diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/66666-0.txt | 9503 | ||||
| -rw-r--r-- | old/66666-0.zip | bin | 166738 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/66666-h.zip | bin | 236288 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/66666-h/66666-h.htm | 9498 | ||||
| -rw-r--r-- | old/66666-h/images/new-cover.jpg | bin | 44922 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/66666-h/images/qr66666.png | bin | 268 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/66666-h/images/titlepage.png | bin | 8894 -> 0 bytes |
10 files changed, 17 insertions, 19001 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..5dd6f4f --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #66666 (https://www.gutenberg.org/ebooks/66666) diff --git a/old/66666-0.txt b/old/66666-0.txt deleted file mode 100644 index 742cb75..0000000 --- a/old/66666-0.txt +++ /dev/null @@ -1,9503 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Goena-Goena, by Adrianus Daum - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Goena-Goena - Oorspronkelijke roman - -Author: Adrianus Daum - -Release Date: October 27, 2021 [eBook #66666] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book - was produced from scanned images of public domain material - from the Google Books project.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GOENA-GOENA *** - - - - GOENA-GOENA. - OORSPRONKELIJKE ROMAN - - DOOR - MAURITS. - - Tweede Druk. - - LEIDEN.—A. W. SIJTHOFF. - - - - - - - - -GOENA-GOENA. - - -Charles Prédier kwam met een vergenoegd gezicht het kantoor uit. - -Nu was alles in orde; nu was zijn fortuin gemaakt! Terwijl hij het -zweet van z’n voorhoofd veegde—het pleiten voor eigen zaak maakt zoo -warm!—drukte hij de zwart leeren portefeuille, die hij onder den arm -droeg, met liefde tegen zijn borst. Het had moeite gekost den notaris -over te halen, geld te steken in de nieuwe koffie-onderneming; doch nu -het gelukt was, ging het overige vanzelf; nu zou het kapitaal gauw -genoeg bijeenkomen; er zou gebouwd en geplant kunnen worden, en binnen -een jaar of vier...... - -Het was alles netjes uitgerekend. Dáárom was notaris Bronkhorst er ook -ìn gegaan. Hij kende Prédier als een goed planter en flink -administrateur; als een echte half bloed Europeaan, die in de sociëteit -blufte met champagne, homberde tegen hoog tarief en mooier paarden -hield, dan ieder ander, maar die in zaken angstvallig op de kleintjes -paste, en wat men noemt op ’n cent doodbleef. - -De erfpacht, aan het gouvernement gevraagd, was toegestaan; door de -welwillende tusschenkomst van een zwager te Batavia, en van een tante, -die veel bij den resident aan huis kwam, was de canon laag gesteld, de -gronden waren prachtig; van bladziekte was in die streek geen -sprake,—het was in één woord ’n goudmijn. - -Bronkhorst dacht, toen Prédier weg was, nog na over de cijfers. Geheel -optimist was hij niet meer. Al wat hij had „verdiend” in Indië, stak in -landelijke ondernemingen. De vooruitzichten, zeiden de administrateurs, -waren prachtig, maar voor het oogenblik zag hij geen cent van zijn -geld, en was het maar elke maand bijpassen. Toch was zijn vertrouwen -niet geschokt, anders zou hij zich nu niet weer hebben laten „lijmen” -door Prédier. Als er maar één gelukte, dacht de notaris, dan was het -reeds financiëel, in orde. En hij rekende op zijn goed gesternte. Hoe -was hem de fortuin niet meegeloopen, sedert hij twaalf jaren geleden -benoemd werd tot notaris op de kleine hoofdplaats! Toen was het daar -vrij wel: mager met mosterd. Zijn voorganger klaagde altijd steen en -been, dat er zoo weinig viel te verdienen. Nauwelijks was Bronkhorst -gekomen of de vette jaren braken aan, alsof hij ze meebracht in zijn -koffers. Waar vroeger slechts rijstvelden waren, wuifden nu de -sierlijke pluimen van ’t bloeiend suikerriet; waar vroeger lang -uitgeschoten klapperboomen het „hoogste goed” vormden, daar waren die -nu vernederd door de hoogere witte fabriekschoorsteenen, die in den -maaltijd nacht en dag altijd door rookwolken opzonden uit hun zwarte -openingen. En dwars door de vroeger ongerepte velden lagen thans -onafzienbare rails, hier roestig, ginds door de wrijving als gepolijst, -en in eindelooze uitgestrektheid dof glimmerend in ’t felle zonlicht. -Er was geld gekomen onder de bevolking, en met ’t blanke „slijk der -aarde” kwam nog ander „slijk”, dat zich aangetrokken voelde. Nabij het -spoorwegstation woonden nu Chineezen en Arabieren, die handel dreven, -warongs hielden, opium smokkelden, dobbelhuizen hielden; ’t was de -legertros der Westersche beschaving in het Oosten. - -Maar het notaris-kantoor had er voordeel van. Bronkhorst had het lokaal -gelaten zooals het was onder zijn voorganger. Dat stond goed, vond hij; -hoe ouderwetscher, vuiler en wormstekiger zoo’n kantoor er uit zag, des -te solieder scheen het; alleen was het personeel uitgebreid; hij hield -er een candidaat op na en ’n paar klerken, terwijl zijn voorganger het -niet verder had kunnen brengen dan tot één versuft kopiïst achter ’n -schutsel. - -„Hoe is het Jean, kom je eten?” - -„Is het al zóó laat?” - -„Er is al lang opgedaan: de kinderen schreeuwen van den honger.” - -De notaris stond op en volgde zijn vrouw. Terwijl ze hem voorging van -het bijgebouw, waarin kantoor werd gehouden, naar ’t woonhuis, en de -vergulde hakken harer slofjes klik-klakten op de steenen der galerij, -vertelde hij haar ’t bezoek van Prédier, diens plannen en het aandeel, -dat hij er in had genomen. - -Zij hoorde ’t wel, maar het ging haar het eene oor in, het andere uit; -ze begreep alleen, dat het pogingen betrof, om van koffie geld te -maken, maar veel verder dan dit primitief begrip kwam zij niet; ze was -nu reeds acht jaar in Indië—Bronkhorst had haar getrouwd, toen hij -wegens ziekte ’n jaar met verlof naar Europa was geweest—maar zij was -met hart en ziel een totok gebleven, die slecht brabbelmaleisch sprak, -geen inlandsche bedienden langer dan een maand kon houden, voor de -détails van het echt Indisch leven geen oog had, en er daarvoor ook -nimmer een krijgen zou. Als Bronkhorst haar van zijn speculatiën in de -cultures vertelde, dan zei ze maar „Ja en amen”; geloofde, dat het erg -gelukkig zou wezen, als ’t groote winsten opbracht, en..... dacht er -verder niet aan. - -Hem kon zoo iets dagen lang bezig houden, en dat deed het ook nu. Het -maakte hem stil aan de rijsttafel; het hinderde hem ’s middags op ’t -kantoor onder het andere werk, en toen hij ’s avonds naar gewoonte in -een wipstoel op het schabelletje een havanna rookte na het diner, -wilden hem die prachtige plannen van Prédier nog niet loslaten. - -Naast hem stonden op een marmeren knaap twee kopjes koffie; zijn vrouw -zat tegenover hem; hij keek naar buiten en dacht hardop, voor de -gezelligheid en meenende dat Marie luisterde. De cijfers der mogelijke -winsten maakten hem warm. - -„Jongens, als het dien kerel toch eens lukte!” riep hij. „Wat zou dat -een heerlijk zaakje zijn!” - -Marie was opgeschrikt door den luideren toon. Onder het exposé zijner -geldelijke illusiën was ze rustig ingedommeld, maar nu greep ze naar -haar kopje, en zei op ’n toon alsof ze zijn beschouwingen aandachtig -had gevolgd: „Ja, heerlijk, hè?” - -Hij snapte het wel. - -„Als je moe bent, Mies, dan moet je naar bed gaan; dat is veel beter.” - -„Wel neen; het gaat nogal!” - -Bronkhorst lachte. - -„Kom, kom! Veins maar niet. Je valt bijna omver van den slaap. Ik kan -het me best voorstellen. Die eeuwige drukte met de kinderen; ’s morgens -vroeg op en ’s middags niet slapen.... ga jij gerust naar bed, hoor.” - -„Wil je niet nog iets drinken?” - -’t Kon haar eigenlijk weinig schelen, maar ze gevoelde, dat ze iets -vriendelijks moest zeggen of eenige zorg voor hem aan den dag moest -leggen. Want het was wel ’n beetje onaangenaam voor hem, dat ze ’s -avonds na het eten altijd uitging als een nachtkaars. Maar ze kon er -niets tegen doen; met den besten wil der wereld niet. - -En hij vond het werkelijk zeer onaangenaam,—al drong hij er ook opaan, -dat ze zou gaan slapen,—als hij zag, dat Morpheus haar te machtig werd. - -Zeker, dacht hij, het was beroerd, erg vervelend; hij had zoo weinig -lust in uitgaan, en thuis hield na halfnegen alle conversatie op. Weer -terugkeerend tot zijn à propos, de nieuwe koffieonderneming, zag hij, -in gedachten verzonken, naar de schitterende lichtpuntjes op den -zwart-blauwen achtergrond hoog in de lucht, tot zijn aandacht werd -afgeleid door den toon van een heftig krakeel. Hij keek eens in die -richting over den pagger; dat was weer bij de Borne’s; die hadden ook -altijd twist; en dan zoo luidruchtig; ze moesten zich schamen! - -Hij stond op, knoopte zijn kabaja zorgvuldig dicht en wandelde het erf -af, naar den grooten weg; voortdurend klonk hem ’t heftig geluid der -twistende stemmen in de ooren; wat ze elkaar toevoegden, kon hij niet -verstaan, maar dat behoefde ook niet; de Borne’s waren reeds twee jaren -zijn buren, en hij wist er alles van. Nu en dan had hij zich er mee -bemoeid; als ’n goed notaris, die zich altijd interesseert voor andere -zaken, kon hij dat niet laten, schoon zijn vrouw hem afried zich te -mengen in geschillen tusschen man en vrouw. Ook wist hij wel dat het -zoo’n vaart niet liep; groote woorden, anders niet. Juist passeerde hij -hun huis, toen kapitein Borne, in uniform, naar buiten kwam. - -Ze liepen samen op. - -„Die vrouw van me,” zei de kapitein, die commandant was van het kleine -garnizoen, „is in staat ’n mensch razend te maken.” - -„Bah! Ze is zoo kwaad niet.” - -„Neen, dat is ze ook niet. Ik geloof, dat ze ’n man moest hebben, -zooals jij er een bent!” - -„Was het dan weer over de sociëteit?” - -„Natuurlijk. Dat gunt ze me nu niet. Ga ik ’s middags in de kroeg ’n -paitje nemen, en ’t wordt wat laat—dat kan toch gebeuren!—dan is -sinjeur de duivel los. Wil ik ’s avonds nog ’n partijtje maken, vlan! -dan heb je de poppen aan het dansen.” - -„Maak je het niet werkelijk wat te druk?” - -„Och wat! Als ik in deze negorij altijd thuis moest zitten, dan stierf -ik van chagrijn. Ik ben dat nooit gewoon geweest.” - -„Daarbij is het op den duur ’n kostbare aardigheid.” - -„Het is waarachtig,” riep Borne, en in zijn verbazing bezigde hij een -hoogst dubbelzinnige overdrachtelijke uitdrukking, „het is waarachtig -of jullie onder één deken liggen.” - -Zij lachten beiden, zóó gek vonden ze het idée. - -„Neen, maar in ernst,” vervolgde Bronkhorst stilstaande op den weg, -wijl hij geen lust had verder mee te loopen, „is het niet een dure -geschiedenis?” - -„Wel, dat is zoo erg niet. Er gaan tien paitjes in één pop. ’t Is -waarachtig alsof ik den boel opmaak! De soos kost me niet half zooveel -als haar familie.” - -„Ja, je hebt nogal dikwijls logé’s.” - -„Altijd, meneer! Jij bent ’n slimme vogel geweest, je hebt je vrouw uit -Holland gehaald. Ik heb hier ’n vrouw getrouwd en op den koop toe ’n -familie, die me de helft van het jaar op m’n dak zit. Nu is er weer ’n -stelletje in aantocht.” - -„Het is aan den anderen kant recht gezellig.” - -„Och dat wel, ten minste dezen keer. Zij is ’n nichtje van m’n vrouw; -Betsy heet ze, ’n verduiveld aardig diertje, en hij is ’n goeie vent; ’n -lobbes.” - -„Is hij met verlof?” - -„Hm! Dat zou ik denken! Hij is ’n koffieboer, weet je, en ze hebben hem -met groot verlof gezonden, omdat de boel niet marcheerde. Nu is hij à -la recherche d’une position. Overigens ’n goeie jongen, ’n vroolijke -vent. Bonsoir!” - -Kapitein Borne stapte voort naar de sociëteit, waar zijn partners hem -reeds wachtten. Bronkhorst keerde langzaam en bij zichzelven -glimlachend terug naar huis. - -Wat was er nu toch voor aantrekkelijks in zoo’n sociëteit? -Zaterdagsavonds ging hij er ’n uurtje heen; hij was een notabele en -moest zich dus „vertoonen”. Maar zelfs dan zou hij bij voorkeur thuis -zijn gebleven. - -Een aanrollende reiswagen met zes paarden bespannen en bovenop, voor en -achter met koffers bepakt, trok zijn aandacht. Met zijn twee flauw -lichtende lantaarns gierde het rammelend monster in snelle vaart over -den weg, en hield daarna stil voor het huis van Borne. Daar waren de -„familieleden”, die de kapitein óók getrouwd had! Bronkhorst vond -werkelijk, dat men den heer des huizes niet bijzonder vroeg -gewaarschuwd, maar tamelijk wel voor een voldongen feit had gesteld. -Hij ging een weinig ter zijde van den weg, en zag hoe een jonge vrouw -met ’n slanke figuur vlug uit den wagen sprong en mevrouw Borne in de -voorgalerij omhelsde; een lang man met ’n blonden baard volgde; een -oogenblik hoorde men het onbestemd geluid van elkaar luidruchtig -begroetende personen,—toen ging het drietal ’t huis binnen en liet de -zorg voor de barang aan de bedienden over. - -„De buren hebben logé’s gekregen,” vertelde Bronkhorst den volgenden -ochtend zijn vrouw, als een nieuwtje bij het ontbijt. - -„Ja, dat wist ik. Mevrouw Borne heeft me al ’n dag of acht geleden -verteld, dat ze haar nicht Betsy te logeeren kreeg met haar man, voor -onbepaalden tijd.” - -„Zóó-ó-! Borne zelf vernam het eerst gisteravond.” - -„Zij wilde ’t hem niet eer zeggen; hij moppert altijd zoolang, als hij -het tevoren weet; wanneer de lui er eenmaal zijn, dan heeft hij er -vrede mee.” - -Bronkhorst moest er om lachen: ’t was, vond hij, een eigenaardige -speculatie. - -„Dat vind ik ook; ’t kost toch beider geld.” - -Het denkbeeld trof hem; niet omdat het nieuw was, maar hijzelf deed uit -gewoonte altijd met zijn geld, wat hij wilde, zonder ooit zijn vrouw te -raadplegen. - -„Je vindt het toch wel goed, Marie,” vroeg hij, „dat ik me in die zaak -van Prédier heb gestoken?” - -Zij keek hem met haar groote oogen verwonderd aan. - -„Waarom zou ik het niet goed vinden?” - -„Wel, men kan niet weten; het is toch ook evengoed jouw geld.” - -„Van die zaken heb ik geen verstand, Jean; dat weet je, en dan, -ventlief, zooals jij doet zal ’t wel goed wezen.” - -Daar had je weer het vertrouwen! Zóó genoot hij dat nu als notaris -algemeen, en dáárvan was hij overtuigd: als zoodanig was hij het waard -ook. Hij had er uitstekend slag van de zaken voor anderen te -behandelen; hij deed het gewetensvol en nauwgezet. Rijke Chineezen -kwamen van heinde en ver hem in lastige, belangrijke zaken raadplegen, -en ze wisten toch, dat de notaris hen geducht liet betalen. Maar hij -bezat het welverdiende vertrouwen van iedereen voor ieders zaken; -alleen miste hij dat van zichzelven voor zijn eigen zaken. Voor een -ander zou hij niet half zoo gauw en zonder ernstig onderzoek tot de -plannen van Prédier zijn toegetreden; waar het zijn eigen geld betrof, -was hij losser. - -„Je moet me niet zoo onbeperkt vertrouwen.” - -„Verbeeld je! Als men ’n man heeft, die notaris is, en men vertrouwt -hem niet....” - -„Nu?” - -„Nu,” zei ze lachend, „dan moet hij toch ’n geduchte roover wezen.” - -Meelachend kuste hij haar; zei, dat ze er zonderlinge theorieën op na -hield, en ging als gewoonlijk in opgeruimde stemming naar ’t kantoor, -een oogenblik, met ongeduld door zijn vrouw verbeid; want dan ving haar -opperheerschappij aan over de huiselijke zaken; dan begon de -dagelijksche groote drijfjacht op vlekken en stof, op niet fraai -gepoetste vorken en lepels en niet volkomen glinsterende messen; op -scheurtjes en rafels in kinder- en huishoudgoed; dan ving het moment -aan, waarop de toorn der huisvrouw zich doorloopend lucht gaf over het -gebrek aan westelijke zindelijkheidsbegrippen bij den Javaan. - -De overdreven zin voor het huishoudelijke bij mevrouw Bronkhorst had -onder de dames van ’t plaatsje aanvankelijk groote verbazing gewekt. -Toen ze pas uit Holland kwam, ontving men haar met meer -nieuwsgierigheid dan vriendelijkheid; de Indische dames beschouwden -haar zoo’n beetje als ’n indringster. Als toch de notaris een vrouw had -willen hebben, dan had hij, vonden ze, er immers een uit de Indische -omgeving kunnen kiezen; er waren knappe jonge meisjes genoeg, die hem -gaarne wilden hebben; hij had volstrekt niet naar Holland behoeven te -gaan om een vrouw te halen met aschkleurig haar, en die den heelen dag -koelie-werk deed in huis. - -Men kende het huis van den notaris algemeen onder den naam van het -„paleis”. Toen Bronkhorst met zijn vrouwtje naar Indië kwam, had hij ’n -keurige Europeesche inrichting meegebracht. Fraaie ameublementen, -hoogst onpractisch en lastig om te behouden en te onderhouden, maar -keurig mooi om te zien; stoelen met heerlijke overtrekken, die -uitstekend aan hun bestemming beantwoordden, daar nooit iemand het -waagde er op te gaan zitten; prachtige spiegels, mahoniehouten kasten, -kostbare schilderijen en smaakvolle portières. Met den hartstocht van -een huishoudelijke, welopgevoede dochter uit een nette burgerfamilie in -Holland, had de jonge mevrouw Bronkhorst zich dadelijk geconstitueerd -als slavin van al dat moois, behoudens de servituten haar door het -moederschap opgelegd. - -Zoo was het haar gelukt al die schatten jaren te conserveeren en „zoo -goed als nieuw” te houden, in vollen strijd steeds tegen de inlandsche -menschen- en insectenwereld. - -Maar mooi was het, dàt erkende iedereen; veel mooier zelfs dan bij den -resident, en zoo was het met alles, tot in de keuken, waar tot stomme -verbazing van alle Indische menschen een glimmende batterie de cuisine -aan den helderwitten muur prijkte, en tot in den stal, waar de twee -spannen fraaie koetspaarden en het rijpaard van Bronkhorst hun -omgezette gras en gabah op raadselachtige wijze schenen te verbergen. - -Wel honderdmalen werd mevrouw Bronkhorst over de uitkomsten harer -slavernij gecomplimenteerd; vooral door de heeren, die verklaarden, dat -het iemand „goed” deed, weer eens zoo’n keurig nette Europeesche -inrichting te zien, maar die voor geen geld hadden gewild, dat hun -vrouwen zooveel werk maakten van den inboedel. - -Het „paleis” had zijn vasten receptie-avond; men zat dan in de -voorgalerij aan de eene zijde; iedereen, voorzoover hij door zijn -maatschappelijke positie in aanmerking kwam, woonde die avondjes bij, -en de resident, wien het à fond weinig kon schelen, zei wel eens quasi -spijtig, dat het bij den notaris drukker toeging, dan bij hem, -resident. Het was niet pour les beaux yeux van Bronkhorst en diens -vrouw, schoon de laatste werkelijk mooie oogen had, dat de meesten -kwamen; maar men zat er op zijn gemak bij den notaris, wat men niet -deed bij den resident, en men kreeg buitengewoon fijne dranken en -lekkere havanna’s, wat men ook al niet kreeg bij den resident, die zelf -niet rookte en niet dronk, en dus vond, dat een en ander eigenlijk ook -niet voegde aan de gemeente. - -De Borne’s waren ook gekomen en hadden hun neef, meneer Den Ekster, -meegebracht, den koffieplanter à la suite. - -„Is je nicht niet meegekomen?” vroeg mevrouw Bronkhorst, die familiaar -was met haar buurvrouw. - -„Zij laat zich excuseeren; ze had zoo’n vreeselijke hoofdpijn. Zeker -van het zitten in den reiswagen, gisteren den heelen dag; ze had het al -toen ze aankwam; ze is niet zoo heel sterk, weet je, en dan: ze trekt -het zich nogal aan....” - -„U is niet meer op het land, meneer Den Ekster,” zei vragend de -resident op den meesterachtigen toon van iemand, die zich overal „aan -het hoofd” gevoelt. - -„Neen, resident; de lui dachten dat ik de bladziekte kon weren, maar -zóó knap ben ik niet.” - -„Ja,” was ’t antwoord met een zucht vol staatszorg, „dat is ’n leelijk -ding.” - -„Zie je,” vervolgde mevrouw Borne tegen de gastvrouw, „zij is niet heel -gelukkig met hem.” - -„’t Is erg jammer.” - -„Ja, er komt ook zóóveel bij. Geen kinderen, zie je, nooit..... geen -idéetje.” - -Mevrouw Bronkhorst keek haar even aan. Zij kon met het eigenaardig -Indisch idioom maar niet terecht, en over zulke idéetjes van kinderen -te spreken in gezelschap, hinderde haar. - -„Wil je ’n glas malaga?” - -Ja, dat was het eenige, waarmee de Indische kapiteinsvrouw te vangen -was, omdat het, vond ze, iets had van stroop, het eenige dat ze dronk -behalve koffie en koud water. - -„Ik wou,” zei de kapitein met zijn luide commando-stem, „dat ik geld -genoeg had, dan liet ik twaalf ankers malaga aanrukken.” - -„Hou je daar zoo van, kapitein?” vroeg de algemeene ontvanger. - -„Wel neen, maar daar kon ik mijn vrouw mee paaien.” - -„Soedah!” riep deze reeds half boos, „laat mij er asjeblieft maar -buiten.” - -Maar iedereen had er genoegen in en lachte. - -„Zoo! Moet mevrouw zoet worden gehouden?” vroeg de resident. - -„Terdege, hoor! Het is nu al zoover, resident, dat ik geen bittertje -mag drinken of ik krijg er langs als een recruut van een -vice-korporaal.” - -„Soedah, toch!” herhaalde zijn vrouw met verwijtende blikken uit haar -fluweelachtige zwarte oogen. Meer dorst ze niet zeggen, uit vrees voor -den resident. Van alle kanten werden vroolijke opmerkingen gemaakt, -volstrekt niet kwetsend voor haar. Integendeel, men mocht de Borne’s -zeer gaarne. Hij was ’n flink militair en zij een goede, hartelijke -vrouw, en ofschoon ze altijd ruzie hadden, hielden ze wezenlijk veel -van elkaar. Zij was trotsch op hem, al beknorde ze hem aanhoudend, en -in haar hart vond ze dat geen enkel man de vergelijking met hem kon -doorstaan. En Borne zelf dacht altijd met liefde aan zijn knappe, kloek -gebouwde vrouw; men kon, als ze ziek was, hem „onder een hoed vangen”; -hij was dan niet uit het huis te slaan. Maar als ze beiden gezond en -wel waren, hadden ze het altijd met elkaar aan den stok, en in hun -pogingen om elkaar te overschreeuwen was dat gauw genoeg algemeen -bekend geweest op de plaats. - -Toch waren ze gelukkig samen.... op hun manier. - -Toen ze van de receptie thuis kwamen, ging Den Ekster naar de -logeerkamer om de zwarte jas, waarin de bergbewoner het op de vlakte -ontzettend warm had, tegen ’n kabaja te verruilen. - -Zijn vrouw zat bij het flauwe licht van een oud-model hanglamp naast de -tafel op een wipstoel; ze was in sarong en kabaai. Toen ze hem hoorde -aankomen, verborg ze haastig iets in haar koetang. - -Het was maar ’n brief van haar eenige zuster, ’n jong ding nog, van -achttien jaren, maar die er reeds twee getrouwd was met een ambtenaar; -als meisje vertelden zij elkaar alles, en nu ze gescheiden waren, bleef -Lidia tegenover haar zuster even openhartig op het papier; zij had -altijd een ergen hekel gehad aan haar zwager Den Ekster, doch zoolang -deze als administrateur eener onderneming Betsy een goed leven -bezorgde, ging het nog; nu hij buiten betrekking was geraakt en niet -eens ’n spaarpot bleek te hebben, was de verachting van Lidia voor zijn -persoon grenzenloos, en drukte zij zich in haar brief zoo onomwonden -over hem uit, dat Betsy er mee verlegen zou geweest zijn, als hij ’t -had gelezen. Er stond te veel in dien brief. Lidia bekeek daarin van -alle kanten de vraag: hoe haar zuster van dien ellendigen kerel zou -verlost raken; ze schreef over echtscheiding, ja gaf niet onduidelijk -te kennen, dat zij, had ze zulk een man, in staat zou zijn hem uit den -weg te ruimen. - -Terwijl het voorwerp dezer schoonzuster-liefde zich puffend en blazend -ontdeed van zijn lakensch pak en zijn nauwe verlakte schoenen, wipte -Betsy langzaam met haar stoel op en neer, en keek naar hem, in -gedachten verzonken. Zij sprak niet en hij evenmin; ze hadden elkaar -niets te zeggen; ze betreurden beiden, dat ze met elkaar getrouwd -waren; voor de wereld hielden zij zich goed en waren vriendelijk tegen -elkaar; niemand, dan haar zuster, haar tante en de oude meid, wist, dat -het inderdaad een treurig huwelijk was. Toch was Den Ekster een knap -man en zij een mooie appétisante vrouw, met een zeer ontwikkelde buste, -wat niet belette, dat ze ’n fraaie taille had. En terwijl haar -lichaamsvormen in hooge mate de gewone aantrekkelijkheden teekenden, -gaf het ter weerszijden over het voorhoofd tot dicht bij de wenkbrauwen -neergekamd golvend haar iets raphaëlachtigs aan ’t fijn profiel; iets, -dat op de vulgaire bewondering van ’t sterkere geslacht kalmeerend -werkte. Die coiffure was geen mode meer, maar Betsy wist hoe goed ze -haar stond en deed alsof de mode in dit opzicht uit de wereld was. - -Toen Den Ekster, niet aan het warme kustklimaat gewoon, uitgeblazen en -uitgepuft was, ging hij in nachtbroek en kabaja de kamer uit; van onder -haar half gesloten oogen gleed een donkere blik hem na; ’n blik vol -minachting en haat, door een plooi om den mond krachtig versterkt. - -In een duisteren hoek van het vertrek zat een oude inlandsche vrouw op -een matje; het was de meid, die Betsy gedragen had in de slendang en -voor wie zij nonna bleef zoo goed als haar zuster, al trouwden zij ook -honderdmalen. Betsy vond dat goed; ’t herinnerde haar den tijd, toen ze -nog vrij was en bij haar ouders thuis ’n vroolijk leventje leidde, -totdat.... het verwenschte oogenblik kwam, en zij zich liet bepraten -door haar ouders, die haast hadden om van de meisjes „af” te komen en -niets zoozeer vreesden dan met haar te „blijven zitten”. - -Van Den Ekster had zij een afkeer, en omdat ze hem nooit lief had -gehad, vergaf ze hem nooit de geringste kleinigheid. Reeds van den -eersten dag waren ze elkaar tegengevallen; haar stugheid had hem doen -aarzelen; zijn aarzeling had haar nog stugger gemaakt; hij zocht zijn -troost elders; zij had aan troost geen behoefte. Maar alles ging stil -en fatsoenlijk, zonder één onvertogen woord, zonder één luidruchtige -uitbarsting; met wederzijdschen stillen wrok, tegenover „de menschen” -verborgen achter een vriendelijk masker. - -De oude meid, die dat alles van meet af had gezien, haatte den toean -uit instinctmatig plichtbesef; dat hij haar nonna ongelukkig maakte, -was voldoende om hem in haar oogen misdadig te doen zijn. In het begin, -toen ze nog dacht, dat de nonna er om gaf, had ze voorgesteld -geheimzinnige toovermiddelen op Den Ekster toe te passen om hem aan -zijn vrouw te binden; maar Betsy had er om gelachen; tjies! had ze -geroepen met een gebaar van walging; en in het Maleisch had ze haar -hart uitgestort voor de oude baboe, met een zenuwachtige woede, die men -in gezelschap achter het kalme, fraaie uiterlijk niet zou gezocht -hebben. - -Nu vertelde ze aan de nènèh, dat er een brief was van nonna Lidia, en -de oude vrouw in ’t lange blauwe baadje en met de grijze achterover -gekamde haren, kwam dichter bij de tafel, terwijl haar gerimpeld -gezicht vol belangstelling naar den brief was gewend, alsof haar -daaruit rechtstreeks de woorden bereikten, die Betsy tot haar sprak. - -„Zij is gelukkig,” zei de oude met een zucht. „Zij heeft altijd -oentoeng gehad, van kleins af. Het ongeluk was voor u.” - -„Ja,” antwoordde Betsy, ook zuchtend, „het is zoo. Ik kan er niets -tegen doen.” - -„Neen.... als het zoo wezen moet.” - -Mevrouw en de meid zwegen een oogenblik, onder den indruk van het -onafwendbaar noodlot. - -„Hoe maakt het ’t kind?” vroeg de meid, doelend op Lidia’s jongske. - -„Heel goed, en zij is weer....” - -„Allah!” riep de oude, de handen boven het hoofd heffend. „Zij heeft -ook altijd, altijd geluk.” - -„Haar man is hooger in rang geworden.” - -„Ija,” stiet de meid uit met een langgerekte i in een hoogen toon, en -op een wijze alsof het haar niet zou verwonderen, wanneer nonna Lidia -in haar achtergalerij een goudmijn had ontdekt. - -„Had u dien meneer Deier maar genomen; wie weet!” - -„Masa!” viel Betsy verontwaardigd in. „Maar honderd gulden!” - -„Hij had geluk in zijn gezicht,” meende de oude, „en dat heeft deze -niet; zijn gezicht verveelde me al, toen hij den eersten dag kwam.” - -Kuchend en steunend, louter uit gewoonte, en mompelend binnensmonds -ging de oude weer naar haar matje. Betsy sloeg de armen achterover om -de leuning van den stoel en wipte weer langzaam op en neer. - -Neen, geen echtscheiding; dat was altijd compromitteerend, vond ze; als -ze dàt gewild had, dan zou ze reeds lang zoover geweest zijn; maar zij -had er tegen om haarzelve, en Den Ekster ook om zijn familie in -Holland. En toch had het vooruitzicht om met hem te blijven voortleven -veel van een aanhoudende wederzijdsche kwelling. „Als ik dan niet -scheiden wilde,” had Lidia in haar verschrikkelijke openhartigheid -geschreven, „als ik dan niet scheiden wilde van zoo’n ellendeling, dan -zou ik wel voor iets anders zorgen.” - -Betsy las de woorden nog eens over. Verschrikkelijk! Die Lidia was toch -een boosaardig nest. Zij, Betsy, had aan zoo iets nog nooit gedacht. Nu -wilden die woorden haar niet uit de gedachten; ze brachten haar -fantaisie aan het werk, en ze zag, ze zag in haar verbeelding..... - -„Hoe is het Bets, heb je kamerarrest?” - -Zij schrikte van oom Borne’s harde stem. - -„Kom,” zei hij vriendelijk, „blijf daar niet zoo alleen zitten. Kom in -de voorgalerij. Wij zitten er gezellig.” - -Wat oom Borne verstond onder „gezellig”, strookte niet geheel met een -dames-opvatting; hij begreep er onder, dat hij samen met Den Ekster -vóór het diner nog een bittertje dronk, in het aangenaam vooruitzicht, -dat in den naävond een paar heel familiare kennissen kwamen om ’n -partijtje te maken; meneer in een wit jasje en mevrouw in négligé. En -toen het zoo laat was, betrok het mannelijk deel van het gezelschap ’n -speeltafeltje aan den eenen kant der galerij en homberde zwijgend en -ernstig, als hingen hun grootste stoffelijke en zedelijke belangen af -van de wisseling der kaarten. De dames whistten met den blinde en met -„de klets”; al voortspelende hadden ze het druk over de menschen, die -niet aanwezig waren, maakten ze âtjar of gaven elkaar recepten voor -pudding en kwee-kwee, het een en ander afgebroken door geschillen over -„wat” nu eigenlijk troef was, en door de verbaasde vraag van degene, -die aan de voorhand zat, wie nu eigenlijk moest uitkomen, afgewisseld -door quaestiën over het wasschen van de eene voor de andere, en het -daarna aan den verkeerden kant neerleggen van de kaarten. - -Van tijd tot tijd keek kapitein Borne eens op en maakte zijn -medespelers met een glimlach en een hoofdbeweging attent op het praten -aan de andere zijde. - -„Ze maken weer groot slem met haar monden,” zei hij. - -„Hoor maar eens: rrrt!” ratelde de gast, het geluid van de whistende -dames nabootsend. - -„Och, ze hebben gelijk,” meende Den Ekster, die altijd een goedaardige -opinie had over de vrouwen, al hield hij niet van zijne eigene. - -Betsy was stil, en niettemin speelde zij afschuwelijk slecht. - -„Bets,” zei tante Borne ontevreden, „je bent vreeselijk distrait van -avond.” - -„Ja, ik weet niet hoe het komt.” - -„Als je ’n jong meisje was,” zei de „visite”, „zou ik denken dat je -verliefd waart.” - -Met een volmaakt gebaar van minachting, schokschouderde Betsy even. Zij -verliefd! Het was die brief, die nare brief van Lidia. - -Toen tegen halftwee in den nacht de kaarten der drie dames reeds lang -naar de huisjes waren teruggekeerd en de afrekening met een paar -kwartjes was gesloten, annonceerden de heeren „de laatste”, rekenden af -en stonden op. Oom Borne wilde nu, dat zij op hun gemak ’n brandy soda -zouden drinken, maar de visite ging naar huis, en mevrouw Borne en -Betsy gingen slapen, wat den kapitein niet belette alleen met Den -Ekster zijn spiritualiën-plan ten uitvoer te brengen. - -Het was voor Betsy een hoogst onaangenaam leven. Op het land hadden zij -elk hun eigen kamer en kwamen niet meer dan strikt noodzakelijk was met -elkaar in aanraking. Hier kon dat niet. Tante Borne had slechts één -beschikbaar vertrek met één bed; en nu was ze volstrekt niet bevreesd -voor familiariteiten,—noch hij, noch zij zouden daartoe aanleiding -geven of vinden,—maar toch hinderde het haar, dat hij naast haar sliep, -en deze afkeer was zoo wederkeerig, dat in het groote -tweepersoonsledikant elk hunner gestrekt tegen de klamboe lag met een -breede plaats tusschen hen open, die altijd ongerept bleef. - -Zij kon niet slapen; ze had nu werkelijk hoofdpijn van het denken over -den inhoud van dien brief; in huis was het stil; tante Borne sliep en -haar kinderen ook; slechts nu en dan hoorde men een onvast stemgeluid -uit de aangrenzende kinderkamer, als een der kleinen zijn onschuldige -droomen hardop droomde: van ’t gesprek der twee mannen in de -voorgalerij hoorde men in het achterhuis niets; de oude meid sliep -rustig op haar matje; flauw verlichtte ’t brandend pitje in het glas -met klapperolie de eenvoudige kamer, trok op de bruine tafel een -grooten schaduwcirkel, en teekende op de witte muren den halven omtrek -der kasten. Als een vlindertje in ’t vlammetje vloog, het op en neer -deed dansen en daarmee al de schaduwen op de muren in beweging scheen -te brengen, dan schrikte Betsy en voer haar een rilling langs den rug. -Ze vond het dwaas en kinderachtig; ze had zeker binnenkoorts, dacht ze, -en met haar oogen wijd open, staarde ze naar het licht. Maar het hielp -niet. Haar anders zoo kalm hoofdje werkte onregelmatig, en ze zag in -haar verbeelding akelige dingen: het nare gezicht van Den Ekster met -zijn blonden baard, blauwbleek, strak en met gesloten oogen; zij deed -zelfs de oogen dicht, maar ’t hielp evenmin, want ze zag het toch, dat -gezicht, op en neer dansend zonder romp; en daarachter kwam dat van de -oude meid met afzichtelijke grijnzende trekken. - -Zij streek de haren van haar klam voorhoofd weg en stond op; het was in -dat bed niet uit te houden; zenuwachtig opende zij de kast, nam er een -doosje quinine-pillen uit, en slikte haastig een vijftal naar binnen. -Door het kraken van de kastdeuren was de baboe ontwaakt en had ze zich -opgericht. - -Betsy nam een kussen uit het bed en wierp het op de mat, naast dat van -de meid. - -„Er zijn veel muskieten,” zei deze. - -„Soedah.” - -„De grond is hard.” - -„Houd den mond, nèh, en ga slapen.” - -Maar de oude deed dat niet; zij stond op, steunend en mompelend, ging -naar de binnengalerij, haalde een bultzak van een divan en sjouwde die -naar de plaats waar haar nonna lag. De steenen vloer voelde werkelijk -hard door de dunne mat heen. Betsy glimlachte, ging op den bultzak -liggen en zei in ’t Hollandsch: - -„Je bent ’n goeie ouwe ziel, ja!” - -De oude gaf door niets te kennen, dat ze dit verstond of begreep. Ze -nam een waaier van de toilettafel en hield, al waaierend, de gonzende -muskieten, die haar meesteres bedreigden, op een afstand; rustig sliep -Betsy in; honderden malen was ze zóó ingeslapen, toen ze nog vrij was. - -Zóó vond haar Den Ekster tot zijn groote vreugde. Behaaglijk strekte -hij zich uit in het ruime bed. Hij was al bang geweest, dat ze er in -zou liggen en was het met zichzelven niet eens kunnen worden of hij den -nacht dan maar niet verder zou doorbrengen in een luierstoel in de -achtergalerij. En attendant had hij oom Borne aan den praat en aan de -brandy gehouden tot halfvier. - -„Jij bent ook een plakker, jij,” had de kapitein lachend gezegd. „Ajo, -marsch, naar je kooi!” - -En nu vond hij de baan vrij! - -De haat, dien de oude Sarinah haar heer en meester toedroeg, werd -volkomen gedeeld. Hij beschouwde haar als een sta-in-den-weg; toen ze -pas getrouwd waren, en het nog zoo ver niet was gekomen tusschen hen, -had hij Betsy wel eens verzocht de baboe weg te zenden, desnoods met -levenslang behoud van traktement. Er was geen sprake van. Hij had het -in dien tijd op allerlei wijzen beproefd: met goeden raad, met -zachtzinnigheid, met toorn,—’t was alles vruchteloos; toen had hij -getracht de meid zelve te noodzaken heen te gaan: hij schold haar, -behandelde haar hard, beschuldigde haar van diefstal,—’t hielp even -weinig: ’t mensch zweeg. Maar wie daarbij niet zweeg was Betsy; zij was -woedend, en Den Ekster moest haar stille, maar venijnige hatelijkheden -verduren, tot hij het opgaf. - -Na dien tijd beproefde hij het nooit weer, en daar de kloof tusschen -hem en zijn vrouw voortdurend grooter werd, was er ook minder -aanleiding toe dan vroeger. - -Toen hij opstond was het reeds laat. Van Betsy was geen spoor te -ontdekken; die zat reeds lang bij haar tante in de achtergalerij, en de -kapitein was al vroeg vertrokken, voor den dienst. - -„We zullen straks eens naar „hier naast” gaan,” zei tante Borne. „Zij -is een echte totok, maar ’n lief, goed mensch.” - -„We moesten liever eens naar de pasar gaan,” meende Betsy. - -„Neen, Bets. Ik heb het haar beloofd, en je moet voor de aardigheid -zien wat een mooie poppenkast het is.” - -„Zijn ze rijk?” - -„Nu, dat zou ik denken. De resident zei laatst, dat Bronkhorst wel voor -dertig duizend gulden aan inboedel had. Kijk,” ging ze voort over den -pagger wijzend naar het erf van den notaris, „kijk, ze gaat rijden met -de kinderen: dat doet ze elken ochtend; soms komt ze vragen of ik mee -ga.” - -„En gaat u?” - -„Wel waarom niet? ’t Is lekker.” - -„Ik zou niet willen. Als ik ’t zelf niet kon betalen, dan zou ik niet -willen gaan toeren in den wagen van een ander.” - -„Je bent ’n pretentieus nest,” zei tante Borne dreigend. „Ik ben blij, -dat ik zoo gek niet ben. Oom is kapitein; dat is een mooie, eervolle -positie, zoo goed als die van tien pennelikkers, hoor! Maar geld -overhouden kunnen we niet; daar zorgt ’t gouvernement wel voor. -Iedereen mag gerust weten, wie mevrouw Borne is, en als wij geen wagens -en paarden kunnen houden, dan zijn we er toch niets minder om; en -als.....” - -„Heerejé, tante, maak u niet boos. Het is de moeite immers niet waard. -Er steekt zeker niets in, alleen: ik zou het niet doen.” - -Maar tante was er niet tevreden over, dat kon men haar oogen wel -aanzien; toch ging ze er niet op door, want ze wilde geen twist hebben -met Betsy, dáárvoor had ze aan haar man genoeg. - -Omstreeks halftwaalf wandelden de dames in sarong en kabaai en met -groote parasols boven het hoofd het erf van mevrouw Bronkhorst op; men -kon niet vroeger bij haar komen, had tante Borne gezegd, want het -mensch had het altijd zoo vreeselijk druk met het huishouden, en was -nooit vroeger dan halftwaalf te spreken. Zelfs nu nog troffen zij haar -aan in een slaapsarong en een vuile kabaja. - -„Och, mevrouw Borne, ga even zitten als je wilt; ik ben in twee minuten -klaar, maar ik heb het ook van ochtend zoo vreeselijk druk gehad, dat -ik nog geen tijd kon vinden om me wat op te knappen.” - -Terwijl de vrouw des huizes bezig was zich „op te knappen” en tante -Borne in een Palembangschen wipstoel zat te schommelen, liep Betsy de -binnengalerij rond over de gladde marmeren steenen, gepolijst als ’n -dansvloer. Wat was dat alles keurig net! Zij kon haar oogen niet -verzadigen. Zulk een verzameling van fraaie kleinigheden, en zulke -kostbare groote meubelen had ze nog nooit gezien. En welk een -zilverkast! - -„Ziezoo,” zei mevrouw Bronkhorst, die inderdaad heel gauw klaar was. -„Ziezoo, nu ben ik ’n beetje presentabeler. Wel mevrouw Den Ekster, is -het nogal naar uw smaak?” - -„O, mevrouw, ’t is goddelijk!” - -„Noem haar maar Betsy,” zei mevrouw Borne: „ze is nog zoo jong.” - -„Welzeker; ik vind het wel zoo prettig als u mij bij den naam noemt.” - -Mevrouw Bronkhorst keek haar eens aan. - -Ja, jong was ze en mooi ook, dat was waar, daarop viel niets af te -dingen; het eenige wat de notarisvrouw overwoog, was of het -verjeugdigen dier getrouwde vrouw haarzelve niet te oud deed schijnen. -Doch ze stapte er overheen. - -„Nu, Betsy dan. Hoe is het met de hoofdpijn?” - -„Dank u, die is gelukkig verdwenen.” - -„Erg lastig, nietwaar? Kijk, daar komt mijn man. Ik heb hem laten -roepen; het is dezer dagen zoo druk niet op ’t kantoor; hij kan ons -best ’n uurtje gezelschap komen houden!” - -Nieuwsgierig keek Betsy naar den notaris; welk een man moest het zijn, -die zooveel pinterder was dan al die anderen, dat hij geld genoeg -verdiende en rijk genoeg was om allen te overbluffen. - -Zoo men al niet kon zeggen, dat de notaris door zijn uiterlijk dat van -Den Ekster in de schaduw stelde,—voor dezen onderdoen behoefde hij -niet. Daarentegen was hij beschaafder en bewoog hij zich gemakkelijker -tegenover dames; er lag bovendien een innemende vriendelijkheid op zijn -gelaat, die weerklank vond in den toon zijner stem. Hij beviel Betsy -uitstekend. Welk een onmogelijk individu was zoo’n Den Ekster, vond ze, -vergeleken bij een man als deze! Zelfs oom Borne, hoe goedhartig en -braaf, kon met zijn talrijke bittertjes en luidruchtige manieren niet -in een vergelijking komen. Bronkhorst vond haar ook een lief, -sympathiek vrouwtje, en sprak nogal druk met haar. - -„Was het vóór uw trouwen hier ook zoo mooi?” vroeg ze hem, toen hij -haar eenige inlichtingen had gegeven over ’n paar schilderstukken, die -binnen aan den wand hingen. - -„Neen. Ik woonde niet eens hier, maar had mijn kamers in het logement.” - -„Dus bracht mevrouw het mee?” - -„Dat nu juist niet. We hebben het samen gekocht in Europa.” - -„Gelukkige menschen! Ik ben dol op mooi goed.” - -Tante Borne keek haar even aan; zij begreep niet waarom haar nichtje -zoo ongevraagd zat te jokken, want ze wist heel goed, dat ze niets gaf -om meubelen, en, wat fraaiigheden aanging, slechts voor mooie toiletten -en mooie paarden hart had. - -„Och,” antwoordde Bronkhorst eenigszins aarzelend, „als men het eenmaal -heeft.....” - -„Hu ja, u kunt er gemakkelijk over praten..... wat men ontbeert leert -men appreciëeren.....” - -De notaris bleef het antwoord schuldig. ’t Was, vond hij, pijnlijk. -Dienzelfden ochtend nog had hij, sprekend met Prédier, aan den -betrekkingloozen Den Ekster gedacht, en gevraagd of zij hem niet op hun -nieuwe onderneming zouden kunnen gebruiken. Doch Prédier had er geen -ooren naar. Den Ekster was, zei hij, lui, dom en verwaand, en van zulke -menschen moest hij op het land niets hebben. Wel was hij eerlijk, maar, -zei Prédier, ik heb nog oneindig liever een knappen, werkzamen vent, -die me tracht te bestelen; tegen dat laatste zal ik dan wel waken! -Daartegen viel weinig te zeggen, en hoe gaarne Bronkhorst uit -aangeboren hulpvaardigheid ook „iets” voor den neef van zijn buurman -zou gedaan hebben,—op deze onderneming, waarvan hij veel verwachtte en -die aardig wat geld kostte, mocht hij niemand pousseeren, die bekend -stond als lui en dom. - -„Heeft uw man al pogingen gedaan?” - -„Och, notaris!” viel mevrouw Borne in, „als u iets voor hem hoorde, ja? -Het is in den tegenwoordigen tijd zoo moeilijk.” - -„’t Is aan den eenen kant wel gelukkig dat u geen kinderen hebt,” -meende mevrouw Bronkhorst, met de beste bedoeling iets in het midden -brengend, dat door ’n Indische vrouw altijd wordt beschouwd als een -hatelijkheid. Het lichtte eventjes onder de neergeslagen oogleden en de -donkere wimpers van Betsy; ze zuchtte en glimlachte droevig. - -„Het is alles heel treurig voor ons. Daar zitten wij nu op tante’s dak, -en indien zij ons niet wilde logeeren, dan zou ik niet weten waar we -heen moesten, als Den Ekster niet spoedig iets anders kreeg. En ik -vrees..... want ik weet niet of hij er wel zooveel moeite voor doet als -noodig is.” - -Bronkhorst had het niet willen zeggen, maar inderdaad, dàt vond hij -ook. Die jonge vrouw had meer verstand dan haar man. Of had die Den -Ekster, toen hij op de receptie was, zich niet met ’n enkel woord -kunnen aanbevelen bij den resident en bij hem? Dat zou toch eenvoudig -en verstandig zijn geweest. In plaats daarvan poseerde hij als de -vermoorde onnoozelheid en hing den zondebok uit, door onoordeelkundige -eigenaren in de woestijn gezonden, beladen met al de ongerechtigheden -der bladziekte. - -„Het is,” zei hij met een ernstig gezicht, „tegenwoordig geen gekheid -buiten emplooi te zijn. U moet hem maar aan het verstand brengen, dat -hij ’t niet lichtvaardig opneemt, maar in ernst moeite doet.” - -Zij schudde het hoofd. - -„Dat helpt niet.” - -Zie je wel, dacht Bronkhorst; dan had Prédier toch gelijk en was die -Den Ekster verwaand ook. Hij voelde dat hij een hekel kreeg aan dien -man, terwijl hij het in zichzelven zonde en schande noemde, dat zoo’n -lief vrouwtje zich aan zoo’n nonsens-vent had verslingerd. Nu kon hij -niets voor hem doen, en hij wilde dat ook niet; maar toch om -harentwille zou hij zich gaarne moeite hebben gegeven. - -„’t Is jammer,” zei hij toen de dames afscheid hadden genomen, „dat dit -jonge vrouwtje zoo’n naren man heeft.” - -„Ja,” antwoordde Marie, „het is geen gelukkig huwelijk, heeft mevrouw -Borne me verteld. Ze kunnen niet best met elkaar overweg.” - -„Dat wil ik waarlijk wel gelooven; zoo’n kerel, die lui, dom en pedant -is.....” - -„Hoe weet je dat?” - -„Prédier zei het, en ik geloof het nu ook.” - -Het viel de notarisvrouw tegen. Zij had er juist aan gedacht de hulp -van haar man in te roepen ten behoeve van Den Ekster, met het oog op -die koffie-onderneming, waarin hij en Prédier betrokken waren. - - - -„Hoe vind je hen?” vroeg mevrouw Borne onder ’t huiswaarts keeren. - -„Háár..... zóó..... Hem vind ik een aangenaam mensch; men moet zoo’n -vlegel tot man hebben als de mijne om een ander op prijs te stellen.” - -Het hinderde tante Borne. Zij, Betsy, mocht dan tegen haar man hebben -wat zij wilde, maar het paste haar niet hem achter z’n rug uit te -schelden. - -Toen ze thuis kwamen, was tante bijzonder vriendelijk tegen neef, die -zich dat kalm liet welgevallen. Den Ekster was een eigenaardig man met -een karakter, dat ’n groote mate van onverschilligheid tot breeden -grondslag had. Hij hield van alles wat goed was, maar kon het ook -ontberen zonder morren. Daar hij in Nederland op de landbouwschool -geweest was, verbeeldde hij zich ver boven Indische planters te staan, -en gevoelde hij voor deze practici een souvereine minachting. Overigens -bedaard, weinig sprekend bij volkomen ontstentenis van wat men ’n flux -de bouche noemt, was hij onder de veelpraters zeer gezien, omdat hij -hen geduldig aanhoorde en nooit in de rede viel. Oom Borne, een -gezellig praatvaâr, mocht hem graag en noemde hem een lobbes, en tante -Borne, die het mee niet aan radheid van tong ontbrak, hield ook veel -van den aangetrouwden neef, tot wiens groote gaven nog behoorde, dat -hij haar spijzen roemde en de kwee-kwee lekker vond, waaraan de goede -kapiteinsvrouw in het zweet haars aanschijns alle zorgen had besteed. -Het was waar, Betsy was van haar eigen familie, en daar had ze ’n groot -zwak voor, maar in haar hart hield ze veel van den „armen jongen”, die -nu weer zonder z’n schuld buiten betrekking was geraakt. - -„Als we morgenavond eens ’n paar menschen vroegen?” opperde zij, toen -ze na de rijsttafel met den kapitein in hun kamer was. Dat deed ze zoo -altijd; na de rijsttafel was Borne het best in zijn humeur. - -„Wel, dat is uitstekend. Als je maar zorgt, dat ik een partijtje heb.” - -„Natuurlijk, vent. Ik zal....” - -Er volgde een opsomming van de uit te noodigen gasten, waaronder ook de -notaris Bronkhorst en diens vrouw. - -„Jammer, dat hij niet hombert,” meende de kapitein met glinsterende -oogen. - -„Och waarom? Er zijn immers heeren genoeg.” - -„Ja maar zie je, met die gaat het maar om een gewoon tariefje. Als ik -dien notaris eens te pakken kon krijgen....” - -„Dan verloor je misschien op den koop toe.” - -Maar de kapitein glimlachte slim. Hij was sterk in het spel, dat wist -hij, en als een „kleintje” er maar even was door te halen, dan kon men -zeker zijn dat het hem niet ontging. - -Het denkbeeld lachte hem zoo toe, en in zijn verbeelding zag hij reeds -„’n potje” vol „kapitalen” van den notaris, dat hij, Borne, „in de -wacht sleepte.” - -Maar zoo’n man homberde niet! Dat whistte met de dames! „Net ’n wijf,” -dacht de kapitein; met ’n boos gezicht keerde hij zich met ’n ruk om in -bed van den eenen breeden schouder op den anderen, en verontwaardigd -sliep hij in. - -Het was nu toch ’n heel ander gezicht bij de Borne’s, dan wanneer ze en -petit comité waren! Bronkhorst was „ingedeeld” met Betsy en nog ’n paar -dames; hij was zeer galant voor haar en verstond de kunst met gratie te -verliezen. Zij coquetteerde ’n beetje; zij was verreweg de mooiste van -het drietal aan de speeltafel, en onwillekeurig keek de notaris nogal -dikwijls naar haar; het was alsof zij ’t voelde, en als zij met ’n fijn -glimlachje dan de oogleden opsloeg en met haar flonkerende zwarte oogen -hem recht in de zijne keek, dan was het als spoorde hem dat aan zich in -haar oogen behaaglijk te maken. Maar hij dacht daarbij aan niets. Hij -hield veel van zijn vrouw; geen oogenblik ging hij in gedachten verder -dan de omstandigheden van het oogenblik, en die waren, dat hij met een -mooie jonge vrouw ’n partijtje maakte en vriendelijk tegen haar was. - -Toen de gasten heengingen, keek Betsy hen na, voorzoover de halve -duisternis het veroorloofde; eigenlijk zag ze alleen het prachtig -toilet van mevrouw Bronkhorst, en daarna viel haar oog op haar eigen -eenvoudig bruin kleedje met lichter bruin gegarneerd. Wat waren die -menschen gelukkig boven allen! Zou zoo iets ooit voor haar zijn -weggelegd, gebonden als ze was aan dien „kalen jakhals” buiten emplooi, -dien ze bovendien nog haatte ook! Wat leek het duister in de -voorgalerij, nu! - -„Ik ga me gauw uitkleeden,” zei tante Borne. - -„Wij moesten ons ook lekker maken,” meende de kapitein doelende op -zichzelven en op Den Ekster. - -„Dat is ’n goed idée,” zei deze. - -Ze gingen ’t huis binnen. Betsy bleef; ze wilde wachten tot „die vent” -terug was, dan behoefde zij niet tegelijk met hem in de kamer te zijn. -Terwijl de bediende de speeltafeltjes binnenhaalde en de kaarten en -fiches opborg, liep Betsy de galerij op en neer. God, god, welk een -leven! Te zien, hoe onbeduidend andere vrouwen van uiterlijk zijn; te -weten, dat men zelf haar in schoonheid overtreft; te ervaren, dat zij -in weelde zwemmen, en zelf gedoemd te zijn tot misère,—ze kneep haar -waaier haast stuk van woede, maar ze betoomde zich, want ’t was haar -eenige goede. - -En al dat jammer omdat ze als ’n slavin was gebonden aan „dien vent”! -O, maar het was schandelijk en belachelijk tevens, en Lidia.... Ze -durfde ’n oogenblik haar gedachten niet te laten voortgaan, ’t Was om -er koud van te worden! Bovendien: zou God zoo’n misdaad niet -verschrikkelijk straffen? Het denkbeeld hield haar ’n oogenblik bezig. -Zij was gedoopt en aangenomen, maar ze had niettemin altijd erg weinig -„gedaan” aan godsdienst; ze wist er zoo goed als niets meer van, en ze -„deed” er sedert haar aanneming in ’t geheel niet meer aan. - -Toch hield de vrees een oogenblik haar hart benepen, maar met haar -gewoon onverschillig schokschouderen, liet zij het denkbeeld los. Als -er een God was, die zich met iets bemoeide, dan had hij maar moeten -zorgen, dat zij niet zoo’n man had gekregen. - -Toen Den Ekster uit de kamer kwam en zij er binnen ging liep hij haar -bijna omver. Het kwam niet bij hem op zich met een enkel woord te -verontschuldigen; in zijn oogen was zij weinig meer dan een knappe -baboe met tinka’s. Vol minachting keek hij op haar neer en ging zijns -weegs. - -In de kamer ontkleedde haar de meid, alsof zij een kind was; haar rol -was daarbij volkomen passief; toen ze uitgekleed op den stoel zat en de -oude voor haar neerhurkte om haar kousen uit te trekken, stak ze niet -eens het fraai gevormde been uit, maar liet het de meid opnemen, die -het met den hiel op haar eigen knie plaatste, om te beletten, dat het -in slappe indolentie weer terugviel. - -Doch in haar hoofd was het zoo kalm niet; zij was bleek en staarde op -een onverschillig punt, in gedachten verdiept. - -„Soedah!” zei de meid met een zucht, na de tweede kous. - -„Weet je wat mijn zuster schreef?” - -„Misschien.” - -„Wat! Misschien? Hoe kan jij ’t weten?” - -De oude schudde het hoofd. - -„Ik denk zoo maar.” - -„Je kunt het niet denken,” zei Betsy; ze sprak zacht, maar snel en -zenuwachtig; „je kunt het niet denken, nèh! Hoe kan jij weten, wat -nonna Lidia schrijft in een brief?” - -„Ik weet het niet; ik ken nonna Li, zooals ik nonna Betsy ken. Allah! -ze waren nog slechts zóó klein.” - -Mevrouw Den Ekster werd een beetje bang; ofschoon ze het mensch -bejegende met de afwisselende wreedheid en aanhaligheid, die Indische -kinderen voor hun bedienden aan den dag leggen, koesterde zij toch -eenige vrees voor de tooverachtige geheimzinnigheid, die de oude soms -deed blijken; dat was haar bijgebleven uit den tijd toen Sarinah voor -haar kinderbedje zat te vertellen van de gendhroewo, die buiten in de -duisternis achter de boomen gluurde. - -Zij vermande zich en trachtte te glimlachen. - -„Je bent erg pinter, nèh, dat je raden kunt, wat anderen schrijven.” - -„Misschien! Men kan niet weten!” - -„Nu zeg het dan, als je het weet,” zei Betsy boos. „Sta dan zoo dwaas -niet te praten.” - -Steunend als naar gewoonte, kwam de oude naar haar toe, liep tot naast -haar stoel, en met de hand op de leuning zich vooroverbuigend, -fluisterde zij haar meesteres iets in, en ging daarna zuchtend en -mompelend naar haar matje terug om uit te rusten. - -Betsy bleef onbeweeglijk zitten en zag verschrikt naar de gebogen -figuur in het lange blauwe baadje, die in den half duisteren hoek der -kamer neerhurkte. - -Het duurde wel een minuut vóór zij iets zei, en in dit tijdsverloop -snelden haar gedachten voort. Ze voelde nog wel een grooten angst voor -het idée, als voor iets dat onberekenbare gevolgen kan hebben, maar -toch begon ze er meer aan gewoon te raken, en eigenlijk verheugde het -haar, dat ze er nu voortaan met de meid over kon praten, zonder dat ze -haar iets had behoeven te vertellen. - -„Je bent toch zeer slim,” zei ze tot Sarinah, en toen deze zich niet -geneigd betoonde om op dit compliment te antwoorden, ging ze voort: - -„Het is erg slecht.” - -„Als men een slang ontmoet, slaat men haar dood.” - -„Een slang is wat anders.” - -„Somtijds veel minder erg..... ah!..... hu!..... oh!.....” zuchtte en -steunde Sarinah. - -Betsy deed een kabaja aan en ging oom en tante goeden nacht zeggen; de -laatste, in haar kamer, sliep reeds bijna; oom zat met Den Ekster ’n -grogje na te drinken, en daar hij niet zien mocht hoe de eigenlijke -verhouding was tusschen het jonge echtpaar, riep zij uit de -binnengalerij naar voren: „Wel te rusten!” - -„Dag beste meid, vergeet niet je mooie oogen dicht te doen,” antwoordde -de kapitein op vroolijken toon. Den Ekster bromde iets in z’n baard. - -Zij sliep nu elken nacht op den bultzak op den grond; tante Borne wist -het wel, maar deed alsof ze niets merkte, en de kapitein was van die -dingen volstrekt niet op de hoogte. - -Haar slaapplaats was reeds door de oude gereed gemaakt; het mensch zat -te wachten met den waaier. Betsy ging eerst op haar harde matras -zitten; ze moest iets zeggen, het kostte wat het mocht, maar de woorden -wilden haar niet over de lippen; haar hart stond bijna stil en haar -hoofd klopte, als onderging zij met schuldgevoel een scherp onderzoek; -zij voelde haar handen en voeten koud worden als steen, en haar mond -werd droog van binnen. Sarinah zat er bij als een stomme; ze vroeg -niets, stond zachtjes steunend op, schonk water in een glas uit den -gendih en reikte het haar toe. Ruw stiet zij de bruine gerimpelde hand -weg, zoodat het water over den vloer spatte, en zag hevig verschrikt de -oude aan. - -„Masa!” riep deze afkeurend. - -„Nèh, ik ben bang van je! Ga weg, ga weg!” fluisterde Betsy in groote -opgewondenheid. - -„Oeah! Waarom is de nonna bang voor haar oude baboe?” - -„’t Is slechts gekheid; nèh; ik ben kinderachtig, ja! Geef me het water -maar; het is heel goed van je.” - -Zij dronk en ’t bedaarde haar een weinig, maar toen Sarinah haar gewone -plaats op het matje had ingenomen, kwamen dezelfde physiologische -verschijnselen weer terug, en het was de oude meid alsof haar -verdroogde vingers een ijsbad namen, toen Betsy ze greep met beide -handen en bijna onhoorbaar vroeg: - -„Zou je het durven?” - -Het antwoord bleef ’n oogenblik uit; de baboe zag met haar doffe -onverstoorbare oogen in ’t ontstelde, verwrongen gezicht van het mooie -vrouwtje; en ze glimlachte vredig en streek zacht over den rijkdom van -glanzend zwart haar, zooals ze het ’t kleine kind had gedaan en het -opgroeiend meisje, waarover ze gewaakt had dag en nacht, en dat nu zoo -ongelukkig was. - -„Boleh tjobah,” antwoordde ze zacht. - -Toen volgde een fluisterend gesprek tusschen beiden, tot Betsy opstond, -met bevende handen de kast opende en uit haar beursje een paar gouden -tientjes nam; het was een klein deel van wat ze op het land had -bespaard, maar dat in de dagen van tegenspoed reeds aanmerkelijk was -geslonken. Sarinah stak het geld in een vuil katoenen zakje, dat ze -oprolde en tusschen haar sarongband verborg. - -De oude hand met den waaier erin was reeds lang gedaald en het grijze -hoofd lag op het onzindelijk kussentje, waarop het gewoonlijk rustte; -Den Ekster sliep reeds en snorkte zoo hard dat de glasruiten er van -rinkelden; maar Betsy was, hoewel zij stil lag en met gesloten oogen, -nog klaar wakker midden in den nacht. Zij kon niet slapen. Wel beving -haar nu en dan een loodzwaar gevoel van verdooving, zoodat het was -alsof ze haar arm niet kon oplichten of haar hoofd niet kon bewegen, -maar haar geest bleef waken, denkend over dat ééne onderwerp, het -beziende van alle kanten, het wikkend in alle voor en tegen, in alle -zelfs zijn meest veraf liggende fantastische gevolgen. Nu en dan liep -haar een rilling over het lijf alsof ze koorts had en een dreunend -pijnlijk gevoel trok haar door het hoofd van den eenen kant naar den -anderen. Toen de natuur overwon en zij in slaap viel, liet het -boosaardige plan haar geen rust; zij droomde van gruwelijken moord; zij -sneed eigenhandig iemand het hoofd af en verborg dat onder haar kabaja; -toen kwam de assistent-resident en wilde haar geboeid tusschen zijn -oppassers meenemen; maar zij wilde niet om dat hoofd; en zij voelde hoe -het bewoog met de trekken, hoe die beweging zichtbaar was aan haar -kabaja, en terwijl ze trachtte dat te verbergen voor de politie, die -haar wilde gevangennemen, opende het hoofd den mond en beet haar in de -borst. „Neem het weg,” riep ze of wilde ze roepen, en in werkelijkheid -stiet ze een paar benauwde toonlooze kreten uit, die haar zelf deden -ontwaken en ook aan het snorken van Den Ekster voor ’n oogenblik een -einde maakten. Het koude zweet gudste haar van het voorhoofd; haar -gelaat was doodsbleek en haar handen sidderden, terwijl zij snel en -diep ademhaalde. - -„Bagimana!” zei zachtjes en op afkeurenden toon de oude meid, terwijl -ze met een machinale beweging den waaier op en neer deed gaan en met -haar slendang langs het voorhoofd harer meesteres wreef. - -Den volgenden morgen aan het ontbijt beschouwden tante en oom het -nichtje met belangstelling en bezorgdheid. - -„Kind, wat ben je bleek!” - -„Mijn hemel, je bent ziek. Wat scheelt er aan?” - -„Ik ben niet erg lekker.” - -„Sakit peroet,” hoestte de oude Sarinah, die bij de naaister op de mat -was gaan zitten. - -„Nu,” zei mevrouw Borne, met al de zekerheid, die zij uit haar boekoe -obat putte, „daar zullen we je wel wat voor geven.” - -„Het is de moeite niet waard, tante.” - -„Je ziet er toch heel slecht van uit.” - -„’t Zal morgen wel beter zijn.” - -Er werd niet verder over gesproken. Na het ontbijt kreeg Betsy, die -niet had meegegeten, ’n smeersel uitwendig en ’n bitter drankje -inwendig, waarop ze ’n half uur later tot groote vreugde der -kapiteinsvrouw verklaarde, dat het haar uitstekend had geholpen. - -„Er gaat niets boven inlandsche medicijn,” verklaarde tante plechtig. -„Je ziet er wezenlijk al veel beter uit.” - -Nu dat laatste was waar, maar Betsy moest bij haarzelve toch lachen om -de heilzame werking van geneesmiddelen voor kwalen, die men niet heeft. -Met een onrustig oog volgde zij dien dag Sarinah, in al haar doen en -laten. - -Het manah nèh? lag haar telkens, als de oude niet in haar nabijheid -was, op de lippen. - -„Wees toch niet zoo vervelend!” had tante gezegd. „Het is of je ’n -klein kind bent.” - -De dag ging voorbij en de volgende zonder dat er iets gebeurde; de -zenuwachtige toestand van Betsy verdween, en ze zag alles kalmer aan; -zij liep immers persoonlijk volstrekt geen gevaar! Sarinah zou haar niet -verraden, dat wist zij. Bovendien, zijzelve deed immers niets -hoegenaamd en nimmer kon men haar iets bewijzen. - -Maar den derden dag liep het haar koud langs den rug en verschoot zij -van kleur, toen ze aan de rijsttafel gewaarwerd dat Den Ekster er -slecht uitzag. Zij had hem in de laatste dagen meer in het oog -gehouden, dan vroeger in maanden; zij zag het dadelijk en begreep. Toch -kon het nog niet erg wezen, dacht ze, want de Borne’s schenen er nog -niets van te bespeuren. Alleen toen Den Ekster, die in gewone -omstandigheden begaafd was met een verbazenden eetlust, slechts een -enkelen lepel rijst nam, vroegen oom en tante in volle verbazing en als -uit één mond: - -„Wat mankeert jou?” - -„Ik heb ’n onaangenaam gevoel in den buik; ik ben heelemaal zoo loom en -soezerig.” - -„Wacht, ik zal je straks wel helpen. Zij,” antwoordde tante, doelende op -Betsy, „had voor een paar dagen precies hetzelfde; ik heb er haar in -een paar uren afgeholpen. Is het niet waar, Bets?” - -„Ja.” - -Onwillekeurig keek Den Ekster naar zijn vrouw, die net had gehad, wat -hij nu gevoelde te hebben. Het gebeurde niet dikwijls, dat hij haar -aanzag, maar het trof hem nu, dat zij werkelijk bleek en vermagerd was. - -„Ben je heelemaal beter?” vroeg hij op zijn gewonen afgemeten toon. - -De oude vijandschap verdrong elk gevoel van medelijden. - -„Natuurlijk,” zei ze, en uit den klank van haar stem kon men duidelijk -hooren, dat ze er had willen bijvoegen: „ik ben niet zoo’n sukkel als -jij.” - -Hij gaf er geen weerwerk op, maar glimlachte spottend, zooals men doet -over de dwaasheid van een kind; daarna keek hij droevig naar zijn ledig -bord en schonk zich een groot glas water. - -„Je moet niet zooveel water drinken,” zei de kapitein; „dat is niet -goed. Neem een glas cognac.....” - -„Wel, Borne,” riep zijn vrouw. „Je lijkt wel mal met je sterken drank -bij buikziekte.” - -„Dat ben je zelf met je heele inlandsche medicijnrommel,” riep hij met -de hand op tafel slaande. „Een glas cognac is altijd goed.” - -„Het is niet waar; het is vergif, en mijn inlandsche medicijnrommel is -heel wat heilzamer dan al dat..... zuipen.” - -’t Hooge woord was er alweer uit en een woordentwist, die op niets -hoegenaamd uitliep, maar zooals zij er wel vijftig in het jaar hadden, -luid en heftig, brak los. Den Ekster noch Betsy spraken er een woord -tusschen; hij was er te onlekker voor, en zij had zulk een gevoel van -bevangenheid, dat het gekijf haar niet eens erg duidelijk was. -Eindelijk kwam er een eind aan. Bij tante Borne kwamen tranen -aanrukken, en toen stond de kapitein rood als vuur van tafel op, zette -zijn stoel neer als moest die door den grond en rukte uit naar zijn -kamer. - -Den Ekster stond ook op, zuchtend en naar het scheen erg vermoeid, want -toen hij uit de achtergalerij naar binnen ging, knikten zijn knieën. - -Zij durfde niet in de kamer komen. - -„Ga jij niet slapen, Bets?” vroeg tante. - -„Neen, ik blijf hier.” - -„Nu, dat is goed; dan kun je me gezelschap houden.” - -Betsy wist daar alles van. Geen kwartier was verloopen of de kapitein -riep met vervaarlijk bas-geluid: - -„Hoe is het nu? Blijf je daarachter overnachten?” - -En toen stond tante op. Zij zei met een triomfantelijke uitdrukking op -het gezicht: „Daar heb je hem al,” en ging gauw haar aandeel nemen in -de echtelijke siësta. - -Het was zoo stil als het is, midden op den dag bij het brandende -zonnetje. Mensch en dier zochten schaduw en verademing; de groote -huishond strekte zijn lichaam uit op de koude treden van de steenen -trap om de oppervlakte van zijn huid zooveel mogelijk er mee in -aanraking te brengen; de kippen woelden zich onder boomen en planten -kuilen in den grond en lagen daarin met opgestoken veeren, als zett’en -zij de vensters hunner pluimage van de warmte open, gelijk men het die -van een huis doet; de bedienden lagen in hun kleine vertrekken op het -achtererf voor negen tienden naakt op hun balé-balés; geen haan dacht -aan kraaien, geen vogel aan zingen, geen hond aan blaffen,—alles -onderging den invloed van den tropischen middaggloed, die de lucht deed -trillen, en verzengend en afmattend in altijd terugkeerende golvingen -heen en weer ging. - -Betsy zat op een bank in een hoekje, quasi bezig met het borduren van -pantoffels, ongeveer het eenige wat zij kon; zij deed het bij uitstek -fraai, maar ditmaal knoeide zij geweldig. - -Nauwelijks was tante weg of Den Ekster kwam driftig naar buiten en ging -naar achter. Met een verholen blik zag ze, dat hij nog bleeker was dan -te voren. Wat zou het worden? Haar hart klopte zoo snel, dat het haar -vrees aanjoeg. - -Hoe zou het wezen, als hij terugkwam? Zou het een crisis worden met -verschrikkelijken doodstrijd? Zou hij het zelf bemerken en het zeggen, -misschien? Zou hij het stervend haar verwijten in het bijzijn van oom -en tante? Zij kon niet blijven zitten, wierp de pantoffels weg, ging -naar binnen en bevochtigde haar slapen en polsen met koud water. Het -was niet uit te houden! En toen ze gereed was, scheen het haar toe, dat -hij al wel een uur weg was, naar achteren. Als hij daar eens dood was -gebleven! Zij liep er heen, ofschoon ze zoo beefde, dat ze waggelde op -de hooge hakken harer slofjes. - -„Ben je nog dáár?” vroeg ze zacht buiten de deur. - -„Ja,” antwoordde met een zucht ’n klagende stem, welke niet de stem -scheen van Den Ekster. - -„Als je ziek bent, kan ik je dan ook helpen?” - -„Jij niet,” was het antwoord, dat klonk als van iemand, die doodmoe en -afgemat is. „Stuur me die oude meid maar.” - -Zij vloog naar binnen. - -„Nèh, ga gauw naar achter en help mijnheer.” - -„Oeah!” zei Sarinah langerekt en zangerig. „Moet ik op mijn ouden dag -de baboe zijn van zulke groote kinderen?” - -„Kom, ga nu maar.” - -„Ik ga al,” steunde de oude niet zonder spotternij. „Het is zoo erg -niet. Lekas baïk!” - -Betsy ging weer in de achtergalerij zitten met het borduurwerk in de -hand, maar den blik onafgewend naar den kant, van waar Den Ekster komen -moest. Weer duurde het lang. Eindelijk kwam hij, steunend op den arm -van de zelf gebogen oude meid. Wat zag hij er uit! Snel sloeg zij de -oogen op haar borduurwerk en trachtte ’n paar steken te doen, die -scheef en schotsch op het stramien kwamen. - -Toen hij voor haar stond, keek zij op en zag in de diepliggende, door -kringen omgeven oogen, waarvan het blauw tegen de vale kleur der wangen -afstak. - -„Wil je zoo goed zijn,” vroeg hij weer met de stem, die zij niet kende, -en die de zijne niet was, „den dokter te laten roepen? Ik ben erg -ziek.” - -„Ik zal het dadelijk doen,” zei ze. Haar stem trilde en had ook een -geheel veranderden klank, maar hij lette daar niet op; hij had al zijn -aandacht noodig voor de krampen in zijn ingewanden en het brandend -gevoel, dat zijn lichaam als verschroeide. - -Tante Borne was wakker geworden en wilde Den Ekster obat geven, maar de -kapitein was daartegen en de patiënt zelf ook. Bovendien had Betsy -reeds om den dokter gezonden, en toen die kwam durfde tante niets meer -te zeggen, maar terwijl hij Den Ekster in de kamer onderzocht en Betsy -met haar in de achtergalerij wachtte, zei ze op zeer stelligen toon: -„Ik zou begonnen zijn met hem een lepel castor-olie te geven.” Sarinah, -die het hoorde, knikte met het hoofd en zei, dat de njonja besar pinter -sekali was. - -De jonge, pas uit Europa aangekomen officier van gezondheid klopte, -luisterde, informeerde, keek bedenkelijk, schreef een recept en -vertrok. Des namiddags kwam een hevige koorts opzetten. Weer werd de -dokter gehaald, die zijn voorschriften gaf, naar zijn beste weten. De -kapitein en diens vrouw maakten zich ongerust. Betsy zat in de kamer, -waar Den Ekster ziek lag, roerloos als een steenen beeld, terwijl -Sarinah als ziekenoppasseres fungeerde en trouw op tijd, want ze kon op -een horloge zien, de medicamenten uit de Europeesche apotheek -toediende. - -De goede familie Borne zag in de diepe verslagenheid van Betsy een -bewijs van medelijden en verborgen genegenheid. - -„Kom,” fluisterde tante haar toe, „kom Bets, ga mee naar achter ’n kop -thee drinken. De oude zal hem wel goed verzorgen, en je kunt hier toch -niets doen.” - -De zieke lag in een doffe sluimering; de koorts scheen te wijken; de -temperatuur was aanmerkelijk gedaald; maar niettemin kreunde hij in -zijn slaap, als gevoelde hij pijn. - -Het was den volgenden dag iets beter. De dokter kwam trouw ’s morgens, -’s middags en ’s avonds, de medicijnen werden geregeld gebruikt, en oom -Borne verklaarde met een zucht van verlichting, dat, al had dan Den -Ekster door dien korten aanval een geducht „rokje uitgetrokken”, hij er -toch wel gauw weer „bovenop” zou zijn. - -Betsy wist niet, hoe zij het had. Wel was haar door die beterschap een -pak van het hart genomen, maar nu de vrees en de agitatie voorbij -waren, en haar zenuwen bedaarden, vond zij het een vreemd en dwaas -geval. Toen den derden dag na den ziekteaanval Den Ekster, schoon bleek -en erg zwak, weer aan de rijsttafel verscheen en niet zonder appetijt -de flauwe kostjes nuttigde, door tante met zorg voor hem gereed -gemaakt, verklaarde oom, zeer stellig, dat de vijand overwonnen was en -Den Ekster nog niet naar „kapitein Jas” ging, onder „den groenen -deken”, maar dwaalde de vragende blik der jonge vrouw onwillekeurig -naar den kant, waar Sarinah op de mat bij de naaister zat. - -Maar de oude keek niet op. Zij deed voor tijdpasseering eenig grof werk -en mompelde nu en dan eenige woorden, die door de jonge naaister met -zekeren eerbied werden aangehoord. - -Dat alles hinderde haar en maakte haar boos, wat nog verergerde door de -toespelingen van den kapitein, die meende heel goed te doen, toen hij -zei: - -„Nu, Bets heeft zich wàt ongerust over je gemaakt toen je ziek waart. -Men kon haar „onder een hoedje vangen.”” - -Het deed Den Ekster toch goed, al had hij haar niet lief, en eenigszins -vriendelijk vroeg hij: - -„Was je bang, dat ik dood zou gaan?” - -De alle opgewektheid doodende sluier van onverschilligheid trok weer -over haar gelaat, en sprak als ’t ware uit haar geheele houding. - -„Volstrekt niet. Ik heb ’n hekel aan ziekte, dat is alles.” - -„Zoo! Had je misschien gedacht, dat ik je ’n jong weeuwtje zou maken?” - -„Ja,” zei ze brusk-weg. - -„Hm! Nu, dan is dat een vergissing geweest.” - -Zij zweeg, doodsbang, dat zij te veel zou zeggen. Oom en tante Borne -vonden het verschrikkelijk en de kapitein nam zich ernstig voor deze -quaestie later, als Den Ekster geheel was hersteld, op afdoende wijze -tot een geschikte oplossing te brengen. Dat moest anders worden, vond -hij. Zulke jonge menschen! - -En mevrouw vond het ook. - -„Ze houden betoel van elkaar,” meende zij, alle harten rekenend naar -haar eigen, „maar het is of Joost er mee speelt, — ze vatten alles -verkeerd op, en de een doet den mond niet open of de andere is klaar om -zich te verdedigen, ook als er niets te verdedigen valt.” - -„Het is maar gelukkig, oudje,” zei de kapitein, zorgvuldig zijn -uniform-jas uit de kreuken trekkend, „dat wij zoo niet zijn. We mogen -dan al eens ’n los woord hebben, maar als het er op aankomt, dan weten -we toch wel waar Abram den mosterd haalt, hé?” en hij sloeg den arm om -haar heen en kuste haar, terwijl zij hem lachend een ouden gek noemde, -maar geen de minste poging deed om zich los te maken; integendeel! - -Zelfs Betsy sliep rustig; thans meer dan ooit op den bultzak. Borne, -die tijdens de ongesteldheid van Den Ekster ’s avonds zijn troost weer -in de sociëteit had gezocht, was reeds lang tehuis. Het Zwitsersche -klokje, dat in de achtergalerij aan den wand hing, sloeg helder en met -lange tusschenpoozen drie slagen. Den Ekster werd wakker; zijn mond was -droog, en met schrik voelde hij weer het brandende gevoel, door zijn -geheele lichaam, en de pijn en de zwaarte in zijn ingewanden; het -gonsde in zijn hoofd en de lamp scheen zoo duister; hij voelde zijn -huid branden en lette op de snelle overgangen zijner gedachten van het -eene onbeduidende onderwerp op het andere. Hij had het weer terug, dat -voelde hij! Het kwam weer op met dezelfde woede, waarmee het de vorige -week was gekomen; wat zou het nu worden, nu hij zooveel -weerstandsvermogen niet meer had? - -„Nèh!” riep hij. - -De oude meid was dadelijk bij de hand. Als ze op zijn roepen gewacht -had, kon ze niet vlugger geantwoord hebben. - -Hij vroeg een glas water; haastig dronk hij het leeg, en nog een, en -nog een. Dat hielp een oogenblik! Maar toen kwamen weer de stekende -pijnen en de aandrang. De meid hielp hem flinker, dan men van haar -ouderdom zou verwacht hebben. Betsy schrikte wakker. Zij sprong op van -haar slaapplaats. - -„Wat is het?” - -„Stuur om den dokter,” kermde hij, van pijn weer krimpend. - -Zij vloog zelf de deur uit; ze was blij, dat ze weg kon komen uit het -huis; eerst had ze oom en tante gewekt, en nu ijlde ze zenuwachtig -voort op haar bloote voeten naar het huis van den dokter, dat wel een -halven paal van ’t hare verwijderd was. - -Voor den jongen dokter was het een groote teleurstelling. Het had hem -reeds zóó verheugd, dat hij dezen patiënt had genezen van wat hij -meende dat een klimaatziekte was. Hij had in Indië met veel -wederwaardigheden te kampen; de eenige taal, waarin hij zich bij -Europeesche bewoners kon verstaanbaar maken, was het Duitsch. Maleisch -en Hollandsch kon hij nog niet spreken, en daar zijn meeste patiënten -slechts in die talen tehuis waren, kostte het ontzaglijke moeite -behoorlijk inlichtingen te ontvangen. Nu deed zich dat naar het scheen -ernstig geval voor; hij meende goed geraden en overwonnen te hebben, -maar verheugde zich te vroeg; de zieke scheen weer ingestort. - -Toen hij ten huize der Borne’s kwam, zag hij dadelijk dat het ergste te -vreezen stond. De temperatuur van den zieke was vreeselijk hoog; ook de -overige verschijnselen waren hevig, en wat het ergste was, de patiënt -lag geheel uitgeput ter neer, onverschillig voor alles wat gebeurde, -half bewusteloos soms en nu en dan eenigszins opgewonden, maar wat -lichaamskracht aangaat, altijd zwak en hulpbehoevend. - -Tante Borne hielp de oude Sarinah; wat de dokter gelastte, deden zij, -en na een uur of wat scheen de aanval eenigszins te bedaren. - -In het Duitsch zei nu de jonge man tegen kapitein Borne, dat hij naar -huis ging; hij zou omstreeks tien uren terugkomen; men moest trouw zijn -voorschriften volgen, en als het erger mocht worden, wist men, waar men -hem vinden kon. - -„A propos!” zei de kapitein, toen ze samen in de voorgalerij kwamen, -waar de frissche ochtendlucht hen verkwikkend tegenstroomde. „Wat zou -je denken dat hem eigenlijk scheelde?” - -De jonge man trok eenigszins zenuwachtig aan zijn kneveltje, dacht een -oogenblik na en zei toen met groote snelheid: „Bösartige tropische -Sumpffieber mit Localisation auf dem Plexus solaris. Guten Morgen, Herr -Kapitän.” - -En weg was hij! - -Het martiaal gezicht van kapitein Borne nam al luisterend een kluchtige -uitdrukking aan van verbazing, en zonder terug te groeten keek hij -verbluft den jongen vreemdeling na, die met vluggen tred heenging. Maar -een oogenblik later fronste hij de wenkbrauwen en mompelde een krachtig -woord. Was die vent gek, met zijn koeterwaalsch en zijn potjeslatijn? -Het was ’n rare boel, meende de kapitein, het leger op te schepen met -onverstaanbare dokters. - -Toen hij weer in de ziekekamer kwam, trof hem de uitdrukking van angst -en schrik, die uit ’t geheele wezen van Betsy sprak, al zat ze stil op -een stoel, plukkende aan haar zakdoek, en zonder dat ze deel nam aan de -bedrijvige ziekenverzorging harer tante. Hij nam zijn vrouw ter zijde. - -„Ik zou haar naar buiten zenden met de meid; kijk ze er eens uitzien.” - -„Ja, daar heb ik niet op gelet. Kasian, ze is heelemaal afgevallen! -Bets, ga jij zoo lang naar achter, ja, en laat de nèh je wat opknappen. -Wij kunnen het nu hier wel af; als je noodig mocht zijn, zal ik je -roepen.” - -Sarinah hielp haar en steunende op de meid ging zij de kamer uit. Op de -bank in de achtergalerij viel zij als het ware neer. - -„Bagimana!” zei de oude met van verbazing hoog opgetrokken wenkbrauwen; -„wat scheelt de nonna toch?” - -En toen ze geen antwoord kreeg, maar de groote oogen zich vol angst en -schrik op haar vestigden, voegde zij er hoofdschuddend bij: - -„Het is alles vanzelf gekomen; ik was nog niet eens begonnen.” - -„Nèh,” riep Betsy opgewonden en halfluid: „je liegt!” - -Doch Sarinah hield vol. Soenggoeh mati het was waar. Zij had nog niets -gedaan, hoegenaamd, en ze had de gouden tientjes nog ongewisseld in ’t -zakje tusschen haar sarongband. Betsy geloofde het nu; het was zoo -heerlijk het te kunnen gelooven! Ze haalde diep adem en streek heur -hoofdhaar naar achteren. Dat was een bevrijding, even heerlijk als -onverwacht! Zij stond op met haar gewone veerkracht en rekte haar fraai -gevormde leden uit; er kwam meer kleur op haar gezicht en glans in haar -oogen; zij had het kunnen uitschreeuwen van pret: ze nam het grijze -hoofd van Sarinah tusschen de handen en kuste haar op de wang. - -„Geef me gauw ’n handdoek, nèh; ik ga baden!” - -Steunend en mompelend ging de oude een kamer binnen om den doek te -halen: toen ze dien bracht, zei ze: - -„Moet de nonna niet eens in de kamer om te kijken, hoe het den toean -gaat?” - -Betsy rukte haar ruw den doek uit de hand, en de oude haat tegen haar -man misvormde weer haar trekken. - -„Tjies,” antwoordde zij, „laat hem voor mijn part....” - -Vlug sprong ze de trapjes af naar beneden en liep als een jong meisje -hard naar de badkamer, als had ze haast om al de onaangename -gewaarwordingen, die haar nutteloos en noodeloos gekweld hadden, weg te -spoelen. - -Sarinah ging in het ziekevertrek, waar de kapitein en diens vrouw druk -bezig waren met Den Ekster. Het hoofd rustte op Borne’s breeden, -sterken arm; het bleeke gezicht, diep ingevallen, zoodat de sterke, -witte tanden als door de huid heen schenen, was omhoog gericht; de -groote blauwe oogen dwaalden langzaam heen en weer. - -„Ik voel, dat het uit is. Dag oom, God zegen je.” - -„Dag arme kerel,” antwoordde de kapitein met tranen in de oogen, een -prop in de keel en een verzwegen krachtig woord op de lippen. - -„Dag, beste tante.” - -Zij kon niet antwoorden, zóó overmeesterde haar de aandoening. - -Een oogenblik, met moeite, benauwd en pijnlijk ademend, zag hij rond. - -„Dag nèh! Slamat tinggal,” zei hij tegen Sarinah, die bij het bed stond -en hem had opgepast. - -„Tabé toean,” klonk het doodbedaard terug. „Slamat djalan.” - -Hij hoorde het niet meer. Een oogenblik van hevige pijn scheen in te -treden; een kort moment slechts: toen was het uit, het lichaam rekte -zich, en een zacht gorgelend keelgeluid............ - -„Tournez, tournez!” neuriede Betsy, terwijl zij zich siramde in de -badkamer. - -„Nonna, nonna!” riep de oude meid aan de deur. - -„Nu, wat is er?” - -„Al dood!” - -Zij danste op haar toonen over den steenen vloer en zwaaide, in stilte -juichend, den blikken gajong boven haar hoofd. Goddank, dat het uit was -en dat zij er geen schuld aan had! - -De kapitein en zijn vrouw hadden in het gewichtig oogenblik zelfs niet -aan Betsy gedacht; zij was ook zoo weinig de vrouw geweest van haar -man! Nu Den Ekster gestorven was, schoot het tante Borne als een -bliksemstraal door het hoofd; in haar zenuwachtigen toestand, het -gelaat van tranen glimmend, vloog ze naar achteren; Sarinah was haar -vóór geweest, en toen zij luid snikkend bij de badkamer kwam, waarheen -ze liep toen zij de jonge weduwe niet zag in de achtergalerij, ging de -deur open en trad Betsy naar buiten, kalm glimlachend, schoon en -ongevoelig. - -„Bets, lach niet! Och God, hij is dood!” - -Zij wilde geen onaangenaamheden hebben met haar tante, nu minder dan -ooit, en daarom zette ze dadelijk een gelegenheidsgezicht. - -„Ik lach niet; het is verschrikkelijk.” - -„Ja. Och, hij heeft een oogenblik nog zóó geleden!” - -Tante Borne veegde haar behuild gezicht af met de punt van haar kabaja; -zij lette er niet op, dat ze haar zakdoek in de hand hield. - -„Het is vreeselijk, zoo jong. Oom is er ook kapot van.” - -Dat was waar, want de kapitein hemde en kuchte, en klopte met de vuist -op de borst, en liep met vasten tred en een verschrikkelijk kwaad -gezicht de kamer op en neer, nu en dan een blik slaande op het lijk, en -met een krachtig woord zichzelven afvragend, hoe het mogelijk was. De -dames kwamen binnen; bij het zien van den doode kwamen tantes zenuwen -weer geweldig in werking. Betsy zag kalm op het pijnlijk vertrokken -gelaat; zij kon het niet verder brengen dan tot het -gelegenheidsgezicht, al hadden er schatten mee verdiend kunnen worden; -gelukkig voor haar kwam haastig en verschrikt de dokter binnen om het -eenige te doen, wat hem restte: den dood te constateeren. En terwijl -hij voor het bed stond, keek Betsy naar het pijnlijk vertrokken -vaalbleek gezicht. Het was haar bekend! Zóó had zij het meer gezien! -Zóó had het dien avond, toen ze koortsig was en voor de eerste maal op -den grond ging slapen op den bultzak, haar voor de oogen gedanst zonder -romp. ’t Was precies hetzelfde; de overeenkomst hield haar aandacht -onwederstaanbaar geboeid. Maar zij gevoelde niets; geen zweem van -medelijden zelfs. In haar binnenste leefde slechts het bewustzijn, dat -ze nu vrij was; ’t scheen alsof een stem in haar hart dit voortdurend -juichend en triomfeerend herhaalde. Vrij en toch niet misdadig! Zij had -niets op haar geweten; niemand kon haar iets ten laste leggen, want hij -was vanzelf gestorven en Sarinah had het geld nog in het zakje. Nu, dàt -mocht het oudje houden! - -Op het notariskantoor was alles stil. De vensters, door het weelderig -geboomte op het erf beschaduwd, waren ten overvloede door groene stores -tegen de doorvallende zonnestralen beveiligd. Kriskras gingen de pennen -der klerken over het papier; zóóveel woorden op een regel, zóóveel -regels op een bladzijde met eentonige regelmaat in de lange op- en -neerhalen. Een Chinees zat dicht bij Bronkhorst en sprak met hem op -zachten toon, nu en dan met een luid „saja toean,” als hij bemerkte dat -de notaris hem precies had begrepen. - -Driftig werd de achterdeur opengestooten, en ofschoon ze zag, dat haar -man „zaken” had, liep ze tot vlak bij zijn schrijftafel. - -„Er is een vreeselijk ongeluk gebeurd, Jean,” zei ze zenuwachtig. - -Hij rees verschrikt op. - -„Een ongeluk? Wat dan?” - -„Den Ekster is zooeven overleden.” - -„O zoo! ja, dat is erg ongelukkig. Zoo’n jonge man!” - -Maar het had hem werkelijk opgelucht, toen hij hoorde, dat het niets -anders was, want hij had aan de kinderen gedacht. - -„Willen we er niet heen gaan?” - -„Zeker. Ga jij maar vast vooruit. Ik kom dadelijk, zoodra ik met deze -zaak gereed ben.” - -Zij ging ijlings heen, om zich ’n beetje „op te knappen”, want ze was -nog volstrekt niet klaar met het „huishouden”, en ten slotte hield haar -dat juist zóólang bezig, tot ze gelijk met haar man naar het sterfhuis -kon gaan. Reeds meer vrienden en kennissen van de familie Borne waren -daar bijeen; het gerucht van het sterfgeval had als een loopend vuur de -ronde gedaan op de plaats, die zich met zoo weinig afwisseling en zoo -weinig nieuws behelpen moest. Velen hadden met de logé’s kennis -gemaakt, zonder dat ze verder iets van de onderlinge verhouding wisten, -en Betsy werd hartgrondig beklaagd. Dames, zelfs die den Ekster nooit -anders hadden gezien dan op z’n rug, als ze achter hem langs den weg -wandelden, vergoten tranen met tuiten. In de oogen der weduwe echter -wilden die niet opwellen, al deed ze ook nog zoo haar best; het gaf -ergernis, dat zag ze wel, maar ze kon het niet veranderen, en ze dankte -den hemel, toen tante Borne, die bij de hardnekkigheid der weduwlijke -traanklieren, verschrikkelijk zat te huilen, tegenover de gevoeligsten -harer vriendinnen, op een lumineus idée kwam. „Ik wou in ’s hemelsnaam -maar,” fluisterde ze, eenigszins luider dan in gewone omstandigheden -noodig was, een harer vriendinnen in het oor, „dat ze huilen kon.” - -De list gelukte, en, met dieper medegevoel dan ooit, zag men neer op -dat toonbeeld van een smart zóó hevig, dat het er zelfs droge oogen bij -hield. - -Bij het binnentreden van het huis, maakte ook op mevrouw Bronkhorst het -feit, dat de dood hier een voor kort nog krachtig menschenleven had -vernietigd, zijn gewonen indruk; aangedaan condoleerde zij Betsy, wier -koele hand den hartelijken druk van die der totok onbeantwoord liet. -Toen de notaris haar zonder iets te zeggen de hand reikte, keek Betsy -op, en het trof haar, dat zijn gezicht zoo weinig uitdrukking van -leedwezen of medelijden toonde, en meer dan eenig ander in sympathie -was met de groote onverschilligheid, die haar zelf zoo koud liet. - -„Heb je hem nog gezien?” vroeg Marie toen zij met haar man naar huis -terugkeerde. - -„Ja; hij was niet veel veranderd.” - -„Hè,” zei ze huiverend. „Ik zou niet graag zijn meegegaan naar binnen.” - -„Ben je zóó bang voor ’n doode?” - -„Bang is het woord niet, maar ik heb er een afkeer van: als ik een lijk -heb gezien, dan staat me het gezicht nog weken daarna voor de oogen.” - -„Gekheid. Het komt omdat men ons opvoedt in een domme vrees.” - -„Het is toch verschrikkelijk voor haar, hè?”—Mevrouw Bronkhorst zei dit -eigenlijk omdat ze over de quaestie, die haar man opwierp, niet gaarne -in bespreking trad. - -„Och, waarom? De liefde zat er, meen ik, niet diep; kinderen hebben zij -niet, en hij had zelfs geen positie.” - -„Goed, maar hij was toch haar man.” - -Bij Bronkhorst was dit geen argument, doch de intellectueele waarheid -viel niet te ontkennen, dat was zeker, en daarom zweeg hij een -oogenblik. - -„Weet je wat ik denk, Marie?” - -„Nu?” - -„Dat hier de dood eigenlijk voor twee menschen een verlossing is -geweest. Ik geloof, dat de banden hen beiden geweldig kwelden.” - -„Ja....,” gaf ze aarzelend toe. „Zij waren niet gelukkig, dat is -zeker.” - -„En dan,” vervolgde hij met een cynisch lachje, dat hem misstond, „vind -ik het een frappant geval. Het is een bijzondere samenloop van -omstandigheden.....” - -„Ik begrijp niet, wat je bedoelt.” - -„Neen, je weet gelukkig van die dingen weinig. Eigenlijk zoo goed als -niets. Ik doelde op middelen om bij zekere gelegenheden.....” - -Bronkhorst zocht naar een geschikte uitdrukking; zij keek hem -verwonderd aan. - -„.....Om de natuur een handje te helpen.” - -Zij moest zich een oogenblik bezinnen, en toen bleek, dat ze er toch -meer van wist, dan hij dacht. - -„Ajakkes, Jean,” zei ze; „je moogt zulke akelige dingen niet van de -menschen denken.” - -„Nu, nu,” zei hij lachend, maar voelende, dat ze gelijk had, „je -begrijpt toch dat het slechts gekheid is. Ik denk er geen oogenblik aan -in ernst.” - - - -Betsy hield haar passieve rol vol, en dat kon zeer gemakkelijk, daar -haar familie volkomen geschikt en bereid was om voor alles te zorgen. -Zij zag alles aan als betrof het zaken, die haar volstrekt niet -aangingen: de met bloemen versierde kist op een stelling in de -binnengalerij; den aanleg tot het geheele onsmakelijke ceremoniëel, dat -men „begrafenis” noemt; de voorgalerij vol zwarte rokken uit elke -periode, voorwereldlijke en nieuwmodische, rood-weerschijnende en -gitzwarte; zij zag den notaris Bronkhorst er bij, even netjes en -correct als de keurige inrichting van zijn woonhuis en de grossen -zijner akten met haar omslagen, zegelafdrukken en roode koordjes. ’t -Viel haar op dat de notaris een erg „kranig” uiterlijk had; veel -„kraniger” dan de andere heeren; en hij liep op en neer speciaal met -den resident, alsof zij menschen waren van een ander allooi dan de -rest. - -Toen de kist werd weggedragen, hoorden de heeren vóór, dat er gehuild -werd door een vrouw; het was tante, die binnenskamers deze aandoenlijke -taak verrichtte, uit waarachtigen aandrang vooreerst, maar toch ook ’n -beetje met het besef, dat ze onder de gegeven omstandigheden als -rechtgeaarde bloedverwante verplicht was te huilen voor twee. - -Een uur later kwam de kapitein terug; hij ging stil in zijn kamer om -zich lekker te maken. - -„Is er nog gesproken?” vroeg zijn vrouw. - -Hij haalde minachtend de schouders op. - -„Ja, de zendeling heeft een boom opgezet, en het was zijn geluk, dat ik -niet dicht bij hem stond, anders had ik hem op z’n teenen getrapt.” - -„Nu, nu; het is anders ’n best mensch,” zei mevrouw Borne geraakt, want -ze hield veel van den zendeling, die wezenlijk ’n achtenswaardig man -was. - -„Het raakt me niet, wat hij is,” donderde de commandostem van den -kapitein en woedend sloeg hij met de hand op de tafel, „maar het past -zulke kerels niet om een dood mensch uit te schelden voor zondaar, -verdoold schaap en al zulke poespas meer. Geen mensch roept hen en als -ze niets beters te vertellen hadden, dan moesten zij den mond houden. -Maar ik heb hem getroefd!” - -„Mijn hemel, Borne, je hebt toch op het kerkhof geen standjes gemaakt?” - -„Ben je dwaas, vrouw! Maar ik heb alleen namens de achtergebleven -zondares, de aanwezige zondaars bedankt voor de laatste eer den -overledene bewezen, zie je. Ik dacht: steek dien in je zak!” - -Mevrouw Borne werd beurtelings bleek en rood van ergernis en schaamte. - -„Heere, heere!” zuchtte ze in wanhoop, „wat zal dáárover weer gepraat -worden.” - -„Het kan me niet schelen, maar ik wil er niets meer van hooren. Doe me -dus het genoegen en zwijg er over.” - -Zij volgde hem naar achteren, waar Betsy zat, met nog een paar dames, -die gekomen waren om te troosten. Bij haarzelve moest ze toch lachen; -ze vond het pinter van hem en erg brani, maar overluid zou ze dat niet -graag bekend hebben. - -Over den „overledene” werd niet meer gesproken. Tot groote blijdschap -van Betsy vermeed iedereen zooveel mogelijk, den nu „onderwerp” -geworden mensch in de conversatie te herdenken. - -Na ’n paar weken betrapte zelfs tante Borne zich op de stille -bekentenis, dat het veel rustiger in huis was, dan toen Den Ekster nog -leefde. Het was waar: hij maakte het niet lastig en was evenmin druk in -den dagelijkschen omgang, maar toch.... zoo’n mannelijk individu meer -in huis had iets eigenaardigs. Met Betsy was dat heel anders; zij -maakte een „groote gezelligheid” uit voor tante, die nu rustig ’s -ochtends met haar in de achtergalerij zat te haken en te borduren. - -„Och, Bets,” zei ze, „je moet maar nooit weer trouwen.” - -„Ik denk er niet aan.” - -„Dat moet je ook niet. Blijf maar bij ons.” - -„Bovendien, wie zou me willen hebben; ’n weduwe zonder geld!” - -Met eenigen familietrots monsterde haar tante Borne, van het zware -koolzwarte hoofdhaar tot de welgevormde voetjes. - -„Nu, dat zou nog te bezien staan, Bets. Je bent mooi genoeg, dat weet -je wel, en, als je het wezen wilt, ook lief genoeg.” - -„Ik zal me geen illusies maken.” - -„Het doet er ook niets toe. Je blijft maar kalm bij ons, ja? Als je mij -’n handje helpen blijft in het huishouden en met de kinderen, dan -vinden wij het onder ons uitmuntend.” - -De jonge weduwe vond het erg lief van haar tante, maar in stilte had -zij geheel andere plannen gemaakt, althans denkbeelden gevormd, die zij -wel dacht, dat later tot plannen konden rijpen. De gedachte haar verder -leven à charge te blijven van familie, beviel haar volstrekt niet, en -als die nare tijd, dat ze in haar rol van de vrouw van een pas -gestorven man niet uit kon gaan, maar voorbij was, zou haar eerste werk -zijn naar een gepast huwelijk te streven. Doch overhaasten zou ze zich -niet, en met den eersten den beste zou zij zich waarlijk niet -vergenoegen; in zoover was ze het met haarzelve eens. - -Thans maakte zij rustig en in het volle genot harer herkregen -persoonlijke vrijheid dien naren tijd door. Dadelijk na Den Eksters -begrafenis had ze alles verwijderd, wat slechts rechtstreeks of -zijdelings aan hem herinnerde; geen stuk was meer in de kamer, dat hem -had toebehoord; zelfs zijn reiskoffers, die in een der bijgebouwen -stonden, had zij verkocht. Het behoorde alles tot een tijdperk in haar -leven, dat zij voor volkomen afgesloten hield en waaraan zij door niets -wilde herinnerd worden; dàt was voorbij; zij dacht er niet meer aan, en -ze was woedend, toen ze op een nacht weder ontwaakte met een benauwden -kreet, wijl ze de nachtmerrie had gehad, en weer in den droom dat -akelige, vaalbleeke gezicht had gezien met den blonden baard; het heen- -en weer-gaande hoofd zonder romp. Dat was overigens het eenige, en zij -dacht wel, dat het nooit weer zou gebeuren. - -Meer dan vroeger bezocht mevrouw Bronkhorst tegenwoordig haar buren, en -dikwijls bracht ze voor Betsy een kleinigheid ten geschenke mee; zij -had zóóveel, en ze dacht dat het ’t arme weeuwtje, dat veel te mooi en -te jong was om voor de wereld gestorven te zijn, zou afleiden en -opbeuren. Betsy stelde het op prijs; zij kreeg heel graag geschenken en -verblijdde er zich kinderlijk mee; toch stond daarnaast een ander -bitter gevoel van afgunst. Waarom bezat ook zij niet zooveel, dat ze -uit een rijken voorraad cadeautjes geven kon, in plaats van altijd de -dankbare te moeten zijn, die ontvangt? Waarom was toch alles zoo slecht -verdeeld? En dan kon ze mevrouw Bronkhorst nazien, als deze vertrok, -met een onaangenamen trek om den mond, die meer nijd dan vriendschap -uitdrukte. - -Soms ging zij ook met haar tante een visite maken bij de buren, maar -dan ook alleen ’s ochtends in sarong en kabaja. Daar verslond ze alles -met de oogen. Ze wist precies, nu, wat er in huis was, tot in de -kleinste bijzonderheden; zij had elk stuk kunnen opnoemen uit de -zilverkast, en het in de duisternis van zijn plaats kunnen krijgen, -zonder een enkelen misgreep. - -Als ze er thuis van spraken, waren oom en tante een en al verbazing, en -begrepen volstrekt niet, hoe het mogelijk was, dat Betsy zoo alles kon -opmerken en onthouden. - -De nieuwe Fransche pianino van Erard, die dwars in een der hoeken van -de binnengalerij stond, had al dikwijl haar aandacht getrokken; het -instrument zag er zoo fraai en ongebruikt uit, alsof niemand ooit de -vingers op de toetsen of de voeten op de pedalen zette. Zij was een -goede musicienne, maar zij had daar nog niet op durven zinspelen, -schoon ze reeds bij het eerste bezoek lust had gevoeld om te spelen. - -Toen ze de tweede maal een ochtendvisite hadden gemaakt, en Bronkhorst -haar al de fraaiigheden van zijn inboedel had getoond, vroeg hij -onverschillig: - -„Doet u ook aan muziek?” - -„’n Klein beetje,” had ze geantwoord, met de conventioneele -huichelarij, die in het dagelijksch leven gebruikelijk is. - -Hij was er toen niet verder op doorgegaan: zij zou, dacht hij, ook wel -een dier wandelende speeldoosjes wezen, met een repertoire van een half -dozijn onbeduidende stukjes, het resultaat van veel uren oefening en -veel geld aan lessen, omdat dit nu zoo bij een jonge-dames-opvoeding -geacht wordt te behooren. - -Zij had er ook niet meer over gesproken, en nu in haar betrekkelijk nog -verschen weduwlijken staat, kon ze moeilijk voorstellen wat muziek te -maken; maar ze had het dolgraag gedaan. - -Ze bladerde zoo de muziekboeken eens door. Er was van alles: mooi en -leelijk, licht en zwaar, oud en nieuw, stukken voor piano, zangstukken -met accompagnement, duo’s voor viool en piano, enzoovoort. - -Mevrouw Bronkhorst, die met tante van achteren kwam, waar beiden een -nieuw kooktoestel hadden bewonderd, dat pas uit Europa was gezonden en -waarop men „alles” kon klaar maken,—deed nu dezelfde vraag, als vroeger -haar man. - -„Ze speelt prachtig,” verzekerde mevrouw Borne; „ze was altijd heel -vlug in de muziek.” - -Betsy kon een glimlach over die „vlugheid” niet terughouden. - -„Hé!” zei ze, „tante overdrijft; ik heb er altijd veel liefhebberij in -gehad, dat is waar.” - -„Ik ook,” antwoordde mevrouw Bronkhorst, „maar als men een huishouden -heeft en kinderen, dan neemt dat zóóveel tijd in beslag.....” - -„Toe, speel eens iets,” vroeg Betsy. - -De huisvrouw liet zich niet lang nooden. Eenvoudig als ze was in al -haar doen en laten, opende zij de piano, en speelde een lief Fransch -romannetje, correct, zonder fouten en in de maat..... precies ’n -speeldoos, dacht Betsy, maar luid prees zij het spel. - -„Och, ik ken er niet veel van, doch het weinige, dat ik speel, speel ik -zonder fouten en zooals het geschreven staat. Kom, laat u ook eens -hooren!” - -Maar mevrouw Borne vond het niet goed. - -„Ik zie er,” zei ze, „op zichzelf wel niets in; maar het is nog pas zoo -kort geleden.... Als er ’n drie maanden overheen zijn....” - -’t Was voor Betsy weer een teleurstelling, en ze moest zich wel er in -schikken, al kon ze niet beletten, dat haar gezicht verried hoe -ongaarne zij de gelegenheid ongebruikt liet voorbijgaan, en met hoeveel -spijt ze zag, dat de blinkende mahoniehouten klep over de blanke -toetsen sloot. - -„Het is waar,” erkende mevrouw Bronkhorst. „Men kan van den weg zien, -wie er speelt. Nu,” ging ze voort, toen ze het teleurgestelde gezicht -van Betsy zag, „nu, kind, heb maar geduld. Zoo gauw als het kan voor -je, komen jullie hier een avondje doorbrengen. Dan blijven we geheel -onder ons, en je speelt zooveel je maar wilt.” - -’s Avonds aan tafel vertelde zij het haar man. - -„Waarom liet mevrouw Borne het niet toe?” vroeg hij. „Ik zie niets -goeds in zulke aanstellerij.” - -„Och, dat moet je niet zeggen, Jean; zij had wel gelijk. Men moet toch -de vormen in acht nemen.” - -„Nu ja,” zei hij lachend, een in Holland geschoten en in blik -geïmporteerd patrijsje met den wellust van een gastronoom ontledend, -„nu ja, als de vormen maar ’n beetje in harmonie zijn met de -werkelijkheid, dan ben ik er ook voor. In dit geval is daar, dunkt me, -bitter weinig quaestie van.” - -„Ja, dàt geloof ik ook. Enfin..... haar tante was er tegen.” - -„’n Goed mensch, maar erg geborneerd.” - -Zij lachten beiden om de woordspeling. - -„Ik heb gezegd, dat ze hier ’n avondje moeten komen, als haar tante -denkt, dat het welstaanshalve kan; ze moet dan maar haar hart aan de -piano ophalen.” - -„Dat is een kwade verbintenis,” vond hij. „Daar kunnen mijn arme ooren -van genieten.” - -„Mevrouw Borne zegt, dat ze prachtig speelt.” - -„Poeah! ’t Zal wat wezen! In mijn jeugd heb ik dat ook eens hooren -beweren, door een oude dame van haar dochter. Het meisje speelde..... -ik ben vergeten welk stuk. ’t Was ’n gerammel van belang, en mama zat -er bij als de uitlegger van een panorama: Hoort u, meneer, nu gaan ze -op de jacht; nu begint het te onweeren; nu gaan ze in een kapel -schuilen; nu hoort u den kerkdienst, en zoo rammelde het goede mensch -door, haar rammelende dochter met de tong accompagneerend. ’t Was -prachtig! Neen, maar dat verzeker ik je!” - -„O,” zei z’n vrouw, die het verhaal erg grappig vond, „jij bent ook zóó -moeielijk te voldoen. Het meisje was je zeker te leelijk.” - -„Volstrekt niet; ze zag er zelfs zeer goed uit; maar zoo’n lieftallige -mama slaat je ineens op de vlucht.” - - - -Eentonig, eenvormig en toch snel ging de eene dag na den anderen -voorbij; de kapitein had al eens bij zijn vrouw geïnformeerd, hoe het -er nu mee stond, en of Bets nu nog altijd fatsoenshalve van uitgaan -moest verstoken blijven. En daar tante het eigenlijk ook erg hard vond, -beknibbelde zij haarzelve op den vastgestelden termijn. De brieven naar -Holland geschreven om de familie van Den Ekster diens overlijden mee te -deelen, waren reeds beantwoord; van weerskanten was het plichtmatig en -eenigszins stijf in den vorm toegegaan, zonder eenige kans op -voortzetting der correspondentie, iets wat door geen der partijen, die -elkaar persoonlijk volkomen onbekend waren, ook werd gewenscht. - -Het bleef bepaald dat Betsy haar weder-intrede in de kleine -buitenwereld zou aanvangen met een intiem avondje bij de Bronkhorsten. - -„Ik hoop,” had de kapitein nadrukkelijk gezegd, „dat er toch ’n -partijtje zal gemaakt worden?” - -„Homberen zullen ze er niet doen.” - -„Nu, dan in godsnaam maar whisten.” - -„We gaan anders niet om te spelen, maar enkel en alleen voor Bets.” - -Hij beantwoordde die opmerking met een diepen zucht. Wat hij daar moest -uitvoeren den ganschen avond, als er geen partijtje werd gemaakt, wist -hij waarlijk niet. - -Toen ze er kwamen, zat de notaris reeds met zijn vrouw in de -voorgalerij, en Borne’s gezicht verhelderde, toen hij aan den anderen -kant een speeltafeltje zag staan en daarop vier stellen wit -paarlemoeren fiches, elk vier rondjes, vier vierkantjes en vier lange, -plus twee roode „kapitalen”. - -„Ja,” zei na de eerste begroeting Bronkhorst, in antwoord op het -vragend gezicht van den kapitein, „ik wou je den avond niet bederven, -en heb den controleur gevraagd en een vriend van hem, die doortrekkende -is; ze homberen beiden niet al te slecht.” - -„Uitmuntend, man. Daar doe je me wezenlijk ’n pleizier mee. De -controleur is een prettig partner, en die vreemde eend in de bijt -zullen we wel te pakken krijgen.” - -Terwijl ze om de marmeren tafel zaten aan een poussecafé, kwam de -controleur, een donker jongmensch, onbezorgd en vroolijk, in Indië -gewonnen en geboren; hij bracht zijn logé mee, ook ’n controleur, een -tijdgenoot van Delft, maar overigens in uiterlijk een volkomen -tegenstelling, zoo blond was hij. Er werd „voorgesteld” en een doelloos -praatje gehouden, tot de kapitein, erg in zijn schik, vroeg „hoe de -heeren er over dachten.” - -De heeren dachten er goed over, en juist wilde het drietal naar de -speeltafel gaan, toen nog een rijtuig het erf opreed. - -„Wie kan dat zijn?” zei mevrouw Bronkhorst verbaasd. - -De notaris keek scherp toe. - -„’t Is Prédier,” antwoordde hij, zonder emphase, want hoe goed de jonge -man ook was „in de koffie”, in gezelschap vond hij hem luidruchtig -vervelend en vervelend luidruchtig. Het was waar, dat, toen Prédier uit -zijn wagen stapte, hij reeds eenig geluid gaf, en toen hij de treden -der voorgalerij opkwam, was hij reeds druk en hard aan het praten. - -„Ik hoop, dat ik niet ongelegen kom..... Blijf tot morgen hier..... Kon -niet nalaten de familie even te begroeten..... Dag mevrouw Borne, hoe -maakt u het..... Mevrouw Den Ekster? Weduwe van een confrater?.... -Aangenaam kennis te maken..... Bonjour”—tegen den controleur—„Hoe maak -je het? Dag kapitein, gaat ’t goed?..... Meneer Van Drunen..... -Aangenaam!” - -En onder het praten, lachen en handdrukken-wisselen, alles beweeglijk -en rumoerig. Het was of ’t notarishuis plotseling door Prédier in -opschudding werd gebracht. - -„Ga zitten, Prédier,” zei de notaris, op een stoel wijzend, dien de -bediende aandroeg. - -„Welzeker,” vervolgde de gastvrouw, glimlachend het hoofd schuddend, -„je bent weer zoo druk.” - -„Ziedaar, dat krijgt nu ’n arm mensch uit de binnenlanden altijd! Men -zit maanden eenzaam in een lekker koel klimaat met niets dan inlanders -om zich heen, en als men dan „beneden” komt in de warmte en onder de -menschen, dan vinden ze je druk! U zult er ook van weten te praten, -mevrouw Den Ekster! Lekker op het land, ja? Maar saai! U moet niet naar -mijn handen kijken.....” - -Eenigszins verontwaardigd richtte Betsy zich op. - -„Ik kijk in ’t geheel niet naar uw handen,” zei ze bits. - -De dames Borne en Bronkhorst lachten er om en Prédier lachte luid en -krakend, zooals ook zijn spreekstem was. Betsy deed niet mee. Wat -verbeeldde zich zoo’n man? Dat zij naar zijn handen keek? Er zou ook -waarachtig wat aan te zien zijn aan die bruine koffieboeren-handen. De -notaris lachte evenmin; hij vond Prédier ongemanierd, en voor ’t minst -al te familiaar bij zoo geringe bekendheid. - -„Nu,” ging deze voort, zijn glinsterende oogen met duidelijke begeerte -op de jonge weduwe gevestigd, „neem me niet kwalijk. Ik dacht het maar. -Ze zijn niet best in orde, ziet u; ’n klein ongelukje met m’n -américaine. Ik kwam van ’n partijtje, en reed naar huis. M’n paard -schrikte onderweg, waarvan weet ik niet, want ’t was ’n stikdonkere -nacht; het sprong op zij en vlan, daar lagen we met ons drieën in ’n -ravijntje naast den weg.” - -„Met je drieën?” vroeg Bronkhorst, wiens belangstelling was gaande -gemaakt. - -„Ja, het paard, de américaine en ik.” - -Weer lachten de twee getrouwde dames, en ditmaal deed de notaris het -ook, maar pijnlijk en welstaanshalve, omdat hij er was „ingeloopen”. -Betsy was niet te ontdooien; ze vond Prédier onuitstaanbaar, en ze -begreep niet waarom men iemand duldde, die ongenoodigd gekomen, met -groote brutaliteit en onzin rammelend, beslag lei op het algemeen -gesprek. - -„Het paard was kreupel aan één kant en de américaine aan den anderen; -onkruid kwam er het beste af; ’n paar schrammen aan de voorpootjes, -zooals u ziet; anders niet.” - -En lachend strekte hij ’n paar vrij gehavende groote handen uit, bruin -van kleur, maar erger nog verbrand door de zon, met rouwranden aan de -nagels en gedeeltelijk dicht bezet met grove zwarte haren, die uit de -witte, glinsterende manchetten te voorschijn kwamen, in schuine -richting voortwoekerend tot de pinkwortels. - -„Ajakkes,” zei Betsy, zich woedend van dit Ezauïsch schouwspel -afwendend; de notaris fronste ernstig de wenkbrauwen, en zou misschien -iets onaangenaams gezegd hebben, al lachten de twee andere dames stil -in haar zakdoeken,—als niet kapitein Borne zijn stentorstem van de -andere zijde der galerij liet hooren. - -„Zeg, Prédier, als je soms mee wilt doen?” - -Het was voor den koffieboer een zware beproeving. Hij homberde dan toch -wel zoo graag! En hij deed het uitmuntend, en hij had er geluk bij. Hij -was bekend als een „haai”, die altijd met de winst ging strijken. Maar -Betsy, die hij zoo plaagde, trok hem machtig aan. Drommels, dacht hij, -zoo’n vrouwtje! Zoo’n kloeke taille en zoo’n lief kopje zouden hem -lijken, en, als weduwe van een gewezen administrateur, wist ze wat het -binnenland was en wat er kwam kijken. En ze sprak de taal. - -De kapitein had het gevraagd, gedrongen door de goedaardigheid van zijn -karakter. Hij was juist bezig zijn partners „af te zetten”, zooals het -winnen heet in spelers-idioom; hij wist ook, dat zijn kansen -achteruitgingen, als Prédier meedeed. Maar aan den anderen kant vond -hij het verschrikkelijk, een liefhebber van een partijtje zoo’n heelen -avond aan de gemoedelijke verveling eener huiselijke kletstafel over te -laten, en dat meegevoel werd hem te machtig. - -„Merci. Ik heb hier zulk uitmuntend gezelschap!” riep Prédier terug. -„Ik zal van avond niet meedoen.” - -Tegelijk stond de notaris op en ging naar Betsy. - -„Als u er genoegen in hebt wat muziek te maken.....” - -Zij was blij, dat ze van dien Prédier, die haar telkens den gehaten -naam van „mevrouw Den Ekster” gaf, ontslagen raakte. Even lei ze haar -hand op den arm van Bronkhorst, die haar naar de piano bracht. - -Prédier keek hen na met opgetrokken wenkbrauwen, vol verbazing en -teleurstelling. - -Zij zocht niet lang. ’t Was haar op dat oogenblik onverschillig, wat ze -spelen zou, nu ze, voor het eerst weer na langen tijd, haar lust kon -voldoen. En zij lette er ook niet op, dat ze een opgewekten -Hongaarschen dans eenigszins woest attaqueerde, daarbij geweldig -worstelend met haar door te lange rust weerspannig geworden vingers. - -Jean Bronkhorst was bij haar gebleven om ’t blad om te slaan en toen -hij dat voor de eerste maal doen moest, had hij het bijna vergeten, zoo -verbaasde hem haar muzikale ontwikkeling. Ook in de voorgalerij trok -haar spel, meer artistiek nog dan correct, de aandacht. De controleur -keek telkens van zijn kaarten op en naar binnen, en zou, doordat hij -verzuimde aan de achterhand te blijven met de fourchette, bijna een -sans prendre hebben verloren, als zijn collega, die ook door de muziek -werd afgeleid, zich niet had vertrokken, wat den kapitein een stillen -vloek ontlokte. - -Prédier was verrukt en mevrouw Bronkhorst zeer verbaasd; tante keek -triomfeerend van den een naar den ander. - -En de klanken, nu eens vroolijk, dan van ’n vreemde sentimentaliteit, -huppelden elkander na, al vlugger, langs de witte wanden der galerij, -en stroomden door de breede openstaande deuren naar voren, verdrongen -door die achter hen kwamen en zich verliezende in de vrije ruimte -tusschen en onder het fijne loof der reusachtige waringins. - -Stil en aandachtig volgde Bronkhorst haar spel; het deed hem goed; het -maakte herinneringen wakker uit zijn vroeger leven; ’t wekte poëzie in -zijn gemoed, als schudde zijn geest het prozaïsche stof af, waaronder -hij, door notariëele akten en lekker eten, half was begraven. - -Zijn aandacht verdeelde zich, en terwijl hem de muziek door het hoofd -klonk, volgde hij aandachtig het zwart ordeloos gekriewel der teekens -langs de rechte horizontale lijnen der notenbalken, en zag toch nu en -dan met innig welgevallen de kleine handjes hippelend en trippelend -over het stijf wit-zwart mozaïek der toetsen. - -De inspanning had haar gezicht verlevendigd; er zat meer kleur en leven -in, toen zij, na een half uur aan de piano te hebben gezeten, het eene -stuk spelend na het andere, opstond van de fraai geborduurde zitting -der kleine mahoniehouten tabouret. - -„Mijn hartelijken dank,” zei Bronkhorst zacht, „het was -voortreffelijk.” - -„Ja,” stemde zijn vrouw toe, die naar binnen was gekomen en vlak achter -hem stond, toen hij het zei, „ja Betsy, het was keurig, hoor! ik maak -je wel m’n compliment.” - -„Mag ik er het mijne ook bijvoegen!” vroeg Prédier eenigszins verlegen. -„Het is heerlijk geweest. Ik heb in lang zoo goed niet hooren spelen.” - -Zij was in geen stemming om boos te zijn, en knikte hem vriendelijk -toe, doch haar lippen klemde ze toornig samen, toen hij er argeloos -bijvoegde: - -„Dat is wat anders, dan de gamelan in de desa!” - -„U schijnt toch ook aan muziek gedaan te hebben,” zei ze tegen -Bronkhorst, Prédier den rug toekeerend. - -„Il fut un temps,” antwoordde hij lachend. „Maar als ik nu mijn viool -voor den dag haalde, zou ik, vrees ik, er niet veel uit te voorschijn -brengen.” - -„Het is zonde. De viool is zoo’n goddelijk instrument.” - -„Nietwaar?” zei mevrouw Bronkhorst. „En hij speelde zeer goed.” - -„Welzeker,” bevestigde tante Borne, „toen we vroeger te Soerabaia in -garnizoen waren—m’n man was toen nog tweede luitenant—was Bronkhorst -lid van een muziekvereeniging—och, hoe heette die ook weer; zoo’n -vreemden naam!—en toen speelde hij heel mooi.” - -„Ik zal haar eens uit haar stoffige kast voor den dag halen. Na eenige -studie zal het wel weer gaan.” - -Betsy knikte hem aanmoedigend toe, en zijn vrouw ook. - -„Ik vind ter wereld niets mooier,” zei deze, „dan viool en piano; maar -ik heb geen tijd om het zoover te brengen, dat ik hem accompagneeren -kan. Ik houd amper het weinige bij, dat ik geleerd heb.” - -„Als meisje had ik vrijen tijd tot vervelens toe,” erkende Betsy zonder -omwegen, „en daar ik veel van muziek hield, deed ik geducht mijn best. -Verder onderwijs was er niet veel,” voegde ze er zuchtend bij. - -„Het is tegenwoordig heel wat gemakkelijker dan vroeger,” meende -Prédier. „Wij hadden een flinken gouverneur.....” - -„Dat moet wel,” zei Bronkhorst, „want jij hebt terdege gewerkt.” - -De dames keken hem aan en Prédier was „lekker” met het volstrekt niet -onverdiend compliment. Alleen Betsy monsterde hem van het hoofd tot de -voeten met een minachtenden blik. De notaris zag het, en had er -pleizier in, want hij vond het vervelend, dat Prédier dadelijk weer -naast haar was gaan zitten. - -De conversatie verliep in praatjes over onderwijs en vergelijkingen -tusschen Indië en Europa. Er werd ’n wandelend soupeetje rondgediend, -en toen het laatste „kleintje” was gespeeld aan de hombretafel, kwamen -ook de vier spelers in ’t gezelschap, zoodat ’t gesprek opgewekter en -luidruchtiger werd. - -„Wel Bets,” vroeg de kapitein onder het naar huis gaan, op zijn -goedigsten toon, „heb je van avond nogal pleizier gehad?” - -„Praat er niet van, oom! ’t Was verrukkelijk! Men wordt weer eens ’n -ander mensch.” - - - -Drie maanden later was Betsy bij de Bronkhorsten meer dan bij haar -familie een huisgenoot. Ze was er of ze zou er komen. En niet alleen -kwam ze druk aan huis bij den notaris, maar zij ging veel uit, want ze -was the great attraction geworden onder de jongelui op het plaatsje. -Serieuze huwelijkscandidaten deden zich niet op,—maar toch, als zij er -werk van had willen maken, zou meer dan een, en Prédier voorop, aanzoek -om haar hand hebben gedaan. - -Doch zij hield er volkomen haar verstand bij, en beschouwde alles met -koelen blik. Zij had geen persoonlijke voorkeur onder haar aanbidders, -en ze zou dáárom toch ook geen huwelijk aangaan. Ze wilde een man -hebben van wien ze houden kon om hemzelf, maar die geld had en een -goede positie in de maatschappij. Geen „vliegenden Hollander” zooals -zij bij haarzelve de jongelui noemde, die hetzij in den handel of den -landbouw nu eens op dit kantoor of dit land, dan weer op een ander -werkzaam waren, alsook de jonge ambtenaren, die bij hun vele -overplaatsingen van den eenen kant van den archipel naar den anderen -zeilen. - -Toen ze dit haar tante vertelde, was het goede mensch boos. - -„Zoo,” zei ze, „acht jij je daar te goed voor? En wij dan?” - -„Dat niet,” antwoordde Betsy, „maar pierre qui roule n’amasse pas de -mousse.” - -En daarop had tante Borne, die veel last had van beren, al kocht ze -haar pommade in de toko, een oogenblik gezwegen. „Je hebt nog gelijk,” -zei ze ten slotte met een zucht. - -Bronkhorst had, zooals hij gezegd had, zijn viool voor den dag gehaald -en was ijverig aan het studeeren gegaan. De lof hem door Marie en -mevrouw Borne toegezwaaid, was ’n beetje overdreven. Zware muziek was -zijn zaak niet, en Betsy hoorde dat dadelijk; doch hij had een goed -gehoor, een goeden streek en hij wist wat hij deed. Dat vond ze prettig -en het waren aangename avonden, die bij de Bronkhorsten werden -doorgebracht en waarop de bezoekers, talrijker dan vroeger, zich ook -beter dan ooit amuseerden. Maar het samenzijn bepaalde zich niet -uitsluitend tot partijtjes. Betsy was dikwerf geheel alleen des avonds -bij haar buren. En als dan Marie, vermoeid van haar huiselijken arbeid, -als naar gewoonte op haar stoel indommelde, bepaalde zich het -musiceeren of de conversatie uitsluitend tot Bronkhorst en de nu -vriendin des huizes geworden jonge weduwe. - -Het werd een spelletje tusschen hen beiden: hij, aanvankelijk zonder -eenige bedoeling, ondervond den invloed van haar veelvuldig gezelschap; -hij was blij, als ze er was, en hij was in haar bijzijn altijd vroolijk -en opgewekt, zelfs geestig; dan scheen het of hij jonger werd, of hij -in sommige opzichten zijn twintig jaren terugvond, die al bijna twintig -jaren gevloden waren. Zij vond veel goede eigenschappen in hem: hij was -gulhartig, vriendelijk, beleefd, in één woord altijd even lief. En zoo -royaal! Nu, hij kon het doen, want hij was rijk! Hoe heerlijk was het -in ’t fraai gemeubelde huis! Hoe lekker en behaaglijk! - -„Wel, vertel eens wat van je bezoek bij oom Vijzel.” - -Het was een oude echt Indische familie, aan welker hoofd ’n oud bruin -man stond, die door het heele plaatsje „oom” genoemd werd, maar die een -der weinige personen was, met wie Bronkhorst het niet kon vinden. - -„Och, ’t was heel aardig,” zei ze: „eenvoudig en echt Indisch. Veel -Maleisch en weinig Hollandsch. Maar hartelijk zijn ze wel.” - -„Dat geloof ik ook. Is er gedanst?” - -„Ja. We hebben om beurten dansmuziek gespeeld.” - -„Het is wèl! Ik begrijp niet, dat je je daartoe leent.” - -„Waarom niet? Men kan niet weigeren. Dat staat erg pretentieus.” - -„Best mogelijk, maar ik zou me er tegen verzet hebben, als ik er bij -was geweest.” - -Zij lachte hem vriendelijk toe, haar witte tandjes toonend. - -„Zoo?” vroeg ze, de o’s aanhoudend met aardige stemmodulatie. Zijn -verontwaardiging vleide haar. - -„Welzeker,” ging hij voort. „Er zijn genoeg rammelaartjes op zoo’n -partij om walsjes en polka’s af te roffelen voor de dansers; men -behoeft geen goede musicienne voor den vedel te zetten.” - -„Nu, ’t was zoo erg niet, en als Prédier me niet zoo had verveeld.....” - -„Was die er ook al?” - -„Zeker! En hij heeft mij den heelen avond met zijn attenties vervolgd. -Maar erg onbeholpen, kasian!” - -„Kasian? Ik zie niet, dat er eenige reden bestaat om hem te beklagen.” - -„Och neen; ik bedoel alleen maar, dat hij ’t niet helpen kan, als hij -wat onhandig is. Hij meent het goed.” - -„Nu ja.” - -„Hij deed soms zoo gek! Dan weer was hij uitgelaten, en een oogenblik -later zat hij me ’n kwartier achtereen te fixeeren.” - -„’t Is netjes, in gezelschap,” knorde Bronkhorst. „Hij moest zich -schamen.” - -„Kom, kom! Nu, ik ga naar huis. Tot morgen.” - -Zij reikte hem over de tafel haar hand, die hij maar flauwtjes drukte. - -„Ik zal mevrouw maar laten slapen.” - -„Wil ik je brengen?” - -„Wel neen, ik ga door het deurtje het achtererf op. Adieu!” - -Toen ze weg was, kneep hij eenigszins zenuwachtig boos zijn sigaar -tusschen de vingers. Marie snurkte zacht; zij had dien dag zóóveel te -doen gehad; haar beenen waren zwaar van vermoeidheid en haar voeten -gloeiden. Hij zuchtte diep en wierp uit de hoeken zijner oogen een -ontevreden blik op zijn vrouw. - -„Zeg, Marie, wees toch niet zoo gruwelijk vervelend!” riep hij luid. - -Ze gaf in het eerste oogenblik geen antwoord; toen rekte zij zich uit -en vroeg: - -„Is Betsy al weg?” - -„Zooals je ziet.” - -„Is het dan al zóó laat?” - -Hij gaf daar geen antwoord op. - -„Ik zou maar naar bed gaan als ik jou was.” - -„Blijf jij nog op?” - -„Ja.” - -„Nu, wel te rusten dan.” - -Zij stond op, kwam naar hem toe en stak haar gezicht vooruit om een -kus; maar daar hij in geen stemming was om haar dien te geven, bepaalde -hij zich er toe alleen het gelaat naar haar te wenden; en zoo bleven ze -eenige dwaze seconden in wederzijdsche afwachting. Toen begon Marie te -lachen en kuste hem: - -„Hè,” zei ze. „Wat ben je flauw.” - -Hij had geen lust over zijn of haar „flauwheid” in praatjes te -vervallen. Die partij bij de Vijzel’s zat hem dwars. Het was, vond hij, -al te dwaas, dat iemand als zij door zulke menschen werd vernederd om -de muziek te spelen, waarop zij dansten. Ze hadden de inlanders met de -„ronzebons” maar moeten huren, als ze dansmuziek wilden hebben! En dan -die misselijke Prédier met zijn ongelikte berenmanieren en zijn brutale -hofmakerij! Was dàt nu ’n man voor Betsy? Onwillekeurig kwam haar beeld -voor zijn geest en starende in de duisternis van den avond, alleen in -de voorgalerij, glimlachte hij. Zij is toch een lieve verschijning, -dacht hij, en hij monsterde het beeld door zijn herinneringsvermogen -weergegeven met welgevallen. Welk een verschil tusschen haar en Marie! -O! ongetwijfeld had zijn vrouw vele goede hoedanigheden, hij had haar -lief en aan haar persoonlijkheid verbond zich voor hem een reeks van -aangename souvenirs; met haar was hij erg op zijn gemak en altijd zeker -van een groote inschikkelijkheid, welke, zijn deugden kennend en op -prijs stellend, zijn tekortkomingen voorbijzag; zij was een uitmuntende -huisvrouw en een zorgvuldige moeder. Wat kon men eigenlijk meer -verlangen? En daarbij zóó volkomen onbesproken, dat zelfs de Indische -vlugheid in babbelen en kwaadspreken nooit eenigen vat op haar had -gehad. - -Wat dat alles betrof was zijn huwelijk hoogst gelukkig. Als meisje had -zij zijn hart veroverd, als vrouw zwaaide zij zelfs den schepter over -zijn voor lekker eten en drinken hoogst gevoelig gehemelte. - -En toch, als hij het beeld van Betsy naast dat van Marie teekende, -dan..... Verdrietig zuchtend stond hij op, nam een sigaar en begon, -rookend, de galerij op en neer te loopen. Wat duivel had hij dan toch? -Hij was toch niet op ’t vrouwtje verliefd. Nu moest hij er zelf om -lachen. Dat was toch een al te dwaas idée! Zeker, mocht hij haar graag; -zij schonk hem genoegen door haar muzikaal talent; hij mocht wel eens -met haar lachen en schertsen; hij vond het aardig, dat zij met hem ’n -beetje coquetteerde; soms schiep hij er zelfs vermaak in haar als bij -toeval aan te raken, en als ze dan naar hem opzag, keek hij haar niet -zonder eenige bedoeling diep in de zwarte oogen. Nu, dat was ook alles, -en, vond hij, ’n vrij onschuldig genoegen voor iemand, die op ’n stil -plaatsje in Indië toch eenige distractie moet hebben! Maar -verliefd..... bah! - -’t Was waarlijk te gek om er aan te denken! Nu ja, als men hem een -etmaal met haar in ’n cel wilde opsluiten, dan had hij natuurlijk niet -willen zweren.... Nu was het eenvoudig dwaasheid. De tijd voor -kalverenliefde à la Prédier of andere jonge mannen was voorgoed -voorbij. - -Hier dacht hij aan den koffieplanter. Het was waar, hij was ’n beetje -ruw en ongepast in zijn manier van spreken en doen, maar overigens had -hij geen ongunstig uiterlijk. Integendeel. En hij verdiende nu aardig -geld met die nieuwe onderneming. Slaagde die en hielden de prijzen zich -sturdy, wel, dan was Prédier binnen ’n jaar of tien een rijk man. Dat -alles was waar, en daar kwam nog bij dat hij goedhartig was en gul; een -man best in staat om een vrouw zoowel in figuurlijken als in -letterlijken zin op de handen te dragen. Waarom zou dan Betsy niet -trouwen met Prédier? Toch stuitte het denkbeeld hem geweldig tegen de -borst; het maakte hem boos. Het kon niet; ’t zou zonde en schande -wezen! En toen hij zich weer betrapte op die stille woede, welke zijn -bedaarde redeneering over de goede eigenschappen van Prédier -overvleugelde, stond hij bij de tafel stil, leunend met de hand op een -stoel, en doelloos starend in de roodgele vlam der petroleumlamp. Zoo -stond hij eenige oogenblikken, wierp daarna met ’n onverschillige geste -z’n sigaar weg, zei bij zichzelven „nonsense”, en riep een bediende om -te sluiten. - -Betsy was vlug over het achtererf het huis der Borne’s binnengegaan. -Een oogenblik sprak ze nog met haar tante, die geheel verdiept was in -de lectuur van een roman uit den leestrommel. - -„Ik ga maar gauw naar bed,” zei ze, haar kussend. - -„Doe dat, Bets. Waren er nog lui bij de Bronkhorsten?” - -„Neen, wij waren onder ons.” - -„Nu, wel te rusten dan.” - -Ze dachten geen van tweeën na over het onlogische van deze conclusie; -zij zeiden het zóó maar, als iedereen. Mevrouw Borne las voort met het -boek dicht bij haar oogen, omdat ze ’n beetje myope was, en Betsy ging -naar haar kamer. Terwijl ze voor de tafel stond en zich ontkleedde, ’n -bezigheid, waaraan de meid haar hielp, schitterden haar oogen van -genoegen en speelde ’n glimlach om haar mond. Hij was jaloersch! Hij -was zoo „ingepakt”, dat hij niets kon verdragen van anderen; die -mochten haar zelfs geen piano laten spelen. En wat was hij woedend op -Prédier! Het deed haar genoegen; waarom wist ze eigenlijk zelf niet. -Zij mocht Bronkhorst zeer gaarne; zij had hem, dat was zeker, liever -gehad, dan wie ook. Maar wat baatte het? Er kon toch niets van komen, -want hij was getrouwd, en de gezonde flinke persoonlijkheid van Marie, -altijd in de weer ondanks het Indische klimaat, verbande elke gedachte -aan een vroegtijdig weduwnaarschap, ’t Was dus niet de moeite waard een -ijdel spel te spelen. Trouwen kon hij haar niet, en zij was vast -besloten, naar Mephisto’s wijze les, de n’ouvrir sa porte, que la bague -au doigt. De vroolijke trek, door de zekerheid der overwinning nog een -oogenblik te voren op haar gelaat geteekend, verdween. Zij schoot een -slaapsarong aan, oud, maar lenig en lekker aanvoelend, en viel -onverschillig op haar bed neer. Sarinah klom er ook in, zuchtend en -steunend, en ving langzaam aan haar met de harde beenige vingers te -pidjiten. - -Met gesloten oogen, het loshangende zwarte haar links en rechts over de -kussens uitgespreid en de bloote armen boven het hoofd gekruist, lag -Betsy bewegingloos na te denken, haar lichaam overlatend aan het -drukken en knijpen van de oude meid, die ook hierin een specialiteit -was, al zuchtte en steunde ze er nog tweemaal zoo hard bij als -gewoonlijk. Het was toch maar waar, dacht ze, dat zij voor het ongeluk -geboren was en dat een hardnekkig noodlot haar vervolgde. Werkelijk, -zij hield van dien Bronkhorst; zij vond hem een knap man, en hij was -altijd even goed en lief; zij hield zich overtuigd, dat ze met hem -gelukkig zou zijn; gelukkiger, dan met eenig ander. En hij had geld en -goed! Hoe heerlijk zou zij geleefd hebben in het mooie groote huis met -den rijken inboedel, dien ze zoo goed kende, waarvan zij den inventaris -had kunnen opmaken uit het hoofd! Doch ook ditmaal liep zij alles mis. -Eerst kreeg zij een man tegen wil en dank, met wien ze een ongelukkig -leven had geleid, en de man, met wien ze, dat voelde ze, gelukkig had -kunnen zijn, ontging haar hopeloos, want hij was getrouwd. Zoo zou zij -dan ten laste kunnen blijven van haar bloedverwanten, als behoorende -tot de klasse van „arme familieleden”, of ze zou Prédier kunnen -trouwen, van wien ze een afschuw had, dan wel een ander liefst nog -onbeduidender en akeliger. En dan? Zij wist het niet. Was dat een -toekomst? Zij zou even gaarne sterven, als opnieuw een leven beginnen, -gelijk ze geleid had met Den Ekster. Dat in eeuwigheid niet! Zij werd -nog liever bonne of juffrouw van gezelschap of zoo iets. Maar hoe -weinig aanlokkelijks ook dat denkbeeld voor haar had, bewezen de -tranen, die, toen ze zoover was gekomen in het nadenken over haar -tjelaka, haar oogen ontvloeiden. - -„Wat scheelt er aan?” vroeg de meid, die juist den linkerarm omlaag had -gehaald, ten einde het bovengedeelte er van te bewerken. - -„Och niks, nèh! Hou jij je mond maar.” - -De oude steunde luider en kneep en drukte zachtjes voort. Haar grove -grijze haren waren door de inspanning en beweging in oproer geraakt en -hingen haar over het gerimpeld voorhoofd, en als ze al pidjitend het -bovenlijf regelmatig op en neer bewoog, deelden in die cadense de -ontoonbare restes van wat eens de boezem eener jonge vrouw was geweest. - -Maar het was Betsy geen ernst geweest met haar stugge en hondsche -afwijzing der belangstelling van Sarinah. Zij had, integendeel, -behoefte om te praten over haar noodlot en over den strik, dien het -haar nu weer had gespannen. - -„Je hadt gelijk, nèh!” ging ze voort; „je hadt gelijk laatst: het is -waar, ik heb altijd ongeluk.” - -„Altijd,” bevestigde de oude, „ik zag het al bij uw geboorte.” - -Betsy rilde er van, want dááraan geloofde zij vast. - -„Ik wou dat het veranderen kon,” zei ze, ofschoon zij overtuigd was, -dat er niets aan te veranderen viel. - -„Als de goede geesten willen, kan het,” meende Sarinah, „maar als de -kwade sterker zijn kan het niet.” - -Het was in elk geval een kansje, dacht Betsy; maar zij rekende er niet -op. - -„Dan zijn de kwade het sterkst, nèh! Dat ondervond ik weer in den -laatsten tijd.” - -„Is er dan weer iets?” - -Een oogenblik dacht Betsy na; toen draaide zij de oude den rug toe en -zei nijdig: - -„Och, niets! Er is niets.” - -Bij de tinka’s van haar „nonna” bleef de oude precies, zooals zij -twintig jaren te voren daarbij gebleven was. Zij toonde volstrekt geen -nieuwsgierigheid; ze wist, dat het toch wel komen zou. - -En het kwam spoedig genoeg. - -Onstuimig schudde Betsy het hoofd en de tranen overstroomden weer haar -oogen; zij sloeg met de vuist op haar borst; de fraaie equipage van -Bronkhorst was haar plotseling voor den geest gekomen en dàt deed haar -de volle uitgestrektheid van haar noodlot nog dieper beseffen. - -„Is het zóó erg?” vroeg Sarinah. - -„Och nèh! er is nu iemand met wien ik zou willen trouwen en die het mij -zou willen.....” - -„En hij is niet arm?” - -„Neen zeker niet: hij is rijk; hij heeft een mooi huis; hij heeft ’n -fraaie equipage en hij verdient wel twee of drie duizend in de maand.” - -„Jammer, dat hij getrouwd is.” - -Betsy vloog op als buskruit en gaf de oude met hare vlakke hand een -klap op den schouder, die kort en hard door de kamer klonk, alsof zij -had geslagen op een plank. - -„Je bent een brutaal, oud beest.” - -„Oeah!” haalde de oude languit. „Als hij rijk is en hij wil, waarom zou -hij dan niet als hij kon?” - -„Hij kan niet,” bevestigde de jonge vrouw in haar moedeloosheid -terugvallend; „hij kan niet! Het is waar, nèh, waarom zou ik het tegen -jou niet zeggen? Ik heb niemand anders op de wereld en je bent ’n ouwe -trouwe ziel.” - -Volkomen gewoon, dat er zoo met haar werd omgesprongen en dat zij in -een minuut van een verworpeling een engel werd en omgekeerd, grijnsde -Sarinah. - -„Het is niet noodig. Ik weet wel wie.” - -Half boos, half nieuwsgierig richtte Betsy zich op en stak haar -gezicht, thans haast geheel onder het zwarte haar begraven, vooruit. En -steunend op het vlak harer handen, zoodat haar lenige armen eenigszins -naar binnen ombogen, zei ze driftig: - -„Ajo, zeg op, ajo!” - -„Als het meneer de notaris niet is, dan is het een ander.” - -„Masa!..... Oude heks!” zuchtte Betsy, en zij liet zich achterover in -haar kussens vallen. - -Zoo lag ze een oogenblik stil, de oude bewonderend om haar slimheid; -toen nam haar verdriet weer de overhand en plukkende aan den breeden -gewerkten rand van het kussensloop, zei ze langzaam en droevig -droomerig: „Ja, het is zoo, nèh! Nu zie je, dat ik de waarheid heb -gesproken; er is niets aan te doen; het is weer mijn ongeluk. Hij zou -mij trouwen, dat weet ik zeker, als die andere er niet tusschen zat. -Wáárom moeten ze ook altijd die onhebbelijke totoks hierheen halen, -alsof er hier geen vrouwen en meisjes genoeg zijn! Maar soedah! het is -niet anders; ik moet er maar niet meer aan denken; er is toch niets aan -te doen.” - -Er kwam een oogenblik pauze; wel een minuut. Betsy luisterde met -kloppend hart of de oude niets zou zeggen, en deze, die uit het bed was -gegaan omdat het pidjiten was afgeloopen, gleed steunend en grommend -weer in haar lang blauw baadje; toen ze er in zat, en ze haar -sarongband wat vaster had aangetrokken, kwam ze naar het bed terug, en -met haar rimpelige handen steunend op den ijzeren rand van het -ledikant, zag ze, knippend met haar doffe oogen, Betsy aan en zei: - -„Misschien!” - -Het kostte de jonge vrouw moeite haar bedaardheid te behouden. Zij had -wel iets verwacht van dien aard, en haar geheele verzuchting was er op -ingericht geweest om zoo iets uit te lokken, maar nu het kwam, viel het -haar als een steen op het hart en werd ze weer bang voor de oude, net -als ze dien avond geweest was toen ze haar twee gouden tientjes had -gegeven om de natuur ’n handje te helpen. Maar ze hield zich goed en -schokschouderde met minachting. - -„Je bent gek, nèh!” - -„Soedah! Als nonna het beter weet.” - -„Ik weet niets beter, en ik wil niet wijzer zijn dan een ander, maar ik -geloof niet, dat het helpt, nèh!” - -„Als hij van u houdt, dan moet het helpen; de kleine menschen weten -maar weinig, doch zij kennen de aarde van hun land en wat er op groeit -beter dan de blanda’s, die er over heen rijden.” - -„Klets maar niet. Jullie bent toch maar allemaal dom volk! Vertel -liever wat er moet gedaan worden; doch ik doe niets, hoor!” - -Langzaam richtte Sarinah zich op en scharrelde naar haar hoek, waar de -mat lag op den vloer. - -„Als de nonna een klein kind is, dan ga ik mijn slendang halen, en dan -heb ik niets gezegd.” - -Een oogenblik was zij met haarzelve in tweestrijd. Zij had veel gehoord -over de werking van zekere inlandsche middelen, en zij geloofde er vast -aan; maar ze had er nooit eenig gevolg van gezien of ondervonden; wie -weet of het niet veel erger zou worden, dan zij dacht; of niet de -resultaten ernstige onaangenaamheden na zich zouden sleepen. Doch wat -deed het er toe? De prijs was den inzet waard; zij was er ten slotte -persoonlijk buiten, als Sarinah het deed; er mocht dan van komen, wat -er wilde. - -Ze stond op en ging naast de oude zitten op de mat, ook met haar beenen -gekruist onder haar. - -„Wees niet kwaad, oudje,” zei ze vleiend. „Je weet wel dat nonna veel -van je houdt.” - -Er kwam geen antwoord; Sarinah trok een gezicht alsof ze die verklaring -van genegenheid maar half geloofde, en ze zuchtte, steunend en -mompelend. - -„Kom, zeg het dan maar!” - -„Ik kan niets zeggen; ik weet er zelf maar weinig van.” - -„Wat praat je dan?” vroeg Betsy driftig. - -„Mijn zoon weet het.” - -„Je zoon? Welke? Die dikke, die laatst hier op het erf was en me zoo -brutaal aankeek, dat ik hem een standje maakte?” - -„Ja, die. O, hij is niet verlegen voor Europeesche vrouwen. Ik weet, -dat er een is, die dikwerf bij hem komt, en die als hij het wilde, bij -hem aan huis zou komen wonen om geheel zijn vrouw te worden.” - -„Zoo’n slet!” viel Betsy uit, wier hoogheidsgevoel erg werd gekwetst -door het denkbeeld, dat een Europeesch meisje zich niet ontzien zou de -vrouw te worden van een Inlander. - -De oude stoorde zich aan dien uitval niet; zij haalde de schouders op, -als wilde zij te kennen geven, dat het, volgens haar wijsbegeerte, -alles sama djoega was. - -„En waarom komt ze dan niet heelemaal bij hem inwonen?” - -„Zij zou het doen, als het hier een groote stad was, waar de menschen -niet zoo naar alles kunnen kijken. Het is hier maar klein; iedereen zou -het weten; mijn zoon zou misschien onaangenaamheden krijgen met den -resident, als die er zich mee mocht bemoeien.” - -„Hoe heet je zoon? Ik begrijp niet, dat ge nooit vroeger van hem hebt -gesproken. Vóór we hier kwamen, wist ik niet dat hij bestond.” - -Grijnzend lachend, zoodat haar half geopende tandelooze mond, van -binnen rood van het sirih-kauwen, een breede open wond geleek, zei ze: - -„Ik heb veel kinderen, van veel vaders. Er was een tijd, dat de oude -Sarinah een mooie jonge vrouw was. Zij was nu eens hier, dan daar. Haar -kinderen zijn over heel Java verspreid.” - -Langzaam knikte Betsy met het hoofd op en neer, terwijl ze met -saamgeknepen lippen om niet te lachen, het oude monster bekeek. - -„Ja, ik geloof dat je een best merk bent geweest! Maar zeg me nu eens -van dien zoon. Hoe heet hij, waar woont hij, en wanneer kan hij het aan -je geven?” - -„Zijn naam is Ketjil.....” - -„Masa, zoo’n dikke kerel!” - -„Een naam is zoo goed als een andere. Hij woont naar het Zuiden..... -vèr!.....” - -„Daar heb ik veel aan! Enfin, verder?” - -„Het duurt lang vóór hij kan geven, wat wij noodig hebben; hij moet er -een groote reis voor doen; een reis naar den anderen kant van Java, in -het Zuiden waar ook de zee is.” - -„Oeah!” riep Betsy, verbaasd over de noodzakelijke reis naar het -Zuiderstrand, en half denkend dat de oude haar fopte: „Oeah! Jij zegt -maar.” - -„Het is wezenlijk waar. En daarom kost het veel geld, heel veel.” - -’t Schrikte Betsy niet af. Als een Europeaan van „heel veel” geld zou -gesproken hebben, ware het iets anders geweest; inlanders noemden ’n -betrekkelijke kleinigheid al heel spoedig een schat. In elk geval -meende zij te moeten tawarren. - -„Ik heb niet zooveel geld. Je weet heel goed, dat ik maar arm ben.” - -„Wat het kost, moet het kosten. Niemand kan er iets aan veranderen.” - -„Nu, hoeveel denk je?” - -„Zeker weet ik het niet. Misschien drie- of vierhonderd gulden; -misschien minder.” - -„Masa, nèh, dat is veel, ja? En dan? Wat gebeurt er dan? Ik heb er wel -’n heele boel van gehoord, maar ik heb het nooit gezien. Heb jij het -wel eens gezien, nèh. Toe, vertel eens.” - -„Ik heb het gezien, maar ik kan het niet vertellen. Ik spreek er niet -over; het is niet goed.” - -Betsy wist, dat als de oude er zoo over dacht, daartegen niets te doen -viel. Zij drong er daarom niet verder op aan, hoe nieuwsgierig zij ook -was. - -„Wanneer vraag je het Ketjil?” - -„Morgenochtend zal ik naar hem toegaan met een karretje. Als hij thuis -is.....” - -„Je moet maar vroeg gaan, dan zal hij nog wel thuis wezen.” - -„Misschien. Ik zal vroeg gaan; het is nu tijd om te slapen.” - -Langzaam stond Betsy op en ging naar haar bed. ’t Was tegen wil en -dank, want ze had nog wel veel meer willen weten; het zwijgen en het -eindigen van het gesprek lieten haar geheel onvoldaan. Het eenige, wat -ze nu wist, was, dat het haar ’n aardig duitje kosten zou. Voor de rest -bleef ze zoowat even wijs. Maar dat schokte haar geloof en vertrouwen -niet, en het denkbeeld, hoe vaag en betrekkelijk onbeslist, had haar -zeer opgewonden en haar het bloed naar het hoofd doen stijgen; het -hield haar bezig en voerde haar fantaisie tot de grootste -buitensporigheden; onrustig wentelde zij zich van den eenen kant op den -anderen, de oude meid benijdend, die rustig ronkte op haar mat. - - - -Prédier had het erg druk gehad. Hij was in den laatsten tijd zóó in de -weer geweest met het bouwen van woningen en het in orde brengen van het -terrein, dat er geen uur overschoot om aan de liefde te denken. Nu het -er, zooals hij ’t noemde, een beetje op begon te lijken, kwam hem de -kwaal weer plagen. Zoolang hij overdag aan het werk was, ging het, maar -als hij ’s avonds in z’n eentje in de binnengalerij zat—want het land -lag hoog en ’t was buiten koud—dacht hij aan de mooie oogen van de -weduwe Den Ekster. Het was waar, dat op ’t partijtje bij de Vijzels -Betsy minder stug tegen hem was geweest, dan zij wel scheen te willen, -dat Bronkhorst dacht. Zijn eenigszins onbeholpen, maar goed gemeende -hulde streelde haar, gelijk haast elke hulde elke vrouw. Ook was zij te -verstandig om zonder noodzaak een niet kwade kans moedwillig geheel weg -te werpen. Men kon nooit weten! Er was wellicht, zoo dat noodig moest -zijn, op terug te komen. - -Hij had het aangenomen voor goede munt, en als zij hem eens bemoedigend -toeknikte of een flauw glimlachje schonk, dan meende hij daaruit te -mogen opmaken, dat hij haar niet geheel onverschillig was. - -En met die overtuiging was hij weer naar ’t gebergte getrokken, waar de -frissche opwekkende lucht hem nog verliefder maakte dan hij was. -Plannen had hij genoeg gemaakt, maar ’t kwam hem voor, dat er nogal -bezwaren tegenover stonden. De hoofdzaak was of ze hem wilde hebben. -Een positie had hij, meende hij, en zoo alleen te leven in „de -wildernis” lachte hem allesbehalve toe. Daarom achtte Prédier zich -genoopt een besluit te nemen. Meer man van actie dan van pikiren, -besloot hij het „zaakje” maar spoedig af te doen, en toen hij zoover -was, duurde het ook geen vier en twintig uren of hij zat, gelijk hij -het noemde, in de warmte en onder de menschen. - -Bronkhorst zat op zijn kantoor en achter zijn schrijftafel, doch hij -werkte niet. Hij keek in gedachten recht voor zich uit in de donkere -open vakjes van een oude, stoffige kast, waarin het binnenvallend licht -driehoeken teekende. Niet als naar gewoonte kraste zijn pen de minute -eener akte of het concept van een overeenkomst; hij had haar wel in de -hand en een boek groot formaat Hollandsch schrijf voor hem op de tafel, -maar de eene minuut ging na de andere voorbij, zonder dat zijn -gewoonlijk zoo vlugge hand over ’t papier schoof. Zijn gedachten -dwaalden af als die van een jongen van twintig, absent soms, verstrooid -dikwerf, als moeder natuur hem op ongelegen oogenblikken in het ootje -neemt. - -Nu hield de notaris zich niet bezig met kantoorzaken. Hij dacht aan de -avondjes van den laatsten tijd, aan Betsy en aan muziek; hij voelde -iets jeugdigs in zich, dat hem goed deed, waarin hij geen kwaad zag, en -waaraan hij dacht met genoegen, zich verdiepend in allerlei -bijzonderheden, verwijlend bij een gesproken woord, een uitroep of een -lach; zich verbazend, dat hij het alles zoo goed had onthouden en het -hem voor den geest stond, als zag en hoorde hij het nog. - -Een luide tred op het galerijtje leidde hem af en machinaal schreef hij -op ’t blanke papier: „Op heden, enz.” - -„Zoo jongelui, hoe maken jullie het? Goed. Nu, dat doet me pleizier! je -ziet er anders wel ’n beetje pips uit, zeker van de warmte hè? Jullie -moet eens aan je baas ’n week of wat verlof vragen en bij mij boven ’n -kouden neus komen halen.... A propos, is de notaris binnen?.... Ja? Dan -loop ik even binnen.” - -Twee harde tikken met zijn knokkels tegen het scheidend schutsel en een -seconde later stond Prédier voor Bronkhorst, die juist de eerste -letters schreef van den voornaam van den persoon, die naar het heette -op dat moment voor hem „compareerde,” of, gelijk een geest, voor hem -„verscheen.” - -„Goeden morgen! Hoe gaat het? Druk? Weer veel duiten aan het verdienen? -Hoe is het thuis? Mevrouw wel? Kleintjes ook? Verdomd, wat is het hier -warm, zeg!” - -„Houd je kalm,” zei Bronkhorst, verwonderd over het onverwacht bezoek. -„Ga er bij zitten en steek een sigaar op.” - -„Heel graag. Sepada, kasi api! O, heb je hier lucifers? Neen, dan hoeft -het niet. Tida oessah. Pff! Als je me nu nog ’n potje bier geeft.....” - -„Je kunt straks naar m’n huis gaan en drinken er ’n dozijn bier; op ’t -kantoor, dat weet je, heb ik niets. Er wordt nooit iets gebruikt.....” - -„Nu, het doet er niet toe. Water dan maar. Ik heb een dorst als ’n -paard.” - -„En hoe kom je zoo hier in de buurt?” - -„Ja, zie je..... Enfin..... ikke..... ikke..... ik had iets, waarover -ikke..... Ik had je wel eens iets willen vragen.” - -„Nu, geneer je niet. Je bent waarlijk anders niet bloo.” - -„Neen, daar behoeft ook geen quaestie van te zijn. Enfin, zie je..... -ik zal het je maar in eens zeggen..... Ikke..... Het is vervloekt -vervelend zoo altijd alleen op het land. Ik moet een vrouw hebben, en -ik heb wel zin in die mevrouw Den Ekster.” - -De notaris keek weer recht in de vakjes van de oude kast. Hij -glimlachte als te voren, maar niet vergenoegd. - -„Zóó,” zei hij op ironischen toon, „zóó,” en een klemtoon van -spotternij leggend op elk woord, vervolgde hij: „heb je wel zin in die -mevrouw Den Ekster,”—alsof hij door die herhaling wilde zeggen: Wat -verbeeldt gij je wel, met je oogen tot dat schepseltje op te slaan? - -Prédier voelde wel ’n beetje, wat in dien nadruk lag, maar hij begreep -het verkeerd. - -„Waarom zeg je dat op ’n manier alsof het iets bijzonders was?” vroeg -hij geraakt. „Ze heeft voor zoover ik weet geen cent geld, en wat ze -bij mij kan krijgen is dubbel en dwars weelde, vergeleken bij wat ze nu -heeft en wat ze had toen haar eerste man leefde.” - -„O, neen,” gaf Bronkhorst toe, sprekende als iemand die aan iets anders -denkt, „geld heeft ze volstrekt niet.” - -„Wel, dan zie ik ook niet in.....” - -Bronkhorst wendde het gelaat naar hem toe en zei snel: - -„Dus je gelooft, dat het heelemaal ’n quaestie van geld is; dat er -niets anders bij ter sprake komt, dan de beurs of wel ’n zeker -traktement per maand?” - -„Neen, niet heelemaal, maar toch zal dat voor een vrouw wel het -voornaamste wezen. Wat drommel, men kan niet leven van den wind.” - -„En verder....?” - -„Wat verder?” - -„Ik bedoel wederzijdsche genegenheid, beantwoorde liefde, als je die -uitdrukking beter bevalt,—enfin, datgene, wat onder Europeanen toch -altijd wordt beschouwd als het criterium van ’t huwelijksgeluk, ’t zij -men het adoratie of teelkeus noemt?” - -„Ja..... ik vind, dat een man verliefd moet wezen, als hij er toe -overgaat een vrouw te vragen; dàt nu wel; ik begrijp ook niet, dat hij -het anders doen zou, tenzij om het geld, en daarvan is hier geen -sprake. Wat ’n vrouw betreft,—ja, zie je, die moet iemand willen -hebben, en of er dan verliefdheid of niet bij in het spel komt..... dat -is van later zorg; ik geloof dat het al doende wel leert, en ik heb ook -altijd gehoord, dat het voor ’n man voldoende is, als hij er maar ’n -beetje beter uitziet dan ’n aap.” - -„’t Is een eigenaardige opvatting, dat is zeker. Misschien is er iets -waars in en zou men nog verder kunnen gaan.” - -„Hoe dan?” vroeg Prédier nieuwsgierig. - -„Och, als men soms ziet hoe aapachtig verliefde mannen zich aanstellen, -kan men er toe komen, te gelooven, dat het „beetje beter” er ook wel af -kan.” - -„Verdomd!” riep Prédier, met z’n zware hand op de tafel slaande. „Als -ik niet wist, dat je het goed meende, zou ik denken, dat het je te doen -was om hatelijkheden te tappen. Je hebt ’n rare manier om iemand in -zulke dingen ’n goeien raad te geven.” - -Een oogenblik dacht Bronkhorst na, den rook zijner sigaar opzuigend en -in korte zetjes uitblazend door den neus, en daarna diezelfde sigaar -ernstig beschouwend, alsof het een bron was van Salomonische wijsheid. - -„Je hebt gelijk,” gaf hij toe, zijn gewone notarismanier van spreken -hernemend; „het is ook zoo’n vreemdsoortig advies, dat je me vraagt, en -zulk een buitengewoon onderwerp. In ernst Prédier, ik raad je dezen -stap af; in gemoede ontraad ik je hem. Kijk eens, ’t huwelijk is iets, -dat, vooral hier in Indië, vaak lichtvaardig wordt opgevat bij het -aangaan, maar let eens op, waartoe dat dikwerf leidt! Er wordt te -weinig overwogen, dat het een overeenkomst is, die niet tot -wederopzeggens, maar voor het leven wordt gesloten, althans behoort -gesloten te worden. Men let op familie, op geld, op het uiterlijk, op -een positie, op momenteele opwelling van genegenheid of begeerte, maar -men verwaarloost het eenige, dat het huwelijk duurzaam, goed en -gelukkig kan maken.” - -Prédier had met een ruk zijn stoel dichterbij geschoven; hij was nu ook -ernstig geworden, maar het was aan zijn gezicht te zien, dat hij -volstrekt niet begreep, waartoe deze nieuwe wending moest voeren. - -„En wat is dat dan?” vroeg hij verbaasd. - -„Het is zekere overeenkomst in karakter, neigingen en levensvormen; een -overeenkomst, die althans zóóver dient te gaan, dat ze -onvereenigbaarheid uitsluit. Oppervlakkige Fransche schrijvers zeggen: -l’amour vit de contrastes, en oppervlakkige Hollanders zeggen dat na. -Voor de liefde op z’n Fransch of op z’n..... Mahomedaansch wil ik dat -aannemen, maar in onze Europeesche maatschappij en in onze burgerlijke -kringen is het een leugen.” - -„Dus, als ik je goed begrijp, wil je zeggen: jij deugt niet voor haar, -of zij niet voor jou, of jullie niet voor elkaar?....” - -„Juist,” bevestigde Bronkhorst met warmte, en hij voegde er bij met -iets oudere broerachtigs in toon en manieren: „ik mag je te graag en -Betsy ook, om jullie blindelings in het ongeluk te zien loopen. En ik -houd me overtuigd, dat het zoo wezen zou, want jullie bent, ieder voor -zich, uitstekende menschen, maar je hoort niet bij elkaar. Ik weet nu -niet met juistheid te bepalen, waar het groote, het algemeene verschil -ligt; zulke definitiën zijn ontzaglijk moeielijk, maar ik zie duidelijk -de algemeene onvereenigbaarheid, waarvan ik zooeven sprak.” - -„Ik niet,” zei Prédier leuk. „Ik vind wel, dat je van ochtend gruwelijk -zwaar op de hand bent. Je stelt me het huwelijk voor als een geweldige -corvée. ’t Is jandorie of man en vrouw tegenover elkaar staan als twee -vijandige partijen. Als ik zoo alles naga, zou ik denken, dat je zelf -toch andere ondervinding van het huwelijk hebt.” - -„Enfin, je schijnt me niet te begrijpen, en het is heel moeilijk, -zooals ik zei, om me er verder over uit te laten of in bijzonderheden -te treden bijwijze van vergelijking. Bovendien,” voegde hij er koel -bij, „is het ook niet noodig. Want je zei wel, dat je m’n raad kwam -vragen, maar ik weet ongeveer, wat dat bij zulke gelegenheden beduidt; -men volgt dan alleen den raad op, die strookt met eigen plannen.” - -Prédier lachte op zijn luide, krakende manier, zooals hij sprak, gewoon -als hij was meest altijd te lachen en te spreken buiten in de open -lucht. - -„Nu, notaris, die zet is u. Ik geloof waarachtig, dat je gelijk hebt. -Men kan het probeeren, en ik zal het probeeren. Ziedaar! Maar nu zal ik -je niet langer van ’t werk houden en eerst eens ’n praatje gaan maken -bij mevrouw.” - -„Doe dat. Vraag je haar ook om raad?” - -„Nu, dat kon wel wezen.” - -„Misschien dat haar advies beter klopt met je eigen wenschen, dan het -mijne. Maar geloof me, Prédier, denk nog eens ernstig na. Het is zulk -een gewichtige stap, kerel! Beter ten halve gekeerd.....” - -„Dan ten heele gedwaald, dat weet ik. Maar je zult me niet kwalijk -nemen, als ik denk dat in zulke zaken zoo’n goede, verstandige dame als -mevrouw Bronkhorst een opinie heeft, die tegen elke andere kan -opwegen.” - -Bronkhorst gaf er geen antwoord op; hij knikte slechts eenige malen -langzaam met het hoofd. - -„Blijf je ’n dag of wat?” - -„Tot overmorgen; vóór dien tijd kom ik je zeggen hoe het is afgeloopen. -Tot ziens!” - -Met de linkerhand onder het voorhoofd en den pennenhouder in de -rechter, bleef Bronkhorst voor zijn schrijftafel zitten. Maar hij kwam -niet verder dan den voornaam van dien op dat moment verwenschten -eersten comparant. Het lag hem zwaar op het hart, dat bezoek van -Prédier; het stemde hem onaangenaam en verdrietig; hij kon het niet van -zich zetten om rustig, als vroeger, zijn minute te concipiëeren. -Herhaaldelijk zuchtte hij, zonder dat hij het wist of opmerkte; ’t was -een stemming gelijk aan het voorgevoel van een ongeluk. - -Hij hoorde aan den anderen kant van het schutsel den Inlandschen -brievenbesteller zich aankondigen met zijn luid: pos, toean! en een -oogenblik later lei een klerk de brieven en couranten bij hem neer. -Werktuiglijk schoof hij ze uiteen met den vinger; een gedrukt adres -boven het zijne—dàt van den afzender—trok zijn aandacht; hij schoof de -enveloppe tusschen de andere uit en opende dien brief het eerst. Onder -het lezen trokken zijn wenkbrauwen samen en plooiden zijn lippen zich -tot een uitdrukking van ontevredenheid. Die tijding viel hem tegen: hij -moest dadelijk voor een dringende zaak op reis! - -Het gebeurde wel meer, en zulke reisjes legden hem in het algemeen geen -windeieren. Ook ontstemde het hem anders volstrekt niet. Integendeel, -hij ging er gaarne eens ’n paar dagen „uit” op die manier; op zijn -candidaat kon hij vertrouwen. Waarom kwam het hem dan nu zoo te onpas? -Zelfs voelde hij, dat een antwoord op die vraag hem moeilijk zou -vallen; toornig kneep hij de gescheurde enveloppe samen tot een -balletje, smeet het in de snippermand, en zei bij zichzelven, met een -kleur op het gezicht en een heftigen draai met zijn schroefstoel: „Laat -ze trouwen, wat kan het mij ook....” - -Hij regelde het werk, sloot zijn laden, en ging naar huis, om -postpaarden te laten bestellen, en zijn vrouw te zeggen, dat hij nog -dien dag op reis moest; ze kon dan zijn koffers gereed maken, wat ze -zooveel beter deed dan hijzelf. Zijn boos humeur kreeg weer de -overhand, toen hij Marie vertrouwelijk zag zitten praten met Prédier en -aan diens gezicht wel bespeurde, dat hij van haar een anderen raad had -gekregen. Met opzet ging hij het huis om en de achtergalerij binnen; -maar zijn vrouw had hem gezien, liet Prédier ’n oogenblik bij zijn -bittertje en zijn sigaar alleen, en kwam naar achter. - -„Vent, wat ben je vroeg; het eten is nog niet klaar.” - -Hij vertelde haar, dat hij uit moest en waarheen. - -„Ik zal je boel straks in orde maken,” zei ze, „maar je weet wat -Prédier komt doen, hé? Hij heeft je er al over gesproken.” - -„Ja,” antwoordde hij op onverschilligen toon, „ik heb het hem ernstig -afgeraden.” - -„Nu, ik niet; integendeel, ik hoop voor beiden, dat het zal gelukken. -Zij kan niet altijd ten laste blijven van haar oom en tante, en voor -hem is het geen leven, zoo alleen in het binnenland. Jij vindt nu, dat -ze niet bij elkaar komen, en daar is iets van aan; doch dan moet van -beide kanten maar wat geschikt en toegegeven worden, dat moet toch -altijd gebeuren, en het is dus alleen een zaak van meer of minder.” - -„Laat ze trouwen! Wat raakt het mij! Als zij zich in het ongeluk willen -storten, is het hun zaak.” - -„Neen, vent, maar dàt is toch wat al te gek. Waarom zouden zij nu juist -ongelukkig moeten zijn met elkaar? Hij is, alles bijeengenomen, een -beetje ruw en onbeholpen, maar ik geloof zeker dat hij een goed man -is.” - -„O, ja.” - -„En Betsy kan wel eens wat coquet, nuffig of lichtgeraakt wezen, maar -ze is verstandig genoeg.” - -„Zeker.” - -„Welnu, dan zie ik ook niet in, waarom je er zoo pessimistisch over -hoeft te denken. Als ik niet wezenlijk dacht goed te doen, dan zou ik -Prédier niet beloofd hebben....” - -„Wat heb je hem beloofd,” viel hij driftig uit. - -„Wel,” zei z’n vrouw verbaasd, „ik zal Betsy eens polsen en een goed -woordje voor hem doen.” - -Met moeite bedwong Bronkhorst zijn toorn, maar het gelukte hem toch. - -„Marie,” zei hij, uiterlijk zeer bedaard, „je zult me een groot -genoegen doen, door je daar geheel buiten te houden. Vooreerst vind ik -zoo’n soort van „aankoppelen” afschuwelijk, maar in dit bijzonder geval -is het dubbel, want ik ben overtuigd, dat het voor allebei op een zeer -ongelukkig huwelijk zal uitloopen.” - -Zij was een goede vrouw, en ze deed gaarne wat haar man wenschte, maar -van haar opinie deed ze geen afstand. - -„Goed,” antwoordde ze ’n beetje geraakt, „als je er zóóveel op tegen -hebt, dan zal ik dat aan Prédier zeggen. Maar ik ben het niet met je -eens, volstrekt niet, en ik hoop van harte, dat Betsy, ook zonder mij, -verstandig genoeg zal wezen, haar belang te begrijpen.” - -Toen ze samen naar voren gingen, vertelde zij Prédier, dat haar man -niet wilde, dat zij er zich mee zou bemoeien. - -„Je begrijpt wel,” voegde Bronkhorst er bij, „dat ik uitsluitend en -alleen jou belang en dat van mevrouw Den Ekster op het oog heb, en het -volstrekt niet te doen is om je in iets te dwarsboomen. Misschien stelt -de toekomst me in het ongelijk; ik hoop het van harte; maar ik ben nu -eenmaal van meening, dat het met jullie niet goed zal zijn, en daarom -mogen noch mijn vrouw, noch ik er toe medewerken.” - -Op dat oogenblik geloofde Bronkhorst zelf, dat hij meende, wat hij zei, -en daardoor was er zekere kracht van overtuiging gekomen in den toon -zijner stem. Voor Marie stond het ook muurvast, dat haar man slechts -sprak uit overtuiging, ofschoon ze het erg onaangenaam vond, en -Prédier, die evenmin de bedoeling wantrouwde, vond het zóó, dat hij -toch maar liever zou zijn heengegaan om te rijsttafelen in het hotel. -Doch zijn relatie met den notaris was van dien aard, dat de goede -verhouding in het belang der zaken bewaard moest blijven. - -„Enfin,” zei hij met een gedwongen lach, „dan zal ik maar op mijn eigen -gelegenheid mijn fortuin beproeven. Ik hoop alleen dat je me niet zult -tegenwerken.” - -„Dat in geen geval,” verklaarde mevrouw. - -„Volstrekt niet,” zei ook Bronkhorst. „Ik zou het zelfs niet kunnen, -want ik ga van middag op reis.” - -Ze spraken dáárover voort, blij dat het nu voor allen minder aangename -onderwerp van het tapijt was, en daar elk hunner om zeer uiteenloopende -redenen en met geheel verschillende gevoelens ’t mogelijke deed om het -gesprek te doen vlotten, lukte dat aan tafel ook vrij wel. - -Toen, na de rijsttafel, Prédier, die toch eenige haast scheen te -hebben, naar zijn logement was gegaan, en Marie bezig was met hare -gewone zorgvuldigheid den reiskoffer te pakken, ging Bronkhorst nog -even naar zijn kantoor, en van daar liep hij dwars het voorerf over om -de Borne’s goeden dag te zeggen. Het was anders zijn gewoonte niet, als -hij voor ’n paar dagen op reis ging, van zijn buren afscheid te nemen; -bovendien kon hij er veelal op rekenen, dat op dit uur van den namiddag -de kapitein en diens vrouw rustig hun siësta namen, terwijl deuren en -vensters aan de voorzijde van het huis gesloten waren. Met het oog op -dit laatste, ging hij het achtererf op, nu en dan onwillekeurig naar -zijn eigen huis glurend om te zien of Marie soms uit een der vensters -keek, maar die keek alleen in de legkast en in den koffer. - -In de achtergalerij der Borne’s vond hij, wat men daar elken dag kon -vinden op dezen tijd: Betsy aan een handwerkje in een wipstoel, en de -naaister met Sarinah aan den anderen kant op een matje. Alles rustig en -stil. Toen Bronkhorst de trap opkwam, keek de groote hond even op, maar -dommelde, den goeden bekende ziende, dadelijk weer in. - -„Ik kom even goeden-dag zeggen. Slapen de luitjes?” - -„Ja. Gaat u op reis?” - -„Voor ’n paar dagen maar; voor zaken.” - -„Ga even zitten.” - -„Ik heb weinig tijd; ik kon niet nalaten te komen, om u nog eens te -zien.” - -„Mij nog eens te zien?” herhaalde ze met groote oogen vol verwondering. - -„Zeker! Er zijn zulke geweldige kapers op de kust, en die hebben zoo’n -haast.....” - -„Maak nu geen gekheid. Wat bedoel je?” - -„Alsof je dat niet weten zoudt!” - -„Ik weet heusch van niets.” - -„Nu, dan zal ik het je vertellen. Je wordt vandaag of morgen ten -huwelijk.....” - -„Prédier!” - -„Ziedaar nu! Heb ik niet gezegd, dat ik niets nieuws kwam vertellen! -Nauwelijks rep ik van een huwelijksaanvraag of de candidaat wordt -genoemd. Ik wist wel dat hij de verwachte was.” - -„De verwachte!” herhaalde ze met minachting, en het was hem als lag er -iets verwijtends in haar blik. „Ik begreep wel, dat, zoo ik door iemand -spoedig gevraagd zou worden, het door hem zou zijn.” - -„En..... zal hij de gelukkige wezen?” - -„Zeker.” - -Met saamgeknepen lippen hief Bronkhorst het hoofd op en zag haar aan; -zij zag dat het hem hinderde en dat deed haar een innig genoegen; zij -had zijn trekken zien veranderen, en een sombere uitdrukking over zijn -gezicht zien komen. Met de voorarmen op de tafel leunend, keek ze hem -eenigszins spottend, maar toch erg lief in ’t gezicht. - -„Dan heb ik u nog slechts te feliciteeren.” - -„Mij? Waarom mij? Feliciteer den armen, akeligen Prédier, dien ik naar -zijn land in eenzaamheid terugstuur; ik kan hem, daarvan ben ik -overtuigd, niet wezenlijk gelukkiger maken; het tegendeel verbeeldt hij -zich maar.” - -„Is dat nu ernst of scherts?” - -„Het is ernst..... Een man als Prédier!..... Stel je zoo iets voor!” - -Bronkhorst stond op en reikte haar de hand. - -„Dus..... tot over een paar dagen.” - -„Zeker! Au revoir!” - -Hij vroeg zichzelven geen verklaring van het feit, dat, toen hij -heenging, ’t hem was of hij van een zwaren last was ontheven; hij dacht -in ’t geheel niet na, maar liep vlug naar huis, waar Marie in het zweet -haars aanschijns zijn goed had gepakt, terwijl een bediende nu bezig -was met kracht de riemen aan te halen van den overgevulden koffer. - -„Komaan, is het al klaar?” vroeg hij opgeruimd. - -„Ja; ik heb er twee paar sloffen ingedaan; een paar gewone voor het -baden, denk er nu om, anders zijn de andere dadelijk stuk. En van je -overhemden.....” - -„Soedah!” riep hij met een afwerend gebaar. „Ik vertrouw je best; het -zal wel alles uitstekend in orde zijn.” Hij was immers volstrekt niet -in een stemming om over sloffen en overhemden te spreken! Hij was erg -verstrooid, vergat eerst zijn sigarenkoker, daarna zijn zakdoek en ten -slotte zijn vrouw. - -„Nu, bonjour!” zei ze met bijzonderen nadruk, toen hij uit de -voorgalerij naar beneden wilde gaan, waar het rijtuig wachtte. - -Snel en half verlegen keerde hij zich om en kuste haar. - -Dienzelfden avond zat Prédier in zijn kamer in ’t hotel. Nog nooit had -hij het zóó warm gehad. Van een mondeling aanzoek had hij afgezien, -daar hij vreesde bij die gelegenheid een figuur te maken, dat niet in -zijn voordeel was. Schriftelijk zou hij het behandelen; hij vond, dat -het veel gemakkelijker was op het papier te zeggen, wat men meende of -dacht. Maar toen hij voor de eenigszins wankele ronde tafel zat, en -alreeds eenige velletjes postpapier had verscheurd, omdat de aanhef hem -niet beviel, werd ook dat gemak hem uiterst twijfelachtig. Hij had -reeds zijn kabaja uitgetrokken en naar het schutsel gesmeten, en zat nu -min of meer in badkostuum zich toe te wuiven met een kleinen papieren -waaier, dien hij bij ’n Chinees had gekocht voor ’n dubbeltje. Hij -wierp de schuld op de temperatuur. Als hij maar in ’t gebergte was, dan -zou het heel anders gaan, meende hij. Hier op zoo’n verwenschte -kustplaats met een voortdurenden thermometerstand van omstreeks 85 -graden Fahrenheit, kon iemand zijn gedachten voor zulk een gewichtig -werk niet verzamelen. En hij had toch zoo gruwelijk het land aan dat -boek, dat hij voorzichtigheidshalve had meegenomen, en, bij het -afnemend daglicht, een oranjegeel langwerpig vierkant vlak op de -djatihouten tafel vormde, waarover dwars met groote zwarte letters „De -Nederlandsche briefsteller” gedrukt stond! - - - -Onder het hardop voorlezen van den brief, knikten de dames Borne en -Bronkhorst herhaaldelijk goedkeurend met het hoofd. Dat was, vonden -zij, degelijke, gezonde taal; de vorm fatsoenlijk en net. En ze lett’en -er volstrekt niet op, dat de kapitein op zijn stoel verwonderlijke -grimassen zat te maken, tot ze verschrikt opzagen, toen hij, aan het -eind van het epistel, brullend van het lachen opstond en naar zijn -kamer liep. - -Nu in ’t geheel niet meer wetend, wat dat alles beduidde, keken ze -elkaar een oogenblik verbluft aan. - -„Ik wil er meer van weten,” riep Betsy. „Daar zit iets achter; ik moet -er het mijne van hebben.” En zij liep den kapitein na; zij vond hem in -zijn kamer nog gierend van het lachen. - -„Wat is er oom? Toe zeg het nou?” - -„Neen, Bets, houd je stil, kind.... Het gaat al over.... Zeggen, doe ik -niets..... Ik kan ’t me zoo levendig voorstellen, weet je?” En hij -lachte weer. - -„Toe, oompje?” vleide ze, met haar arm om zijn hals. „Toe, zeg het mij, -ja? Ik moet het immers weten.” - -Hij weigerde nog een oogenblik, maar kon het niet volhouden, en nam uit -zijn boekenkast een oranjegeel deel; keek even in den bladwijzer, sloeg -het daarna open en hield het haar voor: - - - „Hooggeachte vriendin! - - „Daar de oogen.....” - - -Haar eigen oogen gingen wijd open en ze keek kapitein Borne aan met een -blik vol ontzetting. Ze rukte hem het boek uit de hand en vloog er mee -naar achter, onder het loopen roepend: „Zoo’n ellendeling, zoo’n -stommerik, zoo’n koerang adjar! Tante.... mevrouw Bronkhorst.... Zoo’n -vent schrijft me een brief uit een boek!” - -En ze wierp het arme dikke deel op tafel, alsof al de bladen uit het -omslag moesten springen. - -De eerste indruk der beide dames was mede die van verontwaardiging. -Doch spoedig lachte men hartelijk om het dwaze geval, en niemand dacht -er meer aan den man, die zich belachelijk had gemaakt, als -huwelijks-candidaat in bescherming te nemen. Maar tante Borne was -wantrouwend. - -„Hoe wist jij zoo precies, dat het een brief was uit een boek?” vroeg -ze haar man. - -„Och,” zei hij, „we hebben indertijd met datzelfde ding eens ’n -aardigheid gehad.” - -„En we zullen er nog een aardigheid mee hebben,” verzekerde Betsy, die -haar schrijfgereedschap had gehaald, lachend, maar toch zenuwachtig, ’n -beetje heftig. - -Het boek voor haar leggend, schreef ze: - - - Brievenboek van L. F. Geerling. - bladzijde 217. - 232. Antwoord. - - Geachte vriend, - - Uw aanzoek, geachte vriend! is van zulk een gewicht, dat het mij - niet mogelijk is, daarop aanstonds een bepaald antwoord te geven. - Mijn eerste echtverbintenis heeft mij reden gegeven om met - omzichtigheid te handelen en mij voor een tweede overhaasting te - wachten. Vergun mij derhalve ZEVENTIG JAREN om mij te bedenken, te - raadplegen en mijn hart te onderzoeken.—Kom dan na verloop van - dezen korten tijd, en vereer mij weder met een bezoek: ik zal u dan - in persoon mijn gedachten mededeelen, en over onderscheiden punten, - die ik aan het papier niet toevertrouw, met u spreken. - - Uw hoogachtende vriendin - - Wed. Den Ekster. - - -Prédier kwam net van tafel in het hotel, toen een bediende hem het -antwoord op zijn brief overreikte. Veel had hij verwacht, maar dat -niet. Het was verpletterend! Binnen vier en twintig uren zou hij de -risée wezen van het plaatsje! Zijn liefdegloed doofde bij die gedachte -aanmerkelijk, en dienzelfden avond nog vertrok hij. - -„Zoo’n hatelijk schepsel,” dacht hij onder het rammelen der wielen over -de rolsteenen, „Bronkhorst had nog gelijk!” - -Bij het heengaan van den notaris had Sarinah haar meesteres even -aangezien, en haar een stillen wenk gegeven. Toen ze beiden in de kamer -waren, vroeg Betsy: - -„Wat is het, nèh?” - -„Het zal gelukken.” - -„Hoe weet je dat?” - -„Ik heb het aan zijn gezicht gezien en aan zijn stem gehoord.” - -„Wat zag je en hoorde je?” - -„Wat noodig is. Ketjil zal mij niet bedriegen. Het helpt niet, zegt -hij, als er niet een beetje lust is bij den man, en veel verlangen bij -de vrouw. Maar als die er zijn dan helpt het. Ik heb ze allebei gezien -en gehoord.” - -„Maar hoever gaat het, nèh? Je begrijpt toch wel, oudje, dat ik mijn -geld niet kan weggooien. Er is nog iemand, die me trouwen wil, en die -vrij is. Als ik dezen nu afwijs, en ik kan hem toch niet krijgen!” - -„De nonna zal hem kunnen trouwen. Hij zal naar haar toe worden -gedreven; hij zal alles doen om haar te krijgen; hij zal zich niet -storen aan de menschen; hij zal als het moet alles geven; hij zal zijn -kinderen verwaarloozen en zijn vrouw verstooten en van haar scheiden, -alles, alles..... alles!” - -De oude sprak met een profetische begeestering, die Betsy deed -huiveren. - -„Maar, dàt,” vervolgde Sarinah, „behoef ik de nonna wel niet te zeggen: -niets vóór den tijd, NIETS!” - -Zij schudde het hoofd. Neen, dàt wist zij waarlijk ook wel! Maar welk -een ontzaglijke bron van soesah! Welk een veld vol hindernissen! Een -oogenblik dacht ze aan terugkeeren, maar zij wierp dat idée spoedig vèr -weg. Geen lafhartigheid! Zij had a gezegd, ze zou ook b zeggen. - -„Hij is uit,” zei ze. - -„Ik weet het wel; ik heb immers gehoord, dat hij voor een paar dagen op -reis moet,” antwoordde Sarinah. „Het is niets. Wij kunnen wachten.” - -„Wachten..... ja!.... Ik had anders maar graag, dat het wat gauw ging.” - -„Niet haasten! Langzaam is goed; wat haast deugt niet.” - -De oude ging al pratende en steunende naar de toilettafel, nam er den -bedaq-pot af en wierp den inhoud op een stuk papier, dat ze eerst op -den grond had uitgestreken. - -„Wat doe je, nèh?” vroeg Betsy zich van den domme houdend. Ze wist wel -wat dàt beduidde; zóóveel had ze er vroeger wel van gehoord. - -„Niets,” antwoordde Sarinah met haar schorren lach. „Ik doe niets,” en -intusschen haalde zij uit haar trommel een grooteren pot en stortte een -deel daarvan in dien van haar nonna over. - -„Dat hoort er bij, hè?” - -„Ja. Er is veel dat er bij hoort; men moet toch beginnen.” - -„Het stinkt immers niet? Laat me eens ruiken!” - -„Ruik het,” zei Sarinah, haar ’t potje overreikend. - -Betsy bekeek het glimlachend en met groote nieuwsgierigheid. Er was -niets bijzonders aan te zien. Misschien was de nieuwe bedaq iets minder -wit dan haar eigene, en zeker was het, dat er een andere geur aan was, -een eigenaardige zoete bloesemgeur, die niet bijzonder treft, maar -welke men zich toch weer dadelijk herinnert, als men hem eens heeft -geroken; doch stinken deed de bedaq niet. - -„Deze moet bepaald worden gebruikt,” zeide de oude eenigszins ongerust. -„Nonna moet nu niets veranderen en niets vergeten. Men moet het goed -willen en goed doen.” - -„Wees niet bang, nèh! Ik vind het erg aardig en ook wel ’n beetje gek, -zie je. Maar ik zal doen, wat jij zegt, al is het nog honderdmaal -gekker.” - -Ontevreden schudde Sarinah het hoofd. - -„Er is niets geks aan.” - -„Neen, wees nu maar niet knorrig. Ik vond het enkel maar raar, dat die -bedaq.....” - -„Het hoort er bij,” herhaalde de meid stijfhoofdig, „anders zeg ik -niets: het hoort er bij.” - -„Goed, goed! Zeg nu maar gauw. Is er nog iets?” - -„Is er nog iets!—is er nog iets?” herhaalde de oude, nu bepaald boos. -„Als het zoo gaat, moet er maar niets van komen. Het is geen werk voor -kinderen, die maar willen lachen; die bij elk klein gedeelte, dat er -bij hoort, vragen: is het dit, of is het dàt, of: is er nog iets? Op -die wijze gaat het niet.” - -„Nu, oudje, wees niet boos, ja? Zóó meende ik het niet. Ik bedoelde -enkel of je nu nog wat voor me hebt.” - -Mopperend en als met tegenzin dook Sarinah weer in haar groote -vierkante trommel, groen geverfd met breede, roode randen, waarin zij -haar schatten, geheimen en prullen bewaarde. Zij haalde er een fleschje -uit, een dier dikke stukken glas met een inhoudsruimte als een -pijpesteeltje, waarin oliën voor geneesmiddelen en reukwerken worden -bewaard en verkocht.—Voor zij ’t haar gaf, keek de meid eerst haar -meesteres nog eens aan om te zien of zij er nog den gek mee stak, maar -het gezicht van Betsy stond zeer ernstig, en zij bekeek het fleschje -met belangstelling. Zij begreep volkomen wat ook dit moest beteekenen, -maar zij had onwillekeurig tot regel genomen om zich zoo onnoozel te -houden als mogelijk was. - -„Wat is het, nèh?” - -„Minjaq bermanis,” antwoordde de oude, tegelijk met haar wijsvingers -over de wenkbrauwen strijkend als gebruiksaanwijzing. - -„Zoo! Ik zal het dadelijk eens doen.” - -„Dat behoeft niet, want meneer is er niet, en hij komt vandaag toch -niet terug, zelfs morgen niet. Het is zeer goede en bijzondere.” - -„Is er dan verschil in?” - -„Ik weet het niet. Ik geloof het wel. Er is verschil tusschen alle -menschen en alle dingen. Deze minjaq is de goede; zij is klaar gemaakt -naar een Padangsch voorschrift. Er is geen andere goede, dan die.” - -Betsy luisterde er nauwelijks naar. Zij had ’t fleschje geopend en den -inhoud met den top van een harer vingers in aanraking gebracht. Nu -stond zij voor den spiegel en streek de uiterst geringe hoeveelheid -olie over haar zwarte wenkbrauwen: zij wilde eens zien of het iets -uitwerkte op het gezicht, en ze neigde het hoofd nu eens links, dan -weer rechts, zoete mondjes trekkend en lief kijkend tegen haarzelf, -zooals dames gewoon zijn te doen, als ze toilet maken voor den spiegel. -Doch zij zag niet anders, dan wat ze van haarzelf en de uitdrukking van -haar gezicht gewoon was te zien. Dit stelde haar teleur. Wat kon hij er -aan zien, als zijzelve niets zag? - -„Het hoort er bij,” zeide Sarinah opnieuw. „Het een met het ander.” - -„Zeker, zeker,” stemde Betsy haastig toe. „Ik zal het nu maar -bewaren..... Misschien heb je nog meer.” - -„Ik heb niets, maar er komt nog heel veel te doen als meneer maar eerst -terug is.” - - - -’t Gebeurde spoediger, dan hijzelf had verondersteld. Het was doodstil -in het huis der Borne’s: de doodsche stilte die in het binnenland van -Java heerscht tusschen het derde en vierde uur na middernacht, als al -wat leeft, schijnt te slapen. Plotseling sloeg de groote hond luid aan; -het duurde maar een oogenblik; iemand sprak tegen hem, en het beest -hield zich stil. Betsy was dadelijk wakker en zat overeind in bed te -luisteren, terwijl een rilling van ongemotiveerde nachtvrees haar langs -den rug liep, en toen er luid op de achterdeur werd geklopt, wat juist -een geruststellend teeken was, schrikte zij nog harder, zoodat haar -hart bonsde. - -„Mevrouw! mevrouw Borne!” hoorde zij roepen; ze herkende dadelijk de -stem van Marie en sprong haar bed uit. In de binnengalerij kwam zij -door de duisternis in botsing met haar tante, wat beiden zenuwachtig -deed lachen. - -„Neem me niet kwalijk,” zei mevrouw Bronkhorst, „dat ik u uit den slaap -haal, maar kleine Jean is zoo naar.” - -„Wat heeft hij?” vroeg mevrouw Borne. - -„Hij was den heelen dag reeds koortsig, en toen hij van avond slapen -ging, erg warm. Nu een uur geleden is hij gloeiend heet wakker -geworden, en het wil maar niet bedaren. Ik maak me altijd zoo ongerust -over ziekte, als Bronkhorst niet thuis is.” - -Dadelijk waren de dames klaar, en een paar minuten later zaten ze in de -slaapkamer bij kleinen Jean, die in een erge koorts lag. Hier was de -hulpvaardige mevrouw Borne op haar terrein; met de haar eigen drukte en -beweging, nam zij eenige onbeduidende maatregelen tot verlaging der -temperatuur van het kind, maar was toch verstandig genoeg onverwijld om -den jongen vreemden geneesheer te zenden, die Den Ekster op zulk een -onuitsprekelijke manier aan zijn eind had zien komen. - -Marie was ’t hoofd geheel kwijt. Altijd rustig, schoon ijverig en -voortvarend, in haar gewone doen, maakte dit ziektegeval haar -zenuwachtig en opgewonden. Zij hield ook zooveel van kleinen Jean, en -Bronkhorst was van huis, en het was nacht, en..... en..... ze wist zelf -niet hoe het kwam, maar ze was geheel overstuur. Zooveel besefte zij -alleen, dat het heel gelukkig was zulke voortreffelijke buren als de -Borne’s te hebben. Overigens liep ze onrustig van de eene kamer in de -andere, nu eens het brandend hoofdje voelend van het kind, dan weer -iets willende halen uit een kast, zonder dat ze, als ze er voor stond, -zich meer herinnerde, wat het geweest was. Intusschen sloeg de radde -tong van mevrouw Borne den rammelslag, geruststellend verhalend van -geweldiger koortsen, waarvan uiterst zwakke kinderen hersteld waren, of -van de nog heviger aanvallen, die sterke kinderen in een ommezien naar -het graf hadden geholpen; van de koortsen, die ze zelf had gehad, en -haar man, en haar kinderen, neefjes, nichtjes, vrienden en bekenden. -Betsy hoorde en zag alles zwijgend aan; de eenigszins opgetrokken -wenkbrauwen gaven haar gezicht een uitdrukking van verwondering. Zij -was nu zoo kalm als ’t maar kon! Inderdaad liet het ziektegeval haar -volkomen onverschillig. - -Wat kon het haar schelen of kleine Jean stierf? Zij had, getrouwd -zijnde, graag kinderen gehad, omdat er dit volgens de gangbare ideeën -bij behoorde; maar zij hield niet van kinderen, volstrekt niet! - -Als ze die van haar tante of van Marie liefkoosde, deed zij dat ten -genoege van de ouders. Daarom ook ging ze bij het bedje zitten van -kleinen Jean, nam zijn hoofdje op haar arm, en lei ’t kompres met koud -water aan, dat mevrouw Borne inderhaast had gemaakt. - -De dokter liet het kind baden in lauw water, en daar het nog te jong -was om zich tot het slikken van onaangenaamheden te leenen, werd het -met opgeloste quinine ingewreven. Of het door de werking van een en -ander was, dan wel door de vermoeienis van het sollen dat met hem was -gedaan, en waartegen hij zich met alle kracht en geweld had -verzet,—kleine Jean viel in een looden slaap in den arm van Betsy, die -hem toedekte met een kinderlaken en de anderen wenkte stil te zijn en -heen te gaan, waarop Marie naar haar toekwam, fluisterend vragend: -„Slaapt-ie?” - -„Ja, hij slaapt en hij is minder warm,” fluisterde Betsy terug. „Ga nu -zelf nog ’n beetje rusten, anders ben je morgen zoo moe.” - -Marie moest nog eerst even met haar hand voelen of kleine Jean -werkelijk minder warm was; tante Borne moest het ook voelen; intusschen -spraken ze er over, en gingen niet heen vóórdat ze ’t kind bijna hadden -doen ontwaken. Tante keerde naar haar huis terug; Marie ging in de -kamer bij de andere kinderen, waarvan er een was ontwaakt, dat -luidkeels om maatje riep, zich ditmaal niet tevreden stellend met de -baboe, wier gezelschap het in alle andere omstandigheden steeds -prefereerde. Het werd ook hier stil in huis; ’t was pas halfvijf; de -maan in haar laatste kwartier tuurde nog door de kieren van de -opengetrokken stores, daar buiten met haar wit schemerlicht alle -kleurenverschil opheffend, om alleen het wit en zwart toe te laten in -zachter en scherper schakeeringen; het lampje in den blauwen ballon, -die aan de zoldering hing, brandde flauw en liet in het vertrek een -vreemden fantastischen gloed vallen, waardoor het fraai Europeesch -meubilair als met ’n geheimzinnige Oostersche deftigheid werd -overtogen. Betsy zat zoo onbeweeglijk stil als de helft van ’t bloed, -dat haar door de aderen vloeide, het haar veroorloofde. - -Tusschen haar halfgesloten oogleden, dwaalde haar blik door de kamer, -en ofschoon ze genoeg had geslapen dien nacht, deed toch die vreemde -gloed haar indommelen, tot het geluid, dat den aanbrekenden dag -vergezelt, haar ’n kwartiertje later de oogen deed openen. Zacht liet -ze het hoofdje van haar arm glijden; kleine Jean bleef slapen: hij was -niet warm meer en zijn gezichtje, eerst zoo rood, was wit als de -kussensloop. - -Maar ’n uur of wat later kwam de koorts weer opzetten, tot grooten -schrik ook van den vreemden jongen dokter, die wel inzag, dat als hij -hier langs het rijtje van de huizen af zijn patiënten moest zien -sterven, de particuliere praktijk hem geen gouden eieren zou leggen. -Marie had in haar angst een telegram gezonden naar Bronkhorst, en Betsy -had beloofd te zullen blijven, ook omdat de kleine Jean nu eenmaal door -niemand dan door haar wilde geholpen zijn. Het deed haar genoegen, -omdat dit zoo’n geschikte gelegenheid was, haar invloed te vergrooten; -overigens wenschte ze ’t grillige, lastige kind naar den drommel, -ofschoon zij het hielp met een ijver en ’n handigheid, die zoowel de -goedkeuring van tante Borne als die van Marie wegdroeg. Al tobbende met -het kind verstreek de snikheete kentering-dag; maar al bracht de avond -geen verfrissching,—de koorts van kleinen Jean nam gelukkig af; en nu -wilde hij niet langer in zijn bedje blijven, maar dreinde en dwong om -op den schoot van „Bettie” te zitten; nauwelijks vijf minuten had hij -zijn zin of hij maakte aanstalten om te gaan slapen. De pogingen om hem -weer in zijn bedje te leggen, mislukten geheel; hij klemde zich -schreiend aan Betsy vast. - -„Ik zal hem maar op m’n schoot houden,” zei ze. - -„Als het je niet te moe maakt,” antwoordde Marie. „Ik zal ’n -makkelijken stoel laten halen.” - -De bedienden sleepten een grooten fauteuil bij met rood rips -overtrokken, met zachten rug en armen en veerkrachtige zitting; Betsy -zonk er in weg; een rood voetenbankje werd onder haar bloote voeten -geschoven, en een half uur later sliepen zij en kleine Jean om ’t -hardst in den stoel, terwijl de oude Sarinah beiden met een waaier -muskietvrij hield. - -Zóó vond hen Bronkhorst, toen hij, vol angst voor het leven van zijn -kind, nog denzelfden avond aankwam. - -Hij trad de kamer binnen, op den voet gevolgd door Marie. - -„Ze slapen allebei,” fluisterde zij. - -Hij knikte toestemmend en naderde zacht. Toen hij het voorhoofd van -kleinen Jean aanraakte, vond hij ’t kind zeer kalm; maar zijn blik -rustte meer op Betsy dan op het jongetje. - -„Arm ventje! Hij heeft het zoo kwaad gehad.” - -„Wat zegt de dokter?” - -„Ik weet het niet; ik kan uit dien man niet wijs worden; hij bezigt -tusschen zijn Duitsch allerlei Latijnsche woorden. Ja, het is -koorts..... Nu, dat was wat nieuws!” - -Stil liet hij haar verontwaardiging uitfluisteren. Wat kwam ’t zwarte -haar van Betsy, half loshangend over de rugleuning van den fauteuil, -aardig uit tegen het fond van rood rips! Hoe lief zat ze daar met zijn -ziek kind, en hoe rustig sliepen ze! Als zijn vrouw er niet bij had -gestaan, zou hij ze allebei gekust hebben. Nu boog hij zich over -kleinen Jean en gaf hem een zoen; zijn lippen gingen rakelings langs -haar hand; het deed hem trillen van genoegen. - -„Maak hem nu niet wakker,” fluisterde Marie weer; „kom naar je kamer; -er ligt schoon goed voor je klaar.” - -Natuurlijk moest hij mee, maar hij zou liever gebleven zijn; aan de -deur wierp hij nog een blik achter zich, maar er viel niets aan te -doen. Hij moest mee als een zoete jongen om een ander pakje aan te -trekken. Het hinderde en ergerde hem. - -Toen zij Bronkhorst en Marie hoorde heengaan, opende Betsy de oogen en -lachte. Zij had niet geslapen; zij had als elke coquette vrouw een goed -begrip van pose, en instinctmatig had zij gevoeld, dat die houding met -den schijn van te slapen allergunstigst voor haar was. Al had zij de -oogen wijd open gehad, dan had ze niet beter kunnen weten, wat er in -Bronkhorst’s geest had omgegaan, dan thans; ze had moeite genoeg gehad -om geen spier in haar gelaat tot lachen te vertrekken bij die -kinderachtige manoeuvre van het kussen van ’t kind. Thans, nu ze weg -waren, schoof ze ’n beetje ter zijde; kleine Jean werd zwaar en -verveelde en hinderde haar. Toch wilde ze hem op haar schoot houden, -hoe graag ze hem ook stilletjes in zijn bedje had gemoffeld; doch hij -moest haar, zoo ziek en slapende als hij was, nog van dienst zijn, want -’t was voor haar een uitgemaakte zaak, dat Bronkhorst zou terugkomen. -Wat zou ze doen? Weer slaap veinzen? Dan zou hij haar kussen, dat was -zeker, en zóóver wilde zij het nog niet laten komen; dat was ook veel -te gevaarlijk. daar zij het ongetwijfeld zelf aangenaam zou vinden; en -was het eenmaal zóóver..... Neen, dàt kon en mocht niet. ’n Jong meisje -kan, meende zij, zich nog in alle onschuld ’n zoen laten geven, zonder -dat het meer is dan ’n aardigheid sans conséquences; maar als ’n weduwe -zulk een a zegt, dan is het dwaas en haast belachelijk wanneer zij -weigert er een b op te laten volgen. Neen, daar moest niets van komen! -Zij zou wakker blijven en kleinen Jean op den schoot houden. - -Even vóór achten, terwijl Marie in de keuken was om te proeven of het -eten wel behoorlijk was gereed gemaakt, ging weder de deur open en -verscheen Bronkhorst in négligé. Hij glimlachte en knikte tegen haar. - -„Hoe gaat het?” vroeg hij met uitgestoken hand. Zij reikte hem haar -vingertoppen, die hij met veel hartelijkheid drukte. „Wij zijn je erg -dankbaar voor de goede hulp. Slaapt hij nog?” - -„Ja. Het zal hem goed doen!” - -„Zou je niet probeeren hem in z’n bedje te leggen? Het zal je zoo -vermoeien hem al dien tijd op den schoot te hebben.” - -„’t Gaat nogal. Ik ben zoo bang, dat hij weer wakker wordt. Hij heeft -zoo weinig geslapen vandaag.” - -„Wil je ’n glas Selters-water?” - -„Dank je. Alleen ’n glas gewoon water uit de gendi.” - -„En hoe is het met Prédier afgeloopen?” vroeg hij, terwijl zij langzaam -in kleine teugjes het water dronk. Zij vertelde hem de geschiedenis van -de brieven uit het boek; hij stikte haast van het stille lachen met de -hand voor den mond. - -„Heerlijk!” zei hij halfluid, en zich plotseling vooroverbukkend, kuste -hij haar. - -Zij keek hem toornig aan, met saamgetrokken wenkbrauwen. - -„Wees er niet kwaad om!” verzocht hij dringend, en hij had tegenover -haar boos gezicht bijna spijt van zijn vrijpostigheid. Maar hij was met -het voornemen om haar te kussen in de kamer gekomen, en als een goed -notaris zich eenmaal voorneemt iets tot stand te brengen, dan doet hij -het ook. - -Toen ze geen antwoord gaf, herhaalde hij zijn verzoek. - -„Toe, wees er niet boos om! Ik kon het niet laten. Het is immers zoo -erg niet, en ik heb er spijt.....” - -Nu trok zij de wenkbrauwen hoog op, zag hem aan en maakte met het hoofd -een beweging ter zijde, die duidelijk te kennen gaf, dat ze niets -hoegenaamd van die spijt geloofde. - -„Nu, het is waar. Je hebt gelijk, en ik lieg, als ik beweer dat het me -spijt. Maar.....” - -„Doe het niet weer,” vulde Betsy aan, heel kalm, maar eenigszins -dreigend, alsof er nog iets achter hoorde, wat ze verzweeg. - -„Ben je dan niet boos op me? Heusch niet?” - -Ze liet hem begaan toen hij haar hand vatte, maar een seconde later -trok ze die snel terug; ze had de nikkelen kruk op het wit porseleinen -plaatje van de kamerdeur zachtjes zien draaien, en dadelijk daarop -verscheen het blonde hoofd van Marie tusschen de deur en den post. - -„Het eten is klaar. Zou je hem nu niet in z’n bedje leggen? De meid kan -dan hier blijven oppassen. Doe het dan nu dadelijk: we hebben zulke -lekkere visch; die wordt anders koud, en dat zou zonde zijn.” - -Betsy deed het met genoegen. Kleine Jean had voor haar zijn rol naar -behooren vervuld, en ofschoon haar beenen zwaar waren en tintelden van -vermoeienis, was ze toch blij dat ze ’t kind op den schoot had -gehouden; ook had ze honger, en ze hield van kakap. Zacht en stil -schoof ze kleinen Jean van haar arm in zijn bedje; even deed hij de -oogen open, keek haar aan en sliep weer in. - -Het beste aan tafel was voor haar. Marie en Bronkhorst beijverden zich -om te toonen, hoezeer zij het „optrekken” met het zieke kind -waardeerden. - -„Als er een ziek is,” zei Marie, „en ik heb geen hulp, dan loopt alles -in de war. Want het huishouden maakt het mij zóó druk!” - -Als ze het vroeger over die drukte had, nam Bronkhorst geregeld een -loopje met haar, bewerend, dat zijzelve er de schuld van was, omdat zij -het zoo verschrikkelijk nauwgezet opnam. Ditmaal zweeg hij. Waarom zou -hij nu trachten haar van haar bezigheden af te houden? - -„Ik begrijp het best,” antwoordde Betsy. „U hebt den heelen dag geen -rust.” - -„Het zou een groote geruststelling wezen, als mijn vrouw iemand in huis -had om haar ’n beetje bij te staan.” - -Zij zwegen alle drie, want ieder begreep voor zich de bedoeling van den -notaris. - -Marie had er ook dikwijls over gedacht, maar zij zag vreeslijk op tegen -een „juffrouw.” - -Een van tweeën: men moest zóó’n meisje opnemen in den familiekring, en -daar had ze veel tegen, eenigszins uit trots, maar vooral omdat zulke -meisjes daartoe dikwerf niet genoeg ontwikkeld waren. Hield men haar op -een afstand en behandelde men haar als ondergeschikte, dan volgde -daaruit vanzelf familiariteit en knoeien met de bedienden; men kon het -zoo’n arm schepseltje niet kwalijk nemen; in haar verlaten toestand -moest ze dan toch iemand hebben om tegen te praten. En dan die -eigenaardige manieren! Marie had er gekend, die met loshangend haar in -de keuken rondliepen, alsof er premies waren gesteld op het verdwalen -van haren in het eten! Neen, dat nimmer! Maar als zij een zoo net en -geschikt vrouwtje als Betsy was, in huis kon krijgen, zeer presentabel, -verstandig en van goede familie,—ja, dan zou ze dat heerlijk vinden. -Maar ze wist niet hoe ze het aan moest leggen. Men kon háár toch niet -voorstellen, háár, de nicht van kapitein Borne, de weduwe van een -administrateur en de gast van het oogenblik, om „juf” te worden bij de -familie. - -Verlegen keek Marie op haar bord; hoe gaarne zij het ook had gevraagd, -zij durfde het niet te doen. - - - -In een bediendenkamer der bijgebouwen, vèr van het woonhuis, zaten dien -avond vier personen gemoedelijk bijeen. Een soort van bamboezen -ledikant, omgeven door een vuile witte klamboe, was het hoofdmeubel van -het vertrek. Aan den wand prijkten, eenvoudig er tegen geplakt, eenige -van de bekende Indische volksprenten, zoo goed geteekend door Van -Rappard. Op een ongepolitoerd houten rekje stonden ’n paar -ongelijksoortige borden van aardewerk en een paar kommen; een verveloos -en wrak tafeltje vormde met een baleh-baleh het „ameublement.” In een -hoek stond een zwart geverfde blikken trommel, de „garderobe” -bevattend. - -Het was de kamer van den huisjongen, wiens vrouw zoowat -„duivelstoejagerde” onder de bedienden van Bronkhorst. De vrouw zat op -den grond op een mat, onophoudelijk met haar vingers in een bal -gekookte rijst stootend, het tusschen die vingers verzamelend, in wat -sambal doopend, om het daarna in haar vooruitgestoken onderkaak te -deponeeren, waarna het den weg ging van alle rijst. - -Op de baleh-baleh zat Sidin, de huisjongen, met Sarinah, en tegenover -hen, de beide ellebogen leunend op de tafel, zat de dikke zoon der -oude, Ketjil, die de „toovermiddelen” kende en verkocht, die een -Europeesch meisje tot „vrouw” had, en zich in het dagelijksch leven -uitgaf voor horlogemaker, een vak, waarvan hij slechts geringe notie -bezat, maar dat hem in de oogen der bevolking tot een wijs man verhief, -terwijl de Europeanen hem hun uurwerken toch niet toevertrouwden. - -Zij rookten alle drie ’n strootje en bliezen zwijgend den rook onder -het glazen kapje van de kleine petroleumlamp, die walmend en met sterk -aangeslagen glas op tafel stond. - -De deur en het eenige venster waren dicht; er heerschte een -onuitstaanbare temperatuur; de atmosfeer was bedorven; het stonk er -naar nooit geluchte bultzakken, naar den vochtigen uitslag van -vloersteenen en muren, naar ranzige klapperolie en naar het -strootjes-mixtum van tabaksrook en rook van droge nipa-blaren. - -„Ik moet er voor op reis. Ver, ver weg!” zei Ketjil. - -Niemand antwoordde. Een minuut of vijf later vervolgde hij tot Sidin, -die met eenige vrees tot zijn vol gezicht en brutale houding opzag: - -„Je weet er alles van, nietwaar?” - -„Mâ heeft mij maar weinig gezegd.” - -Ketjil keek zijn steunende en kreunende moeder aan, die haar strootje -had weggeworpen, en met een krommen rug en de handen in den schoot al -mummelend zat te luisteren. - -„Het overige zal hij morgen hooren.” - -„Bij mij aan huis?” - -„Ja.” - -Zij keken beiden Sidin aan, die toestemmend knikte; waarover het in -beginsel handelde wist hij, en tuk op het vele geld, dat de oude hem -had beloofd, was hij spoedig bereid geweest. Er kwam nog bij, dat hij -het land had aan Marie, en alleen geen brenti vroeg, omdat het een -goede dienst was, in zoover het loon voldoende was en er veel „afviel.” -Maar overigens stond de behandeling hem tegen: den heelen dag werken; -altijd wat te vegen of te poetsen; en altijd standjes en verwijten,—zóó -was het dienen onder deze njonja-tottok, die hem wel tienmaal elken dag -toeschreeuwde dat hij niet denken, zien of hooren kon, dat hij dom en -lui was, enzoovoort. Daar was hij bosèn van en hij zou het wel aardig -vinden, als men haar een koopje kon geven. - -„Ik zal morgen komen, als ik permissie kan krijgen. Hoe laat?” - -Ketjil dacht lang na. Zijn dag scheen erg druk bezet. - -„Kom morgenmiddag om drie uren of morgenavond om tien.” - -Hiermee waren momenteel de „zaken” afgedaan. Men richtte zich op, -schonk een nieuw glas stroop, stak ’n versch strootje op, en zat in het -ondraaglijk hok genoeglijk pratend over „koetjes en kalfjes” nog ’n -uurtje bijeen. - -Den volgenden ochtend was kleine Jean wel wat beter, maar de koortsen -hadden hem geducht doen afnemen; het kind zag er slecht uit, had geen -eetlust, was nog nu en dan koortsig, en speelde bovenal den dwingeland. -Betsy moest er den heelen dag blijven, en zij nam daar genoegen mee, -tot groote vreugd der Bronkhorsten. Marie vond het heerlijk, dat ze -iemand had op wie ze kon vertrouwen om op te passen, en haar man vond -het aangenaam, omdat hij..... het aangenaam vond. Tot een logischer -conclusie dan dit boeren-motief kon hij niet komen; en dat wilde hij -ook niet. - -Doch haar verblijf ten zijnent was in de eerste dagen niet zoo -opwekkend als vroeger; vooreerst scheen ’t hem toe, dat zij ’n beetje -teruggetrokken was, en hijzelf voelde eenige spijt van zijn -voorbarigheid; hij had ten slotte toch wel eenig misbruik gemaakt van -de omstandigheden. Daarbij kwam, dat de ziekte van het kind andere -gelegenheden uitsloot. Betsy speelde geen piano; zijn vedel was op -nonactief; des avonds was zij ook moe en ging vroeg slapen;—maar toch -had hij haar niet willen missen; hij keek haar nu en dan maar eens aan, -als ze hem passeerde of aan tafel, en dan streelde hem de -vertrouwelijke uitdrukking van haar gelaat, haar coquet lachje, en de -wijze, waarop zij haar schoone vormen altijd wist te doen uitkomen. - -Ze was er twee dagen en in de achtergalerij zat men juist aan de -rijsttafel, toen tante Borne binnenstormde met een telegram in de hand: - -„Bets, dat is gemeen!” - -„Wat is er?” - -„We zijn overgeplaatst.” - -„O!..... en waarheen?” - -„Naar een gat, een nest van een plaatsje op de Oostkust van Sumatra.” - -Men keek elkaar aan vol verwondering en verontwaardiging. - -„Het is schande!” ging mevrouw Borne voort. „Net alsof er voor zulke -posten geen jonge kapiteins genoeg zijn! Maar dat komt allemaal van het -geknoei en de protectie; daar moet een ander, die niet met den -stroopkwast kan loopen, onder lijden.” - -„’t Is verschrikkelijk!” zei Marie. „Zoo’n afgelegen deel der wereld!” - -„Ze denken misschien, dat we kwaad zullen worden en ons pensioen zullen -nemen, maar dat in der eeuwigheid niet. Er gebeurt, wat er gebeurt, -maar dienen blijven we.” - -„Maar als het nu eens ’n quaestie wordt van passeeren.....” - -„Het kan ons niet schelen, notaris, maar we doen het niet..... -Intusschen is het een koopje.....” - -„Als ik u met iets van dienst kan zijn..... U weet, dat u op me rekenen -kunt.” - -„Erg graag. Laat zien, het is nu Woensdag, en Maandag moeten we al weg, -anders missen we de boot, en die vaart maar eens in de maand.” - -„Dat is toch ’n beetje.....” - -„Volstrekt niet! Als het moet, dan maar hoe eer hoe liever. Hier nog -vijf weken te zitten als op een schopstoel,—dáár bedank ik voor.” - -Het was zulk een groot nieuws, dat men het eten er door vergat. Betsy -excuseerde zich en ging dadelijk met haar tante mee naar huis. - -„Het is erg beroerd,” zei Bronkhorst tot zijn vrouw, toen ze weg waren; -„zij moeten nu ook de passage betalen voor mevrouw Den Ekster, en dat -is, geloof ik, ’n paar honderd gulden.” - -„Wat moet Betsy in ’s hemelsnaam dáár uitvoeren!” - -„Ja, dat weet ik ook niet. Zich gruwelijk vervelen, anders niet.” - -„Ik zou wel willen, dat ze bij ons bleef.” - -Zijn oogen glinsterden, toen Marie dit zei; het ging juist, zooals hij -gewenscht had; hij zou het zelf hebben voorgesteld, als zij het niet -had gedaan, maar zóó was het veel beter. - -„Hoe denk jij daarover?” vroeg Marie. - -„Wel, ik heb er niets tegen; ik geloof, dat het heel aangenaam voor je -zijn zal, en daar ze uitstekend omgaat met de kinderen, is het ’n -dubbel voordeel.” - -„Ja,” gaf Marie toe. „Alleen, ik durf het heusch niet voorstellen. ’t -Staat zoo gek!” - -„Laat het maar aan mij over. Ik zal er den kapitein over spreken. -Vandaag nog.” - -Toen ’s middags ’t kantoor was gesloten, ging Bronkhorst zijn buren -bezoeken; hij vond hen thee drinkend en druk pratend over de -overplaatsing. - -Onder het gesprek, waaraan hij deel nam, gaf hij den kapitein een wenk; -ze gingen onder een voorwendsel naar diens kamer. - -„Mijn vrouw stuurt me,” zei Bronkhorst, „met een eenigszins delicaat -verzoek. Zij wou zoo graag, dat uw nichtje bij ons bleef, maar ze durft -het zelf niet te verzoeken.” - -Borne streek in gedachten langs zijn knevels. - -„Hm!” bromde hij eindelijk. „De vraag is hoe. Je begrijpt wel, beste -notaris, dat hoe gaarne ik u en mevrouw ook mag, en hoe -vriendschappelijk.....” - -„Natuurlijk!” viel hem Bronkhorst in de rede. „De bedoeling van mijn -vrouw is, dat Betsy geheel als een lid van het huisgezin wordt -bejegend; wat de geldquaestie betreft, daarmede kunnen gij en ik ons -niet bemoeien; laat de dames dat onderling uitmaken, als zij het eens -zijn over de zaak.” - -„Ik geloof ook, dat het zóó zou kunnen,” erkende de kapitein, maar van -harte ging die erkenning niet. „Ik zal den knoop maar dadelijk -doorhakken.” - -Het voorstel viel in goede aarde bij tante, en Betsy nam het aan met -een glimlach van zelfvoldoening; ze had ze allen wel kunnen kussen, zoo -liep het mee! - -Zonder eenige bepaalde bedoeling, kon toch Bronkhorst zich niet -ontveinzen, dat hij verheugd was. En dit stemde hem dienstwilliger dan -ooit. Hij had nog een àpartje met den kapitein. Tijd om vendutie te -houden van den inboedel, was er niet. Maar Bronkhorst zou voor alles -zorgen, en de kapitein kon met genoegen zooveel van hem krijgen, als -hijzelf dacht dat de vendutie zou opbrengen. Ook Marie was tot alle -hulp bereid. - -Toen ze weg waren, keek kapitein Borne hen na met aandoening. - -„Het is toch maar waar, dat een goede buur beter is, dan een verre -vriend,” zei hij hoofdschuddend. - -„Maar zij zijn ook zulke lieve menschen!” riep zijn vrouw uit de -volheid van haar hart. „Waarachtig, men spreekt wel eens van -familie,—maar een eigen broer of zuster kan niet hulpvaardiger en -bereidwilliger wezen, dan zij zijn.” - -Betsy zei niets. Ze keek de Bronkhorsten ook na, of eigenlijk zag ze -alleen naar de kloeke figuur van hem. En ze glimlachte toen haar oom en -tante zich zoo uitputten in lofredenen. Wat Bronkhorst betrof, wist zij -ten minste wel, waaruit de buitengewone dienstvaardigheid voortsproot. - -Het waren drukke dagen die nu volgden. Zij, Betsy, moest haar tijd -verdeelen tusschen haar familie en het kind, dat snel beterde, maar -niettemin erg aan haar bleef hechten. Bij de Borne’s lag alles -overhoop. Oom had het nog veel warmer dan anders, en vond in de drukte -van het kasten uit- en kisten inpakken, aanleiding om een ongelooflijke -hoeveelheid potjes bier, bittertjes en brandy-soda’s te verslaan. Dat -hoorde er bij. Tante zwoegde als een koetspaard van het eene eind naar -’t andere, feitelijk alleen zorgend voor alles. Betsy had het nette -gedeelte voor haar rekening genomen, fijne breekbare voorwerpen, die -meegenomen moesten worden, doosjes, souvenirs en dameskleeren. Zij -bedankte er voor om als een slavin zich in ’t zweet te werken en met -verwarde haren, een vuile kabaja en dito voeten van de kamers te loopen -naar de bijgebouwen en vice-versa. - -Eindelijk „schoot men op”. De Borne’s waren zoowat klaar in huis; de -paar dagen restend vóór het vertrek werden gewijd aan -afscheidsbezoeken. Betsy nam met haar oude meid haar intrek bij de -Bronkhorsten. - -Zij kreeg een kamer naast die van de kinderen, keurig gemeubeld en -voorzien van alle comforts. Nog nooit had zij zoo’n fraai ingericht -vertrek bewoond. Terwijl ze er haar goed schikte in de rijk -gebeeldhouwde kasten, en haar schrijfgereedschap in het mahoniehouten -lessenaartje, vroeg zij Sarinah: - -„Wel, hoe staat het er mee?” - -De oude, die juist bezig was het bed te kipassen, hield op en keek haar -grijnzend aan. - -„Dat weet de nonna zelf wel.” - -„Gekheid! Ik weet niets.” - -„Hoe denkt de nonna dan, dat het komt, dat zij hier blijft; hier in -huis?” - -„Wel, dat is..... zoo overeengekomen.” - -„Heeft nonna er om gevraagd?” - -„Neen.” - -„Wat is het dan? Hoe komt het dan, dat het alles naar dien kant gaat, -vanzelf, zonder iets te verzoeken?” - -„Ik...... ik..... weet het niet,” antwoordde Betsy eenigszins ontsteld. -Zij had zoover niet gedacht; zij had het opgenomen voor hetgeen het -was, onbedacht de gewone wet eerbiedigend van oorzaak en gevolg, die -niets geheimzinnigs heeft, zoolang geen dwazen er iets in zoeken. - -„Soedah!” riep de oude met een schorren lach. „Soedah! ik weet het ook -niet.” - -En ze kipaste voort bij iederen zwaai met de sapoe lidi, steunend en -grommelend. - -Zij had met Sidin de conferentie gehad bij haar zoon, Ketjil. ’t Was -daar heel wat netter, dan in de bediendenkamer op het erf van den -notaris, al was het even vuil en al rook het even onsmakelijk. Sidin -was ’s avonds gekomen en had dadelijk nog veel meer respect gekregen -voor de oude en haar zoon, want er waren stoelen, tafels, kasten en -klokken, precies als bij Europeanen, en het verschil tusschen zindelijk -en onzindelijk,—och, dat zag hij als gewone inlander zoo niet. En dan -was het erg geheimzinnig. Op de lage kasten stonden allerlei -stopflesschen. In één daarvan zag hij kevertjes, tusschen rijst en -kapok: daarvan had hij meer gehoord; hij zag door het venster allerlei -planten, die hij als kind had leeren vreezen: ketjoeboeng en hij had -ook wel eens gehoord, dat zulke kevertjes daarop werden gekweekt, en -daarna gedood en fijngestampt werden; zijn grootmoeder had hem voor hij -trouwde dikwijls verhaald van toovenaars, die het stof van zulke -beestjes dan met nog andere dingen vermengd, door het eten doen van -menschen, die op een of andere manier gek moeten worden. Hij huiverde -bij het denkbeeld; het was hem of die stopflesschen, sommige met -kruiden en planten, hem op de zekerste manier dood en verderf -voorspelden, als hij niet deed wat die oude tooverheks en haar wijze -zoon hem gelastten. En hij toonde hun beiden al de vriendelijkheid en -den eerbied, waartoe hij zich in staat gevoelde. Het viel hem erg mee; -moeielijk was het niet; als Sarinah ’t hem gelastte, dan moest hij -iets, dat zij hem geven zou, verbergen in het hoofdkussen van zijn -heer; maar zóó, dat niemand het zag en de opening in ’t kussen weer -netjes werd dichtgemaakt. Nu, dat was gemakkelijk! Hij „deed” immers -altijd mijnheers kamer, als deze naar ’t kantoor was, en dan had hij -tijd in overvloed. - -Voorloopig kon Sidin gaan, en hoezeer hij ook vast had voorgenomen om -te doen, wat hem door de oude meid werd opgedragen, besloot hij toch -vast nimmermeer een voet bij dien Ketjil in huis te zetten. - -Toen hij thuis kwam, kreeg hij van mevrouw Bronkhorst een geduchten -uitbrander, omdat hij zoo lang was weggebleven; met stoïcijnsche kalmte -hoorde hij het aan; zoo hij vroeger soms een woord tegensprak,—thans -zweeg hij, zooals een inlander zwijgen kan. - -Zij zouden dien njonja toch wel krijgen, en hij voelde zich trotsch, -dat hij, zij het dan ook in ondergeschikte rol, iets bij zou dragen tot -dat „krijgen”. - -Onder het standje door, kreeg hij bevelen, die hem meer belangstelling -inboezemden. Er zou een groote partij worden gegeven ter eere van de -familie Borne. Er moest voor heel veel gezorgd worden, want lekker eten -was een voornaam deel van het feestprogram. - -Dat gaf weer drukte, ditmaal bij den notaris te huis. Tante was klaar -met haar vele voorbereidingen tot reizen en vendutie houden. Zij -maakten nu visites; zij ’s ochtends in sarong en kabaja aan Indische -dames; hij aan de kletstafel in de sociëteit, en ’s avonds beiden, -behoorlijk in groot tenue en per as bij familiën in de buurt, welke -dikwerf allesbehalve naburig was, maar zich naar het noorden, zoowel -als naar het zuiden eenige palen ver uitstrekte. - -Betsy had het met die partij volhandiger dan met de geheele -overplaatsing van de Borne’s. Zij kon lekker gebak maken, en dat wist -Marie, die er haar duchtig had voorgespannen. Den halven dag zaten ze -samen in de keuken, bakkend, pratend en lachend en elkaar onderwijzend, -de een in de geheimen van de Hollandsche, de ander in die van de -Indische kook- en bakkunst. Betsy vond het wel aardig, zóó zelfs, dat -zij er van tijd tot tijd al haar plannen en voornemens door vergat. -Alleen als Bronkhorst naar achteren kwam, en hij deed dat in die dagen -zeer dikwijls, dan rezen ze weer in haar op, soms met grooten twijfel, -een andermaal met een gevoel van vrees. En dan overmande haar wel eens -het voornaamste idée; ze kon het zich niet voorstellen, dat zij -tegenover hen stond met de vaste bedoeling twist, tweedracht en -scheiding tusschen hen te werpen, om zelve..... Toch werd het -begeerlijker in haar oogen, nu ze mede genoot van het vooral materiëel -zoo lekker leven, maar ze durfde zich er nauwelijks indenken, ’s Nachts -hield het haar dikwerf wakker, en soms droomde ze daarna van Den -Ekster, wiens dansend hoofd haar dan voor de oogen huppelde, zóó -duidelijk, dat ze elken trek van het gelaat allernauwkeurigst zag. Dat -werd haar een schrikbeeld! - -De gang, die van de achtergalerij naar de bijgebouwen liep, was den dag -vóór den feestavond haast niet te passeeren, zoo vol stond ze met -tafeltjes, beladen met eet- en drinkwaren. Men had aan een en ander „de -laatste hand gelegd”, en nu was ieder in zijn kamer zich aan het -kleeden. - -Voor de groote psyche stond Betsy in haar onderrok en met, over het -korset, een wit lijfje, waarvan de korte mouwtjes en de lage hals door -een fijn strookje omzoomd waren. Langzaam egaliseerde zij met een -patte-de-lapin de bedaq van Sarinah op haar wangen, en zorgvuldig -bestreek ze haar wenkbrauwen met een weinig minjaq bermanis; ze kon -toch niet nalaten te glimlachen. Wat zou het toch eigenlijk uitwerken? -Maar dáárin had de oude gelijk: zij was, zonder dat ze er om gevraagd -had, reeds hier in huis en zou er blijven. - -Zij hoorde iets onder haar venster, buiten op het erf; ’t was net het -gemompel van de oude meid, dacht ze. Het was haast halfzeven en het -laatste daglicht verdween aan de heldere lucht, den horizon zettend in -een gloed vol kleuren. Op haar teenen ging ze naar het raam, drukte -zacht tegen de stores, zoodat die met ’n kier opengingen, en keek naar -buiten. Ja, waarachtig, daar zat de nènèh onder haar venster, en voor -haar knieën braadde iets; het was stanggi, waarvan de rook lustig -omhoogkrulde. Geen ander sterveling had kunnen verstaan, wat de oude -zeide, als zij, zich telkens vooroverbuigend, haar gezicht stak in den -opstijgenden rook, en daarin een woord prevelde. Maar Betsy wist het. -Zij had ook dáárvan wel eens gehoord; zij wist dat Sarinah telkens in -dien rook den naam uitsprak van Bronkhorst, om hem aan te roepen -spoedig te komen tot haar, die hem wilde ontvangen..... - -Zonder geruisch deed Betsy het venster dicht, en onwillekeurig zuchtte -zij. Ze kon het niet helpen, maar zij geloofde er toch aan; het was -sterker dan zij. - -Toen de oude haar stanggi gebrand, en haar „werk” daarbij verricht had, -strompelde zij steunend naar achter, waar Sidin bezig was zijn toilet -voor den avond te maken: zijn beste hoofddoek, een mooie kain, en het -livreibaadje,—hij zag er uit als een „heer”, en bezag zich met -welgevallen in een oud, verweerd stuk spiegelglas. - -Sarinah riep hem, en daar schrikte hij zóó van, dat hij ’t spiegeltje -haast liet vallen. Hij volgde haar. - -„Ik moet iets van je hebben.” - -„Wat?” vroeg hij, groote verbazing veinzend om zijn vrees te verbergen. - -„Haren van meneer.” - -„Die hebt ik niet.” - -„Je moet toch zorgen, dat ik ze krijg; mijn zoon heeft het gezegd.” - -„Ik.... zal probeeren.” - -De oude kwam dicht bij hem met haar gerimpeld gezicht, en haar -tandelooze mond raakte haast zijn oor. - -„Zorg er maar voor! Zoo gauw als je kan.” - -De oude zelf sukkelde verder het achtererf op om haar gezicht en handen -te reinigen aan den put. Daarna ging zij in de kamer van Betsy, die -zich woedend stond te maken om een speld, welker niet door de harde -weerbarstige zijde wilde van een strikje, dat ergens op haar kleed -moest vastgemaakt worden. - -„Waar zit je toch, nèh? Je hadt hier moeten zijn om me te helpen -kleeden.” - -„Nonna heeft niet geroepen.” - -„Houd je mond maar, en maak dit vast.” - -Met meer handigheid, dan men zou verwacht hebben, hielp Sarinah haar -meesteres, en toen ze daarmee gereed was, ruimde zij de toilettafel op. -In den schildpadden kam zat een bos lang zwart haar. Voorzichtig haalde -de meid heb er uit en deed het in ’n stuk van een oude courant. - -„Wat voer je nou uit?” - -„Ik weet het niet, maar het moet.” - -„Je bent mal.... Moet je dat haar meenemen?” - -„Ja. Mijn zoon heeft het gezegd. Ik moet haar hebben van nonna en van -mijnheer.” - -„En dan? Wat moet er mee gebeuren?” - -„Dat weet ik niet; het hoort er bij.” - -Een boodschap van Marie brak alle verdere navraag af. Zij had zulk een -onhandige meid, en daarom liet ze vragen of Betsy haar even wilde -helpen, want Sarinah kon zij niet uitstaan. Terwijl Betsy aan dat -verzoek voldeed, maakte zij bij zichzelve eigenaardige -gevolgtrekkingen. Zij was jaloersch op mevrouw Bronkhorst. Zij wist dat -in gezelschap zij, Betsy, heel wat schitterender figuur maakte, en toch -zag ze, dat Marie verborgen schoonheden had, die de hare overtroffen; -dat hinderde haar geweldig, want als alles meeliep, dan zouden dat -après coup punten van vergelijking worden, die in haar nadeel -uitvielen. - -Het werd in de ruime voorgalerij langzamerhand vrij vol. De notaris was -kwistig geweest met zijn uitnoodigingen. Bij deze gelegenheid kon het -hem niet schelen of er dertig of zestig gasten kwamen. Hoe meer zielen, -hoe meer vreugd. Marie en Betsy namen de honneurs waar tegenover de -dames. Jean zorgde voor de heeren. De spelers, de makke schapen, zaten -spoedig rustig om hun tafeltjes; de rest vormde een bonte rij om de -gezelschapstafel, en daar ging het vroolijk toe. Wat later op den avond -sloeg Bronkhorst een toost met champagne. Zijn woorden van vriendschap -waren goed gemeend, want hij hield veel van de Borne’s; de kapitein was -aangedaan, zijn vrouw schreide; de aandoening reflecteerde als altijd, -tot op menschen, wie het heele geval niets kon schelen. De kapitein -kuchte en hemde een oogenblik, antwoordde kort maar krachtig en zonder -haperen, en werd met opgewonden toejuichingen begroet. Er kwam -„stemming” onder de gasten; dat deden de aandoening en de champagne. De -dames hadden er ook van meegedronken, en kwamen daardoor meer uit de -plooi. Mevrouw Bronkhorst zag wel, wat het onuitgesproken verzoek was -van velen; ze liet de bedienden ruimte maken in de binnengalerij, ging -zelve voor de piano zitten en attaqueerde een wals van Strauss, die de -voeten van een doode in beweging zou gebracht hebben. Er werd haastig -opgestaan; armen werden gepresenteerd; paren kwamen binnen; de dames -wiegelend op haar heupen, het hoofd achterover, haar waaiers bewegend, -gereed als strijdrossen, die het eerste kanonschot hoorden vallen. En -ze draaiden rond op de maat, niet altijd in de maat. Soms sukkelde een -paar ’n oogenblik door onvereenigbaarheid van voetbeweging, als de eene -partij behoorlijk in drieën walste en de andere het niet verder kon -brengen dan tot een springen à deux temps.—Daar waren er, krukken, die -als wanhopigen draaiden, maar met geen mogelijkheid van hun plaats -konden komen; anderen, al een beetje meer geoefend, maar toch nog niet -op de hoogte, die den omtrek van den cirkel te kort namen; sommige pur -sang Europeanen, nog niet lang in Indië, die echter lange beenen -maakten en door de zaal vlogen alsof satan zelf hen op de hielen zat, -terwijl geurmakers met uitgestrekten linkerarm den rechter hunner dames -op en neer bewogen, als waren het pompzwengels. Maar het meerendeel -walste Indisch, dat is rustig, netjes in drieën, zonder drukte of -zweetuitdrijvenden spoed. - -Slechts weinigen waren blijven zitten. Ook vele spelers waren op het -alarmsignaal van den Oostenrijkschen musicus het geliefkoosde kaartspel -der Mooren van Grenada ontrouw geworden. Een partner van den kapitein, -die juist groot casco had geannonceerd, wierp de kaarten neer, -excuseerde zich en liep weg om te gaan dansen. Eerst keek Borne met -geweldige verontwaardiging den onverlaat na, maar toen bedacht hij -zich; het was een partij ter zijner eere en hij mocht zich dus niet -boos maken; van twee kwaden het beste kiezend, klopte hij den -overgebleven derden man vroolijk op den schouder, - -„Ajo, laat ons de oude beenen ook nog eens van den vloer gooien!” - -„Komaan, kapitein, ga je ’reis ’n walsje meedoen?” - -„Waarachtig!” zei Borne, de overgebleven dames monsterend met -kennersblik; „maar ik moet een dikkerd hebben: die staat stevig op de -beenen.” - -Na den wals bleef het musiceeren aan den gang; ’t werd hoe langer hoe -geanimeerder; de dames zongen: na een vroolijk wijsje, hoorde men op -muziek gezette minneklachten van Heine; sommige heeren, wier muzikaal -sentiment was opgewekt, doch die slechts één Duitsch lied machtig -waren, hadden reeds in de Germaansche taal al neuriënd verteld, dat zij -niet wisten, wat het beteekenen moest, dat zij zoo treurig waren, maar -de groote meerderheid vond de Loreley voor dezen kring te ordinair; het -Märchen kwam niet tot zijn recht! - -Betsy was de vroolijkste van allen; haar oogen schitterden; haar wangen -gloeiden; zij gevoelde een opgewondenheid, die haar zelf nu en dan -eenige vrees aanjoeg; ’t was haar of zij zich tot alles in staat -gevoelde, haar plannen kwamen krachtiger dan ooit op den voorgrond; zij -zou hem hebben en ze moest hem hebben, coûte que coûte! ze gevoelde -iets van de kracht eener overtuiging, die zich door geen belemmeringen -wil laten terughouden; zij had gedanst met Bronkhorst, heerlijk! Ze -hield meer van hem dan ooit, en, dat voelde ze, haar invloed op hem won -aan kracht; zij had de zekerheid te zullen slagen, en dat maakte haar -overmoedig. - -„Zing nog eens!” vroeg men haar. - -Dadelijk stond ze op, ging naar de piano en greep een der muziekboeken. -Als altijd ging Bronkhorst mee om ’t blad om te slaan. Een oogenblik -zocht ze, wierp toen ’t boek open, keek hem glimlachend aan, met iets -uitdagends in de oogen, en zong met sterk sprekende accentuatie het -lied van Carmen: - - - L’Amour est enfant de Bohême - Il n’a jamais connu de loi, - Si tu ne m’aimes pas, je t’aime - Si je t’aime, prends garde à toi! - - -Hij lachte er om in zichzelven; hij vond het verrukkelijk aardig; maar -de verre strekking begreep hij niet; hoe had hij aan zoo iets kunnen -denken! - -Het lied werd luid toegejuicht, doch niemand had er op gelet, dat het -was gezongen met een voor zulk een tekst àl te sprekend brio, en toen -Betsy weer naar voren kwam, las zij op aller gelaat slechts -ingenomenheid en tevredenheid. - -„’t Was zéér mooi, mevrouw,” riep een der gasten vol vuur. - -„Ja, ze kan het wel,” bevestigde oom Borne, en hij kneep haar in de -wang. „Als ze maar wil.” - -„Ik ben blij, dat het iets heeft bijgedragen tot het algemeen genoegen. -Het is een recht feestelijke avond.” - -„Ik ben er waarachtig mee verlegen,” zei de kapitein. „In geen jaren -heb ik zoo’n royale fuif bijgewoond.” - -„Dames en Heeren!” klonk de stem van Bronkhorst midden uit een groepje, -en een glas champagne rees weer omhoog: „ik stel voor dit glas in het -bijzonder te wijden aan het welzijn en het geluk van onze geachte en -geliefde vriendin, mevrouw Borne!” - -Een daverend „hiep, hiep, hiep, hoerah!” klonk door de voorgalerij en -deed de paarden opschrikken, die voor de rijtuigen op het erf wachtten; -de koetsiers sliepen door. - -Betsy ging ook naar de groep en dronk dapper mee op de gezondheid van -haar tante. - -„Het spijt me ’t meest voor haar,” zei de kapitein tot den gast, die -Betsy had gecomplimenteerd en bij hem was blijven staan, „Wij houden -zooveel van haar, alsof ze onze eigen dochter was; Geloof me,” voegde -hij er bij met grooten ernst, en met het gezicht van iemand die zijn -onderwerp volkomen onder de knie heeft, „geloof me, als meisjes hier -lief en goed zijn, dan zijn ze zóó lief en goed.” - -De toehoorder knikte en keek bewonderend naar de half tusschen de -anderen verborgen figuur van Betsy. Hij geloofde met genoegen aan haar -superieure hoedanigheden; ’t kon hem niets schelen hoe ze was! - -Het was erg laat, toen de hanen de feestgenooten naar huis kraaiden. Er -was veel vertoon van hartelijkheid geweest bij het heengaan. „Nou, dag -mevrouw!” had ontelbare malen naar en van alle kanten geklonken; er -waren tallooze handjes gegeven; er was in rijtuigen geholpen en met -hoeden gezwaaid en met zakdoekjes gewuifd tot de brug voor het erf -onder de wielen van het laatst vertrekkende rijtuig kraakte. - -„Hè, hè!” zuchtte Marie, „dat is alweer afgeloopen!” - -Bronkhorst leunde over de balustrade en keek in de richting van het -huis der Borne’s waar juist een wit kleedje om den hoek verdween. - -„Ja,” zei hij, „het is goed geréusseerd; ’t doet me heel veel pleizier. -Gaat Betsy bij de Borne’s slapen?” - -„Mevrouw wenschte het. Het is de laatste nacht, en bovendien, ze gaan -toch niet naar bed, zeggen ze. Het is al halfvijf. Ga jij nog slapen?” - -„Zeker! Van nu tot tien uren is een complete nacht.” - -„Misschien slaap ik ook nog ’n uurtje. Maar ik blijf hier tot alles -weer zoo wat in orde is; en dan zullen de kinderen wel wakker -worden....” - -Vermoeid ging hij naar achteren, ontkleedde zich in zijn kamer en viel -loodzwaar op ’t bed. Hij had veel meer gedronken, dan hij gewoon was, -en gevoelde zich, vooral ook door het dansen, bijzonder vermoeid. Maar -slapen kon hij niet. Voortdurend dacht hij aan Betsy, zich vermeiend in -allerlei kleinigheden, bij zichzelven glimlachend, en zich -verkneuterend van pret bij de gedachte aan dat ondeugende lied van -Carmen, dat ze zong met zoo’n uitdagend gezicht, terwijl ze hem vlak in -de oogen zag. - -Hij hoorde hoe de boel werd „opgeredderd”; hoe de kinderen wakker -werden en met de meiden naar de badkamer gingen; hij hoorde hen -juichend terugkomen en later, toen ze wandelen gingen, de harde zolen -van de kleine laarsjes tikken op het marmer der galerij; hij hoorde -Marie in haar kamer gaan. Toen werd het stil in huis; zij voelde -nauwelijks haar hoofdkussen of ze sliep, letterlijk op van vermoeienis; -inslapend, alsof ze in zwijm viel; hij lag nog wakker, vervolgd door -allerlei phantasiën, met steeds dezelfde persoon voor de hoofdrol. - -Ook de Borne’s waren zoo afgebeuld van huiselijke drukte en visites -maken, als menschen in Indië het worden, wanneer zij waarschijnlijk -voorgoed de plaats verlaten. Den avond vóór hun vertrek moesten ze -alweer recipiëeren; ze hadden bijna geen stoelen genoeg voor de -bezoekers; zelfs de krachtige kapitein Borne, hoezeer hij de algemeene -vriendschap en hartelijkheid op prijs stelde, had hij er nu meer dan -genoeg van. - - - -De afscheidstranen waren gedroogd. Het huis der Borne’s stond leeg. -Betsy woonde „voorgoed” in bij den notaris. Bronkhorst was naar zijn -kantoor, en de dames zaten in de achtergalerij te werken. - -„Wat is dat voor ’n vent?” vroeg Marie. - -Betsy keek op en schrikte eenigszins, toen zij een dikken inlander, -deftig buigend, het galerijtje langs de bijgebouwen zag opstappen. - -„Het is de zoon van mijn oude meid.” - -„Wat ’n rare kerel.” - -„Hij is wat zwaar van postuur voor een inlander.” - -„Dat bedoel ik niet. Ik meen dat hij iets onbeschaamds heeft in zijn -gezicht.” - -„Och kom!” - -„Zeker. Hij keek mij aan op een manier.... Als hij het nog eens doet, -zal ik hem ’reis op zijn plaats zetten.” - -„Maar hoe keek hij dan?” vroeg Betsy, die haar lachen haast niet kon -bedwingen. - -„Ja, dat kan ik nu zoo niet zeggen; maar zeer ongepast, dat is zeker.” - -Zij begreep het wel; ze wist dat Ketjil in pur sang Europeesche vrouwen -een belangstelling aan den dag legde, die hij althans niet behoorde te -toonen. - -„Hij komt zeker zijn moeder goeden dag zeggen,” meende Betsy, en toen -werd er verder niet over gesproken. - -Ketjil echter was niet naar zijn moeder gegaan, maar naar Sidin, die -hem half met vreugde, half met vrees zag aankomen. - -Wel had de huisjongen van den notaris aan den last van Sarinah voldaan. -Nog geen uur nadat hem was opgedragen haren te leveren van zijn -meester, zag hij een bekend Europeesch militair naar binnen gaan, een -Franschman, die in Europa kappersknecht was geweest, en nu als militair -in zijn vrijen tijd geweer en zwaard verwisselde tegen kam en schaar, -wat hem aardig geld opleverde, daar geen kapper van beroep op de plaats -was gevestigd. - -Dat was een buitenkansje, en met groote zorg had Sidin al de haartjes -verzameld, die op den grond waren gevallen. - -Maar nu meende hij zijn schuldigheid te hebben gedaan, en daar kwam -waarachtig Ketjil alweer! Wat zou het nu nog wezen? - -Zij wisselden een salamat door het binnenvlak der rechterhanden vlug -tegen elkaar te strijken en die daarna met een buiging aan ’t voorhoofd -te brengen; en daarbij keken ze erg vriendelijk. Maar Sidin wenschte in -stilte den lastigen, gevreesden gast naar den duivel, en Ketjil vond -den bediende een laf en lam sujet, dat hij met groot genoegen een pak -slaag had gegeven. - -Zij zaten nog nauwelijks op de bank in de kamer en hadden pas ’n -strootje opgestoken, of er weerklonk ’n luid: „Sidin!!” Dat was de -njonja weer! Zoo ging dat nu den ganschen dag! Geen minuut lang scheen -dat mensch den mond te kunnen houden. ’t Was van den ochtend tot den -avond elke minuut geschreeuw om de bedienden. - -„Je wordt geroepen,” zei Ketjil. - -„Soedahlah! Zij schreeuwt toch altijd.” - -„Ik zou maar eerst even gaan.” - -„Het helpt toch niets. Zulke njonjas blanda zijn nooit stil.” - -„Sidin! sepèn! kebon!” gilde Marie woedend uit de achtergalerij. „Apa -tida ada orang di blakan?” - -Op vroolijken toon weerklonk een drievoudig „Ja!” uit de -bediendenkamers, waarvan de bewoners met lachende gezichten en, op -Sidin na, zeer ongekleed, naar buiten kwamen. Langzaam ging Sidin naar -het hoofdgebouw. Zoolang hij door het groen aan het oog van mevrouw -Bronkhorst was onttrokken, haastte hij zich in het geheel niet. Maar -nauwelijks kwam hij in ’t gezicht of hij maakte buitengewonen spoed. -Niettemin kreeg hij een uitbrander van geweld, wat hem niets van zijn -kalmte deed verliezen, maar hem daarentegen het bezoek van Ketjil -gunstiger deed opvatten. - -„Wat was het?” vroeg deze, toen hij terugkwam. - -„Och, niets, zij schreeuwt maar.” - -Het strootje werd hervat en beiden rookten zwijgend; de vrouw bracht -elk een kop koffie van de bladeren van den koffieboom gezet, dik en -drabbig, met veel suiker, maar natuurlijk zonder melk. Ketjil keek er -eens naar. Hij was aan andere koffie gewoon, maar hij zou deze maar -naar binnen werken, omdat het niet goed zou staan, als hij deze -weigerde. - -„Er is nog iets,” zeide hij. - -Sidin antwoordde niet. - -„Er moet nog iets gedaan worden.” - -„Ik dacht het al.” - -„En ’t moet vandaag gebeuren.” - -Dat was de bediende niet naar den zin. - -„Waarom vandaag? Misschien kan het vandaag niet.” - -„Het mag niet morgen zijn, en tot Vrijdag moeten wij niet wachten.” - -„Niet?” - -„Neen. Het is nu Dinsdag. Onthoud goed, dat als ik je iets opdraag in -deze zaak, het altijd moet gedaan worden op Dinsdag of Vrijdag.” - -„Mag ik ook vragen,” zei Sidin brandend van nieuwsgierigheid en met den -vriendelijksten glimlach, dien hij bij machte was op zijn bruin gezicht -te voorschijn te roepen, „mag ik ook vragen waarom niet?” - -„Omdat,” zei Ketjil met hoogen ernst, „omdat het dan niet helpt. En -nooit, nooit, in welke omstandigheid ook, op een Zaterdag.” - -Sidin loosde een zucht. Ofschoon hij metterdaad geen drommel wijzer was -geworden, vond hij het toch van overweldigend gewicht. - -Toen beiden een tijdje gezwegen hadden, zeide Ketjil weer: - -„Nu zal ik je zeggen, wat je te doen hebt. Hier is een pakje. Je moet -in de kamer van mevrouw Bronkhorst een steen oplichten.” - -„Ilahlah!” riep Sidin zacht. „Dat kan niet.” - -„Het moet.” - -„’t Kan niet, want het is marmer.” - -„Neen”...., stemde Ketjil peinzend toe, „dat is waar, dan kan het ook -niet. Komt de kamer uit in de achtergalerij?” - -„Ja.” - -„Dan is een steen in de achtergalerij ook goed. Maar het moet er een -wezen, vlak voor haar deur, zoodat zij er elken dag overheenloopt.” - -„Soesah!” klaagde Sidin, die erg tegen het werkje opzag. - -„Het is zoo erg niet. Van middag als allen slapen, krab je met dit -mesje aan den eenen kant de kalk weg en haalt dan met dit tangetje wat -aarde onder den steen uit. Dan wip je hem ’n beetje op en brengt het er -onder.” - -Sidin nam aarzelend het pakje aan, alsmede de kleine, zeer eenvoudige -ijzeren werktuigen. - -„En als de nonna wakker is en achter zit?” - -„Je behoeft niet bang te zijn voor de nonna en ook niet voor de -naaister. Die zien niets.” - -Ketjil ging heen en keek ditmaal niet brutaal naar de dames, althans -Marie vond geen reden om hem „op zijn plaats te zetten”. En Sidin -begluurde en onderzocht nauwkeurig het mengsel, dat was samengesteld -uit gabah, asch, idjoek, beenderen van den koekang en eenige groote -punten van gewone naalden. - -Ondanks de geruststellende verzekeringen van Ketjil was Sidin niet met -de opdracht ingenomen; hij zag zwart van vrees, en ten einde raad, liep -hij, toen Ketjil weg was, naar Sarinah en beklaagde zich bitter over de -soesah, die men hem bezorgde. - -Maar ook zij lachte hem uit. - -„Je kunt het gerust doen; mijn zoon heeft gelijk.” - -„Waarom doe je het dan niet zelf?” - -„Ik ben een oude vrouw.” - -„Een oude vrouw kan het ook wel doen.” - -„Ik dien hier niet; het zou gek staan als ik ging korèkken aan den -vloer.” - -„Ja, dat is allemaal maar bitjara kosong,” zei hij brutaal. - -„Je bent zelf minder dan een vrouw,” antwoordde de oude, boos. „Het is -niet om de soesah, maar omdat je niet brani bent.” - -„Zeker,” erkende Sidin, ridderlijk lafhartig, „ik ben in ’t geheel niet -brani.” - -„Doe het maar,” hield Sarinah vol, „doe het maar. Ik zal je een mooien -koker koopen voor je strootjes. Het is niets gevaarlijk, en ik zal zelf -bij je komen zitten, als je bezig bent aan het werk.” - -Dat hielp. Als de oude bij hem zat, zou hij niet zoo licht overvallen -worden. - -Inderdaad zat Betsy op en was ook de naaister present toen Sidin met -zijn mengsel de trap der achtergalerij kwam oploopen, en de oude hem -steunend en met moeite gaand vergezelde. - -Zij wist niet wat er moest gebeuren, maar ze zag wel, dat het iets was, -dat op de goena-goena betrekking had, al was het dan ook slechts -indirect. De oude meid had haar vooraf gewaarschuwd, dat er iets van -dien aard zou gebeuren, en zij, als ze het zag, maar niets moest -vragen; ook de naaister was door de oude voor zooveel zij het noodig -vond, in „het geheim” betrokken. Ongestoord, maar allesbehalve rustig, -verrichtte Sidin de hem opgedragen taak. Het was niet gemakkelijk, maar -het was een knoeiwerkje, en daarvan had hij als inlander slag. Met -groote handigheid peuterde hij de kalk los, wipte den steen op en wist, -toen het mengsel op z’n plaats was gebracht, de losse stukken kalk met -groote behendigheid heel netjes weer in de voeg te brengen. - -Sarinah bleef zitten, toen Sidin klaar was en heen ging; zij beschouwde -het een tijdlang met groot welgevallen. Daarop strompelde zij naar -achter, ging in haar kamertje en knipte daar van gewoon katoen twee -poppen, die ze met een groot aantal spelden aan elkaar stak. Toen nam -ze die zonderlinge lappenfiguur onder haar baadje, sukkelde naar de -trap van de achtergalerij, en ging zitten op de eerste trede vlak bij -den grond. Zij deed dat zoo eenvoudig en schijnbaar gewoon, dat -niemand, gesteld er had zich iemand aan de gangen van het oudje laten -gelegen liggen, er iets bijzonders of opmerkelijks in had kunnen -vinden. Langzaam liet zij den mageren arm zakken, en begonnen haar -vingers den grond los te krabben; een kwartier zat zij te woelen in de -aarde tot ze een voldoend diep plekje had, waarin de aangeprikte -lappenpoppen verdwenen. Toen ging, zonder haast en heel bedaard, de -aarde er weer over, door den beenigen gerimpelden klauw zorgvuldig -vastgedrukt bij beetjes, tot de grond voor de trap geen spoor -vertoonde, dat er pas iets in was verborgen. Eerst toen dit volkomen in -orde was, ging zij naar boven. - -Betsy was er niet; ze was naar haar kamer gegaan; het geknoei met dien -steen had haar zenuwachtig gemaakt; ze drong zichzelve op, dat het haar -niet kon schelen, maar ze had vlagen van een onbestemde vrees, -oogenblikken van gejaagdheid en angst, waarin ze een gevoel had alsof -de muren van het huis der Bronkhorsten haar dreigden te verpletteren. -Ze was op een divan neergevallen en lag daar bewegingloos met een sterk -sprekende uitdrukking van moedeloosheid op ’t gezicht. - -„Wat voerde Sidin toch eigenlijk uit?” vroeg ze toen de oude -binnenkwam. - -„Hij heeft er iets onder gelegen.” - -„Ja, dat weet ik. Wat was het?” - -„Het was van allerlei; ’t behoort er bij; mijn zoon heeft het -gebracht.” - -„’t Kan me ook eigenlijk niet schelen, wat het is. Soedah, laat maar!” - -De oude zweeg, scharrelde wat rond, hier een kleedingstuk anders -schikkend, en dáár wat stof wegslaand. - -Betsy was toch nieuwsgieriger, dan ze voorgaf. - -„Waarom moest hij het er onder doen?” - -Sarinah kwam dicht bij den divan en zei zacht: „Het is tegen haar. Zij -moet elken dag over den steen loopen; dan krijgt ze een tegenzin in het -huis en gaat dikwijls weg; ze wordt er uit gedreven.” - -Het is dus, dacht Betsy, en ze kon een glimlachje vol ongeloof niet -onderdrukken, een middel om haar „uithuizig” te maken. - -„Het zal mij benieuwen of het gelukt.” - -„Dat wil ik u wel zeggen.” - -„Zal jij dat nú reeds zeggen?” - -„Nu niet, maar straks.” - -Toen Marie een uurtje later uit haar kamer kwam, waar ze op haar bed -had liggen lezen, omdat, nu Betsy in huis was, er eenig meer algemeen -toezicht bestond, zat Sarinah tegen het groen geverfde hek, dat langs -de galerij liep, en lette aandachtig op. Haar leelijk gezicht -verhelderde, en zich tot Betsy wendend, die nu ook achter was gekomen -en thee stond te zetten, keek ze deze aan met een voor haar doen -vroolijken grijns. De oude was inderdaad zeer verheugd en tevreden, -want mevrouw Bronkhorst had over den steen geloopen waaronder het -mengsel lag. Het leed nu geen twijfel of het toovermiddel zou gelukken -en zoodoende bedragen tot het bereiken van ’t groote doel. - -Sidin telde de door hem bewezen diensten, toen hij ’s avonds met -Sarinah voor zijn deur zat te praten. - -„Ik heb het kussen van mijnheer’s bed opengemaakt, er bloemen -ingestoken, kenanga en zo....” - -„Het gaat je niet aan, wat het was.” - -„Goed. Ik wil het ook niet weten. Toen heb ik het kussen weer -dichtgemaakt.” - -„En nu wil je geld hebben.” - -„Nog niet. Ik heb al de haartjes van meneer bijeengezocht, toen de -soldaat hem geknipt had, en ik heb ze voor uw zoon in een papiertje -gedaan....” - -„Ja, soedah! Wij weten het wel!” - -„En nu heb ik weer dat met dien steen gedaan, omdat hij het wilde.” - -„Wat wil jij dan?” - -„Niets. Ik vraag niets. Ik verzoek alleen om me nu niet langer meer al -die dingen te laten doen. Het komt hoe langer hoe dichter bij. Ik wil -niet krakallen, en ik ben niet brani. Als Ketjil nog eens komt, dan -vraag ik brenti.” - -De oude keek hem uit de hoeken van haar oogen met de diepste verachting -aan. - -„Je bent minder dan een wijf; dat heb ik al gezegd.” - -„Waarom scheldt je me uit? Betaal me liever.” - -„Ja, ik zal je betalen!” lachte de oude. „Ik zal je betalen, maar je -zult er morgenochtend niets meer van weten! Ik ga geld voor je zoeken, -beste jongen.” - -Werkelijk stond zij op, en ging tamelijk vlug het erf af. Den armen -Sidin brak het angstzweet uit. Hoe had hij ook zoo dom kunnen wezen? -Waarom zoo brutaal te zijn tegen het oude, gevaarlijke mensch? Nu zou -ze, dacht hij, hem zeker vergiftigen. Hij dacht aan de krampen, die hij -weldra zou gevoelen, en aan den dood. Wat zou hij daar stijf en -sprakeloos liggen op de balé-balé, en als zijn vrouw huilde zou hij ’t -niet hooren. In een kwartier stond zijn besluit vast. - -De familie zat in de achtergalerij. - -„Mevrouw moet niet kwaad wezen”, zei hij, regelrecht naar Marie gaande, -„ik vraag mijn ontslag”. - -Zij keek er vreemd van op. - -„Waarom?” - -Hij wist niet wat te zeggen. - -„Mijn vader is ziek.” - -„Dat jok je. Je hebt geen vader, want die is al lang dood.” - -„Ik bedoel den vader van mijn vrouw.” - -„Die is ook niet ziek”, zei Betsy, „want ik heb hem daar straks nog met -zijn grobak zien loopen.” - -„Je behoeft niet te liegen” merkte Bronkhorst aan op bemoedigenden -toon. „Je kunt immers gerust de waarheid zeggen. Wij willen je wel -ontslag geven, als je het vraagt. Wij willen alleen maar weten, -waarom.” - -„Ja,” bevestigde Marie, „wij willen weten waarom.” - -Maar Sidin zat verschrikkelijk in den knoei, want zóó kon hij niet -liegen of de waarheid bleef altijd nog minder verkieslijk. Ten einde -raad en zenuwachtig, zei hij: - -„Ik ben bosèn van mevrouws gezicht.” - -Betsy had moeite om er ernstig bij te blijven; Bronkhorst fronste de -wenkbrauwen en keek in zijn courant; Marie was woedend en gaf den -delinquent de volle laag. Zoo’n brutale kerel, zoo’n smerige inlander, -durfde haar dat te zeggen! Het was ongehoord. Dadelijk moest die -gemeene vent de deur uit; op staanden voet! - -Sidin zei niets meer, ’t was alles wat hij verlangde, maar zijn -afrekening viel hem tegen; hij had gedacht iets te ontvangen en hij -bleef, integendeel, nog schuldig. Het noopte hem nog eens om te zien -naar Sarinah en de oude om geld te vragen, doch het hielp niet; ze -antwoordde hem niet eens, en ten slotte verliet hij met zijn vrouw en -zijn weinig waardeloos goed, den dienst, met een geleenden halven -gulden in den zak. - -Sarinah was blij, dat hij weg was. In zijn eigen belang zou hij den -mond wel houden, en overigens was hij een akelige jongen, tot niets in -staat; zij dacht, dat zij wel dwaas zou geweest zijn, als zij dien -kerel iets had gegeven. Hij had gedaan, wat hij doen moest. De rest, -waarop het vooral aankwam, zouden ze zelf wel doen. - -Maar of ze werkelijk iets belangrijks deden of niet, wist Betsy niet -met zekerheid. Wel zette zij haar spel voort, telkens als zij kon met -Bronkhorst coquetteerend, en ze zag dat hij steeds zeer met haar bleef -ingenomen. Maar verder kwamen ze niet. De eene dag verliep na den -anderen, en er gebeurde niets, dat eenigszins wees op een serieuze -verandering. - -„Het is allemaal gekheid,” knorde zij tegen de meid. „Het is geld in -het water gooien, anders niet.” - -Maar Sarinah hield vol. ’t Was de dag niet. Alles moest zijn tijd -hebben, en het zou nu niet lang meer duren. - -Het was natuurlijk weer op een ongelegen oogenblik, en toen Betsy er -het minst om dacht, dat er „iets” moest gedaan worden. „Zoudt u niet -wat lekkere kwee-kwee maken?” vroeg de oude. - -„Neen, nèh! We hebben nu geen tijd, dat weet je wel.” - -„Het is toch de goede tijd.” - -„Wat praat je? Van avond is er een diner, en daarna blijven de gasten.” - -„Ik weet wel dat mevrouw jarig is, en dat alles besteld is in de groote -stad, en dat die dronken Europeaan komen zal om alles in beweging te -zetten.” - -„Nu, wat wou je dan?” - -„Het is de goede dag vandaag. Dezen Dinsdag moet u een schoteltje maken -voor mijnheer. Er moet iets in.” - -„Ik wil niet, ik doe het niet.” - -„Dat behoeft ook niet; dáárvoor zal ik wel zorgen. U kunt zoo lekker -kwee-kwee maken, en daar houdt meneer zoo van.” - -„Ik.... ik.... kan.... Nu, ’t is goed. Straks na de rijsttafel. Ga nu -maar weg.” - - - -„Zou je niet ’n uurtje gaan slapen van middag?” vroeg haar Bronkhorst -onder het eten. - -„Dansen we dan van avond?” - -„Ik weet het nog niet. Wil je graag?” - -„Hm, hm!” - -„Welzeker”, stemde Marie toe. „Zij is nog jong genoeg om wat pret te -maken. Maar ik vind ook, dat ze dan van middag wat slapen moet. Ik doe -het ook; het wordt waarlijk anders te vermoeiend.” - -„Natuurlijk!” zei Bronkhorst. - -„Ik weet hoe doodaf ik was, dien avond van de Borne’s.” - -„Nu, ik zal ’n oogenblik gaan uitrusten, want slapen kan ik toch niet.” - -„Ik ook niet, en ik moet bovendien vandaag op ’t kantoor wezen.” - -Doch Betsy ging in plaats van naar haar kamer, naar de keuken. Zij -maakte haar deeg zoo goed als de beste banketbakker, en ze deed de -kwee-kwee’s in de kleine vorm-schoteltjes, waarin zij bereid en waaruit -ze naderhand gegeten werden. Sarinah stond er bij. - -„Keer u eens om”, zei ze, „u moogt niets zien.” - -Met groot genoegen en kloppend hart gehoorzaamde Betsy haar baboe. Hoe -minder zij er van zag, hoe liever, want de vrees kon zij niet van zich -zetten. De oude wierp een poedertje in het deeg van een der vormpjes, -roerde het door met een houtje en hield het afzonderlijk. - -„Wees voorzichtig! Tjampoer het niet met de anderen.” - -„Kan men het niet proeven?” - -„Neen.” - -„Wat is het, nèh?” - -„Ik weet het niet.” - -„Ben je gek! Moet je dan zoo stom wezen om er iets in te doen, zonder -dat je weet wat het is?” - -„Ik heb het van mijn zoon gekregen.” - -„Poeah! Dat is ook wat!” - -„Dat is voldoende; het is zijn geheim, dat niemand aangaat, omdat het -van hem is.” - -„Het zal toch geen vergif zijn?” - -„Mijn zoon is geen karbouw; hij heeft ook geen hoofd als een garnaal.” - -„Och, je zoon.... je zoon!” - -„Nonna moet nu niet zoo bang wezen; het is alles heel goed. Laat nu de -kwee-kwee maar lekker zijn voor meneer. Ah! zoo lekker!” - -Betsy moest er om lachen. Het was toch een dier, die oude! En ze bakte, -op een zacht houtvuur, ’t schoteltje lekkers heel zorgvuldig tot de -bovenlaag ’n beetje steviger werd, de gele kleur wat zwaarder kleurde -in het midden, aan de kanten uitloopend in een fijn lichtbruin tintje, -dat hier en daar als kantwerk aanzette tegen den rand van het vormpje. - -„Dan heb je ook niet geslapen”, zei Bronkhorst, toen hij het gebak -kreeg bij zijn thee. - -„Ik zou me er over beklagen!” - -„Toch wel. Je weet ik vind die kwee-kwee goddelijk, maar ik had ze -graag willen ontberen, als ge wat rust hadt genomen tegen van avond.” - -„Gekheid, ik kan er best tegen.” - -„Nu, dan moet je het ook maar zelf weten,” zei Marie, „ik voor mij ben -er niet rouwig om.” - -En met wellust zette zij haar witte tanden in het smakelijk product van -de bakkunst harer huisgenoote. - -’s Avonds, toen tegen acht uren de gasten kwamen, zat de familie in -groot tenue in de voorgalerij. Cadeautjes had Marie niet veel gehad -voor haar verjaardag. Bronkhorst had haar een aandeel in een -prauwenveer geschonken, gelijk hij elk jaar deed, en „voor de -aardigheid” een gouden sieraadje er bij; Betsy had een prachtige -kabaja, drie kwart borduurwerk, gegeven, de kinderen kleine geschenken, -die naderhand op de huishoudelijke toko-rekeningen paraisseerden, en -daarmee was het uit; de vreemden bepaalden zich tot hun hartelijke -felicitaties. - -Reeds aan het diner kwam de vroolijke toon van de vorige maal, opgewekt -door de herinnering, doorschemeren. Betsy en Bronkhorst zaten ver van -elkaar af. Daartegen was niets te doen geweest, aangezien Marie zelf de -plaatsen had geregeld, waardoor de jonge weduwe tusschen den controleur -en een ander celibatair kwam te zitten, terwijl aan het hoofd van de -tafel Bronkhorst zijn best deed om de vrouw van den resident te -amuseeren, wat hem niet gelukte, omdat dit vrouwelijk hoofd van het -gewestelijk bestuur geweldig jaloersch was van de luxe, die bij den -notaris werd tentoongespreid, en dit door allerlei hatelijke -zinspelingen toonde. - -Het was opvallend hoe Bronkhorst, later op den avond, zijn schade -inhaalde; hij was haast voortdurend bij Betsy of in haar naaste -omgeving; iedere gelegenheid gebruikte hij om haar toe te spreken, zich -daarbij in allerlei fraaie houdingen opstellend, en buitengewoon -vroolijk lachend. - -„Zou hij?”.... vroeg de controleur aan den dokter. - -„Ik geloof het niet,” antwoordde deze, met zijn sterk vreemd accent. -„Het heeft mij nog nooit gefrappeerd.” - -„Nou maar, van avond is het nogal in het oogloopend.” - -„Ja, het is sterk.” - -„Er zijn meer lui, die er over spreken. Van zoo’n soliden kerel als -Bronkhorst begrijp ik het niet.” - -„Het is misschien maar schijn.” - -„Schijn? Het is mogelijk, maar juist voor den schijn moest hij zich -wachten.” - -Maar schijn of niet,—het veelhoofdig monster der kwaadsprekendheid had -zijn werk begonnen, en het deed dat met te grooter ijver, naarmate de -patiënt door zijn positie en zijn fortuin meer op ’t kleine plaatsje in -het oog liep. - -Evenmin als zijn kunst het leven van den Ekster had kunnen redden, was -’s dokters tegenspraak in staat diens weduwe te beveiligen. En zoo -Betsy niet veel goeds verdiende,—in geen geval was ze wat men van haar -zei. - -Want, beminnelijk als altijd, trok de goede genius van den laster -dadelijk de grofste conclusiën, en waren het de fatsoenlijkste -menschen, die het eerst de gemeenste gevolgtrekkingen maakten. Het -werd, echter, alles slechts „gefluisterd.” Vooral wilde niemand de -zegsman wezen, en de controleur bezocht den ochtend na de partij den -dokter om dezen te verzekeren, dat als hij, controleur, eenig vermoeden -had geopperd den avond te voren, de dokter daarover in geen geval tegen -iemand mocht spreken. En de jonge vreemdeling, die reeds genoeg kijk -had op sommige eigenaardigheden in onze samenleving, wist in zijn -gebroken Hollandsch aan zijn enkele dames-patiënten met een -geheimzinnig gezicht en een beteekenenden glimlach wel zooveel te -vertellen, dat ze wisten, wat hij bedoelde, zonder dat hij iets had -gezegd. - -De dames waren diep verontwaardigd, de heeren zeiden niets tegen de -beschouwingen en commentaren hunner echtgenooten, maar lachten onder -elkaar er over in de sociëteit, en noemden Bronkhorst, die zich van dat -alles niets bewust was, „’n leuken kerel” en „’n snoeper”, en velen -bekenden ronduit, dat als een hond ’n beentje vindt, het zeer -natuurlijk is, dat hij er aan ruikt, en als „bovenbedoeld” beentje aan -„gezegden” hond bevalt, het niet minder natuurlijk is, dat hij er aan -kluift. - -Maar bij hun dames durfden zij met die ruik- en kluif-theorie niet voor -den dag komen. Voor een decentralisatie-geest was onder de voorstanders -van een persoonlijk monopolie geen ruimte. - -Ze sliepen lang, den ochtend na de partij. De geheele dag was eigenlijk -verloren. De notaris liet op ’t kantoor den boel maar zoowat aan zijn -personeel over; Betsy bemoeide zich al even weinig met het huishouden -als Marie, die ook te moe was en bovendien van het dansen geweldige -kramp had in haar beenen. Eerst tegen de rijsttafel kwam men op het -„alignement”, zooals oom Borne zou gezegd hebben. - -Men was nog loom, en lag in gemakkelijke stoelen zoowat pratende over -de partij. - -„Een zeer geréusseerde,” had Bronkhorst haar genoemd. - -„Dat zijn ze hier altijd,” zei Betsy. - -Marie was opgestaan. Ze moest toch even naar de keuken, want het kon, -naar haar meening, anders niet heelemaal goed gaan. - -„We hebben gisteravond veel gedanst,” vervolgde Betsy. - -„Te weinig,” antwoordde Bronkhorst zich uitrekkend, en haar glimlachend -aankijkend. - -„Te veel,” sprak ze tegen met een stemmodulatie, die evengoed kon -beteekenen, dat zij het aangenaam vond, als dat ze het afkeurde. - -„Zou het te veel kunnen zijn?” - -„Zeker. Wat moeten de menschen wel denken, als we den heelen avond -dansen!” - -„Den heelen avond?” - -„’n Groot gedeelte ten minste.” - -„Wel, wat kan men denken? Hoogstens toch, dat ik graag met je dans, wat -voor een zoo goede danseuse geen buitengewone voorkeur mag heeten.” - -„Nu ja, dat is maar gekheid.... Ik weet wèl, dat er op gelet is.” - -„Door wie?” - -„Ja, dàt weet ik nu niet precies, maar ik heb ’t toch in het algemeen -bemerkt.” - -„Verbeelding!” - -„Toch niet!” - -Langzaam wipte ze in haar stoel op en neer, achteroverliggend tegen de -leuning, ’t hoofd een beetje ter zij; en ze keek hem aan met haar -fluweelachtige oogen, zoodat het hem te moede werd, als lag hij onder -de verplichting haar het hof te maken, en als zou het van een -onverantwoordelijke „droogstoppel”-natuur hebben getuigd zich zonder -meer zóó te laten aankijken door zulke oogen. Het was geen -verliefdheid, die hem haar hand deed vatten en hem het meest -don-juannisch gezicht deed trekken, waartoe hij in staat was; het was -sexueele ijdelheid. Hij „kon” daar toch niet tegenover zulke -appetissante vruchten blijven zitten, alsof hij, ’n knap, kloek man in -de kracht zijns levens, daarvoor niets meer gevoelde. Reeds meermalen -had hij aan zichzelven bemerkt, dat als zij hem niet op de een of -andere wijze in verzoeking bracht, hetzij door haar houding, hetzij -door een woord of een blik, hij zich minder tot haar aangetrokken -gevoelde. Maar als zij met hem coquetteerde, dan was hij gauw gevangen, -en dan was het vooral zijn ijdelheid, die hem aandreef tot meedoen, en -die de begeerte in haar gevolg voerde. - -Hij had haar hand in de zijne genomen en streelde die, terwijl hij haar -diep in de oogen keek. - -„Kom,” zei hij zacht, „ik beloof beterschap.... in gezelschap; maar -laat me dan ’n heel klein beetje wraak nemen.... onder vier oogen.” - -„Me dunkt, je bent al druk bezig.” - -De slofjes van Marie tikten op de trap: - -„Jean, kan het eten worden opgedaan?” - -Juist kuste hij de hand van Betsy; hij liet die snel los en richtte -zich kennelijk eenigszins verschrikt op; zij bleef onbeweeglijk en -onverschillig in haar wipstoel liggen. - -„Wat mij betreft wel,” antwoordde hij, en men kon ’t hooren aan zijn -stem, dat hij verschrikt was. - -„Bah!” dacht Betsy, „hoe bête is toch ’n getrouwd man, als hij vreest -door z’n vrouw betrapt te worden op ’n kleinigheid!” - -Doch ze toonde niet, dat ze zijn schrikken kinderachtig vond. -Integendeel ze bleef haar stille tactiek volgen, en zij nam daarbij -evengoed haar voorzorgen tegen ontdekking. Zóó ontstond langzamerhand -tusschen Betsy en Bronkhorst een verhouding, die hij somtijds erg dwaas -noemde, maar welke hij, zonder een daad van groote brutaliteit, niet -kon veranderen, en die hij toch wel aardig vond, ofschoon erg jeugdig. -Zij grepen elke gelegenheid aan om elkaar aan te raken; hier en daar, -bij toevallige ontmoetingen, werden handdrukken gewisseld; soms als zij -’s avonds over een der zijgalerijen liep en het was er donker, gaf hij -haar een kus. Maar daarbij bleef het. Ze dachten, althans Bronkhorst -meende, dat niemand ooit een en ander zag; nu, Marie was zich zeker van -niets bewust, maar de inlandsche bedienden hadden er onder elkaar het -grootste genoegen over, en ze zagen en wisten heel goed, dat meneer, -terwijl hij aan tafel met het onschuldigste gezicht het woord voerde, -onder tafel met zijn voet, tegen of op dien van iemand anders, een -soort van telegraphische gemeenschap uitoefende. - -Ze hadden het ’s avonds daar altijd over in de bediendenkamers; het was -een grap van belang! - -Het werd nog gemakkelijker toen er logé’s kwamen: ’n getrouwd -menschenpaar uit het binnenland, met twee kinderen. Dat gaf meer drukte -dan ooit en absorbeerde de dames haast geheel. Maar het schonk ook -juist door de drukte een groote vrijheid, die Bronkhorst niet -ongebruikt liet. Soms had hij ’t land aan zichzelven en kreeg hij ’n -bui van bijzondere liefheid tegen Marie, die hem liet begaan, zich -glimlachend verbazend over het feit dat hij nog zoo mal kon zijn. Doch -hij had ook aanvallen van ongeduld, en dan was hij kregel, vooral tegen -Marie. Zij trok er zich maar weinig van aan; zij schreef het toe aan -slechte spijsvertering of overmatige drukke bezigheden op ’t kantoor. -Dat ging weer voorbij, en als hij ’s ochtends een erg nurksche bui had -gehad, dan maakte zij ’s avonds een lekker schoteltje gestoofde -pruimen; daar hield hij van, en dat was gezond! Zeker was het, dat hij -van overwerken geen last had. Hij deed het onvermijdelijke op ’t -kantoor, maar liet meer dan vroeger over aan zijn personeel. Terwijl -hij vroeger gaarne heel veel zelf deed, omdat de tijd dan aangenamer en -gauwer voorbijging, stelde hij tegenwoordig prijs op vrije -kwartiertjes, waarin hij niets deed dan aan Betsy denken. Als hij het -huis binnenkwam, was zijn eerste blik voor haar. Vroeger had hij de -gewoonte Marie te kussen bij het gaan ’s morgens en het komen ’s -middags. Zachtjes aan had hij dat afgeschaft. Als zijn aanvallen van -liefheid voor haar, die thans een anderen meer prozaïschen grond hadden -dan vroeger jaren, voorbij waren, was zij hem volkomen onverschillig. - -Marie had die geleidelijke verandering niet getroffen. Vooral nu zij -logé’s had, was ze te zeer geoccupeerd met haar huishouden en de keuken -om zich veel te bemoeien met de caprices van haar man. Daarbij, ze -voelde geen zweem zelfs van verdenking. Zijzelve was zulk een volkomen -brave en fatsoenlijke vrouw, die zelfs nooit in gedachte een der tien -geboden overtrad; zij was altijd zoo geheel vrij van bijoogmerken, als -ze stond tegenover derden, dat ze anderen naar zichzelve beoordeelde en -nooit of nimmer iemand van boosaardige bedoeling of „slechtheid”, -zooals zij het noemde, verdacht. Natuurlijk hoorde zij dikwerf verhalen -van andere dames over echtelijke ontrouw, zedeloos gedrag en -onkuischheid; maar zij hoorde het niet graag; het deed haar onaangenaam -aan, en ze keek onder het aanhooren zoo vreemd, alsof men haar dingen -meedeelde uit een andere wereld. En ze dankte God, als het uit was, -want ’t hinderde en ergerde haar. Soms als er een slachtoffer was, dat -haar medelijden opwekte, kon ze met groote verontwaardiging uitvallen, -en dan sprak haar toorn uit elken trek van haar goedhartig gezicht; dan -had ze de „slechte” hem’s en haar’s wel hoogst eigenhandig een pak -kunnen geven. Doch over het algemeen liet het haar koud en -onverschillig. Wat gingen haar die nare, vieze menschen aan met hun -eeuwig geknoei! - -Betsy daarentegen hoorde nooit iets liever. Van al die verhalen genoot -zij, en ze vond het heerlijk, als, zoo ’s morgens, dames te visite -kwamen in sarong en kabaja, die dadelijk allerlei onderwerpen, -betrekking hebbend op ’t sexueel verkeer, bespraken; heel ernstig soms, -over bevallingen met al wat daaraan gewoonlijk was verbonden of onder -buitengewone omstandigheden kon verbonden zijn; heel grappig dikwerf, -als er hier of daar ’n nieuw schandaaltje was voorgevallen, of ’n oud -schandaaltje weder eens met een: „Weet je nog wel!” opnieuw kon worden -verteld, bijwijze van een zooveelsten door den auteur opnieuw -verbeterden en van fraaie illustratiën voorzienen herdruk! - -Terwijl dit alles zijn gewoon verloop had, bleef Sarinah haar -betooveringsmiddelen aanwenden met volharding en onwankelbaar geloof. - -„Het wordt nu tijd voor het groote middel,” zei ze op een avond tegen -Betsy. - -„Zoo! Ik dacht dat je zoon daarvoor zoo’n verre reis moest doen.” - -„De tijd gaat voorbij, nonna merkt het niet. Zij speelt maar met de -muis, en ziet niet hoe de tijd verloopt.” - -„Je zanikt, nèh! Ik zie het heel goed.” - -„Mijn zoon is al geweest; hij is gisteren teruggekomen.” - -„Nu, dat is vlug!” - -„Hij is er toch geweest.” - -„Ja, ik geloof het wel, maar het is toch heel vlug. Er zijn dingen, die -minder vlug werken.” - -„Ik weet het niet.” - -„Nu, ouwe, houd je maar niet zoo dom. Wat moest dat geknoei onder dien -steen?” - -„Het behoort er bij.” - -„Malligheid, nèh! Het moest haar uithuizig maken.” - -„Dat zal het.” - -„Ha, ha! Jullie bent toch zoo dom! Uithuizig. Ik heb haar nog nooit zoo -hokvast gezien als tegenwoordig.” - -Sarinah kon het niet geheel ontkennen; ze had echter wel een uitvlucht. - -„Het is zeker nog de tijd niet....” - -„Het is de tijd wèl! al lang, dat weet jij ook heel goed, nèh. Als het -de tijd niet is, dan wordt het die nooit.” - -„Laat maar. Het komt terecht!” - -„Nu ja!” - -„Is het dan al niet verwonderlijk genoeg? Hoe is hij geworden nadat hij -de kwee-kwee had gegeten? Hoe was hij reeds denzelfden avond!” - -„Ja.... dàt nu wel. Maar op haar schijnen jou duivelskunsten geen -invloed te hebben.” - -„Het zijn geen duivelskunsten. En al waren ze het. Men moet allen -vreezen en eeren, de kwade zoowel als de goede geesten.” - -„Mooi hoor!” - -„Het is betoel. Waarom zouden wij niet? Een mensch is maar zwak. Hij -kan evenmin tegen de kwade geesten op als tegen de goede. Zij zijn hem -toch te machtig! Als hij de goede vraagt om hem te helpen, waar het -noodig is, kan hij het den kwaden ook wel doen.” - -De oude had het snel afgerateld, met een stem alsof ze haar mond vol -losse tanden had. Vermoeid en naar adem happend hield ze op. - -„Jij kletst maar wat,” zei Betsy met minachting. - -„Soedah! wij zullen zien!” - -Inwendig was de oude zeer boos. Niet om den verachtenden toon, waarop -tegen haar werd gesproken, dàt was zij zoo gewoon, en het hinderde haar -in ’t geheel niet; maar ze moest erkennen, dat Betsy gelijk had, en -daar kon ze niet tegen. - -Wie aan de werking van de goena-goena met al wat daartoe behoorde, -twijfelde, kwam aan een gevoelige plaats in den beperkten -gedachtenkring der grijze inlandsche vrouw. Zij vroeg ’n kwartier later -permissie om uit te gaan, ofschoon het reeds laat was, en ze liet een -kar zoeken om naar haar zoon te rijden. Met moeite kreeg zij bij den -eenigen Chinees, die voertuigen verhuurde, er nog een. Zij had bijna -ruzie met Ketjil. - -„Ik moet er afzonderlijk voor betaald worden,” beweerde hij. - -„Dat is niet waar. Het is onbeschoft mij dat te weigeren. Je hebt er -waarlijk genoeg aan verdiend.” - -„Het is wat!” - -„En ’t kan me niet schelen, maar ik moet het hebben en je krijgt er -geen duit voor.” - -Het scheen dat hij met zijn moeder niet wilde twisten, want brommend en -met die overdreven langzaamheid, waarmede de inlander iets doet, dat -hij liever niet deed, haalde Ketjil een stopfleschje uit een kleine -kast, wierp eenige harde korrels en stukjes gelijk boombast in een -steenen potje, en wreef het met een dito stamper tot fijn poeder. - -Meer dan een half uur was hij hiermede bezig; hij had het in vijf -minuten kunnen doen, maar opzettelijk liet hij zijn moeder wachten om -haar te plagen, en om haar te dwingen de kar zooveel tijd langer in -gebruik te hebben; daar moest ze dan meer voor betalen. - -Zij wist het wel, maar ze zei niets; steunend en mompelend als altijd -zat ze ineengedoken op een stoel zonder mat, geduldig wachtend. - -„Nu zal er wel gauw verandering komen,” zei ze den volgenden ochtend -tegen Betsy, toen ze haar zeep, handdoek en bad-sarong bracht. - -„Denk je?” - -„Het moet. Ze heeft het al gedronken.” - -„Wat gedronken?” - -„Ik heb het in haar koffie gedaan.” - -Betsy trok pijnlijk en verschrikt de wenkbrauwen saam, greep Sarinah -bij den arm en schudde haar heen en weer. - -„Wat dan toch, leelijk wijf? Zeg dan toch wàt?” - -„Stil! ik heb het gehaald, gisteravond bij mijn zoon.” - -„En moet dat haar uithuizig maken?” - -„Op een andere manier. Zij wil niet gezond er uit, dan moet ze maar -ziek.” - -„Het is niet goed van je; ik wil niet, dat zij ziek wordt.” - -„’t Komt er niet op aan.” - -„Dat doet het wel. Als zij ziek wordt en ze moet naar boven....” - -„Juist goed. Dan blijven we hier.” - -Maar Betsy schudde het hoofd. - -„Dat kan niet, nèh! Je bent een oude domkop! Neen, dan blijven we niet -hier, maar dan gaan we mee.” - -„Waarom?” - -„Omdat het,” ging Betsy zich opwindend voort, „geen adat bij ons is, -stommeling, dat een dame met een heer alleen in hetzelfde huis woont. -Ben je zoo oud geworden, heb je zoo lang onder Europeanen gediend, en -weet je dàt nog niet?” - -Sarinah was er wel ’n beetje mee verlegen, want ook dàt was waar. - -„Het schijnt, dat ik niets goeds meer kan doen,” klaagde zij. „Ik ben -maar een arme, oude vrouw.” - -„Nu, soedah! ik zeg immers niets. Houd je mond maar. Er is toch niets -tegen te doen. Laat het maar loopen, ja! Er moet van komen, wat wil.” - -Aan tafel zagen haar groote zwarte oogen met belangstelling telkens -naar Marie, ’t Scheen, dat het „goed” niet zoo heel snel werkte, want -de kalme vrouw des huizes at, met den goeden eetlust aan haar gezond -gestel eigen, haar gewone portie van alle goede gaven, en het kwam ook -niet des avonds. Integendeel, Marie was opgewekt van geest, minder -slaperig dan anders en ze klaagde nergens over. Eene diepe minachting, -nu weer, maakte zich van haar meester, zoodat die zich teekende in haar -trekken. - -„Wat zet je een komiek gezicht,” zei Marie. - -„Komiek? Hoezoo?” - -„Wel je keek daareven net of je een inlander wou beknorren.” - -Betsy kleurde, want het was waar, dat ze bezig was geweest in gedachten -Sarinah geducht de les te lezen. Maar zij lachte en vroeg of men daar -dan ’n bijzonder gezicht bij zette. - -„Ik denk het wel,” antwoordde Marie, „ten minste als jij het doet, zie -ik je altijd op die manier kijken.” - -Misschien door dit gesprek ontging Sarinah het standje haar toegedacht; -toch zag ze wel, dat de nonna erg boos was en het was dan ook om zich -nijdig te maken. Hoe kwam zoo’n Europeesche vrouw toch aan zulk een -krachtig gestel met zooveel weerstandsvermogen. - -Maar den volgenden ochtend verscheen Marie niet zoo vroeg. - -„Ze is niet lekker,” vertelde Bronkhorst aan het ontbijt. - -„Wat scheelt er aan?” - -„Niet iets bepaalds. ’n Gevoel van vermoeienis en loomigheid.” - -Ze spraken er over zonder haast te denken aan Marie en haar -ongesteldheid; hun oogen spraken een geheel andere taal, die zich lezen -liet op hun gezichten, als ’n romance sans paroles. - -Toen hij naar ’t kantoor was, ging Betsy eens informeeren. - -„Ziek?” vroeg ze op den toon der vroolijke deelneming van menschen, die -bij een zieke komen om hem munter te maken, wat op den patiënt, die het -begrijpt, een geheel tegenovergestelden invloed heeft. - -„Wel neen! Ik weet niet wat ik heb, Bets. Maar ik ben zoo loom in mijn -leden, en daarbij zoo lui, dat het schande is.” - -„Wat koortsig misschien. Wil je limonade?” - -„Och neen! In eten of drinken heb ik geen trek, en slaap heb ik ook -niet. Ik weet het niet, maar het eenige, wat ik zou willen, is den -heelen dag hier op den divan te blijven liggen.” - -„Welnu, doe het dan. Ik kom straks bij je zitten.” - -„Dat is goed; maar het is eigenlijk schandalig van me zoo lui te -wezen.” - -Toen Betsy naar de goedang ging om „uit te geven”, kwam ze Sarinah -tegen. - -„Nah?” vroeg de oude op gerekten toon en met een grijns. - -Maar Betsy trok de wenkbrauwen hoog op en stak de lippen vooruit. - -„Het zou ook wat,” zei ze, wegwerpend. - -„Wij zullen wel zien, soedahla, wij zullen zien.” - -„Ja, ja, houdt den mond maar; daar komt kokki aan.” - -„O ja!” - -De oude zweeg; ze moest bij zichzelve lachen. Nonna was toch ook soms -erg dom! Hoe kon ze nu op het idée komen, dat kokki er niets van wist? -Alsof niet alle bedienden er alles van wisten, en als uiterst -belangstellende toeschouwers niet het heele verloop met aandacht en in -gespannen verwachting volgden! - -’s Avonds kwam Marie weer voor den dag. Het was niet beter en niet -slechter. Zij zag er ’n beetje betrokken uit, met groote kringen om de -oogen; maar koorts had ze niet, en wat men noemt „ziek” was ze evenmin. - -Bronkhorst zag het niet. Welstaanshalve had hij gevraagd of ze beter -was, maar in stilte vond hij het niet onpleizierig, dat ze haar kamer -hield, nu de logé’s juist dien morgen vroeg waren vertrokken. Ze hadden -weer hun spelletje gespeeld, hij en Betsy, en zij had hem voor het -eerst zoo liefderijk gereciproceerd, dat hij ’n gevoel had alsof ’t hem -dronken had gemaakt; zóó zelfs, dat Betsy begon te vreezen voor Marie, -die, vond ze, dan toch al aartsdom moest zijn, om niets, in het geheel -niets te merken. En om het af te wenden hield zij aan tafel Marie druk -aan den praat, ofschoon ze maar droomerige antwoorden kreeg. - -Ze zaten nog wat na, aan tafel. Bronkhorst had ’n havanna opgestoken; -de dames genoten haar kopje koffie. Een bediende lei de brieven en -couranten op tafel, die de postlooper gebracht had. - -Terwijl de notaris ze opende, om even door te zien, hield hij -plotseling zijn kleine vouwbeen terug, dat reeds aan het snijden was. - -Aandachtig bekeek hij het adres. - -„Ik had daar haast ’n brief opengemaakt aan jouw adres”, zei hij tot -Marie. - -„’t Zou ook wat zijn!” - -„Neen, maar je weet, ik doe het nooit; het is tegen mijn principes.” - -„Van wie is hij?” - -„Dat weet ik niet; het is een onbekende hand. Ziedaar!” - -En hij reikte haar over tafel de half geopende enveloppe aan. - -Ook voor Betsy was een brief gekomen; een van haar jongere zuster -Lidia, die altijd oentoeng had, en die indertijd zich zoo onomwonden -verklaarde over het uit den weg ruimen van Den Ekster, dien ze haatte. - -Betsy had haar geschreven, en met de ontembare zucht aan vrouwen eigen -om wat ze weten of doen aan iemand mondeling of schriftelijk mee te -deelen, al hielpen zij zich er door op het schavot—had zij in dien -brief genoeg verteld om haar slimme zuster geheel op de hoogte te -brengen. „Ik dacht niet”, schreef Lidia, als altijd openhartig, „dat je -tot zoo iets in staat was, en ik kijk er gek van op, dat jij het over -je kunt krijgen. Mij hielden ze altijd voor kwaadaardig en -wraakzuchtig; jij met je geonduleerde haar tot op je wenkbrauwen, ging -thuis door voor een toonbeeld van engelachtige zachtaardigheid. Nu, ik -wil niet zeggen dat ik Jobs geduld heb met anderen, en ook niet dat ik -gemakkelijk vergeef, maar, Betslief, ik zou tot zoo iets niet in staat -wezen, waarachtig niet, en ik geloof jij ook niet, als ge die oude -vuilpoets van een Sarinah niet bij je hadt. Pas op, als ik haar krijg! -Maar heusch, Bets, doe dat niet. Als ik een man had, die me slecht -behandelde, zoo waar als God leeft, ik hielp hem naar de andere wereld, -Bets; ik zou het niet kunnen laten. Doch die menschen hebben je niets -kwaads gedaan; ze hebben je integendeel goed en vriendelijk behandeld, -Bets; ze zijn lief voor je en zij is hartelijker voor je geweest, dan -ik voor jou ooit zou wezen. Zoolang ik geen weduwe ben, wil ik jou geen -vier en twintig uur over mijn vloer hebben, hoor! Denk daarom, als je -jezelve eens in de klem mocht brengen. Je weet dan bij wie je niet moet -wezen. Foei, Bets, schaam je! En als je die gemeene streek mocht -lukken, dan kijk ik je nooit weer aan, hoor! al kreeg je er zooveel -duiten door als ’n millionnair; dàt wil ik je maar zeggen. Je zuster -L.—” - -Betsy glimlachte. Die Lidia was toch altijd even grof. Het speet haar -thans, dat ze zoo onvoorzichtig was geweest. Welk een gemeen antwoord! -Dat was nu net zoo iets voor die nare non, iemand zoo laag en -beleedigend neer te zetten. Zij zou het epistel aan kleine stukjes -scheuren in haar kamer, en die aan Sarinah geven om ze te verbranden. -„Ze zijn lief voor je geweest,” schreef dat malle wicht. O, zoo lief! -Zij uit gemakzucht, en hij!.... - -„Je zult me wel excuseeren. Ik ga naar mijn kamer.” - -Was het mevrouw Bronkhorst, die daar sprak? Eenigszins verschrikt keek -Betsy op. Ook Bronkhorst staakte de lectuur van een langen brief over -belangrijke zaken. - -„Wat scheelt er aan?” vroeg hij verstrooid. - -„Ik voel me onwel.” - -„Dan zou ik een oogenblik gaan liggen; heb je pijn of voel je je -koortsig?” - -Marie gaf geen antwoord. Langzaam ging zij de achtergalerij uit en haar -kamer binnen; Bronkhorst keerde weer tot zijn brief terug. - -Betsy had niets durven vragen. - -Wat het was, had zij begrepen; door geen woord of blik had Marie iets -te kennen gegeven; ze was met een bleek gezicht en in zenuwachtigen -toestand naar haar kamer gegaan; dat was alles. En toch wist Betsy, en -ze had er op durven zweren, dat er in dien brief, dien Bronkhorst bijna -in vergissing had opengemaakt, iets stond doelende op zijn verhouding -tot haar. - -„Wat zou Marie schelen?” vroeg hij toen het stuk over zaken was -uitgelezen. - -„Het schijnt, dat die brief haar onlekker heeft gemaakt.” - -Hij fronste de wenkbrauwen. Een onverklaarbaar gevoel van angst bekroop -hem, dat ’t zweet op zijn voorhoofd deed parelen. - -„Waarom denkt je dat? Zij heeft toch niets gezegd.” - -„Volstrekt niet, doch ik heb het opgemerkt, zonder dat ze iets zei. En -het verwondert me niet.” - -„Och kom, nonsens! Wie wil haar nu....” - -„Wie? Dat weet ik niet. ’t Gebeurt dikwijls hier in Indië. Er zijn hier -veel menschen, die pleizier hebben in ’t schrijven van ongeteekende -brieven.” - -Het verruimde hem. - -„Nu, als het niet anders is dan dat....” - -Zij keek hem verwonderd aan. - -„Niets anders?” - -„Wel neen! Men slaat toch waarlijk geen geloof aan verachtelijk anoniem -geschrijf.” - -’t Was haar duidelijk aan te zien, dat zij het niet met hem eens was. -Ook drong de vraag zich aan haar op of het wel in haar belang was, dat -aan het „verachtelijk” geschrijf geen geloof werd gehecht; zij zag de -zaken niet vorderen, en haar verhouding werd met den dag scheever en -moeilijker. Als zij buiten het huis was en hij haar dan bezocht, kon ze -haar doel beter bereiken, nu men eenmaal in het tegenwoordig stadium -was gekomen. - -„Er zal altijd iets van bij haar achterblijven. Als ik doen kon wat ik -wilde....” - -„Wat dan?” - -„Dan ging ik,” zei ze met goed gehuichelde tranen in haar stem, „van -avond nog heen. Ik zie alles aankomen.” - -Brusque stond hij op, zijn stoel met een zenuwachtigen ruk -terugschuivend. - -„Het zal niet gebeuren!” riep hij heftig. „En nu wil ik ook weten, wat -er van is.” - -Bronkhorst deed ’n paar schreden naar de kamer zijner vrouw. - -„Het zou te dwaas zijn,” zei hij, terugkeerend. „Vooreerst is het maar -een vooronderstelling van je, en ten tweede zou zij met recht vragen, -hoe ik er achter was gekomen.” - -De redeneering was wel juist, maar stelde Betsy toch teleur; als vrouw -stelde zij temperament meer op prijs dan logica. Zij zag in zijn -terugtreden alleen het bewijs, dat hij bang was voor zijn vrouw, en dat -tergde haar. Als zij eens haar doel bereikte, hoe zou zij hem drillen -onder haar slofjes! - -„Ik zal eens gaan zien wat haar scheelt,” antwoordde Betsy, en met koel -en onbeweeglijk gezicht ging ze de kamer binnen. - -Marie sloot juist den brief in haar lessenaartje. Zij zag zeer bleek. -Zij was reeds onlekker en vermoeid geweest den heelen dag; thans wist -ze niet goed wat ze deed. De schrik door den brief teweeggebracht, had -haar hersenzenuwen als het ware verlamd; ze kon niet geregeld denken en -ze wist niet goed, wat ze zeide of deed; het dwarrelde haar nog op de -onmogelijkste wijze door het hoofd en sloeg haar met een gedruktheid, -die haar in de allereerste plaats deed verlangen naar rust en vrede, om -geregeld te kunnen nadenken. - -„Mevrouw!” zoo luidde de brief. „Gij wordt gewaarschuwd. Gij hebt een -slang aan uw borst gekoesterd. Uw huis vol van knoeien. Die jonge -weduwe altijd maar knoeien en gekonkel met uw man. Gij ontvangt snoode -ondankbaarheid voor uw weldaden! N. N.”— - -De aanwijzing, hoe krom ook geschreven en aangevuld met boeken-frasen, -was duidelijk genoeg. Als Marie een jaloersche vrouw was geweest, zou -ze, uit den aard der zaak iedereen verdenkend, die aanwijzing in direct -verband hebben beschouwd met haar eigen stillen achterdocht; zij had in -haar geest zonder verwijl het flagrant délit opgebouwd, en was spoedig -tot een besluit gekomen. - -Maar het viel haar zoo onverwacht op het lijf, als een donderslag bij -zonneschijn. Zij vertrouwde iedereen, zooals men zichzelve kon -vertrouwen, en ze moest voor zulk een beschuldiging eerst plaats maken -in haar gedachtenloop. Zoolang ze getrouwd was, had zij een -stilzwijgend en overmoedig geloof gehecht aan de onverbreekbaarheid van -haar huwelijksgeluk, zonder dat zij die groote fout ooit had ingezien, -evenmin als het haar ooit in het hoofd was gekomen, dat haar man te -kort zou schieten in huwelijkstrouw, zoo min in heel, half of kwart -platonischen, als in vulgairen zin. En dat onbegrensd vertrouwen, die -groote gerustheid, hadden haar ook sedert haar trouwdag, althans na de -wittebroodsweken, doen afzien van elke poging om hem in haar persoon of -door haar gezelschap te behagen. Zij had, naar eerzaam Hollandsch -gebruik, zich gewijd aan de kinderen en de keuken; op dat terrein, -dacht zij, lag uitsluitend haar werkkring; dáárin zocht ze haar trots. -En zij hield wel heel veel van Jean en zorgde goed voor zijn maag en -zijn garderobe, maar behalve op enkele momenten, dus in het jarenlang -verder verloop van het dagelijksch leven, beschouwde zij hem als niets -anders, dan den medezorg voor het huishouden, den compagnon in de -vennootschap Bronkhorst & Co.—Als zij zich kleedde, dan was dat nooit -voor hem. ’s Morgens als er dames visite kwam, deed zij haar kapsel, -trok ’n mooie kabaja aan en ’n duren gebatikten sarong. Voor hem was ’t -eenvoudigste lapje wit katoen, hoogstens met „’n puntje” en de -flodderigste print mooi genoeg. Hij was immers maar haar man! Zij deed -het niet met eenig boos opzet. ’t Was haar Hollandsche traditie; ’t was -zooals haar ouders en grootouders hadden gedaan, die met roode baaien -broeken en borstrokken en in blauw wollen rokken, met slaap- en -klapmutsen getooid in overweldigende eerzaamheid schuil gingen onder de -wollen dekens. - -Hij, Bronkhorst, had dat nooit opgemerkt, en vanzelf de huishoudelijke -gewoonten volgend, had hij die aangenomen en zich er aan onderworpen, -als iets dat zoo is en zoo behoort. Het een tonig leven was zeer snel -voor hem voorbijgegaan, in zijn trouwen „ten principale” afgewisseld -door ’n paar malen de geboorte van een kind, en door de zorgen voor -zijn aangroeiende fortuin. Het had hem nooit gehinderd, dat Marie zich -betrekkelijk zoo weinig scheen te bekommeren over zijn opinie, wat haar -vrouwelijk schoon betrof. Zij waren g. e. t. r. o. u. w. d.; elk hunner -zat aan een eind van het kettinkje, had daar vrede mee en achtte er -zich gelukkig door. - -Tot er een vrouw kwam, die „werk” van hem maakte. - -Toen stond hij op het punt „er in” te loopen; zijn opgewekte geest trok -aan het kettinkje; die vrouw sloeg uit den vuursteen der behaagzucht -vonken, die hem herinnerden aan zijn celibatairstijd, toen de -veelbelovende jonge notaris nog tot het edele wild behoorde in den -chasse à l’homme; toen lieve blikken en vriendelijke glimlachjes hem -van alle kanten ten deel vielen, en menig keurig toiletje het groot -tenue was ter zijner eere gedragen. - -Maar zóó definiëerden zij niet; hij, Jean, niet, terwijl hij Betsy in -stilte het hof maakte; zij, Marie, niet, toen ze moreel verpletterd was -door dat briefje. - -„Scheelt u iets?” vroeg Betsy met warme belangstelling in den toon -harer stem. „Ik kom eens zien of ik u ergens mee helpen kan.” - -Marie aarzelde een oogenblik. - -„Dank je,” antwoordde zij kortaf. - -„Ik ben ook niet erg lekker; ik ga ook vroeg naar bed. Heb je niets -meer noodig?” - -„Neen,” klonk het als een diepe zucht. - -Zij, Marie, wist niet hoe zich te houden. Kon het waar zijn, dat iemand -zóó slecht was, zóó door en door huichelachtig en gemeen? ’t Was, -meende zij, een onmogelijkheid, en, strijdend tegen den indruk door den -brief teweeggebracht, had zij Betsy aangehoord en geantwoord. Maar het -geheel van zich zetten kon ze niet. Door de loomheid in haar leden, als -gevolg van Sarinah’s poeiertjes, bleef zij niet zitten, maar ging op -een divan liggen, met haar gezicht naar den muur en haar oogen dicht. -Was het waar, was het niet waar? Zij trachtte een zuiver beeld te -ontwerpen van de wederzijdsche verhouding in huis: zeker, Jean was -altijd bijzonder lief en vriendelijk tegen Betsy. Zij bracht zich -enkele uitdrukkingen te binnen; zij herinnerde zich zijn grooten ijver -om de jonge weduwe te helpen bij het musiceeren. Maar wat was dat, wat -beteekende het? Het was volstrekt niets. Wie weet, daarentegen, welk -een gemeen schepsel die schrijfster was van dien ongeteekenden brief, -want geen oogenblik kwam het denkbeeld bij haar op, dat die van ’n man -kon zijn. Wie weet of hier niet uitsluitend haat en lage afgunst in het -spel waren, en zijzelve niet heel slecht deed aan dat vod zooveel -gewicht te hechten. Men had zulke ellendige wezens, dat had zij meer -gehoord, die er vermaak in schepten door gemeene anonieme brieven -huisgezinnen ongelukkig te maken en familieleden en vrienden tegen -elkaar op te zetten. En wat zou het zijn, als zij eens onder zulk een -invloed raakte, en nu voortaan haar man en Betsy bespiedde, met -wantrouwen gadesloeg, en zelfs verdacht, waar niets, wellicht, te -verdenken viel. - -Maar zou ze hen kunnen vertrouwen? ’t Was pijnlijk, maar ze voelde dat -ze daartoe niet in staat was. Hoe haar verstand zich ook verzette; hoe -laag ze ook neerzag op dien smerigen brief en op haar, die hem had -geschreven,—het was en bleef zonneklaar, dat haar grenzenloos -vertrouwen weg was. En, o! als het eens waar mocht wezen, dat die vrouw -wilde treden in haar rechten; haar verdringen wilde uit het hart van -haar man; haar tot een voetveeg wilde maken in haar huis,—dan zou er -toch nog veel moeten gebeuren! In het volle gevoel van de kracht harer -smettelooze kuischheid en trouw, achtte zij zich sterk om tegen „het -kwade” te strijden, als het noodig was; een voor haar heiligen strijd -om haar man en voor zichzelve en haar kindertjes. Het bloed steeg naar -haar bleeke wangen, haar oogen glinsterden in ’t halfduister en -krampachtig sloten zich de handen tot vuisten. Neen, zóó gemakkelijk -zou het niet gaan! Zoo licht zou het niet vallen haar te onttronen! Hij -had haar niet gevonden op de straat, en als zoodanig zou ze zich niet -laten behandelen. Zooals ze haar plichten had vervuld, zou ze staan op -haar rechten. Wie het wagen durfde haar de liefde te rooven..... Ze -schudde van opgewonden toorn, dat de divan kraakte. - -Doch plotseling, toen ze aan Jean dacht, bedaarde dat. Hoe was het toch -bestaanbaar? Zoo menig gelukkig jaar hadden ze samen doorleefd, rustig -en heerlijk. Het ging haar alles in den geest voorbij; hoe ze hem in -Holland had leeren kennen; hoe ze hem lief had gekregen om zijn -persoon; welk een heerlijken engagementstijd ze hadden doorgebracht; -hoe vol van het zoetst genot hun huwelijksreisje was geweest, en hoe -tevreden, gelukkig en voorspoedig ze al die jaren samen hadden -doorleefd! En nu zou misschien dat alles uit zijn! Hij zou zijn heil -zoeken bij een andere vrouw, en haar verwaarloozen en veronachtzamen; -hun vredig huisgezin zou een hel worden van nijd en tweedracht; zij -zouden altijd ontevreden zijn, elkaar misschien leeren haten, in elk -geval van elkaar vervreemden.... En daarvoor had zij nu zooveel jaren -met zooveel liefde haar plichten vervuld; daarvoor had ze alles -geschonken wat ze had, nooit aarzelend, zelfs niet als te schenken een -opoffering was.... - -Het diep bedroevende van zulk een toestand greep haar aan en werkte op -haar zenuwen. Zij stond snel op, toen zij den stap van haar man hoorde, -die naderbijkwam, en ging te bed, haar gezicht begravend in de kussens; -hij mocht niet zien, dat ze weende! - -Haastig was Betsy, toen ze de kamer verliet, naar achter geloopen. Zij -had nu volkomen zekerheid, wat den inhoud van den brief aanging. -Bronkhorst was niet meer in de galerij. Zij liep de trap af en om ’t -huis heen naar voren, waar ze hem ontwaarde in de donkere zijgalerij, -die naar het kantoor voerde; ze zag het aan zijn witte kleeding, want -het was erg duister. - -„Wel?” vroeg hij. - -Zij gaf geen antwoord, maar voor de eerste maal sloeg zij haar armen om -zijn hals en kuste hem herhaaldelijk met groote onstuimigheid; doch -toen hij, in vervoering, het haar begon na te doen, rukte zij zich los -en liep weg. - -In haar kamer deed ze de deur op slot. Ziezoo! Ze had nu haar schepen -verbrand! Ze was nu tegenover hem ver genoeg gegaan. Men was nu alle -drie vrijwel op een goede hoogte. Het had door dien brief een beetje -sneller verloop moeten hebben, dan ze gedacht had; maar de kogel was -toch vrijwel door de kerk. Nu moest ze weg, en dat was maar goed ook; -als Marie den brief soms niet geloofde, den volgenden dag, dan zou zij -haar wel laten zien, dat er niets in had gestaan, dan de waarheid. Er -moest nu maar hoe eer hoe beter gehandeld worden. Al dat geleuter gaf -toch niets. - -Bronkhorst hoorde haar de deur sluiten, want onwillekeurig was hij haar -nageloopen. Toen zij geen verder bewijs van leven meer gaf, ging hij -naar de slaapkamer. Het scheen dat Marie sliep, maar toen hij zich stil -en voorzichtig uitkleedde, meende hij een verdachte beweging met een -zakdoek te zien achter de klamboe. Nu veinsde hij nog veel meer, te -denken dat ze sliep; sloop op de teenen door de kamer en stapte uiterst -voorzichtig over haar heen, zich langzaam uitstrekkende langs de -achtergrens van het ledikant. En toen hij lag, glimlachte hij tegen de -klamboe en deed zijn oogen dicht.... - -Zij sliep haast niet dien nacht, hoe krachtig anders de natuur in dit -opzicht haar rechten deed gelden. Het denkbeeld kwam altijd terug in -allerlei vormen; het herhaalde zich onder de meest uiteenloopende -gezichtspunten; en daarmede wisselden haar gevoelens. Wel vijf en -twintig keeren was het toorn en verontwaardiging, volslagen ongeloof -met zelfverwijt, of diepe droefheid. - -En des ochtends stond haar besluit nog niet vast. - -Bronkhorst zelf had ook slecht geslapen. Des morgens deed hij als wist -hij van niets en als was hij zich nergens van bewust. - -„Ik heb een naren nacht gehad,” zei hij geeuwend. - -„Ik ook.” - -Hij zag haar aan en schrikte er van. Zij zag er ziek en lijdend uit. - -„Je bent erg onlekker, dat is zeker. Ik raad je ernstig aan te bed te -blijven.” - -„Volstrekt niet.” - -„En een leitje te schrijven aan den dokter. Ik zal....” - -„Het is niet noodig.” - -Zij had een andere kabaja aangetrokken en verliet de kamer. Het was -haar niet mogelijk geweest vriendelijk tegen hem te zijn; het stuitte -haar tegen de borst, hoewel ze weer haar uiterste best deed om alle -geloof aan den inhoud van den brief weg te werpen. - -In de achtergalerij, waar het in den vroegen ochtend en bij de bewolkte -lucht nog slechts half dag was, zag ze Betsy aan het koffie-zetten. - -„Goeden morgen,” klonk het haar tegemoet met de vriendelijkste -stemmodulatie. - -„Goeden morgen,” bracht Marie er met moeite uit. Wat het haar kostte -bedaard tegen dat schepsel te spreken! Ze had haar wel kunnen -vernielen. - -„Weer heelemaal beter?” - -„Ja.... Zoowat....” - -„Komaan, dat is gelukkig. Ik heb hier ’n overheerlijken kop koffie voor -je. Dat zal je heelemaal opknappen.” - -Met bevende hand nam Marie den kop aan en ging zitten. Neen, dàt hield -ze toch voor onmogelijk. Zulk een créatuur kon Betsy niet wezen, dat -vond ze bovenmenschelijk. Die brief moest een gemeene leugen wezen, en -zijzelve was schuldig omdat ze Betsy en haar man verdacht. Ze zou en ze -moest zich er tegen verzetten. - -„De koffie is overheerlijk,” zei ze vriendelijk. - -„Nietwaar?” vroeg Betsy terug, verbaasd en ontstemd over deze -onverwachte en door haar niet gewenschte frontverandering. - -„Het scheelt, hoe men ook doet, den eenen dag toch altijd bij den -anderen.” - -„Dat komt,” zei Bronkhorst, die blij was, toen hij, achter komend, haar -beiden gemoedelijk pratende vond, „omdat de dames geen -wetenschappelijken zin hebben; ze doen alles zoo maar op den gis; haar -maat is er geen, waarop men kan vertrouwen.” - -„Het komt hier anders zelden voor, dat iets mislukt,” zei Marie. - -„Zeker! O, wat dat aangaat, heb je er uitmuntend den slag van alles -overheerlijk te doen klaar maken. Dàt bedoel ik niet.” - -Onwillekeurig ontsnapte haar een zucht bij zijn lof. Maar die stemde -haar toch beter, dan eerst, en toen men aan de ontbijttafel ging, was -de algemeene conversatietoon bijna tot het normaal diapason -teruggebracht. Alleen zag zij nog erg bleek en vermoeid er uit. Maar -niemand zinspeelde daar meer op. Zelfs Betsy miste op dat oogenblik den -moed om er op terug te komen, Bronkhorst sprak buitengewoon veel, en -zocht, tot woede van Betsy, bijna uit instinctmatige aandrift een -drukke conversatie met Marie aan te houden, waarbij hij met opzet -vermeed naar Betsy te zien, en zich ook zorgvuldig van telegraphische -voetgemeenschap onthield. - -Juist stond hij op om naar het kantoor te gaan, toen een jongen een -brief binnenbracht. Het was er weer een aan het adres van zijn vrouw. -Als hij het had kunnen doen, zou hij den brief hebben achtergehouden, -maar het ging niet, want de bediende had hardop gezegd: boeat njonja. -Nu moest hij haar den brief wel geven, maar hij bekeek toch even het -adres. Dit was van een andere hand dan dat van den vorigen avond. - -„Je hebt, naar het schijnt, drukke correspondentie. Adieu, tot van -middag.” - -Met een armzwaai groette hij beide dames, waarop hij naar zijn kantoor -ging. - - - „Mevrouw! - - Iemand, die het goed met u meent, waarschuwt u in allen ernst voor - een geval, dat zich in uw huis voordoet en waarvan gij ongetwijfeld - schande en verdriet zult beleven. Uw man en die weduwe Den Ekster, - die als bonne of juffrouw bij u inwoont, zijn het samen eens. - Iedereen weet het al, maar u schijnt er onkundig van te zijn. Vraag - het uw eigen bedienden, en gij zult er meer van hooren. - - Een vriend.” - - -Daar was het weer! Welnu, er moest iets gedaan worden, dat gevoelde en -begreep zij. Handelend moest ze optreden. Er viel niet te talmen, na te -denken en te redeneeren. Het was misschien verkeerd, maar zij zou -althans informeeren bij de bedienden. - -Doch de naaister, haar baboe en haar kokkin verklaarden niets te weten -en hoe het kwam wist ze niet, maar het was alsof juist die beweerde -onbekendheid en de gezichten die deze menschen trokken, haar wantrouwen -deden toenemen in plaats van verminderen. - -Zij was nu nog even wijs, en zat voor haar kamer met de hand onder het -hoofd. Onuitstaanbaar! - -Na eenigen tijd liet ze Betsy verzoeken bij haar te komen. - -„Wat is er?” klonk het weer vroolijk en vriendelijk. - -Zwijgend wees Marie op de beide brieven. - -„Moet ik die brieven lezen? Ja? Wel, met genoegen.” - -Zonder overhaasting las zij ze allebei. Marie sloeg haar angstig gade, -maar het effen gezicht onderging geen verandering. - -„Het is mooi,” zei ze met een valschen lach. „En dat beduidt?” - -Thans had mevrouw Bronkhorst een overtuiging, al was het geen -zekerheid. - -„Moet ik zeggen, wat het beduidt?” - -„U of een ander. Ik weet zeker niet, wie de hand heeft in zulke -dingen.” - -„Wie er de hand in heeft?” - -„Natuurlijk. Ik denk niet, dat iemand gemeen genoeg kan zijn om zulke -brieven te schrijven voor zijn pleizier. - -„Of uit drang om te waarschuwen.” - -„Komaan! Ha, ha, Wil ik u wat zeggen: die brieven komen allebei uit -denzelfden koker en daar kan alleen iemand achterzitten, die mij haat, -of die.... jaloersch is en wie ik hier te veel ben.” - -Een oogenblik was Marie verbluft over zooveel brutaliteit, en met haar -heldere blauwe oogen staarde zij Betsy zoo onbeweeglijk aan, dat deze -het tot haar woede en schaamte niet kon uithouden en genoodzaakt was -den blik af te wenden. Toen mevrouw Bronkhorst als het ware tot -zichzelve kwam, stond ze op: zij zag er op dat oogenblik allesbehalve -„gemakkelijk” uit, en voor het eerst bekroop Betsy een gevoel van -vrees, want het werd haar duidelijk, dat zij verkeerd had gedaan in -haar geringschatting dezer schijnbaar alleen huiselijke en -huishoudelijke persoonlijkheid. Er volgde geen standje, geen groot -rumoer of heftig tooneel. - -„Ik weet nu, wat ik wenschte te weten. De rest zult u wel begrijpen.” - -Het werd gezegd op een toon en met een gelaatsuitdrukking zoo vol -verachting, dat Betsy er van trilde. - -„Als u soms dacht, dat ik na dit gesprek en na de schandelijke -verdenking en verdachtmaking, waaraan ik bloot sta, verlangde hier te -blijven, dan hebt u het mis. Ik ga vandaag nog heen, al moest ik,”—er -volgde een ontroering, die op zichzelve wel gemeend was, maar die, -voortspruitend uit woede, voor verontwaardiging moest doorgaan—„al -moest ik werken in de kampong voor een bordje rijst”. - -Doch Marie was geen dupe. Haar vertrouwen ging zeer ver; zij had een -optimistisch geloof in de braafheid van haar omgeving, maar als zich -een grond voor wantrouwen aan haar opdrong, dan was zij onverbiddelijk. -En dat was gebeurd. De houding van Betsy, haar gelaat toen ze die -brieven las, haar eerste uitdrukkingen en de wijze, waarop ze toen -sprak, dat alles had Marie, zonder dat ze had kunnen uitleggen hoe het -kwam, eene moreele convictie geschonken, onwankelbaarder dan een door -bewijzen gestaafd. - -Zij keerde zich om en draaide Betsy den rug toe, wat deze buiten -zichzelve bracht en de kamer deed ontvluchten, terwijl ze de deur met -een slag achter zich dicht wierp. - -„Waarom maakt nonna zichzelve ziek?” vroeg Sarinah. - -„Och... stik!” barstte Betsy los in toomelooze woede. - -„Masa!” lachte de oude. „Dacht nonna dan, dat er geen standjes zouden -komen? De vliegen zouden vechten er over, en de menschen dan!” - -„Te erg, nèh! Ik had haar kunnen vermoorden.” - -„Waarom? Als zij leeft is het erger voor haar.” - -„Nu ja... dat is nog altijd de vraag.” - -„Nog niet gelooven! Zij is sterk, dat is waar. Ik heb haar nu al -tweemaal wat gegeven en ze ziet enkel maar ’n beetje bleek.” - -„Vandaag krijgt ze nog wat.” - -„Als ze ’t hebben wil.” - -„Zeker wel. Zij weet niets. Zij heeft de baboe, en de kokkin, en de -djaid gevraagd. Die durven niet. O, als ze durfden, ik zou haar wel -krijgen!” - -„En hij?” - -„Hij heeft van ochtend nog gehad in zijn koffie. Ik heb hem gezien. Hij -wordt goed. Hij zit met de oogen open voor zijn schrijftafel en hij -werkt niet, en hij ziet niet.” - -„Hoe weet je dat?” - -„Van den djoeroetoelis.” - -„Zoo.... en, gebeurt dat dikwijls?” - -„Nog niet zoo heel dikwijls, maar dat komt wel. Dan, als hij zoo zit, -denkt hij aan nonna en ziet haar.” - -„Je weet, nèh! van de brieven.” - -„Brieven? Neen, ik weet van geen brieven.” - -„Zij heeft brieven gekregen, waarin haar wordt verteld dat meneer op -mij verliefd is.” - -„Zoo’n dom schepsel! Ik dacht dat zijzelve het had gezien. Moest ze -daarvoor nog brieven krijgen?” - -„Je begrijpt, dat wij weggaan.” - -„Adoe! Toch niet gauw?” - -„Vandaag nog.” - -„Het kan niet, nonna. Soengoe mati, het kan niet! Dan is alles weg!” - -„Ben je gek? Waarom? Het moet!” - -„Ik zeg het kan niet. Doe wat u wilt, maar zorg, dat we nog ’n paar -dagen blijven; ik ben niet klaar.” - -Betsy zuchtte. Dàt was nu weer een inconveniënt! - -„Het is onmogelijk, nèh; ik heb het al tegen haar gezegd!” - -„Spreek er dan met mijnheer over. Ga naar hem toe. Hij is op ’t -kantoor, Nonna moet pinter wezen, ja! Allah! het zou zoo jammer zijn.” - -Betsy twijfelde geen oogenblik aan de waarheid der woorden van Sarinah. -Zij kende haar, en wist dat het der oude ditmaal volkomen ernst was, en -zij ten volste overtuigd was, dat alles zou mislukken als er niet een -dag of wat tijd viel te winnen. Het was trouwens zoo moeilijk niet, en -de meid met een paar woorden geruststellend, ging zij de overdekte -galerij door, die naar het kantoor leidde. - -„Wat is het?” vroeg Bronkhorst bezorgd, terwijl hij haar tegemoet kwam. - -„Daar komt niets van!” riep hij opstuivend, toen ze op haar manier -verteld had, wat er was voorgevallen. - -„Het moet,” antwoordde ze met een droevig lachje haar hand op zijn arm -leggend en hem aanziend met tranen in de oogen: „Er is niets aan te -doen, en ten slotte is het beter ook. Het eenige is, dat het nu een -triomf zal zijn voor onze vijanden. Als het slechts acht dagen ware uit -te stellen.... Maar ik zie niet in op welke manier.” - -Bronkhorst keek met een donker gezicht naar beneden. Hij had zich vast -voorgenomen haar te beschermen, en hij zou haar niet in de steek laten. -Maar een scène met zijn vrouw lachte hem volstrekt niet toe, te minder -nu hij begreep, dat die onvermijdelijk werd. - -„Het zal niet gebeuren,” zei hij na een oogenblik. „Ik zal zelf voor ’n -dag of wat uit de stad gaan.” - -„Och!.... Blijf maar liever in je huis, Jean! Het is voor mij wel heel -droevig, maar er zal zich nog wel iemand voordoen om me te beschermen.” - -Hij kreeg een woesten aanval van jaloezie. - -„Er behoeft zich niemand voor te doen om je te beschermen zoolang ik er -ben. We zullen er dadelijk een eind aan maken. Wacht hier maar even.” - -Driftig stond hij op en liep naar huis; vóór hij er kwam, was zijn -woede al aanmerkelijk gedaald; toen hij in de kamer van Marie kwam, was -ze verdwenen. - -„Wat zijn dat toch voor fraaiigheden?” vroeg hij op z’n notaris-toon. - -Er volgde geen antwoord. Marie was bezig de handen, die ze had -gewasschen, af te drogen, en zij deed dat met groote nauwkeurigheid, -zonder hem aan te zien. - -„Ik bedoel,” ging hij voort, toen ze hem zoo minachtend behandelde, „de -lasterlijke anonieme brieven, die je in de laatste dagen moet ontvangen -hebben!” - -Zij nam ze van haar toilet en wierp ze op de tafel. - -„Asjeblieft!” - -’t Klonk zeer onaangenaam, en zoo weinig was hij gewoon op die manier -behandeld te worden, dat het hem neerdrukte. - -„’t Is was moois,” zei hij op zijn beurt de brieven op tafel werpend, -nadat hij ze had gelezen, „’t Is wat moois! En jij gelooft daaraan?” - -Zij keek hem onverschrokken in het gezicht met dienzelfden vasten blik, -die Betsy de oogen had doen neerslaan. - -„Ja”, antwoordde ze. - -Er viel niet tegen te redeneeren, en een oogenblik wist hij niet welken -kant uit te gaan; toen koos hij zijn partij. - -„Ik zie wel,” zei hij met een gemaakt lachje, „dat je geheel door die -gemeene epistels wordt beheerscht. Het is treurig.” - -„Je eigen gedrag is treurig; neen, het is erger, ’t is schandelijk.” - -„Ik zal op zulke aantijgingen niet antwoorden; het leidt tot niets. Je -wilt mevrouw Den Ekster weg hebben,—welnu, zij zal vertrekken, dat is -duidelijk. Ik zal haar niet terughouden.” - -Het scheen haar een straal van hoop, dat hij ’t vertrek van Betsy zoo -gemoedelijk opnam. Zij keek op naar zijn gezicht, maar dat stond op -storm en onweer, zoodat het haar op de lippen zwevend verzoenend woord -terugbleef. Als het toch eens niet waar was! had ze gedacht; maar dat -dacht ze nu niet meer. - -„Het eenige”, ging hij voort, „wat ik te vragen heb, is geen schandaal -te maken, dat mijn goeden naam kan schaden.” - -„Ik ben het zeker, die daar schade aan toebrengt!” - -„Als mevrouw Den Ekster het huis verlaat, zoo dadelijk na de ontvangst -van die brieven hier, zal daar veel over gepraat worden. Het zal worden -rondgebazuind.” - -„En wiens schuld is dat?” - -„Dáárover zullen we later wel eens spreken, want ik zie, dat je nu niet -vatbaar bent om aan te hooren. Nog eens: het eenige, wat ik nu vraag -is, geen schandaal te maken.” - -„Komaan,” zei ze met bleeke lippen, „en dat wordt mij gevraagd door -jou! Mij, die mijn geheele leven niets deed, waarover ik me behoefde te -schamen. Maar het is goed, zeg maar eerst wat je wilt; ik zal dan zien -of het me conveniëert.” - -„Het is, versta me wel, uitgemaakt, dat ze het huis verlaat, doch laat -dat niet zijn op staanden voet. Als er een week overheen gaat, heeft -het een betere houding. Ik zal zoolang uit de stad gaan.” - -„En ik zal met dat gemeene schepsel onder één dak wonen, nog een week -lang!” - -„Marie, dwing me niet tot uitersten. Ik heb je gezegd, wat de reden is. -Voor mijn genoegen is het niet, en voor het hare evenmin, want ik zal -haar moeten verzoeken....” - -„Há, há! Je zult haar moeten verzoeken, mij de gunst te bewijzen nog -een week lang haar valsch gezicht te zien.” - -„Ik herhaal,” zei hij met een zucht, „dat ik me niet aan een -wederlegging waag van je qualificaties; nu althans niet; maar het is -toch zoo; ik zal mevrouw Den Ekster moeten verzoeken hier te blijven. -Ik verzoek je: maak nu asjeblieft geen bezwaren, want als het noodig -was, dan....” - -„Dan?” - -Ze stonden tegenover elkaar bleek en met stille woede op het gezicht. -Nog nooit hadden ze zóó gestaan. - -Hij sprak het woord niet uit. - -„’t Is goed,” zei ze met bevende stem, „de slet kan voor mijn part hier -blijven. Maar geen dag langer, dan tot je terugkomst. En laat ik haar -zoo weinig mogelijk te zien krijgen!” - -Zonder een woord van tegenspraak verliet hij de kamer. Het -naastbijliggend doel was bereikt. - -„Ik heb het in orde gemaakt,” zei hij glimlachend tegen Betsy, toen hij -op ’t kantoor terugkwam; „je blijft nog acht dagen hier. Vandaag -vertrek ik, en hier”, vervolgde hij met ’n potlood een papiertje -beschrijvend, „is mijn adres. Laat nu verder alles maar aan mij over. -Ik zal voor alles zorgen, en dan ga je de volgende week in je eigen -huisje”. - -Zij glimlachte hem veelbelovend toe. Het was een groote geruststelling. -Niet, dat zij een weigering vreesde, als zij hem om hulp vroeg; maar -dat deed ze liever niet; ze vond het wèl zoo aangenaam, dat hij uit -zichzelven had aangeboden haar financiëel te helpen. Overigens besloot -ze die week in haar gewone rol te blijven, en tegenover Marie zooveel -mogelijk te doen, alsof er niets was gebeurd. - -Hij had haast om weg te komen. Als altijd pakte Marie zijn koffer. Zij -had geen oogenblik geaarzeld. Het mocht wezen gelijk het was, worden -zooals ’t zijn zou—zij zou haar gewonen plicht doen zoolang zij onder -één dak met hem woonde, als zijn wettige vrouw, en zij zou ook alles -doen, dàt nam zij zich ernstig voor, om zijn goeden naam te sauveeren; -het was immers ook de naam harer kinderen! Maar bij zichzelve en met -trage hand zijn overhemden om en om rangschikkend in den leeren koffer, -dacht ze er toch aan hoe machteloos een vrouw is in zulke -omstandigheden. Het was vroeger nooit bij haar opgekomen, ’t idée dat -Jean een andere vrouw zou verkiezen boven haar; maar als zij er toen -aan gedacht had, dan zou zij ongetwijfeld allerlei wraakzuchtige en -verschrikkelijke plannen hebben gesmeed; zich allerlei heftige scènes -hebben voorgesteld, de een al geweldiger dan de andere. - -En nu het een feit was, al ontkenden ook hij en zij; nu het naar haar -idée waar moest wezen,—nu liet zij de bewerkster van haar ongeluk nog -acht dagen wonen in haar huis, en ze.... pakte zijn koffer; het een om -geen schandaal te maken, het ander uit plichtgevoel. Och, dat laatste -hinderde haar zoo niet, maar die Betsy had ze, dat voelde ze, met eigen -krachtige handen het leven kunnen benemen. - -En wat zou het verder worden tusschen hen? Het was natuurlijk uit! -Alles, alles uit! Zij hield een oogenblik op met het inpakken van dat -haar zoo bekende goed, door haarzelve gekocht, door haar zorgen in orde -gehouden, onder haar eigen oogen gedragen, vaak zóó dicht bij haar, -alsof het haar eigen was. - -En nu was het voor altijd uit! - -De gele zonnestralen drongen trillend van warmte en licht door de -donkere stijf gesloten stores in de kamer, te verdeeld om het duister -te breken, er door heen schietend, als pijlen naar een doel en in -kleine lichtkringen stuitend op muren en kasten. Het was alles zoo -rustig en stil in dien schemer en het koeren van den perkoetoet, die in -een kooi hing op het achtererf, gaf alleen meer relief aan de doodsche -kalmte in het groote huis. Een diepe neerslachtigheid kwam over haar. -Ze ging op den divan zitten naast den geopenden koffer en weende. Ze -had hem inniger lief, dan ze ooit liet blijken met haar gemoedelijken -weinig demonstratieven aard. Nu ze meende hem te verliezen trof het -haar vreeselijk zwaar; het was een slag, waaronder ze in stilte bitter -leed en dat in stilte zou blijven doen, omdat zij geen schandaal wilde -maken. - -Hij was blij, dat hij voor ’n dag of wat weg kwam. ’t Was zoo’n -pijnlijke positie vond hij, in huis, en het scheen hem alsof hij een -gevangenis ontsnapte, toen hij zijn leden in den reiswagen uitstrekte -en een versche sigaar opstak. Hij gevoelde zich niet geheel wel, wat -hij toeschreef aan de agitatie door de jongste gebeurtenissen. Hij had -Marie een kus willen geven, toen hij wegging, en tegelijk had het hem -getroffen, dat zij toch een fraaien hals had en eigenlijk heelemaal een -knappe vrouw was; zij had hem afgeweerd, met een gebaar vol minachting. -Nu, ook goed! Maar soezerig voelde hij zich ’n beetje de laatste dagen, -met een uitgedrukte neiging om doelloos voor zich uit te staren. Dan -gingen hem flauwtjes allerlei beelden voorbij den geest, en die hadden -meest allen iets van Betsy, tot het eindelijk haar gezicht was en haar -figuur, dat hij zag en dat zich op allerlei wijzen bewoog en zich liet -zien. Hij glimlachte dan in zijn eentje onwillekeurig tegen dat beeld, -dat hem in die slaperige momenten van afgetrokkenheid zoo duidelijk -voor de oogen stond. En als opgewekt door die voor hem alleen zichtbare -wellustige vormen, neuriede hij een liedje uit zijn jongelingstijd, -iets, vroeger gehoord in een café chantant te Rotterdam onder het -drinken van champagne met sterk gedecolleteerde vrouwen, die erg -gemakkelijk waren; iets, dat hij dacht reeds lang vergeten te zijn, -maar dat nu, onder deze omstandigheden, aanleiding scheen te vinden in -zijn herinnering op te doemen. Zoo reed hij door, half droomend, zonder -te letten op het hinderlijk op- en neerhossen van den wagen over den -hobbeligen weg, en het voorbijsnellen der rietvelden, sawahs, desa’s en -fabrieken. - - - -En Betsy ging in huis haar gewonen gang; zoo juist alsof er volstrekt -niets was gebeurd, dat na twee dagen Marie volkomen gederouteerd was. -Eerst had zij geen antwoord gegeven, als Betsy iets zei, dan nu en dan -een enkele maal ja of neen; maar de jonge weduwe scheen zich niets -daarvan aan te trekken en maakte er zich koud noch warm om. - -„Heb je dan in het geheel geen eergevoel?” had Marie, ten einde raad, -uitgeroepen. - -„’t Schijnt wel van neen,” antwoordde Betsy bleek, maar met een -onverstoorbaren glimlach om haar lippen. - -En toen Marie haar ontzet en verstomd bleef aankijken, ging ze op een -anderen toon voort, klagend, kinderlijk klagend haast: - -„Niet als ik valsch beschuldigd word en er de dupe van ben. Dan niet!” - -„Hoe is het mogelijk? Mensch, hoe kan je daar zoo koelbloedig over -spreken? Je bent anders tamelijk lichtgeraakt en volstrekt niet van -ijzer of steen.” - -„O neen!” - -„Hoe kan je dan zoo verschrikkelijk kalm en onverschillig blijven. Dat -is het grootste bewijs van je schuld.” - -„Natuurlijk. En als ik u de oogen uitkrabde en het huis in rep en roer -bracht, schreeuwende en scheldende, wat dan?” - -„Ik weet het niet, maar ik zou het nog liever zien.” - -„Wel neen, want dan zou dat toch ook weer ’n bewijs wezen van schuld.” - -„Dat zou het niet.” - -„Zeker, dat zou het wel. Het zou bewijzen, welk een gemeen schepsel ik -was, en hoe, nu ik zag dat ik ontdekt was, mijn waar karakter boven -kwam.” - -Er was waarheid in; Marie voelde het, maar zij kon niets zeggen. En -Betsy, die bemerkte dat zij terrein won, wierp het hoofd in den nek, en -trok met ’n air haar lippen samen. - -„Ik heb ondervinding genoeg van de menschen,” ging ze voort, „al ben ik -nog jong. Tegen den laster valt niets te doen. Niets! Het is dan veel -gemakkelijker schuldig dan onschuldig te wezen.” - -Ze had haar stem laten trillen, zoodat men er als het ware de tranen in -hooren kon. - -Wel twee minuten zwegen beiden. - -Marie zat op een stoel aan de groote mahoniehouten tafel in de -achtergalerij, leunend op de ellebogen, met het gelaat op de handen -rustend, in ernstige gedachten; Betsy liep heen en weer, nu eens het -deksel van den koffiefilter oplichtend om er wat water bij te doen, dan -weer haar aandacht wijdend aan de melk, die in een pan op ’t -petroleumtoestel stond te koken. - -„Hoor eens,” begon Marie op dien beslisten toon, dien ze kon aannemen, -als er iets gaan moest, zooals zij wilde en niet anders. „Ik wil -gelooven, dat het mogelijk is. Een bepaald bewijs heb ik niet. -Vertrouwen kan ik je niet; ik weet niet wat het is, maar er is iets in -me, dat het belet en dat sterker is dan mijn wil. Maar omdat je het nu -zoo zegt, wil ik het gelooven.” - -Betsy haalde de schouders op. - -„Voor zoo lang het duurt. Dank u.” - -„Ik kan er niets tegen doen.” - -„Welnu, laat het dan maar blijven, zooals het is.” - -Maar dàt wilde Marie niet, die nu met elk woord èn meer vreesde voor -haar eigen zedelijke overtuiging, èn meer hoop begon te voeden, dat ze -ten slotte zou kunnen gelooven, wat zij zoo gaarne had geloofd. - -„Betsy”—het was de eerste maal, dat mevrouw van Bronkhorst haar weer -bij haar doopnaam noemde—„ik ben zoo openhartig tegen je geweest, als -ik zijn kon. Als ik verzekerde, dat je mijn vertrouwen terughadt, dan -zou ik liegen, en dat wil ik niet.” - -„Het hoeft ook niet; ik ga toch weg.” - -„Ja, en dat moet bepaald blijven.” - -„Natuurlijk. Ik denk er niet aan mijn besluit te veranderen.” - -Dat trof Marie, en het stemde haar aanmerkelijk zachter. Inderdaad was -het haar besluit geweest, en nu handhaafde zij dat zonder aarzelen, in -plaats van een appeltje op te werpen in andere richting. - -„Waar denk je heen te gaan?” ontviel haar, haast onwillekeurig. - -„Dat weet ik nog niet, maar dat ik ga is zeker.” - -„Het is,” zuchtte Marie, „zulk een verschrikkelijk geval!” - -Betsy barstte uit in een gemaakten schaterlach, die mevrouw van -Bronkhorst deed schrikken. - -„Voor wie, als ik vragen mag? Voor u zeker! Het is belachelijk; het is -naar!” - -„Het past je niet op die manier te spreken,” riep Marie verontwaardigd. - -„Nu, het is goed,” antwoordde Betsy, haar fout herstellende, „ik zal -het alles wel als koek opeten. Het is dan verschrikkelijk voor u te -moeten denken,.... wat niet waar is, dat kan ik bezweren; maar voor mij -is het immers niets om onder zoo’n verdenking te gaan, en me dat in m’n -gezicht te hooren zeggen. Wel neen! Ik ben maar een arme weduwe. Voor -zóó een komt er dat niet op aan. Was ik een rijke notarisvrouw, dan -werd het een heel ander geval.” - -Er viel weinig tegen die opvatting te zeggen. Het ging Marie als ieder -welgesteld mensch, tegenover een minder bevoorrechte, die zijn armoe -als een soort martelwerktuig dienst laat doen. Zij wilde Betsy niet -volgen in die richting; dat ging niet. - -„Ik herhaal, dat ik er niets aan kan veranderen. Het beste is er niet -verder over te spreken, ’t Is nu uitgemaakt, dat je hier niet blijft -wonen. Laat ons nu verder niet twisten, en....” - -„En?” - -„Nemen we aan, dat het mijn schuld is; dat ik niets had moeten -gelooven, en je had moeten blijven vertrouwen.” - -„Het is fraai! Een goede troost! Maar soedah, ik zal het aannemen.” - -„Dan als je het zoo beschouwt, kan je ook mijn hulp niet weigeren.” - -„Geld?” - -„Natuurlijk. Waarom niet?” - -„Ja, dat maakt recht wat krom is. Ik weet het wel. Maar ik zal er geen -gebruik van maken.” - -„Ik.....” - -„Neen,” herhaalde Betsy met oogen glinsterend van triomf. „Laat ons -iets anders aannemen. Ik blijf niet en al smeekte men mij op de knieën, -dan bleef ik nog niet. Men heeft mij schandelijk beleedigd, maar ik wil -net doen of er niets is gebeurd; ik wil er niet verder over spreken.” - -„Dat komt op hetzelfde neer van uw kant.” - -„Doch, als ik het zóó beschouw, kan ik uw hulp niet aannemen.” Zij -sneed alle verdere conversatie af en ging de gang in naar haar kamer, -waar ze lachend op een der fraaie stoeltjes ging zitten. - -„Apa,” vroeg de meid nieuwsgierig over haar grooten hoornen bril -kijkend, die ze op had onder ’t goed verstellen. - -Betsy moest eerst uitlachen. - -„Zij wil me geld geven.” - -Nu lachte de oude mee. - -„Terlaloe!” zei ze, en na eenige oogenblikken voegde zij er lachend aan -toe: „Nonna zal toch wel zoo gek niet wezen.” - -„Dat kan je begrijpen.” - - - -Bij Marie was de geestetoestand zeer veranderd. Haar wantrouwen had een -geduchten knak gekregen. Natuurlijk moest Betsy weg, maar zij had zich -voorgenomen inderdaad te doen alsof er niets was gebeurd, en dat deed -ze ook tot vreugde van Betsy, die nu de dagen daar in huis veel -draaglijker vond. - -’s Middags vertelde Sarinah haar meesteres, dat er ’n brief was en een -pakje. De brief was van Bronkhorst; het pakje bevatte een ring met -diamanten steen; verheugd deed zij hem aan haar vinger. - -„Wat heb je daar ’n mooien ring aan,” zei Marie verbaasd en ergdenkend, -toen zij elkaar zagen in de voorgalerij. - -„Ik heb hem al jaren,” antwoordde Betsy, met teederheid naar den ring -ziende aan haar vinger, terwijl zij den steen liet flonkeren in het -licht. Ik kreeg hem van iemand, met wien ik voor mijn trouwen in stilte -geëngageerd was. Den Ekster wilde nooit dat ik hem droeg. Ik heb hem nu -maar weer eens aangedaan. - -Het bleef er bij. Er werd niet verder over gesproken, maar toch vond -Marie het vreemd; Betsy was immers al wel zóólang in huis, dat zij haar -bijouterieën alle moest hebben getoond; men kon het van zoo’n coquette -vrouw haast niet verwachten, dat ze zoo’n mooien ring achterwege zou -laten! - -Bronkhorst had meer brieven geschreven. Een daarvan aan zijn -vertrouwden klerk, die voor een woning zou zorgen. Een „eigen huisje” -zooals hij zich had uitgelaten, was hem ten slotte minder wenschelijk -voorgekomen. De klerk had een Europeesche weduwe gevonden, die niet ver -van het notarishuis woonde in een zijlaan en heel gaarne „die dame” -tegen goede betaling in huis zou nemen. Dat schreef hij ook aan Betsy. -Den volgenden ochtend was zij vroeg uit; toen ze terugkwam, zei ze: - -„Ik heb een geschikte gelegenheid voor me gevonden.” - -„Zoo. Dat is goed.” - -„Ik ga bij mevrouw Duhr inwonen.” - -„Bij die oude vrouw, ginds in de laan?” - -„Ja.” - -„En vervolgens?” - -„Hoe vervolgens?” - -„Wel je zult toch zeker niet hier op de plaats blijven?” - -„Dat weet ik nog niet; het hangt er van af.” - -„Waarvan af?” - -„Wel, of het me bevalt.” - -„Dus ga je niet naar de familie Borne?” - -„Voorloopig niet.” - -„Maar....” - -„Wat wilde u zeggen?” - -„Ik begrijp het niet.... Je hebt geen geld.” - -„O, ik heb nog wel iets. En bij Mevrouw Duhr betaal ik maar weinig. Ik -help haar ’n beetje.” - -„Maar wat is je bedoeling?” vroeg Marie met heimelijken angst. „Waarom -wil je hier blijven? Wat heb je er mee voor?” - -„Niets.... waar moet ik dan heen?” - -„Naar je oom en tante.” - -„Als de nood aan den man komt, is dat altijd nog te doen. Wie weet of -ik.... voor dien tijd niet hertrouw.” - -Zij wilde het gesprek niet verder voortzetten en liep naar haar kamer -om de koffers in te pakken. Al doende vertelde zij het aan Sarinah. De -oude moest er om lachen. „Te erg toch, zoo doof en blind die vrouw -was,” meende zij. - -„Ik zeg haar niet goeden dag,” zeide Betsy. - -„Hoe dan?” - -„Ik zal mijn koffers laten laden op een paar grobaks, en als die zijn -weggereden, gaan wij ook te voet.” - -„Ik begrijp het niet!” zei de oude. „Waarom?” - -„Het is mij niet mogelijk. Soedah, ik zal haar een briefje schrijven.” - -Zij deed het, en Sarinah bracht het briefje. Mevrouw Bronkhorst, die -zich weer minder wel gevoelde, lag op een bank. - -„Is mevrouw ziek?” - -„Ziek niet, maar toch niet lekker.” - -„Ik heb een briefje van nonna Betsy.” - -Marie nam het aan. „Mevrouw!” stond er. „Op het oogenblik, dat ik -vertrek, stuit het mij tegen de borst een hartelijk afscheid van u te -nemen. U hebt mij wel eens geholpen, maar na het gebeurde, geloof ik -niet, dat ik u daarvoor nog eenigen dank schuldig ben. Ik zal aan u -denken. Dat beloof ik u. - - - Wed. Den Ekster.” - - -Een onbehaaglijk gevoel bekroop mevrouw Bronkhorst. - -„Waar is je mevrouw?” vroeg zij de meid. - -„Al weg. Kasian, zij is zoo ongelukkig.” - -„Het is goed. Bilang bajiq.” - -„Heeft mevrouw niets anders te gelasten.” - -„Dank je.” - -„Als mevrouw misschien mij noodig mocht hebben, dan wil ik altijd -dadelijk komen.” - -„Dank je.” - -„Mevrouw is altijd zoo goed geweest voor me. Ik ben maar een oud -mensch, dat wel spoedig dood zal gaan, maar als ik mevrouw kan dienen -met iets, wil ik altijd graag. En ik bedank mevrouw wel voor alles wat -ik van mevrouw heb gekregen.” - -Het deed Marie aan. Zie, dat was nu een oude inlandsche vrouw, -afgeleefd, hoestend en steunend, die ze soms wat eten of ’n fooitje of -’n stukje kleeren had gegeven, en die arme ziel zat daar dankbaar op -den grond, ofschoon ze korte, norsche antwoorden kreeg. - -„Het is goed, nèh,” zei ze met zachtheid. „Je mag nu en dan eens hier -komen. Ik zal zien of ik dan niet iets voor je heb. En als je mevrouw -soms mocht heengaan, en zij kan je niet meenemen, kom dan maar gerust -hier; ’n bordje rijst kan je altijd nog wel bij me verdienen.” - -Nogmaals dankend, strompelde Sarinah het huis door. Onwillekeurig stond -Marie op en vergezelde haar naar voren. De oude keek in de fraaie -voorgalerij rond, alles bewonderend. - -„Och,” zei ze steunend. „Het is hier alles zoo mooi. Als mijn arme -nonna eens zulk een huis had, wat zou ze gelukkig wezen!” - -„Niet iedereen kan hetzelfde hebben,” antwoordde Marie weer een beetje -boos. - -„O neen; de eene mensch is rijk, de andere arm; dat is zoo beschikt.” - -Zij ging heen, waggelend als van zwakte en ouderdom onder de -reusachtige waringins op het voorerf. - -Toen ze het Betsy vertelde, had deze er pret in. - -„Nu kan ik er komen, als ik wil,” zei de oude. „Wie weet of dat niet -goed kan wezen. Al dat kwaad zijn helpt niet.” - -„Je bent een slim oud beest, nèh,” antwoordde Betsy bijwijze van -compliment. „Ik ben blij, dat ik dat wijf nu niet meer zie. Brr! Hoe -was ze?” - -„Ze lag op een bank, en ze was onlekker. O, ze zal wel naar boven -moeten. Wacht maar!” - -„Ze had al lang weg moeten wezen.” - -„Dat had ze ook. Ze is sterk, dat heb ik al dikwijls gezegd. Bij hem -gaat het beter.” - -De oude wees naar het einde der laan. Er kwam in de verte een wagen aan -met vier paarden bespannen. - -„Hij kan het nog niet wezen, nèh. Volgens zijn brief komt hij pas -morgen.” - -„Misschien heeft hij haast.” - -Betsy lette niet meer op hetgeen de meid zei; haar aandacht was alleen -gevestigd op den reiswagen, die met woeste vaart naderde; zij herkende -inderdaad het rijtuig van Bronkhorst. - -„Wel, ben je nu goed geïnstalleerd?” vroeg hij, haar naderend met -uitgestoken hand. - -„Heel goed, voorloopig. Ben je niet wél?” - -Het ontviel haar toen ze zag, dat zijn gelaat vrij bleek zag met -donkere kringen om de oogen. - -„Zeker. Misschien wat vermoeid van dat langdurig hossen tusschen de -wielen. Ik ben blij dat ik je zie.” - -Zij lachte, en met haar gezicht bij het zijne: - -„Je moest ook eens niet blij wezen!” - -„Ik bedoel, dat ik je zie in werkelijkheid; in gedachten zie ik je -altijd.” - -„Nu ja, ’t zal wat wezen!” - -„Waarachtig Betsy, het is zoo. Als dàt veel van iemand houden is, dan -ben jij de eerste op wie ik verliefd ben.” - -Zij trok de wenkbrauwen samen. Het beviel haar niet. Wat hij zei, klonk -openhartig en waar. Maar er was geen enthusiasme bij. Als hij vroeger, -toen ze nog bij de Borne’s woonde en alleen te visite kwam bij de -familie Bronkhorst, door haar coquetteeren eenigszins opgewekt werd tot -galanterie, dan kwam het van harte; dan was er leven en vuur in zijn -blik en in den klank zijner stem, Nu scheen hij een willoos werktuig. -Maar het was geen tijd om lang over zulke dingen te denken. Wat kwam -het er ook op aan, of hij werkelijk liefde voor haar gevoelde en zou -blijven voelen? Nonsens! Als zij hem maar zóóver kon brengen, dat hij -scheidde van zijn vrouw en haar trouwde. De rest kon haar minder -schelen. En als hij aan het juk trok, zou zij hem dat wel afleeren! - -„Praat nu maar geen gekheid. Wil je ’n kop thee?” - -„Als je het bij hand hebt.” - -„Zeker. Ik zal even naar achteren gaan.” - -Bronkhorst leunde achterover in een rotanstoel en keek naar de -lommerrijke kruinen der boomen. Betsy liep vlug naar de kleine -eenvoudige achtergalerij, om dadelijk ’n kop thee te zetten; zij wist -dat hij daarvan hield als hij uit was geweest en dorst had. - -„Is er warm water?” vroeg zij mevrouw Duhr. - -„Zeker. Wilt u het gebruiken?” - -„Ja. O, het kookt, dat is heerlijk.” - -Zij had op alles gerekend, en er stond in haar kamer een vrij groote -hoeveelheid van de fijne Chineesche thee, die Bronkhorst gewoon was te -drinken. - -„Blijft de notaris hier?” vroeg mevrouw Duhr. - -„Dat is te zeggen, ik maak even een kop thee voor hem klaar, en ik heb -nog wat gebak meegebracht.” - -„Neen, ik bedoel of hij hier blijft eten, en dan verder....” - -„Maar mevrouw, hoe komt u er aan?” - -„Wel.... ik dacht het.... omdat iedereen het zegt hier op de plaats. Er -wordt zooveel over gesproken.... en als ik het niet had gedaan om het -geld....” - -„Dan hadt je me niet in huis willen hebben. Nu, ik ben u veel -verplicht. Enfin, het kan me volstrekt niet schelen. De menschen mogen -voor mijn part precies zeggen wat zij willen. Ik trek me er niets van -aan, en u zult verstandig handelen, als u dat ook niet doet. U zult -zelf wel zien, hoe kwaad spreken en waarheid spreken verschillen.” - -Toen ze Bronkhorst de thee en de kwee-kwee bracht, waarop hij -ongeduldig wachtte, vertelde zij hem wat mevrouw Duhr had gezegd. „Laat -ze maar praten. Het is niet waar, en het zal op zoo’n manier ook niet -waar worden. Maar,” voegde hij er bij met een zucht, „ik wou wel Bets, -dat jij mijn vrouw waart.” - -Weer kwam het gevoel van ontevredenheid bij haar op. Het was de ware -begeerte ook nu niet; het was veel meer de zucht van iemand, die een -kruis draagt, slechts één uitweg weet om er van verlost te raken, en -natuurlijk in die richting wil gaan. Het was weer iets ongezonds. Maar -ze boog zich over hem heen en zag hem vlak in de oogen, zoo vleiend en -verleidelijk als ze maar kon. - -„Ja, als dàt eens waar was!.... Toe, laat me ook eens drinken.” - -Hij bracht ’t theekopje aan haar mond, en zij nipte er even aan, zonder -haar oogen van de zijnen af te wenden; maar toen hij haar ook een -stukje van het gebak wilde geven, weigerde zij; ze had er geen trek -meer in, zei ze, want ze had er al veel van gegeten. - -Een uurtje later ging hij heen; in de binnengalerij om een hoekje -kusten ze elkaar goeden dag. Het had hem ’n beetje opgewekt, maar dat -gevoel van verlichting verdween weer toen hij in het rijtuig zat, en -ontstemd en nurksch trad hij zijn eigen huis binnen. Regelrecht ging -hij naar zijn kamer. - -„Bonjour,” zei hij, zonder meer, Marie voorbijgaand, die hem ’n klein -eindje te gemoet kwam. Tot de voorgalerij gaan, zooals vroeger, was -haar te sterk geweest; nu speet het haar dat ze een voet had verzet; -zulk een hondsche bejegening had zij niet verwacht. - -Zij verwachtte, dat hij aan tafel zou ontdooien voor zijn -lievelingsgerecht, maar het gebeurde niet. Hij sprak met haar over -onverschillige zaken op onverschilligen toon. Nu en dan staarde hij in -de ruimte, en als zij hem dan aankeek, zag ze hem glimlachen. Wat was -dat? Zij had hem nooit droomerig of verstrooid gekend; hij was altijd -een bij uitstek practisch man met een krachtig gestel en volstrekt niet -sentimenteel van aard. - -Maar ze vroeg hem niets, ook niet toen ze zag, dat hij zijn goed in een -andere kamer liet brengen. Het trof haar wel, maar ze zei niets; ze was -er te trotsch voor. Indien hij dacht, misschien, dat zij dááraan zoo’n -overweldigenden lust had, dan vergiste hij zich en wist hij niet eens -wat ’n fatsoenlijke vrouw was. Zij had altijd gaarne ’t lieve met hem -gedeeld, maar ze kon het ontberen, als het noodig was, en dat kon hij -niet. En als hij niet verder ging, dan zij hoopte en vertrouwde dat hij -gegaan was, welnu, dan zou hij ook weer tot haar terugkeeren, omdat hij -haar noodig had en niet buiten haar kon. Ze vond haar eigen berekening -griezelig, en zou, een maand vroeger, met verontwaardiging het -denkbeeld hebben verworpen, dat ze zich met zulke gedachten zou -troosten. En nu de practijk van den tegenspoed kwam, deed zij het -vanzelf. - -Vermoeid van de reis ging hij vroeg naar bed. - -„Ik heb mijn boel maar laten overbrengen.” - -„Dat heb ik gezien.” - -„Het is tegenwoordig zoo warm.” - -„Zeker. Het is veel aangenamer alleen te slapen.” - -„Wel te rusten.” - -„Goeden nacht.” - -Het was dezelfde doffe toon vol onverschilligheid, waarop hij den -ganschen dag had gesproken, en die haar nu verbaasde en eenigszins -ongerust maakte. Ze ging naar bed, maar werd na een paar uren met -schrik wakker. Ze luisterde: neen, de kinderen waren het niet; het was -Jean, die in de achtergalerij op en neer liep. Ze luisterde opnieuw: -hij opende een kast en nam wat brendy. - -En terwijl zij uit gewoonte en van vermoeidheid weer insliep, strekte -hij zich achter op een langen rotan-stoel uit en was klaarder wakker, -dan hij den geheelen dag was geweest; nu eens zat hij tien minuten te -staren naar zijn schoon visioen, dan weer neuriede hij opwekkende -liedjes, of sprak bij zichzelven. Het boek, dat hij had ter hand -genomen, om zich in slaap te lezen, bleef ongeopend op de tafel liggen. - -Hij hoorde de klokken elk half- en heel uur slaan; de metaalklank -resonneerde door de ruimte van het huis, en droog en hard vielen -daartusschen, buiten in den stillen nacht, de slagen van sommige -nachtwakers op hunne blokken, terwijl die van anderen, dichter bij of -verder af, dof en zwaar klonken, soms zoo rhytmisch alsof het met opzet -was geregeld. - -Haast al dien tijd dacht hij aan Betsy. Soms beproefde hij aan iets -anders te denken, maar het gelukte slechts ’n minuut of wat. Hoe het -ook ging, over welke schijven hij zijn gedachten dwong te loopen, -altijd kwam een oogenblik—en het kwam heel spoedig—dat hij in -verbeelding weer bezig was met haar. ’t Verschrikte of verwonderde hem -zelfs niet, want ook toen hij dien nacht deze ontdekking deed, -glimlachte hij weer bij zichzelven om het feit. Het ging hem als -sommige jongelieden in een stadium van voorbarig en overweldig -ontwikkelenden hartstocht, als het hun physisch onmogelijk is hun -aandacht te bepalen bij hun werk of hun studie, en hoeveel geweld ze -hun menschelijke hersenen ook aandoen, de faunen toch dadelijk weer den -baas spelen. Nu, hij streed er niet zoo heel erg tegen; hij had het -niet kunnen doen; zijn zwakke poging was meer een streven naar rust, -die hij toch wel besefte noodig te hebben. - -Eerst toen tegen den ochtend een kille wind door de naalden der -tjemara’s op het erf ruischte, kwam er ’n beetje ontspanning, en sliep -hij in op zijn stoel; het was een slaap als lood zoo zwaar; hij -snorkte, dat van ’t geluid de meubelen schenen te dreunen in de -galerij: hij snorkte Marie wakker, doch zichzelven niet. - -Zij stond op, toen ze door de kieren van de stores zag, dat het begon -te dagen. Drie- of viermaal was zij wakker geweest, en voor het overige -had zij slecht geslapen. Toch voelde zij zich minder onlekker dan daags -te voren; het was waar, wat Sarinah zei, dat de op haar toegepaste -middeltjes weinig effect hadden en haar sterk gestel de werking er van -scheen te neutraliseeren. - - - -Een vervaarlijke vloek, gevolgd, als bliksem door donder, door een -vuistslag op een tafel, daverde door de nette houten commandantswoning -op den buitenpost, waarheen kapitein Borne was overgeplaatst. - -„Ziedaar! Lees me gévédé, ’reis zoo’n brief!” - -Zoo stormde hij de achtergalerij in, met zijn zwaren tred, die den -planken vloer deed kraken, hoe solied de genie hem ook had gelegd. En -hij wierp op de tafel, waarvoor zijn vrouw zat te werken, een groot vel -papier, dat hij, door er een slag op te geven met de vlakke hand, als -’t ware in het blad van de tafel scheen te willen slaan. - -Borne zag rood, en hij beefde; dat zag zijn vrouw, toen ze hem aankeek -over haar bril, niet wetende uit welken hoek deze storm opstak, maar -dadelijk ook eenigszins zenuwachtig en tot weerstand geprikkeld. - -Zij werd bleek onder het lezen, en sloeg met beide handen tweemaal op -haar gevulde dijen, zoodat het kletste door de mooie sarong heen, een -muziek, waarmede de kapitein zich, in gewone omstandigheden, amuseerde, -ofschoon ze het bewijs was, dat zijn vrouw zich gloeiend nijdig maakte. -Maar ditmaal lette hij er niet op; het was een te ernstig geval. - -„Zoo’n gemeene smeerlap!” zei hij. - -„Zoo’n slet van een meid!” barstte zij los. - -Lang bleef het niet bij de invectieven tegen Bronkhorst en Betsy. - -„’t Is jou schuld,” beweerde al heel gauw mevrouw Borne met gefronste -wenkbrauwen en een kwaadaardig vooruitgestoken mond. „Je bent altijd -zoo’n akelige kerel.” - -„Dat lieg je!” brulde de kapitein ten toppunt van woede rakend. „Mijn -schuld! Het is de jouwe; heelemaal de jouwe.” - -„Jij laat je maar alles wijsmaken. ’n Man! Tjies!” - -Deze aanval op zijn sekse deed de maat overloopen. - -„Laat ik me wat wijsmaken? Wie zeit dat? Laat ik me wat wijs maken? -Neen jij! Jij laat je voorliegen en bedriegen. Wou je het aan mij -wijten?” - -En de twist liep erg hoog. Ze scholden elkaar geregeld uit, en ze -scholden op elkaars familie, alsof ze beiden van hoogst immoreele -afkomst waren; tot eindelijk mevrouw naar haar kamer ging en van daar -uit, door het met zonneblinden gesloten venster nu en dan heftige -woorden naar buiten zond, die Borne patrouilleerend in de -achtergalerij, nu eens met woeste luidruchtigheid, dan weer met, op -zijn manier, bittere ironie beantwoordde. Maar de toon, waarop zij -keef, daalde gradueel; er kwamen nu en dan trillers in; en naarmate de -klank verzachtte, werden de woorden weeker. Borne antwoordde nu nog -slechts af en toe met een enkel woord, dat hij eigenlijk slechts in het -midden bracht om niet heelemaal te zwegen. - -Eindelijk hield zij den mond, in zoover, dat ze hem geen verwijten meer -deed; en nu kon hij haar zacht hooren snikken met afgebroken woorden -van verdrietig verwijt. Dat was te veel; dat kon hij nooit verdragen. -Geheel gekalmeerd, ging hij naar binnen, ook in de kamer, waar zijn -vrouw was. - -„Kom,” zei hij, aangedaan, „huil nou niet, ati. Je weet toch wel, dat -het niet zóó gemeend is.” - -Ze wist dat ook wel; ze droogde haar tranen; hij kuste haar, zij gaf -hem een zoen terug, en zoo stonden ze een oogenblik als groote, oude -kinderen.... - -Nadat ze dus van weerskanten hun gemoed gelucht hadden over het „het -schandaal”, zouden zij de zaak bedaard bespreken; de brief was van -niemand anders, dan van den resident, maar particulier, dat sprak -vanzelf, en dat het zoo’n groot vel papier was, kwam alleen door het -innig besef van den resident, dat hij te hoog was geplaatst om, zij het -ook niet-officiëel, te schrijven op klein formaat. - -„Het is ’n verschrikkelijk geval. Wie had zoo iets kunnen voorzien?” - -„Als ik er was gebleven, zou het nooit zijn gebeurd.” - -„Neen, zeker niet.” - -„Als ik er naar toe kon, zou ik hem ongemakkelijk à faire nemen.” - -„En met hem vechten?” - -„Dat beloof ik je. Ik zou hem voor het front laten komen, en ik zou -zeggen....” - -„Ja, vent, ik weet het wel. Je zoudt hem tot een duel dwingen.” - -„A mort, dat verzeker ik je!” zei de kapitein met geur. - -„Soedah! dat is allemaal niet mogelijk; toch moeten we er iets aan -doen.” - -Dat voelde kapitein Borne ook, maar hij wist niet wat; hij zei het -openhartig. - -„Ik weet het evenmin,” gaf zijn vrouw toe. „Mijn God. wat heeft ’n -mensch toch ’n last van z’n familie.” - -„In elk geval: ik zal den resident antwoorden.” - -„Natuurlijk.” - -„Ik zal hem bedanken voor de betoonde belangstelling.” - -„Ja, dat moet je doen, Borne!” - -„Maar, dat ik er tot mijn groot leedwezen niets anders tegen kan doen, -dan aan dien Bronkhorst een brief schrijven, die op pooten staat, en -aan haar dito, dito. - -„Zou hij er zich niet verder mee willen bemoeien?” - -„Wie?” - -„Wel, de resident.” - -Het was ’n idée, dat moest de kapitein bij zichzelven toegeven. Maar -het stuitte hem tegen de borst om, als men in zulk een delicate zaak -vreemde hulp inriep, zich, als officier, daarbij te bepalen tot een -burgerambtenaar. Daarom schreef hij ook een uiterst langen brief aan -zijn collega en opvolger, waarin hij met groote kieschheid uiteenzette, -wat hij van ter zijde had vernomen, verzocht het een en ander voor hem -te onderzoeken, en wanneer het noodig mocht wezen, in zijn, Borne’s -naam, op te treden. Tevens meldde hij, dat hij aan den resident had -geschreven, en dezen, dat hij zijn collega mede in de zaak had -betrokken. - -Uren had het geduurd vóórdat de kapitein deze brieven gereed had. Het -schrijven was zijn fort niet, en een brief stellen van eenig aanbelang -kostte hem meer zweetdroppels, dan een urenlange militaire marsch. Doch -hij zat er eenmaal in, het moest met spoed geschieden, en als hij met -iets was begonnen, ging hij voortvarend door tot het einde. - -Toen hij zijn vrouw de brieven had voorgelezen, zag hij, dat ze het -zich zeer aantrok en er erg verdrietig onder was. Hij trachtte haar op -te beuren, maar het gelukte niet. - -„Zie je,” zei ze, „het is niet alleen om harentwil. Ik geloof, dat er -aan vrouwen, die dien kant op gaan, nooit veel verbeurd is. Maar zij -heeft bij ons gewoond, dat weet iedereen; zij behoort tot de familie, -en er ligt schande in voor jouw naam. Dàt vind ik verschrikkelijk.” - -Hij antwoordde niet, maar schreef met vaste hand en stijve groote -letter de adressen der brieven. Bij slot van rekening, dacht hij, -officier en gedecoreerd, kon het pierewaaien van een aangetrouwd -nichtje zijn naam al bitter weinig deren; maar de bezorgdheid zijner -vrouw voor dien naam deed hem goed. O, ze was ’n beste vrouw, en van -die Betsy hield hij waarachtig alsof het z’n dochter was. Weduwe en nog -zoo jong! dacht hij. Hij voelde zich vergevensgezind. - -Iedereen wist, vier en twintig uren nadat de brieven van Borne in ’t -bezit waren van den resident en des kapiteins collega, wat er in stond. -Indiscretie was daarbij niet in ’t spel. Borne, zelf de zaak met -kieschheid behandelend, kon over den indruk van zijn brieven tevreden -zijn; maar dat de twee heeren aan hun vrouwen den inhoud meedeelden, -was, in zulk een speciale vrouwen-perkara, niet meer dan hoogst -natuurlijk; hij, Borne, zou precies hetzelfde hebben gedaan. Nu hadden -die dames elk een vriendin. Neen, niet zoo’n gewone kennis, maar een -betoele vriendin, in wier boezem zij het geheim deponeerden. Zoo ging -het verder; van indiscretie geen spoor, maar iedereen wist het -niettemin. - -En iedereen was er blijde om. - -Want „het schandaal”, zooals men het noemde, duurde nu al langer dan -een maand. - -Het zag er bij de Bronkhorsten aan huis treurig uit. Marie had -stormenderhand, alleen door haar „ongeluk”, onder de dames een -sympathie verwekt, die ze door jaren van ongestoord geluk niet had -kunnen machtig worden. - -Diezelfde dames keken Bronkhorst heel leelijk aan en groetten hem -nauwelijks; de heeren echter drukten hem hartelijk de hand met iets van -compassie. Want, dat zagen ze wel: het was geen gewone zaak, en tot die -slotsom bracht hen niet de kennis der verhouding van den notaris tot -Betsy en tot zijn eigen vrouw; dat behoorde, vonden zij, tot het gewone -verloop. Bronkhorst zag er slecht uit, en het ging slecht met zijn -zaken. Rijke Chineezen en Arabieren spraken onder elkaar en met hun -Europeesche relatiën over den notaris. Ze verloren ’t vertrouwen, dat -ze vroeger altijd in hem hadden gesteld. Terwijl ze hem vertelden, wat -hun bedoeling was met de akten, die opgemaakt en naar die bedoeling -door den notaris ingericht moesten worden, zagen ze zijn gezicht -veranderen. Hij begon met belangstelling te luisteren, vragen te doen -en mee te praten, maar na ’n paar minuten week de uitdrukking van -onbevangenheid van zijn gezicht, en hij staarde met hangende onderlip -en droomerige oogen onafgebroken zijn cliënt in de oogen, tot deze min -of meer verlegen met praten ophield; en dan bleek, dat de notaris de -helft niet had gehoord, en de man alles nog eens moest herhalen voor -den candidaat, wat hij heel onaangenaam vond, niet om het overzeggen, -dàt met genoegen, maar uit ongerustheid. - -Bronkhorst had er lang tegen gestreden, en hij deed het nog, doch -vruchteloos. Hij voelde zelf wel, dat het zóó op den duur niet gaan -kon. Thuis was het geen leven; hij zag daar niets dan Marie, die haar -verdriet door het huis droeg, haar plicht tegenover haar kinderen, en -tot zekere hoogte ook tegenover hem, stipter dan ooit vervullend. Het -was hem gaan ergeren; het maakte hem kwaad. En bij zijn overprikkelend -zenuwleven, licht geïrriteerd, verloor hij zijn zelfbeheersching, -zooals hij het zijn opgeruimd humeur had gedaan; hij sprak haar toe op -korten, haast bevelenden toon: - -„Waar is de sleutel van de kast?” - -De kast was die, waarin Bronkhorst het geld bewaarde, dat hij zoo voor -’t verbruiken hield. Er lag gewoonlijk ’n zes-, zevenhonderd gulden in -aan contanten en klein papier. Marie droeg den sleutel aan haar ring. -Zij nam voor het huishouden wat ze noodig had; als het op was, -waarschuwde zij hem; rekening en verantwoording had hij haar nooit -gevraagd. - -Toen hij den sleutel vroeg, nam zij den ring uit haar mandje en lei -dien op de tafel. Hij deed er den sleutel af. Een oogenblik klemden -zich haar lippen stijf opeen, en, doodsbleek, stond ze op het punt in -woede los te barsten; zij wist zich te bedwingen. - -„Wat beteekent dat?” - -„Wat het beteekent? Niets. Ik houd voortaan den sleutel van de kast. -Dat is alles.” - -„Begin dan maar met haar open te doen en me geld te geven voor het -huishouden.” - -Hij deed het, telde haar geld toe en bepaalde den tijd, dien ze -daarmede moest rondkomen. Ze haalde met minachting de schouders op, nam -het geld en ging naar achter, terwijl Bronkhorst, zenuwachtig, het -voorerf afliep. Hij had ’t niet louter gedaan om haar te contrariëeren. -Inderdaad kostte het leven hem in den laatsten tijd zeer veel. Zijn -verhouding tot Betsy was hem reeds op ’n paar duizend gulden te staan -gekomen, en dat kon hem wel niet schelen—’t was immers voor haar!—doch -op den kostbaren train de vie in zijn huis moest dan maar wat bezuinigd -worden. - -Voor Marie was het hard, want zij was er niet aan gewoon. Ze huilde er -om in haar kamer en toen ze bezoek kreeg van een der vele dames, die in -den laatsten tijd haar omgang zochten. ’t Was er ditmaal juist een die -ze vertrouwde en gaarne mocht. Ze kon het niet langer verkroppen, hoe -gaarne ze ook alles zoo stil mogelijk wilde houden; ze voelde dat ze -iemand hebben moest aan wie ze haar leed kon klagen, en ze vertelde -alles. - -Maar nu vernam ze ook dingen, waarvan ze verstomde. „Zij heeft hem iets -ingegeven,” zei haar vriendin, en toen Marie met Europeesche -ongeloovigheid voor de kracht van Indische middelen, het hoofd schudde, -werden haar tal van voorbeelden genoemd, het een al merkwaardiger dan -het andere. Haar ongeloof wankelde, en het verdween bijna, toen ze -begreep, dat, zóó opgevat, zijn schuld geringer werd, uit mindere -toerekenbaarheid, terwijl haar haat tegen Betsy zich onmatig verhief. -En de nieuwe vertrouwde, die zoo goed op de hoogte scheen, alsof zij de -campagne zelve had meegemaakt, lichtte Marie nog geheel anders in. Tot -nu toe had ze gedacht, dat er liefde in het spel was van den kant van -Betsy,—thans vernam zij, dat het louter berekening was, berekening om -haar van haar man te scheiden en zelve mevrouw Bronkhorst te worden. -Zóó althans dachten sommige Indische dames er over op de plaats, en -sommige Indische dames zien scherp en denken overeenkomstig! - -„Niemand heeft me van dat alles ooit iets verteld,” zei Marie met de -handen in den schoot als overrompeld van verbazing door dit nieuwe -licht. - -„We dachten, dat je boos zou wezen. We durfden niet goed. Maar wij -hebben haar in de gaten. Al lang, hoor!” - -Toen ze dàt eenmaal wist, viel het haar lichter zijn slecht humeur te -verdragen. Het speelde hem geweldige parten; hij was een ander man. -Alles trotseerend, vertoonde hij zich openlijk met Betsy op den weg, en -zijn rijtuig stond elken dag wel een uur lang voor het huis van de -weduwe Duhr, die er niets van begreep, en het erg gek vond, dat -menschen er zoo hun reputatie aan waagden, zonder dat althans het -gewone genoegen daartegen opwoog. - -Want ze had er op durven zweren, dat er niets gebeurde, wat Betsy, -zelfs als zij een jonge maagd was geweest, had kunnen schaden. -Bronkhorst zelf vond het vreemd, dat hij in zijn neiging voor Betsy -betrekkelijk zoo onbewogen bleef. Hij was, naar het hem toescheen, dol -van haar. Als ze wandelden kon hij niet velen dat ze iemand aanzag en -hij maakte haar scènes omdat ze het deed, en natuurlijk deed zij het -met opzet. Maar overigens bleef hij van lusten vrij; te vrij naar zijn -zin; zóó vrij, dat het hem verontrustte, en hij oogenblikken had van -twijfel aan zichzelven. De wereld geloofde daar niets van; indien zij -in gedachte preciseerde, dan zou zij zich in zulk een geval de wildste -en onstuimige hartstochten en action hebben voorgesteld. Men had Betsy -uit haar gewonen kring gestooten; dat bleek duidelijk toen er een -tooneelvoorstelling en muziekuitvoering op de plaats zouden gegeven -worden. Zij werd niet gevraagd; Bronkhorst en zijn vrouw wel, en ze -konden niet weigeren. Hij ging er heen tegen wil en dank; zij was er -verheugd over. Er werd hun zeer veel aandacht geschonken; men zag het -beiden duidelijk aan, dat het tusschen hen niet was zooals ’t behoorde. -Bronkhorst was overmoedig, vooral bij ’t binnenkomen. Uiterst beleefd -voor zijn vrouw, ging hij met opgeheven hoofd, eenigszins -„aanstellerig”, door het vrij volle zaaltje naar de voorste rijen, waar -zijn plaats was als „notabele.” Zij deed ook haar best om zoo weinig -mogelijk te toonen, tegenover het publiek. Ze dwong haar afgevallen -gezicht tot een opgeruimde plooi en groette glimlachend links en rechts -haar kennissen. Toen de uitvoering was begonnen, hield Bronkhorst het -een korten tijd vol, maar terwijl een juffrouw, een dier ontluikende -dilettanten-talenten, die het nooit tot het verleden deelwoord brengen, -een lang sentimenteel Duitsch lied zong, werd het hem te machtig; het -was alsof zijn geforceerde aandacht hem met geweld ontsnapte; de -eenigszins onnoozele uitdrukking van iemand, die te midden van een -menigte personen met zijn gedachten elders is, kwam weer op zijn -gezicht, en starend naar het geïmproviseerd tooneeltje, veranderden in -zijn oogen de trekken van de zangeres; het was Betsy, die daar stond -met een blad muziek in de hand; hij zag het duidelijk; tot in de -geringste détails was zij het; de eenigszins schrale buste van het -ontluikend dilettantje, was veranderd in den gevulden boezem van Betsy, -zwellend onder het laag uitgesneden lichtkleurig kleed, dat haar zoo -goed stond; als het meisje, dat haar stuk voordroeg, een beweging -maakte met den nog tengeren arm, dan zag hij de bestudeerde bewegingen -van Betsy, die zoo graag coquetteerde met haar mooie armen in halve -mouwtjes. - -„Zie jij dien meneer daar?” vroeg een soldaat, die aan het opslaan van -’t tooneeltje had geholpen met eenige kameraden, en die nu, belast met -het ophalen en neerlaten van het scherm, achter een der coulissen door -een paar gaatjes in de zaal keek. - -„Welke? Dien daar op ’t hoekie vooraan?” - -„Ja, precies! Vindt je niet, dat hij net kijkt of hij ’m half „om” -heeft?” - -„Waarachtig niet. Weet je, hoe hij daar nu zit?” - -„Nou, zeg jij het dan maar.” - -„Net als een die den zwarten hond heeft.” - -Bronkhorst hield het niet langer vol dan tot de pauze; het was hem te -sterk. - -„Als je misschien nog wat wilt blijven?....” zei hij tegen Marie. „Ik -voel me niet erg lekker.” - -Ofschoon zij zich volstrekt niet amuseerde, bleef zij. Hij zou haar ’t -rijtuig zenden. Een diepe zucht van verlichting ontsnapte hem, toen hij -zich in de kussens van zijn coupé liet zakken; het was half elf, maar -hij zou toch nog naar haar toegaan; hij werd naar haar gedreven. - -Betsy was nog op. Zij had juist een zeer ernstig gesprek gehad met -Sarinah; ze vond, dat Bronkhorst er zoo slecht begon uit te zien en -vreesde, dat hij ernstig ziek zou worden. Ook haar viel het op, dat hij -zoo zenuwachtig was in den laatsten tijd, zulke diepe kringen om zijn -oogen had, en haar zoo in ’t geheel geen aanleiding gaf tot toepassing -van defensief vermogen. Men moest in geen geval ’n slecht ondermijnd -gestel bezorgen aan iemand, die haar man moest worden! - -„Het wordt terlaloe, nèh,” had zij gezegd; „zou je er nu niet -uitscheiden?” - -„’t Kan niet, nonna! Geloof me toch, het is onmogelijk.” - -„Maar hij wordt ziek.” - -„Al wordt hij ziek, ’t komt er niet op aan; des te gauwer zal hij er -een eind aan maken.” - -„Als hij ziek is, kan hij niet meer hier komen.” - -„Het kan niet anders; hij moet het hebben. Ketjil heeft het vanochtend -nog gezegd. Ketjil gaat hem elken dag zien voorbijrijden, en zegt, dat -meneer nu goed wordt. Het is toch knap.” - -„O ja, het is pinter genoeg; maar als hij sterft, wat dan?” - -„Masa! Dáárvan sterft men niet.” - -Betsy loosde een zucht. De „zaak” vorderde wel, maar niet vlug genoeg -naar haar zin. Zij had dat ééne woord nog niet gehoord, waarop ze -wachtte, en dat het sein was voor de verwezenlijking harer plannen. Het -scheen, dat hij niet op het denkbeeld kwam uit zichzelven; welnu, dan -zou ze hem er op brengen, zoodra hij haar den volgenden dag een bezoek -bracht; zij zou.... Ze brak haar gedachtenloop af en hief, luisterend, -het hoofd op. Een rijtuig draaide van den grooten weg de laan in; zij. -kende ’t geluid, dat zachte, zware op den slecht gemacadamiseerden -grond. ’n Glimlach vol triumf gleed om haar mond. Prachtig! Men had -haar niet geïnviteerd, en inwendig had ze gekookt van woede, toen ze -het hoorde. Bronkhorst en Marie waren wèl genoodigd, en hij had haar -gezegd, dat hij niet weg kon blijven. Maar hij had het niet -volgehouden. Daar was hij al! Hij had den heelen boel in den steek -gelaten: gezelschap, voorstelling, Marie,—den ganschen boutique,—en -daar kwam hij aanhollen naar haar. - -Vrij opgewekt liep hij de treden op naar de voorgalerij, waar ze in -sarong en kabaja op een wipstoel zat, en blij, dat hij haar zag, greep -hij een harer handen, en ging naast haar zitten. - -„Bonsoir, Bets, hoe gaat het? Hé, ik ben blij, dat ik hier ben, Het is -een corvée!” - -„Heb je je dan niet geamuseerd onder al die fatsoenlijke menschen?” - -Ze was niet erg toeschietelijk, en van haar blijdschap over zijn -desertie en zijn overloopen naar haar, liet zij niets merken. - -„Je weet wel,” antwoordde hij, haar glimlachend aanziende, „dat ik me -alleen bij jou amuseer.” - -„Goed! Maar Jean, hoe lang moet het nog zoo voortduren?” - -Zijn gezicht betrok, en hij zuchtte diep. - -„Ja, hoelang?” - -„Me dunkt, je moest daar eens over nadenken.” - -„Heb je ajer blanda?” - -„Welzeker!” - -De interruptie maakte haar niet boos; integendeel, zij lachte -allerliefst, en stond dadelijk op. - -„Wil je er niet wat brendy in hebben?” - -„Graag, Wacht, laat mij ’t apollinariswater maar open maken.” - -Ze prepareerden samen een grog; hun handen kwamen daarbij telkens in -aanraking, en als dat met opzet gebeurde, lachten ze stil en keken ze -elkaar aan. - -„Wees toch niet kinderachtig,” zei ze.—„Rook je niet?” - -„Ik heb er niet aan gedacht.” - -„Allerliefst! Geef me je koker, dan zal ik er een aansteken.” - -Uit den grooten matten koker nam ze een havanna, beet er de punt af met -veel vertoon van haar witte tanden, die bij ’t helder lamplicht -schitterend contrasteerden met het donkere rolletje tabak; intusschen -stak Bronkhorst een lucifer aan, en rookte zij met aardige -onbeholpenheid en een vooruitgestoken klein mondje. - -Lachend nam hij de sigaar af en rookte die verder. - -„Neen, maar betoel, Jean,” ging zij voort; „het kan heusch zoo niet -blijven.” - -Hij dronk een langen teug uit het hooge glas. - -„Wist ik maar wat er aan te doen was!” - -„Ja, er is natuurlijk maar één weg.” - -„Scheiden?” - -Ze was blij, dat hijzelf het ’t eerst zei. - -„Natuurlijk! Je moet zien van haar te scheiden. Me dunkt, dat kan zoo -moeilijk niet zijn.” - -„Ik vrees, dat het heel moeielijk wezen zal.” - -„Dat hangt toch veel van jou af.” - -„Als zij niet wil?” - -Een oogenblik kwam haar aard boven. - -„Niet wil, niet wil! Er is altijd wel een akal op te vinden. In het -uiterste geval neem je een inlandsche....” - -Zichzelve betrappend op een onvoorzichtigheid, zweeg ze en kreeg een -kleur. Hem had het pijnlijk aangedaan, want hij begreep het, en zijn -van nature eerlijk hart kwam in opstand tegen zulk een laag middel; -maar hij was ver genoeg om er niet over te struikelen, en, toen zij, -dadelijk een ander effect teweeg willende brengen, met een diepen zucht -en een traan, zeer aandoenlijk zei: „Mijn God, waartoe komt ’n mensch -al niet!” had hij een teeder medelijden met haar. - -„Ik zal het probeeren,” zei hij, zijn hand op de hare leggend. „Ze zal -toch begrijpen, dat het zóó niet kan blijven. ’t Is veel beter, dat het -tot een scheiding komt, en zij naar Holland gaat.... met de kinderen.” - -„Waarachtig, Jean, het is de eenige uitweg voor ons. Ik ben anders voor -altijd verloren. Wij zijn fatsoenlijk, is het niet? We hebben ons beter -gehouden, dan menigeen, die voor onberispelijk netjes doorgaat. Welnu, -dat helpt immers niet!” - -„Neen, het is waar; het is beroerd.” - -„Het eenige is, dat we trouwen, Jean; dat is absoluut het eenige.” - -„Ik heb je gezegd, dat ik mijn best zal doen, Bets; en je weet, dat ik -het doen zal.” - -Hij werd weer ’n beetje ongeduldig; ’t was een gevolg van zijn -algemeenen toestand, die hem scheen te beletten lang bij ’t zelfde -onderwerp te verwijlen. - -„Hoe was het op die uitvoering?” vroeg ze. - -Met korte, afgebroken zinnen vertelde hij wat hij wist, spottend over -het gebrekkige, dat hem had getroffen, wat bij haar, die een goede -musicienne was, weerklank vond. - -Zoo bleven ze zitten, pratend en schertsend, tot het vrij laat was. Zij -bracht hem het erf af, en, verborgen achter den pagger, die langs den -weg liep, nam ze een bijzonder teeder afscheid van hem. - -„Je doet het, ja?” vleide ze. - -„Zeker! Morgenochtend dadelijk. Er moet een eind aan komen.” - -Toen zijn coupé het erf van zijn huis opreed, was de muziek- en -tooneeluitvoering reeds lang afgeloopen; hij had heelemaal vergeten -Marie het rijtuig te zenden; ze was met kennissen meegereden en die -hadden haar thuis gebracht. - -Eerst toen Bronkhorst weg was, kwam Ketjil het erf op van mevrouw Duhr, -die reeds lang ter ruste was. Hij had op den weg gestaan, en, -voorzichtigheidshalve, zoo lang op en neer gewandeld tot de notaris, -die hem kende, weg was. Het was ’n klein erf, en de lamp brandde -helder, zoodat hij, noodwendig dicht langs het huis voorbijgaand, kon -gezien worden. Alles te zamen genomen, vond hij ’t beter hem niet onder -de oogen te komen. - -Nu Betsy het huis binnen en naar haar kamer was gegaan, ging hij naar -de tampat, die op het achtererf zijn moeder was toegewezen. - -Ketjil was in den laatsten tijd niet gelukkig met zijn geld; hij -verloor bij het spel, en het werd zaak dezen citroen nog ’n beetje te -knijpen vóór hij te droog werd. Toen hij achter kwam, was er geen -licht. Hij klopte zacht op de deur. - -„Wie?” vroeg de oude, die op een baleh-baleh haar hazenslaap sliep. -Zoodra zij hoorde dat ’t haar zoon was, wist ze ook waarom hij kwam; ze -begon geweldig te steunen en te klagen, en het duurde lang eer zij de -deur had gevonden en hem opendeed. Zijn oogen waren aan de duisternis -gewoon, en hij ging op den rand der baleh-baleh zitten. Zoomin als zijn -moeder zich bedroog in de reden van zijn komst, zoomin vergiste hij -zich in de oorzaak van haar zuchten en steunen. - -„Niet wel?” vroeg hij zacht. - -„O, neen. Ik ben ziek; ik ben erg ziek.” - -„Wat scheelt er aan?” - -„Ik weet het niet; ik ben oud; oude menschen moeten sterven.” - -„Kunnen,” verbeterde hij, als om haar te troosten. Maar ze hield -hardnekkig vol. - -„Jonge menschen kunnen, ouden moeten.” - -„Nu ja, nog niet.” - -„Wie weet hoe gauw,” ging ze voort met een akelige stem. „Ik zie hier -dikwijls het spook van den dood. Het is hier bij me in de duisternis.” - -Inderdaad was het donker, want ze had wel een lampje en lucifers bij de -hand, maar ze ontstak die niet. Onwillekeurig keek hij rond, als wilde -hij ook naar het spook zien in de duisternis. - -„Och kom!” zei hij: „heb je het spook zelf gezien?” - -Zij antwoordde niet dadelijk; ze wist nu, dat ze hem geen vrees kon -aanjagen; het zou haar niet helpen of zij al haar vervaarlijke -spookhistories afschoot op het dikke bruine lichaam, onder welks -gewicht de bamboezen van de baleh-baleh kraakten. - -„Het is niet om te lachen,” zei ze. - -„Wel neen, ik lach ook niet; het maakt me betoel bang.” - -Er was in ’t geheel geen eer aan te behalen voor de oude vrouw. - -„Waarom kom je hier?” vroeg ze. - -„Om eens te zien of het je goed gaat.” - -„Dan had je wel vroeger kunnen komen, in plaats van mij wakker te maken -uit mijn slaap.” - -„Ik heb het zoo druk.” - -„Zeker met je witte njai!” - -„Toch niet! Ik maak tegenwoordig zooveel horloges. Al de wijzers zijn -stuk!” - -„Och wat! Je houdt me voor den gek. Als je daarvoor bent gekomen, ga -dan maar weer weg.” - -„Ik moet voor eenige dagen uit.” - -„Zoo! Waarheen?” - -„Naar het Zuiden.” - -„Dat dacht ik wel.” - -„Betoel! Ik heb geen tranen van den doejong meer.” - -„Ik begrijp het wel; je moet die gaan koopen aan de Zuidkust, en -daarvoor moet je geld hebben, nietwaar?” - -„Ja, dat zal wel zoo wezen.” - -„En als zij het nu niet geven wil?” - -„Dan krijgt ze hem niet.” - -„En als zij ’t niet heeft?” - -„Dan moet ze het hem maar vragen. Ik heb ze daareven samen achter den -pagger zien staan; als ze ’t hem vraagt, dan geeft hij het.” - -„En hoeveel moet je hebben, en wanneer?” - -„Het beste van alles is, dat ik dadelijk ’t geld ontvang, want dan kan -ik nog van nacht op reis gaan.” - -„Is er zulk een haast bij?” - -„Ik heb niets meer en er is haast bij. Vraag haar voorloopig honderd -vijftig gulden; misschien is dat genoeg.” - -Hij sprak nu kort en bevelend, zonder er zich in het minst aan te -storen, dat de oude hem telkens met haar klaagliederen in de rede viel. -Maar zij ging toch binnen, en vertelde aan Betsy met het ernstigste -gezicht ter wereld, dat Ketjil nog weer op reis moest om obat te -koopen, dat het perloe was, en dat hij dadelijk tweehonderd gulden -moest hebben. - -Betsy was buiten zichzelve van woede. - -„Jou leelijke, brutale, ouwe nèh!” riep ze. „Jou afzetster! Denk je, -dat ik me nog langer laat oplichten, door jou en je dief van een zoon? -Ajo, gauw de kamer uit!” - -Maar Sarinah ging niet; zij bukte deemoedig en ontving zonder morren -den klinkenden klap, dien Betsy haar toediende met de vlakke hand. - -„Daar, oud beest! En daar heb je er nog een! Ik zal je leeren.” - -„Ketjil heeft niets meer,” zei ze. „Wij houden dus op.” - -„Voor mijn part! Denk je dat ik gek ben?” - -„Ja maar.... dan komt er ook niets van. Nonna moet toch verstandig -zijn.” - -„Houd je mond. Ik geef zooveel geld niet, en ik heb het ook niet.” - -„Als ik het had, gaf ik het zelf. Het is zoo jammer van al die moeite -en onkosten. En als het nu toch goed afloopt! Zoo’n heerlijk huis!” - -Nog een kwartier ging het heen en weer praten voort, tot Betsy alles -gaf, wat ze op ’t moment aan contanten bezat; het was maar honderd en -zestig gulden. Sarinah bracht het naar achteren, maar onderweg nam zij -er drie bankjes van tien af en moffelde die weg tusschen haar -sarongband. In haar kamertje stak ze nu ’t lampje op. Ketjil zat nog -onbeweeglijk op den baleh-baleh-rand. Zij wierp de overige honderd -dertig gulden in papier met ’n soort van woede naast hem neer. - -„Daar! Dat is alles wat ze bezit. Je hebt haar nu heelemaal -uitgeplunderd. Ze heeft geen cent meer in huis.” - -Doch Ketjil lachte en keek zijn moeder aan. - -„Ik zal het maar nemen,” zei hij; „de rest krijg ik later wel.” - -„Ga nu maar heen en kom gauw terug.” - -„Voor hoelang heb je nog?” - -„Voor hoogstens viermaal.” - -„Over vier dagen ben ik terug. Dag, moeder,” en heen gaande streek hij -zijn dikke hand liefkoozend over haar voorhoofd, „dag oudje, je bent -toch ook pinter, ja?” - -Het was geen heele leugen van Ketjil geweest. Hij moest inderdaad naar -de Zuidkust, maar niet voor de „obat,” die zijn moeder den notaris liet -slikken. Voor dien had hij nog voorraad genoeg. Maar zijn geld was -verdobbeld,—dàt ad primum, en ad secundum had hij meer noodig voor een -hoogst voordeelige toepassing, die hem heel wat meer zou opbrengen, dan -wat njonja Ekster hem kon betalen; doch ditmaal had hij te doen met een -oudere en slimmere vrouw, die geen cent wilde geven vóórdat zij de -middelen had toegepast en de werking had gezien. Daarom had Ketjil -inderdaad des nachts zijn zwaar lichaam op ’n stevig paard gewerkt, dat -zijn eigendom was en speciaal voor verre tochten werd gebruikt, en met -de weinige reisbenoodigdheden, waaraan een inlander behoefte heeft, was -hij vertrokken. - -Onvermoeid had hij doorgereisd den dag en den nacht, nu en dan op een -sukkeldrafje, maar meest stapvoets; hij was over hooge bergruggen -getrokken, waar hij gebibberd had van kou; maar nu was hij weer -gedaald, en nu had de omgeving die andere gedaante aangenomen, welke de -Zuidkust van Java op vele punten zoo scherp van de Noordkust -onderscheidt. - -Ketjil was erg vermoeid; zijn beenen waren stijf van ’t rijden, en met -moeite en langzaam steeg hij af; hij zou niet verder te paard gaan; nu -hij slechts hier was, ging de rest gemakkelijker, en met welgevallen -zag hij naar de stille desa vóór hem. Uit het huisje, waarvoor Ketjil -halt had gehouden, kwam hem ’n grijze inlander tegemoet, zijn sobat -keras, ’n oude mantri, die hoopte dat zijn gast ’n paar dagen zou -blijven. Maar Ketjil kon niet; hij had haast en moest naar het -visschersdorp aan de monding der rivier, waar hij altijd zijn „zaken” -deed. Het was moeilijk, maar ’t kwam toch terecht, en terwijl Ketjil -een kop heete koffie dronk, waartegen hij zat te blazen, ging heel -bedaard hun gesprek voort. Welzeker, de oude zou hem helpen, maar de -koelies zouden zich laten betalen, daar sobat, zei hij met een lachje, -erg zwaar was. Want de reis zou verder per tandoe gaan; de oude had nog -een erg versleten luierstoel, die zich van geen atoom politoer meer -bewust was en bedenkelijke ouvertures speelde in de mat. Doch op zulke -kleinigheden kijkt slechts een verwend Europeaan; Ketjil zou er lekker -in zitten, en aan een paar stevige bamboe, met een kap van kadjang -tegen ’t zonnetje, zou het ’t ideaal van een tandoe zijn, waarin -„sobat” zitten zou als een „koningszoon.” - -En ’n paar uren later stond ’t heele toestel gereed, met vier koelies -om te dragen, een kepala en twee man om af te lossen; het in orde maken -der reisgelegenheid had veel minder tijd gekost, dan het tawarren over -den prijs, want in deze weinig bewoonde streek, waar, zou men zeggen, -zoo niets te krijgen was, dan ’t geen de natuur opleverde, bleek de -bruinbroeder het geld even lief te hebben en de waarde er van niet -minder goed te kennen, dan Ketjil zelf. - -Ofschoon hij er lekker zat in den luierstoel, die met zijn dik lichaam -vooruitzweefde boven den grond, genoot hij weinig op dit reisje. De zon -stond reeds hoog. Eerst ging het door heete velden vol alang-alang, op -wier harde vezels ’t scherpe licht hel weerkaatste, zoodat de oogen er -zeer van deden en Ketjil het gevoel bekroop als droeg men hem door ’n -vuur. Het terrein was ongelijk, en nu eens moest hij zich vooruit aan -de leuningen vast houden om, als de voerlieden een kleine hoogte -opliepen, niet achteruit te glijden; dan weer zette hij bij ’t dalen -zich schrap om niet vooruit te schieten en tusschen de draagstokken te -vallen. Overigens geen beweging en geen geluid, dan het zacht wiegelen -van de tandoe, het kraken van de voetstappen der koelies op de droge -alang-alang, en het geroep der voerlieden: „Langzaam aan!” als die van -achteren niet inhielden bij ’t dalen, „Duwen!” als ze geen kracht -genoeg zetten bij het stijgen, of „Verwisselen!” als er een meende, dat -het tijd werd voor de vrije schouders, om het aan de bamboezen hangend -gewicht te dragen. Van de bruine ruggen lekte het zweet, zoodat ze -blonken in de felle zon, alsof zij met vet waren gesmeerd. En Ketjil, -die, met z’n oogen half dicht ’n strootje lag te rooken, pikirde er -over hoe dom toch ’n mensch moet zijn om zulk werk te willen doen; maar -ze waren ten slotte toch nog vroolijker dan hij; onder het loopen -wisselden ze, al hijgend, flauwe aardigheden, waarover ze erg veel -pleizier hadden, of als een niet liep zooals de ander wel wenschte, dan -hoopte zijn mededrager, dat hij een „dikken buik” mocht krijgen, wat -weer stof gaf tot vroolijkheid van het zevental, doch Ketjil in stilte -ergerde, omdat hij er een hatelijkheid in zag op zijn eigen dikken -buik. - -Hij zei echter niets; daar was hij niet alleen in eigen oogen een te -hoog persoon toe, maar hij wist hoe weinig ’t hem zou helpen; hij zou -ook met dit volkje niet gaarne getwist hebben; hij zag uit zijn stoel -hoe een hunner zich een grooten doorn in den voet trapte, en de kerel -hield niet eens met loopen op, maar trok, al voortgaande, door een -bewonderenswaardig vlugge, dubbele beweging van hand en voet, het doorn -uit het vleesch. Ruwe menschen! dacht Ketjil. - -Na ’n paar uren waren de alang-alang-velden achter den rug. Het bosch -begon, het oerwoud met slechts hier en daar enkele lichtplekken, maar -haast geheel in eeuwige schemering, zonder andere paden, dan die den -voet van den inlander al loopende tusschen ’t geboomte had getrokken. -Het was er koel, duister en nog stiller haast, dan in de velden; -tallooze varens, buitengewoon lichtkleurig uit onvoldoend licht, staken -sterk af tegen het dichte zwartgroene loof der boomen. In dat bosch -werd Ketjil benauwd. Als door een of ander onverwacht hevig geritsel in -de boomen, door een aap of ’n grooten vogel, misschien, de stilte werd -verbroken, dan schrikte hij, bang voor, hij wist zelf niet wat. En de -lucht der op den vochtigen grond rottende blaren hinderde hem, zoodat -hij er van hoestte, dof en schier als een aamborstige. Hij was blij, -dat hij weer in ’t licht kwam! - -Maar het was een ander licht, dan het geel-groene der -alang-alang-velden. Uit het bosch kwam hij in een woeste bergstreek met -steile ontoegankelijke kalkrotsen van grilligen vorm. In de verte -duidde een nevel de nabijheid aan der Zuidkust, en de koelies als -paarden, die den stal ruiken, verhaastten hun sukkeldrafje, nog meer -geluiden uitstootend, sterker doorzakkend in de knieën dan eerst, en al -voortloopend zich koelte toewuivend met reusachtige bladeren, in het -bosch geplukt en als waaiers gebruikt. Het ging weer op en af in dit -woeste oord, over naakten, rotsachtigen grond, zoo warm, dat de koelies -hun genot niet kenden, als ze met hun vermoeide voeten door de snel -wegschietende bergstroompjes waadden die het terrein telkens -doorsneden. - -De zon daalde. Ketjil berekende, bekend als hij was met de afstanden, -dat het donker zou zijn eer hij aankwam, en hij had er tegen hier in ’t -duister te reizen. Daarom gelastte hij halt bij een voor ’n boschje van -waaierpalmen staande warong, en de hooge, sterke bamboepagger met -scherpe punten ter beveiliging tegen tijgers, die des nachts mochten -trachten er op en over te willen springen, rechtvaardigde volkomen de -vrees van Ketjil. Achter dien hoogen pagger voelde men zich veilig, en -de waronghouder, die hem kende, ontving hem erg vriendelijk; de moede -koelies kregen eten; Ketjil nuttigde ook iets, en vertelde daarna, dat -hij wilde slapen, aangezien het lichte maan was, en hij het aangenaam -vond daarbij wakker te zijn. - -Vroeg in den morgen ging de tocht verder, maar het was nog zóóver, dat -het pad eerst ’n paar uren later daalde naar het zeestrand, naar het -visschersdorp, waar men wezen moest. Het was een schoon gezicht! Op den -voorgrond het dorp bij de monding van een riviertje, en met een kleine -alluviale strandvlakte aan de andere zijde; rechts en links -ontzaglijke, ongenaakbare rotsgevaarten, waartegen de Zuider-Oceaan -zijn lange golven stuwde, die, brekend, haar water omhoog deden spatten -en elke minuut toonden hoe de voortstuwende kracht harer massa’s in -machtelooze afzonderlijke atomen verloren ging, gebroken op grooter -weerstandsvermogen. Bij elke golf, die op de steile gevaarten tot -waterdamp sloeg, rolde langs het strand een dof donderend geloei, -dreigend en klagend van toon. - -Het was eb, en op het zand der kleine vlakte aan zee zag men een waar -mozaïek van arabesken door duizenden kleine krabben gevormd, meest als -getinte spiralen uitgestrooid over het effen vlak; een mozaïek, -verbroken door enkele goed uitkomende strepen gaande van de zee naar -het hooger gelegen strand; schildpadsporen, die de inlanders zorgvuldig -nagingen om de eieren op te delven. En over dat alles joeg de landwind -vreemde, in hun vaart bolvormig schijnende gewassen naar zee van hard -broos stekelig gras, die hij, over het hoogere strand strijkend, had -afgebroken en nu met een huppeldans naar de golven joeg, die ze verder -zouden meevoeren en weer op ’n andere kust werpen, waar ze zich konden -voortplanten. - -Het was een eenig gezicht dien ochtend op de kleine vlakte aan het -strand, maar de groote, koude, zwarte oogen van den inlander, keken er -naar met onverschilligheid. Wat raakten hem schakeeringen van licht, -kleuren, klanken? Wat zag hij in zulke détails! Hij zou zich geschaamd -hebben, als hij er belang in had gesteld en dááraan had gedacht, in -plaats van zijn kansen op winst te berekenen, want met verlies hield -hij zich volstrekt niet op! - -„Waarheen?” vroeg de koelie-mandoer. - -„Hadji Ismaïl,” antwoordde Ketjil, en voort ging het tusschen de -huisjes van het visschersdorp. De man in de tandoe moest weer hoesten; -in zijn soort was hij toch ook verwend, want hij mopperde geweldig -tegen den ontzettenden stank, verspreid door de visch, die in een zeker -overgangsstadium om bamboezen stellages lag te drogen; ’n groote -zeearend, die in wijde kringen boven ’t visschersdorp vloog, scheen -zich daar meer te verheugen dan Ketjil, die ’n gekleurden zakdoek uit -zijn baatje trok en voor den neus hield. Van alle kanten blaften -steiloorige gladak-honden den vreemden tandoe aan, en van alle daken en -uit alle paggers mauwden tallooze katten, voor wier levensduur en -huwelijksgeluk zoo’n dorp aan zee, waar op ’n vischje meer of minder -niet gekeken wordt, een waar paradijs is. - -Hadji Ismaïl, wiens vrome ijver toch ook niet door de vischlucht scheen -te worden aangetrokken, woonde ’n eindje buiten het plaatsje, op een -plek gewoonlijk van den wind af. Ook hij wist wel, wat dezen man van -het land naar de stranden der zee dreef, maar hij gaf hem niet veel -hoop. Het was jammer, zei hij, maar juist een paar dagen te voren waren -de doejongs gevangen; om de tranen te koopen, die den dieren bij hun -sterven uit de oogen stroomen, waren anderen Ketjil reeds vóór geweest. -En nu gebeurde het tegenwoordig waarlijk niet elken dag, dat men zoo’n -beest ving; het was in dat opzicht ’n slechte tijd. De visscherij ja, -die bleef goed; de netten waren trouw gevuld. Maar doejongs.... ’t kon -wel gebeuren, dat Ketjil een week moest wachten vóór hij krijgen kon -wat hij wenschte. Het viel dezen erg tegen, heel erg zelfs, maar daar -er niets aan te doen was, bleef hij zijn ziel in lijdzaamheid bezitten. - -„Willen we niet eens aan het strand gaan kijken?” vroeg de hadji. „De -menschen zullen nu juist aan den gang zijn. We kunnen nog eens met hen -praten.” - -Zij wandelden samen op, zoo langzaam als inlanders, die den tijd -hebben: voetje voor voetje, nu en dan nog stilstaand in hun gesprek. - -Hadji Ismaïl wees met den uitgestrekten arm naar een punt verder op. - -„Daar gaan ze.” - -„Het is maar gewoon visschen.” - -„Zeker, heel gewoon.” - -„Kunnen ze niet eens zoeken, en wat zou dat moeten kosten?” - -„Het gaat niet, en ’t helpt ook niet. Natuurlijk zouden ze het wel -kunnen doen, voor veel, heel veel geld.”. - -Ketjil zuchtte er van. - -„Ik heb niet zooveel bij me.” - -„Het doet er niet toe; het zou immers toch niet baten.” - -Doch Ketjil was koppig; hij wilde niet nog ’n week, langer misschien, -in dat stinkende dorp wachten, - -„Als er iemand was, die me het geld wilde leenen....” - -„Waartoe? Men kan het evengoed in ’t water gooien.” - -„Ik geef het binnen één maand terug.” - -„Er valt wezenlijk niet te zoeken naar den doejong; het beest is er of -is er niet.” - -„Tegen behoorlijken interest.” - -Maar de hadji bleek aan dat oor volslagen doof, en Ketjil drong -vruchteloos aan. - -Intusschen naderden zij de visschers, die aanstalten maakten om hun -netten uit te brengen. Het was een lastig werk. Hoog hieven de wel -honderd meter lange golven der branding de witte krullende hoofden -omhoog, waarop in de verte het zonlicht brak met alle kleuren van den -regenboog; de visschers stonden een eindje in zee; zij hielden een -vlerkprauwtje, dat als ongeduldig op het water danste, met den kop -vooruit, en toen een der rollers hen bereikte, wipten zij er met een -hoezeetje hun kleine vaartuig overheen; daarna zag men hun van ’t -zeewater druipende lichamen met groote vlugheid in ’t prauwtje springen -en ze roeiden wat ze roeien konden. Achteraan sleepte het net met één -einde door een lang touw op ’t strand vastgebonden, en onder het roeien -merkten de groote dobbers van het net, drijvend op onderling gelijke -afstanden, den weg der visschers, die hun uiterste krachten inspanden -om de af te visschen bocht te beschrijven, vóórdat een andere roller -het schuitje kwam treffen vóór den boeg, want dan zou de brooze notedop -onvermijdelijk zijn omgeslagen, ’t Gelukte hun ditmaal als bijna immer. -De halve cirkel was juist op het water beschreven; de kop van het -prauwtje wendde weer naar het droge, toen de golf kwam, die het anders -zou omgeworpen hebben, maar nu met een krachtigen zet ’t verder roeien -bespaarde, en schuitje en visschers bracht waar ze zijn moesten. - -De hadji en Ketjil stonden aan het strand te kijken, de laatste vol -bewondering over de vlugheid en kracht van dit naakte zeevolkje. - -Langzaam en gelijkmatig, zonder rukken, begonnen de visschers hun net -binnen te halen met eentonigen dreun; de omtrek door het net beschreven -kromp met elken trek zichtbaarder, en in het water tusschen de dobbers -kwam een gewriemel, drukker en drukker. - -„Er zit aardig wat in,” zei Ketjil. - -De hadji wierp een als ’t ware erkentelijken blik over de groote zee -met haar diepen groenblauwen grondtoon vol tallooze teere tinten; hij -was met zijn geld bij de visscherij betrokken; het was zijn „rente”, -die daar, in den vorm van levende visch, zooveel vruchtelooze pogingen -deed om te ontkomen aan de mazen van het net. - -„Allah is groot,” zei hij met woekeraars-onderworpenheid, „en de zee is -rijk!” - -Een dof geluid steeg op uit het net, dadelijk gevolgd door ’t gejubel -van ’t visschersvolk; het inhalen geschiedde nu voorzichtig maar -krachtig, en tegen den laatsten trek kwam boven het levend gewriemel -der dooreenkrioelende visschen een blauwachtige grijze rug te -voorschijn, en toen het dier kantelde bij het op ’t strand halen, -toonde het een helder wit onderlijf! dichtbij den stompen kop zaten een -paar zwemvinnen; bij dit dier met den lichaamsvorm van een zeehond, -spartelde een kleiner exemplaar. Het was een doejong met zijn -stamhouder. - -De visschers gunden zich geen tijd om naar de visch uit te zien; een -sprong toe met een knuppel; hij sloeg den doejong geweldig op den kop -en uit de oogen van het stervende dier lekte toen traan bij traan. - -„Gelukskind!” zei hadji Ismaïl glimlachend tegen Ketjil, die vol -blijdschap aandachtig keek naar den anderen visscher, die met groote -zorg het kostbaar vocht opving in een schoteltje. - -Men bracht het bij hem, en hij bekeek en berook het met eerbied. Maar -toen hij gevraagd had, wat het moest kosten, werd hij boos om het -antwoord. Zestig gulden! Dat was gemeen! - -En de kerels waren vast; ze hielden op een wanhopige manier voet bij -stuk, en of Ketjil hoog of laag sprong,—hij kreeg zijn schat niet onder -de vijf en dertig gulden. - -„Ze hebben me zoo goed als bestolen.” zei hij bij het teruggaan -jammerend tegen den hadji. - -Maar die had er schik in. - -„Kom, kom! De arme menschen geven het veel te goedkoop!” - -Ketjil bleef nu geen uur langer dan noodig was; weldra zweefde hij weer -in den stoel van den mantri tusschen hemel en aarde. - -Toen hij thuis kwam, was zijn moeder de eerste, die hij aantrof. Maar -zij verwelkomde hem niet. Integendeel, zij was eer boos, en vroeg hem -dadelijk de „obat”; ze wachtte er op, zei ze, en ’t was schande, dat -hij haar in den steek liet, nu juist zooveel er van afhing. Ketjil -zocht niet verder naar verontschuldigingen; de kip was, wat hem betrof, -geplukt; hij had volstrekt geen plan zich verder van dat zaakje iets -aan te trekken, en hij snauwde de oude af op den toon van gezag, die -een inlandschen zoon tegenover zijn moeder, zijn ondergeschikte, past, -als hij haar niets te verzoeken heeft. Zij antwoordde hem niet, maar -bromde en steunde tot hij ’n beetje had gezocht, dan eens in zijn -trommeltje, dat hij mee had gebracht, dan weer in een zijner kastjes. -Eindelijk kreeg Sarinah, wat zij verlangde en dat hij reeds lang voor -zijn „dienstrein” had gereed staan. - -Zij vertelde hem niets. Ze begreep heel goed, dat hij er geen belang -meer in stelde. Een karretje wachtte haar, en zij maande den koetsier -aan tot spoed. - -Het waren ’n paar woelige dagen geweest, en zij vreesde, dat -Bronkhorst, als hij niet regelmatig zijn portie kreeg, niet in de voor -het doel vereischte stemming zou blijven. - -Zij vond hem bij Betsy, zeer opgewonden, en ongezien sloop zij in ’t -halfduister het erf op, en achter het huis in, waar ze ging staan -luisteren aan de deur. - -Toen Bronkhorst den ochtend, nadat hij vergeten had zijn vrouw met het -rijtuig te laten halen, aan het ontbijt kwam, dacht hij dat ze er iets -over zou zeggen. Hij had weer een hoogst onaangenamen, grootendeels -slapeloozen nacht gehad; hij was gruwelijk uit zijn humeur, en als ze -iets zei, dan moest de kogel, meende hij, maar met geweld door de kerk. -Maar ze zei niets, en zelfs toen hij begon te brommen en te vitten op -het eten en op de thee, bleef zij gemoedelijk en liet zij verwijten, -hoe ongegrond ook, geheel onbeantwoord. - -„Het is op die manier geen leven,” zei hij eindelijk. - -Zij glimlachte droevig. Neen, daarin had hij volkomen gelijk. Het was -geen leven, althans niet voor haar. Tot zelfs haar bedienden, die nu -niets meer in haar zagen dan een onttroonde vorstin, plaagden en -brutaliseerden haar. Wat was een vrouw, zoo goed als verlaten door haar -man? Omdat ze nu een Europeesche vrouw was, en er zulk een vreemde adat -heerscht bij de Europeanen, mocht zij nog in huis blijven, en kon men -haar niet er uitjagen; was zij een inlandsche geweest, dan had ze al -lang een soerat lepas gehad; dáárover was het bedienend personeel het -volkomen eens. - -„Er moet een einde aan komen,” ging hij voort met een drogen mond op ’n -stuk brood kauwend. - -„Er moet op een of andere manier een eind aan komen.” - -Marie verbleekte niet; zij zag al zoo bleek na al het verdriet van den -laatsten tijd, dat ze moeilijk witter kon worden dan ze was. Ze keek -hem aan, en ondanks zichzelve, kwam een gevoel van medelijden bij haar -op. Zooals hij daar zat, etend om zich ’n figuur te geven, met zijn -door donkere kringen omgeven, neergeslagen oogen, en zijn vervallen -gezicht, had ze hem nooit gekend. En met dat zachter gevoel ontwaakte -een ander, een van toomeloozen haat tegen Betsy, zóó sterk, dat ze er -zelve van schrikte; zij had haar, dat voelde ze, kunnen vermoorden, -ondanks al de zachtmoedigheid, kalmte en gelijkmatigheid, die haar -karakter steeds hadden gekenmerkt. - -„Naar Europa,” vervolgde hij, toen er nog altijd geen weerwoord kwam, -„geeft op zichzelf toch niets.” - -„Ik ga niet naar Europa,” zei ze. - -„Dat is iets anders. Je kunt ook mijnentwege in Indië blijven. Aan geld -zal het je niet ontbreken. Ik heb er veel voor over.” - -„Ik vraag geen geld.” - -„Onzin! Je moet leven met de kinderen.” - -Weer zweeg ze; ze wist wat hij bedoelde, maar zij zou het woord niet ’t -eerst uitspreken. - -„We moeten natuurlijk van elkaar af; we moeten scheiden.” - -Zij stond rechtop, en toen hij bij het geluid van het achteruitschuiven -van haar stoel opkeek, ontstelde hij van de kloeke, vastberaden, -uitdagende uitdrukking van haar gezicht. - -„Wij scheiden niet!” - -Het was een toon, die geen repliek duldde; waarbij men met heftigheid -het zeker niet verder zou brengen. Zoo helder was zijn geest nog om dat -te beseffen. En nu ving hij aan met gemaakte kalmte te redeneeren; zijn -stem klonk dof en toonloos, met even weinig uitdrukking als zijn -gezicht. Het leven op die manier was voor beiden onhoudbaar; er kwamen -oogenblikken in het bestaan van een mensch, dat samenzijn ondraaglijk -werd; het was nu onverschillig, wat daarvan de oorzaak mocht heeten; -soms was het zus, dan weer was het zóó. Verstandige lieden, wie het -niet te doen was om elkaars existentie te verbitteren, namen dan -kloeke, doortastende maatregelen. Zoo die zeer veel onaangenaams -meebrachten,—wat het zwaarste was, moest ook ’t zwaarste wegen, en men -had er slechts verdriet van, als men een leven voortzette, dan ten -slotte met een straf gelijk stond. - -Zóó redeneerde hij door, met een groote mate wereldwijsheid en -gelegenheidslogica, maar het hielp niets; wanneer hij nu en dan zweeg, -als wilde hij het effect zijner redeneering nagaan, dan zag hij haar -met dezelfde uitdrukking van onverzettelijkheid en ’t zelfde bleeke, -strakke gezicht het hoofd schudden. - -„Wij scheiden niet!” herhaalde zij dan. - -En dat was alles. - -Hij had lang zijn zenuwen bedwongen, maar inwendig wond hij zich -vreeselijk op; er kwam grofheid in zijn uitdrukkingen; smalend sprak -hij van vrouwen, die zich aan een man vastklemmen, of ze gewenscht -worden of niet; van gebrek aan kieschheid en eigenwaarde. - -Toen stond ze op, ging naar binnen, en hij hoorde hoe zij haar kamer -met den sleutel sloot. - -Het was wanhopig, en, alleen gebleven, koelde hij zijn drift, door met -luide stem geweldig op te spelen tegen de bedienden, die er kalm bij -bleven en hem ook niet antwoordden. In dien hoogsten staat van -opgewondenheid liep hij naar zijn kantoor, dronk er glas op glas -Selterswater, en stapte van zijn lessenaar naar de deur en terug wel ’n -kwartier lang, tot hij vermoeid in zijn kantoorstoel zonk, met diepe -zuchten, om daar zijn gewone visioenen te krijgen, waarin hij altijd -Betsy zag, op de eene of andere manier. - -Hij schrikte toen een luide stem in het voorgedeelte, door schutsels -gemaskeerd, naar hem vroeg, en hij zag vreemd op, toen ’n oogenblik -later kapitein De Grijs, Borne’s vervanger als garnizoens-commandant, -tegenover hem stond. Zij hadden nooit vriendschap gesloten; het was -gebleven bij een beleefdheidsbezoek over en weer, en toen het huiselijk -leven van den notaris en diens persoon bij ’t publiek eenigszins in -opspraak kwamen, was er voor den kapitein, die toch een meer -teruggetrokken persoon was, dan de woelige Borne, nog minder reden tot -voortzetting eener kennismaking, die geen wederzijdsche sympathie ten -gevolge had gehad. Toen hij den brief had ontvangen, was hij naar den -resident gegaan, en deze, blij dat er nog iemand in het spel was, had -den kapitein verzocht er eerst maar eens ernstig met Bronkhorst over te -spreken, daar zijn eigen positie als resident het hem moeilijk maakte -zich direct persoonlijk met zulk een particuliere aangelegenheid in te -laten; hij kon later, als het noodig mocht zijn, een handje helpen. -Ofschoon dit den kapitein verdroot, maakte hij geen bezwaren, en daarom -was hij nu alleen naar ’t kantoor van Bronkhorst gekomen, die van den -prins geen kwaad wist en met verwondering de stijve houding en het -geretireerde in de manieren van zijn bezoeker zag. - -„Ik heb u te spreken.... meneer.... over ’n zaak.” - -Dit maakte den notaris niet wijzer. Natuurlijk! Iedereen kwam hem hier -spreken over zaken. - -„Ga zitten, meneer.” - -„Ik heb dezer dagen ’n brief ontvangen van mijn voorganger hier op de -plaats, den kapitein Borne.” - -Bronkhorst knikte met ’t hoofd, maar kleurde; er ging hem ’n licht op, -hij begreep iets van de gelegenheidshouding. - -„Meneer Borne verzocht me een onderzoek in te stellen naar de -verhouding tusschen u en zijn nicht, mevrouw Den Ekster.” - -Het ging alles op een stroeven, haast dreigenden toon; het irriteerde -Bronkhorst in hooge mate. - -„Ik kan me de belangstelling van kapitein Borne in mevrouw Den Ekster -verklaren; die is begrijpelijk en op haar plaats. Wat mijn verhoudingen -aangaat, ken ik hem het recht niet toe zich er mee in te laten.” - -„Dat is de opvatting niet van meneer Borne, en ook niet de mijne.” - -„Het spijt me!” antwoordde Bronkhorst droogjes en er lag iets -geringschattends in ’t schouderophalen, dat die woorden vergezelde; „’t -spijt me, maar ik kan er niets aan doen.” - -„Integendeel. Als de oorzaak van de geheele onaangename zaak, kunt u er -alles aan doen, en dat kom ik u verzoeken, namens den heer en mevrouw -Borne.” - -„Ik begrijp niet wat men bedoelt met die onaangename zaak. Mevrouw Den -Ekster is meerderjarig.” - -„Mag ik u uitnoodigen niet in die richting af te wijken. Ik ben hier -niet gekomen om met u te redeneeren over minderjarig of meerderjarig. -Ik zie, dat wij op die manier niet verder komen.” - -„Maar wat wilt u dan?” vroeg Bronkhorst ongeduldig. - -„Ik wilde u verzoeken van dit oogenblik de eer en den goeden naam van -fatsoenlijke familiën te sparen, en uw relatie....” - -„Wat relatie?” riep Bronkhorst woedend. „Ik verzoek u dat woord niet te -gebruiken. We weten allemaal, wat dat in een geval als dit te beduiden -heeft, en ik moet u verzoeken te gelooven, dat daarvan tusschen de -bedoelde dame en mij geen sprake is.” - -In zijn boosheid sloeg Bronkhorst den toon der waarheid zóó juist aan, -dat de kapitein er door geïmponeerd werd; het kon waar wezen, dacht -hij; maar zelfs als het niet waar was, en Betsy heel gewoon ’n relatie -met hem had, dan was het toch nog kranig, dat hij het op die manier -ontkende; het deed hem eenigszins rijzen in de schatting van den -kapitein De Grijs. - -„Ik weet welke de publieke opinie is, en ook die van de familie Borne. -Het ligt niet op mijn weg, om in bijzonderheden af te dalen. Ik vraag u -of u bereid zijt van alle verstandhouding af te zien met een dame, wier -eer en goede naam door u in opspraak zijn gebracht.” - -„Welnu, neen, dat zal ik niet! Ik zal voor haar zorgen; voor haar en -voor haar naam. Dat is een quaestie tusschen haar en mij, en onze -handelingen gaan meneer of mevrouw Borne niet aan, en allerminst u.” - -Ze waren opgestaan en keken elkaar in de oogen met haat en minachting; -op de lippen van den kapitein lag een woord, dat hij met moeite -terughield. - -„Dan zal ik,” zei hij, „andere maatregelen treffen om aan het verzoek -van meneer Borne te voldoen. Maar er zal aan voldaan worden, dat -verzeker ik u.” - -„Dat zal er niet! Ik ontzeg u het recht u met mijn zaken te bemoeien.” - -„Dat zal er wèl, zeg ik u. Op uitvluchten antwoord ik niet, maar het -zal gebeuren, goedschiks of kwaadschiks.” - -En zonder te groeten, keerde de kapitein De Grijs zich om, en verliet -het kantoor, dat hij al heengaand vulde met den klank van het kletteren -van sabel, sporen en wat verder aan zijn uniform onder het gaan geluid -maakte. - -Bronkhorst was woedend. - -Zoo’n brutale kerel! Goed- of kwaadschiks had hij gezegd! Men zou hem -dus dwingen! Alsof hij ’n kwajongen was, bang voor een grooten mond of -’n dreigement. Wel, hij zou eens willen zien, hoe men dat zou -aanleggen. Hij had dan toch ook wel eens meer ’n sabel in de hand -gehad. Was hij eigenlijk niet reeds verplicht dien brutalen kapitein -uit te dagen? Het denkbeeld spookte rond in zijn ontsteld brein, en ’t -lachte hem meer en meer toe. Al zijn oude, verstandige theorieën over -de ongerijmdheid van het duel verlieten hem; voor háár te vechten,—dat -bleek hem bijster chevaleresque, en de rest kon hem niet schelen. Werd -hij gewond of gedood, ook goed! Het was zóó immers toch geen leven! - -Met de zenuwachtige drukte, die hem overviel, als hij niet willoos -mijmerde, maar in actie was, gaf hij last zijn rijtuig te laten -inspannen. Hij wilde er liefst dadelijk werk van maken; hij zou naar -den officier van gezondheid gaan, die was toch ook militair, en hij zou -hem raadplegen over de vraag, of hij, na het gebeurde, niet als man van -eer verplicht was den kapitein uit te dagen. - -De officier van gezondheid had er erg veel trek in. Zoo’n duel behoorde -op een eentonige binnenplaats tot het aantrekkelijkste, dat men zich -kon voorstellen. Maar toen hij Bronkhorst eens goed aankeek, en als het -ware op diens gelaat den abnormalen toestand zag, waarin hij naar ziel -en lichaam verkeerde, sprak zijn geweten als medicus luider, dan zijn -zucht naar wat afwisseling. - -„Ik zou u niet aanraden,” zei hij, „er gevolg aan te geven.” - -„Kan ik me dan laten bedreigen in mijn eigen huis?” - -„Er heeft geen bedreiging plaats gehad.” - -„Hij zei toch: goedschiks of kwaadschiks. Wat beteekent dat? Hij zal -toch met dat laatste niet anders bedoelen dan geweld!” - -„Men zegt dat zoo par manière de dire, zonder dadelijk het ergste te -bedoelen.” - -„Nu ja! Hij zal er misschien buitenaf op bluffen.” - -„Pardon, dan kent u den kapitein niet. Hij is een hoogst fatsoenlijk en -welopgevoed man. ’n Beetje stug en eenzelvig, maar ’n gentleman.” - -„Dus denkt u, dat het van mijn kant niet noodig is....” - -„Ik vermeen van neen.” - -Bronkhorst liep zenuwachtig ’n paar malen ’s dokters galerij op en -neer, zwaaiend met zijn rotting en draaiend aan zijn knevels. - -„Weetje,” zei hij, „ik verlaat me met vertrouwen op uw oordeel, dàt is -de quaestie niet, maar ik ben bang....” - -„Waarvoor?” - -„Ronduit gezegd: ik ben bang, dat ze me aanzien voor een lafaard. -Daarom, als u er niets op tegen hebt en het niet te veel gevergd is: -raadpleeg er dan nog eens ’n anderen officier over.” - -„Moet het bepaald een officier wezen?” - -„Als het kan, liefst wel.” - -„Goed. Ik zal het doen en het u van middag laten weten.” - -„Asjeblieft! Je zult me er een groot genoegen mee doen.” - -Hij drukte dankbaar de hand van den militairen dokter en ging heen; -maar onder het wegrijden mopperde hij bij zichzelven. Het was eeuwig -jammer, vond hij, dat deze man zoo vredelievend was; hijzelf zou nu -niets liever doen dan vechten; nu er verhindering kwam, geraakte hij in -een buitengewoon strijdlustigen toestand; hoe moorddadiger de gevolgen -waren, des te liever. Het duurde maar ’n paar minuten, want hij verviel -weer in zijn visioenen, zoodat hem de koetsier met luider stem moest -roepen, toen het rijtuig voor ’t kantoor stilhield en de notaris vergat -uit te stappen. - -Een uur of wat later kwam er een briefje, het was kort en bondig: een -duel werd niet noodig geacht, meer niet. Intusschen gebeurde er veel -waarvan hij geen flauw vermoeden had. De man, dien hij geraadpleegd -had, was bij den resident geweest; deze had kapitein De Grijs laten -roepen, en men had „geconfereerd.” - -„Van ’n duel mag niets komen,” meende de resident. „Vooreerst houd ik -den man voor physiek ontoerekenbaar.” - -„Ik ook,” zei de dokter. - -En toen de anderen iets daartegen wilden inbrengen, schudde hij het -hoofd, onwillig, en vervolgde: - -„Het is mogelijk, dat hij iets heeft ingekregen en ’n beetje abnormaal -is,—zijn verstand is niet gekrenkt: hij weet heel goed, wat hij zegt en -doet.” - -„Ten tweede,” ging de resident voort, „zouden wij er Borne een -vreemdsoortigen dienst mee bewijzen, daar het slechts tot meer opspraak -zou leiden.” - -„Dat is waar,” erkende de kapitein. „Overigens behoef ik me persoonlijk -niet beleedigd te gevoelen.” - -„Neen,” zei de dokter, „daar is geen sprake van.” - -„Doch laat hem voorzichtig zijn, want mocht het zóóver komen....” - -„U schijnt hem te haten.” - -De kapitein keek den dokter aan met vasten blik. - -„Ja,” zei hij, „ik mag hem niet.” - -„Nu, laat ons daarop niet verder doorgaan. Men heeft zijn sympathieën -en antipathieën. Het doet trouwens ter zake niets; wij, de kapitein en -ik, moeten nu overleggen wat ons te doen staat.” - -Daar de kapitein er momenteel althans geen raad op wist, zweeg hij. - -„Mijn vrouw,” ging de resident voort, „bezoekt elken dag mevrouw -Bronkhorst. Wat er ook gebeurt, zij zal haar bijstaan.” - -„Dat is een groote steun,” zei de dokter, en hij kon een glimlach onder -zijn knevel en een stil gevoel van medelijden met Bronkhorst niet -onderdrukken, bij het denken aan het vrouwelijk hoofd van bestuur, met -wier karakter en woordenrijkdom niet viel te spotten. - -„Als u nu eens met Bronkhorst sprak,” opperde de kapitein. - -„Ik vrees, dat het niet baten zal; ik wilde het met genoegen doen, maar -hoogstwaarschijnlijk zal hij mij evenzoo bejegenen, als hij het u heeft -gedaan, en dat is voor mijn prestige, als hoofd van bestuur, erger dan -voor u. Als hij mij beleedigen mocht, kan ik hem niet uitdagen.” - -Alle drie zwegen stil. Het was waar, dat voelden ze; maar een uitweg -lag er niet in. - -Toch moest er iets gedaan worden, althans de resident en kapitein De -Grijs achtten zich daartoe verplicht tegenover Borne. - -„Heeft zij geen andere familie?” vroeg de kapitein. - -Verrast keek de resident hem aan. Het was een idée! - -„Dat is waar ook! Welzeker, zij heeft een zuster, die getrouwd is met -een controleur.” - -„Zou die ons niet kunnen helpen?” - -„Welzeker. Ik zal er werk van maken. Het zal ’n dag of wat duren.... ’n -week misschien.... Dan kunnen we verder zien.” - -En zóó gingen ze uitéén, zonder een bepaald plan, geen van drieën -besloten omtrent hetgeen te doen viel, de kapitein en de dokter onder -den indruk, dat het haast onmogelijk was een afdoenden maatregel te -nemen, en de resident met een denkbeeld in het hoofd. Hij kende den man -van Lidia; ’t was een goed ambtenaar, die „ter beschikking” onder hem -had gediend tijdens hij nog assistent was; hij kende ook ’t vrouwtje, -dat verduiveld bij de hand was, en hij zou die luitjes trachten over te -halen, hun plicht te doen als naaste bloedverwanten. - -Bronkhorst kon niet werken; hij was tot niets in staat; werktuiglijk -teekende hij de stukken, nadat hij ze gelezen en den inhoud òf niet -begrepen had òf reeds weer vergeten was. Hij ging naar huis. Er moest -nog meer gebeuren. Hij had A gezegd, en B zeggen moest hij ook. Tot een -scheiding moest het komen en bij zichzelven zei hij het den kapitein De -Grijs na: goedschiks of kwaadschiks. Driftig liep hij de galerij door, -die zijn huis en kantoor verbond; het gloeiend zonlicht, dat hem -tegensloeg, hinderde hem; hij kneep er zuchtend de fletse oogen voor -dicht. Doch toen hij de trap naar de voorgalerij beklom, omdat hij niet -achter wilde binnenkomen, was zijn driftig aangeloopen voornemen deels -weer teruggezonken. Toch was hij willens, dadelijk met Marie te -spreken, weer op de scheiding terug te komen, opnieuw te argumenteeren, -aan te dringen en onaangenaam te zijn. - -Maar toen hij onder de marquise ter zijde van het huis de bekende coupé -van den resident zag, ontzonk hem voor het oogenblik zijn besluit -geheel, en ging hij gauw zijn kamer binnen. Wat was dat toch? Hoe kwam -het dat er nu altijd dames-visite was bij zijn vrouw? Het leek wel een -bondgenootschap, en Bronkhorst zag dit ondanks zijn verwarde -denkbeelden vrij duidelijk in. Het was een stil bondgenootschap. -Niemand had iets met de anderen afgesproken, maar op deze kleine -plaats, waar men elkaar zoo goed kende, was het alsof tegenover het -gevaar, dat mevrouw Bronkhorst bedreigde, elke fatsoenlijke vrouw zich -genoopt vond door openbaar betoon van belangstelling en vriendschap, -als het ware een beschermende hand over haar uit te strekken. En van al -die dames-bezoeksters vreesde Bronkhorst er geen zoozeer als de vrouw -van den resident. - -Eenmaal in zijn kamer, achterover liggend in zijn luierstoel, ontging -hem de lust tot actie; hij sliep in, moe van de vele slapelooze -nachten, die hij doorbracht. Toen zijn bediende hem kwam roepen, stond -hij op, rekte zich uit en viel weer neer op een divan. - -Marie liet niets van zich hooren. Zij liet het huishouden nu -voornamelijk aan de bedienden over, zich uitsluitend met de kinderen -bemoeiend. Toen het donker was, ’s avonds, liet hij inspannen en ging -eten bij Betsy. - -Den volgenden dag rijsttafelde hij bij haar, en ’s avonds ging hij er -ook heen; te huis kwam hij alleen slapen, op zijn kantoor niet veel -meer dan soezen. - -Doch, hetzij de terugslag op zijn gezondheid vanzelf zoo krachtig -opkwam, hetzij Sarinah zich vergist had en hem meer had toegediend dan -hij kon verdragen,—aan het einde der week werd hij op een ochtend -wakker met zware koorts. - -Hij zond een boodschap naar het kantoor en hield het bed. Een dokter -wilde hij niet laten komen; met wat quinine, meende hij, zou het wel -klaar spelen. Maar de pillen, die hij innam, hadden weinig werking en -de koorts hield aan. Zijn stemming wisselde daarbij telkens af; van -sombere, droefgeestige gedachten, sloeg hij zonder overgang of oorzaak -tot zijn gewone aangename visioenen over, waarin Betsy de hoofdrol -speelde, en van die visioenen ging het plotseling weer tot de -vroolijke, dwaze droombeelden uit zijn Sturm-und-Drang-periode, toen -hij als jongeling le jeu, le vin, les belles najoeg. In een der -oogenblikken, dat zich zulke malle geestvervoeringen van hem meester -maakten, werd de deur zijner kamer zacht geopend. - -Marie kwam naar hem zien. Zij had gehoord, dat hij zich ziek liet -melden aan zijn candidaat, op wiens schouders toch alles rustte. Het -had haar heel wat strijd gekost, eer ze het eens was met zichzelve; eer -ze zóóver haar trots had verzaakt, dat ze bereid was naar hem te gaan -zien en vragen of hij ook iets noodig had. Maar toen zij zacht de -kamerdeur opende, schrikte zij. Hij lag te zingen; niet goed in de wijs -en eenigszins tegen den toon aan, maar hij zong toch, en zij kon de -woorden verstaan; de woorden van een obsceen Fransch liedje, die ze -maar half verstond, doch voor de andere helft wel raden kon. - -Verschrikt trok zij de deur dicht. Was hij dan reeds zóó -gedemoraliseerd, dat hij hardop zulke liederen zong; hij, die daar -vroeger zelfs niet aan gedacht zou hebben, en die slechts uitspattingen -aan jongelieden veroorloofde? Hij, die anders een man van vormen was, -lag daar nu.... Het scheen haar zulk een onmogelijkheid, dat ze haar -hoofd met beide handen vastgreep, als vreezende, dat haar verstand haar -zou ontsnappen. Wat moest ze doen? Ze wist het niet. Ze durfde geen -dokter te laten halen, omdat hij het niet had gelast, en ze had toch ’t -gevoel, dat hij ziek was en geneeskundige hulp noodig had. Toen -overmande zij haar afkeer en ging terug naar zijn kamer. - -„Zal ik om den dokter zenden?” - -Zij had haar best gedaan om een welwillenden toon aan te slaan, maar -het gelukte niet; haar stem klonk onvriendelijk en stug; zóóveel -zelfbeheersching bezat ze nog niet, en Bronkhorst schrikte er van, want -hij had nu, op dit oogenblik, een stil, liefelijk droomgezicht, en hij -had Marie niet zien binnenkomen. - -„Dank je; als ik een dokter noodig heb, zal ik wel om hem zenden.” - -„Het is misschien beter, dat de dokter beoordeelt, wat noodig is.” - -„Nog eens; ik wil geen dokter.” - -Het hinderde hem haar te zien en hij ging op de andere zijde liggen, -met zijn rug naar haar toe. - -„Als je iets mocht noodig hebben.... limonade of....” - -„Ik heb niets noodig.” - -En zich plotseling naar haar toekeerend: - -„Heb je er nu over nagedacht?” - -Het sluitend samentrekken van haar mond bewees, dat ze den zin zijner -woorden begreep. - -„Waarover?” - -„Dat is maar ’n vraag voor de leus. Je weet heel goed, dat ik mijn -voorstel bedoel.” - -Maar zij was even koppig als de vorige maal, en ze wilde nu ook de -eerste niet wezen, die het woord uitsprak. - -„Ik weet van geen voorstel.” - -„Maak me niet gek met zulk een nonsens,” riep hij, de hand door het -haar strijkend. „Zeg nu, dat je verstandig en behoorlijk wilt wezen, en -er in toestemt te scheiden.” - -„Wij scheiden niet!” - -„Dat kan je zoo niet bedoelen!” riep hij met toorn en wanhoop. „Dat kan -je onmogelijk zóó bedoelen. Het is toch onzinnig ons allen te dwingen -ongelukkig te zijn.” - -Zij gaf eerst geen verder antwoord; maar voor een oogenblik bekroop -haar het verlangen hem eens te hooren vertellen, hoe hij er verder over -gedacht had. - -„En hoe zou dat dan moeten gebeuren?” - -Hij richtte zich op; het was, meende hij, een stap nader en zoo goed -hij kon zette hij uiteen hoe zij hem moest aanklagen wegens overspel, -wat er verder te doen stond, en hoe hij zich zou laten veroordeelen bij -verstek. Binnen ’n paar minuten sprak hij niet meer vooronderstellender -wijze, maar op een toon, alsof de scheiding een vastgesteld plan was. -Toen hij vermoeid van het spreken van de inspanning om niet af te -dwalen stilhield, zei Marie: - -„Ik heb dat maar eens van je willen hooren. Overigens: wij scheiden -niet!” - -Hij zag haar een oogenblik aan met groote, verbijsterde oogen. Toen -werd hij woest, sprong het bed uit en maakte een scène van geweld. Als -altijd wilde zij zonder te antwoorden heengaan, en deed ook de deur -open en keerde hem den rug toe. Plotseling voelde ze, dat hij haar bij -de schouders greep, en met een geweldigen duw vooruitschoof in de -binnengalerij, waar ze glijdend over het gladde marmer zou gevallen -zijn, als zij zich niet had gegrepen aan een portière. - -„Ziedaar!” had ze hem hooren roepen met schorre stem. „Ziedaar, beest!” -en daarna sloeg hij met geweld zijn kamerdeur achter haar dicht. - -Marie kwam doodsbleek in de achtergalerij, waar de vrouw van den -resident zat, die intusschen haar nu bijna regel geworden ochtendvisite -maakte. Weenend vertelde mevrouw Bronkhorst tot hoever het nu met hem -gekomen was, en bij haar smart, en onder de vriendelijke troostwoorden -van haar nieuwe vriendin, hadden ze er geen van beiden op gelet, dat -een dos-à-dos stil hield voor de deur; ze hoorden alleen een haastigen -tred in de galerij, en zagen nog net, dat een vrouw in sarong en -kabaja, de kamer van Bronkhorst binnendrong. - -Zelfs de inlanders, hoe zich ook om zulk een geval amuseerden, schenen -dit te erg te vinden, want de binnenjongen kwam met een eenigzins -ontsteld gezicht naar achteren, en zei dat itoe njonja in mijnheers -kamer was gegaan. - -Na de eerste seconden van onsteltenis, sloeg thans Marie tot woede -over; driftig stond zij van haar stoel op. - -„Dat zal dan toch niet gebeuren in mijn eigen huis!” riep ze, terwijl -ze de kamer wilde binnengaan; maar de residentsvrouw hield haar terug, -en die moest daartoe bepaald geweld gebruiken, zoo opgewonden was ze. -„Kind, houd je nu goed. Blijf nu kalm. Laat het aan mij over.” - -„Ik zal haar de deur uitgooien.” - -„Wees nu stil, en ga weer zitten. Laat mij dat nu eens doen, -Marie-lief. Jij zoudt onberaden handelen. Ik zal even met haar praten, -en dan zal ze nooit terugkomen, dat verzeker ik je.” - -Het kostte heel wat moeite, Marie daartoe te bewegen, maar het gelukte -toch. Beide vrouwen zaten te wachten, loerend met onheilspellende oogen -en opeengeklemde lippen tusschen de portières door naar de deur der -kamer. En toen die eindelijk openging, stond het vrouwelijk hoofd van -het gewestelijk bestuur op, met een snelle handbeweging Marie bevelend -stil te blijven zitten, en in een ommezien had ze zich van Betsy -meester gemaakt, die weer even vlug naar het wachtend voertuig wilde -gaan, als ze was binnengekomen, - -’t Had voor haar niet slechter kunnen treffen, dan dat juist dien dag -Bronkhorst ziek was en niet komen kon. Hij keek wel een beetje -verwonderd over haar komst, maar zoo heel erg niet. Hij zag haar immers -altijd en overal. - -„Hoe gaat het?” vroeg ze. - -„Zoo! Ik zou haast zeggen iets beter, nu ik je zie.” - -Zij zuchtte en ging op een stoel zitten naast het ledikant. - -„God, Jean, het is zoo dood ongelukkig, dat je nu juist ziek bent.” - -„Wat is er dan gebeurd?” vroeg hij verschrikt. - -Zij hield haar zakdoek voor de oogen en weende werkelijke tranen van -woede en vrees. - -„Maar wat is er dan?” herhaalde hij. - -„Ze willen me weg hebben; ze willen me met geweld dwingen heen te -gaan.” - -Met moeite hield hij een vloek binnen; zijn wenkbrauwen trokken samen. - -„Ik zou wel eens willen weten, wie dat durfde ondernemen.” - -„Allemaal, Jean, allemaal. Ze spannen allen één lijn; tot mevrouw Duhr -toe.” - -„Maar lieve Bets, zeg dan toch in ’s hemelsnaam wie!” - -Zij gaf nog geen antwoord; en toen hij opnieuw bij haar aandrong, -vleiend en liefkoozend, snikte zij: - -„Lidia is onverwacht gekomen.” - -Het bericht imponeerde hem; een oogenblik keek hij haar versuft aan. - -„Je zuster Lidia?” herhaalde hij. - -„Ja.... met haar man.” - -„Welnu, jaag ze weg, als ze je vervelen.” - -„Het is gemakkelijk gezegd.... Het zou me ook niet helpen.... Ik ben -niet tegen haar opgewassen.... Ze zouden me mishandelen.... Die Lidia -is zoo’n feeks.” - -„Maar je eigen zuster.” - -„Och, dat is het juist.... Als het geen familie was.... Maar zij, en -haar man vooral!” - -Bronkhorst stoof op; hij vergat zijn koorts en liep met dreunenden stap -op zijn sloffen heen en weer, dien zwager van haar verwenschend. Doch -hij zou wel eens willen zien! Hij zou dien meneer aan ’t verstand -brengen, dat deze zich inliet met dingen, die hem niet aangingen, net -als hij het dien kapitein.... - -„Die is er ook al geweest!” zei Betsy nog snikkend in haar kanten -zakdoek. - -„Wat?” - -„En de resident ook. Ze hebben me letterlijk overvallen.” - -Bronkhorst stond er nu geheel verstomd van. - -„Het was bij allen hetzelfde lied: ik moest weg; weg van jou!” - -Met groote krachtsinspanning bedwong hij een opkomende geweldige -neiging om te gaan liggen; hij rekte zich uit en hief met deftigheid -het hoofd op. - -„Dan zal ik dadelijk met je mee gaan.” - -Zijn stem en het beven zijner handen, toen hij zijn knevels opstreek, -waren in strijd met zijn gemaakte houding. - -„Neen Jean, nu niet.... Van avond.” - -„Ik ga oogenblikkelijk mee.” - -Doch zij wilde het niet gedoogen; ze zag heel goed, dat hij ziek was, -en zijn komst in dien toestand niets dan standjes en schandaal kon -uitwerken. - -„Ga eerst slapen, Jean,” verzocht ze vleiend. „Heusch, dat moet je -doen. Ze zullen me immers niet opeten! En als je dan van avond beter -bent, kom dan tegen zeven uren, ja? En blijf den heelen avond.” - -„Ik zou liever nu gaan.” - -’t Was om zich een houding te geven, dat hij het volhield, maar de -waarheid was, dat hij zich letterlijk op gevoelde. - -„Ik ga nu heen, Jean. Het was een waagstuk, hè? hier te komen. Ik kon -je niet van alles onkundig laten.” - -Hij kuste haar; hij was dankbaar, dat ze gekomen was. - -„Tot van avond dan, Jean.” - -„Zonder fout.” - -„Als je beter bent.” - -„In elk geval, Betslief; ik zou het hier toch niet kunnen uithouden.” - -Toen ze weg was, zonk hij ineen op zijn ledikant; zijn zware oogleden -vielen dicht en voor eenige minuten verkeerde hij in een staat van -verdooving, met een gevoel van absentie, als iemand, die in -hypnotischen staat geraakt. En in diezelfde oogenblikken was het ook -Betsy, alsof ze gebiologeerd werd. Ze had, toen ze wegliep naar haar -voertuig, met schrik een pijnlijken greep gevoeld om haar ronden pols, -en toen ze snel omkeek, zag ze dat het de vrouw van den resident was, -die haar nu in een der zijkamertjes naast de voorgalerij trok. Daar -werd haar gelast te gaan zitten; daar zat, dicht naast haar, de -residentsvrouw met haar ernstig, onheilspellend gezicht, den stekenden -blik uit haar grijze oogjes en de scherpe trekken van -onverzettelijkheid om den mond,—en daar werd haar de waarheid gezegd. -Goede hemel! Zij zat er bij, krijtwit, zonder dat ze een woord kon -zeggen. - -Bij dien verbijsterenden woordenvloed, haar afschilderend als de -belichaamde verdorvenheid, waren Lidia’s ruwe, onomwonden verwijten -kinderspel. Na al de emotie van dien dag, suisde het haar in de ooren -als den zeeman het opkomend, verwarrend geloei van den kringstorm. Zij -sloot er de oogen bij; het gonsde om haar heen; zij verstond het nog -maar half, en die helft was toch voldoende om haar te doen trillen van -woede en pijn bij elke nieuwe beleediging. Toen ze er het beetje kracht -voor vond, dat ze noodig had, sloeg zij haar handen voor de ooren, -vloog het vertrek uit en de dos-à-dos in. - -Eerst toen ze thuis kwam en in haar kamer was, brak het los. Op -gillenden toon vertelde zij aan Lidia, hoe ze dáár was behandeld, en -haar zuster, die het niet meer dan hoogst natuurlijk vond, begreep -niets van deze ontroering en verontwaardiging, tot ze Betsy plotseling -zich vast zag houden aan de tafel. Zij greep haar en liet haar neer op -een bank; en daar ging het gillen voort, maar nu zonder woorden en -afgebroken door een luiden, lang aanhoudenden lach, die, uit de -zenuwwerking voortkomend, op anderer zenuwen werkte. Het was een -consternatie, waarbij voor een oogenblik alle grieven en alle -bedoelingen werden vergeten. Mevrouw Duhr, de zwager, Sarinah,—allen -stormden de kamer binnen; Lidia riep om azijn; in een oogwenk kwam de -bejaarde hospita, zelve in de hoogste mate zenuwachtig, met een flesch -van achteren; alle handen grepen er naar, zonder verder te zien, -vervuld met het idee, dat het goed was om iemand, die het op de zenuwen -heeft, ’t hoofd en de polsen met azijn nat te maken, en dat dit niet -beter kon geschieden, dan door wat uit de flesch te gieten. En terwijl -allen zich beijverden, stroomde uit de azijnflesch een zwarte gulp, die -in vuile, dikke straaltjes over het gezicht en in den hals van Betsy -liep. - -„Schei uit! Het is inkt,” riep de man van Lidia met een vloek. - -Iedereen schrikte er van en was er verlegen mee. Mevrouw Duhr keek erg -onthutst voor zich; de controleur had zich omgekeerd en proestte van -het lachen. - -„Ik kon het heusch niet helpen,” stamelde de huisvrouw. „De flesschen -zijn precies eender.” - -Betsy gilde niet meer; het woord „inkt” scheen meer kalmeerend op haar -zenuwen te hebben gewerkt, dan azijn bij mogelijkheid doen kon. Lidia, -die het gesmoorde grinniken van haar man hoorde, moest zich geweld -aandoen, en slikte telkens een opkomenden lach weer in. Ze had -onwillekeurig met haar zakdoek een veeg gegeven over ’t gezicht van -Betsy, toen ze het zwarte vocht zag, en dat had ’t spektakel nog -verergerd; Betsy zag er verschrikkelijk uit. - -„Kom,” zei Lidia, ziende hoe goed in elk geval het middel had geholpen. -„Je moogt je wel gaan wasschen. Mevrouw Duhr heeft bij vergissing....” - -Zij kon niet verder, want Betsy had zich opgericht, en zag er nu met -haar gezicht als een schoorsteenveger in functie, zóó gek uit, dat het -onmogelijk was voor Lidia haar sérieux te bewaren. Een oogenblik keek -Betsy haar aan alsof ze niets begreep, daarop liep zij naar het toilet, -keek in den spiegel en begon te huilen. - -„Wees niet kinderachtig,” zei Lidia ruw, terwijl intusschen haar -lachlust door de tranen harer zuster bedaard was. „Wees niet -kinderachtig; het is maar ’n beetje inkt; met water en zeep is het weer -schoon, je bent waarachtig anders voor zoo’n klein geruchtje niet -vervaard!” - -Maar het was gemakkelijker gezegd dan gedaan; het toeval scheen te -willen, dat mevrouw Duhr een supérieure qualiteit inkt gebruikte, -uiterst geschikt tot het merken van menschenhuiden,—althans ofschoon -Betsy geweldig poetste hield zij over een deel van haar hals en haar -gelaat een sterk uitgedrukte violet-achtige tint, wat haar foeileelijk -maakte en Lidia aanleiding gaf tot de openhartige verklaring: „Je ziet -er wezenlijk niet kwaad uit in je gewone doen, maar er behoeft niet -veel bij te komen om je ’n monster te maken.” - -Betsy zelf wist, dat het waar was, en ’t maakte haar wanhopig. Dat dit -juist nu moest gebeuren! Ze schreef een briefje aan Bronkhorst om maar -liever dien avond niet te komen; doch het was olie in het vuur. Tegen -zeven uren reed zijn rijtuig het erf op; ze had het bekende geluid in -de verte gehoord, en had zich de haren wel uit het hoofd kunnen trekken -van woede en spijt, dat ze nu in haar kamer was en niet voor den dag -kon komen met die tot over haar neus loopende tatouage, waarvoor zelfs -geen bedaq wilde helpen. Handenwringend liep ze haar kamer op en neer; -ze zou toch maar gaan; er hing te veel van af; misschien zou hij in -zijn opgewonden toestand niet eens bemerken, hoe gek zij er uit zag; in -elk geval: ze kon het niet op zijn beloop laten; haar zwager en Lidia -zaten voor in de galerij en God weet, dacht ze, met welke standjes die -ontmoeting zou afloopen, en wat daarvan voor haar de resultaten zouden -zijn; ze moest daarbij wezen, en ze deed de deur open. - -„Waar wil je heen?” vroeg Lidia, die plotseling vlak voor haar stond. - -„Het gaat je niet aan. Laat me door!” - -„Ik denk er niet aan. Je blijft hier!” - -En Lidia wilde de deur openen, maar Betsy wierp zich in de opening en -drong naar voren. Toen sloeg haar zuster de armen om haar midden, nam -haar op, wierp haar letterlijk de kamer in en sloot de deur. - -„Ziezoo!” zei ze, terwijl Betsy leunend op de wankele ronde tafel, een -oogenblik verbijsterd stond. „Ziezoo! Nu wil ik eens zien of jij voor -’t schandaal van onze familie zult spelen, als ik er bij ben.” - -„Ik wil er uit,” siste Betsy, terwijl ze weer op de deur aanvloog, met -gekromde vingers, tot krabben gereed, en ’t schuim van woede op den -grond. Maar Lidia hield haar tegen, en ze vochten letterlijk. Het -duurde niet lang, ’n paar minuten hoogstens; daarna had Betsy het weer -erg op de zenuwen en lag gillend op den divan, nu met een hoogroode -kleur van de klappen links en rechts in ’t gezicht, die haar zuster -haar had toegediend. En Lidia, met de vuurroode streep van een -venijnige krab in den hals, stond naast den divan en drukte haar -zakdoek op den mond van Betsy om ’t geluid van het gillen en schreeuwen -te verdooven, want ze hoorde op dat oogenblik Bronkhorst nog in de -voorgalerij. - -Hij was binnengekomen, onberispelijk gekleed, en toen hij een vreemden -heer zag, die in gezelschap van mevrouw Duhr aan de tafel zat, waar hij -gewoonlijk met Betsy plaats nam, had hij ’n zeker air van voornaamheid -aangenomen. - -„Goeden avond, mevrouw!.... Goeden avond (tegen den controleur).... Is -mevrouw Den Ekster thuis?” - -„Ja, mevrouw Den Ekster is thuis,” antwoordde de controleur, ofschoon -de vraag in het geheel niet tot hem was gericht. „Mevrouw Den Ekster is -thuis; ik ben haar zwager.” - -Bronkhorst boog even het hoofd. - -„Als mevrouw Den Ekster thuis is, wenschte ik haar gaarne even te -spreken.” - -„Mevrouw Den Ekster is voor u niet te spreken.” - -Noch de woorden, noch de toon lieten ook maar den minsten twijfel toe -aan de bedoeling. Bronkhorst nam den zwager eens op van ’t hoofd tot de -voeten, en zich toen opnieuw tot mevrouw Duhr wendend, vroeg hij: - -„Wilt u wel zoo goed wezen?” - -Maar het mensch bewoog zich niet en keek verlegen voor zich. - -„U hebt hier niets te doen,” vervolgde de controleur, „en het is wel -een bewijs van verregaande onbeschaamdheid, hier te komen, terwijl mijn -vrouw en ik hier zijn.” - -Die „onbeschaamdheid” viel Bronkhorst vreemd op het lijf. Sedert de -laatste maanden betaalde hij de huur van het huis, omdat mevrouw Duhr -zoo slecht bij kas was, en nu heette het onbeschaamd.... - -„Het is onbeschaamd van u zelf om in dit huis zulk een toon te voeren; -dat weet mevrouw Duhr het best.” - -En toen deze in haar stilzwijgen volhardde, ging hij voort: „Ik zal van -uw praatjes geen verdere notitie nemen en zelf naar mevrouw Den Ekster -gaan zien.” - -„Dat zullen we eens zien!” riep de jonge man, bleek van toorn. -„Onbeschaamde vlegel, als je niet maakt, dat je weg komt....” - -Bronkhorst hief zijn stok op. - -„Ga daar vandaan,” zei hij tusschen de tanden tot den man, die hem den -weg versperde. „Ga daar vandaan of ik sla je dood!” - -„Ik ontzeg u mijn huis,” riep mevrouw Duhr, wier tong eindelijk scheen -los te komen. „Ik ontzeg u mijn huis. Ga heen, of ik roep de politie, -en laat u de deur uitgooien.” - -Het woord „politie” maakte een overweldigenden indruk op hem. Hij was -wel abnormaal, maar het denkbeeld, dat hij, de notaris Bronkhorst, -ergens door „de politie” buiten de deur zou gezet worden, was hem toch -te sterk. - -„Zoo,” beet hij, zich omwendend, het arme, in doodsangst zittende -mensch toe. „Zoo, zou jij de politie roepen, om mij uit jou huis te laten -gooien?” - -„U kunt wel wat fatsoenlijker spreken,” zei Betsy’s zwager kwaadaardig. -„Het komt volstrekt niet te pas hier te jijen en te jouwen.” - -„Ik heb niets met u te maken, meneer.” - -„Och kom! Dat zal ik u dan eens laten zien.—U wilt dat deze man -vertrekt, nietwaar mevrouw?” - -„Ja,” zei mevrouw Duhr nauwelijks hoorbaar. - -De controleur boog zich over de balustrade van het galerijtje en riep. -Een oogenblik later liepen zes oppassers van politie, achter de pagger -verscholen, het erf op. - -„Nu gaan, of er uit gezet worden,” zei de jonge man beslist. - -In machtelooze woede dreigde Bronkhorst weer met zijn rotting; hij -beefde als een riet, van opgewondenheid, liep zwijgend het trapje af, -en stapte in zijn coupé; de staljongen sloeg met een harden slag de -deur dicht, en onder luid getrappel van de hoeven der groote paarden op -de kleine rolsteentjes van het voorerf, reed hij weg. - -In het rijtuig liet hij zich achterover zakken in de kussens; hij kon -niet meer; het kleeden en uitgaan hadden hem reeds ontzaglijk veel -inspanning gekost,—deze zenuwachtige scène was hem te veel. Voor het -oogenblik was hij tot niets in staat, en hij liet zich lijdelijk het -erf oprijden van zijn huis. - -Haast waggelend ging hij rechtstreeks naar zijn kamer en ontkleedde -zich, doch terwijl hij hiermede bezig was, overviel hem weer plotseling -een vlaag van teugellooze woede. Met een driftigen duw stiet hij een -venster open en schreeuwde zijn koetsier toe, dat het rijtuig nogmaals -vóór moest komen. - -„Gilah!” bromde zachtjes de koetsier, die bijna gereed was met -uitspannen. - -„Ya,” zong de staljongen klagend. - -In het schemerdonker voor de wagenkamer namen ze met onwillige hand de -tuigen weer op, en begonnen mopperend en uiterst langzaam opnieuw in te -spannen. Bronkhorst was spoedig weer gekleed, en lang voor het rijtuig -voorkwam, liep hij, tierend van ongeduld, in de voorgalerij heen en -weer. - -De officier van gezondheid keek vreemd op van deze ongelegen visite, -hem, bij wijze van dessert, juist na zijn maaltijd gebracht. - -Vertrouwelijk schoof Bronkhorst zijn stoel naderbij. - -„Ik ben beleedigd,” zei hij. - -„Alweer?” vroeg de dokter lachend. - -„Ik verzoek u er niet om te lachen; het is een ernstig geval; ik moet -satisfactie hebben.” - -„Zoo, is het ditmaal ernstig? Nu, als u het dan maar eens wilt -vertellen.” - -Bronkhorst deed ’t verhaal op zijn manier; hij lette er niet op, dat -des dokters gelaat onder het luisteren niet vriendelijker werd. - -„U begrijpt, dat ik het er niet bij kan laten.” - -„Het is mogelijk. Wat ik zeker weet, is, dat ik in dit geval volstrekt -niet bereid ben u van dienst te zijn.” - -„Mag ik vragen waarom niet?” - -„Zeker, u hebt die dame....” - -„Ik verzoek u te gelooven....” - -„Ik geloof niets; ik zeg, wat ik weet. U hebt mevrouw Den Ekster in -opspraak gebracht.” - -Vruchteloos wilde Bronkhorst protesteeren. „U hebt haar in opspraak -gebracht,” herhaalde de dokter met den voet op den grond stampend, en -eenigzins heftig, „en dat paste u niet. Een ongetrouwd man past zoo -iets niet. Van u was het dubbel erg.” - -„Maar mijn goede heer....” - -„Neen, notaris, er valt hier niets te goede heeren. Wat ik zeg is waar, -dat weet en erkent iedereen, behalve u.” - -Wezenloos keek Bronkhorst voor zich uit. - -„In Godsnaam dan,” zuchtte hij met wanhopige onderwerping. - -„Ik zal er wel voor oppassen,” ging de dokter voort, „dat ik haar -familie niet tegenwerk. Die menschen komen hier en ontzien moeite, -kosten noch onaangenaamheden, om haar te redden....” - -„Te redden?” - -„Ja, van u.” - -„Zoo! Nu, dan heb ik de eer u te groeten.” - -Hij ging hier niet weg als een razende, maar langzaam en met zekere -waardigheid tot zelfs in de manier, waarop hij hoed en stok nam. - -Terwijl Bronkhorst dus werd afgescheept, vertelde Betsy’s zwager den -resident, wat er bij mevrouw Duhr was voorgevallen. - -„Het is nu ’t geschikte moment,” meende de resident. - -„Er is anders niet veel met haar te beginnen. Mijn vrouw heeft haar met -geweld moeten beletten naar voren te komen.” - -„’t Is jammer, dat ik me er persoonlijk niet mee kan bemoeien.” - -„Ja,” stemde de controleur toe, in goeden ernst aan de almacht -geloovend. - -„Als ik mijn vrouw eens vroeg?.... - -„Ja.... als dát kon....” - -Ditmaal huichelde hij; het denkbeeld Betsy mee te nemen, hetzij door -overreding of met zachten dwang, lachte hem volstrekt niet toe. Wel -deed hij er den resident, die daarop zeer gesteld scheen, een dienst -mee, welke ter gelegener tijd allicht beloond kon worden, maar hij was -bang voor hoogloopende onaangenaamheden met zijn flinke, goede en -openhartige, maar allesbehalve zachtzinnige Lidia, die erg jaloersch -was en in de minste familiariteit veel meer zou zien, dan ’t was. - -„Wacht hier even,” zei de resident, „ik zal het haar gaan vragen.” - -Het duurde wel tien minuten vóór mevrouw haar toestemming gaf. „Ik -wilde met dat gemeene schepsel eigenlijk niet meer in aanraking komen. -Ik heb haar eens en voorgoed gezegd waar het op stond. Als ik het doe, -is het voor die arme mevrouw Bronkhorst. Van avond bemoei ik me er in -geen geval meer mee.” - -„Het is maar,” zeide de controleur, „dat ik moeilijk langer kan -blijven.” - -„Nu ja! Enfin, ik kom morgenochtend vroeg; we zullen dan wel zien.” - -Toen ze, haar woord gestand, reeds vroeg de nederige woning van de -weduwe Duhr betrad, bleek haar komst overbodig. - -„Het is wel lief van u,” zei Lidia, „dat u gekomen bent, maar het is al -beslist, en de reiswagen komt zoo dadelijk voor.” - -„Hoe is het gegaan?” vroeg de residentsvrouw nieuwsgierig. - -„We hebben een heel onaangenamen nacht gehad.—U weet wel van dien -inkt?....” - -„Ja, ja, die jullie haar in plaats van azijn.... ha, ha!” - -„Er schijnt inkt in haar rechteroog te zijn gekomen. Van nacht is dat -erg opgezwollen: nu is het zeer dik en ontstoken.” - -„Heb je den dokter laten roepen?” - -„Och neen. Ik zal dat met wat inlandsche medicijn wel beter maken, als -we maar eerst bij mij thuis zijn.” - -„En toen?” - -„Wat bedoelt u?” vroeg Lidia, die suf en slaperig was. - -„Wel, na dat oog. Hoe heb je er haar toen toe gekregen?” - -„O ja! Wel, ziet u, ze was wanhopig, en ik heb haar toen aan het -verstand gebracht, dat ze weg moest. En haar oude meid....” - -„Dat spook, die Sarinah?” - -„Zij is al zooveel jaren in onzen dienst.” - -„Krakallen moest ze, aan den weg!” - -„Maar néh zei toch ook, dat Betsy maar mee moest gaan.” - -„Ze werd zeker bang!” - -„Het is wel mogelijk! Enfin, ze gaat nu mee,” eindigde Lidia met een -diepen zucht. - -„Dan ga ik maar weg. Ik heb geen lust haar noodeloos te zien. Adieu! -Als je wat noodig hebt.... je kent mijn adres.” - -Het was een curieuze uittocht, toen de reiswagen voorkwam. Met een -sjaaltje om haar pijnlijk oog, huilende en voetje voor voetje loopend, -als een zware zieke, links door Lidia, rechts door mevrouw Duhr -ondersteund, kwam Betsy naar buiten; zoo werd ze in het rijtuig -geholpen. En de aanstellerij bracht effect teweeg; zij ontroerde de -vrouw des huizes tot tranen toe, maakte Lidia zenuwachtig en stemde -haar momenteel tot medelijden en zachtzinnigheid; zelfs de controleur -keek minder norsch naar zijn schoonzuster, en voelde zich eenigszins -begaan met haar lot, telkens als gedurende dezen uittocht, een klagend -gesteun achter den zakdoek vandaan kwam, die Betsy voor ’t niet -ingebakerde deel van haar gezicht hield. Sarinah sloot den stoet -steunend en onverstaanbare woorden kauwend in haar tandeloozen mond. - - - -Veertig dagen waren sedert dien ochtend in eenvormigheid voorbijgegaan; -veertigmalen had de opgaande zon de hooge witte schoorsteenen der -fabrieken in de buurt doen schitteren boven de dan nog in ’t -halfduister liggende velden. De perkara—Bronkhorst werd nog slechts -zelden besproken. Slechte berichten over suikerprijzen uit Europa, een -schandaal-proces op Java, een opiumaanhaling vol knoeierige -bijomstandigheden op de plaats zelve, hadden reeds lang de loopende -praatjes over den notaris vervangen. Van mevrouw Den Ekster hoorde men -niets meer; van Bronkhorst wist men, dat hij ziek was. - -Toen hij terugkwam van bezoek aan den officier van gezondheid, dat zoo -slecht voor hem afliep, was hij in zijn huis, en in zijn bed gekomen, -maar hoe wist hij niet; en hij herinnerde zich thans nog slechts flauw, -wat er was voorgevallen in die veertig dagen. Zijn vrouw, die hem had -opgepast en verzorgd, wist daar meer van; althans zij had hem in zijn -meest half bewusteloozen toestand wel honderdmalen een naam hooren -uitspreken, die haar telkens als ze hem hoorde, deed rillen. - -Nu lag hij te bed, dien veertigsten dag, en hij gevoelde zich bijzonder -wel, met een neiging om iets bepaalds te doen, en niet aanhoudend -sufferig door de kamer te dwalen of gedachteloos in een luierstoel te -liggen; hij keek de kamer rond, als iemand, die door iets verrast is, -maar zelf niet weet waardoor; hij zag Marie de kamer binnenkomen en op -’n knaapje ’n kop thee neerzetten, met een paar eieren en ’n sneedje -brood. - -Zij keek eens naar hem, en vroeg op stroeven toon, hoe het met hem was. - -Hij kon niet goed antwoord geven, maar streek met zijn hand over ’t -voorhoofd, en verder door zijn haren. Van alles wat gebeurd was, -teekende zich nu voor zijn geest een beeld, dat met elke seconde won in -nauwkeurigheid; een gevoel van groote verwondering, dat elke andere -opwelling beheerschte, kwam over hem en sprak uit den blik, waarmede -hij Marie monsterde van ’t hoofd tot de voeten. En nogmaals streek hij -zich met de hand over het hoofd.... Dat was Marie, zijn vrouw.... hij -had altijd veel van haar gehouden, als zijn meisje, als zijn vrouw, als -de moeder zijner kinderen.... hij hield nog heel veel van haar.... hij -had nooit van een andere vrouw gehouden.... Betsy?.... niet onaardig, -neen.... goed om ’n stukje muziek mee te maken of voor een niets -zeggend complimentje.... maar anders.... niets, hoegenaamd niets! - -En om die Betsy had hij Marie willen verstooten, van haar willen -separeeren, haar bitter gegriefd, beleedigd, mishandeld.... - -Marie was blijven staan bij het tafeltje, waarop ze zijn thee had -neergezet, en ze zag, ook met verwondering, op zijn gezicht een -uitdrukking, die er lang vreemd op geweest was: een van helder -bewustzijn. Zijn trekken hadden het uitgerekte wezenlooze niet meer; -zijn oogen stonden helder; hij begon weer te gelijken op haar man van -vroeger. - -En toen hij zich tot haar wendde, ontroerde zij van zijn ontroering. - -„Hoe is het mogelijk, hoe is het mogelijk?” zei hij met een diepen -zucht. „Ben ik dan gek geweest?” - -De goena-goena had uitgewerkt. - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GOENA-GOENA *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/66666-0.zip b/old/66666-0.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 3fecd2e..0000000 --- a/old/66666-0.zip +++ /dev/null diff --git a/old/66666-h.zip b/old/66666-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index d31476c..0000000 --- a/old/66666-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/66666-h/66666-h.htm b/old/66666-h/66666-h.htm deleted file mode 100644 index 9369d9e..0000000 --- a/old/66666-h/66666-h.htm +++ /dev/null @@ -1,9498 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html -PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2021-10-27T21:05:13Z using SAXON HE 9.9.1.8 . --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8"> -<title>Goena-goena: Oorspronkelijke roman</title> -<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="Paulus Adrianus Daum (1850–1898)"> -<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg"> -<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content="Paulus Adrianus Daum (1850–1898)"> -<meta name="DC.Title" content="Goena-goena: Oorspronkelijke roman"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC.Rights" content="Dit boek is vrij van auteursrechten in de Verenigde Staten. Als u elders woont, controleer dan de wetgeving in uw land voordat u dit boek download."> -<meta name="DC.Identifier" content="https://www.gutenberg.org/ebooks/66666"> -<meta name="DC:Subject" content="#####"> -<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */ -html { -line-height: 1.3; -} -body { -margin: 0; -} -main { -display: block; -} -h1 { -font-size: 2em; -margin: 0.67em 0; -} -hr { -height: 0; -overflow: visible; -} -pre { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -a { -background-color: transparent; -} -abbr[title] { -border-bottom: none; -text-decoration: underline; -text-decoration: underline dotted; -} -b, strong { -font-weight: bolder; -} -code, kbd, samp { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -small { -font-size: 80%; -} -sub, sup { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -} -sub { -bottom: -0.25em; -} -sup { -top: -0.5em; -} -img { -border-style: none; -} -body { -font-family: serif; -font-size: 100%; -text-align: left; -margin-top: 2.4em; -} -div.front, div.body { -margin-bottom: 7.2em; -} -div.back { -margin-bottom: 2.4em; -} -.div0 { -margin-top: 7.2em; -margin-bottom: 7.2em; -} -.div1 { -margin-top: 5.6em; -margin-bottom: 5.6em; -} -.div2 { -margin-top: 4.8em; -margin-bottom: 4.8em; -} -.div3 { -margin-top: 3.6em; -margin-bottom: 3.6em; -} -.div4 { -margin-top: 2.4em; -margin-bottom: 2.4em; -} -.div5, .div6, .div7 { -margin-top: 1.44em; -margin-bottom: 1.44em; -} -.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, -.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { -margin-bottom: 0; -} -blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, -.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { -margin-top: 0; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin: 1.6em auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { -font-size: 0.9em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -td.tocDivNum { -vertical-align: top; -} -td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -margin-top: 3.6em; -} -span.abbr, abbr { -white-space: nowrap; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.num, span.trans, span.trans { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.asc { -font-variant: small-caps; -text-transform: lowercase; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -border: none; -border-bottom: 1px solid black; -width: 45%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -} -hr.dotted { -border-bottom: 2px dotted black; -} -hr.dashed { -border-bottom: 2px dashed black; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.42em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.84em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0 0.05em 0 0; -padding: 0; -line-height: 0.8; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -.advertisement, .advertisements { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { -color: #660000; -} -.fnreturn { -color: #AAAAAA; -font-size: 80%; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -a { -text-decoration: none; -} -a:hover { -text-decoration: underline; -background-color: #e9f5ff; -} -a.noteRef, a.pseudoNoteRef { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -top: -0.5em; -text-decoration: none; -margin-left: 0.1em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { -float: left; -min-width: 1.0em; -margin-left: -0.1em; -padding-top: 0.9em; -padding-right: 0.4em; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -white-space: nowrap; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.index p { -text-indent: -1em; -margin-left: 1em; -} -.indexToc { -text-align: center; -} -.transcriberNote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.missingTarget { -text-decoration: line-through; -color: red; -} -.correctionTable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -span.musictime { -vertical-align: middle; -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { -padding: 1px 0.5px; -font-size: xx-small; -font-weight: bold; -line-height: 0.7em; -} -span.musictime span.bottom { -display: block; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.splitListTable { -margin-left: 0; -} -.numberedItem { -text-indent: -3em; -margin-left: 3em; -} -.numberedItem .itemNumber { -float: left; -position: relative; -left: -3.5em; -width: 3em; -display: inline-block; -text-align: right; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0 7em 0; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 1.7; -margin: 2em 0 2em 0; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0 2em 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0 0 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -.lgouter { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -display: table; -} -.lg { -text-align: left; -padding: .5em 0 .5em 0; -} -.lg h4, .lgouter h4 { -font-weight: normal; -} -.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { -color: #777; -font-size: 90%; -left: 16%; -margin: 0; -position: absolute; -text-align: center; -text-indent: 0; -top: auto; -width: 1.75em; -} -p.line, .par.line { -margin: 0 0 0 0; -} -span.hemistich { -visibility: hidden; -} -.verseNum { -font-weight: bold; -} -.speaker { -font-weight: bold; -margin-bottom: 0.4em; -} -.sp .line { -margin: 0 10%; -text-align: left; -} -.castlist, .castitem { -list-style-type: none; -} -.castGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.castGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.castGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pageNum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -} -.right-marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -right: 3%; -position: absolute; -text-indent: 0; -text-align: right; -width: 11% -} -.cut-in-left-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: left; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; -} -.cut-in-right-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: right; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: right; -padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -text-indent: 0; -} -.pglink::after { -content: "\0000A0\01F4D8"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.catlink::after { -content: "\0000A0\01F4C7"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after { -content: "\0000A0\002197\00FE0F"; -color: blue; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover { -background-color: #FFDCDC; -} -body { -background: #FFFFFF; -font-family: serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { -text-align: left; -} -.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { -color: #660000; -} -.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -} -.arab { font-family: Scheherazade, serif; } -.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } -.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } -.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } -.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.cover-imagewidth { -width:480px; -} -.xd31e91 { -text-align:center; font-size:large; -} -.titlepage-imagewidth { -width:456px; -} -@media handheld { -} -/* ]]> */ </style> -</head> -<body> - -<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of Goena-Goena, by Adrianus Daum</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online -at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you -are not located in the United States, you will have to check the laws of the -country where you are located before using this eBook. -</div> - -<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Goena-Goena</p> -<p style='display:block; margin-top:0; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:0;'>Oorspronkelijke roman</p> - -<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Adrianus Daum</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: October 27, 2021 [eBook #66666]</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div> - -<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)</div> - -<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GOENA-GOENA ***</div> -<div class="front"> -<div class="div1 cover"> -<div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frenchtitle"> -<div class="divBody"> -<p class="first xd31e91">GOENA-GOENA. -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"> -<div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="456" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">GOENA-GOENA.</div> -<div class="subTitle">OORSPRONKELIJKE ROMAN</div> -</div> -<div class="byline">DOOR -<br> -<span class="docAuthor">MAURITS.</span></div> -<div class="docImprint">Tweede Druk. -<br> -LEIDEN.—A. W. SIJTHOFF.</div> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p> -</div> -<div class="body"> -<div class="div1 chapter"> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">GOENA-GOENA.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Charles Prédier kwam met een vergenoegd gezicht het kantoor uit. -</p> -<p>Nu was alles in orde; nu was zijn fortuin gemaakt! Terwijl hij het zweet van z’n voorhoofd -veegde—het pleiten voor eigen zaak maakt zoo warm!—drukte hij de zwart leeren portefeuille, -die hij onder den arm droeg, met liefde tegen zijn borst. Het had moeite gekost den -notaris over te halen, geld te steken in de nieuwe koffie-onderneming; doch nu het -gelukt was, ging het overige vanzelf; nu zou het kapitaal gauw genoeg bijeenkomen; -er zou gebouwd en geplant kunnen worden, en binnen een jaar of vier.….. -</p> -<p>Het was alles netjes uitgerekend. Dáárom was notaris Bronkhorst er ook ìn gegaan. -Hij kende Prédier als een goed planter en flink administrateur; als een echte half -bloed Europeaan, die in de sociëteit blufte met champagne, homberde tegen hoog tarief -en mooier paarden hield, dan ieder ander, maar die in zaken angstvallig op de kleintjes -paste, en wat men noemt op ’n cent doodbleef. -</p> -<p>De erfpacht, aan het gouvernement gevraagd, was toegestaan; door de welwillende tusschenkomst -van een zwager te Batavia, en van een tante, die veel bij den resident aan huis kwam, -was de canon laag gesteld, de gronden waren prachtig; van bladziekte <span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>was in die streek geen sprake,—het was in één woord ’n goudmijn. -</p> -<p>Bronkhorst dacht, toen Prédier weg was, nog na over de cijfers. Geheel optimist was -hij niet meer. Al wat hij had „verdiend” in Indië, stak in landelijke ondernemingen. -De vooruitzichten, zeiden de administrateurs, waren prachtig, maar voor het oogenblik -zag hij geen cent van zijn geld, en was het maar elke maand bijpassen. Toch was zijn -vertrouwen niet geschokt, anders zou hij zich nu niet weer hebben laten „lijmen” door -Prédier. Als er maar één gelukte, dacht de notaris, dan was het reeds financiëel, -in orde. En hij rekende op zijn goed gesternte. Hoe was hem de fortuin niet meegeloopen, -sedert hij twaalf jaren geleden benoemd werd tot notaris op de kleine hoofdplaats! -Toen was het daar vrij wel: mager met mosterd. Zijn voorganger klaagde altijd steen -en been, dat er zoo weinig viel te verdienen. Nauwelijks was Bronkhorst gekomen of -de vette jaren braken aan, alsof hij ze meebracht in zijn koffers. Waar vroeger slechts -rijstvelden waren, wuifden nu de sierlijke pluimen van ’t bloeiend suikerriet; waar -vroeger lang uitgeschoten klapperboomen het „hoogste goed” vormden, daar waren die -nu vernederd door de hoogere witte fabriekschoorsteenen, die in den maaltijd nacht -en dag altijd door rookwolken opzonden uit hun zwarte openingen. En dwars door de -vroeger ongerepte velden lagen thans onafzienbare rails, hier roestig, ginds door -de wrijving als gepolijst, en in eindelooze uitgestrektheid dof glimmerend in ’t felle -zonlicht. Er was geld gekomen onder de bevolking, en met ’t blanke „slijk der aarde” -kwam nog ander „slijk”, dat zich aangetrokken voelde. Nabij het spoorwegstation woonden -nu Chineezen en Arabieren, die handel dreven, warongs hielden, opium smokkelden, dobbelhuizen -hielden; ’t was de legertros der Westersche beschaving in het Oosten. -</p> -<p>Maar het notaris-kantoor had er voordeel van. Bronkhorst had het lokaal gelaten zooals -het was onder zijn voorganger. Dat stond goed, vond hij; hoe ouderwetscher, vuiler -en wormstekiger <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>zoo’n kantoor er uit zag, des te solieder scheen het; alleen was het personeel uitgebreid; -hij hield er een candidaat op na en ’n paar klerken, terwijl zijn voorganger het niet -verder had kunnen brengen dan tot één versuft kopiïst achter ’n schutsel. -</p> -<p>„Hoe is het Jean, kom je eten?” -</p> -<p>„Is het al zóó laat?” -</p> -<p>„Er is al lang opgedaan: de kinderen schreeuwen van den honger.” -</p> -<p>De notaris stond op en volgde zijn vrouw. Terwijl ze hem voorging van het bijgebouw, -waarin kantoor werd gehouden, naar ’t woonhuis, en de vergulde hakken harer slofjes -klik-klakten op de steenen der galerij, vertelde hij haar ’t bezoek van Prédier, diens -plannen en het aandeel, dat hij er in had genomen. -</p> -<p>Zij hoorde ’t wel, maar het ging haar het eene oor in, het andere uit; ze begreep -alleen, dat het pogingen betrof, om van koffie geld te maken, maar veel verder dan -dit primitief begrip kwam zij niet; ze was nu reeds acht jaar in Indië—Bronkhorst -had haar getrouwd, toen hij wegens ziekte ’n jaar met verlof naar Europa was geweest—maar -zij was met hart en ziel een <span class="ex" lang="ms">totok</span> gebleven, die slecht brabbelmaleisch sprak, geen inlandsche bedienden langer dan -een maand kon houden, voor de détails van het echt Indisch leven geen oog had, en -er daarvoor ook nimmer een krijgen zou. Als Bronkhorst haar van zijn speculatiën in -de cultures vertelde, dan zei ze maar „Ja en amen”; geloofde, dat het erg gelukkig -zou wezen, als ’t groote winsten opbracht, en.…. dacht er verder niet aan. -</p> -<p>Hem kon zoo iets dagen lang bezig houden, en dat deed het ook nu. Het maakte hem stil -aan de rijsttafel; het hinderde hem ’s middags op ’t kantoor onder het andere werk, -en toen hij ’s avonds naar gewoonte in een wipstoel op het schabelletje een havanna -rookte na het diner, wilden hem die prachtige plannen van Prédier nog niet loslaten. -</p> -<p>Naast hem stonden op een marmeren knaap twee kopjes koffie; zijn vrouw zat tegenover -hem; hij keek naar buiten en dacht <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>hardop, voor de gezelligheid en meenende dat Marie luisterde. De cijfers der mogelijke -winsten maakten hem warm. -</p> -<p>„Jongens, als het <span class="ex">dien</span> kerel toch eens lukte!” riep hij. „Wat zou dat een heerlijk zaakje zijn!” -</p> -<p>Marie was opgeschrikt door den luideren toon. Onder het exposé zijner geldelijke illusiën -was ze rustig ingedommeld, maar nu greep ze naar haar kopje, en zei op ’n toon alsof -ze zijn beschouwingen aandachtig had gevolgd: „Ja, heerlijk, hè?” -</p> -<p>Hij snapte het wel. -</p> -<p>„Als je moe bent, Mies, dan moet je naar bed gaan; dat is veel beter.” -</p> -<p>„Wel neen; het gaat nogal!” -</p> -<p>Bronkhorst lachte. -</p> -<p>„Kom, kom! Veins maar niet. Je valt bijna omver van den slaap. Ik kan het me best -voorstellen. Die eeuwige drukte met de kinderen; ’s morgens vroeg op en ’s middags -niet slapen.… <span class="corr" id="xd31e157" title="Bron: gij">ga</span> jij gerust naar bed, hoor.” -</p> -<p>„Wil je niet nog iets drinken?” -</p> -<p>’t Kon haar eigenlijk weinig schelen, maar ze gevoelde, dat ze iets vriendelijks moest -zeggen of eenige zorg voor hem aan den dag moest leggen. Want het <span class="ex">was</span> wel ’n beetje onaangenaam voor hem, dat ze ’s avonds na het eten altijd uitging als -een nachtkaars. Maar ze <span class="ex">kon</span> er niets tegen doen; met den besten wil der wereld niet. -</p> -<p>En hij vond het werkelijk zeer onaangenaam,—al drong hij er ook opaan, dat ze zou -gaan slapen,—als hij zag, dat Morpheus haar te machtig werd. -</p> -<p>Zeker, dacht hij, het was beroerd, erg vervelend; hij had zoo weinig lust in uitgaan, -en thuis hield na halfnegen alle conversatie op. Weer terugkeerend tot zijn <span class="ex" lang="fr">à propos</span>, de nieuwe koffieonderneming, zag hij, in gedachten verzonken, naar de schitterende -lichtpuntjes op den zwart-blauwen achtergrond hoog in de lucht, tot zijn aandacht -werd afgeleid door den toon van een heftig krakeel. Hij keek eens in die richting -over den pagger; <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>dat was weer bij de Borne’s; die hadden ook altijd twist; en dan zoo luidruchtig; -ze moesten zich schamen! -</p> -<p>Hij stond op, knoopte zijn kabaja zorgvuldig dicht en wandelde het erf af, naar den -grooten weg; voortdurend klonk hem ’t heftig geluid der twistende stemmen in de ooren; -wat ze elkaar toevoegden, kon hij niet verstaan, maar dat behoefde ook niet; de Borne’s -waren reeds twee jaren zijn buren, en hij wist er alles van. Nu en dan had hij zich -er mee bemoeid; als ’n goed notaris, die zich altijd interesseert voor <span class="corr" id="xd31e180" title="Bron: anderer">andere</span> zaken, kon hij dat niet laten, schoon zijn vrouw hem afried zich te mengen in geschillen -tusschen man en vrouw. Ook wist hij wel dat het zoo’n vaart niet liep; groote woorden, -anders niet. Juist passeerde hij hun huis, toen kapitein Borne, in uniform, naar buiten -kwam. -</p> -<p>Ze liepen samen op. -</p> -<p>„Die vrouw van me,” zei de kapitein, die commandant was van het kleine garnizoen, -„is in staat ’n mensch razend te maken.” -</p> -<p>„Bah! Ze is zoo kwaad niet.” -</p> -<p>„Neen, dat is ze ook niet. Ik geloof, dat ze ’n man moest hebben, zooals jij er een -bent!” -</p> -<p>„Was het dan weer over de sociëteit?” -</p> -<p>„Natuurlijk. Dat gunt ze me nu niet. Ga ik ’s middags in de kroeg ’n <span class="ex">paitje</span> nemen, en ’t wordt wat laat—dat kan toch gebeuren!—dan is sinjeur de duivel los. -Wil ik ’s avonds nog ’n partijtje maken, vlan! dan heb je de poppen aan het dansen.” -</p> -<p>„Maak je het niet werkelijk wat te druk?” -</p> -<p>„Och wat! Als ik in deze negorij altijd thuis moest zitten, dan stierf ik van chagrijn. -Ik ben dat nooit gewoon geweest.” -</p> -<p>„Daarbij is het op den duur ’n kostbare aardigheid.” -</p> -<p>„Het is waarachtig,” riep Borne, en in zijn verbazing bezigde hij een hoogst dubbelzinnige -overdrachtelijke uitdrukking, „het is waarachtig of jullie onder één deken <span class="corr" id="xd31e199" title="Bron: ligt">liggen</span>.” -</p> -<p>Zij lachten beiden, zóó gek vonden ze het idée. -</p> -<p>„Neen, maar in ernst,” vervolgde Bronkhorst stilstaande op <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>den weg, wijl hij geen lust had verder mee te loopen, „is het niet een dure geschiedenis?” -</p> -<p>„Wel, dat is zoo erg niet. Er gaan tien <span class="ex">paitjes</span> in één pop. ’t Is waarachtig alsof ik den boel opmaak! De soos kost me niet half -zooveel als haar familie.” -</p> -<p>„Ja, je hebt nogal dikwijls logé’s.” -</p> -<p>„Altijd, meneer! Jij bent ’n slimme vogel geweest, je hebt je vrouw uit Holland gehaald. -Ik heb hier ’n vrouw getrouwd en op den koop toe ’n familie, die me de helft van het -jaar op m’n dak zit. Nu is er weer ’n stelletje in aantocht.” -</p> -<p>„Het is aan den anderen kant recht gezellig.” -</p> -<p>„Och dat wel, ten minste dezen keer. <span class="ex">Zij</span> is ’n nichtje van m’n vrouw; Betsy heet ze, ’n verduiveld aardig diertje, en <span class="ex">hij</span> is ’n goeie vent; ’n lobbes.” -</p> -<p>„Is hij met verlof?” -</p> -<p>„Hm! Dat zou ik denken! Hij is ’n koffieboer, weet je, en ze hebben hem met groot -verlof gezonden, omdat de boel niet marcheerde. Nu is hij <span class="ex" lang="fr">à la recherche d’une position</span>. Overigens ’n goeie jongen, ’n vroolijke vent. <span lang="fr">Bonsoir</span>!” -</p> -<p>Kapitein Borne stapte voort naar de sociëteit, waar zijn partners hem reeds wachtten. -Bronkhorst keerde langzaam en bij zichzelven glimlachend terug naar huis. -</p> -<p>Wat was er nu toch voor aantrekkelijks in zoo’n sociëteit? Zaterdagsavonds ging hij -er ’n uurtje heen; hij was een notabele en moest zich dus „vertoonen”. Maar zelfs -dan zou hij bij voorkeur thuis zijn gebleven. -</p> -<p>Een aanrollende reiswagen met zes paarden bespannen en bovenop, voor en achter met -koffers bepakt, trok zijn aandacht. Met zijn twee flauw lichtende lantaarns gierde -het rammelend monster in snelle vaart over den weg, en hield daarna stil voor het -huis van Borne. Daar waren de „familieleden”, die de kapitein óók getrouwd had! Bronkhorst -vond werkelijk, dat men den heer des huizes niet bijzonder vroeg gewaarschuwd, maar -tamelijk wel voor een voldongen feit had gesteld. Hij ging een <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>weinig ter zijde van den weg, en zag hoe een jonge vrouw met ’n slanke figuur vlug -uit den wagen sprong en mevrouw Borne in de voorgalerij omhelsde; een lang man met -’n blonden baard volgde; een oogenblik hoorde men het onbestemd geluid van elkaar -luidruchtig begroetende personen,—toen ging het drietal ’t huis binnen en liet de -zorg voor de <span class="ex" lang="ms">barang</span> aan de bedienden over. -</p> -<p>„De buren hebben logé’s gekregen,” vertelde Bronkhorst den volgenden ochtend zijn -vrouw, als een nieuwtje bij het ontbijt. -</p> -<p>„Ja, dat wist ik. Mevrouw Borne heeft me al ’n dag of acht geleden verteld, dat ze -haar nicht Betsy te logeeren kreeg met haar man, voor onbepaalden tijd.” -</p> -<p>„Zóó-ó-! Borne zelf vernam het eerst gisteravond.” -</p> -<p>„Zij wilde ’t hem niet eer zeggen; hij moppert altijd zoolang, als hij het tevoren -weet; wanneer de lui er eenmaal zijn, dan heeft hij er vrede mee.” -</p> -<p>Bronkhorst moest er om lachen: ’t was, vond hij, een eigenaardige speculatie. -</p> -<p>„Dat vind ik ook; ’t kost toch <span class="ex">beider</span> geld.” -</p> -<p>Het denkbeeld trof hem; niet omdat het nieuw was, maar hijzelf deed uit gewoonte altijd -met zijn geld, wat hij wilde, zonder ooit zijn vrouw te raadplegen. -</p> -<p>„Je vindt het toch wel goed, Marie,” vroeg hij, „dat ik me in die zaak van Prédier -heb gestoken?” -</p> -<p>Zij keek hem met haar groote oogen verwonderd aan. -</p> -<p>„Waarom zou ik het niet goed vinden?” -</p> -<p>„Wel, men kan niet weten; het is toch ook evengoed <span class="corr" id="xd31e259" title="Bron: jou">jouw</span> geld.” -</p> -<p>„Van die zaken heb ik geen verstand, Jean; dat weet je, en dan, ventlief, zooals jij -doet zal ’t wel goed wezen.” -</p> -<p>Daar had je weer het vertrouwen! Zóó genoot hij dat nu als notaris algemeen, en dáárvan -was hij overtuigd: als zoodanig was hij het waard ook. Hij had er uitstekend slag -van de zaken voor anderen te behandelen; hij deed het gewetensvol en nauwgezet. Rijke -Chineezen kwamen van heinde en ver hem in lastige, <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span><span class="corr" id="xd31e266" title="Bron: belangijke">belangrijke</span> zaken raadplegen, en ze wisten toch, dat de notaris hen geducht liet betalen. Maar -hij bezat het welverdiende vertrouwen van iedereen voor ieders zaken; alleen miste -hij dat van zichzelven voor zijn eigen zaken. Voor een ander zou hij niet half zoo -gauw en zonder ernstig onderzoek tot de plannen van Prédier zijn toegetreden; waar -het zijn eigen geld betrof, was hij losser. -</p> -<p>„Je moet me niet zoo onbeperkt vertrouwen.” -</p> -<p>„Verbeeld je! Als men ’n man heeft, die notaris is, en men vertrouwt hem niet.…” -</p> -<p>„Nu?” -</p> -<p>„Nu,” zei ze lachend, „dan moet hij toch ’n geduchte roover wezen.” -</p> -<p>Meelachend kuste hij haar; zei, dat ze er zonderlinge theorieën op na hield, en ging -als gewoonlijk in opgeruimde stemming naar ’t kantoor, een oogenblik, met ongeduld -door zijn vrouw verbeid; want dan ving haar opperheerschappij aan over de huiselijke -zaken; dan begon de dagelijksche groote drijfjacht op vlekken en stof, op niet fraai -gepoetste vorken en lepels en niet volkomen glinsterende messen; op scheurtjes en -rafels in kinder- en huishoudgoed; dan ving het moment aan, waarop de toorn der huisvrouw -zich doorloopend lucht gaf over het gebrek aan westelijke zindelijkheidsbegrippen -bij <span class="ex">den</span> Javaan. -</p> -<p>De overdreven zin voor het huishoudelijke bij mevrouw Bronkhorst had onder de dames -van ’t plaatsje aanvankelijk groote verbazing gewekt. Toen ze pas uit Holland kwam, -ontving men haar met meer nieuwsgierigheid dan vriendelijkheid; de Indische dames -beschouwden haar zoo’n beetje als ’n indringster. Als toch de notaris een vrouw had -willen hebben, dan had hij, vonden ze, er immers een uit de Indische omgeving kunnen -kiezen; er waren knappe jonge meisjes genoeg, die hem gaarne wilden hebben; hij had -volstrekt niet naar Holland behoeven te gaan om een vrouw te halen met aschkleurig -haar, en die den heelen dag koelie-werk deed in huis. -<span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span></p> -<p>Men kende het huis van den notaris algemeen onder den naam van het „paleis”. Toen -Bronkhorst met zijn vrouwtje naar Indië kwam, had hij ’n keurige Europeesche inrichting -meegebracht. Fraaie ameublementen, hoogst onpractisch en lastig om te behouden en -te onderhouden, maar keurig mooi om te zien; stoelen met heerlijke overtrekken, die -uitstekend aan hun bestemming beantwoordden, daar nooit iemand het waagde er op te -gaan zitten; prachtige spiegels, mahoniehouten kasten, kostbare schilderijen en smaakvolle -portières. Met den hartstocht van een huishoudelijke, welopgevoede dochter uit een -nette burgerfamilie in Holland, had de jonge mevrouw Bronkhorst zich dadelijk geconstitueerd -als slavin van al dat moois, behoudens de servituten haar door het moederschap opgelegd. -</p> -<p>Zoo was het haar gelukt al die schatten jaren te conserveeren en „zoo goed als nieuw” -te houden, in vollen strijd steeds tegen de inlandsche menschen- en insectenwereld. -</p> -<p>Maar mooi was het, dàt erkende iedereen; veel mooier zelfs dan bij den resident, en -zoo was het met alles, tot in de keuken, waar tot stomme verbazing van alle Indische -menschen een glimmende <span class="ex" lang="fr">batterie de cuisine</span> aan den helderwitten muur prijkte, en tot in den stal, waar de twee spannen fraaie -koetspaarden en het rijpaard van Bronkhorst hun omgezette gras en <span class="ex" lang="ms">gabah</span> op raadselachtige wijze schenen te verbergen. -</p> -<p>Wel honderdmalen werd mevrouw Bronkhorst over de uitkomsten harer slavernij gecomplimenteerd; -vooral door de heeren, die verklaarden, dat het iemand „goed” deed, weer eens zoo’n -keurig nette Europeesche inrichting te zien, maar die voor geen geld hadden gewild, -dat <span class="ex">hun</span> vrouwen zooveel werk maakten van den inboedel. -</p> -<p>Het „paleis” had zijn vasten receptie-avond; men zat dan in de voorgalerij aan de -eene zijde; iedereen, voorzoover hij door zijn maatschappelijke positie in aanmerking -kwam, woonde die avondjes bij, en de resident, wien het <span class="ex" lang="fr">à fond</span> weinig kon schelen, zei wel eens quasi spijtig, dat het bij den notaris drukker toeging, -<span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>dan bij hem, resident. Het was niet <span class="ex" lang="fr">pour les beaux yeux</span> van Bronkhorst en diens vrouw, schoon de laatste werkelijk mooie oogen had, dat de -meesten kwamen; maar men zat er op zijn gemak bij den notaris, wat men niet deed bij -den resident, en men kreeg buitengewoon fijne dranken en lekkere havanna’s, wat men -ook al niet kreeg bij den resident, die zelf niet rookte en niet dronk, en dus vond, -dat een en ander eigenlijk ook niet voegde aan de gemeente. -</p> -<p>De Borne’s waren ook gekomen en hadden hun neef, meneer Den Ekster, meegebracht, den -koffieplanter <span class="ex" lang="fr">à la suite</span>. -</p> -<p>„Is je nicht niet meegekomen?” vroeg mevrouw Bronkhorst, die familiaar was met haar -buurvrouw. -</p> -<p>„Zij laat zich excuseeren; ze had zoo’n vreeselijke hoofdpijn. Zeker van het zitten -in den reiswagen, gisteren den heelen dag; ze had het al toen ze aankwam; ze is niet -zoo heel sterk, weet je, en dan: ze trekt het zich nogal aan.…” -</p> -<p>„U is niet meer op het land, meneer Den Ekster,” zei vragend de resident op den meesterachtigen -toon van iemand, die zich overal „aan het hoofd” gevoelt. -</p> -<p>„Neen, resident; de lui dachten dat ik de bladziekte kon weren, maar zóó knap ben -ik niet.” -</p> -<p>„Ja,” was ’t antwoord met een zucht vol staatszorg, „dat is ’n leelijk ding.” -</p> -<p>„Zie je,” vervolgde mevrouw Borne tegen de gastvrouw, „zij is niet heel gelukkig met -hem.” -</p> -<p>„’t Is erg jammer.” -</p> -<p>„Ja, er komt ook zóóveel bij. Geen kinderen, zie je, nooit.…. geen idéetje.” -</p> -<p>Mevrouw Bronkhorst keek haar even aan. Zij kon met het eigenaardig Indisch idioom -maar niet terecht, en over zulke <span class="ex">idéetjes</span> van kinderen te spreken in gezelschap, hinderde haar. -</p> -<p>„Wil je ’n glas malaga?” -</p> -<p>Ja, dat was het eenige, waarmee de Indische kapiteinsvrouw <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>te vangen was, omdat het, vond ze, iets had van <span class="ex">stroop</span>, het eenige dat ze dronk behalve koffie en koud water. -</p> -<p>„Ik wou,” zei de kapitein met zijn luide commando-stem, „dat ik geld genoeg had, dan -liet ik twaalf ankers malaga aanrukken.” -</p> -<p>„Hou je daar zoo van, kapitein?” vroeg de algemeene ontvanger. -</p> -<p>„Wel neen, maar daar kon ik mijn vrouw mee paaien.” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah!</span>” riep deze reeds half boos, „laat mij er asjeblieft maar buiten.” -</p> -<p>Maar iedereen had er genoegen in en lachte. -</p> -<p>„Zoo! Moet mevrouw zoet worden gehouden?” vroeg de resident. -</p> -<p>„Terdege, hoor! Het is nu al zoover, resident, dat ik geen bittertje mag drinken of -ik krijg er langs als een recruut van een vice-korporaal.” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah</span>, toch!” herhaalde zijn vrouw met verwijtende blikken uit haar fluweelachtige zwarte -oogen. Meer dorst ze niet zeggen, uit vrees voor den resident. Van alle kanten werden -vroolijke opmerkingen gemaakt, volstrekt niet kwetsend voor haar. Integendeel, men -mocht de Borne’s zeer gaarne. Hij was ’n flink militair en zij een goede, hartelijke -vrouw, en ofschoon ze altijd ruzie hadden, hielden ze wezenlijk veel van elkaar. Zij -was trotsch op hem, al beknorde ze hem aanhoudend, en in haar hart vond ze dat geen -enkel man de vergelijking met hem kon doorstaan. En Borne zelf dacht altijd met liefde -aan zijn knappe, kloek gebouwde vrouw; men kon, als ze ziek was, hem „onder een hoed -vangen”; hij was dan niet uit het huis te slaan. Maar als ze beiden gezond en wel -waren, hadden ze het altijd met elkaar aan den stok, en in hun pogingen om elkaar -te overschreeuwen was dat gauw genoeg algemeen bekend geweest op de plaats. -</p> -<p>Toch waren ze gelukkig samen.… op hun manier. -</p> -<p>Toen ze van de receptie thuis kwamen, ging Den Ekster naar de logeerkamer om de zwarte -jas, waarin de bergbewoner het op de vlakte ontzettend warm had, tegen ’n kabaja te -verruilen. -</p> -<p>Zijn vrouw zat bij het flauwe licht van een oud-model hanglamp <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>naast de tafel op een wipstoel; ze was in sarong en kabaai. Toen ze hem hoorde aankomen, -verborg ze haastig iets in haar <span class="ex" lang="ms">koetang</span>. -</p> -<p>Het was maar ’n brief van haar eenige zuster, ’n jong ding nog, van achttien jaren, -maar die er reeds twee getrouwd was met een ambtenaar; als meisje vertelden zij elkaar -alles, en nu ze gescheiden waren, bleef Lidia tegenover haar zuster even openhartig -op het papier; zij had altijd een ergen hekel gehad aan haar zwager Den Ekster, doch -zoolang deze als administrateur eener onderneming Betsy een goed leven bezorgde, ging -het nog; nu hij buiten betrekking was geraakt en niet eens ’n spaarpot bleek te hebben, -was de verachting van Lidia voor zijn persoon grenzenloos, en drukte zij zich in haar -brief zoo onomwonden over hem uit, dat Betsy er mee verlegen zou geweest zijn, als -hij ’t had gelezen. Er stond te veel in dien brief. Lidia bekeek daarin van alle kanten -de vraag: hoe haar zuster van dien ellendigen kerel zou verlost raken; ze schreef -over echtscheiding, ja gaf niet onduidelijk te kennen, dat zij, had ze <span class="ex">zulk</span> een man, in staat zou zijn hem uit den weg te ruimen. -</p> -<p>Terwijl het voorwerp dezer schoonzuster-liefde zich puffend en blazend ontdeed van -zijn lakensch pak en zijn nauwe verlakte schoenen, wipte Betsy langzaam met haar stoel -op en neer, en keek naar hem, in gedachten verzonken. Zij sprak niet en hij evenmin; -ze hadden elkaar niets te zeggen; ze betreurden beiden, dat ze met elkaar getrouwd -waren; voor de wereld hielden zij zich goed en waren vriendelijk tegen elkaar; niemand, -dan haar zuster, haar tante en de oude meid, wist, dat het inderdaad een treurig huwelijk -was. Toch was Den Ekster een knap man en zij een mooie appétisante vrouw, met een -zeer ontwikkelde buste, wat niet belette, dat ze ’n fraaie taille had. En terwijl -haar lichaamsvormen in hooge mate de gewone aantrekkelijkheden teekenden, gaf het -ter weerszijden over het voorhoofd tot dicht bij de wenkbrauwen neergekamd golvend -haar iets raphaëlachtigs aan ’t fijn profiel; iets, dat op de vulgaire bewondering -van ’t sterkere geslacht <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>kalmeerend werkte. Die <span class="ex" lang="fr">coiffure</span> was geen mode meer, maar Betsy wist hoe goed ze haar stond en deed alsof de mode -in dit opzicht uit de wereld was. -</p> -<p>Toen Den Ekster, niet aan het warme kustklimaat gewoon, uitgeblazen en uitgepuft was, -ging hij in nachtbroek en kabaja de kamer uit; van onder haar half gesloten oogen -gleed een donkere blik hem na; ’n blik vol minachting en haat, door een plooi om den -mond krachtig versterkt. -</p> -<p>In een duisteren hoek van het vertrek zat een oude inlandsche vrouw op een matje; -het was de meid, die Betsy gedragen had in de <span class="ex" lang="ms">slendang</span> en voor wie zij <span class="ex">nonna</span> bleef zoo goed als haar zuster, al trouwden zij ook honderdmalen. Betsy vond dat -goed; ’t herinnerde haar den tijd, toen ze nog vrij was en bij haar ouders thuis ’n -vroolijk leventje leidde, totdat.… het verwenschte oogenblik kwam, en zij zich liet -bepraten door haar ouders, die haast hadden om van de meisjes „af” te komen en niets -zoozeer vreesden dan met haar te „blijven zitten”. -</p> -<p>Van Den Ekster had zij een afkeer, en omdat ze hem nooit lief had gehad, vergaf ze -hem nooit de geringste kleinigheid. Reeds van den eersten dag waren ze elkaar tegengevallen; -haar stugheid had hem doen aarzelen; zijn aarzeling had haar nog stugger gemaakt; -hij zocht zijn troost elders; zij had aan troost geen behoefte. Maar alles ging stil -en fatsoenlijk, zonder één onvertogen woord, zonder één luidruchtige uitbarsting; -met wederzijdschen stillen wrok, tegenover „de menschen” verborgen achter een vriendelijk -masker. -</p> -<p>De oude meid, die dat alles van meet af had gezien, haatte den <span class="ex" lang="ms">toean</span> uit instinctmatig plichtbesef; dat hij haar nonna ongelukkig maakte, was voldoende -om hem in haar oogen misdadig te doen zijn. In het begin, toen ze nog dacht, dat de -<span class="ex">nonna</span> er om gaf, had ze voorgesteld geheimzinnige toovermiddelen op Den Ekster toe te passen -om hem aan zijn vrouw te binden; maar Betsy had er om gelachen; <span class="ex">tjies!</span> had ze geroepen met een gebaar van walging; en in het Maleisch had ze haar hart uitgestort -voor <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>de oude <i>baboe</i>, met een zenuwachtige woede, die men in gezelschap achter het kalme, fraaie uiterlijk -niet zou gezocht hebben. -</p> -<p>Nu vertelde ze aan de <i>nènèh</i>, dat er een brief was van <i>nonna</i> Lidia, en de oude vrouw in ’t lange blauwe baadje en met de grijze achterover gekamde -haren, kwam dichter bij de tafel, terwijl haar gerimpeld gezicht vol belangstelling -naar den brief was gewend, alsof haar daaruit rechtstreeks de woorden bereikten, die -Betsy tot haar sprak. -</p> -<p>„Zij is gelukkig,” zei de oude met een zucht. „Zij heeft altijd <i>oentoeng</i> gehad, van kleins af. Het ongeluk was voor u.” -</p> -<p>„Ja,” antwoordde Betsy, ook zuchtend, „het is zoo. Ik kan er niets tegen doen.” -</p> -<p>„Neen.… als het zoo wezen moet.” -</p> -<p>Mevrouw en de meid zwegen een oogenblik, onder den indruk van het onafwendbaar noodlot. -</p> -<p>„Hoe maakt het ’t kind?” vroeg de meid, doelend op Lidia’s jongske. -</p> -<p>„Heel goed, en zij is weer.…” -</p> -<p>„<span class="ex">Allah!</span>” riep de oude, de handen boven het hoofd heffend. „Zij heeft ook altijd, altijd geluk.” -</p> -<p>„Haar man is hooger in rang geworden.” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Ija</span>,” stiet de meid uit met een <span class="corr" id="xd31e425" title="Bron: lenggerekte">langgerekte</span> <i>i</i> in een hoogen toon, en op een wijze alsof het haar niet zou verwonderen, wanneer -<span class="ex">nonna</span> Lidia in haar achtergalerij een goudmijn had ontdekt. -</p> -<p>„Had u dien meneer Deier maar genomen; wie weet!” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Masa!</span>” viel Betsy verontwaardigd in. „Maar honderd gulden!” -</p> -<p>„Hij had geluk in zijn gezicht,” meende de oude, „en dat heeft <span class="ex">deze</span> niet; <span class="ex">zijn</span> gezicht verveelde me al, toen hij den eersten dag kwam.” -</p> -<p>Kuchend en steunend, louter uit gewoonte, en mompelend binnensmonds ging de oude weer -naar haar matje. Betsy sloeg de armen achterover om de leuning van den stoel en wipte -weer langzaam op en neer. -<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span></p> -<p>Neen, geen echtscheiding; dat was altijd compromitteerend, vond ze; als ze dàt gewild -had, dan zou ze reeds lang zoover geweest zijn; maar zij had er tegen om haarzelve, -en Den Ekster ook om zijn familie in Holland. En toch had het vooruitzicht om met -hem te blijven voortleven veel van een aanhoudende wederzijdsche kwelling. „Als ik -dan niet scheiden wilde,” had Lidia in haar verschrikkelijke openhartigheid geschreven, -„als ik dan niet scheiden wilde van zoo’n ellendeling, dan zou ik wel voor iets anders -zorgen.” -</p> -<p>Betsy las de woorden nog eens over. Verschrikkelijk! Die Lidia was toch een boosaardig -nest. Zij, Betsy, had aan zoo iets nog nooit gedacht. Nu wilden die woorden haar niet -uit de gedachten; ze brachten haar fantaisie aan het werk, en ze zag, ze zag in haar -verbeelding.…. -</p> -<p>„Hoe is het Bets, heb je kamerarrest?” -</p> -<p>Zij schrikte van oom Borne’s harde stem. -</p> -<p>„Kom,” zei hij vriendelijk, „blijf daar niet zoo alleen zitten. Kom in de voorgalerij. -Wij zitten er gezellig.” -</p> -<p>Wat oom Borne verstond onder „gezellig”, strookte niet geheel met een dames-opvatting; -hij begreep er onder, dat hij samen met Den Ekster vóór het diner nog een bittertje -dronk, in het aangenaam vooruitzicht, dat in den naävond een paar heel familiare kennissen -kwamen om ’n partijtje te maken; meneer in een wit jasje en mevrouw in négligé. En -toen het zoo laat was, betrok het mannelijk deel van het gezelschap ’n speeltafeltje -aan den eenen kant der galerij en homberde zwijgend en ernstig, als hingen hun grootste -stoffelijke en zedelijke belangen af van de wisseling der kaarten. De dames whistten -met den blinde en met „de klets”; al voortspelende hadden ze het druk over de menschen, -die niet aanwezig waren, maakten ze <span class="ex" lang="ms">âtjar</span> of gaven elkaar recepten voor pudding en kwee-kwee, het een en ander afgebroken door -geschillen over „wat” nu eigenlijk troef was, en door de verbaasde vraag van degene, -die aan de voorhand zat, wie nu eigenlijk moest uitkomen, afgewisseld door quaestiën -<span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>over het wasschen van de eene voor de andere, en het daarna aan den verkeerden kant -neerleggen van de kaarten. -</p> -<p>Van tijd tot tijd keek kapitein Borne eens op en maakte zijn medespelers met een glimlach -en een hoofdbeweging attent op het praten aan de andere zijde. -</p> -<p>„Ze maken weer groot <span class="ex" lang="ms">slem</span> met haar monden<span class="corr" id="xd31e469" title="Bron: ”,">,”</span> zei hij. -</p> -<p>„Hoor maar eens: rrrt!” ratelde de gast, het geluid van de whistende dames nabootsend. -</p> -<p>„Och, ze hebben gelijk,” meende Den Ekster, die altijd een goedaardige opinie had -over de vrouwen, al hield hij niet van zijne eigene. -</p> -<p>Betsy was stil, en niettemin speelde zij afschuwelijk slecht. -</p> -<p>„Bets,” zei tante Borne ontevreden, „je bent vreeselijk <span class="ex" lang="fr">distrait</span> van avond.” -</p> -<p>„Ja, ik weet niet hoe het komt.” -</p> -<p>„Als je ’n jong meisje was,” zei de „visite”, „zou ik denken dat je verliefd waart.” -</p> -<p>Met een volmaakt gebaar van minachting, schokschouderde Betsy even. Zij verliefd! -Het was die brief, die nare brief van Lidia. -</p> -<p>Toen tegen halftwee in den nacht de kaarten der drie dames reeds lang naar de huisjes -waren teruggekeerd en de afrekening met een paar kwartjes was gesloten, annonceerden -de heeren „de laatste”, rekenden af en stonden op. Oom Borne wilde nu, dat zij op -hun gemak ’n brandy soda zouden drinken, maar de visite ging naar huis, en mevrouw -Borne en Betsy gingen slapen, wat den kapitein niet belette alleen met Den Ekster -zijn spiritualiën-plan ten uitvoer te brengen. -</p> -<p>Het was voor Betsy een hoogst onaangenaam leven. Op het land hadden zij elk hun eigen -kamer en kwamen niet meer dan strikt noodzakelijk was met elkaar in aanraking. Hier -kon dat niet. Tante Borne had slechts één beschikbaar vertrek met één bed; en nu was -ze volstrekt niet bevreesd voor familiariteiten,—noch hij, noch zij zouden daartoe -aanleiding geven of vinden,—<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>maar toch hinderde het haar, dat hij naast haar sliep, en deze afkeer was zoo wederkeerig, -dat in het groote tweepersoonsledikant elk hunner gestrekt tegen de klamboe lag met -een breede plaats tusschen hen open, die altijd ongerept bleef. -</p> -<p>Zij kon niet slapen; ze had nu werkelijk hoofdpijn van het denken over den inhoud -van dien brief; in huis was het stil; tante Borne sliep en haar kinderen ook; slechts -nu en dan hoorde men een onvast stemgeluid uit de aangrenzende kinderkamer, als een -der kleinen zijn onschuldige droomen hardop droomde: van ’t gesprek der twee mannen -in de voorgalerij hoorde men in het achterhuis niets; de oude meid sliep rustig op -haar matje; flauw verlichtte ’t brandend pitje in het glas met klapperolie de eenvoudige -kamer, trok op de bruine tafel een grooten schaduwcirkel, en teekende op de witte -muren den halven omtrek der kasten. Als een vlindertje in ’t vlammetje vloog, het -op en neer deed dansen en daarmee al de schaduwen op de muren in beweging scheen te -brengen, dan schrikte Betsy en voer haar een rilling langs den rug. Ze vond het dwaas -en kinderachtig; ze had zeker binnenkoorts, dacht ze, en met haar oogen wijd open, -staarde ze naar het licht. Maar het hielp niet. Haar anders zoo kalm hoofdje werkte -onregelmatig, en ze zag in haar verbeelding akelige dingen: het nare gezicht van Den -Ekster met zijn blonden baard, blauwbleek, strak en met gesloten oogen; zij deed zelfs -de oogen dicht, maar ’t hielp evenmin, want ze zag het toch, dat gezicht, op en neer -dansend zonder romp; en daarachter kwam dat van de oude meid met afzichtelijke grijnzende -trekken. -</p> -<p>Zij streek de haren van haar klam voorhoofd weg en stond op; het was in dat bed niet -uit te houden; zenuwachtig opende zij de kast, nam er een doosje quinine-pillen uit, -en slikte haastig een vijftal naar binnen. Door het kraken van de kastdeuren was de -baboe ontwaakt en had ze zich opgericht. -</p> -<p>Betsy nam een kussen uit het bed en wierp het op de mat, naast dat van de meid. -</p> -<p>„Er zijn veel muskieten,” zei deze. -<span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span></p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah.</span>” -</p> -<p>„De grond is hard.” -</p> -<p>„Houd den mond, <span class="ex">nèh</span>, en ga slapen.” -</p> -<p>Maar de oude deed dat niet; zij stond op, steunend en mompelend, ging naar de binnengalerij, -haalde een bultzak van een divan en sjouwde die naar de plaats waar haar <span class="ex">nonna</span> lag. De steenen vloer voelde werkelijk hard door de dunne mat heen. Betsy glimlachte, -ging op den bultzak liggen en zei in ’t Hollandsch: -</p> -<p>„Je bent ’n goeie ouwe ziel, ja!” -</p> -<p>De oude gaf door niets te kennen, dat ze dit verstond of begreep. Ze nam een waaier -van de toilettafel en hield, al waaierend, de gonzende muskieten, die haar meesteres -bedreigden, op een afstand; rustig sliep Betsy in; honderden malen was ze zóó ingeslapen, -toen ze nog vrij was. -</p> -<p>Zóó vond haar Den Ekster tot zijn groote vreugde. Behaaglijk strekte hij zich uit -in het ruime bed. Hij was al bang geweest, dat ze er in zou liggen en was het met -zichzelven niet eens kunnen worden of hij den nacht dan maar niet verder zou doorbrengen -in een luierstoel in de achtergalerij. En <span class="ex">attendant</span> had hij oom Borne aan den praat en aan de brandy gehouden tot halfvier. -</p> -<p>„Jij bent ook een plakker, jij,” had de kapitein lachend gezegd. „<span class="ex" lang="ms">Ajo</span>, marsch, naar je kooi!” -</p> -<p>En nu vond hij de baan vrij! -</p> -<p>De haat, dien de oude Sarinah haar heer en meester toedroeg, werd volkomen gedeeld. -Hij beschouwde haar als een sta-in-den-weg; toen ze pas getrouwd waren, en het nog -zoo ver niet was gekomen tusschen hen, had hij Betsy wel eens verzocht de baboe weg -te zenden, desnoods met levenslang behoud van traktement. Er was geen sprake van. -Hij had het in dien tijd op allerlei wijzen beproefd: met goeden raad, met zachtzinnigheid, -met toorn,—’t was alles vruchteloos; toen had hij getracht de meid zelve te noodzaken -heen te gaan: hij schold haar, behandelde haar hard, beschuldigde haar van diefstal,—’t -hielp even weinig: ’t mensch zweeg. Maar wie daarbij <span class="ex">niet</span> zweeg was <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>Betsy; zij was woedend, en Den Ekster moest haar stille, maar venijnige hatelijkheden -verduren, tot hij het opgaf. -</p> -<p>Na dien tijd beproefde hij het nooit weer, en daar de kloof tusschen hem en zijn vrouw -voortdurend grooter werd, was er ook minder aanleiding toe dan vroeger. -</p> -<p>Toen hij opstond was het reeds laat. Van Betsy was geen spoor te ontdekken; die zat -reeds lang bij haar tante in de achtergalerij, en de kapitein was al vroeg vertrokken, -voor den dienst. -</p> -<p>„We zullen straks eens naar „hier naast” gaan,” zei tante Borne. „Zij is een echte -<span class="ex" lang="ms">totok</span>, maar ’n lief, goed mensch.” -</p> -<p>„We moesten liever eens naar de pasar gaan,” meende Betsy. -</p> -<p>„Neen, Bets. Ik heb het haar beloofd, en je moet voor de aardigheid zien wat een mooie -poppenkast het is.” -</p> -<p>„Zijn ze rijk?” -</p> -<p>„Nu, dat zou ik denken. De resident zei laatst, dat Bronkhorst wel voor dertig duizend -gulden aan inboedel had. Kijk,” ging ze voort over den pagger wijzend naar het erf -van den notaris, „kijk, ze gaat rijden met de kinderen: dat doet ze elken ochtend; -soms komt ze vragen of ik mee ga.” -</p> -<p>„En gaat u?” -</p> -<p>„Wel waarom niet? ’t Is lekker.” -</p> -<p>„Ik zou niet willen. Als ik ’t zelf niet kon betalen, dan zou ik niet willen gaan -toeren in den wagen van een ander.” -</p> -<p>„Je bent ’n pretentieus nest,” zei tante Borne dreigend. „Ik ben blij, dat ik zoo -gek niet ben. Oom is kapitein; dat is een mooie, eervolle positie, zoo goed als die -van tien pennelikkers, hoor! Maar geld overhouden kunnen we niet; daar zorgt ’t gouvernement -wel voor. Iedereen mag gerust weten, wie mevrouw Borne is, en als wij geen wagens -en paarden kunnen houden, dan zijn we er toch niets minder om; en als.….” -</p> -<p>„Heerejé, tante, maak u niet boos. Het is de moeite immers niet waard. Er steekt zeker -niets in, alleen: <span class="ex">ik</span> zou het niet doen.” -</p> -<p>Maar tante was er niet tevreden over, dat kon men haar oogen wel aanzien; toch ging -ze er niet op door, want ze wilde geen <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>twist hebben met Betsy, dáárvoor had ze aan haar man genoeg. -</p> -<p>Omstreeks halftwaalf wandelden de dames in sarong en kabaai en met groote parasols -boven het hoofd het erf van mevrouw Bronkhorst op; men kon niet vroeger bij haar komen, -had tante Borne gezegd, want het mensch had het altijd zoo vreeselijk druk met het -huishouden, en was nooit vroeger dan halftwaalf te spreken. Zelfs nu nog troffen zij -haar aan in een slaapsarong en een vuile kabaja. -</p> -<p>„Och, mevrouw Borne, ga even zitten als je wilt; ik ben in twee minuten klaar, maar -ik heb het ook van ochtend zoo vreeselijk druk gehad, dat ik nog geen tijd kon vinden -om me wat op te knappen.” -</p> -<p>Terwijl de vrouw des huizes bezig was zich „op te knappen” en tante Borne in een Palembangschen -wipstoel zat te schommelen, liep Betsy de binnengalerij rond over de gladde marmeren -steenen, gepolijst als ’n dansvloer. Wat was dat alles keurig net! Zij kon haar oogen -niet verzadigen. Zulk een verzameling van fraaie kleinigheden, en zulke kostbare groote -meubelen had ze nog nooit gezien. En welk een zilverkast! -</p> -<p>„Ziezoo,” zei mevrouw Bronkhorst, die inderdaad heel gauw klaar was. „Ziezoo, nu ben -ik ’n beetje presentabeler. Wel mevrouw Den Ekster, is het nogal naar uw smaak?” -</p> -<p>„O, mevrouw, ’t is goddelijk!” -</p> -<p>„Noem haar maar Betsy,” zei mevrouw Borne: „ze is nog zoo jong.” -</p> -<p>„Welzeker; ik vind het wel zoo prettig als u mij bij den naam noemt.” -</p> -<p>Mevrouw Bronkhorst keek haar eens aan. -</p> -<p>Ja, jong was ze en mooi ook, dat was waar, daarop viel niets af te dingen; het eenige -wat de notarisvrouw overwoog, was of het verjeugdigen dier getrouwde vrouw haarzelve -niet te oud deed schijnen. Doch ze stapte er overheen. -</p> -<p>„Nu, Betsy dan. Hoe is het met de hoofdpijn?” -</p> -<p>„Dank u, die is gelukkig verdwenen.” -<span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span></p> -<p>„Erg lastig, nietwaar? Kijk, daar komt mijn man. Ik heb hem laten roepen; het is dezer -dagen zoo druk niet op ’t kantoor; hij kan ons best ’n uurtje gezelschap komen houden!” -</p> -<p>Nieuwsgierig keek Betsy naar den notaris; welk een man moest het zijn, die zooveel -pinterder was dan al die anderen, dat hij geld genoeg verdiende en rijk genoeg was -om allen te overbluffen. -</p> -<p>Zoo men al niet kon zeggen, dat de notaris door zijn uiterlijk dat van Den Ekster -in de schaduw stelde,—voor dezen onderdoen behoefde hij niet. Daarentegen was hij -beschaafder en bewoog hij zich gemakkelijker tegenover dames; er lag bovendien een -innemende vriendelijkheid op zijn gelaat, die weerklank vond in den toon zijner stem. -Hij beviel Betsy uitstekend. Welk een onmogelijk individu was zoo’n Den Ekster, vond -ze, vergeleken bij een man als deze! Zelfs oom Borne, hoe goedhartig en braaf, kon -met zijn talrijke bittertjes en luidruchtige manieren niet in een vergelijking komen. -Bronkhorst vond haar ook een lief, sympathiek vrouwtje, en sprak nogal druk met haar. -</p> -<p>„Was het vóór uw trouwen hier ook zoo mooi?” vroeg ze hem, toen hij haar eenige inlichtingen -had gegeven over ’n paar schilderstukken, die binnen aan den wand hingen. -</p> -<p>„Neen. Ik woonde niet eens hier, maar had mijn kamers in het logement.” -</p> -<p>„Dus bracht mevrouw het mee?” -</p> -<p>„Dat nu juist niet. We hebben het samen gekocht in Europa.” -</p> -<p>„Gelukkige menschen! Ik ben dol op mooi goed.” -</p> -<p>Tante Borne keek haar even aan; zij begreep niet waarom haar nichtje zoo ongevraagd -zat te jokken, want ze wist heel goed, dat ze niets gaf om meubelen, en, wat <span class="corr" id="xd31e582" title="Bron: fraaiïgheden">fraaiigheden</span> aanging, slechts voor mooie toiletten en mooie paarden hart had. -</p> -<p>„Och,” antwoordde Bronkhorst eenigszins aarzelend, „als men het eenmaal heeft.….” -</p> -<p>„Hu ja, u kunt er gemakkelijk over praten.…. wat men ontbeert leert men appreciëeren.….” -</p> -<p>De notaris bleef het antwoord schuldig. ’t Was, vond hij, <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>pijnlijk. Dienzelfden ochtend nog had hij, sprekend met Prédier, aan den betrekkingloozen -Den Ekster gedacht, en gevraagd of zij hem niet op hun nieuwe onderneming zouden kunnen -gebruiken. Doch Prédier had er geen ooren naar. Den Ekster was, zei hij, lui, dom -en verwaand, en van zulke menschen moest hij op het land niets hebben. Wel was hij -eerlijk, maar, zei Prédier, ik heb nog oneindig liever een knappen, werkzamen vent, -die me tracht te bestelen; tegen dat laatste zal ik dan wel waken! Daartegen viel -weinig te zeggen, en hoe gaarne Bronkhorst uit aangeboren hulpvaardigheid ook „iets” -voor den neef van zijn buurman zou gedaan hebben,—op deze onderneming, waarvan hij -veel verwachtte en die aardig wat geld kostte, mocht hij niemand pousseeren, die bekend -stond als lui en dom. -</p> -<p>„Heeft uw man al pogingen gedaan?” -</p> -<p>„Och, notaris!” viel mevrouw Borne in, „als u iets voor hem hoorde, ja? Het is in -den tegenwoordigen tijd zoo moeilijk.” -</p> -<p>„’t Is aan den eenen kant wel gelukkig dat u geen kinderen hebt,” meende mevrouw Bronkhorst, -met de beste bedoeling iets in het midden brengend, dat door ’n Indische vrouw altijd -wordt beschouwd als een hatelijkheid. Het lichtte eventjes onder de neergeslagen oogleden -en de donkere wimpers van Betsy; ze zuchtte en glimlachte droevig. -</p> -<p>„Het is alles heel treurig voor ons. Daar zitten wij nu op tante’s dak, en indien -zij ons niet wilde logeeren, dan zou ik niet weten waar we heen moesten, als Den Ekster -niet spoedig iets anders kreeg. En ik vrees.…. want ik weet niet of hij er wel zooveel -moeite voor doet als noodig is.” -</p> -<p>Bronkhorst had het niet willen zeggen, maar inderdaad, dàt vond hij ook. Die jonge -vrouw had meer verstand dan haar man. Of had die Den Ekster, toen hij op de receptie -was, zich niet met ’n enkel woord kunnen aanbevelen bij den resident en bij hem? Dat -zou toch eenvoudig en verstandig zijn geweest. In plaats daarvan poseerde hij als -de vermoorde onnoozelheid en <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>hing den zondebok uit, door onoordeelkundige eigenaren in de woestijn gezonden, beladen -met al de ongerechtigheden der bladziekte. -</p> -<p>„Het is,” zei hij met een ernstig gezicht, „tegenwoordig geen gekheid buiten emplooi -te zijn. U moet hem maar aan het verstand brengen, dat hij ’t niet lichtvaardig opneemt, -maar in ernst moeite doet.” -</p> -<p>Zij schudde het hoofd. -</p> -<p>„Dat helpt niet.” -</p> -<p>Zie je wel, dacht Bronkhorst; dan had Prédier toch gelijk en was die Den Ekster verwaand -ook. Hij voelde dat hij een hekel kreeg aan dien man, terwijl hij het in zichzelven -zonde en schande noemde, dat zoo’n lief vrouwtje zich aan zoo’n nonsens-vent had verslingerd. -Nu kon hij niets voor hem doen, en hij wilde dat ook niet; maar toch om harentwille -zou hij zich gaarne moeite hebben gegeven. -</p> -<p>„’t Is jammer,” zei hij toen de dames afscheid hadden genomen, „dat dit jonge vrouwtje -zoo’n naren man heeft.” -</p> -<p>„Ja,” antwoordde Marie, „het is geen gelukkig huwelijk, heeft mevrouw Borne me verteld. -Ze kunnen niet best met elkaar overweg.” -</p> -<p>„Dat wil ik waarlijk wel gelooven; zoo’n kerel, die lui, dom en pedant is.….” -</p> -<p>„Hoe weet je dat?” -</p> -<p>„<span class="corr" id="xd31e610" title="Bron: Prèdier">Prédier</span> zei het, en ik geloof het nu ook.” -</p> -<p>Het viel de notarisvrouw tegen. Zij had er juist aan gedacht de hulp van haar man -in te roepen ten behoeve van Den Ekster, met het oog op die koffie-onderneming, waarin -hij en Prédier betrokken waren. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>„Hoe <span class="corr" id="xd31e619" title="Bron: vindt">vind</span> je hen?” vroeg mevrouw Borne onder ’t huiswaarts keeren. -</p> -<p>„Háár.…. zóó.…. Hem vind ik een aangenaam mensch; men moet zoo’n vlegel tot man hebben -als de mijne om een ander op prijs te stellen.” -<span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p> -<p>Het hinderde tante Borne. Zij, Betsy, mocht dan tegen haar man hebben wat zij wilde, -maar het paste haar niet hem achter z’n rug uit te schelden. -</p> -<p>Toen ze thuis kwamen, was tante bijzonder vriendelijk tegen neef, die zich dat kalm -liet welgevallen. Den Ekster was een eigenaardig man met een karakter, dat ’n groote -mate van onverschilligheid tot breeden grondslag had. Hij hield van alles wat goed -was, maar kon het ook ontberen zonder morren. Daar hij in Nederland op de landbouwschool -geweest was, verbeeldde hij zich ver boven Indische planters te staan, en gevoelde -hij voor deze <span class="ex">practici</span> een souvereine minachting. Overigens bedaard, weinig sprekend bij volkomen ontstentenis -van wat men ’n <span class="ex" lang="fr">flux de bouche</span> noemt, was hij onder de veelpraters zeer gezien, omdat hij hen geduldig aanhoorde -en nooit in de rede viel. Oom Borne, een gezellig praatvaâr, mocht hem graag en noemde -hem een lobbes, en tante Borne, die het mee niet aan radheid van tong ontbrak, hield -ook veel van den aangetrouwden neef, tot wiens groote gaven nog behoorde, dat hij -haar spijzen roemde en de <span class="ex">kwee-kwee</span> lekker vond, waaraan de goede kapiteinsvrouw in het zweet haars aanschijns alle zorgen -had besteed. Het was waar, Betsy was van haar eigen familie, en daar had ze ’n groot -zwak voor, maar in haar hart hield ze veel van den „armen jongen”, die nu weer zonder -z’n schuld buiten betrekking was geraakt. -</p> -<p>„Als we morgenavond eens ’n paar menschen vroegen?” opperde zij, toen ze na de rijsttafel -met den kapitein in hun kamer was. Dat deed ze zoo altijd; na de rijsttafel was Borne -het best in zijn humeur. -</p> -<p>„Wel, dat is uitstekend. Als je maar zorgt, dat ik een partijtje heb.” -</p> -<p>„Natuurlijk, vent. Ik zal.…” -</p> -<p>Er volgde een opsomming van de uit te noodigen gasten, waaronder ook de notaris Bronkhorst -en diens vrouw. -</p> -<p>„Jammer, dat hij niet <span class="ex">hombert</span>,” meende de kapitein met glinsterende oogen. -<span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span></p> -<p>„Och waarom? Er zijn immers heeren genoeg.” -</p> -<p>„Ja maar zie je, met die gaat het maar om een gewoon tariefje. Als ik dien notaris -eens te pakken kon krijgen.…” -</p> -<p>„Dan verloor je misschien op den koop toe.” -</p> -<p>Maar de kapitein glimlachte slim. Hij was sterk in het spel, dat wist hij, en <span class="ex">als</span> een „kleintje” er maar even was door te halen, dan kon men zeker zijn dat het hem -niet ontging. -</p> -<p>Het denkbeeld lachte hem zoo toe, en in zijn verbeelding zag hij reeds „’n potje” -vol „kapitalen” van den notaris, dat hij, Borne, „in de wacht sleepte.” -</p> -<p>Maar zoo’n man homberde niet! Dat whistte met de dames! „Net ’n wijf,” dacht de kapitein; -met ’n boos gezicht keerde hij zich met ’n ruk om in bed van den eenen breeden schouder -op den anderen, en verontwaardigd sliep hij in. -</p> -<p>Het was nu toch ’n heel ander gezicht bij de Borne’s, dan wanneer ze <span class="ex" lang="fr">en petit comité</span> waren! Bronkhorst was „ingedeeld” met Betsy en nog ’n paar dames; hij was zeer galant -voor haar en verstond de kunst met gratie te verliezen. Zij coquetteerde ’n beetje; -zij was verreweg de mooiste van het drietal aan de speeltafel, en onwillekeurig keek -de notaris nogal dikwijls naar haar; het was alsof zij ’t voelde, en als zij met ’n -fijn glimlachje dan de oogleden opsloeg en met haar flonkerende zwarte oogen hem recht -in de zijne keek, dan was het als spoorde hem dat aan zich in haar oogen behaaglijk -te maken. Maar hij dacht daarbij aan niets. Hij hield veel van zijn vrouw; geen oogenblik -ging hij in gedachten verder dan de omstandigheden van het oogenblik, en die waren, -dat hij met een mooie jonge vrouw ’n partijtje maakte en vriendelijk tegen haar was. -</p> -<p>Toen de gasten heengingen, keek Betsy hen na, voorzoover de halve duisternis het veroorloofde; -eigenlijk zag ze alleen het prachtig toilet van mevrouw Bronkhorst, en daarna viel -haar oog op haar eigen eenvoudig bruin kleedje met lichter bruin gegarneerd. Wat waren -die menschen gelukkig boven allen! Zou zoo iets ooit voor haar zijn weggelegd, gebonden -als ze was aan dien <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>„kalen jakhals” buiten emplooi, dien ze bovendien nog haatte ook! Wat leek het duister -in de voorgalerij, nu! -</p> -<p>„Ik ga me gauw uitkleeden,” zei tante Borne. -</p> -<p>„Wij moesten ons ook lekker maken,” meende de kapitein doelende op zichzelven en op -Den Ekster. -</p> -<p>„Dat is ’n goed idée,” zei deze. -</p> -<p>Ze gingen ’t huis binnen. Betsy bleef; ze wilde wachten tot „die vent” terug was, -dan behoefde zij niet tegelijk met hem in de kamer te zijn. Terwijl de bediende de -speeltafeltjes binnenhaalde en de kaarten en fiches opborg, liep Betsy de galerij -op en neer. God, god, welk een leven! Te zien, hoe onbeduidend andere vrouwen van -uiterlijk zijn; te weten, dat men zelf haar in schoonheid overtreft; te ervaren, dat -zij in weelde zwemmen, en zelf gedoemd te zijn tot <span class="ex" lang="fr">misère</span>,—ze kneep haar waaier haast stuk van woede, maar ze betoomde zich, want ’t was haar -eenige goede. -</p> -<p>En al dat jammer omdat ze als ’n slavin was gebonden aan „dien vent”! O, maar het -was schandelijk en belachelijk tevens, en Lidia.… Ze durfde ’n oogenblik haar gedachten -niet te laten voortgaan, ’t Was om er koud van te worden! Bovendien: zou God zoo’n -misdaad niet verschrikkelijk straffen? Het denkbeeld hield haar ’n oogenblik bezig. -Zij was gedoopt en aangenomen, maar ze had niettemin altijd erg weinig „gedaan” aan -godsdienst; ze wist er zoo goed als niets meer van, en ze „deed” er sedert haar aanneming -in ’t geheel niet meer aan. -</p> -<p>Toch hield de vrees een oogenblik haar hart benepen, maar met haar gewoon onverschillig -schokschouderen, liet zij het denkbeeld los. Als er een God was, die zich met iets -bemoeide, dan had hij maar moeten zorgen, dat zij niet zoo’n man had gekregen. -</p> -<p>Toen Den Ekster uit de kamer kwam en zij er binnen ging liep hij haar bijna omver. -Het kwam niet bij hem op zich met een enkel woord te verontschuldigen; in zijn oogen -was zij weinig meer dan een knappe baboe met <span class="ex">tinka’s</span>. Vol minachting keek hij op haar neer en ging zijns weegs. -<span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span></p> -<p>In de kamer ontkleedde haar de meid, alsof zij een kind was; haar rol was daarbij -volkomen passief; toen ze uitgekleed op den stoel zat en de oude voor haar neerhurkte -om haar kousen uit te trekken, stak ze niet eens het fraai gevormde been uit, maar -liet het de meid opnemen, die het met den hiel op haar eigen knie plaatste, om te -beletten, dat het in slappe indolentie weer terugviel. -</p> -<p>Doch in haar hoofd was het zoo kalm niet; zij was bleek en staarde op een onverschillig -punt, in gedachten verdiept. -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah!</span>” zei de meid met een zucht, na de tweede kous. -</p> -<p>„Weet je wat mijn zuster schreef?” -</p> -<p>„Misschien.” -</p> -<p>„Wat! Misschien? Hoe kan jij ’t weten?” -</p> -<p>De oude schudde het hoofd. -</p> -<p>„Ik denk zoo maar.” -</p> -<p>„Je kunt het niet denken,” zei Betsy; ze sprak zacht, maar snel en zenuwachtig; „je -kunt het niet denken, <span class="ex">nèh!</span> Hoe kan jij weten, wat nonna Lidia schrijft in een brief?” -</p> -<p>„Ik weet het niet; ik ken nonna Li, zooals ik nonna Betsy ken. <span class="ex">Allah!</span> ze waren nog slechts zóó klein.” -</p> -<p>Mevrouw Den Ekster werd een beetje bang; ofschoon ze het mensch bejegende met de afwisselende -wreedheid en aanhaligheid, die Indische kinderen voor hun bedienden aan den dag leggen, -koesterde zij toch eenige vrees voor de tooverachtige geheimzinnigheid, die de oude -soms deed blijken; dat was haar bijgebleven uit den tijd toen Sarinah voor haar kinderbedje -zat te vertellen van de <span class="ex" lang="ms">gendhroewo</span>, die buiten in de duisternis achter de boomen gluurde. -</p> -<p>Zij vermande zich en trachtte te glimlachen. -</p> -<p>„Je bent erg <span class="ex">pinter</span>, <span class="ex">nèh</span>, dat je raden kunt, wat anderen schrijven.” -</p> -<p>„Misschien! Men kan niet weten!” -</p> -<p>„Nu zeg het dan, als je het weet,” zei Betsy boos. „Sta dan zoo dwaas niet te praten.” -<span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span></p> -<p>Steunend als naar gewoonte, kwam de oude naar haar toe, liep tot naast haar stoel, -en met de hand op de leuning zich vooroverbuigend, fluisterde zij haar meesteres iets -in, en ging daarna zuchtend en mompelend naar haar matje terug om uit te rusten. -</p> -<p>Betsy bleef onbeweeglijk zitten en zag verschrikt naar de gebogen figuur in het lange -blauwe baadje, die in den half duisteren hoek der kamer neerhurkte. -</p> -<p>Het duurde wel een minuut vóór zij iets zei, en in dit tijdsverloop snelden haar gedachten -voort. Ze voelde nog wel een grooten angst voor het idée, als voor iets dat onberekenbare -gevolgen kan hebben, maar toch begon ze er meer aan gewoon te raken, en eigenlijk -verheugde het haar, dat ze er nu voortaan met de meid over kon praten, zonder dat -ze haar iets had behoeven te vertellen. -</p> -<p>„Je bent toch zeer slim,” zei ze tot Sarinah, en toen deze zich niet geneigd betoonde -om op dit compliment te antwoorden, ging ze voort: -</p> -<p>„Het is erg slecht.” -</p> -<p>„Als men een slang ontmoet, slaat men haar dood.” -</p> -<p>„Een slang is wat anders.” -</p> -<p>„Somtijds veel minder erg.…. ah!.…. hu!.…. oh!.….” zuchtte en steunde Sarinah. -</p> -<p>Betsy deed een kabaja aan en ging oom en tante goeden nacht zeggen; de laatste, in -haar kamer, sliep reeds bijna; oom zat met Den Ekster ’n grogje na te drinken, en -daar <span class="ex">hij</span> niet zien mocht <span class="ex">hoe</span> de eigenlijke verhouding was tusschen het jonge echtpaar, riep zij uit de binnengalerij -naar voren: „Wel te rusten!” -</p> -<p>„Dag beste meid, vergeet niet je mooie oogen dicht te doen,” antwoordde de kapitein -op vroolijken toon. Den Ekster bromde iets in z’n baard. -</p> -<p>Zij sliep nu elken nacht op den bultzak op den grond; tante Borne wist het wel, maar -deed alsof ze niets merkte, en de kapitein was van die dingen volstrekt niet op de -hoogte. -</p> -<p>Haar slaapplaats was reeds door de oude gereed gemaakt; het <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>mensch zat te wachten met den waaier. Betsy ging eerst op haar harde matras zitten; -ze moest iets zeggen, het kostte wat het mocht, maar de woorden wilden haar niet over -de lippen; haar hart stond bijna stil en haar hoofd klopte, als onderging zij met -schuldgevoel een scherp onderzoek; zij voelde haar handen en voeten koud worden als -steen, en haar mond werd droog van binnen. Sarinah zat er bij als een stomme; ze vroeg -niets, stond zachtjes steunend op, schonk water in een glas uit den <span class="ex" lang="ms">gendih</span> en reikte het haar toe. Ruw stiet zij de bruine gerimpelde hand weg, zoodat het water -over den vloer spatte, en zag hevig verschrikt de oude aan. -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Masa!</span>” riep deze afkeurend. -</p> -<p>„<span class="ex">Nèh</span>, ik ben bang van je! Ga weg, ga weg!” fluisterde Betsy in groote opgewondenheid. -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Oeah!</span> Waarom is de <span class="ex">nonna</span> bang voor haar oude <span class="ex">baboe</span>?” -</p> -<p>„’t Is slechts gekheid; <span class="ex">nèh</span>; ik ben kinderachtig, ja! Geef me het water maar; het is heel goed van je.” -</p> -<p>Zij dronk en ’t bedaarde haar een weinig, maar toen Sarinah haar gewone plaats op -het matje had ingenomen, kwamen dezelfde physiologische verschijnselen weer terug, -en het was de oude meid alsof haar verdroogde vingers een ijsbad namen, toen Betsy -ze greep met beide handen en bijna onhoorbaar vroeg: -</p> -<p>„Zou je het durven?” -</p> -<p>Het antwoord bleef ’n oogenblik uit; de <span class="ex">baboe</span> zag met haar doffe onverstoorbare oogen in ’t ontstelde, verwrongen gezicht van het -mooie vrouwtje; en ze glimlachte vredig en streek zacht over den rijkdom van glanzend -zwart haar, zooals ze het ’t kleine kind had gedaan en het opgroeiend meisje, waarover -ze gewaakt had dag en nacht, en dat nu zoo ongelukkig was. -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Boleh tjobah</span>,” antwoordde ze zacht. -</p> -<p>Toen volgde een fluisterend gesprek tusschen beiden, tot Betsy opstond, met bevende -handen de kast opende en uit haar beursje een paar gouden tientjes nam; het was een -klein deel van wat ze op het land had bespaard, maar dat in de dagen van tegenspoed -<span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>reeds aanmerkelijk was geslonken. Sarinah stak het geld in een vuil katoenen zakje, -dat ze oprolde en tusschen haar sarongband verborg. -</p> -<p>De oude hand met den waaier erin was reeds lang gedaald en het grijze hoofd lag op -het onzindelijk kussentje, waarop het gewoonlijk rustte; Den Ekster sliep reeds en -snorkte zoo hard dat de glasruiten er van rinkelden; maar Betsy was, hoewel zij stil -lag en met gesloten oogen, nog klaar wakker midden in den nacht. Zij <span class="ex">kon</span> niet slapen. Wel beving haar nu en dan een loodzwaar gevoel van verdooving, zoodat -het was alsof ze haar arm niet kon oplichten of haar hoofd niet kon bewegen, maar -haar geest bleef waken, denkend over dat ééne onderwerp, het beziende van alle kanten, -het wikkend in alle voor en tegen, in alle zelfs zijn meest veraf liggende fantastische -gevolgen. Nu en dan liep haar een rilling over het lijf alsof ze koorts had en een -dreunend pijnlijk gevoel trok haar door het hoofd van den eenen kant naar den anderen. -Toen de natuur overwon en zij in slaap viel, liet het boosaardige plan haar geen rust; -zij droomde van gruwelijken moord; zij sneed eigenhandig iemand het hoofd af en verborg -dat onder haar kabaja; toen kwam de assistent-resident en wilde haar geboeid tusschen -zijn oppassers meenemen; maar zij wilde niet om dat hoofd; en zij voelde hoe het bewoog -met de trekken, hoe die beweging zichtbaar was aan haar kabaja, en terwijl ze trachtte -dat te verbergen voor de politie, die haar wilde gevangennemen, opende het hoofd den -mond en beet haar in de borst. „Neem het weg,” riep ze of wilde ze roepen, en in werkelijkheid -stiet ze een paar benauwde toonlooze kreten uit, die haar zelf deden ontwaken en ook -aan het snorken van Den Ekster voor ’n oogenblik een einde maakten. Het koude zweet -gudste haar van het voorhoofd; haar gelaat was doodsbleek en haar handen sidderden, -terwijl zij snel en diep ademhaalde. -</p> -<p>„<span class="ex">Bagimana!</span>” zei zachtjes en op afkeurenden toon de oude meid, terwijl ze met een machinale beweging -den waaier op en neer deed gaan en met haar slendang langs het voorhoofd harer meesteres -wreef. -<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span></p> -<p>Den volgenden morgen aan het ontbijt beschouwden tante en oom het nichtje met belangstelling -en bezorgdheid. -</p> -<p>„Kind, wat ben je bleek!” -</p> -<p>„Mijn hemel, je bent ziek. Wat scheelt er aan?” -</p> -<p>„Ik ben niet erg lekker.” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Sakit peroet</span>,” hoestte de oude Sarinah, die bij de naaister op de mat was gaan zitten. -</p> -<p>„Nu,” zei mevrouw Borne, met al de zekerheid, die zij uit haar <span class="ex" lang="ms">boekoe obat</span> putte, „daar zullen we je wel wat voor geven.” -</p> -<p>„Het is de moeite niet waard, tante.” -</p> -<p>„Je ziet er toch heel slecht van uit.” -</p> -<p>„’t Zal morgen wel beter zijn.” -</p> -<p>Er werd niet verder over gesproken. Na het ontbijt kreeg Betsy, die niet had meegegeten, -’n smeersel uitwendig en ’n bitter drankje inwendig, waarop ze ’n half uur later tot -groote vreugde der kapiteinsvrouw verklaarde, dat het haar uitstekend had geholpen. -</p> -<p>„Er gaat niets boven inlandsche medicijn,” verklaarde tante plechtig. „Je ziet er -wezenlijk al veel beter uit.” -</p> -<p>Nu dat laatste was waar, maar Betsy moest bij haarzelve toch lachen om de heilzame -werking van geneesmiddelen voor kwalen, die men niet heeft. Met een onrustig oog volgde -zij dien dag Sarinah, in al haar doen en laten. -</p> -<p>Het <span class="ex" lang="ms">manah nèh</span>? lag haar telkens, als de oude niet in haar nabijheid was, op de lippen. -</p> -<p>„Wees toch niet zoo vervelend!” had tante gezegd. „Het is of je ’n klein kind bent.” -</p> -<p>De dag ging voorbij en de volgende zonder dat er iets gebeurde; de zenuwachtige toestand -van Betsy verdween, en ze zag alles kalmer aan; <span class="ex">zij</span> liep immers persoonlijk volstrekt geen gevaar! Sarinah zou haar niet verraden, dat -wist zij. Bovendien, zijzelve deed immers niets hoegenaamd en nimmer kon men haar -iets bewijzen. -</p> -<p>Maar den derden dag liep het haar koud langs den rug en <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>verschoot zij van kleur, toen ze aan de rijsttafel gewaarwerd dat Den Ekster er slecht -uitzag. Zij had hem in de laatste dagen meer in het oog gehouden, dan vroeger in maanden; -zij zag het dadelijk en begreep. Toch kon het nog niet erg wezen, dacht ze, want de -Borne’s schenen er nog niets van te bespeuren. Alleen toen Den Ekster, die in gewone -omstandigheden begaafd was met een verbazenden eetlust, slechts een enkelen lepel -rijst nam, vroegen oom en tante in volle verbazing en als uit één mond: -</p> -<p>„Wat mankeert jou?” -</p> -<p>„Ik heb ’n onaangenaam gevoel in den buik; ik ben heelemaal zoo loom en soezerig.” -</p> -<p>„Wacht, ik zal je straks wel helpen. <span class="ex">Zij</span>,” antwoordde tante, doelende op Betsy, „had voor een paar dagen precies hetzelfde; -ik heb er haar in een paar uren afgeholpen. Is het niet waar, Bets?” -</p> -<p>„Ja.” -</p> -<p>Onwillekeurig keek Den Ekster naar zijn vrouw, die net had gehad, wat hij nu gevoelde -te hebben. Het gebeurde niet dikwijls, dat hij haar aanzag, maar het trof hem nu, -dat zij werkelijk bleek en vermagerd was. -</p> -<p>„Ben je heelemaal beter?” vroeg hij op zijn gewonen afgemeten toon. -</p> -<p>De oude vijandschap verdrong elk gevoel van medelijden. -</p> -<p>„Natuurlijk,” zei ze, en uit den klank van haar stem kon men duidelijk hooren, dat -ze er had willen bijvoegen: „ik ben niet zoo’n sukkel als jij.” -</p> -<p>Hij gaf er geen weerwerk op, maar glimlachte spottend, zooals men doet over de dwaasheid -van een kind; daarna keek hij droevig naar zijn ledig bord en schonk zich een groot -glas water. -</p> -<p>„Je moet niet zooveel water drinken,” zei de kapitein; „dat is niet goed. Neem een -glas cognac.….” -</p> -<p>„Wel, Borne,” riep zijn vrouw. „Je lijkt wel mal met je sterken drank bij buikziekte.” -</p> -<p>„Dat ben je zelf met je heele inlandsche medicijnrommel,” riep hij met de hand op -tafel slaande. „Een glas cognac is altijd goed.” -<span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span></p> -<p>„Het is niet waar; het is vergif, en mijn inlandsche medicijnrommel is heel wat heilzamer -dan al dat.…. zuipen.” -</p> -<p>’t Hooge woord was er alweer uit en een woordentwist, die op niets hoegenaamd uitliep, -maar zooals zij er wel vijftig in het jaar hadden, luid en heftig, brak los. Den Ekster -noch Betsy spraken er een woord tusschen; hij was er te onlekker voor, en zij had -zulk een gevoel van bevangenheid, dat het gekijf haar niet eens erg duidelijk was. -Eindelijk kwam er een eind aan. Bij tante Borne kwamen tranen aanrukken, en toen stond -de kapitein rood als vuur van tafel op, zette zijn stoel neer als moest die door den -grond en rukte uit naar zijn kamer. -</p> -<p>Den Ekster stond ook op, zuchtend en naar het scheen erg vermoeid, want toen hij uit -de achtergalerij naar binnen ging, knikten zijn knieën. -</p> -<p>Zij durfde niet in de kamer komen. -</p> -<p>„Ga jij niet slapen, Bets?” vroeg tante. -</p> -<p>„Neen, ik blijf hier.” -</p> -<p>„Nu, dat is goed; dan kun je me gezelschap houden.” -</p> -<p>Betsy wist daar alles van. Geen kwartier was verloopen of de kapitein riep met vervaarlijk -bas-geluid: -</p> -<p>„Hoe is het nu? Blijf je daarachter overnachten?” -</p> -<p>En toen stond tante op. Zij zei met een triomfantelijke uitdrukking op het gezicht: -„Daar heb je hem al,” en ging gauw haar aandeel nemen in de echtelijke <span class="ex">siësta</span>. -</p> -<p>Het was zoo stil als het is, midden op den dag bij het brandende zonnetje. Mensch -en dier zochten schaduw en verademing; de groote huishond strekte zijn lichaam uit -op de koude treden van de steenen trap om de oppervlakte van zijn huid zooveel mogelijk -er mee in aanraking te brengen; de kippen woelden zich onder boomen en planten kuilen -in den grond en lagen daarin met opgestoken veeren, als zett’en zij de vensters hunner -pluimage van de warmte open, gelijk men het die van een huis doet; de bedienden lagen -in hun kleine vertrekken op het achtererf voor negen tienden naakt op hun balé-balés; -geen haan <span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>dacht aan kraaien, geen vogel aan zingen, geen hond aan blaffen,—alles onderging den -invloed van den tropischen middaggloed, die de lucht deed trillen, en verzengend en -afmattend in altijd terugkeerende golvingen heen en weer ging. -</p> -<p>Betsy zat op een bank in een hoekje, quasi bezig met het borduren van pantoffels, -ongeveer het eenige wat zij kon; zij deed het bij uitstek fraai, maar ditmaal knoeide -zij geweldig. -</p> -<p>Nauwelijks was tante weg of Den Ekster kwam driftig naar buiten en ging naar achter. -Met een verholen blik zag ze, dat hij nog bleeker was dan te voren. Wat zou het worden? -Haar hart klopte zoo snel, dat het haar vrees aanjoeg. -</p> -<p>Hoe zou het wezen, als hij terugkwam? Zou het een crisis worden met verschrikkelijken -doodstrijd? Zou hij het zelf bemerken en het zeggen, misschien? Zou hij het stervend -haar verwijten in het bijzijn van oom en tante? Zij kon niet blijven zitten, wierp -de pantoffels weg, ging naar binnen en bevochtigde haar slapen en polsen met koud -water. Het was niet uit te houden! En toen ze gereed was, scheen het haar toe, dat -hij al wel een uur weg was, naar achteren. Als hij daar eens dood was gebleven! Zij -liep er heen, ofschoon ze zoo beefde, dat ze waggelde op de hooge hakken harer slofjes. -</p> -<p>„Ben je nog dáár?” vroeg ze zacht buiten de deur. -</p> -<p>„Ja,” antwoordde met een zucht ’n klagende stem, welke niet de stem scheen van Den -Ekster. -</p> -<p>„Als je ziek bent, kan ik je dan ook helpen?” -</p> -<p>„Jij niet,” was het antwoord, dat klonk als van iemand, die doodmoe en afgemat is. -„Stuur me die oude meid maar.” -</p> -<p>Zij vloog naar binnen. -</p> -<p>„<span class="ex">Nèh</span>, ga gauw naar achter en help mijnheer.” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Oeah!</span>” zei Sarinah langerekt en zangerig. „Moet ik op mijn ouden dag de baboe zijn van -zulke groote kinderen?” -</p> -<p>„Kom, ga nu maar.” -</p> -<p>„Ik ga al,” steunde de oude niet zonder spotternij. „Het is zoo erg niet. <span class="ex" lang="ms">Lekas baïk!</span>” -<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span></p> -<p>Betsy ging weer in de achtergalerij zitten met het borduurwerk in de hand, maar den -blik onafgewend naar den kant, van waar Den Ekster komen moest. Weer duurde het lang. -Eindelijk kwam hij, steunend op den arm van de zelf gebogen oude meid. Wat zag hij -er uit! Snel sloeg zij de oogen op haar borduurwerk en trachtte ’n paar steken te -doen, die scheef en schotsch op het stramien kwamen. -</p> -<p>Toen hij voor haar stond, keek zij op en zag in de diepliggende, door kringen omgeven -oogen, waarvan het blauw tegen de vale kleur der wangen afstak. -</p> -<p>„Wil je zoo goed zijn,” vroeg hij weer met de stem, die zij niet kende, en die de -zijne niet was, „den dokter te laten roepen? Ik ben erg ziek.” -</p> -<p>„Ik zal het dadelijk doen,” zei ze. Haar stem trilde en had ook een geheel veranderden -klank, maar hij lette daar niet op; hij had al zijn aandacht noodig voor de krampen -in zijn ingewanden en het brandend gevoel, dat zijn lichaam als verschroeide. -</p> -<p>Tante Borne was wakker geworden en wilde Den Ekster <span class="ex" lang="ms">obat</span> geven, maar de kapitein was daartegen en de patiënt zelf ook. Bovendien had Betsy -reeds om den dokter gezonden, en toen die kwam durfde tante niets meer te zeggen, -maar terwijl hij Den Ekster in de kamer onderzocht en Betsy met haar in de achtergalerij -wachtte, zei ze op zeer stelligen toon: „<span class="sc">Ik</span> zou begonnen zijn met hem een lepel castor-olie te geven.” Sarinah, die het hoorde, -knikte met het hoofd en zei, dat de <span class="ex" lang="ms">njonja besar pinter sekali</span> was. -</p> -<p>De jonge, pas uit Europa aangekomen officier van gezondheid klopte, luisterde, informeerde, -keek bedenkelijk, schreef een recept en vertrok. Des namiddags kwam een hevige koorts -opzetten. Weer werd de dokter gehaald, die zijn voorschriften gaf, naar zijn beste -weten. De kapitein en diens vrouw maakten zich ongerust. Betsy zat in de kamer, waar -Den Ekster ziek lag, roerloos als een steenen beeld, terwijl Sarinah als ziekenoppasseres -fungeerde en trouw op tijd, want ze kon op een horloge zien, de medicamenten uit de -Europeesche apotheek toediende. -<span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span></p> -<p>De goede familie Borne zag in de diepe verslagenheid van Betsy een bewijs van medelijden -en verborgen genegenheid. -</p> -<p>„Kom,” fluisterde tante haar toe, „kom Bets, ga mee naar achter ’n kop thee <span class="corr" id="xd31e928" title="Bron: drlnken">drinken</span>. De oude zal hem wel goed verzorgen, en je kunt hier toch niets doen.” -</p> -<p>De zieke lag in een doffe sluimering; de koorts scheen te wijken; de temperatuur was -aanmerkelijk gedaald; maar niettemin kreunde hij in zijn slaap, als gevoelde hij pijn. -</p> -<p>Het was den volgenden dag iets beter. De dokter kwam trouw ’s morgens, ’s middags -en ’s avonds, de medicijnen werden geregeld gebruikt, en oom Borne verklaarde met -een zucht van verlichting, dat, al had dan Den Ekster door dien korten aanval een -geducht „rokje uitgetrokken”, hij er toch wel gauw weer „bovenop” zou zijn. -</p> -<p>Betsy wist niet, hoe zij het had. Wel was haar door die beterschap een pak van het -hart genomen, maar nu de vrees en de agitatie voorbij waren, en haar zenuwen bedaarden, -vond zij het een vreemd en dwaas geval. Toen den derden dag na den ziekteaanval Den -Ekster, schoon bleek en erg zwak, weer aan de rijsttafel verscheen en niet zonder -appetijt de flauwe kostjes nuttigde, door tante met zorg voor hem gereed gemaakt, -verklaarde oom, zeer stellig, dat de vijand overwonnen was en Den Ekster nog niet -naar „kapitein Jas” ging, onder „den groenen deken”, maar dwaalde de vragende blik -der jonge vrouw onwillekeurig naar den kant, waar Sarinah op de mat bij de naaister -zat. -</p> -<p>Maar de oude keek niet op. Zij deed voor tijdpasseering eenig grof werk en mompelde -nu en dan eenige woorden, die door de jonge naaister met zekeren eerbied werden aangehoord. -</p> -<p>Dat alles hinderde haar en maakte haar boos, wat nog verergerde door de toespelingen -van den kapitein, die meende heel goed te doen, toen hij zei: -</p> -<p>„Nu, Bets heeft zich wàt ongerust over je gemaakt toen je ziek waart. Men kon haar -„onder een hoedje vangen.”” -</p> -<p>Het deed Den Ekster toch goed, al had hij haar niet lief, en eenigszins vriendelijk -vroeg hij: -<span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span></p> -<p>„Was je bang, dat ik dood zou gaan?” -</p> -<p>De alle opgewektheid doodende sluier van onverschilligheid trok weer over haar gelaat, -en sprak als ’t ware uit haar geheele houding. -</p> -<p>„Volstrekt niet. Ik heb ’n hekel aan ziekte, dat is alles.” -</p> -<p>„Zoo! Had je misschien gedacht, dat ik je ’n jong weeuwtje zou maken?” -</p> -<p>„Ja,” zei ze brusk-weg. -</p> -<p>„Hm! Nu, dan is dat een vergissing geweest.” -</p> -<p>Zij zweeg, doodsbang, dat zij te veel zou zeggen. Oom en tante Borne vonden het verschrikkelijk -en de kapitein nam zich ernstig voor deze quaestie later, als Den Ekster geheel was -hersteld, op afdoende wijze tot een geschikte oplossing te brengen. Dat moest anders -worden, vond hij. Zulke jonge menschen! -</p> -<p>En mevrouw vond het ook. -</p> -<p>„Ze houden <span class="ex" lang="ms">betoel</span> van elkaar,” meende zij, alle harten rekenend naar haar eigen, „maar het is of Joost -er mee speelt, — ze vatten alles verkeerd op, en de een doet den mond niet open of -de andere is klaar om zich te verdedigen, ook als er niets te verdedigen valt.” -</p> -<p>„Het is maar gelukkig, oudje,” zei de kapitein, zorgvuldig zijn uniform-jas uit de -kreuken trekkend, „dat <span class="ex">wij</span> zoo niet zijn. We mogen dan al eens ’n los woord hebben, maar als het er op aankomt, -dan weten we toch wel waar Abram den mosterd haalt, hé?” en hij sloeg den arm om haar -heen en kuste haar, terwijl zij hem lachend een ouden gek noemde, maar geen de minste -poging deed om zich los te maken; integendeel! -</p> -<p>Zelfs Betsy sliep rustig; thans meer dan ooit op den bultzak. Borne, die tijdens de -ongesteldheid van Den Ekster ’s avonds zijn troost weer in de sociëteit had gezocht, -was reeds lang tehuis. Het Zwitsersche klokje, dat in de achtergalerij aan den wand -hing, sloeg helder en met lange tusschenpoozen drie slagen. Den Ekster werd wakker; -zijn mond was droog, en met schrik voelde hij weer het brandende gevoel, door zijn -geheele lichaam, en de pijn <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>en de zwaarte in zijn ingewanden; het gonsde in zijn hoofd en de lamp scheen zoo duister; -hij voelde zijn huid branden en lette op de snelle overgangen zijner gedachten van -het eene onbeduidende onderwerp op het andere. Hij had het weer terug, dat voelde -hij! Het kwam weer op met dezelfde woede, waarmee het de vorige week was gekomen; -wat zou het nu worden, nu hij zooveel weerstandsvermogen niet meer had? -</p> -<p>„<span class="ex">Nèh!</span>” riep hij. -</p> -<p>De oude meid was dadelijk bij de hand. Als ze op zijn roepen gewacht had, kon ze niet -vlugger geantwoord hebben. -</p> -<p>Hij vroeg een glas water; haastig dronk hij het leeg, en nog een, en nog een. Dat -hielp een oogenblik! Maar toen kwamen weer de stekende pijnen en de aandrang. De meid -hielp hem flinker, dan men van haar ouderdom zou verwacht hebben. Betsy schrikte wakker. -Zij sprong op van haar slaapplaats. -</p> -<p>„Wat is het?” -</p> -<p>„Stuur om den dokter,” kermde hij, van pijn weer krimpend. -</p> -<p>Zij vloog zelf de deur uit; ze was blij, dat ze weg kon komen uit het huis; eerst -had ze oom en tante gewekt, en nu ijlde ze zenuwachtig voort op haar bloote voeten -naar het huis van den dokter, dat wel een halven paal van ’t hare verwijderd was. -</p> -<p>Voor den jongen dokter was het een groote teleurstelling. Het had hem reeds zóó verheugd, -dat hij dezen patiënt had genezen van wat hij meende dat een klimaatziekte was. Hij -had in Indië met veel wederwaardigheden te kampen; de eenige taal, waarin hij zich -bij Europeesche bewoners kon verstaanbaar maken, was het Duitsch. Maleisch en Hollandsch -kon hij nog niet spreken, en daar zijn meeste patiënten slechts in die talen tehuis -waren, kostte het ontzaglijke moeite behoorlijk inlichtingen te ontvangen. Nu deed -zich dat naar het scheen ernstig geval voor; hij meende goed geraden en overwonnen -te hebben, maar verheugde zich te vroeg; de zieke scheen weer ingestort. -</p> -<p>Toen hij ten huize der Borne’s kwam, zag hij dadelijk dat het ergste te vreezen stond. -De temperatuur van den zieke was <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>vreeselijk hoog; ook de overige verschijnselen waren hevig, en wat het ergste was, -de patiënt lag geheel uitgeput ter neer, onverschillig voor alles wat gebeurde, half -bewusteloos soms en nu en dan eenigszins opgewonden, maar wat lichaamskracht aangaat, -altijd zwak en hulpbehoevend. -</p> -<p>Tante Borne hielp de oude Sarinah; wat de dokter gelastte, deden zij, en na een uur -of wat scheen de aanval eenigszins te bedaren. -</p> -<p>In het Duitsch zei nu de jonge man tegen kapitein Borne, dat hij naar huis ging; hij -zou omstreeks tien uren terugkomen; men moest trouw zijn voorschriften volgen, en -als het erger mocht worden, wist men, waar men hem vinden kon. -</p> -<p>„<span class="ex" lang="fr">A propos!</span>” zei de kapitein, toen ze samen in de voorgalerij kwamen, waar de frissche ochtendlucht -hen verkwikkend tegenstroomde. „Wat zou je denken dat hem eigenlijk scheelde?” -</p> -<p><span id="xd31e988"></span>De jonge man trok eenigszins zenuwachtig aan zijn kneveltje, dacht een oogenblik na -en zei toen met groote snelheid: „<span class="ex" lang="de">Bösartige tropische Sumpffieber mit <span class="corr" id="xd31e992" title="Bron: localisation">Localisation</span> auf dem Plexus solaris. Guten <span class="corr" id="xd31e995" title="Bron: morgen">Morgen</span>, <span class="corr" id="xd31e998" title="Bron: herr">Herr</span> Kapitän.</span>” -</p> -<p>En weg was hij! -</p> -<p>Het martiaal gezicht van kapitein Borne nam al luisterend een kluchtige uitdrukking -aan van verbazing, en zonder terug te groeten keek hij verbluft den jongen vreemdeling -na, die met vluggen tred heenging. Maar een oogenblik later fronste hij de wenkbrauwen -en mompelde een krachtig woord. Was die vent gek, met zijn koeterwaalsch en zijn potjeslatijn? -Het was ’n rare boel, meende de kapitein, het leger op te schepen met onverstaanbare -dokters. -</p> -<p>Toen hij weer in de ziekekamer kwam, trof hem de uitdrukking van angst en schrik, -die uit ’t geheele wezen van Betsy sprak, al zat ze stil op een stoel, plukkende aan -haar zakdoek, en zonder dat ze deel nam aan de bedrijvige ziekenverzorging harer tante. -Hij nam zijn vrouw ter zijde. -</p> -<p>„Ik zou <span class="ex">haar</span> naar buiten zenden met de meid; kijk ze er eens uitzien.” -<span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span></p> -<p>„Ja, daar heb ik niet op gelet. <span class="ex" lang="ms">Kasian</span>, ze is heelemaal afgevallen! Bets, ga jij zoo lang naar achter, ja, en laat de <span class="ex">nèh</span> je wat opknappen. Wij kunnen het nu hier wel af; als je noodig mocht zijn, zal ik -je roepen.” -</p> -<p>Sarinah hielp haar en steunende op de meid ging zij de kamer uit. Op de bank in de -achtergalerij viel zij als het ware neer. -</p> -<p>„<span class="ex">Bagimana!</span>” zei de oude met van verbazing hoog opgetrokken wenkbrauwen; „wat scheelt de nonna -toch?” -</p> -<p>En toen ze geen antwoord kreeg, maar de groote oogen zich vol angst en schrik op haar -vestigden, voegde zij er hoofdschuddend bij: -</p> -<p>„Het is alles vanzelf gekomen; ik was nog niet eens begonnen.” -</p> -<p>„<span class="ex">Nèh</span>,” riep Betsy opgewonden en halfluid: „je liegt!” -</p> -<p>Doch Sarinah hield vol. <span class="ex" lang="ms">Soenggoeh mati</span> het was waar. Zij had nog niets gedaan, hoegenaamd, en ze had de gouden tientjes -nog ongewisseld in ’t zakje tusschen haar sarongband. Betsy geloofde het nu; het was -zoo heerlijk het te kunnen gelooven! Ze haalde diep adem en streek heur hoofdhaar -naar achteren. Dat was een bevrijding, even heerlijk als onverwacht! Zij stond op -met haar gewone veerkracht en rekte haar fraai gevormde leden uit; er kwam meer kleur -op haar gezicht en glans in haar oogen; zij had het kunnen uitschreeuwen van pret: -ze nam het grijze hoofd van Sarinah tusschen de handen en kuste haar op de wang. -</p> -<p>„Geef me gauw ’n handdoek, <span class="ex">nèh</span>; ik ga baden!” -</p> -<p>Steunend en mompelend ging de oude een kamer binnen om den doek te halen: toen ze -dien bracht, zei ze: -</p> -<p>„Moet de nonna niet eens in de kamer om te kijken, hoe het den <span class="ex" lang="ms">toean</span> gaat?” -</p> -<p>Betsy rukte haar ruw den doek uit de hand, en de oude haat tegen haar man misvormde -weer haar trekken. -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Tjies</span>,” antwoordde zij, „laat hem voor mijn part.…” -</p> -<p>Vlug sprong ze de trapjes af naar beneden en liep als een jong meisje hard naar de -badkamer, als had ze haast om al de onaangename gewaarwordingen, die haar nutteloos -en noodeloos gekweld hadden, weg te spoelen. -<span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span></p> -<p>Sarinah ging in het ziekevertrek, waar de kapitein en diens vrouw druk bezig waren -met Den Ekster. Het hoofd rustte op Borne’s breeden, sterken arm; het bleeke gezicht, -diep ingevallen, zoodat de sterke, witte tanden als door de huid heen schenen, was -omhoog gericht; de groote blauwe oogen dwaalden langzaam heen en weer. -</p> -<p>„Ik voel, dat het uit is. Dag oom, God zegen je.” -</p> -<p>„Dag arme kerel,” antwoordde de kapitein met tranen in de oogen, een prop in de keel -en een verzwegen krachtig woord op de lippen. -</p> -<p>„Dag, beste tante.” -</p> -<p>Zij kon niet antwoorden, zóó overmeesterde haar de aandoening. -</p> -<p>Een oogenblik, met moeite, benauwd en pijnlijk ademend, zag hij rond. -</p> -<p>„Dag <span class="ex" lang="ms">nèh! Slamat tinggal</span>,” zei hij tegen Sarinah, die bij het bed stond en hem had opgepast. -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Tabé toean</span>,” klonk het doodbedaard terug. „<span class="ex" lang="ms">Slamat djalan.</span>” -</p> -<p>Hij hoorde het niet meer. Een oogenblik van hevige pijn scheen in te treden; een kort -moment slechts: toen was het uit, het lichaam rekte zich, en een zacht gorgelend keelgeluid.….….… -</p> -<p>„<span class="ex" lang="fr">Tournez, tournez!</span>” neuriede Betsy, terwijl zij zich siramde in de badkamer. -</p> -<p>„<span class="ex">Nonna, nonna!</span>” riep de oude meid aan de deur. -</p> -<p>„Nu, wat is er?” -</p> -<p>„Al dood!” -</p> -<p>Zij danste op haar toonen over den steenen vloer en zwaaide, in stilte juichend, den -blikken <span class="ex" lang="ms">gajong</span> boven haar hoofd. Goddank, dat het uit was en dat zij er geen schuld aan had! -</p> -<p>De kapitein en zijn vrouw hadden in het gewichtig oogenblik zelfs niet aan Betsy gedacht; -zij was ook zoo weinig de vrouw geweest van haar man! Nu Den Ekster gestorven was, -schoot het tante Borne als een bliksemstraal door het hoofd; in haar zenuwachtigen -toestand, het gelaat van tranen glimmend, vloog <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>ze naar achteren; Sarinah was haar vóór geweest, en toen zij luid snikkend bij de -badkamer kwam, waarheen ze liep toen zij de jonge weduwe niet zag in de achtergalerij, -ging de deur open en trad Betsy naar buiten, kalm glimlachend, schoon en ongevoelig. -</p> -<p>„Bets, lach niet! Och God, hij is dood!” -</p> -<p>Zij wilde geen onaangenaamheden hebben met haar tante, nu minder dan ooit, en daarom -zette ze dadelijk een gelegenheidsgezicht. -</p> -<p>„Ik lach niet; het is verschrikkelijk.” -</p> -<p>„Ja. Och, hij heeft een oogenblik nog zóó geleden!” -</p> -<p>Tante Borne veegde haar behuild gezicht af met de punt van haar kabaja; zij lette -er niet op, dat ze haar zakdoek in de hand hield. -</p> -<p>„Het is vreeselijk, zoo jong. Oom is er ook kapot van.” -</p> -<p>Dat was waar, want de kapitein hemde en kuchte, en klopte met de vuist op de borst, -en liep met vasten tred en een verschrikkelijk kwaad gezicht de kamer op en neer, -nu en dan een blik slaande op het lijk, en met een krachtig woord zichzelven afvragend, -hoe het mogelijk was. De dames kwamen binnen; bij het zien van den doode kwamen tantes -zenuwen weer geweldig in werking. Betsy zag kalm op het pijnlijk vertrokken gelaat; -zij <span class="ex">kon</span> het niet verder brengen dan tot het gelegenheidsgezicht, al hadden er schatten mee -verdiend kunnen worden; gelukkig voor haar kwam haastig en verschrikt de dokter binnen -om het eenige te doen, wat hem restte: den dood te constateeren. En terwijl hij voor -het bed stond, keek Betsy naar het pijnlijk vertrokken vaalbleek gezicht. Het was -haar bekend! Zóó had zij het meer gezien! Zóó had het dien avond, toen ze koortsig -was en voor de eerste maal op den grond ging slapen op den bultzak, haar voor de oogen -gedanst zonder romp. ’t Was precies hetzelfde; de overeenkomst hield haar aandacht -onwederstaanbaar geboeid. Maar zij gevoelde niets; geen zweem van medelijden zelfs. -In haar binnenste leefde slechts het bewustzijn, dat ze nu vrij was; ’t scheen alsof -een stem in haar hart dit voortdurend juichend en triomfeerend herhaalde. Vrij en -toch niet misdadig! <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>Zij had niets op haar geweten; niemand kon haar iets ten laste leggen, want hij was -vanzelf gestorven en Sarinah had het geld nog in het zakje. Nu, dàt mocht het oudje -houden! -</p> -<p>Op het notariskantoor was alles stil. De vensters, door het weelderig geboomte op -het erf beschaduwd, waren ten overvloede door groene stores tegen de doorvallende -zonnestralen beveiligd. Kriskras gingen de pennen der klerken over het papier; zóóveel -woorden op een regel, zóóveel regels op een bladzijde met eentonige regelmaat in de -lange op- en neerhalen. Een Chinees zat dicht bij Bronkhorst en sprak met hem op zachten -toon, nu en dan met een luid „saja toean,” als hij bemerkte dat de notaris hem precies -had begrepen. -</p> -<p>Driftig werd de achterdeur opengestooten, en ofschoon ze zag, dat haar man „zaken” -had, liep ze tot vlak bij zijn schrijftafel. -</p> -<p>„Er is een vreeselijk ongeluk gebeurd, Jean,” zei ze zenuwachtig. -</p> -<p>Hij rees verschrikt op. -</p> -<p>„Een ongeluk? Wat dan?” -</p> -<p>„Den Ekster is zooeven overleden.” -</p> -<p>„O zoo! ja, dat is erg ongelukkig. Zoo’n jonge man!” -</p> -<p>Maar het had hem werkelijk opgelucht, toen hij hoorde, dat het niets anders was, want -hij had aan de kinderen gedacht. -</p> -<p>„Willen we er niet heen gaan?” -</p> -<p>„Zeker. Ga jij maar vast vooruit. Ik kom dadelijk, zoodra ik met deze zaak gereed -ben.” -</p> -<p>Zij ging ijlings heen, om zich ’n beetje „op te knappen”, want ze was nog volstrekt -niet klaar met het „huishouden”, en ten slotte hield haar dat juist zóólang bezig, -tot ze gelijk met haar man naar het sterfhuis kon gaan. Reeds meer vrienden en kennissen -van de familie Borne waren daar bijeen; het gerucht van het sterfgeval had als een -loopend vuur de ronde gedaan op de plaats, die zich met zoo weinig afwisseling en -zoo weinig nieuws behelpen moest. Velen hadden met de logé’s kennis gemaakt, zonder -dat ze verder iets van de onderlinge verhouding wisten, en Betsy werd hartgrondig -beklaagd. Dames, zelfs die den Ekster <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>nooit anders hadden gezien dan op z’n rug, als ze achter hem langs den weg wandelden, -vergoten tranen met tuiten. In de oogen der weduwe echter wilden die niet opwellen, -al deed ze ook nog zoo haar best; het gaf ergernis, dat zag ze wel, maar ze kon het -niet veranderen, en ze dankte den hemel, toen tante Borne, die bij de hardnekkigheid -der weduwlijke traanklieren, verschrikkelijk zat te huilen, tegenover de gevoeligsten -harer vriendinnen, op een <span class="corr" id="xd31e1130" title="Bron: luminieus">lumineus</span> idée kwam. „Ik wou in ’s hemelsnaam maar,” fluisterde ze, eenigszins luider dan in -gewone omstandigheden noodig was, een harer vriendinnen in het oor, „dat ze huilen -<span class="ex">kon</span>.” -</p> -<p>De list gelukte, en, met dieper medegevoel dan ooit, zag men neer op dat toonbeeld -van een smart zóó hevig, dat het er zelfs droge oogen bij hield. -</p> -<p>Bij het binnentreden van het huis, maakte ook op mevrouw Bronkhorst het feit, dat -de dood hier een voor kort nog krachtig menschenleven had vernietigd, zijn gewonen -indruk; aangedaan condoleerde zij Betsy, wier koele hand den hartelijken druk van -die der totok onbeantwoord liet. Toen de notaris haar zonder iets te zeggen de hand -reikte, keek Betsy op, en het trof haar, dat zijn gezicht zoo weinig uitdrukking van -leedwezen of medelijden toonde, en meer dan eenig ander in sympathie was met de groote -onverschilligheid, die haar zelf zoo koud liet. -</p> -<p>„Heb je hem nog gezien?” vroeg Marie toen zij met haar man naar huis terugkeerde. -</p> -<p>„Ja; hij was niet veel veranderd.” -</p> -<p>„Hè,” zei ze huiverend. „Ik zou niet graag zijn meegegaan naar binnen.” -</p> -<p>„Ben je zóó bang voor ’n doode?” -</p> -<p>„Bang is het woord niet, maar ik heb er een afkeer van: als ik een lijk heb gezien, -dan staat me het gezicht nog weken daarna voor de oogen.” -</p> -<p>„Gekheid. Het komt omdat men ons opvoedt in een domme vrees.” -</p> -<p>„Het is toch verschrikkelijk voor haar, hè?”—Mevrouw Bronkhorst <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>zei dit eigenlijk omdat ze over de quaestie, die haar man opwierp, niet gaarne in -bespreking trad. -</p> -<p>„Och, waarom? De liefde zat er, meen ik, niet diep; kinderen hebben zij niet, en hij -had zelfs geen positie.” -</p> -<p>„Goed, maar hij was toch haar man.” -</p> -<p>Bij Bronkhorst was dit geen argument, doch de intellectueele waarheid viel niet te -ontkennen, dat was zeker, en daarom zweeg hij een oogenblik. -</p> -<p>„Weet je wat ik denk, Marie?” -</p> -<p>„Nu?” -</p> -<p>„Dat hier de dood eigenlijk voor twee menschen een verlossing is geweest. Ik geloof, -dat de banden hen beiden geweldig kwelden.” -</p> -<p>„Ja.…,” gaf ze aarzelend toe. „Zij waren niet gelukkig, dat is zeker.” -</p> -<p>„En dan,” vervolgde hij met een cynisch lachje, dat hem misstond, „vind ik het een -<span class="ex">frappant</span> geval. Het is een bijzondere samenloop van omstandigheden.….” -</p> -<p>„Ik begrijp niet, wat je bedoelt.” -</p> -<p>„Neen, je weet gelukkig van die dingen weinig. Eigenlijk zoo goed als niets. Ik doelde -op middelen om bij zekere gelegenheden.….” -</p> -<p>Bronkhorst zocht naar een geschikte uitdrukking; zij keek hem verwonderd aan. -</p> -<p>„.….Om de natuur een handje te helpen.” -</p> -<p>Zij moest zich een oogenblik bezinnen, en toen bleek, dat ze er toch meer van wist, -dan hij dacht. -</p> -<p>„Ajakkes, Jean,” zei ze; „je moogt zulke akelige dingen niet van de menschen denken.” -</p> -<p>„Nu, nu,” zei hij lachend, maar voelende, dat ze gelijk had, „je begrijpt toch dat -het slechts gekheid is. Ik denk er geen oogenblik aan in ernst.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Betsy hield haar passieve rol vol, en dat kon zeer gemakkelijk, daar haar familie -volkomen geschikt en bereid was om voor alles <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>te zorgen. Zij zag alles aan als betrof het zaken, die haar volstrekt niet aangingen: -de met bloemen versierde kist op een stelling in de binnengalerij; den aanleg tot -het geheele onsmakelijke ceremoniëel, dat men „begrafenis” noemt; de voorgalerij vol -zwarte rokken uit elke periode, voorwereldlijke en nieuwmodische, rood-weerschijnende -en gitzwarte; zij zag den notaris Bronkhorst er bij, even netjes en correct als de -keurige inrichting van zijn woonhuis en de grossen zijner akten met haar omslagen, -zegelafdrukken en roode koordjes. ’t Viel haar op dat de notaris een erg „kranig” -uiterlijk had; veel „kraniger” dan de andere heeren; en hij liep op en neer speciaal -met den resident, alsof zij menschen waren van een ander allooi dan de rest. -</p> -<p>Toen de kist werd weggedragen, hoorden de heeren vóór, dat er gehuild werd door een -vrouw; het was tante, die binnenskamers deze aandoenlijke taak verrichtte, uit waarachtigen -aandrang vooreerst, maar toch ook ’n beetje met het besef, dat ze onder de gegeven -omstandigheden als rechtgeaarde bloedverwante verplicht was te huilen voor twee. -</p> -<p>Een uur later kwam de kapitein terug; hij ging stil in zijn kamer om zich lekker te -maken. -</p> -<p>„Is er nog gesproken?” vroeg zijn vrouw. -</p> -<p>Hij haalde minachtend de schouders op. -</p> -<p>„Ja, de zendeling heeft een boom opgezet, en het was zijn geluk, dat ik niet dicht -bij hem stond, anders had ik hem op z’n teenen getrapt.” -</p> -<p>„Nu, nu; het is anders ’n best mensch,” zei mevrouw Borne geraakt, want ze hield veel -van den zendeling, die wezenlijk ’n achtenswaardig man was. -</p> -<p>„Het raakt me niet, wat hij is,” donderde de commandostem van den kapitein en woedend -sloeg hij met de hand op de tafel, „maar het past zulke kerels niet om een dood mensch -uit te schelden voor zondaar, verdoold schaap en al zulke poespas meer. Geen mensch -roept hen en als ze niets beters te vertellen hadden, dan moesten zij den mond houden. -Maar ik heb hem getroefd!” -<span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span></p> -<p>„Mijn hemel, Borne, je hebt toch op het kerkhof geen standjes gemaakt?” -</p> -<p>„Ben je dwaas, vrouw! Maar ik heb alleen namens de achtergebleven <span class="ex">zondares</span>, de aanwezige <span class="ex">zondaars</span> bedankt voor de laatste eer den overledene bewezen, zie je. Ik dacht: steek <span class="ex">dien</span> in je zak!” -</p> -<p>Mevrouw Borne werd beurtelings bleek en rood van ergernis en schaamte. -</p> -<p>„Heere, heere!” zuchtte ze in wanhoop, „wat zal dáárover weer gepraat worden.” -</p> -<p>„Het kan me niet schelen, maar <span class="ex">ik</span> wil er niets meer van hooren. Doe me dus het genoegen en zwijg er over.” -</p> -<p>Zij volgde hem naar achteren, waar Betsy zat, met nog een paar dames, die gekomen -waren om te troosten. Bij haarzelve moest ze toch lachen; ze vond het <span class="ex" lang="ms">pinter</span> van hem en erg <span class="ex" lang="ms">brani</span>, maar overluid zou ze dat niet graag bekend hebben. -</p> -<p>Over den „overledene” werd niet meer gesproken. Tot groote blijdschap van Betsy vermeed -iedereen zooveel mogelijk, den nu „onderwerp” geworden mensch in de conversatie te -herdenken. -</p> -<p>Na ’n paar weken betrapte zelfs tante Borne zich op de stille bekentenis, dat het -veel rustiger in huis was, dan toen Den Ekster nog leefde. Het was waar: hij maakte -het niet lastig en was evenmin druk in den dagelijkschen omgang, maar toch.… zoo’n -mannelijk individu meer in huis had iets eigenaardigs. Met Betsy was dat heel anders; -zij maakte een „groote gezelligheid” uit voor tante, die nu rustig ’s ochtends met -haar in de achtergalerij zat te haken en te borduren. -</p> -<p>„Och, Bets,” zei ze, „je moet maar nooit weer trouwen.” -</p> -<p>„Ik denk er niet aan.” -</p> -<p>„Dat moet je ook niet. Blijf maar bij ons.” -</p> -<p>„Bovendien, wie zou me willen hebben; ’n weduwe zonder geld!” -</p> -<p>Met eenigen familietrots monsterde haar tante Borne, van het zware koolzwarte hoofdhaar -tot de welgevormde voetjes. -<span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span></p> -<p>„Nu, dat zou nog te bezien staan, Bets. Je bent mooi genoeg, dat weet je wel, en, -als je het wezen wilt, ook lief genoeg.” -</p> -<p>„Ik zal me geen illusies maken.” -</p> -<p>„Het doet er ook niets toe. Je blijft maar kalm bij ons, ja? Als je mij ’n handje -helpen blijft in het huishouden en met de kinderen, dan vinden wij het onder ons uitmuntend.” -</p> -<p>De jonge weduwe vond het erg lief van haar tante, maar in stilte had zij geheel andere -plannen gemaakt, althans denkbeelden gevormd, die zij wel dacht, dat later tot plannen -konden rijpen. De gedachte haar verder leven <span class="ex" lang="fr">à charge</span> te blijven van familie, beviel haar volstrekt niet, en als die nare tijd, dat ze -in haar rol van de vrouw van een pas gestorven man niet uit kon gaan, maar voorbij -was, zou haar eerste werk zijn naar een gepast huwelijk te streven. Doch overhaasten -zou ze zich niet, en met den eersten den beste zou zij zich waarlijk niet vergenoegen; -in zoover was ze het met haarzelve eens. -</p> -<p>Thans maakte zij rustig en in het volle genot harer herkregen persoonlijke vrijheid -dien naren tijd door. Dadelijk na Den Eksters begrafenis had ze alles verwijderd, -wat slechts rechtstreeks of zijdelings aan hem herinnerde; geen stuk was meer in de -kamer, dat hem had toebehoord; zelfs zijn reiskoffers, die in een der bijgebouwen -stonden, had zij verkocht. Het behoorde alles tot een tijdperk in haar leven, dat -zij voor volkomen afgesloten hield en waaraan zij door niets wilde herinnerd worden; -dàt was voorbij; zij dacht er niet meer aan, en ze was woedend, toen ze op een nacht -weder ontwaakte met een benauwden kreet, wijl ze de nachtmerrie had gehad, en weer -in den droom dat akelige, vaalbleeke gezicht had gezien met den blonden baard; het -heen- en weer-gaande hoofd zonder romp. Dat was overigens het eenige, en zij dacht -wel, dat het nooit weer zou gebeuren. -</p> -<p>Meer dan vroeger bezocht mevrouw Bronkhorst tegenwoordig haar buren, en dikwijls bracht -ze voor Betsy een kleinigheid ten geschenke mee; zij had zóóveel, en ze dacht dat -het ’t arme weeuwtje, dat veel te mooi en te jong was om voor de wereld <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>gestorven te zijn, zou afleiden en opbeuren. Betsy stelde het op prijs; zij kreeg -heel graag geschenken en verblijdde er zich kinderlijk mee; toch stond daarnaast een -ander bitter gevoel van afgunst. Waarom bezat ook zij niet zooveel, dat ze uit een -rijken voorraad cadeautjes geven kon, in plaats van altijd de dankbare te moeten zijn, -die ontvangt? Waarom was toch alles zoo slecht verdeeld? En dan kon ze mevrouw Bronkhorst -nazien, als deze vertrok, met een onaangenamen trek om den mond, die meer nijd dan -vriendschap uitdrukte. -</p> -<p>Soms ging zij ook met haar tante een visite maken bij de buren, maar dan ook alleen -’s ochtends in sarong en kabaja. Daar verslond ze alles met de oogen. Ze wist precies, -nu, wat er in huis was, tot in de kleinste bijzonderheden; zij had elk stuk kunnen -opnoemen uit de zilverkast, en het in de duisternis van zijn plaats kunnen krijgen, -zonder een enkelen misgreep. -</p> -<p>Als ze er thuis van spraken, waren oom en tante een en al verbazing, en begrepen volstrekt -niet, hoe het mogelijk was, dat Betsy zoo alles kon opmerken en onthouden. -</p> -<p>De nieuwe Fransche pianino van Erard, die dwars in een der hoeken van de binnengalerij -stond, had al dikwijl haar aandacht getrokken; het instrument zag er zoo fraai en -ongebruikt uit, alsof niemand ooit de vingers op de toetsen of de voeten op de pedalen -zette. Zij was een goede musicienne, maar zij had daar nog niet op durven zinspelen, -schoon ze reeds bij het eerste bezoek lust had gevoeld om te spelen. -</p> -<p>Toen ze de tweede maal een ochtendvisite hadden gemaakt, en Bronkhorst haar al de -fraaiigheden van zijn inboedel had getoond, vroeg hij onverschillig: -</p> -<p>„Doet u ook aan muziek?” -</p> -<p><span class="corr" id="xd31e1243" title="Niet in bron">„</span>’n Klein beetje,” had ze geantwoord, met de conventioneele huichelarij, die in het -dagelijksch leven gebruikelijk is. -</p> -<p>Hij was er toen niet verder op doorgegaan: zij zou, dacht hij, ook wel een dier wandelende -speeldoosjes wezen, met een repertoire van een half dozijn onbeduidende stukjes, het -resultaat van <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>veel uren oefening en veel geld aan lessen, omdat dit nu zoo bij een jonge-dames-opvoeding -geacht wordt te behooren. -</p> -<p>Zij had er ook niet meer over gesproken, en nu in haar betrekkelijk nog verschen weduwlijken -staat, kon ze moeilijk voorstellen wat muziek te maken; maar ze had het dolgraag gedaan. -</p> -<p>Ze bladerde zoo de muziekboeken eens door. Er was van alles: mooi en leelijk, licht -en zwaar, oud en nieuw, stukken voor piano, zangstukken met accompagnement, duo’s -voor viool en piano, enzoovoort. -</p> -<p>Mevrouw Bronkhorst, die met tante van achteren kwam, waar beiden een nieuw kooktoestel -hadden bewonderd, dat pas uit Europa was gezonden en waarop men „alles” kon klaar -maken,—deed nu dezelfde vraag, als vroeger haar man. -</p> -<p>„Ze speelt prachtig,” verzekerde mevrouw Borne; „ze was altijd heel vlug in de muziek.” -</p> -<p>Betsy kon een glimlach over die „vlugheid” niet terughouden. -</p> -<p>„Hé!” zei ze, „tante overdrijft; ik heb er altijd veel liefhebberij in gehad, dat -is waar.” -</p> -<p>„Ik ook,” antwoordde mevrouw Bronkhorst, „maar als men een huishouden heeft en kinderen, -dan neemt dat zóóveel tijd in beslag.….” -</p> -<p>„Toe, speel eens iets,” vroeg Betsy. -</p> -<p>De huisvrouw liet zich niet lang nooden. Eenvoudig als ze was in al haar doen en laten, -opende zij de piano, en speelde een lief Fransch romannetje, correct, zonder fouten -en in de maat.…. <span class="ex">precies</span> ’n speeldoos, dacht Betsy, maar luid prees zij het spel. -</p> -<p>„Och, ik ken er niet veel van, doch het weinige, dat ik speel, speel ik zonder fouten -en zooals het geschreven staat. Kom, laat u ook eens hooren!” -</p> -<p>Maar mevrouw Borne vond het niet goed. -</p> -<p>„Ik zie er,” zei ze, „op zichzelf wel niets in; maar het is nog pas zoo kort geleden.… -Als er ’n drie maanden overheen zijn.…” -<span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span></p> -<p>’t Was voor Betsy weer een teleurstelling, en ze moest zich wel er in schikken, al -kon ze niet beletten, dat haar gezicht verried hoe ongaarne zij de gelegenheid ongebruikt -liet voorbijgaan, en met hoeveel spijt ze zag, dat de blinkende mahoniehouten klep -over de blanke toetsen sloot. -</p> -<p>„Het is waar,” erkende mevrouw Bronkhorst. „Men kan van den weg zien, wie er speelt. -Nu,” ging ze voort, toen ze het teleurgestelde gezicht van Betsy zag, „nu, kind, heb -maar geduld. Zoo gauw als het kan voor je, komen jullie hier een avondje doorbrengen. -Dan blijven we geheel onder ons, en je speelt zooveel je maar wilt.<span class="corr" id="xd31e1271" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>’s Avonds aan tafel vertelde zij het haar man. -</p> -<p>„Waarom liet mevrouw Borne het niet toe?” vroeg hij. „Ik zie niets goeds in zulke -aanstellerij.” -</p> -<p>„Och, dat moet je niet zeggen, Jean; zij had wel gelijk. Men moet toch de vormen in -acht nemen.” -</p> -<p>„Nu ja,” zei hij lachend, een in Holland geschoten en in blik geïmporteerd patrijsje -met den wellust van een gastronoom ontledend, „nu ja, als de vormen maar ’n beetje -in harmonie zijn met de werkelijkheid, dan ben <span class="ex">ik</span> er ook voor. In <span class="ex">dit</span> geval is daar, dunkt me, bitter weinig quaestie van.” -</p> -<p>„Ja, dàt geloof ik ook. Enfin.…. haar tante was er tegen.” -</p> -<p>„’n Goed mensch, maar erg <span class="ex">geborneerd</span>.” -</p> -<p>Zij lachten beiden om de woordspeling. -</p> -<p>„Ik heb gezegd, dat ze hier ’n avondje moeten komen, als haar tante denkt, dat het -welstaanshalve kan; ze moet dan maar haar hart aan de piano ophalen.” -</p> -<p>„Dat is een kwade verbintenis,” vond hij. „Daar kunnen mijn arme ooren van genieten.” -</p> -<p>„Mevrouw Borne zegt, dat ze prachtig speelt.” -</p> -<p>„<span class="ex">Poeah!</span> ’t Zal wat wezen! In mijn jeugd heb ik dat ook eens hooren beweren, door een oude -dame van haar dochter. Het meisje speelde.…. ik ben vergeten welk stuk. ’t Was ’n -gerammel van belang, en mama zat er bij als de uitlegger van een panorama: <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>Hoort u, meneer, nu gaan ze op de jacht; nu begint het te onweeren; nu gaan ze in -een kapel schuilen; nu hoort u den kerkdienst, en zoo rammelde het goede mensch door, -haar rammelende dochter met de tong accompagneerend. ’t Was <span class="ex">prachtig</span>! Neen, maar dat verzeker ik je!” -</p> -<p>„O,” zei z’n vrouw, die het verhaal erg grappig vond, „jij bent ook zóó moeielijk -te voldoen. Het meisje was je zeker te leelijk.” -</p> -<p>„Volstrekt niet; ze zag er zelfs zeer goed uit; maar zoo’n lieftallige mama slaat -je ineens op de vlucht.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Eentonig, eenvormig en toch snel ging de eene dag na den anderen voorbij; de kapitein -had al eens bij zijn vrouw geïnformeerd, hoe het er nu mee stond, en of Bets nu nog -altijd fatsoenshalve van uitgaan moest verstoken blijven. En daar tante het eigenlijk -ook erg hard vond, beknibbelde zij haarzelve op den vastgestelden termijn. De brieven -naar Holland geschreven om de familie van Den Ekster diens overlijden mee te deelen, -waren reeds beantwoord; van weerskanten was het plichtmatig en eenigszins stijf in -den vorm toegegaan, zonder eenige kans op voortzetting der correspondentie, iets wat -door geen der partijen, die elkaar persoonlijk volkomen onbekend waren, ook werd gewenscht. -</p> -<p>Het bleef bepaald dat Betsy haar weder-intrede in de kleine buitenwereld zou aanvangen -met een intiem avondje bij de Bronkhorsten. -</p> -<p>„Ik hoop,” had de kapitein nadrukkelijk gezegd, „dat er toch ’n partijtje zal gemaakt -worden?” -</p> -<p>„Homberen zullen ze er niet doen.” -</p> -<p>„Nu, dan in godsnaam maar whisten.” -</p> -<p>„We gaan anders niet om te spelen, maar enkel en alleen voor Bets.” -</p> -<p>Hij beantwoordde die opmerking met een diepen zucht. Wat hij daar moest uitvoeren -den ganschen avond, als er geen partijtje werd gemaakt, wist hij waarlijk niet. -<span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span></p> -<p>Toen ze er kwamen, zat de notaris reeds met zijn vrouw in de voorgalerij, en Borne’s -gezicht verhelderde, toen hij aan den anderen kant een speeltafeltje zag staan en -daarop vier stellen wit paarlemoeren fiches, elk vier rondjes, vier vierkantjes en -vier lange, plus twee roode „kapitalen”. -</p> -<p>„Ja,” zei na de eerste begroeting Bronkhorst, in antwoord op het vragend gezicht van -den kapitein, „ik wou je den avond niet bederven, en heb den controleur gevraagd en -een vriend van hem, die doortrekkende is; ze homberen beiden niet al te slecht.” -</p> -<p>„Uitmuntend, man. Daar doe je me wezenlijk ’n pleizier mee. De controleur is een prettig -partner, en die vreemde eend in de bijt zullen we wel te pakken krijgen.” -</p> -<p>Terwijl ze om de marmeren tafel zaten aan een <span class="ex">poussecafé</span>, kwam de controleur, een donker jongmensch, onbezorgd en vroolijk, in Indië gewonnen -en geboren; hij bracht zijn logé mee, ook ’n controleur, een tijdgenoot van Delft, -maar overigens in uiterlijk een volkomen tegenstelling, zoo blond was hij. Er werd -„voorgesteld” en een doelloos praatje gehouden, tot de kapitein, erg in zijn schik, -vroeg „hoe de heeren er over dachten.” -</p> -<p>De heeren dachten er goed over, en juist wilde het drietal naar de speeltafel gaan, -toen nog een rijtuig het erf opreed. -</p> -<p>„Wie kan dat zijn?” zei mevrouw Bronkhorst verbaasd. -</p> -<p>De notaris keek scherp toe. -</p> -<p>„’t Is Prédier,” antwoordde hij, zonder emphase, want hoe goed de jonge man ook was -„in de koffie”, in gezelschap vond hij hem luidruchtig vervelend en vervelend luidruchtig. -Het was waar, dat, toen Prédier uit zijn wagen stapte, hij reeds eenig geluid gaf, -en toen hij de treden der voorgalerij opkwam, was hij reeds druk en hard aan het praten. -</p> -<p>„Ik hoop, dat ik niet ongelegen kom.…. Blijf tot morgen hier.…. Kon niet nalaten de -familie even te begroeten.…. Dag mevrouw Borne, hoe maakt u het.…. Mevrouw Den Ekster? -Weduwe van een confrater?.… Aangenaam kennis te maken.…. <span class="corr" id="xd31e1335" lang="fr" title="Bron: Boujour">Bonjour</span>”—tegen den controleur—„Hoe maak je het? Dag kapitein, <span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span>gaat ’t goed?.…. Meneer Van Drunen.…. Aangenaam!” -</p> -<p>En onder het praten, lachen en handdrukken-wisselen, alles beweeglijk en rumoerig. -Het was of ’t notarishuis plotseling door Prédier in opschudding werd gebracht. -</p> -<p>„Ga zitten, Prédier,” zei de notaris, op een stoel wijzend, dien de bediende aandroeg. -</p> -<p>„Welzeker,” vervolgde de gastvrouw, glimlachend het hoofd schuddend, „je bent weer -zoo druk.” -</p> -<p>„Ziedaar, dat krijgt nu ’n arm mensch uit de binnenlanden altijd! Men zit maanden -eenzaam in een lekker koel klimaat met niets dan inlanders om zich heen, en als men -dan „beneden” komt in de warmte en onder de menschen, dan vinden ze je druk! U zult -er ook van weten te praten, mevrouw Den Ekster! Lekker op het land, ja? Maar saai! -U moet niet naar mijn handen kijken.….” -</p> -<p>Eenigszins verontwaardigd richtte Betsy zich op. -</p> -<p>„Ik kijk in ’t geheel niet naar uw handen,” zei ze bits. -</p> -<p>De dames Borne en Bronkhorst lachten er om en Prédier lachte luid en krakend, zooals -ook zijn spreekstem was. Betsy deed niet mee. Wat verbeeldde zich zoo’n man? Dat zij -naar zijn handen keek? Er zou ook waarachtig wat aan te zien zijn aan die bruine koffieboeren-handen. -De notaris lachte evenmin; hij vond Prédier ongemanierd, en voor ’t minst al te familiaar -bij zoo geringe bekendheid. -</p> -<p>„Nu,” ging deze voort, zijn glinsterende oogen met duidelijke begeerte op de jonge -weduwe gevestigd, „neem me niet kwalijk. Ik dacht het maar. Ze zijn niet best in orde, -ziet u; ’n klein ongelukje met m’n <span class="ex">américaine</span>. Ik kwam van ’n partijtje, en reed naar huis. M’n paard schrikte onderweg, waarvan -weet ik niet, want ’t was ’n stikdonkere nacht; het sprong op zij en <span class="ex">vlan</span>, daar lagen we met ons drieën in ’n ravijntje naast den weg.” -</p> -<p>„Met je drieën?” vroeg Bronkhorst, wiens belangstelling was gaande gemaakt. -</p> -<p>„Ja, het paard, de <span class="ex">américaine</span> en ik.” -<span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span></p> -<p>Weer lachten de twee getrouwde dames, en ditmaal deed de notaris het ook, maar pijnlijk -en welstaanshalve, omdat hij er was „ingeloopen”. Betsy was niet te ontdooien; ze -vond Prédier onuitstaanbaar, en ze begreep niet waarom men iemand duldde, die ongenoodigd -gekomen, met groote brutaliteit en onzin rammelend, beslag lei op het algemeen gesprek. -</p> -<p>„Het paard was kreupel aan één kant en de <span class="ex">américaine</span> aan den anderen; onkruid kwam er het beste af; ’n paar schrammen aan de voorpootjes, -zooals u ziet; anders niet.” -</p> -<p>En lachend strekte hij ’n paar vrij gehavende groote handen uit, bruin van kleur, -maar erger nog verbrand door de zon, met rouwranden aan de nagels en gedeeltelijk -dicht bezet met grove zwarte haren, die uit de witte, glinsterende manchetten te voorschijn -kwamen, in schuine richting voortwoekerend tot de pinkwortels. -</p> -<p>„Ajakkes,” zei Betsy, zich woedend van dit Ezauïsch schouwspel afwendend; de notaris -fronste ernstig de wenkbrauwen, en zou misschien iets onaangenaams gezegd hebben, -al lachten de twee andere dames stil in haar zakdoeken,—als niet kapitein Borne zijn -stentorstem van de andere zijde der galerij liet hooren. -</p> -<p>„Zeg, Prédier, als je soms mee wilt doen?” -</p> -<p>Het was voor den koffieboer een zware beproeving. Hij homberde dan toch wel zoo graag! -En hij deed het uitmuntend, en hij had er geluk bij. Hij was bekend als een „haai”, -die altijd met de winst ging strijken. Maar Betsy, die hij zoo plaagde, trok hem machtig -aan. Drommels, dacht hij, zoo’n vrouwtje! Zoo’n kloeke taille en zoo’n lief kopje -zouden hem lijken, en, als weduwe van een gewezen administrateur, wist ze wat het -binnenland was en wat er kwam kijken. En ze sprak de taal. -</p> -<p>De kapitein had het gevraagd, gedrongen door de goedaardigheid van zijn karakter. -Hij was juist bezig zijn partners „af te zetten”, zooals het winnen heet in spelers-idioom; -hij wist ook, dat zijn kansen achteruitgingen, als Prédier meedeed. Maar aan den anderen -kant vond hij het verschrikkelijk, een liefhebber van een partijtje zoo’n heelen avond -aan de gemoedelijke verveling <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>eener huiselijke kletstafel over te laten, en dat meegevoel werd hem te machtig. -</p> -<p>„<span class="ex" lang="fr">Merci</span>. Ik heb hier zulk uitmuntend gezelschap!” riep Prédier terug. „Ik zal van avond niet -meedoen.” -</p> -<p>Tegelijk stond de notaris op en ging naar Betsy. -</p> -<p>„Als u er genoegen in hebt wat muziek te maken.….” -</p> -<p>Zij was blij, dat ze van dien Prédier, die haar telkens den gehaten naam van „mevrouw -Den Ekster” gaf, ontslagen raakte. Even lei ze haar hand op den arm van Bronkhorst, -die haar naar de piano bracht. -</p> -<p>Prédier keek hen na met opgetrokken wenkbrauwen, vol verbazing en teleurstelling. -</p> -<p>Zij zocht niet lang. ’t Was haar op dat oogenblik onverschillig, wat ze spelen zou, -nu ze, voor het eerst weer na langen tijd, haar lust kon voldoen. En zij lette er -ook niet op, dat ze een opgewekten Hongaarschen dans eenigszins woest attaqueerde, -daarbij geweldig worstelend met haar door te lange rust weerspannig geworden vingers. -</p> -<p>Jean Bronkhorst was bij haar gebleven om ’t blad om te slaan en toen hij dat voor -de eerste maal doen moest, had hij het bijna vergeten, zoo verbaasde hem haar muzikale -ontwikkeling. Ook in de voorgalerij trok haar spel, meer artistiek nog dan correct, -de aandacht. De controleur keek telkens van zijn kaarten op en naar binnen, en zou, -doordat hij verzuimde aan de achterhand te blijven met de <span class="ex" lang="fr">fourchette</span>, bijna een <span class="ex" lang="fr">sans prendre</span> hebben verloren, als zijn collega, die ook door de muziek werd afgeleid, zich niet -had vertrokken, wat den kapitein een stillen vloek ontlokte. -</p> -<p>Prédier was verrukt en mevrouw Bronkhorst zeer verbaasd; tante keek triomfeerend van -den een naar den ander. -</p> -<p>En de klanken, nu eens vroolijk, dan van ’n vreemde sentimentaliteit, huppelden elkander -na, al vlugger, langs de witte wanden der galerij, en stroomden door de breede openstaande -deuren naar voren, verdrongen door die achter hen kwamen en <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>zich verliezende in de vrije ruimte tusschen en onder het fijne loof der reusachtige -waringins. -</p> -<p>Stil en aandachtig volgde Bronkhorst haar spel; het deed hem goed; het maakte herinneringen -wakker uit zijn vroeger leven; ’t wekte poëzie in zijn gemoed, als schudde zijn geest -het prozaïsche stof af, waaronder hij, door notariëele akten en lekker eten, half -was begraven. -</p> -<p>Zijn aandacht verdeelde zich, en terwijl hem de muziek door het hoofd klonk, volgde -hij aandachtig het zwart ordeloos gekriewel der teekens langs de rechte horizontale -lijnen der notenbalken, en zag toch nu en dan met innig welgevallen de kleine handjes -hippelend en trippelend over het stijf wit-zwart mozaïek der toetsen. -</p> -<p>De inspanning had haar gezicht verlevendigd; er zat meer kleur en leven in, toen zij, -na een half uur aan de piano te hebben gezeten, het eene stuk spelend na het andere, -opstond van de fraai geborduurde zitting der kleine mahoniehouten tabouret. -</p> -<p>„Mijn hartelijken dank,” zei Bronkhorst zacht, „het was voortreffelijk.” -</p> -<p>„Ja,” stemde zijn vrouw toe, die naar binnen was gekomen en vlak achter hem stond, -toen hij het zei, „ja Betsy, het was keurig, hoor! ik maak je wel m’n compliment.” -</p> -<p>„Mag ik er het mijne ook bijvoegen!” vroeg Prédier eenigszins verlegen. „Het is heerlijk -geweest. Ik heb in lang zoo goed niet hooren spelen.” -</p> -<p>Zij was in geen stemming om boos te zijn, en knikte hem vriendelijk toe, doch haar -lippen klemde ze toornig samen, toen hij er argeloos bijvoegde: -</p> -<p>„Dat is wat anders, dan de gamelan in de desa!” -</p> -<p>„U schijnt toch ook aan muziek gedaan te hebben,” zei ze tegen Bronkhorst, Prédier -den rug toekeerend. -</p> -<p>„<span class="ex" lang="fr">Il fut un temps</span>,” antwoordde hij lachend. „Maar als ik nu mijn viool voor den dag haalde, zou ik, -vrees ik, er niet veel uit te voorschijn brengen.” -<span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span></p> -<p>„Het is zonde. De viool is zoo’n goddelijk instrument.” -</p> -<p>„Nietwaar?” zei mevrouw Bronkhorst. „En hij speelde zeer goed.” -</p> -<p>„Welzeker,” bevestigde tante Borne, „toen we vroeger te Soerabaia in garnizoen waren—m’n -man was toen nog tweede luitenant—was Bronkhorst lid van een muziekvereeniging—och, -hoe heette die ook weer; zoo’n vreemden naam!—en toen speelde hij heel mooi.” -</p> -<p>„Ik zal haar eens uit haar stoffige kast voor den dag halen. Na eenige studie zal -het wel weer gaan.” -</p> -<p>Betsy knikte hem aanmoedigend toe, en zijn vrouw ook. -</p> -<p>„Ik vind ter wereld niets mooier,” zei deze, „dan viool en piano; maar ik heb geen -tijd om het zoover te brengen, dat ik hem accompagneeren kan. Ik houd amper het weinige -bij, dat ik geleerd heb.” -</p> -<p>„Als meisje had ik vrijen tijd tot vervelens toe,” erkende Betsy zonder omwegen, „en -daar ik veel van muziek hield, deed ik geducht mijn best. Verder onderwijs was er -niet veel,” voegde ze er zuchtend bij. -</p> -<p>„Het is tegenwoordig heel wat gemakkelijker dan vroeger,” meende Prédier. „Wij hadden -een flinken gouverneur.….” -</p> -<p>„Dat moet wel,” zei Bronkhorst, „want jij hebt terdege gewerkt.” -</p> -<p>De dames keken hem aan en Prédier was „lekker” met het volstrekt niet onverdiend compliment. -Alleen Betsy monsterde hem van het hoofd tot de voeten met een minachtenden blik. -De notaris zag het, en had er pleizier in, want hij vond het vervelend, dat Prédier -dadelijk weer naast haar was gaan zitten. -</p> -<p>De conversatie verliep in praatjes over onderwijs en vergelijkingen tusschen Indië -en Europa. Er werd ’n wandelend soupeetje rondgediend, en toen het laatste „kleintje” -was gespeeld aan de hombretafel, kwamen ook de vier spelers in ’t gezelschap, zoodat -’t gesprek opgewekter en luidruchtiger werd. -</p> -<p>„Wel Bets,” vroeg de kapitein onder het naar huis gaan, op zijn goedigsten toon, „heb -je van avond nogal pleizier gehad?” -<span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span></p> -<p>„Praat er niet van, oom! ’t Was verrukkelijk! Men wordt weer eens ’n ander mensch.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Drie maanden later was Betsy bij de Bronkhorsten meer dan bij haar familie een huisgenoot. -Ze was er of ze zou er komen. En niet alleen kwam ze druk aan huis bij den notaris, -maar zij ging veel uit, want ze was <span class="ex" lang="en">the great attraction</span> geworden onder de jongelui op het plaatsje. Serieuze huwelijkscandidaten deden zich -niet op,—maar toch, als zij er werk van had willen maken, zou meer dan een, en Prédier -voorop, aanzoek om haar hand hebben gedaan. -</p> -<p>Doch zij hield er volkomen haar verstand bij, en beschouwde alles met koelen blik. -Zij had geen persoonlijke voorkeur onder haar aanbidders, en ze zou dáárom toch ook -geen huwelijk aangaan. Ze wilde een man hebben van wien ze houden kon om hemzelf, -maar die geld had en een goede positie in de maatschappij. Geen „vliegenden Hollander” -zooals zij bij haarzelve de jongelui noemde, die hetzij in den handel of den landbouw -nu eens op dit kantoor of dit land, dan weer op een ander werkzaam waren, alsook de -jonge ambtenaren, die bij hun vele overplaatsingen van den eenen kant van den archipel -naar den anderen zeilen. -</p> -<p>Toen ze dit haar tante vertelde, was het goede mensch boos. -</p> -<p>„Zoo,” zei ze, „acht jij je daar te goed voor? En wij dan?” -</p> -<p>„Dat niet,” antwoordde Betsy, „maar <span class="ex" lang="fr">pierre qui roule n’amasse pas de mousse</span>.” -</p> -<p>En daarop had tante Borne, die veel last had van beren, al kocht ze haar pommade in -de toko, een oogenblik gezwegen. „Je hebt nog gelijk,” zei ze ten slotte met een zucht. -</p> -<p>Bronkhorst had, zooals hij gezegd had, zijn viool voor den dag gehaald en was ijverig -aan het studeeren gegaan. De lof hem door Marie en mevrouw Borne toegezwaaid, was -’n beetje overdreven. Zware muziek was zijn zaak niet, en Betsy hoorde dat dadelijk; -doch hij had een goed gehoor, een goeden streek en hij <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>wist wat hij deed. Dat vond ze prettig en het waren aangename avonden, die bij de -Bronkhorsten werden doorgebracht en waarop de bezoekers, talrijker dan vroeger, zich -ook beter dan ooit amuseerden. Maar het samenzijn bepaalde zich niet uitsluitend tot -partijtjes. Betsy was dikwerf geheel alleen des avonds bij haar buren. En als dan -Marie, vermoeid van haar huiselijken arbeid, als naar gewoonte op haar stoel indommelde, -bepaalde zich het musiceeren of de conversatie uitsluitend tot Bronkhorst en de nu -vriendin des huizes geworden jonge weduwe. -</p> -<p>Het werd een spelletje tusschen hen beiden: hij, aanvankelijk zonder eenige bedoeling, -ondervond den invloed van haar veelvuldig gezelschap; hij was blij, als ze er was, -en hij was in haar bijzijn altijd vroolijk en opgewekt, zelfs geestig; dan scheen -het of hij jonger werd, of hij in sommige opzichten zijn twintig jaren terugvond, -die al bijna twintig jaren gevloden waren. Zij vond veel goede eigenschappen in hem: -hij was gulhartig, vriendelijk, beleefd, in één woord altijd even <span class="ex">lief</span>. En zoo royaal! Nu, hij kon het doen, want hij was rijk! Hoe heerlijk was het in -’t fraai gemeubelde huis! Hoe lekker en behaaglijk! -</p> -<p>„Wel, vertel eens wat van je bezoek bij oom Vijzel.” -</p> -<p>Het was een oude echt Indische <span class="corr" id="xd31e1463" title="Bron: famille">familie</span>, aan welker hoofd ’n oud bruin man stond, die door het heele plaatsje „oom” genoemd -werd, maar die een der weinige personen was, met wie Bronkhorst het niet kon vinden. -</p> -<p>„Och, ’t was heel aardig,” zei ze: „eenvoudig en echt Indisch. Veel Maleisch en weinig -Hollandsch. Maar hartelijk zijn ze wel.” -</p> -<p>„Dat geloof ik ook. Is er gedanst?” -</p> -<p>„Ja. We hebben om beurten dansmuziek gespeeld.” -</p> -<p>„Het is wèl! Ik begrijp niet, dat je je daartoe leent.” -</p> -<p>„Waarom niet? Men kan niet weigeren. Dat staat erg pretentieus.” -</p> -<p>„Best mogelijk, maar ik zou me er tegen verzet hebben, als ik er bij was geweest.” -</p> -<p>Zij lachte hem vriendelijk toe, haar witte tandjes toonend. -<span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span></p> -<p>„Zoo?” vroeg ze, de o’s aanhoudend met aardige stemmodulatie. Zijn verontwaardiging -vleide haar. -</p> -<p>„Welzeker,” ging hij voort. „Er zijn genoeg rammelaartjes op zoo’n partij om walsjes -en polka’s af te roffelen voor de dansers; men behoeft geen goede musicienne voor -den vedel te zetten.” -</p> -<p>„Nu, ’t was zoo erg niet, en als Prédier me niet zoo had verveeld.….” -</p> -<p>„Was <span class="ex">die</span> er ook al?” -</p> -<p>„Zeker! En hij heeft mij den heelen avond met zijn attenties vervolgd. Maar erg onbeholpen, -<span class="ex" lang="ms">kasian</span>!” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Kasian?</span> Ik zie niet, dat er eenige reden bestaat om hem te beklagen.” -</p> -<p>„Och neen; ik bedoel alleen maar, dat hij ’t niet helpen kan, als hij wat onhandig -is. Hij meent het goed.” -</p> -<p>„Nu ja.” -</p> -<p>„Hij deed soms zoo gek! Dan weer was hij uitgelaten, en een oogenblik later zat hij -me ’n kwartier achtereen te fixeeren.” -</p> -<p>„’t Is netjes, in gezelschap,” knorde Bronkhorst. „Hij moest zich schamen.” -</p> -<p>„Kom, kom! Nu, ik ga naar huis. Tot morgen.” -</p> -<p>Zij reikte hem over de tafel haar hand, die hij maar flauwtjes drukte. -</p> -<p>„Ik zal mevrouw maar laten slapen.” -</p> -<p>„Wil ik je brengen?” -</p> -<p>„Wel neen, ik ga door het deurtje het achtererf op. <span class="ex" lang="fr">Adieu!</span>” -</p> -<p>Toen ze weg was, kneep hij eenigszins zenuwachtig boos zijn sigaar tusschen de vingers. -Marie snurkte zacht; zij had dien dag zóóveel te doen gehad; haar beenen waren zwaar -van vermoeidheid en haar voeten gloeiden. Hij zuchtte diep en wierp uit de hoeken -zijner oogen een ontevreden blik op zijn vrouw. -</p> -<p>„Zeg, Marie, wees toch niet zoo gruwelijk vervelend!” riep hij luid. -</p> -<p>Ze gaf in het eerste oogenblik geen antwoord; toen rekte zij zich uit en vroeg: -<span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span></p> -<p>„Is Betsy al weg?” -</p> -<p>„Zooals je ziet.” -</p> -<p>„Is het dan al zóó laat?” -</p> -<p>Hij gaf daar geen antwoord op. -</p> -<p>„Ik zou maar naar bed gaan als ik jou was.” -</p> -<p>„Blijf jij nog op?” -</p> -<p>„Ja.” -</p> -<p>„Nu, wel te rusten dan.” -</p> -<p>Zij stond op, kwam naar hem toe en stak haar gezicht vooruit om een kus; maar daar -hij in geen stemming was om haar dien te geven, bepaalde hij zich er toe alleen het -gelaat naar haar te wenden; en zoo bleven ze eenige dwaze seconden in wederzijdsche -afwachting. Toen begon Marie te lachen en kuste hem: -</p> -<p>„Hè,” zei ze. „Wat ben je flauw.” -</p> -<p>Hij had geen lust over zijn of haar „flauwheid” in praatjes te vervallen. Die partij -bij de Vijzel’s zat hem dwars. Het was, vond hij, al te dwaas, dat iemand als zij -door <span class="ex">zulke</span> menschen werd vernederd om de muziek te spelen, waarop zij dansten. Ze hadden de -inlanders met de „ronzebons” maar moeten huren, als ze dansmuziek wilden hebben! En -dan die misselijke Prédier met zijn ongelikte berenmanieren en zijn brutale hofmakerij! -Was dàt nu ’n man voor Betsy? Onwillekeurig kwam haar beeld voor zijn geest en starende -in de duisternis van den avond, alleen in de voorgalerij, glimlachte hij. Zij is toch -een lieve verschijning, dacht hij, en hij monsterde het beeld door zijn herinneringsvermogen -weergegeven met welgevallen. Welk een verschil tusschen haar en Marie! O! ongetwijfeld -had zijn vrouw vele goede hoedanigheden, hij had haar lief en aan haar persoonlijkheid -verbond zich voor hem een reeks van aangename souvenirs; met haar was hij erg op zijn -gemak en altijd zeker van een groote inschikkelijkheid, welke, zijn deugden kennend -en op prijs stellend, zijn tekortkomingen voorbijzag; zij was een uitmuntende huisvrouw -en een zorgvuldige moeder. Wat kon men eigenlijk meer verlangen? En daarbij zóó volkomen -onbesproken, dat zelfs de <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>Indische vlugheid in babbelen en kwaadspreken nooit eenigen vat op haar had gehad. -</p> -<p>Wat dat alles betrof was zijn huwelijk hoogst gelukkig. Als meisje had zij zijn hart -veroverd, als vrouw zwaaide zij zelfs den schepter over zijn voor lekker eten en drinken -hoogst gevoelig gehemelte. -</p> -<p>En toch, als hij het beeld van Betsy naast dat van Marie teekende, dan.…. Verdrietig -zuchtend stond hij op, nam een sigaar en begon, rookend, de galerij op en neer te -loopen. Wat duivel had hij dan toch? Hij was toch niet op ’t vrouwtje verliefd. Nu -moest hij er zelf om lachen. Dat was toch een al te dwaas idée! Zeker, mocht hij haar -graag; zij schonk hem genoegen door haar muzikaal talent; hij mocht wel eens met haar -lachen en schertsen; hij vond het aardig, dat zij met hem ’n beetje coquetteerde; -soms schiep hij er zelfs vermaak in haar als bij toeval aan te raken, en als ze dan -naar hem opzag, keek hij haar niet zonder eenige bedoeling diep in de zwarte oogen. -Nu, dat was ook alles, en, vond hij, ’n vrij onschuldig genoegen voor iemand, die -op ’n stil plaatsje in Indië toch <span class="ex">eenige</span> distractie moet hebben! Maar verliefd.…. bah! -</p> -<p>’t Was waarlijk te gek om er aan te denken! Nu ja, als men hem een etmaal met haar -in ’n cel wilde opsluiten, dan had hij natuurlijk niet willen zweren.… Nu was het -eenvoudig dwaasheid. De tijd voor kalverenliefde à la Prédier of andere jonge mannen -was voorgoed voorbij. -</p> -<p>Hier dacht hij aan den koffieplanter. Het was waar, hij was ’n beetje ruw en ongepast -in zijn manier van spreken en doen, maar overigens had hij geen ongunstig uiterlijk. -Integendeel. En hij verdiende nu aardig geld met die nieuwe onderneming. Slaagde die -en hielden de prijzen zich <span class="ex" lang="en">sturdy</span>, wel, dan was Prédier binnen ’n jaar of tien een rijk man. Dat alles was waar, en -daar kwam nog bij dat hij goedhartig was en gul; een man best in staat om een vrouw -zoowel in figuurlijken als in letterlijken zin op de handen te dragen. Waarom zou -dan Betsy niet trouwen <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>met Prédier? Toch stuitte het denkbeeld hem geweldig tegen de borst; het maakte hem -boos. Het kon niet; ’t zou zonde en schande wezen! En toen hij zich weer betrapte -op die stille woede, welke zijn bedaarde redeneering over de goede eigenschappen van -Prédier overvleugelde, stond hij bij de tafel stil, leunend met de hand op een stoel, -en doelloos starend in de roodgele vlam der petroleumlamp. Zoo stond hij eenige oogenblikken, -wierp daarna met ’n onverschillige geste z’n sigaar weg, zei bij zichzelven „<span class="ex" lang="en">nonsense</span>”, en riep een bediende om te sluiten. -</p> -<p>Betsy was vlug over het achtererf het huis der Borne’s binnengegaan. Een oogenblik -sprak ze nog met haar tante, die geheel verdiept was in de lectuur van een roman uit -den leestrommel. -</p> -<p>„Ik ga maar gauw naar bed,” zei ze, haar kussend. -</p> -<p>„Doe dat, Bets. Waren er nog lui bij de Bronkhorsten?” -</p> -<p>„Neen, wij waren onder ons.” -</p> -<p>„Nu, wel te rusten dan.” -</p> -<p>Ze dachten geen van tweeën na over het onlogische van deze conclusie; zij zeiden het -zóó maar, als iedereen. Mevrouw Borne las voort met het boek dicht bij haar oogen, -omdat ze ’n beetje myope was, en Betsy ging naar haar kamer. Terwijl ze voor de tafel -stond en zich ontkleedde, ’n bezigheid, waaraan de meid haar hielp, schitterden haar -oogen van genoegen en speelde ’n glimlach om haar mond. Hij was jaloersch! Hij was -zoo „ingepakt”, dat hij niets kon verdragen van anderen; die mochten haar zelfs geen -piano laten spelen. En wat was hij woedend op Prédier! Het deed haar genoegen; waarom -wist ze eigenlijk zelf niet. Zij mocht Bronkhorst zeer gaarne; zij had hem, dat was -zeker, liever gehad, dan wie ook. Maar wat baatte het? Er kon toch niets van komen, -want hij was getrouwd, en de gezonde flinke persoonlijkheid van Marie, altijd in de -weer ondanks het Indische klimaat, verbande elke gedachte aan een vroegtijdig weduwnaarschap, -’t Was dus niet de moeite waard een ijdel spel te spelen. Trouwen <span class="ex">kon</span> hij haar niet, en zij was vast besloten, naar <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>Mephisto’s wijze les, <span class="ex" lang="fr">de n’ouvrir sa porte, que la bague au doigt</span>. De vroolijke trek, door de zekerheid der overwinning nog een oogenblik te voren -op haar gelaat geteekend, verdween. Zij schoot een slaapsarong aan, oud, maar lenig -en lekker aanvoelend, en viel onverschillig op haar bed neer. Sarinah klom er ook -in, zuchtend en steunend, en ving langzaam aan haar met de harde beenige vingers te -pidjiten. -</p> -<p>Met gesloten oogen, het loshangende zwarte haar links en rechts over de kussens uitgespreid -en de bloote armen boven het hoofd gekruist, lag Betsy bewegingloos na te denken, -haar lichaam overlatend aan het drukken en knijpen van de oude meid, die ook hierin -een specialiteit was, al zuchtte en steunde ze er nog tweemaal zoo hard bij als gewoonlijk. -Het was toch maar waar, dacht ze, dat zij voor het ongeluk geboren was en dat een -hardnekkig noodlot haar vervolgde. Werkelijk, zij hield van dien Bronkhorst; zij vond -hem een knap man, en hij was altijd even goed en lief; zij hield zich overtuigd, dat -ze met hem gelukkig zou zijn; gelukkiger, dan met eenig ander. En hij had geld en -goed! Hoe heerlijk zou zij geleefd hebben in het mooie groote huis met den rijken -inboedel, dien ze zoo goed kende, waarvan zij den inventaris had kunnen opmaken uit -het hoofd! Doch ook ditmaal liep zij alles mis. Eerst kreeg zij een man tegen wil -en dank, met wien ze een ongelukkig leven had geleid, en de man, met wien ze, dat -voelde ze, gelukkig had kunnen zijn, ontging haar hopeloos, want hij <span class="ex">was</span> getrouwd. Zoo zou zij dan ten laste kunnen blijven van haar bloedverwanten, als behoorende -tot de klasse van „arme familieleden”, of ze zou Prédier kunnen trouwen, van wien -ze een afschuw had, dan wel een ander liefst nog onbeduidender en akeliger. En dan? -Zij wist het niet. Was dat een toekomst? Zij zou even gaarne sterven, als opnieuw -een leven beginnen, gelijk ze geleid had met Den Ekster. Dat in eeuwigheid niet! Zij -werd nog liever bonne of juffrouw van gezelschap of zoo iets. Maar hoe weinig aanlokkelijks -ook dat denkbeeld voor haar had, bewezen <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>de tranen, die, toen ze zoover was gekomen in het nadenken over haar <span class="ex" lang="ms">tjelaka</span>, haar oogen ontvloeiden. -</p> -<p>„Wat scheelt er aan?” vroeg de meid, die juist den linkerarm omlaag had gehaald, ten -einde het bovengedeelte er van te bewerken. -</p> -<p>„Och niks, <span class="ex">nèh</span>! Hou jij je mond maar.” -</p> -<p>De oude steunde luider en kneep en drukte zachtjes voort. Haar grove grijze haren -waren door de inspanning en beweging in oproer geraakt en hingen haar over het gerimpeld -voorhoofd, en als ze al pidjitend het bovenlijf regelmatig op en neer bewoog, deelden -in die cadense de ontoonbare restes van wat eens de boezem eener jonge vrouw was geweest. -</p> -<p>Maar het was Betsy geen ernst geweest met haar stugge en hondsche afwijzing der belangstelling -van Sarinah. Zij had, integendeel, behoefte om te praten over haar noodlot en over -den strik, dien het haar nu weer had gespannen. -</p> -<p>„Je hadt gelijk, <span class="ex">nèh</span>!” ging ze voort; „je hadt gelijk laatst: het is waar, ik heb altijd ongeluk.” -</p> -<p>„Altijd,” bevestigde de oude, „ik zag het al bij uw geboorte.” -</p> -<p>Betsy rilde er van, want dááraan geloofde zij vast. -</p> -<p>„Ik wou dat het veranderen kon,” zei ze, ofschoon zij overtuigd was, dat er niets -aan te veranderen viel. -</p> -<p>„Als de goede geesten willen, kan het,” meende Sarinah, „maar als de kwade sterker -zijn kan het niet.” -</p> -<p>Het was in elk geval een kansje, dacht Betsy; maar zij rekende er niet op. -</p> -<p>„Dan zijn de kwade het sterkst, <span class="ex">nèh</span>! Dat ondervond ik weer in den laatsten tijd.” -</p> -<p>„Is er dan weer iets?” -</p> -<p>Een oogenblik dacht Betsy na; toen draaide zij de oude den rug toe en zei nijdig: -</p> -<p>„Och, niets! Er is niets.” -</p> -<p>Bij de tinka’s van haar „nonna” bleef de oude precies, zooals zij twintig jaren te -voren daarbij gebleven was. Zij toonde volstrekt <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>geen nieuwsgierigheid; ze wist, dat het toch wel komen zou. -</p> -<p>En het kwam spoedig genoeg. -</p> -<p>Onstuimig schudde Betsy het hoofd en de tranen overstroomden weer haar oogen; zij -sloeg met de vuist op haar borst; de fraaie equipage van Bronkhorst was haar plotseling -voor den geest gekomen en dàt deed haar de volle uitgestrektheid van haar noodlot -nog dieper beseffen. -</p> -<p>„Is het zóó erg?” vroeg Sarinah. -</p> -<p>„Och <span class="ex">nèh</span>! er is nu iemand met wien ik zou willen trouwen en die het mij zou willen.….” -</p> -<p>„En hij is niet arm?” -</p> -<p>„Neen zeker niet: hij is rijk; hij heeft een mooi huis; hij heeft ’n fraaie equipage -en hij verdient wel twee of drie duizend in de maand.” -</p> -<p>„Jammer, dat hij getrouwd is.” -</p> -<p>Betsy vloog op als buskruit en gaf de oude met hare vlakke hand een klap op den schouder, -die kort en hard door de kamer klonk, alsof zij had geslagen op een plank. -</p> -<p>„Je bent een brutaal, oud beest.” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Oeah!</span>” haalde de oude languit. „Als hij rijk is en hij wil, waarom zou hij dan niet als -hij kon?” -</p> -<p>„Hij kan niet,” bevestigde de jonge vrouw in haar moedeloosheid terugvallend; „hij -kan niet! Het is waar, <span class="ex">nèh</span>, waarom zou ik het tegen jou niet zeggen? Ik heb niemand anders op de wereld en je -bent ’n ouwe trouwe ziel.” -</p> -<p>Volkomen gewoon, dat er zoo met haar werd omgesprongen en dat zij in een minuut van -een verworpeling een engel werd en omgekeerd, grijnsde Sarinah. -</p> -<p>„Het is niet noodig. Ik weet wel wie.” -</p> -<p>Half boos, half nieuwsgierig richtte Betsy zich op en stak haar gezicht, thans haast -geheel onder het zwarte haar begraven, vooruit. En steunend op het vlak harer handen, -zoodat haar lenige armen eenigszins naar binnen ombogen, zei ze driftig: -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Ajo</span>, zeg op, <span class="ex" lang="ms">ajo</span>!” -<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span></p> -<p>„Als het meneer de notaris niet is, dan is het een ander.” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Masa!</span>.…. Oude heks!” zuchtte Betsy, en zij liet zich achterover in haar kussens vallen. -</p> -<p>Zoo lag ze een oogenblik stil, de oude bewonderend om haar slimheid; toen nam haar -verdriet weer de overhand en plukkende aan den breeden gewerkten rand van het kussensloop, -zei ze langzaam en droevig droomerig: „Ja, het is zoo, <span class="ex">nèh</span>! Nu zie je, dat ik de waarheid heb gesproken; er is niets aan te doen; het is weer -mijn ongeluk. Hij zou mij trouwen, dat weet ik zeker, als die andere er niet tusschen -zat. <span class="ex">Wáárom</span> moeten ze ook altijd die onhebbelijke totoks hierheen halen, alsof er hier geen vrouwen -en meisjes genoeg zijn! Maar <span class="ex" lang="ms">soedah</span>! het is niet anders; ik moet er maar niet meer aan denken; er is toch niets aan te -doen.” -</p> -<p>Er kwam een oogenblik pauze; wel een minuut. Betsy luisterde met kloppend hart of -de oude niets zou zeggen, en deze, die uit het bed was gegaan omdat het pidjiten was -afgeloopen, gleed steunend en grommend weer in haar lang blauw baadje; toen ze er -in zat, en ze haar sarongband wat vaster had aangetrokken, kwam ze naar het bed terug, -en met haar rimpelige handen steunend op den ijzeren rand van het ledikant, zag ze, -knippend met haar doffe oogen, Betsy aan en zei: -</p> -<p>„Misschien!” -</p> -<p>Het kostte de jonge vrouw moeite haar bedaardheid te behouden. Zij had wel iets verwacht -van dien aard, en haar geheele verzuchting was er op ingericht geweest om zoo iets -uit te lokken, maar nu het kwam, viel het haar als een steen op het hart en werd ze -weer bang voor de oude, net als ze dien avond geweest was toen ze haar twee gouden -tientjes had gegeven om de natuur ’n handje te helpen. Maar ze hield zich goed en -schokschouderde met minachting. -</p> -<p>„Je bent gek, <span class="ex">nèh</span>!” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah!</span> Als nonna het beter weet.” -</p> -<p>„Ik weet niets beter, en ik wil niet wijzer zijn dan een ander, maar ik geloof niet, -dat het helpt, <span class="ex">nèh</span>!” -<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p> -<p>„Als hij van u houdt, dan moet het helpen; de kleine menschen weten maar weinig, doch -zij kennen de aarde van hun land en wat er op groeit beter dan de blanda’s, die er -over heen rijden.” -</p> -<p>„Klets maar niet. Jullie bent toch maar allemaal dom volk! Vertel liever wat er moet -gedaan worden; doch ik doe niets, hoor!” -</p> -<p>Langzaam richtte Sarinah zich op en scharrelde naar haar hoek, waar de mat lag op -den vloer. -</p> -<p>„Als de nonna een klein kind is, dan ga ik mijn slendang halen, en dan heb ik niets -gezegd.” -</p> -<p>Een oogenblik was zij met haarzelve in tweestrijd. Zij had veel gehoord over de werking -van zekere inlandsche middelen, en zij geloofde er vast aan; maar ze had er nooit -eenig gevolg van gezien of ondervonden; wie weet of het niet veel erger zou worden, -dan zij dacht; of niet de resultaten ernstige onaangenaamheden na zich zouden sleepen. -Doch wat deed het er toe? De prijs was den inzet waard; zij was er ten slotte persoonlijk -buiten, als Sarinah het deed; er mocht dan van komen, wat er wilde. -</p> -<p>Ze stond op en ging naast de oude zitten op de mat, ook met haar beenen gekruist onder -haar. -</p> -<p>„Wees niet kwaad, oudje,” zei ze vleiend. „Je weet wel dat nonna veel van je houdt.” -</p> -<p>Er kwam geen antwoord; Sarinah trok een gezicht alsof ze die verklaring van genegenheid -maar half geloofde, en ze zuchtte, steunend en mompelend. -</p> -<p>„Kom, zeg het dan maar!” -</p> -<p>„<span class="ex">Ik</span> kan niets zeggen; ik weet er zelf maar weinig van.” -</p> -<p>„Wat praat je dan?” vroeg Betsy driftig. -</p> -<p>„Mijn zoon weet het.” -</p> -<p>„Je zoon? Welke? Die dikke, die laatst hier op het erf was en me zoo brutaal aankeek, -dat ik hem een standje maakte?” -</p> -<p>„Ja, die. O, hij is niet verlegen voor Europeesche vrouwen. Ik weet, dat er een is, -die dikwerf bij hem komt, en die als hij het wilde, bij hem aan huis zou komen wonen -om geheel zijn vrouw te worden.” -<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span></p> -<p>„Zoo’n slet!” viel Betsy uit, wier hoogheidsgevoel erg werd gekwetst door het denkbeeld, -dat een Europeesch meisje zich niet ontzien zou de vrouw te worden van een Inlander. -</p> -<p>De oude stoorde zich aan dien uitval niet; zij haalde de schouders op, als wilde zij -te kennen geven, dat het, volgens haar wijsbegeerte, alles <span class="ex" lang="ms">sama djoega</span> was. -</p> -<p>„En waarom komt ze dan niet heelemaal bij hem inwonen?” -</p> -<p>„Zij zou het doen, als het hier een groote stad was, waar de menschen niet zoo naar -alles kunnen kijken. Het is hier maar klein; iedereen zou het weten; mijn zoon zou -misschien onaangenaamheden krijgen met den resident, als die er zich mee mocht bemoeien.” -</p> -<p>„Hoe heet je zoon? Ik begrijp <span class="ex">niet</span>, dat ge nooit vroeger van hem hebt gesproken. Vóór we hier kwamen, wist ik niet dat -hij bestond.” -</p> -<p>Grijnzend lachend, zoodat haar half geopende tandelooze mond, van binnen rood van -het sirih-kauwen, een breede open wond geleek, zei ze: -</p> -<p>„Ik heb veel kinderen, van veel vaders. Er was een tijd, dat de oude Sarinah een mooie -jonge vrouw was. Zij was nu eens hier, dan daar. Haar kinderen zijn over heel Java -verspreid.” -</p> -<p>Langzaam knikte Betsy met het hoofd op en neer, terwijl ze met saamgeknepen lippen -om niet te lachen, het oude monster bekeek. -</p> -<p>„Ja, ik geloof dat je een best merk bent geweest! Maar zeg me nu eens van dien zoon. -Hoe heet hij, waar woont hij, en wanneer kan hij het aan je geven?” -</p> -<p>„Zijn naam is Ketjil.….” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Masa</span>, zoo’n dikke kerel!” -</p> -<p>„Een naam is zoo goed als een andere. Hij woont naar het Zuiden.…. vèr!.….” -</p> -<p>„Daar heb ik veel aan! <span class="ex">Enfin</span>, verder?” -</p> -<p>„Het duurt lang vóór hij kan geven, wat wij noodig hebben; hij moet er een groote -reis voor doen; een reis naar den anderen kant van Java, in het Zuiden waar ook de -zee is.” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Oeah!</span>” riep Betsy, verbaasd over de noodzakelijke reis naar <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>het Zuiderstrand, en half denkend dat de oude haar fopte: „<span class="ex" lang="ms">Oeah!</span> Jij zegt maar.” -</p> -<p>„Het is wezenlijk waar. En daarom kost het veel geld, heel veel.” -</p> -<p>’t Schrikte Betsy niet af. Als een Europeaan van „heel veel” geld zou gesproken hebben, -ware het iets anders geweest; inlanders noemden ’n betrekkelijke kleinigheid al heel -spoedig een schat. In elk geval meende zij te moeten <span class="ex">tawarren</span>. -</p> -<p>„Ik heb niet zooveel geld. Je weet heel goed, dat ik maar arm ben.” -</p> -<p>„Wat het kost, moet het kosten. Niemand kan er iets aan veranderen.” -</p> -<p>„Nu, hoeveel denk je?” -</p> -<p>„Zeker weet ik het niet. Misschien drie- of vierhonderd gulden; misschien minder.” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Masa, nèh</span>, dat is veel, ja? En dan? Wat gebeurt er dan? Ik heb er wel ’n heele boel van gehoord, -maar ik heb het nooit gezien. Heb jij het wel eens gezien, <span class="ex">nèh</span>. Toe, vertel eens.” -</p> -<p>„Ik heb het gezien, maar ik kan het niet vertellen. Ik spreek er niet over; het is -niet goed.” -</p> -<p>Betsy wist, dat als de oude er zoo over dacht, daartegen niets te doen viel. Zij drong -er daarom niet verder op aan, hoe nieuwsgierig zij ook was. -</p> -<p>„Wanneer vraag je het Ketjil?” -</p> -<p>„Morgenochtend zal ik naar hem toegaan met een <span class="corr" id="xd31e1766" title="Bron: karrretje">karretje</span>. Als hij thuis is.….” -</p> -<p>„Je moet maar vroeg gaan, dan zal hij nog wel thuis wezen.” -</p> -<p>„Misschien. Ik zal vroeg gaan; het is nu tijd om te slapen.” -</p> -<p>Langzaam stond Betsy op en ging naar haar bed. ’t Was tegen wil en dank, want ze had -nog wel veel meer willen weten; het zwijgen en het eindigen van het gesprek lieten -haar geheel onvoldaan. Het eenige, wat ze nu wist, was, dat het haar ’n aardig duitje -kosten zou. Voor de rest bleef ze zoowat even wijs. Maar dat schokte haar geloof en -vertrouwen niet, en het denkbeeld, hoe vaag en betrekkelijk onbeslist, had haar zeer -opgewonden en haar <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>het bloed naar het hoofd doen stijgen; het hield haar bezig en voerde haar fantaisie -tot de grootste buitensporigheden; onrustig wentelde zij zich van den eenen kant op -den anderen, de oude meid benijdend, die rustig ronkte op haar mat. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Prédier had het erg druk gehad. Hij was in den laatsten tijd zóó in de weer geweest -met het bouwen van woningen en het in orde brengen van het terrein, dat er geen uur -overschoot om aan de liefde te denken. Nu het er, zooals hij ’t noemde, een beetje -op begon te lijken, kwam hem de kwaal weer plagen. Zoolang hij overdag aan het werk -was, ging het, maar als hij ’s avonds in z’n eentje in de binnengalerij zat—want het -land lag hoog en ’t was buiten koud—dacht hij aan de mooie oogen van de weduwe Den -Ekster. Het was waar, dat op ’t partijtje bij de Vijzels Betsy minder stug tegen hem -was geweest, dan zij wel scheen te willen, dat Bronkhorst dacht. Zijn eenigszins onbeholpen, -maar goed gemeende hulde streelde haar, gelijk haast elke hulde elke vrouw. Ook was -zij te verstandig om zonder noodzaak een niet kwade kans moedwillig geheel weg te -werpen. Men kon nooit weten! Er was wellicht, zoo dat noodig moest zijn, op terug -te komen. -</p> -<p>Hij had het aangenomen voor goede munt, en als zij hem eens bemoedigend toeknikte -of een flauw glimlachje schonk, dan meende hij daaruit te mogen opmaken, dat hij haar -niet geheel onverschillig was. -</p> -<p>En met die overtuiging was hij weer naar ’t gebergte getrokken, waar de frissche opwekkende -lucht hem nog verliefder maakte dan hij was. Plannen had hij genoeg gemaakt, maar -’t kwam hem voor, dat er nogal bezwaren tegenover stonden. De hoofdzaak was of ze -hem wilde hebben. Een positie had hij, meende hij, en zoo alleen te leven in „de wildernis” -lachte hem allesbehalve toe. Daarom achtte Prédier zich genoopt een besluit te nemen. -Meer man van actie dan van <span class="ex">pikiren</span>, besloot hij het „zaakje” maar spoedig af te doen, en toen hij zoover was, duurde -<span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>het ook geen vier en twintig uren of hij zat, gelijk hij het noemde, in de warmte -en onder de menschen. -</p> -<p>Bronkhorst zat op zijn kantoor en achter zijn schrijftafel, doch hij werkte niet. -Hij keek in gedachten recht voor zich uit in de donkere open vakjes van een oude, -stoffige kast, waarin het binnenvallend licht driehoeken teekende. Niet als naar gewoonte -kraste zijn pen de minute eener akte of het concept van een overeenkomst; hij had -haar wel in de hand en een boek groot formaat Hollandsch schrijf voor hem op de tafel, -maar de eene minuut ging na de andere voorbij, zonder dat zijn gewoonlijk zoo vlugge -hand over ’t papier schoof. Zijn gedachten dwaalden af als die van een jongen van -twintig, absent soms, verstrooid dikwerf, als moeder natuur hem op ongelegen oogenblikken -in het ootje neemt. -</p> -<p>Nu hield de notaris zich niet bezig met kantoorzaken. Hij dacht aan de avondjes van -den laatsten tijd, aan Betsy en aan muziek; hij voelde iets jeugdigs in zich, dat -hem goed deed, waarin hij geen kwaad zag, en waaraan hij dacht met genoegen, zich -verdiepend in allerlei bijzonderheden, verwijlend bij een gesproken woord, een uitroep -of een lach; zich verbazend, dat hij het alles zoo goed had onthouden en het hem voor -den geest stond, als zag en hoorde hij het nog. -</p> -<p>Een luide tred op het galerijtje leidde hem af en machinaal schreef hij op ’t blanke -papier: „Op heden, enz.” -</p> -<p>„Zoo jongelui, hoe maken jullie het? Goed. Nu, dat doet me pleizier! je ziet er anders -wel ’n beetje pips uit, zeker van de warmte hè? Jullie moet eens aan je baas ’n week -of wat verlof vragen en bij mij boven ’n kouden neus komen halen.… <span class="ex" lang="fr">A propos</span>, is de notaris binnen?.… Ja? Dan loop ik even binnen.” -</p> -<p>Twee harde tikken met zijn knokkels tegen het scheidend schutsel en een seconde later -stond Prédier voor Bronkhorst, die juist de eerste letters schreef van den voornaam -van den persoon, die naar het heette op dat moment voor hem <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>„compareerde,” of, gelijk een geest, voor hem „verscheen.” -</p> -<p>„Goeden morgen! Hoe gaat het? Druk? Weer veel duiten aan het verdienen? Hoe is het -thuis? Mevrouw wel? Kleintjes ook? Verdomd, wat is het hier warm, zeg!” -</p> -<p>„Houd je kalm,” zei Bronkhorst, verwonderd over het onverwacht bezoek. „Ga er bij -zitten en steek een sigaar op.” -</p> -<p>„Heel graag. <span class="ex" lang="ms">Sepada, kasi api!</span> O, heb je hier lucifers? Neen, dan hoeft het niet. <span class="ex" lang="ms">Tida oessah.</span> Pff! Als je me nu nog ’n potje bier geeft.….” -</p> -<p>„Je kunt straks naar m’n huis gaan en drinken er ’n dozijn bier; op ’t kantoor, dat -weet je, heb ik niets. Er wordt nooit iets gebruikt.….” -</p> -<p>„Nu, het doet er niet toe. Water dan maar. Ik heb een dorst als ’n paard.” -</p> -<p>„En hoe kom je zoo hier in de buurt?” -</p> -<p>„Ja, zie je.…. <span class="ex">Enfin</span>.…. ikke.…. ikke.…. ik had iets, waarover ikke.…. Ik had je wel eens iets willen vragen.” -</p> -<p>„Nu, geneer je niet. Je bent waarlijk anders niet bloo.” -</p> -<p>„Neen, daar behoeft ook geen quaestie van te zijn. <span class="ex">Enfin</span>, zie je.…. ik zal het je maar in eens zeggen.…. Ikke.…. Het is vervloekt vervelend -zoo altijd alleen op het land. Ik moet een vrouw hebben, en ik heb wel zin in die -mevrouw Den Ekster.” -</p> -<p>De notaris keek weer recht in de vakjes van de oude kast. Hij glimlachte als te voren, -maar niet vergenoegd. -</p> -<p>„Zóó,” zei hij op ironischen toon, „zóó,” en een klemtoon van spotternij leggend op -elk woord, vervolgde hij: „heb je wel zin in die mevrouw Den Ekster,”—alsof hij door -die herhaling wilde zeggen: Wat verbeeldt gij je wel, met je oogen tot dat schepseltje -op te slaan? -</p> -<p>Prédier voelde wel ’n beetje, wat in dien nadruk lag, maar hij begreep het verkeerd. -</p> -<p>„Waarom zeg je dat op ’n manier alsof het iets bijzonders was?” vroeg hij geraakt. -„Ze heeft voor zoover ik weet geen cent geld, en wat ze bij mij kan krijgen is dubbel -en dwars <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>weelde, vergeleken bij wat ze nu heeft en wat ze had toen haar eerste man leefde.” -</p> -<p>„O, neen,” gaf Bronkhorst toe, sprekende als iemand die aan iets anders denkt, „geld -heeft ze volstrekt niet.” -</p> -<p>„Wel, dan zie ik ook niet in.….” -</p> -<p>Bronkhorst wendde het gelaat naar hem toe en zei snel: -</p> -<p>„Dus je gelooft, dat het heelemaal ’n quaestie van geld is; dat er niets anders bij -ter sprake komt, dan de beurs of wel ’n zeker traktement per maand?” -</p> -<p>„Neen, niet heelemaal, maar toch zal dat voor een vrouw wel het voornaamste wezen. -Wat drommel, men kan niet leven van den wind.” -</p> -<p>„En verder.…?” -</p> -<p>„Wat verder?” -</p> -<p>„Ik bedoel wederzijdsche genegenheid, beantwoorde liefde, als je die uitdrukking beter -bevalt,—<span class="ex">enfin</span>, datgene, wat onder Europeanen toch altijd wordt beschouwd als het criterium van -’t huwelijksgeluk, ’t zij men het adoratie of teelkeus noemt?” -</p> -<p>„Ja.…. ik vind, dat een man verliefd moet wezen, als hij er toe overgaat een vrouw -te vragen; dàt nu wel; ik begrijp ook niet, dat hij het anders doen zou, tenzij om -het geld, en daarvan is hier geen sprake. Wat ’n vrouw betreft,—ja, zie je, die moet -iemand <span class="ex">willen hebben</span>, en of er dan verliefdheid of niet bij in het spel komt.…. dat is van later zorg; -ik geloof dat het al doende wel leert, en ik heb ook altijd gehoord, dat het voor -’n man voldoende is, als hij er maar ’n beetje beter uitziet dan ’n aap.” -</p> -<p>„’t Is een eigenaardige opvatting, dat is zeker. Misschien is er iets waars in en -zou men nog verder kunnen gaan.” -</p> -<p>„Hoe dan?” vroeg Prédier nieuwsgierig. -</p> -<p>„Och, als men soms ziet hoe aapachtig verliefde mannen zich aanstellen, kan men er -toe komen, te gelooven, dat het „beetje beter” er ook wel af kan.” -</p> -<p>„Verdomd!” riep Prédier, met z’n zware hand op de tafel <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>slaande. „Als ik niet wist, dat je het goed meende, zou ik denken, dat het je te doen -was om hatelijkheden te tappen. Je hebt ’n rare manier om iemand in zulke dingen ’n -goeien raad te geven.” -</p> -<p>Een oogenblik dacht Bronkhorst na, den rook zijner sigaar opzuigend en in korte zetjes -uitblazend door den neus, en daarna diezelfde sigaar ernstig beschouwend, alsof het -een bron was van Salomonische wijsheid. -</p> -<p>„Je hebt gelijk,” gaf hij toe, zijn gewone notarismanier van spreken hernemend; „het -is ook zoo’n vreemdsoortig advies, dat je me vraagt, en zulk een buitengewoon onderwerp. -In ernst Prédier, ik raad je dezen stap af; in gemoede ontraad ik je hem. Kijk eens, -’t huwelijk is iets, dat, vooral hier in Indië, vaak lichtvaardig wordt opgevat bij -het aangaan, maar let eens op, waartoe dat dikwerf leidt! Er wordt te weinig overwogen, -dat het een overeenkomst is, die niet tot wederopzeggens, maar voor het leven wordt -gesloten, althans behoort gesloten te worden. Men let op familie, op geld, op het -uiterlijk, op een positie, op momenteele opwelling van genegenheid of begeerte, maar -men verwaarloost het eenige, dat het huwelijk duurzaam, goed en gelukkig kan maken.” -</p> -<p>Prédier had met een ruk zijn stoel dichterbij geschoven; hij was nu ook ernstig geworden, -maar het was aan zijn gezicht te zien, dat hij volstrekt niet begreep, waartoe deze -nieuwe wending moest voeren. -</p> -<p>„En wat is dat dan?” vroeg hij verbaasd. -</p> -<p>„Het is zekere overeenkomst in karakter, neigingen en levensvormen; een overeenkomst, -die althans zóóver dient te gaan, dat ze onvereenigbaarheid uitsluit. Oppervlakkige -Fransche schrijvers zeggen: <span class="ex" lang="fr">l’amour vit de contrastes</span>, en oppervlakkige Hollanders zeggen dat na. Voor de liefde op z’n Fransch of op z’n.…. -Mahomedaansch wil ik dat aannemen, maar in <span class="ex">onze</span> Europeesche maatschappij en in <span class="ex">onze</span> burgerlijke kringen is het een leugen.” -<span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span></p> -<p>„Dus, als ik je goed begrijp, wil je zeggen: jij deugt niet voor haar, of zij niet -voor jou, of jullie niet voor elkaar?.…” -</p> -<p>„Juist,” bevestigde Bronkhorst met warmte, en hij voegde er bij met iets oudere broerachtigs -in toon en manieren: „ik mag je te graag en Betsy ook, om jullie blindelings in het -ongeluk te zien loopen. En ik houd me overtuigd, dat het zoo wezen zou, want jullie -bent, ieder voor zich, uitstekende menschen, maar je hoort niet bij elkaar. Ik weet -nu niet met juistheid te bepalen, waar het groote, het algemeene verschil ligt; zulke -definitiën zijn ontzaglijk moeielijk, maar ik zie duidelijk de algemeene onvereenigbaarheid, -waarvan ik zooeven sprak.” -</p> -<p>„Ik niet,” zei Prédier leuk. „Ik vind wel, dat je van ochtend gruwelijk zwaar op de -hand bent. Je stelt me het huwelijk voor als een geweldige corvée. ’t Is jandorie -of man en vrouw tegenover elkaar staan als twee vijandige partijen. Als ik zoo alles -naga, zou ik denken, dat je zelf toch andere ondervinding van het huwelijk hebt.” -</p> -<p>„<span class="ex">Enfin</span>, je schijnt me niet te begrijpen, en het is heel moeilijk, zooals ik zei, om me er -verder over uit te laten of in bijzonderheden te treden bijwijze van vergelijking. -Bovendien,” voegde hij er koel bij, „is het ook niet noodig. Want je zei wel, dat -je m’n raad kwam vragen, maar ik weet ongeveer, wat dat bij zulke gelegenheden beduidt; -men volgt dan alleen den raad op, die strookt met eigen plannen.” -</p> -<p>Prédier lachte op zijn luide, krakende manier, zooals hij sprak, gewoon als hij was -meest altijd te lachen en te spreken buiten in de open lucht. -</p> -<p>„Nu, notaris, <span class="ex">die</span> zet is u. Ik geloof waarachtig, dat je gelijk hebt. Men kan het probeeren, en ik -<span class="ex">zal</span> het probeeren. Ziedaar! Maar nu zal ik je niet langer van ’t werk houden en eerst -eens ’n praatje gaan maken bij mevrouw.” -</p> -<p>„Doe dat. Vraag je haar ook om raad?” -</p> -<p>„Nu, dat kon wel wezen.” -</p> -<p>„Misschien dat haar advies beter klopt met je eigen wenschen, <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>dan het mijne. Maar geloof me, Prédier, denk nog eens ernstig na. Het is zulk een -gewichtige stap, kerel! Beter ten halve gekeerd.….” -</p> -<p>„Dan ten heele gedwaald, dat weet ik. Maar je zult me niet kwalijk nemen, als ik denk -dat in zulke zaken zoo’n goede, verstandige dame als mevrouw Bronkhorst een opinie -heeft, die tegen elke andere kan opwegen.” -</p> -<p>Bronkhorst gaf er geen antwoord op; hij knikte slechts eenige malen langzaam met het -hoofd. -</p> -<p>„Blijf je ’n dag of wat?” -</p> -<p>„Tot overmorgen; vóór dien tijd kom ik je zeggen hoe het is afgeloopen. Tot ziens!” -</p> -<p>Met de linkerhand onder het voorhoofd en den pennenhouder in de rechter, bleef Bronkhorst -voor zijn schrijftafel zitten. Maar hij kwam niet verder dan den voornaam van dien -op dat moment verwenschten eersten comparant. Het lag hem zwaar op het hart, dat bezoek -van Prédier; het stemde hem onaangenaam en verdrietig; hij kon het niet van zich zetten -om rustig, als vroeger, zijn minute te concipiëeren. Herhaaldelijk zuchtte hij, zonder -dat hij het wist of opmerkte; ’t was een stemming gelijk aan het voorgevoel van een -ongeluk. -</p> -<p>Hij hoorde aan den anderen kant van het schutsel den Inlandschen brievenbesteller -zich aankondigen met zijn luid: <span class="ex" lang="ms">pos, toean!</span> en een oogenblik later lei een klerk de brieven en couranten bij hem neer. Werktuiglijk -schoof hij ze uiteen met den vinger; een gedrukt adres boven het zijne—dàt van den -afzender—trok zijn aandacht; hij schoof de enveloppe tusschen de andere uit en opende -dien brief het eerst. Onder het lezen trokken zijn wenkbrauwen samen en plooiden zijn -lippen zich tot een uitdrukking van ontevredenheid. Die tijding viel hem tegen: hij -moest dadelijk voor een dringende zaak op reis! -</p> -<p>Het gebeurde wel meer, en zulke reisjes legden hem in het algemeen geen windeieren. -Ook ontstemde het hem anders volstrekt niet. Integendeel, hij ging er gaarne eens -’n paar dagen <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>„uit” op die manier; op zijn candidaat kon hij vertrouwen. Waarom kwam het hem dan -nu zoo te onpas? Zelfs voelde hij, dat een antwoord op die vraag hem moeilijk zou -vallen; toornig kneep hij de gescheurde enveloppe samen tot een balletje, smeet het -in de snippermand, en zei bij zichzelven, met een kleur op het gezicht en een heftigen -draai met zijn schroefstoel: „Laat ze trouwen, wat kan het mij ook.…” -</p> -<p>Hij regelde het werk, sloot zijn laden, en ging naar huis, om postpaarden te laten -bestellen, en zijn vrouw te zeggen, dat hij nog dien dag op reis moest; ze kon dan -zijn koffers gereed maken, wat ze zooveel beter deed dan hijzelf. Zijn boos humeur -kreeg weer de overhand, toen hij Marie vertrouwelijk zag zitten praten met Prédier -en aan diens gezicht wel bespeurde, dat hij van haar een anderen raad had gekregen. -Met opzet ging hij het huis om en de achtergalerij binnen; maar zijn vrouw had hem -gezien, liet <span class="corr" id="xd31e1913" title="Bron: Predier">Prédier</span> ’n oogenblik bij zijn bittertje en zijn sigaar alleen, en kwam naar achter. -</p> -<p>„Vent, wat ben je vroeg; het eten is nog niet klaar.” -</p> -<p>Hij vertelde haar, dat hij uit moest en waarheen. -</p> -<p>„Ik zal je boel straks in orde maken,” zei ze, „maar je weet wat Prédier komt doen, -hé? Hij heeft je er al over gesproken.” -</p> -<p>„Ja,” antwoordde hij op onverschilligen toon, „ik heb het hem ernstig afgeraden.” -</p> -<p>„Nu, ik niet; integendeel, ik hoop voor beiden, dat het zal gelukken. Zij kan niet -altijd ten laste blijven van haar oom en tante, en voor hem is het geen leven, zoo -alleen in het binnenland. Jij vindt nu, dat ze niet bij elkaar komen, en daar is iets -van aan; doch dan moet van beide kanten maar wat geschikt en toegegeven worden, dat -moet toch altijd gebeuren, en het is dus alleen een zaak van meer of minder.” -</p> -<p>„Laat ze trouwen! Wat raakt het mij! Als zij zich in het ongeluk willen storten, is -het hun zaak.” -</p> -<p>„Neen, vent, maar dàt is toch wat al te gek. Waarom zouden <span class="ex">zij</span> nu juist ongelukkig moeten zijn met elkaar? Hij is, alles <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>bijeengenomen, een beetje ruw en onbeholpen, maar ik geloof zeker dat hij een goed -man is.” -</p> -<p>„O, ja.” -</p> -<p>„En Betsy kan wel eens wat coquet, nuffig of lichtgeraakt wezen, maar ze is verstandig -genoeg.” -</p> -<p>„Zeker.” -</p> -<p>„Welnu, dan zie ik ook niet in, waarom je er zoo pessimistisch over hoeft te denken. -Als ik niet wezenlijk dacht goed te doen, dan zou ik Prédier niet beloofd hebben<span class="corr" id="xd31e1935" title="Bron: .. ">…</span>.” -</p> -<p>„Wat heb je hem beloofd,” viel hij driftig uit. -</p> -<p>„Wel,” zei z’n vrouw verbaasd, „ik zal Betsy eens polsen en een goed woordje voor -hem doen.” -</p> -<p>Met moeite bedwong Bronkhorst zijn toorn, maar het gelukte hem toch. -</p> -<p>„Marie,” zei hij, uiterlijk zeer bedaard, „je zult me een groot genoegen doen, door -je daar geheel buiten te houden. Vooreerst vind ik zoo’n soort van „aankoppelen” afschuwelijk, -maar in dit bijzonder geval is het dubbel, want ik ben overtuigd, dat het voor allebei -op een zeer ongelukkig huwelijk zal uitloopen.” -</p> -<p>Zij was een goede vrouw, en ze deed gaarne wat haar man wenschte, maar van haar opinie -deed ze geen afstand. -</p> -<p>„Goed,” antwoordde ze ’n beetje geraakt, „als je er zóóveel op tegen hebt, dan zal -ik dat aan Prédier zeggen. Maar ik ben het niet met je eens, volstrekt niet, en ik -hoop van harte, dat Betsy, ook zonder mij, verstandig genoeg zal wezen, haar belang -te begrijpen.” -</p> -<p>Toen ze samen naar voren gingen, vertelde zij Prédier, dat haar man niet wilde, dat -zij er zich mee zou bemoeien. -</p> -<p>„Je begrijpt wel,” voegde Bronkhorst er bij, <span class="corr" id="xd31e1948" title="Niet in bron">„</span>dat ik uitsluitend en alleen jou belang en dat van mevrouw Den Ekster op het oog heb, -en het volstrekt niet te doen is om je in iets te dwarsboomen. Misschien stelt de -toekomst me in het ongelijk; ik hoop het van harte; maar ik ben nu eenmaal van meening, -dat <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>het met jullie niet goed zal zijn, en daarom mogen noch mijn vrouw, noch ik er toe -medewerken.<span class="corr" id="xd31e1952" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Op dat oogenblik geloofde Bronkhorst zelf, dat hij meende, wat hij zei, en daardoor -was er zekere kracht van overtuiging gekomen in den toon zijner stem. Voor Marie stond -het ook muurvast, dat haar man slechts sprak uit overtuiging, ofschoon ze het erg -onaangenaam vond, en Prédier, die evenmin de bedoeling wantrouwde, vond het zóó, dat -hij toch maar liever zou zijn heengegaan om te rijsttafelen in het hotel. Doch zijn -relatie met den notaris was van dien aard, dat de goede verhouding in het belang der -zaken bewaard moest blijven. -</p> -<p>„<span class="ex">Enfin</span>,” zei hij met een gedwongen lach, „dan zal ik maar op mijn eigen gelegenheid mijn -fortuin beproeven. Ik hoop alleen dat je me niet zult tegenwerken.” -</p> -<p>„Dat in geen geval,” verklaarde mevrouw. -</p> -<p>„Volstrekt niet,” zei ook Bronkhorst. „Ik zou het zelfs niet kunnen, want ik ga van -middag op reis.” -</p> -<p>Ze spraken dáárover voort, blij dat het nu voor allen minder aangename onderwerp van -het tapijt was, en daar elk hunner om zeer uiteenloopende redenen en met geheel verschillende -gevoelens ’t mogelijke deed om het gesprek te doen vlotten, lukte dat aan tafel ook -vrij wel. -</p> -<p>Toen, na de rijsttafel, Prédier, die toch eenige haast scheen te hebben, naar zijn -logement was gegaan, en Marie bezig was met hare gewone zorgvuldigheid den reiskoffer -te pakken, ging Bronkhorst nog even naar zijn kantoor, en van daar liep hij dwars -het voorerf over om de Borne’s goeden dag te zeggen. Het was anders zijn gewoonte -niet, als hij voor ’n paar dagen op reis ging, van zijn buren afscheid te nemen; bovendien -kon hij er veelal op rekenen, dat op dit uur van den namiddag de kapitein en diens -vrouw rustig hun siësta namen, terwijl deuren en vensters aan de voorzijde van het -huis gesloten waren. Met het oog op dit laatste, ging hij het achtererf op, nu en -dan onwillekeurig naar zijn eigen huis glurend om te zien of Marie <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>soms uit een der vensters keek, maar die keek alleen in de legkast en in den koffer. -</p> -<p>In de achtergalerij der Borne’s vond hij, wat men daar elken dag kon vinden op dezen -tijd: Betsy aan een handwerkje in een wipstoel, en de naaister met Sarinah aan den -anderen kant op een matje. Alles rustig en stil. Toen Bronkhorst de trap opkwam, keek -de groote hond even op, maar dommelde, den goeden bekende ziende, dadelijk weer in. -</p> -<p>„Ik kom even goeden-dag zeggen. Slapen de luitjes?” -</p> -<p>„Ja. Gaat u op reis?” -</p> -<p>„Voor ’n paar dagen maar; voor zaken.” -</p> -<p>„Ga even zitten.” -</p> -<p>„Ik heb weinig tijd; ik kon niet nalaten te komen, om u nog eens te zien.” -</p> -<p>„Mij nog eens te zien?” herhaalde ze met groote oogen vol verwondering. -</p> -<p>„Zeker! Er zijn zulke geweldige kapers op de kust, en die hebben zoo’n haast.….” -</p> -<p>„Maak nu geen gekheid. Wat bedoel je?” -</p> -<p>„Alsof je dat niet weten zoudt!” -</p> -<p>„Ik weet heusch van niets.” -</p> -<p>„Nu, dan zal ik het je vertellen. Je wordt vandaag of morgen ten huwelijk.….” -</p> -<p>„Prédier!” -</p> -<p>„Ziedaar nu! Heb ik niet gezegd, dat ik niets nieuws kwam vertellen! Nauwelijks rep -ik van een huwelijksaanvraag of de candidaat wordt genoemd. Ik wist wel dat hij de -verwachte was.” -</p> -<p>„De verwachte!” herhaalde ze met minachting, en het was hem als lag er iets verwijtends -in haar blik. „Ik begreep wel, dat, zoo ik door iemand spoedig gevraagd zou worden, -het door hem zou zijn.” -</p> -<p>„En.…. zal hij de gelukkige wezen?” -</p> -<p>„Zeker.” -</p> -<p>Met saamgeknepen lippen hief Bronkhorst het hoofd op en <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>zag haar aan; zij zag dat het hem hinderde en dat deed haar een innig genoegen; zij -had zijn trekken zien veranderen, en een sombere uitdrukking over zijn gezicht zien -komen. Met de voorarmen op de tafel leunend, keek ze hem eenigszins spottend, maar -toch erg lief in ’t gezicht. -</p> -<p>„Dan heb ik u nog slechts te feliciteeren.” -</p> -<p><span class="corr" id="xd31e1992" title="Niet in bron">„</span>Mij? Waarom mij? Feliciteer den armen, akeligen Prédier, dien ik naar zijn land in -eenzaamheid terugstuur; ik kan hem, daarvan ben ik overtuigd, niet wezenlijk gelukkiger -maken; het tegendeel verbeeldt hij zich maar.” -</p> -<p>„Is dat nu ernst of scherts?” -</p> -<p>„Het is ernst.…. Een man als Prédier!.…. Stel je zoo iets voor!” -</p> -<p>Bronkhorst stond op en reikte haar de hand. -</p> -<p>„Dus.…. tot over een paar dagen.” -</p> -<p>„Zeker! <span class="ex" lang="fr">Au revoir!</span>” -</p> -<p>Hij vroeg zichzelven geen verklaring van het feit, dat, toen hij heenging, ’t hem -was of hij van een zwaren last was ontheven; hij dacht in ’t geheel niet na, maar -liep vlug naar huis, waar Marie in het zweet haars aanschijns zijn goed had gepakt, -terwijl een bediende nu bezig was met kracht de riemen aan te halen van den overgevulden -koffer. -</p> -<p>„Komaan, is het al klaar?” vroeg hij opgeruimd. -</p> -<p>„Ja; ik heb er twee paar sloffen ingedaan; een paar gewone voor het baden, denk er -nu om, anders zijn de andere dadelijk stuk. En van je overhemden.….” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah!</span>” riep hij met een afwerend gebaar. „Ik vertrouw je best; het zal wel alles uitstekend -in orde zijn.” Hij was immers volstrekt niet in een stemming om over sloffen en overhemden -te spreken! Hij was erg verstrooid, vergat eerst zijn sigarenkoker, daarna zijn zakdoek -en ten slotte zijn vrouw. -</p> -<p>„Nu, <span class="ex" lang="fr">bonjour</span>!” zei ze met bijzonderen nadruk, toen hij uit de voorgalerij naar beneden wilde gaan, -waar het rijtuig wachtte. -<span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span></p> -<p>Snel en half verlegen keerde hij zich om en kuste haar. -</p> -<p>Dienzelfden avond zat Prédier in zijn kamer in ’t hotel. Nog nooit had hij het zóó -warm gehad. Van een mondeling aanzoek had hij afgezien, daar hij vreesde bij die gelegenheid -een figuur te maken, dat niet in zijn voordeel was. Schriftelijk zou hij het behandelen; -hij vond, dat het veel gemakkelijker was op het papier te zeggen, wat men meende of -dacht. Maar toen hij voor de eenigszins wankele ronde tafel zat, en alreeds eenige -velletjes postpapier had verscheurd, omdat de aanhef hem niet beviel, werd ook dat -gemak hem uiterst twijfelachtig. Hij had reeds zijn kabaja uitgetrokken en naar het -schutsel gesmeten, en zat nu min of meer in badkostuum zich toe te wuiven met een -kleinen papieren waaier, dien hij bij ’n Chinees had gekocht voor ’n dubbeltje. Hij -wierp de schuld op de temperatuur. Als hij maar in ’t gebergte was, dan zou het heel -anders gaan, meende hij. Hier op zoo’n verwenschte kustplaats met een voortdurenden -thermometerstand van omstreeks 85 graden Fahrenheit, kon iemand zijn gedachten voor -zulk een gewichtig werk niet verzamelen. En hij had toch zoo gruwelijk het land aan -dat boek, dat hij voorzichtigheidshalve had meegenomen, en, bij het afnemend daglicht, -een oranjegeel langwerpig vierkant vlak op de djatihouten tafel vormde, waarover dwars -met groote zwarte letters „De Nederlandsche briefsteller” gedrukt stond! -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Onder het hardop voorlezen van den brief, knikten de dames Borne en Bronkhorst herhaaldelijk -goedkeurend met het hoofd. Dat was, vonden zij, degelijke, gezonde taal; de vorm fatsoenlijk -en net. En ze lett’en er volstrekt niet op, dat de kapitein op zijn stoel verwonderlijke -grimassen zat te maken, tot ze verschrikt opzagen, toen hij, aan het eind van het -epistel, brullend van het lachen opstond en naar zijn kamer liep. -</p> -<p>Nu in ’t geheel niet meer wetend, wat dat alles beduidde, keken ze elkaar een oogenblik -verbluft aan. -</p> -<p>„Ik wil er meer van weten,” riep Betsy. „Daar zit iets <span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>achter; ik moet er het mijne van hebben.” En zij liep den kapitein na; zij vond hem -in zijn kamer nog gierend van het lachen. -</p> -<p>„Wat is er oom? Toe zeg het nou?” -</p> -<p>„Neen, Bets, houd je stil, kind.… Het gaat al over.… Zeggen, doe ik niets.…. Ik kan -’t me zoo levendig voorstellen, weet je?” En hij lachte weer. -</p> -<p>„Toe, oompje?” vleide ze, met haar arm om zijn hals. „Toe, zeg het mij, ja? Ik moet -het immers weten.” -</p> -<p>Hij weigerde nog een oogenblik, maar kon het niet volhouden, en nam uit zijn boekenkast -een oranjegeel deel; keek even in den bladwijzer, sloeg het daarna open en hield het -haar voor: -</p> -<blockquote> -<p class="first salute">„Hooggeachte vriendin! -</p> -<p>„Daar de oogen.….”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Haar eigen oogen gingen wijd open en ze keek kapitein Borne aan met een blik vol ontzetting. -Ze rukte hem het boek uit de hand en vloog er mee naar achter, onder het loopen roepend: -„Zoo’n ellendeling, zoo’n stommerik, zoo’n <span class="ex" lang="ms">koerang adjar</span>! Tante.… mevrouw Bronkhorst.… Zoo’n vent schrijft me een brief uit een boek!” -</p> -<p>En ze wierp het arme dikke deel op tafel, alsof al de bladen uit het omslag moesten -springen. -</p> -<p>De eerste indruk der beide dames was mede die van verontwaardiging. Doch spoedig lachte -men hartelijk om het dwaze geval, en niemand dacht er meer aan den man, die zich belachelijk -had gemaakt, als huwelijks-candidaat in bescherming te nemen. Maar tante Borne was -wantrouwend. -</p> -<p>„Hoe wist jij zoo precies, dat het een brief was uit een boek?” vroeg ze haar man. -</p> -<p>„Och,” zei hij, „we hebben indertijd met datzelfde ding eens ’n aardigheid gehad.” -</p> -<p>„En we zullen er nog een aardigheid mee hebben,” verzekerde <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>Betsy, die haar schrijfgereedschap had gehaald, lachend, maar toch zenuwachtig, ’n -beetje heftig. -</p> -<p>Het boek voor haar leggend, schreef ze: -</p> -<blockquote> -<p class="first"><b>Brievenboek van L. F. Geerling.</b> -</p> -<p><span class="ex">bladzijde</span> 217. -</p> -<p>232. <span class="ex">Antwoord.</span> -</p> -<p class="salute">Geachte vriend, -</p> -<p>Uw aanzoek, geachte vriend! is van zulk een gewicht, dat het mij niet mogelijk is, -daarop aanstonds een bepaald antwoord te geven. Mijn eerste echtverbintenis heeft -mij reden gegeven om met omzichtigheid te handelen en mij voor een tweede overhaasting -te wachten. Vergun mij derhalve <span class="asc">ZEVENTIG JAREN</span> om mij te bedenken, te raadplegen en mijn hart te onderzoeken.—Kom dan na verloop -van dezen korten tijd, en vereer mij weder met een bezoek: ik zal u dan in persoon -mijn gedachten mededeelen, en over onderscheiden punten, die ik aan het papier niet -toevertrouw, met u spreken. -</p> -<p class="signed">Uw hoogachtende vriendin -</p> -<p class="signed">Wed. <span class="sc">Den Ekster</span>.</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Prédier kwam net van tafel in het hotel, toen een bediende hem het antwoord op zijn -brief overreikte. Veel had hij verwacht, maar dat niet. Het was verpletterend! Binnen -vier en twintig uren zou hij de risée wezen van het plaatsje! Zijn liefdegloed doofde -bij die gedachte aanmerkelijk, en dienzelfden avond nog vertrok hij. -</p> -<p>„Zoo’n hatelijk schepsel,” dacht hij onder het rammelen der wielen over de rolsteenen, -„Bronkhorst had <span class="ex">nog</span> gelijk!” -<span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span></p> -<p>Bij het heengaan van den notaris had Sarinah haar meesteres even aangezien, en haar -een stillen wenk gegeven. Toen ze beiden in de kamer waren, vroeg Betsy: -</p> -<p>„Wat is het, <span class="ex">nèh</span>?” -</p> -<p>„Het zal gelukken.” -</p> -<p>„Hoe weet je dat?” -</p> -<p>„Ik heb het aan zijn gezicht gezien en aan zijn stem gehoord.” -</p> -<p>„Wat zag je en hoorde je?” -</p> -<p>„Wat noodig is. Ketjil zal mij niet bedriegen. Het helpt niet, zegt hij, als er niet -een beetje lust is bij den man, en veel verlangen bij de vrouw. Maar als die er zijn -dan helpt het. Ik heb ze allebei gezien en gehoord.” -</p> -<p>„Maar hoever gaat het, <span class="ex">nèh</span>? Je begrijpt toch wel, oudje, dat ik mijn geld niet kan weggooien. Er is nog iemand, -die me trouwen wil, en die vrij is. Als ik dezen nu afwijs, en ik kan <span class="ex">hem</span> toch niet krijgen!” -</p> -<p>„De nonna zal hem kunnen trouwen. Hij zal naar haar toe worden gedreven; hij zal alles -doen om haar te krijgen; hij zal zich niet storen aan de menschen; hij zal als het -moet alles geven; hij zal zijn kinderen verwaarloozen en zijn vrouw verstooten en -van haar scheiden, alles, alles.…. alles!” -</p> -<p>De oude sprak met een profetische begeestering, die Betsy deed huiveren. -</p> -<p>„Maar, dàt,” vervolgde Sarinah, „behoef ik de nonna wel niet te zeggen: <span class="ex">niets</span> vóór den tijd, <span class="asc">NIETS</span>!” -</p> -<p>Zij schudde het hoofd. Neen, dàt wist zij waarlijk ook wel! Maar welk een ontzaglijke -bron van <span class="ex" lang="ms">soesah</span>! Welk een veld vol hindernissen! Een oogenblik dacht ze aan terugkeeren, maar zij -wierp dat idée spoedig vèr weg. Geen lafhartigheid! Zij had <i>a</i> gezegd, ze zou ook <i>b</i> zeggen. -</p> -<p>„Hij is uit,” zei ze. -</p> -<p>„Ik weet het wel; ik heb immers gehoord, dat hij voor een paar dagen op reis moet,” -antwoordde Sarinah. „Het is niets. Wij kunnen wachten.” -<span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span></p> -<p>„Wachten.…. ja!.… Ik had anders maar graag, dat het wat gauw ging.” -</p> -<p>„Niet haasten! Langzaam is goed; wat haast deugt niet.” -</p> -<p>De oude ging al pratende en steunende naar de toilettafel, nam er den <span class="ex" lang="ms">bedaq</span>-pot af en wierp den inhoud op een stuk papier, dat ze eerst op den grond had uitgestreken. -</p> -<p>„Wat doe je, <span class="ex">nèh</span>?” vroeg Betsy zich van den domme houdend. Ze wist wel wat dàt beduidde; zóóveel had -ze er vroeger wel van gehoord. -</p> -<p>„Niets,” antwoordde Sarinah met haar schorren lach. „Ik doe niets,” en intusschen -haalde zij uit haar trommel een grooteren pot en stortte een deel daarvan in dien -van haar nonna over. -</p> -<p>„Dat hoort er bij, hè?” -</p> -<p>„Ja. Er is veel dat er bij hoort; men moet toch beginnen.” -</p> -<p>„Het stinkt immers niet? Laat me eens ruiken!” -</p> -<p>„Ruik het,” zei Sarinah, haar ’t potje overreikend. -</p> -<p>Betsy bekeek het glimlachend en met groote nieuwsgierigheid. Er was niets bijzonders -aan te zien. Misschien was de nieuwe <span class="ex" lang="ms">bedaq</span> iets minder wit dan haar eigene, en zeker was het, dat er een andere geur aan was, -een eigenaardige zoete bloesemgeur, die niet bijzonder treft, maar welke men zich -toch weer dadelijk herinnert, als men hem eens heeft geroken; doch stinken deed de -<span class="ex" lang="ms">bedaq</span> niet. -</p> -<p>„<span class="ex">Deze</span> moet bepaald worden gebruikt,” zeide de oude eenigszins ongerust. „Nonna moet nu -niets veranderen en niets vergeten. Men moet het goed willen en goed doen.” -</p> -<p>„Wees niet bang, <span class="ex">nèh</span>! Ik vind het erg aardig en ook wel ’n beetje gek, zie je. Maar ik <span class="ex">zal</span> doen, wat jij zegt, al is het nog honderdmaal gekker.” -</p> -<p>Ontevreden schudde Sarinah het hoofd. -</p> -<p>„Er is niets geks aan.” -</p> -<p>„Neen, wees nu maar niet knorrig. Ik vond het enkel maar raar, dat die <span class="ex" lang="ms">bedaq</span>.….” -<span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span></p> -<p>„Het hoort er bij,” herhaalde de meid stijfhoofdig, „anders zeg ik niets: het hoort -er bij.” -</p> -<p>„Goed, goed! Zeg nu maar gauw. Is er nog iets?” -</p> -<p>„Is er nog iets!—is er nog iets?” herhaalde de oude, nu bepaald boos. „Als het zoo -gaat, moet er maar niets van komen. Het is geen werk voor kinderen, die maar willen -lachen; die bij elk klein gedeelte, dat er bij hoort, vragen: is het dit, of is het -dàt, of: is er nog iets? Op die wijze gaat het niet.” -</p> -<p>„Nu, oudje, wees niet boos, ja? Zóó meende ik het niet. Ik bedoelde enkel of je nu -nog wat voor me hebt.” -</p> -<p>Mopperend en als met tegenzin dook Sarinah weer in haar groote vierkante trommel, -groen geverfd met breede, roode randen, waarin zij haar schatten, geheimen en prullen -bewaarde. Zij haalde er een fleschje uit, een dier dikke stukken glas met een inhoudsruimte -als een pijpesteeltje, waarin oliën voor geneesmiddelen en reukwerken worden bewaard -en verkocht.—Voor zij ’t haar gaf, keek de meid eerst haar meesteres nog eens aan -om te zien of zij er nog den gek mee stak, maar het gezicht van Betsy stond zeer ernstig, -en zij bekeek het fleschje met belangstelling. Zij begreep volkomen wat ook dit moest -beteekenen, maar zij had onwillekeurig tot regel genomen om zich zoo onnoozel te houden -als mogelijk was. -</p> -<p>„Wat is het, <span class="ex">nèh</span>?” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Minjaq bermanis</span>,” antwoordde de oude, tegelijk met haar wijsvingers over de wenkbrauwen strijkend -als gebruiksaanwijzing. -</p> -<p>„Zoo! Ik zal het dadelijk eens doen.” -</p> -<p>„Dat behoeft niet, want meneer is er niet, en hij komt vandaag toch niet terug, zelfs -morgen niet. Het is zeer goede en bijzondere.” -</p> -<p>„Is er dan verschil in?” -</p> -<p>„Ik weet het niet. Ik geloof het wel. Er is verschil tusschen alle menschen en alle -dingen. Deze <span class="ex" lang="ms">minjaq</span> is de goede; zij is klaar gemaakt naar een Padangsch voorschrift. Er is geen andere -goede, dan die.” -</p> -<p>Betsy luisterde er nauwelijks naar. Zij had ’t fleschje geopend <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>en den inhoud met den top van een harer vingers in aanraking gebracht. Nu stond zij -voor den spiegel en streek de uiterst geringe hoeveelheid olie over haar zwarte wenkbrauwen: -zij wilde eens zien of het iets uitwerkte op het gezicht, en ze neigde het hoofd nu -eens links, dan weer rechts, zoete mondjes trekkend en lief kijkend tegen haarzelf, -zooals dames gewoon zijn te doen, als ze toilet maken voor den spiegel. Doch zij zag -niet anders, dan wat ze van haarzelf en de uitdrukking van haar gezicht gewoon was -te zien. Dit stelde haar teleur. Wat kon hij er aan zien, als zijzelve niets zag? -</p> -<p>„Het hoort er bij,” zeide Sarinah opnieuw. „Het een <span class="ex">met</span> het ander.” -</p> -<p>„Zeker, zeker,” stemde Betsy haastig toe. „Ik zal het nu maar bewaren.…. Misschien -heb je nog meer.” -</p> -<p>„Ik heb niets, maar er komt nog heel veel te doen als meneer maar eerst terug is.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>’t Gebeurde spoediger, dan hijzelf had verondersteld. Het was doodstil in het huis -der Borne’s: de doodsche stilte die in het binnenland van Java heerscht tusschen het -derde en vierde uur na middernacht, als al wat leeft, schijnt te slapen. Plotseling -sloeg de groote hond luid aan; het duurde maar een oogenblik; iemand sprak tegen hem, -en het beest hield zich stil. Betsy was dadelijk wakker en zat overeind in bed te -luisteren, terwijl een rilling van ongemotiveerde nachtvrees haar langs den rug liep, -en toen er luid op de achterdeur werd geklopt, wat juist een geruststellend teeken -was, schrikte zij nog harder, zoodat haar hart bonsde. -</p> -<p>„Mevrouw! mevrouw Borne!” hoorde zij roepen; ze herkende dadelijk de stem van Marie -en sprong haar bed uit. In de binnengalerij kwam zij door de duisternis in botsing -met haar tante, wat beiden zenuwachtig deed lachen. -</p> -<p>„Neem me niet kwalijk,” zei mevrouw Bronkhorst, <span class="corr" id="xd31e2225" title="Niet in bron">„</span>dat ik u uit den slaap haal, maar kleine Jean is zoo naar.” -<span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span></p> -<p>„Wat heeft hij?” vroeg mevrouw Borne. -</p> -<p>„Hij was den heelen dag reeds koortsig, en toen hij van avond slapen ging, erg warm. -Nu een uur geleden is hij gloeiend heet wakker geworden, en het wil maar niet bedaren. -Ik maak me altijd zoo ongerust over ziekte, als Bronkhorst niet thuis is.” -</p> -<p>Dadelijk waren de dames klaar, en een paar minuten later zaten ze in de slaapkamer -bij kleinen Jean, die in een erge koorts lag. Hier was de hulpvaardige mevrouw Borne -op haar terrein; met de haar eigen drukte en beweging, nam zij eenige onbeduidende -maatregelen tot verlaging der temperatuur van het kind, maar was toch verstandig genoeg -onverwijld om den jongen vreemden geneesheer te zenden, die Den Ekster op zulk een -onuitsprekelijke manier aan zijn eind had zien komen. -</p> -<p>Marie was ’t hoofd geheel kwijt. Altijd rustig, schoon ijverig en voortvarend, in -haar gewone doen, maakte dit ziektegeval haar zenuwachtig en opgewonden. Zij hield -ook zooveel van kleinen Jean, en Bronkhorst was van huis, en het was nacht, en.…. -en.…. ze wist zelf niet hoe het kwam, maar ze was geheel overstuur. Zooveel besefte -zij alleen, dat het heel gelukkig was zulke voortreffelijke buren als de Borne’s te -hebben. Overigens liep ze onrustig van de eene kamer in de andere, nu eens het brandend -hoofdje voelend van het kind, dan weer iets willende halen uit een kast, zonder dat -ze, als ze er voor stond, zich meer herinnerde, wat het geweest was. Intusschen sloeg -de radde tong van mevrouw Borne den rammelslag, geruststellend verhalend van geweldiger -koortsen, waarvan uiterst zwakke kinderen hersteld waren, of van de nog heviger aanvallen, -die sterke kinderen in een ommezien naar het graf hadden geholpen; van de koortsen, -die ze zelf had gehad, en haar man, en haar kinderen, neefjes, nichtjes, vrienden -en bekenden. Betsy hoorde en zag alles zwijgend aan; de eenigszins opgetrokken wenkbrauwen -gaven haar gezicht een uitdrukking van verwondering. Zij was nu zoo kalm als ’t maar -kon! Inderdaad liet het ziektegeval haar volkomen onverschillig. -<span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span></p> -<p>Wat kon het haar schelen of kleine Jean stierf? Zij had, getrouwd zijnde, graag kinderen -gehad, omdat er dit volgens de gangbare ideeën bij behoorde; maar zij hield niet van -kinderen, volstrekt niet! -</p> -<p>Als ze die van haar tante of van Marie liefkoosde, deed zij dat ten genoege van de -ouders. Daarom ook ging ze bij het bedje zitten van kleinen Jean, nam zijn hoofdje -op haar arm, en lei ’t kompres met koud water aan, dat mevrouw Borne inderhaast had -gemaakt. -</p> -<p>De dokter liet het kind baden in lauw water, en daar het nog te jong was om zich tot -het slikken van onaangenaamheden te leenen, werd het met opgeloste quinine ingewreven. -Of het door de werking van een en ander was, dan wel door de vermoeienis van het sollen -dat met hem was gedaan, en waartegen hij zich met alle kracht en geweld had verzet,—kleine -Jean viel in een looden slaap in den arm van Betsy, die hem toedekte met een kinderlaken -en de anderen wenkte stil te zijn en heen te gaan, waarop Marie naar haar toekwam, -fluisterend vragend: „Slaapt-ie?” -</p> -<p>„Ja, hij slaapt en hij is minder warm,” fluisterde Betsy terug. „Ga nu zelf nog ’n -beetje rusten, anders ben je morgen zoo moe.” -</p> -<p>Marie moest nog eerst even met haar hand voelen of kleine Jean werkelijk minder warm -was; tante Borne moest het ook voelen; intusschen spraken ze er over, en gingen niet -heen vóórdat ze ’t kind bijna hadden doen ontwaken. Tante keerde naar haar huis terug; -Marie ging in de kamer bij de andere kinderen, waarvan er een was ontwaakt, dat luidkeels -om maatje riep, zich ditmaal niet tevreden stellend met de baboe, wier gezelschap -het in alle andere omstandigheden steeds prefereerde. Het werd ook hier stil in huis; -’t was pas halfvijf; de maan in haar laatste kwartier tuurde nog door de kieren van -de opengetrokken stores, daar buiten met haar wit schemerlicht alle kleurenverschil -opheffend, om alleen het wit en zwart toe te laten in zachter en scherper schakeeringen; -het lampje in den <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>blauwen ballon, die aan de zoldering hing, brandde flauw en liet in het vertrek een -vreemden fantastischen gloed vallen, waardoor het fraai Europeesch meubilair als met -’n geheimzinnige Oostersche deftigheid werd overtogen. Betsy zat zoo onbeweeglijk -stil als de helft van ’t bloed, dat haar door de aderen vloeide, het haar veroorloofde. -</p> -<p>Tusschen haar halfgesloten oogleden, dwaalde haar blik door de kamer, en ofschoon -ze genoeg had geslapen dien nacht, deed toch die vreemde gloed haar indommelen, tot -het geluid, dat den aanbrekenden dag vergezelt, haar ’n kwartiertje later de oogen -deed openen. Zacht liet ze het hoofdje van haar arm glijden; kleine Jean bleef slapen: -hij was niet warm meer en zijn gezichtje, eerst zoo rood, was wit als de kussensloop. -</p> -<p>Maar ’n uur of wat later kwam de koorts weer opzetten, tot grooten schrik ook van -den vreemden jongen dokter, die wel inzag, dat als hij hier langs het rijtje van de -huizen af zijn patiënten moest zien sterven, de particuliere praktijk hem geen gouden -eieren zou leggen. Marie had in haar angst een telegram gezonden naar Bronkhorst, -en Betsy had beloofd te zullen blijven, ook omdat de kleine Jean nu eenmaal door niemand -dan door haar wilde geholpen zijn. Het deed haar genoegen, omdat dit zoo’n geschikte -gelegenheid was, haar invloed te vergrooten; overigens wenschte ze ’t grillige, lastige -kind naar den drommel, ofschoon zij het hielp met een ijver en ’n handigheid, die -zoowel de goedkeuring van tante Borne als die van Marie wegdroeg. Al tobbende met -het kind verstreek de snikheete kentering-dag; maar al bracht de avond geen verfrissching,—de -koorts van kleinen Jean nam gelukkig af; en nu wilde hij niet langer in zijn bedje -blijven, maar dreinde en dwong om op den schoot van „Bettie” te zitten; nauwelijks -vijf minuten had hij zijn zin of hij maakte aanstalten om te gaan slapen. De pogingen -om hem weer in zijn bedje te leggen, mislukten geheel; hij klemde zich schreiend aan -Betsy vast. -</p> -<p>„Ik zal hem maar op m’n schoot houden,” zei ze. -<span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span></p> -<p>„Als het je niet te moe maakt,” antwoordde Marie. <span class="corr" id="xd31e2250" title="Niet in bron">„</span>Ik zal ’n makkelijken stoel laten halen.” -</p> -<p>De bedienden sleepten een grooten fauteuil bij met rood rips overtrokken, met zachten -rug en armen en veerkrachtige zitting; Betsy zonk er in weg; een rood voetenbankje -werd onder haar bloote voeten geschoven, en een half uur later sliepen zij en kleine -Jean om ’t hardst in den stoel, terwijl de oude Sarinah beiden met een waaier muskietvrij -hield. -</p> -<p>Zóó vond hen Bronkhorst, toen hij, vol angst voor het leven van zijn kind, nog denzelfden -avond aankwam. -</p> -<p>Hij trad de kamer binnen, op den voet gevolgd door Marie. -</p> -<p>„Ze slapen allebei,” fluisterde zij. -</p> -<p>Hij knikte toestemmend en naderde zacht. Toen hij het voorhoofd van kleinen Jean aanraakte, -vond hij ’t kind zeer kalm; maar zijn blik rustte meer op Betsy dan op het jongetje. -</p> -<p>„Arm ventje! Hij heeft het zoo kwaad gehad.” -</p> -<p>„Wat zegt de dokter?” -</p> -<p>„Ik weet het niet; ik kan uit dien man niet wijs worden; hij bezigt tusschen zijn -Duitsch allerlei Latijnsche woorden. Ja, het is koorts.…. Nu, dat was wat nieuws!” -</p> -<p>Stil liet hij haar verontwaardiging uitfluisteren. Wat kwam ’t zwarte haar van Betsy, -half loshangend over de rugleuning van den fauteuil, aardig uit tegen het <span class="ex">fond</span> van rood rips! Hoe lief zat ze daar met zijn ziek kind, en hoe rustig sliepen ze! -Als zijn vrouw er niet bij had gestaan, zou hij ze allebei gekust hebben. Nu boog -hij zich over kleinen Jean en gaf hem een zoen; zijn lippen gingen rakelings langs -haar hand; het deed hem trillen van genoegen. -</p> -<p>„Maak hem nu niet wakker,” fluisterde Marie weer; „kom naar je kamer; er ligt schoon -goed voor je klaar.” -</p> -<p>Natuurlijk moest hij mee, maar hij zou liever gebleven zijn; aan de deur wierp hij -nog een blik achter zich, maar er viel niets aan te doen. Hij moest mee als een zoete -jongen om een ander pakje aan te trekken. Het hinderde en ergerde hem. -<span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span></p> -<p>Toen zij Bronkhorst en Marie hoorde heengaan, opende Betsy de oogen en lachte. Zij -had niet geslapen; zij had als elke coquette vrouw een goed begrip van <span class="ex">pose</span>, en instinctmatig had zij gevoeld, dat die houding met den schijn van te slapen allergunstigst -voor haar was. Al had zij de oogen wijd open gehad, dan had ze niet beter kunnen weten, -wat er in Bronkhorst’s geest had omgegaan, dan thans; ze had moeite genoeg gehad om -geen spier in haar gelaat tot lachen te vertrekken bij die kinderachtige manoeuvre -van het kussen van ’t kind. Thans, nu ze weg waren, schoof ze ’n beetje ter zijde; -kleine Jean werd zwaar en verveelde en hinderde haar. Toch wilde ze hem op haar schoot -houden, hoe graag ze hem ook stilletjes in zijn bedje had gemoffeld; doch hij moest -haar, zoo ziek en slapende als hij was, nog van dienst zijn, want ’t was voor haar -een uitgemaakte zaak, dat Bronkhorst zou terugkomen. Wat zou ze doen? Weer slaap veinzen? -Dan zou hij haar kussen, dat was zeker, en zóóver wilde zij het nog niet laten komen; -dat was ook veel te gevaarlijk. daar zij het ongetwijfeld zelf aangenaam zou vinden; -en was het eenmaal zóóver.…. Neen, dàt kon en mocht niet. ’n Jong meisje kan, meende -zij, zich nog in alle onschuld ’n zoen laten geven, zonder dat het meer is dan ’n -aardigheid <span class="ex" lang="fr">sans conséquences</span>; maar als ’n weduwe zulk een <i>a</i> zegt, dan is het dwaas en haast belachelijk wanneer zij weigert er een <i>b</i> op te laten volgen. Neen, daar moest niets van komen! Zij zou wakker blijven en kleinen -Jean op den schoot houden. -</p> -<p>Even vóór achten, terwijl Marie in de keuken was om te proeven of het eten wel behoorlijk -was gereed gemaakt, ging weder de deur open en verscheen Bronkhorst in négligé. Hij -glimlachte en knikte tegen haar. -</p> -<p>„Hoe gaat het?” vroeg hij met uitgestoken hand. Zij reikte hem haar vingertoppen, -die hij met veel hartelijkheid drukte. „Wij zijn je erg dankbaar voor de goede hulp. -Slaapt hij nog?” -</p> -<p>„Ja. Het zal hem goed doen!” -<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span></p> -<p>„Zou je niet probeeren hem in z’n bedje te leggen? Het zal je zoo vermoeien hem al -dien tijd op den schoot te hebben.” -</p> -<p>„’t Gaat nogal. Ik ben zoo bang, dat hij weer wakker wordt. Hij heeft zoo weinig geslapen -vandaag.” -</p> -<p>„Wil je ’n glas Selters-water?” -</p> -<p>„Dank je. Alleen ’n glas gewoon water uit de gendi.” -</p> -<p>„En hoe is het met Prédier afgeloopen?” vroeg hij, terwijl zij langzaam in kleine -teugjes het water dronk. Zij vertelde hem de geschiedenis van de brieven uit het boek; -hij stikte haast van het stille lachen met de hand voor den mond. -</p> -<p>„Heerlijk!” zei hij halfluid, en zich plotseling vooroverbukkend, kuste hij haar. -</p> -<p>Zij keek hem toornig aan, met saamgetrokken wenkbrauwen. -</p> -<p>„Wees er niet kwaad om!” verzocht hij dringend, en hij had tegenover haar boos gezicht -bijna spijt van zijn vrijpostigheid. Maar hij was met het voornemen om haar te kussen -in de kamer gekomen, en als een goed notaris zich eenmaal voorneemt iets tot stand -te brengen, dan doet hij het ook. -</p> -<p>Toen ze geen antwoord gaf, herhaalde hij zijn verzoek. -</p> -<p>„Toe, wees er niet boos om! Ik <span class="ex">kon</span> het niet laten. Het is immers zoo erg niet, en ik heb er spijt.….” -</p> -<p>Nu trok zij de wenkbrauwen hoog op, zag hem aan en maakte met het hoofd een beweging -ter zijde, die duidelijk te kennen gaf, dat ze niets hoegenaamd van die spijt geloofde. -</p> -<p>„Nu, het is waar. <span class="ex">Je hebt</span> gelijk, en ik lieg, als ik beweer dat het me spijt. Maar.….” -</p> -<p>„Doe het niet weer,” vulde Betsy aan, heel kalm, maar eenigszins dreigend, alsof er -nog iets achter hoorde, wat ze verzweeg. -</p> -<p>„Ben je dan niet boos op me? Heusch niet?” -</p> -<p>Ze liet hem begaan toen hij haar hand vatte, maar een seconde later trok ze die snel -terug; ze had de nikkelen kruk op het wit porseleinen plaatje van de kamerdeur zachtjes -zien draaien, en dadelijk daarop verscheen het blonde hoofd van Marie tusschen de -deur en den post. -<span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span></p> -<p>„Het eten is klaar. Zou je hem nu niet in z’n bedje leggen? De meid kan dan hier blijven -oppassen. Doe het dan nu dadelijk: <span class="corr" id="xd31e2316" title="Bron: We">we</span> hebben zulke lekkere visch; die wordt anders koud, en dat zou zonde zijn.” -</p> -<p>Betsy deed het met genoegen. Kleine Jean had voor haar zijn rol naar behooren vervuld, -en ofschoon haar beenen zwaar waren en tintelden van vermoeienis, was ze toch blij -dat ze ’t kind op den schoot had gehouden; ook had ze honger, en ze hield van <span class="ex" lang="ms">kakap</span>. Zacht en stil schoof ze kleinen Jean van haar arm in zijn bedje; even deed hij de -oogen open, keek haar aan en sliep weer in. -</p> -<p>Het beste aan tafel was voor haar. Marie en Bronkhorst beijverden zich om te toonen, -hoezeer zij het „optrekken” met het zieke kind waardeerden. -</p> -<p>„Als er een ziek is,” zei Marie, „en ik heb geen hulp, dan loopt alles in de war. -Want het huishouden maakt het mij zóó druk!” -</p> -<p>Als ze het vroeger over die drukte had, nam Bronkhorst geregeld een loopje met haar, -bewerend, dat zijzelve er de schuld van was, omdat zij het zoo verschrikkelijk nauwgezet -opnam. Ditmaal zweeg hij. Waarom zou hij nu trachten haar van haar bezigheden af te -houden?<span id="xd31e2328"></span> -</p> -<p>„Ik begrijp het best,” antwoordde Betsy. „U hebt den heelen dag geen rust.” -</p> -<p>„Het zou een groote geruststelling wezen, als mijn vrouw iemand in huis had om haar -’n beetje bij te staan.” -</p> -<p>Zij zwegen alle drie, want ieder begreep voor zich de bedoeling van den notaris. -</p> -<p>Marie had er ook dikwijls over gedacht, maar zij zag vreeslijk op tegen een „juffrouw.” -</p> -<p>Een van tweeën: men moest zóó’n meisje opnemen in den familiekring, en daar had ze -veel tegen, eenigszins uit trots, maar vooral omdat zulke meisjes daartoe dikwerf -niet genoeg ontwikkeld waren. Hield men haar op een afstand en behandelde men haar -als ondergeschikte, dan volgde daaruit vanzelf familiariteit <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>en knoeien met de bedienden; men kon het zoo’n arm schepseltje niet kwalijk nemen; -in haar verlaten toestand moest ze dan toch iemand hebben om tegen te praten. En dan -die eigenaardige manieren! Marie had er gekend, die met loshangend haar in de keuken -rondliepen, alsof er premies waren gesteld op het verdwalen van haren in het eten! -Neen, dat nimmer! Maar als zij een zoo net en geschikt vrouwtje als Betsy was, in -huis kon krijgen, zeer presentabel, verstandig en van goede familie,—ja, dan zou ze -dat heerlijk vinden. Maar ze wist niet hoe ze het aan moest leggen. Men kon háár toch -niet voorstellen, háár, de nicht van kapitein Borne, de weduwe van een administrateur -en de gast van het oogenblik, om „juf” te worden bij de familie. -</p> -<p>Verlegen keek Marie op haar bord; hoe gaarne zij het ook had gevraagd, zij durfde -het niet te doen. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>In een bediendenkamer der bijgebouwen, vèr van het woonhuis, zaten dien avond vier -personen gemoedelijk bijeen. Een soort van bamboezen ledikant, omgeven door een vuile -witte klamboe, was het hoofdmeubel van het vertrek. Aan den wand prijkten, eenvoudig -er tegen geplakt, eenige van de bekende Indische volksprenten, zoo goed geteekend -door Van Rappard. Op een ongepolitoerd houten rekje stonden ’n paar ongelijksoortige -borden van aardewerk en een paar kommen; een verveloos en wrak tafeltje vormde met -een baleh-baleh het „ameublement.” In een hoek stond een zwart geverfde blikken trommel, -de „garderobe” bevattend. -</p> -<p>Het was de kamer van den huisjongen, wiens vrouw zoowat „duivelstoejagerde” onder -de bedienden van Bronkhorst. De vrouw zat op den grond op een mat, onophoudelijk met -haar vingers in een bal gekookte rijst stootend, het tusschen die vingers verzamelend, -in wat sambal doopend, om het daarna in haar vooruitgestoken onderkaak te deponeeren, -waarna het den weg ging van alle rijst. -<span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span></p> -<p>Op de <span class="ex" lang="ms">baleh-baleh</span> zat Sidin, de huisjongen, met Sarinah, en tegenover hen, de beide ellebogen leunend -op de tafel, zat de dikke zoon der oude, Ketjil, die de „toovermiddelen” kende en -verkocht, die een Europeesch meisje tot „vrouw” had, en zich in het dagelijksch leven -uitgaf voor horlogemaker, een vak, waarvan hij slechts geringe notie bezat, maar dat -hem in de oogen der bevolking tot een wijs man verhief, terwijl de Europeanen hem -hun uurwerken toch niet toevertrouwden. -</p> -<p>Zij rookten alle drie ’n strootje en bliezen zwijgend den rook onder het glazen kapje -van de kleine petroleumlamp, die walmend en met sterk aangeslagen glas op tafel stond. -</p> -<p>De deur en het eenige venster waren dicht; er heerschte een onuitstaanbare temperatuur; -de atmosfeer was bedorven; het stonk er naar nooit geluchte bultzakken, naar den vochtigen -uitslag van vloersteenen en muren, naar ranzige klapperolie en naar het strootjes-mixtum -van tabaksrook en rook van droge nipa-blaren. -</p> -<p>„Ik moet er voor op reis. Ver, ver weg!” zei Ketjil. -</p> -<p>Niemand antwoordde. Een minuut of vijf later vervolgde hij tot Sidin, die met eenige -vrees tot zijn vol gezicht en brutale houding opzag: -</p> -<p>„Je weet er alles van, nietwaar?” -</p> -<p>„<span class="ex">Mâ</span> heeft mij maar weinig gezegd.” -</p> -<p>Ketjil keek zijn steunende en kreunende moeder aan, die haar strootje had weggeworpen, -en met een krommen rug en de handen in den schoot al mummelend zat te luisteren. -</p> -<p>„Het overige zal hij morgen hooren.” -</p> -<p>„Bij mij aan huis?” -</p> -<p>„Ja.” -</p> -<p>Zij keken beiden Sidin aan, die toestemmend knikte; waarover het in beginsel handelde -wist hij, en tuk op het vele geld, dat de oude hem had beloofd, was hij spoedig bereid -geweest. Er kwam nog bij, dat hij het land had aan Marie, en alleen geen <span class="ex" lang="ms">brenti</span> vroeg, omdat het een goede dienst was, in zoover het <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>loon voldoende was en er veel „afviel.” Maar overigens stond de behandeling hem tegen: -den heelen dag werken; altijd wat te vegen of te poetsen; en altijd standjes en verwijten,—zóó -was het dienen onder deze njonja-tottok, die hem wel tienmaal elken dag toeschreeuwde -dat hij niet denken, zien of hooren kon, dat hij dom en lui was, enzoovoort. Daar -was hij <span class="ex">bosèn</span> van en hij zou het wel aardig vinden, als men haar een koopje kon geven. -</p> -<p>„Ik zal morgen komen, als ik permissie kan krijgen. Hoe laat?” -</p> -<p>Ketjil dacht lang na. Zijn dag scheen erg druk bezet. -</p> -<p>„Kom morgenmiddag om drie uren of morgenavond om tien.” -</p> -<p>Hiermee waren momenteel de „zaken” afgedaan. Men richtte zich op, schonk een nieuw -glas stroop, stak ’n versch strootje op, en zat in het ondraaglijk hok genoeglijk -pratend over „koetjes en kalfjes” nog ’n uurtje bijeen. -</p> -<p>Den volgenden ochtend was kleine Jean wel wat beter, maar de koortsen hadden hem geducht -doen afnemen; het kind zag er slecht uit, had geen eetlust, was nog nu en dan koortsig, -en speelde bovenal den dwingeland. Betsy moest er den heelen dag blijven, en zij nam -daar genoegen mee, tot groote vreugd der Bronkhorsten. Marie vond het heerlijk, dat -ze iemand had op wie ze kon vertrouwen om op te passen, en haar man vond het aangenaam, -omdat hij.…. het aangenaam vond. Tot een logischer conclusie dan dit boeren-motief -kon hij niet komen; en dat wilde hij ook niet. -</p> -<p>Doch haar verblijf ten zijnent was in de eerste dagen niet zoo opwekkend als vroeger; -vooreerst scheen ’t hem toe, dat zij ’n beetje teruggetrokken was, en hijzelf voelde -eenige spijt van zijn voorbarigheid; hij had ten slotte toch wel eenig misbruik gemaakt -van de omstandigheden. Daarbij kwam, dat de ziekte van het kind andere gelegenheden -uitsloot. Betsy speelde geen piano; zijn vedel was op nonactief; des avonds was zij -ook moe en ging vroeg slapen;—maar toch had hij haar niet willen missen; hij keek -haar nu en dan maar eens aan, als ze hem passeerde <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>of aan tafel, en dan streelde hem de vertrouwelijke uitdrukking van haar gelaat, haar -coquet lachje, en de wijze, waarop zij haar schoone vormen altijd wist te doen uitkomen. -</p> -<p>Ze was er twee dagen en in de achtergalerij zat men juist aan de rijsttafel, toen -tante Borne binnenstormde met een telegram in de hand: -</p> -<p>„Bets, dat is gemeen!” -</p> -<p>„Wat is er?” -</p> -<p>„We zijn overgeplaatst.” -</p> -<p>„O!.…. en waarheen?” -</p> -<p>„Naar een gat, een nest van een plaatsje op de Oostkust van Sumatra.” -</p> -<p>Men keek elkaar aan vol verwondering en verontwaardiging. -</p> -<p>„Het is schande!” ging mevrouw Borne voort. „Net alsof er voor zulke posten geen jonge -kapiteins genoeg zijn! Maar dat komt allemaal van het geknoei en de protectie; daar -moet een ander, die niet met den stroopkwast kan loopen, onder lijden.” -</p> -<p>„’t Is verschrikkelijk!” zei Marie. „Zoo’n afgelegen deel der wereld!” -</p> -<p>„Ze denken misschien, dat we kwaad zullen worden en ons pensioen zullen nemen, maar -dat in der eeuwigheid niet. Er gebeurt, wat er gebeurt, maar dienen blijven we.” -</p> -<p>„Maar als het nu eens ’n quaestie wordt van passeeren.….” -</p> -<p>„Het kan ons niet schelen, notaris, maar we doen het niet.…. Intusschen is het een -koopje.….” -</p> -<p>„Als ik u met iets van dienst kan zijn.…. U weet, dat u op me rekenen kunt.” -</p> -<p>„Erg graag. Laat zien, het is nu Woensdag, en Maandag moeten we al weg, anders missen -we de boot, en die vaart maar eens in de maand.” -</p> -<p>„Dat is toch ’n beetje.….” -</p> -<p>„Volstrekt niet! Als het <span class="ex">moet</span>, dan maar hoe eer hoe liever. Hier nog vijf weken te zitten als op een schopstoel,—dáár -bedank ik voor.” -<span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span></p> -<p>Het was zulk een groot nieuws, dat men het eten er door vergat. Betsy excuseerde zich -en ging dadelijk met haar tante mee naar huis. -</p> -<p>„Het is erg beroerd,” zei Bronkhorst tot zijn vrouw, toen ze weg waren; „zij moeten -nu ook de passage betalen voor mevrouw Den Ekster, en dat is, geloof ik, ’n paar honderd -gulden.” -</p> -<p>„Wat moet Betsy in ’s hemelsnaam dáár uitvoeren!” -</p> -<p>„Ja, dat weet ik ook niet. Zich gruwelijk vervelen, anders niet.” -</p> -<p>„Ik zou wel willen, dat ze bij ons bleef.” -</p> -<p>Zijn oogen glinsterden, toen Marie dit zei; het ging juist, zooals hij gewenscht had; -hij zou het zelf hebben voorgesteld, als zij het niet had gedaan, maar zóó was het -veel beter. -</p> -<p>„Hoe denk jij daarover?” vroeg Marie. -</p> -<p>„Wel, ik heb er niets tegen; ik geloof, dat het heel aangenaam voor je zijn zal, en -daar ze uitstekend omgaat met de kinderen, is het ’n dubbel voordeel.” -</p> -<p>„Ja,” gaf Marie toe. „Alleen, ik durf het heusch niet voorstellen. ’t Staat zoo gek!” -</p> -<p>„Laat het maar aan mij over. Ik zal er den kapitein over spreken. Vandaag nog.” -</p> -<p>Toen ’s middags ’t kantoor was gesloten, ging Bronkhorst zijn buren bezoeken; hij -vond hen thee drinkend en druk pratend over de overplaatsing. -</p> -<p>Onder het gesprek, waaraan hij deel nam, gaf hij den kapitein een wenk; ze gingen -onder een voorwendsel naar diens kamer. -</p> -<p>„Mijn vrouw stuurt me,” zei Bronkhorst, „met een eenigszins delicaat verzoek. Zij -wou zoo graag, dat uw nichtje bij ons bleef, maar ze durft het zelf niet te verzoeken.” -</p> -<p>Borne streek in gedachten langs zijn knevels. -</p> -<p>„Hm!” bromde hij eindelijk. „De vraag is <span class="ex">hoe</span>. Je begrijpt wel, beste notaris, dat hoe gaarne ik u en mevrouw ook mag, en hoe vriendschappelijk.….” -</p> -<p>„Natuurlijk!” viel hem Bronkhorst in de rede. „De bedoeling van mijn vrouw is, dat -Betsy <span class="ex">geheel</span> als een lid van het huisgezin <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>wordt bejegend; wat de geldquaestie betreft, daarmede kunnen gij en ik ons niet bemoeien; -laat de dames dat onderling uitmaken, als zij het eens zijn over de zaak.” -</p> -<p>„Ik geloof ook, dat het zóó zou kunnen,” erkende de kapitein, maar van harte ging -die erkenning niet. „Ik zal den knoop maar dadelijk doorhakken.” -</p> -<p>Het voorstel viel in goede aarde bij tante, en Betsy nam het aan met een glimlach -van zelfvoldoening; ze had ze allen wel kunnen kussen, zoo liep het mee! -</p> -<p>Zonder eenige bepaalde bedoeling, kon toch Bronkhorst zich niet ontveinzen, dat hij -verheugd was. En dit stemde hem dienstwilliger dan ooit. Hij had nog een àpartje met -den kapitein. Tijd om vendutie te houden van den inboedel, was er niet. Maar Bronkhorst -zou voor alles zorgen, en de kapitein kon met genoegen zooveel van hem krijgen, als -hijzelf dacht dat de vendutie zou opbrengen. Ook Marie was tot alle hulp bereid. -</p> -<p>Toen ze weg waren, keek kapitein Borne hen na met aandoening. -</p> -<p>„Het is toch maar waar, dat een goede buur beter is, dan een verre vriend,” zei hij -hoofdschuddend. -</p> -<p>„Maar zij zijn ook zulke lieve menschen!” riep zijn vrouw uit de volheid van haar -hart. „Waarachtig, men spreekt wel eens van familie,—maar een eigen broer of zuster -kan niet hulpvaardiger en bereidwilliger wezen, dan zij zijn.” -</p> -<p>Betsy zei niets. Ze keek de Bronkhorsten ook na, of eigenlijk zag ze alleen naar de -kloeke figuur van <span class="ex">hem</span>. En ze glimlachte toen haar oom en tante zich zoo uitputten in lofredenen. Wat Bronkhorst -betrof, wist <span class="ex">zij</span> ten minste wel, waaruit de buitengewone dienstvaardigheid voortsproot. -</p> -<p>Het waren drukke dagen die nu volgden. Zij, Betsy, moest haar tijd verdeelen tusschen -haar familie en het kind, dat snel beterde, maar niettemin erg aan haar bleef hechten. -Bij de Borne’s lag alles overhoop. Oom had het nog veel warmer dan anders, en vond -in de drukte van het kasten uit- en kisten <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>inpakken, aanleiding om een ongelooflijke hoeveelheid potjes bier, bittertjes en brandy-soda’s -te verslaan. Dat hoorde er bij. Tante zwoegde als een koetspaard van het eene eind -naar ’t andere, feitelijk alleen zorgend voor alles. Betsy had het nette gedeelte -voor haar rekening genomen, fijne breekbare voorwerpen, die meegenomen moesten worden, -doosjes, souvenirs en dameskleeren. Zij bedankte er voor om als een slavin zich in -’t zweet te werken en met verwarde haren, een vuile kabaja en dito voeten van de kamers -te loopen naar de bijgebouwen en vice-versa. -</p> -<p>Eindelijk „schoot men op”. De Borne’s waren zoowat klaar in huis; de paar dagen restend -vóór het vertrek werden gewijd aan afscheidsbezoeken. Betsy nam met haar oude meid -haar intrek bij de Bronkhorsten. -</p> -<p>Zij kreeg een kamer naast die van de kinderen, keurig gemeubeld en voorzien van alle -comforts. Nog nooit had zij zoo’n fraai ingericht vertrek bewoond. Terwijl ze er haar -goed schikte in de rijk gebeeldhouwde kasten, en haar schrijfgereedschap in het mahoniehouten -lessenaartje, vroeg zij Sarinah: -</p> -<p>„Wel, hoe staat het er mee?” -</p> -<p>De oude, die juist bezig was het bed te kipassen, hield op en keek haar grijnzend -aan. -</p> -<p>„Dat weet de nonna zelf wel.” -</p> -<p>„Gekheid! Ik weet niets.” -</p> -<p>„Hoe denkt de nonna dan, dat het komt, dat zij hier blijft; hier in huis?” -</p> -<p>„Wel, dat is.…. zoo overeengekomen.” -</p> -<p>„Heeft nonna er om gevraagd?” -</p> -<p>„Neen.” -</p> -<p>„Wat is het dan? Hoe komt het dan, dat het alles naar dien kant gaat, vanzelf, zonder -iets te verzoeken?” -</p> -<p>„Ik.….. ik.…. weet het niet,” antwoordde Betsy eenigszins ontsteld. Zij had zoover -niet gedacht; zij had het opgenomen voor hetgeen het was, onbedacht de gewone wet -eerbiedigend <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>van oorzaak en gevolg, die niets geheimzinnigs heeft, zoolang geen dwazen er iets -in zoeken. -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah!</span>” riep de oude met een schorren lach. „<span class="ex" lang="ms">Soedah!</span> ik weet het ook niet.” -</p> -<p>En ze kipaste voort bij iederen zwaai met de <span class="ex" lang="ms">sapoe lidi</span>, steunend en grommelend. -</p> -<p>Zij had met Sidin de conferentie gehad bij haar zoon, Ketjil. ’t Was daar heel wat -netter, dan in de bediendenkamer op het erf van den notaris, al was het even vuil -en al rook het even onsmakelijk. Sidin was ’s avonds gekomen en had dadelijk nog veel -meer respect gekregen voor de oude en haar zoon, want er waren stoelen, tafels, kasten -en klokken, precies als bij Europeanen, en het verschil tusschen zindelijk en onzindelijk,—och, -dat zag hij als gewone inlander zoo niet. En dan was het erg geheimzinnig. Op de lage -kasten stonden allerlei stopflesschen. In één daarvan zag hij kevertjes, tusschen -rijst en kapok: daarvan had hij meer gehoord; hij zag door het venster allerlei planten, -die hij als kind had leeren vreezen: <span class="ex" lang="ms">ketjoeboeng</span> en hij had ook wel eens gehoord, dat zulke kevertjes daarop werden gekweekt, en daarna -gedood en fijngestampt werden; zijn grootmoeder had hem voor hij trouwde dikwijls -verhaald van toovenaars, die het stof van zulke beestjes dan met nog andere dingen -vermengd, door het eten doen van menschen, die op een of andere manier gek moeten -worden. Hij huiverde bij het denkbeeld; het was hem of die stopflesschen, sommige -met kruiden en planten, hem op de zekerste manier dood en verderf voorspelden, als -hij niet deed wat die oude tooverheks en haar wijze zoon hem gelastten. En hij toonde -hun beiden al de vriendelijkheid en den eerbied, waartoe hij zich in staat gevoelde. -Het viel hem erg mee; moeielijk was het niet; als Sarinah ’t hem gelastte, dan moest -hij iets, dat zij hem geven zou, verbergen in het hoofdkussen van zijn heer; maar -zóó, dat niemand het zag en de opening in ’t kussen weer netjes werd dichtgemaakt. -Nu, dat was gemakkelijk! Hij „deed” immers altijd mijnheers <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>kamer, als deze naar ’t kantoor was, en dan had hij tijd in overvloed. -</p> -<p>Voorloopig kon Sidin gaan, en hoezeer hij ook vast had voorgenomen om te doen, wat -hem door de oude meid werd opgedragen, besloot hij toch vast nimmermeer een voet bij -dien Ketjil in huis te zetten. -</p> -<p>Toen hij thuis kwam, kreeg hij van mevrouw Bronkhorst een geduchten uitbrander, omdat -hij zoo lang was weggebleven; met stoïcijnsche kalmte hoorde hij het aan; zoo hij -vroeger soms een woord tegensprak,—thans zweeg hij, zooals een inlander zwijgen kan. -</p> -<p>Zij zouden dien njonja toch wel krijgen, en hij voelde zich trotsch, dat hij, zij -het dan ook in ondergeschikte rol, iets bij zou dragen tot dat „krijgen”. -</p> -<p>Onder het standje door, kreeg hij bevelen, die hem meer belangstelling inboezemden. -Er zou een groote partij worden gegeven ter eere van de familie Borne. Er moest voor -heel veel gezorgd worden, want lekker eten was een voornaam deel van het feestprogram. -</p> -<p>Dat gaf weer drukte, ditmaal bij den notaris te huis. Tante was klaar met haar vele -voorbereidingen tot reizen en vendutie houden. Zij maakten nu visites; zij ’s ochtends -in sarong en kabaja aan Indische dames; hij aan de kletstafel in de sociëteit, en -’s avonds beiden, behoorlijk in groot tenue en per as bij familiën in de buurt, welke -dikwerf allesbehalve naburig was, maar zich naar het noorden, zoowel als naar het -zuiden eenige palen ver uitstrekte. -</p> -<p>Betsy had het met die partij volhandiger dan met de geheele overplaatsing van de Borne’s. -Zij kon lekker gebak maken, en dat wist Marie, die er haar duchtig had voorgespannen. -Den halven dag zaten ze samen in de keuken, bakkend, pratend en lachend en elkaar -onderwijzend, de een in de geheimen van de Hollandsche, de ander in die van de Indische -kook- en bakkunst. Betsy vond het wel aardig, zóó zelfs, dat zij er van tijd tot <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>tijd al haar plannen en voornemens door vergat. Alleen als Bronkhorst naar achteren -kwam, en hij deed dat in die dagen zeer dikwijls, dan rezen ze weer in haar op, soms -met grooten twijfel, een andermaal met een gevoel van vrees. En dan overmande haar -wel eens het voornaamste idée; ze kon het zich niet voorstellen, dat zij tegenover -hen stond met de vaste bedoeling twist, tweedracht en scheiding tusschen hen te werpen, -om zelve.…. Toch werd het begeerlijker in haar oogen, nu ze mede genoot van het vooral -materiëel zoo lekker leven, maar ze durfde zich er nauwelijks indenken, ’s Nachts -hield het haar dikwerf wakker, en soms droomde ze daarna van Den Ekster, wiens dansend -hoofd haar dan voor de oogen huppelde, zóó duidelijk, dat ze elken trek van het gelaat -allernauwkeurigst zag. Dat werd haar een schrikbeeld! -</p> -<p>De gang, die van de achtergalerij naar de bijgebouwen liep, was den dag vóór den feestavond -haast niet te passeeren, zoo vol stond ze met tafeltjes, beladen met eet- en drinkwaren. -Men had aan een en ander „de laatste hand gelegd”, en nu was ieder in zijn kamer zich -aan het kleeden. -</p> -<p>Voor de groote psyche stond Betsy in haar onderrok en met, over het korset, een wit -lijfje, waarvan de korte mouwtjes en de lage hals door een fijn strookje omzoomd waren. -Langzaam egaliseerde zij met een <span class="ex" lang="fr">patte-de-lapin</span> de <span class="corr" id="xd31e2507" title="Bron: bedak">bedaq</span> van Sarinah op haar wangen, en zorgvuldig bestreek ze haar wenkbrauwen met een weinig -<span class="ex" lang="ms">minjaq bermanis</span>; ze kon toch niet nalaten te glimlachen. Wat zou het toch eigenlijk uitwerken? Maar -dáárin had de oude gelijk: zij was, zonder dat ze er om gevraagd had, reeds hier in -huis en zou er blijven. -</p> -<p>Zij hoorde iets onder haar venster, buiten op het erf; ’t was net het gemompel van -de oude meid, dacht ze. Het was haast halfzeven en het laatste daglicht verdween aan -de heldere lucht, den horizon zettend in een gloed vol kleuren. Op haar teenen ging -ze naar het raam, drukte zacht tegen de stores, zoodat die met ’n kier opengingen, -en keek naar buiten. Ja, waarachtig, <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>daar zat de <span class="ex" lang="ms">nènèh</span> onder haar venster, en voor haar knieën braadde iets; het was <span class="ex" lang="ms">stanggi</span>, waarvan de rook lustig omhoogkrulde. Geen ander sterveling had kunnen verstaan, -wat de oude zeide, als zij, zich telkens vooroverbuigend, haar gezicht stak in den -opstijgenden rook, en daarin een woord prevelde. Maar Betsy wist het. Zij had ook -dáárvan wel eens gehoord; zij wist dat Sarinah telkens in dien rook den naam uitsprak -van Bronkhorst, om hem aan te roepen spoedig te komen tot haar, die hem wilde ontvangen.…. -</p> -<p>Zonder geruisch deed Betsy het venster dicht, en onwillekeurig zuchtte zij. Ze kon -het niet helpen, maar zij geloofde er <span class="ex">toch</span> aan; het was sterker dan zij. -</p> -<p>Toen de oude haar <span class="ex" lang="ms">stanggi</span> gebrand, en haar „werk” daarbij verricht had, strompelde zij steunend naar achter, -waar Sidin bezig was zijn toilet voor den avond te maken: zijn beste hoofddoek, een -mooie kain, en het livreibaadje,—hij zag er uit als een „heer”, en bezag zich met -welgevallen in een oud, verweerd stuk spiegelglas. -</p> -<p>Sarinah riep hem, en daar schrikte hij zóó van, dat hij ’t spiegeltje haast liet vallen. -Hij volgde haar. -</p> -<p>„Ik moet iets van je hebben.” -</p> -<p>„Wat?” vroeg hij, groote verbazing veinzend om zijn vrees te verbergen. -</p> -<p>„Haren van meneer.” -</p> -<p>„Die hebt ik niet.” -</p> -<p>„Je moet toch zorgen, dat ik ze krijg; mijn zoon heeft het gezegd.” -</p> -<p>„Ik.… zal probeeren.” -</p> -<p>De oude kwam dicht bij hem met haar gerimpeld gezicht, en haar tandelooze mond raakte -haast zijn oor. -</p> -<p>„Zorg er maar voor! Zoo gauw als je kan.” -</p> -<p>De oude zelf sukkelde verder het achtererf op om haar gezicht en handen te reinigen -aan den put. Daarna ging zij in de kamer van Betsy, die zich woedend stond te maken -om een speld, <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>welker niet door de harde weerbarstige zijde wilde van een strikje, dat ergens op -haar kleed moest vastgemaakt worden. -</p> -<p>„Waar zit je toch, <span class="ex">nèh</span>? Je hadt hier moeten zijn om me te helpen kleeden.” -</p> -<p>„Nonna heeft niet geroepen.” -</p> -<p>„Houd je mond maar, en maak dit vast.” -</p> -<p>Met meer handigheid, dan men zou verwacht hebben, hielp Sarinah haar meesteres, en -toen ze daarmee gereed was, ruimde zij de toilettafel op. In den schildpadden kam -zat een bos lang zwart haar. Voorzichtig haalde de meid heb er uit en deed het in -’n stuk van een oude courant. -</p> -<p>„Wat voer je nou uit?” -</p> -<p>„Ik weet het niet, maar het moet.” -</p> -<p><span class="corr" id="xd31e2559" title="Niet in bron">„</span>Je bent mal.… Moet je dat haar meenemen?” -</p> -<p>„Ja. Mijn zoon heeft het gezegd. Ik moet haar hebben van nonna en van mijnheer.” -</p> -<p>„En dan? Wat moet er mee gebeuren?” -</p> -<p>„Dat weet ik niet; het hoort er bij.” -</p> -<p>Een boodschap van Marie brak alle verdere navraag af. Zij had zulk een onhandige meid, -en daarom liet ze vragen of Betsy haar even wilde helpen, want Sarinah kon zij niet -uitstaan. Terwijl Betsy aan dat verzoek voldeed, maakte zij bij zichzelve eigenaardige -gevolgtrekkingen. Zij was jaloersch op mevrouw Bronkhorst. Zij wist dat in gezelschap -zij, Betsy, heel wat schitterender figuur maakte, en toch zag ze, dat Marie verborgen -schoonheden had, die de hare overtroffen; dat hinderde haar geweldig, want <span class="ex">als</span> alles meeliep, dan zouden dat <span class="ex" lang="fr">après coup</span> punten van vergelijking worden, die in haar nadeel uitvielen. -</p> -<p>Het werd in de ruime voorgalerij langzamerhand vrij vol. De notaris was kwistig geweest -met zijn uitnoodigingen. Bij deze gelegenheid kon het hem niet schelen of er dertig -of zestig gasten kwamen. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Marie en Betsy namen de -honneurs waar tegenover de dames. Jean zorgde voor de heeren. De spelers, de makke -schapen, zaten spoedig <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>rustig om hun tafeltjes; de rest vormde een bonte rij om de gezelschapstafel, en daar -ging het vroolijk toe. Wat later op den avond sloeg Bronkhorst een toost met champagne. -Zijn woorden van vriendschap waren goed gemeend, want hij hield veel van de Borne’s; -de kapitein was aangedaan, zijn vrouw schreide; de aandoening reflecteerde als altijd, -tot op menschen, wie het heele geval niets kon schelen. De kapitein kuchte en hemde -een oogenblik, antwoordde kort maar krachtig en zonder haperen, en werd met opgewonden -toejuichingen begroet. Er kwam „stemming” onder de gasten; dat deden de aandoening -en de champagne. De dames hadden er ook van meegedronken, en kwamen daardoor meer -uit de plooi. Mevrouw Bronkhorst zag wel, wat het onuitgesproken verzoek was van velen; -ze liet de bedienden ruimte maken in de binnengalerij, ging zelve voor de piano zitten -en attaqueerde een wals van Strauss, die de voeten van een doode in beweging zou gebracht -hebben. Er werd haastig opgestaan; armen werden gepresenteerd; paren kwamen binnen; -de dames wiegelend op haar heupen, het hoofd achterover, haar waaiers bewegend, gereed -als strijdrossen, die het eerste kanonschot hoorden vallen. En ze draaiden rond op -de maat, niet altijd in de maat. Soms sukkelde een paar ’n oogenblik door onvereenigbaarheid -van voetbeweging, als de eene partij behoorlijk in drieën walste en de andere het -niet verder kon brengen dan tot een springen <span class="ex" lang="fr">à deux <span class="corr" id="xd31e2579" title="Bron: temp">temps</span></span>.—Daar waren er, krukken, die als wanhopigen draaiden, maar met geen mogelijkheid -van hun plaats konden komen; anderen, al een beetje meer geoefend, maar toch nog niet -op de hoogte, die den omtrek van den cirkel te kort namen; sommige <span class="ex" lang="fr">pur sang</span> Europeanen, nog niet lang in Indië, die echter lange beenen maakten en door de zaal -vlogen alsof satan zelf hen op de hielen zat, terwijl geurmakers met uitgestrekten -linkerarm den rechter hunner dames op en neer bewogen, als waren het pompzwengels. -Maar het meerendeel walste Indisch, dat is rustig, netjes in drieën, zonder drukte -of zweetuitdrijvenden spoed. -<span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span></p> -<p>Slechts weinigen waren blijven zitten. Ook vele spelers waren op het alarmsignaal -van den Oostenrijkschen musicus het geliefkoosde kaartspel der Mooren van Grenada -ontrouw geworden. Een partner van den kapitein, die juist groot casco had geannonceerd, -wierp de kaarten neer, excuseerde zich en liep weg om te gaan dansen. Eerst keek Borne -met geweldige verontwaardiging den onverlaat na, maar toen bedacht hij zich; het was -een partij ter zijner eere en hij mocht zich dus niet boos maken; van twee kwaden -het beste kiezend, klopte hij den overgebleven derden man vroolijk op den schouder, -</p> -<p>„Ajo, laat ons de oude beenen ook nog eens van den vloer gooien!” -</p> -<p>„Komaan, kapitein, ga je ’reis ’n walsje meedoen?” -</p> -<p>„Waarachtig!” zei Borne, de overgebleven dames monsterend met kennersblik; „maar ik -moet een dikkerd hebben: die staat stevig op de beenen.” -</p> -<p>Na den wals bleef het musiceeren aan den gang; ’t werd hoe langer hoe geanimeerder; -de dames zongen: na een vroolijk wijsje, hoorde men op muziek gezette minneklachten -van Heine; sommige heeren, wier muzikaal sentiment was opgewekt, doch die slechts -één Duitsch lied machtig waren, hadden reeds in de Germaansche taal al neuriënd verteld, -dat zij niet wisten, wat het beteekenen moest, dat zij zoo treurig waren, maar de -groote meerderheid vond de Loreley voor dezen kring te ordinair; het <span class="ex" lang="de">Märchen</span> kwam niet tot zijn recht! -</p> -<p>Betsy was de vroolijkste van allen; haar oogen schitterden; haar wangen gloeiden; -zij gevoelde een opgewondenheid, die haar zelf nu en dan eenige vrees aanjoeg; ’t -was haar of zij zich tot alles in staat gevoelde, haar plannen kwamen krachtiger dan -ooit op den voorgrond; zij <span class="ex">zou</span> hem hebben en ze <span class="ex">moest</span> hem hebben, <span class="ex" lang="fr"><span class="corr" id="xd31e2604" title="Bron: coût qui coût">coûte que coûte</span></span>! ze gevoelde iets van de kracht eener overtuiging, die zich door geen belemmeringen -wil laten terughouden; zij had gedanst met Bronkhorst, heerlijk! Ze hield meer van -hem dan ooit, en, dat voelde ze, haar invloed op hem won <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>aan kracht; zij had de zekerheid te zullen slagen, en dat maakte haar overmoedig. -</p> -<p>„Zing nog eens!” vroeg men haar. -</p> -<p>Dadelijk stond ze op, ging naar de piano en greep een der muziekboeken. Als altijd -ging Bronkhorst mee om ’t blad om te slaan. Een oogenblik zocht ze, wierp toen ’t -boek open, keek hem glimlachend aan, met iets uitdagends in de oogen, en zong met -sterk sprekende accentuatie het lied van Carmen: -</p> -<div lang="fr" class="lgouter"> -<p class="line">L’Amour est enfant de Bohême -</p> -<p class="line">Il n’a jamais connu de loi, -</p> -<p class="line">Si tu ne m’aimes pas, je t’aime -</p> -<p class="line">Si je t’aime, prends garde à toi!</p> -</div> -<p class="first">Hij lachte er om in zichzelven; hij vond het verrukkelijk aardig; maar de verre strekking -begreep hij niet; hoe had hij aan zoo iets kunnen denken! -</p> -<p>Het lied werd luid toegejuicht, doch niemand had er op gelet, dat het was gezongen -met een voor zulk een tekst àl te sprekend <span class="ex">brio</span>, en toen Betsy weer naar voren kwam, las zij op aller gelaat slechts ingenomenheid -en tevredenheid. -</p> -<p>„’t Was zéér mooi, mevrouw,” riep een der gasten vol vuur. -</p> -<p>„Ja, ze kan het wel,” bevestigde oom Borne, en hij kneep haar in de wang. „Als ze -maar wil.” -</p> -<p>„Ik ben blij, dat het <span class="ex">iets</span> heeft bijgedragen tot het algemeen genoegen. Het is een recht feestelijke avond.” -</p> -<p>„Ik ben er waarachtig mee verlegen,” zei de kapitein. „In geen jaren heb ik zoo’n -royale fuif bijgewoond.” -</p> -<p>„Dames en Heeren!” klonk de stem van Bronkhorst midden uit een groepje, en een glas -champagne rees weer omhoog: „ik stel voor dit glas in het bijzonder te wijden aan -het welzijn en het geluk van onze geachte en geliefde vriendin, mevrouw Borne!” -</p> -<p>Een daverend „hiep, hiep, hiep, hoerah!” klonk door de voorgalerij en deed de paarden -opschrikken, die voor de rijtuigen op het erf wachtten; de koetsiers sliepen door. -<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span></p> -<p>Betsy ging ook naar de groep en dronk dapper mee op de gezondheid van haar tante. -</p> -<p>„Het spijt me ’t meest voor haar,” zei de kapitein tot den gast, die Betsy had gecomplimenteerd -en bij hem was blijven staan, „Wij houden zooveel van haar, alsof ze onze eigen dochter -was; Geloof me,” voegde hij er bij met grooten ernst, en met het gezicht van iemand -die zijn onderwerp volkomen onder de knie heeft, „geloof me, als meisjes hier lief -en goed zijn, dan zijn ze zóó lief en goed.” -</p> -<p>De toehoorder knikte en keek bewonderend naar de half tusschen de anderen verborgen -figuur van Betsy. Hij geloofde met genoegen aan haar superieure hoedanigheden; ’t -kon hem niets schelen hoe ze was! -</p> -<p>Het was erg laat, toen de hanen de feestgenooten naar huis kraaiden. Er was veel vertoon -van hartelijkheid geweest bij het heengaan. „Nou, dag mevrouw!” had ontelbare malen -naar en van alle kanten geklonken; er waren tallooze handjes gegeven; er was in rijtuigen -geholpen en met hoeden gezwaaid en met zakdoekjes gewuifd tot de brug voor het erf -onder de wielen van het laatst vertrekkende rijtuig kraakte. -</p> -<p>„Hè, hè!” zuchtte Marie, „dat is alweer afgeloopen!” -</p> -<p>Bronkhorst leunde over de balustrade en keek in de richting van het huis der Borne’s -waar juist een wit kleedje om den hoek verdween. -</p> -<p>„Ja,” zei hij, „het is goed geréusseerd; ’t doet me heel veel pleizier. Gaat Betsy -bij de Borne’s slapen?” -</p> -<p>„Mevrouw wenschte het. Het is de laatste nacht, en bovendien, ze gaan toch niet naar -bed, zeggen ze. Het is al halfvijf. Ga jij nog slapen?” -</p> -<p>„Zeker! Van nu tot tien uren is een complete nacht.” -</p> -<p>„Misschien slaap ik ook nog ’n uurtje. Maar ik blijf hier tot alles weer zoo wat in -orde is; en dan zullen de kinderen wel wakker worden.…” -</p> -<p>Vermoeid ging hij naar achteren, ontkleedde zich in zijn <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>kamer en viel loodzwaar op ’t bed. Hij had veel meer gedronken, dan hij gewoon was, -en gevoelde zich, vooral ook door het dansen, bijzonder vermoeid. Maar slapen kon -hij niet. Voortdurend dacht hij aan Betsy, zich vermeiend in allerlei kleinigheden, -bij zichzelven glimlachend, en zich verkneuterend van pret bij de gedachte aan dat -ondeugende lied van Carmen, dat ze zong met zoo’n uitdagend gezicht, terwijl ze hem -vlak in de oogen zag. -</p> -<p>Hij hoorde hoe de boel werd „opgeredderd”; hoe de kinderen wakker werden en met de -meiden naar de badkamer gingen; hij hoorde hen juichend terugkomen en later, toen -ze wandelen gingen, de harde zolen van de kleine laarsjes tikken op het marmer der -galerij; hij hoorde Marie in haar kamer gaan. Toen werd het stil in huis; zij voelde -nauwelijks haar hoofdkussen of ze sliep, letterlijk op van vermoeienis; inslapend, -alsof ze in zwijm viel; hij lag nog wakker, vervolgd door allerlei phantasiën, met -steeds dezelfde persoon voor de hoofdrol. -</p> -<p>Ook de Borne’s waren zoo afgebeuld van huiselijke drukte en visites maken, als menschen -in Indië het worden, wanneer zij waarschijnlijk voorgoed de plaats verlaten. Den avond -vóór hun vertrek moesten ze alweer recipiëeren; ze hadden bijna geen stoelen genoeg -voor de bezoekers; zelfs de krachtige kapitein Borne, hoezeer hij de algemeene vriendschap -en hartelijkheid op prijs stelde, had hij er nu meer dan genoeg van. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>De afscheidstranen waren gedroogd. Het huis der Borne’s stond leeg. Betsy woonde „voorgoed” -in bij den notaris. Bronkhorst was naar zijn kantoor, en de dames zaten in de achtergalerij -te werken. -</p> -<p>„Wat is dat voor ’n vent?” vroeg Marie. -</p> -<p>Betsy keek op en schrikte eenigszins, toen zij een dikken inlander, deftig buigend, -het galerijtje langs de bijgebouwen zag opstappen. -</p> -<p>„Het is de zoon van mijn oude meid.” -</p> -<p>„Wat ’n rare kerel.” -<span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span></p> -<p>„Hij is wat zwaar van postuur voor een inlander.” -</p> -<p>„Dat bedoel ik niet. Ik meen dat hij iets onbeschaamds heeft in zijn gezicht.” -</p> -<p>„Och kom!” -</p> -<p>„Zeker. Hij keek mij aan op een manier.… Als hij het nog eens doet, zal ik hem ’reis -op zijn plaats zetten.” -</p> -<p>„Maar hoe keek hij dan?” vroeg Betsy, die haar lachen haast niet kon bedwingen. -</p> -<p>„Ja, dat kan ik nu zoo niet zeggen; maar zeer ongepast, dat is zeker.” -</p> -<p>Zij begreep het wel; ze wist dat Ketjil in <span class="ex" lang="fr">pur sang</span> Europeesche vrouwen een belangstelling aan den dag legde, die hij althans niet behoorde -te toonen. -</p> -<p>„Hij komt zeker zijn moeder goeden dag zeggen,” meende Betsy, en toen werd er verder -niet over gesproken. -</p> -<p>Ketjil echter was niet naar zijn moeder gegaan, maar naar Sidin, die hem half met -vreugde, half met vrees zag aankomen. -</p> -<p>Wel had de huisjongen van den notaris aan den last van Sarinah voldaan. Nog geen uur -nadat hem was opgedragen haren te leveren van zijn meester, zag hij een bekend Europeesch -militair naar binnen gaan, een Franschman, die in Europa kappersknecht was geweest, -en nu als militair in zijn vrijen tijd geweer en zwaard verwisselde tegen kam en schaar, -wat hem aardig geld opleverde, daar geen kapper van beroep op de plaats was gevestigd. -</p> -<p>Dat was een buitenkansje, en met groote zorg had Sidin al de haartjes verzameld, die -op den grond waren gevallen. -</p> -<p>Maar nu meende hij zijn schuldigheid te hebben gedaan, en daar kwam waarachtig Ketjil -alweer! Wat zou het nu nog wezen? -</p> -<p>Zij wisselden een <span class="ex" lang="ms">salamat</span> door het binnenvlak der rechterhanden vlug tegen elkaar te strijken en die daarna -met een buiging aan ’t voorhoofd te brengen; en daarbij keken ze erg vriendelijk. -Maar Sidin wenschte in stilte den lastigen, gevreesden <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>gast naar den duivel, en Ketjil vond den bediende een laf en lam sujet, dat hij met -groot genoegen een pak slaag had gegeven. -</p> -<p>Zij zaten nog <span class="corr" id="xd31e2689" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> op de bank in de kamer en hadden pas ’n strootje opgestoken, of er weerklonk ’n luid: -„Sidin!!<span class="corr" id="xd31e2692" title="Niet in bron">”</span> Dat was de njonja weer! Zoo ging dat nu den ganschen dag! Geen minuut lang scheen -dat mensch den mond te kunnen houden. ’t Was van den ochtend tot den avond elke minuut -geschreeuw om de bedienden. -</p> -<p>„Je wordt geroepen,” zei <span class="ex">Ketjil</span>. -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedahlah!</span> Zij schreeuwt toch altijd.” -</p> -<p>„Ik zou maar eerst even gaan.” -</p> -<p>„Het helpt toch niets. Zulke <span class="ex" lang="ms">njonjas blanda</span> zijn nooit stil.<span class="corr" id="xd31e2710" title="Bron: ’">”</span> -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Sidin! sepèn! kebon!</span>” gilde Marie woedend uit de achtergalerij. „<span class="ex" lang="ms">Apa tida ada orang di blakan?</span>” -</p> -<p>Op vroolijken toon weerklonk een drievoudig „Ja!” uit de bediendenkamers, waarvan -de bewoners met lachende gezichten en, op Sidin na, zeer ongekleed, naar buiten kwamen. -Langzaam ging Sidin naar het hoofdgebouw. Zoolang hij door het groen aan het oog van -mevrouw Bronkhorst was onttrokken, haastte hij zich in het geheel niet. Maar nauwelijks -kwam hij in ’t gezicht of hij maakte buitengewonen spoed. Niettemin kreeg hij een -uitbrander van geweld, wat hem niets van zijn kalmte deed verliezen, maar hem daarentegen -het bezoek van Ketjil gunstiger deed opvatten. -</p> -<p>„Wat was het?” vroeg deze, toen hij terugkwam. -</p> -<p>„Och, niets, zij schreeuwt maar.” -</p> -<p>Het strootje werd hervat en beiden rookten zwijgend; de vrouw bracht elk een kop koffie -van de bladeren van den koffieboom gezet, dik en drabbig, met veel suiker, maar natuurlijk -zonder melk. Ketjil keek er eens naar. Hij was aan andere koffie gewoon, maar hij -zou deze maar naar binnen werken, omdat het niet goed zou staan, als hij deze weigerde. -</p> -<p>„Er is nog iets,” zeide hij. -<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p> -<p>Sidin antwoordde niet. -</p> -<p>„Er moet nog iets gedaan worden.” -</p> -<p>„Ik dacht het al.” -</p> -<p>„En ’t moet vandaag gebeuren.” -</p> -<p>Dat was de bediende niet naar den zin. -</p> -<p>„Waarom vandaag? Misschien kan het vandaag niet.” -</p> -<p>„Het mag niet morgen zijn, en tot Vrijdag moeten wij niet wachten.” -</p> -<p>„Niet?” -</p> -<p>„Neen. Het is nu Dinsdag. Onthoud goed, dat als ik je iets opdraag in deze zaak, het -altijd moet gedaan worden op Dinsdag of Vrijdag.” -</p> -<p>„Mag ik ook vragen,” zei Sidin brandend van nieuwsgierigheid en met den vriendelijksten -glimlach, dien hij bij machte was op zijn bruin gezicht te voorschijn te roepen, „mag -ik ook vragen waarom niet?” -</p> -<p>„Omdat,” zei Ketjil met hoogen ernst, „omdat het dan niet helpt. En <span class="ex">nooit, nooit</span>, in welke omstandigheid ook, <span class="ex">op een Zaterdag</span>.” -</p> -<p>Sidin loosde een zucht. Ofschoon hij metterdaad geen drommel wijzer was geworden, -vond hij het toch van overweldigend gewicht. -</p> -<p>Toen beiden een tijdje gezwegen hadden, zeide Ketjil weer: -</p> -<p>„Nu zal ik je zeggen, wat je te doen hebt. Hier is een pakje. Je moet in de kamer -van mevrouw Bronkhorst een steen oplichten.” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Ilahlah!</span>” riep Sidin zacht. „Dat kan niet.” -</p> -<p>„Het moet.” -</p> -<p>„’t Kan niet, want het is marmer.” -</p> -<p>„Neen”.…, stemde Ketjil peinzend toe, „dat is waar, dan kan het ook niet. Komt de -kamer uit in de achtergalerij?” -</p> -<p>„Ja.” -</p> -<p>„Dan is een steen in de achtergalerij ook goed. Maar het moet er een wezen, vlak voor -haar deur, zoodat zij er elken dag overheenloopt.” -<span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span></p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Soesah!</span>” klaagde Sidin, die erg tegen het werkje opzag. -</p> -<p>„Het is zoo erg niet. Van middag als allen slapen, krab je met dit mesje aan den eenen -kant de kalk weg en haalt dan met dit tangetje wat aarde onder den steen uit. Dan -<span class="corr" id="xd31e2771" title="Bron: wipje">wip je</span> hem ’n beetje op en brengt het er onder.” -</p> -<p>Sidin nam aarzelend het pakje aan, alsmede de kleine, zeer eenvoudige ijzeren werktuigen. -</p> -<p>„En als de nonna wakker is en achter zit?” -</p> -<p>„Je behoeft niet bang te zijn voor de nonna en ook niet voor de naaister. Die zien -niets.” -</p> -<p>Ketjil ging heen en keek ditmaal niet brutaal naar de dames, althans Marie vond geen -reden om hem „op zijn plaats te zetten”. En Sidin begluurde en onderzocht nauwkeurig -het mengsel, dat was samengesteld uit <span class="ex" lang="ms"><span class="corr" id="xd31e2780" title="Bron: gaba">gabah</span></span>, asch, <span class="ex" lang="ms">idjoek</span>, beenderen van den <span class="ex" lang="ms">koekang</span> en eenige groote punten van gewone naalden. -</p> -<p>Ondanks de geruststellende verzekeringen van Ketjil was Sidin niet met de opdracht -ingenomen; hij zag zwart van vrees, en ten einde raad, liep hij, toen Ketjil weg was, -naar Sarinah en beklaagde zich bitter over de <span class="ex" lang="ms">soesah</span>, die men hem bezorgde. -</p> -<p>Maar ook zij lachte hem uit. -</p> -<p>„Je kunt het gerust doen; mijn zoon heeft gelijk.” -</p> -<p>„Waarom doe je het dan niet zelf?” -</p> -<p>„Ik ben een oude vrouw.” -</p> -<p>„Een oude vrouw kan het ook wel doen.” -</p> -<p>„Ik dien hier niet; het zou gek staan als ik ging <span class="ex">korèkken</span> aan den vloer.” -</p> -<p>„Ja, dat is allemaal maar <span class="ex" lang="ms">bitjara kosong</span>,” zei hij brutaal. -</p> -<p>„Je bent zelf minder dan een vrouw,” antwoordde de oude, boos. „Het is niet om de -<span class="ex" lang="ms">soesah</span>, maar omdat je niet <span class="ex" lang="ms">brani</span> bent.” -</p> -<p>„Zeker,” erkende Sidin, ridderlijk lafhartig, „ik ben in ’t geheel niet <span class="ex" lang="ms">brani</span>.” -</p> -<p>„Doe het maar,” hield Sarinah vol, „doe het maar. Ik zal je een mooien koker koopen -voor je strootjes. Het is niets gevaarlijk, <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>en ik zal zelf bij je komen zitten, als je bezig bent aan het werk.” -</p> -<p>Dat hielp. Als de oude bij hem zat, zou hij niet zoo licht overvallen worden. -</p> -<p>Inderdaad zat Betsy op en was ook de naaister present toen Sidin met zijn mengsel -de trap der achtergalerij kwam oploopen, en de oude hem steunend en met moeite gaand -vergezelde. -</p> -<p>Zij wist niet wat er moest gebeuren, maar ze zag wel, dat het iets was, dat op de -<span class="ex" lang="ms">goena-goena</span> betrekking had, al was het dan ook slechts <span class="ex">indirect</span>. De oude meid had haar vooraf gewaarschuwd, dat er iets van dien aard zou gebeuren, -en zij, als ze het zag, maar niets moest vragen; ook de naaister was door de oude -voor zooveel zij het noodig vond, in „het geheim” betrokken. Ongestoord, maar allesbehalve -rustig, verrichtte Sidin de hem opgedragen taak. Het was niet gemakkelijk, maar het -was een knoeiwerkje, en daarvan had hij als inlander slag. Met groote handigheid peuterde -hij de kalk los, wipte den steen op en wist, toen het mengsel op z’n plaats was gebracht, -de losse stukken kalk met groote behendigheid heel netjes weer in de voeg te brengen. -</p> -<p>Sarinah bleef zitten, toen Sidin klaar was en heen ging; zij beschouwde het een tijdlang -met groot welgevallen. Daarop strompelde zij naar achter, ging in haar kamertje en -knipte daar van gewoon katoen twee poppen, die ze met een groot aantal spelden aan -elkaar stak. Toen nam ze die zonderlinge lappenfiguur onder haar baadje, sukkelde -naar de trap van de achtergalerij, en ging zitten op de eerste trede vlak bij den -grond. Zij deed dat zoo eenvoudig en schijnbaar gewoon, dat niemand, gesteld er had -zich iemand aan de gangen van het oudje laten gelegen liggen, er iets bijzonders of -opmerkelijks in had kunnen vinden. Langzaam liet zij den mageren arm zakken, en begonnen -haar vingers den grond los te krabben; een kwartier zat zij te woelen in de aarde -tot ze een voldoend diep plekje had, waarin de aangeprikte lappenpoppen verdwenen. -Toen ging, zonder haast <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>en heel bedaard, de aarde er weer over, door den beenigen gerimpelden klauw zorgvuldig -vastgedrukt bij beetjes, tot de grond voor de trap geen spoor vertoonde, dat er pas -iets in was verborgen. Eerst toen dit volkomen in orde was, ging zij naar boven. -</p> -<p>Betsy was er niet; ze was naar haar kamer gegaan; het geknoei met dien steen had haar -zenuwachtig gemaakt; ze drong zichzelve op, dat het haar niet kon schelen, maar ze -had vlagen van een onbestemde vrees, oogenblikken van gejaagdheid en angst, waarin -ze een gevoel had alsof de muren van het huis der Bronkhorsten haar dreigden te verpletteren. -Ze was op een divan neergevallen en lag daar bewegingloos met een sterk sprekende -uitdrukking van moedeloosheid op ’t gezicht. -</p> -<p>„Wat voerde Sidin toch eigenlijk uit?” vroeg ze toen de oude binnenkwam. -</p> -<p>„Hij heeft er iets onder gelegen.” -</p> -<p>„Ja, dat weet ik. Wat was het?” -</p> -<p>„Het was van allerlei; ’t behoort er bij; mijn zoon heeft het gebracht.” -</p> -<p>„’t Kan me ook eigenlijk niet schelen, wat het is. <span class="ex" lang="ms">Soedah</span>, laat maar!” -</p> -<p>De oude zweeg, scharrelde wat rond, hier een kleedingstuk anders schikkend, en dáár -wat stof wegslaand. -</p> -<p>Betsy was toch nieuwsgieriger, dan ze voorgaf. -</p> -<p>„<span class="ex">Waarom</span> moest hij het er onder doen?” -</p> -<p>Sarinah kwam dicht bij den divan en zei zacht: „Het is tegen haar. Zij moet elken -dag over den steen loopen; dan krijgt ze een tegenzin in het huis en gaat dikwijls -weg; ze wordt er uit gedreven.” -</p> -<p>Het is dus, dacht Betsy, en ze kon een glimlachje vol ongeloof niet onderdrukken, -een middel om haar „uithuizig” te maken. -</p> -<p>„Het zal mij benieuwen of het gelukt.” -</p> -<p>„Dat wil ik u wel zeggen.” -</p> -<p>„Zal jij dat nú reeds zeggen?” -<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span></p> -<p>„Nu niet, maar straks.” -</p> -<p>Toen Marie een uurtje later uit haar kamer kwam, waar ze op haar bed had liggen lezen, -omdat, nu Betsy in huis was, er eenig meer algemeen toezicht bestond, zat Sarinah -tegen het groen geverfde hek, dat langs de galerij liep, en lette aandachtig op. Haar -leelijk gezicht verhelderde, en zich tot Betsy wendend, die nu ook achter was gekomen -en thee stond te zetten, keek ze deze aan met een voor haar doen vroolijken grijns. -De oude was inderdaad zeer verheugd en tevreden, want mevrouw Bronkhorst had over -den steen geloopen waaronder het mengsel lag. Het leed nu geen twijfel of het toovermiddel -zou gelukken en zoodoende bedragen tot het bereiken van ’t groote doel. -</p> -<p>Sidin telde de door hem bewezen diensten, toen hij ’s avonds met Sarinah voor zijn -deur zat te praten. -</p> -<p>„Ik heb het kussen van mijnheer’s bed opengemaakt, er bloemen ingestoken, kenanga -en zo.…” -</p> -<p>„Het gaat je niet aan, wat het was.” -</p> -<p>„Goed. Ik wil het ook niet weten. Toen heb ik het kussen weer dichtgemaakt.” -</p> -<p>„En nu wil je geld hebben.” -</p> -<p>„Nog niet. Ik heb al de haartjes van meneer bijeengezocht, toen de soldaat hem geknipt -had, en ik heb ze voor uw zoon in een papiertje gedaan.…” -</p> -<p>„Ja, <span class="ex" lang="ms">soedah</span>! Wij weten het wel!” -</p> -<p>„En nu heb ik weer dat met dien steen gedaan, omdat hij het wilde.” -</p> -<p>„Wat wil jij dan?” -</p> -<p>„Niets. Ik vraag niets. Ik verzoek alleen om me nu niet langer meer al die dingen -te laten doen. Het komt hoe langer hoe dichter bij. Ik wil niet krakallen, en ik ben -niet <span class="ex" lang="ms">brani</span>. Als Ketjil nog eens komt, dan vraag ik <span class="ex" lang="ms">brenti</span>.” -</p> -<p>De oude keek hem uit de hoeken van haar oogen met de diepste verachting aan. -</p> -<p>„Je bent minder dan een wijf; dat heb ik al gezegd.” -<span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span></p> -<p>„Waarom scheldt je me uit? Betaal me liever.” -</p> -<p>„Ja, ik zal je betalen!” lachte de oude. „Ik zal je betalen, maar je zult er morgenochtend -niets meer van weten! Ik ga geld voor je zoeken, beste jongen.” -</p> -<p>Werkelijk stond zij op, en ging tamelijk vlug het erf af. Den armen Sidin brak het -angstzweet uit. Hoe had hij ook zoo dom kunnen wezen? Waarom zoo brutaal te zijn tegen -het oude, gevaarlijke mensch? Nu zou ze, dacht hij, hem zeker vergiftigen. Hij dacht -aan de krampen, die hij weldra zou gevoelen, en aan den dood. Wat zou hij daar stijf -en sprakeloos liggen op de balé-balé, en als zijn vrouw huilde zou hij ’t niet hooren. -In een kwartier stond zijn besluit vast. -</p> -<p>De familie zat in de achtergalerij. -</p> -<p>„Mevrouw moet niet kwaad wezen”, zei hij, regelrecht naar Marie gaande, „ik vraag -mijn ontslag”. -</p> -<p>Zij keek er vreemd van op. -</p> -<p>„Waarom?” -</p> -<p>Hij wist niet wat te zeggen. -</p> -<p>„Mijn vader is ziek.” -</p> -<p>„Dat jok je. Je hebt geen vader, want die is al lang dood.” -</p> -<p>„Ik bedoel den vader van mijn vrouw.” -</p> -<p>„Die is ook niet ziek”, zei Betsy, „want ik heb hem daar straks nog met zijn grobak -zien loopen.” -</p> -<p>„Je behoeft niet te liegen” merkte Bronkhorst aan op bemoedigenden toon. „Je kunt -immers gerust de waarheid zeggen. Wij willen je wel ontslag geven, als je het vraagt. -Wij willen alleen maar weten, waarom.” -</p> -<p>„Ja,” bevestigde Marie, „wij willen weten <span class="ex">waarom</span>.” -</p> -<p>Maar Sidin zat verschrikkelijk in den knoei, want zóó kon hij niet liegen of de waarheid -bleef altijd nog minder verkieslijk. Ten einde raad en zenuwachtig, zei hij: -</p> -<p>„Ik ben <span class="ex" lang="ms">bosèn</span> van mevrouws gezicht.” -</p> -<p>Betsy had moeite om er ernstig bij te blijven; Bronkhorst fronste de wenkbrauwen en -keek in zijn courant; Marie was <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>woedend en gaf den delinquent de volle laag. Zoo’n brutale kerel, zoo’n smerige inlander, -durfde haar dat te zeggen! Het was ongehoord. Dadelijk moest die gemeene vent de deur -uit; op staanden voet! -</p> -<p>Sidin zei niets meer, ’t was alles wat hij verlangde, maar zijn afrekening viel hem -tegen; hij had gedacht iets te ontvangen en hij bleef, integendeel, nog schuldig. -Het noopte hem nog eens om te zien naar Sarinah en de oude om geld te vragen, doch -het hielp niet; ze antwoordde hem niet eens, en ten slotte verliet hij met zijn vrouw -en zijn weinig waardeloos goed, den dienst, met een geleenden halven gulden in den -zak. -</p> -<p>Sarinah was blij, dat hij weg was. In zijn eigen belang zou hij den mond wel houden, -en overigens was hij een akelige jongen, tot niets in staat; zij dacht, dat zij wel -dwaas zou geweest zijn, als zij dien kerel iets had gegeven. Hij had gedaan, wat hij -doen moest. De rest, waarop het vooral aankwam, zouden ze zelf wel doen. -</p> -<p>Maar of ze werkelijk iets belangrijks deden of niet, wist Betsy niet met zekerheid. -Wel zette zij haar spel voort, telkens als zij kon met Bronkhorst coquetteerend, en -ze zag dat hij steeds zeer met haar bleef ingenomen. Maar verder kwamen ze niet. De -eene dag verliep na den anderen, en er gebeurde niets, dat eenigszins wees op een -serieuze verandering. -</p> -<p>„Het is allemaal gekheid,” knorde zij tegen de meid. „Het is geld in het water gooien, -anders niet.” -</p> -<p>Maar Sarinah hield vol. ’t Was de dag niet. Alles moest zijn tijd hebben, en het zou -nu niet lang meer duren. -</p> -<p>Het was natuurlijk weer op een ongelegen oogenblik, en toen Betsy er het minst om -dacht, dat er „iets” moest gedaan worden. „Zoudt u niet wat lekkere kwee-kwee maken?” -vroeg de oude. -</p> -<p>„Neen, <span class="ex">nèh</span>! We hebben nu geen tijd, dat weet je wel.” -</p> -<p>„Het is toch de goede tijd.” -</p> -<p>„Wat praat je? Van avond is er een diner, en daarna blijven de gasten.” -<span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span></p> -<p>„Ik weet wel dat mevrouw jarig is, en dat alles besteld is in de groote stad, en dat -die dronken Europeaan komen zal om alles in beweging te zetten.” -</p> -<p>„Nu, wat wou je dan?” -</p> -<p>„Het is de goede dag vandaag. Dezen Dinsdag moet u een schoteltje maken voor mijnheer. -Er moet iets in.” -</p> -<p>„Ik wil niet, ik doe het niet.” -</p> -<p>„Dat behoeft ook niet; dáárvoor zal ik wel zorgen. U kunt zoo lekker kwee-kwee maken, -en daar houdt meneer zoo van.” -</p> -<p>„Ik.… ik.… kan.… Nu, ’t is goed. Straks na de rijsttafel. Ga nu maar weg.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>„Zou je niet ’n uurtje gaan slapen van middag?” vroeg haar Bronkhorst onder het eten. -</p> -<p>„Dansen we dan van avond?” -</p> -<p>„Ik weet het nog niet. Wil je graag?” -</p> -<p>„Hm, hm!” -</p> -<p>„Welzeker”, stemde Marie toe. „Zij is nog jong genoeg om wat pret te maken. Maar ik -vind ook, dat ze dan van middag wat slapen moet. Ik doe het ook; het wordt waarlijk -anders te vermoeiend.” -</p> -<p>„Natuurlijk!” zei Bronkhorst. -</p> -<p>„Ik weet hoe doodaf ik was, dien avond van de Borne’s.” -</p> -<p>„Nu, ik zal ’n oogenblik gaan uitrusten, want slapen kan ik toch niet.” -</p> -<p>„Ik ook niet, en ik <span class="ex">moet</span> bovendien vandaag op ’t kantoor wezen.” -</p> -<p>Doch Betsy ging in plaats van naar haar kamer, naar de keuken. Zij maakte haar deeg -zoo goed als de beste banketbakker, en ze deed de kwee-kwee’s in de kleine vorm-schoteltjes, -waarin zij bereid en waaruit ze naderhand gegeten werden. Sarinah stond er bij. -</p> -<p>„Keer u eens om”, zei ze, „u moogt niets zien.” -</p> -<p>Met groot genoegen en kloppend hart gehoorzaamde Betsy <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>haar baboe. Hoe minder zij er van zag, hoe liever, want de vrees kon zij niet van -zich zetten. De oude wierp een poedertje in het deeg van een der vormpjes, roerde -het door met een houtje en hield het afzonderlijk. -</p> -<p>„Wees voorzichtig! <span class="ex" lang="ms">Tjampoer</span> het niet met de anderen.” -</p> -<p>„Kan men het niet proeven?” -</p> -<p>„Neen.” -</p> -<p>„Wat is het, <span class="ex">nèh</span>?” -</p> -<p>„Ik weet het niet.” -</p> -<p>„Ben je gek! Moet je dan zoo stom wezen om er iets in te doen, zonder dat je weet -wat het is?” -</p> -<p>„Ik heb het van mijn zoon gekregen.” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Poeah!</span> Dat is ook wat!” -</p> -<p>„Dat is voldoende; het is zijn geheim, dat niemand aangaat, omdat het van hem is.” -</p> -<p>„Het zal toch geen vergif zijn?” -</p> -<p>„Mijn zoon is geen karbouw; hij heeft ook geen hoofd als een garnaal.” -</p> -<p>„Och, je zoon.… je zoon!” -</p> -<p>„<span class="ex">Nonna</span> moet nu niet zoo bang wezen; het is alles heel goed. Laat nu de kwee-kwee maar lekker -zijn voor meneer. Ah! zoo lekker!” -</p> -<p>Betsy moest er om lachen. Het was toch een dier, die oude! En ze bakte, op een zacht -houtvuur, ’t schoteltje lekkers heel zorgvuldig tot de bovenlaag ’n beetje steviger -werd, de gele kleur wat zwaarder kleurde in het midden, aan de kanten uitloopend in -een fijn lichtbruin tintje, dat hier en daar als kantwerk aanzette tegen den rand -van het vormpje. -</p> -<p>„Dan heb je ook niet geslapen”, zei Bronkhorst, toen hij het gebak kreeg bij zijn -thee. -</p> -<p>„Ik zou me er over beklagen!” -</p> -<p>„Toch wel. Je weet ik vind die kwee-kwee goddelijk, maar ik had ze graag willen ontberen, -als ge wat rust hadt genomen tegen van avond.” -<span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span></p> -<p>„Gekheid, ik kan er best tegen.” -</p> -<p>„Nu, dan moet je het ook maar zelf weten,” zei Marie, „ik voor mij ben er niet rouwig -om.” -</p> -<p>En met wellust zette zij haar witte tanden in het smakelijk product van de bakkunst -harer huisgenoote. -</p> -<p>’s Avonds, toen tegen acht uren de gasten kwamen, zat de familie in groot tenue in -de voorgalerij. Cadeautjes had Marie niet veel gehad voor haar verjaardag. Bronkhorst -had haar een aandeel in een prauwenveer geschonken, gelijk hij elk jaar deed, en „voor -de aardigheid” een gouden sieraadje er bij; Betsy had een prachtige kabaja, drie kwart -borduurwerk, gegeven, de kinderen kleine geschenken, die naderhand op de huishoudelijke -toko-rekeningen paraisseerden, en daarmee was het uit; de vreemden bepaalden zich -tot hun hartelijke felicitaties. -</p> -<p>Reeds aan het diner kwam de vroolijke toon van de vorige maal, opgewekt door de herinnering, -doorschemeren. Betsy en Bronkhorst zaten ver van elkaar af. Daartegen was niets te -doen geweest, aangezien Marie zelf de plaatsen had geregeld, waardoor de jonge weduwe -tusschen den controleur en een ander celibatair kwam te zitten, terwijl aan het hoofd -van de tafel Bronkhorst zijn best deed om de vrouw van den resident te amuseeren, -wat hem niet gelukte, omdat dit vrouwelijk hoofd van het gewestelijk bestuur geweldig -jaloersch was van de luxe, die bij den notaris werd tentoongespreid, en dit door allerlei -hatelijke zinspelingen toonde. -</p> -<p>Het was opvallend hoe Bronkhorst, later op den avond, zijn schade inhaalde; hij was -haast voortdurend bij Betsy of in haar naaste omgeving; iedere gelegenheid gebruikte -hij om haar toe te spreken, zich daarbij in allerlei fraaie houdingen opstellend, -en buitengewoon vroolijk lachend. -</p> -<p>„Zou hij?”.… vroeg de controleur aan den dokter. -</p> -<p>„Ik geloof het niet,” antwoordde deze, met zijn sterk vreemd accent. „Het heeft mij -nog nooit gefrappeerd.” -</p> -<p>„Nou maar, van avond is het nogal in het oogloopend.” -<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span></p> -<p>„Ja, het is sterk.” -</p> -<p>„Er zijn meer lui, die er over spreken. Van zoo’n soliden kerel als Bronkhorst begrijp -ik het niet.” -</p> -<p>„Het is misschien maar schijn.” -</p> -<p>„Schijn? Het is mogelijk, maar juist voor den schijn moest hij zich wachten.” -</p> -<p>Maar schijn of niet,—het veelhoofdig monster der kwaadsprekendheid had zijn werk begonnen, -en het deed dat met te grooter ijver, naarmate de patiënt door zijn positie en zijn -fortuin meer op ’t kleine plaatsje in het oog liep. -</p> -<p>Evenmin als zijn kunst het leven van den Ekster had kunnen redden, was ’s dokters -tegenspraak in staat diens weduwe te beveiligen. En zoo Betsy niet veel goeds verdiende,—in -geen geval was ze wat men van haar zei. -</p> -<p>Want, beminnelijk als altijd, trok de goede genius van den laster dadelijk de grofste -conclusiën, en waren het de fatsoenlijkste menschen, die het eerst de gemeenste gevolgtrekkingen -maakten. Het werd, echter, alles slechts „gefluisterd.” Vooral wilde niemand de zegsman -wezen, en de controleur bezocht den ochtend na de partij den dokter om dezen te verzekeren, -dat als hij, controleur, eenig vermoeden had geopperd den avond te voren, de dokter -daarover in geen geval tegen iemand mocht spreken. En de jonge vreemdeling, die reeds -genoeg kijk had op sommige eigenaardigheden in onze samenleving, wist in zijn gebroken -Hollandsch aan zijn enkele dames-patiënten met een geheimzinnig gezicht en een beteekenenden -glimlach wel zooveel te vertellen, dat ze wisten, wat hij bedoelde, zonder dat hij -iets had gezegd. -</p> -<p>De dames waren diep verontwaardigd, de heeren zeiden niets tegen de beschouwingen -en commentaren hunner echtgenooten, maar lachten onder elkaar er over in de sociëteit, -en noemden Bronkhorst, die zich van dat alles niets bewust was, „’n leuken kerel” -en „’n snoeper”, en velen bekenden ronduit, dat als een hond ’n beentje vindt, het -zeer natuurlijk is, dat hij er aan <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>ruikt, en als „bovenbedoeld” beentje aan „gezegden” hond bevalt, het niet minder natuurlijk -is, dat hij er aan kluift. -</p> -<p>Maar bij hun dames durfden zij met die ruik- en kluif-theorie niet voor den dag komen. -Voor een decentralisatie-geest was onder de voorstanders van een persoonlijk monopolie -geen ruimte. -</p> -<p>Ze sliepen lang, den ochtend na de partij. De geheele dag was eigenlijk verloren. -De notaris liet op ’t kantoor den boel maar zoowat aan zijn personeel over; Betsy -bemoeide zich al even weinig met het huishouden als Marie, die ook te moe was en bovendien -van het dansen geweldige kramp had in haar beenen. Eerst tegen de rijsttafel kwam -men op het „alignement”, zooals oom Borne zou gezegd hebben. -</p> -<p>Men was nog loom, en lag in gemakkelijke stoelen zoowat pratende over de partij. -</p> -<p>„Een zeer geréusseerde,” had Bronkhorst haar genoemd. -</p> -<p>„Dat zijn ze hier altijd,” zei Betsy. -</p> -<p>Marie was opgestaan. Ze moest toch even naar de keuken, want het <span class="ex">kon</span>, naar haar meening, anders niet heelemaal goed gaan. -</p> -<p>„We hebben gisteravond veel gedanst,” vervolgde Betsy. -</p> -<p>„Te weinig,” antwoordde Bronkhorst zich uitrekkend, en haar glimlachend aankijkend. -</p> -<p>„Te veel,” sprak ze tegen met een stemmodulatie, die evengoed kon beteekenen, dat -zij het aangenaam vond, als dat ze het afkeurde. -</p> -<p>„Zou het te veel kunnen zijn?” -</p> -<p>„Zeker. Wat moeten de menschen wel denken, als we den heelen avond dansen!” -</p> -<p>„Den heelen avond?” -</p> -<p>„’n Groot gedeelte ten minste.” -</p> -<p>„Wel, wat kan men denken? Hoogstens toch, dat ik graag met je dans, wat voor een zoo -goede danseuse geen buitengewone voorkeur mag heeten.” -<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span></p> -<p>„Nu ja, dat is maar gekheid.… Ik weet wèl, dat er op gelet is.” -</p> -<p>„Door wie?” -</p> -<p>„Ja, dàt weet ik nu niet precies, maar ik heb ’t toch in het algemeen bemerkt.” -</p> -<p>„Verbeelding!” -</p> -<p>„Toch niet!” -</p> -<p>Langzaam wipte ze in haar stoel op en neer, achteroverliggend tegen de leuning, ’t -hoofd een beetje ter zij; en ze keek hem aan met haar fluweelachtige oogen, zoodat -het hem te moede werd, als lag hij onder de verplichting haar het hof te maken, en -als zou het van een onverantwoordelijke „droogstoppel”-natuur hebben getuigd zich -zonder meer zóó te laten aankijken door zulke oogen. Het was geen verliefdheid, die -hem haar hand deed vatten en hem het meest don-juannisch gezicht deed trekken, waartoe -hij in staat was; het was sexueele ijdelheid. Hij „kon” daar toch niet tegenover zulke -appetissante vruchten blijven zitten, alsof hij, ’n knap, kloek man in de kracht zijns -levens, daarvoor niets meer gevoelde. Reeds meermalen had hij aan zichzelven bemerkt, -dat als zij hem niet op de een of andere wijze in verzoeking bracht, hetzij door haar -houding, hetzij door een woord of een blik, hij zich minder tot haar aangetrokken -gevoelde. Maar als zij met hem coquetteerde, dan was hij gauw gevangen, en dan was -het vooral zijn ijdelheid, die hem aandreef tot meedoen, en die de begeerte in haar -gevolg voerde. -</p> -<p>Hij had haar hand in de zijne genomen en streelde die, terwijl hij haar diep in de -oogen keek. -</p> -<p>„Kom,” zei hij zacht, „ik beloof beterschap.… in gezelschap; maar laat me dan ’n heel -klein beetje wraak nemen.… onder vier oogen.” -</p> -<p>„Me dunkt, je bent al druk bezig.” -</p> -<p>De slofjes van Marie tikten op de trap: -</p> -<p>„Jean, kan het eten worden opgedaan?” -<span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span></p> -<p>Juist kuste hij de hand van Betsy; hij liet die snel los en richtte zich kennelijk -eenigszins verschrikt op; zij bleef onbeweeglijk en onverschillig in haar wipstoel -liggen. -</p> -<p>„Wat mij betreft wel,” antwoordde hij, en men kon ’t hooren aan zijn stem, dat hij -verschrikt was. -</p> -<p>„Bah!” dacht Betsy, „hoe <span class="ex">bête</span> is toch ’n getrouwd man, als hij vreest door z’n vrouw betrapt te worden op ’n kleinigheid!” -</p> -<p>Doch ze toonde niet, dat ze zijn schrikken kinderachtig vond. Integendeel ze bleef -haar stille tactiek volgen, en zij nam daarbij evengoed haar voorzorgen tegen ontdekking. -Zóó ontstond langzamerhand tusschen Betsy en Bronkhorst een verhouding, die hij somtijds -erg dwaas noemde, maar welke hij, zonder een daad van groote brutaliteit, niet kon -veranderen, en die hij toch wel aardig vond, ofschoon erg jeugdig. Zij grepen elke -gelegenheid aan om elkaar aan te raken; hier en daar, bij toevallige ontmoetingen, -werden handdrukken gewisseld; soms als zij ’s avonds over een der zijgalerijen liep -en het was er donker, gaf hij haar een kus. Maar daarbij bleef het. Ze dachten, althans -Bronkhorst meende, dat niemand ooit een en ander zag; nu, Marie was zich zeker van -niets bewust, maar de inlandsche bedienden hadden er onder elkaar het grootste genoegen -over, en ze zagen en wisten heel goed, dat meneer, terwijl hij <span class="ex">aan</span> tafel met het onschuldigste gezicht het woord voerde, <span class="ex">onder</span> tafel met zijn voet, tegen of op dien van iemand anders, een soort van telegraphische -gemeenschap uitoefende. -</p> -<p>Ze hadden het ’s avonds daar altijd over in de bediendenkamers; het was een grap <span class="corr" id="xd31e3083" title="Bron: vau">van</span> belang! -</p> -<p>Het werd nog gemakkelijker toen er logé’s kwamen: ’n getrouwd menschenpaar uit het -binnenland, met twee kinderen. Dat gaf meer drukte dan ooit en absorbeerde de dames -haast geheel. Maar het schonk ook juist door de drukte een groote vrijheid, die Bronkhorst -niet ongebruikt liet. Soms had hij ’t land aan zichzelven en kreeg hij ’n bui van -bijzondere liefheid tegen Marie, <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>die hem liet begaan, zich glimlachend verbazend over het feit dat hij nog zoo mal -kon zijn. Doch hij had ook aanvallen van ongeduld, en dan was hij kregel, vooral tegen -Marie. Zij trok er zich maar weinig van aan; zij schreef het toe aan slechte spijsvertering -of overmatige drukke bezigheden op ’t kantoor. Dat ging weer voorbij, en als hij ’s -ochtends een erg nurksche bui had gehad, dan maakte zij ’s avonds een lekker schoteltje -gestoofde pruimen; daar hield hij van, en dat was gezond! Zeker was het, dat hij van -overwerken geen last had. Hij deed het onvermijdelijke op ’t kantoor, maar liet meer -dan vroeger over aan zijn personeel. Terwijl hij vroeger gaarne heel veel zelf deed, -omdat de tijd dan aangenamer en gauwer voorbijging, stelde hij tegenwoordig prijs -op vrije kwartiertjes, waarin hij niets deed dan aan Betsy denken. Als hij het huis -binnenkwam, was zijn eerste blik voor haar. Vroeger had hij de gewoonte Marie te kussen -bij het gaan ’s morgens en het komen ’s middags. Zachtjes aan had hij dat afgeschaft. -Als zijn aanvallen van liefheid voor haar, die thans een anderen meer prozaïschen -grond hadden dan vroeger jaren, voorbij waren, was zij hem volkomen onverschillig. -</p> -<p>Marie had die geleidelijke verandering niet getroffen. Vooral nu zij logé’s had, was -ze te zeer geoccupeerd met haar huishouden en de keuken om zich veel te bemoeien met -de caprices van haar man. Daarbij, ze voelde geen zweem zelfs van verdenking. Zijzelve -was zulk een volkomen brave en fatsoenlijke vrouw, die zelfs nooit in gedachte een -der tien geboden overtrad; zij was altijd zoo geheel vrij van bijoogmerken, als ze -stond tegenover derden, dat ze anderen naar zichzelve beoordeelde en nooit of nimmer -iemand van boosaardige bedoeling of „slechtheid”, zooals zij het noemde, verdacht. -Natuurlijk hoorde zij dikwerf verhalen van andere dames over echtelijke ontrouw, zedeloos -gedrag en onkuischheid; maar zij hoorde het niet graag; het deed haar onaangenaam -aan, en ze keek onder het aanhooren zoo vreemd<span class="corr" id="xd31e3092" title="Bron: .">,</span> alsof men haar dingen meedeelde uit een andere wereld. En ze dankte God, als het -uit was, want ’t hinderde en <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>ergerde haar. Soms als er een slachtoffer was, dat haar medelijden opwekte, kon ze -met groote verontwaardiging uitvallen, en dan sprak haar toorn uit elken trek van -haar goedhartig gezicht; dan had ze de „slechte” hem’s en haar’s wel hoogst eigenhandig -een pak kunnen geven. Doch over het algemeen liet het haar koud en onverschillig. -Wat gingen haar die nare, vieze menschen aan met hun eeuwig geknoei! -</p> -<p>Betsy daarentegen hoorde nooit iets liever. Van al die verhalen genoot zij, en ze -vond het heerlijk, als, zoo ’s morgens, dames te visite kwamen in sarong en kabaja, -die dadelijk allerlei onderwerpen, betrekking hebbend op ’t sexueel verkeer, bespraken; -heel ernstig soms, over bevallingen met al wat daaraan gewoonlijk was verbonden of -onder buitengewone omstandigheden kon verbonden zijn; heel grappig dikwerf, als er -hier of daar ’n nieuw schandaaltje was voorgevallen, of ’n oud schandaaltje weder -eens met een: „Weet je nog wel!” opnieuw kon worden verteld, bijwijze van een zooveelsten -door den auteur opnieuw verbeterden en van fraaie illustratiën voorzienen herdruk! -</p> -<p>Terwijl dit alles zijn gewoon verloop had, bleef Sarinah haar betooveringsmiddelen -aanwenden met volharding en onwankelbaar geloof. -</p> -<p>„Het wordt nu tijd voor het groote middel,” zei ze op een avond tegen Betsy. -</p> -<p>„Zoo! Ik dacht dat je zoon daarvoor zoo’n verre reis moest doen.” -</p> -<p>„De tijd gaat voorbij, nonna merkt het niet. Zij speelt maar met de muis, en ziet -niet hoe de tijd verloopt.” -</p> -<p>„Je zanikt, <span class="ex">nèh</span>! Ik zie het heel goed.” -</p> -<p>„Mijn zoon is al geweest; hij is gisteren teruggekomen.” -</p> -<p>„Nu, dat is vlug!” -</p> -<p>„Hij is er toch geweest.” -</p> -<p>„Ja, ik geloof het wel, maar het is toch heel vlug. Er zijn dingen, die minder vlug -werken.” -</p> -<p>„Ik weet het niet.” -<span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span></p> -<p>„Nu, ouwe, houd je maar niet zoo dom. Wat moest dat geknoei onder dien steen?” -</p> -<p>„Het behoort er bij.” -</p> -<p>„Malligheid, <span class="ex">nèh</span>! Het moest haar uithuizig maken.” -</p> -<p>„Dat zal het.” -</p> -<p>„Ha, ha! Jullie bent toch zoo dom! Uithuizig. Ik heb haar nog nooit zoo hokvast gezien -als tegenwoordig.” -</p> -<p>Sarinah kon het niet geheel ontkennen; ze had echter wel een uitvlucht. -</p> -<p>„Het is zeker nog de tijd niet.…” -</p> -<p>„Het is de tijd wèl! al lang, dat weet jij ook heel goed, <span class="ex">nèh</span>. Als het de tijd niet is, dan wordt het die nooit.” -</p> -<p>„Laat maar. Het komt terecht!” -</p> -<p>„Nu ja!” -</p> -<p>„Is het dan al niet verwonderlijk genoeg? Hoe is hij geworden nadat hij de kwee-kwee -had gegeten? Hoe was hij reeds denzelfden avond!” -</p> -<p>„Ja.… dàt nu wel. Maar op <span class="ex">haar</span> schijnen jou duivelskunsten geen invloed te hebben.” -</p> -<p>„Het zijn geen duivelskunsten. En al waren ze het. Men moet allen vreezen en eeren, -de kwade zoowel als de goede geesten.” -</p> -<p>„Mooi hoor!” -</p> -<p>„Het is <span class="ex" lang="ms">betoel</span>. Waarom zouden wij niet? Een mensch is maar zwak. Hij kan evenmin tegen de kwade -geesten op als tegen de goede. Zij zijn hem toch te machtig! Als hij de goede vraagt -om hem te helpen, waar het noodig is, kan hij het den kwaden ook wel doen.” -</p> -<p>De oude had het snel afgerateld, met een stem alsof ze haar mond vol losse tanden -had. Vermoeid en naar adem happend hield ze op. -</p> -<p>„Jij kletst maar wat,” zei Betsy met minachting. -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah!</span> wij zullen zien!” -</p> -<p>Inwendig was de oude zeer boos. Niet om den verachtenden toon, waarop tegen haar werd -gesproken, dàt was zij zoo gewoon, <span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>en het hinderde haar in ’t geheel niet; maar ze moest erkennen, dat Betsy gelijk had, -en daar kon ze niet tegen. -</p> -<p>Wie aan de werking van de <span class="ex" lang="ms">goena-goena</span> met al wat daartoe behoorde, twijfelde, kwam aan een gevoelige plaats in den beperkten -gedachtenkring der grijze inlandsche vrouw. Zij vroeg ’n kwartier later permissie -om uit te gaan, ofschoon het reeds laat was, en ze liet een kar zoeken om naar haar -zoon te rijden. Met moeite kreeg zij bij den eenigen Chinees, die voertuigen verhuurde, -er nog een. Zij had bijna ruzie met Ketjil. -</p> -<p>„Ik moet er afzonderlijk voor betaald worden,” beweerde hij. -</p> -<p>„Dat is niet waar. Het is onbeschoft mij dat te weigeren. Je hebt er waarlijk genoeg -aan verdiend.” -</p> -<p>„Het is wat!” -</p> -<p>„En ’t kan me niet schelen, maar ik <span class="ex">moet</span> het hebben en je krijgt er geen duit voor.” -</p> -<p>Het scheen dat hij met zijn moeder niet wilde twisten, want brommend en met die overdreven -langzaamheid, waarmede de inlander iets doet, dat hij liever niet deed, haalde Ketjil -een stopfleschje uit een kleine kast, wierp eenige harde korrels en stukjes gelijk -boombast in een steenen potje, en wreef het met een dito stamper tot fijn poeder. -</p> -<p>Meer dan een half uur was hij hiermede bezig; hij had het in vijf minuten kunnen doen, -maar opzettelijk liet hij zijn moeder wachten om haar te plagen, en om haar te dwingen -de kar zooveel tijd langer in gebruik te hebben; daar moest ze dan meer voor betalen. -</p> -<p>Zij wist het wel, maar ze zei niets; steunend en mompelend als altijd zat ze ineengedoken -op een stoel zonder mat, geduldig wachtend. -</p> -<p>„Nu zal er wel gauw verandering komen,” zei ze den volgenden ochtend tegen Betsy, -toen ze haar zeep, handdoek en bad-sarong bracht. -</p> -<p>„Denk je?” -</p> -<p>„Het moet. Ze heeft het al gedronken.” -<span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span></p> -<p>„Wat gedronken?” -</p> -<p>„Ik heb het in haar koffie gedaan.” -</p> -<p>Betsy trok pijnlijk en verschrikt de wenkbrauwen saam, greep Sarinah bij den arm en -schudde haar heen en weer. -</p> -<p>„Wat dan toch, leelijk wijf? Zeg dan toch wàt?”<span id="xd31e3186"></span> -</p> -<p>„Stil! ik heb het gehaald, gisteravond bij mijn zoon.” -</p> -<p>„En moet dat haar uithuizig maken?” -</p> -<p>„Op een andere manier. Zij wil niet gezond er uit, dan moet ze maar ziek.” -</p> -<p>„Het is niet goed van je; ik wil niet, dat zij ziek wordt.” -</p> -<p>„’t Komt er niet op aan.” -</p> -<p>„Dat doet het wel. Als zij ziek wordt en ze moet naar boven.…” -</p> -<p>„Juist goed. Dan blijven we hier.” -</p> -<p>Maar Betsy schudde het hoofd. -</p> -<p>„Dat kan niet, <span class="ex">nèh</span>! Je bent een oude domkop! Neen, dan blijven we niet hier, maar dan gaan we mee.” -</p> -<p>„Waarom?” -</p> -<p>„Omdat het,” ging Betsy zich opwindend voort, „geen <span class="ex" lang="ms">adat</span> bij ons is, stommeling, dat een dame met een heer alleen in hetzelfde huis woont. -Ben je zoo oud geworden, heb je zoo lang onder Europeanen gediend, en weet je dàt -nog niet?” -</p> -<p>Sarinah was er wel ’n beetje mee verlegen, want ook dàt was waar. -</p> -<p>„Het schijnt, dat ik niets goeds meer kan doen,” klaagde zij. „Ik ben maar een arme, -oude vrouw.” -</p> -<p>„Nu, <span class="ex" lang="ms">soedah</span>! ik zeg immers niets. Houd je mond maar. Er is toch niets tegen te doen. Laat het -maar loopen, ja! Er moet van komen, wat wil.” -</p> -<p>Aan tafel zagen haar groote zwarte oogen met belangstelling telkens naar Marie, ’t -Scheen, dat het „goed” niet zoo heel snel werkte, want de kalme vrouw des huizes at, -met den goeden eetlust aan haar gezond gestel eigen, haar gewone portie van alle goede -gaven, en het kwam ook niet des avonds. Integendeel, Marie was opgewekt van geest, -minder slaperig dan anders <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>en ze klaagde nergens over. Eene diepe minachting, nu weer, maakte zich van haar meester, -zoodat die zich teekende in haar trekken. -</p> -<p>„Wat zet je een komiek gezicht,” zei Marie. -</p> -<p>„Komiek? Hoezoo?” -</p> -<p>„Wel je keek daareven net of je een inlander wou beknorren.” -</p> -<p>Betsy kleurde, want het was waar, dat ze bezig was geweest in gedachten Sarinah geducht -de les te lezen. Maar zij lachte en vroeg of men daar dan ’n bijzonder gezicht bij -zette. -</p> -<p>„Ik denk het wel,” antwoordde Marie, „ten minste als jij het doet, zie ik je altijd -op die manier kijken.” -</p> -<p>Misschien door dit gesprek ontging Sarinah het standje haar toegedacht; toch zag ze -wel, dat de <span class="ex">nonna</span> erg boos was en het was dan ook om zich nijdig te maken. Hoe kwam zoo’n Europeesche -vrouw toch aan zulk een krachtig gestel met zooveel weerstandsvermogen. -</p> -<p>Maar den volgenden ochtend verscheen Marie niet zoo vroeg. -</p> -<p>„Ze is niet lekker,” vertelde Bronkhorst aan het ontbijt. -</p> -<p>„Wat scheelt er aan?” -</p> -<p>„Niet iets bepaalds. ’n Gevoel van vermoeienis en loomigheid.” -</p> -<p>Ze spraken er over zonder haast te denken aan Marie en haar ongesteldheid; hun oogen -spraken een geheel andere taal, die zich lezen liet op hun gezichten, als ’n <span class="ex" lang="fr">romance sans paroles</span>. -</p> -<p>Toen hij naar ’t kantoor was, ging Betsy eens informeeren. -</p> -<p>„Ziek?” vroeg ze op den toon der vroolijke deelneming van menschen, die bij een zieke -komen om hem <span class="ex">munter</span> te maken, wat op den patiënt, die het begrijpt, een geheel tegenovergestelden invloed -heeft. -</p> -<p>„Wel neen! Ik weet niet wat ik heb, Bets. Maar ik ben zoo loom in mijn leden, en daarbij -zoo lui, dat het schande is.” -</p> -<p>„Wat koortsig misschien. Wil je limonade?” -</p> -<p>„Och neen! In eten of drinken heb ik geen trek, en slaap heb ik ook niet. Ik weet -het niet, maar het eenige, wat ik zou willen, is den heelen dag hier op den divan -te blijven liggen.” -<span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span></p> -<p>„Welnu, doe het dan. Ik kom straks bij je zitten.” -</p> -<p>„Dat is goed; maar het is eigenlijk schandalig van me zoo lui te wezen.” -</p> -<p>Toen Betsy naar de <span class="ex" lang="ms">goedang</span> ging om „uit te geven”, kwam ze Sarinah tegen. -</p> -<p>„Nah?” vroeg de oude op gerekten toon en met een grijns. -</p> -<p>Maar Betsy trok de wenkbrauwen hoog op en stak de lippen vooruit. -</p> -<p>„Het zou ook wat,” zei ze, wegwerpend. -</p> -<p>„Wij zullen wel zien, <span class="ex" lang="ms">soedahla</span>, wij zullen zien.” -</p> -<p>„Ja, ja, houdt den mond maar; daar komt kokki aan.” -</p> -<p>„O ja!” -</p> -<p>De oude zweeg; ze moest bij zichzelve lachen. Nonna was toch ook soms erg dom! Hoe -kon ze nu op het idée komen, dat kokki er niets van wist? Alsof niet alle bedienden -er alles van wisten, en als uiterst belangstellende toeschouwers niet het heele verloop -met aandacht en in gespannen verwachting volgden! -</p> -<p>’s Avonds kwam Marie weer voor den dag. Het was niet beter en niet slechter. Zij zag -er ’n beetje betrokken uit, met groote kringen om de oogen; maar koorts had ze niet, -en wat men noemt „ziek” was ze evenmin. -</p> -<p>Bronkhorst zag het niet. Welstaanshalve had hij gevraagd of ze beter was, maar in -stilte vond hij het niet onpleizierig, dat ze haar kamer hield, nu de logé’s juist -dien morgen vroeg waren vertrokken. Ze hadden weer hun spelletje gespeeld, hij en -Betsy, en zij had hem voor het eerst zoo liefderijk gereciproceerd, dat hij ’n gevoel -had alsof ’t hem dronken had gemaakt; zóó zelfs, dat Betsy begon te vreezen voor Marie, -die, vond ze, dan toch al aartsdom moest zijn, om niets, in het geheel niets te merken. -En om het af te wenden hield zij aan tafel Marie druk aan den praat, ofschoon ze maar -droomerige antwoorden kreeg. -</p> -<p>Ze zaten nog wat na, aan tafel. Bronkhorst had ’n <span class="corr" id="xd31e3274" title="Bron: havana">havanna</span> <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>opgestoken; de dames genoten haar kopje koffie. Een bediende lei de brieven en couranten -op tafel, die de postlooper gebracht had. -</p> -<p>Terwijl de notaris ze opende, om even door te zien, hield hij plotseling zijn kleine -vouwbeen terug, dat reeds aan het snijden was. -</p> -<p>Aandachtig bekeek hij het adres. -</p> -<p>„Ik had daar haast ’n brief opengemaakt aan <span class="corr" id="xd31e3284" title="Bron: jou">jouw</span> adres”, zei hij tot Marie. -</p> -<p>„’t Zou ook wat zijn!” -</p> -<p>„Neen, maar je weet, ik doe het nooit; het is tegen mijn principes.” -</p> -<p>„Van wie is hij?” -</p> -<p>„Dat weet ik niet; het is een onbekende hand. Ziedaar!” -</p> -<p>En hij reikte haar over tafel de half geopende enveloppe aan. -</p> -<p>Ook voor Betsy was een brief gekomen; een van haar jongere zuster Lidia, die altijd -<span class="ex" lang="ms">oentoeng</span> had, en die indertijd zich zoo onomwonden verklaarde over het uit den weg ruimen -van Den Ekster, dien ze haatte. -</p> -<p>Betsy had haar geschreven, en met de ontembare zucht aan vrouwen eigen om wat ze weten -of doen aan iemand mondeling of schriftelijk mee te deelen, al hielpen zij zich er -door op het schavot—had zij in dien brief genoeg verteld om haar slimme zuster geheel -op de hoogte te brengen. „Ik dacht niet”, schreef Lidia, als altijd openhartig, „dat -je tot zoo iets in staat was, en ik kijk er gek van op, dat jij het over je kunt krijgen. -Mij hielden ze altijd voor kwaadaardig en wraakzuchtig; jij met je geonduleerde haar -tot op je wenkbrauwen, ging thuis door voor een toonbeeld van engelachtige zachtaardigheid. -Nu, ik wil niet zeggen dat ik Jobs geduld heb met anderen, en ook niet dat ik gemakkelijk -vergeef, maar, Betslief, ik zou tot zoo iets niet in staat wezen, waarachtig niet, -en ik geloof jij ook niet, als ge die oude vuilpoets van een Sarinah niet bij je hadt. -Pas op, als ik haar krijg! Maar heusch, Bets, doe dat niet. Als ik een man <span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>had, die me slecht behandelde, zoo waar als God leeft, ik hielp hem naar de andere -wereld, Bets; ik zou het niet kunnen laten. Doch die menschen hebben je niets kwaads -gedaan; ze hebben je integendeel goed en vriendelijk behandeld, Bets; ze zijn lief -voor je en zij is hartelijker voor je geweest, dan ik voor jou ooit zou wezen. Zoolang -ik geen weduwe ben, wil ik jou geen vier en twintig uur over mijn vloer hebben, hoor! -Denk daarom, als je jezelve eens in de klem mocht brengen. Je weet dan bij wie je -niet moet wezen. Foei, Bets, schaam je! En als je die gemeene streek mocht lukken, -dan kijk ik je nooit weer aan, hoor! al kreeg je er zooveel duiten door als ’n millionnair; -dàt wil ik je maar zeggen. Je zuster L.—” -</p> -<p>Betsy glimlachte. Die Lidia was toch altijd even grof. Het speet haar thans, dat ze -zoo onvoorzichtig was geweest. Welk een gemeen antwoord! Dat was nu net zoo iets voor -die nare <span class="ex">non</span>, iemand zoo laag en beleedigend neer te zetten. Zij zou het epistel aan kleine stukjes -scheuren in haar kamer, en die aan Sarinah geven om ze te verbranden. „Ze zijn lief -voor je geweest,” schreef dat malle wicht. O, zoo lief! Zij uit gemakzucht, en hij!.… -</p> -<p>„Je zult me wel excuseeren. Ik ga naar mijn kamer.” -</p> -<p>Was het mevrouw Bronkhorst, die daar sprak? Eenigszins verschrikt keek Betsy op. Ook -Bronkhorst staakte de lectuur van een langen brief over belangrijke zaken. -</p> -<p>„Wat scheelt er aan?” vroeg hij verstrooid. -</p> -<p>„Ik voel me onwel.” -</p> -<p>„Dan zou ik een oogenblik gaan liggen; heb je pijn of voel je je koortsig?” -</p> -<p>Marie gaf geen antwoord. Langzaam ging zij de achtergalerij uit en haar kamer binnen; -Bronkhorst keerde weer tot zijn brief terug. -</p> -<p>Betsy had niets durven vragen. -</p> -<p>Wat het was, had zij begrepen; door geen woord of blik had Marie iets te kennen gegeven; -ze was met een bleek gezicht en <span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span>in zenuwachtigen toestand naar haar kamer gegaan; dat was alles. En toch wist Betsy, -en ze had er op durven zweren, dat er in dien brief, dien Bronkhorst bijna in vergissing -had opengemaakt, iets stond doelende op zijn verhouding tot haar. -</p> -<p>„Wat zou Marie schelen?” vroeg hij toen het stuk over zaken was uitgelezen. -</p> -<p>„Het schijnt, dat die brief haar onlekker heeft gemaakt.” -</p> -<p>Hij fronste de wenkbrauwen. Een onverklaarbaar gevoel van angst bekroop hem, dat ’t -zweet op zijn voorhoofd deed parelen. -</p> -<p>„Waarom denkt je dat? Zij heeft toch niets gezegd.” -</p> -<p>„Volstrekt niet, doch ik heb het opgemerkt, zonder dat ze iets zei. En het verwondert -me niet.” -</p> -<p>„Och kom, <span class="ex">nonsens</span>! Wie wil haar nu.…” -</p> -<p>„Wie? Dat weet ik niet. ’t Gebeurt dikwijls hier in Indië. Er zijn hier veel menschen, -die pleizier hebben in ’t schrijven van ongeteekende brieven.” -</p> -<p>Het verruimde hem. -</p> -<p>„Nu, als het niet anders is dan dat.…” -</p> -<p>Zij keek hem verwonderd aan. -</p> -<p>„Niets anders?” -</p> -<p>„Wel neen! Men slaat toch waarlijk geen geloof aan verachtelijk anoniem geschrijf.” -</p> -<p>’t Was haar duidelijk aan te zien, dat zij het niet met hem eens was. Ook drong de -vraag zich aan haar op of het wel in haar belang was, dat aan het „verachtelijk” geschrijf -geen geloof werd gehecht; zij zag de zaken niet vorderen, en haar verhouding werd -met den dag scheever en moeilijker. Als zij buiten het huis was en hij haar dan bezocht, -kon ze haar doel beter bereiken, nu men eenmaal in het tegenwoordig stadium was gekomen. -</p> -<p>„Er zal altijd iets van bij haar achterblijven. Als ik doen kon wat ik wilde.…” -</p> -<p>„Wat dan?” -<span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span></p> -<p>„Dan ging ik,” zei ze met goed gehuichelde tranen in haar stem, „van avond nog heen. -Ik zie alles aankomen.” -</p> -<p>Brusque stond hij op, zijn stoel met een zenuwachtigen ruk terugschuivend. -</p> -<p>„Het zal niet gebeuren!” riep hij heftig. „En nu wil ik ook weten, wat er van is.” -</p> -<p>Bronkhorst deed ’n paar schreden naar de kamer zijner vrouw. -</p> -<p>„Het zou te dwaas zijn,” zei hij, terugkeerend. „Vooreerst is het maar een vooronderstelling -van je, en ten tweede zou zij met recht vragen, hoe ik er achter was gekomen.” -</p> -<p>De redeneering was wel juist, maar stelde Betsy toch teleur; als vrouw stelde zij -temperament meer op prijs dan logica. Zij zag in zijn terugtreden alleen het bewijs, -dat hij bang was voor zijn vrouw, en dat tergde haar. Als zij eens haar doel bereikte, -hoe zou zij hem drillen onder haar slofjes! -</p> -<p>„<span class="ex">Ik</span> zal eens gaan zien wat haar scheelt,” antwoordde Betsy, en met koel en onbeweeglijk -gezicht ging ze de kamer binnen. -</p> -<p>Marie sloot juist den brief in haar lessenaartje. Zij zag zeer bleek. Zij was reeds -onlekker en vermoeid geweest den heelen dag; thans wist ze niet goed wat ze deed. -De schrik door den brief teweeggebracht, had haar hersenzenuwen als het ware verlamd; -ze kon niet geregeld denken en ze wist niet goed, wat ze zeide of deed; het dwarrelde -haar nog op de onmogelijkste wijze door het hoofd en sloeg haar met een gedruktheid, -die haar in de allereerste plaats deed verlangen naar rust en vrede, om geregeld te -kunnen nadenken. -</p> -<p>„Mevrouw!” zoo luidde de brief. „Gij wordt gewaarschuwd. Gij hebt een slang aan uw -borst gekoesterd. Uw huis vol van knoeien. Die jonge weduwe altijd maar knoeien en -gekonkel met uw man. Gij ontvangt snoode ondankbaarheid voor uw weldaden! N. N.”— -</p> -<p>De aanwijzing, hoe krom ook geschreven en aangevuld met boeken-frasen, was duidelijk -genoeg. Als Marie een jaloersche <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>vrouw was geweest, zou ze, uit den aard der zaak iedereen verdenkend, die aanwijzing -in direct verband hebben beschouwd met haar eigen stillen achterdocht; zij had in -haar geest zonder verwijl het <span class="ex" lang="fr">flagrant délit</span> opgebouwd, en was spoedig tot een besluit gekomen. -</p> -<p>Maar het viel haar zoo onverwacht op het lijf, als een donderslag bij zonneschijn. -Zij vertrouwde iedereen, zooals men zichzelve kon vertrouwen, en ze moest voor zulk -een beschuldiging eerst plaats maken in haar gedachtenloop. Zoolang ze getrouwd was, -had zij een stilzwijgend en overmoedig geloof gehecht aan de onverbreekbaarheid van -haar huwelijksgeluk, zonder dat zij die groote fout ooit had ingezien, evenmin als -het haar ooit in het hoofd was gekomen, dat <span class="ex">haar</span> man te kort zou schieten in huwelijkstrouw, zoo min in heel, half of kwart platonischen, -als in vulgairen zin. En dat onbegrensd vertrouwen, die groote gerustheid, hadden -haar ook sedert haar trouwdag, althans na de wittebroodsweken, doen afzien van elke -poging om hem in haar persoon of door haar gezelschap te behagen. Zij had, naar eerzaam -Hollandsch gebruik, zich gewijd aan de kinderen en de keuken; op dat terrein, dacht -zij, lag uitsluitend haar werkkring; dáárin zocht ze haar trots. En zij hield wel -heel veel van Jean en zorgde goed voor zijn maag en zijn garderobe, maar behalve op -enkele momenten, dus in het jarenlang verder verloop van het dagelijksch leven, beschouwde -zij hem als niets anders, dan den medezorg voor het huishouden, den compagnon in de -vennootschap Bronkhorst & Co.—Als zij zich kleedde, dan was dat nooit voor <span class="ex">hem</span>. ’s Morgens als er dames visite kwam, deed zij haar kapsel, trok ’n mooie kabaja -aan en ’n duren gebatikten sarong. Voor hem was ’t eenvoudigste lapje wit katoen, -hoogstens met „’n puntje” en de flodderigste print mooi genoeg. Hij was immers maar -haar man! Zij deed het niet met eenig boos opzet. ’t Was haar Hollandsche traditie; -’t was zooals haar ouders en grootouders hadden gedaan, die met roode baaien broeken -en borstrokken en in blauw wollen rokken, met slaap- en klapmutsen <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>getooid in overweldigende eerzaamheid schuil gingen onder de wollen dekens. -</p> -<p>Hij, Bronkhorst, had dat nooit opgemerkt, en vanzelf de huishoudelijke gewoonten volgend, -had hij die aangenomen en zich er aan onderworpen, als iets dat zoo is en zoo behoort. -Het een tonig leven was zeer snel voor hem voorbijgegaan, in zijn trouwen „ten principale” -afgewisseld door ’n paar malen de geboorte van een kind, en door de zorgen voor zijn -aangroeiende fortuin. Het had hem nooit gehinderd, dat Marie zich betrekkelijk zoo -weinig scheen te bekommeren over zijn opinie, wat haar vrouwelijk schoon betrof. Zij -waren g. e. t. r. o. u. w. d.; elk hunner zat aan een eind van het kettinkje, had -daar vrede mee en achtte er zich gelukkig door. -</p> -<p>Tot er een vrouw kwam, die „werk” van hem maakte. -</p> -<p>Toen stond hij op het punt „er in” te loopen; zijn opgewekte geest trok aan het kettinkje; -die vrouw sloeg uit den vuursteen der behaagzucht vonken, die hem herinnerden aan -zijn celibatairstijd, toen de veelbelovende jonge notaris nog tot het edele wild behoorde -in den <span class="ex" lang="fr">chasse à l’homme</span>; toen lieve blikken en vriendelijke glimlachjes hem van alle kanten ten deel vielen, -en menig keurig toiletje het groot tenue was ter zijner eere gedragen. -</p> -<p>Maar zóó definiëerden zij niet; hij, Jean, niet, terwijl hij Betsy in stilte het hof -maakte; zij, Marie, niet, toen ze moreel verpletterd was door dat briefje. -</p> -<p>„Scheelt u iets?” vroeg Betsy met warme belangstelling in den toon harer stem. „Ik -kom eens zien of ik u ergens mee helpen kan.” -</p> -<p>Marie aarzelde een oogenblik. -</p> -<p>„Dank je,” antwoordde zij kortaf. -</p> -<p>„Ik ben ook niet erg lekker; ik ga ook vroeg naar bed. Heb je niets meer noodig?” -</p> -<p>„Neen,” klonk het als een diepe zucht. -</p> -<p>Zij, Marie, wist niet hoe zich te houden. Kon het waar zijn, dat iemand zóó slecht -was, zóó door en door huichelachtig en gemeen? ’t Was, meende zij, een onmogelijkheid, -en, strijdend tegen den <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>indruk door den brief teweeggebracht, had zij Betsy aangehoord en geantwoord. Maar -het geheel van zich zetten <span class="ex">kon</span> ze niet. Door de loomheid in haar leden, als gevolg van Sarinah’s poeiertjes, bleef -zij niet zitten, maar ging op een divan liggen, met haar gezicht naar den muur en -haar oogen dicht. Was het waar, was het niet waar? Zij trachtte een zuiver beeld te -ontwerpen van de wederzijdsche verhouding in huis: zeker, Jean was altijd bijzonder -lief en vriendelijk tegen Betsy. Zij bracht zich enkele uitdrukkingen te binnen; zij -herinnerde zich zijn grooten ijver om de jonge weduwe te helpen bij het musiceeren. -Maar wat was dat, wat beteekende het? Het was volstrekt niets. Wie weet, daarentegen, -welk een gemeen schepsel die schrijfster was van dien ongeteekenden brief, want geen -oogenblik kwam het denkbeeld bij haar op, dat die van ’n man kon zijn. Wie weet of -hier niet uitsluitend haat en lage afgunst in het spel waren, en zijzelve niet heel -slecht deed aan dat vod zooveel gewicht te hechten. Men had zulke ellendige wezens, -dat had zij meer gehoord, die er vermaak in schepten door gemeene anonieme brieven -huisgezinnen ongelukkig te maken en familieleden en vrienden tegen elkaar op te zetten. -En wat zou het zijn, als zij eens onder zulk een invloed raakte, en nu voortaan haar -man en Betsy bespiedde, met wantrouwen gadesloeg, en zelfs verdacht, waar niets, wellicht, -te verdenken viel. -</p> -<p>Maar zou ze hen <span class="ex">kunnen</span> vertrouwen? ’t Was pijnlijk, maar ze voelde dat ze daartoe niet in staat was. Hoe -haar verstand zich ook verzette; hoe laag ze ook neerzag op dien smerigen brief en -op haar, die hem had geschreven,—het was en bleef zonneklaar, dat haar grenzenloos -vertrouwen weg was. En, o! als het eens waar mocht wezen, dat die vrouw wilde treden -in <span class="ex">haar</span> rechten; haar verdringen wilde uit het hart van <span class="ex">haar</span> man; haar tot een voetveeg wilde maken in <span class="ex">haar</span> huis,—dan zou er toch nog veel moeten gebeuren! In het volle gevoel van de kracht -harer smettelooze kuischheid en trouw, achtte zij zich sterk om tegen „het kwade” -te strijden, als het noodig was; <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>een voor haar heiligen strijd om haar man en <span class="ex">voor</span> zichzelve en haar kindertjes. Het bloed steeg naar haar bleeke wangen, haar oogen -glinsterden in ’t halfduister en krampachtig sloten zich de handen tot vuisten. Neen, -zóó gemakkelijk zou het niet gaan! Zoo licht zou het niet vallen haar te onttronen! -Hij had haar niet gevonden op de straat, en als zoodanig zou ze zich niet laten behandelen. -Zooals ze haar plichten had vervuld, zou ze staan op haar rechten. Wie het wagen durfde -haar de liefde te rooven.…. Ze schudde van opgewonden toorn, dat de divan kraakte. -</p> -<p>Doch plotseling, toen ze aan Jean dacht, bedaarde dat. Hoe was het toch bestaanbaar? -Zoo menig gelukkig jaar hadden ze samen doorleefd, rustig en heerlijk. Het ging haar -alles in den geest voorbij; hoe ze hem in Holland had leeren kennen; hoe ze hem lief -had gekregen om zijn persoon; welk een heerlijken engagementstijd ze hadden doorgebracht; -hoe vol van het zoetst genot hun huwelijksreisje was geweest, en hoe tevreden, gelukkig -en voorspoedig ze al die jaren samen hadden doorleefd! En nu zou misschien dat alles -uit zijn! Hij zou zijn heil zoeken bij een andere vrouw, en haar verwaarloozen en -veronachtzamen; hun vredig huisgezin zou een hel worden van nijd en tweedracht; zij -zouden altijd ontevreden zijn, elkaar misschien leeren haten, in elk geval van elkaar -vervreemden.… En daarvoor had zij nu zooveel jaren met zooveel liefde haar plichten -vervuld; daarvoor had ze alles geschonken wat ze had, nooit aarzelend, zelfs niet -als te schenken een opoffering was.… -</p> -<p>Het diep bedroevende van zulk een toestand greep haar aan en werkte op haar zenuwen. -Zij stond snel op, toen zij den stap van haar man hoorde, die naderbijkwam, en ging -te bed, haar gezicht begravend in de kussens; hij mocht niet zien, dat ze weende! -</p> -<p>Haastig was Betsy, toen ze de kamer verliet, naar achter geloopen. Zij had nu volkomen -zekerheid, wat den inhoud van den brief aanging. Bronkhorst was niet meer in de galerij. -Zij <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>liep de trap af en om ’t huis heen naar voren, waar ze hem ontwaarde in de donkere -zijgalerij, die naar het kantoor voerde; ze zag het aan zijn witte kleeding, want -het was erg duister. -</p> -<p>„Wel?” vroeg hij. -</p> -<p>Zij gaf geen antwoord, maar voor de eerste maal sloeg zij haar armen om zijn hals -en kuste hem herhaaldelijk met groote onstuimigheid; doch toen hij, in vervoering, -het haar begon na te doen, rukte zij zich los en liep weg. -</p> -<p>In haar kamer deed ze de deur op slot. Ziezoo! Ze had nu haar schepen verbrand! Ze -was nu tegenover hem ver genoeg gegaan. Men was nu alle drie vrijwel op een goede -hoogte. Het had door dien brief een beetje sneller verloop moeten hebben, dan ze gedacht -had; maar de kogel was toch vrijwel door de kerk. Nu <span class="ex">moest</span> ze weg, en dat was maar goed ook; als Marie den brief soms niet geloofde, den volgenden -dag, dan zou zij haar wel laten zien, dat er niets in had gestaan, dan de waarheid. -Er moest nu maar hoe eer hoe beter gehandeld worden. Al dat geleuter gaf toch niets. -</p> -<p>Bronkhorst hoorde haar de deur sluiten, want onwillekeurig was hij haar nageloopen. -Toen zij geen verder bewijs van leven meer gaf, ging hij naar de slaapkamer. Het scheen -dat Marie sliep, maar toen hij zich stil en voorzichtig uitkleedde, meende hij een -verdachte beweging met een zakdoek te zien achter de klamboe. Nu veinsde hij nog veel -meer, te denken dat ze sliep; sloop op de teenen door de kamer en stapte uiterst voorzichtig -over haar heen, zich langzaam uitstrekkende langs de achtergrens van het ledikant. -En toen hij lag, glimlachte hij tegen de klamboe en deed zijn oogen dicht.… -</p> -<p>Zij sliep haast niet dien nacht, hoe krachtig anders de natuur in dit opzicht haar -rechten deed gelden. Het denkbeeld kwam altijd terug in allerlei vormen; het herhaalde -zich onder de meest uiteenloopende gezichtspunten; en daarmede wisselden haar gevoelens. -Wel vijf en twintig keeren was het toorn en verontwaardiging, volslagen ongeloof met -zelfverwijt, of diepe droefheid. -<span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span></p> -<p>En des ochtends stond haar besluit nog niet vast. -</p> -<p>Bronkhorst zelf had ook slecht geslapen. Des morgens deed hij als wist hij van niets -en als was hij zich nergens van bewust. -</p> -<p>„Ik heb een naren nacht gehad,” zei hij geeuwend. -</p> -<p>„Ik ook.” -</p> -<p>Hij zag haar aan en schrikte er van. Zij zag er ziek en lijdend uit. -</p> -<p>„Je bent erg onlekker, dat is zeker. Ik raad je ernstig aan te bed te blijven.” -</p> -<p>„Volstrekt niet.” -</p> -<p>„En een leitje te schrijven aan den dokter. Ik zal.…” -</p> -<p>„Het is niet noodig.” -</p> -<p>Zij had een andere kabaja aangetrokken en verliet de kamer. Het was haar niet mogelijk -geweest vriendelijk tegen hem te zijn; het stuitte haar tegen de borst, hoewel ze -weer haar uiterste best deed om alle geloof aan den inhoud van den brief weg te werpen. -</p> -<p>In de achtergalerij, waar het in den vroegen ochtend en bij de bewolkte lucht nog -slechts half dag was, zag ze Betsy aan het koffie-zetten. -</p> -<p>„Goeden morgen,” klonk het haar tegemoet met de vriendelijkste stemmodulatie. -</p> -<p>„Goeden morgen,” bracht Marie er met moeite uit. Wat het haar kostte bedaard tegen -dat schepsel te spreken! Ze had haar wel kunnen vernielen. -</p> -<p>„Weer heelemaal beter?” -</p> -<p>„Ja.… Zoowat.…” -</p> -<p>„Komaan, dat is gelukkig. Ik heb hier ’n overheerlijken kop koffie voor je. Dat zal -je heelemaal opknappen.” -</p> -<p>Met bevende hand nam Marie den kop aan en ging zitten. Neen, dàt hield ze toch voor -onmogelijk. Zulk een créatuur <span class="ex">kon</span> Betsy niet wezen, dat vond ze bovenmenschelijk. Die brief <span class="ex">moest</span> een gemeene leugen wezen, en zijzelve was schuldig <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>omdat ze Betsy en haar man verdacht. Ze zou en ze moest zich er tegen verzetten. -</p> -<p>„De koffie is overheerlijk,” zei ze vriendelijk. -</p> -<p>„Nietwaar?” vroeg Betsy terug, verbaasd en ontstemd over deze onverwachte en door -haar niet gewenschte frontverandering. -</p> -<p>„Het scheelt, hoe men ook doet, den eenen dag toch altijd bij den anderen.” -</p> -<p>„Dat komt,” zei Bronkhorst, die blij was, toen hij, achter komend, haar beiden gemoedelijk -pratende vond, „omdat de dames geen wetenschappelijken zin hebben; ze doen alles zoo -maar op den gis; haar maat is er geen, waarop men kan vertrouwen.” -</p> -<p>„Het komt hier anders zelden voor, dat iets mislukt,” zei Marie. -</p> -<p>„Zeker! O, wat dat aangaat, heb je er uitmuntend den slag van alles overheerlijk te -doen klaar maken. Dàt bedoel ik niet.” -</p> -<p>Onwillekeurig ontsnapte haar een zucht bij zijn lof. Maar die stemde haar toch beter, -dan eerst, en toen men aan de ontbijttafel ging, was de algemeene conversatietoon -bijna tot het normaal diapason teruggebracht. Alleen zag zij nog erg bleek en vermoeid -er uit. Maar niemand zinspeelde daar meer op. Zelfs Betsy miste op dat oogenblik den -moed om er op terug te komen, Bronkhorst sprak buitengewoon veel, en zocht, tot woede -van Betsy, bijna uit instinctmatige aandrift een drukke conversatie met Marie aan -te houden, waarbij hij met opzet vermeed naar Betsy te zien, en zich ook zorgvuldig -van telegraphische voetgemeenschap onthield. -</p> -<p>Juist stond hij op om naar het kantoor te gaan, toen een jongen een brief binnenbracht. -Het was er weer een aan het adres van zijn vrouw. Als hij het had kunnen doen, zou -hij den brief hebben achtergehouden, maar het ging niet, want de bediende had hardop -gezegd: <span class="ex" lang="ms">boeat njonja</span>. Nu moest hij haar den brief wel geven, maar hij bekeek toch even het adres. Dit -was van een andere hand dan dat van den vorigen avond. -<span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span></p> -<p>„Je hebt, naar het schijnt, drukke correspondentie. Adieu, tot van middag.” -</p> -<p>Met een armzwaai groette hij beide dames, waarop hij naar zijn kantoor ging. -</p> -<blockquote> -<p class="first salute">„Mevrouw! -</p> -<p>Iemand, die het goed met u meent, waarschuwt u in allen ernst voor een geval, dat -zich in uw huis voordoet en waarvan gij ongetwijfeld schande en verdriet zult beleven. -Uw man en die weduwe Den Ekster, die als bonne of juffrouw bij u inwoont, zijn het -samen eens. Iedereen weet het al, maar u schijnt er onkundig van te zijn. Vraag het -uw eigen bedienden, en gij zult er meer van hooren. -</p> -<p class="signed">Een vriend.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Daar was het weer! Welnu, er moest iets gedaan worden, dat gevoelde en begreep zij. -Handelend moest ze optreden. Er viel niet te talmen, na te denken en te redeneeren. -Het was misschien verkeerd, maar zij zou althans informeeren bij de bedienden. -</p> -<p>Doch de naaister, haar baboe en haar kokkin verklaarden niets te weten en hoe het -kwam wist ze niet, maar het was alsof juist die beweerde onbekendheid en de gezichten -die deze menschen trokken, haar wantrouwen deden toenemen in plaats van verminderen. -</p> -<p>Zij was nu nog even wijs, en zat voor haar kamer met de hand onder het hoofd. Onuitstaanbaar! -</p> -<p>Na eenigen tijd liet ze Betsy verzoeken bij haar te komen. -</p> -<p>„Wat is er?” klonk het weer vroolijk en vriendelijk. -</p> -<p>Zwijgend wees Marie op de beide brieven. -</p> -<p>„Moet ik die brieven lezen? Ja? Wel, met genoegen.” -</p> -<p>Zonder overhaasting las zij ze allebei. Marie sloeg haar angstig gade, maar het effen -gezicht onderging geen verandering. -</p> -<p>„Het is mooi,” zei ze met een valschen lach. „En dat beduidt?” -<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p> -<p>Thans had mevrouw Bronkhorst een overtuiging, al was het geen zekerheid. -</p> -<p>„Moet <span class="ex">ik</span> zeggen, wat het beduidt?” -</p> -<p>„U of een ander. <span class="ex">Ik</span> weet zeker niet, wie de hand heeft in zulke dingen.” -</p> -<p>„Wie er de hand in heeft?” -</p> -<p>„Natuurlijk. <span class="ex">Ik</span> denk niet, dat iemand gemeen genoeg kan zijn om zulke brieven te schrijven voor zijn -pleizier. -</p> -<p>„Of uit drang om te waarschuwen.” -</p> -<p>„Komaan! Ha, ha, Wil ik u wat zeggen: die brieven komen allebei uit denzelfden koker -en daar kan alleen iemand achterzitten, die mij haat, of die.… jaloersch is en wie -ik hier te veel ben.” -</p> -<p>Een oogenblik was Marie verbluft over zooveel brutaliteit, en met haar heldere blauwe -oogen staarde zij Betsy zoo onbeweeglijk aan, dat deze het tot haar woede en schaamte -niet kon uithouden en genoodzaakt was den blik af te wenden. Toen mevrouw Bronkhorst -als het ware tot zichzelve kwam, stond ze op: zij zag er op dat oogenblik allesbehalve -„gemakkelijk” uit, en voor het eerst bekroop Betsy een gevoel van vrees, want het -werd haar duidelijk, dat zij verkeerd had gedaan in haar geringschatting dezer schijnbaar -alleen huiselijke en huishoudelijke persoonlijkheid. Er volgde geen standje, geen -groot rumoer of heftig tooneel. -</p> -<p>„Ik weet nu, wat ik wenschte te weten. De rest zult u wel begrijpen.” -</p> -<p>Het werd gezegd op een toon en met een gelaatsuitdrukking zoo vol verachting, dat -Betsy er van trilde. -</p> -<p>„Als u soms dacht, dat ik na dit gesprek en na de schandelijke verdenking en verdachtmaking, -waaraan ik bloot sta, verlangde hier te blijven, dan hebt u het mis. Ik ga vandaag -nog heen, al moest ik,”—er volgde een ontroering, die op zichzelve wel gemeend was, -maar die, voortspruitend uit woede, voor verontwaardiging moest doorgaan—„al moest -ik werken in de kampong voor een bordje rijst”. -<span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span></p> -<p>Doch Marie was geen dupe. Haar vertrouwen ging zeer ver; zij had een optimistisch -geloof in de braafheid van haar omgeving, maar als zich een grond voor wantrouwen -aan haar opdrong, dan was zij onverbiddelijk. En dat was gebeurd. De houding van Betsy, -haar gelaat toen ze die brieven las, haar eerste uitdrukkingen en de wijze, waarop -ze toen sprak, dat alles had Marie, zonder dat ze had kunnen uitleggen hoe het kwam, -eene moreele convictie geschonken, onwankelbaarder dan een door bewijzen gestaafd. -</p> -<p>Zij keerde zich om en draaide Betsy den rug toe, wat deze buiten zichzelve bracht -en de kamer deed ontvluchten, terwijl ze de deur met een slag achter zich dicht wierp. -</p> -<p>„Waarom maakt nonna zichzelve ziek?” vroeg Sarinah. -</p> -<p>„Och … stik!” barstte Betsy los in toomelooze woede. -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Masa!</span>” lachte de oude. „Dacht nonna dan, dat er geen standjes zouden komen? De vliegen -zouden vechten er over, en de menschen dan!” -</p> -<p>„Te erg, <span class="ex">nèh</span>! Ik had haar kunnen vermoorden.” -</p> -<p>„Waarom? Als zij leeft is het erger voor haar.” -</p> -<p>„Nu ja … dat is nog altijd de vraag.” -</p> -<p>„Nog niet gelooven! Zij is sterk, dat is waar. Ik heb haar nu al tweemaal wat gegeven -en ze ziet enkel maar ’n beetje bleek.<span class="corr" id="xd31e3538" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Vandaag krijgt ze nog wat.” -</p> -<p>„Als ze ’t hebben wil.” -</p> -<p>„Zeker wel. Zij weet niets. Zij heeft de baboe, en de kokkin, en de djaid gevraagd. -Die durven niet. O, als ze durfden, ik zou haar wel krijgen!” -</p> -<p>„En hij?” -</p> -<p>„Hij heeft van ochtend nog gehad in zijn koffie. Ik heb hem gezien. Hij wordt goed. -Hij zit met de oogen open voor zijn schrijftafel en hij werkt niet, en hij ziet niet.” -</p> -<p>„Hoe weet je dat?” -</p> -<p>„Van den djoeroetoelis.” -</p> -<p>„Zoo.… en, gebeurt dat dikwijls?” -<span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span></p> -<p>„Nog niet zoo heel dikwijls, maar dat komt wel. Dan, als hij zoo zit, denkt hij aan -nonna en ziet haar.” -</p> -<p>„Je weet, <span class="ex">nèh</span>! van de brieven.” -</p> -<p>„Brieven? Neen, ik weet van geen brieven.” -</p> -<p>„Zij heeft brieven gekregen, waarin haar wordt verteld dat meneer op mij verliefd -is.” -</p> -<p>„Zoo’n dom schepsel! Ik dacht dat zijzelve het had gezien. Moest ze daarvoor nog brieven -krijgen?” -</p> -<p>„Je begrijpt, dat wij weggaan.” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Adoe!</span> Toch niet gauw?” -</p> -<p>„Vandaag nog.” -</p> -<p>„Het kan niet, nonna. <span class="ex" lang="ms">Soengoe mati</span>, het kan niet! Dan is alles weg!” -</p> -<p>„Ben je gek? Waarom? Het moet!” -</p> -<p>„Ik zeg het kan niet. Doe wat u wilt, maar zorg, dat we nog ’n paar dagen blijven; -ik ben niet klaar.” -</p> -<p>Betsy zuchtte. Dàt was nu weer een inconveniënt! -</p> -<p>„Het is onmogelijk, <span class="ex">nèh</span>; ik heb het al tegen haar gezegd!” -</p> -<p>„Spreek er dan met mijnheer over. Ga naar hem toe. Hij is op ’t kantoor, Nonna moet -pinter wezen, ja! <span class="ex">Allah!</span> het zou zoo jammer zijn.” -</p> -<p>Betsy twijfelde geen oogenblik aan de waarheid der woorden van Sarinah. Zij kende -haar, en wist dat het der oude ditmaal volkomen ernst was, en zij ten volste overtuigd -was, dat alles zou mislukken als er niet een dag of wat tijd viel te winnen. Het was -trouwens zoo moeilijk niet, en de meid met een paar woorden geruststellend, ging zij -de overdekte galerij door, die naar het kantoor leidde. -</p> -<p><span class="corr" id="xd31e3588" title="Niet in bron">„</span>Wat is het?” vroeg Bronkhorst bezorgd, terwijl hij haar tegemoet kwam. -</p> -<p>„Daar komt niets van!” riep hij opstuivend, toen ze op haar manier verteld had, wat -er was voorgevallen. -</p> -<p>„Het moet,” antwoordde ze met een droevig lachje haar hand op zijn arm leggend en -hem aanziend met tranen in de oogen: <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>„Er is niets aan te doen, en ten slotte is het beter ook. Het eenige is, dat het nu -een triomf zal zijn voor onze vijanden. Als het slechts acht dagen ware uit te stellen.… -Maar ik zie niet in op welke manier.” -</p> -<p>Bronkhorst keek met een donker gezicht naar beneden. Hij had zich vast voorgenomen -haar te beschermen, en hij zou haar niet in de steek laten. Maar een scène met zijn -vrouw lachte hem volstrekt niet toe, te minder nu hij begreep, dat die onvermijdelijk -werd. -</p> -<p>„Het zal niet gebeuren<span class="corr" id="xd31e3599" title="Bron: ”,">,”</span> zei hij na een oogenblik. „Ik zal zelf voor ’n dag of wat uit de stad gaan.” -</p> -<p>„Och!.… Blijf maar liever in je huis, Jean! Het is voor mij wel heel droevig, maar -er zal zich nog wel iemand voordoen om me te beschermen.” -</p> -<p>Hij kreeg een woesten aanval van jaloezie. -</p> -<p>„Er behoeft zich niemand voor te doen om je te beschermen zoolang ik er ben. We zullen -er dadelijk een eind aan maken. Wacht hier maar even.” -</p> -<p>Driftig stond hij op en liep naar huis; vóór hij er kwam, was zijn woede al aanmerkelijk -gedaald; toen hij in de kamer van Marie kwam, was ze verdwenen. -</p> -<p>„Wat zijn dat toch voor fraaiigheden?” vroeg hij op z’n notaris-toon. -</p> -<p>Er volgde geen antwoord. Marie was bezig de handen, die ze had gewasschen, af te drogen, -en zij deed dat met groote nauwkeurigheid, zonder hem aan te zien. -</p> -<p>„Ik bedoel,” ging hij voort, toen ze hem zoo minachtend behandelde, „de lasterlijke -anonieme brieven, die je in de laatste dagen moet ontvangen hebben!” -</p> -<p>Zij nam ze van haar toilet en wierp ze op de tafel. -</p> -<p>„Asjeblieft!” -</p> -<p>’t Klonk zeer onaangenaam, en zoo weinig was hij gewoon op die manier behandeld te -worden, dat het hem neerdrukte. -</p> -<p>„’t Is was moois,” zei hij op zijn beurt de brieven op tafel <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>werpend, nadat hij ze had gelezen, „’t Is wat moois! En jij gelooft daaraan?” -</p> -<p>Zij keek hem onverschrokken in het gezicht met dienzelfden vasten blik, die Betsy -de oogen had doen neerslaan. -</p> -<p>„Ja”, <span class="corr" id="xd31e3620" title="Bron: anwoordde">antwoordde</span> ze. -</p> -<p>Er viel niet tegen te redeneeren, en een oogenblik wist hij niet welken kant uit te -gaan; toen koos hij zijn partij. -</p> -<p>„Ik zie wel,” zei hij met een gemaakt lachje, „dat je geheel door die gemeene epistels -wordt beheerscht. Het is treurig.” -</p> -<p>„Je eigen gedrag is treurig; neen, het is erger, ’t is schandelijk.” -</p> -<p>„Ik zal op zulke aantijgingen niet antwoorden; het leidt tot niets. Je wilt mevrouw -Den Ekster weg hebben,—welnu, zij zal vertrekken, dat is duidelijk. <span class="ex">Ik</span> zal haar niet terughouden.” -</p> -<p>Het scheen haar een straal van hoop, dat hij ’t vertrek van Betsy zoo gemoedelijk -opnam. Zij keek op naar zijn gezicht, maar dat stond op storm en onweer, zoodat het -haar op de lippen zwevend verzoenend woord terugbleef. Als het toch eens niet waar -was! had ze gedacht; maar dat dacht ze nu niet meer. -</p> -<p>„Het eenige”, ging hij voort, „wat ik te vragen heb, is geen schandaal te maken, dat -mijn goeden naam kan schaden.” -</p> -<p>„<span class="ex">Ik</span> ben het zeker, die daar schade aan toebrengt!” -</p> -<p>„Als mevrouw Den Ekster het huis verlaat, zoo dadelijk na de ontvangst van die brieven -hier, zal daar veel over gepraat worden. Het zal worden rondgebazuind.” -</p> -<p>„En wiens schuld is dat?” -</p> -<p>„Dáárover zullen we later wel eens spreken, want ik zie, dat je nu niet vatbaar bent -om aan te hooren. Nog eens: het eenige, wat ik nu vraag is, geen schandaal te maken.” -</p> -<p>„Komaan,” zei ze met bleeke lippen, „en dat wordt mij gevraagd door jou! Mij, die -mijn geheele leven niets deed, waarover ik me behoefde te schamen. Maar het is goed, -zeg maar eerst wat je wilt; ik zal dan zien of het me conveniëert.” -<span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span></p> -<p>„Het is, versta me wel, uitgemaakt, dat ze het huis verlaat, doch laat dat niet zijn -op staanden voet. Als er een week overheen gaat, heeft het een betere houding. Ik -zal zoolang uit de stad gaan.” -</p> -<p>„En <span class="ex">ik</span> zal met dat gemeene schepsel onder één dak wonen, nog een week lang!” -</p> -<p>„Marie, dwing me niet tot uitersten. Ik heb je gezegd, wat de reden is. Voor <span class="ex">mijn</span> genoegen is het niet, en voor het <span class="ex">hare</span> evenmin, want ik zal haar moeten verzoeken.…” -</p> -<p>„Há, há! Je zult haar moeten verzoeken, mij de gunst te bewijzen nog een week lang -haar valsch gezicht te zien.” -</p> -<p>„Ik herhaal,” zei hij met een zucht, „dat ik me niet aan een wederlegging waag van -je qualificaties; nu althans niet; maar het is toch zoo; ik zal mevrouw Den Ekster -moeten <span class="ex">verzoeken</span> hier te blijven. Ik verzoek je: maak nu asjeblieft geen bezwaren, want als het noodig -was, dan.…” -</p> -<p>„Dan?” -</p> -<p>Ze stonden tegenover elkaar bleek en met stille woede op het gezicht. Nog nooit hadden -ze zóó gestaan. -</p> -<p>Hij sprak het woord niet uit. -</p> -<p>„’t Is goed,” zei ze met bevende stem, „de slet kan voor mijn part hier blijven. Maar -geen dag langer, dan tot je terugkomst. En laat ik haar zoo weinig mogelijk te zien -krijgen!” -</p> -<p>Zonder een woord van tegenspraak verliet hij de kamer. Het naastbijliggend doel was -bereikt. -</p> -<p>„Ik heb het in orde gemaakt,” zei hij glimlachend tegen Betsy, toen hij op ’t kantoor -terugkwam; „je blijft nog acht dagen hier. Vandaag vertrek ik, en hier”, vervolgde -hij met ’n potlood een papiertje beschrijvend, „is mijn adres. Laat nu verder <span class="ex">alles</span> maar aan mij over. Ik zal voor alles zorgen, en dan ga je de volgende week in je -eigen huisje”. -</p> -<p>Zij glimlachte hem veelbelovend toe. Het was een groote geruststelling. Niet, dat -zij een weigering vreesde, als zij hem om hulp vroeg; maar dat deed ze liever niet; -ze vond het wèl zoo <span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>aangenaam, dat hij uit zichzelven had aangeboden haar financiëel te helpen. Overigens -besloot ze die week in haar gewone rol te blijven, en tegenover Marie zooveel mogelijk -te doen, alsof er niets was gebeurd. -</p> -<p>Hij had haast om weg te komen. Als altijd pakte Marie zijn koffer. Zij had geen oogenblik -geaarzeld. Het mocht wezen gelijk het was, worden zooals ’t zijn zou—<span class="ex">zij</span> zou haar gewonen plicht doen zoolang zij onder één dak met hem woonde, als zijn wettige -vrouw, en zij zou ook alles doen, dàt nam zij zich ernstig voor, om zijn goeden naam -te sauveeren; het was immers ook de naam harer kinderen! Maar bij zichzelve en met -trage hand zijn overhemden om en om rangschikkend in den leeren koffer, dacht ze er -toch aan hoe machteloos een vrouw is in zulke omstandigheden. Het <span class="ex">was</span> vroeger nooit bij haar opgekomen, ’t idée dat Jean een andere vrouw zou verkiezen -boven haar; maar <span class="ex">als</span> zij er toen aan gedacht had, dan zou zij ongetwijfeld allerlei wraakzuchtige en verschrikkelijke -plannen hebben gesmeed; zich allerlei heftige scènes hebben voorgesteld, de een al -geweldiger dan de andere. -</p> -<p>En nu het een feit was, al ontkenden ook hij en zij; nu het naar haar idée waar <span class="ex">moest</span> wezen,—nu liet zij de bewerkster van haar ongeluk nog acht dagen wonen in haar huis, -en ze.… pakte zijn koffer; het een om geen schandaal te maken, het ander uit plichtgevoel. -Och, dat laatste hinderde haar zoo niet, maar die Betsy had ze, dat voelde ze, met -eigen krachtige handen het leven kunnen benemen. -</p> -<p>En wat zou het verder worden tusschen hen? Het was natuurlijk uit! Alles, alles uit! -Zij hield een oogenblik op met het inpakken van dat haar zoo bekende goed, door haarzelve -gekocht, door haar zorgen in orde gehouden, onder haar eigen oogen gedragen, vaak -zóó dicht bij haar, alsof het haar eigen was. -</p> -<p>En nu was het voor altijd uit! -</p> -<p>De gele zonnestralen drongen trillend van warmte en licht door de donkere stijf gesloten -stores in de kamer, te verdeeld <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>om het duister te breken, er door heen schietend, als pijlen naar een doel en in kleine -lichtkringen stuitend op muren en kasten. Het was alles zoo rustig en stil in dien -schemer en het koeren van den perkoetoet, die in een kooi hing op het achtererf, gaf -alleen meer relief aan de doodsche kalmte in het groote huis. Een diepe neerslachtigheid -kwam over haar. Ze ging op den divan zitten naast den geopenden koffer en weende. -Ze had hem inniger lief, dan ze ooit liet blijken met haar gemoedelijken weinig demonstratieven -aard. Nu ze meende hem te verliezen trof het haar vreeselijk zwaar; het was een slag, -waaronder ze in stilte bitter leed en dat in stilte zou blijven doen, omdat zij geen -schandaal wilde maken. -</p> -<p>Hij was blij, dat hij voor ’n dag of wat weg kwam. ’t Was zoo’n pijnlijke positie -vond hij, in huis, en het scheen hem alsof hij een gevangenis ontsnapte, toen hij -zijn leden in den reiswagen uitstrekte en een versche sigaar opstak. Hij gevoelde -zich niet geheel wel, wat hij toeschreef aan de agitatie door de jongste gebeurtenissen. -Hij had Marie een kus willen geven, toen hij wegging, en tegelijk had het hem getroffen, -dat zij toch een fraaien hals had en eigenlijk heelemaal een knappe vrouw was; zij -had hem afgeweerd, met een gebaar vol minachting. Nu, ook goed! Maar soezerig voelde -hij zich ’n beetje de laatste dagen, met een uitgedrukte neiging om doelloos voor -zich uit te staren. Dan gingen hem flauwtjes allerlei beelden voorbij den geest, en -die hadden meest allen iets van Betsy, tot het eindelijk haar gezicht was en haar -figuur, dat hij zag en dat zich op allerlei wijzen bewoog en zich liet zien. Hij glimlachte -dan in zijn eentje onwillekeurig tegen dat beeld, dat hem in die slaperige momenten -van afgetrokkenheid zoo duidelijk voor de oogen stond. En als opgewekt door die voor -hem alleen zichtbare wellustige vormen, neuriede hij een liedje uit zijn jongelingstijd, -iets, vroeger gehoord in een café chantant te Rotterdam onder het drinken van champagne -met sterk gedecolleteerde vrouwen, die erg gemakkelijk waren; iets, dat hij dacht -reeds lang vergeten <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>te zijn, maar dat nu, onder deze omstandigheden, aanleiding scheen te vinden in zijn -herinnering op te doemen. Zoo reed hij door, half droomend, zonder te letten op het -hinderlijk op- en neerhossen van den wagen over den hobbeligen weg, en het voorbijsnellen -der rietvelden, sawahs, desa’s en fabrieken. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>En Betsy ging in huis haar gewonen gang; zoo juist alsof er volstrekt niets was gebeurd, -dat na twee dagen Marie volkomen gederouteerd was. Eerst had zij geen antwoord gegeven, -als Betsy iets zei, dan nu en dan een enkele maal ja of neen; maar de jonge weduwe -scheen zich niets daarvan aan te trekken en maakte er zich koud noch warm om. -</p> -<p>„Heb je dan in het geheel geen eergevoel?” had Marie, ten einde raad, uitgeroepen. -</p> -<p>„’t Schijnt wel van neen,” antwoordde Betsy bleek, maar met een onverstoorbaren glimlach -om haar lippen. -</p> -<p>En toen Marie haar ontzet en verstomd bleef aankijken, ging ze op een anderen toon -voort, klagend, kinderlijk klagend haast: -</p> -<p>„Niet als ik valsch beschuldigd word en er de dupe van ben. Dan niet!” -</p> -<p>„Hoe is het mogelijk? Mensch, hoe kan je daar zoo koelbloedig over spreken? Je bent -anders tamelijk lichtgeraakt en volstrekt niet van ijzer of steen.” -</p> -<p>„O neen!” -</p> -<p>„Hoe kan je dan zoo verschrikkelijk kalm en onverschillig blijven. Dat is het grootste -bewijs van je schuld.” -</p> -<p>„Natuurlijk. En als ik u de oogen uitkrabde en het huis in rep en roer bracht, schreeuwende -en scheldende, wat dan?” -</p> -<p>„Ik weet het niet, maar ik zou het nog liever zien.” -</p> -<p>„Wel neen, want dan zou dat toch ook weer ’n bewijs wezen van schuld.” -</p> -<p>„Dat zou het niet.” -</p> -<p>„Zeker, dat zou het wel. Het zou bewijzen, welk een gemeen <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>schepsel ik was, en hoe, nu ik zag dat ik ontdekt was, mijn waar karakter boven kwam.” -</p> -<p>Er <span class="ex">was</span> waarheid in; Marie voelde het, maar zij kon niets zeggen. En Betsy, die bemerkte -dat zij terrein won, wierp het hoofd in den nek, en trok met ’n air haar lippen samen. -</p> -<p>„Ik heb ondervinding genoeg van de menschen,” ging ze voort, „al ben ik nog jong. -Tegen den laster valt niets te doen. Niets! Het is dan veel gemakkelijker schuldig -dan onschuldig te wezen.” -</p> -<p>Ze had haar stem laten trillen, zoodat men er als het ware de tranen in hooren kon. -</p> -<p>Wel twee minuten zwegen beiden. -</p> -<p>Marie zat op een stoel aan de groote mahoniehouten tafel in de achtergalerij, leunend -op de ellebogen, met het gelaat op de handen rustend, in ernstige gedachten; Betsy -liep heen en weer, nu eens het deksel van den koffiefilter oplichtend om er wat water -bij te doen, dan weer haar aandacht wijdend aan de melk, die in een pan op ’t petroleumtoestel -stond te koken. -</p> -<p>„Hoor eens,” begon Marie op dien beslisten toon, dien ze kon aannemen, als er iets -gaan moest, zooals zij wilde en niet anders. „Ik wil gelooven, dat het mogelijk is. -Een bepaald bewijs heb ik niet. Vertrouwen kan ik je niet; ik weet niet wat het is, -maar er is iets in me, dat het belet en dat sterker is dan mijn wil. Maar omdat je -het nu zoo zegt, wil ik het gelooven.” -</p> -<p>Betsy haalde de schouders op. -</p> -<p>„Voor zoo lang het duurt. Dank u.” -</p> -<p>„Ik kan er niets tegen doen.” -</p> -<p>„Welnu, laat het dan maar blijven, zooals het is.” -</p> -<p>Maar dàt wilde Marie niet, die nu met elk woord èn meer vreesde voor haar eigen zedelijke -overtuiging, èn meer hoop begon te voeden, dat ze ten slotte zou <span class="ex">kunnen</span> gelooven, wat zij zoo gaarne had geloofd. -</p> -<p>„Betsy”—het was de eerste maal, dat mevrouw van Bronkhorst haar weer bij haar doopnaam -noemde—„ik ben zoo <span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>openhartig tegen je geweest, als ik zijn kon. Als ik verzekerde, dat je mijn vertrouwen -terughadt, dan zou ik liegen, en dat wil ik niet.” -</p> -<p>„Het hoeft ook niet; ik ga toch weg.” -</p> -<p>„Ja, en dat moet bepaald blijven.” -</p> -<p>„Natuurlijk. Ik denk er niet aan mijn besluit te veranderen.” -</p> -<p>Dat trof Marie, en het stemde haar aanmerkelijk zachter. Inderdaad was het <span class="ex">haar</span> besluit geweest, en nu handhaafde zij dat zonder aarzelen, in plaats van een appeltje -op te werpen in andere richting. -</p> -<p>„Waar denk je heen te gaan?” ontviel haar, haast onwillekeurig. -</p> -<p>„Dat weet ik nog niet, maar dat ik ga is zeker.” -</p> -<p>„Het is,” zuchtte Marie, „zulk een verschrikkelijk geval!” -</p> -<p>Betsy barstte uit in een gemaakten schaterlach, die mevrouw van Bronkhorst deed schrikken. -</p> -<p>„Voor wie, als ik vragen mag? Voor u zeker! Het is belachelijk; het is naar!” -</p> -<p>„Het past je niet op die manier te spreken,” riep Marie verontwaardigd. -</p> -<p>„Nu, het is goed,” antwoordde Betsy, haar fout herstellende, „ik zal het alles wel -als koek opeten. Het is dan verschrikkelijk voor u te moeten denken,.… wat <span class="ex">niet</span> waar is, dat kan ik bezweren; maar voor mij is het immers niets om onder zoo’n verdenking -te gaan, en me dat in m’n gezicht te hooren zeggen. Wel neen! Ik ben maar een arme -weduwe. Voor zóó een komt er dat niet op aan. Was ik een rijke notarisvrouw, dan werd -het een heel ander geval.” -</p> -<p>Er viel weinig tegen die opvatting te zeggen. Het ging Marie als ieder welgesteld -mensch, tegenover een minder bevoorrechte, die zijn armoe als een soort martelwerktuig -dienst laat doen. Zij wilde Betsy niet volgen in die richting; dat ging niet. -</p> -<p>„Ik herhaal, dat ik er niets aan kan veranderen. Het beste is er niet verder over -te spreken, ’t Is nu uitgemaakt, dat je hier niet blijft wonen. Laat ons nu verder -niet twisten, en.…” -<span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span></p> -<p>„En?” -</p> -<p>„Nemen we aan, dat het mijn schuld is; dat ik niets had moeten gelooven, en je had -moeten blijven vertrouwen.” -</p> -<p>„Het is fraai! Een goede troost! Maar <span class="ex" lang="ms">soedah</span>, ik zal het aannemen.” -</p> -<p>„Dan als je het zoo beschouwt, kan je ook mijn hulp niet weigeren.” -</p> -<p>„Geld?” -</p> -<p>„Natuurlijk. Waarom niet?” -</p> -<p>„Ja, dat maakt recht wat krom is. Ik weet het wel. Maar ik zal er geen gebruik van -maken.” -</p> -<p>„Ik.….” -</p> -<p>„Neen,” herhaalde Betsy met oogen glinsterend van triomf. „Laat ons iets anders aannemen. -Ik blijf niet en al smeekte men mij op de knieën, dan bleef ik nog niet. Men heeft -mij schandelijk beleedigd, maar ik wil net doen of er niets is gebeurd; ik wil er -niet verder over spreken.” -</p> -<p>„Dat komt op hetzelfde neer van uw kant.” -</p> -<p>„Doch, als ik het zóó beschouw, kan ik uw hulp niet aannemen.” Zij sneed alle verdere -conversatie af en ging de gang in naar haar kamer, waar ze lachend op een der fraaie -stoeltjes ging zitten. -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Apa</span>,” vroeg de meid nieuwsgierig over haar grooten hoornen bril kijkend, die ze op had -onder ’t goed verstellen. -</p> -<p>Betsy moest eerst uitlachen. -</p> -<p>„Zij wil me geld geven.” -</p> -<p>Nu lachte de oude mee. -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Terlaloe!</span>” zei ze, en na eenige oogenblikken voegde zij er lachend aan toe: „Nonna zal toch -wel zoo gek niet wezen.” -</p> -<p>„Dat kan je begrijpen.” -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Bij Marie was de geestetoestand zeer veranderd. Haar wantrouwen had een geduchten -knak gekregen. Natuurlijk moest Betsy weg, maar zij had zich voorgenomen inderdaad -te doen <span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span>alsof er niets was gebeurd, en dat deed ze ook tot vreugde van Betsy, die nu de dagen -daar in huis veel draaglijker vond. -</p> -<p>’s Middags vertelde Sarinah haar meesteres, dat er ’n brief was en een pakje. De brief -was van Bronkhorst; het pakje bevatte een ring met diamanten steen; verheugd deed -zij hem aan haar vinger. -</p> -<p>„Wat heb je daar ’n mooien ring aan,” zei Marie verbaasd en ergdenkend, toen zij elkaar -zagen in de voorgalerij<span class="corr" id="xd31e3815" title="Niet in bron">.</span> -</p> -<p>„Ik heb hem al jaren,” antwoordde Betsy, met teederheid naar den ring ziende aan haar -vinger, terwijl zij den steen liet flonkeren in het licht. Ik kreeg hem van iemand, -met wien ik voor mijn trouwen in stilte geëngageerd was. Den Ekster wilde nooit dat -ik hem droeg. Ik heb hem nu maar weer eens aangedaan. -</p> -<p>Het bleef er bij. Er werd niet verder over gesproken, maar toch vond Marie het vreemd; -Betsy was immers al wel zóólang in huis, dat zij haar bijouterieën alle moest hebben -getoond; men kon het van zoo’n coquette vrouw haast niet verwachten, dat ze zoo’n -mooien ring achterwege zou laten! -</p> -<p>Bronkhorst had meer brieven geschreven. Een daarvan aan zijn vertrouwden klerk, die -voor een woning zou zorgen. Een „eigen huisje” zooals hij zich had uitgelaten, was -hem ten slotte minder wenschelijk voorgekomen. De klerk had een Europeesche weduwe -gevonden, die niet ver van het notarishuis woonde in een zijlaan en heel gaarne „die -dame” tegen goede betaling in huis zou nemen. Dat schreef hij ook aan Betsy. Den volgenden -ochtend was zij vroeg uit; toen ze terugkwam, zei ze: -</p> -<p>„Ik heb een geschikte gelegenheid voor me gevonden.” -</p> -<p>„Zoo. Dat is goed.” -</p> -<p>„Ik ga bij mevrouw Duhr inwonen.” -</p> -<p>„Bij die oude vrouw, ginds in de laan?” -</p> -<p>„Ja.” -</p> -<p>„En vervolgens?” -<span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span></p> -<p>„Hoe vervolgens?” -</p> -<p>„Wel je zult toch zeker niet hier op de plaats blijven?” -</p> -<p>„Dat weet ik nog niet; het hangt er van af.” -</p> -<p>„Waarvan af?” -</p> -<p>„Wel, of het me bevalt.” -</p> -<p>„Dus ga je niet naar de familie Borne?” -</p> -<p>„Voorloopig niet.” -</p> -<p>„Maar.…” -</p> -<p>„Wat wilde u zeggen?” -</p> -<p>„Ik begrijp het niet.… Je hebt geen geld.” -</p> -<p>„O, ik heb nog wel <span class="ex">iets</span>. En bij Mevrouw Duhr betaal ik maar weinig. Ik help haar ’n beetje<span class="corr" id="xd31e3845" title="Niet in bron">.</span>” -</p> -<p>„Maar wat is je bedoeling?” vroeg Marie met heimelijken angst. „Waarom wil je hier -blijven? Wat heb je er mee voor?” -</p> -<p>„Niets.… waar moet ik dan heen?” -</p> -<p>„Naar je oom en tante.” -</p> -<p>„Als de nood aan den man komt, is dat altijd nog te doen. Wie weet of ik.… voor dien -tijd niet hertrouw.” -</p> -<p>Zij wilde het gesprek niet verder voortzetten en liep naar haar kamer om de koffers -in te pakken. Al doende vertelde zij het aan Sarinah. De oude moest er om lachen. -„Te erg toch, zoo doof en blind die vrouw was,” meende zij. -</p> -<p>„Ik zeg haar niet goeden dag,” zeide Betsy. -</p> -<p>„Hoe dan?” -</p> -<p>„Ik zal mijn koffers laten laden op een paar grobaks, en als die zijn weggereden, -gaan wij ook te voet.” -</p> -<p>„Ik begrijp het niet!” zei de oude. „Waarom?” -</p> -<p>„Het is mij niet mogelijk. Soedah, ik zal haar een briefje schrijven.” -</p> -<p>Zij deed het, en Sarinah bracht het briefje. Mevrouw Bronkhorst, die zich weer minder -wel gevoelde, lag op een bank. -</p> -<p>„Is mevrouw ziek?” -</p> -<p>„Ziek niet, maar toch niet lekker.” -</p> -<p>„Ik heb een briefje van nonna Betsy.” -<span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span></p> -<p>Marie nam het aan. „Mevrouw!” stond er. „Op het oogenblik, dat ik vertrek, stuit het -mij tegen de borst een hartelijk afscheid van u te nemen. U hebt mij wel eens geholpen, -maar na het gebeurde, geloof ik niet, dat ik u daarvoor nog eenigen dank schuldig -ben. Ik zal aan u denken. Dat beloof ik u. -</p> -<blockquote> -<p class="first salute">Wed. <span class="sc">Den Ekster</span>.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Een onbehaaglijk gevoel bekroop mevrouw Bronkhorst. -</p> -<p>„Waar is je mevrouw?” vroeg zij de meid. -</p> -<p>„Al weg. <span class="ex" lang="ms">Kasian</span>, zij is zoo ongelukkig.” -</p> -<p><span class="corr" id="xd31e3881" title="Niet in bron">„</span>Het is goed. <span class="ex" lang="ms">Bilang bajiq</span>.” -</p> -<p>„Heeft mevrouw niets anders te gelasten.” -</p> -<p>„Dank je.” -</p> -<p>„Als mevrouw misschien mij noodig mocht hebben, dan wil ik altijd dadelijk komen.” -</p> -<p>„Dank je.” -</p> -<p>„Mevrouw is altijd zoo goed geweest voor me. Ik ben maar een oud mensch, dat wel spoedig -dood zal gaan, maar als ik mevrouw kan dienen met iets, wil ik altijd graag. En ik -bedank mevrouw wel voor alles wat ik van mevrouw heb gekregen.” -</p> -<p>Het deed Marie aan. Zie, dat was nu een oude inlandsche vrouw, afgeleefd, hoestend -en steunend, die ze soms wat eten of ’n fooitje of ’n stukje kleeren had gegeven, -en die arme ziel zat daar dankbaar op den grond, ofschoon ze korte, norsche antwoorden -kreeg. -</p> -<p>„Het is goed, <span class="ex">nèh</span>,” zei ze met zachtheid. „Je mag nu en dan eens hier komen. Ik zal zien of ik dan -niet iets voor je heb. En als je mevrouw soms mocht heengaan, en zij kan je niet meenemen, -kom dan maar gerust hier; ’n bordje rijst kan je altijd nog wel bij me verdienen.” -</p> -<p>Nogmaals dankend, strompelde Sarinah het huis door. Onwillekeurig stond Marie op en -vergezelde haar naar voren. <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>De oude keek in de fraaie voorgalerij rond, alles bewonderend. -</p> -<p>„Och,” zei ze steunend. „Het is hier alles zoo mooi. Als mijn arme nonna eens zulk -een huis had, wat zou ze gelukkig wezen!” -</p> -<p>„Niet iedereen kan hetzelfde hebben,” antwoordde Marie weer een beetje boos. -</p> -<p>„O neen; de eene mensch is rijk, de andere arm; dat is zoo beschikt.” -</p> -<p>Zij ging heen, waggelend als van zwakte en ouderdom onder de reusachtige waringins -op het voorerf. -</p> -<p>Toen ze het Betsy vertelde, had deze er pret in. -</p> -<p>„Nu kan ik er komen, als ik wil,” zei de oude. „Wie weet of dat niet goed kan wezen. -Al dat kwaad zijn helpt niet.” -</p> -<p>„Je bent een slim oud beest, <span class="ex">nèh</span>,” antwoordde Betsy bijwijze van compliment. „Ik ben blij, dat ik dat wijf nu niet -meer zie. Brr! Hoe was ze?” -</p> -<p>„Ze lag op een bank, en ze was onlekker. O, ze zal wel naar boven moeten. Wacht maar!” -</p> -<p>„Ze had al lang weg moeten wezen.” -</p> -<p>„Dat had ze ook. Ze is sterk, dat heb ik al dikwijls gezegd. Bij hem gaat het beter.” -</p> -<p>De oude wees naar het einde der laan. Er kwam in de verte een wagen aan met vier paarden -bespannen. -</p> -<p>„Hij kan het nog niet wezen, <span class="ex">nèh</span>. Volgens zijn brief komt hij pas morgen.” -</p> -<p>„Misschien heeft hij haast.” -</p> -<p>Betsy lette niet meer op hetgeen de meid zei; haar aandacht was alleen gevestigd op -den reiswagen, die met woeste vaart naderde; zij herkende inderdaad het rijtuig van -Bronkhorst. -</p> -<p>„Wel, ben je nu goed geïnstalleerd?” vroeg hij, haar naderend met uitgestoken hand. -</p> -<p>„Heel goed, voorloopig. Ben je niet wél?” -</p> -<p>Het ontviel haar toen ze zag, dat zijn gelaat vrij bleek zag met donkere kringen om -de oogen. -<span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span></p> -<p>„Zeker. Misschien wat vermoeid van dat langdurig hossen tusschen de wielen. Ik ben -blij dat ik je zie.” -</p> -<p>Zij lachte, en met haar gezicht bij het zijne: -</p> -<p>„Je moest ook eens niet blij wezen!” -</p> -<p>„Ik bedoel, dat ik je zie in werkelijkheid; in gedachten zie ik je altijd.” -</p> -<p>„Nu ja, ’t zal wat wezen!” -</p> -<p>„Waarachtig Betsy, het is zoo. Als dàt veel van iemand houden is, dan ben jij de eerste -op wie ik verliefd ben.” -</p> -<p>Zij trok de wenkbrauwen samen. Het beviel haar niet. Wat hij zei, klonk openhartig -en waar. Maar er was geen enthusiasme bij. Als hij vroeger, toen ze nog bij de Borne’s -woonde en alleen <span class="ex" lang="fr">te visite</span> kwam bij de familie Bronkhorst, door haar coquetteeren eenigszins opgewekt werd tot -galanterie, dan kwam het van harte; dan was er leven en vuur in zijn blik en in den -klank zijner stem, Nu scheen hij een willoos werktuig. Maar het was geen tijd om lang -over zulke dingen te denken. Wat kwam het er ook op aan, of hij werkelijk liefde voor -haar gevoelde en zou blijven voelen? <span class="ex">Nonsens!</span> Als zij hem maar zóóver kon brengen, dat hij scheidde van zijn vrouw en haar trouwde. -De rest kon haar minder schelen. En als hij aan het juk trok, zou zij hem dat wel -afleeren! -</p> -<p>„Praat nu maar geen gekheid. Wil je ’n kop thee?” -</p> -<p>„Als je het bij hand hebt.” -</p> -<p>„Zeker. Ik zal even naar achteren gaan.” -</p> -<p>Bronkhorst leunde achterover in een rotanstoel en keek naar de lommerrijke kruinen -der boomen. Betsy liep vlug naar de kleine eenvoudige achtergalerij, om dadelijk ’n -kop thee te zetten; zij wist dat hij daarvan hield als hij uit was geweest en dorst -had. -</p> -<p>„Is er warm water?” vroeg zij mevrouw Duhr. -</p> -<p>„Zeker. Wilt u het gebruiken?” -</p> -<p>„Ja. O, het kookt, dat is heerlijk.” -</p> -<p>Zij had op alles gerekend, en er stond in haar kamer een vrij <span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>groote hoeveelheid van de fijne Chineesche thee, die Bronkhorst gewoon was te drinken. -</p> -<p><span class="corr" id="xd31e3958" title="Niet in bron">„</span>Blijft de notaris hier?<span class="corr" id="xd31e3960" title="Niet in bron">”</span> vroeg mevrouw Duhr. -</p> -<p>„Dat is te zeggen, ik maak even een kop thee voor hem klaar, en ik heb nog wat gebak -meegebracht.” -</p> -<p>„Neen, ik bedoel of hij hier blijft eten, en dan verder.…” -</p> -<p>„Maar mevrouw, hoe komt u er aan?” -</p> -<p>„Wel.… ik dacht het.… omdat iedereen het zegt hier op de plaats. Er wordt zooveel -over gesproken.… en als ik het niet had gedaan om het geld.…” -</p> -<p>„Dan hadt je me niet in huis willen hebben. Nu, ik ben u veel verplicht. Enfin, het -kan me volstrekt niet schelen. De menschen mogen voor mijn part precies zeggen wat -zij willen. Ik trek me er niets van aan, en u zult verstandig handelen, als u dat -ook niet doet. U zult zelf wel zien, hoe kwaad spreken en waarheid spreken verschillen.” -</p> -<p>Toen ze Bronkhorst de thee en de kwee-kwee bracht, waarop hij ongeduldig wachtte, -vertelde zij hem wat mevrouw Duhr had gezegd. „Laat ze maar praten. Het is niet waar, -en het zal op zoo’n manier ook niet waar worden. Maar,” voegde hij er bij met een -zucht, „ik wou wel Bets, dat jij mijn vrouw waart.” -</p> -<p>Weer kwam het gevoel van ontevredenheid bij haar op. Het was de ware begeerte ook -nu niet; het was veel meer de zucht van iemand, die een kruis draagt, slechts één -uitweg weet om er van verlost te raken, en natuurlijk in die richting wil gaan. Het -was weer iets ongezonds. Maar ze boog zich over hem heen en zag hem vlak in de oogen, -zoo vleiend en verleidelijk als ze maar kon. -</p> -<p>„Ja, als dàt eens waar was!.… Toe, laat me ook eens drinken.” -</p> -<p>Hij bracht ’t theekopje aan haar mond, en zij nipte er even aan, zonder haar oogen -van de zijnen af te wenden; maar toen hij haar ook een stukje van het gebak wilde -geven, weigerde <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>zij; ze had er geen trek meer in, zei ze, want ze had er al veel van gegeten. -</p> -<p>Een uurtje later ging hij heen; in de binnengalerij om een hoekje kusten ze elkaar -goeden dag. Het had hem ’n beetje opgewekt, maar dat gevoel van verlichting verdween -weer toen hij in het rijtuig zat, en ontstemd en nurksch trad hij zijn eigen huis -binnen. Regelrecht ging hij naar zijn kamer. -</p> -<p>„<span lang="fr">Bonjour</span>,” zei hij, zonder meer, Marie voorbijgaand, die hem ’n klein eindje te gemoet kwam. -Tot de voorgalerij gaan, zooals vroeger, was haar te sterk geweest; nu speet het haar -dat ze een voet had verzet; zulk een hondsche bejegening had zij niet verwacht. -</p> -<p>Zij verwachtte, dat hij aan tafel zou ontdooien voor zijn lievelingsgerecht, maar -het gebeurde niet. Hij sprak met haar over onverschillige zaken op onverschilligen -toon. Nu en dan staarde hij in de ruimte, en als zij hem dan aankeek, zag ze hem glimlachen. -Wat was dat? Zij had hem nooit droomerig of verstrooid gekend; hij was altijd een -bij uitstek practisch man met een krachtig gestel en volstrekt niet sentimenteel van -aard. -</p> -<p>Maar ze vroeg hem niets, ook niet toen ze zag, dat hij zijn goed in een andere kamer -liet brengen. Het trof haar wel, maar ze zei niets; ze was er te trotsch voor. Indien -hij dacht, misschien, dat zij dááraan zoo’n overweldigenden lust had, dan vergiste -hij zich en wist hij niet eens wat ’n fatsoenlijke vrouw was. Zij had altijd gaarne -’t lieve met hem gedeeld, maar ze kon het ontberen, als het noodig was, en dat kon -hij niet. En <span class="ex">als</span> hij niet verder ging, dan zij hoopte en vertrouwde dat hij gegaan was, welnu, dan -zou hij ook weer tot haar terugkeeren, omdat hij haar noodig had en niet buiten haar -kon. Ze vond haar eigen berekening griezelig, en zou, een maand vroeger, met verontwaardiging -het denkbeeld hebben verworpen, dat ze zich met zulke gedachten zou troosten. En nu -de practijk van den tegenspoed kwam, deed zij het vanzelf. -</p> -<p>Vermoeid van de reis ging hij vroeg naar bed. -<span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span></p> -<p>„Ik heb mijn boel maar laten overbrengen.” -</p> -<p>„Dat heb ik gezien.” -</p> -<p>„Het is tegenwoordig zoo warm.” -</p> -<p>„Zeker. Het is veel aangenamer alleen te slapen.” -</p> -<p>„Wel te rusten.” -</p> -<p>„Goeden nacht.” -</p> -<p>Het was dezelfde doffe toon vol onverschilligheid, waarop hij den ganschen dag had -gesproken, en die haar nu verbaasde en eenigszins ongerust maakte. Ze ging naar bed, -maar werd na een paar uren met schrik wakker. Ze luisterde: neen, de kinderen waren -het niet; het was Jean, die in de achtergalerij op en neer liep. Ze luisterde opnieuw: -hij opende een kast en nam wat brendy. -</p> -<p>En terwijl zij uit gewoonte en van vermoeidheid weer insliep, strekte hij zich achter -op een langen rotan-stoel uit en was klaarder wakker, dan hij den geheelen dag was -geweest; nu eens zat hij tien minuten te staren naar zijn schoon visioen, dan weer -neuriede hij opwekkende liedjes, of sprak bij zichzelven. Het boek, dat hij had ter -hand genomen, om zich in slaap te lezen, bleef ongeopend op de tafel liggen. -</p> -<p>Hij hoorde de klokken elk half- en heel uur slaan; de metaalklank resonneerde door -de ruimte van het huis, en droog en hard vielen daartusschen, buiten in den stillen -nacht, de slagen van sommige nachtwakers op hunne blokken, terwijl die van anderen, -dichter bij of verder af, dof en zwaar klonken, soms zoo rhytmisch alsof het met opzet -was geregeld. -</p> -<p>Haast al dien tijd dacht hij aan Betsy. Soms beproefde hij aan iets anders te denken, -maar het gelukte slechts ’n minuut of wat. Hoe het ook ging, over welke schijven hij -zijn gedachten dwong te loopen, altijd kwam een oogenblik—en het kwam heel spoedig—dat -hij in verbeelding weer bezig was met haar. ’t Verschrikte of verwonderde hem zelfs -niet, want ook toen hij dien nacht deze ontdekking deed, glimlachte hij weer bij zichzelven -om het feit. Het ging hem als sommige jongelieden in <span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>een stadium van voorbarig en overweldig ontwikkelenden hartstocht, als het hun physisch -onmogelijk is hun aandacht te bepalen bij hun werk of hun studie, en hoeveel geweld -ze hun menschelijke hersenen ook aandoen, de faunen toch dadelijk weer den baas spelen. -Nu, hij streed er niet zoo heel erg tegen; hij had het niet kunnen doen; zijn zwakke -poging was meer een streven naar rust, die hij toch wel besefte noodig te hebben. -</p> -<p>Eerst toen tegen den ochtend een kille wind door de naalden der <span class="corr" id="xd31e4006" title="Bron: tiemara's">tjemara’s</span> op het erf ruischte, kwam er ’n beetje ontspanning, en sliep hij in op zijn stoel; -het was een slaap als lood zoo zwaar; hij snorkte, dat van ’t geluid de meubelen schenen -te dreunen in de galerij: hij snorkte Marie wakker, doch zichzelven niet. -</p> -<p>Zij stond op, toen ze door de kieren van de stores zag, dat het begon te dagen. Drie- -of viermaal was zij wakker geweest, en voor het overige had zij slecht geslapen. Toch -voelde zij zich minder onlekker dan daags te voren; het was waar, wat Sarinah zei, -dat de op haar toegepaste middeltjes weinig effect hadden en haar sterk gestel de -werking er van scheen te neutraliseeren. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Een vervaarlijke vloek, gevolgd, als bliksem door donder, door een vuistslag op een -tafel, daverde door de nette houten commandantswoning op den buitenpost, waarheen -kapitein Borne was overgeplaatst. -</p> -<p>„Ziedaar! Lees me gévédé, ’reis zoo’n brief!” -</p> -<p>Zoo stormde hij de achtergalerij in, met zijn zwaren tred, die den planken vloer deed -kraken, hoe solied de genie hem ook had gelegd. En hij wierp op de tafel, waarvoor -zijn vrouw zat te werken, een groot vel papier, dat hij, door er een slag op te geven -met de vlakke hand, als ’t ware in het blad van de tafel scheen te willen slaan. -</p> -<p>Borne zag rood, en hij beefde; dat zag zijn vrouw, toen ze hem aankeek over haar bril, -niet wetende uit welken hoek deze <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>storm opstak, maar dadelijk ook eenigszins zenuwachtig en tot weerstand geprikkeld. -</p> -<p>Zij werd bleek onder het lezen, en sloeg met beide handen tweemaal op haar gevulde -dijen, zoodat het kletste door de mooie sarong heen, een muziek, waarmede de kapitein -zich, in gewone omstandigheden, amuseerde, ofschoon ze het bewijs was, dat zijn vrouw -zich gloeiend nijdig maakte. Maar ditmaal lette hij er niet op; het was een te ernstig -geval. -</p> -<p>„Zoo’n gemeene smeerlap!” zei hij. -</p> -<p>„Zoo’n slet van een meid!” barstte zij los. -</p> -<p>Lang bleef het niet bij de invectieven tegen Bronkhorst en Betsy. -</p> -<p>„’t Is jou schuld,” beweerde al heel gauw mevrouw Borne met gefronste wenkbrauwen -en een kwaadaardig vooruitgestoken mond. „Je bent altijd zoo’n akelige kerel.” -</p> -<p>„Dat lieg je!” brulde de kapitein ten toppunt van woede rakend. „Mijn schuld! Het -is de jouwe; heelemaal de jouwe.” -</p> -<p>„Jij laat je maar alles wijsmaken. ’n Man! Tjies!” -</p> -<p>Deze aanval op zijn sekse deed de maat overloopen. -</p> -<p>„Laat ik me wat wijsmaken? Wie zeit dat? Laat ik me wat wijs maken? Neen jij! Jij -laat je voorliegen en bedriegen. Wou je het aan mij wijten?” -</p> -<p>En de twist liep erg hoog. Ze scholden elkaar geregeld uit, en ze scholden op elkaars -familie, alsof ze beiden van hoogst immoreele afkomst waren; tot eindelijk mevrouw -naar haar kamer ging en van daar uit, door het met zonneblinden gesloten venster nu -en dan heftige woorden naar buiten zond, die Borne patrouilleerend in de achtergalerij, -nu eens met woeste luidruchtigheid, dan weer met, op zijn manier, bittere ironie beantwoordde. -Maar de toon, waarop zij keef, daalde gradueel; er kwamen nu en dan trillers in; en -naarmate de klank verzachtte, werden de woorden weeker. Borne antwoordde nu nog slechts -af en toe met een enkel woord, dat hij eigenlijk slechts in het midden bracht om niet -heelemaal te zwegen. -<span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span></p> -<p>Eindelijk hield zij den mond, in zoover, dat ze hem geen verwijten meer deed; en nu -kon hij haar zacht hooren snikken met afgebroken woorden van verdrietig verwijt. Dat -was te veel; dat kon hij nooit verdragen. Geheel gekalmeerd, ging hij naar binnen, -ook in de kamer, waar zijn vrouw was. -</p> -<p>„Kom,” zei hij, aangedaan, „huil nou niet, <span class="ex" lang="ms">ati</span>. Je weet toch wel, dat het niet zóó gemeend is.” -</p> -<p>Ze wist dat ook wel; ze droogde haar tranen; hij kuste haar, zij gaf hem een zoen -terug, en zoo stonden ze een oogenblik als groote, oude kinderen.… -</p> -<p>Nadat ze dus van weerskanten hun gemoed gelucht hadden over het „het schandaal”, zouden -zij de zaak bedaard bespreken; de brief was van niemand anders, dan van den resident, -maar particulier, dat sprak vanzelf, en dat het zoo’n groot vel papier was, kwam alleen -door het innig besef van den resident, dat hij te hoog was geplaatst om, zij het ook -niet-officiëel, te schrijven op klein formaat. -</p> -<p>„Het is ’n verschrikkelijk geval. Wie had zoo iets kunnen voorzien?” -</p> -<p>„Als ik er was gebleven, zou het nooit zijn gebeurd.” -</p> -<p>„Neen, zeker niet.” -</p> -<p>„Als ik er naar toe kon, zou ik hem ongemakkelijk <span class="ex" lang="fr">à faire</span> nemen.” -</p> -<p>„En met hem vechten?” -</p> -<p>„Dat beloof ik je. Ik zou hem voor het front laten komen, en ik zou zeggen.…” -</p> -<p>„Ja, vent, ik weet het wel. Je zoudt hem tot een duel dwingen.” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="fr">A mort</span>, dat verzeker ik je!” zei de kapitein met geur. -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah!</span> dat is allemaal niet mogelijk; toch moeten we er iets aan doen.” -</p> -<p>Dat voelde kapitein Borne ook, maar hij wist niet wat; hij zei het openhartig. -</p> -<p>„Ik weet het evenmin,” gaf zijn vrouw toe. „Mijn God. wat heeft ’n mensch toch ’n -last van z’n familie.” -<span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span></p> -<p>„In elk geval: ik zal den resident antwoorden.” -</p> -<p>„Natuurlijk.” -</p> -<p>„Ik zal hem bedanken voor de betoonde belangstelling.” -</p> -<p>„Ja, dat moet je doen, Borne!” -</p> -<p>„Maar, dat ik er tot mijn groot leedwezen niets anders tegen kan doen, dan aan dien -Bronkhorst een brief schrijven, die op pooten staat, en aan haar dito, dito. -</p> -<p>„Zou hij er zich niet verder mee willen bemoeien?” -</p> -<p>„Wie?” -</p> -<p>„Wel, de resident.” -</p> -<p>Het was ’n idée, dat moest de kapitein bij zichzelven toegeven. Maar het stuitte hem -tegen de borst om, als men in zulk een delicate zaak vreemde hulp inriep, zich, als -officier, daarbij te bepalen tot een burgerambtenaar. Daarom schreef hij ook een uiterst -langen brief aan zijn collega en opvolger, waarin hij met groote kieschheid uiteenzette, -wat hij van ter zijde had vernomen, verzocht het een en ander voor hem te onderzoeken, -en wanneer het noodig mocht wezen, in zijn, Borne’s naam, op te treden. Tevens meldde -hij, dat hij aan den resident had geschreven, en dezen, dat hij zijn collega mede -in de zaak had betrokken. -</p> -<p>Uren had het geduurd vóórdat de kapitein deze brieven gereed had. Het schrijven was -zijn fort niet, en een brief stellen van eenig aanbelang kostte hem meer zweetdroppels, -dan een urenlange militaire marsch. Doch hij zat er eenmaal in, het moest met spoed -geschieden, en als hij met iets was begonnen, ging hij voortvarend door tot het einde. -</p> -<p>Toen hij zijn vrouw de brieven had voorgelezen, zag hij, dat ze het zich zeer aantrok -en er erg verdrietig onder was. Hij trachtte haar op te beuren, maar het gelukte niet. -</p> -<p>„Zie je,” zei ze, „het is niet alleen om harentwil. Ik geloof, dat er aan vrouwen, -die dien kant op gaan, nooit veel verbeurd is. Maar zij heeft bij ons gewoond, dat -weet iedereen; zij behoort tot de familie, en er ligt schande in voor <span class="corr" id="xd31e4082" title="Bron: jou">jouw</span> naam. Dàt vind ik verschrikkelijk.” -<span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span></p> -<p>Hij antwoordde niet, maar schreef met vaste hand en stijve groote letter de adressen -der brieven. Bij slot van rekening, dacht hij, officier en gedecoreerd, kon het pierewaaien -van een aangetrouwd nichtje <span class="ex">zijn</span> naam al bitter weinig deren; maar de bezorgdheid zijner vrouw voor dien naam deed -hem goed. O, ze was ’n beste vrouw, en van die Betsy hield hij waarachtig alsof het -z’n dochter was. Weduwe en nog zoo jong! dacht hij. Hij voelde zich vergevensgezind. -</p> -<p>Iedereen wist, vier en twintig uren nadat de brieven van Borne in ’t bezit waren van -den resident en des kapiteins collega, wat er in stond. Indiscretie was daarbij niet -in ’t spel. Borne, zelf de zaak met kieschheid behandelend, kon over den indruk van -zijn brieven tevreden zijn; maar dat de twee heeren aan hun vrouwen den inhoud meedeelden, -was, in zulk een speciale vrouwen-perkara, niet meer dan hoogst natuurlijk; hij, Borne, -zou precies hetzelfde hebben gedaan. Nu hadden die dames elk een vriendin. Neen, niet -zoo’n gewone kennis, maar een <span class="ex">betoele</span> vriendin, in wier boezem zij het geheim deponeerden. Zoo ging het verder; van indiscretie -geen spoor, maar iedereen wist het niettemin. -</p> -<p>En iedereen was er blijde om. -</p> -<p>Want „het schandaal”, zooals men het noemde, duurde nu al langer dan een maand. -</p> -<p>Het zag er bij de Bronkhorsten aan huis treurig uit. Marie had stormenderhand, alleen -door haar „ongeluk”, onder de dames een sympathie verwekt, die ze door jaren van ongestoord -geluk niet had kunnen machtig worden. -</p> -<p>Diezelfde dames keken Bronkhorst heel leelijk aan en <span class="corr" id="xd31e4102" title="Bron: groett'en">groetten</span> hem nauwelijks; de heeren echter drukten hem hartelijk de hand met iets van compassie. -Want, dat zagen ze wel: het was geen gewone zaak, en tot die slotsom bracht hen niet -de kennis der verhouding van den notaris tot Betsy en tot zijn eigen vrouw; dat behoorde, -vonden zij, tot het gewone verloop. Bronkhorst zag er slecht uit, en het ging slecht -met zijn zaken. <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>Rijke Chineezen en Arabieren spraken onder elkaar en met hun Europeesche relatiën -over den notaris. Ze verloren ’t vertrouwen, dat ze vroeger altijd in hem hadden gesteld. -Terwijl ze hem vertelden, wat hun bedoeling was met de akten, die opgemaakt en naar -die bedoeling door den notaris ingericht moesten worden, zagen ze zijn gezicht veranderen. -Hij begon met belangstelling te luisteren, vragen te doen en mee te praten, maar na -’n paar minuten week de uitdrukking van onbevangenheid van zijn gezicht, en hij staarde -met hangende onderlip en droomerige oogen onafgebroken zijn cliënt in de oogen, tot -deze min of meer verlegen met praten ophield; en dan bleek, dat de notaris de helft -niet had gehoord, en de man alles nog eens moest herhalen voor den candidaat, wat -hij heel onaangenaam vond, niet om het overzeggen, dàt met genoegen, maar uit ongerustheid. -</p> -<p>Bronkhorst had er lang tegen gestreden, en hij deed het nog, doch vruchteloos. Hij -voelde zelf wel, dat het zóó op den duur niet gaan kon. Thuis was het geen leven; -hij zag daar niets dan Marie, die haar verdriet door het huis droeg, haar plicht tegenover -haar kinderen, en tot zekere hoogte ook tegenover hem, stipter dan ooit vervullend. -Het was hem gaan ergeren; het maakte hem kwaad. En bij zijn overprikkelend zenuwleven, -licht geïrriteerd, verloor hij zijn zelfbeheersching, zooals hij het zijn opgeruimd -humeur had gedaan; hij sprak haar toe op korten, haast bevelenden toon: -</p> -<p>„Waar is de sleutel van de kast?” -</p> -<p>De kast was die, waarin Bronkhorst het geld bewaarde, dat hij zoo voor ’t verbruiken -hield. Er lag gewoonlijk ’n zes-, zevenhonderd gulden in aan contanten en klein papier. -Marie droeg den sleutel aan haar ring. Zij nam voor het huishouden wat ze noodig had; -als het op was, waarschuwde zij hem; rekening en verantwoording had hij haar nooit -gevraagd. -</p> -<p>Toen hij den sleutel vroeg, nam zij den ring uit haar mandje en lei dien op de tafel. -Hij deed er den sleutel af. Een oogenblik klemden zich haar lippen stijf opeen, en, -doodsbleek, stond <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>ze op het punt in woede los te barsten; zij wist zich te bedwingen. -</p> -<p>„Wat beteekent dat?” -</p> -<p>„Wat het beteekent? Niets. Ik houd voortaan den sleutel van de kast. Dat is alles.” -</p> -<p>„Begin dan maar met haar open te doen en me geld te geven voor het huishouden.” -</p> -<p>Hij deed het, telde haar geld toe en bepaalde den tijd, dien ze daarmede moest rondkomen. -Ze haalde met minachting de schouders op, nam het geld en ging naar achter, terwijl -Bronkhorst, zenuwachtig, het voorerf afliep. Hij had ’t niet louter gedaan om haar -te contrariëeren. Inderdaad kostte het leven hem in den laatsten tijd zeer veel. Zijn -verhouding tot Betsy was hem reeds op ’n paar duizend gulden te staan gekomen, en -dat kon hem wel niet schelen—’t was immers voor haar!—doch op den kostbaren <span class="ex" lang="fr">train de vie</span> in zijn huis moest dan maar wat bezuinigd worden. -</p> -<p>Voor Marie was het hard, want zij was er niet aan gewoon. Ze huilde er om in haar -kamer en toen ze bezoek kreeg van een der vele dames, die in den laatsten tijd haar -omgang zochten. ’t Was er ditmaal juist een die ze vertrouwde en gaarne mocht. Ze -kon het niet langer verkroppen, hoe gaarne ze ook alles zoo stil mogelijk wilde houden; -ze voelde dat ze iemand hebben moest aan wie ze haar leed kon klagen, en ze vertelde -alles. -</p> -<p>Maar nu vernam ze ook dingen, waarvan ze verstomde. „Zij heeft hem iets ingegeven,” -zei haar vriendin, en toen Marie met Europeesche ongeloovigheid voor de kracht van -Indische middelen, het hoofd schudde, werden haar tal van voorbeelden genoemd, het -een al merkwaardiger dan het andere. Haar ongeloof wankelde, en het verdween bijna, -toen ze begreep, dat, zóó opgevat, zijn schuld geringer werd, uit mindere toerekenbaarheid, -terwijl haar haat tegen Betsy zich onmatig verhief. En de nieuwe vertrouwde, die zoo -goed op de hoogte scheen, alsof zij de campagne zelve had meegemaakt, lichtte Marie -nog geheel anders in. Tot nu toe had ze gedacht, dat er liefde in het spel was van -den kant <span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>van Betsy,—thans vernam zij, dat het louter berekening was, berekening om haar van -haar man te scheiden en zelve mevrouw Bronkhorst te worden. Zóó althans dachten sommige -Indische dames er over op de plaats, en sommige Indische dames zien scherp en denken -overeenkomstig! -</p> -<p>„Niemand heeft me van dat alles ooit iets verteld,” zei Marie met de handen in den -schoot als overrompeld van verbazing door dit nieuwe licht. -</p> -<p><span class="corr" id="xd31e4130" title="Niet in bron">„</span>We dachten, dat je boos zou wezen. We durfden niet goed. Maar wij hebben haar in de -gaten. Al lang, hoor!” -</p> -<p>Toen ze dàt eenmaal wist, viel het haar lichter zijn slecht humeur te verdragen. Het -speelde hem geweldige parten; hij was een ander man. Alles trotseerend, vertoonde -hij zich openlijk met Betsy op den weg, en zijn rijtuig stond elken dag wel een uur -lang voor het huis van de weduwe Duhr, die er niets van begreep, en het erg gek vond, -dat menschen er zoo hun reputatie aan waagden, zonder dat althans het gewone genoegen -daartegen opwoog. -</p> -<p>Want ze had er op durven zweren, dat er niets gebeurde, wat Betsy, zelfs als zij een -jonge maagd was geweest, had kunnen schaden. Bronkhorst zelf vond het vreemd, dat -hij in zijn neiging voor Betsy betrekkelijk zoo onbewogen bleef. Hij was, naar het -hem toescheen, dol van haar. Als ze wandelden kon hij niet velen dat ze iemand aanzag -en hij maakte haar scènes omdat ze het deed, en natuurlijk deed zij het met opzet. -Maar overigens bleef hij van lusten vrij; te vrij naar zijn zin; zóó vrij, dat het -hem verontrustte, en hij oogenblikken had van twijfel aan zichzelven. De wereld geloofde -daar niets van; indien zij in gedachte <span class="ex">preciseerde</span>, dan zou zij zich in zulk een geval de wildste en onstuimige hartstochten <span class="ex" lang="fr">en action</span> hebben voorgesteld. Men had Betsy uit haar gewonen kring gestooten; dat bleek duidelijk -toen er een tooneelvoorstelling en muziekuitvoering op de plaats zouden gegeven worden. -Zij werd niet gevraagd; Bronkhorst en zijn vrouw wel, en ze konden niet weigeren. -Hij ging <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>er heen tegen wil en dank; zij was er verheugd over. Er werd hun zeer veel aandacht -geschonken; men zag het beiden duidelijk aan, dat het tusschen hen niet was zooals -’t behoorde. Bronkhorst was overmoedig, vooral bij ’t binnenkomen. Uiterst beleefd -voor zijn vrouw, ging hij met opgeheven hoofd, eenigszins „aanstellerig”, door het -vrij volle zaaltje naar de voorste rijen, waar zijn plaats was als „notabele.” Zij -deed ook haar best om zoo weinig mogelijk te toonen, tegenover het publiek. Ze dwong -haar afgevallen gezicht tot een opgeruimde plooi en groette glimlachend links en rechts -haar kennissen. Toen de uitvoering was begonnen, hield Bronkhorst het een korten tijd -vol, maar terwijl een juffrouw, een dier <span class="ex">ontluikende</span> dilettanten-talenten, die het nooit tot het verleden deelwoord brengen, een lang -sentimenteel Duitsch lied zong, werd het hem te machtig; het was alsof zijn geforceerde -aandacht hem met geweld ontsnapte; de eenigszins onnoozele uitdrukking van iemand, -die te midden van een menigte personen met zijn gedachten elders is, kwam weer op -zijn gezicht, en starend naar het geïmproviseerd tooneeltje, veranderden in zijn oogen -de trekken van de zangeres; het was Betsy, die daar stond met een blad muziek in de -hand; hij zag het duidelijk; tot in de geringste détails was zij het; de eenigszins -schrale buste van het ontluikend dilettantje, was veranderd in den gevulden boezem -van Betsy, zwellend onder het laag uitgesneden lichtkleurig kleed, dat haar zoo goed -stond; als het meisje, dat haar stuk voordroeg, een beweging maakte met den nog tengeren -arm, dan zag hij de bestudeerde bewegingen van Betsy, die zoo graag coquetteerde met -haar mooie armen in halve mouwtjes. -</p> -<p>„Zie jij dien meneer daar?” vroeg een soldaat, die aan het opslaan van ’t tooneeltje -had geholpen met eenige kameraden, en die nu, belast met het ophalen en neerlaten -van het scherm, achter een der coulissen door een paar gaatjes in de zaal keek. -</p> -<p>„Welke? Dien daar op ’t hoekie vooraan?” -<span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span></p> -<p>„Ja, precies! Vindt je niet, dat hij net kijkt of hij ’m half „om” heeft?” -</p> -<p>„Waarachtig niet. Weet je, hoe hij daar nu zit?” -</p> -<p>„Nou, zeg jij het dan maar.” -</p> -<p>„Net als een die den zwarten hond heeft.” -</p> -<p>Bronkhorst hield het niet langer vol dan tot de pauze; het was hem te sterk. -</p> -<p>„Als je misschien nog wat wilt blijven?.…” zei hij tegen Marie. „Ik voel me niet erg -lekker.” -</p> -<p>Ofschoon zij zich volstrekt niet amuseerde, bleef zij. Hij zou haar ’t rijtuig zenden. -Een diepe zucht van verlichting ontsnapte hem, toen hij zich in de kussens van zijn -coupé liet zakken; het was <span class="corr" id="xd31e4159" title="Bron: halfelf">half elf</span>, maar hij zou toch nog naar haar toegaan; hij werd naar haar gedreven. -</p> -<p>Betsy was nog op. Zij had juist een zeer ernstig gesprek gehad met Sarinah; ze vond, -dat Bronkhorst er zoo slecht begon uit te zien en vreesde, dat hij ernstig ziek zou -worden. Ook haar viel het op, dat hij zoo zenuwachtig was in den laatsten tijd, zulke -diepe kringen om zijn oogen had, en haar zoo in ’t geheel geen aanleiding gaf tot -toepassing van defensief vermogen. Men moest in geen geval ’n slecht ondermijnd gestel -bezorgen aan iemand, die haar man moest worden! -</p> -<p>„Het wordt <span class="ex" lang="ms">terlaloe, nèh</span>,” had zij gezegd; „zou je er nu niet uitscheiden?” -</p> -<p>„’t Kan niet, nonna! Geloof me toch, het is <span class="corr" id="xd31e4170" title="Bron: onmogeiijk">onmogelijk</span>.” -</p> -<p>„Maar hij wordt ziek.” -</p> -<p>„Al wordt hij ziek, ’t komt er niet op aan; des te gauwer zal hij er een eind aan -maken.” -</p> -<p>„Als hij ziek is, kan hij niet meer hier komen.” -</p> -<p>„Het <span class="ex">kan</span> niet anders; hij <span class="ex">moet</span> het hebben. Ketjil heeft het <span class="corr" id="xd31e4185" title="Bron: van ochtend">vanochtend</span> nog gezegd. Ketjil gaat hem elken dag zien voorbijrijden, en zegt, dat meneer nu -goed wordt. Het <span class="ex">is</span> toch knap.” -</p> -<p>„O ja, het is <span class="ex" lang="ms">pinter</span> genoeg; maar als hij sterft, wat dan?” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Masa!</span> Dáárvan sterft men niet.” -<span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span></p> -<p>Betsy loosde een zucht. De „zaak” vorderde wel, maar niet vlug genoeg naar haar zin. -Zij had dat ééne woord nog niet gehoord, waarop ze wachtte, en dat het sein was voor -de verwezenlijking harer plannen. Het scheen, dat hij niet op het denkbeeld kwam uit -zichzelven; welnu, dan zou ze hem er op brengen, zoodra hij haar den volgenden dag -een bezoek bracht; zij zou.… Ze brak haar gedachtenloop af en hief, luisterend, het -hoofd op. Een rijtuig draaide van den grooten weg de laan in; zij. kende ’t geluid, -dat zachte, zware op den slecht gemacadamiseerden grond. ’n Glimlach vol triumf gleed -om haar mond. Prachtig! Men had haar niet geïnviteerd, en inwendig had ze gekookt -van woede, toen ze het hoorde. Bronkhorst en Marie waren wèl genoodigd, en hij had -haar gezegd, dat hij niet weg kon blijven. Maar hij had het niet volgehouden. Daar -was hij al! Hij had den heelen boel in den steek gelaten: gezelschap, voorstelling, -Marie,—den ganschen <span class="ex" lang="fr">boutique</span>,—en daar kwam hij aanhollen naar <span class="ex">haar</span>. -</p> -<p>Vrij opgewekt liep hij de treden op naar de voorgalerij, waar ze in sarong en kabaja -op een wipstoel zat, en blij, dat hij haar zag, greep hij een harer handen, en ging -naast haar zitten. -</p> -<p>„<span lang="fr">Bonsoir</span>, Bets, hoe gaat het? Hé, ik ben blij, dat ik hier ben, Het is een <span class="ex"><span class="corr" id="xd31e4217" title="Bron: corvee">corvée</span></span>!” -</p> -<p>„Heb je je dan niet geamuseerd onder al die fatsoenlijke menschen?” -</p> -<p>Ze was niet erg toeschietelijk, en van haar blijdschap over zijn desertie en zijn -overloopen naar haar, liet zij niets merken. -</p> -<p>„Je weet wel,” antwoordde hij, haar glimlachend aanziende, „dat ik me alleen bij jou -amuseer.” -</p> -<p>„Goed! Maar Jean, hoe lang moet het nog zoo voortduren?” -</p> -<p>Zijn gezicht betrok, en hij zuchtte diep. -</p> -<p>„Ja, hoelang?” -</p> -<p>„Me dunkt, je moest daar eens over nadenken.” -</p> -<p>„Heb je <span class="ex" lang="ms">ajer blanda?</span>” -</p> -<p>„Welzeker!” -<span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span></p> -<p><span id="xd31e4237"></span>De interruptie maakte haar niet boos; integendeel, zij lachte allerliefst, en stond -dadelijk op. -</p> -<p>„Wil je er niet wat brendy in hebben?” -</p> -<p>„Graag, Wacht, laat mij ’t apollinariswater maar open maken.” -</p> -<p>Ze prepareerden samen een grog; hun handen kwamen daarbij telkens in aanraking, en -als dat met opzet gebeurde, lachten ze stil en keken ze elkaar aan. -</p> -<p>„Wees toch niet kinderachtig,” zei ze.—<span class="corr" id="xd31e4244" title="Niet in bron">„</span>Rook je niet?” -</p> -<p>„Ik heb er niet aan gedacht.” -</p> -<p>„Allerliefst! Geef me je koker, dan zal ik er een aansteken.” -</p> -<p>Uit den grooten matten koker nam ze een <span class="corr" id="xd31e4251" title="Bron: havana">havanna</span>, beet er de punt af met veel vertoon van haar witte tanden, die bij ’t helder lamplicht -schitterend contrasteerden met het donkere rolletje tabak; intusschen stak Bronkhorst -een lucifer aan, en rookte zij met aardige onbeholpenheid en een vooruitgestoken klein -mondje. -</p> -<p>Lachend nam hij de sigaar af en rookte die verder. -</p> -<p>„Neen, maar <span class="ex" lang="ms">betoel</span>, Jean,” ging zij voort; „het kan heusch zoo niet blijven.” -</p> -<p>Hij dronk een langen teug uit het hooge glas. -</p> -<p>„Wist ik maar wat er aan te doen was!” -</p> -<p>„Ja, er is natuurlijk maar één weg.” -</p> -<p>„Scheiden?” -</p> -<p>Ze was blij, dat hijzelf het ’t eerst zei. -</p> -<p><span class="corr" id="xd31e4266" title="Niet in bron">„</span>Natuurlijk! Je moet zien van haar te scheiden. Me dunkt, dat kan zoo moeilijk niet -zijn.” -</p> -<p>„Ik vrees, dat het heel moeielijk wezen zal.” -</p> -<p>„Dat hangt toch veel van jou af.” -</p> -<p>„Als zij niet wil?” -</p> -<p>Een oogenblik kwam haar aard boven. -</p> -<p>„Niet wil, niet wil! Er is altijd wel een <span class="ex" lang="ms">akal</span> op te vinden. In het uiterste geval neem je een inlandsche.…” -</p> -<p>Zichzelve betrappend op een onvoorzichtigheid, zweeg ze en kreeg een kleur. Hem had -het pijnlijk aangedaan, want hij begreep <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>het, en zijn van nature eerlijk hart kwam in opstand tegen zulk een laag middel; maar -hij was ver genoeg om er niet over te struikelen, en, toen zij, dadelijk een ander -effect teweeg willende brengen, met een diepen zucht en een traan, zeer aandoenlijk -zei: „Mijn God, waartoe komt ’n mensch al niet!” had hij een teeder medelijden met -haar. -</p> -<p>„Ik zal het probeeren,” zei hij, zijn hand op de hare leggend. „Ze zal toch begrijpen, -dat het zóó niet kan blijven. ’t Is veel beter, dat het tot een scheiding komt, en -zij naar Holland gaat.… met de kinderen.” -</p> -<p>„Waarachtig, Jean, het <span class="ex">is</span> de eenige uitweg voor ons. Ik ben anders voor altijd verloren. Wij zijn fatsoenlijk, -is het niet? We hebben ons beter gehouden, dan menigeen, die voor onberispelijk netjes -doorgaat. Welnu, dat helpt immers niet!” -</p> -<p>„Neen, het is waar; het is beroerd.” -</p> -<p>„Het eenige is, dat we trouwen, Jean; dat is absoluut het eenige.” -</p> -<p>„Ik heb je gezegd, dat ik mijn best zal doen, Bets; en je weet, dat ik het doen <span class="ex">zal</span>.” -</p> -<p>Hij werd weer ’n beetje ongeduldig; ’t was een gevolg van zijn algemeenen toestand, -die hem scheen te beletten lang bij ’t zelfde onderwerp te verwijlen. -</p> -<p>„Hoe was het op die uitvoering?” vroeg ze. -</p> -<p>Met korte, afgebroken zinnen vertelde hij wat hij wist, spottend over het gebrekkige, -dat hem had getroffen, wat bij haar, die een goede musicienne was, weerklank vond. -</p> -<p>Zoo bleven ze zitten, pratend en schertsend, tot het vrij laat was. Zij bracht hem -het erf af, en, verborgen achter den pagger, die langs den weg liep, nam ze een bijzonder -teeder afscheid van hem. -</p> -<p>„Je doet het, ja?” vleide ze. -</p> -<p>„Zeker! Morgenochtend dadelijk. Er <span class="ex">moet</span> een eind aan komen.” -</p> -<p>Toen zijn coupé het erf van zijn huis opreed, was de muziek- <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>en tooneeluitvoering reeds lang afgeloopen; hij had heelemaal vergeten Marie het rijtuig -te zenden; ze was met kennissen meegereden en die hadden haar thuis gebracht. -</p> -<p>Eerst toen Bronkhorst weg was, kwam Ketjil het erf op van mevrouw Duhr, die reeds -lang ter ruste was. Hij had op den weg gestaan, en, voorzichtigheidshalve, zoo lang -op en neer gewandeld tot de notaris, die hem kende, weg was. Het was ’n klein erf, -en de lamp brandde helder, zoodat hij, noodwendig dicht langs het huis voorbijgaand, -kon gezien worden. Alles te zamen genomen, vond hij ’t beter hem niet onder de oogen -te komen. -</p> -<p>Nu Betsy het huis binnen en naar haar kamer was gegaan, ging hij naar de <span class="ex" lang="ms">tampat</span>, die op het achtererf zijn moeder was toegewezen. -</p> -<p>Ketjil was in den laatsten tijd niet gelukkig met zijn geld; hij verloor bij het spel, -en het werd zaak dezen citroen nog ’n beetje te knijpen vóór hij te droog werd. Toen -hij achter kwam, was er geen licht. Hij klopte zacht op de deur. -</p> -<p>„Wie?” vroeg de oude, die op een baleh-baleh haar hazenslaap sliep. Zoodra zij hoorde -dat ’t haar zoon was, wist ze ook waarom hij kwam; ze begon geweldig te steunen en -te klagen, en het duurde lang eer zij de deur had gevonden en hem opendeed. Zijn oogen -waren aan de duisternis gewoon, en hij ging op den rand der baleh-baleh zitten. Zoomin -als zijn moeder zich bedroog in de reden van zijn komst, zoomin vergiste hij zich -in de oorzaak van haar zuchten en steunen. -</p> -<p>„Niet wel?” vroeg hij zacht. -</p> -<p>„O, neen. Ik ben ziek; ik ben erg ziek.” -</p> -<p>„Wat scheelt er aan?” -</p> -<p>„Ik weet het niet; ik ben oud; oude menschen moeten sterven.” -</p> -<p>„Kunnen,” verbeterde hij, als om haar te troosten. Maar ze hield hardnekkig vol. -</p> -<p>„Jonge menschen <span class="ex">kunnen</span>, ouden <span class="ex">moeten</span>.” -</p> -<p>„Nu ja, nog niet.” -<span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span></p> -<p>„Wie weet hoe gauw,” ging ze voort met een akelige stem. „Ik zie hier dikwijls het -spook van den dood. Het is hier bij me in de duisternis.” -</p> -<p>Inderdaad was het donker, want ze had wel een lampje en lucifers bij de hand, maar -ze ontstak die niet. Onwillekeurig keek hij rond, als wilde hij ook naar het spook -zien in de duisternis. -</p> -<p>„Och kom!” zei hij: „heb je het spook zelf gezien?” -</p> -<p>Zij antwoordde niet dadelijk; ze wist nu, dat ze hem geen vrees kon aanjagen; het -zou haar niet helpen of zij al haar vervaarlijke spookhistories afschoot op het dikke -bruine lichaam, onder welks gewicht de bamboezen van de baleh-baleh kraakten. -</p> -<p>„Het is niet om te lachen,” zei ze. -</p> -<p>„Wel neen, ik lach ook niet; het maakt me betoel bang.” -</p> -<p>Er was <span class="ex">in</span> ’t geheel geen eer aan te behalen voor de oude vrouw. -</p> -<p>„Waarom kom je hier?” vroeg ze. -</p> -<p>„Om eens te zien of het je goed gaat.” -</p> -<p>„Dan <span class="corr" id="xd31e4351" title="Bron: hadt">had</span> je wel vroeger kunnen komen, in plaats van mij wakker te maken uit mijn slaap.” -</p> -<p>„Ik heb het zoo druk.” -</p> -<p>„Zeker met je witte <span class="ex" lang="ms">njai!</span>” -</p> -<p>„Toch niet! Ik maak tegenwoordig zooveel horloges. Al de wijzers zijn stuk!” -</p> -<p>„Och wat! Je houdt me voor den gek. Als je daarvoor bent gekomen, ga dan maar weer -weg.” -</p> -<p>„Ik moet voor eenige dagen uit.” -</p> -<p>„Zoo! Waarheen?” -</p> -<p>„Naar het Zuiden.” -</p> -<p>„Dat dacht ik wel.” -</p> -<p>„<span class="ex" lang="ms">Betoel!</span> Ik heb geen tranen van den <span class="ex" lang="ms">doejong</span> meer.” -</p> -<p>„Ik begrijp het wel; je moet die gaan koopen aan de Zuidkust, en daarvoor moet je -geld hebben, nietwaar?” -</p> -<p>„Ja, dat zal wel zoo wezen.” -</p> -<p>„En als zij het nu niet geven wil?” -<span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span></p> -<p>„Dan krijgt ze hem niet.” -</p> -<p>„En als zij ’t niet heeft?” -</p> -<p>„Dan moet ze het hem maar vragen. Ik heb ze daareven samen achter den pagger zien -staan; als ze ’t hem vraagt, dan geeft hij het.” -</p> -<p>„En hoeveel moet je hebben, en wanneer?” -</p> -<p>„Het beste van alles is, dat ik dadelijk ’t geld ontvang, want dan kan ik nog van -nacht op reis gaan.” -</p> -<p>„Is er zulk een haast bij?” -</p> -<p>„Ik heb niets meer en er is haast bij. Vraag haar voorloopig honderd vijftig gulden; -misschien is dat genoeg.” -</p> -<p>Hij sprak nu kort en bevelend, zonder er zich in het minst aan te storen, dat de oude -hem telkens met haar klaagliederen in de rede viel. Maar zij ging toch binnen, en -vertelde aan Betsy met het ernstigste gezicht ter wereld, dat Ketjil nog weer op reis -moest om <span class="ex" lang="ms">obat</span> te koopen, dat het <span class="ex" lang="ms">perloe</span> was, en dat hij dadelijk tweehonderd gulden moest hebben. -</p> -<p>Betsy was buiten zichzelve van woede. -</p> -<p>„Jou leelijke, brutale, ouwe <span class="ex">nèh</span>!” riep ze. „Jou afzetster! Denk je, dat ik me nog langer laat oplichten, door jou -en je dief van een zoon? <span class="ex" lang="ms">Ajo</span>, gauw de kamer uit!” -</p> -<p>Maar Sarinah ging niet; zij bukte deemoedig en ontving zonder morren den klinkenden -klap, dien Betsy haar toediende met de vlakke hand. -</p> -<p>„Daar, oud beest! En daar heb je er nog een! Ik zal je leeren.” -</p> -<p>„Ketjil heeft niets meer,” zei ze. „Wij houden dus op.” -</p> -<p>„Voor mijn part! Denk je dat ik gek ben?” -</p> -<p>„Ja maar.… dan komt er ook niets van. Nonna moet toch verstandig zijn.” -</p> -<p>„Houd je mond. Ik geef zooveel geld niet, en ik heb het ook niet.” -</p> -<p>„Als ik het had, gaf ik het zelf. Het is zoo jammer van al die moeite en onkosten. -En als het nu toch goed afloopt! Zoo’n heerlijk huis!” -<span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span></p> -<p>Nog een kwartier ging het heen en weer praten voort, tot Betsy alles gaf, wat ze op -’t moment aan contanten bezat; het was maar honderd en zestig gulden. Sarinah bracht -het naar achteren, maar onderweg nam zij er drie bankjes van tien af en moffelde die -weg tusschen haar sarongband. In haar kamertje stak ze nu ’t lampje op. Ketjil zat -nog onbeweeglijk op den baleh-baleh-rand. Zij wierp de overige honderd dertig gulden -in papier met ’n soort van woede naast hem neer. -</p> -<p>„Daar! Dat is alles wat ze bezit. Je hebt haar nu heelemaal uitgeplunderd. Ze heeft -geen cent meer in huis.<span class="corr" id="xd31e4418" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Doch Ketjil lachte en keek zijn moeder aan. -</p> -<p>„Ik zal het maar nemen,” zei hij; „de rest krijg ik later wel.” -</p> -<p>„Ga nu maar heen en kom gauw terug.” -</p> -<p>„Voor hoelang heb je nog?” -</p> -<p>„Voor hoogstens viermaal.” -</p> -<p>„Over vier dagen ben ik terug. Dag, moeder,” en heen gaande streek hij zijn dikke -hand liefkoozend over haar voorhoofd, „dag oudje, je bent toch ook <span class="ex" lang="ms">pinter</span>, ja?” -</p> -<p>Het was geen heele leugen van Ketjil geweest. Hij moest inderdaad naar de Zuidkust, -maar niet voor de „obat,” die zijn moeder den notaris liet slikken. Voor dien had -hij nog voorraad genoeg. Maar zijn geld was verdobbeld,—dàt <span class="ex" lang="la">ad primum</span>, en <span class="ex" lang="la">ad secundum</span> had hij meer noodig voor een hoogst voordeelige toepassing, die hem heel wat meer -zou opbrengen, dan wat njonja Ekster hem kon betalen; doch ditmaal had hij te doen -met een oudere en slimmere vrouw, die geen cent wilde geven vóórdat zij de middelen -had toegepast en de werking had gezien. Daarom had Ketjil inderdaad des nachts zijn -zwaar lichaam op ’n stevig paard gewerkt, dat zijn eigendom was en speciaal voor verre -tochten werd gebruikt, en met de weinige reisbenoodigdheden, waaraan een inlander -behoefte heeft, was hij vertrokken. -</p> -<p>Onvermoeid had hij doorgereisd den dag en den nacht, nu en dan op een sukkeldrafje, -maar meest stapvoets; hij was over hooge bergruggen getrokken, waar hij gebibberd -had van kou; <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>maar nu was hij weer gedaald, en nu had de omgeving die andere gedaante aangenomen, -welke de Zuidkust van Java op vele punten zoo scherp van de Noordkust onderscheidt. -</p> -<p>Ketjil was erg vermoeid; zijn beenen waren stijf van ’t rijden, en met moeite en langzaam -steeg hij af; hij zou niet verder te paard gaan; nu hij slechts hier was, ging de -rest gemakkelijker, en met welgevallen zag hij naar de stille desa vóór hem. Uit het -huisje, waarvoor Ketjil halt had gehouden, kwam hem ’n grijze inlander tegemoet, zijn -<span class="ex" lang="ms">sobat keras</span>, ’n oude mantri, die hoopte dat zijn gast ’n paar dagen zou blijven. Maar Ketjil -kon niet; hij had haast en moest naar het visschersdorp aan de monding der rivier, -waar hij altijd zijn „zaken” deed. Het was moeilijk, maar ’t kwam toch terecht, en -terwijl Ketjil een kop heete koffie dronk, waartegen hij zat te blazen, ging heel -bedaard hun gesprek voort. Welzeker, de oude zou hem helpen, maar de koelies zouden -zich laten betalen, daar <span class="ex" lang="ms">sobat</span>, zei hij met een lachje, erg zwaar was. Want de reis zou verder per <span class="ex" lang="ms">tandoe</span> gaan; de oude had nog een erg versleten luierstoel, die zich van geen atoom politoer -meer bewust was en bedenkelijke ouvertures speelde in de mat. Doch op zulke kleinigheden -kijkt slechts een verwend Europeaan; Ketjil zou er lekker in zitten, en aan een paar -stevige bamboe, met een kap van kadjang tegen ’t zonnetje, zou het ’t ideaal van een -<span class="ex" lang="ms">tandoe</span> zijn, waarin „sobat” zitten zou als een „koningszoon.” -</p> -<p>En ’n paar uren later stond ’t heele toestel gereed, met vier koelies om te dragen, -een kepala en twee man om af te lossen; het in orde maken der reisgelegenheid had -veel minder tijd gekost, dan het tawarren over den prijs, want in deze weinig bewoonde -streek, waar, zou men zeggen, zoo niets te krijgen was, dan ’t geen de natuur opleverde, -bleek de bruinbroeder het geld even lief te hebben en de waarde er van niet minder -goed te kennen, dan Ketjil zelf. -</p> -<p>Ofschoon hij er lekker zat in den luierstoel, die met zijn dik lichaam vooruitzweefde -boven den grond, genoot hij weinig op <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>dit reisje. De zon stond reeds hoog. Eerst ging het door heete velden vol alang-alang, -op wier harde vezels ’t scherpe licht hel weerkaatste, zoodat de oogen er zeer van -deden en Ketjil het gevoel bekroop als droeg men hem door ’n vuur. Het terrein was -ongelijk, en nu eens moest hij zich vooruit aan de leuningen vast houden om, als de -voerlieden een kleine hoogte opliepen, niet achteruit te glijden; dan weer zette hij -bij ’t dalen zich schrap om niet vooruit te schieten en tusschen de draagstokken te -vallen. Overigens geen beweging en geen geluid, dan het zacht wiegelen van de tandoe, -het kraken van de voetstappen der koelies op de droge alang-alang, en het geroep der -voerlieden: „Langzaam aan!” als die van achteren niet inhielden bij ’t dalen, „Duwen!” -als ze geen kracht genoeg zetten bij het stijgen, of „Verwisselen!” als er een meende, -dat het tijd werd voor de vrije schouders, om het aan de bamboezen hangend gewicht -te dragen. Van de bruine ruggen lekte het zweet, zoodat ze blonken in de felle zon, -alsof zij met vet waren gesmeerd. En Ketjil, die, met z’n oogen half dicht ’n strootje -lag te rooken, pikirde er over hoe dom toch ’n mensch moet zijn om zulk werk te willen -doen; maar ze waren ten slotte toch nog vroolijker dan hij; onder het loopen wisselden -ze, al hijgend, flauwe aardigheden, waarover ze erg veel pleizier hadden, of als een -niet liep zooals de ander wel wenschte, dan hoopte zijn mededrager, dat hij een „dikken -buik” mocht krijgen, wat weer stof gaf tot vroolijkheid van het zevental, doch Ketjil -in stilte ergerde, omdat hij er een hatelijkheid in zag op zijn eigen dikken buik. -</p> -<p>Hij zei echter niets; daar was hij niet alleen in eigen oogen een te hoog persoon -toe, maar hij wist hoe weinig ’t hem zou helpen; hij zou ook met dit volkje niet gaarne -getwist hebben; hij zag uit zijn stoel hoe een hunner zich een grooten doorn in den -voet trapte, en de kerel hield niet eens met loopen op, maar trok, al voortgaande, -door een bewonderenswaardig vlugge, dubbele beweging van hand en voet, het doorn uit -het vleesch. Ruwe menschen! dacht Ketjil. -<span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span></p> -<p>Na ’n paar uren waren de alang-alang-velden achter den rug. Het bosch begon, het <span class="corr" id="xd31e4467" title="Bron: ur-woud">oerwoud</span> met slechts hier en daar enkele lichtplekken, maar haast geheel in eeuwige schemering, -zonder andere paden, dan die den voet van den inlander al loopende tusschen ’t geboomte -had getrokken. Het was er koel, duister en nog stiller haast, dan in de velden; tallooze -varens, buitengewoon lichtkleurig uit onvoldoend licht, staken sterk af tegen het -dichte zwartgroene loof der boomen. In dat bosch werd Ketjil benauwd. Als door een -of ander onverwacht hevig geritsel in de boomen, door een aap of ’n grooten vogel, -misschien, de stilte werd verbroken, dan schrikte hij, bang voor, hij wist zelf niet -wat. En de lucht der op den vochtigen grond rottende blaren hinderde hem, zoodat hij -er van hoestte, dof en schier als een aamborstige. Hij was blij, dat hij weer in ’t -licht kwam! -</p> -<p>Maar het was een ander licht, dan het geel-groene der alang-alang-velden. Uit het -bosch kwam hij in een woeste bergstreek met steile ontoegankelijke kalkrotsen van -grilligen vorm. In de verte duidde een nevel de nabijheid aan der Zuidkust, en de -koelies als paarden, die den stal ruiken, verhaastten hun sukkeldrafje, nog meer geluiden -uitstootend, sterker doorzakkend in de knieën dan eerst, en al voortloopend zich koelte -toewuivend met reusachtige bladeren, in het bosch geplukt en als waaiers gebruikt. -Het ging weer op en af in dit woeste oord, over naakten, rotsachtigen grond, zoo warm, -dat de koelies hun genot niet kenden, als ze met hun vermoeide voeten door de snel -wegschietende bergstroompjes waadden die het terrein telkens doorsneden. -</p> -<p>De zon daalde. Ketjil berekende, bekend als hij was met de afstanden, dat het donker -zou zijn eer hij aankwam, en hij had er tegen hier in ’t duister te reizen. Daarom -gelastte hij halt bij een voor ’n boschje van waaierpalmen staande warong, en de hooge, -sterke bamboepagger met scherpe punten ter beveiliging tegen tijgers, die des nachts -mochten trachten er op en over te <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>willen springen, rechtvaardigde volkomen de vrees van Ketjil. Achter dien hoogen pagger -voelde men zich veilig, en de waronghouder, die hem kende, ontving hem erg vriendelijk; -de moede koelies kregen eten; Ketjil nuttigde ook iets, en vertelde daarna, dat hij -wilde slapen, aangezien het lichte maan was, en hij het aangenaam vond daarbij wakker -te zijn. -</p> -<p>Vroeg in den morgen ging de tocht verder, maar het was nog zóóver, dat het pad eerst -’n paar uren later daalde naar het zeestrand, naar het visschersdorp, waar men wezen -moest. Het was een schoon gezicht! Op den voorgrond het dorp bij de monding van een -riviertje, en met een kleine alluviale strandvlakte aan de andere zijde; rechts en -links ontzaglijke, ongenaakbare rotsgevaarten, waartegen de Zuider-Oceaan zijn lange -golven stuwde, die, brekend, haar water omhoog deden spatten en elke minuut toonden -hoe de voortstuwende kracht harer massa’s in machtelooze afzonderlijke atomen verloren -ging, gebroken op grooter weerstandsvermogen. Bij elke golf, die op de steile gevaarten -tot waterdamp sloeg, rolde langs het strand een dof donderend geloei, dreigend en -klagend van toon. -</p> -<p>Het was eb, en op het zand der kleine vlakte aan zee zag men een waar mozaïek van -arabesken door duizenden kleine krabben gevormd, meest als getinte spiralen uitgestrooid -over het effen vlak; een mozaïek, verbroken door enkele goed uitkomende strepen gaande -van de zee naar het hooger gelegen strand; schildpadsporen, die de inlanders zorgvuldig -nagingen om de eieren op te delven. En over dat alles joeg de landwind vreemde, in -hun vaart bolvormig schijnende gewassen naar zee van hard broos stekelig gras, die -hij, over het hoogere strand strijkend, had afgebroken en nu met een huppeldans naar -de golven joeg, die ze verder zouden meevoeren en weer op ’n andere kust werpen, waar -ze zich konden voortplanten. -</p> -<p>Het was een eenig gezicht dien ochtend op de kleine vlakte aan het strand, maar de -groote, koude, zwarte oogen van den inlander, keken er naar met onverschilligheid. -Wat raakten hem <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>schakeeringen van licht, kleuren, klanken? Wat zag hij in zulke détails! Hij zou zich -geschaamd hebben, als hij er belang in had gesteld en dááraan had gedacht, in plaats -van zijn kansen op winst te berekenen, want met verlies hield hij zich volstrekt niet -op! -</p> -<p>„Waarheen?” vroeg de koelie-mandoer. -</p> -<p>„Hadji Ismaïl,” antwoordde Ketjil,<span id="xd31e4484"></span> en voort ging het tusschen de huisjes van het visschersdorp. De man in de tandoe -moest weer hoesten; in zijn soort was hij toch ook verwend, want hij mopperde geweldig -tegen den ontzettenden stank, verspreid door de visch, die in een zeker overgangsstadium -om bamboezen stellages lag te drogen; ’n groote zeearend, die in wijde kringen boven -’t visschersdorp vloog, scheen zich daar meer te verheugen dan Ketjil, die ’n gekleurden -zakdoek uit zijn baatje trok en voor den neus hield. Van alle kanten blaften steiloorige -gladak-honden den vreemden tandoe aan, en van alle daken en uit alle paggers mauwden -tallooze katten, voor wier levensduur en huwelijksgeluk zoo’n dorp aan zee, waar op -’n vischje meer of minder niet gekeken wordt, een waar paradijs is. -</p> -<p>Hadji Ismaïl, wiens vrome ijver toch ook niet door de vischlucht scheen te worden -aangetrokken, woonde ’n eindje buiten het plaatsje, op een plek gewoonlijk van den -wind af. Ook hij wist wel, wat dezen man van het land naar de stranden der zee dreef, -maar hij gaf hem niet veel hoop. Het was jammer, zei hij, maar juist een paar dagen -te voren waren de <span class="ex">doejongs</span> gevangen; om de tranen te koopen, die den dieren bij hun sterven uit de oogen stroomen, -waren anderen Ketjil reeds vóór geweest. En nu gebeurde het tegenwoordig waarlijk -niet elken dag, dat men zoo’n beest ving; het was in dat opzicht ’n slechte tijd. -De visscherij ja, die bleef goed; de netten waren trouw gevuld. Maar <span class="ex">doejongs</span>.… ’t kon wel gebeuren, dat Ketjil een week moest wachten vóór hij krijgen kon wat -hij wenschte. Het viel dezen erg tegen, heel erg zelfs, maar daar er niets aan te -doen was, bleef hij zijn ziel in lijdzaamheid bezitten. -<span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span></p> -<p>„Willen we niet eens aan het strand gaan kijken?” vroeg de hadji. „De menschen zullen -nu juist aan den gang zijn. We kunnen nog eens met hen praten.” -</p> -<p>Zij wandelden samen op, zoo langzaam als inlanders, die den tijd hebben: voetje voor -voetje, nu en dan nog stilstaand in hun gesprek. -</p> -<p>Hadji Ismaïl wees met den uitgestrekten arm naar een punt verder op. -</p> -<p>„Daar gaan ze.” -</p> -<p>„Het is maar gewoon visschen.” -</p> -<p>„Zeker, heel gewoon.” -</p> -<p>„Kunnen ze niet eens zoeken, en wat zou dat moeten kosten?” -</p> -<p>„Het gaat niet, en ’t helpt ook niet. Natuurlijk zouden ze het wel <span class="ex">kunnen</span> doen, voor veel, heel veel geld.”. -</p> -<p>Ketjil zuchtte er van. -</p> -<p>„Ik heb niet zooveel bij me.” -</p> -<p>„Het doet er niet toe; het zou immers toch niet baten.” -</p> -<p>Doch Ketjil was koppig; hij wilde niet nog ’n week, langer misschien, in dat stinkende -dorp wachten, -</p> -<p>„Als er iemand was, die me het geld wilde leenen<span class="corr" id="xd31e4515" title="Bron: .,.">…</span>.” -</p> -<p>„Waartoe? Men kan het evengoed in ’t water gooien.” -</p> -<p>„Ik geef het binnen één maand terug.” -</p> -<p>„Er valt wezenlijk niet te zoeken naar den <span class="ex" lang="ms">doejong</span>; het beest is er of is er niet.” -</p> -<p>„Tegen behoorlijken interest.” -</p> -<p>Maar de hadji bleek aan dat oor volslagen doof, en Ketjil drong vruchteloos aan. -</p> -<p>Intusschen naderden zij de visschers, die aanstalten maakten om hun netten uit te -brengen. Het was een lastig werk. Hoog hieven de wel honderd meter lange golven der -branding de witte krullende hoofden omhoog, waarop in de verte het zonlicht brak met -alle kleuren van den regenboog; de visschers stonden een eindje in zee; zij hielden -een vlerkprauwtje, dat als ongeduldig op het water danste, met den kop vooruit, en -toen een der <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>rollers hen bereikte, wipten zij er met een hoezeetje hun kleine vaartuig overheen; -daarna zag men hun van ’t zeewater druipende lichamen met groote vlugheid in ’t prauwtje -springen en ze roeiden wat ze roeien konden. Achteraan sleepte het net met één einde -door een lang touw op ’t strand vastgebonden, en onder het roeien merkten de groote -dobbers van het net, drijvend op onderling gelijke afstanden, den weg der visschers, -die hun uiterste krachten inspanden om de af te visschen bocht te beschrijven, vóórdat -een andere roller het schuitje kwam treffen vóór den boeg, want dan zou de brooze -notedop onvermijdelijk zijn omgeslagen, ’t Gelukte hun ditmaal als bijna immer. De -halve cirkel was juist op het water beschreven; de kop van het prauwtje wendde weer -naar het droge, toen de golf kwam, die het anders zou omgeworpen hebben, maar nu met -een krachtigen zet ’t verder roeien bespaarde, en schuitje en visschers bracht waar -ze zijn moesten. -</p> -<p>De hadji en Ketjil stonden aan het strand te kijken, de laatste vol bewondering over -de vlugheid en kracht van dit naakte zeevolkje. -</p> -<p>Langzaam en gelijkmatig, zonder rukken, begonnen de visschers hun net binnen te halen -met eentonigen dreun; de omtrek door het net beschreven kromp met elken trek zichtbaarder, -en in het water tusschen de dobbers kwam een gewriemel, drukker en drukker. -</p> -<p>„Er zit aardig wat in,” zei Ketjil. -</p> -<p>De hadji wierp een als ’t ware erkentelijken blik over de groote zee met haar diepen -groenblauwen grondtoon vol tallooze teere tinten; hij was met zijn geld bij de visscherij -betrokken; het was zijn „rente”, die daar, in den vorm van levende visch, zooveel -vruchtelooze pogingen deed om te ontkomen aan de mazen van het net. -</p> -<p>„Allah is groot,” zei hij met woekeraars-onderworpenheid, „en de zee is rijk!” -</p> -<p>Een dof geluid steeg op uit het net, dadelijk gevolgd door <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>’t gejubel van ’t visschersvolk; het inhalen geschiedde nu voorzichtig maar krachtig, -en tegen den laatsten trek kwam boven het levend gewriemel der dooreenkrioelende visschen -een blauwachtige grijze rug te voorschijn, en toen het dier kantelde bij het op ’t -strand halen, toonde het een helder wit onderlijf! dichtbij den stompen kop zaten -een paar zwemvinnen; bij dit dier met den lichaamsvorm van een zeehond, spartelde -een kleiner exemplaar. Het was een doejong met zijn stamhouder. -</p> -<p>De visschers gunden zich geen tijd om naar de visch uit te zien; een sprong toe met -een knuppel; hij sloeg den doejong geweldig op den kop en uit de oogen van het stervende -dier lekte toen traan bij traan. -</p> -<p>„Gelukskind!” zei hadji Ismaïl glimlachend tegen Ketjil, die vol blijdschap aandachtig -keek naar den anderen visscher, die met groote zorg het kostbaar vocht opving in een -schoteltje. -</p> -<p>Men bracht het bij hem, en hij bekeek en berook het met eerbied. Maar toen hij gevraagd -had, wat het moest kosten, werd hij boos om het antwoord. Zestig gulden! Dat was gemeen! -</p> -<p>En de kerels waren vast; ze hielden op een wanhopige manier voet bij stuk, en of Ketjil -hoog of laag sprong,—hij kreeg zijn schat niet onder de vijf en dertig gulden. -</p> -<p>„Ze hebben me zoo goed als bestolen.” zei hij bij het teruggaan jammerend tegen den -hadji. -</p> -<p>Maar die had er schik in. -</p> -<p>„Kom, kom! De arme menschen geven het veel te goedkoop!” -</p> -<p>Ketjil bleef nu geen uur langer dan noodig was; weldra zweefde hij weer in den stoel -van den mantri tusschen hemel en aarde. -</p> -<p>Toen hij thuis kwam, was zijn moeder de eerste, die hij aantrof. Maar zij verwelkomde -hem niet. Integendeel, zij was eer boos, en vroeg hem dadelijk de „obat”; ze wachtte -er op, zei ze, en ’t was schande, dat hij haar in den steek liet, nu juist zooveel -er van afhing. Ketjil zocht niet verder naar verontschuldigingen; de kip was, wat -hem betrof, geplukt; hij had volstrekt <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>geen plan zich verder van dat zaakje iets aan te trekken, en hij snauwde de oude af -op den toon van gezag, die een inlandschen zoon tegenover zijn moeder, zijn ondergeschikte, -past, als hij haar niets te verzoeken heeft. Zij antwoordde hem niet, maar bromde -en steunde tot hij ’n beetje had gezocht, dan eens in zijn trommeltje, dat hij mee -had gebracht, dan weer in een zijner kastjes. Eindelijk kreeg Sarinah, wat zij verlangde -en dat hij reeds lang voor zijn „dienstrein” had gereed staan. -</p> -<p>Zij vertelde hem niets. Ze begreep heel goed, dat hij er geen belang meer in stelde. -Een karretje wachtte haar, en zij maande den koetsier aan tot spoed. -</p> -<p>Het waren ’n paar woelige dagen geweest, en zij vreesde, dat Bronkhorst, als hij niet -regelmatig zijn portie kreeg, niet in de voor het doel vereischte stemming zou blijven. -</p> -<p>Zij vond hem bij Betsy, zeer opgewonden, en ongezien sloop zij in ’t halfduister het -erf op, en achter het huis in, waar ze ging staan luisteren aan de deur. -</p> -<p>Toen Bronkhorst den ochtend, nadat hij vergeten had zijn vrouw met het rijtuig te -laten halen, aan het ontbijt kwam, dacht hij dat ze er iets over zou zeggen. Hij had -weer een hoogst onaangenamen, grootendeels slapeloozen nacht gehad; hij was gruwelijk -uit zijn humeur, en als ze iets zei, dan moest de kogel, meende hij, maar met geweld -door de kerk. Maar ze zei niets, en zelfs toen hij begon te brommen en te vitten op -het eten en op de thee, bleef zij gemoedelijk en liet zij verwijten, hoe ongegrond -ook, geheel onbeantwoord. -</p> -<p>„Het is op die manier geen leven,” zei hij eindelijk. -</p> -<p>Zij glimlachte droevig. Neen, daarin had hij volkomen gelijk. Het was geen leven, -althans niet voor haar. Tot zelfs haar bedienden, die nu niets meer in haar zagen -dan een onttroonde vorstin, plaagden en brutaliseerden haar. Wat was een vrouw, zoo -goed als verlaten door haar man? Omdat ze nu een Europeesche vrouw was, en er zulk -een vreemde <span class="ex" lang="ms">adat</span> heerscht bij de Europeanen, mocht zij nog in huis blijven, en kon men haar <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>niet er uitjagen; was zij een inlandsche geweest, dan had ze al lang een <span class="ex" lang="ms">soerat lepas</span> gehad; dáárover was het bedienend personeel het volkomen eens. -</p> -<p>„Er moet een einde aan komen,” ging hij voort met een drogen mond op ’n stuk brood -kauwend. -</p> -<p>„Er moet op een of andere manier een eind aan komen.” -</p> -<p>Marie verbleekte niet; zij zag al zoo bleek na al het verdriet van den laatsten tijd, -dat ze moeilijk witter kon worden dan ze was. Ze keek hem aan, en ondanks zichzelve, -kwam een gevoel van medelijden bij haar op. Zooals hij daar zat, etend om zich ’n -figuur te geven, met zijn door donkere kringen omgeven, neergeslagen oogen, en zijn -vervallen gezicht, had ze hem nooit gekend. En met dat zachter gevoel ontwaakte een -ander, een van toomeloozen haat tegen Betsy, zóó sterk, dat ze er zelve van schrikte; -zij had <span class="ex">haar</span>, dat voelde ze, kunnen vermoorden, ondanks al de zachtmoedigheid, kalmte en gelijkmatigheid, -die haar karakter steeds hadden gekenmerkt. -</p> -<p>„Naar Europa,” vervolgde hij, toen er nog altijd geen weerwoord kwam, „geeft op zichzelf -toch niets.” -</p> -<p>„Ik ga niet naar Europa,” zei ze. -</p> -<p>„Dat is iets anders. Je kunt ook mijnentwege in Indië blijven<span class="corr" id="xd31e4581" title="Bron: ,">.</span> Aan geld zal het je niet ontbreken. Ik heb er veel voor over.” -</p> -<p>„Ik vraag geen geld.” -</p> -<p>„Onzin! Je moet leven met de kinderen.” -</p> -<p>Weer zweeg ze; ze wist wat hij bedoelde, maar zij zou het woord niet ’t eerst uitspreken. -</p> -<p>„We moeten natuurlijk van elkaar af; we moeten scheiden.” -</p> -<p>Zij stond rechtop, en toen hij bij het geluid van het achteruitschuiven van haar stoel -opkeek, ontstelde hij van de kloeke, vastberaden, uitdagende uitdrukking van haar -gezicht. -</p> -<p>„Wij scheiden <span class="ex">niet</span>!” -</p> -<p>Het was een toon, die geen repliek duldde; waarbij men met heftigheid het zeker niet -verder zou brengen. Zoo helder was zijn geest nog om dat te beseffen. En nu ving hij -aan met <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>gemaakte kalmte te redeneeren; zijn stem klonk dof en toonloos, met even weinig uitdrukking -als zijn gezicht. Het leven op die manier was voor beiden onhoudbaar; er kwamen oogenblikken -in het bestaan van een mensch, dat samenzijn ondraaglijk werd; het was nu onverschillig, -wat daarvan de oorzaak mocht heeten; soms was het zus, dan weer was het zóó. Verstandige -lieden, wie het niet te doen was om elkaars existentie te verbitteren, namen dan kloeke, -doortastende maatregelen. Zoo die zeer veel onaangenaams meebrachten,—wat het zwaarste -was, moest ook ’t zwaarste wegen, en men had er slechts verdriet van, als men een -leven voortzette, dan ten slotte met een straf gelijk stond. -</p> -<p>Zóó redeneerde hij door, met een groote mate wereldwijsheid en gelegenheidslogica, -maar het hielp niets; wanneer hij nu en dan zweeg, als wilde hij het effect zijner -redeneering nagaan, dan zag hij haar met dezelfde uitdrukking van onverzettelijkheid -en ’t zelfde bleeke, strakke gezicht het hoofd schudden. -</p> -<p>„Wij scheiden <span class="ex">niet</span>!” herhaalde zij dan. -</p> -<p>En dat was alles. -</p> -<p>Hij had lang zijn zenuwen bedwongen, maar inwendig wond hij zich vreeselijk op; er -kwam grofheid in zijn uitdrukkingen; smalend sprak hij van vrouwen, die zich aan een -man vastklemmen, of ze gewenscht worden of niet; van gebrek aan kieschheid en eigenwaarde. -</p> -<p>Toen stond ze op, ging naar binnen, en hij hoorde hoe zij haar kamer met den sleutel -sloot. -</p> -<p>Het was wanhopig, en, alleen gebleven, koelde hij zijn drift, door met luide stem -geweldig op te spelen tegen de bedienden, die er kalm bij bleven en hem ook niet antwoordden. -In dien hoogsten staat van opgewondenheid liep hij naar zijn kantoor, dronk er glas -op glas Selterswater, en stapte van zijn lessenaar naar de deur en terug wel ’n kwartier -lang, tot hij vermoeid in zijn kantoorstoel zonk, met diepe zuchten, om daar zijn -gewone visioenen te krijgen, waarin hij altijd Betsy zag, op de eene of andere manier. -<span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span></p> -<p>Hij schrikte toen een luide stem in het voorgedeelte, door schutsels gemaskeerd, naar -hem vroeg, en hij zag vreemd op, toen ’n oogenblik later kapitein De Grijs, Borne’s -vervanger als garnizoens-commandant, tegenover hem stond. Zij hadden nooit vriendschap -gesloten; het was gebleven bij een beleefdheidsbezoek over en weer, en toen het huiselijk -leven van den notaris en diens persoon bij ’t publiek eenigszins in opspraak kwamen, -was er voor den kapitein, die toch een meer teruggetrokken persoon was, dan de woelige -Borne, nog minder reden tot voortzetting eener kennismaking, die geen wederzijdsche -sympathie ten gevolge had gehad. Toen hij den brief had ontvangen, was hij naar den -resident gegaan, en deze, blij dat er nog iemand in het spel was, had den kapitein -verzocht er eerst maar eens ernstig met Bronkhorst over te spreken, daar zijn eigen -positie als resident het hem moeilijk maakte zich direct persoonlijk met zulk een -particuliere aangelegenheid in te laten; hij kon later, als het noodig mocht zijn, -een handje helpen. Ofschoon dit den kapitein verdroot, maakte hij geen bezwaren, en -daarom was hij nu alleen naar ’t kantoor van Bronkhorst gekomen, die van den prins -geen kwaad wist en met verwondering de stijve houding en het geretireerde in de manieren -van zijn bezoeker zag. -</p> -<p>„Ik heb u te spreken.… meneer.… over ’n zaak.” -</p> -<p>Dit maakte den notaris niet wijzer. Natuurlijk! Iedereen kwam hem hier spreken over -zaken. -</p> -<p>„Ga zitten, meneer.” -</p> -<p>„Ik heb dezer dagen ’n brief ontvangen van mijn voorganger hier op de plaats, den -kapitein Borne.” -</p> -<p>Bronkhorst knikte met ’t hoofd, maar kleurde; er ging hem ’n licht op, hij begreep -iets van de gelegenheidshouding. -</p> -<p>„Meneer Borne verzocht me een onderzoek in te stellen naar de verhouding tusschen -u en zijn nicht, mevrouw Den Ekster.” -</p> -<p>Het ging alles op een stroeven, haast dreigenden toon; het irriteerde Bronkhorst in -hooge mate. -</p> -<p>„Ik kan me de belangstelling van kapitein Borne in mevrouw <span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>Den Ekster verklaren; die is begrijpelijk en op haar plaats. Wat <span class="ex">mijn</span> verhoudingen aangaat, ken ik hem het recht niet toe zich er mee in te laten.” -</p> -<p>„Dat is de opvatting niet van meneer Borne, en ook niet de mijne.” -</p> -<p>„Het spijt me!” antwoordde Bronkhorst droogjes en er lag iets geringschattends in -’t schouderophalen, dat die woorden vergezelde; „’t spijt me, maar ik kan er niets -aan doen.” -</p> -<p>„Integendeel. Als de oorzaak van de geheele onaangename zaak, kunt u er <span class="ex">alles</span> aan doen, en <span class="ex">dat</span> kom ik u verzoeken, namens den heer en mevrouw Borne.” -</p> -<p>„Ik begrijp niet wat men bedoelt met die onaangename zaak. Mevrouw Den Ekster is meerderjarig.” -</p> -<p>„Mag ik u uitnoodigen niet in die richting af te wijken. Ik ben hier niet gekomen -om met u te redeneeren over minderjarig of meerderjarig. Ik zie, dat wij op die manier -niet verder komen.” -</p> -<p>„Maar wat wilt u dan?” vroeg Bronkhorst ongeduldig. -</p> -<p>„Ik wilde u verzoeken van dit oogenblik de eer en den goeden naam van fatsoenlijke -familiën te sparen, en uw relatie.…” -</p> -<p>„Wat relatie?” riep Bronkhorst woedend. „Ik verzoek u dat woord niet te gebruiken. -We weten allemaal, wat dat in een geval als dit te beduiden heeft, en ik moet <i>u</i> verzoeken te gelooven, dat daarvan tusschen de bedoelde dame en mij geen sprake is.” -</p> -<p>In zijn boosheid sloeg Bronkhorst den toon der waarheid zóó juist aan, dat de kapitein -er door geïmponeerd werd; het <span class="ex">kon</span> waar wezen, dacht hij; maar zelfs als het niet waar was, en Betsy heel gewoon ’n -relatie met hem had, dan was het toch nog kranig, dat hij het op die manier ontkende; -het deed hem eenigszins rijzen in de schatting van den kapitein De Grijs. -</p> -<p>„Ik weet welke de publieke opinie is, en ook die van de familie Borne. Het ligt niet -op mijn weg, om in bijzonderheden af te dalen. Ik vraag u of u bereid zijt van alle -verstandhouding af te zien met een dame, wier eer en goede naam door u in opspraak -zijn gebracht.” -<span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span></p> -<p>„Welnu, neen, dat zal ik niet! Ik zal voor haar zorgen; voor haar en voor haar naam. -Dat is een quaestie tusschen haar en mij, en onze handelingen gaan meneer of mevrouw -Borne niet aan, en allerminst u.” -</p> -<p>Ze waren opgestaan en keken elkaar in de oogen met haat en minachting; op de lippen -van den kapitein lag een woord, dat hij met moeite terughield. -</p> -<p>„Dan zal ik,” zei hij, „andere maatregelen treffen om aan het verzoek van meneer Borne -te voldoen. Maar er <span class="ex">zal</span> aan voldaan worden, <span class="ex">dat</span> verzeker ik u.” -</p> -<p>„Dat zal er niet! Ik ontzeg u het recht u met mijn zaken te bemoeien.” -</p> -<p>„Dat zal er wèl, zeg ik u. Op uitvluchten antwoord ik niet, maar het zal gebeuren, -goedschiks of kwaadschiks.” -</p> -<p>En zonder te groeten, keerde de kapitein De Grijs zich om, en verliet het kantoor, -dat hij al heengaand vulde met den klank van het kletteren van sabel, sporen en wat -verder aan zijn uniform onder het gaan geluid maakte. -</p> -<p>Bronkhorst was woedend. -</p> -<p>Zoo’n brutale kerel! Goed- of kwaadschiks had hij gezegd! Men zou hem dus dwingen! -Alsof hij ’n kwajongen was, bang voor een grooten mond of ’n dreigement. Wel, hij -zou eens willen zien, hoe men dat zou aanleggen. Hij had dan toch ook wel eens meer -’n sabel in de hand gehad. Was hij eigenlijk niet reeds verplicht dien brutalen kapitein -uit te dagen? Het denkbeeld spookte rond in zijn ontsteld brein, en ’t lachte hem -meer en meer toe. Al zijn oude, verstandige theorieën over de ongerijmdheid van het -duel verlieten hem; voor háár te vechten,—dat bleek hem bijster chevaleresque, en -de rest kon hem niet schelen. Werd hij gewond of gedood, ook goed! Het was zóó immers -toch geen leven! -</p> -<p>Met de zenuwachtige drukte, die hem overviel, als hij niet willoos mijmerde, maar -in actie was, gaf hij last zijn rijtuig te laten inspannen. Hij wilde er liefst dadelijk -werk van maken; hij <span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span>zou naar den officier van gezondheid gaan, die was toch ook militair, en hij zou hem -raadplegen over de vraag, of hij, na het gebeurde, niet als man van eer verplicht -was den kapitein uit te dagen. -</p> -<p>De officier van gezondheid had er erg veel trek in. Zoo’n duel behoorde op een eentonige -binnenplaats tot het aantrekkelijkste, dat men zich kon voorstellen. Maar toen hij -Bronkhorst eens goed aankeek, en als het ware op diens gelaat den abnormalen toestand -zag, waarin hij naar ziel en lichaam verkeerde, sprak zijn geweten als medicus luider, -dan zijn zucht naar wat afwisseling. -</p> -<p>„Ik zou u niet aanraden,” zei hij, „er gevolg aan te geven.” -</p> -<p>„Kan ik me dan laten bedreigen in mijn eigen huis?” -</p> -<p>„Er heeft geen bedreiging plaats gehad.” -</p> -<p>„Hij zei toch: goedschiks of kwaadschiks. Wat beteekent dat? Hij zal toch met dat -laatste niet anders bedoelen dan geweld!” -</p> -<p>„Men zegt dat zoo <span class="ex" lang="fr">par manière de dire</span>, zonder dadelijk het ergste te bedoelen.” -</p> -<p>„Nu ja! Hij zal er misschien buitenaf op bluffen.” -</p> -<p>„Pardon, dan kent u den kapitein niet. Hij is een hoogst fatsoenlijk en welopgevoed -man. ’n Beetje stug en eenzelvig, maar ’n gentleman.” -</p> -<p>„Dus denkt u, dat het van mijn kant niet noodig is.…” -</p> -<p>„Ik vermeen van neen.” -</p> -<p>Bronkhorst liep zenuwachtig ’n paar malen ’s dokters galerij op en neer, zwaaiend -met zijn rotting en draaiend aan zijn knevels. -</p> -<p>„Weetje,” zei hij, „ik verlaat me met vertrouwen op uw oordeel, dàt is de quaestie -niet, maar ik ben bang.…” -</p> -<p>„Waarvoor?” -</p> -<p>„Ronduit gezegd: ik ben bang, dat ze me aanzien voor een lafaard. Daarom, als u er -niets op tegen hebt en het niet te veel gevergd is: raadpleeg er dan nog eens ’n anderen -officier over.” -<span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span></p> -<p>„Moet het bepaald een officier wezen?” -</p> -<p>„Als het kan, liefst wel.” -</p> -<p>„Goed. Ik zal het doen en het u van middag laten weten.” -</p> -<p>„Asjeblieft! Je zult me er een groot genoegen mee doen.” -</p> -<p>Hij drukte dankbaar de hand van den militairen dokter en ging heen; maar onder het -wegrijden mopperde hij bij zichzelven. Het was eeuwig jammer, vond hij, dat deze man -zoo vredelievend was; hijzelf zou nu niets liever doen dan vechten; nu er verhindering -kwam, geraakte hij in een buitengewoon strijdlustigen toestand; hoe moorddadiger de -gevolgen waren, des te liever. Het duurde maar ’n paar minuten, want hij verviel weer -in zijn visioenen, zoodat hem de koetsier met luider stem moest roepen, toen het rijtuig -voor ’t kantoor stilhield en de notaris vergat uit te stappen. -</p> -<p>Een uur of wat later kwam er een briefje, het was kort en bondig: een duel werd niet -noodig geacht, meer niet. Intusschen gebeurde er veel waarvan hij geen flauw vermoeden -had. De man, dien hij geraadpleegd had, was bij den resident geweest; deze had kapitein -De Grijs laten roepen, en men had „geconfereerd.” -</p> -<p>„Van ’n duel mag niets komen,” meende de resident. „Vooreerst houd ik den man voor -physiek ontoerekenbaar.” -</p> -<p>„Ik ook,” zei de dokter. -</p> -<p>En toen de anderen iets daartegen wilden inbrengen, schudde hij het hoofd, onwillig, -en vervolgde: -</p> -<p>„Het is mogelijk, dat hij iets heeft ingekregen en ’n beetje abnormaal is,—zijn verstand -is niet gekrenkt: hij weet heel goed, wat hij zegt en doet.<span class="corr" id="xd31e4707" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Ten tweede,” ging de resident voort, „zouden wij er Borne een vreemdsoortigen dienst -mee bewijzen, daar het slechts tot meer opspraak zou leiden.” -</p> -<p>„Dat is waar,” erkende de kapitein. „Overigens behoef ik me persoonlijk niet beleedigd -te gevoelen.” -</p> -<p>„Neen,” zei de dokter, „daar is geen sprake van.” -<span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span></p> -<p>„Doch laat hem voorzichtig zijn, want mocht het zóóver komen.…” -</p> -<p>„U schijnt hem te haten.” -</p> -<p>De kapitein keek den dokter aan met vasten blik. -</p> -<p>„Ja,” zei hij, „ik mag hem niet.” -</p> -<p>„Nu, laat ons daarop niet verder doorgaan. Men heeft zijn sympathieën en antipathieën. -Het doet trouwens ter zake niets; wij, de kapitein en ik, moeten nu overleggen wat -ons te doen staat.<span class="corr" id="xd31e4720" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Daar de kapitein er momenteel althans geen raad op wist, zweeg hij. -</p> -<p>„Mijn vrouw,” ging de resident voort, „bezoekt elken dag mevrouw Bronkhorst. Wat er -ook gebeurt, zij zal haar bijstaan.” -</p> -<p>„Dat is een groote steun,” zei de dokter, en hij kon een glimlach onder zijn knevel -en een stil gevoel van medelijden met Bronkhorst niet onderdrukken, bij het denken -aan het vrouwelijk hoofd van bestuur, met wier karakter en woordenrijkdom niet viel -te spotten. -</p> -<p>„Als u nu eens met Bronkhorst sprak,” opperde de kapitein. -</p> -<p>„Ik vrees, dat het niet baten zal; ik wilde het met genoegen doen, maar hoogstwaarschijnlijk -zal hij mij evenzoo bejegenen, als hij het u heeft gedaan, en dat is voor mijn prestige, -als hoofd van bestuur, erger dan voor u. Als hij mij beleedigen mocht, kan ik hem -niet uitdagen.” -</p> -<p>Alle drie zwegen stil. Het was waar, dat voelden ze; maar een uitweg lag er niet in. -</p> -<p>Toch moest er iets gedaan worden, althans de resident en kapitein De Grijs achtten -zich daartoe verplicht tegenover Borne. -</p> -<p>„Heeft zij geen andere familie?” vroeg de kapitein. -</p> -<p>Verrast keek de resident hem aan. Het was een idée! -</p> -<p>„Dat is waar ook! Welzeker, zij heeft een zuster, die getrouwd is met een controleur.” -</p> -<p>„Zou die ons niet kunnen helpen?” -</p> -<p>„Welzeker. Ik zal er werk van maken. Het zal ’n dag of wat <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>duren.… ’n week misschien.… Dan kunnen we verder zien.” -</p> -<p>En zóó gingen ze uitéén, zonder een bepaald plan, geen van drieën besloten omtrent -hetgeen te doen viel, de kapitein en de dokter onder den indruk, dat het haast onmogelijk -was een afdoenden maatregel te nemen, en de resident met een denkbeeld in het hoofd. -Hij kende den man van Lidia; ’t was een goed ambtenaar, die „ter beschikking” onder -hem had gediend tijdens hij nog assistent was; hij kende ook ’t vrouwtje, dat verduiveld -bij de hand was, en hij zou die luitjes trachten over te halen, hun plicht te doen -als naaste bloedverwanten. -</p> -<p>Bronkhorst kon niet werken; hij was tot niets in staat; werktuiglijk teekende hij -de stukken, nadat hij ze gelezen en den inhoud òf niet begrepen had òf reeds weer -vergeten was. Hij ging naar huis. Er moest nog meer gebeuren. Hij had A gezegd, en -B zeggen moest hij ook. Tot een scheiding moest het komen en bij zichzelven zei hij -het den kapitein De Grijs na: goedschiks of kwaadschiks. Driftig liep hij de galerij -door, die zijn huis en kantoor verbond; het gloeiend zonlicht, dat hem tegensloeg, -hinderde hem; hij kneep er zuchtend de fletse oogen voor dicht. Doch toen hij de trap -naar de voorgalerij beklom, omdat hij niet achter wilde binnenkomen, was zijn driftig -aangeloopen voornemen deels weer teruggezonken. Toch was hij willens, dadelijk met -Marie te spreken, weer op de scheiding terug te komen, opnieuw te argumenteeren, aan -te dringen en onaangenaam te zijn. -</p> -<p>Maar toen hij onder de marquise ter zijde van het huis de bekende coupé van den resident -zag, ontzonk hem voor het oogenblik zijn besluit geheel, en ging hij gauw zijn kamer -binnen. Wat was dat toch? Hoe kwam het dat er nu altijd dames-visite was bij zijn -vrouw? Het leek wel een bondgenootschap, en Bronkhorst zag dit ondanks zijn verwarde -denkbeelden vrij duidelijk in. Het <span class="ex">was</span> een stil bondgenootschap. Niemand had iets met de anderen afgesproken, maar op deze -kleine plaats, waar men elkaar zoo goed kende, was het alsof tegenover <span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>het gevaar, dat mevrouw Bronkhorst bedreigde, elke fatsoenlijke vrouw zich genoopt -vond door openbaar betoon van belangstelling en vriendschap, als het ware een beschermende -hand over haar uit te strekken. En van al die dames-bezoeksters vreesde Bronkhorst -er geen zoozeer als de vrouw van den resident. -</p> -<p>Eenmaal in zijn kamer, achterover liggend in zijn luierstoel, ontging hem de lust -tot actie; hij sliep in, moe van de vele slapelooze nachten, die hij doorbracht. Toen -zijn bediende hem kwam roepen, stond hij op, rekte zich uit en viel weer neer op een -divan. -</p> -<p>Marie liet niets van zich hooren. Zij liet het huishouden nu voornamelijk aan de bedienden -over, zich uitsluitend met de kinderen bemoeiend. Toen het donker was, ’s avonds, -liet hij inspannen en ging eten bij Betsy. -</p> -<p>Den volgenden dag rijsttafelde hij bij haar, en ’s avonds ging hij er ook heen; te -huis kwam hij alleen slapen, op zijn kantoor niet veel meer dan soezen. -</p> -<p>Doch, hetzij de terugslag op zijn gezondheid vanzelf zoo krachtig opkwam, hetzij Sarinah -zich vergist had en hem meer had toegediend dan hij kon verdragen,—aan het einde der -week werd hij op een ochtend wakker met zware koorts. -</p> -<p>Hij zond een boodschap naar het kantoor en hield het bed. Een dokter wilde hij niet -laten komen; met wat quinine, meende hij, zou het wel klaar spelen. Maar de pillen, -die hij innam, hadden weinig werking en de koorts hield aan. Zijn stemming wisselde -daarbij telkens af; van sombere, droefgeestige gedachten, sloeg hij zonder overgang -of oorzaak tot zijn gewone aangename visioenen over, waarin Betsy de hoofdrol speelde, -en van die visioenen ging het plotseling weer tot de vroolijke, dwaze droombeelden -uit zijn <span class="ex" lang="de">Sturm-und-Drang</span>-periode, toen hij als jongeling <span class="ex" lang="fr">le jeu</span>, <span class="ex" lang="fr">le vin</span>, <span class="ex" lang="fr">les belles</span> najoeg. In een der oogenblikken, dat zich zulke malle geestvervoeringen van hem meester -maakten, werd de deur zijner kamer zacht geopend. -<span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span></p> -<p>Marie kwam naar hem zien. Zij had gehoord, dat hij zich ziek liet melden aan zijn -candidaat, op wiens schouders toch alles rustte. Het had haar heel wat strijd gekost, -eer ze het eens was met zichzelve; eer ze zóóver haar trots had verzaakt, dat ze bereid -was naar hem te gaan zien en vragen of hij ook iets noodig had. Maar toen zij zacht -de kamerdeur opende, schrikte zij. Hij lag te zingen; niet goed in de wijs en eenigszins -tegen den toon aan, maar hij zong toch, en zij kon de woorden verstaan; de woorden -van een <span class="corr" id="xd31e4769" title="Bron: obscoen">obsceen</span> Fransch liedje, die ze maar half verstond, doch voor de andere helft wel raden kon. -</p> -<p>Verschrikt trok zij de deur dicht. Was hij dan reeds zóó gedemoraliseerd, dat hij -hardop zulke liederen zong; hij, die daar vroeger zelfs niet aan gedacht zou hebben, -en die slechts uitspattingen aan jongelieden veroorloofde? Hij, die anders een man -van vormen was, lag daar nu.… Het scheen haar zulk een onmogelijkheid, dat ze haar -hoofd met beide handen vastgreep, als vreezende, dat haar verstand haar zou ontsnappen. -Wat moest ze doen? Ze wist het niet. Ze durfde geen dokter te laten halen, omdat hij -het niet had gelast, en ze had toch ’t gevoel, dat hij ziek was en geneeskundige hulp -noodig had. Toen overmande zij haar afkeer en ging terug naar zijn kamer. -</p> -<p>„Zal ik om den dokter zenden?” -</p> -<p>Zij had haar best gedaan om een welwillenden toon aan te slaan, maar het gelukte niet; -haar stem klonk onvriendelijk en stug; zóóveel zelfbeheersching bezat ze nog niet, -en Bronkhorst schrikte er van, want hij had nu, op dit oogenblik, een stil, liefelijk -droomgezicht, en hij had Marie niet zien binnenkomen. -</p> -<p>„Dank je; als ik een dokter noodig heb, zal ik wel om hem zenden.” -</p> -<p>„Het is misschien beter, dat de dokter beoordeelt, wat noodig is.” -</p> -<p>„Nog eens; ik <span class="ex">wil</span> geen dokter.<span class="corr" id="xd31e4783" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Het hinderde hem haar te zien en hij ging op de andere zijde liggen, met zijn rug -naar haar toe. -</p> -<p>„Als je iets mocht noodig hebben.… limonade of.…” -<span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span></p> -<p>„Ik heb niets noodig.” -</p> -<p>En zich plotseling naar haar toekeerend: -</p> -<p>„Heb je er nu over nagedacht?” -</p> -<p>Het sluitend samentrekken van haar mond bewees, dat ze den zin zijner woorden begreep. -</p> -<p>„Waarover?” -</p> -<p>„Dat is maar ’n vraag voor de leus. Je weet heel goed, dat ik mijn voorstel bedoel.” -</p> -<p>Maar zij was even koppig als de vorige maal, en ze wilde nu ook de eerste niet wezen, -die het woord uitsprak. -</p> -<p>„Ik weet van geen voorstel.” -</p> -<p>„Maak me niet gek met zulk een nonsens,” riep hij, de hand door het haar strijkend. -„Zeg nu, dat je verstandig en behoorlijk wilt wezen, en er in toestemt te scheiden.” -</p> -<p>„Wij scheiden niet!” -</p> -<p>„Dat kan je zoo niet bedoelen!” riep hij met toorn en wanhoop. „Dat kan je onmogelijk -zóó bedoelen. Het is toch onzinnig ons allen te dwingen ongelukkig te zijn.” -</p> -<p>Zij gaf eerst geen verder antwoord; maar voor een oogenblik bekroop haar het verlangen -hem eens te hooren vertellen, hoe hij er verder over gedacht had. -</p> -<p>„En hoe zou dat dan moeten gebeuren?” -</p> -<p>Hij richtte zich op; het was, meende hij, een stap nader en zoo goed hij kon zette -hij uiteen hoe zij hem moest aanklagen wegens overspel, wat er verder te doen stond, -en hoe hij zich zou laten veroordeelen bij verstek. Binnen ’n paar minuten sprak hij -niet meer vooronderstellender wijze, maar op een toon, alsof de scheiding een vastgesteld -plan was. Toen hij vermoeid van het spreken van de inspanning om niet af te dwalen -stilhield, zei Marie: -</p> -<p>„Ik heb dat maar eens van je willen hooren. Overigens: wij scheiden niet!” -</p> -<p>Hij zag haar een oogenblik aan met groote, verbijsterde oogen. Toen werd hij woest, -sprong het bed uit en maakte een scène <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>van geweld. Als altijd wilde zij zonder te antwoorden heengaan, en deed ook de deur -open en keerde hem den rug toe. Plotseling voelde ze, dat hij haar bij de schouders -greep, en met een geweldigen duw vooruitschoof in de binnengalerij, waar ze glijdend -over het gladde marmer zou gevallen zijn, als zij zich niet had gegrepen aan een portière. -</p> -<p>„Ziedaar!” had ze hem hooren roepen met schorre stem. „Ziedaar, beest!” en daarna -sloeg hij met geweld zijn kamerdeur achter haar dicht. -</p> -<p>Marie kwam doodsbleek in de achtergalerij, waar de vrouw van den resident zat, die -intusschen haar nu bijna regel geworden ochtendvisite maakte. Weenend vertelde mevrouw -Bronkhorst tot hoever het nu met hem gekomen was, en bij haar smart, en onder de vriendelijke -troostwoorden van haar nieuwe vriendin, hadden ze er geen van beiden op gelet, dat -een <span class="ex" lang="fr">dos-à-dos</span> stil hield voor de deur; ze hoorden alleen een haastigen tred in de galerij, en zagen -nog net, dat een vrouw in sarong en kabaja, de kamer van Bronkhorst binnendrong. -</p> -<p>Zelfs de inlanders<span class="corr" id="xd31e4818" title="Bron: .">,</span> hoe zich ook om zulk een geval amuseerden, schenen dit te erg te vinden, want de -binnenjongen kwam met een eenigzins ontsteld gezicht naar achteren, en zei dat <span class="ex" lang="ms">itoe</span> njonja in mijnheers kamer was gegaan<span class="corr" id="xd31e4824" title="Bron: ,">.</span> -</p> -<p>Na de eerste seconden van onsteltenis, sloeg thans Marie tot woede over; driftig stond -zij van haar stoel op. -</p> -<p>„Dat zal dan toch niet gebeuren in mijn eigen huis!” riep ze, terwijl ze de kamer -wilde binnengaan; maar de residentsvrouw hield haar terug, en die moest daartoe bepaald -geweld gebruiken, zoo opgewonden was ze. „Kind, houd je nu goed. Blijf nu kalm. Laat -het aan mij over.” -</p> -<p>„Ik zal haar de deur uitgooien.” -</p> -<p>„Wees nu stil, en ga weer zitten. Laat mij dat nu eens doen, Marie-lief. Jij zoudt -onberaden handelen. Ik zal even met haar praten, en dan zal ze nooit terugkomen, dat -verzeker ik je.” -</p> -<p>Het kostte heel wat moeite, Marie daartoe te bewegen, maar <span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span>het gelukte toch. Beide vrouwen zaten te wachten, loerend met onheilspellende oogen -en opeengeklemde lippen tusschen de portières door naar de deur der kamer. En toen -die eindelijk openging, stond het vrouwelijk hoofd van het gewestelijk bestuur op, -met een snelle handbeweging Marie bevelend stil te blijven zitten, en in een ommezien -had ze zich van Betsy meester gemaakt, die weer even vlug naar het wachtend voertuig -wilde gaan, als ze was binnengekomen, -</p> -<p>’t Had voor haar niet slechter kunnen treffen, dan dat juist dien dag Bronkhorst ziek -was en niet komen kon. Hij keek wel een beetje verwonderd over haar komst, maar zoo -heel erg niet. Hij zag haar immers altijd en overal. -</p> -<p>„Hoe gaat het?” vroeg ze. -</p> -<p>„Zoo! Ik zou haast zeggen iets beter, nu ik je zie.” -</p> -<p>Zij zuchtte en ging op een stoel zitten naast het <span class="corr" id="xd31e4841" title="Bron: ledekant">ledikant</span>. -</p> -<p>„God, Jean, het is zoo dood ongelukkig, dat je nu juist ziek bent.” -</p> -<p>„Wat is er dan gebeurd?” vroeg hij verschrikt. -</p> -<p>Zij hield haar zakdoek voor de oogen en weende werkelijke tranen van woede en vrees. -</p> -<p>„Maar wat is er dan?” herhaalde hij. -</p> -<p>„Ze willen me weg hebben; ze willen me met geweld dwingen heen te gaan.” -</p> -<p>Met moeite hield hij een vloek binnen; zijn wenkbrauwen trokken samen. -</p> -<p>„Ik zou wel eens willen weten, wie dat durfde ondernemen.” -</p> -<p>„Allemaal, Jean, allemaal. Ze spannen allen één lijn; tot mevrouw Duhr toe.” -</p> -<p>„Maar lieve Bets, zeg dan toch in ’s hemelsnaam <span class="ex">wie</span>!” -</p> -<p>Zij gaf nog geen antwoord; en toen hij opnieuw bij haar aandrong, vleiend en liefkoozend, -snikte zij: -</p> -<p>„Lidia is onverwacht gekomen.” -</p> -<p>Het bericht imponeerde hem; een oogenblik keek hij haar versuft aan. -<span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span></p> -<p>„Je zuster Lidia?” herhaalde hij. -</p> -<p>„Ja.… met haar man.” -</p> -<p>„Welnu, jaag ze weg, als ze je vervelen.” -</p> -<p>„Het is gemakkelijk gezegd.… Het zou me ook niet helpen.… Ik ben niet tegen haar opgewassen.… -Ze zouden me mishandelen.… Die Lidia is zoo’n feeks.” -</p> -<p>„Maar je eigen zuster.” -</p> -<p>„Och, dat is het juist.… Als het geen familie was.… Maar zij, en haar man vooral!” -</p> -<p>Bronkhorst stoof op; hij vergat zijn koorts en liep met dreunenden stap op zijn sloffen -heen en weer, dien zwager van haar verwenschend. Doch hij zou wel eens willen zien! -Hij zou dien meneer aan ’t verstand brengen, dat deze zich inliet met dingen, die -hem niet aangingen, net als hij het dien kapitein.… -</p> -<p>„Die is er ook al geweest!” zei Betsy nog snikkend in haar kanten zakdoek. -</p> -<p>„Wat?” -</p> -<p>„En de resident ook. Ze hebben me letterlijk overvallen.” -</p> -<p>Bronkhorst stond er nu geheel verstomd van. -</p> -<p>„Het was bij allen hetzelfde lied: ik moest weg; weg van jou!” -</p> -<p>Met groote krachtsinspanning bedwong hij een opkomende geweldige neiging om te gaan -liggen; hij rekte zich uit en hief met deftigheid het hoofd op. -</p> -<p>„Dan zal ik dadelijk met je mee gaan.” -</p> -<p>Zijn stem en het beven zijner handen, toen hij zijn knevels opstreek, waren in strijd -met zijn gemaakte houding. -</p> -<p>„Neen Jean, nu niet.… Van avond.” -</p> -<p>„Ik ga oogenblikkelijk mee.” -</p> -<p>Doch zij wilde het niet gedoogen; ze zag heel goed, dat hij ziek was, en zijn komst -in dien toestand niets dan standjes en schandaal kon uitwerken. -</p> -<p>„Ga eerst slapen, Jean,” verzocht ze vleiend. „Heusch, dat moet je doen. Ze zullen -me <span class="corr" id="xd31e4884" title="Bron: mmers">immers</span> niet opeten! En als je dan <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>van avond beter bent, kom dan tegen zeven uren, ja? En blijf den heelen avond.” -</p> -<p>„Ik zou liever nu gaan.” -</p> -<p>’t Was om zich een houding te geven, dat hij het volhield, maar de waarheid was, dat -hij zich letterlijk op gevoelde. -</p> -<p>„Ik ga nu heen, Jean. Het was een waagstuk, hè? hier te komen. Ik <span class="ex">kon</span> je niet van alles onkundig laten.” -</p> -<p>Hij kuste haar; hij was dankbaar, dat ze gekomen was. -</p> -<p>„Tot van avond dan, Jean.” -</p> -<p>„Zonder fout.” -</p> -<p>„Als je beter bent.” -</p> -<p>„In elk geval, Betslief; ik zou het hier toch niet kunnen uithouden.” -</p> -<p>Toen ze weg was, zonk hij ineen op zijn ledikant; zijn zware oogleden vielen dicht -en voor eenige minuten verkeerde hij in een staat van verdooving, met een gevoel van -absentie, als iemand, die in hypnotischen staat geraakt. En in diezelfde oogenblikken -was het ook Betsy, alsof ze gebiologeerd werd. Ze had, toen ze wegliep naar haar voertuig, -met schrik een pijnlijken greep gevoeld om haar ronden pols, en toen ze snel omkeek, -zag ze dat het de vrouw van den resident was, die haar nu in een der zijkamertjes -naast de voorgalerij trok. Daar werd haar gelast te gaan zitten; daar zat, dicht naast -haar, de residentsvrouw met haar ernstig, onheilspellend gezicht, den stekenden blik -uit haar grijze oogjes en de scherpe trekken van onverzettelijkheid om den mond,—en -daar werd haar de waarheid gezegd. Goede hemel! Zij zat er bij, krijtwit, zonder dat -ze een woord kon zeggen. -</p> -<p>Bij dien verbijsterenden woordenvloed, haar afschilderend als de belichaamde verdorvenheid, -waren Lidia’s ruwe, onomwonden verwijten kinderspel. Na al de emotie van dien dag, -suisde het haar in de ooren als den zeeman het opkomend, verwarrend geloei van den -kringstorm. Zij sloot er de oogen bij; het gonsde om haar heen; zij verstond het nog -maar half, en die helft was <span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>toch voldoende om haar te doen trillen van woede en pijn bij elke nieuwe beleediging. -Toen ze er het beetje kracht voor vond, dat ze noodig had, sloeg zij haar handen voor -de ooren, vloog het vertrek uit en de dos-à-dos in. -</p> -<p>Eerst toen ze thuis kwam en in haar kamer was, brak het los. Op gillenden toon vertelde -zij aan Lidia, hoe ze dáár was behandeld, en haar zuster, die het niet meer dan hoogst -natuurlijk vond, begreep niets van deze ontroering en verontwaardiging, tot ze Betsy -plotseling zich vast zag houden aan de tafel. Zij greep haar en liet haar neer op -een bank; en daar ging het gillen voort, maar nu zonder woorden en afgebroken door -een luiden, lang aanhoudenden lach, die, uit de zenuwwerking voortkomend, op anderer -zenuwen werkte. Het was een consternatie, waarbij voor een oogenblik alle grieven -en alle bedoelingen werden vergeten. Mevrouw Duhr, de zwager, Sarinah,—allen stormden -de kamer binnen; Lidia riep om azijn; in een oogwenk kwam de bejaarde hospita, zelve -in de hoogste mate zenuwachtig, met een flesch van achteren; alle handen grepen er -naar, zonder verder te zien, vervuld met het idee, dat het goed was om iemand, die -het op de zenuwen heeft, ’t hoofd en de polsen met azijn nat te maken, en dat dit -niet beter kon geschieden, dan door wat uit de flesch te gieten. En terwijl allen -zich beijverden, stroomde uit de azijnflesch een zwarte gulp, die in vuile, dikke -straaltjes over het gezicht en in den hals van Betsy liep. -</p> -<p>„Schei uit! Het is inkt,” riep de man van Lidia met een vloek. -</p> -<p><span class="corr" id="xd31e4911" title="Bron: Idereen">Iedereen</span> schrikte er van en was er verlegen mee. Mevrouw Duhr keek erg onthutst voor zich; -de controleur had zich omgekeerd en proestte van het lachen. -</p> -<p>„Ik kon het heusch niet helpen,” stamelde de huisvrouw. „De flesschen zijn precies -eender.” -</p> -<p>Betsy gilde niet meer; het woord „inkt” scheen meer kalmeerend op haar zenuwen te -hebben gewerkt, dan azijn bij mogelijkheid doen kon. Lidia, die het gesmoorde grinniken -van haar man hoorde, moest zich geweld aandoen, en slikte telkens een <span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>opkomenden lach weer in. Ze had onwillekeurig met haar zakdoek een veeg gegeven over -’t gezicht van Betsy, toen ze het zwarte vocht zag, en dat had ’t spektakel nog verergerd; -Betsy zag er verschrikkelijk uit. -</p> -<p>„Kom,” zei Lidia, ziende hoe goed in elk geval het middel had geholpen. „Je moogt -je wel gaan wasschen. Mevrouw Duhr heeft bij vergissing.…” -</p> -<p>Zij kon niet verder, want Betsy had zich opgericht, en zag er nu met haar gezicht -als een schoorsteenveger in functie, zóó gek uit, dat het onmogelijk was voor Lidia -haar <span class="ex" lang="fr">sérieux</span> te bewaren. Een oogenblik keek Betsy haar aan alsof ze niets begreep, daarop liep -zij naar het toilet, keek in den spiegel en begon te huilen. -</p> -<p>„Wees niet kinderachtig,” zei Lidia ruw, terwijl intusschen haar lachlust door de -tranen harer zuster bedaard was. „Wees niet kinderachtig; het is maar ’n beetje inkt; -met water en zeep is het weer schoon, je bent waarachtig anders voor zoo’n klein geruchtje -niet vervaard!” -</p> -<p>Maar het was gemakkelijker gezegd dan gedaan; het toeval scheen te willen, dat mevrouw -Duhr een supérieure qualiteit inkt gebruikte, uiterst geschikt tot het merken van -menschenhuiden,—althans ofschoon Betsy geweldig poetste hield zij over een deel van -haar hals en haar gelaat een sterk uitgedrukte violet-achtige tint, wat haar foeileelijk -maakte en Lidia aanleiding gaf tot de openhartige verklaring: „Je ziet er wezenlijk -niet kwaad uit in je gewone doen, maar er behoeft niet veel bij te komen om je ’n -monster te maken.” -</p> -<p>Betsy zelf wist, dat het waar was, en ’t maakte haar wanhopig. Dat dit juist nu moest -gebeuren! Ze schreef een briefje aan Bronkhorst om maar liever dien avond niet te -komen; doch het was olie in het vuur. Tegen zeven uren reed zijn rijtuig het erf op; -ze had het bekende geluid in de verte gehoord, en had zich de haren wel uit het hoofd -kunnen trekken van woede en spijt, dat ze nu in haar kamer was en niet voor den dag -<span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span>kon komen met die tot over haar neus loopende tatouage, waarvoor zelfs geen bedaq -wilde helpen. Handenwringend liep ze haar kamer op en neer; ze zou toch maar gaan; -er hing te veel van af; misschien zou hij in zijn opgewonden toestand niet eens bemerken, -hoe gek zij er uit zag; in elk geval: ze kon het niet op zijn beloop laten; haar zwager -en Lidia zaten voor in de galerij en God weet, dacht ze, met welke standjes die ontmoeting -zou afloopen, en wat daarvan voor haar de resultaten zouden zijn; ze moest daarbij -wezen, en ze deed de deur open. -</p> -<p>„Waar wil je heen?” vroeg Lidia, die plotseling vlak voor haar stond. -</p> -<p>„Het gaat je niet aan. Laat me door!” -</p> -<p>„Ik denk er niet aan. Je blijft hier!” -</p> -<p>En Lidia wilde de deur openen, maar Betsy wierp zich in de opening en drong naar voren. -Toen sloeg haar zuster de armen om haar midden, nam haar op, wierp haar letterlijk -de kamer in en sloot de deur. -</p> -<p>„Ziezoo!” zei ze, terwijl Betsy leunend op de wankele ronde tafel, een oogenblik verbijsterd -stond. „Ziezoo! Nu wil ik eens zien of jij voor ’t schandaal van onze familie zult -spelen, als ik er bij ben.” -</p> -<p>„Ik wil er uit,” siste Betsy, terwijl ze weer op de deur aanvloog, met gekromde vingers, -tot krabben gereed, en ’t schuim van woede op den grond. Maar Lidia hield haar tegen, -en ze vochten letterlijk. Het duurde niet lang, ’n paar minuten hoogstens; daarna -had Betsy het weer erg op de zenuwen en lag gillend op den divan, nu met een hoogroode -kleur van de klappen links en rechts in ’t gezicht, die haar zuster haar had toegediend. -En Lidia, met de vuurroode streep van een venijnige krab in den hals, stond naast -den divan en drukte haar zakdoek op den mond van Betsy om ’t geluid van het gillen -en schreeuwen te verdooven, want ze hoorde op dat oogenblik Bronkhorst nog in de voorgalerij. -<span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span></p> -<p>Hij was binnengekomen, onberispelijk gekleed, en toen hij een vreemden heer zag, die -in gezelschap van mevrouw Duhr aan de tafel zat, waar hij gewoonlijk met Betsy plaats -nam, had hij ’n zeker air van voornaamheid aangenomen. -</p> -<p>„Goeden avond, mevrouw!.… Goeden avond (tegen den controleur).… Is mevrouw Den Ekster -thuis?” -</p> -<p>„Ja, mevrouw Den Ekster is thuis,” antwoordde de controleur, ofschoon de vraag in -het geheel niet tot hem was gericht. „Mevrouw Den Ekster is thuis; ik ben haar zwager.” -</p> -<p>Bronkhorst boog even het hoofd. -</p> -<p>„Als mevrouw Den Ekster thuis is, wenschte ik haar gaarne even te spreken.” -</p> -<p>„Mevrouw Den Ekster is voor u niet te spreken.” -</p> -<p>Noch de woorden, noch de toon lieten ook maar den minsten twijfel toe aan de bedoeling. -Bronkhorst nam den zwager eens op van ’t hoofd tot de voeten, en zich toen opnieuw -tot mevrouw Duhr wendend, vroeg hij: -</p> -<p>„Wilt u wel zoo goed wezen?” -</p> -<p>Maar het mensch bewoog zich niet en keek verlegen voor zich. -</p> -<p>„U hebt hier niets te doen,” vervolgde de controleur, „en het is wel een bewijs van -verregaande onbeschaamdheid, hier te komen, terwijl mijn vrouw en ik hier zijn.” -</p> -<p>Die „onbeschaamdheid” viel Bronkhorst vreemd op het lijf. Sedert de laatste maanden -betaalde hij de huur van het huis, omdat mevrouw Duhr zoo slecht bij kas was, en nu -heette het onbeschaamd.… -</p> -<p>„Het is onbeschaamd van u zelf om in dit huis zulk een toon te voeren; dat weet mevrouw -Duhr het best.” -</p> -<p>En toen deze in haar stilzwijgen volhardde, ging hij voort: „Ik zal van uw praatjes -geen verdere notitie nemen en zelf naar mevrouw Den Ekster gaan zien.” -</p> -<p>„Dat zullen we eens zien!” riep de jonge man, bleek van toorn. „Onbeschaamde vlegel, -als je niet maakt, dat je weg komt.…” -</p> -<p>Bronkhorst hief zijn stok op. -<span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span></p> -<p>„Ga daar vandaan,” zei hij tusschen de tanden tot den man, die hem den weg versperde. -„Ga daar vandaan of ik sla je dood!” -</p> -<p>„Ik ontzeg u mijn huis,” riep mevrouw Duhr, wier tong eindelijk scheen los te komen. -„Ik ontzeg u mijn huis. Ga heen, of ik roep de politie, en laat u de deur uitgooien.” -</p> -<p>Het woord „politie” maakte een overweldigenden indruk op hem. Hij was wel abnormaal, -maar het denkbeeld, dat hij, de notaris Bronkhorst, ergens door „de politie” buiten -de deur zou gezet worden, was hem toch te sterk. -</p> -<p>„Zoo,” beet hij, zich omwendend, het arme, in doodsangst zittende mensch toe. „Zoo, -zou <span class="ex">jij</span> de politie roepen, om <span class="ex">mij</span> uit <span class="ex">jou</span> huis te laten gooien?” -</p> -<p>„U kunt wel wat fatsoenlijker spreken,” zei Betsy’s zwager kwaadaardig. „Het komt -volstrekt niet te pas hier te jijen en te jouwen.” -</p> -<p>„Ik heb niets met u te maken, meneer.” -</p> -<p>„Och kom! Dat zal ik u dan eens laten zien.—U wilt dat deze man vertrekt, nietwaar -mevrouw?” -</p> -<p>„Ja,” zei mevrouw Duhr nauwelijks hoorbaar. -</p> -<p>De controleur boog zich over de balustrade van het galerijtje en riep. Een oogenblik -later liepen zes oppassers van politie, achter de pagger verscholen, het erf op. -</p> -<p>„Nu gaan, of er uit gezet worden,” zei de jonge man beslist. -</p> -<p>In machtelooze woede dreigde Bronkhorst weer met zijn rotting; hij beefde als een -riet, van opgewondenheid, liep zwijgend het trapje af, en stapte in zijn coupé; de -staljongen sloeg met een harden slag de deur dicht, en onder luid getrappel van de -hoeven der groote paarden op de kleine rolsteentjes van het voorerf, reed hij weg. -</p> -<p>In het rijtuig liet hij zich achterover zakken in de kussens; hij kon niet meer; het -kleeden en uitgaan hadden hem reeds ontzaglijk veel inspanning gekost,—deze zenuwachtige -scène was hem te veel. Voor het oogenblik was hij tot niets in staat, en hij liet -zich lijdelijk het erf oprijden van zijn huis. -<span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span></p> -<p>Haast waggelend ging hij rechtstreeks naar zijn kamer en ontkleedde zich, doch terwijl -hij hiermede bezig was, overviel hem weer plotseling een vlaag van teugellooze woede. -Met een driftigen duw stiet hij een venster open en schreeuwde zijn koetsier toe, -dat het rijtuig nogmaals vóór moest komen. -</p> -<p>„<span class="ex">Gilah!</span>” bromde zachtjes de koetsier, die bijna gereed was met uitspannen. -</p> -<p>„<span class="ex">Ya</span>,” zong de staljongen klagend. -</p> -<p>In het schemerdonker voor de wagenkamer namen ze met onwillige hand de tuigen weer -op, en begonnen mopperend en uiterst langzaam opnieuw in te spannen. Bronkhorst was -spoedig weer gekleed, en lang voor het rijtuig voorkwam, liep hij, tierend van ongeduld, -in de voorgalerij heen en weer. -</p> -<p>De officier van gezondheid keek vreemd op van deze ongelegen visite, hem, bij wijze -van dessert, juist na zijn maaltijd gebracht. -</p> -<p>Vertrouwelijk schoof Bronkhorst zijn stoel naderbij. -</p> -<p>„Ik ben beleedigd,” zei hij. -</p> -<p>„Alweer?” vroeg de dokter lachend. -</p> -<p>„Ik verzoek u er niet om te lachen; het is een ernstig geval; ik moet satisfactie -hebben.” -</p> -<p>„Zoo, is het ditmaal ernstig? Nu, als u het dan maar eens wilt vertellen.” -</p> -<p>Bronkhorst deed ’t verhaal op zijn manier; hij lette er niet op, dat des dokters gelaat -onder het luisteren niet vriendelijker werd. -</p> -<p>„U begrijpt, dat ik het er niet bij kan laten.” -</p> -<p>„Het is mogelijk. Wat ik zeker weet, is, dat ik in dit geval volstrekt niet bereid -ben u van dienst te zijn.” -</p> -<p>„Mag ik vragen waarom niet?” -</p> -<p>„Zeker, u hebt die dame.…” -</p> -<p>„Ik verzoek u te gelooven.…” -</p> -<p>„Ik geloof <span class="ex">niets</span>; ik zeg, wat ik weet. U hebt mevrouw Den Ekster in opspraak gebracht.” -</p> -<p>Vruchteloos wilde Bronkhorst protesteeren. „U hebt haar in <span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span>opspraak gebracht,” herhaalde de dokter met den voet op den grond stampend, en eenigzins -heftig, „en dat paste u niet. Een ongetrouwd man past zoo iets niet. Van u was het -dubbel erg.” -</p> -<p>„Maar mijn goede heer.…” -</p> -<p>„Neen, notaris, er valt hier niets te goede heeren. Wat ik zeg is waar, dat weet en -erkent iedereen, behalve u.” -</p> -<p>Wezenloos keek Bronkhorst voor zich uit. -</p> -<p>„In Godsnaam dan,” zuchtte hij met wanhopige onderwerping. -</p> -<p>„Ik zal er wel voor oppassen,” ging de dokter voort, „dat ik haar familie niet tegenwerk. -Die menschen komen hier en ontzien moeite, kosten noch onaangenaamheden, om haar te -redden.…” -</p> -<p>„Te redden?” -</p> -<p>„Ja, van u.” -</p> -<p>„Zoo! Nu, dan heb ik de eer u te groeten.” -</p> -<p>Hij ging hier niet weg als een razende, maar langzaam en met zekere waardigheid tot -zelfs in de manier, waarop hij hoed en stok nam. -</p> -<p>Terwijl Bronkhorst dus werd afgescheept, vertelde Betsy’s zwager den resident, wat -er bij mevrouw Duhr was voorgevallen. -</p> -<p>„Het is nu ’t geschikte moment,” meende de resident. -</p> -<p>„Er is anders niet veel met haar te beginnen. Mijn vrouw heeft haar met geweld moeten -beletten naar voren te komen.” -</p> -<p>„’t Is jammer, dat ik me er persoonlijk niet mee kan bemoeien.” -</p> -<p>„Ja,” stemde de controleur toe, in goeden ernst aan de almacht geloovend. -</p> -<p>„Als ik <span class="ex">mijn vrouw</span> eens vroeg?.… -</p> -<p>„Ja.… als dát kon.…” -</p> -<p>Ditmaal huichelde hij; het denkbeeld Betsy mee te nemen, hetzij door overreding of -met zachten dwang, lachte hem volstrekt niet toe. Wel deed hij er den resident, die -daarop zeer gesteld scheen, een dienst mee, welke ter gelegener tijd allicht beloond -kon worden, maar hij was bang voor hoogloopende onaangenaamheden met zijn flinke, -goede en openhartige, maar <span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span>allesbehalve zachtzinnige Lidia, die erg jaloersch was en in de minste familiariteit -veel meer zou zien, dan ’t was. -</p> -<p>„Wacht hier even,” zei de resident, „ik zal het haar gaan vragen.” -</p> -<p>Het duurde wel tien minuten vóór mevrouw haar toestemming gaf. „Ik wilde met dat gemeene -schepsel eigenlijk niet meer in aanraking komen. Ik heb haar eens en voorgoed gezegd -waar het op stond. Als ik het doe, is het voor die arme mevrouw Bronkhorst. Van avond -bemoei ik me er in geen geval meer mee.” -</p> -<p>„Het is maar,” zeide de controleur,<span id="xd31e5048"></span> „dat ik moeilijk langer kan blijven.” -</p> -<p>„Nu ja! Enfin, ik kom morgenochtend vroeg; we zullen dan wel zien.” -</p> -<p>Toen ze, haar woord gestand, reeds vroeg de nederige woning van de weduwe Duhr betrad, -bleek haar komst overbodig. -</p> -<p>„Het is wel lief van u,” zei Lidia, „dat u gekomen bent, maar het is al beslist, en -de reiswagen komt zoo dadelijk voor.” -</p> -<p>„Hoe is het gegaan?” vroeg de residentsvrouw nieuwsgierig. -</p> -<p>„We hebben een heel onaangenamen nacht gehad.—U weet wel van dien inkt?.…” -</p> -<p>„Ja, ja, die jullie haar in plaats van azijn.… ha, ha!” -</p> -<p>„Er schijnt inkt in haar rechteroog te zijn gekomen. Van nacht is dat erg opgezwollen: -nu is het zeer dik en ontstoken.” -</p> -<p>„Heb je den dokter laten roepen?” -</p> -<p>„Och neen. Ik zal dat met wat inlandsche medicijn wel beter maken, als we maar eerst -bij mij thuis zijn.” -</p> -<p>„En toen?” -</p> -<p>„Wat bedoelt u?” vroeg Lidia, die suf en slaperig was. -</p> -<p>„Wel, <span class="ex">na</span> dat oog. Hoe heb je er haar toen toe gekregen?” -</p> -<p>„O ja! Wel, ziet u, ze was wanhopig, en ik heb haar toen aan het verstand gebracht, -dat ze weg moest. En haar oude meid.…” -</p> -<p>„Dat spook, die Sarinah?” -</p> -<p>„Zij is al zooveel jaren in onzen dienst.” -<span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span></p> -<p>„Krakallen moest ze, aan den weg!” -</p> -<p>„Maar <span class="ex">néh</span> zei toch ook, dat Betsy maar mee moest gaan.” -</p> -<p>„Ze werd zeker bang!” -</p> -<p>„Het is wel mogelijk! <span class="ex">Enfin</span>, ze <span class="ex">gaat</span> nu mee,” eindigde Lidia met een diepen zucht. -</p> -<p>„Dan ga <span class="ex">ik</span> maar weg. Ik heb geen lust haar noodeloos te zien. Adieu! Als je wat noodig hebt.… -je kent mijn adres.” -</p> -<p>Het was een curieuze uittocht, toen de reiswagen voorkwam. Met een sjaaltje om haar -pijnlijk oog, huilende en voetje voor voetje loopend, als een zware zieke, links door -Lidia, rechts door mevrouw Duhr ondersteund, kwam Betsy naar buiten; zoo werd ze in -het rijtuig geholpen. En de aanstellerij bracht effect teweeg; zij ontroerde de vrouw -des huizes tot tranen toe, maakte Lidia zenuwachtig en stemde haar momenteel tot medelijden -en zachtzinnigheid; zelfs de controleur keek minder norsch naar zijn schoonzuster, -en voelde zich eenigszins begaan met haar lot, telkens als gedurende dezen uittocht, -een klagend gesteun achter den zakdoek vandaan kwam, die Betsy voor ’t niet ingebakerde -deel van haar gezicht hield. Sarinah sloot den stoet steunend en onverstaanbare woorden -kauwend in haar tandeloozen mond. -</p> -<hr class="tb"><p> -</p> -<p>Veertig dagen waren sedert dien ochtend in eenvormigheid voorbijgegaan; veertigmalen -had de opgaande zon de hooge witte schoorsteenen der fabrieken in de buurt doen schitteren -boven de dan nog in ’t halfduister liggende velden. De <span class="ex" lang="ms">perkara</span>—Bronkhorst werd nog slechts zelden besproken. Slechte berichten over suikerprijzen -uit Europa, een schandaal-proces op Java, een opiumaanhaling vol knoeierige bijomstandigheden -op de plaats zelve, hadden reeds lang de loopende praatjes over den notaris vervangen. -Van mevrouw Den Ekster hoorde men niets meer; van Bronkhorst wist men, dat hij ziek -was. -</p> -<p>Toen hij terugkwam van bezoek aan den officier van gezondheid, dat zoo slecht voor -hem afliep, was hij in zijn huis, en in <span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span>zijn bed gekomen, maar <span class="ex">hoe</span> wist hij niet; en hij herinnerde zich thans nog slechts flauw, wat er was voorgevallen -in die veertig dagen. Zijn vrouw, die hem had opgepast en verzorgd, wist daar meer -van; althans zij had hem in zijn meest half bewusteloozen toestand wel honderdmalen -een naam hooren uitspreken, die haar telkens als ze hem hoorde, deed rillen. -</p> -<p>Nu lag hij te bed, dien veertigsten dag, en hij gevoelde zich bijzonder wel, met een -neiging om iets bepaalds te doen, en niet aanhoudend sufferig door de kamer te dwalen -of gedachteloos in een luierstoel te liggen; hij keek de kamer rond, als iemand, die -door iets verrast is, maar zelf niet weet waardoor; hij zag Marie de kamer binnenkomen -en op ’n knaapje ’n kop thee neerzetten, met een paar eieren en ’n sneedje brood. -</p> -<p>Zij keek eens naar hem, en vroeg op stroeven toon, hoe het met hem was. -</p> -<p>Hij kon niet goed antwoord geven, maar streek met zijn hand over ’t voorhoofd, en -verder door zijn haren. Van alles wat gebeurd was, teekende zich nu voor zijn geest -een beeld, dat met elke seconde won in nauwkeurigheid; een gevoel van groote verwondering, -dat elke andere opwelling beheerschte, kwam over hem en sprak uit den blik, waarmede -hij Marie monsterde van ’t hoofd tot de voeten. En nogmaals streek hij zich met de -hand over het hoofd.… Dat was Marie, zijn vrouw.… hij had altijd veel van haar gehouden, -als zijn meisje, als zijn vrouw, als de moeder zijner kinderen.… hij hield nog heel -veel van haar.… hij had nooit van een andere vrouw gehouden.… Betsy?.… niet onaardig, -neen.… goed om ’n stukje muziek mee te maken of voor een niets zeggend complimentje.… -maar anders.… niets, hoegenaamd niets! -</p> -<p>En om die Betsy had hij Marie willen verstooten, van haar willen separeeren, haar -bitter gegriefd, beleedigd, mishandeld.… -</p> -<p>Marie was blijven staan bij het tafeltje, waarop ze zijn thee had neergezet, en ze -zag, ook met verwondering, op zijn gezicht een uitdrukking, die er lang vreemd op -geweest was: een van <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>helder bewustzijn. Zijn trekken hadden het uitgerekte wezenlooze niet meer; zijn oogen -stonden helder; hij begon weer te gelijken op haar man van vroeger. -</p> -<p>En toen hij zich tot haar wendde, ontroerde zij van zijn ontroering. -</p> -<p>„Hoe is het mogelijk, hoe is het mogelijk?” zei hij met een diepen zucht. „Ben ik -dan gek geweest?” -</p> -<p>De <span class="ex" lang="ms">goena-goena</span> had uitgewerkt. -</p> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div class="transcriberNote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen -van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden -van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. -</p> -<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. -</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata" summary="Metadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>Goena-goena: Oorspronkelijke roman</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>Paulus Adrianus Daum (1850–1898)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/167261/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>1895</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Project Gutenberg:</b></td> -<td><a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/66666" class="seclink">66666</a></td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>QR-code:</b></td> -<td colspan="2"><img src="images/qr66666.png" alt="QR-code van Project Gutenberg URL" width="148" height="148"></td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het -einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel -zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van -dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2021-08-30 Begonnen. -</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links -voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -<th>Bewerkingsafstand</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e157">4</a></td> -<td class="width40 bottom">gij</td> -<td class="width40 bottom">ga</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e180">5</a></td> -<td class="width40 bottom">anderer</td> -<td class="width40 bottom">andere</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e199">5</a></td> -<td class="width40 bottom">ligt</td> -<td class="width40 bottom">liggen</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e259">7</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3284">138</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4082">173</a></td> -<td class="width40 bottom">jou</td> -<td class="width40 bottom">jouw</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e266">8</a></td> -<td class="width40 bottom">belangijke</td> -<td class="width40 bottom">belangrijke</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e425">14</a></td> -<td class="width40 bottom">lenggerekte</td> -<td class="width40 bottom">langgerekte</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e469">16</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3599">153</a></td> -<td class="width40 bottom">”,</td> -<td class="width40 bottom">,”</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e582">21</a></td> -<td class="width40 bottom">fraaiïgheden</td> -<td class="width40 bottom">fraaiigheden</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e610">23</a></td> -<td class="width40 bottom">Prèdier</td> -<td class="width40 bottom">Prédier</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e619">23</a></td> -<td class="width40 bottom">vindt</td> -<td class="width40 bottom">vind</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e928">36</a></td> -<td class="width40 bottom">drlnken</td> -<td class="width40 bottom">drinken</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e988">39</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4237">181</a></td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e992">39</a></td> -<td class="width40 bottom">localisation</td> -<td class="width40 bottom">Localisation</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e995">39</a></td> -<td class="width40 bottom">morgen</td> -<td class="width40 bottom">Morgen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e998">39</a></td> -<td class="width40 bottom">herr</td> -<td class="width40 bottom">Herr</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1130">44</a></td> -<td class="width40 bottom">luminieus</td> -<td class="width40 bottom">lumineus</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1243">49</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1948">80</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1992">83</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2225">90</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2250">94</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2559">109</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3588">152</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3881">164</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3958">167</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4130">177</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4244">181</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4266">181</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1271">51</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1952">81</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2692">116</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3538">151</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3960">167</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4418">186</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4707">202</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4720">203</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4783">206</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1335">53</a></td> -<td class="width40 bottom">Boujour</td> -<td class="width40 bottom">Bonjour</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1463">60</a></td> -<td class="width40 bottom">famille</td> -<td class="width40 bottom">familie</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1766">71</a></td> -<td class="width40 bottom">karrretje</td> -<td class="width40 bottom">karretje</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1913">79</a></td> -<td class="width40 bottom">Predier</td> -<td class="width40 bottom">Prédier</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1935">80</a></td> -<td class="width40 bottom">.. </td> -<td class="width40 bottom">…</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2316">97</a></td> -<td class="width40 bottom">We</td> -<td class="width40 bottom">we</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2328">97</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4484">191</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5048">219</a></td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2507">107</a></td> -<td class="width40 bottom">bedak</td> -<td class="width40 bottom">bedaq</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2579">110</a></td> -<td class="width40 bottom">temp</td> -<td class="width40 bottom">temps</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2604">111</a></td> -<td class="width40 bottom">coût qui coût</td> -<td class="width40 bottom">coûte que coûte</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2689">116</a></td> -<td class="width40 bottom">nauwlijks</td> -<td class="width40 bottom">nauwelijks</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2710">116</a></td> -<td class="width40 bottom">’</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2771">118</a></td> -<td class="width40 bottom">wipje</td> -<td class="width40 bottom">wip je</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2780">118</a></td> -<td class="width40 bottom">gaba</td> -<td class="width40 bottom">gabah</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3083">130</a></td> -<td class="width40 bottom">vau</td> -<td class="width40 bottom">van</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3092">131</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4818">208</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3186">135</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3274">137</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4251">181</a></td> -<td class="width40 bottom">havana</td> -<td class="width40 bottom">havanna</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3620">154</a></td> -<td class="width40 bottom">anwoordde</td> -<td class="width40 bottom">antwoordde</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3815">162</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3845">163</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4006">170</a></td> -<td class="width40 bottom">tiemara’s</td> -<td class="width40 bottom">tjemara’s</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4102">174</a></td> -<td class="width40 bottom">groett’en</td> -<td class="width40 bottom">groetten</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4159">179</a></td> -<td class="width40 bottom">halfelf</td> -<td class="width40 bottom">half elf</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4170">179</a></td> -<td class="width40 bottom">onmogeiijk</td> -<td class="width40 bottom">onmogelijk</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4185">179</a></td> -<td class="width40 bottom">van ochtend</td> -<td class="width40 bottom">vanochtend</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4217">180</a></td> -<td class="width40 bottom">corvee</td> -<td class="width40 bottom">corvée</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4351">184</a></td> -<td class="width40 bottom">hadt</td> -<td class="width40 bottom">had</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4467">189</a></td> -<td class="width40 bottom">ur-woud</td> -<td class="width40 bottom">oerwoud</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4515">192</a></td> -<td class="width40 bottom">.,.</td> -<td class="width40 bottom">…</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4581">196</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4824">208</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4769">206</a></td> -<td class="width40 bottom">obscoen</td> -<td class="width40 bottom">obsceen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4841">209</a></td> -<td class="width40 bottom">ledekant</td> -<td class="width40 bottom">ledikant</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4884">210</a></td> -<td class="width40 bottom">mmers</td> -<td class="width40 bottom">immers</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4911">212</a></td> -<td class="width40 bottom">Idereen</td> -<td class="width40 bottom">Iedereen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> -<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GOENA-GOENA ***</div> -<div style='text-align:left'> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Updated editions will replace the previous one—the old editions will -be renamed. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. -</div> - -<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br> -<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br> -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase “Project -Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg™ License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person -or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ -electronic works. See paragraph 1.E below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the -Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg™ License when -you share it without charge with others. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work -on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the -phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: -</div> - -<blockquote> - <div style='display:block; margin:1em 0'> - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most - other parts of the world at no cost and with almost no restrictions - whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms - of the Project Gutenberg License included with this eBook or online - at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you - are not located in the United States, you will have to check the laws - of the country where you are located before using this eBook. - </div> -</blockquote> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase “Project -Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg™. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg™ License. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format -other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg™ website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain -Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works -provided that: -</div> - -<div style='margin-left:0.7em;'> - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation.” - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ - works. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg™ works. - </div> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right -of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any -Defect you cause. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s -goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg™ and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state’s laws. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation’s website -and official page at www.gutenberg.org/contact -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread -public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state -visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of -volunteer support. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Most people start at our website which has the main PG search -facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This website includes information about Project Gutenberg™, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. -</div> - -</div> - -</body> -</html> diff --git a/old/66666-h/images/new-cover.jpg b/old/66666-h/images/new-cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 1585f80..0000000 --- a/old/66666-h/images/new-cover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/66666-h/images/qr66666.png b/old/66666-h/images/qr66666.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 2bea12a..0000000 --- a/old/66666-h/images/qr66666.png +++ /dev/null diff --git a/old/66666-h/images/titlepage.png b/old/66666-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 7579f34..0000000 --- a/old/66666-h/images/titlepage.png +++ /dev/null |
