diff options
Diffstat (limited to 'old/66352-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/66352-0.txt | 3235 |
1 files changed, 0 insertions, 3235 deletions
diff --git a/old/66352-0.txt b/old/66352-0.txt deleted file mode 100644 index 0571466..0000000 --- a/old/66352-0.txt +++ /dev/null @@ -1,3235 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 3: De Ridderordendiefstal in -het Koninklijk Paleis, by Kurt Matull - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Lord Lister No. 3: De Ridderordendiefstal in het Koninklijk - Paleis - -Author: Kurt Matull - Theo Blakensee - -Release Date: September 20, 2021 [eBook #66352] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: The Online Distributed Proofreading Team at - https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg. - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 3: DE -RIDDERORDENDIEFSTAL IN HET KONINKLIJK PALEIS *** - - - - LORD LISTER - GENAAMD RAFFLES - DE GROOTE ONBEKENDE. - - NO. 3 DE RIDDERORDEN-DIEFSTAL IN HET KONINKLIJK PALEIS - - - - - - - - -DE RIDDERORDEN-DIEFSTAL IN HET KONINKLIJK PALEIS - -EERSTE HOOFDSTUK. - -RECHERCHEUR WHITE. - - -Rechercheur White trad met een jonge dame Scotland Yard binnen en vroeg -inspecteur Baxter te spreken. - -„Deze jongedame”, zei hij en hij wees op het mooie meisje, dat haar -gelaat verborg achter een dichten sluier, „is door verscheiden heeren -achtervolgd, die meenden, dat zij alle recht er op hadden, de onschuld -te belagen. Het heeft mij veel moeite gekost haar te beschermen”. - -Baxter wendde zich tot de jongedame. - -„Hoe heet gij?” - -„Ellen Crofton!” - -„Goed. En waar woont ge?” - -„In Bromley”. - -De inspecteur noteerde den naam dezer straat en bromde toen voor zich -heen: - -„Wat kan er voor goeds komen uit Bromley!” - -Toen weer tot het meisje: - -„Wat doet uw vader?” - -„Hij was officier bij het Indische leger, maar sinds eenige jaren -drijft hij een zaak”. - -„Ge zijt dus verarmd?” - -Het meisje bloosde bij die woorden. - -„En vertel nu eens, White, wat is er gebeurd?” - -„Ik liep door St. James Street”, begon White, „want die straat behoort -tot mijn afdeeling”. - -„Het is een van onze voornaamste straten”, viel de inspecteur in. „En -verder?” - -„Plotseling hoorde ik hulpgeroep. Ik ging er op af. Eensklaps werd de -deur van een huis opengerukt en dit jonge meisje vloog er uit met -doodsbleek gelaat. De duisternis was haar vervolgers gunstig en de -heeren—als de kwajongens tenminste aanspraak kunnen maken op dien -naam—” - -„Houd je opmerkingen voor je, White. In St. James Street wonen alleen -voorname lieden.” - -„Dat denk ik ook, inspecteur. Die schurken dus—” - -„Ik heb je daar juist verteld, dat ge op een anderen toon moet -spreken”. - -„Die wonderlijke heeren dan renden de straat door, grepen haar, wierpen -haar op den grond en terwijl één hunner haar den mond dicht hield, -trachtten de anderen haar weer in het huis te sleepen. Ik snelde toe en -beval hun de jongedame los te laten. De ellendelingen—ik meen de -heeren—antwoordden met een spotlach. Toen maakte ik kort proces, gooide -een paar van hen op den grond en joeg de anderen op de vlucht. - -„Een van de kerels—ik meen de heeren—stiet mij zijn mes in den arm; ik -kon hem niet te pakken krijgen en hij is ontvlucht”. - -„Wat was dat voor een huis, waar die geschiedenis zich afspeelde?” - -„Het was nummer 39 in St. James Street.” - -Baxter sloeg zenuwachtig het dikke adresboek op. - -„Allemachtig!” stamelde hij toen, „daar zijn drie van de voornaamste -clubs uit Londen gevestigd, één ervan behoort een prins—en jij hebt zoo -opgespeeld tegen die gentlemen?” - -White antwoordde: - -„Maar ik vertel u daar juist, inspecteur, dat de bandieten...” - -„Je krijgt een dag arrest, White! Je bent weer heel onvoorzichtig -geweest. Je hebt je gemengd in een zaak, waarmee de politie heelemaal -niets te maken heeft.” - -„Als meer dan een dozijn mannen een onbeschermd meisje aanvallen, moet -de politie zich er wel mee bemoeien”, beweerde White. - -De inspecteur wendde zich weer tot de jonge dame. - -„Hoe zijt ge in dat clubgebouw gekomen?” - -„Ik weet het niet.” - -De inspecteur lachte grimmig. - -„Dat zijn geen antwoorden. Ge moet de waarheid vertellen. Wat hebt ge -met die heeren te maken?” - -„Ik ging vanmiddag in Hyde-Park wandelen”, antwoordde zij, „het begon -al te schemeren, toen ik plotseling mij onwel gevoelde. Ik kon nog naar -een bank loopen, waar ik bewusteloos neerzonk. Toen ik weer tot -mijzelve kwam, was ik in een vreemd huis en omringd door een aantal -jonge mannen, die mij beleedigden. Ik stiet hen ter zijde en vluchtte -weg. Het overige weet ge.” - -„En denkt ge, dat ik dat verzinsel geloof?” - -„Het is geen verzinsel!” - -Zij richtte zich op met trotsch gebaar. - -„Ge kunt gaan, juffrouw! Ik geef u echter den raad, in het vervolg niet -meer dergelijke aardigheden uit te lokken. Pas maar op, dat de politie -geen termen vindt, om uw levensloop wat nauwkeuriger te controleeren”. - -De rechercheurs zagen, dat het meisje onder haar sluier doodsbleek -werd. - -Zij wankelde. - -White ondersteunde haar en fluisterde haar toe: - -„Ga nu heen en tracht nooit meer met de politie in aanraking te komen. -Dat deugt niet voor u”. - -Zij drukte hem dankbaar de hand. - -White riep een huurkoets aan en een minuut later was miss Crofton -verdwenen. - -De inspecteur ijsbeerde de kamer door. - -Toen White weer binnenkwam, snauwde Baxter: - -„White, je bent nog maar een half jaar in dienst! Je bent nog een -groentje! Je denkt alles door geweld te kunnen bereiken en handelt -voortdurend tegen de voorschriften. In buurten als St. James Street, -Pall-Mall, Regent Street en andere moet je je niet zoo druk maken, -begrepen? In straten, waar de voornaamste lieden uit Londen wonen, moet -je wat voorzichtig zijn. - -„Je hebt nog heel wat bij ons te leeren, White! Al die particuliere -aangelegenheden van de rijkelui gaan ons niets aan. Als er een misdaad -in het spel is, zie je, dan is het heel iets anders!” - -„Is dat dan geen misdaad geweest, inspecteur?” - -„Je bent een domkop, White!” - -„Dank u! Moet er heelemaal dan geen onderzoek naar gedaan worden, hoe -miss Crofton zoo plotseling in het clubgebouw kwam?” - -„Laat ons afwachten, of haar vader werk maakt van de zaak. Misschien is -hier een geheimzinnige liefdesgeschiedenis in het spel”. - -White ging schouderophalend heen. - -In hetzelfde oogenblik ging de telephoon. - -Een der agenten, die haar bediende, sprak langen tijd. - -Toen zei hij tot den inspecteur: - -„Sir Jonathan Woorman verzoekt om bescherming!” - -„Sir Woorman? De rijke Iersche grondeigenaar? Ik zal er met een paar -mannen heengaan. Wat is de reden van dit verzoek?” - -„Hij is bang, dat zijn brandkast wordt geplunderd!” - -„Zoo plotseling? Hoe dat zoo?” - -„Raffles is in de buurt gezien”. - -„Raffles? Raffles? Inderdaad Raffles? Jongens, dat is een mooie zaak! -We gaan dadelijk op zoek naar hem! De kerel maakt mij nog gek!” - -„Dat heeft hij al zóó vaak beweerd, dat het nu eens tijd wordt, dat het -gebeurt!” fluisterde White. - -Baxter koos White uit, dien hij prees wegens zijn moed en -koelbloedigheid en steeds gaarne bij zich had en bovendien nog vijf -man, waarmee hij op weg trok. - -Hij had nog vele aanwijzingen gekregen, die hem er toe noopten, zoodra -mogelijk Sir Woorman hulp te gaan verleenen, - -„Het schijnt”, sprak Baxter onderweg, „dat die Woorman heel wat -machtige, persoonlijke vijanden heeft, want ieder oogenblik stuurt hij -mij een dreigbrief, dien hij heeft ontvangen. - -„Reeds twee keer ook zijn er aanslagen op hem gepleegd. - -„Hij is op en top een heer en het eenige, dat men hem ten laste kan -leggen is, dat hij een al te groot Don Juan is.” - -„Dat is geen misdaad”, beweerde een der detectives. - -„Dat hangt er van af”, sprak White op zachten toon. - -De inspecteur had deze woorden echter verstaan. - -Hij draaide zich om en vroeg: - -„Hoezoo, White? Mogen rijke heeren zich niet amuseeren? Jij bent een -wonderlijke kerel!” - -„Dat bedoel ik niet, inspecteur”, antwoordde White. - -„Wat bedoel je dan?” - -„Wel, inspecteur, ik vind, dat die rijke heeren zich in hun eigen kring -moeten amuseeren. In plaats van dat te doen, zoeken zij steeds hun -slachtoffers daar, waar de armoede al genoeg onheil heeft gesticht.” - -De inspecteur lachte luide. - -Al de anderen stemden even luid mede in. - -„Vindt jij dan, White, dat hij afspraakjes moet maken met de dochter -van de aristocraten? Je bent een groot kind! Ik zou bijna zeggen, -kerel, dat je niet deugt voor je baantje.” - -„Maar hier zijn we op de plaats van bestemming!” - -Het was elf uur in den avond. - -Inspecteur Baxter betrad met zijn mannen de groote, weelderig -ingerichte woning van Sir Jonathan Woorman, een te Londen welbekend -sportsman, die in de voornaamste kringen verkeerde en daar in hoog -aanzien stond - -Sir Woorman trad hem tegemoet. - -„Ik dank u, inspecteur, dat ge gekomen zijt”, sprak hij met zware stem. - -Hij was een groot, breedgeschouderd man, met innemende manieren. - -Op zijn tamelijk langen hals stond een hoofd met breede, eenigszins -plompe trekken en een typischen Ierschen neus. - -Als Sir Woorman niet zoo rijk gekleed was en niet zulke voorname -manieren had gehad, dan had men hem evengoed voor iemand uit een van de -onderste lagen der volksklasse kunnen houden. - -„Stel u eens voor, inspecteur, wat ik een paar uur geleden beleefd -heb!” riep Woorman uit. - -„Wellicht een galant avontuur?” - -„De duivel hale alle galante avonturen!” riep Sir Woorman uit, die -plotseling van smaak veranderd scheen. - -„Stel u eens voor, inspecteur, ik had van avond om acht uur een -rendez-vous in een of ander café. Het doet er niets toe, in welk café. - -„Ik ga naar binnen, en neem plaats in het kamertje, waar ik de dame -verwacht.—Vijf minuten later komt een heer binnen. Ik moet zeggen, dat -die Raffles héél elegant is! Verduiveld elegant! En brutaal! Ik heb nog -nooit zoo iets gezien!” - -„Kwam Raffles in plaats van de dame? Hoe is dat mogelijk?” - -„Als ik dat wist, dan was ik knapper dan u!” - -„Weet ge zeker, dat het Raffles was?” - -„Het was Raffles! De kerel hield een heele toespraak en verklaarde mij -ten slotte, dat ik een...... enfin, dat komt er niet op aan. In ieder -geval heeft hij mij aangekondigd, dat hij van nacht nog mijn geld komt -weghalen, omdat ik veel te veel heb en het feitelijk anderen -toebehoort. Wat zegt ge van zoo’n logica? Ik heb hem gezegd, dat ik -inspecteur Baxter onmiddellijk zou waarschuwen!” - -„En wat antwoordde hij?” - -„Hij lachte en noemde in verband met u een heele menigte diernamen. -Zoo’n onbeschaamde vlegel! Maar ik heb het grootste vertrouwen in u, -inspecteur!” - -„En ik zal dat vertrouwen niet beschamen”, antwoordde Baxter met -gepaste bescheidenheid. „Wij zullen onmiddellijk de noodige maatregelen -nemen!” - -„Gij, Sir Woorman, wilt misschien de kamer, waarin uw brandkast staat, -zelf bewaken! Ik geef u dan rechercheur White tot assistentie!” - -Sir Woorman keek White eens aan. - -„De kerel bevalt mij!” zeide hij, „maar ik heb geen tijd, inspecteur, -ik heb een dringende afspraak. Uw rechercheur zal dat zaakje wel alleen -kunnen opknappen.” - -„Zooals ge wenscht, Sir Woorman, dan zal ik met White de brandkast gaan -bewaken!” - -„All right”, antwoordde de rijke man. - -Baxter gaf zijn aanwijzingen en de manschappen gingen op hun post. - -De brandkast stond in een kleine kamer, die twee deuren had. - -Door de eene deur kon men niet komen, zonder de trap te zijn opgegaan, -waar een rechercheur op post stond. - -De tweede deur kwam uit in Sir Woorman’s werkkamer. - -„Hier zijn sigaren en sigaretten”, sprak Sir Woorman, „maak het u zoo -gemakkelijk mogelijk, morgen vroeg kom ik terug en hoop ik, dat alle -gevaar geweken is!” - -„Als de duivel er niet weer mee speelt, zullen we den kerel wel te -pakken krijgen”, antwoordde de inspecteur. - -Het werd stil in huis. - -Sir Woorman was heengegaan. - -Baxter en White zaten in de studeerkamer en hielden de wacht over de -kamer, waar de brandkast stond, door een groote, glazen deur, waar men -makkelijk doorheen kon kijken, daar de kamer helder verlicht was, -terwijl de beide mannen in donker zaten. - -„Ik laat mij hangen, als het Raffles ditmaal gelukt een penny te -stelen”, beweerde Baxter. - -White antwoordde niet. - -Terwijl namelijk Baxter naast de deur zat en geen blik had afgewend van -de helverlichte kamer, was White zachtjes weggegaan en patrouilleerde -nu door de kamers van het huis. - -Hij keek overal rond met speurenden blik en bleef ten slotte staan voor -een eikenhouten kast. - -„Dat kon het juiste wel eens zijn”, mompelde hij, „want dat de -brandkast leeg is, ligt voor de hand!” - -Hij begon met een looper de houten deur te openen. - -Nauwelijks was deze geopend of een metalen plaat werd zichtbaar - -„Ik dacht het wel! Dat is dus de brandkast”, fluisterde hij. - -Hij deed verscheiden vergeefsche pogingen om ook deze te openen. - -Toen haalde hij uit zijn zak een zoogenaamden brandsnijder te -voorschijn. - -Het instrument was ongeveer zestig centimeter lang en bevatte door een -bijzondere inrichting een hoeveelheid gas, waardoor een vlam van -buitengewone hitte kon ontwikkeld worden. De verbinding van zuurstof en -acetyleen bracht een warmte van meer dan zevenduizend graden Celsius te -voorschijn. - -Zoo’n temperatuur kon zelfs de beste pantserplaat niet verdragen. - -Het middel, dat White thans aanwendde om de brandkast door te smelten, -was door Raffles al herhaalde malen toegepast. - -Na vijf minuten was het werk volbracht. - -De brandkast was geopend en met de grootste onverschilligheid, als ging -de heele zaak hem niets aan, haalde White den inhoud uit de kast. - -Er was ongeveer vijfduizend pond in. - -Honderd pond legde White weer in de kast, stak het overige bij zich en -bekeek bij het schijnsel van zijn electrische lantaarn een groote -brieventasch, die tusschen de banknoten verborgen had gelegen. - -Er was een afscheidsbrief in van een liefje en een geknipt stuk uit een -krant. - -Plotseling zag White, dat er een bloedvlek op den brief was. - -Hij las de uitgeknipte advertentie. - -Deze luidde: - - - „Wij houden ons aanbevolen voor zaken van allerlei aard en - verzoeken u om ons te begunstigen, opdat wij in de allereerste - levensbehoeften zullen kunnen voorzien. - - „Alice Forester en haar zoon, Gerard Street, Londen N.” - - -White haalde de schouders op en stak beide papieren bij zich. - -Toen ging hij doodkalm terug naar de studeerkamer. - -„Waar ben je geweest”, vroeg Baxter. - -„Ik heb een rondgang gemaakt om mij te overtuigen, dat Raffles nog -nergens geweest is.” Toen loste hij den inspecteur af, die op de sofa -ging liggen en vijf minuten later in diepen slaap verzonken was. - -White keek op zijn horloge. - -„’t Is één uur”, fluisterde hij, „ik heb dus nog een paar uur tijd, -want ik zou graag persoonlijk van Sir Woorman afscheid willen nemen.” - -Langzaam kropen de uren voorbij. - -White keek al lang niet meer naar de kamer, waarin de brandkast stond. - -Hij was voor de schrijftafel gaan zitten. - -Daar hoorde hij plotseling eenig gekraak. - -Hij stond op en luisterde. - -Waarlijk. - -Buiten was een inbreker! - -Een jonge, magere knaap van ongeveer zeventien jaren had een ijzeren -bout tusschen de door een looper reeds half geopende deur gedrukt en in -het oogenblik, dat White hem betrapte, ging de deur van de brandkast -open. - -De jongen greep in de kast. - -Maar met een gelaat, waarop de bitterste ontgoocheling stond te lezen, -trok hij zijn hand weer terug. - -De brandkast was leeg. - -White deed nu de deur voorzichtig open en ging de aangrenzende kamer -binnen. - -De inbreker liet een zachten schreeuw hooren en keek met groote, -verglaasde oogen den rechercheur aan. - -„Je bent ook niet al te dapper, mijn jongen”, sprak White op -gemoedelijken toon. „Hoe ben je binnengekomen?” - -„Ik heb mij vanmiddag in de gang verborgen.” - -White keek den jongen eens aan. - -Hij zag er vermagerd uit en zijn holle wangen spraken van ellende. - -„Waarom wou je stelen?” - -„Och, het komt er nu toch niet op aan; neem mij maar mee, dan is alles -uit.” - -„Kom, doe niet zoo dwaas en geef mij eens een verstandig antwoord! Hadt -je wel eens meer gestolen?” - -„Neen nog nooit, het is de eerste maal.” - -„Dat begreep ik. En waarom nu?” - -„Omdat—omdat mijn moeder sterft als ze geen betere verpleging krijgt En -ik heb niemand als haar.” - -„Hoe heet je?” - -„Harry Forester.” - -„Harry Forester? Waar woon je jongen?” - -„In Gerard Street.” - -„Zoo zoo. Dat is heel merkwaardig.” - -De rechercheur haalde uit zijn zak een banknoot van honderd pond te -voorschijn. - -„Ken je dat, Harry Forester? Dat zijn honderd pond; is dat vooreerst -genoeg?” - -De jongen begreep niet, wat er met hem gebeurde. - -Doch met energiek gebaar duwde White hem de banknoot in de hand, bracht -hem door de donkere kamer waarin Baxter sliep en sprak: - -„Als een der rechercheurs naar je vraagt, moet je maar zeggen, dat je -hier thuis behoort!” - -De jongen knikte. - -Hij wilde den rechercheur danken; maar deze weerde hem af. - -In hetzelfde oogenblik echter, dat de dief de woning wilde verlaten, -ging de deur open en trad Sir Woorman binnen. - -White duwde zijn beschermeling vlug in een donkeren hoek. - -Toen hij de open gebroken brandkast zag, riep hij uit: - -„Ik ben bestolen! Tienduizend pond zijn gestolen! Waar is de dief? Waar -is Raffles?” - -Sir Woorman snelde naar zijn studeerkamer. - -De jongen had van de verwarring gebruik gemaakt, om snel te ontvluchten -en inspecteur Baxter was doodelijk verschrikt wakker geworden. - -Hij stond als gebroken naast Sir Woorman. - -Zoo iets was hem nog nooit overkomen. - -White had toch gewaakt en als deze Raffles niet gezien had—maar White -liet den inspecteur geen tijd om verder na te denken. - -Langzaam zette hij zijn helm af, daarna ham hij de wondermooie pruik -van het hoofd; kalm trok hij de uniformjas uit en, terwijl hij langzaam -zijn revolver nazag en de aanwezigen verstomd stonden van schrik, sprak -hij: - -„Ik heb de eer mij aan u voor te stellen. Ik ben Raffles!” - -Daarop wendde hij zich tot Baxter. - -„Ik was van den aanvang af overtuigd, dat ik in Scotland Yard niets -nieuws zou kunnen leeren, maar toch dank ik u, inspecteur, voor de -moeite, die ge u gegeven hebt om mij met een en ander op de hoogte te -brengen!” - -Toen wendde hij zich weer tot Sir Woorman. - -„Wat kunt ge toch gemeen liegen, Sir Woorman, er heeft geen penny in de -brandkast gezeten en het zou voor Raffles niet de moeite waard geweest -zijn, om daar in te breken. Maar mijn goed gesternte heeft mij ook -ditmaal niet bedrogen. Als ge uw andere geldkast eens na wilt zien.—” - -„Pakt hem beet!” brulde Sir Woorman, „pakt hem beet!” - -Terzelfder tijd stoof hij ook op Raffles af. - -Maar deze was op alles bedacht geweest. - -Hij gaf Sir Woorman een geweldigen stomp in de maag, zoodat deze over -den grond tolde. - -Toen vloog hij de gang door en rukte de deur open, achtervolgd door al -de rechercheurs. - -Het was een dolle wedstrijd naar de bovenste verdieping, doch daar -aangekomen klom Raffles voor de oogen van zijn verbaasde vervolgers in -de dakgoot en liet zich vliegensvlug langs een brandladder naar omlaag -glijden. - -In het volgende oogenblik was hij door de duisternis aan de oogen -zijner vervolgers onttrokken. - - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -AFSCHUWELIJKE ONTDEKKINGEN. - - -Lord Lister keek nauwkeurig de kamer rond, waarin hij zat. - -Hij had zijn jas uitgedaan, maar was nog in volledig toilet, dat hij -onder de uniformjas had gedragen. - -Eerst zag hij niets, want het was volslagen donker. - -Geen geluid werd vernomen. - -Hij tastte langs den muur en draaide het electrisch licht op. - -Hij was in een weelderig ingericht slaapvertrek. - -Op het ledikant lag een zijden deken en daaronder sliep een jong -meisje, dat in haar gezonden sluimer zelfs door het licht niet was -ontwaakt. - -Het blonde haar viel in dichte strengels over het met kant versierde -kussen, de linkerhand lag op de borst, de rechter hing slap neer over -den bedrand. - -Zachtjes naderde Lord Lister het bed. - -Nu zag hij ook, dat eenige wanorde in de kamer heerschte. - -Een stoel naast het bed was omgegooid, een kast was kapot, een -schilderij aan den muur vernield. - -Ontzet week Raffles achteruit, toen hij naar de slapende keek. - -Zij was dood! - -Raffles legde zijn hand voorzichtig op de deken. Toen zag hij duidelijk -donkere strepen, die zich scherp afteekenden op den hals van de -jongedame. - -„Zoozoo!” fluisterde hij, terwijl hij sterk opsnoof, „eerst bedwelmd, -toen geworgd!” - -De eerste schemering drong door het venster. - -Raffles keek nog eens naar de ongelukkige, die hier zoo’n -geheimzinnigen dood had gevonden en trad toen naar buiten. - -Maar wederom deinsde hij in de grootste ontzetting achteruit. - -In de gang hing het lijk van het dienstmeisje, dat nog het witte mutsje -op haar hoofd droeg. - -„Afschuwelijk!” stiet Raffles uit. - -Hij wilde vluchten van deze plek, maar toen overwon toch het verlangen -om meer te weten van die afschuwelijke misdaad. - -Raffles ging van de eene kamer naar de andere. De woning had zeven -kamers, alle even weelderig ingericht. - -Raffles vond niets, wat eenige aanduiding kon geven tot den moord. - -In de kleedkamer alleen lag een band, die om den arm of de knie moest -worden gedragen. - -Daarop stond: - -Honi soit, qui mal y pense. [1] - -Daaronder stond heel klein geschreven: - -„Ribbon-men”. - -Hij nam den band op en stak hem bij zich. - -Toen verliet hij het huis. - -Buiten hing een schild voor de deur, waarop stond: - -Madame de Vales. - -Raffles ging heen. - -„Vervloekt,” zei hij, „die er slecht over denkt”, en spoedde zich naar -Gerard Street. - -Na eenig zoeken had hij het huis gevonden, waarin mrs. Forester woonde -met haar zoon. - -Hij wilde zien of de jongen waarheid had gesproken. - -Lord Lister ging de trap op en klopte aan de deur, waarop een -visitekaartje hing, met den naam - - - Alice Forester. - - -Toen geen antwoord volgde, ging hij zoo maar binnen. - -Hij zag een vrouw van ongeveer vijf-en-dertig jaren, die nog schoon kon -worden genoemd. - -Zij lag midden op den grond, temidden van een grooten bloedplas en nog -steeds vloeide het bloed uit de gapende wonde, die haar door een -scherpe dolk aan den hals scheen te zijn toegebracht. - -Raffles balde de vuisten en wankelde naar de deur terug. - -Zelfs zijn stalen zenuwen waren niet bestand tegen zóóveel misdadigs -als hij in de laatste uren had gezien. - -Hij beheerschte zich en knielde naast het lichaam neer, om te -onderzoeken, of alle leven nog niet was geweken. - -Hij kreeg hierbij verscheiden bloedvlekken aan zijn kleeren, en moest -helaas constateeren, dat de levensgeesten van de ongelukkige reeds -geweken waren. - -„Waarom zou de vrouw vermoord zijn?” vroeg Raffles zich af. „Wie zou er -belang bij hebben gehad, haar van het leven te berooven? Wat had die -ongelukkige gedaan, dat haar een dergelijk lot moest treffen?” - -Terwijl Raffles nog stond te peinzen, ging de deur open en trad de -jongen binnen, dien hij dien nacht verrast had bij de inbraak. - -Toen hij het lijk zag, werd hij doodsbleek en in het volgende oogenblik -richtte zich zijn oogen in waanzinnige woede op den lord. - -Hij vloog naar de tafel, greep een mes en wilde zich op den vermeenden -moordenaar werpen, maar voor diens revolver deinsde hij achteruit. - -„Laat dat wapen rusten, jongen. Ik ben Raffles, en Raffles is geen -moordenaar!” - -De jongen herkende nu den rechercheur van den afgeloopen nacht. - -„Waar ben je van nacht geweest?” vroeg Lord Lister hem. - -„Ik was thuis”. - -De jongen snikte hevig. - -„Heb je geen vermoeden, wie je moeder vermoord kan hebben?” - -„Neen, dat heb ik niet!” - -Lord Lister opende laden en kasten en haalde brieven te voorschijn, -waaruit hij de levensgeschiedenis der ongelukkige vrouw las. - -Plotseling vroeg hij: - -„Ken je Sir Woorman?” - -„Ik heb wel eenigen tijd in zijn fabriek gewerkt, anders weet ik niets -van hem”. - -Lord Lister knikte. - -Was het niet merkwaardig, dat deze vrouw brieven van Woorman bewaarde, -die al zeventien jaren oud waren. - -Hij verliet het huis en een bitter lachje speelde om zijn lippen. - -Hij ging naar een telephoon-bureau en vroeg aansluiting met den -inspecteur van recherche Baxter, in Scotland Yard. - -Het volgende gesprek werd gevoerd: - -„Hier Baxter!” - -„Hier Raffles!” - -„Hè?” - -„Maak je geen flauwe grapjes!” - -„Flauwe grapjes worden doorgaans alleen door de politie gemaakt. In -Gerard Street no. 17 ligt een lijk. Mrs. Forester is vermoord. Ge ziet -dus, dat het heel wat beter zou zijn, als ge wat meer werk gingt maken -van de moordenaars, die in Londen rond loopen, en wat minder tijd -verspildet om mij op te sporen!” - -„Een lijk, zeg je? En dat hebt gij ontdekt? Wat doet ge in Gerard -Street? Waar zijt ge nu?” - -„Ik ben op het oogenblik in een telephoon-automaat, vijf minuten -ongeveer van Gerard Street verwijderd. Als ge hier komt, mijn -allerbeste Baxter, zult gij mij niet meer vinden! Maak je daaromtrent -vooral geen illusies. Maar je zult vandaag nog wel meer te doen -krijgen! In de Pall Mall Street No. 29, tweede verdieping links, zijn -twee lijken gevonden van een dame en haar dienstmeid!” - -„Je houdt ons voor de mal!” - -„Geen kwestie van!” - -„Drie lijken in één nacht?” - -„Is dat dan zoo’n wonder, inspecteur, als gij den heelen nacht -verslaapt? Ik heb u toen al eens meer gezegd, Baxter, dat ge niets -gemeen hebt met een inspecteur der recherche—als uw uniform. - -„Als ik inspecteur was, moest gij geen Raffles zijn! Daar ik er echter -maar al te goed van overtuigd ben, dat gij den moordenaar van mrs. -Forester tòch niet zult vinden, deel ik u thans mee, dat ik u den kerel -binnen vier-en-twintig uren zal bezorgen. Bonjour!” - -Raffles hing den microphoon op. - -Met een vloek keerde Baxter zich om. - -„Die Raffles!” schreeuwde hij. - -Hij hief de handen ten hemel. - -„Die Raffles! Raffles als detective! ’t Is belachelijk! Hij wil Londen -van de moordenaars zuiveren! Hij wil de lui opsporen, die mij door de -vingers glippen! De duivel moge hem halen!” - -Nadat hij op deze wijze zijn woede wat had gelucht, beval hij drie -detectives, hem per fiets te volgen. - -In razende vaart ging het nu naar het telephoonstation bij Gerard -Street. - -„Hebt ge Raffles gezien?” vroeg de inspecteur den beambte, die de -telephooncel bewaakte. - -„Raffles?” - -„Ja—Raffles.” - -„Geen spoor van te bekennen!” - -„Hij was een kwartier geleden hier!” - -„Och kom!” - -„’t Is inderdaad waar!” - -„Ah! Ge meent toch niet dien eleganten jongen man, die getelephoneerd -heeft?” - -„Ja, dien bedoel ik!” - -„Maar die is al lang weg! Een nette kerel hoor, als hij Raffles is, -verduiveld netjes!” - -De inspecteur verdween stampvoetend. - -Vijf minuten later was hij in de woning van mrs. Forester aangeland. - -De jongen die daar zat, stond op met somberen, vijandigen blik. - -„Daar is de kerel, die den moord gepleegd heeft!” schreeuwde de -inspecteur. - -„Hoe kom jij hier? Wat heb je hier te doen? Gauw—antwoord—niet eerst -bedenken!” - -„Hoe ik hier kom?” antwoordde de jongen met een verachtelijk lachje. - -„Meent ge soms, dat de dood van mijn moeder mij onverschillig laat?” - -„Is de doode je moeder?” - -„Ja!” - -„Dat verandert niets aan de zaak. Waar ben je vannacht geweest?” - -„Weg!” - -„Waarheen?” - -„Ik antwoord niet op die dwaze verdachtmaking! Ik was niet thuis en kan -dus niet de moordenaar zijn van mijn moeder!” - -„Dat komt uit! Bewijs dan je alibi! Waar ben je vannacht geweest?” - -„In de— —” - -Hij zweeg. - -Zou hij vertellen, dat hij bij Sir Woorman had ingebroken? En dat hij -was ontsnapt door de raadselachtige tusschenkomst van den detective? - -Hij zweeg nog altijd. - -Maar Baxter maakte niet vele complimentjes. - -Hij liet den jongen binden en naar het bureau brengen. - -En de verdenking, die door Baxter op den armen jongen was geworpen, -werd nog verzwaard, toen een banknoot van honderd pond op hem werd -gevonden, van welks herkomst hij niets kon zeggen. - -Raffles zat in een café, teen hij hoorde, dat de jongen gearresteerd -was. - -„Dat dacht ik wel”, mompelde hij. - -Hij riep een cab aan en beval te rijden naar advocaat Smith, Regent -Street. - -Tien minuten later hield het rijtuig stil. - -De advocaat was een man van ongeveer twee-en-dertig jaren. - -In zijn studeerkamer hing een geur van parfum. - -Lord Lister vroeg hem: - -„Ge zijt immers de advocaat van Sir Woorman?” - -„Ja!” - -„Gij staat bekend als een bekwaam rechtsgeleerde. Ge hebt zeker -gelezen, dat de jonge Forester in hechtenis is genomen als verdacht -zijn moeder te hebben vermoord.” - -Mr. Smith kleurde even, toen hij dien naam hoorde. - -„Zeker!” sprak hij toen. - -„Ik hoop, dat ge bereid zijt de verdediging van den armen knaap op u te -nemen. Meer nog, dat ge alle pogingen in het werk zult stellen om hem -terstond op vrije voeten te krijgen!” - -De advocaat keek zijn bezoeker aan met groote oogen. - -„En waarom dat, als ik u vragen mag?” - -„Omdat hij onschuldig is!” - -„Weet ge dat zeker?” - -„Anders zou ik niet bij u zijn gekomen!” - -„Ik ken den jongen en ik houd niet van hem! Ik zal hem dus niet -verdedigen!” - -„Is dat de eenige reden om den armen jongen in den steek te laten?” - -„En bovendien verdedig ik alleen hen, die mij betalen!” - -„Hoeveel verlangt ge?” - -Mr. Smith dacht even na. - -Toen sprak hij opnieuw: „Ik verdedig den jongen niet!” - -„Dan hebt ge een andere reden!” - -„Misschien.” - -„In ieder geval geen eerlijke reden, mr. Smith. Uw houding komt mij -zeer twijfelachtig voor!” - -De advocaat was opgesprongen. Hij strekte zijn hand naar de schel uit, -die de werkkamer met het kantoor verbond. - -Maar even vlug had Raffles zijn hand teruggeslagen. - -„Wij hebben geen getuigen noodig”, sprak lord Lister. „Vindt ge niet -dat ge eenige gelijkenis met mij hebt? Men zou u licht met Raffles -kunnen verwarren!” - -„Raffles? Zijt gij Raffles?” - -„Dat ben ik!” - -„Help! Help!—!” - -„Zwijg”, stoof lord Lister op. - -Hij was plotseling veranderd. - -Recht en strak stond hij voor den advocaat. - -Doordringend rustte zijn oog op zijn tegenstander, zóó vast, als wilde -hij hem doorboren. - -De advocaat werd als het ware gebiologeerd door die groote, zwarte -oogen en zijn opgeheven rechterarm viel slap neer. - -„Neem uw hoed en jas”, beval de meesterdief. - -Werktuigelijk gehoorzaamde de advocaat. - -De groote onbekende verloor hem geen seconde uit het oog. - -Voor het eerst sinds geruimen tijd maakte hij weer eens gebruik van de -geweldige macht, die hij oefende over andere personen. - -Hij maakte er gebruik van...... - -En mr. Smith werd als het ware verlamd. Hij kwam geheel en al onder den -invloed van den man, die als een standbeeld daar tegenover hem stond. - -... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... -... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... - -Een half uur later vroeg een elegant gekleed heer op Scotland Yard om -inspecteur Baxter te spreken. - -Dit geschiedde. - -„Mijn naam is Smith”, stelde zich de bezoeker voor. - -Baxter boog. - -„Ik ben advocaat en woon in Regent Street!” - -Baxter boog opnieuw. - -„Waarmee kan ik u van dienst zijn?” - -De advocaat ging zitten. - -„Waar is op dit oogenblik de jonge Harry Forester?” vroeg hij. - -„Hij is nog hier in Scotland Yard, mr. Smith!” - -„Zoo. Wilt ge den jongen eens hier laten komen? Ik zou hem een en ander -willen vragen, daar ik er van overtuigd ben, dat hij onschuldig is!” - -Baxter glimlachte. - -„Ge wilt hem zeker verdedigen, mr. Smith!” - -„Ja, dat wil ik!” - -„Dat zal geen dankbare taak zijn, mr. Smith.” - -„Dat is mijn zaak, inspecteur!” - -Harry Forester werd voorgebracht. - -De rechercheur, die hem had binnengeleid, bleef rechts van hem staan. - -Mr. Smith hield de deur scherp in het oog en wisselde eenige -onbeduidende woorden met Harry Forester. - -Plotseling sprong hij op, gaf den rechercheur met beide vuisten een -stomp voor de borst, deed de deur open en zei tot Harry Forester: - -„Maak je uit de voeten, jongen!” - -De jongen liet het zich geen twee keer zeggen. - -In een oogenblik was hij den hoek om. - -Er ontstond nu een hevige worsteling tusschen den inspecteur en den -advocaat, die den jongen op deze manier gelegenheid had gegeven, zich -uit de voeten te maken. - -De rechercheurs kwamen den inspecteur ter hulp en mr. Smith werd -geboeid. - -Baxter keek hem scherp aan en plotseling riep hij uit: - -„Maar dat is Raffles!” - -„De gelijkenis is mij al dadelijk opgevallen”, sprak een der -rechercheurs. - -„Natuurlijk is het Raffles!” zei Baxter, „wij hebben hem dan eindelijk -te pakken!” - -De geboeide had zich opgericht. - -„Ge vergist u, heeren”, sprak hij, „ik ben wel degelijk advocaat -Smith!” - -„Neen maar, die is goed, hij zegt dat hij advocaat Smith is,” klonk het -uit veler mond. - -„Ik wensch dadelijk in vrijheid te worden gesteld, ge wilt toch zeker -niet, dat ik u aanklaag?” - -„Speel toch niet zoo’n komedie, Raffles, wij kennen die streken,” sprak -Baxter. - -„Maar ik ben Smith!” - -Baxter ging naar de telephoon. - -„Nummer 9763, juffrouw! Spreek ik met advocaat Smith? Hier is iemand, -van wien ik vermoed, dat hij Raffles is. Hij beweert mr. Smith te zijn. -Een oplichter, nietwaar? Juist. Dank u zeer, mr. Smith!” - -Baxter draaide zich om en sprak tot den geboeide: - -„Speel nou maar niet langer dat spelletje!” - -„Maar ik ben Smith,” beweerde de gevangene nogmaals. „Weet u, wat het -geval is,” begon hij plotseling, „die kerel, die daar op mijn bureau -zit, is Raffles, maak er vlug werk van, inspecteur, ik verzeker u, dat -u een goeden slag zult slaan!” - -Baxter lachte hartelijk. - -„Wil je mij er weer in laten loopen, Raffles? Neen, mannetje, ditmaal -lukt het je toch niet!” - -De gevangene schreeuwde, brulde, raasde en tierde, maar het gaf hem -geen zier. Hij werd in een cel opgesloten. - -Mr. Smith zat intusschen op zijn bureau in Regent-street. - -Dit was echter niet mr. Smith, maar Raffles, de groote onbekende, die -op zijn doode gemak een sigaar had aangestoken. - -Wat was dat allemaal prachtig mooi gegaan! - -Hij had mr. Smith gesuggereerd, dat deze in zijn plaats naar Scotland -Yard zou gaan om den gevangen genomen Harry Forester vrij te -krijgen—desnoods met geweld. - -Lord Lister had hem gezegd, hoe hij het moest aanleggen. - -Daar ging de telephoon. - -Het was Baxter, die inlichtingen vroeg. - -Toen schelde hij een klerk—allen hielden hem voor mr. Smith, op wien -hij sprekend geleek—en liet zich eenige akten omtrent Sir Woorman -geven, die hij ging bestudeeren. - -Daar kwam opnieuw een klerk binnen. - -„Sir Woorman wenscht u te spreken, mr. Smith!” - -„Laat binnenkomen.” - -Sir Woorman kwam binnen. - -Hij keek den advocaat niet aan, sloot de deur en ging voor de -schrijftafel zitten met breed gebaar. - -„Mr. Smith,” begon hij, „ge zijt mijn vriend. Dat leek tenminste zeven -jaren zoo! Maar ge zijt mijn vriend niet. Ge zijt een schoft en -verdient het, uit onze club gegooid te worden.” - -Raffles toonde zich zeer verbaasd. - -„Wat is er, sir Woorman? Wat scheelt u?” - -De Ier werd rood van woede. - -„Vraagt ge dat nog? Hebt ge mij niet beloofd die vervloekte zaak met -mrs. Forester uit den weg te ruimen en nu gaat ge haar zoon -verdedigen?” - -„Wie heeft u dat verteld?” - -„Dat staat in de kranten. Ik wil het niet hebben, mr. Smith, ge moogt, -ge zult dat niet doen, verstaat ge?” - -„Ik denk er niet aan!” - -„Maar heb ik u daarvoor tot dusverre tienduizend pond uitbetaald?” - -„Ik verlang op staanden voet nóg vijfduizend pond.” - -„Ge zijt zot! Wilt ge mij dan al mijn geld ontrooven? Geen penny kan ik -meer geven!” - -De zoogenaamde advocaat haalde de schouders op. - -„’t Spijt me, sir Woorman—geen penny minder!” - -Sir Woorman dong weer af. - -Maar Smith bleef onvermurwbaar. - -Eindelijk legde Woorman vijfduizend pond op tafel. - -„Dat is het laatste wat ik bezit!” sprak hij. - -„Dat is niet waar, sir Woorman. Maar in ieder geval heb ik nu genoeg -los gekregen; vijfduizend en vijfduizend is tienduizend.” - -„Wat bedoelt ge daarmee?” - -„Dat ik uw brandkast vannacht wat lichter heb gemaakt.” - -Woorman verschoot van kleur. - -Plotseling schreeuwde hij uit: „Ge zijt Raffles!” - -„Ja, ik ben Raffles!” - -Woorman wilde zich op den lord werpen. - -Lord Lister hield hem een revolver onder den neus. - -„Niet van uw plaats af!” - -Met deze woorden legde lord Lister het wapen op de tafel. - -Zijn tegenstander, bleek van schrik, zonk terug in den leuningstoel. - -Woorman volgde echter nog elke beweging van den meesterdief. - -Plotseling sprong hij overeind, greep bliksemsnel de revolver en hield -deze voor Raffles’ neus. - -„Op je knieën, ellendeling, je bent mijn gevangene!” - -Raffles lachte. - -Hij lachte onbedaarlijk. - -„Maar Sir Woorman, maak alsjeblieft niet zoo’n geweldige drukte voor -niets! Het wapen is immers niet geladen!” - -In hetzelfde oogenblik werd op de trap groot lawaai vernomen. - -Even daarna kwam Baxter binnen met een inspecteur en mr. Smith in hun -midden. - -„Daar is de ellendeling,” riep Baxter uit, „vooruit jongens, knevelt -hem!” - -Mr. Smith echter, de advocaat, die zijn identiteit bij den commissaris -van politie had kunnen bewijzen, schreeuwde, schuimbekkend van woede: - -„Mijnheer, gij—gij hebt u zóó iets durven veroorloven? Zijt gij dan de -levende duivel?” - -In het eerste oogenblik van het tumult, toen Raffles, afgesloten van -elke mogelijkheid tot vluchten, vier verdiepingen hoog in een mooi -huis, reeds verloren scheen, was de groote onbekende met een enkelen -sprong van de schrijftafel naar den hoek van de kamer gevlogen, zoodat -hij in datzelfde oogenblik een afstand tusschen zich en den detective -had gebracht. - -In hetzelfde oogenblik had hij iets in de hand, dat op den eersten blik -niemand kon onderscheiden. - -„Terug!” riep Raffles uit, „bij den eersten stap, dien ge doet, zijt ge -een kind des doods!” - -Lord Lister’s oogen waren onnatuurlijk groot geworden. - -Dreigend, met opgeheven armen stond hij daar. - -Niemand waagde het, zich te verroeren. - -„Wees toch verstandig, Raffles”, waagde Baxter op onrustigen toon er -tegen in te voeren. „Dat dient immers nergens voor. Je bent nu toch -eenmaal in mijn macht, wees nu bedaard en wijs en geef je over, dat is -je geraden in je eigen belang.” - -Nog wijder openden zich de oogen van den lord, nòg vaster werden zijn -lippen op elkander geperst. - -„Geen stap, zeg ik!” riep hij nogmaals uit, terwijl hij inwendig -schaterlachte als iemand, die, in volle vertwijfeling in het nauw is -gedreven en nu voor niets en niemand meer terugdeinst. - -„Denk er aan, inspecteur, als ge nog één stap doet, laat ik u allen -samen in de lucht vliegen.” - -Hij stond daar, de armen dreigend opgeheven. - -Niemand waagde het, te antwoorden. - -Aller blikken hingen aan lord Lister’s lippen. - -Ook Smith was paf. - -Ook hij kon niet antwoorden. - -Baxter maakte een gebaar, dat hij Raffles wilde naderen, maar deze hief -wederom de hand op. - -„Pas op, inspecteur, pas op, of ge zijt een kind des doods en leg nu -het geld op de schrijftafel neer, mr. Smith, leg het dadelijk neer.” - -Sidderend gehoorzaamde de advocaat. - -Raffles nam het geld en trok zich ruggelings naar de deur terug, -waarachter hij verdween. - -Toen trachtte Baxter nog een laatste poging te wagen. - -Hij vloog naar de deur en wilde die open duwen. - -Reeds strekte hij de handen naar Raffles uit. - -Deze hield een zwart voorwerp in de hand en ontstak nu vliegensvlug een -lucifer. - -Het was voor Baxter slechts een kleine moeite geweest, dezen lucifer te -dooven, maar de inspecteur dacht niet anders, of in het volgende -oogenblik zou het heele huis in de lucht vliegen. - -Hij tuimelde achteruit. - -In hetzelfde oogenblik geschiedde iets wonderlijks. - -De groote onbekende was plotseling in rook en damp gehuld. Men zag hem -niet meer. - -Maar van de plaats, waar hij stond, schoot een gloeiende vonkenregen -naar Baxter over en de aanwezigen stonden midden in een sissende massa, -die hen doodelijk verschrikte. - -Baxter was vol ontzetting op den grond gevallen. - -Smith stiet een geweldigen angstkreet uit en viel eveneens ter aarde, -niet anders denkende, of hij moest den dood in de vlammen vinden. - -Eensklaps hield de vonkenregen op. Baxter kroop overeind en ook de -anderen stonden spoedig weer op hun voeten. - -De inspecteur onderzocht nu, wat allen zulk een doodschrik op het lijf -had gejaagd en verwoed riep hij uit: - -„Raffles heeft ons allen met een raket voor den mal gehouden; zoo’n -aartsschurk!” - -De rechercheurs stonden beschaamd het heele geval aan te zien. - -Toen zij Raffles wilden gaan opzoeken, was deze natuurlijk al lang niet -meer te zien. - -Baxter en Smith scholden elkander uit voor alles, wat leelijk was, en -verweten elkaar wederkeerig hun laffe aanstellerij. - -Toen Baxter beweerde, dat Raffles nog wel kon worden ingehaald was het -te laat. - -... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... -... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... - -Raffles intusschen had niet stil gezeten. - -In allerijl had hij zich gespoed naar het kantoor van mr. Smith, waar -alle klerken aan het werk waren. - -Hij bootste de stem van den advocaat na en riep: - -„Mr. Brown!” - -„Mr. Smith?” - -„Sluit de brandkast eens open!” - -Raffles zag tienduizend pond voor zich liggen. - -Een oogenblik aarzelde hij. - -„Hoeveel hebt ge noodig om morgen de salarissen uit te betalen. Het is -dan toch de eerste, niet waar?” - -„Honderd vijftig pond!” - -„Juist; honderd vijftig pond. - -„Ge hebt in den laatsten tijd bijzonder goed uw best gedaan, ik betaal -u allen een salaris uit van zes maanden!” - -De klerk zag den vermeenden advocaat met dankbaren blik aan. - -Raffles legde een banknoot van duizend pond op tafel, stak de andere -negen in zijn zak en ging heen. - -Toen de werkelijke advocaat een heelen tijd later met Baxter op het -kantoor kwam, was het geld verdwenen en de dief gevlogen. - -Baxter sloeg zich met de vuist voor het voorhoofd. - -„Die Raffles is de eerste nagel aan mijn doodkist”, mompelde hij, „ik -zal het niet lang meer maken op zoo’n manier!” - -Met woedend gebaar keerde Smith zich tot den inspecteur van de -recherche. - -„Na wat ge vandaag gepresteerd hebt, kunt ge u gerust laten begraven”, -beet hij hem toe. - - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - -DE RIBBON-MEN. - - -Lord Lister zat behagelijk in een grooten leuningstoel in zijn woning -in Victoria Street. - -Tegenover hem leunde Charly Brand, zijn vriend en secretaris, in een -makkelijken zetel. - -„Wel?” vroeg Raffles, „ben je nu te weten gekomen, wat voor een club de -Ribbon-men is? Het schijnt een overblijfsel te zijn van een geheim -genootschap, dat in 1817 in Ierland is opgericht om de arme pachters te -beschermen tegen de willekeur van de rijke grondbezitters.” - -„Je hebt gelijk, dat je tusschen het een en het ander verband zoekt”, -antwoordde Charly Brand. „Ik heb in de voornaamste Londensche kringen -gevorscht en ben zoo gelukkig geweest om je volkomen inlichtingen te -kunnen verschaffen!” - -„Daar ben ik nieuwsgierig naar”, sprak lord Lister. - -„De Ribbon-men is een geheim genootschap.” - -Lord Lister knikte. - -„Waar is de verblijfplaats van deze moderne veemrichters?” - -„St James Street No. 39!” - -Lord Lister hoorde verbaasd op. - -„Zóó, dáár! Dan hebben de heeren al eens op minder aangename wijze -kennis gemaakt met mijn vuisten.” - -„Hoezoo?” - -„In den tijd, toen ik als rechercheur White een half jaar in Scotland -Yard ben werkzaam geweest. - -„Het verbaast mij allerminst, dat die Sir Woorman lid is van de -Ribbon-men. Ook die brave mr. Smith behoort ertoe, zooals mij uit een -gewaad is gebleken, dat ik bij hem thuis vond en dat mij in staat zal -stellen, iets naders omtrent die club te weten te komen.” - -Lord Lister liet zijn vriend een bloedrooden mantel zien, met een kap -van dezelfde kleur. - -Het kleed was, zooals dat in Duitschland de leden van het veemgericht -droegen en in de kap zaten twee gaten voor de oogen. - -Op de wijde, geplooide mouwen was een blauw lint gestikt, waarop stond: - -Honi soit qui mal y pense. - -„Dat heb ik mr. Smith ontstolen”, lachte lord Lister. - -„Maar hoe weet je, dat ook Sir Woorman lid is van die club?” vroeg -Charly. - -„Ik heb je toen al verteld, dat ik de heeren eens met mijn vuisten heb -laten kennis maken, toen zij een jong meisje vervolgden. Ik zag -niemand, omdat het te donker was, maar Sir Woorman herkende ik -onmiddellijk weer aan zijn stem.” - -„En je hebt zoo’n band gevonden in het huis van de vermoorde madame De -Vales?” - -Lord Lister glimlachte. - -„Je bedoelt, dat daardoor de dader aan het licht zou komen? Ik zal -vanavond zien, aan wiens mantel deze band mankeert Men heeft tot nog -toe geen penny van het vermogen gevonden van madame De Vales, hoewel -het algemeen bekend was, dat zij zeer rijk was en dat zij met Sir -Woorman zeer goed bekend was.” - -„Zou die ellendeling ook de moordenaar zijn van mrs. Forester?” - -„Dat staat zoo vast als een muur, beste Charly! - -„Maar om nu op de vorige zaak terug te komen, zou ik nog willen -opmerken, dat een deel der banknoten, die mr. Smith mij vrijwillig -heeft overhandigd, evenals een deel van die, welke ik bij Sir Woorman -heb gevonden, Fransche papieren waren. - -„Wat mrs. Forester betreft, het staat vast, dat Sir Woorman achttien -jaar geleden liefdesbetrekkingen met haar heeft onderhouden. - -„Destijds was hij nog een arme jongen, die zeker niet vermoedde, dat -hij nog eens zoo invloedrijk en vermogend zou worden. - -„Onder de papieren, die ik bij mr. Smith, den advocaat van Sir Woorman, -heb gevonden en bestudeerd, waren ook een paar dreigbrieven van mrs. -Forester, die vertellen van haar nooddruft. - -„In deze brieven deelde zij haar vroegeren minnaar mede, dat zij hem nu -niet langer zou willen ontzien en dat zij al zijn schanddaden aan het -licht zou brengen, als hij niet eindelijk besloot iets te doen voor -haar en haar zoon. - -„De arme Harry is dus de zoon van Sir Woorman, die in den tijd, toen -hij met mrs. Forester een liaison had, het een of ander schijnt te -hebben uitgehaald. - -„Ook daaromtrent zal wel licht worden ontstoken. Ik heb namelijk -gehoord, dat de man van mrs. Forester achttien jaar geleden plotseling -is gestorven. - -„De jonge weduwe was wellicht niet heelemaal onschuldig aan dien dood. -Zij heeft na zeventien jaren haar straf gekregen—de hoofdschuldige -echter, Sir Woorman, loopt nog vrij rond en hij durft het zelfs -bestaan, over te komen en hier te verkeeren. - -„Uit vrees, dat mrs. Forester hem in haar woede en vertwijfeling zou -kunnen compromitteeren, heeft hij haar kort en bondig van het leven -beroofd en hij heeft het kalm aangezien, dat de jongen onder de -verdenking zijn moeder te hebben vermoord voor twintig jaren naar het -tuchthuis zal worden gezonden.” - -„En mr. Smith, de advocaat?” - -„Die wist er alles van, beste Charly. - -„Die wist alles—en heeft gezwegen. - -„Hij heeft zelfs het werk van zijn geachten cliënt zooveel als in zijn -vermogen was ondersteund, want Sir Woorman is met het geld, dat hij de -vermoorde madame De Vales ontroofd heft, heel vrijgevig geweest. - -„Je ziet, beste Charly, dat ik ditmaal in gezelschap van heel -eerbiedwaardige personen ben geraakt!” - -De gouden klok op den schoorsteenmantel sloeg tien uur. - -Lord Lister stak zijn sigaret aan, kleedde zich in den rooden domino, -trok daarover zijn jas aan en sprak toen: - -„Het is tijd!” - -„Waarvoor?” - -„Ik heb Baxter beloofd, dat ik hem binnen vier-en-twintig uren den -moordenaar van mrs. Forester zou uitleveren. - -„En Baxter mag vooral van mij niet kunnen zeggen, dat ik mijn woord heb -gebroken. - -„Jij weet, wat je te doen staan, Charly! Er hangt veel van af.” - -„All right!” lachte Charly Brand, „je kunt op mij vertrouwen.” - -Lord Lister ging de deur uit, nam een rijtuig en reed naar St. James -Street. - -De heeren hadden hun club op de derde verdieping. - -Om twaalf uur des nachts kwamen zij bijeen. - -Geen der genooten kon een ander herkennen, allen droegen purperroode -kleeren, het gelaat was geheel bedekt, alleen de oogen schitterden. - -Nadat allen gezeten waren, sprak één hunner. - -„Broeders! - -„Volgens ons gebruik, neem ik u wederom den eed af, zooals bij de -Ribbon-men gebruikelijk is”. - -Hij hield den degen in de lucht en de andere Ribbon-men schaarden zich -rondom hem. - -De spreker vervolgde: - -„Elk lid der Ribbon-men zweert met de heiligste eeden bij God en den -duivel, dat hij de wetten van onze club trouw zal dienen; zich zal -onderwerpen aan alle uitspraken der bondgenooten en niets zal doen, wat -hun schade kan berokkenen. - -„De Ribbon-men zullen elkander trouw blijven en de voorschriften geheim -houden voor vrouw en kind, vader en moeder, zuster en broeder, vuur en -wind en boven alles, wat de zon beschijnt, de regen bevochtigt en wat -is tusschen hemel en aarde. - -„Wie de heilige voorschriften niet houdt, wie ze verraadt, wie iets -doet, wat ze zou kunnen schaden, die zal verdelgd worden door vuur, -water of ijzer en al de overige genooten zijn verplicht hem te dooden, -door middel van het water, het vuur of het zwaard”. - -Allen spraken deze woorden na. - -Toen deze belachelijke en tevens gevaarlijke ceremonie was geëindigd, -gingen de bondgenooten zitten. - -Op een verhevenheid zat de leider, de anderen schaarden zich in een -halven kring om hem heen. - -„Brengt de genoodigden binnen!” - -De zwartgemaskerde bediende sleepte een jong meisje van buitengewone -schoonheid naar binnen. - -De aanvoerder beval haar, te gaan zitten. - -Werktuigelijk gehoorzaamde zij. - -„Ge heet Ellen Crofton?” begon de voorzitter. - -Het meisje sprong op en strekte met afwerend gebaar de handen uit. - -„Heb toch medelijden!” bad zij met vleiende stem. - -„U zal recht geschieden, zooals wij dat zullen beslissen. - -„Luister, waarvan gij door ons wordt beschuldigd.” - -Daar werd de deur geopend en een Ribbon-man trad binnen, het blauwe -lint om den linkerarm. - -Maar wat was dat? - -Er zaten reeds twaalf Ribbon-men in de zaal; de club telde slechts -twaalf leden. - -En daar kwam een dertiende binnen. - -Was dat een verrader? - -Of was er reeds een verrader in de zaal aanwezig? - -Die vraag moest op kiesche manier worden opgelost. - -De voorzitter beantwoordde dan ook slechts koel den groet van dezen -dertiende, die zonder eenigen omhaal tegen den muur leunde en zijn -groote oogen op lady Crofton liet rusten. - -„Gij wordt er van beschuldigd”, aldus vervolgde de voorzitter, „dat gij -de eer der Engelsche vrouwen en meisjes niet hoog hebt gehouden. Dat ge -een verhouding hebt aangeknoopt met een man, wiens avonturen in Londen -spreekwoordelijk zijn geworden!” - -„Ik begrijp u niet”, sprak het meisje, „van wien spreekt ge?” - -„Van Sir Woorman!” - -Ellen Crofton schrikte. - -„Sir Woorman? Zou ik in eenige verhouding staan tot Sir Woorman? Maar -heeren, ik kan het toch niet helpen, dat hij sinds eenige weken mij -vervolgt en mij pijnigt met het aanzoek, zijn vrouw te worden! - -„Ik verafschuw hem! - -„Als de eer der Engelsche vrouwen overal zoo goed bewaard is als bij -mij, heeren, dan kan Engeland gerust zijn!” - -„Niets dan woorden! - -„Wij houden u voor schuldig. - -„Gij hebt bovendien schandelijke dingen verteld van een Club in St. -James Street. - -„Daarvoor ook dient ge gestraft te worden. Gij moet hier op deze plaats -getuchtigd worden. - -„Elk der leden zal u drie zweepslagen toedienen”. - -Woeste vreugde straalde uit de oogen van den voorzitter, toen hij deze -woorden sprak. - -Het jonge meisje echter richtte zich hoog op en riep uit: - -„Ik wil zien, wien van u het waagt, zich te vergrijpen aan een -Engelsche vrouw!” - -Toen zij zag, dat de gemaskerde bedienden al klaar stonden om haar te -binden, zag zij maar al te goed, dat die laaghartige woorden ernstig -gemeend waren. - -Zij viel op haar knieën neer. - -„Erbarming!” riep zij uit. - -„Ik ben niet bang, doch ik heb niemand eenig leed gedaan!” - -Maar de onbeweeglijke, bloedroode maskers verrieden niet, wat achter -hen omging. - -De bedienden grepen Ellen beet met ruwe handen. - -In ditzelfde oogenblik trad een der mannen naast miss Crofton. - -Hij maakte een paar armbewegingen en links en rechts vlogen de beide -gemaskerde bedienden tegen den muur, zoodat hun beenderen kraakten. - -Nu kwam er toch eenige beweging onder de ellendelingen. - -De voorzitter echter riep, voor dat iets kon gebeuren: - -„Houdt u kalm, broeders! - -„Een van ons schijnt het noodig te vinden, voor de beklaagde in de bres -te springen. - -„Hij kan zeggen, wat hij tot haar verdediging heeft aan te voeren!” - -Oogenblikkelijk werd het stil. - -Miss Crofton had, als om hulp smeekend, de knieën van den man omvat. - -„Deze jongedame”, sprak thans een sombere stem, „is boven elke -verdenking verheven. - -„En menschen zooals gij zijt, mogen het zeker niet wagen, de hand tegen -haar op te heffen. - -„Den voorzitter erken ik niet, daar hij verzuimd heeft, het blauwe lint -om zijn arm te doen!” - -Aller oogen vestigden zich op den voorzitter. - -Inderdaad—hij was de eenige, die het blauwe lint niet aan den linkerarm -droeg. - -Thans richtte aller verdenking zich tegen den voorzitter. - -Eenige oogenblikken heerschte in de zaak een gedrukte stemming. - -Toen vervolgde de dertiende: - -„Hier is het blauwe lint, dat ge mist, voorzitter!” - -Terwijl de verbazing der genooten steeg; reikte de dertiende den -voorzitter het blauwe lint, dat deze, zooals allen duidelijk zagen, met -bevende vingers om den linkerarm deed. - -Een der mannen kwam naar den dertiende toe en sprak: - -„Laat dat meisje aan ons over, en zeg wie ge zijt en hoe ge heet!” - -Maar de dertiende haalde slechts de schouders op en toen de bondgenoot -hem de kap van het hoofd wilde rukken, slingerde de onbekende hem met -zulk een kracht van zich af, dat hij in zijn vaart drie bondgenooten -mee op den grond sleepte. - -In dit oogenblik boog zich een der overigen tot den dertiende over en -fluisterde hem toe: - -„Gij zijt Raffles!” - -Hij, wien deze woorden golden, draaide zich om, keek den gemaskerde in -de oogen en antwoordde: - -„Gij zijt inspecteur Baxter!” - -„Ik neem u gevangen, Raffles!” - -„Pas op, Baxter en praat niet al te hard. Het zou mogelijk kunnen zijn, -dat ge niemand hier vondt, die u behulpzaam was!” - -Mr. Smith had hem verteld, dat de roode domino hem ontstolen was en -daar men vermoedde, dat Raffles in het gewaad van den advocaat naar de -club zou gaan, had Baxter zich opgemaakt, hem daar te arresteeren. - -Baxter trok zich wat terug. - -Hij begreep, dat de clubgenooten eerder Raffles zouden helpen dan een -inspecteur der recherche. - -Hij besloot daarom, maar af te wachten, tot de gelegenheid gunstig zou -zijn, om Raffles te arresteeren. - -Een der mannen riep nu uit: - -„Laat ons gaan vechten! Ik ben ervan overtuigd, dat de man, die zich -tegen onze voorschriften verzet, een verrader is!” - -Dolken werden getrokken en aan alle kanten flikkerde het staal voor de -oogen van Raffles. - -„Terug, als het leven u lief is”, schreeuwde Raffles uit. - -En toen gebeurde er iets héél wonderlijks. - -Een der gemaskerden schaarde zich aan de zijde van den dertiende en -terwijl deze zijn revolver trok, riep hij uit: - -„Terug, deze persoon staat onder mijne bescherming!” - -Het was Baxter. - -Uit angst, dat de roode mannen hem Raffles voor den neus zouden -wegkapen of dat ze hem misschien zouden dooden, had hij zich geschaard -aan de zijde van den man, dien hij al zoo langen tijd zocht. - -Lord Lister lachte zoo luid achter zijn kap, dat Baxter het hoorde. - -„Dat is heel vriendelijk van u, inspecteur,” zei hij, „dat ge zoo -plotseling mijn vriend zijt geworden!” - -„Voor vijf minuten slechts,” antwoordde Baxter nijdig. - -Maar daar rukten plotseling de bondgenooten hun wapens van den muur. - -In het zelfde oogenblik ook had lord Lister een groot zwaard van den -muur getrokken. - -Hij drong door de mannen heen, ging naast het jonge meisje staan en -riep met stentorstem: - -„Ik zal u toonen, hoe lord Raffles kan vechten!” - -Deze woorden werkten als een donderslag. - -De wapens werden neergelegd en slechts enkelen der dapperste durfden -hem te lijf. - -Maar met ijzeren vuist sloeg hij ze allen terug. - -Het werd een heet gevecht! - -En geen der genooten zou er waarschijnlijk heelhuids zijn afgekomen, -als niet plotseling achter de portières een rechercheur was verschenen. - -„In naam der wet—” klonk het als een donderslag. - -Dat werkte. - -In een oogenblik stoven de mannen uiteen. - -Tijdens die groote verwarring had Baxter lord Lister geheel uit het oog -verloren. - -Deze had miss Crofton terstond losgelaten en was op een deur afgegaan, -die achter in de zaal was. - -Door deze deur was de voorzitter verdwenen, toen de dertiende den naam -„Raffles” had genoemd. - -Hij kwam in een kleine bijzaal. - -Op den achtergrond stond een groote, ijzeren kast, rechts daarvan hing -een portret, dat Leda met den zwaan voorstelde. - -Een oogenblik keek Raffles om zich heen. - -Hij had de kap van het hoofd gedaan, om beter te kunnen ademen. - -„Ik wed, dat de bende hier de geheime papieren verborgen heeft,” -fluisterde hij. - -Hij opende de deur met een looper en snel borg hij de papieren bij -zich. - -Daar sloop eensklaps een gedaante achter Raffles langs den grond. - -Toen hij hem bereikt had, rukte hij hem de kap van het hoofd. Het was -inspecteur Baxter. - -„Eindelijk! Goddank! Gij zijt gearresteerd, Raffles!” - -Deze stak juist de laatste papieren in zijn zak. - -„Inspecteur, uwe aanhankelijkheid walgt mij,” sprak hij, hem zijn -lachend gelaat toonend. „Heb ik u niet beloofd om u den moordenaar van -mrs. Forester over te leveren? U moet mij stellig beloven, mij mijn -belofte ten uitvoer te laten brengen.” - -„De duivel moge u dat beloven,” riep Baxter uit, zijn hand naar lord -Lister uitstekend. „Nog eenmaal, in naam van de wet—!” - -Plotseling greep de groote onbekende de domino van den inspecteur, een -stuk ervan schoof hij in de kast, toen sloeg hij de zwaar sluitende -deur dicht. - -„Dat is laag!” riep Baxter uit, die, trachtende Raffles te volgen, -uitgleed en op zijn neus viel. - -Raffles was ondertusschen verdwenen. Hij vloog de donkere gang door. -Zijn scherpe blik had dadelijk begrepen dat de groote schilderij, die -aan den muur hing, een geheime deur verborg. Werkelijk draaide het -schilderij in zijn lijst, toen hij op een knop drukte en Raffles -verdween in het binnenste gedeelte van den muur. - -Eindelijk gelukte het inspecteur Baxter om zich los te rukken. Hij -rende wanhopend de gang op en neer om Raffles te zoeken, toen -plotseling een rechercheur kwam aanloopen. - -„Inspecteur!” riep hij. - -„Alle duivels, wat is er aan de hand? Help mij Raffles zoeken!” - -„Dat wil ik wel!” antwoordde de man. „Kom gauw, inspecteur! Hij is de -straat opgeloopen! Alle bondgenooten zijn al op jacht naar hem!” - -Razend liep inspecteur Baxter achter den rechercheur aan, die hem en de -bondgenooten, nadat zij hunne domino’s uitgedaan hadden, langs de -trappen naar beneden voerde. - -In dien tijd had Raffles een donkere kamer bereikt. Hier was geen -uitgang, hetgeen Raffles dadelijk bemerkte bij het licht van een -electrische zaklantaarn, die hij aanstak. Alleen de voorzitter van het -genootschap had die schuilplaats opgezocht. - -De anderen waren in de eerste verwarring naar alle kanten gevlucht. - -Lord Lister hield de electrische lamp voor zich, welk schijnsel het -gelaat van den voorzitter verlichtte. - -Deze had de kap afgedaan, en Raffles’ groote oogen aanschouwden het -gelaat van sir Woorman. Met gebalde vuisten stond sir Woorman voor zijn -vijand. - -„Schurk!” beet hij hem toe. - -Raffles lachte. - -„U vergist zich in den persoon, sir Woorman. Of vindt u het nog -noodzakelijk, dat u zich aan mij voorstelt?” - -„Ellendeling! Roover! Hond!” brulde de voorzitter, die geen uitweg meer -zag nu hij tegenover zijn doodsvijand stond. - -„Een van ons beiden moet sterven!” sprak Woorman. „Die eene zult gij -zijn, Raffles. Gij, mijn booze schaduw, die het durfde wagen met mij te -beginnen.” - -De lord lachte nogmaals. - -„Waarom moet dan een van ons beiden sterven, sir Woorman? Wie zal zoo -bloeddorstig zijn? De wereld is zoo groot, dat er voor ons beiden nog -plaats genoeg is!” - -Sir Woorman herademde. - -„Dan—laat ge mij den weg vrij, Raffles. Laat mij nu door!” - -Lord Lister draaide de lantaarn op, zette haar naast zich op den grond -en antwoordde: - -„Ik denk er niet aan, sir Woorman.” - -„Wat zijt ge van plan, Raffles? - -„Ik zal u aan de politie uitleveren!” - -Woorman schreeuwde als een beest; het schuim stond hem op de lippen. - -„Sterf dan!” siste hij. - -Zijn arm zwaaide een groote dolk, maar Raffles hield hem vast, zoodat -hij het wapen liet vallen. - -In het kleine vertrekje ontstond nu een gevecht op leven en dood. - -Raffles had, toen hij achteruitliep, de lantaarn stuk getrapt, zoodat -de tweestrijd in volslagen duisternis werd voortgezet. - -Door toepassing van de Japansche worstelmethode gelukte het Raffles ten -slotte, zijn zwaren tegenstander onder te krijgen. - -Tevergeefs smeekte Sir Woorman om genade. - -„Ge krijgt slechts uw verdiende loon, schurk”, sprak lord Lister. - -Hij bond de handen van zijn overwonnen tegenstander stevig vast. - -Voorzichtig opende Raffles nu de geheime deur. - -Hij keek om zich heen. - -Er was niemand te zien. - -Raffles nam een visitekaartje uit zijn zak en schreef daarop met -potlood: - - - „Waarde inspecteur Baxter! - - „Zooals ik u beloofd heb, lever ik u hierbij den moordenaar uit van - mrs. Forester en van madame De Vales en haar dienstmeisje. - - JOHN C. RAFFLES.” - - -Hij legde daarna de roode domino af die hem met lappen aan het lichaam -hing, nam hoed en stok en hing zijn jas om de schouders. - -In datzelfde oogenblik stond de rechercheur voor hem, die door zijn -verschijning het gezelschap uit elkaar had gejaagd. - -„Je kunt nog niet naar beneden, Raffles, ze zoeken nog naar je.” - -„Je hebt je goed van je plicht gekweten, Charly”, sprak Raffles. - -„Ik zal nu wachten tot de dag aanbreekt om dan hier vandaan te gaan. - -„Tot zoo lang behoor ik ook tot de orde van den Kouseband. Ik heet lord -Westminster, beste Charly, is dat niet deftig?” - -Charly Brand moest hartelijk lachen. - -Hij ging naar beneden, waar Baxter nog steeds op post stond. - -„Hebt ge den vluchteling gezien, rechercheur?” - -„Neen inspecteur, ik denk dat hij er van door is gegaan en zoolang in -de Jockey Club onderkomen heeft gezocht!” - -Maar inspecteur Baxter stoorde zich niet aan deze woorden en rende de -trap weer op. - -Charly Brand keek hem hoofdschuddend na. - -„Als de boel nu maar niet in het honderd loopt”, sprak hij op bezorgden -toon. - - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -EEN BEZOEK BIJ BEN MINISTER VAN FINANCIËN VAN DE DRIE VEREENIGDE -KONINKRIJKEN. - - -„Lord Westminster!” - -Dat riep de dienaar met luider stemme door de zaal en diep boog hij -voor lord Raffles, die, versierd met de orde van den Kousenband, de -groote clubzaal binnentrad. - -Eenige der aanwezige heeren keken op, maar de meesten bekommerden zich -niet om den nieuwen gast. - -Lord Lister had wel geweten, wat hij deed, toen hij dezen naam koos. - -De lord geleek iets op hem en was voor twee jaren op reis gegaan. - -Toch was het spel uiterst gevaarlijk, want hij behoefde slechts een -goeden bekende van den lord te ontmoeten om verloren te zijn. - -Lord Lister ging aan de speeltafel zitten. - -Bij een kleine roulette zaten een zevental edellieden tusschen twintig -en veertig jaren. - -Het spel staakte juist, toen lord Westminster op een der leege stoelen -plaats nam. - -„Ik verzeker u markies”, sprak graaf Westbury, „dat het onmogelijk is -slechts een blik te werpen in de schatkamer, waar de ridderorden van -den koning van Engeland bewaard worden. Zij vertegenwoordigen een -waarde van ontelbare millioenen.” - -De markies, een elegante Franschman, streek zich eens langs zijn wel -verzorgden knevel. - -„Ge kent de waakzaamheid niet van onze politie en van de lieden, die de -schatkamer bewaken in het Koninklijk paleis”, viel lord Raffsborn in. - -„Zelfs Raffles, den meesterdief, zou het niet gelukken, een dier -ridderorden te stelen”, sprak een derde. - -„Raffles?” mengde zich lord Westminster in het gesprek, „wie is -Raffles? Ik kom juist van de reis en hoor voor het eerst dien naam. -Nieuwe adel?” - -De heeren lachten. - -„Weet ge niet, lord, wie Raffles is? Maar dan kent ge Londen niet meer! -Raffles is alles! Raffles is Londen in eigen persoon! Een fameuse -kerel! Maar, zooals gezegd, hij zelfs zou de ridderorden van den koning -niet bemachtigen.” - -Lord Westminster keek op zijn horloge. - -„Het is nu half een, niet waar? - -„Wel, heeren, ik maak mij sterk, dat ik binnen vier-en-twintig uur al -die ridderorden gestolen heb!” - -De heeren zetten de oogen wijd open. - -„Maar lord, dat is een grapje?” - -Lord Westminster echter sprak: - -„Ik wed om vijftigduizend pond.” - -Een oogenblik was het stil. - -Toen echter besloten de heeren gezamenlijk de weddenschap aan te gaan. - -„Dus vijftigduizend pond, als ik u binnen vier-en-twintig uur de -ridderorden breng van den koning van Engeland!” sprak lord Lister. - -In dat oogenblik ging een nieuwe gast mede aanzitten. - -„Ge hebt mij vergeten, lord”, sprak hij. - -Raffles keek op en zag het booze gelaat van Baxter. - -Die beiden keken elkander een seconde aan. - -De heeren keken den nieuweling, die den portier zijn naam had genoemd, -met eenig wantrouwen aan. - -Lord Lister had alle goede manieren van een man van de wereld en zijn -hooge adel—lord Westminster—had de heeren dadelijk op gemeenzamen voet -met hem doen zijn. - -Maar deze nieuweling? - -Wie was dat? - -Een indringer? - -Een oplichter? - -Wat moest hij? - -„Nu, graaf Pahlen, hoeveel zet ge?” vroeg Raffles den inspecteur met -kalm gelaat. - -Graaf Pahlen. - -Dat veranderde. - -De heeren begrepen, dat een goede kennis van lord Westminster een -aristocraat moest zijn. - -„Ik zet een millioen, lord, dat ge uwe weddenschap niet kunt winnen!” - -Het was een groote onvoorzichtigheid van Baxter, dat hij een som -noemde, aan het bestaan waarvan niemand geloofde. - -Een millioen pond! - -Twaalf millioen gulden! - -Niemand in Jockey Club geloofde een oogenblik, dat lord Pahlen twaalf -millioen gulden zou kunnen verwedden. - -Toen het wantrouwen opnieuw steeg, maakte Raffles onmiddellijk gebruik -van de gelegenheid om zijn houding te redden. - -„Ik begrijp, dat gij zoo’n som op het spel kunt zetten, gij zijt -Raffles! ’t Is dus voor u geen kunst!” - -Die woorden sloegen in! - -De heeren sprongen op als door een wesp gestoken. - -Met uitgerekte halzen keken ze naar Baxter. - -Deze was geheel beduusd. - -Die streek van den dief was zoo onverwachts gekomen, dat hij in het -eerste oogenblik geen woord kon zeggen. - -Raffles sprak echter terstond: - -„Het is het beste om dadelijk een rechercheur te roepen! Deze man is -Raffles, ik herken hem duidelijk”. - -Een bediende vloog de trap af om een rechercheur te roepen. - -Intusschen had Baxter zijn tegenwoordigheid van geest terug gevonden. - -„Het is een schandaal! Dáár is Raffles!” riep hij uit. - -Hij wees op lord Westminster, die met minachtend schouderophalen naast -hem stond. - -Hij wilde lord Westminster knevelen, maar deze gaf hem een vuistslag. - -„Wij moeten den razende binden”, sprak hij, „als wij niet willen, dat -de naam van onze club morgen in alle kranten gecompromitteerd is.” - -Intusschen waren bedienden gekomen, om den vermeenden meesterdief te -binden. - -In dit oogenblik kwam de rechercheur binnen. - -„Rechercheur!” schreeuwde Baxter, „vertel deze heeren eens, dat de -ellendeling, die daar staat, en die zich lord Westminster noemt, -Raffles is!” - -De rechercheur keek eerst Raffles en toen den inspecteur aan. Daarna -wees hij op Baxter en sprak: „Ja, dàt is Raffles!” - -Het was waarlijk te verwonderen, dat Baxter geen beroerte kreeg. - -Hij werd door den bediende weggesleept en Raffles wendde zich tot de -overige heeren met de woorden: - -„Ik ga nu naar huis, heeren, om wat op verhaal te komen, want de lage -streken van dien spitsboef hebben mij toch wel aangegrepen. - -„En dan, heeren, denkt aan onze weddenschap!” - -Raffles verdween. - -De heeren spraken nog eenigen tijd over het geval na en toen -herinnerden sommigen zich, dat die lord Westminster inderdaad zooveel -op Raffles leek. - -Zij kwamen tot de overtuiging, dat hier inderdaad bedrog in het spel -was en dat de indringer wel degelijk Raffles geweest was, die de -inspecteur een leelijke poets had gespeeld. - -Toen eenigen tijd later de rechercheurs kwamen, die door Baxter waren -ontboden, bleek inderdaad, hoe groot het bedrog geweest was. - -Charly Brand, die als rechercheur dienst had gedaan, had zijn vriend -wederom gered. - -Baxter, die al weer op vrije voeten was, spoedde zich terstond naar den -minister van financiën, om dezen te waarschuwen voor de plannen van -Raffles en hij verborg zich met een scherp geladen pistool in het -kantoor van den minister. - -... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... -... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... - -Reeds twaalf uren zat Baxter op post, zonder dat het geringste was -voorgevallen. - -De middag verstreek. - -Reeds viel de schemering; en een wonderschoone herfstavond volgde. - -Uit den tuin van het paleis drong het klateren van een springbron in de -kamer, die voornaam was ingericht met meubelen in purperkleur. - -Op de schrijftafel stond een telephoon. - -Op het groene laken bevond zich een klein ivoren knopje, als van een -electrische schel. - -Drukte men hierop, dan opende zich een geheim valluik in den vloer vóór -de schrijftafel. - -Op deze wijze kwam men in de schatkamer, waar de ridderorden van den -Koning van Engeland bewaard werden. - -En inspecteur Baxter wachtte steeds, terwijl hij honger en dorst leed; -terwijl hij telkens opnieuw zijn pistool onderzocht en in den door de -maan verlichten tuin keek. - -En Raffles, tegen wien men al deze maatregelen had genomen, nam den -eenvoudigsten weg, die er was. - -Om elf uur des avonds werd den minister van financiën het bezoek van -den rijksadvocaat gemeld. - -Dit was niets bijzonders. - -De minister, die er niet zeker van was, of hier geen strik werd -gespannen, bleef naast zijn tafel staan, waarop de pistolen lagen. - -De dienaar opende de deur. - -In schitterend avondtoilet, het lint van de Orde van den Kousenband -onder de linkerknie, den goudgeranden gala-hoed in de linkerhand, trad -een elegante, voorname jonge man van ongeveer dertig jaren binnen. - -Hij boog, wachtte tot de dienaar de deur achter hem gesloten had, deed -eenige schreden naar den minister en sprak toen: - -„Mijn naam is Raffles!” - -De minister was over deze brutaliteit zóó verbluft, dat hij vergat op -de schel te drukken en den dienaar te roepen. - -Werktuigelijk greep hij naar zijn revolver. - -„Ach, Excellentie, laat dat rusten”, sprak Raffles, terwijl hij het -zich zoo gemakkelijk mogelijk maakte. „Ik ben altijd gewoon zonder -revolver te werken. Het is veel aangenamer, als men niet altijd -dadelijk naar de wapens grijpt”. - -De minister herstelde zich, voor zoover dit in zijn positie mogelijk -was. - -Hij was ervan overtuigd, dat deze persoon hem onmogelijk iets zou -kunnen doen, zoolang hij zoover van hem afzat, als dat thans het geval -was. - -Hij ademde verruimd. - -Voorts hoopte hij, Raffles zoo lang in zijn nabijheid te kunnen houden, -tot inspecteur Baxter, zooals dat trouwens was afgesproken, vanzelf -hier in de studeerkamer zou komen. - -Dan zou het niet moeilijk meer zijn, den geheimzinnigen man te -overweldigen, die er uitzag als een aristocraat en een misdadiger bleek -te zijn. - -Hu! - -De minister rilde. - -En lord Lister? - -Hij verloor geen oogenblik zijn stereotiepen glimlach. - -„Waarmee kan ik u eigenlijk van dienst zijn?” vroeg toen de man, die -door den magnetischen blik van Raffles als aan zijn stoel genageld was. - -„Ik wilde een beetje met u babbelen over de ridderorden van den Koning -van Engeland!” - -„Dat is een onderwerp, dat mij niet veel vreugde bereidt,” sprak de -minister op verlegen toon. - -„Zoo?” lachte Raffles, „dat is jammer! Kan ik u met een sigaret -dienen?” - -Deze was een hartstochtelijk rooker. - -Hij nam een der aangeboden sigaretten, terwijl hij voortdurend met -angstig gebaar naar de portières op den achtergrond keek. - -„Is daar misschien een geheime deur naar de schatkamer?” vroeg Raffles. - -De minister was doodsbenauwd, dat hij zich door zijn blik verraden had -en antwoordde: - -„Ge vergist u! Maar wat wenscht ge toch? Gij zijt de gevaarlijkste -mensch van onze eeuw! Bij de teerste beweging, die ge maakt, schiet ik -u neer!” - -Lord Lister glimlachte steeds en antwoordde, terwijl hij een sigaret -tusschen de tanden, stak: - -„Is het gepermitteerd?” - -Tegelijkertijd haalde hij het gouden rookstel naar zich toe. - -De minister, bang voor een truc, greep haastig zelf het rooktoestel. - -Hij stak een lucifer aan en hield die voor de sigaret van Raffles. - -Toen keek de minister op zijn horloge. - -Goddank! - -De inspecteur van politie, met wien hij een geheime afspraak had, kon -niet lang meer wegblijven. - -Zwijgend rookte Raffles intusschen zijn sigaret. - -De minister bespiedde hem van terzijde, terwijl fijne blauwe -rookwolkjes omhoog kronkelden. - -Het was een wonderlijke, komische toestand. - -Die Raffles was toch een wonderlijke kerel. - -Hij bleef daar maar doodkalm zitten. - -Hij scheen er zelfs op te wachten, tot Baxter bij hem zou komen om hem -te arresteeren. - -Wonderlijk, zoo’n man toch! - -Hoogst komisch! - -Dat was het laatste, wat de minister dacht—toen was hij ingeslapen. - -De brandende sigaret was op den grond gevallen. - -Raffles legde zijn galahoed weg, raapte de sigaret op en wierp ze in -het aschbakje. - -„Morphine in tabak is een uitstekend slaapmiddel,” bromde hij. - -Lachend keek hij naar den minister, die begon te snurken. - -Toen deed hij de schrijftafel open, nam den sleutel eruit, ging naar de -portières, opende de geheime deur door een veer en verdween in de -donkere gang, die naar de schatkamer voerde. - -Zijn speurdersoog, dat verhelderd werd door het schijnsel van een -electrische zaklantaarn, had al spoedig de deuren, gangen en valluiken -gevonden, die hem brachten naar de kamer, waar hij wezen moest en toen -hij na verloop van een kwartier veel geheime ingangen had geopend, door -kasten was gekropen en alle hinderpalen uit den weg had geruimd, stond -hij in een kamer, waar een reusachtige kast zich bevond. - -Zooals hij dat destijds in het huis van Woorman had gedaan, deed hij -ook nu met de stalen deur. En toen deze geopend was, staarde Raffles op -zulk een pracht van goud en diamanten en kostbaarheden, als zelfs hij -nog nooit in zijn leven had gezien. - -Daar lag aan een zwart lint een witte ster in goud gevat, een gouden -kroon van binnen en daarboven een gouden helm, pantser en geweerloop, -het kruis van de Maltheserorde. Glimlachend nam Raffles het ding en -deed het op de borst. - -Daarop volgde de eenvoudige, maar niet minder kostbare Danebrog-orde, -het witte kruis met vijf gouden kronen. - -„Suum cuique”—ieder het zijne—las hij op de Pruisische orde van den -Zwarten Adelaar. - -„Hm, die past eigenlijk voor mij. Ieder het zijne—dat is ook mijn -devies.” - -De Grieksche Orde van den Verlosser: een sneeuwwit kruis met -blauwomranden gouden ring in het midden en de beeltenis van den -Verlosser, gedragen door een gouden kroon aan een blauw lint, hing -Raffles om den hals. - -Het was alles een geschitter en geglinster van sprookjesachtige pracht. - -De orde van de heilige Anna van Rusland: een rood kruis met goud; een -Duitsche ridderorde: een lang, zwart kruis; de machtige Turksche -Medjidie-orde, de orde van den Kouseband, de groote Engelsche Michaels- -en Georgs-orde, al die prachtige kostbaarheden, die wondermooie -onderscheidingen, stak Raffles op de borst. - -Een zee van goud en licht glinsterde door elkander. - -Ten slotte nam Raffles de laatste, belangrijkste, voornaamste orden der -wereld, de Oostenrijksche en Spaansche orde van het gouden vlies. In -een groote, zware omlijsting, in goud gevat, met groenen achtergrond, -hing onder een geschulpt rood blad, eveneens in goud gevat, een massief -gouden schaap. - -Langzaam, met een geheimzinnig glimlachje om de lippen, leunde Raffles -tegen de deur der kast. - -Daarop ging hij naar de schrijftafel en stak een sigaret aan. - -Daar doemde plotseling een lange, magere gestalte voor Raffles op. - -Het was Baxter. - -„Eindelijk!” stiet de inspecteur uit, „nu is toch je spelletje uit, -Raffles!” - -Deze glimlachte en rookte verder. - -Baxter haalde zijn revolver te voorschijn. - -„Geen stap verder, of ik schiet u neer!” - -Onbewegelijk stonden de beide mannen, oog in oog, tegenover elkander. - -Zwijgend bleven zij secondenlang in dezelfde houding. - -Raffles verbrak het eerst het zwijgen. - -„Waarom blameert ge u toch telkens weer, waarde inspecteur. Je kunt mij -immers toch nooit arresteeren!” - -„Ge vergist u, Raffles, ditmaal zit je in de knel. En pas op! Anders -ben je een kind des doods!” - -Maar Raffles lachte nog steeds. - -„Alle duivels!” riep hij uit, „het is bijna middernacht; om half één -moet ik in de Jockey-Club zijn, als ik mijn weddenschap wil winnen!” - -„Gij zult haar niet winnen!” riep de inspecteur zegevierend uit. - -„O ja, tòch wel!” - -„Nooit!” - -„Toch!” - -Bliksemsnel was Raffles naar de schrijftafel gegaan. - -Baxter richtte zijn revolver. - -„Terug, Raffles!” - -„Ik ga nooit terug, onthoud dat!” zei Raffles en hij drukte op het -ivoren knopje. - -Geruischloos opende zich het valluik en pijlsnel zakte Baxter in de -diepte. - -Het schot knalde af in de lucht en de inspecteur verdween in de -schatkamer. - -„Hallo, inspecteur Baxter, waar gaat de reis heen?” lachte John -Raffles, terwijl hij het ivoren knopje losliet. - -De meesterdief ging nu naar de schrijftafel en schreef het volgende: - - - „Aan Z. E. den Minister van Financiën, - - „Om uw vriend, den inspecteur van recherche Baxter, verdere - onaangename uren in de diepe schatkamer te besparen, deel ik u door - dezen mede, dat ik hem vriendelijk, doch dringend moest verzoeken, - zich daarheen te begeven, opdat hij mij niet zou hinderen in de - volvoering van mijn voornemen. - - „Doe den kelder dus open en geef Baxter zijn vrijheid terug. - - Uw dienstvaardige, - JOHN C. RAFFLES.” - - -Daarop verliet hij de kamer door de groote glazen deur, ging den tuin -door en sprong over den hoogen muur van het koninklijk park, in -hetzelfde oogenblik dat de minister ontwaakte en alarm maakte. - - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -HET GEHEIMZINNIGE RIJTUIG. - - -Lord Lister riep een cab aan. - -De koetsier groette den eleganten heer beleefd, wiens schitterende -ridderorden door de halfgeopende jas heenschitterden. - -„Jockey-Club, St. James Street.” - -Voort ging het. - -De groote clubzaal ging open en een elegante, voorname jongeman trad -binnen. - -Maar niet alleen zijn schitterende verschijning, doch ook de glans der -prachtige ridderorden deed aller oog zich op hem vestigen. - -En als een loopend vuurtje ging het van mond tot mond: - -„Raffles.” - -De meesterdief boog beleefd voor den graaf van Westbury, die als -versteend opkeek. - -Lord Raffsborn klemde zijn monocle in. - -„Alle drommels! Zijt ge het inderdaad? Maar dat is niet mogelijk!” - -Lord Lister glimlachte alweer. - -„Ik heb de weddenschap gewonnen, heeren!” - -Allen moesten zich ervan overtuigen, dat de ridderorden echt waren. - -Er ontbrak niet één! - -„Als ik geen modern mensch was, zou ik aan tooverij gelooven”, zeide de -graaf van Westbury. - -Lord Raffsborn echter voegde erbij: - -„Wij hebben onze weddenschap verloren.” - -Niemand sprak dat tegen. - -De clubleden waren allen edelen. - -Zij hadden hun weddenschap verloren. - -En zonder een woord te spreken, haalden zij hun portefeuilles te -voorschijn en betaalden. - -„Dank u, heeren!” sprak Raffles. - -Hij borg het geld weg. - -„En nu wilt gij zeker wel zoo goed zijn, om te zorgen, dat al die mooie -dingetjes weer op hun plaats komen.” - -Hij deed voorzichtig alle ridderorden af en gaf ze aan graaf van -Westbury. - -Daarna ging hij. - -Beneden wachtte zijn cab nog. - -Hij reed tot in de buurt van zijn huis en ging verder te voet. - -In zijn woning wachtte Charly Brand, wien hij zijn avontuur vertelde. - -Daarop verdween Raffles in een zijkamer en kwam een poos later eruit te -voorschijn als een elegant Londensch koetsier. - -Toen ging hij naar den stal, spande zelf het paard in en reed het -rijtuig voor. - -Daarop stapte hij in. - -„Bromley Burdett Road, Charly.”. - -„All right!” - -Terwijl Raffles naar het huis van miss Ellen Crofton reed, waren de -heeren in de club tot de conclusie gekomen, dat het toch maar beter -was, als de politie Raffles het gewonnene weer afnam en hun teruggaf. - -De graaf van Westbury stond op met plechtstatig gebaar. - -Hij ging met lange stappen naar de telephoon. - -„Scotland Yard, juffrouw!” - -„Hallo, ja!” - -„U spreekt met de Jockey-club!” - -„Wat wenscht ge?” - -„Ik wil u even vertellen, dat Raffles hier was!” - -„Wie—wat—hoe?” - -„Raffles, de meesterdief!” - -Juist toen de graaf dit geweldige nieuwtje naar Scotland Yard -telephoneerde, kwam inspecteur Baxter daar aan. - -De inspecteur vloekte. - -Hij raasde en tierde. - -En hij beweerde voor den zooveelsten, zeker voor den honderdsten keer, -dat Raffles hem gek maakte stapelgek. - -Hij was nu inderdaad half gek van woede en ergernis. - -Nauwelijks dan ook had hij Het telephonisch bericht van den graaf van -Westbury ontvangen of hij beval, hoewel hij zelf doodmoe was, en zich -nauwelijks op de been kon houden, dat vijf detectives hem zouden -volgen. - -Hij zelf sprong haastig op zijn fiets en als nachtelijke spoken jaagden -de zes politie-mannen door de duisternis. - - - -Kolonel Crofton bewoonde met zijn familie een klein huis, dat bestond -uit een viertal vrij groote, eenvoudig gemeubelde kamers. - -De kolonel was een man van omstreeks vijftig jaren. - -Hij was nog veerkrachtig en levenslustig van aard, maar een zware -verwonding dwong hem op een stok te steunen bij het loopen. - -Een paar verstandige, donkerblauwe oogen keken uit onder blonde -wenkbrauwen en het blozende gelaat had een aangename uitdrukking. - -Zijn hoofdhaar was nog fraai krullend, zijn mond vertoonde een -trotsche, doch geen eigenzinnige uitdrukking. - -Juist toen Lister aanschelde, hoorde deze een krakende stem aan den -anderen kant van de deur: - -„Sir Woorman geeft u niet langer crediet. Ik zal uwe zaak morgen -sluiten, als ge vandaag niet betaalt!” - -„Maar als ik toch geen geld heb— —” - -„Papperlappapp, betalen of er uit!” - -„Ik smeek u— —” - -„Sir Woorman is wel bereid u eenigszins tegemoet te komen, als gij hem -een genoegen wilt doen!” - -„Als dat in mijn vermogen is, heel graag!” - -„Uw dochter, miss Ellen, wordt morgen als getuige gehoord. Van haar -verklaringen hangt veel af. - -„Zij zou de zaak wat minder ernstig kunnen doen voorkomen, ziet ge— —” - -Daar klonk de schel. - -Miss Ellen zelf deed open. - -Toen zij in lord Lister’s gelaat zag, stiet zij een vreugdekreet uit. - -„Papa!” riep zij, „daar is de man, die mij zoo onbaatzuchtig heeft -verdedigd!” - -De kolonel kwam Raffles tegemoet. - -De heeren begroetten elkaar hartelijk. - -Raffles echter wendde zich al spoedig tot den vreemden man. - -„Wie zijt ge?” - -„Ik ben de zaakwaarnemer van Sir Woorman.” - -„Dan heb je een mooi baantje, zeg, zaakwaarnemer van een moordenaar!” - -„Mijnheerrrrr!” - -De ander brulde het uit. - -„Ziet ge deze spieren, mijnheer! Pas op, dat ik u daarmee geen kennis -laat maken!” - -Maar nog voordat de zaakwaarnemer gevolg had gegeven aan zijn -voornemen, had Raffles hem al een stomp onder de kin gegeven, zoodat -hij als een gummibal achteruit stoof. - -„Wat wilt ge eigenlijk van mij?” vroeg de zaakwaarnemer. - -„Ik wil u vertellen, dat ge Sir Woorman moet zeggen, dat miss Ellen -alleen de waarheid zal spreken bij de getuigenverklaring. - -„En verder zal kolonel Crofton zijn zaakjes op denzelfden voet -voortzetten!” - -„Maar het geld— —” - -Raffles rukte den man de quitantie uit de hand. - -„Hoe groot is dat bedrag?” - -De zaakwaarnemer was verstomd. - -„Tweehonderd pond met de 475 pond van een vorigen keer”. - -„Dat is dus samen 675 pond! Hier zijn ze!” - -„Maar— —” begon de ander. - -Raffles wees naar de gangdeur. - -„Nu geen woord meer en er uit!” - -De kerel sloop weg als een geslagen hond. - -De kolonel greep de handen van zijn weldoener. - -„Hoe kan ik u danken!” - -„Uw vriendschap is voor mij genoeg belooning!” - -„Kan ik u misschien met iets van dienst zijn?” vroeg nu miss Ellen op -verlegen toon. - -„Uw tranen zijn al dank genoeg, lady!” - -„Ik zal dagelijks voor u bidden. Hoe heet ge?” - -Hij schudde het hoofd. - -„Vraag dat niet. Ik vertegenwoordig het geluk en het noodlot!” - -Hij boog en verliet het huis. - -„West-End Street 37”, beval Raffles op luiden toon. - -Charly Brand boog zich naar hem over. - -„Baxter is hier met vijf rechercheurs. Zij houden zich verborgen.” - -Raffles lachte. - -„Rijd maar door, koetsier”. - -Het portier vloog dicht. - -Tegelijkertijd doemden zes gestalten op uit den nevel. - -Zij sprongen op hun rijwiel en bleven naast het rijtuig rijden, zoodat -het Raffles onmogelijk was, het rijtuig te verlaten. - -Na een rit van drie kwartier kwamen zij aan het doel van hun tocht. - -Baxter beval zijn mannen af te stappen. - -„Wij nemen hem boven in huis gevangen!” - -Het was een goede inval van Baxter geweest, om naar Bromley te rijden. - -Dezen keer zou dan toch die Raffles hem stellig niet ontsnappen. - -„Hij laat lang op zich wachten”, zei een der rechercheurs. - -De anderen beaamden dit. - -Eindelijk trad Baxter met geladen revolver naar het rijtuig toe. - -Hij opende het portier. - -„Kom eruit, Raffles, ge zijt mijn gevangene!” sprak hij, maar -tegelijkertijd trad hij verschrikt achteruit. - -Hij vloekte zwaar. - -„Koetsier!” - -„Ja, mijnheer!” - -„Waar is Raffles?” - -Charly Brand lachte. - -„Waar Raffles is, ik ben inspecteur Baxter toch niet? Die weet altijd, -waar Raffles is”. - -„Geen grapjes. Gij hebt Raffles gereden.” - -„Geen quaestie van. Mijn „vrachie” was de beroemde tooverkunstenaar ben -Akiba”. - -„Pas op, ik laat je arresteeren, als je mij voor den mal houdt.” - -„Ik houd u waarlijk niet voor den mal!” - -Maar Baxter nam Charly met zijn rijtuig mee naar Scotland Yard, waar de -jonge man vertelde, dat hij een paar dagen geleden bij lord Westminster -in dienst was gekomen! - -„Maar lord Westminster is Raffles”, stoof Baxter op. - -„Zoo?” vroeg Charly met onnoozel gezicht, „is dat waar? Dat wist ik -waarlijk niet!” - -Baxter kon hem niets doen en liet hem weer gaan. - -Toen Charly een eind had gereden, stapte hij van den bok. - -„’t Is maar goed, dat die Baxter het rijtuig niet verder heeft -onderzocht, dan zou hij gemerkt hebben, dat de bodem verschuifbaar is”. - -En Raffles? - -Toen het rijtuig door de rechercheurs werd begeleid, had hij -voorzichtig den vloer terzijde geschoven en zich tusschen de wielen -laten glijden, totdat hij op grond stond. - -Toen maakte hij een groetend gebaar met de hand tegen de rechercheurs -en riep uit: - -„Adieu, inspecteur Baxter! Tot weerziens!” - -Daarop ging hij een café binnen. - - - - - - - - - De volgende aflevering (No. 4) bevat: - - MILLIOENEN IN EEN DOODKIST. - - - - - - - - -AANTEEKENING - - -[1] Dit is het opschrift van de Engelsche orde van den Kousenband. - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 3: DE -RIDDERORDENDIEFSTAL IN HET KONINKLIJK PALEIS *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
