jahrestages über Leibnitz’ens -Methode Verhältniss zur Natur-Forschung und Briefwechsel mit -Leeuwenhoek, in der öffentlichen Sitzung der Königlich-Preuss. Akademie -der Wissenschaften am 3 Juli 1845 gehalten von Christian Gottfried -Ehrenberg.” Deze redevoering is te vinden in de Bibliotheek der -Leidsche Hoogeschool. - -[132] De „Theodicae” van Leibnitz verscheen in 1710. - -[133] Ook zou ik wenschen, dat bij het onderzoek de microscopen werden -aangewend, waarmede de schrandere en ijverige Leeuwenhoek zoo veel -heeft gepraesteerd, dat ik mij dikwijls verontwaardig over der menschen -traagheid, die de oogen niet willen openen en zich niet verwaardigen te -geraken in het voor de hand liggend bezit van wetenschap. Want indien -wij wijs waren zoude hij reeds overal navolgers hebben. - -[134] 28ste Brief, blz. 13. - -[135] 4de Vervolg, 81ste Brief, blz. 671. - -[136] 3de Vervolg, 74ste Brief, blz. 507. - -[137] 7de Vervolg, 120ste Brief, blz. 138. - -[138] 7de Vervolg, 120ste Brief, blz. 130. - -[139] 3de Vervolg, 72ste Brief, blz. 449. - -[140] „Philosophical Transactions. Vol. XXVI, pag. 416.” - -[141] 7de Vervolg, 120ste Brief, blz. 133. - -[142] Dit doelt op hetgeen hij omtrent zoodanige purgeermiddelen op -blz. 86 gezegd heeft. - -[143] 38ste Brief, blz. 21. - -[144] No. 43, blz. 66. - -[145] 32ste Sendbrief, blz. 317. - -[146] 49ste Brief, blz. 30. - -[147] 51ste Brief, blz. 67, terwijl de bijgevoegde afbeeldingen der met -den kapokvezel en zaden gevulde vrucht, volkomen juist zijn, zijnde een -exemplaar van deze vrucht aanwezig in het pharmacognostisch kabinet van -het Rotterd. Depart. der Ned. Maatsch. t. b. der Pharmacie. - -[148] De plant waarvan de kapok afkomstig is, heet „Eriophorus Javana” -Rumph., „Bombax pentandrum” L. „Ceiba pentandra” Gärtner, „Eriodendron -anfractuosum” Dec. - -[149] 2de Vervolg, 64ste Brief, blz. 245. - -[150] Christiaan Huygens, Heer van Zeelhem, enz. - -[151] 3de Vervolg, 71ste Brief, blz. 397, 405. - -[152] 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 42, 6de Vervolg, 99ste Brief. - -[153] 6de Vervolg, 100ste Brief, blz. 251–255. - -[154] 49ste Brief, blz. 26. - -[155] 55ste Brief, blz. 28–52. 26ste Sendbrief, blz. 235–253. - -[156] 3de Vervolg, blz. 395. - -[157] 50ste Brief, blz. 45. - -[158] 59ste Brief, blz. 130. - -[159] 58ste Brief, blz. 105. - -[160] 40ste Sendbrief, blz. 391. - -[161] „A letter concerning green weeds growing in water and some -animalcula found about them.” Philosophical Transactions, vol. 23. - -[162] 7de Sendbrief, blz. 64. - -[163] Vangarmen. - -[164] „Verhandeling over Antoni van Leeuwenhoek en zijne verdiensten -voor de plantkunde; in het Tijdschrift voor Natuurlijke Geschiedenis, -uitgegeven door Prof. J. van der Hoeven en W. H. de Vriese, 1834, 1ste -deel. - -[165] 29ste Brief, blz. 17. - -[166] 29ste Brief, blz. 19. - -[167] Van Hall, t. a. p., blz. 6. - -[168] 29ste Brief, blz. 26. - -[169] 29ste Brief, blz. 19. - -[170] 29ste Brief, blz. 26. - -[171] 29ste Brief, blz. 12. - -[172] 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 50. - -[173] 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 52. - -[174] 74ste Brief, blz. 482. - -[175] 28ste Sendbrief, blz. 261. - -[176] 28ste Sendbrief, blz. 264. - -[177] 28ste Sendbrief, blz. 266. - -[178] 28ste Sendbrief, blz. 269. - -[179] 2de Vervolg, 74ste brief van 12 Augustus 1692, blz. 484 en 496, -497. - -[180] 29ste Brief van 12 Januari 1680. - -[181] 46ste Brief van 30 Maart 1685, blz. 75. - -[182] 3de Vervolg, 74ste Brief van 12 Augustus 1692. - -[183] 3de Vervolg, 74ste Brief van 12 Augustus 1692, blz. 488. - -[184] Van Hall t. a. p., blz. 18. - -[185] 55ste Brief van 13 Juni 1687, blz. 37. - -[186] 46ste Brief van 13 Juli 1685, blz. 27. - -[187] „Vermischte Schriften”, I. S. 145. Van Hall t. a. p., blz. 21. - -[188] „Elemente der Phytotomie”. Jena, 1815, I. S. 36. - -[189] R. Brown, „Prodromus Florae Novae Hollandiae,” pag. 573. Van Hall -t. a. p., blz. 25. - -[190] De dichter Hendrik Schim, die aan hem op zijn 90sten verjaardag -eenige dichtregelen wijdde, en hem daarin tot rust van zijn arbeid -aanmaande, vervolgde echter, niet onkundig zijnde dat de wakkere grijze -te naarstig was om stil te zijn, in deze woorden: - - „Neen schryf, en doet ons al uw zeldzaamheden erven, - Al zoudt gy met de pen in uwe vingers sterven. - Als Plato ondersoek, zoo lang uw levensglas - Noch loopt,” enz.— - -[191] „Het Mikroskoop, t. a. p. 3de dl. blz. 464, 465”. - -[192] „Philosophical Transactions Th. XXXII, pag. 446”. - -[193] 30ste Sendbrief, blz. 295. - -[194] Deze aanbeveling werd hen door Cornelis van Arckel, Predikant te -Delft, later te Rotterdam, met wien Leeuwenhoek bevriend was, -verstrekt. - -[195] Gerard van Loon, „Beschrijving der Nederlandsche -Historiepenningen.” Bd. III, blz. 223. - -[196] 3de Vervolg, 71ste Brief, slot, blz. 436. - -[197] 20ste Sendbrief, blz. 189. - -[198] 20ste Sendbrief, blz. 189. - -[199] Van Loon voegt er deze vertaling bij: - -„Zijn arbeid valt op kleine zaken, maar is van geen kleine glorie”. Bd. -III, pag. 223. - -[200] Er is eene tegenstrijdigheid in de genoemde aanteekening bij -Birch, dat de benoeming van Leeuwenhoek tot Lid der Royal Society in -1680 zou zijn geschied, terwijl Leeuwenhoek zelf in den 46sten -Sendbrief opgeeft dat hij in 1679 werd benoemd. Dit jaartal 1679 is op -zijn grafzerk in de Oude kerk te Delft uitgehouwen en wordt ook genoemd -in mijn vroeger vermeld familieregister. Deze tegenstrijdigheid kan, -dunkt mij, worden opgelost, door de vermelding, dat men in dien tijd -gewoon was, het jaartal, van den aanvang des jaars, tot ongeveer in het -midden van Maart, zoodanig te schrijven, dat het vorig jaartal er bij -vermeld werd, zoodat men dan schreef 1679⁄80 enz. Ook de dateering -geschiedde volgens oude en nieuwe stijl, welke circa 10 dagen met -elkander schijnt te hebben verschild. - -[201] Birch, t. a. p., pag. 11. - -[202] Birch, t. a. p., pag. 13. - -[203] Halbertsma’s Dissertatie, t. a. p., blz. 18. - -[204] De stichting der Royal Society dagteekent van de onrustigste -dagen waarin Engeland verkeerd heeft, namelijk van het jaar 1645, -hetzelfde jaar van den slag van Naseby, die de macht van Karel I -vernietigde. Eenige geleerde mannen, afgemat door de eindelooze -politieke twisten en vervolgingen, kwamen overeen, om op zekeren dag in -iedere week zich te vereenigen, ten einde zich over wetenschappelijke -onderwerpen te onderhouden en op deze wijze, de twisten te vergeten, -die hun vaderland te gronde dreigden te richten. - -De eerste bijeenkomsten hadden plaats te Londen. Toen de onlusten -iedereen, die maar eenigszins de partij des konings scheen toegedaan te -zijn, noodzaakten Londen te verlaten, verplaatsten zij hun zetel naar -Oxford. - -Gedurende het protectoraat van Cromwell bleven de leden verspreid en -liet het collegie niets van zich hooren, tot op de verheffing van Karel -II, toen zij in 1659 weder naar Londen terugkeerden en hunne -vergaderingen, even als vroeger, in het Gresham-College hervatteden. - -Men ondervond opnieuw tegenspoed, doordien het gewoon lokaal waarin zij -vergaderden, tot eene kazerne werd ingericht. In 1660 werd hun collegie -door patent-brieven voor goed geconstitueerd, ondervond de Sociëteit -spoedig eene groote uitbreiding en werd van zeer groot gewicht in de -wetenschappelijke wereld. Dien voorspoed was het voor een groot deel -verschuldigd aan den ijver van zijn Secretaris Heinrich Oldenburg, een -Duitscher. - -De „Philosophical Transactions” werden het eerst in 1665 uitgegeven en -werden, bijna zonder eenige afbreking tot op onzen tijd toe geregeld -voortgezet. - -Het belang dat dit Collegie stelde in de onderzoekingen van Leeuwenhoek -heeft zeker veel bijgedragen tot prikkel en aansporing voor hem om -zijne waarnemingen en ontdekkingen met onverflauwden ijver -voorttezetten. - -(George Cuvier. „Histoire des sciences naturelles” 1841. Émile -Blanchard „Les observations au microscope” in de Revue des deux mondes -1868 p. 389.) - -[205] Johannes Hoogvliet was Heelmeester te Delft. - -[206] 6de Vervolg, 99ste Brief, blz. 231. - -[207] 5de Vervolg, 89ste Brief, blz. 62. - -[208] Dit grafschrift werd door den dichter Poot gemaakt. - -[209] Van dit familiewapen maakte ik reeds melding op blz. 19, Noot. - -[210] T. a. p., blz. 26. - -[211] Derde deel, 85ste Brief, blz. 13. - -[212] Uffenbach’s Reisen enz. t. a. p. - -[213] „Biographisch Woordenboek der Nederlanden. (Letter L.)” - -[214] Dit werd mij eerst onlangs door Dr. du Rieu medegedeeld terwijl -dit laatste blad ter perse was. - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ANTONY VAN LEEUWENHOEK *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/66297-0.zip b/old/66297-0.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index dbd361d..0000000 --- a/old/66297-0.zip +++ /dev/null diff --git a/old/66297-h.zip b/old/66297-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 1241b33..0000000 --- a/old/66297-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/66297-h/66297-h.htm b/old/66297-h/66297-h.htm deleted file mode 100644 index dbc0447..0000000 --- a/old/66297-h/66297-h.htm +++ /dev/null @@ -1,6840 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html -PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2021-09-13T19:50:01Z using SAXON HE 9.9.1.8 . --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8"> -<title>Antony van Leeuwenhoek: De ontdekker der infusoriën, 1675–1875</title> -<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="P. J. Haaxman"> -<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg"> -<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content="P. J. Haaxman"> -<meta name="DC.Title" content="Antony van Leeuwenhoek: De ontdekker der infusoriën, 1675–1875"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content="#####"> -<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */ -html { -line-height: 1.3; -} -body { -margin: 0; -} -main { -display: block; -} -h1 { -font-size: 2em; -margin: 0.67em 0; -} -hr { -height: 0; -overflow: visible; -} -pre { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -a { -background-color: transparent; -} -abbr[title] { -border-bottom: none; -text-decoration: underline; -text-decoration: underline dotted; -} -b, strong { -font-weight: bolder; -} -code, kbd, samp { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -small { -font-size: 80%; -} -sub, sup { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -} -sub { -bottom: -0.25em; -} -sup { -top: -0.5em; -} -img { -border-style: none; -} -body { -font-family: serif; -font-size: 100%; -text-align: left; -margin-top: 2.4em; -} -div.front, div.body { -margin-bottom: 7.2em; -} -div.back { -margin-bottom: 2.4em; -} -.div0 { -margin-top: 7.2em; -margin-bottom: 7.2em; -} -.div1 { -margin-top: 5.6em; -margin-bottom: 5.6em; -} -.div2 { -margin-top: 4.8em; -margin-bottom: 4.8em; -} -.div3 { -margin-top: 3.6em; -margin-bottom: 3.6em; -} -.div4 { -margin-top: 2.4em; -margin-bottom: 2.4em; -} -.div5, .div6, .div7 { -margin-top: 1.44em; -margin-bottom: 1.44em; -} -.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, -.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { -margin-bottom: 0; -} -blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, -.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { -margin-top: 0; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin: 1.6em auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { -font-size: 0.9em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -td.tocDivNum { -vertical-align: top; -} -td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -margin-top: 3.6em; -} -span.abbr, abbr { -white-space: nowrap; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.num, span.trans, span.trans { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.asc { -font-variant: small-caps; -text-transform: lowercase; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -border: none; -border-bottom: 1px solid black; -width: 45%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -} -hr.dotted { -border-bottom: 2px dotted black; -} -hr.dashed { -border-bottom: 2px dashed black; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.42em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.84em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0 0.05em 0 0; -padding: 0; -line-height: 0.8; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -.advertisement, .advertisements { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { -color: #660000; -} -.fnreturn { -color: #AAAAAA; -font-size: 80%; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -a { -text-decoration: none; -} -a:hover { -text-decoration: underline; -background-color: #e9f5ff; -} -a.noteRef, a.pseudoNoteRef { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -top: -0.5em; -text-decoration: none; -margin-left: 0.1em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { -float: left; -min-width: 1.0em; -margin-left: -0.1em; -padding-top: 0.9em; -padding-right: 0.4em; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -white-space: nowrap; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.index p { -text-indent: -1em; -margin-left: 1em; -} -.indexToc { -text-align: center; -} -.transcriberNote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.missingTarget { -text-decoration: line-through; -color: red; -} -.correctionTable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -span.musictime { -vertical-align: middle; -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { -padding: 1px 0.5px; -font-size: xx-small; -font-weight: bold; -line-height: 0.7em; -} -span.musictime span.bottom { -display: block; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.splitListTable { -margin-left: 0; -} -.numberedItem { -text-indent: -3em; -margin-left: 3em; -} -.numberedItem .itemNumber { -float: left; -position: relative; -left: -3.5em; -width: 3em; -display: inline-block; -text-align: right; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0 7em 0; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 1.7; -margin: 2em 0 2em 0; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0 2em 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0 0 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -tr, td, th { -vertical-align: top; -} -tr.bottom, td.bottom, th.bottom { -vertical-align: bottom; -} -td.label, tr.label td { -font-weight: bold; -} -td.unit, tr.unit td { -font-style: italic; -} -td.leftbrace, td.rightbrace { -vertical-align: middle; -} -span.sum { -padding-top: 2px; -border-top: solid black 1px; -} -table.inlinetable { -display: inline-table; -} -table.borderOutside { -border-collapse: collapse; -} -table.borderOutside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -} -table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderOutside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside { -border-collapse: collapse; -} -table.verticalBorderInside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border-left: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft { -border-left: 0 solid black; -} -table.borderAll { -border-collapse: collapse; -} -table.borderAll td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop { -border-top: 1px solid black !important; -} -tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight { -border-right: 1px solid black !important; -} -tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft { -border-left: 1px solid black !important; -} -tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom { -border-bottom: 1px solid black !important; -} -tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal { -border-top: 1px solid black !important; -border-bottom: 1px solid black !important; -} -tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical { -border-right: 1px solid black !important; -border-left: 1px solid black !important; -} -tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll { -border: 1px solid black !important; -} -tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop { -border-top: none !important; -} -tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight { -border-right: none !important; -} -tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft { -border-left: none !important; -} -tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom { -border-bottom: none !important; -} -tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal { -border-top: none !important; -border-bottom: none !important; -} -tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical { -border-right: none !important; -border-left: none !important; -} -tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll { -border: none !important; -} -.cellDoubleUp { -border: 0 solid black !important; -width: 1em; -} -td.alignDecimalIntegerPart { -text-align: right; -border-right: none !important; -padding-right: 0 !important; -margin-right: 0 !important; -} -td.alignDecimalFractionPart { -text-align: left; -border-left: none !important; -padding-left: 0 !important; -margin-left: 0 !important; -} -td.alignDecimalNotNumber { -text-align: center; -} -.lgouter { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -display: table; -} -.lg { -text-align: left; -padding: .5em 0 .5em 0; -} -.lg h4, .lgouter h4 { -font-weight: normal; -} -.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { -color: #777; -font-size: 90%; -left: 16%; -margin: 0; -position: absolute; -text-align: center; -text-indent: 0; -top: auto; -width: 1.75em; -} -p.line, .par.line { -margin: 0 0 0 0; -} -span.hemistich { -visibility: hidden; -} -.verseNum { -font-weight: bold; -} -.speaker { -font-weight: bold; -margin-bottom: 0.4em; -} -.sp .line { -margin: 0 10%; -text-align: left; -} -.castlist, .castitem { -list-style-type: none; -} -.castGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.castGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.castGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -span.ditto { -display: inline-block; -vertical-align: middle; -text-align: center; -} -span.ditto span.s { -height: 0; -visibility: hidden; -line-height: 0; -} -span.ditto span.d { -display: block; -text-align: center; -line-height: 0.7em; -} -span.ditto span.i { -position: relative; -top: -2px; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pageNum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -} -.right-marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -right: 3%; -position: absolute; -text-indent: 0; -text-align: right; -width: 11% -} -.cut-in-left-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: left; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; -} -.cut-in-right-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: right; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: right; -padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -text-indent: 0; -} -.pglink::after { -content: "\0000A0\01F4D8"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.catlink::after { -content: "\0000A0\01F4C7"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after { -content: "\0000A0\002197\00FE0F"; -color: blue; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover { -background-color: #FFDCDC; -} -body { -background: #FFFFFF; -font-family: serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { -text-align: left; -} -.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { -color: #660000; -} -.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -} -.arab { font-family: Scheherazade, serif; } -.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } -.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } -.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } -.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.cover-imagewidth { -width:480px; -} -.frontispiecewidth { -width:534px; -} -.signaturewidth { -width:519px; -} -.titlepage-imagewidth { -width:446px; -} -.fig1width { -width:144px; -} -.fig2awidth { -width:245px; -} -.fig2bwidth { -width:240px; -} -.fig3width { -width:193px; -} -.xd31e3314 { -text-indent:2em; -} -.p116width { -width:359px; -} -.xd31e3611 { -margin-left:2em; -} -.xd31e3623 { -text-align:center; -} -.xd31e3664 { -text-indent:6em; -} -@media handheld { -} -/* ]]> */ </style> -</head> -<body> - -<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of Antony van Leeuwenhoek, by P. J. Haaxman</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online -at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you -are not located in the United States, you will have to check the laws of the -country where you are located before using this eBook. -</div> - -<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Antony van Leeuwenhoek</p> -<p style='display:block; margin-top:0; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:0;'>De ontdekker der infusorien, 1675-1875</p> - -<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: P. J. Haaxman</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: September 13, 2021 [eBook #66297]</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div> - -<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file was produced from images generously made available by The Internet Archive)</div> - -<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ANTONY VAN LEEUWENHOEK ***</div> -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frontispiece"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure frontispiecewidth"><img src="images/frontispiece.jpg" alt="Antoni van Leeuwenhoek" width="534" height="720"><p class="figureHead"><i>Antoni van Leeuwenhoek</i></p> -</div><p> -</p> -<div class="figure signaturewidth"><img src="images/signature.png" alt="Handtekening: Antoni van Leeuwenhoek" width="519" height="126"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="446" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">ANTONY VAN LEEUWENHOEK.</div> -<div class="subTitle">DE ONTDEKKER DER <span class="corr" id="xd31e116" title="Bron: INFUSORIEN">INFUSORIËN</span></div> -<div class="subTitle">1675–1875.</div> -</div> -<div class="byline">DOOR -<br> -<span class="docAuthor">P. J. HAAXMAN</span>, -<br> -APOTHEKER TE ROTTERDAM.</div> -<div class="docImprint">MET PORTRET, FACSIMILE EN AFBEELDINGEN. -<br> -LEIDEN,<br> -S. C. VAN DOESBURGH.<br> -<span class="docDate">1875.</span></div> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb.iii">[<a href="#pb.iii">III</a>]</span></p> -<div id="voorbericht" class="div1 preface"><span class="pageNum">[<a href="#voorbericht.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VOORBERICHT.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Op den 24<sup>sten</sup> September van het jaar 1874, bij gelegenheid der 47<sup>ste</sup> Vergadering van Duitsche natuuronderzoekers en artsen te Gratz ving Dr. Ferdinand -Cohn, Hoogleeraar aan de Universiteit te Breslau zijn redevoering „Over de onzichtbare -vijanden in de lucht” aan met de volgende woorden: -</p> -<p>„Wanneer in het volgend jaar de Vereeniging van Duitsche natuuronderzoekers weder -in Gratz bijeenkomt, zal het juist tweehonderd jaren geleden zijn, dat het door vergrootglazen -gescherpt oog van Antony van Leeuwenhoek voor het eerst de aanschouwing van een wereld -vergund werd, die niet alleen de aarde en het water, maar het geheele luchtruim met -een onzichtbaar leven vervult.” -</p> -<p>Toen het nu uit eene correspondentie van Prof. Cohn met een mijner vrienden, over -den juisten datum waarop Leeuwenhoek deze groote ontdekking gedaan had, gebleken was, -dat de herinnering aan de ontdekking der infusoriën van onzen beroemden landgenoot -in een wetenschappelijken kring in Duitschland feestelijk zou herdacht worden, vond -een der leden van de „Nederlandsche Dierkundige vereeniging” zich daardoor opgewekt, -in de Vergadering van den 21<sup>sten</sup> Juni 1874 te Middelburg gehouden, op dit voornemen de aandacht te vestigen en werd -naar aanleiding daarvan door hem de vraag gedaan, of Nederland daarbij mocht stilzitten -en of ook bij ons deze Nederlandsche <span class="pageNum" id="pb.iv">[<a href="#pb.iv">IV</a>]</span>ontdekking niet gevierd behoorde te worden. Dit denkbeeld, al dadelijk toegejuicht, -gaf aanleiding, dat in de volgende najaarsvergadering te Amsterdam gehouden, een voorstel -met betrekking tot deze feestviering werd aangenomen en niet lang daarna eene uitnoodiging -van wege het bestuur der Dierkundige Vereeniging, aan de verschillende geleerde Genootschappen -in Nederland werd gericht, om tot verwezenlijking van dit plan mede te werken. -</p> -<p>Deze uitnoodiging werd met sympathie ontvangen, en later afgevaardigden tot eene Vergadering -te Amsterdam bijeengeroepen, alwaar dit plan tot eene feestelijke herdenking dezer -groote ontdekking op den 8<sup>sten</sup> September 1875 vastgesteld en eene commissie tot regeling dezer feestviering benoemd -werd. -</p> -<p>Het was met het oog op dezen aanstaanden herinneringsdag aan de belangrijke ontdekking -van Leeuwenhoek gewijd, dat het vroeger reeds bij mij gerezen voornemen, om een nieuwe -uitgave van mijne „Levensbeschrijving van Antony van Leeuwenhoek”, die in het jaar -1871 in het Nederlandsch Tijdschrift voor geneeskunde was opgenomen, te bewerken en -uittegeven, tot uitvoering kwam. -</p> -<p>Het portret van Leeuwenhoek is gecopieerd naar het schoone en geloof ik eenige, in -olieverf geschilderde, toebehoorende aan den WelEd. ZGel. Heer Dr. C. H. W. van Kaathoven -te Leiden, die daartoe, met zijne bekende welwillendheid zijn toestemming gegeven -heeft. -</p> -<p>De gedenkpenning, afgebeeld in het bekende werk van Mr. Gerard van Loon „de Nederlandsche -Historiepenningen,” is met de meeste getrouwheid daarnaar vervaardigd. Beide deze -afbeeldingen zullen voorzeker den vereerders van Leeuwenhoek niet onwelkom zijn. -</p> -<p>Nog enkele aanteekeningen, die ik aangaande Leeuwenhoek, sedert de eerste uitgave, -in de gelegenheid was te verzamelen, zijn hier ingevoegd, waaronder vooral belangrijk -zijn, de weinig bekende, mij eerst onlangs onder de aandacht gekomen bijzonderheden, -omtrent Johan Ham van Arnhem, in de brieven van Leeuwenhoek vermeld als de ontdekker -der spermatozoïden, in het jaar 1862 medegedeeld door Prof. H. I. Halbertsma, in de -„Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie van wetenschappen, Afdeeling -Natuurkunde.” -</p> -<p>Ten slotte acht ik het niet onnoodig melding te maken van een verschil dat er bestaat -omtrent de maand van het jaar 1675, waarin <span class="pageNum" id="pb.v">[<a href="#pb.v">V</a>]</span>Leeuwenhoek de infusoriën in regen- en andere wateren heeft waargenomen en welk verschil -Prof. Cohn aanleiding gaf, na mijne levensbeschrijving van Leeuwenhoek gelezen te -hebben, nadere opheldering daaromtrent te vragen. -</p> -<p>In Duitschland namelijk heeft men, op gezag van Prof. C. G. Ehrenberg te Berlijn, -deze datum in April gesteld, en in navolging van dezen geleerde hebben alle schrijvers, -die over dit onderwerp gehandeld hebben, deze tijdsbepaling van de ontdekking der -infusoriën door Leeuwenhoek overgenomen. -</p> -<p>Genoemde geleerde had namelijk in zijn brochure „<span lang="de">die Infusionsthierchen als vollendete Organismen</span>”, 1838 p. 528 geschreven, dat Leeuwenhoek de „<span lang="de">Entdeckung der Belebung des Wassers durch mikroskopische Aufgussthierchen</span>” in April 1675 gemaakt had, terwijl die in 1677 door de Royal Society te Londen is -medegedeeld geworden. -</p> -<p>Toen ik nu onlangs de eer had, op verzoek van Prof. Ehrenberg, een exemplaar van mijne -brochure over Leeuwenhoek aan hem toe te zenden en hij mij later een afdruk toegezonden -had van het „<span lang="de">Sitzungs-Bericht der Gesellschaft naturforschende Freunde zu Berlin, März 1875</span>,” las ik daarin op pag. 53 het volgende: -</p> -<p lang="de">„Herr Ehrenberg erinnerte daran, dass Leeuwenhoek seine folgenreiche Entdeckung der -Belebung des Wassers durch mikroskopische Aufgussthierchen im April 1675 gemacht und -1677 der Londoner Society of Sciences mitgetheilt habe, und das diese von ihm selbst -später noch vielfach erweiterte Entdeckung in diesem Jahre ihre 200 jährige Weihe -erhalte, so dass die Aprilsitzung dieser Gesellschaft geeignet sei, dies speciell -auszusprechen.” -</p> -<p>Ik was toen dadelijk er op bedacht de aandacht van Prof. Ehrenberg te vestigen op -eene dwaling waarin hij verkeerde, namelijk, dat de maand van het jaar 1675 waarin -Leeuwenhoek de diertjes in regenwater enz. waarnam, niet de door hem genoemde, maar -„half September” was; en dat deze naar mijne meening juistere tijdsbepaling volgde -uit de bewoordingen, vervat in een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek aan Constantijn -Huygens <abbr title="de dato">d.d.</abbr> 7 November 1676, berustende in de verzameling manuscripten der Leidsche Hoogeschool, -van welken brief benevens van alle door Leeuwenhoek aan andere geleerden geschreven -en in die verzameling voorkomende, ik door de <span class="pageNum" id="pb.vi">[<a href="#pb.vi">VI</a>]</span>zorg van Dr. du Rieu, conservator der manuscripten aan genoemde Akademie, afschriften -mocht bekomen. Daar nu deze brief niet gevonden wordt, noch in de Latijnsche, noch -in de Hollandsche verzameling van de brieven van Leeuwenhoek in 5 deelen in 4<sup>o</sup>. welke met den 28sten brief aanvangt, en wel van 1679, en deze brief aan Constantijn -Huygens van 7 November 1676 gedateerd is, zoo kon Prof. Ehrenberg daarvan geen kennis -dragen en <span class="corr" id="xd31e196" title="Bron: beruste">berustte</span> zijne opvatting, als zou deze ontdekking in April 1675 zijn gedaan, op eene onnauwkeurigheid -of onduidelijkheid in den text van de <span lang="en">Philos. Transactions</span> Vol. X p. 821, waaruit Ehrenberg genoemden datum van April zou kunnen ontleend hebben. -</p> -<p>Eenigen tijd daarna ontving ik een schrijven van Prof. Ehrenberg, in antwoord op mijn -brief, waarin hij mij berichtte, dat hij door mijne mededeeling in eene voor hem nog -niet te verklaren tegenstrijdigheid met het geprojecteerde Jubilé van Leeuwenhoek -geraakt was; dat hij op zijn hoogen leeftijd en om de moeilijkheid aan de nasporing -der oorspronkelijke bronnen verbonden bezwaarlijk dit verschil kon oplossen, waarom -hij mij verzocht dit onderzoek voor hem te willen bewerkstelligen. -</p> -<p>Ik heb aan dit verlangen van den grijzen geleerde volgaarne voldaan en hem medegedeeld, -dat de door hem genoemden datum van April 1675 op eene, voor hem echter begrijpelijke, -dwaling <span class="corr" id="xd31e205" title="Bron: beruste">berustte</span>, doordien hij, niet bekend zijnde met den brief aan Huygens, het verband niet kon -opmerken, dat er bestond, tusschen dezen brief en de mededeeling in de <span lang="en">Phil. Transactions</span> van 25 Maart 1677, waaruit Prof. Ehrenberg zijn datum ontleend had. -</p> -<p>Deze brief van Leeuwenhoek aan de Royal Society, gedateerd 9 October 1676 begint aldus: -</p> -<p>„<span lang="en">In the year 1675 I discover’d living creatures in Rain water</span><span class="corr" id="xd31e216" title="Niet in bron">,”</span> enz. en daarop volgen dan, als vervolg op den inhoud van dezen brief van 1676, eenige -observaties, gedaan den 26, 30 en 31 Mei en 9 Juni, doch het jaartal staat er niet -bij vermeld. Wanneer men nu de oorspronkelijke brief van Leeuwenhoek aan C. Huygens -van 7 Nov. 1676 daarmede in verband brengt, dan wordt het duidelijk dat, òf in de -Phil. Transact. het jaartal 1676 verzuimd is te drukken achter de datums van Mei en -van 9 Juni, òf dat Leeuwenhoek die verzuimd heeft te schrijven, want de inhoud van -dezen brief aan <span class="pageNum" id="pb.vii">[<a href="#pb.vii">VII</a>]</span>Huygens van 9 Juni, komt geheel overeen met dien in de Phil. Transact. van 9 Juni, -<span class="ex">behalve dat bij den laatsten geen jaartal vermeld wordt</span>. -</p> -<p>Genoemde brief aan Huygens begint aldus: -</p> -<p>„Omtrent <span class="ex">half September</span> 1675 ontdekte ik in regenwater, dat eenige weinige dagen in den zon gestaan had, -kleine diertjes” enz. en hij vervolgt, na de beschrijving der verschillende door hem -waargenomen soorten aldus: -</p> -<p>„Den <span class="ex">9 Juni 1676</span> heb ik in een porceleinen schotel het water zoo zuiver gevangen als mij doenlijk -was en in een schoon rein glas gedaan.…. en na verloop van 24 uren daarin levende -schepselen gezien”, terwijl in de Phil. Transact Vol X p. 823 staat: <span class="corr" id="xd31e234" title="Niet in bron">„</span><span class="ex">June</span> 9th.” (zonder Jaartal) „<span lang="en">having received, early in the morning, some Rain water in a dish as <span class="corr" id="xd31e240" title="Bron: beforen">before</span> and poured it in to a very clean wine glass, and <span class="corr" id="xd31e243" title="Bron: exponed">exposed</span> it in to the air</span>” enz.; en iets verder leest men in den brief aan Huygens „Op mijn plaats in de open -lucht staat een put die omtrent 15 voet diep is”.…. „dit water is des zomers zoo koud, -dat men er de hand niet lang in kan houden”.…. „In dit water heb ik een groote menigte -zeer kleine dierkens ontdekt” enz. En in de <span lang="en">Phil. Transactions</span> p. 826 leest men: „<span lang="en">In the open Court of <span class="corr" id="xd31e252" title="Bron: mij">my</span> House I have a well, which is about 15 foot deep”.…. <span class="corr" id="xd31e255" title="Niet in bron">„</span>This water is in Summertime so cold, that you cannot possibly endure your hand in -it”.…… <span class="corr" id="xd31e257" title="Niet in bron">„</span>Not thinking at all to meet with any living creatures in it, looking upon it in <span class="ex">September of the last year</span></span>” (dus 1675), „<span lang="en">I discover’d in it a great number of living animals”</span> enz. -</p> -<p>Nu is het duidelijk, dat, als Leeuwenhoek aan Huygens schrijft, dat hij „half September -1675” die diertjes ontdekte en hij het vervolg van dit onderzoek op den 9 Juni 1676 -mededeelt, de datum van die ontdekking onmogelijk April 1675 kan geweest zijn, maar -dat in Leeuwenhoek’s brief in de <span lang="en">Phil. Transactions</span>, bij de vermelding van zijne Observaties in Mei en vervolgens, het jaartal 1676 verzuimd -is te plaatsen. Hierdoor, schreef ik aan Prof. Ehrenberg, is het duidelijk, dat de -verwarring, door dit verzuim in de Phil. Transact. ontstaan is en zijne opvatting, -als zoude de vermelde datums van Mei, Juni enz. op het jaar 1675 en niet op 1676 waarin -de brief van Leeuwenhoek geschreven is, slaan, verklaarbaar is. -<span class="pageNum" id="pb.viii">[<a href="#pb.viii">VIII</a>]</span></p> -<p>Ik meende deze wederlegging van een schrijver van zoo groote autoriteit als Prof. -Ehrenberg, eenigszins uitvoerig te moeten behandelen, ten einde eene dwaling voor -goed uittemaken, waarin opvolgende schrijvers, op het voetspoor van dezen geleerde, -geraakt waren; deze uitweiding hier ter plaatse moge daarom verschooning vinden. -</p> -<p>Overigens hoop ik dat, nu mijne Levensbeschrijving van Leeuwenhoek in anderen en beteren -vorm, in een wijderen kring zal worden verspreid, op een gunstig onthaal en een welwillend -oordeel. -</p> -<p class="dateline"><span class="sc">Rotterdam</span>, Augustus 1875. -</p> -<p class="signed">P. J. HAAXMAN. -<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div id="avl" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#avl.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first">Hoewel in onderscheidene geschriften van vroeger en later tijd, waarin de belangrijke -ontdekkingen van onzen beroemden landgenoot Antony van Leeuwenhoek besproken worden, -een kort levensbericht van hem gevonden wordt, toch mist men daarin bijzonderheden -die men alleen door een opzettelijk onderzoek van den belangrijken en rijken inhoud -zijner brieven, die slechts door enkele schrijvers voor bijzondere doeleinden zijn -onderzocht geworden, kan te weten komen. Men vindt er veel in opgeteekend, dat een -helder licht verspreidt over zijn karakter en persoonlijkheid, waardoor alleen een -juister beeld van dien natuuronderzoeker kan geschetst worden. -</p> -<p>Tot het aanvaarden van die taak had ik reeds lang het voornemen opgevat, daar ik in -het bezit ben van aanteekeningen door mij tot dit doel verzameld, waarvan de bijzonderheden -tot nog toe niet bekend waren en voornamelijk bestonden in authentieke afschriften -van eigenhandige brieven, grootendeels berustende in de verzameling van manuscripten -in de bibliotheek der Leidsche Hoogeschool. Vooral echter is de lust tot het bewerken -en tot een geheel brengen dier aanteekeningen bij mij levendig geworden en tot uitvoering -gekomen, na de lezing van het goed geschreven opstel van de hand van Émile Blanchard<a class="noteRef" id="xd31e287src" href="#xd31e287">1</a>, „<span lang="fr">Les premières observations au microscope.</span>” Uit de brieven van Leeuwenhoek zelven, gedurende zijn langen en roemvollen loopbaan -aan de beroemdste <span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>geleerden en aanzienlijke mannen van zijn tijd, zoowel in zijn vaderland, als in het -buitenland geschreven, poogde ik de stof te putten, om meer opzettelijk zijn karakter -als mensch en zijne verdiensten in verschillende deelen der natuurwetenschap, voornamelijk -als nauwkeurig waarnemer met het microscoop, te doen uitkomen en daarbij in een zoo -veel mogelijk volledig en uitgewerkt geheel, alles bijeentebrengen, wat bij verschillende -schrijvers dikwijls zeer oppervlakkig en niet zelden onnauwkeurig omtrent Leeuwenhoek -is opgeteekend. -</p> -<p>En verdient iemand de moeite eener meer nauwgezette studie, dan is het zeker de man, -die als nederig burger van Delft, hoewel door zijne stad- en landgenooten in zijn -leven niet naar verdiensten gewaardeerd, door de grootste geleerden der beschaafde -wereld van zijn tijd, met eer en roem en bovenal met groote achting werd vermeld. -Vorsten en hooggeplaatsten rekenden het zich tot eene eere hem te zien en zijne waarnemingen -met het microscoop te bewonderen; zijn roem was zoo ver doorgedrongen, dat zelfs uit -Engeland, Frankrijk, Duitschland, Italië, België en Spanje vorsten, en geleerden zijne -nederige woning opzochten, om persoonlijk den man te leeren kennen, die de geheimen -der natuur door zijn, in dien tijd, onnavolgbare microscopen voor het oog had blootgelegd, -en beschouwingen en theoriën daarop gebouwd, over de gewichtigste vraagstukken der -physiologie van menschen, dieren en planten, ter overweging had gegeven. De geleerdste -natuuronderzoekers en philosophen van dien en lateren tijd vonden daarin stof voor -de diepzinnigste bespiegelingen en de gewichtigste nasporingen, en op den grond door -hem gelegd, werden later stelsels gebouwd die nog als waar en deugdelijk zijn aangenomen. -Door zijne talrijke microscopische onderzoekingen, heeft hij den weg gebaand tot de -kennis van het samenstel der meest verschillende deelen van het dierlijk lichaam en -van de planten. Leeuwenhoek wees alzoo reeds vóór twee eeuwen den weg aan, die nog -in onze dagen betreden wordt en waarop nog zoo vele belangrijke nasporingen en ontdekkingen -gedaan worden. -</p> -<p>Leeuwenhoek, hoewel hij eene voor den tijd waarin hij leefde zorgvuldige opvoeding -genoten had, behoorde niet tot den, wat <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>men noemt, geleerden stand. Hij was niet bestemd geworden om door eene Academische -opleiding eenmaal een rang onder de geleerden in te nemen, daar hij de kennis der -Latijnsche taal miste, die nog tegenwoordig van zeer groot belang gerekend voor eene -degelijke wetenschappelijke ontwikkeling, zeker in het midden der XVIIde tot het begin -der XVIIIde eeuw, een eerste vereischte was om in eenigen tak van wetenschap ervaren -te worden en welke taal niet uitsluitend het eigendom der geleerden van dien tijd -was, maar in het algemeen tot eene beschaafde opvoeding behoorde. En wat meer is, -Leeuwenhoek was zelfs onbekend met de levende vreemde talen, zoodat hij genoodzaakt -was zijne brieven, die voor het grootste gedeelte aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” te Londen gericht waren, door anderen eerst in het Latijn te laten vertalen, waarna -zij daaruit in het Engelsch werden overgezet; zoo als wij straks gelegenheid zullen -vinden meer bepaald aan te wijzen. -</p> -<p>Niettegenstaande deze ongunstige verhouding, waardoor hij zoo zeer achter stond bij -zijne geleerde tijdgenooten, zien wij in hem<span id="xd31e309"></span> gaven ontwikkelen, die de bewondering van half Europa opwekten, door hem onderzoekingen -ten uitvoer brengen, die krachtig bijgedragen hebben om den roem van ons vaderland -op wetenschappelijk gebied te handhaven, en die belangrijke diensten bewezen hebben -aan de natuurkundige wetenschappen. Nog wordt van Leeuwenhoek gesproken, als van den -„vader der micrographie” en zijn naam genoemd tegelijk met mannen als Fallopius, Eustachius, -Harvey, Colonna, Boerhaave, Swammerdam, de Graaf, Ruisch, en andere beroemde geleerden -der 16de, 17de en 18de eeuw. -</p> -<p>Deze buitengewone man nu, begaafd met eene groote scherpzinnigheid, helder oog, gezond -verstand, taai geduld en eenvoudig godvruchtig gemoed, deed zich, zoo als uit zijne -brieven blijkt, als een achtingswaardig Hollandsch burger kennen. Hij was in zijn -gedrag en schrijfstijl de meer eenvoudige zeden van zijn tijd tot eer en werd om zijne -beproefde kunde zeer dikwijls door vele, geringe, zoowel als aanzienlijke stadgenooten, -geraadpleegd. -</p> -<p>Leeuwenhoek, als door instinct geleid lot het bespieden der <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>natuur in hare geheimste schuilhoeken en in hare schijnbaar geringste voortbrengselen, -werd door alles wat hem omringde aangetrokken; alles wekt zijne aandacht, niets is -die onwaardig; hij onderwerpt het aan het geduldigst en nauwkeurigst onderzoek, en -het is daaraan toe te schrijven dat de geringste kleinigheid vaak aanleiding gaf tot -de belangrijkste werkzaamheden. Van daar ook de onregelmatige wijze, waarop hij nu -deze dan gene onderzoeking ondernam en zijne nasporingen elkander als opeenstapelden. -Hij liet zich in dit onderzoek door anderen den weg niet wijzen, maar werkte onafhankelijk, -rustig voort, hervatte hetzelfde onderwerp een- en andermaal op verschillende tijden -met vernieuwde vlijt, en leerde daardoor de zaken onpartijdiger inzien en vroeger -opgevatte meeningen en dwalingen herstellen. Wat den geleerdsten en grootsten denkers -ontsnapte, gelukte hem dikwijls tot hunne groote verbazing, zoodat wij van hem lezen<a class="noteRef" id="xd31e316src" href="#xd31e316">2</a> <span id="xd31e321"></span>dat de grootste lichten van ons land zich zeer over zijne ontdekkingen verwonderden -en de geleerde Hudde, Burgemeester van Amsterdam een groot Mathematicus en Physicus -van dien tijd, zeide: „dat hetgeen hen allen, Wis- en Natuurkundigen, ontsnapt was, -voor een ongeleerden, zooals Leeuwenhoek, bewaard scheen.” -</p> -<p>Wanneer wij nu nagaan dat onze Leeuwenhoek, gedurende bijna eene halve eeuw onafgebroken, -bewerktuigde en onbewerktuigde stoffen, vaste en vloeibare zelfstandigheden, dieren -en planten en zelfs de laagst georganiseerde wezens met zijne voor dien tijd voortreffelijke -en toch zoo eenvoudige microscopen onderzocht, en wij hem de meest onverwachte ontdekkingen -zien doen, die het verrassendst licht verspreidden over de belangrijkste verschijnselen -van het leven, dan kunnen wij onze bewondering voor zulk een talent, niet weêrhouden. -Al is het dat hij door zijne gelukkige en schitterende ontdekkingen en door den lof, -die hem van alle kanten door de aanzienlijksten en geleerdsten werd gebracht, wel -eens in zijne ijdelheid werd gestreeld en <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>eene eenmaal opgevatte meening niet gemakkelijk varen liet, ja zelfs soms met hardnekkigheid -tegen de krachtigste argumenten bleef staande houden, al moet erkend worden dat hij -soms, door zijne verbeelding en de begeerte om gedurig nieuwe ontdekkingen te doen, -medegesleept, dingen meende waar te nemen, die reeds in zijn leven op deugdelijke -gronden in twijfel werden getrokken en die ook in lateren tijd als onjuist en onwaar -zijn aangewezen; dit alles kan gerust worden afgetrokken van de som zijner talrijke -ontdekkingen en er blijft nog genoeg over om hem met eerbied aan te staren. -</p> -<p>En heeft nu deze merkwaardige man, van wien het nageslacht met zooveel eerbied spreekt, -die de achting genoot van de grootste geleerden en beroemdste denkers van zijn tijd, -die van vorsten en hooge staatspersonen talrijke bewijzen van onderscheiding en vriendschap -genoot, ook van zijne landgenooten, vooral van het Bestuur van ons land, de bewijzen -ontvangen, dat het ware verdiensten op prijs stelde? Wij aarzelen niet, uit hetgeen -wij daaromtrent vinden aangeteekend, zulks ontkennend te beantwoorden, daar het bekend -is, dat hij als stil burger van Delft geleefd heeft en gestorven is en tot op hoogen -leeftijd in eene ondergeschikte ambtelijke, zij het dan ook in eene voor dien tijd -niet onvoordeelige, maar toch nederige maatschappelijke betrekking werkzaam was. -</p> -<p>Dat hij zelf gevoelde, dat men zijne diensten niet beloond had, zoo als hij billijkerwijze -had mogen verwachten, kan blijken uit de bewoordingen in een brief aan G. C. Leibnitz -gericht, toen hij reeds 84 jaren oud en dus aan den avond van zijn leven genaderd -was. -</p> -<p>„<span lang="nl">Het is</span>,” zegt hij, „<span lang="nl">eenige jaren geleden, dat eenige Heeren van de Hooge Regeeringe van ons lant, eenige -van mijne ontdekkinge quamen sien. Een van die Heeren seide tot de andere Heeren, -in mijn presentie: „sal men soo veel arbeyt onbeloont laaten?” waarop de andere antwoordde: -„dit seggen wij alle, en waarom doen wij het niet?</span>”<span class="corr" title="Niet in bron">”</span><a class="noteRef" id="xd31e338src" href="#xd31e338">3</a> -<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span></p> -<p>Maar het wordt tijd dat wij, eer verder in de bijzonderheden van zijn lang en roemvol -leven te treden, onze aandacht op den persoon van Leeuwenhoek vestigen en hem eenigszins -nader leeren kennen. -</p> -<p>Antony van Leeuwenhoek<a class="noteRef" id="xd31e346src" href="#xd31e346">4</a> werd te Delft geboren den 24sten October 1632. Hij was de zoon van Philippus Antonius -van Leeuwenhoek en Margaretha Jacobsdr. Bel van den Bergh<a class="noteRef" id="xd31e379src" href="#xd31e379">5</a> uit <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>welk huwelijk, behalve Antony, nog drie dochters gesproten zijn, namelijk Margaretha, -Geertruida en Catharina<a class="noteRef" id="xd31e386src" href="#xd31e386">6</a>. -</p> -<p>Zijne ouders waren van zeer deftige, aanzienlijke en bemiddelde afkomst. Wij vinden -vermeld, dat hij van moeders zijde was vermaagschapt aan de aanzienlijke Delftsche -geslachten van Hogenhoek, Bleiswijk, Swalmius en Mathenesse<a class="noteRef" id="xd31e391src" href="#xd31e391">7</a> terwijl hij zelf zegt<a class="noteRef" id="xd31e394src" href="#xd31e394">8</a>, dat zijn groot- en overgrootvaders brouwers te Delft waren en ook zijne grootmoeder -eene dochter was van een brouwer, welk bedrijf in de XIVde en XVde eeuw aldaar in -groot aanzien was<a class="noteRef" id="xd31e397src" href="#xd31e397">9</a>. -</p> -<p>Leeuwenhoek had reeds in zijn vroege jeugd zijn vader door den dood verloren. Hij -werd door zijne moeder te Warmond <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>ter school besteld, alwaar hij zijn eerste onderwijs ontving; en daar hij bestemd -scheen om in den ambtelijken administratieven stand te worden opgeleid en een oom -van hem, die Secretaris en Procureur te Benthuizen was, in die betrekking op te volgen, -zoo werd hij vervolgens, na voltooid elementair onderwijs, daarheen gebracht, ten -einde zich verder voor zijn aanstaande betrekking bekwaam te maken en voor te bereiden. -</p> -<p>Dat hij, zoowel te Warmond, als te Benthuizen, goede gronden zal gelegd hebben voor -zijne intellectueele ontwikkeling en bij voorzeker gunstigen aanleg, zich den tijd -aldaar doorgebracht goed ten nutte zal gemaakt hebben in het verwerven van die kundigheden, -die onder zijn bereik kwamen, is van een man met zulk een werkzamen, onderzoekenden -geest als wij Leeuwenhoek later zullen leeren kennen, zeker te verwachten. Dat hij -zich hier en later, vooral in de wiskundige wetenschappen geoefend heeft, blijkt uit -vele brieven van hem in lateren tijd geschreven, waaruit zijn grondige kennis in die -richting onmiskenbaar aan den dag komt. Zoo bij voorbeeld, waar hij het aantal „<span lang="nl">vis-veseltjes</span>” (draadjes, fila) uit de Kabeljauw, die vervat zijn in de „<span lang="nl">circumferentie van een visstriemtje</span>” (fibrilla) wil uitrekenen, maakt hij gebruik van de leer van Archimedes, om den -inhoud van den cirkel door de kennis van den omtrek te berekenen<a class="noteRef" id="xd31e427src" href="#xd31e427">10</a>; alsmede, waar hij door uitrekening tracht te bepalen, dat er tienmaal zoo veel levende -dieren uit een hom van een Kabeljauw voortkomen, dan er menschen op aarde wonen, stelt -hij, om dit laatste getal te berekenen, „de lengte van den grooten cirkel van den -aardbol op 5400 mijlen gerekend zijnde, 22—7—5400 = 1718 mijlen voor de as van den -aardbol” en berekent volgens den regel van Metius „<span lang="nl">om de superfitie van een cloot-bult te berekenen, 7 geeft 22, wat geeft het quadraat -getal van de asse</span>,” enz. enz.<a class="noteRef" id="xd31e433src" href="#xd31e433">11</a>. Nog blijkt zijne wiskundige kennis onder anderen uit een postscriptum achter <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>een brief<a class="noteRef" id="xd31e442src" href="#xd31e442">12</a>, waar hij zegt: „<span lang="nl">De hoogte van onze nieuwe kerkstooren is voor veel jaren door mij, ende wijlen den -Landmeter Spoors, yder met syn quadrant afgezien, en bevonden hoog te syn 299 voeten</span>”<a class="noteRef" id="xd31e448src" href="#xd31e448">13</a>. -</p> -<p>Ik haal deze voorbeelden, die met nog vele anderen zouden kunnen vermeerderd worden -slechts aan, om te doen uitkomen, dat Leeuwenhoek, hij moge dan al niet tot den geleerden -stand behoord en vooral geen geleerde opvoeding genoten hebben, toch niet zoo onontwikkeld -was als doorgaans vele schrijvers vermelden. -</p> -<p>Nadat onze jeugdige Leeuwenhoek eenigen tijd te Benthuizen had doorgebracht en zijn -mindere geschiktheid of lust voor de werkzaamheden, aan de betrekkingen bij zijn oom -verbonden, zal gebleken zijn, besloot zijn moeder hem een meer practische loopbaan -te openen en bracht hem in 1648, op den leeftijd van 16 jaren, te Amsterdam in aanraking -met een voornaam lakenhandelaar, op wiens kantoor hij werd aangenomen en waar hij -al spoedig de functie van boekhouder en kassier vervulde<a class="noteRef" id="xd31e466src" href="#xd31e466">14</a>. -<span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span></p> -<p>Hoe lang hij in deze betrekking te Amsterdam gebleven is, kan uit de berichten van -dien tijd niet opgemaakt worden. Boitet, die hier onze eenige leidsman is, spreekt -van „eenige jaren”, waarna hij weder naar Delft terug keerde; en daar hij, altijd -volgens denzelfden schrijver, kort daarna in het huwelijk trad en dit huwelijk, blijkens -mijn familie-register, in het jaar 1654 plaats had, zoo kan daaruit met genoegzame -zekerheid worden opgemaakt, dat dit niet langer dan 5 à 6 jaren kan geweest zijn. -In die jaren nu moet bij Leeuwenhoek langzamerhand de lust tot natuuronderzoek zijn -voorbereid en ontwikkeld geworden; en hoewel hij de plichten, aan zijne maatschappelijke -betrekking verbonden, zeker niet zal veronachtzaamd hebben, zoo kan men aannemen, -dat de beschaving van zijn geest en het onderzoeken van hetgeen hem omringde en zijn -aandacht wekte, hem zijn vrijen tijd nuttig heeft doen doorbrengen. -</p> -<p>De waarschijnlijkheid dat hij, tijdens zijn verblijf te Amsterdam in aanraking gekomen -is met kundige mannen en geleerden van naam, die bij hem den lust voor de natuurstudie -zullen hebben opgewekt en aangewakkerd, alsmede, dat hij daar het eerst kennis zal -gemaakt hebben met een instrument, dat hij later door eigen inspanning en volharding -tot zulk een volmaking bracht, mag men wel veilig als gegrond aannemen, hoewel de -beweering van sommige schrijvers, dat hij aldaar met beroemde natuurkundigen vriendschap -had weten aan te knoopen<a class="noteRef" id="xd31e475src" href="#xd31e475">15</a> naar mijn oordeel niet dan eene veronderstelling mag heeten. -</p> -<p>Ik waag het ten slotte nog ééne meening te uiten, die ik vermeen niet zoo geheel zonder -grond te zijn, ter verklaring van den bij hem opgewekten lust tot het onderzoeken -en bestudeeren van insecten en andere voorwerpen door het microscoop. Zij is deze: -Johannes Swammerdam, over wien ik later meerdere bijzonderheden zal mededeelen, was -een tijdgenoot en (blijkens <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>de noot op bl. 26) een bijzondere kennis van Leeuwenhoek, daar hij in 1637 te Amsterdam -geboren werd en dus slechts weinige jaren jonger was dan hij; de vader nu van Swammerdam -was Apotheker te Amsterdam en bezat een uitgebreide en toen reeds algemeen beroemde -en bekende groote verzameling van voorwerpen uit de natuurlijke historie, en andere -curiositeiten die hij had bijeengebracht. Johannes Swammerdam had, van der jeugd af, -een groote voorliefde voor de natuurlijke geschiedenis aan den dag gelegd en bijzonder -voor die der insecten, welken lust hij ruimschoots bevredigen kon door het dagelijksch -beschouwen van de voorwerpen in het kabinet zijns vaders, dat hij, volgens zijn levensbeschrijver -Boerhaave, in orde hield en rangschikte. Wat is nu natuurlijker, dan dat Leeuwenhoek, -tijdens zijn verblijf te Amsterdam, bij dien Apotheker toegang zal gehad hebben, aldaar -de lust voor natuurstudie in het beschouwen der insecten enz. zal hebben voelen opgewekt -en kennis gemaakt hebben met een instrument, waarmede hij later zooveel ten uitvoer -bracht. Deze onderstelling dunkt mij is alleszins aannemelijk en geenszins ongegrond. -</p> -<p>Intusschen stond hem aanvankelijk en ook later, zeker het gebrekkige zijner letterkundige -ontwikkeling in den weg om dieper door te dringen in hetgeen vooral door buitenlandsche -geleerden onderzocht en geschreven was; maar, door eigen oefening en studie, trachtte -hij zich zelven eigen te maken, wat hem in zijne ontwikkeling in den weg stond. -</p> -<p>Die lust tot onderzoek en oefening bleef hem altijd bij, en vooral toen hij in de -kracht van zijn leven was, schijnt hij eene opmerkelijke volharding in dit opzicht -aan den dag gelegd te hebben. Boitet zegt van hem<a class="noteRef" id="xd31e489src" href="#xd31e489">16</a> „dat hij zich, kort na zijn huwelijk, zonder onderwijs van iemant, in de navigatie, -sterrekunde, wiskunde, filosofie en natuurkunde, en wel met zoo veel vrucht oefende, -dat men hem wel bij de voornaamste meesters in die kunst gelijk mag stellen, en met -een woord gezegt er geen kunstenaar was die hem in de laatste <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>wetenschap overtrof,” en hij voegt er, hoogelijk ingenomen met zijn held, bij: „<span lang="nl">Zooveel vermogt die onbezweke naarstigheid dezes grooten mans, dewelke in deze evengenoemde -kunsten zijn eigen meester was. Dus wort het aloude gezeg bewaarheit, „dat de Goden -alles voor zweet en arbeyt veil hebben.<span class="corr" id="xd31e496" title="Bron: ”">””</span></span> -</p> -<p>Ik stem ten volle in met hetgeen Émile Blanchard, in zijn artikel in de „<span lang="fr">Revue des deux mondes</span>” (pag. 407) zegt, waar hij van de groote gaven van Leeuwenhoek bij weinige wetenschappelijke -ontwikkeling gewaagt: „<span lang="fr">Alors <span class="corr" id="xd31e506" title="Bron: l’àme">l’âme</span> est pénétrée d’un regret; on voudrait voir Leeuwenhoek pourvu des connaissances générales -qui permettraient à cet esprit ingénieux de s’élever à quelques hautes conceptions. -Avec une forte instruction, Leeuwenhoek en effet aurait sans doute mérité <span class="corr" id="xd31e509" title="Bron: d’ètre">d’être</span> compté au nombre des génies dont <span class="corr" id="xd31e512" title="Bron: ’shonore">s’honore</span> l’humanité.</span>” -</p> -<p>Bij al de bovengenoemde kundigheden, die Leeuwenhoek zich door eigen studie had verworven, -schijnt hij zich ook nog in de Scheikunde geoefend en zich daarmede bezig gehouden -te hebben. Ook hieromtrent bericht ons Boitet, „<span lang="nl">dat hij zich zoo ver in de Scheikunst geoefend had, dat hij uit ruw erts goud en zilver -wist te scheiden, waarvan er bij zijn in leven zijnde dochter verscheydene gedenkstukken -voorhanden waren.</span>” -</p> -<p>Dat hij nimmer Latijn geleerd had en zelfs onbekend was met vreemde levende talen, -blijkt uit onderscheidene gezegden van hem in zijne brieven, waarin hij betuigt, dat -zijne manuscripten voor hem in het Latijn werden overgezet, om daarna naar Engeland -aan de Koninklijke Sociëteit te worden toegezonden<a class="noteRef" id="xd31e523src" href="#xd31e523">17</a>. Dit wordt ook bevestigd door Thomas Molyneux, een Engelsch Natuurkundige. Deze geleerde -bezocht dikwijls ons land en kwam herhaaldelijk in Leiden. In het jaar 1685, toen -de onderzoekingen en ontdekkingen van Leeuwenhoek reeds eenige jaren in Engeland bekend -waren gemaakt en vooral zijne ontdekkingen over de, later zoogenoemde, infusoria in -regen- en andere wateren, de verbazing van de geleerde leden der <i>Royal Society</i> hadden opgewekt, <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>waarbij niet minder zijne vroegere waarnemingen over de bloedbolletjes en den bloedsomloop, -alsmede die omtrent de zoogenoemde zaaddiertjes (spermatozoïden), ieders belangstelling -hadden gaande gemaakt, was men natuurlijk zeer verlangend iets naders omtrent den -persoon van dien grooten ontdekker van de „geheimen der natuur” te vernemen, die men -tot nog toe slechts uit zijne brieven kende. Toen nu Molyneux in het voorjaar van -1685 zich naar Holland begaf, werd hem door Sir François Aston, Secretaris der <i>Royal Society</i> opgedragen ook Delft te bezoeken, aldaar kennis met Leeuwenhoek te maken, en tevens -van hem te weten te komen, op welke wijze hij zijn microscopen maakte, waarmede hij -uitkomsten verkreeg, die men in Engeland met moeite, en dan nog onvolledig, kon bekomen -met de beste microscopen, die men daar kon vervaardigen. Molyneux voldeed aan deze -opdracht. In de vergadering van dit geleerd Genootschap werd daarop een brief van -<span class="corr" id="xd31e534" title="Bron: Molineux">Molyneux</span> ontvangen, gedateerd uit Leiden d.d. 13 Februari 168⅘ N. S. (nieuwe stijl). Deze -was van den volgenden inhoud: -</p> -<p>„Ik heb tot nu toe het antwoord op uwe laatste uitgesteld, omdat ik u nog geen bericht -kon geven van Mijnheer Leeuwenhoek, doch ik bezocht hem voorleden week uit uw naam. -Hij vertoonde mij vele zaken door zijne microscopen, welke onnoodig is hier te vermelden, -daar hij zelf u de beschrijving daarvan uitvoerig heeft medegedeeld. Wat zijn microscopen -zelf aangaat, zoo waren allen, die hij mij liet zien, ten getale van minstens een -dozijn, van ééne soort, bestaande elk uit een klein glas geslepen („„Ik vermeld dit, -omdat men algemeen gelooft, dat de glazen voor zijn microscopen met de lamp geblazen -zijn; die geenen, die ik zag, kan ik verzekeren dat niet geblazen zijn””), geplaatst -tusschen twee dunne platte koperen plaatjes, omtrent één duim breed en anderhalven -duim lang. In deze twee openingen, één voor en één achter het glas, welke grooter -of kleiner waren, naarmate het glas meerder of minder convex was, of dat het vergrootte. -Vlak over deze opening was aan de eene zijde nu eens eene naald aangebracht, dan weder -een dun plat plaatje van glas of doorschijnende stof, waarop hij, al naar het noodig -was, of op de punt, het voorwerp dat hij wilde bezien, <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>vastmaakte, daarop het naar het licht keerde en nu door middel van twee kleine schroefjes -het voorwerp juist in den focus van zijn glas lichtte, waarna hij dan zijn waarnemingen -bewerkstelligde. Zoodanige waren de microscopen die ik zag en deze vertoont hij aan -de nieuwsgierigen die hem komen bezoeken; maar behalve deze, vertelde hij mij, had -hij nog eene andere soort, door welke geen levende ziel, behalve hij zelf zag; deze -soort bewaart hij geheel voor zijn eigen waarnemingen en hij verzekerde mij, dat zij -diegene, die hij mij had laten zien, verre overtroffen; doch hij wilde mij niet toestaan -ze te zien, dus al wat ik kan doen is eenvoudig te gelooven, want ik heb er geen ondervinding -van”. -</p> -<p>„Wat nu de microscopen aangaat, waardoor het mij vergund werd te zien”<a class="noteRef" id="xd31e543src" href="#xd31e543">18</a>, vervolgt Molyneux, „zoo vergrootten deze niet veel meer dan verscheidene glazen, -die ik, zoowel in Engeland als in Ierland gezien heb, doch in ééne bijzonderheid moet -ik zeggen, overtreffen zij ze allen, namelijk in hunne buitengewone helderheid en -dat zij alle voorwerpen zoo uitstekend helder vertoonen. Want ik herinner er aan, -dat wij in eene vrij donkere kamer waren, met slechts één raam voorzien, waar de zon -toen ook niet op scheen, en toch vertoonden de voorwerpen zich <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>schooner en duidelijker dan diegeenen, die ik vroeger door microscopen gezien heb, -hoewel er de zon geheel op scheen, of dat zij meer dan gewoon licht ontvingen, door -weêrkaatsende spiegels of op andere wijze. Zoodat ik vermeen, dat het hoofdzakelijk, -zoo niet geheel alleen aan deze bijzonderheid is toe te schrijven dat zijne glazen -alle andere overtreffen, die over het algemeen, hoe meer zij vergrooten, het voorwerp -des te duisterder vertoonen, en zijn eenig geheim bestaat, geloof ik, daarin, dat -hij de glazen helderder slijpt en ze beter polijst dan anderen kunnen doen.” En nu -vervolgt Molyneux<span class="corr" id="xd31e565" title="Bron: .">,</span> „Ik vond in hem een beschaafd, vriendelijk man en zonder twijfel met groote bekwaamheden -voorzien, maar tegen mijne verwachting geheel en al ongeletterd, daar hij, noch het -Latijn, noch Fransch of Engelsch, of eenige andere der nieuwe talen, behalve zijn -moedertaal machtig is, hetgeen een groote hinderpaal is om zich met hem, voornamelijk -over zijne waarnemingen te onderhouden, want daar hij volstrekt onbekend is met de -denkbeelden van anderen, moet hij geheel op zijn eigen oordeel afgaan en heeft hij -dan ook zulk een vertrouwen op zijn eigen opgevatte meening, dat hij, zooals ik opmerkte, -nu en dan tot ongerijmdheden of in bizarre verklaringen vervalt, ja soms zoodanig, -dat zij in het geheel niet met de waarheid overeentebrengen zijn. Gij ziet, Mijnheer, -hoe vrij ik mijn gedachten over hem uit, zooals gij mij dit verzocht hebt”<a class="noteRef" id="xd31e568src" href="#xd31e568">19</a>. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Nadat alzoo Leeuwenhoek gedurende vijf à zes jaren te Amsterdam gewoond had waar de -drukten en beslommeringen aan een handelszaak verbonden, aan zijn meer en meer ontwikkelenden -lust tot natuuronderzoekingen en eigen studie hinderlijk zullen geweest zijn, besloot -hij in het jaar 1653 of 1654 naar Delft terug te keeren<a class="noteRef" id="xd31e578src" href="#xd31e578">20</a>. -<span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span></p> -<p>Hij trad kort daarna, namelijk den 26sten Juli 1654, in het huwelijk met mejufvrouw -Barbara de Mey dochter van Elias de Mey en Maria Viruly. Zij was geboren den 13den -December 1629 en was alzoo 25 jaren oud toen zij met Leeuwenhoek huwde. Uit dit huwelijk -werden hem vijf kinderen geboren, en wel drie zonen en twee dochters, waarvan hij -er slechts één over hield, daar de overige hem door den dood ontnomen werden. Deze -overgeblevene was zijne dochter Maria, die ongehuwd bleef en haar vader tot in zijn -hoogen ouderdom en op zijn sterfbed verzorgde. -</p> -<p>Deze dochter, Maria, werd geboren den 22sten September 1656 en overleed den 25sten -April 1745, zoodat zij haar vader 23 jaren overleefde en den hoogen ouderdom van 88 -jaren bereikte<a class="noteRef" id="xd31e592src" href="#xd31e592">21</a>. -</p> -<p>Na eene vereeniging van 12 jaren overleed zijne echtgenoote, en wel den 11den Juli -1666<a class="noteRef" id="xd31e597src" href="#xd31e597">22</a>, waarna <span class="corr" id="xd31e600" title="Bron: bij">hij</span> een tweede huwelijk aanging met mejufvrouw Cornelia Swalmius<a class="noteRef" id="xd31e603src" href="#xd31e603">23</a>, die hem één kind schonk, dat echter vroeg gestorven is. -</p> -<p>Leeuwenhoek schijnt in onbekrompen omstandigheden verkeerd te hebben, want eerst in -het jaar 1660 werd hem eene Stadsbetrekking opgedragen, die hem een vast inkomen verzekerde. -Gedurende de zes eerste jaren van zijn huwelijk leefde hij geheel voor zijne studie -en moet hij dus de middelen bezeten hebben, niet alleen om in de behoefte van zijn -gezin naar behooren te voorzien, maar ook om zich de noodige instrumenten voor zijne -onderzoekingen te kunnen aanschaffen; en daar de Stadsbetrekking die hij gedurende -39 jaren bekleedde, zooals wij <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>straks zullen zien niet buitengewoon voordeelig was, kon hij daardoor niet tot den -welgestelden stand geraakt zijn. Dat hij tot den deftigen vermogenden stand moet behoord -hebben is voorts afteleiden uit de aanzienlijke collectie microscopen, gedeeltelijk -van zilver en enkele zelfs van goud, allen bewaard in afzonderlijke daartoe vervaardigde -Japansch verlakte cabinetjes, die hij naliet en waarvan er zeven op den Catalogus -van de verkooping, die na zijn dood gehouden werd, voorkomen. Evenzoo kan men dit -opmaken uit hetgeen Boitet vermeldt, dat er „verscheidene gedenkstukken van zijn hand, -bij zijn dochter voorhanden waren, vervaardigd uit goud en zilver;” en vervolgens -uit de van hem bestaande portretten, die hem voorstellen in de kleeding en houding -van den aanzienlijken stand van dien tijd<a class="noteRef" id="xd31e610src" href="#xd31e610">24</a>; eindelijk uit den inhoud van een brief aan Robert Hooke van 4 <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>November 1681<a class="noteRef" id="xd31e672src" href="#xd31e672">25</a>, waaruit blijkt dat hij er zelfs een paard op na hield, waarvan hij schrijft, dat -hij na een sterke rit er mede gedaan te hebben, de urine, die zeer dik was en aschkleurig, -onderzocht. Ook bezat hij een buiten-tuin, zoo als blijkt uit den <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>61ste brief, blz. 247. Uit een en ander is de vermelding, dat hij een vermogend man -was, genoegzaam gemotiveerd. -</p> -<p>Intusschen werd hij door het Bestuur van Delft met eene betrekking begiftigd, die -hem een voor dien tijd niet onaanzienlijk inkomen verschafte, terwijl de diensten, -daaraan verbonden, gering waren, zoodat hij genoegzamen vrijen tijd overhield om zich -aan zijn geliefkoosde studiën en onderzoekingen te kunnen wijden. Deze post bestond -in de betrekking van „Kamerbewaarder der Kamer van Heeren Schepenen van Delft”, eene -bediening, volgens van Haastert, in vroegere dagen waardig genoeg aan den deftigen -burgerstand. Deze betrekking werd hem den 26sten Maart 1660, dus toen hij 28 jaren -oud was, gegeven. Hij vervulde deze betrekking gedurende 39 jaren, namelijk tot aan -het jaar <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>1699, doch behield het salaris daaraan verbonden tot aan zijn dood. -</p> -<p>Tengevolge mijner nasporingen omtrent den aard dezer betrekking en andere bijzonderheden -daaromtrent in het werk gesteld, zijn mij door den oud Archivaris en Secretaris van -Delft Mr. J. Soutendam, uit het Archief een paar afschriften verschaft, die ik niet -onbelangrijk acht hier mede te deelen. Een dezer extracten luidt aldus: -</p> -<p>3de Memoriaal van <abbr title="Heeren">H.H.</abbr> Burgemeesteren van Delft, fol. 365. -</p> -<p>„<span lang="nl">Den 26sten Maart 1660 is Antony Leeuwenhoek, in plaats van Jan Strick, tot Camerbewaarder -gestelt, op gelijke gagie, baten ende emolumenten.</span>” Zijne Commissie luidt als volgt: (fol. 364 en 365 ibid. „<span lang="nl">Mijnen Heeren Burgemeesteren ende Regeerders der stad Delft hebben gestelt ende committeeren -bij desen, Antony Leeuwenhoek tot het waarnemen van de Camer, daer de H.H. Schout, -Schepens ende die van de wet deser Stadt vergaderen, om de voorz. Camer te openen -ende te sluyten, soo op ordinaris als extraordinaris vergaderingen van de voorn. Heeren, -op soodanige wijsen, als des vereyscht ende nodig sal wesen; item deselve Heeren te -betonen alle respect, eere ende reverentie ende naerstelyck te agtervolgen ende getrouwelyck -te effectueren alle diensten, die hem sullen werden belast, ende secreet te houden -’t gunt hij in de Camer soude mogen hooren; de voorz. Camer pertinentelyck te reynigen ende -schoon te houden, ’t vuyr, soo wanneer den tijd sulcx sal vereyschen, op syn bequamen -tijd aan te leggen ende de koolen, die ongeconsumeert soude moge wesen, tot syn profyt -wel te bewaren, dat geen ongeluk daar van ofte van het Ligt van de kaarsen en geschiedde -ende sal voorts alles doen dat een goet ende getrouw Camerbewaarder schuldig is te -doen ende behoort. Voor welcken dienst de voorz. Antony Loeuwenhoek sal genieten soodanigen -gagie, bate ende emolumenten als voorn. Jan Strick saliger syn voorzaat in dienste -heeft genoten, ende sal desselfs dienst ingaan metten 24 January 1660 ende syn gagie -betaalt werden op soodanige termynen, als die aan den voorz. Strick betaalt syn geweest. -Actum bij al de Burgmeesteren collegialiter vergadert <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>den 26sten Maart 1660 ende geteekent bij den Pensionaris J. Camerling.</span>” -</p> -<p>Het salaris aan dezen post verbonden wordt opgegeven in de „Thesauriers-rekening” -van Delft van 1661 fol. 113 en 114: „<span lang="nl">Antony Leeuwenhoek, Camerbewaarder van de Raatcamer twee hondert ’t sestich gl. over -één jaar wedde, verschenen den 24sten January 1661, dus: ijc lxgl.</span>” „<span lang="nl">Den selven voor het schoonmaeken van de Schepenen-<span class="corr" id="xd31e707" title="Niet in bron">,</span> Vroetschap- ende Schutterskamer; Item voor de behoeften die hij daer toe van nooden -heeft, de somma van liiij gl.</span><span id="xd31e709"></span> Alzoo te samen een tractement van ƒ 314.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> De „Stads-secretaris,” zoo schrijft mij Mr. Soutendam, ontving te dien tijde, behalve -het „tabbertlaken of stedekleeding” en den „vrijdom van Stads-accijns ƒ 800 ’s jaars.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> Het baantje was ook (altijd volgens Mr. Soutendam), niets minder eervol, dan dat -van Kamerheer aan ’t Hof, „<span lang="la">mutatis mutandis</span>;” natuurlijk zal Leeuwenhoek het vuile werk wel door een bode of bediende hebben -laten waarnemen. -</p> -<p>Er is verder in het Archief niets gevonden, waaruit kan blijken of Leeuwenhoek om -deze betrekking gevraagd heeft. Waarschijnlijk zal een zijner vrienden, in de Regeering -zittende, hem die wel bezorgd hebben. In die dagen was alles „correspondentie” van -’t hoogste ambt tot het minste toe. -</p> -<p>Behalve deze betrekking van Camerbewaarder, schijnt hem nog een andere te zijn opgedragen -blijkens een afschrift uit het „15de Memoriaal van Burgemeesteren van Delft” fol. -118 en 119<span id="xd31e721"></span> als volgt: -</p> -<p>„Mortificatie van het generaal-wijkmeesterschap, d.d. 23 December 1711, nadat Antony -Leeuwenhoek, die dese betrekking tegen een tractement van ƒ 50 ’s jaars bekleedde, -sal sijn overleden<span class="corr" id="xd31e725" title="Bron: ,">.</span>” Het blijkt echter niet, wanneer hij deze sinecure gekregen heeft. -</p> -<p>Verder vindt men in hetzelfde: „Memoriaal”, fol. 206 en 207.<span id="xd31e730"></span> „Resolutie ter verbetering van Stads-finantie, d.d. 30 December 1718”: „Dat na overlijden -van Antony Leeuwenhoek en Arnold Ramp, de kamerbewaarder van Schepenen-kamer voortaan -niet meer sal toegelegt worden als ƒ 300”. Hieruit blijkt dus, dat Leeuwenhoek nog -tractement ontving, ofschoon hij reeds een opvolger <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>of hulp had. De „Thesauriers-rekening” van 1699 geeft hiervan opheldering; daaruit -blijkt, dat Leeuwenhoek, als Camerbewaarder der Raat-camer enz., over een jaarwedde, -verschenen October 1699, ontving.…<span class="corr" id="xd31e734" title="Bron: ” "> „</span>iiijc g<i>l</i>.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> „Den selven, of nu Arnold Ramp, voor ’t schoonmaken van Schepens-camer enz.… Liiij -g<i>l</i>.” -</p> -<p>Hij behield dus ’t tractement van „Camerbewaarder” en van „generaal-wijkmeester” (twee -sinecures) tot aan zijn dood en betaalde ƒ 54 aan Arnold Ramp. Het is echter niet -kunnen blijken, wanneer dit salaris tot ƒ 400 verhoogd werd. -</p> -<p>Van het jaar 1654 af, vermoedelijk het jaar dat hij zich voor goed in Delft met der -woon vestigde, tot het jaar 1673 toe, het jaar waarin het eerst microscopische waarnemingen -van Leeuwenhoek door bemiddeling van Dr. Reinier de Graaf, aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” te Londen werden medegedeeld, en zijn naam alzoo in het buitenland en spoedig daarna -overal algemeen bekend is geworden, vinden wij niets omtrent hem aangeteekend. Er -was dus een tijdvak van 19 jaren, dat men een tijdvak van voorbereiding kan noemen, -waarin hij zich voldoende kon oefenen, zoowel in het aanleeren als verder volmaken -van de kunst om de lenzen, die hij voor zijne microscopen gebruikte en die wij zullen -zien dat hij zelf vervaardigde, zoodanig te slijpen en te polijsten, dat zij de bewondering -van kenners en geleerden, opwekten. Men <span class="corr" id="xd31e750" title="Bron: trachte">trachtte</span> op allerlei wijzen achter zijn geheim te komen, hetgeen hij echter zorgvuldig voor -zich zelven hield. Hij zal zich overigens gedurende dien tijd vlijtig hebben geoefend -in het beschouwen van de voorwerpen, die zijne aandacht wekten. -</p> -<p>Leeuwenhoek moet daarvoor een allergelukkigsten aanleg hebben bezeten en bovenal een -scherp, helder gezicht, dat hem, niettegenstaande de dagelijksche langdurige en onafgebroken -inspanning, tot aan zijn hoogen ouderdom toe, bewaard bleef. Dit getuigt ook Uffenbach<a class="noteRef" id="xd31e756src" href="#xd31e756">26</a>, toen hij hem in 1710, dus toen hij 78 jaren oud was, bezocht. „<span lang="de">Wir muszten uns wundren, dasz er fast gar nicht zittert, und noch ein gar unvergleichlich -<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>Gesicht hat, da er auch die Augen durch sein observiren gar sehr angreiffe.</span>” Zelfs noch kort voor zijn dood, die den onvermoeiden grijsaard op 91jarigen leeftijd -eindelijk van zijne geliefde bezigheden afriep, was hem nog het volkomen gebruik daarvan -bewaard gebleven. En dat zijn oogen in het beschouwen en waardeeren der voorwerpen -scherper zagen dan die van anderen, kan men opmaken uit eene periode van hem, uit -een brief aan den Burgemeester van Delft Jan Meerman<a class="noteRef" id="xd31e770src" href="#xd31e770">27</a>, van den 28sten Februari 1713, dus toen hij den ouderdom van 81 jaren bereikt had. -</p> -<p lang="nl">„Alle dese figuren syn door een en hetselve vergrootglas geteykent, die de Teykenaar -soo groot heeft geteykent als hy die quam te sien: dog wanneer ik die na myn oog soude -uytbeelden, soude ik die veel grooter uytbeelden.” -</p> -<p>Leeuwenhoek zal ook wel een geruimen tijd noodig gehad hebben eer hij in de bewerking -zijner instrumenten, waartoe hij al de benoodigdheden zelf maakte, die vaardigheid -verkregen had, dat zij ten gebruike geschikt waren. Hij getuigt zelf daarvan, in een -brief aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” van 12 Januari 1689<a class="noteRef" id="xd31e780src" href="#xd31e780">28</a>. „<span lang="nl">Ick hebbe hier vooren geseit, hoe ik myn Instrumenten hebbe toegestelt, die eenige -veel netter en bequamer souden maken. Dog men moet weten, dat ik in geen konsten ben -onderwesen, daartoe men hamer of vijl gebruikt, als alleen, dat ik heb gesien, hoe -men het staal hard, en tempert, en een dril maakt, waarmede men een gat in yser, koper, -of silver drilt. Hoe en waarmede een silver-smit syn silver aaneen soldeert.</span> -</p> -<p><span class="corr" id="xd31e787" title="Niet in bron">„</span><span lang="nl">Dit gesien hebbende, heb ik myn selven soo verre geoefent, dat ik sedert veel jaren -myn gereetschap hebbe gemaakt, hetwelke ik in verscheide saken hebbe van node gehad. -En dus is het, dat hetgeene dat ik tot myn gebruik van node hebbe, alleen maar uyt -den rouwe by my gemaakt werd.</span>” -</p> -<p>Later schijnt hij zich echter zoo zeer in deze metaalbewerking geoefend te hebben, -dat hij met meer tevredenheid over <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>zijn werk spreken kon. In een anderen brief (9 Juni 1699)<a class="noteRef" id="xd31e795src" href="#xd31e795">29</a> zegt hij: „<span lang="nl">Terwijl ik besig ben om desen te schrijven, heb ik wel 8 à 10 vergroot-glasen voor -my leggen, die door my met silver gemonteert syn, en alhoewel ik gans geen onderrigtinge -en hebbe gehad, om in eenig metaal met hamer of vijl te arbeyden, soo monteer ik egter -myn glasen; en myn werktuygen syn soo toegestelt, dat werkbasen in ’t Gout seggen, -my niet te sullen nawerken.</span>” -</p> -<p>Hieruit en uit vele andere bijzonderheden blijkt, dat hij overal opmerkte of er iets -voor hem te leeren viel en dan maar handen aan het werk sloeg totdat hij eindelijk -zijn doel bereikte. Vooral maakte hij al zijn beschikbaren tijd zich ten nutte voor -de volmaking van een instrument, waarmede hij later zulke groote ontdekkingen gedaan -heeft. De slijping en polijsting zijner glazen zal hem wel het meest inspanning en -tijd gekost hebben en wij zouden zoo gaarne weten wie hem daartoe den weg gewezen -heeft. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij het slijpen zelf aanvankelijk bij een glasslijper -afgezien, zooals zoovele andere zaken, en dat daarvoor, tijdens hij nog in Amsterdam -woonde, waar het slijpen van diamanten toen reeds tot een hoogen trap van volkomenheid -gebracht was, wel gelegenheid zal hebben bestaan, mag men veilig aannemen. -</p> -<p>Behalve het slijpen van glas had hij zich ook zelf geoefend in het glasblazen, en -het bewerken van metalen; zoo beschrijft hij, in een brief aan Mr. Antonius Heinsius -van 18 Aug. 1695<a class="noteRef" id="xd31e804src" href="#xd31e804">30</a> hoe hij een glazen bol geblazen heeft om voor zekere proef tot het onderzoek van -<span class="corr" id="xd31e807" title="Bron: buskruid">buskruit</span> te dienen, „<span lang="nl">UEd. Gestr. Heere zoude wel meenen dat ik in de kunst van glasblasen, bij de kaars -of lamp geoefend was. Ik hebbe geen andere kennisse van glasblasen gehad, als dat, -wanneer op onse jaarmart een glasblaser in de stad was gekomen, die sijn glas-blazen -bij de lamp, om gelt liet zien, en als doen op desselfs handeling agting nemende, -heb ik het bij de hand gevat<span class="corr" id="xd31e812" title="Bron: ,,">,</span> en dus kan ik alleen <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>maar blasen, hetgeene ick tot mijne verrigtinge van noode hebbe.</span>” Ook blijkt uit het gesprek met Uffenbach dat hij in het glasblazen groote ervaring -gekregen had. Uffenbach zegt daarvan in zijn verhaal van zijn bezoek bij Leeuwenhoek<a class="noteRef" id="xd31e818src" href="#xd31e818">31</a>. -</p> -<p>„<span lang="de">Was die geblasenen Gläser anbelangt, versiecherte Herr Leuwenhoek, dasz er durch zehen-jähriges -speculiren es dahin gebracht, dasz er eine taugliche Art blasen gelernt, welche aber -nicht rund wáren. Mein Bruder wolte solches nicht glauben, sondern hielte es für Holländisch -<span class="ex" lang="nl">gejokt</span>, indem es unmöglich ist, in Blasen etwas anders als ein Kugel oder Endung zu formiren.</span>” Men ziet het, wat anderen onmogelijk voorkwam, kon Leeuwenhoek bereiken door zijn -onvermoeide werkzaamheid, hij liet zich door geen moeielijkheden afbrengen van zijn -eenmaal opgevatte voornemens, waar het hem te doen was om iets te leeren; nimmer verloor -hij den moed, al moest hij aanvankelijk met groote bezwaren kampen, maar hij hield -zoo lang vol totdat hij, zoo als hij gedurig eigenaardig uitdrukt „zich zelven kon -bevredigen.” -</p> -<p>Eindelijk was dan de tijd van ernstige voorbereiding volbracht en gevoelde hij zich -sterk genoeg om hetgeen hij onderzocht en gevonden had ook onder de oogen van anderen -te brengen. Goed toegerust treedt hij nu onverwacht te voorschijn en doet zich weldra -kennen als getrouw waarnemer der natuur. Doch hij plaatste zich zelf niet met eigenwaan -op den voorgrond, maar werd daartoe aangespoord door een geleerde van naam, Dr. Reinier -de Graaf, die zeker al eenigen tijd met hem in wetenschappelijke aanraking zal zijn -geweest en de gelegenheid zal gehad hebben om zijn ervaring in het waarnemen door -het microscoop optemerken<a class="noteRef" id="xd31e834src" href="#xd31e834">32</a>. Deze keurde zijn onderzoekingen wel waardig om onder <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>de oogen te komen van deskundigen. Bij gelegenheid dat de Graaf zijn twist met Swammerdam -over wetenschappelijke geschilpunten aan het oordeel en de beslissing van de „<span lang="en">Royal Society</span>” onderwierp, schreef hij den 27sten Mei 1673 tevens aan Mr. Oldenburg, Secretaris -van dit collegie, over Leeuwenhoek en sloot een brief van hem in, gedateerd 28 April -1673, welken brief de Graaf gezorgd had in het Latijn te vertalen, ten einde deze -door de Engelsche geleerden zou kunnen verstaan worden. De Graaf vestigt in dit schrijven -de aandacht der Koninklijke Sociëteit op „zekeren Mr. Leeuwenhoek, die onlangs microscopen -gemaakt heeft, uitmuntende boven de tot hiertoe vervaardigde door Eustachio Divini -en anderen”, er bijvoegende: „dat hij een voorbeeld van hun uitstekendheid gegeven -heeft door onderscheidene onderzoekingen daarmede te bewerkstelligen en dat hij gaarne -bereid zou zijn moeielijke zaken tot onderzoek van de leden te ontvangen, indien belangstellenden -slechts lust hebben ze hem toe te zenden.” -</p> -<p>De waarnemingen van Leeuwenhoek, waarvan hij in zijn brief gewag maakte, werden in -de „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>,” Vol. VIII, pag. 6037, opgenomen, onder den titel „<span lang="en">A specimen of some observations made by a Microscope contrived by Mr. Leeuwenhoek, -Concerning<span class="corr" id="xd31e861" title="Bron: ” „"> </span>Mould upon the skin, flesh etc; the Sting of a Bee, etc., lately communicated <span class="corr" id="xd31e864" title="Bron: bij">by</span> Dr. Regnerus de Graaf.</span>” -</p> -<p>Deze waarnemingen van den Hollandschen natuuronderzoeker werden door de leden der -Koninklijke Sociëteit met groote belangstelling <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>ontvangen en men sprak de hoop uit, dat hij ze weldra door meer anderen zou doen achtervolgen. -Deze waardeering en uitnoodiging was inderdaad eene krachtige aanmoediging voor een -tot nog toe vergeten, maar onderzoeklievenden waarnemer, wiens nasporingen alleen -nog maar de nieuwsgierigheid zijner vrienden en bekenden, nauwlijks in staat om er -den wijden omvang van te begrijpen en te waardeeren, hadden opgewekt. Van nu af waren -het de geleerden en wel van de beroemde Engelsche Sociëteit, die zich met den arbeid -van den eenvoudigen Delvenaar zouden bezig houden! Bemoedigende gedachte die zijn -ijver aanspoorde en hem zijne pogingen deed verdubbelen om de verwachtingen, die men -van hem koesterde, niet te beschamen. -</p> -<p>Voor dat wij echter meer in bijzonderheden de onderzoekingen van Leeuwenhoek nagaan -en zijne verdiensten in het licht stellen, willen wij kortelijk een blik slaan op -de hoogte der kennis, waarop men ten tijde van Leeuwenhoek, met betrekking tot de -vervaardiging van microscopen, stond. Daarna zullen wij de microscopen van Leeuwenhoek -bespreken en zien wáárin deze uitmuntten boven anderen van dien tijd, waarbij wij -genoegzaam gelegenheid zullen vinden om enkele bijzonderheden, hem zelven betreffende, -te vermelden. Eindelijk kunnen wij onze aandacht onverdeeld wijden aan de belangrijkheid -zijner ontdekkingen, welke, schoon vele er van groote tegenspraak moesten ondervinden -en hem zelfs aan bespotting en beschimping blootstelden, echter door anderen hoog -gewaardeerd en verdedigd werden, en waarvan sommigen zelfs nog in dezen tijd, als -onomstootelijke waarheden worden erkend. -</p> -<p>Het is door den Hoogleeraar P. Harting in zijn: „Bijdrage tot de geschiedenis der -mikroskopen in ons Vaderland” (Utrecht 1846) en zijn: „Het Mikroskoop, deszelfs gebruik, -geschiedenis en tegenwoordigen toestand” (3 deelen 1850)<a class="noteRef" id="xd31e876src" href="#xd31e876">33</a> op onwederlegbare gronden <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>aangetoond, dat de eer der gewichtige ontdekking van het microscoop in de 17de eeuw -aan Nederland toekomt. De Italianen roemen in dit opzicht nog wel hun Fontana en Galilaeus, -van wien de eerste zich de eer der uitvinding toeëigende, daar hij in het jaar 1646 -schreef, dat hij reeds in 1618 het microscoop had uitgevonden; doch de gronden die -zij voor hun beweren, aanvoeren, zijn onhoudbaar; want daar de Italianen de uitvinding -van het microscoop in 1612 aan Galilaeus toeschrijven, zoo is het bewezen, dat de -eer dezer uitvinding aan Hans en Zacharias Janssen van Middelburg toekomt en dat die -zelfs reeds lang vóór 1610 plaats had, hoewel het moeielijk te bepalen schijnt hoe -lang vóór dien tijd<span class="corr" title="Niet in bron">.</span><a class="noteRef" id="xd31e885src" href="#xd31e885">34</a> -</p> -<p>Het blijkt echter, dat reeds in zeer oude tijden het vergrootend vermogen van bolle, -doorschijnende lichamen, alsmede de kunst om glas en berg-kristal te slijpen, bekend -is geweest en men met het einde der XVde eeuw reeds daarin eenige vordering had gemaakt, -doch er verliepen meer dan twee eeuwen eer het eenvoudig microscoop uitgevonden werd, -welke uitvinding ten onrechte aan Drebbel in het jaar 1621 wordt toegeschreven. Het -waarschijnlijkst, volgens Harting, is, dat de uitvinding der brillen, die alleen daarin -bestond, dat men begonnen was de lenzen te <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>slijpen met een verderen brandpunts-afstand dan vroeger, tusschen 1285 en 1290 geschied -is. Verder zegt Harting<a class="noteRef" id="xd31e895src" href="#xd31e895">35</a>, dat het brillenslijpen, na 1363, allengs tot een handwerk was geworden, dat men -op het laatst der XVIde eeuw twee brillenslijpers te Middelburg (de genoemde Janssens) -vond, en ten tijde van Leeuwenhoek drie te Leiden, zooals hij zelf in een brief aan -G. C. Leibnitz, d.d. 28 September 1715<a class="noteRef" id="xd31e898src" href="#xd31e898">36</a> zegt: „<span lang="nl">daar sijn drie Glaseslijpers geweest te Leyden, bij dewelke de studenten het glaseslijpen -gingen leeren</span>” enz. Uit een en ander blijkt, dat het zeker is, dat het samengesteld microscoop -te Middelburg reeds eenige jaren vóór 1610 is uitgevonden. -</p> -<p>De Hoogleeraar Harting maakt de opmerking<a class="noteRef" id="xd31e906src" href="#xd31e906">37</a>, dat het bevreemdend is, dat de uitvinding van een werktuig, hetwelk voor den onderzoekenden -blik eene geheel nieuwe wereld ontsluit, aanvankelijk zoo weinig de aandacht getrokken -heeft, dat het bestaan ervan jaren lang ter nauwernood buiten de muren der woonplaats -van den uitvinder is bekend geweest, daar men, noch in 1611 in de „Dioptrica” van -Keppler, noch in het werk van Syrturus, dat over verrekijkers en het slijpen van glazen -handelt en in 1618 verscheen, iets vindt opgeteekend, waaruit hunne bekendheid met -het microscoop blijkt. Eerst in 1625 maakte een Italiaan Franciscus Stellubi eenige -microscopische waarnemingen bekend over de verschillende deelen der honigbij. -</p> -<p>De eigenlijke geschiedenis van het enkelvoudig microscoop vangt eerst aan op het tijdstip, -toen men begon lenzen te vervaardigen, welke een genoegzaam korten brandpunts-afstand -bezaten, om eene eenigszins aanmerkelijke vergrooting daar te stellen, dat, volgens -Harting<a class="noteRef" id="xd31e911src" href="#xd31e911">38</a>, hoogstwaarschijnlijk eerst geschied is na en ten gevolge der uitvinding van het -samengesteld microscoop. -</p> -<p>Een der eersten, die het enkelvoudig microscoop zoodanig inrichtte, dat het geschikt -was voor wetenschappelijke nasporingen, was onze Leeuwenhoek. -</p> -<p>Wij zagen boven, dat Dr. Reinier de Graaf in den brief, <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>dien hij bij de toezending der eerste waarnemingen van Leeuwenhoek aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” te Londen schreef, als eene bijzonderheid mededeelde „dat deze Leeuwenhoek onlangs -microscopen gemaakt had, uitmuntende boven die tot hiertoe vervaardigd worden door -Eustachio Divini.” Deze microscopen van Eustachio de Divinis nu waren in dien tijd -zeer beroemd en worden beschreven in de „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” n<sup>o</sup>. 42, pag. 842. Divini had, behalve de objectieflens, twee plano-convexe oogglazen -zoodanig geplaatst, dat zij elkander in het midden hunner bolle oppervlakte raakten. -Deze oogglazen waren ongeveer zoo breed als de handpalm eens mans, en de buis, waarin -zij besloten waren, was zoo dik als een mans dij. Een vrij onhandig instrument alzoo, -dat niet gemakkelijk in het gebruik moet zijn geweest en veel overeenkomst met een -kleine mortier moet hebben gehad. Het was omstreeks 16½ duim lang; de verschillende -vergrootingen werden verkregen door uittrekking tot verschillende lengte. De geringste -vergrooting was van 41, de sterkste van 143maal in middellijn. -</p> -<p>Het voornaamste, waardoor de microscopen van Leeuwenhoek uitmuntten boven die van -anderen van zijn tijd, bestond in de kennis van het slijpen en polijsten zijner lenzen -en in het stellen (monteeren) daarvan. -</p> -<p>Men maakte destijds ook veel gebruik van gesmolten glazen bolletjes, omdat men niet -best terecht kon met het slijpen der lenzen, en niemand ten tijde van Leeuwenhoek -hem hierin op zijde schijnt gestreefd te hebben. -</p> -<p>De eerste, die deze glazen bolletjes vervaardigde, was Robert Hooke<a class="noteRef" id="xd31e932src" href="#xd31e932">39</a>, die in 1663 de vervaardiging ervan beproefde en ze later verbeterde. Hij maakte -van deze bolletjes onder anderen gewag in een verslag, door hem uitgebracht in de -vergadering <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>van 14 Maart 1678 van de „<span lang="en">Royal Society</span>”<a class="noteRef" id="xd31e946src" href="#xd31e946">40</a>, ten gevolge van het te vergeefsch opsporen van de kleine diertjes in peperwater -door Leeuwenhoek waargenomen, hetwelk hem nu bij het gebruik maken van zijn verbeterde -inrichting van zijn microscoop gelukte. -</p> -<p>Hij bezigde daartoe een enkelvoudig microscoop, gemaakt uit een klein glasbolletje, -waardoor het voorwerp buitengewoon vergroot kon worden, welk bolletje hij, met de -lamp, van een glazen draad smolt. In 1668 vervaardigde <span class="corr" id="xd31e951" title="Bron: Hartstoeker">Hartsoeker</span><a class="noteRef" id="xd31e953src" href="#xd31e953">41</a> op dergelijke wijze glasbolletjes, die vrij goed waren en hun vergrootend vermogen -moet zeer aanzienlijk geweest zijn. -<span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span></p> -<p>In 1677 maakte Butterfelld<a class="noteRef" id="xd31e972src" href="#xd31e972">42</a> deze bolletjes door tot fijn poeder gestoten glas, dat hij aan de punt eener naald -in de vlam van een spirituslamp hield, tot een bolletje samen te smelten. Ook Jan -van Mussenbroek vervaardigde dergelijke glasbolletjes, naar de methode van Hooke en -schijnt daarin zeer te hebben uitgemunt. Het verst van allen bracht het daarin Pater -Della Torre van Napels<a class="noteRef" id="xd31e978src" href="#xd31e978">43</a>. Deze bracht het bolletje, dat hij op de wijze van Hooke aan een glasdraad gesmolten -had, in eene komvormige holte, gemaakt in een stukje tripoli, waarin vervolgens het -bolletje op nieuw gesmolten werd door de vlam der glasblazerslamp. De glasbolletjes -van Della Torre vergrootten ongemeen sterk. De „<span lang="en">Royal Society</span>” te Londen ontving er in 1763 eenige van, waarvan het grootste een diameter had van -1⁄36 duim en 640maal in middellijn vergrootte; de doorsnede van het kleinste was 1⁄144 -duim en zijn vergrootend vermogen 2560maal. Zulke sterk vergrootende bolletjes zijn -echter, volgens Prof. Harting, wegens hun zeer korten brandpunts-afstand, als microscoop -weinig bruikbaar. Volgens Harting geven de bolletjes van 300–900maal vergrooting het -zuiverste beeld, zoodat zij zelfs in dit opzicht geslepen lenzen van gelijke vergrooting -dikwijls werkelijk overtreffen. -</p> -<p>Ook Leeuwenhoek schijnt zich aanvankelijk van zulke bolletjes bediend, maar die later -verworpen en er zelfs eene groote verachting voor aan den dag gelegd te hebben, zooals -blijkt uit hetgeen Uffenbach daaromtrent verhaalt, bij gelegenheid van zijn bezoek -ten zijnen huize<a class="noteRef" id="xd31e986src" href="#xd31e986">44</a>. -<span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span></p> -<p>„<span lang="de">Als wir Herr Leuwenhoek ferner fragten, ob er denn alle seine Gläser schlieffe und -keine bliese? verneinte er solches, und bezeigte eine grosse Verachtung gegen diese -geblasene Gläser” „Er wiese uns, wie dunn seine Microscopia gegen anderen wären, und -wie nahe de laminae zwisschen welche das Glas ist, beysammen waren, so dasz kein sphärisch -Glas dazwischen seyn könnte, sondern alle seine Gläser waren auf beyden Seiten convex -geschliffen.</span>” Daarenboven gebruikte Leeuwenhoek ook microscopen met dubbele glazen. „<span lang="de">Er hatte auch einige Microscopia mit doppelten Gläsern die, ob sie gleich doppelt, -und einwendig nach ihrer behörigen Distanz vermuthlich durch eine laminam separirt -waren, demnoch nicht viel dicker als die einfachen waren.</span>” Deze vergrootten, volgens Leeuwenhoek, een „weinig meer” dan zijn enkelvoudige microscopen. -</p> -<p>Wij zijn alzoo genaderd tot het microscoop waarvan Leeuwenhoek zich bediende voor -zijne onderzoekingen, en het is door alles wat wij daaromtrent hebben kunnen opsporen -uitgemaakt, dat hij de glazen daartoe gebezigd zelf sleep en <span class="corr" id="xd31e1000" title="Bron: polijste">polijstte</span> en dat deze niet uit gesmolten glasbolletjes bestonden maar uit een tot eene biconvexe -lens geslepen helder glas. -</p> -<p>Hij besteedde veel zorg aan het kiezen van het geschiktste soort van glas, en gebruikte -ook gerold bergkristal. De zuiverheid en helderheid er van moet buitengemeen groot -geweest zijn, hetgeen blijkt, zoowel uit de getuigenis zijner tijdgenooten, als uit -vele der daarmede gedane waarnemingen van hemzelven. -</p> -<p>De lens in Leeuwenhoek’s microscopen was gevat tusschen twee koperen of zilveren, -soms ook wel gouden plaatjes, waarin zich één, soms twee en ook wel eens drie openingen -bevonden. Bij van Haastert<a class="noteRef" id="xd31e1006src" href="#xd31e1006">45</a> is zulk een microscoop met ééne opening op het titelblad afgebeeld, zoo als ook in -fig. 1 is geteekend. Deze afbeelding komt geheel overeen met een dergelijk instrumentje -van Leeuwenhoek afkomstig en door hem vervaardigd, waarmede ik in mijn jeugd dikwijls -kleine insecten, vlerkjes en andere voorwerpen heb bezichtigd. Er werd, helaas, toen -<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>door mij niet meer waarde aan gehecht dan aan gewoon speelgoed, zoodat het in het -ongereede is geraakt en verloren ging. Het komt in alle opzichten overeen met de 26 -microscopen, die Leeuwenhoek aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” heeft nagelaten. Baker<a class="noteRef" id="xd31e1014src" href="#xd31e1014">46</a> had deze microscopen gedurende drie maanden ter onderzoeking onder zijne berusting -en beschrijft ze zeer uitvoerig. Deze beschrijving nu is zoowel toepasselijk op de -hier bijgevoegde fig. 1 als op fig. 2, daar de laatste alleen daarin verschilt dat -er twee lenzen in zijn en het microscoop alzoo ingericht was om twee verschillende -vergrootingen te geven. Fig. 1 stelt het microscoop voor met ééne, fig. 2 A en B met -twee openingen en aan beide zijden gezien. -</p> -<div class="figure fig1width"><img src="images/fig1.png" alt="Fig. 1." width="144" height="343"><p class="figureHead">Fig. 1.</p> -</div><p> -</p> -<div class="figure fig2awidth"><img src="images/fig2a.png" alt="Fig. 2 A." width="245" height="399"><p class="figureHead">Fig. 2 A.</p> -</div><p> -</p> -<p>Ook op het physisch kabinet te Utrecht komt een dergelijk microscoop voor als bij -van Haastert is afgebeeld. Onlangs ben <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>ik bekend geworden met een microscoop van Leeuwenhoek op het physisch kabinet der -Leidsche Academie, een paar jaren geleden ten geschenke gegeven door een officier -van gezondheid, met een paar andere kleinigheden, onder anderen een rood marokijnen -étui, waarop de naam Leeuwenhoek duidelijk te lezen is. Ook op het Anatomisch kabinet -te Leiden is een microscoop van Leeuwenhoek afkomstig. -</p> -<p>Omtrent deze microscopen en den waarschijnlijken gever kan ik mededeelen, dat ik in -het jaar 1872 van den officier van gezondheid 1ste klasse Hallegraeff, sedert overleden, -een schrijven heb ontvangen, mij meldende, dat hij in het bezit was van: -</p> -<p>1<sup>o</sup>. Een microscoop van L. overeenkomende met fig. 1, p. 34 dezer brochure; -</p> -<p>2<sup>o</sup>. Een microscooptoestel tot onderzoeking van den bloedsomloop (fig. 3, pag. 36); -</p> -<p>3<sup>o</sup>. Een loupe van Leeuwenhoek; -</p> -<p>4<sup>o</sup>. Een rood marokijn lederen étui met vijf in koper gevatte lenzen en eene lens nog -niet in koper gevat, dus in het geheel zes. -</p> -<p>Een en ander was uit Rusland weder naar Nederland terug gebracht door den Hoogleeraar -de Gorter, door wiens betrekkingen het aan den vader van den briefschrijver en later -aan hem was present gedaan. Als eene bijzonderheid meldde hij mij nog dat op het étui -met eigenaardige krulletters geschreven staat „Anth. van Leeuwenhoek”. Tevens berichtte -mij ZEd., dat hij van plan was een en ander aan de Leidsche Hoogeschool ten <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>geschenke aan te bieden; derhalve zijn de op de Academie berustende voorwerpen kennelijk -de bovenbeschrevene. -</p> -<p>Ook is mij bekend geworden, dat er op het stedelijk museum te Gouda een microscoop -aanwezig is. -</p> -<div class="figure fig2bwidth"><img src="images/fig2b.png" alt="Fig. 2 B." width="240" height="380"><p class="figureHead">Fig. 2 B.</p> -</div><p> -</p> -<p>De beschrijving volgens Baker is de volgende. De voorzijde is fig. 2 B. Het platte -gedeelte A is samengesteld uit twee koperen of zilveren plaatjes, aan elkander vastgemaakt -met kleine klinknageltjes, <i>b b b b b b</i>. Tusschen deze plaatjes is eene zeer kleine biconvexe lens, in een holligheid geplaatst, -recht tusschen twee gaatjes, tegenover elkander in de plaatjes gedrild bij <i>c</i>. Aan de eene zijde van de plaatjes is een koperen of zilveren strookje <i>d</i> met een schroef <i>e</i> gehecht, welk schroefje door beiden gaat. Een ander gedeelte van dit strookje winkelhaaks -omgebogen schiet onder de plaatjes door en komt aan de andere zijde uit. Door dit -omgebogen einde loopt, recht opwaarts, eene lange fijndradige schroef, welke in- en -uitgeschroefd wordende, de plaat, waarop het voorwerp gehecht wordt, hooger of lager -brengt. Hierop staat een grof ruw gemaakt pennetje <i>i</i>, waaraan het voorwerp moet worden vastgehecht en dat door een handvatsel <i>k</i> wordt omgedraaid. Men kan de vertoonplaat met het pennetje er op, verder van de vergrootende -lens doen afwijken, of nader daarbij laten komen door middel eener kleine schroef -<i>l</i>, die <span class="corr" id="xd31e1090" title="Bron: horisontaal">horizontaal</span> door de plaat <i>b</i> loopende en tegen de achterzijde van het werktuig dragende, als het noodig is deze -plaat verder afdringt. Het eind van de lange schroef <i>g</i> komt door de vertoonplaat heen bij <i>m</i>, alwaar zij rond draait, maar niet als een schroef werkt, dewijl haar draad zoo hoog -niet reikt. Leeuwenhoek maakte zijne voorwerpen aan de punt van het pennetje <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>met de eene of andere klevende stof vast en bewaarde zulk een stel zorgvuldig, zoodat -hij voor ieder voorwerp weder een ander microscoop noodig had en er ten slotte eenige -honderden bij elkander had, zoo als hij zelf zegt in een brief aan Hans Sloane, Secretaris -der „<span lang="en">Royal Society</span>” d.d.<span class="corr" id="xd31e1105" title="Bron: .">,</span> 24 December 1700<a class="noteRef" id="xd31e1108src" href="#xd31e1108">47</a>. „<span lang="nl">Ick hebbe hondert en hondert geslepene vergrootglasen, daar van de meeste zoo scherp -sien, selfs by duystere dagen, en dat by geen ander als dag ligt</span> enz.” Wanneer het voorwerp alleen kon <span class="corr" id="xd31e1114" title="Bron: gesien">gezien</span> worden als het uitgespreid was, deed hij een weinig op een plaatje van zeer dun glas, -dat hij op dezelfde wijze met de klevende stof op de punt vasthechtte<a class="noteRef" id="xd31e1118src" href="#xd31e1118">48</a>. Voor sommige waarnemingen met vloeistoffen, zoo als onder anderen, om den bloedsomloop -te bezichtigen, wijzigde hij dien toestel. Hij beschrijft die inrichting zeer uitvoerig -in een brief aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” van 12 Januari 1689<a class="noteRef" id="xd31e1127src" href="#xd31e1127">49</a> (Fig. 3). Zij bestond uit eene aan beide uiteinden rechthoekig omgebogen koperen -of zilveren plaat, <i>a</i>, in welker omgebogen gedeelten <i>b</i> en <i>c</i> de ronde openingen <i>e</i> en <i>i</i> waren aangebracht, bestemd ter opneming eener glazen buis, die dan door de veeren -<i>r</i> en <i>d</i> werd vastgeklemd. In zulk een glazen buis bracht hij dan water en een klein vischje -of aaltje met de vinnen of den staart zoodanig er buiten geplaatst, dat men den bloedsomloop -er in kon waarnemen. De lens, die even als bij alle microscopen van Leeuwenhoek, tusschen -2 plaatjes besloten was, werd dan vóór de buis gesteld door middel van de rechtopstaande -plaat <i>g</i>, die door de beide schroeven <i>h h</i> op een gedeelte <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>van <i>c</i> bevestigd was, en waaraan de lensplaat door de schroef <i>f</i> werd vastgemaakt<a class="noteRef" id="xd31e1156src" href="#xd31e1156">50</a>. Leeuwenhoek heeft verscheidene van deze toestellen vervaardigd, want op den Catalogus -zijner microscopen, die na zijn dood verkocht zijn, worden niet minder dan 8 zilveren -en 4 koperen vermeld. -</p> -<div class="figure fig3width"><img src="images/fig3.png" alt="Fig. 3." width="193" height="400"><p class="figureHead">Fig. 3.</p> -</div><p> -</p> -<p>Deze Catalogus, in het bezit van Prof. Harting, voert den volgenden titel: -</p> -<p>„<span lang="nl">Catalogus van het vermaarde Cabinet van vergrootglasen, met zeer veel moeyte en kosten -in veele jaren geïnventeert, gemaakt en nagelaten door wijlen den Heer Antony van -Leeuwenhoek. In zijn Ed. leven Lid van de Koninklijke societeit der Wetenschappen -te Londen, welke verkogt zullen worden op Maandag den 29 Mey 1747 binnen de stad Delft, -op St. Lucas Gildekamer, des voormiddags van 10 tot 12 uren, en des namiddags van -half drie tot 5 uren. Te Delft gedrukt bij Reinier Boitet, Stadsdrukker 1747.</span>” Hij is op zwaar schrijfpapier gedrukt, met Hollandschen en Latijnschen tekst. Voorin -bevindt zich eene fraaie op koper gegraveerde zinnebeeldige plaat, voorstellende een -kabinet met laden waarin microscopen en een paar kinderen deze beschouwende; een hunner -heeft een dito microscoop als in fig. 2 is afgebeeld in de hand, maar dit is met „drie” -openingen voorzien. Eene andere plaat stelt het portret van Leeuwenhoek voor. De Catalogus, -43 bladz. groot, is geheel doorschoten met wit papier, waarop de namen van al de koopers -en de prijzen die voor de microscopen besteed zijn, nauwkeurig staan aangeteekend; -het getal nommers is 196, terwijl bijna ieder nommer twee microscoopstellen aangeeft, -de laatste 15 nommers bestaan ieder uit een aantal van 12 koperen plaatjes met vergrootglazen. -Daarenboven zijn er nog op vermeld zeven Japansch verlakte Cabinetjes, benevens een -verlakte vierkante doos en een doos, waarin eenige glazenbuizen met olie, plantgewassen, -drogerijen enz. -</p> -<p>Het gezamenlijk aantal der microscoopstellen, met inbegrip der bovengenoemde plaatjes -met vergrootglazen, de meesten met <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>een voorwerp voorzien waarvan de namen in den Catalogus vermeld zijn, bedraagt niet -minder dan 527. Hiervan zijn er 3 van goud, 147 van zilver, waarvan 1 met drie, 6 -met twee, 140 met één en ook zonder objecten. Voorts 5 met zilver gemonteerde koperen -stellen en koperen met drie objecten en 375 koperen met 1 object en zonder. -</p> -<p>Als eene bijzonderheid staat bij n<sup>o</sup>. 126 een koperen stel vermeld, dat „het vergrootglas geslepen is van een sandje en -het object is een sandje.” Bij drie der microscopen staat opzettelijk dat het vergrootglas -is geslepen van Amersfoortsche diamant. Van de gouden wogen er twee 10 Engels 17 azen, -de derde 10 Engels 14 azen. Een der eerste van deze gouden werd verkocht voor 23 gulden -15 stuivers, terwijl de beide anderen opgehouden werden. De overige microscopen golden: -de koperen van 15 stuivers tot 3 gulden het paar; de zilveren 2 tot 7 gulden, 1 koperen -stel, waarvan het object was „ongeboren oesters” (!) in een glazen buisje 8 gulden. -Een enkel der zilveren gold 10 gulden. -</p> -<p>De geheele verkooping bracht de voor dien tijd zeer aanzienlijke som van 737 gulden -en 3 stuivers op. -</p> -<p>Al deze microscopen schijnen in ons land gebleven te zijn; ten minste onder de namen -der koopers in den Catalogus heb ik geen buitenlandsche gevonden. De naam Dirk Haaxman -komt op de lijst der koopers herhaalde malen voor en het is daarom te verwonderen -dat er niet meer van deze microscoopjes in mijne familie, waarvan echter weinig leden -der andere takken mij bekend zijn, gevonden werden. -</p> -<p>Daar nu al de lenzen van deze groote verzameling door Leeuwenhoek „met eigen hand” -geslepen zijn en de metalen stellen eveneens door hem zelven vervaardigd werden, waarbij -nog gevoegd moet worden de verzameling van 26 microscopen, aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” vermaakt, en nog een groot aantal, die hij bij zijn leven ten geschenke zal gegeven -hebben, zoo staat men verbaasd, dat Leeuwenhoek, bij den tijd aan zulk een arbeid -besteed, nog genoegzame gelegenheid kon overhouden tot het nemen zijner proeven, als -men weet hoe verbazend tijdroovend het praepareeren alleen der voorwerpen is om ze -geschikt voor de observatie te maken, terwijl bovendien vele proeven door <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>hem talrijke malen werden herhaald, eer hij een bevredigend resultaat verkreeg.<a class="noteRef" id="xd31e1186src" href="#xd31e1186">51</a> Hij betuigt zelf<a class="noteRef" id="xd31e1192src" href="#xd31e1192">52</a> dienaangaande van een door hem ingesteld onderzoek: „<span lang="nl">Aan dese geseyde waarnemingen hebbe ik meer tyd besteed als vele zullen gelooven: -dog ik heb ze met genoegen gedaan, en geen agt gegeven op die geenen die mij zeggen, -waarom zoo veel moeyte gedaan, en wat nut doet het; dog ik schrijf niet voor sulke -en alleen voor de wysgeerige.</span>” -</p> -<p>Leeuwenhoek was er steeds op bedacht zijne glazen meer en meer te volmaken. „<span lang="nl">Wat mijne vergrootglasen aangaan</span>,” zegt hij in een brief aan de „<span lang="en">Royal Society,</span>” d.d. 9 Juni 1699<a class="noteRef" id="xd31e1207src" href="#xd31e1207">53</a> „<span lang="nl">daarvan wil ik mij niet beroemen; ik maak deselve soo goet, als in mijn vermogen is, -en moet seggen, dat wij sedert veel jaren deselve niet alleen beter en beter hebben -gesleepen, maar ook deselve van tijd tot tijd beter gemonteert hebben, waaraan ook -veel is gelegen, en ik hebbe wel behaamt die vergrootglazen maken, en haar daarover -beroemen, die selfs geen bequaamheit hadden om te oordeelen, of een glas scharp ontdekt; -en gelijk yder een niet bequaam is om van een vergrootglas wel te oordeelen, veel -min kan men bequaam syn, om ontdekkingen voort te brengen, en dus doende, moet ymant -die nieuwe ontdekkingen tragt in ’t ligt te brengen, niet van één gesigt oordeelen, -maar men moet deselve veel malen sien: want my komt te meer malen voor, dat luyden, -siende door een vergroot-glas seggen, nu sie ik dat, en dan weder dat, en wanneer -men haar onderrigt, sien sy dat ze in haar meyninge bedrogen syn, en dat meer is, -soo kan self die geene die gewoon is door vergroot-glasen te zien, in syn meyninge -verleyt werden.</span>” Men ziet het, Leeuwenhoek nam niet alles dadelijk voor waar en zeker aan, wat hij -op het eerste gezicht waarnam en logenstrafte daardoor zijne benijders <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>en bedillers, die hem verweten, dat hij zich veelal maar verbeeldde te sien, wat niet -in werkelijkheid bestond. -</p> -<p>De groote lof die overal, vooral in Engeland, van Leeuwenhoek’s ontdekkingen uitging, -had ten gevolge dat velen trachtten zich door eigen aanschouwing van de waarheid te -overtuigen, te meer daar zijne waarnemingen in vele opzichten geheel nieuw waren en -onderwerpen betroffen, van het hoogste gewicht voor de physiologische wetenschap van -die dagen; want nauwelijks waren er drie jaren verloopen sedert het begin zijner betrekking -met de „<span lang="en">Royal Society,</span>” of reeds had hij het meerendeel der weefsels en vloeistoffen van het organismus -in meerdere of mindere mate onderzocht. Aangespoord door de gelukkige ontdekkingen -die hij deed en geprikkeld door de belangstelling, die men aan zijne waarnemingen -schonk, wijdde hij dan ook zich met zijn geheele ziel aan zijne geliefkoosde nasporingen. -</p> -<p>Doch weldra werd hem eene buitengewone verrassing bereid. Eene geheel nieuwe wereld -van wezens in het water levende en die tot nu toe voor iedereen verborgen waren gebleven, -ontdekte zich aan zijn navorschend oog. In een enkelen droppel water ontdekte hij -vol verbazing eene ontelbare menigte van de kleinste wezens van den meest verschillenden -vorm, die zich met eene ongeloofelijke snelheid en <span class="corr" id="xd31e1222" title="Bron: levendigdeid">levendigheid</span> heen en weder bewogen. Men was tot nog toe gewoon een kaas- of andere myt al voor -het kleinste diertje der schepping te houden, maar met de diertjes vergeleken, die -Leeuwenhoek in water ontdekte, was zulk eene myt als een reus te beschouwen. Een nieuw -veld van beschouwing ontwikkelde zich door deze ontdekking aan den denkenden geest. -Overal in de natuur is het leven verbreid en dat in zulk eene verkwistende mate als -men dit nimmer zou hebben kunnen vermoeden. Zulks werd door Leeuwenhoek in een brief -aan de „<span lang="en">Royal Society,</span>” d.d. 9 October 1676 duidelijk uiteengezet, welke mededeeling ten gevolge had, dat -de „<span lang="en">Royal Society</span>” zich gedurende onderscheidene zittingen van het jaar 1677 met den belangrijken inhoud -dezer missive bezig hield. -</p> -<p>Men besloot aan hem te schrijven en hem uit te noodigen om zijne methode van onderzoek -mede te deelen, ten einde de <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>resultaten zijner nasporingen te kunnen nagaan en waardeeren, terwijl in den boezem -der vergadering zelve de meest geanimeerde besprekingen over dit ongeloofelijk feit -werden gehouden. Wij lezen<a class="noteRef" id="xd31e1235src" href="#xd31e1235">54</a>, <span id="xd31e1241"></span>dat ten gevolge van de ontvangen mededeelingen van Leeuwenhoek omtrent de ontdekking -van met het bloote oog onzichtbare, uiterst kleine diertjes in regen-, sneeuw-, wel- -en andere wateren, alsmede in water, waarin peper, gember en andere kruiderijen gedurende -eenigen tijd hadden geweekt, dat in de vergaderingen van 5 April 1677 Dr. Nehemiah -Grew werd opgedragen te beproeven, wat hij in dezelfde wateren kon ontdekken, terwijl -in de vergadering van 15 October aan Robert Hooke dit zelfde verzoek gericht en deze -tevens uitgenoodigd werd een microscoop te maken, dat zoo veel mogelijk, zoo niet -geheel, gelijk was in kracht met dat van Leeuwenhoek, omdat men te vergeefs had getracht -met de hun ten dienste staande instrumenten deze diertjes te zien. -</p> -<p>In de vergadering van 1 November 1677<a class="noteRef" id="xd31e1245src" href="#xd31e1245">55</a> bracht men verslag uit omtrent een menigte dunne glazen buisjes van verschillende -grootte, eenige tienmaal dikker dan een hoofdhaar van een mensch, en andere veel dunner, -welke men gemaakt had, om eene bewering van Hooke te constateeren, ter bestrijding -van de waarneming van Leeuwenhoek, dat men de kleine diertjes in een waterig vocht, -in zulke buisjes beschouwd zijnde, door elkander zou zien wriemelen. Hooke deelde -mede, dat deze alzoo gevulde buisjes zelven als het ware vergrootglazen werden, waardoor -de omvang van zoodanige lichaampjes in het vocht schijnbaar zeer vermenigvuldigd zich -zou moeten vertoonen, vooral aan de zijde van de buisjes die het verst van het oogglas -verwijderd waren. Maar niettegenstaande dit hulpmiddel, waardoor de sterkte van het -microscoop nog vermeerderd werd, verklaarde men „niets” van dergelijke diertjes te -kunnen waarnemen. -</p> -<p>Er werd daarom bevolen, dat tegen de volgende vergadering peperwater zou worden gereed -gemaakt en er ook voor een <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>beter microscoop moest gezorgd worden, opdat de waarheid of onwaarheid van „Leeuwenhoek’s -bewering” duidelijk mocht blijken. -</p> -<p>Vóór dat deze discussiën in de vergadering plaats hadden, schijnt men reeds aan Leeuwenhoek -den twijfel der vergadering over de juistheid zijner waarneming te hebben kenbaar -gemaakt, ten gevolge waarvan hij het noodig geacht had getuigenissen van geloofwaardige -personen over te leggen, die zijne ontdekkingen konden bevestigen, want zoo voegde -men er bij: „opdat de verzekeringen van Leeuwenhoek zoo mogelijk proefondervindelijk -zouden kunnen onderzocht worden, daar hij zoo vele getuigenissen had geleverd van -hen die ooggetuigen van deze waarneming geweest waren.” Daarop werden de namen dezer -getuigen in de vergadering gelezen, waaronder er waren van twee predikanten, één notaris -en acht andere geloofwaardige personen, tot staving van de waarheid van zijne vroegere -verzekeringen omtrent het ongeloofelijke aantal kleine diertjes dat hij in zulk peperwater -zich had zien bewegen en waarvan enkelen het getal op tienduizend, anderen op dertigduizend -en nog anderen op vijfenveertig duizend in een enkelen droppel, ter groote van een -gierstkorrel schatteden. In de vergadering van 8 November 1677<a class="noteRef" id="xd31e1254src" href="#xd31e1254">56</a> werd daarop het verslag door Hooke uitgebracht, omtrent het onderzoek van peperwater, -dat aan hem was opgedragen. Hij vertoonde daarop eene verbeterde inrichting van zijn -microscoop, waarin de buisjes doelmatiger konden bevestigd worden en waarmede ook -eene betere verlichting kon worden aangebracht.… „Maar,” zoo betuigt Hooke, „hoewel -hij het peperwater zeer sterk had gemaakt door weeking van heele zwarte peper, gedurende -2 of 3 dagen lang met regenwater, zoo kon er, niettegenstaande zijn microscoop nu -veel beter was ingericht dan in de vorige vergadering, „toch niets van Leeuwenhoek’s -diertjes bespeurd worden.” De vice-president Mr. Henshaw, die toch zijn geloof aan -de waarnemingen van Leeuwenhoek niet wilde opgeven, dewijl hij een te goed vertrouwen -had in de deugdelijkheid zijner observatiën, maakte de opmerking, dat het wellicht -nu in den winter geen geschikte <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>tijd voor de voortteling van dergelijke diertjes zou zijn, en hij voegde er bij, dat -hij een lid der vergadering gesproken had, die den vorigen zomer met het microscoop -van Leeuwenhoek zelven, deze diertjes in Holland gezien had, doch ze nu, veertien -dagen geleden, niet kon vinden in peperwater dat hier (in Londen) gemaakt was.” -</p> -<p>Niettegenstaande deze gegronde opmerking beweerde Dr. Wistler, dat deze „denkbeeldige -schepsels” inderdaad niets anders waren dan „kleine in het water drijvende peperdeeltjes” -en geen diertjes. Doch deze bewering werd krachtig tegengesproken door Dr. Mapletoft. -Hij repliceerde, dat Leeuwenhoek stellig verzekerd had dat hij die diertjes, zoowel -levend, als dood had aangetoond, en in den laatsten toestand, zoodra hij azijn bij -het peperaftreksel gevoegd had. Hooke was echter niet gemakkelijk tot overtuiging -te brengen; hij onderzocht nu andermaal het peperwater met zijn microscoop en verklaarde -dat hij de opmerking van Dr. Wistler als gegrond moest erkennen, want dat hij er thans -eene groote hoeveelheid fijn peperstof in op- en nederdalende beweging in gezien had. -Ten slotte werd het uitzicht geopend, dat hij in de volgende vergadering een microscoop -zou ter tafel brengen, dat nog veel meer vergrooten zou en dat alsdan de quaestie -uitgemaakt zou worden. -</p> -<p>Het beslissende oogenblik was aangebroken. De vergadering van den 15den November 1677 -werd geopend, en wat rapporteerde nu dezelfde Hooke? „Dat hij nieuw peperwater bereid -had met zuiver regenwater en eene kleine hoeveelheid gewone zwarte peperkorrels en -dit mengsel gedurende negen à tien dagen met elkander in aanraking gelaten had,<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> en „dat hij gedurende de geheele week lang, een groot aantal buitengewoon kleine -diertjes heen en weder had zien zwemmen,” welke hem, door zijn glas gezien, toeschenen -de grootte van eene myt te bezitten, welk glas volgens zijne berekening honderdduizendmalen -in omtrek vergrootte (waarschijnlijk een glasbollelje) en dat mitsdien kon worden -opgemaakt dat deze diertjes honderdduizendmaal kleiner waren dan eene myt. Hun vorm -zegt Hooke <span class="corr" id="xd31e1264" title="Niet in bron">„</span>kwam overeen met een zeer klein helder blaasje, ovaal of eivormig van gedaante.” -</p> -<p>Men kan zich lichtelijk de verrassing der vergadering voorstellen, toen de leden ieder -om strijd zich rondom het microscoop <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>van Hooke verdrongen om zich van het ongeloofelijke feit te overtuigen<span class="corr" id="xd31e1270" title="Bron: ,">.</span> Al de aanwezige leden, zegt de verslaggever dezer belangrijke vergadering, overtuigden -zich nu van de waarheid van Leeuwenhoek’s ontdekking. Zij bevestigden allen, dat zij -nu de diertjes zagen en ze op allerlei wijzen door het water heen en weder zagen bewegen; -men verklaarde ze voor wezenlijke diertjes en erkende dat er geenerlei optische misleiding -kon plaats hebben. -</p> -<p><span class="corr" id="xd31e1274" title="Bron: Schittender">Schitterender</span> kon de reputatie van den Delftschen burger wel niet gevestigd worden, dan in de erkenning -van de waarheid van hetgeen hij had waargenomen, nu zelfs de meest ongeloovige zich -moest gewonnen geven. De leden der vergadering waren dan ook dadelijk bereid om hun -vorig mistrouwen en ongeloof openlijk te erkennen. Wij lezen namelijk in de notulen -dezer vergadering: „dat er besloten werd nota te nemen van deze thans zoo goed geconstateerde -feiten, en tevens dat er aanteekening zou gehouden worden van de namen van hen die -deze diertjes met hun eigen oogen hadden gezien. Zulks waren: Mr. Henshaw, Sir Christopher -Wren, Sir John Hoskyns, Sir Jonas Mone, Dr. Mapletoft, Mr. Hill, Dr. Croune, Dr. Nehemiah -Grew, Mr. Aubrey en nog verschillende anderen, zoodat er niet langer aan Mr. Leeuwenhoek’s -ontdekking te twijfelen viel.” -</p> -<p>Omtrent de ontdekking van den eigenaardigen vorm, de soorten en bijzondere eigenschappen -die Leeuwenhoek aan deze kleine diertjes kon waarnemen, heeft hij zich zeer uitvoerig -uitgelaten in een schrijven aan <span class="corr" id="xd31e1280" title="Bron: Constantyn">Constantijn</span> Huygens d.d. 7 November 1676<a class="noteRef" id="xd31e1283src" href="#xd31e1283">57</a>. Hij zegt daarin, „dat hij omstreeks half September van het jaar 1675 in regenwater, -dat eenige weinige dagen in een ton gestaan had, kleine diertjes, in zijn oog meer -dan tienduizendmaal kleiner dan het diertje dat Dr. Swammerdam heeft afgebeeld en -met den naam van watervloo of waterluis bestempelde,” gevonden heeft. De „eerste soort,” -die hij in dit water ontdekte, bestond uit 5, 6, 7 à 8 zeer heldere „globulen”; zij -staken somtijds twee hoorntjes uit het voorste gedeelte van hun lichaam <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>en dezen waren in voortdurende beweging. Hun lichaam was rondachtig en aan het achterlijf -een weinig spits, waar zij een staart hadden, die driemaal langer dan het lichaam -was. Eene „tweede soort” beschrijft hij als een eirond lichaam, van boven gezien uit -8, 10 à 12 globulen bestaande, zij waren zeer helder en konden hun lichaam in een -volkomen ronde gedaante veranderen; iedere globule, zegt hij, <span class="corr" id="xd31e1291" title="Bron: verbeelde">verbeeldde</span> zich als verheven met een puntje uit te steken en voorzien met verscheidene <span class="corr" id="xd31e1294" title="Bron: ongelofelijk">ongeloofelijke</span> dunne pootjes, die zich snel bewogen; deze soort was een weinig grooter dan de eerste. -Eene „derde soort” was eenmaal zoo lang als breed en naar schatting wel achtmaal kleiner -dan de eerste soort, hij „imagineerde zich”, dat hij daaraan „vinnetjes of pootjes” -kon waarnemen; zij bewogen zich zeer snel, zoowel in het rond als in een rechte lijn. -De „vierde soort,” die hij waarnam, was zoo klein dat hij er geen figuur aan kon bekennen; -deze waren in zijn oog meer dan duizend maal kleiner dan het oog van een luis; zij -gingen in snelheid van beweging de bovenvermelde diertjes nog te boven. Verder zegt -Leeuwenhoek, dat hij, behalve deze vier soorten nog verscheidene andere soorten van -diertjes waarnam, waarvan eenigen zeer groot waren, zoo als een „kleine myter”, anderen -wederom waren „zeer monstereus.” Hij beschrijft deze niet nader, maar zegt er alleen -van, dat zij doorgaans uit zulke zachte deelen bestonden, dat, wanneer het water, -waarin zij lagen, was opgedroogd of weggeloopen, zij uiteen barstten. -</p> -<p>Leeuwenhoek zegt in dienzelfden brief, dat op de open plaats achter zijn huis zich -een put bevindt, welke omtrent 15 voeten diep is, en waarvan het water in het midden -van den zomer zoo koud was, dat men er de hand niet lang in kon houden. Ook in dit -water ontdekte hij eene groote menigte zeer kleine diertjes en wel, wat de grootte -betreft, overeenkomende met de vierde der beschrevene soorten, maar nadat dit water -eenige dagen gestaan had, ontdekte hij er vele andere diertjes in van verschillenden -vorm en grootte. Ook in zeewater nam hij dergelijke diertjes waar. Verder beschrijft -hij de ontwikkeling van diertjes door peper in sneeuwwater te laten weeken, waarvan -ik de bijzonderheden reeds vermeld heb. -<span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span></p> -<p>Men kan zich gemakkelijk voorstellen welk eene uitwerking deze belangrijke ontdekking -van het bestaan eener geheele wereld van schepselen, die tot nog toe geheel en al -onbekend waren gebleven, moest teweegbrengen in een tijd, waarin talrijke ontdekkingen -in onderscheidene gedeelten der natuurwetenschappen, zulk eene groote en levendige -belangstelling niet slechts onder de geleerden, maar zelfs bij alle menschen van beschaving -en verstand hadden opgewekt. -</p> -<p>„In onzen tijd,” zoo zegt E. Blanchard, in zijn genoemd artikel in de „<span lang="fr">Revue des deux mondes</span>” deze ontdekking van Leeuwenhoek besprekende, „is het bestaan van myriaden diertjes -van de laagste organisatie in bijna alle wateren aan niemand onbekend, en men stelt -ze op openbare soirees door het hydro-oxygeen-microscoop ten toon, maar nog steeds, -hoe bekend zij zijn, nog steeds schijnen deze diertjes de denkers tot de ernstigste -overpeinzingen uit te noodigen en hen tot de erkenning te brengen, dat nergens de -natuur zoo groot is dan in het oneindig kleine.” -</p> -<p>En van welk eene beteekenis de ontdekking van Leeuwenhoek omtrent kleine organismen -in het water en in de lucht, vooral in onzen tijd gerekend wordt, kan men afleiden -uit het verband dat men in de geneeskunde heeft gemeend te vinden, tusschen het ontstaan -en de verspreiding van besmettelijke ziekten en het optreden van bacteriën en <span class="corr" id="xd31e1308" title="Bron: aanverwandte">aanverwante</span> organismen; een vraagstuk van het <span class="corr" id="xd31e1311" title="Bron: hoogtste">hoogste</span> gewicht, voor de volledige oplossing waarvan echter de tijd nog niet gekomen schijnt. -Vooral verdient daarbij de belangrijke studie de aandacht, die Dr. Ferdinand Cohn, -hoogleeraar te Breslau, in 1872 over bacteriën heeft nedergelegd in zijn „<span lang="de">Untersuchungen über Bacteriën</span>”<a class="noteRef" id="xd31e1317src" href="#xd31e1317">58</a> en zijne beschouwing over de betrekking waarin deze kleine wezens gebracht worden -tot de belangrijkste probleemen der algemeene natuurwetenschap, zoodat zij, zoo als -Cohn zich uitdrukt, „door eene onzichtbare, maar tegelijk <span class="corr" id="xd31e1323" title="Bron: onwêerstaanbare">onweêrstaanbare</span> macht, de gewichtigste gebeurtenissen der levende en levenlooze natuur beheerschen -en zelfs in het bestaan der menschen tegelijk geheimzinnig en diep ingrijpen.” -<span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span></p> -<p>Het kan wel niet anders of de gelukkige ontdekking van Leeuwenhoek moest de geleerden -van dien tijd er op bedacht doen zijn hunne microscopen te verbeteren en zoo mogelijk -aan die van Leeuwenhoek te doen evenaren. Hooke was daarin onvermoeid en vertoonde -in de vergadering van 6 December 1677<a class="noteRef" id="xd31e1330src" href="#xd31e1330">59</a> een verbeterd samengesteld microscoop, waarmede hij de kleine diertjes in het peperwater -veel meer vergroot en duidelijker nog dan vroeger liet zien. Dit had hij vervaardigd -door het objectiefglas van een veel kleineren bol te maken. Verder vertoonde hij een -nieuw soort van enkelvoudig microscoop, waarmede hij dezelfde diertjes vertoonde, -die in eene kleine haarbuis heen en weder zwommen. -</p> -<p>Allen die daardoor zagen, verklaarden het voorkomen dezer kleine schepsels nu veel -helderder en duidelijker dan op de andere wijze met het samengesteld microscoop, hoewel -dit een van de beste soorten was. -</p> -<p>Geen wonder dat men zeer verlangend was de microscopen van Leeuwenhoek zelven te zien -en de wijze te kennen, die door hem gevolgd was om zijn glazen zoodanig te slijpen, -dat hij er die belangrijke waarnemingen mede kon doen. -</p> -<p>In de vergadering van den 23sten November 1681<a class="noteRef" id="xd31e1339src" href="#xd31e1339">60</a> sprak Mr. Henshaw ten gevolge van nieuwe observaties, die Leeuwenhoek aan de Sociëteit -had toegezonden, als zijn gevoelen uit, dat de glazen, waarmede Leeuwenhoek „deze -vreemde ontdekkingen maakte, zeer buitengewoon moesten zijn en op eene andere wijze -gemaakt, dan gewoonlijk bekend en gebruikelijk was.” Hooke maakte de opmerking dat -het geen andere waren dan die hij zelf vermeld had in de voorrede van zijn „<span class="corr" id="xd31e1344" title="Bron: Micographia">Micrographia</span>,” namelijk zeer kleine doorschijnende gesmolten glasbolletjes in hun geheel of door -slijpen tot een lens gevormd of op eene andere wijs gemaakt. -</p> -<p>Ook merkte hij aan, „dat de ontdekkingen van Leeuwenhoek zeer geholpen zouden worden -door de wijze waarop hij het licht op zijne voorwerpen liet vallen en dat hij zeker -voor zijne buitengewone <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>onderzoekingen een geschikte kamer moest bezitten.” Dit laatste wordt echter weêrsproken -door hetgeen Dr. Molyneux er van getuigt, die sprekende van zijn bezoek aan Leeuwenhoek -zegt, „dat hij, tijdens het beschouwen van de microscopen zich in eene vrij donkere -kamer bevond met slechts één raam voorzien, waar zelfs de zon toen niet op scheen, -en dat zich toch de voorwerpen schooner en duidelijker vertoonden, dan die hij in -Engeland of elders gezien had, ofschoon daar de zon op scheen, of door weerkaatsende -spiegels meer dan gewoon licht ontvingen.” -</p> -<p>Ten gevolge dezer discussiën werd door Mr. Henshaw voorgesteld aan Leeuwenhoek te -verzoeken, „dat hij zijn uitvinding mocht willen bekend maken, indien het iets nieuws -was.” Aan dit verzoek werd dan ook door Leeuwenhoek welwillend voldaan. In de vergadering -van 1 April 1685<a class="noteRef" id="xd31e1353src" href="#xd31e1353">61</a> werd een brief van Dr. Molyneux voorgelezen van den 14den Maart, waarin hij mededeelde, -dat de glazen, die Leeuwenhoek hem liet zien, de voorwerpen niet meer vergrootten -dan verscheidene glazen die hij zelf vroeger zag en daardoor alzoo niets meer kon -ontdekt worden dan hetgeen gemakkelijk met behulp van andere microscopen kon gezien -worden, zoodat alzoo een verslag van deze microscopen te geven geenszins voldoende -zou zijn. Doch, voegt hij er bij: „Het zijn alleen <span class="ex">zijn eigene</span> glazen, die deze meer dan gewone ontdekkingen doen.” Daarbij vermeldt hij gehoord -te hebben, „dat hij nooit die glazen van betere soort verkocht.” -</p> -<p>Niet alleen verkocht Leeuwenhoek niet die glazen van „betere soort,” zooals Molyneux -zegt, maar geen zijner microscopen was voor geld te verkrijgen. Uffenbach had daartoe -een aanzoek bij hem gedaan, doch zonder gevolg.<a class="noteRef" id="xd31e1362src" href="#xd31e1362">62</a> -<span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span></p> -<p>Ook uit een brief van Huygens schijnt te blijken, dat Leeuwenhoek de kunst, die hij -met inspanning van al zijn krachten tot zulk eene hoogte had gebracht, niet gaarne -aan anderen mededeelde<span class="corr" id="xd31e1385" title="Bron: ,">.</span> Huygens verhaalt namelijk, dat toen de Landgraaf van Hessen Cassel hem bezocht en -zijn microscopen verlangde te zien, hij een kast toonde, waarin deze bewaard waren, -doch ze zeer zorgvuldig in de handen hield en, na de nieuwsgierigheid van zijn bezoeker -te hebben bevredigd, voorzichtig de kast weder sloot, vreezende naar het schijnt dat -zij hem door anderen mochten afhandig gemaakt worden, waardoor men dan in de gelegenheid -zou zijn achter zijn geheim te komen<a class="noteRef" id="xd31e1388src" href="#xd31e1388">63</a>. -</p> -<p>Dit geheim nu van de wijze waarop Leeuwenhoek zijne lenzen sleep en ze die buitengemeene -helderheid gaf, liet hij zich door niemand ontlokken en ontweek steeds zorgvuldig -daarvan iemand verklaring te geven, of wel beantwoordde de aanzoeken daartoe met stilzwijgen. -Ook had men hem meermalen aangespoord die kunst aan anderen te leeren en er bij voorbeeld -aan jongelieden onderricht in te geven. Leibnitz schijnt hem in dien geest daarover -geschreven te hebben, waarop Leeuwenhoek hem in de volgende bewoordingen antwoordde<a class="noteRef" id="xd31e1397src" href="#xd31e1397">64</a>: „<span lang="nl">Om jonge luyden tot het slypen van glasen aan te voeren, ende als een school op te -regten; daar uyt kan ik niet sien dat veel soude voortkomen; want door myne ontdekkingen -en slypen van glasen, syn veele studenten tot Leyden aangemoedigt, ende daar syn drie -Glasenslypers geweest, bij dewelke de studenten het glasenslypen gingen <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>leeren. Maar wat <span class="corr" id="xd31e1404" title="Bron: is’er">is ’er</span> uyt voort-gekomen? niets, soo veel my bekent is; omdat meest alle de studenten daar -op uyt komen, om door de wetenschappen gelt te bekomen, of wel door de geleertheyd -geagt te syn; ende dat steekt in het glas te slypen, ende in het ontdekken van de -saaken, die voor onse oogen verborgen syn, niet. En het staat ook by mij vast, dat -van duyzent menschen geen een bequaam is, om sig over te geven tot soodanige studie, -omdat er veel tijds toe vereyst wert, veel gelt gespilt wert, ende men gedurig met -syne gedagten moet besig wesen, sal men wat uytvoeren. Ende daarenboven syn de meeste -menschen niet weetgierig; ja eenigen, daar men het niet van behoorde te wagten <span id="xd31e1407"></span>seggen, wat is ’er aangelegen of wy het weten?</span>” -</p> -<p>Men ziet dat ook in den tijd van Leeuwenhoek de beoefening der wetenschap om de wetenschap -zelve, tot de zeldzaamheden scheen te behooren en dat ook toen reeds de practische -geest bij de studeerenden was doorgedrongen, die men thans zoo gaarne uitsluitend -aan onze eeuw wil toeschrijven. -</p> -<p>Nog zegt hij in een anderen brief aan denzelfden geleerde, van 13 Maart 1716:<a class="noteRef" id="xd31e1413src" href="#xd31e1413">65</a> „<span lang="nl">Ik hebbe gans geen genegenheyt gehadt om ymant te onderwysen, want als ik het aan -een gaf, soude ik aan meer moeten doen, omdat verscheyde souden meenen dat ik het -aan haar uyt maagschap en andere om haar gesachlykheyt verschuldigt was; ende dus -sou ik my tot een slaafachtigheyt overgeven daar ik een vry man soek te blijven: en -tragt ook geen loon daarvoor te trekken.</span>” En elders zegt <span class="corr" id="xd31e1419" title="Bron: hy">hij</span>: „<span lang="nl">om wel te slagen moet men veel tyd aan de studie wyden, veel geldt besteden en geheel -syn siel toewyden aan de overpeinsinge, hetgeen sekerlyk niet van dien aart is, om -een groot aantal jonge lieden aan te trekken.</span>” -</p> -<p>Behalve aan het slijpen zijner glazen, hechtte Leeuwenhoek bijzonder veel aan de monteering -er van. In zijn oordeel over een beweeren van zekeren Dalepatius aan den schrijver -van een boekje genaamd<span class="corr" id="xd31e1427" title="Bron: ;">:</span> „<span lang="fr">Nouvelles de la République</span>”, als zou deze een vergrootglas hebben uitgevonden „<span lang="nl">soo goet dat ’er geen beter <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>kan gemaakt werden, dewijl het een sigtbaar stip, naeuwlyks in groote te boven gaat</span>” enz. repliceert Leeuwenhoek<a class="noteRef" id="xd31e1438src" href="#xd31e1438">66</a>: „<span lang="nl">Wat syn vergroot-glas belangt, van soo een ongemeene kleynheit, en soo goet als er -kan gemaakt werden, dat sullen wy daar by laten. Maar om soodanige glaasjes wel te -monteeren daar vereyst meer oordeel toe, als om deselvige te maken.</span>” -</p> -<p>Naar het oordeel van Leeuwenhoek is het juist niet de bijzondere kleinheid der lenzen, -die de deugdzaamheid aan de microscopen verzekert, want hij zegt daarvan iets verder -in denzelfden brief: „<span lang="nl">Wat mij belangt, al hoewel ze by my al omtrent 40 jaren geleden van een ongemeene -kleynigheit zijn gemaakt geweest, soo zyn ze by my weynig in gebruyk, en ze dienen -na myn oordeel niet, om eerste ontdekkinge te doen, en daar toe syn bequaam die geene, -die uyt een grooter diameter syn geslepen.</span>” -</p> -<p>Leeuwenhoek maakte ook van een hulpmiddel gebruik om de verlichting zijner voorwerpen -met opvallend licht te versterken. Dit bestond in het aanwenden van een metalen hol -spiegeltje, in welks midden hij zijn lens plaatste. Dit spiegeltje is verklaard in -een brief van 12 Januari 1689 aan de „<span lang="en">Royal Society</span>”<a class="noteRef" id="xd31e1454src" href="#xd31e1454">67</a>. -</p> -<p>Men vindt dit spiegeltje dat Leeuwenhoek in den genoemden brief „een kommetje” noemt -en dat hij aan het microscoop had vastgesoldeerd, zeer nauwkeurig afgebeeld in de -bij dien brief gevoegde plaat, alsmede in Harting’s „mikroskoop”, deel 3, pl. 1, fig. -8; dergelijke spiegeltjes zijn geheel op dezelfde wijze later, in 1738, door Lieberkuhn -aan zijn microscopen toegevoegd, aan wien men ten onrechte hunne uitvinding toeschrijft. -</p> -<p>Het blijkt, zoowel uit het kistje met de 26 microscopen, aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” nagelaten, als uit andere gegevens en verklaringen van Leeuwenhoek zelven in zijne -brieven, dat hij microscopen vervaardigde met verschillend vergrootend vermogen. -</p> -<p>Baker<a class="noteRef" id="xd31e1466src" href="#xd31e1466">68</a> geeft voor de vergrootingen der bovenvermelde 26 <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>microscopen, voor een duidelijkheidsafstand van 8 Engelsche duimen de volgende: -</p> -<div class="table"> -<table> -<tr> -<td class="cellLeft cellTop">één </td> -<td class="cellTop"><span class="seg">van</span> </td> -<td class="cellTop"> 40 </td> -<td class="cellRight cellTop"><span class="seg">malige middellijn-vergrooting</span></td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">één </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td> -<td> 53 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">malige</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">middellijn-vergrooting</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span></td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">twee </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td> -<td> 57 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">malige</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">middellijn-vergrooting</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span></td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">drie </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td> -<td> 66 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">malige</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">middellijn-vergrooting</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span></td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">twee </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td> -<td> 72 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">malige</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">middellijn-vergrooting</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span></td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">acht </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td> -<td> 80 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">malige</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">middellijn-vergrooting</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span></td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">drie </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td> -<td>100 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">malige</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">middellijn-vergrooting</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span></td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">één </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td> -<td>114 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">malige</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">middellijn-vergrooting</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span></td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">één </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td> -<td>133 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">malige</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">middellijn-vergrooting</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span></td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft cellBottom">één </td> -<td class="cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> </td> -<td class="cellBottom">169 </td> -<td class="cellRight cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">malige</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">middellijn-vergrooting</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span></td> -</tr> -</table> -</div><p> -</p> -<p>En dat Leeuwenhoek ook microscopen vervaardigde die een veel sterker vermogen bezaten, -dan het meest vergrootende van de Londensche verzameling, blijkt uit het boven reeds -vermelde exemplaar van hem, berustende op het physisch kabinet te Utrecht. Dit is -in zilver gemonteerd en vergroot 270 maal, hetwelk dus een aanmerkelijk verschil is; -terwijl de lens, volgens verklaring van den Hoogleeraar Harting, biconvex geslepen -is. -</p> -<p>Zonder mij te verdiepen in eene uitvoerige beschrijving op hoedanige wijze de bepaling -van de sterkte der microscopen in vroegeren en lateren lijd geschiedde, wil ik echter -de wijze van bepaling hier vermelden, waarop deze gewoonlijk geschiedt en met behulp -waarvan Prof. Harting het microscoop van Leeuwenhoek heeft onderzocht<a class="noteRef" id="xd31e1600src" href="#xd31e1600">69</a>. Dit onderzoek, geschiedt door middel van het zoogenaamde Nobert’sche proefplaatje. -Dit plaatje is beschreven in „Poggendorff’s Annalen 1846”, n<sup>o</sup>. 2 S. 175. Nobert kwam op het denkbeeld om glazen plaatjes te vervaardigen met een -aantal van 10 tot 30 groepen van lijnen; deze lijnen zijn in de eerste groep het verst, -in de laatste groep het minst ver van elkander verwijderd. Men kan alzoo de verschillende -groepen achter elkander in het midden vrij in het veld brengen en onderzoeken, welke -groep door het microscoop nog <span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span>in afzonderlijke lijnen kan ontleed worden. Bij het onderzoek nu van de lens van Leeuwenhoek -bleek het Prof. Harting, dat, bij eene gunstige verlichting, door deze lens, de 3de -groep zeer gemakkelijk en de 4de (1⁄704 mill.) nog met moeite kon worden opgelost. -</p> -<p>Eene niet minder belangrijke zaak bij de beschouwing van Leeuwenhoek’s microscopen -is de wijze te leeren kennen, waarop hij de grootte van de voorwerpen bepaalde, die -door hem werden waargenomen. -</p> -<p>Hij koos daartoe nu eens een korrel grof zand, dan weder een gierst- of mosterdzaadje; -of hij vergeleek ze bij de dikte van een hoofd- of van een baardhaar, ja zelfs van -een haar uit zijn paruik! Later weder gebruikt hij als punt van vergelijking de grootte -der bloedbolletjes, die hem een zijner eerste en zeker een zijner belangrijkste ontdekkingen -herinnerde. -</p> -<p>In den aanvang was zijn punt van vergelijking een baardhaar. In een brief aan Robert -Hooke d.d. 12 November 1680<a class="noteRef" id="xd31e1614src" href="#xd31e1614">70</a> zegt hij daaromtrent het volgende: -</p> -<p>„<span lang="nl">Ik heb dan een verdeelde copere linie, en neem naeukeurig agt, door een goet microscope, -hoeveel delen, dat een van de dikste hairen van myn baard, op een verdeelde linie -beslaat; als by exempel, een zoodanig hair syn diameter is so lang, door een microscope -te zien, als 50 delen, en als dan trek ik met de punct van een naald op de kopere -lineaal sodanigen streep, die in myn bloote oog, my so te voren komt, als ik door -myn microscope, „de dunste” ader in de vlieg komen te sien, en ik oordeel, dat als -9 sodanige dunne strepen, als ik met de punct van een naalde getrokken heb, nevens -den anderen lage, een vijftigste part van de diameter van een hair souden uitmaken. -Komen dan 450 diameters van de dunste aderen, die ik in een vlieg seer destinct sie, -uyt te maken een diameter van een hair van myn baard, so is dan een hair van myn baard -200,000 maal dikker, dan de dunste bloedvaten van een vlieg.</span>” -</p> -<p>Een paar jaren later bezigt hij, eveneens in een schrijven aan Hooke d.d. 3 Maart -1682<a class="noteRef" id="xd31e1624src" href="#xd31e1624">71</a> „<span lang="nl">een klein sandje, waar hij calculeerde, <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>dat de vleesstriemtjes (= „fibrillae”) van een os door hem geoordeeld werden zoo dun -te zijn<span id="xd31e1631"></span> dat 50 van deselvige nevens den andere leggende de lengte uitmaken van 1⁄20 van een -duym, zoodat dan 1000 vleesstriemtjens in de lengte van een duym, dat is dan 1,000000 -vleesstriemtjens met haar membranen omwonden in een quadraet duym komen</span>”, en een paar regels verder: „<span lang="nl">Op een ander tijd sag ik in een ossetonge, drie kleyne musculen vlees, yder met haar -menbraan omwonden, nevens den anderen leggen, dat wanneer als ik deselvige overdwars -hadde doorgesneden, soo veel plaets niet en besloegen, als een kleyn sandje, (<span id="xd31e1636"></span>waarvan 100 sanden nevens den anderen leggende, de lengte van een duim maer uitmaken), -zoude die konnen bedekt houden.</span>” -</p> -<p>Later bepaalt hij, in een brief aan François Aston, d.d. 25 Juli 1684<a class="noteRef" id="xd31e1641src" href="#xd31e1641">72</a> deze grootte wat nauwkeuriger, zoodat men nu een eenigszins beteren maatstaf voor -zijn berekening erlangt. Hij zegt, „<span lang="nl">als ik sedert weinige dagen doende was met een oog van een manspersoon, zag ik in -het zwartachtig vlies of menbrane uytnemende dunne striemtjens of vaatgens, en om -derzelver dunte my die voor oogen te stellen, nam ik een grof sant, wiens axe dat -seer na 1⁄30 van een duym was, dit sant, door een microscope siende, oordeelde ik -dat deszelfs axe ten minsten 330 deelen, op seekere verdeelde lineaal uytmaekten, -en dat, wanneer 8 van de verhaalde dunne vaatgens nevens den anderen lagen, geen 1⁄330 -van de axe van een sant in lengte souden uitmaken.</span>” -</p> -<p>Leeuwenhoek bezigde echter altijd deze bepaling als eene vergelijking om slechts eene -aanschouwelijke voorstelling te geven van de kleinheid der voorwerpen, door hem met -het microscoop waargenomen. In veel later tijd schijnt hij de onzekerheid van de vergelijking -met zandkorrels, wegens hun groot verschil in grootte, te hebben ingezien, en bedient -hij zich nu van een’ „<span lang="nl">geerst-greijntje of een mostersaetje</span>”, zooals bijv. uit een brief aan Hermanus Boerhaave, d.d. 26 Augustus 1717<a class="noteRef" id="xd31e1652src" href="#xd31e1652">73</a> blijkt. „<span lang="nl">Ik hebbe voor desen geseyt, dat ik soodanige kleyne dierkens in <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>’t water sag swemmen, dat ze met haar duysent millioenen in groote geen grof sant -souden uytmaken. Maar alsoo der tussen de grove sanden een groot onderscheyt in groote -is, zoo wil ik liever seggen, de groote van een geerst-greyntje of mostert-saetje, -ende seggen dat, by aldien duysent millioenen van die kleyne diertjes nevens den anderen -lagen, deselve de lengte niet souden bereyken van een geerst-greyntje of mostert-saetje</span>”. Nog eene curieuse vergelijking in de maatbepaling vindt men in een brief aan <span class="corr" id="xd31e1660" title="Bron: Constantyn">Constantijn</span> Huygens, d.d. 21 Mei 1679<a class="noteRef" id="xd31e1663src" href="#xd31e1663">74</a>. Zij betreft de grootte der zeer kleine (vooronderstelde) vaatjes in een diertje -in het peperwater. Daartoe bepaalde hij eerst hoeveel haar-breedten de lengte van -een duim uitmaken. -</p> -<p>Dit beschrijft hij aldus: „<span lang="nl">Hebbende dan een koperen lineaal, daer op de duymen verdeelt waren in dry deelen en -yder weder in 10 deelen, is summa een duym in 30 verdeelt. Op dese verdelinge heb -ick geleyt het haer van myn paruyck, en dat door een microscope geobserveerd en geoordeelt, -dat 20 hair-breeten 1⁄30 van een duym uytmaken, comt dan 600 hair-breeten in de lenghte -van een duym</span>”. -</p> -<p>De Hoogleeraar Harting<span class="corr" id="xd31e1673" title="Niet in bron">,</span> deze maatbepalingen van Leeuwenhoek besprekende, zegt daarvan,<a class="noteRef" id="xd31e1675src" href="#xd31e1675">75</a> dat als men bedenkt hoe uiterst gebrekkig de handelwijze van Leeuwenhoek was, men -niet nalaten kan zich te verwonderen over de mate van nauwkeurigheid, die sommige -zijner bepalingen werkelijk bezitten, iets dat men alleen verklaren kan, door de juistheid -van een oog, dat door een jaren lange oefening eene zekerheid in het bepalen van maten -verkregen had, welke een minder goed waarnemer geheel moet missen. Zoo bepaalt hij -bijv.<a class="noteRef" id="xd31e1678src" href="#xd31e1678">76</a> de doormeter van een bloedlichaampje gemiddeld op dien van 1⁄100 van een zandkorrel, -dat is, (deze 1⁄30 duim in diameter hebbende) 1⁄300 duim; en werkelijk komt deze bepaling -zeer na overeen met de gemiddelde grootte der bloedlichaampjes, zooals deze <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>tegenwoordig met onze nauwkeurige hulpmiddelen gevonden wordt. -</p> -<p>Deze wijze van maatbepaling bij vergelijking met andere voorwerpen van bekende grootte, -was echter niet alleen aan Leeuwenhoek eigen, maar werd door beroemde geleerden van -dien tijd eveneens gebruikt. Robert Hooke onder anderen zegt in een brief aan Leeuwenhoek -d.d. 18 April 1778<a class="noteRef" id="xd31e1689src" href="#xd31e1689">77</a> „dat de musculen van kreeften, krabben en garnalen bestonden uit eene ontelbare menigte -zeer kleine draadjes, bijna honderd malen kleiner dan een haar van zijn hoofd.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Een tijdgenoot van Leeuwenhoek, Dr. James Jurin, bezigde de volgende maatbepaling. -Hij wond een zeer fijn zilverdraad zoo vele malen om een speld of eenig ander dun -lichaam, dat er geen tusschenruimten meer tusschen de draden gelaten werden, waarvan -hij zich met een vergrootglas overtuigde. Hij mat nu met een passertje nauwkeurig -een zeker getal dezer omwindingen en door de gevonden maat door het aantal omwindingen -te deelen, verkreeg hij de dikte van het gebruikte zilverdraad. Nu knipte hij de draad -in kleine stukjes en strooide er eenige van <span class="ex">op</span> het voorwerp dat hij onderzocht, als het ondoorschijnend en er <span class="ex">onder</span> als het doorschijnend was en vergeleek dan met het oog de deelen van het voorwerp -met de dikte van zulk een stukje draad. Jurin zond eenige stukjes van zulk een draad -aan Leeuwenhoek<a class="noteRef" id="xd31e1702src" href="#xd31e1702">78</a> die daarover, naar het schijnt zeer tevreden was, dewijl deze wijze van maatbepaling -door hem bevestigd werd (in de <span lang="en">Philosophical Transactions</span> n<sup>o</sup>. 377), ofschoon hij toch aan zijn eigen methode de voorkeur is blijven geven. -</p> -<p>In het praepareeren van de voorwerpen moet Leeuwenhoek eene bijzondere vaardigheid -gehad hebben, waarbij hem zijn vaste hand, scherp gezicht en groot geduld uitnemend -te stade kwamen. -<span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span></p> -<p>Daarvan zijn talrijke voorbeelden voorhanden in zijne brieven, waarin hij omstandig -zijne wijze van behandeling beschrijft. Zoo zegt hij in een brief aan de „Royal Society<span class="corr" title="Niet in bron">”</span><a class="noteRef" id="xd31e1723src" href="#xd31e1723">79</a>, waarin hij uitvoerig de angel eener mug beschrijft en zegt dat die uit vier bijzondere -angels bestaat, die in geschikte orde in elkander leggen: „<span lang="nl">Soo ymant genegen waar in het observeeren van de angels van de mugge my na te volgen, -soo wil ik den soodanigen recommenderen dat hij langmoedig is. Want de gesamenlijke -vier werktuigen of angels, die in geschikte orde leggen, uyt de koker te halen, ende -de koker te openen, dat heb ik veelmaal achter den anderen teweeggebracht, maar dese -werktuigen uyt den anderen te halen, ende die soodanig voor het vergrootglas te stellen, -dat men die instinct aan anderen kan laten sien, daartoe vereyst geen kleyne moeite. -Ik heb meer dan honderd muggen daarom gedoot, ende mijne observatiën op verscheyden -dagen moeten hervatten</span> enz.” -</p> -<p>In een anderen brief<a class="noteRef" id="xd31e1731src" href="#xd31e1731">80</a>, waarin hij uitvoerig de gedaante en structuur van de luis, de voortteeling dezer -parasiten enz. <span class="corr" id="xd31e1734" title="Bron: uit een">uiteen</span> zet, beschrijft hij onder anderen, hoe bij den mannelijken parasiet, geen eieren -zooals hij vroeger gemeend had voorkwamen, maar testikels en dat er van deze vier -in getal waren. „<span lang="nl">Deze testikels</span>,” zegt hij, „<span lang="nl">leggen yder twee soo digt by den anderen, ende wel voornamentlijk met derselver twee -einden, soodanig als of yder afdragent vat te samen vereenigde, en het veeltijds soo -quam te vertoonen, als of deselve maar een afdragend zaatvat hadde, yder van dese -testiculen oordeele ik omtrent een vierdedeel van de groote van een volmaakte luiseney -te sullen uitmaken.</span>” En iets verder: „<span lang="nl">Wijders haalde ik veelmaal uit de mannekens luizen, derselver mannelyke leden, als -ook bragt ik veelmaal de angels tot myn groot genoege uit het agterlyf van de luis, -en ook nam ik die wel uit de luis, doch niet sonder het ontstukken breken van de dunne -hoornachtige deelen<span id="xd31e1745"></span> die al diep in hun lijf vast waren</span><span class="corr" id="xd31e1747" title="Bron: .">,</span> enz.” Verder <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>maakte hij een calculatie van de dikte van den angel der luis en zegt dat deze wel -700maal dunner was dan een haar van zijn hand. -</p> -<p>Deze vaardigheid van hand en scherpheid van gezicht komt vooral ook uit in de onderzoeking -van de oogen van den Rombout, als ook van die van <span class="corr" id="xd31e1755" title="Bron: byen">bijen</span>, muggen en andere insecten. Deze namelijk hebben twee halve manen, waarin een ongemeen -getal kleine halve bolletjes zijn, die met de uiterste regelmatigheid en netheid in -elkander overkruisende lijnen geplaatst zijn en naar traliewerk gelijken. Deze zijn -een verzameling van facetten (Leeuwenhoek noemt ze gezichten, oogen), die zoo volmaakt -glad en gepolijst zijn, dat ze als zoo vele spiegels, de beelden van alle uitwendige -voorwerpen terugkaatsen. Robert Hooke telde 14,000 halve oogen of facetten in de twee -oogen van een hommel; Leeuwenhoek calculeerde 6236 in de twee oogen van de kapel van -den zijdeworm, 7362 in die van den schalbyter, 8000 in die van de gewone vlieg, terwijl -hij er in de beide oogen van den Rombout 25,088 berekende. Hij bemerkte ook in het -middenpunt van iedere facet een klein doorschijnend vlakje, dat helderder was dan -het overige, dat hij voor den oogappel hield, waar de lichtstralen doorgelaten worden -tot op het netvlies. -</p> -<p>Leeuwenhoek sneed zulk een oog van den Rombout (ook puistebyter genoemd) af, reinigde -het met een penseel met water van al de aanhangende vaten en onderzocht het door zijn -microscoop. Hij plaatste het een weinig verder van de lens, zoodat hij den rechten -brandpuntsafstand tusschen dit voorwerp en de lens van zijn microscoop liet, en toen -door beiden, als door een verrekijker, naar den toren van de nieuwe kerk, welke 299 -voeten hoog en 750 voeten ver van zijn woning verwijderd was, ziende, kon hij duidelijk -door ieder facet den geheelen toren omgekeerd zien, hoewel niet grooter dan de punt -van eene fijne naald, en toen zijn gezicht naar een huis aan de overzijde richtende, -zag hij door een menigte van de kleine halve bolletjes niet alleen den gevel van het -huis, maar insgelijks de deuren en vensters en was in staat te onderscheiden, of de -vensters open of gesloten waren. Van Haastert<a class="noteRef" id="xd31e1760src" href="#xd31e1760">81</a>, die van zoodanig onderzoek <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>ook gewag maakt, voegt er nog bij, „dat dit verrassend gezicht Leeuwenhoek zoo opgetogen -maakte, dat hij zijne buren tot zich deed roepen om hun dat zonderling gezicht eveneens -te doen opmerken.” -</p> -<p>En niet minder komt deze vaardigheid uit in zijne ontleding van de gezichtszenuwen -van een honigbij<a class="noteRef" id="xd31e1767src" href="#xd31e1767">82</a>. Hij nam het hoornvlies uit het hoofd en beschouwde de stof waarmede dit gevuld was. -Terwijl hij vroeger meende te hebben waargenomen dat het uit een draadachtig wezen -bestond vond hij nu, bij nauwkeurige beschouwing, dat al die deeltjes ten naasten -bij van dezelfde lengte waren, aan het eene einde iets dikker dan aan het andere en -daarbij aan het dikkere einde rondachtig, en kwam tot de ontdekking, dat ieder dezer -deeltjes een gezichtszenuw was en dat het dikkere of ronde einde geplaatst was in -de kleine holte van ieder oog, dat in het hoornvlies is, „kortom” zegt hij, „<span lang="nl">soo veel gesichten in ’t hoornvlies syn, soo veel gesicht-senuwen.</span>” Hij geeft in genoemden brief eene nauwkeurige afbeelding van een bundel van zoodanige -gezichts-zenuwen en eindigt met de betuiging: „<span lang="nl">Dese verhaalde verwonderenswaardige zaken en volmaaktheid in het oog van een vlieg -ontdekt hebbende, moeten wy al weder seggen: Hoe weynig is ’t dat wy weten! en heeft -dit plaats in soo een groote vlieg, soo heeft het alle die volmaaktheit in al de vliegjens -die der zijn.</span>” -</p> -<p>Ik kan mij niet onthouden ook nog het slot van denzelfden brief aan te halen, waarin -zijn fijnheid van praepareeren zoo duidelijk uitkomt en bezig daartoe liefst weder -zijn eigen woorden: „<span lang="nl">Ik hebbe een kleyne mugge gevangen, die geen angel had om te steken. Dese mugge snede -ik het hoofd af, om uit de oogen, ofte gesigten, de gesigt-senuwen te halen, maar -ik konde die mijn selven niet klaar genoeg voor de oogen stellen, schoon ik het tot -drie à viermalen toe hervatte, in welk ondersoek my veel malen de hersenen uyt het -hooft van de mugge, omset met een groote menigte van vaaten, die ik vast stelde bloedvaten -te syn, te voorschijn quamen, en gelukte het mij dat ik de hersenen met derselver -bloed-vaaten omvangen, vry ongeschonden <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>uit het hooft van de mugge haalde, die ik voor <span class="corr" id="xd31e1782" title="Bron: he">het</span> vergrootglas gestelt hebbende den teykenaar over gaf, om af te teykenen, te meer, -omdat my van een voornaam Heer geseyt was, dat seker persoon, als men van myne ontdekkingen -quam te spreken, veel maal quam te seggen, dat het onmogelijk was te doen, hetgeene -ik quam te seggen, omdat, seyde denselven, myne instrumenten, die ik daartoe moet -gebruyken, hoe kleyn ik die mogte komen te maken, niet bequaam konden syn, om die -ontledingen te doen, die ik kome te verhalen; maer ik kreune my aan geen quaatsprekers, -het is ligt een van die geenen, die wel wenste mede sulks te kunnen uitwerken.</span>” -</p> -<p>Het is opmerkelijk dat hij dat scherpe oog, zoo onontbeerlijk in het doen van zulke -uiterst fijne onderzoekingen, tot een zeer hoogen ouderdom behield, zoo als blijkt -uit een brief aan zijn neef Abraham van Bleiswijk van 2 Maart 1717<a class="noteRef" id="xd31e1788src" href="#xd31e1788">83</a>, toen hij dus reeds 85 jaren oud was. -</p> -<p>Hij beschrijft daarin met minutieuse nauwkeurigheid, dat hij de fijne zenuwen uit -het ruggemerg van eene koe gesneden had en bevond dat deze bestonden uit uiterst dunne -vaatjes, waarvan honderden te samen eene zenuw daarstelden en men zelfs in eenigen -openingen van eene onbegrijpelijke kleinheid vond. Hij maakte van deze zenuw eene -doorsnede ter dikte nauwelijks van een baardhaar, ten einde die door zijn microscoop -te beschouwen. -</p> -<p>Bij die gelegenheid werd hem toegevoegd, dat hij zich om zijn hooge jaren toch niet -mocht onthouden om zijne onderzoekingen voort te zetten, waarvan hij de moeielijkheid -zelf inzag en deed opmerken zeggende: „<span lang="nl">ende immers is het seer swaar te ontdekken alle die verdeelingen en men kan bezwaarlijk -bekennen, dat soo een dun senutje in soo vele spranken kan verdeelt worden</span>,” maar dat hij daarom toch niet mocht stil staan, want „<span lang="nl">dat de vrugten, die in den herfst rijp werden, langst konden duren</span>.” -</p> -<p>Leeuwenhoek was voor niets zoo gevoelig, als dat men zijn waarheidsliefde in twijfel -trok of verdacht maakte en beweerde dat hij zich door zijn verbeelding liet misleiden -om anderen maar wat wijs <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>te maken, ’t geen hij zelf beter wist niet zoo te zijn. Wanneer hij de zaken, die -hij mededeelt, niet „met zekerheid” gezien had, waarschuwt hij er zelf voor „dat het -bij hem nog niet tot klaarheid gekomen is.” Ook wijst hij er herhaaldelijk op, wat -hij werkelijk „gezien”, en wat hij zich „geïmagineerd” heeft. -</p> -<p>In een brief aan de „Royal Society<span class="corr" title="Niet in bron">”</span><a class="noteRef" id="xd31e1808src" href="#xd31e1808">84</a> zegt hij: „<span lang="nl">En nademaal my veel maal te vooren komt, dat veele myn schryvens niet konnen aannemen, -en stoutelyk derven seggen, dat zy my niet en gelooven, daar ik nogtans een groot -hater van de loogen, en een groot liefhebber van de waarheid ben</span> enz.” en elders<a class="noteRef" id="xd31e1814src" href="#xd31e1814">85</a>.… „<span lang="nl">Dog ik ben sulks getroost, ik tragt niet dan waarheden te ontdekken, en soo ik bevinde, -dat ik hier of daar in kome te missen, ik sal gaarne belydenis van mijne dwalinge -doen</span>”, en in zijn brief aan Leibnitz<a class="noteRef" id="xd31e1820src" href="#xd31e1820">86</a> zegt hij onder anderen: „<span lang="nl">Ik sie wel dat ik veele geleerde Heeren in myne ware ontdekkinge en ook in myne stellinge -niet sal brengen: ik wil dan liever my selven troosten dan twisten; als ik maar het -geluk mag hebben, gelijk ik besit, dat ook veele groote mannen myne ontdekkinge aannemen.</span>” -</p> -<p>Een der eerste maar zeker belangrijkste ontdekkingen, die Leeuwenhoek gedaan heeft, -had betrekking op de physische samenstelling van het bloed, en werd door hem reeds -op den 15den Augustus 1673 bewerkstelligd<a class="noteRef" id="xd31e1831src" href="#xd31e1831">87</a>. Tot op zijn tijd toe geloofde men dat het bloed eene gelijkmatig roode vloeistof -was; doch hij erkende, dat deze vloeistof bijna kleurloos was, maar dat daarin kleine -lichaampjes gesuspendeerd waren, welke eene roode kleur hadden en deze kleur aan de -geheele vloeistof mededeelden. Ofschoon Swammerdam reeds in 1658 in het bloed eener -kikvorsch een onnoemlijk aantal „eivormige deeltjes” had waargenomen, <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>zoo werd aan deze observatie echter geen publiciteit gegeven, en daar de geschriften -van Swammerdam eerst in het begin der XVIIde eeuw in het licht verschenen, zoo konden -deze geen invloed hebben uitgeoefend op de ontdekking van Leeuwenhoek, tenzij hij -zulks van Swammerdam zelf of van anderen mocht vernomen hebben. -</p> -<p>Ook Malpighi had reeds twaalf jaren vóór Leeuwenhoek, bij het beschouwen van het bloed -eener egel onder het microscoop, roode lichaampjes onderscheiden, doch hij had deze -voor vetbolletjes gehouden en er zich verder niet mede bezig gehouden. De verdienste -van Leeuwenhoek in dit opzicht blijft dus in zijn geheel. Zoo is het ook bekend, dat -Athanasius Kirscher in 1650 over lichaampjes geschreven heeft, die hij in het bloed -van koortslijders als „kleine wurmpjes” zeide gezien te hebben. Leeuwenhoek echter -onderzocht nauwkeurig het bloed van den mensch en later ook van verschillende dieren, -zoo als van den os, het schaap, het konijn, de vleermuis, vogels, visschen enz. Bij -de zoogdieren vond hij den vorm dezer lichaampjes steeds rondachtig, op kleine lenzen -gelijkende en noemde ze daarom „globulen”; later zag hij bij de vogels, kikvorschen -en eenige soorten van visschen enz., dat deze lichaampjes afgeplat en eivormig van -gedaante waren<a class="noteRef" id="xd31e1844src" href="#xd31e1844">88</a> en noemde deze, in onderscheiding der eersten, „particulen”. Latere onderzoekingen -hebben echter geleerd, dat de eersten niet bolrond zijn, maar platgedrukt, op kleine -schijfjes gelijkende, waarom zij thans „bloedschijfjes” genoemd worden. -</p> -<p>Beide deze soorten vond hij drijvende in een helder vocht (serum)<a class="noteRef" id="xd31e1849src" href="#xd31e1849">89</a>. Zijn oordeel over den betrekkelijken diameter van deze bloedlichaampjes was vrij -juist. Zij waren volgens hem zeer klein bij de zoogdieren, grooter bij de vogels, -nog grooter bij den kikvorsch en de visschen. De grootte dezer bloedlichaampjes bij -den mensch, den os, het schaap en het konijn stelde hij zoo, dat honderd dezer „globulen” -naast elkander liggende nauwlijks de <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>ruimte van een zandkorrel beslaan<a class="noteRef" id="xd31e1854src" href="#xd31e1854">90</a>, de zandkorrel berekend = 1⁄30 van een duim<a class="noteRef" id="xd31e1857src" href="#xd31e1857">91</a> in diameter, alzoo 1⁄3000 duim, welke maatbepaling zeer nabij komt met de grootte -der bloedlichaampjes, zoo als deze later door de juistere maatbepalingen, door micrometers, -zijn waargenomen (1⁄125 millimeter). Deze diameter wordt door Rudolf en Hodgein eveneens -als 1⁄3000 duim opgegeven; Wagner stelde ze 1⁄4000, Paget tusschen 1⁄3500 en 1⁄4000<a class="noteRef" id="xd31e1860src" href="#xd31e1860">92</a>. Bij de visschen is deze diameter van 1⁄1800–1⁄4000 bevonden en bij de kikvorschen -= 1⁄1200–1⁄1920 duim<a class="noteRef" id="xd31e1864src" href="#xd31e1864">93</a>. -</p> -<p>Niet minder groot is de verdienste van Leeuwenhoek in de waarnemingen omtrent den -omloop des bloeds. De ontdekking van dezen omloop komt evenwel niet aan Leeuwenhoek -maar aan Harvey toe. Leeuwenhoek echter bestudeerde den bloedsomloop met zeldzame -nauwkeurigheid en volharding. Hij bezigde daartoe bij voorkeur den staart van jonge -kikvorschen en het zwemvlies dat de vingers bij deze dieren vereenigt<a class="noteRef" id="xd31e1869src" href="#xd31e1869">94</a>; deze leverden hem uitmuntende voorwerpen voor zijne waarnemingen, zoowel omdat zij -uiterst doorschijnend zijn, als dewijl de bloedlichaampjes bij deze dieren, zoo als -wij zagen, grooter zijn dan bij de zoogdieren. Gaarne nam hij hiertoe ook vleermuizen -en bespiedde hare dunne vliesachtige vleugels, doorsneden met talrijke vaten<a class="noteRef" id="xd31e1872src" href="#xd31e1872">95</a><span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Ook bezigde hij dikwijls het oor van jonge konijnen, waarvan de huid nog zeer doorschijnend -is en onderscheidde daarin den doorgang van het bloed uit de slagaderen in de aderen<a class="noteRef" id="xd31e1877src" href="#xd31e1877">96</a>. Jonge alen en andere visschen, die hij daartoe in glazen buizen met den staart er -buiten, voor zijn microscoop plaatste, deden hem dit verschijnsel eveneens bewonderen<a class="noteRef" id="xd31e1880src" href="#xd31e1880">97</a>. Hij trachtte zelfs de snelheid te berekenen, waarmede de omloop des bloeds, <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>bij voorbeeld in den staart eener aal, plaats had en berekende, dat, zoo in deze visch -het hart 11 duimen van den staart verwijderd is, het bloed in een uur 13malen van -het hart lot den staart teruggevoerd wordt; de afstand van den kop tot het hart slechts -1½ duim zijnde, zou zulks tusschen deze deelen in denzelfden tijd 96maal plaats hebben<a class="noteRef" id="xd31e1886src" href="#xd31e1886">98</a>. Zijne berekening omtrent de snelheid van den omloop van het bloed bij den mensch -was, dat in één uur tijds de bloedsomloop 45malen plaats heeft. Volgens Sebastian<a class="noteRef" id="xd31e1892src" href="#xd31e1892">99</a> schijnt die binnen 1–3 minuten plaats te grijpen, terwijl Leeuwenhoek de grootste -snelheid van het hart tot aan de uiterste deelen van de voeten en van daar weder terug -tot het hart, bepaalde op 2⅔maal, tot aan de vingers en terug naar het hart 44⁄11maal, -in buik en borst 12maal en in het hoofd 8maal in het uur<a class="noteRef" id="xd31e1895src" href="#xd31e1895">100</a>. -</p> -<p>Omtrent den doortocht van het bloed door de slagaderen in de aderen ontstond reeds -in den tijd van Harvey grooten strijd. De tegenstanders van dezen grooten physioloog -wierpen hem tegen, dat wanneer het bloed direct uit de slagaderen in de aderen overging, -het de deelen, waardoor het heen vloeide niet zou kunnen voeden. Het vraagstuk was -nog onbeslist, toen Leeuwenhoek in 1686 aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” een brief schreef, waarin hij, in strijd met de opinie van Harvey, meende te hebben -ontdekt, dat de doortocht van het bloed niet onmiddellijk uit de slagaderen in de -aderen plaats had<a class="noteRef" id="xd31e1903src" href="#xd31e1903">101</a>. Later echter, in 1698, toonde hij, na zorgvuldig microscopisch onderzoek, duidelijk -den samenhang van de slagaderen met de aderen aan en wilde zelfs geen haarvaten tusschen -de beide genoemde vaten afzonderlijk onderscheiden, omdat het, zooals hij zeide, onmogelijk -was te bepalen, noch waar de slagaderen eindigen, noch waar de aderen beginnen<a class="noteRef" id="xd31e1906src" href="#xd31e1906">102</a>. In dit tijdvak stelde men ook de chemische theorie op den voorgrond en wilde men -de fermentatie <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>van het bloed als zeker vaststellen, dewijl men bloedlichaampjes voor luchtbellen -aanzag. -</p> -<p>Deze hypothese werd krachtig door Leeuwenhoek bestreden en door vele microscopische -waarnemingen overtuigend wederlegd, welke proeven voldingend aantoonden, dat er volstrekt -geen luchtbellen in de bloedvaten aanwezig waren, hetgeen zeker plaats zou hebben -als het bloed gistte<a class="noteRef" id="xd31e1913src" href="#xd31e1913">103</a>. -</p> -<p>Het is, omtrent deze waarnemingen aangaande de bloedlichaampjes wel der vermelding -waardig, dat zij den grondslag legden voor de theorie van onzen beroemden landgenoot -Boerhaave over de inflammatie en andere ziekten<a class="noteRef" id="xd31e1922src" href="#xd31e1922">104</a>, terwijl het overigens opmerkelijk is dat een man als Leeuwenhoek, bij gemis aan -fundamenteele wetenschappelijke kundigheden, door eenvoudige beschouwing van den poot -van een kikvorsch, het oor van een konijn, den staart van een visch enz., een vraagstuk -als de bloedsomloop, dat zoo lang in onzekerheid verkeerd had, voor ieder belangstellende -zoo aanschouwelijk maakte. Ook zijne observaties omtrent de structuur der capillaire -vaten zijn door latere onderzoekers als nauwkeurig erkend<a class="noteRef" id="xd31e1928src" href="#xd31e1928">105</a>. -</p> -<p>Behalve bovengenoemde belangrijke onderzoekingen, verdienen zijne waarnemingen omtrent -de „beenderen” en de „tanden”, die eveneens tot de eerste observaties van Leeuwenhoek -behooren, die onder de oogen der Engelsche geleerden gebracht waren, vermeld te worden. -</p> -<p>Hij deelde zijne waarnemingen in 1674 aan de Royal Society mede en vond, dat zij uit -bolletjes bestonden<a class="noteRef" id="xd31e1935src" href="#xd31e1935">106</a>; maar reeds in 1678 kwam hij van dit gevoelen terug, daar hij opgemerkt had dat deze -bolletjes de uiteinden of topjes waren van buisjes of pijpjes, waaruit de beenderen -bestaan. Hij erkende zijne dwaling in een brief aan de „Royal Society<span class="corr" title="Niet in bron">”</span><a class="noteRef" id="xd31e1942src" href="#xd31e1942">107</a>, zette toen <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>dit onderzoek onvermoeid voort en vond, dat de vaste deelen der beenderen uit vierderlei -pijpjes bestonden, van verschillende wijdte en kringsgewijs geplaatst. -</p> -<p>De Heer van der Boon<a class="noteRef" id="xd31e1957src" href="#xd31e1957">108</a>, deze waarnemingen besprekende, merkt daarbij op, dat, wanneer men deze beschrijving -vergelijkt met de kennis, die men tegenwoordig van het weefsel der beenderen bezit, -men dan te recht zich verwonderen moet over de geringe waarde, die men tot nu toe -gehecht heeft aan het onderzoek omtrent het weefsel der beenderen door onzen Leeuwenhoek. -Nog meer, vervolgt hij, moeten wij zulks betuigen bij de overweging van de kennis -die hij had van het maaksel der „tanden”, hetwelk zoo volkomen door hem is beschreven, -dat daardoor de eer, die in onze dagen aan Purkinje ten deel viel, namelijk van de -eerste geweest te zijn, die het ware weefsel der tanden leerde kennen, grootendeels -vervalt.<a class="noteRef" id="xd31e1960src" href="#xd31e1960">109</a> In een brief aan de „Royal Society<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>, d.d. 4 April 1687<a class="noteRef" id="xd31e1965src" href="#xd31e1965">110</a> zegt Leeuwenhoek gevonden te hebben, dat de tanden bestaan uit saamgevoegde, zeer -dunne pijpjes, die alle in het binnenste van den tand aanvangen en aan den omtrek -eindigen<a class="noteRef" id="xd31e1968src" href="#xd31e1968">111</a>. -</p> -<p>Dat Leeuwenhoek ten gevolge zijner nieuwe ontdekkingen en beschouwingen velerlei tegenspraak -moest ondervinden, die hem de vele gelukkige oogenblikken, door hem genoten bij de -waarneming van de wonderen der schepping en het ontdekken eener nieuwe wereld van -wezens, zeer vergalden, daarvan kan men wel verzekerd zijn; die tegenspraak ondervonden -immers zoo velen, die als hoog geleerd erkend en beroemd waren en iets nieuws hadden -waargenomen, dat aan anderen ontsnapt was en waarvan de gevolgtrekkingen, geliefkoosde -meeningen en theoriën omverstootten. En zou dan Leeuwenhoek, de ongeletterde, zou -een Kamerbewaarder van Schepenskamer, die zijne waarnemingen <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>zoo eenvoudig, zoo ongekunsteld en ontdaan van allen uiterlijken glans van geleerde -termen, aan de wereld ter overweging gaf en die zulke lang betwiste, hoogstbelangrijke -vraagstukken golden, zulke tegenspraak zijn ontgaan? Dat was niet te verwachten en -zij werd hem ook geenszins onthouden. In vele brieven beklaagt hij zich over die tegenspraak -en het gelukte hem vaak die te beschamen, en als al zijne aangevoerde bewijzen en -verklaringen toch bleken niet in staat te zijn om vooroordeelen te overwinnen, troostte -hij zich met zijn vaste overtuiging daar tegenover te stellen en zeide: „<span lang="nl">Maar ik en stoor my sulks niet, ik weet dat ik de waarheyt hebbe</span>”<a class="noteRef" id="xd31e1978src" href="#xd31e1978">112</a>, en hij haalt de schouders op over de onkunde en het vooroordeel dat hy te bestrijden -had, waar hy, onder anderen, over den gewaanden honigdauw sprekende, waaraan men het -bederf in de tarwe toeschreef, zegt: „<span lang="nl">Ik houd my verseekert, dat het vallen van den gewaanden honigdauw alleen maar verdigt-selen -syn, die ligtelyk van een out wyfs spinnerokken syn voortgesproten, wy willen het -haar niet qualyk afnemen, dat ze aan de oude dwalinge tot nog toe syn blyven hangen -en wenschen haar toe dat ze hare misslagen mogen leeren kennen, ende de waarheid omhelsen</span>”<a class="noteRef" id="xd31e1984src" href="#xd31e1984">113</a>. -</p> -<p>Die tegenspraak werd vooral uitgelokt door zijne ontdekkingen van de kleine diertjes -in regen- en andere wateren en in waterige aftreksels, zoo als ik die boven beschreven -heb en aan welke diertjes, om de wijze, waarop zij verkregen werden, eene eeuw later -de oneigenlijke naam van „afgietseldiertjes, infusoria”, gegeven werd. -</p> -<p>En geen wonder! De ontdekking toch van wezens, wier ontsachelijk geringe grootte zoo -lang aan het menschelijk oog onttrokken was gebleven, waardoor een nieuw veld van -wereldbeschouwing geopend werd en de waarneming van de omstandigheden, waaronder deze -kleine levende schepselen te voorschijn traden; de voorstelling die hij er van leverde -dat deze, op de eenvoudigste wijze georganiseerde wezens „niet van zelf ontstonden, -maar ieder in hun verschillende soort werden voortgebracht <span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span>uit germen of kiemen, die in de lucht aanwezig waren”, druischte zoo zeer in tegen -de algemeen aangenomen begrippen, dat het niet te verwonderen is dat Leeuwenhoek de -hevigste tegenspraak te verduren had. En wanneer wij ons herinneren, dat nog in onzen -tijd groote strijd gevoerd wordt over het al of niet van zelf ontstaan van levende -organismen, dat nog de „<span lang="la">generatio spontanea</span>”, niettegenstaande de meest overtuigende proeven en redeneeringen het onhoudbare -van die stelling hebben bewezen, nog hare verdedigers vindt onder mannen van naam -in de geleerde wereld, dan verwondert ons de tegenspraak, die Leeuwenhoek ondervond -in geenen deele, en stijgt onze bewondering in geen geringe mate over het verlichte -oordeel van den moedigen en zelfstandigen denker, die zijn tijd ver vooruit was en -zich door geen blind geloof of gezag liet leiden of beheerschen, maar datgeene trachtte -te doorgronden, waarin door anderen berust werd en die ook moed genoeg had om voor -zijne overtuiging uit te komen, al moest hij daardoor gesmaad en verguisd worden. -</p> -<p>Ook beklaagt hij zich zoo weinig medewerking en hulp bij zijne eigen stadgenooten -te ondervinden. In een brief aan den heer L. van Velthuyzen d.d. 11 Mei 1679, in het -bezit nu van wijlen den Heer van Dam van Noordeloos te Rotterdam en waarvan ik copie -mocht nemen, schrijft hij „<span lang="nl">Ick heb soo nu en dan wel te kennen gegeven, dat ick het bloet van ongesonde menschen -etc. etc, genegen was om te sien, maer ick heb noyt ’t een of ’t ander bekomen en -daarom is mijn voornemen geen versoeck na dees tijd meer te doen.</span>” En aan zeker Ciciliaansch edelman die hem kwam bezoeken, beklaagde hij zich eveneens, -dat hij binnen Delft geen hulp kon bekomen, waarop deze hem antwoordde „<span lang="nl">Ick verwonder my niet, want de Hollanders syn niet genegen als om gelt te winnen.</span>”— -</p> -<p>Leeuwenhoek’s grootste strijd met de geleerden van alle landen ontstond ten gevolge -zijner waarnemingen omtrent de zoogenaamde zaaddiertjes en zijne beschouwingen over -de voortteeling, die zoo geheel indruischten tegen de toen algemeen aangenomen zienswijze -over dit onderwerp. -</p> -<p>Kort nadat hij de bovenvermelde ontdekking der infusoria gedaan <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>had, werd er eene andere door hem openbaar gemaakt, die van niet minder belang te -achten is en de hoofden en pennen der geleerden van dien tijd geruimen tijd heeft -bezig gehouden, eene ontdekking, ten gevolge waarvan de mannen der wetenschap zich -als het ware in twee gelederen schaarden over de gevolgtrekkingen, die Leeuwenhoek -er uit afleidde en zijne theorie over de voortteeling, die hij er op grondvestte. -De voor- en tegenstanders bestreden elkander dikwijls met de scherpe wapenen der bespotting -en verguizing, totdat men, door de ontwikkeling der wetenschap beter voorgelicht, -eene voorstelling aannam, die beter met de resultaten der ontleedkunde overeenkwam. -Deze nieuwe ontdekking nu, welke wij zullen zien, dat volgens mededeeling van Leeuwenhoek -zelf, niet aan hem, maar aan zekeren Ham moet worden toegeschreven, betrof de waarneming -van levende wezens in het voortteelingsvocht der dieren. -</p> -<p>Omtrent den eigenlijken ontdekker dezer „animalcula spermatica,” ook „spermatozoïden” -genoemd, bestond nog veel verschil van gevoelen. -</p> -<p>De ware toedracht van zaken nu wordt door Leeuwenhoek aan den Heer Harmen van Zoelen, -Oud-Burgemeester van Rotterdam, in een brief d.d. 17 December 1698<a class="noteRef" id="xd31e2011src" href="#xd31e2011">114</a> zeer uitvoerig verhaald. Toen namelijk later Hartsoeker zich de eer der ontdekking -wederrechtelijk toeëigende, rekende Leeuwenhoek zich verplicht dezen brief, in uittreksel -medetedeelen. Hij zegt daarin o. a., dat hij in November van het jaar 1677 aan de -Koninklijke Sociëteit te Londen geschreven had, een brief van den Heer Craanen Hoogleeraar -te Leiden ontvangen te hebben, met verzoek om zijn neef, den Heer Ham, student in -de medicijnen eenige zijner waarnemingen te laten zien, die hem dan ook in Augustus -1677 een bezoek bracht. Toen deze hem nu voor de tweede maal bezocht, bracht hij een -glazen fleschje mede, waarin hij „<span lang="nl">eenig ontloopen zaad van een man medebragt, die bij een ongesont vrouwspersoon hadde -geweest.</span>” Deze Heer Ham had dit vocht door het microscoop bezien en daarin „levende schepsels” -zich zien bewegen en meende dat deze uit bederf waren voortgekomen. <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>Hij had er staarten aan opgemerkt en bovendien had hij gezien, dat zij niet meer dan -24 uren in het leven bleven; tevens verhaalde hij, dat, toen hij de patiënt terpentijn -had ingegeven, de diertjes daarvan stierven. Leeuwenhoek onderzocht nu op zijn beurt -het vocht, door een weinig er van in een haarbuisje te brengen, bezag het in het bijzijn -van Ham en vond zijne ontdekking alleszins bewaarheid. Onmiddellijk daarop werd dit -onderwerp een punt van nauwgezet onderzoek voor hem. Hij onderzocht herhaalde malen -nu ook gezond sperma, vooral ook van verschillende dieren en vond de waarneming bij -allen bewaarheid. Somtijds vond hij „<span lang="nl">meer dan duizend levende schepsels in de quantiteyt materie van een grof sand.</span>” Zij waren kleiner dan de bolletjes van het bloed, de vorm er van was rondachtig, -van onder spits toeloopende en met een langen dunnen staart voorzien, die circa 5 -à 6maal zoo lang was en omtrent 25maal dunner dan het lichaam. Zij bewogen zich door -eene slangsgewijze beweging van den staart. -</p> -<p>Tot bevestiging van de waarheid, dat zijne medegedeelde ontdekking reeds vóór het -jaartal (1678), waarin Hartsoeker beweerde dezelfde waarneming te hebben gedaan, was -geschied, voegt hij er nog aan toe: dat die in zijn schrijven gedateerd, Nov. 1677, -was opgenomen in de „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” n<sup>o</sup>. 142 zijnde van December 1677 en Januari en Februari 1678. -</p> -<p>Daar er omtrent den persoon van Ham, zijn waren naam en nationaliteit, zeer verkeerde -lezingen bestaan, acht ik het niet ongepast te dezer plaatse melding te maken van -bijzonderheden, die mij eerst onlangs zijn bekend geworden uit eene mededeeling in -1862 gedaan door Prof. H. I. Halbertsma<a class="noteRef" id="xd31e2033src" href="#xd31e2033">115</a> waaruit blijkt, dat niet Lodewijk Ham of Hamme, door sommigen voor een Duitscher, -een jong geneesheer uit Dantzig gehouden, maar Johan Ham van Arnhem de ontdekker der -spermatozoïden is. De belangrijkheid <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>dezer Nederlandsche ontdekking moge mij ter verschooning strekken voor de uitweiding -over zijn persoon. -</p> -<p>Tot de meening dat Ham een Duitscher zou geweest zijn heeft, volgens Prof. Halbertsma, -Haller<a class="noteRef" id="xd31e2040src" href="#xd31e2040">116</a> aanleiding gegeven, als hij zegt: „<span lang="la">Inventorem esse credo, Ludovicum Hamme (auctorem libri de herniis et de crocodilo) -juvenem germanum</span>”. -</p> -<p>Kurt Sprengel<a class="noteRef" id="xd31e2050src" href="#xd31e2050">117</a> neemt echter, in later tijd, deze meening van Haller reeds als eene uitgemaakte zaak -aan, waar hij zegt: „<span lang="de">Es war in August des Jahrs 1677, als ein junger Arzt aus Dantzig, Ludwig von Hammen, -die damals in Leiden studirte, den berühmter Anton von Leeuwenhoek zu Delft besuchte, -und diesen zuerst auf die Körperchen im männlichen Saamen aufmircksam machte, auch -sie ihm wirklich zeigte.</span>” -</p> -<p>Deze Ludwig von Hammen nu schijnt zich inderdaad in Leiden te hebben opgehouden, zoo -als blijkt uit eene plaats in zijne „<span lang="la">Dissertatio de Herniis</span>”, Ed. tertia L. B. 1681, opgedragen aan Prof. Drelincourt<span class="corr" id="xd31e2063" title="Bron: .">,</span> p. 61, waarin hij gewag maakt van eene waarneming, die hij in „<span lang="la">Leydensium Nosocomio</span>” heeft gemaakt en ook op pag. 76 van eene andere observatie spreekt, waargenomen -„<span lang="la">ni fallor, Lugduni ad Rhenam<span class="corr" title="Niet in bron">.</span></span>” -</p> -<p>Op het gezag nu van Haller en Kurt Sprengel hebben vele der nieuwere schrijvers dezen -Ludwig von Hammen uit Dantzig voor den ontdekker der spermatozoïden gehouden, zoo -als onder anderen in de „<span lang="de">Allgemeine Encyclopædie</span>” van Ersch en Gruber<a class="noteRef" id="xd31e2078src" href="#xd31e2078">118</a> en Kölliker<a class="noteRef" id="xd31e2103src" href="#xd31e2103">119</a> en Eckhard<a class="noteRef" id="xd31e2106src" href="#xd31e2106">120</a>. -<span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span></p> -<p>Ook Ehrenberg, Henle en Frey schijnen, volgens Prof. Halbertsma deze meening aan te -kleven, ofschoon zij over Ham niets meer weten te zeggen dan dat hij een Leidsch student -was. Prof. Halbertsma nu toont in bovengenoemde mededeeling het ongegronde van deze -meening aan en gelooft het bewijs te kunnen leveren, dat deze Ham de voornaam Johan -voerde en dat hij een Arnhemmer, dus een Hollander van geboorte was. -</p> -<p>Uit eene korte levensschets namelijk van dezen Johan Ham, in het werk van Muys<a class="noteRef" id="xd31e2113src" href="#xd31e2113">121</a> citeert Halbertsma de latijnsche zinsnede, aldaar voorkomende op p. 288, waarin de -ontdekking van Ham der spermatozoïden, in 1677 door hem aan Leeuwenhoek medegedeeld, -wordt vermeld en waaruit verder blijkt, dat hij doctor in de medicijnen was, de practijk -heeft uitgeoefend te Arnhem, dat hij secretaris van Legatie is geweest bij den keurvorst -van Brandenburg en later aan het hoofd van hetzelfde gezantschap heeft gestaan; dat -hij, teruggekeerd in het vaderland, Burgemeester is geworden van Arnhem en eindelijk -Gelderland bij de Staten-Generaal heeft vertegenwoordigd. Het blijkt hieruit dat Haller, -daar hij dezen schrijver Muys aanhaalt, bekend was met den levensloop van Johan Ham, -hoewel hij desniettemin <span class="ex">gelooft</span> dat hij een Duitscher was. -</p> -<p>Prof. Halbertsma heeft allen twijfel die nog mocht hebben blijven bestaan over de -juistheid van hetgeen Muys ons aangaande Ham mededeelt, opgeheven, door de nasporingen, -welke de heer Bakhuyzen van den Brink in ’s Rijks Archief en de Heer Nyhoff in het -provinciaal Archief van Gelderland, op zijn verzoek hebben in het werk gesteld. Uit -dit onderzoek blijkt, dat Ham niet Ludwig maar Johan en niet von Hammen, maar kortweg -Ham heette. -</p> -<p>Onder dien naam komt hij voor in zijn briefwisseling met hunne Hoog-Mogenden, te vinden -in ’s Rijks Archief en ook in de rekeningen der stad Arnhem. En ten overvloede vindt -men dat in den „<span lang="la">Catalogus inscriptionum</span>”, voorkomende in het Archief van den Senaat der Hoogeschool te Leiden, zijne inschrijving -als student op de volgende wijze staat: „1671 <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>Sept. 16. Johannes Ham, <span lang="la">Philosophiae studiosus ann. 20</span>, by Anneken Schepsel in de Nieuwstraat”. Het behoeft geen verwondering te baren, -dat Ham als student in de philosophie werd ingeschreven en later bij Leeuwenhoek voorkomt -als student in de medicijnen, daar de beoefening van verschillende vakken van wetenschap -niet zoo gescheiden was als thans. De Hoogleeraar Theodor Craanen, wiens neef onze -Ham was, was bijvoorbeeld ook Doctor in de philosophie en medicijnen en doceerde zelfs -deze beide vakken. Daar nu verder geen bijzonderheden meer omtrent den levensloop -van Ham kunnen medegedeeld worden en hij ook, volgens gedane nasporingen, noch te -Leiden, noch te Harderwijk gepromoveerd is, zoo behoort het niet tot de onmogelijkheden, -dat hij, na zijne studiën te Leiden te hebben volbracht, den graad van Doctor in het -buitenland, bij voorbeeld aan eene Duitsche Hoogeschool verkregen heeft, eene handeling -die niet zonder voorbeeld is. Ham is vermoedelijk in 1650 of 1651 geboren, blijkens -zijn inschrijving in September 1671 te Leiden als student, toen hij den leeftijd van -20 jaren bereikt had. Met minder juistheid nog is zijn sterfjaar op te geven, hoewel -met zekerheid is vast te stellen, dat hij in 1723 nog leefde, daar Ham toen, blijkens -de stads rekeningen van Arnhem, voor de derde maal als Burgemeester van Arnhem uit -de steden van het kwartier van Veluwe gecommitteerd werd ter vergadering van Hunne -Hoog-Mogenden. -</p> -<p>Na deze uitwijding over Johan Ham, keeren wij tot de zaak zelve terug. -</p> -<p>Op uitnoodiging der „<span lang="en">Royal Society</span>” zette Leeuwenhoek nu zijne waarnemingen over de spermatozoïden met ijver voort, -verzekerde zich van de aanwezigheid dezer lichaampjes bij den hond, de kat, het konijn, -den haan, en vele andere dieren en vond dat ze allen overeenkwamen met die, welke -hij reeds beschreven had. Ook in den walvisch was hij in de gelegenheid die te observeeren -en vond daarbij dat zij in dit groote dier geen grootere afmetingen bezaten, dan die -hij bij de kleine dieren waarnam. Bij den kikvorsch en in de hom van verschillende -visschen, die hij met hetzelfde doel onderzocht, vond hij ze in een verbazend groot -aantal. -<span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span></p> -<p>De observatie van Leeuwenhoek was in alle opzichten juist, maar, zoo als later bleek, -<span class="corr" id="xd31e2140" title="Bron: vergistte">vergiste</span> hij zich in de natuur der waargenomen lichaampjes, daar deze geen diertjes zijn, -maar veeleer als celachtige weefseldeeltjes moeten beschouwd worden. -</p> -<p>Deze waarneming van de spermatozoïden bij de mannelijke dieren deed hem eene theorie -der voortteeling bedenken, namelijk, dat van deze diertjes de grootste zich in de -baarmoeder voedden, daar tot wasdom geraakten en de vrucht of het foetus vormden. -Deze theorie, hoewel zij tegen de toen algemeen aangenomen zienswijze indruischte, -werd door velen aangenomen, zoo als onder anderen door Huygens, Boerhaave, Hartsoeker, -maar door niet weinigen betwijfeld en ontkend, waaronder Harveus, de Graaf, Kerkringius, -Nuck, Swammerdam en anderen. -</p> -<p>Intusschen was Leeuwenhoek met hart en ziel en uit volle overtuiging zijne theorie -der voortteeling toegedaan en verdedigde zijne stellingen met kracht tegen al wie -zich met hem daarover in het strijdperk durfde wagen, zoo als blijkt uit hetgeen hij -daarover schreef, toen Dr. Martin Lister zijne stellingen omtrent de voortteeling -uit een diertje van het mannelijk zaad in de „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” had bestreden<a class="noteRef" id="xd31e2149src" href="#xd31e2149">122</a>. „Ik moet” zegt hij<a class="noteRef" id="xd31e2158src" href="#xd31e2158">123</a>, „tot UE. Hoog Edele Heeren seggen dat de gemelde tegenwerpingen mijn gevoelen niet -een stip om soo te spreeken, doen veranderen.” -</p> -<p>François Aston schreef hem in Februari van het jaar 1683 over zijne theorie, „dat -deze zeer ingenieus was, maar dat zij veel tegenspraak in de wereld zou ondervinden.” -Leeuwenhoek antwoordde daarop, dat hij dit ook wel gedacht had: „<span lang="nl">Want de werelt is met een voor-oordeel omtrent het eyernest ingenomen maar</span>,” voegt hij er bij „<span lang="nl">ik heb al veel geleerde Heeren in ons land gevonden, die myne stellingen approberen.</span>”<a class="noteRef" id="xd31e2169src" href="#xd31e2169">124</a> Aan Leibnitz schreef hij<a class="noteRef" id="xd31e2172src" href="#xd31e2172">125</a>. „<span lang="nl">Seker seer verstandig Heer in onze stad, seyde tot my, Leeuwenhoek, gij hebt de waarheyt, -maar bij u <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>leven sal zy geen ingang vinden. Ende dus komt het my niet vreemt voor, dat ik in -myn leven wert tegengesproken.</span>” In zijne missive van 30 Maart 1683 aan dezen geleerde schrijft hij<a class="noteRef" id="xd31e2184src" href="#xd31e2184">126</a>: „<span lang="nl">Ik weet wel, dat myne stellinge omtrent de voorttelinge by eenige gants verworpen -werden, gelyk dan ook seker Autheur onlangs uitgegeven heeft een boekje, waarin den -selven op telt seventig Autheuren, die geschreven hebben dat alle de vruchten soo -van menschen als beesten uit een ey voortkomen</span>” .… „<span lang="nl">Maar laat nu onsen Autheur dit voegen by zyn 70 Autheuren, ja, laat hem (soo hy wil -en kan) met andere tot seventig maal seventig voor den dag komen, die alle het ovarium -ofte eyernest vast stellen, en seggen dat het mannelyk saat niet in de baarmoeder -werd gestort, ik segge dat sy altemaal gedwaalt hebben, en dat zy nog alle dwalen, -die seggen, dat menschen en dieren uit eyeren voortkomen ende dat geen mannelyk saad -in de baarmoeder komt, ja dat dit al van de onnoselste stellingen syn, die onder de -geneesmeesters in swang gaan.</span>” Men ziet het, Leeuwenhoek dorst zijn tegenstanders te woord staan en liet zich niet -gemakkelijk uit het veld slaan. Telkens als het pas gaf spreekt hij met groote minachting -van de „<span lang="nl">gewaande eyernesten</span>”, van „<span lang="nl">dat tuig, dat men eyeren noemt</span>.” Vooral was hij scherp tegen Bontekoe<a class="noteRef" id="xd31e2199src" href="#xd31e2199">127</a>, die zijne observaties omtrent de zaaddiertjes en de generatie in een belachelijk -daglicht had trachten te stellen. In een brief aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” van 30 Maart 1685<a class="noteRef" id="xd31e2206src" href="#xd31e2206">128</a> laat hij zich over deze handelwijze van Bontekoe aldus uit: -</p> -<p>„<span lang="nl">My is laatst ter hand gekomen een boekje, genaamt „Collectanea medico-physica”, alwaar, -Cent. 5 pag. 8, onder ander geseid werd: „Maar het allerverwonderenste is, dat ons -den geleerden Heer Cornelis Bontekoe verhaald uit den curieusen Leeuwenhoek, dat ’s -menschen sperma vol soude zyn van kleine <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>kinderkens, en soo voorts en andere dingen na yders aard.” Waarna hy laat volgen: -„’t Is waar dat de Heer Bontekoe my veel maal met geselschap is wesen besoeken, maar -ik heb nooit tegen hem, ofte tegen iemand ter wereld, die redenen gebruikt, dat ’s -menschen sperma vol is van kleine kinderkens, maar wel geseid, dat het vol is van -levendige dierkens of wormkens die lange staarten hebben”.… <span id="xd31e2216"></span>Ik moet dan klaagsgewijze zeggen, hoe dat men myne redenen niet alleen verdraait, -of die qualijk voort seid, maar zelfs die op het papier met den druk komt gemeen te -maken.</span>” -</p> -<p>Als een staaltje van de wijze waarop de waarnemingen van Leeuwenhoek zoowel van het -ontdekken der diertjes in het water, als in het sperma werden gecritiseerd diene het -volgende curieus versje, dat ik in een oud geschrift<a class="noteRef" id="xd31e2221src" href="#xd31e2221">129</a> vond. Daarin wordt op ironische wijze de bewering van Leeuwenhoek van het vinden -van levende diertjes in verschillende vochten enz. en dat hij wormen meende te zien, -waar anderen niet het minst daarvan konden bespeuren gehekeld, de schrijver is overtuigd -dat men over zijne waarnemingen hetzelfde oordeel kan vellen dat Dr. Becker in zijn -„<span lang="de">Närre Weisheit und weise Narheit</span>”, 1682, n<sup>o</sup>. 38 heeft aangevoerd: -</p> -<div lang="de" class="lgouter"> -<p class="line">„Die <span class="corr" id="xd31e2243" title="Bron: welt">Welt</span> still steht, -</p> -<p class="line">Und nicht umgeht, -</p> -<p class="line">Wie recht die Gelehrten meynen; -</p> -<p class="line">Ein jeder ist Seines Wurms vergewyzt, -</p> -<p class="line">Copernicus des Seines, -</p> -<p class="line">Und also Herr Lewenhoeck des Seinen”.</p> -</div> -<p class="first">Onder de scherpste tegenstanders van Leeuwenhoek, niet <span class="corr" id="xd31e2253" title="Bron: alalleen">alleen</span> bij zijn leven, maar zelfs na zijn dood, moet men zijn land- en tijdgenoot Hartsoeker -rekenen. Deze geleerde, wiens <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>scherpe critiek zelfs mannen als Bernard, Leibnitz, Newton en anderen niet spaarde, -had zich de moeite gegeven, om na den dood van Leeuwenhoek zijne brieven te onderzoeken. -Hartsoeker heeft dit onderzoek geplaatst achter zijn „<span lang="fr">Cours de Physique, accompagné d’un extrait critique des lettres de Mr. Leeuwenhoek</span>,” welk werk in 1730 bij Jan Swart te ’s Hage, na den dood van Hartsoeker, is in het -licht gegeven. -</p> -<p>Dit critisch onderzoek draagt het karakter van persoonlijken wrok en geringschatting, -waarvan de proeven schier op iedere bladzijde te vinden zijn. -</p> -<p>Een paar voorbeelden van de wijze, waarop Hartsoeker gewoon was in zijn „<span lang="fr">Extrait critique</span>” de waarnemingen van Leeuwenhoek te critiseeren, zullen voldoende zijn, om zijn scherpen -toon te leeren kennen. -</p> -<p>Van de brieven in het algemeen sprekende, zegt hij daarvan, dat zij geschreven zijn -„<span lang="fr">dans un stile bas et rampant</span>” hoewel hij niet nalaten kon te erkennen, dat zij „<span lang="fr">contiennent parmi quantité d’observations inutiles et <span class="corr" id="xd31e2274" title="Bron: chimeriques">chimériques</span>, quelques unes de très bonnes et qui servent à l’avancement des sciences.</span>” -</p> -<p>Hij spreekt verder met minachting van zijn persoon, en niet zonder jaloezie, wegens -de onderscheiding die hij van anderen ondervond: „<span lang="fr">Je n’ai jamais été surpris qu’un homme comme <span class="corr" id="xd31e2283" title="Bron: notre">nôtre</span> auteur, dont le genie étoit assurément au dessous du médiocre, ait parlé comme il -a fait des globules du sang, du lait etc.; mais mon étonnement a été bien grand de -voir que de célèbres médecins et professeurs en philosophie et en médecine, l’ont -cité avec <span class="corr" id="xd31e2286" title="Bron: élòge">éloge</span> sur sa belle découverte des pretenduës boules, et ont adopté <span class="corr" id="xd31e2292" title="Bron: sont">son</span> galimatias.</span>” -</p> -<p>Dat ook Leeuwenhoek zelf niet vriendschappelijk gezind was ten opzichte van Hartsoeker -kan blijken uit de volgende passage uit het genoemde „<span lang="fr">Extrait critique</span>”. „<span lang="fr">J’ai été trois fois chez lui. J’y fus la prémière fois avec un bourguemestre de Rotterdam et avec mon père vers la fin de l’année 1672, ou au commencement de -l’année 1673, dont il s’est fort bien souvenu comme on le verra dans la suite. J’y -fus la <span class="corr" id="xd31e2306" title="Bron: deuxiéme">deuxième</span> fois seul, vers la fin de l’année 1679 à mon retour de Paris. Cette visite, que je -lui rendis, moité dans la ruë et moitié a <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>l’entrée de sa maison, m’attira son disgrace et m’en fit un ennemis capital, à cause que je lui fis sur ses ridicules anatomies, -quelques objections aux quelles il ne pouvoit me répondre. Comment faites-vous, lui -disois je, pour disséquer, par exemple, une puce, et qui plus est, une mite, pour -tirer les testicules de leur corps, pour ouvrir ces testicules et en ôter la semence, -enfin pour voir que cette semence est remplie de petits animaux en forme de petites -anguilles fort longues et fort minces; de quels verres vous servez vous pour faire -cette anatomie? Si le verre est petit, vous n’avez pas assés de lumière, parce que vous le cachez à vous même; s’il est grand il ne grossit pas -assés. Mais de quels couteaux vous servez vous? Celui qui auroit le tranchant le plus fin -et le plus aigu écraseroit le vaisseau plutôt que de l’ouvrir .… et la dessus s’ennuiant -sans doute de mes objections, il me congédia assez brusquement, disant qu’il avoit -d’autres affaires.</span>” -</p> -<p>Zijn derde en laatste bezoek bracht hij aan Leeuwenhoek in 1697 of 1698. Hartsoeker -was toen in gezelschap van den Burgemeester van Delft, wien hij verzocht had zijn -naam niet te noemen. -</p> -<p>Leeuwenhoek had tot ontvangst zijner gasten alles in gereedheid gebracht, ten einde -hen eenige praeparaten te laten zien. De burgemeester niet aan dit verzoek van Hartsoeker -denkende, stelde hem aan Leeuwenhoek voor, waarop Leeuwenhoek, zoo zegt H., in zijn -<span lang="fr">Extrait critique</span>: „<span lang="fr">me regardant avec un air dédaigneux, et d’un oeil d’indignation et de mépris, serra -d’abord toute la boutique, sans vouloir nous faire voir la moindre chose, et peu s’en -fallut qu’il ne nous mit par les bras hors de sa maison.</span>” -</p> -<p>Aan het slot van de critiek zijner brieven gekomen, zegt Hartsoeker, in de beoordeeling -van zijn laatsten brief, vol van scherpte en persoonlijke antipathie: „<span lang="fr">Tout ce qu’il y dit a été dit et redit mille fois, de sorte que ce ne sont qu’autant -de parôles perduës; et pour ce qui est des figures qu’il a fait graver de ses observations, elles ne -signifient rien du tout, et ne representent que des traits confus</span>”. -</p> -<p>Blijkt nu uit al het aangevoerde, dat Leeuwenhoek, wegens <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>zijne ontdekkingen en vooral zijne „speculatiën” over de voortteeling, veel tegenspraak -ondervond en dikwijls aan hevige aanvallen blootstond, aan den anderen kant had hij -ook warme voorstanders onder de beroemdste en geleerdste mannen van zijn tijd. Hiervan -blijkt ons vooral uit eene correspondentie met Leibnitz, d.d. 28 September 1715<a class="noteRef" id="xd31e2354src" href="#xd31e2354">130</a>. Deze had hem namelijk geschreven, dat de geleerde Vallisnieri te Padua zijne stellingen -ontkende en dat hij (Leibnitz) weldra een werk dacht uit te geven over dit onderwerp, -waarin hij hem recht zou laten wedervaren. Leeuwenhoek <span class="corr" id="xd31e2360" title="Bron: antwoorde">antwoordde</span>: „<span lang="nl">Wij hebben in ons lant een spreekwoort, dat ééne bonte kraaij geen koude winter maakt, -is de Heer Vallisnieri tegen myne stellinge, daar syn der wel duyzent voor my.</span>” -</p> -<p>Van deze uitspraak van Leibnitz ten gunste van de stellingen van Leeuwenhoek, alsmede -van zijn groote verdiensten, blijkt ons nog nader uit eene verwijzing naar het boven -bedoelde geschrift, de „<span lang="la">Theodicae</span>” van Leibnitz, waarin hij werkelijk deze theorie van Leeuwenhoek verdedigt<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> -</p> -<p>In een door Prof. C. G. Ehrenberg in 1845 gehouden redevoering in de vergadering van -de Pruisische Akademie van Wetenschappen, ter herdenking van den geboortedag van Leibnitz<a class="noteRef" id="xd31e2375src" href="#xd31e2375">131</a>, wordt namelijk door genoemden geleerde met de hoogste achting over Leeuwenhoek gesproken, -als van iemand, op wiens oordeel als nauwkeurig, scherp waarnemer, Leibnitz zeer hoogen -prijs stelde. -</p> -<p>Na eene korte vermelding van de tusschen Leeuwenhoek en Leibnitz gevoerde correspondentie -in de jaren 1715 en 1716 (toen de laatste 60 en Leeuwenhoek reeds 84 jaren oud was), -voornamelijk bevattende de gevoelens van den laatsten, in antwoord op door Leibnitz -aan zijn oordeel onderworpen vragen, <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>omtrent de physiologische beteekenis der <span class="corr" id="xd31e2386" title="Bron: spermatozoiden">spermatozoïden</span>, zegt Ehrenberg, dat Leibnitz getuigde: „dat hij de meeningen van Leeuwenhoek over -dit vraagstuk voor zeer waarschijnlijk hield en die ook in zijn Theodicae<a class="noteRef" id="xd31e2389src" href="#xd31e2389">132</a> had uitgesproken.” -</p> -<p>Ehrenberg zelf noemt in genoemde redevoering Leeuwenhoek’s ontdekkingen der infusoriën -in het water en der <span class="corr" id="xd31e2394" title="Bron: spermatozoiden">spermatozoïden</span> in het mannelijk sperma, „twee der schitterendste en onvergankelijkste ontwikkelingsmomenten -der menschelijke kennis.” Ehrenberg zegt aldaar verder van Leeuwenhoek, dat hij niet, -zoo als Haller in zijne beroemde physiologie aangeeft, een voormalig brillenslijper -te Delft was geweest, „maar een onafhankelijk, zonder strenge school gevormden, maar -door Boerhaave en Huygens, zijn hoogstverdienstelijke landslieden, persoonlijk geachten, -met vele beroemde mannen van zijn tijd en ook met Leibnitz in schriftelijke verbintenis -staanden man, de onafhankelijke zoon van een welvarende brouwersfamilie te Delft, -wiens wetenschappelijke trouw, vlijt en geniale ontdekkingen alle erkentenis en eer -verdienen.” -</p> -<p>Leeuwenhoek werd door Leibnitz nog in zijn, na zijn dood uitgekomen „Protogeae”, in -het bijzonder met de volgende woorden, welke als antwoord en dankbetuiging moesten -strekken voor den laatsten aan hem gezonden brief, herdacht: -</p> -<p>„<span lang="la">Et velim microscopia ad inquisitionem adhiberi, quibus tantum praestitit sagax Leeuwenhoekii -Philosophi Delphensis diligentia, ut saepe indigner humanae ignaviae, quae aperire -oculos et in paratam scientiae possessionem ingredi non dignatur. Nam si saperemus -jam passim ille imitatores haberet</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span><a class="noteRef" id="xd31e2404src" href="#xd31e2404">133</a>. -</p> -<p>Omtrent het gunstig oordeel van Boerhaave over de stellingen van Leeuwenhoek, zegt -hij in een zijner brieven: „<span lang="nl">de Heer Boerhaave in syn oratie, verwerpt onder andere de stellinge <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>van verscheyde Heeren omtrent de voortteelinge, en seyt dat de myne in Italiën, Duytslant, -Engelant, ende Vrankryk, werden aangenomen.</span>” -</p> -<p>Leeuwenhoek achtte het vooral noodig de bedenkingen, die bij de leden der „<span lang="en">Royal Society</span>” tegen het groot aantal diertjes door hem in het sperma waargenomen, gerezen waren, -te wederleggen. Hij deed dit in een brief aan Nehemiah Grew, d.d. 25 April 1699<a class="noteRef" id="xd31e2419src" href="#xd31e2419">134</a> en zegt daarin het volgende: „<span lang="nl">en alhoewel in myn selven versekert dat dese myne verhaalde observatiën by weynige -menschen sullen aangenomen worden, nademaal het onmogelyk is, sulken grooten getal -van levende schepsels in soo een quantiteit materie te bevatten, soo wil ik alle de -geenen die het selvige verwerpen, het haar ten goede afnemen, te meer, omdat wanneer -ik van het groot getal van levende schepsels in ’t water schreef, by de Koninglyke -Societeyt selfs niet konde aangenomen werden. Maar daar ik myne calculatie en eenigsints -myn methode van doen beschreef, soo heeft UEd. confrater de Heer Robert Hooke het -getal noch vergroot ende my geschreven, dat zyn Koninglyke Majesteit sulks gehoort -hebbende, begeerig was om hetselvige te sien, ende dat hy hem beliefde, en de dierkens -siende, met verwondering deselve aanschouwde, ende met groot respect van myn naam -sprak. Want soo waaragtig, als ik van de dierkens in het water heb geschreven, soo -waaragtig schrijf ik van de dierkens in ’t mannelijk zaad van menschen, beesten, vogelen -ende visschen, en het sal my genoeg zyn, soo ik maar credit by UEd. en de geleerde -Heeren Philosophen vinde, waaraan ik ook niet en twijffele.</span>” -</p> -<p>Leeuwenhoek was echter, bij al zijn vasthouden aan hetgeen hij voor waarheid hield, -volstrekt niet onvatbaar voor overtuiging, zoo als sommige schrijvers wel eens hebben -gezegd. Dit kan, onder meer andere betuigingen van hem in zijne brieven, blijken uit -zijne volgende verklaring in een brief aan George Garden<a class="noteRef" id="xd31e2427src" href="#xd31e2427">135</a> „<span lang="nl">myn voornemen is niet hartnekkig by myn stellinge <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>te blijven, maar zoo ras, als men my waarschynlyke redenen te gemoet voert, daar van -ik een bevattinge kan krygen, dat ik de myne sal verlaten, en tot een ander overgaan, -te meer, omdat doorgaans myne tragtingen tot geen ander eynde strekken, als omme waarheyt, -soo veel in myn vermogen is, voor de oogen te stellen, die te omhelsen, ende myn kleyn -talent, dat ik ontfangen heb, te besteden, om de werelt, van haar Out-Heydens bygeloof -af te trekken, ende tot de waarheyt over te gaan, ende die aan te kleven.</span>” En elders<a class="noteRef" id="xd31e2435src" href="#xd31e2435">136</a> „<span lang="nl">Ik weet wel, dat in myne stellinge die ik kome te maken, niet alle over een komen, -maar tegen den anderen strijdende saaken daar onder gevonden werden, soo sal ik al -weder seggen, dat myn doen is, niet langer myn gevoelen staande te houden, tot der -tyd en wyle ik beter onderrigt werde of dat myne aanmerkingen my tot andere gedagten -doen over gaan en ik sal my noyt schame van dit myn doen af te wyken.</span>” Dat is de taal van een eerlijk, eenvoudig, oprecht gemoed, en onwillekeurig worden -wij met eerbied vervuld voor den man, die pal stond tegen onwaardige verguizing en -bespotting, maar vatbaar was voor overtuiging. Hoe meer men de brieven van Leeuwenhoek -doorleest, hoe meer men versterkt wordt in deze gunstige opinie omtrent hem, die wel -niet vrij was van gebreken, gedeeltelijk ook toe te schrijven aan zijne beperkte ontwikkeling, -maar die overigens edel van hart en eenvoudig van zin was en daarvan talrijke bewijzen -gaf.— -</p> -<p>Bij het doorlezen zijner brieven treft ons zijn onbevangenheid van oordeel, zijn oorspronkelijkheid -in het verklaren en beoordeelen van feiten door hem waargenomen, en zijn helder inzicht -in vele zaken, waardoor hij bleek een zelfstandig denker te zijn, die weinig behebt -was met de vooroordeelen van zijn tijd, deze, waar hij kon, bestreed en zich alzoo -in de eeuw waarin hij leefde, als een man van vooruitgang deed kennen. -</p> -<p>Vooral werd de lichtgeloovigheid der groote menigte scherp door hem bestreden; dit -bleek <span class="corr" id="xd31e2444" title="Bron: a. o.">o. a.</span> als hij in de gelegenheid <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>was te waarschuwen tegen vreemde geneesheeren en het gelooven in hunne hoogdravende -aankondigingen van zoogenaamde onfeilbare middelen tegen allerlei kwalen. Hij doet -dit met ernst en overtuiging en wij zien daarin het bewijs, dat Leeuwenhoek reeds -twee eeuwen geleden wijzer was dan zoo velen van onzen tijd. „<span lang="nl">Het is te beklagen</span>” zegt <span class="corr" id="xd31e2452" title="Bron: hy">hij</span><a class="noteRef" id="xd31e2454src" href="#xd31e2454">137</a> „<span lang="nl">dat veele menschen in ons lant soo ligt-geloovig zyn, want laat maar een vreemde geneesheer -in ons lant komen, die sig selven beroemt van groote cure gedaan te hebben, gelyk -ze gemeenlyk doen, en haar roemen met veel leugens weten op te pronken. Dit pochen -en snorken vint veeltyds niet alleen ingang by den gemeenen man, maar het gaat ook -over tot luyden, waarvan men een beter oordeel verwagte; en als men deze vreemde opsnuyvers -omtrent saken, die ze behoorde te weten, komt aan te spreken, bevind men haar slegte -knegten te zijn. Eenigen tijd geleden en is in ons land gekomen, een grooten, botten -opgever en leugenaar, zynde een Hoogduytser, die sig beroemde, door syn poeder „Sympatie”, -alle gebreken die men hem kwam te noemen, te sullen genesen. Dezen pofhans die bragt -men uyt een nabygelegen stad, met een karos aan myn huis, opdat ik soo een wonderlyke -geneeser soude aanschouwen; dese syne geneesinge bestond alleen door syn poeder Sympatie -te gebruyken op de urine van de lyder. Nadat ik de opsnorkinge van geneesinge in ’t -breede soo lang hadde aangehoort, dat het my verveelde, versogt ik de vryheid te mogen -hebben, om myne gedagten soo als ze by my lagen, te uytten, dat my wierd toegestaan, -waarop ik, sonder veel omwegen, op het eerste seyde, dat wy Hollanders sulks niet -en sullen gelooven, enz. en op het tweede dat ik het agte een onmogelijkheid, en dat -alle, die sulke taal voeren, door my voor desen was geseyt, en nog staande gehouden -wierd, dat het maar bedriegers syn; in ’t kort, hy verhaalde soo vele geneesinge en -door sulke wegen, die geen de minste schyn van waarheden konnen hebben, en die by -alle verstandige verworpelyk syn. Ja soodanig, dat ik my schaamde over syn onnoselheid, -en gelyk ik voorseyd hadde, dat ze alle sullen <span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>bedrogen werden, die met hem aanslaan, gelyk gevolg sulks geleerd heeft, want hy is -met schande vertrokken”.… „Is ’t niet miserabel</span>”, zegt <span class="corr" id="xd31e2463" title="Bron: hy">hij</span> iets verder, „<span lang="nl">dat onse natie haar aan sulke menschen overgeven, daar ze ten genoege konnen gedient -werden van oude ervaren geneesmeesters, onze inboorlingen en die door de bank meer -begaaftheden bezitten, als de vreemde die we behaamt hebben” .… „Ons leert de ondervindinge -hoe onervarender in konsten en wetenschappen, voornamentlijk in de genees- en heelkunde, -hoe grooter roemers.” Ten slotte betuigt hy het zyn roeping te achten tegen al dergelyke -dwaling te stryden en te waarschuwen: „dese opmerkinge komende van iemant die de waarheden -omhelst en de werelt, soo veel als in syn gering vermogen is, van de dwalinge ende -het vooroordeel, die niet als te veel nog in swang gaan, af te leyden.</span>” -</p> -<p>Het blijkt dat Leeuwenhoek’s helder oordeel en zijn kennis van vele zaken door zijne -stadgenooten en ook elders langzamerhand algemeen bekend was geworden en men hem over -allerlei aangelegenheden kwam raadplegen. Zoo werd hij niet zelden door geneesheeren -geraadpleegd over verschillende verrichtingen in het menschelijk lichaam en trachtte -hij meermalen hunne in zijn oog verkeerde denkbeelden, door bewijzen te wederleggen, -waarbij hij zich niet altijd van zekere bijtende scherpte onthouden kon, want hij -was een man, die zonder aanzien des persoons zijn gevoelen rond weg uitsprak en wien, -zoo als men zegt, het hart op de tong lag. Niet zelden geraakte hij dan ook met hen -aan het discuteeren en veroordeelde met scherpte hunne verkeerde zienswijzen. Men -oordeele over de volgende staaltjes<a class="noteRef" id="xd31e2471src" href="#xd31e2471">138</a>. „<span lang="nl">Weynige dagen geleden, kome ik by eene vrouwe, die eenige kleyne uytsypelinge van -vogtigheden, beneden aan het been hadde”.… „Om nu het verhaalde ongemak te genezen, -hadde seker geneesheer alle syne bedenkelyke middelen in ’t werk gestelt dog alles -te vergeefs en tusschen beyde verscheyde purgeerende medicamenten ingegeven, onder -anderen had ze een dag à twee daar te vooren een kleyn poeyertje ingenomen, waarvan -ze wel agt afgangen hadde gehad. De geneesmeester sulks <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>geseyt werdende, bekende dat het te veel ware, en dat drie afgange genoeg hadde geweest”.… -„De lydster is van geen starkte en daar by mager en gelijk wel 25 andere geneesmeesters, -haar souden aanraden het matelyk theedrinken, soo verbied sulks haar genees-meester. -Dese mishandeling van stark purgeren en hoorende dat haar ligchaam met roode puysten -was uytgeslagen geweest, dede my uytbarsten met een hevigheid te seggen, soo een swak -ligchaam soo een poeyer in te geven, sulken werkinge te veroorsaken is eer een moortmiddel, -dan een geneesmiddel. Naderhand versta ik, dat het poeyertje, dat de afgange hadde -veroorsaakt, omtrent een aas zwaarte heeft gewogen, dat geen tienduysenste gedeelte -van een pont is. Als nu soo een kleyne quantiteit stoffe, sulke beweginge in maag -en darmen kan te weeg brengen, mogen wy niet met regt soodanige stoffe een „Moortpoeder” -noemen</span>”? -</p> -<p>Nog verhaalt hij<a class="noteRef" id="xd31e2481src" href="#xd31e2481">139</a> dat zeker Doctor in de medicynen hem een papiertje vertoonde, waarin eenige kleine -deeltjes waren, door zekere jufvrouw in haar urine geloosd, met verzoek die te examineeren. -Hij beschouwde deze voorwerpen door zijn microscoop en bemerkte al dadelijk, dat het -zaadjes uit de aalbes waren. De geneesheer, die hij dit mededeelde, wist daar geen -verklaring van te geven, en scheen niet ongenegen om de zaak voor mogelijk te achten, -doch Leeuwenhoek bewees duidelijk, dat zulke zaadjes onmogelijk door de maag en ingewanden -in de blaas konden geraken, maar was van gevoelen, dat eerder een der dienstboden -die zaden in den waterpot zou geworpen hebben,<span class="corr" id="xd31e2484" title="Bron: ” "> „</span><span lang="nl">om door sulk doen, haar juffrouw te meerder kon beklaagt werden.</span>” „<span lang="nl">Wij vinden menschen</span>,” vervolgt <span class="corr" id="xd31e2492" title="Bron: hy">hij</span>, „<span lang="nl">die de naam wel willen dragen van doorgaans siekelyk te syn, omdat men haar beklagen -en medelyden souden hebben.</span>” -</p> -<p>Van wege de „<span lang="en">Royal Society</span>” werd hem het onderzoek van haren opgedragen, die zeker geneesheer uit Pleymouth, -Yonge genaamd, aan dat collegie had toegezonden, met mededeeling dat deze haren, volgens -zeggen, door eene vrouw in hare <span class="corr" id="xd31e2503" title="Bron: urien">urine</span> geloosd waren. Hij voldeed aan die opdracht en ontdekte dat <span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>het niets anders was dan schapenwol, zoodat hier bedrog in het spel was<span id="xd31e2508"></span><a class="noteRef" id="xd31e2509src" href="#xd31e2509">140</a>. -</p> -<p>Leeuwenhoek verhaalt in dienzelfden brief nog een ander geval, waarin hij verzocht -werd een steen te onderzoeken, die door zekere vrouw zou geloost zijn en waarvan hij -het bedrog onmiddellijk aantoonde. „<span lang="nl">Een seker vrouwspersoon</span>,” zoo verhaalt hij, „<span lang="nl">maakte de onnosele menschen wys, dat zy verscheyde steenen, door ordinaire waterloosinge, -met smert quyt wierde. Dit geloofde ook in die tijd seker geneesmeester, en ook eenige -kerkelyke personen, soo dat vele medelyden met haar hadde, en groote opschuddinge -in de stad maakte. Seker geneesheer (dien hij echter niet noemt waarschynlijk om de -lichtgeloovige te sparen) gaf my soodanigen steen in de hand, om die te examineren. -Maar ik gaf hem aanstonts over, nadat ik alvooren met myn sleutel op deselvige hadden -geslagen, en daardoor met het bloote oog gesien, dat het een stuk van een gebakke -vloersteen was. En sulks wierd ook by eenige Hooge-leeraars, die deselvige ten proeve -hadden gestelt, bevestigt, en sedert dat deze valsheyt ontdekt was, heb ik niet gehoort, -dat sy meer veynsde steenen quyt te worden.</span>” -</p> -<p>Overigens was zijn oordeel over geneeskundigen en het gebruiken van geneesmiddelen -alles behalve gunstig. Hij was te zeer gewoon geraakt om de verrichtingen in het dierlijk -lichaam nategaan en zal daar zeker veel over gelezen hebben, zoodat hij zich over -de werking der geneesmiddelen een eigen oordeel en verklaring gevormd had, en vooral -over de verandering, die het bloed door vermenging met zekere zouten onder het microscoop -ondervond. Hij meende dan ook, dat het op gelijke wijze inwendig een dergelijken invloed -zou ondervinden; vandaar dat hij vele ongesteldheden toeschreef aan den te dikken -toestand van het bloed, zoodat het te traag door de nauwe capillaire buisjes vloeide. -Hij meende dat veel drinken deze dikke bloedmassa weder zou verdunnen en paste deze -theorie dan ook getrouwelijk op zijn eigen lichaam toe; zoo was zijn gewoonte<a class="noteRef" id="xd31e2525src" href="#xd31e2525">141</a> <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>als hij des avonds wat overvloedig gesoupeerd had, den anderen morgen meer dan gewoonlijk -koffie te gebruiken en wel zoo heet en schielijk mogelijk, ten einde zweeten te bevorderen, -„<span lang="nl">en soo door sulk doen</span>” zegt hij, „<span lang="nl">mijn lighaam niet kan herstelt worden, een gantschen Apoteecq, beeld ik my in, sal -soo veel tot herstelling van myn lighaam niet konnen uytleveren, en dit is ook het -eenigste middel, die ik sedert veel jaren hebbe in ’t werk gestelt, als ik een koorts -gewaar werd, alleen met dat onderscheyd, dat ik my ook door thé-drinken soo doe sweeten.</span>” Na eene lange redeneering over de gevolgen van het te dik zijn van het bloed, de -vertraging der circulatie en het ontstaan hierdoor van allerlei ongesteldheden, besluit -hij met de volgende, gansch niet malsche tirade, waarbij ook de Apotheker zijn deel -krijgt:.… „<span lang="nl">Dit soo synde, is het te beklagen, dat de geneeskunde geoeffent werd van soo veele, -by de welke geen goet oordeel is, want wat Apoteeker, wat Chirurgyn isser, die sig -niet onderwint in geringe voorvallen, purgeerende saaken in te geven, en dit is by -veele het eenigste dat sy verrigten konnen, waardoor ze veele haar eynde komen te -verhaasten, want de meeste hebben gants geen kennis van het maaksel van ons lighaam, -veel min dat ze de bequaamheid hebben, om de sieke wel te ondervragen, en dan te overwegen -waaruyt de ongemakken syn voortkomende. Het werd by eenige geoordeelt datter geneesmeesters -gevonden worden, die maar om welstaans wille en als niet te vergeefs by de sieken -te komen, het eene ofte het andere ordonneeren, en ten anderen, omdat ze de medicamenten -souden leveren, of ook wel om de Apoteeker gelt in de beurs te jagen</span>”.… Zelf had hij dan ook weinig vertrouwen in de geneesheeren en was er niet toe te -brengen, bij voorkomende ongesteldheid, geneesmiddelen te gebruiken. „<span lang="nl">Wat my belangt</span>,” zegt hy, „<span lang="nl">wij sullen wel wagt houden, dat soodanige moort-poeders<a class="noteRef" id="xd31e2547src" href="#xd31e2547">142</a> uyt ons lighaam blyven, en ook wel wagten voor alle geneesmeesters, die diergelyke -lighaam schade <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>toebrengende, sulke saaken in ’t werk stellen. Want soodanigen medicament berooft -het lighaam van de dunne stoffe, die de menigvuldige vaatgens, leggende in de holligheden -van de darmen, uyt de chyl soude overgenomen, ons bloet en andere sappen verdunt, -en voedsel toegebracht hebben. Ook blykt klaar, dat meest alle de geene die heden -door purgeren verscheyde afgangen hebben gehad, des anderen daags hardlyvig sullen -syn, welke hardlyvigheid alleen veroorsaakt werd, beeld ik my in, omdat het lighaam -des daags te vooren, door het ontydig wegstooten van de chyl, gebrek aan genoegsamen -vogt geleden heeft, nu alle de vogt uyt hetgeene men genuttigt heeft, soodanig uit -het lighaam heeft overgenomen, dat de excrementen hard syn.</span>” -</p> -<p>Ook had hij dikwijls langdurige gesprekken met geneeskundigen over de voeding en de -verteering der spijzen, over de circulatie van het bloed door het ligchaam en over -de bestrijding van de toen heerschende meening, dat het bloed, door de lucht die in -de longen door het inademen komt, in een gistenden toestand geraakt. Hierover laat -hij zich aldus uit<a class="noteRef" id="xd31e2558src" href="#xd31e2558">143</a>: „<span lang="nl">Ik heb sedert eenige jaren tegen verscheyde doctoren tragten staande te houden, dat -’er geen fermentatie in het bloed is, en onder anderen ook op wat manier ik my imagineerde, -dat het bloed door het lighaam wierd voortgestooten, hoe hert en pols in een koortsige -stark slaande, egter de circulatie van het bloet (meest) langsamer is; hoe onse vlees -draatjens, schoon er geen bloedvaatjens door loopen, egter van het arteriaal bloed -gevoed werden; hoe de spys in de maag en darmen verbryselt werd. Onder de doctoren -was er een die my meenigmaal quam besoeken; dese verhaalde in presentie van andere -Heeren, dat hy een groot gevallen had gehad in myne stellinge; dat hy laatst van my -vertrekkende met nog een doctor, die in ’t geselschap was, den gantschen nagt, over -myne redenen, die ik gewisselt had, hadde gephilosopheert; dat hy daarover soude schryven, -maar my de eer soude geven, alsoo hy met een ander zyn gedagten niet wilde pronken.</span>” -</p> -<p>Leeuwenhoek had echter ook zonderlinge denkbeelden over <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>sommige zaken; zoo schreef hij de oorzaak, waarom bij voorbeeld azijn en andere zuren -een zuren smaak bezaten, daaraan toe, dat de aan beide zijden scherp toeloopende kristalletjes, -die hij onder het microscoop waarnam, als hij azijn op een glaasje van zelf liet verdampen -en die hij „<span lang="nl">het zout van den edik</span>” (azijn) noemde, met deze scherpe of nijpende deelen op den tong prikken en het gevoel -veroorzaken, dat wij zuur noemen! Eveneens schrijft hij het gevoel van hitte of branden -van de peper op de tong toe, aan de scherpe naaldvormige kristallen, die hij door -aftrekken van peper in water onder het microscoop bekwam en die hij de „<span lang="nl">soutdeelen der peper</span>” noemde; deze deelen nu zouden dan met hun scherpe deelen zoodanig op de tong of -in den mond steken, of kwetsen, dat men daardoor de bekende heete of brandende smaak -ondervond. Zoo ook schreef hij de vergiftige werking der kwikzouten daaraan toe, dat -de puntige scherpe uiteinden der microscopische kristalletjes, de darmwanden en bloedvaten -verwondden en daardoor dikwijls de dood veroorzaakt werd! -</p> -<p>De zoete smaak werd volgens Leeuwenhoek veroorzaakt, doordat de deelen van de suiker, -hoewel uit scherpe punten of hoeken bestaande, in het vocht van den mond de scherpte -verliezen en eene zoo zachte buigzame gedaante aannemen, dat, wat zij op de tong ontmoeten, -daarvoor buigen moet waardoor deze zoo aangenaam daar zijn, dat zij ons den smaak -van zoet doen gevoelen<a class="noteRef" id="xd31e2576src" href="#xd31e2576">144</a>.— -</p> -<p>Vragen van allerlei aard werden dikwijls aan zijn oordeel onderworpen en men ging -zelfs zoo ver, dat men aan hem de kennis over verborgen zaken toeschreef, oordeelende -dat de ontdekkingen, die hij bekend maakte, tot de onmogelijkheden behoorden en alleen -met behulp van geheime kunsten konden bewerkt worden. „<span lang="nl">Ik weet wel</span>,” zoo zegt hij in een brief aan zijn neef Dr. Abraham van Bleyswyk<a class="noteRef" id="xd31e2584src" href="#xd31e2584">145</a>, <span class="corr" id="xd31e2587" title="Niet in bron">„</span><span lang="nl">dat dit mijn schrijven bij eenigen niet zal aangenomen werden, als oordeelende dat -de geseyde ontdekkingen onmogelijk zijn te weeg te brengen; <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>maar ik trek mij zoodanig tegenspreken niet aan. Men seyt tegenwoordig by de onverstandige -nog van my, dat ik een tovenaar ben; ende dat ik de menschen vertoon dat ’er niet -en is, dog het is haar te vergeven, zy weten niet beter.</span>” -</p> -<p>Allerlei onderzoekingen werden hem opgedragen, door aanzienlijke stadgenooten, geleerden, -corporatiën en handelaars. Ieder stelde prijs op zijn ervaring en doorzicht en hij -was er de man niet naar om een onderzoek, dat hem was opgedragen, niet met ernst te -ondernemen, of te rusten, voor dat hij een bevredigend resultaat van de hem voorgestelde -onderzoekingen kon geven. De Royal Society noodigde hem onder anderen in 1680 uit -om zijne proeven, over de werking van sommige scheikundige praeparaten, waarover hij -reeds vroeger zijne bevinding had medegedeeld, voort te zetten. Zij voegde er bij -„<span lang="nl">dat zijne speculatiën over dit onderwerp ten hoogste waardig waren om verder te worden -vervolgd ter ontdekking der verborgen werking der geneesmiddelen in het menschelijk -lichaam.</span>” Zij bevalen hem dit onderzoek aan met hartelijke toewensching van een goed succes<a class="noteRef" id="xd31e2598src" href="#xd31e2598">146</a>. -</p> -<p>Leeuwenhoek bleef niet in gebreke aan die vereerende opdracht te voldoen. Dit onderzoek -bepaalde zich bij de waarneming met het microscoop van de verandering die de bloedlichaampjes -ondervonden, als zij met sommige stoffen, vooral sal volatile oleosum werden vermengd. -Hij zag dan bij dit laatste dat het bloed dadelijk eene veel lichter roode kleur verkreeg, -terwijl hij waarnam dat de bloedlichaampjes binnen een kwart minuut verdwenen waren. -Deze kleursverandering en oplossende werking moet aan de ammonia worden toegeschreven, -waaruit dit praeparaat hoofdzakelijk bestaat, zijnde een mengsel van <span lang="la">ammonia liquida</span>, met barnsteen-, muscaatnoot-, anijs-, en kaneel-olie. -</p> -<p>Paulus Hermanus, Hoogleeraar in de Kruidkunde te Leiden, stelde zijn groot cabinet -van zaden voor hem open, daar hij Leeuwenhoek’s belangrijke waarnemingen omtrent de -structuur van het hout en andere merkwaardige onderzoekingen betrekkelijk de planten-physiologie -waardeerde en persoonlijk met hem bekend was. Hij noodigde Leeuwenhoek uit de zaden, -die hem behaagden, <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>ter onderzoeking er uit te nemen. Onder meer andere viel zijn aandacht op het „Carpok-zaad”, -hetwelk hij beschrijft<a class="noteRef" id="xd31e2610src" href="#xd31e2610">147</a> als de zaaddragende vrucht van <span lang="la">Panjala sive Arbor lanigera Bontii</span>, in den „Hortus Malab.” T. III pag. 59. Wij maken hier alzoo kennis met dezelfde -stof, welke wij als kapok kennen<a class="noteRef" id="xd31e2616src" href="#xd31e2616">148</a>. -</p> -<p>In het jaar 1685 werd door Constantijn Huygens zijn oordeel gevraagd over de mogelijkheid, -dat boomen, omgekeerd in de aarde geplant, wortelen, en de takken en bladeren in den -grond tot wortelen zouden kunnen groeien<a class="noteRef" id="xd31e2633src" href="#xd31e2633">149</a>. De bewoordingen van dien brief van den beroemden Huygens zijn zoo vleiend voor Leeuwenhoek -en getuigen zoo zeer van de hooge achting, die Huygens voor hem koesterde, dat ik -mij niet kan onthouden deze hier in te voegen. -</p> -<blockquote lang="nl"> -<p class="first dateline">Hage den 17 December 1685. -</p> -<p class="salute">Monsieur Leeuwenhoek, -</p> -<p><span id="xd31e2642"></span>Ik en werde nooyt moede UE. onvermoeyde neerstigheyt te pryzen, in ’t ondersoek van -geheymenissen die weynig van onse voor-ouderen in gedachten syn gekomen, en veele -van onse nakomelingen tot een licht en spoor sullen strekken, om dieper en dieper -waarheden op te delven. UE. is daartoe tegenwoordig op een fraay pad, daar van niet -ligt en behoort te scheyden; soo groot is ’t gevolg van aller dingen eerste begintselen, -soo UE. meer en meer staat gewaar te werden. -</p> -<p>Ik weet niet of gy ooyt kennisse hebt gehadt van het planten van boomen averegtsom, -soo dat de wortelen in de lucht tot takken uytgroeyen. Verstaat Lindenboomen. Tot -nog toe en hebben ’t myn hovenieren niet te wege konnen brengen. Maar myn autheur -is al te aansienlyk om my daer aan te laten twyfelen. <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>Dat was voor eenige jaren den Heer <span class="corr" id="xd31e2648" title="Bron: Churfust">Churfurst</span> van Brandenburg hier synde met syn tweede Churfurstinne, die my beyde in vollen ernst -confirmeerden, menigte van experimenten van sulke wortel-boomen onder haar gebied -te hebben, uytstekende in groote wijdte, boven het gewoonlyk gewas. Myn zoon van Zeelhem<a class="noteRef" id="xd31e2651src" href="#xd31e2651">150</a> sedert met syn Hoogheyt in die landen geweest, verklaart er sig mede getuyge af. -</p> -<p>UE. discoursen van ’t gewas van de boomen en kruyden hebben my dit weder in gedenken -gebragt. UE. kan der op speculeren en bedenken hoe het overeen kan gebragt werden, -met hetgeene UE. ondervind in de maximen van de nature u soo verre bekent. Ik blijve -</p> -<p class="salute">Uw altoos dienstwillige vriend en dienaar, -<br>C. Huygens, V. Z.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Leeuwenhoek oordeelde dat dit zeer wel kon, als de klapvliezen (schuinloopende streepen) -in de groote vaten zoo ver konden gebracht worden, dat zij door het opgestooten vocht, -averechtsom gedrukt werden, en dat hij dit reeds twintig jaar geleden bij een wijngaard -had opgemerkt, waarvan hij eene jonge plant in het midden dwars doorsneed en den een -onderst boven naast den anderen in den grond plantte, en nadat deze wijngaart twee -a drie jaren gestaan had, kon hij geen onderscheid aan beiden zien en droegen beiden -goede vruchten. Ook liet hij nu in zijn tuin twee jonge lindeboomen planten, de een -op de gewone wijs en de andere met de wortels naar boven, welke laatste, hoewel aanvankelijk -trager in het groeien, zich toch later goed ontwikkelde en wortelde. -</p> -<p>In 1690 onderzocht hij de zoo schadelijke insecten, die hunne eieren in het koren -leggen en zoo doen ontstaan wat men gewoonlijk de klander noemt. -</p> -<p>Het wormpje door de korenkopers en bakkers „wolf” genoemd, beschrijft hij uitvoerig, -gaat zijn metamorphose na, totdat het als een vliegend motje uit het omwindsel van -de pop te voorschijn komt. Hij had opgemerkt dat eenige dezer motjes, die <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>hij in een glazen buis had gesloten waarin hij de damp van brandende zwavel had laten -komen, daardoor stierven. Aanstonds was zijn practische geest gereed dit verschijnsel -in het groot toe te passen op het verdrijven van deze plaag van de graanzolders. Uit -de grootte van het buisje dat hij gebezigd had en de hoeveelheid zwavel door hem gebruikt, -maakte hij eene berekening hoeveel zwavel er noodig zou zijn, om een korenzolder te -zuiveren en vond dat daartoe een pond zwavel voldoende was, als men dit in twee a -drie potten op den zolder geplaatst liet verbranden, waarbij dan alle openingen goed -gesloten moesten worden; deze zwaveling moest men doen zoodra de motten bespeurd worden -en vóór dat zij in de gelegenheid waren eieren te leggen, en deze bewerking eenige -dagen achter elkander volhouden<a class="noteRef" id="xd31e2666src" href="#xd31e2666">151</a>. -</p> -<p>Deze zelfde zuiveringsmethode paste hij ook toe, naar aanleiding van een verzoek van -Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, om maatregelen te beramen tegen den worm -in de muscaatnoot. Hij was van oordeel, dat, wanneer de zolders, waar de nooten bewaard -werden, alle maanden goed werden gezwaveld, de levende insecten, die uit de wormen -kwamen, zouden gedood en dus het verder doorknagen der nooten zou voorkomen worden. -Ook achtte hij het zwavelen van het ruim der schepen, waarin men de nooten inlaadde, -zeer dienstig, ter verjaging van dit en ander ongedierte<a class="noteRef" id="xd31e2672src" href="#xd31e2672">152</a>. -</p> -<p>In 1696 werd hem door Nicolaas Witson, President Burgemeester van Amsterdam, uit naam -van Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, het onderzoek opgedragen van een mineraal -uit Tartarije afkomstig. Dit bleek hem bij verhitting in een glazen buis veel lood -te bevatten. Later onderzocht hij nog een ander uit Sumatra en vond daarin goud en -zilver, benevens zwavel, dat hij in een gesmolten toestand verzamelde<a class="noteRef" id="xd31e2677src" href="#xd31e2677">153</a>. -</p> -<p>Hij onderzocht ook het katoenzaad en merkte onder anderen op dat het veel olie bevatte, -en dat men, door die af te <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>zonderen, er een groote hoeveelheid van in den handel zou kunnen brengen, ten einde -voor velerlei doeleinden gebruikt te worden<a class="noteRef" id="xd31e2686src" href="#xd31e2686">154</a>. Tarwe, rogge, gerst, boekweit en een menigte andere zaden werden door hem ontleedkundig -onderzocht en tevens de zetmeelbolletjes er uit afgezonderd, die hij nauwkeurig beschrijft -en afbeeldt; dit deed hij ook van rijst, boonen, erwten, enz. en beschreef de verandering, -die zij ondergaan, wanneer zij, na met water verwarmd te zijn, door het microscoop -beschouwd worden<a class="noteRef" id="xd31e2689src" href="#xd31e2689">155</a>. Verder ontdekt hij dat het onderscheid tusschen witte en zwarte peper alleen daarin -gelegen is, dat de laatste het onrijpe zaad is, nog bekleed met zijn buitenste omkleedsel -terwijl de inwendige rijpe witte korrel de witte peper is, die dan ook krachtiger -is dan de onrijpe zwarte peper<a class="noteRef" id="xd31e2692src" href="#xd31e2692">156</a>. -</p> -<p>Belangrijk is ook zijn onderzoek naar het ontstaan en den aard der zoogenaamde galnoten, -waarvan hij den waren aard goed waarnam en het insect beschreef, waaraan zij hun ontstaan -te danken hebben<a class="noteRef" id="xd31e2697src" href="#xd31e2697">157</a>. Wij hebben boven gezien dat hij op een zijner portretten, in het bezit van Dr. van -Kaathoven, met een met galnoten voorzienen eiken tak is afgebeeld, hetwelk op dit -onderzoek doelt. Zulk een met galnoten voorzienen eiken tak vindt men ook in den geciteerden -50sten Brief afgebeeld op blz. 44, met doorgesneden galnoten, en het insect dat wij -kennen als galwesp, (<span lang="la">Cynips Gallae tinctoriae</span>). -</p> -<p>Nog vond hij dat het branden of steken der brandnetels veroorzaakt wordt door een -vocht, dat zich bij de aanraking der fijne haartjes waarmede de stengels en bladen -bezet zijn, daaruit ontlast en in de huid dringt<a class="noteRef" id="xd31e2705src" href="#xd31e2705">158</a>. Ook het steken der mieren en het brandend gevoel en de opzwelling daardoor waargenomen, -schrijft hij toe aan een scherp vocht, dat deze insecten bij het steken uit hun angels -ontlasten<a class="noteRef" id="xd31e2708src" href="#xd31e2708">159</a>. -<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span></p> -<p>Evenzoo bestudeerde hij het vlies, dat het wit der eieren onder de schaal bedekt en -vond dat dit uit onderscheidene zeer dunne vliezen bestond, waarvan hij er acht waarnam<a class="noteRef" id="xd31e2714src" href="#xd31e2714">160</a>. -</p> -<p>De vorm der gistcellen ontsnapte evenmin aan zijne nasporingen; hij onderzocht biergist -en vond dat die uit zeer vele kleine ronde „globulen” bestond, waarvan er dikwijls -2, 3 en 4 samen gevoegd waren; het is niet te verwonderen dat hij omtrent het ontstaan -en den waren aard der gist geen juiste voorstelling had, daar men eerst in veel lateren -tijd daaromtrent tot klaarheid is gekomen. Hij beschrijft ze als door de hitte van -het water „<span lang="nl">ontdane deeltjes van de tarwe, gerst, enz. die, als het bier koud geworden was, weder -stremden en alzoo de zeer kleine deeltjes of globulen in het bier vormden</span>”. -</p> -<p>Aan Leeuwenhoek komt ook de eer toe het eerst zoetwater-polypen (?) te hebben waargenomen, -doch de hier volgende beschrijving toont, dat het door hem waargenomen dier geen zoetwater-polyp -kan geweest zijn, maar waarschijnlijk Vaginicola crystallina. Hij deelde deze waarneming -mede aan de Royal Society in zijn missive van 4 November 1704<a class="noteRef" id="xd31e2724src" href="#xd31e2724">161</a>, terwijl hij in een anderen brief, eveneens aan dit collegie, d.d. 28 Juni 1713<a class="noteRef" id="xd31e2729src" href="#xd31e2729">162</a> het maaksel van dit diertje, dat in een kokertje, onder aan eendekroos vastgehecht, -geplaatst was, beschrijft. Hij deelde mede dat dit kokertje aan het uiterste einde -iets dikker was dan een hoofdhaar en bestond uit kleine ronde bolletjes. Hij zag dat -als het diertje zijn lichaam uit het kokertje bracht en de raderen en tandsgewijze -deeltjes in het rond bewoog, er dan zulk een rond deeltje uit eene doorschijnende -plaats te voorschijn kwam, welk deeltje, in grootte toenemende, zeer snel om zijn -as draaide en onveranderlijk zijn plaats bleef behouden, tot zoo lang het diertje -zijn lichaam voor een gedeelte in het kokertje plaatste en dit alzoo met een rond -bolletje vergroot werd. Door <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>de groote beweging, die het diertje met zijn raderwerk in het water teweegbracht, -werden vele kleine deeltjes naar hetzelve heengevoerd, die het met groote gulzigheid -tot zijn voedsel bezigde. Hij beschrijft verder nog eene andere soort, die met een -„langen staart”<a class="noteRef" id="xd31e2734src" href="#xd31e2734">163</a> aan de worteltjes van het eendekroos waren vastgehecht, en die, door het uiterste -van hun lichaam snel rond te draaien, het water in groote beweging brachten. Deze -konden hun „staart” snel in- en uittrekken, waardoor het water van plaats veranderde, -en zij gelegenheid hadden hun voedsel tot zich te trekken. Hij zag er nog andere, -die veel grooter waren, met een kort en dik lichaam, die eveneens met een „staartje” -aan het kroos vast zaten; deze konden zich verplaatsen en maakten met het voorste -gedeelte van hun lichamen eene ronddraaiende beweging. -</p> -<p>Bij de vermelding van de hoogst belangrijke ontdekkingen en waarnemingen van Leeuwenhoek, -die onze aandacht hebben bezig gehouden, zou ik zijne verdiensten te kort doen, indien -ik niet te dezer plaatse opzettelijk stilstond bij zijne ontdekkingen op het gebied -der planten-anatomie, waarvan de Hoogleeraar H. C. van Hall getuigt<a class="noteRef" id="xd31e2739src" href="#xd31e2739">164</a>, „dat deze inzonderheid, wanneer wij den tijd nagaan, waarin Leeuwenhoek leefde, -van veel gewicht zijn en talrijke microscopische ontdekkingen bevatten, welke velen -gewoon zijn als uit lateren tijd afkomstig aan te merken.” -</p> -<p>Zijn eerste belangrijke onderzoeking op het gebied der plantenkunde, die wij van hem -beschreven vinden, is vervat in een brief aan Robert Hooke, d.d. 12 Januari 1680<a class="noteRef" id="xd31e2744src" href="#xd31e2744">165</a> en betreft de inwendige vorming van het hout. Hij beschrijft daarin de groote opgaande -vaten van het eikenhout en toont aan dat deze ieder voorjaar het eerst in het hout -gevormd worden<a class="noteRef" id="xd31e2747src" href="#xd31e2747">166</a>, waardoor de afscheiding der verschillende jaarkringen duidelijk wordt. Hij <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>wees aan, hoe deze vaten van binnen gevuld zijn met blaasjes, die uit zeer dunne vliesjes -bestaan en beeldde deze ook af. -</p> -<p>Deze groote opgaande vaten zijn de Holz-zellen van Schultz<a class="noteRef" id="xd31e2756src" href="#xd31e2756">167</a>. Leeuwenhoek spreekt ook nog van kleiner opgaande vaten en wijst duidelijk aan, dat -de vliesjes, waaruit deze bestaan, gestippeld zijn met deeltjes, die hem „als globulen” -voorkwamen<a class="noteRef" id="xd31e2759src" href="#xd31e2759">168</a>. Daar nu Leeuwenhoek (volgens van Hall) reeds in 1680 het aanzijn der stippen aanwees, -wordt hij te recht gehouden voor den ontdekker der, door de nieuwere plantkundigen -aldus genoemde gestippelde vaten (<span lang="la">vasa spiralia punctata</span>). De derde soort van opgaande vaten, die Leeuwenhoek waarnam, beschrijft hij als -„zeer klein en in groote menigte aanwezig, bestaande mede uit zeer dunne vliesjes”<a class="noteRef" id="xd31e2765src" href="#xd31e2765">169</a>. Dit zijn volgens van Hall de verlengde cellen van Kieser of de vasa fibrosa van -Link. Verder wees Leeuwenhoek de schuins loopende streepen op de gestippelde vaten -aan en beeldt deze zeer duidelijk af<a class="noteRef" id="xd31e2768src" href="#xd31e2768">170</a>. -</p> -<p>Van de mergstralen (radii medullares) onderscheidt Leeuwenhoek de groote mergstralen -van de kleinere, die tusschen de opgaande vaten (verlengde cellen of vasa fibrosa) -zijn samengedrongen<a class="noteRef" id="xd31e2774src" href="#xd31e2774">171</a>. De afbeelding, die hij van deze mergstralen tusschen de verlengde cellen in het -olmenhout geeft, is zeer fraai en duidelijk. -</p> -<p>Leeuwenhoek heeft veel bijgedragen tot de kennis der eenvoudige spiraalvaten en ontdekte -deze het eerst in den wortel van den muscaatnootboom. Hij leverde daarvan reeds in -1695 eene zeer duidelijke afbeelding en beschrijft<a class="noteRef" id="xd31e2779src" href="#xd31e2779">172</a> zulk een spiraalvat, dat ten deele uit zoodanige kringsgewijze deelen is samengesteld, -even als of, zegt hij „<span lang="nl">wy ons inbeelden te hebben eene seer dikke spelt ende dat wy om soodanige spelt digt -omwonden hadden een seer dun koperdraatje, en dat wy, na de omwindinge, de spelt uyt -het koperdraat hadden getrokken, als wanneer het <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>dunne koperdraat de omwindinge voor het meerendeel hadde behouden.</span>” De bladen der boomen, zegt hij<a class="noteRef" id="xd31e2787src" href="#xd31e2787">173</a> bestaan uit deze eenvoudige spiraalvaten, als ook de zaadstrengen van den amandel, -hazelnoot enz. -</p> -<p>Leeuwenhoek moet ook gehouden worden voor den ontdekker van de niet ontrolbare spiraalvaten -(Treppengange), die hij in 1692 in het lindenhout beschreef<a class="noteRef" id="xd31e2792src" href="#xd31e2792">174</a>. -</p> -<p>Als bovenal merkwaardig wijst Prof. van Hall op de nasporingen die Leeuwenhoek nog -na zijn 80ste levensjaar in het werk gesteld heeft omtrent de inwendige samenstelling -van het hout van den kokosboom. Hij beschrijft namelijk in een brief aan Boerhaave, -d.d. 28 Sept. 1716<a class="noteRef" id="xd31e2797src" href="#xd31e2797">175</a>, de van die onzer gewone boomen geheel verschillende vorming van dit hout en wijst -aan<a class="noteRef" id="xd31e2800src" href="#xd31e2800">176</a> hoe deze soort van palmboom geen eigenlijk gezegde schors bezit; geen horizontale -vaten of mergstralen<a class="noteRef" id="xd31e2803src" href="#xd31e2803">177</a>; hoe de bundels spiraalvaten in dit hout niet in een jaarkring vereenigd, maar verspreid -staan<a class="noteRef" id="xd31e2807src" href="#xd31e2807">178</a>. Eindelijk geeft Leeuwenhoek eene beschrijving van de „witachtige stoffe, die van -binnen tegen de harde schors van de noot aanligt en mede uit spiraalvaten schijnt -samengevoegt te syn;” de daarbij door hem gevoegde afbeelding geeft, volgens van Hall, -een zeer klaar denkbeeld der zoogenaamde vasa vermiformia. -</p> -<p>Zijne verdere waarnemingen over de poreuse cellen<a class="noteRef" id="xd31e2812src" href="#xd31e2812">179</a>; de eigene bewegende bolletjes in het eigen sap (<span lang="la">succus proprius</span>)<a class="noteRef" id="xd31e2818src" href="#xd31e2818">180</a>; de verklaring van de eerste wording der cellen<a class="noteRef" id="xd31e2821src" href="#xd31e2821">181</a>; de vorming van nieuwe cellen uit de oudere<a class="noteRef" id="xd31e2824src" href="#xd31e2824">182</a>; de beschrijving der samengestelde <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>cellen in de mattebies<a class="noteRef" id="xd31e2830src" href="#xd31e2830">183</a>—dit alles doet hem kennen als een nauwkeurig waarnemer, en bevat veel dat door de -nieuwere natuuronderzoekers op gelijke wijze geleerd wordt<a class="noteRef" id="xd31e2833src" href="#xd31e2833">184</a>. -</p> -<p>Minder gelukkig, zegt Prof. van Hall, is Leeuwenhoek geweest ten aanzien van de vorming -der vrucht en van het zaad. Hij verviel namelijk door zijne vergelijking van de voortteeling -der dieren met die der planten wel eens in verkeerde begrippen. Leeuwenhoek’s beschrijving -en afbeelding echter van de wijze, waarop de zaadlappen (cotyledones) in het zaad -van de boekweit zijn omgeplooid en opgevouwen in het midden van het meel (albumen)<a class="noteRef" id="xd31e2838src" href="#xd31e2838">185</a>, waaruit dit zaad hoofdzakelijk bestaat, noemt van Hall „opmerkenswaardig”. Leeuwenhoek -vestigt de aandacht op het nut van deze meelachtige stof tot voeding der kiemende -plant en leert ons, hoe die stof niet aanwezig is in vele andere zaden, waarin dan -de geheele holte van het zaad door de kiem zelve wordt aangevuld. -</p> -<p>Verder heeft Leeuwenhoek het een en ander opgeteekend over de ontkieming der planten -en heeft het eerst de kieming van het fijne pluizige zaad der wilgen, in 36 uren tijds, -beschreven en afgebeeld<a class="noteRef" id="xd31e2843src" href="#xd31e2843">186</a> enz. enz. -</p> -<p>Uit deze opgaven ziet men, dat Leeuwenhoek niet minder dan in het dierenrijk, ook -in het plantenrijk hoogst belangrijke ontdekkingen en onderzoekingen heeft bewerkstelligd, -die recht geven hem ook in dezen tak der natuurwetenschap onder de beste onderzoekers -te tellen. -</p> -<p>De getuigenis die G. R. Treviranus<a class="noteRef" id="xd31e2849src" href="#xd31e2849">187</a> van Leeuwenhoek geeft: „dat hij, niettegenstaande de mindere volkomenheid zijner -werktuigen, toch vele zaken beter dan latere waarnemers met veel sterker vergrootende -microscopen, gezien heeft,” is wel verdient, en Kieser zegt<a class="noteRef" id="xd31e2852src" href="#xd31e2852">188</a> van de vier voornaamste grondleggers van de ontleding der planten het volgende: -<span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span></p> -<p>„Hooke geeft <span class="corr" id="xd31e2862" title="Bron: slechfs">slechts</span> enkele, doch bruikbare microscopische afbeeldingen, Grew is het bevalligste, Malpighi -het uitvoerigste, maar Leeuwenhoek het getrouwste. Malpighi en Grew hebben zich dikwijls -door vooraf opgevatte meeningen laten wegslepen, doch hunne werken zijn systematisch. -Leeuwenhoek geeft slechts alleen staande, doch rijke en tot nu toe vaak miskende bijdragen -tot de hoogere planten-anatomie.” En het mag dan ook eene welverdiende hulde genoemd -worden aan den onvermoeiden natuuronderzoeker, dat de beroemde Engelsche plantkundige -R. Brown een nieuw planten-geslacht uit Nieuw-Holland ter zijner eere naar zijn naam, -Leeuwenhoekia, genoemd heeft.<span id="xd31e2865"></span> „<span lang="la">In memoriam</span>,” zegt hij, „<span lang="la">Antonii van Leeuwenhoek, micrographi celeberrimi, in cujus operibus plures et perpulchrae -observationes de plantarum structura exstant</span>”<a class="noteRef" id="xd31e2873src" href="#xd31e2873">189</a>. -</p> -<p>Het is niet doenlijk al den arbeid door Leeuwenhoek behalve het reeds opgenoemde verricht, -in al de bijzonderheden te vermelden; wij zouden anders nog stil moeten staan bij -de ontdekking der „aalachtige diertjes” in den azijn, de bacteriën in het vuil en -slijm der tanden, de kristalvorm die hij van een groot aantal verschillende zouten -beschreef, de pissteenen en mineralen die hij analyseerde, de koraalgewassen die hij -onderzocht; in een woord, schier geen voorwerp was er dat zijn aandacht ontsnapte -en waaraan hij niet zijne krachten beproefde, ten einde zijn weetlust te voldoen en -den waren aard, de eigenschappen en samenstelling er van te leeren kennen. -</p> -<p>Die lust tot werken bleef hem onafgebroken gedurende zijn geheele leven bij, en verflauwde -niet bij het klimmen zijner jaren en „<span lang="nl">zelfs nog 36 uren vóór zijn dood, toen hij bijna 91 jaren oud was, en zijn leden al -begonnen te verkleumen (zoo verhaalt ons Boitet, „Beschrijving van Delft, pag. 768”), -gloeide het vuur van yver noch soodanig, dat hy met zyn byna versteve en stamelende -lippen zyn gedachten noch op het papier liet stellen, over eene soort van zant, ’t -geen hem door zeker aanzienlyk Heer en Bewinthebber der Oost-Indische Compagnie <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>behandigt wiert, om te zien of ’er ook eenig gout onder verborgen was</span>”<a class="noteRef" id="xd31e2893src" href="#xd31e2893">190</a>. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Zeer veel van de belangrijkste voorwerpen, welke Leeuwenhoek gedurende zijn lang leven -onderzocht, bewaarde hij, ieder met het daarbij behoorend microscoop-stelletje, ten -einde die van tijd tot tijd aan eene nadere beschouwing te kunnen onderwerpen, of -ze aan zijne vrienden of belangstellenden, die hem van heinde en ver kwamen bezoeken, -te vertoonen. Volgens den Hoogleeraar Harting<a class="noteRef" id="xd31e2911src" href="#xd31e2911">191</a> was Leeuwenhoek de eerste, die gezegd kan worden eene verzameling van microscopisch -anatomische praeparaten te hebben aangelegd. En dat hij in de vervaardiging daarvan -bijzonder uitmuntte, blijkt zoowel uit de door hem zelven gegeven beschrijvingen als -uit de getuigenis zijner tijdgenooten, die in de gelegenheid waren zijne praeparaten -te zien. Folkes, een tijdgenoot en president der „<span lang="en">Royal Society</span>” te Londen, deelt daaromtrent het volgende mede<a class="noteRef" id="xd31e2917src" href="#xd31e2917">192</a>: -</p> -<p>„Bovendien moeten wij niet vergeten, dat hij door eene bijzondere bekwaamheid uitmuntte -in het praepareeren zijner voorwerpen, ten einde die op de <span class="corr" id="xd31e2925" title="Bron: geschikste">geschiktste</span> wijze door het microscoop te beschouwen en ik ben overtuigd, dat iedereen dit met -mij eens zal zijn, die eenige van deze voorwerpen zelf zal willen onderzoeken, zoo -als die nog goed geconserveerd door zijne lenzen te zien zijn. Wat mij aangaat, zoo -heb ik zoo veel moeilijkheid ondervonden in deze toebereiding der voorwerpen, dat -er bij voorbeeld een zeer groot verschil bestond in het voorkomen van een en hetzelfde -voorwerp, en dat, zoo als het door Mr. <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>Leeuwenhoek gepraepareerd was, toen het door mij zelf werd onderzocht. Ik heb nu deze -opmerking gemaakt, opdat men zich wel wachten zou voorbarig een der observaties van -dezen Heer te veroordeelen, wanneer het niet gelukt die door zijn eigen glazen te -verifieeren. Wij voor ons zijn in dit opzicht in veel ongunstiger voorwaarden geplaatst, -doordien Leeuwenhoek veel meer ondervinding heeft dan wij, en hij zelf heeft ons gewaarschuwd, -dat zelfs zij, die het meest geoefend zijn in het gebruik van zijne lenzen, zich nog -kunnen bedriegen, indien zij hun oordeel gronden op hetgeen zich aan hun oog voordoet, -voordat zij zich door herhaalde proefnemingen er van verzekerd hebben. Maar wij hebben -zulk een groot aantal zijner verrassendste ontdekkingen gezien, die door de meest -oordeelkundige waarnemers zijn bevestigd geworden, dat wij zeker geen de minste reden -hebben zijn getrouwheid te wantrouwen in al de andere waarnemingen, die niet zoo herhaaldelijk -en met zulk een groote zorg zijn onderzocht geworden als deze.” -</p> -<p>Dat Leeuwenhoek zijne praeparaten een aantal jaren in goed geconserveerden staat wist -te bewaren, kan ook blijken uit zijn eigen bewoordingen in een brief, d.d. 17 November -1716, aan Leibnitz geschreven<a class="noteRef" id="xd31e2932src" href="#xd31e2932">193</a>. „<span lang="nl">Ik hebbe sedert eenige weynige weeken aan twee Heeren Professoren van grooten naam -de doode (zaad) diertjes, soo als ik deselve wel twaalf jaren geleden op een seer -dun glaasje hadde geplaatst, laten sien, waaraan men seer bescheydelyk het lighaam -en de staart konde bekennen.</span>” -</p> -<p>Men kan aannemen, dat de praeparaten die door Leeuwenhoek bewaard werden geen andere -bewerking ondergaan hebben, dan dat zij gedroogd werden; eene handelwijze, zoo als -de Hoogleeraar Harting zegt, die tot voor korten tijd schier de eenige was, die men -tot dit oogmerk bezigde. -</p> -<p>De verzameling microscopische praeparaten, die Leeuwenhoek heeft nagelaten en die -met de daarbij behoorende microscoopstellen voorkomen in den Catalogus der verkooping, -die daarvan na zijn dood te Delft gehouden werd (zie bl. 38), bestond uit de volgende -voorwerpen: -<span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span></p> -<p>DIERLIJKE VOORWERPEN. -</p> -<ul> -<li><span class="seg">Spiervezelen van</span> <span class="seg">een</span> walvisch. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Spiervezelen</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">een</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> kabeljauw. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Spiervezelen</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> het hart van een eendvogel. -</li> -<li>Dwarse doorsnede der spieren van eene visch. -</li> -<li>Huidschubben van een mensch. -</li> -<li>Kristal-lens van een os. -</li> -<li>Bloedbolletjes van een mensch. -</li> -<li>Lever van een varken. -</li> -<li>Dwarse doorsnede der blaas. -</li> -<li>Blaas van een os. -</li> -<li>Papillae der tong van een os. -</li> -<li><span class="seg">Haar</span> <span class="seg">van een</span> schaap. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Haar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">een</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> bever. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Haar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">een</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> eland. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Haar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">een</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> beer. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Haar</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> uit de neus. -</li> -<li><span class="seg">Schub van een</span> baars. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Schub</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">een</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> tong. -</li> -<li>Spinwerktuig <span class="seg">van eene spinnekop</span>. -</li> -<li>Draden <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">eene</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">spinnekop</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> -</li> -<li>Angel <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">eene</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">spinnekop</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> -</li> -<li>Tanden <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">eene</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">spinnekop</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> -</li> -<li>Oogen <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">eene</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">spinnekop</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> -</li> -<li>Spinwerktuig van een zijdeworm. -</li> -<li>Hersenen van eene vlieg. -</li> -<li>Gezichtszenuwen van eene vlieg. -</li> -<li>Uiteinde der pooten. -</li> -<li>Angel en koker <span class="seg">van eene vloo</span>. -</li> -<li>Pooten <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">eene</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">vloo</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> -</li> -<li><span class="seg">Oogen van een</span> rombout. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Oogen</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">een</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> kever. -</li> -<li>Angel <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">een</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg">luis</span>. -</li> -<li>Huid <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">een</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">luis</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> -</li> -<li>Legangel <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">een</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">luis</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> -</li> -<li>Bloedkoraal. -<span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span></li> -<li>Doorsnede van een oesterschelp. -</li> -<li>Ongeboren oesters in een buisje.</li> -</ul><p> -</p> -<p>PLANTAARDIGE VOORWERPEN. -</p> -<ul> -<li><span class="seg">Dwarse en overlangsche doorsnede van</span> ijpenhout. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Dwarse</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">en</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">overlangsche</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">doorsnede</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> greenenhout. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Dwarse</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">en</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">overlangsche</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">doorsnede</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> ebbenhout. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Dwarse</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">en</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">overlangsche</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">doorsnede</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> lindenhout. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Dwarse</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">en</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">overlangsche</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">doorsnede</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> eikenhout. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Dwarse</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">en</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">overlangsche</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">doorsnede</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> kaneel. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Dwarse</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">en</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">overlangsche</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">doorsnede</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> kurk. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Dwarse</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">en</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">overlangsche</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">doorsnede</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> <span class="ditto"><span class="s">van</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> bies. -</li> -<li>Doorsnede van uitgedolven hout. -</li> -<li>Kiem uit het zaad der rogge. -</li> -<li>Vaatbundels uit de muscaatnoot.</li> -</ul><p> -</p> -<p>MINERALE VOORWERPEN. -</p> -<ul> -<li><span class="seg">Stukjes</span> wit marmer. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Stukjes</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> bergkristal. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Stukjes</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> diamant. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Stukjes</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> bladgoud. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Stukjes</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> stofgoud. -</li> -<li><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Stukjes</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> zilvererts. -</li> -<li>Salpeter-kristallen enz.</li> -</ul><p> -</p> -<p>Het volgende moge tot bewijs strekken dat Leeuwenhoek niet enkel door zijne microscopische -waarnemingen uitmuntte, maar ook op ander gebied met goed gevolg de natuurwetenschappen -beoefende: -</p> -<p>Hij verhaalt in een brief aan den Heer Nicolaas Witsen, Burgemeester van Amsterdam, -d.d. 10 Juli 1696, hoe hij eenige jaren geleden met den Heer Christiaan Huygens over -de dagelijksche omwenteling der aarde sprekende, hem een door hem uitgevonden toestel, -voor eene aanschouwelijke verklaring van deze beweging liet zien, welke geleerde daarin -zoo veel genoegen had, dat hij Leeuwenhoek verzocht ook voor hem zulk een toestel -te maken. Het bestond in eene flesch of glazen bol met korten wijden hals, welke hij -met water vulde en er eenige stukjes fijngeslagen rood lak in deed; daarna hing hij -er een looden kogel in, waarin een klein gaatje geboord was, waardoor een <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>touwtje was gestoken waaraan de kogel hing. Hij sloot vervolgens de glazen bol met -eene kurk, welke eveneens met eene opening voorzien was waardoor het touwtje ging. -Hij liet nu de kogel door middel van dit in de kurk gestoken touw zoo ver in den bol -zakken, dat deze maar even van den bodem van het glas verwijderd was, waarna hij den -bol omgaf met een netsgewijs gevlochten touw of lint, welks einden zoo lang waren, -dat deze een voet boven den hals van den glazen bol uitkwamen; deze einden nam hij -te samen en draaide ze, terwijl de bol op een kussen op de tafel stond, vele malen -met de vingers, even als een koord, om. -</p> -<p>Nu lichte hij den geheelen aldus ingerichten toestel aan deze ineengedraaide uiteinden -even van het kussen op, waardoor dus de bol in eene snelle ronddraaiende beweging -geraakte. De loden kogel nu in de glazen bol stelde den aardbol voor, het water in -den bol de waterachtige lucht waarin wij leven, en de stukjes lak de wolken. Wanneer -nu de bol in de beschreven ronddraaiende beweging was, bleef de kogel alleen, ofschoon -langzaam ronddraaiende, als stil hangen, terwijl de lakdeeltjes, die, toen de bol -nog in rust was, zich om den kogel gelegerd hadden, in het omdraaien zich tegen de -wanden van den bol plaatsten en zich dus zoo ver van den kogel verwijderden, als de -holte van den bol zulks toeliet. Plaatste hij nu het toestel weder op het kussen, -zoo zag hij, dat de lakdeeltjes verward op den kogel nedervielen. Nu gaf hij aan dit -experiment de volgende verklaring: dat, gelijk door de beweging van het glas de lakdeeltjes -van den kogel werden weggestooten, hij zich voorstelde, dat de wolken door de dagelijksche -omwenteling of <span class="corr" id="xd31e3167" title="Bron: draaing">draaiing</span> van den aardbol in de lucht werden opgehouden, en dat, even als met het stil houden -van het glas al de lakdeeltjes zich rondom den kogel plaatsen en deze bedekken, hij -zich voorstelde dat het toe zou gaan, wanneer de aardbol stil stond en het heelal -om de aarde werd bewogen, namelijk; dat al de wolken en ook de waterdeelen en andere -zware stoffen, waarin wij leven, niet in de lucht zouden kunnen blijven zweven, maar -nederstorten op den aardbol. Verder toonde hij aan, door de kurk met het touwtje, -waaraan de kogel in den bol hing, uit den <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>hals op te trekken, doch zoo, dat hij het <span class="corr" id="xd31e3172" title="Bron: touwje">touwtje</span> met den kogel zoo laag liet zakken, dat deze nabij den bodem van den glazen bol aan -kwam leggen, en hij dan dezen kogel door zachtjes aan het touw, waaraan hij hing te -draaien, in eene rondgaande beweging bracht, dat de lakdeeltjes van den kogel werden -afgestooten, waaruit hij de beweging van de aarde om haren as aanschouwelijk voorstelde -en waardoor eveneens de vochtige dampen werden weggestooten. -</p> -<p>Deze aanschouwelijke voorstelling van de ronddraaiende beweging der aarde schijnt -aan Huygens stof tot nadenken te hebben gegeven, hij beschrijft eene verbeterde inrichting -van den glazen bol, door die te vervangen door een cilindrisch vat, en wel in een -brief aan Leeuwenhoek, van 6 Maart 1690, waarvan zich het manuscript in de bibliotheek -der Leidsche Hoogeschool bevindt. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Het was geen wonder dat landgenoot en vreemdeling begeerte gevoelden een man persoonlijk -te leeren kennen van wien zoo grooten naam uitging, wiens waarnemingen algemeen eene -buitengewone belangstelling hadden opgewekt en wiens ontdekkingen op de gewichtigste -vraagstukken der physiologie van menschen, dieren en planten betrekking hadden. -</p> -<p>Het ontbrak dan ook niet aan een tal van personen, die hem gingen opzoeken; velen -voorzeker werden alleen gedreven door de begeerte om hunne nieuwsgierigheid te bevredigen -en het wonderbare, waarvan het gerucht tot hen gekomen was, met eigen oogen te aanschouwen, -maar ook niet weinigen, die door edeler drijfveeren werden aangespoord en vooral zijne -microscopen wenschten te zien waarmede hij zulke ontdekkingen deed, ten einde zoo -mogelijk het geheim zijner bewerking van hem te leeren. Voorts kwamen zij om hunne -bewondering over zijne waarnemingen te betuigen, wetenschappelijke quaesties, die -hij ter sprake gebracht had, te overwegen en hulde te brengen aan zijn onvermoeide -vlijt en volhardenden ijver. Herhaalde malen kwamen hem dan ook leden der beroemde -Royal Society bezoeken en brachten hem de groeten over van de grootste Engelsche geleerden, -zoo als Robert Hooke, François Aston, Christopher <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>Wren, Hans Sloane, Nehemiah Grew, Richard Waller, Thomas Gale enz. enz., die hem dikwijls, -als bewijs hunner belangstelling, afdrukken der „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” toezonden, waarin zijne ontdekkingen waren opgenomen en andere wetenschappelijke -onderwerpen, die daarmede in verband stonden, werden behandeld. -</p> -<p>Beroemde landgenooten, zoo als <span class="corr" id="xd31e3189" title="Bron: Constantyn">Constantijn</span> en Christiaan Huygens, Reinier de Graaf, Swammerdam, Heinsius, Boerhaave<span class="corr" id="xd31e3192" title="Bron: .">,</span> Ruysch, enz. bezochten hem herhaaldelijk en bespraken met hem de onderwerpen, die -hunne belangstelling hadden opgewekt. Genees- en Heelmeesters kwamen niet zelden zijn -gevoelen vragen over onderwerpen van geneeskundigen aard, terwijl zijn briefwisseling -met de meesten hunner, alsmede met Leibnitz, Cink, Narrez, Rega, Gerard van Loon, -Poot, Rabus en anderen, de stof leverden voor de belangrijke verzameling, die onder -den naam van „de brieven van Leeuwenhoek” niet minder dan een 190tal bedragen, behalve -nog een aanzienlijk aantal aan bijzondere personen, die niet in zijne verzameling -gevonden worden en het meer dan honderdtal, waarvan ik boven melding maakte als na -zijn dood ter verkoop aangeboden, en waarvan er zeker hier en daar in bijzondere verzamelingen -nog zullen te vinden zijn. -</p> -<p>Onder de geleerde vreemdelingen, die niet verzuimden bij het bezoeken van ons land -ook een uitstap naar Delft te doen, ten einde den beroemden Leeuwenhoek te zien en -het een en ander merkwaardigs van hem te beschouwen, behoort ook een geleerde Duitscher -Zacharias Conrad von Uffenbach. Deze verhaalt, in zijn in 1754 in het licht gegeven -„<span lang="de">Merkwürdige Reisen durch Nieder-Sachsen, Holland und Engelland 3er Th.</span>”, dat hij met zijn broeder op den 4den December 1710 een bezoek bracht „bij den beroemden -„<span lang="it">Observatore microscopico</span> Leeuwenhoek”,<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> doch dat hij daartoe eene bijzondere <span class="corr" id="xd31e3205" title="Bron: aanbeveeling">aanbeveling</span> noodig had<a class="noteRef" id="xd31e3208src" href="#xd31e3208">194</a>, daar Leeuwenhoek, die toen reeds 78 à 79 jaren oud was, den toegang tot hem niet -meer zoo gereedelijk toestond, dewijl hij gedurig door allerhande nieuwsgierige bezoekers -<span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>bleek lastig gevallen te zijn; zoo als blijkt uit het verzoek dat zoowel Leeuwenhoek, -als zijne dochter Maria, aan de reizigers bij hun vertrek op het hart drukten, om -aan niemand te zeggen dat zij bij haar vader waren toegelaten geworden. „<span lang="de">Als wir gehen wolten</span>” verhaalt Uffenbach „<span lang="de">bate sowohl der wunderliche Mann, als auch seine Tochter instäntlich, dasz wir doch -niemand sagen solten, dasz wir bey ihne gewesen und etwas gesehe; denn es seye alt, -und des vieles Ueberlaufens, sonderlich von Leuten, die keine rechte Liefhaber seyen, -ganz mühe.</span>” -</p> -<p>Uffenbach en zijn broeder werden bij dit bezoek door de dochter van Leeuwenhoek vriendelijk -ontvangen en vooraf in eene zijkamer gelaten, waar zij hun verhaalde „dat haar vader -sedert eenige jaren veel nieuwe zaken met zijne microscopen ontdekt had, doch dat -hij bij zijn leven niets meer van zijne waarnemingen wilde uitgeven, dewijl men hem -in geschriften smadelijk bejegend om zijne meeningen over sommige onderwerpen bespot -had en hem beschuldigde dat hij meer door zijne verbeelding dan door zijne glazen -had gezien.” -</p> -<p>De geleerde reizigers werden door Leeuwenhoek „<span lang="de">gar höflich</span>” ontvangen. Het eerste dat hij hun zeer duidelijk en schoon liet zien, was de omloop -van het bloed in den staart van eene kleine bot. Verder vertoonde Leeuwenhoek in eene -mossel de ontwikkeling der jongen, ook sneed hij een darm der mossel open en toonde -door zijn microscoop eene groote hoeveelheid zand aan, dat de mossels met het slijm, -waarin zij leven tot zich nemen. Hij meende daarbij dat dit zand diende tot vorming -der schalen voor de jongen, even als de hoenders behoefte hebben aan zand en kalk -voor de vorming der eierschaal. -</p> -<p>Voorts toonde Leeuwenhoek in een haarbuisje meer dan dertig uiterst kleine jonge oesters -in <span lang="la">spiritus vini</span> bewaard, welke zeer duidelijk te onderkennen waren. -</p> -<p>Op hun vraag, hoe hij deze kleine oesters in zulke haarbuisjes had gekregen, antwoordde -hij, dat hij den darm eener oester opensneed en met een pennemes een weinig van de -daarin vervatte materie nam, hetwelk hij dan op den nagel van zijn duim afstreek, -waarop hij vervolgens een droppel brandewijn goot en het haarbuisje in dit mengsel -stak, waardoor het vocht <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>dan van zelf door het capillair vermogen werd opgezogen, en daarmede ook de jonge -oesters in het buisje kwamen. -</p> -<p>Behalve nog andere merkwaardige zaken vertoonde Leeuwenhoek een zandkorreltje, dat -even als het schoonste kristal met facetten voorzien was<span class="corr" id="xd31e3237" title="Bron: ,">.</span> -</p> -<p>Verder vertoonde hij nog de schub van eene visch en liet hen de verschillende laminae -zien, waaruit zij bestond die allen over elkander lagen. -</p> -<p>Ook wilde Leeuwenhoek hen toonen, dat de mensch, zoo als hij meende, ook schubben -zou bezitten en schraapte met een pennemes langs zijn arm, van welk afschraapsel hij -een weinig op een glaasje bracht. Nog vertoonde hij het oog eener vlieg, bestaande -uit talrijke zeszijdige halve bolletjes, „<span lang="de">welchen Herr Leeuwenhoek vor lauter Augen hielte, und also die <span class="corr" id="xd31e3246" title="Bron: vliegen">Vliegen</span> zu mehr als Argus machte.</span>” Ook liet hij de vleugel eener vlieg met hare talrijke vertakkingen van zenuwen en -aderen zien; alsmede de angel eener mug. Deze vertoonde zich door zijn microscoop -wel twee duimen lang te zijn; en eindelijk liet hij <span class="corr" id="xd31e3250" title="Bron: hem">hen</span> zijn cabinet zien, waarin hij, zegt Uffenbach, wel een driehonderdtal van de genoemde -microscopen, met voorwerpen voorzien, bewaarde. -</p> -<p>Betreffende het gesprek dat de gebroeders vervolgens met Leeuwenhoek hielden over -de wijze waarop hij zijne glazen sleep, en of hij er geene uit gesmolten glasbolletjes -vervaardigde, en over andere bijzonderheden, de vervaardiging zijner microscopen betreffende, -heb ik reeds het noodige op blz. 25 vermeld. -</p> -<p>De gebroeders Uffenbach maakten het echter met al hun vragen en uithooren onzen Leeuwenhoek -vrij lastig, daar zij zeer goed bemerkten, dat hij op zijn hoede was, om zich niet -meer dan hij dienstig oordeelde over enkele bijzonderheden uit te laten. „<span lang="de">Doch lockten wir ihm</span>” zoo verhaalt Uffenbach met zekere genoegdoening over zijn listig uithooren, „<span lang="de">durch allerhande Frage eines und des andere aus.</span>” -</p> -<p>Onze reizigers verlieten hem zeer voldaan en verheugd, dat zij zoo veel merkwaardigs -bij dezen „<span lang="de">wunderlichen Alten</span>,” gezien hadden. -</p> -<p>Onder de vorstelijke personen, die van den beroemden micrograaph <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>gehoord hadden en hem in Delft opzochten, vinden wij het bezoek aangeteekend van Anton -Ulrich, Hertog van Brunswijk; Karel II en George I, koningen van Engeland; de Landgraaf -van Hessen Cassel; Augustus koning van Polen; Frederik I, koning van Pruissen; de -Keurvorst van den Palts en zijn zoon en broeder; Prins Lichtensteyn, die hem namens -Karel III, koning van Spanje kwam uitnoodigen om met zijne microscopen in den Haag -te komen, ten einde hem die te laten zien; Anna Maria, koningin van Engeland, en eindelijk -Czaar Peter I van Rusland. -</p> -<p>Omtrent het bezoek van deze twee laatstgenoemde vorstelijke personen vond ik de volgende -bijzonderheden: -</p> -<p>Toen in het jaar 1691 of 1692 de koningin van Engeland ons land bezocht, begaf zij -zich ook naar Delft om den beroemden Leeuwenhoek te zien en zijne microscopische merkwaardigheden -te beschouwen, doch vond hem niet in de stad. Geen wonder dat Leeuwenhoek, toen hij -bij zijne terugkomst vernam, welk een hooge personage hem bezocht had en welk eene -groote onderscheiding hem daardoor beschoren was geweest, zich over die teleurstelling -zeer beklaagde. Hij wenschte echter zijne erkentelijkheid voor dit bezoek op eene -wijze te betoonen, die hem toedacht de Hooggeplaatste bezoekster het meest welgevallig -te zijn en droeg in eene sierlijke voorrede een gedeelte, namelijk, het derde vervolg -zijner brieven, die hij voor de pers had gereed gemaakt, aan haar op. -</p> -<p>Gelukkiger was hij echter eenige jaren later bij gelegenheid van een bezoek hier te -lande van Czaar Peter I, in 1697–1698. -</p> -<p>Mr. Gerard van Loon<a class="noteRef" id="xd31e3276src" href="#xd31e3276">195</a> beschrijft dit bezoek aan Leeuwenhoek op de volgende wijze: -</p> -<p>„Zijn (Czaar Peter I) vertrek uit ’s Gravenhage geschiedde met een binnenjagt over -Delft, alwaar hij de deftige wapenhuizen der Staten van Holland met zeer veel oplettendheid -bezigtigde en het jacht voor het kruithuis der Algemeene Staten, nabij Delft, deed -stil houden, en door twee Heeren zijns gevolgs <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>den vermaarden Antoni van Leeuwenhoek deed verzoeken van zich in een der volgende -vrachtschepen met zijn weergalooze vergrootglazen bij hem te vervoegen, dewijl hij -zelf bij het doorvaren aan zijn huis wel zou gekomen zijn, bijaldien hij dit om den -toevloed der menigte te ontvlieden met verdagt niet had achtergelaten. Hij vervoegde -zich derwaarts en had de eer van onder andere zeldzame ontdekkingen den wonderlijken -omloop des bloeds in een aale-staart, door middel zijner zonderlinge vergrootglazen -tot zoo groot genoegen des Vorsts te doen beschouwen, dat zoo in deze als in andere -bespiegelingen bij de twee uren werd gesleten en de Czaar vóór zijn vertrek den gemelden -Leeuwenhoek, wegens te laten zien van zoo overkleyne voorwerpen bij handtasting ook -van zijne zonderlinge dankbaarheid verzekerde.” -</p> -<p>Het is inderdaad niet te verwonderen, dat bij het ondervinden van zoo veel onderscheiding -en belangstelling in zijn persoon en werkzaamheden, het hart van den eenvoudigen Kamerbewaarder -van H.H. Schepenen van Delft zich wel eens een weinig zal verheven hebben, of dat -eenig gevoel van trots hem bezielde. De uitingen van bewondering van hetgeen men bij -hem zag, vervulden dan ook zijn hart met groote vreugde. -</p> -<p>„Ik heb” zoo schreef hij aan den Secretaris der „<span lang="en">Royal Society</span>”, toen hij, nu de bekendmaking van zijne ontdekking der bloed lichaampjes en zijne -waarnemingen van den bloedsomloop daarover een zeer vleienden brief ontvangen had<span class="corr" id="xd31e3292" title="Bron: .">,</span> „<span id="xd31e3295"></span>met een levendig genoegen gezien, dat mijne microscopische waarnemingen niet onaangenaam -zijn geweest aan u, noch aan uwe vrienden de philosophen en dit heeft mij krachtig -aangespoord om mijne nasporingen voort te zetten;” of waar hij, van wege de „<span lang="en">Royal Society</span>” een brief ontving<a class="noteRef" id="xd31e3300src" href="#xd31e3300">196</a> waarin de Secretaris Richard Waller hem schrijft: „<span lang="nl">Wij hebben de uwe van enz.… ontvangen en in eene vergadering van de R. S. vertoont, -alwaar ze gelesen wierden tot genoegen van alle de tegenwoordige leden; en daar werd -bevolen, dat men U.E. bedanken soude over U.E. vriendelijke communicatiën, U.E. alle -voorspoet <span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span>die U.E. selfs begeeren kunt toewenschende en u ook aanmoedigende om voort te varen -en nieuwe ontdekkingen van dees selve natuere te maken, nademaal niemant beter versien -is met gereetschap, of beter gebruyk daarvan in microscopische observatien heeft gemaakt, -als U.E. zelfs.</span>” -</p> -<p>Behalve de belangstelling, die Leeuwenhoek door de vereerende bezoeken die hij ontving, -mocht ondervinden, werden zijne verdiensten op vele andere wijzen erkend en werd hij -door vele aanzienlijken met groote hartelijkheid en onderscheiding bejegend. Zoo bleek -de hartelijke wijze, waarop hij in het huisgezin van een der aanzienlijkste landgenooten -steeds ontvangen werd, uit de opdracht van het vijfde vervolg zijner brieven aan den -Heer Frederik Adriaan, Baron van Reede, Heer van Renswoude enz. enz. -</p> -<p>Verschillende dichters, waaronder ook Arnold Hoogvliet en de beroemde Poot, voelden -zich geïnspireerd om de brieven, die door den toen reeds 86jarigen grijsaard geschreven -waren en onder den naam van „Sendbrieven” het 5de deel van de brieven van Leeuwenhoek -uitmaken, in te leiden. -</p> -<p>In den aanhef schildert de dichter Hoogvliet, hoe de bloemen, het gras en de klaver, -die in de Mei-maand hun geuren verspreiden, in het najaar en in den winter verdwenen -zijn, en alles gestorven is; wijst op een wonder, namelijk een hof, die altijd bloeit -en waarin bloemen en vruchten te garen zijn, die de groote Leeuwenhoek in den winter -van zijn leven geplant heeft en zelfs deed rijpen: En nu vervolgt hij: -</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">„Zagt, myn Zangnimf, wil bedaaren! -</p> -<p class="line xd31e3314">’t Is geen winter in ’t vernuft, -</p> -<p class="line">Dat, na vijf en tachtig Jaaren, -</p> -<p class="line xd31e3314">Altydt arbeydt onversuft. -</p> -<p class="line">Hoe zou ’t winter weezen konnen, -</p> -<p class="line xd31e3314">In het brein des grooten mans, -</p> -<p class="line">Dat, door zoo veel glaaze zonnen, -</p> -<p class="line xd31e3314">Staag met warmte, licht en glans, -</p> -<p class="line">Wordt gekoestert en beschenen?” enz.</p> -</div> -<p class="first">Hij beschrijft dan verder in vloeiende regelen de verschillende <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>waarnemingen en ontdekkingen door hem in dier en plant met zijn microscoop gedaan, -waardoor in het schijnbaar kleinste en nietigste schepsel de grootste wonderen worden -ontdekt. Dit opmerkende, zegt hij, zal men: -</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">Aanstonts, vol verbaastheit zeggen, -</p> -<p class="line xd31e3314">Dit’s gedaan door de eige handt, -</p> -<p class="line">Die den bliksem maakte en donder, -</p> -<p class="line xd31e3314">Die de hemelkringen sloot -</p> -<p class="line">Want het onbegrijplijk wonder -</p> -<p class="line xd31e3314">Is zoowel in ’t kleyne als ’t groot.</p> -</div> -<p class="first">Ontbrak het Leeuwenhoek niet aan bewijzen, dat men zijne verdiensten waardeerde en -op prijs stelde, zoo schijnt men die echter, wat ons land betreft, niet door bijzondere -erkenning te hebben beloond; zoo men daaronder ten minste niet rekenen wil, de douceurs, -die het bestuur van Delft, wegens het ten geschenke ontvangen van eenige zijner gedrukte -brieven aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” hem gegeven heeft. Men vindt namelijk in het „6de lopende memoriaal” van H.H. Burgemeester -van Delft, de volgende aanteekening: -</p> -<p>„Den 4 April 1693, per cassa, aan Antony van Leeuwenhoek de somma van 36 gld., over -de „presentatie” zijner brieven, zijnde: „Brieven, geschreven aan de Koninkl. Societeyt -te Londen.”<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Voor het 5<sup>de</sup> en 6<sup>de</sup> vervolg dier Brieven, ontving de groote natuurvorscher, <span class="corr" id="xd31e3357" title="Bron: respectivelijk">respectievelijk</span> 30 en 24 gld. Dergelijke vereeringen of douceurs (zoo schreef mij Mr. Soutendam) -waren toen zeer gebruikelijk. O. a. ontving ’s mans tijdgenoot Dr. Abrahamus Berkel, -Rector der Latijnsche scholen,<span id="xd31e3360"></span> voor de „dedicatie” van: „<span lang="la">Enchiridion Epicteti</span>,” hetwelk hij met zijn noten heeft doen drukken en uitgeven, de som van 63 gld. -</p> -<p>Dat zoodanige erkenning echter, ten minsten later, al ware die geschied, in zijn smaak -zou gevallen zijn, mag men uit enkele uitdrukkingen in zijn correspondentie betwijfelen. -Leibnitz schijnt dit punt in eene briefwisseling met Leeuwenhoek te hebben aangeroerd; -althans zegt hij, in een antwoord aan Leibnitz <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>d.d. 13 Maart 1716<a class="noteRef" id="xd31e3370src" href="#xd31e3370">197</a>. „<span lang="nl">Die geene die in onzen landen, om haar kennisse en wetenschappen, vergelding krygen, -dat syn Heeren Professoren, Predicanten, en de Meesters in de Latynze schoolen, die -soo veel Latyn konnen, dat ze de jonge luyden in die taal konnen onderwijsen. De groote -hemelbeschouwer, wylen Christiaan Huygens, heeft mij verhaalt, dat sekere persoon -in eene andere provinsie twee duysent guldens heeft bekomen, over syn dienst in ’t -maken van tafels. Waar over de selve misnoegt was, seggende, men behoorde hem beter -uyt het lant te bannen, als dat gelt te geven; want hy heeft eerlyke luyden beledigt. -In ’t kort</span>” zegt L. ten slotte „<span lang="nl">ik weyger giften om niet verpligt te syn.</span>” -</p> -<p>Intusschen was men toch in het buitenland er op bedacht den ijverigen natuuronderzoeker -geschenken aan te bieden, als blijken van de waardeering zijner werkzaamheden. -</p> -<p>Zoo vereerde hem de Landgraaf van Hessen-Cassel, op zijn reis door Holland, waarbij -hij Leeuwenhoek in Delft bezocht en vele belangrijke zaken uit zijne verzameling bezichtigd -had, uit erkentelijkheid, twee gedenkpenningen met diens beeltenis voorzien. -</p> -<p>Toen Leeuwenhoek den Landgraaf daarover zijn dankbaarheid in een brief betuigde, antwoordde -deze hem, zoo als Leeuwenhoek dit in hetzelfde schrijven aan Leibnitz vermeldt<a class="noteRef" id="xd31e3383src" href="#xd31e3383">198</a>. „Uwe gift is grooter als de mijne.” -</p> -<p>Eene groote onderscheiding viel hem den 24sten Mei 1716 te beurt, van wege de Hoogeschool -te Leuven. Hij was al sedert geruimen tijd met Antoni Cink, Narrez en Rega, Hoogleeraren -in de Natuur- en Geneeskunde aldaar in correspondentie. Deze briefwisseling geschiedde -veelal door tusschenkomst van Mr. Gerard van Loon, den bekenden schrijver der Nederlandsche -Historiepenningen, en werd in de jaren 1713–1715 gevoerd. -</p> -<p>Deze Hoogleeraren, leden van het Collegie van „’t Wilde Swijn” te Leuven, voelden -zich gedrongen aan Leeuwenhoek een schitterend blijk hunner achting en warme belangstelling -<span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>aan te bieden. Op hun last namelijk werd een zilveren gedenkpenning vervaardigd, die -op de voorzijde het borstbeeld van Leeuwenhoek vertoonde, met het omschrift: „<span lang="la">Antonius Leeuwenhoek Regiae Societatis angliae membrum.</span>” -</p> -<div class="figure p116width"><img src="images/p116.png" alt="Gedenkpenning." width="359" height="713"></div><p> -</p> -<p>Op de andere zijde ziet men in het verschiet de stad Delft, en op den voorgrond een -bijen-korf, met eenige daarom rondvliegende <span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span>bijen, benevens eene bloeiende plant, terwijl de spreuk uit Virgilius er op voorkomt -(Georgia IV. v. 6.) -</p> -<div class="lgouter"> -<p lang="la" class="line">In tenui labor, at tenuis non gloria<a class="noteRef" id="xd31e3404src" href="#xd31e3404">199</a>.</p> -</div> -<p class="first">Gerard van Loon werd persoonlijk belast hem dit eereblijk, met een begeleidend, vereerend -schrijven, op plechtige wijze te overhandigen. Leeuwenhoek betuigde in een brief aan -genoemde Professoren zijn grooten dank, ook voor het Latijnsch lofdicht, dat bij wijze -van opdracht er aan was toegevoegd. Van dit gedicht zegt hij, dat het was: „<span lang="nl">Vol van vloeijende aardigheden</span>”. -</p> -<p>Als een bewijs hoe gevoelig Leeuwenhoek was wegens de groote eer hem aangedaan, diene -hetgeen hij laat volgen: „<span lang="nl">En als ik gedenk aan de loftuytingen, die in UEd. brief, ende in het lofdigt, werden -gemelt, soo werde ik niet alleen schaamroot, maar myn oogen tranen meermalen; te meer -omdat myn arbeyt, dien ik veel jaren agter een gedaan hebbe, niet is geweest om den -lof dien ik nu geniet, daardoor te behalen, maar meest uyt een drift van weetgierigheyt, -die in my meer woont, gelijk ik merk, dan in veel andere menschen.</span>” (Het blijkt uit een brief aan Leeuwenhoek, d.d. 22 Juni 1716, dat dit gedicht was -vervaardigd door J. G. Kerkherdere „<span lang="nl">synen Keyserlyke en Koninglyke Majesteits-Historicus.</span>”) In dezen brief geeft hij nogmaals lucht aan zijn dankbaar gevoel, in bewoordingen, -die als eene bijdrage te meer mogen gelden van de waardeering van Leeuwenhoek’s karakter. -Hij drukt zich aldus uit: „<span lang="nl">.… ende dat ingesien hebbende, stond ik verbaast, met ontsteltenisse van myn ligchaam, -over de menigvuldige uitdruksels van hooge agtinge, die UE. Hooggeleerde ende wydvermaarde -Heere, in uw noyt volpresen vers komt te doen. Ik ken immers my selven tot soo verre, -dat ik op het honderste deel niet waardig ben de uytdrukselen, die gy over myn geringen -arbeyt komt te doen: want die komt alleen voort uyt een neyginge, die ik hebbe om -de beginselen van de geschapene saaken te ondersoeken, tot soo verre als het my mogelyk -was.</span>” -<span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span></p> -<p>De dichter Poot maakte op dezen gedenkpenning het volgende bijschrift: -</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line xd31e3314">De Rotte duik’ daer de oven, -</p> -<p class="line">Erasmus in metael verkeert, -</p> -<p class="line xd31e3314">Wij loven ’t kunstig Loven (Leuven) -</p> -<p class="line">Dat d’ eer van Delf met zilver eert. -</p> -<p class="line xd31e3314">’t Zent Leeuwenhoek naar ’t leven, -</p> -<p class="line">Aan Leeuwenhoek, door munt herteelt, -</p> -<p class="line xd31e3314">Wat kon men grooter geven? -</p> -<p class="line">Dees helt verdient een zinnebeelt. -</p> -<p class="line xd31e3314">Doch wort de magt niet kranker, -</p> -<p class="line">Zoo glinstert hy van gout op ’t lest; -</p> -<p class="line xd31e3314">Maar ’t zilver is vry blanker, -</p> -<p class="line">En dat gelykt zyn inborst best. -</p> -<p class="line xd31e3314">Dus pryst de School ’s mans grysheit, -</p> -<p class="line xd31e3314">De wysheit kroont de wijsheit!</p> -</div> -<p class="first">De grootste eer nogtans, waarop Leeuwenhoek zelf den hoogsten prijs stelde en waarop -hij met verschoonbare verheffing dikwijls roemde, was zijne benoeming tot „Lid der -Royal Society te Londen.” Deze onderscheiding viel hem te beurt toen hij nog in de -kracht van zijn leven was, namelijk op 46jarigen leeftijd. Ik spreek er het laatst -van omdat ik de bijzonderheden, die deze benoeming voorafgingen en vergezelden, eenigszins -uitvoeriger wilde mededeelen; daarbij heb ik gebruik gemaakt van de aanteekeningen, -die men bij Birch, „<span lang="en">the History of the Royal Society of London</span>,” 1757, vol. IV vindt, omtrent het verhandelde in de vergaderingen van dit geleerd -genootschap, welke aanteekeningen men als het Notulenboek der Sociëteit kan aanmerken. -</p> -<p>Nadat Leeuwenhoek, sedert zijn eerste aanraking met dit geleerd genootschap in 1673, -in eene immer levendiger correspondentie was getreden en hij zijne onderzoekingen, -over onderscheiden onderwerpen, voornamelijk die van de bloedlichaampjes en de circulatie -van het bloed had bestudeerd, waarvan de resultaten zoo belangrijk waren voor de physiologie -en hij kort daarna de niet minder belangrijke ontdekking deed van de infusoria, welke -ontdekkingen wij boven gezien hebben, dat <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>zoo zeer de verbazing en bewondering van de leden der „<span lang="en">Royal Society</span>” hadden opgewekt, had zijne benoeming tot Lid van dit Collegie in de vergadering -van 29 Januari 1680 plaats<a class="noteRef" id="xd31e3463src" href="#xd31e3463">200</a>. Birch teekende van dit besluit der vergadering het volgende aan: „Dr. Heusch, Mr. -Firmin<span class="corr" id="xd31e3466" title="Niet in bron">,</span> Mr. Houghton worden gekozen; <span id="xd31e3468"></span>evenzoo ook Mr. Leeuwenhoek, op voorstel van Dr. Croune.” -</p> -<p>In dezelfde vergadering werd aan Dr. Gale, Secretaris van het Collegie, opgedragen, -om een diploma voor hem gereed te maken. Aan genoemden geleerde werd in de vergadering -van 12 Februari<a class="noteRef" id="xd31e3472src" href="#xd31e3472">201</a>, gevraagd of het diploma reeds gereed was en bevolen dat het zegel der Sociëteit -er aan gehecht zou worden. Men schijnt Leeuwenhoek echter nog eene extra onderscheiding -waardig gekeurd te hebben, zoo als ik dit bij geen der benoemingen in dit Collegie -bij Birch vermeld gevonden heb, namelijk: „er werd bevolen dat er tevens een zilveren -doos voor moest gemaakt worden, waarin dit diploma zou worden besloten, en op welke -doos de „wapens der Sociëteit” zouden worden gegraveerd<a class="noteRef" id="xd31e3477src" href="#xd31e3477">202</a>.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>In de vergadering van den 23sten Februari werd de vervaardiging daarvan aan zekeren -Mr. Hunt opgedragen. Het diploma werd vervolgens, toen alles gereed was, met een begeleidend -schrijven, namens de Sociëteit, door den Engelschen <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>gezant bij de Hollandsche regeering aan Leeuwenhoek overhandigd<a class="noteRef" id="xd31e3486src" href="#xd31e3486">203</a>. -</p> -<p>Zoo was dan het ideaal van den grooten natuuronderzoeker verwezenlijkt en zijn vurigste -wensch vervuld. Voortaan zal hij medegerekend worden onder de <span class="corr" id="xd31e3493" title="Bron: illustre">illustere</span> leden van het hoogste wetenschappelijk collegie van Europa, dat, hoewel reeds in -1645 opgericht, ten tijde van Leeuwenhoek nog slechts kort geleden op vaste grondslagen -was gevestigd en de <span class="corr" id="xd31e3496" title="Bron: beroemste">beroemdste</span> geleerden der beschaafde wereld van dien tijd in zijn gelederen telde<a class="noteRef" id="xd31e3499src" href="#xd31e3499">204</a>. -<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span></p> -<p>Dat hij niet naliet, zoo spoedig doenlijk zijne dankbaarheid voor de ontvangen onderscheiding -kenbaar te maken, zal wel geen verwondering baren. Reeds in de vergadering van den -13den Maart 1680 rapporteerde Robert Hooke, dat hij drie brieven van Leeuwenhoek ontvangen -had, waarvan de eerste betuigingen bevatte van zijn warmen dank aan den President -en de leden der Sociëteit, voor de eer hem aangedaan. De tweede brief behelsde het -bericht van ontvangst van het diploma en vernieuwde betuigingen van zijn dank, en -tevens de verzekering van zijn voortdurenden ijver om de Sociëteit te dienen, zoo -veel hij kon en dat hij dit zou blijven doen, zoo lang hij leefde; terwijl de derde -weder eenige waarnemingen van hem behelsde. -</p> -<p>En Leeuwenhoek heeft woord gehouden. Niet alleen, dat hij, zoo als ik boven aanstipte, -tot op 85jarigen leeftijd in geregelde briefwisseling met de Sociëteit verkeerde, -toen hij (20 November 1717) zoo het scheen voor goed afscheid er van nam, maar het -blijkt ook uit hetgeen ik in de „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” van na den bovengenoemden datum, tot op het jaar 1723, zijn sterfjaar, gevonden -heb, dat zijn werkzame geest zich geen rust gunde, vooral daar zijn verstand en oog -ook nog in dat tijdsverloop helder bleef, hoewel zijne handen „<span lang="nl">swak werden, ende een weynig bevinge ondervonden</span>” zoo als hij zich in dien brief uitdrukte.<span id="xd31e3540"></span> -</p> -<p>In het 31ste en 32ste deel namelijk der „<span lang="en">Transactions</span>” worden nog een achttal brieven gevonden van de jaren 1720 tot 1723 (waaruit blijkt, -dat hij dus gedurende een halve eeuw met de „<span lang="en">Royal Society</span>” briefwisseling gevoerd heeft), terwijl hij nog op zijn sterfbed aan zijn vriend -Johannes Hoogvliet<a class="noteRef" id="xd31e3550src" href="#xd31e3550">205</a> opdroeg, twee brieven, die hij in den laatsten tijd geschreven had, in het Latijn -te vertalen en in zijn naam aan de Sociëteit toe te zenden. -<span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span></p> -<p>De treffende bijzonderheden van deze laatste opdracht mag ik niet achterhouden; ze -zijn ons bewaard gebleven in het 32ste deel der „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>”, pag. 435, waarin bericht wordt „dat een brief ontvangen is van Johannes Hoogvliet, -d.d. 1 September 1723, aan den Secretaris der „<span lang="en">Royal Society</span>” Jacobus Jurin, overleggende twee brieven, die op verzoek van den stervenden Leeuwenhoek -werden toegezonden.” Deze missive van Hoogvliet was van den volgenden inhoud en in -’t Latijn geschreven: -</p> -<p>„Onze eerwaardige grijsaard Leeuwenhoek liet mij, toen hij reeds met den dood kampte, -maar desniettemin nog aan zijn geliefde studie dacht, tot zich roepen en vroeg, mij -met reeds half gebroken oogen aanstarende en in afgebroken woorden, of ik deze beide -brieven in het Latijn wilde overzetten en aan u, zeer geleerde Heer toezenden. Daar -ik het verzoek van zulk een man, zoo als ik dat reeds sedert eenige jaren gewoon was, -niet kon weigeren, zoo zend ik u, zeer geleerde Heer, het laatst geschenk van mijnen -stervenden vriend, hopende dat deze zijne laatste werkzaamheden u aangenaam zullen -zijn.” -</p> -<p>De inhoud dezer twee brieven was: -</p> -<ul> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">1<sup>o</sup>.</span> Over de globulen in het bloed en in den moer van den wijn. -</li> -<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">2<sup>o</sup>.</span> Over de voortteeling der dieren en over de klopping van het middenrif.</li> -</ul><p> -</p> -<p>Uit den inhoud dezer twee brieven ziet men, dat de twee belangrijkste onderwerpen, -die zoo zeer bijgedragen hadden om zijn naam onsterfelijk te maken en waaraan hij -schier zijn geheele leven gewijd had, hem zelfs op zijn sterfbed voor den geest zweefden -en tot op het laatst zijns levens het gewichtig onderwerp zijner onderzoekingen uitmaakten. -</p> -<p>Men meene echter niet dat zijn eenigste gedachten op de stoffelijke dingen der aarde -gevestigd waren, zoodat hij zelfs met den dood voor oogen zijn geest daarmede uitsluitend -zou hebben bezig gehouden. Neen, wij kunnen uit onderscheidene plaatsen in zijne brieven -zien, dat een innig godvruchtige geest in hem woonde en hij in alles wat hij verwonderlijks -zag en opmerkte Gods grootheid en almacht roemde. Hoor onder anderen wat <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>hij zegt in een brief aan Nicolaas Witsen<a class="noteRef" id="xd31e3587src" href="#xd31e3587">206</a>, „<span lang="nl">Want wy en konnen den Heere en maker van het geheel-Al, niet meer verheerlyken, als -dat wy in alle zaken, hoe klein die ook in onse bloote oogen mogen zijn, als ze maar -leven en wasdom hebben ontfangen, zyn Al-wysheit en volmaaktheit, met de uiterste -verwondering sien uitsteken.</span>” -</p> -<p>Of zijn ontboezeming in een brief aan Frederik Adriaan<a class="noteRef" id="xd31e3595src" href="#xd31e3595">207</a> over het ontstaan van de oneindig kleine diertjes. „<span lang="nl">O diepte der Wysheyt, hoe ondoorgrondelijk zyn uwe werken, zullender nu nog menschen -gevonden werden, die seggen datter geen God is?</span>” -</p> -<p>Ik zou deze voorbeelden nog met een aantal anderen kunnen vermeerderen, doch het aangevoerde -zal, vertrouw ik, voldoende zijn om zijn vromen geest te kenschetsen. -</p> -<p>Nadat de eerbiedwaardige grijsaard deze zijne laatste beschikkingen gemaakt had, kon -hij gerust het hoofd nederleggen, omringd door zijne geliefde dochter, betrekkingen -en trouwe vrienden, en met recht kan van hem gezegd worden, dat hij gewerkt had, zoo -lang het voor hem dag was. -</p> -<p>Leeuwenhoek overleed den 26sten Augustus 1723 en had alzoo den ouderdom van bijna -91 jaren bereikt, waarvan hij er met zekerheid meer dan 60 onafgebroken aan zijne -geliefkoosde natuurstudiën had gewijd. -</p> -<p>Hij werd in de St. Hippolitus- of Oude Kerk te Delft begraven, alwaar een gedenkteeken -nog in goed onderhouden toestand gevonden wordt, dat zijne dochter Maria, 17 jaren -na het overlijden van haren vader, ter zijner nagedachtenis en eere heeft doen oprichten. -Dit gedenkteeken bestaat uit een spits toeloopende naald van hardsteen, door eene -vaas gedekt, al waar in het bovengedeelte de buste van Leeuwenhoek in wit marmer is -aangebracht, en waaronder men de volgende inscriptie leest: -</p> -<blockquote lang="la"> -<p class="first">„Piae et aet. (ernae) Memor. (iae) Antonii a Leeuwenhoek, reg. (iae) angl. (icae) -Societ. (atis) membr. (o), qui naturae penetralia et physices arcana microscopiis -ab ipso <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>inventis et mirabili arte fabricatis assiduo studio et perscrutatione detegendo et -idiomate belgico describendo de toto terrarum orbe optime meruit.” -</p> -<p class="xd31e3611">Nat. Delphi XXIV Oct. An. MVI<sup>C</sup>XXXII. -<br>Ibique denat. XXVI Aug. An. MVII<sup>C</sup>XXIII.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Onder den breed uitloopenden voet der grafnaald, welke op vier bollen rust, in het -midden waarvan een wit marmeren doodshoofd op kruiselings gelegde doodsbeenderen, -leest men de volgende inscriptie: -</p> -<p lang="la" class="xd31e3623">„Patri charissimo hoc monumentum filia Maria”<br> -A. Leeuwenhoek Moerens P. (osuit). -</p> -<p>Het geheele monument is omgeven door een sierlijk bewerkt ijzeren hek, terwijl vóór -dit hek zich het familiegraf bevindt, gedekt door eene zware zerk, waarop het volgende -opschrift is uitgehouwen: -</p> -<blockquote> -<p lang="nl" class="first">„Hier rust Antony van Leeuwenhoek, oudste lid van de Koninklyke Sosyteyt in Londe, -gebooren binnen de Stadt Delft op den 24sten October 1632 en overleden op den 26sten -Augustus 1723, out synde 90 jaren 10 maanden en 2 dagen. -</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">„Heeft elk, o wandelaar, alom -</p> -<p class="line">Ontzagh voor hoogen ouderdom -</p> -<p class="line xd31e3314">En wonderbare gaven, -</p> -<p class="line">Zoo zet eerbiedigh hier uw stap: -</p> -<p class="line">Hier legt de grijse wetenschap -</p> -<p class="line xd31e3314">In Leeuwenhoek begraven”<a class="noteRef" id="xd31e3641src" href="#xd31e3641">208</a>. -</p> -</div> -</blockquote><p> -</p> -<p>En eindelijk is, geheel aan het onderste gedeelte der zerk nog uitgehouwen: -</p> -<blockquote> -<p lang="nl" class="first">„en Maria van Leeuwenhoek desselfs dogter, geboren te Delft den 22sten September 1656 -en overleden den 25sten April 1745.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span></p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Verder is op de zerk uitmuntend uitgehouwen een schoon <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>bewerkte vliegende arend, met den kop hemelwaarts gericht, terwijl hij met de klauwen -een schild vastklemt, waarop zijn familiewapen<a class="noteRef" id="xd31e3657src" href="#xd31e3657">209</a> zal gegrift geweest zijn, doch dat er in den Franschen tijd is uitgehouwen, zoo als -dit met al de wapenschilden in ons land, op oude monumenten, waar deze vroeger bestonden, -het geval is geweest. Het is een schild van goud, beladen met een klimmenden leeuw -van azuur, getongd en geklauwd van keel. Het schild gedekt door een <span class="corr" id="xd31e3660" title="Bron: schuim">schuin</span> staanden helm, waarop als helmteeken een vogelvlucht van goud en azuur, gedekt met -helmdekken van goud en azuur. Onderaan ligt eene sphynx; dezelfde figuur, die ook -voorkomt op de allegorische titelplaat voor het eerste deel van de brieven van Leeuwenhoek, -en waarvan de beteekenis is, volgens de uitlegging van deze titelplaat door den dichter -T. van der Wilt: -</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line xd31e3664">„Scherpzinnigheid, waarmede</p> -<p class="line">’t Verborge wert ontdekt, en ’t duistere verklaart”…</p> -</div> -<p class="first">De dichter Poot maakte nog een ander gedicht „ter eeuwige gedachtenisse” van zijn -vriend Leeuwenhoek, waarvan de laatste regelen dus luiden: -</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line xd31e3314">„O Leeuwenhoek, zoo blank van hart als hair, -</p> -<p class="line">Ter quader uur door ’t straffe lot bemagtigt, -</p> -<p class="line xd31e3314">Ziet uit uw graf, zie eens na hondert jaer, -</p> -<p class="line">Hoe door de faem uw glori wort bekrachtigt. -</p> -<p class="line xd31e3314">Wy zullen, als de lente weligh bloeit, -</p> -<p class="line">En ’t kille sneeu komt op ’t gebergt ontdoien, -</p> -<p class="line xd31e3314">Uw stil vertrek, uw rustplaets onvermoeit, -</p> -<p class="line">Met geurigh loof en versch gebloemt bestroien, -</p> -<p class="line xd31e3314">Terwyl zult ge u vermaken in den rei -</p> -<p class="line">Der zaligen, daer andre starren lichten. -</p> -<p class="line xd31e3314">Vergeef my nu, dat ik weemoedigh <span class="corr" id="xd31e3686" title="Bron: schei">schrei</span> -</p> -<p class="line">’k Zal in myn ziel voor u een eerzuil stichten.— -</p> -<p class="line xd31e3314">En gy, die hier uws Vaders lyk betreurt, -</p> -<p class="line">Marye, eilaas! hoe schynt het heil verdweenen! -</p> -<p class="line xd31e3314">Bewys uw rou: ’t valt schaers een kint te beurt, -</p> -<p class="line">Zoo groot een’ Helt en Vader te beweenen.”</p> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span></p> -<p>Zoo als uit al het bovenvermelde blijkt, zijn de bijzonderheden omtrent de waarnemingen -van Leeuwenhoek alle ontleend aan brieven door hem aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” te Londen en aan particulieren geschreven en beslaan dus ook zijne geschriften uit -eene verzameling dezer brieven, die allen op verschillende tijden, aanvankelijk ieder -afzonderlijk of enkelen te samen, schijnen gedrukt en uitgegeven te zijn, blijkens -de pagineering, die in het eerste deel niet doorloopend is, maar voor iederen brief -afzonderlijk, en ook door de verschillende titels, waaronder zij bij onderscheidene -boekverkoopers te Delft en te Leiden zijn gedrukt en uitgegeven. -</p> -<p>Er bestaan van deze zelfde brieven twee uitgaven, namelijk de Hollandsche en de Latijnsche; -beiden in vijf 4<sup>o</sup> deelen, waarvan het vijfde deel de zoogenaamde „Sendbrieven” bevat. -</p> -<p>De Hollandsche verzameling, die in mijn bezit is, dateert van 1685–1718. Daarin zijn -de brieven van Leeuwenhoek opgenomen, deels onder den titel van „Ontleedingen en Ontdekkingen” -enz., deels onder dien van „Ondervindingen en Beschouwingen” enz., deels onder dien -van „Vervolg der brieven”, waarvan er zeven zijn. -</p> -<p>Deel I vangt aan met den 28sten brief en loopt tot n<sup>o</sup>. 52, bevattende de brieven van de jaren 1679 tot 1686, terwijl daarin ook het Eerste -Vervolg van n<sup>o</sup>. 53 tot 60, loopende van April 1687 tot November van dat zelfde jaar gevonden worden. -</p> -<p>Deel II bevat het Tweede tot Vierde Vervolg van n<sup>o</sup>. 61 tot n<sup>o</sup>. 83, loopende van 1688 tot 1694. -</p> -<p>Deel III bevat het Vijfde en Zesde Vervolg van n<sup>o</sup>. 84 tot n<sup>o</sup>. 107, loopende van 1694 tot 1696. -</p> -<p>Deel IV bevat het Zevende Vervolg van n<sup>o</sup>. 108 tot n<sup>o</sup>. 146, loopende van 1697 tot 1702. -</p> -<p>Deel V eindelijk bevat de „Sendbrieven” vervat in 46 brieven, loopende van 1712 tot -1716. Na aftrek dus van de 28 niet uitgegevene zijn er in deze verzameling in het -geheel 165 brieven opgenomen. -</p> -<p>De reden waarom deze brieven eerst met den 28sten aanvangen schijnt niet met zekerheid -bekend te zijn. De drukker van de brieven, die in het eerste deel voorkomen, zegt -aan het begin <span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span>van het „Register” op den 28sten tot den 52sten brief: „De voorgaande 27 brieven by -den Auteur geschreven, en heeft hij tot noch toe niet konnen resolveren, die met den -druk gemeen te maken; dus hier de 28ste Brief de eerste is die gedrukt is.” -</p> -<p>Van Haastert<a class="noteRef" id="xd31e3749src" href="#xd31e3749">210</a> oppert het vermoeden, als of hij den inhoud dezer 26 brieven uit kieschheid niet -geschikt voor de publiciteit zou gekeurd hebben, doelende op een postscriptum onder -een brief van Leeuwenhoek, handelende over de zaaddiertjes, waar hij zegt: -</p> -<p>„<span lang="nl">Ik heb nog eenige afzonderlijke waarnemingen over de vrouwen en de bevrugting enz., -doch ik houde die terug om geen aanstoot te geven.</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> En in een anderen brief aan Petrus Rabus<a class="noteRef" id="xd31e3760src" href="#xd31e3760">211</a>, „<span lang="nl">Myne stellingen omtrent de versamelinge, bevrugtwerdinge en voorttelinge van onze -vrouwen enz., hebbe ik sedert dat ze UE. onlangs tot mijnent gelezen had, nog aan -een zeer geleerd en voornaam Heer laten zien en daarby gezeid, dat UE. my hadde aangeboden -om het in ’t Latyn over te zetten, en in die taal wereltkundig te maken. Doch die -Heer is, nevens my, van gevoelen, dat wy zulks best mogten laten; eensdeels enz.… -en ten anderen, uit vreze dat de werelt, die dog boos en bot genoeg is, de Natuerkennis -tot haar verderf mogt gebruiken en meer en meer in ongebondenheid uitspatten.</span>” -</p> -<p>Ik kan mij echter met deze opgegeven reden niet vereenigen, dewijl ik in de brieven, -die ik van Leeuwenhoek in de „<span lang="en">Philosophical Transactions</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” van vóór 1679 geschreven, gevonden heb, die een zestiental bedragen, er slechts -eene gevonden heb die over de spermatozoïden handelt. -</p> -<p>Het is zeker te verwonderen, dat juist de brieven van 1673, waarin hij zijn eerste -brief aan bovengenoemd Collegie schreef, tot 1679, waarin de 28ste of eerste brief -der Verzameling is geschreven, in deze verzameling gemist worden. Deze toch vertegenwoordigen -een tijdvak, waarin zijne waarnemingen, zoo zeer de <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>bewondering en verbazing van de leden der „<span lang="en">Royal Society</span>” opwekten, dat daardoor niet alleen de aandacht op hem gevestigd werd, maar hem de -hooge onderscheiding werd waardig gekeurd als Lid van dat beroemd genootschap te worden -aangenomen en dat onder omstandigheden zoo vereerend voor hem als wellicht zelden -aan een ander zijn te beurt gevallen. Zijne in het IXde, Xde en XIde deel der „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” opgenomene brieven hebben betrekking op zijne microscopische onderzoekingen van -„bloed, melk, beenderen, de hersens, het haar, het kristallynvocht, de gezichtszenuw, -de textuur van het hout, de kleine diertjes in regen-, wel-, zee-, en <span class="corr" id="xd31e3785" title="Bron: sneeuwater">sneeuwwater</span>, alsmede in water, waarin men peper had laten trekken; de structuur der tanden, beenderen, -ivoor.” -</p> -<p>Ik vermoed eer dat Leeuwenhoek geen afschriften van deze eerste brieven zal gehouden -hebben, zoo als hij dit van de anderen deed en mij uit enkele perioden in sommige -zijner brieven gebleken is, en hij daarom buiten de gelegenheid was, toen men bij -hem op de uitgave zijner brieven begon aan te dringen, daaraan, wat deze 27 eerste -betreft, gevolg te geven. Dat Leeuwenhoek aanvankelijk tot die uitgave niet uit eigen -beweging, maar op aandrang van anderen is overgegaan, blijkt uit een brief van zijn -eersten uitgever Daniel van Gaesbeek te Leiden van 1 Januari 1684, bij wijze van opdracht -voor het eerste deel geplaatst, waarin hij dus aanvangt: „<span lang="nl">Als alle de werelt seer verwondert sprak, van de uitvindinge tot beschouwinge der -onsienelyke verborgenheidswaarheden, door UE. opgelost; ende dat veele boeken in andere -landen en taalen daar af gewaagden, brande myn lust, om meede een oog-getuige daar -in te zijn; soo heeft my den geleerden Medicyn-meester de Heer Cornelis van ’s Gravesande, -Raad en Scheepen der stad Delft, bij UE. geleid: waar ik door UE. konstige en niet -min loflyke uitvindinge, die verwonderlyke verborgentheden Gods, door UE. beleefde -goeddadigheid komende te beschouwen, soo bevond ik, dat de vreemde boeken die daar -af door de wereld sweeven, in den zin, afteekening en waardigheid niet weinig verschilden, -en ook dat onse eige ingeboorne landsaten in haar taal niet kosten genieten die wetenschappen, -die reeds eenige naburige volkeren in haar eygen <span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>taal en sprake waren bekend geworden. Derhalve niet rustende, ofte ik had bekoomen -yets van ’t gene UE. selfs de weerelt meede gedeelt had, so wierden my ter hand besteld -(door een Heer, die ik en de wereld daar voor moet danken) deese UE. nevensgaande -brieven, by UE. „meede Broeders van dat Hoogloflijke Collegie des Koninklijke Sociëteits -in Engeland”. Deese (waarin soo bysondere wonderheden waren aan te schouwen) dagten -my te waardig, om niet aan alle onse Landsgenooten in haar eigen taal (door hulp van -den voornoemden Heer, en myn druk-pers, mitsgaders de konstige hand des plaat-snyders, -Abraham de Blois te Delft) sigtbaar voor te stellen, als zijnde een grondsteen, waar -op alle wijsgeerige en doordringende verstanden voort bouwen en haare wetenschappen -verder verklaren. Soo leg ik deese myne daad en sorge wederom voor UE. neder; in hoope, -dat dit myn stout bestaan by UE. over ’t hoofd gesien, ende ten besten geduid sal -werden; dat ook UE. deese uwe eerstelingen (die dan een Engels, dan een Frans, en -dan wederom een Oud-Rooms hulsel syn opgeset en daardoor veel van haar eygen wesen -en luyster hebben verloren, en nu eerst het ligt in haar eygen vaderland komen te -aanschouwen) niet en sult afwijsen; maar als UE. eygene vrugten en maaksels uwes verstands -erkennen en aannemen; ende daardoor nog meer en meer bewogen werden, omme niet alleen -UE. verdere ondervindingen, <span id="xd31e3794"></span>maar ook die gene, die UE. (zoo ik onderrigt ben) omtrent thien jaren herwaards aan -het Hoogloffelijk Collegie in Engeland heb opgedist, tot voldoeninge van onse ingesetene -wijsgeerders meede te deelen, en dien kostelijken schat onse ingeboorne niet langer -te onthouden, waartoe ik hoope God de Heere UE. ondersoekingen meerder en altoos sal -zeegenen</span>”. -</p> -<p>Deze laatste periode doelt blijkbaar op de eerste 27 brieven, die Leeuwenhoek aan -de „<span lang="en">Royal Society</span>” geschreven had. -</p> -<p>Nog op eene andere gaping in de bekendmaking zijner brieven in de Hollandsche en Latijnsche -verzameling wil ik wijzen. -</p> -<p>De laatste brief namelijk van het „Zevende vervolg” (Deel <span class="corr" id="xd31e3806" title="Bron: 1V">IV</span>) eindigt met den 146sten brief, gedateerd 10 April 1702, terwijl de eerste der 46 -„Sendbrieven” de dagteekening draagt van 8 <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>November 1712. Er is dus weder een tijdvak van 10 jaren, waarin geen brieven van Leeuwenhoek -in onze taal of in het Latijn afzonderlijk zijn gedrukt. Mogelijk zijn het deze brieven, -waarop gedoeld wordt aan het slot van den Catalogus der verkooping der microscopen -in de volgende noot: „N.B. In den boedel van wijle Jufvrouw Maria van Leeuwenhoek -zijn gevonden eenige nagelaten manuscripten of brieven van haar vader, den Heer Antoni -van Leeuwenhoek, dewelke door Z.E. in deszelfs leven geschreven en in eene nette en -goede orde geschikt zijn, om als een vervolg op zijne voorgaande uitgegeven brieven -gedrukt te kunnen worden; <span class="corr" id="xd31e3811" title="Bron: aIle">alle</span> de Platen daartoe behoorende, zijn daarbij en reeds in ’t koper gegraveert, zoo als -de Latijnsche vertaling van voorzeide brieven. Iemand genegen zijnde dit werk te laten -drukken, kan zich addresseren aan de Executeurs van de voorz. boedel.” Wat er van -die brieven geworden is ben ik niet te weten kunnen komen. -</p> -<p>Eene andere verklaring, die mij, in verband met het boven vermelde, niet onwaarschijnlijk -voorkomt, vond ik in hetgeen zijne dochter aan von Uffenbach, tijdens zijn bezoek -aan Leeuwenhoek mededeelde. „<span lang="de">Sie erzählte uns</span>,” zegt hij, „<span lang="de">dass ihr Vater seit einigen Jahren viel neues durch seine Microscopia entdekt hätte, -er wolte aber in seinen leben nichts mehr von seinen Observationen herausgeben, weil -ihne einiger Schimpf, vermuthlich in Schriften, wiederfahren, da man sich über seine -sonderliche Meinungen in seinen Schriften hin und wieder spottisch aufgehalten, und -ihm schuld gegeben, er habe mehr durch seine Einbildung gesehen, als durch seine Gläser.</span>”<a class="noteRef" id="xd31e3822src" href="#xd31e3822">212</a> Dit bezoek nu had juist plaats in 1710, en de door zijne dochter bedoelde „nieuwe -waarnemingen” kunnen dus zeer goed slaan op die, welke hij sedert 1702 ondernomen -en aan de Royal Society had medegedeeld. Ik heb deze brieven in de „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” van de jaren 1702–1712, deel XXIII–XXVII, gevonden, de volgende waarnemingen worden -er in vermeld: „Over het groen kroos in het water groeiende, en eenige diertjes daarin -gevonden; de zaden van verschillende Oost-Indische planten; <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>den kinabast; het beslag der tong bij koortsen; de bloedvaten; de circulatie van het -bloed bij de visschen; candysuiker; de zaadvaten<span class="corr" id="xd31e3836" title="Bron: ,">;</span> spiervezels en bloed van den walvisch; de huid van den olifant; de voortteeling der -mossels; de milt; roodkoraal; samenstelling van diamanten.” -</p> -<p>Eindelijk heb ik nog, na de laatste der „Sendbrieven” d.d. 20 Nov. 1717, waar hij, -om zijne hooge jaren, afscheid neemt van de Royal Society, in het XXXIste en XXXIIste -deel der „<span lang="en">Transactions</span>” een achttal brieven gevonden, van de jaren 1720 tot 1723, hetzelfde jaar, waarin -hij gestorven is, handelende: „Over beenderen; het middenrif; de spiervezels der visschen; -de vaten in sommige soorten van hout, en over spiervezels in verschillende dieren; -de membranen die de vaatbundels omsluiten, waarin een spier verdeeld is; de spiraalvaten -van de bladeren; het wollige bekleedsel der persikken en kweeappels;” waarbij eindelijk -nog gevoegd moeten worden de beide brieven, die Leeuwenhoek op zijn sterfbed aan zijn -vriend Johannes Hoogvlied verzocht in het Latijn over te zetten en aan de Royal Society -toe te zenden, welke brieven ik reeds uitvoeriger besproken heb. -</p> -<p>De Latijnsche verzameling bestaat eveneens uit vijf deelen in 4<sup>o</sup>. onder de volgende titels: -</p> -<p>Deel I onder dien van: „<span lang="la">Anatomia et contemplatio nonnullorum naturae invisibilium secretorum, comprehensorum -Epistolis quibusdam scriptis</span>” etc. Lugd. Bat. 1685. -</p> -<p>Deel II: „<span lang="la">Epistolae ad Societatem Regiam Londinensium et alios viros illustros datur.</span>” Lugd. Bat. 1689. -</p> -<p>Deel III<span class="corr" id="xd31e3861" title="Bron: ;">:</span> „<span lang="la">Anatomia, hoc de interioribus rerum, cum animatarum, tum inanimatarum, ope et beneficio -exquisitissimorum microscopiorum detectis.</span>” Lugd. Bat. 1689. -</p> -<p>Deel IV: „<span lang="la">Arcana naturae ope microscopiorum detecta.</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> Delphi 1695–1697. -</p> -<p>Deel V: „<span lang="la">Epistolae physiologicae super compluribus naturae arcanis, hactenus nunquam editae</span>,” Delphi 1709. -</p> -<p>Later heeft men ze nog gezamenlijk uitgegeven onder den titel: „<span lang="la">Opera omnia seu Arcana naturae ope exactissimorum microscopiorum detecta</span>;” doch men heeft er een nieuw titelblad voor geplaatst met de jaartallen 1715–1722. -<span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span></p> -<p>A. J. van der Aa<a class="noteRef" id="xd31e3886src" href="#xd31e3886">213</a> vermeldt eveneens de bovengenoemde Hollandsche en Latijnsche uitgaven in vijf deelen, -waarin de brieven van Leeuwenhoek zijn vervat, en bevestigt, door de vermelding der -afzonderlijke titels, waaronder zij zijn uitgekomen, dat enkele dezer brieven bij -een-, twee-, drie- en meertallen te samen afzonderlijk zijn uitgegeven en, zoo als -ik boven opmerkte, betrekking hebben op de 52 eerste brieven, altijd daarvan afgetrokken -de 27 eerste niet gedrukte, terwijl hij zoowel van de Hollandsche als de Latijnsche -uitgave de geheele uitvoerige titels mededeelt. Men vindt verder nog bij van der Aa -zijne correspondentie met Petrus Rabus, de uitgever van de „Boekzaal van Europa,” -welk tijdschrift tot op onzen tijd onder den naam van „Boekzaal der geleerde wereld” -is bekend gebleven. -</p> -<p>In de Hollandsche en Latijnsche verzamelingen zijner brieven vindt men er echter slechts -één aan genoemden schrijver, die een bijzonder vriend van Leeuwenhoek moet geweest -zijn. -</p> -<p>Deze correspondentie heeft Rabus in zijn „Boekzaal” bekend gemaakt; ze is de volgende: -</p> -<p>1. „Korte inhoud van een brief, geschreven uit Kolmar, behelzende een overzeldzame -ziekte van eene vrouw, die rijpen (rupsen) uit haar regter oor loosde”, en brief van -Leeuwenhoek aan den schrijver van de Boekzaal over de vorenstaande historie. -</p> -<p>2. „Uittreksel uit een brief van den grooten onderzoeker der Natuurgeheimen den Heere -Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan den schrijver van de Boekzaal, waarin gehandeld -wordt van de vis, Roch genaamd, deszelfs eijeren, bloedvaten enz.” Delft den 21 Mei -1695, (In de P. R. Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1695, blz. 322). -</p> -<p>3. „<span lang="nl">Brief van den grooten natuur-beschouwer den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven -aan P. Rabus, zoo als ze van woorde tot woorde luid (een vervolg van ’s Mans ontdekkingen, wegens het hoornvlies en d’ oogen van een Rombout -(Korebout of Puistebijter); ontleding van ’t gemelde vlies. Beschouwing door ’t zelve. -Uit hoevele schubachtige opeenleggende deelen het bestaat. Volmaaktheid van ’t oog. -Reden waarom het vliegend dier <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>met zoo veel duizende gezigten voorzien is; Krabbe-, kreeften- en garnaals-oogen. -Eijernesten der vorensgezeide Rombouten, Groot getal eijeren. Oorzaken waarom uit -die eijeren niet meer voortgekomene dieren gezien worden. Besluit van de voortteelinge</span>” in P. Rabus. Boekzaal, Nov. en Dec. 1694. blz. 511. -</p> -<p>4. „Brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek aan den schrijver van de Boekzaal (P. -Rabus) gezonden, als een vervolg van zijn gevoelen over de historie van de vrouw van -Kolmar, in de naast voorgaande twee maanden verhandeld en onderzogt. Bij Rabus, Boekzaal -van Europa,” Julij en Aug, 1695, blz. 92; Sept. en Oct. blz. 258. -</p> -<p><span class="corr" id="xd31e3905" title="Bron: 4">5</span>. „Brief van Antoni van Leeuwenhoek aan P. Rabus, waarin gehandeld word van den zoogenaamden -Honigdauw. Wat de boeren en het algemeene volk daardoor verstaan. Waarneming van zeker -glimpend vocht op lindebladen. Zoutdeelen in dezelve. Deze vocht in ’t oog als een -olyachtige stoffe voorkomende, valt geenszins uit de lucht. Ze wordt uit de bladeren -uitgestooten. Beschouwing van meer boomen en hare bladen, bijzonderlijk den Wijngaert. -Bevestiging van het voorgestelde<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> Nog iets van de wigchelroede”; in P. Rabus, Boekzaal van Europa, Julij en Aug. 1696, -blz. 144.<span id="xd31e3910"></span> -</p> -<p>6. „Uittreksel uit zekeren brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek, den vijfden -van Grasmaand 1697 aan de Koninklijke Maatschappij te Londen geschreven, wegens den -zeilsteen en het ijzer”, in Rabus, Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1697, blz. 459. -</p> -<p>7. „P. Rabus, Brief aan den grooten uitvinder der Natuurgeheimen, den Heer Ant. van -Leeuwenhoek”; in Boekzaal van Europa, 1693, blz. 159.<span id="xd31e3915"></span> -</p> -<p>8. „Uittreksel uit een brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan -den schrijver der Boekzaal. Over de vloo-teelt”; in Boekzaal van Europa, 1633, blz. -554. -</p> -<p>9. „Brief van den schrijver des Boekzaals aan Antoni van Leeuwenhoek afgevaardigt, -over een zonderlinge historie van goud, zilver of andere bergstoffen, met een tweesprankelig -takje van een boom te ontdekken”; in Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1696, blz. -495 en Antwoord van Ant. van Leeuwenhoek, blz. 522. -<span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span></p> -<p>Van deze brieven zijn N<sup>o</sup>. 1, 2, 4, 7 en 9 niet in de verzameling zijner brieven te vinden, terwijl over den -inhoud van N<sup>o</sup>. 3 gehandeld wordt in het IIIde deel, 5de vervolg, 85ste brief, blz. 5; van N<sup>o</sup>. 5 in het IIIde deel, 6de vervolg<span class="corr" id="xd31e3933" title="Bron: ,">;</span> 104de brief, blz. 293 en IVde deel, 7de vervolg 109de brief<span class="corr" id="xd31e3936" title="Bron: ,">;</span> van N<sup>o</sup>. 6, in het IVde deel, 7de vervolg, 108ste brief, blz. 3; van N<sup>o</sup>. 8 in het IIde deel, 4de vervolg, 76ste brief, blz. 561. -</p> -<p>Men vindt nog bij van der Aa vermeld, dat de brieven van Leeuwenhoek in de „<span lang="it">Giornale Litterati</span> te Modena” zijn opgenomen. -</p> -<p>Ook zijn de Microscopische beschouwingen, vervat in de „Philos. Transact.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> N<sup>o</sup>. 3, pag. 51; N<sup>o</sup>. 94, pag. 6037; N<sup>o</sup>. 97, pag. 6116; N<sup>o</sup>. 102, 106, 108, 117, 136, 143, door Leske in het Hoogduitsch overgezet en uitgegeven, -2 deelen in één band. -</p> -<p>Verder: „<span lang="la">De generatione Hominis, liber Petri Gercke, Med. Dr. Chymiae, Theoriae, et Materiei -Med. Profess. P. O. in Academia Julia Serenissimi Ducis Brunsvic. et Luneb. à consiliis -Aulae et Archiatri ac Regiae Societatis Scientiarum Berol. Membri. Helmst. 1744.</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Een uittreksel van Leeuwenhoek’s brieven verscheen achter „<span lang="fr">Cours de Physique, accompagné de plusieurs Pièces concernant la Physique, qui ont -déja paru et d’un Extrait critique des Lettres de Mr. Leeuwenhoek, par feu Mr. Hartsoeker, -A la Haye, 1730 4<sup>o</sup>.</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> <span class="corr" id="xd31e3982" title="Bron: ’twelk">’t welk</span> aanwezig is op de Academische Bibliotheek te Leiden. -</p> -<p>Eene uitvoerige lijst van de brieven van Leeuwenhoek kan men ook vinden bij L. Theod. -Gronovius, <span lang="la">Bibliotheca Regni animali atque lapidi.</span> L. B. 1760, pag. 159. -</p> -<p>Verder vermeldt Dr. Herman August Hagen in zijn „<span lang="la">Bibliotheca entomologica</span>,” Leipzig 1862, een 15tal brieven, allen van entomologischen inhoud. -</p> -<p>Prof. Louis Agassiz heeft de brieven van Zoölogischen inhoud van Leeuwenhoek opgenomen -in zijn „<span lang="la"><span class="corr" id="xd31e3998" title="Bron: Bibliotheca">Bibliographia</span> zoologiae et geologiae</span>,” London 1852. -</p> -<p>J. Victor Carus en Wilhelm Engelmann hebben dit gedaan in hun „<span lang="la">Bibliotheca Zoölogica</span>,” Leipzig 1861, voor een aanzienlijk aantal zijner brieven, die zij onder de desbetreffende -rubrieken hebben vermeld. -<span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span></p> -<p>Eindelijk volgt hier de korte inhoud van de acht manuscripten van Leeuwenhoek, die -ik geraadpleegd heb, waarvan er twee berusten in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, -Cat. XVIII, Huygens, N<sup>o</sup>. 26 en 30, en de overigen in de verzameling waren van Mr. L. C. Luzac, doch na diens -overlijden verkocht zijn<a class="noteRef" id="xd31e4013src" href="#xd31e4013">214</a>, als: I. vijf aan Constantijn Huygens; II. twee aan Christiaan Huygens; III. een -aan N. Oldenburg, Secretaris der Royal Society te Londen, terwijl er zich nog één -eigenhandig geschreven brief van Christiaan Huygens aan Leeuwenhoek bij bevindt, waarbij -gevoegd is een door Leeuwenhoek geschreven en uitgewerkte berekening, ten betooge, -dat er meer dan tienmaal zoo veel levende dieren uit de hom van een cabeljau voortkomen -als er menschen op de aarde leven. Dezelfde berekening wordt gevonden in een „postscriptum” -onder een brief van Leeuwenhoek aan Nehemias Grew, Secretaris der Royal Society te -Londen (28ste brief, blz. 14). -</p> -<p>Al deze brieven zijn geteekend Antoni Leeuwenhoeck, de voornaam met een lange i zonder -„van” en met „ck.” -</p> -<p>De inhoud dezer manuscripten is de volgende: -</p> -<p>I. 1<sup>o</sup>. d.d. 5 April 1674: Over de globulen in melk, het haar, de nagels; de vorming van -melk in de vrouwen-borsten uit bloed. -</p> -<p>2<sup>o</sup>. d.d. 24 April 1674: Over de bloedbolletjes; de beenderen; waaraan de witte kleur -aan fijngestoten gekleurde stoffen is toe te schrijven; de bolletjes in de kuit van -cabeljauw. -</p> -<p>3<sup>o</sup>. d.d. 7 November 1676: Over de diertjes in gekruide wateren, en in regen- en andere -wateren, waarin hij zes verschillende diertjes beschrijft; de aaltjes in azijn; Leeuwenhoek -bedankt in deze brief aan het slot, voor het aanbod van zijn zoon, Christiaan Huygens, -om zijne observatiën in de Fransche taal over te zetten en ze in die taal wereldkundig -te maken. -</p> -<p>4<sup>o</sup>. d.d. 26 December 1678: Opmerkingen over de door Christiaan Huygens waargenomen en -afgebeelde diertjes in verschillende <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>wateren; over het zoogenaamde stof op de vleugels der kapellen en afbeelding dezer -schoone schubjes. -</p> -<p>5<sup>o</sup>. d.d. 21 Mei 1679: Speculatien over de kleine vatjes en zenuwen in de kleine diertjes -in het water enz.; calculatie omtrent de grootte dezer diertjes. -</p> -<p>II. 1<sup>o</sup>. d.d<span class="corr" id="xd31e4051" title="Bron: ,">.</span> 15 Februarij 1677: Dankzegging voor de vertaling in het Fransch zijner observatiën. -</p> -<p>2<sup>o</sup> d.d. 15 Mei 1679: Medegegeven aan zijn zusters zoon Antoni Molyn of du Molyn. (Zie -mijn familieregister). Over de beweging der kleine diertjes met een lange staart. -Aanbeveling aan Chr. Huygens om, vóór hij zijn „Dioptrica” uitgeeft, het boekje van -Robert Hooke, „<span lang="en">Lectures and collections</span>” te lezen. -</p> -<p>III. d.d. 1 Junij 1674. Dankzegging voor ontvangen nommers der „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” en voor de aanmoediging van Boyle, om voort te gaan in het onderzoeken van de „<span lang="nl">bloeijende couleur</span>”, die het bloed uit de aderen ondergaat, als het aan lucht is blootgesteld; observatie -over het nederzakken der bloedbolletjes naar den bodem; over de wijze hoe hij bloed -en melk in dunne glazen pijpjes observeert, en beschrijving en afbeelding dezer fijne -haarbuisjes; over de drukking die de lichamen door de lucht ondervinden (hij zond -er eenige der boven beschreven haarbuisjes om het bloed in waar te nemen bij); over -de structuur van beenderen en tanden; over de lever; de hersenen en het ruggemerg -eener koe; het vleesch en de dunne striempjes daarin; speeksel; de menschelijke opperhuid. -</p> -<p>IV. d.d. 6 Maart 1690. Minute van een brief van Christiaan Huygens aan Leeuwenhoek. -Over eene verbeterde wijze om de glazen bol in te richten, ten einde de ronddraaiende -beweging der aarde aan te toonen (zie bl. 66 en zesde vervolg 101ste brief, blz. 263). -</p> -<p>Verder handelt een eigenhandig geschreven brief van Leeuwenhoek aan den Heer L. van -Velthuysen, in het bezit geweest van wijlen den Heer van Dam van Noordeloos te Rotterdam, -van 11 Mei 1679: Over de figuur van een plant in zaaden te zien; de spiraalvaten in -de zaden, het hout en andere deelen der planten; de schimmel op oud leder en hoe het -gevormd wordt; over de witte vloed. -<span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span></p> -<p>Later is mij nog door Dr<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> du Rieu bericht, dat door hem in een bundel nog niet op den catalogus gebrachte brieven, -gevonden zijn vier brieven van Leeuwenhoek: -</p> -<p>1<sup>o</sup>. Een afschrift van een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek, waarvan het oorspronkelijke -berust bij den Heer Mazel, Oud-Secretaris-Generaal van Buitenlandsche Zaken te ’s -Hage „Over de zoogenaamde zaaddiertjes<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>; de aaltjes in den azijn, waaromtrent Leeuwenhoek vermeldt, dat er 8 <span class="corr" id="xd31e4086" title="Bron: â">á</span> 10 in een glazen pijp te zien waren, welk getal, na verloop van 3 maal 24 uren, tot -meer dan 80 was vermenigvuldigd, en dat hij zich niet kan begrijpen hoe deze zonder -voortteeling kunnen ontstaan. Dit bracht hij over op de vermenigvuldiging van de diertjes -in het regenwater, waarbij het hem eveneens onbegrijpelijk is, hoe zij voortteelen. -Hij verdiept zich verder in dezen brief over de vraag, waar het zaad van daan komt, -waaruit de diertjes voortkomen, die in het sperma van menschen en dieren gevonden -wordt. -</p> -<p>2<sup>o</sup>. De eigenhandige brief in Halbertsma’s dissertatie, pag. 70 vermeld als N<sup>o</sup>. VIII der „Philos. Transact.” -</p> -<p>3<sup>o</sup>. De eigenhandige brief, eveneens in genoemde dissertatie op pag. 69 vermeld, en in -het Engelsch vertaald te vinden in de „Philos. Transact.” Vol. XXIV, pag. 1614. -</p> -<p>Aan het hoofd van dezen brief teekent Prof. Halbertsma aan<span class="corr" id="xd31e4104" title="Bron: .">,</span> dat deze geschreven is in een tijd, dat Leeuwenhoek boos was en in het Hollandsch -althans niets uitgaf. Deze brief handelt over de cochenilje en bevat eene wederlegging -van de bewering, dat deze stof geen diertjes zouden zijn. Hij haalt daarbij aan de -verklaring van een ooggetuige, namelijk een oud Spanjaard van Jamaica, en beschrijft -de wijze hoe deze op de bladeren en takjes van zeker gewas „<span lang="en">prikle-pear</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> of Indische vijg, met dikke ronde bladeren en scherpe stekels voorzien, voortplanten, -en hoe zij eindelijk door den rook van brandende stoffen gedood en verzameld worden -op onder de planten uitgespreide kleeden enz. Deze bijzonderheden zegt Leeuwenhoek -ontleend te hebben uit de „Philos. Transact.” van de maanden Maart, April, Mei en -Juni 1691, waarvan hij zich eene vertaling had doen maken. -</p> -<p>4<sup>o</sup>. Twee eigenhandige brieven aan den dichter van verzen op zijn afbeeldsel gemaakt, -namelijk H. K. Poot, terwijl het tweede <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>gedicht te vinden is vóór de „Sendbrieven” van Leeuwenhoek. Deze brieven zijn van -10 Mei 1716. Hij handelt daarin: „over de diertjes in het water,<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> en voegt er eene uitvoerige berekening bij van hunne grootte, terwijl de tweede handelt: -„over de maagdepalm,<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> waarvan men beweerde, dat de bloem, die het droeg, geen zaad zou voortbrengen, welke -bewering hij door zijne onderzoekingen logenstrafte. -</p> -<p>Deze aan Poot geschreven brieven waren bezegeld met een cachet, waarin het vrij goed -bewaarde portret van Leeuwenhoek gegraveerd was, zooals blijkt uit de goede gelijkenis -met het gegraveerde portret, uitgegeven bij zijn „Ontledingen en ontdekkingen.” Leiden -1686. -</p> -<p>Eindelijk werd mij nog niet lang geleden door Dr. du Rieu medegedeeld, dat door hem -in den „Navorscher” van 1864, blz. 351, een afschrift is gevonden van een brief van -Leeuwenhoek, d.d. 9 Febr. 1701, aan Frederik Adriaan van Rhede en handelende over -verfstoffen en turfgraving. -</p> -<p>Ook van al deze brieven zijn mij, door de welwillende zorg van Dr. du Rieu, nauwkeurige -afschriften toegezonden. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>De bronnen die ik bij de samenstelling dezer levensbeschrijving heb geraadpleegd, -zijn, behalve de boven genoemde manuscripten, enz. de volgende: -</p> -<p>D. Hoogstraten, Algemeen woordenboek voor kunsten en wetenschappen, 1729. -</p> -<p>H. Baker, Nuttig gebruik van het Mikroskoop enz., uit het Engelsch door M. Houttuyn -1755. -</p> -<p>H. Baker, Het mikroskoop gemakkelijk gemaakt enz., uit het Engelsch door M. Houttuyn -1778. -</p> -<p>G. Stoll, <span lang="de">Anleitung zur Historie der medicinischen Gelahrheit.</span> 1731. -</p> -<p>Z. C. von Uffenbach, <span lang="de">Merkwürdige Reisen durch Nieder Sachsen, Holland, und Engelland</span>, 1754. -<span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span></p> -<p>A. v. Haller, <span lang="la">Bibliotheca anatomica</span><span class="corr" id="xd31e4148" title="Niet in bron">,</span> Tom. I. 1774. -</p> -<p>G. van Loon, Beschrijving der Nederl. historiepenningen. Bd. III. 1723. -</p> -<p>Collot d’Escury, Holland’s Roem in kunsten en wetenschappen. Deel 7. 1844. -</p> -<p>G. Nieuwenhuis, Woordenboek van kunsten en wetenschappen. Deel 5. 1859. -</p> -<p>Isaac van Haastert, Antoni van Leeuwenhoek vereerend herdacht enz. 1823. -</p> -<p>Tijdschrift voor natuurlijke geschiedenis- en physiologie, uitgegeven door Prof. I. -van der Hoeven, en W. H. de Vriese 1834. 1e deel, bevattende: Eene verhandeling van -H. C. van Hall over Antony van Leeuwenhoek en zijne verdiensten voor de plantkunde. -</p> -<p>N. G. van Kampen, Beknopte geschiedenis der letteren en wetenschappen 2e deel. -</p> -<p>H. Halbertsma I. fil., <span lang="la">Dissertatio historico-medica inauguralis de Antonii Leeuwenhoekii meritis in quasdam -partes anatomiae microscopiae 1843. Inhoud: De vita Leeuwenhoekii; de sanguine; de -vasis et circulatione; de ossibus; de dentibus.</span> -</p> -<p>F. Le Sueur Fleck, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud: <span lang="la">De musculis; de lente crystallina.</span> -</p> -<p>N. H. van Charante, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud: <span lang="la">De nervis; de epidermide; de pilis; de materie ad dentes haerente.</span> -</p> -<p>A. van der Boon Cs., Geschiedenis der ontdekkingen in de ontleedkunde van den mensch, -gedaan in de Noordelijke Nederlanden, 1851. -</p> -<p>G. Cuvier, <span lang="fr">Histoire des sciences naturelles. Tom. 2. 1841.</span> -<span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span></p> -<p>P. Harting, Het mikroskoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen toestand. -3e deel 1850. -</p> -<p>Émile Blanchard, <span lang="fr">Les premières observations au microscope</span>, in „<span lang="fr">Revue des deux mondes 15 Juill. 1868.</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Boitet, Beschrijving der stad Delft 1729. -</p> -<p>Birch, <span lang="en">the History of the Royal Society of London 1757.</span> -</p> -<p lang="fr">Biographie Universelle etc. Paris 1819 T. XXIV. -</p> -<p>Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Academie van Wetenschappen, Afdeeling Natuurkunde, -deel 13. 3e stuk. 1862, waarin eene verhandeling voorkomt van Prof. H. Halbertsma -over Johan Ham van Arnhem. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd31e287"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e287src">1</a></span> <span lang="fr">„Revue des deux mondes” 15 <span class="corr" id="xd31e290" title="Bron: Juillet">juillet</span></span>, 1868 pag. 379. <a class="fnarrow" href="#xd31e287src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e316"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e316src">2</a></span> N. G. van Kampen, „Beknopte geschiedenis der Letteren en Wetenschappen in de Nederlanden<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>, 2de deel, blz. 58. <a class="fnarrow" href="#xd31e316src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e338"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e338src">3</a></span> 20ste Sendbrief van 13 Maart 1716, blz. 189. <a class="fnarrow" href="#xd31e338src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e346"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e346src">4</a></span> De naam van Leeuwenhoek wordt verschillend geschreven. Uit een achttal eigenhandig -door hem geschreven brieven aan Constantijn en Christiaan Huygens, en aan N. Oldenburg, -Secretaris der „<span lang="en">Royal Society</span>” te Londen, van de jaren 1674, 1676, 1677 en 1679, berustende in de Bibliotheek der -Leidsche Hoogeschool, waarvan ik door de zorg van Dr. du Rieu, „conservator der manuscripten” -bij genoemde Bibliotheek, nauwkeurige afschriften bekomen heb, alsmede uit een eigenhandigen -brief van Leeuwenhoek aan den Heer L. van Velthuysen, van het jaar 1679, in het bezit -van wijlen den Wel-Ed. Geb. Heer Van Dam van Noordeloos te Rotterdam, van welke ik -zelf een afschrift mocht nemen, teekent hij zich Antoni (<i>lange i</i>) Leeuwenhoe(<i>c</i>)k, terwijl een andere brief van hem, in het jaar 1701 aan „Burgemeesteren en Regeerders -der stad Delft” geschreven, betrekking hebbende op zeker verschil in de steenkolenmaten -te Delft en te Rotterdam, welke brief berust in het Archief van Delft, en waarvan -mij door den Heer Mr. Soutendam, Secretaris en oud-Archivaris van Delft, welwillend -afschrift verleend werd, de onderteekening draagt van Antoni, (<i>lange i</i>) van Leeuwenhoek (<i>zonder c</i>), terwijl in zijne gedrukte brieven de <i>c</i> vóór de <i>k</i> aan het einde van zijn naam nu eens gebezigd, dan weggelaten is. Ook moet nog opgemerkt -worden, dat hij steeds een lange <i>i</i> bezigde bij het „schrijven” van zijn voornaam Antoni, waardoor deze dan ook in zijn -gedrukte brieven met een <i>y</i> wordt gespeld. Overigens was het schrijven van de <i>c</i> vóór de <i>k</i>, in vroegeren tijd, algemeen en komt in „<span lang="nl">ick, melck, dick, volmaeckt</span> enz.” steeds voor in zijne brieven, terwijl men in het schrijven van den naam in -oude tijden geenszins de juistheid en gelijkheid van spelling, of het gebruiken of -weglaten van het voorzetsel „<i>van</i>” in acht nam, zoo als in onzen tijd, waar dit verzuim in rechten de belangrijkste -gevolgen kan hebben. Voegt men nu hierbij dat Leeuwenhoek’s dochter, die na zijn dood -een gedenknaald ter zijner eere in de Oude Kerk te Delft liet oprichten, daarop en -op de zerk, die zijn graf dekte, zijn naam aldus liet stellen: „Antony van Leeuwenhoek,” -dan acht ik mij hierdoor genoegzaam verantwoord zijn naam ook aldus te schrijven. <a class="fnarrow" href="#xd31e346src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e379"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e379src">5</a></span> Margaretha Bel van den Bergh was de dochter van Jacob Sebastiaanzn. <span class="pageNum" id="pb7n">[<a href="#pb7n">7</a>]</span>Bel van den Bergh, van een oud en aanzienlijk Delftsch geslacht. Deze laatste was -in 1608 lid der 40en van de Stedelijke Regeering, en in 1610 en 1612 Schepen van Delft, -terwijl reeds in 1579 bij Boitet gewag gemaakt wordt van zijn vader Bastiaan Corneliszn., -als lid der 40en, Kerkmeester, en andere waardigheden bekleedende. <a class="fnarrow" href="#xd31e379src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e386"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e386src">6</a></span> In een oud familie-register in mijn bezit vindt men aangeteekend, dat zijn oudste -zuster Margaretha, uit haar huwelijk met Jan du Molyn, vijf kinderen geboren werden, -namelijk Philippus, Maria, Margaretha, Geertruida en Antony, waarvan Maria huwde met -Cornelis Haaxman, terwijl Philippus en Geertruida ongehuwd overleden, Margaretha met -Arnoldus van den Heuvel en Antony met .… Poelgeest huwde, welke laatste zich aan de -geneeskunde wijdde. Van dezen Antony Molyn (of du Molyn), die zich tot voortzetting -zijner studiën naar Parijs begaf, maakt Leeuwenhoek gewag in zijn brief aan Christiaan -Huygens, d.d. 15 Mei 1679, aanwezig in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool en -waarvan eene kopie in mijn bezit is. <a class="fnarrow" href="#xd31e386src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e391"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e391src">7</a></span> Boitet, „Beschrijving der stad Delft, 1729, in fol., blz. 765.” Isaac van Haastert, -„Antony van Leeuwenhoek vereerend herdacht, 1823, pag. 10” D. Hoogstraten, „Algemeen -Woordenboek voor Kunsten en Wetenschappen 1729, blz. 138.” <a class="fnarrow" href="#xd31e391src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e394"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e394src">8</a></span> 22ste Sendbrief, blz. 206. <a class="fnarrow" href="#xd31e394src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e397"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e397src">9</a></span> Dat de brouwers veelal onder de aanzienlijke en rijke burgers gerekend werden, kan -blijken uit hetgeen bij Boitet, bl. 646, gemeld wordt. -</p> -<p class="footnote cont">„<span lang="nl">Yder weet ook, dat de brouwers in dese stad altijt boven andere koopluiden verheven -wierden; <span id="xd31e403"></span>mannen die doorgaans op het kussen der stad zaten.</span>” En dat dit bedrijf goede winsten afwierp blijkt uit het volgend slot van een gedicht -van Jacob van der Does: -</p> -<div class="q"> -<div class="nestedtext"> -<div class="nestedbody"> -<div lang="nl" class="lgouter footnote"> -<p class="line">„Wat dunkt u leser? heeft dat volck niet wel gebrout? -</p> -<p class="line">Dat ’t hare kassen sien voor mout gepropt met gout?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span></p> -</div> -</div> -</div> -</div><p></p> -</div> -<div id="xd31e427"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e427src">10</a></span> 35ste Brief, blz. 24. <a class="fnarrow" href="#xd31e427src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e433"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e433src">11</a></span> 28ste Brief, blz. 14. De in dezen brief uitvoerig uitgewerkte berekening is ook van -zijn eigen hand aanwezig in de verzameling manuscripten van Leeuwenhoek in de Leidsche -Bibliotheek (Cat. VIII. Huygens n<sup>o</sup>. 30). <a class="fnarrow" href="#xd31e433src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e442"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e442src">12</a></span> 4de Sendbrief, blz. 43. Brief aan den Heer Jan Meermans, Burgemeester van Delft. <a class="fnarrow" href="#xd31e442src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e448"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e448src">13</a></span> Zie ook den 67sten Brief (2de vervolg) van 1 April 1689, blz. 335, waarin hij berekent, -hoe snel het bloed in het lichaam moet loopen, eer het tot de uiterste deelen van -de voeten en van daar weder naar het hart komt, en door welke kracht; waarbij hij -onder anderen zegt: „<span lang="nl">Dese myne demonstratiën syn seer licht te verstaan, voor diegeene, die de begintselen -van de waterwicht van Mr. Simon van Stevin, sal doorlesen hebben.</span>” -</p> -<p class="footnote cont">Dit blijkt ook nog uit zijn 111de Brief (zevende vervolg) van 9 Mei, 1698, blz. 46, -waar hij, onder anderen, sprekende over het oog van den scharrebijter, in eene noot -zegt: „<span lang="nl">Ik spreek hier tegen degeenen, die een weynig in de Gesigt-kunde geoefent syn</span>” en verder: „<span lang="nl">Wij weten dus, wanneer wij eenig ligchaam voor een vergrootglas stellen, het nog verder, -nog digter bij het vergrootglas moet staan, als het brantpunt van het vergrootglas -is, en wat verder of te nader bij is, vertoonen de lighamen niet scharp, maar verwart</span>,” enz. <a class="fnarrow" href="#xd31e448src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e466"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e466src">14</a></span> Boitet, t. a. p., blz. 795 verhaalt, „dat hij, niet meer dan 16 jaren oud zijnde, -als boekhouder en kassier aldaar ageerde; en alhoewel hij door de bezigheid van deze -tweevoudige bediening werk genoeg had om dezelve in orde waar te nemen, wist zijne -buitengewone naarstigheid gedurig noch <span class="pageNum" id="pb10n">[<a href="#pb10n">10</a>]</span>zooveel tijd tot de lakenwerkerij uit te koopen, dat hij binnen den tijd van zes weken -als meester zijn proef deed, om zich in der tijd tot deze koophandel, waartoe hij -zich echter nooit heeft afgezondert, te zetten.” <a class="fnarrow" href="#xd31e466src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e475"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e475src">15</a></span> Nieuwenhuis’s „woordenboek van kunsten en wetenschappen enz. 1859 deel V Letter L<span class="corr" id="xd31e477" title="Bron: )">”</span>. <a class="fnarrow" href="#xd31e475src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e489"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e489src">16</a></span> T. a. p., blz. 365. <a class="fnarrow" href="#xd31e489src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e523"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e523src">17</a></span> Vergelijk daaromtrent (5de vervolg) de 85ste Brief, blz. 13; de 10de Sendbrief, blz. -96 en <i>Philos. Transact.</i> Vol. XXXV, pag. 433. <a class="fnarrow" href="#xd31e523src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e543"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e543src">18</a></span> Dat Leeuwenhoek inderdaad microscopen voor zijn eigen gebruik er op nahield die sterker -vergrootten, dan die hij aan anderen liet zien, blijkt uit hetgeen hij zelf betuigt, -in een brief aan Henry Oldenburg, Secretaris der „<span lang="en">Royal Society</span>” (n<sup>o</sup>. 96, blz. 170). „<span lang="nl">Te meer doen ik zeyde, dat nog in datzelfde water, twee à drie soorten van veel kleynder -dierkens waren, <span id="xd31e553"></span>die voor syn oogen verborgen waren, en die ik door andere glasen en methoden, <span class="ex">die ik alleen voor myn zelve houde</span>, kome te sien;</span>” terwijl ook de Hoogleeraar Harting mededeelt, dat op het physisch kabinet te Utrecht -een microscoop aanwezig is van Leeuwenhoek, waarvan hij betuigt, dat de lens zeer -goed is en bewijst, dat hij het in de kunst van zeer kleine lenzen te slijpen, inderdaad -reeds op eene groote hoogte gebracht had. Deze lens, namelijk, was biconvex en vergrootte -270 maal, en alzoo „merkelijk meerder dan de sterkste lens van de microscopen, door -Leeuwenhoek aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” vermaakt, en waarvan de grootste vergrooting door Baker wordt opgegeven als te zijn -160 maal. (P. Harting, „Het microscoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen -toestand,” enz., 3de deel, 1850, blz. 44. <a class="fnarrow" href="#xd31e543src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e568"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e568src">19</a></span> Birch, „<span lang="en">the History of the Royal Society of London</span>,” 1757, Vol. IV, pag. 365. <a class="fnarrow" href="#xd31e568src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e578"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e578src">20</a></span> Het huis, waarin Leeuwenhoek gewoond heeft, is nog aanwezig en te vinden op den hoek -der „Botersteeg en het Oude Delft,” wijk 4, n<sup>o.</sup> 455, doch het is aan de vóórzijde kennelijk gemoderniseerd, terwijl het aan den kant -der Botersteeg en van achteren nog het aanzien van oudheid behouden <span class="pageNum" id="pb16n">[<a href="#pb16n">16</a>]</span>heeft. Aan de zijde der Botersteeg (Oud-Delft) vindt men nog als eene bijzonderheid -aan het ijzeren hek, dat het vóórgedeelte afsluit, een <i>astrolabium</i> aangebracht. <a class="fnarrow" href="#xd31e578src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e592"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e592src">21</a></span> Familie-register. <a class="fnarrow" href="#xd31e592src" title="Ga terug naar noot 21 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e597"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e597src">22</a></span> Ibidem en Boitet, t. a. p., blz. 765. <a class="fnarrow" href="#xd31e597src" title="Ga terug naar noot 22 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e603"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e603src">23</a></span> De familie Swalmius behoorde tot een aanzienlijk en deftig geslacht. Bij Boitet, t. -a. p., blz. 440, komt in de naamlijst van Predikanten, die sedert de reformatie in -Delft gestaan hebben, in het jaar 1617 Henricus Swalmius voor, terwijl in de 40ste -Sendbrief, blz. 390, een brief voorkomt aan zijn neef Mr. Adriaan Swalmius, Advocaat -voor den Hove van Holland. <a class="fnarrow" href="#xd31e603src" title="Ga terug naar noot 23 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e610"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e610src">24</a></span> Er bestaat van Leeuwenhoek een fraai „in olieverw geschilderd” portret, in het bezit -van Dr. van Kaathoven, te Leiden. Deze schilderij stelt hem voor in de deftige kleedij -van den aanzienlijken stand van dien tijd. Dr. van Kaathoven heeft mij de zeer gewaardeerde -toestemming verleend, van deze schilderij eene afbeelding te laten maken, waardoor -de waarde dezer uitgave belangrijk verhoogt wordt. Van deze schilderij zijn mij de -volgende bijzonderheden door den geachten bezitter medegedeeld: Aan de rechter zijde -<span class="corr" id="xd31e613" title="Niet in bron">(</span>links van den toeschouwer) ziet men vóór hem op eene tafel het ontrolde diploma met -het aanhangend zegel in rood zegellak (in doos) van het lidmaatschap der Koninklijke -Sociëteit te Londen, en vóór zich heeft hij een blad papier waarop onduidelijke figuren -zijn getrokken, terwijl hij in de rechter hand een passer houdt. Vóór den donkeren -achtergrond is een hemelglobe aangebracht en men bespeurt op dien achtergrond een -landschap, waarin men zonder andere voorwerpen, alléén de kronkelingen eener rivier -ziet, waarmede waarschijnlijk die der Theems zijn voorgesteld. De naam van den schilder -wordt echter niet op de schilderij aangetroffen. Dit geschilderd portret nu komt in -gelaatstrekken, houding en kleeding, geheel en al overeen met een ander portret van -Leeuwenhoek in zwarte kunst in fol. (eveneens in het bezit van Dr. van Kaathoven), -doch hetgeen in het „geschilderd” portret links van den aanschouwer is, ziet men in -de prent ter rechter zijde; de donkere achtergrond achter de hemelglobe, stelt op -de prent duidelijker een gordijn voor. In de plaats van een passer in de hand staat -er op de prent een microscoop van de eerste uitvinding van Leeuwenhoek op de tafel, -in plaats van het diploma enz., een eikenblad met galnoten en het vergrootglas, terwijl -hij ook, evenals op de <span class="pageNum" id="pb18n">[<a href="#pb18n">18</a>]</span>schilderij, vóór zich een blad papier heeft, waarop dezelfde, maar nog onduidelijker -figuren dan op de schilderij zijn getrokken. Verder ziet men op de prent op den donkeren -achtergrond niet het landschap met de kronkelingen der rivier. Onder dit portret in -„zwarte kunst” leest men: J. Verkolje pinx., fec. et exc. 1685. -</p> -<p class="footnote cont">Nu is de vraag of dit „geschilderd” portret het „echte” door Verkolje geschilderde -is, dat later, hetzij door hem zelven, hetzij door een andere hand in sommige attributen -enz<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> is veranderd? of dat er een ander „geschilderd” portret van Leeuwenhoek bestaat waaronder, -even als onder dat van zw. kunst den naam van Verkolje gelezen wordt? -</p> -<p class="footnote cont">(Johannes Verkolje, geb. te Amsterdam 1650, was sedert <span class="corr" id="xd31e623" title="Bron: 1572">1672</span> te Delft woonachtig en wordt onder de vermaarde schilders gerekend. Hij overleed -te Delft in 1693.) (Zie over zijn leven en schilderijen onder anderen Houbraken, III, -blz. 282), doch noch bij dezen schrijver, noch in andere levensbeschrijvingen van -Nederlandsche schilders, vond Dr. van Kaathoven onder de werken van J. Verkolje van -een ander dan van de prent in <i>zwarte kunst</i> gewag gemaakt. -</p> -<p class="footnote cont">Behalve deze beide beschreven portretten van Leeuwenhoek zijn er nog een zestal andere -drukken in het bezit van denzelfden verzamelaar, die onderling eenigermate verschillen, -als: -</p> -<ul> -<li>„Antonius a Leeuwenhoek, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.” 4<sup>o</sup>. -</li> -<li>„Idem, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.”, 4<sup>o</sup>. -</li> -<li>„Antoni van Leeuwenhoek, geboren te Delft, A<sup>o</sup>. 1632.” -</li> -<li>„J. <span class="corr" id="xd31e648" title="Bron: Verkoltje">Verkolje</span> pinx., Zw. k.” fol. -</li> -<li>„Antonius a Leeuwenhoek, J. C. Phillips inv. et fec.,” 1747, 8<sup>o</sup>. -</li> -<li>„Idem (Antoni). Idem fecit.” 1740, fol. -</li> -<li>„Antonius Leeuwenhoekius,” J. Gourée sculpt. med.</li> -</ul><p> -</p> -<p class="footnote cont">Eindelijk bezit Dr. van Kaathoven nog een op Delftsch aardewerk vervaardigd portret -van Leeuwenhoek, dat van boven met een oor voorzien is, bestemd om opgehangen te worden, -waarop weder andere attributen dan op de schilderij zijn aangebracht; uit dit portret -is Leeuwenhoek bijna niet te herkennen. -</p> -<p class="footnote cont">Ik zelf bezit drie borden van fijn echt Delftsch aardewerk of porcelein, op één waarvan -het portret van Leeuwenhoek, dat volkomen in gelaatstrekken en kleeding met het boven -beschrevene overeenkomt; links van <span class="pageNum" id="pb19n">[<a href="#pb19n">19</a>]</span>den aanschouwer ziet men den toren der Oude Kerk te Delft, rechts eene draperie en -onderaan „<span lang="nl">Antoni van Leeuwenhoek, Lit van de Koninglijke Societeyt in Londen, geboren tot Delft -1632</span>”, op een goud veld in zwarte letters gebakken, het geheel met een zware, met kleuren -en goud versierden rand omgeven. -</p> -<p class="footnote cont">Het tweede bord stelt voor de „grafnaald,” zooals die zich in de oude Kerk te Delft -bevindt, met de buste van Leeuwenhoek en daaronder „P. M: Antoni a Leeuwen. Reg. Anglo. -Societ.” omgeven door een zware gouden rand met gekleurde slingers. Op dezen rand -leest men in zwarte letters: „Grafnaald van den heer Antoni van Leeuwenhoek in de -Oude Kerk te Delft, geboren den 21sten October 1632, overleden den 26sten Augustus -1723.” -</p> -<p class="footnote cont">Op het derde bord is het „familie-wapen” van Leeuwenhoek gebakken, voorstellende een -leeuw op een goud veld in schoone kleuren, en boven dien ben ik nog in het bezit van -een theeschoteltje, van zeer fijn dun Delftsch porcelein, eveneens met het „familie-wapen” -in goud en kleuren, maar in plaats van de kroon, een helm met vederen gedekt door -een kroon. Onderaan leest men op een gouden band in zwarte letter „Maria Leeuwenhoek”. -De borden zijn op de tentoonstelling van Nederlandsche oudheden, in het jaar 1863 -te Delft gehouden, geweest, terwijl zij eveneens, bij gelegenheid der feestelijke -herdenking van de ontdekking der microscopische wezens door van Leeuwenhoek, op den -8sten September 1875 te Delft tevieren, op eene tentoonstelling van het geen van Leeuwenhoek’s -microscopen en andere bijzonderheden op hem betrekkelijk is kunnen bijeengebracht -worden, zullen voorkomen. <a class="fnarrow" href="#xd31e610src" title="Ga terug naar noot 24 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e672"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e672src">25</a></span> 34ste Brief bl. 11. <a class="fnarrow" href="#xd31e672src" title="Ga terug naar noot 25 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e756"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e756src">26</a></span> Zacharias Conrad von Uffenbach, „<span lang="de">Merkwürdige Reisen durch Nieder-Sachsen, Holland und Engeland.</span>” Ulm. 1754. 3 <span class="corr" id="xd31e761" title="Bron: Tb.">Th.</span> S. 349. <a class="fnarrow" href="#xd31e756src" title="Ga terug naar noot 26 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e770"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e770src">27</a></span> 23ste Sendbrief, blz. 31. <a class="fnarrow" href="#xd31e770src" title="Ga terug naar noot 27 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e780"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e780src">28</a></span> 2de vervolg, 66ste brief, blz. 323. <a class="fnarrow" href="#xd31e780src" title="Ga terug naar noot 28 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e795"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e795src">29</a></span> Zevende vervolg, 116de Brief, blz. 97. <a class="fnarrow" href="#xd31e795src" title="Ga terug naar noot 29 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e804"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e804src">30</a></span> 5de Vervolg, 93ste Brief, blz. 127. <a class="fnarrow" href="#xd31e804src" title="Ga terug naar noot 30 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e818"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e818src">31</a></span> „<span lang="de">Merkwürdige Reisen</span>”. etc. t. a. p. <a class="fnarrow" href="#xd31e818src" title="Ga terug naar noot 31 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e834"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e834src">32</a></span> Reinier de Graaf te Schoonhoven geboren in het jaar 1641 vestigde zich na voleindigde -studiën in zijn geboorteplaats en werd van daar naar Delft beroepen, alwaar hij zich -als geneesheer vestigde. Hij schreef behalve zijn werk over het „<span lang="la">Succus pancreaticus</span>,” over de voortplanting van den mensch en over de vrouwelijke geslachtsdeelen, waarover -zijn grooten strijd met Swammerdam ontstond, waarvan gezegd werd dat hij zoo gevoelig -was, wegens de scherpe en onheusche critiek van Swammerdam, <span class="pageNum" id="pb26n">[<a href="#pb26n">26</a>]</span>dat hij tengevolge daarvan van verdriet stierf. Ook Leeuwenhoek maakt gewag van dezen -vinnigen twist en de gevolgen er van. In een brief aan George Garden te Aberdeen van -19 Maart 1694 (2de vervolg 81ste Brief bl. 670)<span id="xd31e841"></span> zegt hij<span class="corr" id="xd31e843" title="Niet in bron">:</span> „<span lang="nl">Wat nu Swammerdam en Reinier de Graaf hare stellingen belangt: Ick hebbe die Heeren -speciaal gekend en zij hebben verscheyde malen in myn huys geweest, en met vermaak -beschout mijne ontdekkingen en twijfel ook niet, zoo die Heeren nu nog leefden, of -zy souden schaamroot werden over hare ingebeelde verdigsels, daar zy tegen malkanderen -als yder willende de eer hebben van de nieuwe ontdekking van voorttelinge, door het -eyer-nest, door de hevige ontmoetinge, die zy met malkanderen met woorden voerden, -de laatste niet alleen siek wierde, maar ook de dood daarop volgde, zoo mij doen ter -tijd berigt wierd.</span>” <a class="fnarrow" href="#xd31e834src" title="Ga terug naar noot 32 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e876"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e876src">33</a></span> Van dit werk is in 1866 eene Hoogduitsche uitgave in het licht verschenen onder den -titel: „<span lang="de">P. Harting, Das Mikroskop. Theorie, Gebrauch, Geschichte und gegenwärtiger Zustand -der selben. Deutsche Originalausgabe, von Verfasser revidirt und Vervollständigt. -Herausgegeben van Dr. Fr. Wilh. Theile. In drei Bänden.</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> <a class="fnarrow" href="#xd31e876src" title="Ga terug naar noot 33 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e885"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e885src">34</a></span> De hoogleeraar Harting zegt onder anderen in zijn bovenvermeld „het Mikroskoop” p. -26, dat de getuigenis van het recht van Hans en Zacharias Janssen op de uitvinding -van het microscoop te vinden is in het boekje van Petrus Borellus: „<span lang="la">De vero telescopii inventore, cum brevi omnium conspiculiorum historia.… accessit -etiam centuria observationum microscopicarum. Hagae comitum 1633</span>,” waarin een brief voorkomt aan den schrijver gericht door Willem Boreel, Middelburger -van geboorte en toenmaals gezant bij het Hof van Frankrijk. Uit dezen brief blijkt, -dat Boreel den in de buurt van het huis zijns vaders wonenden brillenslijper Hans -en diens zoon Zacharias zeer goed gekend heeft, en dikwijls in hun winkel is geweest, -en dat door hen, „lang vóór” 1610 microscopen zijn gemaakt, waarvan zij er een aan -Prins Maurits gegeven hebben, en naderhand een ander aan den Aartshertog Albert van -Oostenrijk, die dit werktuig aan Drebbel schonk, bij wien Boreel het zelf gezien heeft. -Vandaar waarom sommigen Drebbel voor den uitvinder hielden, ofschoon het zeer waarschijnlijk -is, dat deze eenmaal in het bezit van het microscoop van Hans en Zacharias Janssen -zijnde, dit zal hebben nagemaakt. <a class="fnarrow" href="#xd31e885src" title="Ga terug naar noot 34 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e895"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e895src">35</a></span> „Het mikroskoop,” enz., Deel III blz. 21. <a class="fnarrow" href="#xd31e895src" title="Ga terug naar noot 35 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e898"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e898src">36</a></span> 18de Sendbrief, blz. 169. <a class="fnarrow" href="#xd31e898src" title="Ga terug naar noot 36 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e906"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e906src">37</a></span> „Het mikroskoop,” enz., Deel III, blz. 34. <a class="fnarrow" href="#xd31e906src" title="Ga terug naar noot 37 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e911"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e911src">38</a></span> „Het mikroskoop,” t. a. p., blz. 37. <a class="fnarrow" href="#xd31e911src" title="Ga terug naar noot 38 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e932"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e932src">39</a></span> Robert Hooke, een beroemd Engelsch Philosooph en Geneeskundige, was geboren op het -eiland Wight, in het jaar 1635 en overleed in 1702. Hij studeerde te <span class="corr" id="xd31e934" title="Bron: Oxfort">Oxford</span> in de medicijnen, werd in 1664 Hoogleeraar in de Wiskunde aan het „Gresham-College” -te Londen. Hij muntte ook uit als werktuigkundige en was ten tijde van Leeuwenhoek -een der Secretarissen der „<span lang="en">Royal Society.</span>” <a class="fnarrow" href="#xd31e932src" title="Ga terug naar noot 39 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e946"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e946src">40</a></span> Birch, t. a. p., pag. 393. <a class="fnarrow" href="#xd31e946src" title="Ga terug naar noot 40 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e953"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e953src">41</a></span> Nicolaas Hartsoeker was een beroemd Nederlandsch Natuurkundige en werd in 1656 te -Gouda geboren. Zijn vader was Remonstrantsch predikant te Rotterdam. Hij was bestemd -voor den geestelijken stand, doch wijdde zich, tegen den zin zijns vaders aan de Wis- -en Natuurkundige Wetenschappen, zoodat hij, ten einde zijn vader niet zou ontdekken, -dat hij des nachts studeerde, de dekens van zijn bed voor de vensters van zijn slaapvertrek -spande. Hij betaalde zijn onderwijzer die hem ook optische glazen leerde slijpen, -van zijn zakgeld. Het toeval bracht hem tot eene belangrijke ontdekking. Opgemerkt -hebbende, dat het einde van een glazen draad, in de vlam eener kaars gehouden, eene -bolvormige gedaante kreeg, en dit verschijnsel toepassende op de proeven, die hij -Leeuwenhoek had zien doen, vervaardigde hij daarmede microscopen, die hij beweerde -die van <span class="corr" id="xd31e956" title="Bron: Leeu enhoek">Leeuwenhoek</span> te evenaren. Deze was geen vriend van hem, omdat hij voorgaf de ontdekking der zaaddiertjes -reeds vóór hem gedaan te hebben. Hoe Leeuwenhoek over hem dacht, blijkt uit een brief -d.d. 9 December 1698 (113de Brief, blz. 63) aan Harm. van Zoelen, Oud-Burgemeester -van Rotterdam. „<span lang="nl">Wat voor een persoon desen Hartsoeker is, weet ik niet, omdat er meer zijn, die den -naam van Hartsoeker voeren, en ten mynen huyse zijn geweest, en onder anderen veel -jaren geleden, een out bedaagt man, die men tot my seyde, dat een prediker van de -Remonstrantsche gemeente te Rotterdam was, by sig hebbende een soon, die een jong -student was, en welke toen van syn vader veelmaal wierde aangemaant, om nauwkeurig -toe te sien, want ik saaken vertoonde, soo als den Prediker seyde, die noyt in de -Werelt waren kundig geweest”.…„Dat de Heer <span class="corr" id="xd31e961" title="Bron: Hartstsoeker">Hartsoeker</span> de woorden voert, dat hy na syne kennisse, de eerste van allen is, die het saad der -dieren met de vergrootglasen heeft beginnen te ondersoeken, komt my vreemt voor</span>” enz. (Hierover later). -<span class="pageNum" id="pb32n">[<a href="#pb32n">32</a>]</span></p> -<p class="footnote cont">Hartsoeker hield zich van 1674–1677 te Leiden op, begaf zich daarna naar Parijs en -hield zich daar bezig met het vervaardigen van teleskopen. In 1679 keerde hij naar -Holland terug, doch ging weder naar Parijs, waar hij tot het jaar 1696 bleef. Hij -vestigde zich daarna te Amsterdam, zich bezig houdende met astronomische waarnemingen, -en ontving weldra eene uitnoodiging van Czaar Peter den Eerste, om hem als Hoogleeraar -in de mathesis naar Petersburg te volgen, welk aanbod hij echter afsloeg. Later nam -hij dergelijk beroep naar Dusseldorp aan, keerde later naar Holland terug en overleed -te Utrecht in 1725. <a class="fnarrow" href="#xd31e953src" title="Ga terug naar noot 41 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e972"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e972src">42</a></span> „<span lang="en">Philos. Transactions</span>,” 1677, pag. 226. <a class="fnarrow" href="#xd31e972src" title="Ga terug naar noot 42 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e978"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e978src">43</a></span> „Harting’s Mikroskoop,” t. a. p. 3de Deel, blz. 53. <a class="fnarrow" href="#xd31e978src" title="Ga terug naar noot 43 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e986"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e986src">44</a></span> Uffenbach’s Reisen enz. t. a. p. <a class="fnarrow" href="#xd31e986src" title="Ga terug naar noot 44 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1006"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1006src">45</a></span> „Antoni van Leeuwenhoek, Vereerend herdacht” door Isaac van Haastert enz., 1823. <a class="fnarrow" href="#xd31e1006src" title="Ga terug naar noot 45 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1014"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1014src">46</a></span> Henry Baker schreef een werk over „Het Nuttig gebruik van het Mikroskoop” en later -een ander: „Het Mikroskoop gemakkelijk gemaakt;” beiden door Houttuyn vertaald in -1755 en 1770. Hij verhaalt in het eerstgenoemde werk blz. 453, dat deze 26 microscopen -vervat waren in een <span class="pageNum" id="pb35n">[<a href="#pb35n">35</a>]</span>klein kistje, hetwelk Leeuwenhoek bij zijn overlijden aan de „<span lang="en">Royal Society</span>” had nagelaten en dat door Martin Folker aan de Sociëteit werd aangeboden. Men vindt -daarvan de mededeeling in „Philos. Transact.” n<sup>o</sup>. 380. -</p> -<p class="footnote cont">Omtrent deze microscopen heb ik dezer dagen, door een mijner betrekkingen te Londen -woonachtig, onderzoek laten doen bij den tegenwoordigen secretaris der <span lang="en">Royal Society</span> Dr. Walter White, die bekend bleek te zijn met de relatiën van dit college met Leeuwenhoek -gedurende de jaren 1673–1718. Het was hem bekend dat Leeuwenhoek verschillende voorwerpen -aan dat college had ten geschenke gegeven, doch er was daarvan niets meer aanwezig. -Er wordt nu nog onderzocht of er soms microscopen van Leeuwenhoek bij het Kings College -te vinden zijn, waarvan ik spoedig bericht verwacht, zoodat ik wellicht vóór het afdrukken -dezer uitgave daar nog mededeeling van doen kan. <a class="fnarrow" href="#xd31e1014src" title="Ga terug naar noot 46 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1108"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1108src">47</a></span> 7de Vervolg, 135ste brief, blz. 305. <a class="fnarrow" href="#xd31e1108src" title="Ga terug naar noot 47 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1118"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1118src">48</a></span> „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” Vol XXXij, pag. 450. <a class="fnarrow" href="#xd31e1118src" title="Ga terug naar noot 48 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1127"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1127src">49</a></span> 2de Vervolg, 66ste Brief blz. 308. <a class="fnarrow" href="#xd31e1127src" title="Ga terug naar noot 49 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1156"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1156src">50</a></span> Deze beschrijving is gevolgd naar „Harting’s mikroskoop,” Deel III blz. 380. <a class="fnarrow" href="#xd31e1156src" title="Ga terug naar noot 50 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1186"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1186src">51</a></span> Uffenbach geeft over Leeuwenhoek’s werkzaamheid zijn verwondering te kennen („Merkw. -Reisen” t. a. p.) in deze bewoordingen: „<span lang="de">Es ist zich übrigens nicht genug zu verwundern, über Hern Leeuwenhoek’s grossen Fleisz -und Arbeitsamkeit, so woll in Observationen zu machen, als auch Gläser zu schliffen, -und die Machienen zu denen Microscopiis zu machen.</span>” <a class="fnarrow" href="#xd31e1186src" title="Ga terug naar noot 51 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1192"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1192src">52</a></span> 2de Sendbrief, blz. 22. <a class="fnarrow" href="#xd31e1192src" title="Ga terug naar noot 52 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1207"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1207src">53</a></span> 7de Vervolg, 116de Brief, blz. 96. <a class="fnarrow" href="#xd31e1207src" title="Ga terug naar noot 53 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1235"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1235src">54</a></span> Birch t. a. <span class="corr" id="xd31e1237" title="Bron: P">p</span>., Vol. III, pag. 338 en 346. <a class="fnarrow" href="#xd31e1235src" title="Ga terug naar noot 54 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1245"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1245src">55</a></span> Birch t. a. p., pag. 346. <a class="fnarrow" href="#xd31e1245src" title="Ga terug naar noot 55 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1254"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1254src">56</a></span> Birch t. a. p., blz. 349. <a class="fnarrow" href="#xd31e1254src" title="Ga terug naar noot 56 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1283"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1283src">57</a></span> De eigenhandige brief van Leeuwenhoek aan <span class="corr" id="xd31e1285" title="Bron: Constantyn">Constantijn</span> Huygens, waaraan ik deze bijzonderheden ontleend heb, en waarvan een afschrift in -mijn bezit is, bevindt zich in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool. <a class="fnarrow" href="#xd31e1283src" title="Ga terug naar noot 57 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1317"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1317src">58</a></span> „<span lang="de">Beiträge zur Biologie der Pflanzen</span>” 2e Heft S. 127. <a class="fnarrow" href="#xd31e1317src" title="Ga terug naar noot 58 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1330"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1330src">59</a></span> Birch t. a. p<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>, blz. 358. <a class="fnarrow" href="#xd31e1330src" title="Ga terug naar noot 59 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1339"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1339src">60</a></span> Birch t<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> a. p., Deel IV pag. 104. <a class="fnarrow" href="#xd31e1339src" title="Ga terug naar noot 60 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1353"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1353src">61</a></span> Birch t. a. p., blz. 386. <a class="fnarrow" href="#xd31e1353src" title="Ga terug naar noot 61 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1362"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1362src">62</a></span> „<span lang="de">Zuletz</span>” zegt hij „<span lang="de">wiese uns Herr Leeuwenhoek sein cabinet, in welchen er wohl ein Duzent lackirter kästgen, -und in diesen wohl anderthalf hundert ob vermeldeter kleinen Futerälgen hatte, in -deren jedem zwey kleinen sorte lagen. Als wir uns über diesen Vorrath wunderten, und -fragten, ob er denn keine verkauffte, indem wir gerne etliche haben möchten, sagte -er; nein, bey meinen Leben nicht. Er war auch sehr geheim mit <span class="pageNum" id="pb50n">[<a href="#pb50n">50</a>]</span>seiner Arbeit, wie er sie machte.</span>” En iets later zegt Uffenbach<span class="corr" id="xd31e1372" title="Bron: .">:</span> „<span lang="de">Wir hatte gerne gefragt, warum er so viele Microscopia machte und doch keine verkauffen -wolte, wir fürchteten aber, wie möchten eine Holländischen, oder kein Antworth bekommen.</span>” Uffenbach, waarschijnlijk uit spijt over dit weigerend antwoord, laat zich daarover -echter in onheusche gevolgtrekkingen uit, zeggende: „<span lang="de">Vermuttlich steckt vornemlich der Neid dahinter, dasz er bey seinen Lebzeiten niemand -seine Art von Microscopiis zu Handen kommen lassen will.</span>” <a class="fnarrow" href="#xd31e1362src" title="Ga terug naar noot 62 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1388"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1388src">63</a></span> Dr. Halbertsma, „<span lang="la">Dissertatio historico-medica inauguralis de Antonii Leeuwenhoekii meritis, in quasdam -partes anatomiae microscopiae</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span>, 1843, pag. 12. <a class="fnarrow" href="#xd31e1388src" title="Ga terug naar noot 63 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1397"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1397src">64</a></span> 18de Sendbrief, blz. 169. <a class="fnarrow" href="#xd31e1397src" title="Ga terug naar noot 64 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1413"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1413src">65</a></span> 20ste Sendbrief, blz. 189. <a class="fnarrow" href="#xd31e1413src" title="Ga terug naar noot 65 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1438"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1438src">66</a></span> 2de Vervolg, 66ste Brief, blz. 312. <a class="fnarrow" href="#xd31e1438src" title="Ga terug naar noot 66 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1454"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1454src">67</a></span> 7de Vervolg, 116de Brief, blz. 100<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> <a class="fnarrow" href="#xd31e1454src" title="Ga terug naar noot 67 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1466"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1466src">68</a></span> „<span lang="en">Employement for the Microscope</span>. Londen, 1753. (Hollandsche vertaling) Nuttig gebruik van het Mikroskoop. Amsterdam, -1756, blz. 456.” <a class="fnarrow" href="#xd31e1466src" title="Ga terug naar noot 68 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1600"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1600src">69</a></span> Het Mikroskoop, enz. t. a<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> p. dl. 3, blz. 44. <a class="fnarrow" href="#xd31e1600src" title="Ga terug naar noot 69 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1614"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1614src">70</a></span> 33ste Brief, blz. 17. <a class="fnarrow" href="#xd31e1614src" title="Ga terug naar noot 70 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1624"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1624src">71</a></span> 35ste Brief, blz. 17. <a class="fnarrow" href="#xd31e1624src" title="Ga terug naar noot 71 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1641"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1641src">72</a></span> 41ste Sendbrief, blz. 37. <a class="fnarrow" href="#xd31e1641src" title="Ga terug naar noot 72 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1652"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1652src">73</a></span> 41ste Sendbrief, blz. 404. <a class="fnarrow" href="#xd31e1652src" title="Ga terug naar noot 73 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1663"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1663src">74</a></span> Manuscript in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, waarvan afschrift in mijn bezit -is. <a class="fnarrow" href="#xd31e1663src" title="Ga terug naar noot 74 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1675"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1675src">75</a></span> „Het Mikroskoop t. a. p. 3de deel, blz. 404.” <a class="fnarrow" href="#xd31e1675src" title="Ga terug naar noot 75 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1678"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1678src">76</a></span> Brief aan de „Royal Society van 25 Juli 1684, N<sup>o</sup>. 42, blz. 32.” <a class="fnarrow" href="#xd31e1678src" title="Ga terug naar noot 76 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1689"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1689src">77</a></span> Zie 36ste Brief, blz. 33. <a class="fnarrow" href="#xd31e1689src" title="Ga terug naar noot 77 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1702"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1702src">78</a></span> Robert Smith, <span lang="nl">volkomen samenstel der optica of gesichtkunde 1753</span> pag. 338 (uit het Engelsch „<span lang="en">Dissertations upon Physico-Mathematical Subjects 1732</span>” p. 45). <a class="fnarrow" href="#xd31e1702src" title="Ga terug naar noot 78 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1723"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1723src">79</a></span> 2de Vervolg, 64ste Brief, blz. 243. <a class="fnarrow" href="#xd31e1723src" title="Ga terug naar noot 79 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1731"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1731src">80</a></span> 6de Vervolg, 98ste Brief, blz. 198. <a class="fnarrow" href="#xd31e1731src" title="Ga terug naar noot 80 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1760"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1760src">81</a></span> T. a. p. blz. 18. <a class="fnarrow" href="#xd31e1760src" title="Ga terug naar noot 81 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1767"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1767src">82</a></span> 4de Vervolg, 83ste Brief, blz. 723 en 7de Vervolg, 111de Brief, blz. 48. <a class="fnarrow" href="#xd31e1767src" title="Ga terug naar noot 82 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1788"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1788src">83</a></span> 32ste Sendbrief, blz. 317. <a class="fnarrow" href="#xd31e1788src" title="Ga terug naar noot 83 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1808"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1808src">84</a></span> 47ste Brief, blz. 48. <a class="fnarrow" href="#xd31e1808src" title="Ga terug naar noot 84 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1814"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1814src">85</a></span> 7de Vervolg, 113de Brief, blz. 374. <a class="fnarrow" href="#xd31e1814src" title="Ga terug naar noot 85 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1820"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1820src">86</a></span> 30ste Sendbrief, bladz<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> 304. <a class="fnarrow" href="#xd31e1820src" title="Ga terug naar noot 86 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1831"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1831src">87</a></span> „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>, Vol. IX, pag. 23. <span lang="en">More microsc. observ. made bij Mr. L. Upon the globuls of the Blood</span>” etc. Deze brief werd eerst, na in het Engelsch vertaald te zijn, in de Vergadering -van 27 April 1674 voorgelezen, en werd dit onderwerp nader vervolgd in een brief, -d.d. 4 September 1674. <a class="fnarrow" href="#xd31e1831src" title="Ga terug naar noot 87 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1844"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1844src">88</a></span> 1ste Vervolg, 65ste Brief, blz. 294. <a class="fnarrow" href="#xd31e1844src" title="Ga terug naar noot 88 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1849"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1849src">89</a></span> 7de Vervolg, 128ste Brief, blz. 232. <a class="fnarrow" href="#xd31e1849src" title="Ga terug naar noot 89 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1854"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1854src">90</a></span> 42ste Brief, blz. 32. <a class="fnarrow" href="#xd31e1854src" title="Ga terug naar noot 90 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1857"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1857src">91</a></span> Ibidem, blz. 37. <a class="fnarrow" href="#xd31e1857src" title="Ga terug naar noot 91 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1860"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1860src">92</a></span> Halbertsma, t. a. p. pag. 32. <a class="fnarrow" href="#xd31e1860src" title="Ga terug naar noot 92 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1864"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1864src">93</a></span> Ibidem, t. a. p. pag. 33. <a class="fnarrow" href="#xd31e1864src" title="Ga terug naar noot 93 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1869"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1869src">94</a></span> 2de Vervolg, 65ste Brief, blz. 284. <a class="fnarrow" href="#xd31e1869src" title="Ga terug naar noot 94 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1872"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1872src">95</a></span> 3de Vervolg, 67ste Brief, blz. 341<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> <a class="fnarrow" href="#xd31e1872src" title="Ga terug naar noot 95 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1877"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1877src">96</a></span> 3de Vervolg, 68ste Brief, blz. 353. <a class="fnarrow" href="#xd31e1877src" title="Ga terug naar noot 96 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1880"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1880src">97</a></span> 2de Vervolg, 66ste Brief, blz. 289, 300, 306. <a class="fnarrow" href="#xd31e1880src" title="Ga terug naar noot 97 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1886"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1886src">98</a></span> 2de Vervolg<span class="corr" id="xd31e1888" title="Bron: .">,</span> 67ste Brief, blz. 333. <a class="fnarrow" href="#xd31e1886src" title="Ga terug naar noot 98 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1892"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1892src">99</a></span> Van der Boon, t. a. p., blz. 29. <a class="fnarrow" href="#xd31e1892src" title="Ga terug naar noot 99 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1895"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1895src">100</a></span> 2de Vervolg, 67ste Brief, blz. 332. <a class="fnarrow" href="#xd31e1895src" title="Ga terug naar noot 100 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1903"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1903src">101</a></span> 2de Vervolg, 65ste Brief, blz. 382. <a class="fnarrow" href="#xd31e1903src" title="Ga terug naar noot 101 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1906"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1906src">102</a></span> 2de Vervolg, 67ste Brief, blz. 334. <a class="fnarrow" href="#xd31e1906src" title="Ga terug naar noot 102 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1913"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1913src">103</a></span> 3de Vervolg, 68ste Brief, blz. 355, en „<span lang="fr">Biographie Universelle etc. Paris 1819</span>.” T. XXIV, pag. 363<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> <a class="fnarrow" href="#xd31e1913src" title="Ga terug naar noot 103 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1922"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1922src">104</a></span> „<span lang="fr">Biographie Universelle</span>, t. a. p.” <a class="fnarrow" href="#xd31e1922src" title="Ga terug naar noot 104 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1928"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1928src">105</a></span> A. van der Boon, t. a. p., blz. 29. <a class="fnarrow" href="#xd31e1928src" title="Ga terug naar noot 105 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1935"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1935src">106</a></span> „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>.” Vol. IX, p. 125; Halbertsma, Diss., t. a. p. blz. 51. <a class="fnarrow" href="#xd31e1935src" title="Ga terug naar noot 106 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1942"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1942src">107</a></span> „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>.” Vol. XII, p. 1002; 49ste Brief, blz. 31. Halbertsma, Diss.<span class="corr" id="xd31e1947" title="Niet in bron">,</span> t. a<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> p. blz. 51<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> <a class="fnarrow" href="#xd31e1942src" title="Ga terug naar noot 107 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1957"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1957src">108</a></span> Van der Boon etc., t. a. p. <a class="fnarrow" href="#xd31e1957src" title="Ga terug naar noot 108 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1960"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1960src">109</a></span> Van der Boon, t. a. p., blz., 81. <a class="fnarrow" href="#xd31e1960src" title="Ga terug naar noot 109 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1965"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1965src">110</a></span> 53ste Brief, blz. 1. <a class="fnarrow" href="#xd31e1965src" title="Ga terug naar noot 110 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1968"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1968src">111</a></span> Men leze verder wat van der Boon daaromtrent mededeelt, ten betooge, dat Leeuwenhoek -anderhalve eeuw vroeger reeds bekend maakte, wat Purkinje en anderen daaromtrent als -nieuw vermelden, t. a. p., blz. 81. <a class="fnarrow" href="#xd31e1968src" title="Ga terug naar noot 111 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1978"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1978src">112</a></span> 41ste Sendbrief, blz. 405. <a class="fnarrow" href="#xd31e1978src" title="Ga terug naar noot 112 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e1984"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e1984src">113</a></span> 7de Vervolg, 109de Brief, blz. 27. <a class="fnarrow" href="#xd31e1984src" title="Ga terug naar noot 113 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2011"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2011src">114</a></span> 7de Vervolg, 113de Brief, blz. 65. <a class="fnarrow" href="#xd31e2011src" title="Ga terug naar noot 114 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2033"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2033src">115</a></span> Deze bijzonderheden komen niet voor in de eerste uitgave mijner biographie van Leeuwenhoek; -zij zijn ontleend aan de „Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie van -wetenschappen, Afdeeling Natuurkunde, deel 13, 3e stuk,” alwaar deze mededeeling van -Prof. Halbertsma, op blz. 342 voorkomt. <a class="fnarrow" href="#xd31e2033src" title="Ga terug naar noot 115 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2040"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2040src">116</a></span> A. Haller, „Elem. Physiologiae, Lugd. Bat. 1765. Tom. VII, p. 523<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>” <a class="fnarrow" href="#xd31e2040src" title="Ga terug naar noot 116 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2050" lang="de"> -<p class="footnote" lang="de"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2050src">117</a></span> „Versuch einer pragmat. Geschichte der Arzneykunde Halle 1801. Th. IV, S. 293<span class="corr" title="Niet in bron">.</span>” <a class="fnarrow" href="#xd31e2050src" title="Ga terug naar noot 117 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2078"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2078src">118</a></span> In deze Encyclopaedie wordt eene korte levensbeschrijving van Ludwig von Hammen gevonden, -waaruit blijkt dat hij in het jaar 1652, waarschijnlijk te Dantzig, geboren werd, -zich aan de geneeskunde gewijd en te Montpellier gestudeerd heeft, alwaar hij tot -Doctor gepromoveerd werd. Hij vestigde zich te Dantzig, werd te gelijkertijd lijfarts -van Johan Sobieski, koning van Polen, maar stierf zeer jong n. m. den 15 Maart 1680. -Er zijn van hem geen geschriften bekend als zijn doctorale dissertatiën „<span lang="la">Curriculum medicum <span class="corr" id="xd31e2082" title="Bron: Mouspeliense">Monspeliense</span></span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> 1674, 4<sup>o</sup> en „<span lang="la">de herniis diss.</span>” en „<span lang="la">de crocodilo et vesicae mendaci calculo epistolae</span>. Gedani 1677, 4<sup>o</sup> Lugd. Bat. 1682, 12<sup>o</sup>.” Verder staat er te lezen, dat het tamelijk zeker schijnt, dat hij, tegen Hartsoeker’s -beweeringen, de ontdekker der zaaddiertjes is, welke ontdekking hij in Augustus 1677 -mededeelde aan „dem Professor” (!) Ant. v. Leeuwenhoek te Delft. <a class="fnarrow" href="#xd31e2078src" title="Ga terug naar noot 118 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2103" lang="de"> -<p class="footnote" lang="de"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2103src">119</a></span> „Mikroskopische Anatomie II. 2. S. 398.” <a class="fnarrow" href="#xd31e2103src" title="Ga terug naar noot 119 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2106" lang="de"> -<p class="footnote" lang="de"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2106src">120</a></span> „Lehrbuch der Anatomie des menschen. Giessen 1862. S. 228.” <a class="fnarrow" href="#xd31e2106src" title="Ga terug naar noot 120 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2113" lang="la"> -<p class="footnote" lang="la"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2113src">121</a></span> „De carnis musculosae fibrarumque carnearum structuram L. B. 1741.” <a class="fnarrow" href="#xd31e2113src" title="Ga terug naar noot 121 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2149"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2149src">122</a></span> „<span lang="en">Philosophic. Transactions</span>, n<sup>o</sup>. 247, fol. 337.” <a class="fnarrow" href="#xd31e2149src" title="Ga terug naar noot 122 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2158"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2158src">123</a></span> 7de Vervolg, 117de Brief, blz. 102. <a class="fnarrow" href="#xd31e2158src" title="Ga terug naar noot 123 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2169"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2169src">124</a></span> 38ste Brief, blz. 4. <a class="fnarrow" href="#xd31e2169src" title="Ga terug naar noot 124 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2172"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2172src">125</a></span> 18de Sendbrief, pag<span class="corr" id="xd31e2174" title="Bron: ,">.</span> 168. <a class="fnarrow" href="#xd31e2172src" title="Ga terug naar noot 125 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2184"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2184src">126</a></span> 45ste Brief, blz. 43. <a class="fnarrow" href="#xd31e2184src" title="Ga terug naar noot 126 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2199"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2199src">127</a></span> Cornelis Bontekoe was geboren te Alkmaar in het jaar 1647, studeerde en promoveerde -te Leiden, en werd beroepen als Hoogleeraar te Frankfort a/Oder. Hij overleed in 1685. <a class="fnarrow" href="#xd31e2199src" title="Ga terug naar noot 127 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2206"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2206src">128</a></span> 45ste Brief, blz. 74<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> <a class="fnarrow" href="#xd31e2206src" title="Ga terug naar noot 128 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2221"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2221src">129</a></span> „<span lang="de">Anleitung zur historie der medicinischen Gelährheit von Gottlieb Stolle</span>”. Jena, 1731, 4<sup>o</sup>., 3de Th. S. 535. -</p> -<p class="footnote cont">Deze en vele andere bronnen werden mij met groote welwillendheid verstrekt door den -Hoogleeraar Dr. Groshans, wiens rijke verzameling boeken ten allen tijde mij ten dienste -stond. <a class="fnarrow" href="#xd31e2221src" title="Ga terug naar noot 129 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2354"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2354src">130</a></span> Sendbrieven n<sup>o</sup>. 20, blz. 166. <a class="fnarrow" href="#xd31e2354src" title="Ga terug naar noot 130 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2375"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2375src">131</a></span> „<span lang="de">Rede zur Feier des Leibnitz’schen Jahrestages über Leibnitz’ens Methode Verhältniss -zur Natur-Forschung und Briefwechsel mit Leeuwenhoek, in der öffentlichen Sitzung -der Königlich-Preuss. Akademie der Wissenschaften am 3 Juli 1845 gehalten von Christian -Gottfried Ehrenberg.</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> Deze redevoering is te vinden in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool. <a class="fnarrow" href="#xd31e2375src" title="Ga terug naar noot 131 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2389"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2389src">132</a></span> De „Theodicae” van Leibnitz verscheen in 1710. <a class="fnarrow" href="#xd31e2389src" title="Ga terug naar noot 132 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2404"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2404src">133</a></span> Ook zou ik wenschen, dat bij het onderzoek de microscopen werden aangewend, waarmede -de schrandere en ijverige Leeuwenhoek zoo veel heeft gepraesteerd, dat ik mij dikwijls -verontwaardig over der menschen traagheid, die de oogen niet willen openen en zich -niet verwaardigen te geraken in het voor de hand liggend bezit van wetenschap. Want -indien wij wijs waren zoude hij reeds overal navolgers hebben. <a class="fnarrow" href="#xd31e2404src" title="Ga terug naar noot 133 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2419"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2419src">134</a></span> 28ste Brief, blz. 13. <a class="fnarrow" href="#xd31e2419src" title="Ga terug naar noot 134 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2427"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2427src">135</a></span> 4de Vervolg, 81ste Brief, blz. 671. <a class="fnarrow" href="#xd31e2427src" title="Ga terug naar noot 135 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2435"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2435src">136</a></span> 3de Vervolg, 74ste Brief, blz. 507. <a class="fnarrow" href="#xd31e2435src" title="Ga terug naar noot 136 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2454"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2454src">137</a></span> 7de Vervolg, 120ste Brief, blz. 138. <a class="fnarrow" href="#xd31e2454src" title="Ga terug naar noot 137 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2471"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2471src">138</a></span> 7de Vervolg, 120ste Brief, blz. 130. <a class="fnarrow" href="#xd31e2471src" title="Ga terug naar noot 138 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2481"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2481src">139</a></span> 3de Vervolg, 72ste Brief, blz. 449. <a class="fnarrow" href="#xd31e2481src" title="Ga terug naar noot 139 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2509"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2509src">140</a></span> „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>. Vol. XXVI, pag. 416.” <a class="fnarrow" href="#xd31e2509src" title="Ga terug naar noot 140 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2525"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2525src">141</a></span> 7de Vervolg, 120ste Brief<span class="corr" id="xd31e2527" title="Niet in bron">,</span> blz. 133. <a class="fnarrow" href="#xd31e2525src" title="Ga terug naar noot 141 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2547" lang="nl"> -<p class="footnote" lang="nl"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2547src">142</a></span> Dit doelt op hetgeen hij omtrent zoodanige purgeermiddelen op blz<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> 86 gezegd heeft. <a class="fnarrow" href="#xd31e2547src" title="Ga terug naar noot 142 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2558"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2558src">143</a></span> 38ste Brief, blz. 21. <a class="fnarrow" href="#xd31e2558src" title="Ga terug naar noot 143 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2576"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2576src">144</a></span> No. 43, blz. 66. <a class="fnarrow" href="#xd31e2576src" title="Ga terug naar noot 144 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2584"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2584src">145</a></span> 32ste Sendbrief, blz. 317. <a class="fnarrow" href="#xd31e2584src" title="Ga terug naar noot 145 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2598"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2598src">146</a></span> 49ste Brief, blz. 30. <a class="fnarrow" href="#xd31e2598src" title="Ga terug naar noot 146 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2610"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2610src">147</a></span> 51ste Brief, blz. 67, terwijl de bijgevoegde afbeeldingen der met den kapokvezel en -zaden gevulde vrucht, volkomen juist zijn, zijnde een exemplaar van deze vrucht aanwezig -in het pharmacognostisch kabinet van het Rotterd. Depart. der Ned. Maatsch. t. b. -der Pharmacie. <a class="fnarrow" href="#xd31e2610src" title="Ga terug naar noot 147 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2616"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2616src">148</a></span> De plant waarvan de kapok afkomstig is, heet „<span lang="la">Eriophorus Javana</span>” Rumph., „<span lang="la">Bombax pentandrum</span>” L. „<span lang="la">Ceiba pentandra</span>” Gärtner, „<span lang="la">Eriodendron anfractuosum</span>” Dec. <a class="fnarrow" href="#xd31e2616src" title="Ga terug naar noot 148 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2633"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2633src">149</a></span> 2de Vervolg, 64ste Brief, blz. 245. <a class="fnarrow" href="#xd31e2633src" title="Ga terug naar noot 149 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2651"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2651src">150</a></span> Christiaan Huygens, Heer van Zeelhem, enz. <a class="fnarrow" href="#xd31e2651src" title="Ga terug naar noot 150 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2666"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2666src">151</a></span> 3de Vervolg, 71ste Brief, blz. 397, 405. <a class="fnarrow" href="#xd31e2666src" title="Ga terug naar noot 151 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2672"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2672src">152</a></span> 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 42, 6de Vervolg, 99ste Brief. <a class="fnarrow" href="#xd31e2672src" title="Ga terug naar noot 152 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2677"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2677src">153</a></span> 6de Vervolg, 100ste Brief<span class="corr" id="xd31e2679" title="Niet in bron">,</span> blz. 251–255. <a class="fnarrow" href="#xd31e2677src" title="Ga terug naar noot 153 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2686"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2686src">154</a></span> 49ste Brief, blz. 26. <a class="fnarrow" href="#xd31e2686src" title="Ga terug naar noot 154 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2689"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2689src">155</a></span> 55ste Brief, blz. 28–52. 26ste Sendbrief, blz. 235–253. <a class="fnarrow" href="#xd31e2689src" title="Ga terug naar noot 155 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2692"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2692src">156</a></span> 3de Vervolg, blz. 395. <a class="fnarrow" href="#xd31e2692src" title="Ga terug naar noot 156 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2697"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2697src">157</a></span> 50ste Brief, blz. 45. <a class="fnarrow" href="#xd31e2697src" title="Ga terug naar noot 157 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2705"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2705src">158</a></span> 59ste Brief, blz. 130. <a class="fnarrow" href="#xd31e2705src" title="Ga terug naar noot 158 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2708"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2708src">159</a></span> 58ste Brief, blz. 105. <a class="fnarrow" href="#xd31e2708src" title="Ga terug naar noot 159 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2714"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2714src">160</a></span> 40ste Sendbrief, blz. 391. <a class="fnarrow" href="#xd31e2714src" title="Ga terug naar noot 160 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2724" lang="en"> -<p class="footnote" lang="en"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2724src">161</a></span> „A letter concerning green weeds growing in water and some animalcula found about -them.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> Philosophical Transactions, vol. 23. <a class="fnarrow" href="#xd31e2724src" title="Ga terug naar noot 161 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2729"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2729src">162</a></span> 7de Sendbrief, blz. 64. <a class="fnarrow" href="#xd31e2729src" title="Ga terug naar noot 162 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2734"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2734src">163</a></span> Vangarmen. <a class="fnarrow" href="#xd31e2734src" title="Ga terug naar noot 163 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2739"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2739src">164</a></span> „Verhandeling over Antoni van Leeuwenhoek en zijne verdiensten voor de plantkunde; -in het Tijdschrift voor Natuurlijke Geschiedenis, uitgegeven door Prof. J. van der -Hoeven en W. H. de Vriese, 1834, 1ste deel. <a class="fnarrow" href="#xd31e2739src" title="Ga terug naar noot 164 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2744"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2744src">165</a></span> 29ste Brief, blz. 17. <a class="fnarrow" href="#xd31e2744src" title="Ga terug naar noot 165 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2747"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2747src">166</a></span> 29ste Brief<span class="corr" id="xd31e2749" title="Niet in bron">,</span> blz. 19. <a class="fnarrow" href="#xd31e2747src" title="Ga terug naar noot 166 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2756"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2756src">167</a></span> Van Hall, t. a. p., blz. 6. <a class="fnarrow" href="#xd31e2756src" title="Ga terug naar noot 167 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2759"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2759src">168</a></span> 29ste Brief, blz. 26. <a class="fnarrow" href="#xd31e2759src" title="Ga terug naar noot 168 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2765"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2765src">169</a></span> 29ste Brief, blz. 19. <a class="fnarrow" href="#xd31e2765src" title="Ga terug naar noot 169 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2768"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2768src">170</a></span> 29ste Brief, blz. 26. <a class="fnarrow" href="#xd31e2768src" title="Ga terug naar noot 170 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2774"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2774src">171</a></span> 29ste Brief, blz. 12. <a class="fnarrow" href="#xd31e2774src" title="Ga terug naar noot 171 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2779"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2779src">172</a></span> 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 50. <a class="fnarrow" href="#xd31e2779src" title="Ga terug naar noot 172 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2787"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2787src">173</a></span> 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 52. <a class="fnarrow" href="#xd31e2787src" title="Ga terug naar noot 173 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2792"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2792src">174</a></span> 74ste Brief, blz. 482. <a class="fnarrow" href="#xd31e2792src" title="Ga terug naar noot 174 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2797"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2797src">175</a></span> 28ste Sendbrief, blz. 261. <a class="fnarrow" href="#xd31e2797src" title="Ga terug naar noot 175 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2800"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2800src">176</a></span> 28ste Sendbrief, blz. 264. <a class="fnarrow" href="#xd31e2800src" title="Ga terug naar noot 176 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2803"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2803src">177</a></span> 28ste Sendbrief, blz. 266<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> <a class="fnarrow" href="#xd31e2803src" title="Ga terug naar noot 177 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2807"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2807src">178</a></span> 28ste Sendbrief, blz. 269. <a class="fnarrow" href="#xd31e2807src" title="Ga terug naar noot 178 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2812"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2812src">179</a></span> 2de Vervolg, 74ste brief van 12 Augustus 1692, blz. 484 en 496, 497. <a class="fnarrow" href="#xd31e2812src" title="Ga terug naar noot 179 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2818"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2818src">180</a></span> 29ste Brief van 12 Januari 1680. <a class="fnarrow" href="#xd31e2818src" title="Ga terug naar noot 180 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2821"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2821src">181</a></span> 46ste Brief van 30 Maart 1685, blz. 75. <a class="fnarrow" href="#xd31e2821src" title="Ga terug naar noot 181 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2824"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2824src">182</a></span> 3de Vervolg, 74ste Brief van 12 Augustus 1692. <a class="fnarrow" href="#xd31e2824src" title="Ga terug naar noot 182 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2830"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2830src">183</a></span> 3de Vervolg, 74ste Brief van 12 Augustus 1692, blz. 488. <a class="fnarrow" href="#xd31e2830src" title="Ga terug naar noot 183 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2833"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2833src">184</a></span> Van Hall t. a. p., blz. 18. <a class="fnarrow" href="#xd31e2833src" title="Ga terug naar noot 184 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2838"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2838src">185</a></span> 55ste Brief van 13 Juni 1687, blz. 37. <a class="fnarrow" href="#xd31e2838src" title="Ga terug naar noot 185 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2843"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2843src">186</a></span> 46ste Brief van 13 Juli 1685, blz. 27. <a class="fnarrow" href="#xd31e2843src" title="Ga terug naar noot 186 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2849"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2849src">187</a></span> „Vermischte Schriften”, I. S. 145. Van Hall t. a. p., blz. 21. <a class="fnarrow" href="#xd31e2849src" title="Ga terug naar noot 187 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2852"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2852src">188</a></span> „<span lang="de">Elemente der Phytotomie</span>”. Jena, 1815, I. S. 36.<span id="xd31e2857"></span> <a class="fnarrow" href="#xd31e2852src" title="Ga terug naar noot 188 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2873"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2873src">189</a></span> R. Brown, „<span lang="la">Prodromus Florae Novae Hollandiae</span>,<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> pag. 573. Van Hall t. a. p.<span class="corr" id="xd31e2880" title="Niet in bron">,</span> blz. 25.<span id="xd31e2882"></span> <a class="fnarrow" href="#xd31e2873src" title="Ga terug naar noot 189 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2893"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2893src">190</a></span> De dichter Hendrik Schim, die aan hem op zijn 90sten verjaardag <span class="corr" id="xd31e2895" title="Bron: eenge">eenige</span> dichtregelen wijdde, en hem daarin tot rust van zijn arbeid aanmaande, vervolgde -echter, niet onkundig zijnde dat de wakkere grijze te naarstig was om stil te zijn, -in deze woorden: -</p> -<div class="q"> -<div class="nestedtext"> -<div class="nestedbody"> -<div lang="nl" class="lgouter footnote"> -<p class="line">„Neen schryf, en doet ons al uw zeldzaamheden erven, -</p> -<p class="line">Al zoudt gy met de pen in uwe vingers sterven. -</p> -<p class="line">Als Plato ondersoek, zoo lang uw levensglas -</p> -<p class="line">Noch loopt,” enz.—</p> -</div> -</div> -</div> -</div><p></p> -</div> -<div id="xd31e2911"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2911src">191</a></span> „Het Mikroskoop, t. a. p. 3de dl. blz. 464, 465”. <a class="fnarrow" href="#xd31e2911src" title="Ga terug naar noot 191 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2917"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2917src">192</a></span> „<span lang="en">Philosophical Transactions</span> Th. XXXII, pag. 446”. <a class="fnarrow" href="#xd31e2917src" title="Ga terug naar noot 192 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e2932"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e2932src">193</a></span> 30ste Sendbrief, blz. 295. <a class="fnarrow" href="#xd31e2932src" title="Ga terug naar noot 193 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3208"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3208src">194</a></span> Deze aanbeveling werd hen door Cornelis van Arckel, Predikant te Delft, later te Rotterdam, -met wien Leeuwenhoek bevriend was, verstrekt. <a class="fnarrow" href="#xd31e3208src" title="Ga terug naar noot 194 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3276"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3276src">195</a></span> Gerard van Loon, „Beschrijving der Nederlandsche Historiepenningen.” Bd<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> III, blz. 223. <a class="fnarrow" href="#xd31e3276src" title="Ga terug naar noot 195 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3300"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3300src">196</a></span> 3de Vervolg, 71ste Brief, slot, blz. 436. <a class="fnarrow" href="#xd31e3300src" title="Ga terug naar noot 196 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3370"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3370src">197</a></span> 20ste Sendbrief, blz. 189. <a class="fnarrow" href="#xd31e3370src" title="Ga terug naar noot 197 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3383"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3383src">198</a></span> 20ste Sendbrief, blz. 189. <a class="fnarrow" href="#xd31e3383src" title="Ga terug naar noot 198 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3404" lang="nl"> -<p class="footnote" lang="nl"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3404src">199</a></span> Van Loon voegt er deze vertaling bij: -</p> -<p class="footnote cont">„Zijn arbeid valt op kleine zaken, maar is van geen kleine glorie”. Bd. III, pag. -223. <a class="fnarrow" href="#xd31e3404src" title="Ga terug naar noot 199 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3463"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3463src">200</a></span> Er is eene tegenstrijdigheid in de genoemde aanteekening bij Birch, dat de benoeming -van Leeuwenhoek tot Lid der Royal Society in 1680 zou zijn geschied, terwijl Leeuwenhoek -zelf in den 46sten Sendbrief opgeeft dat hij in 1679 werd benoemd. Dit jaartal 1679 -is op zijn grafzerk in de Oude kerk te Delft uitgehouwen en wordt ook genoemd in mijn -vroeger vermeld familieregister. Deze tegenstrijdigheid kan, dunkt mij, worden opgelost, -door de vermelding, dat men in dien tijd gewoon was, het jaartal, van den aanvang -des jaars, tot ongeveer in het midden van Maart, zoodanig te schrijven, dat het vorig -jaartal er bij vermeld werd, zoodat men dan schreef 1679⁄80 enz. Ook de dateering -geschiedde volgens oude en nieuwe stijl, welke circa 10 dagen met elkander schijnt -te hebben verschild. <a class="fnarrow" href="#xd31e3463src" title="Ga terug naar noot 200 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3472"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3472src">201</a></span> Birch<span class="corr" id="xd31e3474" title="Niet in bron">,</span> t. a. p., pag. 11. <a class="fnarrow" href="#xd31e3472src" title="Ga terug naar noot 201 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3477"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3477src">202</a></span> Birch, t. a. p., pag. 13. <a class="fnarrow" href="#xd31e3477src" title="Ga terug naar noot 202 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3486"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3486src">203</a></span> Halbertsma’s Dissertatie, t. a. p.<span class="corr" id="xd31e3488" title="Niet in bron">,</span> blz. 18. <a class="fnarrow" href="#xd31e3486src" title="Ga terug naar noot 203 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3499"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3499src">204</a></span> De stichting der Royal Society dagteekent van de onrustigste dagen waarin Engeland -verkeerd heeft, namelijk van het jaar 1645, hetzelfde jaar van den slag van Naseby, -die de macht van Karel I vernietigde. Eenige geleerde mannen, afgemat door de eindelooze -politieke twisten en vervolgingen, kwamen overeen, om op zekeren dag in iedere week -zich te vereenigen, ten einde zich over wetenschappelijke onderwerpen te onderhouden -en op deze wijze, de twisten te vergeten, die hun vaderland te gronde dreigden te -richten. -</p> -<p class="footnote cont">De eerste bijeenkomsten hadden plaats te Londen. Toen de onlusten iedereen, die maar -eenigszins de partij des konings <span class="corr" id="xd31e3503" title="Bron: schenen">scheen</span> toegedaan te zijn, noodzaakten Londen te verlaten, verplaatsten zij hun zetel naar -Oxford. -</p> -<p class="footnote cont">Gedurende het protectoraat van Cromwell bleven de leden verspreid en liet het collegie -niets van zich hooren, tot op de verheffing van Karel II, toen zij in 1659 weder naar -Londen terugkeerden en hunne vergaderingen, even als vroeger, in het Gresham-College -hervatteden. -</p> -<p class="footnote cont">Men ondervond opnieuw tegenspoed, doordien het gewoon lokaal waarin zij vergaderden, -tot eene kazerne werd ingericht. In 1660 werd hun collegie door patent-brieven voor -goed geconstitueerd, ondervond de Sociëteit spoedig eene groote uitbreiding en werd -van zeer groot gewicht in de wetenschappelijke wereld. Dien voorspoed was het voor -een groot deel verschuldigd aan den ijver van zijn Secretaris Heinrich Oldenburg, -een Duitscher. -</p> -<p class="footnote cont">De „<span lang="en">Philosophical Transactions</span>” werden het eerst in 1665 uitgegeven en werden, bijna zonder eenige afbreking tot -op onzen tijd toe geregeld voortgezet. -</p> -<p class="footnote cont">Het belang dat dit Collegie stelde in de onderzoekingen van Leeuwenhoek heeft zeker -veel bijgedragen tot prikkel en aansporing voor hem om zijne waarnemingen en ontdekkingen -met onverflauwden ijver voorttezetten. -<span class="pageNum" id="pb121n">[<a href="#pb121n">121</a>]</span></p> -<p class="footnote cont">(George Cuvier. „<span lang="fr">Histoire des sciences naturelles</span>” 1841. Émile Blanchard „<span lang="fr">Les observations au microscope</span>” in de <span lang="fr">Revue des deux mondes</span> 1868 p. 389<span id="xd31e3527"></span>.) <a class="fnarrow" href="#xd31e3499src" title="Ga terug naar noot 204 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3550"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3550src">205</a></span> Johannes Hoogvliet was Heelmeester te Delft. <a class="fnarrow" href="#xd31e3550src" title="Ga terug naar noot 205 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3587"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3587src">206</a></span> 6de Vervolg, 99ste Brief, blz. 231. <a class="fnarrow" href="#xd31e3587src" title="Ga terug naar noot 206 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3595"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3595src">207</a></span> 5de Vervolg, 89ste Brief, blz. 62. <a class="fnarrow" href="#xd31e3595src" title="Ga terug naar noot 207 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3641" lang="nl"> -<p class="footnote" lang="nl"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3641src">208</a></span> Dit grafschrift werd door den dichter Poot gemaakt. <a class="fnarrow" href="#xd31e3641src" title="Ga terug naar noot 208 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3657"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3657src">209</a></span> Van dit familiewapen maakte ik reeds melding op blz. 19, Noot. <a class="fnarrow" href="#xd31e3657src" title="Ga terug naar noot 209 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3749"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3749src">210</a></span> T. a. p.<span class="corr" id="xd31e3751" title="Niet in bron">,</span> blz. 26. <a class="fnarrow" href="#xd31e3749src" title="Ga terug naar noot 210 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3760"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3760src">211</a></span> Derde deel, 85ste Brief, blz. 13. <a class="fnarrow" href="#xd31e3760src" title="Ga terug naar noot 211 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3822"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3822src">212</a></span> Uffenbach’s <span lang="de">Reisen</span> enz. t<span class="corr" title="Niet in bron">.</span> a. p. <a class="fnarrow" href="#xd31e3822src" title="Ga terug naar noot 212 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e3886"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e3886src">213</a></span> „Biographisch Woordenboek der Nederlanden. (Letter L.)” <a class="fnarrow" href="#xd31e3886src" title="Ga terug naar noot 213 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd31e4013"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd31e4013src">214</a></span> Dit werd mij eerst onlangs door Dr. du Rieu medegedeeld terwijl dit laatste blad ter -perse was. <a class="fnarrow" href="#xd31e4013src" title="Ga terug naar noot 214 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div class="div1" id="toc"> -<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> -<table summary="Inhoudsopgave"> -<tr id="voorbericht.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#voorbericht">VOORBERICHT.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#voorbericht">III</a></td> -</tr> -<tr id="avl.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#avl">Antony van Leeuwenhoek.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#avl">1</a></td> -</tr> -</table> -</div> -<div class="transcriberNote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen -van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden -van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. -</p> -<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. -</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata" summary="Metadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>Antony van Leeuwenhoek: De ontdekker der infusoriën, 1675–1875</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>P. J. Haaxman</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/282525110/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>1875</td> -<td></td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het -einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel -zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van -dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2021-08-28 Begonnen. -</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links -voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -<th>Bewerkingsafstand</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e116">n.v.t.</a></td> -<td class="width40 bottom">INFUSORIEN</td> -<td class="width40 bottom">INFUSORIËN</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e196">VI</a>, <a class="pageref" href="#xd31e205">VI</a></td> -<td class="width40 bottom">beruste</td> -<td class="width40 bottom">berustte</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e216">VI</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">,”</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e234">VII</a>, <a class="pageref" href="#xd31e255">VII</a>, <a class="pageref" href="#xd31e257">VII</a>, <a class="pageref" href="#xd31e787">23</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1264">44</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2587">90</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e240">VII</a></td> -<td class="width40 bottom">beforen</td> -<td class="width40 bottom">before</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e243">VII</a></td> -<td class="width40 bottom">exponed</td> -<td class="width40 bottom">exposed</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e252">VII</a></td> -<td class="width40 bottom">mij</td> -<td class="width40 bottom">my</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e290">1</a></td> -<td class="width40 bottom">Juillet</td> -<td class="width40 bottom">juillet</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e309">3</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><i title="34 gevallen">Passim. -</i></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e321">4</a>, <a class="pageref" href="#xd31e403">7</a>, <a class="pageref" href="#xd31e553">14</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1241">42</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1407">51</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1636">55</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2216">77</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2642">92</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3468">119</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3794">129</a></td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e477">10</a></td> -<td class="width40 bottom">)</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e496">12</a></td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="width40 bottom">””</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e506">12</a></td> -<td class="width40 bottom">l’àme</td> -<td class="width40 bottom">l’âme</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e509">12</a></td> -<td class="width40 bottom">d’ètre</td> -<td class="width40 bottom">d’être</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e512">12</a></td> -<td class="width40 bottom">’shonore</td> -<td class="width40 bottom">s’honore</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e534">13</a></td> -<td class="width40 bottom">Molineux</td> -<td class="width40 bottom">Molyneux</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e565">15</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1105">37</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1747">58</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1888">65</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2063">72</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3192">108</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3292">112</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4104">137</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e600">16</a></td> -<td class="width40 bottom">bij</td> -<td class="width40 bottom">hij</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e613">17</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">(</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><i title="23 gevallen">Passim. -</i></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e623">18</a></td> -<td class="width40 bottom">1572</td> -<td class="width40 bottom">1672</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e648">18</a></td> -<td class="width40 bottom">Verkoltje</td> -<td class="width40 bottom">Verkolje</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e707">21</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1673">56</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1947">66</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2527">87</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2679">94</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2749">97</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2880">101</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3466">119</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3474">119</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3488">120</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3751">127</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4148">139</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e709">21</a>, <a class="pageref" href="#xd31e721">21</a>, <a class="pageref" href="#xd31e730">21</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1631">55</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2508">87</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2857">100</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2865">101</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2882">101</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3360">114</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3527">121</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3540">121</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3910">133</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3915">133</a></td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e725">21</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1270">45</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1385">50</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2174">75</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3237">110</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4051">136</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e734">22</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2484">86</a></td> -<td class="width40 bottom">” </td> -<td class="width40 bottom"> „</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e750">22</a></td> -<td class="width40 bottom">trachte</td> -<td class="width40 bottom">trachtte</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e761">22</a></td> -<td class="width40 bottom">Tb.</td> -<td class="width40 bottom">Th.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e807">24</a></td> -<td class="width40 bottom">buskruid</td> -<td class="width40 bottom">buskruit</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e812">24</a></td> -<td class="width40 bottom">,,</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e841">26</a></td> -<td class="width40 bottom">:</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e843">26</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">:</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e861">26</a></td> -<td class="width40 bottom">” „</td> -<td class="width40 bottom"> </td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e864">26</a></td> -<td class="width40 bottom">bij</td> -<td class="width40 bottom">by</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e934">30</a></td> -<td class="width40 bottom">Oxfort</td> -<td class="width40 bottom">Oxford</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e951">31</a></td> -<td class="width40 bottom">Hartstoeker</td> -<td class="width40 bottom">Hartsoeker</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e956">31</a></td> -<td class="width40 bottom">Leeu enhoek</td> -<td class="width40 bottom">Leeuwenhoek</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e961">31</a></td> -<td class="width40 bottom">Hartstsoeker</td> -<td class="width40 bottom">Hartsoeker</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1000">33</a></td> -<td class="width40 bottom">polijste</td> -<td class="width40 bottom">polijstte</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1090">36</a></td> -<td class="width40 bottom">horisontaal</td> -<td class="width40 bottom">horizontaal</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1114">37</a></td> -<td class="width40 bottom">gesien</td> -<td class="width40 bottom">gezien</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1222">41</a></td> -<td class="width40 bottom">levendigdeid</td> -<td class="width40 bottom">levendigheid</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1237">42</a></td> -<td class="width40 bottom">P</td> -<td class="width40 bottom">p</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1274">45</a></td> -<td class="width40 bottom">Schittender</td> -<td class="width40 bottom">Schitterender</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1280">45</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1285">45</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1660">56</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3189">108</a></td> -<td class="width40 bottom">Constantyn</td> -<td class="width40 bottom">Constantijn</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1291">46</a></td> -<td class="width40 bottom">verbeelde</td> -<td class="width40 bottom">verbeeldde</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1294">46</a></td> -<td class="width40 bottom">ongelofelijk</td> -<td class="width40 bottom">ongeloofelijke</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1308">47</a></td> -<td class="width40 bottom">aanverwandte</td> -<td class="width40 bottom">aanverwante</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1311">47</a></td> -<td class="width40 bottom">hoogtste</td> -<td class="width40 bottom">hoogste</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1323">47</a></td> -<td class="width40 bottom">onwêerstaanbare</td> -<td class="width40 bottom">onweêrstaanbare</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1344">48</a></td> -<td class="width40 bottom">Micographia</td> -<td class="width40 bottom">Micrographia</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1372">50</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">:</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1404">51</a></td> -<td class="width40 bottom">is’er</td> -<td class="width40 bottom">is ’er</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1419">51</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2452">84</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2463">85</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2492">86</a></td> -<td class="width40 bottom">hy</td> -<td class="width40 bottom">hij</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1427">51</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3861">131</a></td> -<td class="width40 bottom">;</td> -<td class="width40 bottom">:</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1734">58</a></td> -<td class="width40 bottom">uit een</td> -<td class="width40 bottom">uiteen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1745">58</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1755">59</a></td> -<td class="width40 bottom">byen</td> -<td class="width40 bottom">bijen</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1782">61</a></td> -<td class="width40 bottom">he</td> -<td class="width40 bottom">het</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2082">72</a></td> -<td class="width40 bottom">Mouspeliense</td> -<td class="width40 bottom">Monspeliense</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2140">75</a></td> -<td class="width40 bottom">vergistte</td> -<td class="width40 bottom">vergiste</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2243">77</a></td> -<td class="width40 bottom">welt</td> -<td class="width40 bottom">Welt</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2253">77</a></td> -<td class="width40 bottom">alalleen</td> -<td class="width40 bottom">alleen</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2274">78</a></td> -<td class="width40 bottom">chimeriques</td> -<td class="width40 bottom">chimériques</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2283">78</a></td> -<td class="width40 bottom">notre</td> -<td class="width40 bottom">nôtre</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2286">78</a></td> -<td class="width40 bottom">élòge</td> -<td class="width40 bottom">éloge</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2292">78</a></td> -<td class="width40 bottom">sont</td> -<td class="width40 bottom">son</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2306">78</a></td> -<td class="width40 bottom">deuxiéme</td> -<td class="width40 bottom">deuxième</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2360">80</a></td> -<td class="width40 bottom">antwoorde</td> -<td class="width40 bottom">antwoordde</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2386">81</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2394">81</a></td> -<td class="width40 bottom">spermatozoiden</td> -<td class="width40 bottom">spermatozoïden</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2444">83</a></td> -<td class="width40 bottom">a. o.</td> -<td class="width40 bottom">o. a.</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2503">86</a></td> -<td class="width40 bottom">urien</td> -<td class="width40 bottom">urine</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2648">93</a></td> -<td class="width40 bottom">Churfust</td> -<td class="width40 bottom">Churfurst</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2862">101</a></td> -<td class="width40 bottom">slechfs</td> -<td class="width40 bottom">slechts</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2895">102</a></td> -<td class="width40 bottom">eenge</td> -<td class="width40 bottom">eenige</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2925">102</a></td> -<td class="width40 bottom">geschikste</td> -<td class="width40 bottom">geschiktste</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3167">106</a></td> -<td class="width40 bottom">draaing</td> -<td class="width40 bottom">draaiing</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3172">107</a></td> -<td class="width40 bottom">touwje</td> -<td class="width40 bottom">touwtje</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3205">108</a></td> -<td class="width40 bottom">aanbeveeling</td> -<td class="width40 bottom">aanbeveling</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3246">110</a></td> -<td class="width40 bottom">vliegen</td> -<td class="width40 bottom">Vliegen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3250">110</a></td> -<td class="width40 bottom">hem</td> -<td class="width40 bottom">hen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3295">112</a></td> -<td class="width40 bottom">Ik heb </td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">7</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3357">114</a></td> -<td class="width40 bottom">respectivelijk</td> -<td class="width40 bottom">respectievelijk</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3493">120</a></td> -<td class="width40 bottom">illustre</td> -<td class="width40 bottom">illustere</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3496">120</a></td> -<td class="width40 bottom">beroemste</td> -<td class="width40 bottom">beroemdste</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3503">120</a></td> -<td class="width40 bottom">schenen</td> -<td class="width40 bottom">scheen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3660">125</a></td> -<td class="width40 bottom">schuim</td> -<td class="width40 bottom">schuin</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3686">125</a></td> -<td class="width40 bottom">schei</td> -<td class="width40 bottom">schrei</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3785">128</a></td> -<td class="width40 bottom">sneeuwater</td> -<td class="width40 bottom">sneeuwwater</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3806">129</a></td> -<td class="width40 bottom">1V</td> -<td class="width40 bottom">IV</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3811">130</a></td> -<td class="width40 bottom">aIle</td> -<td class="width40 bottom">alle</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3836">131</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3933">134</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3936">134</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">;</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3905">133</a></td> -<td class="width40 bottom">4</td> -<td class="width40 bottom">5</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3982">134</a></td> -<td class="width40 bottom">’twelk</td> -<td class="width40 bottom">’t welk</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3998">134</a></td> -<td class="width40 bottom">Bibliotheca</td> -<td class="width40 bottom">Bibliographia</td> -<td class="bottom">6</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4086">137</a></td> -<td class="width40 bottom">â</td> -<td class="width40 bottom">á</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Afkortingen</h3> -<p>Overzicht van gebruikte afkortingen.</p> -<table class="abbreviationtable" summary="Overzicht van gebruikte afkortingen."> -<tr> -<th>Afkorting</th> -<th>Uitgeschreven</th> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">d.d.</td> -<td class="bottom">de dato</td> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">H.H.</td> -<td class="bottom">Heeren</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> -<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ANTONY VAN LEEUWENHOEK ***</div> -<div style='text-align:left'> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Updated editions will replace the previous one—the old editions will -be renamed. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. -</div> - -<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br> -<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br> -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase “Project -Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg™ License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person -or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ -electronic works. See paragraph 1.E below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the -Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg™ License when -you share it without charge with others. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work -on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the -phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: -</div> - -<blockquote> - <div style='display:block; margin:1em 0'> - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most - other parts of the world at no cost and with almost no restrictions - whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms - of the Project Gutenberg License included with this eBook or online - at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you - are not located in the United States, you will have to check the laws - of the country where you are located before using this eBook. - </div> -</blockquote> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase “Project -Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg™. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg™ License. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format -other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg™ website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain -Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works -provided that: -</div> - -<div style='margin-left:0.7em;'> - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation.” - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ - works. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg™ works. - </div> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right -of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any -Defect you cause. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s -goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg™ and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state’s laws. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation’s website -and official page at www.gutenberg.org/contact -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread -public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state -visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of -volunteer support. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Most people start at our website which has the main PG search -facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This website includes information about Project Gutenberg™, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. -</div> - -</div> - -</body> -</html> diff --git a/old/66297-h/images/fig1.png b/old/66297-h/images/fig1.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 32e5df2..0000000 --- a/old/66297-h/images/fig1.png +++ /dev/null diff --git a/old/66297-h/images/fig2a.png b/old/66297-h/images/fig2a.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 4cb45d0..0000000 --- a/old/66297-h/images/fig2a.png +++ /dev/null diff --git a/old/66297-h/images/fig2b.png b/old/66297-h/images/fig2b.png Binary files differdeleted file mode 100644 index fd11056..0000000 --- a/old/66297-h/images/fig2b.png +++ /dev/null diff --git a/old/66297-h/images/fig3.png b/old/66297-h/images/fig3.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 57368a6..0000000 --- a/old/66297-h/images/fig3.png +++ /dev/null diff --git a/old/66297-h/images/frontispiece.jpg b/old/66297-h/images/frontispiece.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 9cb8705..0000000 --- a/old/66297-h/images/frontispiece.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/66297-h/images/new-cover.jpg b/old/66297-h/images/new-cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 68d6b59..0000000 --- a/old/66297-h/images/new-cover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/66297-h/images/p116.png b/old/66297-h/images/p116.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 4208f04..0000000 --- a/old/66297-h/images/p116.png +++ /dev/null diff --git a/old/66297-h/images/signature.png b/old/66297-h/images/signature.png Binary files differdeleted file mode 100644 index c7d167d..0000000 --- a/old/66297-h/images/signature.png +++ /dev/null diff --git a/old/66297-h/images/titlepage.png b/old/66297-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index ff5f55c..0000000 --- a/old/66297-h/images/titlepage.png +++ /dev/null |
