diff options
Diffstat (limited to 'old/67159-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/67159-0.txt | 2758 |
1 files changed, 0 insertions, 2758 deletions
diff --git a/old/67159-0.txt b/old/67159-0.txt deleted file mode 100644 index d43c2e8..0000000 --- a/old/67159-0.txt +++ /dev/null @@ -1,2758 +0,0 @@ - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 67159 *** - - - - - - LENTE - - DOOR - - JAC. P. THIJSSE - - GEÏLLUSTREERD MET PLAATJES NAAR - TEEKENINGEN VAN L. W. R. WENCKEBACH, - JAN VAN OORT EN JAN VOERMAN Jr. - - - 1906 - - BAKKERIJ „DE RUIJTER” - DER FIRMA VERKADE & COMP. - - - - - - - - - -Het was op een voorjaarsavond, gezellig tegenover elkander zittende, -dat wij aan den praat raakten over ons album No. 3, dat toen pas was -uitgekomen en in slechts enkele weken zijne bestemming gevonden had -door gansch het land.—Zoo’n album met de plaatjes, teksten, en alles -wat er aan vast is, kost veel tijd van voorbereiding; heel een -organisatie van teekenaars, drukkers, binders en pakkers komt er bij te -pas, en is het eenmaal verschenen, dan komt van zelf de vraag: „Wat nu? -Hoe kunnen wij, geleerd door de ervaring van vorige uitgaven, een -volgend jaar iets beters leveren, iets wat nog meer voldoet aan het -doel, dat wij ons speciaal in de laatste jaren voor oogen stelden, n.l. -om het geld, dat wij voor reklame uitgeven, zoo practisch en tevens zoo -nuttig mogelijk te besteden?” - -En al pratende lokte het eene denkbeeld het andere uit. Eerstens wilden -wij een beslist Nederlandsch werk leveren: plaatjes met Hollandsche -voorstellingen, door landgenooten ontworpen, gereproduceerd en gedrukt, -het album hier gemaakt, gedrukt en gebonden, het papier er voor van -eene Nederlandsche firma. - -Dan wilden wij zoo gaarne, dat de plaatjes niet alleen de verzamellust -der kinderen zouden bevredigen, maar ook dat ouders en anderen er -vreugde van zouden kunnen hebben,—dat er voor allen wat uit te leeren -zou zijn, wat hun lust tot opmerken zou prikkelen, hunne liefde voor de -natuur zou vergrooten. En toen stond het plan ons spoedig geheel voor -den geest: wij zouden eene vertelling trachten te geven van het jaar, -van de verschillende jaargetijden, van bloemen, vogels, vlinders, -kevers, die overal te vinden zijn in ons kleine land, doch die maar -door enkelen worden gekend. - -Natuurlijk kwamen ons toen dadelijk in de gedachte de aardige boekjes -van Heijmans en Thijsse: In Sloot en Plas, Hei en Dennen, enz. en de -artikelen van Thijsse in het „Alg. Handelsblad”, en wij namen ons voor -een dier heeren te vragen, of hij ons helpen wilde in ons streven, om -het geld, dat wij nu eenmaal moeten uitgeven om aan onze producten die -bekendheid te geven, die voor den bloei onzer zaken noodig is, nuttig -te besteden, ten bate van eene breede schare van lezers en lezeressen, -zoo oud als jong, in het belang van verbreiding van kennis onder hen en -het aankweeken van liefde voor alles wat groeit en bloeit in onze zoo -mooie natuur. - -Dus niet een album alleen, maar een boek, en ter illustreering van den -tekst de plaatjes, die wij bij onze artikelen pakken. Een boek dat -geïllustreerd zal zijn tegen dat de Lente opnieuw haar intrede doet. -Een boek, dat een deel zou kunnen vormen van eene volgreeks: Lente, -Zomer, Herfst en Winter, een boek geschreven door eenen scherpen -waarnemer, versierd met oorspronkelijke en daarbij behoorende -teekeningen, welke het bloempje en plantje of vogel en vlinder, zoo -getrouw mogelijk weergeven. - -Wij waren in onzen schik met deze vondst, en togen aan den arbeid, of -juister nog de heer Vlaanderen, die onze afdeeling reklame beheert. De -heer Thijsse verklaarde zich bereid het boek te schrijven, de -teekenaars Jan van Oort en L. W. R. Wenckebach te Amsterdam en Jan -Voerman Jr. te Hattem namen het ontwerpen en teekenen der plaatjes op -zich, terwijl de reproductie daarvan werd toevertrouwd aan de heeren -Roeloffzen-Hübner & Van Santen, Amsterdam en den heer S. Bakker Jzn., -Koog a/d Zaan. De tekst werd gedrukt door de firma Mouton & Co., Den -Haag, op papier, geleverd door de firma Van Gelder Zonen, Wormerveer; -het binden geschiedde door de heeren Stokkink & Van Lith, Amsterdam. -Wij noemen deze namen, omdat wij in het begin zeiden, dat het geheel -een zuiver Nederlandsch werk zou vertegenwoordigen, en tevens om de -heeren dank te brengen voor de goede zorgen, die zij aan een en ander -hebben besteed. - -Eén vraag dringt zich thans aan ons op: zullen wij op den ingeslagen -weg voortgaan, zullen wij spoedig na het uitkomen van dit album kunnen -besluiten een volgend jaar een vervolg daarop te geven, getiteld -„Zomer”? Dit hangt van U af, waarde lezer. Hoe spoediger wij weten, dat -het boek „Lente” met de daarbij behoorende plaatjes U bevalt, hoe -liever wij dit hebben, dan kunnen gedurende den zomer de bloemen, -vogels en insecten uitsluitend naar de natuur worden geteekend, en ook -voor den schrijver van den tekst heeft het veel waarde wanneer hij zoo -vroeg mogelijk weet, of het vervolg op „Lente” verschijnen zal, ja dan -neen. Wanneer gij derhalve plaatjes ter ruiling zendt, schrijft ons dan -of gij met ons plan instemt. - -Wij besluiten met den wensch, dat „Lente” de kring van onze jeugdige -vrienden zal vergrooten en de kennis en de liefde tot de natuur zal -vermeerderen. - - - Firma VERKADE & COMP. - - - - - - - - - -LENTE. - - -Het is nog niet uitgemaakt, wie het eerst de Lente proclameert: de -zanglijster, de sneeuwklokjes of de hazelaar. Het eene jaar komt de -vogel het eerst met ’t nieuwtje, het andere jaar de heester of de -bloem, maar in ieder geval weten zij het altijd eerder dan de menschen, -die op den kalender afgaan, en meenen, dat de Lente den -eenentwintigsten Maart haar intocht doet. - -Mij dunkt, ik hoor die zanglijster al lachen! „21 Maart, begin van de -Lente? Maar dan zitten wij al lang in de zorgen! Neen hoor, de ware -pret begint al, wanneer de dagen weer langer worden, zoo in het begin -van Januari. Hoor maar eens, wat de andere vogels er van zeggen”. - -En waarlijk, daar gaat hij zitten in den hoogsten top van zijn -geliefkoosden abeel of iep en roept ze alle op. Want de zanglijster is -alle talen machtig en ’t kost hem niet de minste moeite, om in éen adem -koolmees en pimpelmees, roodborst en huismusch, wulp en spreeuw toe te -spreken, ieder in zijn eigen dialect. - -Uit pure vreugd en baldadigheid gooit hij daar nog allerlei geluiden -tusschen in van eigen vinding: mooie loopjes en melodieën en -afschuwelijke krijsch- en sisgeluiden, net als een kwajongen, die al -tamelijk goed viool kan spelen, maar ’t niet kan laten, om zijn -instrument van tijd tot tijd te gebruiken als speelgoed. - -Dag aan dag zit hij in denzelfden boom, dikwijls op denzelfden tak zijn -blijdschap uit te galmen, eerst alleen in de morgenuren bij dooiweer, -dan ook tegen zonsondergang en eindelijk heele dagen lang, -onverschillig wat weer het is. Al hagelt, regent en sneeuwt het -tegelijk, het hindert hem niet. Alleen wanneer er onverwacht weer eens -een winterweekje komt en de grond hard bevriest, zoodat hij niets -anders te eten kan vinden dan wat bevroren hulstbessen of onrijpe -klimopvruchten, dan verstomt zijn lied en dan kan hij in een paar dagen -geweldig afvallen, zoodat hij ten slotte niet meer is dan vel over -been. - -Doch zoodra de thermometer boven nul staat, begint de vreugd opnieuw. -Deze afwisseling van bitteren strijd en uitgelaten vreugde maken de -eerste lenteweken tot den heerlijksten tijd van het jaar, vol pit, -fermheid en blijdschap. - -Den eenen dag verdringen de musschen zich hongerig en haveloos om het -voederbakje, den volgenden zitten ze onbezorgd en voldaan gezellig te -sjielpen in de kale boomen. Wat ze elkander daar te verhalen hebben is -een raadsel, maar zeker is het, dat de zon erbij betrokken is, want -ieder straaltje vangen ze op tusschen de half opgerichte grijze veeren. -En als de zon op ’t punt is onder te gaan, dan is hun gezelschap ’t -grootst en het gesjielp op zijn luidruchtigst. - -Blijft het zonnige weer aanhouden, dan sleepen de musschen dra met -vezels en strootjes en dat beteekent nesten bouwen. Die vogels hebben -het onder de bescherming van onze huizen en daken al zoover gebracht, -dat zij den winter soms totaal negeeren en kale jongen hebben met -Nieuwejaar. Maar dat lijkt ons een afdwaling der natuur veroorzaakt -door het stadsleven. - -Doch in Februari, dat is wat anders. Dan gaat de zanglijster ook al -bouwen en de meezen ontbinden gaandeweg hun groote winterlegers en -trekken bij kleine troepjes, ten slotte zelfs bij paren door het land. - -Wie de meezen voert met spekzwoord of soepbeentjes, vet in een notendop -of een kokosnoot—alles opgehangen in de boomen—kan dat gemakkelijk -waarnemen. In den winter komen heele troepen op ’t voer af. Niet, dat -ze alle tegelijk eten, o neen, dat gaat bij beurten: de sterkste het -eerst en dan wippen de andere ongeduldig door het hout onder het uiten -van hun klokjesheldere loktonen. Het zijn meest koolmeezen, met zwarten -kop en zwarte middenstreep over zwavelgele borst, maar ook komen er -prachtige pimpelmeesjes bij met lichtblauwen schedel en donkerblauwen -halskraag. - -En als nu de lente komt, dan worden de troepen in de boomen minder -talrijk, maar er zitten er meer op het voeder; dikwijls twee op -dezelfde kokosnoot of hetzelfde varkensribbetje. De een is wat grooter -en mooier en forscher geteekend dan de andere, ’t is een mannetje, dat -zijn wijfje vergunt mee te eten en dat van tijd tot tijd woedend -opvliegt naar een derden vogel, die boven aan het touwtje zit te -rukken. Bijna alle jonge vogelhuishoudens hebben last van zoo’n derde, -zoo’n indringer, en ’t kost het mannetje heel wat ongerustheid en -strijd, om hem ten slotte van de baan te krijgen. - -De pimpelmeesjes verschijnen eerder gepaard dan de koolmeezen. Dat -hangt misschien samen met de omstandigheid, dat zij op ietwat -vertrouwelijker voet staan met de menschen, want in den omgekeerden -bloempot of de nestkastjes, die gij ter beschikking van de vogels -stelt, zullen zich veel eerder pimpelmeesjes dan koolmeezen vestigen. -Toch zijn er nog altijd drie kansen tegen één, dat er in plaats van -pimpeltjes ringmusschen of spreeuwen in komen en de kansen voor -roodstaartjes staan zoowat gelijk. - -Die meesjes beginnen nu ook hun lentelied te zingen, dat veel liever en -vroolijker is, dan hun winterzang. Zoo gaat het ook met roodborst en -winterkoning. Die hebben den heelen winter door gezongen, vorst of geen -vorst, maar nu het lente wordt, zingen zij eens zoo mooi en eens zoo -lang, het roodborstje hoog en fijn en aandoenlijk, de winterkoning -dartel en blij met geraas en geschetter en trillers zonder eind. - -Hij is nog doller dan de zanglijster, want die zit ten minste nog stil -op zijn tak. - -De winterkoning echter houdt het nergens langer uit dan een minuut, -telkens verandert hij van plaats, altijd door zingend, zoodat hij -eindelijk met zijn korte snorrende vleugeltjes gaat gelijken op een -soort van muzikaal balspel. Ten slotte schijnt hij uitgeraasd te zijn, -en dan sluipt de bruine dwerg tusschen de boomstronken door, om voedsel -te zoeken of om bouwstoffen te vergaren voor een van de vele nesten, -die hij onderhanden heeft. - -Daar ontmoet hij den zwarten lijster, die ook al met lentegedachten -rondloopt en daardoor minder verdraagzaam is, dan een maand geleden, -zoodat hij dat gedraai en gesnuffel van zoo’n winterkoning in zijn -nabijheid niet hebben kan. Hij springt dus met zoo’n paar deftige -lijstersprongetjes op den kleinen indringer los, deze slaat op de -vlucht en begint in zijn agitatie natuurlijk weer van voren af aan te -zingen. Want elke sterke gemoedsaandoening, al is het ook een -onaangename, is voor hem en voor vele andere vogels de aanleiding tot -een lied. - -De zwarte lijster koelt nu zijn woede op een arme aardworm, die hij -onder de dorre bladeren gehoord had en laat de zucht hooren, waarvan de -lijsters het monopolie hebben en dat eigenlijk een armzalig dun gefluit -is. Waarom zou hij zuchten, die mooie zwartgerokte, goudgesnavelde -merel? Wel, verleden week vochten drie bruine merelwijfjes om hèm, en -nu moet hij weer dag aan dag met andere merelmannen vechten om de eene -van de drie, die toen de baas en daardoor zijn wijfje geworden is. - -Dat veroorzaakt in de merelwereld al dat gejaag en geraas en geroep, al -die onrust en onwaardige vechtpartijen, die men niet verwachten zou van -een zoo edelen zanger. Hoe rein en rustig klinkt zijn lied ’s avonds -uit de hooge boomen! - -Als de merel zingt, dan is het ook tijd, om naar bloemen uit te zien. -Wel is waar hebben den heelen winter door madeliefje en kruiskruid, -vogelmuur en paarse doovenetel hun bloempjes vertoond tusschen ijs en -sneeuw, maar dat was toch niet het ware. Die bloempjes bleven klein en -dicht bij den grond, weinig in aantal en zonder geur of fleur. - -Maar nu wordt het anders. De vogelmuur groeit uit en vertakt zich en -waar met Kerstmis zich niet meer vertoonde dan een enkel bloempje -tusschen een paar groene blaadjes, daar spreiden zich nu kussens uit -van dicht sappig groen en als de zon schijnt, dan wordt dat groen -overdekt en verborgen door duizenden bij duizenden tienpuntige -sterretjes van het reinste wit, zoodat het plekje grond bedekt lijkt -met een ijle sneeuwlaag. En de madeliefjes verheffen zich op hooger -stelen. In den winter zijn ze altijd eenvoudig wit met geel, flets geel -en slap wit. Maar nu ’t lente wordt, hebben ze warmer tinten van noode, -het geel wordt dieper en nadert tot oranje en de randbloempjes krijgen -een tipje rood. Hoe helderder voorjaarsweer, des te meer madeliefjes -met roode randjes. - -Op dezelfde plaatsen als de vogelmuur bloeit het kruiskruid, het -gemeene kruiskruid, zooals het in de boeken heet. Dat woordje gemeen -heeft in de plantkunde een andere beteekenis dan in het dagelijksch -leven, het is eigenlijk een afkorting van „algemeen” en er zit dus -heelemaal geen kwaad bij. In dit geval echter kunnen wij haast niet -nalaten, met eenige minachting aan het plantje te denken, het is zoo -gewoon en zoo min, het staat altijd op verwaarloosde plekjes en heeft -in vorm en kleur en levenswijs weinig, dat bij den oppervlakkigen -beschouwer bewondering wekt of aandacht trekt. Een echt versmaad, -nederig onkruid. - -Even nederig en bijna altijd over het hoofd gezien is een ander -bloempje, dat dikwijls reeds in November bloeit, den heelen winter -zonder schade door alle wisseling van vorst en dooi blijft groeien en -nu in de lachende voorjaarszon zijn gansche levenskracht ontwikkelt. -Het is het hongerbloempje, een nietig plantje, bestaande uit een -rozetje van groene blaadjes vlak op den grond, waaruit een dunne -vertakte bloemstengel verrijst. De bloempjes zijn kleine kruisbloempjes -met gespleten kroonblaadjes, zoodat er in plaats van vier acht schijnen -te zijn. - -Maar op de zandgronden en in sommige parken en tuinen groeien deze -kleine plantjes dicht opeen bij honderden en duizenden. In den -voormiddag gaan bij zonnig weer de bloempjes wijd open. De dunne -steeltjes, die ze dragen, zijn nauwelijks zichtbaar en zoo schijnt er -dan een witte sluier te zweven boven de groenende duinhelling. - -Het hongerbloempje heet ook wel voorjaarsvroegeling en dat is eigenlijk -een veel aardiger naam. Want dit dappere plantje wekt maar zelden -gedachte aan honger en gebrek. Integendeel, de bloempjes bevatten flink -ontwikkelde honingklieren en verschaffen overvloedig voedsel aan -vliegen en bijen en vroege voorjaarsvlinders. - -Er zijn ook vlinders van den winter, vreemde, geheimzinnige dieren, -maar de echte vlinder van het voorjaar is het bont gekleurde Kleine -Vosje. Die heeft ook een fijn lentegevoel en komt uit zijn schuilhoek -wel te voorschijn, nog voor de zanglijster zingt. Dikwijls moet hij dan -smadelijk den terugtocht blazen, maar als de merel gaat zingen, dan -staan zijn kansen al beter en dan is hij er ook zeker van, dat hij op -de bloemen van het Klein Hoefblad smakelijk zijn bekomst kan eten. - -Met het Sneeuwklokje is het Klein Hoefblad eigenlijk de eerste echte -voorjaarsbloem, want vogelmuur, madelief, kruiskruid, doovenetel en -voorjaarsvroegeling zijn te beschouwen als overwinteraars. - -Het sneeuwklokje komt ook wel reeds in December uit den grond kijken, -maar houdt zijn blaadjes en bloemen nog lang in de beschermende scheede -besloten. Eind Januari of in ’t begin van Februari komt op zonnige -plekjes een enkel bloempje uit het hulsel te voorschijn, maar het opent -zich nog niet. Als een groote, bevroren witte droppel blijft het hangen -en eerst na eenige dagen spreiden in de warme Februari-zon de buitenste -dekblaadjes zich uit en de groengestreepte binnenste bloemblaadjes -bieden aan de hongerige bijen hun honingvoorraad aan. - -Weken lang duren die bloempjes. Als ze zich openen, ligt het ijs nog in -de slooten en is de zanglijster nauwelijks begonnen te zingen. Wanneer -zij verwelken, heeft de kieviet al eieren en zien wij de komst van de -zwaluwen tegemoet. Al dien tijd staan ze frisch en ongeschonden te -bloeien, ongedeerd door storm of vorst, onaangeroerd door de vraatzieke -slakken of door het nog vraatzuchtiger konijn. Geen wonder, dat deze -plant de lieveling is van allen en dat is wel de oorzaak ervan, dat we -ze zoo weinig in ’t wild vinden. - -Overal waar ze groeien, worden ze uitgegraven en meegenomen naar -tuintjes en parken en daar komen ze ieder jaar in steeds toenemend -aantal weer te voorschijn. Daarbij moeten ze zich het gezelschap laten -welgevallen van uitheemsche sneeuwklokjes-soorten en, wat erger is, van -„dubbele” sneeuwklokjes. - -Zooeven noemde ik tegelijk met het sneeuwklokje het Klein Hoefblad als -eerste voorjaarsplant. Dit groeit in en om steden en langs de wegen -overvloedig genoeg, maar in sommige streken van ons land komt het -weinig of niet voor, en ’t is dus geen wonder, dat enkele menschen het -niet kennen. - -Nu dan, een goede kennis van me, een echt liefhebber van bloemen en -vogels, maar volstrekt geen plantkundige, kwam op een mooien -Februari-dag opgetogen thuis met zijn kleeren vol slik en zijn handen -vol bloed en een sigarenkistje, dat hij bij wildvreemde menschen -geleend had, vol pollen van een alleraardigst bloempje, die hij met -groote zorg en liefde in zijn tuin plantte. Het was het kleine -hoefblad. - -Nu is dat werkelijk een heel mooi bloempje. Het hoofdje zit op den -dikken, beschubden stengel en als de zon schijnt, dan gaan de fijne -straalbloempjes wijd uitstaan, als de stralen van een zonnetje, het -gele hartje komt dan te zien en zelfs een volkomen oningewijde kan dan -merken, dat het bestaat uit een aantal bekervormige kleine bloempjes. -Het blijkt ook, dat ieder straaltje van het zonnetje een bloempje is -met een echten stamper er in, die later een mooi gepluimd vruchtje -oplevert. - -Bij koud en donker weer gaan de hoofdjes dicht, maar als de zon -straalt, dan straalt het kleine hoefblad ook, dan lijkt het zich uit -te rekken in de lekkere warmte en vlinders en bijen komen zich -verlustigen op de mooie bloem. - -Mijn vriend was er wat mee in zijn schik en zijn vrouw ook en ze waren -zoo edelmoedig, aan een belangstellend buurman ook een paar polletjes -cadeau te doen. - -Na eenige weken raakten de bloempjes uitgebloeid, en de pluizige -vruchthoofdjes verwaaiden. Ook kwamen er mooie witte hoefvormige -blaadjes te voorschijn, die in ’t eerst volstrekt niet in den tuin -misstonden. Maar in den loop van den zomer werden ze toch wel wat groot -en grof. En op andere plekken in den tuin kwamen ook al van die -blaadjes te voorschijn. In alle perken vertoonden zich bovendien kleine -kiemplantjes, die ook al spoedig hoefvormige blaadjes vormden en -moeilijk te wieden waren. Eindelijk werd het een heele misère, het -mooie plantje bleek een allerlastigst, bijna onverdelgbaar onkruid te -zijn, dat uiterst snel en gemakkelijk opkomt uit zaad en zich even -gemakkelijk voortplant door onderaardsche uitloopers, zoodat het omhoog -en omlaag bestreden moet worden. - -Voor den tuin is het dus niet geschikt, op den akker is het te vreezen, -maar langs dijken en wegen en op braakliggend terrein is het een -welkome lentebode, een prachtig plantje, een toevlucht voor vlinders, -vliegen en bijen. Maar in de poëzie heeft het zich geen plaats naast -het sneeuwklokje weten te verwerven. - -Men plant de sneeuwklokjes meestal in het gras, maar eigenlijk behooren -ze thuis in ’t kreupelhout en mooier, rijker lentetafereel is er wel -niet denkbaar dan bloeiende sneeuwklokjes onder bloeiende hazelaars. - -De afgevallen hazelaarbladeren, die gedurende den winter de opkomende -spruitjes van het sneeuwklokje bedekten, vergaan in het voorjaar -spoedig tot zwarte boschaarde, zoodat de witte sneeuwklokjes bij het -ontluiken een mooien donkeren achtergrond hebben, een bodem, die door -de zon gemakkelijk verwarmd wordt. Ook de lenige twijgen van den -hazelaar zelf zijn donker van tint, opgevroolijkt door tallooze lichte -stipjes. - -En nu ontplooien zich tegelijk met de sneeuwklokjes aan die donkere -takken de teere zwavelgele bloeikatjes. Den heelen winter door waren ze -als stijve cilindertjes reeds aan de takken te zien, maar nu rekken ze -zich tot fijne franje, die roerloos neerhangt op windstille plekken -onder beschutting van het hooge duin of de dichte bosschen. Duizenden -bij duizenden hangen er aan de twijgen en waar deze zich aan -hoogopgeschoten stammen horizontaal vertakken, loopt ge onder een -troonhemel van goud. - -Ook ontbreekt het koninklijk purpur niet. Overal tusschen de bungelende -katjes vertoonen zich groene knoppen vlak op den tak en vele daarvan -dragen een prachtig purperen pluimpje. Dat zijn de stamperbloemen; in -den herfst worden dat de mooie vruchten, de groenachtig bruine -hazelnoten in hun krulkraag van wazig groen. Weken lang duurt deze -bloesempraal, schooner dan de bloei van menigeen van de uitheemsche -heesters, die onzen hazelaar uit parken en tuinen hebben verdrongen. - -Als eenmaal de hazelaar zijn katjes laat bungelen, dan volgen snel -andere heesters en boomen. Het eerst komt de els, de watervriend. Zijn -meeldraadkatjes zijn langer dan die van den hazelaar en dieper geel, -soms rossig en bruin. Ze zijn ook talrijker en hangen dichter opeen, -zoodat de bloeiende els door zijn bloesem geheel verborgen wordt. - -Er zijn sommige streken in ons land, waar bijna niets dan elzen -groeien, en daar zijn in Maart wegzoom en waterkant en weidebosch -omlijst en bedekt met warmgele sluiers. De stamperbloemen zitten aan -dezelfde takjes als de meeldraadbloemen, maar ze zijn kleiner en vallen -minder in ’t oog, al blijken ze ook bij nader toezien uitgerust te zijn -met mooie donkerroode stempels en stijlen. - -En heel donker rosachtig bruin wordt het elzenbosch waar het gekapt is. -De versch afgekapte stronken staan fel gekleurd tusschen het -uitgebleekte wintergras. - -Voor ons openbaart de lente zich niet alleen in vogelzang, -bloemenschoon en vlinderpraal, maar ook in de hernieuwde werkzaamheid -van den mensch in veld en bosch, van mestrijden af tot houtkappen toe. -Het lijkt een alleraardigste bezigheid, dat houtkappen en ’t is geen -wonder, dat de houthakker al van ouds een van de lievelingsfiguren uit -de poëzie is geweest. Wel is waar maakt de vertelling hem wel altijd -arm, maar in negen van de tien gevallen is hij toch gelukkig en -tevreden en in het tiende geval beleven op het minst zijn kinderen nog -altijd hoogst merkwaardige en pleizierige dingen. - -Flinke handenarbeid in de open lucht, nu eens in een vroolijk zonnetje, -dan weer onder een stemmigen sneeuwhemel is werkelijk een kostelijk -iets. Het dichte kreupelhout geeft een goede beschutting tegen den -wind. En alle vogels uit de buurt komen kijken naar den blauwkiel en -zingen hem toe, als wilden ze hem danken voor de prachtige -takkeboshoopen, die hij opwerpt en waartusschen zij zich zoo heerlijk -kunnen verschuilen. - -De winterkoning kan niet wachten en kruipt nu al tusschen de takken -door en de roodborst komt vlak bij den arbeider trippelen en als deze -op een takkebos gaat zitten, om uit zijn bonten stukkezak de ferme -boterhammen te eten, dan zet de roodborst zich op den bijlsteel en -zingt het Fransche liedje dat Madame Michelet hem geleerd heeft: „Je -suis le compagnon du pauvre bûcheron”. - -Dan gaat de man weer aan ’t werk en onder zijn bijl komen weer te -voorschijn de roodbruine stompen van de elzen, de geelachtige van eik -en beuk, de meelwitte van de esschen. De meidoorns en abeelen laat hij -staan, de eerste, omdat er toch geen behoorlijke paaltjes en -takkebossen van gemaakt kunnen worden, de laatste omdat ze snel kunnen -opgroeien tot groote dikke boomen. Ze beginnen nu ook al in bloei te -komen. - -De abeel hangt zich vol met gele en roode katjes van grover bouw. Ze -moeten wat kunnen verdragen, want deze mooie boom, die nog veel te -weinig gewaardeerd wordt, groeit dapper en wel zelfs op westhellingen -van de duinen, waar hij de hevigste aanvallen van den boomverdelgenden -zeewind te doorstaan heeft. - -Des te meer verheugt de waterwilg zich in de gunst en belangstelling -der voorjaarswandelaars. Den heelen winter prijkt hij reeds met dikke -knoppen, die vroeg in ’t jaar openbarsten en den gladden zilveren -katjes een kijkje naar buiten gunnen. Maar dat is nog geen bloei. Dagen -lang is er geen verandering te bespeuren, maar dan gaan die katjes -zwellen en groeien; gele helmknopjes of bleekgroene stempellobben -worden zichtbaar tusschen het zilveren pluis. - -Dan strekken zich opeens de meeldraden en nu is ieder katje een -stralende bol van wit en goud. De stamperkatjes zijn niet zoo -schitterend, maar ook heel mooi; meer groen dan geel, maar toch nog wel -zoo helder van tint, dat een bloeiende vrouwelijke waterwilg nog wel -een kilometer ver te zien is. Hoe heerlijk is het, op een duin te staan -en in alle valleien die gouden en groene heesters te zien schitteren, -of de lange versierde twijgen te zien wuiven langs de raampjes van den -voorbijsnellenden spoortrein. - -Maar beter nog is het, er vlak bij te staan en het lenteleven aan die -bloesems te bewonderen. De lucht is blauw en de zon straalt, zooals zij -dat alleen in ’t voorjaar doen kan. De grond is merkbaar warmer dan de -lucht, op vochtige plekken stijgen dampwolken omhoog, een zichtbare -getuigenis van de krachtige werking der zonnestralen. En ’t is, of je -den grond ziet leven, overal komen kiemplantjes en groeipieken te -voorschijn en ’t wriemelt overal van klein gedierte, van vliegjes en -mugjes met parelmoeren vleugels, torren in brons en goud en kleine -wantsjes met kleurige harlekijnpakjes. - -In de katjes van de wilgen is het een onophoudelijk gegons en gebrom -van insecten, die er komen om honing en stuifmeel. ’t Zijn meest de -gewone kleine bruine honigbijen, maar ook groote kleurige hommels: -aardhommels, zwart met wit met twee gele strepen, tuinhommels met drie -gele strepen, steenhommels met rood achterlijf, akkerhommels met bruin -fluweelen borststuk, allemaal groote beesten, die driftig neerbonzen op -de bloemen, vlug hun bekomst nemen en dan luid gonzend verder vliegen. - -Die honigbijen hebben den winter doorgebracht in de warme korven of -kasten, maar waar hebben die mooie hommels gezeten? - -Het antwoord op deze vraag vindt ge door op een zonnigen Februarimorgen -de bloembedden in den tuin af te dekken. Reeds worden de vochtige dorre -bladeren omhoog getild door hyacinthen en narcissen die uit den grond -opschieten en crocusjes en tulpen boren er met spitse pieken doorheen. - -Ook in het bosch kunt ge deze beide manieren bewonderen, waarop de -voorjaarsplanten zich bevrijden van de dekkende bladerlaag. Sommige -beuren met vereende krachten dikke plakken bladeren omhoog, zoodat de -voorjaarswind er onder kan komen, om ze op te drogen en weg te vegen, -andere boren met scherpe punten er door heen, bijten er wellicht gaten -in, en ontplooien dan hun bladeren en bloemen. Tot de eerste groep -behooren de leverbloempjes, de winter-aconietjes en de bosch-anemonen, -tot de tweede de helmbloem en de aäronskelk. Ook zijn er, die ’t op -beide manieren probeeren, zooals de vogelmelk. - -De leverbloempjes, aconieten en anemoontjes leggen dat zeer listig aan. -Zij komen gebukt uit den grond, de hoofdjes, het bloempje met -beschuttende blaadjes eromheen, neergebogen, zoodat die den bladerlast -niet onmiddellijk te dragen krijgen. Eerst als de vrijheid gewonnen is, -dan strekken zij zich uit, richten zich op en openen de mooie -bloempjes, hemelsblauw, goudgeel of spierwit. - -Het eerst komen de aconietjes te voorschijn, tegelijk met de -sneeuwklokjes. Ge zoudt ze eerst voor boterbloemen houden, maar aan de -breede groene franjekraag om de bloem en de mooie, groene -honigbekertjes erin zijn ze dadelijk te onderscheiden. Ze behooren in -alle heesterperken en boschjes aangeplant te worden evenals de -leverbloempjes of hepatica’s, waarvan de prachtige hemelsblauwe -bloempjes een aardige afwisseling geven met het geel en wit, dat de -meeste voorjaarsbloemen kenmerkt. - -En de anemoontjes! Gelukkig groeien zij nog in het wild in menig bosch -en park van ons land en dat zal er niet minder op worden, nu tegen dom -en onnadenkend plukken en uitgraven van mooie wilde bloemen in school -en huis even sterk wordt opgetreden als tegen het verstoren van -vogelnesten en het onnoodig vangen van insecten. - -Het is in ’t laatst van Maart, wanneer de anemoontjes goed beginnen te -bloeien en dat is dan het glanspunt van de vroege lente. Sneeuwklokjes, -hazelaar, helmbloem en gele sleutelbloemen bloeien nog en daarbij komen -nu de anemonen en de bosch-klaverzuring, de gevoeligste van alle -boschplantjes, een echte veeleischende schoone. - -Is het te koud of te warm, te droog of te nat, te licht of te duister, -dicht gaan de klaverblaadjes en omlaag gaan de fijne bloemkelkjes. Maar -als het weer zoo juist van pas is, zoo, dat iedereen roept over den -heerlijken lentedag, dan worden de mooie frissche groene blaadjes -uitgespreid en op lange, malsche steeltjes komen de witte, roodgeaderde -bloempjes in groot aantal te voorschijn. - -Wat een liefelijke kleuren en vormen sieren dan den boschbodem! Hier -het frissche groen en het teer rose aan de klaverzuring, ginds de -sierlijk ingesneden donkergroene blaadjes van de anemonen met de witte -bloempjes wijd open of de jongere nog half dicht, zoodat het wijnrood -van de achterzijde der kelkblaadjes u tegenblinkt. En overal het dichte -mostapijt, grillige vormen van grijze korstmossen en blaadjes en takjes -en boompjes van bladmossen met urntjes en doosjes van allerlei vorm en -stand op lange stelen en korte stelen, hier in rijen en colonnes dicht -opeen, daar in groepen van vijf of zes, ontspringend uit het midden van -een enkel bladrozet. De mosblaadjes zelve, nu eens fijn verdeeld als de -fijnste kant, dan weer kort en stug en dicht opeen als takjes van een -thujaboom, of breed en groot met spitse punten en doorschijnende -kanten. - -Mos op den bodem en mos tegen de stammen, tegen de eiken, die nog niets -van de lente willen weten en hun bruine knoppen dicht gesloten houden, -maar ook tegen de larixen, die volop meedoen aan het voorjaarsfeest en -hun dunne twijgen versierd hebben met risten van de allerschoonste -purperen en gouden bloesems. - -De larix is wel de sierlijkste naaldboom, die in ons land groeit. -Eigenlijk is hij geen inlander, hij is aangeplant. De boschkweekers -zijn niet al te best over hem te spreken, omdat hij nog al eens last -heeft van insectenvraat en zwamziekte, maar dat mag ons er toch niet -van weerhouden, om hem als sierboom overal aan te planten. - -Hij vereenigt het statige van den spar met het bevallige van den berk: -langs den trotschen kegelvormigen kroon hangen lange fijne twijgen -luchtigjes neer. In het najaar vallen alle naalden af en zoo staat de -boom dan ’s winters kaal, alleen met blauwig grijs korstmos langs de -takken en over de dikke knoppen. Deze bersten vroeg in ’t voorjaar -open, dan is de heele boom fijn bespikkeld met groen en daartusschen -komen dan de heerlijke bloesems te voorschijn. - -Op de zonnige zandpaden koesteren zich de bonte vlinders: het gele -citroentje, een enkele atalanta met haar rood ordelint, de dagpauwoog -met zijn vier bonte vlekken en de koningsmantel, donkerpurper met goud -gezoomd. Den heelen winter door hebben ze verborgen gezeten in hoeken -en gaten, verstijfd, verdoofd en die prachtige schoenlappers leken toen -niet meer dan lapjes vuil, want ze zitten met de vleugels opgeklapt, -zoodat alleen de dof gekleurde onderzijde en niet de bonte bovenkant te -zien is. Maar nu is alle leed geleden, en zooals ze nu zitten in de -zonneplekken op den boschgrond, lijken ze een nieuw soort van zeer -bijzondere lentebloemen. - -Allerlei gedierte komt nu uit den grond te voorschijn. Je kunt geen -moskluit optillen, geen bladerhoop wegruimen, of daar zit een nog loome -wespen- of hommelkoningin, een dikke rups of een heel klompje kevers, -die ondanks hun koude bloed toch bij elkaar gekropen zijn, om het -gedurende den winter niet al te koud te krijgen. En dat alles wordt nu -wakker, rekt zich en poetst zich en gaat aan den arbeid: nesten bouwen, -honig zamelen, eieren leggen, jongen verzorgen, bladeren beknagen, -prooi verdelgen en elkander bekampen, waar ze elkaar in den weg zijn. - -Maar in de eerste dagen loopen ze niet te hard van stapel, want nog -iederen dag kan de winter weerkomen en de zon, die opkomt met vogelzang -en ’s morgens nog bloemenkleuren, bloemengeur, vlinders en vliegen te -voorschijn roept, kan ’s avonds bloedrood ondergaan achter het -besneeuwde dennenbosch. Doch ieder keer, als de zoelte weer overwonnen -heeft en het sneeuwkleed is verdwenen, dan blijken de krachten in den -grond hun werk niet te hebben gestaakt en er zijn weer nieuwe dingen te -voorschijn gekomen. - -Hier zijn het dicht opeen de groeipieken van de lelietjes van dalen, -ginds de donkerder en dikker spitsen van de aronskelk, elders -spiraalvormig gekromde varenveeren, dikke punten van salomonszegel of -die merkwaardige voorjaarspaddestoelen, de heerlijke morieljes. Op -korten dikken steel dragen ze een kop zoo groot als een vuist of -grooter nog en die is versierd met vakjes en richeltjes zoodat hij doet -denken aan lekkere wafeltjes, waarvan hij ook den warm bruinen tint -vertoont. - -En als dan een dikke wijngaardslak, die ook pas het winterdeksel van -zijn schelp heeft afgewipt, met welbehagen aan dat broze goedje zit te -knabbelen, dan is dat een stilleventje van een smulpartij, dat bij al -het lentemoois volkomen op zijn plaats is. - -De vogelzang wordt hoe langer hoe indrukwekkender. De zanglijster zingt -nu den heelen dag, nu eens hoog in de boomen, dan weer op den grond, ja -soms zingt hij onder het loopen, zoo blij is hij. Ook de winterkoning -weet zich niet te bergen van de pret, hij huppelt en danst over -stronken en palen en snort schetterend van den eenen tak op den -anderen. De meezen schetteren en schateren, klingelen en fluiten, -roepen en tieren. En boven, alles uit klinkt de krachtige vinkenslag, -het helderste, sterkste, vroolijkste geluid van de vroege lente. - -Van alle montere vogels is de vink wel de meest opgewekte. Wij zien hem -met welgevallen om zijn lustigen slag, zijn opgewekten lokroep, zijn -prachtig mooie kleuren, zijn aardige bewegingen, hetzij hij in dansende -vlucht door de lucht schokt, of met vlugge passen trippelt over den -boschbodem, zoekend naar de laatste nog niet ontkiemde beukenootjes. - -Wanneer hij die niet vinden kan, dan gaat hij naar den akker en pikt -daar allerhande zaad op, of hij brengt een bezoek aan de bessentuinen -en vreet al de lekkere dikke knoppen van de bessenboompjes. - -Hoog in de toppen van de boomen zit de groene specht te schreeuwen; ’t -is een luide, ruwe schaterlach, dien hij laat hooren. Wanneer hij van -standplaats verwisselt, vliegt hij door de lucht in groote bogen, -telkens met snelle wiekslagen eventjes rijzend en met beweginglooze -vleugels omlaag zwevend. Alle spechten vliegen zoo. - -Ofschoon deze groene specht in zijn lentevreugd klimt tot in de hoogste -twijgen van eeuwenoude eiken, is toch de grond zijn arbeidsveld, want -hij houdt zich voornamelijk bezig met de mierenjacht en zoo staat hij -dan wel eens midden in de wei de grazige mierenheuvels uiteen te -hakken, om de lekkere poppen, de miereneieren, te bemachtigen. - -De bonte specht komt weinig op den grond. Die klautert altijd tegen de -stammen, tikkend en borend en hakkend of hij plukt zich een -dennenappel, zet hem vast in een takvork en klooft de schubben, om de -geurige harsige zaden te krijgen. Dag in dag uit werkt hij op hetzelfde -plekje; de grond onder den boom is bezaaid met afgekloven pijnappels. - -Hij roept of lacht nooit, die bonte specht, maar als hij plezier in -zijn leven heeft of opgewonden raakt, dan slaat hij aan het trommelen. -Hij zoekt aan een boom een dorren tak van een bepaalde dikte en grootte -en ratelt daartegen met zijn stevigen snavel, tot de tak gaat -meetrillen en een luiden roffeltoon voortbrengt, die ver in ’t rond -gehoord wordt. Zoo heeft dan het bosch-orkest ook zijn trommelman. - -Maar de dolste pretmaker, dat is toch eigenlijk de boomklever of -blauwspecht, een vreemd gevormd vogeltje met een veel te langen snavel -en een veel te zwakke staart. Doch dat deert hem niet, hij loopt -evengoed of nog beter dan de spechten tegen de boomen op. Hij kan zelfs -langs de stammen naar omlaag loopen en dat niet angstig voetje voor -voetje, maar in razende vaart en langs de grilligste wegen. Daarbij -schreeuwt hij zonder ophouden; nu eens luid en schel: „piet, piet, -piet, o piet” dan weer „waddele watsj wobbelewop, twatj, twatj, twatj” -en allerlei van die geluiden, die herinneren aan ’t blazen van zeepsop -of het borrelen en bruisen van een klein watervalletje. - - - -De stedeling krijgt van het lente-ontwaken in het bosch niet veel te -zien, hij moet zich vergenoegen met het park en daar valt ook werkelijk -genoeg te genieten. - -Of is het niet heerlijk, reeds op de eerste warme Februari-dagen de -kleine heestertjes bespikkeld te zien met groene knopjes, die dagelijks -grooter worden? En terwijl het ijs nog in de vijvers ligt, bloeien de -elzen reeds langs den oeverzoom. In gazons en bedden komen de -winteraconietjes, de blauwe scilla’s en de bonte crocussen te -voorschijn en in de warme middagzon werken daarin de alomtegenwoordige -honigbijen. - -Al die bloempjes, scilla, crocus, aconiet zijn op hun mooist, juist -voòr ze opengaan, vooral de crocussen komen dan zoo heerlijk frisch uit -de lichte vliezige bloeischeden te voorschijn, hier zuiver wit, ginds -donkerblauw, daar paarsgestreept, en vooral ook niet te vergeten de -vroege gele, die een aparte soort vormen. - -Jammer, dat de musschen in te groot aantal de steden bewonen en -daardoor voor hun onderhoud zelfs hun toevlucht moeten nemen tot de -malsche voorjaarsbloemen; ze vreten heele randen en perken van -crocusjes in een dag kaal. - -Nog voor de crocus bloeit, is de kornoelje begonnen, een heestertje, -dat in onze bosschen zelden in ’t wild voorkomt, maar gelukkig des te -meer in parken en plantsoenen wordt aangeplant. De gele bloemknoppen, -paarsgewijs aan de dunne twijgjes gezeten, waren reeds midden in den -winter gemakkelijk te herkennen. Nu gaan ze zwellen, en uitzetten, -eindelijk openen ze zich en dan komt er een groepje goudgele bloempjes -te voorschijn, zoo zuiver en fijn, dat ze in de barre Maartsche vlagen -in ’t geheel niet op hun plaats lijken. - -Toch kunnen ze die vlagen heel goed doorstaan, ze sluiten de gouden -bloempjes, halen, als ’t nog kan, de gele schutblaadjes er weer om heen -en dulden zoo den storm, tot weer de warme zon gaat schijnen. En dan is -ook in eens het heestertje weer van boven tot beneden met blinkende -sterretjes besprenkeld. - -Als eenmaal de kornoelje begonnen is, dan volgen snel achter elkaar de -andere heesters, die uit alle oorden van de wereld hier vereenigd zijn: -de vroege pruimpjes, met bruinroode knoppen en zuiver witte bloempjes, -de amandels met prachtig rose bloempjes, de groote op tulpen gelijkende -bloemen van de magnolia en de geurige, kleurige trossen van de ribes, -door frisch groene blaadjes beveiligd. Maar dan is ’t haast Mei. - -De boom van de vroege stadslente is de iep. Midden in den winter zijn -de groote ronde bloemknoppen al duidelijk te onderscheiden van de -kleine spitse bladknopjes. In Februari gaan die bloemknoppen zwellen. -Dan steken de iepetakken lang zoo fijn niet meer tegen de lucht af als -in December, de lijntjes zijn dikker en spikkelig geworden en vloeien -ten laatste tot doezelige massa’s ineen. - -Wanneer dan de knoppen zich openen, komen ontelbare bloempjes te -voorschijn, ieder op zichzelf nietig en lichtpaars met bruin, maar met -elkander geven ze aan de iepenkroon een heerlijke wijnroode kleur, -waardoor een Amsterdamsche gracht in de lentezon even mooi wordt als -een larixlaan of een beukenallée. - -Wat de vogelwereld betreft, zijn de eerste lenteweken in de stad -gekenmerkt door een eigenaardige wisseling van wit en zwart. De zwarte -roeken komen van hun zwerftochten terug en betrekken gaandeweg met veel -misbaar hun nestkolonies in de hooge iepen. De witte meeuwen verlaten -de grachten, waar ze overwinterd hebben. Ze zwerven nog wat rond op de -weilanden, bezoeken het bouwland, om achter de ploeg larven en wormen -uit den grond te pikken en betrekken eindelijk hun broedplaatsen in de -zilte moerassen aan den zeekant. De zwarte roeken krijgen in dien tijd -hoe langer hoe grooter witte plekken aan de mondhoeken, de witte -meeuwen hebben achter het oog een donkerbruine vlek, die al grooter en -grooter wordt en eindelijk aanwast tot een donker kapje, dat den heelen -schedel bedekt. - -Zanglijsters en zwarte lijsters beginnen ook al vroeg hun nesten te -bouwen in de coniferen en sommige paren slagen er werkelijk in, om hun -jongen groot te brengen, ondanks de felle vervolging door de -straatbengels. Nestjes zoeken is een heerlijk werk en voor mijn part -mogen alle kinderen het doen, zooveel zij willen, mits ze de nesten en -eieren met rust laten en de vogels geen schrik aanjagen. - -De vlijtigste nestenbouwers zijn natuurlijk de musschen, die plakken in -den laatsten tijd de hooge pyramide-populieren vol met slordige nesten -en de vezels daarvoor trekken ze vaak van de lindetakken, die ze -daardoor heelemaal van schors ontbloten. De tak gaat daardoor dood: een -euveldaad te meer voor den bruinen diksnavel. - -Nu komen ook vogels in ’t park, die ’s winters weinig of niet gezien -werden, en wel het eerst de goedmoedige groenvink. Zijn snavel is nog -dikker dan die van de musch en rozerood van kleur, zijn veertjes -groengrijs met mooi heldergeel op de vleugels en de staart is pikzwart. - -Op mooie heldere Maartsche dagen, als er geen wolkje aan de lucht is, -zitten die groenvinken in de hoogste toppen der boomen te blêren. Het -geluid moet een lokroep verbeelden, of een vreugdekreet of zoo iets, -maar de menschen, die aan hun eigen traditioneele muziek gewend zijn, -vinden het niet mooi. - -Toch is het wel aardig, als een stuk of tien van die groenvinken -tegelijk aan den gang zijn en als ze willen, dan zingen ze een ander, -veel mooier liedje met zachte fluittonen en mollige trillertjes, die -ons gewone muzikaal gevoel uiterst weldadig aandoen. - -Ze worden hoe langer hoe makker, die groenvinken, ze maken hun nest -zelfs in laurieren en stamfuchsia’s, die in potten langs de wandelpaden -staan: een vertrouwelijkheid, die zelfs den meest fellen -nesten-vernieler moest ontwapenen. - -De groenvink is wel een trekvogel, maar er zwerven er hier ook wel rond -gedurende den winter. De eerste vogel, die in de lente uit „het warme -Zuiden” naar de stadsparken trekt, is de kleine tjiftjaf. - -’t Is een klein, groenachtig bruin vogeltje, weinig grooter dan het -winterkoninkje, maar veel slanker. Omstreeks midden Maart wordt zijn -eenvoudig, helder liedje gehoord, niet meer dan een herhaling van twee -toontjes, die weinig in hoogte verschillen, maar waarvan de eene altijd -duidelijk den klemtoon heeft. Soms maakt hij er een drieslag van en dan -komt het accent op de middelste toon. Het gewone lied kan men weergeven -door: „tjìf-tjef, tjìf-tjef, tjìf-tjef”; het andere door „te-tjìf-tjef, -te-tjìf-tjef, te-tjìf-tjef” enz. - -Van den vroegen morgen tot den laten avond klinkt dat liedje door het -hout en het kost volstrekt geen moeite, den kleinen zanger zelf te -zien, want hij trippelt en fladdert door boomen en struiken van den -hoogsten top tot vlak bij den grond en schuw is hij in het geheel niet. -Zijn nest gaat hij pas bouwen over eenige weken, als er wat meer jong -groen is uitgekomen, want hij verbergt het op den grond of in lage -struiken en het is een kunstwerk van den eersten rang. - -Een dag of tien na den tjiftjaf komt zijn dubbelganger, de fitis, ook -een echt parkvogeltje, maar tegelijk een veelvuldige verschijning in -bosch en duin. Voor mij is het beeld van de fitis onafscheidelijk -verbonden aan die heerlijke berkeboschjes in de duinen, waar omstreeks -Paschen de blauwe hondsviooltjes bloeien tusschen ’t dorre gras en waar -dat groengrijze vogeltje fladdert tusschen de zilveren berkestammen -spelend met de geurige bloesemkatjes, die bij honderden aan de dunne -twijgen hangen. - -Hij is mooier dan de tjiftjaf, geler van tint, het lichte streepje -boven het oog is veel duidelijker en het liedje dat hij zingt, is zoo -zuiver en rein en aandoenlijk, dat gevoelige menschen het plaatsen -naast of zelfs boven den zang van den nachtegaal. - -Dit vogeltje is zeer algemeen, maar bijna niemand kent het. Buiten -vogelkundige werken vindt men er nooit gewag van gemaakt en de -Europeesche dichters, die zoo druk gezongen hebben van nachtegaal en -leeuwerik, het vroolijk vinkje en den zwarten merelaar, negeeren de -fitis volkomen. - -Daarom is het hoog noodig, dat ieder, die van de lente houdt, niet -ruste voor hij den liefelijken zanger heeft leeren kennen. Hij toeft in -de parken gaarne, waar dicht aan ’t water boschjes staan van berken en -elzen, met allerlei klein goed er tusschen. - -Heel graag zit hij ook in den Noorschen ahorn. Dat is de boom, die in -den bloeitijd zoo dicht met bloesem bedekt is, alsof hij reeds zijn -bladerkroon droeg, en waarvan de bladknoppen bij het ontplooien zoo -kleurig en mooi zijn, alsof het bloemen waren. - -In het begin van April puilen de gele bloemtrossen uit de dikke -knoppen, eenige weken lang lokken zij met geur en kleur en zoeten honig -bonte vlinders en bijtjes van allerlei soort en wanneer daarna de -bloemen gaan verwelken, dan openen zich de bladknoppen met gele en -purperen schubben. - -In dien tijd zijn de ahornlanen en ahorngroepen letterlijk de -glanspunten van het park. De meeste boomen zijn nog bladerloos en -vormen nu een prachtigen donkeren achtergrond voor de heldere -kleurenmassa’s van dezen mooien boom. - -Het duurt dan nog wel een week, voordat dit kleurenspel gestaakt wordt -en dan begint de boom er eindelijk uit te zien zooals wij dat van een -boom gewoon zijn: hij krijgt een kroon van mooie groene bladeren en als -je goed toekijkt, dan zie je daartusschen de aardig gevormde groene -vleugelvruchtjes. - -De bladeren zelf zijn sierlijk van vorm, met hun vijf uitstekende -punten en het regelmatige adernet. Ze zijn van allerlei grootte; aan -denzelfden tak zitten groote en kleine, langgesteelde en kortgesteelde. -Door deze verscheidenheid is het mogelijk, dat ieder blad een plaatsje -kan vinden, waar het ongehinderd door de zonnestralen bereikt kan -worden. - -De gewone ahorn heeft ook een prachtige knopontluiking met allerlei -tinten van groen en rood en bruin, maar hij kan toch den Noorschen niet -evenaren. Toch is het de moeite waard, de ontwikkeling ervan na te gaan -van ’t oogenblik af, dat de groene knoppen beginnen te zwellen, totdat -de lange groene bloemtrossen neerhangen onder de wijd uitgespreide -vingerblaren. - -En dan de wilde kastanje! Hoe glimmen eerst de groote donkerbruine -knoppen in het Maartsche zonnetje. De bruine was ligt er dik op en de -bijen komen ervan inzamelen, om ze te gebruiken voor de eerste -reparaties aan hun woningen. Iederen dag worden de knoppen grooter, -eindelijk barsten ze aan hun top, de schubben worden teruggeslagen en -dan komt de donzig bruine tak te zien met de bladparen als saamgevouwen -handjes en misschien een bloemtros er midden in. - -Hoe die handjes worden uitgespreid, hoe de blaadjes eerst slap hangen -en hoe later bij warmer weer en grooter werkzaamheid der wortels het -trotsche kastanjeblad wordt uitgespreid en de bloesemkaars ontstoken -wordt, dat zien we jaar op jaar met dezelfde belangstelling en -bewondering, en met denzelfden weemoed, want het ontsteken van die -kaarsen beteekent het einde van de lente. - -Maar zoover zijn we nog lang niet. Voordat de kastanje bloeit, kunnen -we nog weken zwerven in wei en bosch, door de duinen en langs den -waterkant. - - - -In de wei hebben den heelen winter enkele madeliefjes staan te kleumen -en op de natte plekken kon je wat planten zien met donkergroene, bruin -aangeloopen bladeren met knoppen van dezelfde kleur, zoo groot als een -erwt. - -Als nu de lente komt, dan beginnen die planten zich te strekken en -groener te worden, en hier en daar opent zich een enkele knop tot een -mooie groote gele bloem. Dag aan dag openen er zich meer en eindelijk -is het natte weiland een en al geel van de dotterbloemen. - -De dotterbloem is voor de wei, wat het sneeuwklokje en de anemoontjes -voor het bosch zijn: de eerste bloem, die zich in overweldigend groot -aantal vertoont, zoodat iedereen er wel op letten moet. Heele troepen -kinderen tijgen dan ook uit, om ze te plukken en bij bossen worden ze -naar huis gebracht, meestal om te verwelken. - -Dat behoeft anders niet. Bij een goede behandeling kan men dagen lang -genoegen hebben van de afgeplukte dotterbloemen. Het komt er maar op -aan, het onderste stuk van den stengel, dat bij het naar huis dragen -ineengeschrompeld is, onder water er af te snijden. Dan komen er -iederen dag knoppen uit en ge kunt iederen morgen de honigdroppels zien -glinsteren tusschen de groote, platte, groene stampers. - -Bezorgde menschen willen dit plukken tegengaan, uit vrees dat de -dotterbloemen zullen worden uitgeroeid, maar hun angst is ongegrond. Er -is geen enkele reden, waarom de kinderen deze mooie bloemen niet zouden -mogen plukken, de plant schiet ieder jaar opnieuw op uit zijn wortels. -Bovendien zouden de boeren er niet rouwig om zijn, als er wat minder -dotterbloemen in het hooiland stonden. - -Plukt maar bloemen, zooveel ge wilt, kinderen. Zorgt alleen, dat ge bij -het plukken de planten zelf niet uit den grond, de takken niet van de -boomen rukt. Knijpt de stengels af tusschen vinger en duimnagel of -snijdt ze af met een scherp mesje. Neemt uw buit mee naar huis, om ze -daar te verzorgen en vergeet vooral niet, al de heerlijke -bijzonderheden van den bouw en ontwikkeling der bloemen na te gaan. - -Iedere bloem heeft werk te verrichten en moet beschermd worden tegen -schadelijke invloeden van wind en weder, en tegen de aanvallen van -allerlei dieren. Zij moet vrienden lokken, vijanden weren. - -De hoofdzaak is, dat stuifmeel uit de helmknoppen terecht komt op de -stampers. Dat is gemakkelijk genoeg, wanneer meeldraden en stampers -gunstig geplaatst zijn in dezelfde bloem en tegelijk rijp zijn. Maar in -negen van de tien gevallen is het anders en dan moet de wind er aan te -pas komen, om het stuifmeel over te brengen, of insecten belasten zich -met die taak. - -De laatste worden gelokt door geur en kleur, door overvloed van -voedzaam stuifmeel en lekkeren honing. De eene bloem richt zich -voornamelijk tot de vliegen een andere tot de vlinders een derde tot -hommels en bijen of tot alle. - -De bloemen, die den wind gebruiken voor ’t stuifmeeltransport, kunnen -geur en kleur ontberen, maar moeten flink aan den wind zijn -blootgesteld, opdat die het stuifmeel er uit kan schudden en het -gemakkelijk op de stempels kan deponeeren. Hazelaar, els, esch, abeel, -larix en iep zijn windbloeiers; crocus, aconiet, sneeuwklokje, scilla, -tulp, speenkruid, hoefblad hebben de insecten in hun dienst. - -Hiermee staat weer in verband het openen en sluiten der bloemen op -verschillende tijden van den dag of bij verschillende weersgesteldheid, -de stand der bloemen, hun grootte, kleur en talrijkheid: het heeft -alles zijn beteekenis, die met eenig geduld en scherpzinnigheid kan -worden gevonden. En vele van deze merkwaardigheden kunnen worden -bestudeerd aan afgeplukte bloemen in een glas of kan met water. - -Wie op deze manier bloemen plukt, mag het doen zooveel hij wil, al was -het in mijn eigen tuin. - -Het wemelt in de dotterbloemen-wei van vogels. Groote wit met zwarte -ooievaars stappen statig rond of kibbelen over een kikkertje. Kom je -dichterbij, dan maken ze een paar kluchtige sprongen, klappen met de -vleugels en vliegen op met breede wiekslagen. Zoo vliegen ze heen, de -lange nek vooruit—de lange pooten achterwaarts gestrekt. Als ze hoog -genoeg gekomen zijn, houden ze de vleugels stil en glijden dan door de -lucht langzaam dalend mijlen ver naar hun nest op boomstomp, -schoorsteen of wielpaal. Nog altijd zijn ze graag geziene gasten, -ofschoon het bijgeloof omtrent hun zegenbrengenden invloed al meer en -meer verzwakt en booze tongen zelfs een dreigend „schadelijk” -fluisteren. - -Nog andere groote, stille gestalten staan langs den slootkant. Uit de -verte gezien zijn het grijze, platte silhouetten, als uit zink geknipt, -maar dichterbij worden het mooie vogels met fraaie kleuren aan snavel, -oogen en pooten en zacht getinte veeren, die tot het mooiste behooren, -wat er in de vogelwereld te zien is. Het zijn blauwe reigers. - -Schuw vliegen ze op en loom zeilen ze met holle vlerken over de gele -bloemenwei. De lange nek wordt geheel ingetrokken, zoodat de kop -tusschen de schouders komt te liggen en alleen de lange snavel -vooruitsteekt. Den heelen winter hebben ze hongerend rondgezworven, -ongeloofelijk mager, maar nu brengt de warme lente overvloed. - -In de hooge boomen van een statig buiten of tusschen het riet van de -stille plas bouwen zij hun groot takkennest, soms honderden bij -elkander. Den heelen dag zijn in die buurt reigers aan de lucht, maar -de eigenaar van de boomen heeft er het land aan en probeert ze weg te -schieten. Want in een bosch waar reigers nestelen, is het niet uit te -houden en de boomen gaan er door kwijnen. - -Onophoudelijk brengen de oude vogels visch aan de jongen, die elkander -in ’t nest verdringen om den eersten hap. Niet zelden gebeurt het, dat -daarbij de visch over den rand van het nest naar beneden tuimelt en zoo -komt dan de grond vol met allerlei afval en verrotting. Want de oude -reiger denkt er niet om, om de gevallen visch weer van de grond op te -rapen; hij geeft er den voorkeur aan, een nieuwe te gaan halen uit zijn -vischwater. - -Ieder heeft zijn geliefkoosd plekje, waarvan hij de -visscherij-toestanden op zijn duimpje kent en dat hij op geregelde -tijden van den dag en van den nacht bezoekt. Reigers houden er veel -van, om in de schemering nog eens uit visschen te gaan, en als dan een -drietal of zestal van die groote vogels hoog door de stille avondlucht -zich naar hun jachtveld begeven, roepen zij elkander van tijd tot tijd -een luid en grof „goede vangst” toe. Overigens zijn ze al niet veel -spraakzamer dan de ooievaars. - -De levendigste echter van alle vogels, die bij het plukken van -dotterbloemen om ons heen vliegen, is de kieviet. Als wij hem niet -zien, zal hij wel maken, dat wij hem hooren. Onophoudelijk klink zijn -„kiewiet, kiewiet” om ons heen, hoe langer, hoe doller en driftiger, -naarmate wij minder op hem letten. - -Kijk nog niet op en blijf rustig doorloopen, dan zult ge nog wat anders -beleven. Het schreeuwen wordt steeds heftiger, de vogel is heesch. Op -eens rrrt, daar strijkt hij vlak langs uw ooren heen, zoodat ge er van -schrikt en nu moet ge wel zien, hoe hij schots en scheef door de lucht -schiet, buitelend en tuimelend en draaiend, zoodat nu eens de -sneeuwwitte buikzijde u tegenblinkt, dan weer het zonlicht in honderd -kleuren en tinten weerkaatst wordt door de glimmende rugzij. - -Die vogel heeft misschien al eieren, want het eerste kievitsei valt -samen met de eerste dotterbloem. Toch zijn nog lang niet alle kievieten -aangekomen op hun eigenlijk broedterrein, want nog dag aan dag zwerven -breede scharen over de velden, duidelijk te onderscheiden van de -spreeuwenwolken. De kieviten vliegen in breede rijen van slechts enkele -gelederen diep, de spreeuwen maken dichte troepen in den vorm van -driehoeken of ruiten. - -De spreeuwen en kieviten houden elkander trouw gezelschap. De sterkste -en moedigste of de meest zorgelooze—dat weet ik niet zoo precies—van -beide soorten blijven ’s winters hier, maar de andere gaan heen en -komen in de eerste lentedagen weer. - -Ze komen in groot aantal, in ontelbare troepen tegelijk. De meeste -andere trekvogels komen als het ware ongemerkt, vandaag zie je er een -en morgen eentje, dan mis je ze een paar dagen en eerst na een week -zijn ze overal te vinden. Met de spreeuwen is dat anders. Op een mooien -morgen zitten ze opeens op alle daknokken, in alle boomtoppen te -fluiten en te jubelen. Geen tevredener en gezelliger vogel dan de -spreeuw. - -Toch heeft die gezelligheid haar grenzen, want als ze zoo bij honderden -in ’t weiland loopen te zoeken naar slakjes en te boren naar wormen en -er een een weinig te dicht bij een ander komt, dan geeft dat wel -aanleiding, tot een onvriendelijke vermaning, waaruit zelfs een vinnig -duel kan ontstaan. Maar dreigt er een vermeend of werkelijk gevaar, dan -is de heele troep toch weer dadelijk eens van zin en in prachtige -regelmaat gaan ze gemeenschappelijk aan den haal. - -Tegen den avond vereenigen zich de kleine detachementen tot groote -troepen van duizenden en duizenden en die hebben er dan een bijzonder -pleizier in, om met elkander reusachtige manoeuvres te houden, voordat -ze slapen gaan in ’t kreupelbosch of tusschen het riet. Heele wolken -van spreeuwen drijven door de lucht, van de eene boomgroep naar de -andere en telkens als er „rust” gecommandeerd is begint er een gezwatel -en gebabbel, dat een mijl ver te hooren is. - -Het duurt nog wel eenige weken voordat de spreeuwen gaan broeden en -gedurende al dien tijd houden zij ’s avonds na volbrachten arbeid hun -vroolijken ommegang. - -Maar op den dag is het druk werken, doch daarvoor worden ze dan ook -geprezen door veehouder en akkerman, alleen de kerseboombezitters -prijzen ze niet onvoorwaardelijk. - -Hoog in de lucht zingen de leeuweriken, een half dozijn tegelijk. -Telkens daalt er een neer of stijgt er een op en wie goed kijkt langs -het korte voorjaarsgras tusschen de gele bloemen, kan nog menig -kuifkopje zien rondwandelen, pikkend naar voedsel, zorgend voor het -nest of vechtend met de buren. - -Op den zwarten slootbagger langs den waterkant pronken de -kwikstaartjes, gele en witte. Die zijn ook pas aangekomen en als op -gure voorjaarsdagen de vliegen en andere insecten zich schuil houden, -dan zoeken de slimme vogeltjes de nabijheid van de schapen en lammeren, -want daar is altijd nog wel wat te vinden. - -Vlug trippelen ze door het gras, pikkend rechts en links, en wanneer -een mug of vlieg zich vliegend tracht te redden, dan springt de kwieke -kwikstaart hem na met fladderende vleugels en uitgespreide staart en -dat kan dan soms een heele achtervolging worden, juist zooals later in -het jaar de vliegenvangertjes doen. - -Aan alles komt een eind, ook aan de dotterbloemen. Na een dag of tien -is hun grootste praal voorbij en nu wordt in overeenstemming met de -zachter wordende dagen het harde schreeuwende geel vervangen door een -liefelijker tint. Het gras wordt helderder groen en daarboven zweeft -een fijne lila sluier. Het zijn de pinksterbloemen, die zich in ijle -trossen verheffen op zacht getinte groengrijze of bruinige stengels, -bezet met fijnverdeeld loof. - -Alweer een heerlijke bloem om te bewonderen, te plukken, te teekenen, -eenvoudig van maaksel, maar heerlijk van vorm en kleur, vol leven en -beweging en bovendien het vriendje van het allerbekoorlijkste -voorjaarsvlindertje. - -De pinksterbloem leeft met de zon. In vollen zonneschijn ontplooien -zich de mooie knopjes, maar als de open bloemen door een malsch -April-buitje verrast worden dan buigen zich de bloemsteeltjes en de -droppels vallen op de buitenzij van de kelkblaadjes zonder honig of -stuifmeel te deren. - -Nu vliegt op zonnige lentedagen vooral in weilanden aan den duinkant -over de lila pinksterbloemen een vlindertje, dat veel heeft van een -klein witje, maar het is veel mooier, doordat de onderzijde van de -achtervleugels allerfijnst geschakeerd is met wit en groen. Dit is het -wijfje van de oranjetipvlinder of peterselie-beestje. Het zoekt de -pinksterbloemen op, om er zijn eitjes te leggen en daar komen -groen-met-witte rupsjes van, die na een week of vier volwassen zijn en -zich verpoppen. - -Tegen dien tijd raken de pinksterbloemen alweer uitgebloeid en nu -krijgt de wei weer andere kleuren en nieuwe bewoners. Weer krijgt het -geel de overhand, ditmaal door de dikke proppen van de paardebloemen, -bemind door insecten, konijntjes en kinderen. Het zijn geen bloemen, om -te plukken en in sierlijke vaasjes te zetten; maar wat leveren de -bloemstelen een heerlijk speelgoed, hetzij we ze splijten, om ze in ’t -water te laten omkrullen, hetzij wij groote kettingen maken van breede -losse schakels. En als de bloem is uitgebloeid, dan geeft het kaarsje -met de gepluisde vruchtjes nieuwe vreugd. - -De bladeren liggen in een roset op den grond, nu eens groot en forsch, -dan weer klein en smal, met diepe insnijdingen al naar de meerdere of -mindere vruchtbaarheid of vochtigheid van den bodem of allerlei -bijzonderheden van de standplaats. Een paardebloem, die eenzaam groeit -op een steenachtig plekje langs den wegrand ziet er heel anders uit dan -een, die in de vette klei groeit temidden van het weelderige gras en de -geurige klaver. - -Alle insecten van de Meimaand komen op de paardebloem om voedsel: -honigbijen, wilde bijen, hommels, wespen, vliegen, vlinders en kevers. -En zonder dat ze ’t weten, nemen de hommels en bijen van die bloem een -kleinen vijand mee, een vlug en mager geelachtig zespootig diertje, dat -zich aan hun haren vastklemt en zich zoo laat brengen naar den -bijenkorf of het minder kunstige hommelnest. - -Daar aangekomen, vervelt het zespootig monstertje en dan wordt het een -bleeke worm, die gretig teert op de voorraden, door de vlijtige -brommers bijeengebracht. Na verloop van tijd is die volwassen, verpopt -zich en ’t volgend voorjaar komt uit de pop een dikke glimmende kever, -met dekschilden, die den rug maar half bedekken. ’t Is de oliekever, -die in de Meimaand rondloopt door het gras, om bij de paardebloemen -zijn eitjes te leggen. Als je hem beetpakt, dan perst hij uit zijn -geledingen vettige gele bloeddroppels, die onaangenaam rieken en den -oningewijde schrik aanjagen. De spreeuwen laten hem met rust. - -Na de paardebloemen wordt de wei al bonter en bonter. Het gras schiet -op en tusschen de groene blaadjes komen de eigenlijke bloemen van het -gras te voorschijn, kleine bloempjes tot pakjes vereenigd en die vormen -dan weer al naar de soort van gras, rolronde aren of fijnverdeelde -pluimen, de een al gracieuser dan de andere: welriekende reukgrassen, -de hooge vossestaarten, het fijne beemdgras, het zachte rose getinte -zorggras, en de zachte dravik. Dit zijn de echte voorjaarsgrassen. - -Tusschen het groen komen groote plekken van het heerlijkste diepe -blauw, daar bloeien de mooie eereprijsjes. Vergankelijke bloempjes, -want de donkerblauwe kroontjes met de witte meeldraden eraan vallen -kort na het plukken in één stuk af. Tegen regen beschutten zij zich net -als de pinksterbloem, door de buitenzij naar boven te keeren en als de -zon maar eventjes schijnt, dan zijn ze dadelijk klaar, om weer de bonte -zweefvliegen tot zich te lokken. Ze zijn gemakkelijk over te planten en -mogen in geen enkelen wilden tuin ontbreken. - -Tegelijk met de blauwe eereprijsjes komt op droge plekken van de wei de -triomf van de madeliefjes, die er werkelijk in slagen, om heele velden -wit te kleuren. Wit, want het gouden hartje van buisbloempjes gaat op -een afstand in den breeden kring der witte straalbloempjes verloren. -Vele hebben roode randjes, een enkele heeft zelfs al zijn wit door rood -vervangen. Maar de hoofdindruk van zoo’n veld is toch wit. - -Op andere, vochtiger plaatsen voert het rood den boventoon. De -koekoeksbloem met de fijnverdeelde kroonslippen legt een blos over -heele velden en daar op die plekken groeien ook die prachtige -zonderlingen uit onze plantenwereld, de moeras-orchideeën, de paarse -harlekijns-orchis en de roode gevlekte orchis. Beide komen ook wit -voor. - -Menigeen ziet er van op, dat in onze gewone Hollandsche wei, die nog al -nuchter heet te zijn, planten groeien, wier naam voorstellingen wekt -van rijkdom en weelde, van tropischen overvloed, van keerkringshitte en -Indische oerwouden. Toch is het zoo en deze bloemen zijn in geen enkel -opzicht minder merkwaardig dan hun familiegenoten uit de verre -gewesten. - -Ook bij hen bestaat die merkwaardige afwijking van de gewone -samenstelling der bloem, dat er geen krans van meeldraden is, maar -slechts éen, die met den stijl is samengegroeid. Er komt geen korrelig -stuifmeel uit, maar ’t zit in dikke kluitjes, die allerkunstigst op kop -of snuit van de bezoekende insecten worden vastgeplakt en zoo hun -bestemming in een andere bloem bereiken. - -Maar madelieven en eereprijsjes, fijne graspluimen, roode koekoeksbloem -en bonte orchideeën worden ten slotte weer overwonnen door de gele -boterbloem en de roode zuring en als dat geel en rood de velden tint, -dan is de lente haast verloopen en de zeis van den maaier bedreigt het -jonge vogelbroed, dat tusschen bloemen en gras verscholen ligt. - -Daar zijn na de kieviten nog prachtige vogels bijgekomen, waaronder een -tweetal uiterst merkwaardige: de grutto en de kemphaan. - -De grutto is wel de koning van de weidevogels. Zie hem staan op een -paaltje aan den slootkant, schitterend in al zijn kleuren: een kleurige -vogel, nog tot zijn recht komend bij al de bonte schittering van -waterkant en weiland in de Mei. Hoe mooi is zijn lichaam -geproportioneerd: hals en snavel en pooten juist zoo lang als ze moeten -zijn voor een vogel van zijn grootte, die zijn nest heeft tusschen het -gras en zijn voedsel zoekt aan den waterkant. - -Nu vliegt hij op en het wit van zijn vleugels schittert in den -zonneschijn „Gruùt-to, gruùt-to” roept hij luid en aanhoudend en in -zijn zorg voor zijn nest ontziet hij zich niet, om vlak langs ons heen -te vliegen, zoodat we in ’t voorbijgaan het bruine oog zien schitteren -en den langen eenigszins opgewipten snavel zien trillen. - -Hij behoeft zich anders niet zoo ongerust te maken. De vier dofgroene -bruingevlekte eieren liggen o, zoo goed verborgen tusschen het hooge -gras, veel beter nog dan die van de kieviet. Toch weten de kraaien ze -nog wel te vinden en ’t is een erbarmelijk gezicht, de arme grutto’s -klagend rondvliegend, terwijl de zwarte roover zijn verdelgingswerk -verricht. - -Op de bloemrijkste plaatsen in de wei, dikwijls midden tusschen de -orchideeën hebben de kemphaantjes hun tournooiveld. - -Voor den waren vogelliefhebber is een kemphaantjes-tournooi op zijn -minst even belangrijk, spannend en schilderachtig als het kleurrijk -kampspel uit Ivanhoe of de Roos van Dekama, dat ge zoo dikwijls met -groote oogen en open mond hebt zitten te herlezen. - -Mijn kemphaan-ridders hebben pakjes aan, even bont als die adellijke -heeren uit de middeleeuwen. Op mijn tournooiveld ontbreekt de zwarte -ridder niet, evenmin als zijn tegenstander, geheel in zuiver wit. -Andere weer zijn in oranje gestoken of dragen een donkerbruin pak met -rood-bruinen kraag. En weer andere hebben het weelderige riddercostuum -verwisseld met een bonte harlekijnsplunje en schitteren in alle kleuren -van de regenboog. - -Uit de enorme kragen komen fijne, smalle gezichtjes te voorschijn, met -grijze veertjes bezet en op sommige plaatsen beplekt met roode puistjes -en knobbeltjes. - -Al heel vroeg in den morgen is het druk op het veld. Van alle kanten -komen de ridders aanvliegen in razende vaart en dadelijk zetten ze zich -in postuur, om de aanvallen der reeds aanwezigen te pareeren. En dan -begint de kamp, die soms een uur achtereen voortduurt en nu eens een -deftige ceremonie, dan weer een dolle boerenkermis gelijkt. Van -eigenlijk vechten is maar zelden sprake, het is meer een krijgsdans of -krijgsspel dan een bloedige worsteling. Alles geschiedt in de diepste -stilte, slechts bij uitzondering laat de kemphaan een onduidelijk -heesch geluid hooren. - -Is het strijdspel ten einde, dan verspreiden de kemphaantjes zich over -het heele weideveld en als het hennetje al eieren heeft, betrekt de man -dikwijls de wacht bij het nest, niet vlak er bij, maar een meter of -vijftien er vandaan. Trotsch en fier staat hij daar, op een hoogte of -op een aardkluit, de lange kraagveeren wapperend in den wind, het hoofd -omhoog en onophoudelijk in beweging, om rond te zien, of er soms gevaar -dreigt en of er ook een andere kemphaan voorbij komt vliegen in de -richting van het kampveld. Is het laatste het geval, dan laat hij -oogenblikkelijk vrouw en kroost in den steek, om met zijn makker de -genoegens van het strijdperk te smaken. - -Behalve door deze zwijgende vechtersbazen wordt de weide nog versierd -en levendig gemaakt door de tureluurs, vogels ongeveer even groot als -de kemphaantjes, maar met schitterend rooden snavel en pooten en zoo -druk dat je er tureluursch van zoudt worden. Je kunt geen voet in het -weiland zetten of „tuut, tuut, tuut” klinkt het en schokkend vliegt -zoo’n roodpoot om je heen. - -Hij wordt al angstiger en drukker, het „tuut tuut” wordt al sneller en -sneller herhaald en gaat ten slotte over in een zeer melodieus gejodel. -En het duurt niet lang of andere tureluurs verheffen zich ook van den -slootkant, een angstige grutto vliegt er tusschen door met luid geroep -en kieviet bij kieviet duikelt heesch schreeuwend door de lucht. Overal -leven en beweging, sierlijke vlucht, luid gejoel, schittering van bont -gevederte in de helle voorjaarszon tegen de blauwe lucht en om u heen -de bonte pracht van duizenden bloemen. Dit is de lente in de -Hollandsche bloemenwei. - - - -Ook het bouwland is tot leven gewekt. Ja, voor nog de weide groende, -schitterde reeds aan den zoom van het donkere bosch het winterkoren in -smaragden glans. Dapper hebben de grasachtige plantjes de wisseling van -vorst en dooi doorstaan en nu de voorjaarszon den grond doorwarmt en -lauwe westenwinden over de vlakte waaien, groent blad bij blad en eer -ge het verwacht schiet in de Meimaand de rogge in zijn aren. - -Het braakveld, waar de onkruiden den heelen winter vrij spel hebben -gehad en dat op sommige plaatsen als met opzet bezaaid schijnt met -kruiskruid, vogelmuur, herderstaschje en paarse doovenetel, wordt in -voren gelegd door den blinkenden ploeg. - -Het heeft in den nacht wat gerijpt, het fijne wit tint nog den grond, -dien de ploeg niet geraakt heeft, maar waar de diepe voren zijn -gesneden, ziet het veld bruin, bij rosachtig af en een fijne nevel -zweeft boven de versch omgewoelde aarde. Ook de ploegpaarden dampen en -achter den ploeg beweegt een wolk van zwarte kraaien en witte meeuwen, -die hier een gemeenschappelijk arbeidsveld vinden. En witte spikkels, -verspreid over den akker, verschijnend en telkens weer verdwijnend, -bewijzen, dat daar ook de kieviten bezig zijn, om hun aandeel te nemen -van de insecten en larven, die het blinkende kouter aan ’t licht heeft -gebracht. - -Ginds trekken eggen en zaaimachines door ’t land. Over eenige dagen -wijzen mooie, regelmatige rijen van fijn groen den weg aan, dien ze nu -afleggen. Donkergroen staat een veld karwij, dat nog lang niet in bloei -komt en als de leeuweriken hun eerste jongen verzorgen, dan prijkt het -koolzaadveld als een onafzienbaar gouden kleed in den vruchtbaren -polder. Op de tallooze gele bloempjes zoeken bijen, hommels, vlinders -en vliegen hun voedsel, en de koolwitjes leggen hun eieren op de -bladeren. - -Nu zijn het ook goede dagen voor de haasjes. Als een gewoon mensch aan -een haas denkt, dan paart zich aan de herinnering aan het smakelijke -boutje altijd een gevoel van medelijden met het arme vervolgde dier, -dat nooit „in het rijpe koren” of in „een groen, groen -knolle-knolleland” kan zitten of het wordt opgeschrikt door een -„jagershoren” of „hondgebas” en het eindje is altijd de dood. Algemeen -vindt men den haas een ongelukkig, vreesachtig, melancholiek dier. - -Niets is minder waar. Lampe is inderdaad een van de vroolijkste en -dartelste dieren, die er bestaan. „Dol als een haas in Maart” zegt de -Engelschman, die hem zeer van nabij kent. O! wat kunnen die hazen in ’t -voorjaar een pret maken. Ik heb er gezien, die heel in hun eentje -rondrenden door de natte wei, alsof de heele wilde jacht hun op de -hielen zat. Dat was een zwenken en draaien en buitelen zonder ophouden -en bliksemsnel, en als het dier door drasse plekken rende, dan spatten -de glinsterende droppels hoog in de lucht. - -Een andermaal zag ik uit den spoortrein een drietal, dat de zotste -capriolen maakte op een weiland tusschen Halfweg en Sloterdijk, maar -het mooiste, wat ik van hazenlevenslust gezien heb, was een gevecht -tusschen twee mannetjeshazen in den Achterhoek. - -Zij streden heel alleen, in ’t midden van het woud, net als meer dan -duizend jaar geleden Roland en Olivier kampten op hun eilandje in de -Rhône. En ’t was meenens ook. Ze renden op elkaar aan, pakten elkaar -met de voorpooten, hieven zich aan elkander op, totdat beide op de -achterpooten stonden, en dansten toen een paar maal rond, terwijl ze -elkaar met de voorpooten oorvegen gaven, dat de donzige haarvlokken in -’t rond vlogen. - -Dan rolde er een om, raapte zich zelf op en rende weg, de ooren -flapperend om het hoofd, nummer twee hem achterna en daar ze even hard -konden loopen, duurde het langen tijd, eer ze weer handgemeen raakten. -Gedurende den ren gebeurde het drie of viermaal, dat de een over den -ander heen sprong. - -En dan begon het duel weer met dof dreunende slagen, oogen fonkelend -van haat en woede, de gespleten bovenlip trillend van verontwaardiging, -de groote snorren wijd uitstaand en bloed mildelijk vloeiend langs de -behaarde wangen. - -Of het wreed is, om daar met genoegen en half stikkend van ’t lachen -naar te liggen kijken? Neen hoor, ik zou wel durven wedden, dat die -hazen zelf later met genoegen aan dit uurtje gedacht hebben en dat ze -met hun lidteekens even ingenomen zijn als een flinke jongen met zijn -ontvellingen, builen en blauwe plekken. - -Al vroeg in April hebben de hazen jongen; twee of drie van die -donkerbruine bibberende wezentjes in het korte gras kunt ge altijd op -een wandeling door de binnenduintjes verwachten. - -De velden aan den duinkant vertoonen dag aan dag nieuwe kleuren. Toen -op ’t einde van den winter de elzen in de smalle singels, die de -akkertjes omzoomen, in bloei kwamen, lag de grond nog verborgen onder -dichte lagen van dekriet, in het najaar door bezorgde handen er over -gespreid. Alleen op een enkele plek werd het weggeruimd, om aan de -lieve blauwe leverbloempjes, de hepatica’s, gelegenheid te geven, hun -sierlijk kelkje te ontplooien. - -En het scheen, alsof met het wegnemen van dat eerste dek de betoovering -geweken was. De kracht van den winter was gebroken. Dag aan dag werd -nieuw dekriet weggeraapt. Ten laatste dekte slechts een ijle laag de -groene spruiten en toen ook die verdween, kwamen zij voor den dag, de -dikke proppen der hyacinten, de spits ineengerolde bladeren der tulpen, -de platte groene reepen der narcissen, de puntige groeipieken van de -crocusjes. - -Wonderlijk was het om te zien, hoe in weinig dagen, hoe in enkele uren -de bleeke spruiten, die in duisternis waren gegroeid, een gezonde -groene kleur kregen onder den invloed van het zonlicht. En dra komen nu -ook de bloemen voor den dag: eerst de vroege gele crocusjes in dichte -bossen, dan vroege hyacinthen, Duc van Thol tulpen, gele narcissen, -weer andere hyacinthen, tulpen, blauwe druifjes, scilla’s, vakken van -rood en wit, blauw en rose, geel en van dat donkere blauw, dat op een -afstand zwart lijkt. - -Soms lijkt het, alsof de kweeker met opzet zijn soorten zoo geplant -heeft, dat ze een passende omlijsting krijgen, hier lichtgroene wei om -vurig rood tulpenveld, ginds donkerbruin bosch achter witte en gele -crocusjes en narcissen, of een streep van gelend dor oeverriet langs -een veld van blauwe hyacinthen. - -Door heel Holland worden door deze bloeiende bollenvelden de -stedelingen naar buiten gelokt. Zoo hebben wij dan onze tulpen- en -hyacinthen-dagen, evenals de Japanners hun chrysanthemumfeesten. Wel is -waar gaat het feestelijke vaak verloren door de drukte en ’t gedrang, -door de fiets, die niet meer voort wil, door den trein, die zelfs in -zijn beestenwagens geen reizigers meer bergen kan, door gebrek aan -drinken en proviand, maar dat zijn kleinigheden, die bij een betere -inrichting kunnen verdwijnen. - -Heerlijk is het, dat al die duizenden menschen zich moeite en ontbering -getroosten, om bloemen te gaan zien en buiten te zijn. En van zelf -wordt niet alleen aandacht geschonken aan de tulpen en hyacinthen, -narcissen en crocussen, dat toch eigenlijk maar bonte vreemdelingen -zijn, doch ook aan de boomen en bloemen van eigen bodem, die in deze -dagen ook op hun schoonst zijn. - -De boomgaarden kunnen gerust de vergelijking met de bollenvelden -doorstaan. De pereboom zag den heelen winter zwart en knoestig met -tallooze kleine dikke rimpelige bochtige takjes die ieder eindigden in -een bruinen knop. Maar met de eerste lentedagen strekten zich de bruine -knoppen, en langzamerhand werden ze heel lichtgroen bij wit af, zoodat -het in den maneschijn leek, alsof de boom reeds in bloei stond. Nog -enkele dagen van zonneschijn en regen, daar gingen ze werkelijk open en -nu is de boom overdekt met duizenden mooie, groote, spierwitte bloemen, -ieder met een hartje van donkerbruine helmknoppen op spierwitte -meeldraden. Vijf lichtgroene stijlen zitten midden in en komen -eigenlijk reeds vóór ’t opengaan van de bloem te voorschijn. - -Dan volgen de kers, een mooier boom dan de peer, met breeden kroon en -sierlijke rechte twijgen. De dikke knoppen zitten dicht opeen, behalve -waar vraatzieke, balddadige vinken ze gehavend hebben. Wanneer ze -opengaan, komen de groepjes van drie, vier langgesteelde min of meer -hangende witte bloemen te voorschijn in zoo groot aantal, dat de -donkere twijgen geheel onzichtbaar worden. Laat nu de zon er in -schijnen, dan vervult honiggeur den omtrek en de heele boomgaard ronkt -en gonst van de ontelbare bijen, hommels en vliegen, die onverpoosd af -en aan vliegen, de vleugels flikkerend in den zonneschijn. - -Heerlijk is het, op te zien naar dien rijkdom en overvloed, maar -onwillekeurig komt naast de bewondering de bezorgdheid op, dat -nachtvorsten of hagelslag den boom zullen deren en ons berooven van de -zoete vrucht, die ons op zijn minst even lief is als de schoone -bloesem. Hetzelfde gevoel bekruipt ons bij perzik en abrikoos, dat ook -teere vreemdelingen zijn en wier bloesem zorgt voor kleur in den -boomgaard, naast al het wit van peren, pruimen en kersen. Een -perzikschutting op een zonnigen Aprilmorgen is voor vrienden van warmte -wel het lekkerste wat er in het voorjaar te bedenken is; beschutting, -warmte, bloemenpracht, geur en het vertier van de mooiste en -kleurrijkste bijtjes van het voorjaar. Eindelijk komen ook de appels in -bloei en weer is het moeilijk om te zeggen wat mooier is, de nog niet -ontloken knop of de wijd geopende bloem. Die knoppen lijken luchtige -ballonnetjes van dof papier met fijn rose beschilderd, zoo vroolijk en -teer, dat het jammer is, als ze opengaan. Maar de bloem ligt zoo mooi -uitgespreid en de gele helmknoppen stralen op hun witte meeldraden zoo -heerlijk naar alle kanten, dat ook dit weer een lust voor de oogen is. -En zelfs het uitbloeien is mooi, wanneer de honderden kleurige blaadjes -door den voorjaarswind worden losgeschud en neerdwarrelen op het frisch -groene gras en op de blauwe eereprijsjes. - -Van den boomgaard naar het bosch is maar één stapje. Daar zijn we niet -geweest sinds de larix in bloei kwam in de buiige Paaschweek. Nog is -hier en daar iets van zijn bloesem te zien, maar weldra worden de roode -kegeltjes vaalgroen en raken ze verborgen tusschen de dichte proppen -van heldergroene naalden. - -Maar nu worden de sombere sparren vroolijk. Ze laten dunne, -bruinachtige vloeipapiertjes wegfladderen naar alle kanten en wat eerst -bruine knoppen waren, worden nu gele kogeltjes en roode torentjes, die -overheerlijk uitkomen tusschen het donkere groen der naalden van de -vorige jaren. - -De roode torentjes zijn de bloesems, die later de sparappels zullen -opleveren. Rechtop staan ze, aan het einde der takken, het meest en het -grootst nabij den top van den boom. Ze zijn opgebouwd uit vleezige, -paarsroode kussentjes en onder elk kussentje vindt ge de twee -lichtgroene, bijna witte eitjes, die later zullen uitgroeien tot het -gevleugeld sparrezaad. - -Aan andere, ook wel aan dezelfde takken zitten heele risten van gele -bolletjes, opeenhoopingen van meeldraden, waaruit ontzaglijke -hoeveelheden stuifmeel te voorschijn komen. Wie in een spar klimt, om -een tak met den mooien rooden bloesem te bemachtigen, wordt door dat -stuifmeel bepoederd als een molenaar. - -Op stille heldere dagen, wanneer de grond door de zon sterk verhit -wordt, stijgt de warme lucht langs de sparren omhoog en dan neemt deze -luchtstroom, die lang zoo zwak niet is, als gij wel denken zoudt, het -gele stuifmeel mee en dan kan het door hoogere luchtlagen uren ver -worden weggevoerd. Een stuifmeelkorrel van een spar is daar volkomen op -ingericht, hij is voorzien van luchtblazen en drijft daarop gemakkelijk -weg. - -Ofschoon in ons land niet zooveel sparren groeien, dat hun stuifmeel -zooals elders soms duimdiep den grond bedekken kan, zoodat men van een -zwavelregen spreekt heb ik toch wel in sommige bosschen heele plekken -aangetroffen vol geel stuifmeel, dat door het regenwater bijeen -gespoeld was. - -De grove den, die een paar dagen later in bloei komt dan de spar, -levert wel de grootste hoeveelheid stuifmeel. Ieder kent de groote -lichtgele proppen, die ieder jaar in ’t begin van Mei of soms reeds in -de laatste week van April zich vertoonen aan de uiteinden van de -dennetakken. Niet heelemaal aan ’t einde evenwel, want buiten de gele -prop steekt nog een licht grijsgroen takje uit, dat dicht bezet is met -naaldparen, nog ten halve verborgen in hun vliezige scheede. - -Aan andere takken zitten niet anders dan deze grijze eindjes, zonder -dikke meeldraadprop en weer aan andere eindigt het nieuwe twijgje in -twee of drie, soms meer, aardige ronde roode bolletjes op een dik -rechtopstaand steeltje. Wie die roode bolletjes goed bekijkt, merkt dat -zij weer uit dikke schubjes zijn samengesteld en dat daartusschen -evenals bij de spar paren van kleine heel lichtgroene eitjes liggen -verborgen. Het zijn de vrouwelijke bloesems. - -Wie ’t niet weet, zal jaar in jaar uit door ’t dennebosch gaan, zonder -ooit die vrouwelijke bloesems op te merken, maar wie ze eenmaal kent en -aardig vindt, ziet ze reeds van verre in de Meizon tintelen in het -hoogste topje van de rosse dennen. Heerlijke boomen, die dennen! -Onderaan zijn de dikke stammen dicht bedekt met groote, dikke, bruine -schubben, waarover vaak een blauwachtig waas ligt, hoogerop worden stam -en takken rossig warm roodbruin, soms bij oranje af en de dichte -naaldenmassa’s van de kroon vertoonen alle tinten van groen, somber -donker groen van oude drie- of vierjarige naalden, mooi wazig zeegroen -van de jongere en overal de jolige lichte kaarsjes van de nieuwe -lenteloten er tusschen. Schitterend rood van de vrouwelijke bloesem, -helder geel van de meeldraadmassa’s maken den „ouden somberen pijn” tot -een der vroolijkste uitingen van ’t voorjaar. - -En als bij zachten oostenwind en helderen hemel de droge warme lucht -door de kronen strijkt, dan knallen de dennenappels, die ’t vorig jaar -rijpten, open en strooien de licht gewiekte zaden door de lucht. -Tegelijk verrijzen wolken stuifmeel uit de meeldraadproppen en zoo -lijkt het dan, alsof de boom een lustig knallend vuurwerk afsteekt ter -eere van den lieven Mei. - -Zoo viert iedere boom zijn lentefeest. De beuken beginnen ook al vroeg -in ’t voorjaar, maar niemand let er op. Toch is het heerlijk, om te -zien, hoe de dofbruine wintertint van twijgen en knoppen gaandeweg -overgaat tot warmer toon. Er schijnt meer blauw en rood in ’t bruin te -komen, vooral in de schors der jongere takken en daardoor kunnen dan de -beukenkronen zoo warm en prettig afsteken tegen het strakke koude blauw -van den Maartschen hemel. - -Dat duurt zoo tot in April en dan komt er ook beweging in de lange -spitse knoppen. Ze worden merkbaar grooter, zwellen en rekken zich uit, -zoodat aan iedere knopschub een lichter randje komt. - -De ingewijde kan nu reeds de knoppen, waaruit bloeiende twijgen te -voorschijn zullen komen, onderscheiden van de gewone en de niet -ingewijde moet maar geduldig wachten, totdat zij opengaan. Lang wordt -zijn geduld niet op de proef gesteld, want de eerste de beste echte -Aprilregen jaagt al het groen de knoppen uit. April doet, wat hij wil. - -Het kan soms dagen achtereen droog en koud en schraal zijn, zoo koud, -dat de pas ontloken voorjaarsbloemen zich niet openen, dat de bijen in -hun korf blijven, zoo droog, dat de nieuwe blaadjes verwelkte randen -krijgen en de uitgestrooide zaden werkingloos blijven liggen in de -verstuivende aarde. En de mopperaars onder ons spreken schamper van de -Hollandsche lente. - -Maar nu krimpt de wind en vermindert in kracht. Zware, mooi donkere -wolken bedekken de strak blauwe lucht en weldra ruischt een regentje -omlaag, zoo zacht en malsch, warm en levenwekkend, als dat alleen in -April en Mei gebeuren kan. Met een tooverslag wijkt de stugheid, die -plant en dier bevangen hield. De grond zelve wordt levendig en zuigt -zingend het frissche water in. - -De bloemen blijven gesloten, maar je kunt het ze aanzien, dat ze, -wanneer de bui over is en de zon weer schijnt, hun schade zullen -inhalen van de verloopen dagen. De grasbladen, die in de droogte -ineengekruld waren, ontplooien zich en dadelijk is de weide groen. De -knoppen van boomen en heesters zwellen zichtbaar, en dat de -meidoornhaag na den regen ineens geheel en al groen is, komt niet -alleen doordat het stof van de groene knoppen is weggespoeld, maar ook -doordat er nu dubbel of driemaal zooveel groen uit de knopschubben -puilt dan voorheen. - -Nu laten ook de knopschubben van den beuk los en uit de knoppen komt -een harig slap takje, bezet met keurig gevouwen en geplooide blaadjes, -ieder nog eerst tusschen twee rose steunblaadjes besloten. Maar spoedig -laten die los en nu is eenige dagen lang de boschbodem bedekt met de -fijne rose schubjes. De blaadjes ontplooien zich en maken van iederen -beuketak een grooten heldergroenen waaier. - -Aan sommige takken hangen vele fijne langgesteelde kwastjes, dat zijn -de meeldraadbloemen en met eenig zoeken vindt ge ook de vrouwelijke -bloemen, die later de lekkere beukenootjes zullen opleveren en nu ruige -groene knopjes zijn met een paar dikke, gekronkelde stijlen en -stempels. - -Als de beuken eenmaal het voorbeeld gegeven hebben, dan volgen ook de -eiken. Die houden hun dikke bruine knoppen al heel lang dicht, maar als -de zoele dagen komen, dan komt ook in ongeloofelijk korten tijd hun -groen te voorschijn, de welbekende bochtig ingesneden eikeblaren en -daartusschen een overvloed van sierlijke slanke meeldraadkatjes in -bosjes bij elkaar. - -De vrouwelijke bloempjes, die eikels moeten worden, zijn kleine groene -knopjes, die bij twee of drie op een steeltje aan den top van de jonge -twijgen zitten, juist waar ook de nieuwe bladeren het dichtst bijeen -staan. Maar ze vallen heel niet in ’t oog, de meeldraadkatjes echter -zijn zoo lang, zoo talrijk, zoo licht van kleur, dat ze zelf den meest -oppervlakkige niet ontgaan. Ze vormen een cascade van groen, een -ragfijnen sluier om de knoestige stammen en bochtige takken van den -„reus der wouden”, die zich tusschen twee haakjes heel dikwijls -voordoet als een kleine vroolijke boschnymph, die ge ieder voorjaar in -’t kreupelhout kunt ontmoeten. - -Nauwelijks zijn de groene eikeblaadjes ontplooid, of allerlei gedierte -probeert den boom van zijn frisschen tooi te berooven. Bij duizenden -komen de dikke meikevers uit den grond, vliegen met dof gegons in de -eiken en vreten dag en nacht van het jonge groen. Millioenen kleine -kevertjes helpen mee en als deze ontbreken, dan zijn er altijd nog de -kleine rupsjes, die het blad ineenrollen en zich zoodoende schuilplaats -en voedsel tegelijk verzekeren. - -Aan de toppen der takken ontstaan groote gezwellen, die op aardappels -lijken en waarin dozijnen kleine wespenlarfjes hun voedsel vinden en -ook in ieder glanzig groen bolletje aan blad of bloesem huist zoo’n -vraatzuchtige galwesp-larve. Waar de eik een wondje in zijn schors -heeft, daar vloeit het zoete voedingssap mild uit en daar komen den -heelen dag zwierige vlinders, groote rosse en gele wespen en groote -kevers van snoepen. Het aantal dieren, die voedsel halen bij den eik is -legio. - -En het mooiste is, dat al dat gevreet en gezuig en geboor den boom in -’t minst niet schijnt te schaden. Zoo gauw de kevers en rupsen de -bladeren wegvreten, groeien er ook weer nieuwe aan. Alleen wanneer bij -uitzondering het aantal der belagers van duizenden toeneemt tot -millioenen en billioenen, dan staat hier en daar een eikeboschje een -paar weken bladerloos. - -Nog eerder zou dat gebeuren, indien niet tegelijk met de vraatzuchtige -insecten ook hun verdelgers in ’t land kwamen. - -Tjiftjaf en fitis scharrelen den heelen dag door het geboomte, om de -kleine rupsjes te bemachtigen, bijgestaan door allerlei mooie en -aardige helpers, die in April uit het Zuiden hierheen komen. - -Daar is in de eerste plaats het roodstaartje, dat prachtige vogeltje -met de roode borst, zwarte keel, wit voorhoofd en blauwen schedel en -nek. Die blauwe kap heeft hem ook den naam van blauwpaapje bezorgd, -maar die trekt toch niet zoozeer de aandacht als het roode staartje, -dat ieder keer, als de vogel opvliegt, als een klein vlammetje achter -hem aan komt en nog een poosje op en neer blijft trillen, als het dier -zich op een hek of twijgje heeft neergezet. - -Het wijfje is grauwachtig bruin van kleur, met mooie vlekjes en -streepjes, maar het vertoont toch ook de roode staart en ook hebben -beiden, mannetje en wijfje, de groote, schitterende oogen, die een -kenmerk zijn voor alle leden van de nachtegalenfamilie, waartoe de -roodstaart evenals de roodborst de eer heeft te behooren. - -Die prachtige roodstaart zingt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. -In de vogelwereld beteekent dat van een uur voor zonsopgang tot het -einde van de avondschemering. Alleen zijn zij het er niet over eens, -wanneer de avondschemering eigenlijk eindigt. Daar het roodstaartje -gaarne in holen nestelt of in dichte klimplanten, kunt ge meestal wel -zijn huishoudinkje vlak bij het uwe hebben en het is een groot genot, -na te gaan, hoe die dieren hun nest bouwen, hun jongen groot brengen en -daarbij nog altijd gelegenheid vinden, om zich te amuseeren door -aardige vliegkunsten en lustig gezang. Dat ze daarbij uit pure -dartelheid den zang nabootsen van schildvink en winterkoning en -daardoor vooral den laatste tot koddige boosheid prikkelen, zal -natuurlijk niemand hun kwalijk nemen, veeleer het hun aanrekenen als -een verdienste. Waar zou het heen moeten, als je nooit eens iemand -plagen mocht? - -Een andere plaaggeest is de spotvogel, die komt weer iets later dan het -roodstaartje en behoort niet tot de nachtegalengroep, maar tot de -verwantschap van tjiftjaf en fitis. Hij vertoont dezelfde kleuren: -groengrijs en geelgrijs, maar hij is wat grooter van stuk en dadelijk -aan zijn zang te herkennen. - -De tjiftjaf zingt bij herhaling zijn twee- of drietal vaste toontjes, -de fitis kweelt zijn half blijde, half weemoedige melodie, de spotvogel -galmt den heelen dag een opgewonden lied met snelle loopjes, telkens -herhaald en hooge, scherpe, haast snerpende tonen, die door geen -enkelen anderen vogel zoo worden voortgebracht. En daartusschen door -vlecht hij al de geluiden, die hij in zijn leven gehoord heeft van -nachtegalenzang tot scharensliepgekras. - -Wanneer hij pas is aangekomen, kunt ge hem makkelijk zien, want dan -zijn de boomen nog niet dicht in blad. Soms zit hij in den hoogsten -top, dan weer een meter of zoo lager, maar altijd ferm en brutaal -rechtop, met zijn kop in den wind en als hij in zangdrift den bek wijd -openspert, kunt ge de oranje tong en het oranje verhemelte zien. - -Er komen wel Engelschen van over de zee, om dezen zanger te zien en te -hooren. Het is wel merkwaardig, dat deze vogel, die ieder jaar de reis -heen en terug naar Centraal Afrika doet en in Frankrijk, België en -Holland in overvloed nestelt, er niet aan denkt, om eventjes het Kanaal -of het Nauw van Calais over te steken, om zich te vestigen in het -gastvrije Albion, waar ze in ’t eerst wel altijd zijn nestjes zouden -uithalen, maar hem overigens met open armen ontvangen. - -Het nestje van den spotvogel is dan ook een van de mooiste dingen ter -wereld: zoo mooi komvormig afgewerkt, zoo fijn bekleed van buiten met -korstmos en spinrag, van binnen met vezels en pluisjes en dons. En daar -liggen dan vier, vijf of zes eitjes in van het liefelijkst rozerood, -gespikkeld met bruinroode stippen, heerlijk om naar te kijken, maar je -moet ze eigenlijk niet aanraken. - -Een bloeiende sering, jasmijn of vlier met een nest van een spotvogel -er in is wel het mooist denkbare sieraad van tuin of park. In esschen -en kastanjes of hulsten willen zij ook wel komen, maar ik geloof toch, -dat zoo’n gewone vlier hun nog het liefst is. - -Soms zit uren achtereen nabij of in den top van lage boomen of hooge -heesters een andere vogel te orgelen en te vedelen, die als musicus den -spotvogel wel overtreft, maar door zijn grauwe kleur en verborgen -levenswijze weinig wordt opgemerkt. - -’t Is de tuinfluiter, bruingrijs van boven, lichter aan de onderzij en -met blauwachtige pootjes. Hij maakt een mooi ijl nestje in de lage -struiken en zingt een mooi lied dat door volheid van toon dikwijls -herinnert aan den merelzang. Maar hij zingt veel langduriger en vlugger -dan de merel en verdient gerust evenzeer geprezen te worden als de veel -bewonderde goudsnavel. - -Nog mooier zingt in parken en tuinen de zwartkop-grasmusch, die we maar -liever het zwartkopje zullen noemen, want zoo’n rare onhandelbare naam -is nog altijd voor een goed zanger een leelijke sta-in-den-weg. -Zwartkopje komt soms al vroeg, maar het is pas in ’t laatst van April, -dat zijn heerlijk lied en aardige vliegtoeren de aandacht beginnen te -trekken. - -Het satijnig zwarte kopje, de spierwitte keel, de mooie bruingrijze -tint van den rug maken dit vogeltje tot een zeer bijzondere -verschijning. Zijn nest ligt meestal in lage heesters, maar hij houdt -er van, in de hooge boomen heen en weer te vliegen in mooie bochtige -lijnen van tak op tak. Ons volk kent hem weinig; bij de Franschen, -Duitschers en Engelschen schijnt hij zich meer in de gunst van het -publiek te verheugen. - -Des te meer hebben wij met de zwaluwen op. De ooievaar, de zwaluwen en -de koekoek, dat zijn bij ons de echte vogels van de lente. En de zwaluw -bij uitnemendheid is wel de boerenzwaluw, de mooie staalblauwe vogel -met het roodbruine voorhoofd, de roodbruine keel en de enorm lange -buitenste staartveeren. - -Als die weer eenmaal in en uitvliegt in stal en schuur en door het -openstaande zolderluik, dan is de lente in ’t land. Dat is meestal in -de eerste week van April, soms komen ze reeds in Maart en een enkele -maal, vertoonen de zwaluwen zich reeds vóór de tjiftjaf, maar dan -vinden wij toch, dat ze in de war zijn. De Paaschvacantie, dat is de -goede tijd. - -Aan de zekerheid, waarmee ze de gebouwen binnen vliegen, kunt ge -merken, dat het weer de zelfde vogels van het vorig jaar zijn. Hoe -spoedig hebben zij het oude nest weergevonden en na een paar dagen -rondvliegen en zingen beginnen ze opnieuw te bouwen. Als blinkende -messen schieten ze door de lucht met onbegrijpelijke snelheid. Bij -tientallen verdringen zij zich om de vette modderranden van plassen en -het is een merkwaardig gezicht, deze vogels, die we ons haast niet -anders dan vliegend kunnen voorstellen, daar te zien rondploeteren in -den modder, zoekend naar geschikte specie voor den opbouw van hun nest. - -De meeste vogels werken alleen in de morgenuren van vieren tot negenen, -maar de zwaluwen zijn bij gunstige omstandigheden den ganschen dag -bezig met bouwen en bouwstof te verzamelen. En ook zijn ze den heelen -dag aan ’t zingen; de boerenzwaluw is een van de vlijtigste zangvogels -en laat zijn gekweel en gekwetter den heelen dag hooren. Zelfs het -wijfje zingt mee. - -De huiszwaluw is minder zangrijk. Hij laat onder het vliegen wel -aardige geluidjes en monter geroep hooren, maar een werkelijk -aaneengeschakeld gezang brengt hij niet ten gehoore. ’t Is anders een -aardig diertje, wel mooier dan de boerenzwaluw, al heeft zijn staart -ook niet zoo’n stouten zwier. Zijn veertjes blinken in helderder blauw -en een plek op den rug bij ’t begin van den staart is blinkend wit, -evenals de geheele onderzijde van het lichaam. - -Aan die witte stuitvlek is de huiszwaluw al heel in de verte te -herkennen en als een gezelschap huiszwaluwen op de muggenjacht is aan -een waterkant met donkeren elzenzoom, dan lijkt het wel of kleine witte -vlindertjes daar heen en weer zweven. - -Huiszwaluwen houden ervan, om gezellig op jacht te gaan, nu eens laag -langs den waterkant, dan weer honderden meters hoog in de lucht en dan -kunnen ze daar zoo lustig zwenken en draaien en zoo vroolijk elkaar -aanroepen, dat het meer een spel lijkt dan een inspanning, om aan den -kost te komen. - -Bij het modder zoeken loopen ze vaak tusschen de boerenzwaluwen in, -maar hun nesten bouwen ze meestal op andere plaatsen en altijd op een -andere manier. Ze houden er niet van, om binnenshuis te wonen en maken -niet zooals de boerenzwaluwen een ondiep komvormig nest, dat op een -onderlaag steunt, maar een half bolvormige woning tegen een muur met -geen andere beschutting dan een daklijst of dakgoot. - -Onder bruggen huizen soms boerenzwaluwen en huiszwaluwen bij elkander -en samen hebben ze er plezier in, om koekoeken en roofvogels te -achtervolgen en uit te schelden. Maar zelf hebben ze geweldig veel last -van de huismusschen en ringmusschen, die ze berooven van hun nesten. -Men heeft zelfs wel gemeend, dat de mooie huiszwaluwtjes gaandeweg door -de brutale musschen verdreven worden. - -Metselaars en aardwerkers zijn die zwaluwen. Aan steile zandhellingen, -dijkglooiingen, slootkanten, aardafgravingen werken nu de -oeverzwaluwtjes, kleine grijze vogeltjes zonder glans of gloed, maar in -vaalbruin pakje zooals dat voor aardwerkers het beste is. In den -vroegen morgen, als nog de ochtendnevel over de velden hangt, zijn ze -al bezig aan ’t pikken en graven, zoodat de helling wriemelt van -bedrijvige arbeiders. - -Onvermoeid met snavel en pooten boren zij in den grond en maken zij -horizontale gangen van éen tot twee meter lang. Aan het eind der gang -komt een nestje van veertjes en daarop de eitjes, spierwit en zoo klein -en teer, dat ge ze haast niet kunt aanvatten, zonder ze te breken. - -Deze oeverzwaluwen jagen bijna uitsluitend langs het water, vlak langs -de oppervlakte en als op gure dagen de boerenzwaluwen en de -huiszwaluwen daar ook om voedsel komen, dan maken de grauwe aardgravers -te midden van de in staalblauw schitterende bouwheeren een vrij -armoedige vertooning. - -Nog een andere langvleugelige insectenvanger voegt zich bij hen: de -groote zwarte gierzwaluw of torenzwaluw, die de langste vleugels, de -stoutste vlucht en den wijdsten bek van alle heeft. In mooi zonnig weer -jaagt hij hoog in de lucht, torenhoog, maar als Mei nog van die gure -dagen geeft, dan wordt ook hij genoodzaakt, zijn toevlucht te nemen tot -den waterkant, waar altijd nog het meest te vinden is. - -Zijn eigenlijk te huis is de stad, waar hij zijn woning heeft aan de -huizen. Hij is noch aardwerker, noch metselaar, maar bouwt evenals de -musschen een tamelijk slordig nest onder dakpannen en in hoeken en -gaten van muren. Ja, hij is mans genoeg, om de musschen uit hun -bouwsels te verjagen en zoo krijgen die dan de vergelding voor het leed -en den overlast, die zij den huiszwaluwen aandoen. - -Veel bekoorlijks heeft die torenzwaluw niet. Hij vliegt mooi en -gemakkelijk en ’s avonds gieren zij in troepen met woest gekrijsch door -de lucht. De mannetjes jagen de wijfjes naar huis en gaan zelf zich dan -nog een poosje amuseeren. Vaak komen zij den heelen nacht niet thuis; -men meent te weten, dat zij dan hoog in de lucht boven de wolken -blijven rondzwieren en daar misschien nog slapen ook. - -Hun woestheid en gekrijsch is velen onaangenaam. Er is een andere -stadsvogel, die in de lente ook in troepen vliegt en drukte maakt, maar -alles veel sierlijker en prettiger doet dan die torenzwaluw. Ik bedoel -het kerkkauwtje, de kleinste en beminlijkste van onze kraaiachtige -vogels. In troepen van tien tot honderd spelen zij krijgertje om de -torenspitsen, vlug en sierlijk glijden de zwarte gestalten door de -lucht met rustig gestrekte vleugels en fraai gespreide staart. Daarbij -roepen ze elkander onophoudelijk aan met een soort van kort, melodieus -gekef. - -Ze zijn niet grooter dan duiven, en er ligt ook iets zachtzinnigs over -hun wezen. Maar het is met die zachtzinnigheid als met den witten -satijnglans die over nek en wangen ligt, het is maar schijn, de -zwartheid, het wreede en verderfelijke, ligt er onder en uit het witte -oog spreekt niet alleen verstand en list, maar ook sluwe moordzucht. -Want dit kerkkauwtje is al een even felle roover en moordenaar als zijn -familiegenooten de raven, kraaien, eksters en gaaien. - -In de stad kunnen zij niet veel kwaad doen, maar in het bosch maken zij -slachtoffers bij de vleet. In sommige streken is hun kwade invloed -duidelijk merkbaar, in andere lijkt het wel, alsof ondanks roof en -moord de vogelbevolking maar altijd toeneemt. Daar heeft iedere holle -popel zijn kauwennest of zelfs meer dan één op één stam, maar in de -meidoorns brengen tal van houtduiven hun jongen groot en tortels bouwen -er in de dichte sparren of in het fijne berkenhout. - -Slag op slag rooven de kauwtjes de witte eieren van het nest, maar -onverdroten leggen de duiven voort, verhuizen desnoods, maar rusten -niet, voordat een leelijk jongenpaar lodderig zit te kijken op het ijle -platform van hun takkennest. Den heelen dag klinkt het gekir door ’t -hout, ’t vaag en onbepaald eentonige „toer-toer”, van den tortel en het -duidelijke nabootsbare -toer-toertoer-toer-toeretoer-toer-toer-toer-toeretoer-toer-toer-toer -van de houtduif of ringduif. - -En ook deze is met zingen alleen niet tevreden, maar voert in -lentevreugd een stouten luchtdans uit, die men van zoo’n traditioneel -kalm dier als een duif niet verwachten zou. Met klepperend geraas -vliegt hij op uit zijn takkenhuis, stijgt in snelle vlucht hoog omhoog -naar den blauwen hemel, klapt met een harden slag de vleugels tegen -elkaar en daalt dan met roerloos uitgespreide vleugels in een groote -bocht vijftig, zestig meter neer, om dan weer van voren af aan te -beginnen. - -Ook de tortel maakt aardige bewegingen, maar die worden minder gezien. -Hij heeft er nog al slag van, om zich schuil te houden, zoodat er weken -voorbij kunnen gaan eer ge hem te zien krijgt, ofschoon zijn gekir den -heelen dag het bosch vervult. - -Maar wie luistert er naar het makke duivengekir, nu de nachtegaal is -teruggekomen? De nachtegaal, die ieder jaar het teeken schijnt te geven -voor het rijkst ontplooien van de lentepracht, voor de sterkste -uitingen van lentevreugd. Al wat er gebeurt, voordat de nachtegaal zijn -intree doet, is slechts het voorspel; eerst wanneer zijn machtige stem -zich verheft, beginnen beuken en eiken, sparren en dennen bloesem en -blad te ontplooien, komen er aren en pluimen in ’t gras, tooit de -boschbodem zich met kleuriger en geuriger bloemen dan de sneeuwklokjes -van Januari of de anemoontjes van Maart. - -Zie den mooien bruinen vogel zitten in de blinkende takjes van het -eiken kreupelhout. De witte veertjes van de keel gaan op en neer bij de -felle jubelkreten, het fijne bekje blijft roerloos open bij de lang -uitgehaalde fluittonen. Geen vogel is er, die zulk een afwisseling -brengt in zijn zang. Nu eens lijkt hij te gebieden, te vermanen, te -toornen, dan weer vervalt hij in een roerend smeekgebed of geeft in -lang glashelder geluid uiting aan de reinste vreugde. - -Ieder weet, dat de nachtegaal het allermooist zingt ’s nachts tusschen -tweeën en vieren, maar dat neemt niet weg, dat hij bij gunstig weer -zich ook den heelen dag laat hooren, tot zelfs gedurende het eigenlijke -rustuur van alle vogels, dat ergens valt tusschen twee en vier uur in -den namiddag. Hoe meer nachtegalen er in een bepaalde streek zijn, des -te meer wordt er gezongen, soms zelfs zoo vlijtig, dat het sommigen -menschen te druk wordt. - -Komen er gure dagen, dan houdt het zingen op, maar dat de nachtegalen -er nog zijn, kunt ge merken, wanneer ge door de eikenboschjes loopt om -bloemen te zoeken. Van tijd tot tijd klinkt dan een geluid, dat doet -denken aan een kikvorsch „korr, korr, korr”. Het wordt al vaker en -vaker herhaald en nu hoort ge ook nog helder en luid, maar een weinig -angstig en vragend, „pièt; pièt”. - -Pas nu op, want het zou kunnen gebeuren, dat ge u dicht bevindt bij het -pas begonnen nest en daar ligt misschien reeds een glanzig koffiebruin -eitje in. Het nest ligt zoo verborgen tusschen de dorre eikeblaren, dat -ge het moeilijk opmerkt en ge zoudt erin kunnen trappen, eer ge ’t wist -en dat zou heel jammer zijn. Verlaat daarom de plaatsen, waar ge die -angst- en waarschuwingskreten verneemt. Wellicht wordt ge beloond door -een heerlijken vreugdezang op het oogenblik, dat de vogel het gevaar -geweken acht. - -De mogelijkheid van onverwacht een vogelnest aan te treffen, maakt het -zoeken naar voorjaarsbloemen in het bosch tot een dubbel interessante -bezigheid. Ge ziet aan den boschzoom een donkergroene plek met -glimmende blaadjes van de maagdepalm. De prachtige blauwe bloemen -hebben zich geopend in de voorjaarszon en worden vlijtig bezocht door -mooie roodbruine glimmende metselbijtjes, die ergens hun nest in dorre -braamstengels hebben. We gaan er even bij zitten, om af te wachten, of -er ook soms parelmoervlindertjes op de bloemen komen en we zitten nog -geen vijf minuten, of een roodborst komt bij ons op een tak en zingt -het hoogste lied. - -Hij verraadt zijn geheim, want we letten nu goed op en vinden al gauw -onder de ranken van de maagdepalm het roodborstjesnest met gespikkelde -eitjes. Even kijken en dan maar gauw verder, anders wordt het nest -misschien verlaten en voor de maagdepalm, die we nu in den steek laten, -vinden we in het rijke tooverbosch nog andere bloemen in eindeloozen -overvloed als schadeloosstelling. - -Hier bloeien de vogelkersen: lange hangende trossen van witte bloemen -te midden van frisch groen loover. Kevers en vliegen wemelen op de -sneeuwwitte honigrijke bloemen en waar de laagste takken schuil gaan in -het hoog opgeschoten pijpkruid, daar heeft een slimme tuinfluiter een -doorzichtig nestje gebouwd, dat we nooit gevonden zouden hebben, als -hij zelf niet zoo geraasd en getierd had, toen we even bij den heester -stilstonden. - -Dat pijpkruid heeft met een dikken wortel overwinterd na eerst in ’t -najaar nog gauw zooveel mogelijk voedsel verzameld te hebben. Heel -vroeg in ’t voorjaar maakte het dikke proppen van fijnverdeeld groen -loover en nu de nachtegaal er is, schieten de mooi gegroefde groene -stengels omhoog, die de sneeuwwitte bloemschermen dragen. - -Wij kennen het kunstje wel, om die stengels te versnijden tot liefelijk -klinkende toeters en menig huisvader, die rust wou hebben, heeft dit -„fluitekruid” naar het andere eind van de wereld gewenscht, wanneer -zijn kroost met de buurjongetjes te zamen een symphonie uitvoerden op -dit natuurlijk blaasinstrument. - -Maar iets zangerigs zit er toch in de plant, de kleine zangvogeltjes -bouwen graag hun nest op den grond tusschen de pijpkruidstengels, zelfs -de nachtegaal slaat menigwerf zijn tenten er onder op en heeft zoo de -plant geholpen aan den genoegelijken naam van nachtegalenkruid. - -Het ware te wenschen, dat waar deze plant groeit, ook nachtegalen -nestelden, maar dat scheelt nog veel en dat kan ook niet, want deze -boschplant groeit al, waar maar drie boompjes bij elkander staan of op -plekken, waar jaren geleden eens een bosch prijkte. Er zijn meer van -die weggeloopen boschplanten, de meest bekende is wel het speenkruid. -De mooie, blauwe hondsdraf is er ook een. - -Het speenkruid hoort eigenlijk thuis in ’t kreupelhout en daar blinkt -het ook ieder voorjaar met zijn mooie groene blaadjes en goudgele -sterrebloempjes. Het groeit daar weelderig en overvloedig, met flinke -lange stengels, die schuin opstijgen boven den lossen boschgrond. -Evenals de meeste vroege boschbloemen zijn ook deze zeer gevoelig voor -de warmte, zoodat ze letterlijk door de zon te voorschijn worden -geroepen. - -Waar nu het speenkruid groeit buiten het bosch, daar wordt het meteen -anders. Het is, of het zijn bescherming mist, zich niet meer veilig -voelt en zoo maakt het dan zijn stengels en steeltjes veel korter, zijn -bladeren kleiner en stugger, dicht op elkaar vlak tegen den grond. Maar -de bloemen blijven even mooi en talrijk en de lieve jeugd krijgt ieder -jaar op school zijn speenkruid-les en kan heele verhalen doen over de -wortelknolletjes en okselknolletjes en over het feit, dat deze plant -met al zijn mooie bloempjes toch zoo weinig rijp zaad voortbrengt. Ge -kunt ervan opaan, dat ze na het speenkruid de witte doovenetel -„krijgen”. Dat is ook zoo’n mooie duidelijke bloem, die overal -gemakkelijk te vinden is en altijd in groote troepen bijeen groeit en -lang niet altijd tusschen de echte brandende brandnetels, zooals -weleens beweerd wordt. Hoe mooi staan die kransen van groote roomwitte -bloemen om de vierkante stengels, krans boven krans en alle bloemen -even mooi. - -De jeugdige natuurbewonderaar beziet deze bloem ook van den practischen -kant en rangschikt haar onder de rubriek „levensmiddelen”. In den -morgen zitten de bloemkroonbuisjes vol met lekkeren honing, in den -namiddag is het minder, want de bloem kan het niet bijhouden, zoo gauw -als de hommels en bijen den voorraad opruimen. - -Maar wij moeten nog even naar het bosch terug. - -Hier en daar zijn tusschen het eikenhout heele plekken wit van groote -stervormige bloemen. Nu wij ons goed herinneren, was de grond in -hetzelfde boschje in het vroege voorjaar groen van tallooze dikke -spruiten, die het dorre blad op zij drongen. Die groene bladeren zijn -nu reeds bijna alle geheel verwelkt en hun plaats wordt thans ingenomen -door de bloemen, aan lange stelen of trossen vereenigd. - -Dit is de schermdragende vogelmelk, een aardig bolgewasje en die bloem -is een echte zonne- en lichtvriend. Zij is er nog juist bijtijds bij, -om te bloeien, voordat de eikjes dicht in blad raken. In den -morgenstond lijkt er op die plaats geen enkele bloem te staan, want dan -zijn ze nog dicht en daar de achterkant der bloemblaadjes groen is, -vallen ze in het geheel niet in ’t oog. - -Maar als de zon aan den hemel rijst en warmte teruggekaatst wordt door -den mullen boschgrond, dan gaan die bloempjes vrij snel open en binnen -een half uur schitteren honderd witte sterren, waar zooeven niets -anders dan groene knoppen te zien waren. - -Er groeit nog een andere vogelmelk in ’t bosch, maar die heeft bladeren -en bloemen tegelijk; dat is de knikkende vogelmelk. Zijn bloemen zijn -grooter dan die van de schermdragende, aan de binnenzijde niet zoo -schitterend wit, maar van buiten heel mooi grijsgroen. Ze zijn -kortgesteeld en staan meestal zijwaarts gericht. De Engelschen noemen -deze mooie bloemen „Ster van Bethlehem”. - -Plukt ge deze bloemen, dan blijken stengels en bladeren een dik -slijmerig vocht te bevatten, wat trouwens bij meer lelieachtige planten -het geval is. - -Waar het bosch nog niet te veel door roekelooze plukkers en gravers is -aangerand, daar komen nu ook te voorschijn die heerlijke lievelingen -van alle bloemenvrienden: de lelietjes van dalen en de wilde -hyacinthen. - -Op het eerste gezicht zijn de wilde hyacinthjes wel het mooist. Waar ze -groeien, daar staan ze in groot aantal bij elkander, hangende blauwe -klokjes in rijen van zes tot tien aan zacht gebogen stengeltjes. Er is -juist groen genoeg tusschen, om dichtbij eenige afwisseling te brengen -in de kleurenmassa, maar op eenige meters afstands is van dit groen -niets meer te zien en dekt een gelijkmatig blauw kleed de ruimte -tusschen de groen bemoste stammen. - -Hier en daar vertoonen zich witte hyacinthjes tusschen de blauwe en ik -heb wel een bosch gekend, waar evenveel witte als blauwe hyacinthjes -groeiden en daar stonden ook veel rooskleurige onder. Ieder jaar deed -ik kort voor Pinksteren een bedevaart naar dat bosch. Maar de boer, -wien het toebehoorde, meende dat zoo’n overvloed van planten op den -grond schadelijk was voor den boomgroei en die heeft er toen een paar -zomers achtereen zijn kippen in gejaagd, om den grond eens goed om te -laten woelen en die plantenboel te vernielen. Hij is er uitmuntend in -geslaagd en nu groeien daar niets meer dan brandnetels. - -Gelukkig groeien ze langs den duinkant nog bij duizenden en als de -plukgrage jeugd zich nu maar vergenoegt met plukken en de plant niet -uitgraaft, dan kunnen wij daar nog lang plezier van hebben. - -Zoo is het ook met de lelietjes van dalen. In menig bosch hebben ze -dapper stand gehouden tot op dezen dag en op afgesloten buitenplaatsen -groeien ze bij millioenen en vermenigvuldigen zij zich tot in het -oneindige. - -In Maart steken de blauwachtig grijze groeipieken in ontelbare menigte -door het dorre blad. Een paar warme April-regentjes jagen de bladeren -uit de scheeden en als de nachtegaal op zijn schoonst zingt, dan worden -de groene bloemtrossen wit en de heerlijke kelkjes verspreiden den -liefelijksten geur van het voorjaar. Ja, het is wel heerlijk, de groote -groene bladeren op zij te buigen, om daartusschen de flinke, malsche -bloeistengels te vinden, bezet met wel twintig of meer bloempjes. Maar -heerlijker nog is het, dag aan dag een poosje te liggen aan den rand -van ’t bosch, de witte bloempjes te zien schitteren overal langs den -groenen boschbodem en den frisschen geur in te ademen onder het gezang -van nachtegaal, merel, zanglijster, tuinfluiter, fitis en roodborst. - -En als ik nu eens geen boschrand kan vinden met lelietjes van dalen, -dan stel ik mij tevreden met salomonszegeltjes, die zijn toch ook van -de familie en heusch niet minder mooi of minder geurig. De bloempjes -zijn zelfs grooter dan die van het lelietje en aangenamer van vorm. -Alleen staan ze niet in trossen bij elkander, maar bij paren of -afzonderlijk bij den oorsprong der bladeren. Die bladeren zelf staan in -twee rijen flink omhoog gericht, zoodat het lijkt of het heele plantje -een soort van nieuwerwetsche vliegmachine is en zoo meteen weg zal -zweven door de schemering van ’t bosch. - -Door dien stand van de bladeren zijn de bloemen zelf in hun geheel te -zien. Zooals ze daar in rijen hangen aan de onderzijde der stengels -lijken het risten van groote witte parelen of een versiering van -guirlande’s van porceleinen potjes of ... maar ze zijn in ieder geval -mooier dan iedere vergelijking, die ge kunt bedenken. - -Intusschen nadert de tijd, dat het nederig schoon van maagdepalm en -hyacinth, vogelmelk, salomonszegel en lelietje van dalen overdekt en -overschaduwd wordt door de grootere en grovere boschplanten, die alle -ruimte voor zich alleen begeeren. Hier spreiden grove klitten hun -groote bladeren, ginds steekt de brandnetel zijn zaagpuntige blaadjes -op en waar het fijnverdeelde groen en de witte bloemenzee van het -pijpkruid of nachtegaalskruid een plaatsje vrij laat, daar groeit de -roode koekoeksbloem in dichte bossen bijeen. - -Nachtegaalskruid en koekoeksbloem beginnen te heerschen in ’t bosch, -juist in den tijd dat de zang van den nachtegaal en het geroep van den -koekoek alle andere vogelgeluiden overstemmen. De nachtegaal houdt er -van, zijn nest tusschen deze planten te bouwen en de koekoek weet het -dikwijls maar al te goed te vinden. - -Tegelijk komen die vogels ook aan, in de derde week van April en de -nachtegaaltjes hebben al menig koekoeksjong groot gebracht, al is het -ook waar, dat de kwikstaartjes en de graspiepers het meest bezocht -worden door dien mooien grooten vogel, die zelf geen nest kan bouwen, -zijn eigen eieren niet kan uitbroeden. - -Zijn naam is in ieders mond en iedereen kent zijn griezelige -ontwikkelingsgeschiedenis; het ei, gelegd in een vreemd nest, het -vraatzuchtig jong, dat zijn pleegbroertjes en zusjes uit ’t nest gooit, -nog voor dat het zelf zien kan, en zijn pleegouders zoo in beslag -neemt, dat zijzelf vaak van honger en uitputting sterven. Iedere -koekoek kost het leven van vijf of zes kleine zangvogeltjes. - -Maar zijn lenteroep is een van de heerlijkste geluiden van de natuur en -wekt voorstellingen van warme lucht en bloemengeur, van witte wolken, -hoog zwevend in den blauwen hemel, van hagen bedekt met bloesemsneeuw. -Tal van bloemen van bosch en weide zijn naar hem genoemd; een roode -anjerachtige bloem geniet de onderscheiding, officieel den naam van -koekoeksbloem te mogen voeren, maar de plattelandsbevolking kent nog -een groot aantal andere. - -Als de koekoek over ’t veld vliegt, dan lijkt hij net een roofvogel; de -dwarse streepen op zijn borst herinneren aan den sperwer. Er zijn dan -ook nog een groote menigte menschen, die gelooven dat de koekoek des -winters in een sperwer en de sperwer des zomers in een koekoek -verandert. Intusschen zou een koekoek nooit een vogeltje kunnen grijpen -of dooden, daarvoor zijn zijn pooten veel te zwak en deugt zijn snavel -ook niet. Hij vergenoegt zich met insecten te eten en neemt de harige -rupsen, waarvan bijna alle andere vogels een afschuw hebben. - -Men noemt daarom den koekoek nuttig voor den boschbouw en dat is -stellig waar, maar in ons land vliegt hij ook zeer veel over weiden en -akkers en dikwijls heb ik hem ontmoet aan den waterkant, waar hij -tusschen de hooge oeverplanten zijn voedsel zocht. - -Het is zoo goed, in ’t voorjaar te zitten aan den waterkant. Het water -is dan veel helderder dan in den zomer, het wier heeft nog niet de -geheele oppervlakte bedekt en er zweven nog niet zooveel kleine levende -wezentjes of overblijfselen er van in rond als in den heeten zomertijd. -Lucht en wolken worden erin weerkaatst met groote zuiverheid en de -bodem is zoo duidelijk te zien, dat zelfs de bewegingen van kleine -zandkorreltjes merkbaar zijn. - -Licht en zwierig schieten waterplanten uit den bodem op, hun fijne -blaadjes strekkend naar alle kanten, waterpest en hoornblad, vederkruid -en waterranonkel. Het gegroefde kroos vormt dichte massa’s van -driekante groene blaadjes, klein kroos drijft in cirkelronde schijfjes -aan de oppervlakte en de groote bruine bladeren van de waterlelie komen -ineengerold naar boven, om zich aan de oppervlakte uit te spreiden en -in de warme zon aan de bovenzijde een groene tint aan te nemen. -Langzaam volgen groote groene knoppen, maar de witte bloem zelve is een -bloem van den zomer en als er zich een opent vroeg in Mei, dan brengt -dat feit den groenen kikvorsch in een toestand van de allergrootste -verbazing. - -Het ontwaken van de kikvorschen valt samen met den terugkeer der -vogels, de bruine kikvorsch komt tegelijk met de kieviet, de groene met -den nachtegaal, wiens naam hij voeren mag. O, wat worden die -„boerennachtegalen” gesmaad en gehoond, maar wat doet het den -natuurvriend goed, wanneer hij na den langen winter hun tevreden of -uitgelaten gekwaak weer hooren mag. - -En dan komen die wonderlijke massa’s kikkerdril in de slooten, de -zwarte kikkereitjes, omgeven door een dikke geleilaag, waar de kleine -vischjes tevergeefs in happen en die de eieren voor tal van schadelijke -invloeden beschermt. Prompt op tijd verschijnen de kleine kikkerlarven, -eerst klein, met gesloten bek en wapperende kieuwtjes aan weerszij van -den kop, dan grooter, met achterpooten, dan met voorpooten en eindelijk -verliezen ze hun platte zwemstaart en worden heusche, kleine -speelgoedkikkertjes. - -Maar al te dikwerf speelgoed! Speelgoed voor kleine onnadenkende -wreedaards, speelgoed voor jongelui, die al graag den natuuronderzoeker -uithangen en nog niet voldoende beseffen, dat het leed, door hen het -dier aangedaan, lang niet vergoed wordt, door de luttele aanwinst van -hun kennis. Het kluchtige dier met zijn menschachtige maniertjes -verdient werkelijk een betere behandeling. Hij heeft het toch al hard -genoeg te verantwoorden door al zijn behaarde, gevederde en geschubde -belagers, waaronder otter en ooievaar, ringslang en snoek de meest -geduchte zijn. - -Op den bodem rollen en wiebelen ruwe cilindervormige massa’s heen en -weer. Het zijn de larven van kokerjuffers in haar kunstige huisjes. Bij -tientallen bewegen zij zich in een smallen strook langs den oever, waar -de zonnestralen het ondiepe water doorwarmd hebben. Heel in de diepte -is het hun nog te koud, of liever, daar vinden ze geen voedsel genoeg, -de kleine levende wezens, die hun prooi vormen, zoeken ook nog den -zonnigen waterkant. - -Geen twee van die huisjes zijn aan elkander gelijk. Sommige zijn -opgebouwd uit korte stukjes gras, andere uit blaadjes van het driekante -kroos, weer andere uit doode stokjes met grove zandkorrels er aan en -nog weer andere uit alleraardigste kleine schelpjes en slakkenhuisjes. -Er zijn groote en kleine, korte en lange, uit de meeste komen kop en -voorpooten van de bewoonster te voorschijn, maar bij vele is geen spoor -van een dier te bemerken en dan lijkt het heel vreemd, hoe in het -absoluut stille water zoo’n hoopje groen in heftige beweging kan -verkeeren. - -Maar andere verschijningen leiden onzen aandacht van de kokerjuffers -af. Een klein blinkend vischje schiet pijlsnel door het water en blijft -dan opeens met trillende vinnetjes stilstaan in de zon. Borst en rug -schitteren in alle felle tinten van rood en groen en blauw en de groote -oogen schijnen vuur te schieten. Alweer een stuk speelgoed voor de -jeugd: het stekelbaarsje. Deze mooie roodborst is het mannetje in -vollen voorjaarsdosch. Een klein kegelvormig hoopje van zand en -steentjes op den bodem is het nest, waarin de eieren of de jongen -beschermd moeten worden. Komt een ander dier, een kokerjuffer, een -kever of een stekeltje daar te dicht bij, dan schiet als een vuurstraal -het toornige mannetje op den vijand af en hij slaagt er bijna altijd -in, dien te verjagen. - -Maar als de schooljongen komt met zijn schepnet, dan is de roodborst er -bij en mee moet hij in het chocolaad-blikje of jampot, hetzij om -verpleegd te worden in een goed verzorgd aquarium, hetzij om vergeten -en verwaarloosd den honger- en verstikkingsdood te sterven in een -flesch met water voor een zonnig venster. - -Nu komt in het heldere water van mijn vijver weer een ander personage -te voorschijn. Tamelijk onbeholpen en als tegen zijn zin omhoog -geschoven, komt een groote, groenbruine kever naar de oppervlakte. -Helder gele randen versieren borststuk en dekschilden; het is de -geelgerande watertor; een mannetje, want zijn dekschilden zijn glad en -vertoonen een groote glimplek in ’t zonlicht. Hij heeft de oppervlakte -bereikt en hangt daar nu met den kop omlaag. De dekschilden zijn even -opgetild, zoodat de lucht kan binnendringen tusschen lichaam en -vleugeldek, en als de tor nu weer met krachtige slagen van zijn -roei-achterpooten nederdaalt, dan heeft hij versche lucht genoeg, om -het daar beneden langen tijd uit te houden. - -Op een andere plek vertoont zich zijn geribbeld wijfje en telkens zien -we langs den plas van die groenbruine kevers boven komen, ook andere -familiegenooten, half zoo groot. En alle zijn het even groote roovers, -verdelgers en verslinders. - -De groote zwarte watertor, die nu om lucht naar boven komt, is al niet -veel beter, al voedt hij zich ook wel van tijd tot tijd met planten. -Hij heeft zijn luchtvoorraad niet op den rug, maar tusschen fijne -haartjes aan den buik, waar hij wel een zilveren plastron schijnt te -dragen. Wordt de voorraad te klein, dan komt hij aan de oppervlakte met -den kop omhoog en dan weet hij langs zijn dikken voelspriet de -luchtvoorraad te vergrooten. ’t Is een prachtig mooi dier en als we -oplettend rondzien tusschen kroos en wier, dan ontdekken we ook wel het -kunstig drijvend nest, waarin de eieren regelmatig zijn opeengestapeld. -Een spits mastje steekt een centimeter boven het water uit. Uit die -eieren komt de larve te voorschijn: het leelijkste, afgrijselijkste -waterdier van onze slooten. Maar dat is een dier van den zomer. - -In den avond verlaten vele van deze kevers het water en vliegen gonzend -rond en dan kan het je wel gebeuren, dat zoo’n dikke pikzwarte of -geelgerande eventjes in ’t voorbijgaan tegen je hoofd komt aanbonzen. -Maar nu in ’t zonnetje blijven ze in het water rondzwemmen om prooi, of -zich koesteren in het lekkere bovenste waterlaagje. - -Daar daalt een zilveren balletje neer, zoo groot als een knikker. Het -is de waterspin die zijn luchtvoorraad draagt om het geheele lichaam, -vastgehouden door tallooze fijne haartjes. Hij begeeft zich naar een -lichte plek in ’t water, ook een zilveren bel, dat is zijn nest, zijn -schuilhoek, waarin hij van tijd tot tijd de lucht moet ververschen. De -draden, die hij tusschen de waterplanten heeft gespannen, kunt ge niet -zien, want ze zijn even doorzichtig als het water zelve. - -Daar wordt zijn weg gekruist door een wakkeren zwemmer. Ha, hoe gaan de -lange achterpooten door ’t water, het lichaam van het dier schiet als -een bootje vooruit. Dat is het bootsmannetje of ruggezwemmer, in vorm -en kleur wel een van onze mooiste waterinsecten. Het rozerood van de -vleugels, het geel van kop en borststuk vormen met de zilverglanzende -luchtmassa van de buikzijde een prachtig geheel. De lange achterpooten -zijn prachtige roeiriemen, flink lang en bij iederen slag worden zij -verbreed door een haarfranje, die bij den terugslag weer vlak tegen den -poot gaat aanliggen en zoo den weerstand minder maakt. - -Kinderen, die met een schepnetje de slooten afvisschen, nemen niet -licht die bootsmannetjes mee. Waarom niet? Weten ze, dat de bootsman, -als het hem lust, met zijn snuit een fermen steek kan geven? Of hebben -zij de ervaring opgedaan, dat hij in het aquarium de andere dieren -aanvalt en doodt? Het een is zoo goed waar als het ander, maar wanneer -je bootsmannetjes houdt in een afzonderlijke flesch met wat zand en -waterplanten, dan kun je er veel pleizier van hebben. Ik heb ze eens -een jaar lang gehouden in een gewonen glazen jampot. Ze tierden -opperbest en kregen aardige jongen, die al dadelijk den echten -bootsmanvorm hadden en prachtig op hun rug konden zwemmen. - -Wie wel altijd mee moeten in de gevangenis, dat zijn de salamanders. -Die zijn nu ook op zijn mooist, de mannetjes met prachtige, kleurige -kammen op den rug en zeer verbreeden staart. Wie stil aan een slootkant -zit, kan ze telkens voorbij zien zwemmen. Op goede dagen liggen ze bij -dozijnen aan den zonnekant in het ondiepe water. Af en toe komt er -leven in ’t gezelschap, dan zwemmen ze met slang-achtige kronkelingen -om en over elkander. De eitjes van deze dieren worden niet gelegd in -klompen of snoeren, maar afzonderlijk aan de waterplanten. Ze zijn niet -gemakkelijk te vinden, je moet er geduldig stengel na stengel voor -nazien. - -Uren lang kan ik aan zoo’n zonnigen vijver liggen te kijken naar al dat -gedierte, dat uit de groene diepte verrijst en zich komt verlustigen in -het lauwe kantwater. En ook aan de oppervlakte zelf is leven en -beweging zonder ophouden. Daar krinkelen in zuivere cirkelbochten de -glimmendblauwe draaikevertjes rond in scholen van soms wel meer dan -honderd. Wat een drukte en gewoel. Soms raakt er een in geestdrift en -die is dan niet tevreden met lustig te glijden langs het oppervlak, -maar hij geeft zich een zetje en huppelt vier, vijf keer achtereen -omhoog net op de manier van een plat steentje, dat wij langs het water -pleieren of schuifelen of kiskassen, of hoe noemen ze het bij u in stad -of dorp? - -Die draaikevertjes lijken wel geen beenen te hebben, maar dat is -slechts schijn. Zij bezitten aardige grijppootjes en -allermerkwaardigste roeipooten, bovendien een dubbel stel oogen: één -dat kijkt langs de bovenzijde van ’t watervlak en een tweede waarmee -het dier kan zien, wat er in het water gebeurt. Ze zijn schuw en -schichtig in hooge mate; een slag met een stokje jaagt het heele -gezelschap naar omlaag en ieder kevertje neemt bij het neerduiken weer -een waterbelletje mee. - -Tusschen de onrust van de schijnbaar pootlooze draaikevertjes bewegen -zich de langpootige schaatsenloopers met de uiterste kalmte. Waar hun -pooten het water raken, heeft de gladde vlakte een heel klein deukje, -maar overigens maken deze dieren den indruk van geheel gewichtloos te -zijn. En het is toch ook eigenlijk wel iets heel bijzonders, zoo je -heele leven lang te loopen over het water en nooit nat te worden. Er -zijn verschillende soorten van schaatsenloopers, sommige kort en dik, -andere zoo lang en zoo smal van lijf, dat het haast onbegrijpelijk is, -hoe zoo’n schimmetje nog een hart en ingewanden, spieren en zenuwen, -een heele anatomie, kan bevatten. - -De oever zelf raakt dicht begroeid. Het riet is nog kort, maar steekt -toch al met duizend pieken boven het watervlak. Kalmoes en lischdodden -vormen dichte bossen en de gele lisch steekt zijn grijsgroene bladeren -al hoog in de lucht en ontplooit aan de knoopige stengels de eene bloem -na de andere, heerlijke groote bloemen, mooi van het oogenblik af, dat -ze als netjes opgerolde puntige knop uit de bloeischeede komen, totdat -ze verwelken en de groote, groene, onrijpe vrucht overlaten. - -De gele bloemdekblaren wapperen in den wind, de bladachtige stempels -met hun uitgeknipte punt steken er vroolijk boven uit en op mooie dagen -zoemt en gonst het om de bloem van vliegen en bijen, die uit de diepe -bloemdekbuis den zoeten kruidigen honing komen halen. Er bestaat een -groote verscheidenheid in de honderden lisschen langs den slootkant: -verscheidenheid in tint van geel, verscheidenheid in de bruine -versiering van de groote hangende dekslippen, verscheidenheid in den -stand der stempels, die nu eens hoog boven de bloem uitsteken, dan weer -vlak op de dekslippen liggen. - -Wij willen armen vol van deze heerlijke bloemen afsnijden en thuis in -glazen zetten, om te zien, hoe ze zich ontplooien en hoe telkens een -verwelkte bloem vervangen wordt door een frissche, die bijna dezelfde -plaats inneemt. Zoo kan één stengel een week lang het venster sieren. - -Tusschen de lisschen staan hier en daar de groote waterzuringen, die -hun groote bladeren omhoog steken, haast op de manier van tropische -pisangs. Op andere plekken verdringen zich de ruige bladeren en -stengels van de smeerwortels, met de mooie hangende, klokvormige -bloempjes, die in gedraaide trossen bij elkaar staan en allerlei -kleuren kunnen vertoonen: geelachtig wit, oranje, rose, lichtblauw, -donkerblauw, violet en paars. Een ruige plant, die alle fijnheid en -gratie schijnt te missen, maar als ge de bloem openmaakt, dan vindt ge -daarin vijf driehoekige dekseltjes, waarvan de randen versierd zijn met -het allerfijnste goudsmeewerk. - -Hoe dichter de oever begroeid is, des te meer kans bestaat er, dat er -aardige vogels huizen. Op rustige plekken aan breede wateren broedt nu -de fuut, in gedaante en kleur en manieren een van onze zonderlingste -watervogels. Zijn nest is een drijvende moddermassa, niet te -onderscheiden van de zwarte veenmassa’s, ontstaan uit de half verrotte -planten van het vorig jaar. - -Meer algemeen vertoont zich de koet, net een zwart eendje met een -witten bles. Als hij zich schuil houdt tusschen de oeverplanten, dan -hoort ge toch nog altijd zijn korte keffende roepjes. Hij heeft een -mooi hoog nest, opgebouwd van stengels en bladeren, en daar liggen zijn -tamelijk groote en talrijke bruine, fijn gespikkelde eieren, waaruit -later enorm leelijke ruige, kleine, harige duveltjes van jonge koeten -te voorschijn komen. - -Maar het echte vogeltje van den waterkant, het beminnelijkste vriendje -van den eenzamen hengelaar, dat is het waterhoentje, dat zelfs in -kleine vijvers en smalle slooten zijn nest durft te bouwen en hoe -langer hoe meer vertrouwd raakt met de menschen. - -Hoe sierlijk zwenkt dat diertje rond, hoog op ’t water, het spierwitte -staartje opstijgend als de achtersteven van een ouderwetsche karveel. -Bij iederen slag met de groene pooten schokt het slanke nekje voor en -achteruit en de groote roode plakkaat boven op den bovensnavel blinkt -in de zon. Hij hapt in de lucht en langs het water en als hij zijn bek -vol heeft met kleine insecten, dan stuurt hij regelrecht naar huis en -loopt voor de gauwigheid met weergalooze behendigheid over een groot -bed van wiebelende waterleliebladeren. Als hij aan den waterkant komt -tusschen de bloeiende lisschen, dan komt hem ongeduldig al een spitse -snavel te gemoet en het broedende wijfje neemt haar voedsel in -ontvangst. Dadelijk maakt de man weer rechtsomkeert, om in weinig -minuten weer een nieuwen voorraad op te doen. - -Hoe dikwijls heb ik deze familietafereelen begluurd langs den vijver -van Duin en Daal aan het Meertje van Caprera en in de grachten van de -ruïne van Brederode, toen die nog frisch en helder waren. Nog broedt -daar ieder jaar een paartje en ’t is een groot genoegen er naar uit te -zien in den tijd dat de ruïne overdekt is met de heerlijke, geurige -muurbloemen. - -Het is wel een van de liefelijkste openbaringen van de Lente dat zij de -oude vervallen bouwwerken zoo guitig versiert met mooie bloemen. Tot -boven aan toe komen uit de muren de grijsgroen bebladerde stengels te -voorschijn met honderden oranje bloemen, omzwermd door bijen en -vlinders. Elders staat weer in een muurspleet een lijsterbes te -bloeien, of een vlier ontwikkelt er zijn bladeren en laat zijn breede -bloemtuilen zien, die nu nog groen zijn. De groote abeel op de -binnenplaats heeft pas zijn witte bladeren gekregen en de hooge wilgen -langs de gracht vertoonen gele bloesemkatjes tusschen lichtgroen -loover. - -Langs de grachtkanten staan in dichte rijen de lisschen te bloeien en -wilgenroosje en koninginnekruid zijn gereed hen te volgen, terwijl op -en om de muren en in de boschjes look zonder look en fluitekruid -bloeien in een wolk van wit. Hier vinden we ook onze oude vrindjes, de -oranjetipvlindertjes weer. Bij dozijnen vliegen ze over de witte -bloemen, de wijfjes heelemaal wit, de mannetjes met groote oranje -vlekken aan de toppen der voorvleugels. En als ze gaan zitten op het -bloeiend pijpkruid of op de lookraket, dan zijn ze opeens verdwenen, -zoozeer harmonieert de wit met groen gekleurde onderkant hunner -vleugels met het wit en groen van deze lentebloemen. - -Nu nog een keer de duinen in, om nog meer vlinders en vogels en bloemen -te ontmoeten. Ik ken een pad, waar de rustige wandelaar geduld wordt, -ik weet een plekje, waar we een paar zonnige morgenuren verdroomen -kunnen. Het is een berkeboschje aan de oosthelling van niet hooge, maar -steile duinen. De helling van die duintjes is in de hoogte begroeid met -duindoorns, maar lager komen wilde rozen en wilde asperges en eindelijk -allerlei fijne bloempjes: wikke, vergeetmijnietjes, viooltjes, -aardbeitjes en pimpernel, fijn kruidig goedje, waarboven de -glinsterende vuurvlinders en de fijne blauwtjes rondfladderen. - -Waar veel viooltjes bijeenstaan, daar komt ook een bruin met zwarte -vlinder rondvliegen en als hij zich te midden van de bonte bloempjes -neerzet en de vleugels opslaat, dan blijkt de onderkant daarvan bezet -te zijn met groote glinsterende plekken van het mooiste parelmoer. Het -is de parelmoervlinder, die in de duinen even algemeen is, als de -oranjetip in de pinksterbloemen-wei aan den boschrand. - -Het is goed, dat we buiten het boschje zijn gaan liggen, want nu kunnen -we niet alleen nachtegaal en roodborst, fitis, roodstaart en -winterkoning in het bosch hooren zingen, maar we zien ook, hoe een -zanglijster vlug van onder een bloeienden meidoorn rent naar een open -plekje en daar met veel animo een huisjesslak stukslaat, die hij in den -bek had. Hij pikt de weeke slak er uit en hipt daarmee weer het bosch -in en nu weet ik, dat daaromtrent zijn nest met geelbekkige jongen te -vinden moet zijn. Hij heeft al wat slakjes verbruikt, want de -slachtplaats ligt vol met stukgehakte huisjes. Een bontgekleurde tapuit -houdt er nalezing. - -Een groote ronde violette kever loopt over een open zandplek, hij rolt -een konijnenbolletje voor zich uit, het is de mesttor, die hier nuttige -grondwerkersarbeid verricht. Nu zien we ook naar konijntjes uit en -jawel, die zitten te spelen aan de overzijde van de vallei, tusschen de -duindoorns. Toen ik de verrekijker aan de oogen bracht, bleven ze -opeens als versteend stil zitten. Maar als ik ze wijs kan maken, dat ik -hier zit te dutten, dan begint het gestoei weer van voren af aan. Zij -rennen elkaar na in groote kringen en de witte staartjes lijken in de -verte wel vlindertjes, want het grauwe dier zelf steekt tegen den -duin-achtergrond bijna niet af. - -Opeens vliegt met luid gejoel een groote vogel met krommen snavel over -ons heen. Het is een wonder, dat wij hem al niet eerder gehoord hebben, -want wie in Mei een wandeling doet door het duin, wordt vroeg of laat -altijd begeleid door dezen hoogvlieger en luidkrijter, de wulp. Ik wil -nooit zeggen, dat een wulp schreeuwt, daarvoor is zijn geluid veel te -diep, te metaalachtig, te welluidend. Het is een heerlijk krachtig -dier, een onvermoeid vlieger, een volmaakt wandelaar, een volleerde -dansmeester, een uitstekend krabbetjesvisscher, een vlugge -sprinkhanenjager en bovendien een baas in het verstoppertje spelen, die -zelf ieder meteen opmerkt en dadelijk onraad blaast. - -Zie hem rondvliegen door de blauwe lucht en langs de witte wolken. -Wanneer ge denkt, dat hij aan ’t eind van de vallei verdwenen is, dan -roept hij meteen weer vlak boven uw hoofd, want hij heeft niet anders -gedaan, dan in een wijden kring rondvliegen. Het duurt langen tijd, eer -hij volkomen gerustgesteld is en zelfs nadat hij is neergestreken op -een naburigen duintop, loopt hij nog lang schutterig heen en weer met -veel vleugelgeklep en snavelgezwaai. - -Nu vallen opeens veel witte blaadjes van een bloeienden meidoorn vlak -bij en daar het niet waait en de meidoorn pas in bloei komt, moet daar -ook een vogeltje aan den gang zijn. Jawel daar fonkelt een rood borstje -en een rood schedelkapje, het is een kneutje, dat flink en vroolijk -zijn liedje uitkraait, kweelt en kwinkeleert. Dit is het vroolijkste en -prettigste vogeltje van hei en duin, weinig opgemerkt en overal -aanwezig en ’s ochtends vroeg zit hij wel te zingen op den -telefoondraad vlak bij mijn huis. - -En nu lijkt het wel of de heele helling een kneutjes-verblijf is, want -als de kneu in den meidoorn heeft uitgekraaid, dan begint er weer een -in den eglantier en eindelijk een stuk of drie hoog boven in de -duindoorns. Ze zingen al luider en luider en het duurt niet lang, of -het komt tot de onvermijdelijke vechtpartijen, die er op uitloopen, dat -het heele kneuengezelschap knutterend en kraaiend in schokkende vlucht -een grooten optocht houdt door de lange vallei. - -Weer blinkt er iets in ’t zand, het is een gouden loopkever, die een -rups heeft gevangen en er mee marcheert naar een rustig plekje om hem -op te peuzelen. Een eindje achter hem scharrelt een bruine -zandloopkever en net als ik hem pakken wil, tilt hij zijn -metaalglanzend dekschild op en vliegt ineens vijfentwintig meter ver -weg. Je kunt aardig buiten adem raken, als je die zandloopkevers wilt -vangen en bovendien je geduld verliezen met te hengelen naar hun -leelijke, dikkoppige, gebochelde larven, die hun verblijf houden in -loodrechte, twee tot drie decimeter diepe putten. Maar daar wil ik -vandaag niet aan denken. - -Hoe heerlijk staan al de heesters in bloei! De berken zelf zijn -uitgebloeid, maar de meidoorn heeft geurigen bloesem en heerlijke, -mooie witte knoppen. En de sneeuwbal of Geldersche roos (hij groeit in -de duinen veel meer dan in Gelderland) is overdekt met zijn platte -witte tuilen, kleine echte bloempjes in ’t midden en daaromheen een -krans van groote witte lokbloemen, die zelf geen stampers of meeldraden -hebben, noch honing voortbrengen, maar de insecten den weg wijzen naar -die echte kleintjes binnenin. Die laten dan ook niet op zich wachten, -want het wemelt op die witte sneeuwbal van vliegen, wespen, bijen, -vlinders en kevers. - -En vlak daarbij staat weer een berberis, een eeuwenoude struik met -honderden stammetjes, die dicht opeen uit de aarde komen, zich fijn -vertakken en tusschen de bundeltjes van lichtgroene blaadjes ontelbare -trossen met mooie goudgele bloemen dragen. Gij kent de bijzonderheid -van die bloempjes; wanneer de binnenzijde der meeldraden wordt -aangeraakt, dan buigen deze plotseling naar binnen: ze kunnen niet -tegen kriebelen. Menige honigbij zal geschrokken zijn; als zijn tong -zoo opeens bekneld raakte tusschen meeldraad en stamper. Maar hij kon -’t toch niet laten, om in een andere bloem weer naar den zoeten honing -te zoeken en bracht zoo wel het stuifmeel over, dat dienen moest om den -stamper te doen rijpen tot de lekkere en mooie zure roode bes, die we -in den herfst zullen zoeken. - -Al die heerlijke heesters staan hier dicht opeen en het is alsof op -zoo’n gezegend plekje ook alle vogels, alle vlinders gaarne willen -komen. Onophoudelijk schitteren bonte kleuren, onophoudelijk klinken -vroolijke liedjes. Een vogel is er, die in lied en vlucht op deze -plaats de lentevreugd nog duidelijker openbaart dan de nachtegaal en de -fitis in het bosch. Het is de boompieper, een grauw diertje, dat wel op -een leeuwerik lijkt. Met vluggen wiekslag stijgt hij snel zingend -omhoog, spreidt dan vleugels en staart wijd uit en daalt zonder eenige -beweging in de grauwe veertjes zingend weer neer. Bij het stijgen is de -zang vlug, krachtig en vroolijk, bij het dalen gaat hij over in reine, -langgerekte fluittonen vol vervoering en bijna klagend en als de vogel -op een boomtop is neergekomen, dan krijgt de vreugd weer de overhand en -besluit hij zijn lied met een flinken, rammelenden, krachtigen triller. - -Zoo gaan ook wij de lente door, met blijdschap, als de winter wijkt, -met diepe ontroering, wanneer al het schoone leven zich aan ons -openbaart, met vreugd en vertrouwen, als de teere bloesem overgaat tot -forschen bloei en ontwikkeling, als de pracht der rozen den zomer -binnenleidt. - - - JAC. P. TH. - - - - - - - - - -REGISTER. - - -(De gewone getallen geven het nummer aan van het plaatje, de cursieve -de bladzijde van den tekst.) - - - Aardbezie. 116 49 - Aäronskelk. 40 13 - Abeelkatjes. 15 11 - Ahorn, gewone. 57 19 - ,, Noorsche. 59 18 - Amandel. 119 16 - Appelbloesem. 72 30 - Atalanta. 83 14 - Berberis. 115 51 - Beukebloesem. 55 32 - Blauwtjes. 143 49 - Bladmossen. 11 13 - Bloemenplukken. 71 20 - Boerenzwaluw. 109 36 - Bollenvelden. 68 29 - Boomklever. 53 16 - Boompieper. 89 52 - Bootsmannetjes. 98 46 - Boschanemoontjes. 30 13 - Citroenvlinders. 39 14 - Crocusjes. 27 12, 16, 29 - Dagpauwoog. 141 14 - Den, bloeiend. 76 31 - Dennen. 132 31 - Doovenetel, paarse. 20 7 - ,, witte. 74 41 - Dotterbloem. 69 20 - Draaikevertjes. 101 47 - Eereprijs. 91 24 - Eikebloesem. 56 33 - Elzekatjes. 14 11 - Fitis. 85 18 - Fuut. 138 48 - Groenvink. 51 17 - Grutto. 35 25 - Haasjes. 130 28 - Harlekijnsorchis. 43 25 - Hazelaarkatjes. 13 10 - Helmbloem. 39 13 - Herderstaschje. 73 27 - Hoefblad klein. 7 9 - Hondsdraf. 19 40 - Hondsviooltje. 21 18 - Hongerbloempje (zie Voorjaarsvroegeling.) - Houtduiven. 134 38 - Huisjesslak. 108 50 - Huiszwaluw. 111 36 - Hyacinthen. 16 12, 29 - ,, wilde. 48 41 - Kastanje. 50 19 - Kauwtjes. 114 38 - Kemphaantjes. 36 26 - Kers. 77 29 - Kieviet. 34 22 - Kikvorsch. 122 44 - Klaverzuring, wakker. 94 13 - ,, slapend. 95 13 - Kneutje. 113 51 - Koekoek. 66 43 - Koekoeksbloem. 23 43 - Koet. 137 48 - Kokerjuffers. 101 45 - Koningsmantel (zie Rouwmantel.) - Konijnen. 129 50 - Koolmees. 2 6 - Koolzaad. 41 27 - Kornoelje. 42 16 - Korstmossen. 13 13 - Kruiskruid. 8 7 - Kwikstaart. 65 23 - Larix. 38 14 - Leeuwerik. 126 23 - Lelietje van dalen. 84 42 - Leverbloempje. 17 13 - Lisch. 118 48 - Loopkever, gouden. 104 51 - Lijster, zwarte. 31 7 - Maagdepalm. 131 39 - Madeliefje. 24 7 - Magnolia. 79 17 - Meeuwen. 32 17 - Meikever. 103 33 - Merel (zie zwarte Lijster.) - Merelnest. 63 17 - Mesttor. 106 50 - Morielje. 144 14 - Musschen. 4 6 - Muurbloemen. 127 49 - Nachtegaal. 86 39 - Narcissen. 92 12, 29 - Oeverzwaluw. 110 37 - Oliekever. 107 24 - Ooievaars. 49 21 - Oranjetipvlinder. 140 24, 49 - Orchis, gevlekte. 44 25 - Paardebloem. 22 24 - Parelmoervlinder. 75 50 - Peer. 78 29 - Pimpelmees. 3 6 - Pinksterbloem. 80 23 - Pijpkruid. 76 40 - Reiger. 54 21 - Ribes. 120 17 - Roekennesten. 33 17 - Roodborst. 62 40 - Roodstaartjes. 133 34 - Roos, Geldersche. 117 51 - Rouwmantel. 142 14 - Salomonszegel. 45 42 - Sleutelbloemen. 67 13 - Smeerwortel. 81 48 - Sneeuwklokje. 28 9 - Spar. 93 30 - Specht, bonte. 52 15 - ,, groene. 51 15 - Speenkruid. 37 40 - Spotvogel. 90 34 - Spreeuwen. 136 22 - Stekelbaarsje. 123 45 - Tapuiten. 124 50 - Tjiftjaf. 61 18 - Torenzwaluw. 112 37 - Tortelduif. 135 38 - Tuinfluiter. 87 35 - Tulpen. 18 12, 29 - Varens. 70 14 - Vink. 6 15 - Viooltje, driekl. 75 50 - Vogelkers. 58 40 - Vogelmelk, knikkende. 47 13, 41 - Vogelmelk, schermdragende. 46 13, 41 - Vos, kleine. 7 8 - Vogelmuur. 26 7 - Voorjaarsvroegeling. 9 8 - Vuurvlindertje. 82 49 - Waterhoentjes. 121 48 - Watersalamander. 99 47 - Waterspin. 102 46 - Watertor, geelgerande. 97 43 - ,, pikzwarte. 100 46 - Waterwilg. 10 12 - Winteraconietjes. 29 13 - Winterkoninkje. 5 7 - Witje. 23 28 - Wulp. 125 50 - Wijngaardslak. 144 15 - Zandloopkevers. 105 51 - Zanglijster. 1 5, 50 - Zanglijsternest. 64 17 - Zwartkop. 88 35 - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 67159 *** |
