summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/66666-0.txt9503
-rw-r--r--old/66666-0.zipbin166738 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66666-h.zipbin236288 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66666-h/66666-h.htm9498
-rw-r--r--old/66666-h/images/new-cover.jpgbin44922 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66666-h/images/qr66666.pngbin268 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/66666-h/images/titlepage.pngbin8894 -> 0 bytes
10 files changed, 17 insertions, 19001 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..5dd6f4f
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #66666 (https://www.gutenberg.org/ebooks/66666)
diff --git a/old/66666-0.txt b/old/66666-0.txt
deleted file mode 100644
index 742cb75..0000000
--- a/old/66666-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,9503 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Goena-Goena, by Adrianus Daum
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Goena-Goena
- Oorspronkelijke roman
-
-Author: Adrianus Daum
-
-Release Date: October 27, 2021 [eBook #66666]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book
- was produced from scanned images of public domain material
- from the Google Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GOENA-GOENA ***
-
-
-
- GOENA-GOENA.
- OORSPRONKELIJKE ROMAN
-
- DOOR
- MAURITS.
-
- Tweede Druk.
-
- LEIDEN.—A. W. SIJTHOFF.
-
-
-
-
-
-
-
-
-GOENA-GOENA.
-
-
-Charles Prédier kwam met een vergenoegd gezicht het kantoor uit.
-
-Nu was alles in orde; nu was zijn fortuin gemaakt! Terwijl hij het
-zweet van z’n voorhoofd veegde—het pleiten voor eigen zaak maakt zoo
-warm!—drukte hij de zwart leeren portefeuille, die hij onder den arm
-droeg, met liefde tegen zijn borst. Het had moeite gekost den notaris
-over te halen, geld te steken in de nieuwe koffie-onderneming; doch nu
-het gelukt was, ging het overige vanzelf; nu zou het kapitaal gauw
-genoeg bijeenkomen; er zou gebouwd en geplant kunnen worden, en binnen
-een jaar of vier......
-
-Het was alles netjes uitgerekend. Dáárom was notaris Bronkhorst er ook
-ìn gegaan. Hij kende Prédier als een goed planter en flink
-administrateur; als een echte half bloed Europeaan, die in de sociëteit
-blufte met champagne, homberde tegen hoog tarief en mooier paarden
-hield, dan ieder ander, maar die in zaken angstvallig op de kleintjes
-paste, en wat men noemt op ’n cent doodbleef.
-
-De erfpacht, aan het gouvernement gevraagd, was toegestaan; door de
-welwillende tusschenkomst van een zwager te Batavia, en van een tante,
-die veel bij den resident aan huis kwam, was de canon laag gesteld, de
-gronden waren prachtig; van bladziekte was in die streek geen
-sprake,—het was in één woord ’n goudmijn.
-
-Bronkhorst dacht, toen Prédier weg was, nog na over de cijfers. Geheel
-optimist was hij niet meer. Al wat hij had „verdiend” in Indië, stak in
-landelijke ondernemingen. De vooruitzichten, zeiden de administrateurs,
-waren prachtig, maar voor het oogenblik zag hij geen cent van zijn
-geld, en was het maar elke maand bijpassen. Toch was zijn vertrouwen
-niet geschokt, anders zou hij zich nu niet weer hebben laten „lijmen”
-door Prédier. Als er maar één gelukte, dacht de notaris, dan was het
-reeds financiëel, in orde. En hij rekende op zijn goed gesternte. Hoe
-was hem de fortuin niet meegeloopen, sedert hij twaalf jaren geleden
-benoemd werd tot notaris op de kleine hoofdplaats! Toen was het daar
-vrij wel: mager met mosterd. Zijn voorganger klaagde altijd steen en
-been, dat er zoo weinig viel te verdienen. Nauwelijks was Bronkhorst
-gekomen of de vette jaren braken aan, alsof hij ze meebracht in zijn
-koffers. Waar vroeger slechts rijstvelden waren, wuifden nu de
-sierlijke pluimen van ’t bloeiend suikerriet; waar vroeger lang
-uitgeschoten klapperboomen het „hoogste goed” vormden, daar waren die
-nu vernederd door de hoogere witte fabriekschoorsteenen, die in den
-maaltijd nacht en dag altijd door rookwolken opzonden uit hun zwarte
-openingen. En dwars door de vroeger ongerepte velden lagen thans
-onafzienbare rails, hier roestig, ginds door de wrijving als gepolijst,
-en in eindelooze uitgestrektheid dof glimmerend in ’t felle zonlicht.
-Er was geld gekomen onder de bevolking, en met ’t blanke „slijk der
-aarde” kwam nog ander „slijk”, dat zich aangetrokken voelde. Nabij het
-spoorwegstation woonden nu Chineezen en Arabieren, die handel dreven,
-warongs hielden, opium smokkelden, dobbelhuizen hielden; ’t was de
-legertros der Westersche beschaving in het Oosten.
-
-Maar het notaris-kantoor had er voordeel van. Bronkhorst had het lokaal
-gelaten zooals het was onder zijn voorganger. Dat stond goed, vond hij;
-hoe ouderwetscher, vuiler en wormstekiger zoo’n kantoor er uit zag, des
-te solieder scheen het; alleen was het personeel uitgebreid; hij hield
-er een candidaat op na en ’n paar klerken, terwijl zijn voorganger het
-niet verder had kunnen brengen dan tot één versuft kopiïst achter ’n
-schutsel.
-
-„Hoe is het Jean, kom je eten?”
-
-„Is het al zóó laat?”
-
-„Er is al lang opgedaan: de kinderen schreeuwen van den honger.”
-
-De notaris stond op en volgde zijn vrouw. Terwijl ze hem voorging van
-het bijgebouw, waarin kantoor werd gehouden, naar ’t woonhuis, en de
-vergulde hakken harer slofjes klik-klakten op de steenen der galerij,
-vertelde hij haar ’t bezoek van Prédier, diens plannen en het aandeel,
-dat hij er in had genomen.
-
-Zij hoorde ’t wel, maar het ging haar het eene oor in, het andere uit;
-ze begreep alleen, dat het pogingen betrof, om van koffie geld te
-maken, maar veel verder dan dit primitief begrip kwam zij niet; ze was
-nu reeds acht jaar in Indië—Bronkhorst had haar getrouwd, toen hij
-wegens ziekte ’n jaar met verlof naar Europa was geweest—maar zij was
-met hart en ziel een totok gebleven, die slecht brabbelmaleisch sprak,
-geen inlandsche bedienden langer dan een maand kon houden, voor de
-détails van het echt Indisch leven geen oog had, en er daarvoor ook
-nimmer een krijgen zou. Als Bronkhorst haar van zijn speculatiën in de
-cultures vertelde, dan zei ze maar „Ja en amen”; geloofde, dat het erg
-gelukkig zou wezen, als ’t groote winsten opbracht, en..... dacht er
-verder niet aan.
-
-Hem kon zoo iets dagen lang bezig houden, en dat deed het ook nu. Het
-maakte hem stil aan de rijsttafel; het hinderde hem ’s middags op ’t
-kantoor onder het andere werk, en toen hij ’s avonds naar gewoonte in
-een wipstoel op het schabelletje een havanna rookte na het diner,
-wilden hem die prachtige plannen van Prédier nog niet loslaten.
-
-Naast hem stonden op een marmeren knaap twee kopjes koffie; zijn vrouw
-zat tegenover hem; hij keek naar buiten en dacht hardop, voor de
-gezelligheid en meenende dat Marie luisterde. De cijfers der mogelijke
-winsten maakten hem warm.
-
-„Jongens, als het dien kerel toch eens lukte!” riep hij. „Wat zou dat
-een heerlijk zaakje zijn!”
-
-Marie was opgeschrikt door den luideren toon. Onder het exposé zijner
-geldelijke illusiën was ze rustig ingedommeld, maar nu greep ze naar
-haar kopje, en zei op ’n toon alsof ze zijn beschouwingen aandachtig
-had gevolgd: „Ja, heerlijk, hè?”
-
-Hij snapte het wel.
-
-„Als je moe bent, Mies, dan moet je naar bed gaan; dat is veel beter.”
-
-„Wel neen; het gaat nogal!”
-
-Bronkhorst lachte.
-
-„Kom, kom! Veins maar niet. Je valt bijna omver van den slaap. Ik kan
-het me best voorstellen. Die eeuwige drukte met de kinderen; ’s morgens
-vroeg op en ’s middags niet slapen.... ga jij gerust naar bed, hoor.”
-
-„Wil je niet nog iets drinken?”
-
-’t Kon haar eigenlijk weinig schelen, maar ze gevoelde, dat ze iets
-vriendelijks moest zeggen of eenige zorg voor hem aan den dag moest
-leggen. Want het was wel ’n beetje onaangenaam voor hem, dat ze ’s
-avonds na het eten altijd uitging als een nachtkaars. Maar ze kon er
-niets tegen doen; met den besten wil der wereld niet.
-
-En hij vond het werkelijk zeer onaangenaam,—al drong hij er ook opaan,
-dat ze zou gaan slapen,—als hij zag, dat Morpheus haar te machtig werd.
-
-Zeker, dacht hij, het was beroerd, erg vervelend; hij had zoo weinig
-lust in uitgaan, en thuis hield na halfnegen alle conversatie op. Weer
-terugkeerend tot zijn à propos, de nieuwe koffieonderneming, zag hij,
-in gedachten verzonken, naar de schitterende lichtpuntjes op den
-zwart-blauwen achtergrond hoog in de lucht, tot zijn aandacht werd
-afgeleid door den toon van een heftig krakeel. Hij keek eens in die
-richting over den pagger; dat was weer bij de Borne’s; die hadden ook
-altijd twist; en dan zoo luidruchtig; ze moesten zich schamen!
-
-Hij stond op, knoopte zijn kabaja zorgvuldig dicht en wandelde het erf
-af, naar den grooten weg; voortdurend klonk hem ’t heftig geluid der
-twistende stemmen in de ooren; wat ze elkaar toevoegden, kon hij niet
-verstaan, maar dat behoefde ook niet; de Borne’s waren reeds twee jaren
-zijn buren, en hij wist er alles van. Nu en dan had hij zich er mee
-bemoeid; als ’n goed notaris, die zich altijd interesseert voor andere
-zaken, kon hij dat niet laten, schoon zijn vrouw hem afried zich te
-mengen in geschillen tusschen man en vrouw. Ook wist hij wel dat het
-zoo’n vaart niet liep; groote woorden, anders niet. Juist passeerde hij
-hun huis, toen kapitein Borne, in uniform, naar buiten kwam.
-
-Ze liepen samen op.
-
-„Die vrouw van me,” zei de kapitein, die commandant was van het kleine
-garnizoen, „is in staat ’n mensch razend te maken.”
-
-„Bah! Ze is zoo kwaad niet.”
-
-„Neen, dat is ze ook niet. Ik geloof, dat ze ’n man moest hebben,
-zooals jij er een bent!”
-
-„Was het dan weer over de sociëteit?”
-
-„Natuurlijk. Dat gunt ze me nu niet. Ga ik ’s middags in de kroeg ’n
-paitje nemen, en ’t wordt wat laat—dat kan toch gebeuren!—dan is
-sinjeur de duivel los. Wil ik ’s avonds nog ’n partijtje maken, vlan!
-dan heb je de poppen aan het dansen.”
-
-„Maak je het niet werkelijk wat te druk?”
-
-„Och wat! Als ik in deze negorij altijd thuis moest zitten, dan stierf
-ik van chagrijn. Ik ben dat nooit gewoon geweest.”
-
-„Daarbij is het op den duur ’n kostbare aardigheid.”
-
-„Het is waarachtig,” riep Borne, en in zijn verbazing bezigde hij een
-hoogst dubbelzinnige overdrachtelijke uitdrukking, „het is waarachtig
-of jullie onder één deken liggen.”
-
-Zij lachten beiden, zóó gek vonden ze het idée.
-
-„Neen, maar in ernst,” vervolgde Bronkhorst stilstaande op den weg,
-wijl hij geen lust had verder mee te loopen, „is het niet een dure
-geschiedenis?”
-
-„Wel, dat is zoo erg niet. Er gaan tien paitjes in één pop. ’t Is
-waarachtig alsof ik den boel opmaak! De soos kost me niet half zooveel
-als haar familie.”
-
-„Ja, je hebt nogal dikwijls logé’s.”
-
-„Altijd, meneer! Jij bent ’n slimme vogel geweest, je hebt je vrouw uit
-Holland gehaald. Ik heb hier ’n vrouw getrouwd en op den koop toe ’n
-familie, die me de helft van het jaar op m’n dak zit. Nu is er weer ’n
-stelletje in aantocht.”
-
-„Het is aan den anderen kant recht gezellig.”
-
-„Och dat wel, ten minste dezen keer. Zij is ’n nichtje van m’n vrouw;
-Betsy heet ze, ’n verduiveld aardig diertje, en hij is ’n goeie vent; ’n
-lobbes.”
-
-„Is hij met verlof?”
-
-„Hm! Dat zou ik denken! Hij is ’n koffieboer, weet je, en ze hebben hem
-met groot verlof gezonden, omdat de boel niet marcheerde. Nu is hij à
-la recherche d’une position. Overigens ’n goeie jongen, ’n vroolijke
-vent. Bonsoir!”
-
-Kapitein Borne stapte voort naar de sociëteit, waar zijn partners hem
-reeds wachtten. Bronkhorst keerde langzaam en bij zichzelven
-glimlachend terug naar huis.
-
-Wat was er nu toch voor aantrekkelijks in zoo’n sociëteit?
-Zaterdagsavonds ging hij er ’n uurtje heen; hij was een notabele en
-moest zich dus „vertoonen”. Maar zelfs dan zou hij bij voorkeur thuis
-zijn gebleven.
-
-Een aanrollende reiswagen met zes paarden bespannen en bovenop, voor en
-achter met koffers bepakt, trok zijn aandacht. Met zijn twee flauw
-lichtende lantaarns gierde het rammelend monster in snelle vaart over
-den weg, en hield daarna stil voor het huis van Borne. Daar waren de
-„familieleden”, die de kapitein óók getrouwd had! Bronkhorst vond
-werkelijk, dat men den heer des huizes niet bijzonder vroeg
-gewaarschuwd, maar tamelijk wel voor een voldongen feit had gesteld.
-Hij ging een weinig ter zijde van den weg, en zag hoe een jonge vrouw
-met ’n slanke figuur vlug uit den wagen sprong en mevrouw Borne in de
-voorgalerij omhelsde; een lang man met ’n blonden baard volgde; een
-oogenblik hoorde men het onbestemd geluid van elkaar luidruchtig
-begroetende personen,—toen ging het drietal ’t huis binnen en liet de
-zorg voor de barang aan de bedienden over.
-
-„De buren hebben logé’s gekregen,” vertelde Bronkhorst den volgenden
-ochtend zijn vrouw, als een nieuwtje bij het ontbijt.
-
-„Ja, dat wist ik. Mevrouw Borne heeft me al ’n dag of acht geleden
-verteld, dat ze haar nicht Betsy te logeeren kreeg met haar man, voor
-onbepaalden tijd.”
-
-„Zóó-ó-! Borne zelf vernam het eerst gisteravond.”
-
-„Zij wilde ’t hem niet eer zeggen; hij moppert altijd zoolang, als hij
-het tevoren weet; wanneer de lui er eenmaal zijn, dan heeft hij er
-vrede mee.”
-
-Bronkhorst moest er om lachen: ’t was, vond hij, een eigenaardige
-speculatie.
-
-„Dat vind ik ook; ’t kost toch beider geld.”
-
-Het denkbeeld trof hem; niet omdat het nieuw was, maar hijzelf deed uit
-gewoonte altijd met zijn geld, wat hij wilde, zonder ooit zijn vrouw te
-raadplegen.
-
-„Je vindt het toch wel goed, Marie,” vroeg hij, „dat ik me in die zaak
-van Prédier heb gestoken?”
-
-Zij keek hem met haar groote oogen verwonderd aan.
-
-„Waarom zou ik het niet goed vinden?”
-
-„Wel, men kan niet weten; het is toch ook evengoed jouw geld.”
-
-„Van die zaken heb ik geen verstand, Jean; dat weet je, en dan,
-ventlief, zooals jij doet zal ’t wel goed wezen.”
-
-Daar had je weer het vertrouwen! Zóó genoot hij dat nu als notaris
-algemeen, en dáárvan was hij overtuigd: als zoodanig was hij het waard
-ook. Hij had er uitstekend slag van de zaken voor anderen te
-behandelen; hij deed het gewetensvol en nauwgezet. Rijke Chineezen
-kwamen van heinde en ver hem in lastige, belangrijke zaken raadplegen,
-en ze wisten toch, dat de notaris hen geducht liet betalen. Maar hij
-bezat het welverdiende vertrouwen van iedereen voor ieders zaken;
-alleen miste hij dat van zichzelven voor zijn eigen zaken. Voor een
-ander zou hij niet half zoo gauw en zonder ernstig onderzoek tot de
-plannen van Prédier zijn toegetreden; waar het zijn eigen geld betrof,
-was hij losser.
-
-„Je moet me niet zoo onbeperkt vertrouwen.”
-
-„Verbeeld je! Als men ’n man heeft, die notaris is, en men vertrouwt
-hem niet....”
-
-„Nu?”
-
-„Nu,” zei ze lachend, „dan moet hij toch ’n geduchte roover wezen.”
-
-Meelachend kuste hij haar; zei, dat ze er zonderlinge theorieën op na
-hield, en ging als gewoonlijk in opgeruimde stemming naar ’t kantoor,
-een oogenblik, met ongeduld door zijn vrouw verbeid; want dan ving haar
-opperheerschappij aan over de huiselijke zaken; dan begon de
-dagelijksche groote drijfjacht op vlekken en stof, op niet fraai
-gepoetste vorken en lepels en niet volkomen glinsterende messen; op
-scheurtjes en rafels in kinder- en huishoudgoed; dan ving het moment
-aan, waarop de toorn der huisvrouw zich doorloopend lucht gaf over het
-gebrek aan westelijke zindelijkheidsbegrippen bij den Javaan.
-
-De overdreven zin voor het huishoudelijke bij mevrouw Bronkhorst had
-onder de dames van ’t plaatsje aanvankelijk groote verbazing gewekt.
-Toen ze pas uit Holland kwam, ontving men haar met meer
-nieuwsgierigheid dan vriendelijkheid; de Indische dames beschouwden
-haar zoo’n beetje als ’n indringster. Als toch de notaris een vrouw had
-willen hebben, dan had hij, vonden ze, er immers een uit de Indische
-omgeving kunnen kiezen; er waren knappe jonge meisjes genoeg, die hem
-gaarne wilden hebben; hij had volstrekt niet naar Holland behoeven te
-gaan om een vrouw te halen met aschkleurig haar, en die den heelen dag
-koelie-werk deed in huis.
-
-Men kende het huis van den notaris algemeen onder den naam van het
-„paleis”. Toen Bronkhorst met zijn vrouwtje naar Indië kwam, had hij ’n
-keurige Europeesche inrichting meegebracht. Fraaie ameublementen,
-hoogst onpractisch en lastig om te behouden en te onderhouden, maar
-keurig mooi om te zien; stoelen met heerlijke overtrekken, die
-uitstekend aan hun bestemming beantwoordden, daar nooit iemand het
-waagde er op te gaan zitten; prachtige spiegels, mahoniehouten kasten,
-kostbare schilderijen en smaakvolle portières. Met den hartstocht van
-een huishoudelijke, welopgevoede dochter uit een nette burgerfamilie in
-Holland, had de jonge mevrouw Bronkhorst zich dadelijk geconstitueerd
-als slavin van al dat moois, behoudens de servituten haar door het
-moederschap opgelegd.
-
-Zoo was het haar gelukt al die schatten jaren te conserveeren en „zoo
-goed als nieuw” te houden, in vollen strijd steeds tegen de inlandsche
-menschen- en insectenwereld.
-
-Maar mooi was het, dàt erkende iedereen; veel mooier zelfs dan bij den
-resident, en zoo was het met alles, tot in de keuken, waar tot stomme
-verbazing van alle Indische menschen een glimmende batterie de cuisine
-aan den helderwitten muur prijkte, en tot in den stal, waar de twee
-spannen fraaie koetspaarden en het rijpaard van Bronkhorst hun
-omgezette gras en gabah op raadselachtige wijze schenen te verbergen.
-
-Wel honderdmalen werd mevrouw Bronkhorst over de uitkomsten harer
-slavernij gecomplimenteerd; vooral door de heeren, die verklaarden, dat
-het iemand „goed” deed, weer eens zoo’n keurig nette Europeesche
-inrichting te zien, maar die voor geen geld hadden gewild, dat hun
-vrouwen zooveel werk maakten van den inboedel.
-
-Het „paleis” had zijn vasten receptie-avond; men zat dan in de
-voorgalerij aan de eene zijde; iedereen, voorzoover hij door zijn
-maatschappelijke positie in aanmerking kwam, woonde die avondjes bij,
-en de resident, wien het à fond weinig kon schelen, zei wel eens quasi
-spijtig, dat het bij den notaris drukker toeging, dan bij hem,
-resident. Het was niet pour les beaux yeux van Bronkhorst en diens
-vrouw, schoon de laatste werkelijk mooie oogen had, dat de meesten
-kwamen; maar men zat er op zijn gemak bij den notaris, wat men niet
-deed bij den resident, en men kreeg buitengewoon fijne dranken en
-lekkere havanna’s, wat men ook al niet kreeg bij den resident, die zelf
-niet rookte en niet dronk, en dus vond, dat een en ander eigenlijk ook
-niet voegde aan de gemeente.
-
-De Borne’s waren ook gekomen en hadden hun neef, meneer Den Ekster,
-meegebracht, den koffieplanter à la suite.
-
-„Is je nicht niet meegekomen?” vroeg mevrouw Bronkhorst, die familiaar
-was met haar buurvrouw.
-
-„Zij laat zich excuseeren; ze had zoo’n vreeselijke hoofdpijn. Zeker
-van het zitten in den reiswagen, gisteren den heelen dag; ze had het al
-toen ze aankwam; ze is niet zoo heel sterk, weet je, en dan: ze trekt
-het zich nogal aan....”
-
-„U is niet meer op het land, meneer Den Ekster,” zei vragend de
-resident op den meesterachtigen toon van iemand, die zich overal „aan
-het hoofd” gevoelt.
-
-„Neen, resident; de lui dachten dat ik de bladziekte kon weren, maar
-zóó knap ben ik niet.”
-
-„Ja,” was ’t antwoord met een zucht vol staatszorg, „dat is ’n leelijk
-ding.”
-
-„Zie je,” vervolgde mevrouw Borne tegen de gastvrouw, „zij is niet heel
-gelukkig met hem.”
-
-„’t Is erg jammer.”
-
-„Ja, er komt ook zóóveel bij. Geen kinderen, zie je, nooit..... geen
-idéetje.”
-
-Mevrouw Bronkhorst keek haar even aan. Zij kon met het eigenaardig
-Indisch idioom maar niet terecht, en over zulke idéetjes van kinderen
-te spreken in gezelschap, hinderde haar.
-
-„Wil je ’n glas malaga?”
-
-Ja, dat was het eenige, waarmee de Indische kapiteinsvrouw te vangen
-was, omdat het, vond ze, iets had van stroop, het eenige dat ze dronk
-behalve koffie en koud water.
-
-„Ik wou,” zei de kapitein met zijn luide commando-stem, „dat ik geld
-genoeg had, dan liet ik twaalf ankers malaga aanrukken.”
-
-„Hou je daar zoo van, kapitein?” vroeg de algemeene ontvanger.
-
-„Wel neen, maar daar kon ik mijn vrouw mee paaien.”
-
-„Soedah!” riep deze reeds half boos, „laat mij er asjeblieft maar
-buiten.”
-
-Maar iedereen had er genoegen in en lachte.
-
-„Zoo! Moet mevrouw zoet worden gehouden?” vroeg de resident.
-
-„Terdege, hoor! Het is nu al zoover, resident, dat ik geen bittertje
-mag drinken of ik krijg er langs als een recruut van een
-vice-korporaal.”
-
-„Soedah, toch!” herhaalde zijn vrouw met verwijtende blikken uit haar
-fluweelachtige zwarte oogen. Meer dorst ze niet zeggen, uit vrees voor
-den resident. Van alle kanten werden vroolijke opmerkingen gemaakt,
-volstrekt niet kwetsend voor haar. Integendeel, men mocht de Borne’s
-zeer gaarne. Hij was ’n flink militair en zij een goede, hartelijke
-vrouw, en ofschoon ze altijd ruzie hadden, hielden ze wezenlijk veel
-van elkaar. Zij was trotsch op hem, al beknorde ze hem aanhoudend, en
-in haar hart vond ze dat geen enkel man de vergelijking met hem kon
-doorstaan. En Borne zelf dacht altijd met liefde aan zijn knappe, kloek
-gebouwde vrouw; men kon, als ze ziek was, hem „onder een hoed vangen”;
-hij was dan niet uit het huis te slaan. Maar als ze beiden gezond en
-wel waren, hadden ze het altijd met elkaar aan den stok, en in hun
-pogingen om elkaar te overschreeuwen was dat gauw genoeg algemeen
-bekend geweest op de plaats.
-
-Toch waren ze gelukkig samen.... op hun manier.
-
-Toen ze van de receptie thuis kwamen, ging Den Ekster naar de
-logeerkamer om de zwarte jas, waarin de bergbewoner het op de vlakte
-ontzettend warm had, tegen ’n kabaja te verruilen.
-
-Zijn vrouw zat bij het flauwe licht van een oud-model hanglamp naast de
-tafel op een wipstoel; ze was in sarong en kabaai. Toen ze hem hoorde
-aankomen, verborg ze haastig iets in haar koetang.
-
-Het was maar ’n brief van haar eenige zuster, ’n jong ding nog, van
-achttien jaren, maar die er reeds twee getrouwd was met een ambtenaar;
-als meisje vertelden zij elkaar alles, en nu ze gescheiden waren, bleef
-Lidia tegenover haar zuster even openhartig op het papier; zij had
-altijd een ergen hekel gehad aan haar zwager Den Ekster, doch zoolang
-deze als administrateur eener onderneming Betsy een goed leven
-bezorgde, ging het nog; nu hij buiten betrekking was geraakt en niet
-eens ’n spaarpot bleek te hebben, was de verachting van Lidia voor zijn
-persoon grenzenloos, en drukte zij zich in haar brief zoo onomwonden
-over hem uit, dat Betsy er mee verlegen zou geweest zijn, als hij ’t
-had gelezen. Er stond te veel in dien brief. Lidia bekeek daarin van
-alle kanten de vraag: hoe haar zuster van dien ellendigen kerel zou
-verlost raken; ze schreef over echtscheiding, ja gaf niet onduidelijk
-te kennen, dat zij, had ze zulk een man, in staat zou zijn hem uit den
-weg te ruimen.
-
-Terwijl het voorwerp dezer schoonzuster-liefde zich puffend en blazend
-ontdeed van zijn lakensch pak en zijn nauwe verlakte schoenen, wipte
-Betsy langzaam met haar stoel op en neer, en keek naar hem, in
-gedachten verzonken. Zij sprak niet en hij evenmin; ze hadden elkaar
-niets te zeggen; ze betreurden beiden, dat ze met elkaar getrouwd
-waren; voor de wereld hielden zij zich goed en waren vriendelijk tegen
-elkaar; niemand, dan haar zuster, haar tante en de oude meid, wist, dat
-het inderdaad een treurig huwelijk was. Toch was Den Ekster een knap
-man en zij een mooie appétisante vrouw, met een zeer ontwikkelde buste,
-wat niet belette, dat ze ’n fraaie taille had. En terwijl haar
-lichaamsvormen in hooge mate de gewone aantrekkelijkheden teekenden,
-gaf het ter weerszijden over het voorhoofd tot dicht bij de wenkbrauwen
-neergekamd golvend haar iets raphaëlachtigs aan ’t fijn profiel; iets,
-dat op de vulgaire bewondering van ’t sterkere geslacht kalmeerend
-werkte. Die coiffure was geen mode meer, maar Betsy wist hoe goed ze
-haar stond en deed alsof de mode in dit opzicht uit de wereld was.
-
-Toen Den Ekster, niet aan het warme kustklimaat gewoon, uitgeblazen en
-uitgepuft was, ging hij in nachtbroek en kabaja de kamer uit; van onder
-haar half gesloten oogen gleed een donkere blik hem na; ’n blik vol
-minachting en haat, door een plooi om den mond krachtig versterkt.
-
-In een duisteren hoek van het vertrek zat een oude inlandsche vrouw op
-een matje; het was de meid, die Betsy gedragen had in de slendang en
-voor wie zij nonna bleef zoo goed als haar zuster, al trouwden zij ook
-honderdmalen. Betsy vond dat goed; ’t herinnerde haar den tijd, toen ze
-nog vrij was en bij haar ouders thuis ’n vroolijk leventje leidde,
-totdat.... het verwenschte oogenblik kwam, en zij zich liet bepraten
-door haar ouders, die haast hadden om van de meisjes „af” te komen en
-niets zoozeer vreesden dan met haar te „blijven zitten”.
-
-Van Den Ekster had zij een afkeer, en omdat ze hem nooit lief had
-gehad, vergaf ze hem nooit de geringste kleinigheid. Reeds van den
-eersten dag waren ze elkaar tegengevallen; haar stugheid had hem doen
-aarzelen; zijn aarzeling had haar nog stugger gemaakt; hij zocht zijn
-troost elders; zij had aan troost geen behoefte. Maar alles ging stil
-en fatsoenlijk, zonder één onvertogen woord, zonder één luidruchtige
-uitbarsting; met wederzijdschen stillen wrok, tegenover „de menschen”
-verborgen achter een vriendelijk masker.
-
-De oude meid, die dat alles van meet af had gezien, haatte den toean
-uit instinctmatig plichtbesef; dat hij haar nonna ongelukkig maakte,
-was voldoende om hem in haar oogen misdadig te doen zijn. In het begin,
-toen ze nog dacht, dat de nonna er om gaf, had ze voorgesteld
-geheimzinnige toovermiddelen op Den Ekster toe te passen om hem aan
-zijn vrouw te binden; maar Betsy had er om gelachen; tjies! had ze
-geroepen met een gebaar van walging; en in het Maleisch had ze haar
-hart uitgestort voor de oude baboe, met een zenuwachtige woede, die men
-in gezelschap achter het kalme, fraaie uiterlijk niet zou gezocht
-hebben.
-
-Nu vertelde ze aan de nènèh, dat er een brief was van nonna Lidia, en
-de oude vrouw in ’t lange blauwe baadje en met de grijze achterover
-gekamde haren, kwam dichter bij de tafel, terwijl haar gerimpeld
-gezicht vol belangstelling naar den brief was gewend, alsof haar
-daaruit rechtstreeks de woorden bereikten, die Betsy tot haar sprak.
-
-„Zij is gelukkig,” zei de oude met een zucht. „Zij heeft altijd
-oentoeng gehad, van kleins af. Het ongeluk was voor u.”
-
-„Ja,” antwoordde Betsy, ook zuchtend, „het is zoo. Ik kan er niets
-tegen doen.”
-
-„Neen.... als het zoo wezen moet.”
-
-Mevrouw en de meid zwegen een oogenblik, onder den indruk van het
-onafwendbaar noodlot.
-
-„Hoe maakt het ’t kind?” vroeg de meid, doelend op Lidia’s jongske.
-
-„Heel goed, en zij is weer....”
-
-„Allah!” riep de oude, de handen boven het hoofd heffend. „Zij heeft
-ook altijd, altijd geluk.”
-
-„Haar man is hooger in rang geworden.”
-
-„Ija,” stiet de meid uit met een langgerekte i in een hoogen toon, en
-op een wijze alsof het haar niet zou verwonderen, wanneer nonna Lidia
-in haar achtergalerij een goudmijn had ontdekt.
-
-„Had u dien meneer Deier maar genomen; wie weet!”
-
-„Masa!” viel Betsy verontwaardigd in. „Maar honderd gulden!”
-
-„Hij had geluk in zijn gezicht,” meende de oude, „en dat heeft deze
-niet; zijn gezicht verveelde me al, toen hij den eersten dag kwam.”
-
-Kuchend en steunend, louter uit gewoonte, en mompelend binnensmonds
-ging de oude weer naar haar matje. Betsy sloeg de armen achterover om
-de leuning van den stoel en wipte weer langzaam op en neer.
-
-Neen, geen echtscheiding; dat was altijd compromitteerend, vond ze; als
-ze dàt gewild had, dan zou ze reeds lang zoover geweest zijn; maar zij
-had er tegen om haarzelve, en Den Ekster ook om zijn familie in
-Holland. En toch had het vooruitzicht om met hem te blijven voortleven
-veel van een aanhoudende wederzijdsche kwelling. „Als ik dan niet
-scheiden wilde,” had Lidia in haar verschrikkelijke openhartigheid
-geschreven, „als ik dan niet scheiden wilde van zoo’n ellendeling, dan
-zou ik wel voor iets anders zorgen.”
-
-Betsy las de woorden nog eens over. Verschrikkelijk! Die Lidia was toch
-een boosaardig nest. Zij, Betsy, had aan zoo iets nog nooit gedacht. Nu
-wilden die woorden haar niet uit de gedachten; ze brachten haar
-fantaisie aan het werk, en ze zag, ze zag in haar verbeelding.....
-
-„Hoe is het Bets, heb je kamerarrest?”
-
-Zij schrikte van oom Borne’s harde stem.
-
-„Kom,” zei hij vriendelijk, „blijf daar niet zoo alleen zitten. Kom in
-de voorgalerij. Wij zitten er gezellig.”
-
-Wat oom Borne verstond onder „gezellig”, strookte niet geheel met een
-dames-opvatting; hij begreep er onder, dat hij samen met Den Ekster
-vóór het diner nog een bittertje dronk, in het aangenaam vooruitzicht,
-dat in den naävond een paar heel familiare kennissen kwamen om ’n
-partijtje te maken; meneer in een wit jasje en mevrouw in négligé. En
-toen het zoo laat was, betrok het mannelijk deel van het gezelschap ’n
-speeltafeltje aan den eenen kant der galerij en homberde zwijgend en
-ernstig, als hingen hun grootste stoffelijke en zedelijke belangen af
-van de wisseling der kaarten. De dames whistten met den blinde en met
-„de klets”; al voortspelende hadden ze het druk over de menschen, die
-niet aanwezig waren, maakten ze âtjar of gaven elkaar recepten voor
-pudding en kwee-kwee, het een en ander afgebroken door geschillen over
-„wat” nu eigenlijk troef was, en door de verbaasde vraag van degene,
-die aan de voorhand zat, wie nu eigenlijk moest uitkomen, afgewisseld
-door quaestiën over het wasschen van de eene voor de andere, en het
-daarna aan den verkeerden kant neerleggen van de kaarten.
-
-Van tijd tot tijd keek kapitein Borne eens op en maakte zijn
-medespelers met een glimlach en een hoofdbeweging attent op het praten
-aan de andere zijde.
-
-„Ze maken weer groot slem met haar monden,” zei hij.
-
-„Hoor maar eens: rrrt!” ratelde de gast, het geluid van de whistende
-dames nabootsend.
-
-„Och, ze hebben gelijk,” meende Den Ekster, die altijd een goedaardige
-opinie had over de vrouwen, al hield hij niet van zijne eigene.
-
-Betsy was stil, en niettemin speelde zij afschuwelijk slecht.
-
-„Bets,” zei tante Borne ontevreden, „je bent vreeselijk distrait van
-avond.”
-
-„Ja, ik weet niet hoe het komt.”
-
-„Als je ’n jong meisje was,” zei de „visite”, „zou ik denken dat je
-verliefd waart.”
-
-Met een volmaakt gebaar van minachting, schokschouderde Betsy even. Zij
-verliefd! Het was die brief, die nare brief van Lidia.
-
-Toen tegen halftwee in den nacht de kaarten der drie dames reeds lang
-naar de huisjes waren teruggekeerd en de afrekening met een paar
-kwartjes was gesloten, annonceerden de heeren „de laatste”, rekenden af
-en stonden op. Oom Borne wilde nu, dat zij op hun gemak ’n brandy soda
-zouden drinken, maar de visite ging naar huis, en mevrouw Borne en
-Betsy gingen slapen, wat den kapitein niet belette alleen met Den
-Ekster zijn spiritualiën-plan ten uitvoer te brengen.
-
-Het was voor Betsy een hoogst onaangenaam leven. Op het land hadden zij
-elk hun eigen kamer en kwamen niet meer dan strikt noodzakelijk was met
-elkaar in aanraking. Hier kon dat niet. Tante Borne had slechts één
-beschikbaar vertrek met één bed; en nu was ze volstrekt niet bevreesd
-voor familiariteiten,—noch hij, noch zij zouden daartoe aanleiding
-geven of vinden,—maar toch hinderde het haar, dat hij naast haar sliep,
-en deze afkeer was zoo wederkeerig, dat in het groote
-tweepersoonsledikant elk hunner gestrekt tegen de klamboe lag met een
-breede plaats tusschen hen open, die altijd ongerept bleef.
-
-Zij kon niet slapen; ze had nu werkelijk hoofdpijn van het denken over
-den inhoud van dien brief; in huis was het stil; tante Borne sliep en
-haar kinderen ook; slechts nu en dan hoorde men een onvast stemgeluid
-uit de aangrenzende kinderkamer, als een der kleinen zijn onschuldige
-droomen hardop droomde: van ’t gesprek der twee mannen in de
-voorgalerij hoorde men in het achterhuis niets; de oude meid sliep
-rustig op haar matje; flauw verlichtte ’t brandend pitje in het glas
-met klapperolie de eenvoudige kamer, trok op de bruine tafel een
-grooten schaduwcirkel, en teekende op de witte muren den halven omtrek
-der kasten. Als een vlindertje in ’t vlammetje vloog, het op en neer
-deed dansen en daarmee al de schaduwen op de muren in beweging scheen
-te brengen, dan schrikte Betsy en voer haar een rilling langs den rug.
-Ze vond het dwaas en kinderachtig; ze had zeker binnenkoorts, dacht ze,
-en met haar oogen wijd open, staarde ze naar het licht. Maar het hielp
-niet. Haar anders zoo kalm hoofdje werkte onregelmatig, en ze zag in
-haar verbeelding akelige dingen: het nare gezicht van Den Ekster met
-zijn blonden baard, blauwbleek, strak en met gesloten oogen; zij deed
-zelfs de oogen dicht, maar ’t hielp evenmin, want ze zag het toch, dat
-gezicht, op en neer dansend zonder romp; en daarachter kwam dat van de
-oude meid met afzichtelijke grijnzende trekken.
-
-Zij streek de haren van haar klam voorhoofd weg en stond op; het was in
-dat bed niet uit te houden; zenuwachtig opende zij de kast, nam er een
-doosje quinine-pillen uit, en slikte haastig een vijftal naar binnen.
-Door het kraken van de kastdeuren was de baboe ontwaakt en had ze zich
-opgericht.
-
-Betsy nam een kussen uit het bed en wierp het op de mat, naast dat van
-de meid.
-
-„Er zijn veel muskieten,” zei deze.
-
-„Soedah.”
-
-„De grond is hard.”
-
-„Houd den mond, nèh, en ga slapen.”
-
-Maar de oude deed dat niet; zij stond op, steunend en mompelend, ging
-naar de binnengalerij, haalde een bultzak van een divan en sjouwde die
-naar de plaats waar haar nonna lag. De steenen vloer voelde werkelijk
-hard door de dunne mat heen. Betsy glimlachte, ging op den bultzak
-liggen en zei in ’t Hollandsch:
-
-„Je bent ’n goeie ouwe ziel, ja!”
-
-De oude gaf door niets te kennen, dat ze dit verstond of begreep. Ze
-nam een waaier van de toilettafel en hield, al waaierend, de gonzende
-muskieten, die haar meesteres bedreigden, op een afstand; rustig sliep
-Betsy in; honderden malen was ze zóó ingeslapen, toen ze nog vrij was.
-
-Zóó vond haar Den Ekster tot zijn groote vreugde. Behaaglijk strekte
-hij zich uit in het ruime bed. Hij was al bang geweest, dat ze er in
-zou liggen en was het met zichzelven niet eens kunnen worden of hij den
-nacht dan maar niet verder zou doorbrengen in een luierstoel in de
-achtergalerij. En attendant had hij oom Borne aan den praat en aan de
-brandy gehouden tot halfvier.
-
-„Jij bent ook een plakker, jij,” had de kapitein lachend gezegd. „Ajo,
-marsch, naar je kooi!”
-
-En nu vond hij de baan vrij!
-
-De haat, dien de oude Sarinah haar heer en meester toedroeg, werd
-volkomen gedeeld. Hij beschouwde haar als een sta-in-den-weg; toen ze
-pas getrouwd waren, en het nog zoo ver niet was gekomen tusschen hen,
-had hij Betsy wel eens verzocht de baboe weg te zenden, desnoods met
-levenslang behoud van traktement. Er was geen sprake van. Hij had het
-in dien tijd op allerlei wijzen beproefd: met goeden raad, met
-zachtzinnigheid, met toorn,—’t was alles vruchteloos; toen had hij
-getracht de meid zelve te noodzaken heen te gaan: hij schold haar,
-behandelde haar hard, beschuldigde haar van diefstal,—’t hielp even
-weinig: ’t mensch zweeg. Maar wie daarbij niet zweeg was Betsy; zij was
-woedend, en Den Ekster moest haar stille, maar venijnige hatelijkheden
-verduren, tot hij het opgaf.
-
-Na dien tijd beproefde hij het nooit weer, en daar de kloof tusschen
-hem en zijn vrouw voortdurend grooter werd, was er ook minder
-aanleiding toe dan vroeger.
-
-Toen hij opstond was het reeds laat. Van Betsy was geen spoor te
-ontdekken; die zat reeds lang bij haar tante in de achtergalerij, en de
-kapitein was al vroeg vertrokken, voor den dienst.
-
-„We zullen straks eens naar „hier naast” gaan,” zei tante Borne. „Zij
-is een echte totok, maar ’n lief, goed mensch.”
-
-„We moesten liever eens naar de pasar gaan,” meende Betsy.
-
-„Neen, Bets. Ik heb het haar beloofd, en je moet voor de aardigheid
-zien wat een mooie poppenkast het is.”
-
-„Zijn ze rijk?”
-
-„Nu, dat zou ik denken. De resident zei laatst, dat Bronkhorst wel voor
-dertig duizend gulden aan inboedel had. Kijk,” ging ze voort over den
-pagger wijzend naar het erf van den notaris, „kijk, ze gaat rijden met
-de kinderen: dat doet ze elken ochtend; soms komt ze vragen of ik mee
-ga.”
-
-„En gaat u?”
-
-„Wel waarom niet? ’t Is lekker.”
-
-„Ik zou niet willen. Als ik ’t zelf niet kon betalen, dan zou ik niet
-willen gaan toeren in den wagen van een ander.”
-
-„Je bent ’n pretentieus nest,” zei tante Borne dreigend. „Ik ben blij,
-dat ik zoo gek niet ben. Oom is kapitein; dat is een mooie, eervolle
-positie, zoo goed als die van tien pennelikkers, hoor! Maar geld
-overhouden kunnen we niet; daar zorgt ’t gouvernement wel voor.
-Iedereen mag gerust weten, wie mevrouw Borne is, en als wij geen wagens
-en paarden kunnen houden, dan zijn we er toch niets minder om; en
-als.....”
-
-„Heerejé, tante, maak u niet boos. Het is de moeite immers niet waard.
-Er steekt zeker niets in, alleen: ik zou het niet doen.”
-
-Maar tante was er niet tevreden over, dat kon men haar oogen wel
-aanzien; toch ging ze er niet op door, want ze wilde geen twist hebben
-met Betsy, dáárvoor had ze aan haar man genoeg.
-
-Omstreeks halftwaalf wandelden de dames in sarong en kabaai en met
-groote parasols boven het hoofd het erf van mevrouw Bronkhorst op; men
-kon niet vroeger bij haar komen, had tante Borne gezegd, want het
-mensch had het altijd zoo vreeselijk druk met het huishouden, en was
-nooit vroeger dan halftwaalf te spreken. Zelfs nu nog troffen zij haar
-aan in een slaapsarong en een vuile kabaja.
-
-„Och, mevrouw Borne, ga even zitten als je wilt; ik ben in twee minuten
-klaar, maar ik heb het ook van ochtend zoo vreeselijk druk gehad, dat
-ik nog geen tijd kon vinden om me wat op te knappen.”
-
-Terwijl de vrouw des huizes bezig was zich „op te knappen” en tante
-Borne in een Palembangschen wipstoel zat te schommelen, liep Betsy de
-binnengalerij rond over de gladde marmeren steenen, gepolijst als ’n
-dansvloer. Wat was dat alles keurig net! Zij kon haar oogen niet
-verzadigen. Zulk een verzameling van fraaie kleinigheden, en zulke
-kostbare groote meubelen had ze nog nooit gezien. En welk een
-zilverkast!
-
-„Ziezoo,” zei mevrouw Bronkhorst, die inderdaad heel gauw klaar was.
-„Ziezoo, nu ben ik ’n beetje presentabeler. Wel mevrouw Den Ekster, is
-het nogal naar uw smaak?”
-
-„O, mevrouw, ’t is goddelijk!”
-
-„Noem haar maar Betsy,” zei mevrouw Borne: „ze is nog zoo jong.”
-
-„Welzeker; ik vind het wel zoo prettig als u mij bij den naam noemt.”
-
-Mevrouw Bronkhorst keek haar eens aan.
-
-Ja, jong was ze en mooi ook, dat was waar, daarop viel niets af te
-dingen; het eenige wat de notarisvrouw overwoog, was of het
-verjeugdigen dier getrouwde vrouw haarzelve niet te oud deed schijnen.
-Doch ze stapte er overheen.
-
-„Nu, Betsy dan. Hoe is het met de hoofdpijn?”
-
-„Dank u, die is gelukkig verdwenen.”
-
-„Erg lastig, nietwaar? Kijk, daar komt mijn man. Ik heb hem laten
-roepen; het is dezer dagen zoo druk niet op ’t kantoor; hij kan ons
-best ’n uurtje gezelschap komen houden!”
-
-Nieuwsgierig keek Betsy naar den notaris; welk een man moest het zijn,
-die zooveel pinterder was dan al die anderen, dat hij geld genoeg
-verdiende en rijk genoeg was om allen te overbluffen.
-
-Zoo men al niet kon zeggen, dat de notaris door zijn uiterlijk dat van
-Den Ekster in de schaduw stelde,—voor dezen onderdoen behoefde hij
-niet. Daarentegen was hij beschaafder en bewoog hij zich gemakkelijker
-tegenover dames; er lag bovendien een innemende vriendelijkheid op zijn
-gelaat, die weerklank vond in den toon zijner stem. Hij beviel Betsy
-uitstekend. Welk een onmogelijk individu was zoo’n Den Ekster, vond ze,
-vergeleken bij een man als deze! Zelfs oom Borne, hoe goedhartig en
-braaf, kon met zijn talrijke bittertjes en luidruchtige manieren niet
-in een vergelijking komen. Bronkhorst vond haar ook een lief,
-sympathiek vrouwtje, en sprak nogal druk met haar.
-
-„Was het vóór uw trouwen hier ook zoo mooi?” vroeg ze hem, toen hij
-haar eenige inlichtingen had gegeven over ’n paar schilderstukken, die
-binnen aan den wand hingen.
-
-„Neen. Ik woonde niet eens hier, maar had mijn kamers in het logement.”
-
-„Dus bracht mevrouw het mee?”
-
-„Dat nu juist niet. We hebben het samen gekocht in Europa.”
-
-„Gelukkige menschen! Ik ben dol op mooi goed.”
-
-Tante Borne keek haar even aan; zij begreep niet waarom haar nichtje
-zoo ongevraagd zat te jokken, want ze wist heel goed, dat ze niets gaf
-om meubelen, en, wat fraaiigheden aanging, slechts voor mooie toiletten
-en mooie paarden hart had.
-
-„Och,” antwoordde Bronkhorst eenigszins aarzelend, „als men het eenmaal
-heeft.....”
-
-„Hu ja, u kunt er gemakkelijk over praten..... wat men ontbeert leert
-men appreciëeren.....”
-
-De notaris bleef het antwoord schuldig. ’t Was, vond hij, pijnlijk.
-Dienzelfden ochtend nog had hij, sprekend met Prédier, aan den
-betrekkingloozen Den Ekster gedacht, en gevraagd of zij hem niet op hun
-nieuwe onderneming zouden kunnen gebruiken. Doch Prédier had er geen
-ooren naar. Den Ekster was, zei hij, lui, dom en verwaand, en van zulke
-menschen moest hij op het land niets hebben. Wel was hij eerlijk, maar,
-zei Prédier, ik heb nog oneindig liever een knappen, werkzamen vent,
-die me tracht te bestelen; tegen dat laatste zal ik dan wel waken!
-Daartegen viel weinig te zeggen, en hoe gaarne Bronkhorst uit
-aangeboren hulpvaardigheid ook „iets” voor den neef van zijn buurman
-zou gedaan hebben,—op deze onderneming, waarvan hij veel verwachtte en
-die aardig wat geld kostte, mocht hij niemand pousseeren, die bekend
-stond als lui en dom.
-
-„Heeft uw man al pogingen gedaan?”
-
-„Och, notaris!” viel mevrouw Borne in, „als u iets voor hem hoorde, ja?
-Het is in den tegenwoordigen tijd zoo moeilijk.”
-
-„’t Is aan den eenen kant wel gelukkig dat u geen kinderen hebt,”
-meende mevrouw Bronkhorst, met de beste bedoeling iets in het midden
-brengend, dat door ’n Indische vrouw altijd wordt beschouwd als een
-hatelijkheid. Het lichtte eventjes onder de neergeslagen oogleden en de
-donkere wimpers van Betsy; ze zuchtte en glimlachte droevig.
-
-„Het is alles heel treurig voor ons. Daar zitten wij nu op tante’s dak,
-en indien zij ons niet wilde logeeren, dan zou ik niet weten waar we
-heen moesten, als Den Ekster niet spoedig iets anders kreeg. En ik
-vrees..... want ik weet niet of hij er wel zooveel moeite voor doet als
-noodig is.”
-
-Bronkhorst had het niet willen zeggen, maar inderdaad, dàt vond hij
-ook. Die jonge vrouw had meer verstand dan haar man. Of had die Den
-Ekster, toen hij op de receptie was, zich niet met ’n enkel woord
-kunnen aanbevelen bij den resident en bij hem? Dat zou toch eenvoudig
-en verstandig zijn geweest. In plaats daarvan poseerde hij als de
-vermoorde onnoozelheid en hing den zondebok uit, door onoordeelkundige
-eigenaren in de woestijn gezonden, beladen met al de ongerechtigheden
-der bladziekte.
-
-„Het is,” zei hij met een ernstig gezicht, „tegenwoordig geen gekheid
-buiten emplooi te zijn. U moet hem maar aan het verstand brengen, dat
-hij ’t niet lichtvaardig opneemt, maar in ernst moeite doet.”
-
-Zij schudde het hoofd.
-
-„Dat helpt niet.”
-
-Zie je wel, dacht Bronkhorst; dan had Prédier toch gelijk en was die
-Den Ekster verwaand ook. Hij voelde dat hij een hekel kreeg aan dien
-man, terwijl hij het in zichzelven zonde en schande noemde, dat zoo’n
-lief vrouwtje zich aan zoo’n nonsens-vent had verslingerd. Nu kon hij
-niets voor hem doen, en hij wilde dat ook niet; maar toch om
-harentwille zou hij zich gaarne moeite hebben gegeven.
-
-„’t Is jammer,” zei hij toen de dames afscheid hadden genomen, „dat dit
-jonge vrouwtje zoo’n naren man heeft.”
-
-„Ja,” antwoordde Marie, „het is geen gelukkig huwelijk, heeft mevrouw
-Borne me verteld. Ze kunnen niet best met elkaar overweg.”
-
-„Dat wil ik waarlijk wel gelooven; zoo’n kerel, die lui, dom en pedant
-is.....”
-
-„Hoe weet je dat?”
-
-„Prédier zei het, en ik geloof het nu ook.”
-
-Het viel de notarisvrouw tegen. Zij had er juist aan gedacht de hulp
-van haar man in te roepen ten behoeve van Den Ekster, met het oog op
-die koffie-onderneming, waarin hij en Prédier betrokken waren.
-
-
-
-„Hoe vind je hen?” vroeg mevrouw Borne onder ’t huiswaarts keeren.
-
-„Háár..... zóó..... Hem vind ik een aangenaam mensch; men moet zoo’n
-vlegel tot man hebben als de mijne om een ander op prijs te stellen.”
-
-Het hinderde tante Borne. Zij, Betsy, mocht dan tegen haar man hebben
-wat zij wilde, maar het paste haar niet hem achter z’n rug uit te
-schelden.
-
-Toen ze thuis kwamen, was tante bijzonder vriendelijk tegen neef, die
-zich dat kalm liet welgevallen. Den Ekster was een eigenaardig man met
-een karakter, dat ’n groote mate van onverschilligheid tot breeden
-grondslag had. Hij hield van alles wat goed was, maar kon het ook
-ontberen zonder morren. Daar hij in Nederland op de landbouwschool
-geweest was, verbeeldde hij zich ver boven Indische planters te staan,
-en gevoelde hij voor deze practici een souvereine minachting. Overigens
-bedaard, weinig sprekend bij volkomen ontstentenis van wat men ’n flux
-de bouche noemt, was hij onder de veelpraters zeer gezien, omdat hij
-hen geduldig aanhoorde en nooit in de rede viel. Oom Borne, een
-gezellig praatvaâr, mocht hem graag en noemde hem een lobbes, en tante
-Borne, die het mee niet aan radheid van tong ontbrak, hield ook veel
-van den aangetrouwden neef, tot wiens groote gaven nog behoorde, dat
-hij haar spijzen roemde en de kwee-kwee lekker vond, waaraan de goede
-kapiteinsvrouw in het zweet haars aanschijns alle zorgen had besteed.
-Het was waar, Betsy was van haar eigen familie, en daar had ze ’n groot
-zwak voor, maar in haar hart hield ze veel van den „armen jongen”, die
-nu weer zonder z’n schuld buiten betrekking was geraakt.
-
-„Als we morgenavond eens ’n paar menschen vroegen?” opperde zij, toen
-ze na de rijsttafel met den kapitein in hun kamer was. Dat deed ze zoo
-altijd; na de rijsttafel was Borne het best in zijn humeur.
-
-„Wel, dat is uitstekend. Als je maar zorgt, dat ik een partijtje heb.”
-
-„Natuurlijk, vent. Ik zal....”
-
-Er volgde een opsomming van de uit te noodigen gasten, waaronder ook de
-notaris Bronkhorst en diens vrouw.
-
-„Jammer, dat hij niet hombert,” meende de kapitein met glinsterende
-oogen.
-
-„Och waarom? Er zijn immers heeren genoeg.”
-
-„Ja maar zie je, met die gaat het maar om een gewoon tariefje. Als ik
-dien notaris eens te pakken kon krijgen....”
-
-„Dan verloor je misschien op den koop toe.”
-
-Maar de kapitein glimlachte slim. Hij was sterk in het spel, dat wist
-hij, en als een „kleintje” er maar even was door te halen, dan kon men
-zeker zijn dat het hem niet ontging.
-
-Het denkbeeld lachte hem zoo toe, en in zijn verbeelding zag hij reeds
-„’n potje” vol „kapitalen” van den notaris, dat hij, Borne, „in de
-wacht sleepte.”
-
-Maar zoo’n man homberde niet! Dat whistte met de dames! „Net ’n wijf,”
-dacht de kapitein; met ’n boos gezicht keerde hij zich met ’n ruk om in
-bed van den eenen breeden schouder op den anderen, en verontwaardigd
-sliep hij in.
-
-Het was nu toch ’n heel ander gezicht bij de Borne’s, dan wanneer ze en
-petit comité waren! Bronkhorst was „ingedeeld” met Betsy en nog ’n paar
-dames; hij was zeer galant voor haar en verstond de kunst met gratie te
-verliezen. Zij coquetteerde ’n beetje; zij was verreweg de mooiste van
-het drietal aan de speeltafel, en onwillekeurig keek de notaris nogal
-dikwijls naar haar; het was alsof zij ’t voelde, en als zij met ’n fijn
-glimlachje dan de oogleden opsloeg en met haar flonkerende zwarte oogen
-hem recht in de zijne keek, dan was het als spoorde hem dat aan zich in
-haar oogen behaaglijk te maken. Maar hij dacht daarbij aan niets. Hij
-hield veel van zijn vrouw; geen oogenblik ging hij in gedachten verder
-dan de omstandigheden van het oogenblik, en die waren, dat hij met een
-mooie jonge vrouw ’n partijtje maakte en vriendelijk tegen haar was.
-
-Toen de gasten heengingen, keek Betsy hen na, voorzoover de halve
-duisternis het veroorloofde; eigenlijk zag ze alleen het prachtig
-toilet van mevrouw Bronkhorst, en daarna viel haar oog op haar eigen
-eenvoudig bruin kleedje met lichter bruin gegarneerd. Wat waren die
-menschen gelukkig boven allen! Zou zoo iets ooit voor haar zijn
-weggelegd, gebonden als ze was aan dien „kalen jakhals” buiten emplooi,
-dien ze bovendien nog haatte ook! Wat leek het duister in de
-voorgalerij, nu!
-
-„Ik ga me gauw uitkleeden,” zei tante Borne.
-
-„Wij moesten ons ook lekker maken,” meende de kapitein doelende op
-zichzelven en op Den Ekster.
-
-„Dat is ’n goed idée,” zei deze.
-
-Ze gingen ’t huis binnen. Betsy bleef; ze wilde wachten tot „die vent”
-terug was, dan behoefde zij niet tegelijk met hem in de kamer te zijn.
-Terwijl de bediende de speeltafeltjes binnenhaalde en de kaarten en
-fiches opborg, liep Betsy de galerij op en neer. God, god, welk een
-leven! Te zien, hoe onbeduidend andere vrouwen van uiterlijk zijn; te
-weten, dat men zelf haar in schoonheid overtreft; te ervaren, dat zij
-in weelde zwemmen, en zelf gedoemd te zijn tot misère,—ze kneep haar
-waaier haast stuk van woede, maar ze betoomde zich, want ’t was haar
-eenige goede.
-
-En al dat jammer omdat ze als ’n slavin was gebonden aan „dien vent”!
-O, maar het was schandelijk en belachelijk tevens, en Lidia.... Ze
-durfde ’n oogenblik haar gedachten niet te laten voortgaan, ’t Was om
-er koud van te worden! Bovendien: zou God zoo’n misdaad niet
-verschrikkelijk straffen? Het denkbeeld hield haar ’n oogenblik bezig.
-Zij was gedoopt en aangenomen, maar ze had niettemin altijd erg weinig
-„gedaan” aan godsdienst; ze wist er zoo goed als niets meer van, en ze
-„deed” er sedert haar aanneming in ’t geheel niet meer aan.
-
-Toch hield de vrees een oogenblik haar hart benepen, maar met haar
-gewoon onverschillig schokschouderen, liet zij het denkbeeld los. Als
-er een God was, die zich met iets bemoeide, dan had hij maar moeten
-zorgen, dat zij niet zoo’n man had gekregen.
-
-Toen Den Ekster uit de kamer kwam en zij er binnen ging liep hij haar
-bijna omver. Het kwam niet bij hem op zich met een enkel woord te
-verontschuldigen; in zijn oogen was zij weinig meer dan een knappe
-baboe met tinka’s. Vol minachting keek hij op haar neer en ging zijns
-weegs.
-
-In de kamer ontkleedde haar de meid, alsof zij een kind was; haar rol
-was daarbij volkomen passief; toen ze uitgekleed op den stoel zat en de
-oude voor haar neerhurkte om haar kousen uit te trekken, stak ze niet
-eens het fraai gevormde been uit, maar liet het de meid opnemen, die
-het met den hiel op haar eigen knie plaatste, om te beletten, dat het
-in slappe indolentie weer terugviel.
-
-Doch in haar hoofd was het zoo kalm niet; zij was bleek en staarde op
-een onverschillig punt, in gedachten verdiept.
-
-„Soedah!” zei de meid met een zucht, na de tweede kous.
-
-„Weet je wat mijn zuster schreef?”
-
-„Misschien.”
-
-„Wat! Misschien? Hoe kan jij ’t weten?”
-
-De oude schudde het hoofd.
-
-„Ik denk zoo maar.”
-
-„Je kunt het niet denken,” zei Betsy; ze sprak zacht, maar snel en
-zenuwachtig; „je kunt het niet denken, nèh! Hoe kan jij weten, wat
-nonna Lidia schrijft in een brief?”
-
-„Ik weet het niet; ik ken nonna Li, zooals ik nonna Betsy ken. Allah!
-ze waren nog slechts zóó klein.”
-
-Mevrouw Den Ekster werd een beetje bang; ofschoon ze het mensch
-bejegende met de afwisselende wreedheid en aanhaligheid, die Indische
-kinderen voor hun bedienden aan den dag leggen, koesterde zij toch
-eenige vrees voor de tooverachtige geheimzinnigheid, die de oude soms
-deed blijken; dat was haar bijgebleven uit den tijd toen Sarinah voor
-haar kinderbedje zat te vertellen van de gendhroewo, die buiten in de
-duisternis achter de boomen gluurde.
-
-Zij vermande zich en trachtte te glimlachen.
-
-„Je bent erg pinter, nèh, dat je raden kunt, wat anderen schrijven.”
-
-„Misschien! Men kan niet weten!”
-
-„Nu zeg het dan, als je het weet,” zei Betsy boos. „Sta dan zoo dwaas
-niet te praten.”
-
-Steunend als naar gewoonte, kwam de oude naar haar toe, liep tot naast
-haar stoel, en met de hand op de leuning zich vooroverbuigend,
-fluisterde zij haar meesteres iets in, en ging daarna zuchtend en
-mompelend naar haar matje terug om uit te rusten.
-
-Betsy bleef onbeweeglijk zitten en zag verschrikt naar de gebogen
-figuur in het lange blauwe baadje, die in den half duisteren hoek der
-kamer neerhurkte.
-
-Het duurde wel een minuut vóór zij iets zei, en in dit tijdsverloop
-snelden haar gedachten voort. Ze voelde nog wel een grooten angst voor
-het idée, als voor iets dat onberekenbare gevolgen kan hebben, maar
-toch begon ze er meer aan gewoon te raken, en eigenlijk verheugde het
-haar, dat ze er nu voortaan met de meid over kon praten, zonder dat ze
-haar iets had behoeven te vertellen.
-
-„Je bent toch zeer slim,” zei ze tot Sarinah, en toen deze zich niet
-geneigd betoonde om op dit compliment te antwoorden, ging ze voort:
-
-„Het is erg slecht.”
-
-„Als men een slang ontmoet, slaat men haar dood.”
-
-„Een slang is wat anders.”
-
-„Somtijds veel minder erg..... ah!..... hu!..... oh!.....” zuchtte en
-steunde Sarinah.
-
-Betsy deed een kabaja aan en ging oom en tante goeden nacht zeggen; de
-laatste, in haar kamer, sliep reeds bijna; oom zat met Den Ekster ’n
-grogje na te drinken, en daar hij niet zien mocht hoe de eigenlijke
-verhouding was tusschen het jonge echtpaar, riep zij uit de
-binnengalerij naar voren: „Wel te rusten!”
-
-„Dag beste meid, vergeet niet je mooie oogen dicht te doen,” antwoordde
-de kapitein op vroolijken toon. Den Ekster bromde iets in z’n baard.
-
-Zij sliep nu elken nacht op den bultzak op den grond; tante Borne wist
-het wel, maar deed alsof ze niets merkte, en de kapitein was van die
-dingen volstrekt niet op de hoogte.
-
-Haar slaapplaats was reeds door de oude gereed gemaakt; het mensch zat
-te wachten met den waaier. Betsy ging eerst op haar harde matras
-zitten; ze moest iets zeggen, het kostte wat het mocht, maar de woorden
-wilden haar niet over de lippen; haar hart stond bijna stil en haar
-hoofd klopte, als onderging zij met schuldgevoel een scherp onderzoek;
-zij voelde haar handen en voeten koud worden als steen, en haar mond
-werd droog van binnen. Sarinah zat er bij als een stomme; ze vroeg
-niets, stond zachtjes steunend op, schonk water in een glas uit den
-gendih en reikte het haar toe. Ruw stiet zij de bruine gerimpelde hand
-weg, zoodat het water over den vloer spatte, en zag hevig verschrikt de
-oude aan.
-
-„Masa!” riep deze afkeurend.
-
-„Nèh, ik ben bang van je! Ga weg, ga weg!” fluisterde Betsy in groote
-opgewondenheid.
-
-„Oeah! Waarom is de nonna bang voor haar oude baboe?”
-
-„’t Is slechts gekheid; nèh; ik ben kinderachtig, ja! Geef me het water
-maar; het is heel goed van je.”
-
-Zij dronk en ’t bedaarde haar een weinig, maar toen Sarinah haar gewone
-plaats op het matje had ingenomen, kwamen dezelfde physiologische
-verschijnselen weer terug, en het was de oude meid alsof haar
-verdroogde vingers een ijsbad namen, toen Betsy ze greep met beide
-handen en bijna onhoorbaar vroeg:
-
-„Zou je het durven?”
-
-Het antwoord bleef ’n oogenblik uit; de baboe zag met haar doffe
-onverstoorbare oogen in ’t ontstelde, verwrongen gezicht van het mooie
-vrouwtje; en ze glimlachte vredig en streek zacht over den rijkdom van
-glanzend zwart haar, zooals ze het ’t kleine kind had gedaan en het
-opgroeiend meisje, waarover ze gewaakt had dag en nacht, en dat nu zoo
-ongelukkig was.
-
-„Boleh tjobah,” antwoordde ze zacht.
-
-Toen volgde een fluisterend gesprek tusschen beiden, tot Betsy opstond,
-met bevende handen de kast opende en uit haar beursje een paar gouden
-tientjes nam; het was een klein deel van wat ze op het land had
-bespaard, maar dat in de dagen van tegenspoed reeds aanmerkelijk was
-geslonken. Sarinah stak het geld in een vuil katoenen zakje, dat ze
-oprolde en tusschen haar sarongband verborg.
-
-De oude hand met den waaier erin was reeds lang gedaald en het grijze
-hoofd lag op het onzindelijk kussentje, waarop het gewoonlijk rustte;
-Den Ekster sliep reeds en snorkte zoo hard dat de glasruiten er van
-rinkelden; maar Betsy was, hoewel zij stil lag en met gesloten oogen,
-nog klaar wakker midden in den nacht. Zij kon niet slapen. Wel beving
-haar nu en dan een loodzwaar gevoel van verdooving, zoodat het was
-alsof ze haar arm niet kon oplichten of haar hoofd niet kon bewegen,
-maar haar geest bleef waken, denkend over dat ééne onderwerp, het
-beziende van alle kanten, het wikkend in alle voor en tegen, in alle
-zelfs zijn meest veraf liggende fantastische gevolgen. Nu en dan liep
-haar een rilling over het lijf alsof ze koorts had en een dreunend
-pijnlijk gevoel trok haar door het hoofd van den eenen kant naar den
-anderen. Toen de natuur overwon en zij in slaap viel, liet het
-boosaardige plan haar geen rust; zij droomde van gruwelijken moord; zij
-sneed eigenhandig iemand het hoofd af en verborg dat onder haar kabaja;
-toen kwam de assistent-resident en wilde haar geboeid tusschen zijn
-oppassers meenemen; maar zij wilde niet om dat hoofd; en zij voelde hoe
-het bewoog met de trekken, hoe die beweging zichtbaar was aan haar
-kabaja, en terwijl ze trachtte dat te verbergen voor de politie, die
-haar wilde gevangennemen, opende het hoofd den mond en beet haar in de
-borst. „Neem het weg,” riep ze of wilde ze roepen, en in werkelijkheid
-stiet ze een paar benauwde toonlooze kreten uit, die haar zelf deden
-ontwaken en ook aan het snorken van Den Ekster voor ’n oogenblik een
-einde maakten. Het koude zweet gudste haar van het voorhoofd; haar
-gelaat was doodsbleek en haar handen sidderden, terwijl zij snel en
-diep ademhaalde.
-
-„Bagimana!” zei zachtjes en op afkeurenden toon de oude meid, terwijl
-ze met een machinale beweging den waaier op en neer deed gaan en met
-haar slendang langs het voorhoofd harer meesteres wreef.
-
-Den volgenden morgen aan het ontbijt beschouwden tante en oom het
-nichtje met belangstelling en bezorgdheid.
-
-„Kind, wat ben je bleek!”
-
-„Mijn hemel, je bent ziek. Wat scheelt er aan?”
-
-„Ik ben niet erg lekker.”
-
-„Sakit peroet,” hoestte de oude Sarinah, die bij de naaister op de mat
-was gaan zitten.
-
-„Nu,” zei mevrouw Borne, met al de zekerheid, die zij uit haar boekoe
-obat putte, „daar zullen we je wel wat voor geven.”
-
-„Het is de moeite niet waard, tante.”
-
-„Je ziet er toch heel slecht van uit.”
-
-„’t Zal morgen wel beter zijn.”
-
-Er werd niet verder over gesproken. Na het ontbijt kreeg Betsy, die
-niet had meegegeten, ’n smeersel uitwendig en ’n bitter drankje
-inwendig, waarop ze ’n half uur later tot groote vreugde der
-kapiteinsvrouw verklaarde, dat het haar uitstekend had geholpen.
-
-„Er gaat niets boven inlandsche medicijn,” verklaarde tante plechtig.
-„Je ziet er wezenlijk al veel beter uit.”
-
-Nu dat laatste was waar, maar Betsy moest bij haarzelve toch lachen om
-de heilzame werking van geneesmiddelen voor kwalen, die men niet heeft.
-Met een onrustig oog volgde zij dien dag Sarinah, in al haar doen en
-laten.
-
-Het manah nèh? lag haar telkens, als de oude niet in haar nabijheid
-was, op de lippen.
-
-„Wees toch niet zoo vervelend!” had tante gezegd. „Het is of je ’n
-klein kind bent.”
-
-De dag ging voorbij en de volgende zonder dat er iets gebeurde; de
-zenuwachtige toestand van Betsy verdween, en ze zag alles kalmer aan;
-zij liep immers persoonlijk volstrekt geen gevaar! Sarinah zou haar niet
-verraden, dat wist zij. Bovendien, zijzelve deed immers niets
-hoegenaamd en nimmer kon men haar iets bewijzen.
-
-Maar den derden dag liep het haar koud langs den rug en verschoot zij
-van kleur, toen ze aan de rijsttafel gewaarwerd dat Den Ekster er
-slecht uitzag. Zij had hem in de laatste dagen meer in het oog
-gehouden, dan vroeger in maanden; zij zag het dadelijk en begreep. Toch
-kon het nog niet erg wezen, dacht ze, want de Borne’s schenen er nog
-niets van te bespeuren. Alleen toen Den Ekster, die in gewone
-omstandigheden begaafd was met een verbazenden eetlust, slechts een
-enkelen lepel rijst nam, vroegen oom en tante in volle verbazing en als
-uit één mond:
-
-„Wat mankeert jou?”
-
-„Ik heb ’n onaangenaam gevoel in den buik; ik ben heelemaal zoo loom en
-soezerig.”
-
-„Wacht, ik zal je straks wel helpen. Zij,” antwoordde tante, doelende op
-Betsy, „had voor een paar dagen precies hetzelfde; ik heb er haar in
-een paar uren afgeholpen. Is het niet waar, Bets?”
-
-„Ja.”
-
-Onwillekeurig keek Den Ekster naar zijn vrouw, die net had gehad, wat
-hij nu gevoelde te hebben. Het gebeurde niet dikwijls, dat hij haar
-aanzag, maar het trof hem nu, dat zij werkelijk bleek en vermagerd was.
-
-„Ben je heelemaal beter?” vroeg hij op zijn gewonen afgemeten toon.
-
-De oude vijandschap verdrong elk gevoel van medelijden.
-
-„Natuurlijk,” zei ze, en uit den klank van haar stem kon men duidelijk
-hooren, dat ze er had willen bijvoegen: „ik ben niet zoo’n sukkel als
-jij.”
-
-Hij gaf er geen weerwerk op, maar glimlachte spottend, zooals men doet
-over de dwaasheid van een kind; daarna keek hij droevig naar zijn ledig
-bord en schonk zich een groot glas water.
-
-„Je moet niet zooveel water drinken,” zei de kapitein; „dat is niet
-goed. Neem een glas cognac.....”
-
-„Wel, Borne,” riep zijn vrouw. „Je lijkt wel mal met je sterken drank
-bij buikziekte.”
-
-„Dat ben je zelf met je heele inlandsche medicijnrommel,” riep hij met
-de hand op tafel slaande. „Een glas cognac is altijd goed.”
-
-„Het is niet waar; het is vergif, en mijn inlandsche medicijnrommel is
-heel wat heilzamer dan al dat..... zuipen.”
-
-’t Hooge woord was er alweer uit en een woordentwist, die op niets
-hoegenaamd uitliep, maar zooals zij er wel vijftig in het jaar hadden,
-luid en heftig, brak los. Den Ekster noch Betsy spraken er een woord
-tusschen; hij was er te onlekker voor, en zij had zulk een gevoel van
-bevangenheid, dat het gekijf haar niet eens erg duidelijk was.
-Eindelijk kwam er een eind aan. Bij tante Borne kwamen tranen
-aanrukken, en toen stond de kapitein rood als vuur van tafel op, zette
-zijn stoel neer als moest die door den grond en rukte uit naar zijn
-kamer.
-
-Den Ekster stond ook op, zuchtend en naar het scheen erg vermoeid, want
-toen hij uit de achtergalerij naar binnen ging, knikten zijn knieën.
-
-Zij durfde niet in de kamer komen.
-
-„Ga jij niet slapen, Bets?” vroeg tante.
-
-„Neen, ik blijf hier.”
-
-„Nu, dat is goed; dan kun je me gezelschap houden.”
-
-Betsy wist daar alles van. Geen kwartier was verloopen of de kapitein
-riep met vervaarlijk bas-geluid:
-
-„Hoe is het nu? Blijf je daarachter overnachten?”
-
-En toen stond tante op. Zij zei met een triomfantelijke uitdrukking op
-het gezicht: „Daar heb je hem al,” en ging gauw haar aandeel nemen in
-de echtelijke siësta.
-
-Het was zoo stil als het is, midden op den dag bij het brandende
-zonnetje. Mensch en dier zochten schaduw en verademing; de groote
-huishond strekte zijn lichaam uit op de koude treden van de steenen
-trap om de oppervlakte van zijn huid zooveel mogelijk er mee in
-aanraking te brengen; de kippen woelden zich onder boomen en planten
-kuilen in den grond en lagen daarin met opgestoken veeren, als zett’en
-zij de vensters hunner pluimage van de warmte open, gelijk men het die
-van een huis doet; de bedienden lagen in hun kleine vertrekken op het
-achtererf voor negen tienden naakt op hun balé-balés; geen haan dacht
-aan kraaien, geen vogel aan zingen, geen hond aan blaffen,—alles
-onderging den invloed van den tropischen middaggloed, die de lucht deed
-trillen, en verzengend en afmattend in altijd terugkeerende golvingen
-heen en weer ging.
-
-Betsy zat op een bank in een hoekje, quasi bezig met het borduren van
-pantoffels, ongeveer het eenige wat zij kon; zij deed het bij uitstek
-fraai, maar ditmaal knoeide zij geweldig.
-
-Nauwelijks was tante weg of Den Ekster kwam driftig naar buiten en ging
-naar achter. Met een verholen blik zag ze, dat hij nog bleeker was dan
-te voren. Wat zou het worden? Haar hart klopte zoo snel, dat het haar
-vrees aanjoeg.
-
-Hoe zou het wezen, als hij terugkwam? Zou het een crisis worden met
-verschrikkelijken doodstrijd? Zou hij het zelf bemerken en het zeggen,
-misschien? Zou hij het stervend haar verwijten in het bijzijn van oom
-en tante? Zij kon niet blijven zitten, wierp de pantoffels weg, ging
-naar binnen en bevochtigde haar slapen en polsen met koud water. Het
-was niet uit te houden! En toen ze gereed was, scheen het haar toe, dat
-hij al wel een uur weg was, naar achteren. Als hij daar eens dood was
-gebleven! Zij liep er heen, ofschoon ze zoo beefde, dat ze waggelde op
-de hooge hakken harer slofjes.
-
-„Ben je nog dáár?” vroeg ze zacht buiten de deur.
-
-„Ja,” antwoordde met een zucht ’n klagende stem, welke niet de stem
-scheen van Den Ekster.
-
-„Als je ziek bent, kan ik je dan ook helpen?”
-
-„Jij niet,” was het antwoord, dat klonk als van iemand, die doodmoe en
-afgemat is. „Stuur me die oude meid maar.”
-
-Zij vloog naar binnen.
-
-„Nèh, ga gauw naar achter en help mijnheer.”
-
-„Oeah!” zei Sarinah langerekt en zangerig. „Moet ik op mijn ouden dag
-de baboe zijn van zulke groote kinderen?”
-
-„Kom, ga nu maar.”
-
-„Ik ga al,” steunde de oude niet zonder spotternij. „Het is zoo erg
-niet. Lekas baïk!”
-
-Betsy ging weer in de achtergalerij zitten met het borduurwerk in de
-hand, maar den blik onafgewend naar den kant, van waar Den Ekster komen
-moest. Weer duurde het lang. Eindelijk kwam hij, steunend op den arm
-van de zelf gebogen oude meid. Wat zag hij er uit! Snel sloeg zij de
-oogen op haar borduurwerk en trachtte ’n paar steken te doen, die
-scheef en schotsch op het stramien kwamen.
-
-Toen hij voor haar stond, keek zij op en zag in de diepliggende, door
-kringen omgeven oogen, waarvan het blauw tegen de vale kleur der wangen
-afstak.
-
-„Wil je zoo goed zijn,” vroeg hij weer met de stem, die zij niet kende,
-en die de zijne niet was, „den dokter te laten roepen? Ik ben erg
-ziek.”
-
-„Ik zal het dadelijk doen,” zei ze. Haar stem trilde en had ook een
-geheel veranderden klank, maar hij lette daar niet op; hij had al zijn
-aandacht noodig voor de krampen in zijn ingewanden en het brandend
-gevoel, dat zijn lichaam als verschroeide.
-
-Tante Borne was wakker geworden en wilde Den Ekster obat geven, maar de
-kapitein was daartegen en de patiënt zelf ook. Bovendien had Betsy
-reeds om den dokter gezonden, en toen die kwam durfde tante niets meer
-te zeggen, maar terwijl hij Den Ekster in de kamer onderzocht en Betsy
-met haar in de achtergalerij wachtte, zei ze op zeer stelligen toon:
-„Ik zou begonnen zijn met hem een lepel castor-olie te geven.” Sarinah,
-die het hoorde, knikte met het hoofd en zei, dat de njonja besar pinter
-sekali was.
-
-De jonge, pas uit Europa aangekomen officier van gezondheid klopte,
-luisterde, informeerde, keek bedenkelijk, schreef een recept en
-vertrok. Des namiddags kwam een hevige koorts opzetten. Weer werd de
-dokter gehaald, die zijn voorschriften gaf, naar zijn beste weten. De
-kapitein en diens vrouw maakten zich ongerust. Betsy zat in de kamer,
-waar Den Ekster ziek lag, roerloos als een steenen beeld, terwijl
-Sarinah als ziekenoppasseres fungeerde en trouw op tijd, want ze kon op
-een horloge zien, de medicamenten uit de Europeesche apotheek
-toediende.
-
-De goede familie Borne zag in de diepe verslagenheid van Betsy een
-bewijs van medelijden en verborgen genegenheid.
-
-„Kom,” fluisterde tante haar toe, „kom Bets, ga mee naar achter ’n kop
-thee drinken. De oude zal hem wel goed verzorgen, en je kunt hier toch
-niets doen.”
-
-De zieke lag in een doffe sluimering; de koorts scheen te wijken; de
-temperatuur was aanmerkelijk gedaald; maar niettemin kreunde hij in
-zijn slaap, als gevoelde hij pijn.
-
-Het was den volgenden dag iets beter. De dokter kwam trouw ’s morgens,
-’s middags en ’s avonds, de medicijnen werden geregeld gebruikt, en oom
-Borne verklaarde met een zucht van verlichting, dat, al had dan Den
-Ekster door dien korten aanval een geducht „rokje uitgetrokken”, hij er
-toch wel gauw weer „bovenop” zou zijn.
-
-Betsy wist niet, hoe zij het had. Wel was haar door die beterschap een
-pak van het hart genomen, maar nu de vrees en de agitatie voorbij
-waren, en haar zenuwen bedaarden, vond zij het een vreemd en dwaas
-geval. Toen den derden dag na den ziekteaanval Den Ekster, schoon bleek
-en erg zwak, weer aan de rijsttafel verscheen en niet zonder appetijt
-de flauwe kostjes nuttigde, door tante met zorg voor hem gereed
-gemaakt, verklaarde oom, zeer stellig, dat de vijand overwonnen was en
-Den Ekster nog niet naar „kapitein Jas” ging, onder „den groenen
-deken”, maar dwaalde de vragende blik der jonge vrouw onwillekeurig
-naar den kant, waar Sarinah op de mat bij de naaister zat.
-
-Maar de oude keek niet op. Zij deed voor tijdpasseering eenig grof werk
-en mompelde nu en dan eenige woorden, die door de jonge naaister met
-zekeren eerbied werden aangehoord.
-
-Dat alles hinderde haar en maakte haar boos, wat nog verergerde door de
-toespelingen van den kapitein, die meende heel goed te doen, toen hij
-zei:
-
-„Nu, Bets heeft zich wàt ongerust over je gemaakt toen je ziek waart.
-Men kon haar „onder een hoedje vangen.””
-
-Het deed Den Ekster toch goed, al had hij haar niet lief, en eenigszins
-vriendelijk vroeg hij:
-
-„Was je bang, dat ik dood zou gaan?”
-
-De alle opgewektheid doodende sluier van onverschilligheid trok weer
-over haar gelaat, en sprak als ’t ware uit haar geheele houding.
-
-„Volstrekt niet. Ik heb ’n hekel aan ziekte, dat is alles.”
-
-„Zoo! Had je misschien gedacht, dat ik je ’n jong weeuwtje zou maken?”
-
-„Ja,” zei ze brusk-weg.
-
-„Hm! Nu, dan is dat een vergissing geweest.”
-
-Zij zweeg, doodsbang, dat zij te veel zou zeggen. Oom en tante Borne
-vonden het verschrikkelijk en de kapitein nam zich ernstig voor deze
-quaestie later, als Den Ekster geheel was hersteld, op afdoende wijze
-tot een geschikte oplossing te brengen. Dat moest anders worden, vond
-hij. Zulke jonge menschen!
-
-En mevrouw vond het ook.
-
-„Ze houden betoel van elkaar,” meende zij, alle harten rekenend naar
-haar eigen, „maar het is of Joost er mee speelt, — ze vatten alles
-verkeerd op, en de een doet den mond niet open of de andere is klaar om
-zich te verdedigen, ook als er niets te verdedigen valt.”
-
-„Het is maar gelukkig, oudje,” zei de kapitein, zorgvuldig zijn
-uniform-jas uit de kreuken trekkend, „dat wij zoo niet zijn. We mogen
-dan al eens ’n los woord hebben, maar als het er op aankomt, dan weten
-we toch wel waar Abram den mosterd haalt, hé?” en hij sloeg den arm om
-haar heen en kuste haar, terwijl zij hem lachend een ouden gek noemde,
-maar geen de minste poging deed om zich los te maken; integendeel!
-
-Zelfs Betsy sliep rustig; thans meer dan ooit op den bultzak. Borne,
-die tijdens de ongesteldheid van Den Ekster ’s avonds zijn troost weer
-in de sociëteit had gezocht, was reeds lang tehuis. Het Zwitsersche
-klokje, dat in de achtergalerij aan den wand hing, sloeg helder en met
-lange tusschenpoozen drie slagen. Den Ekster werd wakker; zijn mond was
-droog, en met schrik voelde hij weer het brandende gevoel, door zijn
-geheele lichaam, en de pijn en de zwaarte in zijn ingewanden; het
-gonsde in zijn hoofd en de lamp scheen zoo duister; hij voelde zijn
-huid branden en lette op de snelle overgangen zijner gedachten van het
-eene onbeduidende onderwerp op het andere. Hij had het weer terug, dat
-voelde hij! Het kwam weer op met dezelfde woede, waarmee het de vorige
-week was gekomen; wat zou het nu worden, nu hij zooveel
-weerstandsvermogen niet meer had?
-
-„Nèh!” riep hij.
-
-De oude meid was dadelijk bij de hand. Als ze op zijn roepen gewacht
-had, kon ze niet vlugger geantwoord hebben.
-
-Hij vroeg een glas water; haastig dronk hij het leeg, en nog een, en
-nog een. Dat hielp een oogenblik! Maar toen kwamen weer de stekende
-pijnen en de aandrang. De meid hielp hem flinker, dan men van haar
-ouderdom zou verwacht hebben. Betsy schrikte wakker. Zij sprong op van
-haar slaapplaats.
-
-„Wat is het?”
-
-„Stuur om den dokter,” kermde hij, van pijn weer krimpend.
-
-Zij vloog zelf de deur uit; ze was blij, dat ze weg kon komen uit het
-huis; eerst had ze oom en tante gewekt, en nu ijlde ze zenuwachtig
-voort op haar bloote voeten naar het huis van den dokter, dat wel een
-halven paal van ’t hare verwijderd was.
-
-Voor den jongen dokter was het een groote teleurstelling. Het had hem
-reeds zóó verheugd, dat hij dezen patiënt had genezen van wat hij
-meende dat een klimaatziekte was. Hij had in Indië met veel
-wederwaardigheden te kampen; de eenige taal, waarin hij zich bij
-Europeesche bewoners kon verstaanbaar maken, was het Duitsch. Maleisch
-en Hollandsch kon hij nog niet spreken, en daar zijn meeste patiënten
-slechts in die talen tehuis waren, kostte het ontzaglijke moeite
-behoorlijk inlichtingen te ontvangen. Nu deed zich dat naar het scheen
-ernstig geval voor; hij meende goed geraden en overwonnen te hebben,
-maar verheugde zich te vroeg; de zieke scheen weer ingestort.
-
-Toen hij ten huize der Borne’s kwam, zag hij dadelijk dat het ergste te
-vreezen stond. De temperatuur van den zieke was vreeselijk hoog; ook de
-overige verschijnselen waren hevig, en wat het ergste was, de patiënt
-lag geheel uitgeput ter neer, onverschillig voor alles wat gebeurde,
-half bewusteloos soms en nu en dan eenigszins opgewonden, maar wat
-lichaamskracht aangaat, altijd zwak en hulpbehoevend.
-
-Tante Borne hielp de oude Sarinah; wat de dokter gelastte, deden zij,
-en na een uur of wat scheen de aanval eenigszins te bedaren.
-
-In het Duitsch zei nu de jonge man tegen kapitein Borne, dat hij naar
-huis ging; hij zou omstreeks tien uren terugkomen; men moest trouw zijn
-voorschriften volgen, en als het erger mocht worden, wist men, waar men
-hem vinden kon.
-
-„A propos!” zei de kapitein, toen ze samen in de voorgalerij kwamen,
-waar de frissche ochtendlucht hen verkwikkend tegenstroomde. „Wat zou
-je denken dat hem eigenlijk scheelde?”
-
-De jonge man trok eenigszins zenuwachtig aan zijn kneveltje, dacht een
-oogenblik na en zei toen met groote snelheid: „Bösartige tropische
-Sumpffieber mit Localisation auf dem Plexus solaris. Guten Morgen, Herr
-Kapitän.”
-
-En weg was hij!
-
-Het martiaal gezicht van kapitein Borne nam al luisterend een kluchtige
-uitdrukking aan van verbazing, en zonder terug te groeten keek hij
-verbluft den jongen vreemdeling na, die met vluggen tred heenging. Maar
-een oogenblik later fronste hij de wenkbrauwen en mompelde een krachtig
-woord. Was die vent gek, met zijn koeterwaalsch en zijn potjeslatijn?
-Het was ’n rare boel, meende de kapitein, het leger op te schepen met
-onverstaanbare dokters.
-
-Toen hij weer in de ziekekamer kwam, trof hem de uitdrukking van angst
-en schrik, die uit ’t geheele wezen van Betsy sprak, al zat ze stil op
-een stoel, plukkende aan haar zakdoek, en zonder dat ze deel nam aan de
-bedrijvige ziekenverzorging harer tante. Hij nam zijn vrouw ter zijde.
-
-„Ik zou haar naar buiten zenden met de meid; kijk ze er eens uitzien.”
-
-„Ja, daar heb ik niet op gelet. Kasian, ze is heelemaal afgevallen!
-Bets, ga jij zoo lang naar achter, ja, en laat de nèh je wat opknappen.
-Wij kunnen het nu hier wel af; als je noodig mocht zijn, zal ik je
-roepen.”
-
-Sarinah hielp haar en steunende op de meid ging zij de kamer uit. Op de
-bank in de achtergalerij viel zij als het ware neer.
-
-„Bagimana!” zei de oude met van verbazing hoog opgetrokken wenkbrauwen;
-„wat scheelt de nonna toch?”
-
-En toen ze geen antwoord kreeg, maar de groote oogen zich vol angst en
-schrik op haar vestigden, voegde zij er hoofdschuddend bij:
-
-„Het is alles vanzelf gekomen; ik was nog niet eens begonnen.”
-
-„Nèh,” riep Betsy opgewonden en halfluid: „je liegt!”
-
-Doch Sarinah hield vol. Soenggoeh mati het was waar. Zij had nog niets
-gedaan, hoegenaamd, en ze had de gouden tientjes nog ongewisseld in ’t
-zakje tusschen haar sarongband. Betsy geloofde het nu; het was zoo
-heerlijk het te kunnen gelooven! Ze haalde diep adem en streek heur
-hoofdhaar naar achteren. Dat was een bevrijding, even heerlijk als
-onverwacht! Zij stond op met haar gewone veerkracht en rekte haar fraai
-gevormde leden uit; er kwam meer kleur op haar gezicht en glans in haar
-oogen; zij had het kunnen uitschreeuwen van pret: ze nam het grijze
-hoofd van Sarinah tusschen de handen en kuste haar op de wang.
-
-„Geef me gauw ’n handdoek, nèh; ik ga baden!”
-
-Steunend en mompelend ging de oude een kamer binnen om den doek te
-halen: toen ze dien bracht, zei ze:
-
-„Moet de nonna niet eens in de kamer om te kijken, hoe het den toean
-gaat?”
-
-Betsy rukte haar ruw den doek uit de hand, en de oude haat tegen haar
-man misvormde weer haar trekken.
-
-„Tjies,” antwoordde zij, „laat hem voor mijn part....”
-
-Vlug sprong ze de trapjes af naar beneden en liep als een jong meisje
-hard naar de badkamer, als had ze haast om al de onaangename
-gewaarwordingen, die haar nutteloos en noodeloos gekweld hadden, weg te
-spoelen.
-
-Sarinah ging in het ziekevertrek, waar de kapitein en diens vrouw druk
-bezig waren met Den Ekster. Het hoofd rustte op Borne’s breeden,
-sterken arm; het bleeke gezicht, diep ingevallen, zoodat de sterke,
-witte tanden als door de huid heen schenen, was omhoog gericht; de
-groote blauwe oogen dwaalden langzaam heen en weer.
-
-„Ik voel, dat het uit is. Dag oom, God zegen je.”
-
-„Dag arme kerel,” antwoordde de kapitein met tranen in de oogen, een
-prop in de keel en een verzwegen krachtig woord op de lippen.
-
-„Dag, beste tante.”
-
-Zij kon niet antwoorden, zóó overmeesterde haar de aandoening.
-
-Een oogenblik, met moeite, benauwd en pijnlijk ademend, zag hij rond.
-
-„Dag nèh! Slamat tinggal,” zei hij tegen Sarinah, die bij het bed stond
-en hem had opgepast.
-
-„Tabé toean,” klonk het doodbedaard terug. „Slamat djalan.”
-
-Hij hoorde het niet meer. Een oogenblik van hevige pijn scheen in te
-treden; een kort moment slechts: toen was het uit, het lichaam rekte
-zich, en een zacht gorgelend keelgeluid............
-
-„Tournez, tournez!” neuriede Betsy, terwijl zij zich siramde in de
-badkamer.
-
-„Nonna, nonna!” riep de oude meid aan de deur.
-
-„Nu, wat is er?”
-
-„Al dood!”
-
-Zij danste op haar toonen over den steenen vloer en zwaaide, in stilte
-juichend, den blikken gajong boven haar hoofd. Goddank, dat het uit was
-en dat zij er geen schuld aan had!
-
-De kapitein en zijn vrouw hadden in het gewichtig oogenblik zelfs niet
-aan Betsy gedacht; zij was ook zoo weinig de vrouw geweest van haar
-man! Nu Den Ekster gestorven was, schoot het tante Borne als een
-bliksemstraal door het hoofd; in haar zenuwachtigen toestand, het
-gelaat van tranen glimmend, vloog ze naar achteren; Sarinah was haar
-vóór geweest, en toen zij luid snikkend bij de badkamer kwam, waarheen
-ze liep toen zij de jonge weduwe niet zag in de achtergalerij, ging de
-deur open en trad Betsy naar buiten, kalm glimlachend, schoon en
-ongevoelig.
-
-„Bets, lach niet! Och God, hij is dood!”
-
-Zij wilde geen onaangenaamheden hebben met haar tante, nu minder dan
-ooit, en daarom zette ze dadelijk een gelegenheidsgezicht.
-
-„Ik lach niet; het is verschrikkelijk.”
-
-„Ja. Och, hij heeft een oogenblik nog zóó geleden!”
-
-Tante Borne veegde haar behuild gezicht af met de punt van haar kabaja;
-zij lette er niet op, dat ze haar zakdoek in de hand hield.
-
-„Het is vreeselijk, zoo jong. Oom is er ook kapot van.”
-
-Dat was waar, want de kapitein hemde en kuchte, en klopte met de vuist
-op de borst, en liep met vasten tred en een verschrikkelijk kwaad
-gezicht de kamer op en neer, nu en dan een blik slaande op het lijk, en
-met een krachtig woord zichzelven afvragend, hoe het mogelijk was. De
-dames kwamen binnen; bij het zien van den doode kwamen tantes zenuwen
-weer geweldig in werking. Betsy zag kalm op het pijnlijk vertrokken
-gelaat; zij kon het niet verder brengen dan tot het
-gelegenheidsgezicht, al hadden er schatten mee verdiend kunnen worden;
-gelukkig voor haar kwam haastig en verschrikt de dokter binnen om het
-eenige te doen, wat hem restte: den dood te constateeren. En terwijl
-hij voor het bed stond, keek Betsy naar het pijnlijk vertrokken
-vaalbleek gezicht. Het was haar bekend! Zóó had zij het meer gezien!
-Zóó had het dien avond, toen ze koortsig was en voor de eerste maal op
-den grond ging slapen op den bultzak, haar voor de oogen gedanst zonder
-romp. ’t Was precies hetzelfde; de overeenkomst hield haar aandacht
-onwederstaanbaar geboeid. Maar zij gevoelde niets; geen zweem van
-medelijden zelfs. In haar binnenste leefde slechts het bewustzijn, dat
-ze nu vrij was; ’t scheen alsof een stem in haar hart dit voortdurend
-juichend en triomfeerend herhaalde. Vrij en toch niet misdadig! Zij had
-niets op haar geweten; niemand kon haar iets ten laste leggen, want hij
-was vanzelf gestorven en Sarinah had het geld nog in het zakje. Nu, dàt
-mocht het oudje houden!
-
-Op het notariskantoor was alles stil. De vensters, door het weelderig
-geboomte op het erf beschaduwd, waren ten overvloede door groene stores
-tegen de doorvallende zonnestralen beveiligd. Kriskras gingen de pennen
-der klerken over het papier; zóóveel woorden op een regel, zóóveel
-regels op een bladzijde met eentonige regelmaat in de lange op- en
-neerhalen. Een Chinees zat dicht bij Bronkhorst en sprak met hem op
-zachten toon, nu en dan met een luid „saja toean,” als hij bemerkte dat
-de notaris hem precies had begrepen.
-
-Driftig werd de achterdeur opengestooten, en ofschoon ze zag, dat haar
-man „zaken” had, liep ze tot vlak bij zijn schrijftafel.
-
-„Er is een vreeselijk ongeluk gebeurd, Jean,” zei ze zenuwachtig.
-
-Hij rees verschrikt op.
-
-„Een ongeluk? Wat dan?”
-
-„Den Ekster is zooeven overleden.”
-
-„O zoo! ja, dat is erg ongelukkig. Zoo’n jonge man!”
-
-Maar het had hem werkelijk opgelucht, toen hij hoorde, dat het niets
-anders was, want hij had aan de kinderen gedacht.
-
-„Willen we er niet heen gaan?”
-
-„Zeker. Ga jij maar vast vooruit. Ik kom dadelijk, zoodra ik met deze
-zaak gereed ben.”
-
-Zij ging ijlings heen, om zich ’n beetje „op te knappen”, want ze was
-nog volstrekt niet klaar met het „huishouden”, en ten slotte hield haar
-dat juist zóólang bezig, tot ze gelijk met haar man naar het sterfhuis
-kon gaan. Reeds meer vrienden en kennissen van de familie Borne waren
-daar bijeen; het gerucht van het sterfgeval had als een loopend vuur de
-ronde gedaan op de plaats, die zich met zoo weinig afwisseling en zoo
-weinig nieuws behelpen moest. Velen hadden met de logé’s kennis
-gemaakt, zonder dat ze verder iets van de onderlinge verhouding wisten,
-en Betsy werd hartgrondig beklaagd. Dames, zelfs die den Ekster nooit
-anders hadden gezien dan op z’n rug, als ze achter hem langs den weg
-wandelden, vergoten tranen met tuiten. In de oogen der weduwe echter
-wilden die niet opwellen, al deed ze ook nog zoo haar best; het gaf
-ergernis, dat zag ze wel, maar ze kon het niet veranderen, en ze dankte
-den hemel, toen tante Borne, die bij de hardnekkigheid der weduwlijke
-traanklieren, verschrikkelijk zat te huilen, tegenover de gevoeligsten
-harer vriendinnen, op een lumineus idée kwam. „Ik wou in ’s hemelsnaam
-maar,” fluisterde ze, eenigszins luider dan in gewone omstandigheden
-noodig was, een harer vriendinnen in het oor, „dat ze huilen kon.”
-
-De list gelukte, en, met dieper medegevoel dan ooit, zag men neer op
-dat toonbeeld van een smart zóó hevig, dat het er zelfs droge oogen bij
-hield.
-
-Bij het binnentreden van het huis, maakte ook op mevrouw Bronkhorst het
-feit, dat de dood hier een voor kort nog krachtig menschenleven had
-vernietigd, zijn gewonen indruk; aangedaan condoleerde zij Betsy, wier
-koele hand den hartelijken druk van die der totok onbeantwoord liet.
-Toen de notaris haar zonder iets te zeggen de hand reikte, keek Betsy
-op, en het trof haar, dat zijn gezicht zoo weinig uitdrukking van
-leedwezen of medelijden toonde, en meer dan eenig ander in sympathie
-was met de groote onverschilligheid, die haar zelf zoo koud liet.
-
-„Heb je hem nog gezien?” vroeg Marie toen zij met haar man naar huis
-terugkeerde.
-
-„Ja; hij was niet veel veranderd.”
-
-„Hè,” zei ze huiverend. „Ik zou niet graag zijn meegegaan naar binnen.”
-
-„Ben je zóó bang voor ’n doode?”
-
-„Bang is het woord niet, maar ik heb er een afkeer van: als ik een lijk
-heb gezien, dan staat me het gezicht nog weken daarna voor de oogen.”
-
-„Gekheid. Het komt omdat men ons opvoedt in een domme vrees.”
-
-„Het is toch verschrikkelijk voor haar, hè?”—Mevrouw Bronkhorst zei dit
-eigenlijk omdat ze over de quaestie, die haar man opwierp, niet gaarne
-in bespreking trad.
-
-„Och, waarom? De liefde zat er, meen ik, niet diep; kinderen hebben zij
-niet, en hij had zelfs geen positie.”
-
-„Goed, maar hij was toch haar man.”
-
-Bij Bronkhorst was dit geen argument, doch de intellectueele waarheid
-viel niet te ontkennen, dat was zeker, en daarom zweeg hij een
-oogenblik.
-
-„Weet je wat ik denk, Marie?”
-
-„Nu?”
-
-„Dat hier de dood eigenlijk voor twee menschen een verlossing is
-geweest. Ik geloof, dat de banden hen beiden geweldig kwelden.”
-
-„Ja....,” gaf ze aarzelend toe. „Zij waren niet gelukkig, dat is
-zeker.”
-
-„En dan,” vervolgde hij met een cynisch lachje, dat hem misstond, „vind
-ik het een frappant geval. Het is een bijzondere samenloop van
-omstandigheden.....”
-
-„Ik begrijp niet, wat je bedoelt.”
-
-„Neen, je weet gelukkig van die dingen weinig. Eigenlijk zoo goed als
-niets. Ik doelde op middelen om bij zekere gelegenheden.....”
-
-Bronkhorst zocht naar een geschikte uitdrukking; zij keek hem
-verwonderd aan.
-
-„.....Om de natuur een handje te helpen.”
-
-Zij moest zich een oogenblik bezinnen, en toen bleek, dat ze er toch
-meer van wist, dan hij dacht.
-
-„Ajakkes, Jean,” zei ze; „je moogt zulke akelige dingen niet van de
-menschen denken.”
-
-„Nu, nu,” zei hij lachend, maar voelende, dat ze gelijk had, „je
-begrijpt toch dat het slechts gekheid is. Ik denk er geen oogenblik aan
-in ernst.”
-
-
-
-Betsy hield haar passieve rol vol, en dat kon zeer gemakkelijk, daar
-haar familie volkomen geschikt en bereid was om voor alles te zorgen.
-Zij zag alles aan als betrof het zaken, die haar volstrekt niet
-aangingen: de met bloemen versierde kist op een stelling in de
-binnengalerij; den aanleg tot het geheele onsmakelijke ceremoniëel, dat
-men „begrafenis” noemt; de voorgalerij vol zwarte rokken uit elke
-periode, voorwereldlijke en nieuwmodische, rood-weerschijnende en
-gitzwarte; zij zag den notaris Bronkhorst er bij, even netjes en
-correct als de keurige inrichting van zijn woonhuis en de grossen
-zijner akten met haar omslagen, zegelafdrukken en roode koordjes. ’t
-Viel haar op dat de notaris een erg „kranig” uiterlijk had; veel
-„kraniger” dan de andere heeren; en hij liep op en neer speciaal met
-den resident, alsof zij menschen waren van een ander allooi dan de
-rest.
-
-Toen de kist werd weggedragen, hoorden de heeren vóór, dat er gehuild
-werd door een vrouw; het was tante, die binnenskamers deze aandoenlijke
-taak verrichtte, uit waarachtigen aandrang vooreerst, maar toch ook ’n
-beetje met het besef, dat ze onder de gegeven omstandigheden als
-rechtgeaarde bloedverwante verplicht was te huilen voor twee.
-
-Een uur later kwam de kapitein terug; hij ging stil in zijn kamer om
-zich lekker te maken.
-
-„Is er nog gesproken?” vroeg zijn vrouw.
-
-Hij haalde minachtend de schouders op.
-
-„Ja, de zendeling heeft een boom opgezet, en het was zijn geluk, dat ik
-niet dicht bij hem stond, anders had ik hem op z’n teenen getrapt.”
-
-„Nu, nu; het is anders ’n best mensch,” zei mevrouw Borne geraakt, want
-ze hield veel van den zendeling, die wezenlijk ’n achtenswaardig man
-was.
-
-„Het raakt me niet, wat hij is,” donderde de commandostem van den
-kapitein en woedend sloeg hij met de hand op de tafel, „maar het past
-zulke kerels niet om een dood mensch uit te schelden voor zondaar,
-verdoold schaap en al zulke poespas meer. Geen mensch roept hen en als
-ze niets beters te vertellen hadden, dan moesten zij den mond houden.
-Maar ik heb hem getroefd!”
-
-„Mijn hemel, Borne, je hebt toch op het kerkhof geen standjes gemaakt?”
-
-„Ben je dwaas, vrouw! Maar ik heb alleen namens de achtergebleven
-zondares, de aanwezige zondaars bedankt voor de laatste eer den
-overledene bewezen, zie je. Ik dacht: steek dien in je zak!”
-
-Mevrouw Borne werd beurtelings bleek en rood van ergernis en schaamte.
-
-„Heere, heere!” zuchtte ze in wanhoop, „wat zal dáárover weer gepraat
-worden.”
-
-„Het kan me niet schelen, maar ik wil er niets meer van hooren. Doe me
-dus het genoegen en zwijg er over.”
-
-Zij volgde hem naar achteren, waar Betsy zat, met nog een paar dames,
-die gekomen waren om te troosten. Bij haarzelve moest ze toch lachen;
-ze vond het pinter van hem en erg brani, maar overluid zou ze dat niet
-graag bekend hebben.
-
-Over den „overledene” werd niet meer gesproken. Tot groote blijdschap
-van Betsy vermeed iedereen zooveel mogelijk, den nu „onderwerp”
-geworden mensch in de conversatie te herdenken.
-
-Na ’n paar weken betrapte zelfs tante Borne zich op de stille
-bekentenis, dat het veel rustiger in huis was, dan toen Den Ekster nog
-leefde. Het was waar: hij maakte het niet lastig en was evenmin druk in
-den dagelijkschen omgang, maar toch.... zoo’n mannelijk individu meer
-in huis had iets eigenaardigs. Met Betsy was dat heel anders; zij
-maakte een „groote gezelligheid” uit voor tante, die nu rustig ’s
-ochtends met haar in de achtergalerij zat te haken en te borduren.
-
-„Och, Bets,” zei ze, „je moet maar nooit weer trouwen.”
-
-„Ik denk er niet aan.”
-
-„Dat moet je ook niet. Blijf maar bij ons.”
-
-„Bovendien, wie zou me willen hebben; ’n weduwe zonder geld!”
-
-Met eenigen familietrots monsterde haar tante Borne, van het zware
-koolzwarte hoofdhaar tot de welgevormde voetjes.
-
-„Nu, dat zou nog te bezien staan, Bets. Je bent mooi genoeg, dat weet
-je wel, en, als je het wezen wilt, ook lief genoeg.”
-
-„Ik zal me geen illusies maken.”
-
-„Het doet er ook niets toe. Je blijft maar kalm bij ons, ja? Als je mij
-’n handje helpen blijft in het huishouden en met de kinderen, dan
-vinden wij het onder ons uitmuntend.”
-
-De jonge weduwe vond het erg lief van haar tante, maar in stilte had
-zij geheel andere plannen gemaakt, althans denkbeelden gevormd, die zij
-wel dacht, dat later tot plannen konden rijpen. De gedachte haar verder
-leven à charge te blijven van familie, beviel haar volstrekt niet, en
-als die nare tijd, dat ze in haar rol van de vrouw van een pas
-gestorven man niet uit kon gaan, maar voorbij was, zou haar eerste werk
-zijn naar een gepast huwelijk te streven. Doch overhaasten zou ze zich
-niet, en met den eersten den beste zou zij zich waarlijk niet
-vergenoegen; in zoover was ze het met haarzelve eens.
-
-Thans maakte zij rustig en in het volle genot harer herkregen
-persoonlijke vrijheid dien naren tijd door. Dadelijk na Den Eksters
-begrafenis had ze alles verwijderd, wat slechts rechtstreeks of
-zijdelings aan hem herinnerde; geen stuk was meer in de kamer, dat hem
-had toebehoord; zelfs zijn reiskoffers, die in een der bijgebouwen
-stonden, had zij verkocht. Het behoorde alles tot een tijdperk in haar
-leven, dat zij voor volkomen afgesloten hield en waaraan zij door niets
-wilde herinnerd worden; dàt was voorbij; zij dacht er niet meer aan, en
-ze was woedend, toen ze op een nacht weder ontwaakte met een benauwden
-kreet, wijl ze de nachtmerrie had gehad, en weer in den droom dat
-akelige, vaalbleeke gezicht had gezien met den blonden baard; het heen-
-en weer-gaande hoofd zonder romp. Dat was overigens het eenige, en zij
-dacht wel, dat het nooit weer zou gebeuren.
-
-Meer dan vroeger bezocht mevrouw Bronkhorst tegenwoordig haar buren, en
-dikwijls bracht ze voor Betsy een kleinigheid ten geschenke mee; zij
-had zóóveel, en ze dacht dat het ’t arme weeuwtje, dat veel te mooi en
-te jong was om voor de wereld gestorven te zijn, zou afleiden en
-opbeuren. Betsy stelde het op prijs; zij kreeg heel graag geschenken en
-verblijdde er zich kinderlijk mee; toch stond daarnaast een ander
-bitter gevoel van afgunst. Waarom bezat ook zij niet zooveel, dat ze
-uit een rijken voorraad cadeautjes geven kon, in plaats van altijd de
-dankbare te moeten zijn, die ontvangt? Waarom was toch alles zoo slecht
-verdeeld? En dan kon ze mevrouw Bronkhorst nazien, als deze vertrok,
-met een onaangenamen trek om den mond, die meer nijd dan vriendschap
-uitdrukte.
-
-Soms ging zij ook met haar tante een visite maken bij de buren, maar
-dan ook alleen ’s ochtends in sarong en kabaja. Daar verslond ze alles
-met de oogen. Ze wist precies, nu, wat er in huis was, tot in de
-kleinste bijzonderheden; zij had elk stuk kunnen opnoemen uit de
-zilverkast, en het in de duisternis van zijn plaats kunnen krijgen,
-zonder een enkelen misgreep.
-
-Als ze er thuis van spraken, waren oom en tante een en al verbazing, en
-begrepen volstrekt niet, hoe het mogelijk was, dat Betsy zoo alles kon
-opmerken en onthouden.
-
-De nieuwe Fransche pianino van Erard, die dwars in een der hoeken van
-de binnengalerij stond, had al dikwijl haar aandacht getrokken; het
-instrument zag er zoo fraai en ongebruikt uit, alsof niemand ooit de
-vingers op de toetsen of de voeten op de pedalen zette. Zij was een
-goede musicienne, maar zij had daar nog niet op durven zinspelen,
-schoon ze reeds bij het eerste bezoek lust had gevoeld om te spelen.
-
-Toen ze de tweede maal een ochtendvisite hadden gemaakt, en Bronkhorst
-haar al de fraaiigheden van zijn inboedel had getoond, vroeg hij
-onverschillig:
-
-„Doet u ook aan muziek?”
-
-„’n Klein beetje,” had ze geantwoord, met de conventioneele
-huichelarij, die in het dagelijksch leven gebruikelijk is.
-
-Hij was er toen niet verder op doorgegaan: zij zou, dacht hij, ook wel
-een dier wandelende speeldoosjes wezen, met een repertoire van een half
-dozijn onbeduidende stukjes, het resultaat van veel uren oefening en
-veel geld aan lessen, omdat dit nu zoo bij een jonge-dames-opvoeding
-geacht wordt te behooren.
-
-Zij had er ook niet meer over gesproken, en nu in haar betrekkelijk nog
-verschen weduwlijken staat, kon ze moeilijk voorstellen wat muziek te
-maken; maar ze had het dolgraag gedaan.
-
-Ze bladerde zoo de muziekboeken eens door. Er was van alles: mooi en
-leelijk, licht en zwaar, oud en nieuw, stukken voor piano, zangstukken
-met accompagnement, duo’s voor viool en piano, enzoovoort.
-
-Mevrouw Bronkhorst, die met tante van achteren kwam, waar beiden een
-nieuw kooktoestel hadden bewonderd, dat pas uit Europa was gezonden en
-waarop men „alles” kon klaar maken,—deed nu dezelfde vraag, als vroeger
-haar man.
-
-„Ze speelt prachtig,” verzekerde mevrouw Borne; „ze was altijd heel
-vlug in de muziek.”
-
-Betsy kon een glimlach over die „vlugheid” niet terughouden.
-
-„Hé!” zei ze, „tante overdrijft; ik heb er altijd veel liefhebberij in
-gehad, dat is waar.”
-
-„Ik ook,” antwoordde mevrouw Bronkhorst, „maar als men een huishouden
-heeft en kinderen, dan neemt dat zóóveel tijd in beslag.....”
-
-„Toe, speel eens iets,” vroeg Betsy.
-
-De huisvrouw liet zich niet lang nooden. Eenvoudig als ze was in al
-haar doen en laten, opende zij de piano, en speelde een lief Fransch
-romannetje, correct, zonder fouten en in de maat..... precies ’n
-speeldoos, dacht Betsy, maar luid prees zij het spel.
-
-„Och, ik ken er niet veel van, doch het weinige, dat ik speel, speel ik
-zonder fouten en zooals het geschreven staat. Kom, laat u ook eens
-hooren!”
-
-Maar mevrouw Borne vond het niet goed.
-
-„Ik zie er,” zei ze, „op zichzelf wel niets in; maar het is nog pas zoo
-kort geleden.... Als er ’n drie maanden overheen zijn....”
-
-’t Was voor Betsy weer een teleurstelling, en ze moest zich wel er in
-schikken, al kon ze niet beletten, dat haar gezicht verried hoe
-ongaarne zij de gelegenheid ongebruikt liet voorbijgaan, en met hoeveel
-spijt ze zag, dat de blinkende mahoniehouten klep over de blanke
-toetsen sloot.
-
-„Het is waar,” erkende mevrouw Bronkhorst. „Men kan van den weg zien,
-wie er speelt. Nu,” ging ze voort, toen ze het teleurgestelde gezicht
-van Betsy zag, „nu, kind, heb maar geduld. Zoo gauw als het kan voor
-je, komen jullie hier een avondje doorbrengen. Dan blijven we geheel
-onder ons, en je speelt zooveel je maar wilt.”
-
-’s Avonds aan tafel vertelde zij het haar man.
-
-„Waarom liet mevrouw Borne het niet toe?” vroeg hij. „Ik zie niets
-goeds in zulke aanstellerij.”
-
-„Och, dat moet je niet zeggen, Jean; zij had wel gelijk. Men moet toch
-de vormen in acht nemen.”
-
-„Nu ja,” zei hij lachend, een in Holland geschoten en in blik
-geïmporteerd patrijsje met den wellust van een gastronoom ontledend,
-„nu ja, als de vormen maar ’n beetje in harmonie zijn met de
-werkelijkheid, dan ben ik er ook voor. In dit geval is daar, dunkt me,
-bitter weinig quaestie van.”
-
-„Ja, dàt geloof ik ook. Enfin..... haar tante was er tegen.”
-
-„’n Goed mensch, maar erg geborneerd.”
-
-Zij lachten beiden om de woordspeling.
-
-„Ik heb gezegd, dat ze hier ’n avondje moeten komen, als haar tante
-denkt, dat het welstaanshalve kan; ze moet dan maar haar hart aan de
-piano ophalen.”
-
-„Dat is een kwade verbintenis,” vond hij. „Daar kunnen mijn arme ooren
-van genieten.”
-
-„Mevrouw Borne zegt, dat ze prachtig speelt.”
-
-„Poeah! ’t Zal wat wezen! In mijn jeugd heb ik dat ook eens hooren
-beweren, door een oude dame van haar dochter. Het meisje speelde.....
-ik ben vergeten welk stuk. ’t Was ’n gerammel van belang, en mama zat
-er bij als de uitlegger van een panorama: Hoort u, meneer, nu gaan ze
-op de jacht; nu begint het te onweeren; nu gaan ze in een kapel
-schuilen; nu hoort u den kerkdienst, en zoo rammelde het goede mensch
-door, haar rammelende dochter met de tong accompagneerend. ’t Was
-prachtig! Neen, maar dat verzeker ik je!”
-
-„O,” zei z’n vrouw, die het verhaal erg grappig vond, „jij bent ook zóó
-moeielijk te voldoen. Het meisje was je zeker te leelijk.”
-
-„Volstrekt niet; ze zag er zelfs zeer goed uit; maar zoo’n lieftallige
-mama slaat je ineens op de vlucht.”
-
-
-
-Eentonig, eenvormig en toch snel ging de eene dag na den anderen
-voorbij; de kapitein had al eens bij zijn vrouw geïnformeerd, hoe het
-er nu mee stond, en of Bets nu nog altijd fatsoenshalve van uitgaan
-moest verstoken blijven. En daar tante het eigenlijk ook erg hard vond,
-beknibbelde zij haarzelve op den vastgestelden termijn. De brieven naar
-Holland geschreven om de familie van Den Ekster diens overlijden mee te
-deelen, waren reeds beantwoord; van weerskanten was het plichtmatig en
-eenigszins stijf in den vorm toegegaan, zonder eenige kans op
-voortzetting der correspondentie, iets wat door geen der partijen, die
-elkaar persoonlijk volkomen onbekend waren, ook werd gewenscht.
-
-Het bleef bepaald dat Betsy haar weder-intrede in de kleine
-buitenwereld zou aanvangen met een intiem avondje bij de Bronkhorsten.
-
-„Ik hoop,” had de kapitein nadrukkelijk gezegd, „dat er toch ’n
-partijtje zal gemaakt worden?”
-
-„Homberen zullen ze er niet doen.”
-
-„Nu, dan in godsnaam maar whisten.”
-
-„We gaan anders niet om te spelen, maar enkel en alleen voor Bets.”
-
-Hij beantwoordde die opmerking met een diepen zucht. Wat hij daar moest
-uitvoeren den ganschen avond, als er geen partijtje werd gemaakt, wist
-hij waarlijk niet.
-
-Toen ze er kwamen, zat de notaris reeds met zijn vrouw in de
-voorgalerij, en Borne’s gezicht verhelderde, toen hij aan den anderen
-kant een speeltafeltje zag staan en daarop vier stellen wit
-paarlemoeren fiches, elk vier rondjes, vier vierkantjes en vier lange,
-plus twee roode „kapitalen”.
-
-„Ja,” zei na de eerste begroeting Bronkhorst, in antwoord op het
-vragend gezicht van den kapitein, „ik wou je den avond niet bederven,
-en heb den controleur gevraagd en een vriend van hem, die doortrekkende
-is; ze homberen beiden niet al te slecht.”
-
-„Uitmuntend, man. Daar doe je me wezenlijk ’n pleizier mee. De
-controleur is een prettig partner, en die vreemde eend in de bijt
-zullen we wel te pakken krijgen.”
-
-Terwijl ze om de marmeren tafel zaten aan een poussecafé, kwam de
-controleur, een donker jongmensch, onbezorgd en vroolijk, in Indië
-gewonnen en geboren; hij bracht zijn logé mee, ook ’n controleur, een
-tijdgenoot van Delft, maar overigens in uiterlijk een volkomen
-tegenstelling, zoo blond was hij. Er werd „voorgesteld” en een doelloos
-praatje gehouden, tot de kapitein, erg in zijn schik, vroeg „hoe de
-heeren er over dachten.”
-
-De heeren dachten er goed over, en juist wilde het drietal naar de
-speeltafel gaan, toen nog een rijtuig het erf opreed.
-
-„Wie kan dat zijn?” zei mevrouw Bronkhorst verbaasd.
-
-De notaris keek scherp toe.
-
-„’t Is Prédier,” antwoordde hij, zonder emphase, want hoe goed de jonge
-man ook was „in de koffie”, in gezelschap vond hij hem luidruchtig
-vervelend en vervelend luidruchtig. Het was waar, dat, toen Prédier uit
-zijn wagen stapte, hij reeds eenig geluid gaf, en toen hij de treden
-der voorgalerij opkwam, was hij reeds druk en hard aan het praten.
-
-„Ik hoop, dat ik niet ongelegen kom..... Blijf tot morgen hier..... Kon
-niet nalaten de familie even te begroeten..... Dag mevrouw Borne, hoe
-maakt u het..... Mevrouw Den Ekster? Weduwe van een confrater?....
-Aangenaam kennis te maken..... Bonjour”—tegen den controleur—„Hoe maak
-je het? Dag kapitein, gaat ’t goed?..... Meneer Van Drunen.....
-Aangenaam!”
-
-En onder het praten, lachen en handdrukken-wisselen, alles beweeglijk
-en rumoerig. Het was of ’t notarishuis plotseling door Prédier in
-opschudding werd gebracht.
-
-„Ga zitten, Prédier,” zei de notaris, op een stoel wijzend, dien de
-bediende aandroeg.
-
-„Welzeker,” vervolgde de gastvrouw, glimlachend het hoofd schuddend,
-„je bent weer zoo druk.”
-
-„Ziedaar, dat krijgt nu ’n arm mensch uit de binnenlanden altijd! Men
-zit maanden eenzaam in een lekker koel klimaat met niets dan inlanders
-om zich heen, en als men dan „beneden” komt in de warmte en onder de
-menschen, dan vinden ze je druk! U zult er ook van weten te praten,
-mevrouw Den Ekster! Lekker op het land, ja? Maar saai! U moet niet naar
-mijn handen kijken.....”
-
-Eenigszins verontwaardigd richtte Betsy zich op.
-
-„Ik kijk in ’t geheel niet naar uw handen,” zei ze bits.
-
-De dames Borne en Bronkhorst lachten er om en Prédier lachte luid en
-krakend, zooals ook zijn spreekstem was. Betsy deed niet mee. Wat
-verbeeldde zich zoo’n man? Dat zij naar zijn handen keek? Er zou ook
-waarachtig wat aan te zien zijn aan die bruine koffieboeren-handen. De
-notaris lachte evenmin; hij vond Prédier ongemanierd, en voor ’t minst
-al te familiaar bij zoo geringe bekendheid.
-
-„Nu,” ging deze voort, zijn glinsterende oogen met duidelijke begeerte
-op de jonge weduwe gevestigd, „neem me niet kwalijk. Ik dacht het maar.
-Ze zijn niet best in orde, ziet u; ’n klein ongelukje met m’n
-américaine. Ik kwam van ’n partijtje, en reed naar huis. M’n paard
-schrikte onderweg, waarvan weet ik niet, want ’t was ’n stikdonkere
-nacht; het sprong op zij en vlan, daar lagen we met ons drieën in ’n
-ravijntje naast den weg.”
-
-„Met je drieën?” vroeg Bronkhorst, wiens belangstelling was gaande
-gemaakt.
-
-„Ja, het paard, de américaine en ik.”
-
-Weer lachten de twee getrouwde dames, en ditmaal deed de notaris het
-ook, maar pijnlijk en welstaanshalve, omdat hij er was „ingeloopen”.
-Betsy was niet te ontdooien; ze vond Prédier onuitstaanbaar, en ze
-begreep niet waarom men iemand duldde, die ongenoodigd gekomen, met
-groote brutaliteit en onzin rammelend, beslag lei op het algemeen
-gesprek.
-
-„Het paard was kreupel aan één kant en de américaine aan den anderen;
-onkruid kwam er het beste af; ’n paar schrammen aan de voorpootjes,
-zooals u ziet; anders niet.”
-
-En lachend strekte hij ’n paar vrij gehavende groote handen uit, bruin
-van kleur, maar erger nog verbrand door de zon, met rouwranden aan de
-nagels en gedeeltelijk dicht bezet met grove zwarte haren, die uit de
-witte, glinsterende manchetten te voorschijn kwamen, in schuine
-richting voortwoekerend tot de pinkwortels.
-
-„Ajakkes,” zei Betsy, zich woedend van dit Ezauïsch schouwspel
-afwendend; de notaris fronste ernstig de wenkbrauwen, en zou misschien
-iets onaangenaams gezegd hebben, al lachten de twee andere dames stil
-in haar zakdoeken,—als niet kapitein Borne zijn stentorstem van de
-andere zijde der galerij liet hooren.
-
-„Zeg, Prédier, als je soms mee wilt doen?”
-
-Het was voor den koffieboer een zware beproeving. Hij homberde dan toch
-wel zoo graag! En hij deed het uitmuntend, en hij had er geluk bij. Hij
-was bekend als een „haai”, die altijd met de winst ging strijken. Maar
-Betsy, die hij zoo plaagde, trok hem machtig aan. Drommels, dacht hij,
-zoo’n vrouwtje! Zoo’n kloeke taille en zoo’n lief kopje zouden hem
-lijken, en, als weduwe van een gewezen administrateur, wist ze wat het
-binnenland was en wat er kwam kijken. En ze sprak de taal.
-
-De kapitein had het gevraagd, gedrongen door de goedaardigheid van zijn
-karakter. Hij was juist bezig zijn partners „af te zetten”, zooals het
-winnen heet in spelers-idioom; hij wist ook, dat zijn kansen
-achteruitgingen, als Prédier meedeed. Maar aan den anderen kant vond
-hij het verschrikkelijk, een liefhebber van een partijtje zoo’n heelen
-avond aan de gemoedelijke verveling eener huiselijke kletstafel over te
-laten, en dat meegevoel werd hem te machtig.
-
-„Merci. Ik heb hier zulk uitmuntend gezelschap!” riep Prédier terug.
-„Ik zal van avond niet meedoen.”
-
-Tegelijk stond de notaris op en ging naar Betsy.
-
-„Als u er genoegen in hebt wat muziek te maken.....”
-
-Zij was blij, dat ze van dien Prédier, die haar telkens den gehaten
-naam van „mevrouw Den Ekster” gaf, ontslagen raakte. Even lei ze haar
-hand op den arm van Bronkhorst, die haar naar de piano bracht.
-
-Prédier keek hen na met opgetrokken wenkbrauwen, vol verbazing en
-teleurstelling.
-
-Zij zocht niet lang. ’t Was haar op dat oogenblik onverschillig, wat ze
-spelen zou, nu ze, voor het eerst weer na langen tijd, haar lust kon
-voldoen. En zij lette er ook niet op, dat ze een opgewekten
-Hongaarschen dans eenigszins woest attaqueerde, daarbij geweldig
-worstelend met haar door te lange rust weerspannig geworden vingers.
-
-Jean Bronkhorst was bij haar gebleven om ’t blad om te slaan en toen
-hij dat voor de eerste maal doen moest, had hij het bijna vergeten, zoo
-verbaasde hem haar muzikale ontwikkeling. Ook in de voorgalerij trok
-haar spel, meer artistiek nog dan correct, de aandacht. De controleur
-keek telkens van zijn kaarten op en naar binnen, en zou, doordat hij
-verzuimde aan de achterhand te blijven met de fourchette, bijna een
-sans prendre hebben verloren, als zijn collega, die ook door de muziek
-werd afgeleid, zich niet had vertrokken, wat den kapitein een stillen
-vloek ontlokte.
-
-Prédier was verrukt en mevrouw Bronkhorst zeer verbaasd; tante keek
-triomfeerend van den een naar den ander.
-
-En de klanken, nu eens vroolijk, dan van ’n vreemde sentimentaliteit,
-huppelden elkander na, al vlugger, langs de witte wanden der galerij,
-en stroomden door de breede openstaande deuren naar voren, verdrongen
-door die achter hen kwamen en zich verliezende in de vrije ruimte
-tusschen en onder het fijne loof der reusachtige waringins.
-
-Stil en aandachtig volgde Bronkhorst haar spel; het deed hem goed; het
-maakte herinneringen wakker uit zijn vroeger leven; ’t wekte poëzie in
-zijn gemoed, als schudde zijn geest het prozaïsche stof af, waaronder
-hij, door notariëele akten en lekker eten, half was begraven.
-
-Zijn aandacht verdeelde zich, en terwijl hem de muziek door het hoofd
-klonk, volgde hij aandachtig het zwart ordeloos gekriewel der teekens
-langs de rechte horizontale lijnen der notenbalken, en zag toch nu en
-dan met innig welgevallen de kleine handjes hippelend en trippelend
-over het stijf wit-zwart mozaïek der toetsen.
-
-De inspanning had haar gezicht verlevendigd; er zat meer kleur en leven
-in, toen zij, na een half uur aan de piano te hebben gezeten, het eene
-stuk spelend na het andere, opstond van de fraai geborduurde zitting
-der kleine mahoniehouten tabouret.
-
-„Mijn hartelijken dank,” zei Bronkhorst zacht, „het was
-voortreffelijk.”
-
-„Ja,” stemde zijn vrouw toe, die naar binnen was gekomen en vlak achter
-hem stond, toen hij het zei, „ja Betsy, het was keurig, hoor! ik maak
-je wel m’n compliment.”
-
-„Mag ik er het mijne ook bijvoegen!” vroeg Prédier eenigszins verlegen.
-„Het is heerlijk geweest. Ik heb in lang zoo goed niet hooren spelen.”
-
-Zij was in geen stemming om boos te zijn, en knikte hem vriendelijk
-toe, doch haar lippen klemde ze toornig samen, toen hij er argeloos
-bijvoegde:
-
-„Dat is wat anders, dan de gamelan in de desa!”
-
-„U schijnt toch ook aan muziek gedaan te hebben,” zei ze tegen
-Bronkhorst, Prédier den rug toekeerend.
-
-„Il fut un temps,” antwoordde hij lachend. „Maar als ik nu mijn viool
-voor den dag haalde, zou ik, vrees ik, er niet veel uit te voorschijn
-brengen.”
-
-„Het is zonde. De viool is zoo’n goddelijk instrument.”
-
-„Nietwaar?” zei mevrouw Bronkhorst. „En hij speelde zeer goed.”
-
-„Welzeker,” bevestigde tante Borne, „toen we vroeger te Soerabaia in
-garnizoen waren—m’n man was toen nog tweede luitenant—was Bronkhorst
-lid van een muziekvereeniging—och, hoe heette die ook weer; zoo’n
-vreemden naam!—en toen speelde hij heel mooi.”
-
-„Ik zal haar eens uit haar stoffige kast voor den dag halen. Na eenige
-studie zal het wel weer gaan.”
-
-Betsy knikte hem aanmoedigend toe, en zijn vrouw ook.
-
-„Ik vind ter wereld niets mooier,” zei deze, „dan viool en piano; maar
-ik heb geen tijd om het zoover te brengen, dat ik hem accompagneeren
-kan. Ik houd amper het weinige bij, dat ik geleerd heb.”
-
-„Als meisje had ik vrijen tijd tot vervelens toe,” erkende Betsy zonder
-omwegen, „en daar ik veel van muziek hield, deed ik geducht mijn best.
-Verder onderwijs was er niet veel,” voegde ze er zuchtend bij.
-
-„Het is tegenwoordig heel wat gemakkelijker dan vroeger,” meende
-Prédier. „Wij hadden een flinken gouverneur.....”
-
-„Dat moet wel,” zei Bronkhorst, „want jij hebt terdege gewerkt.”
-
-De dames keken hem aan en Prédier was „lekker” met het volstrekt niet
-onverdiend compliment. Alleen Betsy monsterde hem van het hoofd tot de
-voeten met een minachtenden blik. De notaris zag het, en had er
-pleizier in, want hij vond het vervelend, dat Prédier dadelijk weer
-naast haar was gaan zitten.
-
-De conversatie verliep in praatjes over onderwijs en vergelijkingen
-tusschen Indië en Europa. Er werd ’n wandelend soupeetje rondgediend,
-en toen het laatste „kleintje” was gespeeld aan de hombretafel, kwamen
-ook de vier spelers in ’t gezelschap, zoodat ’t gesprek opgewekter en
-luidruchtiger werd.
-
-„Wel Bets,” vroeg de kapitein onder het naar huis gaan, op zijn
-goedigsten toon, „heb je van avond nogal pleizier gehad?”
-
-„Praat er niet van, oom! ’t Was verrukkelijk! Men wordt weer eens ’n
-ander mensch.”
-
-
-
-Drie maanden later was Betsy bij de Bronkhorsten meer dan bij haar
-familie een huisgenoot. Ze was er of ze zou er komen. En niet alleen
-kwam ze druk aan huis bij den notaris, maar zij ging veel uit, want ze
-was the great attraction geworden onder de jongelui op het plaatsje.
-Serieuze huwelijkscandidaten deden zich niet op,—maar toch, als zij er
-werk van had willen maken, zou meer dan een, en Prédier voorop, aanzoek
-om haar hand hebben gedaan.
-
-Doch zij hield er volkomen haar verstand bij, en beschouwde alles met
-koelen blik. Zij had geen persoonlijke voorkeur onder haar aanbidders,
-en ze zou dáárom toch ook geen huwelijk aangaan. Ze wilde een man
-hebben van wien ze houden kon om hemzelf, maar die geld had en een
-goede positie in de maatschappij. Geen „vliegenden Hollander” zooals
-zij bij haarzelve de jongelui noemde, die hetzij in den handel of den
-landbouw nu eens op dit kantoor of dit land, dan weer op een ander
-werkzaam waren, alsook de jonge ambtenaren, die bij hun vele
-overplaatsingen van den eenen kant van den archipel naar den anderen
-zeilen.
-
-Toen ze dit haar tante vertelde, was het goede mensch boos.
-
-„Zoo,” zei ze, „acht jij je daar te goed voor? En wij dan?”
-
-„Dat niet,” antwoordde Betsy, „maar pierre qui roule n’amasse pas de
-mousse.”
-
-En daarop had tante Borne, die veel last had van beren, al kocht ze
-haar pommade in de toko, een oogenblik gezwegen. „Je hebt nog gelijk,”
-zei ze ten slotte met een zucht.
-
-Bronkhorst had, zooals hij gezegd had, zijn viool voor den dag gehaald
-en was ijverig aan het studeeren gegaan. De lof hem door Marie en
-mevrouw Borne toegezwaaid, was ’n beetje overdreven. Zware muziek was
-zijn zaak niet, en Betsy hoorde dat dadelijk; doch hij had een goed
-gehoor, een goeden streek en hij wist wat hij deed. Dat vond ze prettig
-en het waren aangename avonden, die bij de Bronkhorsten werden
-doorgebracht en waarop de bezoekers, talrijker dan vroeger, zich ook
-beter dan ooit amuseerden. Maar het samenzijn bepaalde zich niet
-uitsluitend tot partijtjes. Betsy was dikwerf geheel alleen des avonds
-bij haar buren. En als dan Marie, vermoeid van haar huiselijken arbeid,
-als naar gewoonte op haar stoel indommelde, bepaalde zich het
-musiceeren of de conversatie uitsluitend tot Bronkhorst en de nu
-vriendin des huizes geworden jonge weduwe.
-
-Het werd een spelletje tusschen hen beiden: hij, aanvankelijk zonder
-eenige bedoeling, ondervond den invloed van haar veelvuldig gezelschap;
-hij was blij, als ze er was, en hij was in haar bijzijn altijd vroolijk
-en opgewekt, zelfs geestig; dan scheen het of hij jonger werd, of hij
-in sommige opzichten zijn twintig jaren terugvond, die al bijna twintig
-jaren gevloden waren. Zij vond veel goede eigenschappen in hem: hij was
-gulhartig, vriendelijk, beleefd, in één woord altijd even lief. En zoo
-royaal! Nu, hij kon het doen, want hij was rijk! Hoe heerlijk was het
-in ’t fraai gemeubelde huis! Hoe lekker en behaaglijk!
-
-„Wel, vertel eens wat van je bezoek bij oom Vijzel.”
-
-Het was een oude echt Indische familie, aan welker hoofd ’n oud bruin
-man stond, die door het heele plaatsje „oom” genoemd werd, maar die een
-der weinige personen was, met wie Bronkhorst het niet kon vinden.
-
-„Och, ’t was heel aardig,” zei ze: „eenvoudig en echt Indisch. Veel
-Maleisch en weinig Hollandsch. Maar hartelijk zijn ze wel.”
-
-„Dat geloof ik ook. Is er gedanst?”
-
-„Ja. We hebben om beurten dansmuziek gespeeld.”
-
-„Het is wèl! Ik begrijp niet, dat je je daartoe leent.”
-
-„Waarom niet? Men kan niet weigeren. Dat staat erg pretentieus.”
-
-„Best mogelijk, maar ik zou me er tegen verzet hebben, als ik er bij
-was geweest.”
-
-Zij lachte hem vriendelijk toe, haar witte tandjes toonend.
-
-„Zoo?” vroeg ze, de o’s aanhoudend met aardige stemmodulatie. Zijn
-verontwaardiging vleide haar.
-
-„Welzeker,” ging hij voort. „Er zijn genoeg rammelaartjes op zoo’n
-partij om walsjes en polka’s af te roffelen voor de dansers; men
-behoeft geen goede musicienne voor den vedel te zetten.”
-
-„Nu, ’t was zoo erg niet, en als Prédier me niet zoo had verveeld.....”
-
-„Was die er ook al?”
-
-„Zeker! En hij heeft mij den heelen avond met zijn attenties vervolgd.
-Maar erg onbeholpen, kasian!”
-
-„Kasian? Ik zie niet, dat er eenige reden bestaat om hem te beklagen.”
-
-„Och neen; ik bedoel alleen maar, dat hij ’t niet helpen kan, als hij
-wat onhandig is. Hij meent het goed.”
-
-„Nu ja.”
-
-„Hij deed soms zoo gek! Dan weer was hij uitgelaten, en een oogenblik
-later zat hij me ’n kwartier achtereen te fixeeren.”
-
-„’t Is netjes, in gezelschap,” knorde Bronkhorst. „Hij moest zich
-schamen.”
-
-„Kom, kom! Nu, ik ga naar huis. Tot morgen.”
-
-Zij reikte hem over de tafel haar hand, die hij maar flauwtjes drukte.
-
-„Ik zal mevrouw maar laten slapen.”
-
-„Wil ik je brengen?”
-
-„Wel neen, ik ga door het deurtje het achtererf op. Adieu!”
-
-Toen ze weg was, kneep hij eenigszins zenuwachtig boos zijn sigaar
-tusschen de vingers. Marie snurkte zacht; zij had dien dag zóóveel te
-doen gehad; haar beenen waren zwaar van vermoeidheid en haar voeten
-gloeiden. Hij zuchtte diep en wierp uit de hoeken zijner oogen een
-ontevreden blik op zijn vrouw.
-
-„Zeg, Marie, wees toch niet zoo gruwelijk vervelend!” riep hij luid.
-
-Ze gaf in het eerste oogenblik geen antwoord; toen rekte zij zich uit
-en vroeg:
-
-„Is Betsy al weg?”
-
-„Zooals je ziet.”
-
-„Is het dan al zóó laat?”
-
-Hij gaf daar geen antwoord op.
-
-„Ik zou maar naar bed gaan als ik jou was.”
-
-„Blijf jij nog op?”
-
-„Ja.”
-
-„Nu, wel te rusten dan.”
-
-Zij stond op, kwam naar hem toe en stak haar gezicht vooruit om een
-kus; maar daar hij in geen stemming was om haar dien te geven, bepaalde
-hij zich er toe alleen het gelaat naar haar te wenden; en zoo bleven ze
-eenige dwaze seconden in wederzijdsche afwachting. Toen begon Marie te
-lachen en kuste hem:
-
-„Hè,” zei ze. „Wat ben je flauw.”
-
-Hij had geen lust over zijn of haar „flauwheid” in praatjes te
-vervallen. Die partij bij de Vijzel’s zat hem dwars. Het was, vond hij,
-al te dwaas, dat iemand als zij door zulke menschen werd vernederd om
-de muziek te spelen, waarop zij dansten. Ze hadden de inlanders met de
-„ronzebons” maar moeten huren, als ze dansmuziek wilden hebben! En dan
-die misselijke Prédier met zijn ongelikte berenmanieren en zijn brutale
-hofmakerij! Was dàt nu ’n man voor Betsy? Onwillekeurig kwam haar beeld
-voor zijn geest en starende in de duisternis van den avond, alleen in
-de voorgalerij, glimlachte hij. Zij is toch een lieve verschijning,
-dacht hij, en hij monsterde het beeld door zijn herinneringsvermogen
-weergegeven met welgevallen. Welk een verschil tusschen haar en Marie!
-O! ongetwijfeld had zijn vrouw vele goede hoedanigheden, hij had haar
-lief en aan haar persoonlijkheid verbond zich voor hem een reeks van
-aangename souvenirs; met haar was hij erg op zijn gemak en altijd zeker
-van een groote inschikkelijkheid, welke, zijn deugden kennend en op
-prijs stellend, zijn tekortkomingen voorbijzag; zij was een uitmuntende
-huisvrouw en een zorgvuldige moeder. Wat kon men eigenlijk meer
-verlangen? En daarbij zóó volkomen onbesproken, dat zelfs de Indische
-vlugheid in babbelen en kwaadspreken nooit eenigen vat op haar had
-gehad.
-
-Wat dat alles betrof was zijn huwelijk hoogst gelukkig. Als meisje had
-zij zijn hart veroverd, als vrouw zwaaide zij zelfs den schepter over
-zijn voor lekker eten en drinken hoogst gevoelig gehemelte.
-
-En toch, als hij het beeld van Betsy naast dat van Marie teekende,
-dan..... Verdrietig zuchtend stond hij op, nam een sigaar en begon,
-rookend, de galerij op en neer te loopen. Wat duivel had hij dan toch?
-Hij was toch niet op ’t vrouwtje verliefd. Nu moest hij er zelf om
-lachen. Dat was toch een al te dwaas idée! Zeker, mocht hij haar graag;
-zij schonk hem genoegen door haar muzikaal talent; hij mocht wel eens
-met haar lachen en schertsen; hij vond het aardig, dat zij met hem ’n
-beetje coquetteerde; soms schiep hij er zelfs vermaak in haar als bij
-toeval aan te raken, en als ze dan naar hem opzag, keek hij haar niet
-zonder eenige bedoeling diep in de zwarte oogen. Nu, dat was ook alles,
-en, vond hij, ’n vrij onschuldig genoegen voor iemand, die op ’n stil
-plaatsje in Indië toch eenige distractie moet hebben! Maar
-verliefd..... bah!
-
-’t Was waarlijk te gek om er aan te denken! Nu ja, als men hem een
-etmaal met haar in ’n cel wilde opsluiten, dan had hij natuurlijk niet
-willen zweren.... Nu was het eenvoudig dwaasheid. De tijd voor
-kalverenliefde à la Prédier of andere jonge mannen was voorgoed
-voorbij.
-
-Hier dacht hij aan den koffieplanter. Het was waar, hij was ’n beetje
-ruw en ongepast in zijn manier van spreken en doen, maar overigens had
-hij geen ongunstig uiterlijk. Integendeel. En hij verdiende nu aardig
-geld met die nieuwe onderneming. Slaagde die en hielden de prijzen zich
-sturdy, wel, dan was Prédier binnen ’n jaar of tien een rijk man. Dat
-alles was waar, en daar kwam nog bij dat hij goedhartig was en gul; een
-man best in staat om een vrouw zoowel in figuurlijken als in
-letterlijken zin op de handen te dragen. Waarom zou dan Betsy niet
-trouwen met Prédier? Toch stuitte het denkbeeld hem geweldig tegen de
-borst; het maakte hem boos. Het kon niet; ’t zou zonde en schande
-wezen! En toen hij zich weer betrapte op die stille woede, welke zijn
-bedaarde redeneering over de goede eigenschappen van Prédier
-overvleugelde, stond hij bij de tafel stil, leunend met de hand op een
-stoel, en doelloos starend in de roodgele vlam der petroleumlamp. Zoo
-stond hij eenige oogenblikken, wierp daarna met ’n onverschillige geste
-z’n sigaar weg, zei bij zichzelven „nonsense”, en riep een bediende om
-te sluiten.
-
-Betsy was vlug over het achtererf het huis der Borne’s binnengegaan.
-Een oogenblik sprak ze nog met haar tante, die geheel verdiept was in
-de lectuur van een roman uit den leestrommel.
-
-„Ik ga maar gauw naar bed,” zei ze, haar kussend.
-
-„Doe dat, Bets. Waren er nog lui bij de Bronkhorsten?”
-
-„Neen, wij waren onder ons.”
-
-„Nu, wel te rusten dan.”
-
-Ze dachten geen van tweeën na over het onlogische van deze conclusie;
-zij zeiden het zóó maar, als iedereen. Mevrouw Borne las voort met het
-boek dicht bij haar oogen, omdat ze ’n beetje myope was, en Betsy ging
-naar haar kamer. Terwijl ze voor de tafel stond en zich ontkleedde, ’n
-bezigheid, waaraan de meid haar hielp, schitterden haar oogen van
-genoegen en speelde ’n glimlach om haar mond. Hij was jaloersch! Hij
-was zoo „ingepakt”, dat hij niets kon verdragen van anderen; die
-mochten haar zelfs geen piano laten spelen. En wat was hij woedend op
-Prédier! Het deed haar genoegen; waarom wist ze eigenlijk zelf niet.
-Zij mocht Bronkhorst zeer gaarne; zij had hem, dat was zeker, liever
-gehad, dan wie ook. Maar wat baatte het? Er kon toch niets van komen,
-want hij was getrouwd, en de gezonde flinke persoonlijkheid van Marie,
-altijd in de weer ondanks het Indische klimaat, verbande elke gedachte
-aan een vroegtijdig weduwnaarschap, ’t Was dus niet de moeite waard een
-ijdel spel te spelen. Trouwen kon hij haar niet, en zij was vast
-besloten, naar Mephisto’s wijze les, de n’ouvrir sa porte, que la bague
-au doigt. De vroolijke trek, door de zekerheid der overwinning nog een
-oogenblik te voren op haar gelaat geteekend, verdween. Zij schoot een
-slaapsarong aan, oud, maar lenig en lekker aanvoelend, en viel
-onverschillig op haar bed neer. Sarinah klom er ook in, zuchtend en
-steunend, en ving langzaam aan haar met de harde beenige vingers te
-pidjiten.
-
-Met gesloten oogen, het loshangende zwarte haar links en rechts over de
-kussens uitgespreid en de bloote armen boven het hoofd gekruist, lag
-Betsy bewegingloos na te denken, haar lichaam overlatend aan het
-drukken en knijpen van de oude meid, die ook hierin een specialiteit
-was, al zuchtte en steunde ze er nog tweemaal zoo hard bij als
-gewoonlijk. Het was toch maar waar, dacht ze, dat zij voor het ongeluk
-geboren was en dat een hardnekkig noodlot haar vervolgde. Werkelijk,
-zij hield van dien Bronkhorst; zij vond hem een knap man, en hij was
-altijd even goed en lief; zij hield zich overtuigd, dat ze met hem
-gelukkig zou zijn; gelukkiger, dan met eenig ander. En hij had geld en
-goed! Hoe heerlijk zou zij geleefd hebben in het mooie groote huis met
-den rijken inboedel, dien ze zoo goed kende, waarvan zij den inventaris
-had kunnen opmaken uit het hoofd! Doch ook ditmaal liep zij alles mis.
-Eerst kreeg zij een man tegen wil en dank, met wien ze een ongelukkig
-leven had geleid, en de man, met wien ze, dat voelde ze, gelukkig had
-kunnen zijn, ontging haar hopeloos, want hij was getrouwd. Zoo zou zij
-dan ten laste kunnen blijven van haar bloedverwanten, als behoorende
-tot de klasse van „arme familieleden”, of ze zou Prédier kunnen
-trouwen, van wien ze een afschuw had, dan wel een ander liefst nog
-onbeduidender en akeliger. En dan? Zij wist het niet. Was dat een
-toekomst? Zij zou even gaarne sterven, als opnieuw een leven beginnen,
-gelijk ze geleid had met Den Ekster. Dat in eeuwigheid niet! Zij werd
-nog liever bonne of juffrouw van gezelschap of zoo iets. Maar hoe
-weinig aanlokkelijks ook dat denkbeeld voor haar had, bewezen de
-tranen, die, toen ze zoover was gekomen in het nadenken over haar
-tjelaka, haar oogen ontvloeiden.
-
-„Wat scheelt er aan?” vroeg de meid, die juist den linkerarm omlaag had
-gehaald, ten einde het bovengedeelte er van te bewerken.
-
-„Och niks, nèh! Hou jij je mond maar.”
-
-De oude steunde luider en kneep en drukte zachtjes voort. Haar grove
-grijze haren waren door de inspanning en beweging in oproer geraakt en
-hingen haar over het gerimpeld voorhoofd, en als ze al pidjitend het
-bovenlijf regelmatig op en neer bewoog, deelden in die cadense de
-ontoonbare restes van wat eens de boezem eener jonge vrouw was geweest.
-
-Maar het was Betsy geen ernst geweest met haar stugge en hondsche
-afwijzing der belangstelling van Sarinah. Zij had, integendeel,
-behoefte om te praten over haar noodlot en over den strik, dien het
-haar nu weer had gespannen.
-
-„Je hadt gelijk, nèh!” ging ze voort; „je hadt gelijk laatst: het is
-waar, ik heb altijd ongeluk.”
-
-„Altijd,” bevestigde de oude, „ik zag het al bij uw geboorte.”
-
-Betsy rilde er van, want dááraan geloofde zij vast.
-
-„Ik wou dat het veranderen kon,” zei ze, ofschoon zij overtuigd was,
-dat er niets aan te veranderen viel.
-
-„Als de goede geesten willen, kan het,” meende Sarinah, „maar als de
-kwade sterker zijn kan het niet.”
-
-Het was in elk geval een kansje, dacht Betsy; maar zij rekende er niet
-op.
-
-„Dan zijn de kwade het sterkst, nèh! Dat ondervond ik weer in den
-laatsten tijd.”
-
-„Is er dan weer iets?”
-
-Een oogenblik dacht Betsy na; toen draaide zij de oude den rug toe en
-zei nijdig:
-
-„Och, niets! Er is niets.”
-
-Bij de tinka’s van haar „nonna” bleef de oude precies, zooals zij
-twintig jaren te voren daarbij gebleven was. Zij toonde volstrekt geen
-nieuwsgierigheid; ze wist, dat het toch wel komen zou.
-
-En het kwam spoedig genoeg.
-
-Onstuimig schudde Betsy het hoofd en de tranen overstroomden weer haar
-oogen; zij sloeg met de vuist op haar borst; de fraaie equipage van
-Bronkhorst was haar plotseling voor den geest gekomen en dàt deed haar
-de volle uitgestrektheid van haar noodlot nog dieper beseffen.
-
-„Is het zóó erg?” vroeg Sarinah.
-
-„Och nèh! er is nu iemand met wien ik zou willen trouwen en die het mij
-zou willen.....”
-
-„En hij is niet arm?”
-
-„Neen zeker niet: hij is rijk; hij heeft een mooi huis; hij heeft ’n
-fraaie equipage en hij verdient wel twee of drie duizend in de maand.”
-
-„Jammer, dat hij getrouwd is.”
-
-Betsy vloog op als buskruit en gaf de oude met hare vlakke hand een
-klap op den schouder, die kort en hard door de kamer klonk, alsof zij
-had geslagen op een plank.
-
-„Je bent een brutaal, oud beest.”
-
-„Oeah!” haalde de oude languit. „Als hij rijk is en hij wil, waarom zou
-hij dan niet als hij kon?”
-
-„Hij kan niet,” bevestigde de jonge vrouw in haar moedeloosheid
-terugvallend; „hij kan niet! Het is waar, nèh, waarom zou ik het tegen
-jou niet zeggen? Ik heb niemand anders op de wereld en je bent ’n ouwe
-trouwe ziel.”
-
-Volkomen gewoon, dat er zoo met haar werd omgesprongen en dat zij in
-een minuut van een verworpeling een engel werd en omgekeerd, grijnsde
-Sarinah.
-
-„Het is niet noodig. Ik weet wel wie.”
-
-Half boos, half nieuwsgierig richtte Betsy zich op en stak haar
-gezicht, thans haast geheel onder het zwarte haar begraven, vooruit. En
-steunend op het vlak harer handen, zoodat haar lenige armen eenigszins
-naar binnen ombogen, zei ze driftig:
-
-„Ajo, zeg op, ajo!”
-
-„Als het meneer de notaris niet is, dan is het een ander.”
-
-„Masa!..... Oude heks!” zuchtte Betsy, en zij liet zich achterover in
-haar kussens vallen.
-
-Zoo lag ze een oogenblik stil, de oude bewonderend om haar slimheid;
-toen nam haar verdriet weer de overhand en plukkende aan den breeden
-gewerkten rand van het kussensloop, zei ze langzaam en droevig
-droomerig: „Ja, het is zoo, nèh! Nu zie je, dat ik de waarheid heb
-gesproken; er is niets aan te doen; het is weer mijn ongeluk. Hij zou
-mij trouwen, dat weet ik zeker, als die andere er niet tusschen zat.
-Wáárom moeten ze ook altijd die onhebbelijke totoks hierheen halen,
-alsof er hier geen vrouwen en meisjes genoeg zijn! Maar soedah! het is
-niet anders; ik moet er maar niet meer aan denken; er is toch niets aan
-te doen.”
-
-Er kwam een oogenblik pauze; wel een minuut. Betsy luisterde met
-kloppend hart of de oude niets zou zeggen, en deze, die uit het bed was
-gegaan omdat het pidjiten was afgeloopen, gleed steunend en grommend
-weer in haar lang blauw baadje; toen ze er in zat, en ze haar
-sarongband wat vaster had aangetrokken, kwam ze naar het bed terug, en
-met haar rimpelige handen steunend op den ijzeren rand van het
-ledikant, zag ze, knippend met haar doffe oogen, Betsy aan en zei:
-
-„Misschien!”
-
-Het kostte de jonge vrouw moeite haar bedaardheid te behouden. Zij had
-wel iets verwacht van dien aard, en haar geheele verzuchting was er op
-ingericht geweest om zoo iets uit te lokken, maar nu het kwam, viel het
-haar als een steen op het hart en werd ze weer bang voor de oude, net
-als ze dien avond geweest was toen ze haar twee gouden tientjes had
-gegeven om de natuur ’n handje te helpen. Maar ze hield zich goed en
-schokschouderde met minachting.
-
-„Je bent gek, nèh!”
-
-„Soedah! Als nonna het beter weet.”
-
-„Ik weet niets beter, en ik wil niet wijzer zijn dan een ander, maar ik
-geloof niet, dat het helpt, nèh!”
-
-„Als hij van u houdt, dan moet het helpen; de kleine menschen weten
-maar weinig, doch zij kennen de aarde van hun land en wat er op groeit
-beter dan de blanda’s, die er over heen rijden.”
-
-„Klets maar niet. Jullie bent toch maar allemaal dom volk! Vertel
-liever wat er moet gedaan worden; doch ik doe niets, hoor!”
-
-Langzaam richtte Sarinah zich op en scharrelde naar haar hoek, waar de
-mat lag op den vloer.
-
-„Als de nonna een klein kind is, dan ga ik mijn slendang halen, en dan
-heb ik niets gezegd.”
-
-Een oogenblik was zij met haarzelve in tweestrijd. Zij had veel gehoord
-over de werking van zekere inlandsche middelen, en zij geloofde er vast
-aan; maar ze had er nooit eenig gevolg van gezien of ondervonden; wie
-weet of het niet veel erger zou worden, dan zij dacht; of niet de
-resultaten ernstige onaangenaamheden na zich zouden sleepen. Doch wat
-deed het er toe? De prijs was den inzet waard; zij was er ten slotte
-persoonlijk buiten, als Sarinah het deed; er mocht dan van komen, wat
-er wilde.
-
-Ze stond op en ging naast de oude zitten op de mat, ook met haar beenen
-gekruist onder haar.
-
-„Wees niet kwaad, oudje,” zei ze vleiend. „Je weet wel dat nonna veel
-van je houdt.”
-
-Er kwam geen antwoord; Sarinah trok een gezicht alsof ze die verklaring
-van genegenheid maar half geloofde, en ze zuchtte, steunend en
-mompelend.
-
-„Kom, zeg het dan maar!”
-
-„Ik kan niets zeggen; ik weet er zelf maar weinig van.”
-
-„Wat praat je dan?” vroeg Betsy driftig.
-
-„Mijn zoon weet het.”
-
-„Je zoon? Welke? Die dikke, die laatst hier op het erf was en me zoo
-brutaal aankeek, dat ik hem een standje maakte?”
-
-„Ja, die. O, hij is niet verlegen voor Europeesche vrouwen. Ik weet,
-dat er een is, die dikwerf bij hem komt, en die als hij het wilde, bij
-hem aan huis zou komen wonen om geheel zijn vrouw te worden.”
-
-„Zoo’n slet!” viel Betsy uit, wier hoogheidsgevoel erg werd gekwetst
-door het denkbeeld, dat een Europeesch meisje zich niet ontzien zou de
-vrouw te worden van een Inlander.
-
-De oude stoorde zich aan dien uitval niet; zij haalde de schouders op,
-als wilde zij te kennen geven, dat het, volgens haar wijsbegeerte,
-alles sama djoega was.
-
-„En waarom komt ze dan niet heelemaal bij hem inwonen?”
-
-„Zij zou het doen, als het hier een groote stad was, waar de menschen
-niet zoo naar alles kunnen kijken. Het is hier maar klein; iedereen zou
-het weten; mijn zoon zou misschien onaangenaamheden krijgen met den
-resident, als die er zich mee mocht bemoeien.”
-
-„Hoe heet je zoon? Ik begrijp niet, dat ge nooit vroeger van hem hebt
-gesproken. Vóór we hier kwamen, wist ik niet dat hij bestond.”
-
-Grijnzend lachend, zoodat haar half geopende tandelooze mond, van
-binnen rood van het sirih-kauwen, een breede open wond geleek, zei ze:
-
-„Ik heb veel kinderen, van veel vaders. Er was een tijd, dat de oude
-Sarinah een mooie jonge vrouw was. Zij was nu eens hier, dan daar. Haar
-kinderen zijn over heel Java verspreid.”
-
-Langzaam knikte Betsy met het hoofd op en neer, terwijl ze met
-saamgeknepen lippen om niet te lachen, het oude monster bekeek.
-
-„Ja, ik geloof dat je een best merk bent geweest! Maar zeg me nu eens
-van dien zoon. Hoe heet hij, waar woont hij, en wanneer kan hij het aan
-je geven?”
-
-„Zijn naam is Ketjil.....”
-
-„Masa, zoo’n dikke kerel!”
-
-„Een naam is zoo goed als een andere. Hij woont naar het Zuiden.....
-vèr!.....”
-
-„Daar heb ik veel aan! Enfin, verder?”
-
-„Het duurt lang vóór hij kan geven, wat wij noodig hebben; hij moet er
-een groote reis voor doen; een reis naar den anderen kant van Java, in
-het Zuiden waar ook de zee is.”
-
-„Oeah!” riep Betsy, verbaasd over de noodzakelijke reis naar het
-Zuiderstrand, en half denkend dat de oude haar fopte: „Oeah! Jij zegt
-maar.”
-
-„Het is wezenlijk waar. En daarom kost het veel geld, heel veel.”
-
-’t Schrikte Betsy niet af. Als een Europeaan van „heel veel” geld zou
-gesproken hebben, ware het iets anders geweest; inlanders noemden ’n
-betrekkelijke kleinigheid al heel spoedig een schat. In elk geval
-meende zij te moeten tawarren.
-
-„Ik heb niet zooveel geld. Je weet heel goed, dat ik maar arm ben.”
-
-„Wat het kost, moet het kosten. Niemand kan er iets aan veranderen.”
-
-„Nu, hoeveel denk je?”
-
-„Zeker weet ik het niet. Misschien drie- of vierhonderd gulden;
-misschien minder.”
-
-„Masa, nèh, dat is veel, ja? En dan? Wat gebeurt er dan? Ik heb er wel
-’n heele boel van gehoord, maar ik heb het nooit gezien. Heb jij het
-wel eens gezien, nèh. Toe, vertel eens.”
-
-„Ik heb het gezien, maar ik kan het niet vertellen. Ik spreek er niet
-over; het is niet goed.”
-
-Betsy wist, dat als de oude er zoo over dacht, daartegen niets te doen
-viel. Zij drong er daarom niet verder op aan, hoe nieuwsgierig zij ook
-was.
-
-„Wanneer vraag je het Ketjil?”
-
-„Morgenochtend zal ik naar hem toegaan met een karretje. Als hij thuis
-is.....”
-
-„Je moet maar vroeg gaan, dan zal hij nog wel thuis wezen.”
-
-„Misschien. Ik zal vroeg gaan; het is nu tijd om te slapen.”
-
-Langzaam stond Betsy op en ging naar haar bed. ’t Was tegen wil en
-dank, want ze had nog wel veel meer willen weten; het zwijgen en het
-eindigen van het gesprek lieten haar geheel onvoldaan. Het eenige, wat
-ze nu wist, was, dat het haar ’n aardig duitje kosten zou. Voor de rest
-bleef ze zoowat even wijs. Maar dat schokte haar geloof en vertrouwen
-niet, en het denkbeeld, hoe vaag en betrekkelijk onbeslist, had haar
-zeer opgewonden en haar het bloed naar het hoofd doen stijgen; het
-hield haar bezig en voerde haar fantaisie tot de grootste
-buitensporigheden; onrustig wentelde zij zich van den eenen kant op den
-anderen, de oude meid benijdend, die rustig ronkte op haar mat.
-
-
-
-Prédier had het erg druk gehad. Hij was in den laatsten tijd zóó in de
-weer geweest met het bouwen van woningen en het in orde brengen van het
-terrein, dat er geen uur overschoot om aan de liefde te denken. Nu het
-er, zooals hij ’t noemde, een beetje op begon te lijken, kwam hem de
-kwaal weer plagen. Zoolang hij overdag aan het werk was, ging het, maar
-als hij ’s avonds in z’n eentje in de binnengalerij zat—want het land
-lag hoog en ’t was buiten koud—dacht hij aan de mooie oogen van de
-weduwe Den Ekster. Het was waar, dat op ’t partijtje bij de Vijzels
-Betsy minder stug tegen hem was geweest, dan zij wel scheen te willen,
-dat Bronkhorst dacht. Zijn eenigszins onbeholpen, maar goed gemeende
-hulde streelde haar, gelijk haast elke hulde elke vrouw. Ook was zij te
-verstandig om zonder noodzaak een niet kwade kans moedwillig geheel weg
-te werpen. Men kon nooit weten! Er was wellicht, zoo dat noodig moest
-zijn, op terug te komen.
-
-Hij had het aangenomen voor goede munt, en als zij hem eens bemoedigend
-toeknikte of een flauw glimlachje schonk, dan meende hij daaruit te
-mogen opmaken, dat hij haar niet geheel onverschillig was.
-
-En met die overtuiging was hij weer naar ’t gebergte getrokken, waar de
-frissche opwekkende lucht hem nog verliefder maakte dan hij was.
-Plannen had hij genoeg gemaakt, maar ’t kwam hem voor, dat er nogal
-bezwaren tegenover stonden. De hoofdzaak was of ze hem wilde hebben.
-Een positie had hij, meende hij, en zoo alleen te leven in „de
-wildernis” lachte hem allesbehalve toe. Daarom achtte Prédier zich
-genoopt een besluit te nemen. Meer man van actie dan van pikiren,
-besloot hij het „zaakje” maar spoedig af te doen, en toen hij zoover
-was, duurde het ook geen vier en twintig uren of hij zat, gelijk hij
-het noemde, in de warmte en onder de menschen.
-
-Bronkhorst zat op zijn kantoor en achter zijn schrijftafel, doch hij
-werkte niet. Hij keek in gedachten recht voor zich uit in de donkere
-open vakjes van een oude, stoffige kast, waarin het binnenvallend licht
-driehoeken teekende. Niet als naar gewoonte kraste zijn pen de minute
-eener akte of het concept van een overeenkomst; hij had haar wel in de
-hand en een boek groot formaat Hollandsch schrijf voor hem op de tafel,
-maar de eene minuut ging na de andere voorbij, zonder dat zijn
-gewoonlijk zoo vlugge hand over ’t papier schoof. Zijn gedachten
-dwaalden af als die van een jongen van twintig, absent soms, verstrooid
-dikwerf, als moeder natuur hem op ongelegen oogenblikken in het ootje
-neemt.
-
-Nu hield de notaris zich niet bezig met kantoorzaken. Hij dacht aan de
-avondjes van den laatsten tijd, aan Betsy en aan muziek; hij voelde
-iets jeugdigs in zich, dat hem goed deed, waarin hij geen kwaad zag, en
-waaraan hij dacht met genoegen, zich verdiepend in allerlei
-bijzonderheden, verwijlend bij een gesproken woord, een uitroep of een
-lach; zich verbazend, dat hij het alles zoo goed had onthouden en het
-hem voor den geest stond, als zag en hoorde hij het nog.
-
-Een luide tred op het galerijtje leidde hem af en machinaal schreef hij
-op ’t blanke papier: „Op heden, enz.”
-
-„Zoo jongelui, hoe maken jullie het? Goed. Nu, dat doet me pleizier! je
-ziet er anders wel ’n beetje pips uit, zeker van de warmte hè? Jullie
-moet eens aan je baas ’n week of wat verlof vragen en bij mij boven ’n
-kouden neus komen halen.... A propos, is de notaris binnen?.... Ja? Dan
-loop ik even binnen.”
-
-Twee harde tikken met zijn knokkels tegen het scheidend schutsel en een
-seconde later stond Prédier voor Bronkhorst, die juist de eerste
-letters schreef van den voornaam van den persoon, die naar het heette
-op dat moment voor hem „compareerde,” of, gelijk een geest, voor hem
-„verscheen.”
-
-„Goeden morgen! Hoe gaat het? Druk? Weer veel duiten aan het verdienen?
-Hoe is het thuis? Mevrouw wel? Kleintjes ook? Verdomd, wat is het hier
-warm, zeg!”
-
-„Houd je kalm,” zei Bronkhorst, verwonderd over het onverwacht bezoek.
-„Ga er bij zitten en steek een sigaar op.”
-
-„Heel graag. Sepada, kasi api! O, heb je hier lucifers? Neen, dan hoeft
-het niet. Tida oessah. Pff! Als je me nu nog ’n potje bier geeft.....”
-
-„Je kunt straks naar m’n huis gaan en drinken er ’n dozijn bier; op ’t
-kantoor, dat weet je, heb ik niets. Er wordt nooit iets gebruikt.....”
-
-„Nu, het doet er niet toe. Water dan maar. Ik heb een dorst als ’n
-paard.”
-
-„En hoe kom je zoo hier in de buurt?”
-
-„Ja, zie je..... Enfin..... ikke..... ikke..... ik had iets, waarover
-ikke..... Ik had je wel eens iets willen vragen.”
-
-„Nu, geneer je niet. Je bent waarlijk anders niet bloo.”
-
-„Neen, daar behoeft ook geen quaestie van te zijn. Enfin, zie je.....
-ik zal het je maar in eens zeggen..... Ikke..... Het is vervloekt
-vervelend zoo altijd alleen op het land. Ik moet een vrouw hebben, en
-ik heb wel zin in die mevrouw Den Ekster.”
-
-De notaris keek weer recht in de vakjes van de oude kast. Hij
-glimlachte als te voren, maar niet vergenoegd.
-
-„Zóó,” zei hij op ironischen toon, „zóó,” en een klemtoon van
-spotternij leggend op elk woord, vervolgde hij: „heb je wel zin in die
-mevrouw Den Ekster,”—alsof hij door die herhaling wilde zeggen: Wat
-verbeeldt gij je wel, met je oogen tot dat schepseltje op te slaan?
-
-Prédier voelde wel ’n beetje, wat in dien nadruk lag, maar hij begreep
-het verkeerd.
-
-„Waarom zeg je dat op ’n manier alsof het iets bijzonders was?” vroeg
-hij geraakt. „Ze heeft voor zoover ik weet geen cent geld, en wat ze
-bij mij kan krijgen is dubbel en dwars weelde, vergeleken bij wat ze nu
-heeft en wat ze had toen haar eerste man leefde.”
-
-„O, neen,” gaf Bronkhorst toe, sprekende als iemand die aan iets anders
-denkt, „geld heeft ze volstrekt niet.”
-
-„Wel, dan zie ik ook niet in.....”
-
-Bronkhorst wendde het gelaat naar hem toe en zei snel:
-
-„Dus je gelooft, dat het heelemaal ’n quaestie van geld is; dat er
-niets anders bij ter sprake komt, dan de beurs of wel ’n zeker
-traktement per maand?”
-
-„Neen, niet heelemaal, maar toch zal dat voor een vrouw wel het
-voornaamste wezen. Wat drommel, men kan niet leven van den wind.”
-
-„En verder....?”
-
-„Wat verder?”
-
-„Ik bedoel wederzijdsche genegenheid, beantwoorde liefde, als je die
-uitdrukking beter bevalt,—enfin, datgene, wat onder Europeanen toch
-altijd wordt beschouwd als het criterium van ’t huwelijksgeluk, ’t zij
-men het adoratie of teelkeus noemt?”
-
-„Ja..... ik vind, dat een man verliefd moet wezen, als hij er toe
-overgaat een vrouw te vragen; dàt nu wel; ik begrijp ook niet, dat hij
-het anders doen zou, tenzij om het geld, en daarvan is hier geen
-sprake. Wat ’n vrouw betreft,—ja, zie je, die moet iemand willen
-hebben, en of er dan verliefdheid of niet bij in het spel komt..... dat
-is van later zorg; ik geloof dat het al doende wel leert, en ik heb ook
-altijd gehoord, dat het voor ’n man voldoende is, als hij er maar ’n
-beetje beter uitziet dan ’n aap.”
-
-„’t Is een eigenaardige opvatting, dat is zeker. Misschien is er iets
-waars in en zou men nog verder kunnen gaan.”
-
-„Hoe dan?” vroeg Prédier nieuwsgierig.
-
-„Och, als men soms ziet hoe aapachtig verliefde mannen zich aanstellen,
-kan men er toe komen, te gelooven, dat het „beetje beter” er ook wel af
-kan.”
-
-„Verdomd!” riep Prédier, met z’n zware hand op de tafel slaande. „Als
-ik niet wist, dat je het goed meende, zou ik denken, dat het je te doen
-was om hatelijkheden te tappen. Je hebt ’n rare manier om iemand in
-zulke dingen ’n goeien raad te geven.”
-
-Een oogenblik dacht Bronkhorst na, den rook zijner sigaar opzuigend en
-in korte zetjes uitblazend door den neus, en daarna diezelfde sigaar
-ernstig beschouwend, alsof het een bron was van Salomonische wijsheid.
-
-„Je hebt gelijk,” gaf hij toe, zijn gewone notarismanier van spreken
-hernemend; „het is ook zoo’n vreemdsoortig advies, dat je me vraagt, en
-zulk een buitengewoon onderwerp. In ernst Prédier, ik raad je dezen
-stap af; in gemoede ontraad ik je hem. Kijk eens, ’t huwelijk is iets,
-dat, vooral hier in Indië, vaak lichtvaardig wordt opgevat bij het
-aangaan, maar let eens op, waartoe dat dikwerf leidt! Er wordt te
-weinig overwogen, dat het een overeenkomst is, die niet tot
-wederopzeggens, maar voor het leven wordt gesloten, althans behoort
-gesloten te worden. Men let op familie, op geld, op het uiterlijk, op
-een positie, op momenteele opwelling van genegenheid of begeerte, maar
-men verwaarloost het eenige, dat het huwelijk duurzaam, goed en
-gelukkig kan maken.”
-
-Prédier had met een ruk zijn stoel dichterbij geschoven; hij was nu ook
-ernstig geworden, maar het was aan zijn gezicht te zien, dat hij
-volstrekt niet begreep, waartoe deze nieuwe wending moest voeren.
-
-„En wat is dat dan?” vroeg hij verbaasd.
-
-„Het is zekere overeenkomst in karakter, neigingen en levensvormen; een
-overeenkomst, die althans zóóver dient te gaan, dat ze
-onvereenigbaarheid uitsluit. Oppervlakkige Fransche schrijvers zeggen:
-l’amour vit de contrastes, en oppervlakkige Hollanders zeggen dat na.
-Voor de liefde op z’n Fransch of op z’n..... Mahomedaansch wil ik dat
-aannemen, maar in onze Europeesche maatschappij en in onze burgerlijke
-kringen is het een leugen.”
-
-„Dus, als ik je goed begrijp, wil je zeggen: jij deugt niet voor haar,
-of zij niet voor jou, of jullie niet voor elkaar?....”
-
-„Juist,” bevestigde Bronkhorst met warmte, en hij voegde er bij met
-iets oudere broerachtigs in toon en manieren: „ik mag je te graag en
-Betsy ook, om jullie blindelings in het ongeluk te zien loopen. En ik
-houd me overtuigd, dat het zoo wezen zou, want jullie bent, ieder voor
-zich, uitstekende menschen, maar je hoort niet bij elkaar. Ik weet nu
-niet met juistheid te bepalen, waar het groote, het algemeene verschil
-ligt; zulke definitiën zijn ontzaglijk moeielijk, maar ik zie duidelijk
-de algemeene onvereenigbaarheid, waarvan ik zooeven sprak.”
-
-„Ik niet,” zei Prédier leuk. „Ik vind wel, dat je van ochtend gruwelijk
-zwaar op de hand bent. Je stelt me het huwelijk voor als een geweldige
-corvée. ’t Is jandorie of man en vrouw tegenover elkaar staan als twee
-vijandige partijen. Als ik zoo alles naga, zou ik denken, dat je zelf
-toch andere ondervinding van het huwelijk hebt.”
-
-„Enfin, je schijnt me niet te begrijpen, en het is heel moeilijk,
-zooals ik zei, om me er verder over uit te laten of in bijzonderheden
-te treden bijwijze van vergelijking. Bovendien,” voegde hij er koel
-bij, „is het ook niet noodig. Want je zei wel, dat je m’n raad kwam
-vragen, maar ik weet ongeveer, wat dat bij zulke gelegenheden beduidt;
-men volgt dan alleen den raad op, die strookt met eigen plannen.”
-
-Prédier lachte op zijn luide, krakende manier, zooals hij sprak, gewoon
-als hij was meest altijd te lachen en te spreken buiten in de open
-lucht.
-
-„Nu, notaris, die zet is u. Ik geloof waarachtig, dat je gelijk hebt.
-Men kan het probeeren, en ik zal het probeeren. Ziedaar! Maar nu zal ik
-je niet langer van ’t werk houden en eerst eens ’n praatje gaan maken
-bij mevrouw.”
-
-„Doe dat. Vraag je haar ook om raad?”
-
-„Nu, dat kon wel wezen.”
-
-„Misschien dat haar advies beter klopt met je eigen wenschen, dan het
-mijne. Maar geloof me, Prédier, denk nog eens ernstig na. Het is zulk
-een gewichtige stap, kerel! Beter ten halve gekeerd.....”
-
-„Dan ten heele gedwaald, dat weet ik. Maar je zult me niet kwalijk
-nemen, als ik denk dat in zulke zaken zoo’n goede, verstandige dame als
-mevrouw Bronkhorst een opinie heeft, die tegen elke andere kan
-opwegen.”
-
-Bronkhorst gaf er geen antwoord op; hij knikte slechts eenige malen
-langzaam met het hoofd.
-
-„Blijf je ’n dag of wat?”
-
-„Tot overmorgen; vóór dien tijd kom ik je zeggen hoe het is afgeloopen.
-Tot ziens!”
-
-Met de linkerhand onder het voorhoofd en den pennenhouder in de
-rechter, bleef Bronkhorst voor zijn schrijftafel zitten. Maar hij kwam
-niet verder dan den voornaam van dien op dat moment verwenschten
-eersten comparant. Het lag hem zwaar op het hart, dat bezoek van
-Prédier; het stemde hem onaangenaam en verdrietig; hij kon het niet van
-zich zetten om rustig, als vroeger, zijn minute te concipiëeren.
-Herhaaldelijk zuchtte hij, zonder dat hij het wist of opmerkte; ’t was
-een stemming gelijk aan het voorgevoel van een ongeluk.
-
-Hij hoorde aan den anderen kant van het schutsel den Inlandschen
-brievenbesteller zich aankondigen met zijn luid: pos, toean! en een
-oogenblik later lei een klerk de brieven en couranten bij hem neer.
-Werktuiglijk schoof hij ze uiteen met den vinger; een gedrukt adres
-boven het zijne—dàt van den afzender—trok zijn aandacht; hij schoof de
-enveloppe tusschen de andere uit en opende dien brief het eerst. Onder
-het lezen trokken zijn wenkbrauwen samen en plooiden zijn lippen zich
-tot een uitdrukking van ontevredenheid. Die tijding viel hem tegen: hij
-moest dadelijk voor een dringende zaak op reis!
-
-Het gebeurde wel meer, en zulke reisjes legden hem in het algemeen geen
-windeieren. Ook ontstemde het hem anders volstrekt niet. Integendeel,
-hij ging er gaarne eens ’n paar dagen „uit” op die manier; op zijn
-candidaat kon hij vertrouwen. Waarom kwam het hem dan nu zoo te onpas?
-Zelfs voelde hij, dat een antwoord op die vraag hem moeilijk zou
-vallen; toornig kneep hij de gescheurde enveloppe samen tot een
-balletje, smeet het in de snippermand, en zei bij zichzelven, met een
-kleur op het gezicht en een heftigen draai met zijn schroefstoel: „Laat
-ze trouwen, wat kan het mij ook....”
-
-Hij regelde het werk, sloot zijn laden, en ging naar huis, om
-postpaarden te laten bestellen, en zijn vrouw te zeggen, dat hij nog
-dien dag op reis moest; ze kon dan zijn koffers gereed maken, wat ze
-zooveel beter deed dan hijzelf. Zijn boos humeur kreeg weer de
-overhand, toen hij Marie vertrouwelijk zag zitten praten met Prédier en
-aan diens gezicht wel bespeurde, dat hij van haar een anderen raad had
-gekregen. Met opzet ging hij het huis om en de achtergalerij binnen;
-maar zijn vrouw had hem gezien, liet Prédier ’n oogenblik bij zijn
-bittertje en zijn sigaar alleen, en kwam naar achter.
-
-„Vent, wat ben je vroeg; het eten is nog niet klaar.”
-
-Hij vertelde haar, dat hij uit moest en waarheen.
-
-„Ik zal je boel straks in orde maken,” zei ze, „maar je weet wat
-Prédier komt doen, hé? Hij heeft je er al over gesproken.”
-
-„Ja,” antwoordde hij op onverschilligen toon, „ik heb het hem ernstig
-afgeraden.”
-
-„Nu, ik niet; integendeel, ik hoop voor beiden, dat het zal gelukken.
-Zij kan niet altijd ten laste blijven van haar oom en tante, en voor
-hem is het geen leven, zoo alleen in het binnenland. Jij vindt nu, dat
-ze niet bij elkaar komen, en daar is iets van aan; doch dan moet van
-beide kanten maar wat geschikt en toegegeven worden, dat moet toch
-altijd gebeuren, en het is dus alleen een zaak van meer of minder.”
-
-„Laat ze trouwen! Wat raakt het mij! Als zij zich in het ongeluk willen
-storten, is het hun zaak.”
-
-„Neen, vent, maar dàt is toch wat al te gek. Waarom zouden zij nu juist
-ongelukkig moeten zijn met elkaar? Hij is, alles bijeengenomen, een
-beetje ruw en onbeholpen, maar ik geloof zeker dat hij een goed man
-is.”
-
-„O, ja.”
-
-„En Betsy kan wel eens wat coquet, nuffig of lichtgeraakt wezen, maar
-ze is verstandig genoeg.”
-
-„Zeker.”
-
-„Welnu, dan zie ik ook niet in, waarom je er zoo pessimistisch over
-hoeft te denken. Als ik niet wezenlijk dacht goed te doen, dan zou ik
-Prédier niet beloofd hebben....”
-
-„Wat heb je hem beloofd,” viel hij driftig uit.
-
-„Wel,” zei z’n vrouw verbaasd, „ik zal Betsy eens polsen en een goed
-woordje voor hem doen.”
-
-Met moeite bedwong Bronkhorst zijn toorn, maar het gelukte hem toch.
-
-„Marie,” zei hij, uiterlijk zeer bedaard, „je zult me een groot
-genoegen doen, door je daar geheel buiten te houden. Vooreerst vind ik
-zoo’n soort van „aankoppelen” afschuwelijk, maar in dit bijzonder geval
-is het dubbel, want ik ben overtuigd, dat het voor allebei op een zeer
-ongelukkig huwelijk zal uitloopen.”
-
-Zij was een goede vrouw, en ze deed gaarne wat haar man wenschte, maar
-van haar opinie deed ze geen afstand.
-
-„Goed,” antwoordde ze ’n beetje geraakt, „als je er zóóveel op tegen
-hebt, dan zal ik dat aan Prédier zeggen. Maar ik ben het niet met je
-eens, volstrekt niet, en ik hoop van harte, dat Betsy, ook zonder mij,
-verstandig genoeg zal wezen, haar belang te begrijpen.”
-
-Toen ze samen naar voren gingen, vertelde zij Prédier, dat haar man
-niet wilde, dat zij er zich mee zou bemoeien.
-
-„Je begrijpt wel,” voegde Bronkhorst er bij, „dat ik uitsluitend en
-alleen jou belang en dat van mevrouw Den Ekster op het oog heb, en het
-volstrekt niet te doen is om je in iets te dwarsboomen. Misschien stelt
-de toekomst me in het ongelijk; ik hoop het van harte; maar ik ben nu
-eenmaal van meening, dat het met jullie niet goed zal zijn, en daarom
-mogen noch mijn vrouw, noch ik er toe medewerken.”
-
-Op dat oogenblik geloofde Bronkhorst zelf, dat hij meende, wat hij zei,
-en daardoor was er zekere kracht van overtuiging gekomen in den toon
-zijner stem. Voor Marie stond het ook muurvast, dat haar man slechts
-sprak uit overtuiging, ofschoon ze het erg onaangenaam vond, en
-Prédier, die evenmin de bedoeling wantrouwde, vond het zóó, dat hij
-toch maar liever zou zijn heengegaan om te rijsttafelen in het hotel.
-Doch zijn relatie met den notaris was van dien aard, dat de goede
-verhouding in het belang der zaken bewaard moest blijven.
-
-„Enfin,” zei hij met een gedwongen lach, „dan zal ik maar op mijn eigen
-gelegenheid mijn fortuin beproeven. Ik hoop alleen dat je me niet zult
-tegenwerken.”
-
-„Dat in geen geval,” verklaarde mevrouw.
-
-„Volstrekt niet,” zei ook Bronkhorst. „Ik zou het zelfs niet kunnen,
-want ik ga van middag op reis.”
-
-Ze spraken dáárover voort, blij dat het nu voor allen minder aangename
-onderwerp van het tapijt was, en daar elk hunner om zeer uiteenloopende
-redenen en met geheel verschillende gevoelens ’t mogelijke deed om het
-gesprek te doen vlotten, lukte dat aan tafel ook vrij wel.
-
-Toen, na de rijsttafel, Prédier, die toch eenige haast scheen te
-hebben, naar zijn logement was gegaan, en Marie bezig was met hare
-gewone zorgvuldigheid den reiskoffer te pakken, ging Bronkhorst nog
-even naar zijn kantoor, en van daar liep hij dwars het voorerf over om
-de Borne’s goeden dag te zeggen. Het was anders zijn gewoonte niet, als
-hij voor ’n paar dagen op reis ging, van zijn buren afscheid te nemen;
-bovendien kon hij er veelal op rekenen, dat op dit uur van den namiddag
-de kapitein en diens vrouw rustig hun siësta namen, terwijl deuren en
-vensters aan de voorzijde van het huis gesloten waren. Met het oog op
-dit laatste, ging hij het achtererf op, nu en dan onwillekeurig naar
-zijn eigen huis glurend om te zien of Marie soms uit een der vensters
-keek, maar die keek alleen in de legkast en in den koffer.
-
-In de achtergalerij der Borne’s vond hij, wat men daar elken dag kon
-vinden op dezen tijd: Betsy aan een handwerkje in een wipstoel, en de
-naaister met Sarinah aan den anderen kant op een matje. Alles rustig en
-stil. Toen Bronkhorst de trap opkwam, keek de groote hond even op, maar
-dommelde, den goeden bekende ziende, dadelijk weer in.
-
-„Ik kom even goeden-dag zeggen. Slapen de luitjes?”
-
-„Ja. Gaat u op reis?”
-
-„Voor ’n paar dagen maar; voor zaken.”
-
-„Ga even zitten.”
-
-„Ik heb weinig tijd; ik kon niet nalaten te komen, om u nog eens te
-zien.”
-
-„Mij nog eens te zien?” herhaalde ze met groote oogen vol verwondering.
-
-„Zeker! Er zijn zulke geweldige kapers op de kust, en die hebben zoo’n
-haast.....”
-
-„Maak nu geen gekheid. Wat bedoel je?”
-
-„Alsof je dat niet weten zoudt!”
-
-„Ik weet heusch van niets.”
-
-„Nu, dan zal ik het je vertellen. Je wordt vandaag of morgen ten
-huwelijk.....”
-
-„Prédier!”
-
-„Ziedaar nu! Heb ik niet gezegd, dat ik niets nieuws kwam vertellen!
-Nauwelijks rep ik van een huwelijksaanvraag of de candidaat wordt
-genoemd. Ik wist wel dat hij de verwachte was.”
-
-„De verwachte!” herhaalde ze met minachting, en het was hem als lag er
-iets verwijtends in haar blik. „Ik begreep wel, dat, zoo ik door iemand
-spoedig gevraagd zou worden, het door hem zou zijn.”
-
-„En..... zal hij de gelukkige wezen?”
-
-„Zeker.”
-
-Met saamgeknepen lippen hief Bronkhorst het hoofd op en zag haar aan;
-zij zag dat het hem hinderde en dat deed haar een innig genoegen; zij
-had zijn trekken zien veranderen, en een sombere uitdrukking over zijn
-gezicht zien komen. Met de voorarmen op de tafel leunend, keek ze hem
-eenigszins spottend, maar toch erg lief in ’t gezicht.
-
-„Dan heb ik u nog slechts te feliciteeren.”
-
-„Mij? Waarom mij? Feliciteer den armen, akeligen Prédier, dien ik naar
-zijn land in eenzaamheid terugstuur; ik kan hem, daarvan ben ik
-overtuigd, niet wezenlijk gelukkiger maken; het tegendeel verbeeldt hij
-zich maar.”
-
-„Is dat nu ernst of scherts?”
-
-„Het is ernst..... Een man als Prédier!..... Stel je zoo iets voor!”
-
-Bronkhorst stond op en reikte haar de hand.
-
-„Dus..... tot over een paar dagen.”
-
-„Zeker! Au revoir!”
-
-Hij vroeg zichzelven geen verklaring van het feit, dat, toen hij
-heenging, ’t hem was of hij van een zwaren last was ontheven; hij dacht
-in ’t geheel niet na, maar liep vlug naar huis, waar Marie in het zweet
-haars aanschijns zijn goed had gepakt, terwijl een bediende nu bezig
-was met kracht de riemen aan te halen van den overgevulden koffer.
-
-„Komaan, is het al klaar?” vroeg hij opgeruimd.
-
-„Ja; ik heb er twee paar sloffen ingedaan; een paar gewone voor het
-baden, denk er nu om, anders zijn de andere dadelijk stuk. En van je
-overhemden.....”
-
-„Soedah!” riep hij met een afwerend gebaar. „Ik vertrouw je best; het
-zal wel alles uitstekend in orde zijn.” Hij was immers volstrekt niet
-in een stemming om over sloffen en overhemden te spreken! Hij was erg
-verstrooid, vergat eerst zijn sigarenkoker, daarna zijn zakdoek en ten
-slotte zijn vrouw.
-
-„Nu, bonjour!” zei ze met bijzonderen nadruk, toen hij uit de
-voorgalerij naar beneden wilde gaan, waar het rijtuig wachtte.
-
-Snel en half verlegen keerde hij zich om en kuste haar.
-
-Dienzelfden avond zat Prédier in zijn kamer in ’t hotel. Nog nooit had
-hij het zóó warm gehad. Van een mondeling aanzoek had hij afgezien,
-daar hij vreesde bij die gelegenheid een figuur te maken, dat niet in
-zijn voordeel was. Schriftelijk zou hij het behandelen; hij vond, dat
-het veel gemakkelijker was op het papier te zeggen, wat men meende of
-dacht. Maar toen hij voor de eenigszins wankele ronde tafel zat, en
-alreeds eenige velletjes postpapier had verscheurd, omdat de aanhef hem
-niet beviel, werd ook dat gemak hem uiterst twijfelachtig. Hij had
-reeds zijn kabaja uitgetrokken en naar het schutsel gesmeten, en zat nu
-min of meer in badkostuum zich toe te wuiven met een kleinen papieren
-waaier, dien hij bij ’n Chinees had gekocht voor ’n dubbeltje. Hij
-wierp de schuld op de temperatuur. Als hij maar in ’t gebergte was, dan
-zou het heel anders gaan, meende hij. Hier op zoo’n verwenschte
-kustplaats met een voortdurenden thermometerstand van omstreeks 85
-graden Fahrenheit, kon iemand zijn gedachten voor zulk een gewichtig
-werk niet verzamelen. En hij had toch zoo gruwelijk het land aan dat
-boek, dat hij voorzichtigheidshalve had meegenomen, en, bij het
-afnemend daglicht, een oranjegeel langwerpig vierkant vlak op de
-djatihouten tafel vormde, waarover dwars met groote zwarte letters „De
-Nederlandsche briefsteller” gedrukt stond!
-
-
-
-Onder het hardop voorlezen van den brief, knikten de dames Borne en
-Bronkhorst herhaaldelijk goedkeurend met het hoofd. Dat was, vonden
-zij, degelijke, gezonde taal; de vorm fatsoenlijk en net. En ze lett’en
-er volstrekt niet op, dat de kapitein op zijn stoel verwonderlijke
-grimassen zat te maken, tot ze verschrikt opzagen, toen hij, aan het
-eind van het epistel, brullend van het lachen opstond en naar zijn
-kamer liep.
-
-Nu in ’t geheel niet meer wetend, wat dat alles beduidde, keken ze
-elkaar een oogenblik verbluft aan.
-
-„Ik wil er meer van weten,” riep Betsy. „Daar zit iets achter; ik moet
-er het mijne van hebben.” En zij liep den kapitein na; zij vond hem in
-zijn kamer nog gierend van het lachen.
-
-„Wat is er oom? Toe zeg het nou?”
-
-„Neen, Bets, houd je stil, kind.... Het gaat al over.... Zeggen, doe ik
-niets..... Ik kan ’t me zoo levendig voorstellen, weet je?” En hij
-lachte weer.
-
-„Toe, oompje?” vleide ze, met haar arm om zijn hals. „Toe, zeg het mij,
-ja? Ik moet het immers weten.”
-
-Hij weigerde nog een oogenblik, maar kon het niet volhouden, en nam uit
-zijn boekenkast een oranjegeel deel; keek even in den bladwijzer, sloeg
-het daarna open en hield het haar voor:
-
-
- „Hooggeachte vriendin!
-
- „Daar de oogen.....”
-
-
-Haar eigen oogen gingen wijd open en ze keek kapitein Borne aan met een
-blik vol ontzetting. Ze rukte hem het boek uit de hand en vloog er mee
-naar achter, onder het loopen roepend: „Zoo’n ellendeling, zoo’n
-stommerik, zoo’n koerang adjar! Tante.... mevrouw Bronkhorst.... Zoo’n
-vent schrijft me een brief uit een boek!”
-
-En ze wierp het arme dikke deel op tafel, alsof al de bladen uit het
-omslag moesten springen.
-
-De eerste indruk der beide dames was mede die van verontwaardiging.
-Doch spoedig lachte men hartelijk om het dwaze geval, en niemand dacht
-er meer aan den man, die zich belachelijk had gemaakt, als
-huwelijks-candidaat in bescherming te nemen. Maar tante Borne was
-wantrouwend.
-
-„Hoe wist jij zoo precies, dat het een brief was uit een boek?” vroeg
-ze haar man.
-
-„Och,” zei hij, „we hebben indertijd met datzelfde ding eens ’n
-aardigheid gehad.”
-
-„En we zullen er nog een aardigheid mee hebben,” verzekerde Betsy, die
-haar schrijfgereedschap had gehaald, lachend, maar toch zenuwachtig, ’n
-beetje heftig.
-
-Het boek voor haar leggend, schreef ze:
-
-
- Brievenboek van L. F. Geerling.
- bladzijde 217.
- 232. Antwoord.
-
- Geachte vriend,
-
- Uw aanzoek, geachte vriend! is van zulk een gewicht, dat het mij
- niet mogelijk is, daarop aanstonds een bepaald antwoord te geven.
- Mijn eerste echtverbintenis heeft mij reden gegeven om met
- omzichtigheid te handelen en mij voor een tweede overhaasting te
- wachten. Vergun mij derhalve ZEVENTIG JAREN om mij te bedenken, te
- raadplegen en mijn hart te onderzoeken.—Kom dan na verloop van
- dezen korten tijd, en vereer mij weder met een bezoek: ik zal u dan
- in persoon mijn gedachten mededeelen, en over onderscheiden punten,
- die ik aan het papier niet toevertrouw, met u spreken.
-
- Uw hoogachtende vriendin
-
- Wed. Den Ekster.
-
-
-Prédier kwam net van tafel in het hotel, toen een bediende hem het
-antwoord op zijn brief overreikte. Veel had hij verwacht, maar dat
-niet. Het was verpletterend! Binnen vier en twintig uren zou hij de
-risée wezen van het plaatsje! Zijn liefdegloed doofde bij die gedachte
-aanmerkelijk, en dienzelfden avond nog vertrok hij.
-
-„Zoo’n hatelijk schepsel,” dacht hij onder het rammelen der wielen over
-de rolsteenen, „Bronkhorst had nog gelijk!”
-
-Bij het heengaan van den notaris had Sarinah haar meesteres even
-aangezien, en haar een stillen wenk gegeven. Toen ze beiden in de kamer
-waren, vroeg Betsy:
-
-„Wat is het, nèh?”
-
-„Het zal gelukken.”
-
-„Hoe weet je dat?”
-
-„Ik heb het aan zijn gezicht gezien en aan zijn stem gehoord.”
-
-„Wat zag je en hoorde je?”
-
-„Wat noodig is. Ketjil zal mij niet bedriegen. Het helpt niet, zegt
-hij, als er niet een beetje lust is bij den man, en veel verlangen bij
-de vrouw. Maar als die er zijn dan helpt het. Ik heb ze allebei gezien
-en gehoord.”
-
-„Maar hoever gaat het, nèh? Je begrijpt toch wel, oudje, dat ik mijn
-geld niet kan weggooien. Er is nog iemand, die me trouwen wil, en die
-vrij is. Als ik dezen nu afwijs, en ik kan hem toch niet krijgen!”
-
-„De nonna zal hem kunnen trouwen. Hij zal naar haar toe worden
-gedreven; hij zal alles doen om haar te krijgen; hij zal zich niet
-storen aan de menschen; hij zal als het moet alles geven; hij zal zijn
-kinderen verwaarloozen en zijn vrouw verstooten en van haar scheiden,
-alles, alles..... alles!”
-
-De oude sprak met een profetische begeestering, die Betsy deed
-huiveren.
-
-„Maar, dàt,” vervolgde Sarinah, „behoef ik de nonna wel niet te zeggen:
-niets vóór den tijd, NIETS!”
-
-Zij schudde het hoofd. Neen, dàt wist zij waarlijk ook wel! Maar welk
-een ontzaglijke bron van soesah! Welk een veld vol hindernissen! Een
-oogenblik dacht ze aan terugkeeren, maar zij wierp dat idée spoedig vèr
-weg. Geen lafhartigheid! Zij had a gezegd, ze zou ook b zeggen.
-
-„Hij is uit,” zei ze.
-
-„Ik weet het wel; ik heb immers gehoord, dat hij voor een paar dagen op
-reis moet,” antwoordde Sarinah. „Het is niets. Wij kunnen wachten.”
-
-„Wachten..... ja!.... Ik had anders maar graag, dat het wat gauw ging.”
-
-„Niet haasten! Langzaam is goed; wat haast deugt niet.”
-
-De oude ging al pratende en steunende naar de toilettafel, nam er den
-bedaq-pot af en wierp den inhoud op een stuk papier, dat ze eerst op
-den grond had uitgestreken.
-
-„Wat doe je, nèh?” vroeg Betsy zich van den domme houdend. Ze wist wel
-wat dàt beduidde; zóóveel had ze er vroeger wel van gehoord.
-
-„Niets,” antwoordde Sarinah met haar schorren lach. „Ik doe niets,” en
-intusschen haalde zij uit haar trommel een grooteren pot en stortte een
-deel daarvan in dien van haar nonna over.
-
-„Dat hoort er bij, hè?”
-
-„Ja. Er is veel dat er bij hoort; men moet toch beginnen.”
-
-„Het stinkt immers niet? Laat me eens ruiken!”
-
-„Ruik het,” zei Sarinah, haar ’t potje overreikend.
-
-Betsy bekeek het glimlachend en met groote nieuwsgierigheid. Er was
-niets bijzonders aan te zien. Misschien was de nieuwe bedaq iets minder
-wit dan haar eigene, en zeker was het, dat er een andere geur aan was,
-een eigenaardige zoete bloesemgeur, die niet bijzonder treft, maar
-welke men zich toch weer dadelijk herinnert, als men hem eens heeft
-geroken; doch stinken deed de bedaq niet.
-
-„Deze moet bepaald worden gebruikt,” zeide de oude eenigszins ongerust.
-„Nonna moet nu niets veranderen en niets vergeten. Men moet het goed
-willen en goed doen.”
-
-„Wees niet bang, nèh! Ik vind het erg aardig en ook wel ’n beetje gek,
-zie je. Maar ik zal doen, wat jij zegt, al is het nog honderdmaal
-gekker.”
-
-Ontevreden schudde Sarinah het hoofd.
-
-„Er is niets geks aan.”
-
-„Neen, wees nu maar niet knorrig. Ik vond het enkel maar raar, dat die
-bedaq.....”
-
-„Het hoort er bij,” herhaalde de meid stijfhoofdig, „anders zeg ik
-niets: het hoort er bij.”
-
-„Goed, goed! Zeg nu maar gauw. Is er nog iets?”
-
-„Is er nog iets!—is er nog iets?” herhaalde de oude, nu bepaald boos.
-„Als het zoo gaat, moet er maar niets van komen. Het is geen werk voor
-kinderen, die maar willen lachen; die bij elk klein gedeelte, dat er
-bij hoort, vragen: is het dit, of is het dàt, of: is er nog iets? Op
-die wijze gaat het niet.”
-
-„Nu, oudje, wees niet boos, ja? Zóó meende ik het niet. Ik bedoelde
-enkel of je nu nog wat voor me hebt.”
-
-Mopperend en als met tegenzin dook Sarinah weer in haar groote
-vierkante trommel, groen geverfd met breede, roode randen, waarin zij
-haar schatten, geheimen en prullen bewaarde. Zij haalde er een fleschje
-uit, een dier dikke stukken glas met een inhoudsruimte als een
-pijpesteeltje, waarin oliën voor geneesmiddelen en reukwerken worden
-bewaard en verkocht.—Voor zij ’t haar gaf, keek de meid eerst haar
-meesteres nog eens aan om te zien of zij er nog den gek mee stak, maar
-het gezicht van Betsy stond zeer ernstig, en zij bekeek het fleschje
-met belangstelling. Zij begreep volkomen wat ook dit moest beteekenen,
-maar zij had onwillekeurig tot regel genomen om zich zoo onnoozel te
-houden als mogelijk was.
-
-„Wat is het, nèh?”
-
-„Minjaq bermanis,” antwoordde de oude, tegelijk met haar wijsvingers
-over de wenkbrauwen strijkend als gebruiksaanwijzing.
-
-„Zoo! Ik zal het dadelijk eens doen.”
-
-„Dat behoeft niet, want meneer is er niet, en hij komt vandaag toch
-niet terug, zelfs morgen niet. Het is zeer goede en bijzondere.”
-
-„Is er dan verschil in?”
-
-„Ik weet het niet. Ik geloof het wel. Er is verschil tusschen alle
-menschen en alle dingen. Deze minjaq is de goede; zij is klaar gemaakt
-naar een Padangsch voorschrift. Er is geen andere goede, dan die.”
-
-Betsy luisterde er nauwelijks naar. Zij had ’t fleschje geopend en den
-inhoud met den top van een harer vingers in aanraking gebracht. Nu
-stond zij voor den spiegel en streek de uiterst geringe hoeveelheid
-olie over haar zwarte wenkbrauwen: zij wilde eens zien of het iets
-uitwerkte op het gezicht, en ze neigde het hoofd nu eens links, dan
-weer rechts, zoete mondjes trekkend en lief kijkend tegen haarzelf,
-zooals dames gewoon zijn te doen, als ze toilet maken voor den spiegel.
-Doch zij zag niet anders, dan wat ze van haarzelf en de uitdrukking van
-haar gezicht gewoon was te zien. Dit stelde haar teleur. Wat kon hij er
-aan zien, als zijzelve niets zag?
-
-„Het hoort er bij,” zeide Sarinah opnieuw. „Het een met het ander.”
-
-„Zeker, zeker,” stemde Betsy haastig toe. „Ik zal het nu maar
-bewaren..... Misschien heb je nog meer.”
-
-„Ik heb niets, maar er komt nog heel veel te doen als meneer maar eerst
-terug is.”
-
-
-
-’t Gebeurde spoediger, dan hijzelf had verondersteld. Het was doodstil
-in het huis der Borne’s: de doodsche stilte die in het binnenland van
-Java heerscht tusschen het derde en vierde uur na middernacht, als al
-wat leeft, schijnt te slapen. Plotseling sloeg de groote hond luid aan;
-het duurde maar een oogenblik; iemand sprak tegen hem, en het beest
-hield zich stil. Betsy was dadelijk wakker en zat overeind in bed te
-luisteren, terwijl een rilling van ongemotiveerde nachtvrees haar langs
-den rug liep, en toen er luid op de achterdeur werd geklopt, wat juist
-een geruststellend teeken was, schrikte zij nog harder, zoodat haar
-hart bonsde.
-
-„Mevrouw! mevrouw Borne!” hoorde zij roepen; ze herkende dadelijk de
-stem van Marie en sprong haar bed uit. In de binnengalerij kwam zij
-door de duisternis in botsing met haar tante, wat beiden zenuwachtig
-deed lachen.
-
-„Neem me niet kwalijk,” zei mevrouw Bronkhorst, „dat ik u uit den slaap
-haal, maar kleine Jean is zoo naar.”
-
-„Wat heeft hij?” vroeg mevrouw Borne.
-
-„Hij was den heelen dag reeds koortsig, en toen hij van avond slapen
-ging, erg warm. Nu een uur geleden is hij gloeiend heet wakker
-geworden, en het wil maar niet bedaren. Ik maak me altijd zoo ongerust
-over ziekte, als Bronkhorst niet thuis is.”
-
-Dadelijk waren de dames klaar, en een paar minuten later zaten ze in de
-slaapkamer bij kleinen Jean, die in een erge koorts lag. Hier was de
-hulpvaardige mevrouw Borne op haar terrein; met de haar eigen drukte en
-beweging, nam zij eenige onbeduidende maatregelen tot verlaging der
-temperatuur van het kind, maar was toch verstandig genoeg onverwijld om
-den jongen vreemden geneesheer te zenden, die Den Ekster op zulk een
-onuitsprekelijke manier aan zijn eind had zien komen.
-
-Marie was ’t hoofd geheel kwijt. Altijd rustig, schoon ijverig en
-voortvarend, in haar gewone doen, maakte dit ziektegeval haar
-zenuwachtig en opgewonden. Zij hield ook zooveel van kleinen Jean, en
-Bronkhorst was van huis, en het was nacht, en..... en..... ze wist zelf
-niet hoe het kwam, maar ze was geheel overstuur. Zooveel besefte zij
-alleen, dat het heel gelukkig was zulke voortreffelijke buren als de
-Borne’s te hebben. Overigens liep ze onrustig van de eene kamer in de
-andere, nu eens het brandend hoofdje voelend van het kind, dan weer
-iets willende halen uit een kast, zonder dat ze, als ze er voor stond,
-zich meer herinnerde, wat het geweest was. Intusschen sloeg de radde
-tong van mevrouw Borne den rammelslag, geruststellend verhalend van
-geweldiger koortsen, waarvan uiterst zwakke kinderen hersteld waren, of
-van de nog heviger aanvallen, die sterke kinderen in een ommezien naar
-het graf hadden geholpen; van de koortsen, die ze zelf had gehad, en
-haar man, en haar kinderen, neefjes, nichtjes, vrienden en bekenden.
-Betsy hoorde en zag alles zwijgend aan; de eenigszins opgetrokken
-wenkbrauwen gaven haar gezicht een uitdrukking van verwondering. Zij
-was nu zoo kalm als ’t maar kon! Inderdaad liet het ziektegeval haar
-volkomen onverschillig.
-
-Wat kon het haar schelen of kleine Jean stierf? Zij had, getrouwd
-zijnde, graag kinderen gehad, omdat er dit volgens de gangbare ideeën
-bij behoorde; maar zij hield niet van kinderen, volstrekt niet!
-
-Als ze die van haar tante of van Marie liefkoosde, deed zij dat ten
-genoege van de ouders. Daarom ook ging ze bij het bedje zitten van
-kleinen Jean, nam zijn hoofdje op haar arm, en lei ’t kompres met koud
-water aan, dat mevrouw Borne inderhaast had gemaakt.
-
-De dokter liet het kind baden in lauw water, en daar het nog te jong
-was om zich tot het slikken van onaangenaamheden te leenen, werd het
-met opgeloste quinine ingewreven. Of het door de werking van een en
-ander was, dan wel door de vermoeienis van het sollen dat met hem was
-gedaan, en waartegen hij zich met alle kracht en geweld had
-verzet,—kleine Jean viel in een looden slaap in den arm van Betsy, die
-hem toedekte met een kinderlaken en de anderen wenkte stil te zijn en
-heen te gaan, waarop Marie naar haar toekwam, fluisterend vragend:
-„Slaapt-ie?”
-
-„Ja, hij slaapt en hij is minder warm,” fluisterde Betsy terug. „Ga nu
-zelf nog ’n beetje rusten, anders ben je morgen zoo moe.”
-
-Marie moest nog eerst even met haar hand voelen of kleine Jean
-werkelijk minder warm was; tante Borne moest het ook voelen; intusschen
-spraken ze er over, en gingen niet heen vóórdat ze ’t kind bijna hadden
-doen ontwaken. Tante keerde naar haar huis terug; Marie ging in de
-kamer bij de andere kinderen, waarvan er een was ontwaakt, dat
-luidkeels om maatje riep, zich ditmaal niet tevreden stellend met de
-baboe, wier gezelschap het in alle andere omstandigheden steeds
-prefereerde. Het werd ook hier stil in huis; ’t was pas halfvijf; de
-maan in haar laatste kwartier tuurde nog door de kieren van de
-opengetrokken stores, daar buiten met haar wit schemerlicht alle
-kleurenverschil opheffend, om alleen het wit en zwart toe te laten in
-zachter en scherper schakeeringen; het lampje in den blauwen ballon,
-die aan de zoldering hing, brandde flauw en liet in het vertrek een
-vreemden fantastischen gloed vallen, waardoor het fraai Europeesch
-meubilair als met ’n geheimzinnige Oostersche deftigheid werd
-overtogen. Betsy zat zoo onbeweeglijk stil als de helft van ’t bloed,
-dat haar door de aderen vloeide, het haar veroorloofde.
-
-Tusschen haar halfgesloten oogleden, dwaalde haar blik door de kamer,
-en ofschoon ze genoeg had geslapen dien nacht, deed toch die vreemde
-gloed haar indommelen, tot het geluid, dat den aanbrekenden dag
-vergezelt, haar ’n kwartiertje later de oogen deed openen. Zacht liet
-ze het hoofdje van haar arm glijden; kleine Jean bleef slapen: hij was
-niet warm meer en zijn gezichtje, eerst zoo rood, was wit als de
-kussensloop.
-
-Maar ’n uur of wat later kwam de koorts weer opzetten, tot grooten
-schrik ook van den vreemden jongen dokter, die wel inzag, dat als hij
-hier langs het rijtje van de huizen af zijn patiënten moest zien
-sterven, de particuliere praktijk hem geen gouden eieren zou leggen.
-Marie had in haar angst een telegram gezonden naar Bronkhorst, en Betsy
-had beloofd te zullen blijven, ook omdat de kleine Jean nu eenmaal door
-niemand dan door haar wilde geholpen zijn. Het deed haar genoegen,
-omdat dit zoo’n geschikte gelegenheid was, haar invloed te vergrooten;
-overigens wenschte ze ’t grillige, lastige kind naar den drommel,
-ofschoon zij het hielp met een ijver en ’n handigheid, die zoowel de
-goedkeuring van tante Borne als die van Marie wegdroeg. Al tobbende met
-het kind verstreek de snikheete kentering-dag; maar al bracht de avond
-geen verfrissching,—de koorts van kleinen Jean nam gelukkig af; en nu
-wilde hij niet langer in zijn bedje blijven, maar dreinde en dwong om
-op den schoot van „Bettie” te zitten; nauwelijks vijf minuten had hij
-zijn zin of hij maakte aanstalten om te gaan slapen. De pogingen om hem
-weer in zijn bedje te leggen, mislukten geheel; hij klemde zich
-schreiend aan Betsy vast.
-
-„Ik zal hem maar op m’n schoot houden,” zei ze.
-
-„Als het je niet te moe maakt,” antwoordde Marie. „Ik zal ’n
-makkelijken stoel laten halen.”
-
-De bedienden sleepten een grooten fauteuil bij met rood rips
-overtrokken, met zachten rug en armen en veerkrachtige zitting; Betsy
-zonk er in weg; een rood voetenbankje werd onder haar bloote voeten
-geschoven, en een half uur later sliepen zij en kleine Jean om ’t
-hardst in den stoel, terwijl de oude Sarinah beiden met een waaier
-muskietvrij hield.
-
-Zóó vond hen Bronkhorst, toen hij, vol angst voor het leven van zijn
-kind, nog denzelfden avond aankwam.
-
-Hij trad de kamer binnen, op den voet gevolgd door Marie.
-
-„Ze slapen allebei,” fluisterde zij.
-
-Hij knikte toestemmend en naderde zacht. Toen hij het voorhoofd van
-kleinen Jean aanraakte, vond hij ’t kind zeer kalm; maar zijn blik
-rustte meer op Betsy dan op het jongetje.
-
-„Arm ventje! Hij heeft het zoo kwaad gehad.”
-
-„Wat zegt de dokter?”
-
-„Ik weet het niet; ik kan uit dien man niet wijs worden; hij bezigt
-tusschen zijn Duitsch allerlei Latijnsche woorden. Ja, het is
-koorts..... Nu, dat was wat nieuws!”
-
-Stil liet hij haar verontwaardiging uitfluisteren. Wat kwam ’t zwarte
-haar van Betsy, half loshangend over de rugleuning van den fauteuil,
-aardig uit tegen het fond van rood rips! Hoe lief zat ze daar met zijn
-ziek kind, en hoe rustig sliepen ze! Als zijn vrouw er niet bij had
-gestaan, zou hij ze allebei gekust hebben. Nu boog hij zich over
-kleinen Jean en gaf hem een zoen; zijn lippen gingen rakelings langs
-haar hand; het deed hem trillen van genoegen.
-
-„Maak hem nu niet wakker,” fluisterde Marie weer; „kom naar je kamer;
-er ligt schoon goed voor je klaar.”
-
-Natuurlijk moest hij mee, maar hij zou liever gebleven zijn; aan de
-deur wierp hij nog een blik achter zich, maar er viel niets aan te
-doen. Hij moest mee als een zoete jongen om een ander pakje aan te
-trekken. Het hinderde en ergerde hem.
-
-Toen zij Bronkhorst en Marie hoorde heengaan, opende Betsy de oogen en
-lachte. Zij had niet geslapen; zij had als elke coquette vrouw een goed
-begrip van pose, en instinctmatig had zij gevoeld, dat die houding met
-den schijn van te slapen allergunstigst voor haar was. Al had zij de
-oogen wijd open gehad, dan had ze niet beter kunnen weten, wat er in
-Bronkhorst’s geest had omgegaan, dan thans; ze had moeite genoeg gehad
-om geen spier in haar gelaat tot lachen te vertrekken bij die
-kinderachtige manoeuvre van het kussen van ’t kind. Thans, nu ze weg
-waren, schoof ze ’n beetje ter zijde; kleine Jean werd zwaar en
-verveelde en hinderde haar. Toch wilde ze hem op haar schoot houden,
-hoe graag ze hem ook stilletjes in zijn bedje had gemoffeld; doch hij
-moest haar, zoo ziek en slapende als hij was, nog van dienst zijn, want
-’t was voor haar een uitgemaakte zaak, dat Bronkhorst zou terugkomen.
-Wat zou ze doen? Weer slaap veinzen? Dan zou hij haar kussen, dat was
-zeker, en zóóver wilde zij het nog niet laten komen; dat was ook veel
-te gevaarlijk. daar zij het ongetwijfeld zelf aangenaam zou vinden; en
-was het eenmaal zóóver..... Neen, dàt kon en mocht niet. ’n Jong meisje
-kan, meende zij, zich nog in alle onschuld ’n zoen laten geven, zonder
-dat het meer is dan ’n aardigheid sans conséquences; maar als ’n weduwe
-zulk een a zegt, dan is het dwaas en haast belachelijk wanneer zij
-weigert er een b op te laten volgen. Neen, daar moest niets van komen!
-Zij zou wakker blijven en kleinen Jean op den schoot houden.
-
-Even vóór achten, terwijl Marie in de keuken was om te proeven of het
-eten wel behoorlijk was gereed gemaakt, ging weder de deur open en
-verscheen Bronkhorst in négligé. Hij glimlachte en knikte tegen haar.
-
-„Hoe gaat het?” vroeg hij met uitgestoken hand. Zij reikte hem haar
-vingertoppen, die hij met veel hartelijkheid drukte. „Wij zijn je erg
-dankbaar voor de goede hulp. Slaapt hij nog?”
-
-„Ja. Het zal hem goed doen!”
-
-„Zou je niet probeeren hem in z’n bedje te leggen? Het zal je zoo
-vermoeien hem al dien tijd op den schoot te hebben.”
-
-„’t Gaat nogal. Ik ben zoo bang, dat hij weer wakker wordt. Hij heeft
-zoo weinig geslapen vandaag.”
-
-„Wil je ’n glas Selters-water?”
-
-„Dank je. Alleen ’n glas gewoon water uit de gendi.”
-
-„En hoe is het met Prédier afgeloopen?” vroeg hij, terwijl zij langzaam
-in kleine teugjes het water dronk. Zij vertelde hem de geschiedenis van
-de brieven uit het boek; hij stikte haast van het stille lachen met de
-hand voor den mond.
-
-„Heerlijk!” zei hij halfluid, en zich plotseling vooroverbukkend, kuste
-hij haar.
-
-Zij keek hem toornig aan, met saamgetrokken wenkbrauwen.
-
-„Wees er niet kwaad om!” verzocht hij dringend, en hij had tegenover
-haar boos gezicht bijna spijt van zijn vrijpostigheid. Maar hij was met
-het voornemen om haar te kussen in de kamer gekomen, en als een goed
-notaris zich eenmaal voorneemt iets tot stand te brengen, dan doet hij
-het ook.
-
-Toen ze geen antwoord gaf, herhaalde hij zijn verzoek.
-
-„Toe, wees er niet boos om! Ik kon het niet laten. Het is immers zoo
-erg niet, en ik heb er spijt.....”
-
-Nu trok zij de wenkbrauwen hoog op, zag hem aan en maakte met het hoofd
-een beweging ter zijde, die duidelijk te kennen gaf, dat ze niets
-hoegenaamd van die spijt geloofde.
-
-„Nu, het is waar. Je hebt gelijk, en ik lieg, als ik beweer dat het me
-spijt. Maar.....”
-
-„Doe het niet weer,” vulde Betsy aan, heel kalm, maar eenigszins
-dreigend, alsof er nog iets achter hoorde, wat ze verzweeg.
-
-„Ben je dan niet boos op me? Heusch niet?”
-
-Ze liet hem begaan toen hij haar hand vatte, maar een seconde later
-trok ze die snel terug; ze had de nikkelen kruk op het wit porseleinen
-plaatje van de kamerdeur zachtjes zien draaien, en dadelijk daarop
-verscheen het blonde hoofd van Marie tusschen de deur en den post.
-
-„Het eten is klaar. Zou je hem nu niet in z’n bedje leggen? De meid kan
-dan hier blijven oppassen. Doe het dan nu dadelijk: we hebben zulke
-lekkere visch; die wordt anders koud, en dat zou zonde zijn.”
-
-Betsy deed het met genoegen. Kleine Jean had voor haar zijn rol naar
-behooren vervuld, en ofschoon haar beenen zwaar waren en tintelden van
-vermoeienis, was ze toch blij dat ze ’t kind op den schoot had
-gehouden; ook had ze honger, en ze hield van kakap. Zacht en stil
-schoof ze kleinen Jean van haar arm in zijn bedje; even deed hij de
-oogen open, keek haar aan en sliep weer in.
-
-Het beste aan tafel was voor haar. Marie en Bronkhorst beijverden zich
-om te toonen, hoezeer zij het „optrekken” met het zieke kind
-waardeerden.
-
-„Als er een ziek is,” zei Marie, „en ik heb geen hulp, dan loopt alles
-in de war. Want het huishouden maakt het mij zóó druk!”
-
-Als ze het vroeger over die drukte had, nam Bronkhorst geregeld een
-loopje met haar, bewerend, dat zijzelve er de schuld van was, omdat zij
-het zoo verschrikkelijk nauwgezet opnam. Ditmaal zweeg hij. Waarom zou
-hij nu trachten haar van haar bezigheden af te houden?
-
-„Ik begrijp het best,” antwoordde Betsy. „U hebt den heelen dag geen
-rust.”
-
-„Het zou een groote geruststelling wezen, als mijn vrouw iemand in huis
-had om haar ’n beetje bij te staan.”
-
-Zij zwegen alle drie, want ieder begreep voor zich de bedoeling van den
-notaris.
-
-Marie had er ook dikwijls over gedacht, maar zij zag vreeslijk op tegen
-een „juffrouw.”
-
-Een van tweeën: men moest zóó’n meisje opnemen in den familiekring, en
-daar had ze veel tegen, eenigszins uit trots, maar vooral omdat zulke
-meisjes daartoe dikwerf niet genoeg ontwikkeld waren. Hield men haar op
-een afstand en behandelde men haar als ondergeschikte, dan volgde
-daaruit vanzelf familiariteit en knoeien met de bedienden; men kon het
-zoo’n arm schepseltje niet kwalijk nemen; in haar verlaten toestand
-moest ze dan toch iemand hebben om tegen te praten. En dan die
-eigenaardige manieren! Marie had er gekend, die met loshangend haar in
-de keuken rondliepen, alsof er premies waren gesteld op het verdwalen
-van haren in het eten! Neen, dat nimmer! Maar als zij een zoo net en
-geschikt vrouwtje als Betsy was, in huis kon krijgen, zeer presentabel,
-verstandig en van goede familie,—ja, dan zou ze dat heerlijk vinden.
-Maar ze wist niet hoe ze het aan moest leggen. Men kon háár toch niet
-voorstellen, háár, de nicht van kapitein Borne, de weduwe van een
-administrateur en de gast van het oogenblik, om „juf” te worden bij de
-familie.
-
-Verlegen keek Marie op haar bord; hoe gaarne zij het ook had gevraagd,
-zij durfde het niet te doen.
-
-
-
-In een bediendenkamer der bijgebouwen, vèr van het woonhuis, zaten dien
-avond vier personen gemoedelijk bijeen. Een soort van bamboezen
-ledikant, omgeven door een vuile witte klamboe, was het hoofdmeubel van
-het vertrek. Aan den wand prijkten, eenvoudig er tegen geplakt, eenige
-van de bekende Indische volksprenten, zoo goed geteekend door Van
-Rappard. Op een ongepolitoerd houten rekje stonden ’n paar
-ongelijksoortige borden van aardewerk en een paar kommen; een verveloos
-en wrak tafeltje vormde met een baleh-baleh het „ameublement.” In een
-hoek stond een zwart geverfde blikken trommel, de „garderobe”
-bevattend.
-
-Het was de kamer van den huisjongen, wiens vrouw zoowat
-„duivelstoejagerde” onder de bedienden van Bronkhorst. De vrouw zat op
-den grond op een mat, onophoudelijk met haar vingers in een bal
-gekookte rijst stootend, het tusschen die vingers verzamelend, in wat
-sambal doopend, om het daarna in haar vooruitgestoken onderkaak te
-deponeeren, waarna het den weg ging van alle rijst.
-
-Op de baleh-baleh zat Sidin, de huisjongen, met Sarinah, en tegenover
-hen, de beide ellebogen leunend op de tafel, zat de dikke zoon der
-oude, Ketjil, die de „toovermiddelen” kende en verkocht, die een
-Europeesch meisje tot „vrouw” had, en zich in het dagelijksch leven
-uitgaf voor horlogemaker, een vak, waarvan hij slechts geringe notie
-bezat, maar dat hem in de oogen der bevolking tot een wijs man verhief,
-terwijl de Europeanen hem hun uurwerken toch niet toevertrouwden.
-
-Zij rookten alle drie ’n strootje en bliezen zwijgend den rook onder
-het glazen kapje van de kleine petroleumlamp, die walmend en met sterk
-aangeslagen glas op tafel stond.
-
-De deur en het eenige venster waren dicht; er heerschte een
-onuitstaanbare temperatuur; de atmosfeer was bedorven; het stonk er
-naar nooit geluchte bultzakken, naar den vochtigen uitslag van
-vloersteenen en muren, naar ranzige klapperolie en naar het
-strootjes-mixtum van tabaksrook en rook van droge nipa-blaren.
-
-„Ik moet er voor op reis. Ver, ver weg!” zei Ketjil.
-
-Niemand antwoordde. Een minuut of vijf later vervolgde hij tot Sidin,
-die met eenige vrees tot zijn vol gezicht en brutale houding opzag:
-
-„Je weet er alles van, nietwaar?”
-
-„Mâ heeft mij maar weinig gezegd.”
-
-Ketjil keek zijn steunende en kreunende moeder aan, die haar strootje
-had weggeworpen, en met een krommen rug en de handen in den schoot al
-mummelend zat te luisteren.
-
-„Het overige zal hij morgen hooren.”
-
-„Bij mij aan huis?”
-
-„Ja.”
-
-Zij keken beiden Sidin aan, die toestemmend knikte; waarover het in
-beginsel handelde wist hij, en tuk op het vele geld, dat de oude hem
-had beloofd, was hij spoedig bereid geweest. Er kwam nog bij, dat hij
-het land had aan Marie, en alleen geen brenti vroeg, omdat het een
-goede dienst was, in zoover het loon voldoende was en er veel „afviel.”
-Maar overigens stond de behandeling hem tegen: den heelen dag werken;
-altijd wat te vegen of te poetsen; en altijd standjes en verwijten,—zóó
-was het dienen onder deze njonja-tottok, die hem wel tienmaal elken dag
-toeschreeuwde dat hij niet denken, zien of hooren kon, dat hij dom en
-lui was, enzoovoort. Daar was hij bosèn van en hij zou het wel aardig
-vinden, als men haar een koopje kon geven.
-
-„Ik zal morgen komen, als ik permissie kan krijgen. Hoe laat?”
-
-Ketjil dacht lang na. Zijn dag scheen erg druk bezet.
-
-„Kom morgenmiddag om drie uren of morgenavond om tien.”
-
-Hiermee waren momenteel de „zaken” afgedaan. Men richtte zich op,
-schonk een nieuw glas stroop, stak ’n versch strootje op, en zat in het
-ondraaglijk hok genoeglijk pratend over „koetjes en kalfjes” nog ’n
-uurtje bijeen.
-
-Den volgenden ochtend was kleine Jean wel wat beter, maar de koortsen
-hadden hem geducht doen afnemen; het kind zag er slecht uit, had geen
-eetlust, was nog nu en dan koortsig, en speelde bovenal den dwingeland.
-Betsy moest er den heelen dag blijven, en zij nam daar genoegen mee,
-tot groote vreugd der Bronkhorsten. Marie vond het heerlijk, dat ze
-iemand had op wie ze kon vertrouwen om op te passen, en haar man vond
-het aangenaam, omdat hij..... het aangenaam vond. Tot een logischer
-conclusie dan dit boeren-motief kon hij niet komen; en dat wilde hij
-ook niet.
-
-Doch haar verblijf ten zijnent was in de eerste dagen niet zoo
-opwekkend als vroeger; vooreerst scheen ’t hem toe, dat zij ’n beetje
-teruggetrokken was, en hijzelf voelde eenige spijt van zijn
-voorbarigheid; hij had ten slotte toch wel eenig misbruik gemaakt van
-de omstandigheden. Daarbij kwam, dat de ziekte van het kind andere
-gelegenheden uitsloot. Betsy speelde geen piano; zijn vedel was op
-nonactief; des avonds was zij ook moe en ging vroeg slapen;—maar toch
-had hij haar niet willen missen; hij keek haar nu en dan maar eens aan,
-als ze hem passeerde of aan tafel, en dan streelde hem de
-vertrouwelijke uitdrukking van haar gelaat, haar coquet lachje, en de
-wijze, waarop zij haar schoone vormen altijd wist te doen uitkomen.
-
-Ze was er twee dagen en in de achtergalerij zat men juist aan de
-rijsttafel, toen tante Borne binnenstormde met een telegram in de hand:
-
-„Bets, dat is gemeen!”
-
-„Wat is er?”
-
-„We zijn overgeplaatst.”
-
-„O!..... en waarheen?”
-
-„Naar een gat, een nest van een plaatsje op de Oostkust van Sumatra.”
-
-Men keek elkaar aan vol verwondering en verontwaardiging.
-
-„Het is schande!” ging mevrouw Borne voort. „Net alsof er voor zulke
-posten geen jonge kapiteins genoeg zijn! Maar dat komt allemaal van het
-geknoei en de protectie; daar moet een ander, die niet met den
-stroopkwast kan loopen, onder lijden.”
-
-„’t Is verschrikkelijk!” zei Marie. „Zoo’n afgelegen deel der wereld!”
-
-„Ze denken misschien, dat we kwaad zullen worden en ons pensioen zullen
-nemen, maar dat in der eeuwigheid niet. Er gebeurt, wat er gebeurt,
-maar dienen blijven we.”
-
-„Maar als het nu eens ’n quaestie wordt van passeeren.....”
-
-„Het kan ons niet schelen, notaris, maar we doen het niet.....
-Intusschen is het een koopje.....”
-
-„Als ik u met iets van dienst kan zijn..... U weet, dat u op me rekenen
-kunt.”
-
-„Erg graag. Laat zien, het is nu Woensdag, en Maandag moeten we al weg,
-anders missen we de boot, en die vaart maar eens in de maand.”
-
-„Dat is toch ’n beetje.....”
-
-„Volstrekt niet! Als het moet, dan maar hoe eer hoe liever. Hier nog
-vijf weken te zitten als op een schopstoel,—dáár bedank ik voor.”
-
-Het was zulk een groot nieuws, dat men het eten er door vergat. Betsy
-excuseerde zich en ging dadelijk met haar tante mee naar huis.
-
-„Het is erg beroerd,” zei Bronkhorst tot zijn vrouw, toen ze weg waren;
-„zij moeten nu ook de passage betalen voor mevrouw Den Ekster, en dat
-is, geloof ik, ’n paar honderd gulden.”
-
-„Wat moet Betsy in ’s hemelsnaam dáár uitvoeren!”
-
-„Ja, dat weet ik ook niet. Zich gruwelijk vervelen, anders niet.”
-
-„Ik zou wel willen, dat ze bij ons bleef.”
-
-Zijn oogen glinsterden, toen Marie dit zei; het ging juist, zooals hij
-gewenscht had; hij zou het zelf hebben voorgesteld, als zij het niet
-had gedaan, maar zóó was het veel beter.
-
-„Hoe denk jij daarover?” vroeg Marie.
-
-„Wel, ik heb er niets tegen; ik geloof, dat het heel aangenaam voor je
-zijn zal, en daar ze uitstekend omgaat met de kinderen, is het ’n
-dubbel voordeel.”
-
-„Ja,” gaf Marie toe. „Alleen, ik durf het heusch niet voorstellen. ’t
-Staat zoo gek!”
-
-„Laat het maar aan mij over. Ik zal er den kapitein over spreken.
-Vandaag nog.”
-
-Toen ’s middags ’t kantoor was gesloten, ging Bronkhorst zijn buren
-bezoeken; hij vond hen thee drinkend en druk pratend over de
-overplaatsing.
-
-Onder het gesprek, waaraan hij deel nam, gaf hij den kapitein een wenk;
-ze gingen onder een voorwendsel naar diens kamer.
-
-„Mijn vrouw stuurt me,” zei Bronkhorst, „met een eenigszins delicaat
-verzoek. Zij wou zoo graag, dat uw nichtje bij ons bleef, maar ze durft
-het zelf niet te verzoeken.”
-
-Borne streek in gedachten langs zijn knevels.
-
-„Hm!” bromde hij eindelijk. „De vraag is hoe. Je begrijpt wel, beste
-notaris, dat hoe gaarne ik u en mevrouw ook mag, en hoe
-vriendschappelijk.....”
-
-„Natuurlijk!” viel hem Bronkhorst in de rede. „De bedoeling van mijn
-vrouw is, dat Betsy geheel als een lid van het huisgezin wordt
-bejegend; wat de geldquaestie betreft, daarmede kunnen gij en ik ons
-niet bemoeien; laat de dames dat onderling uitmaken, als zij het eens
-zijn over de zaak.”
-
-„Ik geloof ook, dat het zóó zou kunnen,” erkende de kapitein, maar van
-harte ging die erkenning niet. „Ik zal den knoop maar dadelijk
-doorhakken.”
-
-Het voorstel viel in goede aarde bij tante, en Betsy nam het aan met
-een glimlach van zelfvoldoening; ze had ze allen wel kunnen kussen, zoo
-liep het mee!
-
-Zonder eenige bepaalde bedoeling, kon toch Bronkhorst zich niet
-ontveinzen, dat hij verheugd was. En dit stemde hem dienstwilliger dan
-ooit. Hij had nog een àpartje met den kapitein. Tijd om vendutie te
-houden van den inboedel, was er niet. Maar Bronkhorst zou voor alles
-zorgen, en de kapitein kon met genoegen zooveel van hem krijgen, als
-hijzelf dacht dat de vendutie zou opbrengen. Ook Marie was tot alle
-hulp bereid.
-
-Toen ze weg waren, keek kapitein Borne hen na met aandoening.
-
-„Het is toch maar waar, dat een goede buur beter is, dan een verre
-vriend,” zei hij hoofdschuddend.
-
-„Maar zij zijn ook zulke lieve menschen!” riep zijn vrouw uit de
-volheid van haar hart. „Waarachtig, men spreekt wel eens van
-familie,—maar een eigen broer of zuster kan niet hulpvaardiger en
-bereidwilliger wezen, dan zij zijn.”
-
-Betsy zei niets. Ze keek de Bronkhorsten ook na, of eigenlijk zag ze
-alleen naar de kloeke figuur van hem. En ze glimlachte toen haar oom en
-tante zich zoo uitputten in lofredenen. Wat Bronkhorst betrof, wist zij
-ten minste wel, waaruit de buitengewone dienstvaardigheid voortsproot.
-
-Het waren drukke dagen die nu volgden. Zij, Betsy, moest haar tijd
-verdeelen tusschen haar familie en het kind, dat snel beterde, maar
-niettemin erg aan haar bleef hechten. Bij de Borne’s lag alles
-overhoop. Oom had het nog veel warmer dan anders, en vond in de drukte
-van het kasten uit- en kisten inpakken, aanleiding om een ongelooflijke
-hoeveelheid potjes bier, bittertjes en brandy-soda’s te verslaan. Dat
-hoorde er bij. Tante zwoegde als een koetspaard van het eene eind naar
-’t andere, feitelijk alleen zorgend voor alles. Betsy had het nette
-gedeelte voor haar rekening genomen, fijne breekbare voorwerpen, die
-meegenomen moesten worden, doosjes, souvenirs en dameskleeren. Zij
-bedankte er voor om als een slavin zich in ’t zweet te werken en met
-verwarde haren, een vuile kabaja en dito voeten van de kamers te loopen
-naar de bijgebouwen en vice-versa.
-
-Eindelijk „schoot men op”. De Borne’s waren zoowat klaar in huis; de
-paar dagen restend vóór het vertrek werden gewijd aan
-afscheidsbezoeken. Betsy nam met haar oude meid haar intrek bij de
-Bronkhorsten.
-
-Zij kreeg een kamer naast die van de kinderen, keurig gemeubeld en
-voorzien van alle comforts. Nog nooit had zij zoo’n fraai ingericht
-vertrek bewoond. Terwijl ze er haar goed schikte in de rijk
-gebeeldhouwde kasten, en haar schrijfgereedschap in het mahoniehouten
-lessenaartje, vroeg zij Sarinah:
-
-„Wel, hoe staat het er mee?”
-
-De oude, die juist bezig was het bed te kipassen, hield op en keek haar
-grijnzend aan.
-
-„Dat weet de nonna zelf wel.”
-
-„Gekheid! Ik weet niets.”
-
-„Hoe denkt de nonna dan, dat het komt, dat zij hier blijft; hier in
-huis?”
-
-„Wel, dat is..... zoo overeengekomen.”
-
-„Heeft nonna er om gevraagd?”
-
-„Neen.”
-
-„Wat is het dan? Hoe komt het dan, dat het alles naar dien kant gaat,
-vanzelf, zonder iets te verzoeken?”
-
-„Ik...... ik..... weet het niet,” antwoordde Betsy eenigszins ontsteld.
-Zij had zoover niet gedacht; zij had het opgenomen voor hetgeen het
-was, onbedacht de gewone wet eerbiedigend van oorzaak en gevolg, die
-niets geheimzinnigs heeft, zoolang geen dwazen er iets in zoeken.
-
-„Soedah!” riep de oude met een schorren lach. „Soedah! ik weet het ook
-niet.”
-
-En ze kipaste voort bij iederen zwaai met de sapoe lidi, steunend en
-grommelend.
-
-Zij had met Sidin de conferentie gehad bij haar zoon, Ketjil. ’t Was
-daar heel wat netter, dan in de bediendenkamer op het erf van den
-notaris, al was het even vuil en al rook het even onsmakelijk. Sidin
-was ’s avonds gekomen en had dadelijk nog veel meer respect gekregen
-voor de oude en haar zoon, want er waren stoelen, tafels, kasten en
-klokken, precies als bij Europeanen, en het verschil tusschen zindelijk
-en onzindelijk,—och, dat zag hij als gewone inlander zoo niet. En dan
-was het erg geheimzinnig. Op de lage kasten stonden allerlei
-stopflesschen. In één daarvan zag hij kevertjes, tusschen rijst en
-kapok: daarvan had hij meer gehoord; hij zag door het venster allerlei
-planten, die hij als kind had leeren vreezen: ketjoeboeng en hij had
-ook wel eens gehoord, dat zulke kevertjes daarop werden gekweekt, en
-daarna gedood en fijngestampt werden; zijn grootmoeder had hem voor hij
-trouwde dikwijls verhaald van toovenaars, die het stof van zulke
-beestjes dan met nog andere dingen vermengd, door het eten doen van
-menschen, die op een of andere manier gek moeten worden. Hij huiverde
-bij het denkbeeld; het was hem of die stopflesschen, sommige met
-kruiden en planten, hem op de zekerste manier dood en verderf
-voorspelden, als hij niet deed wat die oude tooverheks en haar wijze
-zoon hem gelastten. En hij toonde hun beiden al de vriendelijkheid en
-den eerbied, waartoe hij zich in staat gevoelde. Het viel hem erg mee;
-moeielijk was het niet; als Sarinah ’t hem gelastte, dan moest hij
-iets, dat zij hem geven zou, verbergen in het hoofdkussen van zijn
-heer; maar zóó, dat niemand het zag en de opening in ’t kussen weer
-netjes werd dichtgemaakt. Nu, dat was gemakkelijk! Hij „deed” immers
-altijd mijnheers kamer, als deze naar ’t kantoor was, en dan had hij
-tijd in overvloed.
-
-Voorloopig kon Sidin gaan, en hoezeer hij ook vast had voorgenomen om
-te doen, wat hem door de oude meid werd opgedragen, besloot hij toch
-vast nimmermeer een voet bij dien Ketjil in huis te zetten.
-
-Toen hij thuis kwam, kreeg hij van mevrouw Bronkhorst een geduchten
-uitbrander, omdat hij zoo lang was weggebleven; met stoïcijnsche kalmte
-hoorde hij het aan; zoo hij vroeger soms een woord tegensprak,—thans
-zweeg hij, zooals een inlander zwijgen kan.
-
-Zij zouden dien njonja toch wel krijgen, en hij voelde zich trotsch,
-dat hij, zij het dan ook in ondergeschikte rol, iets bij zou dragen tot
-dat „krijgen”.
-
-Onder het standje door, kreeg hij bevelen, die hem meer belangstelling
-inboezemden. Er zou een groote partij worden gegeven ter eere van de
-familie Borne. Er moest voor heel veel gezorgd worden, want lekker eten
-was een voornaam deel van het feestprogram.
-
-Dat gaf weer drukte, ditmaal bij den notaris te huis. Tante was klaar
-met haar vele voorbereidingen tot reizen en vendutie houden. Zij
-maakten nu visites; zij ’s ochtends in sarong en kabaja aan Indische
-dames; hij aan de kletstafel in de sociëteit, en ’s avonds beiden,
-behoorlijk in groot tenue en per as bij familiën in de buurt, welke
-dikwerf allesbehalve naburig was, maar zich naar het noorden, zoowel
-als naar het zuiden eenige palen ver uitstrekte.
-
-Betsy had het met die partij volhandiger dan met de geheele
-overplaatsing van de Borne’s. Zij kon lekker gebak maken, en dat wist
-Marie, die er haar duchtig had voorgespannen. Den halven dag zaten ze
-samen in de keuken, bakkend, pratend en lachend en elkaar onderwijzend,
-de een in de geheimen van de Hollandsche, de ander in die van de
-Indische kook- en bakkunst. Betsy vond het wel aardig, zóó zelfs, dat
-zij er van tijd tot tijd al haar plannen en voornemens door vergat.
-Alleen als Bronkhorst naar achteren kwam, en hij deed dat in die dagen
-zeer dikwijls, dan rezen ze weer in haar op, soms met grooten twijfel,
-een andermaal met een gevoel van vrees. En dan overmande haar wel eens
-het voornaamste idée; ze kon het zich niet voorstellen, dat zij
-tegenover hen stond met de vaste bedoeling twist, tweedracht en
-scheiding tusschen hen te werpen, om zelve..... Toch werd het
-begeerlijker in haar oogen, nu ze mede genoot van het vooral materiëel
-zoo lekker leven, maar ze durfde zich er nauwelijks indenken, ’s Nachts
-hield het haar dikwerf wakker, en soms droomde ze daarna van Den
-Ekster, wiens dansend hoofd haar dan voor de oogen huppelde, zóó
-duidelijk, dat ze elken trek van het gelaat allernauwkeurigst zag. Dat
-werd haar een schrikbeeld!
-
-De gang, die van de achtergalerij naar de bijgebouwen liep, was den dag
-vóór den feestavond haast niet te passeeren, zoo vol stond ze met
-tafeltjes, beladen met eet- en drinkwaren. Men had aan een en ander „de
-laatste hand gelegd”, en nu was ieder in zijn kamer zich aan het
-kleeden.
-
-Voor de groote psyche stond Betsy in haar onderrok en met, over het
-korset, een wit lijfje, waarvan de korte mouwtjes en de lage hals door
-een fijn strookje omzoomd waren. Langzaam egaliseerde zij met een
-patte-de-lapin de bedaq van Sarinah op haar wangen, en zorgvuldig
-bestreek ze haar wenkbrauwen met een weinig minjaq bermanis; ze kon
-toch niet nalaten te glimlachen. Wat zou het toch eigenlijk uitwerken?
-Maar dáárin had de oude gelijk: zij was, zonder dat ze er om gevraagd
-had, reeds hier in huis en zou er blijven.
-
-Zij hoorde iets onder haar venster, buiten op het erf; ’t was net het
-gemompel van de oude meid, dacht ze. Het was haast halfzeven en het
-laatste daglicht verdween aan de heldere lucht, den horizon zettend in
-een gloed vol kleuren. Op haar teenen ging ze naar het raam, drukte
-zacht tegen de stores, zoodat die met ’n kier opengingen, en keek naar
-buiten. Ja, waarachtig, daar zat de nènèh onder haar venster, en voor
-haar knieën braadde iets; het was stanggi, waarvan de rook lustig
-omhoogkrulde. Geen ander sterveling had kunnen verstaan, wat de oude
-zeide, als zij, zich telkens vooroverbuigend, haar gezicht stak in den
-opstijgenden rook, en daarin een woord prevelde. Maar Betsy wist het.
-Zij had ook dáárvan wel eens gehoord; zij wist dat Sarinah telkens in
-dien rook den naam uitsprak van Bronkhorst, om hem aan te roepen
-spoedig te komen tot haar, die hem wilde ontvangen.....
-
-Zonder geruisch deed Betsy het venster dicht, en onwillekeurig zuchtte
-zij. Ze kon het niet helpen, maar zij geloofde er toch aan; het was
-sterker dan zij.
-
-Toen de oude haar stanggi gebrand, en haar „werk” daarbij verricht had,
-strompelde zij steunend naar achter, waar Sidin bezig was zijn toilet
-voor den avond te maken: zijn beste hoofddoek, een mooie kain, en het
-livreibaadje,—hij zag er uit als een „heer”, en bezag zich met
-welgevallen in een oud, verweerd stuk spiegelglas.
-
-Sarinah riep hem, en daar schrikte hij zóó van, dat hij ’t spiegeltje
-haast liet vallen. Hij volgde haar.
-
-„Ik moet iets van je hebben.”
-
-„Wat?” vroeg hij, groote verbazing veinzend om zijn vrees te verbergen.
-
-„Haren van meneer.”
-
-„Die hebt ik niet.”
-
-„Je moet toch zorgen, dat ik ze krijg; mijn zoon heeft het gezegd.”
-
-„Ik.... zal probeeren.”
-
-De oude kwam dicht bij hem met haar gerimpeld gezicht, en haar
-tandelooze mond raakte haast zijn oor.
-
-„Zorg er maar voor! Zoo gauw als je kan.”
-
-De oude zelf sukkelde verder het achtererf op om haar gezicht en handen
-te reinigen aan den put. Daarna ging zij in de kamer van Betsy, die
-zich woedend stond te maken om een speld, welker niet door de harde
-weerbarstige zijde wilde van een strikje, dat ergens op haar kleed
-moest vastgemaakt worden.
-
-„Waar zit je toch, nèh? Je hadt hier moeten zijn om me te helpen
-kleeden.”
-
-„Nonna heeft niet geroepen.”
-
-„Houd je mond maar, en maak dit vast.”
-
-Met meer handigheid, dan men zou verwacht hebben, hielp Sarinah haar
-meesteres, en toen ze daarmee gereed was, ruimde zij de toilettafel op.
-In den schildpadden kam zat een bos lang zwart haar. Voorzichtig haalde
-de meid heb er uit en deed het in ’n stuk van een oude courant.
-
-„Wat voer je nou uit?”
-
-„Ik weet het niet, maar het moet.”
-
-„Je bent mal.... Moet je dat haar meenemen?”
-
-„Ja. Mijn zoon heeft het gezegd. Ik moet haar hebben van nonna en van
-mijnheer.”
-
-„En dan? Wat moet er mee gebeuren?”
-
-„Dat weet ik niet; het hoort er bij.”
-
-Een boodschap van Marie brak alle verdere navraag af. Zij had zulk een
-onhandige meid, en daarom liet ze vragen of Betsy haar even wilde
-helpen, want Sarinah kon zij niet uitstaan. Terwijl Betsy aan dat
-verzoek voldeed, maakte zij bij zichzelve eigenaardige
-gevolgtrekkingen. Zij was jaloersch op mevrouw Bronkhorst. Zij wist dat
-in gezelschap zij, Betsy, heel wat schitterender figuur maakte, en toch
-zag ze, dat Marie verborgen schoonheden had, die de hare overtroffen;
-dat hinderde haar geweldig, want als alles meeliep, dan zouden dat
-après coup punten van vergelijking worden, die in haar nadeel
-uitvielen.
-
-Het werd in de ruime voorgalerij langzamerhand vrij vol. De notaris was
-kwistig geweest met zijn uitnoodigingen. Bij deze gelegenheid kon het
-hem niet schelen of er dertig of zestig gasten kwamen. Hoe meer zielen,
-hoe meer vreugd. Marie en Betsy namen de honneurs waar tegenover de
-dames. Jean zorgde voor de heeren. De spelers, de makke schapen, zaten
-spoedig rustig om hun tafeltjes; de rest vormde een bonte rij om de
-gezelschapstafel, en daar ging het vroolijk toe. Wat later op den avond
-sloeg Bronkhorst een toost met champagne. Zijn woorden van vriendschap
-waren goed gemeend, want hij hield veel van de Borne’s; de kapitein was
-aangedaan, zijn vrouw schreide; de aandoening reflecteerde als altijd,
-tot op menschen, wie het heele geval niets kon schelen. De kapitein
-kuchte en hemde een oogenblik, antwoordde kort maar krachtig en zonder
-haperen, en werd met opgewonden toejuichingen begroet. Er kwam
-„stemming” onder de gasten; dat deden de aandoening en de champagne. De
-dames hadden er ook van meegedronken, en kwamen daardoor meer uit de
-plooi. Mevrouw Bronkhorst zag wel, wat het onuitgesproken verzoek was
-van velen; ze liet de bedienden ruimte maken in de binnengalerij, ging
-zelve voor de piano zitten en attaqueerde een wals van Strauss, die de
-voeten van een doode in beweging zou gebracht hebben. Er werd haastig
-opgestaan; armen werden gepresenteerd; paren kwamen binnen; de dames
-wiegelend op haar heupen, het hoofd achterover, haar waaiers bewegend,
-gereed als strijdrossen, die het eerste kanonschot hoorden vallen. En
-ze draaiden rond op de maat, niet altijd in de maat. Soms sukkelde een
-paar ’n oogenblik door onvereenigbaarheid van voetbeweging, als de eene
-partij behoorlijk in drieën walste en de andere het niet verder kon
-brengen dan tot een springen à deux temps.—Daar waren er, krukken, die
-als wanhopigen draaiden, maar met geen mogelijkheid van hun plaats
-konden komen; anderen, al een beetje meer geoefend, maar toch nog niet
-op de hoogte, die den omtrek van den cirkel te kort namen; sommige pur
-sang Europeanen, nog niet lang in Indië, die echter lange beenen
-maakten en door de zaal vlogen alsof satan zelf hen op de hielen zat,
-terwijl geurmakers met uitgestrekten linkerarm den rechter hunner dames
-op en neer bewogen, als waren het pompzwengels. Maar het meerendeel
-walste Indisch, dat is rustig, netjes in drieën, zonder drukte of
-zweetuitdrijvenden spoed.
-
-Slechts weinigen waren blijven zitten. Ook vele spelers waren op het
-alarmsignaal van den Oostenrijkschen musicus het geliefkoosde kaartspel
-der Mooren van Grenada ontrouw geworden. Een partner van den kapitein,
-die juist groot casco had geannonceerd, wierp de kaarten neer,
-excuseerde zich en liep weg om te gaan dansen. Eerst keek Borne met
-geweldige verontwaardiging den onverlaat na, maar toen bedacht hij
-zich; het was een partij ter zijner eere en hij mocht zich dus niet
-boos maken; van twee kwaden het beste kiezend, klopte hij den
-overgebleven derden man vroolijk op den schouder,
-
-„Ajo, laat ons de oude beenen ook nog eens van den vloer gooien!”
-
-„Komaan, kapitein, ga je ’reis ’n walsje meedoen?”
-
-„Waarachtig!” zei Borne, de overgebleven dames monsterend met
-kennersblik; „maar ik moet een dikkerd hebben: die staat stevig op de
-beenen.”
-
-Na den wals bleef het musiceeren aan den gang; ’t werd hoe langer hoe
-geanimeerder; de dames zongen: na een vroolijk wijsje, hoorde men op
-muziek gezette minneklachten van Heine; sommige heeren, wier muzikaal
-sentiment was opgewekt, doch die slechts één Duitsch lied machtig
-waren, hadden reeds in de Germaansche taal al neuriënd verteld, dat zij
-niet wisten, wat het beteekenen moest, dat zij zoo treurig waren, maar
-de groote meerderheid vond de Loreley voor dezen kring te ordinair; het
-Märchen kwam niet tot zijn recht!
-
-Betsy was de vroolijkste van allen; haar oogen schitterden; haar wangen
-gloeiden; zij gevoelde een opgewondenheid, die haar zelf nu en dan
-eenige vrees aanjoeg; ’t was haar of zij zich tot alles in staat
-gevoelde, haar plannen kwamen krachtiger dan ooit op den voorgrond; zij
-zou hem hebben en ze moest hem hebben, coûte que coûte! ze gevoelde
-iets van de kracht eener overtuiging, die zich door geen belemmeringen
-wil laten terughouden; zij had gedanst met Bronkhorst, heerlijk! Ze
-hield meer van hem dan ooit, en, dat voelde ze, haar invloed op hem won
-aan kracht; zij had de zekerheid te zullen slagen, en dat maakte haar
-overmoedig.
-
-„Zing nog eens!” vroeg men haar.
-
-Dadelijk stond ze op, ging naar de piano en greep een der muziekboeken.
-Als altijd ging Bronkhorst mee om ’t blad om te slaan. Een oogenblik
-zocht ze, wierp toen ’t boek open, keek hem glimlachend aan, met iets
-uitdagends in de oogen, en zong met sterk sprekende accentuatie het
-lied van Carmen:
-
-
- L’Amour est enfant de Bohême
- Il n’a jamais connu de loi,
- Si tu ne m’aimes pas, je t’aime
- Si je t’aime, prends garde à toi!
-
-
-Hij lachte er om in zichzelven; hij vond het verrukkelijk aardig; maar
-de verre strekking begreep hij niet; hoe had hij aan zoo iets kunnen
-denken!
-
-Het lied werd luid toegejuicht, doch niemand had er op gelet, dat het
-was gezongen met een voor zulk een tekst àl te sprekend brio, en toen
-Betsy weer naar voren kwam, las zij op aller gelaat slechts
-ingenomenheid en tevredenheid.
-
-„’t Was zéér mooi, mevrouw,” riep een der gasten vol vuur.
-
-„Ja, ze kan het wel,” bevestigde oom Borne, en hij kneep haar in de
-wang. „Als ze maar wil.”
-
-„Ik ben blij, dat het iets heeft bijgedragen tot het algemeen genoegen.
-Het is een recht feestelijke avond.”
-
-„Ik ben er waarachtig mee verlegen,” zei de kapitein. „In geen jaren
-heb ik zoo’n royale fuif bijgewoond.”
-
-„Dames en Heeren!” klonk de stem van Bronkhorst midden uit een groepje,
-en een glas champagne rees weer omhoog: „ik stel voor dit glas in het
-bijzonder te wijden aan het welzijn en het geluk van onze geachte en
-geliefde vriendin, mevrouw Borne!”
-
-Een daverend „hiep, hiep, hiep, hoerah!” klonk door de voorgalerij en
-deed de paarden opschrikken, die voor de rijtuigen op het erf wachtten;
-de koetsiers sliepen door.
-
-Betsy ging ook naar de groep en dronk dapper mee op de gezondheid van
-haar tante.
-
-„Het spijt me ’t meest voor haar,” zei de kapitein tot den gast, die
-Betsy had gecomplimenteerd en bij hem was blijven staan, „Wij houden
-zooveel van haar, alsof ze onze eigen dochter was; Geloof me,” voegde
-hij er bij met grooten ernst, en met het gezicht van iemand die zijn
-onderwerp volkomen onder de knie heeft, „geloof me, als meisjes hier
-lief en goed zijn, dan zijn ze zóó lief en goed.”
-
-De toehoorder knikte en keek bewonderend naar de half tusschen de
-anderen verborgen figuur van Betsy. Hij geloofde met genoegen aan haar
-superieure hoedanigheden; ’t kon hem niets schelen hoe ze was!
-
-Het was erg laat, toen de hanen de feestgenooten naar huis kraaiden. Er
-was veel vertoon van hartelijkheid geweest bij het heengaan. „Nou, dag
-mevrouw!” had ontelbare malen naar en van alle kanten geklonken; er
-waren tallooze handjes gegeven; er was in rijtuigen geholpen en met
-hoeden gezwaaid en met zakdoekjes gewuifd tot de brug voor het erf
-onder de wielen van het laatst vertrekkende rijtuig kraakte.
-
-„Hè, hè!” zuchtte Marie, „dat is alweer afgeloopen!”
-
-Bronkhorst leunde over de balustrade en keek in de richting van het
-huis der Borne’s waar juist een wit kleedje om den hoek verdween.
-
-„Ja,” zei hij, „het is goed geréusseerd; ’t doet me heel veel pleizier.
-Gaat Betsy bij de Borne’s slapen?”
-
-„Mevrouw wenschte het. Het is de laatste nacht, en bovendien, ze gaan
-toch niet naar bed, zeggen ze. Het is al halfvijf. Ga jij nog slapen?”
-
-„Zeker! Van nu tot tien uren is een complete nacht.”
-
-„Misschien slaap ik ook nog ’n uurtje. Maar ik blijf hier tot alles
-weer zoo wat in orde is; en dan zullen de kinderen wel wakker
-worden....”
-
-Vermoeid ging hij naar achteren, ontkleedde zich in zijn kamer en viel
-loodzwaar op ’t bed. Hij had veel meer gedronken, dan hij gewoon was,
-en gevoelde zich, vooral ook door het dansen, bijzonder vermoeid. Maar
-slapen kon hij niet. Voortdurend dacht hij aan Betsy, zich vermeiend in
-allerlei kleinigheden, bij zichzelven glimlachend, en zich
-verkneuterend van pret bij de gedachte aan dat ondeugende lied van
-Carmen, dat ze zong met zoo’n uitdagend gezicht, terwijl ze hem vlak in
-de oogen zag.
-
-Hij hoorde hoe de boel werd „opgeredderd”; hoe de kinderen wakker
-werden en met de meiden naar de badkamer gingen; hij hoorde hen
-juichend terugkomen en later, toen ze wandelen gingen, de harde zolen
-van de kleine laarsjes tikken op het marmer der galerij; hij hoorde
-Marie in haar kamer gaan. Toen werd het stil in huis; zij voelde
-nauwelijks haar hoofdkussen of ze sliep, letterlijk op van vermoeienis;
-inslapend, alsof ze in zwijm viel; hij lag nog wakker, vervolgd door
-allerlei phantasiën, met steeds dezelfde persoon voor de hoofdrol.
-
-Ook de Borne’s waren zoo afgebeuld van huiselijke drukte en visites
-maken, als menschen in Indië het worden, wanneer zij waarschijnlijk
-voorgoed de plaats verlaten. Den avond vóór hun vertrek moesten ze
-alweer recipiëeren; ze hadden bijna geen stoelen genoeg voor de
-bezoekers; zelfs de krachtige kapitein Borne, hoezeer hij de algemeene
-vriendschap en hartelijkheid op prijs stelde, had hij er nu meer dan
-genoeg van.
-
-
-
-De afscheidstranen waren gedroogd. Het huis der Borne’s stond leeg.
-Betsy woonde „voorgoed” in bij den notaris. Bronkhorst was naar zijn
-kantoor, en de dames zaten in de achtergalerij te werken.
-
-„Wat is dat voor ’n vent?” vroeg Marie.
-
-Betsy keek op en schrikte eenigszins, toen zij een dikken inlander,
-deftig buigend, het galerijtje langs de bijgebouwen zag opstappen.
-
-„Het is de zoon van mijn oude meid.”
-
-„Wat ’n rare kerel.”
-
-„Hij is wat zwaar van postuur voor een inlander.”
-
-„Dat bedoel ik niet. Ik meen dat hij iets onbeschaamds heeft in zijn
-gezicht.”
-
-„Och kom!”
-
-„Zeker. Hij keek mij aan op een manier.... Als hij het nog eens doet,
-zal ik hem ’reis op zijn plaats zetten.”
-
-„Maar hoe keek hij dan?” vroeg Betsy, die haar lachen haast niet kon
-bedwingen.
-
-„Ja, dat kan ik nu zoo niet zeggen; maar zeer ongepast, dat is zeker.”
-
-Zij begreep het wel; ze wist dat Ketjil in pur sang Europeesche vrouwen
-een belangstelling aan den dag legde, die hij althans niet behoorde te
-toonen.
-
-„Hij komt zeker zijn moeder goeden dag zeggen,” meende Betsy, en toen
-werd er verder niet over gesproken.
-
-Ketjil echter was niet naar zijn moeder gegaan, maar naar Sidin, die
-hem half met vreugde, half met vrees zag aankomen.
-
-Wel had de huisjongen van den notaris aan den last van Sarinah voldaan.
-Nog geen uur nadat hem was opgedragen haren te leveren van zijn
-meester, zag hij een bekend Europeesch militair naar binnen gaan, een
-Franschman, die in Europa kappersknecht was geweest, en nu als militair
-in zijn vrijen tijd geweer en zwaard verwisselde tegen kam en schaar,
-wat hem aardig geld opleverde, daar geen kapper van beroep op de plaats
-was gevestigd.
-
-Dat was een buitenkansje, en met groote zorg had Sidin al de haartjes
-verzameld, die op den grond waren gevallen.
-
-Maar nu meende hij zijn schuldigheid te hebben gedaan, en daar kwam
-waarachtig Ketjil alweer! Wat zou het nu nog wezen?
-
-Zij wisselden een salamat door het binnenvlak der rechterhanden vlug
-tegen elkaar te strijken en die daarna met een buiging aan ’t voorhoofd
-te brengen; en daarbij keken ze erg vriendelijk. Maar Sidin wenschte in
-stilte den lastigen, gevreesden gast naar den duivel, en Ketjil vond
-den bediende een laf en lam sujet, dat hij met groot genoegen een pak
-slaag had gegeven.
-
-Zij zaten nog nauwelijks op de bank in de kamer en hadden pas ’n
-strootje opgestoken, of er weerklonk ’n luid: „Sidin!!” Dat was de
-njonja weer! Zoo ging dat nu den ganschen dag! Geen minuut lang scheen
-dat mensch den mond te kunnen houden. ’t Was van den ochtend tot den
-avond elke minuut geschreeuw om de bedienden.
-
-„Je wordt geroepen,” zei Ketjil.
-
-„Soedahlah! Zij schreeuwt toch altijd.”
-
-„Ik zou maar eerst even gaan.”
-
-„Het helpt toch niets. Zulke njonjas blanda zijn nooit stil.”
-
-„Sidin! sepèn! kebon!” gilde Marie woedend uit de achtergalerij. „Apa
-tida ada orang di blakan?”
-
-Op vroolijken toon weerklonk een drievoudig „Ja!” uit de
-bediendenkamers, waarvan de bewoners met lachende gezichten en, op
-Sidin na, zeer ongekleed, naar buiten kwamen. Langzaam ging Sidin naar
-het hoofdgebouw. Zoolang hij door het groen aan het oog van mevrouw
-Bronkhorst was onttrokken, haastte hij zich in het geheel niet. Maar
-nauwelijks kwam hij in ’t gezicht of hij maakte buitengewonen spoed.
-Niettemin kreeg hij een uitbrander van geweld, wat hem niets van zijn
-kalmte deed verliezen, maar hem daarentegen het bezoek van Ketjil
-gunstiger deed opvatten.
-
-„Wat was het?” vroeg deze, toen hij terugkwam.
-
-„Och, niets, zij schreeuwt maar.”
-
-Het strootje werd hervat en beiden rookten zwijgend; de vrouw bracht
-elk een kop koffie van de bladeren van den koffieboom gezet, dik en
-drabbig, met veel suiker, maar natuurlijk zonder melk. Ketjil keek er
-eens naar. Hij was aan andere koffie gewoon, maar hij zou deze maar
-naar binnen werken, omdat het niet goed zou staan, als hij deze
-weigerde.
-
-„Er is nog iets,” zeide hij.
-
-Sidin antwoordde niet.
-
-„Er moet nog iets gedaan worden.”
-
-„Ik dacht het al.”
-
-„En ’t moet vandaag gebeuren.”
-
-Dat was de bediende niet naar den zin.
-
-„Waarom vandaag? Misschien kan het vandaag niet.”
-
-„Het mag niet morgen zijn, en tot Vrijdag moeten wij niet wachten.”
-
-„Niet?”
-
-„Neen. Het is nu Dinsdag. Onthoud goed, dat als ik je iets opdraag in
-deze zaak, het altijd moet gedaan worden op Dinsdag of Vrijdag.”
-
-„Mag ik ook vragen,” zei Sidin brandend van nieuwsgierigheid en met den
-vriendelijksten glimlach, dien hij bij machte was op zijn bruin gezicht
-te voorschijn te roepen, „mag ik ook vragen waarom niet?”
-
-„Omdat,” zei Ketjil met hoogen ernst, „omdat het dan niet helpt. En
-nooit, nooit, in welke omstandigheid ook, op een Zaterdag.”
-
-Sidin loosde een zucht. Ofschoon hij metterdaad geen drommel wijzer was
-geworden, vond hij het toch van overweldigend gewicht.
-
-Toen beiden een tijdje gezwegen hadden, zeide Ketjil weer:
-
-„Nu zal ik je zeggen, wat je te doen hebt. Hier is een pakje. Je moet
-in de kamer van mevrouw Bronkhorst een steen oplichten.”
-
-„Ilahlah!” riep Sidin zacht. „Dat kan niet.”
-
-„Het moet.”
-
-„’t Kan niet, want het is marmer.”
-
-„Neen”...., stemde Ketjil peinzend toe, „dat is waar, dan kan het ook
-niet. Komt de kamer uit in de achtergalerij?”
-
-„Ja.”
-
-„Dan is een steen in de achtergalerij ook goed. Maar het moet er een
-wezen, vlak voor haar deur, zoodat zij er elken dag overheenloopt.”
-
-„Soesah!” klaagde Sidin, die erg tegen het werkje opzag.
-
-„Het is zoo erg niet. Van middag als allen slapen, krab je met dit
-mesje aan den eenen kant de kalk weg en haalt dan met dit tangetje wat
-aarde onder den steen uit. Dan wip je hem ’n beetje op en brengt het er
-onder.”
-
-Sidin nam aarzelend het pakje aan, alsmede de kleine, zeer eenvoudige
-ijzeren werktuigen.
-
-„En als de nonna wakker is en achter zit?”
-
-„Je behoeft niet bang te zijn voor de nonna en ook niet voor de
-naaister. Die zien niets.”
-
-Ketjil ging heen en keek ditmaal niet brutaal naar de dames, althans
-Marie vond geen reden om hem „op zijn plaats te zetten”. En Sidin
-begluurde en onderzocht nauwkeurig het mengsel, dat was samengesteld
-uit gabah, asch, idjoek, beenderen van den koekang en eenige groote
-punten van gewone naalden.
-
-Ondanks de geruststellende verzekeringen van Ketjil was Sidin niet met
-de opdracht ingenomen; hij zag zwart van vrees, en ten einde raad, liep
-hij, toen Ketjil weg was, naar Sarinah en beklaagde zich bitter over de
-soesah, die men hem bezorgde.
-
-Maar ook zij lachte hem uit.
-
-„Je kunt het gerust doen; mijn zoon heeft gelijk.”
-
-„Waarom doe je het dan niet zelf?”
-
-„Ik ben een oude vrouw.”
-
-„Een oude vrouw kan het ook wel doen.”
-
-„Ik dien hier niet; het zou gek staan als ik ging korèkken aan den
-vloer.”
-
-„Ja, dat is allemaal maar bitjara kosong,” zei hij brutaal.
-
-„Je bent zelf minder dan een vrouw,” antwoordde de oude, boos. „Het is
-niet om de soesah, maar omdat je niet brani bent.”
-
-„Zeker,” erkende Sidin, ridderlijk lafhartig, „ik ben in ’t geheel niet
-brani.”
-
-„Doe het maar,” hield Sarinah vol, „doe het maar. Ik zal je een mooien
-koker koopen voor je strootjes. Het is niets gevaarlijk, en ik zal zelf
-bij je komen zitten, als je bezig bent aan het werk.”
-
-Dat hielp. Als de oude bij hem zat, zou hij niet zoo licht overvallen
-worden.
-
-Inderdaad zat Betsy op en was ook de naaister present toen Sidin met
-zijn mengsel de trap der achtergalerij kwam oploopen, en de oude hem
-steunend en met moeite gaand vergezelde.
-
-Zij wist niet wat er moest gebeuren, maar ze zag wel, dat het iets was,
-dat op de goena-goena betrekking had, al was het dan ook slechts
-indirect. De oude meid had haar vooraf gewaarschuwd, dat er iets van
-dien aard zou gebeuren, en zij, als ze het zag, maar niets moest
-vragen; ook de naaister was door de oude voor zooveel zij het noodig
-vond, in „het geheim” betrokken. Ongestoord, maar allesbehalve rustig,
-verrichtte Sidin de hem opgedragen taak. Het was niet gemakkelijk, maar
-het was een knoeiwerkje, en daarvan had hij als inlander slag. Met
-groote handigheid peuterde hij de kalk los, wipte den steen op en wist,
-toen het mengsel op z’n plaats was gebracht, de losse stukken kalk met
-groote behendigheid heel netjes weer in de voeg te brengen.
-
-Sarinah bleef zitten, toen Sidin klaar was en heen ging; zij beschouwde
-het een tijdlang met groot welgevallen. Daarop strompelde zij naar
-achter, ging in haar kamertje en knipte daar van gewoon katoen twee
-poppen, die ze met een groot aantal spelden aan elkaar stak. Toen nam
-ze die zonderlinge lappenfiguur onder haar baadje, sukkelde naar de
-trap van de achtergalerij, en ging zitten op de eerste trede vlak bij
-den grond. Zij deed dat zoo eenvoudig en schijnbaar gewoon, dat
-niemand, gesteld er had zich iemand aan de gangen van het oudje laten
-gelegen liggen, er iets bijzonders of opmerkelijks in had kunnen
-vinden. Langzaam liet zij den mageren arm zakken, en begonnen haar
-vingers den grond los te krabben; een kwartier zat zij te woelen in de
-aarde tot ze een voldoend diep plekje had, waarin de aangeprikte
-lappenpoppen verdwenen. Toen ging, zonder haast en heel bedaard, de
-aarde er weer over, door den beenigen gerimpelden klauw zorgvuldig
-vastgedrukt bij beetjes, tot de grond voor de trap geen spoor
-vertoonde, dat er pas iets in was verborgen. Eerst toen dit volkomen in
-orde was, ging zij naar boven.
-
-Betsy was er niet; ze was naar haar kamer gegaan; het geknoei met dien
-steen had haar zenuwachtig gemaakt; ze drong zichzelve op, dat het haar
-niet kon schelen, maar ze had vlagen van een onbestemde vrees,
-oogenblikken van gejaagdheid en angst, waarin ze een gevoel had alsof
-de muren van het huis der Bronkhorsten haar dreigden te verpletteren.
-Ze was op een divan neergevallen en lag daar bewegingloos met een sterk
-sprekende uitdrukking van moedeloosheid op ’t gezicht.
-
-„Wat voerde Sidin toch eigenlijk uit?” vroeg ze toen de oude
-binnenkwam.
-
-„Hij heeft er iets onder gelegen.”
-
-„Ja, dat weet ik. Wat was het?”
-
-„Het was van allerlei; ’t behoort er bij; mijn zoon heeft het
-gebracht.”
-
-„’t Kan me ook eigenlijk niet schelen, wat het is. Soedah, laat maar!”
-
-De oude zweeg, scharrelde wat rond, hier een kleedingstuk anders
-schikkend, en dáár wat stof wegslaand.
-
-Betsy was toch nieuwsgieriger, dan ze voorgaf.
-
-„Waarom moest hij het er onder doen?”
-
-Sarinah kwam dicht bij den divan en zei zacht: „Het is tegen haar. Zij
-moet elken dag over den steen loopen; dan krijgt ze een tegenzin in het
-huis en gaat dikwijls weg; ze wordt er uit gedreven.”
-
-Het is dus, dacht Betsy, en ze kon een glimlachje vol ongeloof niet
-onderdrukken, een middel om haar „uithuizig” te maken.
-
-„Het zal mij benieuwen of het gelukt.”
-
-„Dat wil ik u wel zeggen.”
-
-„Zal jij dat nú reeds zeggen?”
-
-„Nu niet, maar straks.”
-
-Toen Marie een uurtje later uit haar kamer kwam, waar ze op haar bed
-had liggen lezen, omdat, nu Betsy in huis was, er eenig meer algemeen
-toezicht bestond, zat Sarinah tegen het groen geverfde hek, dat langs
-de galerij liep, en lette aandachtig op. Haar leelijk gezicht
-verhelderde, en zich tot Betsy wendend, die nu ook achter was gekomen
-en thee stond te zetten, keek ze deze aan met een voor haar doen
-vroolijken grijns. De oude was inderdaad zeer verheugd en tevreden,
-want mevrouw Bronkhorst had over den steen geloopen waaronder het
-mengsel lag. Het leed nu geen twijfel of het toovermiddel zou gelukken
-en zoodoende bedragen tot het bereiken van ’t groote doel.
-
-Sidin telde de door hem bewezen diensten, toen hij ’s avonds met
-Sarinah voor zijn deur zat te praten.
-
-„Ik heb het kussen van mijnheer’s bed opengemaakt, er bloemen
-ingestoken, kenanga en zo....”
-
-„Het gaat je niet aan, wat het was.”
-
-„Goed. Ik wil het ook niet weten. Toen heb ik het kussen weer
-dichtgemaakt.”
-
-„En nu wil je geld hebben.”
-
-„Nog niet. Ik heb al de haartjes van meneer bijeengezocht, toen de
-soldaat hem geknipt had, en ik heb ze voor uw zoon in een papiertje
-gedaan....”
-
-„Ja, soedah! Wij weten het wel!”
-
-„En nu heb ik weer dat met dien steen gedaan, omdat hij het wilde.”
-
-„Wat wil jij dan?”
-
-„Niets. Ik vraag niets. Ik verzoek alleen om me nu niet langer meer al
-die dingen te laten doen. Het komt hoe langer hoe dichter bij. Ik wil
-niet krakallen, en ik ben niet brani. Als Ketjil nog eens komt, dan
-vraag ik brenti.”
-
-De oude keek hem uit de hoeken van haar oogen met de diepste verachting
-aan.
-
-„Je bent minder dan een wijf; dat heb ik al gezegd.”
-
-„Waarom scheldt je me uit? Betaal me liever.”
-
-„Ja, ik zal je betalen!” lachte de oude. „Ik zal je betalen, maar je
-zult er morgenochtend niets meer van weten! Ik ga geld voor je zoeken,
-beste jongen.”
-
-Werkelijk stond zij op, en ging tamelijk vlug het erf af. Den armen
-Sidin brak het angstzweet uit. Hoe had hij ook zoo dom kunnen wezen?
-Waarom zoo brutaal te zijn tegen het oude, gevaarlijke mensch? Nu zou
-ze, dacht hij, hem zeker vergiftigen. Hij dacht aan de krampen, die hij
-weldra zou gevoelen, en aan den dood. Wat zou hij daar stijf en
-sprakeloos liggen op de balé-balé, en als zijn vrouw huilde zou hij ’t
-niet hooren. In een kwartier stond zijn besluit vast.
-
-De familie zat in de achtergalerij.
-
-„Mevrouw moet niet kwaad wezen”, zei hij, regelrecht naar Marie gaande,
-„ik vraag mijn ontslag”.
-
-Zij keek er vreemd van op.
-
-„Waarom?”
-
-Hij wist niet wat te zeggen.
-
-„Mijn vader is ziek.”
-
-„Dat jok je. Je hebt geen vader, want die is al lang dood.”
-
-„Ik bedoel den vader van mijn vrouw.”
-
-„Die is ook niet ziek”, zei Betsy, „want ik heb hem daar straks nog met
-zijn grobak zien loopen.”
-
-„Je behoeft niet te liegen” merkte Bronkhorst aan op bemoedigenden
-toon. „Je kunt immers gerust de waarheid zeggen. Wij willen je wel
-ontslag geven, als je het vraagt. Wij willen alleen maar weten,
-waarom.”
-
-„Ja,” bevestigde Marie, „wij willen weten waarom.”
-
-Maar Sidin zat verschrikkelijk in den knoei, want zóó kon hij niet
-liegen of de waarheid bleef altijd nog minder verkieslijk. Ten einde
-raad en zenuwachtig, zei hij:
-
-„Ik ben bosèn van mevrouws gezicht.”
-
-Betsy had moeite om er ernstig bij te blijven; Bronkhorst fronste de
-wenkbrauwen en keek in zijn courant; Marie was woedend en gaf den
-delinquent de volle laag. Zoo’n brutale kerel, zoo’n smerige inlander,
-durfde haar dat te zeggen! Het was ongehoord. Dadelijk moest die
-gemeene vent de deur uit; op staanden voet!
-
-Sidin zei niets meer, ’t was alles wat hij verlangde, maar zijn
-afrekening viel hem tegen; hij had gedacht iets te ontvangen en hij
-bleef, integendeel, nog schuldig. Het noopte hem nog eens om te zien
-naar Sarinah en de oude om geld te vragen, doch het hielp niet; ze
-antwoordde hem niet eens, en ten slotte verliet hij met zijn vrouw en
-zijn weinig waardeloos goed, den dienst, met een geleenden halven
-gulden in den zak.
-
-Sarinah was blij, dat hij weg was. In zijn eigen belang zou hij den
-mond wel houden, en overigens was hij een akelige jongen, tot niets in
-staat; zij dacht, dat zij wel dwaas zou geweest zijn, als zij dien
-kerel iets had gegeven. Hij had gedaan, wat hij doen moest. De rest,
-waarop het vooral aankwam, zouden ze zelf wel doen.
-
-Maar of ze werkelijk iets belangrijks deden of niet, wist Betsy niet
-met zekerheid. Wel zette zij haar spel voort, telkens als zij kon met
-Bronkhorst coquetteerend, en ze zag dat hij steeds zeer met haar bleef
-ingenomen. Maar verder kwamen ze niet. De eene dag verliep na den
-anderen, en er gebeurde niets, dat eenigszins wees op een serieuze
-verandering.
-
-„Het is allemaal gekheid,” knorde zij tegen de meid. „Het is geld in
-het water gooien, anders niet.”
-
-Maar Sarinah hield vol. ’t Was de dag niet. Alles moest zijn tijd
-hebben, en het zou nu niet lang meer duren.
-
-Het was natuurlijk weer op een ongelegen oogenblik, en toen Betsy er
-het minst om dacht, dat er „iets” moest gedaan worden. „Zoudt u niet
-wat lekkere kwee-kwee maken?” vroeg de oude.
-
-„Neen, nèh! We hebben nu geen tijd, dat weet je wel.”
-
-„Het is toch de goede tijd.”
-
-„Wat praat je? Van avond is er een diner, en daarna blijven de gasten.”
-
-„Ik weet wel dat mevrouw jarig is, en dat alles besteld is in de groote
-stad, en dat die dronken Europeaan komen zal om alles in beweging te
-zetten.”
-
-„Nu, wat wou je dan?”
-
-„Het is de goede dag vandaag. Dezen Dinsdag moet u een schoteltje maken
-voor mijnheer. Er moet iets in.”
-
-„Ik wil niet, ik doe het niet.”
-
-„Dat behoeft ook niet; dáárvoor zal ik wel zorgen. U kunt zoo lekker
-kwee-kwee maken, en daar houdt meneer zoo van.”
-
-„Ik.... ik.... kan.... Nu, ’t is goed. Straks na de rijsttafel. Ga nu
-maar weg.”
-
-
-
-„Zou je niet ’n uurtje gaan slapen van middag?” vroeg haar Bronkhorst
-onder het eten.
-
-„Dansen we dan van avond?”
-
-„Ik weet het nog niet. Wil je graag?”
-
-„Hm, hm!”
-
-„Welzeker”, stemde Marie toe. „Zij is nog jong genoeg om wat pret te
-maken. Maar ik vind ook, dat ze dan van middag wat slapen moet. Ik doe
-het ook; het wordt waarlijk anders te vermoeiend.”
-
-„Natuurlijk!” zei Bronkhorst.
-
-„Ik weet hoe doodaf ik was, dien avond van de Borne’s.”
-
-„Nu, ik zal ’n oogenblik gaan uitrusten, want slapen kan ik toch niet.”
-
-„Ik ook niet, en ik moet bovendien vandaag op ’t kantoor wezen.”
-
-Doch Betsy ging in plaats van naar haar kamer, naar de keuken. Zij
-maakte haar deeg zoo goed als de beste banketbakker, en ze deed de
-kwee-kwee’s in de kleine vorm-schoteltjes, waarin zij bereid en waaruit
-ze naderhand gegeten werden. Sarinah stond er bij.
-
-„Keer u eens om”, zei ze, „u moogt niets zien.”
-
-Met groot genoegen en kloppend hart gehoorzaamde Betsy haar baboe. Hoe
-minder zij er van zag, hoe liever, want de vrees kon zij niet van zich
-zetten. De oude wierp een poedertje in het deeg van een der vormpjes,
-roerde het door met een houtje en hield het afzonderlijk.
-
-„Wees voorzichtig! Tjampoer het niet met de anderen.”
-
-„Kan men het niet proeven?”
-
-„Neen.”
-
-„Wat is het, nèh?”
-
-„Ik weet het niet.”
-
-„Ben je gek! Moet je dan zoo stom wezen om er iets in te doen, zonder
-dat je weet wat het is?”
-
-„Ik heb het van mijn zoon gekregen.”
-
-„Poeah! Dat is ook wat!”
-
-„Dat is voldoende; het is zijn geheim, dat niemand aangaat, omdat het
-van hem is.”
-
-„Het zal toch geen vergif zijn?”
-
-„Mijn zoon is geen karbouw; hij heeft ook geen hoofd als een garnaal.”
-
-„Och, je zoon.... je zoon!”
-
-„Nonna moet nu niet zoo bang wezen; het is alles heel goed. Laat nu de
-kwee-kwee maar lekker zijn voor meneer. Ah! zoo lekker!”
-
-Betsy moest er om lachen. Het was toch een dier, die oude! En ze bakte,
-op een zacht houtvuur, ’t schoteltje lekkers heel zorgvuldig tot de
-bovenlaag ’n beetje steviger werd, de gele kleur wat zwaarder kleurde
-in het midden, aan de kanten uitloopend in een fijn lichtbruin tintje,
-dat hier en daar als kantwerk aanzette tegen den rand van het vormpje.
-
-„Dan heb je ook niet geslapen”, zei Bronkhorst, toen hij het gebak
-kreeg bij zijn thee.
-
-„Ik zou me er over beklagen!”
-
-„Toch wel. Je weet ik vind die kwee-kwee goddelijk, maar ik had ze
-graag willen ontberen, als ge wat rust hadt genomen tegen van avond.”
-
-„Gekheid, ik kan er best tegen.”
-
-„Nu, dan moet je het ook maar zelf weten,” zei Marie, „ik voor mij ben
-er niet rouwig om.”
-
-En met wellust zette zij haar witte tanden in het smakelijk product van
-de bakkunst harer huisgenoote.
-
-’s Avonds, toen tegen acht uren de gasten kwamen, zat de familie in
-groot tenue in de voorgalerij. Cadeautjes had Marie niet veel gehad
-voor haar verjaardag. Bronkhorst had haar een aandeel in een
-prauwenveer geschonken, gelijk hij elk jaar deed, en „voor de
-aardigheid” een gouden sieraadje er bij; Betsy had een prachtige
-kabaja, drie kwart borduurwerk, gegeven, de kinderen kleine geschenken,
-die naderhand op de huishoudelijke toko-rekeningen paraisseerden, en
-daarmee was het uit; de vreemden bepaalden zich tot hun hartelijke
-felicitaties.
-
-Reeds aan het diner kwam de vroolijke toon van de vorige maal, opgewekt
-door de herinnering, doorschemeren. Betsy en Bronkhorst zaten ver van
-elkaar af. Daartegen was niets te doen geweest, aangezien Marie zelf de
-plaatsen had geregeld, waardoor de jonge weduwe tusschen den controleur
-en een ander celibatair kwam te zitten, terwijl aan het hoofd van de
-tafel Bronkhorst zijn best deed om de vrouw van den resident te
-amuseeren, wat hem niet gelukte, omdat dit vrouwelijk hoofd van het
-gewestelijk bestuur geweldig jaloersch was van de luxe, die bij den
-notaris werd tentoongespreid, en dit door allerlei hatelijke
-zinspelingen toonde.
-
-Het was opvallend hoe Bronkhorst, later op den avond, zijn schade
-inhaalde; hij was haast voortdurend bij Betsy of in haar naaste
-omgeving; iedere gelegenheid gebruikte hij om haar toe te spreken, zich
-daarbij in allerlei fraaie houdingen opstellend, en buitengewoon
-vroolijk lachend.
-
-„Zou hij?”.... vroeg de controleur aan den dokter.
-
-„Ik geloof het niet,” antwoordde deze, met zijn sterk vreemd accent.
-„Het heeft mij nog nooit gefrappeerd.”
-
-„Nou maar, van avond is het nogal in het oogloopend.”
-
-„Ja, het is sterk.”
-
-„Er zijn meer lui, die er over spreken. Van zoo’n soliden kerel als
-Bronkhorst begrijp ik het niet.”
-
-„Het is misschien maar schijn.”
-
-„Schijn? Het is mogelijk, maar juist voor den schijn moest hij zich
-wachten.”
-
-Maar schijn of niet,—het veelhoofdig monster der kwaadsprekendheid had
-zijn werk begonnen, en het deed dat met te grooter ijver, naarmate de
-patiënt door zijn positie en zijn fortuin meer op ’t kleine plaatsje in
-het oog liep.
-
-Evenmin als zijn kunst het leven van den Ekster had kunnen redden, was
-’s dokters tegenspraak in staat diens weduwe te beveiligen. En zoo
-Betsy niet veel goeds verdiende,—in geen geval was ze wat men van haar
-zei.
-
-Want, beminnelijk als altijd, trok de goede genius van den laster
-dadelijk de grofste conclusiën, en waren het de fatsoenlijkste
-menschen, die het eerst de gemeenste gevolgtrekkingen maakten. Het
-werd, echter, alles slechts „gefluisterd.” Vooral wilde niemand de
-zegsman wezen, en de controleur bezocht den ochtend na de partij den
-dokter om dezen te verzekeren, dat als hij, controleur, eenig vermoeden
-had geopperd den avond te voren, de dokter daarover in geen geval tegen
-iemand mocht spreken. En de jonge vreemdeling, die reeds genoeg kijk
-had op sommige eigenaardigheden in onze samenleving, wist in zijn
-gebroken Hollandsch aan zijn enkele dames-patiënten met een
-geheimzinnig gezicht en een beteekenenden glimlach wel zooveel te
-vertellen, dat ze wisten, wat hij bedoelde, zonder dat hij iets had
-gezegd.
-
-De dames waren diep verontwaardigd, de heeren zeiden niets tegen de
-beschouwingen en commentaren hunner echtgenooten, maar lachten onder
-elkaar er over in de sociëteit, en noemden Bronkhorst, die zich van dat
-alles niets bewust was, „’n leuken kerel” en „’n snoeper”, en velen
-bekenden ronduit, dat als een hond ’n beentje vindt, het zeer
-natuurlijk is, dat hij er aan ruikt, en als „bovenbedoeld” beentje aan
-„gezegden” hond bevalt, het niet minder natuurlijk is, dat hij er aan
-kluift.
-
-Maar bij hun dames durfden zij met die ruik- en kluif-theorie niet voor
-den dag komen. Voor een decentralisatie-geest was onder de voorstanders
-van een persoonlijk monopolie geen ruimte.
-
-Ze sliepen lang, den ochtend na de partij. De geheele dag was eigenlijk
-verloren. De notaris liet op ’t kantoor den boel maar zoowat aan zijn
-personeel over; Betsy bemoeide zich al even weinig met het huishouden
-als Marie, die ook te moe was en bovendien van het dansen geweldige
-kramp had in haar beenen. Eerst tegen de rijsttafel kwam men op het
-„alignement”, zooals oom Borne zou gezegd hebben.
-
-Men was nog loom, en lag in gemakkelijke stoelen zoowat pratende over
-de partij.
-
-„Een zeer geréusseerde,” had Bronkhorst haar genoemd.
-
-„Dat zijn ze hier altijd,” zei Betsy.
-
-Marie was opgestaan. Ze moest toch even naar de keuken, want het kon,
-naar haar meening, anders niet heelemaal goed gaan.
-
-„We hebben gisteravond veel gedanst,” vervolgde Betsy.
-
-„Te weinig,” antwoordde Bronkhorst zich uitrekkend, en haar glimlachend
-aankijkend.
-
-„Te veel,” sprak ze tegen met een stemmodulatie, die evengoed kon
-beteekenen, dat zij het aangenaam vond, als dat ze het afkeurde.
-
-„Zou het te veel kunnen zijn?”
-
-„Zeker. Wat moeten de menschen wel denken, als we den heelen avond
-dansen!”
-
-„Den heelen avond?”
-
-„’n Groot gedeelte ten minste.”
-
-„Wel, wat kan men denken? Hoogstens toch, dat ik graag met je dans, wat
-voor een zoo goede danseuse geen buitengewone voorkeur mag heeten.”
-
-„Nu ja, dat is maar gekheid.... Ik weet wèl, dat er op gelet is.”
-
-„Door wie?”
-
-„Ja, dàt weet ik nu niet precies, maar ik heb ’t toch in het algemeen
-bemerkt.”
-
-„Verbeelding!”
-
-„Toch niet!”
-
-Langzaam wipte ze in haar stoel op en neer, achteroverliggend tegen de
-leuning, ’t hoofd een beetje ter zij; en ze keek hem aan met haar
-fluweelachtige oogen, zoodat het hem te moede werd, als lag hij onder
-de verplichting haar het hof te maken, en als zou het van een
-onverantwoordelijke „droogstoppel”-natuur hebben getuigd zich zonder
-meer zóó te laten aankijken door zulke oogen. Het was geen
-verliefdheid, die hem haar hand deed vatten en hem het meest
-don-juannisch gezicht deed trekken, waartoe hij in staat was; het was
-sexueele ijdelheid. Hij „kon” daar toch niet tegenover zulke
-appetissante vruchten blijven zitten, alsof hij, ’n knap, kloek man in
-de kracht zijns levens, daarvoor niets meer gevoelde. Reeds meermalen
-had hij aan zichzelven bemerkt, dat als zij hem niet op de een of
-andere wijze in verzoeking bracht, hetzij door haar houding, hetzij
-door een woord of een blik, hij zich minder tot haar aangetrokken
-gevoelde. Maar als zij met hem coquetteerde, dan was hij gauw gevangen,
-en dan was het vooral zijn ijdelheid, die hem aandreef tot meedoen, en
-die de begeerte in haar gevolg voerde.
-
-Hij had haar hand in de zijne genomen en streelde die, terwijl hij haar
-diep in de oogen keek.
-
-„Kom,” zei hij zacht, „ik beloof beterschap.... in gezelschap; maar
-laat me dan ’n heel klein beetje wraak nemen.... onder vier oogen.”
-
-„Me dunkt, je bent al druk bezig.”
-
-De slofjes van Marie tikten op de trap:
-
-„Jean, kan het eten worden opgedaan?”
-
-Juist kuste hij de hand van Betsy; hij liet die snel los en richtte
-zich kennelijk eenigszins verschrikt op; zij bleef onbeweeglijk en
-onverschillig in haar wipstoel liggen.
-
-„Wat mij betreft wel,” antwoordde hij, en men kon ’t hooren aan zijn
-stem, dat hij verschrikt was.
-
-„Bah!” dacht Betsy, „hoe bête is toch ’n getrouwd man, als hij vreest
-door z’n vrouw betrapt te worden op ’n kleinigheid!”
-
-Doch ze toonde niet, dat ze zijn schrikken kinderachtig vond.
-Integendeel ze bleef haar stille tactiek volgen, en zij nam daarbij
-evengoed haar voorzorgen tegen ontdekking. Zóó ontstond langzamerhand
-tusschen Betsy en Bronkhorst een verhouding, die hij somtijds erg dwaas
-noemde, maar welke hij, zonder een daad van groote brutaliteit, niet
-kon veranderen, en die hij toch wel aardig vond, ofschoon erg jeugdig.
-Zij grepen elke gelegenheid aan om elkaar aan te raken; hier en daar,
-bij toevallige ontmoetingen, werden handdrukken gewisseld; soms als zij
-’s avonds over een der zijgalerijen liep en het was er donker, gaf hij
-haar een kus. Maar daarbij bleef het. Ze dachten, althans Bronkhorst
-meende, dat niemand ooit een en ander zag; nu, Marie was zich zeker van
-niets bewust, maar de inlandsche bedienden hadden er onder elkaar het
-grootste genoegen over, en ze zagen en wisten heel goed, dat meneer,
-terwijl hij aan tafel met het onschuldigste gezicht het woord voerde,
-onder tafel met zijn voet, tegen of op dien van iemand anders, een
-soort van telegraphische gemeenschap uitoefende.
-
-Ze hadden het ’s avonds daar altijd over in de bediendenkamers; het was
-een grap van belang!
-
-Het werd nog gemakkelijker toen er logé’s kwamen: ’n getrouwd
-menschenpaar uit het binnenland, met twee kinderen. Dat gaf meer drukte
-dan ooit en absorbeerde de dames haast geheel. Maar het schonk ook
-juist door de drukte een groote vrijheid, die Bronkhorst niet
-ongebruikt liet. Soms had hij ’t land aan zichzelven en kreeg hij ’n
-bui van bijzondere liefheid tegen Marie, die hem liet begaan, zich
-glimlachend verbazend over het feit dat hij nog zoo mal kon zijn. Doch
-hij had ook aanvallen van ongeduld, en dan was hij kregel, vooral tegen
-Marie. Zij trok er zich maar weinig van aan; zij schreef het toe aan
-slechte spijsvertering of overmatige drukke bezigheden op ’t kantoor.
-Dat ging weer voorbij, en als hij ’s ochtends een erg nurksche bui had
-gehad, dan maakte zij ’s avonds een lekker schoteltje gestoofde
-pruimen; daar hield hij van, en dat was gezond! Zeker was het, dat hij
-van overwerken geen last had. Hij deed het onvermijdelijke op ’t
-kantoor, maar liet meer dan vroeger over aan zijn personeel. Terwijl
-hij vroeger gaarne heel veel zelf deed, omdat de tijd dan aangenamer en
-gauwer voorbijging, stelde hij tegenwoordig prijs op vrije
-kwartiertjes, waarin hij niets deed dan aan Betsy denken. Als hij het
-huis binnenkwam, was zijn eerste blik voor haar. Vroeger had hij de
-gewoonte Marie te kussen bij het gaan ’s morgens en het komen ’s
-middags. Zachtjes aan had hij dat afgeschaft. Als zijn aanvallen van
-liefheid voor haar, die thans een anderen meer prozaïschen grond hadden
-dan vroeger jaren, voorbij waren, was zij hem volkomen onverschillig.
-
-Marie had die geleidelijke verandering niet getroffen. Vooral nu zij
-logé’s had, was ze te zeer geoccupeerd met haar huishouden en de keuken
-om zich veel te bemoeien met de caprices van haar man. Daarbij, ze
-voelde geen zweem zelfs van verdenking. Zijzelve was zulk een volkomen
-brave en fatsoenlijke vrouw, die zelfs nooit in gedachte een der tien
-geboden overtrad; zij was altijd zoo geheel vrij van bijoogmerken, als
-ze stond tegenover derden, dat ze anderen naar zichzelve beoordeelde en
-nooit of nimmer iemand van boosaardige bedoeling of „slechtheid”,
-zooals zij het noemde, verdacht. Natuurlijk hoorde zij dikwerf verhalen
-van andere dames over echtelijke ontrouw, zedeloos gedrag en
-onkuischheid; maar zij hoorde het niet graag; het deed haar onaangenaam
-aan, en ze keek onder het aanhooren zoo vreemd, alsof men haar dingen
-meedeelde uit een andere wereld. En ze dankte God, als het uit was,
-want ’t hinderde en ergerde haar. Soms als er een slachtoffer was, dat
-haar medelijden opwekte, kon ze met groote verontwaardiging uitvallen,
-en dan sprak haar toorn uit elken trek van haar goedhartig gezicht; dan
-had ze de „slechte” hem’s en haar’s wel hoogst eigenhandig een pak
-kunnen geven. Doch over het algemeen liet het haar koud en
-onverschillig. Wat gingen haar die nare, vieze menschen aan met hun
-eeuwig geknoei!
-
-Betsy daarentegen hoorde nooit iets liever. Van al die verhalen genoot
-zij, en ze vond het heerlijk, als, zoo ’s morgens, dames te visite
-kwamen in sarong en kabaja, die dadelijk allerlei onderwerpen,
-betrekking hebbend op ’t sexueel verkeer, bespraken; heel ernstig soms,
-over bevallingen met al wat daaraan gewoonlijk was verbonden of onder
-buitengewone omstandigheden kon verbonden zijn; heel grappig dikwerf,
-als er hier of daar ’n nieuw schandaaltje was voorgevallen, of ’n oud
-schandaaltje weder eens met een: „Weet je nog wel!” opnieuw kon worden
-verteld, bijwijze van een zooveelsten door den auteur opnieuw
-verbeterden en van fraaie illustratiën voorzienen herdruk!
-
-Terwijl dit alles zijn gewoon verloop had, bleef Sarinah haar
-betooveringsmiddelen aanwenden met volharding en onwankelbaar geloof.
-
-„Het wordt nu tijd voor het groote middel,” zei ze op een avond tegen
-Betsy.
-
-„Zoo! Ik dacht dat je zoon daarvoor zoo’n verre reis moest doen.”
-
-„De tijd gaat voorbij, nonna merkt het niet. Zij speelt maar met de
-muis, en ziet niet hoe de tijd verloopt.”
-
-„Je zanikt, nèh! Ik zie het heel goed.”
-
-„Mijn zoon is al geweest; hij is gisteren teruggekomen.”
-
-„Nu, dat is vlug!”
-
-„Hij is er toch geweest.”
-
-„Ja, ik geloof het wel, maar het is toch heel vlug. Er zijn dingen, die
-minder vlug werken.”
-
-„Ik weet het niet.”
-
-„Nu, ouwe, houd je maar niet zoo dom. Wat moest dat geknoei onder dien
-steen?”
-
-„Het behoort er bij.”
-
-„Malligheid, nèh! Het moest haar uithuizig maken.”
-
-„Dat zal het.”
-
-„Ha, ha! Jullie bent toch zoo dom! Uithuizig. Ik heb haar nog nooit zoo
-hokvast gezien als tegenwoordig.”
-
-Sarinah kon het niet geheel ontkennen; ze had echter wel een uitvlucht.
-
-„Het is zeker nog de tijd niet....”
-
-„Het is de tijd wèl! al lang, dat weet jij ook heel goed, nèh. Als het
-de tijd niet is, dan wordt het die nooit.”
-
-„Laat maar. Het komt terecht!”
-
-„Nu ja!”
-
-„Is het dan al niet verwonderlijk genoeg? Hoe is hij geworden nadat hij
-de kwee-kwee had gegeten? Hoe was hij reeds denzelfden avond!”
-
-„Ja.... dàt nu wel. Maar op haar schijnen jou duivelskunsten geen
-invloed te hebben.”
-
-„Het zijn geen duivelskunsten. En al waren ze het. Men moet allen
-vreezen en eeren, de kwade zoowel als de goede geesten.”
-
-„Mooi hoor!”
-
-„Het is betoel. Waarom zouden wij niet? Een mensch is maar zwak. Hij
-kan evenmin tegen de kwade geesten op als tegen de goede. Zij zijn hem
-toch te machtig! Als hij de goede vraagt om hem te helpen, waar het
-noodig is, kan hij het den kwaden ook wel doen.”
-
-De oude had het snel afgerateld, met een stem alsof ze haar mond vol
-losse tanden had. Vermoeid en naar adem happend hield ze op.
-
-„Jij kletst maar wat,” zei Betsy met minachting.
-
-„Soedah! wij zullen zien!”
-
-Inwendig was de oude zeer boos. Niet om den verachtenden toon, waarop
-tegen haar werd gesproken, dàt was zij zoo gewoon, en het hinderde haar
-in ’t geheel niet; maar ze moest erkennen, dat Betsy gelijk had, en
-daar kon ze niet tegen.
-
-Wie aan de werking van de goena-goena met al wat daartoe behoorde,
-twijfelde, kwam aan een gevoelige plaats in den beperkten
-gedachtenkring der grijze inlandsche vrouw. Zij vroeg ’n kwartier later
-permissie om uit te gaan, ofschoon het reeds laat was, en ze liet een
-kar zoeken om naar haar zoon te rijden. Met moeite kreeg zij bij den
-eenigen Chinees, die voertuigen verhuurde, er nog een. Zij had bijna
-ruzie met Ketjil.
-
-„Ik moet er afzonderlijk voor betaald worden,” beweerde hij.
-
-„Dat is niet waar. Het is onbeschoft mij dat te weigeren. Je hebt er
-waarlijk genoeg aan verdiend.”
-
-„Het is wat!”
-
-„En ’t kan me niet schelen, maar ik moet het hebben en je krijgt er
-geen duit voor.”
-
-Het scheen dat hij met zijn moeder niet wilde twisten, want brommend en
-met die overdreven langzaamheid, waarmede de inlander iets doet, dat
-hij liever niet deed, haalde Ketjil een stopfleschje uit een kleine
-kast, wierp eenige harde korrels en stukjes gelijk boombast in een
-steenen potje, en wreef het met een dito stamper tot fijn poeder.
-
-Meer dan een half uur was hij hiermede bezig; hij had het in vijf
-minuten kunnen doen, maar opzettelijk liet hij zijn moeder wachten om
-haar te plagen, en om haar te dwingen de kar zooveel tijd langer in
-gebruik te hebben; daar moest ze dan meer voor betalen.
-
-Zij wist het wel, maar ze zei niets; steunend en mompelend als altijd
-zat ze ineengedoken op een stoel zonder mat, geduldig wachtend.
-
-„Nu zal er wel gauw verandering komen,” zei ze den volgenden ochtend
-tegen Betsy, toen ze haar zeep, handdoek en bad-sarong bracht.
-
-„Denk je?”
-
-„Het moet. Ze heeft het al gedronken.”
-
-„Wat gedronken?”
-
-„Ik heb het in haar koffie gedaan.”
-
-Betsy trok pijnlijk en verschrikt de wenkbrauwen saam, greep Sarinah
-bij den arm en schudde haar heen en weer.
-
-„Wat dan toch, leelijk wijf? Zeg dan toch wàt?”
-
-„Stil! ik heb het gehaald, gisteravond bij mijn zoon.”
-
-„En moet dat haar uithuizig maken?”
-
-„Op een andere manier. Zij wil niet gezond er uit, dan moet ze maar
-ziek.”
-
-„Het is niet goed van je; ik wil niet, dat zij ziek wordt.”
-
-„’t Komt er niet op aan.”
-
-„Dat doet het wel. Als zij ziek wordt en ze moet naar boven....”
-
-„Juist goed. Dan blijven we hier.”
-
-Maar Betsy schudde het hoofd.
-
-„Dat kan niet, nèh! Je bent een oude domkop! Neen, dan blijven we niet
-hier, maar dan gaan we mee.”
-
-„Waarom?”
-
-„Omdat het,” ging Betsy zich opwindend voort, „geen adat bij ons is,
-stommeling, dat een dame met een heer alleen in hetzelfde huis woont.
-Ben je zoo oud geworden, heb je zoo lang onder Europeanen gediend, en
-weet je dàt nog niet?”
-
-Sarinah was er wel ’n beetje mee verlegen, want ook dàt was waar.
-
-„Het schijnt, dat ik niets goeds meer kan doen,” klaagde zij. „Ik ben
-maar een arme, oude vrouw.”
-
-„Nu, soedah! ik zeg immers niets. Houd je mond maar. Er is toch niets
-tegen te doen. Laat het maar loopen, ja! Er moet van komen, wat wil.”
-
-Aan tafel zagen haar groote zwarte oogen met belangstelling telkens
-naar Marie, ’t Scheen, dat het „goed” niet zoo heel snel werkte, want
-de kalme vrouw des huizes at, met den goeden eetlust aan haar gezond
-gestel eigen, haar gewone portie van alle goede gaven, en het kwam ook
-niet des avonds. Integendeel, Marie was opgewekt van geest, minder
-slaperig dan anders en ze klaagde nergens over. Eene diepe minachting,
-nu weer, maakte zich van haar meester, zoodat die zich teekende in haar
-trekken.
-
-„Wat zet je een komiek gezicht,” zei Marie.
-
-„Komiek? Hoezoo?”
-
-„Wel je keek daareven net of je een inlander wou beknorren.”
-
-Betsy kleurde, want het was waar, dat ze bezig was geweest in gedachten
-Sarinah geducht de les te lezen. Maar zij lachte en vroeg of men daar
-dan ’n bijzonder gezicht bij zette.
-
-„Ik denk het wel,” antwoordde Marie, „ten minste als jij het doet, zie
-ik je altijd op die manier kijken.”
-
-Misschien door dit gesprek ontging Sarinah het standje haar toegedacht;
-toch zag ze wel, dat de nonna erg boos was en het was dan ook om zich
-nijdig te maken. Hoe kwam zoo’n Europeesche vrouw toch aan zulk een
-krachtig gestel met zooveel weerstandsvermogen.
-
-Maar den volgenden ochtend verscheen Marie niet zoo vroeg.
-
-„Ze is niet lekker,” vertelde Bronkhorst aan het ontbijt.
-
-„Wat scheelt er aan?”
-
-„Niet iets bepaalds. ’n Gevoel van vermoeienis en loomigheid.”
-
-Ze spraken er over zonder haast te denken aan Marie en haar
-ongesteldheid; hun oogen spraken een geheel andere taal, die zich lezen
-liet op hun gezichten, als ’n romance sans paroles.
-
-Toen hij naar ’t kantoor was, ging Betsy eens informeeren.
-
-„Ziek?” vroeg ze op den toon der vroolijke deelneming van menschen, die
-bij een zieke komen om hem munter te maken, wat op den patiënt, die het
-begrijpt, een geheel tegenovergestelden invloed heeft.
-
-„Wel neen! Ik weet niet wat ik heb, Bets. Maar ik ben zoo loom in mijn
-leden, en daarbij zoo lui, dat het schande is.”
-
-„Wat koortsig misschien. Wil je limonade?”
-
-„Och neen! In eten of drinken heb ik geen trek, en slaap heb ik ook
-niet. Ik weet het niet, maar het eenige, wat ik zou willen, is den
-heelen dag hier op den divan te blijven liggen.”
-
-„Welnu, doe het dan. Ik kom straks bij je zitten.”
-
-„Dat is goed; maar het is eigenlijk schandalig van me zoo lui te
-wezen.”
-
-Toen Betsy naar de goedang ging om „uit te geven”, kwam ze Sarinah
-tegen.
-
-„Nah?” vroeg de oude op gerekten toon en met een grijns.
-
-Maar Betsy trok de wenkbrauwen hoog op en stak de lippen vooruit.
-
-„Het zou ook wat,” zei ze, wegwerpend.
-
-„Wij zullen wel zien, soedahla, wij zullen zien.”
-
-„Ja, ja, houdt den mond maar; daar komt kokki aan.”
-
-„O ja!”
-
-De oude zweeg; ze moest bij zichzelve lachen. Nonna was toch ook soms
-erg dom! Hoe kon ze nu op het idée komen, dat kokki er niets van wist?
-Alsof niet alle bedienden er alles van wisten, en als uiterst
-belangstellende toeschouwers niet het heele verloop met aandacht en in
-gespannen verwachting volgden!
-
-’s Avonds kwam Marie weer voor den dag. Het was niet beter en niet
-slechter. Zij zag er ’n beetje betrokken uit, met groote kringen om de
-oogen; maar koorts had ze niet, en wat men noemt „ziek” was ze evenmin.
-
-Bronkhorst zag het niet. Welstaanshalve had hij gevraagd of ze beter
-was, maar in stilte vond hij het niet onpleizierig, dat ze haar kamer
-hield, nu de logé’s juist dien morgen vroeg waren vertrokken. Ze hadden
-weer hun spelletje gespeeld, hij en Betsy, en zij had hem voor het
-eerst zoo liefderijk gereciproceerd, dat hij ’n gevoel had alsof ’t hem
-dronken had gemaakt; zóó zelfs, dat Betsy begon te vreezen voor Marie,
-die, vond ze, dan toch al aartsdom moest zijn, om niets, in het geheel
-niets te merken. En om het af te wenden hield zij aan tafel Marie druk
-aan den praat, ofschoon ze maar droomerige antwoorden kreeg.
-
-Ze zaten nog wat na, aan tafel. Bronkhorst had ’n havanna opgestoken;
-de dames genoten haar kopje koffie. Een bediende lei de brieven en
-couranten op tafel, die de postlooper gebracht had.
-
-Terwijl de notaris ze opende, om even door te zien, hield hij
-plotseling zijn kleine vouwbeen terug, dat reeds aan het snijden was.
-
-Aandachtig bekeek hij het adres.
-
-„Ik had daar haast ’n brief opengemaakt aan jouw adres”, zei hij tot
-Marie.
-
-„’t Zou ook wat zijn!”
-
-„Neen, maar je weet, ik doe het nooit; het is tegen mijn principes.”
-
-„Van wie is hij?”
-
-„Dat weet ik niet; het is een onbekende hand. Ziedaar!”
-
-En hij reikte haar over tafel de half geopende enveloppe aan.
-
-Ook voor Betsy was een brief gekomen; een van haar jongere zuster
-Lidia, die altijd oentoeng had, en die indertijd zich zoo onomwonden
-verklaarde over het uit den weg ruimen van Den Ekster, dien ze haatte.
-
-Betsy had haar geschreven, en met de ontembare zucht aan vrouwen eigen
-om wat ze weten of doen aan iemand mondeling of schriftelijk mee te
-deelen, al hielpen zij zich er door op het schavot—had zij in dien
-brief genoeg verteld om haar slimme zuster geheel op de hoogte te
-brengen. „Ik dacht niet”, schreef Lidia, als altijd openhartig, „dat je
-tot zoo iets in staat was, en ik kijk er gek van op, dat jij het over
-je kunt krijgen. Mij hielden ze altijd voor kwaadaardig en
-wraakzuchtig; jij met je geonduleerde haar tot op je wenkbrauwen, ging
-thuis door voor een toonbeeld van engelachtige zachtaardigheid. Nu, ik
-wil niet zeggen dat ik Jobs geduld heb met anderen, en ook niet dat ik
-gemakkelijk vergeef, maar, Betslief, ik zou tot zoo iets niet in staat
-wezen, waarachtig niet, en ik geloof jij ook niet, als ge die oude
-vuilpoets van een Sarinah niet bij je hadt. Pas op, als ik haar krijg!
-Maar heusch, Bets, doe dat niet. Als ik een man had, die me slecht
-behandelde, zoo waar als God leeft, ik hielp hem naar de andere wereld,
-Bets; ik zou het niet kunnen laten. Doch die menschen hebben je niets
-kwaads gedaan; ze hebben je integendeel goed en vriendelijk behandeld,
-Bets; ze zijn lief voor je en zij is hartelijker voor je geweest, dan
-ik voor jou ooit zou wezen. Zoolang ik geen weduwe ben, wil ik jou geen
-vier en twintig uur over mijn vloer hebben, hoor! Denk daarom, als je
-jezelve eens in de klem mocht brengen. Je weet dan bij wie je niet moet
-wezen. Foei, Bets, schaam je! En als je die gemeene streek mocht
-lukken, dan kijk ik je nooit weer aan, hoor! al kreeg je er zooveel
-duiten door als ’n millionnair; dàt wil ik je maar zeggen. Je zuster
-L.—”
-
-Betsy glimlachte. Die Lidia was toch altijd even grof. Het speet haar
-thans, dat ze zoo onvoorzichtig was geweest. Welk een gemeen antwoord!
-Dat was nu net zoo iets voor die nare non, iemand zoo laag en
-beleedigend neer te zetten. Zij zou het epistel aan kleine stukjes
-scheuren in haar kamer, en die aan Sarinah geven om ze te verbranden.
-„Ze zijn lief voor je geweest,” schreef dat malle wicht. O, zoo lief!
-Zij uit gemakzucht, en hij!....
-
-„Je zult me wel excuseeren. Ik ga naar mijn kamer.”
-
-Was het mevrouw Bronkhorst, die daar sprak? Eenigszins verschrikt keek
-Betsy op. Ook Bronkhorst staakte de lectuur van een langen brief over
-belangrijke zaken.
-
-„Wat scheelt er aan?” vroeg hij verstrooid.
-
-„Ik voel me onwel.”
-
-„Dan zou ik een oogenblik gaan liggen; heb je pijn of voel je je
-koortsig?”
-
-Marie gaf geen antwoord. Langzaam ging zij de achtergalerij uit en haar
-kamer binnen; Bronkhorst keerde weer tot zijn brief terug.
-
-Betsy had niets durven vragen.
-
-Wat het was, had zij begrepen; door geen woord of blik had Marie iets
-te kennen gegeven; ze was met een bleek gezicht en in zenuwachtigen
-toestand naar haar kamer gegaan; dat was alles. En toch wist Betsy, en
-ze had er op durven zweren, dat er in dien brief, dien Bronkhorst bijna
-in vergissing had opengemaakt, iets stond doelende op zijn verhouding
-tot haar.
-
-„Wat zou Marie schelen?” vroeg hij toen het stuk over zaken was
-uitgelezen.
-
-„Het schijnt, dat die brief haar onlekker heeft gemaakt.”
-
-Hij fronste de wenkbrauwen. Een onverklaarbaar gevoel van angst bekroop
-hem, dat ’t zweet op zijn voorhoofd deed parelen.
-
-„Waarom denkt je dat? Zij heeft toch niets gezegd.”
-
-„Volstrekt niet, doch ik heb het opgemerkt, zonder dat ze iets zei. En
-het verwondert me niet.”
-
-„Och kom, nonsens! Wie wil haar nu....”
-
-„Wie? Dat weet ik niet. ’t Gebeurt dikwijls hier in Indië. Er zijn hier
-veel menschen, die pleizier hebben in ’t schrijven van ongeteekende
-brieven.”
-
-Het verruimde hem.
-
-„Nu, als het niet anders is dan dat....”
-
-Zij keek hem verwonderd aan.
-
-„Niets anders?”
-
-„Wel neen! Men slaat toch waarlijk geen geloof aan verachtelijk anoniem
-geschrijf.”
-
-’t Was haar duidelijk aan te zien, dat zij het niet met hem eens was.
-Ook drong de vraag zich aan haar op of het wel in haar belang was, dat
-aan het „verachtelijk” geschrijf geen geloof werd gehecht; zij zag de
-zaken niet vorderen, en haar verhouding werd met den dag scheever en
-moeilijker. Als zij buiten het huis was en hij haar dan bezocht, kon ze
-haar doel beter bereiken, nu men eenmaal in het tegenwoordig stadium
-was gekomen.
-
-„Er zal altijd iets van bij haar achterblijven. Als ik doen kon wat ik
-wilde....”
-
-„Wat dan?”
-
-„Dan ging ik,” zei ze met goed gehuichelde tranen in haar stem, „van
-avond nog heen. Ik zie alles aankomen.”
-
-Brusque stond hij op, zijn stoel met een zenuwachtigen ruk
-terugschuivend.
-
-„Het zal niet gebeuren!” riep hij heftig. „En nu wil ik ook weten, wat
-er van is.”
-
-Bronkhorst deed ’n paar schreden naar de kamer zijner vrouw.
-
-„Het zou te dwaas zijn,” zei hij, terugkeerend. „Vooreerst is het maar
-een vooronderstelling van je, en ten tweede zou zij met recht vragen,
-hoe ik er achter was gekomen.”
-
-De redeneering was wel juist, maar stelde Betsy toch teleur; als vrouw
-stelde zij temperament meer op prijs dan logica. Zij zag in zijn
-terugtreden alleen het bewijs, dat hij bang was voor zijn vrouw, en dat
-tergde haar. Als zij eens haar doel bereikte, hoe zou zij hem drillen
-onder haar slofjes!
-
-„Ik zal eens gaan zien wat haar scheelt,” antwoordde Betsy, en met koel
-en onbeweeglijk gezicht ging ze de kamer binnen.
-
-Marie sloot juist den brief in haar lessenaartje. Zij zag zeer bleek.
-Zij was reeds onlekker en vermoeid geweest den heelen dag; thans wist
-ze niet goed wat ze deed. De schrik door den brief teweeggebracht, had
-haar hersenzenuwen als het ware verlamd; ze kon niet geregeld denken en
-ze wist niet goed, wat ze zeide of deed; het dwarrelde haar nog op de
-onmogelijkste wijze door het hoofd en sloeg haar met een gedruktheid,
-die haar in de allereerste plaats deed verlangen naar rust en vrede, om
-geregeld te kunnen nadenken.
-
-„Mevrouw!” zoo luidde de brief. „Gij wordt gewaarschuwd. Gij hebt een
-slang aan uw borst gekoesterd. Uw huis vol van knoeien. Die jonge
-weduwe altijd maar knoeien en gekonkel met uw man. Gij ontvangt snoode
-ondankbaarheid voor uw weldaden! N. N.”—
-
-De aanwijzing, hoe krom ook geschreven en aangevuld met boeken-frasen,
-was duidelijk genoeg. Als Marie een jaloersche vrouw was geweest, zou
-ze, uit den aard der zaak iedereen verdenkend, die aanwijzing in direct
-verband hebben beschouwd met haar eigen stillen achterdocht; zij had in
-haar geest zonder verwijl het flagrant délit opgebouwd, en was spoedig
-tot een besluit gekomen.
-
-Maar het viel haar zoo onverwacht op het lijf, als een donderslag bij
-zonneschijn. Zij vertrouwde iedereen, zooals men zichzelve kon
-vertrouwen, en ze moest voor zulk een beschuldiging eerst plaats maken
-in haar gedachtenloop. Zoolang ze getrouwd was, had zij een
-stilzwijgend en overmoedig geloof gehecht aan de onverbreekbaarheid van
-haar huwelijksgeluk, zonder dat zij die groote fout ooit had ingezien,
-evenmin als het haar ooit in het hoofd was gekomen, dat haar man te
-kort zou schieten in huwelijkstrouw, zoo min in heel, half of kwart
-platonischen, als in vulgairen zin. En dat onbegrensd vertrouwen, die
-groote gerustheid, hadden haar ook sedert haar trouwdag, althans na de
-wittebroodsweken, doen afzien van elke poging om hem in haar persoon of
-door haar gezelschap te behagen. Zij had, naar eerzaam Hollandsch
-gebruik, zich gewijd aan de kinderen en de keuken; op dat terrein,
-dacht zij, lag uitsluitend haar werkkring; dáárin zocht ze haar trots.
-En zij hield wel heel veel van Jean en zorgde goed voor zijn maag en
-zijn garderobe, maar behalve op enkele momenten, dus in het jarenlang
-verder verloop van het dagelijksch leven, beschouwde zij hem als niets
-anders, dan den medezorg voor het huishouden, den compagnon in de
-vennootschap Bronkhorst & Co.—Als zij zich kleedde, dan was dat nooit
-voor hem. ’s Morgens als er dames visite kwam, deed zij haar kapsel,
-trok ’n mooie kabaja aan en ’n duren gebatikten sarong. Voor hem was ’t
-eenvoudigste lapje wit katoen, hoogstens met „’n puntje” en de
-flodderigste print mooi genoeg. Hij was immers maar haar man! Zij deed
-het niet met eenig boos opzet. ’t Was haar Hollandsche traditie; ’t was
-zooals haar ouders en grootouders hadden gedaan, die met roode baaien
-broeken en borstrokken en in blauw wollen rokken, met slaap- en
-klapmutsen getooid in overweldigende eerzaamheid schuil gingen onder de
-wollen dekens.
-
-Hij, Bronkhorst, had dat nooit opgemerkt, en vanzelf de huishoudelijke
-gewoonten volgend, had hij die aangenomen en zich er aan onderworpen,
-als iets dat zoo is en zoo behoort. Het een tonig leven was zeer snel
-voor hem voorbijgegaan, in zijn trouwen „ten principale” afgewisseld
-door ’n paar malen de geboorte van een kind, en door de zorgen voor
-zijn aangroeiende fortuin. Het had hem nooit gehinderd, dat Marie zich
-betrekkelijk zoo weinig scheen te bekommeren over zijn opinie, wat haar
-vrouwelijk schoon betrof. Zij waren g. e. t. r. o. u. w. d.; elk hunner
-zat aan een eind van het kettinkje, had daar vrede mee en achtte er
-zich gelukkig door.
-
-Tot er een vrouw kwam, die „werk” van hem maakte.
-
-Toen stond hij op het punt „er in” te loopen; zijn opgewekte geest trok
-aan het kettinkje; die vrouw sloeg uit den vuursteen der behaagzucht
-vonken, die hem herinnerden aan zijn celibatairstijd, toen de
-veelbelovende jonge notaris nog tot het edele wild behoorde in den
-chasse à l’homme; toen lieve blikken en vriendelijke glimlachjes hem
-van alle kanten ten deel vielen, en menig keurig toiletje het groot
-tenue was ter zijner eere gedragen.
-
-Maar zóó definiëerden zij niet; hij, Jean, niet, terwijl hij Betsy in
-stilte het hof maakte; zij, Marie, niet, toen ze moreel verpletterd was
-door dat briefje.
-
-„Scheelt u iets?” vroeg Betsy met warme belangstelling in den toon
-harer stem. „Ik kom eens zien of ik u ergens mee helpen kan.”
-
-Marie aarzelde een oogenblik.
-
-„Dank je,” antwoordde zij kortaf.
-
-„Ik ben ook niet erg lekker; ik ga ook vroeg naar bed. Heb je niets
-meer noodig?”
-
-„Neen,” klonk het als een diepe zucht.
-
-Zij, Marie, wist niet hoe zich te houden. Kon het waar zijn, dat iemand
-zóó slecht was, zóó door en door huichelachtig en gemeen? ’t Was,
-meende zij, een onmogelijkheid, en, strijdend tegen den indruk door den
-brief teweeggebracht, had zij Betsy aangehoord en geantwoord. Maar het
-geheel van zich zetten kon ze niet. Door de loomheid in haar leden, als
-gevolg van Sarinah’s poeiertjes, bleef zij niet zitten, maar ging op
-een divan liggen, met haar gezicht naar den muur en haar oogen dicht.
-Was het waar, was het niet waar? Zij trachtte een zuiver beeld te
-ontwerpen van de wederzijdsche verhouding in huis: zeker, Jean was
-altijd bijzonder lief en vriendelijk tegen Betsy. Zij bracht zich
-enkele uitdrukkingen te binnen; zij herinnerde zich zijn grooten ijver
-om de jonge weduwe te helpen bij het musiceeren. Maar wat was dat, wat
-beteekende het? Het was volstrekt niets. Wie weet, daarentegen, welk
-een gemeen schepsel die schrijfster was van dien ongeteekenden brief,
-want geen oogenblik kwam het denkbeeld bij haar op, dat die van ’n man
-kon zijn. Wie weet of hier niet uitsluitend haat en lage afgunst in het
-spel waren, en zijzelve niet heel slecht deed aan dat vod zooveel
-gewicht te hechten. Men had zulke ellendige wezens, dat had zij meer
-gehoord, die er vermaak in schepten door gemeene anonieme brieven
-huisgezinnen ongelukkig te maken en familieleden en vrienden tegen
-elkaar op te zetten. En wat zou het zijn, als zij eens onder zulk een
-invloed raakte, en nu voortaan haar man en Betsy bespiedde, met
-wantrouwen gadesloeg, en zelfs verdacht, waar niets, wellicht, te
-verdenken viel.
-
-Maar zou ze hen kunnen vertrouwen? ’t Was pijnlijk, maar ze voelde dat
-ze daartoe niet in staat was. Hoe haar verstand zich ook verzette; hoe
-laag ze ook neerzag op dien smerigen brief en op haar, die hem had
-geschreven,—het was en bleef zonneklaar, dat haar grenzenloos
-vertrouwen weg was. En, o! als het eens waar mocht wezen, dat die vrouw
-wilde treden in haar rechten; haar verdringen wilde uit het hart van
-haar man; haar tot een voetveeg wilde maken in haar huis,—dan zou er
-toch nog veel moeten gebeuren! In het volle gevoel van de kracht harer
-smettelooze kuischheid en trouw, achtte zij zich sterk om tegen „het
-kwade” te strijden, als het noodig was; een voor haar heiligen strijd
-om haar man en voor zichzelve en haar kindertjes. Het bloed steeg naar
-haar bleeke wangen, haar oogen glinsterden in ’t halfduister en
-krampachtig sloten zich de handen tot vuisten. Neen, zóó gemakkelijk
-zou het niet gaan! Zoo licht zou het niet vallen haar te onttronen! Hij
-had haar niet gevonden op de straat, en als zoodanig zou ze zich niet
-laten behandelen. Zooals ze haar plichten had vervuld, zou ze staan op
-haar rechten. Wie het wagen durfde haar de liefde te rooven..... Ze
-schudde van opgewonden toorn, dat de divan kraakte.
-
-Doch plotseling, toen ze aan Jean dacht, bedaarde dat. Hoe was het toch
-bestaanbaar? Zoo menig gelukkig jaar hadden ze samen doorleefd, rustig
-en heerlijk. Het ging haar alles in den geest voorbij; hoe ze hem in
-Holland had leeren kennen; hoe ze hem lief had gekregen om zijn
-persoon; welk een heerlijken engagementstijd ze hadden doorgebracht;
-hoe vol van het zoetst genot hun huwelijksreisje was geweest, en hoe
-tevreden, gelukkig en voorspoedig ze al die jaren samen hadden
-doorleefd! En nu zou misschien dat alles uit zijn! Hij zou zijn heil
-zoeken bij een andere vrouw, en haar verwaarloozen en veronachtzamen;
-hun vredig huisgezin zou een hel worden van nijd en tweedracht; zij
-zouden altijd ontevreden zijn, elkaar misschien leeren haten, in elk
-geval van elkaar vervreemden.... En daarvoor had zij nu zooveel jaren
-met zooveel liefde haar plichten vervuld; daarvoor had ze alles
-geschonken wat ze had, nooit aarzelend, zelfs niet als te schenken een
-opoffering was....
-
-Het diep bedroevende van zulk een toestand greep haar aan en werkte op
-haar zenuwen. Zij stond snel op, toen zij den stap van haar man hoorde,
-die naderbijkwam, en ging te bed, haar gezicht begravend in de kussens;
-hij mocht niet zien, dat ze weende!
-
-Haastig was Betsy, toen ze de kamer verliet, naar achter geloopen. Zij
-had nu volkomen zekerheid, wat den inhoud van den brief aanging.
-Bronkhorst was niet meer in de galerij. Zij liep de trap af en om ’t
-huis heen naar voren, waar ze hem ontwaarde in de donkere zijgalerij,
-die naar het kantoor voerde; ze zag het aan zijn witte kleeding, want
-het was erg duister.
-
-„Wel?” vroeg hij.
-
-Zij gaf geen antwoord, maar voor de eerste maal sloeg zij haar armen om
-zijn hals en kuste hem herhaaldelijk met groote onstuimigheid; doch
-toen hij, in vervoering, het haar begon na te doen, rukte zij zich los
-en liep weg.
-
-In haar kamer deed ze de deur op slot. Ziezoo! Ze had nu haar schepen
-verbrand! Ze was nu tegenover hem ver genoeg gegaan. Men was nu alle
-drie vrijwel op een goede hoogte. Het had door dien brief een beetje
-sneller verloop moeten hebben, dan ze gedacht had; maar de kogel was
-toch vrijwel door de kerk. Nu moest ze weg, en dat was maar goed ook;
-als Marie den brief soms niet geloofde, den volgenden dag, dan zou zij
-haar wel laten zien, dat er niets in had gestaan, dan de waarheid. Er
-moest nu maar hoe eer hoe beter gehandeld worden. Al dat geleuter gaf
-toch niets.
-
-Bronkhorst hoorde haar de deur sluiten, want onwillekeurig was hij haar
-nageloopen. Toen zij geen verder bewijs van leven meer gaf, ging hij
-naar de slaapkamer. Het scheen dat Marie sliep, maar toen hij zich stil
-en voorzichtig uitkleedde, meende hij een verdachte beweging met een
-zakdoek te zien achter de klamboe. Nu veinsde hij nog veel meer, te
-denken dat ze sliep; sloop op de teenen door de kamer en stapte uiterst
-voorzichtig over haar heen, zich langzaam uitstrekkende langs de
-achtergrens van het ledikant. En toen hij lag, glimlachte hij tegen de
-klamboe en deed zijn oogen dicht....
-
-Zij sliep haast niet dien nacht, hoe krachtig anders de natuur in dit
-opzicht haar rechten deed gelden. Het denkbeeld kwam altijd terug in
-allerlei vormen; het herhaalde zich onder de meest uiteenloopende
-gezichtspunten; en daarmede wisselden haar gevoelens. Wel vijf en
-twintig keeren was het toorn en verontwaardiging, volslagen ongeloof
-met zelfverwijt, of diepe droefheid.
-
-En des ochtends stond haar besluit nog niet vast.
-
-Bronkhorst zelf had ook slecht geslapen. Des morgens deed hij als wist
-hij van niets en als was hij zich nergens van bewust.
-
-„Ik heb een naren nacht gehad,” zei hij geeuwend.
-
-„Ik ook.”
-
-Hij zag haar aan en schrikte er van. Zij zag er ziek en lijdend uit.
-
-„Je bent erg onlekker, dat is zeker. Ik raad je ernstig aan te bed te
-blijven.”
-
-„Volstrekt niet.”
-
-„En een leitje te schrijven aan den dokter. Ik zal....”
-
-„Het is niet noodig.”
-
-Zij had een andere kabaja aangetrokken en verliet de kamer. Het was
-haar niet mogelijk geweest vriendelijk tegen hem te zijn; het stuitte
-haar tegen de borst, hoewel ze weer haar uiterste best deed om alle
-geloof aan den inhoud van den brief weg te werpen.
-
-In de achtergalerij, waar het in den vroegen ochtend en bij de bewolkte
-lucht nog slechts half dag was, zag ze Betsy aan het koffie-zetten.
-
-„Goeden morgen,” klonk het haar tegemoet met de vriendelijkste
-stemmodulatie.
-
-„Goeden morgen,” bracht Marie er met moeite uit. Wat het haar kostte
-bedaard tegen dat schepsel te spreken! Ze had haar wel kunnen
-vernielen.
-
-„Weer heelemaal beter?”
-
-„Ja.... Zoowat....”
-
-„Komaan, dat is gelukkig. Ik heb hier ’n overheerlijken kop koffie voor
-je. Dat zal je heelemaal opknappen.”
-
-Met bevende hand nam Marie den kop aan en ging zitten. Neen, dàt hield
-ze toch voor onmogelijk. Zulk een créatuur kon Betsy niet wezen, dat
-vond ze bovenmenschelijk. Die brief moest een gemeene leugen wezen, en
-zijzelve was schuldig omdat ze Betsy en haar man verdacht. Ze zou en ze
-moest zich er tegen verzetten.
-
-„De koffie is overheerlijk,” zei ze vriendelijk.
-
-„Nietwaar?” vroeg Betsy terug, verbaasd en ontstemd over deze
-onverwachte en door haar niet gewenschte frontverandering.
-
-„Het scheelt, hoe men ook doet, den eenen dag toch altijd bij den
-anderen.”
-
-„Dat komt,” zei Bronkhorst, die blij was, toen hij, achter komend, haar
-beiden gemoedelijk pratende vond, „omdat de dames geen
-wetenschappelijken zin hebben; ze doen alles zoo maar op den gis; haar
-maat is er geen, waarop men kan vertrouwen.”
-
-„Het komt hier anders zelden voor, dat iets mislukt,” zei Marie.
-
-„Zeker! O, wat dat aangaat, heb je er uitmuntend den slag van alles
-overheerlijk te doen klaar maken. Dàt bedoel ik niet.”
-
-Onwillekeurig ontsnapte haar een zucht bij zijn lof. Maar die stemde
-haar toch beter, dan eerst, en toen men aan de ontbijttafel ging, was
-de algemeene conversatietoon bijna tot het normaal diapason
-teruggebracht. Alleen zag zij nog erg bleek en vermoeid er uit. Maar
-niemand zinspeelde daar meer op. Zelfs Betsy miste op dat oogenblik den
-moed om er op terug te komen, Bronkhorst sprak buitengewoon veel, en
-zocht, tot woede van Betsy, bijna uit instinctmatige aandrift een
-drukke conversatie met Marie aan te houden, waarbij hij met opzet
-vermeed naar Betsy te zien, en zich ook zorgvuldig van telegraphische
-voetgemeenschap onthield.
-
-Juist stond hij op om naar het kantoor te gaan, toen een jongen een
-brief binnenbracht. Het was er weer een aan het adres van zijn vrouw.
-Als hij het had kunnen doen, zou hij den brief hebben achtergehouden,
-maar het ging niet, want de bediende had hardop gezegd: boeat njonja.
-Nu moest hij haar den brief wel geven, maar hij bekeek toch even het
-adres. Dit was van een andere hand dan dat van den vorigen avond.
-
-„Je hebt, naar het schijnt, drukke correspondentie. Adieu, tot van
-middag.”
-
-Met een armzwaai groette hij beide dames, waarop hij naar zijn kantoor
-ging.
-
-
- „Mevrouw!
-
- Iemand, die het goed met u meent, waarschuwt u in allen ernst voor
- een geval, dat zich in uw huis voordoet en waarvan gij ongetwijfeld
- schande en verdriet zult beleven. Uw man en die weduwe Den Ekster,
- die als bonne of juffrouw bij u inwoont, zijn het samen eens.
- Iedereen weet het al, maar u schijnt er onkundig van te zijn. Vraag
- het uw eigen bedienden, en gij zult er meer van hooren.
-
- Een vriend.”
-
-
-Daar was het weer! Welnu, er moest iets gedaan worden, dat gevoelde en
-begreep zij. Handelend moest ze optreden. Er viel niet te talmen, na te
-denken en te redeneeren. Het was misschien verkeerd, maar zij zou
-althans informeeren bij de bedienden.
-
-Doch de naaister, haar baboe en haar kokkin verklaarden niets te weten
-en hoe het kwam wist ze niet, maar het was alsof juist die beweerde
-onbekendheid en de gezichten die deze menschen trokken, haar wantrouwen
-deden toenemen in plaats van verminderen.
-
-Zij was nu nog even wijs, en zat voor haar kamer met de hand onder het
-hoofd. Onuitstaanbaar!
-
-Na eenigen tijd liet ze Betsy verzoeken bij haar te komen.
-
-„Wat is er?” klonk het weer vroolijk en vriendelijk.
-
-Zwijgend wees Marie op de beide brieven.
-
-„Moet ik die brieven lezen? Ja? Wel, met genoegen.”
-
-Zonder overhaasting las zij ze allebei. Marie sloeg haar angstig gade,
-maar het effen gezicht onderging geen verandering.
-
-„Het is mooi,” zei ze met een valschen lach. „En dat beduidt?”
-
-Thans had mevrouw Bronkhorst een overtuiging, al was het geen
-zekerheid.
-
-„Moet ik zeggen, wat het beduidt?”
-
-„U of een ander. Ik weet zeker niet, wie de hand heeft in zulke
-dingen.”
-
-„Wie er de hand in heeft?”
-
-„Natuurlijk. Ik denk niet, dat iemand gemeen genoeg kan zijn om zulke
-brieven te schrijven voor zijn pleizier.
-
-„Of uit drang om te waarschuwen.”
-
-„Komaan! Ha, ha, Wil ik u wat zeggen: die brieven komen allebei uit
-denzelfden koker en daar kan alleen iemand achterzitten, die mij haat,
-of die.... jaloersch is en wie ik hier te veel ben.”
-
-Een oogenblik was Marie verbluft over zooveel brutaliteit, en met haar
-heldere blauwe oogen staarde zij Betsy zoo onbeweeglijk aan, dat deze
-het tot haar woede en schaamte niet kon uithouden en genoodzaakt was
-den blik af te wenden. Toen mevrouw Bronkhorst als het ware tot
-zichzelve kwam, stond ze op: zij zag er op dat oogenblik allesbehalve
-„gemakkelijk” uit, en voor het eerst bekroop Betsy een gevoel van
-vrees, want het werd haar duidelijk, dat zij verkeerd had gedaan in
-haar geringschatting dezer schijnbaar alleen huiselijke en
-huishoudelijke persoonlijkheid. Er volgde geen standje, geen groot
-rumoer of heftig tooneel.
-
-„Ik weet nu, wat ik wenschte te weten. De rest zult u wel begrijpen.”
-
-Het werd gezegd op een toon en met een gelaatsuitdrukking zoo vol
-verachting, dat Betsy er van trilde.
-
-„Als u soms dacht, dat ik na dit gesprek en na de schandelijke
-verdenking en verdachtmaking, waaraan ik bloot sta, verlangde hier te
-blijven, dan hebt u het mis. Ik ga vandaag nog heen, al moest ik,”—er
-volgde een ontroering, die op zichzelve wel gemeend was, maar die,
-voortspruitend uit woede, voor verontwaardiging moest doorgaan—„al
-moest ik werken in de kampong voor een bordje rijst”.
-
-Doch Marie was geen dupe. Haar vertrouwen ging zeer ver; zij had een
-optimistisch geloof in de braafheid van haar omgeving, maar als zich
-een grond voor wantrouwen aan haar opdrong, dan was zij onverbiddelijk.
-En dat was gebeurd. De houding van Betsy, haar gelaat toen ze die
-brieven las, haar eerste uitdrukkingen en de wijze, waarop ze toen
-sprak, dat alles had Marie, zonder dat ze had kunnen uitleggen hoe het
-kwam, eene moreele convictie geschonken, onwankelbaarder dan een door
-bewijzen gestaafd.
-
-Zij keerde zich om en draaide Betsy den rug toe, wat deze buiten
-zichzelve bracht en de kamer deed ontvluchten, terwijl ze de deur met
-een slag achter zich dicht wierp.
-
-„Waarom maakt nonna zichzelve ziek?” vroeg Sarinah.
-
-„Och... stik!” barstte Betsy los in toomelooze woede.
-
-„Masa!” lachte de oude. „Dacht nonna dan, dat er geen standjes zouden
-komen? De vliegen zouden vechten er over, en de menschen dan!”
-
-„Te erg, nèh! Ik had haar kunnen vermoorden.”
-
-„Waarom? Als zij leeft is het erger voor haar.”
-
-„Nu ja... dat is nog altijd de vraag.”
-
-„Nog niet gelooven! Zij is sterk, dat is waar. Ik heb haar nu al
-tweemaal wat gegeven en ze ziet enkel maar ’n beetje bleek.”
-
-„Vandaag krijgt ze nog wat.”
-
-„Als ze ’t hebben wil.”
-
-„Zeker wel. Zij weet niets. Zij heeft de baboe, en de kokkin, en de
-djaid gevraagd. Die durven niet. O, als ze durfden, ik zou haar wel
-krijgen!”
-
-„En hij?”
-
-„Hij heeft van ochtend nog gehad in zijn koffie. Ik heb hem gezien. Hij
-wordt goed. Hij zit met de oogen open voor zijn schrijftafel en hij
-werkt niet, en hij ziet niet.”
-
-„Hoe weet je dat?”
-
-„Van den djoeroetoelis.”
-
-„Zoo.... en, gebeurt dat dikwijls?”
-
-„Nog niet zoo heel dikwijls, maar dat komt wel. Dan, als hij zoo zit,
-denkt hij aan nonna en ziet haar.”
-
-„Je weet, nèh! van de brieven.”
-
-„Brieven? Neen, ik weet van geen brieven.”
-
-„Zij heeft brieven gekregen, waarin haar wordt verteld dat meneer op
-mij verliefd is.”
-
-„Zoo’n dom schepsel! Ik dacht dat zijzelve het had gezien. Moest ze
-daarvoor nog brieven krijgen?”
-
-„Je begrijpt, dat wij weggaan.”
-
-„Adoe! Toch niet gauw?”
-
-„Vandaag nog.”
-
-„Het kan niet, nonna. Soengoe mati, het kan niet! Dan is alles weg!”
-
-„Ben je gek? Waarom? Het moet!”
-
-„Ik zeg het kan niet. Doe wat u wilt, maar zorg, dat we nog ’n paar
-dagen blijven; ik ben niet klaar.”
-
-Betsy zuchtte. Dàt was nu weer een inconveniënt!
-
-„Het is onmogelijk, nèh; ik heb het al tegen haar gezegd!”
-
-„Spreek er dan met mijnheer over. Ga naar hem toe. Hij is op ’t
-kantoor, Nonna moet pinter wezen, ja! Allah! het zou zoo jammer zijn.”
-
-Betsy twijfelde geen oogenblik aan de waarheid der woorden van Sarinah.
-Zij kende haar, en wist dat het der oude ditmaal volkomen ernst was, en
-zij ten volste overtuigd was, dat alles zou mislukken als er niet een
-dag of wat tijd viel te winnen. Het was trouwens zoo moeilijk niet, en
-de meid met een paar woorden geruststellend, ging zij de overdekte
-galerij door, die naar het kantoor leidde.
-
-„Wat is het?” vroeg Bronkhorst bezorgd, terwijl hij haar tegemoet kwam.
-
-„Daar komt niets van!” riep hij opstuivend, toen ze op haar manier
-verteld had, wat er was voorgevallen.
-
-„Het moet,” antwoordde ze met een droevig lachje haar hand op zijn arm
-leggend en hem aanziend met tranen in de oogen: „Er is niets aan te
-doen, en ten slotte is het beter ook. Het eenige is, dat het nu een
-triomf zal zijn voor onze vijanden. Als het slechts acht dagen ware uit
-te stellen.... Maar ik zie niet in op welke manier.”
-
-Bronkhorst keek met een donker gezicht naar beneden. Hij had zich vast
-voorgenomen haar te beschermen, en hij zou haar niet in de steek laten.
-Maar een scène met zijn vrouw lachte hem volstrekt niet toe, te minder
-nu hij begreep, dat die onvermijdelijk werd.
-
-„Het zal niet gebeuren,” zei hij na een oogenblik. „Ik zal zelf voor ’n
-dag of wat uit de stad gaan.”
-
-„Och!.... Blijf maar liever in je huis, Jean! Het is voor mij wel heel
-droevig, maar er zal zich nog wel iemand voordoen om me te beschermen.”
-
-Hij kreeg een woesten aanval van jaloezie.
-
-„Er behoeft zich niemand voor te doen om je te beschermen zoolang ik er
-ben. We zullen er dadelijk een eind aan maken. Wacht hier maar even.”
-
-Driftig stond hij op en liep naar huis; vóór hij er kwam, was zijn
-woede al aanmerkelijk gedaald; toen hij in de kamer van Marie kwam, was
-ze verdwenen.
-
-„Wat zijn dat toch voor fraaiigheden?” vroeg hij op z’n notaris-toon.
-
-Er volgde geen antwoord. Marie was bezig de handen, die ze had
-gewasschen, af te drogen, en zij deed dat met groote nauwkeurigheid,
-zonder hem aan te zien.
-
-„Ik bedoel,” ging hij voort, toen ze hem zoo minachtend behandelde, „de
-lasterlijke anonieme brieven, die je in de laatste dagen moet ontvangen
-hebben!”
-
-Zij nam ze van haar toilet en wierp ze op de tafel.
-
-„Asjeblieft!”
-
-’t Klonk zeer onaangenaam, en zoo weinig was hij gewoon op die manier
-behandeld te worden, dat het hem neerdrukte.
-
-„’t Is was moois,” zei hij op zijn beurt de brieven op tafel werpend,
-nadat hij ze had gelezen, „’t Is wat moois! En jij gelooft daaraan?”
-
-Zij keek hem onverschrokken in het gezicht met dienzelfden vasten blik,
-die Betsy de oogen had doen neerslaan.
-
-„Ja”, antwoordde ze.
-
-Er viel niet tegen te redeneeren, en een oogenblik wist hij niet welken
-kant uit te gaan; toen koos hij zijn partij.
-
-„Ik zie wel,” zei hij met een gemaakt lachje, „dat je geheel door die
-gemeene epistels wordt beheerscht. Het is treurig.”
-
-„Je eigen gedrag is treurig; neen, het is erger, ’t is schandelijk.”
-
-„Ik zal op zulke aantijgingen niet antwoorden; het leidt tot niets. Je
-wilt mevrouw Den Ekster weg hebben,—welnu, zij zal vertrekken, dat is
-duidelijk. Ik zal haar niet terughouden.”
-
-Het scheen haar een straal van hoop, dat hij ’t vertrek van Betsy zoo
-gemoedelijk opnam. Zij keek op naar zijn gezicht, maar dat stond op
-storm en onweer, zoodat het haar op de lippen zwevend verzoenend woord
-terugbleef. Als het toch eens niet waar was! had ze gedacht; maar dat
-dacht ze nu niet meer.
-
-„Het eenige”, ging hij voort, „wat ik te vragen heb, is geen schandaal
-te maken, dat mijn goeden naam kan schaden.”
-
-„Ik ben het zeker, die daar schade aan toebrengt!”
-
-„Als mevrouw Den Ekster het huis verlaat, zoo dadelijk na de ontvangst
-van die brieven hier, zal daar veel over gepraat worden. Het zal worden
-rondgebazuind.”
-
-„En wiens schuld is dat?”
-
-„Dáárover zullen we later wel eens spreken, want ik zie, dat je nu niet
-vatbaar bent om aan te hooren. Nog eens: het eenige, wat ik nu vraag
-is, geen schandaal te maken.”
-
-„Komaan,” zei ze met bleeke lippen, „en dat wordt mij gevraagd door
-jou! Mij, die mijn geheele leven niets deed, waarover ik me behoefde te
-schamen. Maar het is goed, zeg maar eerst wat je wilt; ik zal dan zien
-of het me conveniëert.”
-
-„Het is, versta me wel, uitgemaakt, dat ze het huis verlaat, doch laat
-dat niet zijn op staanden voet. Als er een week overheen gaat, heeft
-het een betere houding. Ik zal zoolang uit de stad gaan.”
-
-„En ik zal met dat gemeene schepsel onder één dak wonen, nog een week
-lang!”
-
-„Marie, dwing me niet tot uitersten. Ik heb je gezegd, wat de reden is.
-Voor mijn genoegen is het niet, en voor het hare evenmin, want ik zal
-haar moeten verzoeken....”
-
-„Há, há! Je zult haar moeten verzoeken, mij de gunst te bewijzen nog
-een week lang haar valsch gezicht te zien.”
-
-„Ik herhaal,” zei hij met een zucht, „dat ik me niet aan een
-wederlegging waag van je qualificaties; nu althans niet; maar het is
-toch zoo; ik zal mevrouw Den Ekster moeten verzoeken hier te blijven.
-Ik verzoek je: maak nu asjeblieft geen bezwaren, want als het noodig
-was, dan....”
-
-„Dan?”
-
-Ze stonden tegenover elkaar bleek en met stille woede op het gezicht.
-Nog nooit hadden ze zóó gestaan.
-
-Hij sprak het woord niet uit.
-
-„’t Is goed,” zei ze met bevende stem, „de slet kan voor mijn part hier
-blijven. Maar geen dag langer, dan tot je terugkomst. En laat ik haar
-zoo weinig mogelijk te zien krijgen!”
-
-Zonder een woord van tegenspraak verliet hij de kamer. Het
-naastbijliggend doel was bereikt.
-
-„Ik heb het in orde gemaakt,” zei hij glimlachend tegen Betsy, toen hij
-op ’t kantoor terugkwam; „je blijft nog acht dagen hier. Vandaag
-vertrek ik, en hier”, vervolgde hij met ’n potlood een papiertje
-beschrijvend, „is mijn adres. Laat nu verder alles maar aan mij over.
-Ik zal voor alles zorgen, en dan ga je de volgende week in je eigen
-huisje”.
-
-Zij glimlachte hem veelbelovend toe. Het was een groote geruststelling.
-Niet, dat zij een weigering vreesde, als zij hem om hulp vroeg; maar
-dat deed ze liever niet; ze vond het wèl zoo aangenaam, dat hij uit
-zichzelven had aangeboden haar financiëel te helpen. Overigens besloot
-ze die week in haar gewone rol te blijven, en tegenover Marie zooveel
-mogelijk te doen, alsof er niets was gebeurd.
-
-Hij had haast om weg te komen. Als altijd pakte Marie zijn koffer. Zij
-had geen oogenblik geaarzeld. Het mocht wezen gelijk het was, worden
-zooals ’t zijn zou—zij zou haar gewonen plicht doen zoolang zij onder
-één dak met hem woonde, als zijn wettige vrouw, en zij zou ook alles
-doen, dàt nam zij zich ernstig voor, om zijn goeden naam te sauveeren;
-het was immers ook de naam harer kinderen! Maar bij zichzelve en met
-trage hand zijn overhemden om en om rangschikkend in den leeren koffer,
-dacht ze er toch aan hoe machteloos een vrouw is in zulke
-omstandigheden. Het was vroeger nooit bij haar opgekomen, ’t idée dat
-Jean een andere vrouw zou verkiezen boven haar; maar als zij er toen
-aan gedacht had, dan zou zij ongetwijfeld allerlei wraakzuchtige en
-verschrikkelijke plannen hebben gesmeed; zich allerlei heftige scènes
-hebben voorgesteld, de een al geweldiger dan de andere.
-
-En nu het een feit was, al ontkenden ook hij en zij; nu het naar haar
-idée waar moest wezen,—nu liet zij de bewerkster van haar ongeluk nog
-acht dagen wonen in haar huis, en ze.... pakte zijn koffer; het een om
-geen schandaal te maken, het ander uit plichtgevoel. Och, dat laatste
-hinderde haar zoo niet, maar die Betsy had ze, dat voelde ze, met eigen
-krachtige handen het leven kunnen benemen.
-
-En wat zou het verder worden tusschen hen? Het was natuurlijk uit!
-Alles, alles uit! Zij hield een oogenblik op met het inpakken van dat
-haar zoo bekende goed, door haarzelve gekocht, door haar zorgen in orde
-gehouden, onder haar eigen oogen gedragen, vaak zóó dicht bij haar,
-alsof het haar eigen was.
-
-En nu was het voor altijd uit!
-
-De gele zonnestralen drongen trillend van warmte en licht door de
-donkere stijf gesloten stores in de kamer, te verdeeld om het duister
-te breken, er door heen schietend, als pijlen naar een doel en in
-kleine lichtkringen stuitend op muren en kasten. Het was alles zoo
-rustig en stil in dien schemer en het koeren van den perkoetoet, die in
-een kooi hing op het achtererf, gaf alleen meer relief aan de doodsche
-kalmte in het groote huis. Een diepe neerslachtigheid kwam over haar.
-Ze ging op den divan zitten naast den geopenden koffer en weende. Ze
-had hem inniger lief, dan ze ooit liet blijken met haar gemoedelijken
-weinig demonstratieven aard. Nu ze meende hem te verliezen trof het
-haar vreeselijk zwaar; het was een slag, waaronder ze in stilte bitter
-leed en dat in stilte zou blijven doen, omdat zij geen schandaal wilde
-maken.
-
-Hij was blij, dat hij voor ’n dag of wat weg kwam. ’t Was zoo’n
-pijnlijke positie vond hij, in huis, en het scheen hem alsof hij een
-gevangenis ontsnapte, toen hij zijn leden in den reiswagen uitstrekte
-en een versche sigaar opstak. Hij gevoelde zich niet geheel wel, wat
-hij toeschreef aan de agitatie door de jongste gebeurtenissen. Hij had
-Marie een kus willen geven, toen hij wegging, en tegelijk had het hem
-getroffen, dat zij toch een fraaien hals had en eigenlijk heelemaal een
-knappe vrouw was; zij had hem afgeweerd, met een gebaar vol minachting.
-Nu, ook goed! Maar soezerig voelde hij zich ’n beetje de laatste dagen,
-met een uitgedrukte neiging om doelloos voor zich uit te staren. Dan
-gingen hem flauwtjes allerlei beelden voorbij den geest, en die hadden
-meest allen iets van Betsy, tot het eindelijk haar gezicht was en haar
-figuur, dat hij zag en dat zich op allerlei wijzen bewoog en zich liet
-zien. Hij glimlachte dan in zijn eentje onwillekeurig tegen dat beeld,
-dat hem in die slaperige momenten van afgetrokkenheid zoo duidelijk
-voor de oogen stond. En als opgewekt door die voor hem alleen zichtbare
-wellustige vormen, neuriede hij een liedje uit zijn jongelingstijd,
-iets, vroeger gehoord in een café chantant te Rotterdam onder het
-drinken van champagne met sterk gedecolleteerde vrouwen, die erg
-gemakkelijk waren; iets, dat hij dacht reeds lang vergeten te zijn,
-maar dat nu, onder deze omstandigheden, aanleiding scheen te vinden in
-zijn herinnering op te doemen. Zoo reed hij door, half droomend, zonder
-te letten op het hinderlijk op- en neerhossen van den wagen over den
-hobbeligen weg, en het voorbijsnellen der rietvelden, sawahs, desa’s en
-fabrieken.
-
-
-
-En Betsy ging in huis haar gewonen gang; zoo juist alsof er volstrekt
-niets was gebeurd, dat na twee dagen Marie volkomen gederouteerd was.
-Eerst had zij geen antwoord gegeven, als Betsy iets zei, dan nu en dan
-een enkele maal ja of neen; maar de jonge weduwe scheen zich niets
-daarvan aan te trekken en maakte er zich koud noch warm om.
-
-„Heb je dan in het geheel geen eergevoel?” had Marie, ten einde raad,
-uitgeroepen.
-
-„’t Schijnt wel van neen,” antwoordde Betsy bleek, maar met een
-onverstoorbaren glimlach om haar lippen.
-
-En toen Marie haar ontzet en verstomd bleef aankijken, ging ze op een
-anderen toon voort, klagend, kinderlijk klagend haast:
-
-„Niet als ik valsch beschuldigd word en er de dupe van ben. Dan niet!”
-
-„Hoe is het mogelijk? Mensch, hoe kan je daar zoo koelbloedig over
-spreken? Je bent anders tamelijk lichtgeraakt en volstrekt niet van
-ijzer of steen.”
-
-„O neen!”
-
-„Hoe kan je dan zoo verschrikkelijk kalm en onverschillig blijven. Dat
-is het grootste bewijs van je schuld.”
-
-„Natuurlijk. En als ik u de oogen uitkrabde en het huis in rep en roer
-bracht, schreeuwende en scheldende, wat dan?”
-
-„Ik weet het niet, maar ik zou het nog liever zien.”
-
-„Wel neen, want dan zou dat toch ook weer ’n bewijs wezen van schuld.”
-
-„Dat zou het niet.”
-
-„Zeker, dat zou het wel. Het zou bewijzen, welk een gemeen schepsel ik
-was, en hoe, nu ik zag dat ik ontdekt was, mijn waar karakter boven
-kwam.”
-
-Er was waarheid in; Marie voelde het, maar zij kon niets zeggen. En
-Betsy, die bemerkte dat zij terrein won, wierp het hoofd in den nek, en
-trok met ’n air haar lippen samen.
-
-„Ik heb ondervinding genoeg van de menschen,” ging ze voort, „al ben ik
-nog jong. Tegen den laster valt niets te doen. Niets! Het is dan veel
-gemakkelijker schuldig dan onschuldig te wezen.”
-
-Ze had haar stem laten trillen, zoodat men er als het ware de tranen in
-hooren kon.
-
-Wel twee minuten zwegen beiden.
-
-Marie zat op een stoel aan de groote mahoniehouten tafel in de
-achtergalerij, leunend op de ellebogen, met het gelaat op de handen
-rustend, in ernstige gedachten; Betsy liep heen en weer, nu eens het
-deksel van den koffiefilter oplichtend om er wat water bij te doen, dan
-weer haar aandacht wijdend aan de melk, die in een pan op ’t
-petroleumtoestel stond te koken.
-
-„Hoor eens,” begon Marie op dien beslisten toon, dien ze kon aannemen,
-als er iets gaan moest, zooals zij wilde en niet anders. „Ik wil
-gelooven, dat het mogelijk is. Een bepaald bewijs heb ik niet.
-Vertrouwen kan ik je niet; ik weet niet wat het is, maar er is iets in
-me, dat het belet en dat sterker is dan mijn wil. Maar omdat je het nu
-zoo zegt, wil ik het gelooven.”
-
-Betsy haalde de schouders op.
-
-„Voor zoo lang het duurt. Dank u.”
-
-„Ik kan er niets tegen doen.”
-
-„Welnu, laat het dan maar blijven, zooals het is.”
-
-Maar dàt wilde Marie niet, die nu met elk woord èn meer vreesde voor
-haar eigen zedelijke overtuiging, èn meer hoop begon te voeden, dat ze
-ten slotte zou kunnen gelooven, wat zij zoo gaarne had geloofd.
-
-„Betsy”—het was de eerste maal, dat mevrouw van Bronkhorst haar weer
-bij haar doopnaam noemde—„ik ben zoo openhartig tegen je geweest, als
-ik zijn kon. Als ik verzekerde, dat je mijn vertrouwen terughadt, dan
-zou ik liegen, en dat wil ik niet.”
-
-„Het hoeft ook niet; ik ga toch weg.”
-
-„Ja, en dat moet bepaald blijven.”
-
-„Natuurlijk. Ik denk er niet aan mijn besluit te veranderen.”
-
-Dat trof Marie, en het stemde haar aanmerkelijk zachter. Inderdaad was
-het haar besluit geweest, en nu handhaafde zij dat zonder aarzelen, in
-plaats van een appeltje op te werpen in andere richting.
-
-„Waar denk je heen te gaan?” ontviel haar, haast onwillekeurig.
-
-„Dat weet ik nog niet, maar dat ik ga is zeker.”
-
-„Het is,” zuchtte Marie, „zulk een verschrikkelijk geval!”
-
-Betsy barstte uit in een gemaakten schaterlach, die mevrouw van
-Bronkhorst deed schrikken.
-
-„Voor wie, als ik vragen mag? Voor u zeker! Het is belachelijk; het is
-naar!”
-
-„Het past je niet op die manier te spreken,” riep Marie verontwaardigd.
-
-„Nu, het is goed,” antwoordde Betsy, haar fout herstellende, „ik zal
-het alles wel als koek opeten. Het is dan verschrikkelijk voor u te
-moeten denken,.... wat niet waar is, dat kan ik bezweren; maar voor mij
-is het immers niets om onder zoo’n verdenking te gaan, en me dat in m’n
-gezicht te hooren zeggen. Wel neen! Ik ben maar een arme weduwe. Voor
-zóó een komt er dat niet op aan. Was ik een rijke notarisvrouw, dan
-werd het een heel ander geval.”
-
-Er viel weinig tegen die opvatting te zeggen. Het ging Marie als ieder
-welgesteld mensch, tegenover een minder bevoorrechte, die zijn armoe
-als een soort martelwerktuig dienst laat doen. Zij wilde Betsy niet
-volgen in die richting; dat ging niet.
-
-„Ik herhaal, dat ik er niets aan kan veranderen. Het beste is er niet
-verder over te spreken, ’t Is nu uitgemaakt, dat je hier niet blijft
-wonen. Laat ons nu verder niet twisten, en....”
-
-„En?”
-
-„Nemen we aan, dat het mijn schuld is; dat ik niets had moeten
-gelooven, en je had moeten blijven vertrouwen.”
-
-„Het is fraai! Een goede troost! Maar soedah, ik zal het aannemen.”
-
-„Dan als je het zoo beschouwt, kan je ook mijn hulp niet weigeren.”
-
-„Geld?”
-
-„Natuurlijk. Waarom niet?”
-
-„Ja, dat maakt recht wat krom is. Ik weet het wel. Maar ik zal er geen
-gebruik van maken.”
-
-„Ik.....”
-
-„Neen,” herhaalde Betsy met oogen glinsterend van triomf. „Laat ons
-iets anders aannemen. Ik blijf niet en al smeekte men mij op de knieën,
-dan bleef ik nog niet. Men heeft mij schandelijk beleedigd, maar ik wil
-net doen of er niets is gebeurd; ik wil er niet verder over spreken.”
-
-„Dat komt op hetzelfde neer van uw kant.”
-
-„Doch, als ik het zóó beschouw, kan ik uw hulp niet aannemen.” Zij
-sneed alle verdere conversatie af en ging de gang in naar haar kamer,
-waar ze lachend op een der fraaie stoeltjes ging zitten.
-
-„Apa,” vroeg de meid nieuwsgierig over haar grooten hoornen bril
-kijkend, die ze op had onder ’t goed verstellen.
-
-Betsy moest eerst uitlachen.
-
-„Zij wil me geld geven.”
-
-Nu lachte de oude mee.
-
-„Terlaloe!” zei ze, en na eenige oogenblikken voegde zij er lachend aan
-toe: „Nonna zal toch wel zoo gek niet wezen.”
-
-„Dat kan je begrijpen.”
-
-
-
-Bij Marie was de geestetoestand zeer veranderd. Haar wantrouwen had een
-geduchten knak gekregen. Natuurlijk moest Betsy weg, maar zij had zich
-voorgenomen inderdaad te doen alsof er niets was gebeurd, en dat deed
-ze ook tot vreugde van Betsy, die nu de dagen daar in huis veel
-draaglijker vond.
-
-’s Middags vertelde Sarinah haar meesteres, dat er ’n brief was en een
-pakje. De brief was van Bronkhorst; het pakje bevatte een ring met
-diamanten steen; verheugd deed zij hem aan haar vinger.
-
-„Wat heb je daar ’n mooien ring aan,” zei Marie verbaasd en ergdenkend,
-toen zij elkaar zagen in de voorgalerij.
-
-„Ik heb hem al jaren,” antwoordde Betsy, met teederheid naar den ring
-ziende aan haar vinger, terwijl zij den steen liet flonkeren in het
-licht. Ik kreeg hem van iemand, met wien ik voor mijn trouwen in stilte
-geëngageerd was. Den Ekster wilde nooit dat ik hem droeg. Ik heb hem nu
-maar weer eens aangedaan.
-
-Het bleef er bij. Er werd niet verder over gesproken, maar toch vond
-Marie het vreemd; Betsy was immers al wel zóólang in huis, dat zij haar
-bijouterieën alle moest hebben getoond; men kon het van zoo’n coquette
-vrouw haast niet verwachten, dat ze zoo’n mooien ring achterwege zou
-laten!
-
-Bronkhorst had meer brieven geschreven. Een daarvan aan zijn
-vertrouwden klerk, die voor een woning zou zorgen. Een „eigen huisje”
-zooals hij zich had uitgelaten, was hem ten slotte minder wenschelijk
-voorgekomen. De klerk had een Europeesche weduwe gevonden, die niet ver
-van het notarishuis woonde in een zijlaan en heel gaarne „die dame”
-tegen goede betaling in huis zou nemen. Dat schreef hij ook aan Betsy.
-Den volgenden ochtend was zij vroeg uit; toen ze terugkwam, zei ze:
-
-„Ik heb een geschikte gelegenheid voor me gevonden.”
-
-„Zoo. Dat is goed.”
-
-„Ik ga bij mevrouw Duhr inwonen.”
-
-„Bij die oude vrouw, ginds in de laan?”
-
-„Ja.”
-
-„En vervolgens?”
-
-„Hoe vervolgens?”
-
-„Wel je zult toch zeker niet hier op de plaats blijven?”
-
-„Dat weet ik nog niet; het hangt er van af.”
-
-„Waarvan af?”
-
-„Wel, of het me bevalt.”
-
-„Dus ga je niet naar de familie Borne?”
-
-„Voorloopig niet.”
-
-„Maar....”
-
-„Wat wilde u zeggen?”
-
-„Ik begrijp het niet.... Je hebt geen geld.”
-
-„O, ik heb nog wel iets. En bij Mevrouw Duhr betaal ik maar weinig. Ik
-help haar ’n beetje.”
-
-„Maar wat is je bedoeling?” vroeg Marie met heimelijken angst. „Waarom
-wil je hier blijven? Wat heb je er mee voor?”
-
-„Niets.... waar moet ik dan heen?”
-
-„Naar je oom en tante.”
-
-„Als de nood aan den man komt, is dat altijd nog te doen. Wie weet of
-ik.... voor dien tijd niet hertrouw.”
-
-Zij wilde het gesprek niet verder voortzetten en liep naar haar kamer
-om de koffers in te pakken. Al doende vertelde zij het aan Sarinah. De
-oude moest er om lachen. „Te erg toch, zoo doof en blind die vrouw
-was,” meende zij.
-
-„Ik zeg haar niet goeden dag,” zeide Betsy.
-
-„Hoe dan?”
-
-„Ik zal mijn koffers laten laden op een paar grobaks, en als die zijn
-weggereden, gaan wij ook te voet.”
-
-„Ik begrijp het niet!” zei de oude. „Waarom?”
-
-„Het is mij niet mogelijk. Soedah, ik zal haar een briefje schrijven.”
-
-Zij deed het, en Sarinah bracht het briefje. Mevrouw Bronkhorst, die
-zich weer minder wel gevoelde, lag op een bank.
-
-„Is mevrouw ziek?”
-
-„Ziek niet, maar toch niet lekker.”
-
-„Ik heb een briefje van nonna Betsy.”
-
-Marie nam het aan. „Mevrouw!” stond er. „Op het oogenblik, dat ik
-vertrek, stuit het mij tegen de borst een hartelijk afscheid van u te
-nemen. U hebt mij wel eens geholpen, maar na het gebeurde, geloof ik
-niet, dat ik u daarvoor nog eenigen dank schuldig ben. Ik zal aan u
-denken. Dat beloof ik u.
-
-
- Wed. Den Ekster.”
-
-
-Een onbehaaglijk gevoel bekroop mevrouw Bronkhorst.
-
-„Waar is je mevrouw?” vroeg zij de meid.
-
-„Al weg. Kasian, zij is zoo ongelukkig.”
-
-„Het is goed. Bilang bajiq.”
-
-„Heeft mevrouw niets anders te gelasten.”
-
-„Dank je.”
-
-„Als mevrouw misschien mij noodig mocht hebben, dan wil ik altijd
-dadelijk komen.”
-
-„Dank je.”
-
-„Mevrouw is altijd zoo goed geweest voor me. Ik ben maar een oud
-mensch, dat wel spoedig dood zal gaan, maar als ik mevrouw kan dienen
-met iets, wil ik altijd graag. En ik bedank mevrouw wel voor alles wat
-ik van mevrouw heb gekregen.”
-
-Het deed Marie aan. Zie, dat was nu een oude inlandsche vrouw,
-afgeleefd, hoestend en steunend, die ze soms wat eten of ’n fooitje of
-’n stukje kleeren had gegeven, en die arme ziel zat daar dankbaar op
-den grond, ofschoon ze korte, norsche antwoorden kreeg.
-
-„Het is goed, nèh,” zei ze met zachtheid. „Je mag nu en dan eens hier
-komen. Ik zal zien of ik dan niet iets voor je heb. En als je mevrouw
-soms mocht heengaan, en zij kan je niet meenemen, kom dan maar gerust
-hier; ’n bordje rijst kan je altijd nog wel bij me verdienen.”
-
-Nogmaals dankend, strompelde Sarinah het huis door. Onwillekeurig stond
-Marie op en vergezelde haar naar voren. De oude keek in de fraaie
-voorgalerij rond, alles bewonderend.
-
-„Och,” zei ze steunend. „Het is hier alles zoo mooi. Als mijn arme
-nonna eens zulk een huis had, wat zou ze gelukkig wezen!”
-
-„Niet iedereen kan hetzelfde hebben,” antwoordde Marie weer een beetje
-boos.
-
-„O neen; de eene mensch is rijk, de andere arm; dat is zoo beschikt.”
-
-Zij ging heen, waggelend als van zwakte en ouderdom onder de
-reusachtige waringins op het voorerf.
-
-Toen ze het Betsy vertelde, had deze er pret in.
-
-„Nu kan ik er komen, als ik wil,” zei de oude. „Wie weet of dat niet
-goed kan wezen. Al dat kwaad zijn helpt niet.”
-
-„Je bent een slim oud beest, nèh,” antwoordde Betsy bijwijze van
-compliment. „Ik ben blij, dat ik dat wijf nu niet meer zie. Brr! Hoe
-was ze?”
-
-„Ze lag op een bank, en ze was onlekker. O, ze zal wel naar boven
-moeten. Wacht maar!”
-
-„Ze had al lang weg moeten wezen.”
-
-„Dat had ze ook. Ze is sterk, dat heb ik al dikwijls gezegd. Bij hem
-gaat het beter.”
-
-De oude wees naar het einde der laan. Er kwam in de verte een wagen aan
-met vier paarden bespannen.
-
-„Hij kan het nog niet wezen, nèh. Volgens zijn brief komt hij pas
-morgen.”
-
-„Misschien heeft hij haast.”
-
-Betsy lette niet meer op hetgeen de meid zei; haar aandacht was alleen
-gevestigd op den reiswagen, die met woeste vaart naderde; zij herkende
-inderdaad het rijtuig van Bronkhorst.
-
-„Wel, ben je nu goed geïnstalleerd?” vroeg hij, haar naderend met
-uitgestoken hand.
-
-„Heel goed, voorloopig. Ben je niet wél?”
-
-Het ontviel haar toen ze zag, dat zijn gelaat vrij bleek zag met
-donkere kringen om de oogen.
-
-„Zeker. Misschien wat vermoeid van dat langdurig hossen tusschen de
-wielen. Ik ben blij dat ik je zie.”
-
-Zij lachte, en met haar gezicht bij het zijne:
-
-„Je moest ook eens niet blij wezen!”
-
-„Ik bedoel, dat ik je zie in werkelijkheid; in gedachten zie ik je
-altijd.”
-
-„Nu ja, ’t zal wat wezen!”
-
-„Waarachtig Betsy, het is zoo. Als dàt veel van iemand houden is, dan
-ben jij de eerste op wie ik verliefd ben.”
-
-Zij trok de wenkbrauwen samen. Het beviel haar niet. Wat hij zei, klonk
-openhartig en waar. Maar er was geen enthusiasme bij. Als hij vroeger,
-toen ze nog bij de Borne’s woonde en alleen te visite kwam bij de
-familie Bronkhorst, door haar coquetteeren eenigszins opgewekt werd tot
-galanterie, dan kwam het van harte; dan was er leven en vuur in zijn
-blik en in den klank zijner stem, Nu scheen hij een willoos werktuig.
-Maar het was geen tijd om lang over zulke dingen te denken. Wat kwam
-het er ook op aan, of hij werkelijk liefde voor haar gevoelde en zou
-blijven voelen? Nonsens! Als zij hem maar zóóver kon brengen, dat hij
-scheidde van zijn vrouw en haar trouwde. De rest kon haar minder
-schelen. En als hij aan het juk trok, zou zij hem dat wel afleeren!
-
-„Praat nu maar geen gekheid. Wil je ’n kop thee?”
-
-„Als je het bij hand hebt.”
-
-„Zeker. Ik zal even naar achteren gaan.”
-
-Bronkhorst leunde achterover in een rotanstoel en keek naar de
-lommerrijke kruinen der boomen. Betsy liep vlug naar de kleine
-eenvoudige achtergalerij, om dadelijk ’n kop thee te zetten; zij wist
-dat hij daarvan hield als hij uit was geweest en dorst had.
-
-„Is er warm water?” vroeg zij mevrouw Duhr.
-
-„Zeker. Wilt u het gebruiken?”
-
-„Ja. O, het kookt, dat is heerlijk.”
-
-Zij had op alles gerekend, en er stond in haar kamer een vrij groote
-hoeveelheid van de fijne Chineesche thee, die Bronkhorst gewoon was te
-drinken.
-
-„Blijft de notaris hier?” vroeg mevrouw Duhr.
-
-„Dat is te zeggen, ik maak even een kop thee voor hem klaar, en ik heb
-nog wat gebak meegebracht.”
-
-„Neen, ik bedoel of hij hier blijft eten, en dan verder....”
-
-„Maar mevrouw, hoe komt u er aan?”
-
-„Wel.... ik dacht het.... omdat iedereen het zegt hier op de plaats. Er
-wordt zooveel over gesproken.... en als ik het niet had gedaan om het
-geld....”
-
-„Dan hadt je me niet in huis willen hebben. Nu, ik ben u veel
-verplicht. Enfin, het kan me volstrekt niet schelen. De menschen mogen
-voor mijn part precies zeggen wat zij willen. Ik trek me er niets van
-aan, en u zult verstandig handelen, als u dat ook niet doet. U zult
-zelf wel zien, hoe kwaad spreken en waarheid spreken verschillen.”
-
-Toen ze Bronkhorst de thee en de kwee-kwee bracht, waarop hij
-ongeduldig wachtte, vertelde zij hem wat mevrouw Duhr had gezegd. „Laat
-ze maar praten. Het is niet waar, en het zal op zoo’n manier ook niet
-waar worden. Maar,” voegde hij er bij met een zucht, „ik wou wel Bets,
-dat jij mijn vrouw waart.”
-
-Weer kwam het gevoel van ontevredenheid bij haar op. Het was de ware
-begeerte ook nu niet; het was veel meer de zucht van iemand, die een
-kruis draagt, slechts één uitweg weet om er van verlost te raken, en
-natuurlijk in die richting wil gaan. Het was weer iets ongezonds. Maar
-ze boog zich over hem heen en zag hem vlak in de oogen, zoo vleiend en
-verleidelijk als ze maar kon.
-
-„Ja, als dàt eens waar was!.... Toe, laat me ook eens drinken.”
-
-Hij bracht ’t theekopje aan haar mond, en zij nipte er even aan, zonder
-haar oogen van de zijnen af te wenden; maar toen hij haar ook een
-stukje van het gebak wilde geven, weigerde zij; ze had er geen trek
-meer in, zei ze, want ze had er al veel van gegeten.
-
-Een uurtje later ging hij heen; in de binnengalerij om een hoekje
-kusten ze elkaar goeden dag. Het had hem ’n beetje opgewekt, maar dat
-gevoel van verlichting verdween weer toen hij in het rijtuig zat, en
-ontstemd en nurksch trad hij zijn eigen huis binnen. Regelrecht ging
-hij naar zijn kamer.
-
-„Bonjour,” zei hij, zonder meer, Marie voorbijgaand, die hem ’n klein
-eindje te gemoet kwam. Tot de voorgalerij gaan, zooals vroeger, was
-haar te sterk geweest; nu speet het haar dat ze een voet had verzet;
-zulk een hondsche bejegening had zij niet verwacht.
-
-Zij verwachtte, dat hij aan tafel zou ontdooien voor zijn
-lievelingsgerecht, maar het gebeurde niet. Hij sprak met haar over
-onverschillige zaken op onverschilligen toon. Nu en dan staarde hij in
-de ruimte, en als zij hem dan aankeek, zag ze hem glimlachen. Wat was
-dat? Zij had hem nooit droomerig of verstrooid gekend; hij was altijd
-een bij uitstek practisch man met een krachtig gestel en volstrekt niet
-sentimenteel van aard.
-
-Maar ze vroeg hem niets, ook niet toen ze zag, dat hij zijn goed in een
-andere kamer liet brengen. Het trof haar wel, maar ze zei niets; ze was
-er te trotsch voor. Indien hij dacht, misschien, dat zij dááraan zoo’n
-overweldigenden lust had, dan vergiste hij zich en wist hij niet eens
-wat ’n fatsoenlijke vrouw was. Zij had altijd gaarne ’t lieve met hem
-gedeeld, maar ze kon het ontberen, als het noodig was, en dat kon hij
-niet. En als hij niet verder ging, dan zij hoopte en vertrouwde dat hij
-gegaan was, welnu, dan zou hij ook weer tot haar terugkeeren, omdat hij
-haar noodig had en niet buiten haar kon. Ze vond haar eigen berekening
-griezelig, en zou, een maand vroeger, met verontwaardiging het
-denkbeeld hebben verworpen, dat ze zich met zulke gedachten zou
-troosten. En nu de practijk van den tegenspoed kwam, deed zij het
-vanzelf.
-
-Vermoeid van de reis ging hij vroeg naar bed.
-
-„Ik heb mijn boel maar laten overbrengen.”
-
-„Dat heb ik gezien.”
-
-„Het is tegenwoordig zoo warm.”
-
-„Zeker. Het is veel aangenamer alleen te slapen.”
-
-„Wel te rusten.”
-
-„Goeden nacht.”
-
-Het was dezelfde doffe toon vol onverschilligheid, waarop hij den
-ganschen dag had gesproken, en die haar nu verbaasde en eenigszins
-ongerust maakte. Ze ging naar bed, maar werd na een paar uren met
-schrik wakker. Ze luisterde: neen, de kinderen waren het niet; het was
-Jean, die in de achtergalerij op en neer liep. Ze luisterde opnieuw:
-hij opende een kast en nam wat brendy.
-
-En terwijl zij uit gewoonte en van vermoeidheid weer insliep, strekte
-hij zich achter op een langen rotan-stoel uit en was klaarder wakker,
-dan hij den geheelen dag was geweest; nu eens zat hij tien minuten te
-staren naar zijn schoon visioen, dan weer neuriede hij opwekkende
-liedjes, of sprak bij zichzelven. Het boek, dat hij had ter hand
-genomen, om zich in slaap te lezen, bleef ongeopend op de tafel liggen.
-
-Hij hoorde de klokken elk half- en heel uur slaan; de metaalklank
-resonneerde door de ruimte van het huis, en droog en hard vielen
-daartusschen, buiten in den stillen nacht, de slagen van sommige
-nachtwakers op hunne blokken, terwijl die van anderen, dichter bij of
-verder af, dof en zwaar klonken, soms zoo rhytmisch alsof het met opzet
-was geregeld.
-
-Haast al dien tijd dacht hij aan Betsy. Soms beproefde hij aan iets
-anders te denken, maar het gelukte slechts ’n minuut of wat. Hoe het
-ook ging, over welke schijven hij zijn gedachten dwong te loopen,
-altijd kwam een oogenblik—en het kwam heel spoedig—dat hij in
-verbeelding weer bezig was met haar. ’t Verschrikte of verwonderde hem
-zelfs niet, want ook toen hij dien nacht deze ontdekking deed,
-glimlachte hij weer bij zichzelven om het feit. Het ging hem als
-sommige jongelieden in een stadium van voorbarig en overweldig
-ontwikkelenden hartstocht, als het hun physisch onmogelijk is hun
-aandacht te bepalen bij hun werk of hun studie, en hoeveel geweld ze
-hun menschelijke hersenen ook aandoen, de faunen toch dadelijk weer den
-baas spelen. Nu, hij streed er niet zoo heel erg tegen; hij had het
-niet kunnen doen; zijn zwakke poging was meer een streven naar rust,
-die hij toch wel besefte noodig te hebben.
-
-Eerst toen tegen den ochtend een kille wind door de naalden der
-tjemara’s op het erf ruischte, kwam er ’n beetje ontspanning, en sliep
-hij in op zijn stoel; het was een slaap als lood zoo zwaar; hij
-snorkte, dat van ’t geluid de meubelen schenen te dreunen in de
-galerij: hij snorkte Marie wakker, doch zichzelven niet.
-
-Zij stond op, toen ze door de kieren van de stores zag, dat het begon
-te dagen. Drie- of viermaal was zij wakker geweest, en voor het overige
-had zij slecht geslapen. Toch voelde zij zich minder onlekker dan daags
-te voren; het was waar, wat Sarinah zei, dat de op haar toegepaste
-middeltjes weinig effect hadden en haar sterk gestel de werking er van
-scheen te neutraliseeren.
-
-
-
-Een vervaarlijke vloek, gevolgd, als bliksem door donder, door een
-vuistslag op een tafel, daverde door de nette houten commandantswoning
-op den buitenpost, waarheen kapitein Borne was overgeplaatst.
-
-„Ziedaar! Lees me gévédé, ’reis zoo’n brief!”
-
-Zoo stormde hij de achtergalerij in, met zijn zwaren tred, die den
-planken vloer deed kraken, hoe solied de genie hem ook had gelegd. En
-hij wierp op de tafel, waarvoor zijn vrouw zat te werken, een groot vel
-papier, dat hij, door er een slag op te geven met de vlakke hand, als
-’t ware in het blad van de tafel scheen te willen slaan.
-
-Borne zag rood, en hij beefde; dat zag zijn vrouw, toen ze hem aankeek
-over haar bril, niet wetende uit welken hoek deze storm opstak, maar
-dadelijk ook eenigszins zenuwachtig en tot weerstand geprikkeld.
-
-Zij werd bleek onder het lezen, en sloeg met beide handen tweemaal op
-haar gevulde dijen, zoodat het kletste door de mooie sarong heen, een
-muziek, waarmede de kapitein zich, in gewone omstandigheden, amuseerde,
-ofschoon ze het bewijs was, dat zijn vrouw zich gloeiend nijdig maakte.
-Maar ditmaal lette hij er niet op; het was een te ernstig geval.
-
-„Zoo’n gemeene smeerlap!” zei hij.
-
-„Zoo’n slet van een meid!” barstte zij los.
-
-Lang bleef het niet bij de invectieven tegen Bronkhorst en Betsy.
-
-„’t Is jou schuld,” beweerde al heel gauw mevrouw Borne met gefronste
-wenkbrauwen en een kwaadaardig vooruitgestoken mond. „Je bent altijd
-zoo’n akelige kerel.”
-
-„Dat lieg je!” brulde de kapitein ten toppunt van woede rakend. „Mijn
-schuld! Het is de jouwe; heelemaal de jouwe.”
-
-„Jij laat je maar alles wijsmaken. ’n Man! Tjies!”
-
-Deze aanval op zijn sekse deed de maat overloopen.
-
-„Laat ik me wat wijsmaken? Wie zeit dat? Laat ik me wat wijs maken?
-Neen jij! Jij laat je voorliegen en bedriegen. Wou je het aan mij
-wijten?”
-
-En de twist liep erg hoog. Ze scholden elkaar geregeld uit, en ze
-scholden op elkaars familie, alsof ze beiden van hoogst immoreele
-afkomst waren; tot eindelijk mevrouw naar haar kamer ging en van daar
-uit, door het met zonneblinden gesloten venster nu en dan heftige
-woorden naar buiten zond, die Borne patrouilleerend in de
-achtergalerij, nu eens met woeste luidruchtigheid, dan weer met, op
-zijn manier, bittere ironie beantwoordde. Maar de toon, waarop zij
-keef, daalde gradueel; er kwamen nu en dan trillers in; en naarmate de
-klank verzachtte, werden de woorden weeker. Borne antwoordde nu nog
-slechts af en toe met een enkel woord, dat hij eigenlijk slechts in het
-midden bracht om niet heelemaal te zwegen.
-
-Eindelijk hield zij den mond, in zoover, dat ze hem geen verwijten meer
-deed; en nu kon hij haar zacht hooren snikken met afgebroken woorden
-van verdrietig verwijt. Dat was te veel; dat kon hij nooit verdragen.
-Geheel gekalmeerd, ging hij naar binnen, ook in de kamer, waar zijn
-vrouw was.
-
-„Kom,” zei hij, aangedaan, „huil nou niet, ati. Je weet toch wel, dat
-het niet zóó gemeend is.”
-
-Ze wist dat ook wel; ze droogde haar tranen; hij kuste haar, zij gaf
-hem een zoen terug, en zoo stonden ze een oogenblik als groote, oude
-kinderen....
-
-Nadat ze dus van weerskanten hun gemoed gelucht hadden over het „het
-schandaal”, zouden zij de zaak bedaard bespreken; de brief was van
-niemand anders, dan van den resident, maar particulier, dat sprak
-vanzelf, en dat het zoo’n groot vel papier was, kwam alleen door het
-innig besef van den resident, dat hij te hoog was geplaatst om, zij het
-ook niet-officiëel, te schrijven op klein formaat.
-
-„Het is ’n verschrikkelijk geval. Wie had zoo iets kunnen voorzien?”
-
-„Als ik er was gebleven, zou het nooit zijn gebeurd.”
-
-„Neen, zeker niet.”
-
-„Als ik er naar toe kon, zou ik hem ongemakkelijk à faire nemen.”
-
-„En met hem vechten?”
-
-„Dat beloof ik je. Ik zou hem voor het front laten komen, en ik zou
-zeggen....”
-
-„Ja, vent, ik weet het wel. Je zoudt hem tot een duel dwingen.”
-
-„A mort, dat verzeker ik je!” zei de kapitein met geur.
-
-„Soedah! dat is allemaal niet mogelijk; toch moeten we er iets aan
-doen.”
-
-Dat voelde kapitein Borne ook, maar hij wist niet wat; hij zei het
-openhartig.
-
-„Ik weet het evenmin,” gaf zijn vrouw toe. „Mijn God. wat heeft ’n
-mensch toch ’n last van z’n familie.”
-
-„In elk geval: ik zal den resident antwoorden.”
-
-„Natuurlijk.”
-
-„Ik zal hem bedanken voor de betoonde belangstelling.”
-
-„Ja, dat moet je doen, Borne!”
-
-„Maar, dat ik er tot mijn groot leedwezen niets anders tegen kan doen,
-dan aan dien Bronkhorst een brief schrijven, die op pooten staat, en
-aan haar dito, dito.
-
-„Zou hij er zich niet verder mee willen bemoeien?”
-
-„Wie?”
-
-„Wel, de resident.”
-
-Het was ’n idée, dat moest de kapitein bij zichzelven toegeven. Maar
-het stuitte hem tegen de borst om, als men in zulk een delicate zaak
-vreemde hulp inriep, zich, als officier, daarbij te bepalen tot een
-burgerambtenaar. Daarom schreef hij ook een uiterst langen brief aan
-zijn collega en opvolger, waarin hij met groote kieschheid uiteenzette,
-wat hij van ter zijde had vernomen, verzocht het een en ander voor hem
-te onderzoeken, en wanneer het noodig mocht wezen, in zijn, Borne’s
-naam, op te treden. Tevens meldde hij, dat hij aan den resident had
-geschreven, en dezen, dat hij zijn collega mede in de zaak had
-betrokken.
-
-Uren had het geduurd vóórdat de kapitein deze brieven gereed had. Het
-schrijven was zijn fort niet, en een brief stellen van eenig aanbelang
-kostte hem meer zweetdroppels, dan een urenlange militaire marsch. Doch
-hij zat er eenmaal in, het moest met spoed geschieden, en als hij met
-iets was begonnen, ging hij voortvarend door tot het einde.
-
-Toen hij zijn vrouw de brieven had voorgelezen, zag hij, dat ze het
-zich zeer aantrok en er erg verdrietig onder was. Hij trachtte haar op
-te beuren, maar het gelukte niet.
-
-„Zie je,” zei ze, „het is niet alleen om harentwil. Ik geloof, dat er
-aan vrouwen, die dien kant op gaan, nooit veel verbeurd is. Maar zij
-heeft bij ons gewoond, dat weet iedereen; zij behoort tot de familie,
-en er ligt schande in voor jouw naam. Dàt vind ik verschrikkelijk.”
-
-Hij antwoordde niet, maar schreef met vaste hand en stijve groote
-letter de adressen der brieven. Bij slot van rekening, dacht hij,
-officier en gedecoreerd, kon het pierewaaien van een aangetrouwd
-nichtje zijn naam al bitter weinig deren; maar de bezorgdheid zijner
-vrouw voor dien naam deed hem goed. O, ze was ’n beste vrouw, en van
-die Betsy hield hij waarachtig alsof het z’n dochter was. Weduwe en nog
-zoo jong! dacht hij. Hij voelde zich vergevensgezind.
-
-Iedereen wist, vier en twintig uren nadat de brieven van Borne in ’t
-bezit waren van den resident en des kapiteins collega, wat er in stond.
-Indiscretie was daarbij niet in ’t spel. Borne, zelf de zaak met
-kieschheid behandelend, kon over den indruk van zijn brieven tevreden
-zijn; maar dat de twee heeren aan hun vrouwen den inhoud meedeelden,
-was, in zulk een speciale vrouwen-perkara, niet meer dan hoogst
-natuurlijk; hij, Borne, zou precies hetzelfde hebben gedaan. Nu hadden
-die dames elk een vriendin. Neen, niet zoo’n gewone kennis, maar een
-betoele vriendin, in wier boezem zij het geheim deponeerden. Zoo ging
-het verder; van indiscretie geen spoor, maar iedereen wist het
-niettemin.
-
-En iedereen was er blijde om.
-
-Want „het schandaal”, zooals men het noemde, duurde nu al langer dan
-een maand.
-
-Het zag er bij de Bronkhorsten aan huis treurig uit. Marie had
-stormenderhand, alleen door haar „ongeluk”, onder de dames een
-sympathie verwekt, die ze door jaren van ongestoord geluk niet had
-kunnen machtig worden.
-
-Diezelfde dames keken Bronkhorst heel leelijk aan en groetten hem
-nauwelijks; de heeren echter drukten hem hartelijk de hand met iets van
-compassie. Want, dat zagen ze wel: het was geen gewone zaak, en tot die
-slotsom bracht hen niet de kennis der verhouding van den notaris tot
-Betsy en tot zijn eigen vrouw; dat behoorde, vonden zij, tot het gewone
-verloop. Bronkhorst zag er slecht uit, en het ging slecht met zijn
-zaken. Rijke Chineezen en Arabieren spraken onder elkaar en met hun
-Europeesche relatiën over den notaris. Ze verloren ’t vertrouwen, dat
-ze vroeger altijd in hem hadden gesteld. Terwijl ze hem vertelden, wat
-hun bedoeling was met de akten, die opgemaakt en naar die bedoeling
-door den notaris ingericht moesten worden, zagen ze zijn gezicht
-veranderen. Hij begon met belangstelling te luisteren, vragen te doen
-en mee te praten, maar na ’n paar minuten week de uitdrukking van
-onbevangenheid van zijn gezicht, en hij staarde met hangende onderlip
-en droomerige oogen onafgebroken zijn cliënt in de oogen, tot deze min
-of meer verlegen met praten ophield; en dan bleek, dat de notaris de
-helft niet had gehoord, en de man alles nog eens moest herhalen voor
-den candidaat, wat hij heel onaangenaam vond, niet om het overzeggen,
-dàt met genoegen, maar uit ongerustheid.
-
-Bronkhorst had er lang tegen gestreden, en hij deed het nog, doch
-vruchteloos. Hij voelde zelf wel, dat het zóó op den duur niet gaan
-kon. Thuis was het geen leven; hij zag daar niets dan Marie, die haar
-verdriet door het huis droeg, haar plicht tegenover haar kinderen, en
-tot zekere hoogte ook tegenover hem, stipter dan ooit vervullend. Het
-was hem gaan ergeren; het maakte hem kwaad. En bij zijn overprikkelend
-zenuwleven, licht geïrriteerd, verloor hij zijn zelfbeheersching,
-zooals hij het zijn opgeruimd humeur had gedaan; hij sprak haar toe op
-korten, haast bevelenden toon:
-
-„Waar is de sleutel van de kast?”
-
-De kast was die, waarin Bronkhorst het geld bewaarde, dat hij zoo voor
-’t verbruiken hield. Er lag gewoonlijk ’n zes-, zevenhonderd gulden in
-aan contanten en klein papier. Marie droeg den sleutel aan haar ring.
-Zij nam voor het huishouden wat ze noodig had; als het op was,
-waarschuwde zij hem; rekening en verantwoording had hij haar nooit
-gevraagd.
-
-Toen hij den sleutel vroeg, nam zij den ring uit haar mandje en lei
-dien op de tafel. Hij deed er den sleutel af. Een oogenblik klemden
-zich haar lippen stijf opeen, en, doodsbleek, stond ze op het punt in
-woede los te barsten; zij wist zich te bedwingen.
-
-„Wat beteekent dat?”
-
-„Wat het beteekent? Niets. Ik houd voortaan den sleutel van de kast.
-Dat is alles.”
-
-„Begin dan maar met haar open te doen en me geld te geven voor het
-huishouden.”
-
-Hij deed het, telde haar geld toe en bepaalde den tijd, dien ze
-daarmede moest rondkomen. Ze haalde met minachting de schouders op, nam
-het geld en ging naar achter, terwijl Bronkhorst, zenuwachtig, het
-voorerf afliep. Hij had ’t niet louter gedaan om haar te contrariëeren.
-Inderdaad kostte het leven hem in den laatsten tijd zeer veel. Zijn
-verhouding tot Betsy was hem reeds op ’n paar duizend gulden te staan
-gekomen, en dat kon hem wel niet schelen—’t was immers voor haar!—doch
-op den kostbaren train de vie in zijn huis moest dan maar wat bezuinigd
-worden.
-
-Voor Marie was het hard, want zij was er niet aan gewoon. Ze huilde er
-om in haar kamer en toen ze bezoek kreeg van een der vele dames, die in
-den laatsten tijd haar omgang zochten. ’t Was er ditmaal juist een die
-ze vertrouwde en gaarne mocht. Ze kon het niet langer verkroppen, hoe
-gaarne ze ook alles zoo stil mogelijk wilde houden; ze voelde dat ze
-iemand hebben moest aan wie ze haar leed kon klagen, en ze vertelde
-alles.
-
-Maar nu vernam ze ook dingen, waarvan ze verstomde. „Zij heeft hem iets
-ingegeven,” zei haar vriendin, en toen Marie met Europeesche
-ongeloovigheid voor de kracht van Indische middelen, het hoofd schudde,
-werden haar tal van voorbeelden genoemd, het een al merkwaardiger dan
-het andere. Haar ongeloof wankelde, en het verdween bijna, toen ze
-begreep, dat, zóó opgevat, zijn schuld geringer werd, uit mindere
-toerekenbaarheid, terwijl haar haat tegen Betsy zich onmatig verhief.
-En de nieuwe vertrouwde, die zoo goed op de hoogte scheen, alsof zij de
-campagne zelve had meegemaakt, lichtte Marie nog geheel anders in. Tot
-nu toe had ze gedacht, dat er liefde in het spel was van den kant van
-Betsy,—thans vernam zij, dat het louter berekening was, berekening om
-haar van haar man te scheiden en zelve mevrouw Bronkhorst te worden.
-Zóó althans dachten sommige Indische dames er over op de plaats, en
-sommige Indische dames zien scherp en denken overeenkomstig!
-
-„Niemand heeft me van dat alles ooit iets verteld,” zei Marie met de
-handen in den schoot als overrompeld van verbazing door dit nieuwe
-licht.
-
-„We dachten, dat je boos zou wezen. We durfden niet goed. Maar wij
-hebben haar in de gaten. Al lang, hoor!”
-
-Toen ze dàt eenmaal wist, viel het haar lichter zijn slecht humeur te
-verdragen. Het speelde hem geweldige parten; hij was een ander man.
-Alles trotseerend, vertoonde hij zich openlijk met Betsy op den weg, en
-zijn rijtuig stond elken dag wel een uur lang voor het huis van de
-weduwe Duhr, die er niets van begreep, en het erg gek vond, dat
-menschen er zoo hun reputatie aan waagden, zonder dat althans het
-gewone genoegen daartegen opwoog.
-
-Want ze had er op durven zweren, dat er niets gebeurde, wat Betsy,
-zelfs als zij een jonge maagd was geweest, had kunnen schaden.
-Bronkhorst zelf vond het vreemd, dat hij in zijn neiging voor Betsy
-betrekkelijk zoo onbewogen bleef. Hij was, naar het hem toescheen, dol
-van haar. Als ze wandelden kon hij niet velen dat ze iemand aanzag en
-hij maakte haar scènes omdat ze het deed, en natuurlijk deed zij het
-met opzet. Maar overigens bleef hij van lusten vrij; te vrij naar zijn
-zin; zóó vrij, dat het hem verontrustte, en hij oogenblikken had van
-twijfel aan zichzelven. De wereld geloofde daar niets van; indien zij
-in gedachte preciseerde, dan zou zij zich in zulk een geval de wildste
-en onstuimige hartstochten en action hebben voorgesteld. Men had Betsy
-uit haar gewonen kring gestooten; dat bleek duidelijk toen er een
-tooneelvoorstelling en muziekuitvoering op de plaats zouden gegeven
-worden. Zij werd niet gevraagd; Bronkhorst en zijn vrouw wel, en ze
-konden niet weigeren. Hij ging er heen tegen wil en dank; zij was er
-verheugd over. Er werd hun zeer veel aandacht geschonken; men zag het
-beiden duidelijk aan, dat het tusschen hen niet was zooals ’t behoorde.
-Bronkhorst was overmoedig, vooral bij ’t binnenkomen. Uiterst beleefd
-voor zijn vrouw, ging hij met opgeheven hoofd, eenigszins
-„aanstellerig”, door het vrij volle zaaltje naar de voorste rijen, waar
-zijn plaats was als „notabele.” Zij deed ook haar best om zoo weinig
-mogelijk te toonen, tegenover het publiek. Ze dwong haar afgevallen
-gezicht tot een opgeruimde plooi en groette glimlachend links en rechts
-haar kennissen. Toen de uitvoering was begonnen, hield Bronkhorst het
-een korten tijd vol, maar terwijl een juffrouw, een dier ontluikende
-dilettanten-talenten, die het nooit tot het verleden deelwoord brengen,
-een lang sentimenteel Duitsch lied zong, werd het hem te machtig; het
-was alsof zijn geforceerde aandacht hem met geweld ontsnapte; de
-eenigszins onnoozele uitdrukking van iemand, die te midden van een
-menigte personen met zijn gedachten elders is, kwam weer op zijn
-gezicht, en starend naar het geïmproviseerd tooneeltje, veranderden in
-zijn oogen de trekken van de zangeres; het was Betsy, die daar stond
-met een blad muziek in de hand; hij zag het duidelijk; tot in de
-geringste détails was zij het; de eenigszins schrale buste van het
-ontluikend dilettantje, was veranderd in den gevulden boezem van Betsy,
-zwellend onder het laag uitgesneden lichtkleurig kleed, dat haar zoo
-goed stond; als het meisje, dat haar stuk voordroeg, een beweging
-maakte met den nog tengeren arm, dan zag hij de bestudeerde bewegingen
-van Betsy, die zoo graag coquetteerde met haar mooie armen in halve
-mouwtjes.
-
-„Zie jij dien meneer daar?” vroeg een soldaat, die aan het opslaan van
-’t tooneeltje had geholpen met eenige kameraden, en die nu, belast met
-het ophalen en neerlaten van het scherm, achter een der coulissen door
-een paar gaatjes in de zaal keek.
-
-„Welke? Dien daar op ’t hoekie vooraan?”
-
-„Ja, precies! Vindt je niet, dat hij net kijkt of hij ’m half „om”
-heeft?”
-
-„Waarachtig niet. Weet je, hoe hij daar nu zit?”
-
-„Nou, zeg jij het dan maar.”
-
-„Net als een die den zwarten hond heeft.”
-
-Bronkhorst hield het niet langer vol dan tot de pauze; het was hem te
-sterk.
-
-„Als je misschien nog wat wilt blijven?....” zei hij tegen Marie. „Ik
-voel me niet erg lekker.”
-
-Ofschoon zij zich volstrekt niet amuseerde, bleef zij. Hij zou haar ’t
-rijtuig zenden. Een diepe zucht van verlichting ontsnapte hem, toen hij
-zich in de kussens van zijn coupé liet zakken; het was half elf, maar
-hij zou toch nog naar haar toegaan; hij werd naar haar gedreven.
-
-Betsy was nog op. Zij had juist een zeer ernstig gesprek gehad met
-Sarinah; ze vond, dat Bronkhorst er zoo slecht begon uit te zien en
-vreesde, dat hij ernstig ziek zou worden. Ook haar viel het op, dat hij
-zoo zenuwachtig was in den laatsten tijd, zulke diepe kringen om zijn
-oogen had, en haar zoo in ’t geheel geen aanleiding gaf tot toepassing
-van defensief vermogen. Men moest in geen geval ’n slecht ondermijnd
-gestel bezorgen aan iemand, die haar man moest worden!
-
-„Het wordt terlaloe, nèh,” had zij gezegd; „zou je er nu niet
-uitscheiden?”
-
-„’t Kan niet, nonna! Geloof me toch, het is onmogelijk.”
-
-„Maar hij wordt ziek.”
-
-„Al wordt hij ziek, ’t komt er niet op aan; des te gauwer zal hij er
-een eind aan maken.”
-
-„Als hij ziek is, kan hij niet meer hier komen.”
-
-„Het kan niet anders; hij moet het hebben. Ketjil heeft het vanochtend
-nog gezegd. Ketjil gaat hem elken dag zien voorbijrijden, en zegt, dat
-meneer nu goed wordt. Het is toch knap.”
-
-„O ja, het is pinter genoeg; maar als hij sterft, wat dan?”
-
-„Masa! Dáárvan sterft men niet.”
-
-Betsy loosde een zucht. De „zaak” vorderde wel, maar niet vlug genoeg
-naar haar zin. Zij had dat ééne woord nog niet gehoord, waarop ze
-wachtte, en dat het sein was voor de verwezenlijking harer plannen. Het
-scheen, dat hij niet op het denkbeeld kwam uit zichzelven; welnu, dan
-zou ze hem er op brengen, zoodra hij haar den volgenden dag een bezoek
-bracht; zij zou.... Ze brak haar gedachtenloop af en hief, luisterend,
-het hoofd op. Een rijtuig draaide van den grooten weg de laan in; zij.
-kende ’t geluid, dat zachte, zware op den slecht gemacadamiseerden
-grond. ’n Glimlach vol triumf gleed om haar mond. Prachtig! Men had
-haar niet geïnviteerd, en inwendig had ze gekookt van woede, toen ze
-het hoorde. Bronkhorst en Marie waren wèl genoodigd, en hij had haar
-gezegd, dat hij niet weg kon blijven. Maar hij had het niet
-volgehouden. Daar was hij al! Hij had den heelen boel in den steek
-gelaten: gezelschap, voorstelling, Marie,—den ganschen boutique,—en
-daar kwam hij aanhollen naar haar.
-
-Vrij opgewekt liep hij de treden op naar de voorgalerij, waar ze in
-sarong en kabaja op een wipstoel zat, en blij, dat hij haar zag, greep
-hij een harer handen, en ging naast haar zitten.
-
-„Bonsoir, Bets, hoe gaat het? Hé, ik ben blij, dat ik hier ben, Het is
-een corvée!”
-
-„Heb je je dan niet geamuseerd onder al die fatsoenlijke menschen?”
-
-Ze was niet erg toeschietelijk, en van haar blijdschap over zijn
-desertie en zijn overloopen naar haar, liet zij niets merken.
-
-„Je weet wel,” antwoordde hij, haar glimlachend aanziende, „dat ik me
-alleen bij jou amuseer.”
-
-„Goed! Maar Jean, hoe lang moet het nog zoo voortduren?”
-
-Zijn gezicht betrok, en hij zuchtte diep.
-
-„Ja, hoelang?”
-
-„Me dunkt, je moest daar eens over nadenken.”
-
-„Heb je ajer blanda?”
-
-„Welzeker!”
-
-De interruptie maakte haar niet boos; integendeel, zij lachte
-allerliefst, en stond dadelijk op.
-
-„Wil je er niet wat brendy in hebben?”
-
-„Graag, Wacht, laat mij ’t apollinariswater maar open maken.”
-
-Ze prepareerden samen een grog; hun handen kwamen daarbij telkens in
-aanraking, en als dat met opzet gebeurde, lachten ze stil en keken ze
-elkaar aan.
-
-„Wees toch niet kinderachtig,” zei ze.—„Rook je niet?”
-
-„Ik heb er niet aan gedacht.”
-
-„Allerliefst! Geef me je koker, dan zal ik er een aansteken.”
-
-Uit den grooten matten koker nam ze een havanna, beet er de punt af met
-veel vertoon van haar witte tanden, die bij ’t helder lamplicht
-schitterend contrasteerden met het donkere rolletje tabak; intusschen
-stak Bronkhorst een lucifer aan, en rookte zij met aardige
-onbeholpenheid en een vooruitgestoken klein mondje.
-
-Lachend nam hij de sigaar af en rookte die verder.
-
-„Neen, maar betoel, Jean,” ging zij voort; „het kan heusch zoo niet
-blijven.”
-
-Hij dronk een langen teug uit het hooge glas.
-
-„Wist ik maar wat er aan te doen was!”
-
-„Ja, er is natuurlijk maar één weg.”
-
-„Scheiden?”
-
-Ze was blij, dat hijzelf het ’t eerst zei.
-
-„Natuurlijk! Je moet zien van haar te scheiden. Me dunkt, dat kan zoo
-moeilijk niet zijn.”
-
-„Ik vrees, dat het heel moeielijk wezen zal.”
-
-„Dat hangt toch veel van jou af.”
-
-„Als zij niet wil?”
-
-Een oogenblik kwam haar aard boven.
-
-„Niet wil, niet wil! Er is altijd wel een akal op te vinden. In het
-uiterste geval neem je een inlandsche....”
-
-Zichzelve betrappend op een onvoorzichtigheid, zweeg ze en kreeg een
-kleur. Hem had het pijnlijk aangedaan, want hij begreep het, en zijn
-van nature eerlijk hart kwam in opstand tegen zulk een laag middel;
-maar hij was ver genoeg om er niet over te struikelen, en, toen zij,
-dadelijk een ander effect teweeg willende brengen, met een diepen zucht
-en een traan, zeer aandoenlijk zei: „Mijn God, waartoe komt ’n mensch
-al niet!” had hij een teeder medelijden met haar.
-
-„Ik zal het probeeren,” zei hij, zijn hand op de hare leggend. „Ze zal
-toch begrijpen, dat het zóó niet kan blijven. ’t Is veel beter, dat het
-tot een scheiding komt, en zij naar Holland gaat.... met de kinderen.”
-
-„Waarachtig, Jean, het is de eenige uitweg voor ons. Ik ben anders voor
-altijd verloren. Wij zijn fatsoenlijk, is het niet? We hebben ons beter
-gehouden, dan menigeen, die voor onberispelijk netjes doorgaat. Welnu,
-dat helpt immers niet!”
-
-„Neen, het is waar; het is beroerd.”
-
-„Het eenige is, dat we trouwen, Jean; dat is absoluut het eenige.”
-
-„Ik heb je gezegd, dat ik mijn best zal doen, Bets; en je weet, dat ik
-het doen zal.”
-
-Hij werd weer ’n beetje ongeduldig; ’t was een gevolg van zijn
-algemeenen toestand, die hem scheen te beletten lang bij ’t zelfde
-onderwerp te verwijlen.
-
-„Hoe was het op die uitvoering?” vroeg ze.
-
-Met korte, afgebroken zinnen vertelde hij wat hij wist, spottend over
-het gebrekkige, dat hem had getroffen, wat bij haar, die een goede
-musicienne was, weerklank vond.
-
-Zoo bleven ze zitten, pratend en schertsend, tot het vrij laat was. Zij
-bracht hem het erf af, en, verborgen achter den pagger, die langs den
-weg liep, nam ze een bijzonder teeder afscheid van hem.
-
-„Je doet het, ja?” vleide ze.
-
-„Zeker! Morgenochtend dadelijk. Er moet een eind aan komen.”
-
-Toen zijn coupé het erf van zijn huis opreed, was de muziek- en
-tooneeluitvoering reeds lang afgeloopen; hij had heelemaal vergeten
-Marie het rijtuig te zenden; ze was met kennissen meegereden en die
-hadden haar thuis gebracht.
-
-Eerst toen Bronkhorst weg was, kwam Ketjil het erf op van mevrouw Duhr,
-die reeds lang ter ruste was. Hij had op den weg gestaan, en,
-voorzichtigheidshalve, zoo lang op en neer gewandeld tot de notaris,
-die hem kende, weg was. Het was ’n klein erf, en de lamp brandde
-helder, zoodat hij, noodwendig dicht langs het huis voorbijgaand, kon
-gezien worden. Alles te zamen genomen, vond hij ’t beter hem niet onder
-de oogen te komen.
-
-Nu Betsy het huis binnen en naar haar kamer was gegaan, ging hij naar
-de tampat, die op het achtererf zijn moeder was toegewezen.
-
-Ketjil was in den laatsten tijd niet gelukkig met zijn geld; hij
-verloor bij het spel, en het werd zaak dezen citroen nog ’n beetje te
-knijpen vóór hij te droog werd. Toen hij achter kwam, was er geen
-licht. Hij klopte zacht op de deur.
-
-„Wie?” vroeg de oude, die op een baleh-baleh haar hazenslaap sliep.
-Zoodra zij hoorde dat ’t haar zoon was, wist ze ook waarom hij kwam; ze
-begon geweldig te steunen en te klagen, en het duurde lang eer zij de
-deur had gevonden en hem opendeed. Zijn oogen waren aan de duisternis
-gewoon, en hij ging op den rand der baleh-baleh zitten. Zoomin als zijn
-moeder zich bedroog in de reden van zijn komst, zoomin vergiste hij
-zich in de oorzaak van haar zuchten en steunen.
-
-„Niet wel?” vroeg hij zacht.
-
-„O, neen. Ik ben ziek; ik ben erg ziek.”
-
-„Wat scheelt er aan?”
-
-„Ik weet het niet; ik ben oud; oude menschen moeten sterven.”
-
-„Kunnen,” verbeterde hij, als om haar te troosten. Maar ze hield
-hardnekkig vol.
-
-„Jonge menschen kunnen, ouden moeten.”
-
-„Nu ja, nog niet.”
-
-„Wie weet hoe gauw,” ging ze voort met een akelige stem. „Ik zie hier
-dikwijls het spook van den dood. Het is hier bij me in de duisternis.”
-
-Inderdaad was het donker, want ze had wel een lampje en lucifers bij de
-hand, maar ze ontstak die niet. Onwillekeurig keek hij rond, als wilde
-hij ook naar het spook zien in de duisternis.
-
-„Och kom!” zei hij: „heb je het spook zelf gezien?”
-
-Zij antwoordde niet dadelijk; ze wist nu, dat ze hem geen vrees kon
-aanjagen; het zou haar niet helpen of zij al haar vervaarlijke
-spookhistories afschoot op het dikke bruine lichaam, onder welks
-gewicht de bamboezen van de baleh-baleh kraakten.
-
-„Het is niet om te lachen,” zei ze.
-
-„Wel neen, ik lach ook niet; het maakt me betoel bang.”
-
-Er was in ’t geheel geen eer aan te behalen voor de oude vrouw.
-
-„Waarom kom je hier?” vroeg ze.
-
-„Om eens te zien of het je goed gaat.”
-
-„Dan had je wel vroeger kunnen komen, in plaats van mij wakker te maken
-uit mijn slaap.”
-
-„Ik heb het zoo druk.”
-
-„Zeker met je witte njai!”
-
-„Toch niet! Ik maak tegenwoordig zooveel horloges. Al de wijzers zijn
-stuk!”
-
-„Och wat! Je houdt me voor den gek. Als je daarvoor bent gekomen, ga
-dan maar weer weg.”
-
-„Ik moet voor eenige dagen uit.”
-
-„Zoo! Waarheen?”
-
-„Naar het Zuiden.”
-
-„Dat dacht ik wel.”
-
-„Betoel! Ik heb geen tranen van den doejong meer.”
-
-„Ik begrijp het wel; je moet die gaan koopen aan de Zuidkust, en
-daarvoor moet je geld hebben, nietwaar?”
-
-„Ja, dat zal wel zoo wezen.”
-
-„En als zij het nu niet geven wil?”
-
-„Dan krijgt ze hem niet.”
-
-„En als zij ’t niet heeft?”
-
-„Dan moet ze het hem maar vragen. Ik heb ze daareven samen achter den
-pagger zien staan; als ze ’t hem vraagt, dan geeft hij het.”
-
-„En hoeveel moet je hebben, en wanneer?”
-
-„Het beste van alles is, dat ik dadelijk ’t geld ontvang, want dan kan
-ik nog van nacht op reis gaan.”
-
-„Is er zulk een haast bij?”
-
-„Ik heb niets meer en er is haast bij. Vraag haar voorloopig honderd
-vijftig gulden; misschien is dat genoeg.”
-
-Hij sprak nu kort en bevelend, zonder er zich in het minst aan te
-storen, dat de oude hem telkens met haar klaagliederen in de rede viel.
-Maar zij ging toch binnen, en vertelde aan Betsy met het ernstigste
-gezicht ter wereld, dat Ketjil nog weer op reis moest om obat te
-koopen, dat het perloe was, en dat hij dadelijk tweehonderd gulden
-moest hebben.
-
-Betsy was buiten zichzelve van woede.
-
-„Jou leelijke, brutale, ouwe nèh!” riep ze. „Jou afzetster! Denk je,
-dat ik me nog langer laat oplichten, door jou en je dief van een zoon?
-Ajo, gauw de kamer uit!”
-
-Maar Sarinah ging niet; zij bukte deemoedig en ontving zonder morren
-den klinkenden klap, dien Betsy haar toediende met de vlakke hand.
-
-„Daar, oud beest! En daar heb je er nog een! Ik zal je leeren.”
-
-„Ketjil heeft niets meer,” zei ze. „Wij houden dus op.”
-
-„Voor mijn part! Denk je dat ik gek ben?”
-
-„Ja maar.... dan komt er ook niets van. Nonna moet toch verstandig
-zijn.”
-
-„Houd je mond. Ik geef zooveel geld niet, en ik heb het ook niet.”
-
-„Als ik het had, gaf ik het zelf. Het is zoo jammer van al die moeite
-en onkosten. En als het nu toch goed afloopt! Zoo’n heerlijk huis!”
-
-Nog een kwartier ging het heen en weer praten voort, tot Betsy alles
-gaf, wat ze op ’t moment aan contanten bezat; het was maar honderd en
-zestig gulden. Sarinah bracht het naar achteren, maar onderweg nam zij
-er drie bankjes van tien af en moffelde die weg tusschen haar
-sarongband. In haar kamertje stak ze nu ’t lampje op. Ketjil zat nog
-onbeweeglijk op den baleh-baleh-rand. Zij wierp de overige honderd
-dertig gulden in papier met ’n soort van woede naast hem neer.
-
-„Daar! Dat is alles wat ze bezit. Je hebt haar nu heelemaal
-uitgeplunderd. Ze heeft geen cent meer in huis.”
-
-Doch Ketjil lachte en keek zijn moeder aan.
-
-„Ik zal het maar nemen,” zei hij; „de rest krijg ik later wel.”
-
-„Ga nu maar heen en kom gauw terug.”
-
-„Voor hoelang heb je nog?”
-
-„Voor hoogstens viermaal.”
-
-„Over vier dagen ben ik terug. Dag, moeder,” en heen gaande streek hij
-zijn dikke hand liefkoozend over haar voorhoofd, „dag oudje, je bent
-toch ook pinter, ja?”
-
-Het was geen heele leugen van Ketjil geweest. Hij moest inderdaad naar
-de Zuidkust, maar niet voor de „obat,” die zijn moeder den notaris liet
-slikken. Voor dien had hij nog voorraad genoeg. Maar zijn geld was
-verdobbeld,—dàt ad primum, en ad secundum had hij meer noodig voor een
-hoogst voordeelige toepassing, die hem heel wat meer zou opbrengen, dan
-wat njonja Ekster hem kon betalen; doch ditmaal had hij te doen met een
-oudere en slimmere vrouw, die geen cent wilde geven vóórdat zij de
-middelen had toegepast en de werking had gezien. Daarom had Ketjil
-inderdaad des nachts zijn zwaar lichaam op ’n stevig paard gewerkt, dat
-zijn eigendom was en speciaal voor verre tochten werd gebruikt, en met
-de weinige reisbenoodigdheden, waaraan een inlander behoefte heeft, was
-hij vertrokken.
-
-Onvermoeid had hij doorgereisd den dag en den nacht, nu en dan op een
-sukkeldrafje, maar meest stapvoets; hij was over hooge bergruggen
-getrokken, waar hij gebibberd had van kou; maar nu was hij weer
-gedaald, en nu had de omgeving die andere gedaante aangenomen, welke de
-Zuidkust van Java op vele punten zoo scherp van de Noordkust
-onderscheidt.
-
-Ketjil was erg vermoeid; zijn beenen waren stijf van ’t rijden, en met
-moeite en langzaam steeg hij af; hij zou niet verder te paard gaan; nu
-hij slechts hier was, ging de rest gemakkelijker, en met welgevallen
-zag hij naar de stille desa vóór hem. Uit het huisje, waarvoor Ketjil
-halt had gehouden, kwam hem ’n grijze inlander tegemoet, zijn sobat
-keras, ’n oude mantri, die hoopte dat zijn gast ’n paar dagen zou
-blijven. Maar Ketjil kon niet; hij had haast en moest naar het
-visschersdorp aan de monding der rivier, waar hij altijd zijn „zaken”
-deed. Het was moeilijk, maar ’t kwam toch terecht, en terwijl Ketjil
-een kop heete koffie dronk, waartegen hij zat te blazen, ging heel
-bedaard hun gesprek voort. Welzeker, de oude zou hem helpen, maar de
-koelies zouden zich laten betalen, daar sobat, zei hij met een lachje,
-erg zwaar was. Want de reis zou verder per tandoe gaan; de oude had nog
-een erg versleten luierstoel, die zich van geen atoom politoer meer
-bewust was en bedenkelijke ouvertures speelde in de mat. Doch op zulke
-kleinigheden kijkt slechts een verwend Europeaan; Ketjil zou er lekker
-in zitten, en aan een paar stevige bamboe, met een kap van kadjang
-tegen ’t zonnetje, zou het ’t ideaal van een tandoe zijn, waarin
-„sobat” zitten zou als een „koningszoon.”
-
-En ’n paar uren later stond ’t heele toestel gereed, met vier koelies
-om te dragen, een kepala en twee man om af te lossen; het in orde maken
-der reisgelegenheid had veel minder tijd gekost, dan het tawarren over
-den prijs, want in deze weinig bewoonde streek, waar, zou men zeggen,
-zoo niets te krijgen was, dan ’t geen de natuur opleverde, bleek de
-bruinbroeder het geld even lief te hebben en de waarde er van niet
-minder goed te kennen, dan Ketjil zelf.
-
-Ofschoon hij er lekker zat in den luierstoel, die met zijn dik lichaam
-vooruitzweefde boven den grond, genoot hij weinig op dit reisje. De zon
-stond reeds hoog. Eerst ging het door heete velden vol alang-alang, op
-wier harde vezels ’t scherpe licht hel weerkaatste, zoodat de oogen er
-zeer van deden en Ketjil het gevoel bekroop als droeg men hem door ’n
-vuur. Het terrein was ongelijk, en nu eens moest hij zich vooruit aan
-de leuningen vast houden om, als de voerlieden een kleine hoogte
-opliepen, niet achteruit te glijden; dan weer zette hij bij ’t dalen
-zich schrap om niet vooruit te schieten en tusschen de draagstokken te
-vallen. Overigens geen beweging en geen geluid, dan het zacht wiegelen
-van de tandoe, het kraken van de voetstappen der koelies op de droge
-alang-alang, en het geroep der voerlieden: „Langzaam aan!” als die van
-achteren niet inhielden bij ’t dalen, „Duwen!” als ze geen kracht
-genoeg zetten bij het stijgen, of „Verwisselen!” als er een meende, dat
-het tijd werd voor de vrije schouders, om het aan de bamboezen hangend
-gewicht te dragen. Van de bruine ruggen lekte het zweet, zoodat ze
-blonken in de felle zon, alsof zij met vet waren gesmeerd. En Ketjil,
-die, met z’n oogen half dicht ’n strootje lag te rooken, pikirde er
-over hoe dom toch ’n mensch moet zijn om zulk werk te willen doen; maar
-ze waren ten slotte toch nog vroolijker dan hij; onder het loopen
-wisselden ze, al hijgend, flauwe aardigheden, waarover ze erg veel
-pleizier hadden, of als een niet liep zooals de ander wel wenschte, dan
-hoopte zijn mededrager, dat hij een „dikken buik” mocht krijgen, wat
-weer stof gaf tot vroolijkheid van het zevental, doch Ketjil in stilte
-ergerde, omdat hij er een hatelijkheid in zag op zijn eigen dikken
-buik.
-
-Hij zei echter niets; daar was hij niet alleen in eigen oogen een te
-hoog persoon toe, maar hij wist hoe weinig ’t hem zou helpen; hij zou
-ook met dit volkje niet gaarne getwist hebben; hij zag uit zijn stoel
-hoe een hunner zich een grooten doorn in den voet trapte, en de kerel
-hield niet eens met loopen op, maar trok, al voortgaande, door een
-bewonderenswaardig vlugge, dubbele beweging van hand en voet, het doorn
-uit het vleesch. Ruwe menschen! dacht Ketjil.
-
-Na ’n paar uren waren de alang-alang-velden achter den rug. Het bosch
-begon, het oerwoud met slechts hier en daar enkele lichtplekken, maar
-haast geheel in eeuwige schemering, zonder andere paden, dan die den
-voet van den inlander al loopende tusschen ’t geboomte had getrokken.
-Het was er koel, duister en nog stiller haast, dan in de velden;
-tallooze varens, buitengewoon lichtkleurig uit onvoldoend licht, staken
-sterk af tegen het dichte zwartgroene loof der boomen. In dat bosch
-werd Ketjil benauwd. Als door een of ander onverwacht hevig geritsel in
-de boomen, door een aap of ’n grooten vogel, misschien, de stilte werd
-verbroken, dan schrikte hij, bang voor, hij wist zelf niet wat. En de
-lucht der op den vochtigen grond rottende blaren hinderde hem, zoodat
-hij er van hoestte, dof en schier als een aamborstige. Hij was blij,
-dat hij weer in ’t licht kwam!
-
-Maar het was een ander licht, dan het geel-groene der
-alang-alang-velden. Uit het bosch kwam hij in een woeste bergstreek met
-steile ontoegankelijke kalkrotsen van grilligen vorm. In de verte
-duidde een nevel de nabijheid aan der Zuidkust, en de koelies als
-paarden, die den stal ruiken, verhaastten hun sukkeldrafje, nog meer
-geluiden uitstootend, sterker doorzakkend in de knieën dan eerst, en al
-voortloopend zich koelte toewuivend met reusachtige bladeren, in het
-bosch geplukt en als waaiers gebruikt. Het ging weer op en af in dit
-woeste oord, over naakten, rotsachtigen grond, zoo warm, dat de koelies
-hun genot niet kenden, als ze met hun vermoeide voeten door de snel
-wegschietende bergstroompjes waadden die het terrein telkens
-doorsneden.
-
-De zon daalde. Ketjil berekende, bekend als hij was met de afstanden,
-dat het donker zou zijn eer hij aankwam, en hij had er tegen hier in ’t
-duister te reizen. Daarom gelastte hij halt bij een voor ’n boschje van
-waaierpalmen staande warong, en de hooge, sterke bamboepagger met
-scherpe punten ter beveiliging tegen tijgers, die des nachts mochten
-trachten er op en over te willen springen, rechtvaardigde volkomen de
-vrees van Ketjil. Achter dien hoogen pagger voelde men zich veilig, en
-de waronghouder, die hem kende, ontving hem erg vriendelijk; de moede
-koelies kregen eten; Ketjil nuttigde ook iets, en vertelde daarna, dat
-hij wilde slapen, aangezien het lichte maan was, en hij het aangenaam
-vond daarbij wakker te zijn.
-
-Vroeg in den morgen ging de tocht verder, maar het was nog zóóver, dat
-het pad eerst ’n paar uren later daalde naar het zeestrand, naar het
-visschersdorp, waar men wezen moest. Het was een schoon gezicht! Op den
-voorgrond het dorp bij de monding van een riviertje, en met een kleine
-alluviale strandvlakte aan de andere zijde; rechts en links
-ontzaglijke, ongenaakbare rotsgevaarten, waartegen de Zuider-Oceaan
-zijn lange golven stuwde, die, brekend, haar water omhoog deden spatten
-en elke minuut toonden hoe de voortstuwende kracht harer massa’s in
-machtelooze afzonderlijke atomen verloren ging, gebroken op grooter
-weerstandsvermogen. Bij elke golf, die op de steile gevaarten tot
-waterdamp sloeg, rolde langs het strand een dof donderend geloei,
-dreigend en klagend van toon.
-
-Het was eb, en op het zand der kleine vlakte aan zee zag men een waar
-mozaïek van arabesken door duizenden kleine krabben gevormd, meest als
-getinte spiralen uitgestrooid over het effen vlak; een mozaïek,
-verbroken door enkele goed uitkomende strepen gaande van de zee naar
-het hooger gelegen strand; schildpadsporen, die de inlanders zorgvuldig
-nagingen om de eieren op te delven. En over dat alles joeg de landwind
-vreemde, in hun vaart bolvormig schijnende gewassen naar zee van hard
-broos stekelig gras, die hij, over het hoogere strand strijkend, had
-afgebroken en nu met een huppeldans naar de golven joeg, die ze verder
-zouden meevoeren en weer op ’n andere kust werpen, waar ze zich konden
-voortplanten.
-
-Het was een eenig gezicht dien ochtend op de kleine vlakte aan het
-strand, maar de groote, koude, zwarte oogen van den inlander, keken er
-naar met onverschilligheid. Wat raakten hem schakeeringen van licht,
-kleuren, klanken? Wat zag hij in zulke détails! Hij zou zich geschaamd
-hebben, als hij er belang in had gesteld en dááraan had gedacht, in
-plaats van zijn kansen op winst te berekenen, want met verlies hield
-hij zich volstrekt niet op!
-
-„Waarheen?” vroeg de koelie-mandoer.
-
-„Hadji Ismaïl,” antwoordde Ketjil, en voort ging het tusschen de
-huisjes van het visschersdorp. De man in de tandoe moest weer hoesten;
-in zijn soort was hij toch ook verwend, want hij mopperde geweldig
-tegen den ontzettenden stank, verspreid door de visch, die in een zeker
-overgangsstadium om bamboezen stellages lag te drogen; ’n groote
-zeearend, die in wijde kringen boven ’t visschersdorp vloog, scheen
-zich daar meer te verheugen dan Ketjil, die ’n gekleurden zakdoek uit
-zijn baatje trok en voor den neus hield. Van alle kanten blaften
-steiloorige gladak-honden den vreemden tandoe aan, en van alle daken en
-uit alle paggers mauwden tallooze katten, voor wier levensduur en
-huwelijksgeluk zoo’n dorp aan zee, waar op ’n vischje meer of minder
-niet gekeken wordt, een waar paradijs is.
-
-Hadji Ismaïl, wiens vrome ijver toch ook niet door de vischlucht scheen
-te worden aangetrokken, woonde ’n eindje buiten het plaatsje, op een
-plek gewoonlijk van den wind af. Ook hij wist wel, wat dezen man van
-het land naar de stranden der zee dreef, maar hij gaf hem niet veel
-hoop. Het was jammer, zei hij, maar juist een paar dagen te voren waren
-de doejongs gevangen; om de tranen te koopen, die den dieren bij hun
-sterven uit de oogen stroomen, waren anderen Ketjil reeds vóór geweest.
-En nu gebeurde het tegenwoordig waarlijk niet elken dag, dat men zoo’n
-beest ving; het was in dat opzicht ’n slechte tijd. De visscherij ja,
-die bleef goed; de netten waren trouw gevuld. Maar doejongs.... ’t kon
-wel gebeuren, dat Ketjil een week moest wachten vóór hij krijgen kon
-wat hij wenschte. Het viel dezen erg tegen, heel erg zelfs, maar daar
-er niets aan te doen was, bleef hij zijn ziel in lijdzaamheid bezitten.
-
-„Willen we niet eens aan het strand gaan kijken?” vroeg de hadji. „De
-menschen zullen nu juist aan den gang zijn. We kunnen nog eens met hen
-praten.”
-
-Zij wandelden samen op, zoo langzaam als inlanders, die den tijd
-hebben: voetje voor voetje, nu en dan nog stilstaand in hun gesprek.
-
-Hadji Ismaïl wees met den uitgestrekten arm naar een punt verder op.
-
-„Daar gaan ze.”
-
-„Het is maar gewoon visschen.”
-
-„Zeker, heel gewoon.”
-
-„Kunnen ze niet eens zoeken, en wat zou dat moeten kosten?”
-
-„Het gaat niet, en ’t helpt ook niet. Natuurlijk zouden ze het wel
-kunnen doen, voor veel, heel veel geld.”.
-
-Ketjil zuchtte er van.
-
-„Ik heb niet zooveel bij me.”
-
-„Het doet er niet toe; het zou immers toch niet baten.”
-
-Doch Ketjil was koppig; hij wilde niet nog ’n week, langer misschien,
-in dat stinkende dorp wachten,
-
-„Als er iemand was, die me het geld wilde leenen....”
-
-„Waartoe? Men kan het evengoed in ’t water gooien.”
-
-„Ik geef het binnen één maand terug.”
-
-„Er valt wezenlijk niet te zoeken naar den doejong; het beest is er of
-is er niet.”
-
-„Tegen behoorlijken interest.”
-
-Maar de hadji bleek aan dat oor volslagen doof, en Ketjil drong
-vruchteloos aan.
-
-Intusschen naderden zij de visschers, die aanstalten maakten om hun
-netten uit te brengen. Het was een lastig werk. Hoog hieven de wel
-honderd meter lange golven der branding de witte krullende hoofden
-omhoog, waarop in de verte het zonlicht brak met alle kleuren van den
-regenboog; de visschers stonden een eindje in zee; zij hielden een
-vlerkprauwtje, dat als ongeduldig op het water danste, met den kop
-vooruit, en toen een der rollers hen bereikte, wipten zij er met een
-hoezeetje hun kleine vaartuig overheen; daarna zag men hun van ’t
-zeewater druipende lichamen met groote vlugheid in ’t prauwtje springen
-en ze roeiden wat ze roeien konden. Achteraan sleepte het net met één
-einde door een lang touw op ’t strand vastgebonden, en onder het roeien
-merkten de groote dobbers van het net, drijvend op onderling gelijke
-afstanden, den weg der visschers, die hun uiterste krachten inspanden
-om de af te visschen bocht te beschrijven, vóórdat een andere roller
-het schuitje kwam treffen vóór den boeg, want dan zou de brooze notedop
-onvermijdelijk zijn omgeslagen, ’t Gelukte hun ditmaal als bijna immer.
-De halve cirkel was juist op het water beschreven; de kop van het
-prauwtje wendde weer naar het droge, toen de golf kwam, die het anders
-zou omgeworpen hebben, maar nu met een krachtigen zet ’t verder roeien
-bespaarde, en schuitje en visschers bracht waar ze zijn moesten.
-
-De hadji en Ketjil stonden aan het strand te kijken, de laatste vol
-bewondering over de vlugheid en kracht van dit naakte zeevolkje.
-
-Langzaam en gelijkmatig, zonder rukken, begonnen de visschers hun net
-binnen te halen met eentonigen dreun; de omtrek door het net beschreven
-kromp met elken trek zichtbaarder, en in het water tusschen de dobbers
-kwam een gewriemel, drukker en drukker.
-
-„Er zit aardig wat in,” zei Ketjil.
-
-De hadji wierp een als ’t ware erkentelijken blik over de groote zee
-met haar diepen groenblauwen grondtoon vol tallooze teere tinten; hij
-was met zijn geld bij de visscherij betrokken; het was zijn „rente”,
-die daar, in den vorm van levende visch, zooveel vruchtelooze pogingen
-deed om te ontkomen aan de mazen van het net.
-
-„Allah is groot,” zei hij met woekeraars-onderworpenheid, „en de zee is
-rijk!”
-
-Een dof geluid steeg op uit het net, dadelijk gevolgd door ’t gejubel
-van ’t visschersvolk; het inhalen geschiedde nu voorzichtig maar
-krachtig, en tegen den laatsten trek kwam boven het levend gewriemel
-der dooreenkrioelende visschen een blauwachtige grijze rug te
-voorschijn, en toen het dier kantelde bij het op ’t strand halen,
-toonde het een helder wit onderlijf! dichtbij den stompen kop zaten een
-paar zwemvinnen; bij dit dier met den lichaamsvorm van een zeehond,
-spartelde een kleiner exemplaar. Het was een doejong met zijn
-stamhouder.
-
-De visschers gunden zich geen tijd om naar de visch uit te zien; een
-sprong toe met een knuppel; hij sloeg den doejong geweldig op den kop
-en uit de oogen van het stervende dier lekte toen traan bij traan.
-
-„Gelukskind!” zei hadji Ismaïl glimlachend tegen Ketjil, die vol
-blijdschap aandachtig keek naar den anderen visscher, die met groote
-zorg het kostbaar vocht opving in een schoteltje.
-
-Men bracht het bij hem, en hij bekeek en berook het met eerbied. Maar
-toen hij gevraagd had, wat het moest kosten, werd hij boos om het
-antwoord. Zestig gulden! Dat was gemeen!
-
-En de kerels waren vast; ze hielden op een wanhopige manier voet bij
-stuk, en of Ketjil hoog of laag sprong,—hij kreeg zijn schat niet onder
-de vijf en dertig gulden.
-
-„Ze hebben me zoo goed als bestolen.” zei hij bij het teruggaan
-jammerend tegen den hadji.
-
-Maar die had er schik in.
-
-„Kom, kom! De arme menschen geven het veel te goedkoop!”
-
-Ketjil bleef nu geen uur langer dan noodig was; weldra zweefde hij weer
-in den stoel van den mantri tusschen hemel en aarde.
-
-Toen hij thuis kwam, was zijn moeder de eerste, die hij aantrof. Maar
-zij verwelkomde hem niet. Integendeel, zij was eer boos, en vroeg hem
-dadelijk de „obat”; ze wachtte er op, zei ze, en ’t was schande, dat
-hij haar in den steek liet, nu juist zooveel er van afhing. Ketjil
-zocht niet verder naar verontschuldigingen; de kip was, wat hem betrof,
-geplukt; hij had volstrekt geen plan zich verder van dat zaakje iets
-aan te trekken, en hij snauwde de oude af op den toon van gezag, die
-een inlandschen zoon tegenover zijn moeder, zijn ondergeschikte, past,
-als hij haar niets te verzoeken heeft. Zij antwoordde hem niet, maar
-bromde en steunde tot hij ’n beetje had gezocht, dan eens in zijn
-trommeltje, dat hij mee had gebracht, dan weer in een zijner kastjes.
-Eindelijk kreeg Sarinah, wat zij verlangde en dat hij reeds lang voor
-zijn „dienstrein” had gereed staan.
-
-Zij vertelde hem niets. Ze begreep heel goed, dat hij er geen belang
-meer in stelde. Een karretje wachtte haar, en zij maande den koetsier
-aan tot spoed.
-
-Het waren ’n paar woelige dagen geweest, en zij vreesde, dat
-Bronkhorst, als hij niet regelmatig zijn portie kreeg, niet in de voor
-het doel vereischte stemming zou blijven.
-
-Zij vond hem bij Betsy, zeer opgewonden, en ongezien sloop zij in ’t
-halfduister het erf op, en achter het huis in, waar ze ging staan
-luisteren aan de deur.
-
-Toen Bronkhorst den ochtend, nadat hij vergeten had zijn vrouw met het
-rijtuig te laten halen, aan het ontbijt kwam, dacht hij dat ze er iets
-over zou zeggen. Hij had weer een hoogst onaangenamen, grootendeels
-slapeloozen nacht gehad; hij was gruwelijk uit zijn humeur, en als ze
-iets zei, dan moest de kogel, meende hij, maar met geweld door de kerk.
-Maar ze zei niets, en zelfs toen hij begon te brommen en te vitten op
-het eten en op de thee, bleef zij gemoedelijk en liet zij verwijten,
-hoe ongegrond ook, geheel onbeantwoord.
-
-„Het is op die manier geen leven,” zei hij eindelijk.
-
-Zij glimlachte droevig. Neen, daarin had hij volkomen gelijk. Het was
-geen leven, althans niet voor haar. Tot zelfs haar bedienden, die nu
-niets meer in haar zagen dan een onttroonde vorstin, plaagden en
-brutaliseerden haar. Wat was een vrouw, zoo goed als verlaten door haar
-man? Omdat ze nu een Europeesche vrouw was, en er zulk een vreemde adat
-heerscht bij de Europeanen, mocht zij nog in huis blijven, en kon men
-haar niet er uitjagen; was zij een inlandsche geweest, dan had ze al
-lang een soerat lepas gehad; dáárover was het bedienend personeel het
-volkomen eens.
-
-„Er moet een einde aan komen,” ging hij voort met een drogen mond op ’n
-stuk brood kauwend.
-
-„Er moet op een of andere manier een eind aan komen.”
-
-Marie verbleekte niet; zij zag al zoo bleek na al het verdriet van den
-laatsten tijd, dat ze moeilijk witter kon worden dan ze was. Ze keek
-hem aan, en ondanks zichzelve, kwam een gevoel van medelijden bij haar
-op. Zooals hij daar zat, etend om zich ’n figuur te geven, met zijn
-door donkere kringen omgeven, neergeslagen oogen, en zijn vervallen
-gezicht, had ze hem nooit gekend. En met dat zachter gevoel ontwaakte
-een ander, een van toomeloozen haat tegen Betsy, zóó sterk, dat ze er
-zelve van schrikte; zij had haar, dat voelde ze, kunnen vermoorden,
-ondanks al de zachtmoedigheid, kalmte en gelijkmatigheid, die haar
-karakter steeds hadden gekenmerkt.
-
-„Naar Europa,” vervolgde hij, toen er nog altijd geen weerwoord kwam,
-„geeft op zichzelf toch niets.”
-
-„Ik ga niet naar Europa,” zei ze.
-
-„Dat is iets anders. Je kunt ook mijnentwege in Indië blijven. Aan geld
-zal het je niet ontbreken. Ik heb er veel voor over.”
-
-„Ik vraag geen geld.”
-
-„Onzin! Je moet leven met de kinderen.”
-
-Weer zweeg ze; ze wist wat hij bedoelde, maar zij zou het woord niet ’t
-eerst uitspreken.
-
-„We moeten natuurlijk van elkaar af; we moeten scheiden.”
-
-Zij stond rechtop, en toen hij bij het geluid van het achteruitschuiven
-van haar stoel opkeek, ontstelde hij van de kloeke, vastberaden,
-uitdagende uitdrukking van haar gezicht.
-
-„Wij scheiden niet!”
-
-Het was een toon, die geen repliek duldde; waarbij men met heftigheid
-het zeker niet verder zou brengen. Zoo helder was zijn geest nog om dat
-te beseffen. En nu ving hij aan met gemaakte kalmte te redeneeren; zijn
-stem klonk dof en toonloos, met even weinig uitdrukking als zijn
-gezicht. Het leven op die manier was voor beiden onhoudbaar; er kwamen
-oogenblikken in het bestaan van een mensch, dat samenzijn ondraaglijk
-werd; het was nu onverschillig, wat daarvan de oorzaak mocht heeten;
-soms was het zus, dan weer was het zóó. Verstandige lieden, wie het
-niet te doen was om elkaars existentie te verbitteren, namen dan
-kloeke, doortastende maatregelen. Zoo die zeer veel onaangenaams
-meebrachten,—wat het zwaarste was, moest ook ’t zwaarste wegen, en men
-had er slechts verdriet van, als men een leven voortzette, dan ten
-slotte met een straf gelijk stond.
-
-Zóó redeneerde hij door, met een groote mate wereldwijsheid en
-gelegenheidslogica, maar het hielp niets; wanneer hij nu en dan zweeg,
-als wilde hij het effect zijner redeneering nagaan, dan zag hij haar
-met dezelfde uitdrukking van onverzettelijkheid en ’t zelfde bleeke,
-strakke gezicht het hoofd schudden.
-
-„Wij scheiden niet!” herhaalde zij dan.
-
-En dat was alles.
-
-Hij had lang zijn zenuwen bedwongen, maar inwendig wond hij zich
-vreeselijk op; er kwam grofheid in zijn uitdrukkingen; smalend sprak
-hij van vrouwen, die zich aan een man vastklemmen, of ze gewenscht
-worden of niet; van gebrek aan kieschheid en eigenwaarde.
-
-Toen stond ze op, ging naar binnen, en hij hoorde hoe zij haar kamer
-met den sleutel sloot.
-
-Het was wanhopig, en, alleen gebleven, koelde hij zijn drift, door met
-luide stem geweldig op te spelen tegen de bedienden, die er kalm bij
-bleven en hem ook niet antwoordden. In dien hoogsten staat van
-opgewondenheid liep hij naar zijn kantoor, dronk er glas op glas
-Selterswater, en stapte van zijn lessenaar naar de deur en terug wel ’n
-kwartier lang, tot hij vermoeid in zijn kantoorstoel zonk, met diepe
-zuchten, om daar zijn gewone visioenen te krijgen, waarin hij altijd
-Betsy zag, op de eene of andere manier.
-
-Hij schrikte toen een luide stem in het voorgedeelte, door schutsels
-gemaskeerd, naar hem vroeg, en hij zag vreemd op, toen ’n oogenblik
-later kapitein De Grijs, Borne’s vervanger als garnizoens-commandant,
-tegenover hem stond. Zij hadden nooit vriendschap gesloten; het was
-gebleven bij een beleefdheidsbezoek over en weer, en toen het huiselijk
-leven van den notaris en diens persoon bij ’t publiek eenigszins in
-opspraak kwamen, was er voor den kapitein, die toch een meer
-teruggetrokken persoon was, dan de woelige Borne, nog minder reden tot
-voortzetting eener kennismaking, die geen wederzijdsche sympathie ten
-gevolge had gehad. Toen hij den brief had ontvangen, was hij naar den
-resident gegaan, en deze, blij dat er nog iemand in het spel was, had
-den kapitein verzocht er eerst maar eens ernstig met Bronkhorst over te
-spreken, daar zijn eigen positie als resident het hem moeilijk maakte
-zich direct persoonlijk met zulk een particuliere aangelegenheid in te
-laten; hij kon later, als het noodig mocht zijn, een handje helpen.
-Ofschoon dit den kapitein verdroot, maakte hij geen bezwaren, en daarom
-was hij nu alleen naar ’t kantoor van Bronkhorst gekomen, die van den
-prins geen kwaad wist en met verwondering de stijve houding en het
-geretireerde in de manieren van zijn bezoeker zag.
-
-„Ik heb u te spreken.... meneer.... over ’n zaak.”
-
-Dit maakte den notaris niet wijzer. Natuurlijk! Iedereen kwam hem hier
-spreken over zaken.
-
-„Ga zitten, meneer.”
-
-„Ik heb dezer dagen ’n brief ontvangen van mijn voorganger hier op de
-plaats, den kapitein Borne.”
-
-Bronkhorst knikte met ’t hoofd, maar kleurde; er ging hem ’n licht op,
-hij begreep iets van de gelegenheidshouding.
-
-„Meneer Borne verzocht me een onderzoek in te stellen naar de
-verhouding tusschen u en zijn nicht, mevrouw Den Ekster.”
-
-Het ging alles op een stroeven, haast dreigenden toon; het irriteerde
-Bronkhorst in hooge mate.
-
-„Ik kan me de belangstelling van kapitein Borne in mevrouw Den Ekster
-verklaren; die is begrijpelijk en op haar plaats. Wat mijn verhoudingen
-aangaat, ken ik hem het recht niet toe zich er mee in te laten.”
-
-„Dat is de opvatting niet van meneer Borne, en ook niet de mijne.”
-
-„Het spijt me!” antwoordde Bronkhorst droogjes en er lag iets
-geringschattends in ’t schouderophalen, dat die woorden vergezelde; „’t
-spijt me, maar ik kan er niets aan doen.”
-
-„Integendeel. Als de oorzaak van de geheele onaangename zaak, kunt u er
-alles aan doen, en dat kom ik u verzoeken, namens den heer en mevrouw
-Borne.”
-
-„Ik begrijp niet wat men bedoelt met die onaangename zaak. Mevrouw Den
-Ekster is meerderjarig.”
-
-„Mag ik u uitnoodigen niet in die richting af te wijken. Ik ben hier
-niet gekomen om met u te redeneeren over minderjarig of meerderjarig.
-Ik zie, dat wij op die manier niet verder komen.”
-
-„Maar wat wilt u dan?” vroeg Bronkhorst ongeduldig.
-
-„Ik wilde u verzoeken van dit oogenblik de eer en den goeden naam van
-fatsoenlijke familiën te sparen, en uw relatie....”
-
-„Wat relatie?” riep Bronkhorst woedend. „Ik verzoek u dat woord niet te
-gebruiken. We weten allemaal, wat dat in een geval als dit te beduiden
-heeft, en ik moet u verzoeken te gelooven, dat daarvan tusschen de
-bedoelde dame en mij geen sprake is.”
-
-In zijn boosheid sloeg Bronkhorst den toon der waarheid zóó juist aan,
-dat de kapitein er door geïmponeerd werd; het kon waar wezen, dacht
-hij; maar zelfs als het niet waar was, en Betsy heel gewoon ’n relatie
-met hem had, dan was het toch nog kranig, dat hij het op die manier
-ontkende; het deed hem eenigszins rijzen in de schatting van den
-kapitein De Grijs.
-
-„Ik weet welke de publieke opinie is, en ook die van de familie Borne.
-Het ligt niet op mijn weg, om in bijzonderheden af te dalen. Ik vraag u
-of u bereid zijt van alle verstandhouding af te zien met een dame, wier
-eer en goede naam door u in opspraak zijn gebracht.”
-
-„Welnu, neen, dat zal ik niet! Ik zal voor haar zorgen; voor haar en
-voor haar naam. Dat is een quaestie tusschen haar en mij, en onze
-handelingen gaan meneer of mevrouw Borne niet aan, en allerminst u.”
-
-Ze waren opgestaan en keken elkaar in de oogen met haat en minachting;
-op de lippen van den kapitein lag een woord, dat hij met moeite
-terughield.
-
-„Dan zal ik,” zei hij, „andere maatregelen treffen om aan het verzoek
-van meneer Borne te voldoen. Maar er zal aan voldaan worden, dat
-verzeker ik u.”
-
-„Dat zal er niet! Ik ontzeg u het recht u met mijn zaken te bemoeien.”
-
-„Dat zal er wèl, zeg ik u. Op uitvluchten antwoord ik niet, maar het
-zal gebeuren, goedschiks of kwaadschiks.”
-
-En zonder te groeten, keerde de kapitein De Grijs zich om, en verliet
-het kantoor, dat hij al heengaand vulde met den klank van het kletteren
-van sabel, sporen en wat verder aan zijn uniform onder het gaan geluid
-maakte.
-
-Bronkhorst was woedend.
-
-Zoo’n brutale kerel! Goed- of kwaadschiks had hij gezegd! Men zou hem
-dus dwingen! Alsof hij ’n kwajongen was, bang voor een grooten mond of
-’n dreigement. Wel, hij zou eens willen zien, hoe men dat zou
-aanleggen. Hij had dan toch ook wel eens meer ’n sabel in de hand
-gehad. Was hij eigenlijk niet reeds verplicht dien brutalen kapitein
-uit te dagen? Het denkbeeld spookte rond in zijn ontsteld brein, en ’t
-lachte hem meer en meer toe. Al zijn oude, verstandige theorieën over
-de ongerijmdheid van het duel verlieten hem; voor háár te vechten,—dat
-bleek hem bijster chevaleresque, en de rest kon hem niet schelen. Werd
-hij gewond of gedood, ook goed! Het was zóó immers toch geen leven!
-
-Met de zenuwachtige drukte, die hem overviel, als hij niet willoos
-mijmerde, maar in actie was, gaf hij last zijn rijtuig te laten
-inspannen. Hij wilde er liefst dadelijk werk van maken; hij zou naar
-den officier van gezondheid gaan, die was toch ook militair, en hij zou
-hem raadplegen over de vraag, of hij, na het gebeurde, niet als man van
-eer verplicht was den kapitein uit te dagen.
-
-De officier van gezondheid had er erg veel trek in. Zoo’n duel behoorde
-op een eentonige binnenplaats tot het aantrekkelijkste, dat men zich
-kon voorstellen. Maar toen hij Bronkhorst eens goed aankeek, en als het
-ware op diens gelaat den abnormalen toestand zag, waarin hij naar ziel
-en lichaam verkeerde, sprak zijn geweten als medicus luider, dan zijn
-zucht naar wat afwisseling.
-
-„Ik zou u niet aanraden,” zei hij, „er gevolg aan te geven.”
-
-„Kan ik me dan laten bedreigen in mijn eigen huis?”
-
-„Er heeft geen bedreiging plaats gehad.”
-
-„Hij zei toch: goedschiks of kwaadschiks. Wat beteekent dat? Hij zal
-toch met dat laatste niet anders bedoelen dan geweld!”
-
-„Men zegt dat zoo par manière de dire, zonder dadelijk het ergste te
-bedoelen.”
-
-„Nu ja! Hij zal er misschien buitenaf op bluffen.”
-
-„Pardon, dan kent u den kapitein niet. Hij is een hoogst fatsoenlijk en
-welopgevoed man. ’n Beetje stug en eenzelvig, maar ’n gentleman.”
-
-„Dus denkt u, dat het van mijn kant niet noodig is....”
-
-„Ik vermeen van neen.”
-
-Bronkhorst liep zenuwachtig ’n paar malen ’s dokters galerij op en
-neer, zwaaiend met zijn rotting en draaiend aan zijn knevels.
-
-„Weetje,” zei hij, „ik verlaat me met vertrouwen op uw oordeel, dàt is
-de quaestie niet, maar ik ben bang....”
-
-„Waarvoor?”
-
-„Ronduit gezegd: ik ben bang, dat ze me aanzien voor een lafaard.
-Daarom, als u er niets op tegen hebt en het niet te veel gevergd is:
-raadpleeg er dan nog eens ’n anderen officier over.”
-
-„Moet het bepaald een officier wezen?”
-
-„Als het kan, liefst wel.”
-
-„Goed. Ik zal het doen en het u van middag laten weten.”
-
-„Asjeblieft! Je zult me er een groot genoegen mee doen.”
-
-Hij drukte dankbaar de hand van den militairen dokter en ging heen;
-maar onder het wegrijden mopperde hij bij zichzelven. Het was eeuwig
-jammer, vond hij, dat deze man zoo vredelievend was; hijzelf zou nu
-niets liever doen dan vechten; nu er verhindering kwam, geraakte hij in
-een buitengewoon strijdlustigen toestand; hoe moorddadiger de gevolgen
-waren, des te liever. Het duurde maar ’n paar minuten, want hij verviel
-weer in zijn visioenen, zoodat hem de koetsier met luider stem moest
-roepen, toen het rijtuig voor ’t kantoor stilhield en de notaris vergat
-uit te stappen.
-
-Een uur of wat later kwam er een briefje, het was kort en bondig: een
-duel werd niet noodig geacht, meer niet. Intusschen gebeurde er veel
-waarvan hij geen flauw vermoeden had. De man, dien hij geraadpleegd
-had, was bij den resident geweest; deze had kapitein De Grijs laten
-roepen, en men had „geconfereerd.”
-
-„Van ’n duel mag niets komen,” meende de resident. „Vooreerst houd ik
-den man voor physiek ontoerekenbaar.”
-
-„Ik ook,” zei de dokter.
-
-En toen de anderen iets daartegen wilden inbrengen, schudde hij het
-hoofd, onwillig, en vervolgde:
-
-„Het is mogelijk, dat hij iets heeft ingekregen en ’n beetje abnormaal
-is,—zijn verstand is niet gekrenkt: hij weet heel goed, wat hij zegt en
-doet.”
-
-„Ten tweede,” ging de resident voort, „zouden wij er Borne een
-vreemdsoortigen dienst mee bewijzen, daar het slechts tot meer opspraak
-zou leiden.”
-
-„Dat is waar,” erkende de kapitein. „Overigens behoef ik me persoonlijk
-niet beleedigd te gevoelen.”
-
-„Neen,” zei de dokter, „daar is geen sprake van.”
-
-„Doch laat hem voorzichtig zijn, want mocht het zóóver komen....”
-
-„U schijnt hem te haten.”
-
-De kapitein keek den dokter aan met vasten blik.
-
-„Ja,” zei hij, „ik mag hem niet.”
-
-„Nu, laat ons daarop niet verder doorgaan. Men heeft zijn sympathieën
-en antipathieën. Het doet trouwens ter zake niets; wij, de kapitein en
-ik, moeten nu overleggen wat ons te doen staat.”
-
-Daar de kapitein er momenteel althans geen raad op wist, zweeg hij.
-
-„Mijn vrouw,” ging de resident voort, „bezoekt elken dag mevrouw
-Bronkhorst. Wat er ook gebeurt, zij zal haar bijstaan.”
-
-„Dat is een groote steun,” zei de dokter, en hij kon een glimlach onder
-zijn knevel en een stil gevoel van medelijden met Bronkhorst niet
-onderdrukken, bij het denken aan het vrouwelijk hoofd van bestuur, met
-wier karakter en woordenrijkdom niet viel te spotten.
-
-„Als u nu eens met Bronkhorst sprak,” opperde de kapitein.
-
-„Ik vrees, dat het niet baten zal; ik wilde het met genoegen doen, maar
-hoogstwaarschijnlijk zal hij mij evenzoo bejegenen, als hij het u heeft
-gedaan, en dat is voor mijn prestige, als hoofd van bestuur, erger dan
-voor u. Als hij mij beleedigen mocht, kan ik hem niet uitdagen.”
-
-Alle drie zwegen stil. Het was waar, dat voelden ze; maar een uitweg
-lag er niet in.
-
-Toch moest er iets gedaan worden, althans de resident en kapitein De
-Grijs achtten zich daartoe verplicht tegenover Borne.
-
-„Heeft zij geen andere familie?” vroeg de kapitein.
-
-Verrast keek de resident hem aan. Het was een idée!
-
-„Dat is waar ook! Welzeker, zij heeft een zuster, die getrouwd is met
-een controleur.”
-
-„Zou die ons niet kunnen helpen?”
-
-„Welzeker. Ik zal er werk van maken. Het zal ’n dag of wat duren.... ’n
-week misschien.... Dan kunnen we verder zien.”
-
-En zóó gingen ze uitéén, zonder een bepaald plan, geen van drieën
-besloten omtrent hetgeen te doen viel, de kapitein en de dokter onder
-den indruk, dat het haast onmogelijk was een afdoenden maatregel te
-nemen, en de resident met een denkbeeld in het hoofd. Hij kende den man
-van Lidia; ’t was een goed ambtenaar, die „ter beschikking” onder hem
-had gediend tijdens hij nog assistent was; hij kende ook ’t vrouwtje,
-dat verduiveld bij de hand was, en hij zou die luitjes trachten over te
-halen, hun plicht te doen als naaste bloedverwanten.
-
-Bronkhorst kon niet werken; hij was tot niets in staat; werktuiglijk
-teekende hij de stukken, nadat hij ze gelezen en den inhoud òf niet
-begrepen had òf reeds weer vergeten was. Hij ging naar huis. Er moest
-nog meer gebeuren. Hij had A gezegd, en B zeggen moest hij ook. Tot een
-scheiding moest het komen en bij zichzelven zei hij het den kapitein De
-Grijs na: goedschiks of kwaadschiks. Driftig liep hij de galerij door,
-die zijn huis en kantoor verbond; het gloeiend zonlicht, dat hem
-tegensloeg, hinderde hem; hij kneep er zuchtend de fletse oogen voor
-dicht. Doch toen hij de trap naar de voorgalerij beklom, omdat hij niet
-achter wilde binnenkomen, was zijn driftig aangeloopen voornemen deels
-weer teruggezonken. Toch was hij willens, dadelijk met Marie te
-spreken, weer op de scheiding terug te komen, opnieuw te argumenteeren,
-aan te dringen en onaangenaam te zijn.
-
-Maar toen hij onder de marquise ter zijde van het huis de bekende coupé
-van den resident zag, ontzonk hem voor het oogenblik zijn besluit
-geheel, en ging hij gauw zijn kamer binnen. Wat was dat toch? Hoe kwam
-het dat er nu altijd dames-visite was bij zijn vrouw? Het leek wel een
-bondgenootschap, en Bronkhorst zag dit ondanks zijn verwarde
-denkbeelden vrij duidelijk in. Het was een stil bondgenootschap.
-Niemand had iets met de anderen afgesproken, maar op deze kleine
-plaats, waar men elkaar zoo goed kende, was het alsof tegenover het
-gevaar, dat mevrouw Bronkhorst bedreigde, elke fatsoenlijke vrouw zich
-genoopt vond door openbaar betoon van belangstelling en vriendschap,
-als het ware een beschermende hand over haar uit te strekken. En van al
-die dames-bezoeksters vreesde Bronkhorst er geen zoozeer als de vrouw
-van den resident.
-
-Eenmaal in zijn kamer, achterover liggend in zijn luierstoel, ontging
-hem de lust tot actie; hij sliep in, moe van de vele slapelooze
-nachten, die hij doorbracht. Toen zijn bediende hem kwam roepen, stond
-hij op, rekte zich uit en viel weer neer op een divan.
-
-Marie liet niets van zich hooren. Zij liet het huishouden nu
-voornamelijk aan de bedienden over, zich uitsluitend met de kinderen
-bemoeiend. Toen het donker was, ’s avonds, liet hij inspannen en ging
-eten bij Betsy.
-
-Den volgenden dag rijsttafelde hij bij haar, en ’s avonds ging hij er
-ook heen; te huis kwam hij alleen slapen, op zijn kantoor niet veel
-meer dan soezen.
-
-Doch, hetzij de terugslag op zijn gezondheid vanzelf zoo krachtig
-opkwam, hetzij Sarinah zich vergist had en hem meer had toegediend dan
-hij kon verdragen,—aan het einde der week werd hij op een ochtend
-wakker met zware koorts.
-
-Hij zond een boodschap naar het kantoor en hield het bed. Een dokter
-wilde hij niet laten komen; met wat quinine, meende hij, zou het wel
-klaar spelen. Maar de pillen, die hij innam, hadden weinig werking en
-de koorts hield aan. Zijn stemming wisselde daarbij telkens af; van
-sombere, droefgeestige gedachten, sloeg hij zonder overgang of oorzaak
-tot zijn gewone aangename visioenen over, waarin Betsy de hoofdrol
-speelde, en van die visioenen ging het plotseling weer tot de
-vroolijke, dwaze droombeelden uit zijn Sturm-und-Drang-periode, toen
-hij als jongeling le jeu, le vin, les belles najoeg. In een der
-oogenblikken, dat zich zulke malle geestvervoeringen van hem meester
-maakten, werd de deur zijner kamer zacht geopend.
-
-Marie kwam naar hem zien. Zij had gehoord, dat hij zich ziek liet
-melden aan zijn candidaat, op wiens schouders toch alles rustte. Het
-had haar heel wat strijd gekost, eer ze het eens was met zichzelve; eer
-ze zóóver haar trots had verzaakt, dat ze bereid was naar hem te gaan
-zien en vragen of hij ook iets noodig had. Maar toen zij zacht de
-kamerdeur opende, schrikte zij. Hij lag te zingen; niet goed in de wijs
-en eenigszins tegen den toon aan, maar hij zong toch, en zij kon de
-woorden verstaan; de woorden van een obsceen Fransch liedje, die ze
-maar half verstond, doch voor de andere helft wel raden kon.
-
-Verschrikt trok zij de deur dicht. Was hij dan reeds zóó
-gedemoraliseerd, dat hij hardop zulke liederen zong; hij, die daar
-vroeger zelfs niet aan gedacht zou hebben, en die slechts uitspattingen
-aan jongelieden veroorloofde? Hij, die anders een man van vormen was,
-lag daar nu.... Het scheen haar zulk een onmogelijkheid, dat ze haar
-hoofd met beide handen vastgreep, als vreezende, dat haar verstand haar
-zou ontsnappen. Wat moest ze doen? Ze wist het niet. Ze durfde geen
-dokter te laten halen, omdat hij het niet had gelast, en ze had toch ’t
-gevoel, dat hij ziek was en geneeskundige hulp noodig had. Toen
-overmande zij haar afkeer en ging terug naar zijn kamer.
-
-„Zal ik om den dokter zenden?”
-
-Zij had haar best gedaan om een welwillenden toon aan te slaan, maar
-het gelukte niet; haar stem klonk onvriendelijk en stug; zóóveel
-zelfbeheersching bezat ze nog niet, en Bronkhorst schrikte er van, want
-hij had nu, op dit oogenblik, een stil, liefelijk droomgezicht, en hij
-had Marie niet zien binnenkomen.
-
-„Dank je; als ik een dokter noodig heb, zal ik wel om hem zenden.”
-
-„Het is misschien beter, dat de dokter beoordeelt, wat noodig is.”
-
-„Nog eens; ik wil geen dokter.”
-
-Het hinderde hem haar te zien en hij ging op de andere zijde liggen,
-met zijn rug naar haar toe.
-
-„Als je iets mocht noodig hebben.... limonade of....”
-
-„Ik heb niets noodig.”
-
-En zich plotseling naar haar toekeerend:
-
-„Heb je er nu over nagedacht?”
-
-Het sluitend samentrekken van haar mond bewees, dat ze den zin zijner
-woorden begreep.
-
-„Waarover?”
-
-„Dat is maar ’n vraag voor de leus. Je weet heel goed, dat ik mijn
-voorstel bedoel.”
-
-Maar zij was even koppig als de vorige maal, en ze wilde nu ook de
-eerste niet wezen, die het woord uitsprak.
-
-„Ik weet van geen voorstel.”
-
-„Maak me niet gek met zulk een nonsens,” riep hij, de hand door het
-haar strijkend. „Zeg nu, dat je verstandig en behoorlijk wilt wezen, en
-er in toestemt te scheiden.”
-
-„Wij scheiden niet!”
-
-„Dat kan je zoo niet bedoelen!” riep hij met toorn en wanhoop. „Dat kan
-je onmogelijk zóó bedoelen. Het is toch onzinnig ons allen te dwingen
-ongelukkig te zijn.”
-
-Zij gaf eerst geen verder antwoord; maar voor een oogenblik bekroop
-haar het verlangen hem eens te hooren vertellen, hoe hij er verder over
-gedacht had.
-
-„En hoe zou dat dan moeten gebeuren?”
-
-Hij richtte zich op; het was, meende hij, een stap nader en zoo goed
-hij kon zette hij uiteen hoe zij hem moest aanklagen wegens overspel,
-wat er verder te doen stond, en hoe hij zich zou laten veroordeelen bij
-verstek. Binnen ’n paar minuten sprak hij niet meer vooronderstellender
-wijze, maar op een toon, alsof de scheiding een vastgesteld plan was.
-Toen hij vermoeid van het spreken van de inspanning om niet af te
-dwalen stilhield, zei Marie:
-
-„Ik heb dat maar eens van je willen hooren. Overigens: wij scheiden
-niet!”
-
-Hij zag haar een oogenblik aan met groote, verbijsterde oogen. Toen
-werd hij woest, sprong het bed uit en maakte een scène van geweld. Als
-altijd wilde zij zonder te antwoorden heengaan, en deed ook de deur
-open en keerde hem den rug toe. Plotseling voelde ze, dat hij haar bij
-de schouders greep, en met een geweldigen duw vooruitschoof in de
-binnengalerij, waar ze glijdend over het gladde marmer zou gevallen
-zijn, als zij zich niet had gegrepen aan een portière.
-
-„Ziedaar!” had ze hem hooren roepen met schorre stem. „Ziedaar, beest!”
-en daarna sloeg hij met geweld zijn kamerdeur achter haar dicht.
-
-Marie kwam doodsbleek in de achtergalerij, waar de vrouw van den
-resident zat, die intusschen haar nu bijna regel geworden ochtendvisite
-maakte. Weenend vertelde mevrouw Bronkhorst tot hoever het nu met hem
-gekomen was, en bij haar smart, en onder de vriendelijke troostwoorden
-van haar nieuwe vriendin, hadden ze er geen van beiden op gelet, dat
-een dos-à-dos stil hield voor de deur; ze hoorden alleen een haastigen
-tred in de galerij, en zagen nog net, dat een vrouw in sarong en
-kabaja, de kamer van Bronkhorst binnendrong.
-
-Zelfs de inlanders, hoe zich ook om zulk een geval amuseerden, schenen
-dit te erg te vinden, want de binnenjongen kwam met een eenigzins
-ontsteld gezicht naar achteren, en zei dat itoe njonja in mijnheers
-kamer was gegaan.
-
-Na de eerste seconden van onsteltenis, sloeg thans Marie tot woede
-over; driftig stond zij van haar stoel op.
-
-„Dat zal dan toch niet gebeuren in mijn eigen huis!” riep ze, terwijl
-ze de kamer wilde binnengaan; maar de residentsvrouw hield haar terug,
-en die moest daartoe bepaald geweld gebruiken, zoo opgewonden was ze.
-„Kind, houd je nu goed. Blijf nu kalm. Laat het aan mij over.”
-
-„Ik zal haar de deur uitgooien.”
-
-„Wees nu stil, en ga weer zitten. Laat mij dat nu eens doen,
-Marie-lief. Jij zoudt onberaden handelen. Ik zal even met haar praten,
-en dan zal ze nooit terugkomen, dat verzeker ik je.”
-
-Het kostte heel wat moeite, Marie daartoe te bewegen, maar het gelukte
-toch. Beide vrouwen zaten te wachten, loerend met onheilspellende oogen
-en opeengeklemde lippen tusschen de portières door naar de deur der
-kamer. En toen die eindelijk openging, stond het vrouwelijk hoofd van
-het gewestelijk bestuur op, met een snelle handbeweging Marie bevelend
-stil te blijven zitten, en in een ommezien had ze zich van Betsy
-meester gemaakt, die weer even vlug naar het wachtend voertuig wilde
-gaan, als ze was binnengekomen,
-
-’t Had voor haar niet slechter kunnen treffen, dan dat juist dien dag
-Bronkhorst ziek was en niet komen kon. Hij keek wel een beetje
-verwonderd over haar komst, maar zoo heel erg niet. Hij zag haar immers
-altijd en overal.
-
-„Hoe gaat het?” vroeg ze.
-
-„Zoo! Ik zou haast zeggen iets beter, nu ik je zie.”
-
-Zij zuchtte en ging op een stoel zitten naast het ledikant.
-
-„God, Jean, het is zoo dood ongelukkig, dat je nu juist ziek bent.”
-
-„Wat is er dan gebeurd?” vroeg hij verschrikt.
-
-Zij hield haar zakdoek voor de oogen en weende werkelijke tranen van
-woede en vrees.
-
-„Maar wat is er dan?” herhaalde hij.
-
-„Ze willen me weg hebben; ze willen me met geweld dwingen heen te
-gaan.”
-
-Met moeite hield hij een vloek binnen; zijn wenkbrauwen trokken samen.
-
-„Ik zou wel eens willen weten, wie dat durfde ondernemen.”
-
-„Allemaal, Jean, allemaal. Ze spannen allen één lijn; tot mevrouw Duhr
-toe.”
-
-„Maar lieve Bets, zeg dan toch in ’s hemelsnaam wie!”
-
-Zij gaf nog geen antwoord; en toen hij opnieuw bij haar aandrong,
-vleiend en liefkoozend, snikte zij:
-
-„Lidia is onverwacht gekomen.”
-
-Het bericht imponeerde hem; een oogenblik keek hij haar versuft aan.
-
-„Je zuster Lidia?” herhaalde hij.
-
-„Ja.... met haar man.”
-
-„Welnu, jaag ze weg, als ze je vervelen.”
-
-„Het is gemakkelijk gezegd.... Het zou me ook niet helpen.... Ik ben
-niet tegen haar opgewassen.... Ze zouden me mishandelen.... Die Lidia
-is zoo’n feeks.”
-
-„Maar je eigen zuster.”
-
-„Och, dat is het juist.... Als het geen familie was.... Maar zij, en
-haar man vooral!”
-
-Bronkhorst stoof op; hij vergat zijn koorts en liep met dreunenden stap
-op zijn sloffen heen en weer, dien zwager van haar verwenschend. Doch
-hij zou wel eens willen zien! Hij zou dien meneer aan ’t verstand
-brengen, dat deze zich inliet met dingen, die hem niet aangingen, net
-als hij het dien kapitein....
-
-„Die is er ook al geweest!” zei Betsy nog snikkend in haar kanten
-zakdoek.
-
-„Wat?”
-
-„En de resident ook. Ze hebben me letterlijk overvallen.”
-
-Bronkhorst stond er nu geheel verstomd van.
-
-„Het was bij allen hetzelfde lied: ik moest weg; weg van jou!”
-
-Met groote krachtsinspanning bedwong hij een opkomende geweldige
-neiging om te gaan liggen; hij rekte zich uit en hief met deftigheid
-het hoofd op.
-
-„Dan zal ik dadelijk met je mee gaan.”
-
-Zijn stem en het beven zijner handen, toen hij zijn knevels opstreek,
-waren in strijd met zijn gemaakte houding.
-
-„Neen Jean, nu niet.... Van avond.”
-
-„Ik ga oogenblikkelijk mee.”
-
-Doch zij wilde het niet gedoogen; ze zag heel goed, dat hij ziek was,
-en zijn komst in dien toestand niets dan standjes en schandaal kon
-uitwerken.
-
-„Ga eerst slapen, Jean,” verzocht ze vleiend. „Heusch, dat moet je
-doen. Ze zullen me immers niet opeten! En als je dan van avond beter
-bent, kom dan tegen zeven uren, ja? En blijf den heelen avond.”
-
-„Ik zou liever nu gaan.”
-
-’t Was om zich een houding te geven, dat hij het volhield, maar de
-waarheid was, dat hij zich letterlijk op gevoelde.
-
-„Ik ga nu heen, Jean. Het was een waagstuk, hè? hier te komen. Ik kon
-je niet van alles onkundig laten.”
-
-Hij kuste haar; hij was dankbaar, dat ze gekomen was.
-
-„Tot van avond dan, Jean.”
-
-„Zonder fout.”
-
-„Als je beter bent.”
-
-„In elk geval, Betslief; ik zou het hier toch niet kunnen uithouden.”
-
-Toen ze weg was, zonk hij ineen op zijn ledikant; zijn zware oogleden
-vielen dicht en voor eenige minuten verkeerde hij in een staat van
-verdooving, met een gevoel van absentie, als iemand, die in
-hypnotischen staat geraakt. En in diezelfde oogenblikken was het ook
-Betsy, alsof ze gebiologeerd werd. Ze had, toen ze wegliep naar haar
-voertuig, met schrik een pijnlijken greep gevoeld om haar ronden pols,
-en toen ze snel omkeek, zag ze dat het de vrouw van den resident was,
-die haar nu in een der zijkamertjes naast de voorgalerij trok. Daar
-werd haar gelast te gaan zitten; daar zat, dicht naast haar, de
-residentsvrouw met haar ernstig, onheilspellend gezicht, den stekenden
-blik uit haar grijze oogjes en de scherpe trekken van
-onverzettelijkheid om den mond,—en daar werd haar de waarheid gezegd.
-Goede hemel! Zij zat er bij, krijtwit, zonder dat ze een woord kon
-zeggen.
-
-Bij dien verbijsterenden woordenvloed, haar afschilderend als de
-belichaamde verdorvenheid, waren Lidia’s ruwe, onomwonden verwijten
-kinderspel. Na al de emotie van dien dag, suisde het haar in de ooren
-als den zeeman het opkomend, verwarrend geloei van den kringstorm. Zij
-sloot er de oogen bij; het gonsde om haar heen; zij verstond het nog
-maar half, en die helft was toch voldoende om haar te doen trillen van
-woede en pijn bij elke nieuwe beleediging. Toen ze er het beetje kracht
-voor vond, dat ze noodig had, sloeg zij haar handen voor de ooren,
-vloog het vertrek uit en de dos-à-dos in.
-
-Eerst toen ze thuis kwam en in haar kamer was, brak het los. Op
-gillenden toon vertelde zij aan Lidia, hoe ze dáár was behandeld, en
-haar zuster, die het niet meer dan hoogst natuurlijk vond, begreep
-niets van deze ontroering en verontwaardiging, tot ze Betsy plotseling
-zich vast zag houden aan de tafel. Zij greep haar en liet haar neer op
-een bank; en daar ging het gillen voort, maar nu zonder woorden en
-afgebroken door een luiden, lang aanhoudenden lach, die, uit de
-zenuwwerking voortkomend, op anderer zenuwen werkte. Het was een
-consternatie, waarbij voor een oogenblik alle grieven en alle
-bedoelingen werden vergeten. Mevrouw Duhr, de zwager, Sarinah,—allen
-stormden de kamer binnen; Lidia riep om azijn; in een oogwenk kwam de
-bejaarde hospita, zelve in de hoogste mate zenuwachtig, met een flesch
-van achteren; alle handen grepen er naar, zonder verder te zien,
-vervuld met het idee, dat het goed was om iemand, die het op de zenuwen
-heeft, ’t hoofd en de polsen met azijn nat te maken, en dat dit niet
-beter kon geschieden, dan door wat uit de flesch te gieten. En terwijl
-allen zich beijverden, stroomde uit de azijnflesch een zwarte gulp, die
-in vuile, dikke straaltjes over het gezicht en in den hals van Betsy
-liep.
-
-„Schei uit! Het is inkt,” riep de man van Lidia met een vloek.
-
-Iedereen schrikte er van en was er verlegen mee. Mevrouw Duhr keek erg
-onthutst voor zich; de controleur had zich omgekeerd en proestte van
-het lachen.
-
-„Ik kon het heusch niet helpen,” stamelde de huisvrouw. „De flesschen
-zijn precies eender.”
-
-Betsy gilde niet meer; het woord „inkt” scheen meer kalmeerend op haar
-zenuwen te hebben gewerkt, dan azijn bij mogelijkheid doen kon. Lidia,
-die het gesmoorde grinniken van haar man hoorde, moest zich geweld
-aandoen, en slikte telkens een opkomenden lach weer in. Ze had
-onwillekeurig met haar zakdoek een veeg gegeven over ’t gezicht van
-Betsy, toen ze het zwarte vocht zag, en dat had ’t spektakel nog
-verergerd; Betsy zag er verschrikkelijk uit.
-
-„Kom,” zei Lidia, ziende hoe goed in elk geval het middel had geholpen.
-„Je moogt je wel gaan wasschen. Mevrouw Duhr heeft bij vergissing....”
-
-Zij kon niet verder, want Betsy had zich opgericht, en zag er nu met
-haar gezicht als een schoorsteenveger in functie, zóó gek uit, dat het
-onmogelijk was voor Lidia haar sérieux te bewaren. Een oogenblik keek
-Betsy haar aan alsof ze niets begreep, daarop liep zij naar het toilet,
-keek in den spiegel en begon te huilen.
-
-„Wees niet kinderachtig,” zei Lidia ruw, terwijl intusschen haar
-lachlust door de tranen harer zuster bedaard was. „Wees niet
-kinderachtig; het is maar ’n beetje inkt; met water en zeep is het weer
-schoon, je bent waarachtig anders voor zoo’n klein geruchtje niet
-vervaard!”
-
-Maar het was gemakkelijker gezegd dan gedaan; het toeval scheen te
-willen, dat mevrouw Duhr een supérieure qualiteit inkt gebruikte,
-uiterst geschikt tot het merken van menschenhuiden,—althans ofschoon
-Betsy geweldig poetste hield zij over een deel van haar hals en haar
-gelaat een sterk uitgedrukte violet-achtige tint, wat haar foeileelijk
-maakte en Lidia aanleiding gaf tot de openhartige verklaring: „Je ziet
-er wezenlijk niet kwaad uit in je gewone doen, maar er behoeft niet
-veel bij te komen om je ’n monster te maken.”
-
-Betsy zelf wist, dat het waar was, en ’t maakte haar wanhopig. Dat dit
-juist nu moest gebeuren! Ze schreef een briefje aan Bronkhorst om maar
-liever dien avond niet te komen; doch het was olie in het vuur. Tegen
-zeven uren reed zijn rijtuig het erf op; ze had het bekende geluid in
-de verte gehoord, en had zich de haren wel uit het hoofd kunnen trekken
-van woede en spijt, dat ze nu in haar kamer was en niet voor den dag
-kon komen met die tot over haar neus loopende tatouage, waarvoor zelfs
-geen bedaq wilde helpen. Handenwringend liep ze haar kamer op en neer;
-ze zou toch maar gaan; er hing te veel van af; misschien zou hij in
-zijn opgewonden toestand niet eens bemerken, hoe gek zij er uit zag; in
-elk geval: ze kon het niet op zijn beloop laten; haar zwager en Lidia
-zaten voor in de galerij en God weet, dacht ze, met welke standjes die
-ontmoeting zou afloopen, en wat daarvan voor haar de resultaten zouden
-zijn; ze moest daarbij wezen, en ze deed de deur open.
-
-„Waar wil je heen?” vroeg Lidia, die plotseling vlak voor haar stond.
-
-„Het gaat je niet aan. Laat me door!”
-
-„Ik denk er niet aan. Je blijft hier!”
-
-En Lidia wilde de deur openen, maar Betsy wierp zich in de opening en
-drong naar voren. Toen sloeg haar zuster de armen om haar midden, nam
-haar op, wierp haar letterlijk de kamer in en sloot de deur.
-
-„Ziezoo!” zei ze, terwijl Betsy leunend op de wankele ronde tafel, een
-oogenblik verbijsterd stond. „Ziezoo! Nu wil ik eens zien of jij voor
-’t schandaal van onze familie zult spelen, als ik er bij ben.”
-
-„Ik wil er uit,” siste Betsy, terwijl ze weer op de deur aanvloog, met
-gekromde vingers, tot krabben gereed, en ’t schuim van woede op den
-grond. Maar Lidia hield haar tegen, en ze vochten letterlijk. Het
-duurde niet lang, ’n paar minuten hoogstens; daarna had Betsy het weer
-erg op de zenuwen en lag gillend op den divan, nu met een hoogroode
-kleur van de klappen links en rechts in ’t gezicht, die haar zuster
-haar had toegediend. En Lidia, met de vuurroode streep van een
-venijnige krab in den hals, stond naast den divan en drukte haar
-zakdoek op den mond van Betsy om ’t geluid van het gillen en schreeuwen
-te verdooven, want ze hoorde op dat oogenblik Bronkhorst nog in de
-voorgalerij.
-
-Hij was binnengekomen, onberispelijk gekleed, en toen hij een vreemden
-heer zag, die in gezelschap van mevrouw Duhr aan de tafel zat, waar hij
-gewoonlijk met Betsy plaats nam, had hij ’n zeker air van voornaamheid
-aangenomen.
-
-„Goeden avond, mevrouw!.... Goeden avond (tegen den controleur).... Is
-mevrouw Den Ekster thuis?”
-
-„Ja, mevrouw Den Ekster is thuis,” antwoordde de controleur, ofschoon
-de vraag in het geheel niet tot hem was gericht. „Mevrouw Den Ekster is
-thuis; ik ben haar zwager.”
-
-Bronkhorst boog even het hoofd.
-
-„Als mevrouw Den Ekster thuis is, wenschte ik haar gaarne even te
-spreken.”
-
-„Mevrouw Den Ekster is voor u niet te spreken.”
-
-Noch de woorden, noch de toon lieten ook maar den minsten twijfel toe
-aan de bedoeling. Bronkhorst nam den zwager eens op van ’t hoofd tot de
-voeten, en zich toen opnieuw tot mevrouw Duhr wendend, vroeg hij:
-
-„Wilt u wel zoo goed wezen?”
-
-Maar het mensch bewoog zich niet en keek verlegen voor zich.
-
-„U hebt hier niets te doen,” vervolgde de controleur, „en het is wel
-een bewijs van verregaande onbeschaamdheid, hier te komen, terwijl mijn
-vrouw en ik hier zijn.”
-
-Die „onbeschaamdheid” viel Bronkhorst vreemd op het lijf. Sedert de
-laatste maanden betaalde hij de huur van het huis, omdat mevrouw Duhr
-zoo slecht bij kas was, en nu heette het onbeschaamd....
-
-„Het is onbeschaamd van u zelf om in dit huis zulk een toon te voeren;
-dat weet mevrouw Duhr het best.”
-
-En toen deze in haar stilzwijgen volhardde, ging hij voort: „Ik zal van
-uw praatjes geen verdere notitie nemen en zelf naar mevrouw Den Ekster
-gaan zien.”
-
-„Dat zullen we eens zien!” riep de jonge man, bleek van toorn.
-„Onbeschaamde vlegel, als je niet maakt, dat je weg komt....”
-
-Bronkhorst hief zijn stok op.
-
-„Ga daar vandaan,” zei hij tusschen de tanden tot den man, die hem den
-weg versperde. „Ga daar vandaan of ik sla je dood!”
-
-„Ik ontzeg u mijn huis,” riep mevrouw Duhr, wier tong eindelijk scheen
-los te komen. „Ik ontzeg u mijn huis. Ga heen, of ik roep de politie,
-en laat u de deur uitgooien.”
-
-Het woord „politie” maakte een overweldigenden indruk op hem. Hij was
-wel abnormaal, maar het denkbeeld, dat hij, de notaris Bronkhorst,
-ergens door „de politie” buiten de deur zou gezet worden, was hem toch
-te sterk.
-
-„Zoo,” beet hij, zich omwendend, het arme, in doodsangst zittende
-mensch toe. „Zoo, zou jij de politie roepen, om mij uit jou huis te laten
-gooien?”
-
-„U kunt wel wat fatsoenlijker spreken,” zei Betsy’s zwager kwaadaardig.
-„Het komt volstrekt niet te pas hier te jijen en te jouwen.”
-
-„Ik heb niets met u te maken, meneer.”
-
-„Och kom! Dat zal ik u dan eens laten zien.—U wilt dat deze man
-vertrekt, nietwaar mevrouw?”
-
-„Ja,” zei mevrouw Duhr nauwelijks hoorbaar.
-
-De controleur boog zich over de balustrade van het galerijtje en riep.
-Een oogenblik later liepen zes oppassers van politie, achter de pagger
-verscholen, het erf op.
-
-„Nu gaan, of er uit gezet worden,” zei de jonge man beslist.
-
-In machtelooze woede dreigde Bronkhorst weer met zijn rotting; hij
-beefde als een riet, van opgewondenheid, liep zwijgend het trapje af,
-en stapte in zijn coupé; de staljongen sloeg met een harden slag de
-deur dicht, en onder luid getrappel van de hoeven der groote paarden op
-de kleine rolsteentjes van het voorerf, reed hij weg.
-
-In het rijtuig liet hij zich achterover zakken in de kussens; hij kon
-niet meer; het kleeden en uitgaan hadden hem reeds ontzaglijk veel
-inspanning gekost,—deze zenuwachtige scène was hem te veel. Voor het
-oogenblik was hij tot niets in staat, en hij liet zich lijdelijk het
-erf oprijden van zijn huis.
-
-Haast waggelend ging hij rechtstreeks naar zijn kamer en ontkleedde
-zich, doch terwijl hij hiermede bezig was, overviel hem weer plotseling
-een vlaag van teugellooze woede. Met een driftigen duw stiet hij een
-venster open en schreeuwde zijn koetsier toe, dat het rijtuig nogmaals
-vóór moest komen.
-
-„Gilah!” bromde zachtjes de koetsier, die bijna gereed was met
-uitspannen.
-
-„Ya,” zong de staljongen klagend.
-
-In het schemerdonker voor de wagenkamer namen ze met onwillige hand de
-tuigen weer op, en begonnen mopperend en uiterst langzaam opnieuw in te
-spannen. Bronkhorst was spoedig weer gekleed, en lang voor het rijtuig
-voorkwam, liep hij, tierend van ongeduld, in de voorgalerij heen en
-weer.
-
-De officier van gezondheid keek vreemd op van deze ongelegen visite,
-hem, bij wijze van dessert, juist na zijn maaltijd gebracht.
-
-Vertrouwelijk schoof Bronkhorst zijn stoel naderbij.
-
-„Ik ben beleedigd,” zei hij.
-
-„Alweer?” vroeg de dokter lachend.
-
-„Ik verzoek u er niet om te lachen; het is een ernstig geval; ik moet
-satisfactie hebben.”
-
-„Zoo, is het ditmaal ernstig? Nu, als u het dan maar eens wilt
-vertellen.”
-
-Bronkhorst deed ’t verhaal op zijn manier; hij lette er niet op, dat
-des dokters gelaat onder het luisteren niet vriendelijker werd.
-
-„U begrijpt, dat ik het er niet bij kan laten.”
-
-„Het is mogelijk. Wat ik zeker weet, is, dat ik in dit geval volstrekt
-niet bereid ben u van dienst te zijn.”
-
-„Mag ik vragen waarom niet?”
-
-„Zeker, u hebt die dame....”
-
-„Ik verzoek u te gelooven....”
-
-„Ik geloof niets; ik zeg, wat ik weet. U hebt mevrouw Den Ekster in
-opspraak gebracht.”
-
-Vruchteloos wilde Bronkhorst protesteeren. „U hebt haar in opspraak
-gebracht,” herhaalde de dokter met den voet op den grond stampend, en
-eenigzins heftig, „en dat paste u niet. Een ongetrouwd man past zoo
-iets niet. Van u was het dubbel erg.”
-
-„Maar mijn goede heer....”
-
-„Neen, notaris, er valt hier niets te goede heeren. Wat ik zeg is waar,
-dat weet en erkent iedereen, behalve u.”
-
-Wezenloos keek Bronkhorst voor zich uit.
-
-„In Godsnaam dan,” zuchtte hij met wanhopige onderwerping.
-
-„Ik zal er wel voor oppassen,” ging de dokter voort, „dat ik haar
-familie niet tegenwerk. Die menschen komen hier en ontzien moeite,
-kosten noch onaangenaamheden, om haar te redden....”
-
-„Te redden?”
-
-„Ja, van u.”
-
-„Zoo! Nu, dan heb ik de eer u te groeten.”
-
-Hij ging hier niet weg als een razende, maar langzaam en met zekere
-waardigheid tot zelfs in de manier, waarop hij hoed en stok nam.
-
-Terwijl Bronkhorst dus werd afgescheept, vertelde Betsy’s zwager den
-resident, wat er bij mevrouw Duhr was voorgevallen.
-
-„Het is nu ’t geschikte moment,” meende de resident.
-
-„Er is anders niet veel met haar te beginnen. Mijn vrouw heeft haar met
-geweld moeten beletten naar voren te komen.”
-
-„’t Is jammer, dat ik me er persoonlijk niet mee kan bemoeien.”
-
-„Ja,” stemde de controleur toe, in goeden ernst aan de almacht
-geloovend.
-
-„Als ik mijn vrouw eens vroeg?....
-
-„Ja.... als dát kon....”
-
-Ditmaal huichelde hij; het denkbeeld Betsy mee te nemen, hetzij door
-overreding of met zachten dwang, lachte hem volstrekt niet toe. Wel
-deed hij er den resident, die daarop zeer gesteld scheen, een dienst
-mee, welke ter gelegener tijd allicht beloond kon worden, maar hij was
-bang voor hoogloopende onaangenaamheden met zijn flinke, goede en
-openhartige, maar allesbehalve zachtzinnige Lidia, die erg jaloersch
-was en in de minste familiariteit veel meer zou zien, dan ’t was.
-
-„Wacht hier even,” zei de resident, „ik zal het haar gaan vragen.”
-
-Het duurde wel tien minuten vóór mevrouw haar toestemming gaf. „Ik
-wilde met dat gemeene schepsel eigenlijk niet meer in aanraking komen.
-Ik heb haar eens en voorgoed gezegd waar het op stond. Als ik het doe,
-is het voor die arme mevrouw Bronkhorst. Van avond bemoei ik me er in
-geen geval meer mee.”
-
-„Het is maar,” zeide de controleur, „dat ik moeilijk langer kan
-blijven.”
-
-„Nu ja! Enfin, ik kom morgenochtend vroeg; we zullen dan wel zien.”
-
-Toen ze, haar woord gestand, reeds vroeg de nederige woning van de
-weduwe Duhr betrad, bleek haar komst overbodig.
-
-„Het is wel lief van u,” zei Lidia, „dat u gekomen bent, maar het is al
-beslist, en de reiswagen komt zoo dadelijk voor.”
-
-„Hoe is het gegaan?” vroeg de residentsvrouw nieuwsgierig.
-
-„We hebben een heel onaangenamen nacht gehad.—U weet wel van dien
-inkt?....”
-
-„Ja, ja, die jullie haar in plaats van azijn.... ha, ha!”
-
-„Er schijnt inkt in haar rechteroog te zijn gekomen. Van nacht is dat
-erg opgezwollen: nu is het zeer dik en ontstoken.”
-
-„Heb je den dokter laten roepen?”
-
-„Och neen. Ik zal dat met wat inlandsche medicijn wel beter maken, als
-we maar eerst bij mij thuis zijn.”
-
-„En toen?”
-
-„Wat bedoelt u?” vroeg Lidia, die suf en slaperig was.
-
-„Wel, na dat oog. Hoe heb je er haar toen toe gekregen?”
-
-„O ja! Wel, ziet u, ze was wanhopig, en ik heb haar toen aan het
-verstand gebracht, dat ze weg moest. En haar oude meid....”
-
-„Dat spook, die Sarinah?”
-
-„Zij is al zooveel jaren in onzen dienst.”
-
-„Krakallen moest ze, aan den weg!”
-
-„Maar néh zei toch ook, dat Betsy maar mee moest gaan.”
-
-„Ze werd zeker bang!”
-
-„Het is wel mogelijk! Enfin, ze gaat nu mee,” eindigde Lidia met een
-diepen zucht.
-
-„Dan ga ik maar weg. Ik heb geen lust haar noodeloos te zien. Adieu!
-Als je wat noodig hebt.... je kent mijn adres.”
-
-Het was een curieuze uittocht, toen de reiswagen voorkwam. Met een
-sjaaltje om haar pijnlijk oog, huilende en voetje voor voetje loopend,
-als een zware zieke, links door Lidia, rechts door mevrouw Duhr
-ondersteund, kwam Betsy naar buiten; zoo werd ze in het rijtuig
-geholpen. En de aanstellerij bracht effect teweeg; zij ontroerde de
-vrouw des huizes tot tranen toe, maakte Lidia zenuwachtig en stemde
-haar momenteel tot medelijden en zachtzinnigheid; zelfs de controleur
-keek minder norsch naar zijn schoonzuster, en voelde zich eenigszins
-begaan met haar lot, telkens als gedurende dezen uittocht, een klagend
-gesteun achter den zakdoek vandaan kwam, die Betsy voor ’t niet
-ingebakerde deel van haar gezicht hield. Sarinah sloot den stoet
-steunend en onverstaanbare woorden kauwend in haar tandeloozen mond.
-
-
-
-Veertig dagen waren sedert dien ochtend in eenvormigheid voorbijgegaan;
-veertigmalen had de opgaande zon de hooge witte schoorsteenen der
-fabrieken in de buurt doen schitteren boven de dan nog in ’t
-halfduister liggende velden. De perkara—Bronkhorst werd nog slechts
-zelden besproken. Slechte berichten over suikerprijzen uit Europa, een
-schandaal-proces op Java, een opiumaanhaling vol knoeierige
-bijomstandigheden op de plaats zelve, hadden reeds lang de loopende
-praatjes over den notaris vervangen. Van mevrouw Den Ekster hoorde men
-niets meer; van Bronkhorst wist men, dat hij ziek was.
-
-Toen hij terugkwam van bezoek aan den officier van gezondheid, dat zoo
-slecht voor hem afliep, was hij in zijn huis, en in zijn bed gekomen,
-maar hoe wist hij niet; en hij herinnerde zich thans nog slechts flauw,
-wat er was voorgevallen in die veertig dagen. Zijn vrouw, die hem had
-opgepast en verzorgd, wist daar meer van; althans zij had hem in zijn
-meest half bewusteloozen toestand wel honderdmalen een naam hooren
-uitspreken, die haar telkens als ze hem hoorde, deed rillen.
-
-Nu lag hij te bed, dien veertigsten dag, en hij gevoelde zich bijzonder
-wel, met een neiging om iets bepaalds te doen, en niet aanhoudend
-sufferig door de kamer te dwalen of gedachteloos in een luierstoel te
-liggen; hij keek de kamer rond, als iemand, die door iets verrast is,
-maar zelf niet weet waardoor; hij zag Marie de kamer binnenkomen en op
-’n knaapje ’n kop thee neerzetten, met een paar eieren en ’n sneedje
-brood.
-
-Zij keek eens naar hem, en vroeg op stroeven toon, hoe het met hem was.
-
-Hij kon niet goed antwoord geven, maar streek met zijn hand over ’t
-voorhoofd, en verder door zijn haren. Van alles wat gebeurd was,
-teekende zich nu voor zijn geest een beeld, dat met elke seconde won in
-nauwkeurigheid; een gevoel van groote verwondering, dat elke andere
-opwelling beheerschte, kwam over hem en sprak uit den blik, waarmede
-hij Marie monsterde van ’t hoofd tot de voeten. En nogmaals streek hij
-zich met de hand over het hoofd.... Dat was Marie, zijn vrouw.... hij
-had altijd veel van haar gehouden, als zijn meisje, als zijn vrouw, als
-de moeder zijner kinderen.... hij hield nog heel veel van haar.... hij
-had nooit van een andere vrouw gehouden.... Betsy?.... niet onaardig,
-neen.... goed om ’n stukje muziek mee te maken of voor een niets
-zeggend complimentje.... maar anders.... niets, hoegenaamd niets!
-
-En om die Betsy had hij Marie willen verstooten, van haar willen
-separeeren, haar bitter gegriefd, beleedigd, mishandeld....
-
-Marie was blijven staan bij het tafeltje, waarop ze zijn thee had
-neergezet, en ze zag, ook met verwondering, op zijn gezicht een
-uitdrukking, die er lang vreemd op geweest was: een van helder
-bewustzijn. Zijn trekken hadden het uitgerekte wezenlooze niet meer;
-zijn oogen stonden helder; hij begon weer te gelijken op haar man van
-vroeger.
-
-En toen hij zich tot haar wendde, ontroerde zij van zijn ontroering.
-
-„Hoe is het mogelijk, hoe is het mogelijk?” zei hij met een diepen
-zucht. „Ben ik dan gek geweest?”
-
-De goena-goena had uitgewerkt.
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GOENA-GOENA ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/66666-0.zip b/old/66666-0.zip
deleted file mode 100644
index 3fecd2e..0000000
--- a/old/66666-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66666-h.zip b/old/66666-h.zip
deleted file mode 100644
index d31476c..0000000
--- a/old/66666-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66666-h/66666-h.htm b/old/66666-h/66666-h.htm
deleted file mode 100644
index 9369d9e..0000000
--- a/old/66666-h/66666-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,9498 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2021-10-27T21:05:13Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>Goena-goena: Oorspronkelijke roman</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Paulus Adrianus Daum (1850–1898)">
-<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="Paulus Adrianus Daum (1850–1898)">
-<meta name="DC.Title" content="Goena-goena: Oorspronkelijke roman">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<meta name="DC.Rights" content="Dit boek is vrij van auteursrechten in de Verenigde Staten. Als u elders woont, controleer dan de wetgeving in uw land voordat u dit boek download.">
-<meta name="DC.Identifier" content="https://www.gutenberg.org/ebooks/66666">
-<meta name="DC:Subject" content="#####">
-<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */
-html {
-line-height: 1.3;
-}
-body {
-margin: 0;
-}
-main {
-display: block;
-}
-h1 {
-font-size: 2em;
-margin: 0.67em 0;
-}
-hr {
-height: 0;
-overflow: visible;
-}
-pre {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-a {
-background-color: transparent;
-}
-abbr[title] {
-border-bottom: none;
-text-decoration: underline;
-text-decoration: underline dotted;
-}
-b, strong {
-font-weight: bolder;
-}
-code, kbd, samp {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-small {
-font-size: 80%;
-}
-sub, sup {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-}
-sub {
-bottom: -0.25em;
-}
-sup {
-top: -0.5em;
-}
-img {
-border-style: none;
-}
-body {
-font-family: serif;
-font-size: 100%;
-text-align: left;
-margin-top: 2.4em;
-}
-div.front, div.body {
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-div.back {
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div0 {
-margin-top: 7.2em;
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-.div1 {
-margin-top: 5.6em;
-margin-bottom: 5.6em;
-}
-.div2 {
-margin-top: 4.8em;
-margin-bottom: 4.8em;
-}
-.div3 {
-margin-top: 3.6em;
-margin-bottom: 3.6em;
-}
-.div4 {
-margin-top: 2.4em;
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div5, .div6, .div7 {
-margin-top: 1.44em;
-margin-bottom: 1.44em;
-}
-.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
-.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
-margin-bottom: 0;
-}
-blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
-.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
-margin-top: 0;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-td.tocDivNum {
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-margin-top: 3.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-border: none;
-border-bottom: 1px solid black;
-width: 45%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-}
-hr.dotted {
-border-bottom: 2px dotted black;
-}
-hr.dashed {
-border-bottom: 2px dashed black;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.42em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.84em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
-color: #660000;
-}
-.fnreturn {
-color: #AAAAAA;
-font-size: 80%;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-a {
-text-decoration: none;
-}
-a:hover {
-text-decoration: underline;
-background-color: #e9f5ff;
-}
-a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-top: -0.5em;
-text-decoration: none;
-margin-left: 0.1em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
-float: left;
-min-width: 1.0em;
-margin-left: -0.1em;
-padding-top: 0.9em;
-padding-right: 0.4em;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-white-space: nowrap;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.index p {
-text-indent: -1em;
-margin-left: 1em;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em 0;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 1.7;
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-.lgouter {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-display: table;
-}
-.lg {
-text-align: left;
-padding: .5em 0 .5em 0;
-}
-.lg h4, .lgouter h4 {
-font-weight: normal;
-}
-.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
-color: #777;
-font-size: 90%;
-left: 16%;
-margin: 0;
-position: absolute;
-text-align: center;
-text-indent: 0;
-top: auto;
-width: 1.75em;
-}
-p.line, .par.line {
-margin: 0 0 0 0;
-}
-span.hemistich {
-visibility: hidden;
-}
-.verseNum {
-font-weight: bold;
-}
-.speaker {
-font-weight: bold;
-margin-bottom: 0.4em;
-}
-.sp .line {
-margin: 0 10%;
-text-align: left;
-}
-.castlist, .castitem {
-list-style-type: none;
-}
-.castGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.castGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.castGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pageNum {
-display: inline;
-font-size: 70%;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.right-marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-right: 3%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-text-align: right;
-width: 11%
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink::after {
-content: "\0000A0\01F4D8";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.catlink::after {
-content: "\0000A0\01F4C7";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
-content: "\0000A0\002197\00FE0F";
-color: blue;
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
-text-align: left;
-}
-.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.cover-imagewidth {
-width:480px;
-}
-.xd31e91 {
-text-align:center; font-size:large;
-}
-.titlepage-imagewidth {
-width:456px;
-}
-@media handheld {
-}
-/* ]]> */ </style>
-</head>
-<body>
-
-<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of Goena-Goena, by Adrianus Daum</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Goena-Goena</p>
-<p style='display:block; margin-top:0; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:0;'>Oorspronkelijke roman</p>
-
-<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Adrianus Daum</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: October 27, 2021 [eBook #66666]</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div>
-
-<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)</div>
-
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GOENA-GOENA ***</div>
-<div class="front">
-<div class="div1 cover">
-<div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle">
-<div class="divBody">
-<p class="first xd31e91">GOENA-GOENA.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage">
-<div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="456" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">GOENA-GOENA.</div>
-<div class="subTitle">OORSPRONKELIJKE ROMAN</div>
-</div>
-<div class="byline">DOOR
-<br>
-<span class="docAuthor">MAURITS.</span></div>
-<div class="docImprint">Tweede Druk.
-<br>
-LEIDEN.—A. W. SIJTHOFF.</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="body">
-<div class="div1 chapter">
-<div class="divHead">
-<h2 class="main">GOENA-GOENA.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Charles Prédier kwam met een vergenoegd gezicht het kantoor uit.
-</p>
-<p>Nu was alles in orde; nu was zijn fortuin gemaakt! Terwijl hij het zweet van z’n voorhoofd
-veegde—het pleiten voor eigen zaak maakt zoo warm!—drukte hij de zwart leeren portefeuille,
-die hij onder den arm droeg, met liefde tegen zijn borst. Het had moeite gekost den
-notaris over te halen, geld te steken in de nieuwe koffie-onderneming; doch nu het
-gelukt was, ging het overige vanzelf; nu zou het kapitaal gauw genoeg bijeenkomen;
-er zou gebouwd en geplant kunnen worden, en binnen een jaar of vier.…..
-</p>
-<p>Het was alles netjes uitgerekend. Dáárom was notaris Bronkhorst er ook ìn gegaan.
-Hij kende Prédier als een goed planter en flink administrateur; als een echte half
-bloed Europeaan, die in de sociëteit blufte met champagne, homberde tegen hoog tarief
-en mooier paarden hield, dan ieder ander, maar die in zaken angstvallig op de kleintjes
-paste, en wat men noemt op ’n cent doodbleef.
-</p>
-<p>De erfpacht, aan het gouvernement gevraagd, was toegestaan; door de welwillende tusschenkomst
-van een zwager te Batavia, en van een tante, die veel bij den resident aan huis kwam,
-was de canon laag gesteld, de gronden waren prachtig; van bladziekte <span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>was in die streek geen sprake,—het was in één woord ’n goudmijn.
-</p>
-<p>Bronkhorst dacht, toen Prédier weg was, nog na over de cijfers. Geheel optimist was
-hij niet meer. Al wat hij had „verdiend” in Indië, stak in landelijke ondernemingen.
-De vooruitzichten, zeiden de administrateurs, waren prachtig, maar voor het oogenblik
-zag hij geen cent van zijn geld, en was het maar elke maand bijpassen. Toch was zijn
-vertrouwen niet geschokt, anders zou hij zich nu niet weer hebben laten „lijmen” door
-Prédier. Als er maar één gelukte, dacht de notaris, dan was het reeds financiëel,
-in orde. En hij rekende op zijn goed gesternte. Hoe was hem de fortuin niet meegeloopen,
-sedert hij twaalf jaren geleden benoemd werd tot notaris op de kleine hoofdplaats!
-Toen was het daar vrij wel: mager met mosterd. Zijn voorganger klaagde altijd steen
-en been, dat er zoo weinig viel te verdienen. Nauwelijks was Bronkhorst gekomen of
-de vette jaren braken aan, alsof hij ze meebracht in zijn koffers. Waar vroeger slechts
-rijstvelden waren, wuifden nu de sierlijke pluimen van ’t bloeiend suikerriet; waar
-vroeger lang uitgeschoten klapperboomen het „hoogste goed” vormden, daar waren die
-nu vernederd door de hoogere witte fabriekschoorsteenen, die in den maaltijd nacht
-en dag altijd door rookwolken opzonden uit hun zwarte openingen. En dwars door de
-vroeger ongerepte velden lagen thans onafzienbare rails, hier roestig, ginds door
-de wrijving als gepolijst, en in eindelooze uitgestrektheid dof glimmerend in ’t felle
-zonlicht. Er was geld gekomen onder de bevolking, en met ’t blanke „slijk der aarde”
-kwam nog ander „slijk”, dat zich aangetrokken voelde. Nabij het spoorwegstation woonden
-nu Chineezen en Arabieren, die handel dreven, warongs hielden, opium smokkelden, dobbelhuizen
-hielden; ’t was de legertros der Westersche beschaving in het Oosten.
-</p>
-<p>Maar het notaris-kantoor had er voordeel van. Bronkhorst had het lokaal gelaten zooals
-het was onder zijn voorganger. Dat stond goed, vond hij; hoe ouderwetscher, vuiler
-en wormstekiger <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>zoo’n kantoor er uit zag, des te solieder scheen het; alleen was het personeel uitgebreid;
-hij hield er een candidaat op na en ’n paar klerken, terwijl zijn voorganger het niet
-verder had kunnen brengen dan tot één versuft kopiïst achter ’n schutsel.
-</p>
-<p>„Hoe is het Jean, kom je eten?”
-</p>
-<p>„Is het al zóó laat?”
-</p>
-<p>„Er is al lang opgedaan: de kinderen schreeuwen van den honger.”
-</p>
-<p>De notaris stond op en volgde zijn vrouw. Terwijl ze hem voorging van het bijgebouw,
-waarin kantoor werd gehouden, naar ’t woonhuis, en de vergulde hakken harer slofjes
-klik-klakten op de steenen der galerij, vertelde hij haar ’t bezoek van Prédier, diens
-plannen en het aandeel, dat hij er in had genomen.
-</p>
-<p>Zij hoorde ’t wel, maar het ging haar het eene oor in, het andere uit; ze begreep
-alleen, dat het pogingen betrof, om van koffie geld te maken, maar veel verder dan
-dit primitief begrip kwam zij niet; ze was nu reeds acht jaar in Indië—Bronkhorst
-had haar getrouwd, toen hij wegens ziekte ’n jaar met verlof naar Europa was geweest—maar
-zij was met hart en ziel een <span class="ex" lang="ms">totok</span> gebleven, die slecht brabbelmaleisch sprak, geen inlandsche bedienden langer dan
-een maand kon houden, voor de détails van het echt Indisch leven geen oog had, en
-er daarvoor ook nimmer een krijgen zou. Als Bronkhorst haar van zijn speculatiën in
-de cultures vertelde, dan zei ze maar „Ja en amen”; geloofde, dat het erg gelukkig
-zou wezen, als ’t groote winsten opbracht, en.…. dacht er verder niet aan.
-</p>
-<p>Hem kon zoo iets dagen lang bezig houden, en dat deed het ook nu. Het maakte hem stil
-aan de rijsttafel; het hinderde hem ’s middags op ’t kantoor onder het andere werk,
-en toen hij ’s avonds naar gewoonte in een wipstoel op het schabelletje een havanna
-rookte na het diner, wilden hem die prachtige plannen van Prédier nog niet loslaten.
-</p>
-<p>Naast hem stonden op een marmeren knaap twee kopjes koffie; zijn vrouw zat tegenover
-hem; hij keek naar buiten en dacht <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>hardop, voor de gezelligheid en meenende dat Marie luisterde. De cijfers der mogelijke
-winsten maakten hem warm.
-</p>
-<p>„Jongens, als het <span class="ex">dien</span> kerel toch eens lukte!” riep hij. „Wat zou dat een heerlijk zaakje zijn!”
-</p>
-<p>Marie was opgeschrikt door den luideren toon. Onder het exposé zijner geldelijke illusiën
-was ze rustig ingedommeld, maar nu greep ze naar haar kopje, en zei op ’n toon alsof
-ze zijn beschouwingen aandachtig had gevolgd: „Ja, heerlijk, hè?”
-</p>
-<p>Hij snapte het wel.
-</p>
-<p>„Als je moe bent, Mies, dan moet je naar bed gaan; dat is veel beter.”
-</p>
-<p>„Wel neen; het gaat nogal!”
-</p>
-<p>Bronkhorst lachte.
-</p>
-<p>„Kom, kom! Veins maar niet. Je valt bijna omver van den slaap. Ik kan het me best
-voorstellen. Die eeuwige drukte met de kinderen; ’s morgens vroeg op en ’s middags
-niet slapen.… <span class="corr" id="xd31e157" title="Bron: gij">ga</span> jij gerust naar bed, hoor.”
-</p>
-<p>„Wil je niet nog iets drinken?”
-</p>
-<p>’t Kon haar eigenlijk weinig schelen, maar ze gevoelde, dat ze iets vriendelijks moest
-zeggen of eenige zorg voor hem aan den dag moest leggen. Want het <span class="ex">was</span> wel ’n beetje onaangenaam voor hem, dat ze ’s avonds na het eten altijd uitging als
-een nachtkaars. Maar ze <span class="ex">kon</span> er niets tegen doen; met den besten wil der wereld niet.
-</p>
-<p>En hij vond het werkelijk zeer onaangenaam,—al drong hij er ook opaan, dat ze zou
-gaan slapen,—als hij zag, dat Morpheus haar te machtig werd.
-</p>
-<p>Zeker, dacht hij, het was beroerd, erg vervelend; hij had zoo weinig lust in uitgaan,
-en thuis hield na halfnegen alle conversatie op. Weer terugkeerend tot zijn <span class="ex" lang="fr">à propos</span>, de nieuwe koffieonderneming, zag hij, in gedachten verzonken, naar de schitterende
-lichtpuntjes op den zwart-blauwen achtergrond hoog in de lucht, tot zijn aandacht
-werd afgeleid door den toon van een heftig krakeel. Hij keek eens in die richting
-over den pagger; <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>dat was weer bij de Borne’s; die hadden ook altijd twist; en dan zoo luidruchtig;
-ze moesten zich schamen!
-</p>
-<p>Hij stond op, knoopte zijn kabaja zorgvuldig dicht en wandelde het erf af, naar den
-grooten weg; voortdurend klonk hem ’t heftig geluid der twistende stemmen in de ooren;
-wat ze elkaar toevoegden, kon hij niet verstaan, maar dat behoefde ook niet; de Borne’s
-waren reeds twee jaren zijn buren, en hij wist er alles van. Nu en dan had hij zich
-er mee bemoeid; als ’n goed notaris, die zich altijd interesseert voor <span class="corr" id="xd31e180" title="Bron: anderer">andere</span> zaken, kon hij dat niet laten, schoon zijn vrouw hem afried zich te mengen in geschillen
-tusschen man en vrouw. Ook wist hij wel dat het zoo’n vaart niet liep; groote woorden,
-anders niet. Juist passeerde hij hun huis, toen kapitein Borne, in uniform, naar buiten
-kwam.
-</p>
-<p>Ze liepen samen op.
-</p>
-<p>„Die vrouw van me,” zei de kapitein, die commandant was van het kleine garnizoen,
-„is in staat ’n mensch razend te maken.”
-</p>
-<p>„Bah! Ze is zoo kwaad niet.”
-</p>
-<p>„Neen, dat is ze ook niet. Ik geloof, dat ze ’n man moest hebben, zooals jij er een
-bent!”
-</p>
-<p>„Was het dan weer over de sociëteit?”
-</p>
-<p>„Natuurlijk. Dat gunt ze me nu niet. Ga ik ’s middags in de kroeg ’n <span class="ex">paitje</span> nemen, en ’t wordt wat laat—dat kan toch gebeuren!—dan is sinjeur de duivel los.
-Wil ik ’s avonds nog ’n partijtje maken, vlan! dan heb je de poppen aan het dansen.”
-</p>
-<p>„Maak je het niet werkelijk wat te druk?”
-</p>
-<p>„Och wat! Als ik in deze negorij altijd thuis moest zitten, dan stierf ik van chagrijn.
-Ik ben dat nooit gewoon geweest.”
-</p>
-<p>„Daarbij is het op den duur ’n kostbare aardigheid.”
-</p>
-<p>„Het is waarachtig,” riep Borne, en in zijn verbazing bezigde hij een hoogst dubbelzinnige
-overdrachtelijke uitdrukking, „het is waarachtig of jullie onder één deken <span class="corr" id="xd31e199" title="Bron: ligt">liggen</span>.”
-</p>
-<p>Zij lachten beiden, zóó gek vonden ze het idée.
-</p>
-<p>„Neen, maar in ernst,” vervolgde Bronkhorst stilstaande op <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>den weg, wijl hij geen lust had verder mee te loopen, „is het niet een dure geschiedenis?”
-</p>
-<p>„Wel, dat is zoo erg niet. Er gaan tien <span class="ex">paitjes</span> in één pop. ’t Is waarachtig alsof ik den boel opmaak! De soos kost me niet half
-zooveel als haar familie.”
-</p>
-<p>„Ja, je hebt nogal dikwijls logé’s.”
-</p>
-<p>„Altijd, meneer! Jij bent ’n slimme vogel geweest, je hebt je vrouw uit Holland gehaald.
-Ik heb hier ’n vrouw getrouwd en op den koop toe ’n familie, die me de helft van het
-jaar op m’n dak zit. Nu is er weer ’n stelletje in aantocht.”
-</p>
-<p>„Het is aan den anderen kant recht gezellig.”
-</p>
-<p>„Och dat wel, ten minste dezen keer. <span class="ex">Zij</span> is ’n nichtje van m’n vrouw; Betsy heet ze, ’n verduiveld aardig diertje, en <span class="ex">hij</span> is ’n goeie vent; ’n lobbes.”
-</p>
-<p>„Is hij met verlof?”
-</p>
-<p>„Hm! Dat zou ik denken! Hij is ’n koffieboer, weet je, en ze hebben hem met groot
-verlof gezonden, omdat de boel niet marcheerde. Nu is hij <span class="ex" lang="fr">à la recherche d’une position</span>. Overigens ’n goeie jongen, ’n vroolijke vent. <span lang="fr">Bonsoir</span>!”
-</p>
-<p>Kapitein Borne stapte voort naar de sociëteit, waar zijn partners hem reeds wachtten.
-Bronkhorst keerde langzaam en bij zichzelven glimlachend terug naar huis.
-</p>
-<p>Wat was er nu toch voor aantrekkelijks in zoo’n sociëteit? Zaterdagsavonds ging hij
-er ’n uurtje heen; hij was een notabele en moest zich dus „vertoonen”. Maar zelfs
-dan zou hij bij voorkeur thuis zijn gebleven.
-</p>
-<p>Een aanrollende reiswagen met zes paarden bespannen en bovenop, voor en achter met
-koffers bepakt, trok zijn aandacht. Met zijn twee flauw lichtende lantaarns gierde
-het rammelend monster in snelle vaart over den weg, en hield daarna stil voor het
-huis van Borne. Daar waren de „familieleden”, die de kapitein óók getrouwd had! Bronkhorst
-vond werkelijk, dat men den heer des huizes niet bijzonder vroeg gewaarschuwd, maar
-tamelijk wel voor een voldongen feit had gesteld. Hij ging een <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>weinig ter zijde van den weg, en zag hoe een jonge vrouw met ’n slanke figuur vlug
-uit den wagen sprong en mevrouw Borne in de voorgalerij omhelsde; een lang man met
-’n blonden baard volgde; een oogenblik hoorde men het onbestemd geluid van elkaar
-luidruchtig begroetende personen,—toen ging het drietal ’t huis binnen en liet de
-zorg voor de <span class="ex" lang="ms">barang</span> aan de bedienden over.
-</p>
-<p>„De buren hebben logé’s gekregen,” vertelde Bronkhorst den volgenden ochtend zijn
-vrouw, als een nieuwtje bij het ontbijt.
-</p>
-<p>„Ja, dat wist ik. Mevrouw Borne heeft me al ’n dag of acht geleden verteld, dat ze
-haar nicht Betsy te logeeren kreeg met haar man, voor onbepaalden tijd.”
-</p>
-<p>„Zóó-ó-! Borne zelf vernam het eerst gisteravond.”
-</p>
-<p>„Zij wilde ’t hem niet eer zeggen; hij moppert altijd zoolang, als hij het tevoren
-weet; wanneer de lui er eenmaal zijn, dan heeft hij er vrede mee.”
-</p>
-<p>Bronkhorst moest er om lachen: ’t was, vond hij, een eigenaardige speculatie.
-</p>
-<p>„Dat vind ik ook; ’t kost toch <span class="ex">beider</span> geld.”
-</p>
-<p>Het denkbeeld trof hem; niet omdat het nieuw was, maar hijzelf deed uit gewoonte altijd
-met zijn geld, wat hij wilde, zonder ooit zijn vrouw te raadplegen.
-</p>
-<p>„Je vindt het toch wel goed, Marie,” vroeg hij, „dat ik me in die zaak van Prédier
-heb gestoken?”
-</p>
-<p>Zij keek hem met haar groote oogen verwonderd aan.
-</p>
-<p>„Waarom zou ik het niet goed vinden?”
-</p>
-<p>„Wel, men kan niet weten; het is toch ook evengoed <span class="corr" id="xd31e259" title="Bron: jou">jouw</span> geld.”
-</p>
-<p>„Van die zaken heb ik geen verstand, Jean; dat weet je, en dan, ventlief, zooals jij
-doet zal ’t wel goed wezen.”
-</p>
-<p>Daar had je weer het vertrouwen! Zóó genoot hij dat nu als notaris algemeen, en dáárvan
-was hij overtuigd: als zoodanig was hij het waard ook. Hij had er uitstekend slag
-van de zaken voor anderen te behandelen; hij deed het gewetensvol en nauwgezet. Rijke
-Chineezen kwamen van heinde en ver hem in lastige, <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span><span class="corr" id="xd31e266" title="Bron: belangijke">belangrijke</span> zaken raadplegen, en ze wisten toch, dat de notaris hen geducht liet betalen. Maar
-hij bezat het welverdiende vertrouwen van iedereen voor ieders zaken; alleen miste
-hij dat van zichzelven voor zijn eigen zaken. Voor een ander zou hij niet half zoo
-gauw en zonder ernstig onderzoek tot de plannen van Prédier zijn toegetreden; waar
-het zijn eigen geld betrof, was hij losser.
-</p>
-<p>„Je moet me niet zoo onbeperkt vertrouwen.”
-</p>
-<p>„Verbeeld je! Als men ’n man heeft, die notaris is, en men vertrouwt hem niet.…”
-</p>
-<p>„Nu?”
-</p>
-<p>„Nu,” zei ze lachend, „dan moet hij toch ’n geduchte roover wezen.”
-</p>
-<p>Meelachend kuste hij haar; zei, dat ze er zonderlinge theorieën op na hield, en ging
-als gewoonlijk in opgeruimde stemming naar ’t kantoor, een oogenblik, met ongeduld
-door zijn vrouw verbeid; want dan ving haar opperheerschappij aan over de huiselijke
-zaken; dan begon de dagelijksche groote drijfjacht op vlekken en stof, op niet fraai
-gepoetste vorken en lepels en niet volkomen glinsterende messen; op scheurtjes en
-rafels in kinder- en huishoudgoed; dan ving het moment aan, waarop de toorn der huisvrouw
-zich doorloopend lucht gaf over het gebrek aan westelijke zindelijkheidsbegrippen
-bij <span class="ex">den</span> Javaan.
-</p>
-<p>De overdreven zin voor het huishoudelijke bij mevrouw Bronkhorst had onder de dames
-van ’t plaatsje aanvankelijk groote verbazing gewekt. Toen ze pas uit Holland kwam,
-ontving men haar met meer nieuwsgierigheid dan vriendelijkheid; de Indische dames
-beschouwden haar zoo’n beetje als ’n indringster. Als toch de notaris een vrouw had
-willen hebben, dan had hij, vonden ze, er immers een uit de Indische omgeving kunnen
-kiezen; er waren knappe jonge meisjes genoeg, die hem gaarne wilden hebben; hij had
-volstrekt niet naar Holland behoeven te gaan om een vrouw te halen met aschkleurig
-haar, en die den heelen dag koelie-werk deed in huis.
-<span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span></p>
-<p>Men kende het huis van den notaris algemeen onder den naam van het „paleis”. Toen
-Bronkhorst met zijn vrouwtje naar Indië kwam, had hij ’n keurige Europeesche inrichting
-meegebracht. Fraaie ameublementen, hoogst onpractisch en lastig om te behouden en
-te onderhouden, maar keurig mooi om te zien; stoelen met heerlijke overtrekken, die
-uitstekend aan hun bestemming beantwoordden, daar nooit iemand het waagde er op te
-gaan zitten; prachtige spiegels, mahoniehouten kasten, kostbare schilderijen en smaakvolle
-portières. Met den hartstocht van een huishoudelijke, welopgevoede dochter uit een
-nette burgerfamilie in Holland, had de jonge mevrouw Bronkhorst zich dadelijk geconstitueerd
-als slavin van al dat moois, behoudens de servituten haar door het moederschap opgelegd.
-</p>
-<p>Zoo was het haar gelukt al die schatten jaren te conserveeren en „zoo goed als nieuw”
-te houden, in vollen strijd steeds tegen de inlandsche menschen- en insectenwereld.
-</p>
-<p>Maar mooi was het, dàt erkende iedereen; veel mooier zelfs dan bij den resident, en
-zoo was het met alles, tot in de keuken, waar tot stomme verbazing van alle Indische
-menschen een glimmende <span class="ex" lang="fr">batterie de cuisine</span> aan den helderwitten muur prijkte, en tot in den stal, waar de twee spannen fraaie
-koetspaarden en het rijpaard van Bronkhorst hun omgezette gras en <span class="ex" lang="ms">gabah</span> op raadselachtige wijze schenen te verbergen.
-</p>
-<p>Wel honderdmalen werd mevrouw Bronkhorst over de uitkomsten harer slavernij gecomplimenteerd;
-vooral door de heeren, die verklaarden, dat het iemand „goed” deed, weer eens zoo’n
-keurig nette Europeesche inrichting te zien, maar die voor geen geld hadden gewild,
-dat <span class="ex">hun</span> vrouwen zooveel werk maakten van den inboedel.
-</p>
-<p>Het „paleis” had zijn vasten receptie-avond; men zat dan in de voorgalerij aan de
-eene zijde; iedereen, voorzoover hij door zijn maatschappelijke positie in aanmerking
-kwam, woonde die avondjes bij, en de resident, wien het <span class="ex" lang="fr">à fond</span> weinig kon schelen, zei wel eens quasi spijtig, dat het bij den notaris drukker toeging,
-<span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>dan bij hem, resident. Het was niet <span class="ex" lang="fr">pour les beaux yeux</span> van Bronkhorst en diens vrouw, schoon de laatste werkelijk mooie oogen had, dat de
-meesten kwamen; maar men zat er op zijn gemak bij den notaris, wat men niet deed bij
-den resident, en men kreeg buitengewoon fijne dranken en lekkere havanna’s, wat men
-ook al niet kreeg bij den resident, die zelf niet rookte en niet dronk, en dus vond,
-dat een en ander eigenlijk ook niet voegde aan de gemeente.
-</p>
-<p>De Borne’s waren ook gekomen en hadden hun neef, meneer Den Ekster, meegebracht, den
-koffieplanter <span class="ex" lang="fr">à la suite</span>.
-</p>
-<p>„Is je nicht niet meegekomen?” vroeg mevrouw Bronkhorst, die familiaar was met haar
-buurvrouw.
-</p>
-<p>„Zij laat zich excuseeren; ze had zoo’n vreeselijke hoofdpijn. Zeker van het zitten
-in den reiswagen, gisteren den heelen dag; ze had het al toen ze aankwam; ze is niet
-zoo heel sterk, weet je, en dan: ze trekt het zich nogal aan.…”
-</p>
-<p>„U is niet meer op het land, meneer Den Ekster,” zei vragend de resident op den meesterachtigen
-toon van iemand, die zich overal „aan het hoofd” gevoelt.
-</p>
-<p>„Neen, resident; de lui dachten dat ik de bladziekte kon weren, maar zóó knap ben
-ik niet.”
-</p>
-<p>„Ja,” was ’t antwoord met een zucht vol staatszorg, „dat is ’n leelijk ding.”
-</p>
-<p>„Zie je,” vervolgde mevrouw Borne tegen de gastvrouw, „zij is niet heel gelukkig met
-hem.”
-</p>
-<p>„’t Is erg jammer.”
-</p>
-<p>„Ja, er komt ook zóóveel bij. Geen kinderen, zie je, nooit.…. geen idéetje.”
-</p>
-<p>Mevrouw Bronkhorst keek haar even aan. Zij kon met het eigenaardig Indisch idioom
-maar niet terecht, en over zulke <span class="ex">idéetjes</span> van kinderen te spreken in gezelschap, hinderde haar.
-</p>
-<p>„Wil je ’n glas malaga?”
-</p>
-<p>Ja, dat was het eenige, waarmee de Indische kapiteinsvrouw <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>te vangen was, omdat het, vond ze, iets had van <span class="ex">stroop</span>, het eenige dat ze dronk behalve koffie en koud water.
-</p>
-<p>„Ik wou,” zei de kapitein met zijn luide commando-stem, „dat ik geld genoeg had, dan
-liet ik twaalf ankers malaga aanrukken.”
-</p>
-<p>„Hou je daar zoo van, kapitein?” vroeg de algemeene ontvanger.
-</p>
-<p>„Wel neen, maar daar kon ik mijn vrouw mee paaien.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah!</span>” riep deze reeds half boos, „laat mij er asjeblieft maar buiten.”
-</p>
-<p>Maar iedereen had er genoegen in en lachte.
-</p>
-<p>„Zoo! Moet mevrouw zoet worden gehouden?” vroeg de resident.
-</p>
-<p>„Terdege, hoor! Het is nu al zoover, resident, dat ik geen bittertje mag drinken of
-ik krijg er langs als een recruut van een vice-korporaal.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah</span>, toch!” herhaalde zijn vrouw met verwijtende blikken uit haar fluweelachtige zwarte
-oogen. Meer dorst ze niet zeggen, uit vrees voor den resident. Van alle kanten werden
-vroolijke opmerkingen gemaakt, volstrekt niet kwetsend voor haar. Integendeel, men
-mocht de Borne’s zeer gaarne. Hij was ’n flink militair en zij een goede, hartelijke
-vrouw, en ofschoon ze altijd ruzie hadden, hielden ze wezenlijk veel van elkaar. Zij
-was trotsch op hem, al beknorde ze hem aanhoudend, en in haar hart vond ze dat geen
-enkel man de vergelijking met hem kon doorstaan. En Borne zelf dacht altijd met liefde
-aan zijn knappe, kloek gebouwde vrouw; men kon, als ze ziek was, hem „onder een hoed
-vangen”; hij was dan niet uit het huis te slaan. Maar als ze beiden gezond en wel
-waren, hadden ze het altijd met elkaar aan den stok, en in hun pogingen om elkaar
-te overschreeuwen was dat gauw genoeg algemeen bekend geweest op de plaats.
-</p>
-<p>Toch waren ze gelukkig samen.… op hun manier.
-</p>
-<p>Toen ze van de receptie thuis kwamen, ging Den Ekster naar de logeerkamer om de zwarte
-jas, waarin de bergbewoner het op de vlakte ontzettend warm had, tegen ’n kabaja te
-verruilen.
-</p>
-<p>Zijn vrouw zat bij het flauwe licht van een oud-model hanglamp <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>naast de tafel op een wipstoel; ze was in sarong en kabaai. Toen ze hem hoorde aankomen,
-verborg ze haastig iets in haar <span class="ex" lang="ms">koetang</span>.
-</p>
-<p>Het was maar ’n brief van haar eenige zuster, ’n jong ding nog, van achttien jaren,
-maar die er reeds twee getrouwd was met een ambtenaar; als meisje vertelden zij elkaar
-alles, en nu ze gescheiden waren, bleef Lidia tegenover haar zuster even openhartig
-op het papier; zij had altijd een ergen hekel gehad aan haar zwager Den Ekster, doch
-zoolang deze als administrateur eener onderneming Betsy een goed leven bezorgde, ging
-het nog; nu hij buiten betrekking was geraakt en niet eens ’n spaarpot bleek te hebben,
-was de verachting van Lidia voor zijn persoon grenzenloos, en drukte zij zich in haar
-brief zoo onomwonden over hem uit, dat Betsy er mee verlegen zou geweest zijn, als
-hij ’t had gelezen. Er stond te veel in dien brief. Lidia bekeek daarin van alle kanten
-de vraag: hoe haar zuster van dien ellendigen kerel zou verlost raken; ze schreef
-over echtscheiding, ja gaf niet onduidelijk te kennen, dat zij, had ze <span class="ex">zulk</span> een man, in staat zou zijn hem uit den weg te ruimen.
-</p>
-<p>Terwijl het voorwerp dezer schoonzuster-liefde zich puffend en blazend ontdeed van
-zijn lakensch pak en zijn nauwe verlakte schoenen, wipte Betsy langzaam met haar stoel
-op en neer, en keek naar hem, in gedachten verzonken. Zij sprak niet en hij evenmin;
-ze hadden elkaar niets te zeggen; ze betreurden beiden, dat ze met elkaar getrouwd
-waren; voor de wereld hielden zij zich goed en waren vriendelijk tegen elkaar; niemand,
-dan haar zuster, haar tante en de oude meid, wist, dat het inderdaad een treurig huwelijk
-was. Toch was Den Ekster een knap man en zij een mooie appétisante vrouw, met een
-zeer ontwikkelde buste, wat niet belette, dat ze ’n fraaie taille had. En terwijl
-haar lichaamsvormen in hooge mate de gewone aantrekkelijkheden teekenden, gaf het
-ter weerszijden over het voorhoofd tot dicht bij de wenkbrauwen neergekamd golvend
-haar iets raphaëlachtigs aan ’t fijn profiel; iets, dat op de vulgaire bewondering
-van ’t sterkere geslacht <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>kalmeerend werkte. Die <span class="ex" lang="fr">coiffure</span> was geen mode meer, maar Betsy wist hoe goed ze haar stond en deed alsof de mode
-in dit opzicht uit de wereld was.
-</p>
-<p>Toen Den Ekster, niet aan het warme kustklimaat gewoon, uitgeblazen en uitgepuft was,
-ging hij in nachtbroek en kabaja de kamer uit; van onder haar half gesloten oogen
-gleed een donkere blik hem na; ’n blik vol minachting en haat, door een plooi om den
-mond krachtig versterkt.
-</p>
-<p>In een duisteren hoek van het vertrek zat een oude inlandsche vrouw op een matje;
-het was de meid, die Betsy gedragen had in de <span class="ex" lang="ms">slendang</span> en voor wie zij <span class="ex">nonna</span> bleef zoo goed als haar zuster, al trouwden zij ook honderdmalen. Betsy vond dat
-goed; ’t herinnerde haar den tijd, toen ze nog vrij was en bij haar ouders thuis ’n
-vroolijk leventje leidde, totdat.… het verwenschte oogenblik kwam, en zij zich liet
-bepraten door haar ouders, die haast hadden om van de meisjes „af” te komen en niets
-zoozeer vreesden dan met haar te „blijven zitten”.
-</p>
-<p>Van Den Ekster had zij een afkeer, en omdat ze hem nooit lief had gehad, vergaf ze
-hem nooit de geringste kleinigheid. Reeds van den eersten dag waren ze elkaar tegengevallen;
-haar stugheid had hem doen aarzelen; zijn aarzeling had haar nog stugger gemaakt;
-hij zocht zijn troost elders; zij had aan troost geen behoefte. Maar alles ging stil
-en fatsoenlijk, zonder één onvertogen woord, zonder één luidruchtige uitbarsting;
-met wederzijdschen stillen wrok, tegenover „de menschen” verborgen achter een vriendelijk
-masker.
-</p>
-<p>De oude meid, die dat alles van meet af had gezien, haatte den <span class="ex" lang="ms">toean</span> uit instinctmatig plichtbesef; dat hij haar nonna ongelukkig maakte, was voldoende
-om hem in haar oogen misdadig te doen zijn. In het begin, toen ze nog dacht, dat de
-<span class="ex">nonna</span> er om gaf, had ze voorgesteld geheimzinnige toovermiddelen op Den Ekster toe te passen
-om hem aan zijn vrouw te binden; maar Betsy had er om gelachen; <span class="ex">tjies!</span> had ze geroepen met een gebaar van walging; en in het Maleisch had ze haar hart uitgestort
-voor <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>de oude <i>baboe</i>, met een zenuwachtige woede, die men in gezelschap achter het kalme, fraaie uiterlijk
-niet zou gezocht hebben.
-</p>
-<p>Nu vertelde ze aan de <i>nènèh</i>, dat er een brief was van <i>nonna</i> Lidia, en de oude vrouw in ’t lange blauwe baadje en met de grijze achterover gekamde
-haren, kwam dichter bij de tafel, terwijl haar gerimpeld gezicht vol belangstelling
-naar den brief was gewend, alsof haar daaruit rechtstreeks de woorden bereikten, die
-Betsy tot haar sprak.
-</p>
-<p>„Zij is gelukkig,” zei de oude met een zucht. „Zij heeft altijd <i>oentoeng</i> gehad, van kleins af. Het ongeluk was voor u.”
-</p>
-<p>„Ja,” antwoordde Betsy, ook zuchtend, „het is zoo. Ik kan er niets tegen doen.”
-</p>
-<p>„Neen.… als het zoo wezen moet.”
-</p>
-<p>Mevrouw en de meid zwegen een oogenblik, onder den indruk van het onafwendbaar noodlot.
-</p>
-<p>„Hoe maakt het ’t kind?” vroeg de meid, doelend op Lidia’s jongske.
-</p>
-<p>„Heel goed, en zij is weer.…”
-</p>
-<p>„<span class="ex">Allah!</span>” riep de oude, de handen boven het hoofd heffend. „Zij heeft ook altijd, altijd geluk.”
-</p>
-<p>„Haar man is hooger in rang geworden.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Ija</span>,” stiet de meid uit met een <span class="corr" id="xd31e425" title="Bron: lenggerekte">langgerekte</span> <i>i</i> in een hoogen toon, en op een wijze alsof het haar niet zou verwonderen, wanneer
-<span class="ex">nonna</span> Lidia in haar achtergalerij een goudmijn had ontdekt.
-</p>
-<p>„Had u dien meneer Deier maar genomen; wie weet!”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Masa!</span>” viel Betsy verontwaardigd in. „Maar honderd gulden!”
-</p>
-<p>„Hij had geluk in zijn gezicht,” meende de oude, „en dat heeft <span class="ex">deze</span> niet; <span class="ex">zijn</span> gezicht verveelde me al, toen hij den eersten dag kwam.”
-</p>
-<p>Kuchend en steunend, louter uit gewoonte, en mompelend binnensmonds ging de oude weer
-naar haar matje. Betsy sloeg de armen achterover om de leuning van den stoel en wipte
-weer langzaam op en neer.
-<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span></p>
-<p>Neen, geen echtscheiding; dat was altijd compromitteerend, vond ze; als ze dàt gewild
-had, dan zou ze reeds lang zoover geweest zijn; maar zij had er tegen om haarzelve,
-en Den Ekster ook om zijn familie in Holland. En toch had het vooruitzicht om met
-hem te blijven voortleven veel van een aanhoudende wederzijdsche kwelling. „Als ik
-dan niet scheiden wilde,” had Lidia in haar verschrikkelijke openhartigheid geschreven,
-„als ik dan niet scheiden wilde van zoo’n ellendeling, dan zou ik wel voor iets anders
-zorgen.”
-</p>
-<p>Betsy las de woorden nog eens over. Verschrikkelijk! Die Lidia was toch een boosaardig
-nest. Zij, Betsy, had aan zoo iets nog nooit gedacht. Nu wilden die woorden haar niet
-uit de gedachten; ze brachten haar fantaisie aan het werk, en ze zag, ze zag in haar
-verbeelding.….
-</p>
-<p>„Hoe is het Bets, heb je kamerarrest?”
-</p>
-<p>Zij schrikte van oom Borne’s harde stem.
-</p>
-<p>„Kom,” zei hij vriendelijk, „blijf daar niet zoo alleen zitten. Kom in de voorgalerij.
-Wij zitten er gezellig.”
-</p>
-<p>Wat oom Borne verstond onder „gezellig”, strookte niet geheel met een dames-opvatting;
-hij begreep er onder, dat hij samen met Den Ekster vóór het diner nog een bittertje
-dronk, in het aangenaam vooruitzicht, dat in den naävond een paar heel familiare kennissen
-kwamen om ’n partijtje te maken; meneer in een wit jasje en mevrouw in négligé. En
-toen het zoo laat was, betrok het mannelijk deel van het gezelschap ’n speeltafeltje
-aan den eenen kant der galerij en homberde zwijgend en ernstig, als hingen hun grootste
-stoffelijke en zedelijke belangen af van de wisseling der kaarten. De dames whistten
-met den blinde en met „de klets”; al voortspelende hadden ze het druk over de menschen,
-die niet aanwezig waren, maakten ze <span class="ex" lang="ms">âtjar</span> of gaven elkaar recepten voor pudding en kwee-kwee, het een en ander afgebroken door
-geschillen over „wat” nu eigenlijk troef was, en door de verbaasde vraag van degene,
-die aan de voorhand zat, wie nu eigenlijk moest uitkomen, afgewisseld door quaestiën
-<span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>over het wasschen van de eene voor de andere, en het daarna aan den verkeerden kant
-neerleggen van de kaarten.
-</p>
-<p>Van tijd tot tijd keek kapitein Borne eens op en maakte zijn medespelers met een glimlach
-en een hoofdbeweging attent op het praten aan de andere zijde.
-</p>
-<p>„Ze maken weer groot <span class="ex" lang="ms">slem</span> met haar monden<span class="corr" id="xd31e469" title="Bron: ”,">,”</span> zei hij.
-</p>
-<p>„Hoor maar eens: rrrt!” ratelde de gast, het geluid van de whistende dames nabootsend.
-</p>
-<p>„Och, ze hebben gelijk,” meende Den Ekster, die altijd een goedaardige opinie had
-over de vrouwen, al hield hij niet van zijne eigene.
-</p>
-<p>Betsy was stil, en niettemin speelde zij afschuwelijk slecht.
-</p>
-<p>„Bets,” zei tante Borne ontevreden, „je bent vreeselijk <span class="ex" lang="fr">distrait</span> van avond.”
-</p>
-<p>„Ja, ik weet niet hoe het komt.”
-</p>
-<p>„Als je ’n jong meisje was,” zei de „visite”, „zou ik denken dat je verliefd waart.”
-</p>
-<p>Met een volmaakt gebaar van minachting, schokschouderde Betsy even. Zij verliefd!
-Het was die brief, die nare brief van Lidia.
-</p>
-<p>Toen tegen halftwee in den nacht de kaarten der drie dames reeds lang naar de huisjes
-waren teruggekeerd en de afrekening met een paar kwartjes was gesloten, annonceerden
-de heeren „de laatste”, rekenden af en stonden op. Oom Borne wilde nu, dat zij op
-hun gemak ’n brandy soda zouden drinken, maar de visite ging naar huis, en mevrouw
-Borne en Betsy gingen slapen, wat den kapitein niet belette alleen met Den Ekster
-zijn spiritualiën-plan ten uitvoer te brengen.
-</p>
-<p>Het was voor Betsy een hoogst onaangenaam leven. Op het land hadden zij elk hun eigen
-kamer en kwamen niet meer dan strikt noodzakelijk was met elkaar in aanraking. Hier
-kon dat niet. Tante Borne had slechts één beschikbaar vertrek met één bed; en nu was
-ze volstrekt niet bevreesd voor familiariteiten,—noch hij, noch zij zouden daartoe
-aanleiding geven of vinden,—<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>maar toch hinderde het haar, dat hij naast haar sliep, en deze afkeer was zoo wederkeerig,
-dat in het groote tweepersoonsledikant elk hunner gestrekt tegen de klamboe lag met
-een breede plaats tusschen hen open, die altijd ongerept bleef.
-</p>
-<p>Zij kon niet slapen; ze had nu werkelijk hoofdpijn van het denken over den inhoud
-van dien brief; in huis was het stil; tante Borne sliep en haar kinderen ook; slechts
-nu en dan hoorde men een onvast stemgeluid uit de aangrenzende kinderkamer, als een
-der kleinen zijn onschuldige droomen hardop droomde: van ’t gesprek der twee mannen
-in de voorgalerij hoorde men in het achterhuis niets; de oude meid sliep rustig op
-haar matje; flauw verlichtte ’t brandend pitje in het glas met klapperolie de eenvoudige
-kamer, trok op de bruine tafel een grooten schaduwcirkel, en teekende op de witte
-muren den halven omtrek der kasten. Als een vlindertje in ’t vlammetje vloog, het
-op en neer deed dansen en daarmee al de schaduwen op de muren in beweging scheen te
-brengen, dan schrikte Betsy en voer haar een rilling langs den rug. Ze vond het dwaas
-en kinderachtig; ze had zeker binnenkoorts, dacht ze, en met haar oogen wijd open,
-staarde ze naar het licht. Maar het hielp niet. Haar anders zoo kalm hoofdje werkte
-onregelmatig, en ze zag in haar verbeelding akelige dingen: het nare gezicht van Den
-Ekster met zijn blonden baard, blauwbleek, strak en met gesloten oogen; zij deed zelfs
-de oogen dicht, maar ’t hielp evenmin, want ze zag het toch, dat gezicht, op en neer
-dansend zonder romp; en daarachter kwam dat van de oude meid met afzichtelijke grijnzende
-trekken.
-</p>
-<p>Zij streek de haren van haar klam voorhoofd weg en stond op; het was in dat bed niet
-uit te houden; zenuwachtig opende zij de kast, nam er een doosje quinine-pillen uit,
-en slikte haastig een vijftal naar binnen. Door het kraken van de kastdeuren was de
-baboe ontwaakt en had ze zich opgericht.
-</p>
-<p>Betsy nam een kussen uit het bed en wierp het op de mat, naast dat van de meid.
-</p>
-<p>„Er zijn veel muskieten,” zei deze.
-<span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span></p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah.</span>”
-</p>
-<p>„De grond is hard.”
-</p>
-<p>„Houd den mond, <span class="ex">nèh</span>, en ga slapen.”
-</p>
-<p>Maar de oude deed dat niet; zij stond op, steunend en mompelend, ging naar de binnengalerij,
-haalde een bultzak van een divan en sjouwde die naar de plaats waar haar <span class="ex">nonna</span> lag. De steenen vloer voelde werkelijk hard door de dunne mat heen. Betsy glimlachte,
-ging op den bultzak liggen en zei in ’t Hollandsch:
-</p>
-<p>„Je bent ’n goeie ouwe ziel, ja!”
-</p>
-<p>De oude gaf door niets te kennen, dat ze dit verstond of begreep. Ze nam een waaier
-van de toilettafel en hield, al waaierend, de gonzende muskieten, die haar meesteres
-bedreigden, op een afstand; rustig sliep Betsy in; honderden malen was ze zóó ingeslapen,
-toen ze nog vrij was.
-</p>
-<p>Zóó vond haar Den Ekster tot zijn groote vreugde. Behaaglijk strekte hij zich uit
-in het ruime bed. Hij was al bang geweest, dat ze er in zou liggen en was het met
-zichzelven niet eens kunnen worden of hij den nacht dan maar niet verder zou doorbrengen
-in een luierstoel in de achtergalerij. En <span class="ex">attendant</span> had hij oom Borne aan den praat en aan de brandy gehouden tot halfvier.
-</p>
-<p>„Jij bent ook een plakker, jij,” had de kapitein lachend gezegd. „<span class="ex" lang="ms">Ajo</span>, marsch, naar je kooi!”
-</p>
-<p>En nu vond hij de baan vrij!
-</p>
-<p>De haat, dien de oude Sarinah haar heer en meester toedroeg, werd volkomen gedeeld.
-Hij beschouwde haar als een sta-in-den-weg; toen ze pas getrouwd waren, en het nog
-zoo ver niet was gekomen tusschen hen, had hij Betsy wel eens verzocht de baboe weg
-te zenden, desnoods met levenslang behoud van traktement. Er was geen sprake van.
-Hij had het in dien tijd op allerlei wijzen beproefd: met goeden raad, met zachtzinnigheid,
-met toorn,—’t was alles vruchteloos; toen had hij getracht de meid zelve te noodzaken
-heen te gaan: hij schold haar, behandelde haar hard, beschuldigde haar van diefstal,—’t
-hielp even weinig: ’t mensch zweeg. Maar wie daarbij <span class="ex">niet</span> zweeg was <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>Betsy; zij was woedend, en Den Ekster moest haar stille, maar venijnige hatelijkheden
-verduren, tot hij het opgaf.
-</p>
-<p>Na dien tijd beproefde hij het nooit weer, en daar de kloof tusschen hem en zijn vrouw
-voortdurend grooter werd, was er ook minder aanleiding toe dan vroeger.
-</p>
-<p>Toen hij opstond was het reeds laat. Van Betsy was geen spoor te ontdekken; die zat
-reeds lang bij haar tante in de achtergalerij, en de kapitein was al vroeg vertrokken,
-voor den dienst.
-</p>
-<p>„We zullen straks eens naar „hier naast” gaan,” zei tante Borne. „Zij is een echte
-<span class="ex" lang="ms">totok</span>, maar ’n lief, goed mensch.”
-</p>
-<p>„We moesten liever eens naar de pasar gaan,” meende Betsy.
-</p>
-<p>„Neen, Bets. Ik heb het haar beloofd, en je moet voor de aardigheid zien wat een mooie
-poppenkast het is.”
-</p>
-<p>„Zijn ze rijk?”
-</p>
-<p>„Nu, dat zou ik denken. De resident zei laatst, dat Bronkhorst wel voor dertig duizend
-gulden aan inboedel had. Kijk,” ging ze voort over den pagger wijzend naar het erf
-van den notaris, „kijk, ze gaat rijden met de kinderen: dat doet ze elken ochtend;
-soms komt ze vragen of ik mee ga.”
-</p>
-<p>„En gaat u?”
-</p>
-<p>„Wel waarom niet? ’t Is lekker.”
-</p>
-<p>„Ik zou niet willen. Als ik ’t zelf niet kon betalen, dan zou ik niet willen gaan
-toeren in den wagen van een ander.”
-</p>
-<p>„Je bent ’n pretentieus nest,” zei tante Borne dreigend. „Ik ben blij, dat ik zoo
-gek niet ben. Oom is kapitein; dat is een mooie, eervolle positie, zoo goed als die
-van tien pennelikkers, hoor! Maar geld overhouden kunnen we niet; daar zorgt ’t gouvernement
-wel voor. Iedereen mag gerust weten, wie mevrouw Borne is, en als wij geen wagens
-en paarden kunnen houden, dan zijn we er toch niets minder om; en als.….”
-</p>
-<p>„Heerejé, tante, maak u niet boos. Het is de moeite immers niet waard. Er steekt zeker
-niets in, alleen: <span class="ex">ik</span> zou het niet doen.”
-</p>
-<p>Maar tante was er niet tevreden over, dat kon men haar oogen wel aanzien; toch ging
-ze er niet op door, want ze wilde geen <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>twist hebben met Betsy, dáárvoor had ze aan haar man genoeg.
-</p>
-<p>Omstreeks halftwaalf wandelden de dames in sarong en kabaai en met groote parasols
-boven het hoofd het erf van mevrouw Bronkhorst op; men kon niet vroeger bij haar komen,
-had tante Borne gezegd, want het mensch had het altijd zoo vreeselijk druk met het
-huishouden, en was nooit vroeger dan halftwaalf te spreken. Zelfs nu nog troffen zij
-haar aan in een slaapsarong en een vuile kabaja.
-</p>
-<p>„Och, mevrouw Borne, ga even zitten als je wilt; ik ben in twee minuten klaar, maar
-ik heb het ook van ochtend zoo vreeselijk druk gehad, dat ik nog geen tijd kon vinden
-om me wat op te knappen.”
-</p>
-<p>Terwijl de vrouw des huizes bezig was zich „op te knappen” en tante Borne in een Palembangschen
-wipstoel zat te schommelen, liep Betsy de binnengalerij rond over de gladde marmeren
-steenen, gepolijst als ’n dansvloer. Wat was dat alles keurig net! Zij kon haar oogen
-niet verzadigen. Zulk een verzameling van fraaie kleinigheden, en zulke kostbare groote
-meubelen had ze nog nooit gezien. En welk een zilverkast!
-</p>
-<p>„Ziezoo,” zei mevrouw Bronkhorst, die inderdaad heel gauw klaar was. „Ziezoo, nu ben
-ik ’n beetje presentabeler. Wel mevrouw Den Ekster, is het nogal naar uw smaak?”
-</p>
-<p>„O, mevrouw, ’t is goddelijk!”
-</p>
-<p>„Noem haar maar Betsy,” zei mevrouw Borne: „ze is nog zoo jong.”
-</p>
-<p>„Welzeker; ik vind het wel zoo prettig als u mij bij den naam noemt.”
-</p>
-<p>Mevrouw Bronkhorst keek haar eens aan.
-</p>
-<p>Ja, jong was ze en mooi ook, dat was waar, daarop viel niets af te dingen; het eenige
-wat de notarisvrouw overwoog, was of het verjeugdigen dier getrouwde vrouw haarzelve
-niet te oud deed schijnen. Doch ze stapte er overheen.
-</p>
-<p>„Nu, Betsy dan. Hoe is het met de hoofdpijn?”
-</p>
-<p>„Dank u, die is gelukkig verdwenen.”
-<span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span></p>
-<p>„Erg lastig, nietwaar? Kijk, daar komt mijn man. Ik heb hem laten roepen; het is dezer
-dagen zoo druk niet op ’t kantoor; hij kan ons best ’n uurtje gezelschap komen houden!”
-</p>
-<p>Nieuwsgierig keek Betsy naar den notaris; welk een man moest het zijn, die zooveel
-pinterder was dan al die anderen, dat hij geld genoeg verdiende en rijk genoeg was
-om allen te overbluffen.
-</p>
-<p>Zoo men al niet kon zeggen, dat de notaris door zijn uiterlijk dat van Den Ekster
-in de schaduw stelde,—voor dezen onderdoen behoefde hij niet. Daarentegen was hij
-beschaafder en bewoog hij zich gemakkelijker tegenover dames; er lag bovendien een
-innemende vriendelijkheid op zijn gelaat, die weerklank vond in den toon zijner stem.
-Hij beviel Betsy uitstekend. Welk een onmogelijk individu was zoo’n Den Ekster, vond
-ze, vergeleken bij een man als deze! Zelfs oom Borne, hoe goedhartig en braaf, kon
-met zijn talrijke bittertjes en luidruchtige manieren niet in een vergelijking komen.
-Bronkhorst vond haar ook een lief, sympathiek vrouwtje, en sprak nogal druk met haar.
-</p>
-<p>„Was het vóór uw trouwen hier ook zoo mooi?” vroeg ze hem, toen hij haar eenige inlichtingen
-had gegeven over ’n paar schilderstukken, die binnen aan den wand hingen.
-</p>
-<p>„Neen. Ik woonde niet eens hier, maar had mijn kamers in het logement.”
-</p>
-<p>„Dus bracht mevrouw het mee?”
-</p>
-<p>„Dat nu juist niet. We hebben het samen gekocht in Europa.”
-</p>
-<p>„Gelukkige menschen! Ik ben dol op mooi goed.”
-</p>
-<p>Tante Borne keek haar even aan; zij begreep niet waarom haar nichtje zoo ongevraagd
-zat te jokken, want ze wist heel goed, dat ze niets gaf om meubelen, en, wat <span class="corr" id="xd31e582" title="Bron: fraaiïgheden">fraaiigheden</span> aanging, slechts voor mooie toiletten en mooie paarden hart had.
-</p>
-<p>„Och,” antwoordde Bronkhorst eenigszins aarzelend, „als men het eenmaal heeft.….”
-</p>
-<p>„Hu ja, u kunt er gemakkelijk over praten.…. wat men ontbeert leert men appreciëeren.….”
-</p>
-<p>De notaris bleef het antwoord schuldig. ’t Was, vond hij, <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>pijnlijk. Dienzelfden ochtend nog had hij, sprekend met Prédier, aan den betrekkingloozen
-Den Ekster gedacht, en gevraagd of zij hem niet op hun nieuwe onderneming zouden kunnen
-gebruiken. Doch Prédier had er geen ooren naar. Den Ekster was, zei hij, lui, dom
-en verwaand, en van zulke menschen moest hij op het land niets hebben. Wel was hij
-eerlijk, maar, zei Prédier, ik heb nog oneindig liever een knappen, werkzamen vent,
-die me tracht te bestelen; tegen dat laatste zal ik dan wel waken! Daartegen viel
-weinig te zeggen, en hoe gaarne Bronkhorst uit aangeboren hulpvaardigheid ook „iets”
-voor den neef van zijn buurman zou gedaan hebben,—op deze onderneming, waarvan hij
-veel verwachtte en die aardig wat geld kostte, mocht hij niemand pousseeren, die bekend
-stond als lui en dom.
-</p>
-<p>„Heeft uw man al pogingen gedaan?”
-</p>
-<p>„Och, notaris!” viel mevrouw Borne in, „als u iets voor hem hoorde, ja? Het is in
-den tegenwoordigen tijd zoo moeilijk.”
-</p>
-<p>„’t Is aan den eenen kant wel gelukkig dat u geen kinderen hebt,” meende mevrouw Bronkhorst,
-met de beste bedoeling iets in het midden brengend, dat door ’n Indische vrouw altijd
-wordt beschouwd als een hatelijkheid. Het lichtte eventjes onder de neergeslagen oogleden
-en de donkere wimpers van Betsy; ze zuchtte en glimlachte droevig.
-</p>
-<p>„Het is alles heel treurig voor ons. Daar zitten wij nu op tante’s dak, en indien
-zij ons niet wilde logeeren, dan zou ik niet weten waar we heen moesten, als Den Ekster
-niet spoedig iets anders kreeg. En ik vrees.…. want ik weet niet of hij er wel zooveel
-moeite voor doet als noodig is.”
-</p>
-<p>Bronkhorst had het niet willen zeggen, maar inderdaad, dàt vond hij ook. Die jonge
-vrouw had meer verstand dan haar man. Of had die Den Ekster, toen hij op de receptie
-was, zich niet met ’n enkel woord kunnen aanbevelen bij den resident en bij hem? Dat
-zou toch eenvoudig en verstandig zijn geweest. In plaats daarvan poseerde hij als
-de vermoorde onnoozelheid en <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>hing den zondebok uit, door onoordeelkundige eigenaren in de woestijn gezonden, beladen
-met al de ongerechtigheden der bladziekte.
-</p>
-<p>„Het is,” zei hij met een ernstig gezicht, „tegenwoordig geen gekheid buiten emplooi
-te zijn. U moet hem maar aan het verstand brengen, dat hij ’t niet lichtvaardig opneemt,
-maar in ernst moeite doet.”
-</p>
-<p>Zij schudde het hoofd.
-</p>
-<p>„Dat helpt niet.”
-</p>
-<p>Zie je wel, dacht Bronkhorst; dan had Prédier toch gelijk en was die Den Ekster verwaand
-ook. Hij voelde dat hij een hekel kreeg aan dien man, terwijl hij het in zichzelven
-zonde en schande noemde, dat zoo’n lief vrouwtje zich aan zoo’n nonsens-vent had verslingerd.
-Nu kon hij niets voor hem doen, en hij wilde dat ook niet; maar toch om harentwille
-zou hij zich gaarne moeite hebben gegeven.
-</p>
-<p>„’t Is jammer,” zei hij toen de dames afscheid hadden genomen, „dat dit jonge vrouwtje
-zoo’n naren man heeft.”
-</p>
-<p>„Ja,” antwoordde Marie, „het is geen gelukkig huwelijk, heeft mevrouw Borne me verteld.
-Ze kunnen niet best met elkaar overweg.”
-</p>
-<p>„Dat wil ik waarlijk wel gelooven; zoo’n kerel, die lui, dom en pedant is.….”
-</p>
-<p>„Hoe weet je dat?”
-</p>
-<p>„<span class="corr" id="xd31e610" title="Bron: Prèdier">Prédier</span> zei het, en ik geloof het nu ook.”
-</p>
-<p>Het viel de notarisvrouw tegen. Zij had er juist aan gedacht de hulp van haar man
-in te roepen ten behoeve van Den Ekster, met het oog op die koffie-onderneming, waarin
-hij en Prédier betrokken waren.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>„Hoe <span class="corr" id="xd31e619" title="Bron: vindt">vind</span> je hen?” vroeg mevrouw Borne onder ’t huiswaarts keeren.
-</p>
-<p>„Háár.…. zóó.…. Hem vind ik een aangenaam mensch; men moet zoo’n vlegel tot man hebben
-als de mijne om een ander op prijs te stellen.”
-<span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p>
-<p>Het hinderde tante Borne. Zij, Betsy, mocht dan tegen haar man hebben wat zij wilde,
-maar het paste haar niet hem achter z’n rug uit te schelden.
-</p>
-<p>Toen ze thuis kwamen, was tante bijzonder vriendelijk tegen neef, die zich dat kalm
-liet welgevallen. Den Ekster was een eigenaardig man met een karakter, dat ’n groote
-mate van onverschilligheid tot breeden grondslag had. Hij hield van alles wat goed
-was, maar kon het ook ontberen zonder morren. Daar hij in Nederland op de landbouwschool
-geweest was, verbeeldde hij zich ver boven Indische planters te staan, en gevoelde
-hij voor deze <span class="ex">practici</span> een souvereine minachting. Overigens bedaard, weinig sprekend bij volkomen ontstentenis
-van wat men ’n <span class="ex" lang="fr">flux de bouche</span> noemt, was hij onder de veelpraters zeer gezien, omdat hij hen geduldig aanhoorde
-en nooit in de rede viel. Oom Borne, een gezellig praatvaâr, mocht hem graag en noemde
-hem een lobbes, en tante Borne, die het mee niet aan radheid van tong ontbrak, hield
-ook veel van den aangetrouwden neef, tot wiens groote gaven nog behoorde, dat hij
-haar spijzen roemde en de <span class="ex">kwee-kwee</span> lekker vond, waaraan de goede kapiteinsvrouw in het zweet haars aanschijns alle zorgen
-had besteed. Het was waar, Betsy was van haar eigen familie, en daar had ze ’n groot
-zwak voor, maar in haar hart hield ze veel van den „armen jongen”, die nu weer zonder
-z’n schuld buiten betrekking was geraakt.
-</p>
-<p>„Als we morgenavond eens ’n paar menschen vroegen?” opperde zij, toen ze na de rijsttafel
-met den kapitein in hun kamer was. Dat deed ze zoo altijd; na de rijsttafel was Borne
-het best in zijn humeur.
-</p>
-<p>„Wel, dat is uitstekend. Als je maar zorgt, dat ik een partijtje heb.”
-</p>
-<p>„Natuurlijk, vent. Ik zal.…”
-</p>
-<p>Er volgde een opsomming van de uit te noodigen gasten, waaronder ook de notaris Bronkhorst
-en diens vrouw.
-</p>
-<p>„Jammer, dat hij niet <span class="ex">hombert</span>,” meende de kapitein met glinsterende oogen.
-<span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span></p>
-<p>„Och waarom? Er zijn immers heeren genoeg.”
-</p>
-<p>„Ja maar zie je, met die gaat het maar om een gewoon tariefje. Als ik dien notaris
-eens te pakken kon krijgen.…”
-</p>
-<p>„Dan verloor je misschien op den koop toe.”
-</p>
-<p>Maar de kapitein glimlachte slim. Hij was sterk in het spel, dat wist hij, en <span class="ex">als</span> een „kleintje” er maar even was door te halen, dan kon men zeker zijn dat het hem
-niet ontging.
-</p>
-<p>Het denkbeeld lachte hem zoo toe, en in zijn verbeelding zag hij reeds „’n potje”
-vol „kapitalen” van den notaris, dat hij, Borne, „in de wacht sleepte.”
-</p>
-<p>Maar zoo’n man homberde niet! Dat whistte met de dames! „Net ’n wijf,” dacht de kapitein;
-met ’n boos gezicht keerde hij zich met ’n ruk om in bed van den eenen breeden schouder
-op den anderen, en verontwaardigd sliep hij in.
-</p>
-<p>Het was nu toch ’n heel ander gezicht bij de Borne’s, dan wanneer ze <span class="ex" lang="fr">en petit comité</span> waren! Bronkhorst was „ingedeeld” met Betsy en nog ’n paar dames; hij was zeer galant
-voor haar en verstond de kunst met gratie te verliezen. Zij coquetteerde ’n beetje;
-zij was verreweg de mooiste van het drietal aan de speeltafel, en onwillekeurig keek
-de notaris nogal dikwijls naar haar; het was alsof zij ’t voelde, en als zij met ’n
-fijn glimlachje dan de oogleden opsloeg en met haar flonkerende zwarte oogen hem recht
-in de zijne keek, dan was het als spoorde hem dat aan zich in haar oogen behaaglijk
-te maken. Maar hij dacht daarbij aan niets. Hij hield veel van zijn vrouw; geen oogenblik
-ging hij in gedachten verder dan de omstandigheden van het oogenblik, en die waren,
-dat hij met een mooie jonge vrouw ’n partijtje maakte en vriendelijk tegen haar was.
-</p>
-<p>Toen de gasten heengingen, keek Betsy hen na, voorzoover de halve duisternis het veroorloofde;
-eigenlijk zag ze alleen het prachtig toilet van mevrouw Bronkhorst, en daarna viel
-haar oog op haar eigen eenvoudig bruin kleedje met lichter bruin gegarneerd. Wat waren
-die menschen gelukkig boven allen! Zou zoo iets ooit voor haar zijn weggelegd, gebonden
-als ze was aan dien <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>„kalen jakhals” buiten emplooi, dien ze bovendien nog haatte ook! Wat leek het duister
-in de voorgalerij, nu!
-</p>
-<p>„Ik ga me gauw uitkleeden,” zei tante Borne.
-</p>
-<p>„Wij moesten ons ook lekker maken,” meende de kapitein doelende op zichzelven en op
-Den Ekster.
-</p>
-<p>„Dat is ’n goed idée,” zei deze.
-</p>
-<p>Ze gingen ’t huis binnen. Betsy bleef; ze wilde wachten tot „die vent” terug was,
-dan behoefde zij niet tegelijk met hem in de kamer te zijn. Terwijl de bediende de
-speeltafeltjes binnenhaalde en de kaarten en fiches opborg, liep Betsy de galerij
-op en neer. God, god, welk een leven! Te zien, hoe onbeduidend andere vrouwen van
-uiterlijk zijn; te weten, dat men zelf haar in schoonheid overtreft; te ervaren, dat
-zij in weelde zwemmen, en zelf gedoemd te zijn tot <span class="ex" lang="fr">misère</span>,—ze kneep haar waaier haast stuk van woede, maar ze betoomde zich, want ’t was haar
-eenige goede.
-</p>
-<p>En al dat jammer omdat ze als ’n slavin was gebonden aan „dien vent”! O, maar het
-was schandelijk en belachelijk tevens, en Lidia.… Ze durfde ’n oogenblik haar gedachten
-niet te laten voortgaan, ’t Was om er koud van te worden! Bovendien: zou God zoo’n
-misdaad niet verschrikkelijk straffen? Het denkbeeld hield haar ’n oogenblik bezig.
-Zij was gedoopt en aangenomen, maar ze had niettemin altijd erg weinig „gedaan” aan
-godsdienst; ze wist er zoo goed als niets meer van, en ze „deed” er sedert haar aanneming
-in ’t geheel niet meer aan.
-</p>
-<p>Toch hield de vrees een oogenblik haar hart benepen, maar met haar gewoon onverschillig
-schokschouderen, liet zij het denkbeeld los. Als er een God was, die zich met iets
-bemoeide, dan had hij maar moeten zorgen, dat zij niet zoo’n man had gekregen.
-</p>
-<p>Toen Den Ekster uit de kamer kwam en zij er binnen ging liep hij haar bijna omver.
-Het kwam niet bij hem op zich met een enkel woord te verontschuldigen; in zijn oogen
-was zij weinig meer dan een knappe baboe met <span class="ex">tinka’s</span>. Vol minachting keek hij op haar neer en ging zijns weegs.
-<span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span></p>
-<p>In de kamer ontkleedde haar de meid, alsof zij een kind was; haar rol was daarbij
-volkomen passief; toen ze uitgekleed op den stoel zat en de oude voor haar neerhurkte
-om haar kousen uit te trekken, stak ze niet eens het fraai gevormde been uit, maar
-liet het de meid opnemen, die het met den hiel op haar eigen knie plaatste, om te
-beletten, dat het in slappe indolentie weer terugviel.
-</p>
-<p>Doch in haar hoofd was het zoo kalm niet; zij was bleek en staarde op een onverschillig
-punt, in gedachten verdiept.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah!</span>” zei de meid met een zucht, na de tweede kous.
-</p>
-<p>„Weet je wat mijn zuster schreef?”
-</p>
-<p>„Misschien.”
-</p>
-<p>„Wat! Misschien? Hoe kan jij ’t weten?”
-</p>
-<p>De oude schudde het hoofd.
-</p>
-<p>„Ik denk zoo maar.”
-</p>
-<p>„Je kunt het niet denken,” zei Betsy; ze sprak zacht, maar snel en zenuwachtig; „je
-kunt het niet denken, <span class="ex">nèh!</span> Hoe kan jij weten, wat nonna Lidia schrijft in een brief?”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet; ik ken nonna Li, zooals ik nonna Betsy ken. <span class="ex">Allah!</span> ze waren nog slechts zóó klein.”
-</p>
-<p>Mevrouw Den Ekster werd een beetje bang; ofschoon ze het mensch bejegende met de afwisselende
-wreedheid en aanhaligheid, die Indische kinderen voor hun bedienden aan den dag leggen,
-koesterde zij toch eenige vrees voor de tooverachtige geheimzinnigheid, die de oude
-soms deed blijken; dat was haar bijgebleven uit den tijd toen Sarinah voor haar kinderbedje
-zat te vertellen van de <span class="ex" lang="ms">gendhroewo</span>, die buiten in de duisternis achter de boomen gluurde.
-</p>
-<p>Zij vermande zich en trachtte te glimlachen.
-</p>
-<p>„Je bent erg <span class="ex">pinter</span>, <span class="ex">nèh</span>, dat je raden kunt, wat anderen schrijven.”
-</p>
-<p>„Misschien! Men kan niet weten!”
-</p>
-<p>„Nu zeg het dan, als je het weet,” zei Betsy boos. „Sta dan zoo dwaas niet te praten.”
-<span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span></p>
-<p>Steunend als naar gewoonte, kwam de oude naar haar toe, liep tot naast haar stoel,
-en met de hand op de leuning zich vooroverbuigend, fluisterde zij haar meesteres iets
-in, en ging daarna zuchtend en mompelend naar haar matje terug om uit te rusten.
-</p>
-<p>Betsy bleef onbeweeglijk zitten en zag verschrikt naar de gebogen figuur in het lange
-blauwe baadje, die in den half duisteren hoek der kamer neerhurkte.
-</p>
-<p>Het duurde wel een minuut vóór zij iets zei, en in dit tijdsverloop snelden haar gedachten
-voort. Ze voelde nog wel een grooten angst voor het idée, als voor iets dat onberekenbare
-gevolgen kan hebben, maar toch begon ze er meer aan gewoon te raken, en eigenlijk
-verheugde het haar, dat ze er nu voortaan met de meid over kon praten, zonder dat
-ze haar iets had behoeven te vertellen.
-</p>
-<p>„Je bent toch zeer slim,” zei ze tot Sarinah, en toen deze zich niet geneigd betoonde
-om op dit compliment te antwoorden, ging ze voort:
-</p>
-<p>„Het is erg slecht.”
-</p>
-<p>„Als men een slang ontmoet, slaat men haar dood.”
-</p>
-<p>„Een slang is wat anders.”
-</p>
-<p>„Somtijds veel minder erg.…. ah!.…. hu!.…. oh!.….” zuchtte en steunde Sarinah.
-</p>
-<p>Betsy deed een kabaja aan en ging oom en tante goeden nacht zeggen; de laatste, in
-haar kamer, sliep reeds bijna; oom zat met Den Ekster ’n grogje na te drinken, en
-daar <span class="ex">hij</span> niet zien mocht <span class="ex">hoe</span> de eigenlijke verhouding was tusschen het jonge echtpaar, riep zij uit de binnengalerij
-naar voren: „Wel te rusten!”
-</p>
-<p>„Dag beste meid, vergeet niet je mooie oogen dicht te doen,” antwoordde de kapitein
-op vroolijken toon. Den Ekster bromde iets in z’n baard.
-</p>
-<p>Zij sliep nu elken nacht op den bultzak op den grond; tante Borne wist het wel, maar
-deed alsof ze niets merkte, en de kapitein was van die dingen volstrekt niet op de
-hoogte.
-</p>
-<p>Haar slaapplaats was reeds door de oude gereed gemaakt; het <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>mensch zat te wachten met den waaier. Betsy ging eerst op haar harde matras zitten;
-ze moest iets zeggen, het kostte wat het mocht, maar de woorden wilden haar niet over
-de lippen; haar hart stond bijna stil en haar hoofd klopte, als onderging zij met
-schuldgevoel een scherp onderzoek; zij voelde haar handen en voeten koud worden als
-steen, en haar mond werd droog van binnen. Sarinah zat er bij als een stomme; ze vroeg
-niets, stond zachtjes steunend op, schonk water in een glas uit den <span class="ex" lang="ms">gendih</span> en reikte het haar toe. Ruw stiet zij de bruine gerimpelde hand weg, zoodat het water
-over den vloer spatte, en zag hevig verschrikt de oude aan.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Masa!</span>” riep deze afkeurend.
-</p>
-<p>„<span class="ex">Nèh</span>, ik ben bang van je! Ga weg, ga weg!” fluisterde Betsy in groote opgewondenheid.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Oeah!</span> Waarom is de <span class="ex">nonna</span> bang voor haar oude <span class="ex">baboe</span>?”
-</p>
-<p>„’t Is slechts gekheid; <span class="ex">nèh</span>; ik ben kinderachtig, ja! Geef me het water maar; het is heel goed van je.”
-</p>
-<p>Zij dronk en ’t bedaarde haar een weinig, maar toen Sarinah haar gewone plaats op
-het matje had ingenomen, kwamen dezelfde physiologische verschijnselen weer terug,
-en het was de oude meid alsof haar verdroogde vingers een ijsbad namen, toen Betsy
-ze greep met beide handen en bijna onhoorbaar vroeg:
-</p>
-<p>„Zou je het durven?”
-</p>
-<p>Het antwoord bleef ’n oogenblik uit; de <span class="ex">baboe</span> zag met haar doffe onverstoorbare oogen in ’t ontstelde, verwrongen gezicht van het
-mooie vrouwtje; en ze glimlachte vredig en streek zacht over den rijkdom van glanzend
-zwart haar, zooals ze het ’t kleine kind had gedaan en het opgroeiend meisje, waarover
-ze gewaakt had dag en nacht, en dat nu zoo ongelukkig was.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Boleh tjobah</span>,” antwoordde ze zacht.
-</p>
-<p>Toen volgde een fluisterend gesprek tusschen beiden, tot Betsy opstond, met bevende
-handen de kast opende en uit haar beursje een paar gouden tientjes nam; het was een
-klein deel van wat ze op het land had bespaard, maar dat in de dagen van tegenspoed
-<span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>reeds aanmerkelijk was geslonken. Sarinah stak het geld in een vuil katoenen zakje,
-dat ze oprolde en tusschen haar sarongband verborg.
-</p>
-<p>De oude hand met den waaier erin was reeds lang gedaald en het grijze hoofd lag op
-het onzindelijk kussentje, waarop het gewoonlijk rustte; Den Ekster sliep reeds en
-snorkte zoo hard dat de glasruiten er van rinkelden; maar Betsy was, hoewel zij stil
-lag en met gesloten oogen, nog klaar wakker midden in den nacht. Zij <span class="ex">kon</span> niet slapen. Wel beving haar nu en dan een loodzwaar gevoel van verdooving, zoodat
-het was alsof ze haar arm niet kon oplichten of haar hoofd niet kon bewegen, maar
-haar geest bleef waken, denkend over dat ééne onderwerp, het beziende van alle kanten,
-het wikkend in alle voor en tegen, in alle zelfs zijn meest veraf liggende fantastische
-gevolgen. Nu en dan liep haar een rilling over het lijf alsof ze koorts had en een
-dreunend pijnlijk gevoel trok haar door het hoofd van den eenen kant naar den anderen.
-Toen de natuur overwon en zij in slaap viel, liet het boosaardige plan haar geen rust;
-zij droomde van gruwelijken moord; zij sneed eigenhandig iemand het hoofd af en verborg
-dat onder haar kabaja; toen kwam de assistent-resident en wilde haar geboeid tusschen
-zijn oppassers meenemen; maar zij wilde niet om dat hoofd; en zij voelde hoe het bewoog
-met de trekken, hoe die beweging zichtbaar was aan haar kabaja, en terwijl ze trachtte
-dat te verbergen voor de politie, die haar wilde gevangennemen, opende het hoofd den
-mond en beet haar in de borst. „Neem het weg,” riep ze of wilde ze roepen, en in werkelijkheid
-stiet ze een paar benauwde toonlooze kreten uit, die haar zelf deden ontwaken en ook
-aan het snorken van Den Ekster voor ’n oogenblik een einde maakten. Het koude zweet
-gudste haar van het voorhoofd; haar gelaat was doodsbleek en haar handen sidderden,
-terwijl zij snel en diep ademhaalde.
-</p>
-<p>„<span class="ex">Bagimana!</span>” zei zachtjes en op afkeurenden toon de oude meid, terwijl ze met een machinale beweging
-den waaier op en neer deed gaan en met haar slendang langs het voorhoofd harer meesteres
-wreef.
-<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span></p>
-<p>Den volgenden morgen aan het ontbijt beschouwden tante en oom het nichtje met belangstelling
-en bezorgdheid.
-</p>
-<p>„Kind, wat ben je bleek!”
-</p>
-<p>„Mijn hemel, je bent ziek. Wat scheelt er aan?”
-</p>
-<p>„Ik ben niet erg lekker.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Sakit peroet</span>,” hoestte de oude Sarinah, die bij de naaister op de mat was gaan zitten.
-</p>
-<p>„Nu,” zei mevrouw Borne, met al de zekerheid, die zij uit haar <span class="ex" lang="ms">boekoe obat</span> putte, „daar zullen we je wel wat voor geven.”
-</p>
-<p>„Het is de moeite niet waard, tante.”
-</p>
-<p>„Je ziet er toch heel slecht van uit.”
-</p>
-<p>„’t Zal morgen wel beter zijn.”
-</p>
-<p>Er werd niet verder over gesproken. Na het ontbijt kreeg Betsy, die niet had meegegeten,
-’n smeersel uitwendig en ’n bitter drankje inwendig, waarop ze ’n half uur later tot
-groote vreugde der kapiteinsvrouw verklaarde, dat het haar uitstekend had geholpen.
-</p>
-<p>„Er gaat niets boven inlandsche medicijn,” verklaarde tante plechtig. „Je ziet er
-wezenlijk al veel beter uit.”
-</p>
-<p>Nu dat laatste was waar, maar Betsy moest bij haarzelve toch lachen om de heilzame
-werking van geneesmiddelen voor kwalen, die men niet heeft. Met een onrustig oog volgde
-zij dien dag Sarinah, in al haar doen en laten.
-</p>
-<p>Het <span class="ex" lang="ms">manah nèh</span>? lag haar telkens, als de oude niet in haar nabijheid was, op de lippen.
-</p>
-<p>„Wees toch niet zoo vervelend!” had tante gezegd. „Het is of je ’n klein kind bent.”
-</p>
-<p>De dag ging voorbij en de volgende zonder dat er iets gebeurde; de zenuwachtige toestand
-van Betsy verdween, en ze zag alles kalmer aan; <span class="ex">zij</span> liep immers persoonlijk volstrekt geen gevaar! Sarinah zou haar niet verraden, dat
-wist zij. Bovendien, zijzelve deed immers niets hoegenaamd en nimmer kon men haar
-iets bewijzen.
-</p>
-<p>Maar den derden dag liep het haar koud langs den rug en <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>verschoot zij van kleur, toen ze aan de rijsttafel gewaarwerd dat Den Ekster er slecht
-uitzag. Zij had hem in de laatste dagen meer in het oog gehouden, dan vroeger in maanden;
-zij zag het dadelijk en begreep. Toch kon het nog niet erg wezen, dacht ze, want de
-Borne’s schenen er nog niets van te bespeuren. Alleen toen Den Ekster, die in gewone
-omstandigheden begaafd was met een verbazenden eetlust, slechts een enkelen lepel
-rijst nam, vroegen oom en tante in volle verbazing en als uit één mond:
-</p>
-<p>„Wat mankeert jou?”
-</p>
-<p>„Ik heb ’n onaangenaam gevoel in den buik; ik ben heelemaal zoo loom en soezerig.”
-</p>
-<p>„Wacht, ik zal je straks wel helpen. <span class="ex">Zij</span>,” antwoordde tante, doelende op Betsy, „had voor een paar dagen precies hetzelfde;
-ik heb er haar in een paar uren afgeholpen. Is het niet waar, Bets?”
-</p>
-<p>„Ja.”
-</p>
-<p>Onwillekeurig keek Den Ekster naar zijn vrouw, die net had gehad, wat hij nu gevoelde
-te hebben. Het gebeurde niet dikwijls, dat hij haar aanzag, maar het trof hem nu,
-dat zij werkelijk bleek en vermagerd was.
-</p>
-<p>„Ben je heelemaal beter?” vroeg hij op zijn gewonen afgemeten toon.
-</p>
-<p>De oude vijandschap verdrong elk gevoel van medelijden.
-</p>
-<p>„Natuurlijk,” zei ze, en uit den klank van haar stem kon men duidelijk hooren, dat
-ze er had willen bijvoegen: „ik ben niet zoo’n sukkel als jij.”
-</p>
-<p>Hij gaf er geen weerwerk op, maar glimlachte spottend, zooals men doet over de dwaasheid
-van een kind; daarna keek hij droevig naar zijn ledig bord en schonk zich een groot
-glas water.
-</p>
-<p>„Je moet niet zooveel water drinken,” zei de kapitein; „dat is niet goed. Neem een
-glas cognac.….”
-</p>
-<p>„Wel, Borne,” riep zijn vrouw. „Je lijkt wel mal met je sterken drank bij buikziekte.”
-</p>
-<p>„Dat ben je zelf met je heele inlandsche medicijnrommel,” riep hij met de hand op
-tafel slaande. „Een glas cognac is altijd goed.”
-<span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span></p>
-<p>„Het is niet waar; het is vergif, en mijn inlandsche medicijnrommel is heel wat heilzamer
-dan al dat.…. zuipen.”
-</p>
-<p>’t Hooge woord was er alweer uit en een woordentwist, die op niets hoegenaamd uitliep,
-maar zooals zij er wel vijftig in het jaar hadden, luid en heftig, brak los. Den Ekster
-noch Betsy spraken er een woord tusschen; hij was er te onlekker voor, en zij had
-zulk een gevoel van bevangenheid, dat het gekijf haar niet eens erg duidelijk was.
-Eindelijk kwam er een eind aan. Bij tante Borne kwamen tranen aanrukken, en toen stond
-de kapitein rood als vuur van tafel op, zette zijn stoel neer als moest die door den
-grond en rukte uit naar zijn kamer.
-</p>
-<p>Den Ekster stond ook op, zuchtend en naar het scheen erg vermoeid, want toen hij uit
-de achtergalerij naar binnen ging, knikten zijn knieën.
-</p>
-<p>Zij durfde niet in de kamer komen.
-</p>
-<p>„Ga jij niet slapen, Bets?” vroeg tante.
-</p>
-<p>„Neen, ik blijf hier.”
-</p>
-<p>„Nu, dat is goed; dan kun je me gezelschap houden.”
-</p>
-<p>Betsy wist daar alles van. Geen kwartier was verloopen of de kapitein riep met vervaarlijk
-bas-geluid:
-</p>
-<p>„Hoe is het nu? Blijf je daarachter overnachten?”
-</p>
-<p>En toen stond tante op. Zij zei met een triomfantelijke uitdrukking op het gezicht:
-„Daar heb je hem al,” en ging gauw haar aandeel nemen in de echtelijke <span class="ex">siësta</span>.
-</p>
-<p>Het was zoo stil als het is, midden op den dag bij het brandende zonnetje. Mensch
-en dier zochten schaduw en verademing; de groote huishond strekte zijn lichaam uit
-op de koude treden van de steenen trap om de oppervlakte van zijn huid zooveel mogelijk
-er mee in aanraking te brengen; de kippen woelden zich onder boomen en planten kuilen
-in den grond en lagen daarin met opgestoken veeren, als zett’en zij de vensters hunner
-pluimage van de warmte open, gelijk men het die van een huis doet; de bedienden lagen
-in hun kleine vertrekken op het achtererf voor negen tienden naakt op hun balé-balés;
-geen haan <span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>dacht aan kraaien, geen vogel aan zingen, geen hond aan blaffen,—alles onderging den
-invloed van den tropischen middaggloed, die de lucht deed trillen, en verzengend en
-afmattend in altijd terugkeerende golvingen heen en weer ging.
-</p>
-<p>Betsy zat op een bank in een hoekje, quasi bezig met het borduren van pantoffels,
-ongeveer het eenige wat zij kon; zij deed het bij uitstek fraai, maar ditmaal knoeide
-zij geweldig.
-</p>
-<p>Nauwelijks was tante weg of Den Ekster kwam driftig naar buiten en ging naar achter.
-Met een verholen blik zag ze, dat hij nog bleeker was dan te voren. Wat zou het worden?
-Haar hart klopte zoo snel, dat het haar vrees aanjoeg.
-</p>
-<p>Hoe zou het wezen, als hij terugkwam? Zou het een crisis worden met verschrikkelijken
-doodstrijd? Zou hij het zelf bemerken en het zeggen, misschien? Zou hij het stervend
-haar verwijten in het bijzijn van oom en tante? Zij kon niet blijven zitten, wierp
-de pantoffels weg, ging naar binnen en bevochtigde haar slapen en polsen met koud
-water. Het was niet uit te houden! En toen ze gereed was, scheen het haar toe, dat
-hij al wel een uur weg was, naar achteren. Als hij daar eens dood was gebleven! Zij
-liep er heen, ofschoon ze zoo beefde, dat ze waggelde op de hooge hakken harer slofjes.
-</p>
-<p>„Ben je nog dáár?” vroeg ze zacht buiten de deur.
-</p>
-<p>„Ja,” antwoordde met een zucht ’n klagende stem, welke niet de stem scheen van Den
-Ekster.
-</p>
-<p>„Als je ziek bent, kan ik je dan ook helpen?”
-</p>
-<p>„Jij niet,” was het antwoord, dat klonk als van iemand, die doodmoe en afgemat is.
-„Stuur me die oude meid maar.”
-</p>
-<p>Zij vloog naar binnen.
-</p>
-<p>„<span class="ex">Nèh</span>, ga gauw naar achter en help mijnheer.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Oeah!</span>” zei Sarinah langerekt en zangerig. „Moet ik op mijn ouden dag de baboe zijn van
-zulke groote kinderen?”
-</p>
-<p>„Kom, ga nu maar.”
-</p>
-<p>„Ik ga al,” steunde de oude niet zonder spotternij. „Het is zoo erg niet. <span class="ex" lang="ms">Lekas baïk!</span>”
-<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span></p>
-<p>Betsy ging weer in de achtergalerij zitten met het borduurwerk in de hand, maar den
-blik onafgewend naar den kant, van waar Den Ekster komen moest. Weer duurde het lang.
-Eindelijk kwam hij, steunend op den arm van de zelf gebogen oude meid. Wat zag hij
-er uit! Snel sloeg zij de oogen op haar borduurwerk en trachtte ’n paar steken te
-doen, die scheef en schotsch op het stramien kwamen.
-</p>
-<p>Toen hij voor haar stond, keek zij op en zag in de diepliggende, door kringen omgeven
-oogen, waarvan het blauw tegen de vale kleur der wangen afstak.
-</p>
-<p>„Wil je zoo goed zijn,” vroeg hij weer met de stem, die zij niet kende, en die de
-zijne niet was, „den dokter te laten roepen? Ik ben erg ziek.”
-</p>
-<p>„Ik zal het dadelijk doen,” zei ze. Haar stem trilde en had ook een geheel veranderden
-klank, maar hij lette daar niet op; hij had al zijn aandacht noodig voor de krampen
-in zijn ingewanden en het brandend gevoel, dat zijn lichaam als verschroeide.
-</p>
-<p>Tante Borne was wakker geworden en wilde Den Ekster <span class="ex" lang="ms">obat</span> geven, maar de kapitein was daartegen en de patiënt zelf ook. Bovendien had Betsy
-reeds om den dokter gezonden, en toen die kwam durfde tante niets meer te zeggen,
-maar terwijl hij Den Ekster in de kamer onderzocht en Betsy met haar in de achtergalerij
-wachtte, zei ze op zeer stelligen toon: „<span class="sc">Ik</span> zou begonnen zijn met hem een lepel castor-olie te geven.” Sarinah, die het hoorde,
-knikte met het hoofd en zei, dat de <span class="ex" lang="ms">njonja besar pinter sekali</span> was.
-</p>
-<p>De jonge, pas uit Europa aangekomen officier van gezondheid klopte, luisterde, informeerde,
-keek bedenkelijk, schreef een recept en vertrok. Des namiddags kwam een hevige koorts
-opzetten. Weer werd de dokter gehaald, die zijn voorschriften gaf, naar zijn beste
-weten. De kapitein en diens vrouw maakten zich ongerust. Betsy zat in de kamer, waar
-Den Ekster ziek lag, roerloos als een steenen beeld, terwijl Sarinah als ziekenoppasseres
-fungeerde en trouw op tijd, want ze kon op een horloge zien, de medicamenten uit de
-Europeesche apotheek toediende.
-<span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span></p>
-<p>De goede familie Borne zag in de diepe verslagenheid van Betsy een bewijs van medelijden
-en verborgen genegenheid.
-</p>
-<p>„Kom,” fluisterde tante haar toe, „kom Bets, ga mee naar achter ’n kop thee <span class="corr" id="xd31e928" title="Bron: drlnken">drinken</span>. De oude zal hem wel goed verzorgen, en je kunt hier toch niets doen.”
-</p>
-<p>De zieke lag in een doffe sluimering; de koorts scheen te wijken; de temperatuur was
-aanmerkelijk gedaald; maar niettemin kreunde hij in zijn slaap, als gevoelde hij pijn.
-</p>
-<p>Het was den volgenden dag iets beter. De dokter kwam trouw ’s morgens, ’s middags
-en ’s avonds, de medicijnen werden geregeld gebruikt, en oom Borne verklaarde met
-een zucht van verlichting, dat, al had dan Den Ekster door dien korten aanval een
-geducht „rokje uitgetrokken”, hij er toch wel gauw weer „bovenop” zou zijn.
-</p>
-<p>Betsy wist niet, hoe zij het had. Wel was haar door die beterschap een pak van het
-hart genomen, maar nu de vrees en de agitatie voorbij waren, en haar zenuwen bedaarden,
-vond zij het een vreemd en dwaas geval. Toen den derden dag na den ziekteaanval Den
-Ekster, schoon bleek en erg zwak, weer aan de rijsttafel verscheen en niet zonder
-appetijt de flauwe kostjes nuttigde, door tante met zorg voor hem gereed gemaakt,
-verklaarde oom, zeer stellig, dat de vijand overwonnen was en Den Ekster nog niet
-naar „kapitein Jas” ging, onder „den groenen deken”, maar dwaalde de vragende blik
-der jonge vrouw onwillekeurig naar den kant, waar Sarinah op de mat bij de naaister
-zat.
-</p>
-<p>Maar de oude keek niet op. Zij deed voor tijdpasseering eenig grof werk en mompelde
-nu en dan eenige woorden, die door de jonge naaister met zekeren eerbied werden aangehoord.
-</p>
-<p>Dat alles hinderde haar en maakte haar boos, wat nog verergerde door de toespelingen
-van den kapitein, die meende heel goed te doen, toen hij zei:
-</p>
-<p>„Nu, Bets heeft zich wàt ongerust over je gemaakt toen je ziek waart. Men kon haar
-„onder een hoedje vangen.””
-</p>
-<p>Het deed Den Ekster toch goed, al had hij haar niet lief, en eenigszins vriendelijk
-vroeg hij:
-<span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span></p>
-<p>„Was je bang, dat ik dood zou gaan?”
-</p>
-<p>De alle opgewektheid doodende sluier van onverschilligheid trok weer over haar gelaat,
-en sprak als ’t ware uit haar geheele houding.
-</p>
-<p>„Volstrekt niet. Ik heb ’n hekel aan ziekte, dat is alles.”
-</p>
-<p>„Zoo! Had je misschien gedacht, dat ik je ’n jong weeuwtje zou maken?”
-</p>
-<p>„Ja,” zei ze brusk-weg.
-</p>
-<p>„Hm! Nu, dan is dat een vergissing geweest.”
-</p>
-<p>Zij zweeg, doodsbang, dat zij te veel zou zeggen. Oom en tante Borne vonden het verschrikkelijk
-en de kapitein nam zich ernstig voor deze quaestie later, als Den Ekster geheel was
-hersteld, op afdoende wijze tot een geschikte oplossing te brengen. Dat moest anders
-worden, vond hij. Zulke jonge menschen!
-</p>
-<p>En mevrouw vond het ook.
-</p>
-<p>„Ze houden <span class="ex" lang="ms">betoel</span> van elkaar,” meende zij, alle harten rekenend naar haar eigen, „maar het is of Joost
-er mee speelt, — ze vatten alles verkeerd op, en de een doet den mond niet open of
-de andere is klaar om zich te verdedigen, ook als er niets te verdedigen valt.”
-</p>
-<p>„Het is maar gelukkig, oudje,” zei de kapitein, zorgvuldig zijn uniform-jas uit de
-kreuken trekkend, „dat <span class="ex">wij</span> zoo niet zijn. We mogen dan al eens ’n los woord hebben, maar als het er op aankomt,
-dan weten we toch wel waar Abram den mosterd haalt, hé?” en hij sloeg den arm om haar
-heen en kuste haar, terwijl zij hem lachend een ouden gek noemde, maar geen de minste
-poging deed om zich los te maken; integendeel!
-</p>
-<p>Zelfs Betsy sliep rustig; thans meer dan ooit op den bultzak. Borne, die tijdens de
-ongesteldheid van Den Ekster ’s avonds zijn troost weer in de sociëteit had gezocht,
-was reeds lang tehuis. Het Zwitsersche klokje, dat in de achtergalerij aan den wand
-hing, sloeg helder en met lange tusschenpoozen drie slagen. Den Ekster werd wakker;
-zijn mond was droog, en met schrik voelde hij weer het brandende gevoel, door zijn
-geheele lichaam, en de pijn <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>en de zwaarte in zijn ingewanden; het gonsde in zijn hoofd en de lamp scheen zoo duister;
-hij voelde zijn huid branden en lette op de snelle overgangen zijner gedachten van
-het eene onbeduidende onderwerp op het andere. Hij had het weer terug, dat voelde
-hij! Het kwam weer op met dezelfde woede, waarmee het de vorige week was gekomen;
-wat zou het nu worden, nu hij zooveel weerstandsvermogen niet meer had?
-</p>
-<p>„<span class="ex">Nèh!</span>” riep hij.
-</p>
-<p>De oude meid was dadelijk bij de hand. Als ze op zijn roepen gewacht had, kon ze niet
-vlugger geantwoord hebben.
-</p>
-<p>Hij vroeg een glas water; haastig dronk hij het leeg, en nog een, en nog een. Dat
-hielp een oogenblik! Maar toen kwamen weer de stekende pijnen en de aandrang. De meid
-hielp hem flinker, dan men van haar ouderdom zou verwacht hebben. Betsy schrikte wakker.
-Zij sprong op van haar slaapplaats.
-</p>
-<p>„Wat is het?”
-</p>
-<p>„Stuur om den dokter,” kermde hij, van pijn weer krimpend.
-</p>
-<p>Zij vloog zelf de deur uit; ze was blij, dat ze weg kon komen uit het huis; eerst
-had ze oom en tante gewekt, en nu ijlde ze zenuwachtig voort op haar bloote voeten
-naar het huis van den dokter, dat wel een halven paal van ’t hare verwijderd was.
-</p>
-<p>Voor den jongen dokter was het een groote teleurstelling. Het had hem reeds zóó verheugd,
-dat hij dezen patiënt had genezen van wat hij meende dat een klimaatziekte was. Hij
-had in Indië met veel wederwaardigheden te kampen; de eenige taal, waarin hij zich
-bij Europeesche bewoners kon verstaanbaar maken, was het Duitsch. Maleisch en Hollandsch
-kon hij nog niet spreken, en daar zijn meeste patiënten slechts in die talen tehuis
-waren, kostte het ontzaglijke moeite behoorlijk inlichtingen te ontvangen. Nu deed
-zich dat naar het scheen ernstig geval voor; hij meende goed geraden en overwonnen
-te hebben, maar verheugde zich te vroeg; de zieke scheen weer ingestort.
-</p>
-<p>Toen hij ten huize der Borne’s kwam, zag hij dadelijk dat het ergste te vreezen stond.
-De temperatuur van den zieke was <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>vreeselijk hoog; ook de overige verschijnselen waren hevig, en wat het ergste was,
-de patiënt lag geheel uitgeput ter neer, onverschillig voor alles wat gebeurde, half
-bewusteloos soms en nu en dan eenigszins opgewonden, maar wat lichaamskracht aangaat,
-altijd zwak en hulpbehoevend.
-</p>
-<p>Tante Borne hielp de oude Sarinah; wat de dokter gelastte, deden zij, en na een uur
-of wat scheen de aanval eenigszins te bedaren.
-</p>
-<p>In het Duitsch zei nu de jonge man tegen kapitein Borne, dat hij naar huis ging; hij
-zou omstreeks tien uren terugkomen; men moest trouw zijn voorschriften volgen, en
-als het erger mocht worden, wist men, waar men hem vinden kon.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="fr">A propos!</span>” zei de kapitein, toen ze samen in de voorgalerij kwamen, waar de frissche ochtendlucht
-hen verkwikkend tegenstroomde. „Wat zou je denken dat hem eigenlijk scheelde?”
-</p>
-<p><span id="xd31e988"></span>De jonge man trok eenigszins zenuwachtig aan zijn kneveltje, dacht een oogenblik na
-en zei toen met groote snelheid: „<span class="ex" lang="de">Bösartige tropische Sumpffieber mit <span class="corr" id="xd31e992" title="Bron: localisation">Localisation</span> auf dem Plexus solaris. Guten <span class="corr" id="xd31e995" title="Bron: morgen">Morgen</span>, <span class="corr" id="xd31e998" title="Bron: herr">Herr</span> Kapitän.</span>”
-</p>
-<p>En weg was hij!
-</p>
-<p>Het martiaal gezicht van kapitein Borne nam al luisterend een kluchtige uitdrukking
-aan van verbazing, en zonder terug te groeten keek hij verbluft den jongen vreemdeling
-na, die met vluggen tred heenging. Maar een oogenblik later fronste hij de wenkbrauwen
-en mompelde een krachtig woord. Was die vent gek, met zijn koeterwaalsch en zijn potjeslatijn?
-Het was ’n rare boel, meende de kapitein, het leger op te schepen met onverstaanbare
-dokters.
-</p>
-<p>Toen hij weer in de ziekekamer kwam, trof hem de uitdrukking van angst en schrik,
-die uit ’t geheele wezen van Betsy sprak, al zat ze stil op een stoel, plukkende aan
-haar zakdoek, en zonder dat ze deel nam aan de bedrijvige ziekenverzorging harer tante.
-Hij nam zijn vrouw ter zijde.
-</p>
-<p>„Ik zou <span class="ex">haar</span> naar buiten zenden met de meid; kijk ze er eens uitzien.”
-<span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span></p>
-<p>„Ja, daar heb ik niet op gelet. <span class="ex" lang="ms">Kasian</span>, ze is heelemaal afgevallen! Bets, ga jij zoo lang naar achter, ja, en laat de <span class="ex">nèh</span> je wat opknappen. Wij kunnen het nu hier wel af; als je noodig mocht zijn, zal ik
-je roepen.”
-</p>
-<p>Sarinah hielp haar en steunende op de meid ging zij de kamer uit. Op de bank in de
-achtergalerij viel zij als het ware neer.
-</p>
-<p>„<span class="ex">Bagimana!</span>” zei de oude met van verbazing hoog opgetrokken wenkbrauwen; „wat scheelt de nonna
-toch?”
-</p>
-<p>En toen ze geen antwoord kreeg, maar de groote oogen zich vol angst en schrik op haar
-vestigden, voegde zij er hoofdschuddend bij:
-</p>
-<p>„Het is alles vanzelf gekomen; ik was nog niet eens begonnen.”
-</p>
-<p>„<span class="ex">Nèh</span>,” riep Betsy opgewonden en halfluid: „je liegt!”
-</p>
-<p>Doch Sarinah hield vol. <span class="ex" lang="ms">Soenggoeh mati</span> het was waar. Zij had nog niets gedaan, hoegenaamd, en ze had de gouden tientjes
-nog ongewisseld in ’t zakje tusschen haar sarongband. Betsy geloofde het nu; het was
-zoo heerlijk het te kunnen gelooven! Ze haalde diep adem en streek heur hoofdhaar
-naar achteren. Dat was een bevrijding, even heerlijk als onverwacht! Zij stond op
-met haar gewone veerkracht en rekte haar fraai gevormde leden uit; er kwam meer kleur
-op haar gezicht en glans in haar oogen; zij had het kunnen uitschreeuwen van pret:
-ze nam het grijze hoofd van Sarinah tusschen de handen en kuste haar op de wang.
-</p>
-<p>„Geef me gauw ’n handdoek, <span class="ex">nèh</span>; ik ga baden!”
-</p>
-<p>Steunend en mompelend ging de oude een kamer binnen om den doek te halen: toen ze
-dien bracht, zei ze:
-</p>
-<p>„Moet de nonna niet eens in de kamer om te kijken, hoe het den <span class="ex" lang="ms">toean</span> gaat?”
-</p>
-<p>Betsy rukte haar ruw den doek uit de hand, en de oude haat tegen haar man misvormde
-weer haar trekken.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Tjies</span>,” antwoordde zij, „laat hem voor mijn part.…”
-</p>
-<p>Vlug sprong ze de trapjes af naar beneden en liep als een jong meisje hard naar de
-badkamer, als had ze haast om al de onaangename gewaarwordingen, die haar nutteloos
-en noodeloos gekweld hadden, weg te spoelen.
-<span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span></p>
-<p>Sarinah ging in het ziekevertrek, waar de kapitein en diens vrouw druk bezig waren
-met Den Ekster. Het hoofd rustte op Borne’s breeden, sterken arm; het bleeke gezicht,
-diep ingevallen, zoodat de sterke, witte tanden als door de huid heen schenen, was
-omhoog gericht; de groote blauwe oogen dwaalden langzaam heen en weer.
-</p>
-<p>„Ik voel, dat het uit is. Dag oom, God zegen je.”
-</p>
-<p>„Dag arme kerel,” antwoordde de kapitein met tranen in de oogen, een prop in de keel
-en een verzwegen krachtig woord op de lippen.
-</p>
-<p>„Dag, beste tante.”
-</p>
-<p>Zij kon niet antwoorden, zóó overmeesterde haar de aandoening.
-</p>
-<p>Een oogenblik, met moeite, benauwd en pijnlijk ademend, zag hij rond.
-</p>
-<p>„Dag <span class="ex" lang="ms">nèh! Slamat tinggal</span>,” zei hij tegen Sarinah, die bij het bed stond en hem had opgepast.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Tabé toean</span>,” klonk het doodbedaard terug. „<span class="ex" lang="ms">Slamat djalan.</span>”
-</p>
-<p>Hij hoorde het niet meer. Een oogenblik van hevige pijn scheen in te treden; een kort
-moment slechts: toen was het uit, het lichaam rekte zich, en een zacht gorgelend keelgeluid.….….…
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="fr">Tournez, tournez!</span>” neuriede Betsy, terwijl zij zich siramde in de badkamer.
-</p>
-<p>„<span class="ex">Nonna, nonna!</span>” riep de oude meid aan de deur.
-</p>
-<p>„Nu, wat is er?”
-</p>
-<p>„Al dood!”
-</p>
-<p>Zij danste op haar toonen over den steenen vloer en zwaaide, in stilte juichend, den
-blikken <span class="ex" lang="ms">gajong</span> boven haar hoofd. Goddank, dat het uit was en dat zij er geen schuld aan had!
-</p>
-<p>De kapitein en zijn vrouw hadden in het gewichtig oogenblik zelfs niet aan Betsy gedacht;
-zij was ook zoo weinig de vrouw geweest van haar man! Nu Den Ekster gestorven was,
-schoot het tante Borne als een bliksemstraal door het hoofd; in haar zenuwachtigen
-toestand, het gelaat van tranen glimmend, vloog <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>ze naar achteren; Sarinah was haar vóór geweest, en toen zij luid snikkend bij de
-badkamer kwam, waarheen ze liep toen zij de jonge weduwe niet zag in de achtergalerij,
-ging de deur open en trad Betsy naar buiten, kalm glimlachend, schoon en ongevoelig.
-</p>
-<p>„Bets, lach niet! Och God, hij is dood!”
-</p>
-<p>Zij wilde geen onaangenaamheden hebben met haar tante, nu minder dan ooit, en daarom
-zette ze dadelijk een gelegenheidsgezicht.
-</p>
-<p>„Ik lach niet; het is verschrikkelijk.”
-</p>
-<p>„Ja. Och, hij heeft een oogenblik nog zóó geleden!”
-</p>
-<p>Tante Borne veegde haar behuild gezicht af met de punt van haar kabaja; zij lette
-er niet op, dat ze haar zakdoek in de hand hield.
-</p>
-<p>„Het is vreeselijk, zoo jong. Oom is er ook kapot van.”
-</p>
-<p>Dat was waar, want de kapitein hemde en kuchte, en klopte met de vuist op de borst,
-en liep met vasten tred en een verschrikkelijk kwaad gezicht de kamer op en neer,
-nu en dan een blik slaande op het lijk, en met een krachtig woord zichzelven afvragend,
-hoe het mogelijk was. De dames kwamen binnen; bij het zien van den doode kwamen tantes
-zenuwen weer geweldig in werking. Betsy zag kalm op het pijnlijk vertrokken gelaat;
-zij <span class="ex">kon</span> het niet verder brengen dan tot het gelegenheidsgezicht, al hadden er schatten mee
-verdiend kunnen worden; gelukkig voor haar kwam haastig en verschrikt de dokter binnen
-om het eenige te doen, wat hem restte: den dood te constateeren. En terwijl hij voor
-het bed stond, keek Betsy naar het pijnlijk vertrokken vaalbleek gezicht. Het was
-haar bekend! Zóó had zij het meer gezien! Zóó had het dien avond, toen ze koortsig
-was en voor de eerste maal op den grond ging slapen op den bultzak, haar voor de oogen
-gedanst zonder romp. ’t Was precies hetzelfde; de overeenkomst hield haar aandacht
-onwederstaanbaar geboeid. Maar zij gevoelde niets; geen zweem van medelijden zelfs.
-In haar binnenste leefde slechts het bewustzijn, dat ze nu vrij was; ’t scheen alsof
-een stem in haar hart dit voortdurend juichend en triomfeerend herhaalde. Vrij en
-toch niet misdadig! <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>Zij had niets op haar geweten; niemand kon haar iets ten laste leggen, want hij was
-vanzelf gestorven en Sarinah had het geld nog in het zakje. Nu, dàt mocht het oudje
-houden!
-</p>
-<p>Op het notariskantoor was alles stil. De vensters, door het weelderig geboomte op
-het erf beschaduwd, waren ten overvloede door groene stores tegen de doorvallende
-zonnestralen beveiligd. Kriskras gingen de pennen der klerken over het papier; zóóveel
-woorden op een regel, zóóveel regels op een bladzijde met eentonige regelmaat in de
-lange op- en neerhalen. Een Chinees zat dicht bij Bronkhorst en sprak met hem op zachten
-toon, nu en dan met een luid „saja toean,” als hij bemerkte dat de notaris hem precies
-had begrepen.
-</p>
-<p>Driftig werd de achterdeur opengestooten, en ofschoon ze zag, dat haar man „zaken”
-had, liep ze tot vlak bij zijn schrijftafel.
-</p>
-<p>„Er is een vreeselijk ongeluk gebeurd, Jean,” zei ze zenuwachtig.
-</p>
-<p>Hij rees verschrikt op.
-</p>
-<p>„Een ongeluk? Wat dan?”
-</p>
-<p>„Den Ekster is zooeven overleden.”
-</p>
-<p>„O zoo! ja, dat is erg ongelukkig. Zoo’n jonge man!”
-</p>
-<p>Maar het had hem werkelijk opgelucht, toen hij hoorde, dat het niets anders was, want
-hij had aan de kinderen gedacht.
-</p>
-<p>„Willen we er niet heen gaan?”
-</p>
-<p>„Zeker. Ga jij maar vast vooruit. Ik kom dadelijk, zoodra ik met deze zaak gereed
-ben.”
-</p>
-<p>Zij ging ijlings heen, om zich ’n beetje „op te knappen”, want ze was nog volstrekt
-niet klaar met het „huishouden”, en ten slotte hield haar dat juist zóólang bezig,
-tot ze gelijk met haar man naar het sterfhuis kon gaan. Reeds meer vrienden en kennissen
-van de familie Borne waren daar bijeen; het gerucht van het sterfgeval had als een
-loopend vuur de ronde gedaan op de plaats, die zich met zoo weinig afwisseling en
-zoo weinig nieuws behelpen moest. Velen hadden met de logé’s kennis gemaakt, zonder
-dat ze verder iets van de onderlinge verhouding wisten, en Betsy werd hartgrondig
-beklaagd. Dames, zelfs die den Ekster <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>nooit anders hadden gezien dan op z’n rug, als ze achter hem langs den weg wandelden,
-vergoten tranen met tuiten. In de oogen der weduwe echter wilden die niet opwellen,
-al deed ze ook nog zoo haar best; het gaf ergernis, dat zag ze wel, maar ze kon het
-niet veranderen, en ze dankte den hemel, toen tante Borne, die bij de hardnekkigheid
-der weduwlijke traanklieren, verschrikkelijk zat te huilen, tegenover de gevoeligsten
-harer vriendinnen, op een <span class="corr" id="xd31e1130" title="Bron: luminieus">lumineus</span> idée kwam. „Ik wou in ’s hemelsnaam maar,” fluisterde ze, eenigszins luider dan in
-gewone omstandigheden noodig was, een harer vriendinnen in het oor, „dat ze huilen
-<span class="ex">kon</span>.”
-</p>
-<p>De list gelukte, en, met dieper medegevoel dan ooit, zag men neer op dat toonbeeld
-van een smart zóó hevig, dat het er zelfs droge oogen bij hield.
-</p>
-<p>Bij het binnentreden van het huis, maakte ook op mevrouw Bronkhorst het feit, dat
-de dood hier een voor kort nog krachtig menschenleven had vernietigd, zijn gewonen
-indruk; aangedaan condoleerde zij Betsy, wier koele hand den hartelijken druk van
-die der totok onbeantwoord liet. Toen de notaris haar zonder iets te zeggen de hand
-reikte, keek Betsy op, en het trof haar, dat zijn gezicht zoo weinig uitdrukking van
-leedwezen of medelijden toonde, en meer dan eenig ander in sympathie was met de groote
-onverschilligheid, die haar zelf zoo koud liet.
-</p>
-<p>„Heb je hem nog gezien?” vroeg Marie toen zij met haar man naar huis terugkeerde.
-</p>
-<p>„Ja; hij was niet veel veranderd.”
-</p>
-<p>„Hè,” zei ze huiverend. „Ik zou niet graag zijn meegegaan naar binnen.”
-</p>
-<p>„Ben je zóó bang voor ’n doode?”
-</p>
-<p>„Bang is het woord niet, maar ik heb er een afkeer van: als ik een lijk heb gezien,
-dan staat me het gezicht nog weken daarna voor de oogen.”
-</p>
-<p>„Gekheid. Het komt omdat men ons opvoedt in een domme vrees.”
-</p>
-<p>„Het is toch verschrikkelijk voor haar, hè?”—Mevrouw Bronkhorst <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>zei dit eigenlijk omdat ze over de quaestie, die haar man opwierp, niet gaarne in
-bespreking trad.
-</p>
-<p>„Och, waarom? De liefde zat er, meen ik, niet diep; kinderen hebben zij niet, en hij
-had zelfs geen positie.”
-</p>
-<p>„Goed, maar hij was toch haar man.”
-</p>
-<p>Bij Bronkhorst was dit geen argument, doch de intellectueele waarheid viel niet te
-ontkennen, dat was zeker, en daarom zweeg hij een oogenblik.
-</p>
-<p>„Weet je wat ik denk, Marie?”
-</p>
-<p>„Nu?”
-</p>
-<p>„Dat hier de dood eigenlijk voor twee menschen een verlossing is geweest. Ik geloof,
-dat de banden hen beiden geweldig kwelden.”
-</p>
-<p>„Ja.…,” gaf ze aarzelend toe. „Zij waren niet gelukkig, dat is zeker.”
-</p>
-<p>„En dan,” vervolgde hij met een cynisch lachje, dat hem misstond, „vind ik het een
-<span class="ex">frappant</span> geval. Het is een bijzondere samenloop van omstandigheden.….”
-</p>
-<p>„Ik begrijp niet, wat je bedoelt.”
-</p>
-<p>„Neen, je weet gelukkig van die dingen weinig. Eigenlijk zoo goed als niets. Ik doelde
-op middelen om bij zekere gelegenheden.….”
-</p>
-<p>Bronkhorst zocht naar een geschikte uitdrukking; zij keek hem verwonderd aan.
-</p>
-<p>„.….Om de natuur een handje te helpen.”
-</p>
-<p>Zij moest zich een oogenblik bezinnen, en toen bleek, dat ze er toch meer van wist,
-dan hij dacht.
-</p>
-<p>„Ajakkes, Jean,” zei ze; „je moogt zulke akelige dingen niet van de menschen denken.”
-</p>
-<p>„Nu, nu,” zei hij lachend, maar voelende, dat ze gelijk had, „je begrijpt toch dat
-het slechts gekheid is. Ik denk er geen oogenblik aan in ernst.”
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Betsy hield haar passieve rol vol, en dat kon zeer gemakkelijk, daar haar familie
-volkomen geschikt en bereid was om voor alles <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>te zorgen. Zij zag alles aan als betrof het zaken, die haar volstrekt niet aangingen:
-de met bloemen versierde kist op een stelling in de binnengalerij; den aanleg tot
-het geheele onsmakelijke ceremoniëel, dat men „begrafenis” noemt; de voorgalerij vol
-zwarte rokken uit elke periode, voorwereldlijke en nieuwmodische, rood-weerschijnende
-en gitzwarte; zij zag den notaris Bronkhorst er bij, even netjes en correct als de
-keurige inrichting van zijn woonhuis en de grossen zijner akten met haar omslagen,
-zegelafdrukken en roode koordjes. ’t Viel haar op dat de notaris een erg „kranig”
-uiterlijk had; veel „kraniger” dan de andere heeren; en hij liep op en neer speciaal
-met den resident, alsof zij menschen waren van een ander allooi dan de rest.
-</p>
-<p>Toen de kist werd weggedragen, hoorden de heeren vóór, dat er gehuild werd door een
-vrouw; het was tante, die binnenskamers deze aandoenlijke taak verrichtte, uit waarachtigen
-aandrang vooreerst, maar toch ook ’n beetje met het besef, dat ze onder de gegeven
-omstandigheden als rechtgeaarde bloedverwante verplicht was te huilen voor twee.
-</p>
-<p>Een uur later kwam de kapitein terug; hij ging stil in zijn kamer om zich lekker te
-maken.
-</p>
-<p>„Is er nog gesproken?” vroeg zijn vrouw.
-</p>
-<p>Hij haalde minachtend de schouders op.
-</p>
-<p>„Ja, de zendeling heeft een boom opgezet, en het was zijn geluk, dat ik niet dicht
-bij hem stond, anders had ik hem op z’n teenen getrapt.”
-</p>
-<p>„Nu, nu; het is anders ’n best mensch,” zei mevrouw Borne geraakt, want ze hield veel
-van den zendeling, die wezenlijk ’n achtenswaardig man was.
-</p>
-<p>„Het raakt me niet, wat hij is,” donderde de commandostem van den kapitein en woedend
-sloeg hij met de hand op de tafel, „maar het past zulke kerels niet om een dood mensch
-uit te schelden voor zondaar, verdoold schaap en al zulke poespas meer. Geen mensch
-roept hen en als ze niets beters te vertellen hadden, dan moesten zij den mond houden.
-Maar ik heb hem getroefd!”
-<span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span></p>
-<p>„Mijn hemel, Borne, je hebt toch op het kerkhof geen standjes gemaakt?”
-</p>
-<p>„Ben je dwaas, vrouw! Maar ik heb alleen namens de achtergebleven <span class="ex">zondares</span>, de aanwezige <span class="ex">zondaars</span> bedankt voor de laatste eer den overledene bewezen, zie je. Ik dacht: steek <span class="ex">dien</span> in je zak!”
-</p>
-<p>Mevrouw Borne werd beurtelings bleek en rood van ergernis en schaamte.
-</p>
-<p>„Heere, heere!” zuchtte ze in wanhoop, „wat zal dáárover weer gepraat worden.”
-</p>
-<p>„Het kan me niet schelen, maar <span class="ex">ik</span> wil er niets meer van hooren. Doe me dus het genoegen en zwijg er over.”
-</p>
-<p>Zij volgde hem naar achteren, waar Betsy zat, met nog een paar dames, die gekomen
-waren om te troosten. Bij haarzelve moest ze toch lachen; ze vond het <span class="ex" lang="ms">pinter</span> van hem en erg <span class="ex" lang="ms">brani</span>, maar overluid zou ze dat niet graag bekend hebben.
-</p>
-<p>Over den „overledene” werd niet meer gesproken. Tot groote blijdschap van Betsy vermeed
-iedereen zooveel mogelijk, den nu „onderwerp” geworden mensch in de conversatie te
-herdenken.
-</p>
-<p>Na ’n paar weken betrapte zelfs tante Borne zich op de stille bekentenis, dat het
-veel rustiger in huis was, dan toen Den Ekster nog leefde. Het was waar: hij maakte
-het niet lastig en was evenmin druk in den dagelijkschen omgang, maar toch.… zoo’n
-mannelijk individu meer in huis had iets eigenaardigs. Met Betsy was dat heel anders;
-zij maakte een „groote gezelligheid” uit voor tante, die nu rustig ’s ochtends met
-haar in de achtergalerij zat te haken en te borduren.
-</p>
-<p>„Och, Bets,” zei ze, „je moet maar nooit weer trouwen.”
-</p>
-<p>„Ik denk er niet aan.”
-</p>
-<p>„Dat moet je ook niet. Blijf maar bij ons.”
-</p>
-<p>„Bovendien, wie zou me willen hebben; ’n weduwe zonder geld!”
-</p>
-<p>Met eenigen familietrots monsterde haar tante Borne, van het zware koolzwarte hoofdhaar
-tot de welgevormde voetjes.
-<span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span></p>
-<p>„Nu, dat zou nog te bezien staan, Bets. Je bent mooi genoeg, dat weet je wel, en,
-als je het wezen wilt, ook lief genoeg.”
-</p>
-<p>„Ik zal me geen illusies maken.”
-</p>
-<p>„Het doet er ook niets toe. Je blijft maar kalm bij ons, ja? Als je mij ’n handje
-helpen blijft in het huishouden en met de kinderen, dan vinden wij het onder ons uitmuntend.”
-</p>
-<p>De jonge weduwe vond het erg lief van haar tante, maar in stilte had zij geheel andere
-plannen gemaakt, althans denkbeelden gevormd, die zij wel dacht, dat later tot plannen
-konden rijpen. De gedachte haar verder leven <span class="ex" lang="fr">à charge</span> te blijven van familie, beviel haar volstrekt niet, en als die nare tijd, dat ze
-in haar rol van de vrouw van een pas gestorven man niet uit kon gaan, maar voorbij
-was, zou haar eerste werk zijn naar een gepast huwelijk te streven. Doch overhaasten
-zou ze zich niet, en met den eersten den beste zou zij zich waarlijk niet vergenoegen;
-in zoover was ze het met haarzelve eens.
-</p>
-<p>Thans maakte zij rustig en in het volle genot harer herkregen persoonlijke vrijheid
-dien naren tijd door. Dadelijk na Den Eksters begrafenis had ze alles verwijderd,
-wat slechts rechtstreeks of zijdelings aan hem herinnerde; geen stuk was meer in de
-kamer, dat hem had toebehoord; zelfs zijn reiskoffers, die in een der bijgebouwen
-stonden, had zij verkocht. Het behoorde alles tot een tijdperk in haar leven, dat
-zij voor volkomen afgesloten hield en waaraan zij door niets wilde herinnerd worden;
-dàt was voorbij; zij dacht er niet meer aan, en ze was woedend, toen ze op een nacht
-weder ontwaakte met een benauwden kreet, wijl ze de nachtmerrie had gehad, en weer
-in den droom dat akelige, vaalbleeke gezicht had gezien met den blonden baard; het
-heen- en weer-gaande hoofd zonder romp. Dat was overigens het eenige, en zij dacht
-wel, dat het nooit weer zou gebeuren.
-</p>
-<p>Meer dan vroeger bezocht mevrouw Bronkhorst tegenwoordig haar buren, en dikwijls bracht
-ze voor Betsy een kleinigheid ten geschenke mee; zij had zóóveel, en ze dacht dat
-het ’t arme weeuwtje, dat veel te mooi en te jong was om voor de wereld <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>gestorven te zijn, zou afleiden en opbeuren. Betsy stelde het op prijs; zij kreeg
-heel graag geschenken en verblijdde er zich kinderlijk mee; toch stond daarnaast een
-ander bitter gevoel van afgunst. Waarom bezat ook zij niet zooveel, dat ze uit een
-rijken voorraad cadeautjes geven kon, in plaats van altijd de dankbare te moeten zijn,
-die ontvangt? Waarom was toch alles zoo slecht verdeeld? En dan kon ze mevrouw Bronkhorst
-nazien, als deze vertrok, met een onaangenamen trek om den mond, die meer nijd dan
-vriendschap uitdrukte.
-</p>
-<p>Soms ging zij ook met haar tante een visite maken bij de buren, maar dan ook alleen
-’s ochtends in sarong en kabaja. Daar verslond ze alles met de oogen. Ze wist precies,
-nu, wat er in huis was, tot in de kleinste bijzonderheden; zij had elk stuk kunnen
-opnoemen uit de zilverkast, en het in de duisternis van zijn plaats kunnen krijgen,
-zonder een enkelen misgreep.
-</p>
-<p>Als ze er thuis van spraken, waren oom en tante een en al verbazing, en begrepen volstrekt
-niet, hoe het mogelijk was, dat Betsy zoo alles kon opmerken en onthouden.
-</p>
-<p>De nieuwe Fransche pianino van Erard, die dwars in een der hoeken van de binnengalerij
-stond, had al dikwijl haar aandacht getrokken; het instrument zag er zoo fraai en
-ongebruikt uit, alsof niemand ooit de vingers op de toetsen of de voeten op de pedalen
-zette. Zij was een goede musicienne, maar zij had daar nog niet op durven zinspelen,
-schoon ze reeds bij het eerste bezoek lust had gevoeld om te spelen.
-</p>
-<p>Toen ze de tweede maal een ochtendvisite hadden gemaakt, en Bronkhorst haar al de
-fraaiigheden van zijn inboedel had getoond, vroeg hij onverschillig:
-</p>
-<p>„Doet u ook aan muziek?”
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e1243" title="Niet in bron">„</span>’n Klein beetje,” had ze geantwoord, met de conventioneele huichelarij, die in het
-dagelijksch leven gebruikelijk is.
-</p>
-<p>Hij was er toen niet verder op doorgegaan: zij zou, dacht hij, ook wel een dier wandelende
-speeldoosjes wezen, met een repertoire van een half dozijn onbeduidende stukjes, het
-resultaat van <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>veel uren oefening en veel geld aan lessen, omdat dit nu zoo bij een jonge-dames-opvoeding
-geacht wordt te behooren.
-</p>
-<p>Zij had er ook niet meer over gesproken, en nu in haar betrekkelijk nog verschen weduwlijken
-staat, kon ze moeilijk voorstellen wat muziek te maken; maar ze had het dolgraag gedaan.
-</p>
-<p>Ze bladerde zoo de muziekboeken eens door. Er was van alles: mooi en leelijk, licht
-en zwaar, oud en nieuw, stukken voor piano, zangstukken met accompagnement, duo’s
-voor viool en piano, enzoovoort.
-</p>
-<p>Mevrouw Bronkhorst, die met tante van achteren kwam, waar beiden een nieuw kooktoestel
-hadden bewonderd, dat pas uit Europa was gezonden en waarop men „alles” kon klaar
-maken,—deed nu dezelfde vraag, als vroeger haar man.
-</p>
-<p>„Ze speelt prachtig,” verzekerde mevrouw Borne; „ze was altijd heel vlug in de muziek.”
-</p>
-<p>Betsy kon een glimlach over die „vlugheid” niet terughouden.
-</p>
-<p>„Hé!” zei ze, „tante overdrijft; ik heb er altijd veel liefhebberij in gehad, dat
-is waar.”
-</p>
-<p>„Ik ook,” antwoordde mevrouw Bronkhorst, „maar als men een huishouden heeft en kinderen,
-dan neemt dat zóóveel tijd in beslag.….”
-</p>
-<p>„Toe, speel eens iets,” vroeg Betsy.
-</p>
-<p>De huisvrouw liet zich niet lang nooden. Eenvoudig als ze was in al haar doen en laten,
-opende zij de piano, en speelde een lief Fransch romannetje, correct, zonder fouten
-en in de maat.…. <span class="ex">precies</span> ’n speeldoos, dacht Betsy, maar luid prees zij het spel.
-</p>
-<p>„Och, ik ken er niet veel van, doch het weinige, dat ik speel, speel ik zonder fouten
-en zooals het geschreven staat. Kom, laat u ook eens hooren!”
-</p>
-<p>Maar mevrouw Borne vond het niet goed.
-</p>
-<p>„Ik zie er,” zei ze, „op zichzelf wel niets in; maar het is nog pas zoo kort geleden.…
-Als er ’n drie maanden overheen zijn.…”
-<span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span></p>
-<p>’t Was voor Betsy weer een teleurstelling, en ze moest zich wel er in schikken, al
-kon ze niet beletten, dat haar gezicht verried hoe ongaarne zij de gelegenheid ongebruikt
-liet voorbijgaan, en met hoeveel spijt ze zag, dat de blinkende mahoniehouten klep
-over de blanke toetsen sloot.
-</p>
-<p>„Het is waar,” erkende mevrouw Bronkhorst. „Men kan van den weg zien, wie er speelt.
-Nu,” ging ze voort, toen ze het teleurgestelde gezicht van Betsy zag, „nu, kind, heb
-maar geduld. Zoo gauw als het kan voor je, komen jullie hier een avondje doorbrengen.
-Dan blijven we geheel onder ons, en je speelt zooveel je maar wilt.<span class="corr" id="xd31e1271" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>’s Avonds aan tafel vertelde zij het haar man.
-</p>
-<p>„Waarom liet mevrouw Borne het niet toe?” vroeg hij. „Ik zie niets goeds in zulke
-aanstellerij.”
-</p>
-<p>„Och, dat moet je niet zeggen, Jean; zij had wel gelijk. Men moet toch de vormen in
-acht nemen.”
-</p>
-<p>„Nu ja,” zei hij lachend, een in Holland geschoten en in blik geïmporteerd patrijsje
-met den wellust van een gastronoom ontledend, „nu ja, als de vormen maar ’n beetje
-in harmonie zijn met de werkelijkheid, dan ben <span class="ex">ik</span> er ook voor. In <span class="ex">dit</span> geval is daar, dunkt me, bitter weinig quaestie van.”
-</p>
-<p>„Ja, dàt geloof ik ook. Enfin.…. haar tante was er tegen.”
-</p>
-<p>„’n Goed mensch, maar erg <span class="ex">geborneerd</span>.”
-</p>
-<p>Zij lachten beiden om de woordspeling.
-</p>
-<p>„Ik heb gezegd, dat ze hier ’n avondje moeten komen, als haar tante denkt, dat het
-welstaanshalve kan; ze moet dan maar haar hart aan de piano ophalen.”
-</p>
-<p>„Dat is een kwade verbintenis,” vond hij. „Daar kunnen mijn arme ooren van genieten.”
-</p>
-<p>„Mevrouw Borne zegt, dat ze prachtig speelt.”
-</p>
-<p>„<span class="ex">Poeah!</span> ’t Zal wat wezen! In mijn jeugd heb ik dat ook eens hooren beweren, door een oude
-dame van haar dochter. Het meisje speelde.…. ik ben vergeten welk stuk. ’t Was ’n
-gerammel van belang, en mama zat er bij als de uitlegger van een panorama: <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>Hoort u, meneer, nu gaan ze op de jacht; nu begint het te onweeren; nu gaan ze in
-een kapel schuilen; nu hoort u den kerkdienst, en zoo rammelde het goede mensch door,
-haar rammelende dochter met de tong accompagneerend. ’t Was <span class="ex">prachtig</span>! Neen, maar dat verzeker ik je!”
-</p>
-<p>„O,” zei z’n vrouw, die het verhaal erg grappig vond, „jij bent ook zóó moeielijk
-te voldoen. Het meisje was je zeker te leelijk.”
-</p>
-<p>„Volstrekt niet; ze zag er zelfs zeer goed uit; maar zoo’n lieftallige mama slaat
-je ineens op de vlucht.”
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Eentonig, eenvormig en toch snel ging de eene dag na den anderen voorbij; de kapitein
-had al eens bij zijn vrouw geïnformeerd, hoe het er nu mee stond, en of Bets nu nog
-altijd fatsoenshalve van uitgaan moest verstoken blijven. En daar tante het eigenlijk
-ook erg hard vond, beknibbelde zij haarzelve op den vastgestelden termijn. De brieven
-naar Holland geschreven om de familie van Den Ekster diens overlijden mee te deelen,
-waren reeds beantwoord; van weerskanten was het plichtmatig en eenigszins stijf in
-den vorm toegegaan, zonder eenige kans op voortzetting der correspondentie, iets wat
-door geen der partijen, die elkaar persoonlijk volkomen onbekend waren, ook werd gewenscht.
-</p>
-<p>Het bleef bepaald dat Betsy haar weder-intrede in de kleine buitenwereld zou aanvangen
-met een intiem avondje bij de Bronkhorsten.
-</p>
-<p>„Ik hoop,” had de kapitein nadrukkelijk gezegd, „dat er toch ’n partijtje zal gemaakt
-worden?”
-</p>
-<p>„Homberen zullen ze er niet doen.”
-</p>
-<p>„Nu, dan in godsnaam maar whisten.”
-</p>
-<p>„We gaan anders niet om te spelen, maar enkel en alleen voor Bets.”
-</p>
-<p>Hij beantwoordde die opmerking met een diepen zucht. Wat hij daar moest uitvoeren
-den ganschen avond, als er geen partijtje werd gemaakt, wist hij waarlijk niet.
-<span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span></p>
-<p>Toen ze er kwamen, zat de notaris reeds met zijn vrouw in de voorgalerij, en Borne’s
-gezicht verhelderde, toen hij aan den anderen kant een speeltafeltje zag staan en
-daarop vier stellen wit paarlemoeren fiches, elk vier rondjes, vier vierkantjes en
-vier lange, plus twee roode „kapitalen”.
-</p>
-<p>„Ja,” zei na de eerste begroeting Bronkhorst, in antwoord op het vragend gezicht van
-den kapitein, „ik wou je den avond niet bederven, en heb den controleur gevraagd en
-een vriend van hem, die doortrekkende is; ze homberen beiden niet al te slecht.”
-</p>
-<p>„Uitmuntend, man. Daar doe je me wezenlijk ’n pleizier mee. De controleur is een prettig
-partner, en die vreemde eend in de bijt zullen we wel te pakken krijgen.”
-</p>
-<p>Terwijl ze om de marmeren tafel zaten aan een <span class="ex">poussecafé</span>, kwam de controleur, een donker jongmensch, onbezorgd en vroolijk, in Indië gewonnen
-en geboren; hij bracht zijn logé mee, ook ’n controleur, een tijdgenoot van Delft,
-maar overigens in uiterlijk een volkomen tegenstelling, zoo blond was hij. Er werd
-„voorgesteld” en een doelloos praatje gehouden, tot de kapitein, erg in zijn schik,
-vroeg „hoe de heeren er over dachten.”
-</p>
-<p>De heeren dachten er goed over, en juist wilde het drietal naar de speeltafel gaan,
-toen nog een rijtuig het erf opreed.
-</p>
-<p>„Wie kan dat zijn?” zei mevrouw Bronkhorst verbaasd.
-</p>
-<p>De notaris keek scherp toe.
-</p>
-<p>„’t Is Prédier,” antwoordde hij, zonder emphase, want hoe goed de jonge man ook was
-„in de koffie”, in gezelschap vond hij hem luidruchtig vervelend en vervelend luidruchtig.
-Het was waar, dat, toen Prédier uit zijn wagen stapte, hij reeds eenig geluid gaf,
-en toen hij de treden der voorgalerij opkwam, was hij reeds druk en hard aan het praten.
-</p>
-<p>„Ik hoop, dat ik niet ongelegen kom.…. Blijf tot morgen hier.…. Kon niet nalaten de
-familie even te begroeten.…. Dag mevrouw Borne, hoe maakt u het.…. Mevrouw Den Ekster?
-Weduwe van een confrater?.… Aangenaam kennis te maken.…. <span class="corr" id="xd31e1335" lang="fr" title="Bron: Boujour">Bonjour</span>”—tegen den controleur—„Hoe maak je het? Dag kapitein, <span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span>gaat ’t goed?.…. Meneer Van Drunen.…. Aangenaam!”
-</p>
-<p>En onder het praten, lachen en handdrukken-wisselen, alles beweeglijk en rumoerig.
-Het was of ’t notarishuis plotseling door Prédier in opschudding werd gebracht.
-</p>
-<p>„Ga zitten, Prédier,” zei de notaris, op een stoel wijzend, dien de bediende aandroeg.
-</p>
-<p>„Welzeker,” vervolgde de gastvrouw, glimlachend het hoofd schuddend, „je bent weer
-zoo druk.”
-</p>
-<p>„Ziedaar, dat krijgt nu ’n arm mensch uit de binnenlanden altijd! Men zit maanden
-eenzaam in een lekker koel klimaat met niets dan inlanders om zich heen, en als men
-dan „beneden” komt in de warmte en onder de menschen, dan vinden ze je druk! U zult
-er ook van weten te praten, mevrouw Den Ekster! Lekker op het land, ja? Maar saai!
-U moet niet naar mijn handen kijken.….”
-</p>
-<p>Eenigszins verontwaardigd richtte Betsy zich op.
-</p>
-<p>„Ik kijk in ’t geheel niet naar uw handen,” zei ze bits.
-</p>
-<p>De dames Borne en Bronkhorst lachten er om en Prédier lachte luid en krakend, zooals
-ook zijn spreekstem was. Betsy deed niet mee. Wat verbeeldde zich zoo’n man? Dat zij
-naar zijn handen keek? Er zou ook waarachtig wat aan te zien zijn aan die bruine koffieboeren-handen.
-De notaris lachte evenmin; hij vond Prédier ongemanierd, en voor ’t minst al te familiaar
-bij zoo geringe bekendheid.
-</p>
-<p>„Nu,” ging deze voort, zijn glinsterende oogen met duidelijke begeerte op de jonge
-weduwe gevestigd, „neem me niet kwalijk. Ik dacht het maar. Ze zijn niet best in orde,
-ziet u; ’n klein ongelukje met m’n <span class="ex">américaine</span>. Ik kwam van ’n partijtje, en reed naar huis. M’n paard schrikte onderweg, waarvan
-weet ik niet, want ’t was ’n stikdonkere nacht; het sprong op zij en <span class="ex">vlan</span>, daar lagen we met ons drieën in ’n ravijntje naast den weg.”
-</p>
-<p>„Met je drieën?” vroeg Bronkhorst, wiens belangstelling was gaande gemaakt.
-</p>
-<p>„Ja, het paard, de <span class="ex">américaine</span> en ik.”
-<span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span></p>
-<p>Weer lachten de twee getrouwde dames, en ditmaal deed de notaris het ook, maar pijnlijk
-en welstaanshalve, omdat hij er was „ingeloopen”. Betsy was niet te ontdooien; ze
-vond Prédier onuitstaanbaar, en ze begreep niet waarom men iemand duldde, die ongenoodigd
-gekomen, met groote brutaliteit en onzin rammelend, beslag lei op het algemeen gesprek.
-</p>
-<p>„Het paard was kreupel aan één kant en de <span class="ex">américaine</span> aan den anderen; onkruid kwam er het beste af; ’n paar schrammen aan de voorpootjes,
-zooals u ziet; anders niet.”
-</p>
-<p>En lachend strekte hij ’n paar vrij gehavende groote handen uit, bruin van kleur,
-maar erger nog verbrand door de zon, met rouwranden aan de nagels en gedeeltelijk
-dicht bezet met grove zwarte haren, die uit de witte, glinsterende manchetten te voorschijn
-kwamen, in schuine richting voortwoekerend tot de pinkwortels.
-</p>
-<p>„Ajakkes,” zei Betsy, zich woedend van dit Ezauïsch schouwspel afwendend; de notaris
-fronste ernstig de wenkbrauwen, en zou misschien iets onaangenaams gezegd hebben,
-al lachten de twee andere dames stil in haar zakdoeken,—als niet kapitein Borne zijn
-stentorstem van de andere zijde der galerij liet hooren.
-</p>
-<p>„Zeg, Prédier, als je soms mee wilt doen?”
-</p>
-<p>Het was voor den koffieboer een zware beproeving. Hij homberde dan toch wel zoo graag!
-En hij deed het uitmuntend, en hij had er geluk bij. Hij was bekend als een „haai”,
-die altijd met de winst ging strijken. Maar Betsy, die hij zoo plaagde, trok hem machtig
-aan. Drommels, dacht hij, zoo’n vrouwtje! Zoo’n kloeke taille en zoo’n lief kopje
-zouden hem lijken, en, als weduwe van een gewezen administrateur, wist ze wat het
-binnenland was en wat er kwam kijken. En ze sprak de taal.
-</p>
-<p>De kapitein had het gevraagd, gedrongen door de goedaardigheid van zijn karakter.
-Hij was juist bezig zijn partners „af te zetten”, zooals het winnen heet in spelers-idioom;
-hij wist ook, dat zijn kansen achteruitgingen, als Prédier meedeed. Maar aan den anderen
-kant vond hij het verschrikkelijk, een liefhebber van een partijtje zoo’n heelen avond
-aan de gemoedelijke verveling <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>eener huiselijke kletstafel over te laten, en dat meegevoel werd hem te machtig.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="fr">Merci</span>. Ik heb hier zulk uitmuntend gezelschap!” riep Prédier terug. „Ik zal van avond niet
-meedoen.”
-</p>
-<p>Tegelijk stond de notaris op en ging naar Betsy.
-</p>
-<p>„Als u er genoegen in hebt wat muziek te maken.….”
-</p>
-<p>Zij was blij, dat ze van dien Prédier, die haar telkens den gehaten naam van „mevrouw
-Den Ekster” gaf, ontslagen raakte. Even lei ze haar hand op den arm van Bronkhorst,
-die haar naar de piano bracht.
-</p>
-<p>Prédier keek hen na met opgetrokken wenkbrauwen, vol verbazing en teleurstelling.
-</p>
-<p>Zij zocht niet lang. ’t Was haar op dat oogenblik onverschillig, wat ze spelen zou,
-nu ze, voor het eerst weer na langen tijd, haar lust kon voldoen. En zij lette er
-ook niet op, dat ze een opgewekten Hongaarschen dans eenigszins woest attaqueerde,
-daarbij geweldig worstelend met haar door te lange rust weerspannig geworden vingers.
-</p>
-<p>Jean Bronkhorst was bij haar gebleven om ’t blad om te slaan en toen hij dat voor
-de eerste maal doen moest, had hij het bijna vergeten, zoo verbaasde hem haar muzikale
-ontwikkeling. Ook in de voorgalerij trok haar spel, meer artistiek nog dan correct,
-de aandacht. De controleur keek telkens van zijn kaarten op en naar binnen, en zou,
-doordat hij verzuimde aan de achterhand te blijven met de <span class="ex" lang="fr">fourchette</span>, bijna een <span class="ex" lang="fr">sans prendre</span> hebben verloren, als zijn collega, die ook door de muziek werd afgeleid, zich niet
-had vertrokken, wat den kapitein een stillen vloek ontlokte.
-</p>
-<p>Prédier was verrukt en mevrouw Bronkhorst zeer verbaasd; tante keek triomfeerend van
-den een naar den ander.
-</p>
-<p>En de klanken, nu eens vroolijk, dan van ’n vreemde sentimentaliteit, huppelden elkander
-na, al vlugger, langs de witte wanden der galerij, en stroomden door de breede openstaande
-deuren naar voren, verdrongen door die achter hen kwamen en <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>zich verliezende in de vrije ruimte tusschen en onder het fijne loof der reusachtige
-waringins.
-</p>
-<p>Stil en aandachtig volgde Bronkhorst haar spel; het deed hem goed; het maakte herinneringen
-wakker uit zijn vroeger leven; ’t wekte poëzie in zijn gemoed, als schudde zijn geest
-het prozaïsche stof af, waaronder hij, door notariëele akten en lekker eten, half
-was begraven.
-</p>
-<p>Zijn aandacht verdeelde zich, en terwijl hem de muziek door het hoofd klonk, volgde
-hij aandachtig het zwart ordeloos gekriewel der teekens langs de rechte horizontale
-lijnen der notenbalken, en zag toch nu en dan met innig welgevallen de kleine handjes
-hippelend en trippelend over het stijf wit-zwart mozaïek der toetsen.
-</p>
-<p>De inspanning had haar gezicht verlevendigd; er zat meer kleur en leven in, toen zij,
-na een half uur aan de piano te hebben gezeten, het eene stuk spelend na het andere,
-opstond van de fraai geborduurde zitting der kleine mahoniehouten tabouret.
-</p>
-<p>„Mijn hartelijken dank,” zei Bronkhorst zacht, „het was voortreffelijk.”
-</p>
-<p>„Ja,” stemde zijn vrouw toe, die naar binnen was gekomen en vlak achter hem stond,
-toen hij het zei, „ja Betsy, het was keurig, hoor! ik maak je wel m’n compliment.”
-</p>
-<p>„Mag ik er het mijne ook bijvoegen!” vroeg Prédier eenigszins verlegen. „Het is heerlijk
-geweest. Ik heb in lang zoo goed niet hooren spelen.”
-</p>
-<p>Zij was in geen stemming om boos te zijn, en knikte hem vriendelijk toe, doch haar
-lippen klemde ze toornig samen, toen hij er argeloos bijvoegde:
-</p>
-<p>„Dat is wat anders, dan de gamelan in de desa!”
-</p>
-<p>„U schijnt toch ook aan muziek gedaan te hebben,” zei ze tegen Bronkhorst, Prédier
-den rug toekeerend.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="fr">Il fut un temps</span>,” antwoordde hij lachend. „Maar als ik nu mijn viool voor den dag haalde, zou ik,
-vrees ik, er niet veel uit te voorschijn brengen.”
-<span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span></p>
-<p>„Het is zonde. De viool is zoo’n goddelijk instrument.”
-</p>
-<p>„Nietwaar?” zei mevrouw Bronkhorst. „En hij speelde zeer goed.”
-</p>
-<p>„Welzeker,” bevestigde tante Borne, „toen we vroeger te Soerabaia in garnizoen waren—m’n
-man was toen nog tweede luitenant—was Bronkhorst lid van een muziekvereeniging—och,
-hoe heette die ook weer; zoo’n vreemden naam!—en toen speelde hij heel mooi.”
-</p>
-<p>„Ik zal haar eens uit haar stoffige kast voor den dag halen. Na eenige studie zal
-het wel weer gaan.”
-</p>
-<p>Betsy knikte hem aanmoedigend toe, en zijn vrouw ook.
-</p>
-<p>„Ik vind ter wereld niets mooier,” zei deze, „dan viool en piano; maar ik heb geen
-tijd om het zoover te brengen, dat ik hem accompagneeren kan. Ik houd amper het weinige
-bij, dat ik geleerd heb.”
-</p>
-<p>„Als meisje had ik vrijen tijd tot vervelens toe,” erkende Betsy zonder omwegen, „en
-daar ik veel van muziek hield, deed ik geducht mijn best. Verder onderwijs was er
-niet veel,” voegde ze er zuchtend bij.
-</p>
-<p>„Het is tegenwoordig heel wat gemakkelijker dan vroeger,” meende Prédier. „Wij hadden
-een flinken gouverneur.….”
-</p>
-<p>„Dat moet wel,” zei Bronkhorst, „want jij hebt terdege gewerkt.”
-</p>
-<p>De dames keken hem aan en Prédier was „lekker” met het volstrekt niet onverdiend compliment.
-Alleen Betsy monsterde hem van het hoofd tot de voeten met een minachtenden blik.
-De notaris zag het, en had er pleizier in, want hij vond het vervelend, dat Prédier
-dadelijk weer naast haar was gaan zitten.
-</p>
-<p>De conversatie verliep in praatjes over onderwijs en vergelijkingen tusschen Indië
-en Europa. Er werd ’n wandelend soupeetje rondgediend, en toen het laatste „kleintje”
-was gespeeld aan de hombretafel, kwamen ook de vier spelers in ’t gezelschap, zoodat
-’t gesprek opgewekter en luidruchtiger werd.
-</p>
-<p>„Wel Bets,” vroeg de kapitein onder het naar huis gaan, op zijn goedigsten toon, „heb
-je van avond nogal pleizier gehad?”
-<span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span></p>
-<p>„Praat er niet van, oom! ’t Was verrukkelijk! Men wordt weer eens ’n ander mensch.”
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Drie maanden later was Betsy bij de Bronkhorsten meer dan bij haar familie een huisgenoot.
-Ze was er of ze zou er komen. En niet alleen kwam ze druk aan huis bij den notaris,
-maar zij ging veel uit, want ze was <span class="ex" lang="en">the great attraction</span> geworden onder de jongelui op het plaatsje. Serieuze huwelijkscandidaten deden zich
-niet op,—maar toch, als zij er werk van had willen maken, zou meer dan een, en Prédier
-voorop, aanzoek om haar hand hebben gedaan.
-</p>
-<p>Doch zij hield er volkomen haar verstand bij, en beschouwde alles met koelen blik.
-Zij had geen persoonlijke voorkeur onder haar aanbidders, en ze zou dáárom toch ook
-geen huwelijk aangaan. Ze wilde een man hebben van wien ze houden kon om hemzelf,
-maar die geld had en een goede positie in de maatschappij. Geen „vliegenden Hollander”
-zooals zij bij haarzelve de jongelui noemde, die hetzij in den handel of den landbouw
-nu eens op dit kantoor of dit land, dan weer op een ander werkzaam waren, alsook de
-jonge ambtenaren, die bij hun vele overplaatsingen van den eenen kant van den archipel
-naar den anderen zeilen.
-</p>
-<p>Toen ze dit haar tante vertelde, was het goede mensch boos.
-</p>
-<p>„Zoo,” zei ze, „acht jij je daar te goed voor? En wij dan?”
-</p>
-<p>„Dat niet,” antwoordde Betsy, „maar <span class="ex" lang="fr">pierre qui roule n’amasse pas de mousse</span>.”
-</p>
-<p>En daarop had tante Borne, die veel last had van beren, al kocht ze haar pommade in
-de toko, een oogenblik gezwegen. „Je hebt nog gelijk,” zei ze ten slotte met een zucht.
-</p>
-<p>Bronkhorst had, zooals hij gezegd had, zijn viool voor den dag gehaald en was ijverig
-aan het studeeren gegaan. De lof hem door Marie en mevrouw Borne toegezwaaid, was
-’n beetje overdreven. Zware muziek was zijn zaak niet, en Betsy hoorde dat dadelijk;
-doch hij had een goed gehoor, een goeden streek en hij <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>wist wat hij deed. Dat vond ze prettig en het waren aangename avonden, die bij de
-Bronkhorsten werden doorgebracht en waarop de bezoekers, talrijker dan vroeger, zich
-ook beter dan ooit amuseerden. Maar het samenzijn bepaalde zich niet uitsluitend tot
-partijtjes. Betsy was dikwerf geheel alleen des avonds bij haar buren. En als dan
-Marie, vermoeid van haar huiselijken arbeid, als naar gewoonte op haar stoel indommelde,
-bepaalde zich het musiceeren of de conversatie uitsluitend tot Bronkhorst en de nu
-vriendin des huizes geworden jonge weduwe.
-</p>
-<p>Het werd een spelletje tusschen hen beiden: hij, aanvankelijk zonder eenige bedoeling,
-ondervond den invloed van haar veelvuldig gezelschap; hij was blij, als ze er was,
-en hij was in haar bijzijn altijd vroolijk en opgewekt, zelfs geestig; dan scheen
-het of hij jonger werd, of hij in sommige opzichten zijn twintig jaren terugvond,
-die al bijna twintig jaren gevloden waren. Zij vond veel goede eigenschappen in hem:
-hij was gulhartig, vriendelijk, beleefd, in één woord altijd even <span class="ex">lief</span>. En zoo royaal! Nu, hij kon het doen, want hij was rijk! Hoe heerlijk was het in
-’t fraai gemeubelde huis! Hoe lekker en behaaglijk!
-</p>
-<p>„Wel, vertel eens wat van je bezoek bij oom Vijzel.”
-</p>
-<p>Het was een oude echt Indische <span class="corr" id="xd31e1463" title="Bron: famille">familie</span>, aan welker hoofd ’n oud bruin man stond, die door het heele plaatsje „oom” genoemd
-werd, maar die een der weinige personen was, met wie Bronkhorst het niet kon vinden.
-</p>
-<p>„Och, ’t was heel aardig,” zei ze: „eenvoudig en echt Indisch. Veel Maleisch en weinig
-Hollandsch. Maar hartelijk zijn ze wel.”
-</p>
-<p>„Dat geloof ik ook. Is er gedanst?”
-</p>
-<p>„Ja. We hebben om beurten dansmuziek gespeeld.”
-</p>
-<p>„Het is wèl! Ik begrijp niet, dat je je daartoe leent.”
-</p>
-<p>„Waarom niet? Men kan niet weigeren. Dat staat erg pretentieus.”
-</p>
-<p>„Best mogelijk, maar ik zou me er tegen verzet hebben, als ik er bij was geweest.”
-</p>
-<p>Zij lachte hem vriendelijk toe, haar witte tandjes toonend.
-<span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span></p>
-<p>„Zoo?” vroeg ze, de o’s aanhoudend met aardige stemmodulatie. Zijn verontwaardiging
-vleide haar.
-</p>
-<p>„Welzeker,” ging hij voort. „Er zijn genoeg rammelaartjes op zoo’n partij om walsjes
-en polka’s af te roffelen voor de dansers; men behoeft geen goede musicienne voor
-den vedel te zetten.”
-</p>
-<p>„Nu, ’t was zoo erg niet, en als Prédier me niet zoo had verveeld.….”
-</p>
-<p>„Was <span class="ex">die</span> er ook al?”
-</p>
-<p>„Zeker! En hij heeft mij den heelen avond met zijn attenties vervolgd. Maar erg onbeholpen,
-<span class="ex" lang="ms">kasian</span>!”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Kasian?</span> Ik zie niet, dat er eenige reden bestaat om hem te beklagen.”
-</p>
-<p>„Och neen; ik bedoel alleen maar, dat hij ’t niet helpen kan, als hij wat onhandig
-is. Hij meent het goed.”
-</p>
-<p>„Nu ja.”
-</p>
-<p>„Hij deed soms zoo gek! Dan weer was hij uitgelaten, en een oogenblik later zat hij
-me ’n kwartier achtereen te fixeeren.”
-</p>
-<p>„’t Is netjes, in gezelschap,” knorde Bronkhorst. „Hij moest zich schamen.”
-</p>
-<p>„Kom, kom! Nu, ik ga naar huis. Tot morgen.”
-</p>
-<p>Zij reikte hem over de tafel haar hand, die hij maar flauwtjes drukte.
-</p>
-<p>„Ik zal mevrouw maar laten slapen.”
-</p>
-<p>„Wil ik je brengen?”
-</p>
-<p>„Wel neen, ik ga door het deurtje het achtererf op. <span class="ex" lang="fr">Adieu!</span>”
-</p>
-<p>Toen ze weg was, kneep hij eenigszins zenuwachtig boos zijn sigaar tusschen de vingers.
-Marie snurkte zacht; zij had dien dag zóóveel te doen gehad; haar beenen waren zwaar
-van vermoeidheid en haar voeten gloeiden. Hij zuchtte diep en wierp uit de hoeken
-zijner oogen een ontevreden blik op zijn vrouw.
-</p>
-<p>„Zeg, Marie, wees toch niet zoo gruwelijk vervelend!” riep hij luid.
-</p>
-<p>Ze gaf in het eerste oogenblik geen antwoord; toen rekte zij zich uit en vroeg:
-<span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span></p>
-<p>„Is Betsy al weg?”
-</p>
-<p>„Zooals je ziet.”
-</p>
-<p>„Is het dan al zóó laat?”
-</p>
-<p>Hij gaf daar geen antwoord op.
-</p>
-<p>„Ik zou maar naar bed gaan als ik jou was.”
-</p>
-<p>„Blijf jij nog op?”
-</p>
-<p>„Ja.”
-</p>
-<p>„Nu, wel te rusten dan.”
-</p>
-<p>Zij stond op, kwam naar hem toe en stak haar gezicht vooruit om een kus; maar daar
-hij in geen stemming was om haar dien te geven, bepaalde hij zich er toe alleen het
-gelaat naar haar te wenden; en zoo bleven ze eenige dwaze seconden in wederzijdsche
-afwachting. Toen begon Marie te lachen en kuste hem:
-</p>
-<p>„Hè,” zei ze. „Wat ben je flauw.”
-</p>
-<p>Hij had geen lust over zijn of haar „flauwheid” in praatjes te vervallen. Die partij
-bij de Vijzel’s zat hem dwars. Het was, vond hij, al te dwaas, dat iemand als zij
-door <span class="ex">zulke</span> menschen werd vernederd om de muziek te spelen, waarop zij dansten. Ze hadden de
-inlanders met de „ronzebons” maar moeten huren, als ze dansmuziek wilden hebben! En
-dan die misselijke Prédier met zijn ongelikte berenmanieren en zijn brutale hofmakerij!
-Was dàt nu ’n man voor Betsy? Onwillekeurig kwam haar beeld voor zijn geest en starende
-in de duisternis van den avond, alleen in de voorgalerij, glimlachte hij. Zij is toch
-een lieve verschijning, dacht hij, en hij monsterde het beeld door zijn herinneringsvermogen
-weergegeven met welgevallen. Welk een verschil tusschen haar en Marie! O! ongetwijfeld
-had zijn vrouw vele goede hoedanigheden, hij had haar lief en aan haar persoonlijkheid
-verbond zich voor hem een reeks van aangename souvenirs; met haar was hij erg op zijn
-gemak en altijd zeker van een groote inschikkelijkheid, welke, zijn deugden kennend
-en op prijs stellend, zijn tekortkomingen voorbijzag; zij was een uitmuntende huisvrouw
-en een zorgvuldige moeder. Wat kon men eigenlijk meer verlangen? En daarbij zóó volkomen
-onbesproken, dat zelfs de <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>Indische vlugheid in babbelen en kwaadspreken nooit eenigen vat op haar had gehad.
-</p>
-<p>Wat dat alles betrof was zijn huwelijk hoogst gelukkig. Als meisje had zij zijn hart
-veroverd, als vrouw zwaaide zij zelfs den schepter over zijn voor lekker eten en drinken
-hoogst gevoelig gehemelte.
-</p>
-<p>En toch, als hij het beeld van Betsy naast dat van Marie teekende, dan.…. Verdrietig
-zuchtend stond hij op, nam een sigaar en begon, rookend, de galerij op en neer te
-loopen. Wat duivel had hij dan toch? Hij was toch niet op ’t vrouwtje verliefd. Nu
-moest hij er zelf om lachen. Dat was toch een al te dwaas idée! Zeker, mocht hij haar
-graag; zij schonk hem genoegen door haar muzikaal talent; hij mocht wel eens met haar
-lachen en schertsen; hij vond het aardig, dat zij met hem ’n beetje coquetteerde;
-soms schiep hij er zelfs vermaak in haar als bij toeval aan te raken, en als ze dan
-naar hem opzag, keek hij haar niet zonder eenige bedoeling diep in de zwarte oogen.
-Nu, dat was ook alles, en, vond hij, ’n vrij onschuldig genoegen voor iemand, die
-op ’n stil plaatsje in Indië toch <span class="ex">eenige</span> distractie moet hebben! Maar verliefd.…. bah!
-</p>
-<p>’t Was waarlijk te gek om er aan te denken! Nu ja, als men hem een etmaal met haar
-in ’n cel wilde opsluiten, dan had hij natuurlijk niet willen zweren.… Nu was het
-eenvoudig dwaasheid. De tijd voor kalverenliefde à la Prédier of andere jonge mannen
-was voorgoed voorbij.
-</p>
-<p>Hier dacht hij aan den koffieplanter. Het was waar, hij was ’n beetje ruw en ongepast
-in zijn manier van spreken en doen, maar overigens had hij geen ongunstig uiterlijk.
-Integendeel. En hij verdiende nu aardig geld met die nieuwe onderneming. Slaagde die
-en hielden de prijzen zich <span class="ex" lang="en">sturdy</span>, wel, dan was Prédier binnen ’n jaar of tien een rijk man. Dat alles was waar, en
-daar kwam nog bij dat hij goedhartig was en gul; een man best in staat om een vrouw
-zoowel in figuurlijken als in letterlijken zin op de handen te dragen. Waarom zou
-dan Betsy niet trouwen <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>met Prédier? Toch stuitte het denkbeeld hem geweldig tegen de borst; het maakte hem
-boos. Het kon niet; ’t zou zonde en schande wezen! En toen hij zich weer betrapte
-op die stille woede, welke zijn bedaarde redeneering over de goede eigenschappen van
-Prédier overvleugelde, stond hij bij de tafel stil, leunend met de hand op een stoel,
-en doelloos starend in de roodgele vlam der petroleumlamp. Zoo stond hij eenige oogenblikken,
-wierp daarna met ’n onverschillige geste z’n sigaar weg, zei bij zichzelven „<span class="ex" lang="en">nonsense</span>”, en riep een bediende om te sluiten.
-</p>
-<p>Betsy was vlug over het achtererf het huis der Borne’s binnengegaan. Een oogenblik
-sprak ze nog met haar tante, die geheel verdiept was in de lectuur van een roman uit
-den leestrommel.
-</p>
-<p>„Ik ga maar gauw naar bed,” zei ze, haar kussend.
-</p>
-<p>„Doe dat, Bets. Waren er nog lui bij de Bronkhorsten?”
-</p>
-<p>„Neen, wij waren onder ons.”
-</p>
-<p>„Nu, wel te rusten dan.”
-</p>
-<p>Ze dachten geen van tweeën na over het onlogische van deze conclusie; zij zeiden het
-zóó maar, als iedereen. Mevrouw Borne las voort met het boek dicht bij haar oogen,
-omdat ze ’n beetje myope was, en Betsy ging naar haar kamer. Terwijl ze voor de tafel
-stond en zich ontkleedde, ’n bezigheid, waaraan de meid haar hielp, schitterden haar
-oogen van genoegen en speelde ’n glimlach om haar mond. Hij was jaloersch! Hij was
-zoo „ingepakt”, dat hij niets kon verdragen van anderen; die mochten haar zelfs geen
-piano laten spelen. En wat was hij woedend op Prédier! Het deed haar genoegen; waarom
-wist ze eigenlijk zelf niet. Zij mocht Bronkhorst zeer gaarne; zij had hem, dat was
-zeker, liever gehad, dan wie ook. Maar wat baatte het? Er kon toch niets van komen,
-want hij was getrouwd, en de gezonde flinke persoonlijkheid van Marie, altijd in de
-weer ondanks het Indische klimaat, verbande elke gedachte aan een vroegtijdig weduwnaarschap,
-’t Was dus niet de moeite waard een ijdel spel te spelen. Trouwen <span class="ex">kon</span> hij haar niet, en zij was vast besloten, naar <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>Mephisto’s wijze les, <span class="ex" lang="fr">de n’ouvrir sa porte, que la bague au doigt</span>. De vroolijke trek, door de zekerheid der overwinning nog een oogenblik te voren
-op haar gelaat geteekend, verdween. Zij schoot een slaapsarong aan, oud, maar lenig
-en lekker aanvoelend, en viel onverschillig op haar bed neer. Sarinah klom er ook
-in, zuchtend en steunend, en ving langzaam aan haar met de harde beenige vingers te
-pidjiten.
-</p>
-<p>Met gesloten oogen, het loshangende zwarte haar links en rechts over de kussens uitgespreid
-en de bloote armen boven het hoofd gekruist, lag Betsy bewegingloos na te denken,
-haar lichaam overlatend aan het drukken en knijpen van de oude meid, die ook hierin
-een specialiteit was, al zuchtte en steunde ze er nog tweemaal zoo hard bij als gewoonlijk.
-Het was toch maar waar, dacht ze, dat zij voor het ongeluk geboren was en dat een
-hardnekkig noodlot haar vervolgde. Werkelijk, zij hield van dien Bronkhorst; zij vond
-hem een knap man, en hij was altijd even goed en lief; zij hield zich overtuigd, dat
-ze met hem gelukkig zou zijn; gelukkiger, dan met eenig ander. En hij had geld en
-goed! Hoe heerlijk zou zij geleefd hebben in het mooie groote huis met den rijken
-inboedel, dien ze zoo goed kende, waarvan zij den inventaris had kunnen opmaken uit
-het hoofd! Doch ook ditmaal liep zij alles mis. Eerst kreeg zij een man tegen wil
-en dank, met wien ze een ongelukkig leven had geleid, en de man, met wien ze, dat
-voelde ze, gelukkig had kunnen zijn, ontging haar hopeloos, want hij <span class="ex">was</span> getrouwd. Zoo zou zij dan ten laste kunnen blijven van haar bloedverwanten, als behoorende
-tot de klasse van „arme familieleden”, of ze zou Prédier kunnen trouwen, van wien
-ze een afschuw had, dan wel een ander liefst nog onbeduidender en akeliger. En dan?
-Zij wist het niet. Was dat een toekomst? Zij zou even gaarne sterven, als opnieuw
-een leven beginnen, gelijk ze geleid had met Den Ekster. Dat in eeuwigheid niet! Zij
-werd nog liever bonne of juffrouw van gezelschap of zoo iets. Maar hoe weinig aanlokkelijks
-ook dat denkbeeld voor haar had, bewezen <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>de tranen, die, toen ze zoover was gekomen in het nadenken over haar <span class="ex" lang="ms">tjelaka</span>, haar oogen ontvloeiden.
-</p>
-<p>„Wat scheelt er aan?” vroeg de meid, die juist den linkerarm omlaag had gehaald, ten
-einde het bovengedeelte er van te bewerken.
-</p>
-<p>„Och niks, <span class="ex">nèh</span>! Hou jij je mond maar.”
-</p>
-<p>De oude steunde luider en kneep en drukte zachtjes voort. Haar grove grijze haren
-waren door de inspanning en beweging in oproer geraakt en hingen haar over het gerimpeld
-voorhoofd, en als ze al pidjitend het bovenlijf regelmatig op en neer bewoog, deelden
-in die cadense de ontoonbare restes van wat eens de boezem eener jonge vrouw was geweest.
-</p>
-<p>Maar het was Betsy geen ernst geweest met haar stugge en hondsche afwijzing der belangstelling
-van Sarinah. Zij had, integendeel, behoefte om te praten over haar noodlot en over
-den strik, dien het haar nu weer had gespannen.
-</p>
-<p>„Je hadt gelijk, <span class="ex">nèh</span>!” ging ze voort; „je hadt gelijk laatst: het is waar, ik heb altijd ongeluk.”
-</p>
-<p>„Altijd,” bevestigde de oude, „ik zag het al bij uw geboorte.”
-</p>
-<p>Betsy rilde er van, want dááraan geloofde zij vast.
-</p>
-<p>„Ik wou dat het veranderen kon,” zei ze, ofschoon zij overtuigd was, dat er niets
-aan te veranderen viel.
-</p>
-<p>„Als de goede geesten willen, kan het,” meende Sarinah, „maar als de kwade sterker
-zijn kan het niet.”
-</p>
-<p>Het was in elk geval een kansje, dacht Betsy; maar zij rekende er niet op.
-</p>
-<p>„Dan zijn de kwade het sterkst, <span class="ex">nèh</span>! Dat ondervond ik weer in den laatsten tijd.”
-</p>
-<p>„Is er dan weer iets?”
-</p>
-<p>Een oogenblik dacht Betsy na; toen draaide zij de oude den rug toe en zei nijdig:
-</p>
-<p>„Och, niets! Er is niets.”
-</p>
-<p>Bij de tinka’s van haar „nonna” bleef de oude precies, zooals zij twintig jaren te
-voren daarbij gebleven was. Zij toonde volstrekt <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>geen nieuwsgierigheid; ze wist, dat het toch wel komen zou.
-</p>
-<p>En het kwam spoedig genoeg.
-</p>
-<p>Onstuimig schudde Betsy het hoofd en de tranen overstroomden weer haar oogen; zij
-sloeg met de vuist op haar borst; de fraaie equipage van Bronkhorst was haar plotseling
-voor den geest gekomen en dàt deed haar de volle uitgestrektheid van haar noodlot
-nog dieper beseffen.
-</p>
-<p>„Is het zóó erg?” vroeg Sarinah.
-</p>
-<p>„Och <span class="ex">nèh</span>! er is nu iemand met wien ik zou willen trouwen en die het mij zou willen.….”
-</p>
-<p>„En hij is niet arm?”
-</p>
-<p>„Neen zeker niet: hij is rijk; hij heeft een mooi huis; hij heeft ’n fraaie equipage
-en hij verdient wel twee of drie duizend in de maand.”
-</p>
-<p>„Jammer, dat hij getrouwd is.”
-</p>
-<p>Betsy vloog op als buskruit en gaf de oude met hare vlakke hand een klap op den schouder,
-die kort en hard door de kamer klonk, alsof zij had geslagen op een plank.
-</p>
-<p>„Je bent een brutaal, oud beest.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Oeah!</span>” haalde de oude languit. „Als hij rijk is en hij wil, waarom zou hij dan niet als
-hij kon?”
-</p>
-<p>„Hij kan niet,” bevestigde de jonge vrouw in haar moedeloosheid terugvallend; „hij
-kan niet! Het is waar, <span class="ex">nèh</span>, waarom zou ik het tegen jou niet zeggen? Ik heb niemand anders op de wereld en je
-bent ’n ouwe trouwe ziel.”
-</p>
-<p>Volkomen gewoon, dat er zoo met haar werd omgesprongen en dat zij in een minuut van
-een verworpeling een engel werd en omgekeerd, grijnsde Sarinah.
-</p>
-<p>„Het is niet noodig. Ik weet wel wie.”
-</p>
-<p>Half boos, half nieuwsgierig richtte Betsy zich op en stak haar gezicht, thans haast
-geheel onder het zwarte haar begraven, vooruit. En steunend op het vlak harer handen,
-zoodat haar lenige armen eenigszins naar binnen ombogen, zei ze driftig:
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Ajo</span>, zeg op, <span class="ex" lang="ms">ajo</span>!”
-<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span></p>
-<p>„Als het meneer de notaris niet is, dan is het een ander.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Masa!</span>.…. Oude heks!” zuchtte Betsy, en zij liet zich achterover in haar kussens vallen.
-</p>
-<p>Zoo lag ze een oogenblik stil, de oude bewonderend om haar slimheid; toen nam haar
-verdriet weer de overhand en plukkende aan den breeden gewerkten rand van het kussensloop,
-zei ze langzaam en droevig droomerig: „Ja, het is zoo, <span class="ex">nèh</span>! Nu zie je, dat ik de waarheid heb gesproken; er is niets aan te doen; het is weer
-mijn ongeluk. Hij zou mij trouwen, dat weet ik zeker, als die andere er niet tusschen
-zat. <span class="ex">Wáárom</span> moeten ze ook altijd die onhebbelijke totoks hierheen halen, alsof er hier geen vrouwen
-en meisjes genoeg zijn! Maar <span class="ex" lang="ms">soedah</span>! het is niet anders; ik moet er maar niet meer aan denken; er is toch niets aan te
-doen.”
-</p>
-<p>Er kwam een oogenblik pauze; wel een minuut. Betsy luisterde met kloppend hart of
-de oude niets zou zeggen, en deze, die uit het bed was gegaan omdat het pidjiten was
-afgeloopen, gleed steunend en grommend weer in haar lang blauw baadje; toen ze er
-in zat, en ze haar sarongband wat vaster had aangetrokken, kwam ze naar het bed terug,
-en met haar rimpelige handen steunend op den ijzeren rand van het ledikant, zag ze,
-knippend met haar doffe oogen, Betsy aan en zei:
-</p>
-<p>„Misschien!”
-</p>
-<p>Het kostte de jonge vrouw moeite haar bedaardheid te behouden. Zij had wel iets verwacht
-van dien aard, en haar geheele verzuchting was er op ingericht geweest om zoo iets
-uit te lokken, maar nu het kwam, viel het haar als een steen op het hart en werd ze
-weer bang voor de oude, net als ze dien avond geweest was toen ze haar twee gouden
-tientjes had gegeven om de natuur ’n handje te helpen. Maar ze hield zich goed en
-schokschouderde met minachting.
-</p>
-<p>„Je bent gek, <span class="ex">nèh</span>!”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah!</span> Als nonna het beter weet.”
-</p>
-<p>„Ik weet niets beter, en ik wil niet wijzer zijn dan een ander, maar ik geloof niet,
-dat het helpt, <span class="ex">nèh</span>!”
-<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p>
-<p>„Als hij van u houdt, dan moet het helpen; de kleine menschen weten maar weinig, doch
-zij kennen de aarde van hun land en wat er op groeit beter dan de blanda’s, die er
-over heen rijden.”
-</p>
-<p>„Klets maar niet. Jullie bent toch maar allemaal dom volk! Vertel liever wat er moet
-gedaan worden; doch ik doe niets, hoor!”
-</p>
-<p>Langzaam richtte Sarinah zich op en scharrelde naar haar hoek, waar de mat lag op
-den vloer.
-</p>
-<p>„Als de nonna een klein kind is, dan ga ik mijn slendang halen, en dan heb ik niets
-gezegd.”
-</p>
-<p>Een oogenblik was zij met haarzelve in tweestrijd. Zij had veel gehoord over de werking
-van zekere inlandsche middelen, en zij geloofde er vast aan; maar ze had er nooit
-eenig gevolg van gezien of ondervonden; wie weet of het niet veel erger zou worden,
-dan zij dacht; of niet de resultaten ernstige onaangenaamheden na zich zouden sleepen.
-Doch wat deed het er toe? De prijs was den inzet waard; zij was er ten slotte persoonlijk
-buiten, als Sarinah het deed; er mocht dan van komen, wat er wilde.
-</p>
-<p>Ze stond op en ging naast de oude zitten op de mat, ook met haar beenen gekruist onder
-haar.
-</p>
-<p>„Wees niet kwaad, oudje,” zei ze vleiend. „Je weet wel dat nonna veel van je houdt.”
-</p>
-<p>Er kwam geen antwoord; Sarinah trok een gezicht alsof ze die verklaring van genegenheid
-maar half geloofde, en ze zuchtte, steunend en mompelend.
-</p>
-<p>„Kom, zeg het dan maar!”
-</p>
-<p>„<span class="ex">Ik</span> kan niets zeggen; ik weet er zelf maar weinig van.”
-</p>
-<p>„Wat praat je dan?” vroeg Betsy driftig.
-</p>
-<p>„Mijn zoon weet het.”
-</p>
-<p>„Je zoon? Welke? Die dikke, die laatst hier op het erf was en me zoo brutaal aankeek,
-dat ik hem een standje maakte?”
-</p>
-<p>„Ja, die. O, hij is niet verlegen voor Europeesche vrouwen. Ik weet, dat er een is,
-die dikwerf bij hem komt, en die als hij het wilde, bij hem aan huis zou komen wonen
-om geheel zijn vrouw te worden.”
-<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span></p>
-<p>„Zoo’n slet!” viel Betsy uit, wier hoogheidsgevoel erg werd gekwetst door het denkbeeld,
-dat een Europeesch meisje zich niet ontzien zou de vrouw te worden van een Inlander.
-</p>
-<p>De oude stoorde zich aan dien uitval niet; zij haalde de schouders op, als wilde zij
-te kennen geven, dat het, volgens haar wijsbegeerte, alles <span class="ex" lang="ms">sama djoega</span> was.
-</p>
-<p>„En waarom komt ze dan niet heelemaal bij hem inwonen?”
-</p>
-<p>„Zij zou het doen, als het hier een groote stad was, waar de menschen niet zoo naar
-alles kunnen kijken. Het is hier maar klein; iedereen zou het weten; mijn zoon zou
-misschien onaangenaamheden krijgen met den resident, als die er zich mee mocht bemoeien.”
-</p>
-<p>„Hoe heet je zoon? Ik begrijp <span class="ex">niet</span>, dat ge nooit vroeger van hem hebt gesproken. Vóór we hier kwamen, wist ik niet dat
-hij bestond.”
-</p>
-<p>Grijnzend lachend, zoodat haar half geopende tandelooze mond, van binnen rood van
-het sirih-kauwen, een breede open wond geleek, zei ze:
-</p>
-<p>„Ik heb veel kinderen, van veel vaders. Er was een tijd, dat de oude Sarinah een mooie
-jonge vrouw was. Zij was nu eens hier, dan daar. Haar kinderen zijn over heel Java
-verspreid.”
-</p>
-<p>Langzaam knikte Betsy met het hoofd op en neer, terwijl ze met saamgeknepen lippen
-om niet te lachen, het oude monster bekeek.
-</p>
-<p>„Ja, ik geloof dat je een best merk bent geweest! Maar zeg me nu eens van dien zoon.
-Hoe heet hij, waar woont hij, en wanneer kan hij het aan je geven?”
-</p>
-<p>„Zijn naam is Ketjil.….”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Masa</span>, zoo’n dikke kerel!”
-</p>
-<p>„Een naam is zoo goed als een andere. Hij woont naar het Zuiden.…. vèr!.….”
-</p>
-<p>„Daar heb ik veel aan! <span class="ex">Enfin</span>, verder?”
-</p>
-<p>„Het duurt lang vóór hij kan geven, wat wij noodig hebben; hij moet er een groote
-reis voor doen; een reis naar den anderen kant van Java, in het Zuiden waar ook de
-zee is.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Oeah!</span>” riep Betsy, verbaasd over de noodzakelijke reis naar <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>het Zuiderstrand, en half denkend dat de oude haar fopte: „<span class="ex" lang="ms">Oeah!</span> Jij zegt maar.”
-</p>
-<p>„Het is wezenlijk waar. En daarom kost het veel geld, heel veel.”
-</p>
-<p>’t Schrikte Betsy niet af. Als een Europeaan van „heel veel” geld zou gesproken hebben,
-ware het iets anders geweest; inlanders noemden ’n betrekkelijke kleinigheid al heel
-spoedig een schat. In elk geval meende zij te moeten <span class="ex">tawarren</span>.
-</p>
-<p>„Ik heb niet zooveel geld. Je weet heel goed, dat ik maar arm ben.”
-</p>
-<p>„Wat het kost, moet het kosten. Niemand kan er iets aan veranderen.”
-</p>
-<p>„Nu, hoeveel denk je?”
-</p>
-<p>„Zeker weet ik het niet. Misschien drie- of vierhonderd gulden; misschien minder.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Masa, nèh</span>, dat is veel, ja? En dan? Wat gebeurt er dan? Ik heb er wel ’n heele boel van gehoord,
-maar ik heb het nooit gezien. Heb jij het wel eens gezien, <span class="ex">nèh</span>. Toe, vertel eens.”
-</p>
-<p>„Ik heb het gezien, maar ik kan het niet vertellen. Ik spreek er niet over; het is
-niet goed.”
-</p>
-<p>Betsy wist, dat als de oude er zoo over dacht, daartegen niets te doen viel. Zij drong
-er daarom niet verder op aan, hoe nieuwsgierig zij ook was.
-</p>
-<p>„Wanneer vraag je het Ketjil?”
-</p>
-<p>„Morgenochtend zal ik naar hem toegaan met een <span class="corr" id="xd31e1766" title="Bron: karrretje">karretje</span>. Als hij thuis is.….”
-</p>
-<p>„Je moet maar vroeg gaan, dan zal hij nog wel thuis wezen.”
-</p>
-<p>„Misschien. Ik zal vroeg gaan; het is nu tijd om te slapen.”
-</p>
-<p>Langzaam stond Betsy op en ging naar haar bed. ’t Was tegen wil en dank, want ze had
-nog wel veel meer willen weten; het zwijgen en het eindigen van het gesprek lieten
-haar geheel onvoldaan. Het eenige, wat ze nu wist, was, dat het haar ’n aardig duitje
-kosten zou. Voor de rest bleef ze zoowat even wijs. Maar dat schokte haar geloof en
-vertrouwen niet, en het denkbeeld, hoe vaag en betrekkelijk onbeslist, had haar zeer
-opgewonden en haar <span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span>het bloed naar het hoofd doen stijgen; het hield haar bezig en voerde haar fantaisie
-tot de grootste buitensporigheden; onrustig wentelde zij zich van den eenen kant op
-den anderen, de oude meid benijdend, die rustig ronkte op haar mat.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Prédier had het erg druk gehad. Hij was in den laatsten tijd zóó in de weer geweest
-met het bouwen van woningen en het in orde brengen van het terrein, dat er geen uur
-overschoot om aan de liefde te denken. Nu het er, zooals hij ’t noemde, een beetje
-op begon te lijken, kwam hem de kwaal weer plagen. Zoolang hij overdag aan het werk
-was, ging het, maar als hij ’s avonds in z’n eentje in de binnengalerij zat—want het
-land lag hoog en ’t was buiten koud—dacht hij aan de mooie oogen van de weduwe Den
-Ekster. Het was waar, dat op ’t partijtje bij de Vijzels Betsy minder stug tegen hem
-was geweest, dan zij wel scheen te willen, dat Bronkhorst dacht. Zijn eenigszins onbeholpen,
-maar goed gemeende hulde streelde haar, gelijk haast elke hulde elke vrouw. Ook was
-zij te verstandig om zonder noodzaak een niet kwade kans moedwillig geheel weg te
-werpen. Men kon nooit weten! Er was wellicht, zoo dat noodig moest zijn, op terug
-te komen.
-</p>
-<p>Hij had het aangenomen voor goede munt, en als zij hem eens bemoedigend toeknikte
-of een flauw glimlachje schonk, dan meende hij daaruit te mogen opmaken, dat hij haar
-niet geheel onverschillig was.
-</p>
-<p>En met die overtuiging was hij weer naar ’t gebergte getrokken, waar de frissche opwekkende
-lucht hem nog verliefder maakte dan hij was. Plannen had hij genoeg gemaakt, maar
-’t kwam hem voor, dat er nogal bezwaren tegenover stonden. De hoofdzaak was of ze
-hem wilde hebben. Een positie had hij, meende hij, en zoo alleen te leven in „de wildernis”
-lachte hem allesbehalve toe. Daarom achtte Prédier zich genoopt een besluit te nemen.
-Meer man van actie dan van <span class="ex">pikiren</span>, besloot hij het „zaakje” maar spoedig af te doen, en toen hij zoover was, duurde
-<span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>het ook geen vier en twintig uren of hij zat, gelijk hij het noemde, in de warmte
-en onder de menschen.
-</p>
-<p>Bronkhorst zat op zijn kantoor en achter zijn schrijftafel, doch hij werkte niet.
-Hij keek in gedachten recht voor zich uit in de donkere open vakjes van een oude,
-stoffige kast, waarin het binnenvallend licht driehoeken teekende. Niet als naar gewoonte
-kraste zijn pen de minute eener akte of het concept van een overeenkomst; hij had
-haar wel in de hand en een boek groot formaat Hollandsch schrijf voor hem op de tafel,
-maar de eene minuut ging na de andere voorbij, zonder dat zijn gewoonlijk zoo vlugge
-hand over ’t papier schoof. Zijn gedachten dwaalden af als die van een jongen van
-twintig, absent soms, verstrooid dikwerf, als moeder natuur hem op ongelegen oogenblikken
-in het ootje neemt.
-</p>
-<p>Nu hield de notaris zich niet bezig met kantoorzaken. Hij dacht aan de avondjes van
-den laatsten tijd, aan Betsy en aan muziek; hij voelde iets jeugdigs in zich, dat
-hem goed deed, waarin hij geen kwaad zag, en waaraan hij dacht met genoegen, zich
-verdiepend in allerlei bijzonderheden, verwijlend bij een gesproken woord, een uitroep
-of een lach; zich verbazend, dat hij het alles zoo goed had onthouden en het hem voor
-den geest stond, als zag en hoorde hij het nog.
-</p>
-<p>Een luide tred op het galerijtje leidde hem af en machinaal schreef hij op ’t blanke
-papier: „Op heden, enz.”
-</p>
-<p>„Zoo jongelui, hoe maken jullie het? Goed. Nu, dat doet me pleizier! je ziet er anders
-wel ’n beetje pips uit, zeker van de warmte hè? Jullie moet eens aan je baas ’n week
-of wat verlof vragen en bij mij boven ’n kouden neus komen halen.… <span class="ex" lang="fr">A propos</span>, is de notaris binnen?.… Ja? Dan loop ik even binnen.”
-</p>
-<p>Twee harde tikken met zijn knokkels tegen het scheidend schutsel en een seconde later
-stond Prédier voor Bronkhorst, die juist de eerste letters schreef van den voornaam
-van den persoon, die naar het heette op dat moment voor hem <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>„compareerde,” of, gelijk een geest, voor hem „verscheen.”
-</p>
-<p>„Goeden morgen! Hoe gaat het? Druk? Weer veel duiten aan het verdienen? Hoe is het
-thuis? Mevrouw wel? Kleintjes ook? Verdomd, wat is het hier warm, zeg!”
-</p>
-<p>„Houd je kalm,” zei Bronkhorst, verwonderd over het onverwacht bezoek. „Ga er bij
-zitten en steek een sigaar op.”
-</p>
-<p>„Heel graag. <span class="ex" lang="ms">Sepada, kasi api!</span> O, heb je hier lucifers? Neen, dan hoeft het niet. <span class="ex" lang="ms">Tida oessah.</span> Pff! Als je me nu nog ’n potje bier geeft.….”
-</p>
-<p>„Je kunt straks naar m’n huis gaan en drinken er ’n dozijn bier; op ’t kantoor, dat
-weet je, heb ik niets. Er wordt nooit iets gebruikt.….”
-</p>
-<p>„Nu, het doet er niet toe. Water dan maar. Ik heb een dorst als ’n paard.”
-</p>
-<p>„En hoe kom je zoo hier in de buurt?”
-</p>
-<p>„Ja, zie je.…. <span class="ex">Enfin</span>.…. ikke.…. ikke.…. ik had iets, waarover ikke.…. Ik had je wel eens iets willen vragen.”
-</p>
-<p>„Nu, geneer je niet. Je bent waarlijk anders niet bloo.”
-</p>
-<p>„Neen, daar behoeft ook geen quaestie van te zijn. <span class="ex">Enfin</span>, zie je.…. ik zal het je maar in eens zeggen.…. Ikke.…. Het is vervloekt vervelend
-zoo altijd alleen op het land. Ik moet een vrouw hebben, en ik heb wel zin in die
-mevrouw Den Ekster.”
-</p>
-<p>De notaris keek weer recht in de vakjes van de oude kast. Hij glimlachte als te voren,
-maar niet vergenoegd.
-</p>
-<p>„Zóó,” zei hij op ironischen toon, „zóó,” en een klemtoon van spotternij leggend op
-elk woord, vervolgde hij: „heb je wel zin in die mevrouw Den Ekster,”—alsof hij door
-die herhaling wilde zeggen: Wat verbeeldt gij je wel, met je oogen tot dat schepseltje
-op te slaan?
-</p>
-<p>Prédier voelde wel ’n beetje, wat in dien nadruk lag, maar hij begreep het verkeerd.
-</p>
-<p>„Waarom zeg je dat op ’n manier alsof het iets bijzonders was?” vroeg hij geraakt.
-„Ze heeft voor zoover ik weet geen cent geld, en wat ze bij mij kan krijgen is dubbel
-en dwars <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>weelde, vergeleken bij wat ze nu heeft en wat ze had toen haar eerste man leefde.”
-</p>
-<p>„O, neen,” gaf Bronkhorst toe, sprekende als iemand die aan iets anders denkt, „geld
-heeft ze volstrekt niet.”
-</p>
-<p>„Wel, dan zie ik ook niet in.….”
-</p>
-<p>Bronkhorst wendde het gelaat naar hem toe en zei snel:
-</p>
-<p>„Dus je gelooft, dat het heelemaal ’n quaestie van geld is; dat er niets anders bij
-ter sprake komt, dan de beurs of wel ’n zeker traktement per maand?”
-</p>
-<p>„Neen, niet heelemaal, maar toch zal dat voor een vrouw wel het voornaamste wezen.
-Wat drommel, men kan niet leven van den wind.”
-</p>
-<p>„En verder.…?”
-</p>
-<p>„Wat verder?”
-</p>
-<p>„Ik bedoel wederzijdsche genegenheid, beantwoorde liefde, als je die uitdrukking beter
-bevalt,—<span class="ex">enfin</span>, datgene, wat onder Europeanen toch altijd wordt beschouwd als het criterium van
-’t huwelijksgeluk, ’t zij men het adoratie of teelkeus noemt?”
-</p>
-<p>„Ja.…. ik vind, dat een man verliefd moet wezen, als hij er toe overgaat een vrouw
-te vragen; dàt nu wel; ik begrijp ook niet, dat hij het anders doen zou, tenzij om
-het geld, en daarvan is hier geen sprake. Wat ’n vrouw betreft,—ja, zie je, die moet
-iemand <span class="ex">willen hebben</span>, en of er dan verliefdheid of niet bij in het spel komt.…. dat is van later zorg;
-ik geloof dat het al doende wel leert, en ik heb ook altijd gehoord, dat het voor
-’n man voldoende is, als hij er maar ’n beetje beter uitziet dan ’n aap.”
-</p>
-<p>„’t Is een eigenaardige opvatting, dat is zeker. Misschien is er iets waars in en
-zou men nog verder kunnen gaan.”
-</p>
-<p>„Hoe dan?” vroeg Prédier nieuwsgierig.
-</p>
-<p>„Och, als men soms ziet hoe aapachtig verliefde mannen zich aanstellen, kan men er
-toe komen, te gelooven, dat het „beetje beter” er ook wel af kan.”
-</p>
-<p>„Verdomd!” riep Prédier, met z’n zware hand op de tafel <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>slaande. „Als ik niet wist, dat je het goed meende, zou ik denken, dat het je te doen
-was om hatelijkheden te tappen. Je hebt ’n rare manier om iemand in zulke dingen ’n
-goeien raad te geven.”
-</p>
-<p>Een oogenblik dacht Bronkhorst na, den rook zijner sigaar opzuigend en in korte zetjes
-uitblazend door den neus, en daarna diezelfde sigaar ernstig beschouwend, alsof het
-een bron was van Salomonische wijsheid.
-</p>
-<p>„Je hebt gelijk,” gaf hij toe, zijn gewone notarismanier van spreken hernemend; „het
-is ook zoo’n vreemdsoortig advies, dat je me vraagt, en zulk een buitengewoon onderwerp.
-In ernst Prédier, ik raad je dezen stap af; in gemoede ontraad ik je hem. Kijk eens,
-’t huwelijk is iets, dat, vooral hier in Indië, vaak lichtvaardig wordt opgevat bij
-het aangaan, maar let eens op, waartoe dat dikwerf leidt! Er wordt te weinig overwogen,
-dat het een overeenkomst is, die niet tot wederopzeggens, maar voor het leven wordt
-gesloten, althans behoort gesloten te worden. Men let op familie, op geld, op het
-uiterlijk, op een positie, op momenteele opwelling van genegenheid of begeerte, maar
-men verwaarloost het eenige, dat het huwelijk duurzaam, goed en gelukkig kan maken.”
-</p>
-<p>Prédier had met een ruk zijn stoel dichterbij geschoven; hij was nu ook ernstig geworden,
-maar het was aan zijn gezicht te zien, dat hij volstrekt niet begreep, waartoe deze
-nieuwe wending moest voeren.
-</p>
-<p>„En wat is dat dan?” vroeg hij verbaasd.
-</p>
-<p>„Het is zekere overeenkomst in karakter, neigingen en levensvormen; een overeenkomst,
-die althans zóóver dient te gaan, dat ze onvereenigbaarheid uitsluit. Oppervlakkige
-Fransche schrijvers zeggen: <span class="ex" lang="fr">l’amour vit de contrastes</span>, en oppervlakkige Hollanders zeggen dat na. Voor de liefde op z’n Fransch of op z’n.….
-Mahomedaansch wil ik dat aannemen, maar in <span class="ex">onze</span> Europeesche maatschappij en in <span class="ex">onze</span> burgerlijke kringen is het een leugen.”
-<span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span></p>
-<p>„Dus, als ik je goed begrijp, wil je zeggen: jij deugt niet voor haar, of zij niet
-voor jou, of jullie niet voor elkaar?.…”
-</p>
-<p>„Juist,” bevestigde Bronkhorst met warmte, en hij voegde er bij met iets oudere broerachtigs
-in toon en manieren: „ik mag je te graag en Betsy ook, om jullie blindelings in het
-ongeluk te zien loopen. En ik houd me overtuigd, dat het zoo wezen zou, want jullie
-bent, ieder voor zich, uitstekende menschen, maar je hoort niet bij elkaar. Ik weet
-nu niet met juistheid te bepalen, waar het groote, het algemeene verschil ligt; zulke
-definitiën zijn ontzaglijk moeielijk, maar ik zie duidelijk de algemeene onvereenigbaarheid,
-waarvan ik zooeven sprak.”
-</p>
-<p>„Ik niet,” zei Prédier leuk. „Ik vind wel, dat je van ochtend gruwelijk zwaar op de
-hand bent. Je stelt me het huwelijk voor als een geweldige corvée. ’t Is jandorie
-of man en vrouw tegenover elkaar staan als twee vijandige partijen. Als ik zoo alles
-naga, zou ik denken, dat je zelf toch andere ondervinding van het huwelijk hebt.”
-</p>
-<p>„<span class="ex">Enfin</span>, je schijnt me niet te begrijpen, en het is heel moeilijk, zooals ik zei, om me er
-verder over uit te laten of in bijzonderheden te treden bijwijze van vergelijking.
-Bovendien,” voegde hij er koel bij, „is het ook niet noodig. Want je zei wel, dat
-je m’n raad kwam vragen, maar ik weet ongeveer, wat dat bij zulke gelegenheden beduidt;
-men volgt dan alleen den raad op, die strookt met eigen plannen.”
-</p>
-<p>Prédier lachte op zijn luide, krakende manier, zooals hij sprak, gewoon als hij was
-meest altijd te lachen en te spreken buiten in de open lucht.
-</p>
-<p>„Nu, notaris, <span class="ex">die</span> zet is u. Ik geloof waarachtig, dat je gelijk hebt. Men kan het probeeren, en ik
-<span class="ex">zal</span> het probeeren. Ziedaar! Maar nu zal ik je niet langer van ’t werk houden en eerst
-eens ’n praatje gaan maken bij mevrouw.”
-</p>
-<p>„Doe dat. Vraag je haar ook om raad?”
-</p>
-<p>„Nu, dat kon wel wezen.”
-</p>
-<p>„Misschien dat haar advies beter klopt met je eigen wenschen, <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>dan het mijne. Maar geloof me, Prédier, denk nog eens ernstig na. Het is zulk een
-gewichtige stap, kerel! Beter ten halve gekeerd.….”
-</p>
-<p>„Dan ten heele gedwaald, dat weet ik. Maar je zult me niet kwalijk nemen, als ik denk
-dat in zulke zaken zoo’n goede, verstandige dame als mevrouw Bronkhorst een opinie
-heeft, die tegen elke andere kan opwegen.”
-</p>
-<p>Bronkhorst gaf er geen antwoord op; hij knikte slechts eenige malen langzaam met het
-hoofd.
-</p>
-<p>„Blijf je ’n dag of wat?”
-</p>
-<p>„Tot overmorgen; vóór dien tijd kom ik je zeggen hoe het is afgeloopen. Tot ziens!”
-</p>
-<p>Met de linkerhand onder het voorhoofd en den pennenhouder in de rechter, bleef Bronkhorst
-voor zijn schrijftafel zitten. Maar hij kwam niet verder dan den voornaam van dien
-op dat moment verwenschten eersten comparant. Het lag hem zwaar op het hart, dat bezoek
-van Prédier; het stemde hem onaangenaam en verdrietig; hij kon het niet van zich zetten
-om rustig, als vroeger, zijn minute te concipiëeren. Herhaaldelijk zuchtte hij, zonder
-dat hij het wist of opmerkte; ’t was een stemming gelijk aan het voorgevoel van een
-ongeluk.
-</p>
-<p>Hij hoorde aan den anderen kant van het schutsel den Inlandschen brievenbesteller
-zich aankondigen met zijn luid: <span class="ex" lang="ms">pos, toean!</span> en een oogenblik later lei een klerk de brieven en couranten bij hem neer. Werktuiglijk
-schoof hij ze uiteen met den vinger; een gedrukt adres boven het zijne—dàt van den
-afzender—trok zijn aandacht; hij schoof de enveloppe tusschen de andere uit en opende
-dien brief het eerst. Onder het lezen trokken zijn wenkbrauwen samen en plooiden zijn
-lippen zich tot een uitdrukking van ontevredenheid. Die tijding viel hem tegen: hij
-moest dadelijk voor een dringende zaak op reis!
-</p>
-<p>Het gebeurde wel meer, en zulke reisjes legden hem in het algemeen geen windeieren.
-Ook ontstemde het hem anders volstrekt niet. Integendeel, hij ging er gaarne eens
-’n paar dagen <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>„uit” op die manier; op zijn candidaat kon hij vertrouwen. Waarom kwam het hem dan
-nu zoo te onpas? Zelfs voelde hij, dat een antwoord op die vraag hem moeilijk zou
-vallen; toornig kneep hij de gescheurde enveloppe samen tot een balletje, smeet het
-in de snippermand, en zei bij zichzelven, met een kleur op het gezicht en een heftigen
-draai met zijn schroefstoel: „Laat ze trouwen, wat kan het mij ook.…”
-</p>
-<p>Hij regelde het werk, sloot zijn laden, en ging naar huis, om postpaarden te laten
-bestellen, en zijn vrouw te zeggen, dat hij nog dien dag op reis moest; ze kon dan
-zijn koffers gereed maken, wat ze zooveel beter deed dan hijzelf. Zijn boos humeur
-kreeg weer de overhand, toen hij Marie vertrouwelijk zag zitten praten met Prédier
-en aan diens gezicht wel bespeurde, dat hij van haar een anderen raad had gekregen.
-Met opzet ging hij het huis om en de achtergalerij binnen; maar zijn vrouw had hem
-gezien, liet <span class="corr" id="xd31e1913" title="Bron: Predier">Prédier</span> ’n oogenblik bij zijn bittertje en zijn sigaar alleen, en kwam naar achter.
-</p>
-<p>„Vent, wat ben je vroeg; het eten is nog niet klaar.”
-</p>
-<p>Hij vertelde haar, dat hij uit moest en waarheen.
-</p>
-<p>„Ik zal je boel straks in orde maken,” zei ze, „maar je weet wat Prédier komt doen,
-hé? Hij heeft je er al over gesproken.”
-</p>
-<p>„Ja,” antwoordde hij op onverschilligen toon, „ik heb het hem ernstig afgeraden.”
-</p>
-<p>„Nu, ik niet; integendeel, ik hoop voor beiden, dat het zal gelukken. Zij kan niet
-altijd ten laste blijven van haar oom en tante, en voor hem is het geen leven, zoo
-alleen in het binnenland. Jij vindt nu, dat ze niet bij elkaar komen, en daar is iets
-van aan; doch dan moet van beide kanten maar wat geschikt en toegegeven worden, dat
-moet toch altijd gebeuren, en het is dus alleen een zaak van meer of minder.”
-</p>
-<p>„Laat ze trouwen! Wat raakt het mij! Als zij zich in het ongeluk willen storten, is
-het hun zaak.”
-</p>
-<p>„Neen, vent, maar dàt is toch wat al te gek. Waarom zouden <span class="ex">zij</span> nu juist ongelukkig moeten zijn met elkaar? Hij is, alles <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>bijeengenomen, een beetje ruw en onbeholpen, maar ik geloof zeker dat hij een goed
-man is.”
-</p>
-<p>„O, ja.”
-</p>
-<p>„En Betsy kan wel eens wat coquet, nuffig of lichtgeraakt wezen, maar ze is verstandig
-genoeg.”
-</p>
-<p>„Zeker.”
-</p>
-<p>„Welnu, dan zie ik ook niet in, waarom je er zoo pessimistisch over hoeft te denken.
-Als ik niet wezenlijk dacht goed te doen, dan zou ik Prédier niet beloofd hebben<span class="corr" id="xd31e1935" title="Bron: .. ">…</span>.”
-</p>
-<p>„Wat heb je hem beloofd,” viel hij driftig uit.
-</p>
-<p>„Wel,” zei z’n vrouw verbaasd, „ik zal Betsy eens polsen en een goed woordje voor
-hem doen.”
-</p>
-<p>Met moeite bedwong Bronkhorst zijn toorn, maar het gelukte hem toch.
-</p>
-<p>„Marie,” zei hij, uiterlijk zeer bedaard, „je zult me een groot genoegen doen, door
-je daar geheel buiten te houden. Vooreerst vind ik zoo’n soort van „aankoppelen” afschuwelijk,
-maar in dit bijzonder geval is het dubbel, want ik ben overtuigd, dat het voor allebei
-op een zeer ongelukkig huwelijk zal uitloopen.”
-</p>
-<p>Zij was een goede vrouw, en ze deed gaarne wat haar man wenschte, maar van haar opinie
-deed ze geen afstand.
-</p>
-<p>„Goed,” antwoordde ze ’n beetje geraakt, „als je er zóóveel op tegen hebt, dan zal
-ik dat aan Prédier zeggen. Maar ik ben het niet met je eens, volstrekt niet, en ik
-hoop van harte, dat Betsy, ook zonder mij, verstandig genoeg zal wezen, haar belang
-te begrijpen.”
-</p>
-<p>Toen ze samen naar voren gingen, vertelde zij Prédier, dat haar man niet wilde, dat
-zij er zich mee zou bemoeien.
-</p>
-<p>„Je begrijpt wel,” voegde Bronkhorst er bij, <span class="corr" id="xd31e1948" title="Niet in bron">„</span>dat ik uitsluitend en alleen jou belang en dat van mevrouw Den Ekster op het oog heb,
-en het volstrekt niet te doen is om je in iets te dwarsboomen. Misschien stelt de
-toekomst me in het ongelijk; ik hoop het van harte; maar ik ben nu eenmaal van meening,
-dat <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>het met jullie niet goed zal zijn, en daarom mogen noch mijn vrouw, noch ik er toe
-medewerken.<span class="corr" id="xd31e1952" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Op dat oogenblik geloofde Bronkhorst zelf, dat hij meende, wat hij zei, en daardoor
-was er zekere kracht van overtuiging gekomen in den toon zijner stem. Voor Marie stond
-het ook muurvast, dat haar man slechts sprak uit overtuiging, ofschoon ze het erg
-onaangenaam vond, en Prédier, die evenmin de bedoeling wantrouwde, vond het zóó, dat
-hij toch maar liever zou zijn heengegaan om te rijsttafelen in het hotel. Doch zijn
-relatie met den notaris was van dien aard, dat de goede verhouding in het belang der
-zaken bewaard moest blijven.
-</p>
-<p>„<span class="ex">Enfin</span>,” zei hij met een gedwongen lach, „dan zal ik maar op mijn eigen gelegenheid mijn
-fortuin beproeven. Ik hoop alleen dat je me niet zult tegenwerken.”
-</p>
-<p>„Dat in geen geval,” verklaarde mevrouw.
-</p>
-<p>„Volstrekt niet,” zei ook Bronkhorst. „Ik zou het zelfs niet kunnen, want ik ga van
-middag op reis.”
-</p>
-<p>Ze spraken dáárover voort, blij dat het nu voor allen minder aangename onderwerp van
-het tapijt was, en daar elk hunner om zeer uiteenloopende redenen en met geheel verschillende
-gevoelens ’t mogelijke deed om het gesprek te doen vlotten, lukte dat aan tafel ook
-vrij wel.
-</p>
-<p>Toen, na de rijsttafel, Prédier, die toch eenige haast scheen te hebben, naar zijn
-logement was gegaan, en Marie bezig was met hare gewone zorgvuldigheid den reiskoffer
-te pakken, ging Bronkhorst nog even naar zijn kantoor, en van daar liep hij dwars
-het voorerf over om de Borne’s goeden dag te zeggen. Het was anders zijn gewoonte
-niet, als hij voor ’n paar dagen op reis ging, van zijn buren afscheid te nemen; bovendien
-kon hij er veelal op rekenen, dat op dit uur van den namiddag de kapitein en diens
-vrouw rustig hun siësta namen, terwijl deuren en vensters aan de voorzijde van het
-huis gesloten waren. Met het oog op dit laatste, ging hij het achtererf op, nu en
-dan onwillekeurig naar zijn eigen huis glurend om te zien of Marie <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>soms uit een der vensters keek, maar die keek alleen in de legkast en in den koffer.
-</p>
-<p>In de achtergalerij der Borne’s vond hij, wat men daar elken dag kon vinden op dezen
-tijd: Betsy aan een handwerkje in een wipstoel, en de naaister met Sarinah aan den
-anderen kant op een matje. Alles rustig en stil. Toen Bronkhorst de trap opkwam, keek
-de groote hond even op, maar dommelde, den goeden bekende ziende, dadelijk weer in.
-</p>
-<p>„Ik kom even goeden-dag zeggen. Slapen de luitjes?”
-</p>
-<p>„Ja. Gaat u op reis?”
-</p>
-<p>„Voor ’n paar dagen maar; voor zaken.”
-</p>
-<p>„Ga even zitten.”
-</p>
-<p>„Ik heb weinig tijd; ik kon niet nalaten te komen, om u nog eens te zien.”
-</p>
-<p>„Mij nog eens te zien?” herhaalde ze met groote oogen vol verwondering.
-</p>
-<p>„Zeker! Er zijn zulke geweldige kapers op de kust, en die hebben zoo’n haast.….”
-</p>
-<p>„Maak nu geen gekheid. Wat bedoel je?”
-</p>
-<p>„Alsof je dat niet weten zoudt!”
-</p>
-<p>„Ik weet heusch van niets.”
-</p>
-<p>„Nu, dan zal ik het je vertellen. Je wordt vandaag of morgen ten huwelijk.….”
-</p>
-<p>„Prédier!”
-</p>
-<p>„Ziedaar nu! Heb ik niet gezegd, dat ik niets nieuws kwam vertellen! Nauwelijks rep
-ik van een huwelijksaanvraag of de candidaat wordt genoemd. Ik wist wel dat hij de
-verwachte was.”
-</p>
-<p>„De verwachte!” herhaalde ze met minachting, en het was hem als lag er iets verwijtends
-in haar blik. „Ik begreep wel, dat, zoo ik door iemand spoedig gevraagd zou worden,
-het door hem zou zijn.”
-</p>
-<p>„En.…. zal hij de gelukkige wezen?”
-</p>
-<p>„Zeker.”
-</p>
-<p>Met saamgeknepen lippen hief Bronkhorst het hoofd op en <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>zag haar aan; zij zag dat het hem hinderde en dat deed haar een innig genoegen; zij
-had zijn trekken zien veranderen, en een sombere uitdrukking over zijn gezicht zien
-komen. Met de voorarmen op de tafel leunend, keek ze hem eenigszins spottend, maar
-toch erg lief in ’t gezicht.
-</p>
-<p>„Dan heb ik u nog slechts te feliciteeren.”
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e1992" title="Niet in bron">„</span>Mij? Waarom mij? Feliciteer den armen, akeligen Prédier, dien ik naar zijn land in
-eenzaamheid terugstuur; ik kan hem, daarvan ben ik overtuigd, niet wezenlijk gelukkiger
-maken; het tegendeel verbeeldt hij zich maar.”
-</p>
-<p>„Is dat nu ernst of scherts?”
-</p>
-<p>„Het is ernst.…. Een man als Prédier!.…. Stel je zoo iets voor!”
-</p>
-<p>Bronkhorst stond op en reikte haar de hand.
-</p>
-<p>„Dus.…. tot over een paar dagen.”
-</p>
-<p>„Zeker! <span class="ex" lang="fr">Au revoir!</span>”
-</p>
-<p>Hij vroeg zichzelven geen verklaring van het feit, dat, toen hij heenging, ’t hem
-was of hij van een zwaren last was ontheven; hij dacht in ’t geheel niet na, maar
-liep vlug naar huis, waar Marie in het zweet haars aanschijns zijn goed had gepakt,
-terwijl een bediende nu bezig was met kracht de riemen aan te halen van den overgevulden
-koffer.
-</p>
-<p>„Komaan, is het al klaar?” vroeg hij opgeruimd.
-</p>
-<p>„Ja; ik heb er twee paar sloffen ingedaan; een paar gewone voor het baden, denk er
-nu om, anders zijn de andere dadelijk stuk. En van je overhemden.….”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah!</span>” riep hij met een afwerend gebaar. „Ik vertrouw je best; het zal wel alles uitstekend
-in orde zijn.” Hij was immers volstrekt niet in een stemming om over sloffen en overhemden
-te spreken! Hij was erg verstrooid, vergat eerst zijn sigarenkoker, daarna zijn zakdoek
-en ten slotte zijn vrouw.
-</p>
-<p>„Nu, <span class="ex" lang="fr">bonjour</span>!” zei ze met bijzonderen nadruk, toen hij uit de voorgalerij naar beneden wilde gaan,
-waar het rijtuig wachtte.
-<span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span></p>
-<p>Snel en half verlegen keerde hij zich om en kuste haar.
-</p>
-<p>Dienzelfden avond zat Prédier in zijn kamer in ’t hotel. Nog nooit had hij het zóó
-warm gehad. Van een mondeling aanzoek had hij afgezien, daar hij vreesde bij die gelegenheid
-een figuur te maken, dat niet in zijn voordeel was. Schriftelijk zou hij het behandelen;
-hij vond, dat het veel gemakkelijker was op het papier te zeggen, wat men meende of
-dacht. Maar toen hij voor de eenigszins wankele ronde tafel zat, en alreeds eenige
-velletjes postpapier had verscheurd, omdat de aanhef hem niet beviel, werd ook dat
-gemak hem uiterst twijfelachtig. Hij had reeds zijn kabaja uitgetrokken en naar het
-schutsel gesmeten, en zat nu min of meer in badkostuum zich toe te wuiven met een
-kleinen papieren waaier, dien hij bij ’n Chinees had gekocht voor ’n dubbeltje. Hij
-wierp de schuld op de temperatuur. Als hij maar in ’t gebergte was, dan zou het heel
-anders gaan, meende hij. Hier op zoo’n verwenschte kustplaats met een voortdurenden
-thermometerstand van omstreeks 85 graden Fahrenheit, kon iemand zijn gedachten voor
-zulk een gewichtig werk niet verzamelen. En hij had toch zoo gruwelijk het land aan
-dat boek, dat hij voorzichtigheidshalve had meegenomen, en, bij het afnemend daglicht,
-een oranjegeel langwerpig vierkant vlak op de djatihouten tafel vormde, waarover dwars
-met groote zwarte letters „De Nederlandsche briefsteller” gedrukt stond!
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Onder het hardop voorlezen van den brief, knikten de dames Borne en Bronkhorst herhaaldelijk
-goedkeurend met het hoofd. Dat was, vonden zij, degelijke, gezonde taal; de vorm fatsoenlijk
-en net. En ze lett’en er volstrekt niet op, dat de kapitein op zijn stoel verwonderlijke
-grimassen zat te maken, tot ze verschrikt opzagen, toen hij, aan het eind van het
-epistel, brullend van het lachen opstond en naar zijn kamer liep.
-</p>
-<p>Nu in ’t geheel niet meer wetend, wat dat alles beduidde, keken ze elkaar een oogenblik
-verbluft aan.
-</p>
-<p>„Ik wil er meer van weten,” riep Betsy. „Daar zit iets <span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>achter; ik moet er het mijne van hebben.” En zij liep den kapitein na; zij vond hem
-in zijn kamer nog gierend van het lachen.
-</p>
-<p>„Wat is er oom? Toe zeg het nou?”
-</p>
-<p>„Neen, Bets, houd je stil, kind.… Het gaat al over.… Zeggen, doe ik niets.…. Ik kan
-’t me zoo levendig voorstellen, weet je?” En hij lachte weer.
-</p>
-<p>„Toe, oompje?” vleide ze, met haar arm om zijn hals. „Toe, zeg het mij, ja? Ik moet
-het immers weten.”
-</p>
-<p>Hij weigerde nog een oogenblik, maar kon het niet volhouden, en nam uit zijn boekenkast
-een oranjegeel deel; keek even in den bladwijzer, sloeg het daarna open en hield het
-haar voor:
-</p>
-<blockquote>
-<p class="first salute">„Hooggeachte vriendin!
-</p>
-<p>„Daar de oogen.….”</p>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>Haar eigen oogen gingen wijd open en ze keek kapitein Borne aan met een blik vol ontzetting.
-Ze rukte hem het boek uit de hand en vloog er mee naar achter, onder het loopen roepend:
-„Zoo’n ellendeling, zoo’n stommerik, zoo’n <span class="ex" lang="ms">koerang adjar</span>! Tante.… mevrouw Bronkhorst.… Zoo’n vent schrijft me een brief uit een boek!”
-</p>
-<p>En ze wierp het arme dikke deel op tafel, alsof al de bladen uit het omslag moesten
-springen.
-</p>
-<p>De eerste indruk der beide dames was mede die van verontwaardiging. Doch spoedig lachte
-men hartelijk om het dwaze geval, en niemand dacht er meer aan den man, die zich belachelijk
-had gemaakt, als huwelijks-candidaat in bescherming te nemen. Maar tante Borne was
-wantrouwend.
-</p>
-<p>„Hoe wist jij zoo precies, dat het een brief was uit een boek?” vroeg ze haar man.
-</p>
-<p>„Och,” zei hij, „we hebben indertijd met datzelfde ding eens ’n aardigheid gehad.”
-</p>
-<p>„En we zullen er nog een aardigheid mee hebben,” verzekerde <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>Betsy, die haar schrijfgereedschap had gehaald, lachend, maar toch zenuwachtig, ’n
-beetje heftig.
-</p>
-<p>Het boek voor haar leggend, schreef ze:
-</p>
-<blockquote>
-<p class="first"><b>Brievenboek van L.&nbsp;F. Geerling.</b>
-</p>
-<p><span class="ex">bladzijde</span> 217.
-</p>
-<p>232. <span class="ex">Antwoord.</span>
-</p>
-<p class="salute">Geachte vriend,
-</p>
-<p>Uw aanzoek, geachte vriend! is van zulk een gewicht, dat het mij niet mogelijk is,
-daarop aanstonds een bepaald antwoord te geven. Mijn eerste echtverbintenis heeft
-mij reden gegeven om met omzichtigheid te handelen en mij voor een tweede overhaasting
-te wachten. Vergun mij derhalve <span class="asc">ZEVENTIG JAREN</span> om mij te bedenken, te raadplegen en mijn hart te onderzoeken.—Kom dan na verloop
-van dezen korten tijd, en vereer mij weder met een bezoek: ik zal u dan in persoon
-mijn gedachten mededeelen, en over onderscheiden punten, die ik aan het papier niet
-toevertrouw, met u spreken.
-</p>
-<p class="signed">Uw hoogachtende vriendin
-</p>
-<p class="signed">Wed. <span class="sc">Den Ekster</span>.</p>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>Prédier kwam net van tafel in het hotel, toen een bediende hem het antwoord op zijn
-brief overreikte. Veel had hij verwacht, maar dat niet. Het was verpletterend! Binnen
-vier en twintig uren zou hij de risée wezen van het plaatsje! Zijn liefdegloed doofde
-bij die gedachte aanmerkelijk, en dienzelfden avond nog vertrok hij.
-</p>
-<p>„Zoo’n hatelijk schepsel,” dacht hij onder het rammelen der wielen over de rolsteenen,
-„Bronkhorst had <span class="ex">nog</span> gelijk!”
-<span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span></p>
-<p>Bij het heengaan van den notaris had Sarinah haar meesteres even aangezien, en haar
-een stillen wenk gegeven. Toen ze beiden in de kamer waren, vroeg Betsy:
-</p>
-<p>„Wat is het, <span class="ex">nèh</span>?”
-</p>
-<p>„Het zal gelukken.”
-</p>
-<p>„Hoe weet je dat?”
-</p>
-<p>„Ik heb het aan zijn gezicht gezien en aan zijn stem gehoord.”
-</p>
-<p>„Wat zag je en hoorde je?”
-</p>
-<p>„Wat noodig is. Ketjil zal mij niet bedriegen. Het helpt niet, zegt hij, als er niet
-een beetje lust is bij den man, en veel verlangen bij de vrouw. Maar als die er zijn
-dan helpt het. Ik heb ze allebei gezien en gehoord.”
-</p>
-<p>„Maar hoever gaat het, <span class="ex">nèh</span>? Je begrijpt toch wel, oudje, dat ik mijn geld niet kan weggooien. Er is nog iemand,
-die me trouwen wil, en die vrij is. Als ik dezen nu afwijs, en ik kan <span class="ex">hem</span> toch niet krijgen!”
-</p>
-<p>„De nonna zal hem kunnen trouwen. Hij zal naar haar toe worden gedreven; hij zal alles
-doen om haar te krijgen; hij zal zich niet storen aan de menschen; hij zal als het
-moet alles geven; hij zal zijn kinderen verwaarloozen en zijn vrouw verstooten en
-van haar scheiden, alles, alles.…. alles!”
-</p>
-<p>De oude sprak met een profetische begeestering, die Betsy deed huiveren.
-</p>
-<p>„Maar, dàt,” vervolgde Sarinah, „behoef ik de nonna wel niet te zeggen: <span class="ex">niets</span> vóór den tijd, <span class="asc">NIETS</span>!”
-</p>
-<p>Zij schudde het hoofd. Neen, dàt wist zij waarlijk ook wel! Maar welk een ontzaglijke
-bron van <span class="ex" lang="ms">soesah</span>! Welk een veld vol hindernissen! Een oogenblik dacht ze aan terugkeeren, maar zij
-wierp dat idée spoedig vèr weg. Geen lafhartigheid! Zij had <i>a</i> gezegd, ze zou ook <i>b</i> zeggen.
-</p>
-<p>„Hij is uit,” zei ze.
-</p>
-<p>„Ik weet het wel; ik heb immers gehoord, dat hij voor een paar dagen op reis moet,”
-antwoordde Sarinah. „Het is niets. Wij kunnen wachten.”
-<span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span></p>
-<p>„Wachten.…. ja!.… Ik had anders maar graag, dat het wat gauw ging.”
-</p>
-<p>„Niet haasten! Langzaam is goed; wat haast deugt niet.”
-</p>
-<p>De oude ging al pratende en steunende naar de toilettafel, nam er den <span class="ex" lang="ms">bedaq</span>-pot af en wierp den inhoud op een stuk papier, dat ze eerst op den grond had uitgestreken.
-</p>
-<p>„Wat doe je, <span class="ex">nèh</span>?” vroeg Betsy zich van den domme houdend. Ze wist wel wat dàt beduidde; zóóveel had
-ze er vroeger wel van gehoord.
-</p>
-<p>„Niets,” antwoordde Sarinah met haar schorren lach. „Ik doe niets,” en intusschen
-haalde zij uit haar trommel een grooteren pot en stortte een deel daarvan in dien
-van haar nonna over.
-</p>
-<p>„Dat hoort er bij, hè?”
-</p>
-<p>„Ja. Er is veel dat er bij hoort; men moet toch beginnen.”
-</p>
-<p>„Het stinkt immers niet? Laat me eens ruiken!”
-</p>
-<p>„Ruik het,” zei Sarinah, haar ’t potje overreikend.
-</p>
-<p>Betsy bekeek het glimlachend en met groote nieuwsgierigheid. Er was niets bijzonders
-aan te zien. Misschien was de nieuwe <span class="ex" lang="ms">bedaq</span> iets minder wit dan haar eigene, en zeker was het, dat er een andere geur aan was,
-een eigenaardige zoete bloesemgeur, die niet bijzonder treft, maar welke men zich
-toch weer dadelijk herinnert, als men hem eens heeft geroken; doch stinken deed de
-<span class="ex" lang="ms">bedaq</span> niet.
-</p>
-<p>„<span class="ex">Deze</span> moet bepaald worden gebruikt,” zeide de oude eenigszins ongerust. „Nonna moet nu
-niets veranderen en niets vergeten. Men moet het goed willen en goed doen.”
-</p>
-<p>„Wees niet bang, <span class="ex">nèh</span>! Ik vind het erg aardig en ook wel ’n beetje gek, zie je. Maar ik <span class="ex">zal</span> doen, wat jij zegt, al is het nog honderdmaal gekker.”
-</p>
-<p>Ontevreden schudde Sarinah het hoofd.
-</p>
-<p>„Er is niets geks aan.”
-</p>
-<p>„Neen, wees nu maar niet knorrig. Ik vond het enkel maar raar, dat die <span class="ex" lang="ms">bedaq</span>.….”
-<span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span></p>
-<p>„Het hoort er bij,” herhaalde de meid stijfhoofdig, „anders zeg ik niets: het hoort
-er bij.”
-</p>
-<p>„Goed, goed! Zeg nu maar gauw. Is er nog iets?”
-</p>
-<p>„Is er nog iets!—is er nog iets?” herhaalde de oude, nu bepaald boos. „Als het zoo
-gaat, moet er maar niets van komen. Het is geen werk voor kinderen, die maar willen
-lachen; die bij elk klein gedeelte, dat er bij hoort, vragen: is het dit, of is het
-dàt, of: is er nog iets? Op die wijze gaat het niet.”
-</p>
-<p>„Nu, oudje, wees niet boos, ja? Zóó meende ik het niet. Ik bedoelde enkel of je nu
-nog wat voor me hebt.”
-</p>
-<p>Mopperend en als met tegenzin dook Sarinah weer in haar groote vierkante trommel,
-groen geverfd met breede, roode randen, waarin zij haar schatten, geheimen en prullen
-bewaarde. Zij haalde er een fleschje uit, een dier dikke stukken glas met een inhoudsruimte
-als een pijpesteeltje, waarin oliën voor geneesmiddelen en reukwerken worden bewaard
-en verkocht.—Voor zij ’t haar gaf, keek de meid eerst haar meesteres nog eens aan
-om te zien of zij er nog den gek mee stak, maar het gezicht van Betsy stond zeer ernstig,
-en zij bekeek het fleschje met belangstelling. Zij begreep volkomen wat ook dit moest
-beteekenen, maar zij had onwillekeurig tot regel genomen om zich zoo onnoozel te houden
-als mogelijk was.
-</p>
-<p>„Wat is het, <span class="ex">nèh</span>?”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Minjaq bermanis</span>,” antwoordde de oude, tegelijk met haar wijsvingers over de wenkbrauwen strijkend
-als gebruiksaanwijzing.
-</p>
-<p>„Zoo! Ik zal het dadelijk eens doen.”
-</p>
-<p>„Dat behoeft niet, want meneer is er niet, en hij komt vandaag toch niet terug, zelfs
-morgen niet. Het is zeer goede en bijzondere.”
-</p>
-<p>„Is er dan verschil in?”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet. Ik geloof het wel. Er is verschil tusschen alle menschen en alle
-dingen. Deze <span class="ex" lang="ms">minjaq</span> is de goede; zij is klaar gemaakt naar een Padangsch voorschrift. Er is geen andere
-goede, dan die.”
-</p>
-<p>Betsy luisterde er nauwelijks naar. Zij had ’t fleschje geopend <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>en den inhoud met den top van een harer vingers in aanraking gebracht. Nu stond zij
-voor den spiegel en streek de uiterst geringe hoeveelheid olie over haar zwarte wenkbrauwen:
-zij wilde eens zien of het iets uitwerkte op het gezicht, en ze neigde het hoofd nu
-eens links, dan weer rechts, zoete mondjes trekkend en lief kijkend tegen haarzelf,
-zooals dames gewoon zijn te doen, als ze toilet maken voor den spiegel. Doch zij zag
-niet anders, dan wat ze van haarzelf en de uitdrukking van haar gezicht gewoon was
-te zien. Dit stelde haar teleur. Wat kon hij er aan zien, als zijzelve niets zag?
-</p>
-<p>„Het hoort er bij,” zeide Sarinah opnieuw. „Het een <span class="ex">met</span> het ander.”
-</p>
-<p>„Zeker, zeker,” stemde Betsy haastig toe. „Ik zal het nu maar bewaren.…. Misschien
-heb je nog meer.”
-</p>
-<p>„Ik heb niets, maar er komt nog heel veel te doen als meneer maar eerst terug is.”
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>’t Gebeurde spoediger, dan hijzelf had verondersteld. Het was doodstil in het huis
-der Borne’s: de doodsche stilte die in het binnenland van Java heerscht tusschen het
-derde en vierde uur na middernacht, als al wat leeft, schijnt te slapen. Plotseling
-sloeg de groote hond luid aan; het duurde maar een oogenblik; iemand sprak tegen hem,
-en het beest hield zich stil. Betsy was dadelijk wakker en zat overeind in bed te
-luisteren, terwijl een rilling van ongemotiveerde nachtvrees haar langs den rug liep,
-en toen er luid op de achterdeur werd geklopt, wat juist een geruststellend teeken
-was, schrikte zij nog harder, zoodat haar hart bonsde.
-</p>
-<p>„Mevrouw! mevrouw Borne!” hoorde zij roepen; ze herkende dadelijk de stem van Marie
-en sprong haar bed uit. In de binnengalerij kwam zij door de duisternis in botsing
-met haar tante, wat beiden zenuwachtig deed lachen.
-</p>
-<p>„Neem me niet kwalijk,” zei mevrouw Bronkhorst, <span class="corr" id="xd31e2225" title="Niet in bron">„</span>dat ik u uit den slaap haal, maar kleine Jean is zoo naar.”
-<span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span></p>
-<p>„Wat heeft hij?” vroeg mevrouw Borne.
-</p>
-<p>„Hij was den heelen dag reeds koortsig, en toen hij van avond slapen ging, erg warm.
-Nu een uur geleden is hij gloeiend heet wakker geworden, en het wil maar niet bedaren.
-Ik maak me altijd zoo ongerust over ziekte, als Bronkhorst niet thuis is.”
-</p>
-<p>Dadelijk waren de dames klaar, en een paar minuten later zaten ze in de slaapkamer
-bij kleinen Jean, die in een erge koorts lag. Hier was de hulpvaardige mevrouw Borne
-op haar terrein; met de haar eigen drukte en beweging, nam zij eenige onbeduidende
-maatregelen tot verlaging der temperatuur van het kind, maar was toch verstandig genoeg
-onverwijld om den jongen vreemden geneesheer te zenden, die Den Ekster op zulk een
-onuitsprekelijke manier aan zijn eind had zien komen.
-</p>
-<p>Marie was ’t hoofd geheel kwijt. Altijd rustig, schoon ijverig en voortvarend, in
-haar gewone doen, maakte dit ziektegeval haar zenuwachtig en opgewonden. Zij hield
-ook zooveel van kleinen Jean, en Bronkhorst was van huis, en het was nacht, en.….
-en.…. ze wist zelf niet hoe het kwam, maar ze was geheel overstuur. Zooveel besefte
-zij alleen, dat het heel gelukkig was zulke voortreffelijke buren als de Borne’s te
-hebben. Overigens liep ze onrustig van de eene kamer in de andere, nu eens het brandend
-hoofdje voelend van het kind, dan weer iets willende halen uit een kast, zonder dat
-ze, als ze er voor stond, zich meer herinnerde, wat het geweest was. Intusschen sloeg
-de radde tong van mevrouw Borne den rammelslag, geruststellend verhalend van geweldiger
-koortsen, waarvan uiterst zwakke kinderen hersteld waren, of van de nog heviger aanvallen,
-die sterke kinderen in een ommezien naar het graf hadden geholpen; van de koortsen,
-die ze zelf had gehad, en haar man, en haar kinderen, neefjes, nichtjes, vrienden
-en bekenden. Betsy hoorde en zag alles zwijgend aan; de eenigszins opgetrokken wenkbrauwen
-gaven haar gezicht een uitdrukking van verwondering. Zij was nu zoo kalm als ’t maar
-kon! Inderdaad liet het ziektegeval haar volkomen onverschillig.
-<span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span></p>
-<p>Wat kon het haar schelen of kleine Jean stierf? Zij had, getrouwd zijnde, graag kinderen
-gehad, omdat er dit volgens de gangbare ideeën bij behoorde; maar zij hield niet van
-kinderen, volstrekt niet!
-</p>
-<p>Als ze die van haar tante of van Marie liefkoosde, deed zij dat ten genoege van de
-ouders. Daarom ook ging ze bij het bedje zitten van kleinen Jean, nam zijn hoofdje
-op haar arm, en lei ’t kompres met koud water aan, dat mevrouw Borne inderhaast had
-gemaakt.
-</p>
-<p>De dokter liet het kind baden in lauw water, en daar het nog te jong was om zich tot
-het slikken van onaangenaamheden te leenen, werd het met opgeloste quinine ingewreven.
-Of het door de werking van een en ander was, dan wel door de vermoeienis van het sollen
-dat met hem was gedaan, en waartegen hij zich met alle kracht en geweld had verzet,—kleine
-Jean viel in een looden slaap in den arm van Betsy, die hem toedekte met een kinderlaken
-en de anderen wenkte stil te zijn en heen te gaan, waarop Marie naar haar toekwam,
-fluisterend vragend: „Slaapt-ie?”
-</p>
-<p>„Ja, hij slaapt en hij is minder warm,” fluisterde Betsy terug. „Ga nu zelf nog ’n
-beetje rusten, anders ben je morgen zoo moe.”
-</p>
-<p>Marie moest nog eerst even met haar hand voelen of kleine Jean werkelijk minder warm
-was; tante Borne moest het ook voelen; intusschen spraken ze er over, en gingen niet
-heen vóórdat ze ’t kind bijna hadden doen ontwaken. Tante keerde naar haar huis terug;
-Marie ging in de kamer bij de andere kinderen, waarvan er een was ontwaakt, dat luidkeels
-om maatje riep, zich ditmaal niet tevreden stellend met de baboe, wier gezelschap
-het in alle andere omstandigheden steeds prefereerde. Het werd ook hier stil in huis;
-’t was pas halfvijf; de maan in haar laatste kwartier tuurde nog door de kieren van
-de opengetrokken stores, daar buiten met haar wit schemerlicht alle kleurenverschil
-opheffend, om alleen het wit en zwart toe te laten in zachter en scherper schakeeringen;
-het lampje in den <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>blauwen ballon, die aan de zoldering hing, brandde flauw en liet in het vertrek een
-vreemden fantastischen gloed vallen, waardoor het fraai Europeesch meubilair als met
-’n geheimzinnige Oostersche deftigheid werd overtogen. Betsy zat zoo onbeweeglijk
-stil als de helft van ’t bloed, dat haar door de aderen vloeide, het haar veroorloofde.
-</p>
-<p>Tusschen haar halfgesloten oogleden, dwaalde haar blik door de kamer, en ofschoon
-ze genoeg had geslapen dien nacht, deed toch die vreemde gloed haar indommelen, tot
-het geluid, dat den aanbrekenden dag vergezelt, haar ’n kwartiertje later de oogen
-deed openen. Zacht liet ze het hoofdje van haar arm glijden; kleine Jean bleef slapen:
-hij was niet warm meer en zijn gezichtje, eerst zoo rood, was wit als de kussensloop.
-</p>
-<p>Maar ’n uur of wat later kwam de koorts weer opzetten, tot grooten schrik ook van
-den vreemden jongen dokter, die wel inzag, dat als hij hier langs het rijtje van de
-huizen af zijn patiënten moest zien sterven, de particuliere praktijk hem geen gouden
-eieren zou leggen. Marie had in haar angst een telegram gezonden naar Bronkhorst,
-en Betsy had beloofd te zullen blijven, ook omdat de kleine Jean nu eenmaal door niemand
-dan door haar wilde geholpen zijn. Het deed haar genoegen, omdat dit zoo’n geschikte
-gelegenheid was, haar invloed te vergrooten; overigens wenschte ze ’t grillige, lastige
-kind naar den drommel, ofschoon zij het hielp met een ijver en ’n handigheid, die
-zoowel de goedkeuring van tante Borne als die van Marie wegdroeg. Al tobbende met
-het kind verstreek de snikheete kentering-dag; maar al bracht de avond geen verfrissching,—de
-koorts van kleinen Jean nam gelukkig af; en nu wilde hij niet langer in zijn bedje
-blijven, maar dreinde en dwong om op den schoot van „Bettie” te zitten; nauwelijks
-vijf minuten had hij zijn zin of hij maakte aanstalten om te gaan slapen. De pogingen
-om hem weer in zijn bedje te leggen, mislukten geheel; hij klemde zich schreiend aan
-Betsy vast.
-</p>
-<p>„Ik zal hem maar op m’n schoot houden,” zei ze.
-<span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span></p>
-<p>„Als het je niet te moe maakt,” antwoordde Marie. <span class="corr" id="xd31e2250" title="Niet in bron">„</span>Ik zal ’n makkelijken stoel laten halen.”
-</p>
-<p>De bedienden sleepten een grooten fauteuil bij met rood rips overtrokken, met zachten
-rug en armen en veerkrachtige zitting; Betsy zonk er in weg; een rood voetenbankje
-werd onder haar bloote voeten geschoven, en een half uur later sliepen zij en kleine
-Jean om ’t hardst in den stoel, terwijl de oude Sarinah beiden met een waaier muskietvrij
-hield.
-</p>
-<p>Zóó vond hen Bronkhorst, toen hij, vol angst voor het leven van zijn kind, nog denzelfden
-avond aankwam.
-</p>
-<p>Hij trad de kamer binnen, op den voet gevolgd door Marie.
-</p>
-<p>„Ze slapen allebei,” fluisterde zij.
-</p>
-<p>Hij knikte toestemmend en naderde zacht. Toen hij het voorhoofd van kleinen Jean aanraakte,
-vond hij ’t kind zeer kalm; maar zijn blik rustte meer op Betsy dan op het jongetje.
-</p>
-<p>„Arm ventje! Hij heeft het zoo kwaad gehad.”
-</p>
-<p>„Wat zegt de dokter?”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet; ik kan uit dien man niet wijs worden; hij bezigt tusschen zijn
-Duitsch allerlei Latijnsche woorden. Ja, het is koorts.…. Nu, dat was wat nieuws!”
-</p>
-<p>Stil liet hij haar verontwaardiging uitfluisteren. Wat kwam ’t zwarte haar van Betsy,
-half loshangend over de rugleuning van den fauteuil, aardig uit tegen het <span class="ex">fond</span> van rood rips! Hoe lief zat ze daar met zijn ziek kind, en hoe rustig sliepen ze!
-Als zijn vrouw er niet bij had gestaan, zou hij ze allebei gekust hebben. Nu boog
-hij zich over kleinen Jean en gaf hem een zoen; zijn lippen gingen rakelings langs
-haar hand; het deed hem trillen van genoegen.
-</p>
-<p>„Maak hem nu niet wakker,” fluisterde Marie weer; „kom naar je kamer; er ligt schoon
-goed voor je klaar.”
-</p>
-<p>Natuurlijk moest hij mee, maar hij zou liever gebleven zijn; aan de deur wierp hij
-nog een blik achter zich, maar er viel niets aan te doen. Hij moest mee als een zoete
-jongen om een ander pakje aan te trekken. Het hinderde en ergerde hem.
-<span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span></p>
-<p>Toen zij Bronkhorst en Marie hoorde heengaan, opende Betsy de oogen en lachte. Zij
-had niet geslapen; zij had als elke coquette vrouw een goed begrip van <span class="ex">pose</span>, en instinctmatig had zij gevoeld, dat die houding met den schijn van te slapen allergunstigst
-voor haar was. Al had zij de oogen wijd open gehad, dan had ze niet beter kunnen weten,
-wat er in Bronkhorst’s geest had omgegaan, dan thans; ze had moeite genoeg gehad om
-geen spier in haar gelaat tot lachen te vertrekken bij die kinderachtige manoeuvre
-van het kussen van ’t kind. Thans, nu ze weg waren, schoof ze ’n beetje ter zijde;
-kleine Jean werd zwaar en verveelde en hinderde haar. Toch wilde ze hem op haar schoot
-houden, hoe graag ze hem ook stilletjes in zijn bedje had gemoffeld; doch hij moest
-haar, zoo ziek en slapende als hij was, nog van dienst zijn, want ’t was voor haar
-een uitgemaakte zaak, dat Bronkhorst zou terugkomen. Wat zou ze doen? Weer slaap veinzen?
-Dan zou hij haar kussen, dat was zeker, en zóóver wilde zij het nog niet laten komen;
-dat was ook veel te gevaarlijk. daar zij het ongetwijfeld zelf aangenaam zou vinden;
-en was het eenmaal zóóver.…. Neen, dàt kon en mocht niet. ’n Jong meisje kan, meende
-zij, zich nog in alle onschuld ’n zoen laten geven, zonder dat het meer is dan ’n
-aardigheid <span class="ex" lang="fr">sans conséquences</span>; maar als ’n weduwe zulk een <i>a</i> zegt, dan is het dwaas en haast belachelijk wanneer zij weigert er een <i>b</i> op te laten volgen. Neen, daar moest niets van komen! Zij zou wakker blijven en kleinen
-Jean op den schoot houden.
-</p>
-<p>Even vóór achten, terwijl Marie in de keuken was om te proeven of het eten wel behoorlijk
-was gereed gemaakt, ging weder de deur open en verscheen Bronkhorst in négligé. Hij
-glimlachte en knikte tegen haar.
-</p>
-<p>„Hoe gaat het?” vroeg hij met uitgestoken hand. Zij reikte hem haar vingertoppen,
-die hij met veel hartelijkheid drukte. „Wij zijn je erg dankbaar voor de goede hulp.
-Slaapt hij nog?”
-</p>
-<p>„Ja. Het zal hem goed doen!”
-<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span></p>
-<p>„Zou je niet probeeren hem in z’n bedje te leggen? Het zal je zoo vermoeien hem al
-dien tijd op den schoot te hebben.”
-</p>
-<p>„’t Gaat nogal. Ik ben zoo bang, dat hij weer wakker wordt. Hij heeft zoo weinig geslapen
-vandaag.”
-</p>
-<p>„Wil je ’n glas Selters-water?”
-</p>
-<p>„Dank je. Alleen ’n glas gewoon water uit de gendi.”
-</p>
-<p>„En hoe is het met Prédier afgeloopen?” vroeg hij, terwijl zij langzaam in kleine
-teugjes het water dronk. Zij vertelde hem de geschiedenis van de brieven uit het boek;
-hij stikte haast van het stille lachen met de hand voor den mond.
-</p>
-<p>„Heerlijk!” zei hij halfluid, en zich plotseling vooroverbukkend, kuste hij haar.
-</p>
-<p>Zij keek hem toornig aan, met saamgetrokken wenkbrauwen.
-</p>
-<p>„Wees er niet kwaad om!” verzocht hij dringend, en hij had tegenover haar boos gezicht
-bijna spijt van zijn vrijpostigheid. Maar hij was met het voornemen om haar te kussen
-in de kamer gekomen, en als een goed notaris zich eenmaal voorneemt iets tot stand
-te brengen, dan doet hij het ook.
-</p>
-<p>Toen ze geen antwoord gaf, herhaalde hij zijn verzoek.
-</p>
-<p>„Toe, wees er niet boos om! Ik <span class="ex">kon</span> het niet laten. Het is immers zoo erg niet, en ik heb er spijt.….”
-</p>
-<p>Nu trok zij de wenkbrauwen hoog op, zag hem aan en maakte met het hoofd een beweging
-ter zijde, die duidelijk te kennen gaf, dat ze niets hoegenaamd van die spijt geloofde.
-</p>
-<p>„Nu, het is waar. <span class="ex">Je hebt</span> gelijk, en ik lieg, als ik beweer dat het me spijt. Maar.….”
-</p>
-<p>„Doe het niet weer,” vulde Betsy aan, heel kalm, maar eenigszins dreigend, alsof er
-nog iets achter hoorde, wat ze verzweeg.
-</p>
-<p>„Ben je dan niet boos op me? Heusch niet?”
-</p>
-<p>Ze liet hem begaan toen hij haar hand vatte, maar een seconde later trok ze die snel
-terug; ze had de nikkelen kruk op het wit porseleinen plaatje van de kamerdeur zachtjes
-zien draaien, en dadelijk daarop verscheen het blonde hoofd van Marie tusschen de
-deur en den post.
-<span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span></p>
-<p>„Het eten is klaar. Zou je hem nu niet in z’n bedje leggen? De meid kan dan hier blijven
-oppassen. Doe het dan nu dadelijk: <span class="corr" id="xd31e2316" title="Bron: We">we</span> hebben zulke lekkere visch; die wordt anders koud, en dat zou zonde zijn.”
-</p>
-<p>Betsy deed het met genoegen. Kleine Jean had voor haar zijn rol naar behooren vervuld,
-en ofschoon haar beenen zwaar waren en tintelden van vermoeienis, was ze toch blij
-dat ze ’t kind op den schoot had gehouden; ook had ze honger, en ze hield van <span class="ex" lang="ms">kakap</span>. Zacht en stil schoof ze kleinen Jean van haar arm in zijn bedje; even deed hij de
-oogen open, keek haar aan en sliep weer in.
-</p>
-<p>Het beste aan tafel was voor haar. Marie en Bronkhorst beijverden zich om te toonen,
-hoezeer zij het „optrekken” met het zieke kind waardeerden.
-</p>
-<p>„Als er een ziek is,” zei Marie, „en ik heb geen hulp, dan loopt alles in de war.
-Want het huishouden maakt het mij zóó druk!”
-</p>
-<p>Als ze het vroeger over die drukte had, nam Bronkhorst geregeld een loopje met haar,
-bewerend, dat zijzelve er de schuld van was, omdat zij het zoo verschrikkelijk nauwgezet
-opnam. Ditmaal zweeg hij. Waarom zou hij nu trachten haar van haar bezigheden af te
-houden?<span id="xd31e2328"></span>
-</p>
-<p>„Ik begrijp het best,” antwoordde Betsy. „U hebt den heelen dag geen rust.”
-</p>
-<p>„Het zou een groote geruststelling wezen, als mijn vrouw iemand in huis had om haar
-’n beetje bij te staan.”
-</p>
-<p>Zij zwegen alle drie, want ieder begreep voor zich de bedoeling van den notaris.
-</p>
-<p>Marie had er ook dikwijls over gedacht, maar zij zag vreeslijk op tegen een „juffrouw.”
-</p>
-<p>Een van tweeën: men moest zóó’n meisje opnemen in den familiekring, en daar had ze
-veel tegen, eenigszins uit trots, maar vooral omdat zulke meisjes daartoe dikwerf
-niet genoeg ontwikkeld waren. Hield men haar op een afstand en behandelde men haar
-als ondergeschikte, dan volgde daaruit vanzelf familiariteit <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>en knoeien met de bedienden; men kon het zoo’n arm schepseltje niet kwalijk nemen;
-in haar verlaten toestand moest ze dan toch iemand hebben om tegen te praten. En dan
-die eigenaardige manieren! Marie had er gekend, die met loshangend haar in de keuken
-rondliepen, alsof er premies waren gesteld op het verdwalen van haren in het eten!
-Neen, dat nimmer! Maar als zij een zoo net en geschikt vrouwtje als Betsy was, in
-huis kon krijgen, zeer presentabel, verstandig en van goede familie,—ja, dan zou ze
-dat heerlijk vinden. Maar ze wist niet hoe ze het aan moest leggen. Men kon háár toch
-niet voorstellen, háár, de nicht van kapitein Borne, de weduwe van een administrateur
-en de gast van het oogenblik, om „juf” te worden bij de familie.
-</p>
-<p>Verlegen keek Marie op haar bord; hoe gaarne zij het ook had gevraagd, zij durfde
-het niet te doen.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>In een bediendenkamer der bijgebouwen, vèr van het woonhuis, zaten dien avond vier
-personen gemoedelijk bijeen. Een soort van bamboezen ledikant, omgeven door een vuile
-witte klamboe, was het hoofdmeubel van het vertrek. Aan den wand prijkten, eenvoudig
-er tegen geplakt, eenige van de bekende Indische volksprenten, zoo goed geteekend
-door Van Rappard. Op een ongepolitoerd houten rekje stonden ’n paar ongelijksoortige
-borden van aardewerk en een paar kommen; een verveloos en wrak tafeltje vormde met
-een baleh-baleh het „ameublement.” In een hoek stond een zwart geverfde blikken trommel,
-de „garderobe” bevattend.
-</p>
-<p>Het was de kamer van den huisjongen, wiens vrouw zoowat „duivelstoejagerde” onder
-de bedienden van Bronkhorst. De vrouw zat op den grond op een mat, onophoudelijk met
-haar vingers in een bal gekookte rijst stootend, het tusschen die vingers verzamelend,
-in wat sambal doopend, om het daarna in haar vooruitgestoken onderkaak te deponeeren,
-waarna het den weg ging van alle rijst.
-<span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span></p>
-<p>Op de <span class="ex" lang="ms">baleh-baleh</span> zat Sidin, de huisjongen, met Sarinah, en tegenover hen, de beide ellebogen leunend
-op de tafel, zat de dikke zoon der oude, Ketjil, die de „toovermiddelen” kende en
-verkocht, die een Europeesch meisje tot „vrouw” had, en zich in het dagelijksch leven
-uitgaf voor horlogemaker, een vak, waarvan hij slechts geringe notie bezat, maar dat
-hem in de oogen der bevolking tot een wijs man verhief, terwijl de Europeanen hem
-hun uurwerken toch niet toevertrouwden.
-</p>
-<p>Zij rookten alle drie ’n strootje en bliezen zwijgend den rook onder het glazen kapje
-van de kleine petroleumlamp, die walmend en met sterk aangeslagen glas op tafel stond.
-</p>
-<p>De deur en het eenige venster waren dicht; er heerschte een onuitstaanbare temperatuur;
-de atmosfeer was bedorven; het stonk er naar nooit geluchte bultzakken, naar den vochtigen
-uitslag van vloersteenen en muren, naar ranzige klapperolie en naar het strootjes-mixtum
-van tabaksrook en rook van droge nipa-blaren.
-</p>
-<p>„Ik moet er voor op reis. Ver, ver weg!” zei Ketjil.
-</p>
-<p>Niemand antwoordde. Een minuut of vijf later vervolgde hij tot Sidin, die met eenige
-vrees tot zijn vol gezicht en brutale houding opzag:
-</p>
-<p>„Je weet er alles van, nietwaar?”
-</p>
-<p>„<span class="ex">Mâ</span> heeft mij maar weinig gezegd.”
-</p>
-<p>Ketjil keek zijn steunende en kreunende moeder aan, die haar strootje had weggeworpen,
-en met een krommen rug en de handen in den schoot al mummelend zat te luisteren.
-</p>
-<p>„Het overige zal hij morgen hooren.”
-</p>
-<p>„Bij mij aan huis?”
-</p>
-<p>„Ja.”
-</p>
-<p>Zij keken beiden Sidin aan, die toestemmend knikte; waarover het in beginsel handelde
-wist hij, en tuk op het vele geld, dat de oude hem had beloofd, was hij spoedig bereid
-geweest. Er kwam nog bij, dat hij het land had aan Marie, en alleen geen <span class="ex" lang="ms">brenti</span> vroeg, omdat het een goede dienst was, in zoover het <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>loon voldoende was en er veel „afviel.” Maar overigens stond de behandeling hem tegen:
-den heelen dag werken; altijd wat te vegen of te poetsen; en altijd standjes en verwijten,—zóó
-was het dienen onder deze njonja-tottok, die hem wel tienmaal elken dag toeschreeuwde
-dat hij niet denken, zien of hooren kon, dat hij dom en lui was, enzoovoort. Daar
-was hij <span class="ex">bosèn</span> van en hij zou het wel aardig vinden, als men haar een koopje kon geven.
-</p>
-<p>„Ik zal morgen komen, als ik permissie kan krijgen. Hoe laat?”
-</p>
-<p>Ketjil dacht lang na. Zijn dag scheen erg druk bezet.
-</p>
-<p>„Kom morgenmiddag om drie uren of morgenavond om tien.”
-</p>
-<p>Hiermee waren momenteel de „zaken” afgedaan. Men richtte zich op, schonk een nieuw
-glas stroop, stak ’n versch strootje op, en zat in het ondraaglijk hok genoeglijk
-pratend over „koetjes en kalfjes” nog ’n uurtje bijeen.
-</p>
-<p>Den volgenden ochtend was kleine Jean wel wat beter, maar de koortsen hadden hem geducht
-doen afnemen; het kind zag er slecht uit, had geen eetlust, was nog nu en dan koortsig,
-en speelde bovenal den dwingeland. Betsy moest er den heelen dag blijven, en zij nam
-daar genoegen mee, tot groote vreugd der Bronkhorsten. Marie vond het heerlijk, dat
-ze iemand had op wie ze kon vertrouwen om op te passen, en haar man vond het aangenaam,
-omdat hij.…. het aangenaam vond. Tot een logischer conclusie dan dit boeren-motief
-kon hij niet komen; en dat wilde hij ook niet.
-</p>
-<p>Doch haar verblijf ten zijnent was in de eerste dagen niet zoo opwekkend als vroeger;
-vooreerst scheen ’t hem toe, dat zij ’n beetje teruggetrokken was, en hijzelf voelde
-eenige spijt van zijn voorbarigheid; hij had ten slotte toch wel eenig misbruik gemaakt
-van de omstandigheden. Daarbij kwam, dat de ziekte van het kind andere gelegenheden
-uitsloot. Betsy speelde geen piano; zijn vedel was op nonactief; des avonds was zij
-ook moe en ging vroeg slapen;—maar toch had hij haar niet willen missen; hij keek
-haar nu en dan maar eens aan, als ze hem passeerde <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>of aan tafel, en dan streelde hem de vertrouwelijke uitdrukking van haar gelaat, haar
-coquet lachje, en de wijze, waarop zij haar schoone vormen altijd wist te doen uitkomen.
-</p>
-<p>Ze was er twee dagen en in de achtergalerij zat men juist aan de rijsttafel, toen
-tante Borne binnenstormde met een telegram in de hand:
-</p>
-<p>„Bets, dat is gemeen!”
-</p>
-<p>„Wat is er?”
-</p>
-<p>„We zijn overgeplaatst.”
-</p>
-<p>„O!.…. en waarheen?”
-</p>
-<p>„Naar een gat, een nest van een plaatsje op de Oostkust van Sumatra.”
-</p>
-<p>Men keek elkaar aan vol verwondering en verontwaardiging.
-</p>
-<p>„Het is schande!” ging mevrouw Borne voort. „Net alsof er voor zulke posten geen jonge
-kapiteins genoeg zijn! Maar dat komt allemaal van het geknoei en de protectie; daar
-moet een ander, die niet met den stroopkwast kan loopen, onder lijden.”
-</p>
-<p>„’t Is verschrikkelijk!” zei Marie. „Zoo’n afgelegen deel der wereld!”
-</p>
-<p>„Ze denken misschien, dat we kwaad zullen worden en ons pensioen zullen nemen, maar
-dat in der eeuwigheid niet. Er gebeurt, wat er gebeurt, maar dienen blijven we.”
-</p>
-<p>„Maar als het nu eens ’n quaestie wordt van passeeren.….”
-</p>
-<p>„Het kan ons niet schelen, notaris, maar we doen het niet.…. Intusschen is het een
-koopje.….”
-</p>
-<p>„Als ik u met iets van dienst kan zijn.…. U weet, dat u op me rekenen kunt.”
-</p>
-<p>„Erg graag. Laat zien, het is nu Woensdag, en Maandag moeten we al weg, anders missen
-we de boot, en die vaart maar eens in de maand.”
-</p>
-<p>„Dat is toch ’n beetje.….”
-</p>
-<p>„Volstrekt niet! Als het <span class="ex">moet</span>, dan maar hoe eer hoe liever. Hier nog vijf weken te zitten als op een schopstoel,—dáár
-bedank ik voor.”
-<span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span></p>
-<p>Het was zulk een groot nieuws, dat men het eten er door vergat. Betsy excuseerde zich
-en ging dadelijk met haar tante mee naar huis.
-</p>
-<p>„Het is erg beroerd,” zei Bronkhorst tot zijn vrouw, toen ze weg waren; „zij moeten
-nu ook de passage betalen voor mevrouw Den Ekster, en dat is, geloof ik, ’n paar honderd
-gulden.”
-</p>
-<p>„Wat moet Betsy in ’s hemelsnaam dáár uitvoeren!”
-</p>
-<p>„Ja, dat weet ik ook niet. Zich gruwelijk vervelen, anders niet.”
-</p>
-<p>„Ik zou wel willen, dat ze bij ons bleef.”
-</p>
-<p>Zijn oogen glinsterden, toen Marie dit zei; het ging juist, zooals hij gewenscht had;
-hij zou het zelf hebben voorgesteld, als zij het niet had gedaan, maar zóó was het
-veel beter.
-</p>
-<p>„Hoe denk jij daarover?” vroeg Marie.
-</p>
-<p>„Wel, ik heb er niets tegen; ik geloof, dat het heel aangenaam voor je zijn zal, en
-daar ze uitstekend omgaat met de kinderen, is het ’n dubbel voordeel.”
-</p>
-<p>„Ja,” gaf Marie toe. „Alleen, ik durf het heusch niet voorstellen. ’t Staat zoo gek!”
-</p>
-<p>„Laat het maar aan mij over. Ik zal er den kapitein over spreken. Vandaag nog.”
-</p>
-<p>Toen ’s middags ’t kantoor was gesloten, ging Bronkhorst zijn buren bezoeken; hij
-vond hen thee drinkend en druk pratend over de overplaatsing.
-</p>
-<p>Onder het gesprek, waaraan hij deel nam, gaf hij den kapitein een wenk; ze gingen
-onder een voorwendsel naar diens kamer.
-</p>
-<p>„Mijn vrouw stuurt me,” zei Bronkhorst, „met een eenigszins delicaat verzoek. Zij
-wou zoo graag, dat uw nichtje bij ons bleef, maar ze durft het zelf niet te verzoeken.”
-</p>
-<p>Borne streek in gedachten langs zijn knevels.
-</p>
-<p>„Hm!” bromde hij eindelijk. „De vraag is <span class="ex">hoe</span>. Je begrijpt wel, beste notaris, dat hoe gaarne ik u en mevrouw ook mag, en hoe vriendschappelijk.….”
-</p>
-<p>„Natuurlijk!” viel hem Bronkhorst in de rede. „De bedoeling van mijn vrouw is, dat
-Betsy <span class="ex">geheel</span> als een lid van het huisgezin <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>wordt bejegend; wat de geldquaestie betreft, daarmede kunnen gij en ik ons niet bemoeien;
-laat de dames dat onderling uitmaken, als zij het eens zijn over de zaak.”
-</p>
-<p>„Ik geloof ook, dat het zóó zou kunnen,” erkende de kapitein, maar van harte ging
-die erkenning niet. „Ik zal den knoop maar dadelijk doorhakken.”
-</p>
-<p>Het voorstel viel in goede aarde bij tante, en Betsy nam het aan met een glimlach
-van zelfvoldoening; ze had ze allen wel kunnen kussen, zoo liep het mee!
-</p>
-<p>Zonder eenige bepaalde bedoeling, kon toch Bronkhorst zich niet ontveinzen, dat hij
-verheugd was. En dit stemde hem dienstwilliger dan ooit. Hij had nog een àpartje met
-den kapitein. Tijd om vendutie te houden van den inboedel, was er niet. Maar Bronkhorst
-zou voor alles zorgen, en de kapitein kon met genoegen zooveel van hem krijgen, als
-hijzelf dacht dat de vendutie zou opbrengen. Ook Marie was tot alle hulp bereid.
-</p>
-<p>Toen ze weg waren, keek kapitein Borne hen na met aandoening.
-</p>
-<p>„Het is toch maar waar, dat een goede buur beter is, dan een verre vriend,” zei hij
-hoofdschuddend.
-</p>
-<p>„Maar zij zijn ook zulke lieve menschen!” riep zijn vrouw uit de volheid van haar
-hart. „Waarachtig, men spreekt wel eens van familie,—maar een eigen broer of zuster
-kan niet hulpvaardiger en bereidwilliger wezen, dan zij zijn.”
-</p>
-<p>Betsy zei niets. Ze keek de Bronkhorsten ook na, of eigenlijk zag ze alleen naar de
-kloeke figuur van <span class="ex">hem</span>. En ze glimlachte toen haar oom en tante zich zoo uitputten in lofredenen. Wat Bronkhorst
-betrof, wist <span class="ex">zij</span> ten minste wel, waaruit de buitengewone dienstvaardigheid voortsproot.
-</p>
-<p>Het waren drukke dagen die nu volgden. Zij, Betsy, moest haar tijd verdeelen tusschen
-haar familie en het kind, dat snel beterde, maar niettemin erg aan haar bleef hechten.
-Bij de Borne’s lag alles overhoop. Oom had het nog veel warmer dan anders, en vond
-in de drukte van het kasten uit- en kisten <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>inpakken, aanleiding om een ongelooflijke hoeveelheid potjes bier, bittertjes en brandy-soda’s
-te verslaan. Dat hoorde er bij. Tante zwoegde als een koetspaard van het eene eind
-naar ’t andere, feitelijk alleen zorgend voor alles. Betsy had het nette gedeelte
-voor haar rekening genomen, fijne breekbare voorwerpen, die meegenomen moesten worden,
-doosjes, souvenirs en dameskleeren. Zij bedankte er voor om als een slavin zich in
-’t zweet te werken en met verwarde haren, een vuile kabaja en dito voeten van de kamers
-te loopen naar de bijgebouwen en vice-versa.
-</p>
-<p>Eindelijk „schoot men op”. De Borne’s waren zoowat klaar in huis; de paar dagen restend
-vóór het vertrek werden gewijd aan afscheidsbezoeken. Betsy nam met haar oude meid
-haar intrek bij de Bronkhorsten.
-</p>
-<p>Zij kreeg een kamer naast die van de kinderen, keurig gemeubeld en voorzien van alle
-comforts. Nog nooit had zij zoo’n fraai ingericht vertrek bewoond. Terwijl ze er haar
-goed schikte in de rijk gebeeldhouwde kasten, en haar schrijfgereedschap in het mahoniehouten
-lessenaartje, vroeg zij Sarinah:
-</p>
-<p>„Wel, hoe staat het er mee?”
-</p>
-<p>De oude, die juist bezig was het bed te kipassen, hield op en keek haar grijnzend
-aan.
-</p>
-<p>„Dat weet de nonna zelf wel.”
-</p>
-<p>„Gekheid! Ik weet niets.”
-</p>
-<p>„Hoe denkt de nonna dan, dat het komt, dat zij hier blijft; hier in huis?”
-</p>
-<p>„Wel, dat is.…. zoo overeengekomen.”
-</p>
-<p>„Heeft nonna er om gevraagd?”
-</p>
-<p>„Neen.”
-</p>
-<p>„Wat is het dan? Hoe komt het dan, dat het alles naar dien kant gaat, vanzelf, zonder
-iets te verzoeken?”
-</p>
-<p>„Ik.….. ik.…. weet het niet,” antwoordde Betsy eenigszins ontsteld. Zij had zoover
-niet gedacht; zij had het opgenomen voor hetgeen het was, onbedacht de gewone wet
-eerbiedigend <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>van oorzaak en gevolg, die niets geheimzinnigs heeft, zoolang geen dwazen er iets
-in zoeken.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah!</span>” riep de oude met een schorren lach. „<span class="ex" lang="ms">Soedah!</span> ik weet het ook niet.”
-</p>
-<p>En ze kipaste voort bij iederen zwaai met de <span class="ex" lang="ms">sapoe lidi</span>, steunend en grommelend.
-</p>
-<p>Zij had met Sidin de conferentie gehad bij haar zoon, Ketjil. ’t Was daar heel wat
-netter, dan in de bediendenkamer op het erf van den notaris, al was het even vuil
-en al rook het even onsmakelijk. Sidin was ’s avonds gekomen en had dadelijk nog veel
-meer respect gekregen voor de oude en haar zoon, want er waren stoelen, tafels, kasten
-en klokken, precies als bij Europeanen, en het verschil tusschen zindelijk en onzindelijk,—och,
-dat zag hij als gewone inlander zoo niet. En dan was het erg geheimzinnig. Op de lage
-kasten stonden allerlei stopflesschen. In één daarvan zag hij kevertjes, tusschen
-rijst en kapok: daarvan had hij meer gehoord; hij zag door het venster allerlei planten,
-die hij als kind had leeren vreezen: <span class="ex" lang="ms">ketjoeboeng</span> en hij had ook wel eens gehoord, dat zulke kevertjes daarop werden gekweekt, en daarna
-gedood en fijngestampt werden; zijn grootmoeder had hem voor hij trouwde dikwijls
-verhaald van toovenaars, die het stof van zulke beestjes dan met nog andere dingen
-vermengd, door het eten doen van menschen, die op een of andere manier gek moeten
-worden. Hij huiverde bij het denkbeeld; het was hem of die stopflesschen, sommige
-met kruiden en planten, hem op de zekerste manier dood en verderf voorspelden, als
-hij niet deed wat die oude tooverheks en haar wijze zoon hem gelastten. En hij toonde
-hun beiden al de vriendelijkheid en den eerbied, waartoe hij zich in staat gevoelde.
-Het viel hem erg mee; moeielijk was het niet; als Sarinah ’t hem gelastte, dan moest
-hij iets, dat zij hem geven zou, verbergen in het hoofdkussen van zijn heer; maar
-zóó, dat niemand het zag en de opening in ’t kussen weer netjes werd dichtgemaakt.
-Nu, dat was gemakkelijk! Hij „deed” immers altijd mijnheers <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>kamer, als deze naar ’t kantoor was, en dan had hij tijd in overvloed.
-</p>
-<p>Voorloopig kon Sidin gaan, en hoezeer hij ook vast had voorgenomen om te doen, wat
-hem door de oude meid werd opgedragen, besloot hij toch vast nimmermeer een voet bij
-dien Ketjil in huis te zetten.
-</p>
-<p>Toen hij thuis kwam, kreeg hij van mevrouw Bronkhorst een geduchten uitbrander, omdat
-hij zoo lang was weggebleven; met stoïcijnsche kalmte hoorde hij het aan; zoo hij
-vroeger soms een woord tegensprak,—thans zweeg hij, zooals een inlander zwijgen kan.
-</p>
-<p>Zij zouden dien njonja toch wel krijgen, en hij voelde zich trotsch, dat hij, zij
-het dan ook in ondergeschikte rol, iets bij zou dragen tot dat „krijgen”.
-</p>
-<p>Onder het standje door, kreeg hij bevelen, die hem meer belangstelling inboezemden.
-Er zou een groote partij worden gegeven ter eere van de familie Borne. Er moest voor
-heel veel gezorgd worden, want lekker eten was een voornaam deel van het feestprogram.
-</p>
-<p>Dat gaf weer drukte, ditmaal bij den notaris te huis. Tante was klaar met haar vele
-voorbereidingen tot reizen en vendutie houden. Zij maakten nu visites; zij ’s ochtends
-in sarong en kabaja aan Indische dames; hij aan de kletstafel in de sociëteit, en
-’s avonds beiden, behoorlijk in groot tenue en per as bij familiën in de buurt, welke
-dikwerf allesbehalve naburig was, maar zich naar het noorden, zoowel als naar het
-zuiden eenige palen ver uitstrekte.
-</p>
-<p>Betsy had het met die partij volhandiger dan met de geheele overplaatsing van de Borne’s.
-Zij kon lekker gebak maken, en dat wist Marie, die er haar duchtig had voorgespannen.
-Den halven dag zaten ze samen in de keuken, bakkend, pratend en lachend en elkaar
-onderwijzend, de een in de geheimen van de Hollandsche, de ander in die van de Indische
-kook- en bakkunst. Betsy vond het wel aardig, zóó zelfs, dat zij er van tijd tot <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>tijd al haar plannen en voornemens door vergat. Alleen als Bronkhorst naar achteren
-kwam, en hij deed dat in die dagen zeer dikwijls, dan rezen ze weer in haar op, soms
-met grooten twijfel, een andermaal met een gevoel van vrees. En dan overmande haar
-wel eens het voornaamste idée; ze kon het zich niet voorstellen, dat zij tegenover
-hen stond met de vaste bedoeling twist, tweedracht en scheiding tusschen hen te werpen,
-om zelve.…. Toch werd het begeerlijker in haar oogen, nu ze mede genoot van het vooral
-materiëel zoo lekker leven, maar ze durfde zich er nauwelijks indenken, ’s Nachts
-hield het haar dikwerf wakker, en soms droomde ze daarna van Den Ekster, wiens dansend
-hoofd haar dan voor de oogen huppelde, zóó duidelijk, dat ze elken trek van het gelaat
-allernauwkeurigst zag. Dat werd haar een schrikbeeld!
-</p>
-<p>De gang, die van de achtergalerij naar de bijgebouwen liep, was den dag vóór den feestavond
-haast niet te passeeren, zoo vol stond ze met tafeltjes, beladen met eet- en drinkwaren.
-Men had aan een en ander „de laatste hand gelegd”, en nu was ieder in zijn kamer zich
-aan het kleeden.
-</p>
-<p>Voor de groote psyche stond Betsy in haar onderrok en met, over het korset, een wit
-lijfje, waarvan de korte mouwtjes en de lage hals door een fijn strookje omzoomd waren.
-Langzaam egaliseerde zij met een <span class="ex" lang="fr">patte-de-lapin</span> de <span class="corr" id="xd31e2507" title="Bron: bedak">bedaq</span> van Sarinah op haar wangen, en zorgvuldig bestreek ze haar wenkbrauwen met een weinig
-<span class="ex" lang="ms">minjaq bermanis</span>; ze kon toch niet nalaten te glimlachen. Wat zou het toch eigenlijk uitwerken? Maar
-dáárin had de oude gelijk: zij was, zonder dat ze er om gevraagd had, reeds hier in
-huis en zou er blijven.
-</p>
-<p>Zij hoorde iets onder haar venster, buiten op het erf; ’t was net het gemompel van
-de oude meid, dacht ze. Het was haast halfzeven en het laatste daglicht verdween aan
-de heldere lucht, den horizon zettend in een gloed vol kleuren. Op haar teenen ging
-ze naar het raam, drukte zacht tegen de stores, zoodat die met ’n kier opengingen,
-en keek naar buiten. Ja, waarachtig, <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>daar zat de <span class="ex" lang="ms">nènèh</span> onder haar venster, en voor haar knieën braadde iets; het was <span class="ex" lang="ms">stanggi</span>, waarvan de rook lustig omhoogkrulde. Geen ander sterveling had kunnen verstaan,
-wat de oude zeide, als zij, zich telkens vooroverbuigend, haar gezicht stak in den
-opstijgenden rook, en daarin een woord prevelde. Maar Betsy wist het. Zij had ook
-dáárvan wel eens gehoord; zij wist dat Sarinah telkens in dien rook den naam uitsprak
-van Bronkhorst, om hem aan te roepen spoedig te komen tot haar, die hem wilde ontvangen.….
-</p>
-<p>Zonder geruisch deed Betsy het venster dicht, en onwillekeurig zuchtte zij. Ze kon
-het niet helpen, maar zij geloofde er <span class="ex">toch</span> aan; het was sterker dan zij.
-</p>
-<p>Toen de oude haar <span class="ex" lang="ms">stanggi</span> gebrand, en haar „werk” daarbij verricht had, strompelde zij steunend naar achter,
-waar Sidin bezig was zijn toilet voor den avond te maken: zijn beste hoofddoek, een
-mooie kain, en het livreibaadje,—hij zag er uit als een „heer”, en bezag zich met
-welgevallen in een oud, verweerd stuk spiegelglas.
-</p>
-<p>Sarinah riep hem, en daar schrikte hij zóó van, dat hij ’t spiegeltje haast liet vallen.
-Hij volgde haar.
-</p>
-<p>„Ik moet iets van je hebben.”
-</p>
-<p>„Wat?” vroeg hij, groote verbazing veinzend om zijn vrees te verbergen.
-</p>
-<p>„Haren van meneer.”
-</p>
-<p>„Die hebt ik niet.”
-</p>
-<p>„Je moet toch zorgen, dat ik ze krijg; mijn zoon heeft het gezegd.”
-</p>
-<p>„Ik.… zal probeeren.”
-</p>
-<p>De oude kwam dicht bij hem met haar gerimpeld gezicht, en haar tandelooze mond raakte
-haast zijn oor.
-</p>
-<p>„Zorg er maar voor! Zoo gauw als je kan.”
-</p>
-<p>De oude zelf sukkelde verder het achtererf op om haar gezicht en handen te reinigen
-aan den put. Daarna ging zij in de kamer van Betsy, die zich woedend stond te maken
-om een speld, <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>welker niet door de harde weerbarstige zijde wilde van een strikje, dat ergens op
-haar kleed moest vastgemaakt worden.
-</p>
-<p>„Waar zit je toch, <span class="ex">nèh</span>? Je hadt hier moeten zijn om me te helpen kleeden.”
-</p>
-<p>„Nonna heeft niet geroepen.”
-</p>
-<p>„Houd je mond maar, en maak dit vast.”
-</p>
-<p>Met meer handigheid, dan men zou verwacht hebben, hielp Sarinah haar meesteres, en
-toen ze daarmee gereed was, ruimde zij de toilettafel op. In den schildpadden kam
-zat een bos lang zwart haar. Voorzichtig haalde de meid heb er uit en deed het in
-’n stuk van een oude courant.
-</p>
-<p>„Wat voer je nou uit?”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet, maar het moet.”
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e2559" title="Niet in bron">„</span>Je bent mal.… Moet je dat haar meenemen?”
-</p>
-<p>„Ja. Mijn zoon heeft het gezegd. Ik moet haar hebben van nonna en van mijnheer.”
-</p>
-<p>„En dan? Wat moet er mee gebeuren?”
-</p>
-<p>„Dat weet ik niet; het hoort er bij.”
-</p>
-<p>Een boodschap van Marie brak alle verdere navraag af. Zij had zulk een onhandige meid,
-en daarom liet ze vragen of Betsy haar even wilde helpen, want Sarinah kon zij niet
-uitstaan. Terwijl Betsy aan dat verzoek voldeed, maakte zij bij zichzelve eigenaardige
-gevolgtrekkingen. Zij was jaloersch op mevrouw Bronkhorst. Zij wist dat in gezelschap
-zij, Betsy, heel wat schitterender figuur maakte, en toch zag ze, dat Marie verborgen
-schoonheden had, die de hare overtroffen; dat hinderde haar geweldig, want <span class="ex">als</span> alles meeliep, dan zouden dat <span class="ex" lang="fr">après coup</span> punten van vergelijking worden, die in haar nadeel uitvielen.
-</p>
-<p>Het werd in de ruime voorgalerij langzamerhand vrij vol. De notaris was kwistig geweest
-met zijn uitnoodigingen. Bij deze gelegenheid kon het hem niet schelen of er dertig
-of zestig gasten kwamen. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Marie en Betsy namen de
-honneurs waar tegenover de dames. Jean zorgde voor de heeren. De spelers, de makke
-schapen, zaten spoedig <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>rustig om hun tafeltjes; de rest vormde een bonte rij om de gezelschapstafel, en daar
-ging het vroolijk toe. Wat later op den avond sloeg Bronkhorst een toost met champagne.
-Zijn woorden van vriendschap waren goed gemeend, want hij hield veel van de Borne’s;
-de kapitein was aangedaan, zijn vrouw schreide; de aandoening reflecteerde als altijd,
-tot op menschen, wie het heele geval niets kon schelen. De kapitein kuchte en hemde
-een oogenblik, antwoordde kort maar krachtig en zonder haperen, en werd met opgewonden
-toejuichingen begroet. Er kwam „stemming” onder de gasten; dat deden de aandoening
-en de champagne. De dames hadden er ook van meegedronken, en kwamen daardoor meer
-uit de plooi. Mevrouw Bronkhorst zag wel, wat het onuitgesproken verzoek was van velen;
-ze liet de bedienden ruimte maken in de binnengalerij, ging zelve voor de piano zitten
-en attaqueerde een wals van Strauss, die de voeten van een doode in beweging zou gebracht
-hebben. Er werd haastig opgestaan; armen werden gepresenteerd; paren kwamen binnen;
-de dames wiegelend op haar heupen, het hoofd achterover, haar waaiers bewegend, gereed
-als strijdrossen, die het eerste kanonschot hoorden vallen. En ze draaiden rond op
-de maat, niet altijd in de maat. Soms sukkelde een paar ’n oogenblik door onvereenigbaarheid
-van voetbeweging, als de eene partij behoorlijk in drieën walste en de andere het
-niet verder kon brengen dan tot een springen <span class="ex" lang="fr">à deux <span class="corr" id="xd31e2579" title="Bron: temp">temps</span></span>.—Daar waren er, krukken, die als wanhopigen draaiden, maar met geen mogelijkheid
-van hun plaats konden komen; anderen, al een beetje meer geoefend, maar toch nog niet
-op de hoogte, die den omtrek van den cirkel te kort namen; sommige <span class="ex" lang="fr">pur sang</span> Europeanen, nog niet lang in Indië, die echter lange beenen maakten en door de zaal
-vlogen alsof satan zelf hen op de hielen zat, terwijl geurmakers met uitgestrekten
-linkerarm den rechter hunner dames op en neer bewogen, als waren het pompzwengels.
-Maar het meerendeel walste Indisch, dat is rustig, netjes in drieën, zonder drukte
-of zweetuitdrijvenden spoed.
-<span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span></p>
-<p>Slechts weinigen waren blijven zitten. Ook vele spelers waren op het alarmsignaal
-van den Oostenrijkschen musicus het geliefkoosde kaartspel der Mooren van Grenada
-ontrouw geworden. Een partner van den kapitein, die juist groot casco had geannonceerd,
-wierp de kaarten neer, excuseerde zich en liep weg om te gaan dansen. Eerst keek Borne
-met geweldige verontwaardiging den onverlaat na, maar toen bedacht hij zich; het was
-een partij ter zijner eere en hij mocht zich dus niet boos maken; van twee kwaden
-het beste kiezend, klopte hij den overgebleven derden man vroolijk op den schouder,
-</p>
-<p>„Ajo, laat ons de oude beenen ook nog eens van den vloer gooien!”
-</p>
-<p>„Komaan, kapitein, ga je ’reis ’n walsje meedoen?”
-</p>
-<p>„Waarachtig!” zei Borne, de overgebleven dames monsterend met kennersblik; „maar ik
-moet een dikkerd hebben: die staat stevig op de beenen.”
-</p>
-<p>Na den wals bleef het musiceeren aan den gang; ’t werd hoe langer hoe geanimeerder;
-de dames zongen: na een vroolijk wijsje, hoorde men op muziek gezette minneklachten
-van Heine; sommige heeren, wier muzikaal sentiment was opgewekt, doch die slechts
-één Duitsch lied machtig waren, hadden reeds in de Germaansche taal al neuriënd verteld,
-dat zij niet wisten, wat het beteekenen moest, dat zij zoo treurig waren, maar de
-groote meerderheid vond de Loreley voor dezen kring te ordinair; het <span class="ex" lang="de">Märchen</span> kwam niet tot zijn recht!
-</p>
-<p>Betsy was de vroolijkste van allen; haar oogen schitterden; haar wangen gloeiden;
-zij gevoelde een opgewondenheid, die haar zelf nu en dan eenige vrees aanjoeg; ’t
-was haar of zij zich tot alles in staat gevoelde, haar plannen kwamen krachtiger dan
-ooit op den voorgrond; zij <span class="ex">zou</span> hem hebben en ze <span class="ex">moest</span> hem hebben, <span class="ex" lang="fr"><span class="corr" id="xd31e2604" title="Bron: coût qui coût">coûte que coûte</span></span>! ze gevoelde iets van de kracht eener overtuiging, die zich door geen belemmeringen
-wil laten terughouden; zij had gedanst met Bronkhorst, heerlijk! Ze hield meer van
-hem dan ooit, en, dat voelde ze, haar invloed op hem won <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>aan kracht; zij had de zekerheid te zullen slagen, en dat maakte haar overmoedig.
-</p>
-<p>„Zing nog eens!” vroeg men haar.
-</p>
-<p>Dadelijk stond ze op, ging naar de piano en greep een der muziekboeken. Als altijd
-ging Bronkhorst mee om ’t blad om te slaan. Een oogenblik zocht ze, wierp toen ’t
-boek open, keek hem glimlachend aan, met iets uitdagends in de oogen, en zong met
-sterk sprekende accentuatie het lied van Carmen:
-</p>
-<div lang="fr" class="lgouter">
-<p class="line">L’Amour est enfant de Bohême
-</p>
-<p class="line">Il n’a jamais connu de loi,
-</p>
-<p class="line">Si tu ne m’aimes pas, je t’aime
-</p>
-<p class="line">Si je t’aime, prends garde à toi!</p>
-</div>
-<p class="first">Hij lachte er om in zichzelven; hij vond het verrukkelijk aardig; maar de verre strekking
-begreep hij niet; hoe had hij aan zoo iets kunnen denken!
-</p>
-<p>Het lied werd luid toegejuicht, doch niemand had er op gelet, dat het was gezongen
-met een voor zulk een tekst àl te sprekend <span class="ex">brio</span>, en toen Betsy weer naar voren kwam, las zij op aller gelaat slechts ingenomenheid
-en tevredenheid.
-</p>
-<p>„’t Was zéér mooi, mevrouw,” riep een der gasten vol vuur.
-</p>
-<p>„Ja, ze kan het wel,” bevestigde oom Borne, en hij kneep haar in de wang. „Als ze
-maar wil.”
-</p>
-<p>„Ik ben blij, dat het <span class="ex">iets</span> heeft bijgedragen tot het algemeen genoegen. Het is een recht feestelijke avond.”
-</p>
-<p>„Ik ben er waarachtig mee verlegen,” zei de kapitein. „In geen jaren heb ik zoo’n
-royale fuif bijgewoond.”
-</p>
-<p>„Dames en Heeren!” klonk de stem van Bronkhorst midden uit een groepje, en een glas
-champagne rees weer omhoog: „ik stel voor dit glas in het bijzonder te wijden aan
-het welzijn en het geluk van onze geachte en geliefde vriendin, mevrouw Borne!”
-</p>
-<p>Een daverend „hiep, hiep, hiep, hoerah!” klonk door de voorgalerij en deed de paarden
-opschrikken, die voor de rijtuigen op het erf wachtten; de koetsiers sliepen door.
-<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span></p>
-<p>Betsy ging ook naar de groep en dronk dapper mee op de gezondheid van haar tante.
-</p>
-<p>„Het spijt me ’t meest voor haar,” zei de kapitein tot den gast, die Betsy had gecomplimenteerd
-en bij hem was blijven staan, „Wij houden zooveel van haar, alsof ze onze eigen dochter
-was; Geloof me,” voegde hij er bij met grooten ernst, en met het gezicht van iemand
-die zijn onderwerp volkomen onder de knie heeft, „geloof me, als meisjes hier lief
-en goed zijn, dan zijn ze zóó lief en goed.”
-</p>
-<p>De toehoorder knikte en keek bewonderend naar de half tusschen de anderen verborgen
-figuur van Betsy. Hij geloofde met genoegen aan haar superieure hoedanigheden; ’t
-kon hem niets schelen hoe ze was!
-</p>
-<p>Het was erg laat, toen de hanen de feestgenooten naar huis kraaiden. Er was veel vertoon
-van hartelijkheid geweest bij het heengaan. „Nou, dag mevrouw!” had ontelbare malen
-naar en van alle kanten geklonken; er waren tallooze handjes gegeven; er was in rijtuigen
-geholpen en met hoeden gezwaaid en met zakdoekjes gewuifd tot de brug voor het erf
-onder de wielen van het laatst vertrekkende rijtuig kraakte.
-</p>
-<p>„Hè, hè!” zuchtte Marie, „dat is alweer afgeloopen!”
-</p>
-<p>Bronkhorst leunde over de balustrade en keek in de richting van het huis der Borne’s
-waar juist een wit kleedje om den hoek verdween.
-</p>
-<p>„Ja,” zei hij, „het is goed geréusseerd; ’t doet me heel veel pleizier. Gaat Betsy
-bij de Borne’s slapen?”
-</p>
-<p>„Mevrouw wenschte het. Het is de laatste nacht, en bovendien, ze gaan toch niet naar
-bed, zeggen ze. Het is al halfvijf. Ga jij nog slapen?”
-</p>
-<p>„Zeker! Van nu tot tien uren is een complete nacht.”
-</p>
-<p>„Misschien slaap ik ook nog ’n uurtje. Maar ik blijf hier tot alles weer zoo wat in
-orde is; en dan zullen de kinderen wel wakker worden.…”
-</p>
-<p>Vermoeid ging hij naar achteren, ontkleedde zich in zijn <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>kamer en viel loodzwaar op ’t bed. Hij had veel meer gedronken, dan hij gewoon was,
-en gevoelde zich, vooral ook door het dansen, bijzonder vermoeid. Maar slapen kon
-hij niet. Voortdurend dacht hij aan Betsy, zich vermeiend in allerlei kleinigheden,
-bij zichzelven glimlachend, en zich verkneuterend van pret bij de gedachte aan dat
-ondeugende lied van Carmen, dat ze zong met zoo’n uitdagend gezicht, terwijl ze hem
-vlak in de oogen zag.
-</p>
-<p>Hij hoorde hoe de boel werd „opgeredderd”; hoe de kinderen wakker werden en met de
-meiden naar de badkamer gingen; hij hoorde hen juichend terugkomen en later, toen
-ze wandelen gingen, de harde zolen van de kleine laarsjes tikken op het marmer der
-galerij; hij hoorde Marie in haar kamer gaan. Toen werd het stil in huis; zij voelde
-nauwelijks haar hoofdkussen of ze sliep, letterlijk op van vermoeienis; inslapend,
-alsof ze in zwijm viel; hij lag nog wakker, vervolgd door allerlei phantasiën, met
-steeds dezelfde persoon voor de hoofdrol.
-</p>
-<p>Ook de Borne’s waren zoo afgebeuld van huiselijke drukte en visites maken, als menschen
-in Indië het worden, wanneer zij waarschijnlijk voorgoed de plaats verlaten. Den avond
-vóór hun vertrek moesten ze alweer recipiëeren; ze hadden bijna geen stoelen genoeg
-voor de bezoekers; zelfs de krachtige kapitein Borne, hoezeer hij de algemeene vriendschap
-en hartelijkheid op prijs stelde, had hij er nu meer dan genoeg van.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>De afscheidstranen waren gedroogd. Het huis der Borne’s stond leeg. Betsy woonde „voorgoed”
-in bij den notaris. Bronkhorst was naar zijn kantoor, en de dames zaten in de achtergalerij
-te werken.
-</p>
-<p>„Wat is dat voor ’n vent?” vroeg Marie.
-</p>
-<p>Betsy keek op en schrikte eenigszins, toen zij een dikken inlander, deftig buigend,
-het galerijtje langs de bijgebouwen zag opstappen.
-</p>
-<p>„Het is de zoon van mijn oude meid.”
-</p>
-<p>„Wat ’n rare kerel.”
-<span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span></p>
-<p>„Hij is wat zwaar van postuur voor een inlander.”
-</p>
-<p>„Dat bedoel ik niet. Ik meen dat hij iets onbeschaamds heeft in zijn gezicht.”
-</p>
-<p>„Och kom!”
-</p>
-<p>„Zeker. Hij keek mij aan op een manier.… Als hij het nog eens doet, zal ik hem ’reis
-op zijn plaats zetten.”
-</p>
-<p>„Maar hoe keek hij dan?” vroeg Betsy, die haar lachen haast niet kon bedwingen.
-</p>
-<p>„Ja, dat kan ik nu zoo niet zeggen; maar zeer ongepast, dat is zeker.”
-</p>
-<p>Zij begreep het wel; ze wist dat Ketjil in <span class="ex" lang="fr">pur sang</span> Europeesche vrouwen een belangstelling aan den dag legde, die hij althans niet behoorde
-te toonen.
-</p>
-<p>„Hij komt zeker zijn moeder goeden dag zeggen,” meende Betsy, en toen werd er verder
-niet over gesproken.
-</p>
-<p>Ketjil echter was niet naar zijn moeder gegaan, maar naar Sidin, die hem half met
-vreugde, half met vrees zag aankomen.
-</p>
-<p>Wel had de huisjongen van den notaris aan den last van Sarinah voldaan. Nog geen uur
-nadat hem was opgedragen haren te leveren van zijn meester, zag hij een bekend Europeesch
-militair naar binnen gaan, een Franschman, die in Europa kappersknecht was geweest,
-en nu als militair in zijn vrijen tijd geweer en zwaard verwisselde tegen kam en schaar,
-wat hem aardig geld opleverde, daar geen kapper van beroep op de plaats was gevestigd.
-</p>
-<p>Dat was een buitenkansje, en met groote zorg had Sidin al de haartjes verzameld, die
-op den grond waren gevallen.
-</p>
-<p>Maar nu meende hij zijn schuldigheid te hebben gedaan, en daar kwam waarachtig Ketjil
-alweer! Wat zou het nu nog wezen?
-</p>
-<p>Zij wisselden een <span class="ex" lang="ms">salamat</span> door het binnenvlak der rechterhanden vlug tegen elkaar te strijken en die daarna
-met een buiging aan ’t voorhoofd te brengen; en daarbij keken ze erg vriendelijk.
-Maar Sidin wenschte in stilte den lastigen, gevreesden <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>gast naar den duivel, en Ketjil vond den bediende een laf en lam sujet, dat hij met
-groot genoegen een pak slaag had gegeven.
-</p>
-<p>Zij zaten nog <span class="corr" id="xd31e2689" title="Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> op de bank in de kamer en hadden pas ’n strootje opgestoken, of er weerklonk ’n luid:
-„Sidin!!<span class="corr" id="xd31e2692" title="Niet in bron">”</span> Dat was de njonja weer! Zoo ging dat nu den ganschen dag! Geen minuut lang scheen
-dat mensch den mond te kunnen houden. ’t Was van den ochtend tot den avond elke minuut
-geschreeuw om de bedienden.
-</p>
-<p>„Je wordt geroepen,” zei <span class="ex">Ketjil</span>.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedahlah!</span> Zij schreeuwt toch altijd.”
-</p>
-<p>„Ik zou maar eerst even gaan.”
-</p>
-<p>„Het helpt toch niets. Zulke <span class="ex" lang="ms">njonjas blanda</span> zijn nooit stil.<span class="corr" id="xd31e2710" title="Bron: ’">”</span>
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Sidin! sepèn! kebon!</span>” gilde Marie woedend uit de achtergalerij. „<span class="ex" lang="ms">Apa tida ada orang di blakan?</span>”
-</p>
-<p>Op vroolijken toon weerklonk een drievoudig „Ja!” uit de bediendenkamers, waarvan
-de bewoners met lachende gezichten en, op Sidin na, zeer ongekleed, naar buiten kwamen.
-Langzaam ging Sidin naar het hoofdgebouw. Zoolang hij door het groen aan het oog van
-mevrouw Bronkhorst was onttrokken, haastte hij zich in het geheel niet. Maar nauwelijks
-kwam hij in ’t gezicht of hij maakte buitengewonen spoed. Niettemin kreeg hij een
-uitbrander van geweld, wat hem niets van zijn kalmte deed verliezen, maar hem daarentegen
-het bezoek van Ketjil gunstiger deed opvatten.
-</p>
-<p>„Wat was het?” vroeg deze, toen hij terugkwam.
-</p>
-<p>„Och, niets, zij schreeuwt maar.”
-</p>
-<p>Het strootje werd hervat en beiden rookten zwijgend; de vrouw bracht elk een kop koffie
-van de bladeren van den koffieboom gezet, dik en drabbig, met veel suiker, maar natuurlijk
-zonder melk. Ketjil keek er eens naar. Hij was aan andere koffie gewoon, maar hij
-zou deze maar naar binnen werken, omdat het niet goed zou staan, als hij deze weigerde.
-</p>
-<p>„Er is nog iets,” zeide hij.
-<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p>
-<p>Sidin antwoordde niet.
-</p>
-<p>„Er moet nog iets gedaan worden.”
-</p>
-<p>„Ik dacht het al.”
-</p>
-<p>„En ’t moet vandaag gebeuren.”
-</p>
-<p>Dat was de bediende niet naar den zin.
-</p>
-<p>„Waarom vandaag? Misschien kan het vandaag niet.”
-</p>
-<p>„Het mag niet morgen zijn, en tot Vrijdag moeten wij niet wachten.”
-</p>
-<p>„Niet?”
-</p>
-<p>„Neen. Het is nu Dinsdag. Onthoud goed, dat als ik je iets opdraag in deze zaak, het
-altijd moet gedaan worden op Dinsdag of Vrijdag.”
-</p>
-<p>„Mag ik ook vragen,” zei Sidin brandend van nieuwsgierigheid en met den vriendelijksten
-glimlach, dien hij bij machte was op zijn bruin gezicht te voorschijn te roepen, „mag
-ik ook vragen waarom niet?”
-</p>
-<p>„Omdat,” zei Ketjil met hoogen ernst, „omdat het dan niet helpt. En <span class="ex">nooit, nooit</span>, in welke omstandigheid ook, <span class="ex">op een Zaterdag</span>.”
-</p>
-<p>Sidin loosde een zucht. Ofschoon hij metterdaad geen drommel wijzer was geworden,
-vond hij het toch van overweldigend gewicht.
-</p>
-<p>Toen beiden een tijdje gezwegen hadden, zeide Ketjil weer:
-</p>
-<p>„Nu zal ik je zeggen, wat je te doen hebt. Hier is een pakje. Je moet in de kamer
-van mevrouw Bronkhorst een steen oplichten.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Ilahlah!</span>” riep Sidin zacht. „Dat kan niet.”
-</p>
-<p>„Het moet.”
-</p>
-<p>„’t Kan niet, want het is marmer.”
-</p>
-<p>„Neen”.…, stemde Ketjil peinzend toe, „dat is waar, dan kan het ook niet. Komt de
-kamer uit in de achtergalerij?”
-</p>
-<p>„Ja.”
-</p>
-<p>„Dan is een steen in de achtergalerij ook goed. Maar het moet er een wezen, vlak voor
-haar deur, zoodat zij er elken dag overheenloopt.”
-<span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span></p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Soesah!</span>” klaagde Sidin, die erg tegen het werkje opzag.
-</p>
-<p>„Het is zoo erg niet. Van middag als allen slapen, krab je met dit mesje aan den eenen
-kant de kalk weg en haalt dan met dit tangetje wat aarde onder den steen uit. Dan
-<span class="corr" id="xd31e2771" title="Bron: wipje">wip je</span> hem ’n beetje op en brengt het er onder.”
-</p>
-<p>Sidin nam aarzelend het pakje aan, alsmede de kleine, zeer eenvoudige ijzeren werktuigen.
-</p>
-<p>„En als de nonna wakker is en achter zit?”
-</p>
-<p>„Je behoeft niet bang te zijn voor de nonna en ook niet voor de naaister. Die zien
-niets.”
-</p>
-<p>Ketjil ging heen en keek ditmaal niet brutaal naar de dames, althans Marie vond geen
-reden om hem „op zijn plaats te zetten”. En Sidin begluurde en onderzocht nauwkeurig
-het mengsel, dat was samengesteld uit <span class="ex" lang="ms"><span class="corr" id="xd31e2780" title="Bron: gaba">gabah</span></span>, asch, <span class="ex" lang="ms">idjoek</span>, beenderen van den <span class="ex" lang="ms">koekang</span> en eenige groote punten van gewone naalden.
-</p>
-<p>Ondanks de geruststellende verzekeringen van Ketjil was Sidin niet met de opdracht
-ingenomen; hij zag zwart van vrees, en ten einde raad, liep hij, toen Ketjil weg was,
-naar Sarinah en beklaagde zich bitter over de <span class="ex" lang="ms">soesah</span>, die men hem bezorgde.
-</p>
-<p>Maar ook zij lachte hem uit.
-</p>
-<p>„Je kunt het gerust doen; mijn zoon heeft gelijk.”
-</p>
-<p>„Waarom doe je het dan niet zelf?”
-</p>
-<p>„Ik ben een oude vrouw.”
-</p>
-<p>„Een oude vrouw kan het ook wel doen.”
-</p>
-<p>„Ik dien hier niet; het zou gek staan als ik ging <span class="ex">korèkken</span> aan den vloer.”
-</p>
-<p>„Ja, dat is allemaal maar <span class="ex" lang="ms">bitjara kosong</span>,” zei hij brutaal.
-</p>
-<p>„Je bent zelf minder dan een vrouw,” antwoordde de oude, boos. „Het is niet om de
-<span class="ex" lang="ms">soesah</span>, maar omdat je niet <span class="ex" lang="ms">brani</span> bent.”
-</p>
-<p>„Zeker,” erkende Sidin, ridderlijk lafhartig, „ik ben in ’t geheel niet <span class="ex" lang="ms">brani</span>.”
-</p>
-<p>„Doe het maar,” hield Sarinah vol, „doe het maar. Ik zal je een mooien koker koopen
-voor je strootjes. Het is niets gevaarlijk, <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>en ik zal zelf bij je komen zitten, als je bezig bent aan het werk.”
-</p>
-<p>Dat hielp. Als de oude bij hem zat, zou hij niet zoo licht overvallen worden.
-</p>
-<p>Inderdaad zat Betsy op en was ook de naaister present toen Sidin met zijn mengsel
-de trap der achtergalerij kwam oploopen, en de oude hem steunend en met moeite gaand
-vergezelde.
-</p>
-<p>Zij wist niet wat er moest gebeuren, maar ze zag wel, dat het iets was, dat op de
-<span class="ex" lang="ms">goena-goena</span> betrekking had, al was het dan ook slechts <span class="ex">indirect</span>. De oude meid had haar vooraf gewaarschuwd, dat er iets van dien aard zou gebeuren,
-en zij, als ze het zag, maar niets moest vragen; ook de naaister was door de oude
-voor zooveel zij het noodig vond, in „het geheim” betrokken. Ongestoord, maar allesbehalve
-rustig, verrichtte Sidin de hem opgedragen taak. Het was niet gemakkelijk, maar het
-was een knoeiwerkje, en daarvan had hij als inlander slag. Met groote handigheid peuterde
-hij de kalk los, wipte den steen op en wist, toen het mengsel op z’n plaats was gebracht,
-de losse stukken kalk met groote behendigheid heel netjes weer in de voeg te brengen.
-</p>
-<p>Sarinah bleef zitten, toen Sidin klaar was en heen ging; zij beschouwde het een tijdlang
-met groot welgevallen. Daarop strompelde zij naar achter, ging in haar kamertje en
-knipte daar van gewoon katoen twee poppen, die ze met een groot aantal spelden aan
-elkaar stak. Toen nam ze die zonderlinge lappenfiguur onder haar baadje, sukkelde
-naar de trap van de achtergalerij, en ging zitten op de eerste trede vlak bij den
-grond. Zij deed dat zoo eenvoudig en schijnbaar gewoon, dat niemand, gesteld er had
-zich iemand aan de gangen van het oudje laten gelegen liggen, er iets bijzonders of
-opmerkelijks in had kunnen vinden. Langzaam liet zij den mageren arm zakken, en begonnen
-haar vingers den grond los te krabben; een kwartier zat zij te woelen in de aarde
-tot ze een voldoend diep plekje had, waarin de aangeprikte lappenpoppen verdwenen.
-Toen ging, zonder haast <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>en heel bedaard, de aarde er weer over, door den beenigen gerimpelden klauw zorgvuldig
-vastgedrukt bij beetjes, tot de grond voor de trap geen spoor vertoonde, dat er pas
-iets in was verborgen. Eerst toen dit volkomen in orde was, ging zij naar boven.
-</p>
-<p>Betsy was er niet; ze was naar haar kamer gegaan; het geknoei met dien steen had haar
-zenuwachtig gemaakt; ze drong zichzelve op, dat het haar niet kon schelen, maar ze
-had vlagen van een onbestemde vrees, oogenblikken van gejaagdheid en angst, waarin
-ze een gevoel had alsof de muren van het huis der Bronkhorsten haar dreigden te verpletteren.
-Ze was op een divan neergevallen en lag daar bewegingloos met een sterk sprekende
-uitdrukking van moedeloosheid op ’t gezicht.
-</p>
-<p>„Wat voerde Sidin toch eigenlijk uit?” vroeg ze toen de oude binnenkwam.
-</p>
-<p>„Hij heeft er iets onder gelegen.”
-</p>
-<p>„Ja, dat weet ik. Wat was het?”
-</p>
-<p>„Het was van allerlei; ’t behoort er bij; mijn zoon heeft het gebracht.”
-</p>
-<p>„’t Kan me ook eigenlijk niet schelen, wat het is. <span class="ex" lang="ms">Soedah</span>, laat maar!”
-</p>
-<p>De oude zweeg, scharrelde wat rond, hier een kleedingstuk anders schikkend, en dáár
-wat stof wegslaand.
-</p>
-<p>Betsy was toch nieuwsgieriger, dan ze voorgaf.
-</p>
-<p>„<span class="ex">Waarom</span> moest hij het er onder doen?”
-</p>
-<p>Sarinah kwam dicht bij den divan en zei zacht: „Het is tegen haar. Zij moet elken
-dag over den steen loopen; dan krijgt ze een tegenzin in het huis en gaat dikwijls
-weg; ze wordt er uit gedreven.”
-</p>
-<p>Het is dus, dacht Betsy, en ze kon een glimlachje vol ongeloof niet onderdrukken,
-een middel om haar „uithuizig” te maken.
-</p>
-<p>„Het zal mij benieuwen of het gelukt.”
-</p>
-<p>„Dat wil ik u wel zeggen.”
-</p>
-<p>„Zal jij dat nú reeds zeggen?”
-<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span></p>
-<p>„Nu niet, maar straks.”
-</p>
-<p>Toen Marie een uurtje later uit haar kamer kwam, waar ze op haar bed had liggen lezen,
-omdat, nu Betsy in huis was, er eenig meer algemeen toezicht bestond, zat Sarinah
-tegen het groen geverfde hek, dat langs de galerij liep, en lette aandachtig op. Haar
-leelijk gezicht verhelderde, en zich tot Betsy wendend, die nu ook achter was gekomen
-en thee stond te zetten, keek ze deze aan met een voor haar doen vroolijken grijns.
-De oude was inderdaad zeer verheugd en tevreden, want mevrouw Bronkhorst had over
-den steen geloopen waaronder het mengsel lag. Het leed nu geen twijfel of het toovermiddel
-zou gelukken en zoodoende bedragen tot het bereiken van ’t groote doel.
-</p>
-<p>Sidin telde de door hem bewezen diensten, toen hij ’s avonds met Sarinah voor zijn
-deur zat te praten.
-</p>
-<p>„Ik heb het kussen van mijnheer’s bed opengemaakt, er bloemen ingestoken, kenanga
-en zo.…”
-</p>
-<p>„Het gaat je niet aan, wat het was.”
-</p>
-<p>„Goed. Ik wil het ook niet weten. Toen heb ik het kussen weer dichtgemaakt.”
-</p>
-<p>„En nu wil je geld hebben.”
-</p>
-<p>„Nog niet. Ik heb al de haartjes van meneer bijeengezocht, toen de soldaat hem geknipt
-had, en ik heb ze voor uw zoon in een papiertje gedaan.…”
-</p>
-<p>„Ja, <span class="ex" lang="ms">soedah</span>! Wij weten het wel!”
-</p>
-<p>„En nu heb ik weer dat met dien steen gedaan, omdat hij het wilde.”
-</p>
-<p>„Wat wil jij dan?”
-</p>
-<p>„Niets. Ik vraag niets. Ik verzoek alleen om me nu niet langer meer al die dingen
-te laten doen. Het komt hoe langer hoe dichter bij. Ik wil niet krakallen, en ik ben
-niet <span class="ex" lang="ms">brani</span>. Als Ketjil nog eens komt, dan vraag ik <span class="ex" lang="ms">brenti</span>.”
-</p>
-<p>De oude keek hem uit de hoeken van haar oogen met de diepste verachting aan.
-</p>
-<p>„Je bent minder dan een wijf; dat heb ik al gezegd.”
-<span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span></p>
-<p>„Waarom scheldt je me uit? Betaal me liever.”
-</p>
-<p>„Ja, ik zal je betalen!” lachte de oude. „Ik zal je betalen, maar je zult er morgenochtend
-niets meer van weten! Ik ga geld voor je zoeken, beste jongen.”
-</p>
-<p>Werkelijk stond zij op, en ging tamelijk vlug het erf af. Den armen Sidin brak het
-angstzweet uit. Hoe had hij ook zoo dom kunnen wezen? Waarom zoo brutaal te zijn tegen
-het oude, gevaarlijke mensch? Nu zou ze, dacht hij, hem zeker vergiftigen. Hij dacht
-aan de krampen, die hij weldra zou gevoelen, en aan den dood. Wat zou hij daar stijf
-en sprakeloos liggen op de balé-balé, en als zijn vrouw huilde zou hij ’t niet hooren.
-In een kwartier stond zijn besluit vast.
-</p>
-<p>De familie zat in de achtergalerij.
-</p>
-<p>„Mevrouw moet niet kwaad wezen”, zei hij, regelrecht naar Marie gaande, „ik vraag
-mijn ontslag”.
-</p>
-<p>Zij keek er vreemd van op.
-</p>
-<p>„Waarom?”
-</p>
-<p>Hij wist niet wat te zeggen.
-</p>
-<p>„Mijn vader is ziek.”
-</p>
-<p>„Dat jok je. Je hebt geen vader, want die is al lang dood.”
-</p>
-<p>„Ik bedoel den vader van mijn vrouw.”
-</p>
-<p>„Die is ook niet ziek”, zei Betsy, „want ik heb hem daar straks nog met zijn grobak
-zien loopen.”
-</p>
-<p>„Je behoeft niet te liegen” merkte Bronkhorst aan op bemoedigenden toon. „Je kunt
-immers gerust de waarheid zeggen. Wij willen je wel ontslag geven, als je het vraagt.
-Wij willen alleen maar weten, waarom.”
-</p>
-<p>„Ja,” bevestigde Marie, „wij willen weten <span class="ex">waarom</span>.”
-</p>
-<p>Maar Sidin zat verschrikkelijk in den knoei, want zóó kon hij niet liegen of de waarheid
-bleef altijd nog minder verkieslijk. Ten einde raad en zenuwachtig, zei hij:
-</p>
-<p>„Ik ben <span class="ex" lang="ms">bosèn</span> van mevrouws gezicht.”
-</p>
-<p>Betsy had moeite om er ernstig bij te blijven; Bronkhorst fronste de wenkbrauwen en
-keek in zijn courant; Marie was <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>woedend en gaf den delinquent de volle laag. Zoo’n brutale kerel, zoo’n smerige inlander,
-durfde haar dat te zeggen! Het was ongehoord. Dadelijk moest die gemeene vent de deur
-uit; op staanden voet!
-</p>
-<p>Sidin zei niets meer, ’t was alles wat hij verlangde, maar zijn afrekening viel hem
-tegen; hij had gedacht iets te ontvangen en hij bleef, integendeel, nog schuldig.
-Het noopte hem nog eens om te zien naar Sarinah en de oude om geld te vragen, doch
-het hielp niet; ze antwoordde hem niet eens, en ten slotte verliet hij met zijn vrouw
-en zijn weinig waardeloos goed, den dienst, met een geleenden halven gulden in den
-zak.
-</p>
-<p>Sarinah was blij, dat hij weg was. In zijn eigen belang zou hij den mond wel houden,
-en overigens was hij een akelige jongen, tot niets in staat; zij dacht, dat zij wel
-dwaas zou geweest zijn, als zij dien kerel iets had gegeven. Hij had gedaan, wat hij
-doen moest. De rest, waarop het vooral aankwam, zouden ze zelf wel doen.
-</p>
-<p>Maar of ze werkelijk iets belangrijks deden of niet, wist Betsy niet met zekerheid.
-Wel zette zij haar spel voort, telkens als zij kon met Bronkhorst coquetteerend, en
-ze zag dat hij steeds zeer met haar bleef ingenomen. Maar verder kwamen ze niet. De
-eene dag verliep na den anderen, en er gebeurde niets, dat eenigszins wees op een
-serieuze verandering.
-</p>
-<p>„Het is allemaal gekheid,” knorde zij tegen de meid. „Het is geld in het water gooien,
-anders niet.”
-</p>
-<p>Maar Sarinah hield vol. ’t Was de dag niet. Alles moest zijn tijd hebben, en het zou
-nu niet lang meer duren.
-</p>
-<p>Het was natuurlijk weer op een ongelegen oogenblik, en toen Betsy er het minst om
-dacht, dat er „iets” moest gedaan worden. „Zoudt u niet wat lekkere kwee-kwee maken?”
-vroeg de oude.
-</p>
-<p>„Neen, <span class="ex">nèh</span>! We hebben nu geen tijd, dat weet je wel.”
-</p>
-<p>„Het is toch de goede tijd.”
-</p>
-<p>„Wat praat je? Van avond is er een diner, en daarna blijven de gasten.”
-<span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span></p>
-<p>„Ik weet wel dat mevrouw jarig is, en dat alles besteld is in de groote stad, en dat
-die dronken Europeaan komen zal om alles in beweging te zetten.”
-</p>
-<p>„Nu, wat wou je dan?”
-</p>
-<p>„Het is de goede dag vandaag. Dezen Dinsdag moet u een schoteltje maken voor mijnheer.
-Er moet iets in.”
-</p>
-<p>„Ik wil niet, ik doe het niet.”
-</p>
-<p>„Dat behoeft ook niet; dáárvoor zal ik wel zorgen. U kunt zoo lekker kwee-kwee maken,
-en daar houdt meneer zoo van.”
-</p>
-<p>„Ik.… ik.… kan.… Nu, ’t is goed. Straks na de rijsttafel. Ga nu maar weg.”
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>„Zou je niet ’n uurtje gaan slapen van middag?” vroeg haar Bronkhorst onder het eten.
-</p>
-<p>„Dansen we dan van avond?”
-</p>
-<p>„Ik weet het nog niet. Wil je graag?”
-</p>
-<p>„Hm, hm!”
-</p>
-<p>„Welzeker”, stemde Marie toe. „Zij is nog jong genoeg om wat pret te maken. Maar ik
-vind ook, dat ze dan van middag wat slapen moet. Ik doe het ook; het wordt waarlijk
-anders te vermoeiend.”
-</p>
-<p>„Natuurlijk!” zei Bronkhorst.
-</p>
-<p>„Ik weet hoe doodaf ik was, dien avond van de Borne’s.”
-</p>
-<p>„Nu, ik zal ’n oogenblik gaan uitrusten, want slapen kan ik toch niet.”
-</p>
-<p>„Ik ook niet, en ik <span class="ex">moet</span> bovendien vandaag op ’t kantoor wezen.”
-</p>
-<p>Doch Betsy ging in plaats van naar haar kamer, naar de keuken. Zij maakte haar deeg
-zoo goed als de beste banketbakker, en ze deed de kwee-kwee’s in de kleine vorm-schoteltjes,
-waarin zij bereid en waaruit ze naderhand gegeten werden. Sarinah stond er bij.
-</p>
-<p>„Keer u eens om”, zei ze, „u moogt niets zien.”
-</p>
-<p>Met groot genoegen en kloppend hart gehoorzaamde Betsy <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>haar baboe. Hoe minder zij er van zag, hoe liever, want de vrees kon zij niet van
-zich zetten. De oude wierp een poedertje in het deeg van een der vormpjes, roerde
-het door met een houtje en hield het afzonderlijk.
-</p>
-<p>„Wees voorzichtig! <span class="ex" lang="ms">Tjampoer</span> het niet met de anderen.”
-</p>
-<p>„Kan men het niet proeven?”
-</p>
-<p>„Neen.”
-</p>
-<p>„Wat is het, <span class="ex">nèh</span>?”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet.”
-</p>
-<p>„Ben je gek! Moet je dan zoo stom wezen om er iets in te doen, zonder dat je weet
-wat het is?”
-</p>
-<p>„Ik heb het van mijn zoon gekregen.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Poeah!</span> Dat is ook wat!”
-</p>
-<p>„Dat is voldoende; het is zijn geheim, dat niemand aangaat, omdat het van hem is.”
-</p>
-<p>„Het zal toch geen vergif zijn?”
-</p>
-<p>„Mijn zoon is geen karbouw; hij heeft ook geen hoofd als een garnaal.”
-</p>
-<p>„Och, je zoon.… je zoon!”
-</p>
-<p>„<span class="ex">Nonna</span> moet nu niet zoo bang wezen; het is alles heel goed. Laat nu de kwee-kwee maar lekker
-zijn voor meneer. Ah! zoo lekker!”
-</p>
-<p>Betsy moest er om lachen. Het was toch een dier, die oude! En ze bakte, op een zacht
-houtvuur, ’t schoteltje lekkers heel zorgvuldig tot de bovenlaag ’n beetje steviger
-werd, de gele kleur wat zwaarder kleurde in het midden, aan de kanten uitloopend in
-een fijn lichtbruin tintje, dat hier en daar als kantwerk aanzette tegen den rand
-van het vormpje.
-</p>
-<p>„Dan heb je ook niet geslapen”, zei Bronkhorst, toen hij het gebak kreeg bij zijn
-thee.
-</p>
-<p>„Ik zou me er over beklagen!”
-</p>
-<p>„Toch wel. Je weet ik vind die kwee-kwee goddelijk, maar ik had ze graag willen ontberen,
-als ge wat rust hadt genomen tegen van avond.”
-<span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span></p>
-<p>„Gekheid, ik kan er best tegen.”
-</p>
-<p>„Nu, dan moet je het ook maar zelf weten,” zei Marie, „ik voor mij ben er niet rouwig
-om.”
-</p>
-<p>En met wellust zette zij haar witte tanden in het smakelijk product van de bakkunst
-harer huisgenoote.
-</p>
-<p>’s Avonds, toen tegen acht uren de gasten kwamen, zat de familie in groot tenue in
-de voorgalerij. Cadeautjes had Marie niet veel gehad voor haar verjaardag. Bronkhorst
-had haar een aandeel in een prauwenveer geschonken, gelijk hij elk jaar deed, en „voor
-de aardigheid” een gouden sieraadje er bij; Betsy had een prachtige kabaja, drie kwart
-borduurwerk, gegeven, de kinderen kleine geschenken, die naderhand op de huishoudelijke
-toko-rekeningen paraisseerden, en daarmee was het uit; de vreemden bepaalden zich
-tot hun hartelijke felicitaties.
-</p>
-<p>Reeds aan het diner kwam de vroolijke toon van de vorige maal, opgewekt door de herinnering,
-doorschemeren. Betsy en Bronkhorst zaten ver van elkaar af. Daartegen was niets te
-doen geweest, aangezien Marie zelf de plaatsen had geregeld, waardoor de jonge weduwe
-tusschen den controleur en een ander celibatair kwam te zitten, terwijl aan het hoofd
-van de tafel Bronkhorst zijn best deed om de vrouw van den resident te amuseeren,
-wat hem niet gelukte, omdat dit vrouwelijk hoofd van het gewestelijk bestuur geweldig
-jaloersch was van de luxe, die bij den notaris werd tentoongespreid, en dit door allerlei
-hatelijke zinspelingen toonde.
-</p>
-<p>Het was opvallend hoe Bronkhorst, later op den avond, zijn schade inhaalde; hij was
-haast voortdurend bij Betsy of in haar naaste omgeving; iedere gelegenheid gebruikte
-hij om haar toe te spreken, zich daarbij in allerlei fraaie houdingen opstellend,
-en buitengewoon vroolijk lachend.
-</p>
-<p>„Zou hij?”.… vroeg de controleur aan den dokter.
-</p>
-<p>„Ik geloof het niet,” antwoordde deze, met zijn sterk vreemd accent. „Het heeft mij
-nog nooit gefrappeerd.”
-</p>
-<p>„Nou maar, van avond is het nogal in het oogloopend.”
-<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span></p>
-<p>„Ja, het is sterk.”
-</p>
-<p>„Er zijn meer lui, die er over spreken. Van zoo’n soliden kerel als Bronkhorst begrijp
-ik het niet.”
-</p>
-<p>„Het is misschien maar schijn.”
-</p>
-<p>„Schijn? Het is mogelijk, maar juist voor den schijn moest hij zich wachten.”
-</p>
-<p>Maar schijn of niet,—het veelhoofdig monster der kwaadsprekendheid had zijn werk begonnen,
-en het deed dat met te grooter ijver, naarmate de patiënt door zijn positie en zijn
-fortuin meer op ’t kleine plaatsje in het oog liep.
-</p>
-<p>Evenmin als zijn kunst het leven van den Ekster had kunnen redden, was ’s dokters
-tegenspraak in staat diens weduwe te beveiligen. En zoo Betsy niet veel goeds verdiende,—in
-geen geval was ze wat men van haar zei.
-</p>
-<p>Want, beminnelijk als altijd, trok de goede genius van den laster dadelijk de grofste
-conclusiën, en waren het de fatsoenlijkste menschen, die het eerst de gemeenste gevolgtrekkingen
-maakten. Het werd, echter, alles slechts „gefluisterd.” Vooral wilde niemand de zegsman
-wezen, en de controleur bezocht den ochtend na de partij den dokter om dezen te verzekeren,
-dat als hij, controleur, eenig vermoeden had geopperd den avond te voren, de dokter
-daarover in geen geval tegen iemand mocht spreken. En de jonge vreemdeling, die reeds
-genoeg kijk had op sommige eigenaardigheden in onze samenleving, wist in zijn gebroken
-Hollandsch aan zijn enkele dames-patiënten met een geheimzinnig gezicht en een beteekenenden
-glimlach wel zooveel te vertellen, dat ze wisten, wat hij bedoelde, zonder dat hij
-iets had gezegd.
-</p>
-<p>De dames waren diep verontwaardigd, de heeren zeiden niets tegen de beschouwingen
-en commentaren hunner echtgenooten, maar lachten onder elkaar er over in de sociëteit,
-en noemden Bronkhorst, die zich van dat alles niets bewust was, „’n leuken kerel”
-en „’n snoeper”, en velen bekenden ronduit, dat als een hond ’n beentje vindt, het
-zeer natuurlijk is, dat hij er aan <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>ruikt, en als „bovenbedoeld” beentje aan „gezegden” hond bevalt, het niet minder natuurlijk
-is, dat hij er aan kluift.
-</p>
-<p>Maar bij hun dames durfden zij met die ruik- en kluif-theorie niet voor den dag komen.
-Voor een decentralisatie-geest was onder de voorstanders van een persoonlijk monopolie
-geen ruimte.
-</p>
-<p>Ze sliepen lang, den ochtend na de partij. De geheele dag was eigenlijk verloren.
-De notaris liet op ’t kantoor den boel maar zoowat aan zijn personeel over; Betsy
-bemoeide zich al even weinig met het huishouden als Marie, die ook te moe was en bovendien
-van het dansen geweldige kramp had in haar beenen. Eerst tegen de rijsttafel kwam
-men op het „alignement”, zooals oom Borne zou gezegd hebben.
-</p>
-<p>Men was nog loom, en lag in gemakkelijke stoelen zoowat pratende over de partij.
-</p>
-<p>„Een zeer geréusseerde,” had Bronkhorst haar genoemd.
-</p>
-<p>„Dat zijn ze hier altijd,” zei Betsy.
-</p>
-<p>Marie was opgestaan. Ze moest toch even naar de keuken, want het <span class="ex">kon</span>, naar haar meening, anders niet heelemaal goed gaan.
-</p>
-<p>„We hebben gisteravond veel gedanst,” vervolgde Betsy.
-</p>
-<p>„Te weinig,” antwoordde Bronkhorst zich uitrekkend, en haar glimlachend aankijkend.
-</p>
-<p>„Te veel,” sprak ze tegen met een stemmodulatie, die evengoed kon beteekenen, dat
-zij het aangenaam vond, als dat ze het afkeurde.
-</p>
-<p>„Zou het te veel kunnen zijn?”
-</p>
-<p>„Zeker. Wat moeten de menschen wel denken, als we den heelen avond dansen!”
-</p>
-<p>„Den heelen avond?”
-</p>
-<p>„’n Groot gedeelte ten minste.”
-</p>
-<p>„Wel, wat kan men denken? Hoogstens toch, dat ik graag met je dans, wat voor een zoo
-goede danseuse geen buitengewone voorkeur mag heeten.”
-<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span></p>
-<p>„Nu ja, dat is maar gekheid.… Ik weet wèl, dat er op gelet is.”
-</p>
-<p>„Door wie?”
-</p>
-<p>„Ja, dàt weet ik nu niet precies, maar ik heb ’t toch in het algemeen bemerkt.”
-</p>
-<p>„Verbeelding!”
-</p>
-<p>„Toch niet!”
-</p>
-<p>Langzaam wipte ze in haar stoel op en neer, achteroverliggend tegen de leuning, ’t
-hoofd een beetje ter zij; en ze keek hem aan met haar fluweelachtige oogen, zoodat
-het hem te moede werd, als lag hij onder de verplichting haar het hof te maken, en
-als zou het van een onverantwoordelijke „droogstoppel”-natuur hebben getuigd zich
-zonder meer zóó te laten aankijken door zulke oogen. Het was geen verliefdheid, die
-hem haar hand deed vatten en hem het meest don-juannisch gezicht deed trekken, waartoe
-hij in staat was; het was sexueele ijdelheid. Hij „kon” daar toch niet tegenover zulke
-appetissante vruchten blijven zitten, alsof hij, ’n knap, kloek man in de kracht zijns
-levens, daarvoor niets meer gevoelde. Reeds meermalen had hij aan zichzelven bemerkt,
-dat als zij hem niet op de een of andere wijze in verzoeking bracht, hetzij door haar
-houding, hetzij door een woord of een blik, hij zich minder tot haar aangetrokken
-gevoelde. Maar als zij met hem coquetteerde, dan was hij gauw gevangen, en dan was
-het vooral zijn ijdelheid, die hem aandreef tot meedoen, en die de begeerte in haar
-gevolg voerde.
-</p>
-<p>Hij had haar hand in de zijne genomen en streelde die, terwijl hij haar diep in de
-oogen keek.
-</p>
-<p>„Kom,” zei hij zacht, „ik beloof beterschap.… in gezelschap; maar laat me dan ’n heel
-klein beetje wraak nemen.… onder vier oogen.”
-</p>
-<p>„Me dunkt, je bent al druk bezig.”
-</p>
-<p>De slofjes van Marie tikten op de trap:
-</p>
-<p>„Jean, kan het eten worden opgedaan?”
-<span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span></p>
-<p>Juist kuste hij de hand van Betsy; hij liet die snel los en richtte zich kennelijk
-eenigszins verschrikt op; zij bleef onbeweeglijk en onverschillig in haar wipstoel
-liggen.
-</p>
-<p>„Wat mij betreft wel,” antwoordde hij, en men kon ’t hooren aan zijn stem, dat hij
-verschrikt was.
-</p>
-<p>„Bah!” dacht Betsy, „hoe <span class="ex">bête</span> is toch ’n getrouwd man, als hij vreest door z’n vrouw betrapt te worden op ’n kleinigheid!”
-</p>
-<p>Doch ze toonde niet, dat ze zijn schrikken kinderachtig vond. Integendeel ze bleef
-haar stille tactiek volgen, en zij nam daarbij evengoed haar voorzorgen tegen ontdekking.
-Zóó ontstond langzamerhand tusschen Betsy en Bronkhorst een verhouding, die hij somtijds
-erg dwaas noemde, maar welke hij, zonder een daad van groote brutaliteit, niet kon
-veranderen, en die hij toch wel aardig vond, ofschoon erg jeugdig. Zij grepen elke
-gelegenheid aan om elkaar aan te raken; hier en daar, bij toevallige ontmoetingen,
-werden handdrukken gewisseld; soms als zij ’s avonds over een der zijgalerijen liep
-en het was er donker, gaf hij haar een kus. Maar daarbij bleef het. Ze dachten, althans
-Bronkhorst meende, dat niemand ooit een en ander zag; nu, Marie was zich zeker van
-niets bewust, maar de inlandsche bedienden hadden er onder elkaar het grootste genoegen
-over, en ze zagen en wisten heel goed, dat meneer, terwijl hij <span class="ex">aan</span> tafel met het onschuldigste gezicht het woord voerde, <span class="ex">onder</span> tafel met zijn voet, tegen of op dien van iemand anders, een soort van telegraphische
-gemeenschap uitoefende.
-</p>
-<p>Ze hadden het ’s avonds daar altijd over in de bediendenkamers; het was een grap <span class="corr" id="xd31e3083" title="Bron: vau">van</span> belang!
-</p>
-<p>Het werd nog gemakkelijker toen er logé’s kwamen: ’n getrouwd menschenpaar uit het
-binnenland, met twee kinderen. Dat gaf meer drukte dan ooit en absorbeerde de dames
-haast geheel. Maar het schonk ook juist door de drukte een groote vrijheid, die Bronkhorst
-niet ongebruikt liet. Soms had hij ’t land aan zichzelven en kreeg hij ’n bui van
-bijzondere liefheid tegen Marie, <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>die hem liet begaan, zich glimlachend verbazend over het feit dat hij nog zoo mal
-kon zijn. Doch hij had ook aanvallen van ongeduld, en dan was hij kregel, vooral tegen
-Marie. Zij trok er zich maar weinig van aan; zij schreef het toe aan slechte spijsvertering
-of overmatige drukke bezigheden op ’t kantoor. Dat ging weer voorbij, en als hij ’s
-ochtends een erg nurksche bui had gehad, dan maakte zij ’s avonds een lekker schoteltje
-gestoofde pruimen; daar hield hij van, en dat was gezond! Zeker was het, dat hij van
-overwerken geen last had. Hij deed het onvermijdelijke op ’t kantoor, maar liet meer
-dan vroeger over aan zijn personeel. Terwijl hij vroeger gaarne heel veel zelf deed,
-omdat de tijd dan aangenamer en gauwer voorbijging, stelde hij tegenwoordig prijs
-op vrije kwartiertjes, waarin hij niets deed dan aan Betsy denken. Als hij het huis
-binnenkwam, was zijn eerste blik voor haar. Vroeger had hij de gewoonte Marie te kussen
-bij het gaan ’s morgens en het komen ’s middags. Zachtjes aan had hij dat afgeschaft.
-Als zijn aanvallen van liefheid voor haar, die thans een anderen meer prozaïschen
-grond hadden dan vroeger jaren, voorbij waren, was zij hem volkomen onverschillig.
-</p>
-<p>Marie had die geleidelijke verandering niet getroffen. Vooral nu zij logé’s had, was
-ze te zeer geoccupeerd met haar huishouden en de keuken om zich veel te bemoeien met
-de caprices van haar man. Daarbij, ze voelde geen zweem zelfs van verdenking. Zijzelve
-was zulk een volkomen brave en fatsoenlijke vrouw, die zelfs nooit in gedachte een
-der tien geboden overtrad; zij was altijd zoo geheel vrij van bijoogmerken, als ze
-stond tegenover derden, dat ze anderen naar zichzelve beoordeelde en nooit of nimmer
-iemand van boosaardige bedoeling of „slechtheid”, zooals zij het noemde, verdacht.
-Natuurlijk hoorde zij dikwerf verhalen van andere dames over echtelijke ontrouw, zedeloos
-gedrag en onkuischheid; maar zij hoorde het niet graag; het deed haar onaangenaam
-aan, en ze keek onder het aanhooren zoo vreemd<span class="corr" id="xd31e3092" title="Bron: .">,</span> alsof men haar dingen meedeelde uit een andere wereld. En ze dankte God, als het
-uit was, want ’t hinderde en <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>ergerde haar. Soms als er een slachtoffer was, dat haar medelijden opwekte, kon ze
-met groote verontwaardiging uitvallen, en dan sprak haar toorn uit elken trek van
-haar goedhartig gezicht; dan had ze de „slechte” hem’s en haar’s wel hoogst eigenhandig
-een pak kunnen geven. Doch over het algemeen liet het haar koud en onverschillig.
-Wat gingen haar die nare, vieze menschen aan met hun eeuwig geknoei!
-</p>
-<p>Betsy daarentegen hoorde nooit iets liever. Van al die verhalen genoot zij, en ze
-vond het heerlijk, als, zoo ’s morgens, dames te visite kwamen in sarong en kabaja,
-die dadelijk allerlei onderwerpen, betrekking hebbend op ’t sexueel verkeer, bespraken;
-heel ernstig soms, over bevallingen met al wat daaraan gewoonlijk was verbonden of
-onder buitengewone omstandigheden kon verbonden zijn; heel grappig dikwerf, als er
-hier of daar ’n nieuw schandaaltje was voorgevallen, of ’n oud schandaaltje weder
-eens met een: „Weet je nog wel!” opnieuw kon worden verteld, bijwijze van een zooveelsten
-door den auteur opnieuw verbeterden en van fraaie illustratiën voorzienen herdruk!
-</p>
-<p>Terwijl dit alles zijn gewoon verloop had, bleef Sarinah haar betooveringsmiddelen
-aanwenden met volharding en onwankelbaar geloof.
-</p>
-<p>„Het wordt nu tijd voor het groote middel,” zei ze op een avond tegen Betsy.
-</p>
-<p>„Zoo! Ik dacht dat je zoon daarvoor zoo’n verre reis moest doen.”
-</p>
-<p>„De tijd gaat voorbij, nonna merkt het niet. Zij speelt maar met de muis, en ziet
-niet hoe de tijd verloopt.”
-</p>
-<p>„Je zanikt, <span class="ex">nèh</span>! Ik zie het heel goed.”
-</p>
-<p>„Mijn zoon is al geweest; hij is gisteren teruggekomen.”
-</p>
-<p>„Nu, dat is vlug!”
-</p>
-<p>„Hij is er toch geweest.”
-</p>
-<p>„Ja, ik geloof het wel, maar het is toch heel vlug. Er zijn dingen, die minder vlug
-werken.”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet.”
-<span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span></p>
-<p>„Nu, ouwe, houd je maar niet zoo dom. Wat moest dat geknoei onder dien steen?”
-</p>
-<p>„Het behoort er bij.”
-</p>
-<p>„Malligheid, <span class="ex">nèh</span>! Het moest haar uithuizig maken.”
-</p>
-<p>„Dat zal het.”
-</p>
-<p>„Ha, ha! Jullie bent toch zoo dom! Uithuizig. Ik heb haar nog nooit zoo hokvast gezien
-als tegenwoordig.”
-</p>
-<p>Sarinah kon het niet geheel ontkennen; ze had echter wel een uitvlucht.
-</p>
-<p>„Het is zeker nog de tijd niet.…”
-</p>
-<p>„Het is de tijd wèl! al lang, dat weet jij ook heel goed, <span class="ex">nèh</span>. Als het de tijd niet is, dan wordt het die nooit.”
-</p>
-<p>„Laat maar. Het komt terecht!”
-</p>
-<p>„Nu ja!”
-</p>
-<p>„Is het dan al niet verwonderlijk genoeg? Hoe is hij geworden nadat hij de kwee-kwee
-had gegeten? Hoe was hij reeds denzelfden avond!”
-</p>
-<p>„Ja.… dàt nu wel. Maar op <span class="ex">haar</span> schijnen jou duivelskunsten geen invloed te hebben.”
-</p>
-<p>„Het zijn geen duivelskunsten. En al waren ze het. Men moet allen vreezen en eeren,
-de kwade zoowel als de goede geesten.”
-</p>
-<p>„Mooi hoor!”
-</p>
-<p>„Het is <span class="ex" lang="ms">betoel</span>. Waarom zouden wij niet? Een mensch is maar zwak. Hij kan evenmin tegen de kwade
-geesten op als tegen de goede. Zij zijn hem toch te machtig! Als hij de goede vraagt
-om hem te helpen, waar het noodig is, kan hij het den kwaden ook wel doen.”
-</p>
-<p>De oude had het snel afgerateld, met een stem alsof ze haar mond vol losse tanden
-had. Vermoeid en naar adem happend hield ze op.
-</p>
-<p>„Jij kletst maar wat,” zei Betsy met minachting.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah!</span> wij zullen zien!”
-</p>
-<p>Inwendig was de oude zeer boos. Niet om den verachtenden toon, waarop tegen haar werd
-gesproken, dàt was zij zoo gewoon, <span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>en het hinderde haar in ’t geheel niet; maar ze moest erkennen, dat Betsy gelijk had,
-en daar kon ze niet tegen.
-</p>
-<p>Wie aan de werking van de <span class="ex" lang="ms">goena-goena</span> met al wat daartoe behoorde, twijfelde, kwam aan een gevoelige plaats in den beperkten
-gedachtenkring der grijze inlandsche vrouw. Zij vroeg ’n kwartier later permissie
-om uit te gaan, ofschoon het reeds laat was, en ze liet een kar zoeken om naar haar
-zoon te rijden. Met moeite kreeg zij bij den eenigen Chinees, die voertuigen verhuurde,
-er nog een. Zij had bijna ruzie met Ketjil.
-</p>
-<p>„Ik moet er afzonderlijk voor betaald worden,” beweerde hij.
-</p>
-<p>„Dat is niet waar. Het is onbeschoft mij dat te weigeren. Je hebt er waarlijk genoeg
-aan verdiend.”
-</p>
-<p>„Het is wat!”
-</p>
-<p>„En ’t kan me niet schelen, maar ik <span class="ex">moet</span> het hebben en je krijgt er geen duit voor.”
-</p>
-<p>Het scheen dat hij met zijn moeder niet wilde twisten, want brommend en met die overdreven
-langzaamheid, waarmede de inlander iets doet, dat hij liever niet deed, haalde Ketjil
-een stopfleschje uit een kleine kast, wierp eenige harde korrels en stukjes gelijk
-boombast in een steenen potje, en wreef het met een dito stamper tot fijn poeder.
-</p>
-<p>Meer dan een half uur was hij hiermede bezig; hij had het in vijf minuten kunnen doen,
-maar opzettelijk liet hij zijn moeder wachten om haar te plagen, en om haar te dwingen
-de kar zooveel tijd langer in gebruik te hebben; daar moest ze dan meer voor betalen.
-</p>
-<p>Zij wist het wel, maar ze zei niets; steunend en mompelend als altijd zat ze ineengedoken
-op een stoel zonder mat, geduldig wachtend.
-</p>
-<p>„Nu zal er wel gauw verandering komen,” zei ze den volgenden ochtend tegen Betsy,
-toen ze haar zeep, handdoek en bad-sarong bracht.
-</p>
-<p>„Denk je?”
-</p>
-<p>„Het moet. Ze heeft het al gedronken.”
-<span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span></p>
-<p>„Wat gedronken?”
-</p>
-<p>„Ik heb het in haar koffie gedaan.”
-</p>
-<p>Betsy trok pijnlijk en verschrikt de wenkbrauwen saam, greep Sarinah bij den arm en
-schudde haar heen en weer.
-</p>
-<p>„Wat dan toch, leelijk wijf? Zeg dan toch wàt?”<span id="xd31e3186"></span>
-</p>
-<p>„Stil! ik heb het gehaald, gisteravond bij mijn zoon.”
-</p>
-<p>„En moet dat haar uithuizig maken?”
-</p>
-<p>„Op een andere manier. Zij wil niet gezond er uit, dan moet ze maar ziek.”
-</p>
-<p>„Het is niet goed van je; ik wil niet, dat zij ziek wordt.”
-</p>
-<p>„’t Komt er niet op aan.”
-</p>
-<p>„Dat doet het wel. Als zij ziek wordt en ze moet naar boven.…”
-</p>
-<p>„Juist goed. Dan blijven we hier.”
-</p>
-<p>Maar Betsy schudde het hoofd.
-</p>
-<p>„Dat kan niet, <span class="ex">nèh</span>! Je bent een oude domkop! Neen, dan blijven we niet hier, maar dan gaan we mee.”
-</p>
-<p>„Waarom?”
-</p>
-<p>„Omdat het,” ging Betsy zich opwindend voort, „geen <span class="ex" lang="ms">adat</span> bij ons is, stommeling, dat een dame met een heer alleen in hetzelfde huis woont.
-Ben je zoo oud geworden, heb je zoo lang onder Europeanen gediend, en weet je dàt
-nog niet?”
-</p>
-<p>Sarinah was er wel ’n beetje mee verlegen, want ook dàt was waar.
-</p>
-<p>„Het schijnt, dat ik niets goeds meer kan doen,” klaagde zij. „Ik ben maar een arme,
-oude vrouw.”
-</p>
-<p>„Nu, <span class="ex" lang="ms">soedah</span>! ik zeg immers niets. Houd je mond maar. Er is toch niets tegen te doen. Laat het
-maar loopen, ja! Er moet van komen, wat wil.”
-</p>
-<p>Aan tafel zagen haar groote zwarte oogen met belangstelling telkens naar Marie, ’t
-Scheen, dat het „goed” niet zoo heel snel werkte, want de kalme vrouw des huizes at,
-met den goeden eetlust aan haar gezond gestel eigen, haar gewone portie van alle goede
-gaven, en het kwam ook niet des avonds. Integendeel, Marie was opgewekt van geest,
-minder slaperig dan anders <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>en ze klaagde nergens over. Eene diepe minachting, nu weer, maakte zich van haar meester,
-zoodat die zich teekende in haar trekken.
-</p>
-<p>„Wat zet je een komiek gezicht,” zei Marie.
-</p>
-<p>„Komiek? Hoezoo?”
-</p>
-<p>„Wel je keek daareven net of je een inlander wou beknorren.”
-</p>
-<p>Betsy kleurde, want het was waar, dat ze bezig was geweest in gedachten Sarinah geducht
-de les te lezen. Maar zij lachte en vroeg of men daar dan ’n bijzonder gezicht bij
-zette.
-</p>
-<p>„Ik denk het wel,” antwoordde Marie, „ten minste als jij het doet, zie ik je altijd
-op die manier kijken.”
-</p>
-<p>Misschien door dit gesprek ontging Sarinah het standje haar toegedacht; toch zag ze
-wel, dat de <span class="ex">nonna</span> erg boos was en het was dan ook om zich nijdig te maken. Hoe kwam zoo’n Europeesche
-vrouw toch aan zulk een krachtig gestel met zooveel weerstandsvermogen.
-</p>
-<p>Maar den volgenden ochtend verscheen Marie niet zoo vroeg.
-</p>
-<p>„Ze is niet lekker,” vertelde Bronkhorst aan het ontbijt.
-</p>
-<p>„Wat scheelt er aan?”
-</p>
-<p>„Niet iets bepaalds. ’n Gevoel van vermoeienis en loomigheid.”
-</p>
-<p>Ze spraken er over zonder haast te denken aan Marie en haar ongesteldheid; hun oogen
-spraken een geheel andere taal, die zich lezen liet op hun gezichten, als ’n <span class="ex" lang="fr">romance sans paroles</span>.
-</p>
-<p>Toen hij naar ’t kantoor was, ging Betsy eens informeeren.
-</p>
-<p>„Ziek?” vroeg ze op den toon der vroolijke deelneming van menschen, die bij een zieke
-komen om hem <span class="ex">munter</span> te maken, wat op den patiënt, die het begrijpt, een geheel tegenovergestelden invloed
-heeft.
-</p>
-<p>„Wel neen! Ik weet niet wat ik heb, Bets. Maar ik ben zoo loom in mijn leden, en daarbij
-zoo lui, dat het schande is.”
-</p>
-<p>„Wat koortsig misschien. Wil je limonade?”
-</p>
-<p>„Och neen! In eten of drinken heb ik geen trek, en slaap heb ik ook niet. Ik weet
-het niet, maar het eenige, wat ik zou willen, is den heelen dag hier op den divan
-te blijven liggen.”
-<span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span></p>
-<p>„Welnu, doe het dan. Ik kom straks bij je zitten.”
-</p>
-<p>„Dat is goed; maar het is eigenlijk schandalig van me zoo lui te wezen.”
-</p>
-<p>Toen Betsy naar de <span class="ex" lang="ms">goedang</span> ging om „uit te geven”, kwam ze Sarinah tegen.
-</p>
-<p>„Nah?” vroeg de oude op gerekten toon en met een grijns.
-</p>
-<p>Maar Betsy trok de wenkbrauwen hoog op en stak de lippen vooruit.
-</p>
-<p>„Het zou ook wat,” zei ze, wegwerpend.
-</p>
-<p>„Wij zullen wel zien, <span class="ex" lang="ms">soedahla</span>, wij zullen zien.”
-</p>
-<p>„Ja, ja, houdt den mond maar; daar komt kokki aan.”
-</p>
-<p>„O ja!”
-</p>
-<p>De oude zweeg; ze moest bij zichzelve lachen. Nonna was toch ook soms erg dom! Hoe
-kon ze nu op het idée komen, dat kokki er niets van wist? Alsof niet alle bedienden
-er alles van wisten, en als uiterst belangstellende toeschouwers niet het heele verloop
-met aandacht en in gespannen verwachting volgden!
-</p>
-<p>’s Avonds kwam Marie weer voor den dag. Het was niet beter en niet slechter. Zij zag
-er ’n beetje betrokken uit, met groote kringen om de oogen; maar koorts had ze niet,
-en wat men noemt „ziek” was ze evenmin.
-</p>
-<p>Bronkhorst zag het niet. Welstaanshalve had hij gevraagd of ze beter was, maar in
-stilte vond hij het niet onpleizierig, dat ze haar kamer hield, nu de logé’s juist
-dien morgen vroeg waren vertrokken. Ze hadden weer hun spelletje gespeeld, hij en
-Betsy, en zij had hem voor het eerst zoo liefderijk gereciproceerd, dat hij ’n gevoel
-had alsof ’t hem dronken had gemaakt; zóó zelfs, dat Betsy begon te vreezen voor Marie,
-die, vond ze, dan toch al aartsdom moest zijn, om niets, in het geheel niets te merken.
-En om het af te wenden hield zij aan tafel Marie druk aan den praat, ofschoon ze maar
-droomerige antwoorden kreeg.
-</p>
-<p>Ze zaten nog wat na, aan tafel. Bronkhorst had ’n <span class="corr" id="xd31e3274" title="Bron: havana">havanna</span> <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>opgestoken; de dames genoten haar kopje koffie. Een bediende lei de brieven en couranten
-op tafel, die de postlooper gebracht had.
-</p>
-<p>Terwijl de notaris ze opende, om even door te zien, hield hij plotseling zijn kleine
-vouwbeen terug, dat reeds aan het snijden was.
-</p>
-<p>Aandachtig bekeek hij het adres.
-</p>
-<p>„Ik had daar haast ’n brief opengemaakt aan <span class="corr" id="xd31e3284" title="Bron: jou">jouw</span> adres”, zei hij tot Marie.
-</p>
-<p>„’t Zou ook wat zijn!”
-</p>
-<p>„Neen, maar je weet, ik doe het nooit; het is tegen mijn principes.”
-</p>
-<p>„Van wie is hij?”
-</p>
-<p>„Dat weet ik niet; het is een onbekende hand. Ziedaar!”
-</p>
-<p>En hij reikte haar over tafel de half geopende enveloppe aan.
-</p>
-<p>Ook voor Betsy was een brief gekomen; een van haar jongere zuster Lidia, die altijd
-<span class="ex" lang="ms">oentoeng</span> had, en die indertijd zich zoo onomwonden verklaarde over het uit den weg ruimen
-van Den Ekster, dien ze haatte.
-</p>
-<p>Betsy had haar geschreven, en met de ontembare zucht aan vrouwen eigen om wat ze weten
-of doen aan iemand mondeling of schriftelijk mee te deelen, al hielpen zij zich er
-door op het schavot—had zij in dien brief genoeg verteld om haar slimme zuster geheel
-op de hoogte te brengen. „Ik dacht niet”, schreef Lidia, als altijd openhartig, „dat
-je tot zoo iets in staat was, en ik kijk er gek van op, dat jij het over je kunt krijgen.
-Mij hielden ze altijd voor kwaadaardig en wraakzuchtig; jij met je geonduleerde haar
-tot op je wenkbrauwen, ging thuis door voor een toonbeeld van engelachtige zachtaardigheid.
-Nu, ik wil niet zeggen dat ik Jobs geduld heb met anderen, en ook niet dat ik gemakkelijk
-vergeef, maar, Betslief, ik zou tot zoo iets niet in staat wezen, waarachtig niet,
-en ik geloof jij ook niet, als ge die oude vuilpoets van een Sarinah niet bij je hadt.
-Pas op, als ik haar krijg! Maar heusch, Bets, doe dat niet. Als ik een man <span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>had, die me slecht behandelde, zoo waar als God leeft, ik hielp hem naar de andere
-wereld, Bets; ik zou het niet kunnen laten. Doch die menschen hebben je niets kwaads
-gedaan; ze hebben je integendeel goed en vriendelijk behandeld, Bets; ze zijn lief
-voor je en zij is hartelijker voor je geweest, dan ik voor jou ooit zou wezen. Zoolang
-ik geen weduwe ben, wil ik jou geen vier en twintig uur over mijn vloer hebben, hoor!
-Denk daarom, als je jezelve eens in de klem mocht brengen. Je weet dan bij wie je
-niet moet wezen. Foei, Bets, schaam je! En als je die gemeene streek mocht lukken,
-dan kijk ik je nooit weer aan, hoor! al kreeg je er zooveel duiten door als ’n millionnair;
-dàt wil ik je maar zeggen. Je zuster L.—”
-</p>
-<p>Betsy glimlachte. Die Lidia was toch altijd even grof. Het speet haar thans, dat ze
-zoo onvoorzichtig was geweest. Welk een gemeen antwoord! Dat was nu net zoo iets voor
-die nare <span class="ex">non</span>, iemand zoo laag en beleedigend neer te zetten. Zij zou het epistel aan kleine stukjes
-scheuren in haar kamer, en die aan Sarinah geven om ze te verbranden. „Ze zijn lief
-voor je geweest,” schreef dat malle wicht. O, zoo lief! Zij uit gemakzucht, en hij!.…
-</p>
-<p>„Je zult me wel excuseeren. Ik ga naar mijn kamer.”
-</p>
-<p>Was het mevrouw Bronkhorst, die daar sprak? Eenigszins verschrikt keek Betsy op. Ook
-Bronkhorst staakte de lectuur van een langen brief over belangrijke zaken.
-</p>
-<p>„Wat scheelt er aan?” vroeg hij verstrooid.
-</p>
-<p>„Ik voel me onwel.”
-</p>
-<p>„Dan zou ik een oogenblik gaan liggen; heb je pijn of voel je je koortsig?”
-</p>
-<p>Marie gaf geen antwoord. Langzaam ging zij de achtergalerij uit en haar kamer binnen;
-Bronkhorst keerde weer tot zijn brief terug.
-</p>
-<p>Betsy had niets durven vragen.
-</p>
-<p>Wat het was, had zij begrepen; door geen woord of blik had Marie iets te kennen gegeven;
-ze was met een bleek gezicht en <span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span>in zenuwachtigen toestand naar haar kamer gegaan; dat was alles. En toch wist Betsy,
-en ze had er op durven zweren, dat er in dien brief, dien Bronkhorst bijna in vergissing
-had opengemaakt, iets stond doelende op zijn verhouding tot haar.
-</p>
-<p>„Wat zou Marie schelen?” vroeg hij toen het stuk over zaken was uitgelezen.
-</p>
-<p>„Het schijnt, dat die brief haar onlekker heeft gemaakt.”
-</p>
-<p>Hij fronste de wenkbrauwen. Een onverklaarbaar gevoel van angst bekroop hem, dat ’t
-zweet op zijn voorhoofd deed parelen.
-</p>
-<p>„Waarom denkt je dat? Zij heeft toch niets gezegd.”
-</p>
-<p>„Volstrekt niet, doch ik heb het opgemerkt, zonder dat ze iets zei. En het verwondert
-me niet.”
-</p>
-<p>„Och kom, <span class="ex">nonsens</span>! Wie wil haar nu.…”
-</p>
-<p>„Wie? Dat weet ik niet. ’t Gebeurt dikwijls hier in Indië. Er zijn hier veel menschen,
-die pleizier hebben in ’t schrijven van ongeteekende brieven.”
-</p>
-<p>Het verruimde hem.
-</p>
-<p>„Nu, als het niet anders is dan dat.…”
-</p>
-<p>Zij keek hem verwonderd aan.
-</p>
-<p>„Niets anders?”
-</p>
-<p>„Wel neen! Men slaat toch waarlijk geen geloof aan verachtelijk anoniem geschrijf.”
-</p>
-<p>’t Was haar duidelijk aan te zien, dat zij het niet met hem eens was. Ook drong de
-vraag zich aan haar op of het wel in haar belang was, dat aan het „verachtelijk” geschrijf
-geen geloof werd gehecht; zij zag de zaken niet vorderen, en haar verhouding werd
-met den dag scheever en moeilijker. Als zij buiten het huis was en hij haar dan bezocht,
-kon ze haar doel beter bereiken, nu men eenmaal in het tegenwoordig stadium was gekomen.
-</p>
-<p>„Er zal altijd iets van bij haar achterblijven. Als ik doen kon wat ik wilde.…”
-</p>
-<p>„Wat dan?”
-<span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span></p>
-<p>„Dan ging ik,” zei ze met goed gehuichelde tranen in haar stem, „van avond nog heen.
-Ik zie alles aankomen.”
-</p>
-<p>Brusque stond hij op, zijn stoel met een zenuwachtigen ruk terugschuivend.
-</p>
-<p>„Het zal niet gebeuren!” riep hij heftig. „En nu wil ik ook weten, wat er van is.”
-</p>
-<p>Bronkhorst deed ’n paar schreden naar de kamer zijner vrouw.
-</p>
-<p>„Het zou te dwaas zijn,” zei hij, terugkeerend. „Vooreerst is het maar een vooronderstelling
-van je, en ten tweede zou zij met recht vragen, hoe ik er achter was gekomen.”
-</p>
-<p>De redeneering was wel juist, maar stelde Betsy toch teleur; als vrouw stelde zij
-temperament meer op prijs dan logica. Zij zag in zijn terugtreden alleen het bewijs,
-dat hij bang was voor zijn vrouw, en dat tergde haar. Als zij eens haar doel bereikte,
-hoe zou zij hem drillen onder haar slofjes!
-</p>
-<p>„<span class="ex">Ik</span> zal eens gaan zien wat haar scheelt,” antwoordde Betsy, en met koel en onbeweeglijk
-gezicht ging ze de kamer binnen.
-</p>
-<p>Marie sloot juist den brief in haar lessenaartje. Zij zag zeer bleek. Zij was reeds
-onlekker en vermoeid geweest den heelen dag; thans wist ze niet goed wat ze deed.
-De schrik door den brief teweeggebracht, had haar hersenzenuwen als het ware verlamd;
-ze kon niet geregeld denken en ze wist niet goed, wat ze zeide of deed; het dwarrelde
-haar nog op de onmogelijkste wijze door het hoofd en sloeg haar met een gedruktheid,
-die haar in de allereerste plaats deed verlangen naar rust en vrede, om geregeld te
-kunnen nadenken.
-</p>
-<p>„Mevrouw!” zoo luidde de brief. „Gij wordt gewaarschuwd. Gij hebt een slang aan uw
-borst gekoesterd. Uw huis vol van knoeien. Die jonge weduwe altijd maar knoeien en
-gekonkel met uw man. Gij ontvangt snoode ondankbaarheid voor uw weldaden! N. N.”—
-</p>
-<p>De aanwijzing, hoe krom ook geschreven en aangevuld met boeken-frasen, was duidelijk
-genoeg. Als Marie een jaloersche <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>vrouw was geweest, zou ze, uit den aard der zaak iedereen verdenkend, die aanwijzing
-in direct verband hebben beschouwd met haar eigen stillen achterdocht; zij had in
-haar geest zonder verwijl het <span class="ex" lang="fr">flagrant délit</span> opgebouwd, en was spoedig tot een besluit gekomen.
-</p>
-<p>Maar het viel haar zoo onverwacht op het lijf, als een donderslag bij zonneschijn.
-Zij vertrouwde iedereen, zooals men zichzelve kon vertrouwen, en ze moest voor zulk
-een beschuldiging eerst plaats maken in haar gedachtenloop. Zoolang ze getrouwd was,
-had zij een stilzwijgend en overmoedig geloof gehecht aan de onverbreekbaarheid van
-haar huwelijksgeluk, zonder dat zij die groote fout ooit had ingezien, evenmin als
-het haar ooit in het hoofd was gekomen, dat <span class="ex">haar</span> man te kort zou schieten in huwelijkstrouw, zoo min in heel, half of kwart platonischen,
-als in vulgairen zin. En dat onbegrensd vertrouwen, die groote gerustheid, hadden
-haar ook sedert haar trouwdag, althans na de wittebroodsweken, doen afzien van elke
-poging om hem in haar persoon of door haar gezelschap te behagen. Zij had, naar eerzaam
-Hollandsch gebruik, zich gewijd aan de kinderen en de keuken; op dat terrein, dacht
-zij, lag uitsluitend haar werkkring; dáárin zocht ze haar trots. En zij hield wel
-heel veel van Jean en zorgde goed voor zijn maag en zijn garderobe, maar behalve op
-enkele momenten, dus in het jarenlang verder verloop van het dagelijksch leven, beschouwde
-zij hem als niets anders, dan den medezorg voor het huishouden, den compagnon in de
-vennootschap Bronkhorst &amp; Co.—Als zij zich kleedde, dan was dat nooit voor <span class="ex">hem</span>. ’s Morgens als er dames visite kwam, deed zij haar kapsel, trok ’n mooie kabaja
-aan en ’n duren gebatikten sarong. Voor hem was ’t eenvoudigste lapje wit katoen,
-hoogstens met „’n puntje” en de flodderigste print mooi genoeg. Hij was immers maar
-haar man! Zij deed het niet met eenig boos opzet. ’t Was haar Hollandsche traditie;
-’t was zooals haar ouders en grootouders hadden gedaan, die met roode baaien broeken
-en borstrokken en in blauw wollen rokken, met slaap- en klapmutsen <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>getooid in overweldigende eerzaamheid schuil gingen onder de wollen dekens.
-</p>
-<p>Hij, Bronkhorst, had dat nooit opgemerkt, en vanzelf de huishoudelijke gewoonten volgend,
-had hij die aangenomen en zich er aan onderworpen, als iets dat zoo is en zoo behoort.
-Het een tonig leven was zeer snel voor hem voorbijgegaan, in zijn trouwen „ten principale”
-afgewisseld door ’n paar malen de geboorte van een kind, en door de zorgen voor zijn
-aangroeiende fortuin. Het had hem nooit gehinderd, dat Marie zich betrekkelijk zoo
-weinig scheen te bekommeren over zijn opinie, wat haar vrouwelijk schoon betrof. Zij
-waren g. e. t. r. o. u. w. d.; elk hunner zat aan een eind van het kettinkje, had
-daar vrede mee en achtte er zich gelukkig door.
-</p>
-<p>Tot er een vrouw kwam, die „werk” van hem maakte.
-</p>
-<p>Toen stond hij op het punt „er in” te loopen; zijn opgewekte geest trok aan het kettinkje;
-die vrouw sloeg uit den vuursteen der behaagzucht vonken, die hem herinnerden aan
-zijn celibatairstijd, toen de veelbelovende jonge notaris nog tot het edele wild behoorde
-in den <span class="ex" lang="fr">chasse à l’homme</span>; toen lieve blikken en vriendelijke glimlachjes hem van alle kanten ten deel vielen,
-en menig keurig toiletje het groot tenue was ter zijner eere gedragen.
-</p>
-<p>Maar zóó definiëerden zij niet; hij, Jean, niet, terwijl hij Betsy in stilte het hof
-maakte; zij, Marie, niet, toen ze moreel verpletterd was door dat briefje.
-</p>
-<p>„Scheelt u iets?” vroeg Betsy met warme belangstelling in den toon harer stem. „Ik
-kom eens zien of ik u ergens mee helpen kan.”
-</p>
-<p>Marie aarzelde een oogenblik.
-</p>
-<p>„Dank je,” antwoordde zij kortaf.
-</p>
-<p>„Ik ben ook niet erg lekker; ik ga ook vroeg naar bed. Heb je niets meer noodig?”
-</p>
-<p>„Neen,” klonk het als een diepe zucht.
-</p>
-<p>Zij, Marie, wist niet hoe zich te houden. Kon het waar zijn, dat iemand zóó slecht
-was, zóó door en door huichelachtig en gemeen? ’t Was, meende zij, een onmogelijkheid,
-en, strijdend tegen den <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>indruk door den brief teweeggebracht, had zij Betsy aangehoord en geantwoord. Maar
-het geheel van zich zetten <span class="ex">kon</span> ze niet. Door de loomheid in haar leden, als gevolg van Sarinah’s poeiertjes, bleef
-zij niet zitten, maar ging op een divan liggen, met haar gezicht naar den muur en
-haar oogen dicht. Was het waar, was het niet waar? Zij trachtte een zuiver beeld te
-ontwerpen van de wederzijdsche verhouding in huis: zeker, Jean was altijd bijzonder
-lief en vriendelijk tegen Betsy. Zij bracht zich enkele uitdrukkingen te binnen; zij
-herinnerde zich zijn grooten ijver om de jonge weduwe te helpen bij het musiceeren.
-Maar wat was dat, wat beteekende het? Het was volstrekt niets. Wie weet, daarentegen,
-welk een gemeen schepsel die schrijfster was van dien ongeteekenden brief, want geen
-oogenblik kwam het denkbeeld bij haar op, dat die van ’n man kon zijn. Wie weet of
-hier niet uitsluitend haat en lage afgunst in het spel waren, en zijzelve niet heel
-slecht deed aan dat vod zooveel gewicht te hechten. Men had zulke ellendige wezens,
-dat had zij meer gehoord, die er vermaak in schepten door gemeene anonieme brieven
-huisgezinnen ongelukkig te maken en familieleden en vrienden tegen elkaar op te zetten.
-En wat zou het zijn, als zij eens onder zulk een invloed raakte, en nu voortaan haar
-man en Betsy bespiedde, met wantrouwen gadesloeg, en zelfs verdacht, waar niets, wellicht,
-te verdenken viel.
-</p>
-<p>Maar zou ze hen <span class="ex">kunnen</span> vertrouwen? ’t Was pijnlijk, maar ze voelde dat ze daartoe niet in staat was. Hoe
-haar verstand zich ook verzette; hoe laag ze ook neerzag op dien smerigen brief en
-op haar, die hem had geschreven,—het was en bleef zonneklaar, dat haar grenzenloos
-vertrouwen weg was. En, o! als het eens waar mocht wezen, dat die vrouw wilde treden
-in <span class="ex">haar</span> rechten; haar verdringen wilde uit het hart van <span class="ex">haar</span> man; haar tot een voetveeg wilde maken in <span class="ex">haar</span> huis,—dan zou er toch nog veel moeten gebeuren! In het volle gevoel van de kracht
-harer smettelooze kuischheid en trouw, achtte zij zich sterk om tegen „het kwade”
-te strijden, als het noodig was; <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>een voor haar heiligen strijd om haar man en <span class="ex">voor</span> zichzelve en haar kindertjes. Het bloed steeg naar haar bleeke wangen, haar oogen
-glinsterden in ’t halfduister en krampachtig sloten zich de handen tot vuisten. Neen,
-zóó gemakkelijk zou het niet gaan! Zoo licht zou het niet vallen haar te onttronen!
-Hij had haar niet gevonden op de straat, en als zoodanig zou ze zich niet laten behandelen.
-Zooals ze haar plichten had vervuld, zou ze staan op haar rechten. Wie het wagen durfde
-haar de liefde te rooven.…. Ze schudde van opgewonden toorn, dat de divan kraakte.
-</p>
-<p>Doch plotseling, toen ze aan Jean dacht, bedaarde dat. Hoe was het toch bestaanbaar?
-Zoo menig gelukkig jaar hadden ze samen doorleefd, rustig en heerlijk. Het ging haar
-alles in den geest voorbij; hoe ze hem in Holland had leeren kennen; hoe ze hem lief
-had gekregen om zijn persoon; welk een heerlijken engagementstijd ze hadden doorgebracht;
-hoe vol van het zoetst genot hun huwelijksreisje was geweest, en hoe tevreden, gelukkig
-en voorspoedig ze al die jaren samen hadden doorleefd! En nu zou misschien dat alles
-uit zijn! Hij zou zijn heil zoeken bij een andere vrouw, en haar verwaarloozen en
-veronachtzamen; hun vredig huisgezin zou een hel worden van nijd en tweedracht; zij
-zouden altijd ontevreden zijn, elkaar misschien leeren haten, in elk geval van elkaar
-vervreemden.… En daarvoor had zij nu zooveel jaren met zooveel liefde haar plichten
-vervuld; daarvoor had ze alles geschonken wat ze had, nooit aarzelend, zelfs niet
-als te schenken een opoffering was.…
-</p>
-<p>Het diep bedroevende van zulk een toestand greep haar aan en werkte op haar zenuwen.
-Zij stond snel op, toen zij den stap van haar man hoorde, die naderbijkwam, en ging
-te bed, haar gezicht begravend in de kussens; hij mocht niet zien, dat ze weende!
-</p>
-<p>Haastig was Betsy, toen ze de kamer verliet, naar achter geloopen. Zij had nu volkomen
-zekerheid, wat den inhoud van den brief aanging. Bronkhorst was niet meer in de galerij.
-Zij <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>liep de trap af en om ’t huis heen naar voren, waar ze hem ontwaarde in de donkere
-zijgalerij, die naar het kantoor voerde; ze zag het aan zijn witte kleeding, want
-het was erg duister.
-</p>
-<p>„Wel?” vroeg hij.
-</p>
-<p>Zij gaf geen antwoord, maar voor de eerste maal sloeg zij haar armen om zijn hals
-en kuste hem herhaaldelijk met groote onstuimigheid; doch toen hij, in vervoering,
-het haar begon na te doen, rukte zij zich los en liep weg.
-</p>
-<p>In haar kamer deed ze de deur op slot. Ziezoo! Ze had nu haar schepen verbrand! Ze
-was nu tegenover hem ver genoeg gegaan. Men was nu alle drie vrijwel op een goede
-hoogte. Het had door dien brief een beetje sneller verloop moeten hebben, dan ze gedacht
-had; maar de kogel was toch vrijwel door de kerk. Nu <span class="ex">moest</span> ze weg, en dat was maar goed ook; als Marie den brief soms niet geloofde, den volgenden
-dag, dan zou zij haar wel laten zien, dat er niets in had gestaan, dan de waarheid.
-Er moest nu maar hoe eer hoe beter gehandeld worden. Al dat geleuter gaf toch niets.
-</p>
-<p>Bronkhorst hoorde haar de deur sluiten, want onwillekeurig was hij haar nageloopen.
-Toen zij geen verder bewijs van leven meer gaf, ging hij naar de slaapkamer. Het scheen
-dat Marie sliep, maar toen hij zich stil en voorzichtig uitkleedde, meende hij een
-verdachte beweging met een zakdoek te zien achter de klamboe. Nu veinsde hij nog veel
-meer, te denken dat ze sliep; sloop op de teenen door de kamer en stapte uiterst voorzichtig
-over haar heen, zich langzaam uitstrekkende langs de achtergrens van het ledikant.
-En toen hij lag, glimlachte hij tegen de klamboe en deed zijn oogen dicht.…
-</p>
-<p>Zij sliep haast niet dien nacht, hoe krachtig anders de natuur in dit opzicht haar
-rechten deed gelden. Het denkbeeld kwam altijd terug in allerlei vormen; het herhaalde
-zich onder de meest uiteenloopende gezichtspunten; en daarmede wisselden haar gevoelens.
-Wel vijf en twintig keeren was het toorn en verontwaardiging, volslagen ongeloof met
-zelfverwijt, of diepe droefheid.
-<span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span></p>
-<p>En des ochtends stond haar besluit nog niet vast.
-</p>
-<p>Bronkhorst zelf had ook slecht geslapen. Des morgens deed hij als wist hij van niets
-en als was hij zich nergens van bewust.
-</p>
-<p>„Ik heb een naren nacht gehad,” zei hij geeuwend.
-</p>
-<p>„Ik ook.”
-</p>
-<p>Hij zag haar aan en schrikte er van. Zij zag er ziek en lijdend uit.
-</p>
-<p>„Je bent erg onlekker, dat is zeker. Ik raad je ernstig aan te bed te blijven.”
-</p>
-<p>„Volstrekt niet.”
-</p>
-<p>„En een leitje te schrijven aan den dokter. Ik zal.…”
-</p>
-<p>„Het is niet noodig.”
-</p>
-<p>Zij had een andere kabaja aangetrokken en verliet de kamer. Het was haar niet mogelijk
-geweest vriendelijk tegen hem te zijn; het stuitte haar tegen de borst, hoewel ze
-weer haar uiterste best deed om alle geloof aan den inhoud van den brief weg te werpen.
-</p>
-<p>In de achtergalerij, waar het in den vroegen ochtend en bij de bewolkte lucht nog
-slechts half dag was, zag ze Betsy aan het koffie-zetten.
-</p>
-<p>„Goeden morgen,” klonk het haar tegemoet met de vriendelijkste stemmodulatie.
-</p>
-<p>„Goeden morgen,” bracht Marie er met moeite uit. Wat het haar kostte bedaard tegen
-dat schepsel te spreken! Ze had haar wel kunnen vernielen.
-</p>
-<p>„Weer heelemaal beter?”
-</p>
-<p>„Ja.… Zoowat.…”
-</p>
-<p>„Komaan, dat is gelukkig. Ik heb hier ’n overheerlijken kop koffie voor je. Dat zal
-je heelemaal opknappen.”
-</p>
-<p>Met bevende hand nam Marie den kop aan en ging zitten. Neen, dàt hield ze toch voor
-onmogelijk. Zulk een créatuur <span class="ex">kon</span> Betsy niet wezen, dat vond ze bovenmenschelijk. Die brief <span class="ex">moest</span> een gemeene leugen wezen, en zijzelve was schuldig <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>omdat ze Betsy en haar man verdacht. Ze zou en ze moest zich er tegen verzetten.
-</p>
-<p>„De koffie is overheerlijk,” zei ze vriendelijk.
-</p>
-<p>„Nietwaar?” vroeg Betsy terug, verbaasd en ontstemd over deze onverwachte en door
-haar niet gewenschte frontverandering.
-</p>
-<p>„Het scheelt, hoe men ook doet, den eenen dag toch altijd bij den anderen.”
-</p>
-<p>„Dat komt,” zei Bronkhorst, die blij was, toen hij, achter komend, haar beiden gemoedelijk
-pratende vond, „omdat de dames geen wetenschappelijken zin hebben; ze doen alles zoo
-maar op den gis; haar maat is er geen, waarop men kan vertrouwen.”
-</p>
-<p>„Het komt hier anders zelden voor, dat iets mislukt,” zei Marie.
-</p>
-<p>„Zeker! O, wat dat aangaat, heb je er uitmuntend den slag van alles overheerlijk te
-doen klaar maken. Dàt bedoel ik niet.”
-</p>
-<p>Onwillekeurig ontsnapte haar een zucht bij zijn lof. Maar die stemde haar toch beter,
-dan eerst, en toen men aan de ontbijttafel ging, was de algemeene conversatietoon
-bijna tot het normaal diapason teruggebracht. Alleen zag zij nog erg bleek en vermoeid
-er uit. Maar niemand zinspeelde daar meer op. Zelfs Betsy miste op dat oogenblik den
-moed om er op terug te komen, Bronkhorst sprak buitengewoon veel, en zocht, tot woede
-van Betsy, bijna uit instinctmatige aandrift een drukke conversatie met Marie aan
-te houden, waarbij hij met opzet vermeed naar Betsy te zien, en zich ook zorgvuldig
-van telegraphische voetgemeenschap onthield.
-</p>
-<p>Juist stond hij op om naar het kantoor te gaan, toen een jongen een brief binnenbracht.
-Het was er weer een aan het adres van zijn vrouw. Als hij het had kunnen doen, zou
-hij den brief hebben achtergehouden, maar het ging niet, want de bediende had hardop
-gezegd: <span class="ex" lang="ms">boeat njonja</span>. Nu moest hij haar den brief wel geven, maar hij bekeek toch even het adres. Dit
-was van een andere hand dan dat van den vorigen avond.
-<span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span></p>
-<p>„Je hebt, naar het schijnt, drukke correspondentie. Adieu, tot van middag.”
-</p>
-<p>Met een armzwaai groette hij beide dames, waarop hij naar zijn kantoor ging.
-</p>
-<blockquote>
-<p class="first salute">„Mevrouw!
-</p>
-<p>Iemand, die het goed met u meent, waarschuwt u in allen ernst voor een geval, dat
-zich in uw huis voordoet en waarvan gij ongetwijfeld schande en verdriet zult beleven.
-Uw man en die weduwe Den Ekster, die als bonne of juffrouw bij u inwoont, zijn het
-samen eens. Iedereen weet het al, maar u schijnt er onkundig van te zijn. Vraag het
-uw eigen bedienden, en gij zult er meer van hooren.
-</p>
-<p class="signed">Een vriend.”</p>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>Daar was het weer! Welnu, er moest iets gedaan worden, dat gevoelde en begreep zij.
-Handelend moest ze optreden. Er viel niet te talmen, na te denken en te redeneeren.
-Het was misschien verkeerd, maar zij zou althans informeeren bij de bedienden.
-</p>
-<p>Doch de naaister, haar baboe en haar kokkin verklaarden niets te weten en hoe het
-kwam wist ze niet, maar het was alsof juist die beweerde onbekendheid en de gezichten
-die deze menschen trokken, haar wantrouwen deden toenemen in plaats van verminderen.
-</p>
-<p>Zij was nu nog even wijs, en zat voor haar kamer met de hand onder het hoofd. Onuitstaanbaar!
-</p>
-<p>Na eenigen tijd liet ze Betsy verzoeken bij haar te komen.
-</p>
-<p>„Wat is er?” klonk het weer vroolijk en vriendelijk.
-</p>
-<p>Zwijgend wees Marie op de beide brieven.
-</p>
-<p>„Moet ik die brieven lezen? Ja? Wel, met genoegen.”
-</p>
-<p>Zonder overhaasting las zij ze allebei. Marie sloeg haar angstig gade, maar het effen
-gezicht onderging geen verandering.
-</p>
-<p>„Het is mooi,” zei ze met een valschen lach. „En dat beduidt?”
-<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p>
-<p>Thans had mevrouw Bronkhorst een overtuiging, al was het geen zekerheid.
-</p>
-<p>„Moet <span class="ex">ik</span> zeggen, wat het beduidt?”
-</p>
-<p>„U of een ander. <span class="ex">Ik</span> weet zeker niet, wie de hand heeft in zulke dingen.”
-</p>
-<p>„Wie er de hand in heeft?”
-</p>
-<p>„Natuurlijk. <span class="ex">Ik</span> denk niet, dat iemand gemeen genoeg kan zijn om zulke brieven te schrijven voor zijn
-pleizier.
-</p>
-<p>„Of uit drang om te waarschuwen.”
-</p>
-<p>„Komaan! Ha, ha, Wil ik u wat zeggen: die brieven komen allebei uit denzelfden koker
-en daar kan alleen iemand achterzitten, die mij haat, of die.… jaloersch is en wie
-ik hier te veel ben.”
-</p>
-<p>Een oogenblik was Marie verbluft over zooveel brutaliteit, en met haar heldere blauwe
-oogen staarde zij Betsy zoo onbeweeglijk aan, dat deze het tot haar woede en schaamte
-niet kon uithouden en genoodzaakt was den blik af te wenden. Toen mevrouw Bronkhorst
-als het ware tot zichzelve kwam, stond ze op: zij zag er op dat oogenblik allesbehalve
-„gemakkelijk” uit, en voor het eerst bekroop Betsy een gevoel van vrees, want het
-werd haar duidelijk, dat zij verkeerd had gedaan in haar geringschatting dezer schijnbaar
-alleen huiselijke en huishoudelijke persoonlijkheid. Er volgde geen standje, geen
-groot rumoer of heftig tooneel.
-</p>
-<p>„Ik weet nu, wat ik wenschte te weten. De rest zult u wel begrijpen.”
-</p>
-<p>Het werd gezegd op een toon en met een gelaatsuitdrukking zoo vol verachting, dat
-Betsy er van trilde.
-</p>
-<p>„Als u soms dacht, dat ik na dit gesprek en na de schandelijke verdenking en verdachtmaking,
-waaraan ik bloot sta, verlangde hier te blijven, dan hebt u het mis. Ik ga vandaag
-nog heen, al moest ik,”—er volgde een ontroering, die op zichzelve wel gemeend was,
-maar die, voortspruitend uit woede, voor verontwaardiging moest doorgaan—„al moest
-ik werken in de kampong voor een bordje rijst”.
-<span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span></p>
-<p>Doch Marie was geen dupe. Haar vertrouwen ging zeer ver; zij had een optimistisch
-geloof in de braafheid van haar omgeving, maar als zich een grond voor wantrouwen
-aan haar opdrong, dan was zij onverbiddelijk. En dat was gebeurd. De houding van Betsy,
-haar gelaat toen ze die brieven las, haar eerste uitdrukkingen en de wijze, waarop
-ze toen sprak, dat alles had Marie, zonder dat ze had kunnen uitleggen hoe het kwam,
-eene moreele convictie geschonken, onwankelbaarder dan een door bewijzen gestaafd.
-</p>
-<p>Zij keerde zich om en draaide Betsy den rug toe, wat deze buiten zichzelve bracht
-en de kamer deed ontvluchten, terwijl ze de deur met een slag achter zich dicht wierp.
-</p>
-<p>„Waarom maakt nonna zichzelve ziek?” vroeg Sarinah.
-</p>
-<p>„Och … stik!” barstte Betsy los in toomelooze woede.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Masa!</span>” lachte de oude. „Dacht nonna dan, dat er geen standjes zouden komen? De vliegen
-zouden vechten er over, en de menschen dan!”
-</p>
-<p>„Te erg, <span class="ex">nèh</span>! Ik had haar kunnen vermoorden.”
-</p>
-<p>„Waarom? Als zij leeft is het erger voor haar.”
-</p>
-<p>„Nu ja … dat is nog altijd de vraag.”
-</p>
-<p>„Nog niet gelooven! Zij is sterk, dat is waar. Ik heb haar nu al tweemaal wat gegeven
-en ze ziet enkel maar ’n beetje bleek.<span class="corr" id="xd31e3538" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Vandaag krijgt ze nog wat.”
-</p>
-<p>„Als ze ’t hebben wil.”
-</p>
-<p>„Zeker wel. Zij weet niets. Zij heeft de baboe, en de kokkin, en de djaid gevraagd.
-Die durven niet. O, als ze durfden, ik zou haar wel krijgen!”
-</p>
-<p>„En hij?”
-</p>
-<p>„Hij heeft van ochtend nog gehad in zijn koffie. Ik heb hem gezien. Hij wordt goed.
-Hij zit met de oogen open voor zijn schrijftafel en hij werkt niet, en hij ziet niet.”
-</p>
-<p>„Hoe weet je dat?”
-</p>
-<p>„Van den djoeroetoelis.”
-</p>
-<p>„Zoo.… en, gebeurt dat dikwijls?”
-<span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span></p>
-<p>„Nog niet zoo heel dikwijls, maar dat komt wel. Dan, als hij zoo zit, denkt hij aan
-nonna en ziet haar.”
-</p>
-<p>„Je weet, <span class="ex">nèh</span>! van de brieven.”
-</p>
-<p>„Brieven? Neen, ik weet van geen brieven.”
-</p>
-<p>„Zij heeft brieven gekregen, waarin haar wordt verteld dat meneer op mij verliefd
-is.”
-</p>
-<p>„Zoo’n dom schepsel! Ik dacht dat zijzelve het had gezien. Moest ze daarvoor nog brieven
-krijgen?”
-</p>
-<p>„Je begrijpt, dat wij weggaan.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Adoe!</span> Toch niet gauw?”
-</p>
-<p>„Vandaag nog.”
-</p>
-<p>„Het kan niet, nonna. <span class="ex" lang="ms">Soengoe mati</span>, het kan niet! Dan is alles weg!”
-</p>
-<p>„Ben je gek? Waarom? Het moet!”
-</p>
-<p>„Ik zeg het kan niet. Doe wat u wilt, maar zorg, dat we nog ’n paar dagen blijven;
-ik ben niet klaar.”
-</p>
-<p>Betsy zuchtte. Dàt was nu weer een inconveniënt!
-</p>
-<p>„Het is onmogelijk, <span class="ex">nèh</span>; ik heb het al tegen haar gezegd!”
-</p>
-<p>„Spreek er dan met mijnheer over. Ga naar hem toe. Hij is op ’t kantoor, Nonna moet
-pinter wezen, ja! <span class="ex">Allah!</span> het zou zoo jammer zijn.”
-</p>
-<p>Betsy twijfelde geen oogenblik aan de waarheid der woorden van Sarinah. Zij kende
-haar, en wist dat het der oude ditmaal volkomen ernst was, en zij ten volste overtuigd
-was, dat alles zou mislukken als er niet een dag of wat tijd viel te winnen. Het was
-trouwens zoo moeilijk niet, en de meid met een paar woorden geruststellend, ging zij
-de overdekte galerij door, die naar het kantoor leidde.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e3588" title="Niet in bron">„</span>Wat is het?” vroeg Bronkhorst bezorgd, terwijl hij haar tegemoet kwam.
-</p>
-<p>„Daar komt niets van!” riep hij opstuivend, toen ze op haar manier verteld had, wat
-er was voorgevallen.
-</p>
-<p>„Het moet,” antwoordde ze met een droevig lachje haar hand op zijn arm leggend en
-hem aanziend met tranen in de oogen: <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>„Er is niets aan te doen, en ten slotte is het beter ook. Het eenige is, dat het nu
-een triomf zal zijn voor onze vijanden. Als het slechts acht dagen ware uit te stellen.…
-Maar ik zie niet in op welke manier.”
-</p>
-<p>Bronkhorst keek met een donker gezicht naar beneden. Hij had zich vast voorgenomen
-haar te beschermen, en hij zou haar niet in de steek laten. Maar een scène met zijn
-vrouw lachte hem volstrekt niet toe, te minder nu hij begreep, dat die onvermijdelijk
-werd.
-</p>
-<p>„Het zal niet gebeuren<span class="corr" id="xd31e3599" title="Bron: ”,">,”</span> zei hij na een oogenblik. „Ik zal zelf voor ’n dag of wat uit de stad gaan.”
-</p>
-<p>„Och!.… Blijf maar liever in je huis, Jean! Het is voor mij wel heel droevig, maar
-er zal zich nog wel iemand voordoen om me te beschermen.”
-</p>
-<p>Hij kreeg een woesten aanval van jaloezie.
-</p>
-<p>„Er behoeft zich niemand voor te doen om je te beschermen zoolang ik er ben. We zullen
-er dadelijk een eind aan maken. Wacht hier maar even.”
-</p>
-<p>Driftig stond hij op en liep naar huis; vóór hij er kwam, was zijn woede al aanmerkelijk
-gedaald; toen hij in de kamer van Marie kwam, was ze verdwenen.
-</p>
-<p>„Wat zijn dat toch voor fraaiigheden?” vroeg hij op z’n notaris-toon.
-</p>
-<p>Er volgde geen antwoord. Marie was bezig de handen, die ze had gewasschen, af te drogen,
-en zij deed dat met groote nauwkeurigheid, zonder hem aan te zien.
-</p>
-<p>„Ik bedoel,” ging hij voort, toen ze hem zoo minachtend behandelde, „de lasterlijke
-anonieme brieven, die je in de laatste dagen moet ontvangen hebben!”
-</p>
-<p>Zij nam ze van haar toilet en wierp ze op de tafel.
-</p>
-<p>„Asjeblieft!”
-</p>
-<p>’t Klonk zeer onaangenaam, en zoo weinig was hij gewoon op die manier behandeld te
-worden, dat het hem neerdrukte.
-</p>
-<p>„’t Is was moois,” zei hij op zijn beurt de brieven op tafel <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>werpend, nadat hij ze had gelezen, „’t Is wat moois! En jij gelooft daaraan?”
-</p>
-<p>Zij keek hem onverschrokken in het gezicht met dienzelfden vasten blik, die Betsy
-de oogen had doen neerslaan.
-</p>
-<p>„Ja”, <span class="corr" id="xd31e3620" title="Bron: anwoordde">antwoordde</span> ze.
-</p>
-<p>Er viel niet tegen te redeneeren, en een oogenblik wist hij niet welken kant uit te
-gaan; toen koos hij zijn partij.
-</p>
-<p>„Ik zie wel,” zei hij met een gemaakt lachje, „dat je geheel door die gemeene epistels
-wordt beheerscht. Het is treurig.”
-</p>
-<p>„Je eigen gedrag is treurig; neen, het is erger, ’t is schandelijk.”
-</p>
-<p>„Ik zal op zulke aantijgingen niet antwoorden; het leidt tot niets. Je wilt mevrouw
-Den Ekster weg hebben,—welnu, zij zal vertrekken, dat is duidelijk. <span class="ex">Ik</span> zal haar niet terughouden.”
-</p>
-<p>Het scheen haar een straal van hoop, dat hij ’t vertrek van Betsy zoo gemoedelijk
-opnam. Zij keek op naar zijn gezicht, maar dat stond op storm en onweer, zoodat het
-haar op de lippen zwevend verzoenend woord terugbleef. Als het toch eens niet waar
-was! had ze gedacht; maar dat dacht ze nu niet meer.
-</p>
-<p>„Het eenige”, ging hij voort, „wat ik te vragen heb, is geen schandaal te maken, dat
-mijn goeden naam kan schaden.”
-</p>
-<p>„<span class="ex">Ik</span> ben het zeker, die daar schade aan toebrengt!”
-</p>
-<p>„Als mevrouw Den Ekster het huis verlaat, zoo dadelijk na de ontvangst van die brieven
-hier, zal daar veel over gepraat worden. Het zal worden rondgebazuind.”
-</p>
-<p>„En wiens schuld is dat?”
-</p>
-<p>„Dáárover zullen we later wel eens spreken, want ik zie, dat je nu niet vatbaar bent
-om aan te hooren. Nog eens: het eenige, wat ik nu vraag is, geen schandaal te maken.”
-</p>
-<p>„Komaan,” zei ze met bleeke lippen, „en dat wordt mij gevraagd door jou! Mij, die
-mijn geheele leven niets deed, waarover ik me behoefde te schamen. Maar het is goed,
-zeg maar eerst wat je wilt; ik zal dan zien of het me conveniëert.”
-<span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span></p>
-<p>„Het is, versta me wel, uitgemaakt, dat ze het huis verlaat, doch laat dat niet zijn
-op staanden voet. Als er een week overheen gaat, heeft het een betere houding. Ik
-zal zoolang uit de stad gaan.”
-</p>
-<p>„En <span class="ex">ik</span> zal met dat gemeene schepsel onder één dak wonen, nog een week lang!”
-</p>
-<p>„Marie, dwing me niet tot uitersten. Ik heb je gezegd, wat de reden is. Voor <span class="ex">mijn</span> genoegen is het niet, en voor het <span class="ex">hare</span> evenmin, want ik zal haar moeten verzoeken.…”
-</p>
-<p>„Há, há! Je zult haar moeten verzoeken, mij de gunst te bewijzen nog een week lang
-haar valsch gezicht te zien.”
-</p>
-<p>„Ik herhaal,” zei hij met een zucht, „dat ik me niet aan een wederlegging waag van
-je qualificaties; nu althans niet; maar het is toch zoo; ik zal mevrouw Den Ekster
-moeten <span class="ex">verzoeken</span> hier te blijven. Ik verzoek je: maak nu asjeblieft geen bezwaren, want als het noodig
-was, dan.…”
-</p>
-<p>„Dan?”
-</p>
-<p>Ze stonden tegenover elkaar bleek en met stille woede op het gezicht. Nog nooit hadden
-ze zóó gestaan.
-</p>
-<p>Hij sprak het woord niet uit.
-</p>
-<p>„’t Is goed,” zei ze met bevende stem, „de slet kan voor mijn part hier blijven. Maar
-geen dag langer, dan tot je terugkomst. En laat ik haar zoo weinig mogelijk te zien
-krijgen!”
-</p>
-<p>Zonder een woord van tegenspraak verliet hij de kamer. Het naastbijliggend doel was
-bereikt.
-</p>
-<p>„Ik heb het in orde gemaakt,” zei hij glimlachend tegen Betsy, toen hij op ’t kantoor
-terugkwam; „je blijft nog acht dagen hier. Vandaag vertrek ik, en hier”, vervolgde
-hij met ’n potlood een papiertje beschrijvend, „is mijn adres. Laat nu verder <span class="ex">alles</span> maar aan mij over. Ik zal voor alles zorgen, en dan ga je de volgende week in je
-eigen huisje”.
-</p>
-<p>Zij glimlachte hem veelbelovend toe. Het was een groote geruststelling. Niet, dat
-zij een weigering vreesde, als zij hem om hulp vroeg; maar dat deed ze liever niet;
-ze vond het wèl zoo <span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>aangenaam, dat hij uit zichzelven had aangeboden haar financiëel te helpen. Overigens
-besloot ze die week in haar gewone rol te blijven, en tegenover Marie zooveel mogelijk
-te doen, alsof er niets was gebeurd.
-</p>
-<p>Hij had haast om weg te komen. Als altijd pakte Marie zijn koffer. Zij had geen oogenblik
-geaarzeld. Het mocht wezen gelijk het was, worden zooals ’t zijn zou—<span class="ex">zij</span> zou haar gewonen plicht doen zoolang zij onder één dak met hem woonde, als zijn wettige
-vrouw, en zij zou ook alles doen, dàt nam zij zich ernstig voor, om zijn goeden naam
-te sauveeren; het was immers ook de naam harer kinderen! Maar bij zichzelve en met
-trage hand zijn overhemden om en om rangschikkend in den leeren koffer, dacht ze er
-toch aan hoe machteloos een vrouw is in zulke omstandigheden. Het <span class="ex">was</span> vroeger nooit bij haar opgekomen, ’t idée dat Jean een andere vrouw zou verkiezen
-boven haar; maar <span class="ex">als</span> zij er toen aan gedacht had, dan zou zij ongetwijfeld allerlei wraakzuchtige en verschrikkelijke
-plannen hebben gesmeed; zich allerlei heftige scènes hebben voorgesteld, de een al
-geweldiger dan de andere.
-</p>
-<p>En nu het een feit was, al ontkenden ook hij en zij; nu het naar haar idée waar <span class="ex">moest</span> wezen,—nu liet zij de bewerkster van haar ongeluk nog acht dagen wonen in haar huis,
-en ze.… pakte zijn koffer; het een om geen schandaal te maken, het ander uit plichtgevoel.
-Och, dat laatste hinderde haar zoo niet, maar die Betsy had ze, dat voelde ze, met
-eigen krachtige handen het leven kunnen benemen.
-</p>
-<p>En wat zou het verder worden tusschen hen? Het was natuurlijk uit! Alles, alles uit!
-Zij hield een oogenblik op met het inpakken van dat haar zoo bekende goed, door haarzelve
-gekocht, door haar zorgen in orde gehouden, onder haar eigen oogen gedragen, vaak
-zóó dicht bij haar, alsof het haar eigen was.
-</p>
-<p>En nu was het voor altijd uit!
-</p>
-<p>De gele zonnestralen drongen trillend van warmte en licht door de donkere stijf gesloten
-stores in de kamer, te verdeeld <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>om het duister te breken, er door heen schietend, als pijlen naar een doel en in kleine
-lichtkringen stuitend op muren en kasten. Het was alles zoo rustig en stil in dien
-schemer en het koeren van den perkoetoet, die in een kooi hing op het achtererf, gaf
-alleen meer relief aan de doodsche kalmte in het groote huis. Een diepe neerslachtigheid
-kwam over haar. Ze ging op den divan zitten naast den geopenden koffer en weende.
-Ze had hem inniger lief, dan ze ooit liet blijken met haar gemoedelijken weinig demonstratieven
-aard. Nu ze meende hem te verliezen trof het haar vreeselijk zwaar; het was een slag,
-waaronder ze in stilte bitter leed en dat in stilte zou blijven doen, omdat zij geen
-schandaal wilde maken.
-</p>
-<p>Hij was blij, dat hij voor ’n dag of wat weg kwam. ’t Was zoo’n pijnlijke positie
-vond hij, in huis, en het scheen hem alsof hij een gevangenis ontsnapte, toen hij
-zijn leden in den reiswagen uitstrekte en een versche sigaar opstak. Hij gevoelde
-zich niet geheel wel, wat hij toeschreef aan de agitatie door de jongste gebeurtenissen.
-Hij had Marie een kus willen geven, toen hij wegging, en tegelijk had het hem getroffen,
-dat zij toch een fraaien hals had en eigenlijk heelemaal een knappe vrouw was; zij
-had hem afgeweerd, met een gebaar vol minachting. Nu, ook goed! Maar soezerig voelde
-hij zich ’n beetje de laatste dagen, met een uitgedrukte neiging om doelloos voor
-zich uit te staren. Dan gingen hem flauwtjes allerlei beelden voorbij den geest, en
-die hadden meest allen iets van Betsy, tot het eindelijk haar gezicht was en haar
-figuur, dat hij zag en dat zich op allerlei wijzen bewoog en zich liet zien. Hij glimlachte
-dan in zijn eentje onwillekeurig tegen dat beeld, dat hem in die slaperige momenten
-van afgetrokkenheid zoo duidelijk voor de oogen stond. En als opgewekt door die voor
-hem alleen zichtbare wellustige vormen, neuriede hij een liedje uit zijn jongelingstijd,
-iets, vroeger gehoord in een café chantant te Rotterdam onder het drinken van champagne
-met sterk gedecolleteerde vrouwen, die erg gemakkelijk waren; iets, dat hij dacht
-reeds lang vergeten <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>te zijn, maar dat nu, onder deze omstandigheden, aanleiding scheen te vinden in zijn
-herinnering op te doemen. Zoo reed hij door, half droomend, zonder te letten op het
-hinderlijk op- en neerhossen van den wagen over den hobbeligen weg, en het voorbijsnellen
-der rietvelden, sawahs, desa’s en fabrieken.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>En Betsy ging in huis haar gewonen gang; zoo juist alsof er volstrekt niets was gebeurd,
-dat na twee dagen Marie volkomen gederouteerd was. Eerst had zij geen antwoord gegeven,
-als Betsy iets zei, dan nu en dan een enkele maal ja of neen; maar de jonge weduwe
-scheen zich niets daarvan aan te trekken en maakte er zich koud noch warm om.
-</p>
-<p>„Heb je dan in het geheel geen eergevoel?” had Marie, ten einde raad, uitgeroepen.
-</p>
-<p>„’t Schijnt wel van neen,” antwoordde Betsy bleek, maar met een onverstoorbaren glimlach
-om haar lippen.
-</p>
-<p>En toen Marie haar ontzet en verstomd bleef aankijken, ging ze op een anderen toon
-voort, klagend, kinderlijk klagend haast:
-</p>
-<p>„Niet als ik valsch beschuldigd word en er de dupe van ben. Dan niet!”
-</p>
-<p>„Hoe is het mogelijk? Mensch, hoe kan je daar zoo koelbloedig over spreken? Je bent
-anders tamelijk lichtgeraakt en volstrekt niet van ijzer of steen.”
-</p>
-<p>„O neen!”
-</p>
-<p>„Hoe kan je dan zoo verschrikkelijk kalm en onverschillig blijven. Dat is het grootste
-bewijs van je schuld.”
-</p>
-<p>„Natuurlijk. En als ik u de oogen uitkrabde en het huis in rep en roer bracht, schreeuwende
-en scheldende, wat dan?”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet, maar ik zou het nog liever zien.”
-</p>
-<p>„Wel neen, want dan zou dat toch ook weer ’n bewijs wezen van schuld.”
-</p>
-<p>„Dat zou het niet.”
-</p>
-<p>„Zeker, dat zou het wel. Het zou bewijzen, welk een gemeen <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>schepsel ik was, en hoe, nu ik zag dat ik ontdekt was, mijn waar karakter boven kwam.”
-</p>
-<p>Er <span class="ex">was</span> waarheid in; Marie voelde het, maar zij kon niets zeggen. En Betsy, die bemerkte
-dat zij terrein won, wierp het hoofd in den nek, en trok met ’n air haar lippen samen.
-</p>
-<p>„Ik heb ondervinding genoeg van de menschen,” ging ze voort, „al ben ik nog jong.
-Tegen den laster valt niets te doen. Niets! Het is dan veel gemakkelijker schuldig
-dan onschuldig te wezen.”
-</p>
-<p>Ze had haar stem laten trillen, zoodat men er als het ware de tranen in hooren kon.
-</p>
-<p>Wel twee minuten zwegen beiden.
-</p>
-<p>Marie zat op een stoel aan de groote mahoniehouten tafel in de achtergalerij, leunend
-op de ellebogen, met het gelaat op de handen rustend, in ernstige gedachten; Betsy
-liep heen en weer, nu eens het deksel van den koffiefilter oplichtend om er wat water
-bij te doen, dan weer haar aandacht wijdend aan de melk, die in een pan op ’t petroleumtoestel
-stond te koken.
-</p>
-<p>„Hoor eens,” begon Marie op dien beslisten toon, dien ze kon aannemen, als er iets
-gaan moest, zooals zij wilde en niet anders. „Ik wil gelooven, dat het mogelijk is.
-Een bepaald bewijs heb ik niet. Vertrouwen kan ik je niet; ik weet niet wat het is,
-maar er is iets in me, dat het belet en dat sterker is dan mijn wil. Maar omdat je
-het nu zoo zegt, wil ik het gelooven.”
-</p>
-<p>Betsy haalde de schouders op.
-</p>
-<p>„Voor zoo lang het duurt. Dank u.”
-</p>
-<p>„Ik kan er niets tegen doen.”
-</p>
-<p>„Welnu, laat het dan maar blijven, zooals het is.”
-</p>
-<p>Maar dàt wilde Marie niet, die nu met elk woord èn meer vreesde voor haar eigen zedelijke
-overtuiging, èn meer hoop begon te voeden, dat ze ten slotte zou <span class="ex">kunnen</span> gelooven, wat zij zoo gaarne had geloofd.
-</p>
-<p>„Betsy”—het was de eerste maal, dat mevrouw van Bronkhorst haar weer bij haar doopnaam
-noemde—„ik ben zoo <span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>openhartig tegen je geweest, als ik zijn kon. Als ik verzekerde, dat je mijn vertrouwen
-terughadt, dan zou ik liegen, en dat wil ik niet.”
-</p>
-<p>„Het hoeft ook niet; ik ga toch weg.”
-</p>
-<p>„Ja, en dat moet bepaald blijven.”
-</p>
-<p>„Natuurlijk. Ik denk er niet aan mijn besluit te veranderen.”
-</p>
-<p>Dat trof Marie, en het stemde haar aanmerkelijk zachter. Inderdaad was het <span class="ex">haar</span> besluit geweest, en nu handhaafde zij dat zonder aarzelen, in plaats van een appeltje
-op te werpen in andere richting.
-</p>
-<p>„Waar denk je heen te gaan?” ontviel haar, haast onwillekeurig.
-</p>
-<p>„Dat weet ik nog niet, maar dat ik ga is zeker.”
-</p>
-<p>„Het is,” zuchtte Marie, „zulk een verschrikkelijk geval!”
-</p>
-<p>Betsy barstte uit in een gemaakten schaterlach, die mevrouw van Bronkhorst deed schrikken.
-</p>
-<p>„Voor wie, als ik vragen mag? Voor u zeker! Het is belachelijk; het is naar!”
-</p>
-<p>„Het past je niet op die manier te spreken,” riep Marie verontwaardigd.
-</p>
-<p>„Nu, het is goed,” antwoordde Betsy, haar fout herstellende, „ik zal het alles wel
-als koek opeten. Het is dan verschrikkelijk voor u te moeten denken,.… wat <span class="ex">niet</span> waar is, dat kan ik bezweren; maar voor mij is het immers niets om onder zoo’n verdenking
-te gaan, en me dat in m’n gezicht te hooren zeggen. Wel neen! Ik ben maar een arme
-weduwe. Voor zóó een komt er dat niet op aan. Was ik een rijke notarisvrouw, dan werd
-het een heel ander geval.”
-</p>
-<p>Er viel weinig tegen die opvatting te zeggen. Het ging Marie als ieder welgesteld
-mensch, tegenover een minder bevoorrechte, die zijn armoe als een soort martelwerktuig
-dienst laat doen. Zij wilde Betsy niet volgen in die richting; dat ging niet.
-</p>
-<p>„Ik herhaal, dat ik er niets aan kan veranderen. Het beste is er niet verder over
-te spreken, ’t Is nu uitgemaakt, dat je hier niet blijft wonen. Laat ons nu verder
-niet twisten, en.…”
-<span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span></p>
-<p>„En?”
-</p>
-<p>„Nemen we aan, dat het mijn schuld is; dat ik niets had moeten gelooven, en je had
-moeten blijven vertrouwen.”
-</p>
-<p>„Het is fraai! Een goede troost! Maar <span class="ex" lang="ms">soedah</span>, ik zal het aannemen.”
-</p>
-<p>„Dan als je het zoo beschouwt, kan je ook mijn hulp niet weigeren.”
-</p>
-<p>„Geld?”
-</p>
-<p>„Natuurlijk. Waarom niet?”
-</p>
-<p>„Ja, dat maakt recht wat krom is. Ik weet het wel. Maar ik zal er geen gebruik van
-maken.”
-</p>
-<p>„Ik.….”
-</p>
-<p>„Neen,” herhaalde Betsy met oogen glinsterend van triomf. „Laat ons iets anders aannemen.
-Ik blijf niet en al smeekte men mij op de knieën, dan bleef ik nog niet. Men heeft
-mij schandelijk beleedigd, maar ik wil net doen of er niets is gebeurd; ik wil er
-niet verder over spreken.”
-</p>
-<p>„Dat komt op hetzelfde neer van uw kant.”
-</p>
-<p>„Doch, als ik het zóó beschouw, kan ik uw hulp niet aannemen.” Zij sneed alle verdere
-conversatie af en ging de gang in naar haar kamer, waar ze lachend op een der fraaie
-stoeltjes ging zitten.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Apa</span>,” vroeg de meid nieuwsgierig over haar grooten hoornen bril kijkend, die ze op had
-onder ’t goed verstellen.
-</p>
-<p>Betsy moest eerst uitlachen.
-</p>
-<p>„Zij wil me geld geven.”
-</p>
-<p>Nu lachte de oude mee.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Terlaloe!</span>” zei ze, en na eenige oogenblikken voegde zij er lachend aan toe: „Nonna zal toch
-wel zoo gek niet wezen.”
-</p>
-<p>„Dat kan je begrijpen.”
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Bij Marie was de geestetoestand zeer veranderd. Haar wantrouwen had een geduchten
-knak gekregen. Natuurlijk moest Betsy weg, maar zij had zich voorgenomen inderdaad
-te doen <span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span>alsof er niets was gebeurd, en dat deed ze ook tot vreugde van Betsy, die nu de dagen
-daar in huis veel draaglijker vond.
-</p>
-<p>’s Middags vertelde Sarinah haar meesteres, dat er ’n brief was en een pakje. De brief
-was van Bronkhorst; het pakje bevatte een ring met diamanten steen; verheugd deed
-zij hem aan haar vinger.
-</p>
-<p>„Wat heb je daar ’n mooien ring aan,” zei Marie verbaasd en ergdenkend, toen zij elkaar
-zagen in de voorgalerij<span class="corr" id="xd31e3815" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>„Ik heb hem al jaren,” antwoordde Betsy, met teederheid naar den ring ziende aan haar
-vinger, terwijl zij den steen liet flonkeren in het licht. Ik kreeg hem van iemand,
-met wien ik voor mijn trouwen in stilte geëngageerd was. Den Ekster wilde nooit dat
-ik hem droeg. Ik heb hem nu maar weer eens aangedaan.
-</p>
-<p>Het bleef er bij. Er werd niet verder over gesproken, maar toch vond Marie het vreemd;
-Betsy was immers al wel zóólang in huis, dat zij haar bijouterieën alle moest hebben
-getoond; men kon het van zoo’n coquette vrouw haast niet verwachten, dat ze zoo’n
-mooien ring achterwege zou laten!
-</p>
-<p>Bronkhorst had meer brieven geschreven. Een daarvan aan zijn vertrouwden klerk, die
-voor een woning zou zorgen. Een „eigen huisje” zooals hij zich had uitgelaten, was
-hem ten slotte minder wenschelijk voorgekomen. De klerk had een Europeesche weduwe
-gevonden, die niet ver van het notarishuis woonde in een zijlaan en heel gaarne „die
-dame” tegen goede betaling in huis zou nemen. Dat schreef hij ook aan Betsy. Den volgenden
-ochtend was zij vroeg uit; toen ze terugkwam, zei ze:
-</p>
-<p>„Ik heb een geschikte gelegenheid voor me gevonden.”
-</p>
-<p>„Zoo. Dat is goed.”
-</p>
-<p>„Ik ga bij mevrouw Duhr inwonen.”
-</p>
-<p>„Bij die oude vrouw, ginds in de laan?”
-</p>
-<p>„Ja.”
-</p>
-<p>„En vervolgens?”
-<span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span></p>
-<p>„Hoe vervolgens?”
-</p>
-<p>„Wel je zult toch zeker niet hier op de plaats blijven?”
-</p>
-<p>„Dat weet ik nog niet; het hangt er van af.”
-</p>
-<p>„Waarvan af?”
-</p>
-<p>„Wel, of het me bevalt.”
-</p>
-<p>„Dus ga je niet naar de familie Borne?”
-</p>
-<p>„Voorloopig niet.”
-</p>
-<p>„Maar.…”
-</p>
-<p>„Wat wilde u zeggen?”
-</p>
-<p>„Ik begrijp het niet.… Je hebt geen geld.”
-</p>
-<p>„O, ik heb nog wel <span class="ex">iets</span>. En bij Mevrouw Duhr betaal ik maar weinig. Ik help haar ’n beetje<span class="corr" id="xd31e3845" title="Niet in bron">.</span>”
-</p>
-<p>„Maar wat is je bedoeling?” vroeg Marie met heimelijken angst. „Waarom wil je hier
-blijven? Wat heb je er mee voor?”
-</p>
-<p>„Niets.… waar moet ik dan heen?”
-</p>
-<p>„Naar je oom en tante.”
-</p>
-<p>„Als de nood aan den man komt, is dat altijd nog te doen. Wie weet of ik.… voor dien
-tijd niet hertrouw.”
-</p>
-<p>Zij wilde het gesprek niet verder voortzetten en liep naar haar kamer om de koffers
-in te pakken. Al doende vertelde zij het aan Sarinah. De oude moest er om lachen.
-„Te erg toch, zoo doof en blind die vrouw was,” meende zij.
-</p>
-<p>„Ik zeg haar niet goeden dag,” zeide Betsy.
-</p>
-<p>„Hoe dan?”
-</p>
-<p>„Ik zal mijn koffers laten laden op een paar grobaks, en als die zijn weggereden,
-gaan wij ook te voet.”
-</p>
-<p>„Ik begrijp het niet!” zei de oude. „Waarom?”
-</p>
-<p>„Het is mij niet mogelijk. Soedah, ik zal haar een briefje schrijven.”
-</p>
-<p>Zij deed het, en Sarinah bracht het briefje. Mevrouw Bronkhorst, die zich weer minder
-wel gevoelde, lag op een bank.
-</p>
-<p>„Is mevrouw ziek?”
-</p>
-<p>„Ziek niet, maar toch niet lekker.”
-</p>
-<p>„Ik heb een briefje van nonna Betsy.”
-<span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span></p>
-<p>Marie nam het aan. „Mevrouw!” stond er. „Op het oogenblik, dat ik vertrek, stuit het
-mij tegen de borst een hartelijk afscheid van u te nemen. U hebt mij wel eens geholpen,
-maar na het gebeurde, geloof ik niet, dat ik u daarvoor nog eenigen dank schuldig
-ben. Ik zal aan u denken. Dat beloof ik u.
-</p>
-<blockquote>
-<p class="first salute">Wed. <span class="sc">Den Ekster</span>.”</p>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>Een onbehaaglijk gevoel bekroop mevrouw Bronkhorst.
-</p>
-<p>„Waar is je mevrouw?” vroeg zij de meid.
-</p>
-<p>„Al weg. <span class="ex" lang="ms">Kasian</span>, zij is zoo ongelukkig.”
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e3881" title="Niet in bron">„</span>Het is goed. <span class="ex" lang="ms">Bilang bajiq</span>.”
-</p>
-<p>„Heeft mevrouw niets anders te gelasten.”
-</p>
-<p>„Dank je.”
-</p>
-<p>„Als mevrouw misschien mij noodig mocht hebben, dan wil ik altijd dadelijk komen.”
-</p>
-<p>„Dank je.”
-</p>
-<p>„Mevrouw is altijd zoo goed geweest voor me. Ik ben maar een oud mensch, dat wel spoedig
-dood zal gaan, maar als ik mevrouw kan dienen met iets, wil ik altijd graag. En ik
-bedank mevrouw wel voor alles wat ik van mevrouw heb gekregen.”
-</p>
-<p>Het deed Marie aan. Zie, dat was nu een oude inlandsche vrouw, afgeleefd, hoestend
-en steunend, die ze soms wat eten of ’n fooitje of ’n stukje kleeren had gegeven,
-en die arme ziel zat daar dankbaar op den grond, ofschoon ze korte, norsche antwoorden
-kreeg.
-</p>
-<p>„Het is goed, <span class="ex">nèh</span>,” zei ze met zachtheid. „Je mag nu en dan eens hier komen. Ik zal zien of ik dan
-niet iets voor je heb. En als je mevrouw soms mocht heengaan, en zij kan je niet meenemen,
-kom dan maar gerust hier; ’n bordje rijst kan je altijd nog wel bij me verdienen.”
-</p>
-<p>Nogmaals dankend, strompelde Sarinah het huis door. Onwillekeurig stond Marie op en
-vergezelde haar naar voren. <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>De oude keek in de fraaie voorgalerij rond, alles bewonderend.
-</p>
-<p>„Och,” zei ze steunend. „Het is hier alles zoo mooi. Als mijn arme nonna eens zulk
-een huis had, wat zou ze gelukkig wezen!”
-</p>
-<p>„Niet iedereen kan hetzelfde hebben,” antwoordde Marie weer een beetje boos.
-</p>
-<p>„O neen; de eene mensch is rijk, de andere arm; dat is zoo beschikt.”
-</p>
-<p>Zij ging heen, waggelend als van zwakte en ouderdom onder de reusachtige waringins
-op het voorerf.
-</p>
-<p>Toen ze het Betsy vertelde, had deze er pret in.
-</p>
-<p>„Nu kan ik er komen, als ik wil,” zei de oude. „Wie weet of dat niet goed kan wezen.
-Al dat kwaad zijn helpt niet.”
-</p>
-<p>„Je bent een slim oud beest, <span class="ex">nèh</span>,” antwoordde Betsy bijwijze van compliment. „Ik ben blij, dat ik dat wijf nu niet
-meer zie. Brr! Hoe was ze?”
-</p>
-<p>„Ze lag op een bank, en ze was onlekker. O, ze zal wel naar boven moeten. Wacht maar!”
-</p>
-<p>„Ze had al lang weg moeten wezen.”
-</p>
-<p>„Dat had ze ook. Ze is sterk, dat heb ik al dikwijls gezegd. Bij hem gaat het beter.”
-</p>
-<p>De oude wees naar het einde der laan. Er kwam in de verte een wagen aan met vier paarden
-bespannen.
-</p>
-<p>„Hij kan het nog niet wezen, <span class="ex">nèh</span>. Volgens zijn brief komt hij pas morgen.”
-</p>
-<p>„Misschien heeft hij haast.”
-</p>
-<p>Betsy lette niet meer op hetgeen de meid zei; haar aandacht was alleen gevestigd op
-den reiswagen, die met woeste vaart naderde; zij herkende inderdaad het rijtuig van
-Bronkhorst.
-</p>
-<p>„Wel, ben je nu goed geïnstalleerd?” vroeg hij, haar naderend met uitgestoken hand.
-</p>
-<p>„Heel goed, voorloopig. Ben je niet wél?”
-</p>
-<p>Het ontviel haar toen ze zag, dat zijn gelaat vrij bleek zag met donkere kringen om
-de oogen.
-<span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span></p>
-<p>„Zeker. Misschien wat vermoeid van dat langdurig hossen tusschen de wielen. Ik ben
-blij dat ik je zie.”
-</p>
-<p>Zij lachte, en met haar gezicht bij het zijne:
-</p>
-<p>„Je moest ook eens niet blij wezen!”
-</p>
-<p>„Ik bedoel, dat ik je zie in werkelijkheid; in gedachten zie ik je altijd.”
-</p>
-<p>„Nu ja, ’t zal wat wezen!”
-</p>
-<p>„Waarachtig Betsy, het is zoo. Als dàt veel van iemand houden is, dan ben jij de eerste
-op wie ik verliefd ben.”
-</p>
-<p>Zij trok de wenkbrauwen samen. Het beviel haar niet. Wat hij zei, klonk openhartig
-en waar. Maar er was geen enthusiasme bij. Als hij vroeger, toen ze nog bij de Borne’s
-woonde en alleen <span class="ex" lang="fr">te visite</span> kwam bij de familie Bronkhorst, door haar coquetteeren eenigszins opgewekt werd tot
-galanterie, dan kwam het van harte; dan was er leven en vuur in zijn blik en in den
-klank zijner stem, Nu scheen hij een willoos werktuig. Maar het was geen tijd om lang
-over zulke dingen te denken. Wat kwam het er ook op aan, of hij werkelijk liefde voor
-haar gevoelde en zou blijven voelen? <span class="ex">Nonsens!</span> Als zij hem maar zóóver kon brengen, dat hij scheidde van zijn vrouw en haar trouwde.
-De rest kon haar minder schelen. En als hij aan het juk trok, zou zij hem dat wel
-afleeren!
-</p>
-<p>„Praat nu maar geen gekheid. Wil je ’n kop thee?”
-</p>
-<p>„Als je het bij hand hebt.”
-</p>
-<p>„Zeker. Ik zal even naar achteren gaan.”
-</p>
-<p>Bronkhorst leunde achterover in een rotanstoel en keek naar de lommerrijke kruinen
-der boomen. Betsy liep vlug naar de kleine eenvoudige achtergalerij, om dadelijk ’n
-kop thee te zetten; zij wist dat hij daarvan hield als hij uit was geweest en dorst
-had.
-</p>
-<p>„Is er warm water?” vroeg zij mevrouw Duhr.
-</p>
-<p>„Zeker. Wilt u het gebruiken?”
-</p>
-<p>„Ja. O, het kookt, dat is heerlijk.”
-</p>
-<p>Zij had op alles gerekend, en er stond in haar kamer een vrij <span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>groote hoeveelheid van de fijne Chineesche thee, die Bronkhorst gewoon was te drinken.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e3958" title="Niet in bron">„</span>Blijft de notaris hier?<span class="corr" id="xd31e3960" title="Niet in bron">”</span> vroeg mevrouw Duhr.
-</p>
-<p>„Dat is te zeggen, ik maak even een kop thee voor hem klaar, en ik heb nog wat gebak
-meegebracht.”
-</p>
-<p>„Neen, ik bedoel of hij hier blijft eten, en dan verder.…”
-</p>
-<p>„Maar mevrouw, hoe komt u er aan?”
-</p>
-<p>„Wel.… ik dacht het.… omdat iedereen het zegt hier op de plaats. Er wordt zooveel
-over gesproken.… en als ik het niet had gedaan om het geld.…”
-</p>
-<p>„Dan hadt je me niet in huis willen hebben. Nu, ik ben u veel verplicht. Enfin, het
-kan me volstrekt niet schelen. De menschen mogen voor mijn part precies zeggen wat
-zij willen. Ik trek me er niets van aan, en u zult verstandig handelen, als u dat
-ook niet doet. U zult zelf wel zien, hoe kwaad spreken en waarheid spreken verschillen.”
-</p>
-<p>Toen ze Bronkhorst de thee en de kwee-kwee bracht, waarop hij ongeduldig wachtte,
-vertelde zij hem wat mevrouw Duhr had gezegd. „Laat ze maar praten. Het is niet waar,
-en het zal op zoo’n manier ook niet waar worden. Maar,” voegde hij er bij met een
-zucht, „ik wou wel Bets, dat jij mijn vrouw waart.”
-</p>
-<p>Weer kwam het gevoel van ontevredenheid bij haar op. Het was de ware begeerte ook
-nu niet; het was veel meer de zucht van iemand, die een kruis draagt, slechts één
-uitweg weet om er van verlost te raken, en natuurlijk in die richting wil gaan. Het
-was weer iets ongezonds. Maar ze boog zich over hem heen en zag hem vlak in de oogen,
-zoo vleiend en verleidelijk als ze maar kon.
-</p>
-<p>„Ja, als dàt eens waar was!.… Toe, laat me ook eens drinken.”
-</p>
-<p>Hij bracht ’t theekopje aan haar mond, en zij nipte er even aan, zonder haar oogen
-van de zijnen af te wenden; maar toen hij haar ook een stukje van het gebak wilde
-geven, weigerde <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>zij; ze had er geen trek meer in, zei ze, want ze had er al veel van gegeten.
-</p>
-<p>Een uurtje later ging hij heen; in de binnengalerij om een hoekje kusten ze elkaar
-goeden dag. Het had hem ’n beetje opgewekt, maar dat gevoel van verlichting verdween
-weer toen hij in het rijtuig zat, en ontstemd en nurksch trad hij zijn eigen huis
-binnen. Regelrecht ging hij naar zijn kamer.
-</p>
-<p>„<span lang="fr">Bonjour</span>,” zei hij, zonder meer, Marie voorbijgaand, die hem ’n klein eindje te gemoet kwam.
-Tot de voorgalerij gaan, zooals vroeger, was haar te sterk geweest; nu speet het haar
-dat ze een voet had verzet; zulk een hondsche bejegening had zij niet verwacht.
-</p>
-<p>Zij verwachtte, dat hij aan tafel zou ontdooien voor zijn lievelingsgerecht, maar
-het gebeurde niet. Hij sprak met haar over onverschillige zaken op onverschilligen
-toon. Nu en dan staarde hij in de ruimte, en als zij hem dan aankeek, zag ze hem glimlachen.
-Wat was dat? Zij had hem nooit droomerig of verstrooid gekend; hij was altijd een
-bij uitstek practisch man met een krachtig gestel en volstrekt niet sentimenteel van
-aard.
-</p>
-<p>Maar ze vroeg hem niets, ook niet toen ze zag, dat hij zijn goed in een andere kamer
-liet brengen. Het trof haar wel, maar ze zei niets; ze was er te trotsch voor. Indien
-hij dacht, misschien, dat zij dááraan zoo’n overweldigenden lust had, dan vergiste
-hij zich en wist hij niet eens wat ’n fatsoenlijke vrouw was. Zij had altijd gaarne
-’t lieve met hem gedeeld, maar ze kon het ontberen, als het noodig was, en dat kon
-hij niet. En <span class="ex">als</span> hij niet verder ging, dan zij hoopte en vertrouwde dat hij gegaan was, welnu, dan
-zou hij ook weer tot haar terugkeeren, omdat hij haar noodig had en niet buiten haar
-kon. Ze vond haar eigen berekening griezelig, en zou, een maand vroeger, met verontwaardiging
-het denkbeeld hebben verworpen, dat ze zich met zulke gedachten zou troosten. En nu
-de practijk van den tegenspoed kwam, deed zij het vanzelf.
-</p>
-<p>Vermoeid van de reis ging hij vroeg naar bed.
-<span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span></p>
-<p>„Ik heb mijn boel maar laten overbrengen.”
-</p>
-<p>„Dat heb ik gezien.”
-</p>
-<p>„Het is tegenwoordig zoo warm.”
-</p>
-<p>„Zeker. Het is veel aangenamer alleen te slapen.”
-</p>
-<p>„Wel te rusten.”
-</p>
-<p>„Goeden nacht.”
-</p>
-<p>Het was dezelfde doffe toon vol onverschilligheid, waarop hij den ganschen dag had
-gesproken, en die haar nu verbaasde en eenigszins ongerust maakte. Ze ging naar bed,
-maar werd na een paar uren met schrik wakker. Ze luisterde: neen, de kinderen waren
-het niet; het was Jean, die in de achtergalerij op en neer liep. Ze luisterde opnieuw:
-hij opende een kast en nam wat brendy.
-</p>
-<p>En terwijl zij uit gewoonte en van vermoeidheid weer insliep, strekte hij zich achter
-op een langen rotan-stoel uit en was klaarder wakker, dan hij den geheelen dag was
-geweest; nu eens zat hij tien minuten te staren naar zijn schoon visioen, dan weer
-neuriede hij opwekkende liedjes, of sprak bij zichzelven. Het boek, dat hij had ter
-hand genomen, om zich in slaap te lezen, bleef ongeopend op de tafel liggen.
-</p>
-<p>Hij hoorde de klokken elk half- en heel uur slaan; de metaalklank resonneerde door
-de ruimte van het huis, en droog en hard vielen daartusschen, buiten in den stillen
-nacht, de slagen van sommige nachtwakers op hunne blokken, terwijl die van anderen,
-dichter bij of verder af, dof en zwaar klonken, soms zoo rhytmisch alsof het met opzet
-was geregeld.
-</p>
-<p>Haast al dien tijd dacht hij aan Betsy. Soms beproefde hij aan iets anders te denken,
-maar het gelukte slechts ’n minuut of wat. Hoe het ook ging, over welke schijven hij
-zijn gedachten dwong te loopen, altijd kwam een oogenblik—en het kwam heel spoedig—dat
-hij in verbeelding weer bezig was met haar. ’t Verschrikte of verwonderde hem zelfs
-niet, want ook toen hij dien nacht deze ontdekking deed, glimlachte hij weer bij zichzelven
-om het feit. Het ging hem als sommige jongelieden in <span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>een stadium van voorbarig en overweldig ontwikkelenden hartstocht, als het hun physisch
-onmogelijk is hun aandacht te bepalen bij hun werk of hun studie, en hoeveel geweld
-ze hun menschelijke hersenen ook aandoen, de faunen toch dadelijk weer den baas spelen.
-Nu, hij streed er niet zoo heel erg tegen; hij had het niet kunnen doen; zijn zwakke
-poging was meer een streven naar rust, die hij toch wel besefte noodig te hebben.
-</p>
-<p>Eerst toen tegen den ochtend een kille wind door de naalden der <span class="corr" id="xd31e4006" title="Bron: tiemara's">tjemara’s</span> op het erf ruischte, kwam er ’n beetje ontspanning, en sliep hij in op zijn stoel;
-het was een slaap als lood zoo zwaar; hij snorkte, dat van ’t geluid de meubelen schenen
-te dreunen in de galerij: hij snorkte Marie wakker, doch zichzelven niet.
-</p>
-<p>Zij stond op, toen ze door de kieren van de stores zag, dat het begon te dagen. Drie-
-of viermaal was zij wakker geweest, en voor het overige had zij slecht geslapen. Toch
-voelde zij zich minder onlekker dan daags te voren; het was waar, wat Sarinah zei,
-dat de op haar toegepaste middeltjes weinig effect hadden en haar sterk gestel de
-werking er van scheen te neutraliseeren.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Een vervaarlijke vloek, gevolgd, als bliksem door donder, door een vuistslag op een
-tafel, daverde door de nette houten commandantswoning op den buitenpost, waarheen
-kapitein Borne was overgeplaatst.
-</p>
-<p>„Ziedaar! Lees me gévédé, ’reis zoo’n brief!”
-</p>
-<p>Zoo stormde hij de achtergalerij in, met zijn zwaren tred, die den planken vloer deed
-kraken, hoe solied de genie hem ook had gelegd. En hij wierp op de tafel, waarvoor
-zijn vrouw zat te werken, een groot vel papier, dat hij, door er een slag op te geven
-met de vlakke hand, als ’t ware in het blad van de tafel scheen te willen slaan.
-</p>
-<p>Borne zag rood, en hij beefde; dat zag zijn vrouw, toen ze hem aankeek over haar bril,
-niet wetende uit welken hoek deze <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>storm opstak, maar dadelijk ook eenigszins zenuwachtig en tot weerstand geprikkeld.
-</p>
-<p>Zij werd bleek onder het lezen, en sloeg met beide handen tweemaal op haar gevulde
-dijen, zoodat het kletste door de mooie sarong heen, een muziek, waarmede de kapitein
-zich, in gewone omstandigheden, amuseerde, ofschoon ze het bewijs was, dat zijn vrouw
-zich gloeiend nijdig maakte. Maar ditmaal lette hij er niet op; het was een te ernstig
-geval.
-</p>
-<p>„Zoo’n gemeene smeerlap!” zei hij.
-</p>
-<p>„Zoo’n slet van een meid!” barstte zij los.
-</p>
-<p>Lang bleef het niet bij de invectieven tegen Bronkhorst en Betsy.
-</p>
-<p>„’t Is jou schuld,” beweerde al heel gauw mevrouw Borne met gefronste wenkbrauwen
-en een kwaadaardig vooruitgestoken mond. „Je bent altijd zoo’n akelige kerel.”
-</p>
-<p>„Dat lieg je!” brulde de kapitein ten toppunt van woede rakend. „Mijn schuld! Het
-is de jouwe; heelemaal de jouwe.”
-</p>
-<p>„Jij laat je maar alles wijsmaken. ’n Man! Tjies!”
-</p>
-<p>Deze aanval op zijn sekse deed de maat overloopen.
-</p>
-<p>„Laat ik me wat wijsmaken? Wie zeit dat? Laat ik me wat wijs maken? Neen jij! Jij
-laat je voorliegen en bedriegen. Wou je het aan mij wijten?”
-</p>
-<p>En de twist liep erg hoog. Ze scholden elkaar geregeld uit, en ze scholden op elkaars
-familie, alsof ze beiden van hoogst immoreele afkomst waren; tot eindelijk mevrouw
-naar haar kamer ging en van daar uit, door het met zonneblinden gesloten venster nu
-en dan heftige woorden naar buiten zond, die Borne patrouilleerend in de achtergalerij,
-nu eens met woeste luidruchtigheid, dan weer met, op zijn manier, bittere ironie beantwoordde.
-Maar de toon, waarop zij keef, daalde gradueel; er kwamen nu en dan trillers in; en
-naarmate de klank verzachtte, werden de woorden weeker. Borne antwoordde nu nog slechts
-af en toe met een enkel woord, dat hij eigenlijk slechts in het midden bracht om niet
-heelemaal te zwegen.
-<span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span></p>
-<p>Eindelijk hield zij den mond, in zoover, dat ze hem geen verwijten meer deed; en nu
-kon hij haar zacht hooren snikken met afgebroken woorden van verdrietig verwijt. Dat
-was te veel; dat kon hij nooit verdragen. Geheel gekalmeerd, ging hij naar binnen,
-ook in de kamer, waar zijn vrouw was.
-</p>
-<p>„Kom,” zei hij, aangedaan, „huil nou niet, <span class="ex" lang="ms">ati</span>. Je weet toch wel, dat het niet zóó gemeend is.”
-</p>
-<p>Ze wist dat ook wel; ze droogde haar tranen; hij kuste haar, zij gaf hem een zoen
-terug, en zoo stonden ze een oogenblik als groote, oude kinderen.…
-</p>
-<p>Nadat ze dus van weerskanten hun gemoed gelucht hadden over het „het schandaal”, zouden
-zij de zaak bedaard bespreken; de brief was van niemand anders, dan van den resident,
-maar particulier, dat sprak vanzelf, en dat het zoo’n groot vel papier was, kwam alleen
-door het innig besef van den resident, dat hij te hoog was geplaatst om, zij het ook
-niet-officiëel, te schrijven op klein formaat.
-</p>
-<p>„Het is ’n verschrikkelijk geval. Wie had zoo iets kunnen voorzien?”
-</p>
-<p>„Als ik er was gebleven, zou het nooit zijn gebeurd.”
-</p>
-<p>„Neen, zeker niet.”
-</p>
-<p>„Als ik er naar toe kon, zou ik hem ongemakkelijk <span class="ex" lang="fr">à faire</span> nemen.”
-</p>
-<p>„En met hem vechten?”
-</p>
-<p>„Dat beloof ik je. Ik zou hem voor het front laten komen, en ik zou zeggen.…”
-</p>
-<p>„Ja, vent, ik weet het wel. Je zoudt hem tot een duel dwingen.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="fr">A mort</span>, dat verzeker ik je!” zei de kapitein met geur.
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Soedah!</span> dat is allemaal niet mogelijk; toch moeten we er iets aan doen.”
-</p>
-<p>Dat voelde kapitein Borne ook, maar hij wist niet wat; hij zei het openhartig.
-</p>
-<p>„Ik weet het evenmin,” gaf zijn vrouw toe. „Mijn God. wat heeft ’n mensch toch ’n
-last van z’n familie.”
-<span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span></p>
-<p>„In elk geval: ik zal den resident antwoorden.”
-</p>
-<p>„Natuurlijk.”
-</p>
-<p>„Ik zal hem bedanken voor de betoonde belangstelling.”
-</p>
-<p>„Ja, dat moet je doen, Borne!”
-</p>
-<p>„Maar, dat ik er tot mijn groot leedwezen niets anders tegen kan doen, dan aan dien
-Bronkhorst een brief schrijven, die op pooten staat, en aan haar dito, dito.
-</p>
-<p>„Zou hij er zich niet verder mee willen bemoeien?”
-</p>
-<p>„Wie?”
-</p>
-<p>„Wel, de resident.”
-</p>
-<p>Het was ’n idée, dat moest de kapitein bij zichzelven toegeven. Maar het stuitte hem
-tegen de borst om, als men in zulk een delicate zaak vreemde hulp inriep, zich, als
-officier, daarbij te bepalen tot een burgerambtenaar. Daarom schreef hij ook een uiterst
-langen brief aan zijn collega en opvolger, waarin hij met groote kieschheid uiteenzette,
-wat hij van ter zijde had vernomen, verzocht het een en ander voor hem te onderzoeken,
-en wanneer het noodig mocht wezen, in zijn, Borne’s naam, op te treden. Tevens meldde
-hij, dat hij aan den resident had geschreven, en dezen, dat hij zijn collega mede
-in de zaak had betrokken.
-</p>
-<p>Uren had het geduurd vóórdat de kapitein deze brieven gereed had. Het schrijven was
-zijn fort niet, en een brief stellen van eenig aanbelang kostte hem meer zweetdroppels,
-dan een urenlange militaire marsch. Doch hij zat er eenmaal in, het moest met spoed
-geschieden, en als hij met iets was begonnen, ging hij voortvarend door tot het einde.
-</p>
-<p>Toen hij zijn vrouw de brieven had voorgelezen, zag hij, dat ze het zich zeer aantrok
-en er erg verdrietig onder was. Hij trachtte haar op te beuren, maar het gelukte niet.
-</p>
-<p>„Zie je,” zei ze, „het is niet alleen om harentwil. Ik geloof, dat er aan vrouwen,
-die dien kant op gaan, nooit veel verbeurd is. Maar zij heeft bij ons gewoond, dat
-weet iedereen; zij behoort tot de familie, en er ligt schande in voor <span class="corr" id="xd31e4082" title="Bron: jou">jouw</span> naam. Dàt vind ik verschrikkelijk.”
-<span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span></p>
-<p>Hij antwoordde niet, maar schreef met vaste hand en stijve groote letter de adressen
-der brieven. Bij slot van rekening, dacht hij, officier en gedecoreerd, kon het pierewaaien
-van een aangetrouwd nichtje <span class="ex">zijn</span> naam al bitter weinig deren; maar de bezorgdheid zijner vrouw voor dien naam deed
-hem goed. O, ze was ’n beste vrouw, en van die Betsy hield hij waarachtig alsof het
-z’n dochter was. Weduwe en nog zoo jong! dacht hij. Hij voelde zich vergevensgezind.
-</p>
-<p>Iedereen wist, vier en twintig uren nadat de brieven van Borne in ’t bezit waren van
-den resident en des kapiteins collega, wat er in stond. Indiscretie was daarbij niet
-in ’t spel. Borne, zelf de zaak met kieschheid behandelend, kon over den indruk van
-zijn brieven tevreden zijn; maar dat de twee heeren aan hun vrouwen den inhoud meedeelden,
-was, in zulk een speciale vrouwen-perkara, niet meer dan hoogst natuurlijk; hij, Borne,
-zou precies hetzelfde hebben gedaan. Nu hadden die dames elk een vriendin. Neen, niet
-zoo’n gewone kennis, maar een <span class="ex">betoele</span> vriendin, in wier boezem zij het geheim deponeerden. Zoo ging het verder; van indiscretie
-geen spoor, maar iedereen wist het niettemin.
-</p>
-<p>En iedereen was er blijde om.
-</p>
-<p>Want „het schandaal”, zooals men het noemde, duurde nu al langer dan een maand.
-</p>
-<p>Het zag er bij de Bronkhorsten aan huis treurig uit. Marie had stormenderhand, alleen
-door haar „ongeluk”, onder de dames een sympathie verwekt, die ze door jaren van ongestoord
-geluk niet had kunnen machtig worden.
-</p>
-<p>Diezelfde dames keken Bronkhorst heel leelijk aan en <span class="corr" id="xd31e4102" title="Bron: groett'en">groetten</span> hem nauwelijks; de heeren echter drukten hem hartelijk de hand met iets van compassie.
-Want, dat zagen ze wel: het was geen gewone zaak, en tot die slotsom bracht hen niet
-de kennis der verhouding van den notaris tot Betsy en tot zijn eigen vrouw; dat behoorde,
-vonden zij, tot het gewone verloop. Bronkhorst zag er slecht uit, en het ging slecht
-met zijn zaken. <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>Rijke Chineezen en Arabieren spraken onder elkaar en met hun Europeesche relatiën
-over den notaris. Ze verloren ’t vertrouwen, dat ze vroeger altijd in hem hadden gesteld.
-Terwijl ze hem vertelden, wat hun bedoeling was met de akten, die opgemaakt en naar
-die bedoeling door den notaris ingericht moesten worden, zagen ze zijn gezicht veranderen.
-Hij begon met belangstelling te luisteren, vragen te doen en mee te praten, maar na
-’n paar minuten week de uitdrukking van onbevangenheid van zijn gezicht, en hij staarde
-met hangende onderlip en droomerige oogen onafgebroken zijn cliënt in de oogen, tot
-deze min of meer verlegen met praten ophield; en dan bleek, dat de notaris de helft
-niet had gehoord, en de man alles nog eens moest herhalen voor den candidaat, wat
-hij heel onaangenaam vond, niet om het overzeggen, dàt met genoegen, maar uit ongerustheid.
-</p>
-<p>Bronkhorst had er lang tegen gestreden, en hij deed het nog, doch vruchteloos. Hij
-voelde zelf wel, dat het zóó op den duur niet gaan kon. Thuis was het geen leven;
-hij zag daar niets dan Marie, die haar verdriet door het huis droeg, haar plicht tegenover
-haar kinderen, en tot zekere hoogte ook tegenover hem, stipter dan ooit vervullend.
-Het was hem gaan ergeren; het maakte hem kwaad. En bij zijn overprikkelend zenuwleven,
-licht geïrriteerd, verloor hij zijn zelfbeheersching, zooals hij het zijn opgeruimd
-humeur had gedaan; hij sprak haar toe op korten, haast bevelenden toon:
-</p>
-<p>„Waar is de sleutel van de kast?”
-</p>
-<p>De kast was die, waarin Bronkhorst het geld bewaarde, dat hij zoo voor ’t verbruiken
-hield. Er lag gewoonlijk ’n zes-, zevenhonderd gulden in aan contanten en klein papier.
-Marie droeg den sleutel aan haar ring. Zij nam voor het huishouden wat ze noodig had;
-als het op was, waarschuwde zij hem; rekening en verantwoording had hij haar nooit
-gevraagd.
-</p>
-<p>Toen hij den sleutel vroeg, nam zij den ring uit haar mandje en lei dien op de tafel.
-Hij deed er den sleutel af. Een oogenblik klemden zich haar lippen stijf opeen, en,
-doodsbleek, stond <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>ze op het punt in woede los te barsten; zij wist zich te bedwingen.
-</p>
-<p>„Wat beteekent dat?”
-</p>
-<p>„Wat het beteekent? Niets. Ik houd voortaan den sleutel van de kast. Dat is alles.”
-</p>
-<p>„Begin dan maar met haar open te doen en me geld te geven voor het huishouden.”
-</p>
-<p>Hij deed het, telde haar geld toe en bepaalde den tijd, dien ze daarmede moest rondkomen.
-Ze haalde met minachting de schouders op, nam het geld en ging naar achter, terwijl
-Bronkhorst, zenuwachtig, het voorerf afliep. Hij had ’t niet louter gedaan om haar
-te contrariëeren. Inderdaad kostte het leven hem in den laatsten tijd zeer veel. Zijn
-verhouding tot Betsy was hem reeds op ’n paar duizend gulden te staan gekomen, en
-dat kon hem wel niet schelen—’t was immers voor haar!—doch op den kostbaren <span class="ex" lang="fr">train de vie</span> in zijn huis moest dan maar wat bezuinigd worden.
-</p>
-<p>Voor Marie was het hard, want zij was er niet aan gewoon. Ze huilde er om in haar
-kamer en toen ze bezoek kreeg van een der vele dames, die in den laatsten tijd haar
-omgang zochten. ’t Was er ditmaal juist een die ze vertrouwde en gaarne mocht. Ze
-kon het niet langer verkroppen, hoe gaarne ze ook alles zoo stil mogelijk wilde houden;
-ze voelde dat ze iemand hebben moest aan wie ze haar leed kon klagen, en ze vertelde
-alles.
-</p>
-<p>Maar nu vernam ze ook dingen, waarvan ze verstomde. „Zij heeft hem iets ingegeven,”
-zei haar vriendin, en toen Marie met Europeesche ongeloovigheid voor de kracht van
-Indische middelen, het hoofd schudde, werden haar tal van voorbeelden genoemd, het
-een al merkwaardiger dan het andere. Haar ongeloof wankelde, en het verdween bijna,
-toen ze begreep, dat, zóó opgevat, zijn schuld geringer werd, uit mindere toerekenbaarheid,
-terwijl haar haat tegen Betsy zich onmatig verhief. En de nieuwe vertrouwde, die zoo
-goed op de hoogte scheen, alsof zij de campagne zelve had meegemaakt, lichtte Marie
-nog geheel anders in. Tot nu toe had ze gedacht, dat er liefde in het spel was van
-den kant <span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>van Betsy,—thans vernam zij, dat het louter berekening was, berekening om haar van
-haar man te scheiden en zelve mevrouw Bronkhorst te worden. Zóó althans dachten sommige
-Indische dames er over op de plaats, en sommige Indische dames zien scherp en denken
-overeenkomstig!
-</p>
-<p>„Niemand heeft me van dat alles ooit iets verteld,” zei Marie met de handen in den
-schoot als overrompeld van verbazing door dit nieuwe licht.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e4130" title="Niet in bron">„</span>We dachten, dat je boos zou wezen. We durfden niet goed. Maar wij hebben haar in de
-gaten. Al lang, hoor!”
-</p>
-<p>Toen ze dàt eenmaal wist, viel het haar lichter zijn slecht humeur te verdragen. Het
-speelde hem geweldige parten; hij was een ander man. Alles trotseerend, vertoonde
-hij zich openlijk met Betsy op den weg, en zijn rijtuig stond elken dag wel een uur
-lang voor het huis van de weduwe Duhr, die er niets van begreep, en het erg gek vond,
-dat menschen er zoo hun reputatie aan waagden, zonder dat althans het gewone genoegen
-daartegen opwoog.
-</p>
-<p>Want ze had er op durven zweren, dat er niets gebeurde, wat Betsy, zelfs als zij een
-jonge maagd was geweest, had kunnen schaden. Bronkhorst zelf vond het vreemd, dat
-hij in zijn neiging voor Betsy betrekkelijk zoo onbewogen bleef. Hij was, naar het
-hem toescheen, dol van haar. Als ze wandelden kon hij niet velen dat ze iemand aanzag
-en hij maakte haar scènes omdat ze het deed, en natuurlijk deed zij het met opzet.
-Maar overigens bleef hij van lusten vrij; te vrij naar zijn zin; zóó vrij, dat het
-hem verontrustte, en hij oogenblikken had van twijfel aan zichzelven. De wereld geloofde
-daar niets van; indien zij in gedachte <span class="ex">preciseerde</span>, dan zou zij zich in zulk een geval de wildste en onstuimige hartstochten <span class="ex" lang="fr">en action</span> hebben voorgesteld. Men had Betsy uit haar gewonen kring gestooten; dat bleek duidelijk
-toen er een tooneelvoorstelling en muziekuitvoering op de plaats zouden gegeven worden.
-Zij werd niet gevraagd; Bronkhorst en zijn vrouw wel, en ze konden niet weigeren.
-Hij ging <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>er heen tegen wil en dank; zij was er verheugd over. Er werd hun zeer veel aandacht
-geschonken; men zag het beiden duidelijk aan, dat het tusschen hen niet was zooals
-’t behoorde. Bronkhorst was overmoedig, vooral bij ’t binnenkomen. Uiterst beleefd
-voor zijn vrouw, ging hij met opgeheven hoofd, eenigszins „aanstellerig”, door het
-vrij volle zaaltje naar de voorste rijen, waar zijn plaats was als „notabele.” Zij
-deed ook haar best om zoo weinig mogelijk te toonen, tegenover het publiek. Ze dwong
-haar afgevallen gezicht tot een opgeruimde plooi en groette glimlachend links en rechts
-haar kennissen. Toen de uitvoering was begonnen, hield Bronkhorst het een korten tijd
-vol, maar terwijl een juffrouw, een dier <span class="ex">ontluikende</span> dilettanten-talenten, die het nooit tot het verleden deelwoord brengen, een lang
-sentimenteel Duitsch lied zong, werd het hem te machtig; het was alsof zijn geforceerde
-aandacht hem met geweld ontsnapte; de eenigszins onnoozele uitdrukking van iemand,
-die te midden van een menigte personen met zijn gedachten elders is, kwam weer op
-zijn gezicht, en starend naar het geïmproviseerd tooneeltje, veranderden in zijn oogen
-de trekken van de zangeres; het was Betsy, die daar stond met een blad muziek in de
-hand; hij zag het duidelijk; tot in de geringste détails was zij het; de eenigszins
-schrale buste van het ontluikend dilettantje, was veranderd in den gevulden boezem
-van Betsy, zwellend onder het laag uitgesneden lichtkleurig kleed, dat haar zoo goed
-stond; als het meisje, dat haar stuk voordroeg, een beweging maakte met den nog tengeren
-arm, dan zag hij de bestudeerde bewegingen van Betsy, die zoo graag coquetteerde met
-haar mooie armen in halve mouwtjes.
-</p>
-<p>„Zie jij dien meneer daar?” vroeg een soldaat, die aan het opslaan van ’t tooneeltje
-had geholpen met eenige kameraden, en die nu, belast met het ophalen en neerlaten
-van het scherm, achter een der coulissen door een paar gaatjes in de zaal keek.
-</p>
-<p>„Welke? Dien daar op ’t hoekie vooraan?”
-<span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span></p>
-<p>„Ja, precies! Vindt je niet, dat hij net kijkt of hij ’m half „om” heeft?”
-</p>
-<p>„Waarachtig niet. Weet je, hoe hij daar nu zit?”
-</p>
-<p>„Nou, zeg jij het dan maar.”
-</p>
-<p>„Net als een die den zwarten hond heeft.”
-</p>
-<p>Bronkhorst hield het niet langer vol dan tot de pauze; het was hem te sterk.
-</p>
-<p>„Als je misschien nog wat wilt blijven?.…” zei hij tegen Marie. „Ik voel me niet erg
-lekker.”
-</p>
-<p>Ofschoon zij zich volstrekt niet amuseerde, bleef zij. Hij zou haar ’t rijtuig zenden.
-Een diepe zucht van verlichting ontsnapte hem, toen hij zich in de kussens van zijn
-coupé liet zakken; het was <span class="corr" id="xd31e4159" title="Bron: halfelf">half elf</span>, maar hij zou toch nog naar haar toegaan; hij werd naar haar gedreven.
-</p>
-<p>Betsy was nog op. Zij had juist een zeer ernstig gesprek gehad met Sarinah; ze vond,
-dat Bronkhorst er zoo slecht begon uit te zien en vreesde, dat hij ernstig ziek zou
-worden. Ook haar viel het op, dat hij zoo zenuwachtig was in den laatsten tijd, zulke
-diepe kringen om zijn oogen had, en haar zoo in ’t geheel geen aanleiding gaf tot
-toepassing van defensief vermogen. Men moest in geen geval ’n slecht ondermijnd gestel
-bezorgen aan iemand, die haar man moest worden!
-</p>
-<p>„Het wordt <span class="ex" lang="ms">terlaloe, nèh</span>,” had zij gezegd; „zou je er nu niet uitscheiden?”
-</p>
-<p>„’t Kan niet, nonna! Geloof me toch, het is <span class="corr" id="xd31e4170" title="Bron: onmogeiijk">onmogelijk</span>.”
-</p>
-<p>„Maar hij wordt ziek.”
-</p>
-<p>„Al wordt hij ziek, ’t komt er niet op aan; des te gauwer zal hij er een eind aan
-maken.”
-</p>
-<p>„Als hij ziek is, kan hij niet meer hier komen.”
-</p>
-<p>„Het <span class="ex">kan</span> niet anders; hij <span class="ex">moet</span> het hebben. Ketjil heeft het <span class="corr" id="xd31e4185" title="Bron: van ochtend">vanochtend</span> nog gezegd. Ketjil gaat hem elken dag zien voorbijrijden, en zegt, dat meneer nu
-goed wordt. Het <span class="ex">is</span> toch knap.”
-</p>
-<p>„O ja, het is <span class="ex" lang="ms">pinter</span> genoeg; maar als hij sterft, wat dan?”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Masa!</span> Dáárvan sterft men niet.”
-<span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span></p>
-<p>Betsy loosde een zucht. De „zaak” vorderde wel, maar niet vlug genoeg naar haar zin.
-Zij had dat ééne woord nog niet gehoord, waarop ze wachtte, en dat het sein was voor
-de verwezenlijking harer plannen. Het scheen, dat hij niet op het denkbeeld kwam uit
-zichzelven; welnu, dan zou ze hem er op brengen, zoodra hij haar den volgenden dag
-een bezoek bracht; zij zou.… Ze brak haar gedachtenloop af en hief, luisterend, het
-hoofd op. Een rijtuig draaide van den grooten weg de laan in; zij. kende ’t geluid,
-dat zachte, zware op den slecht gemacadamiseerden grond. ’n Glimlach vol triumf gleed
-om haar mond. Prachtig! Men had haar niet geïnviteerd, en inwendig had ze gekookt
-van woede, toen ze het hoorde. Bronkhorst en Marie waren wèl genoodigd, en hij had
-haar gezegd, dat hij niet weg kon blijven. Maar hij had het niet volgehouden. Daar
-was hij al! Hij had den heelen boel in den steek gelaten: gezelschap, voorstelling,
-Marie,—den ganschen <span class="ex" lang="fr">boutique</span>,—en daar kwam hij aanhollen naar <span class="ex">haar</span>.
-</p>
-<p>Vrij opgewekt liep hij de treden op naar de voorgalerij, waar ze in sarong en kabaja
-op een wipstoel zat, en blij, dat hij haar zag, greep hij een harer handen, en ging
-naast haar zitten.
-</p>
-<p>„<span lang="fr">Bonsoir</span>, Bets, hoe gaat het? Hé, ik ben blij, dat ik hier ben, Het is een <span class="ex"><span class="corr" id="xd31e4217" title="Bron: corvee">corvée</span></span>!”
-</p>
-<p>„Heb je je dan niet geamuseerd onder al die fatsoenlijke menschen?”
-</p>
-<p>Ze was niet erg toeschietelijk, en van haar blijdschap over zijn desertie en zijn
-overloopen naar haar, liet zij niets merken.
-</p>
-<p>„Je weet wel,” antwoordde hij, haar glimlachend aanziende, „dat ik me alleen bij jou
-amuseer.”
-</p>
-<p>„Goed! Maar Jean, hoe lang moet het nog zoo voortduren?”
-</p>
-<p>Zijn gezicht betrok, en hij zuchtte diep.
-</p>
-<p>„Ja, hoelang?”
-</p>
-<p>„Me dunkt, je moest daar eens over nadenken.”
-</p>
-<p>„Heb je <span class="ex" lang="ms">ajer blanda?</span>”
-</p>
-<p>„Welzeker!”
-<span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span></p>
-<p><span id="xd31e4237"></span>De interruptie maakte haar niet boos; integendeel, zij lachte allerliefst, en stond
-dadelijk op.
-</p>
-<p>„Wil je er niet wat brendy in hebben?”
-</p>
-<p>„Graag, Wacht, laat mij ’t apollinariswater maar open maken.”
-</p>
-<p>Ze prepareerden samen een grog; hun handen kwamen daarbij telkens in aanraking, en
-als dat met opzet gebeurde, lachten ze stil en keken ze elkaar aan.
-</p>
-<p>„Wees toch niet kinderachtig,” zei ze.—<span class="corr" id="xd31e4244" title="Niet in bron">„</span>Rook je niet?”
-</p>
-<p>„Ik heb er niet aan gedacht.”
-</p>
-<p>„Allerliefst! Geef me je koker, dan zal ik er een aansteken.”
-</p>
-<p>Uit den grooten matten koker nam ze een <span class="corr" id="xd31e4251" title="Bron: havana">havanna</span>, beet er de punt af met veel vertoon van haar witte tanden, die bij ’t helder lamplicht
-schitterend contrasteerden met het donkere rolletje tabak; intusschen stak Bronkhorst
-een lucifer aan, en rookte zij met aardige onbeholpenheid en een vooruitgestoken klein
-mondje.
-</p>
-<p>Lachend nam hij de sigaar af en rookte die verder.
-</p>
-<p>„Neen, maar <span class="ex" lang="ms">betoel</span>, Jean,” ging zij voort; „het kan heusch zoo niet blijven.”
-</p>
-<p>Hij dronk een langen teug uit het hooge glas.
-</p>
-<p>„Wist ik maar wat er aan te doen was!”
-</p>
-<p>„Ja, er is natuurlijk maar één weg.”
-</p>
-<p>„Scheiden?”
-</p>
-<p>Ze was blij, dat hijzelf het ’t eerst zei.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e4266" title="Niet in bron">„</span>Natuurlijk! Je moet zien van haar te scheiden. Me dunkt, dat kan zoo moeilijk niet
-zijn.”
-</p>
-<p>„Ik vrees, dat het heel moeielijk wezen zal.”
-</p>
-<p>„Dat hangt toch veel van jou af.”
-</p>
-<p>„Als zij niet wil?”
-</p>
-<p>Een oogenblik kwam haar aard boven.
-</p>
-<p>„Niet wil, niet wil! Er is altijd wel een <span class="ex" lang="ms">akal</span> op te vinden. In het uiterste geval neem je een inlandsche.…”
-</p>
-<p>Zichzelve betrappend op een onvoorzichtigheid, zweeg ze en kreeg een kleur. Hem had
-het pijnlijk aangedaan, want hij begreep <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>het, en zijn van nature eerlijk hart kwam in opstand tegen zulk een laag middel; maar
-hij was ver genoeg om er niet over te struikelen, en, toen zij, dadelijk een ander
-effect teweeg willende brengen, met een diepen zucht en een traan, zeer aandoenlijk
-zei: „Mijn God, waartoe komt ’n mensch al niet!” had hij een teeder medelijden met
-haar.
-</p>
-<p>„Ik zal het probeeren,” zei hij, zijn hand op de hare leggend. „Ze zal toch begrijpen,
-dat het zóó niet kan blijven. ’t Is veel beter, dat het tot een scheiding komt, en
-zij naar Holland gaat.… met de kinderen.”
-</p>
-<p>„Waarachtig, Jean, het <span class="ex">is</span> de eenige uitweg voor ons. Ik ben anders voor altijd verloren. Wij zijn fatsoenlijk,
-is het niet? We hebben ons beter gehouden, dan menigeen, die voor onberispelijk netjes
-doorgaat. Welnu, dat helpt immers niet!”
-</p>
-<p>„Neen, het is waar; het is beroerd.”
-</p>
-<p>„Het eenige is, dat we trouwen, Jean; dat is absoluut het eenige.”
-</p>
-<p>„Ik heb je gezegd, dat ik mijn best zal doen, Bets; en je weet, dat ik het doen <span class="ex">zal</span>.”
-</p>
-<p>Hij werd weer ’n beetje ongeduldig; ’t was een gevolg van zijn algemeenen toestand,
-die hem scheen te beletten lang bij ’t zelfde onderwerp te verwijlen.
-</p>
-<p>„Hoe was het op die uitvoering?” vroeg ze.
-</p>
-<p>Met korte, afgebroken zinnen vertelde hij wat hij wist, spottend over het gebrekkige,
-dat hem had getroffen, wat bij haar, die een goede musicienne was, weerklank vond.
-</p>
-<p>Zoo bleven ze zitten, pratend en schertsend, tot het vrij laat was. Zij bracht hem
-het erf af, en, verborgen achter den pagger, die langs den weg liep, nam ze een bijzonder
-teeder afscheid van hem.
-</p>
-<p>„Je doet het, ja?” vleide ze.
-</p>
-<p>„Zeker! Morgenochtend dadelijk. Er <span class="ex">moet</span> een eind aan komen.”
-</p>
-<p>Toen zijn coupé het erf van zijn huis opreed, was de muziek- <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>en tooneeluitvoering reeds lang afgeloopen; hij had heelemaal vergeten Marie het rijtuig
-te zenden; ze was met kennissen meegereden en die hadden haar thuis gebracht.
-</p>
-<p>Eerst toen Bronkhorst weg was, kwam Ketjil het erf op van mevrouw Duhr, die reeds
-lang ter ruste was. Hij had op den weg gestaan, en, voorzichtigheidshalve, zoo lang
-op en neer gewandeld tot de notaris, die hem kende, weg was. Het was ’n klein erf,
-en de lamp brandde helder, zoodat hij, noodwendig dicht langs het huis voorbijgaand,
-kon gezien worden. Alles te zamen genomen, vond hij ’t beter hem niet onder de oogen
-te komen.
-</p>
-<p>Nu Betsy het huis binnen en naar haar kamer was gegaan, ging hij naar de <span class="ex" lang="ms">tampat</span>, die op het achtererf zijn moeder was toegewezen.
-</p>
-<p>Ketjil was in den laatsten tijd niet gelukkig met zijn geld; hij verloor bij het spel,
-en het werd zaak dezen citroen nog ’n beetje te knijpen vóór hij te droog werd. Toen
-hij achter kwam, was er geen licht. Hij klopte zacht op de deur.
-</p>
-<p>„Wie?” vroeg de oude, die op een baleh-baleh haar hazenslaap sliep. Zoodra zij hoorde
-dat ’t haar zoon was, wist ze ook waarom hij kwam; ze begon geweldig te steunen en
-te klagen, en het duurde lang eer zij de deur had gevonden en hem opendeed. Zijn oogen
-waren aan de duisternis gewoon, en hij ging op den rand der baleh-baleh zitten. Zoomin
-als zijn moeder zich bedroog in de reden van zijn komst, zoomin vergiste hij zich
-in de oorzaak van haar zuchten en steunen.
-</p>
-<p>„Niet wel?” vroeg hij zacht.
-</p>
-<p>„O, neen. Ik ben ziek; ik ben erg ziek.”
-</p>
-<p>„Wat scheelt er aan?”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet; ik ben oud; oude menschen moeten sterven.”
-</p>
-<p>„Kunnen,” verbeterde hij, als om haar te troosten. Maar ze hield hardnekkig vol.
-</p>
-<p>„Jonge menschen <span class="ex">kunnen</span>, ouden <span class="ex">moeten</span>.”
-</p>
-<p>„Nu ja, nog niet.”
-<span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span></p>
-<p>„Wie weet hoe gauw,” ging ze voort met een akelige stem. „Ik zie hier dikwijls het
-spook van den dood. Het is hier bij me in de duisternis.”
-</p>
-<p>Inderdaad was het donker, want ze had wel een lampje en lucifers bij de hand, maar
-ze ontstak die niet. Onwillekeurig keek hij rond, als wilde hij ook naar het spook
-zien in de duisternis.
-</p>
-<p>„Och kom!” zei hij: „heb je het spook zelf gezien?”
-</p>
-<p>Zij antwoordde niet dadelijk; ze wist nu, dat ze hem geen vrees kon aanjagen; het
-zou haar niet helpen of zij al haar vervaarlijke spookhistories afschoot op het dikke
-bruine lichaam, onder welks gewicht de bamboezen van de baleh-baleh kraakten.
-</p>
-<p>„Het is niet om te lachen,” zei ze.
-</p>
-<p>„Wel neen, ik lach ook niet; het maakt me betoel bang.”
-</p>
-<p>Er was <span class="ex">in</span> ’t geheel geen eer aan te behalen voor de oude vrouw.
-</p>
-<p>„Waarom kom je hier?” vroeg ze.
-</p>
-<p>„Om eens te zien of het je goed gaat.”
-</p>
-<p>„Dan <span class="corr" id="xd31e4351" title="Bron: hadt">had</span> je wel vroeger kunnen komen, in plaats van mij wakker te maken uit mijn slaap.”
-</p>
-<p>„Ik heb het zoo druk.”
-</p>
-<p>„Zeker met je witte <span class="ex" lang="ms">njai!</span>”
-</p>
-<p>„Toch niet! Ik maak tegenwoordig zooveel horloges. Al de wijzers zijn stuk!”
-</p>
-<p>„Och wat! Je houdt me voor den gek. Als je daarvoor bent gekomen, ga dan maar weer
-weg.”
-</p>
-<p>„Ik moet voor eenige dagen uit.”
-</p>
-<p>„Zoo! Waarheen?”
-</p>
-<p>„Naar het Zuiden.”
-</p>
-<p>„Dat dacht ik wel.”
-</p>
-<p>„<span class="ex" lang="ms">Betoel!</span> Ik heb geen tranen van den <span class="ex" lang="ms">doejong</span> meer.”
-</p>
-<p>„Ik begrijp het wel; je moet die gaan koopen aan de Zuidkust, en daarvoor moet je
-geld hebben, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Ja, dat zal wel zoo wezen.”
-</p>
-<p>„En als zij het nu niet geven wil?”
-<span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span></p>
-<p>„Dan krijgt ze hem niet.”
-</p>
-<p>„En als zij ’t niet heeft?”
-</p>
-<p>„Dan moet ze het hem maar vragen. Ik heb ze daareven samen achter den pagger zien
-staan; als ze ’t hem vraagt, dan geeft hij het.”
-</p>
-<p>„En hoeveel moet je hebben, en wanneer?”
-</p>
-<p>„Het beste van alles is, dat ik dadelijk ’t geld ontvang, want dan kan ik nog van
-nacht op reis gaan.”
-</p>
-<p>„Is er zulk een haast bij?”
-</p>
-<p>„Ik heb niets meer en er is haast bij. Vraag haar voorloopig honderd vijftig gulden;
-misschien is dat genoeg.”
-</p>
-<p>Hij sprak nu kort en bevelend, zonder er zich in het minst aan te storen, dat de oude
-hem telkens met haar klaagliederen in de rede viel. Maar zij ging toch binnen, en
-vertelde aan Betsy met het ernstigste gezicht ter wereld, dat Ketjil nog weer op reis
-moest om <span class="ex" lang="ms">obat</span> te koopen, dat het <span class="ex" lang="ms">perloe</span> was, en dat hij dadelijk tweehonderd gulden moest hebben.
-</p>
-<p>Betsy was buiten zichzelve van woede.
-</p>
-<p>„Jou leelijke, brutale, ouwe <span class="ex">nèh</span>!” riep ze. „Jou afzetster! Denk je, dat ik me nog langer laat oplichten, door jou
-en je dief van een zoon? <span class="ex" lang="ms">Ajo</span>, gauw de kamer uit!”
-</p>
-<p>Maar Sarinah ging niet; zij bukte deemoedig en ontving zonder morren den klinkenden
-klap, dien Betsy haar toediende met de vlakke hand.
-</p>
-<p>„Daar, oud beest! En daar heb je er nog een! Ik zal je leeren.”
-</p>
-<p>„Ketjil heeft niets meer,” zei ze. „Wij houden dus op.”
-</p>
-<p>„Voor mijn part! Denk je dat ik gek ben?”
-</p>
-<p>„Ja maar.… dan komt er ook niets van. Nonna moet toch verstandig zijn.”
-</p>
-<p>„Houd je mond. Ik geef zooveel geld niet, en ik heb het ook niet.”
-</p>
-<p>„Als ik het had, gaf ik het zelf. Het is zoo jammer van al die moeite en onkosten.
-En als het nu toch goed afloopt! Zoo’n heerlijk huis!”
-<span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span></p>
-<p>Nog een kwartier ging het heen en weer praten voort, tot Betsy alles gaf, wat ze op
-’t moment aan contanten bezat; het was maar honderd en zestig gulden. Sarinah bracht
-het naar achteren, maar onderweg nam zij er drie bankjes van tien af en moffelde die
-weg tusschen haar sarongband. In haar kamertje stak ze nu ’t lampje op. Ketjil zat
-nog onbeweeglijk op den baleh-baleh-rand. Zij wierp de overige honderd dertig gulden
-in papier met ’n soort van woede naast hem neer.
-</p>
-<p>„Daar! Dat is alles wat ze bezit. Je hebt haar nu heelemaal uitgeplunderd. Ze heeft
-geen cent meer in huis.<span class="corr" id="xd31e4418" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Doch Ketjil lachte en keek zijn moeder aan.
-</p>
-<p>„Ik zal het maar nemen,” zei hij; „de rest krijg ik later wel.”
-</p>
-<p>„Ga nu maar heen en kom gauw terug.”
-</p>
-<p>„Voor hoelang heb je nog?”
-</p>
-<p>„Voor hoogstens viermaal.”
-</p>
-<p>„Over vier dagen ben ik terug. Dag, moeder,” en heen gaande streek hij zijn dikke
-hand liefkoozend over haar voorhoofd, „dag oudje, je bent toch ook <span class="ex" lang="ms">pinter</span>, ja?”
-</p>
-<p>Het was geen heele leugen van Ketjil geweest. Hij moest inderdaad naar de Zuidkust,
-maar niet voor de „obat,” die zijn moeder den notaris liet slikken. Voor dien had
-hij nog voorraad genoeg. Maar zijn geld was verdobbeld,—dàt <span class="ex" lang="la">ad primum</span>, en <span class="ex" lang="la">ad secundum</span> had hij meer noodig voor een hoogst voordeelige toepassing, die hem heel wat meer
-zou opbrengen, dan wat njonja Ekster hem kon betalen; doch ditmaal had hij te doen
-met een oudere en slimmere vrouw, die geen cent wilde geven vóórdat zij de middelen
-had toegepast en de werking had gezien. Daarom had Ketjil inderdaad des nachts zijn
-zwaar lichaam op ’n stevig paard gewerkt, dat zijn eigendom was en speciaal voor verre
-tochten werd gebruikt, en met de weinige reisbenoodigdheden, waaraan een inlander
-behoefte heeft, was hij vertrokken.
-</p>
-<p>Onvermoeid had hij doorgereisd den dag en den nacht, nu en dan op een sukkeldrafje,
-maar meest stapvoets; hij was over hooge bergruggen getrokken, waar hij gebibberd
-had van kou; <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>maar nu was hij weer gedaald, en nu had de omgeving die andere gedaante aangenomen,
-welke de Zuidkust van Java op vele punten zoo scherp van de Noordkust onderscheidt.
-</p>
-<p>Ketjil was erg vermoeid; zijn beenen waren stijf van ’t rijden, en met moeite en langzaam
-steeg hij af; hij zou niet verder te paard gaan; nu hij slechts hier was, ging de
-rest gemakkelijker, en met welgevallen zag hij naar de stille desa vóór hem. Uit het
-huisje, waarvoor Ketjil halt had gehouden, kwam hem ’n grijze inlander tegemoet, zijn
-<span class="ex" lang="ms">sobat keras</span>, ’n oude mantri, die hoopte dat zijn gast ’n paar dagen zou blijven. Maar Ketjil
-kon niet; hij had haast en moest naar het visschersdorp aan de monding der rivier,
-waar hij altijd zijn „zaken” deed. Het was moeilijk, maar ’t kwam toch terecht, en
-terwijl Ketjil een kop heete koffie dronk, waartegen hij zat te blazen, ging heel
-bedaard hun gesprek voort. Welzeker, de oude zou hem helpen, maar de koelies zouden
-zich laten betalen, daar <span class="ex" lang="ms">sobat</span>, zei hij met een lachje, erg zwaar was. Want de reis zou verder per <span class="ex" lang="ms">tandoe</span> gaan; de oude had nog een erg versleten luierstoel, die zich van geen atoom politoer
-meer bewust was en bedenkelijke ouvertures speelde in de mat. Doch op zulke kleinigheden
-kijkt slechts een verwend Europeaan; Ketjil zou er lekker in zitten, en aan een paar
-stevige bamboe, met een kap van kadjang tegen ’t zonnetje, zou het ’t ideaal van een
-<span class="ex" lang="ms">tandoe</span> zijn, waarin „sobat” zitten zou als een „koningszoon.”
-</p>
-<p>En ’n paar uren later stond ’t heele toestel gereed, met vier koelies om te dragen,
-een kepala en twee man om af te lossen; het in orde maken der reisgelegenheid had
-veel minder tijd gekost, dan het tawarren over den prijs, want in deze weinig bewoonde
-streek, waar, zou men zeggen, zoo niets te krijgen was, dan ’t geen de natuur opleverde,
-bleek de bruinbroeder het geld even lief te hebben en de waarde er van niet minder
-goed te kennen, dan Ketjil zelf.
-</p>
-<p>Ofschoon hij er lekker zat in den luierstoel, die met zijn dik lichaam vooruitzweefde
-boven den grond, genoot hij weinig op <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>dit reisje. De zon stond reeds hoog. Eerst ging het door heete velden vol alang-alang,
-op wier harde vezels ’t scherpe licht hel weerkaatste, zoodat de oogen er zeer van
-deden en Ketjil het gevoel bekroop als droeg men hem door ’n vuur. Het terrein was
-ongelijk, en nu eens moest hij zich vooruit aan de leuningen vast houden om, als de
-voerlieden een kleine hoogte opliepen, niet achteruit te glijden; dan weer zette hij
-bij ’t dalen zich schrap om niet vooruit te schieten en tusschen de draagstokken te
-vallen. Overigens geen beweging en geen geluid, dan het zacht wiegelen van de tandoe,
-het kraken van de voetstappen der koelies op de droge alang-alang, en het geroep der
-voerlieden: „Langzaam aan!” als die van achteren niet inhielden bij ’t dalen, „Duwen!”
-als ze geen kracht genoeg zetten bij het stijgen, of „Verwisselen!” als er een meende,
-dat het tijd werd voor de vrije schouders, om het aan de bamboezen hangend gewicht
-te dragen. Van de bruine ruggen lekte het zweet, zoodat ze blonken in de felle zon,
-alsof zij met vet waren gesmeerd. En Ketjil, die, met z’n oogen half dicht ’n strootje
-lag te rooken, pikirde er over hoe dom toch ’n mensch moet zijn om zulk werk te willen
-doen; maar ze waren ten slotte toch nog vroolijker dan hij; onder het loopen wisselden
-ze, al hijgend, flauwe aardigheden, waarover ze erg veel pleizier hadden, of als een
-niet liep zooals de ander wel wenschte, dan hoopte zijn mededrager, dat hij een „dikken
-buik” mocht krijgen, wat weer stof gaf tot vroolijkheid van het zevental, doch Ketjil
-in stilte ergerde, omdat hij er een hatelijkheid in zag op zijn eigen dikken buik.
-</p>
-<p>Hij zei echter niets; daar was hij niet alleen in eigen oogen een te hoog persoon
-toe, maar hij wist hoe weinig ’t hem zou helpen; hij zou ook met dit volkje niet gaarne
-getwist hebben; hij zag uit zijn stoel hoe een hunner zich een grooten doorn in den
-voet trapte, en de kerel hield niet eens met loopen op, maar trok, al voortgaande,
-door een bewonderenswaardig vlugge, dubbele beweging van hand en voet, het doorn uit
-het vleesch. Ruwe menschen! dacht Ketjil.
-<span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span></p>
-<p>Na ’n paar uren waren de alang-alang-velden achter den rug. Het bosch begon, het <span class="corr" id="xd31e4467" title="Bron: ur-woud">oerwoud</span> met slechts hier en daar enkele lichtplekken, maar haast geheel in eeuwige schemering,
-zonder andere paden, dan die den voet van den inlander al loopende tusschen ’t geboomte
-had getrokken. Het was er koel, duister en nog stiller haast, dan in de velden; tallooze
-varens, buitengewoon lichtkleurig uit onvoldoend licht, staken sterk af tegen het
-dichte zwartgroene loof der boomen. In dat bosch werd Ketjil benauwd. Als door een
-of ander onverwacht hevig geritsel in de boomen, door een aap of ’n grooten vogel,
-misschien, de stilte werd verbroken, dan schrikte hij, bang voor, hij wist zelf niet
-wat. En de lucht der op den vochtigen grond rottende blaren hinderde hem, zoodat hij
-er van hoestte, dof en schier als een aamborstige. Hij was blij, dat hij weer in ’t
-licht kwam!
-</p>
-<p>Maar het was een ander licht, dan het geel-groene der alang-alang-velden. Uit het
-bosch kwam hij in een woeste bergstreek met steile ontoegankelijke kalkrotsen van
-grilligen vorm. In de verte duidde een nevel de nabijheid aan der Zuidkust, en de
-koelies als paarden, die den stal ruiken, verhaastten hun sukkeldrafje, nog meer geluiden
-uitstootend, sterker doorzakkend in de knieën dan eerst, en al voortloopend zich koelte
-toewuivend met reusachtige bladeren, in het bosch geplukt en als waaiers gebruikt.
-Het ging weer op en af in dit woeste oord, over naakten, rotsachtigen grond, zoo warm,
-dat de koelies hun genot niet kenden, als ze met hun vermoeide voeten door de snel
-wegschietende bergstroompjes waadden die het terrein telkens doorsneden.
-</p>
-<p>De zon daalde. Ketjil berekende, bekend als hij was met de afstanden, dat het donker
-zou zijn eer hij aankwam, en hij had er tegen hier in ’t duister te reizen. Daarom
-gelastte hij halt bij een voor ’n boschje van waaierpalmen staande warong, en de hooge,
-sterke bamboepagger met scherpe punten ter beveiliging tegen tijgers, die des nachts
-mochten trachten er op en over te <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>willen springen, rechtvaardigde volkomen de vrees van Ketjil. Achter dien hoogen pagger
-voelde men zich veilig, en de waronghouder, die hem kende, ontving hem erg vriendelijk;
-de moede koelies kregen eten; Ketjil nuttigde ook iets, en vertelde daarna, dat hij
-wilde slapen, aangezien het lichte maan was, en hij het aangenaam vond daarbij wakker
-te zijn.
-</p>
-<p>Vroeg in den morgen ging de tocht verder, maar het was nog zóóver, dat het pad eerst
-’n paar uren later daalde naar het zeestrand, naar het visschersdorp, waar men wezen
-moest. Het was een schoon gezicht! Op den voorgrond het dorp bij de monding van een
-riviertje, en met een kleine alluviale strandvlakte aan de andere zijde; rechts en
-links ontzaglijke, ongenaakbare rotsgevaarten, waartegen de Zuider-Oceaan zijn lange
-golven stuwde, die, brekend, haar water omhoog deden spatten en elke minuut toonden
-hoe de voortstuwende kracht harer massa’s in machtelooze afzonderlijke atomen verloren
-ging, gebroken op grooter weerstandsvermogen. Bij elke golf, die op de steile gevaarten
-tot waterdamp sloeg, rolde langs het strand een dof donderend geloei, dreigend en
-klagend van toon.
-</p>
-<p>Het was eb, en op het zand der kleine vlakte aan zee zag men een waar mozaïek van
-arabesken door duizenden kleine krabben gevormd, meest als getinte spiralen uitgestrooid
-over het effen vlak; een mozaïek, verbroken door enkele goed uitkomende strepen gaande
-van de zee naar het hooger gelegen strand; schildpadsporen, die de inlanders zorgvuldig
-nagingen om de eieren op te delven. En over dat alles joeg de landwind vreemde, in
-hun vaart bolvormig schijnende gewassen naar zee van hard broos stekelig gras, die
-hij, over het hoogere strand strijkend, had afgebroken en nu met een huppeldans naar
-de golven joeg, die ze verder zouden meevoeren en weer op ’n andere kust werpen, waar
-ze zich konden voortplanten.
-</p>
-<p>Het was een eenig gezicht dien ochtend op de kleine vlakte aan het strand, maar de
-groote, koude, zwarte oogen van den inlander, keken er naar met onverschilligheid.
-Wat raakten hem <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>schakeeringen van licht, kleuren, klanken? Wat zag hij in zulke détails! Hij zou zich
-geschaamd hebben, als hij er belang in had gesteld en dááraan had gedacht, in plaats
-van zijn kansen op winst te berekenen, want met verlies hield hij zich volstrekt niet
-op!
-</p>
-<p>„Waarheen?” vroeg de koelie-mandoer.
-</p>
-<p>„Hadji Ismaïl,” antwoordde Ketjil,<span id="xd31e4484"></span> en voort ging het tusschen de huisjes van het visschersdorp. De man in de tandoe
-moest weer hoesten; in zijn soort was hij toch ook verwend, want hij mopperde geweldig
-tegen den ontzettenden stank, verspreid door de visch, die in een zeker overgangsstadium
-om bamboezen stellages lag te drogen; ’n groote zeearend, die in wijde kringen boven
-’t visschersdorp vloog, scheen zich daar meer te verheugen dan Ketjil, die ’n gekleurden
-zakdoek uit zijn baatje trok en voor den neus hield. Van alle kanten blaften steiloorige
-gladak-honden den vreemden tandoe aan, en van alle daken en uit alle paggers mauwden
-tallooze katten, voor wier levensduur en huwelijksgeluk zoo’n dorp aan zee, waar op
-’n vischje meer of minder niet gekeken wordt, een waar paradijs is.
-</p>
-<p>Hadji Ismaïl, wiens vrome ijver toch ook niet door de vischlucht scheen te worden
-aangetrokken, woonde ’n eindje buiten het plaatsje, op een plek gewoonlijk van den
-wind af. Ook hij wist wel, wat dezen man van het land naar de stranden der zee dreef,
-maar hij gaf hem niet veel hoop. Het was jammer, zei hij, maar juist een paar dagen
-te voren waren de <span class="ex">doejongs</span> gevangen; om de tranen te koopen, die den dieren bij hun sterven uit de oogen stroomen,
-waren anderen Ketjil reeds vóór geweest. En nu gebeurde het tegenwoordig waarlijk
-niet elken dag, dat men zoo’n beest ving; het was in dat opzicht ’n slechte tijd.
-De visscherij ja, die bleef goed; de netten waren trouw gevuld. Maar <span class="ex">doejongs</span>.… ’t kon wel gebeuren, dat Ketjil een week moest wachten vóór hij krijgen kon wat
-hij wenschte. Het viel dezen erg tegen, heel erg zelfs, maar daar er niets aan te
-doen was, bleef hij zijn ziel in lijdzaamheid bezitten.
-<span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span></p>
-<p>„Willen we niet eens aan het strand gaan kijken?” vroeg de hadji. „De menschen zullen
-nu juist aan den gang zijn. We kunnen nog eens met hen praten.”
-</p>
-<p>Zij wandelden samen op, zoo langzaam als inlanders, die den tijd hebben: voetje voor
-voetje, nu en dan nog stilstaand in hun gesprek.
-</p>
-<p>Hadji Ismaïl wees met den uitgestrekten arm naar een punt verder op.
-</p>
-<p>„Daar gaan ze.”
-</p>
-<p>„Het is maar gewoon visschen.”
-</p>
-<p>„Zeker, heel gewoon.”
-</p>
-<p>„Kunnen ze niet eens zoeken, en wat zou dat moeten kosten?”
-</p>
-<p>„Het gaat niet, en ’t helpt ook niet. Natuurlijk zouden ze het wel <span class="ex">kunnen</span> doen, voor veel, heel veel geld.”.
-</p>
-<p>Ketjil zuchtte er van.
-</p>
-<p>„Ik heb niet zooveel bij me.”
-</p>
-<p>„Het doet er niet toe; het zou immers toch niet baten.”
-</p>
-<p>Doch Ketjil was koppig; hij wilde niet nog ’n week, langer misschien, in dat stinkende
-dorp wachten,
-</p>
-<p>„Als er iemand was, die me het geld wilde leenen<span class="corr" id="xd31e4515" title="Bron: .,.">…</span>.”
-</p>
-<p>„Waartoe? Men kan het evengoed in ’t water gooien.”
-</p>
-<p>„Ik geef het binnen één maand terug.”
-</p>
-<p>„Er valt wezenlijk niet te zoeken naar den <span class="ex" lang="ms">doejong</span>; het beest is er of is er niet.”
-</p>
-<p>„Tegen behoorlijken interest.”
-</p>
-<p>Maar de hadji bleek aan dat oor volslagen doof, en Ketjil drong vruchteloos aan.
-</p>
-<p>Intusschen naderden zij de visschers, die aanstalten maakten om hun netten uit te
-brengen. Het was een lastig werk. Hoog hieven de wel honderd meter lange golven der
-branding de witte krullende hoofden omhoog, waarop in de verte het zonlicht brak met
-alle kleuren van den regenboog; de visschers stonden een eindje in zee; zij hielden
-een vlerkprauwtje, dat als ongeduldig op het water danste, met den kop vooruit, en
-toen een der <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>rollers hen bereikte, wipten zij er met een hoezeetje hun kleine vaartuig overheen;
-daarna zag men hun van ’t zeewater druipende lichamen met groote vlugheid in ’t prauwtje
-springen en ze roeiden wat ze roeien konden. Achteraan sleepte het net met één einde
-door een lang touw op ’t strand vastgebonden, en onder het roeien merkten de groote
-dobbers van het net, drijvend op onderling gelijke afstanden, den weg der visschers,
-die hun uiterste krachten inspanden om de af te visschen bocht te beschrijven, vóórdat
-een andere roller het schuitje kwam treffen vóór den boeg, want dan zou de brooze
-notedop onvermijdelijk zijn omgeslagen, ’t Gelukte hun ditmaal als bijna immer. De
-halve cirkel was juist op het water beschreven; de kop van het prauwtje wendde weer
-naar het droge, toen de golf kwam, die het anders zou omgeworpen hebben, maar nu met
-een krachtigen zet ’t verder roeien bespaarde, en schuitje en visschers bracht waar
-ze zijn moesten.
-</p>
-<p>De hadji en Ketjil stonden aan het strand te kijken, de laatste vol bewondering over
-de vlugheid en kracht van dit naakte zeevolkje.
-</p>
-<p>Langzaam en gelijkmatig, zonder rukken, begonnen de visschers hun net binnen te halen
-met eentonigen dreun; de omtrek door het net beschreven kromp met elken trek zichtbaarder,
-en in het water tusschen de dobbers kwam een gewriemel, drukker en drukker.
-</p>
-<p>„Er zit aardig wat in,” zei Ketjil.
-</p>
-<p>De hadji wierp een als ’t ware erkentelijken blik over de groote zee met haar diepen
-groenblauwen grondtoon vol tallooze teere tinten; hij was met zijn geld bij de visscherij
-betrokken; het was zijn „rente”, die daar, in den vorm van levende visch, zooveel
-vruchtelooze pogingen deed om te ontkomen aan de mazen van het net.
-</p>
-<p>„Allah is groot,” zei hij met woekeraars-onderworpenheid, „en de zee is rijk!”
-</p>
-<p>Een dof geluid steeg op uit het net, dadelijk gevolgd door <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>’t gejubel van ’t visschersvolk; het inhalen geschiedde nu voorzichtig maar krachtig,
-en tegen den laatsten trek kwam boven het levend gewriemel der dooreenkrioelende visschen
-een blauwachtige grijze rug te voorschijn, en toen het dier kantelde bij het op ’t
-strand halen, toonde het een helder wit onderlijf! dichtbij den stompen kop zaten
-een paar zwemvinnen; bij dit dier met den lichaamsvorm van een zeehond, spartelde
-een kleiner exemplaar. Het was een doejong met zijn stamhouder.
-</p>
-<p>De visschers gunden zich geen tijd om naar de visch uit te zien; een sprong toe met
-een knuppel; hij sloeg den doejong geweldig op den kop en uit de oogen van het stervende
-dier lekte toen traan bij traan.
-</p>
-<p>„Gelukskind!” zei hadji Ismaïl glimlachend tegen Ketjil, die vol blijdschap aandachtig
-keek naar den anderen visscher, die met groote zorg het kostbaar vocht opving in een
-schoteltje.
-</p>
-<p>Men bracht het bij hem, en hij bekeek en berook het met eerbied. Maar toen hij gevraagd
-had, wat het moest kosten, werd hij boos om het antwoord. Zestig gulden! Dat was gemeen!
-</p>
-<p>En de kerels waren vast; ze hielden op een wanhopige manier voet bij stuk, en of Ketjil
-hoog of laag sprong,—hij kreeg zijn schat niet onder de vijf en dertig gulden.
-</p>
-<p>„Ze hebben me zoo goed als bestolen.” zei hij bij het teruggaan jammerend tegen den
-hadji.
-</p>
-<p>Maar die had er schik in.
-</p>
-<p>„Kom, kom! De arme menschen geven het veel te goedkoop!”
-</p>
-<p>Ketjil bleef nu geen uur langer dan noodig was; weldra zweefde hij weer in den stoel
-van den mantri tusschen hemel en aarde.
-</p>
-<p>Toen hij thuis kwam, was zijn moeder de eerste, die hij aantrof. Maar zij verwelkomde
-hem niet. Integendeel, zij was eer boos, en vroeg hem dadelijk de „obat”; ze wachtte
-er op, zei ze, en ’t was schande, dat hij haar in den steek liet, nu juist zooveel
-er van afhing. Ketjil zocht niet verder naar verontschuldigingen; de kip was, wat
-hem betrof, geplukt; hij had volstrekt <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>geen plan zich verder van dat zaakje iets aan te trekken, en hij snauwde de oude af
-op den toon van gezag, die een inlandschen zoon tegenover zijn moeder, zijn ondergeschikte,
-past, als hij haar niets te verzoeken heeft. Zij antwoordde hem niet, maar bromde
-en steunde tot hij ’n beetje had gezocht, dan eens in zijn trommeltje, dat hij mee
-had gebracht, dan weer in een zijner kastjes. Eindelijk kreeg Sarinah, wat zij verlangde
-en dat hij reeds lang voor zijn „dienstrein” had gereed staan.
-</p>
-<p>Zij vertelde hem niets. Ze begreep heel goed, dat hij er geen belang meer in stelde.
-Een karretje wachtte haar, en zij maande den koetsier aan tot spoed.
-</p>
-<p>Het waren ’n paar woelige dagen geweest, en zij vreesde, dat Bronkhorst, als hij niet
-regelmatig zijn portie kreeg, niet in de voor het doel vereischte stemming zou blijven.
-</p>
-<p>Zij vond hem bij Betsy, zeer opgewonden, en ongezien sloop zij in ’t halfduister het
-erf op, en achter het huis in, waar ze ging staan luisteren aan de deur.
-</p>
-<p>Toen Bronkhorst den ochtend, nadat hij vergeten had zijn vrouw met het rijtuig te
-laten halen, aan het ontbijt kwam, dacht hij dat ze er iets over zou zeggen. Hij had
-weer een hoogst onaangenamen, grootendeels slapeloozen nacht gehad; hij was gruwelijk
-uit zijn humeur, en als ze iets zei, dan moest de kogel, meende hij, maar met geweld
-door de kerk. Maar ze zei niets, en zelfs toen hij begon te brommen en te vitten op
-het eten en op de thee, bleef zij gemoedelijk en liet zij verwijten, hoe ongegrond
-ook, geheel onbeantwoord.
-</p>
-<p>„Het is op die manier geen leven,” zei hij eindelijk.
-</p>
-<p>Zij glimlachte droevig. Neen, daarin had hij volkomen gelijk. Het was geen leven,
-althans niet voor haar. Tot zelfs haar bedienden, die nu niets meer in haar zagen
-dan een onttroonde vorstin, plaagden en brutaliseerden haar. Wat was een vrouw, zoo
-goed als verlaten door haar man? Omdat ze nu een Europeesche vrouw was, en er zulk
-een vreemde <span class="ex" lang="ms">adat</span> heerscht bij de Europeanen, mocht zij nog in huis blijven, en kon men haar <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>niet er uitjagen; was zij een inlandsche geweest, dan had ze al lang een <span class="ex" lang="ms">soerat lepas</span> gehad; dáárover was het bedienend personeel het volkomen eens.
-</p>
-<p>„Er moet een einde aan komen,” ging hij voort met een drogen mond op ’n stuk brood
-kauwend.
-</p>
-<p>„Er moet op een of andere manier een eind aan komen.”
-</p>
-<p>Marie verbleekte niet; zij zag al zoo bleek na al het verdriet van den laatsten tijd,
-dat ze moeilijk witter kon worden dan ze was. Ze keek hem aan, en ondanks zichzelve,
-kwam een gevoel van medelijden bij haar op. Zooals hij daar zat, etend om zich ’n
-figuur te geven, met zijn door donkere kringen omgeven, neergeslagen oogen, en zijn
-vervallen gezicht, had ze hem nooit gekend. En met dat zachter gevoel ontwaakte een
-ander, een van toomeloozen haat tegen Betsy, zóó sterk, dat ze er zelve van schrikte;
-zij had <span class="ex">haar</span>, dat voelde ze, kunnen vermoorden, ondanks al de zachtmoedigheid, kalmte en gelijkmatigheid,
-die haar karakter steeds hadden gekenmerkt.
-</p>
-<p>„Naar Europa,” vervolgde hij, toen er nog altijd geen weerwoord kwam, „geeft op zichzelf
-toch niets.”
-</p>
-<p>„Ik ga niet naar Europa,” zei ze.
-</p>
-<p>„Dat is iets anders. Je kunt ook mijnentwege in Indië blijven<span class="corr" id="xd31e4581" title="Bron: ,">.</span> Aan geld zal het je niet ontbreken. Ik heb er veel voor over.”
-</p>
-<p>„Ik vraag geen geld.”
-</p>
-<p>„Onzin! Je moet leven met de kinderen.”
-</p>
-<p>Weer zweeg ze; ze wist wat hij bedoelde, maar zij zou het woord niet ’t eerst uitspreken.
-</p>
-<p>„We moeten natuurlijk van elkaar af; we moeten scheiden.”
-</p>
-<p>Zij stond rechtop, en toen hij bij het geluid van het achteruitschuiven van haar stoel
-opkeek, ontstelde hij van de kloeke, vastberaden, uitdagende uitdrukking van haar
-gezicht.
-</p>
-<p>„Wij scheiden <span class="ex">niet</span>!”
-</p>
-<p>Het was een toon, die geen repliek duldde; waarbij men met heftigheid het zeker niet
-verder zou brengen. Zoo helder was zijn geest nog om dat te beseffen. En nu ving hij
-aan met <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>gemaakte kalmte te redeneeren; zijn stem klonk dof en toonloos, met even weinig uitdrukking
-als zijn gezicht. Het leven op die manier was voor beiden onhoudbaar; er kwamen oogenblikken
-in het bestaan van een mensch, dat samenzijn ondraaglijk werd; het was nu onverschillig,
-wat daarvan de oorzaak mocht heeten; soms was het zus, dan weer was het zóó. Verstandige
-lieden, wie het niet te doen was om elkaars existentie te verbitteren, namen dan kloeke,
-doortastende maatregelen. Zoo die zeer veel onaangenaams meebrachten,—wat het zwaarste
-was, moest ook ’t zwaarste wegen, en men had er slechts verdriet van, als men een
-leven voortzette, dan ten slotte met een straf gelijk stond.
-</p>
-<p>Zóó redeneerde hij door, met een groote mate wereldwijsheid en gelegenheidslogica,
-maar het hielp niets; wanneer hij nu en dan zweeg, als wilde hij het effect zijner
-redeneering nagaan, dan zag hij haar met dezelfde uitdrukking van onverzettelijkheid
-en ’t zelfde bleeke, strakke gezicht het hoofd schudden.
-</p>
-<p>„Wij scheiden <span class="ex">niet</span>!” herhaalde zij dan.
-</p>
-<p>En dat was alles.
-</p>
-<p>Hij had lang zijn zenuwen bedwongen, maar inwendig wond hij zich vreeselijk op; er
-kwam grofheid in zijn uitdrukkingen; smalend sprak hij van vrouwen, die zich aan een
-man vastklemmen, of ze gewenscht worden of niet; van gebrek aan kieschheid en eigenwaarde.
-</p>
-<p>Toen stond ze op, ging naar binnen, en hij hoorde hoe zij haar kamer met den sleutel
-sloot.
-</p>
-<p>Het was wanhopig, en, alleen gebleven, koelde hij zijn drift, door met luide stem
-geweldig op te spelen tegen de bedienden, die er kalm bij bleven en hem ook niet antwoordden.
-In dien hoogsten staat van opgewondenheid liep hij naar zijn kantoor, dronk er glas
-op glas Selterswater, en stapte van zijn lessenaar naar de deur en terug wel ’n kwartier
-lang, tot hij vermoeid in zijn kantoorstoel zonk, met diepe zuchten, om daar zijn
-gewone visioenen te krijgen, waarin hij altijd Betsy zag, op de eene of andere manier.
-<span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span></p>
-<p>Hij schrikte toen een luide stem in het voorgedeelte, door schutsels gemaskeerd, naar
-hem vroeg, en hij zag vreemd op, toen ’n oogenblik later kapitein De Grijs, Borne’s
-vervanger als garnizoens-commandant, tegenover hem stond. Zij hadden nooit vriendschap
-gesloten; het was gebleven bij een beleefdheidsbezoek over en weer, en toen het huiselijk
-leven van den notaris en diens persoon bij ’t publiek eenigszins in opspraak kwamen,
-was er voor den kapitein, die toch een meer teruggetrokken persoon was, dan de woelige
-Borne, nog minder reden tot voortzetting eener kennismaking, die geen wederzijdsche
-sympathie ten gevolge had gehad. Toen hij den brief had ontvangen, was hij naar den
-resident gegaan, en deze, blij dat er nog iemand in het spel was, had den kapitein
-verzocht er eerst maar eens ernstig met Bronkhorst over te spreken, daar zijn eigen
-positie als resident het hem moeilijk maakte zich direct persoonlijk met zulk een
-particuliere aangelegenheid in te laten; hij kon later, als het noodig mocht zijn,
-een handje helpen. Ofschoon dit den kapitein verdroot, maakte hij geen bezwaren, en
-daarom was hij nu alleen naar ’t kantoor van Bronkhorst gekomen, die van den prins
-geen kwaad wist en met verwondering de stijve houding en het geretireerde in de manieren
-van zijn bezoeker zag.
-</p>
-<p>„Ik heb u te spreken.… meneer.… over ’n zaak.”
-</p>
-<p>Dit maakte den notaris niet wijzer. Natuurlijk! Iedereen kwam hem hier spreken over
-zaken.
-</p>
-<p>„Ga zitten, meneer.”
-</p>
-<p>„Ik heb dezer dagen ’n brief ontvangen van mijn voorganger hier op de plaats, den
-kapitein Borne.”
-</p>
-<p>Bronkhorst knikte met ’t hoofd, maar kleurde; er ging hem ’n licht op, hij begreep
-iets van de gelegenheidshouding.
-</p>
-<p>„Meneer Borne verzocht me een onderzoek in te stellen naar de verhouding tusschen
-u en zijn nicht, mevrouw Den Ekster.”
-</p>
-<p>Het ging alles op een stroeven, haast dreigenden toon; het irriteerde Bronkhorst in
-hooge mate.
-</p>
-<p>„Ik kan me de belangstelling van kapitein Borne in mevrouw <span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>Den Ekster verklaren; die is begrijpelijk en op haar plaats. Wat <span class="ex">mijn</span> verhoudingen aangaat, ken ik hem het recht niet toe zich er mee in te laten.”
-</p>
-<p>„Dat is de opvatting niet van meneer Borne, en ook niet de mijne.”
-</p>
-<p>„Het spijt me!” antwoordde Bronkhorst droogjes en er lag iets geringschattends in
-’t schouderophalen, dat die woorden vergezelde; „’t spijt me, maar ik kan er niets
-aan doen.”
-</p>
-<p>„Integendeel. Als de oorzaak van de geheele onaangename zaak, kunt u er <span class="ex">alles</span> aan doen, en <span class="ex">dat</span> kom ik u verzoeken, namens den heer en mevrouw Borne.”
-</p>
-<p>„Ik begrijp niet wat men bedoelt met die onaangename zaak. Mevrouw Den Ekster is meerderjarig.”
-</p>
-<p>„Mag ik u uitnoodigen niet in die richting af te wijken. Ik ben hier niet gekomen
-om met u te redeneeren over minderjarig of meerderjarig. Ik zie, dat wij op die manier
-niet verder komen.”
-</p>
-<p>„Maar wat wilt u dan?” vroeg Bronkhorst ongeduldig.
-</p>
-<p>„Ik wilde u verzoeken van dit oogenblik de eer en den goeden naam van fatsoenlijke
-familiën te sparen, en uw relatie.…”
-</p>
-<p>„Wat relatie?” riep Bronkhorst woedend. „Ik verzoek u dat woord niet te gebruiken.
-We weten allemaal, wat dat in een geval als dit te beduiden heeft, en ik moet <i>u</i> verzoeken te gelooven, dat daarvan tusschen de bedoelde dame en mij geen sprake is.”
-</p>
-<p>In zijn boosheid sloeg Bronkhorst den toon der waarheid zóó juist aan, dat de kapitein
-er door geïmponeerd werd; het <span class="ex">kon</span> waar wezen, dacht hij; maar zelfs als het niet waar was, en Betsy heel gewoon ’n
-relatie met hem had, dan was het toch nog kranig, dat hij het op die manier ontkende;
-het deed hem eenigszins rijzen in de schatting van den kapitein De Grijs.
-</p>
-<p>„Ik weet welke de publieke opinie is, en ook die van de familie Borne. Het ligt niet
-op mijn weg, om in bijzonderheden af te dalen. Ik vraag u of u bereid zijt van alle
-verstandhouding af te zien met een dame, wier eer en goede naam door u in opspraak
-zijn gebracht.”
-<span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span></p>
-<p>„Welnu, neen, dat zal ik niet! Ik zal voor haar zorgen; voor haar en voor haar naam.
-Dat is een quaestie tusschen haar en mij, en onze handelingen gaan meneer of mevrouw
-Borne niet aan, en allerminst u.”
-</p>
-<p>Ze waren opgestaan en keken elkaar in de oogen met haat en minachting; op de lippen
-van den kapitein lag een woord, dat hij met moeite terughield.
-</p>
-<p>„Dan zal ik,” zei hij, „andere maatregelen treffen om aan het verzoek van meneer Borne
-te voldoen. Maar er <span class="ex">zal</span> aan voldaan worden, <span class="ex">dat</span> verzeker ik u.”
-</p>
-<p>„Dat zal er niet! Ik ontzeg u het recht u met mijn zaken te bemoeien.”
-</p>
-<p>„Dat zal er wèl, zeg ik u. Op uitvluchten antwoord ik niet, maar het zal gebeuren,
-goedschiks of kwaadschiks.”
-</p>
-<p>En zonder te groeten, keerde de kapitein De Grijs zich om, en verliet het kantoor,
-dat hij al heengaand vulde met den klank van het kletteren van sabel, sporen en wat
-verder aan zijn uniform onder het gaan geluid maakte.
-</p>
-<p>Bronkhorst was woedend.
-</p>
-<p>Zoo’n brutale kerel! Goed- of kwaadschiks had hij gezegd! Men zou hem dus dwingen!
-Alsof hij ’n kwajongen was, bang voor een grooten mond of ’n dreigement. Wel, hij
-zou eens willen zien, hoe men dat zou aanleggen. Hij had dan toch ook wel eens meer
-’n sabel in de hand gehad. Was hij eigenlijk niet reeds verplicht dien brutalen kapitein
-uit te dagen? Het denkbeeld spookte rond in zijn ontsteld brein, en ’t lachte hem
-meer en meer toe. Al zijn oude, verstandige theorieën over de ongerijmdheid van het
-duel verlieten hem; voor háár te vechten,—dat bleek hem bijster chevaleresque, en
-de rest kon hem niet schelen. Werd hij gewond of gedood, ook goed! Het was zóó immers
-toch geen leven!
-</p>
-<p>Met de zenuwachtige drukte, die hem overviel, als hij niet willoos mijmerde, maar
-in actie was, gaf hij last zijn rijtuig te laten inspannen. Hij wilde er liefst dadelijk
-werk van maken; hij <span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span>zou naar den officier van gezondheid gaan, die was toch ook militair, en hij zou hem
-raadplegen over de vraag, of hij, na het gebeurde, niet als man van eer verplicht
-was den kapitein uit te dagen.
-</p>
-<p>De officier van gezondheid had er erg veel trek in. Zoo’n duel behoorde op een eentonige
-binnenplaats tot het aantrekkelijkste, dat men zich kon voorstellen. Maar toen hij
-Bronkhorst eens goed aankeek, en als het ware op diens gelaat den abnormalen toestand
-zag, waarin hij naar ziel en lichaam verkeerde, sprak zijn geweten als medicus luider,
-dan zijn zucht naar wat afwisseling.
-</p>
-<p>„Ik zou u niet aanraden,” zei hij, „er gevolg aan te geven.”
-</p>
-<p>„Kan ik me dan laten bedreigen in mijn eigen huis?”
-</p>
-<p>„Er heeft geen bedreiging plaats gehad.”
-</p>
-<p>„Hij zei toch: goedschiks of kwaadschiks. Wat beteekent dat? Hij zal toch met dat
-laatste niet anders bedoelen dan geweld!”
-</p>
-<p>„Men zegt dat zoo <span class="ex" lang="fr">par manière de dire</span>, zonder dadelijk het ergste te bedoelen.”
-</p>
-<p>„Nu ja! Hij zal er misschien buitenaf op bluffen.”
-</p>
-<p>„Pardon, dan kent u den kapitein niet. Hij is een hoogst fatsoenlijk en welopgevoed
-man. ’n Beetje stug en eenzelvig, maar ’n gentleman.”
-</p>
-<p>„Dus denkt u, dat het van mijn kant niet noodig is.…”
-</p>
-<p>„Ik vermeen van neen.”
-</p>
-<p>Bronkhorst liep zenuwachtig ’n paar malen ’s dokters galerij op en neer, zwaaiend
-met zijn rotting en draaiend aan zijn knevels.
-</p>
-<p>„Weetje,” zei hij, „ik verlaat me met vertrouwen op uw oordeel, dàt is de quaestie
-niet, maar ik ben bang.…”
-</p>
-<p>„Waarvoor?”
-</p>
-<p>„Ronduit gezegd: ik ben bang, dat ze me aanzien voor een lafaard. Daarom, als u er
-niets op tegen hebt en het niet te veel gevergd is: raadpleeg er dan nog eens ’n anderen
-officier over.”
-<span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span></p>
-<p>„Moet het bepaald een officier wezen?”
-</p>
-<p>„Als het kan, liefst wel.”
-</p>
-<p>„Goed. Ik zal het doen en het u van middag laten weten.”
-</p>
-<p>„Asjeblieft! Je zult me er een groot genoegen mee doen.”
-</p>
-<p>Hij drukte dankbaar de hand van den militairen dokter en ging heen; maar onder het
-wegrijden mopperde hij bij zichzelven. Het was eeuwig jammer, vond hij, dat deze man
-zoo vredelievend was; hijzelf zou nu niets liever doen dan vechten; nu er verhindering
-kwam, geraakte hij in een buitengewoon strijdlustigen toestand; hoe moorddadiger de
-gevolgen waren, des te liever. Het duurde maar ’n paar minuten, want hij verviel weer
-in zijn visioenen, zoodat hem de koetsier met luider stem moest roepen, toen het rijtuig
-voor ’t kantoor stilhield en de notaris vergat uit te stappen.
-</p>
-<p>Een uur of wat later kwam er een briefje, het was kort en bondig: een duel werd niet
-noodig geacht, meer niet. Intusschen gebeurde er veel waarvan hij geen flauw vermoeden
-had. De man, dien hij geraadpleegd had, was bij den resident geweest; deze had kapitein
-De Grijs laten roepen, en men had „geconfereerd.”
-</p>
-<p>„Van ’n duel mag niets komen,” meende de resident. „Vooreerst houd ik den man voor
-physiek ontoerekenbaar.”
-</p>
-<p>„Ik ook,” zei de dokter.
-</p>
-<p>En toen de anderen iets daartegen wilden inbrengen, schudde hij het hoofd, onwillig,
-en vervolgde:
-</p>
-<p>„Het is mogelijk, dat hij iets heeft ingekregen en ’n beetje abnormaal is,—zijn verstand
-is niet gekrenkt: hij weet heel goed, wat hij zegt en doet.<span class="corr" id="xd31e4707" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Ten tweede,” ging de resident voort, „zouden wij er Borne een vreemdsoortigen dienst
-mee bewijzen, daar het slechts tot meer opspraak zou leiden.”
-</p>
-<p>„Dat is waar,” erkende de kapitein. „Overigens behoef ik me persoonlijk niet beleedigd
-te gevoelen.”
-</p>
-<p>„Neen,” zei de dokter, „daar is geen sprake van.”
-<span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span></p>
-<p>„Doch laat hem voorzichtig zijn, want mocht het zóóver komen.…”
-</p>
-<p>„U schijnt hem te haten.”
-</p>
-<p>De kapitein keek den dokter aan met vasten blik.
-</p>
-<p>„Ja,” zei hij, „ik mag hem niet.”
-</p>
-<p>„Nu, laat ons daarop niet verder doorgaan. Men heeft zijn sympathieën en antipathieën.
-Het doet trouwens ter zake niets; wij, de kapitein en ik, moeten nu overleggen wat
-ons te doen staat.<span class="corr" id="xd31e4720" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Daar de kapitein er momenteel althans geen raad op wist, zweeg hij.
-</p>
-<p>„Mijn vrouw,” ging de resident voort, „bezoekt elken dag mevrouw Bronkhorst. Wat er
-ook gebeurt, zij zal haar bijstaan.”
-</p>
-<p>„Dat is een groote steun,” zei de dokter, en hij kon een glimlach onder zijn knevel
-en een stil gevoel van medelijden met Bronkhorst niet onderdrukken, bij het denken
-aan het vrouwelijk hoofd van bestuur, met wier karakter en woordenrijkdom niet viel
-te spotten.
-</p>
-<p>„Als u nu eens met Bronkhorst sprak,” opperde de kapitein.
-</p>
-<p>„Ik vrees, dat het niet baten zal; ik wilde het met genoegen doen, maar hoogstwaarschijnlijk
-zal hij mij evenzoo bejegenen, als hij het u heeft gedaan, en dat is voor mijn prestige,
-als hoofd van bestuur, erger dan voor u. Als hij mij beleedigen mocht, kan ik hem
-niet uitdagen.”
-</p>
-<p>Alle drie zwegen stil. Het was waar, dat voelden ze; maar een uitweg lag er niet in.
-</p>
-<p>Toch moest er iets gedaan worden, althans de resident en kapitein De Grijs achtten
-zich daartoe verplicht tegenover Borne.
-</p>
-<p>„Heeft zij geen andere familie?” vroeg de kapitein.
-</p>
-<p>Verrast keek de resident hem aan. Het was een idée!
-</p>
-<p>„Dat is waar ook! Welzeker, zij heeft een zuster, die getrouwd is met een controleur.”
-</p>
-<p>„Zou die ons niet kunnen helpen?”
-</p>
-<p>„Welzeker. Ik zal er werk van maken. Het zal ’n dag of wat <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>duren.… ’n week misschien.… Dan kunnen we verder zien.”
-</p>
-<p>En zóó gingen ze uitéén, zonder een bepaald plan, geen van drieën besloten omtrent
-hetgeen te doen viel, de kapitein en de dokter onder den indruk, dat het haast onmogelijk
-was een afdoenden maatregel te nemen, en de resident met een denkbeeld in het hoofd.
-Hij kende den man van Lidia; ’t was een goed ambtenaar, die „ter beschikking” onder
-hem had gediend tijdens hij nog assistent was; hij kende ook ’t vrouwtje, dat verduiveld
-bij de hand was, en hij zou die luitjes trachten over te halen, hun plicht te doen
-als naaste bloedverwanten.
-</p>
-<p>Bronkhorst kon niet werken; hij was tot niets in staat; werktuiglijk teekende hij
-de stukken, nadat hij ze gelezen en den inhoud òf niet begrepen had òf reeds weer
-vergeten was. Hij ging naar huis. Er moest nog meer gebeuren. Hij had A gezegd, en
-B zeggen moest hij ook. Tot een scheiding moest het komen en bij zichzelven zei hij
-het den kapitein De Grijs na: goedschiks of kwaadschiks. Driftig liep hij de galerij
-door, die zijn huis en kantoor verbond; het gloeiend zonlicht, dat hem tegensloeg,
-hinderde hem; hij kneep er zuchtend de fletse oogen voor dicht. Doch toen hij de trap
-naar de voorgalerij beklom, omdat hij niet achter wilde binnenkomen, was zijn driftig
-aangeloopen voornemen deels weer teruggezonken. Toch was hij willens, dadelijk met
-Marie te spreken, weer op de scheiding terug te komen, opnieuw te argumenteeren, aan
-te dringen en onaangenaam te zijn.
-</p>
-<p>Maar toen hij onder de marquise ter zijde van het huis de bekende coupé van den resident
-zag, ontzonk hem voor het oogenblik zijn besluit geheel, en ging hij gauw zijn kamer
-binnen. Wat was dat toch? Hoe kwam het dat er nu altijd dames-visite was bij zijn
-vrouw? Het leek wel een bondgenootschap, en Bronkhorst zag dit ondanks zijn verwarde
-denkbeelden vrij duidelijk in. Het <span class="ex">was</span> een stil bondgenootschap. Niemand had iets met de anderen afgesproken, maar op deze
-kleine plaats, waar men elkaar zoo goed kende, was het alsof tegenover <span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>het gevaar, dat mevrouw Bronkhorst bedreigde, elke fatsoenlijke vrouw zich genoopt
-vond door openbaar betoon van belangstelling en vriendschap, als het ware een beschermende
-hand over haar uit te strekken. En van al die dames-bezoeksters vreesde Bronkhorst
-er geen zoozeer als de vrouw van den resident.
-</p>
-<p>Eenmaal in zijn kamer, achterover liggend in zijn luierstoel, ontging hem de lust
-tot actie; hij sliep in, moe van de vele slapelooze nachten, die hij doorbracht. Toen
-zijn bediende hem kwam roepen, stond hij op, rekte zich uit en viel weer neer op een
-divan.
-</p>
-<p>Marie liet niets van zich hooren. Zij liet het huishouden nu voornamelijk aan de bedienden
-over, zich uitsluitend met de kinderen bemoeiend. Toen het donker was, ’s avonds,
-liet hij inspannen en ging eten bij Betsy.
-</p>
-<p>Den volgenden dag rijsttafelde hij bij haar, en ’s avonds ging hij er ook heen; te
-huis kwam hij alleen slapen, op zijn kantoor niet veel meer dan soezen.
-</p>
-<p>Doch, hetzij de terugslag op zijn gezondheid vanzelf zoo krachtig opkwam, hetzij Sarinah
-zich vergist had en hem meer had toegediend dan hij kon verdragen,—aan het einde der
-week werd hij op een ochtend wakker met zware koorts.
-</p>
-<p>Hij zond een boodschap naar het kantoor en hield het bed. Een dokter wilde hij niet
-laten komen; met wat quinine, meende hij, zou het wel klaar spelen. Maar de pillen,
-die hij innam, hadden weinig werking en de koorts hield aan. Zijn stemming wisselde
-daarbij telkens af; van sombere, droefgeestige gedachten, sloeg hij zonder overgang
-of oorzaak tot zijn gewone aangename visioenen over, waarin Betsy de hoofdrol speelde,
-en van die visioenen ging het plotseling weer tot de vroolijke, dwaze droombeelden
-uit zijn <span class="ex" lang="de">Sturm-und-Drang</span>-periode, toen hij als jongeling <span class="ex" lang="fr">le jeu</span>, <span class="ex" lang="fr">le vin</span>, <span class="ex" lang="fr">les belles</span> najoeg. In een der oogenblikken, dat zich zulke malle geestvervoeringen van hem meester
-maakten, werd de deur zijner kamer zacht geopend.
-<span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span></p>
-<p>Marie kwam naar hem zien. Zij had gehoord, dat hij zich ziek liet melden aan zijn
-candidaat, op wiens schouders toch alles rustte. Het had haar heel wat strijd gekost,
-eer ze het eens was met zichzelve; eer ze zóóver haar trots had verzaakt, dat ze bereid
-was naar hem te gaan zien en vragen of hij ook iets noodig had. Maar toen zij zacht
-de kamerdeur opende, schrikte zij. Hij lag te zingen; niet goed in de wijs en eenigszins
-tegen den toon aan, maar hij zong toch, en zij kon de woorden verstaan; de woorden
-van een <span class="corr" id="xd31e4769" title="Bron: obscoen">obsceen</span> Fransch liedje, die ze maar half verstond, doch voor de andere helft wel raden kon.
-</p>
-<p>Verschrikt trok zij de deur dicht. Was hij dan reeds zóó gedemoraliseerd, dat hij
-hardop zulke liederen zong; hij, die daar vroeger zelfs niet aan gedacht zou hebben,
-en die slechts uitspattingen aan jongelieden veroorloofde? Hij, die anders een man
-van vormen was, lag daar nu.… Het scheen haar zulk een onmogelijkheid, dat ze haar
-hoofd met beide handen vastgreep, als vreezende, dat haar verstand haar zou ontsnappen.
-Wat moest ze doen? Ze wist het niet. Ze durfde geen dokter te laten halen, omdat hij
-het niet had gelast, en ze had toch ’t gevoel, dat hij ziek was en geneeskundige hulp
-noodig had. Toen overmande zij haar afkeer en ging terug naar zijn kamer.
-</p>
-<p>„Zal ik om den dokter zenden?”
-</p>
-<p>Zij had haar best gedaan om een welwillenden toon aan te slaan, maar het gelukte niet;
-haar stem klonk onvriendelijk en stug; zóóveel zelfbeheersching bezat ze nog niet,
-en Bronkhorst schrikte er van, want hij had nu, op dit oogenblik, een stil, liefelijk
-droomgezicht, en hij had Marie niet zien binnenkomen.
-</p>
-<p>„Dank je; als ik een dokter noodig heb, zal ik wel om hem zenden.”
-</p>
-<p>„Het is misschien beter, dat de dokter beoordeelt, wat noodig is.”
-</p>
-<p>„Nog eens; ik <span class="ex">wil</span> geen dokter.<span class="corr" id="xd31e4783" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Het hinderde hem haar te zien en hij ging op de andere zijde liggen, met zijn rug
-naar haar toe.
-</p>
-<p>„Als je iets mocht noodig hebben.… limonade of.…”
-<span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span></p>
-<p>„Ik heb niets noodig.”
-</p>
-<p>En zich plotseling naar haar toekeerend:
-</p>
-<p>„Heb je er nu over nagedacht?”
-</p>
-<p>Het sluitend samentrekken van haar mond bewees, dat ze den zin zijner woorden begreep.
-</p>
-<p>„Waarover?”
-</p>
-<p>„Dat is maar ’n vraag voor de leus. Je weet heel goed, dat ik mijn voorstel bedoel.”
-</p>
-<p>Maar zij was even koppig als de vorige maal, en ze wilde nu ook de eerste niet wezen,
-die het woord uitsprak.
-</p>
-<p>„Ik weet van geen voorstel.”
-</p>
-<p>„Maak me niet gek met zulk een nonsens,” riep hij, de hand door het haar strijkend.
-„Zeg nu, dat je verstandig en behoorlijk wilt wezen, en er in toestemt te scheiden.”
-</p>
-<p>„Wij scheiden niet!”
-</p>
-<p>„Dat kan je zoo niet bedoelen!” riep hij met toorn en wanhoop. „Dat kan je onmogelijk
-zóó bedoelen. Het is toch onzinnig ons allen te dwingen ongelukkig te zijn.”
-</p>
-<p>Zij gaf eerst geen verder antwoord; maar voor een oogenblik bekroop haar het verlangen
-hem eens te hooren vertellen, hoe hij er verder over gedacht had.
-</p>
-<p>„En hoe zou dat dan moeten gebeuren?”
-</p>
-<p>Hij richtte zich op; het was, meende hij, een stap nader en zoo goed hij kon zette
-hij uiteen hoe zij hem moest aanklagen wegens overspel, wat er verder te doen stond,
-en hoe hij zich zou laten veroordeelen bij verstek. Binnen ’n paar minuten sprak hij
-niet meer vooronderstellender wijze, maar op een toon, alsof de scheiding een vastgesteld
-plan was. Toen hij vermoeid van het spreken van de inspanning om niet af te dwalen
-stilhield, zei Marie:
-</p>
-<p>„Ik heb dat maar eens van je willen hooren. Overigens: wij scheiden niet!”
-</p>
-<p>Hij zag haar een oogenblik aan met groote, verbijsterde oogen. Toen werd hij woest,
-sprong het bed uit en maakte een scène <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>van geweld. Als altijd wilde zij zonder te antwoorden heengaan, en deed ook de deur
-open en keerde hem den rug toe. Plotseling voelde ze, dat hij haar bij de schouders
-greep, en met een geweldigen duw vooruitschoof in de binnengalerij, waar ze glijdend
-over het gladde marmer zou gevallen zijn, als zij zich niet had gegrepen aan een portière.
-</p>
-<p>„Ziedaar!” had ze hem hooren roepen met schorre stem. „Ziedaar, beest!” en daarna
-sloeg hij met geweld zijn kamerdeur achter haar dicht.
-</p>
-<p>Marie kwam doodsbleek in de achtergalerij, waar de vrouw van den resident zat, die
-intusschen haar nu bijna regel geworden ochtendvisite maakte. Weenend vertelde mevrouw
-Bronkhorst tot hoever het nu met hem gekomen was, en bij haar smart, en onder de vriendelijke
-troostwoorden van haar nieuwe vriendin, hadden ze er geen van beiden op gelet, dat
-een <span class="ex" lang="fr">dos-à-dos</span> stil hield voor de deur; ze hoorden alleen een haastigen tred in de galerij, en zagen
-nog net, dat een vrouw in sarong en kabaja, de kamer van Bronkhorst binnendrong.
-</p>
-<p>Zelfs de inlanders<span class="corr" id="xd31e4818" title="Bron: .">,</span> hoe zich ook om zulk een geval amuseerden, schenen dit te erg te vinden, want de
-binnenjongen kwam met een eenigzins ontsteld gezicht naar achteren, en zei dat <span class="ex" lang="ms">itoe</span> njonja in mijnheers kamer was gegaan<span class="corr" id="xd31e4824" title="Bron: ,">.</span>
-</p>
-<p>Na de eerste seconden van onsteltenis, sloeg thans Marie tot woede over; driftig stond
-zij van haar stoel op.
-</p>
-<p>„Dat zal dan toch niet gebeuren in mijn eigen huis!” riep ze, terwijl ze de kamer
-wilde binnengaan; maar de residentsvrouw hield haar terug, en die moest daartoe bepaald
-geweld gebruiken, zoo opgewonden was ze. „Kind, houd je nu goed. Blijf nu kalm. Laat
-het aan mij over.”
-</p>
-<p>„Ik zal haar de deur uitgooien.”
-</p>
-<p>„Wees nu stil, en ga weer zitten. Laat mij dat nu eens doen, Marie-lief. Jij zoudt
-onberaden handelen. Ik zal even met haar praten, en dan zal ze nooit terugkomen, dat
-verzeker ik je.”
-</p>
-<p>Het kostte heel wat moeite, Marie daartoe te bewegen, maar <span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span>het gelukte toch. Beide vrouwen zaten te wachten, loerend met onheilspellende oogen
-en opeengeklemde lippen tusschen de portières door naar de deur der kamer. En toen
-die eindelijk openging, stond het vrouwelijk hoofd van het gewestelijk bestuur op,
-met een snelle handbeweging Marie bevelend stil te blijven zitten, en in een ommezien
-had ze zich van Betsy meester gemaakt, die weer even vlug naar het wachtend voertuig
-wilde gaan, als ze was binnengekomen,
-</p>
-<p>’t Had voor haar niet slechter kunnen treffen, dan dat juist dien dag Bronkhorst ziek
-was en niet komen kon. Hij keek wel een beetje verwonderd over haar komst, maar zoo
-heel erg niet. Hij zag haar immers altijd en overal.
-</p>
-<p>„Hoe gaat het?” vroeg ze.
-</p>
-<p>„Zoo! Ik zou haast zeggen iets beter, nu ik je zie.”
-</p>
-<p>Zij zuchtte en ging op een stoel zitten naast het <span class="corr" id="xd31e4841" title="Bron: ledekant">ledikant</span>.
-</p>
-<p>„God, Jean, het is zoo dood ongelukkig, dat je nu juist ziek bent.”
-</p>
-<p>„Wat is er dan gebeurd?” vroeg hij verschrikt.
-</p>
-<p>Zij hield haar zakdoek voor de oogen en weende werkelijke tranen van woede en vrees.
-</p>
-<p>„Maar wat is er dan?” herhaalde hij.
-</p>
-<p>„Ze willen me weg hebben; ze willen me met geweld dwingen heen te gaan.”
-</p>
-<p>Met moeite hield hij een vloek binnen; zijn wenkbrauwen trokken samen.
-</p>
-<p>„Ik zou wel eens willen weten, wie dat durfde ondernemen.”
-</p>
-<p>„Allemaal, Jean, allemaal. Ze spannen allen één lijn; tot mevrouw Duhr toe.”
-</p>
-<p>„Maar lieve Bets, zeg dan toch in ’s hemelsnaam <span class="ex">wie</span>!”
-</p>
-<p>Zij gaf nog geen antwoord; en toen hij opnieuw bij haar aandrong, vleiend en liefkoozend,
-snikte zij:
-</p>
-<p>„Lidia is onverwacht gekomen.”
-</p>
-<p>Het bericht imponeerde hem; een oogenblik keek hij haar versuft aan.
-<span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span></p>
-<p>„Je zuster Lidia?” herhaalde hij.
-</p>
-<p>„Ja.… met haar man.”
-</p>
-<p>„Welnu, jaag ze weg, als ze je vervelen.”
-</p>
-<p>„Het is gemakkelijk gezegd.… Het zou me ook niet helpen.… Ik ben niet tegen haar opgewassen.…
-Ze zouden me mishandelen.… Die Lidia is zoo’n feeks.”
-</p>
-<p>„Maar je eigen zuster.”
-</p>
-<p>„Och, dat is het juist.… Als het geen familie was.… Maar zij, en haar man vooral!”
-</p>
-<p>Bronkhorst stoof op; hij vergat zijn koorts en liep met dreunenden stap op zijn sloffen
-heen en weer, dien zwager van haar verwenschend. Doch hij zou wel eens willen zien!
-Hij zou dien meneer aan ’t verstand brengen, dat deze zich inliet met dingen, die
-hem niet aangingen, net als hij het dien kapitein.…
-</p>
-<p>„Die is er ook al geweest!” zei Betsy nog snikkend in haar kanten zakdoek.
-</p>
-<p>„Wat?”
-</p>
-<p>„En de resident ook. Ze hebben me letterlijk overvallen.”
-</p>
-<p>Bronkhorst stond er nu geheel verstomd van.
-</p>
-<p>„Het was bij allen hetzelfde lied: ik moest weg; weg van jou!”
-</p>
-<p>Met groote krachtsinspanning bedwong hij een opkomende geweldige neiging om te gaan
-liggen; hij rekte zich uit en hief met deftigheid het hoofd op.
-</p>
-<p>„Dan zal ik dadelijk met je mee gaan.”
-</p>
-<p>Zijn stem en het beven zijner handen, toen hij zijn knevels opstreek, waren in strijd
-met zijn gemaakte houding.
-</p>
-<p>„Neen Jean, nu niet.… Van avond.”
-</p>
-<p>„Ik ga oogenblikkelijk mee.”
-</p>
-<p>Doch zij wilde het niet gedoogen; ze zag heel goed, dat hij ziek was, en zijn komst
-in dien toestand niets dan standjes en schandaal kon uitwerken.
-</p>
-<p>„Ga eerst slapen, Jean,” verzocht ze vleiend. „Heusch, dat moet je doen. Ze zullen
-me <span class="corr" id="xd31e4884" title="Bron: mmers">immers</span> niet opeten! En als je dan <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>van avond beter bent, kom dan tegen zeven uren, ja? En blijf den heelen avond.”
-</p>
-<p>„Ik zou liever nu gaan.”
-</p>
-<p>’t Was om zich een houding te geven, dat hij het volhield, maar de waarheid was, dat
-hij zich letterlijk op gevoelde.
-</p>
-<p>„Ik ga nu heen, Jean. Het was een waagstuk, hè? hier te komen. Ik <span class="ex">kon</span> je niet van alles onkundig laten.”
-</p>
-<p>Hij kuste haar; hij was dankbaar, dat ze gekomen was.
-</p>
-<p>„Tot van avond dan, Jean.”
-</p>
-<p>„Zonder fout.”
-</p>
-<p>„Als je beter bent.”
-</p>
-<p>„In elk geval, Betslief; ik zou het hier toch niet kunnen uithouden.”
-</p>
-<p>Toen ze weg was, zonk hij ineen op zijn ledikant; zijn zware oogleden vielen dicht
-en voor eenige minuten verkeerde hij in een staat van verdooving, met een gevoel van
-absentie, als iemand, die in hypnotischen staat geraakt. En in diezelfde oogenblikken
-was het ook Betsy, alsof ze gebiologeerd werd. Ze had, toen ze wegliep naar haar voertuig,
-met schrik een pijnlijken greep gevoeld om haar ronden pols, en toen ze snel omkeek,
-zag ze dat het de vrouw van den resident was, die haar nu in een der zijkamertjes
-naast de voorgalerij trok. Daar werd haar gelast te gaan zitten; daar zat, dicht naast
-haar, de residentsvrouw met haar ernstig, onheilspellend gezicht, den stekenden blik
-uit haar grijze oogjes en de scherpe trekken van onverzettelijkheid om den mond,—en
-daar werd haar de waarheid gezegd. Goede hemel! Zij zat er bij, krijtwit, zonder dat
-ze een woord kon zeggen.
-</p>
-<p>Bij dien verbijsterenden woordenvloed, haar afschilderend als de belichaamde verdorvenheid,
-waren Lidia’s ruwe, onomwonden verwijten kinderspel. Na al de emotie van dien dag,
-suisde het haar in de ooren als den zeeman het opkomend, verwarrend geloei van den
-kringstorm. Zij sloot er de oogen bij; het gonsde om haar heen; zij verstond het nog
-maar half, en die helft was <span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>toch voldoende om haar te doen trillen van woede en pijn bij elke nieuwe beleediging.
-Toen ze er het beetje kracht voor vond, dat ze noodig had, sloeg zij haar handen voor
-de ooren, vloog het vertrek uit en de dos-à-dos in.
-</p>
-<p>Eerst toen ze thuis kwam en in haar kamer was, brak het los. Op gillenden toon vertelde
-zij aan Lidia, hoe ze dáár was behandeld, en haar zuster, die het niet meer dan hoogst
-natuurlijk vond, begreep niets van deze ontroering en verontwaardiging, tot ze Betsy
-plotseling zich vast zag houden aan de tafel. Zij greep haar en liet haar neer op
-een bank; en daar ging het gillen voort, maar nu zonder woorden en afgebroken door
-een luiden, lang aanhoudenden lach, die, uit de zenuwwerking voortkomend, op anderer
-zenuwen werkte. Het was een consternatie, waarbij voor een oogenblik alle grieven
-en alle bedoelingen werden vergeten. Mevrouw Duhr, de zwager, Sarinah,—allen stormden
-de kamer binnen; Lidia riep om azijn; in een oogwenk kwam de bejaarde hospita, zelve
-in de hoogste mate zenuwachtig, met een flesch van achteren; alle handen grepen er
-naar, zonder verder te zien, vervuld met het idee, dat het goed was om iemand, die
-het op de zenuwen heeft, ’t hoofd en de polsen met azijn nat te maken, en dat dit
-niet beter kon geschieden, dan door wat uit de flesch te gieten. En terwijl allen
-zich beijverden, stroomde uit de azijnflesch een zwarte gulp, die in vuile, dikke
-straaltjes over het gezicht en in den hals van Betsy liep.
-</p>
-<p>„Schei uit! Het is inkt,” riep de man van Lidia met een vloek.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd31e4911" title="Bron: Idereen">Iedereen</span> schrikte er van en was er verlegen mee. Mevrouw Duhr keek erg onthutst voor zich;
-de controleur had zich omgekeerd en proestte van het lachen.
-</p>
-<p>„Ik kon het heusch niet helpen,” stamelde de huisvrouw. „De flesschen zijn precies
-eender.”
-</p>
-<p>Betsy gilde niet meer; het woord „inkt” scheen meer kalmeerend op haar zenuwen te
-hebben gewerkt, dan azijn bij mogelijkheid doen kon. Lidia, die het gesmoorde grinniken
-van haar man hoorde, moest zich geweld aandoen, en slikte telkens een <span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>opkomenden lach weer in. Ze had onwillekeurig met haar zakdoek een veeg gegeven over
-’t gezicht van Betsy, toen ze het zwarte vocht zag, en dat had ’t spektakel nog verergerd;
-Betsy zag er verschrikkelijk uit.
-</p>
-<p>„Kom,” zei Lidia, ziende hoe goed in elk geval het middel had geholpen. „Je moogt
-je wel gaan wasschen. Mevrouw Duhr heeft bij vergissing.…”
-</p>
-<p>Zij kon niet verder, want Betsy had zich opgericht, en zag er nu met haar gezicht
-als een schoorsteenveger in functie, zóó gek uit, dat het onmogelijk was voor Lidia
-haar <span class="ex" lang="fr">sérieux</span> te bewaren. Een oogenblik keek Betsy haar aan alsof ze niets begreep, daarop liep
-zij naar het toilet, keek in den spiegel en begon te huilen.
-</p>
-<p>„Wees niet kinderachtig,” zei Lidia ruw, terwijl intusschen haar lachlust door de
-tranen harer zuster bedaard was. „Wees niet kinderachtig; het is maar ’n beetje inkt;
-met water en zeep is het weer schoon, je bent waarachtig anders voor zoo’n klein geruchtje
-niet vervaard!”
-</p>
-<p>Maar het was gemakkelijker gezegd dan gedaan; het toeval scheen te willen, dat mevrouw
-Duhr een supérieure qualiteit inkt gebruikte, uiterst geschikt tot het merken van
-menschenhuiden,—althans ofschoon Betsy geweldig poetste hield zij over een deel van
-haar hals en haar gelaat een sterk uitgedrukte violet-achtige tint, wat haar foeileelijk
-maakte en Lidia aanleiding gaf tot de openhartige verklaring: „Je ziet er wezenlijk
-niet kwaad uit in je gewone doen, maar er behoeft niet veel bij te komen om je ’n
-monster te maken.”
-</p>
-<p>Betsy zelf wist, dat het waar was, en ’t maakte haar wanhopig. Dat dit juist nu moest
-gebeuren! Ze schreef een briefje aan Bronkhorst om maar liever dien avond niet te
-komen; doch het was olie in het vuur. Tegen zeven uren reed zijn rijtuig het erf op;
-ze had het bekende geluid in de verte gehoord, en had zich de haren wel uit het hoofd
-kunnen trekken van woede en spijt, dat ze nu in haar kamer was en niet voor den dag
-<span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span>kon komen met die tot over haar neus loopende tatouage, waarvoor zelfs geen bedaq
-wilde helpen. Handenwringend liep ze haar kamer op en neer; ze zou toch maar gaan;
-er hing te veel van af; misschien zou hij in zijn opgewonden toestand niet eens bemerken,
-hoe gek zij er uit zag; in elk geval: ze kon het niet op zijn beloop laten; haar zwager
-en Lidia zaten voor in de galerij en God weet, dacht ze, met welke standjes die ontmoeting
-zou afloopen, en wat daarvan voor haar de resultaten zouden zijn; ze moest daarbij
-wezen, en ze deed de deur open.
-</p>
-<p>„Waar wil je heen?” vroeg Lidia, die plotseling vlak voor haar stond.
-</p>
-<p>„Het gaat je niet aan. Laat me door!”
-</p>
-<p>„Ik denk er niet aan. Je blijft hier!”
-</p>
-<p>En Lidia wilde de deur openen, maar Betsy wierp zich in de opening en drong naar voren.
-Toen sloeg haar zuster de armen om haar midden, nam haar op, wierp haar letterlijk
-de kamer in en sloot de deur.
-</p>
-<p>„Ziezoo!” zei ze, terwijl Betsy leunend op de wankele ronde tafel, een oogenblik verbijsterd
-stond. „Ziezoo! Nu wil ik eens zien of jij voor ’t schandaal van onze familie zult
-spelen, als ik er bij ben.”
-</p>
-<p>„Ik wil er uit,” siste Betsy, terwijl ze weer op de deur aanvloog, met gekromde vingers,
-tot krabben gereed, en ’t schuim van woede op den grond. Maar Lidia hield haar tegen,
-en ze vochten letterlijk. Het duurde niet lang, ’n paar minuten hoogstens; daarna
-had Betsy het weer erg op de zenuwen en lag gillend op den divan, nu met een hoogroode
-kleur van de klappen links en rechts in ’t gezicht, die haar zuster haar had toegediend.
-En Lidia, met de vuurroode streep van een venijnige krab in den hals, stond naast
-den divan en drukte haar zakdoek op den mond van Betsy om ’t geluid van het gillen
-en schreeuwen te verdooven, want ze hoorde op dat oogenblik Bronkhorst nog in de voorgalerij.
-<span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span></p>
-<p>Hij was binnengekomen, onberispelijk gekleed, en toen hij een vreemden heer zag, die
-in gezelschap van mevrouw Duhr aan de tafel zat, waar hij gewoonlijk met Betsy plaats
-nam, had hij ’n zeker air van voornaamheid aangenomen.
-</p>
-<p>„Goeden avond, mevrouw!.… Goeden avond (tegen den controleur).… Is mevrouw Den Ekster
-thuis?”
-</p>
-<p>„Ja, mevrouw Den Ekster is thuis,” antwoordde de controleur, ofschoon de vraag in
-het geheel niet tot hem was gericht. „Mevrouw Den Ekster is thuis; ik ben haar zwager.”
-</p>
-<p>Bronkhorst boog even het hoofd.
-</p>
-<p>„Als mevrouw Den Ekster thuis is, wenschte ik haar gaarne even te spreken.”
-</p>
-<p>„Mevrouw Den Ekster is voor u niet te spreken.”
-</p>
-<p>Noch de woorden, noch de toon lieten ook maar den minsten twijfel toe aan de bedoeling.
-Bronkhorst nam den zwager eens op van ’t hoofd tot de voeten, en zich toen opnieuw
-tot mevrouw Duhr wendend, vroeg hij:
-</p>
-<p>„Wilt u wel zoo goed wezen?”
-</p>
-<p>Maar het mensch bewoog zich niet en keek verlegen voor zich.
-</p>
-<p>„U hebt hier niets te doen,” vervolgde de controleur, „en het is wel een bewijs van
-verregaande onbeschaamdheid, hier te komen, terwijl mijn vrouw en ik hier zijn.”
-</p>
-<p>Die „onbeschaamdheid” viel Bronkhorst vreemd op het lijf. Sedert de laatste maanden
-betaalde hij de huur van het huis, omdat mevrouw Duhr zoo slecht bij kas was, en nu
-heette het onbeschaamd.…
-</p>
-<p>„Het is onbeschaamd van u zelf om in dit huis zulk een toon te voeren; dat weet mevrouw
-Duhr het best.”
-</p>
-<p>En toen deze in haar stilzwijgen volhardde, ging hij voort: „Ik zal van uw praatjes
-geen verdere notitie nemen en zelf naar mevrouw Den Ekster gaan zien.”
-</p>
-<p>„Dat zullen we eens zien!” riep de jonge man, bleek van toorn. „Onbeschaamde vlegel,
-als je niet maakt, dat je weg komt.…”
-</p>
-<p>Bronkhorst hief zijn stok op.
-<span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span></p>
-<p>„Ga daar vandaan,” zei hij tusschen de tanden tot den man, die hem den weg versperde.
-„Ga daar vandaan of ik sla je dood!”
-</p>
-<p>„Ik ontzeg u mijn huis,” riep mevrouw Duhr, wier tong eindelijk scheen los te komen.
-„Ik ontzeg u mijn huis. Ga heen, of ik roep de politie, en laat u de deur uitgooien.”
-</p>
-<p>Het woord „politie” maakte een overweldigenden indruk op hem. Hij was wel abnormaal,
-maar het denkbeeld, dat hij, de notaris Bronkhorst, ergens door „de politie” buiten
-de deur zou gezet worden, was hem toch te sterk.
-</p>
-<p>„Zoo,” beet hij, zich omwendend, het arme, in doodsangst zittende mensch toe. „Zoo,
-zou <span class="ex">jij</span> de politie roepen, om <span class="ex">mij</span> uit <span class="ex">jou</span> huis te laten gooien?”
-</p>
-<p>„U kunt wel wat fatsoenlijker spreken,” zei Betsy’s zwager kwaadaardig. „Het komt
-volstrekt niet te pas hier te jijen en te jouwen.”
-</p>
-<p>„Ik heb niets met u te maken, meneer.”
-</p>
-<p>„Och kom! Dat zal ik u dan eens laten zien.—U wilt dat deze man vertrekt, nietwaar
-mevrouw?”
-</p>
-<p>„Ja,” zei mevrouw Duhr nauwelijks hoorbaar.
-</p>
-<p>De controleur boog zich over de balustrade van het galerijtje en riep. Een oogenblik
-later liepen zes oppassers van politie, achter de pagger verscholen, het erf op.
-</p>
-<p>„Nu gaan, of er uit gezet worden,” zei de jonge man beslist.
-</p>
-<p>In machtelooze woede dreigde Bronkhorst weer met zijn rotting; hij beefde als een
-riet, van opgewondenheid, liep zwijgend het trapje af, en stapte in zijn coupé; de
-staljongen sloeg met een harden slag de deur dicht, en onder luid getrappel van de
-hoeven der groote paarden op de kleine rolsteentjes van het voorerf, reed hij weg.
-</p>
-<p>In het rijtuig liet hij zich achterover zakken in de kussens; hij kon niet meer; het
-kleeden en uitgaan hadden hem reeds ontzaglijk veel inspanning gekost,—deze zenuwachtige
-scène was hem te veel. Voor het oogenblik was hij tot niets in staat, en hij liet
-zich lijdelijk het erf oprijden van zijn huis.
-<span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span></p>
-<p>Haast waggelend ging hij rechtstreeks naar zijn kamer en ontkleedde zich, doch terwijl
-hij hiermede bezig was, overviel hem weer plotseling een vlaag van teugellooze woede.
-Met een driftigen duw stiet hij een venster open en schreeuwde zijn koetsier toe,
-dat het rijtuig nogmaals vóór moest komen.
-</p>
-<p>„<span class="ex">Gilah!</span>” bromde zachtjes de koetsier, die bijna gereed was met uitspannen.
-</p>
-<p>„<span class="ex">Ya</span>,” zong de staljongen klagend.
-</p>
-<p>In het schemerdonker voor de wagenkamer namen ze met onwillige hand de tuigen weer
-op, en begonnen mopperend en uiterst langzaam opnieuw in te spannen. Bronkhorst was
-spoedig weer gekleed, en lang voor het rijtuig voorkwam, liep hij, tierend van ongeduld,
-in de voorgalerij heen en weer.
-</p>
-<p>De officier van gezondheid keek vreemd op van deze ongelegen visite, hem, bij wijze
-van dessert, juist na zijn maaltijd gebracht.
-</p>
-<p>Vertrouwelijk schoof Bronkhorst zijn stoel naderbij.
-</p>
-<p>„Ik ben beleedigd,” zei hij.
-</p>
-<p>„Alweer?” vroeg de dokter lachend.
-</p>
-<p>„Ik verzoek u er niet om te lachen; het is een ernstig geval; ik moet satisfactie
-hebben.”
-</p>
-<p>„Zoo, is het ditmaal ernstig? Nu, als u het dan maar eens wilt vertellen.”
-</p>
-<p>Bronkhorst deed ’t verhaal op zijn manier; hij lette er niet op, dat des dokters gelaat
-onder het luisteren niet vriendelijker werd.
-</p>
-<p>„U begrijpt, dat ik het er niet bij kan laten.”
-</p>
-<p>„Het is mogelijk. Wat ik zeker weet, is, dat ik in dit geval volstrekt niet bereid
-ben u van dienst te zijn.”
-</p>
-<p>„Mag ik vragen waarom niet?”
-</p>
-<p>„Zeker, u hebt die dame.…”
-</p>
-<p>„Ik verzoek u te gelooven.…”
-</p>
-<p>„Ik geloof <span class="ex">niets</span>; ik zeg, wat ik weet. U hebt mevrouw Den Ekster in opspraak gebracht.”
-</p>
-<p>Vruchteloos wilde Bronkhorst protesteeren. „U hebt haar in <span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span>opspraak gebracht,” herhaalde de dokter met den voet op den grond stampend, en eenigzins
-heftig, „en dat paste u niet. Een ongetrouwd man past zoo iets niet. Van u was het
-dubbel erg.”
-</p>
-<p>„Maar mijn goede heer.…”
-</p>
-<p>„Neen, notaris, er valt hier niets te goede heeren. Wat ik zeg is waar, dat weet en
-erkent iedereen, behalve u.”
-</p>
-<p>Wezenloos keek Bronkhorst voor zich uit.
-</p>
-<p>„In Godsnaam dan,” zuchtte hij met wanhopige onderwerping.
-</p>
-<p>„Ik zal er wel voor oppassen,” ging de dokter voort, „dat ik haar familie niet tegenwerk.
-Die menschen komen hier en ontzien moeite, kosten noch onaangenaamheden, om haar te
-redden.…”
-</p>
-<p>„Te redden?”
-</p>
-<p>„Ja, van u.”
-</p>
-<p>„Zoo! Nu, dan heb ik de eer u te groeten.”
-</p>
-<p>Hij ging hier niet weg als een razende, maar langzaam en met zekere waardigheid tot
-zelfs in de manier, waarop hij hoed en stok nam.
-</p>
-<p>Terwijl Bronkhorst dus werd afgescheept, vertelde Betsy’s zwager den resident, wat
-er bij mevrouw Duhr was voorgevallen.
-</p>
-<p>„Het is nu ’t geschikte moment,” meende de resident.
-</p>
-<p>„Er is anders niet veel met haar te beginnen. Mijn vrouw heeft haar met geweld moeten
-beletten naar voren te komen.”
-</p>
-<p>„’t Is jammer, dat ik me er persoonlijk niet mee kan bemoeien.”
-</p>
-<p>„Ja,” stemde de controleur toe, in goeden ernst aan de almacht geloovend.
-</p>
-<p>„Als ik <span class="ex">mijn vrouw</span> eens vroeg?.…
-</p>
-<p>„Ja.… als dát kon.…”
-</p>
-<p>Ditmaal huichelde hij; het denkbeeld Betsy mee te nemen, hetzij door overreding of
-met zachten dwang, lachte hem volstrekt niet toe. Wel deed hij er den resident, die
-daarop zeer gesteld scheen, een dienst mee, welke ter gelegener tijd allicht beloond
-kon worden, maar hij was bang voor hoogloopende onaangenaamheden met zijn flinke,
-goede en openhartige, maar <span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span>allesbehalve zachtzinnige Lidia, die erg jaloersch was en in de minste familiariteit
-veel meer zou zien, dan ’t was.
-</p>
-<p>„Wacht hier even,” zei de resident, „ik zal het haar gaan vragen.”
-</p>
-<p>Het duurde wel tien minuten vóór mevrouw haar toestemming gaf. „Ik wilde met dat gemeene
-schepsel eigenlijk niet meer in aanraking komen. Ik heb haar eens en voorgoed gezegd
-waar het op stond. Als ik het doe, is het voor die arme mevrouw Bronkhorst. Van avond
-bemoei ik me er in geen geval meer mee.”
-</p>
-<p>„Het is maar,” zeide de controleur,<span id="xd31e5048"></span> „dat ik moeilijk langer kan blijven.”
-</p>
-<p>„Nu ja! Enfin, ik kom morgenochtend vroeg; we zullen dan wel zien.”
-</p>
-<p>Toen ze, haar woord gestand, reeds vroeg de nederige woning van de weduwe Duhr betrad,
-bleek haar komst overbodig.
-</p>
-<p>„Het is wel lief van u,” zei Lidia, „dat u gekomen bent, maar het is al beslist, en
-de reiswagen komt zoo dadelijk voor.”
-</p>
-<p>„Hoe is het gegaan?” vroeg de residentsvrouw nieuwsgierig.
-</p>
-<p>„We hebben een heel onaangenamen nacht gehad.—U weet wel van dien inkt?.…”
-</p>
-<p>„Ja, ja, die jullie haar in plaats van azijn.… ha, ha!”
-</p>
-<p>„Er schijnt inkt in haar rechteroog te zijn gekomen. Van nacht is dat erg opgezwollen:
-nu is het zeer dik en ontstoken.”
-</p>
-<p>„Heb je den dokter laten roepen?”
-</p>
-<p>„Och neen. Ik zal dat met wat inlandsche medicijn wel beter maken, als we maar eerst
-bij mij thuis zijn.”
-</p>
-<p>„En toen?”
-</p>
-<p>„Wat bedoelt u?” vroeg Lidia, die suf en slaperig was.
-</p>
-<p>„Wel, <span class="ex">na</span> dat oog. Hoe heb je er haar toen toe gekregen?”
-</p>
-<p>„O ja! Wel, ziet u, ze was wanhopig, en ik heb haar toen aan het verstand gebracht,
-dat ze weg moest. En haar oude meid.…”
-</p>
-<p>„Dat spook, die Sarinah?”
-</p>
-<p>„Zij is al zooveel jaren in onzen dienst.”
-<span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span></p>
-<p>„Krakallen moest ze, aan den weg!”
-</p>
-<p>„Maar <span class="ex">néh</span> zei toch ook, dat Betsy maar mee moest gaan.”
-</p>
-<p>„Ze werd zeker bang!”
-</p>
-<p>„Het is wel mogelijk! <span class="ex">Enfin</span>, ze <span class="ex">gaat</span> nu mee,” eindigde Lidia met een diepen zucht.
-</p>
-<p>„Dan ga <span class="ex">ik</span> maar weg. Ik heb geen lust haar noodeloos te zien. Adieu! Als je wat noodig hebt.…
-je kent mijn adres.”
-</p>
-<p>Het was een curieuze uittocht, toen de reiswagen voorkwam. Met een sjaaltje om haar
-pijnlijk oog, huilende en voetje voor voetje loopend, als een zware zieke, links door
-Lidia, rechts door mevrouw Duhr ondersteund, kwam Betsy naar buiten; zoo werd ze in
-het rijtuig geholpen. En de aanstellerij bracht effect teweeg; zij ontroerde de vrouw
-des huizes tot tranen toe, maakte Lidia zenuwachtig en stemde haar momenteel tot medelijden
-en zachtzinnigheid; zelfs de controleur keek minder norsch naar zijn schoonzuster,
-en voelde zich eenigszins begaan met haar lot, telkens als gedurende dezen uittocht,
-een klagend gesteun achter den zakdoek vandaan kwam, die Betsy voor ’t niet ingebakerde
-deel van haar gezicht hield. Sarinah sloot den stoet steunend en onverstaanbare woorden
-kauwend in haar tandeloozen mond.
-</p>
-<hr class="tb"><p>
-</p>
-<p>Veertig dagen waren sedert dien ochtend in eenvormigheid voorbijgegaan; veertigmalen
-had de opgaande zon de hooge witte schoorsteenen der fabrieken in de buurt doen schitteren
-boven de dan nog in ’t halfduister liggende velden. De <span class="ex" lang="ms">perkara</span>—Bronkhorst werd nog slechts zelden besproken. Slechte berichten over suikerprijzen
-uit Europa, een schandaal-proces op Java, een opiumaanhaling vol knoeierige bijomstandigheden
-op de plaats zelve, hadden reeds lang de loopende praatjes over den notaris vervangen.
-Van mevrouw Den Ekster hoorde men niets meer; van Bronkhorst wist men, dat hij ziek
-was.
-</p>
-<p>Toen hij terugkwam van bezoek aan den officier van gezondheid, dat zoo slecht voor
-hem afliep, was hij in zijn huis, en in <span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span>zijn bed gekomen, maar <span class="ex">hoe</span> wist hij niet; en hij herinnerde zich thans nog slechts flauw, wat er was voorgevallen
-in die veertig dagen. Zijn vrouw, die hem had opgepast en verzorgd, wist daar meer
-van; althans zij had hem in zijn meest half bewusteloozen toestand wel honderdmalen
-een naam hooren uitspreken, die haar telkens als ze hem hoorde, deed rillen.
-</p>
-<p>Nu lag hij te bed, dien veertigsten dag, en hij gevoelde zich bijzonder wel, met een
-neiging om iets bepaalds te doen, en niet aanhoudend sufferig door de kamer te dwalen
-of gedachteloos in een luierstoel te liggen; hij keek de kamer rond, als iemand, die
-door iets verrast is, maar zelf niet weet waardoor; hij zag Marie de kamer binnenkomen
-en op ’n knaapje ’n kop thee neerzetten, met een paar eieren en ’n sneedje brood.
-</p>
-<p>Zij keek eens naar hem, en vroeg op stroeven toon, hoe het met hem was.
-</p>
-<p>Hij kon niet goed antwoord geven, maar streek met zijn hand over ’t voorhoofd, en
-verder door zijn haren. Van alles wat gebeurd was, teekende zich nu voor zijn geest
-een beeld, dat met elke seconde won in nauwkeurigheid; een gevoel van groote verwondering,
-dat elke andere opwelling beheerschte, kwam over hem en sprak uit den blik, waarmede
-hij Marie monsterde van ’t hoofd tot de voeten. En nogmaals streek hij zich met de
-hand over het hoofd.… Dat was Marie, zijn vrouw.… hij had altijd veel van haar gehouden,
-als zijn meisje, als zijn vrouw, als de moeder zijner kinderen.… hij hield nog heel
-veel van haar.… hij had nooit van een andere vrouw gehouden.… Betsy?.… niet onaardig,
-neen.… goed om ’n stukje muziek mee te maken of voor een niets zeggend complimentje.…
-maar anders.… niets, hoegenaamd niets!
-</p>
-<p>En om die Betsy had hij Marie willen verstooten, van haar willen separeeren, haar
-bitter gegriefd, beleedigd, mishandeld.…
-</p>
-<p>Marie was blijven staan bij het tafeltje, waarop ze zijn thee had neergezet, en ze
-zag, ook met verwondering, op zijn gezicht een uitdrukking, die er lang vreemd op
-geweest was: een van <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>helder bewustzijn. Zijn trekken hadden het uitgerekte wezenlooze niet meer; zijn oogen
-stonden helder; hij begon weer te gelijken op haar man van vroeger.
-</p>
-<p>En toen hij zich tot haar wendde, ontroerde zij van zijn ontroering.
-</p>
-<p>„Hoe is het mogelijk, hoe is het mogelijk?” zei hij met een diepen zucht. „Ben ik
-dan gek geweest?”
-</p>
-<p>De <span class="ex" lang="ms">goena-goena</span> had uitgewerkt.
-</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata" summary="Metadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>Goena-goena: Oorspronkelijke roman</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>Paulus Adrianus Daum (1850–1898)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/167261/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>1895</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Project Gutenberg:</b></td>
-<td><a href="https://www.gutenberg.org/ebooks/66666" class="seclink">66666</a></td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>QR-code:</b></td>
-<td colspan="2"><img src="images/qr66666.png" alt="QR-code van Project Gutenberg URL" width="148" height="148"></td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2021-08-30 Begonnen.
-</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
-<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links
-voor u niet werken.</p>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e157">4</a></td>
-<td class="width40 bottom">gij</td>
-<td class="width40 bottom">ga</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e180">5</a></td>
-<td class="width40 bottom">anderer</td>
-<td class="width40 bottom">andere</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e199">5</a></td>
-<td class="width40 bottom">ligt</td>
-<td class="width40 bottom">liggen</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e259">7</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3284">138</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4082">173</a></td>
-<td class="width40 bottom">jou</td>
-<td class="width40 bottom">jouw</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e266">8</a></td>
-<td class="width40 bottom">belangijke</td>
-<td class="width40 bottom">belangrijke</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e425">14</a></td>
-<td class="width40 bottom">lenggerekte</td>
-<td class="width40 bottom">langgerekte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e469">16</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3599">153</a></td>
-<td class="width40 bottom">”,</td>
-<td class="width40 bottom">,”</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e582">21</a></td>
-<td class="width40 bottom">fraaiïgheden</td>
-<td class="width40 bottom">fraaiigheden</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e610">23</a></td>
-<td class="width40 bottom">Prèdier</td>
-<td class="width40 bottom">Prédier</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e619">23</a></td>
-<td class="width40 bottom">vindt</td>
-<td class="width40 bottom">vind</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e928">36</a></td>
-<td class="width40 bottom">drlnken</td>
-<td class="width40 bottom">drinken</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e988">39</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4237">181</a></td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e992">39</a></td>
-<td class="width40 bottom">localisation</td>
-<td class="width40 bottom">Localisation</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e995">39</a></td>
-<td class="width40 bottom">morgen</td>
-<td class="width40 bottom">Morgen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e998">39</a></td>
-<td class="width40 bottom">herr</td>
-<td class="width40 bottom">Herr</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1130">44</a></td>
-<td class="width40 bottom">luminieus</td>
-<td class="width40 bottom">lumineus</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1243">49</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1948">80</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1992">83</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2225">90</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2250">94</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2559">109</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3588">152</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3881">164</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3958">167</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4130">177</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4244">181</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4266">181</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1271">51</a>, <a class="pageref" href="#xd31e1952">81</a>, <a class="pageref" href="#xd31e2692">116</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3538">151</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3960">167</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4418">186</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4707">202</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4720">203</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4783">206</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1335">53</a></td>
-<td class="width40 bottom">Boujour</td>
-<td class="width40 bottom">Bonjour</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1463">60</a></td>
-<td class="width40 bottom">famille</td>
-<td class="width40 bottom">familie</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1766">71</a></td>
-<td class="width40 bottom">karrretje</td>
-<td class="width40 bottom">karretje</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1913">79</a></td>
-<td class="width40 bottom">Predier</td>
-<td class="width40 bottom">Prédier</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1935">80</a></td>
-<td class="width40 bottom">.. </td>
-<td class="width40 bottom">…</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2316">97</a></td>
-<td class="width40 bottom">We</td>
-<td class="width40 bottom">we</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2328">97</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4484">191</a>, <a class="pageref" href="#xd31e5048">219</a></td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2507">107</a></td>
-<td class="width40 bottom">bedak</td>
-<td class="width40 bottom">bedaq</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2579">110</a></td>
-<td class="width40 bottom">temp</td>
-<td class="width40 bottom">temps</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2604">111</a></td>
-<td class="width40 bottom">coût qui coût</td>
-<td class="width40 bottom">coûte que coûte</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2689">116</a></td>
-<td class="width40 bottom">nauwlijks</td>
-<td class="width40 bottom">nauwelijks</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2710">116</a></td>
-<td class="width40 bottom">’</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2771">118</a></td>
-<td class="width40 bottom">wipje</td>
-<td class="width40 bottom">wip je</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2780">118</a></td>
-<td class="width40 bottom">gaba</td>
-<td class="width40 bottom">gabah</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3083">130</a></td>
-<td class="width40 bottom">vau</td>
-<td class="width40 bottom">van</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3092">131</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4818">208</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3186">135</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3274">137</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4251">181</a></td>
-<td class="width40 bottom">havana</td>
-<td class="width40 bottom">havanna</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3620">154</a></td>
-<td class="width40 bottom">anwoordde</td>
-<td class="width40 bottom">antwoordde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e3815">162</a>, <a class="pageref" href="#xd31e3845">163</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4006">170</a></td>
-<td class="width40 bottom">tiemara’s</td>
-<td class="width40 bottom">tjemara’s</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4102">174</a></td>
-<td class="width40 bottom">groett’en</td>
-<td class="width40 bottom">groetten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4159">179</a></td>
-<td class="width40 bottom">halfelf</td>
-<td class="width40 bottom">half elf</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4170">179</a></td>
-<td class="width40 bottom">onmogeiijk</td>
-<td class="width40 bottom">onmogelijk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4185">179</a></td>
-<td class="width40 bottom">van ochtend</td>
-<td class="width40 bottom">vanochtend</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4217">180</a></td>
-<td class="width40 bottom">corvee</td>
-<td class="width40 bottom">corvée</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4351">184</a></td>
-<td class="width40 bottom">hadt</td>
-<td class="width40 bottom">had</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4467">189</a></td>
-<td class="width40 bottom">ur-woud</td>
-<td class="width40 bottom">oerwoud</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4515">192</a></td>
-<td class="width40 bottom">.,.</td>
-<td class="width40 bottom">…</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4581">196</a>, <a class="pageref" href="#xd31e4824">208</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4769">206</a></td>
-<td class="width40 bottom">obscoen</td>
-<td class="width40 bottom">obsceen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4841">209</a></td>
-<td class="width40 bottom">ledekant</td>
-<td class="width40 bottom">ledikant</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4884">210</a></td>
-<td class="width40 bottom">mmers</td>
-<td class="width40 bottom">immers</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e4911">212</a></td>
-<td class="width40 bottom">Idereen</td>
-<td class="width40 bottom">Iedereen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GOENA-GOENA ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br>
-<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br>
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
-
-</body>
-</html>
diff --git a/old/66666-h/images/new-cover.jpg b/old/66666-h/images/new-cover.jpg
deleted file mode 100644
index 1585f80..0000000
--- a/old/66666-h/images/new-cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66666-h/images/qr66666.png b/old/66666-h/images/qr66666.png
deleted file mode 100644
index 2bea12a..0000000
--- a/old/66666-h/images/qr66666.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/66666-h/images/titlepage.png b/old/66666-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index 7579f34..0000000
--- a/old/66666-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ