summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/66352-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/66352-0.txt')
-rw-r--r--old/66352-0.txt3235
1 files changed, 0 insertions, 3235 deletions
diff --git a/old/66352-0.txt b/old/66352-0.txt
deleted file mode 100644
index 0571466..0000000
--- a/old/66352-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,3235 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 3: De Ridderordendiefstal in
-het Koninklijk Paleis, by Kurt Matull
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Lord Lister No. 3: De Ridderordendiefstal in het Koninklijk
- Paleis
-
-Author: Kurt Matull
- Theo Blakensee
-
-Release Date: September 20, 2021 [eBook #66352]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: The Online Distributed Proofreading Team at
- https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg.
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 3: DE
-RIDDERORDENDIEFSTAL IN HET KONINKLIJK PALEIS ***
-
-
-
- LORD LISTER
- GENAAMD RAFFLES
- DE GROOTE ONBEKENDE.
-
- NO. 3 DE RIDDERORDEN-DIEFSTAL IN HET KONINKLIJK PALEIS
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE RIDDERORDEN-DIEFSTAL IN HET KONINKLIJK PALEIS
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-RECHERCHEUR WHITE.
-
-
-Rechercheur White trad met een jonge dame Scotland Yard binnen en vroeg
-inspecteur Baxter te spreken.
-
-„Deze jongedame”, zei hij en hij wees op het mooie meisje, dat haar
-gelaat verborg achter een dichten sluier, „is door verscheiden heeren
-achtervolgd, die meenden, dat zij alle recht er op hadden, de onschuld
-te belagen. Het heeft mij veel moeite gekost haar te beschermen”.
-
-Baxter wendde zich tot de jongedame.
-
-„Hoe heet gij?”
-
-„Ellen Crofton!”
-
-„Goed. En waar woont ge?”
-
-„In Bromley”.
-
-De inspecteur noteerde den naam dezer straat en bromde toen voor zich
-heen:
-
-„Wat kan er voor goeds komen uit Bromley!”
-
-Toen weer tot het meisje:
-
-„Wat doet uw vader?”
-
-„Hij was officier bij het Indische leger, maar sinds eenige jaren
-drijft hij een zaak”.
-
-„Ge zijt dus verarmd?”
-
-Het meisje bloosde bij die woorden.
-
-„En vertel nu eens, White, wat is er gebeurd?”
-
-„Ik liep door St. James Street”, begon White, „want die straat behoort
-tot mijn afdeeling”.
-
-„Het is een van onze voornaamste straten”, viel de inspecteur in. „En
-verder?”
-
-„Plotseling hoorde ik hulpgeroep. Ik ging er op af. Eensklaps werd de
-deur van een huis opengerukt en dit jonge meisje vloog er uit met
-doodsbleek gelaat. De duisternis was haar vervolgers gunstig en de
-heeren—als de kwajongens tenminste aanspraak kunnen maken op dien
-naam—”
-
-„Houd je opmerkingen voor je, White. In St. James Street wonen alleen
-voorname lieden.”
-
-„Dat denk ik ook, inspecteur. Die schurken dus—”
-
-„Ik heb je daar juist verteld, dat ge op een anderen toon moet
-spreken”.
-
-„Die wonderlijke heeren dan renden de straat door, grepen haar, wierpen
-haar op den grond en terwijl één hunner haar den mond dicht hield,
-trachtten de anderen haar weer in het huis te sleepen. Ik snelde toe en
-beval hun de jongedame los te laten. De ellendelingen—ik meen de
-heeren—antwoordden met een spotlach. Toen maakte ik kort proces, gooide
-een paar van hen op den grond en joeg de anderen op de vlucht.
-
-„Een van de kerels—ik meen de heeren—stiet mij zijn mes in den arm; ik
-kon hem niet te pakken krijgen en hij is ontvlucht”.
-
-„Wat was dat voor een huis, waar die geschiedenis zich afspeelde?”
-
-„Het was nummer 39 in St. James Street.”
-
-Baxter sloeg zenuwachtig het dikke adresboek op.
-
-„Allemachtig!” stamelde hij toen, „daar zijn drie van de voornaamste
-clubs uit Londen gevestigd, één ervan behoort een prins—en jij hebt zoo
-opgespeeld tegen die gentlemen?”
-
-White antwoordde:
-
-„Maar ik vertel u daar juist, inspecteur, dat de bandieten...”
-
-„Je krijgt een dag arrest, White! Je bent weer heel onvoorzichtig
-geweest. Je hebt je gemengd in een zaak, waarmee de politie heelemaal
-niets te maken heeft.”
-
-„Als meer dan een dozijn mannen een onbeschermd meisje aanvallen, moet
-de politie zich er wel mee bemoeien”, beweerde White.
-
-De inspecteur wendde zich weer tot de jonge dame.
-
-„Hoe zijt ge in dat clubgebouw gekomen?”
-
-„Ik weet het niet.”
-
-De inspecteur lachte grimmig.
-
-„Dat zijn geen antwoorden. Ge moet de waarheid vertellen. Wat hebt ge
-met die heeren te maken?”
-
-„Ik ging vanmiddag in Hyde-Park wandelen”, antwoordde zij, „het begon
-al te schemeren, toen ik plotseling mij onwel gevoelde. Ik kon nog naar
-een bank loopen, waar ik bewusteloos neerzonk. Toen ik weer tot
-mijzelve kwam, was ik in een vreemd huis en omringd door een aantal
-jonge mannen, die mij beleedigden. Ik stiet hen ter zijde en vluchtte
-weg. Het overige weet ge.”
-
-„En denkt ge, dat ik dat verzinsel geloof?”
-
-„Het is geen verzinsel!”
-
-Zij richtte zich op met trotsch gebaar.
-
-„Ge kunt gaan, juffrouw! Ik geef u echter den raad, in het vervolg niet
-meer dergelijke aardigheden uit te lokken. Pas maar op, dat de politie
-geen termen vindt, om uw levensloop wat nauwkeuriger te controleeren”.
-
-De rechercheurs zagen, dat het meisje onder haar sluier doodsbleek
-werd.
-
-Zij wankelde.
-
-White ondersteunde haar en fluisterde haar toe:
-
-„Ga nu heen en tracht nooit meer met de politie in aanraking te komen.
-Dat deugt niet voor u”.
-
-Zij drukte hem dankbaar de hand.
-
-White riep een huurkoets aan en een minuut later was miss Crofton
-verdwenen.
-
-De inspecteur ijsbeerde de kamer door.
-
-Toen White weer binnenkwam, snauwde Baxter:
-
-„White, je bent nog maar een half jaar in dienst! Je bent nog een
-groentje! Je denkt alles door geweld te kunnen bereiken en handelt
-voortdurend tegen de voorschriften. In buurten als St. James Street,
-Pall-Mall, Regent Street en andere moet je je niet zoo druk maken,
-begrepen? In straten, waar de voornaamste lieden uit Londen wonen, moet
-je wat voorzichtig zijn.
-
-„Je hebt nog heel wat bij ons te leeren, White! Al die particuliere
-aangelegenheden van de rijkelui gaan ons niets aan. Als er een misdaad
-in het spel is, zie je, dan is het heel iets anders!”
-
-„Is dat dan geen misdaad geweest, inspecteur?”
-
-„Je bent een domkop, White!”
-
-„Dank u! Moet er heelemaal dan geen onderzoek naar gedaan worden, hoe
-miss Crofton zoo plotseling in het clubgebouw kwam?”
-
-„Laat ons afwachten, of haar vader werk maakt van de zaak. Misschien is
-hier een geheimzinnige liefdesgeschiedenis in het spel”.
-
-White ging schouderophalend heen.
-
-In hetzelfde oogenblik ging de telephoon.
-
-Een der agenten, die haar bediende, sprak langen tijd.
-
-Toen zei hij tot den inspecteur:
-
-„Sir Jonathan Woorman verzoekt om bescherming!”
-
-„Sir Woorman? De rijke Iersche grondeigenaar? Ik zal er met een paar
-mannen heengaan. Wat is de reden van dit verzoek?”
-
-„Hij is bang, dat zijn brandkast wordt geplunderd!”
-
-„Zoo plotseling? Hoe dat zoo?”
-
-„Raffles is in de buurt gezien”.
-
-„Raffles? Raffles? Inderdaad Raffles? Jongens, dat is een mooie zaak!
-We gaan dadelijk op zoek naar hem! De kerel maakt mij nog gek!”
-
-„Dat heeft hij al zóó vaak beweerd, dat het nu eens tijd wordt, dat het
-gebeurt!” fluisterde White.
-
-Baxter koos White uit, dien hij prees wegens zijn moed en
-koelbloedigheid en steeds gaarne bij zich had en bovendien nog vijf
-man, waarmee hij op weg trok.
-
-Hij had nog vele aanwijzingen gekregen, die hem er toe noopten, zoodra
-mogelijk Sir Woorman hulp te gaan verleenen,
-
-„Het schijnt”, sprak Baxter onderweg, „dat die Woorman heel wat
-machtige, persoonlijke vijanden heeft, want ieder oogenblik stuurt hij
-mij een dreigbrief, dien hij heeft ontvangen.
-
-„Reeds twee keer ook zijn er aanslagen op hem gepleegd.
-
-„Hij is op en top een heer en het eenige, dat men hem ten laste kan
-leggen is, dat hij een al te groot Don Juan is.”
-
-„Dat is geen misdaad”, beweerde een der detectives.
-
-„Dat hangt er van af”, sprak White op zachten toon.
-
-De inspecteur had deze woorden echter verstaan.
-
-Hij draaide zich om en vroeg:
-
-„Hoezoo, White? Mogen rijke heeren zich niet amuseeren? Jij bent een
-wonderlijke kerel!”
-
-„Dat bedoel ik niet, inspecteur”, antwoordde White.
-
-„Wat bedoel je dan?”
-
-„Wel, inspecteur, ik vind, dat die rijke heeren zich in hun eigen kring
-moeten amuseeren. In plaats van dat te doen, zoeken zij steeds hun
-slachtoffers daar, waar de armoede al genoeg onheil heeft gesticht.”
-
-De inspecteur lachte luide.
-
-Al de anderen stemden even luid mede in.
-
-„Vindt jij dan, White, dat hij afspraakjes moet maken met de dochter
-van de aristocraten? Je bent een groot kind! Ik zou bijna zeggen,
-kerel, dat je niet deugt voor je baantje.”
-
-„Maar hier zijn we op de plaats van bestemming!”
-
-Het was elf uur in den avond.
-
-Inspecteur Baxter betrad met zijn mannen de groote, weelderig
-ingerichte woning van Sir Jonathan Woorman, een te Londen welbekend
-sportsman, die in de voornaamste kringen verkeerde en daar in hoog
-aanzien stond
-
-Sir Woorman trad hem tegemoet.
-
-„Ik dank u, inspecteur, dat ge gekomen zijt”, sprak hij met zware stem.
-
-Hij was een groot, breedgeschouderd man, met innemende manieren.
-
-Op zijn tamelijk langen hals stond een hoofd met breede, eenigszins
-plompe trekken en een typischen Ierschen neus.
-
-Als Sir Woorman niet zoo rijk gekleed was en niet zulke voorname
-manieren had gehad, dan had men hem evengoed voor iemand uit een van de
-onderste lagen der volksklasse kunnen houden.
-
-„Stel u eens voor, inspecteur, wat ik een paar uur geleden beleefd
-heb!” riep Woorman uit.
-
-„Wellicht een galant avontuur?”
-
-„De duivel hale alle galante avonturen!” riep Sir Woorman uit, die
-plotseling van smaak veranderd scheen.
-
-„Stel u eens voor, inspecteur, ik had van avond om acht uur een
-rendez-vous in een of ander café. Het doet er niets toe, in welk café.
-
-„Ik ga naar binnen, en neem plaats in het kamertje, waar ik de dame
-verwacht.—Vijf minuten later komt een heer binnen. Ik moet zeggen, dat
-die Raffles héél elegant is! Verduiveld elegant! En brutaal! Ik heb nog
-nooit zoo iets gezien!”
-
-„Kwam Raffles in plaats van de dame? Hoe is dat mogelijk?”
-
-„Als ik dat wist, dan was ik knapper dan u!”
-
-„Weet ge zeker, dat het Raffles was?”
-
-„Het was Raffles! De kerel hield een heele toespraak en verklaarde mij
-ten slotte, dat ik een...... enfin, dat komt er niet op aan. In ieder
-geval heeft hij mij aangekondigd, dat hij van nacht nog mijn geld komt
-weghalen, omdat ik veel te veel heb en het feitelijk anderen
-toebehoort. Wat zegt ge van zoo’n logica? Ik heb hem gezegd, dat ik
-inspecteur Baxter onmiddellijk zou waarschuwen!”
-
-„En wat antwoordde hij?”
-
-„Hij lachte en noemde in verband met u een heele menigte diernamen.
-Zoo’n onbeschaamde vlegel! Maar ik heb het grootste vertrouwen in u,
-inspecteur!”
-
-„En ik zal dat vertrouwen niet beschamen”, antwoordde Baxter met
-gepaste bescheidenheid. „Wij zullen onmiddellijk de noodige maatregelen
-nemen!”
-
-„Gij, Sir Woorman, wilt misschien de kamer, waarin uw brandkast staat,
-zelf bewaken! Ik geef u dan rechercheur White tot assistentie!”
-
-Sir Woorman keek White eens aan.
-
-„De kerel bevalt mij!” zeide hij, „maar ik heb geen tijd, inspecteur,
-ik heb een dringende afspraak. Uw rechercheur zal dat zaakje wel alleen
-kunnen opknappen.”
-
-„Zooals ge wenscht, Sir Woorman, dan zal ik met White de brandkast gaan
-bewaken!”
-
-„All right”, antwoordde de rijke man.
-
-Baxter gaf zijn aanwijzingen en de manschappen gingen op hun post.
-
-De brandkast stond in een kleine kamer, die twee deuren had.
-
-Door de eene deur kon men niet komen, zonder de trap te zijn opgegaan,
-waar een rechercheur op post stond.
-
-De tweede deur kwam uit in Sir Woorman’s werkkamer.
-
-„Hier zijn sigaren en sigaretten”, sprak Sir Woorman, „maak het u zoo
-gemakkelijk mogelijk, morgen vroeg kom ik terug en hoop ik, dat alle
-gevaar geweken is!”
-
-„Als de duivel er niet weer mee speelt, zullen we den kerel wel te
-pakken krijgen”, antwoordde de inspecteur.
-
-Het werd stil in huis.
-
-Sir Woorman was heengegaan.
-
-Baxter en White zaten in de studeerkamer en hielden de wacht over de
-kamer, waar de brandkast stond, door een groote, glazen deur, waar men
-makkelijk doorheen kon kijken, daar de kamer helder verlicht was,
-terwijl de beide mannen in donker zaten.
-
-„Ik laat mij hangen, als het Raffles ditmaal gelukt een penny te
-stelen”, beweerde Baxter.
-
-White antwoordde niet.
-
-Terwijl namelijk Baxter naast de deur zat en geen blik had afgewend van
-de helverlichte kamer, was White zachtjes weggegaan en patrouilleerde
-nu door de kamers van het huis.
-
-Hij keek overal rond met speurenden blik en bleef ten slotte staan voor
-een eikenhouten kast.
-
-„Dat kon het juiste wel eens zijn”, mompelde hij, „want dat de
-brandkast leeg is, ligt voor de hand!”
-
-Hij begon met een looper de houten deur te openen.
-
-Nauwelijks was deze geopend of een metalen plaat werd zichtbaar
-
-„Ik dacht het wel! Dat is dus de brandkast”, fluisterde hij.
-
-Hij deed verscheiden vergeefsche pogingen om ook deze te openen.
-
-Toen haalde hij uit zijn zak een zoogenaamden brandsnijder te
-voorschijn.
-
-Het instrument was ongeveer zestig centimeter lang en bevatte door een
-bijzondere inrichting een hoeveelheid gas, waardoor een vlam van
-buitengewone hitte kon ontwikkeld worden. De verbinding van zuurstof en
-acetyleen bracht een warmte van meer dan zevenduizend graden Celsius te
-voorschijn.
-
-Zoo’n temperatuur kon zelfs de beste pantserplaat niet verdragen.
-
-Het middel, dat White thans aanwendde om de brandkast door te smelten,
-was door Raffles al herhaalde malen toegepast.
-
-Na vijf minuten was het werk volbracht.
-
-De brandkast was geopend en met de grootste onverschilligheid, als ging
-de heele zaak hem niets aan, haalde White den inhoud uit de kast.
-
-Er was ongeveer vijfduizend pond in.
-
-Honderd pond legde White weer in de kast, stak het overige bij zich en
-bekeek bij het schijnsel van zijn electrische lantaarn een groote
-brieventasch, die tusschen de banknoten verborgen had gelegen.
-
-Er was een afscheidsbrief in van een liefje en een geknipt stuk uit een
-krant.
-
-Plotseling zag White, dat er een bloedvlek op den brief was.
-
-Hij las de uitgeknipte advertentie.
-
-Deze luidde:
-
-
- „Wij houden ons aanbevolen voor zaken van allerlei aard en
- verzoeken u om ons te begunstigen, opdat wij in de allereerste
- levensbehoeften zullen kunnen voorzien.
-
- „Alice Forester en haar zoon, Gerard Street, Londen N.”
-
-
-White haalde de schouders op en stak beide papieren bij zich.
-
-Toen ging hij doodkalm terug naar de studeerkamer.
-
-„Waar ben je geweest”, vroeg Baxter.
-
-„Ik heb een rondgang gemaakt om mij te overtuigen, dat Raffles nog
-nergens geweest is.” Toen loste hij den inspecteur af, die op de sofa
-ging liggen en vijf minuten later in diepen slaap verzonken was.
-
-White keek op zijn horloge.
-
-„’t Is één uur”, fluisterde hij, „ik heb dus nog een paar uur tijd,
-want ik zou graag persoonlijk van Sir Woorman afscheid willen nemen.”
-
-Langzaam kropen de uren voorbij.
-
-White keek al lang niet meer naar de kamer, waarin de brandkast stond.
-
-Hij was voor de schrijftafel gaan zitten.
-
-Daar hoorde hij plotseling eenig gekraak.
-
-Hij stond op en luisterde.
-
-Waarlijk.
-
-Buiten was een inbreker!
-
-Een jonge, magere knaap van ongeveer zeventien jaren had een ijzeren
-bout tusschen de door een looper reeds half geopende deur gedrukt en in
-het oogenblik, dat White hem betrapte, ging de deur van de brandkast
-open.
-
-De jongen greep in de kast.
-
-Maar met een gelaat, waarop de bitterste ontgoocheling stond te lezen,
-trok hij zijn hand weer terug.
-
-De brandkast was leeg.
-
-White deed nu de deur voorzichtig open en ging de aangrenzende kamer
-binnen.
-
-De inbreker liet een zachten schreeuw hooren en keek met groote,
-verglaasde oogen den rechercheur aan.
-
-„Je bent ook niet al te dapper, mijn jongen”, sprak White op
-gemoedelijken toon. „Hoe ben je binnengekomen?”
-
-„Ik heb mij vanmiddag in de gang verborgen.”
-
-White keek den jongen eens aan.
-
-Hij zag er vermagerd uit en zijn holle wangen spraken van ellende.
-
-„Waarom wou je stelen?”
-
-„Och, het komt er nu toch niet op aan; neem mij maar mee, dan is alles
-uit.”
-
-„Kom, doe niet zoo dwaas en geef mij eens een verstandig antwoord! Hadt
-je wel eens meer gestolen?”
-
-„Neen nog nooit, het is de eerste maal.”
-
-„Dat begreep ik. En waarom nu?”
-
-„Omdat—omdat mijn moeder sterft als ze geen betere verpleging krijgt En
-ik heb niemand als haar.”
-
-„Hoe heet je?”
-
-„Harry Forester.”
-
-„Harry Forester? Waar woon je jongen?”
-
-„In Gerard Street.”
-
-„Zoo zoo. Dat is heel merkwaardig.”
-
-De rechercheur haalde uit zijn zak een banknoot van honderd pond te
-voorschijn.
-
-„Ken je dat, Harry Forester? Dat zijn honderd pond; is dat vooreerst
-genoeg?”
-
-De jongen begreep niet, wat er met hem gebeurde.
-
-Doch met energiek gebaar duwde White hem de banknoot in de hand, bracht
-hem door de donkere kamer waarin Baxter sliep en sprak:
-
-„Als een der rechercheurs naar je vraagt, moet je maar zeggen, dat je
-hier thuis behoort!”
-
-De jongen knikte.
-
-Hij wilde den rechercheur danken; maar deze weerde hem af.
-
-In hetzelfde oogenblik echter, dat de dief de woning wilde verlaten,
-ging de deur open en trad Sir Woorman binnen.
-
-White duwde zijn beschermeling vlug in een donkeren hoek.
-
-Toen hij de open gebroken brandkast zag, riep hij uit:
-
-„Ik ben bestolen! Tienduizend pond zijn gestolen! Waar is de dief? Waar
-is Raffles?”
-
-Sir Woorman snelde naar zijn studeerkamer.
-
-De jongen had van de verwarring gebruik gemaakt, om snel te ontvluchten
-en inspecteur Baxter was doodelijk verschrikt wakker geworden.
-
-Hij stond als gebroken naast Sir Woorman.
-
-Zoo iets was hem nog nooit overkomen.
-
-White had toch gewaakt en als deze Raffles niet gezien had—maar White
-liet den inspecteur geen tijd om verder na te denken.
-
-Langzaam zette hij zijn helm af, daarna ham hij de wondermooie pruik
-van het hoofd; kalm trok hij de uniformjas uit en, terwijl hij langzaam
-zijn revolver nazag en de aanwezigen verstomd stonden van schrik, sprak
-hij:
-
-„Ik heb de eer mij aan u voor te stellen. Ik ben Raffles!”
-
-Daarop wendde hij zich tot Baxter.
-
-„Ik was van den aanvang af overtuigd, dat ik in Scotland Yard niets
-nieuws zou kunnen leeren, maar toch dank ik u, inspecteur, voor de
-moeite, die ge u gegeven hebt om mij met een en ander op de hoogte te
-brengen!”
-
-Toen wendde hij zich weer tot Sir Woorman.
-
-„Wat kunt ge toch gemeen liegen, Sir Woorman, er heeft geen penny in de
-brandkast gezeten en het zou voor Raffles niet de moeite waard geweest
-zijn, om daar in te breken. Maar mijn goed gesternte heeft mij ook
-ditmaal niet bedrogen. Als ge uw andere geldkast eens na wilt zien.—”
-
-„Pakt hem beet!” brulde Sir Woorman, „pakt hem beet!”
-
-Terzelfder tijd stoof hij ook op Raffles af.
-
-Maar deze was op alles bedacht geweest.
-
-Hij gaf Sir Woorman een geweldigen stomp in de maag, zoodat deze over
-den grond tolde.
-
-Toen vloog hij de gang door en rukte de deur open, achtervolgd door al
-de rechercheurs.
-
-Het was een dolle wedstrijd naar de bovenste verdieping, doch daar
-aangekomen klom Raffles voor de oogen van zijn verbaasde vervolgers in
-de dakgoot en liet zich vliegensvlug langs een brandladder naar omlaag
-glijden.
-
-In het volgende oogenblik was hij door de duisternis aan de oogen
-zijner vervolgers onttrokken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-AFSCHUWELIJKE ONTDEKKINGEN.
-
-
-Lord Lister keek nauwkeurig de kamer rond, waarin hij zat.
-
-Hij had zijn jas uitgedaan, maar was nog in volledig toilet, dat hij
-onder de uniformjas had gedragen.
-
-Eerst zag hij niets, want het was volslagen donker.
-
-Geen geluid werd vernomen.
-
-Hij tastte langs den muur en draaide het electrisch licht op.
-
-Hij was in een weelderig ingericht slaapvertrek.
-
-Op het ledikant lag een zijden deken en daaronder sliep een jong
-meisje, dat in haar gezonden sluimer zelfs door het licht niet was
-ontwaakt.
-
-Het blonde haar viel in dichte strengels over het met kant versierde
-kussen, de linkerhand lag op de borst, de rechter hing slap neer over
-den bedrand.
-
-Zachtjes naderde Lord Lister het bed.
-
-Nu zag hij ook, dat eenige wanorde in de kamer heerschte.
-
-Een stoel naast het bed was omgegooid, een kast was kapot, een
-schilderij aan den muur vernield.
-
-Ontzet week Raffles achteruit, toen hij naar de slapende keek.
-
-Zij was dood!
-
-Raffles legde zijn hand voorzichtig op de deken. Toen zag hij duidelijk
-donkere strepen, die zich scherp afteekenden op den hals van de
-jongedame.
-
-„Zoozoo!” fluisterde hij, terwijl hij sterk opsnoof, „eerst bedwelmd,
-toen geworgd!”
-
-De eerste schemering drong door het venster.
-
-Raffles keek nog eens naar de ongelukkige, die hier zoo’n
-geheimzinnigen dood had gevonden en trad toen naar buiten.
-
-Maar wederom deinsde hij in de grootste ontzetting achteruit.
-
-In de gang hing het lijk van het dienstmeisje, dat nog het witte mutsje
-op haar hoofd droeg.
-
-„Afschuwelijk!” stiet Raffles uit.
-
-Hij wilde vluchten van deze plek, maar toen overwon toch het verlangen
-om meer te weten van die afschuwelijke misdaad.
-
-Raffles ging van de eene kamer naar de andere. De woning had zeven
-kamers, alle even weelderig ingericht.
-
-Raffles vond niets, wat eenige aanduiding kon geven tot den moord.
-
-In de kleedkamer alleen lag een band, die om den arm of de knie moest
-worden gedragen.
-
-Daarop stond:
-
-Honi soit, qui mal y pense. [1]
-
-Daaronder stond heel klein geschreven:
-
-„Ribbon-men”.
-
-Hij nam den band op en stak hem bij zich.
-
-Toen verliet hij het huis.
-
-Buiten hing een schild voor de deur, waarop stond:
-
-Madame de Vales.
-
-Raffles ging heen.
-
-„Vervloekt,” zei hij, „die er slecht over denkt”, en spoedde zich naar
-Gerard Street.
-
-Na eenig zoeken had hij het huis gevonden, waarin mrs. Forester woonde
-met haar zoon.
-
-Hij wilde zien of de jongen waarheid had gesproken.
-
-Lord Lister ging de trap op en klopte aan de deur, waarop een
-visitekaartje hing, met den naam
-
-
- Alice Forester.
-
-
-Toen geen antwoord volgde, ging hij zoo maar binnen.
-
-Hij zag een vrouw van ongeveer vijf-en-dertig jaren, die nog schoon kon
-worden genoemd.
-
-Zij lag midden op den grond, temidden van een grooten bloedplas en nog
-steeds vloeide het bloed uit de gapende wonde, die haar door een
-scherpe dolk aan den hals scheen te zijn toegebracht.
-
-Raffles balde de vuisten en wankelde naar de deur terug.
-
-Zelfs zijn stalen zenuwen waren niet bestand tegen zóóveel misdadigs
-als hij in de laatste uren had gezien.
-
-Hij beheerschte zich en knielde naast het lichaam neer, om te
-onderzoeken, of alle leven nog niet was geweken.
-
-Hij kreeg hierbij verscheiden bloedvlekken aan zijn kleeren, en moest
-helaas constateeren, dat de levensgeesten van de ongelukkige reeds
-geweken waren.
-
-„Waarom zou de vrouw vermoord zijn?” vroeg Raffles zich af. „Wie zou er
-belang bij hebben gehad, haar van het leven te berooven? Wat had die
-ongelukkige gedaan, dat haar een dergelijk lot moest treffen?”
-
-Terwijl Raffles nog stond te peinzen, ging de deur open en trad de
-jongen binnen, dien hij dien nacht verrast had bij de inbraak.
-
-Toen hij het lijk zag, werd hij doodsbleek en in het volgende oogenblik
-richtte zich zijn oogen in waanzinnige woede op den lord.
-
-Hij vloog naar de tafel, greep een mes en wilde zich op den vermeenden
-moordenaar werpen, maar voor diens revolver deinsde hij achteruit.
-
-„Laat dat wapen rusten, jongen. Ik ben Raffles, en Raffles is geen
-moordenaar!”
-
-De jongen herkende nu den rechercheur van den afgeloopen nacht.
-
-„Waar ben je van nacht geweest?” vroeg Lord Lister hem.
-
-„Ik was thuis”.
-
-De jongen snikte hevig.
-
-„Heb je geen vermoeden, wie je moeder vermoord kan hebben?”
-
-„Neen, dat heb ik niet!”
-
-Lord Lister opende laden en kasten en haalde brieven te voorschijn,
-waaruit hij de levensgeschiedenis der ongelukkige vrouw las.
-
-Plotseling vroeg hij:
-
-„Ken je Sir Woorman?”
-
-„Ik heb wel eenigen tijd in zijn fabriek gewerkt, anders weet ik niets
-van hem”.
-
-Lord Lister knikte.
-
-Was het niet merkwaardig, dat deze vrouw brieven van Woorman bewaarde,
-die al zeventien jaren oud waren.
-
-Hij verliet het huis en een bitter lachje speelde om zijn lippen.
-
-Hij ging naar een telephoon-bureau en vroeg aansluiting met den
-inspecteur van recherche Baxter, in Scotland Yard.
-
-Het volgende gesprek werd gevoerd:
-
-„Hier Baxter!”
-
-„Hier Raffles!”
-
-„Hè?”
-
-„Maak je geen flauwe grapjes!”
-
-„Flauwe grapjes worden doorgaans alleen door de politie gemaakt. In
-Gerard Street no. 17 ligt een lijk. Mrs. Forester is vermoord. Ge ziet
-dus, dat het heel wat beter zou zijn, als ge wat meer werk gingt maken
-van de moordenaars, die in Londen rond loopen, en wat minder tijd
-verspildet om mij op te sporen!”
-
-„Een lijk, zeg je? En dat hebt gij ontdekt? Wat doet ge in Gerard
-Street? Waar zijt ge nu?”
-
-„Ik ben op het oogenblik in een telephoon-automaat, vijf minuten
-ongeveer van Gerard Street verwijderd. Als ge hier komt, mijn
-allerbeste Baxter, zult gij mij niet meer vinden! Maak je daaromtrent
-vooral geen illusies. Maar je zult vandaag nog wel meer te doen
-krijgen! In de Pall Mall Street No. 29, tweede verdieping links, zijn
-twee lijken gevonden van een dame en haar dienstmeid!”
-
-„Je houdt ons voor de mal!”
-
-„Geen kwestie van!”
-
-„Drie lijken in één nacht?”
-
-„Is dat dan zoo’n wonder, inspecteur, als gij den heelen nacht
-verslaapt? Ik heb u toen al eens meer gezegd, Baxter, dat ge niets
-gemeen hebt met een inspecteur der recherche—als uw uniform.
-
-„Als ik inspecteur was, moest gij geen Raffles zijn! Daar ik er echter
-maar al te goed van overtuigd ben, dat gij den moordenaar van mrs.
-Forester tòch niet zult vinden, deel ik u thans mee, dat ik u den kerel
-binnen vier-en-twintig uren zal bezorgen. Bonjour!”
-
-Raffles hing den microphoon op.
-
-Met een vloek keerde Baxter zich om.
-
-„Die Raffles!” schreeuwde hij.
-
-Hij hief de handen ten hemel.
-
-„Die Raffles! Raffles als detective! ’t Is belachelijk! Hij wil Londen
-van de moordenaars zuiveren! Hij wil de lui opsporen, die mij door de
-vingers glippen! De duivel moge hem halen!”
-
-Nadat hij op deze wijze zijn woede wat had gelucht, beval hij drie
-detectives, hem per fiets te volgen.
-
-In razende vaart ging het nu naar het telephoonstation bij Gerard
-Street.
-
-„Hebt ge Raffles gezien?” vroeg de inspecteur den beambte, die de
-telephooncel bewaakte.
-
-„Raffles?”
-
-„Ja—Raffles.”
-
-„Geen spoor van te bekennen!”
-
-„Hij was een kwartier geleden hier!”
-
-„Och kom!”
-
-„’t Is inderdaad waar!”
-
-„Ah! Ge meent toch niet dien eleganten jongen man, die getelephoneerd
-heeft?”
-
-„Ja, dien bedoel ik!”
-
-„Maar die is al lang weg! Een nette kerel hoor, als hij Raffles is,
-verduiveld netjes!”
-
-De inspecteur verdween stampvoetend.
-
-Vijf minuten later was hij in de woning van mrs. Forester aangeland.
-
-De jongen die daar zat, stond op met somberen, vijandigen blik.
-
-„Daar is de kerel, die den moord gepleegd heeft!” schreeuwde de
-inspecteur.
-
-„Hoe kom jij hier? Wat heb je hier te doen? Gauw—antwoord—niet eerst
-bedenken!”
-
-„Hoe ik hier kom?” antwoordde de jongen met een verachtelijk lachje.
-
-„Meent ge soms, dat de dood van mijn moeder mij onverschillig laat?”
-
-„Is de doode je moeder?”
-
-„Ja!”
-
-„Dat verandert niets aan de zaak. Waar ben je vannacht geweest?”
-
-„Weg!”
-
-„Waarheen?”
-
-„Ik antwoord niet op die dwaze verdachtmaking! Ik was niet thuis en kan
-dus niet de moordenaar zijn van mijn moeder!”
-
-„Dat komt uit! Bewijs dan je alibi! Waar ben je vannacht geweest?”
-
-„In de— —”
-
-Hij zweeg.
-
-Zou hij vertellen, dat hij bij Sir Woorman had ingebroken? En dat hij
-was ontsnapt door de raadselachtige tusschenkomst van den detective?
-
-Hij zweeg nog altijd.
-
-Maar Baxter maakte niet vele complimentjes.
-
-Hij liet den jongen binden en naar het bureau brengen.
-
-En de verdenking, die door Baxter op den armen jongen was geworpen,
-werd nog verzwaard, toen een banknoot van honderd pond op hem werd
-gevonden, van welks herkomst hij niets kon zeggen.
-
-Raffles zat in een café, teen hij hoorde, dat de jongen gearresteerd
-was.
-
-„Dat dacht ik wel”, mompelde hij.
-
-Hij riep een cab aan en beval te rijden naar advocaat Smith, Regent
-Street.
-
-Tien minuten later hield het rijtuig stil.
-
-De advocaat was een man van ongeveer twee-en-dertig jaren.
-
-In zijn studeerkamer hing een geur van parfum.
-
-Lord Lister vroeg hem:
-
-„Ge zijt immers de advocaat van Sir Woorman?”
-
-„Ja!”
-
-„Gij staat bekend als een bekwaam rechtsgeleerde. Ge hebt zeker
-gelezen, dat de jonge Forester in hechtenis is genomen als verdacht
-zijn moeder te hebben vermoord.”
-
-Mr. Smith kleurde even, toen hij dien naam hoorde.
-
-„Zeker!” sprak hij toen.
-
-„Ik hoop, dat ge bereid zijt de verdediging van den armen knaap op u te
-nemen. Meer nog, dat ge alle pogingen in het werk zult stellen om hem
-terstond op vrije voeten te krijgen!”
-
-De advocaat keek zijn bezoeker aan met groote oogen.
-
-„En waarom dat, als ik u vragen mag?”
-
-„Omdat hij onschuldig is!”
-
-„Weet ge dat zeker?”
-
-„Anders zou ik niet bij u zijn gekomen!”
-
-„Ik ken den jongen en ik houd niet van hem! Ik zal hem dus niet
-verdedigen!”
-
-„Is dat de eenige reden om den armen jongen in den steek te laten?”
-
-„En bovendien verdedig ik alleen hen, die mij betalen!”
-
-„Hoeveel verlangt ge?”
-
-Mr. Smith dacht even na.
-
-Toen sprak hij opnieuw: „Ik verdedig den jongen niet!”
-
-„Dan hebt ge een andere reden!”
-
-„Misschien.”
-
-„In ieder geval geen eerlijke reden, mr. Smith. Uw houding komt mij
-zeer twijfelachtig voor!”
-
-De advocaat was opgesprongen. Hij strekte zijn hand naar de schel uit,
-die de werkkamer met het kantoor verbond.
-
-Maar even vlug had Raffles zijn hand teruggeslagen.
-
-„Wij hebben geen getuigen noodig”, sprak lord Lister. „Vindt ge niet
-dat ge eenige gelijkenis met mij hebt? Men zou u licht met Raffles
-kunnen verwarren!”
-
-„Raffles? Zijt gij Raffles?”
-
-„Dat ben ik!”
-
-„Help! Help!—!”
-
-„Zwijg”, stoof lord Lister op.
-
-Hij was plotseling veranderd.
-
-Recht en strak stond hij voor den advocaat.
-
-Doordringend rustte zijn oog op zijn tegenstander, zóó vast, als wilde
-hij hem doorboren.
-
-De advocaat werd als het ware gebiologeerd door die groote, zwarte
-oogen en zijn opgeheven rechterarm viel slap neer.
-
-„Neem uw hoed en jas”, beval de meesterdief.
-
-Werktuigelijk gehoorzaamde de advocaat.
-
-De groote onbekende verloor hem geen seconde uit het oog.
-
-Voor het eerst sinds geruimen tijd maakte hij weer eens gebruik van de
-geweldige macht, die hij oefende over andere personen.
-
-Hij maakte er gebruik van......
-
-En mr. Smith werd als het ware verlamd. Hij kwam geheel en al onder den
-invloed van den man, die als een standbeeld daar tegenover hem stond.
-
-... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...
-... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...
-
-Een half uur later vroeg een elegant gekleed heer op Scotland Yard om
-inspecteur Baxter te spreken.
-
-Dit geschiedde.
-
-„Mijn naam is Smith”, stelde zich de bezoeker voor.
-
-Baxter boog.
-
-„Ik ben advocaat en woon in Regent Street!”
-
-Baxter boog opnieuw.
-
-„Waarmee kan ik u van dienst zijn?”
-
-De advocaat ging zitten.
-
-„Waar is op dit oogenblik de jonge Harry Forester?” vroeg hij.
-
-„Hij is nog hier in Scotland Yard, mr. Smith!”
-
-„Zoo. Wilt ge den jongen eens hier laten komen? Ik zou hem een en ander
-willen vragen, daar ik er van overtuigd ben, dat hij onschuldig is!”
-
-Baxter glimlachte.
-
-„Ge wilt hem zeker verdedigen, mr. Smith!”
-
-„Ja, dat wil ik!”
-
-„Dat zal geen dankbare taak zijn, mr. Smith.”
-
-„Dat is mijn zaak, inspecteur!”
-
-Harry Forester werd voorgebracht.
-
-De rechercheur, die hem had binnengeleid, bleef rechts van hem staan.
-
-Mr. Smith hield de deur scherp in het oog en wisselde eenige
-onbeduidende woorden met Harry Forester.
-
-Plotseling sprong hij op, gaf den rechercheur met beide vuisten een
-stomp voor de borst, deed de deur open en zei tot Harry Forester:
-
-„Maak je uit de voeten, jongen!”
-
-De jongen liet het zich geen twee keer zeggen.
-
-In een oogenblik was hij den hoek om.
-
-Er ontstond nu een hevige worsteling tusschen den inspecteur en den
-advocaat, die den jongen op deze manier gelegenheid had gegeven, zich
-uit de voeten te maken.
-
-De rechercheurs kwamen den inspecteur ter hulp en mr. Smith werd
-geboeid.
-
-Baxter keek hem scherp aan en plotseling riep hij uit:
-
-„Maar dat is Raffles!”
-
-„De gelijkenis is mij al dadelijk opgevallen”, sprak een der
-rechercheurs.
-
-„Natuurlijk is het Raffles!” zei Baxter, „wij hebben hem dan eindelijk
-te pakken!”
-
-De geboeide had zich opgericht.
-
-„Ge vergist u, heeren”, sprak hij, „ik ben wel degelijk advocaat
-Smith!”
-
-„Neen maar, die is goed, hij zegt dat hij advocaat Smith is,” klonk het
-uit veler mond.
-
-„Ik wensch dadelijk in vrijheid te worden gesteld, ge wilt toch zeker
-niet, dat ik u aanklaag?”
-
-„Speel toch niet zoo’n komedie, Raffles, wij kennen die streken,” sprak
-Baxter.
-
-„Maar ik ben Smith!”
-
-Baxter ging naar de telephoon.
-
-„Nummer 9763, juffrouw! Spreek ik met advocaat Smith? Hier is iemand,
-van wien ik vermoed, dat hij Raffles is. Hij beweert mr. Smith te zijn.
-Een oplichter, nietwaar? Juist. Dank u zeer, mr. Smith!”
-
-Baxter draaide zich om en sprak tot den geboeide:
-
-„Speel nou maar niet langer dat spelletje!”
-
-„Maar ik ben Smith,” beweerde de gevangene nogmaals. „Weet u, wat het
-geval is,” begon hij plotseling, „die kerel, die daar op mijn bureau
-zit, is Raffles, maak er vlug werk van, inspecteur, ik verzeker u, dat
-u een goeden slag zult slaan!”
-
-Baxter lachte hartelijk.
-
-„Wil je mij er weer in laten loopen, Raffles? Neen, mannetje, ditmaal
-lukt het je toch niet!”
-
-De gevangene schreeuwde, brulde, raasde en tierde, maar het gaf hem
-geen zier. Hij werd in een cel opgesloten.
-
-Mr. Smith zat intusschen op zijn bureau in Regent-street.
-
-Dit was echter niet mr. Smith, maar Raffles, de groote onbekende, die
-op zijn doode gemak een sigaar had aangestoken.
-
-Wat was dat allemaal prachtig mooi gegaan!
-
-Hij had mr. Smith gesuggereerd, dat deze in zijn plaats naar Scotland
-Yard zou gaan om den gevangen genomen Harry Forester vrij te
-krijgen—desnoods met geweld.
-
-Lord Lister had hem gezegd, hoe hij het moest aanleggen.
-
-Daar ging de telephoon.
-
-Het was Baxter, die inlichtingen vroeg.
-
-Toen schelde hij een klerk—allen hielden hem voor mr. Smith, op wien
-hij sprekend geleek—en liet zich eenige akten omtrent Sir Woorman
-geven, die hij ging bestudeeren.
-
-Daar kwam opnieuw een klerk binnen.
-
-„Sir Woorman wenscht u te spreken, mr. Smith!”
-
-„Laat binnenkomen.”
-
-Sir Woorman kwam binnen.
-
-Hij keek den advocaat niet aan, sloot de deur en ging voor de
-schrijftafel zitten met breed gebaar.
-
-„Mr. Smith,” begon hij, „ge zijt mijn vriend. Dat leek tenminste zeven
-jaren zoo! Maar ge zijt mijn vriend niet. Ge zijt een schoft en
-verdient het, uit onze club gegooid te worden.”
-
-Raffles toonde zich zeer verbaasd.
-
-„Wat is er, sir Woorman? Wat scheelt u?”
-
-De Ier werd rood van woede.
-
-„Vraagt ge dat nog? Hebt ge mij niet beloofd die vervloekte zaak met
-mrs. Forester uit den weg te ruimen en nu gaat ge haar zoon
-verdedigen?”
-
-„Wie heeft u dat verteld?”
-
-„Dat staat in de kranten. Ik wil het niet hebben, mr. Smith, ge moogt,
-ge zult dat niet doen, verstaat ge?”
-
-„Ik denk er niet aan!”
-
-„Maar heb ik u daarvoor tot dusverre tienduizend pond uitbetaald?”
-
-„Ik verlang op staanden voet nóg vijfduizend pond.”
-
-„Ge zijt zot! Wilt ge mij dan al mijn geld ontrooven? Geen penny kan ik
-meer geven!”
-
-De zoogenaamde advocaat haalde de schouders op.
-
-„’t Spijt me, sir Woorman—geen penny minder!”
-
-Sir Woorman dong weer af.
-
-Maar Smith bleef onvermurwbaar.
-
-Eindelijk legde Woorman vijfduizend pond op tafel.
-
-„Dat is het laatste wat ik bezit!” sprak hij.
-
-„Dat is niet waar, sir Woorman. Maar in ieder geval heb ik nu genoeg
-los gekregen; vijfduizend en vijfduizend is tienduizend.”
-
-„Wat bedoelt ge daarmee?”
-
-„Dat ik uw brandkast vannacht wat lichter heb gemaakt.”
-
-Woorman verschoot van kleur.
-
-Plotseling schreeuwde hij uit: „Ge zijt Raffles!”
-
-„Ja, ik ben Raffles!”
-
-Woorman wilde zich op den lord werpen.
-
-Lord Lister hield hem een revolver onder den neus.
-
-„Niet van uw plaats af!”
-
-Met deze woorden legde lord Lister het wapen op de tafel.
-
-Zijn tegenstander, bleek van schrik, zonk terug in den leuningstoel.
-
-Woorman volgde echter nog elke beweging van den meesterdief.
-
-Plotseling sprong hij overeind, greep bliksemsnel de revolver en hield
-deze voor Raffles’ neus.
-
-„Op je knieën, ellendeling, je bent mijn gevangene!”
-
-Raffles lachte.
-
-Hij lachte onbedaarlijk.
-
-„Maar Sir Woorman, maak alsjeblieft niet zoo’n geweldige drukte voor
-niets! Het wapen is immers niet geladen!”
-
-In hetzelfde oogenblik werd op de trap groot lawaai vernomen.
-
-Even daarna kwam Baxter binnen met een inspecteur en mr. Smith in hun
-midden.
-
-„Daar is de ellendeling,” riep Baxter uit, „vooruit jongens, knevelt
-hem!”
-
-Mr. Smith echter, de advocaat, die zijn identiteit bij den commissaris
-van politie had kunnen bewijzen, schreeuwde, schuimbekkend van woede:
-
-„Mijnheer, gij—gij hebt u zóó iets durven veroorloven? Zijt gij dan de
-levende duivel?”
-
-In het eerste oogenblik van het tumult, toen Raffles, afgesloten van
-elke mogelijkheid tot vluchten, vier verdiepingen hoog in een mooi
-huis, reeds verloren scheen, was de groote onbekende met een enkelen
-sprong van de schrijftafel naar den hoek van de kamer gevlogen, zoodat
-hij in datzelfde oogenblik een afstand tusschen zich en den detective
-had gebracht.
-
-In hetzelfde oogenblik had hij iets in de hand, dat op den eersten blik
-niemand kon onderscheiden.
-
-„Terug!” riep Raffles uit, „bij den eersten stap, dien ge doet, zijt ge
-een kind des doods!”
-
-Lord Lister’s oogen waren onnatuurlijk groot geworden.
-
-Dreigend, met opgeheven armen stond hij daar.
-
-Niemand waagde het, zich te verroeren.
-
-„Wees toch verstandig, Raffles”, waagde Baxter op onrustigen toon er
-tegen in te voeren. „Dat dient immers nergens voor. Je bent nu toch
-eenmaal in mijn macht, wees nu bedaard en wijs en geef je over, dat is
-je geraden in je eigen belang.”
-
-Nog wijder openden zich de oogen van den lord, nòg vaster werden zijn
-lippen op elkander geperst.
-
-„Geen stap, zeg ik!” riep hij nogmaals uit, terwijl hij inwendig
-schaterlachte als iemand, die, in volle vertwijfeling in het nauw is
-gedreven en nu voor niets en niemand meer terugdeinst.
-
-„Denk er aan, inspecteur, als ge nog één stap doet, laat ik u allen
-samen in de lucht vliegen.”
-
-Hij stond daar, de armen dreigend opgeheven.
-
-Niemand waagde het, te antwoorden.
-
-Aller blikken hingen aan lord Lister’s lippen.
-
-Ook Smith was paf.
-
-Ook hij kon niet antwoorden.
-
-Baxter maakte een gebaar, dat hij Raffles wilde naderen, maar deze hief
-wederom de hand op.
-
-„Pas op, inspecteur, pas op, of ge zijt een kind des doods en leg nu
-het geld op de schrijftafel neer, mr. Smith, leg het dadelijk neer.”
-
-Sidderend gehoorzaamde de advocaat.
-
-Raffles nam het geld en trok zich ruggelings naar de deur terug,
-waarachter hij verdween.
-
-Toen trachtte Baxter nog een laatste poging te wagen.
-
-Hij vloog naar de deur en wilde die open duwen.
-
-Reeds strekte hij de handen naar Raffles uit.
-
-Deze hield een zwart voorwerp in de hand en ontstak nu vliegensvlug een
-lucifer.
-
-Het was voor Baxter slechts een kleine moeite geweest, dezen lucifer te
-dooven, maar de inspecteur dacht niet anders, of in het volgende
-oogenblik zou het heele huis in de lucht vliegen.
-
-Hij tuimelde achteruit.
-
-In hetzelfde oogenblik geschiedde iets wonderlijks.
-
-De groote onbekende was plotseling in rook en damp gehuld. Men zag hem
-niet meer.
-
-Maar van de plaats, waar hij stond, schoot een gloeiende vonkenregen
-naar Baxter over en de aanwezigen stonden midden in een sissende massa,
-die hen doodelijk verschrikte.
-
-Baxter was vol ontzetting op den grond gevallen.
-
-Smith stiet een geweldigen angstkreet uit en viel eveneens ter aarde,
-niet anders denkende, of hij moest den dood in de vlammen vinden.
-
-Eensklaps hield de vonkenregen op. Baxter kroop overeind en ook de
-anderen stonden spoedig weer op hun voeten.
-
-De inspecteur onderzocht nu, wat allen zulk een doodschrik op het lijf
-had gejaagd en verwoed riep hij uit:
-
-„Raffles heeft ons allen met een raket voor den mal gehouden; zoo’n
-aartsschurk!”
-
-De rechercheurs stonden beschaamd het heele geval aan te zien.
-
-Toen zij Raffles wilden gaan opzoeken, was deze natuurlijk al lang niet
-meer te zien.
-
-Baxter en Smith scholden elkander uit voor alles, wat leelijk was, en
-verweten elkaar wederkeerig hun laffe aanstellerij.
-
-Toen Baxter beweerde, dat Raffles nog wel kon worden ingehaald was het
-te laat.
-
-... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...
-... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...
-
-Raffles intusschen had niet stil gezeten.
-
-In allerijl had hij zich gespoed naar het kantoor van mr. Smith, waar
-alle klerken aan het werk waren.
-
-Hij bootste de stem van den advocaat na en riep:
-
-„Mr. Brown!”
-
-„Mr. Smith?”
-
-„Sluit de brandkast eens open!”
-
-Raffles zag tienduizend pond voor zich liggen.
-
-Een oogenblik aarzelde hij.
-
-„Hoeveel hebt ge noodig om morgen de salarissen uit te betalen. Het is
-dan toch de eerste, niet waar?”
-
-„Honderd vijftig pond!”
-
-„Juist; honderd vijftig pond.
-
-„Ge hebt in den laatsten tijd bijzonder goed uw best gedaan, ik betaal
-u allen een salaris uit van zes maanden!”
-
-De klerk zag den vermeenden advocaat met dankbaren blik aan.
-
-Raffles legde een banknoot van duizend pond op tafel, stak de andere
-negen in zijn zak en ging heen.
-
-Toen de werkelijke advocaat een heelen tijd later met Baxter op het
-kantoor kwam, was het geld verdwenen en de dief gevlogen.
-
-Baxter sloeg zich met de vuist voor het voorhoofd.
-
-„Die Raffles is de eerste nagel aan mijn doodkist”, mompelde hij, „ik
-zal het niet lang meer maken op zoo’n manier!”
-
-Met woedend gebaar keerde Smith zich tot den inspecteur van de
-recherche.
-
-„Na wat ge vandaag gepresteerd hebt, kunt ge u gerust laten begraven”,
-beet hij hem toe.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-DE RIBBON-MEN.
-
-
-Lord Lister zat behagelijk in een grooten leuningstoel in zijn woning
-in Victoria Street.
-
-Tegenover hem leunde Charly Brand, zijn vriend en secretaris, in een
-makkelijken zetel.
-
-„Wel?” vroeg Raffles, „ben je nu te weten gekomen, wat voor een club de
-Ribbon-men is? Het schijnt een overblijfsel te zijn van een geheim
-genootschap, dat in 1817 in Ierland is opgericht om de arme pachters te
-beschermen tegen de willekeur van de rijke grondbezitters.”
-
-„Je hebt gelijk, dat je tusschen het een en het ander verband zoekt”,
-antwoordde Charly Brand. „Ik heb in de voornaamste Londensche kringen
-gevorscht en ben zoo gelukkig geweest om je volkomen inlichtingen te
-kunnen verschaffen!”
-
-„Daar ben ik nieuwsgierig naar”, sprak lord Lister.
-
-„De Ribbon-men is een geheim genootschap.”
-
-Lord Lister knikte.
-
-„Waar is de verblijfplaats van deze moderne veemrichters?”
-
-„St James Street No. 39!”
-
-Lord Lister hoorde verbaasd op.
-
-„Zóó, dáár! Dan hebben de heeren al eens op minder aangename wijze
-kennis gemaakt met mijn vuisten.”
-
-„Hoezoo?”
-
-„In den tijd, toen ik als rechercheur White een half jaar in Scotland
-Yard ben werkzaam geweest.
-
-„Het verbaast mij allerminst, dat die Sir Woorman lid is van de
-Ribbon-men. Ook die brave mr. Smith behoort ertoe, zooals mij uit een
-gewaad is gebleken, dat ik bij hem thuis vond en dat mij in staat zal
-stellen, iets naders omtrent die club te weten te komen.”
-
-Lord Lister liet zijn vriend een bloedrooden mantel zien, met een kap
-van dezelfde kleur.
-
-Het kleed was, zooals dat in Duitschland de leden van het veemgericht
-droegen en in de kap zaten twee gaten voor de oogen.
-
-Op de wijde, geplooide mouwen was een blauw lint gestikt, waarop stond:
-
-Honi soit qui mal y pense.
-
-„Dat heb ik mr. Smith ontstolen”, lachte lord Lister.
-
-„Maar hoe weet je, dat ook Sir Woorman lid is van die club?” vroeg
-Charly.
-
-„Ik heb je toen al verteld, dat ik de heeren eens met mijn vuisten heb
-laten kennis maken, toen zij een jong meisje vervolgden. Ik zag
-niemand, omdat het te donker was, maar Sir Woorman herkende ik
-onmiddellijk weer aan zijn stem.”
-
-„En je hebt zoo’n band gevonden in het huis van de vermoorde madame De
-Vales?”
-
-Lord Lister glimlachte.
-
-„Je bedoelt, dat daardoor de dader aan het licht zou komen? Ik zal
-vanavond zien, aan wiens mantel deze band mankeert Men heeft tot nog
-toe geen penny van het vermogen gevonden van madame De Vales, hoewel
-het algemeen bekend was, dat zij zeer rijk was en dat zij met Sir
-Woorman zeer goed bekend was.”
-
-„Zou die ellendeling ook de moordenaar zijn van mrs. Forester?”
-
-„Dat staat zoo vast als een muur, beste Charly!
-
-„Maar om nu op de vorige zaak terug te komen, zou ik nog willen
-opmerken, dat een deel der banknoten, die mr. Smith mij vrijwillig
-heeft overhandigd, evenals een deel van die, welke ik bij Sir Woorman
-heb gevonden, Fransche papieren waren.
-
-„Wat mrs. Forester betreft, het staat vast, dat Sir Woorman achttien
-jaar geleden liefdesbetrekkingen met haar heeft onderhouden.
-
-„Destijds was hij nog een arme jongen, die zeker niet vermoedde, dat
-hij nog eens zoo invloedrijk en vermogend zou worden.
-
-„Onder de papieren, die ik bij mr. Smith, den advocaat van Sir Woorman,
-heb gevonden en bestudeerd, waren ook een paar dreigbrieven van mrs.
-Forester, die vertellen van haar nooddruft.
-
-„In deze brieven deelde zij haar vroegeren minnaar mede, dat zij hem nu
-niet langer zou willen ontzien en dat zij al zijn schanddaden aan het
-licht zou brengen, als hij niet eindelijk besloot iets te doen voor
-haar en haar zoon.
-
-„De arme Harry is dus de zoon van Sir Woorman, die in den tijd, toen
-hij met mrs. Forester een liaison had, het een of ander schijnt te
-hebben uitgehaald.
-
-„Ook daaromtrent zal wel licht worden ontstoken. Ik heb namelijk
-gehoord, dat de man van mrs. Forester achttien jaar geleden plotseling
-is gestorven.
-
-„De jonge weduwe was wellicht niet heelemaal onschuldig aan dien dood.
-Zij heeft na zeventien jaren haar straf gekregen—de hoofdschuldige
-echter, Sir Woorman, loopt nog vrij rond en hij durft het zelfs
-bestaan, over te komen en hier te verkeeren.
-
-„Uit vrees, dat mrs. Forester hem in haar woede en vertwijfeling zou
-kunnen compromitteeren, heeft hij haar kort en bondig van het leven
-beroofd en hij heeft het kalm aangezien, dat de jongen onder de
-verdenking zijn moeder te hebben vermoord voor twintig jaren naar het
-tuchthuis zal worden gezonden.”
-
-„En mr. Smith, de advocaat?”
-
-„Die wist er alles van, beste Charly.
-
-„Die wist alles—en heeft gezwegen.
-
-„Hij heeft zelfs het werk van zijn geachten cliënt zooveel als in zijn
-vermogen was ondersteund, want Sir Woorman is met het geld, dat hij de
-vermoorde madame De Vales ontroofd heft, heel vrijgevig geweest.
-
-„Je ziet, beste Charly, dat ik ditmaal in gezelschap van heel
-eerbiedwaardige personen ben geraakt!”
-
-De gouden klok op den schoorsteenmantel sloeg tien uur.
-
-Lord Lister stak zijn sigaret aan, kleedde zich in den rooden domino,
-trok daarover zijn jas aan en sprak toen:
-
-„Het is tijd!”
-
-„Waarvoor?”
-
-„Ik heb Baxter beloofd, dat ik hem binnen vier-en-twintig uren den
-moordenaar van mrs. Forester zou uitleveren.
-
-„En Baxter mag vooral van mij niet kunnen zeggen, dat ik mijn woord heb
-gebroken.
-
-„Jij weet, wat je te doen staan, Charly! Er hangt veel van af.”
-
-„All right!” lachte Charly Brand, „je kunt op mij vertrouwen.”
-
-Lord Lister ging de deur uit, nam een rijtuig en reed naar St. James
-Street.
-
-De heeren hadden hun club op de derde verdieping.
-
-Om twaalf uur des nachts kwamen zij bijeen.
-
-Geen der genooten kon een ander herkennen, allen droegen purperroode
-kleeren, het gelaat was geheel bedekt, alleen de oogen schitterden.
-
-Nadat allen gezeten waren, sprak één hunner.
-
-„Broeders!
-
-„Volgens ons gebruik, neem ik u wederom den eed af, zooals bij de
-Ribbon-men gebruikelijk is”.
-
-Hij hield den degen in de lucht en de andere Ribbon-men schaarden zich
-rondom hem.
-
-De spreker vervolgde:
-
-„Elk lid der Ribbon-men zweert met de heiligste eeden bij God en den
-duivel, dat hij de wetten van onze club trouw zal dienen; zich zal
-onderwerpen aan alle uitspraken der bondgenooten en niets zal doen, wat
-hun schade kan berokkenen.
-
-„De Ribbon-men zullen elkander trouw blijven en de voorschriften geheim
-houden voor vrouw en kind, vader en moeder, zuster en broeder, vuur en
-wind en boven alles, wat de zon beschijnt, de regen bevochtigt en wat
-is tusschen hemel en aarde.
-
-„Wie de heilige voorschriften niet houdt, wie ze verraadt, wie iets
-doet, wat ze zou kunnen schaden, die zal verdelgd worden door vuur,
-water of ijzer en al de overige genooten zijn verplicht hem te dooden,
-door middel van het water, het vuur of het zwaard”.
-
-Allen spraken deze woorden na.
-
-Toen deze belachelijke en tevens gevaarlijke ceremonie was geëindigd,
-gingen de bondgenooten zitten.
-
-Op een verhevenheid zat de leider, de anderen schaarden zich in een
-halven kring om hem heen.
-
-„Brengt de genoodigden binnen!”
-
-De zwartgemaskerde bediende sleepte een jong meisje van buitengewone
-schoonheid naar binnen.
-
-De aanvoerder beval haar, te gaan zitten.
-
-Werktuigelijk gehoorzaamde zij.
-
-„Ge heet Ellen Crofton?” begon de voorzitter.
-
-Het meisje sprong op en strekte met afwerend gebaar de handen uit.
-
-„Heb toch medelijden!” bad zij met vleiende stem.
-
-„U zal recht geschieden, zooals wij dat zullen beslissen.
-
-„Luister, waarvan gij door ons wordt beschuldigd.”
-
-Daar werd de deur geopend en een Ribbon-man trad binnen, het blauwe
-lint om den linkerarm.
-
-Maar wat was dat?
-
-Er zaten reeds twaalf Ribbon-men in de zaal; de club telde slechts
-twaalf leden.
-
-En daar kwam een dertiende binnen.
-
-Was dat een verrader?
-
-Of was er reeds een verrader in de zaal aanwezig?
-
-Die vraag moest op kiesche manier worden opgelost.
-
-De voorzitter beantwoordde dan ook slechts koel den groet van dezen
-dertiende, die zonder eenigen omhaal tegen den muur leunde en zijn
-groote oogen op lady Crofton liet rusten.
-
-„Gij wordt er van beschuldigd”, aldus vervolgde de voorzitter, „dat gij
-de eer der Engelsche vrouwen en meisjes niet hoog hebt gehouden. Dat ge
-een verhouding hebt aangeknoopt met een man, wiens avonturen in Londen
-spreekwoordelijk zijn geworden!”
-
-„Ik begrijp u niet”, sprak het meisje, „van wien spreekt ge?”
-
-„Van Sir Woorman!”
-
-Ellen Crofton schrikte.
-
-„Sir Woorman? Zou ik in eenige verhouding staan tot Sir Woorman? Maar
-heeren, ik kan het toch niet helpen, dat hij sinds eenige weken mij
-vervolgt en mij pijnigt met het aanzoek, zijn vrouw te worden!
-
-„Ik verafschuw hem!
-
-„Als de eer der Engelsche vrouwen overal zoo goed bewaard is als bij
-mij, heeren, dan kan Engeland gerust zijn!”
-
-„Niets dan woorden!
-
-„Wij houden u voor schuldig.
-
-„Gij hebt bovendien schandelijke dingen verteld van een Club in St.
-James Street.
-
-„Daarvoor ook dient ge gestraft te worden. Gij moet hier op deze plaats
-getuchtigd worden.
-
-„Elk der leden zal u drie zweepslagen toedienen”.
-
-Woeste vreugde straalde uit de oogen van den voorzitter, toen hij deze
-woorden sprak.
-
-Het jonge meisje echter richtte zich hoog op en riep uit:
-
-„Ik wil zien, wien van u het waagt, zich te vergrijpen aan een
-Engelsche vrouw!”
-
-Toen zij zag, dat de gemaskerde bedienden al klaar stonden om haar te
-binden, zag zij maar al te goed, dat die laaghartige woorden ernstig
-gemeend waren.
-
-Zij viel op haar knieën neer.
-
-„Erbarming!” riep zij uit.
-
-„Ik ben niet bang, doch ik heb niemand eenig leed gedaan!”
-
-Maar de onbeweeglijke, bloedroode maskers verrieden niet, wat achter
-hen omging.
-
-De bedienden grepen Ellen beet met ruwe handen.
-
-In ditzelfde oogenblik trad een der mannen naast miss Crofton.
-
-Hij maakte een paar armbewegingen en links en rechts vlogen de beide
-gemaskerde bedienden tegen den muur, zoodat hun beenderen kraakten.
-
-Nu kwam er toch eenige beweging onder de ellendelingen.
-
-De voorzitter echter riep, voor dat iets kon gebeuren:
-
-„Houdt u kalm, broeders!
-
-„Een van ons schijnt het noodig te vinden, voor de beklaagde in de bres
-te springen.
-
-„Hij kan zeggen, wat hij tot haar verdediging heeft aan te voeren!”
-
-Oogenblikkelijk werd het stil.
-
-Miss Crofton had, als om hulp smeekend, de knieën van den man omvat.
-
-„Deze jongedame”, sprak thans een sombere stem, „is boven elke
-verdenking verheven.
-
-„En menschen zooals gij zijt, mogen het zeker niet wagen, de hand tegen
-haar op te heffen.
-
-„Den voorzitter erken ik niet, daar hij verzuimd heeft, het blauwe lint
-om zijn arm te doen!”
-
-Aller oogen vestigden zich op den voorzitter.
-
-Inderdaad—hij was de eenige, die het blauwe lint niet aan den linkerarm
-droeg.
-
-Thans richtte aller verdenking zich tegen den voorzitter.
-
-Eenige oogenblikken heerschte in de zaak een gedrukte stemming.
-
-Toen vervolgde de dertiende:
-
-„Hier is het blauwe lint, dat ge mist, voorzitter!”
-
-Terwijl de verbazing der genooten steeg; reikte de dertiende den
-voorzitter het blauwe lint, dat deze, zooals allen duidelijk zagen, met
-bevende vingers om den linkerarm deed.
-
-Een der mannen kwam naar den dertiende toe en sprak:
-
-„Laat dat meisje aan ons over, en zeg wie ge zijt en hoe ge heet!”
-
-Maar de dertiende haalde slechts de schouders op en toen de bondgenoot
-hem de kap van het hoofd wilde rukken, slingerde de onbekende hem met
-zulk een kracht van zich af, dat hij in zijn vaart drie bondgenooten
-mee op den grond sleepte.
-
-In dit oogenblik boog zich een der overigen tot den dertiende over en
-fluisterde hem toe:
-
-„Gij zijt Raffles!”
-
-Hij, wien deze woorden golden, draaide zich om, keek den gemaskerde in
-de oogen en antwoordde:
-
-„Gij zijt inspecteur Baxter!”
-
-„Ik neem u gevangen, Raffles!”
-
-„Pas op, Baxter en praat niet al te hard. Het zou mogelijk kunnen zijn,
-dat ge niemand hier vondt, die u behulpzaam was!”
-
-Mr. Smith had hem verteld, dat de roode domino hem ontstolen was en
-daar men vermoedde, dat Raffles in het gewaad van den advocaat naar de
-club zou gaan, had Baxter zich opgemaakt, hem daar te arresteeren.
-
-Baxter trok zich wat terug.
-
-Hij begreep, dat de clubgenooten eerder Raffles zouden helpen dan een
-inspecteur der recherche.
-
-Hij besloot daarom, maar af te wachten, tot de gelegenheid gunstig zou
-zijn, om Raffles te arresteeren.
-
-Een der mannen riep nu uit:
-
-„Laat ons gaan vechten! Ik ben ervan overtuigd, dat de man, die zich
-tegen onze voorschriften verzet, een verrader is!”
-
-Dolken werden getrokken en aan alle kanten flikkerde het staal voor de
-oogen van Raffles.
-
-„Terug, als het leven u lief is”, schreeuwde Raffles uit.
-
-En toen gebeurde er iets héél wonderlijks.
-
-Een der gemaskerden schaarde zich aan de zijde van den dertiende en
-terwijl deze zijn revolver trok, riep hij uit:
-
-„Terug, deze persoon staat onder mijne bescherming!”
-
-Het was Baxter.
-
-Uit angst, dat de roode mannen hem Raffles voor den neus zouden
-wegkapen of dat ze hem misschien zouden dooden, had hij zich geschaard
-aan de zijde van den man, dien hij al zoo langen tijd zocht.
-
-Lord Lister lachte zoo luid achter zijn kap, dat Baxter het hoorde.
-
-„Dat is heel vriendelijk van u, inspecteur,” zei hij, „dat ge zoo
-plotseling mijn vriend zijt geworden!”
-
-„Voor vijf minuten slechts,” antwoordde Baxter nijdig.
-
-Maar daar rukten plotseling de bondgenooten hun wapens van den muur.
-
-In het zelfde oogenblik ook had lord Lister een groot zwaard van den
-muur getrokken.
-
-Hij drong door de mannen heen, ging naast het jonge meisje staan en
-riep met stentorstem:
-
-„Ik zal u toonen, hoe lord Raffles kan vechten!”
-
-Deze woorden werkten als een donderslag.
-
-De wapens werden neergelegd en slechts enkelen der dapperste durfden
-hem te lijf.
-
-Maar met ijzeren vuist sloeg hij ze allen terug.
-
-Het werd een heet gevecht!
-
-En geen der genooten zou er waarschijnlijk heelhuids zijn afgekomen,
-als niet plotseling achter de portières een rechercheur was verschenen.
-
-„In naam der wet—” klonk het als een donderslag.
-
-Dat werkte.
-
-In een oogenblik stoven de mannen uiteen.
-
-Tijdens die groote verwarring had Baxter lord Lister geheel uit het oog
-verloren.
-
-Deze had miss Crofton terstond losgelaten en was op een deur afgegaan,
-die achter in de zaal was.
-
-Door deze deur was de voorzitter verdwenen, toen de dertiende den naam
-„Raffles” had genoemd.
-
-Hij kwam in een kleine bijzaal.
-
-Op den achtergrond stond een groote, ijzeren kast, rechts daarvan hing
-een portret, dat Leda met den zwaan voorstelde.
-
-Een oogenblik keek Raffles om zich heen.
-
-Hij had de kap van het hoofd gedaan, om beter te kunnen ademen.
-
-„Ik wed, dat de bende hier de geheime papieren verborgen heeft,”
-fluisterde hij.
-
-Hij opende de deur met een looper en snel borg hij de papieren bij
-zich.
-
-Daar sloop eensklaps een gedaante achter Raffles langs den grond.
-
-Toen hij hem bereikt had, rukte hij hem de kap van het hoofd. Het was
-inspecteur Baxter.
-
-„Eindelijk! Goddank! Gij zijt gearresteerd, Raffles!”
-
-Deze stak juist de laatste papieren in zijn zak.
-
-„Inspecteur, uwe aanhankelijkheid walgt mij,” sprak hij, hem zijn
-lachend gelaat toonend. „Heb ik u niet beloofd om u den moordenaar van
-mrs. Forester over te leveren? U moet mij stellig beloven, mij mijn
-belofte ten uitvoer te laten brengen.”
-
-„De duivel moge u dat beloven,” riep Baxter uit, zijn hand naar lord
-Lister uitstekend. „Nog eenmaal, in naam van de wet—!”
-
-Plotseling greep de groote onbekende de domino van den inspecteur, een
-stuk ervan schoof hij in de kast, toen sloeg hij de zwaar sluitende
-deur dicht.
-
-„Dat is laag!” riep Baxter uit, die, trachtende Raffles te volgen,
-uitgleed en op zijn neus viel.
-
-Raffles was ondertusschen verdwenen. Hij vloog de donkere gang door.
-Zijn scherpe blik had dadelijk begrepen dat de groote schilderij, die
-aan den muur hing, een geheime deur verborg. Werkelijk draaide het
-schilderij in zijn lijst, toen hij op een knop drukte en Raffles
-verdween in het binnenste gedeelte van den muur.
-
-Eindelijk gelukte het inspecteur Baxter om zich los te rukken. Hij
-rende wanhopend de gang op en neer om Raffles te zoeken, toen
-plotseling een rechercheur kwam aanloopen.
-
-„Inspecteur!” riep hij.
-
-„Alle duivels, wat is er aan de hand? Help mij Raffles zoeken!”
-
-„Dat wil ik wel!” antwoordde de man. „Kom gauw, inspecteur! Hij is de
-straat opgeloopen! Alle bondgenooten zijn al op jacht naar hem!”
-
-Razend liep inspecteur Baxter achter den rechercheur aan, die hem en de
-bondgenooten, nadat zij hunne domino’s uitgedaan hadden, langs de
-trappen naar beneden voerde.
-
-In dien tijd had Raffles een donkere kamer bereikt. Hier was geen
-uitgang, hetgeen Raffles dadelijk bemerkte bij het licht van een
-electrische zaklantaarn, die hij aanstak. Alleen de voorzitter van het
-genootschap had die schuilplaats opgezocht.
-
-De anderen waren in de eerste verwarring naar alle kanten gevlucht.
-
-Lord Lister hield de electrische lamp voor zich, welk schijnsel het
-gelaat van den voorzitter verlichtte.
-
-Deze had de kap afgedaan, en Raffles’ groote oogen aanschouwden het
-gelaat van sir Woorman. Met gebalde vuisten stond sir Woorman voor zijn
-vijand.
-
-„Schurk!” beet hij hem toe.
-
-Raffles lachte.
-
-„U vergist zich in den persoon, sir Woorman. Of vindt u het nog
-noodzakelijk, dat u zich aan mij voorstelt?”
-
-„Ellendeling! Roover! Hond!” brulde de voorzitter, die geen uitweg meer
-zag nu hij tegenover zijn doodsvijand stond.
-
-„Een van ons beiden moet sterven!” sprak Woorman. „Die eene zult gij
-zijn, Raffles. Gij, mijn booze schaduw, die het durfde wagen met mij te
-beginnen.”
-
-De lord lachte nogmaals.
-
-„Waarom moet dan een van ons beiden sterven, sir Woorman? Wie zal zoo
-bloeddorstig zijn? De wereld is zoo groot, dat er voor ons beiden nog
-plaats genoeg is!”
-
-Sir Woorman herademde.
-
-„Dan—laat ge mij den weg vrij, Raffles. Laat mij nu door!”
-
-Lord Lister draaide de lantaarn op, zette haar naast zich op den grond
-en antwoordde:
-
-„Ik denk er niet aan, sir Woorman.”
-
-„Wat zijt ge van plan, Raffles?
-
-„Ik zal u aan de politie uitleveren!”
-
-Woorman schreeuwde als een beest; het schuim stond hem op de lippen.
-
-„Sterf dan!” siste hij.
-
-Zijn arm zwaaide een groote dolk, maar Raffles hield hem vast, zoodat
-hij het wapen liet vallen.
-
-In het kleine vertrekje ontstond nu een gevecht op leven en dood.
-
-Raffles had, toen hij achteruitliep, de lantaarn stuk getrapt, zoodat
-de tweestrijd in volslagen duisternis werd voortgezet.
-
-Door toepassing van de Japansche worstelmethode gelukte het Raffles ten
-slotte, zijn zwaren tegenstander onder te krijgen.
-
-Tevergeefs smeekte Sir Woorman om genade.
-
-„Ge krijgt slechts uw verdiende loon, schurk”, sprak lord Lister.
-
-Hij bond de handen van zijn overwonnen tegenstander stevig vast.
-
-Voorzichtig opende Raffles nu de geheime deur.
-
-Hij keek om zich heen.
-
-Er was niemand te zien.
-
-Raffles nam een visitekaartje uit zijn zak en schreef daarop met
-potlood:
-
-
- „Waarde inspecteur Baxter!
-
- „Zooals ik u beloofd heb, lever ik u hierbij den moordenaar uit van
- mrs. Forester en van madame De Vales en haar dienstmeisje.
-
- JOHN C. RAFFLES.”
-
-
-Hij legde daarna de roode domino af die hem met lappen aan het lichaam
-hing, nam hoed en stok en hing zijn jas om de schouders.
-
-In datzelfde oogenblik stond de rechercheur voor hem, die door zijn
-verschijning het gezelschap uit elkaar had gejaagd.
-
-„Je kunt nog niet naar beneden, Raffles, ze zoeken nog naar je.”
-
-„Je hebt je goed van je plicht gekweten, Charly”, sprak Raffles.
-
-„Ik zal nu wachten tot de dag aanbreekt om dan hier vandaan te gaan.
-
-„Tot zoo lang behoor ik ook tot de orde van den Kouseband. Ik heet lord
-Westminster, beste Charly, is dat niet deftig?”
-
-Charly Brand moest hartelijk lachen.
-
-Hij ging naar beneden, waar Baxter nog steeds op post stond.
-
-„Hebt ge den vluchteling gezien, rechercheur?”
-
-„Neen inspecteur, ik denk dat hij er van door is gegaan en zoolang in
-de Jockey Club onderkomen heeft gezocht!”
-
-Maar inspecteur Baxter stoorde zich niet aan deze woorden en rende de
-trap weer op.
-
-Charly Brand keek hem hoofdschuddend na.
-
-„Als de boel nu maar niet in het honderd loopt”, sprak hij op bezorgden
-toon.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-EEN BEZOEK BIJ BEN MINISTER VAN FINANCIËN VAN DE DRIE VEREENIGDE
-KONINKRIJKEN.
-
-
-„Lord Westminster!”
-
-Dat riep de dienaar met luider stemme door de zaal en diep boog hij
-voor lord Raffles, die, versierd met de orde van den Kousenband, de
-groote clubzaal binnentrad.
-
-Eenige der aanwezige heeren keken op, maar de meesten bekommerden zich
-niet om den nieuwen gast.
-
-Lord Lister had wel geweten, wat hij deed, toen hij dezen naam koos.
-
-De lord geleek iets op hem en was voor twee jaren op reis gegaan.
-
-Toch was het spel uiterst gevaarlijk, want hij behoefde slechts een
-goeden bekende van den lord te ontmoeten om verloren te zijn.
-
-Lord Lister ging aan de speeltafel zitten.
-
-Bij een kleine roulette zaten een zevental edellieden tusschen twintig
-en veertig jaren.
-
-Het spel staakte juist, toen lord Westminster op een der leege stoelen
-plaats nam.
-
-„Ik verzeker u markies”, sprak graaf Westbury, „dat het onmogelijk is
-slechts een blik te werpen in de schatkamer, waar de ridderorden van
-den koning van Engeland bewaard worden. Zij vertegenwoordigen een
-waarde van ontelbare millioenen.”
-
-De markies, een elegante Franschman, streek zich eens langs zijn wel
-verzorgden knevel.
-
-„Ge kent de waakzaamheid niet van onze politie en van de lieden, die de
-schatkamer bewaken in het Koninklijk paleis”, viel lord Raffsborn in.
-
-„Zelfs Raffles, den meesterdief, zou het niet gelukken, een dier
-ridderorden te stelen”, sprak een derde.
-
-„Raffles?” mengde zich lord Westminster in het gesprek, „wie is
-Raffles? Ik kom juist van de reis en hoor voor het eerst dien naam.
-Nieuwe adel?”
-
-De heeren lachten.
-
-„Weet ge niet, lord, wie Raffles is? Maar dan kent ge Londen niet meer!
-Raffles is alles! Raffles is Londen in eigen persoon! Een fameuse
-kerel! Maar, zooals gezegd, hij zelfs zou de ridderorden van den koning
-niet bemachtigen.”
-
-Lord Westminster keek op zijn horloge.
-
-„Het is nu half een, niet waar?
-
-„Wel, heeren, ik maak mij sterk, dat ik binnen vier-en-twintig uur al
-die ridderorden gestolen heb!”
-
-De heeren zetten de oogen wijd open.
-
-„Maar lord, dat is een grapje?”
-
-Lord Westminster echter sprak:
-
-„Ik wed om vijftigduizend pond.”
-
-Een oogenblik was het stil.
-
-Toen echter besloten de heeren gezamenlijk de weddenschap aan te gaan.
-
-„Dus vijftigduizend pond, als ik u binnen vier-en-twintig uur de
-ridderorden breng van den koning van Engeland!” sprak lord Lister.
-
-In dat oogenblik ging een nieuwe gast mede aanzitten.
-
-„Ge hebt mij vergeten, lord”, sprak hij.
-
-Raffles keek op en zag het booze gelaat van Baxter.
-
-Die beiden keken elkander een seconde aan.
-
-De heeren keken den nieuweling, die den portier zijn naam had genoemd,
-met eenig wantrouwen aan.
-
-Lord Lister had alle goede manieren van een man van de wereld en zijn
-hooge adel—lord Westminster—had de heeren dadelijk op gemeenzamen voet
-met hem doen zijn.
-
-Maar deze nieuweling?
-
-Wie was dat?
-
-Een indringer?
-
-Een oplichter?
-
-Wat moest hij?
-
-„Nu, graaf Pahlen, hoeveel zet ge?” vroeg Raffles den inspecteur met
-kalm gelaat.
-
-Graaf Pahlen.
-
-Dat veranderde.
-
-De heeren begrepen, dat een goede kennis van lord Westminster een
-aristocraat moest zijn.
-
-„Ik zet een millioen, lord, dat ge uwe weddenschap niet kunt winnen!”
-
-Het was een groote onvoorzichtigheid van Baxter, dat hij een som
-noemde, aan het bestaan waarvan niemand geloofde.
-
-Een millioen pond!
-
-Twaalf millioen gulden!
-
-Niemand in Jockey Club geloofde een oogenblik, dat lord Pahlen twaalf
-millioen gulden zou kunnen verwedden.
-
-Toen het wantrouwen opnieuw steeg, maakte Raffles onmiddellijk gebruik
-van de gelegenheid om zijn houding te redden.
-
-„Ik begrijp, dat gij zoo’n som op het spel kunt zetten, gij zijt
-Raffles! ’t Is dus voor u geen kunst!”
-
-Die woorden sloegen in!
-
-De heeren sprongen op als door een wesp gestoken.
-
-Met uitgerekte halzen keken ze naar Baxter.
-
-Deze was geheel beduusd.
-
-Die streek van den dief was zoo onverwachts gekomen, dat hij in het
-eerste oogenblik geen woord kon zeggen.
-
-Raffles sprak echter terstond:
-
-„Het is het beste om dadelijk een rechercheur te roepen! Deze man is
-Raffles, ik herken hem duidelijk”.
-
-Een bediende vloog de trap af om een rechercheur te roepen.
-
-Intusschen had Baxter zijn tegenwoordigheid van geest terug gevonden.
-
-„Het is een schandaal! Dáár is Raffles!” riep hij uit.
-
-Hij wees op lord Westminster, die met minachtend schouderophalen naast
-hem stond.
-
-Hij wilde lord Westminster knevelen, maar deze gaf hem een vuistslag.
-
-„Wij moeten den razende binden”, sprak hij, „als wij niet willen, dat
-de naam van onze club morgen in alle kranten gecompromitteerd is.”
-
-Intusschen waren bedienden gekomen, om den vermeenden meesterdief te
-binden.
-
-In dit oogenblik kwam de rechercheur binnen.
-
-„Rechercheur!” schreeuwde Baxter, „vertel deze heeren eens, dat de
-ellendeling, die daar staat, en die zich lord Westminster noemt,
-Raffles is!”
-
-De rechercheur keek eerst Raffles en toen den inspecteur aan. Daarna
-wees hij op Baxter en sprak: „Ja, dàt is Raffles!”
-
-Het was waarlijk te verwonderen, dat Baxter geen beroerte kreeg.
-
-Hij werd door den bediende weggesleept en Raffles wendde zich tot de
-overige heeren met de woorden:
-
-„Ik ga nu naar huis, heeren, om wat op verhaal te komen, want de lage
-streken van dien spitsboef hebben mij toch wel aangegrepen.
-
-„En dan, heeren, denkt aan onze weddenschap!”
-
-Raffles verdween.
-
-De heeren spraken nog eenigen tijd over het geval na en toen
-herinnerden sommigen zich, dat die lord Westminster inderdaad zooveel
-op Raffles leek.
-
-Zij kwamen tot de overtuiging, dat hier inderdaad bedrog in het spel
-was en dat de indringer wel degelijk Raffles geweest was, die de
-inspecteur een leelijke poets had gespeeld.
-
-Toen eenigen tijd later de rechercheurs kwamen, die door Baxter waren
-ontboden, bleek inderdaad, hoe groot het bedrog geweest was.
-
-Charly Brand, die als rechercheur dienst had gedaan, had zijn vriend
-wederom gered.
-
-Baxter, die al weer op vrije voeten was, spoedde zich terstond naar den
-minister van financiën, om dezen te waarschuwen voor de plannen van
-Raffles en hij verborg zich met een scherp geladen pistool in het
-kantoor van den minister.
-
-... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...
-... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...
-
-Reeds twaalf uren zat Baxter op post, zonder dat het geringste was
-voorgevallen.
-
-De middag verstreek.
-
-Reeds viel de schemering; en een wonderschoone herfstavond volgde.
-
-Uit den tuin van het paleis drong het klateren van een springbron in de
-kamer, die voornaam was ingericht met meubelen in purperkleur.
-
-Op de schrijftafel stond een telephoon.
-
-Op het groene laken bevond zich een klein ivoren knopje, als van een
-electrische schel.
-
-Drukte men hierop, dan opende zich een geheim valluik in den vloer vóór
-de schrijftafel.
-
-Op deze wijze kwam men in de schatkamer, waar de ridderorden van den
-Koning van Engeland bewaard werden.
-
-En inspecteur Baxter wachtte steeds, terwijl hij honger en dorst leed;
-terwijl hij telkens opnieuw zijn pistool onderzocht en in den door de
-maan verlichten tuin keek.
-
-En Raffles, tegen wien men al deze maatregelen had genomen, nam den
-eenvoudigsten weg, die er was.
-
-Om elf uur des avonds werd den minister van financiën het bezoek van
-den rijksadvocaat gemeld.
-
-Dit was niets bijzonders.
-
-De minister, die er niet zeker van was, of hier geen strik werd
-gespannen, bleef naast zijn tafel staan, waarop de pistolen lagen.
-
-De dienaar opende de deur.
-
-In schitterend avondtoilet, het lint van de Orde van den Kousenband
-onder de linkerknie, den goudgeranden gala-hoed in de linkerhand, trad
-een elegante, voorname jonge man van ongeveer dertig jaren binnen.
-
-Hij boog, wachtte tot de dienaar de deur achter hem gesloten had, deed
-eenige schreden naar den minister en sprak toen:
-
-„Mijn naam is Raffles!”
-
-De minister was over deze brutaliteit zóó verbluft, dat hij vergat op
-de schel te drukken en den dienaar te roepen.
-
-Werktuigelijk greep hij naar zijn revolver.
-
-„Ach, Excellentie, laat dat rusten”, sprak Raffles, terwijl hij het
-zich zoo gemakkelijk mogelijk maakte. „Ik ben altijd gewoon zonder
-revolver te werken. Het is veel aangenamer, als men niet altijd
-dadelijk naar de wapens grijpt”.
-
-De minister herstelde zich, voor zoover dit in zijn positie mogelijk
-was.
-
-Hij was ervan overtuigd, dat deze persoon hem onmogelijk iets zou
-kunnen doen, zoolang hij zoover van hem afzat, als dat thans het geval
-was.
-
-Hij ademde verruimd.
-
-Voorts hoopte hij, Raffles zoo lang in zijn nabijheid te kunnen houden,
-tot inspecteur Baxter, zooals dat trouwens was afgesproken, vanzelf
-hier in de studeerkamer zou komen.
-
-Dan zou het niet moeilijk meer zijn, den geheimzinnigen man te
-overweldigen, die er uitzag als een aristocraat en een misdadiger bleek
-te zijn.
-
-Hu!
-
-De minister rilde.
-
-En lord Lister?
-
-Hij verloor geen oogenblik zijn stereotiepen glimlach.
-
-„Waarmee kan ik u eigenlijk van dienst zijn?” vroeg toen de man, die
-door den magnetischen blik van Raffles als aan zijn stoel genageld was.
-
-„Ik wilde een beetje met u babbelen over de ridderorden van den Koning
-van Engeland!”
-
-„Dat is een onderwerp, dat mij niet veel vreugde bereidt,” sprak de
-minister op verlegen toon.
-
-„Zoo?” lachte Raffles, „dat is jammer! Kan ik u met een sigaret
-dienen?”
-
-Deze was een hartstochtelijk rooker.
-
-Hij nam een der aangeboden sigaretten, terwijl hij voortdurend met
-angstig gebaar naar de portières op den achtergrond keek.
-
-„Is daar misschien een geheime deur naar de schatkamer?” vroeg Raffles.
-
-De minister was doodsbenauwd, dat hij zich door zijn blik verraden had
-en antwoordde:
-
-„Ge vergist u! Maar wat wenscht ge toch? Gij zijt de gevaarlijkste
-mensch van onze eeuw! Bij de teerste beweging, die ge maakt, schiet ik
-u neer!”
-
-Lord Lister glimlachte steeds en antwoordde, terwijl hij een sigaret
-tusschen de tanden, stak:
-
-„Is het gepermitteerd?”
-
-Tegelijkertijd haalde hij het gouden rookstel naar zich toe.
-
-De minister, bang voor een truc, greep haastig zelf het rooktoestel.
-
-Hij stak een lucifer aan en hield die voor de sigaret van Raffles.
-
-Toen keek de minister op zijn horloge.
-
-Goddank!
-
-De inspecteur van politie, met wien hij een geheime afspraak had, kon
-niet lang meer wegblijven.
-
-Zwijgend rookte Raffles intusschen zijn sigaret.
-
-De minister bespiedde hem van terzijde, terwijl fijne blauwe
-rookwolkjes omhoog kronkelden.
-
-Het was een wonderlijke, komische toestand.
-
-Die Raffles was toch een wonderlijke kerel.
-
-Hij bleef daar maar doodkalm zitten.
-
-Hij scheen er zelfs op te wachten, tot Baxter bij hem zou komen om hem
-te arresteeren.
-
-Wonderlijk, zoo’n man toch!
-
-Hoogst komisch!
-
-Dat was het laatste, wat de minister dacht—toen was hij ingeslapen.
-
-De brandende sigaret was op den grond gevallen.
-
-Raffles legde zijn galahoed weg, raapte de sigaret op en wierp ze in
-het aschbakje.
-
-„Morphine in tabak is een uitstekend slaapmiddel,” bromde hij.
-
-Lachend keek hij naar den minister, die begon te snurken.
-
-Toen deed hij de schrijftafel open, nam den sleutel eruit, ging naar de
-portières, opende de geheime deur door een veer en verdween in de
-donkere gang, die naar de schatkamer voerde.
-
-Zijn speurdersoog, dat verhelderd werd door het schijnsel van een
-electrische zaklantaarn, had al spoedig de deuren, gangen en valluiken
-gevonden, die hem brachten naar de kamer, waar hij wezen moest en toen
-hij na verloop van een kwartier veel geheime ingangen had geopend, door
-kasten was gekropen en alle hinderpalen uit den weg had geruimd, stond
-hij in een kamer, waar een reusachtige kast zich bevond.
-
-Zooals hij dat destijds in het huis van Woorman had gedaan, deed hij
-ook nu met de stalen deur. En toen deze geopend was, staarde Raffles op
-zulk een pracht van goud en diamanten en kostbaarheden, als zelfs hij
-nog nooit in zijn leven had gezien.
-
-Daar lag aan een zwart lint een witte ster in goud gevat, een gouden
-kroon van binnen en daarboven een gouden helm, pantser en geweerloop,
-het kruis van de Maltheserorde. Glimlachend nam Raffles het ding en
-deed het op de borst.
-
-Daarop volgde de eenvoudige, maar niet minder kostbare Danebrog-orde,
-het witte kruis met vijf gouden kronen.
-
-„Suum cuique”—ieder het zijne—las hij op de Pruisische orde van den
-Zwarten Adelaar.
-
-„Hm, die past eigenlijk voor mij. Ieder het zijne—dat is ook mijn
-devies.”
-
-De Grieksche Orde van den Verlosser: een sneeuwwit kruis met
-blauwomranden gouden ring in het midden en de beeltenis van den
-Verlosser, gedragen door een gouden kroon aan een blauw lint, hing
-Raffles om den hals.
-
-Het was alles een geschitter en geglinster van sprookjesachtige pracht.
-
-De orde van de heilige Anna van Rusland: een rood kruis met goud; een
-Duitsche ridderorde: een lang, zwart kruis; de machtige Turksche
-Medjidie-orde, de orde van den Kouseband, de groote Engelsche Michaels-
-en Georgs-orde, al die prachtige kostbaarheden, die wondermooie
-onderscheidingen, stak Raffles op de borst.
-
-Een zee van goud en licht glinsterde door elkander.
-
-Ten slotte nam Raffles de laatste, belangrijkste, voornaamste orden der
-wereld, de Oostenrijksche en Spaansche orde van het gouden vlies. In
-een groote, zware omlijsting, in goud gevat, met groenen achtergrond,
-hing onder een geschulpt rood blad, eveneens in goud gevat, een massief
-gouden schaap.
-
-Langzaam, met een geheimzinnig glimlachje om de lippen, leunde Raffles
-tegen de deur der kast.
-
-Daarop ging hij naar de schrijftafel en stak een sigaret aan.
-
-Daar doemde plotseling een lange, magere gestalte voor Raffles op.
-
-Het was Baxter.
-
-„Eindelijk!” stiet de inspecteur uit, „nu is toch je spelletje uit,
-Raffles!”
-
-Deze glimlachte en rookte verder.
-
-Baxter haalde zijn revolver te voorschijn.
-
-„Geen stap verder, of ik schiet u neer!”
-
-Onbewegelijk stonden de beide mannen, oog in oog, tegenover elkander.
-
-Zwijgend bleven zij secondenlang in dezelfde houding.
-
-Raffles verbrak het eerst het zwijgen.
-
-„Waarom blameert ge u toch telkens weer, waarde inspecteur. Je kunt mij
-immers toch nooit arresteeren!”
-
-„Ge vergist u, Raffles, ditmaal zit je in de knel. En pas op! Anders
-ben je een kind des doods!”
-
-Maar Raffles lachte nog steeds.
-
-„Alle duivels!” riep hij uit, „het is bijna middernacht; om half één
-moet ik in de Jockey-Club zijn, als ik mijn weddenschap wil winnen!”
-
-„Gij zult haar niet winnen!” riep de inspecteur zegevierend uit.
-
-„O ja, tòch wel!”
-
-„Nooit!”
-
-„Toch!”
-
-Bliksemsnel was Raffles naar de schrijftafel gegaan.
-
-Baxter richtte zijn revolver.
-
-„Terug, Raffles!”
-
-„Ik ga nooit terug, onthoud dat!” zei Raffles en hij drukte op het
-ivoren knopje.
-
-Geruischloos opende zich het valluik en pijlsnel zakte Baxter in de
-diepte.
-
-Het schot knalde af in de lucht en de inspecteur verdween in de
-schatkamer.
-
-„Hallo, inspecteur Baxter, waar gaat de reis heen?” lachte John
-Raffles, terwijl hij het ivoren knopje losliet.
-
-De meesterdief ging nu naar de schrijftafel en schreef het volgende:
-
-
- „Aan Z. E. den Minister van Financiën,
-
- „Om uw vriend, den inspecteur van recherche Baxter, verdere
- onaangename uren in de diepe schatkamer te besparen, deel ik u door
- dezen mede, dat ik hem vriendelijk, doch dringend moest verzoeken,
- zich daarheen te begeven, opdat hij mij niet zou hinderen in de
- volvoering van mijn voornemen.
-
- „Doe den kelder dus open en geef Baxter zijn vrijheid terug.
-
- Uw dienstvaardige,
- JOHN C. RAFFLES.”
-
-
-Daarop verliet hij de kamer door de groote glazen deur, ging den tuin
-door en sprong over den hoogen muur van het koninklijk park, in
-hetzelfde oogenblik dat de minister ontwaakte en alarm maakte.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-HET GEHEIMZINNIGE RIJTUIG.
-
-
-Lord Lister riep een cab aan.
-
-De koetsier groette den eleganten heer beleefd, wiens schitterende
-ridderorden door de halfgeopende jas heenschitterden.
-
-„Jockey-Club, St. James Street.”
-
-Voort ging het.
-
-De groote clubzaal ging open en een elegante, voorname jongeman trad
-binnen.
-
-Maar niet alleen zijn schitterende verschijning, doch ook de glans der
-prachtige ridderorden deed aller oog zich op hem vestigen.
-
-En als een loopend vuurtje ging het van mond tot mond:
-
-„Raffles.”
-
-De meesterdief boog beleefd voor den graaf van Westbury, die als
-versteend opkeek.
-
-Lord Raffsborn klemde zijn monocle in.
-
-„Alle drommels! Zijt ge het inderdaad? Maar dat is niet mogelijk!”
-
-Lord Lister glimlachte alweer.
-
-„Ik heb de weddenschap gewonnen, heeren!”
-
-Allen moesten zich ervan overtuigen, dat de ridderorden echt waren.
-
-Er ontbrak niet één!
-
-„Als ik geen modern mensch was, zou ik aan tooverij gelooven”, zeide de
-graaf van Westbury.
-
-Lord Raffsborn echter voegde erbij:
-
-„Wij hebben onze weddenschap verloren.”
-
-Niemand sprak dat tegen.
-
-De clubleden waren allen edelen.
-
-Zij hadden hun weddenschap verloren.
-
-En zonder een woord te spreken, haalden zij hun portefeuilles te
-voorschijn en betaalden.
-
-„Dank u, heeren!” sprak Raffles.
-
-Hij borg het geld weg.
-
-„En nu wilt gij zeker wel zoo goed zijn, om te zorgen, dat al die mooie
-dingetjes weer op hun plaats komen.”
-
-Hij deed voorzichtig alle ridderorden af en gaf ze aan graaf van
-Westbury.
-
-Daarna ging hij.
-
-Beneden wachtte zijn cab nog.
-
-Hij reed tot in de buurt van zijn huis en ging verder te voet.
-
-In zijn woning wachtte Charly Brand, wien hij zijn avontuur vertelde.
-
-Daarop verdween Raffles in een zijkamer en kwam een poos later eruit te
-voorschijn als een elegant Londensch koetsier.
-
-Toen ging hij naar den stal, spande zelf het paard in en reed het
-rijtuig voor.
-
-Daarop stapte hij in.
-
-„Bromley Burdett Road, Charly.”.
-
-„All right!”
-
-Terwijl Raffles naar het huis van miss Ellen Crofton reed, waren de
-heeren in de club tot de conclusie gekomen, dat het toch maar beter
-was, als de politie Raffles het gewonnene weer afnam en hun teruggaf.
-
-De graaf van Westbury stond op met plechtstatig gebaar.
-
-Hij ging met lange stappen naar de telephoon.
-
-„Scotland Yard, juffrouw!”
-
-„Hallo, ja!”
-
-„U spreekt met de Jockey-club!”
-
-„Wat wenscht ge?”
-
-„Ik wil u even vertellen, dat Raffles hier was!”
-
-„Wie—wat—hoe?”
-
-„Raffles, de meesterdief!”
-
-Juist toen de graaf dit geweldige nieuwtje naar Scotland Yard
-telephoneerde, kwam inspecteur Baxter daar aan.
-
-De inspecteur vloekte.
-
-Hij raasde en tierde.
-
-En hij beweerde voor den zooveelsten, zeker voor den honderdsten keer,
-dat Raffles hem gek maakte stapelgek.
-
-Hij was nu inderdaad half gek van woede en ergernis.
-
-Nauwelijks dan ook had hij Het telephonisch bericht van den graaf van
-Westbury ontvangen of hij beval, hoewel hij zelf doodmoe was, en zich
-nauwelijks op de been kon houden, dat vijf detectives hem zouden
-volgen.
-
-Hij zelf sprong haastig op zijn fiets en als nachtelijke spoken jaagden
-de zes politie-mannen door de duisternis.
-
-
-
-Kolonel Crofton bewoonde met zijn familie een klein huis, dat bestond
-uit een viertal vrij groote, eenvoudig gemeubelde kamers.
-
-De kolonel was een man van omstreeks vijftig jaren.
-
-Hij was nog veerkrachtig en levenslustig van aard, maar een zware
-verwonding dwong hem op een stok te steunen bij het loopen.
-
-Een paar verstandige, donkerblauwe oogen keken uit onder blonde
-wenkbrauwen en het blozende gelaat had een aangename uitdrukking.
-
-Zijn hoofdhaar was nog fraai krullend, zijn mond vertoonde een
-trotsche, doch geen eigenzinnige uitdrukking.
-
-Juist toen Lister aanschelde, hoorde deze een krakende stem aan den
-anderen kant van de deur:
-
-„Sir Woorman geeft u niet langer crediet. Ik zal uwe zaak morgen
-sluiten, als ge vandaag niet betaalt!”
-
-„Maar als ik toch geen geld heb— —”
-
-„Papperlappapp, betalen of er uit!”
-
-„Ik smeek u— —”
-
-„Sir Woorman is wel bereid u eenigszins tegemoet te komen, als gij hem
-een genoegen wilt doen!”
-
-„Als dat in mijn vermogen is, heel graag!”
-
-„Uw dochter, miss Ellen, wordt morgen als getuige gehoord. Van haar
-verklaringen hangt veel af.
-
-„Zij zou de zaak wat minder ernstig kunnen doen voorkomen, ziet ge— —”
-
-Daar klonk de schel.
-
-Miss Ellen zelf deed open.
-
-Toen zij in lord Lister’s gelaat zag, stiet zij een vreugdekreet uit.
-
-„Papa!” riep zij, „daar is de man, die mij zoo onbaatzuchtig heeft
-verdedigd!”
-
-De kolonel kwam Raffles tegemoet.
-
-De heeren begroetten elkaar hartelijk.
-
-Raffles echter wendde zich al spoedig tot den vreemden man.
-
-„Wie zijt ge?”
-
-„Ik ben de zaakwaarnemer van Sir Woorman.”
-
-„Dan heb je een mooi baantje, zeg, zaakwaarnemer van een moordenaar!”
-
-„Mijnheerrrrr!”
-
-De ander brulde het uit.
-
-„Ziet ge deze spieren, mijnheer! Pas op, dat ik u daarmee geen kennis
-laat maken!”
-
-Maar nog voordat de zaakwaarnemer gevolg had gegeven aan zijn
-voornemen, had Raffles hem al een stomp onder de kin gegeven, zoodat
-hij als een gummibal achteruit stoof.
-
-„Wat wilt ge eigenlijk van mij?” vroeg de zaakwaarnemer.
-
-„Ik wil u vertellen, dat ge Sir Woorman moet zeggen, dat miss Ellen
-alleen de waarheid zal spreken bij de getuigenverklaring.
-
-„En verder zal kolonel Crofton zijn zaakjes op denzelfden voet
-voortzetten!”
-
-„Maar het geld— —”
-
-Raffles rukte den man de quitantie uit de hand.
-
-„Hoe groot is dat bedrag?”
-
-De zaakwaarnemer was verstomd.
-
-„Tweehonderd pond met de 475 pond van een vorigen keer”.
-
-„Dat is dus samen 675 pond! Hier zijn ze!”
-
-„Maar— —” begon de ander.
-
-Raffles wees naar de gangdeur.
-
-„Nu geen woord meer en er uit!”
-
-De kerel sloop weg als een geslagen hond.
-
-De kolonel greep de handen van zijn weldoener.
-
-„Hoe kan ik u danken!”
-
-„Uw vriendschap is voor mij genoeg belooning!”
-
-„Kan ik u misschien met iets van dienst zijn?” vroeg nu miss Ellen op
-verlegen toon.
-
-„Uw tranen zijn al dank genoeg, lady!”
-
-„Ik zal dagelijks voor u bidden. Hoe heet ge?”
-
-Hij schudde het hoofd.
-
-„Vraag dat niet. Ik vertegenwoordig het geluk en het noodlot!”
-
-Hij boog en verliet het huis.
-
-„West-End Street 37”, beval Raffles op luiden toon.
-
-Charly Brand boog zich naar hem over.
-
-„Baxter is hier met vijf rechercheurs. Zij houden zich verborgen.”
-
-Raffles lachte.
-
-„Rijd maar door, koetsier”.
-
-Het portier vloog dicht.
-
-Tegelijkertijd doemden zes gestalten op uit den nevel.
-
-Zij sprongen op hun rijwiel en bleven naast het rijtuig rijden, zoodat
-het Raffles onmogelijk was, het rijtuig te verlaten.
-
-Na een rit van drie kwartier kwamen zij aan het doel van hun tocht.
-
-Baxter beval zijn mannen af te stappen.
-
-„Wij nemen hem boven in huis gevangen!”
-
-Het was een goede inval van Baxter geweest, om naar Bromley te rijden.
-
-Dezen keer zou dan toch die Raffles hem stellig niet ontsnappen.
-
-„Hij laat lang op zich wachten”, zei een der rechercheurs.
-
-De anderen beaamden dit.
-
-Eindelijk trad Baxter met geladen revolver naar het rijtuig toe.
-
-Hij opende het portier.
-
-„Kom eruit, Raffles, ge zijt mijn gevangene!” sprak hij, maar
-tegelijkertijd trad hij verschrikt achteruit.
-
-Hij vloekte zwaar.
-
-„Koetsier!”
-
-„Ja, mijnheer!”
-
-„Waar is Raffles?”
-
-Charly Brand lachte.
-
-„Waar Raffles is, ik ben inspecteur Baxter toch niet? Die weet altijd,
-waar Raffles is”.
-
-„Geen grapjes. Gij hebt Raffles gereden.”
-
-„Geen quaestie van. Mijn „vrachie” was de beroemde tooverkunstenaar ben
-Akiba”.
-
-„Pas op, ik laat je arresteeren, als je mij voor den mal houdt.”
-
-„Ik houd u waarlijk niet voor den mal!”
-
-Maar Baxter nam Charly met zijn rijtuig mee naar Scotland Yard, waar de
-jonge man vertelde, dat hij een paar dagen geleden bij lord Westminster
-in dienst was gekomen!
-
-„Maar lord Westminster is Raffles”, stoof Baxter op.
-
-„Zoo?” vroeg Charly met onnoozel gezicht, „is dat waar? Dat wist ik
-waarlijk niet!”
-
-Baxter kon hem niets doen en liet hem weer gaan.
-
-Toen Charly een eind had gereden, stapte hij van den bok.
-
-„’t Is maar goed, dat die Baxter het rijtuig niet verder heeft
-onderzocht, dan zou hij gemerkt hebben, dat de bodem verschuifbaar is”.
-
-En Raffles?
-
-Toen het rijtuig door de rechercheurs werd begeleid, had hij
-voorzichtig den vloer terzijde geschoven en zich tusschen de wielen
-laten glijden, totdat hij op grond stond.
-
-Toen maakte hij een groetend gebaar met de hand tegen de rechercheurs
-en riep uit:
-
-„Adieu, inspecteur Baxter! Tot weerziens!”
-
-Daarop ging hij een café binnen.
-
-
-
-
-
-
-
-
- De volgende aflevering (No. 4) bevat:
-
- MILLIOENEN IN EEN DOODKIST.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENING
-
-
-[1] Dit is het opschrift van de Engelsche orde van den Kousenband.
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 3: DE
-RIDDERORDENDIEFSTAL IN HET KONINKLIJK PALEIS ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.