summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/67159-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/67159-0.txt')
-rw-r--r--old/67159-0.txt2758
1 files changed, 0 insertions, 2758 deletions
diff --git a/old/67159-0.txt b/old/67159-0.txt
deleted file mode 100644
index d43c2e8..0000000
--- a/old/67159-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,2758 +0,0 @@
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 67159 ***
-
-
-
-
-
- LENTE
-
- DOOR
-
- JAC. P. THIJSSE
-
- GEÏLLUSTREERD MET PLAATJES NAAR
- TEEKENINGEN VAN L. W. R. WENCKEBACH,
- JAN VAN OORT EN JAN VOERMAN Jr.
-
-
- 1906
-
- BAKKERIJ „DE RUIJTER”
- DER FIRMA VERKADE & COMP.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Het was op een voorjaarsavond, gezellig tegenover elkander zittende,
-dat wij aan den praat raakten over ons album No. 3, dat toen pas was
-uitgekomen en in slechts enkele weken zijne bestemming gevonden had
-door gansch het land.—Zoo’n album met de plaatjes, teksten, en alles
-wat er aan vast is, kost veel tijd van voorbereiding; heel een
-organisatie van teekenaars, drukkers, binders en pakkers komt er bij te
-pas, en is het eenmaal verschenen, dan komt van zelf de vraag: „Wat nu?
-Hoe kunnen wij, geleerd door de ervaring van vorige uitgaven, een
-volgend jaar iets beters leveren, iets wat nog meer voldoet aan het
-doel, dat wij ons speciaal in de laatste jaren voor oogen stelden, n.l.
-om het geld, dat wij voor reklame uitgeven, zoo practisch en tevens zoo
-nuttig mogelijk te besteden?”
-
-En al pratende lokte het eene denkbeeld het andere uit. Eerstens wilden
-wij een beslist Nederlandsch werk leveren: plaatjes met Hollandsche
-voorstellingen, door landgenooten ontworpen, gereproduceerd en gedrukt,
-het album hier gemaakt, gedrukt en gebonden, het papier er voor van
-eene Nederlandsche firma.
-
-Dan wilden wij zoo gaarne, dat de plaatjes niet alleen de verzamellust
-der kinderen zouden bevredigen, maar ook dat ouders en anderen er
-vreugde van zouden kunnen hebben,—dat er voor allen wat uit te leeren
-zou zijn, wat hun lust tot opmerken zou prikkelen, hunne liefde voor de
-natuur zou vergrooten. En toen stond het plan ons spoedig geheel voor
-den geest: wij zouden eene vertelling trachten te geven van het jaar,
-van de verschillende jaargetijden, van bloemen, vogels, vlinders,
-kevers, die overal te vinden zijn in ons kleine land, doch die maar
-door enkelen worden gekend.
-
-Natuurlijk kwamen ons toen dadelijk in de gedachte de aardige boekjes
-van Heijmans en Thijsse: In Sloot en Plas, Hei en Dennen, enz. en de
-artikelen van Thijsse in het „Alg. Handelsblad”, en wij namen ons voor
-een dier heeren te vragen, of hij ons helpen wilde in ons streven, om
-het geld, dat wij nu eenmaal moeten uitgeven om aan onze producten die
-bekendheid te geven, die voor den bloei onzer zaken noodig is, nuttig
-te besteden, ten bate van eene breede schare van lezers en lezeressen,
-zoo oud als jong, in het belang van verbreiding van kennis onder hen en
-het aankweeken van liefde voor alles wat groeit en bloeit in onze zoo
-mooie natuur.
-
-Dus niet een album alleen, maar een boek, en ter illustreering van den
-tekst de plaatjes, die wij bij onze artikelen pakken. Een boek dat
-geïllustreerd zal zijn tegen dat de Lente opnieuw haar intrede doet.
-Een boek, dat een deel zou kunnen vormen van eene volgreeks: Lente,
-Zomer, Herfst en Winter, een boek geschreven door eenen scherpen
-waarnemer, versierd met oorspronkelijke en daarbij behoorende
-teekeningen, welke het bloempje en plantje of vogel en vlinder, zoo
-getrouw mogelijk weergeven.
-
-Wij waren in onzen schik met deze vondst, en togen aan den arbeid, of
-juister nog de heer Vlaanderen, die onze afdeeling reklame beheert. De
-heer Thijsse verklaarde zich bereid het boek te schrijven, de
-teekenaars Jan van Oort en L. W. R. Wenckebach te Amsterdam en Jan
-Voerman Jr. te Hattem namen het ontwerpen en teekenen der plaatjes op
-zich, terwijl de reproductie daarvan werd toevertrouwd aan de heeren
-Roeloffzen-Hübner & Van Santen, Amsterdam en den heer S. Bakker Jzn.,
-Koog a/d Zaan. De tekst werd gedrukt door de firma Mouton & Co., Den
-Haag, op papier, geleverd door de firma Van Gelder Zonen, Wormerveer;
-het binden geschiedde door de heeren Stokkink & Van Lith, Amsterdam.
-Wij noemen deze namen, omdat wij in het begin zeiden, dat het geheel
-een zuiver Nederlandsch werk zou vertegenwoordigen, en tevens om de
-heeren dank te brengen voor de goede zorgen, die zij aan een en ander
-hebben besteed.
-
-Eén vraag dringt zich thans aan ons op: zullen wij op den ingeslagen
-weg voortgaan, zullen wij spoedig na het uitkomen van dit album kunnen
-besluiten een volgend jaar een vervolg daarop te geven, getiteld
-„Zomer”? Dit hangt van U af, waarde lezer. Hoe spoediger wij weten, dat
-het boek „Lente” met de daarbij behoorende plaatjes U bevalt, hoe
-liever wij dit hebben, dan kunnen gedurende den zomer de bloemen,
-vogels en insecten uitsluitend naar de natuur worden geteekend, en ook
-voor den schrijver van den tekst heeft het veel waarde wanneer hij zoo
-vroeg mogelijk weet, of het vervolg op „Lente” verschijnen zal, ja dan
-neen. Wanneer gij derhalve plaatjes ter ruiling zendt, schrijft ons dan
-of gij met ons plan instemt.
-
-Wij besluiten met den wensch, dat „Lente” de kring van onze jeugdige
-vrienden zal vergrooten en de kennis en de liefde tot de natuur zal
-vermeerderen.
-
-
- Firma VERKADE & COMP.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-LENTE.
-
-
-Het is nog niet uitgemaakt, wie het eerst de Lente proclameert: de
-zanglijster, de sneeuwklokjes of de hazelaar. Het eene jaar komt de
-vogel het eerst met ’t nieuwtje, het andere jaar de heester of de
-bloem, maar in ieder geval weten zij het altijd eerder dan de menschen,
-die op den kalender afgaan, en meenen, dat de Lente den
-eenentwintigsten Maart haar intocht doet.
-
-Mij dunkt, ik hoor die zanglijster al lachen! „21 Maart, begin van de
-Lente? Maar dan zitten wij al lang in de zorgen! Neen hoor, de ware
-pret begint al, wanneer de dagen weer langer worden, zoo in het begin
-van Januari. Hoor maar eens, wat de andere vogels er van zeggen”.
-
-En waarlijk, daar gaat hij zitten in den hoogsten top van zijn
-geliefkoosden abeel of iep en roept ze alle op. Want de zanglijster is
-alle talen machtig en ’t kost hem niet de minste moeite, om in éen adem
-koolmees en pimpelmees, roodborst en huismusch, wulp en spreeuw toe te
-spreken, ieder in zijn eigen dialect.
-
-Uit pure vreugd en baldadigheid gooit hij daar nog allerlei geluiden
-tusschen in van eigen vinding: mooie loopjes en melodieën en
-afschuwelijke krijsch- en sisgeluiden, net als een kwajongen, die al
-tamelijk goed viool kan spelen, maar ’t niet kan laten, om zijn
-instrument van tijd tot tijd te gebruiken als speelgoed.
-
-Dag aan dag zit hij in denzelfden boom, dikwijls op denzelfden tak zijn
-blijdschap uit te galmen, eerst alleen in de morgenuren bij dooiweer,
-dan ook tegen zonsondergang en eindelijk heele dagen lang,
-onverschillig wat weer het is. Al hagelt, regent en sneeuwt het
-tegelijk, het hindert hem niet. Alleen wanneer er onverwacht weer eens
-een winterweekje komt en de grond hard bevriest, zoodat hij niets
-anders te eten kan vinden dan wat bevroren hulstbessen of onrijpe
-klimopvruchten, dan verstomt zijn lied en dan kan hij in een paar dagen
-geweldig afvallen, zoodat hij ten slotte niet meer is dan vel over
-been.
-
-Doch zoodra de thermometer boven nul staat, begint de vreugd opnieuw.
-Deze afwisseling van bitteren strijd en uitgelaten vreugde maken de
-eerste lenteweken tot den heerlijksten tijd van het jaar, vol pit,
-fermheid en blijdschap.
-
-Den eenen dag verdringen de musschen zich hongerig en haveloos om het
-voederbakje, den volgenden zitten ze onbezorgd en voldaan gezellig te
-sjielpen in de kale boomen. Wat ze elkander daar te verhalen hebben is
-een raadsel, maar zeker is het, dat de zon erbij betrokken is, want
-ieder straaltje vangen ze op tusschen de half opgerichte grijze veeren.
-En als de zon op ’t punt is onder te gaan, dan is hun gezelschap ’t
-grootst en het gesjielp op zijn luidruchtigst.
-
-Blijft het zonnige weer aanhouden, dan sleepen de musschen dra met
-vezels en strootjes en dat beteekent nesten bouwen. Die vogels hebben
-het onder de bescherming van onze huizen en daken al zoover gebracht,
-dat zij den winter soms totaal negeeren en kale jongen hebben met
-Nieuwejaar. Maar dat lijkt ons een afdwaling der natuur veroorzaakt
-door het stadsleven.
-
-Doch in Februari, dat is wat anders. Dan gaat de zanglijster ook al
-bouwen en de meezen ontbinden gaandeweg hun groote winterlegers en
-trekken bij kleine troepjes, ten slotte zelfs bij paren door het land.
-
-Wie de meezen voert met spekzwoord of soepbeentjes, vet in een notendop
-of een kokosnoot—alles opgehangen in de boomen—kan dat gemakkelijk
-waarnemen. In den winter komen heele troepen op ’t voer af. Niet, dat
-ze alle tegelijk eten, o neen, dat gaat bij beurten: de sterkste het
-eerst en dan wippen de andere ongeduldig door het hout onder het uiten
-van hun klokjesheldere loktonen. Het zijn meest koolmeezen, met zwarten
-kop en zwarte middenstreep over zwavelgele borst, maar ook komen er
-prachtige pimpelmeesjes bij met lichtblauwen schedel en donkerblauwen
-halskraag.
-
-En als nu de lente komt, dan worden de troepen in de boomen minder
-talrijk, maar er zitten er meer op het voeder; dikwijls twee op
-dezelfde kokosnoot of hetzelfde varkensribbetje. De een is wat grooter
-en mooier en forscher geteekend dan de andere, ’t is een mannetje, dat
-zijn wijfje vergunt mee te eten en dat van tijd tot tijd woedend
-opvliegt naar een derden vogel, die boven aan het touwtje zit te
-rukken. Bijna alle jonge vogelhuishoudens hebben last van zoo’n derde,
-zoo’n indringer, en ’t kost het mannetje heel wat ongerustheid en
-strijd, om hem ten slotte van de baan te krijgen.
-
-De pimpelmeesjes verschijnen eerder gepaard dan de koolmeezen. Dat
-hangt misschien samen met de omstandigheid, dat zij op ietwat
-vertrouwelijker voet staan met de menschen, want in den omgekeerden
-bloempot of de nestkastjes, die gij ter beschikking van de vogels
-stelt, zullen zich veel eerder pimpelmeesjes dan koolmeezen vestigen.
-Toch zijn er nog altijd drie kansen tegen één, dat er in plaats van
-pimpeltjes ringmusschen of spreeuwen in komen en de kansen voor
-roodstaartjes staan zoowat gelijk.
-
-Die meesjes beginnen nu ook hun lentelied te zingen, dat veel liever en
-vroolijker is, dan hun winterzang. Zoo gaat het ook met roodborst en
-winterkoning. Die hebben den heelen winter door gezongen, vorst of geen
-vorst, maar nu het lente wordt, zingen zij eens zoo mooi en eens zoo
-lang, het roodborstje hoog en fijn en aandoenlijk, de winterkoning
-dartel en blij met geraas en geschetter en trillers zonder eind.
-
-Hij is nog doller dan de zanglijster, want die zit ten minste nog stil
-op zijn tak.
-
-De winterkoning echter houdt het nergens langer uit dan een minuut,
-telkens verandert hij van plaats, altijd door zingend, zoodat hij
-eindelijk met zijn korte snorrende vleugeltjes gaat gelijken op een
-soort van muzikaal balspel. Ten slotte schijnt hij uitgeraasd te zijn,
-en dan sluipt de bruine dwerg tusschen de boomstronken door, om voedsel
-te zoeken of om bouwstoffen te vergaren voor een van de vele nesten,
-die hij onderhanden heeft.
-
-Daar ontmoet hij den zwarten lijster, die ook al met lentegedachten
-rondloopt en daardoor minder verdraagzaam is, dan een maand geleden,
-zoodat hij dat gedraai en gesnuffel van zoo’n winterkoning in zijn
-nabijheid niet hebben kan. Hij springt dus met zoo’n paar deftige
-lijstersprongetjes op den kleinen indringer los, deze slaat op de
-vlucht en begint in zijn agitatie natuurlijk weer van voren af aan te
-zingen. Want elke sterke gemoedsaandoening, al is het ook een
-onaangename, is voor hem en voor vele andere vogels de aanleiding tot
-een lied.
-
-De zwarte lijster koelt nu zijn woede op een arme aardworm, die hij
-onder de dorre bladeren gehoord had en laat de zucht hooren, waarvan de
-lijsters het monopolie hebben en dat eigenlijk een armzalig dun gefluit
-is. Waarom zou hij zuchten, die mooie zwartgerokte, goudgesnavelde
-merel? Wel, verleden week vochten drie bruine merelwijfjes om hèm, en
-nu moet hij weer dag aan dag met andere merelmannen vechten om de eene
-van de drie, die toen de baas en daardoor zijn wijfje geworden is.
-
-Dat veroorzaakt in de merelwereld al dat gejaag en geraas en geroep, al
-die onrust en onwaardige vechtpartijen, die men niet verwachten zou van
-een zoo edelen zanger. Hoe rein en rustig klinkt zijn lied ’s avonds
-uit de hooge boomen!
-
-Als de merel zingt, dan is het ook tijd, om naar bloemen uit te zien.
-Wel is waar hebben den heelen winter door madeliefje en kruiskruid,
-vogelmuur en paarse doovenetel hun bloempjes vertoond tusschen ijs en
-sneeuw, maar dat was toch niet het ware. Die bloempjes bleven klein en
-dicht bij den grond, weinig in aantal en zonder geur of fleur.
-
-Maar nu wordt het anders. De vogelmuur groeit uit en vertakt zich en
-waar met Kerstmis zich niet meer vertoonde dan een enkel bloempje
-tusschen een paar groene blaadjes, daar spreiden zich nu kussens uit
-van dicht sappig groen en als de zon schijnt, dan wordt dat groen
-overdekt en verborgen door duizenden bij duizenden tienpuntige
-sterretjes van het reinste wit, zoodat het plekje grond bedekt lijkt
-met een ijle sneeuwlaag. En de madeliefjes verheffen zich op hooger
-stelen. In den winter zijn ze altijd eenvoudig wit met geel, flets geel
-en slap wit. Maar nu ’t lente wordt, hebben ze warmer tinten van noode,
-het geel wordt dieper en nadert tot oranje en de randbloempjes krijgen
-een tipje rood. Hoe helderder voorjaarsweer, des te meer madeliefjes
-met roode randjes.
-
-Op dezelfde plaatsen als de vogelmuur bloeit het kruiskruid, het
-gemeene kruiskruid, zooals het in de boeken heet. Dat woordje gemeen
-heeft in de plantkunde een andere beteekenis dan in het dagelijksch
-leven, het is eigenlijk een afkorting van „algemeen” en er zit dus
-heelemaal geen kwaad bij. In dit geval echter kunnen wij haast niet
-nalaten, met eenige minachting aan het plantje te denken, het is zoo
-gewoon en zoo min, het staat altijd op verwaarloosde plekjes en heeft
-in vorm en kleur en levenswijs weinig, dat bij den oppervlakkigen
-beschouwer bewondering wekt of aandacht trekt. Een echt versmaad,
-nederig onkruid.
-
-Even nederig en bijna altijd over het hoofd gezien is een ander
-bloempje, dat dikwijls reeds in November bloeit, den heelen winter
-zonder schade door alle wisseling van vorst en dooi blijft groeien en
-nu in de lachende voorjaarszon zijn gansche levenskracht ontwikkelt.
-Het is het hongerbloempje, een nietig plantje, bestaande uit een
-rozetje van groene blaadjes vlak op den grond, waaruit een dunne
-vertakte bloemstengel verrijst. De bloempjes zijn kleine kruisbloempjes
-met gespleten kroonblaadjes, zoodat er in plaats van vier acht schijnen
-te zijn.
-
-Maar op de zandgronden en in sommige parken en tuinen groeien deze
-kleine plantjes dicht opeen bij honderden en duizenden. In den
-voormiddag gaan bij zonnig weer de bloempjes wijd open. De dunne
-steeltjes, die ze dragen, zijn nauwelijks zichtbaar en zoo schijnt er
-dan een witte sluier te zweven boven de groenende duinhelling.
-
-Het hongerbloempje heet ook wel voorjaarsvroegeling en dat is eigenlijk
-een veel aardiger naam. Want dit dappere plantje wekt maar zelden
-gedachte aan honger en gebrek. Integendeel, de bloempjes bevatten flink
-ontwikkelde honingklieren en verschaffen overvloedig voedsel aan
-vliegen en bijen en vroege voorjaarsvlinders.
-
-Er zijn ook vlinders van den winter, vreemde, geheimzinnige dieren,
-maar de echte vlinder van het voorjaar is het bont gekleurde Kleine
-Vosje. Die heeft ook een fijn lentegevoel en komt uit zijn schuilhoek
-wel te voorschijn, nog voor de zanglijster zingt. Dikwijls moet hij dan
-smadelijk den terugtocht blazen, maar als de merel gaat zingen, dan
-staan zijn kansen al beter en dan is hij er ook zeker van, dat hij op
-de bloemen van het Klein Hoefblad smakelijk zijn bekomst kan eten.
-
-Met het Sneeuwklokje is het Klein Hoefblad eigenlijk de eerste echte
-voorjaarsbloem, want vogelmuur, madelief, kruiskruid, doovenetel en
-voorjaarsvroegeling zijn te beschouwen als overwinteraars.
-
-Het sneeuwklokje komt ook wel reeds in December uit den grond kijken,
-maar houdt zijn blaadjes en bloemen nog lang in de beschermende scheede
-besloten. Eind Januari of in ’t begin van Februari komt op zonnige
-plekjes een enkel bloempje uit het hulsel te voorschijn, maar het opent
-zich nog niet. Als een groote, bevroren witte droppel blijft het hangen
-en eerst na eenige dagen spreiden in de warme Februari-zon de buitenste
-dekblaadjes zich uit en de groengestreepte binnenste bloemblaadjes
-bieden aan de hongerige bijen hun honingvoorraad aan.
-
-Weken lang duren die bloempjes. Als ze zich openen, ligt het ijs nog in
-de slooten en is de zanglijster nauwelijks begonnen te zingen. Wanneer
-zij verwelken, heeft de kieviet al eieren en zien wij de komst van de
-zwaluwen tegemoet. Al dien tijd staan ze frisch en ongeschonden te
-bloeien, ongedeerd door storm of vorst, onaangeroerd door de vraatzieke
-slakken of door het nog vraatzuchtiger konijn. Geen wonder, dat deze
-plant de lieveling is van allen en dat is wel de oorzaak ervan, dat we
-ze zoo weinig in ’t wild vinden.
-
-Overal waar ze groeien, worden ze uitgegraven en meegenomen naar
-tuintjes en parken en daar komen ze ieder jaar in steeds toenemend
-aantal weer te voorschijn. Daarbij moeten ze zich het gezelschap laten
-welgevallen van uitheemsche sneeuwklokjes-soorten en, wat erger is, van
-„dubbele” sneeuwklokjes.
-
-Zooeven noemde ik tegelijk met het sneeuwklokje het Klein Hoefblad als
-eerste voorjaarsplant. Dit groeit in en om steden en langs de wegen
-overvloedig genoeg, maar in sommige streken van ons land komt het
-weinig of niet voor, en ’t is dus geen wonder, dat enkele menschen het
-niet kennen.
-
-Nu dan, een goede kennis van me, een echt liefhebber van bloemen en
-vogels, maar volstrekt geen plantkundige, kwam op een mooien
-Februari-dag opgetogen thuis met zijn kleeren vol slik en zijn handen
-vol bloed en een sigarenkistje, dat hij bij wildvreemde menschen
-geleend had, vol pollen van een alleraardigst bloempje, die hij met
-groote zorg en liefde in zijn tuin plantte. Het was het kleine
-hoefblad.
-
-Nu is dat werkelijk een heel mooi bloempje. Het hoofdje zit op den
-dikken, beschubden stengel en als de zon schijnt, dan gaan de fijne
-straalbloempjes wijd uitstaan, als de stralen van een zonnetje, het
-gele hartje komt dan te zien en zelfs een volkomen oningewijde kan dan
-merken, dat het bestaat uit een aantal bekervormige kleine bloempjes.
-Het blijkt ook, dat ieder straaltje van het zonnetje een bloempje is
-met een echten stamper er in, die later een mooi gepluimd vruchtje
-oplevert.
-
-Bij koud en donker weer gaan de hoofdjes dicht, maar als de zon
-straalt, dan straalt het kleine hoefblad ook, dan lijkt het zich uit
-te rekken in de lekkere warmte en vlinders en bijen komen zich
-verlustigen op de mooie bloem.
-
-Mijn vriend was er wat mee in zijn schik en zijn vrouw ook en ze waren
-zoo edelmoedig, aan een belangstellend buurman ook een paar polletjes
-cadeau te doen.
-
-Na eenige weken raakten de bloempjes uitgebloeid, en de pluizige
-vruchthoofdjes verwaaiden. Ook kwamen er mooie witte hoefvormige
-blaadjes te voorschijn, die in ’t eerst volstrekt niet in den tuin
-misstonden. Maar in den loop van den zomer werden ze toch wel wat groot
-en grof. En op andere plekken in den tuin kwamen ook al van die
-blaadjes te voorschijn. In alle perken vertoonden zich bovendien kleine
-kiemplantjes, die ook al spoedig hoefvormige blaadjes vormden en
-moeilijk te wieden waren. Eindelijk werd het een heele misère, het
-mooie plantje bleek een allerlastigst, bijna onverdelgbaar onkruid te
-zijn, dat uiterst snel en gemakkelijk opkomt uit zaad en zich even
-gemakkelijk voortplant door onderaardsche uitloopers, zoodat het omhoog
-en omlaag bestreden moet worden.
-
-Voor den tuin is het dus niet geschikt, op den akker is het te vreezen,
-maar langs dijken en wegen en op braakliggend terrein is het een
-welkome lentebode, een prachtig plantje, een toevlucht voor vlinders,
-vliegen en bijen. Maar in de poëzie heeft het zich geen plaats naast
-het sneeuwklokje weten te verwerven.
-
-Men plant de sneeuwklokjes meestal in het gras, maar eigenlijk behooren
-ze thuis in ’t kreupelhout en mooier, rijker lentetafereel is er wel
-niet denkbaar dan bloeiende sneeuwklokjes onder bloeiende hazelaars.
-
-De afgevallen hazelaarbladeren, die gedurende den winter de opkomende
-spruitjes van het sneeuwklokje bedekten, vergaan in het voorjaar
-spoedig tot zwarte boschaarde, zoodat de witte sneeuwklokjes bij het
-ontluiken een mooien donkeren achtergrond hebben, een bodem, die door
-de zon gemakkelijk verwarmd wordt. Ook de lenige twijgen van den
-hazelaar zelf zijn donker van tint, opgevroolijkt door tallooze lichte
-stipjes.
-
-En nu ontplooien zich tegelijk met de sneeuwklokjes aan die donkere
-takken de teere zwavelgele bloeikatjes. Den heelen winter door waren ze
-als stijve cilindertjes reeds aan de takken te zien, maar nu rekken ze
-zich tot fijne franje, die roerloos neerhangt op windstille plekken
-onder beschutting van het hooge duin of de dichte bosschen. Duizenden
-bij duizenden hangen er aan de twijgen en waar deze zich aan
-hoogopgeschoten stammen horizontaal vertakken, loopt ge onder een
-troonhemel van goud.
-
-Ook ontbreekt het koninklijk purpur niet. Overal tusschen de bungelende
-katjes vertoonen zich groene knoppen vlak op den tak en vele daarvan
-dragen een prachtig purperen pluimpje. Dat zijn de stamperbloemen; in
-den herfst worden dat de mooie vruchten, de groenachtig bruine
-hazelnoten in hun krulkraag van wazig groen. Weken lang duurt deze
-bloesempraal, schooner dan de bloei van menigeen van de uitheemsche
-heesters, die onzen hazelaar uit parken en tuinen hebben verdrongen.
-
-Als eenmaal de hazelaar zijn katjes laat bungelen, dan volgen snel
-andere heesters en boomen. Het eerst komt de els, de watervriend. Zijn
-meeldraadkatjes zijn langer dan die van den hazelaar en dieper geel,
-soms rossig en bruin. Ze zijn ook talrijker en hangen dichter opeen,
-zoodat de bloeiende els door zijn bloesem geheel verborgen wordt.
-
-Er zijn sommige streken in ons land, waar bijna niets dan elzen
-groeien, en daar zijn in Maart wegzoom en waterkant en weidebosch
-omlijst en bedekt met warmgele sluiers. De stamperbloemen zitten aan
-dezelfde takjes als de meeldraadbloemen, maar ze zijn kleiner en vallen
-minder in ’t oog, al blijken ze ook bij nader toezien uitgerust te zijn
-met mooie donkerroode stempels en stijlen.
-
-En heel donker rosachtig bruin wordt het elzenbosch waar het gekapt is.
-De versch afgekapte stronken staan fel gekleurd tusschen het
-uitgebleekte wintergras.
-
-Voor ons openbaart de lente zich niet alleen in vogelzang,
-bloemenschoon en vlinderpraal, maar ook in de hernieuwde werkzaamheid
-van den mensch in veld en bosch, van mestrijden af tot houtkappen toe.
-Het lijkt een alleraardigste bezigheid, dat houtkappen en ’t is geen
-wonder, dat de houthakker al van ouds een van de lievelingsfiguren uit
-de poëzie is geweest. Wel is waar maakt de vertelling hem wel altijd
-arm, maar in negen van de tien gevallen is hij toch gelukkig en
-tevreden en in het tiende geval beleven op het minst zijn kinderen nog
-altijd hoogst merkwaardige en pleizierige dingen.
-
-Flinke handenarbeid in de open lucht, nu eens in een vroolijk zonnetje,
-dan weer onder een stemmigen sneeuwhemel is werkelijk een kostelijk
-iets. Het dichte kreupelhout geeft een goede beschutting tegen den
-wind. En alle vogels uit de buurt komen kijken naar den blauwkiel en
-zingen hem toe, als wilden ze hem danken voor de prachtige
-takkeboshoopen, die hij opwerpt en waartusschen zij zich zoo heerlijk
-kunnen verschuilen.
-
-De winterkoning kan niet wachten en kruipt nu al tusschen de takken
-door en de roodborst komt vlak bij den arbeider trippelen en als deze
-op een takkebos gaat zitten, om uit zijn bonten stukkezak de ferme
-boterhammen te eten, dan zet de roodborst zich op den bijlsteel en
-zingt het Fransche liedje dat Madame Michelet hem geleerd heeft: „Je
-suis le compagnon du pauvre bûcheron”.
-
-Dan gaat de man weer aan ’t werk en onder zijn bijl komen weer te
-voorschijn de roodbruine stompen van de elzen, de geelachtige van eik
-en beuk, de meelwitte van de esschen. De meidoorns en abeelen laat hij
-staan, de eerste, omdat er toch geen behoorlijke paaltjes en
-takkebossen van gemaakt kunnen worden, de laatste omdat ze snel kunnen
-opgroeien tot groote dikke boomen. Ze beginnen nu ook al in bloei te
-komen.
-
-De abeel hangt zich vol met gele en roode katjes van grover bouw. Ze
-moeten wat kunnen verdragen, want deze mooie boom, die nog veel te
-weinig gewaardeerd wordt, groeit dapper en wel zelfs op westhellingen
-van de duinen, waar hij de hevigste aanvallen van den boomverdelgenden
-zeewind te doorstaan heeft.
-
-Des te meer verheugt de waterwilg zich in de gunst en belangstelling
-der voorjaarswandelaars. Den heelen winter prijkt hij reeds met dikke
-knoppen, die vroeg in ’t jaar openbarsten en den gladden zilveren
-katjes een kijkje naar buiten gunnen. Maar dat is nog geen bloei. Dagen
-lang is er geen verandering te bespeuren, maar dan gaan die katjes
-zwellen en groeien; gele helmknopjes of bleekgroene stempellobben
-worden zichtbaar tusschen het zilveren pluis.
-
-Dan strekken zich opeens de meeldraden en nu is ieder katje een
-stralende bol van wit en goud. De stamperkatjes zijn niet zoo
-schitterend, maar ook heel mooi; meer groen dan geel, maar toch nog wel
-zoo helder van tint, dat een bloeiende vrouwelijke waterwilg nog wel
-een kilometer ver te zien is. Hoe heerlijk is het, op een duin te staan
-en in alle valleien die gouden en groene heesters te zien schitteren,
-of de lange versierde twijgen te zien wuiven langs de raampjes van den
-voorbijsnellenden spoortrein.
-
-Maar beter nog is het, er vlak bij te staan en het lenteleven aan die
-bloesems te bewonderen. De lucht is blauw en de zon straalt, zooals zij
-dat alleen in ’t voorjaar doen kan. De grond is merkbaar warmer dan de
-lucht, op vochtige plekken stijgen dampwolken omhoog, een zichtbare
-getuigenis van de krachtige werking der zonnestralen. En ’t is, of je
-den grond ziet leven, overal komen kiemplantjes en groeipieken te
-voorschijn en ’t wriemelt overal van klein gedierte, van vliegjes en
-mugjes met parelmoeren vleugels, torren in brons en goud en kleine
-wantsjes met kleurige harlekijnpakjes.
-
-In de katjes van de wilgen is het een onophoudelijk gegons en gebrom
-van insecten, die er komen om honing en stuifmeel. ’t Zijn meest de
-gewone kleine bruine honigbijen, maar ook groote kleurige hommels:
-aardhommels, zwart met wit met twee gele strepen, tuinhommels met drie
-gele strepen, steenhommels met rood achterlijf, akkerhommels met bruin
-fluweelen borststuk, allemaal groote beesten, die driftig neerbonzen op
-de bloemen, vlug hun bekomst nemen en dan luid gonzend verder vliegen.
-
-Die honigbijen hebben den winter doorgebracht in de warme korven of
-kasten, maar waar hebben die mooie hommels gezeten?
-
-Het antwoord op deze vraag vindt ge door op een zonnigen Februarimorgen
-de bloembedden in den tuin af te dekken. Reeds worden de vochtige dorre
-bladeren omhoog getild door hyacinthen en narcissen die uit den grond
-opschieten en crocusjes en tulpen boren er met spitse pieken doorheen.
-
-Ook in het bosch kunt ge deze beide manieren bewonderen, waarop de
-voorjaarsplanten zich bevrijden van de dekkende bladerlaag. Sommige
-beuren met vereende krachten dikke plakken bladeren omhoog, zoodat de
-voorjaarswind er onder kan komen, om ze op te drogen en weg te vegen,
-andere boren met scherpe punten er door heen, bijten er wellicht gaten
-in, en ontplooien dan hun bladeren en bloemen. Tot de eerste groep
-behooren de leverbloempjes, de winter-aconietjes en de bosch-anemonen,
-tot de tweede de helmbloem en de aäronskelk. Ook zijn er, die ’t op
-beide manieren probeeren, zooals de vogelmelk.
-
-De leverbloempjes, aconieten en anemoontjes leggen dat zeer listig aan.
-Zij komen gebukt uit den grond, de hoofdjes, het bloempje met
-beschuttende blaadjes eromheen, neergebogen, zoodat die den bladerlast
-niet onmiddellijk te dragen krijgen. Eerst als de vrijheid gewonnen is,
-dan strekken zij zich uit, richten zich op en openen de mooie
-bloempjes, hemelsblauw, goudgeel of spierwit.
-
-Het eerst komen de aconietjes te voorschijn, tegelijk met de
-sneeuwklokjes. Ge zoudt ze eerst voor boterbloemen houden, maar aan de
-breede groene franjekraag om de bloem en de mooie, groene
-honigbekertjes erin zijn ze dadelijk te onderscheiden. Ze behooren in
-alle heesterperken en boschjes aangeplant te worden evenals de
-leverbloempjes of hepatica’s, waarvan de prachtige hemelsblauwe
-bloempjes een aardige afwisseling geven met het geel en wit, dat de
-meeste voorjaarsbloemen kenmerkt.
-
-En de anemoontjes! Gelukkig groeien zij nog in het wild in menig bosch
-en park van ons land en dat zal er niet minder op worden, nu tegen dom
-en onnadenkend plukken en uitgraven van mooie wilde bloemen in school
-en huis even sterk wordt opgetreden als tegen het verstoren van
-vogelnesten en het onnoodig vangen van insecten.
-
-Het is in ’t laatst van Maart, wanneer de anemoontjes goed beginnen te
-bloeien en dat is dan het glanspunt van de vroege lente. Sneeuwklokjes,
-hazelaar, helmbloem en gele sleutelbloemen bloeien nog en daarbij komen
-nu de anemonen en de bosch-klaverzuring, de gevoeligste van alle
-boschplantjes, een echte veeleischende schoone.
-
-Is het te koud of te warm, te droog of te nat, te licht of te duister,
-dicht gaan de klaverblaadjes en omlaag gaan de fijne bloemkelkjes. Maar
-als het weer zoo juist van pas is, zoo, dat iedereen roept over den
-heerlijken lentedag, dan worden de mooie frissche groene blaadjes
-uitgespreid en op lange, malsche steeltjes komen de witte, roodgeaderde
-bloempjes in groot aantal te voorschijn.
-
-Wat een liefelijke kleuren en vormen sieren dan den boschbodem! Hier
-het frissche groen en het teer rose aan de klaverzuring, ginds de
-sierlijk ingesneden donkergroene blaadjes van de anemonen met de witte
-bloempjes wijd open of de jongere nog half dicht, zoodat het wijnrood
-van de achterzijde der kelkblaadjes u tegenblinkt. En overal het dichte
-mostapijt, grillige vormen van grijze korstmossen en blaadjes en takjes
-en boompjes van bladmossen met urntjes en doosjes van allerlei vorm en
-stand op lange stelen en korte stelen, hier in rijen en colonnes dicht
-opeen, daar in groepen van vijf of zes, ontspringend uit het midden van
-een enkel bladrozet. De mosblaadjes zelve, nu eens fijn verdeeld als de
-fijnste kant, dan weer kort en stug en dicht opeen als takjes van een
-thujaboom, of breed en groot met spitse punten en doorschijnende
-kanten.
-
-Mos op den bodem en mos tegen de stammen, tegen de eiken, die nog niets
-van de lente willen weten en hun bruine knoppen dicht gesloten houden,
-maar ook tegen de larixen, die volop meedoen aan het voorjaarsfeest en
-hun dunne twijgen versierd hebben met risten van de allerschoonste
-purperen en gouden bloesems.
-
-De larix is wel de sierlijkste naaldboom, die in ons land groeit.
-Eigenlijk is hij geen inlander, hij is aangeplant. De boschkweekers
-zijn niet al te best over hem te spreken, omdat hij nog al eens last
-heeft van insectenvraat en zwamziekte, maar dat mag ons er toch niet
-van weerhouden, om hem als sierboom overal aan te planten.
-
-Hij vereenigt het statige van den spar met het bevallige van den berk:
-langs den trotschen kegelvormigen kroon hangen lange fijne twijgen
-luchtigjes neer. In het najaar vallen alle naalden af en zoo staat de
-boom dan ’s winters kaal, alleen met blauwig grijs korstmos langs de
-takken en over de dikke knoppen. Deze bersten vroeg in ’t voorjaar
-open, dan is de heele boom fijn bespikkeld met groen en daartusschen
-komen dan de heerlijke bloesems te voorschijn.
-
-Op de zonnige zandpaden koesteren zich de bonte vlinders: het gele
-citroentje, een enkele atalanta met haar rood ordelint, de dagpauwoog
-met zijn vier bonte vlekken en de koningsmantel, donkerpurper met goud
-gezoomd. Den heelen winter door hebben ze verborgen gezeten in hoeken
-en gaten, verstijfd, verdoofd en die prachtige schoenlappers leken toen
-niet meer dan lapjes vuil, want ze zitten met de vleugels opgeklapt,
-zoodat alleen de dof gekleurde onderzijde en niet de bonte bovenkant te
-zien is. Maar nu is alle leed geleden, en zooals ze nu zitten in de
-zonneplekken op den boschgrond, lijken ze een nieuw soort van zeer
-bijzondere lentebloemen.
-
-Allerlei gedierte komt nu uit den grond te voorschijn. Je kunt geen
-moskluit optillen, geen bladerhoop wegruimen, of daar zit een nog loome
-wespen- of hommelkoningin, een dikke rups of een heel klompje kevers,
-die ondanks hun koude bloed toch bij elkaar gekropen zijn, om het
-gedurende den winter niet al te koud te krijgen. En dat alles wordt nu
-wakker, rekt zich en poetst zich en gaat aan den arbeid: nesten bouwen,
-honig zamelen, eieren leggen, jongen verzorgen, bladeren beknagen,
-prooi verdelgen en elkander bekampen, waar ze elkaar in den weg zijn.
-
-Maar in de eerste dagen loopen ze niet te hard van stapel, want nog
-iederen dag kan de winter weerkomen en de zon, die opkomt met vogelzang
-en ’s morgens nog bloemenkleuren, bloemengeur, vlinders en vliegen te
-voorschijn roept, kan ’s avonds bloedrood ondergaan achter het
-besneeuwde dennenbosch. Doch ieder keer, als de zoelte weer overwonnen
-heeft en het sneeuwkleed is verdwenen, dan blijken de krachten in den
-grond hun werk niet te hebben gestaakt en er zijn weer nieuwe dingen te
-voorschijn gekomen.
-
-Hier zijn het dicht opeen de groeipieken van de lelietjes van dalen,
-ginds de donkerder en dikker spitsen van de aronskelk, elders
-spiraalvormig gekromde varenveeren, dikke punten van salomonszegel of
-die merkwaardige voorjaarspaddestoelen, de heerlijke morieljes. Op
-korten dikken steel dragen ze een kop zoo groot als een vuist of
-grooter nog en die is versierd met vakjes en richeltjes zoodat hij doet
-denken aan lekkere wafeltjes, waarvan hij ook den warm bruinen tint
-vertoont.
-
-En als dan een dikke wijngaardslak, die ook pas het winterdeksel van
-zijn schelp heeft afgewipt, met welbehagen aan dat broze goedje zit te
-knabbelen, dan is dat een stilleventje van een smulpartij, dat bij al
-het lentemoois volkomen op zijn plaats is.
-
-De vogelzang wordt hoe langer hoe indrukwekkender. De zanglijster zingt
-nu den heelen dag, nu eens hoog in de boomen, dan weer op den grond, ja
-soms zingt hij onder het loopen, zoo blij is hij. Ook de winterkoning
-weet zich niet te bergen van de pret, hij huppelt en danst over
-stronken en palen en snort schetterend van den eenen tak op den
-anderen. De meezen schetteren en schateren, klingelen en fluiten,
-roepen en tieren. En boven, alles uit klinkt de krachtige vinkenslag,
-het helderste, sterkste, vroolijkste geluid van de vroege lente.
-
-Van alle montere vogels is de vink wel de meest opgewekte. Wij zien hem
-met welgevallen om zijn lustigen slag, zijn opgewekten lokroep, zijn
-prachtig mooie kleuren, zijn aardige bewegingen, hetzij hij in dansende
-vlucht door de lucht schokt, of met vlugge passen trippelt over den
-boschbodem, zoekend naar de laatste nog niet ontkiemde beukenootjes.
-
-Wanneer hij die niet vinden kan, dan gaat hij naar den akker en pikt
-daar allerhande zaad op, of hij brengt een bezoek aan de bessentuinen
-en vreet al de lekkere dikke knoppen van de bessenboompjes.
-
-Hoog in de toppen van de boomen zit de groene specht te schreeuwen; ’t
-is een luide, ruwe schaterlach, dien hij laat hooren. Wanneer hij van
-standplaats verwisselt, vliegt hij door de lucht in groote bogen,
-telkens met snelle wiekslagen eventjes rijzend en met beweginglooze
-vleugels omlaag zwevend. Alle spechten vliegen zoo.
-
-Ofschoon deze groene specht in zijn lentevreugd klimt tot in de hoogste
-twijgen van eeuwenoude eiken, is toch de grond zijn arbeidsveld, want
-hij houdt zich voornamelijk bezig met de mierenjacht en zoo staat hij
-dan wel eens midden in de wei de grazige mierenheuvels uiteen te
-hakken, om de lekkere poppen, de miereneieren, te bemachtigen.
-
-De bonte specht komt weinig op den grond. Die klautert altijd tegen de
-stammen, tikkend en borend en hakkend of hij plukt zich een
-dennenappel, zet hem vast in een takvork en klooft de schubben, om de
-geurige harsige zaden te krijgen. Dag in dag uit werkt hij op hetzelfde
-plekje; de grond onder den boom is bezaaid met afgekloven pijnappels.
-
-Hij roept of lacht nooit, die bonte specht, maar als hij plezier in
-zijn leven heeft of opgewonden raakt, dan slaat hij aan het trommelen.
-Hij zoekt aan een boom een dorren tak van een bepaalde dikte en grootte
-en ratelt daartegen met zijn stevigen snavel, tot de tak gaat
-meetrillen en een luiden roffeltoon voortbrengt, die ver in ’t rond
-gehoord wordt. Zoo heeft dan het bosch-orkest ook zijn trommelman.
-
-Maar de dolste pretmaker, dat is toch eigenlijk de boomklever of
-blauwspecht, een vreemd gevormd vogeltje met een veel te langen snavel
-en een veel te zwakke staart. Doch dat deert hem niet, hij loopt
-evengoed of nog beter dan de spechten tegen de boomen op. Hij kan zelfs
-langs de stammen naar omlaag loopen en dat niet angstig voetje voor
-voetje, maar in razende vaart en langs de grilligste wegen. Daarbij
-schreeuwt hij zonder ophouden; nu eens luid en schel: „piet, piet,
-piet, o piet” dan weer „waddele watsj wobbelewop, twatj, twatj, twatj”
-en allerlei van die geluiden, die herinneren aan ’t blazen van zeepsop
-of het borrelen en bruisen van een klein watervalletje.
-
-
-
-De stedeling krijgt van het lente-ontwaken in het bosch niet veel te
-zien, hij moet zich vergenoegen met het park en daar valt ook werkelijk
-genoeg te genieten.
-
-Of is het niet heerlijk, reeds op de eerste warme Februari-dagen de
-kleine heestertjes bespikkeld te zien met groene knopjes, die dagelijks
-grooter worden? En terwijl het ijs nog in de vijvers ligt, bloeien de
-elzen reeds langs den oeverzoom. In gazons en bedden komen de
-winteraconietjes, de blauwe scilla’s en de bonte crocussen te
-voorschijn en in de warme middagzon werken daarin de alomtegenwoordige
-honigbijen.
-
-Al die bloempjes, scilla, crocus, aconiet zijn op hun mooist, juist
-voòr ze opengaan, vooral de crocussen komen dan zoo heerlijk frisch uit
-de lichte vliezige bloeischeden te voorschijn, hier zuiver wit, ginds
-donkerblauw, daar paarsgestreept, en vooral ook niet te vergeten de
-vroege gele, die een aparte soort vormen.
-
-Jammer, dat de musschen in te groot aantal de steden bewonen en
-daardoor voor hun onderhoud zelfs hun toevlucht moeten nemen tot de
-malsche voorjaarsbloemen; ze vreten heele randen en perken van
-crocusjes in een dag kaal.
-
-Nog voor de crocus bloeit, is de kornoelje begonnen, een heestertje,
-dat in onze bosschen zelden in ’t wild voorkomt, maar gelukkig des te
-meer in parken en plantsoenen wordt aangeplant. De gele bloemknoppen,
-paarsgewijs aan de dunne twijgjes gezeten, waren reeds midden in den
-winter gemakkelijk te herkennen. Nu gaan ze zwellen, en uitzetten,
-eindelijk openen ze zich en dan komt er een groepje goudgele bloempjes
-te voorschijn, zoo zuiver en fijn, dat ze in de barre Maartsche vlagen
-in ’t geheel niet op hun plaats lijken.
-
-Toch kunnen ze die vlagen heel goed doorstaan, ze sluiten de gouden
-bloempjes, halen, als ’t nog kan, de gele schutblaadjes er weer om heen
-en dulden zoo den storm, tot weer de warme zon gaat schijnen. En dan is
-ook in eens het heestertje weer van boven tot beneden met blinkende
-sterretjes besprenkeld.
-
-Als eenmaal de kornoelje begonnen is, dan volgen snel achter elkaar de
-andere heesters, die uit alle oorden van de wereld hier vereenigd zijn:
-de vroege pruimpjes, met bruinroode knoppen en zuiver witte bloempjes,
-de amandels met prachtig rose bloempjes, de groote op tulpen gelijkende
-bloemen van de magnolia en de geurige, kleurige trossen van de ribes,
-door frisch groene blaadjes beveiligd. Maar dan is ’t haast Mei.
-
-De boom van de vroege stadslente is de iep. Midden in den winter zijn
-de groote ronde bloemknoppen al duidelijk te onderscheiden van de
-kleine spitse bladknopjes. In Februari gaan die bloemknoppen zwellen.
-Dan steken de iepetakken lang zoo fijn niet meer tegen de lucht af als
-in December, de lijntjes zijn dikker en spikkelig geworden en vloeien
-ten laatste tot doezelige massa’s ineen.
-
-Wanneer dan de knoppen zich openen, komen ontelbare bloempjes te
-voorschijn, ieder op zichzelf nietig en lichtpaars met bruin, maar met
-elkander geven ze aan de iepenkroon een heerlijke wijnroode kleur,
-waardoor een Amsterdamsche gracht in de lentezon even mooi wordt als
-een larixlaan of een beukenallée.
-
-Wat de vogelwereld betreft, zijn de eerste lenteweken in de stad
-gekenmerkt door een eigenaardige wisseling van wit en zwart. De zwarte
-roeken komen van hun zwerftochten terug en betrekken gaandeweg met veel
-misbaar hun nestkolonies in de hooge iepen. De witte meeuwen verlaten
-de grachten, waar ze overwinterd hebben. Ze zwerven nog wat rond op de
-weilanden, bezoeken het bouwland, om achter de ploeg larven en wormen
-uit den grond te pikken en betrekken eindelijk hun broedplaatsen in de
-zilte moerassen aan den zeekant. De zwarte roeken krijgen in dien tijd
-hoe langer hoe grooter witte plekken aan de mondhoeken, de witte
-meeuwen hebben achter het oog een donkerbruine vlek, die al grooter en
-grooter wordt en eindelijk aanwast tot een donker kapje, dat den heelen
-schedel bedekt.
-
-Zanglijsters en zwarte lijsters beginnen ook al vroeg hun nesten te
-bouwen in de coniferen en sommige paren slagen er werkelijk in, om hun
-jongen groot te brengen, ondanks de felle vervolging door de
-straatbengels. Nestjes zoeken is een heerlijk werk en voor mijn part
-mogen alle kinderen het doen, zooveel zij willen, mits ze de nesten en
-eieren met rust laten en de vogels geen schrik aanjagen.
-
-De vlijtigste nestenbouwers zijn natuurlijk de musschen, die plakken in
-den laatsten tijd de hooge pyramide-populieren vol met slordige nesten
-en de vezels daarvoor trekken ze vaak van de lindetakken, die ze
-daardoor heelemaal van schors ontbloten. De tak gaat daardoor dood: een
-euveldaad te meer voor den bruinen diksnavel.
-
-Nu komen ook vogels in ’t park, die ’s winters weinig of niet gezien
-werden, en wel het eerst de goedmoedige groenvink. Zijn snavel is nog
-dikker dan die van de musch en rozerood van kleur, zijn veertjes
-groengrijs met mooi heldergeel op de vleugels en de staart is pikzwart.
-
-Op mooie heldere Maartsche dagen, als er geen wolkje aan de lucht is,
-zitten die groenvinken in de hoogste toppen der boomen te blêren. Het
-geluid moet een lokroep verbeelden, of een vreugdekreet of zoo iets,
-maar de menschen, die aan hun eigen traditioneele muziek gewend zijn,
-vinden het niet mooi.
-
-Toch is het wel aardig, als een stuk of tien van die groenvinken
-tegelijk aan den gang zijn en als ze willen, dan zingen ze een ander,
-veel mooier liedje met zachte fluittonen en mollige trillertjes, die
-ons gewone muzikaal gevoel uiterst weldadig aandoen.
-
-Ze worden hoe langer hoe makker, die groenvinken, ze maken hun nest
-zelfs in laurieren en stamfuchsia’s, die in potten langs de wandelpaden
-staan: een vertrouwelijkheid, die zelfs den meest fellen
-nesten-vernieler moest ontwapenen.
-
-De groenvink is wel een trekvogel, maar er zwerven er hier ook wel rond
-gedurende den winter. De eerste vogel, die in de lente uit „het warme
-Zuiden” naar de stadsparken trekt, is de kleine tjiftjaf.
-
-’t Is een klein, groenachtig bruin vogeltje, weinig grooter dan het
-winterkoninkje, maar veel slanker. Omstreeks midden Maart wordt zijn
-eenvoudig, helder liedje gehoord, niet meer dan een herhaling van twee
-toontjes, die weinig in hoogte verschillen, maar waarvan de eene altijd
-duidelijk den klemtoon heeft. Soms maakt hij er een drieslag van en dan
-komt het accent op de middelste toon. Het gewone lied kan men weergeven
-door: „tjìf-tjef, tjìf-tjef, tjìf-tjef”; het andere door „te-tjìf-tjef,
-te-tjìf-tjef, te-tjìf-tjef” enz.
-
-Van den vroegen morgen tot den laten avond klinkt dat liedje door het
-hout en het kost volstrekt geen moeite, den kleinen zanger zelf te
-zien, want hij trippelt en fladdert door boomen en struiken van den
-hoogsten top tot vlak bij den grond en schuw is hij in het geheel niet.
-Zijn nest gaat hij pas bouwen over eenige weken, als er wat meer jong
-groen is uitgekomen, want hij verbergt het op den grond of in lage
-struiken en het is een kunstwerk van den eersten rang.
-
-Een dag of tien na den tjiftjaf komt zijn dubbelganger, de fitis, ook
-een echt parkvogeltje, maar tegelijk een veelvuldige verschijning in
-bosch en duin. Voor mij is het beeld van de fitis onafscheidelijk
-verbonden aan die heerlijke berkeboschjes in de duinen, waar omstreeks
-Paschen de blauwe hondsviooltjes bloeien tusschen ’t dorre gras en waar
-dat groengrijze vogeltje fladdert tusschen de zilveren berkestammen
-spelend met de geurige bloesemkatjes, die bij honderden aan de dunne
-twijgen hangen.
-
-Hij is mooier dan de tjiftjaf, geler van tint, het lichte streepje
-boven het oog is veel duidelijker en het liedje dat hij zingt, is zoo
-zuiver en rein en aandoenlijk, dat gevoelige menschen het plaatsen
-naast of zelfs boven den zang van den nachtegaal.
-
-Dit vogeltje is zeer algemeen, maar bijna niemand kent het. Buiten
-vogelkundige werken vindt men er nooit gewag van gemaakt en de
-Europeesche dichters, die zoo druk gezongen hebben van nachtegaal en
-leeuwerik, het vroolijk vinkje en den zwarten merelaar, negeeren de
-fitis volkomen.
-
-Daarom is het hoog noodig, dat ieder, die van de lente houdt, niet
-ruste voor hij den liefelijken zanger heeft leeren kennen. Hij toeft in
-de parken gaarne, waar dicht aan ’t water boschjes staan van berken en
-elzen, met allerlei klein goed er tusschen.
-
-Heel graag zit hij ook in den Noorschen ahorn. Dat is de boom, die in
-den bloeitijd zoo dicht met bloesem bedekt is, alsof hij reeds zijn
-bladerkroon droeg, en waarvan de bladknoppen bij het ontplooien zoo
-kleurig en mooi zijn, alsof het bloemen waren.
-
-In het begin van April puilen de gele bloemtrossen uit de dikke
-knoppen, eenige weken lang lokken zij met geur en kleur en zoeten honig
-bonte vlinders en bijtjes van allerlei soort en wanneer daarna de
-bloemen gaan verwelken, dan openen zich de bladknoppen met gele en
-purperen schubben.
-
-In dien tijd zijn de ahornlanen en ahorngroepen letterlijk de
-glanspunten van het park. De meeste boomen zijn nog bladerloos en
-vormen nu een prachtigen donkeren achtergrond voor de heldere
-kleurenmassa’s van dezen mooien boom.
-
-Het duurt dan nog wel een week, voordat dit kleurenspel gestaakt wordt
-en dan begint de boom er eindelijk uit te zien zooals wij dat van een
-boom gewoon zijn: hij krijgt een kroon van mooie groene bladeren en als
-je goed toekijkt, dan zie je daartusschen de aardig gevormde groene
-vleugelvruchtjes.
-
-De bladeren zelf zijn sierlijk van vorm, met hun vijf uitstekende
-punten en het regelmatige adernet. Ze zijn van allerlei grootte; aan
-denzelfden tak zitten groote en kleine, langgesteelde en kortgesteelde.
-Door deze verscheidenheid is het mogelijk, dat ieder blad een plaatsje
-kan vinden, waar het ongehinderd door de zonnestralen bereikt kan
-worden.
-
-De gewone ahorn heeft ook een prachtige knopontluiking met allerlei
-tinten van groen en rood en bruin, maar hij kan toch den Noorschen niet
-evenaren. Toch is het de moeite waard, de ontwikkeling ervan na te gaan
-van ’t oogenblik af, dat de groene knoppen beginnen te zwellen, totdat
-de lange groene bloemtrossen neerhangen onder de wijd uitgespreide
-vingerblaren.
-
-En dan de wilde kastanje! Hoe glimmen eerst de groote donkerbruine
-knoppen in het Maartsche zonnetje. De bruine was ligt er dik op en de
-bijen komen ervan inzamelen, om ze te gebruiken voor de eerste
-reparaties aan hun woningen. Iederen dag worden de knoppen grooter,
-eindelijk barsten ze aan hun top, de schubben worden teruggeslagen en
-dan komt de donzig bruine tak te zien met de bladparen als saamgevouwen
-handjes en misschien een bloemtros er midden in.
-
-Hoe die handjes worden uitgespreid, hoe de blaadjes eerst slap hangen
-en hoe later bij warmer weer en grooter werkzaamheid der wortels het
-trotsche kastanjeblad wordt uitgespreid en de bloesemkaars ontstoken
-wordt, dat zien we jaar op jaar met dezelfde belangstelling en
-bewondering, en met denzelfden weemoed, want het ontsteken van die
-kaarsen beteekent het einde van de lente.
-
-Maar zoover zijn we nog lang niet. Voordat de kastanje bloeit, kunnen
-we nog weken zwerven in wei en bosch, door de duinen en langs den
-waterkant.
-
-
-
-In de wei hebben den heelen winter enkele madeliefjes staan te kleumen
-en op de natte plekken kon je wat planten zien met donkergroene, bruin
-aangeloopen bladeren met knoppen van dezelfde kleur, zoo groot als een
-erwt.
-
-Als nu de lente komt, dan beginnen die planten zich te strekken en
-groener te worden, en hier en daar opent zich een enkele knop tot een
-mooie groote gele bloem. Dag aan dag openen er zich meer en eindelijk
-is het natte weiland een en al geel van de dotterbloemen.
-
-De dotterbloem is voor de wei, wat het sneeuwklokje en de anemoontjes
-voor het bosch zijn: de eerste bloem, die zich in overweldigend groot
-aantal vertoont, zoodat iedereen er wel op letten moet. Heele troepen
-kinderen tijgen dan ook uit, om ze te plukken en bij bossen worden ze
-naar huis gebracht, meestal om te verwelken.
-
-Dat behoeft anders niet. Bij een goede behandeling kan men dagen lang
-genoegen hebben van de afgeplukte dotterbloemen. Het komt er maar op
-aan, het onderste stuk van den stengel, dat bij het naar huis dragen
-ineengeschrompeld is, onder water er af te snijden. Dan komen er
-iederen dag knoppen uit en ge kunt iederen morgen de honigdroppels zien
-glinsteren tusschen de groote, platte, groene stampers.
-
-Bezorgde menschen willen dit plukken tegengaan, uit vrees dat de
-dotterbloemen zullen worden uitgeroeid, maar hun angst is ongegrond. Er
-is geen enkele reden, waarom de kinderen deze mooie bloemen niet zouden
-mogen plukken, de plant schiet ieder jaar opnieuw op uit zijn wortels.
-Bovendien zouden de boeren er niet rouwig om zijn, als er wat minder
-dotterbloemen in het hooiland stonden.
-
-Plukt maar bloemen, zooveel ge wilt, kinderen. Zorgt alleen, dat ge bij
-het plukken de planten zelf niet uit den grond, de takken niet van de
-boomen rukt. Knijpt de stengels af tusschen vinger en duimnagel of
-snijdt ze af met een scherp mesje. Neemt uw buit mee naar huis, om ze
-daar te verzorgen en vergeet vooral niet, al de heerlijke
-bijzonderheden van den bouw en ontwikkeling der bloemen na te gaan.
-
-Iedere bloem heeft werk te verrichten en moet beschermd worden tegen
-schadelijke invloeden van wind en weder, en tegen de aanvallen van
-allerlei dieren. Zij moet vrienden lokken, vijanden weren.
-
-De hoofdzaak is, dat stuifmeel uit de helmknoppen terecht komt op de
-stampers. Dat is gemakkelijk genoeg, wanneer meeldraden en stampers
-gunstig geplaatst zijn in dezelfde bloem en tegelijk rijp zijn. Maar in
-negen van de tien gevallen is het anders en dan moet de wind er aan te
-pas komen, om het stuifmeel over te brengen, of insecten belasten zich
-met die taak.
-
-De laatste worden gelokt door geur en kleur, door overvloed van
-voedzaam stuifmeel en lekkeren honing. De eene bloem richt zich
-voornamelijk tot de vliegen een andere tot de vlinders een derde tot
-hommels en bijen of tot alle.
-
-De bloemen, die den wind gebruiken voor ’t stuifmeeltransport, kunnen
-geur en kleur ontberen, maar moeten flink aan den wind zijn
-blootgesteld, opdat die het stuifmeel er uit kan schudden en het
-gemakkelijk op de stempels kan deponeeren. Hazelaar, els, esch, abeel,
-larix en iep zijn windbloeiers; crocus, aconiet, sneeuwklokje, scilla,
-tulp, speenkruid, hoefblad hebben de insecten in hun dienst.
-
-Hiermee staat weer in verband het openen en sluiten der bloemen op
-verschillende tijden van den dag of bij verschillende weersgesteldheid,
-de stand der bloemen, hun grootte, kleur en talrijkheid: het heeft
-alles zijn beteekenis, die met eenig geduld en scherpzinnigheid kan
-worden gevonden. En vele van deze merkwaardigheden kunnen worden
-bestudeerd aan afgeplukte bloemen in een glas of kan met water.
-
-Wie op deze manier bloemen plukt, mag het doen zooveel hij wil, al was
-het in mijn eigen tuin.
-
-Het wemelt in de dotterbloemen-wei van vogels. Groote wit met zwarte
-ooievaars stappen statig rond of kibbelen over een kikkertje. Kom je
-dichterbij, dan maken ze een paar kluchtige sprongen, klappen met de
-vleugels en vliegen op met breede wiekslagen. Zoo vliegen ze heen, de
-lange nek vooruit—de lange pooten achterwaarts gestrekt. Als ze hoog
-genoeg gekomen zijn, houden ze de vleugels stil en glijden dan door de
-lucht langzaam dalend mijlen ver naar hun nest op boomstomp,
-schoorsteen of wielpaal. Nog altijd zijn ze graag geziene gasten,
-ofschoon het bijgeloof omtrent hun zegenbrengenden invloed al meer en
-meer verzwakt en booze tongen zelfs een dreigend „schadelijk”
-fluisteren.
-
-Nog andere groote, stille gestalten staan langs den slootkant. Uit de
-verte gezien zijn het grijze, platte silhouetten, als uit zink geknipt,
-maar dichterbij worden het mooie vogels met fraaie kleuren aan snavel,
-oogen en pooten en zacht getinte veeren, die tot het mooiste behooren,
-wat er in de vogelwereld te zien is. Het zijn blauwe reigers.
-
-Schuw vliegen ze op en loom zeilen ze met holle vlerken over de gele
-bloemenwei. De lange nek wordt geheel ingetrokken, zoodat de kop
-tusschen de schouders komt te liggen en alleen de lange snavel
-vooruitsteekt. Den heelen winter hebben ze hongerend rondgezworven,
-ongeloofelijk mager, maar nu brengt de warme lente overvloed.
-
-In de hooge boomen van een statig buiten of tusschen het riet van de
-stille plas bouwen zij hun groot takkennest, soms honderden bij
-elkander. Den heelen dag zijn in die buurt reigers aan de lucht, maar
-de eigenaar van de boomen heeft er het land aan en probeert ze weg te
-schieten. Want in een bosch waar reigers nestelen, is het niet uit te
-houden en de boomen gaan er door kwijnen.
-
-Onophoudelijk brengen de oude vogels visch aan de jongen, die elkander
-in ’t nest verdringen om den eersten hap. Niet zelden gebeurt het, dat
-daarbij de visch over den rand van het nest naar beneden tuimelt en zoo
-komt dan de grond vol met allerlei afval en verrotting. Want de oude
-reiger denkt er niet om, om de gevallen visch weer van de grond op te
-rapen; hij geeft er den voorkeur aan, een nieuwe te gaan halen uit zijn
-vischwater.
-
-Ieder heeft zijn geliefkoosd plekje, waarvan hij de
-visscherij-toestanden op zijn duimpje kent en dat hij op geregelde
-tijden van den dag en van den nacht bezoekt. Reigers houden er veel
-van, om in de schemering nog eens uit visschen te gaan, en als dan een
-drietal of zestal van die groote vogels hoog door de stille avondlucht
-zich naar hun jachtveld begeven, roepen zij elkander van tijd tot tijd
-een luid en grof „goede vangst” toe. Overigens zijn ze al niet veel
-spraakzamer dan de ooievaars.
-
-De levendigste echter van alle vogels, die bij het plukken van
-dotterbloemen om ons heen vliegen, is de kieviet. Als wij hem niet
-zien, zal hij wel maken, dat wij hem hooren. Onophoudelijk klink zijn
-„kiewiet, kiewiet” om ons heen, hoe langer, hoe doller en driftiger,
-naarmate wij minder op hem letten.
-
-Kijk nog niet op en blijf rustig doorloopen, dan zult ge nog wat anders
-beleven. Het schreeuwen wordt steeds heftiger, de vogel is heesch. Op
-eens rrrt, daar strijkt hij vlak langs uw ooren heen, zoodat ge er van
-schrikt en nu moet ge wel zien, hoe hij schots en scheef door de lucht
-schiet, buitelend en tuimelend en draaiend, zoodat nu eens de
-sneeuwwitte buikzijde u tegenblinkt, dan weer het zonlicht in honderd
-kleuren en tinten weerkaatst wordt door de glimmende rugzij.
-
-Die vogel heeft misschien al eieren, want het eerste kievitsei valt
-samen met de eerste dotterbloem. Toch zijn nog lang niet alle kievieten
-aangekomen op hun eigenlijk broedterrein, want nog dag aan dag zwerven
-breede scharen over de velden, duidelijk te onderscheiden van de
-spreeuwenwolken. De kieviten vliegen in breede rijen van slechts enkele
-gelederen diep, de spreeuwen maken dichte troepen in den vorm van
-driehoeken of ruiten.
-
-De spreeuwen en kieviten houden elkander trouw gezelschap. De sterkste
-en moedigste of de meest zorgelooze—dat weet ik niet zoo precies—van
-beide soorten blijven ’s winters hier, maar de andere gaan heen en
-komen in de eerste lentedagen weer.
-
-Ze komen in groot aantal, in ontelbare troepen tegelijk. De meeste
-andere trekvogels komen als het ware ongemerkt, vandaag zie je er een
-en morgen eentje, dan mis je ze een paar dagen en eerst na een week
-zijn ze overal te vinden. Met de spreeuwen is dat anders. Op een mooien
-morgen zitten ze opeens op alle daknokken, in alle boomtoppen te
-fluiten en te jubelen. Geen tevredener en gezelliger vogel dan de
-spreeuw.
-
-Toch heeft die gezelligheid haar grenzen, want als ze zoo bij honderden
-in ’t weiland loopen te zoeken naar slakjes en te boren naar wormen en
-er een een weinig te dicht bij een ander komt, dan geeft dat wel
-aanleiding, tot een onvriendelijke vermaning, waaruit zelfs een vinnig
-duel kan ontstaan. Maar dreigt er een vermeend of werkelijk gevaar, dan
-is de heele troep toch weer dadelijk eens van zin en in prachtige
-regelmaat gaan ze gemeenschappelijk aan den haal.
-
-Tegen den avond vereenigen zich de kleine detachementen tot groote
-troepen van duizenden en duizenden en die hebben er dan een bijzonder
-pleizier in, om met elkander reusachtige manoeuvres te houden, voordat
-ze slapen gaan in ’t kreupelbosch of tusschen het riet. Heele wolken
-van spreeuwen drijven door de lucht, van de eene boomgroep naar de
-andere en telkens als er „rust” gecommandeerd is begint er een gezwatel
-en gebabbel, dat een mijl ver te hooren is.
-
-Het duurt nog wel eenige weken voordat de spreeuwen gaan broeden en
-gedurende al dien tijd houden zij ’s avonds na volbrachten arbeid hun
-vroolijken ommegang.
-
-Maar op den dag is het druk werken, doch daarvoor worden ze dan ook
-geprezen door veehouder en akkerman, alleen de kerseboombezitters
-prijzen ze niet onvoorwaardelijk.
-
-Hoog in de lucht zingen de leeuweriken, een half dozijn tegelijk.
-Telkens daalt er een neer of stijgt er een op en wie goed kijkt langs
-het korte voorjaarsgras tusschen de gele bloemen, kan nog menig
-kuifkopje zien rondwandelen, pikkend naar voedsel, zorgend voor het
-nest of vechtend met de buren.
-
-Op den zwarten slootbagger langs den waterkant pronken de
-kwikstaartjes, gele en witte. Die zijn ook pas aangekomen en als op
-gure voorjaarsdagen de vliegen en andere insecten zich schuil houden,
-dan zoeken de slimme vogeltjes de nabijheid van de schapen en lammeren,
-want daar is altijd nog wel wat te vinden.
-
-Vlug trippelen ze door het gras, pikkend rechts en links, en wanneer
-een mug of vlieg zich vliegend tracht te redden, dan springt de kwieke
-kwikstaart hem na met fladderende vleugels en uitgespreide staart en
-dat kan dan soms een heele achtervolging worden, juist zooals later in
-het jaar de vliegenvangertjes doen.
-
-Aan alles komt een eind, ook aan de dotterbloemen. Na een dag of tien
-is hun grootste praal voorbij en nu wordt in overeenstemming met de
-zachter wordende dagen het harde schreeuwende geel vervangen door een
-liefelijker tint. Het gras wordt helderder groen en daarboven zweeft
-een fijne lila sluier. Het zijn de pinksterbloemen, die zich in ijle
-trossen verheffen op zacht getinte groengrijze of bruinige stengels,
-bezet met fijnverdeeld loof.
-
-Alweer een heerlijke bloem om te bewonderen, te plukken, te teekenen,
-eenvoudig van maaksel, maar heerlijk van vorm en kleur, vol leven en
-beweging en bovendien het vriendje van het allerbekoorlijkste
-voorjaarsvlindertje.
-
-De pinksterbloem leeft met de zon. In vollen zonneschijn ontplooien
-zich de mooie knopjes, maar als de open bloemen door een malsch
-April-buitje verrast worden dan buigen zich de bloemsteeltjes en de
-droppels vallen op de buitenzij van de kelkblaadjes zonder honig of
-stuifmeel te deren.
-
-Nu vliegt op zonnige lentedagen vooral in weilanden aan den duinkant
-over de lila pinksterbloemen een vlindertje, dat veel heeft van een
-klein witje, maar het is veel mooier, doordat de onderzijde van de
-achtervleugels allerfijnst geschakeerd is met wit en groen. Dit is het
-wijfje van de oranjetipvlinder of peterselie-beestje. Het zoekt de
-pinksterbloemen op, om er zijn eitjes te leggen en daar komen
-groen-met-witte rupsjes van, die na een week of vier volwassen zijn en
-zich verpoppen.
-
-Tegen dien tijd raken de pinksterbloemen alweer uitgebloeid en nu
-krijgt de wei weer andere kleuren en nieuwe bewoners. Weer krijgt het
-geel de overhand, ditmaal door de dikke proppen van de paardebloemen,
-bemind door insecten, konijntjes en kinderen. Het zijn geen bloemen, om
-te plukken en in sierlijke vaasjes te zetten; maar wat leveren de
-bloemstelen een heerlijk speelgoed, hetzij we ze splijten, om ze in ’t
-water te laten omkrullen, hetzij wij groote kettingen maken van breede
-losse schakels. En als de bloem is uitgebloeid, dan geeft het kaarsje
-met de gepluisde vruchtjes nieuwe vreugd.
-
-De bladeren liggen in een roset op den grond, nu eens groot en forsch,
-dan weer klein en smal, met diepe insnijdingen al naar de meerdere of
-mindere vruchtbaarheid of vochtigheid van den bodem of allerlei
-bijzonderheden van de standplaats. Een paardebloem, die eenzaam groeit
-op een steenachtig plekje langs den wegrand ziet er heel anders uit dan
-een, die in de vette klei groeit temidden van het weelderige gras en de
-geurige klaver.
-
-Alle insecten van de Meimaand komen op de paardebloem om voedsel:
-honigbijen, wilde bijen, hommels, wespen, vliegen, vlinders en kevers.
-En zonder dat ze ’t weten, nemen de hommels en bijen van die bloem een
-kleinen vijand mee, een vlug en mager geelachtig zespootig diertje, dat
-zich aan hun haren vastklemt en zich zoo laat brengen naar den
-bijenkorf of het minder kunstige hommelnest.
-
-Daar aangekomen, vervelt het zespootig monstertje en dan wordt het een
-bleeke worm, die gretig teert op de voorraden, door de vlijtige
-brommers bijeengebracht. Na verloop van tijd is die volwassen, verpopt
-zich en ’t volgend voorjaar komt uit de pop een dikke glimmende kever,
-met dekschilden, die den rug maar half bedekken. ’t Is de oliekever,
-die in de Meimaand rondloopt door het gras, om bij de paardebloemen
-zijn eitjes te leggen. Als je hem beetpakt, dan perst hij uit zijn
-geledingen vettige gele bloeddroppels, die onaangenaam rieken en den
-oningewijde schrik aanjagen. De spreeuwen laten hem met rust.
-
-Na de paardebloemen wordt de wei al bonter en bonter. Het gras schiet
-op en tusschen de groene blaadjes komen de eigenlijke bloemen van het
-gras te voorschijn, kleine bloempjes tot pakjes vereenigd en die vormen
-dan weer al naar de soort van gras, rolronde aren of fijnverdeelde
-pluimen, de een al gracieuser dan de andere: welriekende reukgrassen,
-de hooge vossestaarten, het fijne beemdgras, het zachte rose getinte
-zorggras, en de zachte dravik. Dit zijn de echte voorjaarsgrassen.
-
-Tusschen het groen komen groote plekken van het heerlijkste diepe
-blauw, daar bloeien de mooie eereprijsjes. Vergankelijke bloempjes,
-want de donkerblauwe kroontjes met de witte meeldraden eraan vallen
-kort na het plukken in één stuk af. Tegen regen beschutten zij zich net
-als de pinksterbloem, door de buitenzij naar boven te keeren en als de
-zon maar eventjes schijnt, dan zijn ze dadelijk klaar, om weer de bonte
-zweefvliegen tot zich te lokken. Ze zijn gemakkelijk over te planten en
-mogen in geen enkelen wilden tuin ontbreken.
-
-Tegelijk met de blauwe eereprijsjes komt op droge plekken van de wei de
-triomf van de madeliefjes, die er werkelijk in slagen, om heele velden
-wit te kleuren. Wit, want het gouden hartje van buisbloempjes gaat op
-een afstand in den breeden kring der witte straalbloempjes verloren.
-Vele hebben roode randjes, een enkele heeft zelfs al zijn wit door rood
-vervangen. Maar de hoofdindruk van zoo’n veld is toch wit.
-
-Op andere, vochtiger plaatsen voert het rood den boventoon. De
-koekoeksbloem met de fijnverdeelde kroonslippen legt een blos over
-heele velden en daar op die plekken groeien ook die prachtige
-zonderlingen uit onze plantenwereld, de moeras-orchideeën, de paarse
-harlekijns-orchis en de roode gevlekte orchis. Beide komen ook wit
-voor.
-
-Menigeen ziet er van op, dat in onze gewone Hollandsche wei, die nog al
-nuchter heet te zijn, planten groeien, wier naam voorstellingen wekt
-van rijkdom en weelde, van tropischen overvloed, van keerkringshitte en
-Indische oerwouden. Toch is het zoo en deze bloemen zijn in geen enkel
-opzicht minder merkwaardig dan hun familiegenoten uit de verre
-gewesten.
-
-Ook bij hen bestaat die merkwaardige afwijking van de gewone
-samenstelling der bloem, dat er geen krans van meeldraden is, maar
-slechts éen, die met den stijl is samengegroeid. Er komt geen korrelig
-stuifmeel uit, maar ’t zit in dikke kluitjes, die allerkunstigst op kop
-of snuit van de bezoekende insecten worden vastgeplakt en zoo hun
-bestemming in een andere bloem bereiken.
-
-Maar madelieven en eereprijsjes, fijne graspluimen, roode koekoeksbloem
-en bonte orchideeën worden ten slotte weer overwonnen door de gele
-boterbloem en de roode zuring en als dat geel en rood de velden tint,
-dan is de lente haast verloopen en de zeis van den maaier bedreigt het
-jonge vogelbroed, dat tusschen bloemen en gras verscholen ligt.
-
-Daar zijn na de kieviten nog prachtige vogels bijgekomen, waaronder een
-tweetal uiterst merkwaardige: de grutto en de kemphaan.
-
-De grutto is wel de koning van de weidevogels. Zie hem staan op een
-paaltje aan den slootkant, schitterend in al zijn kleuren: een kleurige
-vogel, nog tot zijn recht komend bij al de bonte schittering van
-waterkant en weiland in de Mei. Hoe mooi is zijn lichaam
-geproportioneerd: hals en snavel en pooten juist zoo lang als ze moeten
-zijn voor een vogel van zijn grootte, die zijn nest heeft tusschen het
-gras en zijn voedsel zoekt aan den waterkant.
-
-Nu vliegt hij op en het wit van zijn vleugels schittert in den
-zonneschijn „Gruùt-to, gruùt-to” roept hij luid en aanhoudend en in
-zijn zorg voor zijn nest ontziet hij zich niet, om vlak langs ons heen
-te vliegen, zoodat we in ’t voorbijgaan het bruine oog zien schitteren
-en den langen eenigszins opgewipten snavel zien trillen.
-
-Hij behoeft zich anders niet zoo ongerust te maken. De vier dofgroene
-bruingevlekte eieren liggen o, zoo goed verborgen tusschen het hooge
-gras, veel beter nog dan die van de kieviet. Toch weten de kraaien ze
-nog wel te vinden en ’t is een erbarmelijk gezicht, de arme grutto’s
-klagend rondvliegend, terwijl de zwarte roover zijn verdelgingswerk
-verricht.
-
-Op de bloemrijkste plaatsen in de wei, dikwijls midden tusschen de
-orchideeën hebben de kemphaantjes hun tournooiveld.
-
-Voor den waren vogelliefhebber is een kemphaantjes-tournooi op zijn
-minst even belangrijk, spannend en schilderachtig als het kleurrijk
-kampspel uit Ivanhoe of de Roos van Dekama, dat ge zoo dikwijls met
-groote oogen en open mond hebt zitten te herlezen.
-
-Mijn kemphaan-ridders hebben pakjes aan, even bont als die adellijke
-heeren uit de middeleeuwen. Op mijn tournooiveld ontbreekt de zwarte
-ridder niet, evenmin als zijn tegenstander, geheel in zuiver wit.
-Andere weer zijn in oranje gestoken of dragen een donkerbruin pak met
-rood-bruinen kraag. En weer andere hebben het weelderige riddercostuum
-verwisseld met een bonte harlekijnsplunje en schitteren in alle kleuren
-van de regenboog.
-
-Uit de enorme kragen komen fijne, smalle gezichtjes te voorschijn, met
-grijze veertjes bezet en op sommige plaatsen beplekt met roode puistjes
-en knobbeltjes.
-
-Al heel vroeg in den morgen is het druk op het veld. Van alle kanten
-komen de ridders aanvliegen in razende vaart en dadelijk zetten ze zich
-in postuur, om de aanvallen der reeds aanwezigen te pareeren. En dan
-begint de kamp, die soms een uur achtereen voortduurt en nu eens een
-deftige ceremonie, dan weer een dolle boerenkermis gelijkt. Van
-eigenlijk vechten is maar zelden sprake, het is meer een krijgsdans of
-krijgsspel dan een bloedige worsteling. Alles geschiedt in de diepste
-stilte, slechts bij uitzondering laat de kemphaan een onduidelijk
-heesch geluid hooren.
-
-Is het strijdspel ten einde, dan verspreiden de kemphaantjes zich over
-het heele weideveld en als het hennetje al eieren heeft, betrekt de man
-dikwijls de wacht bij het nest, niet vlak er bij, maar een meter of
-vijftien er vandaan. Trotsch en fier staat hij daar, op een hoogte of
-op een aardkluit, de lange kraagveeren wapperend in den wind, het hoofd
-omhoog en onophoudelijk in beweging, om rond te zien, of er soms gevaar
-dreigt en of er ook een andere kemphaan voorbij komt vliegen in de
-richting van het kampveld. Is het laatste het geval, dan laat hij
-oogenblikkelijk vrouw en kroost in den steek, om met zijn makker de
-genoegens van het strijdperk te smaken.
-
-Behalve door deze zwijgende vechtersbazen wordt de weide nog versierd
-en levendig gemaakt door de tureluurs, vogels ongeveer even groot als
-de kemphaantjes, maar met schitterend rooden snavel en pooten en zoo
-druk dat je er tureluursch van zoudt worden. Je kunt geen voet in het
-weiland zetten of „tuut, tuut, tuut” klinkt het en schokkend vliegt
-zoo’n roodpoot om je heen.
-
-Hij wordt al angstiger en drukker, het „tuut tuut” wordt al sneller en
-sneller herhaald en gaat ten slotte over in een zeer melodieus gejodel.
-En het duurt niet lang of andere tureluurs verheffen zich ook van den
-slootkant, een angstige grutto vliegt er tusschen door met luid geroep
-en kieviet bij kieviet duikelt heesch schreeuwend door de lucht. Overal
-leven en beweging, sierlijke vlucht, luid gejoel, schittering van bont
-gevederte in de helle voorjaarszon tegen de blauwe lucht en om u heen
-de bonte pracht van duizenden bloemen. Dit is de lente in de
-Hollandsche bloemenwei.
-
-
-
-Ook het bouwland is tot leven gewekt. Ja, voor nog de weide groende,
-schitterde reeds aan den zoom van het donkere bosch het winterkoren in
-smaragden glans. Dapper hebben de grasachtige plantjes de wisseling van
-vorst en dooi doorstaan en nu de voorjaarszon den grond doorwarmt en
-lauwe westenwinden over de vlakte waaien, groent blad bij blad en eer
-ge het verwacht schiet in de Meimaand de rogge in zijn aren.
-
-Het braakveld, waar de onkruiden den heelen winter vrij spel hebben
-gehad en dat op sommige plaatsen als met opzet bezaaid schijnt met
-kruiskruid, vogelmuur, herderstaschje en paarse doovenetel, wordt in
-voren gelegd door den blinkenden ploeg.
-
-Het heeft in den nacht wat gerijpt, het fijne wit tint nog den grond,
-dien de ploeg niet geraakt heeft, maar waar de diepe voren zijn
-gesneden, ziet het veld bruin, bij rosachtig af en een fijne nevel
-zweeft boven de versch omgewoelde aarde. Ook de ploegpaarden dampen en
-achter den ploeg beweegt een wolk van zwarte kraaien en witte meeuwen,
-die hier een gemeenschappelijk arbeidsveld vinden. En witte spikkels,
-verspreid over den akker, verschijnend en telkens weer verdwijnend,
-bewijzen, dat daar ook de kieviten bezig zijn, om hun aandeel te nemen
-van de insecten en larven, die het blinkende kouter aan ’t licht heeft
-gebracht.
-
-Ginds trekken eggen en zaaimachines door ’t land. Over eenige dagen
-wijzen mooie, regelmatige rijen van fijn groen den weg aan, dien ze nu
-afleggen. Donkergroen staat een veld karwij, dat nog lang niet in bloei
-komt en als de leeuweriken hun eerste jongen verzorgen, dan prijkt het
-koolzaadveld als een onafzienbaar gouden kleed in den vruchtbaren
-polder. Op de tallooze gele bloempjes zoeken bijen, hommels, vlinders
-en vliegen hun voedsel, en de koolwitjes leggen hun eieren op de
-bladeren.
-
-Nu zijn het ook goede dagen voor de haasjes. Als een gewoon mensch aan
-een haas denkt, dan paart zich aan de herinnering aan het smakelijke
-boutje altijd een gevoel van medelijden met het arme vervolgde dier,
-dat nooit „in het rijpe koren” of in „een groen, groen
-knolle-knolleland” kan zitten of het wordt opgeschrikt door een
-„jagershoren” of „hondgebas” en het eindje is altijd de dood. Algemeen
-vindt men den haas een ongelukkig, vreesachtig, melancholiek dier.
-
-Niets is minder waar. Lampe is inderdaad een van de vroolijkste en
-dartelste dieren, die er bestaan. „Dol als een haas in Maart” zegt de
-Engelschman, die hem zeer van nabij kent. O! wat kunnen die hazen in ’t
-voorjaar een pret maken. Ik heb er gezien, die heel in hun eentje
-rondrenden door de natte wei, alsof de heele wilde jacht hun op de
-hielen zat. Dat was een zwenken en draaien en buitelen zonder ophouden
-en bliksemsnel, en als het dier door drasse plekken rende, dan spatten
-de glinsterende droppels hoog in de lucht.
-
-Een andermaal zag ik uit den spoortrein een drietal, dat de zotste
-capriolen maakte op een weiland tusschen Halfweg en Sloterdijk, maar
-het mooiste, wat ik van hazenlevenslust gezien heb, was een gevecht
-tusschen twee mannetjeshazen in den Achterhoek.
-
-Zij streden heel alleen, in ’t midden van het woud, net als meer dan
-duizend jaar geleden Roland en Olivier kampten op hun eilandje in de
-Rhône. En ’t was meenens ook. Ze renden op elkaar aan, pakten elkaar
-met de voorpooten, hieven zich aan elkander op, totdat beide op de
-achterpooten stonden, en dansten toen een paar maal rond, terwijl ze
-elkaar met de voorpooten oorvegen gaven, dat de donzige haarvlokken in
-’t rond vlogen.
-
-Dan rolde er een om, raapte zich zelf op en rende weg, de ooren
-flapperend om het hoofd, nummer twee hem achterna en daar ze even hard
-konden loopen, duurde het langen tijd, eer ze weer handgemeen raakten.
-Gedurende den ren gebeurde het drie of viermaal, dat de een over den
-ander heen sprong.
-
-En dan begon het duel weer met dof dreunende slagen, oogen fonkelend
-van haat en woede, de gespleten bovenlip trillend van verontwaardiging,
-de groote snorren wijd uitstaand en bloed mildelijk vloeiend langs de
-behaarde wangen.
-
-Of het wreed is, om daar met genoegen en half stikkend van ’t lachen
-naar te liggen kijken? Neen hoor, ik zou wel durven wedden, dat die
-hazen zelf later met genoegen aan dit uurtje gedacht hebben en dat ze
-met hun lidteekens even ingenomen zijn als een flinke jongen met zijn
-ontvellingen, builen en blauwe plekken.
-
-Al vroeg in April hebben de hazen jongen; twee of drie van die
-donkerbruine bibberende wezentjes in het korte gras kunt ge altijd op
-een wandeling door de binnenduintjes verwachten.
-
-De velden aan den duinkant vertoonen dag aan dag nieuwe kleuren. Toen
-op ’t einde van den winter de elzen in de smalle singels, die de
-akkertjes omzoomen, in bloei kwamen, lag de grond nog verborgen onder
-dichte lagen van dekriet, in het najaar door bezorgde handen er over
-gespreid. Alleen op een enkele plek werd het weggeruimd, om aan de
-lieve blauwe leverbloempjes, de hepatica’s, gelegenheid te geven, hun
-sierlijk kelkje te ontplooien.
-
-En het scheen, alsof met het wegnemen van dat eerste dek de betoovering
-geweken was. De kracht van den winter was gebroken. Dag aan dag werd
-nieuw dekriet weggeraapt. Ten laatste dekte slechts een ijle laag de
-groene spruiten en toen ook die verdween, kwamen zij voor den dag, de
-dikke proppen der hyacinten, de spits ineengerolde bladeren der tulpen,
-de platte groene reepen der narcissen, de puntige groeipieken van de
-crocusjes.
-
-Wonderlijk was het om te zien, hoe in weinig dagen, hoe in enkele uren
-de bleeke spruiten, die in duisternis waren gegroeid, een gezonde
-groene kleur kregen onder den invloed van het zonlicht. En dra komen nu
-ook de bloemen voor den dag: eerst de vroege gele crocusjes in dichte
-bossen, dan vroege hyacinthen, Duc van Thol tulpen, gele narcissen,
-weer andere hyacinthen, tulpen, blauwe druifjes, scilla’s, vakken van
-rood en wit, blauw en rose, geel en van dat donkere blauw, dat op een
-afstand zwart lijkt.
-
-Soms lijkt het, alsof de kweeker met opzet zijn soorten zoo geplant
-heeft, dat ze een passende omlijsting krijgen, hier lichtgroene wei om
-vurig rood tulpenveld, ginds donkerbruin bosch achter witte en gele
-crocusjes en narcissen, of een streep van gelend dor oeverriet langs
-een veld van blauwe hyacinthen.
-
-Door heel Holland worden door deze bloeiende bollenvelden de
-stedelingen naar buiten gelokt. Zoo hebben wij dan onze tulpen- en
-hyacinthen-dagen, evenals de Japanners hun chrysanthemumfeesten. Wel is
-waar gaat het feestelijke vaak verloren door de drukte en ’t gedrang,
-door de fiets, die niet meer voort wil, door den trein, die zelfs in
-zijn beestenwagens geen reizigers meer bergen kan, door gebrek aan
-drinken en proviand, maar dat zijn kleinigheden, die bij een betere
-inrichting kunnen verdwijnen.
-
-Heerlijk is het, dat al die duizenden menschen zich moeite en ontbering
-getroosten, om bloemen te gaan zien en buiten te zijn. En van zelf
-wordt niet alleen aandacht geschonken aan de tulpen en hyacinthen,
-narcissen en crocussen, dat toch eigenlijk maar bonte vreemdelingen
-zijn, doch ook aan de boomen en bloemen van eigen bodem, die in deze
-dagen ook op hun schoonst zijn.
-
-De boomgaarden kunnen gerust de vergelijking met de bollenvelden
-doorstaan. De pereboom zag den heelen winter zwart en knoestig met
-tallooze kleine dikke rimpelige bochtige takjes die ieder eindigden in
-een bruinen knop. Maar met de eerste lentedagen strekten zich de bruine
-knoppen, en langzamerhand werden ze heel lichtgroen bij wit af, zoodat
-het in den maneschijn leek, alsof de boom reeds in bloei stond. Nog
-enkele dagen van zonneschijn en regen, daar gingen ze werkelijk open en
-nu is de boom overdekt met duizenden mooie, groote, spierwitte bloemen,
-ieder met een hartje van donkerbruine helmknoppen op spierwitte
-meeldraden. Vijf lichtgroene stijlen zitten midden in en komen
-eigenlijk reeds vóór ’t opengaan van de bloem te voorschijn.
-
-Dan volgen de kers, een mooier boom dan de peer, met breeden kroon en
-sierlijke rechte twijgen. De dikke knoppen zitten dicht opeen, behalve
-waar vraatzieke, balddadige vinken ze gehavend hebben. Wanneer ze
-opengaan, komen de groepjes van drie, vier langgesteelde min of meer
-hangende witte bloemen te voorschijn in zoo groot aantal, dat de
-donkere twijgen geheel onzichtbaar worden. Laat nu de zon er in
-schijnen, dan vervult honiggeur den omtrek en de heele boomgaard ronkt
-en gonst van de ontelbare bijen, hommels en vliegen, die onverpoosd af
-en aan vliegen, de vleugels flikkerend in den zonneschijn.
-
-Heerlijk is het, op te zien naar dien rijkdom en overvloed, maar
-onwillekeurig komt naast de bewondering de bezorgdheid op, dat
-nachtvorsten of hagelslag den boom zullen deren en ons berooven van de
-zoete vrucht, die ons op zijn minst even lief is als de schoone
-bloesem. Hetzelfde gevoel bekruipt ons bij perzik en abrikoos, dat ook
-teere vreemdelingen zijn en wier bloesem zorgt voor kleur in den
-boomgaard, naast al het wit van peren, pruimen en kersen. Een
-perzikschutting op een zonnigen Aprilmorgen is voor vrienden van warmte
-wel het lekkerste wat er in het voorjaar te bedenken is; beschutting,
-warmte, bloemenpracht, geur en het vertier van de mooiste en
-kleurrijkste bijtjes van het voorjaar. Eindelijk komen ook de appels in
-bloei en weer is het moeilijk om te zeggen wat mooier is, de nog niet
-ontloken knop of de wijd geopende bloem. Die knoppen lijken luchtige
-ballonnetjes van dof papier met fijn rose beschilderd, zoo vroolijk en
-teer, dat het jammer is, als ze opengaan. Maar de bloem ligt zoo mooi
-uitgespreid en de gele helmknoppen stralen op hun witte meeldraden zoo
-heerlijk naar alle kanten, dat ook dit weer een lust voor de oogen is.
-En zelfs het uitbloeien is mooi, wanneer de honderden kleurige blaadjes
-door den voorjaarswind worden losgeschud en neerdwarrelen op het frisch
-groene gras en op de blauwe eereprijsjes.
-
-Van den boomgaard naar het bosch is maar één stapje. Daar zijn we niet
-geweest sinds de larix in bloei kwam in de buiige Paaschweek. Nog is
-hier en daar iets van zijn bloesem te zien, maar weldra worden de roode
-kegeltjes vaalgroen en raken ze verborgen tusschen de dichte proppen
-van heldergroene naalden.
-
-Maar nu worden de sombere sparren vroolijk. Ze laten dunne,
-bruinachtige vloeipapiertjes wegfladderen naar alle kanten en wat eerst
-bruine knoppen waren, worden nu gele kogeltjes en roode torentjes, die
-overheerlijk uitkomen tusschen het donkere groen der naalden van de
-vorige jaren.
-
-De roode torentjes zijn de bloesems, die later de sparappels zullen
-opleveren. Rechtop staan ze, aan het einde der takken, het meest en het
-grootst nabij den top van den boom. Ze zijn opgebouwd uit vleezige,
-paarsroode kussentjes en onder elk kussentje vindt ge de twee
-lichtgroene, bijna witte eitjes, die later zullen uitgroeien tot het
-gevleugeld sparrezaad.
-
-Aan andere, ook wel aan dezelfde takken zitten heele risten van gele
-bolletjes, opeenhoopingen van meeldraden, waaruit ontzaglijke
-hoeveelheden stuifmeel te voorschijn komen. Wie in een spar klimt, om
-een tak met den mooien rooden bloesem te bemachtigen, wordt door dat
-stuifmeel bepoederd als een molenaar.
-
-Op stille heldere dagen, wanneer de grond door de zon sterk verhit
-wordt, stijgt de warme lucht langs de sparren omhoog en dan neemt deze
-luchtstroom, die lang zoo zwak niet is, als gij wel denken zoudt, het
-gele stuifmeel mee en dan kan het door hoogere luchtlagen uren ver
-worden weggevoerd. Een stuifmeelkorrel van een spar is daar volkomen op
-ingericht, hij is voorzien van luchtblazen en drijft daarop gemakkelijk
-weg.
-
-Ofschoon in ons land niet zooveel sparren groeien, dat hun stuifmeel
-zooals elders soms duimdiep den grond bedekken kan, zoodat men van een
-zwavelregen spreekt heb ik toch wel in sommige bosschen heele plekken
-aangetroffen vol geel stuifmeel, dat door het regenwater bijeen
-gespoeld was.
-
-De grove den, die een paar dagen later in bloei komt dan de spar,
-levert wel de grootste hoeveelheid stuifmeel. Ieder kent de groote
-lichtgele proppen, die ieder jaar in ’t begin van Mei of soms reeds in
-de laatste week van April zich vertoonen aan de uiteinden van de
-dennetakken. Niet heelemaal aan ’t einde evenwel, want buiten de gele
-prop steekt nog een licht grijsgroen takje uit, dat dicht bezet is met
-naaldparen, nog ten halve verborgen in hun vliezige scheede.
-
-Aan andere takken zitten niet anders dan deze grijze eindjes, zonder
-dikke meeldraadprop en weer aan andere eindigt het nieuwe twijgje in
-twee of drie, soms meer, aardige ronde roode bolletjes op een dik
-rechtopstaand steeltje. Wie die roode bolletjes goed bekijkt, merkt dat
-zij weer uit dikke schubjes zijn samengesteld en dat daartusschen
-evenals bij de spar paren van kleine heel lichtgroene eitjes liggen
-verborgen. Het zijn de vrouwelijke bloesems.
-
-Wie ’t niet weet, zal jaar in jaar uit door ’t dennebosch gaan, zonder
-ooit die vrouwelijke bloesems op te merken, maar wie ze eenmaal kent en
-aardig vindt, ziet ze reeds van verre in de Meizon tintelen in het
-hoogste topje van de rosse dennen. Heerlijke boomen, die dennen!
-Onderaan zijn de dikke stammen dicht bedekt met groote, dikke, bruine
-schubben, waarover vaak een blauwachtig waas ligt, hoogerop worden stam
-en takken rossig warm roodbruin, soms bij oranje af en de dichte
-naaldenmassa’s van de kroon vertoonen alle tinten van groen, somber
-donker groen van oude drie- of vierjarige naalden, mooi wazig zeegroen
-van de jongere en overal de jolige lichte kaarsjes van de nieuwe
-lenteloten er tusschen. Schitterend rood van de vrouwelijke bloesem,
-helder geel van de meeldraadmassa’s maken den „ouden somberen pijn” tot
-een der vroolijkste uitingen van ’t voorjaar.
-
-En als bij zachten oostenwind en helderen hemel de droge warme lucht
-door de kronen strijkt, dan knallen de dennenappels, die ’t vorig jaar
-rijpten, open en strooien de licht gewiekte zaden door de lucht.
-Tegelijk verrijzen wolken stuifmeel uit de meeldraadproppen en zoo
-lijkt het dan, alsof de boom een lustig knallend vuurwerk afsteekt ter
-eere van den lieven Mei.
-
-Zoo viert iedere boom zijn lentefeest. De beuken beginnen ook al vroeg
-in ’t voorjaar, maar niemand let er op. Toch is het heerlijk, om te
-zien, hoe de dofbruine wintertint van twijgen en knoppen gaandeweg
-overgaat tot warmer toon. Er schijnt meer blauw en rood in ’t bruin te
-komen, vooral in de schors der jongere takken en daardoor kunnen dan de
-beukenkronen zoo warm en prettig afsteken tegen het strakke koude blauw
-van den Maartschen hemel.
-
-Dat duurt zoo tot in April en dan komt er ook beweging in de lange
-spitse knoppen. Ze worden merkbaar grooter, zwellen en rekken zich uit,
-zoodat aan iedere knopschub een lichter randje komt.
-
-De ingewijde kan nu reeds de knoppen, waaruit bloeiende twijgen te
-voorschijn zullen komen, onderscheiden van de gewone en de niet
-ingewijde moet maar geduldig wachten, totdat zij opengaan. Lang wordt
-zijn geduld niet op de proef gesteld, want de eerste de beste echte
-Aprilregen jaagt al het groen de knoppen uit. April doet, wat hij wil.
-
-Het kan soms dagen achtereen droog en koud en schraal zijn, zoo koud,
-dat de pas ontloken voorjaarsbloemen zich niet openen, dat de bijen in
-hun korf blijven, zoo droog, dat de nieuwe blaadjes verwelkte randen
-krijgen en de uitgestrooide zaden werkingloos blijven liggen in de
-verstuivende aarde. En de mopperaars onder ons spreken schamper van de
-Hollandsche lente.
-
-Maar nu krimpt de wind en vermindert in kracht. Zware, mooi donkere
-wolken bedekken de strak blauwe lucht en weldra ruischt een regentje
-omlaag, zoo zacht en malsch, warm en levenwekkend, als dat alleen in
-April en Mei gebeuren kan. Met een tooverslag wijkt de stugheid, die
-plant en dier bevangen hield. De grond zelve wordt levendig en zuigt
-zingend het frissche water in.
-
-De bloemen blijven gesloten, maar je kunt het ze aanzien, dat ze,
-wanneer de bui over is en de zon weer schijnt, hun schade zullen
-inhalen van de verloopen dagen. De grasbladen, die in de droogte
-ineengekruld waren, ontplooien zich en dadelijk is de weide groen. De
-knoppen van boomen en heesters zwellen zichtbaar, en dat de
-meidoornhaag na den regen ineens geheel en al groen is, komt niet
-alleen doordat het stof van de groene knoppen is weggespoeld, maar ook
-doordat er nu dubbel of driemaal zooveel groen uit de knopschubben
-puilt dan voorheen.
-
-Nu laten ook de knopschubben van den beuk los en uit de knoppen komt
-een harig slap takje, bezet met keurig gevouwen en geplooide blaadjes,
-ieder nog eerst tusschen twee rose steunblaadjes besloten. Maar spoedig
-laten die los en nu is eenige dagen lang de boschbodem bedekt met de
-fijne rose schubjes. De blaadjes ontplooien zich en maken van iederen
-beuketak een grooten heldergroenen waaier.
-
-Aan sommige takken hangen vele fijne langgesteelde kwastjes, dat zijn
-de meeldraadbloemen en met eenig zoeken vindt ge ook de vrouwelijke
-bloemen, die later de lekkere beukenootjes zullen opleveren en nu ruige
-groene knopjes zijn met een paar dikke, gekronkelde stijlen en
-stempels.
-
-Als de beuken eenmaal het voorbeeld gegeven hebben, dan volgen ook de
-eiken. Die houden hun dikke bruine knoppen al heel lang dicht, maar als
-de zoele dagen komen, dan komt ook in ongeloofelijk korten tijd hun
-groen te voorschijn, de welbekende bochtig ingesneden eikeblaren en
-daartusschen een overvloed van sierlijke slanke meeldraadkatjes in
-bosjes bij elkaar.
-
-De vrouwelijke bloempjes, die eikels moeten worden, zijn kleine groene
-knopjes, die bij twee of drie op een steeltje aan den top van de jonge
-twijgen zitten, juist waar ook de nieuwe bladeren het dichtst bijeen
-staan. Maar ze vallen heel niet in ’t oog, de meeldraadkatjes echter
-zijn zoo lang, zoo talrijk, zoo licht van kleur, dat ze zelf den meest
-oppervlakkige niet ontgaan. Ze vormen een cascade van groen, een
-ragfijnen sluier om de knoestige stammen en bochtige takken van den
-„reus der wouden”, die zich tusschen twee haakjes heel dikwijls
-voordoet als een kleine vroolijke boschnymph, die ge ieder voorjaar in
-’t kreupelhout kunt ontmoeten.
-
-Nauwelijks zijn de groene eikeblaadjes ontplooid, of allerlei gedierte
-probeert den boom van zijn frisschen tooi te berooven. Bij duizenden
-komen de dikke meikevers uit den grond, vliegen met dof gegons in de
-eiken en vreten dag en nacht van het jonge groen. Millioenen kleine
-kevertjes helpen mee en als deze ontbreken, dan zijn er altijd nog de
-kleine rupsjes, die het blad ineenrollen en zich zoodoende schuilplaats
-en voedsel tegelijk verzekeren.
-
-Aan de toppen der takken ontstaan groote gezwellen, die op aardappels
-lijken en waarin dozijnen kleine wespenlarfjes hun voedsel vinden en
-ook in ieder glanzig groen bolletje aan blad of bloesem huist zoo’n
-vraatzuchtige galwesp-larve. Waar de eik een wondje in zijn schors
-heeft, daar vloeit het zoete voedingssap mild uit en daar komen den
-heelen dag zwierige vlinders, groote rosse en gele wespen en groote
-kevers van snoepen. Het aantal dieren, die voedsel halen bij den eik is
-legio.
-
-En het mooiste is, dat al dat gevreet en gezuig en geboor den boom in
-’t minst niet schijnt te schaden. Zoo gauw de kevers en rupsen de
-bladeren wegvreten, groeien er ook weer nieuwe aan. Alleen wanneer bij
-uitzondering het aantal der belagers van duizenden toeneemt tot
-millioenen en billioenen, dan staat hier en daar een eikeboschje een
-paar weken bladerloos.
-
-Nog eerder zou dat gebeuren, indien niet tegelijk met de vraatzuchtige
-insecten ook hun verdelgers in ’t land kwamen.
-
-Tjiftjaf en fitis scharrelen den heelen dag door het geboomte, om de
-kleine rupsjes te bemachtigen, bijgestaan door allerlei mooie en
-aardige helpers, die in April uit het Zuiden hierheen komen.
-
-Daar is in de eerste plaats het roodstaartje, dat prachtige vogeltje
-met de roode borst, zwarte keel, wit voorhoofd en blauwen schedel en
-nek. Die blauwe kap heeft hem ook den naam van blauwpaapje bezorgd,
-maar die trekt toch niet zoozeer de aandacht als het roode staartje,
-dat ieder keer, als de vogel opvliegt, als een klein vlammetje achter
-hem aan komt en nog een poosje op en neer blijft trillen, als het dier
-zich op een hek of twijgje heeft neergezet.
-
-Het wijfje is grauwachtig bruin van kleur, met mooie vlekjes en
-streepjes, maar het vertoont toch ook de roode staart en ook hebben
-beiden, mannetje en wijfje, de groote, schitterende oogen, die een
-kenmerk zijn voor alle leden van de nachtegalenfamilie, waartoe de
-roodstaart evenals de roodborst de eer heeft te behooren.
-
-Die prachtige roodstaart zingt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.
-In de vogelwereld beteekent dat van een uur voor zonsopgang tot het
-einde van de avondschemering. Alleen zijn zij het er niet over eens,
-wanneer de avondschemering eigenlijk eindigt. Daar het roodstaartje
-gaarne in holen nestelt of in dichte klimplanten, kunt ge meestal wel
-zijn huishoudinkje vlak bij het uwe hebben en het is een groot genot,
-na te gaan, hoe die dieren hun nest bouwen, hun jongen groot brengen en
-daarbij nog altijd gelegenheid vinden, om zich te amuseeren door
-aardige vliegkunsten en lustig gezang. Dat ze daarbij uit pure
-dartelheid den zang nabootsen van schildvink en winterkoning en
-daardoor vooral den laatste tot koddige boosheid prikkelen, zal
-natuurlijk niemand hun kwalijk nemen, veeleer het hun aanrekenen als
-een verdienste. Waar zou het heen moeten, als je nooit eens iemand
-plagen mocht?
-
-Een andere plaaggeest is de spotvogel, die komt weer iets later dan het
-roodstaartje en behoort niet tot de nachtegalengroep, maar tot de
-verwantschap van tjiftjaf en fitis. Hij vertoont dezelfde kleuren:
-groengrijs en geelgrijs, maar hij is wat grooter van stuk en dadelijk
-aan zijn zang te herkennen.
-
-De tjiftjaf zingt bij herhaling zijn twee- of drietal vaste toontjes,
-de fitis kweelt zijn half blijde, half weemoedige melodie, de spotvogel
-galmt den heelen dag een opgewonden lied met snelle loopjes, telkens
-herhaald en hooge, scherpe, haast snerpende tonen, die door geen
-enkelen anderen vogel zoo worden voortgebracht. En daartusschen door
-vlecht hij al de geluiden, die hij in zijn leven gehoord heeft van
-nachtegalenzang tot scharensliepgekras.
-
-Wanneer hij pas is aangekomen, kunt ge hem makkelijk zien, want dan
-zijn de boomen nog niet dicht in blad. Soms zit hij in den hoogsten
-top, dan weer een meter of zoo lager, maar altijd ferm en brutaal
-rechtop, met zijn kop in den wind en als hij in zangdrift den bek wijd
-openspert, kunt ge de oranje tong en het oranje verhemelte zien.
-
-Er komen wel Engelschen van over de zee, om dezen zanger te zien en te
-hooren. Het is wel merkwaardig, dat deze vogel, die ieder jaar de reis
-heen en terug naar Centraal Afrika doet en in Frankrijk, België en
-Holland in overvloed nestelt, er niet aan denkt, om eventjes het Kanaal
-of het Nauw van Calais over te steken, om zich te vestigen in het
-gastvrije Albion, waar ze in ’t eerst wel altijd zijn nestjes zouden
-uithalen, maar hem overigens met open armen ontvangen.
-
-Het nestje van den spotvogel is dan ook een van de mooiste dingen ter
-wereld: zoo mooi komvormig afgewerkt, zoo fijn bekleed van buiten met
-korstmos en spinrag, van binnen met vezels en pluisjes en dons. En daar
-liggen dan vier, vijf of zes eitjes in van het liefelijkst rozerood,
-gespikkeld met bruinroode stippen, heerlijk om naar te kijken, maar je
-moet ze eigenlijk niet aanraken.
-
-Een bloeiende sering, jasmijn of vlier met een nest van een spotvogel
-er in is wel het mooist denkbare sieraad van tuin of park. In esschen
-en kastanjes of hulsten willen zij ook wel komen, maar ik geloof toch,
-dat zoo’n gewone vlier hun nog het liefst is.
-
-Soms zit uren achtereen nabij of in den top van lage boomen of hooge
-heesters een andere vogel te orgelen en te vedelen, die als musicus den
-spotvogel wel overtreft, maar door zijn grauwe kleur en verborgen
-levenswijze weinig wordt opgemerkt.
-
-’t Is de tuinfluiter, bruingrijs van boven, lichter aan de onderzij en
-met blauwachtige pootjes. Hij maakt een mooi ijl nestje in de lage
-struiken en zingt een mooi lied dat door volheid van toon dikwijls
-herinnert aan den merelzang. Maar hij zingt veel langduriger en vlugger
-dan de merel en verdient gerust evenzeer geprezen te worden als de veel
-bewonderde goudsnavel.
-
-Nog mooier zingt in parken en tuinen de zwartkop-grasmusch, die we maar
-liever het zwartkopje zullen noemen, want zoo’n rare onhandelbare naam
-is nog altijd voor een goed zanger een leelijke sta-in-den-weg.
-Zwartkopje komt soms al vroeg, maar het is pas in ’t laatst van April,
-dat zijn heerlijk lied en aardige vliegtoeren de aandacht beginnen te
-trekken.
-
-Het satijnig zwarte kopje, de spierwitte keel, de mooie bruingrijze
-tint van den rug maken dit vogeltje tot een zeer bijzondere
-verschijning. Zijn nest ligt meestal in lage heesters, maar hij houdt
-er van, in de hooge boomen heen en weer te vliegen in mooie bochtige
-lijnen van tak op tak. Ons volk kent hem weinig; bij de Franschen,
-Duitschers en Engelschen schijnt hij zich meer in de gunst van het
-publiek te verheugen.
-
-Des te meer hebben wij met de zwaluwen op. De ooievaar, de zwaluwen en
-de koekoek, dat zijn bij ons de echte vogels van de lente. En de zwaluw
-bij uitnemendheid is wel de boerenzwaluw, de mooie staalblauwe vogel
-met het roodbruine voorhoofd, de roodbruine keel en de enorm lange
-buitenste staartveeren.
-
-Als die weer eenmaal in en uitvliegt in stal en schuur en door het
-openstaande zolderluik, dan is de lente in ’t land. Dat is meestal in
-de eerste week van April, soms komen ze reeds in Maart en een enkele
-maal, vertoonen de zwaluwen zich reeds vóór de tjiftjaf, maar dan
-vinden wij toch, dat ze in de war zijn. De Paaschvacantie, dat is de
-goede tijd.
-
-Aan de zekerheid, waarmee ze de gebouwen binnen vliegen, kunt ge
-merken, dat het weer de zelfde vogels van het vorig jaar zijn. Hoe
-spoedig hebben zij het oude nest weergevonden en na een paar dagen
-rondvliegen en zingen beginnen ze opnieuw te bouwen. Als blinkende
-messen schieten ze door de lucht met onbegrijpelijke snelheid. Bij
-tientallen verdringen zij zich om de vette modderranden van plassen en
-het is een merkwaardig gezicht, deze vogels, die we ons haast niet
-anders dan vliegend kunnen voorstellen, daar te zien rondploeteren in
-den modder, zoekend naar geschikte specie voor den opbouw van hun nest.
-
-De meeste vogels werken alleen in de morgenuren van vieren tot negenen,
-maar de zwaluwen zijn bij gunstige omstandigheden den ganschen dag
-bezig met bouwen en bouwstof te verzamelen. En ook zijn ze den heelen
-dag aan ’t zingen; de boerenzwaluw is een van de vlijtigste zangvogels
-en laat zijn gekweel en gekwetter den heelen dag hooren. Zelfs het
-wijfje zingt mee.
-
-De huiszwaluw is minder zangrijk. Hij laat onder het vliegen wel
-aardige geluidjes en monter geroep hooren, maar een werkelijk
-aaneengeschakeld gezang brengt hij niet ten gehoore. ’t Is anders een
-aardig diertje, wel mooier dan de boerenzwaluw, al heeft zijn staart
-ook niet zoo’n stouten zwier. Zijn veertjes blinken in helderder blauw
-en een plek op den rug bij ’t begin van den staart is blinkend wit,
-evenals de geheele onderzijde van het lichaam.
-
-Aan die witte stuitvlek is de huiszwaluw al heel in de verte te
-herkennen en als een gezelschap huiszwaluwen op de muggenjacht is aan
-een waterkant met donkeren elzenzoom, dan lijkt het wel of kleine witte
-vlindertjes daar heen en weer zweven.
-
-Huiszwaluwen houden ervan, om gezellig op jacht te gaan, nu eens laag
-langs den waterkant, dan weer honderden meters hoog in de lucht en dan
-kunnen ze daar zoo lustig zwenken en draaien en zoo vroolijk elkaar
-aanroepen, dat het meer een spel lijkt dan een inspanning, om aan den
-kost te komen.
-
-Bij het modder zoeken loopen ze vaak tusschen de boerenzwaluwen in,
-maar hun nesten bouwen ze meestal op andere plaatsen en altijd op een
-andere manier. Ze houden er niet van, om binnenshuis te wonen en maken
-niet zooals de boerenzwaluwen een ondiep komvormig nest, dat op een
-onderlaag steunt, maar een half bolvormige woning tegen een muur met
-geen andere beschutting dan een daklijst of dakgoot.
-
-Onder bruggen huizen soms boerenzwaluwen en huiszwaluwen bij elkander
-en samen hebben ze er plezier in, om koekoeken en roofvogels te
-achtervolgen en uit te schelden. Maar zelf hebben ze geweldig veel last
-van de huismusschen en ringmusschen, die ze berooven van hun nesten.
-Men heeft zelfs wel gemeend, dat de mooie huiszwaluwtjes gaandeweg door
-de brutale musschen verdreven worden.
-
-Metselaars en aardwerkers zijn die zwaluwen. Aan steile zandhellingen,
-dijkglooiingen, slootkanten, aardafgravingen werken nu de
-oeverzwaluwtjes, kleine grijze vogeltjes zonder glans of gloed, maar in
-vaalbruin pakje zooals dat voor aardwerkers het beste is. In den
-vroegen morgen, als nog de ochtendnevel over de velden hangt, zijn ze
-al bezig aan ’t pikken en graven, zoodat de helling wriemelt van
-bedrijvige arbeiders.
-
-Onvermoeid met snavel en pooten boren zij in den grond en maken zij
-horizontale gangen van éen tot twee meter lang. Aan het eind der gang
-komt een nestje van veertjes en daarop de eitjes, spierwit en zoo klein
-en teer, dat ge ze haast niet kunt aanvatten, zonder ze te breken.
-
-Deze oeverzwaluwen jagen bijna uitsluitend langs het water, vlak langs
-de oppervlakte en als op gure dagen de boerenzwaluwen en de
-huiszwaluwen daar ook om voedsel komen, dan maken de grauwe aardgravers
-te midden van de in staalblauw schitterende bouwheeren een vrij
-armoedige vertooning.
-
-Nog een andere langvleugelige insectenvanger voegt zich bij hen: de
-groote zwarte gierzwaluw of torenzwaluw, die de langste vleugels, de
-stoutste vlucht en den wijdsten bek van alle heeft. In mooi zonnig weer
-jaagt hij hoog in de lucht, torenhoog, maar als Mei nog van die gure
-dagen geeft, dan wordt ook hij genoodzaakt, zijn toevlucht te nemen tot
-den waterkant, waar altijd nog het meest te vinden is.
-
-Zijn eigenlijk te huis is de stad, waar hij zijn woning heeft aan de
-huizen. Hij is noch aardwerker, noch metselaar, maar bouwt evenals de
-musschen een tamelijk slordig nest onder dakpannen en in hoeken en
-gaten van muren. Ja, hij is mans genoeg, om de musschen uit hun
-bouwsels te verjagen en zoo krijgen die dan de vergelding voor het leed
-en den overlast, die zij den huiszwaluwen aandoen.
-
-Veel bekoorlijks heeft die torenzwaluw niet. Hij vliegt mooi en
-gemakkelijk en ’s avonds gieren zij in troepen met woest gekrijsch door
-de lucht. De mannetjes jagen de wijfjes naar huis en gaan zelf zich dan
-nog een poosje amuseeren. Vaak komen zij den heelen nacht niet thuis;
-men meent te weten, dat zij dan hoog in de lucht boven de wolken
-blijven rondzwieren en daar misschien nog slapen ook.
-
-Hun woestheid en gekrijsch is velen onaangenaam. Er is een andere
-stadsvogel, die in de lente ook in troepen vliegt en drukte maakt, maar
-alles veel sierlijker en prettiger doet dan die torenzwaluw. Ik bedoel
-het kerkkauwtje, de kleinste en beminlijkste van onze kraaiachtige
-vogels. In troepen van tien tot honderd spelen zij krijgertje om de
-torenspitsen, vlug en sierlijk glijden de zwarte gestalten door de
-lucht met rustig gestrekte vleugels en fraai gespreide staart. Daarbij
-roepen ze elkander onophoudelijk aan met een soort van kort, melodieus
-gekef.
-
-Ze zijn niet grooter dan duiven, en er ligt ook iets zachtzinnigs over
-hun wezen. Maar het is met die zachtzinnigheid als met den witten
-satijnglans die over nek en wangen ligt, het is maar schijn, de
-zwartheid, het wreede en verderfelijke, ligt er onder en uit het witte
-oog spreekt niet alleen verstand en list, maar ook sluwe moordzucht.
-Want dit kerkkauwtje is al een even felle roover en moordenaar als zijn
-familiegenooten de raven, kraaien, eksters en gaaien.
-
-In de stad kunnen zij niet veel kwaad doen, maar in het bosch maken zij
-slachtoffers bij de vleet. In sommige streken is hun kwade invloed
-duidelijk merkbaar, in andere lijkt het wel, alsof ondanks roof en
-moord de vogelbevolking maar altijd toeneemt. Daar heeft iedere holle
-popel zijn kauwennest of zelfs meer dan één op één stam, maar in de
-meidoorns brengen tal van houtduiven hun jongen groot en tortels bouwen
-er in de dichte sparren of in het fijne berkenhout.
-
-Slag op slag rooven de kauwtjes de witte eieren van het nest, maar
-onverdroten leggen de duiven voort, verhuizen desnoods, maar rusten
-niet, voordat een leelijk jongenpaar lodderig zit te kijken op het ijle
-platform van hun takkennest. Den heelen dag klinkt het gekir door ’t
-hout, ’t vaag en onbepaald eentonige „toer-toer”, van den tortel en het
-duidelijke nabootsbare
-toer-toertoer-toer-toeretoer-toer-toer-toer-toeretoer-toer-toer-toer
-van de houtduif of ringduif.
-
-En ook deze is met zingen alleen niet tevreden, maar voert in
-lentevreugd een stouten luchtdans uit, die men van zoo’n traditioneel
-kalm dier als een duif niet verwachten zou. Met klepperend geraas
-vliegt hij op uit zijn takkenhuis, stijgt in snelle vlucht hoog omhoog
-naar den blauwen hemel, klapt met een harden slag de vleugels tegen
-elkaar en daalt dan met roerloos uitgespreide vleugels in een groote
-bocht vijftig, zestig meter neer, om dan weer van voren af aan te
-beginnen.
-
-Ook de tortel maakt aardige bewegingen, maar die worden minder gezien.
-Hij heeft er nog al slag van, om zich schuil te houden, zoodat er weken
-voorbij kunnen gaan eer ge hem te zien krijgt, ofschoon zijn gekir den
-heelen dag het bosch vervult.
-
-Maar wie luistert er naar het makke duivengekir, nu de nachtegaal is
-teruggekomen? De nachtegaal, die ieder jaar het teeken schijnt te geven
-voor het rijkst ontplooien van de lentepracht, voor de sterkste
-uitingen van lentevreugd. Al wat er gebeurt, voordat de nachtegaal zijn
-intree doet, is slechts het voorspel; eerst wanneer zijn machtige stem
-zich verheft, beginnen beuken en eiken, sparren en dennen bloesem en
-blad te ontplooien, komen er aren en pluimen in ’t gras, tooit de
-boschbodem zich met kleuriger en geuriger bloemen dan de sneeuwklokjes
-van Januari of de anemoontjes van Maart.
-
-Zie den mooien bruinen vogel zitten in de blinkende takjes van het
-eiken kreupelhout. De witte veertjes van de keel gaan op en neer bij de
-felle jubelkreten, het fijne bekje blijft roerloos open bij de lang
-uitgehaalde fluittonen. Geen vogel is er, die zulk een afwisseling
-brengt in zijn zang. Nu eens lijkt hij te gebieden, te vermanen, te
-toornen, dan weer vervalt hij in een roerend smeekgebed of geeft in
-lang glashelder geluid uiting aan de reinste vreugde.
-
-Ieder weet, dat de nachtegaal het allermooist zingt ’s nachts tusschen
-tweeën en vieren, maar dat neemt niet weg, dat hij bij gunstig weer
-zich ook den heelen dag laat hooren, tot zelfs gedurende het eigenlijke
-rustuur van alle vogels, dat ergens valt tusschen twee en vier uur in
-den namiddag. Hoe meer nachtegalen er in een bepaalde streek zijn, des
-te meer wordt er gezongen, soms zelfs zoo vlijtig, dat het sommigen
-menschen te druk wordt.
-
-Komen er gure dagen, dan houdt het zingen op, maar dat de nachtegalen
-er nog zijn, kunt ge merken, wanneer ge door de eikenboschjes loopt om
-bloemen te zoeken. Van tijd tot tijd klinkt dan een geluid, dat doet
-denken aan een kikvorsch „korr, korr, korr”. Het wordt al vaker en
-vaker herhaald en nu hoort ge ook nog helder en luid, maar een weinig
-angstig en vragend, „pièt; pièt”.
-
-Pas nu op, want het zou kunnen gebeuren, dat ge u dicht bevindt bij het
-pas begonnen nest en daar ligt misschien reeds een glanzig koffiebruin
-eitje in. Het nest ligt zoo verborgen tusschen de dorre eikeblaren, dat
-ge het moeilijk opmerkt en ge zoudt erin kunnen trappen, eer ge ’t wist
-en dat zou heel jammer zijn. Verlaat daarom de plaatsen, waar ge die
-angst- en waarschuwingskreten verneemt. Wellicht wordt ge beloond door
-een heerlijken vreugdezang op het oogenblik, dat de vogel het gevaar
-geweken acht.
-
-De mogelijkheid van onverwacht een vogelnest aan te treffen, maakt het
-zoeken naar voorjaarsbloemen in het bosch tot een dubbel interessante
-bezigheid. Ge ziet aan den boschzoom een donkergroene plek met
-glimmende blaadjes van de maagdepalm. De prachtige blauwe bloemen
-hebben zich geopend in de voorjaarszon en worden vlijtig bezocht door
-mooie roodbruine glimmende metselbijtjes, die ergens hun nest in dorre
-braamstengels hebben. We gaan er even bij zitten, om af te wachten, of
-er ook soms parelmoervlindertjes op de bloemen komen en we zitten nog
-geen vijf minuten, of een roodborst komt bij ons op een tak en zingt
-het hoogste lied.
-
-Hij verraadt zijn geheim, want we letten nu goed op en vinden al gauw
-onder de ranken van de maagdepalm het roodborstjesnest met gespikkelde
-eitjes. Even kijken en dan maar gauw verder, anders wordt het nest
-misschien verlaten en voor de maagdepalm, die we nu in den steek laten,
-vinden we in het rijke tooverbosch nog andere bloemen in eindeloozen
-overvloed als schadeloosstelling.
-
-Hier bloeien de vogelkersen: lange hangende trossen van witte bloemen
-te midden van frisch groen loover. Kevers en vliegen wemelen op de
-sneeuwwitte honigrijke bloemen en waar de laagste takken schuil gaan in
-het hoog opgeschoten pijpkruid, daar heeft een slimme tuinfluiter een
-doorzichtig nestje gebouwd, dat we nooit gevonden zouden hebben, als
-hij zelf niet zoo geraasd en getierd had, toen we even bij den heester
-stilstonden.
-
-Dat pijpkruid heeft met een dikken wortel overwinterd na eerst in ’t
-najaar nog gauw zooveel mogelijk voedsel verzameld te hebben. Heel
-vroeg in ’t voorjaar maakte het dikke proppen van fijnverdeeld groen
-loover en nu de nachtegaal er is, schieten de mooi gegroefde groene
-stengels omhoog, die de sneeuwwitte bloemschermen dragen.
-
-Wij kennen het kunstje wel, om die stengels te versnijden tot liefelijk
-klinkende toeters en menig huisvader, die rust wou hebben, heeft dit
-„fluitekruid” naar het andere eind van de wereld gewenscht, wanneer
-zijn kroost met de buurjongetjes te zamen een symphonie uitvoerden op
-dit natuurlijk blaasinstrument.
-
-Maar iets zangerigs zit er toch in de plant, de kleine zangvogeltjes
-bouwen graag hun nest op den grond tusschen de pijpkruidstengels, zelfs
-de nachtegaal slaat menigwerf zijn tenten er onder op en heeft zoo de
-plant geholpen aan den genoegelijken naam van nachtegalenkruid.
-
-Het ware te wenschen, dat waar deze plant groeit, ook nachtegalen
-nestelden, maar dat scheelt nog veel en dat kan ook niet, want deze
-boschplant groeit al, waar maar drie boompjes bij elkander staan of op
-plekken, waar jaren geleden eens een bosch prijkte. Er zijn meer van
-die weggeloopen boschplanten, de meest bekende is wel het speenkruid.
-De mooie, blauwe hondsdraf is er ook een.
-
-Het speenkruid hoort eigenlijk thuis in ’t kreupelhout en daar blinkt
-het ook ieder voorjaar met zijn mooie groene blaadjes en goudgele
-sterrebloempjes. Het groeit daar weelderig en overvloedig, met flinke
-lange stengels, die schuin opstijgen boven den lossen boschgrond.
-Evenals de meeste vroege boschbloemen zijn ook deze zeer gevoelig voor
-de warmte, zoodat ze letterlijk door de zon te voorschijn worden
-geroepen.
-
-Waar nu het speenkruid groeit buiten het bosch, daar wordt het meteen
-anders. Het is, of het zijn bescherming mist, zich niet meer veilig
-voelt en zoo maakt het dan zijn stengels en steeltjes veel korter, zijn
-bladeren kleiner en stugger, dicht op elkaar vlak tegen den grond. Maar
-de bloemen blijven even mooi en talrijk en de lieve jeugd krijgt ieder
-jaar op school zijn speenkruid-les en kan heele verhalen doen over de
-wortelknolletjes en okselknolletjes en over het feit, dat deze plant
-met al zijn mooie bloempjes toch zoo weinig rijp zaad voortbrengt. Ge
-kunt ervan opaan, dat ze na het speenkruid de witte doovenetel
-„krijgen”. Dat is ook zoo’n mooie duidelijke bloem, die overal
-gemakkelijk te vinden is en altijd in groote troepen bijeen groeit en
-lang niet altijd tusschen de echte brandende brandnetels, zooals
-weleens beweerd wordt. Hoe mooi staan die kransen van groote roomwitte
-bloemen om de vierkante stengels, krans boven krans en alle bloemen
-even mooi.
-
-De jeugdige natuurbewonderaar beziet deze bloem ook van den practischen
-kant en rangschikt haar onder de rubriek „levensmiddelen”. In den
-morgen zitten de bloemkroonbuisjes vol met lekkeren honing, in den
-namiddag is het minder, want de bloem kan het niet bijhouden, zoo gauw
-als de hommels en bijen den voorraad opruimen.
-
-Maar wij moeten nog even naar het bosch terug.
-
-Hier en daar zijn tusschen het eikenhout heele plekken wit van groote
-stervormige bloemen. Nu wij ons goed herinneren, was de grond in
-hetzelfde boschje in het vroege voorjaar groen van tallooze dikke
-spruiten, die het dorre blad op zij drongen. Die groene bladeren zijn
-nu reeds bijna alle geheel verwelkt en hun plaats wordt thans ingenomen
-door de bloemen, aan lange stelen of trossen vereenigd.
-
-Dit is de schermdragende vogelmelk, een aardig bolgewasje en die bloem
-is een echte zonne- en lichtvriend. Zij is er nog juist bijtijds bij,
-om te bloeien, voordat de eikjes dicht in blad raken. In den
-morgenstond lijkt er op die plaats geen enkele bloem te staan, want dan
-zijn ze nog dicht en daar de achterkant der bloemblaadjes groen is,
-vallen ze in het geheel niet in ’t oog.
-
-Maar als de zon aan den hemel rijst en warmte teruggekaatst wordt door
-den mullen boschgrond, dan gaan die bloempjes vrij snel open en binnen
-een half uur schitteren honderd witte sterren, waar zooeven niets
-anders dan groene knoppen te zien waren.
-
-Er groeit nog een andere vogelmelk in ’t bosch, maar die heeft bladeren
-en bloemen tegelijk; dat is de knikkende vogelmelk. Zijn bloemen zijn
-grooter dan die van de schermdragende, aan de binnenzijde niet zoo
-schitterend wit, maar van buiten heel mooi grijsgroen. Ze zijn
-kortgesteeld en staan meestal zijwaarts gericht. De Engelschen noemen
-deze mooie bloemen „Ster van Bethlehem”.
-
-Plukt ge deze bloemen, dan blijken stengels en bladeren een dik
-slijmerig vocht te bevatten, wat trouwens bij meer lelieachtige planten
-het geval is.
-
-Waar het bosch nog niet te veel door roekelooze plukkers en gravers is
-aangerand, daar komen nu ook te voorschijn die heerlijke lievelingen
-van alle bloemenvrienden: de lelietjes van dalen en de wilde
-hyacinthen.
-
-Op het eerste gezicht zijn de wilde hyacinthjes wel het mooist. Waar ze
-groeien, daar staan ze in groot aantal bij elkander, hangende blauwe
-klokjes in rijen van zes tot tien aan zacht gebogen stengeltjes. Er is
-juist groen genoeg tusschen, om dichtbij eenige afwisseling te brengen
-in de kleurenmassa, maar op eenige meters afstands is van dit groen
-niets meer te zien en dekt een gelijkmatig blauw kleed de ruimte
-tusschen de groen bemoste stammen.
-
-Hier en daar vertoonen zich witte hyacinthjes tusschen de blauwe en ik
-heb wel een bosch gekend, waar evenveel witte als blauwe hyacinthjes
-groeiden en daar stonden ook veel rooskleurige onder. Ieder jaar deed
-ik kort voor Pinksteren een bedevaart naar dat bosch. Maar de boer,
-wien het toebehoorde, meende dat zoo’n overvloed van planten op den
-grond schadelijk was voor den boomgroei en die heeft er toen een paar
-zomers achtereen zijn kippen in gejaagd, om den grond eens goed om te
-laten woelen en die plantenboel te vernielen. Hij is er uitmuntend in
-geslaagd en nu groeien daar niets meer dan brandnetels.
-
-Gelukkig groeien ze langs den duinkant nog bij duizenden en als de
-plukgrage jeugd zich nu maar vergenoegt met plukken en de plant niet
-uitgraaft, dan kunnen wij daar nog lang plezier van hebben.
-
-Zoo is het ook met de lelietjes van dalen. In menig bosch hebben ze
-dapper stand gehouden tot op dezen dag en op afgesloten buitenplaatsen
-groeien ze bij millioenen en vermenigvuldigen zij zich tot in het
-oneindige.
-
-In Maart steken de blauwachtig grijze groeipieken in ontelbare menigte
-door het dorre blad. Een paar warme April-regentjes jagen de bladeren
-uit de scheeden en als de nachtegaal op zijn schoonst zingt, dan worden
-de groene bloemtrossen wit en de heerlijke kelkjes verspreiden den
-liefelijksten geur van het voorjaar. Ja, het is wel heerlijk, de groote
-groene bladeren op zij te buigen, om daartusschen de flinke, malsche
-bloeistengels te vinden, bezet met wel twintig of meer bloempjes. Maar
-heerlijker nog is het, dag aan dag een poosje te liggen aan den rand
-van ’t bosch, de witte bloempjes te zien schitteren overal langs den
-groenen boschbodem en den frisschen geur in te ademen onder het gezang
-van nachtegaal, merel, zanglijster, tuinfluiter, fitis en roodborst.
-
-En als ik nu eens geen boschrand kan vinden met lelietjes van dalen,
-dan stel ik mij tevreden met salomonszegeltjes, die zijn toch ook van
-de familie en heusch niet minder mooi of minder geurig. De bloempjes
-zijn zelfs grooter dan die van het lelietje en aangenamer van vorm.
-Alleen staan ze niet in trossen bij elkander, maar bij paren of
-afzonderlijk bij den oorsprong der bladeren. Die bladeren zelf staan in
-twee rijen flink omhoog gericht, zoodat het lijkt of het heele plantje
-een soort van nieuwerwetsche vliegmachine is en zoo meteen weg zal
-zweven door de schemering van ’t bosch.
-
-Door dien stand van de bladeren zijn de bloemen zelf in hun geheel te
-zien. Zooals ze daar in rijen hangen aan de onderzijde der stengels
-lijken het risten van groote witte parelen of een versiering van
-guirlande’s van porceleinen potjes of ... maar ze zijn in ieder geval
-mooier dan iedere vergelijking, die ge kunt bedenken.
-
-Intusschen nadert de tijd, dat het nederig schoon van maagdepalm en
-hyacinth, vogelmelk, salomonszegel en lelietje van dalen overdekt en
-overschaduwd wordt door de grootere en grovere boschplanten, die alle
-ruimte voor zich alleen begeeren. Hier spreiden grove klitten hun
-groote bladeren, ginds steekt de brandnetel zijn zaagpuntige blaadjes
-op en waar het fijnverdeelde groen en de witte bloemenzee van het
-pijpkruid of nachtegaalskruid een plaatsje vrij laat, daar groeit de
-roode koekoeksbloem in dichte bossen bijeen.
-
-Nachtegaalskruid en koekoeksbloem beginnen te heerschen in ’t bosch,
-juist in den tijd dat de zang van den nachtegaal en het geroep van den
-koekoek alle andere vogelgeluiden overstemmen. De nachtegaal houdt er
-van, zijn nest tusschen deze planten te bouwen en de koekoek weet het
-dikwijls maar al te goed te vinden.
-
-Tegelijk komen die vogels ook aan, in de derde week van April en de
-nachtegaaltjes hebben al menig koekoeksjong groot gebracht, al is het
-ook waar, dat de kwikstaartjes en de graspiepers het meest bezocht
-worden door dien mooien grooten vogel, die zelf geen nest kan bouwen,
-zijn eigen eieren niet kan uitbroeden.
-
-Zijn naam is in ieders mond en iedereen kent zijn griezelige
-ontwikkelingsgeschiedenis; het ei, gelegd in een vreemd nest, het
-vraatzuchtig jong, dat zijn pleegbroertjes en zusjes uit ’t nest gooit,
-nog voor dat het zelf zien kan, en zijn pleegouders zoo in beslag
-neemt, dat zijzelf vaak van honger en uitputting sterven. Iedere
-koekoek kost het leven van vijf of zes kleine zangvogeltjes.
-
-Maar zijn lenteroep is een van de heerlijkste geluiden van de natuur en
-wekt voorstellingen van warme lucht en bloemengeur, van witte wolken,
-hoog zwevend in den blauwen hemel, van hagen bedekt met bloesemsneeuw.
-Tal van bloemen van bosch en weide zijn naar hem genoemd; een roode
-anjerachtige bloem geniet de onderscheiding, officieel den naam van
-koekoeksbloem te mogen voeren, maar de plattelandsbevolking kent nog
-een groot aantal andere.
-
-Als de koekoek over ’t veld vliegt, dan lijkt hij net een roofvogel; de
-dwarse streepen op zijn borst herinneren aan den sperwer. Er zijn dan
-ook nog een groote menigte menschen, die gelooven dat de koekoek des
-winters in een sperwer en de sperwer des zomers in een koekoek
-verandert. Intusschen zou een koekoek nooit een vogeltje kunnen grijpen
-of dooden, daarvoor zijn zijn pooten veel te zwak en deugt zijn snavel
-ook niet. Hij vergenoegt zich met insecten te eten en neemt de harige
-rupsen, waarvan bijna alle andere vogels een afschuw hebben.
-
-Men noemt daarom den koekoek nuttig voor den boschbouw en dat is
-stellig waar, maar in ons land vliegt hij ook zeer veel over weiden en
-akkers en dikwijls heb ik hem ontmoet aan den waterkant, waar hij
-tusschen de hooge oeverplanten zijn voedsel zocht.
-
-Het is zoo goed, in ’t voorjaar te zitten aan den waterkant. Het water
-is dan veel helderder dan in den zomer, het wier heeft nog niet de
-geheele oppervlakte bedekt en er zweven nog niet zooveel kleine levende
-wezentjes of overblijfselen er van in rond als in den heeten zomertijd.
-Lucht en wolken worden erin weerkaatst met groote zuiverheid en de
-bodem is zoo duidelijk te zien, dat zelfs de bewegingen van kleine
-zandkorreltjes merkbaar zijn.
-
-Licht en zwierig schieten waterplanten uit den bodem op, hun fijne
-blaadjes strekkend naar alle kanten, waterpest en hoornblad, vederkruid
-en waterranonkel. Het gegroefde kroos vormt dichte massa’s van
-driekante groene blaadjes, klein kroos drijft in cirkelronde schijfjes
-aan de oppervlakte en de groote bruine bladeren van de waterlelie komen
-ineengerold naar boven, om zich aan de oppervlakte uit te spreiden en
-in de warme zon aan de bovenzijde een groene tint aan te nemen.
-Langzaam volgen groote groene knoppen, maar de witte bloem zelve is een
-bloem van den zomer en als er zich een opent vroeg in Mei, dan brengt
-dat feit den groenen kikvorsch in een toestand van de allergrootste
-verbazing.
-
-Het ontwaken van de kikvorschen valt samen met den terugkeer der
-vogels, de bruine kikvorsch komt tegelijk met de kieviet, de groene met
-den nachtegaal, wiens naam hij voeren mag. O, wat worden die
-„boerennachtegalen” gesmaad en gehoond, maar wat doet het den
-natuurvriend goed, wanneer hij na den langen winter hun tevreden of
-uitgelaten gekwaak weer hooren mag.
-
-En dan komen die wonderlijke massa’s kikkerdril in de slooten, de
-zwarte kikkereitjes, omgeven door een dikke geleilaag, waar de kleine
-vischjes tevergeefs in happen en die de eieren voor tal van schadelijke
-invloeden beschermt. Prompt op tijd verschijnen de kleine kikkerlarven,
-eerst klein, met gesloten bek en wapperende kieuwtjes aan weerszij van
-den kop, dan grooter, met achterpooten, dan met voorpooten en eindelijk
-verliezen ze hun platte zwemstaart en worden heusche, kleine
-speelgoedkikkertjes.
-
-Maar al te dikwerf speelgoed! Speelgoed voor kleine onnadenkende
-wreedaards, speelgoed voor jongelui, die al graag den natuuronderzoeker
-uithangen en nog niet voldoende beseffen, dat het leed, door hen het
-dier aangedaan, lang niet vergoed wordt, door de luttele aanwinst van
-hun kennis. Het kluchtige dier met zijn menschachtige maniertjes
-verdient werkelijk een betere behandeling. Hij heeft het toch al hard
-genoeg te verantwoorden door al zijn behaarde, gevederde en geschubde
-belagers, waaronder otter en ooievaar, ringslang en snoek de meest
-geduchte zijn.
-
-Op den bodem rollen en wiebelen ruwe cilindervormige massa’s heen en
-weer. Het zijn de larven van kokerjuffers in haar kunstige huisjes. Bij
-tientallen bewegen zij zich in een smallen strook langs den oever, waar
-de zonnestralen het ondiepe water doorwarmd hebben. Heel in de diepte
-is het hun nog te koud, of liever, daar vinden ze geen voedsel genoeg,
-de kleine levende wezens, die hun prooi vormen, zoeken ook nog den
-zonnigen waterkant.
-
-Geen twee van die huisjes zijn aan elkander gelijk. Sommige zijn
-opgebouwd uit korte stukjes gras, andere uit blaadjes van het driekante
-kroos, weer andere uit doode stokjes met grove zandkorrels er aan en
-nog weer andere uit alleraardigste kleine schelpjes en slakkenhuisjes.
-Er zijn groote en kleine, korte en lange, uit de meeste komen kop en
-voorpooten van de bewoonster te voorschijn, maar bij vele is geen spoor
-van een dier te bemerken en dan lijkt het heel vreemd, hoe in het
-absoluut stille water zoo’n hoopje groen in heftige beweging kan
-verkeeren.
-
-Maar andere verschijningen leiden onzen aandacht van de kokerjuffers
-af. Een klein blinkend vischje schiet pijlsnel door het water en blijft
-dan opeens met trillende vinnetjes stilstaan in de zon. Borst en rug
-schitteren in alle felle tinten van rood en groen en blauw en de groote
-oogen schijnen vuur te schieten. Alweer een stuk speelgoed voor de
-jeugd: het stekelbaarsje. Deze mooie roodborst is het mannetje in
-vollen voorjaarsdosch. Een klein kegelvormig hoopje van zand en
-steentjes op den bodem is het nest, waarin de eieren of de jongen
-beschermd moeten worden. Komt een ander dier, een kokerjuffer, een
-kever of een stekeltje daar te dicht bij, dan schiet als een vuurstraal
-het toornige mannetje op den vijand af en hij slaagt er bijna altijd
-in, dien te verjagen.
-
-Maar als de schooljongen komt met zijn schepnet, dan is de roodborst er
-bij en mee moet hij in het chocolaad-blikje of jampot, hetzij om
-verpleegd te worden in een goed verzorgd aquarium, hetzij om vergeten
-en verwaarloosd den honger- en verstikkingsdood te sterven in een
-flesch met water voor een zonnig venster.
-
-Nu komt in het heldere water van mijn vijver weer een ander personage
-te voorschijn. Tamelijk onbeholpen en als tegen zijn zin omhoog
-geschoven, komt een groote, groenbruine kever naar de oppervlakte.
-Helder gele randen versieren borststuk en dekschilden; het is de
-geelgerande watertor; een mannetje, want zijn dekschilden zijn glad en
-vertoonen een groote glimplek in ’t zonlicht. Hij heeft de oppervlakte
-bereikt en hangt daar nu met den kop omlaag. De dekschilden zijn even
-opgetild, zoodat de lucht kan binnendringen tusschen lichaam en
-vleugeldek, en als de tor nu weer met krachtige slagen van zijn
-roei-achterpooten nederdaalt, dan heeft hij versche lucht genoeg, om
-het daar beneden langen tijd uit te houden.
-
-Op een andere plek vertoont zich zijn geribbeld wijfje en telkens zien
-we langs den plas van die groenbruine kevers boven komen, ook andere
-familiegenooten, half zoo groot. En alle zijn het even groote roovers,
-verdelgers en verslinders.
-
-De groote zwarte watertor, die nu om lucht naar boven komt, is al niet
-veel beter, al voedt hij zich ook wel van tijd tot tijd met planten.
-Hij heeft zijn luchtvoorraad niet op den rug, maar tusschen fijne
-haartjes aan den buik, waar hij wel een zilveren plastron schijnt te
-dragen. Wordt de voorraad te klein, dan komt hij aan de oppervlakte met
-den kop omhoog en dan weet hij langs zijn dikken voelspriet de
-luchtvoorraad te vergrooten. ’t Is een prachtig mooi dier en als we
-oplettend rondzien tusschen kroos en wier, dan ontdekken we ook wel het
-kunstig drijvend nest, waarin de eieren regelmatig zijn opeengestapeld.
-Een spits mastje steekt een centimeter boven het water uit. Uit die
-eieren komt de larve te voorschijn: het leelijkste, afgrijselijkste
-waterdier van onze slooten. Maar dat is een dier van den zomer.
-
-In den avond verlaten vele van deze kevers het water en vliegen gonzend
-rond en dan kan het je wel gebeuren, dat zoo’n dikke pikzwarte of
-geelgerande eventjes in ’t voorbijgaan tegen je hoofd komt aanbonzen.
-Maar nu in ’t zonnetje blijven ze in het water rondzwemmen om prooi, of
-zich koesteren in het lekkere bovenste waterlaagje.
-
-Daar daalt een zilveren balletje neer, zoo groot als een knikker. Het
-is de waterspin die zijn luchtvoorraad draagt om het geheele lichaam,
-vastgehouden door tallooze fijne haartjes. Hij begeeft zich naar een
-lichte plek in ’t water, ook een zilveren bel, dat is zijn nest, zijn
-schuilhoek, waarin hij van tijd tot tijd de lucht moet ververschen. De
-draden, die hij tusschen de waterplanten heeft gespannen, kunt ge niet
-zien, want ze zijn even doorzichtig als het water zelve.
-
-Daar wordt zijn weg gekruist door een wakkeren zwemmer. Ha, hoe gaan de
-lange achterpooten door ’t water, het lichaam van het dier schiet als
-een bootje vooruit. Dat is het bootsmannetje of ruggezwemmer, in vorm
-en kleur wel een van onze mooiste waterinsecten. Het rozerood van de
-vleugels, het geel van kop en borststuk vormen met de zilverglanzende
-luchtmassa van de buikzijde een prachtig geheel. De lange achterpooten
-zijn prachtige roeiriemen, flink lang en bij iederen slag worden zij
-verbreed door een haarfranje, die bij den terugslag weer vlak tegen den
-poot gaat aanliggen en zoo den weerstand minder maakt.
-
-Kinderen, die met een schepnetje de slooten afvisschen, nemen niet
-licht die bootsmannetjes mee. Waarom niet? Weten ze, dat de bootsman,
-als het hem lust, met zijn snuit een fermen steek kan geven? Of hebben
-zij de ervaring opgedaan, dat hij in het aquarium de andere dieren
-aanvalt en doodt? Het een is zoo goed waar als het ander, maar wanneer
-je bootsmannetjes houdt in een afzonderlijke flesch met wat zand en
-waterplanten, dan kun je er veel pleizier van hebben. Ik heb ze eens
-een jaar lang gehouden in een gewonen glazen jampot. Ze tierden
-opperbest en kregen aardige jongen, die al dadelijk den echten
-bootsmanvorm hadden en prachtig op hun rug konden zwemmen.
-
-Wie wel altijd mee moeten in de gevangenis, dat zijn de salamanders.
-Die zijn nu ook op zijn mooist, de mannetjes met prachtige, kleurige
-kammen op den rug en zeer verbreeden staart. Wie stil aan een slootkant
-zit, kan ze telkens voorbij zien zwemmen. Op goede dagen liggen ze bij
-dozijnen aan den zonnekant in het ondiepe water. Af en toe komt er
-leven in ’t gezelschap, dan zwemmen ze met slang-achtige kronkelingen
-om en over elkander. De eitjes van deze dieren worden niet gelegd in
-klompen of snoeren, maar afzonderlijk aan de waterplanten. Ze zijn niet
-gemakkelijk te vinden, je moet er geduldig stengel na stengel voor
-nazien.
-
-Uren lang kan ik aan zoo’n zonnigen vijver liggen te kijken naar al dat
-gedierte, dat uit de groene diepte verrijst en zich komt verlustigen in
-het lauwe kantwater. En ook aan de oppervlakte zelf is leven en
-beweging zonder ophouden. Daar krinkelen in zuivere cirkelbochten de
-glimmendblauwe draaikevertjes rond in scholen van soms wel meer dan
-honderd. Wat een drukte en gewoel. Soms raakt er een in geestdrift en
-die is dan niet tevreden met lustig te glijden langs het oppervlak,
-maar hij geeft zich een zetje en huppelt vier, vijf keer achtereen
-omhoog net op de manier van een plat steentje, dat wij langs het water
-pleieren of schuifelen of kiskassen, of hoe noemen ze het bij u in stad
-of dorp?
-
-Die draaikevertjes lijken wel geen beenen te hebben, maar dat is
-slechts schijn. Zij bezitten aardige grijppootjes en
-allermerkwaardigste roeipooten, bovendien een dubbel stel oogen: één
-dat kijkt langs de bovenzijde van ’t watervlak en een tweede waarmee
-het dier kan zien, wat er in het water gebeurt. Ze zijn schuw en
-schichtig in hooge mate; een slag met een stokje jaagt het heele
-gezelschap naar omlaag en ieder kevertje neemt bij het neerduiken weer
-een waterbelletje mee.
-
-Tusschen de onrust van de schijnbaar pootlooze draaikevertjes bewegen
-zich de langpootige schaatsenloopers met de uiterste kalmte. Waar hun
-pooten het water raken, heeft de gladde vlakte een heel klein deukje,
-maar overigens maken deze dieren den indruk van geheel gewichtloos te
-zijn. En het is toch ook eigenlijk wel iets heel bijzonders, zoo je
-heele leven lang te loopen over het water en nooit nat te worden. Er
-zijn verschillende soorten van schaatsenloopers, sommige kort en dik,
-andere zoo lang en zoo smal van lijf, dat het haast onbegrijpelijk is,
-hoe zoo’n schimmetje nog een hart en ingewanden, spieren en zenuwen,
-een heele anatomie, kan bevatten.
-
-De oever zelf raakt dicht begroeid. Het riet is nog kort, maar steekt
-toch al met duizend pieken boven het watervlak. Kalmoes en lischdodden
-vormen dichte bossen en de gele lisch steekt zijn grijsgroene bladeren
-al hoog in de lucht en ontplooit aan de knoopige stengels de eene bloem
-na de andere, heerlijke groote bloemen, mooi van het oogenblik af, dat
-ze als netjes opgerolde puntige knop uit de bloeischeede komen, totdat
-ze verwelken en de groote, groene, onrijpe vrucht overlaten.
-
-De gele bloemdekblaren wapperen in den wind, de bladachtige stempels
-met hun uitgeknipte punt steken er vroolijk boven uit en op mooie dagen
-zoemt en gonst het om de bloem van vliegen en bijen, die uit de diepe
-bloemdekbuis den zoeten kruidigen honing komen halen. Er bestaat een
-groote verscheidenheid in de honderden lisschen langs den slootkant:
-verscheidenheid in tint van geel, verscheidenheid in de bruine
-versiering van de groote hangende dekslippen, verscheidenheid in den
-stand der stempels, die nu eens hoog boven de bloem uitsteken, dan weer
-vlak op de dekslippen liggen.
-
-Wij willen armen vol van deze heerlijke bloemen afsnijden en thuis in
-glazen zetten, om te zien, hoe ze zich ontplooien en hoe telkens een
-verwelkte bloem vervangen wordt door een frissche, die bijna dezelfde
-plaats inneemt. Zoo kan één stengel een week lang het venster sieren.
-
-Tusschen de lisschen staan hier en daar de groote waterzuringen, die
-hun groote bladeren omhoog steken, haast op de manier van tropische
-pisangs. Op andere plekken verdringen zich de ruige bladeren en
-stengels van de smeerwortels, met de mooie hangende, klokvormige
-bloempjes, die in gedraaide trossen bij elkaar staan en allerlei
-kleuren kunnen vertoonen: geelachtig wit, oranje, rose, lichtblauw,
-donkerblauw, violet en paars. Een ruige plant, die alle fijnheid en
-gratie schijnt te missen, maar als ge de bloem openmaakt, dan vindt ge
-daarin vijf driehoekige dekseltjes, waarvan de randen versierd zijn met
-het allerfijnste goudsmeewerk.
-
-Hoe dichter de oever begroeid is, des te meer kans bestaat er, dat er
-aardige vogels huizen. Op rustige plekken aan breede wateren broedt nu
-de fuut, in gedaante en kleur en manieren een van onze zonderlingste
-watervogels. Zijn nest is een drijvende moddermassa, niet te
-onderscheiden van de zwarte veenmassa’s, ontstaan uit de half verrotte
-planten van het vorig jaar.
-
-Meer algemeen vertoont zich de koet, net een zwart eendje met een
-witten bles. Als hij zich schuil houdt tusschen de oeverplanten, dan
-hoort ge toch nog altijd zijn korte keffende roepjes. Hij heeft een
-mooi hoog nest, opgebouwd van stengels en bladeren, en daar liggen zijn
-tamelijk groote en talrijke bruine, fijn gespikkelde eieren, waaruit
-later enorm leelijke ruige, kleine, harige duveltjes van jonge koeten
-te voorschijn komen.
-
-Maar het echte vogeltje van den waterkant, het beminnelijkste vriendje
-van den eenzamen hengelaar, dat is het waterhoentje, dat zelfs in
-kleine vijvers en smalle slooten zijn nest durft te bouwen en hoe
-langer hoe meer vertrouwd raakt met de menschen.
-
-Hoe sierlijk zwenkt dat diertje rond, hoog op ’t water, het spierwitte
-staartje opstijgend als de achtersteven van een ouderwetsche karveel.
-Bij iederen slag met de groene pooten schokt het slanke nekje voor en
-achteruit en de groote roode plakkaat boven op den bovensnavel blinkt
-in de zon. Hij hapt in de lucht en langs het water en als hij zijn bek
-vol heeft met kleine insecten, dan stuurt hij regelrecht naar huis en
-loopt voor de gauwigheid met weergalooze behendigheid over een groot
-bed van wiebelende waterleliebladeren. Als hij aan den waterkant komt
-tusschen de bloeiende lisschen, dan komt hem ongeduldig al een spitse
-snavel te gemoet en het broedende wijfje neemt haar voedsel in
-ontvangst. Dadelijk maakt de man weer rechtsomkeert, om in weinig
-minuten weer een nieuwen voorraad op te doen.
-
-Hoe dikwijls heb ik deze familietafereelen begluurd langs den vijver
-van Duin en Daal aan het Meertje van Caprera en in de grachten van de
-ruïne van Brederode, toen die nog frisch en helder waren. Nog broedt
-daar ieder jaar een paartje en ’t is een groot genoegen er naar uit te
-zien in den tijd dat de ruïne overdekt is met de heerlijke, geurige
-muurbloemen.
-
-Het is wel een van de liefelijkste openbaringen van de Lente dat zij de
-oude vervallen bouwwerken zoo guitig versiert met mooie bloemen. Tot
-boven aan toe komen uit de muren de grijsgroen bebladerde stengels te
-voorschijn met honderden oranje bloemen, omzwermd door bijen en
-vlinders. Elders staat weer in een muurspleet een lijsterbes te
-bloeien, of een vlier ontwikkelt er zijn bladeren en laat zijn breede
-bloemtuilen zien, die nu nog groen zijn. De groote abeel op de
-binnenplaats heeft pas zijn witte bladeren gekregen en de hooge wilgen
-langs de gracht vertoonen gele bloesemkatjes tusschen lichtgroen
-loover.
-
-Langs de grachtkanten staan in dichte rijen de lisschen te bloeien en
-wilgenroosje en koninginnekruid zijn gereed hen te volgen, terwijl op
-en om de muren en in de boschjes look zonder look en fluitekruid
-bloeien in een wolk van wit. Hier vinden we ook onze oude vrindjes, de
-oranjetipvlindertjes weer. Bij dozijnen vliegen ze over de witte
-bloemen, de wijfjes heelemaal wit, de mannetjes met groote oranje
-vlekken aan de toppen der voorvleugels. En als ze gaan zitten op het
-bloeiend pijpkruid of op de lookraket, dan zijn ze opeens verdwenen,
-zoozeer harmonieert de wit met groen gekleurde onderkant hunner
-vleugels met het wit en groen van deze lentebloemen.
-
-Nu nog een keer de duinen in, om nog meer vlinders en vogels en bloemen
-te ontmoeten. Ik ken een pad, waar de rustige wandelaar geduld wordt,
-ik weet een plekje, waar we een paar zonnige morgenuren verdroomen
-kunnen. Het is een berkeboschje aan de oosthelling van niet hooge, maar
-steile duinen. De helling van die duintjes is in de hoogte begroeid met
-duindoorns, maar lager komen wilde rozen en wilde asperges en eindelijk
-allerlei fijne bloempjes: wikke, vergeetmijnietjes, viooltjes,
-aardbeitjes en pimpernel, fijn kruidig goedje, waarboven de
-glinsterende vuurvlinders en de fijne blauwtjes rondfladderen.
-
-Waar veel viooltjes bijeenstaan, daar komt ook een bruin met zwarte
-vlinder rondvliegen en als hij zich te midden van de bonte bloempjes
-neerzet en de vleugels opslaat, dan blijkt de onderkant daarvan bezet
-te zijn met groote glinsterende plekken van het mooiste parelmoer. Het
-is de parelmoervlinder, die in de duinen even algemeen is, als de
-oranjetip in de pinksterbloemen-wei aan den boschrand.
-
-Het is goed, dat we buiten het boschje zijn gaan liggen, want nu kunnen
-we niet alleen nachtegaal en roodborst, fitis, roodstaart en
-winterkoning in het bosch hooren zingen, maar we zien ook, hoe een
-zanglijster vlug van onder een bloeienden meidoorn rent naar een open
-plekje en daar met veel animo een huisjesslak stukslaat, die hij in den
-bek had. Hij pikt de weeke slak er uit en hipt daarmee weer het bosch
-in en nu weet ik, dat daaromtrent zijn nest met geelbekkige jongen te
-vinden moet zijn. Hij heeft al wat slakjes verbruikt, want de
-slachtplaats ligt vol met stukgehakte huisjes. Een bontgekleurde tapuit
-houdt er nalezing.
-
-Een groote ronde violette kever loopt over een open zandplek, hij rolt
-een konijnenbolletje voor zich uit, het is de mesttor, die hier nuttige
-grondwerkersarbeid verricht. Nu zien we ook naar konijntjes uit en
-jawel, die zitten te spelen aan de overzijde van de vallei, tusschen de
-duindoorns. Toen ik de verrekijker aan de oogen bracht, bleven ze
-opeens als versteend stil zitten. Maar als ik ze wijs kan maken, dat ik
-hier zit te dutten, dan begint het gestoei weer van voren af aan. Zij
-rennen elkaar na in groote kringen en de witte staartjes lijken in de
-verte wel vlindertjes, want het grauwe dier zelf steekt tegen den
-duin-achtergrond bijna niet af.
-
-Opeens vliegt met luid gejoel een groote vogel met krommen snavel over
-ons heen. Het is een wonder, dat wij hem al niet eerder gehoord hebben,
-want wie in Mei een wandeling doet door het duin, wordt vroeg of laat
-altijd begeleid door dezen hoogvlieger en luidkrijter, de wulp. Ik wil
-nooit zeggen, dat een wulp schreeuwt, daarvoor is zijn geluid veel te
-diep, te metaalachtig, te welluidend. Het is een heerlijk krachtig
-dier, een onvermoeid vlieger, een volmaakt wandelaar, een volleerde
-dansmeester, een uitstekend krabbetjesvisscher, een vlugge
-sprinkhanenjager en bovendien een baas in het verstoppertje spelen, die
-zelf ieder meteen opmerkt en dadelijk onraad blaast.
-
-Zie hem rondvliegen door de blauwe lucht en langs de witte wolken.
-Wanneer ge denkt, dat hij aan ’t eind van de vallei verdwenen is, dan
-roept hij meteen weer vlak boven uw hoofd, want hij heeft niet anders
-gedaan, dan in een wijden kring rondvliegen. Het duurt langen tijd, eer
-hij volkomen gerustgesteld is en zelfs nadat hij is neergestreken op
-een naburigen duintop, loopt hij nog lang schutterig heen en weer met
-veel vleugelgeklep en snavelgezwaai.
-
-Nu vallen opeens veel witte blaadjes van een bloeienden meidoorn vlak
-bij en daar het niet waait en de meidoorn pas in bloei komt, moet daar
-ook een vogeltje aan den gang zijn. Jawel daar fonkelt een rood borstje
-en een rood schedelkapje, het is een kneutje, dat flink en vroolijk
-zijn liedje uitkraait, kweelt en kwinkeleert. Dit is het vroolijkste en
-prettigste vogeltje van hei en duin, weinig opgemerkt en overal
-aanwezig en ’s ochtends vroeg zit hij wel te zingen op den
-telefoondraad vlak bij mijn huis.
-
-En nu lijkt het wel of de heele helling een kneutjes-verblijf is, want
-als de kneu in den meidoorn heeft uitgekraaid, dan begint er weer een
-in den eglantier en eindelijk een stuk of drie hoog boven in de
-duindoorns. Ze zingen al luider en luider en het duurt niet lang, of
-het komt tot de onvermijdelijke vechtpartijen, die er op uitloopen, dat
-het heele kneuengezelschap knutterend en kraaiend in schokkende vlucht
-een grooten optocht houdt door de lange vallei.
-
-Weer blinkt er iets in ’t zand, het is een gouden loopkever, die een
-rups heeft gevangen en er mee marcheert naar een rustig plekje om hem
-op te peuzelen. Een eindje achter hem scharrelt een bruine
-zandloopkever en net als ik hem pakken wil, tilt hij zijn
-metaalglanzend dekschild op en vliegt ineens vijfentwintig meter ver
-weg. Je kunt aardig buiten adem raken, als je die zandloopkevers wilt
-vangen en bovendien je geduld verliezen met te hengelen naar hun
-leelijke, dikkoppige, gebochelde larven, die hun verblijf houden in
-loodrechte, twee tot drie decimeter diepe putten. Maar daar wil ik
-vandaag niet aan denken.
-
-Hoe heerlijk staan al de heesters in bloei! De berken zelf zijn
-uitgebloeid, maar de meidoorn heeft geurigen bloesem en heerlijke,
-mooie witte knoppen. En de sneeuwbal of Geldersche roos (hij groeit in
-de duinen veel meer dan in Gelderland) is overdekt met zijn platte
-witte tuilen, kleine echte bloempjes in ’t midden en daaromheen een
-krans van groote witte lokbloemen, die zelf geen stampers of meeldraden
-hebben, noch honing voortbrengen, maar de insecten den weg wijzen naar
-die echte kleintjes binnenin. Die laten dan ook niet op zich wachten,
-want het wemelt op die witte sneeuwbal van vliegen, wespen, bijen,
-vlinders en kevers.
-
-En vlak daarbij staat weer een berberis, een eeuwenoude struik met
-honderden stammetjes, die dicht opeen uit de aarde komen, zich fijn
-vertakken en tusschen de bundeltjes van lichtgroene blaadjes ontelbare
-trossen met mooie goudgele bloemen dragen. Gij kent de bijzonderheid
-van die bloempjes; wanneer de binnenzijde der meeldraden wordt
-aangeraakt, dan buigen deze plotseling naar binnen: ze kunnen niet
-tegen kriebelen. Menige honigbij zal geschrokken zijn; als zijn tong
-zoo opeens bekneld raakte tusschen meeldraad en stamper. Maar hij kon
-’t toch niet laten, om in een andere bloem weer naar den zoeten honing
-te zoeken en bracht zoo wel het stuifmeel over, dat dienen moest om den
-stamper te doen rijpen tot de lekkere en mooie zure roode bes, die we
-in den herfst zullen zoeken.
-
-Al die heerlijke heesters staan hier dicht opeen en het is alsof op
-zoo’n gezegend plekje ook alle vogels, alle vlinders gaarne willen
-komen. Onophoudelijk schitteren bonte kleuren, onophoudelijk klinken
-vroolijke liedjes. Een vogel is er, die in lied en vlucht op deze
-plaats de lentevreugd nog duidelijker openbaart dan de nachtegaal en de
-fitis in het bosch. Het is de boompieper, een grauw diertje, dat wel op
-een leeuwerik lijkt. Met vluggen wiekslag stijgt hij snel zingend
-omhoog, spreidt dan vleugels en staart wijd uit en daalt zonder eenige
-beweging in de grauwe veertjes zingend weer neer. Bij het stijgen is de
-zang vlug, krachtig en vroolijk, bij het dalen gaat hij over in reine,
-langgerekte fluittonen vol vervoering en bijna klagend en als de vogel
-op een boomtop is neergekomen, dan krijgt de vreugd weer de overhand en
-besluit hij zijn lied met een flinken, rammelenden, krachtigen triller.
-
-Zoo gaan ook wij de lente door, met blijdschap, als de winter wijkt,
-met diepe ontroering, wanneer al het schoone leven zich aan ons
-openbaart, met vreugd en vertrouwen, als de teere bloesem overgaat tot
-forschen bloei en ontwikkeling, als de pracht der rozen den zomer
-binnenleidt.
-
-
- JAC. P. TH.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-REGISTER.
-
-
-(De gewone getallen geven het nummer aan van het plaatje, de cursieve
-de bladzijde van den tekst.)
-
-
- Aardbezie. 116 49
- Aäronskelk. 40 13
- Abeelkatjes. 15 11
- Ahorn, gewone. 57 19
- ,, Noorsche. 59 18
- Amandel. 119 16
- Appelbloesem. 72 30
- Atalanta. 83 14
- Berberis. 115 51
- Beukebloesem. 55 32
- Blauwtjes. 143 49
- Bladmossen. 11 13
- Bloemenplukken. 71 20
- Boerenzwaluw. 109 36
- Bollenvelden. 68 29
- Boomklever. 53 16
- Boompieper. 89 52
- Bootsmannetjes. 98 46
- Boschanemoontjes. 30 13
- Citroenvlinders. 39 14
- Crocusjes. 27 12, 16, 29
- Dagpauwoog. 141 14
- Den, bloeiend. 76 31
- Dennen. 132 31
- Doovenetel, paarse. 20 7
- ,, witte. 74 41
- Dotterbloem. 69 20
- Draaikevertjes. 101 47
- Eereprijs. 91 24
- Eikebloesem. 56 33
- Elzekatjes. 14 11
- Fitis. 85 18
- Fuut. 138 48
- Groenvink. 51 17
- Grutto. 35 25
- Haasjes. 130 28
- Harlekijnsorchis. 43 25
- Hazelaarkatjes. 13 10
- Helmbloem. 39 13
- Herderstaschje. 73 27
- Hoefblad klein. 7 9
- Hondsdraf. 19 40
- Hondsviooltje. 21 18
- Hongerbloempje (zie Voorjaarsvroegeling.)
- Houtduiven. 134 38
- Huisjesslak. 108 50
- Huiszwaluw. 111 36
- Hyacinthen. 16 12, 29
- ,, wilde. 48 41
- Kastanje. 50 19
- Kauwtjes. 114 38
- Kemphaantjes. 36 26
- Kers. 77 29
- Kieviet. 34 22
- Kikvorsch. 122 44
- Klaverzuring, wakker. 94 13
- ,, slapend. 95 13
- Kneutje. 113 51
- Koekoek. 66 43
- Koekoeksbloem. 23 43
- Koet. 137 48
- Kokerjuffers. 101 45
- Koningsmantel (zie Rouwmantel.)
- Konijnen. 129 50
- Koolmees. 2 6
- Koolzaad. 41 27
- Kornoelje. 42 16
- Korstmossen. 13 13
- Kruiskruid. 8 7
- Kwikstaart. 65 23
- Larix. 38 14
- Leeuwerik. 126 23
- Lelietje van dalen. 84 42
- Leverbloempje. 17 13
- Lisch. 118 48
- Loopkever, gouden. 104 51
- Lijster, zwarte. 31 7
- Maagdepalm. 131 39
- Madeliefje. 24 7
- Magnolia. 79 17
- Meeuwen. 32 17
- Meikever. 103 33
- Merel (zie zwarte Lijster.)
- Merelnest. 63 17
- Mesttor. 106 50
- Morielje. 144 14
- Musschen. 4 6
- Muurbloemen. 127 49
- Nachtegaal. 86 39
- Narcissen. 92 12, 29
- Oeverzwaluw. 110 37
- Oliekever. 107 24
- Ooievaars. 49 21
- Oranjetipvlinder. 140 24, 49
- Orchis, gevlekte. 44 25
- Paardebloem. 22 24
- Parelmoervlinder. 75 50
- Peer. 78 29
- Pimpelmees. 3 6
- Pinksterbloem. 80 23
- Pijpkruid. 76 40
- Reiger. 54 21
- Ribes. 120 17
- Roekennesten. 33 17
- Roodborst. 62 40
- Roodstaartjes. 133 34
- Roos, Geldersche. 117 51
- Rouwmantel. 142 14
- Salomonszegel. 45 42
- Sleutelbloemen. 67 13
- Smeerwortel. 81 48
- Sneeuwklokje. 28 9
- Spar. 93 30
- Specht, bonte. 52 15
- ,, groene. 51 15
- Speenkruid. 37 40
- Spotvogel. 90 34
- Spreeuwen. 136 22
- Stekelbaarsje. 123 45
- Tapuiten. 124 50
- Tjiftjaf. 61 18
- Torenzwaluw. 112 37
- Tortelduif. 135 38
- Tuinfluiter. 87 35
- Tulpen. 18 12, 29
- Varens. 70 14
- Vink. 6 15
- Viooltje, driekl. 75 50
- Vogelkers. 58 40
- Vogelmelk, knikkende. 47 13, 41
- Vogelmelk, schermdragende. 46 13, 41
- Vos, kleine. 7 8
- Vogelmuur. 26 7
- Voorjaarsvroegeling. 9 8
- Vuurvlindertje. 82 49
- Waterhoentjes. 121 48
- Watersalamander. 99 47
- Waterspin. 102 46
- Watertor, geelgerande. 97 43
- ,, pikzwarte. 100 46
- Waterwilg. 10 12
- Winteraconietjes. 29 13
- Winterkoninkje. 5 7
- Witje. 23 28
- Wulp. 125 50
- Wijngaardslak. 144 15
- Zandloopkevers. 105 51
- Zanglijster. 1 5, 50
- Zanglijsternest. 64 17
- Zwartkop. 88 35
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 67159 ***