summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/67219-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/67219-0.txt')
-rw-r--r--old/67219-0.txt9017
1 files changed, 0 insertions, 9017 deletions
diff --git a/old/67219-0.txt b/old/67219-0.txt
deleted file mode 100644
index 101ac8d..0000000
--- a/old/67219-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,9017 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of De stille kracht, by Louis Couperus
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: De stille kracht
-
-Author: Louis Couperus
-
-Release Date: January 22, 2022 [eBook #67219]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg.
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE STILLE KRACHT ***
-
-
-
-
-
- DE STILLE KRACHT
-
- DOOR
- LOUIS COUPERUS
-
- L. J. VEEN—AMSTERDAM
-
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-
-I.
-
-De volle maan, tragisch dien avond, was reeds vroeg, nog in den
-laatsten dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol, vlamde
-als een zonsondergang laag achter de tamarindeboomen der Lange Laan en
-steeg, langzaam zich louterende van hare tragische tint, in een vagen
-hemel op. Een doodsche stilte spande alom als een sluier van zwijgen,
-of, na de lange middagsiësta, de avondrust zonder overgang van leven
-begon. Over de stad, wier wit gepilaarde villa-huizen laag wegscholen
-in het geboomte der lanen en tuinen, hing een donzende geluideloosheid,
-in de windstille benauwdheid der avondlucht, als was de matte avond moê
-van den zonneblakenden dag der Oostmoesson. De huizen, zonder geluid,
-doken weg, doodstil, in het loover van hunne tuinen, met de regelmatig
-opblankende rissen der groote gekalkte bloempotten. Hier en daar werd
-een licht al ontstoken. Plotseling blafte een hond, en antwoordde een
-andere hond en verscheurde de donsende stilte in lange, ruwe flarden;
-de nijdige hondekelen, heesch, ademloos, schor vijandig; plotseling ook
-zwegen zij stil.
-
-Aan het einde der Lange Laan lag diep in zijn voortuin het
-Rezidentie-huis. Laag, dadelijk in den nacht der waringinboomen,
-zigzagde het zijne pannendaken, het eene achter het andere, naar de
-schaduw van den achtertuin toe, met een primitieve lijn van
-dakteekening, over iedere galerij een dak, over iedere kamer een dak,
-tot éene lange daksilhouet. Vóor echter, rezen de witte zuilen der
-voorgalerij, met de witte zuilen der portiek, hoog blank en aanzienlijk
-op, met breede tusschenruimten, met groote openheid van ontvangst, met
-eene uitbreiding van indrukwekkend paleisportaal. Door de open deuren
-verschoot de middengalerij vaag naar achteren toe, met een enkel licht
-opgeglimd.
-
-Een oppasser ontstak de lantarens ter zij van het huis. Halfcirkels van
-groote, witte potten met rozen en chrysanten, met palmen en caladiums,
-bogen links en rechts wijd voor het huis naar ter zijde uit. Een breede
-grindlaan vormde den oprit tot in de witgezuilde portiek; dan strekte
-zich uit een wijd dor gazon, met potten omgeven, en, in het midden op
-een gemetseld voetstuk, een monumentale vaaspot, met een groote
-latania. Een groene frischheid was daar de kronkelende vijver, waar de
-reuzenbladeren eener Victoria Regia als dofgroene prezenteerbladen zich
-rondden tegen elkaâr, met een enkele blankende lotosachtige bloem er
-tusschen. Een pad kronkelde langs den vijver en op een met kiezelsteen
-geplaveide ronde plek rees een hooge vlaggestok. De vlag was reeds
-neêrgehaald, als iederen dag om zes uur. Een eenvoudig hek sneed het
-erf af van de Lange Laan.
-
-Het reusachtige erf was stil. Er brandden nu, langzaam, omslachtig
-aangestoken door den lampenjongen, éen lamp van de kroon der
-voorgalerij, en de neêrgedraaide lamp binnen, als twee nachtlichtjes in
-het paleis van zuilen en van, kinderlijk naar achter verschietende,
-daken. Op de trappen van de kantoorkamer zaten enkele oppassers, in hun
-donkere uniform, fluisterend wat te praten. Een van hen stond na een
-pooze op en begaf zich, met een rustigen pas van zich niet te willen
-overhaasten, naar een bronzen klok, die hoog hing, bij het
-oppassershuisje, geheel ter zijde van het erf. Toen hij na een honderd
-pas genaderd was, luidde hij zeven langzame weêrechoënde slagen. De
-klepel bronsde bonsende in de bel van de klok en de slag, telkens,
-zigzagde na met een zware trilling van nageluid. De honden blaften weêr
-op. De oppasser, langzaam, met zijn lenigen pas, jongensachtig slank in
-zijn blauw laken jasje en broek met gele banden en omslag, liep zijn
-honderd passen naar de andere oppassers rustig terug.
-
-Nu was in het kantoor licht ontstoken en ook in de aangrenzende
-slaapkamer, waar het door de jalouzieën schemerde. De rezident, een
-groote zware man, in zwart jasje, witte broek, liep de kamer door en
-riep naar buiten:
-
-—Oppas!
-
-De hoofdoppasser, in zijn laken uniformrokje, de panden breedgeel
-omzoomd, naderde met gebogen knieën, hurkte neêr....
-
-—Roep de nonna!
-
-—De nonna is al uitgegaan, Kandjeng! fluisterde de man en schetste met
-beide handen, de vingers tegen elkaâr, het eerbiedig gebaar van de
-semba.
-
-—Waar is de nonna naar toe?
-
-—Dat heb ik nog niet onderzocht, Kandjeng! zei de man, als
-verontschuldiging, dat hij niet wist, en schetste weêr de semba.
-
-De rezident dacht even na.
-
-—Mijn pet, zeide hij. Mijn stok.
-
-De hoofdoppasser, steeds in krommende knieën van zich eerbiedig krimpen
-in elkaâr, scharrelde even door de kamer en bood hurkende aan de
-klein-uniformpet, en een wandelstok.
-
-De rezident ging uit. De hoofdoppasser haastte zich achter hem aan, met
-een tali-api in de hand: een lange brandende lont, waarvan hij de
-gloeiende punt zwaaide om aan wie voorbijging, in den avond, den
-rezident te doen herkennen. De rezident liep langzaam het erf af, en
-naar de Lange Laan. Aan die laan, als een avenue van tamarinde-boomen
-en flamboyants, lagen de villa’s der voornaamste notabelen, flauw
-verlicht, doodstil, schijnbaar onbewoond, met, in de avondvaagheid
-opblankend, de rissen der gekalkte bloempotten.
-
-De rezident wandelde eerst langs het huis van den secretaris; dan ter
-andere zijde een meisjesschool; dan de notaris, een hôtel, de post, de
-prezident van den Landraad. Aan het einde van de Lange Laan stond de
-Roomsche kerk, en verder op, de brug over der kali, lag het station.
-Bij het station was meer verlicht dan de andere huizen een groote
-Europeesche toko. De maan, hooger geklommen, zich heller zilverende bij
-hare stijging, bescheen de witte brug, de witte toko, de witte kerk:
-dit alles om een vierkant square, meer open, zonder boomen en met in
-het midden een spits monumentje, dat de Stadsklok was.
-
-De rezident ontmoette niemand; nu en dan kwam echter een enkele Javaan,
-zich donker bewegende, even uit de schaduw, en dan zwaaide de oppasser
-achter zijn heer met veel ostentatie de gloeiende punt van zijn
-vuurtouw. Meestal begreep de Javaan, en maakte zich klein, en kromp
-in-een aan den rand van den weg, en ging als loophurkende voorbij. Een
-enkelen keer, onwetend, pas uit zijn dessa, begreep hij niet, liep
-angstig voorbij, zag angstig naar den oppasser, die maar zwaaide en
-zwaaide, en hem, in het voorbijgaan, achter den rug van zijn meester
-een vloek toeduwde, omdat hij—de dessa-kerel—geen manieren had. Als een
-karretje aankwam of sado, zwaaide hij weêr en zwaaide hij zijn
-vuursterretje door den avond, wenkte den voerman, die òf stil hield en
-afsteeg, òf neêrhurkte in zijn voertuigje en hurkend doormende aan den
-uitersten rand van den weg.
-
-De rezident liep somber door, met den flinken pas van een beslisten
-wandelaar. Hij was rechts van het square-tje afgeslagen, en liep langs
-de Hervormde kerk, recht op een mooie villa toe met slanke, vrij
-correcte Ionische pleisterzuilen en hel verlicht met petroleumlampen in
-kronen. Het was de societeit Concordia. Een paar bedienden in witte
-buisjes zaten op de trappen. Een Europeaan in een wit pakje, de
-kastelein, liep in de voorgalerij. Maar om de groote bittertafel zat
-niemand en de wijde rieten stoelen openden hunne armen afwachtende als
-te vergeefs.
-
-De kastelein, ziende den rezident, boog, en de rezident tikte kort aan
-zijn pet en ging de societeit voorbij, sloeg links om. Hij wandelde een
-laan af, langs kleine donkere huisjes in kleine erfjes weggedoken,
-sloeg weêr om en ging langs de uitmonding der kali, die was als een
-kanaal. Prauw aan prauw lag vastgemeerd; een eentonig geneurie van
-Madoereesche zeelui zeurde droefgeestig langzaam over het water,
-waaruit een visschige wadem oprees. Langs het havenkantoor ging de
-rezident naar den pier toe, die een eind uitstak in zee, en waar op de
-punt een kleine vuurtoren, als een kleine Eiffel, zijn ijzeren
-kandelabervorm verhief, met zijn lamp aan den top. Daar bleef de
-rezident staan en ademde op. De wind was plotseling opgestoken, de
-grongong blies, uit de verte waaiende aan, als iedere dag om dat uur.
-Maar soms zakte hij in eens onverwachts neêr, in-een, als met een
-onmacht zijner waaiende vlerken, en de opgeheven zee strookte haar
-maanwitte schuimkrullen glad en fosforizeerde even, met strepen lang en
-bleek.
-
-Over de zee naderde droefgeestig een eentonig rhytmisch zeuren van
-zingen, een zeil donkerde aan als een groote nachtvogel, en een
-visschersprauw met hoog opbuigende voorsteven,—met iets van een antiek
-schip—gleed het kanaal in. Een weemoed van levensgelatenheid, eene
-berusting in al het kleine donkere aardsche onder dien eindeloozen
-hemel, aan die zee van fosforizeerende verte, dreef om en tooverde eene
-geheimzinnigheid, die beklemde...
-
-De groote stevige man, die daar stond, wijdbeens, op-ademend den,
-langzaam met vlagen aanwaaienden, wind—moê van zijn werk, van zijn
-zitten aan zijn schrijftafel, van zijne berekeningen der
-duitenkwestie—die afschaffing der duiten, door den Gouverneur-Generaal
-zijner persoonlijke verantwoordelijkheid opgelegd als een kwestie van
-belang—die groote stevige man, praktisch, koel van denken, kort beslist
-van langdurige gezagsuitoefening, voelde misschien niet die donkere
-geheimzinnigheid drijven over de Indische avondstad—hoofdplaats van
-zijn gewest—maar hij voelde een begeerte naar teederheid. Vaag voelde
-hij de begeerte van een kinderarm om zijn hals, van kleine hooge
-stemmen om zich heen, de begeerte naar een jonge vrouw, die glimlachend
-hem wachten zoû. Hij dacht die sentimentaliteit in zich niet uit, hij
-was niet gewoon zich over te geven aan mijmering over zichzelven: hij
-had het te druk; zijn dagen waren te veel gevuld met belangen allerlei
-aard, dan dat hij toe zoû geven aan wat hij wist, dat zijn vlaagjes van
-zwakte waren: de onderdrukte opwellingen van jongere jaren. Maar al
-mijmerde hij niet, de stemming was onafweerbaar, als een druk op zijn
-breede borst, als een ziekte van teederheid, een malaise van
-sentimentaliteit in zijn anders heel praktisch gemoed van
-hoofdambtenaar, die hield van zijn werkkring, van zijn gewest; die hart
-had voor de belangen er van, en wien het bijna onafhankelijk gezag van
-zijn betrekking geheel in harmonie was met zijne heerschersnatuur; die
-met zijn krachtige longen zijn atmosfeer van wijden werkkring en ruim
-veld van zoo verscheiden arbeid, met even veel genot gewoon was te
-ademen, als hij nu ademde, den wijden wind van de zee. De begeerte, het
-verlangen, een heimwee, waren dien avond vooral, vol in hem. Hij voelde
-zich eenzaam, niet alléen om het izolement, dat een hoofd van
-gewestelijk bestuur altijd min of meer omringt, wien men òf nadert
-conventioneel glimlachend-eerbiedig, om conversatie, òf kort,
-zakelijk-eerbiedig, om zaken. Hij voelde zich eenzaam, hoewel hij vader
-was van een huisgezin. Hij dacht aan zijn groote huis, hij dacht aan
-zijn vrouw en zijn kinderen. En hij voelde zich eenzaam, en alleen
-gedragen door het belang, dat hij stelde in zijn werk. Het was hem
-alles in zijn leven. Het vulde al zijne uren. Er over denkende sliep
-hij in, zijn eerste gedachte was voor het een of ander gewestelijk
-belang.
-
-In dit oogenblik, moê van het cijferen, opademende in den wind, ademde
-hij tegelijk met de frischheid van de zee den weemoed van de zee in,
-den geheimzinnigen weemoed der Indische zeeën, den opspokenden weemoed
-der zeeën van Java; de weemoed, die aanruischt van verre als op
-suizende wieken van geheimzinnigheid. Maar zijn natuur was niet om zich
-over te geven aan mysterie. Hij ontkende het mysterie. Het was er niet:
-er was alleen de zee en de wind, die frisch was. Er was alleen de walm
-van die zee, als iets van visch en van bloemen en zeewier; walm, die de
-frissche wind uitwoei. Er was alleen het oogenblik van herademing, en
-wat hij, onafweerbaar, voor geheimzinnigen weemoed voelde toch sluipen
-in zijn, dien avond, wat weeke gemoed, dacht hij te zijn om zijn
-huislijken kring, dien hij liever wat nauwer gevoeld had, dichter
-sluitende om wat in hem was vader en echtman. Was er van weemoed noch
-iets, dan was het dàt. Uit de zee kwam het niet; uit de lucht aan, van
-verre, niet. Hij gaf zich niet over aan een allereerste sensatie van
-wonderlijkheid.... En hij plantte zich steviger, welfde zijn borst,
-richtte-op zijn flinken, militairen kop en snoof, en snoof den walm in
-en den wind....
-
-De hoofdoppasser, neêrgehurkt, met zijn gloeivuurtouw in de hand,
-gluurde aandachtig op naar zijn heer, als dacht hij: wat doet hij hier
-zoo vreemd te staan bij den vuurtoren.... Zoo vreemd, die
-Hollanders.... Wat denkt hij nu.... Waarom doet hij zoo.... Juist op
-dit uur op deze plek.... De zeegeesten waren nu om.... Er zijn
-kaaimannen onder het water, en iedere kaaiman is een geest.... Zie,
-daar heeft men aan ze geofferd, pisang en rijst en dèng-dèng en een
-hard ei op een vlotje van bamboe; onderaan bij het voetstuk van den
-vuurtoren.... Wat doet de Kandjeng Toean nu hier.... Het is hier niet
-goed, het is hier niet goed.... tjelaka, tjelaka.... En zijn spiedende
-oogen gleden op en neêr langs den breeden rug van zijn heer, die maar
-stond en uitzag.... Waar zag hij naar toe...? Wat zag hij aanwaaien in
-den wind...? Zoo vreemd, die Hollanders, vreemd....
-
-De rezident, plotseling, keerde zich om en liep terug, en de oppasser,
-opschrikkend, volgde hem, blazende aan de punt van zijn vuurtouw. De
-rezident liep den zelfden weg terug; nu zat er een heer in de
-societeit, die groette, en een paar jongelui in het wit wandelden in de
-Lange Laan. De honden blaften.
-
-Toen de rezident den ingang naderde van het rezidentie-erf, zag hij
-vóor, aan den anderen ingang, twee witte figuren, een man en een
-meisje, die zich echter uitwischten in den nacht onder de waringins.
-Hij ging recht naar zijn kantoor; een andere oppasser naderde en hij
-gaf hem pet en stok. Dadelijk zette hij zich aan zijn schrijftafel. Hij
-kon nog een uur werken, vóor het diner.
-
-
-
-
-II.
-
-Meerdere lichten waren opgestoken. Eigenlijk waren overal lichten
-ontstoken, maar in de lange, breede galerijen was het maar even licht.
-Op erf en in huis brandden zeker niet minder dan twintig, dertig
-petroleumlampen in kronen en lantarens, maar het was niet meer dan
-vagen lichtschemer, die geel waasde door het huis. Een stroom van
-maneschijn vloot in den tuin, deed de bloempotten opblanken, tintelde
-in den vijver, en tegen de blanke lucht waren de waringins als mollig
-fluweel.
-
-De eerste gong voor het diner was geslagen. In de voorgalerij wipte een
-jonge man op een wipstoel, op en neêr, de handen achter het hoofd, zich
-vervelend. Een jong meisje, neuriënd, liep door de middengalerij, als
-in afwachting. Het huis was gemeubeleerd volgens het conventioneele
-type van rezidentie-woningen in het binnenland, plechtig en banaal. De
-marmeren vloer van de voorgalerij spiegelde gladwit; hooge palmen in
-potten stonden tusschen de pilaren; om marmeren tafels reiden zich
-wipstoelen. In de eerste binnengalerij, die in de breedte evenwijdig
-liep aan de voorgalerij, stonden stoelen gereid tegen den wand, als
-voor een eeuwige receptie. De tweede binnengalerij, die zich uitstrekte
-in de lengte, vertoonde aan het einde, daar waar zij zich weêr
-verbreedde tot een galerij in de breedte, een reusachtige roode
-satijnen portière aan gouden kroonlijst. In de witte vakken tusschen de
-deuren der kamers hingen òf spiegels in gouden lijst, staande op
-marmeren consoles, òf lithogravures,—schilderijen, zooals men in Indië
-zegt: Van Dijck te paard, Paul Veronese op de trappen van een
-Venetiaansch paleis, ontvangen door een Doge; Shakespeare aan het hof
-van Elizabeth, en Tasso aan het hof van Este—; maar in het grootste vak
-hing in een koningsgekroonde lijst eene groote ets: portret van
-koningin Wilhelmina in kroningsornaat. In het midden der middengalerij
-was een rood satijnen ottomane, bekroond door een palm. Verder vele
-stoelen en tafels, groote lampekronen overal. Alles was netjes
-onderhouden en van een pompeuze banaliteit, een onhuislijke afwachting
-van de eerst volgende receptie, zonder een enkel intiem hoekje. In het
-halflicht der petroleumlampen—in elke kroon was éen lamp
-ontstoken—strekten de lange, breede, wijde galerijen zich in een leêge
-verveling uit.
-
-De tweede gong sloeg. In de achtergalerij was de te lange tafel—als
-steeds wachtende gasten—gedekt voor drie personen. De spen [1] en een
-zestal jongens stonden in afwachting bij de dientafels en de twee
-buffetten. De spen begon reeds borden met soep te vullen, en een paar
-van de jongens plaatsten de drie borden soep al op tafel, op de
-gevouwen servetten, die op de borden lagen. Toen wachtten zij weêr af,
-terwijl de soep lichtjes dampte. Een andere jongen vulde de drie
-waterglazen met groote brokken ijs.
-
-Het jonge meisje was nader gekomen, neuriënd. Zij was misschien
-zeventien jaar, en zij leek op haar gescheiden moeder: de eerste vrouw
-van den rezident, een mooie nonna, die nu te Batavia woonde, en, naar
-men zeide, een stil speelhuis hield. Zij had een olijfbleeke tint, met
-soms even den blos van een vrucht; zij had mooi zwart haar, dat
-natuurlijk kroesde aan hare slapen, en in een zeer groote wrong was
-vastgestoken, hare zwarte pupillen met vonkel-iris dreven in een
-vochtig blauwwit, waarom zware wimpers speelden, op en neêr, op en
-neêr. Haar mondje was klein en een beetje dik en haar bovenlip donsde
-even met een donker zweempje van haar. Zij was niet groot, en al te vol
-van vorm, als een haastige roos, die te snel openbloeit. Zij droeg een
-witte piqué rok en een witte linnen blouse met entredeux, en zij had om
-haar hals een schelgeel lint, dat heel aardig stond bij haar
-olijfbleekte, die soms opbloosde, plotseling, als met een stroom van
-bloed.
-
-De jonge man uit de voorgalerij was aangeslenterd. Hij leek op zijn
-vader, groot, breed, blond, met een dikken blonden snor. Hij was
-nauwlijks drie-en-twintig jaar, maar hij zag er wel vijf jaar ouder
-uit. Hij droeg een wit pak van Russisch linnen, maar met een boordje en
-een das.
-
-Eindelijk kwam ook Van Oudijck; zijn besliste trap naderde aan, als had
-hij het altijd druk, als kwam hij nu even eten tusschen zijn werk door.
-Alle drie zetten zich zonder een woord en lepelden de soep.
-
-—Hoe laat komt mama morgen? vroeg Theo.
-
-—Om halftwaalf, antwoordde Van Oudijck, en zich wendende tot zijn
-lijfjongen, achter zich:
-
-—Kario, denk er aan, dat de njonja besar morgen om half twaalf
-afgehaald moet worden van het station.
-
-—Kandjeng.... fluisterde Kario.
-
-Een gerecht van visch werd rondgediend.
-
-—Doddy, vroeg Van Oudijck; met wie was je zoo even aan het hek?
-
-Doddy keek haar vader langzaam, verwonderd aan, met haar
-vonkel-irissen.
-
-—Aan.... het hek? informeerde zij langzaam, met een zeer mollig accent.
-
-—Ja.
-
-—Aan.... het hek....? Met niemand.... Met Theo misschien.
-
-—Was jij met je zuster aan het hek? vroeg Van Oudijck.
-
-De jongen fronsde zijn dikke blonde brauwen.
-
-—Kan wel.... weet niet.... herinner me niet....
-
-Zij zwegen alle drie. Zij haastten het diner af, zich vervelende aan
-tafel. De vijf, zes bedienden, in witte baadjes met roode linnen
-omslagen, liepen zacht op de platte teenen, bedienden vlug en
-geruischloos. Men at nog biefstuk met sla, en podding, en vruchten.
-
-—Eeuwig biefstuk.... mopperde Theo.
-
-—Ja, die kokkie! lachte Doddy met haar keellachje. Zij geef altijd
-biefstuk, als mama niet is; kan haar niet schelen, als mama niet is.
-Zij verzint niet. Te erg toch....
-
-Zij hadden in twintig minuten gegeten, toen Van Oudijck weêr ging naar
-zijn kantoor. Doddy en Theo slenterden naar voren.
-
-—Vervelend.... gaapte Doddy. Kom, wij biljarten?
-
-In de eerste binnengalerij, achter de satijnen portière, stond een
-klein biljart.
-
-—Kom dan, zei Theo.
-
-Zij speelden.
-
-—Waarom moest ik samen met je aan het hek geweest zijn?
-
-—Ach.... té! zei Doddy.
-
-—Nu, waarom?
-
-—Pa hoef niet te weten.
-
-—Met wie was je dan? Met Addy?
-
-—Natuurlijk! zei Doddy. Zeg, is Stadsmuziek van avond?
-
-—Ik geloof wel.
-
-—Kom, wij gaan, ja?
-
-—Neen, ik heb geen lust.
-
-—Ach, waarom dan niet?
-
-—Ik heb geen lust.
-
-—Ga meê nou?
-
-—Neen.
-
-—Met mama.... jij wil wel, ja? zei Doddy boos. Ik weet heel goed. Met
-mama jij gaat altijd naar Stadsmuziek.
-
-—Wat weet jij.... klein nest!
-
-—Wat ik weet? lachte zij. Wat ik weet? Ik weet wat ik weet.
-
-—Hé! plaagde hij, een carambole mikkende met een ruwen stoot. Jij met
-Addy, hè!
-
-—Nou, en jij met mama....
-
-Hij haalde de schouders op.
-
-—Je bent gek, zeide hij.
-
-—Hoef niet te verbergen voor mij! Trouwens, iedereen zegt.
-
-—Laat ze zeggen.
-
-—Te erg toch van jou!
-
-—Ach, stik....
-
-Hij smeet zijn keu driftig neêr en ging naar voren. Zij volgde hem.
-
-—Zeg Theo..., niet boos zijn dan. Ga nou meê naar Stadsmuziek.
-
-—Neen....
-
-—Ik zal niets meer zeggen, smeekte zij lief.
-
-Zij was bang, dat hij boos zoû blijven, en dan had ze niets en niemand;
-dan verveelde ze zich heelemaal.
-
-—Ik heb Addy beloofd, en ik kan toch niet alleen gaan....
-
-—Nu, als je dan niet meer zulke idiote dingen zegt....
-
-—Ja, ik beloof. Lieve Theo, ja, kom dan....
-
-Zij was al in den tuin.
-
-Van Oudijck verscheen op den drempel van zijn kantoor, waarvan de deur
-altijd open stond, maar dat met een groot schutsel afgesloten was van
-de binnengalerij.
-
-—Doddy! riep hij.
-
-—Ja, pa?
-
-—Zoû je morgen kunnen zorgen voor wat bloemen in mama’s kamer?
-
-Zijn stem was bijna verlegen en zijn oogen knipten.
-
-Doddy hield haar gegichel in.
-
-—Goed, pa.... Ik zal zorgen.
-
-—Waar ga je naar toe?
-
-—Met Theo.... naar Stadsmuziek.
-
-Van Oudijck werd rood, boos.
-
-—Naar de Stadsmuziek? Maar dat kan je me toch wel vragen! riep hij
-plotseling razend.
-
-Doddy pruilde.
-
-—Ik hoû er niet van, dat je uitgaat, zonderdat ik weet waarheen. Van
-middag ook was je weg, toen ik met je wandelen woû!
-
-—Nu, soedah dan maar, zei Doddy en huilde.
-
-—Je kan wel gaan, zei Van Oudijck, maar ik wil hebben, dat je het me
-eerst vraagt.
-
-—Neen, ik heb geen trek meer! huilde Doddy. Soedah maar. Geen
-Stadsmuziek.
-
-In de verte, in den tuin van Concordia hoorden zij de eerste klanken.
-
-Van Oudijck was teruggegaan in zijn kantoor. Doddy en Theo wierpen zich
-in twee wipstoelen in de voorgalerij, en wipten met razernij, met de
-stoelen schaatsende over het gladde marmer.
-
-—Kom, zei Theo. Laten we maar gaan. Addy wacht je.
-
-—Neen, mokte zij. Kan niet schelen. Ik zal Addy morgen zeggen, papa zoo
-onaardig. Hij bederft mijn plezier. En.... ik zet geen bloemen in
-mama’s kamer.
-
-Theo grinnikte.
-
-—Zeg, fluisterde Doddy. Die papa.... hé? Zoo verliefd, altijd. Hij had
-een kleur toen hij mij vroeg van die bloemen.
-
-Theo grinnikte nog eens, en neuriëde met de verre muziek meê.
-
-
-
-
-III.
-
-Den volgenden morgen ging Theo om half twaalf met den landauer zijn
-stiefmoeder afhalen van het station.
-
-Van Oudijck, die, op dat uur, meestal de politie-rol afdeed, had zijn
-zoon niets gezegd, maar toen hij uit zijn kantoor Theo in het rijtuig
-zag stappen en wegrijden, vond hij het aardig van den jongen. Hij had
-Theo als kind afgodisch liefgehad, had hem als knaap nog bedorven, was
-met hem als jonge man dikwijls in botsing gekomen, maar nog dikwijls
-flakkerde de oude vaderpassie onweêrstaanbaar op. Hij had zijn zoon op
-dit oogenblik meer lief dan Doddy, die dien morgen nog steeds
-geboudeerd had, en geen bloemen in de kamer zijner vrouw gezet had,
-zoodat hij aan Kario had bevolen voor bloemen te zorgen. Het speet hem
-nu in dagen geen vriendelijk woord tegen Theo gezegd te hebben en hij
-nam zich voor, straks dat toch waarlijk weêr eens te doen. De jongen
-was wispelturig: in drie jaren was hij employé geweest op zeker vijf
-koffie-ondernemingen; nu was hij weêr buiten betrekking, en hing thuis,
-zoekende naar iets anders.
-
-Theo, aan het station, wachtte enkele minuten, toen de trein van
-Soerabaia aankwam. Hij zag mevrouw Van Oudijck dadelijk, en de twee
-kleine jongens, René en Ricus, in tegenstelling van hem twee kleine
-sinjo’s, die zij van Batavia meêbracht voor hunne groote vacantie, en
-haar lijfmeid Oerip.
-
-Theo hielp zijn stiefmoeder uitstijgen, de stationschef groette
-eerbiedig de vrouw van zijn rezident. Zij knikte met haar glimlach
-terug, als een welwillende koningin. Zij duldde met haar glimlach, éven
-dubbelzinnig, dat haar stiefzoon haar kuste op de wang. Zij was een
-groote vrouw, blank, blond, over de dertig, met die loome statigheid
-van in Indië geboren vrouwen, dochters van geheel Europeesche ouders.
-Zij had iets, waarnaar men dadelijk keek. Het was om haar blanke vel,
-haar teint van melk, haar heel licht blond haar, hare oogen, vreemd
-grauw, soms even geknepen en altijd met een uitdrukking van
-dubbelzinnigheid. Het was om haar eeuwigen glimlach, soms heel lief en
-innemend, en dikwijls onuitstaanbaar, vervelend. Men wist niet bij een
-eerste zien, of zij achter dien blik iets borg, eenige diepte, eenige
-ziel, of dat het maar was kijken en lachen, en beiden met die lichte
-dubbelzinnigheid. Spoedig echter merkte men op hare glimlachend
-afwachtende onverschilligheid, als kon haar heel weinig schelen, als
-stelde zij geen belang, zelfs al zoû de hemel boven haar instorten: als
-zoû zij, glimlachend, dat wel aan zien komen. Haar tred was langzaam.
-Zij droeg een roze piqué rok en bolero, een wit satijnen lint om het
-middel, en een witten matelot met wit satijnen strik; en haar zomersch
-reispakje was zeer correct, vergeleken bij dat van een paar andere
-dames op het perron: drentelende in stijf uitgestreken „bébé’s”—als
-nachtjurken—met tulle hoeden en pluimen daarboven!—en in hare zeer
-Europeesche verschijning was misschien alleen die langzame pas, die
-loome statigheid de Indische nuance, dat, wat haar onderscheidde van
-een vrouw, pas uit Holland. Theo had haar den arm toegebogen en zij
-liet zich leiden naar het rijtuig—„de wagen”—gevolgd door de twee
-donkere broêrtjes. Zij was twee maanden afwezig geweest. Zij had een
-knik over en een glimlach voor den stationschef; zij had een blik over
-voor den koetsier en den staljongen en zij zette zich langzaam, loom,
-blanke sultane, en steeds met haar glimlach, neêr. De drie stiefzoons
-volgden haar; de meid reed achter in een karretje. Mevrouw Van Oudijck
-zag eens naar buiten en vond dat Laboewangi er nog steeds uitzag als
-vroeger. Maar zij zeide niets. Zij trok zich langzaam weêr terug en
-leunde achteruit. Haar wezen vertoonde een zekere tevredenheid, maar
-vooral die lichtende en lachende onverschilligheid, als kon niets haar
-deren, als was zij beschermd door een vreemde macht. Er was in deze
-vrouw iets sterks, iets machtigs van louter onverschilligheid: er was
-in haar iets onkwetsbaars. Zij zag er uit, of het leven geen vat op
-haar zoû hebben, niet op haar teint en niet op hare ziel. Zij zag er
-uit of zij niet kon lijden en het was of zij glimlachte en zoo tevreden
-was, omdat er voor haar geen ziekte, geen leed, geen armoede, geen
-ellende bestond. Eene uitstraling van glanzend egoïsme was om haar. En
-toch was zij, meestal, beminnelijk. Zij nam meestal in, zij palmde in,
-omdat zij zoo mooi was. Deze vrouw, met hare glinsterende
-zelftevredenheid, was bemind, hoe men verder ook over haar sprak. Als
-zij sprak, als zij lachte, ontwapende zij, en meer nog, was zij
-innemend. Het was trots, en,—misschien—juist òm hare onpeilbare
-onverschilligheid. Zij stelde belang alleen in haar eigen lichaam en in
-hare eigen ziel; àl het andere, àl het andere was haar totaal
-onverschillig. Onmachtig iets van hare ziel te geven, had zij nooit
-gevoeld dan voor zichzelve, maar zoo harmonisch en zoo innemend
-glimlachend, dat men haar altijd beminnelijk vond, aanbiddelijk. Het
-was misschien om de lijn van hare wangen, de vreemde dubbelzinnigheid
-in haren blik, haar onuitwischbaren glimlach, de gratie van haar
-figuur, de klank van hare stem en haar altijd zoo juiste woord. Als men
-haar eerst onuitstaanbaar vond, merkte zij dat niet op en werd juist
-allerinnemendst. Als men jaloersch was, merkte zij dat niet op en prees
-juist, intuïtief, onverschillig weg—het kon haar totaal niet
-schelen—wat een ander in zich minder vond. Zij kon met het liefste
-gezicht een toilet bewonderen, dat zij afschuwelijk vond, en uit louter
-onverschilligheid, was zij later niet valsch en brak zelfs later die
-bewondering niet af. Hare matelooze onverschilligheid was hare
-levenskracht. Zij had zich aangewend alles te doen waar zij lust toe
-had, maar zij deed het met haar glimlach en, wat men ook praatte achter
-haar rug, zij bleef zóo correct, zoo betooverend, dat men het haar
-vergaf. Zij was niet bemind als men haar niet zag, maar zoodra men haar
-zag, had zij alles weêr gewonnen. Haar man bad haar aan, hare
-stiefkinderen—eigen kinderen had zij niet—konden het niet helpen,
-onwillekeurig, tegen zich in, van haar te houden; hare bedienden waren
-allen onder haar invloed. Zij bromde nooit, zij beval met een woord, en
-het gebeurde. Was er iets verkeerd, brak er iets, haar glimlach
-bestierf even.... en dat was alles. En was haar eigen ziels- en
-lichaamsbelang in gevaar, dan wist zij het meestal af te wenden en nog
-zoo voordeelig mogelijk te schikken, zonderdat de glimlach zelfs
-bestierf. Maar zij had dit persoonlijk belang zoo om zich geserreerd,
-dat zij de omstandigheden ervan meestal beheerschte. Een noodlot scheen
-op deze vrouw niet te drukken. Hare onverschilligheid was glanzend, was
-geheel onverschillig—zonder minachting, zonder afgunst, zonder emotie:
-hare onverschilligheid was eenvoudig onverschilligheid. En de tact,
-waarmeê zij instinctmatig, zonder ooit veel na te denken, haar leven
-leidde en beheerschte, was zoo groot, dat, misschien, als zij alles
-verloren zoû hebben wat zij nu bezat—hare schoonheid, hare pozitie, bij
-voorbeeld—zij nog onverschillig zoû kunnen blijven, in hare onmacht om
-te lijden.
-
-Het rijtuig reed het rezidentie-erf in, juist toen de politie-rol
-begon. De Javaansche officier-van-justitie—hoofd-djaksa—was reeds bij
-Van Oudijck in het kantoor: de djaksa en de politie-oppassers leidden
-den stoet der beklaagden: de inlanders hielden elkaâr aan een punt van
-hun baadje vast en liepen op een trippelgangetje, maar de enkele
-vrouwen er tusschen liepen alleen: onder een waringin-boom, op eenigen
-afstand van de trappen van het kantoor hurkten zij allen neêr, in
-afwachting. Een oppasser, hoorende de klok in de voorgalerij, sloeg
-half-een met de groote bel bij het oppassershuis. De luide slag trilde
-als een bronzen tong door de middagblakende hitte na. Maar Van Oudijck
-had het rijtuig hooren aanrollen en hij liet den hoofd-djaksa wachten:
-hij ging zijne vrouw tegemoet. Zijn gezicht klaarde op: hij kuste haar
-teeder, met effuzie, informeerde hoe zij het maakte. Hij was blij de
-jongens terug te zien. En zich herinnerende wat hij over Theo had
-nagedacht, had hij voor zijn oudste een vriendelijk woord. Doddy, nog
-met haar boudeerend dik mondje, zoende mama. Zij liet zich zoenen,
-gelaten, glimlachend, zij kuste kalm terug, zonder koelheid, zonder
-warmte, juist doende wat zij doen moest. Haar man, Theo, Doddy
-bewonderden haar zichtbaar, zeiden, dat zij er goed uitzag; Doddy vroeg
-waar mama dat aardige reispakje van daan had? In hare kamer, zag zij de
-bloemen en daar zij wist, dat Van Oudijck hiervoor steeds zorgde, aaide
-zij even haar man op den arm.
-
-De rezident ging terug naar zijn kantoor, waar de hoofd-djaksa wachtte;
-het verhoor begon. Door een politie-oppasser opgeduwd, kwamen de
-beklaagden, een voor een, hurken op de trap, voor den drempel van het
-kantoor, terwijl de djaksa hurkte op een matje, de rezident zat voor
-zijn schrijftafel. Terwijl de eerste strafzaak behandeld werd,
-luisterde Van Oudijck nog naar de stem zijner vrouw in de
-middengalerij, toen de beklaagde zich verdedigde met den luiden kreet
-van:
-
-—Bot’n! Bot’n!! [2]
-
-De rezident fronste zijn wenkbrauwen en luisterde met aandacht....
-
-In de middengalerij zwegen de stemmen. Mevrouw Van Oudijck was zich
-gaan uitkleeden, om sarong en kabaai aan te doen voor de rijsttafel.
-Zij droeg het coquet: een Solosche sarong, een transparante kabaai,
-juweelen speldjes; witte leeren muiltjes met een klein wit strikje er
-op. Zij was juist klaar, toen Doddy aan haar deur kwam en zeide:
-
-—Mama, mama.... daar is mevrouw Vàn Does!
-
-De glimlach bestierf even: de zachte oogen zagen donker....
-
-—Ik kom dadelijk, kind....
-
-Maar zij ging zitten en Oerip, de lijfmeid, sprenkelde parfum op haar
-zakdoek. Mevrouw Van Oudijck vlijde zich uit, en mijmerde wat na, in de
-loomheid na hare reis. Zij vond Laboewangi wanhopig vervelend na
-Batavia, waar zij twee maanden gelogeerd had bij kennissen en familie,
-vrij en zonder verplichtingen. Hier, als rezidentsvrouw, had zij er
-eenige, ook al schoof zij de meeste van zich af, op de vrouw van den
-secretaris. Zij was in zichzelve moê, ontstemd, ontevreden. Trots hare
-algeheele onverschilligheid was zij menschelijk genoeg om hare stille
-buien te hebben, waarin zij alles verwenschte. Dan verlangde zij in
-eens iets dols te doen, dan verlangde zij, vaag weg, naar Parijs....
-Zij zoû dat nooit aan iemand laten merken. Zij kon zich bedwingen, en
-ook nu bedwong zij zich, voor zij zich weêr vertoonde. Haar vaag
-Bacchantisch verlangen versmolt in hare loomheid. Zij strekte zich
-gemakkelijker, zij mijmerde, met bijna geloken oogen. Door hare bijna
-bovenmenschelijke onverschilligheid krulde soms een vreemde fantazie,
-verborgen voor de wereld. Het liefst leefde zij in hare kamer haar
-leven van geparfumeerde verbeelding, vooral na hare maand in
-Batavia.... Ná zoo een maand van perversiteit had zij behoefte hare
-vagebondeerende roze verbeelding te laten krullen en wolken voor hare
-knippende oogen. Het was in hare verder geheel dorre ziel als een
-onwerkelijke bloei van azuren bloemetjes, die zij kweekte met het
-eenige sentiment, dat zij ooit zoû kunnen voelen. Zij voelde voor geen
-mensch, maar zij voelde voor die bloemetjes. Zoo te mijmeren vond zij
-heerlijk. Wat zij had willen zijn, als zij niet behoefde te zijn, die
-zij was.... De fantazie wolkte: zij zag een wit paleis en overal
-cupidootjes....
-
-—Mama.... kom dan tòch! Daar is mevrouw Vàn Does, mevrouw Van Does, met
-twee stopflesschen....
-
-Het was Doddy aan haar deur. Léonie van Oudijck stond op en ging naar
-de achtergalerij, waar de Indische dame zat, de vrouw van den
-postkommies. Zij hield koeien en verkocht melk. Maar zij deed ook in
-anderen handel. Zij was een dikke dame, even wat bruin, met
-vooruitstekenden buik; zij droeg een heel eenvoudig kabaaitje met een
-smal kantje er om heen, en hare dikke handjes streelden den buik. Voor
-zich op tafel had zij twee stopfleschjes staan, waarin iets glinsterde.
-Wat was dat van suiker, kristal, dacht mevrouw Van Oudijck vaag, toen
-zij zich plotseling herinnerde.... Mevrouw Van Does zeide, dat zij blij
-was haar weêr terug te zien. Twee maanden weg van Laboewangi. Toch te
-erg, die mevrouw Van Oudijck maar? En zij wees op de stopflesschen.
-Mevrouw Van Oudijck glimlachte. Wat was het?
-
-Geheimzinnig legde mevrouw Van Does een dik, naar achter omkrullend,
-slap geleed wijsvingertje tegen een der stopflesschen aan, en zei,
-fluisterend:
-
-—Inten-inten! [3]
-
-—Zoo? vroeg mevrouw Van Oudijck.
-
-Doddy, met groote oogen, en Theo, geamuzeerd, tuurden naar de twee
-stopfleschjes.
-
-—Ja.... U weet wel, van die dame.... van wie ik u gesproken.... Haar
-naam wil zij niet noemen. Kassian, vroeger haar man een groote piet, en
-nu.... ja toch zoo ongelukkig; zij heeft niets meer. Alles op. Alleen
-nog deze twee fleschjes. Al haar juweelen heeft zij uit laten nemen en
-de steenen bewaart zij hier in. Alles geteld. Zij vertrouwt mij toe, om
-te verkoopen. Door mijn melk heb ik relatie. Wil u zien, mevrouw Van
-Oudijck, ja? Móoie steenen! De residèn, hij koop voor u, nu u weêr
-thuis is. Doddy, geef mij een zwart lapje; als fluweel, is het beste...
-
-Doddy wist een stukje zwart fluweel door de djaït [4] te laten zoeken
-in een kast met naairommel. Een jongen bracht glazen met
-tamarinde-stroop en ijs. Mevrouw Van Does, in haar slapgeleede
-vingertjes een tangetje, legde een paar steenen voorzichtig op het
-fluweel....
-
-—Ja!! riep zij uit. Zie toch die water, mevrouw! Pr....àchtig!
-
-Mevrouw Van Oudijck zag toe. Zij glimlachte allerliefst en zei toen met
-hare zachte stem:
-
-—Die steen is valsch, lieve mevrouw.
-
-—Valsch?? kreet mevrouw Van Does. Valsch??
-
-Mevrouw Van Oudijck zag naar de andere steenen.
-
-—En die andere, mevrouw....—zij boog aandachtig, en zeide toen zoo lief
-mogelijk:
-
-—Die andere.... zijn.... òok valsch....
-
-Mevrouw Van Does zag haar aan, met pleizier. Toen zei ze tegen Doddy en
-Theo, leuk:
-
-—Die mama van jullie.... pinter! Zij ziet dadelijk!
-
-En zij lachte luid uit. Allen lachten. Mevrouw Van Does deed de
-kristallen weêr in de flesch.
-
-—Een aardigheid, ja, mevrouw? Ik woû alleen maar zien of u verstand
-had. Natuurlijk, u geloof mijn eerewoord: ik zoû u nooit verkoopen...
-Maar deze.... kijk....
-
-En plechtig nu, bijna godsdienstig, opende zij het andere stopfleschje,
-waarin slechts enkele steenen waren: ze legde ze met liefde op het
-zwarte fluweel.
-
-—Die is prachtig.... voor een leontine, zei mevrouw Van Oudijck,
-turende op een zeer grooten brillant.
-
-—Nou.... wat zeg ik u? vroeg de Indische dame.
-
-En zij tuurden allen op de brillanten, op de echte, die uit het „echte”
-stopfleschje, en hielden ze voorzichtig tegen het licht.
-
-Mevrouw Van Oudijck zag, dat zij allen echt waren.
-
-—Ik heb heusch geen geld, lieve mevrouw! zeide zij.
-
-—Deze groote.... voor leontine.... zes-honderd gulden.... een koopje:
-ik verzeker u, mevrouw!
-
-—O, mevrouw, neen nooit!
-
-—Hoeveel dan? U doet goed werk als u koop. Kassian, haar man vroeger
-groote piet. Raad van Indië.
-
-—Twee-honderd....
-
-—Jà, kassian!! Twee-honderd!
-
-—Twee-honderd-vijftig, maar niet meer. Ik heb heusch geen geld.
-
-—De residèn.... fluisterde mevrouw Van Does, Van Oudijck bespeurende,
-die, nu de rol was afgeloopen, naar de achtergalerij kwam. De
-residèn.... hij koop voor u!
-
-Mevrouw Van Oudijck glimlachte en keek naar den flonkerenden druppel
-licht op het zwarte fluweel. Zij hield van juweelen, zij was niet
-geheel onverschillig voor brillanten.
-
-En zij keek op naar haar man.
-
-—Mevrouw Van Does laat ons een heele boel moois zien, zeide zij
-streelend.
-
-Van Oudijck voelde een schok in zijn borst. Het was hem nooit aangenaam
-mevrouw Van Does in zijn huis te zien. Zij had altijd wat te verkoopen:
-den eenen keer gebatikte spreien, den anderen keer geweven muiltjes,
-een derde keer prachtige maar heel kostbare tafelloopers, met
-goudgebatikte bloemen op geel geglansd linnen. Mevrouw Van Does bracht
-altijd iets meê, stond altijd in betrekking met vrouwen van vroegere
-„groote pieten,” die zij hielp verkoopen, voor heel hooge percenten.
-Een morgenvisite van mevrouw Van Does kostte hem iederen keer minstens
-eenige rijksdaalders, en heel dikwijls vijftig gulden, want zijne vrouw
-had een kalme rust om altijd te koopen dingen, die zij niet noodig had,
-maar die zij te onverschillig was om nièt van mevrouw Van Does te
-koopen. Hij zag niet dadelijk de twee stopflesschen, maar hij zag den
-druppel licht op het zwarte fluweel, en hij begreep, dat de visite
-dezen keer meer dan vijftig gulden zoû kosten, als hij niet heel sterk
-was.
-
-—Mevrouwtje! schrikte hij. Het is het einde van de maand; brillanten
-koopen, dat gaat niet van daag! En nog wel stopflesschen vol! riep hij
-uit, met een schrik, ze nu ziende schitteren op de tafel, tusschen de
-glazen tamarinde-stroop.
-
-—Ja, die residèn! lachte mevrouw Van Does, als was een rezident altijd
-rijk.
-
-Van Oudijck haatte dat lachje. Zijn huishouden kostte hem iedere maand
-enkele slordige honderde guldens meer dan zijn traktement en hij teerde
-in, had schulden. Zijn vrouw bemoeide zich nooit met geldzaken; zij had
-vooral voor deze hare glimlachendste onverschilligheid.
-
-Zij liet den brillant even flonkeren en de steen schoot een blauwen
-straal.
-
-—Hij is prachtig.... voor twee-honderd-vijftig.
-
-—Voor drie-honderd dan, lieve mevrouw....
-
-—Drie-honderd? vroeg zij droomerig, spelend met het juweel.
-
-Of het drie-honderd of vier- of vijf-honderd was, het was haar alles om
-het even. Het liet haar totaal onverschillig. Maar den steen vond zij
-mooi en zij was al beslist dien te nemen, voor hoeveel ook. En dàarom
-legde zij den steen rustig neêr en zei:
-
-—Neen, lieve mevrouw, heusch.... de steen is te duur, en mijn man heeft
-geen geld.
-
-Zij had dat zoo lief gezegd, dat hare bedoeling niet was te raden. Zij
-was aanbiddelijk van zelfontzegging, terwijl zij die woorden uitsprak.
-Van Oudijck voelde een tweeden schok in zijn borst. Hij kon zijn vrouw
-niets weigeren.
-
-—Mevrouw, zeide hij. Laat den steen maar hier.... voor drie-honderd
-gulden. Maar neem dan uw stopflesschen in godsnaam meê.
-
-Mevrouw Van Does keek jubelend op.
-
-—Nou... wat heb ik u gezegd? Ik weet zeker, de residèn, hij koop voor
-u...!
-
-Mevrouw Van Oudijck keek zacht verwijtend op.
-
-—Maar Otto! zeide zij. Hoe is het nu toch mogelijk!
-
-—Vindt je den steen mooi?
-
-—Ja, prachtig... maar zoo veel geld! Voor éen brillant!
-
-En zij trok de hand van haar man naar zich toe en zij duldde, dat hij
-haar kuste op het voorhoofd, omdat hij haar een brillant had mogen
-koopen van drie-honderd gulden. Doddy en Theo knipoogden tegen elkaâr.
-
-
-
-
-IV.
-
-Léonie Van Oudijck genoot steeds van hare siësta. Zij sliep maar een
-oogenblik, maar zij vond het heerlijk na de rijsttafel alleen in hare
-koele kamer te blijven, tot vijf uur, half zes. Zij las een beetje,
-meestal de tijdschriften van den leestrommel, maar voornamelijk deed
-zij niets en droomde. Het waren vage verbeeldingen, die opblauwden in
-hare middageenzaamheden. Niemand wist hiervan en zij hield ze zeer
-geheim, als een geheime zonde, als een ondeugd. Zij gaf zich veel
-eerder bloot—voor de wereld—waar het een liaison betrof. Ze duurden
-nooit lang, ze telden weinig meê in haar leven, zij schreef nooit
-brieven, en de gunsten, die zij verleende, gaven den bevoorrechte nooit
-eenig recht in den dagelijkschen omgang der conversatie. Zoo was zij
-van een stille, correcte perversiteit, fyziek en moreel. Want ook hare
-verbeeldingen, hoe flauwtjes poëtisch ook, waren pervers. Haar meest
-geliefde auteur was Catulle Mendes: zij hield van al die bloemetjes van
-azuren sentimentaliteit, van die roze cupidootjes van affectatie, het
-pinkje in de lucht, de beentjes bevallig fladderend—rondom de meest
-verdorven motieven en thema’s van afdwalenden hartstocht. In hare
-slaapkamer hingen enkele platen: een jonge vrouw achterover op een
-kanten bed, en gezoend door twee stoeiende engeltjes; een ander: een
-leeuw met een pijl in de borst aan de voeten van een glimlachende
-maagd; een groote reclame-prent van odeur: een soort van bloemenimf,
-wier sluier aan alle kanten werd afgerukt door speelsche
-parfumerie-cherubijntjes. Zij vond die plaat vooral prachtig, iets
-esthetischers kon zij zich niet voorstellen. Zij wist, dat de plaat
-monsterlijk was, maar zij had het nooit van zich kunnen verkrijgen het
-onding af te haken, ook al zag men er met schuinsche oogen heen; de
-kennissen, hare kinderen, die in- en uitliepen in hare kamer, met de
-Indische gemakkelijkheid, die geen geheim maakt van het toilet. Zij kon
-er minuten heen staren als betooverd; zij vond het allerliefst, en hare
-eigen droomen geleken op die prent. Ook bewaarde zij een bonbon-doos
-met een keepsake-plaatje, als het type van schoonheid, dat zij nog
-mooier vond dan zichzelve: het blosje op de wangen, de bruine
-brunette-oogen onder onwaarschijnlijk gouden haren, de boezem zichtbaar
-onder kant. Maar zij gaf zich nooit bloot in deze belachelijkheid, die
-zij vaag vermoedde; zij sprak nooit over die platen en doosjes, juist,
-omdat zij wist, dat ze leelijk waren. Maar zij vond ze mooi, zij vond
-ze heerlijk, zij vond ze kunst en poëzie.
-
-Zoo waren hare liefste uren.
-
-Hier, te Laboewangi, dorst zij niet doen, wat zij te Batavia deed, en
-hier geloofde men nauwlijks wat men te Batavia vertelde. Toch
-verzekerde mevrouw Van Does, dat die rezident, en die inspecteur—de een
-op reis, de ander op tournée—, en enkele dagen logeerende in het
-rezidentie-huis, ’s middags—gedurende de siësta—hun weg hadden gevonden
-naar de slaapkamer van Léonie. Maar te Laboewangi waren zulke
-werkelijkheden toch zeldzame intermezzo’s tusschen mevrouw Van Oudijcks
-roze middagvizioenen....
-
-Toch, dezen middag scheen het....
-
-Of zij, na een oogenblik gesluimerd te hebben en alle matheid van reis
-en warmte opgeklaard was van haar melkwitte teint—of zij, nu zij keek
-naar de stoeiende engeltjes van de parfumerie-reclame, niet met hare
-gedachte was bij al die roze poppetjes-teederheid, maar of zij
-luisterde naar buiten....
-
-Zij droeg alleen een sarong, dien zij onder de armen had opgetrokken en
-op de borst in een wrong hield samengeknoopt.
-
-Hare mooie blonde haren hingen los.
-
-Hare mooie witte voetjes waren bloot; zij had hare muilen zelfs niet
-aangeslipt.
-
-En zij keek door de latjes der jalouzie.
-
-Tusschen de bloempotten, die op de zijtrappen van het huis hare ramen
-met groote bladerenmassa’s maskeerden, zag zij op een bijgebouw van
-vier kamers—de logeerkamers—waarvan er een was bewoond door Theo.
-
-Zij bleef een pooze turen en opende toen, op een kier, de jalouzie...
-
-En zij zag, dat ook de jalouzie van Theo’s kamer zich even opende...
-
-Toen glimlachte zij; knoopte vaster den sarong, en legde zich weêr te
-bed.
-
-Zij luisterde.
-
-Na een oogenblik hoorde zij het grint even knarsen onder den druk van
-een muil. Hare jalouziedeuren waren, zonder gesloten te zijn,
-dichtgeslagen. Een hand opende ze nu voorzichtig....
-
-Zij zag glimlachend om...
-
-—Wat is er, Theo? fluisterde zij.
-
-Hij kwam nader, hij was in slaapbroek en kabaai en hij zette zich op
-den rand van het bed en speelde met hare witte, mollige handen, en in
-eens zoende hij haar met razernij.
-
-Op dit oogenblik siste er een steen door de kamer.
-
-Zij schrikten beiden, zagen op, stonden in een oogenblik midden in het
-vertrek.
-
-—Wie gooit er? vroeg zij bevende.
-
-—Misschien een van de jongens—René of Ricus, die buiten spelen,
-antwoordde hij.
-
-—Ze zijn nu nog niet op...
-
-—Of iets, dat valt van boven...
-
-—Het werd toch geslingerd...
-
-—Zoo dikwijls raakt er een steentje los...
-
-—Maar dit is grint.
-
-Zij raapte het steentje op. Hij, voorzichtig, zag naar buiten.
-
-—Het is niets, Léonie. Het moet heusch van boven zijn gevallen, uit de
-goot, door het raam. En toen is het weêr opgesprongen. Het is niets...
-
-—Ik ben bang, murmelde zij.
-
-Bijna luid lachte hij en vroeg:
-
-—Waarvoor?
-
-Zij behoefden voor niets te vreezen. De kamer was gelegen tusschen het
-boudoir van Léonie en twee groote logeerkamers, die alleen voor
-rezidenten, generaals en andere hooggeplaatsten werden bestemd. Aan de
-andere zijde der middengalerij waren de kamers van Van Oudijck, kantoor
-en slaapvertrek, en de kamer van Doddy, en de kamer van de jongens,
-Ricus en René. Léonie was dus geïzoleerd aan haar vleugel, tusschen de
-logeerkamers in. Het maakte haar brutaal. Om dit uur was het erf geheel
-verlaten. Trouwens, zij was niet bang voor de bedienden. Oerip was
-geheel vertrouwd en kreeg dikwijls mooie geschenken: sarongs, een
-gouden pending [5]: een lange diamanten kabaaispeld, dien zij als een
-plaque van zilver en steenen droeg op de borst. Daar Léonie nooit
-bromde, vrijgevig was met voorschot, en een zekere schijnbare
-gemakkelijkheid had,—hoewel alles alleen gebeurde, zooals zij het
-wilde—was zij niet onbemind en hoeveel de bedienden ook van haar
-wisten, zij hadden haar nog nooit verraden. Het maakte haar des te
-brutaler. Voor een doorgang tusschen slaapkamer en boudoir hing een
-gordijn en het was, eens voor al, afgesproken tusschen Theo en Léonie,
-dat hij, bij eenig gevaar, rustig weg zoû slippen achter die portière
-en zich door de tuindeur van het boudoir begeven zoû naar buiten, als
-om de rozen-potten te bezien, die op de treden der trappen stonden. Zoo
-zoû het schijnen alsof hij van zijn eigen kamer zoo juist was gekomen
-en maar even de rozen bezag. De binnendeuren van boudoir en slaapkamer
-waren gesloten, in den regel, omdat Léonie ronduit zeide, dat zij er
-niet van hield overvallen te worden.
-
-Zij hield van Theo, om zijn frissche jeugd. En hier op Laboewangi, was
-hij haar eenige ondeugd, een doortrekkende inspecteur en de roze
-engeltjes niet meêgerekend. Zij waren nu als stoute kinderen, zij
-lachten stil, in elkanders armen. Maar zij moesten voorzichtig zijn.
-Het was vier uur geworden en zij hoorden in den tuin de stemmen van
-René en Ricus. Zij namen het erf in bezit voor hunne vacantie. Dertien
-en veertien jaar, genoten zij van den grooten tuin. Zij liepen in een
-blauw gestreept katoenen buisje en broek, op bloote voeten en gingen
-naar de paarden, naar de duiven zien: ze plaagden Doddy’s kakatoe, die
-op het dak der bijgebouwen trippelde. Zij bezaten een tamme badjing
-[6]. Zij maakten jacht op tokkè’s, die zij schoten met een soempitan
-[7], tot groote ergernis der bedienden, omdat de tokkè’s geluk
-aanbrengen. Zij kochten aan het hek katjang-goreng [8], van een
-voorbijgaanden Chinees, en scholden hem daarna uit:
-
-—Katja....àng golengan! Tjina mampoes! nadoende zijn accent van kè. Zij
-klommen in den flamboyant en wiegelden als apen aan de takken. Zij
-wierpen de katten met steenen; zij hitsten de honden der buren op tot
-zij zich heesch blaften en elkaâr de ooren stuk beten. Zij knoeiden met
-water bij den vijver, maakten zich ontoonbaar van modder en vuil en
-waagden het de Victoria Regia’s te plukken, dat zij volstrekt niet
-mochten doen. Zij onderzochten de stevigheid der groene vlakke
-Victoria-bladeren—als prezenteerbladen—en meenden er op te kunnen staan
-en zij dompelden onder... Dan namen zij leêge flesschen, plaatsten die
-op een rei en kegelden met keisteenen. Dan vischten zij uit de sloot
-terzijde van het huis met een bamboe allerlei naamlooze drijvende
-dingen op en smeten er elkaâr meê. Hunne fantazie in uitvindingen was
-onuitputtelijk, en het uur der siësta was hun uur. Zij hadden een tokkè
-gevangen en een kat en lieten ze vechten met elkaâr: de tokkè opende
-zijn muil van kleine krokodil en hypnotizeerde de kat, die afdroop,
-zich wegtrok uit den zwarten kraalblik,—met hoogen rug, de haren steil
-van angst. En daarna aten de jongens zich ziek aan onrijpe manga’s.
-
-Léonie en Theo hadden door de jalouzie bespied het gevecht van kat en
-tokkè en zagen de jongens nu rustig in het gras de onrijpe manga’s
-eten. Maar het was het uur, dat de gestraften—een twaalftal—werkten op
-het erf, onder toezicht van een ouden, deftigen mandoor, met een rietje
-in de hand. Zij haalden water in tonnen en gieters van
-Devoe’s-petroleumblikken gemaakt, soms ook in petroleumblikken zelve,
-en zij begoten de planten, het gras, het grint. Zij veegden dan het erf
-schoon met een luid geruisch van lidi-bezems.
-
-René en Ricus wierpen achter den mandoor, voor wien ze bang waren, de
-gestraften met afgeknabbelde manga’s en scholden ze uit en trokken
-grimassen en apentronie’s. Doddy kwam aan, uitgeslapen, spelende met
-haar kakatoe, dien zij droeg op de hand en die kaka! kaka! riep, en
-zijn gele kuif opzette met snelle nekbewegingen.
-
-En Theo, nu, sloop achter het gordijn weg in het boudoir en, toen een
-oogenblik de jongens elkaâr naliepen in een bombardement van manga’s,
-en Doddy naar den vijver wandelde met haar sleeppas van heupwiegelende
-kreole, de kakatoe op hare hand,—kwam hij te voorschijn van achter de
-planten, rook aan de rozen en deed of hij in den tuin had gewandeld,
-vóor hij zijn bad ging nemen.
-
-
-
-
-V.
-
-Van Oudijck voelde zich aangenamer gestemd, dan hij zich in weken
-gevoeld had; in zijn huis scheen na die twee maanden saaie verveling
-weêr iets van familieleven te komen; hij vond het prettig zijn twee
-rakkers van jongens in den tuin te zien ravotten, ook al deden zij
-allerlei kwaad, en vooral was hij heel tevreden, dat zijn vrouw weêr
-terug was.
-
-Zij zaten nu in den tuin, in négligé, thee te drinken, om half zes. Het
-was toch heel vreemd, maar Léonie vulde dadelijk het groote huis met
-een zekere comfortabelere gezelligheid, omdat zij er zelve van hield.
-Dronk Van Oudijck anders vlug een kop thee, dat Kario hem bracht in
-zijn slaapkamer, van daag al was die middagthee een prettig uur; er
-waren rieten stoelen en lange mail-stoelen vóor buiten gezet; op een
-rieten tafel stond het theeblad; er was pisang goreng gebakken, en
-Léonie, in een Japansche, roodzijden kimono, haar blonde haar los, lag
-in een rieten stoel en speelde met de kaka van Doddy en voerde den
-vogel met gebak. Het was dadelijk heel anders, vond Van Oudijck, zijn
-vrouw gezellig, lief, mooi, nu en dan iets vertellende van de kennissen
-te Batavia, van de races te Buitenzorg, van een bal bij den Gouverneur,
-van de Italiaansche opera; de jongens, vroolijk, gezond, jolig, hoe
-vies ook van hun spelen—en hij riep ze eens bij zich, en ravotte even
-met ze en vroeg naar het Gymnazium—zij zaten in de tweede klasse; en
-zelfs Doddy en Theo schenen hem anders toe, Doddy snoezig en zangerig
-rozen nu plukkende aan de bloempotten en Theo, spraakzaam, met mama, en
-zelfs met hèm. Een prettige trek speelde om Van Oudijcks snor. Hij zag
-er nog jong uit in zijn gezicht en nauwlijks scheen hij
-acht-en-veertig. Hij had een scherpen, levendigen blik van vlug opzien,
-van acuut doordringen. Hij was wat zwaar en had aanleg nog zwaarder te
-worden, maar toch had hij behouden iets vlug militairs, en op zijn
-tournées was hij onvermoeid; hij was een uitstekend ruiter. Groot en
-forsch, tevreden met zijn huis en zijn gezin, had hij iets prettigs van
-stevige mannelijkheid, en lachte om zijn snor de joviale trek. En zich
-latende gaan, zich uitstrekkende in zijn rieten stoel, drinkende zijn
-kopje thee, sprak hij uit de gedachten, die meestal in zulk een uur van
-tevredenheid bij hem opwolkten. Ja, het was toch maar een goed leven in
-Indië, bij het Binnenlandsch Bestuur. Ten minste voor hem was het
-altijd goed geweest, maar hij had ook een beetje gebofd. Nu was het
-wanhopig met de promotie; hij kende tal van assistent-rezidenten, die
-zijn tijdgenooten waren en die in jaren nog geen kans hadden rezident
-te zullen worden. En dat was zeker een wanhopige toestand, zoo lang te
-blijven in een betrekking van ondergeschiktheid aan een superieur, op
-dien leeftijd nog bevelen af te moeten wachten van een rezident. Hij
-had dat nooit kunnen uithouden, op zijn acht-en-veertigste jaar! Maar
-rezident zijn, zelf bevelen, zelf besturen een gewest, groot en
-belangrijk als Laboewangi, met zoo uitgebreide koffie-cultuur, zoo
-talrijke suikerfabrieken, met zóo vele erfpachtsperceelen—dat was een
-genot, dat was leven: een leven grootsch en ruim als geen ander, en
-waarmeê in Holland geen betrekking en leven te vergelijken was. Zijne
-groote verantwoordelijkheid was zijner heerschersnatuur een genot. Zijn
-werkkring was gevarieerd: kantoorwerk en tournée; de belangen van zijn
-werk waren gevarieerd: men sufte niet dood op zijn kantoorstoel: na het
-bureau was er de vrije natuur, en het was altijd afwisseling, altijd
-iets anders. Hij hoopte over anderhalf jaar rezident eerste-klasse te
-kunnen worden, als er een eerste-klasse gewest open kwam: Batavia,
-Semarang, Soerabaia, of een van de Vorstenlanden. En toch zoû het hem
-dan aan zijn hart gaan Laboewangi te moeten verlaten. Hij was gehecht
-aan zijn gewest, waarvoor hij vijf jaar al zooveel gedaan had, dat in
-die vijf jaar gekomen was tot zijn bloei, voor zooveel bloei mogelijk
-was in deze tijden van algemeene malaise: de koloniën arm, de bevolking
-verarmd, de koffiecultuur slechter dan ooit, de suiker misschien over
-twee jaar een hevige crizis gaande tegemoet.... Indië kwijnde, en zelfs
-in den nijveren Oosthoek begon te kankeren een loomheid en zwakte, maar
-toch voor Laboewangi had hij veel kunnen doen. Gedurende zijn bestuur
-was de bevolking in welvaart toegenomen; de irrigatie der rijstvelden
-was er uitstekend, nadat hij den ingenieur, eerst altijd in strijd met
-het B.B. [9] had weten te winnen door zijn tact. Talrijke stoomtrammen
-waren aangelegd. De secretaris, zijn assistent-rezidenten, zijn
-controleurs waren hem toegedaan, al was het zwaar werken onder zijn
-bestuur. Maar hij had ook een prettigen toon met ze, al was het werken
-zwaar. Hij kon joviaal vriendschappelijk zijn, al was hij de rezident.
-Hij was blij, dat zij allen, zijn controleurs, zijn
-assistent-rezidenten vertoonden dat gezonde, blijmoedige type van den
-ambtenaar van B.B., tevreden met hun leven en werk, al bestudeerden zij
-ook tegenwoordig veel meer dan vroeger den Regeeringsalmanak en de
-Ranglijst, voor hunne promotie. Het was dan Van Oudijcks stokpaardje
-zijne ambtenaren te vergelijken met de rechterlijke ambtenaren, die
-niet vertoonden dat opgewekte type: tusschen beide groepen was dan ook
-steeds lichte naijver, animoziteit.... Ja, het was een prettig leven,
-het was een prettige werkkring, alles was goed, alles was goed. Er ging
-niets boven B.B. Het speet hem alleen, dat zijn verhouding tot den
-Regent niet gemakkelijker was, niet aangenamer was. Maar het was niet
-zijn schuld. Hij had den Regent steeds zeer nauwgezet gegeven wat hem
-toekwam, hem gelaten in zijn rechten, hem hoog gehouden tegenover de
-Javaansche bevolking en zelfs tegenover de Europeesche ambtenaren. O,
-het speet hem zoo innig, dat gestorven was de oude Pangéran, de vader
-van den Regent, de oude Regent, een nobele ontwikkelde Javaan. Met dien
-had hij steeds gesympathizeerd, hem had hij dadelijk gewonnen door zijn
-tact. Had hij niet, nu vijf jaar geleden, toen hij aankwam te
-Laboewangi voor de bestuursovername den Pangéran—type van den echten
-Javaanschen edelman—geïnviteerd aan zijn zijde plaats te nemen in zijn
-eigen rijtuig—en niet, zooals gebruikelijk was, den Regent laten volgen
-in een tweede rijtuig achter het rezidentsrijtuig—; en had hij niet
-door deze beleefdheid tegenover den ouden prins alle Javaansche hoofden
-en ambtenaren dadelijk gewonnen en hen gestreeld in hun eerbied en
-liefde voor hun Regent: afstammeling van een der oudste Javaansche
-geslachten: de Adiningrats, vroeger, ten tijde der Compagnie, sultans
-van Madoera...? Maar Soenario, zijn zoon, de jonge Regent nu, hèm kon
-hij niet vatten, niet doorpeilen—dit bekende hij zich slechts
-stilzwijgend—; hem zag hij alleen raadselachtig, dien wajangpop, zooals
-hij hem noemde, altijd stijf, op een afstand tegenover hém, den
-rezident, alsof hij—prins—neêrzag op hem—Hollandschen burgerman; en
-daarbij fanatiek, zonder oog voor de belangen zijner Javaansche
-bevolking, en alleen maar verloren in allerlei bijgeloovige praktijken
-en fanatieke bespiegelingen. Hij zeide het niet ronduit, maar iets
-ontsnapte hem in den Regent. Hij kon die fijne figuur, met zijn strakke
-koolzwarte oogen, niet neêrzetten als mensch in het praktische leven,
-zooals hij steeds den ouden Pangéran had kunnen doen. Die was hem
-altijd geweest, volgens den leeftijd, zijn vaderlijke vriend; volgens
-de etiquette zijn „jongere broeder,” maar altijd medebestuurder van
-zijn gewest. Maar Soenario vond hij oneigenlijk, geen ambtenaar, geen
-Regent, alleen maar een fanatieke Javaan, die zich hulde in iets van
-geheim: allemaal nonsens, dacht Van Oudijck. Hij lachte om Soenario’s
-faam van hoogheiligheid, die de bevolking hem gaf. Hij vond hem
-onpractisch: een gedegenereerde Javaan, een gedetraqueerde Javaansche
-gommeux!
-
-Maar zijn disharmonie met den Regent—disharmonie alleen van karakter,
-en nooit gekomen tot werkelijkheid van feit—hij draaide het mannetje
-immers om zijn vinger!—was de eenige groote moeilijkheid, die hem
-gedurende al die jaren wel eens had laten pikeren. En zijn
-rezidentsleven had hij niet willen ruilen voor welk ander leven. O, hij
-tobde nu al, wat hij later zoû doen als hij gepensioeneerd was. Het
-liefst zoû hij zoo lang mogelijk blijven in dienst; lid van den Raad
-van Indië, Vice-prezident... Wat hij niet zeide, maar stil ambieerde,
-was, in het verschiet, de troon van Buitenzorg. Maar men had
-tegenwoordig in Holland die vreemde manie om vreemden tot de hoogste
-betrekkingen te benoemen, Hollanders, baren, die totaal niets van Indië
-afwisten—in plaats van getrouw te blijven aan het principe oud-Indische
-gedienden te kiezen, die van aspirant-controleur waren opgeklommen en
-de geheele ambtelijke hiërarchie op hun duimpje kenden.... Ja, wat zoû
-hij doen, gepensioeneerd? In Nice wonen? Zonder geld? Want sparen, dat
-ging niet; het leven was ruim, maar duur, en in plaats van te sparen
-maakte hij beren. Nu ja, dat kwam er nu niet op aan, dat werd
-afbetaald, maar later, later.... De toekomst, de pensioeneering, was
-hem alles behalve een aangenaam vooruitzicht. Te vegeteeren in Den
-Haag, in een klein huis, met een bittertje in de Witte en in de
-Besogne-kamer—met de oude pruiken.... brr!! Hij rilde ervan. Hij zoû er
-niet aan denken; hij wilde aan de toekomst dan maar in het geheel niet
-denken: misschien was hij dood voor dien tijd. Maar nu was het
-heerlijk, zijn werkkring, zijn huis, Indië. Er was totaal niets bij te
-vergelijken.
-
-Léonie had hem glimlachend aangehoord; zij kende zijne stille
-verrukkingen, zijn dwepen met zijn betrekking;—zooals zij het noemde;
-zijn aanbidding van B.B. Zij vond het goed, zij had er niets tegen. Zij
-ook waardeerde de luxe van het rezident-zijn. Het betrekkelijke
-izolement kon haar niet schelen, zij had meestal genoeg aan
-zichzelve... En zij antwoordde glimlachend terug, tevreden,
-beminnelijk, met haar teint van melk, dat nog blanker was onder de
-lichte bedak [10] tegen de roode zijde der kimono aan, en mooi in de
-omgolving van haar blonde haren.
-
-Dien morgen, een oogenblik, was zij ontstemd geweest, had Laboewangi,
-na Batavia, op haar gedrukt, met zijn verveling van binnenlandsche
-hoofdplaats. Maar sinds had zij gekregen een grooten brillant; sinds
-had zij Theo terug.... Zijn kamer was vlak bij de hare. En hij zoû nog
-wel in langen tijd geen betrekking kunnen krijgen.
-
-Dat waren hare gedachten, terwijl haar man, na zijn pretige
-ontboezeming, nog zalig lag na te denken. Dieper dacht zij niet, iets
-als wroeging zoû haar ten zeerste hebben verbaasd, had zij er iets van
-kunnen voelen.... Het begon zachtjes aan te donkeren, de maan steeg al
-lichtend omhoog, en achter de fluweel-mollige waringins, achter de even
-op en neêr wuivende pluimen der klapperboomen, die als statiebossen van
-donkere struisveêren hoog feestelijk staken in de lucht, doezelde het
-laatste licht van de zon een dofgouden weêrschijn, waartegen de
-molligheid der waringins, de statie van de klappers afstaken als zwart
-geëtst.
-
-In de verte klonken de enkeltonige klanken van den gamelan, weemoedig,
-als van een waterheldere glazen piano, met telkens er tusschen een
-diepe dissonant...
-
-
-
-
-VI.
-
-Van Oudijck, pleizierig om zijn vrouw en kinderen, wilde gaarne toeren,
-en de landauer werd ingespannen. Van Oudijck keek joviaal en prettig,
-van onder het breede goudgalon van zijn pet. Léonie, naast hem, had een
-nieuwe mauve mousseline japon aan, uit Batavia, en een hoed met mauve
-papavers. Een dameshoed in het binnenland is een luxe, iets van
-overgroote elegance, en Doddy, tegenover haar, maar op zijn
-binnenlandsch zonder hoed, was in stilte geërgerd en vond, dat mama
-haar toch wel had kunnen zeggen, dat zij een hoed zoû „gebruiken”,
-zooals Doddy’s taaleigen luidde. Nu stak zij zoo af bij mama, nu kon
-zij niet velen, die zacht wuivende papavers! Van de jongens was René
-meê, in een frisch wit pakje. De hoofdoppasser zat op den bok naast den
-koetsier en hield tegen zijn heup de groote gouden pajong, symbool van
-het gezag. Het was over zessen, het begon al te donkeren en over
-Laboewangi hing in dit uur die fluweelen geluideloosheid, die tragische
-geheimzinnigheid van den schemeratmosfeer der Oostmoussondagen. Soms
-blafte alleen een hond, kirde een woudduif en verbrak de
-oneigenlijkheid van het zwijgen, als van een onbewoonde stad. Maar nu
-ook ratelde er dwars door heen het rijtuig, trappelden de paarden de
-stilte in kleine flarden. Men kwam geen ander rijtuig tegen; een
-onbezielde menschenloosheid hield de tuinen en galerijen betooverd. Een
-paar jongelui in het wit wandelden, en namen den hoed af. Het rijtuig
-had de notabele lanen verlaten en reed de Chineesche kamp in, waar in
-de kleine winkels de lichtjes werden ontstoken. De negotie was zoo goed
-als gedaan: de Chineezen rustten uit, in allerlei slappe houdingen van
-beenen in de lucht en over elkaâr, de armen rondom het hoofd, de
-staarten los, of om het hoofd gebonden. Als het rijtuig naderde,
-stonden zij op, bleven eerbiedig staan. De Javanen, voor het
-meerendeel—de welopgevoeden, die manieren kenden—hurkten neêr. Langs
-den weg stonden nu, verlicht met kleine petroleumlampjes, de
-wandelkeukentjes gereid, de drankverkoopers, de gebakverkoopers. De
-kleur in de met tallooze lichtjes opgegloeide avondduisternis, was
-groezelig bont; de Chineesche winkeltjes overvol van koopwaren, en
-beteekend met roode en gouden karakters en beplakt met roode en gouden
-papiertjes met spreuken; op den achtergrond het huisaltaar met de
-heilige plaat: de witte god, gezeten, en achter hem de grijnzende
-zwarte god. Maar de straat verbreedde zich, veraanzienlijkte zich
-eensklaps; rijke Chineesche huizen, als witte villa’s, blankten zacht
-op; en vooral trof een blanke paleisvilla van een schatrijken
-ex-opiumpachter—rijk geworden in de dagen vóor de opium-régie—een blank
-paleis van sierlijk stucwerk met tallooze bijgebouwen, de poorten der
-voorgalerij in een monumentalen Chineeschen stijl van voorname elegance
-en zachte bonte goudkleur, in de diepte van het open huis het zeer
-groote huisaltaar, de plaat der goden pronkende in licht; de tuin
-aangelegd met gemaniëreerde krinkelpaden, maar mooi volgezet met
-vierkante potten en lange bloemvazen van donker blauw-en-groen glazuur,
-waarin kostbare dwergplanten—erfstuk van vader op zoon—en alles
-gehouden in een blinkende properheid, een verzorgde netheid van détail:
-de welvarende, kraakzindelijke luxe van een millionair opium-Chinees.
-Maar niet alle Chineesche woningen waren zoo pronkerig open, de meeste
-lagen verborgen in tuinen achter hooge muren, gesloten, en doken terug
-in het geheim van hun huiselijk leven. Eensklaps waren de huizen gedaan
-en langs een breeden weg strekten Chineesche graven zich uit, rijke
-graven, den grasheuvel met den gemetselden ingang—ingang van
-dood—opgehoogd in den symboolvorm van het vrouwelijk orgaan: uitkomst
-van leven,—ruim grasveld er om heen: de ergernis van Van Oudijck, die
-berekende hoeveel bouw wel voor kultuur verloren was door die
-begraafplaatsen der rijke Chineezen. En de Chineezen schenen te
-triomfeeren in leven en dood in de anders zoo stille stad van
-geheimzinnigheid, de Chineezen gaven er aan het eigenlijke karakter van
-drukke beweging, van handel, van rijk worden, van leven en sterven,
-want toen het rijtuig de Arabische wijk inreed—huizen als andere, maar
-somber, maar stijlloos, maar fortuin en existentie verborgen achter
-dichte deuren; in de voorgalerij wel stoelen, maar de heer des huizes
-somber gehurkt op den grond, onbewegelijk, met zwarten blik het rijtuig
-achtervolgende—scheen dit stadsgedeelte nog tragischer geheimzinnig dan
-het notabele Laboewangi en scheen het onuitzegbare mysterie uit te
-donzen als iets van den Islâm, dat zich verspreidde over de héele stad,
-of het de Islâm was, die de fatale melancholie van levensgelatenheid
-uitduisterde in den huiverenden, geluideloozen avond.... Zij voelden
-dat niet in hun ratelende rijtuig, van hun kinderjaren aan die
-atmosfeer gewoon en niet gevoelig meer voor het sombere geheim, dat was
-als het naderen van een zwarte macht, die hen—overheerschers met hun
-kreolenbloed—altijd en altijd had aangeademd, zoodat zij ze nooit
-zouden vermoeden. Misschien als Van Oudijck nu en dan in de couranten
-las over het pan-islâmisme, dat hem iets aanzweemde of de zwarte macht,
-het sombere geheim even opende voor zijne diepste gedachte. Maar zooals
-nu—toerende met vrouw en kinderen, in het geratel van zijn rijtuig, en
-het getrappel van zijn mooie Sydney-ers, den oppasser, met den gesloten
-pajong, die glinsterde als een dichtgestraalde zon, op den bok, voelde
-hij te veel zichzelven, zijn heerschers-, zijn overheerschersnatuur, om
-iets van het zwarte geheim te raden, iets van het zwarte gevaar te
-zien. En hij was vooral nu te prettig, om iets melancholieks te voelen,
-te zien. Hij zag, in zijn optimisme, zelfs niet het verval van zijne
-stad, die hij liefhad; ze troffen hem niet, nu zij doorreden, die
-immense zuilenvilla’s, getuigende van vroegere
-planterswelvaart—verlaten, verwaarloosd, in verwilderde erven; een
-ervan ingenomen door een hout-aankap-maatschappij, die er den opzichter
-liet wonen en in den voortuin de balken stapelde. Treurig blankten de
-verlaten huizen op, met portieken van pilaren, die in de woest
-vergroeide erven spookten in de maan, als tempels van onheil.... Maar
-zij zagen het zoo niet: genietende de wiegeling op de zachte
-rijtuigveeren, dommelde Léonie glimlachende, en Doddy spiedde, nu zij
-de Lange Laan weêr naderden, uit, of zij niet Addy zag....
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-
-I.
-
-De secretaris Onno Eldersma had het druk. De post bracht iederen dag
-aan het rezidentiebureau, waaraan twee kommiezen, zes klerken waren
-verbonden, tal van djoeroe-toelis en magangs [11], gemiddeld een paar
-honderd brieven en stukken en de rezident mopperde dadelijk zoodra er
-achterstallig werk was. Hij werkte zelve stevig aan, hij verlangde van
-zijn ambtenaren het zelfde. Maar soms was het een stortvloed van
-stukken, requesten, aanvragen. Eldersma was het type van den in zijn
-geschrijf opgaanden bureau-ambtenaar, en Eldersma had het altijd druk.
-Hij werkte ’s morgens, ’s middags, ’s avonds. Aan siësta deed hij niet.
-Hij rijsttafelde even om vier uur, en daarna rustte hij even uit.
-Gelukkig had hij een sterk gestel, frisch, Friesch, maar al zijn bloed,
-al zijn spieren, al zijn zenuwen waren hem noodig voor zijn werk. Het
-was niet wat schrijfwerk, wat paperassengedoe: het was handenarbeid van
-de pen, spierarbeid, zenuwarbeid, en altijd, altijd door. Hij brandde
-op, hij verteerde zichzelven, al schrijvende. Hij had geen andere
-ideeën meer, hij was niets meer dan ambtenaar, bureau-man. Hij had een
-lief huis, een allerliefste bizondere vrouw, een aardig kind, maar hij
-zag ze niet meer, al leefde hij, vaag, in zijn intérieur. Hij werkte
-maar, nauwgezet, afdoende wat hij kon. Soms zeide hij den rezident, dat
-het hem onmogelijk was meer te doen. Maar Van Oudijck, op dit punt, was
-onverbiddellijk, erbarmingloos. Hij was zelve gewestelijk secretaris
-geweest: hij wist wat het was. Het was werken, het was voortjakkeren
-als een karrepaard. Het was leven, eten, slapen, met de pen in de hand.
-Dan toonde Van Oudijck hem dat en dat werk, dat afgedaan moest worden.
-En Eldersma, die gezegd had, dat hij niet meer kon doen dan hij deed,
-deed het werk af, en deed dus altijd nog wat meer dan hij dacht te
-kunnen doen.
-
-Dan zeide zijn vrouw, Eva: mijn man is geen mensch meer, mijn man is
-geen man meer: mijn man is ambtenaar. Het jonge vrouwtje, zeer
-Europeesch, vroeger nooit in Indië geweest, nu al een paar jaar te
-Laboewangi, had nooit geweten, dat men zóo kon werken als haar man
-deed, in een land zoo warm als Laboewangi was in de Oostmousson. Zij
-had er zich eerst tegen verzet, zij had eerst hare rechten op hem
-willen doen gelden, maar toen zij waarlijk zag, dat hij geen minuut te
-veel had, zag zij van hare rechten af. Zij had dadelijk ingezien, dat
-haar man niet met haar zoû meêleven, en zij niet met haar man, niet
-omdat hij geen goede man was, die veel van zijn vrouw hield, maar
-alleen omdat de post iederen dag tweehonderd brieven en stukken
-aanbracht. Zij had dadelijk gezien, dat zij in Laboewangi—waar niets
-was—haar troost moest vinden in haar huis, en later, in haar kind. Zij
-richtte haar huis in als een tempel van kunst en gezelligheid, en zij
-brak zich het hoofd over de opvoeding van haar kleinen jongen. Zij was
-een artistiek ontwikkelde vrouw, en zij kwam uit een artistiek milieu.
-Haar vader was Van Hove, onze beroemde landschapschilder; hare moeder
-was Stella Couberg, onze beroemde concertzangeres. Eva, opgevoed in een
-tehuis van kunst en muziek, en die ze geademd had van af klein kindje
-uit hare prenteboekjes, en in hare kinderliedjes—Eva had een
-Oost-Indisch ambtenaar getrouwd, en was hem gevolgd naar Laboewangi.
-Zij hield van haar man, een flinke Friesche kerel, en iemand, genoeg
-ontwikkeld om belang te stellen in veel. En zij was gegaan, gelukkig
-om haar liefde, en met groote illuzie over Indië, over al het
-oriëntalische der tropen. En zij had hare illuzie willen behouden, hoe
-men haar ook gewaarschuwd had. Reeds in Singapore had haar getroffen de
-bronzen beeldkleur der naakte Maleiërs en het bonte oriëntalisme der
-Chineesche en Arabische wijken; de Chrysanthème-poezie der Japansche
-theehuizen, die zij voorbijreed.... Maar spoedig al, in Batavia, was
-eene teleurstelling grijs neêrgezeefd over hare verwachtingen, om
-overal in Indië iets moois te zien, een sprookje, de
-Duizend-en-Een-Nacht. De zeden van het kleine, het gewone leven van
-iederen dag dempten al hare frissche lust tot bewonderen, en zij zag in
-eens al het belachelijke, nog vóor zij het mooie verder zien kon. In
-haar hôtel de heeren in nachtbroek en kabaai, uitgestrekt op de lange
-stoelen, de luie beenen op de uitgeslagen latten, de voeten—hoewel zeer
-verzorgd—bloot, en de teenen rustig bewegende in een gemoedelijk spel
-van groote en kleine teen, zelfs terwijl zij voorbijging.... De dames
-in sarong, kabaai—de eenige praktische morgendracht, die men vlug
-verwisselt, twee-, driemaal in den morgen,—maar wat zoo weinigen goed
-staat, en waarvan de rechte slooplijn van achteren vooral rechthoekig
-en leelijk is, hoe elegant en kostbaar men het ook draagt. De
-banaliteit der huizen met al hun kalk en hun teer en leelijke rissen
-bloempotten; het dorre verschroeide van de natuur, het viezige van den
-inlander... In het Europeesche leven al de kleine belachelijkheidjes:
-het sinjo-accent met de uitroepjes, de kleinsteedsche deftigheidjes der
-ambtenaren—de Raden van Indië alléen dragende een hoogen hoed... De
-streng afgemeten etiquettetjes: op een receptie vertrekt het eerst de
-hoogst geplaatste ambtenaar, en de anderen volgen na... En de kleine
-eigenaardigheidjes van tropische praktijk: de Devoe-kisten en blikken
-van petroleum gebruikt voor alles en nog wat: het hout voor ramen van
-winkels, voor vuilnisbakken en eigengemaakte meubeltjes; de blikken
-voor dakgoten en gieters en allerlei huiselijk instrument.... Het
-jonge, zeer ontwikkelde vrouwtje, met hare illuzies van den
-Duizend-en-Een-Nacht, bij die eerste indrukken niet onderscheidende het
-kolonialistische,—de praktijk van den Europeaan, die zich inburgert in
-een land, vijandig aan zijn bloed—van het waarlijk poëtische, echt
-Indische, zuiver Oostersche, louter Javaansche—het jonge vrouwtje had
-om al die belachelijkheidjes, en om meerdere nog, dadelijk gevoeld hare
-teleurstelling, als een ieder, artistiek aangelegd, ze voelt in het
-koloniale Indië, dat in het geheel niet artistiek en poëtisch is, en
-waar men om de rozen in witte potten, nauwgezet, zooveel paardevijgen
-maar mogelijk stapelt als mest, zoodat bij een bries de rozengeur zich
-vermengt met een frisch besproeiden meststank. En zij was
-onrechtvaardig geworden—als een ieder—echt Hollandsch, echt baar—het
-wordt voor het mooie land, dat hij zien wil volgens zijn voorbedachte
-vizie van litteratuur, en dat hem het eerst treft in zijn belachelijke
-kantjes van kolonialisme. En zij vergat, dat het land zelve, het
-oorspronkelijk zoo heel mooie land geen schuld had aan die
-belachelijkheid.
-
-Zij had een paar jaren doorgemaakt, en zij had zich verwonderd, was nu
-eens geschrikt, dan weêr geschokt, had nu eens gelachen, zich dan weêr
-geërgerd, en had zich eindelijk, met de redelijkheid van hare
-natuur,—en praktische weêrzijde van hare kunstziel,—gewend. Zij had
-zich gewend aan het spel der teenen, aan de mest om de rozen; zij had
-zich gewend aan haar man, die geen mensch en geen man meer was, maar
-ambtenaar. Zij had veel geleden, zij had wanhopige brieven geschreven,
-zij had van heimwee gesmacht naar het huis harer ouders, zij was op het
-punt geweest plotseling te vertrekken—maar zij had het niet gedaan, om
-haar man niet in eenzaamheid achter te laten, en zij had zich gewend,
-en zij had zich geschikt. Zij had behalve de ziel van een artist—haar
-pianospel was buitengewoon—het hart van een dapper vrouwtje. Zij was
-haar man lief blijven hebben en zij wist, dat zij hem toch een gezellig
-huis gaf. Zij dacht heel ernstig over de opvoeding van haar kind. En
-toen zij zich had gewend, werd zij rechtvaardiger en zag zij eensklaps
-veel van het mooie van Indië, waardeerde zij de statieuze gratie van
-een klapperboom, de exquize paradijssmaak van Indische vruchten, de
-pracht der bloeiende boomen, en had zij, in de binnenlanden, gezien den
-grootschen adeldom van die natuur, de harmonieën der berggolvingen, de
-sprokewouden van reuzevarens, de dreigende ravijnen der kraters, de
-spiegeltrapterrassen der liquide sawah’s, met het teedere groen der
-jonge padi, en, als een openbaring van artistieke vizie was haar
-geweest het karakter van den Javaan: zijne sierlijkheid, zijn gratie,
-zijn groet en zijn dans, zijn voorname aristocratie, zoo duidelijk
-dikwijls afstammeling van edel geslacht, van een oer-ouden adel, en
-zich modernizeerend tot diplomatische lenigheid, van nature aanbiddend
-het gezag, en noodlottig gerezigneerd onder het juk van die heerschers,
-wier gouden galonnen zijn ingeboren eerbied verwekken.
-
-Om zich had Eva altijd gezien, in haar vaders huis, de eeredienst van
-het artistieke en van het schoone, zelfs tot decadentie toe; rondom
-haar had men haar altijd gewezen, in een omgeving van louter mooie
-dingen, in mooie woorden, in muziek, op de gratie-lijn van het leven,
-en misschien te uitsluitend op die gratie-lijn alleen. En nu was zij te
-veel getraind in deze school der schoonheid om te blijven in hare
-teleurstelling en alleen te zien de kalk en het teer der huizen, de
-kleine aanstellerijen der ambtenaren, de Devoe-kisten en de
-paardenvijgen. Haar litteraire geest zag nu het paleis-achtige van die
-huizen, het typische van dien ambtenaarshoogmoed, die bijna niet anders
-zoû kunnen zijn, en al die détails zag zij nauwkeuriger, in geheel die
-Indische wereld zag zij ruimer, tot het haar openbaring bij openbaring
-werd. Alleen bleef zij voelen iets vreemds, iets, dat zij niet kon
-analyzeeren, iets van mysterie, en donker geheim, dat zij voelde
-aandonzen in de nachten.... Maar zij dacht, dat was niet meer dan
-stemming van duister en heel dicht loof, dat was als heel stille muziek
-van heel vreemde snaarinstrumenten, een mineur harpgeruisch in de
-verte, een vage stem van waarschuwing.... Een geruisch in den nacht,
-meer niet, en waarover zij poëtizeerde.
-
-Te Laboewangi—kleine binnenlandsche hoofdplaats—verbaasde zij dikwijls
-de verbinnenlandschte elementen, omdat zij had iets opgewondens, omdat
-zij was enthouziast, spontaan, blij te leven—zelfs in Indië—blij om de
-schoonheid van het leven, omdat zij had een gezonde natuur, zacht
-getemperd en weggedoezeld in een bekoorlijke aanstellerij van niets te
-willen dan het mooie, de mooie lijn, de mooie kleur, de kunstgedachte.
-Zij was aan die haar kenden, of antipathiek, of zeer sympathisch:
-weinigen voelden onverschilligheid voor haar. Zij had zich in Indië
-verworven een reputatie van bizonderheid: haar huis was bizonder, hare
-kleeding bizonder, de opvoeding van haar kind bizonder, hare ideeën
-waren bizonder, en alleen gewoon was haar Friesche man, bijna te gewoon
-in die omgeving, die geknipt scheen uit een tijdschrift voor kunst.
-Daar zij hield van gezelligheid, verzamelde zij om zich heen zooveel
-Europeesch element als maar mogelijk, dat wel zelden artistiek was,
-maar waarin zij toch bracht een prettigen toon, iets dat allen aan
-Holland deed denken. Dat clubje, die groep bewonderde haar, en volgde
-van zelve den toon, dien zij aangaf. Door hare meerdere ontwikkeling
-heerschte zij, zonderdat zij de heerschersnatuur had. Maar dat alles
-vond een ieder niet goed, en de anderen noemden haar excentriek. De
-club echter, de groep, bleef haar trouw, in de zachte loomheid van het
-Indische leven opgewekt door haar tot concerten, tot ideeën, tot
-levenslust.
-
-Zoo had zij om zich heen den dokter en zijn vrouw, den hoofd-ingenieur
-en zijn vrouw, den controleur-kotta en zijn vrouw, en soms, van
-buiten-af, een paar controleurs, een paar jonge employé’s van de
-suikerfabrieken. Dat was om haar heen een vroolijk troepje, waarin zij
-heerschte, met wie zij comedie speelde, pic-nics arrangeerde, en dat
-zij bekoorde door haar huis, en haar japonnen, en de epicuristische
-kunstlijn van haar leven. Zij vergaven haar alles wat zij niet
-begrepen—haar levens-esthetiek, haar muziek van Wagner—omdat zij hun
-vroolijkheid gaf, wat levenslust en gezelligheid in de doodschheid van
-hunne ver-Indisching. Daarvoor waren zij haar innig dankbaar. En zoo
-was het gekomen, dat haar huis eigenlijk middelpunt van het sociale
-leven van Laboewangi was geworden, terwijl het rezidentie-huis, er
-tegenover, zich in zijn waringin-schaduw met deftigheid terugtrok.
-Léonie van Oudijck was er niet ijverzuchtig om. Zij hield van hare
-rust, en zij liet dolgraag alles over aan Eva Eldersma. En zoo bemoeide
-Léonie zich met niets, niet met feesten, niet met muziek- en
-komedie-gezelschap, niet met liefdadigheid, en al de sociale plichten,
-die een rezidentsvrouw anders op zich voelt rusten, droeg zij op Eva
-over. Léonie had eens in de maand hare receptie, sprak iedereen aan,
-glimlachte tegen iedereen en gaf op Nieuwjaar haar jaarlijksch bal.
-Daarbij bepaalde zich het sociale leven in het rezidentie-huis. Zij
-leefde er verder in haar egoïsme, in de behagelijkheid, die zij
-egoïstisch voor zich om zich heen schiep, in haar roze gedroom van
-engeltjes en in wat zij er oogsten kon van liefde. Soms, periodiek, had
-zij behoefte aan Batavia en ging zij er een paar maanden heen. En zoo
-leefde zij, als rezidentsvrouw, haar eigen leven, en Eva deed alles, en
-Eva gaf den toon aan. Het gaf soms kleine naijver, bijvoorbeeld
-tusschen haar en de vrouw van den inspecteur van financiën, die vond,
-dat haar de eerste plaats toekwam na mevrouw Van Oudijck, en niet aan
-de vrouw van den secretaris. Dan was het een geharrewar met de Indische
-ambtenaars-etiquette en verhalen, praatjes deden de ronde, vergroot,
-verergerd, tot in de verst gelegen suikerfabriek van de rezidentie.
-Maar Eva stoorde zich niet aan de praatjes en zorgde liever voor wat
-gezelligheid in Laboewangi. En om iets goeds tot stand te brengen,
-heerschte zij, met haar clubje. Men had haar gekozen tot prezidente van
-het tooneelgezelschap Thalia, en zij nam aan, maar op voorwaarde, dat
-het reglement zoû worden afgeschaft. Zij wilde wel koningin zijn, maar
-zonder grondwet. Men zeide haar algemeen, dat dit toch niet ging: er
-was altijd een reglement geweest. Maar Eva antwoordde, dat zij met een
-reglement niet wilde prezideeren. Dan zoû zij liever alleen meêspelen.
-Men gaf toe: de grondwet van Thalia werd afgeschaft, Eva heerschte er
-absoluut, koos de stukken uit, verdeelde de rollen. En het was de
-bloeitijd van het gezelschap—men speelde, gedrild door haar, zoo goed,
-dat men van Soerabaia kwam om de voorstellingen in Concordia bij te
-wonen. De stukken, die men speelde, waren van een gehalte, als nimmer
-in Concordia was gespeeld.
-
-Het maakte haar weêr bemind, of in het geheel niet bemind. Maar zij
-ging door en zorgde voor wat Europeesche beschaving, om niet al te veel
-te „beschimmelen” in Laboewangi. En men deed laagheden om toch maar
-geïnviteerd te worden op hare dinertjes, die waren beroemd en berucht.
-Want zij eischte, dat hare heeren in rok kwamen en niet in hun
-Singaporesche jasjes, zonder hemd. Zij stelde rok en witte das in, en
-zij was onverbiddelijk. De dames waren als altijd gedecolleteerd, voor
-de koelte en vonden dat heerlijk. Maar hare arme heeren stribbelden
-tegen, pufden de eerste maal, kregen congestie in hun hoogen boord; de
-dokter beweerde, het was ongezond; de oudgasten beweerden, het was
-dolligheid en breken met alle goeie, oude, Indische gewoonten...
-
-Maar toen men eerst een paar maal gepufd had in dien rok en dien hoogen
-boord, vond iedereen de dinertjes van mevrouw Eldersma verrukkelijk,
-juist omdat ze zoo Europeesch werden gehouden.
-
-
-
-
-II.
-
-Eva ontving om de veertien dagen.
-
-—Hoor, rezident, het is geen receptie, verdedigde zij zich altijd tegen
-Van Oudijck. Ik weet heel goed, dat niemand mag recepieeren, in het
-binnenland, dan de rezident en de rezidente. Het is heusch geen
-receptie, rezident. Ik zoû niet durven het zoo te noemen. Ik hoû alleen
-maar open huis, om de veertien dagen, en ik vind het gezellig, als de
-kennissen dan komen... Het mag toch wel, niet waar, rezident, als het
-geen receptie is?
-
-Van Oudijck lachte dan vroolijk met zijn jovialen, militairen snorlach,
-en vroeg of mevrouwtje Eldersma hem voor den gek hield. Zij mocht
-alles, als zij maar voortging te zorgen voor wat gezelligheid, voor wat
-komedie, voor wat muziek, voor wat prettig sociaal samenleven. Dat was
-nu eenmaal de plicht, die op haar rustte: te zorgen voor het mondaine
-element in Laboewangi.
-
-Hare ontvangdagen hadden niets Indiesch. In het rezidentie-huis bij
-voorbeeld waren de recepties geregeld volgens het oud-Indiesch
-binnenlandsche gebruik: op de stoelen langs de wanden zaten al de dames
-naast elkaâr, en mevrouw Van Oudijck liep ze langs, praatte met ieder
-een oogenblik, staande, terwijl de dames bleven zitten; in een andere
-galerij onderhield zich de rezident met de heeren. Het mannelijke
-element mengde zich niet met het vrouwelijke. Bitter, port en ijswater
-werden rondgediend.
-
-Bij Eva liep men, wandelde men door de galerijen, zette zich hier,
-daar; men sprak met iedereen. Er heerschte niet de statigheid als in
-het rezidentie-huis, maar er was de chic van een Franschen salon, met
-een artistieke tint. En het was een gewoonte geworden, dat de dames
-zich meer kleedden voor Eva’s dagen dan voor de receptie’s bij den
-rezident; zij hadden bij Eva hoeden op, symbool van uiterste elegance
-in Indië. Gelukkig kon het Léonie niet schelen, het liet haar totaal
-onverschillig.
-
-In de middengalerij nu, op een divan, zat Léonie en bleef er zitten met
-de Raden-Ajoe, de vrouw van den Regent. Zij vond die oude gewoonte
-gemakkelijk; ieder kwam naar haar toe. Zij had op hare eigen receptie’s
-al zooveel te loopen, langs de rei dames aan den wand... Nu nam zij
-haar rust, bleef zitten, glimlachte tegen wie haar zijn compliment kwam
-maken. Maar verder was het een woelige beweging van gasten. Eva was
-overal.
-
-—Vindt u het hier mooi? vroeg mevrouw Van Does aan Léonie, met een blik
-over de middengalerij en haar oog gleed verwonderd langs de matte
-arabesken, als fresco, met calcarium op den zacht grijzen wand geverfd,
-langs de djati-houten lambrizeering, door handige Chineesche
-meubelmakers gesculpteerd volgens een teekening uit de Studio, langs de
-bronzen Japansche vazen op djati-houten piedestals, en waarin
-bamboetakken en boeketten van reuzebloemen zacht overschaduwden tot aan
-het plafond toe.
-
-—Vreemd... maar heel lief! Eigenaardig..., murmelde Léonie, wie Eva’s
-smaak steeds een raadsel was. In zich teruggetrokken als in een tempel
-van egoïsme, kon haar wat een ander deed en voelde, niet schelen, en
-ook niet hoe een ander zijn huis arrangeerde. Maar zij had hier niet
-kunnen wonen. Zij hield meer van hare lithogravure’s—Veronese, en
-Shakespeare, en Tasso—zij vond die deftig—dan van de mooie bruine
-fotografieën naar Italiaansche meesters, die Eva hier en daar op ezels
-had staan. Het meest hield zij van haar bonbon-doos, en de
-parfumerie-reclame met de engeltjes.
-
-—Vindt u die japon mooi? vroeg mevrouw Van Does weêr aan Léonie.
-
-—Jawel, glimlachte Léonie lief. Eva is heel knap; ze heeft die blauwe
-irissen zelve geschilderd op Chineesche zij....
-
-Zij zeide nooit iets anders dan lieve, glimlachende dingen. Zij sprak
-nooit kwaad; het was haar onverschillig. En zij wendde zich nu tot de
-Raden-Ajoe, en bedankte haar met lieve, slepende zinnen voor vruchten,
-die deze gezonden had. De Regent kwam haar aanspreken, en zij
-informeerde naar zijn beide zoontjes. Zij sprak in het Hollandsch, en
-de Regent en de Raden-Ajoe antwoordden in het Maleisch. De Regent van
-Laboewangi, Raden Adipati Soerio Soenario was nog jong, even dertig
-jaar, een fijn Javaansch gezicht als van een laatdunkende wajangpop,
-met een klein kneveltje, waaraan zorgvuldige puntjes gedraaid, en
-vooral een staarblik, die trof: een blik als in een voortdurende
-transe, een blik als peilende door de zichtbare werkelijkheid en ziende
-door ze heen, een blik uit oogen als kolen, soms dof en moê, soms
-opgloeiende als vonken van extaze en fanatisme. Hij had bij de
-bevolking—bijna slaafsch gehecht aan hunne Regentenfamilie—een faam van
-heiligheid en geheimzinnigheid, zonderdat men er ooit het ware van
-hoorde. Hier, in Eva’s galerij, maakte hij alleen een indruk van
-popperigheid, van voornamen Indischen prins: alleen zijn transe-oogen
-verbaasden. De sarong, glad om zijn heupen, viel van voren lang neêr in
-een bundel van platte, regelmatige plooien, die openwaaierden; hij
-droeg een wit gesteven hemd met diamanten knoopen, en een klein blauw
-dasje; daarover een blauw laken uniformbuis met gouden uniformknoopen,
-waarop de gekroonde W.; aan zijn bloote voeten staken zwart verlakte
-van voren opgepunte muilen; de hoofddoek, zorgvuldig met kleine plooien
-gekapt om zijn hoofd, gaf aan zijn fijne gezicht iets vrouwelijks, maar
-de zwarte oogen, nu en dan moê, vonkten telkens op in transe, extaze.
-In zijn blauw-en-gouden gordel, geheel van achteren, midden op den rug,
-stak de gouden kris; aan zijn kleine, slanke hand schitterde een groote
-steen en uit de zak van zijn buis wipte een cigarettekoker van gouden
-vlechtwerk. Hij zeide niet veel—soms keek hij of hij slaap had, dan
-weêr gloeiden-op zijn vreemde oogen—en op wat Léonie zeide, antwoordde
-hij bijna uitsluitend alleen met een kort en hakkerig:
-
-—Saja....
-
-Hij sprak de beide lettergrepen uit met een hard en sissend
-beleefdheidsaccent, op iedere silbe evenveel toon van nadruk. Hij
-vergezelde zijn beleefdheidswoordje met een kort, automatisch
-hoofdknikje. Ook de Raden-Ajoe, gezeten naast Léonie, antwoordde zoo:
-
-—Saja....
-
-Maar zij lachte telkens even na, zacht verlegen. Zij was nog heel jong,
-misschien even achttien jaar. Zij was een Solosche prinses, en Van
-Oudijck kon haar niet uitstaan, omdat zij Solosche manieren, Solosche
-zeggingen invoerde te Laboewangi, in haar laatdunkenden hoogmoed of
-niets zoo voornaam en zuiver aristocratisch zoû zijn als wat gewoonte
-was en gezegd werd aan het hof van Solo. Zij gebruikte hofwoorden, die
-de bevolking te Laboewangi niet begreep, zij had den Regent opgedrongen
-een koetsier van Solo, met de Solosche galadracht: de pruik en den
-valschen knevelbaard, waarnaar de bevolking tuurde met open oogen. Hare
-gele tint was nog lichter opgeblankt door een lichte laag van bedak,
-vochtig opgelegd, de wenkbrauwen waren even opgebogen met een streekje
-zwart; in hare glanzende kondé staken juweelen spelden en in het
-midden, een kenanga-bloem. Zij droeg op een kainpandjang [12], die naar
-Solosche hofdracht lang sleepte voor hare voeten, een kabaai van rood
-brokaat, met galon afgezet, en met drie groote juweelen gesloten. Twee
-fabelsteenen trokken, zwaar in zilver gezet, hare ooren neêr. Zij droeg
-lichte à-jour kousen en gouden sonket- [13]muilen. Hare kleine, dunne
-vingertjes waren stijf van ringen, als gezet in brillant, en zij had
-een waaier van wit pluimendons in de hand.
-
-—Saja.... saja.... antwoordde zij hoffelijk, met haar verlegen lachje.
-
-Léonie zweeg even, moê van alleen te praten. Als zij den Regent en de
-Raden-Ajoe gesproken had over hun zonen, wist zij niet veel meer te
-zeggen. Van Oudijck, die eerst door Eva was rondgeleid door hare
-galerijen—want er was altijd weêr iets nieuws te bewonderen,—naderde
-zijn vrouw; de Regent rees op.
-
-—En Regent, vroeg hij, in het Hollandsch—; hoe gaat het met de
-Raden-Ajoe Pangéran?
-
-Hij informeerde naar de weduwe van den ouden Regent, de moeder van
-Soenario.
-
-—Heel goed.... dank u.... murmelde de Regent in het Maleisch; maar mama
-is niet meêgekomen.... al zoo oud.... gauw moê.
-
-—Ik heb u even te spreken, Regent.
-
-De Regent volgde Van Oudijck in de voorgalerij, waar niemand was.
-
-—Het spijt mij, u te moeten zeggen, dat ik zoo pas weêr slechte tijding
-heb van uw broêr, de Regent van Ngadjiwa.... Men heeft mij
-geïnformeerd, dat hij dezer dagen weêr gedobbeld en groote sommen heeft
-verloren. Weet u daar iets van?
-
-De Regent sloot zich als op in zijn popperige strakheid, en bleef
-zwijgen. Alleen zijn oogen staarden, als zag hij verre dingen, door Van
-Oudijck heen.
-
-—Weet u daar iets van, Regent?
-
-—Tida....
-
-—U, als hoofd van uw familie, draag ik op daarnaar te informeeren en op
-uw broeder te letten. Hij dobbelt, hij drinkt, hij doet uw naam geen
-eer aan, Regent. Als de oude Pangéran ooit had kunnen vermoeden, dat
-zijn tweede zoon zich zoo vergooide, zoû hij groot verdriet gehad
-hebben. Hij droeg zijn naam hoog. Hij was een der verstandigste en
-edelste Regenten, die het Gouvernement ooit op Java heeft gehad, en u
-weet, hoe het Gouvernement den Pangéran waardeerde. Al in den tijd der
-Compagnie is Holland veel verschuldigd geweest aan uw geslacht, dat
-haar altijd trouw was. Maar de tijden schijnen te veranderen.... Het is
-zeer treurig, Regent, dat een oude Javaansche familie van zoo hooge
-traditie als de uwe, niet meer getrouw weet te blijven aan die
-traditie....
-
-Raden Adipati Soerio Soenario werd olijfbleek. Zijn transe-oogen
-doorstaken den rezident, maar hij zag, dat deze ook kookte van woede.
-En hij doofde den vreemden vonk van zijn blik in een slaperige moêheid.
-
-—Ik dacht, rezident, dat u altijd liefde gevoeld had voor mijn huis,
-murmelde hij, bijna klagend.
-
-—En u heeft goed gedacht, Regent. Ik had den Pangéran lief. Ik heb
-altijd uw huis bewonderd, en ik heb het altijd hoog willen houden. Ik
-wil het ook nu hoog houden, met u samen, Regent, hopende, dat u niet
-alleen ziet—als uw faam gaat—de dingen der andere wereld, maar ook de
-werkelijkheid rondom u heen. Maar het is uw broeder, Regent, dien ik
-niet liefheb en onmogelijk kan hoogachten. Men heeft mij gezegd—en die
-het mij zeiden, kan ik vertrouwen,—dat de Regent van Ngadjiwa niet
-alleen heeft gedobbeld.... maar ook, dat deze maand de traktementen der
-hoofden te Ngadjiwa niet door hem zijn uitbetaald....
-
-Zij zagen elkaâr strak aan, en de kalme, flinke blik van Van Oudijck
-ontmoette den transe-vonk van den Regent.
-
-—De personen, die u inlichten, kunnen zich vergissen...
-
-—Ik vermoed, dat zij mij niet zulke berichten zullen brengen zonder de
-onbetwijfelbaarste zekerheid... Regent, deze zaak is zeer kiesch.
-Nogmaals: u is het hoofd van uw familie. Onderzoek bij uw jongeren
-broêr in hoeverre hij zich vergrepen heeft aan het geld van het
-Gouvernement, en herstel zoo spoedig mogelijk alles. Ik laat expres de
-zaak aan u over. Ik zal uw broêr er niet over spreken om een lid van uw
-familie nog te sparen, zoolang ik kan. Het is aan u uw broêr terecht te
-wijzen, hem te wijzen op wat in mijn oogen een misdaad is, maar die u
-door uw prestige als chef der familie nog te niet kunt doen. Verbied
-hem te dobbelen en beveel hem zijn passie meester te worden. Of anders
-voorzie ik zeer treurige dingen en zal ik uw broêr moeten voordragen
-voor ontslag. U weet zelve hoe ongaarne ik dit zoû doen. Want de Regent
-van Ngadjiwa is de tweede zoon van den ouden Pangéran, dien ik hoog heb
-gesteld, evenals ik uw moeder, de Raden-Ajoe Pangéran, altijd alle
-verdriet zoû willen besparen.
-
-—Ik dank u... murmelde Soenario.
-
-—Bedenk goed wat ik u zeg, Regent. Als u niet uw broêr tot rede kunt
-brengen, tot zelfbeheersching in zijn hartstocht—als de traktementen
-der hoofden niet zoo spoedig mogelijk worden uitbetaald.... dan zal IK
-moeten optreden. En zoû MIJNE waarschuwing niet helpen... dan zoû het
-de ondergang zijn van uw broêr. U weet zelve: een Regent ontslaan is
-een zoo groote exceptie, dat het schande over uwe familie zoû brengen.
-Werk met mij meê het geslacht der Adiningrats daarvoor te bewaren.
-
-—Ik beloof het u... murmelde de Regent.
-
-—Geef mij uw hand, Regent.
-
-Van Oudijck drukte de dunne vingers van den Javaan.
-
-—Kan ik u vertrouwen? vroeg hij nog eens.
-
-—In leven, in dood...
-
-—Laat ons dan nu naar binnen gaan. En deel mij zoo spoedig mogelijk uw
-bevindingen meê...
-
-De Regent boog. Hij was olijfbleek van een stille geheimzinnige woede,
-die als een kratervuur in hem werkte. Zijn oogen, achter in Van
-Oudijcks rug, priemden met een mysterie van haat den Hollander toe, den
-minnen Hollander, den burgerman, den onreinen hond, den goddeloozen
-Christen, die niet hàd aan te roeren met eenige voeling van zijn vuile
-ziel iets van hèm, van zijn huis, van zijn vader, van zijn moeder, van
-hunne oer-heilige edelheid en adel... ook al hadden zij altijd gebogen
-onder den druk van wie sterker was...
-
-
-
-
-III.
-
-—Ik heb op jullie gerekend, om te blijven eten, zei Eva.
-
-—Natuurlijk, antwoordden de controleur Van Helderen en zijn vrouw.
-
-De receptie—geen receptie, verdedigde zich Eva altijd—liep ten einde:
-de Van Oudijcks, het eerst, waren vertrokken; de Regent volgde. De
-Eldersma’s bleven met hun intiem troepje alleen: dokter Rantzow, de
-hoofdingenieur Doorn de Bruijn, met hunne vrouwen, en de Van Helderens.
-Zij zetten zich in de voorgalerij met een zekere ontspanning neêr, en
-schommelden behagelijk. Whiskey-soda’s, limonades, met groote brokken
-ijs, werden rondgediend.
-
-—Altijd stampvol, receptie van Eva, zei mevrouw Van Helderen. Voller
-dan verleden bij residèn ...
-
-Ida Van Helderen was een typetje van blanke nonna. Zij probeerde altijd
-heel Europeesch te doen, netjes Hollandsch te spreken; zelfs gaf zij
-voor, dat zij slecht Maleisch sprak, en dat zij noch van rijsttafel,
-noch van roedjak hield. Zij was klein, regelmatig molligjes; zij was
-heel blank, bleek-blank, met groote zwarte verwonderde oogen. Zij was
-vol kleine geheimzinnige nukjes, haatjes, liefde-tjes; alles sprong in
-haar op met geheimzinnige drijfveertjes, niet na te gaan. Soms haatte
-zij Eva, soms was zij dol op haar. Staat was er totaal niet op haar te
-maken; iedere handeling, iedere beweging, ieder woord kon een
-verrassing zijn. Zij was altijd verliefd, tragisch. Zij nam al hare
-kleine gevallentjes heel tragisch op, heel groot en somber—zonder het
-minste idee van verhouding—en stortte zich dan uit bij Eva, die lachte
-en haar troostte. Haar man, de controleur, was nooit in Holland
-geweest: hij had zijne opvoeding geheel te Batavia gehad aan het
-Gymnazium Willem III en aan de Indische Afdeeling. En het was zeer
-vreemd te zien, deze kreool, schijnbaar geheel Europeaan, lang, blond,
-bleek, met zijn blonde snor, met zijn blauwe oogen van levendige
-uitdrukking, vol belangstelling, met zijn manieren van een fijnere
-hoffelijkheid dan den gigrl-sport-chic van Europa, en toch zoo niets
-Indiesch in ideeën, woorden, kleeding; die sprak over Parijs en Weenen,
-alsof hij er jaren geweest was, terwijl hij Java nooit had verlaten,
-die dweepte met muziek—al was het hem ook moeilijk zich in Wagner te
-werken, als Eva dien speelde—; en wiens groote illuzie was het volgende
-jaar toch eindelijk eens naar Europa te gaan, met verlof, om de
-Fransche Expozitie te zien. Er was een verwonderlijke distinctie en
-ingeboren stijl in dezen jongen man, als was hij niet een kind van
-Europeesche ouders, die steeds in Indië waren geweest, als was hij een
-vreemdeling van een land onbekend, van een nationaliteit, die men zich
-niet dadelijk wist te herinneren.... Nauwlijks was er een zekere
-molligheid aan zijn accent—invloed van het klimaat—; hij sprak zijn
-Hollandsch zoo correct, dat het bijna stijf zoû geweest zijn tusschen
-het slordige „slang” van het moederland; en hij sprak zijn Fransch,
-zijn Engelsch, zijn Duitsch met meer gemak, dan de meeste Hollanders
-die talen spreken. Misschien had hij van een Fransche moeder dat
-exotisch beleefde en hoffelijke: ingeboren, prettig, natuurlijk. In
-zijn vrouw, ook van Fransche origine, gesproten uit een kreolenfamilie
-van Bourbon, was dat exotische een geheimzinnige mengeling geworden,
-die niets dan kinderlijkheid was gebleven: eene warreling van kleine
-gevoelentjes, kleine hartstochtjes, terwijl zij met haar groote,
-sombere oogen tragisch het leven probeerde te zien, dat zij alleen maar
-inkeek als een slecht geschreven novelletje.
-
-Zij meende nu verliefd te zijn op den hoofdingenieur, den doyen van het
-troepje, al grijzende, met een zwarten baard, en zij, tragisch, stelde
-zich scènes voor met mevrouw Doorn de Bruijn, een zware, placide,
-melancholieke vrouw. Dokter Rantzow en zijn vrouw waren Duitschers;
-hij, dik, blond, vrij vulgair, met een buikje; zij, met een helder
-Duitsch gezicht van prettige matrone, levendig Hollandsch sprekende met
-een Duitsch accent.
-
-Het was in dit clubje, dat Eva Eldersma heerschte. Behalve Frans van
-Helderen, de controleur, bestond het uit al heel gewone Indische en
-Europeesche elementen, menschen zonder kunstlijn, zooals Eva zeide,
-maar zij had niet anders kunnen kiezen, in Laboewangi, en daarom
-amuzeerde zij zich over de nonna-tragiekjes van Ida, en schikte zij
-zich naar de anderen. Haar man, Onno, als altijd moê van zijn werk,
-sprak niet veel meê, luisterde toe.
-
-—Hoe lang is mevrouw Van Oudijck te Batavia geweest? vroeg Ida.
-
-—Twee maanden, zei de doktersvrouw; heel lang dezen keer.
-
-—Ik heb gehoord, zei mevrouw Doorn de Bruijn—placide, melancholiek, en
-stil venijnig—dat dezen keer éen Raad van Indië, éen Directeur en drie
-jongelui uit den handel mevrouw Van Oudijck te Batavia hebben
-geamuzeerd.
-
-—En ik kan jullie verzekeren, begon de dokter; dat als mevrouw Van
-Oudijck niet geregeld naar Batavia ging, zij een weldadige kuur zoû
-missen, ook al doet zij die kuur op haar eigen houtje, en niet.... op
-mijn voorschrift.
-
-—Laat ons geen kwaad spreken! viel Eva bijna smeekend in. Mevrouw Van
-Oudijck is mooi—van een rustig Juno-mooi, met de oogen van Venus—en
-mooie menschen in mijn omgeving vergeef ik veel. En u, dokter...—zij
-dreigde hem met den vinger—; geen ambtsgeheimen verklappen. U weet,
-dokters in Indië zijn dikwijls al te openhartig omtrent de geheimen van
-hun patiënten. Ik heb, als ik eens ziek ben, nooit iets anders dan
-hoofdpijn. Zal u dat nooit vergeten, dokter?
-
-—De rezident was gepreoccupeerd, zei Doorn de Bruijn.
-
-—Zoû hij weten.... van zijn vrouw? vroeg Ida somber, met hare groote
-oogen vol zwart fluweelen tragiek.
-
-—De rezident is dikwijls zoo, zei Frans van Helderen. Hij heeft zijn
-buien. Hij is soms prettig, vroolijk, joviaal, zooals verleden op de
-tournée. Dan heeft hij weêr zijn sombere dagen, werkt, werkt, werkt, en
-bromt, dat er niet anders gewerkt wordt dan door hem....
-
-—Mijn arme miskende Onno! zuchte Eva.
-
-—Ik geloof, dat hij zich overwerkt, ging Van Helderen door. Laboewangi
-is een ontzettend druk gewest. En de rezident trekt zich te veel aan,
-zoowel in zijn huis, als buiten-af. Zoowel de verhouding met zijn zoon,
-als met den Regent.
-
-—Ik zoû den Regent laten springen, zei de dokter.
-
-—Maar dokter, zei Van Helderen. Zooveel weet je toch wel van onze
-Javaansche toestanden, om in te zien, dat dat zoo maar niet gaat. De
-Regentenfamilie is te éen met Laboewangi en te hoog in aanzien bij de
-bevolking....
-
-—Ja, ik ken de Hollandsche politiek.... De Engelschen handelen in
-Britsch-Indië hooger en willekeuriger met hun Indische prinsen. De
-Hollanders ontzien ze veel te veel.
-
-—Het zoû de vraag zijn, welke politiek op den duur de beste is, zei Van
-Helderen droog, die niet kon velen, dat een vreemdeling in een
-Nederlandsche kolonie iets afbrak. Toestanden van ellende en
-hongersnood als in Britsch-Indië kennen wij gelukkig bij ons niet.
-
-—Ik zag den rezident ernstig spreken met den Regent, zei Doorn de
-Bruin.
-
-—De rezident is te gevoelig, zei Van Helderen. Hij gaat zeer zeker
-gebukt onder dat langzaam verval van die oude Javaansche familie, die
-familie, die fataal ondergaat, en die hij hoog zoû willen houden. De
-rezident, hoe koel praktisch ook, heeft daarin iets van een poëet.
-Hoewel hij het niet zoû willen toegeven. Maar hij herinnert zich het
-glorieuze verleden van de Adiningrats, hij herinnert zich die laatste
-mooie figuur nog, den ouden nobelen Pangéran, en hij vergelijkt hem met
-zijn zonen, de een, een dweper, de ander een dobbelaar....
-
-—Ik vind onzen Regent—niet dien van Ngadjiwa: dat is een
-koelie—verrukkelijk! zei Eva. Ik vind hem een levende wajangpop. Alleen
-zijn oogen, daarvoor ben ik bang. Wat een verschrikkelijke oogen! Soms
-slapen ze, maar soms zijn ze als van een gek. Maar hij is zoo fijn, zoo
-voornaam. En de Raden-Ajoe ook is een exquis poppetje: saja.... saja...
-Ze zegt niets, maar ze ziet er decoratief uit. Ik ben altijd blij als
-ze mijn jour decoreeren, en ik mis iets, als ze er niet zijn. En dan de
-oude Raden-Ajoe Pangéran, grijs, waardig, een koningin....
-
-—Een dobbelaarster van het eerste water, zei Eldersma.
-
-—Ze verdobbelen alles, zei Van Helderen; zij en de Regent van Ngadjiwa.
-Ze zijn niet rijk meer. De oude Pangéran had prachtige
-waardigheids-insignën voor zijn gala, magnifique lansen, een juweelen
-sirih-doos, kwispedoren—nuttige voorwerpen!—van onschatbare waarde. De
-oude Raden-Ajoe heeft alles verdobbeld. Ik geloof, dat zij niets meer
-heeft dan haar pensioen, ik meen twee-honderd-veertig gulden. En hoe
-onze Regent al zijn neven en nichten in de Kaboepaten [14] onderhoudt
-volgens Javaansch gebruik is mij een raadsel.
-
-—Welk gebruik? vroeg de dokter.
-
-—Iedere Regent verzamelt zijn geheele familie als parasiten om zich
-heen, kleedt ze, voedt ze, geeft ze zakgeld.... en de bevolking vindt
-dat waardig en chic.
-
-—Treurig.... die vervallen grootheid! zei Ida, somber.
-
-Een jongen kwam zeggen, dat het diner gereed was en men begaf zich naar
-de achtergalerij, en zette zich aan tafel.
-
-—En wat is er in het vooruitzicht, mevrouwtje? vroeg de hoofdingenieur.
-Welke plannen zijn er? Laboewangi is stil geweest, den laatsten tijd.
-
-—Eigenlijk is het vreeslijk, zei Eva. Als ik jullie niet had, zoû het
-vreeslijk zijn. Als ik niet altijd plannen maakte, ideeën had, zoû het
-vreeslijk zijn, zoo een bestaan in Laboewangi. Mijn man voelt dat niet,
-hij werkt, zooals u, heeren, allen werken; wat kan men in Indië anders
-doen dan werken, trots de warmte. Maar voor ons vrouwen! Eigenlijk, wat
-een leven, als men zijn geluk niet geheel schept uit zichzelve, in zijn
-huis, in zijn kringetje—als men het geluk heeft dat kringetje te
-hebben. Niets van buiten af. Geen schilderij, geen beeld, dat men ziet;
-geen muziek, die men hoort. Wees niet boos, Van Helderen. Je speelt
-allerliefst violoncel, maar niemand in Indië blijft op de hoogte. De
-Italiaansche opera speelt den Trouvère. De dilettanten-gezelschappen—in
-Batavia heusch heel goed—spelen... den Trouvère. En jij, Van
-Helderen... spreek het niet tegen. Ik heb je extaze gezien, toen de
-Italiaansche opera uit Soerabaia verleden keer in de Societeit... den
-Trouvère kwam spelen. Je was verrukt.
-
-—Er waren mooie stemmen bij...
-
-—Maar twintig jaar geleden—zoo hoor ik—was men hier ook verrukt over...
-den Trouvère. O, het is verschrikkelijk! Soms... in eens, beklemt het
-me. Soms voel ik in eens, dat ik mij niet gewend heb aan Indië, en dat
-ik nooit zal wennen, en heb ik een heimwee naar Europa, naar leven!
-
-—Maar Eva... begon Eldersma, bang—bang, dat zij waarlijk eens gaan zoû,
-hem alleen laten in zijn dan totaal vreugdeloos werkleven te
-Laboewangi—; soms waardeer je toch ook Indië, je huis, het prettige,
-ruime leven...
-
-—Materieel...
-
-—En waardeer je hier je werkkring; ik meen, het vele, dat je hier doen
-kan.
-
-—Wat? Feesten arrangeeren? Fancy-fairs arrangeeren?
-
-—De eigenlijke rezidente ben jij, Eva, zei Ida dwepend.
-
-—Nu komen wij gelukkig weêr op mevrouw Van Oudijck, plaagde mevrouw
-Doorn de Bruijn.
-
-—En op het ambtsgeheim, zei dokter Rantzow.
-
-—Neen, zuchtte Eva. Wij moeten iets nieuws hebben. Bals, feesten,
-pic-nics, bergtochten... we hebben al alles uitgeput. Ik weet niets
-meer. De Indische druk komt op me neêr. Ik ben in een van mijn
-neêrslachtige buien. Ik vind die bruine gezichten van mijn jongens in
-eens griezelig om me. Soms maakt Indië me bang. Voelen jullie dat geen
-van allen? Een vage angst, een geheimzinnigheid in de lucht, iets
-dreigends... Ik weet het niet. De avonden zijn soms zoo vol
-geheimzinnigheid en er is iets mysterieus in het karakter van den
-inlander, die zoo ver van ons staat, zooveel van ons verschilt...
-
-—Artistieke gevoelens, plaagde Van Helderen. Neen, ik voel dat niet.
-Indië is mijn land.
-
-—Type! plaagde hem Eva terug. Hoe ben je zooals je bent? Zoo curieus
-Europeesch; Hollandsch kan ik het niet noemen.
-
-—Mijn moeder was een Française.
-
-—Maar je bent toch een njò; hier geboren, hier opgevoed... En je hebt
-niets van een njò. Ik vind het heerlijk je ontmoet te hebben, ik hoû
-van je als varieteit... Help mij dan ook. Opper iets nieuws. Geen bal
-en geen bergtocht. Ik heb behoefte aan iets nieuws. Anders krijg ik het
-heimwee naar de schilderijen van mijn vader, naar den zang van mijn
-moeder, naar ons mooi artistiek huis in Den Haag. Zonder iets nieuws ga
-ik dood. Ik ben niet als je vrouw, Van Helderen, altijd verliefd.
-
-—Eva! smeekte Ida.
-
-—Tragisch verliefd, met haar mooie, sombere oogen. Altijd eerst op haar
-man en dan op een ander. Ik ben nooit verliefd. Zelfs niet meer op mijn
-man. Hij wel op mij. Maar ik heb geen liefdenatuur. Er wordt hier in
-Indië wel veel gedaan aan liefde, niet waar dokter. Dus.... geen bal,
-geen bergtocht, geen liefde. Mijn God, wat dan, wat dan....
-
-—Ik weet wel iets, zei mevrouw Doorn de Bruijn, en over hare placide
-melancholie kwam een plotselinge angst. En ter zijde keek zij mevrouw
-Rantzow aan, de Duitsche vrouw begreep haar blik....
-
-—Wat dan? vroegen zij allen, nieuwsgierig.
-
-—Tafeldans, fluisterden de beide dames.
-
-Men lachte algemeen.
-
-—Ach, zuchte Eva, teleurgesteld. Een truc, een aardigheid, een spel
-voor een avond. Neen, ik moet iets hebben om minstens gedurende een
-maand mijn leven te vullen.
-
-—Tafeldans, herhaalde mevrouw Rantzow.
-
-—Wil ik u wat vertellen, zei mevrouw Doorn de Bruijn. Verleden, voor de
-aardigheid, probeerden wij een knaap te laten dansen. Wij beloofden
-elkaâr heel eerlijk te zijn. De tafel... bewoog, en spelde: tikte
-volgens het alfabet.
-
-—Maar was het eerlijk? vroegen de dokter, Eldersma, Van Helderen.
-
-—U moet ons vertrouwen, verdedigden zich de twee dames.
-
-—Top, zeide Eva. Wij hebben met ons diner gedaan. Laat ons tafeldans
-doen.
-
-—Wij moeten elkaâr belooven eerlijk te zijn.... zei mevrouw Rantzow. Ik
-zie.... dat mijn man antipathiek zal zijn. Maar Ida.... een groot
-medium.
-
-Zij stonden op.
-
-—Moet het licht uit? vroeg Eva.
-
-—Neen, zei mevrouw Doorn de Bruijn.
-
-—Een gewoon knaapje?
-
-—Een houten knaap.
-
-—Met ons achten?
-
-—Neen, laten wij eerst kiezen; bijvoorbeeld, jij Eva, Ida, Van Helderen
-en mevrouw Rantzow. De dokter is antipathiek, Eldersma ook. De Bruijn
-en ik kunnen jullie afwisselen.
-
-—Vooruit dan, zei Eva. Een nieuwe ressource voor het maatschappelijk
-leven van Laboewangi. En eerlijk....
-
-—Wij geven elkaâr, als vrienden, ons woord van eer.... dat wij eerlijk
-zullen zijn.
-
-—Top, zeiden zij allen.
-
-De dokter grinnikte. Eldersma haalde zijn schouders op. Een jongen
-bracht een knaapje. Zij zetten zich om het houten tafeltje en legden
-luchtig de vingers op, elkaâr nieuwsgierig, wantrouwig aankijkende,
-mevrouw Rantzow plechtig, Eva geamuzeerd, Ida somber, Van Helderen
-onverschillig glimlachende. Eensklaps kwam een strakke trek over het
-mooie nonna-gezichtje van Ida.
-
-De tafel trilde....
-
-Men keek elkaâr verschrikt aan, de dokter grinnikte.
-
-Toen, langzaam, lichtte de tafel een van hare drie pooten op, en zette
-die weêr voorzichtig neêr.
-
-—Heeft iemand bewogen? vroeg Eva.
-
-Zij knikten allen van neen. Ida was bleek geworden.
-
-—Ik voel trillingen in mijn vingers, murmelde zij.
-
-De tafel, nog eens, lichtte haar poot op, draaide even knarsend op den
-marmeren vloer een nijdigen kwartcirkel, en zette de poot met een ruwen
-stamp neêr.
-
-Zij keken elkaâr verwonderd aan.
-
-Ida zat als wezenloos, starende, de vingers uitgespreid, als extatisch.
-
-En de tafel, voor de derde maal, lichtte haar poot op.
-
-
-
-
-IV.
-
-Het was zeker heel vreemd.
-
-Eva twijfelde even of mevrouw Rantzow de tafel oplichtte, maar toen zij
-de Duitsche doktersvrouw vragend aanzag, schudde deze het hoofd en zag
-zij, dat zij eerlijk was. Nog eens beloofde men elkaâr volle
-zekerheid.... En toen men dus zeker van elkander was in vol vertrouwen,
-was het allervreemdst, dat de tafel voortging met nijdig knarsende
-halfcirkels en met de poot te heffen en te tikken op den marmeren
-vloer.
-
-—Openbaart zich hier een geest? vroeg mevrouw Rantzow, met een blik
-naar de poot van de tafel.
-
-De tafel tikte eens: ja.
-
-Maar toen de geest zijn naam zoû spellen, de letters van zijn naam zoû
-tikken volgens de letters van het alfabet, kwam er:
-
-—Z, X, R, S, A,
-en was de openbaring niet te volgen.
-
-Plotseling echter, ging de tafel haastig spellen, als zat iemand haar
-op de hielen... Men telde de tikjes en er kwam:
-
-—Le... onie Ou... dijck ...
-
-—Wat is er van mevrouw Van Oudijck....?
-
-Er kwam een ruw woord.
-
-De dames schrikten, behalve Ida, die als in een transe zat.
-
-—De tafel heeft gesproken? Wat heeft die gezegd? Wat is mevrouw Van
-Oudijck? riepen de stemmen door elkaâr.
-
-—Het is ongelooflijk! murmelde Eva. Zijn wij allen eerlijk?
-
-Ieder zwoer zijn eerlijkheid.
-
-—Laten wij heusch eerlijk zijn, anders is er geen aardigheid aan.... Ik
-woû zoo gaarne, dat ik zeker kon zijn....
-
-Dat wilden zij allen: mevrouw Rantzow, Ida, Van Helderen, Eva. De
-anderen staarden nieuwsgierig toe, geloovende, maar de dokter geloofde
-niet: hij grinnikte.
-
-Maar de tafel knarste nijdig en tikte en de poot herhaalde:
-
-—Een....
-
-En de poot herhaalde het ruwe woord.
-
-—Waarom? vroeg mevrouw Rantzow.
-
-De tafel tikte.
-
-—Schrijf op, Onno! zei Eva tot haar man.
-
-Eldersma zocht een potlood, papier, schreef op.
-
-Er kwamen drie namen: een van een Raad van Indië, een van een
-Directeur, een van een jong mensch van den handel.
-
-—Als in Indië de menschen niet kwaad spreken, spreken de tafels kwaad!
-zei Eva.
-
-—De geesten.... murmelde Ida.
-
-—Dit zijn meestal spotgeesten, doceerde mevrouw Rantzow.
-
-Maar de tafel tikte voort....
-
-—Schrijf op, Onno! zei Eva.
-
-Eldersma schreef.
-
-—A-d-d-y! tikte de poot.
-
-—Neen! riepen alle stemmen door elkaâr, heftig ontkennend. Nu vergist
-de tafel zich! Ten minste de jonge de Luce is nog nooit met mevrouw Van
-Oudijck samen genoemd.
-
-—T-h-e-o! verbeterde toen de tafel.
-
-—Haar stiefzoon! Het is verschrikkelijk! Dat is wat anders! Algemeen
-bekend! riepen de stemmen, toestemmende uit.
-
-—Maar dat weten wij! zei mevrouw Rantzow, met haar blik naar de poot
-van de tafel. Kom, zeg nu iets, dat wij niet weten? Kom nu, tafel; kom
-nu, geest!
-
-Zij sprak lief overtuigend tot de tafelpoot. Men lachte. De tafel
-knarste.
-
-—Ernstig zijn! waarschuwde mevrouw Doorn de Bruijn.
-
-De tafel bonsde neêr op Ida’s schoot.
-
-—Adoe! riep het mooie nonna-tje, als ontwakende uit hare transe. Tegen
-mijn buik....!
-
-Men lachte, men lachte. De tafel draaide boos rond, en zij stonden van
-hunne stoelen op, de handen op het knaapje en volgden de nijdige
-walsbeweging van het tafeltje meê.
-
-—Het... volgende... jaar... tikte de tafel.
-
-Eldersma schreef op.
-
-—Ontzettende... oorlog...
-
-—Tusschen wie en wie...?
-
-—Europa... en... China.
-
-—Dat klinkt als een sprookje! grinnikte dokter Rantzow.
-
-—La... boe... wangi, tikte de tafel.
-
-—Wat? vroegen zij.
-
-—Is... een ... gat...
-
-—Zeg nu iets ernstigs, tafel, smeekte mevrouw Rantzow lief, met hare
-prettige Duitsche matrone-manier.
-
-—Ge... vaar... tikte de tafel.
-
-—Waar?
-
-—Dreigt... ging de tafel voort... Laboe... wangi.
-
-—Gevaar dreigt Laboewangi?
-
-—Ja! tikte de tafel éens, nijdig.
-
-—Welk gevaar?
-
-—Opstand...
-
-—Opstand? Wie staan er op?
-
-—Binnen twee... maanden... Soenario...
-
-Men werd aandachtig.
-
-Maar de tafel, in eens, onverwachts, sloeg weêr tegen Ida’s schoot aan.
-
-—Adoe dan toch! riep het vrouwtje.
-
-De tafel wilde niet meer.
-
-—Moê... tikte ze.
-
-Men bleef de handen opleggen.
-
-—Uitscheiden... tikte de tafel.
-
-De dokter, grinnikend, legde zijn korte, breede hand op, als een dwang.
-
-—Vrek! schold de tafel uit, knarsend, draaiend. Ploert! schold ze
-verder.
-
-En er kwamen eenige vieze woorden na, aan het adres van den dokter, als
-riep een straatjongen ze na; vuile woorden, zonder slot, noch zin.
-
-—Wie verzint die woorden? vroeg Eva verontwaardigd.
-
-Klaarblijkelijk verzon niemand ze, noch de drie dames, noch Van
-Helderen, altijd zeer in de puntjes en die klaarblijkelijk
-verontwaardigd was over de ongegeneerdheid van den spotgeest.
-
-—Het is heusch een geest! zei Ida bleek.
-
-—Ik schei uit, zei Eva zenuwachtig en hief hare vingers op. Ik begrijp
-niets van dien onzin. Het is wel vermakelijk... maar de tafel is niet
-gewend aan fatsoenlijk gezelschap.
-
-—Wij hebben een nieuwe ressource voor Laboewangi! spotte Eldersma. Geen
-pic-nic meer, geen bal... maar tafeldans!
-
-—Wij moeten ons oefenen! zei mevrouw Doorn de Bruijn.
-
-Eva haalde de schouders op.
-
-—Het is onverklaarbaar, zeide ze. Ik kan niet anders gelooven, dan dat
-wij allen eerlijk waren. Het is niets voor Van Helderen om zulke
-woorden te suggereeren.
-
-—Mevrouw! verdedigde Van Helderen zich.
-
-—Wij moeten het meer doen, zei Ida. Kijk, daar gaat een hadji het erf
-af...
-
-Zij wees naar den tuin.
-
-—Een hadji? vroeg Eva.
-
-Zij zagen in den tuin. Er was niets te zien.
-
-—O, neen, zei Ida. Toch niet. Ik dacht, dat het een hadji was... Het is
-niets: de maneschijn...
-
-Het was al laat. Zij namen afscheid, lachende, vroolijk, zich
-verwonderende, maar geen verklaring vindende.
-
-—Als de dames nu maar niet zenuwachtig zijn geworden! zei de dokter.
-
-Neen, betrekkelijk waren zij niet zenuwachtig. Zij waren meer
-geamuzeerd, al begrepen zij niet.
-
-Het was twee uur, nu zij gingen. De stad was doodstil, sluimerende in
-de fluweelen schaduw der tuinen, terwijl de maneschijn stroomde.
-
-
-
-
-V.
-
-Den volgenden dag, toen Eldersma naar het bureau was en Eva
-huishoudelijk door haar huis liep, in sarong en kabaai, zag zij Frans
-van Helderen door den tuin komen.
-
-—Mag ik? riep hij.
-
-—Zeker! riep zij. Kom binnen. Maar ik ben op weg naar mijn goedang.
-[15]
-
-En zij toonde haar sleutelmandje.
-
-—Ik moet over een half uur bij den rezident zijn, maar ik ben te
-vroeg.... Daarom loop ik even aan.
-
-Zij glimlachte.
-
-—Maar ik ben bezig, hoor! zeide zij. Ga maar meê naar de goedang.
-
-Hij volgde haar: hij droeg een zwart lustre jasje, omdat hij straks
-naar den rezident moest.
-
-—Hoe is Ida? vroeg Eva. Heeft zij goed geslapen na de spiritistische
-séance van gisteren?
-
-—Zoo zoo, zei Frans van Helderen. Ik geloof niet, dat het goed voor
-haar is het weêr te doen. Zij werd telkens wakker met een schrik, ze
-viel me om den hals en vroeg vergeving, ik weet niet waarom.
-
-—Het heeft mij heelemaal niet nerveus gemaakt, zei Eva. Hoewel ik er
-niets van begrijp....
-
-Zij opende de goedang, zij riep hare kokkie, bedisselde met deze het
-eten. De kokkie was latta [16], en Eva had er pleizier in de oude meid
-te plagen.
-
-—La.... la-illa-lala! riep zij en de kokkie schrikte en riep terug,
-herstelde zich oogenblikkelijk, vergiffenis smeekend.
-
-—Boeang, kokkie, boeang! [17] riep Eva en de kokkie, gesuggereerd,
-gooide een tetampa [18] met ramboetans en mangistans neêr, dadelijk
-zich herstellende, smeekende, de verspreide vruchten oprapend—en haar
-hoofd schuddende en smakkende met de tong.
-
-—Kom, ga meê! zei Eva tot Frans. Anders breekt ze me straks mijn
-eieren. Ajo, kokkie, kloear! [19]
-
-—Ajo, kloear! herhaalde de latta kokkie. Alla, njonja, minta ampon
-[20], njonja, alla soeda njonja!
-
-—Kom nog even zitten, vroeg Eva.
-
-Hij volgde haar.
-
-—U is zoo vroolijk, zeide hij.
-
-—U niet?
-
-—Neen, ik ben melancholiek, den laatsten tijd.
-
-—Ik ook. Dat zei ik je gisteren. Het ligt in de lucht van Laboewangi.
-Wij moeten maar alles van onzen tafeldans verwachten.
-
-Zij zetten zich in de achtergalerij. Hij zuchtte.
-
-—Wat is er? vroeg zij.
-
-—Ik kan het niet helpen, zeide hij. Ik hoû van je, ik heb je lief.
-
-Zij zweeg even.
-
-—Alweêr, zeide zij verwijtend.
-
-Hij antwoordde niet.
-
-—Ik heb je gezegd, ik heb geen liefdenatuur. Ik ben koud. Ik hoû van
-mijn man, van mijn kind. Laat ons vrienden zijn, Van Helderen.
-
-—Ik strijd er tegen: het geeft niets.
-
-—Ik hoû van Ida, ik zoû haar voor niets ter wereld ongelukkig willen
-maken.
-
-—Ik geloof niet, dat ik ooit van haar gehouden heb.
-
-—Van Helderen....
-
-—Misschien alleen van haar mooie gezichtje. Maar hoe blank ook, zij is
-een nonna. Met haar kuurtjes, haar kinderachtige tragiekjes. Ik heb dat
-vroeger zoo niet ingezien. Nu zie ik het in. Ik heb wel voor u
-Europeesche vrouwen ontmoet. Maar u is mij een openbaring geweest, van
-al het bekoorlijke, gratieuze, artistieke in een vrouw.... Wat in u
-exotisch is, sympathizeert aan mijn exotisme.
-
-—Ik stel je vriendschap op hoogen prijs. Laat dat zoo blijven.
-
-—Soms ben ik net gek, soms droom ik.... dat wij samen in Europa reizen,
-in Italië, in Parijs zijn. Soms zie ik ons zamen, in een dichte kamer,
-bij een vuur, u pratende over kunst en ik over het modern-sociale van
-dezen tijd. Maar daarna zie ik ons intiemer.
-
-—Van Helderen....
-
-—Het geeft mij niet meer of u mij waarschuwt. Ik heb je lief, Eva,
-Eva....
-
-—Ik geloof, dat in geen land zooveel lief wordt gehad als in Indië. Het
-is zeker door de warmte...
-
-—Verpletter me niet onder je sarcasme. Geen vrouw heeft ooit zoo tot
-mijn geheele ziel en lichaam gesproken als jij, Eva....
-
-Zij haalde de schouders op.
-
-—Wees niet boos, Van Helderen, maar ik kàn niet tegen die banaliteiten.
-Laat ons verstandig zijn. Ik heb een charmante man, jij een lief
-vrouwtje. Wij zijn onderling goede, gezellige vrienden.
-
-—Je bent zoo koel.
-
-—Ik wil ons geluk van vriendschap niet bederven.
-
-—Vriendschap!
-
-—Vriendschap. Er is niets wat ik buiten het geluk in mijn huis zoo hoog
-waardeer. Ik zoû zonder vrienden niet kunnen leven. Gelukkig met mijn
-man, met mijn kind, heb ik daarna vrienden het eerst noodig.
-
-—Om je te bewonderen, om over ze te heerschen, zei hij boos.
-
-Zij zag hem aan.
-
-—Misschien, zeide zij koel. Ik heb misschien behoefte bewonderd te
-worden en te heerschen. Wij hebben allen onze zwakheden.
-
-—Ik heb de mijne, sprak hij bitter.
-
-—Kom, sprak zij, liever. Laat ons goede vrienden blijven.
-
-—Ik voel mij diep ongelukkig, zeide hij dof. Het is of ik alles gemist
-heb in mijn leven. Ik ben nooit van Java afgeweest, en ik voel iets
-onvolkomens in mij, omdat ik nooit sneeuw en ijs heb gezien. Sneeuw...
-dat is mij iets als een vreemde, onbekende zuiverheid. Waarheen ik
-verlang, kom ik zelfs nooit langs. Wanneer zie ik Europa? Wanneer dweep
-ik niet meer met den Trouvère en ben ik eens te Bayreuth? Wanneer
-bereik ik jou, Eva. Ik strek naar alles voelhorens uit, als een insect
-zonder vleugels... Wat is verder mijn leven. Met Ida, met drie
-kinderen, in wie ik hun moeder voorzie, jaren lang controleur blijven,
-dan—misschien, assistent-rezident worden... en het blijven. En dan
-eindelijk ontslag krijgen, of vragen, en te Soekaboemi gaan wonen,
-vegeteerende op een klein pensioen. Ik voel in mij alles verlangen naar
-het ledige...
-
-—Je hebt toch je werk lief, je bent een goed ambtenaar. Eldersma zegt
-het altijd: wie in Indië niet werkt en zijn werk niet liefheeft, is
-verloren....
-
-—Jij hebt geen natuur van liefde, en ik heb er geen van werken, van
-niets dan werken. Ik kan werken voor een doel, dat ik mooi voor mij
-zie, maar ik kan niet werken... om te werken en de leêgte van mijn
-leven te vullen.
-
-—Je doel is Indië...
-
-Hij haalde de schouders op.
-
-—Een groot woord, zeide hij. Dat kan zijn voor iemand als de rezident,
-wien het meêloopt in zijn carrière, die nooit heeft zitten turen op
-ranglijsten en heeft zitten speculeeren, op den een zijn ziekte en den
-ander zijn dood.... om promotie. Voor iemand als Van Oudijck, die
-waarlijk, in volle idealistische eerlijkheid meent, dat zijn doel Indië
-is, niet voor Holland, maar voor Indië zelf; voor den Javaan, dien hij,
-ambtenaar, beschermt tegen de willekeur van landheeren en planters. Ik
-ben cynischer aangelegd....
-
-—Maar wees niet lauw over Indië. Het is geen groot woord: ik voel het
-zoo. Indië is geheel onze grootheid, van ons, Hollanders. Hoor
-vreemdelingen spreken over Indië, zij zijn allen verrukt over de glorie
-ervan, over onze wijze van kolonizeeren.... Doe niet meê met onzen
-ellendigen Hollandschen geest in Holland, die niets van Indië weet, die
-altijd een woord van spot heeft voor Indië, in hun kleine, stijve,
-burgerlijke engdenkendheid....
-
-—Ik wist niet, dat u zoo met Indië dweepte. Gisteren nog voelde u hier
-angst, en verdedigde ik mijn land....
-
-—O, ik voel er de huivering van, de geheimzinnigheid in den avond,
-waarin iets schijnt aan te dreigen, ik weet niet wat: een bange
-toekomst, een gevaar voor ons, voor ons.... Ik voel, dat
-ik—persoonlijk—ver van Indië af blijf staan, al wil ik het niet.... Dat
-ik hier mis kunst, dat, waarin ik werd opgevoed. Dat ik hier mis in het
-leven van de menschen de mooie lijn, waarop mijn beide ouders mij
-altijd wezen.... Maar onrechtvaardig ben ik niet. En Indië, als onze
-kolonie, vind ik groot; ons, in onze kolonie, vind ik groot....
-
-—Vroeger misschien, nu verongelukt alles, nu zijn wij niet groot meer.
-U is een artistieke natuur: u zoekt, niettegenstaande u ze zelden
-vindt, tòch altijd de artistieke lijn in Indië. En dan komt dat groote,
-die glorie u voor den geest. Dat is de poëzie. Het proza is: een
-reusachtige maar uitgeputte kolonie, steeds uit Holland bestuurd met
-éen idee: winstbejag. De werkelijkheid is niet: de overheerscher groot
-in Indië, maar de overheerscher kleine armzielige uitzuiger; het land
-uitgezogen, en de werkelijke bevolking—niet de Hollander, die zijn
-Indiesch geld opmaakt in Den Haag; maar de bevolking, de Indosche
-bevolking, verknocht aan den Indischen grond,—neêrgedrukt in de
-minachting van den overheerscher, die éens die bevolking uit zijn eigen
-bloed verwekte—maar nú dreigende op te staan uit dien druk en die
-minachting.... U, artistiek, voelt het gevaar naderen, vaag, als een
-wolk, in de lucht, in den Indischen nacht; ik zie het gevaar al heel
-werkelijk oprijzen—voor Holland—zoo niet van Amerika en van Japan uit,
-dan uit Indië’s eigen grond.
-
-Zij glimlachte.
-
-—Ik hoû ervan als je zoo praat, zeide zij. Ik zoû je eindelijk gelijk
-geven.
-
-—Als ik met praten zoovéel bereiken kon! lachte hij bitter, opstaande.
-Mijn half uur is om: de rezident wacht mij en hij houdt er niet van een
-enkele minuut te wachten. Adieu, vergeef mij.
-
-—Zeg mij, zeide zij; ben ik coquet?
-
-—Neen, antwoordde hij. U is die u is. En ik kan niet anders, ik heb u
-lief.... Ik strek mijn arme voelhorens uit, altijd. Dat is mijn
-noodlot....
-
-—Ik zal u helpen mij te vergeten, zeide zij, met een lieve overtuiging.
-
-Hij lachte even, groette, ging. Zij zag hem oversteken den weg naar het
-rezidentie-erf, waar een oppasser hem tegemoet kwam....
-
-—Eigenlijk is het leven toch éen zelfbedrog, éen dwalen in illuzie,
-dacht zij droef, melancholiek. Een groot doel, een werelddoel.... of
-een klein doel voor zichzelf, voor zijn eigen lijf en ziel.... o God,
-wat is alles weinig! En wat dwalen wij rond, zonder iets te weten. En
-elk zoekt zich zijn doeletje, zijn illuzie. Gelukkig is alleen een
-exceptie, als Léonie van Oudijck, die leeft niet meer dan een mooie
-bloem, een mooi beest.
-
-Haar kindje dribbelde naar haar toe, een aardige, dikke, blonde jongen.
-
-—Kind! dacht zij. Wat zal het jou zijn? Wat zal jouw beurt je geven?
-Ach, misschien niets nieuws. Misschien een herhaling van wat al zooveel
-malen geweest is. Het leven is een roman, die zich telkens herhaalt....
-O, als men zich zoo voelt, dan drukt Indië!
-
-Zij omhelsde haar jongen, hare tranen dropen in zijn blonde krulletjes.
-
-—Van Oudijck zijn rezidentie; ik mijn kringetje van.... bewondering en
-heerschen;... Frans zijn liefde... voor mij... wij hebben allen ons
-speelgoed, zooals mijn kleine Onno met zijn paardje speelt. Wat zijn
-wij weinig, wat zijn wij weinig...! Ons geheele leven lang stellen wij
-ons aan, verbeelden ons van alles, denken lijn en richting en doel te
-geven aan ons arme dwaalleventje. O, hoe kom ik zoo, mijn kind? Mijn
-kind, en wat, wat zal het jou zijn??
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-
-I.
-
-Vijftien paal van Laboewangi, dertien paal van Ngadjiwa lag de
-suikerfabriek Patjaram, van de familie de Luce—half Indosch, half
-Solosch—vroeger millionair, door de laatste suikercrizis niet zoo rijk
-meer, maar toch nog een talrijk huisgezin onderhoudend. In deze
-familie, die zich steeds bij elkander hield—een oude moeder en
-grootmoeder, Solosche prinses; de oudste zoon, administrateur; drie
-dochters getrouwd en met haar mannen—employé’s—levende in de schaduw
-der fabriek; drie jongere zonen, werkzaam op de fabriek; de talrijke
-kleinkinderen, spelende om en bij de fabriek; de achterkleinkinderen
-kiemende om en bij de fabriek—in deze familie waren de oude Indische
-tradities bewaard, die—vroeger algemeen—tegenwoordig zeldzamer worden
-door een drukker Europeesch verkeer. De moeder-en-grootmoeder was een
-dochter van een Soloschen prins, getrouwd met een jongen, energieken
-avonturier en bohémien, van een adellijke Fransche familie uit
-Mauritius, Ferdinand de Luce, die, na eenige jaren zwerven en zoeken
-zijn plaats in de wereld, als hofmeester op een boot naar Indië was
-getogen, na allerlei levensverwisseling gestrand was te Solo en er
-beroemd was geworden om een gerecht van tomaten, en een van gefarceerde
-lomboks! [21] Door zijn recepten verschafte Ferdinand de Luce zich
-toegang tot den Soloschen prins, wiens dochter hij later huwde, en
-zelfs tot den ouden Soesoehoenan. Na zijn huwelijk was hij
-grondbezitter geworden, volgens den Soloschen adat vazal van den
-Soesoehoenan, wien hij iederen dag rijst en vruchten voor de
-huishouding der Dalem [22] zond. Toen had hij zich gelanceerd in de
-suiker, radende de millioenen, die een goedgunstig lot voor hem
-verborgen hield. Hij was gestorven vóor de crizis, in allen rijkdom en
-eer.
-
-De oude grootmoeder, in wie niets meer de jonge prinses herinnerde, die
-Ferdinand de Luce getrouwd had om vooruit te komen, werd door de
-bedienden en het Javaansche personeel van de fabriek nooit anders dan
-met een kruipenden eerbied genaderd, en ieder gaf haar den titel van
-Raden-Ajoe Pangéran. Zij sprak geen woord Hollandsch. Gerimpeld als een
-verschrompelde vrucht, met hare verdoofde oogen en hare verlepte
-sirih-mond, leefde zij rustig hare laatste jaren voort, altijd in een
-donkeren zijden kabaai, met juweelen gesloten aan hals en nauwe mouwen,
-vóor hare getaanden blik het vizioen van haar vroegere Dalem-grootheid,
-door haar verlaten uit liefde voor dien Franschen edelman-kok, die haar
-vader verlekkerd had met zijn recepten; in haar gedoofd gehoor het
-aanhoudend geruisch der centrifuges—als van
-stoombootschroeven—gedurende den maandenlangen maal-tijd—om zich heen
-haar kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen; de zonen en
-dochteren door de bedienden genoemd Raden en Raden-Adjeng, allen nog
-altijd omgeven door den bleeken aureool van hunne Solosche afkomst. De
-oudste dochter was gehuwd met een volbloed, blonden Hollander; de zoon,
-die op haar volgde, met een Armeniaansch meisje; de twee andere
-dochters waren gehuwd met Indo’s, beiden bruin, hunne kinderen,
-bruin,—getrouwd, en ook kinderen hebbend—zich mengende met de blonde
-familie der oudste dochter; en de glorie der geheele familie was de
-jongste zoon-en-broeder, Adrien of Addy, die Doddy van Oudijck het hof
-maakte, en, trots de drukte van den maal-tijd, telkens te Laboewangi
-was.
-
-In deze familie waren bewaard gebleven traditie’s, die al uitgestorven
-zijn,—zooals men zich ze herinnert bij Indische familie’s van jaren
-her. Hier vond men nog, op het erf, in de achtergalerij de tallooze
-baboe’s, van wie er eene alleen bedak fijn wrijft, een andere voor
-doepa [23] zorgt, een derde sambal stampt, allen met droomende oogen,
-met lenige, spelende vingers. Hier was het nog, dat de rei der schotels
-aan de rijsttafel geen einde nam; dat een lange rei bedienden—de een na
-den ander—weêr een andere sajoer, weêr een andere lodèh [24], weêr een
-andere ajam [25] plechtig ronddiende, terwijl, achter de dames gehurkt,
-de baboe’s in een aarden tjobè [26] sambal wreven naar de verschillende
-smaken en eischen der verwende verhemeltetjes. Hier was het nog de
-gewoonte, dat, als de familie de races bijwoonde te Ngadjiwa, elk der
-dames verscheen met een baboe achter zich, langzaam, lenig, plechtig;
-de eene baboe met een bedak-potje, de andere met een
-pepermunt-bonbonnière—een binocle—een waaier—een flacon, als een
-hofstoet met rijks-insignieën. Hier vond men ook nog de gastvrijheid
-van vroeger; de rei logeerkamers open voor wie aanklopte; hier kon men
-blijven zoolang men wilde; niemand vroeg naar reisdoel, naar datum van
-vertrek. Een groote eenvoud van ziel, een alomvattende hartelijkheid,
-gedachteloos en ingeboren, heerschte hier met een grenzelooze verveling
-en matheid, de ideeën geene, de woorden weinige, de zachte glimlach
-vergoedende idee en woord; het materieele leven zat-vol, den geheelen
-dag rondgedien van koele dranken en kwee-kwee’s en roedjak, drie
-baboe’s apart aangewezen om roedjak te maken en kwee-kwee. Tal van
-dieren over het erf: een kooi vol apen, eenige lorre’s, honden, katten,
-tamme badjings, en een kantjil: een klein exquis hertje, dat vrij
-rondliep. Het huis, gebouwd aan de fabriek, in den maal-tijd dreunende
-van het machine-gedruisch—het stoomboot-schroefgeluid—was ruim en met
-de oude, ouderwetsche meubels gemeubeleerd: de lage houten bedden met
-vier gesculpteerde klamboestijlen [27], de tafels met dikke pooten, de
-wipstoelen met bizonder ronde ruggen,—alles zooals men het niet meer
-zoû kunnen koopen, alles zonder éen moderne tint, behalve—alleen
-gedurende den maal-tijd—het electrische licht in de voorgalerij! De
-bewoners, altijd ongekleed, de heeren in het wit of blauw-gestreept; de
-dames in sarong en kabaai, zich bezig houdende met aap of lorre of
-kantjil, in eenvoud van ziel, met altijd de zelfde lieve aardigheid,
-langzaam en slepend, en het zelfde zachte lachje. De hartstochten, die
-er wel waren, sluimerden in, in dien zachten glimlach. Dan, de
-maal-tijd voorbij, alle drukte voorbij—als de rissen der suikerkarren,
-getrokken door de prachtige sappi’s [28], met glanzende bruine huiden,
-altijd en altijd meer riet aangebracht hadden over den met ampas [29]
-bedekten weg, die vernield was door de breede karresporen—; de bibit
-[30] voor het volgende jaar gekocht, de machines stil—plotselinge
-herademing uit den stagen arbeid, de zoo lange, lange Zondag, de rust
-van maanden, de behoefte aan feest en pret: het groote diner bij de
-landvrouw, met een bal en tableaux-vivants; het geheele huis vol
-gasten, die bleven en bleven, bekend en onbekend: de oude, gerimpelde
-grootmama, de landvrouw, de Raden-Ajoe, mevrouw de Luce, hoe men haar
-ook noemen wilde—beminnelijk met hare doffe oogen en haar sirih-mond,
-beminnelijk tegen iedereen, achter zich steeds een anak-mas, een
-„gouden kindje,” een opgenomen, arm prinsesje, dat haar, de groote
-prinses uit Solo, een gouden sirih-doos achterna droeg: een klein slank
-vrouwtje van acht jaar, het voorhaar met een franje geknipt, met natte
-bedak het voorhoofd geblankt, al ronde borstjes onder het roze zijden
-kabaaitje en de gouden miniatuur-sarong om de smalle heupjes, als een
-poppetje, een speelgoed voor de Raden-Ajoe, mevrouw de Luce, douairière
-de Luce. En voor de kampongs de volksfeesten, een al-oude mildheid,
-waarin geheel Patjaram deelde: volgens de traditie der millioenentijd,
-die altijd werd nagekomen, trots crizis en malaise.
-
-Het was nu na den maal-tijd en na de feesten een betrekkelijke rust in
-huis, en eene slepende Indische kalmte was ingetreden. Maar voor de
-feesten waren overgekomen mevrouw Van Oudijck, Theo en Doddy en zij
-logeerden gedurende enkele dagen nog te Patjaram. Om de ronde marmeren
-tafel, waarop glazen stroop, limonade, whiskey-soda zat een groote
-cirkel van menschen: zij spraken niet veel, zij schommelden behagelijk
-op en neêr, nu en dan wisselend een enkel woord. Mevrouw de Luce en
-mevrouw Van Oudijck spraken Maleisch, maar niet veel: een zachte,
-goedmoedige verveling zeefde neêr op zoo vele schommelende menschen.
-Vreemd was het te zien die verschillende types; de mooie melkblanke
-Léonie naast de geel gerimpelde Raden-Ajoe-douairière; Theo, Hollandsch
-blank en blond met zijn volle lippen van sensualiteit, die hij van
-zijne nonna-moeder had; Doddy, als een rijpe roos al met hare
-vonkel-irissen in de zwarte pupillen; de zoon-administrateur, Achille
-de Luce,—groot, forsch, bruin,—wiens gedachte alleen ging over zijn
-machinerieën en zijn bibit; de tweede zoon, Roger,—klein, mager,
-bruin,—boekhouder, wiens gedachte alleen ging over de winst van dat
-jaar, met zijn Armeniaansche vrouwtje; de oudste dochter, al oud,—dom
-leelijk, bruin,—met haar volbloed Hollandschen man, die er uitzag als
-een boer; de andere zonen en dochteren, in alle nuances van bruin, en
-niet dadelijk uit elkaâr te kennen; om hen heen de kinderen, de
-kleinkinderen, de baboe’s, de kleine gouden pleegkinderen, de lorre’s
-en de kantjil—en over al deze menschen en kinderen en beesten als
-uitgeschud éene goedhartigheid van samenleving, maar ook over alle de
-menschen éen trots op hun Solosche stammoeder, die achter hun aller
-hoofden een bleeken aureool van Javaansche aristocratie deed glimmen,
-waarop niet het minst fier waren de Armeniaansche schoondochter en de
-boersch Hollandsche schoonzoon.
-
-Het levendigst van al deze, door lang patriarchaal samenleven in elkaâr
-versmeltende elementen, was de jongste zoon, Adrien de Luce, Addy, in
-wien het bloed van de Solosche prinses en dat van den Franschen
-avonturier zich harmonieus vermengd hadden, menging, die hem wel geen
-hersenen had gegeven, maar een mooiheid van jongen sinjo, met iets van
-een Moor, iets verleidelijk zuidelijks, iets Spaansch,—alsof in dit
-laatste kind de beide zoo vreemde elementen van ras zich voor het eerst
-harmonieus hadden gepaard, voor het eerst zich hadden gehuwd in
-volkomen bekendheid met elkaâr—alsof in hem, dit laatste kind na
-zoovele kinderen, avonturier en prinses voor het eerst zich in harmonie
-hadden ontmoet. Iets van verbeelding of intellect scheen Addy niet te
-hebben, onmachtig twee denkbeelden te vereenigen tot éen groep van
-gedachte; voelen deed hij alleen met de vage goedhartigheid, die
-neêrgezeefd was over de héele familie, en verder was hij als een mooi
-dier, in zijn ziel en zijn hersenen ontaard, maar ontaard tot niets,
-tot éen groot niets, tot éene groote leêgheid, terwijl zijn lichaam
-geworden was als een wedergeboorte van ras, vol kracht en mooiheid,
-terwijl zijn merg en zijn bloed en zijn vleesch en zijn spieren
-geworden waren tot éene harmonie van fyzieke verleidelijkheid, zoo
-louter dom mooi zinnelijk, dat de harmonie dadelijk sprak tot een
-vrouw. Deze jongen had maar te verschijnen, als een mooie, zuidelijke
-god, of alle vrouwen zagen naar hem, en namen hem op in het diepe van
-hare verbeelding, om hem zich later weêr te roepen voor haar geest;
-deze jongen behoefde maar op een race-bal te Ngadjiwa te komen, of alle
-jonge meisjes waren op hem verliefd. Hij plukte de liefde, waar hij ze
-vond, volop in de kampongs van Patjaram. En alles wat vrouw was, was op
-hem verliefd, van af zijn moeder tot zijn kleine nichtjes. Doddy van
-Oudijck was smoorlijk op hem. Verliefd was zij van kindje van zeven al
-honderde malen geweest, op wien maar voorbijging voor den blik harer
-vonkel-irissen, maar zooals op Addy nog nooit. Het straalde zoo uit
-haar wezen, dat het was als een vlam, dat een ieder het zag, en
-glimlachte. Het maal-feest was haar geweest éene verrukking—als zij
-danste met hem; éene marteling—als hij danste met een ander. Hij had
-haar niet gevraagd, maar zij dacht hèm te vragen ten huwelijk, en te
-sterven als hij niet wilde. Zij wist, de rezident, haar vader, wilde
-niet; hij hield niet van die de Luce’s, van die Solosche-Fransche boel,
-als hij zeide, maar als Addy wilde, zoû haar vader toegeven, omdat zij,
-Doddy, anders zoû sterven. Voor dat kind van liefde was die jongen van
-liefde de wereld, het heelal, het leven. Hij maakte haar het hof, hij
-zoende haar stilletjes op den mond, maar niet meer dan hij,
-gedachteloos, andere deed; hij zoende andere meisjes ook. En kon hij,
-dan ging hij verder, natuurlijk weg, als een verzengende jonge god, een
-god zonder gedachte. Maar voor de dochter van den rezident had hij nog
-eenig ontzag. Hij had noch moed, noch brutaliteit, zonder veel passie
-van keuze, vindende een vrouw een vrouw, en zoo zat van overwinning,
-dat hinderpalen hem niet prikkelden. Zijn tuin was vol van bloemen, die
-zich alle hieven naar hem toe; hij strekte de hand uit, bijna zonder te
-zien: hij plukte maar.
-
-Terwijl zij schommelden om de tafel, zagen zij hem door den tuin
-aankomen en alle de oogen van die vrouwen gingen naar hem toe, als naar
-een jongen Verleider, die kwam in den zonneschijn, als een stralenkrans
-om hem heen. De Raden-Ajoe-douairière glimlachte en zag naar haar
-jongsten zoon, verliefd op haar kind, haar lieveling; achter haar, op
-den grond gehurkt, gluurde met groote oogen het gouden pleegkindje uit;
-de zusters keken uit, de nichtjes keken uit, en Doddy werd bleek, en
-Léonie van Oudijcks blanke melktint tintte zich met een rozen
-weêrschijn, die weggleed in den glans van haar glimlach. Werktuigelijk
-zag zij Theo aan; hunne oogen ontmoetten elkaâr. En deze zielen van
-liefde-alleen, van liefde der oogen, der monden, van liefde van het
-gloeiende vleesch, begrepen elkaâr, en Theo’s jalouzie gloeide zoo fel
-Léonie tegen, dat de roze weêrschijn bestierf, dat zij bleek werd en
-bang: een plotseling onberedeneerde angst, die door hare gewone
-onverschilligheid heenhuiverde, terwijl de Verleider, in zijn
-stralenkrans van zonneschijn, nader kwam en nader...
-
-
-
-
-II.
-
-Mevrouw Van Oudijck had beloofd nog een paar dagen te Patjaram te
-blijven, en zij zag hier eigenlijk tegen op, niet geheel thuis in dit
-element van ouderwetsche Indieschheid. Maar toen Addy verscheen, bezon
-zij zich. In het diepste geheim van zichzelve eerediende deze vrouw
-hare zinnelijkheid als in den tempel van haar egoïsme, offerde deze
-melkblanke kreole al het intieme van hare roze verbeelding, van haar
-onbluschbaar verlangen en in die eeredienst was zij als gekomen tot een
-kunst, een kennis, een wetenschap: die van met een enkelen blik vast te
-stellen, voor zich, wat haar aantrok in den man, die haar naderde; in
-den man, die haar voorbijging. In den eene was het zijn houding, was
-het zijn stem; in den andere was het de lijn van zijn nek op zijn
-schouders; in een derde was het zijn hand op zijn knie; maar wat het
-ook was, zij zag het dadelijk, met een enkelen blik; zij wist het
-oogenblikkelijk in een enkele seconde, zij had den voorbijganger
-geoordeeld in een ondeelbaar oogenblik, en zij wist dadelijk wien zij
-verwierp—en dat waren de meesten—en wien zij waardig keurde,—en dat
-waren er velen. En wien zij verwierp in dat ondeelbare oogenblik van
-haar opperste gerecht, met dien enkelen blik, in die enkele seconde,
-behoefde ook nooit te hopen: zij, priesteres, liet hem niet toe in den
-tempel. Voor de anderen was de tempel open, maar alleen achter het
-gordijn van hare correctheid. Hoe brutaal ook, zij was altijd correct,
-de liefde was altijd geheim; voor de wereld was zij niet anders dan de
-innemend glimlachende rezidentsvrouw, een beetje indolent; en die
-iedereen overwon met haar glimlach. Zag men haar niet, dan sprak men
-kwaad van haar; zag men haar, dan had zij dadelijk overwonnen. Tusschen
-allen, met wie zij het geheim van hare liefde deelde, was als een
-vrijmetselarij, als een mysterie van eeredienst: nauwlijks, even met
-elkaâr, fluisterden zij een paar woorden, bij eene zelfde herinnering.
-En glimlachend, melkblank, rustig, kon Léonie zitten in een grooten
-cirkel, om een marmeren tafel, met minstens twee, drie mannen, die
-wisten van het geheim. Het verstoorde niet hare rust en het bedierf
-niet haar glimlach. Zij glimlachte tot vervelens toe. Nauwlijks gleed
-haar blik van den een naar den ander, en oordeelde zij nog eens even
-na, met haar onfeilbare kennis van oordeel. Nauwlijks wolkten bij haar
-op de herinneringen aan de verleden uren, nauwlijks gedacht zij de
-afspraak voor den volgenden dag. Het was het geheim, dat alleen bestond
-in het mysterie van het samen-zijn, en dat immers nooit werd gesproken
-voor de profane wereld. Zocht in den cirkel een voet den hare, zij trok
-den hare terug. Zij flirtte nooit, zij was zelfs wel eens een beetje
-vervelend, stijf, correct, glimlachend. In de vrijmetselarij tusschen
-de geïnitieerden en haar gaf zij het mysterie bloot, maar voor de
-wereld, in de cirkels om de marmeren tafels, gaf zij zelfs geen blik,
-geen handdruk, zweemde haar japon zelfs geen broekspijp aan.
-
-Zij had zich die dagen verveeld te Patjaram, waar zij de invitatie voor
-het maal-feest had aangenomen, omdat zij vroegere jaren al geweigerd
-had, maar nu zij Addy zag naderen, verveelde zij zich niet meer.
-Natuurlijk kende zij hem al jaren lang en had zij hem zien opgroeien
-van kind tot jongen, tot man, en had zij hem als jongen zelfs wel eens
-gezoend. Al lang had zij hem geoordeeld, den verleider. Maar nu,
-terwijl hij kwam in den aureool van den zonneschijn, oordeelde zij hem
-nog eenmaal: zijn mooie, slanke dierlijkheid en het gloeien van zijn
-verleidersoogen in het schaduw-bruin van zijn jonge Moorengezicht, de
-krullende zwelling van zijn zoenlippen met het jonge dons van zijn
-knevel; het tijgersterke en lenige van zijn Don-Juanleden: het vlamde
-haar alles tegen, zoodat zij de oogen knipte. Terwijl hij groette, zich
-zette, een vroolijkheid van woorden rondgooide in dien cirkel vol loome
-spraak en sluimerende gedachten,—alsof hij een handvol van zijn
-zonneschijn, van het stofgoud zijner verleiding rondsmeet over allen,
-alle die vrouwen: moeder en zusters en nichtjes en Doddy en Léonie,—zag
-Léonie hem aan, zooals zij hem allen aanzagen, en haar blik gleed naar
-zijn handen. Zij had die handen kunnen zoenen, zij verliefde in eens op
-dien vorm van vingers, op die bruine tijgerkracht van palm; zij
-verliefde in eens op geheel het jonge wilde-dierachtige, dat als een
-geur van mannelijkheid wademde uit geheel dien jongen. Zij voelde haar
-bloed kloppen, nauwlijks betoombaar, trots hare groote kunst zich koel
-en correct te houden, in de cirkels om de marmeren tafels. Maar zij
-verveelde zich niet meer. Zij had een doel voor de volgende dagen.
-Alleen... zoo klopte haar bloed, dat Theo haar blos had gezien en de
-trilling van hare oogleden. Verliefd als hij op haar was, had zijn oog
-haar ziel doordrongen. En toen zij opstonden om te rijsttafelen, in de
-achtergalerij, waar de baboe’s al hurkten om in steenen potjes met
-stampers ieders verschillende oelèk [31] te wrijven, beet hij haar
-alleen dit woord toe:
-
-—Pas op!!
-
-Zij schrikte; zij voelde, dat hij haar dreigde. Dat was nooit gebeurd;
-allen, die gedeeld hadden in het mysterie, hadden haar altijd ontzien.
-Zij schrikte zoo, zij was zóo verontwaardigd om dat aanraken van het
-tempelgordijn—in een galerij vol menschen—dat het borrelde in hare
-rustige onverschilligheid, en dat zij tot opstand werd gewekt in hare
-altijd onbezorgde zelfkalmte. Maar zij zag hem aan, en zij zag hem
-blond, breed, groot, haar man in het jong, zijn Indische bloed alleen
-zichtbaar in de zinnelijkheid van zijn mond, en zij wilde hem niet
-verliezen: zij wilde zijn type hebben naast het type van den Moorschen
-verleider. Zij wilde hen beiden; zij wilde proeven het verschil van hun
-beider manne-bekoring; dat even ver-Indo’schte Hollandsche
-blond-en-blanke, en het wilde-dierachtige van Addy. Haar ziel trilde,
-haar bloed trilde, terwijl de lange rei der schotels plechtstatig
-rondging. Zij was zoo in opstand, als zij nog nooit was geweest. Het
-ontwaken uit hare placide onverschilligheid was als een wedergeboorte,
-als een onbekende emotie. Zij was verwonderd dertig te zijn, en dit
-voor het eerst te voelen. Een koortsachtige slechtheid bloeide in haar
-op, als met bedwelmende roode bloemen. Zij zag naar Doddy, zij zat
-naast Addy; zij kon bijna niet eten, het arme kind, gloeiende van
-liefde.... O, de Verleider, die maar had te verschijnen...! En Léonie,
-in die koorts van slechtheid, jubelde te zijn de mededingster van hare
-zooveel jongere stiefdochter.... Zij zoû voor haar passen, zij zoû
-zelfs Van Oudijck waarschuwen. Zoû het ooit tot een huwelijk komen? Wat
-kon het haar schelen: wat deerde haar, Léonie, huwelijk?! O, de
-Verleider! Nooit had zij hem, den oppersten, zoo gedroomd in haar roze
-uren van siësta! Dat was geen charme van cherubijntjes; dat was de
-sterke lucht van een tijgerbekoring: het goudgevonkel van zijn oogen,
-de spierlenigheid van zijn sluipende klauw.... En zij glimlachte tegen
-Theo, met éen blik van zich-geven: gróote zeldzaamheid in den cirkel
-van rijst-etende menschen. Zij gaf zich anders nooit, in publiek. Nu
-gaf zij zich even, blij om zijn jalouzie. Zij hield ook razend van hem.
-Zij vond het heerlijk, dat hij bleek en boos zag, van ijverzucht. En om
-haar heen was de zonnemiddag éen gloed en de sambal prikkelde haar
-droog verhemelte. Een licht zweet parelde aan hare slapen, hare borst
-perelde onder de kant der kabaai. En zij had tegelijk henbeiden willen
-omhelzen, Theo en Addy, in eene omhelzing, in éene mengeling van
-verschillende lust, ze beiden drukkende tegen haar lijf aan van
-liefdevrouw....
-
-
-
-
-III.
-
-Die nacht was als een dons van fluweel, loom neêrzevende uit de
-luchten. De maan, in haar eerste kwartier, vertoonde een heel smalle
-sikkel, horizontaal, als een Turksche halve-maan, aan wier punten het
-onverlichte gedeelte der schijf zich naïf uitstippelde tegen den nacht.
-Een lange laan van tjemara’s strekte zich uit voor het landhuis, de
-stammen recht, het loover als uitgeplozen pluche en gerafeld fluweel,
-watte-achtig gedot tegen de wolken aan, die laag drijvende al een maand
-te voren de naderende regenmoesson aankondigden. Woudduiven kirden soms
-en een tokkè sloeg, eerst met twee rammelende voorslagen, als bereidde
-hij zich; dan met zijn vier-, vijfmaal herhaalden roep van:
-
-—Tokkè, tokkè....! eerst krachtig, dan buigende en verzwakkende....
-
-De gardoè [32] in zijn huisje vóor aan den grooten weg, waaraan de
-slapende passer [33] nu zijn leêge stalletjes plekte, sloeg elf houten
-slagen op zijn tong-tong [34], en toen nog een heel laat karretje ging
-voorbij, riep hij met een schorre stem:
-
-—Werr-da!
-
-De nacht was als een dons van fluweel, loom neêrzevende uit de luchten,
-als een omwemelende geheimzinnigheid, als een beklemmende aandreiging
-van toekomst. Maar in die geheimzinnigheid, onder de geplozen zwarte
-watten, het gerafelde pluche der tjemara’s, was als een onontkoombare
-verlokking tot liefde, in den windloozen nacht, als een fluisteren om
-dit uur niet te laten voorbijgaan.... Wel als een spotgeest sarde de
-tokkè, droog komiek doende, en de gardoè met zijn: werda! deed
-schrikken, maar zachtjes kirden de woudduiven en geheel de nacht was
-als éen dons van fluweel, als éen groote alkoof, die het pluche der
-tjemara’s gordijnden, terwijl de zwoelte der verre regenwolken—die
-geheele maand aan den einder—omduizelde met een drukkenden toover.
-Geheimzinnigheid en betoovering dreven in den donzenden nacht, zeefden
-neêr in de alkoof, die schemerde, versmeltende alle denken en ziel en
-warm vizioenende voor de zinnen....
-
-De tokkè zweeg, de gardoè dommelde in: de donzen nacht heerschte, als
-een tooveres, gekroond met de sikkel der maan. Zij liepen zacht aan,
-twee gestalten van jeugd, de armen om elkaârs middel, mond zoekende
-mond in het dwingen van de betoovering. Zij schaduwden aan onder het
-geplozen fluweel der tjemara’s, en zacht, in hun witte kleêren,
-blankten zij aan, als het paar van liefde, dat eeuwig is, en zich
-altijd herhaalt, overal. En hier vooral was het paar van liefde als
-onvermijdelijk in den toovernacht, was het als éen met den nacht,
-opgeroepen door de tooveres, die heerschte—; hier was het fataal,
-opgebloeid als een dubbele bloem van noodlotliefde, in het donzen
-mysterie der dwingende luchten.
-
-En de Verleider scheen te zijn de zoon van dien nacht, de zoon van die
-onontkoombare koningin van den nacht, die het meisje, zwak, voerde meê.
-In hare ooren scheen de nacht te zingen met zijn stem en hare kleine
-ziel smolt vol van hare zwakte, in de magische machten. Zij liep-aan
-tegen zijn zijde, voelende zijne lijfswarmte dringen door hare
-verlangende maagdelijkheid heen, en haar blik zwom naar hem op, met de
-smachtingen van haar vonkel-iris, die op-diamantte in haar pupil. Hij,
-dronken door de macht van den nacht, de tooveres, die was als zijn
-moeder, dacht haar eerst verder te voeren, aan geen werkelijkheid meer
-denkende, zonder ontzag meer voor haar, zonder vrees meer voor wie
-ook—dacht haar verder te voeren, voorbij de gardoè, die dommelde, over
-den grooten weg, in de kampong, die daar school tusschen de
-statie-vederbossen der klapperboomen, als het baldakijn hunner
-liefde—haar te voeren naar een schuilplaats, een huis, dat hij kende,
-een bamboehut, die men voor hem zoû openen.
-
-Toen zij eensklaps stilhield en schrikte.
-
-En zijn arm omklemde en zich nog dichter drukte tegen hem aan en hem
-bezwoer van neen, dat zij bang was....
-
-—Waarom? vroeg hij zacht, met zijn stem van fluweel, even donzig diep
-als geheel de nacht was, waarom dan niet, van nacht, van nacht
-eindelijk, zonder gevaar zoû het zijn....
-
-Maar zij, ze rilde, ze sidderde en ze smeekte:
-
-—Addy, Addy, neen... neen... ik durf niet verder... ik ben bang, dat de
-gardoè ons ziet, en dan... daar loopt... een hadji... met een witten
-tulband op...
-
-Hij zag uit naar den weg; aan den overkant wachtte de kampong onder het
-baldakijn van de klapperboomen, met de bamboehut, die men zoû
-openen....
-
-—Een hadji....? Waar Doddy? Ik zie niemand....
-
-—Hij ging over den weg, hij keek naar ons om, hij zag ons, ik zag zijn
-oogen schitteren en hij is gegaan achter die boomen, in de kampong....
-
-—Lieveling, ik heb niets gezien....
-
-—Jawel, jawel, ik durf niet, Addy: o toe, laat ons teruggaan!!
-
-Zijn mooi Moorsch gezicht verduisterde: hij zag al het hutje zich
-openen door de oude vrouw, die hij kende, die hem aanbad als iedere
-vrouw hem aanbad, van zijn moeder af tot zijn kleine nichtjes.
-
-En nog eens poogde hij haar over te halen, maar zij wilde niet, zij
-bleef staan, zij klampte zich op hare voetjes. Toen keerden zij terug,
-en zwoeler waren de wolken, laag aan den horizon, en dichter was het
-dons van den nacht, als een warme sneeuw; voller, zwarter was het
-gerafel van de tjemara’s. Het landhuis schemerde op, onverlicht, diep
-in slaap. En hij smeekte haar, hij bezwoer haar hem dien nacht niet te
-verlaten, dat hij sterven zoû, dien nacht, zonder haar.... Al gaf zij
-toe, beloofde, hare armen om zijn hals.... toen zij weêr schrikte en
-weêr uitriep:
-
-—Addy.... Addy.... daar, alweêr.... die witte figuur....
-
-—Je schijnt overal hadji’s te zien! spotte hij.
-
-—Daar dan, kijk....
-
-Hij keek, hij zag waarlijk nu in de donkere voorgalerij een witte
-figuur hen naderen. Maar het was een vrouw...
-
-—Mama! schrikte Doddy.
-
-Het was werkelijk Léonie en ze kwam langzaam naar hen toe.
-
-—Doddy, zeide zij zacht. Ik heb overal naar je gezocht. Ik ben zoo bang
-geweest. Ik wist niet waar je was. Waarom ga je zoo laat nog wandelen?
-Addy.... ging zij zacht voort, lief moederlijkjes als tegen twee
-kinderen. Hoe kan je zoo doen, en zoo laat nog met Doddy wandelen. Je
-moet het heusch nooit meer doen, hoor! Ik weet wel, dat het niets is,
-maar als iemand het zag! Je moet me belooven het nooit meer te doen?!
-
-Zij smeekte het liefjes, innemend verwijtend, doende of zij hen wel
-begreep, of zij wel wist, dat zij voor elkaâr blaakten in den donzenden
-toovernacht, in hare woorden hen dadelijk vergevend. Zij zag er uit als
-een engel, met haar ronde, blanke gezicht in het loshangende golvende
-blonde haar; in de witte zijden kimono, die in soupele plooien om haar
-hing. En zij trok Doddy naar zich toe, en zoende het kind, en Doddy’s
-tranen wischte zij af. En toen, zachtkens, duwde zij Doddy weg, naar
-hare kamer in de bijgebouwen, waar zij veilig sliep tusschen zoovele
-andere kamers vol dochters en vol kleinkinderen van de oude mevrouw de
-Luce. En terwijl Doddy zacht weenend ging, naar de eenzaamheid van die
-kamer, sprak Léonie nog tegen Addy, zacht verwijtend, liefjes
-waarschuwend als een zuster nu, terwijl hij, mooi Moorsch bruin, met
-een verlegen blague voor haar stond. Zij waren in den schemer der
-donkere voorgalerij en buiten wierookte de nacht de onontkoombare
-walmen van weelde, van liefde, van donzend mysterie. En zij verweet en
-zij waarschuwde, en zij zeide, dat Doddy een kind was, en dat hij geen
-misbruik mocht maken.... Hij haalde zijn schouders op, hij verdedigde
-zich, met zijn blague: als stofgoud vielen zijn woorden op haar,
-terwijl als van een tijger zijn oogen vonkelden. Hem overredende toch
-voortaan arme Doddy te sparen, vatte zij zijne hand—zijn hand, waarop
-zij verliefd was—zijn vingers, zijn palm, die zij dien morgen, in hare
-verwarring, had kunnen kussen—en zij drukte die hand en zij weende
-bijna, en zij smeekte hem genade voor Doddy.... Hij merkte het
-eensklaps, hij zag haar aan met den bliksem van zijn wilde-dieren-blik
-en hij vond haar mooi, hij vond haar vrouw, melkblank, en hij wist haar
-priesteres vol geheime kennis.... En ook over Doddy sprak hij, haar
-dichter naderende, haar aanvoelende, drukkende tusschen zijn handen
-hare beide handen, haar doende begrijpen, dat hij begreep. En nog
-weenende doende en smeekende, leidde zij hem voort en zij opende hare
-kamer. Hij zag een flauw licht en haar meid, Oerip, die zich door de
-buitendeur verwijderde, en zich daar te slapen legde, als een trouw
-dier, op een matje. Toen lachte zij hem tegemoet, en hij, verleider,
-was verbaasd over den gloed van den lach van die blanke en blonde
-verleideres, die hare zijden kimono afwierp en als een beeld voor hem
-stond, naakt, hare armen breidende open....
-
-Oerip, buiten, luisterde even. En zij wilde, glimlachende, zich leggen
-te slapen, droomende van de mooie sarongs, die de Kandjeng haar morgen
-zoû geven, toen zij even schrikte en over het erf zag loopen, en
-verdwijnen in den nacht, een hadji met witten tulband...
-
-
-
-
-IV.
-
-Dien dag zoû de Regent van Ngadjiwa, de jongere broeder van Soenario,
-op Patjaram een bezoek komen brengen, omdat mevrouw Van Oudijck den
-volgenden dag vertrok. Men wachtte hem af in de voorgalerij,
-schommelend om de marmeren tafel, toen zijn rijtuig de lange avenue der
-tjemara’s binnenratelde. Zij stonden allen op. En nu vooral bleek het
-hoe hoog de oude Raden-Ajoe, de douairière, in aanzien was, hoe nauw
-verwant zij was aan den Soesoehoenan zelven, want de Regent stapte uit,
-en zonder een stap verder te doen, hurkte hij neêr op de eerste trap
-van de voorgalerij, en maakte eerbiedig de semba, terwijl, achter zijn
-rug, een volgeling, die de gesloten goud-en-witten pajong als een
-dichtgestraalde zon ophield, zich nog kleiner maakte en kromp in-een
-van vernietiging. En de oude vrouw, de Solosche prinses, die weêr de
-Dalem voor haar oogen zag schitteren, naderde hem, heette den Regent
-welkom in de hoffelijkheid van het paleis-Javaansch—de taal tusschen
-vorstelijke gelijken—tot de Regent oprees, en, achter haar, den
-familiekring naderde. En de wijze, waarop hij toen eerst groette de
-vrouw van zijn rezident, hoe beleefd ook, was bijna neêrbuigend,
-vergeleken bij zijn kruiperigheid van zoo even.... Hij zette zich toen
-tusschen mevrouw de Luce en mevrouw Van Oudijck, en een slepend gesprek
-begon. De Regent van Ngadjiwa was een ander type dan zijn broeder
-Soenario: grooter, grover, zonder dat levende wajang-poppige, van
-dezen: hoewel jonger, zag hij er ouder uit, zijn trekken verstard van
-hartstocht, zijn oogen verbrand van hartstocht: hartstocht voor
-vrouwen, voor wijn, hartstocht voor opium, hartstocht vooral voor spel.
-En een stille gedachte scheen op te vonkelen in dat slepende loome
-gesprek, zonder idee en de woorden zoo weinig, telkens gescandeerd door
-het hoffelijke: saja, saja, waarachtig zij allen verborgen hun geheime
-verlangen.... Men sprak Maleisch, omdat mevrouw Van Oudijck niet
-Javaansch dorst praten: de fijne, moeilijke taal, vol tinten van
-etiquette, waaraan nauwlijks een enkele Hollander zich waagt tegenover
-Javanen van rang. Zij spraken weinig, zij schommelden zacht; een vage
-glimlach van hoffelijkheid duidde aan, dat ieder meê deed met het
-gesprek, ook al wisselden alleen mevrouw de Luce en de Regent nu en dan
-een enkel woord.... Tot zij eindelijk, de de Luce’s, de oude mama, de
-zoon Roger, de bruine schoondochters, zich niet inhouden konden, zelfs
-niet voor mevrouw Van Oudijck en verlegen lachten, terwijl dranken en
-koek werden rondgediend; tot zij, trots hunne hoffelijkheid, elkaâr
-snel raadpleegden met een paar woorden Javaansch, over Léonie heen, en
-de oude mama eindelijk haar vroeg, zich niet meester meer, of zij het
-kwalijk zoû nemen, als zij een oogenblikje speelden. En zij zagen haar
-allen aan, de vrouw van den rezident, de vrouw van den gezagsman, die,
-zij wisten het, haatte hun dobbelspel: hun verderf, waarin verongelukte
-de hoogheid der Javaansche geslachten, die hij hoog wilde houden, trots
-henzelve. Maar zij, te onverschillig, dacht er niet aan met een enkel
-woord van tactvolle scherts hen te weêrhouden, haar man te wille: zij,
-de slavin van haar eigen hartstocht, liet hen slaven zijn van den
-hunne, in de wellust van hun slavernij. Zij glimlachte alleen, en
-duldde gaarne, dat in den schemer van de wijde vierkante binnengalerij
-zich de spelers trokken terug; de dames, nu begeerig tellende haar geld
-in haar zakdoek, wisselende bij de heeren, tot zij zich zetten dicht
-bij elkaâr, en, de oogen op de kaarten, de oogen spiedende in elkanders
-oogen, speelden en speelden eindeloos door, winnende, verliezende,
-betalende of opstrijkende, den zakdoek met geld even open en weêr
-dicht, zonder woorden, alleen met het klein vierkant gedwarrel der
-kaarten, in den schemer van het binnenvertrek. Speelden zij slikoer of
-„stooteren”? Léonie wist het niet, onverschillig, ver van die passie en
-blij, dat Addy naast haar bleef en Theo jaloersch hem aanzag. Wist hij
-wat, vermoedde hij iets; zoû Oerip altijd zwijgen? Zij genoot in de
-emotie en zij wilde hen beiden, zij wilde blank en bruin beide, en dat
-Doddy zat aan de andere zijde van Addy en, bijna verkwijnd, schommelde,
-deed haar een acuut en slecht pleizier. Wat was er anders in het leven,
-dan zich te laten gaan naar den drang van zijn weelde-verlangen? Zij
-had geen ambitie, onverschillig voor het hooge van hare pozitie; zij,
-de eerste vrouw der rezidentie, die al haar verplichting schoof op Eva
-Eldersma, wie het geen aandoening gaf, dat honderden op de receptie’s
-te Laboewangi, te Ngadjiwa en elders haar begroetten met eene
-plichtpleging, die zweemde naar vorstelijk eerbetoon,—die stilletjes,
-in haar roze pervers gedroom—een roman van Mendès in de handen—lachte
-om die overdrijving der binnenlanden, waarin de rezidentsvrouw een
-koningin kan zijn. Zij had geene andere ambitie dan den man te hebben,
-dien zij waardig koos; geen ander zieleleven dan de eeredienst van haar
-lichaam, als een Afrodite, die priesteres van zichzelve zoû zijn. Wat
-kon het haar schelen of zij daar speelden, of de Regent van Ngadjiwa
-zich verwoestte! Zij vond het integendeel belangrijk op zijn verteerd
-gezicht die verwoesting gade te slaan en zij zoû zorgen zichzelve nog
-meer dan gewoonlijk te verzorgen, zich door Oerip te laten masseeren
-haar gelaat en haar leden, door Oerip nog meer te laten bereiden de
-blanke liquide bedak, de wondercrême, tooverzalf, waarvan Oerip wist
-het geheim en die het vleesch hield hard en rimpelloos en blank als een
-mangistan. Zij vond het belangwekkend den Regent van Ngadjiwa te zien
-opbranden als een kaars, dom, versuft van vrouwen, wijn, opium,
-kaarten, misschien van kaarten het meest, van het versuffende turen op
-kaarten, dobbelende, de kans berekenend, die niet te berekenen was,
-bijgeloovig berekenend, uittellende volgens de wetenschap der petangans
-[35] den dag, het uur, dat hij spelen moest om te winnen, het aantal
-van de medespelers, de hoeveelheid van zijn inzet... Nu en dan zag zij
-ter sluiks naar de gezichten der spelers, in de binnengalerij
-verdonkerd in schemer en winzicht, en zij bedacht, wat Van Oudijck zoû
-zeggen, hoe boos hij zoû zijn, als zij hem hiervan vertelde.... Wat
-deerde het hem of die Regentenfamilie zich ruïneerde? Wat deerde haar
-zijn politiek, de geheele Hollandsche politiek, die zoo gaarne in
-waardig aanzien houdt den Javaanschen adel, door welken zij de
-bevolking regeert? Wat deerde haar of Van Oudijck, denkende aan den
-ouden nobelen Pangéran, weemoed voelde om den zichtbaren ondergang
-zijner kinderen? Haar deerde het alles niets, haar deerde nu alleen
-zichzelve, en Addy, en Theo. Zij zoû dien middag haar stiefzoon, haar
-blonde, toch zeggen, niet zoo jaloersch te zijn. Het werd zichtbaar,
-zij was zeker, dat Doddy het zag. Had zij gisteren het arme kind niet
-gered? Maar hoe lang zoû dat smachten duren? Zoû zij Van Oudijck liever
-niet waarschuwen, als een goede, voorzichtige moeder...? Hare gedachten
-dwaalden loom; de morgen was broeiend, in die laatste zengende dagen
-der Oostmoesson, wanneer klamheid op de leden parelt. Dan trilde haar
-lichaam. En Doddy latende met Addy, troonde zij Theo meê, en berispte
-hem, dat hij zoo jaloersch keek van machtelooze woede. Zij maakte zich
-een beetje boos en vroeg wat of hij wilde....
-
-Zij waren terzijde van het huis gegaan, in de lange zijgalerij; daar
-waren apen in een kooi, pisangschillen er om heen gestrooid, van de
-vruchten, die de beesten gegeten hadden, door de kleinkinderen gevoed.
-
-Reeds een paar maal had men gegongd voor de rijsttafel, en in de
-achtergalerij hurkten al de baboes, wrijvende een ieders sambal. Maar
-om de speeltafel scheen men niets te hooren. Alleen werden de
-fluisterende stemmen hooger, scheller, en zoowel Léonie en Theo, als
-Addy en Doddy luisterden op. Een twist scheen plotseling los te
-barsten, trots het gesus van mevrouw de Luce, tusschen Roger en den
-Regent. Zij spraken Javaansch, maar zij lieten de hoffelijkheid varen.
-Zij scholden als koelies elkaâr voor valschspelers uit. Telkens hoorde
-men het sussend gedoe van de oude mevrouw de Luce, bijgestaan door hare
-dochters en schoondochters. Maar ruw werden stoelen verzet, een glas
-brak, Roger scheen de kaarten woest neêr te gooien. Alle de vrouwen
-daarbinnen susten met hooge stemmen, met doffe stemmen, fluisterend,
-met uitroepjes, met kreetjes van genade en verontwaardiging. Aan alle
-hoeken van het huis luisterden de bedienden, talloos. Toen zakte de
-twist; lange verklaringen redeneerden nog boos op tusschen den Regent
-en Roger; de vrouwen susten: cht...! cht...! verlegen voor de
-rezidentsvrouw, uitkijkende waar zij toch was. En eindelijk werd het
-stil en gingen zij stil zitten, hopende, dat de twist niet te veel
-gehoord zoû zijn. Tot ten laatste, heel laat, bij drieën, de oude
-mevrouw de Luce, de dobbelpassie nog lichtende in hare uitgedoofde
-oogen, maar waardig verzamelende al haar prestige van prinses, in de
-voorgalerij kwam, en, doende of er niets gebeurd was, vroeg of mevrouw
-Van Oudijck aan tafel kwam.
-
-
-
-
-V.
-
-Ja, Theo wist. Hij had na de rijsttafel met Oerip gesproken en hoewel
-de meid eerst had willen ontkennen, bang de sarongs te zullen
-verliezen, had zij niet kunnen blijven liegen, heel zwakjes maar
-betuigend van neen, van neen.... En nog vroeg in dien zelfden middag,
-had hij Addy opgezocht, razend van jalouzie. Maar gekalmeerd had hem de
-onverschillige rust van dien mooien jongen, met zijn Moorsche gezicht,
-al zoo zat van zijn overwinningen, dat hijzelve nooit ijverzucht
-voelde. Gekalmeerd had hem die totale afwezigheid van een enkele
-gedachte in dien Verleider, die oogenblikkelijk vergat, na het uur van
-liefde, zoo harmonisch vergat, dat Addy met oogen van naïve verbazing
-had opgekeken, toen Theo, rood, ziedende, in zijn kamer gekomen was en,
-vóor zijn bed,—waarin hij lag geheel naakt, als zijne gewoonte was in
-zijn siësta, jong prachtig als brons, subliem als een antieke
-statue—had staan betuigen, dat hij hem op zijn gezicht zoû slaan.... En
-zoo naïf was Addy’s verbazing geweest, zoo harmonisch zijn
-onverschilligheid, zoo totaal scheen hij vergeten het liefde-uur van
-den vorigen nacht, zoo rustig had hij gelachen om het idee van te
-vechten om een vrouw, dat Theo was bedaard, en op den rand van zijn bed
-was gaan zitten. En toen had Addy—een paar jaren jonger, maar met zijn
-ongeëvenaarde ondervinding—hem toch gezegd, dat hij dat toch niet meer
-doen moest, zoo boos worden om een vrouw: een maîtresse, die zich gaf
-aan een ander. En bijna vaderlijk, meêlijdend, had Addy hem geklopt op
-den schouder, en omdat zij nu toch wisten van elkaâr, eens
-vertrouwelijk met elkaâr gesproken en elkander vertrouwelijk
-uitgehoord. Andere dingen vertrouwden zij elkander toe, over vrouwen,
-over meisjes. Theo vroeg of Addy Doddy zoû trouwen. Maar Addy zei, dat
-hij aan trouwen niet dacht, en dat de rezident ook niet zoû willen,
-omdat die van zijn familie niet hield en hen te Indiesch vond. Met een
-enkel woord liet hij toen uitkomen ook zijn trots op zijn Solosche
-afkomst, ook zijn trots op den aureool, die bleek glom achter alle
-hoofden der de Luce’s. En Addy vroeg Theo of hij wel wist, dat hij in
-de kampong een broêrtje had loopen. Theo wist van niets. Maar Addy
-verzekerde het hem: een zoontje van papa, hoor, uit den tijd, toen de
-oude nog controleur was geweest te Ngadjiwa; een kerel van hun
-leeftijd, geheel ver-njoòd: de moeder was dood. Misschien wist de oude
-het zelf niet, dat hij nog een kind in de kampong had zitten, maar het
-was waar, iedereen wist het; de Regent wist het, de patih wist het, de
-wedono wist het, en de minste koelie wist het. Een werkelijk bewijs was
-er niet, maar wat zoo geweten werd door de heele wereld, was even waar
-als het bestaan van de wereld. Wat de kerel deed? Niets, vloeken,
-betuigend, dat hij een zoon was van den Kandjeng Toean Residèn, die hem
-in de kampong liet verrekken. Waarvan hij leefde? Van niets, van
-hetgeen hij hoogweg bedelde, van wat men hem gaf, en dan.... van
-allerlei praktijken: van door de districten rondgaan, door alle
-dessa’s, en vragen of er niets te klagen viel en dan requestjes
-opstellen; van lui op te porren naar Mekka te gaan en hen passage te
-laten bespreken bij heel goedkoope stoombootonderneminkjes, waarvan hij
-stil agent was: hij ging dan tot in de verste dessa en toonde er
-reclameplaten, waarop een stoomboot vol Mekka-gangers, en de Kaaba, en
-het Heilige Graf van Mohammed. Zoo scharrelde hij rond, dikwijls
-gemengd in standjes, eens in een ketjoe-partij, soms gekleed met een
-sarong, soms met een oud gestreept katoenen pakje, en hij sliep nu hier
-en dan daar. En toen Theo verbaasd was, en zeide nooit iets gehoord te
-hebben van dien halven broêr, en nieuwsgierig was, stelde Addy voor hem
-eens op te gaan zoeken, als hij misschien te vinden was in de kampong.
-En Addy, vroolijk, nam vlug zijn bad, kleedde zich in een frisch wit
-pak, en zij gingen over den weg, langs de rietvelden de kampong in. Het
-duisterde al onder de zware boomen, de bananen hieven hun bladeren als
-frisch groene roeispanen op, en onder het statie-baldakijn der
-klapperboomen, scholen de bamboe-huisjes, dichterlijk oostersch,
-idyllisch met hun atap daken, de deurtjes dikwijls al dicht, en zoo ze
-openstonden, het zwarte verschietje naar binnen omlijstend, met de vage
-lijn van een baleh-baleh, waarop een duisterende figuur hurkte. De kale
-schurftige honden blaften; de kinderen, naakt, met belletjes aan den
-onderbuik, liepen weg en gluurden uit de huisjes: de vrouwen bleven
-rustig, den Verleider herkennend en vaag lachend, knippend de oogen als
-hij voorbij ging in zijn glorie. En Addy toonde het huisje waar zijn
-oude baboe woonde, Tidjem, de vrouw, die hem hielp, die altijd haar
-deur voor hem opende, als hij haar hutje noodig had, die hem aanbad,
-als zijn moeder hem aanbad en zijn zusters en zijn kleine nichtjes. Hij
-toonde Theo het huisje en dacht aan zijn wandeling van gisteren nacht,
-met Doddy, onder de tjemara’s. De baboe Tidjem zag hem en liep op hem
-toe, in verrukking. Zij hurkte bij hem neêr, zij omhelsde zijn been
-tegen haar verlepte borst, zij wreef haar voorhoofd tegen zijn knie,
-zij kuste hem op zijn witten schoen, zij zag hem aan in vervoering:
-haar mooien prins, haar Raden, dien zij gewiegd had als klein mollig
-jongske, in haar toen al verliefde armen. Hij klopte haar op den
-schouder en gaf haar een rijksdaalder, en hij vroeg haar of zij wist
-waar si-Oudijck was, omdat zijn broeder hem wilde zien.
-
-Tidjem stond op en zij wenkte hem meê: het was nog een heel eind
-loopen. En zij kwamen uit de kampong, op een open weg, waarlangs rails
-lagen en de krandjangs suiker vervoerd werden naar de prauwen, die aan
-een steiger daar, in den Brantas, lagen gereed. De zon ging onder, in
-een immense uitwaaiering van oranje straalbundels; als donker mollig
-fluweel gedoezeld tegen dien trots van gloed waren de verre
-geboomtelijnen, die de bibitvelden begrensden, nog niet beplant en
-liggende in sombere aarde-kleur van brake akkers uit; van de fabriek
-kwamen enkele mannen en vrouwen, zich begevende naar huis. Bij de
-rivier, bij den steiger, was onder een heiligen, vijfvoudigen, de vijf
-stammen in elkaâr vergroeiden, waringinboom met wijd uitwandelende
-wortels, een kleine passer van draagkeukentjes opgezet. Tidjem riep den
-veerman en hij zette hen over, over de oranje Brantas, in het laatste
-geel van de als een pauwestaart waaierende zon. Toen zij over waren,
-viel de nacht als met haastige wazen over elkaâr heen, en de wolken,
-die de geheele Novembermaand dreigden aan lage kimmen, drukten zwoel op
-de atmosfeer. En zij traden een andere kampong in, hier en daar
-opgelicht met een petroleumlichtje, neêrgezet, in een lang lampeglas,
-zonder ballon. Tot zij eindelijk kwamen bij een huisje, half van
-bamboe, half van Devoe-kist-planken; half met pannen, half met atap
-gedekt. Tidjem wees en, nog eens hurkend, en Addy’s knie omhelzend en
-kussend, vroeg zij verlof terug te gaan. Addy klopte op de deur: een
-gebrom, een gestommel rommelde binnen op, maar toen Addy riep, werd de
-deur met een schop geopend en de beide jongelui traden binnen in de
-eenige kamer van het huisje—half bamboe, half petroleum-plank: een
-baleh-baleh met een paar vuile kussens in een hoek, waarvoor een slap,
-chitsen gordijn bengelde—, een wrakke tafel met een paar stoelen—een
-petroleumlamp op, zonder ballon; en wat rommel van kleine
-benoodigdheden, gestapeld op een Devoe-kist in een hoek. Een verzuurde
-opiumlucht had alles doordrongen.
-
-En aan de tafel zat si-Oudijck met een Arabier, terwijl een Javaansche
-vrouw op de baleh-baleh hurkte, zich een sirihblad bereidend. Eenige
-bladen papier, die op de tafel lagen tusschen den Arabier en den sinjo,
-frommelde de laatste haastig bijeen, zichtbaar wrevelig over het
-onverwachte bezoek. Maar hij herstelde zich en joviaal doende, riep hij
-uit:
-
-—Zoo, Adipati, Soesoehoenan! Sultan van Patjaram! Suikerlord! Hoe maak
-je het, mooie vent, meidenkerel!
-
-Zijn joviale stortvloed van begroetingen hield niet op, terwijl hij de
-papieren bij elkander graaide en den Arabier een teeken gaf, waarop
-deze door de andere deur, achter, verdween.
-
-—En wien heb je daar bij je, Raden Mas Adrianus, lekkere Lucius...
-
-—Je broêrtje, antwoordde Addy.
-
-Si-Oudijck keek plotseling op.
-
-—O zoo, zeide hij, en hij sprak half Hollandsch, gebroken, Javaansch,
-Maleisch door elkaâr; ik herken hem, mijn echte. En wat komt de kerel
-doen?
-
-—Eens zien, hoe jij er uit ziet...
-
-De twee broêrs zagen elkander aan, Theo nieuwsgierig, blij dit te
-hebben uitgevonden, als een wapen tegen den oude, zoo dit wapen eens
-noodig bleek; de andere, si-Oudijck, geheim in zich houdende, achter
-zijne bruine slimme loergezicht, al zijne jalouzie, al zijne bitterheid
-en haat.
-
-—Woon je hier? vroeg Theo, om iets te zeggen.
-
-—Neen, ik ben op het oogenblik bij haar, antwoordde si-Oudijck met een
-hoofdbeweging naar de vrouw.
-
-—Is je moeder lang geleden gestorven?
-
-—Ja. De jouwe leeft nog, niet waar? Ze is in Batavia. Ik ken haar. Zie
-je haar ooit?
-
-—Neen.
-
-—Hm... Hoû je meer van je stiefmoeder?
-
-—Dat gaat nog al vrij wel, zei Theo droog. Ik geloof niet, dat de oude
-weet, dat je bestaat.
-
-—Jawel, dat weet hij wel.
-
-—Neen, ik geloof niet. Heb je ooit met hem gesproken?
-
-—Jawel. Vroeger al. Jaren geleden.
-
-—En...?
-
-—Het geeft niet. Hij zegt, dat ik zijn zoon niet ben...
-
-—Dat zal dan ook wel moeilijk uit te maken zijn.
-
-—Wettig ja. Maar het is een feit, en algemeen bekend. Bekend door heel
-Ngadjiwa.
-
-—Heb je niets geen bewijs?
-
-—Alleen de eed van mijn moeder, toen zij stierf, voor getuigen...
-
-—Kom, vertel mij eens het een en ander, zei Theo. Loop een eind met ons
-meê, hier is het benauwd...
-
-Zij gingen de hut uit, en door de kampongs slenterden zij terug,
-terwijl si-Oudijck vertelde. Zij liepen langs de Brantas, die avondvaag
-slingerde onder een gepoeier van sterren.
-
-Het deed Theo goed hiervan te hooren, van die huishoudster zijns
-vaders, uit diens controleurtijd, verstooten om een ontrouw, waaraan
-zij onschuldig was: het kind later geboren en nooit erkend, nooit
-gesteund; de jongen, zwervende van kampong tot kampong, romantisch prat
-op zijn ontaarden vader, dien hij uit de verte in het oog hield, hem
-volgende met zijn loerblik toen die vader assistent-rezident, rezident
-werd, trouwde, scheidde, weêr trouwde; te hooi en te gras wat leerende
-van schrijven en lezen van een magang, die hem bevriend was.... Het
-deed den echten zoon goed hiervan te hooren, omdat hij in het diepst
-van zich, hoe blond en hoe blank ook, meer was de zoon van zijn moeder,
-de nonna, dan de zoon van zijn vader; omdat hij in het diepst van zich
-dien vader haatte, niet om die aanleiding of deze reden, maar om een
-geheimzinnige bloed-antipathie, omdat hij zich, trots zijn voorkomen en
-voordoen van blonden en blanken Europeaan, geheimzinnig verwant voelde
-aan dezen onechten broêr, een vage sympathie voor hem voelde, beiden
-zonen van een zelfde moederland, waarvoor hun vader niet voelde dan
-alleen met zijn aangeleerde ontwikkeling: de kunstmatig, humaan
-aangekweekte liefde der overheerschers voor den overheerschten grond.
-Van zijne kinderjaren af, had Theo zich zoo gevoeld, ver van zijn
-vader; en later was die antipathie een sluimerende haat geworden. Het
-deed hem genoegen te hooren afbreken die onlaakbaarheid van zijn vader:
-edel mensch, hoog intègre ambtenaar, die zijn huisgezin liefhad, die
-zijn rezidentie liefhad, die den Javaan liefhad, die hoog wilde houden
-de Regentenfamilie—niet alleen omdat zijn instructie hem in het
-Staatsblad voorschreef den Javaanschen adel in aanzien te houden, maar
-omdat zijn eigen hart het hem zeide, als hij zich den nobelen Pangéran
-heugde.... Theo wist wel, dat zijn vader zoo was, zoo onlaakbaar, zoo
-hoog, zoo intègre, zoo edel, en het deed hem goed, hier, in den avond
-vol geheim aan de Brantas, te hooren tornen aan die onlaakbaarheid, aan
-dien hoogen, intègren adel; het deed hem goed te ontmoeten een
-verstooteling, die hem in éen oogenblik die hoog tronende vaderfiguur
-vuil gooide met slijk en smerigheid, hem neêrtrok van zijn voetstuk,
-hem laag deed zijn als ieder ander, zondig, slecht, harteloos, onedel.
-Een slechte blijdschap was er om in zijn hart, zooals er een slechte
-blijdschap was, dat hij bezat de vrouw van dien vader, die die vader
-aanbad. Wat te doen met dat donkere geheim wist hij nog niet, maar hij
-nam het tot zich als een wapen; hij wette het, daar in dien avond,
-terwijl hij uithoorde den kleurling met zijn loeroog, die uitvaarde en
-zich opwond. En Theo borg zijn geheim, borg zijn wapen diep bij zich.
-Grieven kwamen bij hem los, en ook hij nu, de echte zoon, schold op
-zijn vader, bekende hoe de rezident hem, zijn zoon, niet meer hielp
-vooruit te komen dan hij den eersten besten klerk zoû doen; hoe hij hem
-éenmaal had aanbevolen bij de directie van een onmogelijke onderneming,
-een rijstland, waar hij, Theo, niet langer had kunnen blijven dan een
-enkele maand, hoe hij hem daarna overgelaten had aan zijn lot, hem
-tegenwerkte als hij op concessie’s jaagde, zelfs in andere rezidentie’s
-dan Laboewangi, zelfs in Borneo, tot hij nu genoodzaakt was thuis te
-blijven hangen en klaploopen, niets vindende door zijn vaders schuld,
-getolereerd in dat huis, waar alles hem antipathiek was....
-
-—Behalve je stiefmoeder! viel droog in si-Oudijck.
-
-Maar Theo ging voort, zich nu gevende op zijn beurt en den broêr
-vertellende, dat al was hij erkend en gewettigd, het toch niet vet
-soppen zoû zijn. Zoo wonden zij zich beiden op, blij elkander ontmoet
-te hebben, bevriend in dit enkele uur. En naast hen liep Addy, zich
-verwonderend over die vlugge sympathie, maar verder zonder gedachte.
-Zij waren een brug overgegaan en met een omweg waren zij gekomen achter
-de fabrieksgebouwen van Patjaram. Hier nam si-Oudijck afscheid van hen,
-van Theo met een handdruk, waarin deze een paar rijksdaalders liet
-glijden, die gretig werden aangenomen, met een opflikkering van den
-loerblik, maar zonder een woord van dank. En langs de nu stille fabriek
-begaven Addy en Theo zich naar het landhuis: de familie liep buiten in
-den tuin en in de tjemara-laan. En terwijl de beide jongelui naderden,
-liep hen tegemoet het achtjarige gouden kindje, het pleegprinsesje van
-de oude mama, met haar franje van haar en haar gebedakte voorhoofdje,
-in haar rijke poppe-kleedijtje. Zij liep op hen toe en bij Addy bleef
-zij eensklaps staan en zag naar hem op. Addy vroeg wat zij wilde, maar
-het kind antwoordde niet, zag alleen naar hem op, en toen,
-uitstrekkende haar handje, vlijde zij hem over zijn hand met haar
-handje. Het was in het schuwe kind zoo duidelijk onweêrstaanbaar
-magnetisch: dat aanloopen, stilstaan, opkijken en vlijen, dat Addy luid
-oplachte, en zich bukte en haar luchtigjes kuste. Het kind, tevreden,
-huppelde terug. En Theo, nog opgewonden van dien middag, eerst door
-zijn gesprek met Oerip, door zijn verklaring met Addy, zijne ontmoeting
-met den halven broêr, zijne ontboezemingen over zijn vader—Theo, zich
-bitter voelende en interessant, was zoo geërgerd door dat onbelangrijke
-doen van Addy en het kleine kindje, dat hij, bijna boos, uitriep:
-
-—Ach jij.... jij wordt toch nooit iets anders dan een meidenvent!
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-
-I.
-
-Het was Van Oudijck meestal meêgeloopen in het leven. Uit eene
-eenvoudige, Hollandsche familie, zonder geld, was zijn jeugd geweest
-een harde, maar nooit wreede school van reeds vroegen ernst, van
-dadelijk stevig-aan werken, van reeds dadelijk uitkijken naar de
-toekomst, naar de loopbaan, naar de plaats, die hij zoo spoedig
-mogelijk eervol zoû willen innemen tusschen zijn medemenschen. Zijne
-Indologische studiejaren te Delft waren even genoeg vroolijk geweest,
-om hem te laten denken, dat hij jong was geweest, en omdat hij meê had
-gedaan aan een maskerade, meende hij zelfs, dat hij al een heel losse
-jeugd had gehad, van veel geld stuk slaan en geboemel. Zijn karakter
-was samengesteld uit veel stil Hollandsche degelijkheid, een meestal
-ietwat sombere en saaie levensernst van verstandelijke praktijk: gewend
-uit te zien naar zijn eervolle plaats onder de menschen, was zijn
-ambitie rythmisch, gestadig ontwikkeld, tot een maathoudende eerzucht,
-maar ontwikkeld alleen in die lijn, langs welke zijn oog altijd gewoon
-was te turen: de hiërarchische lijn van het Binnenlandsch Bestuur. Het
-was hem altijd meê geloopen: van veel capaciteit, was hij veel
-gewaardeerd, was vroeger assistent-rezident dan de meeste en jong
-rezident geworden, en eigenlijk was zijn eerzucht bevredigd nu, omdat
-zijn betrekking van gezag geheel harmonieerde met zijn natuur, wier
-heerschzucht gelijkmatig met haar eerzucht was gegaan. Eigenlijk was
-hij nu tevreden, en hoewel zijn oog nog veel verder uit zag en voor
-zich zag schemeren een zetel in den Indischen Raad en zelfs de troon te
-Buitenzorg,—had hij dagen, waarin hij, levens-ernstig en tevreden,
-beweerde, dat rezident eerste-klasse te worden—behalve het hoogere
-pensioen—alleen iets voor had te Semarang en Soerabaia, maar dat de
-Vorstenlanden maar heel lastig waren, en Batavia zoo een eigenaardige
-en bijna verkleinde pozitie had, te midden van zoo vele hooge
-ambtenaren—Raden van Indië en Directeuren. En al zag zijn oog dus
-verder, zijn praktische middelmaattevredenheid zoû geheel bevredigd
-zijn, zoo men hem had kunnen voorspellen, dat hij rezident van
-Laboewangi zoû sterven. Hij had zijn gewest lief, en hij had Indië
-lief; naar Holland, naar het vertoon van Europeesche beschaving,
-verlangde hij nooit, toch zelve zeer Hollandsch gebleven, en vooral
-hatende alles wat half-bloed was. Het was de tegenstelling in zijn
-karakter, want hij had zijn eerste vrouw—een nonna—niet anders dan uit
-liefde genomen, en zijne kinderen, in wie het Indische bloed
-sprak,—uiterlijk bij Doddy, innerlijk bij Theo, terwijl René en Ricus
-geheel twee kleine sinjo’s waren—had hij lief met een zeer sterk
-sprekend vaderlijk gevoel, met al het teedere en sentimenteele, dat in
-het diepe van hem sluimerde: behoefte om veel te geven en te ontvangen
-in den cirkel van zijn huiselijk leven. Langzamerhand was deze behoefte
-uitgebreid tot den cirkel van zijn gewest: er was in hem een vaderlijke
-trots op zijn assistent-rezidents en controleurs, onder wie hij
-populair was en die van hem hielden en alleen maar eenmaal in de zes
-jaren, dat hij rezident van Laboewangi was, had hij niet overweg gekund
-met een controleur, die kleurling was, en dien hij, na een poos geduld
-met hem en zich, had laten overplaatsen, had laten springen, als hij
-zeide. En hij was trotsch, dat hij, trots zijn straffe autoriteit,
-trots zijn straffen werkdrang, bemind was onder zijne ambtenaren. Des
-te meer deed hem leed die steeds geheimzinnige vijandschap met den
-Regent, zijn „jongeren broeder”, volgens de Javaansche titulatuur, en
-in wien hij ook gaarne den jongeren broeder gevonden had, die onder
-hem, den ouderen, bestuurde zijne Javaansche bevolking. Het deed hem
-leed, dat hij het zoo getroffen had en hij dacht dan aan andere
-Regenten; niet alleen aan den vader van dezen, den nobelen Pangéran,
-maar aan anderen, die hij kende: de Regent van D., ontwikkeld, zuiver
-Hollandsch sprekend en schrijvend, steller van klaar-duidelijke
-Hollandsche artikelen in couranten en tijdschriften; de Regent van S.,
-jong, wat luchthartig en ijdel, maar zeer vermogend en veel goed
-doende, in de Europeesche samenleving als een dandy, galant tegen de
-dames. Waarom moest hij het zoo treffen in Laboewangi met deze stil
-nijdige, geheimzinnig fanatieke wajangpop, met zijn faam van heilige en
-toovenaar, dom verafgood door het volk, in welks welvaart hij geen
-belang stelde, en dat hem toch aanbad alleen om het prestige van zijn
-ouden naam—in wien hij altijd gevoelde een tegenwerking, nooit
-uitgesproken maar toch zoo duidelijk tastbaar onder zijn ijskoude
-correctheid! En daarbij dan nog in Ngadjiwa, de broêr, de speler, de
-dobbelaar—, waarom moest hij het zoo getroffen hebben met zijn
-Regenten?
-
-Van Oudijck was in een sombere bui. Hij was gewoon nu en dan, geregeld,
-anonieme brieven te krijgen, venijnig uit stille hoekjes uitgespogen
-laster, nu een assistent-rezident, dan een controleur bekladderend; nu
-de Indische hoofden, dan zijn eigen familie besmeurend; soms in den
-vorm van vriendschappelijke waarschuwing, soms in die van hatelijke
-schaadvreugd, hem toch vooral de oogen willende openen voor de gebreken
-van zijne ambtenaars, voor de misdrijven van zijne vrouw.
-
-Hij was er zoo gewoon aan, dat hij de brieven niet telde, ze vluchtig
-of nauwlijks las, en ze zorgeloos verscheurde. Gewoon voor zichzelven
-te oordeelen, maakten de nijdige waarschuwingen geen indruk, hoe zij
-ook als sissende slangen opstaken hare kop tusschen al de brieven, die
-de post hem dagelijks bracht; en voor zijne vrouw was hij zoo blind,
-Léonie had hij zoo altijd blijven zien in de rust van hare glimlachende
-onverschilligheid, en in het cirkeltje van huiselijke gezelligheid, dat
-zij zeer zeker om zich heen trok—in de holle leegte van het met zijn
-stoelen en ottomane steeds recepiëerend rezidentie-huis—, dat hij nooit
-zoû kunnen gelooven aan het allerminste van al dien laster. Hij sprak
-er haar nooit over. Hij hield van zijn vrouw; hij was verliefd op haar,
-en daar hij haar in gezelschap steeds bijna stil zag, daar zij nooit
-flirtte of coquet was, blikte hij nooit in den verdorven afgrond, die
-haar ziel was. Trouwens, hij was thuis geheel blind. Hij had thuis die
-volslagen blindheid, die zoo dikwijls hebben mannen, zeer kundig en
-bekwaam in betrekking en werkkring, gewend scherp om te blikken in het
-wijde perspectief van hun arbeidsveld, maar bijziende thuis; gewoon te
-analyzeeren de massa der dingen, en niet de détails van een ziel; wier
-menschenkennis is gebazeerd op principe, en die de menschen in types
-verdeelen, als met een rolverdeeling in een ouderwetsch tooneelspel;
-die dadelijk doorgronden de arbeidsgeschiktheid hunner ondergeschikten,
-maar wie zelfs nooit aanzweemt iets van het in elkaâr geslingerd
-complexe, als verwarde arabesken, als verwilderde ranken van het
-zielsingewikkelde hunner huisgenooten, steeds blikkende over hun
-hoofden heen, steeds denkende over hun woorden heen, en zonder belang
-voor al het veeltintige, van emotie en haat en nijd en leven en liefde,
-dat regenboogt, vlak voor hun oog. Hij had zijn vrouw lief en hij had
-lief zijn kinderen, omdat hij behoefte had aan vaderlijkheid, aan
-vader-zijn, maar hij kende noch vrouw, noch kinderen. Van Léonie wist
-hij niets en nooit had hij bevroed, dat Theo en Doddy, onuitgesproken,
-hunne moeder, zoover, in Batavia, verongelukt tusschen onzegbare
-praktijken, trouw waren gebleven, en zonder liefde waren voor hem. Hij
-meende, dat zij wèl liefde hem gaven, en hij.... als hij over ze dacht,
-werd een sluimerende teederheid in hem wakker.
-
-De anonieme brieven kreeg hij iederen dag. Nooit hadden zij indruk
-gemaakt, maar den laatsten tijd verscheurde hij ze niet meer, maar las
-ze aandachtig en borg ze weg in een geheime lade. Waarom, had hij niet
-kunnen zeggen. Het waren beschuldigingen tegen zijn vrouw, het waren
-besmeuringen tegen zijn dochter. Het waren bangmakerijen, dat een kris
-in het duister mikte naar zijn leven. Het was hem waarschuwen, dat zijn
-spionnen geheel onvertrouwbaar waren. Het was hem zeggen, dat zijn
-verstooten vrouw gebrek leed en hem haatte; het was hem zeggen, dat hij
-een zoon had, naar wien hij nooit had omgekeken. Het was stil wroeten
-in al het geheime en duistere van zijn leven en werkkring. Ondanks
-zichzelven, maakte het hem somber. Het was alles vaag en hij had zich
-niets te verwijten. Voor zichzelven en voor de wereld, was hij goed
-ambtenaar, goed echtgenoot en goed vader, was hij goed mensch. Dat men
-hem verweet onrechtvaardig hier te hebben geoordeeld, daar wreed en
-onbillijk te hebben gehandeld, zijn eerste vrouw te hebben verstooten,
-een zoon in de kampong te hebben loopen, dat men met vuil wierp naar
-Léonie en Doddy—het maakte hem somber dezer dagen. Want er was met geen
-reden te grijpen, dat men zoo deed. Voor dezen man met zijn praktischen
-zin was het vage juist het ergerlijkste. Een open strijd zoû hij niet
-vreezen, maar dit schijngevecht in de schaduw maakte hem zenuwachtig en
-ziek. Hij kon niet bevroeden waarom het was. Er was niets. Hij kon zich
-het gelaat van een vijand niet denken. En elken dag kwamen de brieven,
-en iederen dag was een vijandelijkheid in schaduw om hem heen. Het was
-te mystiek voor zijn natuur om hem niet bitter en somber en treurig te
-maken. Toen verschenen, in mindere bladen, uitingen van een kleine,
-vijandige pers, beschuldigingen vaag of tastbaar onwaar. Een haat
-borrelde overal op. Hij kon niet bevroeden waarom, hij werd ziek van te
-peinzen waarom. En hij sprak er met niemand over en besloot zijn leed
-hierover diep in zich.
-
-Hij begreep het niet. Hij kon niet bevroeden waarom het zoo was, waarom
-het zoo werd. Er was geen logica in. Want de logica zoû zijn, dat men
-hem niet haten zoû maar beminnen, hoe hoog streng men hem ook vond. En
-temperde hij zelfs niet die hooge strengheid zoo dikwijls onder den
-jovialen lach van zijn breeden snor, onder een gemoedelijkere
-vriendschappelijkheid van waarschuwing en terechtwijzing? Was hij op
-tournées niet de gezellige rezident, die de tournée met zijn ambtenaren
-beschouwde als een sport, als een heerlijke excursie te paard, door de
-koffietuinen, aandoende de koffie-goedangs; als een prettige
-feesttocht, die de spieren ontspande na zoo vele weken bureau-werk, het
-groote gevolg van districthoofden op hunne kleine paardjes, achter, de
-kittige dieren aapachtig vlug berijdend, vlaggetjes in de hand, de
-gamelan overal waar hij langs kwam uitsprenkelende blij kristallen
-verwelkomsttonen, en, ’s avonds het met zorg bereide maal in de
-pasàngrahan [36] en, tot laat in den nacht, het omberpartijtje? Hadden
-zij hem dan niet gezegd, zijn ambtenaren, een oogenblik los van alle
-formaliteit, dat hij een leuke rezident was, te paard onvermoeid, jolig
-aan tafel, en zóo jong, dat hij van de tandak-meid wel aannam den
-slendang [37] en met haar tandakte een oogenblik, heel knap doende de
-hiëratische lenigheden der handen en voeten en heupen—in plaats van
-zich met een rijksdaalder los te koopen en haar te laten dansen met den
-wedono? Nooit voelde hij zich prettig, als op tournée. En nu dat hij
-somber was, ontevreden, niet begrijpende wat stille krachten hem
-tegenwerkten in het duister—hem, den man van oprechtheid en licht, van
-eenvoudig levensprincipe, van ernstige arbeids-degelijkheid—dacht hij
-spoedig op tournée te gaan en in dien sport zich te bevrijden van de
-hem neêrdrukkende somberheid. Hij zoû dan Theo vragen meê te gaan, om
-zich eens te verzetten een paar dagen. Hij hield van zijn jongen, al
-vond hij hem onverstandig, onbezonnen, onbesuisd, niet volhoudend in
-zijn werk, nooit tevreden met zijn superieuren, te tacteloos
-weêrstrevend zijn administrateur, tot hij zich weêr onmogelijk maakte
-op koffieonderneming of suikerfabriek, waar hij werkzaam was. Hij vond,
-dat Theo zelve zijn weg moest vinden, als hij, Van Oudijck, gedaan had,
-in plaats van geheel te steunen op de protectie, het rezidentschap van
-zijn vader. Hij was geen man van nepotisme. Hij zoû zijn zoon nooit
-voortrekken boven een ander, die evenveel recht had. Hij had neven, tuk
-op concessies in Laboewangi, vaak gezegd, dat hij liefst geen familie
-had in zijn gewest, en zij niets van hem hadden te wachten dan een
-volstrekte onpartijdigheid. Zoo was hij er gekomen, zoo verwachtte hij,
-dat zij er zouden komen, en Theo ook. Maar toch, in stilte sloeg hij
-Theo gade, met al zijne vaderlijkheid, met het bijna sentimenteele van
-zijn teederheid; in stilte betreurde hij het diep, dat Theo niet
-volhardender was, en niet meer uit zag naar zijn toekomst, naar zijn
-loopbaan, naar een eervolle plaats onder de menschen, hetzij van
-aanzien, hetzij van geld. De jongen leefde er maar op los, zonder
-gedachte aan morgen.... Misschien was hij, uiterlijk, wat koel tegen
-Theo: nu, hij zoû eens vertrouwelijk met hem spreken, hem raad geven,
-en nu zoû hij vragen in alle geval, of Theo meêging op tournée. En het
-idee van een kleine zes dagen paard te rijden in de zuivere lucht om de
-bergen, de koffietuinen door, te inspecteeren de irrigatiewerken, te
-doen het hem alleraangenaamste van zijn werkkring, verruimde zijn ziel,
-verhelderde hem zijn blik, tot hij niet meer aan de brieven dacht. Hij
-was een man van het klare eenvoudige leven: hij vond het leven
-natuurlijk en niet verward ingewikkeld: langs een zichtbare trap van
-open geleidelijkheid was zijn leven gegaan, uitziende naar een
-blinkende top van eerzucht, en wat er krioelde, wat er woelde in
-schaduw en duister, wat er opborrelde uit afgrond, dicht bij zijn voet,
-had hij nooit kunnen en willen zien. Hij was blind voor het leven, dat
-er werkt onder het leven. Hij geloofde er niet aan, zoomin als een
-bergbewoner, die lang aan een stille vulkaan heeft gewoond, gelooft aan
-het inwendige vuur, dat diep geheimzinnig voortleeft en alleen ontsnapt
-als wat heete stoom en zwavellucht. Hij geloofde noch aan de kracht
-boven de dingen, noch aan de kracht in de dingen zelve. Hij geloofde
-niet aan het zwijgende Noodlot en niet aan de stille Geleidelijkheid.
-Hij geloofde alleen aan wat hij zag met het open oog: aan den oogst, de
-wegen, districten en dessa’s, en aan de welvaart van zijn gewest;
-alleen aan zijn carrière, die hij als een stijgende lijn vóor zich zag.
-En in deze onbenevelde klaarheid van simpele mannelijke natuur, in deze
-voor de geheele wereld zichtbare klaarduidelijkheid van rechtvaardige
-heerschzucht, rechtmatige eerzucht, en praktisch levensplichtbesef was
-alleen deze zwakte: de teederheid, diep en vrouwelijk sentimenteel voor
-den huiselijken kring—dien hij, blind, niet zag in de ziel—en alleen
-zag volgens zijn vastgesteld principe; zooals zijn vrouw en zijn
-kinderen moesten zijn.
-
-Ondervinding had hem niet geleerd. Want ook zijn eerste vrouw had hij
-zoo lief gehad, als hij nu liefhad Léonie.
-
-Hij had zijn vrouw lief, omdat ze was, zijn vrouw, de zijne: de
-voornaamste van den kring. Hij had den kring lief, òm den kring en niet
-als individuën, die zijn de schakels. Ondervinding had hem niet
-geleerd. Hij dacht niet volgens de tintwisseling van zijn leven, hij
-dacht volgens zijn ideeën en principes. Ze hadden hem man en krachtig
-gemaakt, en ook goed ambtenaar. Ze hadden hem, volgens zijn natuur, ook
-meestal goed mensch laten wezen. Maar omdat hij had zooveel teederheid,
-onbewust, ongeanalyzeerd en alleen diep gevoeld, en omdat hij niet
-geloofde aan de stille kracht, aan het leven in het leven, aan wat er
-krioelde en woelde als vulkaanvuren onder de bergen van majesteit, als
-troebelen onder een troon, omdat hij niet geloofde aan de mystiek der
-zichtbare dingen, kon het leven hem vinden, onvoorbereid en zwak, als
-het afweek—godenrustig en sterker dan menschen—van wat hèm logisch
-dacht.
-
-
-
-
-II.
-
-De mystiek der zichtbare dingen op dat eiland van geheimzinnigheid, dat
-Java is... Uiterlijk de dociele kolonie met het overheerschte ras, dat
-niet opgewassen was tegen den ruwen koopman, die, in den glorietijd van
-zijn republiek, met de jonge kracht van een jeugdig volk, gretig en
-winzuchtig, rond en koel, plantte voet en vlag op de in-een stortende
-keizerrijken, op de tronen, die wankelden, als had de grond vulkanisch
-geaardbeefd. Maar, diep in zijn ziel, nooit overheerscht, hoewel zich,
-voornaam minachtend glimlachend, schikkend, lenig neêrvlijende onder
-zijn noodlot; diep in zijn ziel, trots een in het stof kruipenden
-eerbied, vrij levend een eigen mysterie-leven, verborgen voor den
-Westerschen blik, hoe die ook het geheim te doorgronden zoekt—als met
-een wijsbegeerte van toch vooral glimlachend voorname rust te bewaren,
-buigzaam toegevende, hoffelijk schijnbaar naderende—maar diep in zich
-heilig zeker van eigen meening, en zoo wijd verwijderd van alle
-overheerschers-gedachte, overheerschers-beschaving, dat een
-verbroedering tusschen meester en dienaar nooit zijn zal, omdat
-onoverkomelijk het verschil blijft, dat voortwoekert in ziel en bloed.
-En de Westerling, prat op zijn macht, op zijn kracht, op zijn
-beschaving, humaniteit, troont hoog, blind, egoïst, eigendachtig
-tusschen al de ingewikkelde raderen van zijn autoriteit, die hij
-uurwerk-zeker laat grijpen in elkaâr, contrôle op iedere wenteling,
-tot voor vreemden, buitenaf, een meesterwerk, wereldschepping, schijnt
-te zijn die overheersching der zichtbare dingen: kolonizatie van den
-bloedvreemden, zielvreemden grond.
-
-Maar onder al dit vertoon schuilt de stille kracht, en sluimert nu, en
-wil niet strijden. Onder al dien schijn der zichtbare dingen, dreigt
-het wezen der stille mystiek, als smeulend vuur in den grond en als
-haat en mysterie in het hart. Onder al deze rust van grootheid dreigt
-het gevaar, en rommelt de toekomst als de onderaardsche donder in de
-vulkanen, onhoorbaar voor het menschelijk oor. En het is alsof de
-overheerschte het weet en maar laat gaan de stuwkracht der dingen en
-afwacht het heilige oogenblik, dat komen zal, als waar zijn de
-geheimzinnige berekeningen. Hij, hij kent den overheerscher met éen
-enkelen blik van peildiepte; hij, hij ziet hem in die illuzie van
-beschaving en humaniteit, en hij weet, dat ze niet zijn. Terwijl hij
-hem geeft den titel van heer en de hormat van meester, kent hij hem
-diep in zijn democratische koopmansnatuur, en minacht hem stil en
-oordeelt hem met een glimlach, begrijpelijk voor zijn broeder, die
-glimlacht als hij. Nooit vergrijpt hij zich tegen den vorm van de
-slaafsche knechtschap, en met de semba doet hij of hij de mindere is,
-maar hij weet zich stil de meerdere. Hij is zich bewust van de stille
-kracht, onuitgesproken: hij voelt het mysterie aandonzen in den
-ziedenden wind van zijn bergen, in de stilte der geheimzwoele nachten,
-en hij voorgevoelt het verre gebeuren. Wat is, zal niet altijd zoo
-blijven: het heden verdwijnt. Onuitgesproken hoopt hij, dat God zal
-oprichten, wat neêr is gedrukt, eenmaal, eenmaal, in de ver verwijderde
-opendeiningen van de dageradende Toekomst. Maar hij voelt het, en hoopt
-het, en weet het, in de diepste innigheid van zijn ziel, die hij nooit
-opensluit voor zijn heerscher. Die hij ook niet zoû kunnen opensluiten.
-Die altijd blijft als het onleesbare boek, in de onbekende,
-onvertaalbare taal, waarin wel de woorden de zelfde zijn, maar
-verschillend de tinten dier woorden, en anders regenbogend de
-schakeeringen der twee gedachten: prisma’s, waarin de kleuren
-verschillen, als brekende uit twee zonnen: stralingen uit twee
-werelden. En nooit is er de harmonie, die begrijpt; nooit bloeit er de
-liefde, die eender voelt, en altijd is er tusschen de kloof, de diepte,
-de afgrond, het verre, het wijde, waaruit aandonst het mysterie, waarin
-als in een wolk, de stille kracht eens zal openbliksemen.
-
-
-
-Zoo voelde Van Oudijck niet de mystiek der zichtbare dingen.
-
-En onvoorbereid en zwak kon het goddelijk rustige leven hem vinden.
-
-
-
-
-III.
-
-Ngadjiwa was een vroolijker plaats dan Laboewangi: er lag een
-garnizoen; uit het binnenland, van de koffie-landen, kwamen dikwijls
-administrateurs en employé’s eens afzakken om pret te maken; tweemaal
-’s jaars hadden de races er plaats, waarvan de feestelijkheden een
-geheele week in beslag namen: ontvangst van den rezident,
-paardenverloting, bloemencorso en opera, twee of drie bals, die de
-feestvierders onderscheidden in bal-masqué, gala-bal en
-soirée-dansante: een tijd van vroeg opstaan en laat naar bed gaan, van
-in enkele dagen honderde guldens verteeren met écarté en aan den
-totalizator.... Die dagen spatte-uit de zucht tot pleizier en prettige
-levensvreugd; naar die dagen zagen maanden lang uit koffie-planters en
-suiker-employé’s; voor die dagen spaarde men het halve jaar. Van alle
-kanten stroomde het vol, in de twee hôtels; ieder huisgezin borg
-logé’s; met hartstocht wedde men, in een vloed van champagne, het
-publiek, ook de dames, de race-paarden kennende, zoo goed als waren zij
-allen haar eigendom; op de bals geheel thuis, allen kennende allen, als
-op familie-partijen, terwijl de walsen en Washington-post en Graziana
-gedanst werden met de sleepende gratie der Indosche danseurs en
-danseuses, de maat kwijnend, de slepen zacht zwevend, de glimlach van
-rustige verrukking om de half geopende monden, met dien droomerigen
-wellust van dansen, dien zij zoo bevallig gebaren, dansers en
-danseressen van Indië, en niet het minst zij, wie het Javaansche bloed
-stroomt door de aderen. De dans is bij hen niet de woeste sport, plomp
-gesprongen met luiden lach bonsende tegen elkaâr, niet het ruwe verwar
-der lanciers van onze Hollandsche jongenlui-bals, maar het is—vooral
-bij de Indo’s—niets dan hoffelijkheid en gratie: een kalme uitbloei van
-bewegingsbevalligheid; een gratieus teekenende arabesk van precieze pas
-op zuivere maat over de vloeren der societeitszalen; een harmonie van
-bijna achttiend’eeuwsche, jong-nobele dans-golving, en -sleeping, en
--zweving, op het toch zoo primitieve boem-boem der Indische muzikanten.
-Zoo danste Addy de Luce, alle oogen van vrouwen en meisjes gevestigd op
-hem, hem volgende, hem smeekende met den blik ook hàar meê te nemen in
-het gegolf en gedein, dat was als droomend meêgaan op water.... Dat was
-uit het bloed van zijn moeder, dat was nog iets van de gratie van
-srimpi’s [38] tusschen wie zijn moeder hare kinderjaren geleefd had, en
-de mengeling van het Westersch moderne en Oostersch antieke gaf hem
-bekoring, onweêrstaanbaar....
-
-Nu, op het laatste bal, de soirée dansante, danste hij zoo met Doddy,
-en, na haar, met Léonie. Het was al laat in den nacht, vroeg in den
-morgen: buiten bleekte de dag. Een vermoeidheid lag over de zaal
-uitgespreid en Van Oudijck gaf ten laatste te kennen aan den
-assistent-rezident Vermalen, bij wien hij met zijn familie logeerde,
-dat hij gaan wilde. Hij bevond zich op dat oogenblik in de voorgalerij
-der societeit, sprekende met Vermalen, toen de patih [39] eensklaps uit
-de schaduw van den tuin op hem afkwam en, zichtbaar ontroerd,
-neêrhurkte, de semba maakte en sprak:
-
-—Kandjeng! Kandjeng! Geef mij raad, zeg mij toch wat ik doen moet! De
-Regent is dronken en loopt op straat en vergeet geheel zijn
-waardigheid.
-
-De feestvierders gingen naar huis. De rijtuigen rolden aan; men steeg
-in; de rijtuigen rolden weg. Op den weg, voor de societeit, zag Van
-Oudijck een Javaan: het bovenlijf bloot; hij had zijn hoofddoek
-verloren en zijn lange zwarte haren zwierden los, terwijl hij heftig
-gebaarde en luid sprak. Groepen in de duisterende schaduw verzamelden
-zich, toekijkende van verre.
-
-Van Oudijck herkende den Regent van Ngadjiwa. De Regent had reeds
-gedurende het bal zich zonder beheersching gedragen, nadat hij met
-kaartspel veel had verloren en allerlei wijn door elkaâr had gedronken.
-
-—Was de Regent al niet naar huis? vroeg Van Oudijck.
-
-—Zeker, Kandjeng! klaagde de patih. Ik had den Regent al naar huis
-gebracht, toen ik zag, dat hij zich niet meer beheerschen kon. Hij was
-op zijn bed al neêrgestort; ik meende, in diepen slaap. Maar zie, hij
-is ontwaakt en opgestaan; hij heeft de Kaboepaten verlaten en is weêr
-hierheen gekomen. Zie hem, hoe hij doet! Hij is dronken, hij is dronken
-en hij vergeet wie hij is, wie zijn vaders waren!
-
-Van Oudijck begaf zich naar buiten, met Vermalen. Hij naderde den
-Regent, die heftige gebaren uitsloeg en met luide stem uitsprak een
-onverstaanbare rede.
-
-—Regent! zei de rezident. Weet u niet meer waar en wie u is?
-
-De Regent herkende hem niet. Hij vaarde tegen Van Oudijck uit, hij riep
-al de vervloekingen des hemels over zijn hoofd.
-
-—Regent! zei de assistent-rezident. Weet u niet wie tot u spreekt en
-tot wien u spreekt?
-
-De Regent schold Vermalen uit. Zijn bloeddoorschoten oogen bliksemden
-dronken woede en krankzinnigheid. Met den patih probeerden Van Oudijck
-en Vermalen hem in een rijtuig te helpen, maar hij wilde niet. Prachtig
-subliem in zijn ondergang, verheerlijkte hij zich in de krankzinnigheid
-zijner tragedie, stond hij als uitgebarsten uit zichzelven, half naakt,
-met de zwierende haren, met het groote gebaar zijner dolle armen, was
-niet grof en niet dierlijk meer, maar werd tragisch, heldhaftig,
-vechtend met zijn noodlot, op den rand van een afgrond.... De overmaat
-zijner dronkenschap scheen hem door een vreemde kracht te heffen uit
-zijne langzame verdierlijking, en, beschonken, verhief hij zich,
-torende hij hoog, dramatisch, boven die Europeanen. Van Oudijck zag hem
-in stupefactie aan. Nu werd de Regent handgemeen met den patih, die hem
-bezwoer.... Op den weg verzamelde zich de bevolking, stil, ontzet: de
-laatste gasten kwamen uit de societeit, waar de lichten donkerden.
-Onder hen bevonden zich Léonie Van Oudijck, Doddy en Addy de Luce. Zij
-hadden alle drie nog den vermoeiden wellust van den laatsten wals in de
-oogen.
-
-—Addy! zei de rezident. Je kent den Regent intiem. Probeer of hij je
-herkent.
-
-De jonge man sprak den beschonken waanzinnige toe, in zacht Javaansch.
-Eerst ging de Regent voort met zijn woorden van vervloeking, werd
-reusachtig zijn gebaar van razernij; toen scheen hij echter in de
-zachtheid van die taal een bekende herinnering te hooren. Hij zag Addy
-lang aan. Zijn gebaar zakte, zijn verheerlijking van beschonkenheid
-doofde uit. Het was eensklaps of zijn bloed begreep het bloed van dien
-jongen man, of hunne zielen elkander verstonden. De Regent knikte
-weemoedig en begon te klagen, lang uit, de armen omhoog geheven. Addy
-wilde hem in een rijtuig helpen, maar de Regent weêrstreefde: hij wilde
-niet. Toen nam Addy zijn arm in zijn arm met zachten drang, en liep
-langzaam met hem voort. De Regent, al klagende, met tragisch
-wanhoopsgebaar, liet zich geleiden. De patih volgde, met een paar
-volgelingen, die den Regent uit de Kaboepaten waren nageloopen,
-machteloos.... De stoet verdween in het donker.
-
-Léonie, met een glimlach, moê, steeg in het rijtuig van den
-assistent-rezident. Zij herinnerde zich de speeltwist op Patjaram; zij
-had er pleizier in zoo zichtbaar te zien gebeuren een langzame
-ondergang, een zichtbare slooping door hartstocht, dien geen tact en
-correcte maat leidde. En voor zichzelve voelde zij zich sterker dan
-ooit, omdat zij genoot van hare passie’s en ze leidde en van ze maakte
-de slaven van haar genot.... Zij minachtte dien Regent en het was haar
-een romantische voldoening, litterair pleizier, te bespieden de fazen
-van dien ondergang. In het rijtuig zag zij naar haar man, die somber
-zat. En zijn somberheid verrukte haar, omdat zij hem sentimenteel vond,
-met zijn hooghouden van Javaanschen adel. Een sentimenteele instructie,
-en die nog sentimenteeler Van Oudijck opvatte. En zij genoot in zijn
-verdriet. En van haar man zag zij naar Doddy en zij bespiedde in den
-dansmoeden blik van haar stiefkind een jalouzie op dien aller-,
-allerlaatsten wals van haar, Léonie, met Addy. En zij was verrukt over
-die jalouzie. Zij voelde zich gelukkig, omdat op haar het verdriet geen
-vat had, evenmin als de hartstocht. Zij speelde met de dingen van het
-leven en ze gleden van haar af en ze lieten haar even onberoerd en kalm
-glimlachend en rimpelloos melkblank als altijd.
-
-Van Oudijck ging niet naar bed. Zijn hoofd in vuur, éen woede van
-verdrietelijkheid in zijn hart, nam hij dadelijk een bad, kleedde zich
-in nachtbroek en kabaai en liet zich in de galerij voor zijn kamer
-koffie brengen. Het was zes uur, een heerlijke koelte van
-ochtendfrischheid baadde de lucht. Maar een ontstemming was zoo hevig
-in hem, dat als in congestie zijne slapen klopten, zijn hart bonsde,
-dat zijn zenuwen trilden. De scène van dien nachtmorgen schemerde
-steeds voor zijn oog, triltikkende als een biograaf, met de
-wemelveranderingen der houdingen. Wat er hem vooral in ontstemde, was
-de onmogelijkheid ervan, het onlogische, het nooit gedachte. Dat een
-Javaan van geboorte, trots al de edele traditie in zijn aderen, zich
-kòn gedragen als de Regent van Ngadjiwa dien nacht, was hem nooit
-mogelijk voorgekomen, zoû hij nooit hebben geloofd, als hij het niet
-met eigen oogen gezien had. Voor dezen man van vooruit vastgestelde
-logiek was deze waarheid eenvoudig wanstaltig als een nachtmerrie.
-Gevoelig in hooge mate voor verrassing, die hem niet logisch dacht, was
-hij boos op de realiteit. Hij vroeg zich af of hijzelve niet gedroomd
-had, niet dronken was geweest. Dat het schandaal gebeurd was maakte hem
-razend. Maar zoo het dan zoo was, welnu, dan zoû hij den Regent voor
-ontslag voordragen.... Het kon niet anders.
-
-Hij kleedde zich, sprak met Vermalen en ging met dezen naar de
-Kaboepaten; beiden drongen zij door tot den Regent, niettegenstaande de
-aarzeling der volgelingen, niettegenstaande de inbreuk op de etiquette.
-Zijne vrouw, de Raden-Ajoe, zagen zij niet. Maar zij vonden den Regent
-in zijn slaapvertrek. Hij lag op zijn bed, de oogen open, somber
-bijkomende, nog niet genoeg tot het leven teruggekeerd, om geheel te
-bevroeden de vreemdheid van dat bezoek; de rezident, de
-assistent-rezident voor zijn bed. Toch herkende hij hen, maar hij sprak
-niet. Terwijl zij hem beiden poogden te doen inzien het hoogst
-onbehoorlijke van zijn gedragingen, staarde hij hen beiden onbeschaamd
-aan en volhardde in zijn zwijgen. Het was zoo vreemd, dat de beide
-ambtenaren elkaâr aanzagen en met den blik afvroegen of de Regent niet
-krankzinnig was, of hij wel toerekenbaar was. Hij had nog geen woord
-gesproken, hij zweeg steeds. Hoewel Van Oudijck hem dreigde met
-ontslag, bleef hij zwijgen, starende met onbeschaamde oogen in de oogen
-van den rezident. Hij opende niet de lippen, hij volhardde in een
-volkomen geluideloosheid. Nauwlijks schetste een glimlach van ironie
-zich om zijn mond. De ambtenaren, werkelijk denkende, dat de Regent
-krankzinnig was, trokken de schouders op, verlieten het vertrek.
-
-In de galerij ontmoetten zij de Raden-Ajoe, een klein onderdrukt
-vrouwtje, als een geslagen hond, een getrapte slavin. Zij naderde
-weenende; zij vroeg, zij smeekte vergeving. Van Oudijck zeide haar, dat
-de Regent steeds zweeg, wat hij hem gedreigd had, zweeg met een
-onverklaarbaar, maar klaarduidelijk voorgenomen zwijgen. Toen
-fluisterde de Raden-Ajoe, dat de Regent een doekoen [40] geraadpleegd
-had, die hem een djimat [41] gegeven had en verzekerd had, dat zoo hij
-maar volhardde in een volkomen zwijgen, zijne vijanden geen vat op hem
-zouden hebben. Bang smeekte zij hulp, vergeving, hare kinderen
-verzamelend rondom zich heen. Na den patih ontboden te hebben en hem te
-hebben opgedragen den Regent zooveel mogelijk te bewaken, gingen de
-ambtenaren heen.
-
-Hoe dikwijls Van Oudijck ook al te doen had gehad met het bijgeloof der
-Javanen, steeds maakte het hem razend, als tegenstrijdig aan wat hij
-noemde de wetten van natuur en leven. Ja, alleen zijn bijgeloof kon een
-Javaan afbrengen van het correcte spoor zijner ingeboren hoffelijkheid.
-Wat men hem nu ook onder het oog zoû willen brengen, de Regent zoû
-zwijgen, volharden in het volkomen zwijgen, hem opgelegd door de
-doekoen. Zoo meende hij veilig te zijn, voor wie hij meende, dat waren
-zijn vijanden. En dit vooropgezette idee van vijandschap met wien hij
-zoo gaarne had willen beschouwen als jong-broederlijke medebestuurder,
-ontstemde Van Oudijck het meest.
-
-Hij ging, met Léonie en Doddy, terug naar Laboewangi. Thuis gevoelde
-hij een enkel oogenblik het prettige van weêr in zijn eigen huis te
-zijn, een genot van eigen huiselijkheid, dat hem steeds zeer streelde:
-het materieele pleizier van zijn eigen bed te zien, zijn eigen
-schrijftafel en stoelen, zijn eigen koffie te drinken, bereid als hij
-het gewoon was. Die kleine streelingen brachten hem even in goed
-humeur, maar aanstonds voelde hij weêr al zijne bitterheid toen hij
-onder een stapel brieven op zijn bureau herkende de verdraaide
-handschriften van een paar duistere schrijvers. Werktuigelijk opende
-hij ze het eerst, en walgde toen hij las den naam van Léonie,
-samengekoppeld met dien van Theo. Niets was voor die ellendelingen
-heilig: zij vonden uit de monsterlijkste combinaties, de
-onnatuurlijkste lasteringen, en gruwlijkste betichtingen tot
-bloedschande toe. Bij al dit vuil, dat men naar zijn vrouw en zijn zoon
-smeet, stegen zij beiden hooger en zuiverder in zijne liefde, tot een
-top van onschendbaarheid, beminde hij beiden met nog grooter en inniger
-teederheid. Maar al zijn omgewoelde bitterheid gaf hem geheel zijne
-ontstemming terug. Feitelijk was ze, omdat hij voor ontslag moest
-voordragen den Regent van Ngadjiwa, en dit niet gaarne deed. Maar deze
-enkele noodzakelijkheid verbitterde zijn geheele bestaan, maakte hem
-zenuwachtig en ziek. Als hij niet kon volgen de lijn, die hij had
-vastgesteld, als het leven afweek van de door hem—Van Oudijck—a priori
-vastgestelde gebeurlijkheden, maakte hem deze onwilligheid, deze
-opstand van het leven zenuwachtig en ziek. Hij had zich nu eenmaal
-voorgenomen na den dood van den ouden Pangéran omhoog te heffen het
-zinkende geslacht der Adiningrats, zoowel uit liefdevolle herinnering
-aan den uitstekenden Javaanschen prins, zoowel om zijne
-rezidents-instructie, als om een gevoel van nobele menschelijkheid en
-verborgen poëzie in zichzelven. En nooit had het gekund. Dadelijk had
-hem tegengewerkt—onbewust, door de kracht der dingen—de oude Raden-Ajoe
-Pangéran, die alles verspeelde, verdobbelde, die zich en de haren
-ruïneerde. Als een vriend had hij haar terecht gewezen. Zij was niet
-ontoegankelijk voor zijn raad geweest, maar hare passie was sterker
-gebleken. Haar zoon, Soenario, de Regent van Laboewangi, had Van
-Oudijck reeds dadelijk, nog voor den dood van zijn vader, geoordeeld
-als onbekwaam voor de werkelijke betrekking van Regent: klein
-hoogmoedig op zijn bloed, onbeduidend, nooit op de hoogte van het
-werkelijke leven, zonder talent van regeeren of hart voor den minderen
-man, zeer fanatiek, altijd bezig met doekoens, met heilige
-berekeningen—petangans—; altijd gesloten en levende in een droom van
-duistere mystiek, en blind voor wat welvaart en gerechtigheid zoû zijn
-voor zijn Javaansche onderdanen. En de bevolking toch aanbad hem,
-zoowel om zijn adel, als omdat hij een roep had van heiligheid en van
-een vèrreikende macht te bezitten: een goddelijke tooverkracht. Stil,
-in het geheim, verkochten de vrouwen van de Kaboepaten in flesschen het
-water, dat bij het bad gestroomd was over zijn lichaam, als een
-geneesmiddel, heilzaam voor verschillende ziekte. Zoo was de oudste
-broeder, en de jongere had zich dien vorigen nacht geheel vergeten,
-bezeten van waanzin door spel en drank.... Met deze zonen wankelde ten
-ondergang het eens zoo schitterend geslacht: hunne kinderen waren jong;
-enkele neven waren patih in Laboewangi, in naburige rezidentie’s, maar
-in hen vloeide ook geen drup meer van het edele bloed. Neen, hij, Van
-Oudijck, had nooit gekund, wat hij zoo gaarne had willen doen. Zij,
-wier belang hij voorstond, werkten zelven hem tegen. Het was met hen
-gedaan.
-
-Maar waarom het zoo zijn moest, begreep hij niet en ontstemde hem,
-maakte hem bitter.
-
-Hij had zich nu eenmaal voorgesteld een heel andere lijn, een mooie
-lijn van stijging—zooals hij zijn eigen leven ook voor zich zag—en de
-lijn van het leven krinkelde verward naar omlaag. En hij begreep niet
-wat sterker zoû kunnen zijn dan hij, als hij wilde. Was het hem niet
-altijd zoo gegaan in zijn leven en loopbaan, dat wat hij sterk wilde,
-gebeurd was met de logica, die hijzelve van dag tot dag gesteld had aan
-de dingen, die gebeuren gingen? Zijn eerzucht had nu gesteld die logica
-van de stijgende lijn, want zijn eerzucht had als doel zich gesteld die
-oprichting van dat Javaansche geslacht....
-
-Zoû hij falen? Te falen in de streving naar een doel, dat hij zich als
-ambtenaar gesteld had—hij zoû het zich nooit vergeven. Tot nog toe had
-hij steeds kunnen bereiken wat hij wilde. Maar wat hij nu wilde
-bereiken, was—hemzelven onbewust—niet alléen een doel van ambtenaar,
-een deel van zijn werkkring. Wat hij nu wilde bereiken, was een doel,
-waarvan de idee sproot uit zijne menschelijkheid, uit het edele van
-hemzelven. Wat hij nu wilde bereiken was een ideaal, een ideaal van
-Westerling in het Oosten, en van Westerling, die het Oosten zag, zooals
-hij het zien wilde en alleen zien kon.
-
-En dat er krachten waren, die zich verzamelden tot éene kracht, die hem
-tegenwerkte, die spotte met zijn voorstelling, die lachte om zijn
-ideaal, en die des te sterker was naarmate zij dieper verborgen
-bleef—hij zoû het nooit willen toegeven: zijn natuur was niet om ze te
-erkennen en zelfs hare klaarduidelijkste openbaring zoû voor zijn ziel
-een raadsel zijn, en mythe blijven.
-
-
-
-
-IV.
-
-Van Oudijck was dien dag naar het bureau geweest, toen hij,
-thuiskomende, dadelijk tegemoet werd gekomen door Léonie.
-
-—De Raden-Ajoe Pangéran is hier, zeide zij. Al sedert een uur, Otto.
-Zij zoû je gaarne willen spreken. Zij heeft op je gewacht.
-
-—Léonie, zeide hij. Zie eens deze brieven in. Ik ontving dikwijls van
-die pamfletten, en ik heb je er nooit over gesproken. Maar misschien is
-het beter, dat je er niet onbekend meê blijft. Misschien is het beter,
-dat je weet. Maar, ik bid je, trek je er niets van aan. Ik hoef je niet
-te verzekeren, dat ik geen oogenblik ook maar het minste geloof van al
-die smerigheid. Wees er dus niet ontstemd over en geef mij straks die
-brieven persoonlijk terug. Laat ze niet slingeren.... En laat de
-Raden-Ajoe Pangéran in mijn kantoor komen....
-
-Léonie, de brieven in de hand, voerde de prinses meê uit de
-achtergalerij. Zij was een waardige, grijze vrouw, met een trotsche
-koninklijkheid in haar nog slank figuur, de oogen somber zwart; den
-mond, door het betelsap als breeder geteekend, en waarin de afgevijlde,
-zwart gelakte tanden grijnsden, was als een maskergrimas en bedierf het
-edel-hooge van hare uitdrukking. Zij droeg een zwart satijnen kabaia
-met juweelen gesloten. Het waren vooral hare grijze haren, hare sombere
-oogen, die haar een bizondere mengeling gaven van eerbiedwaardigheid en
-smeulenden hartstocht. Er lag over haren ouderdom een tragiek. Zelve
-voelde zij een noodlot tragisch drukken op haar en de haren en hare
-eenige hoop stelde zij in de vérreikende, gode-machtige kracht van haar
-oudsten zoon, Soenario, den Regent van Laboewangi. Terwijl zij nu Van
-Oudijck voorging in het kantoor, zag Léonie, in de middengalerij, de
-brieven in. Het waren verzen in vuile taal, over haar en Addy en Theo.
-Altijd in den egoïstischen droom van haar eigen leven, bemoeide zij
-zich nooit veel met wat de menschen dachten en spraken, vooral omdat
-zij wist, dat zij ze met hare verschijning, met haar glimlach,
-aanstonds weêr allen tot zich terug won. Zij had die rustige
-innemendheid, die niet te weêrstaan was. Zij sprak zelve nooit kwaad,
-uit onverschilligheid; zij was harmonisch vergoêlijkend voor alles en
-iedereen; en zij was bemind—als men haar zag. Maar de vieze brieven,
-uitgespogen uit een duisteren hoek, vond zij onaangenaam, lastig, ook
-al geloofde Van Oudijck niet. Wat, als hij eens gelooven ging? Zij
-moest daarop zijn voorbereid. Zij moest vooral voor dien mogelijken dag
-bewaren hare innemendste rustigheid, geheel hare onkwetsbaarheid en
-onschendbaarheid. Van wie zouden die brieven kunnen zijn? Wie haatte
-haar zoo, wie had er belang bij om zóo van haar te schrijven aan haar
-man? Hoe vreemd, dat het bekend was.... Addy, Theo? Hoe wist men?
-Oerip? Neen, Oerip niet.... Maar wie, wie dan? Was dan eigenlijk alles
-bekend? Zij had immers altijd gemeend, dat wat gebeurde in de geheime
-alkoven, nooit openbaar zoû zijn voor de wereld. Zij had zelfs
-gemeend—een naïveteit—dat de mannen nooit spraken onder elkaâr over
-haar; wel over andere vrouwen, maar niet over haar.... In haren geest
-waren zulke naïve illuzies, trots al hare ondervinding: een naïveteit,
-die harmonieerde met het poëtische—half pervers, half kinderlijk—van
-hare rozekleurende verbeelding. Kon zij dan niet altijd geheim houden
-de verborgenheden van haar mysterie, de verborgenheden der
-werkelijkheid? Een oogenblik hinderde het haar, de werkelijkheid, die
-zich, trots hare correctheid, toch openbaarde.... Gedachten en droomen
-bleven altijd geheim. Het werkelijke gebeuren gaf zoo veel last. Een
-oogenblik dacht zij voortaan voorzichtiger nog te zijn, zich te
-onthouden.... Maar voor haar blik zag zij Theo, zag zij Addy, haar
-blonde en haar bruine liefde, en zij voelde zich te zwak.... Zij wist,
-dat zij hierin hare hartstochten niet kon overwinnen, hoewel zij ze
-leidde. Zouden ze toch, niettegenstaande al haren tact, eenmaal haar
-ondergang zijn? Maar zij lachte om dat idee; zij had een vast
-vertrouwen op hare onkwetsbaarheid, hare onschendbaarheid. Het leven
-gleed steeds van haar af.
-
-Maar toch wilde zij zich voorbereiden, op wat gebeuren kon. Zij stelde
-geen hooger ideaal aan haar leven dan te zijn zonder pijn. zonder
-smart, zonder armoê, en hare passie’s te maken tot de slaven van haar
-genot, zoodat zij zoo lang mogelijk genot zoû hebben, zoo lang mogelijk
-dit leven zoû leven kunnen. Zij bedacht wat zij zeggen en doen zoû als
-Van Oudijck haar eens ondervroeg, in twijfel om de anonieme brieven.
-Zij bedacht of zij met Theo toch maar niet breken zoû. Addy was haar
-genoeg. En zij verloor zich in hare voorbereidingen, als in vage
-combinaties van een tooneelspel, dat gebeuren ging. Tot zij eensklaps
-luide de stem van de Raden-Ajoe Pangéran hoorde klinken in het kantoor,
-tegen de kalme stem van haar man in. Zij luisterde, nieuwsgierig
-voorgevoelende een drama en zoo rustig blij, dat ook dit drama van haar
-afgleed. Zij sloop in Van Oudijcks slaapkamer; de tusschendeuren
-stonden altijd voor de luchtigheid open en een schutsel alleen scheidde
-slaapkamer en kantoor. Langs het schutsel gluurde zij uit. En zij zag
-de oude prinses, opgewonden als zij nog nooit een Javaansche vrouw
-gezien had. De Raden-Ajoe, in het Maleisch, bezwoer Van Oudijck; deze,
-in het Hollandsch, verzekerde haar, dat het onmogelijk was. Léonie
-luisterde aandachtiger. En zij hoorde nu, hoe de oude vorstin smeekte,
-dat de rezident genade zoû hebben met haar tweeden zoon, den Regent van
-Ngadjiwa. Zij bezwoer Van Oudijck toch te denken aan haar gemaal, den
-Pangéran, dien hij bemind had als een vader, die hem bemind had als een
-zoon—met genegenheid, inniger dan het gevoel van „ouderen en jongeren
-broeder”; zij bezwoer hem te denken aan hun roemrijk verleden, aan de
-glorie der Adiningrats, steeds de trouwe vrienden der Compagnie, in
-oorlog hare bondgenooten, in vrede hare trouwste vazallen: zij bezwoer
-hem niet ten ondergang te doemen hun geslacht, waarop na den dood van
-den Pangéran drukte een noodlot en het dreef een afgrond van heilloos
-verderf in. Voor den rezident stond zij als eene Niobe, als een
-tragische moeder, opgeheven de armen in de zielswarmte van hare
-betuigingen, tranen weenende uit hare sombere oogen, en alleen de
-breede mond, geverfd met het bruine betelsap, was als een maskergrijns.
-Maar in dien grijns ontwelden haar de vloeiende zinnen van betuiging,
-bezwering, en hare handen wrongen zich smeekende samen, en hare vuist
-klopte in boete op de borst. Van Oudijck antwoordde haar met een vaste,
-maar zachte stem, haar zeggende hoe innig hij zeker had liefgehad den
-ouden Pangéran, hoe hoog hij stelde het oude geslacht, hoe niemand
-liever dan hij hoog zoû willen houden hunne hoogheid. Maar toen werd
-hij strenger en hij vroeg haar aan wie de Adiningrats te wijten hadden
-het noodlot, dat hen nu achtervolgde? En de oogen in hare oogen, zeide
-hij haar, dat het was aan haar! Zij deinsde terug, opvlammend in woede,
-maar hij zeide het haar nog eens en nog eens. Hare zonen waren hàre
-kinderen; bigot en trotsch en speelziek. En in het spel, in dien lagen
-hartstocht, verongelukte hunne grootheid. In de onverzadelijkheid van
-hun winzucht wankelde hun geslacht ten ondergang. Hoe dikwijls ging
-niet een maand voorbij, dat te Ngadjiwa de Regent niet uitbetaalde de
-traktementen der hoofden? Zij betuigde, het was waar: op háar
-aandringen had haar zoon het geld der kas genomen, geleend, om
-speelschulden te voldoen. Maar zij bezwoer ook, het zoû nooit meer
-gebeuren! En waar, vroeg Van Oudijck, had ooit een Regent, afstammeling
-van een aloud geslacht, zich zoo gedragen als op het race-bal de Regent
-van Ngadjiwa? Zij klaagde, de moeder: het was waar, het was waar; het
-noodlot klemde zich vast aan hun schreden en had met waanzin haar zoon
-beneveld, maar nooit, nooit zoû het meer gebeuren. Zij zwoer bij de
-ziel van den ouden Pangéran, dat het nooit meer gebeuren zoû, dat haar
-zoon zijne waardigheid zoû herwinnen. Maar heftiger werd Van Oudijck en
-hij verweet haar, dat zij nooit goeden invloed had uitgeoefend op hare
-zonen en hare neven. Dat zij de slechte geest was van haar geslacht,
-omdat een demon van speelzucht en winzucht haar vast had in zijn
-klauwen. Zij begon op te gillen van smart, de oude vorstin, die op den
-rezident, den Hollander van geen bloed en geboorte, neêrzag; smart,
-omdat hij zoo dorst spreken en recht er toe had. Zij sloeg hare armen
-uit, zij smeekte hem om genade; zij smeekte niet haar jongeren zoon
-voor te dragen voor ontslag bij de Regeering, die doen zoû als de
-rezident zeide, op zoû volgen den raad van zoo hoog geacht ambtenaar:
-zij smeekte ontferming te hebben en nog geduld te willen oefenen. Zij
-zoû spreken met haar zoon, Soenario met zijn broeder: zij zouden tot
-rede brengen zijn door drank en spel en vrouwen verwilderde zinnen. O,
-zoo de rezident maar ontferming had, zoo hij zich maar liet vermurwen!
-Maar Van Oudijck bleef onverbiddelijk. Geduld had hij zoo lang al
-geoefend. Het was nu ten einde. Sedert haar zoon, onder invloed van de
-doekoen, vertrouwende op zijn djimat, hem weêrstaan had met zijn
-insolente zwijgen, dat hem, naar zijn vertrouwen, onkwetsbaar voor
-vijanden maakte—zoû hij toonen, dat hij, de rezident, de machthebbende
-van de Regeering, de vertegenwoordiger der Koningin, de sterkste was,
-trots doekoen en djimat. Het kon niet anders: zijn geduld was ten
-einde, zijn liefde voor den Pangéran liet niet toe meerdere
-toegeeflijkheid; zijn gevoel van eerbied voor hun geslacht kon hij niet
-overdragen op een onwaardigen zoon. Het was beslist: de Regent zoû
-ontslagen worden.
-
-De vorstin had hem aangehoord, niet kunnende gelooven aan zijne
-woorden, ziende gapen voor haar den afgrond. En met een kreet als van
-een gewonde leeuwin, met een gil van smart, trok zij uit haar wrong de
-juweelen pinnen, zoodat hare lange grijze haren stroomende vielen om
-haar heen; met éen scheurenden ruk trok zij open de satijnen kabaia;
-zich niet meer meester van smart, van wanhoop, die haar omwolkte uit
-den gapenden afgrond, stortte zij neêr voor de voeten van den
-Europeaan, greep krachtig met beide handen zijn voet, plantte die met
-éene beweging, die Van Oudijck wankelen deed, op haar neêrgebogen nek
-en riep uit, gilde uit, dat zij, de dochter der sultans van Madoera
-voor eeuwig zoû zijn zijn slavin, dat zij zwoer niets te zullen zijn
-dan zijn slavin, zoo hij slechts dezen keer nog genade had met haren
-zoon en haar geslacht niet stootte in den afgrond van schande, die zij
-gapen zag om zich heen. En zij klemde den voet van den Europeaan, als
-met een wanhopige kracht, en zij hield, als een juk van slavernij, dien
-voet met de zool en de hak van den schoen gedrukt in hare stroomende
-grauwe haren, op haar ter aarde gebogen nek. Van Oudijck trilde van
-ontroering. Hij begreep dat deze hooghartige vrouw nooit zoo, zichtbaar
-spontaan, zich vernederen zoû tot de diepste vernedering, die zij
-bedenken kon, zich niet zoû laten gaan tot de heftigste
-werkelijkheidsuiting van smart, die een vrouw ooit kon openbaren—het
-haar los, en den voet van den heerscher geplant op haar nek—als zij
-niet geschokt was in het diepst van haar ziel, als zij zich niet
-wanhopig gevoelde tot zelfvernietiging toe. En hij aarzelde een
-oogenblik. Maar ook maar een oogenblik. Hij was een man van overdachte
-beginselen, van a priori vastgestelde logiek: onveranderbaar in
-besluitneming, nooit toegankelijk voor een impulsie. Met heel veel
-eerbied bevrijdde hij eindelijk zijn voet uit den klemmenden greep der
-vorstin, stak haar beide zijn handen toe, en hief haar vol ontzag en
-met zichtbaar medelijden, zichtbare ontroering, op van den vloer. Hij
-deed haar zitten, en, gebroken, opsnikkende viel zij neêr. Zij dacht
-een oogenblik te hebben gewonnen, bespeurende zijne zachtheid. Maar
-toen hij kalm, maar beslist, het hoofd schudde als ontkenning, begreep
-zij, dat het gedaan was. Zij hijgde naar adem, half in zwijm, steeds de
-kabaia open, de haren los. Op dit oogenblik trad Léonie binnen. Zij had
-het drama voor hare oogen zien spelen en zij was litterair ontroerd.
-Zij gevoelde iets als medelijden. Zij naderde de vorstin, die zich
-stortte in hare armen, vrouw zoekende vrouw in de radelooze wanhoop van
-die onvermijdelijke rampzaligheid. En Léonie, de mooie oogen naar Van
-Oudijck, murmelde éen woord van voorspraak en fluisterde: geef toe! Het
-was in hare dorre ziel éene levende opbloeiïng van medelijden. Geef
-toe, fluisterde zij nog eens. En voor de tweede maal weifelde Van
-Oudijck. Nooit had hij zijn vrouw iets geweigerd, hoe kostbaar het was,
-wat zij vroeg. Maar dit was de opoffering van zijn beginsel: het nooit
-terugkomen op een besluit, het vast doorzetten van eenmaal gewild
-gebeuren. Zoo had hij altijd beheerscht de toekomst. Zoo gebeurde het
-altijd als hij wilde. Zoo had hij nooit getoond eenige zwakheid. En hij
-zeide, dat het niet kon.
-
-Misschien, als hij had toegegeven, was zijn leven anders geworden. Want
-hij, onverzettelijk, raadde niet de heilige oogenblikken, dat de mensch
-niet moet zijn zijn eigen wil, maar zich vroom moet laten gaan naar den
-drang der stille machten. Die oogenblikken eerbiedigde, erkende, kende
-hij niet en nooit. Hij was de man van het heldere, logische
-doordenkende, mannelijk eenvoudige plichtsbesef, de man van het heldere
-eenvoudige leven. Dat schuilen onder het eenvoudige leven al de
-krachten, die te zamen zijn de almachtige stille kracht, zoû hij nooit
-weten. Dat er volkeren zijn, die ze meer beheerschen, die kracht, dan
-de Westersche, zoû hij bespotten. Dat er enkelen zijn in die volkeren,
-individuen, in wier hand ze haar almacht verliest en werktuig wordt,—om
-de vooronderstelling alleen zoû hij ophalen zijn schouders, en
-doorgaan. Geene ondervinding zoû hem leeren. Hij zoû misschien een
-oogenblik niet begrijpen.... Maar dan, dadelijk weêr, vatte hij vast in
-zijn mannehand de ketting van zijn logiek en schakelde de ijzeren
-feitschalmen samen....
-
-Misschien, als hij had toegegeven, ware zijn leven anders geweest.
-
-Hij zag Léonie de oude vorstin, gebroken, in snikken, uitbrengen zijn
-kantoor.
-
-Een diep gevoel, een algeheel hem ontroerend medelijden, deed vochtig
-worden zijn oogen. En voor die vochtige oogen verscheen hem het beeld
-van den Javaan, dien hij lief had gehad als een vader.
-
-Maar toegeven deed hij niet.
-
-
-
-
-V.
-
-Er waren berichten van Ternate en Halma-heira, dat eene ontzettende
-zeebeving de groep der eilanden daar had geteisterd, dat gansche dorpen
-waren weggespoeld, dat duizenden waren zonder dak. In Holland hadden de
-telegrammen grooter emotie gewekt dan in Indië, alsof men er meer
-gewend was aan het beven der zee, aan de opheffingen der aarde. Men had
-veel gesproken over Dreyfus, men begon te spreken over Transvaal, maar
-over Ternate sprak men ternauwernood. Toch was in Batavia gevormd een
-hoofdcomité en Van Oudijck belegde een vergadering. Vastgesteld werd
-zoo spoedig mogelijk in de societeit en haren tuin een
-weldadigheidsfeest te geven. Mevrouw Van Oudijck, als naar gewoonte,
-droeg alles over aan Eva Eldersma en bemoeide zich met niets. Een
-ontroering van drukte voer veertien dagen door Laboewangi. In het
-doodstille plaatsje van Indisch-binnenlandsche sluimering begon een
-woeling van kleine hartstochtjes, ijverzuchtjes en vijandschapjes te
-ontwaken. Eva had haar club van getrouwen; de Van Helderens, de Doorn
-de Bruijns, de Rantzows, waar tegenover ijverden allerlei heel kleine
-côterietjes. Die was gebrouilleerd met die; die wilde niet meêdoen,
-omdat die meêdeed; die drong zich op om meê te doen alleen omdat
-mevrouw Eldersma niet denken moest almachtig te zijn en diè en diè en
-diè vonden, dat Eva veel te veel pretentie had en zich niet moest
-verbeelden de eerste van de plaats te zijn, omdat mevrouw Van Oudijck
-haar alles overliet. Eva had echter gesproken met den rezident en
-verklaarde wel te willen organizeeren, maar met een onbeperkte
-volmacht. Zij had er niets op tegen, dat de Rezident een ander zoû
-nemen om het feest op touw te zetten, maar als hij haar nam—was de
-onbeperkte volmacht de voorwaarde: want rekening te houden met twintig
-verschillende opinie’s en smaken—zoû maken dat men nooit tot een einde
-kwam. Van Oudijck, lachende, gaf toe, maar drukte haar op het hart de
-menschen niet boos te maken, ieders gevoelen te eerbiedigen, zooveel
-mogelijk verzoenend te zijn, opdat het weldadigheidsfeest een aangename
-herinnering achter zoû laten. Eva beloofde: zij was niet van een
-twistzieke natuur.
-
-Iets te doen, iets op touw te zetten, iets tot stand te brengen, haar
-artistieke energie te uiten was haar lust en haar leven, was haar de
-troost in het duffe Indische leven. Want hoewel zij veel in Indië had
-liefgekregen en mooi vond, miste het sociale leven voor haar, haar
-kleine clubje uitgezonderd, alle bekoring. Maar nu, op groote schaal,
-te bereiden een feest, waarvan men tot in Soerabaia zoû hooren,
-streelde hare ijdelheid en hare werklust.
-
-Zij zeilde door alle moeilijkheden heen, en omdat men inzag, dat zij
-het het beste wist en het meest praktische deed, gaf men haar toe. Maar
-terwijl zij bezig was met het uitdenken van hare fancy-kiosken en
-tableaux-vivants, en terwijl de drukte van feestbereiding voer door de
-notabele families van Laboewangi, scheen ook in de ziel der inlandsche
-bevolking iets te varen, maar niet zoo lucht iets als van feestvierende
-liefdadigheid. De schout, die iederen morgen aan Van Oudijck zijn kort
-rapport inbracht, meestal in een paar woorden:—dat hij zijne ronde
-gedaan had, en dat alles in orde was gebleken—had de laatste dagen
-langere gesprekken met den rezident, scheen hem gewichtiger dingen te
-hebben mede te deelen; voor het kantoor fluisterden de oppassers
-geheimzinniger; de rezident ontbood Eldersma en Van Helderen; de
-secretaris schreef naar Ngadjiwa aan Vermalen, den assistent-rezident;
-aan den majoor-kommandant van het garnizoen; en de controleur-kotta
-ging vaker en vaker rond door de stad, op uren, dat hij het niet gewoon
-was. In hare drukte bespeurden de dames weinig van de geheimzinnigheid,
-die er omging, en alleen Léonie, die zich met het feest niet bemoeide,
-merkte op in haren man eene ongewone stille bezorgdheid. Zij had een
-snel en scherp doorzicht, en omdat Van Oudijck—gewoon dikwijls te
-spreken over zaken in den huiselijken kring—de laatste dagen
-stilzwijgend was, vroeg zij eens, waar de Regent van Ngadjiwa was, nu
-hij op voordracht van Van Oudijck ontslagen was door de Regeering, en
-wie hem zoû vervangen. Hij antwoordde vaagweg en zij werd op haar hoede
-en beangstigde zich. Op een morgen, gaande door de slaapkamer van haar
-man, trof haar het fluisterend gesprek van Van Oudijck met den schout,
-en zij luisterde even, haar oor aan het schutsel. Het gesprek was
-gedempt, omdat openstonden de tuindeuren; op de tuintrappen zaten de
-oppassers; een paar heeren, die den rezident moesten spreken, liepen in
-de zijgalerij op en neêr, na hunne namen op een lei geschreven te
-hebben, die de hoofdoppasser al had binnengebracht. Maar zij moesten
-wachten, omdat de rezident met den schout sprak.... Léonie, aan het
-schutsel, luisterde. En zij werd bleek toen zij een paar woorden
-opvatte. Stil ging zij naar hare kamer, angstig. Aan de rijsttafel
-vroeg zij of het wel noodig zoû zijn, dat zij het feest bijwoonde, want
-zij had den laatsten tijd zoo een kiespijn, en zij moest naar
-Soerabaia, voor den dentist. Het zoû wel een tijd duren: zij was in
-langen tijd niet bij den dentist geweest. Maar Van Oudijck, streng in
-zijn sombere bui van geheime bezorgdheid en stilzwijgen, zei haar, dat
-het niet kon: dat zij op een avond, als dien van het feest, aanwezig
-moest zijn, als vrouw van den rezident. Zij pruilde, boudeerde en hield
-den zakdoek tegen den mond, zoodat Van Oudijck zenuwachtig werd. Dien
-middag sliep zij niet, las zij niet, droomde zij niet, van ongewone
-opwinding. Zij was bang, zij wilde weg. En bij de middagthee, in den
-tuin, begon zij te huilen, zeide, dat zij hoofdpijn had van kiespijn,
-dat zij ziek werd, dat zij het niet meer kon uithouden. Van Oudijck,
-nerveus, bezorgd, werd aangedaan; hij kon nooit hare tranen zien. En
-hij gaf toe, als altijd aan haar, waar het hare persoonlijke zaken
-betrof. Den volgenden dag vertrok zij naar Soerabaia, logeerde er in
-het rezidentie-huis en deed waarlijk den dentist hare tanden
-soigneeren.
-
-Dat was altijd goed, eens in het jaar. Zij besteedde er dezen keer
-ongeveer vijfhonderd gulden aan.
-
-Nu, ter loops, meenden ook de andere dames iets te raden van wat er
-omging in Laboewangi achter een waas van geheimzinnigheid. Want Ida van
-Helderen deelde het Eva Eldersma meê, hare tragische blanke-nonna-oogen
-van angst ontzet: dat haar man en ook Eldersma en de rezident vreesden
-voor een opstand der bevolking, opgestookt door de Regentenfamilie, die
-het nooit vergeven zoû, dat de Regent van Ngadjiwa ontslagen was. De
-mannen lieten zich echter niets ontvallen, en stelden hunne vrouwen
-gerust. Maar eene donkere woeling bleef borrelen onder de schijnbare
-kalmte van hun binnensteedsche leventje. En langzamerhand lekten de
-praatjes uit en beangstigden de Europeesche bevolking. Vage berichtjes
-in de couranten—commentaren op het ontslag van den Regent—hielpen meê.
-Onderwijl ging voort de drukte van feestbereiding, maar men was er niet
-bij met hart en ziel. Men leefde in drukte en onrust en werd ziek van
-zenuwachtigheid. Des nachts sloot men beter de huizen, legde men wapens
-bij de hand, werd men plotseling angstig wakker, luisterend naar de
-geluiden van den nacht, die donsde in het wijde buiten. En men
-veroordeelde de haastigheid van Van Oudijck, die na de scène van het
-race-bal, geen geduld meer had kunnen oefenen, die niet geaarzeld had
-den Regent, wiens huis verknocht was aan den grond van Laboewangi, éen
-met Laboewangi, voor ontslag te durven voordragen.
-
-De rezident had uitgeschreven, als feest voor de bevolking, een
-passer-malam [42] op de aloon-aloon [43], die enkele dagen zoû duren en
-samenviel met den Fancy-fair. Dat zouden zijn volksfeesten, vele
-stalletjes en kramen, de Komedie-Stamboul [44] waar
-Duizend-en-Een-Nacht-tooneel-spelen werden gegeven. Hij had dit gedaan
-om de Javaansche bevolking een zoo door haar gewaardeerd genoegen te
-doen, tegelijk dat de Europeanen feest vierden. Het was nu enkele dagen
-vóor den Fancy-fair en den dag te voren zoû, toevallig, de koempoelan
-[45] plaats hebben in de Kaboepaten.
-
-Een angst, een drukte, een zenuwachtigheid gaf in het anders steeds
-stille plaatsje een emotie, die de menschen bijna ziek maakte. Moeders
-brachten hare kinderen weg en waren zelve in tweestrijd. Maar de
-Fancy-fair deed de menschen blijven. Zouden zij den Fancy-fair willen
-missen? Zoo zelden was er eens een pretje. Maar als waarlijk.... een
-opstand uitbrak! En men wist niet wat te doen: men wist niet òf ernstig
-op te nemen de troebele dreiging, die men raadde; òf luchthartig met ze
-te spotten.
-
-Den dag vóor de koempoelan vroeg Van Oudijck belet bij de Raden-Ajoe
-Pangéran, die bij haar zoon inwoonde. Zijn rijtuig reed langs de
-opstallen en kramen der aloon-aloon, en door de sierpoorten der
-passer-malam: de naar elkaâr buigende bamboe-stammen, waaraan de smalle
-strook dundoek, die kabbelt in den wind: de versiering, die in het
-Javaansch dan ook „kabbeling” heet. Dien avond zoû de eerste feestavond
-zijn. Men was bezig aan de laatste toebereidselen en in de drukte van
-het hameren en schikken, hurkten de inboorlingen niet altijd neêr voor
-het rijtuig van den rezident, en lette men niet op de gouden pajong,
-die de oppasser vasthield op den bok, als een dichtgestraalde zon. Maar
-toen het rijtuig langs den vlaggestok inreed de oprijlaan van den
-Kaboepaten en men zag, dat de rezident zich naar den Regent begaf,
-schoolden groepen samen, en sprak men fluisterend en heftig. Aan den
-ingang van de oprijlaan verdrong men zich, spiedde uit. Maar de
-bevolking zag niets dan door de schaduw der waringins in de verte
-schemeren de leêge pendoppo [46], met hare rissen van afwachtende
-stoelen. De schout, die op zijn fiets plotseling voorbijreed, deed de
-samenscholingen als instinctmatig stuiven uit een.
-
-In de voorgalerij wachtte de oude vorstin den rezident. Een kalmte lag
-over haar waardig gelaat en liet niet lezen, wat in haar woelde en
-omging. Zij wees den rezident te zitten en met enkele gewone frazen
-begon het gesprek. Toen verschenen vlug kruiphurkende over den grond
-vier bedienden: de een met een flesschendrager vol flesschen; de tweede
-met een blad waarop tal van glazen; een derde met een zilveren ijsvat
-vol brokken ijs; de vierde, zonder iets, maakte de semba. De vorstin
-vroeg den rezident wat hij drinken wilde en hij zei, dat hij gaarne een
-whiskey-soda had. De laatste bediende, steeds kruiphurkende tusschen de
-drie anderen door, bereidde den drank, schonk-in de scheut whiskey,
-deed als een kanon openspringen de ajer-blanda [47]-flesch, en liet in
-het glas een ijsbrok neêr, als een kleine gletscher. Geen woord werd
-nog gesproken. De rezident liet den drank eerst koelen, en de vier
-bedienden kruiphurkten weg. Toen, eindelijk, nam Van Oudijck het woord
-en hij vroeg de vorstin of hij zoû kunnen spreken in geheel vertrouwen,
-of hij zoû kunnen zeggen, wat hij had op het hart. Zij, beleefd,
-smeekte het hem te doen. En met zijn vaste, maar gedempte stem, zeide
-hij haar, in het Maleisch, in heel hoffelijke zinnen, vol vriendschap
-en bloemrijke beleefdheid, hoe hoog en groot zijne liefde voor den
-Pangéran was geweest, en nog was voor diens roemrijk geslacht, ook al
-had hij, Van Oudijck, tot zijn innigste spijt, moeten handelen tegen
-die liefde in, omdat hem zijn plicht dat gebood. En hij vroeg haar, zoo
-een moeder dat kon, hem geen kwaad hart toe te dragen om die beoefening
-van zijn plicht; hij vroeg haar, integendeel, moederlijk voor hem te
-voelen, den Europeeschen ambtenaar, die als een vader bemind had den
-Pangéran, en met hem, den ambtenaar—zij, de moeder van den Regent—,
-samen te werken door haar zoo grooten invloed aan te wenden tot heil en
-welvaart van de bevolking. In zijne vroomheid en verren blik naar de
-dingen van het onzienlijke, vergat Soenario wel eens de feitelijke
-werkelijkheid, die lag voor de hand; welnu, hij, de rezident, vroeg
-haar, de machtige invloedrijke moeder, samen te werken met hem in wat
-Soenario zag over het hoofd, samen te werken, in eensgezindheid en
-liefde. En, in de sierlijkheid van zijn Maleisch, opende hij haar zijn
-hart geheel, zeide hij haar de woeling, die reeds dagen lang borrelde
-onder de bevolking, als een slecht gif, dat haar niet anders dan
-slecht, dronken kon maken en haar wellicht zoû leiden tot dingen, tot
-daden, die in diep berouw zouden moeten eindigen. En met dit laatste
-woord van „diep berouw”, deed hij haar voelen, onder zijn woorden, dat
-de Regeering de sterkste zoû zijn, dat een ontzettende straf neêr zoû
-vallen op al wie schuldig zoû blijken te zijn, hoog en laag. Maar hoog
-hoffelijk bleef zijn taal en eerbiedig zijn woord, als van een zoon
-tegen eene moeder. Zij, hoewel ze hem verstond, waardeerde de tactvolle
-gratie van zijne manieren, en de met bloemen bestrooide diepte en ernst
-van zijne taal deed hem stijgen in hare achting en verwonderde haar
-bijna—in een lagen Hollander, van bloed noch afkomst. Maar hij ging
-voort, en niet zeide hij haar, wat hij wel wist, dat zij was de
-aandrijfster in deze duistere woeling—maar wel vergoêlijkte hij die
-woeling, en zeide, dat hij ze begreep, dat de bevolking meê met haar
-leed, in haar verdriet omtrent den onwaardigen zoon, die toch ook
-afstammeling was van het edele geslacht; en dat het zoo natuurlijk was,
-dat de bevolking diep voelde voor hare oude vorstin, ook al was dat
-gevoel nu onverstandig en onberedeneerd. Want de zoon wàs onwaardig, de
-Regent van Ngadjiwa was onwaardig geweest, en wat gebeurd was, had niet
-anders kunnen gebeuren. Zijn stem werd even streng en zij boog het
-grijze hoofd, bleef zwijgen, scheen aan te nemen. Maar nu werden
-teederder weêr zijne woorden en nogmaals vroeg hij haar hare
-medewerking, te willen aanwenden haar invloed ten beste. Hij vertrouwde
-op haar geheel. Hij wist, dat zij hoog hield de traditie van haar
-geslacht, de trouw aan de Compagnie, de onkreukbare trouw aan de
-Regeering. Welnu, hij vroeg haar zoo aan te wenden hare macht en
-invloed, zoo te gebruiken de liefde en vereering, die men haar
-toedroeg, dat zij, mede met hem, den rezident, tot stilte zoû brengen
-wat in het duistere woelde; dat zij tot bedachtzaamheid brengen zoû wat
-niet nadacht; dat zij tot vrede zoû stillen, wat in het geheim dreigde,
-onbezonnen en lichtzinnig, tegen het waardige en sterke gezag. En
-terwijl hij vleide en dreigde tegelijkertijd, gevoelde hij, dat
-zij,—hoewel zij nog nauwlijks sprak éen woord, en alleen zijne woorden
-maar scandeerde met haar: saja,—kwam onder zijn sterkeren invloed van
-man van tact en van gezag, en dat hij haar deed nadenken. Hij gevoelde,
-dat onder het nadenken de haat in haar neêrviel, de wraakzucht in haar
-verlamde, en dat hij brak de energie en den trots van het oude bloed
-der Madoereesche sultans. Hij liet schemeren voor hare oogen, onder al
-de bloemen van zijne taal, den geheelen ondergang, de zware straf, de
-toch sterkere macht van het Gouvernement. En hij plooide haar tot de
-oude lenigheid van te bukken onder de heerschersmacht. Hij leerde haar,
-in hare opwelling om op te staan en van zich te werpen het gehate juk,
-dat het beter was koel, verstandig te zijn en bezadigd zich opnieuw te
-schikken. Zij knikte zacht ja, met het hoofd, en hij voelde, dat hij
-haar had overmachtigd. Een trots er om werd in hem wakker. En nu ook
-sprak zij, en beloofde, met hare inwendig weenende, gebroken stem. Dat
-zij hem liefhad als een zoon, dat zij zoû doen als hij verlangde, haar
-invloed buiten de Kaboepaten in de stad zeker zoû aanwenden tot
-stilling van deze dreigende troebelen. Zij sprak zich ervan vrij, en
-zeide, dat ze ontsproten uit onnadenkende liefde van de bevolking, die
-meêleed met haar, om haar zoon. Zij zeide hem nu na zijne woorden:
-alleen sprak zij niet van onwaardig. Want zij was moeder. En nogmaals
-herhaalde zij het, dat hij haar vertrouwen kon, dat zij zoû doen naar
-zijn verlangen. Toen deelde hij haar meê, dat hij morgen met zijne
-ambtenaren, met de inlandsche hoofden ter koempoelan zoû komen, en hij
-zeide, dat hij haar zoo vertrouwde, dat zij allen, Europeanen,
-ongewapend zouden zijn. Hij zag haar in de oogen. Hij dreigde haar meer
-met dit te zeggen dan dat hij van wapens hadde gesproken. Want hij
-dreigde haar, zonder er een woord van te zeggen, alleen met de
-intonatie van het Maleisch, met de straf, de wraakneming van de
-Regeering, zoo éen haar gekrenkt zoû worden van den minste harer
-ambtenaren. Hij was opgestaan. Zij ook stond op, wrong de handen,
-bezwoer hem zoo niet te spreken, bezwoer hem ten volle te vertrouwen
-haar en haar zoon. En zij liet Soenario roepen. De Regent van
-Laboewangi kwam en nogmaals herhaalde Van Oudijck, dat hij hoopte op
-vrede en nadenken. En in den toon van de oude vorstin tegen haar zoon,
-voelde hij, dat zij wilde, dat het nadenken en de vrede er zijn zoû.
-Hij voelde haar, de moeder, almachtig in de Kaboepaten.
-
-De Regent boog het hoofd, stemde toe, beloofde, zeide zelfs, dat hij
-reeds had laten sussen, dat hij altijd betreurd had die opwinding van
-het volk, dat het hem zeer leed deed, nu de rezident het toch bespeurd
-had, niettegenstaande zijne—Soenario’s—sussingen. De rezident drong
-niet verder door in deze onoprechtheid. Hij wist, dat de woeling
-aangestookt werd van uit de Kaboepaten, maar hij wist ook, dat hij had
-overwonnen. Nog eens, echter, drukte hij den Regent zijne
-verantwoordelijkheid op het hart, in het geval, dat er iets gebeuren
-mocht in de pendoppo, morgen, gedurende de koempoelan. De Regent
-bezwoer hem aan zoo iets niet te denken. En nu, om in vriendschap te
-scheiden, smeekte hij Van Oudijck nog eens te gaan zitten. Hij zette
-zich. Bij deze beweging stiet Van Oudijck als toevallig tegen het glas,
-dat geheel parelde van ijskoude, en dat hij nog niet aan de lippen had
-gezet. Het viel kletterend op den grond. Hij verontschuldigde zich over
-zijne lompheid. De Raden-Ajoe Pangéran had zijne beweging opgemerkt en
-haar oude gelaat werd bleek. Zij zeide niets, maar zij wenkte een
-volgeling. En op nieuw verschenen kruiphurkend de vier bedienden,
-bereidden een tweede glas whiskey-soda. Van Oudijck zette het glas
-dadelijk aan den mond.
-
-Er was een pijnlijke stilte. In hoeverre de beweging van den rezident,
-waarmeê hij het glas had omgestooten, gerechtvaardigd was geweest, zoû
-altijd blijven een raadsel, zoû hij nooit en nimmer weten. Maar hij
-wilde de vorstin toonen, dat hij, hier komende, op alles was
-voorbereid, vóor hun gesprek; dat hij, nà dat gesprek, haar geheel en
-in alles vertrouwen wilde. Zoowel in den drank, dien zij hem bood, als
-morgen op de koempoelan, waar hij met zijne ambtenaren allen ongewapend
-verschijnen zouden; als in haren invloed ten beste, die rust en vrede
-onder de bevolking zoû brengen. En als om te toonen, dat zij hem
-begreep, en dat geheel zijn vertrouwen gerechtvaardigd zoû zijn, stond
-zij op en fluisterde een paar woorden tot een volgeling, dien zij
-gewenkt had. De Javaan verdween en kwam weldra de geheele voorgalerij
-kruiphurkende door, dragende een lang voorwerp in gele hoes. De vorstin
-nam het uit zijn handen en overhandigde het Soenario. En deze trok uit
-de gele zijden hoes een wandelstok, dien hij aanbood aan den rezident
-als een bewijs van hun broederlijke vriendschap. Van Oudijck nam aan,
-wetende het symbool. Want de gele zijden hoes was van de kleur en de
-stof van het gezag: zijde en geel of goud; de stok zelve was van een
-hout, dat beveiligt tegen slangenbeten en onheil, en de zware knop was
-gewerkt in het metaal van gezag—goud—in den vorm van de oude
-sultanskroon. Deze stok, aangeboden op dit oogenblik, beteekende, dat
-de Adiningrats zich opnieuw onderworpen en dat Van Oudijck hen
-vertrouwen kon.
-
-En toen hij afscheid nam, was hij zeer trotsch en waardeerde hij hoog
-zichzelven. Want met tact, met diplomatie, met kennis van den Javaan
-had hij overwonnen: alleen met woorden zoû hij den dreigenden opstand
-hebben bezworen. Dat zoû een feit zijn.
-
-Dat was ook zoo, dat zoû zoo zijn: een feit. Dien eersten avond van de
-passer-malam, vroolijk lichtende van honderd petroleum-lampjes,
-lokkelijk dampende van laag drijvende bakluchten, vol van het bonte
-gewarrel der feestende bevolking—dien eersten avond was niets dan feest
-en onder elkaâr besprak de bevolking het lange vriendschapsbezoek van
-den rezident aan den Regent en aan zijn moeder; want het rijtuig met de
-pajong had men lang zien wachten in de oprijlaan, en volgelingen van
-den Regent vertelden van het geschenk van den wandelstok.
-
-Dat was ook zoo: het feit was, en gebeurde, zooals Van Oudijck het had
-vooruit bedacht en gedwongen. En dat hij trotsch was, was menschelijk.
-Maar wat hij niet had gedwongen en vooruit bedacht, dat waren de stille
-krachten, die hij nooit raadde, die hij ontkennen zoû, altijd, in het
-natuurlijk eenvoudige leven. Wat hij niet zag en hoorde en voelde, dat
-was de heel stille kracht, die wel neêrsloeg, maar toch smeulde, als
-een vulkanisch vuur onder de schijnbaar rustige dreven van bloemen en
-vriendschap en vrede: de haat, die een macht zoû hebben van
-ondoordringbaar mysterie, waartegen hij, Westerling, ongewapend was.
-
-
-
-
-VI.
-
-Van Oudijck hield van zekere effecten. Hij sprak niet veel dien dag
-over zijn bezoek aan de Kaboepaten, en ook niet toen dien avond
-Eldersma en Van Helderen hem kwamen spreken over de koempoelan, die den
-volgenden morgen plaats zoû grijpen. Zij hadden een zekere ongerustheid
-en vroegen of zij zich wapenen zouden. Maar Van Oudijck, zeer streng en
-beslist, verbood wapens meê te nemen, en zeide, dat het niemand
-geoorloofd was. De ambtenaren gaven toe, maar niemand was op zijn
-gemak. De koempoelan had echter plaats in volkomene ongestoordheid en
-harmonie; alleen was er een grootere bevolking op de been tusschen de
-kramen van de passer-malam, was er meer politie bij de sierpoorten, met
-de kabbelende strooken dundoek. Maar er gebeurde niets. De vrouwen in
-huis waren angstig en herademden toen hunne mannen veilig weêr waren
-thuis. En Van Oudijck had zijn effect bereikt. Hij legde nu een paar
-bezoeken af, zeker van zijne zaak, vertrouwende op de Raden-Ajoe
-Pangéran. Hij stelde de dames gerust, en zeide haar nu alleen te denken
-aan den Fancy-fair. Maar zij vertrouwden het niet. Sommige families,
-des avonds, sloten alle hunne deuren en bleven met de kennissen en
-kinderen en baboe’s in de middengalerij, gewapend, luisterend, op hun
-hoede. Theo, met wien zijn vader, in een bui van vertrouwelijkheid, had
-gesproken, maakte er toen met Addy een pretje van. De beide jongelui,
-op een avond, liepen de huizen af, van wie zij wisten, dat het
-angstigst waren, en zij drongen door in de voorgalerij, en zij riepen
-om open te doen: en in de middengalerijen hoorden zij de snaphanen al
-overhalen. Zij hadden een dollen avond.
-
-Toen eindelijk had de Fancy-fair plaats. Op het tooneel van de
-societeit had Eva georganizeerd een serie van drie tableaux uit de
-Artur-Sage: Viviane, en Ginevra en Lancelot; in den tuin was in het
-midden een Madoereesche prauw, in den vorm van een Vikingschip, waar
-men punch à la romaine dronk; een naburige suikerfabriek, nog altijd
-pret makende, bekend om den joligen toon, die er heerschte, had gezorgd
-voor een komplete Hollandsche poffertjeskraam—als een heimwee-wekkende
-herinnering aan Holland: de dames als Friesche boerinnen, de employés
-van de fabriek allen als koksjongens gekleed; en de emotie voor
-Transvaal was gevierd door een Majuba-heuvel met heeren en dames in
-fantastisch Boeren-kostuum. Van de immense zeebeving in Ternate was
-geen sprake, hoewel de helft van de opbrengst aan de geteisterde
-streken was toebedacht. Onder de lichtende loleng-festoenen, die
-slingerden boven den tuin was een groote pret en lust tot veel geld
-uitgeven, vooral voor Transvaal. Maar onder die lustigheid huiverde
-toch een angst. Groepjes verzamelden zich, blikken keken spiedend uit
-naar buiten, waar op den weg zich verdrongen: Indo’s, Javanen,
-Chineezen, Arabieren, rondom de draagkeukentjes, die walmden. En
-angstig, onder een glas champagne, of een bord poffertjes, luisterde
-men in de richting van de aloon-aloon, waar de passer-malam woelde in
-volle kracht. Toen Van Oudijck verscheen met Doddy, ontvangen met het
-Wien Neêrlandsch Bloed, goedmoedig rijksdaalders en bankjes strooiende,
-vroeg men hem telkens iets, geheimzinnig aan het oor. En, missende
-mevrouw Van Oudijck, vorschte men onder elkaâr uit, waar zij was. Zij
-had zoo een kiespijn, zeide men: zij was daarom naar Soerabaia. Men
-vond het niet aardig van haar; men hield niet van haar als men haar
-niet zag. Zij werd dien avond zeer besproken: men vertelde de
-afschuwelijkste schandalen van haar. Doddy nam op de Madoereesche prauw
-haar plaats in als verkoopster, en Van Oudijck, met Eldersma, Van
-Helderen, een paar controleurs van buiten, ging rond, en trakteerde
-zijn Binnenlandsch Bestuur. Als men hem de geheimzinnige inlichtingen
-vroeg, met de angstige blikken naar buiten, met het luisterend oor naar
-de aloon-aloon, stelde hij majesteitelijk glimlachend gerust: er zoû
-niets gebeuren, hij verpandde er om zijn eerewoord. Men vond hem wel
-erg vertrouwend, erg zeker van zijne zaak, maar de joviale glimlach om
-de breede snor van den rezident stelde gerust. Hij dreef een ieder aan
-van zijn goede stad Laboewangi alleen te denken aan de pret en de
-liefdadigheid. En toen, eensklaps, verscheen de Regent, Raden Adipati
-Soenario en zijne vrouw, de jonge Raden-Ajoe, en aan den ingang
-boeketjes, programma’s en waaiertjes betaalde met een bankje van
-honderd gulden, ging eene ontspanning door het geheele publiek van den
-tuin. Het bankje van honderd van den Regent was spoedig overal bekend.
-En nu herademde men; nu begreep men, dat alle angst overbodig zoû zijn.
-
-Dat geen opstand dien avond uit zoû breken. Men vierde den Regent en
-zijn glimlachende jonge vrouw, die schitterde van hare mooie juweelen.
-
-Van louter ontspanning, herademing, dolheid, gaf men steeds meer en
-meer geld uit, wilde men evenaren de enkele schatrijke Chineezen—die
-van vóor de opiumregie, eigenaars van de witte marmer- en
-stucpaleizen—als zij met hunne vrouwen, in geborduurde grijze en groene
-Chineesche gewaden, het glimmende haar vol bloemen en steenen, sterk
-riekende naar sandelgeuren, strooiden met rijksdaalders. Het geld
-vloeide, tikkelde als met zilveren droppelingen in de bussen der blijde
-verkoopsters. En de Fancy-fair was een succes. En toen Van Oudijck
-eindelijk, langzaam aan hier en daar, aan Doorn de Bruijn, aan Rantzow,
-aan de ambtenaren van buiten iets losliet van zijn bezoek aan de
-Kaboepaten, van zijn gesprek met de Raden-Ajoe Pangéran—nederig en
-eenvoudig doende, maar toch ondanks zichzelven stralende van blijden
-hoogmoed, van vreugde over zijn zege—toen bereikte hij zijn grootste
-effect.
-
-Het verhaal ging rond door den tuin, van den tact, van de knapheid van
-den rezident, die met zijn woord alleen de revolutie bezworen had. Hij
-werd als op de handen gedragen. En hij schonk overal rond champagne,
-hij kocht alle waaiertjes op, hij kocht al de loten van de tombola, die
-nog niet waren verkocht. Men aanbad hem, het was zijn oogenblik van
-succes en populariteit. En hij schertste met de dames, hij maakte ze
-het hof. Het feest duurde lang, tot zes uur in den lichten morgen. De
-vroolijke poffertjeskoks waren dronken en dansten om de
-poffertjeskachel heen.
-
-En toen Van Oudijck eindelijk naar huis ging, gevoelde hij zich in een
-stemming van zelftevredenheid, van kracht, van blijdschap; vervoering
-over zichzelven. In zijn kleine wereld voelde hij zich koning en tevens
-diplomaat en tevens bemind door allen, wien hij rust en vrede verzekerd
-had. Deze avond deed hem stijgen in zijne zelfachting en hij waardeerde
-zich hooger dan ooit. Hij voelde zich zoo gelukkig als hij zich nooit
-had gevoeld.
-
-Hij had het rijtuig naar huis gezonden, en wandelde met Doddy naar
-huis. Enkele vroege verkoopers gingen ter passer. Doddy, half slapende,
-doodmoê, sleepte zich meê aan den arm van haar vader....
-
-Toen, dichtbij, ging haar iemand voorbij, en hoewel zij meer voelde dan
-zag, huiverde zij plotseling. Zij zag op. De figuur was voorbij. Zij
-zag om en zij herkende den rug van den hadji, die zich haastte....
-
-Zij voelde zich koud tot flauw vallens toe. Maar toen, moê, slapende
-loopende, bedacht zij, dat zij half droomde, droomde van Addy, van
-Patjaram, van den maannacht onder de tjemara’s, waar aan het einde van
-de laan de witte hadji haar verschrikt had....
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-
-I.
-
-Eva Eldersma was in een stemming van lusteloosheid en spleen als zij
-nog nooit in Indië had ondervonden. Na al haar arbeid, drukte, succes
-van den Fancy-fair—na de huiverende angsten voor opstand—sluimerde het
-plaatsje gemoedelijk weêr in, als was het weltevreden weêr te kunnen
-dommelen als altijd. Het was December geworden en de zware regens waren
-begonnen, als altijd, den vijfden December: de regenmoesson,
-onveranderlijk, trad in op St. Nicolaas. De wolken, die, een maand
-lang, zich al zwellende en zwellende hadden opgetast aan de laagte der
-kimmen, gordijnden hare watervolle zeilen hooger tegen de uitspansels
-aan, en scheurden open als met éene razernij van vèr uitlichtende
-electriciteiten, plasten kletsstralende neêr als daar niet meer omhoog
-op te houden rijkdommen van regen, nu de te volle zeilen scheurden en
-al de waterweelde giet-stroomde als uit éen scheur neêr. Des avonds was
-Eva’s voorgalerij overvlogen door een dollen zwerm van insecten, die
-zich, vuurdronken, ten ondergang stortten in de lampen, als in een
-apotheoze van vlammendood, en met haar wiekbewegende, stervende
-lichamen de lampenglazen vulden en bestrooiden de marmeren tafels. Een
-koelere lucht ademde Eva in, maar een waasmist van vocht, uit aarde en
-bladeren, sloeg aan op de muren, scheen te zweeten uit meubels, te
-tanen op spiegels, te vochtvlakken op zijde, te schimmelen op schoenen,
-of de neêrrazende stroomenkracht der natuur al het kleine en
-fijn-glinsterende en bevallige van menschenwerk zoû bederven. Maar
-boomen en loover en gras leefden op, leefden uit, woekerden welig
-omhoog, in duizende tintelingen van nieuw groen en in de oplevende zege
-van de groene natuur was de neêrduikende menschenstad van open
-villa-huizen nat en paddestoelvochtig, verweerde tot schimmelgroen al
-de blankheid der gekalkte pilaren en bloemepotten.
-
-Eva zag aan de langzame, geleidelijke ruïne van haar huis, hare
-meubels, hare kleêren. Dag aan dag, onverbiddelijk, bedierf er iets,
-rotte wat weg, beschimmelde, verroeste er iets. En geheel de
-esthetische filozofie, waarmede zij eerst zich geleerd had van Indië te
-houden, te waardeeren het goede in Indië, te zoeken ook in Indië naar
-de mooie lijn, uiterlijk, en naar het inwendige mooi, van ziel, was
-niet meer bestand tegen het stroomen van het water, tegen het uit-een
-kraken van haar meubels, tegen het vlakkig worden van haar japonnen en
-handschoenen, tegen al de vocht, schimmel en roest, die haar bedierf
-hare exquize omgeving, die zij om zich heen als troost had ontworpen,
-geschapen, als troost voor Indië. Al het beredeneerde, verstandelijke
-van zich te schikken, van tòch iets liefs en moois te vinden in het
-land van al te overmachtige natuur en geld- en pozitie-zoekende
-menschen, verongelukte, stortte in, nu zij elk oogenblik gedwongen werd
-kribbig te zijn, als huisvrouw, als elegante vrouw, als artistieke
-vrouw. Neen, onmogelijk was het in Indië zich te omringen met smaak en
-exquiziteit. Zij was hier nog slechts een paar jaar, en zij voelde nog
-wel wat kracht te strijden voor hare Westersche beschaving, maar toch
-begreep zij al beter dan de eerste dagen van hare aankomst het
-zich-maar-laten-gaan, van de mannen na hun drukke werk, van de vrouwen
-in hare huishouding. Zeker, de geluideloos loopende bedienden, werkende
-met zachte hand, gewillig, nooit brutaal, zij trok ze voor boven de
-luidruchtig stampende meiden in Holland, maar toch voelde zij in geheel
-haar huis een Oosterschen tegenstand tegen hare Westersche ideeën. Het
-was altijd een strijd, om niet onder te gaan in het-maar-laten-gaan, in
-het maar laten verwilderen van het te groote erf, achter onvermijdelijk
-behangen met groezelig waschgoed der bedienden, en bestrooid met
-afgeknabbelde manga’s; in het maar laten vervuilen en ontverven van
-haar huis, te groot, te open, te bloot aan weêr en wind om met
-Hollandsche zindelijkheid te worden verzorgd; in het maar blijven
-schommelen ongekleed, in sarong en kabaai, de bloote voeten in
-muiltjes, omdat het heusch te warm, te zwoel was zich te kleeden in een
-japon of peignoir, die men doortranspireerde. Voor haar was het, dat
-aan tafel ’s avonds haar man steeds gekleed was, zwart jasje en hoogen
-boord, maar als zij zag zijne vermoeide trekken, waaruit al meer en
-meer de strakke oververmoeide bureau-trek staarde, boven dien hoogen
-boord, maande zij hem zelve een volgenden keer aan zich maar niet te
-kleeden na zijn tweede bad, en duldde zij hem aan tafel in een wit
-jasje, of zelfs in nachtbroek en kabaai. Zij vond dat iets vreeslijks,
-iets onzegbaars verschrikkelijks, het schokte geheel hare beschaving,
-maar heusch, hij was te moê, en het was te drukkend zwoel om anders van
-hem te vergen. En zij—pas twee jaren in Indië—begreep meer en meer het
-zich laten gaan—in kleeding, in lichaam, in ziel—nu zij iederen dag
-iets meer verloor van haar Hollandsche frissche bloed en haar
-Westersche energie, nu zij wel toegaf, dat men in Indië werkte als
-misschien in geen ander land, maar alleen werkte, met dat doel voor
-oogen: pozitie—geld—ontslag—pensioen—en terug, terug naar Europa. Wel
-waren er anderen, geboren in Indië, nauwlijks éen enkel jaar eens uit
-Indië weg geweest, die niets van Holland wilden hooren, die aanbaden
-hun land van zon. Zoo wist zij, waren de de Luce’s, en zoo—wist
-zij—waren er anderen. Maar in haar kring van ambtenaren en planters was
-het bij iedereen het zelfde levensdoel—pozitie—geld—en dan weg, weg
-naar Europa. Iedereen rekende uit de jaren, die hij nog zoû werken
-moeten. Iedereen zag in de toekomst de illuzie van de Europeesche rust.
-Een enkele, als Van Oudijck—een ènkele ambtenaar, die misschien zijn
-werk liefhad òm zijn werk, en omdat het harmonieerde met zijn
-karakter—vreesde den toekomstigen pensioen-tijd, die dom vegeteeren zoû
-zijn. Maar Van Oudijck was een uitzondering. De meesten dienden en
-plantten, voor een latere rust. Haar man immers ook, beulde zich af, om
-als hij assistent-rezident was geworden, over enkele jaren zijn
-pensioen te nemen; beulde zich af voor zijne illuzie van rust. Nu, zij
-voelde hàar energie haar ontzinken, met iederen druppel bloed, dien zij
-voelde trager door haar matte aderen vloeien. En in deze eerste dagen
-van de natte moesson, nu de gooten van het huis onophoudelijk waterden
-de dik klaterende stralen, die haar irriteerden met hun gekletter, nu
-zij zag bederven in vocht en schimmel, al dat materieele, dat zij met
-smaak om zich heen koos, als hare artistieke troost in Indië, nu kwam
-zij in eene ontstemming van lusteloosheid en spleen als zij nog nimmer
-had doorgemaakt. Zij had niet genoeg aan haar kindje, te klein nog om
-iets van ziel voor haar te zijn. Haar man werkte, werkte altijd. Hij
-was voor haar een goede, lieve man, een brave man, een man van grooten
-eenvoud, dien zij misschien alleen om dien eenvoud genomen had, om die
-kalme rust van zijn glimlachend Friesche blonde gezicht en de stoerheid
-van zijne breede schouders, na een paar opgewonden jonge romans van
-dwepen en misverstand en woordenwisselingen van hoog-zielevoelen,
-romans uit haar jonge-meisjes-tijd. In een eenvoudigen roman had zij,
-die niet rustig en eenvoudig was, den eenvoud en rust van haar leven
-gezocht. Maar zijne kwaliteiten voldeden haar niet. Vooral, nu, langer
-in Indië, en verslagen wordende in den strijd met het land, dat hare
-natuur niet sympathisch was, voldeed zijn rustige liefde van echtgenoot
-haar niet.
-
-Zij begon zich ongelukkig te voelen. Zij was te veelzijdig vrouw om
-geheel haar geluk te kunnen vinden in haar kleine jongentje. Het vulde
-wel, met zijne kleine zorgjes voor nu, en met de gedachten aan zijne
-toekomst, een deel van haar leven. Zij had zelfs uitbedacht een geheele
-theorie van opvoeding. Maar het vulde niet haar leven geheel. En een
-heimwee naar Holland omving haar, een heimwee naar hare ouders, een
-heimwee naar het mooie kunsthuis, waar men altijd ontmoette schilders,
-schrijvers, toonkunstenaars—uitzondering van artistieke salon in
-Holland, waar een oogenblik te samen kwamen de anders altijd in Holland
-geïzoleerde kunstelementen.
-
-Als een vage verre droom trok het vizioen haar voorbij, terwijl zij
-hoorde naar de aankondigende donderingen der barstenszwoele lucht,
-terwijl zij uitkeek naar den watervloed, die daarna neêrgoot. Hier had
-zij niets. Hier voelde zij zich misplaatst. Hier had zij in haar clubje
-van getrouwen, die zich om haar verzamelden, omdat zij vroolijk was,
-niets van diepere sympathie, van inniger conversatie—dan alleen met Van
-Helderen. En met hem wilde zij voorzichtig zijn, om hem geene illuzie’s
-te geven.
-
-Alleen Van Helderen. En zij dacht aan alle de andere menschen om haar
-heen in Laboewangi. Zij dacht aan menschen, menschen van overal. En,
-pessimistisch, in deze dagen, vond zij in allen het egoïste, het
-eigen-ikkerige, en het minder beminnelijke, het opgesloten in
-zichzelven; zij kon het zich nauwlijks uitdrukken, afgeleid door de
-forsche watermacht van den regen. Maar zij vond in ieder bewuste en
-onbewuste dingen van onbeminnelijkheid. Ook in hare getrouwen. Ook in
-haar man. In mannen, jonge vrouwen, jonge meisjes, jongelui om haar
-heen. Ieder was zijn eigen ik. In niemand was het harmonisch voor zich
-en voor een ander. In die vond zij dit niet goed, in die dat hatelijk;
-die en die veroordeelde zij geheel. Het was een kritiek, die haar
-troosteloos en weemoedig maakte, want ze was tegen haar natuur in: zij
-had gaarne lief. Ze leefde gaarne samen, spontaan, harmonisch met vele
-anderen: oorspronkelijk was er in haar een liefde voor de menschen, een
-liefde voor de menschheid. Groote kwesties wekten emotie in haar. Maar
-al wat zij gevoelde vond geen weêrklank. Leêg en alleen bevond zij
-zich, in een land, een stad, een omgeving, waar alles en alles—groote
-dingen, kleine dingen—hinderde haar ziel, haar lichaam, haar karakter,
-haar natuur. Haar man werkte. Haar kind ver-Indieschte al. Hare piano
-was ontstemd.
-
-Zij stond op, probeerde de piano, met lange gamma’s, die uitliepen in
-den Feuerzauber van de Walküre. Maar de regen raasde sterker dan haar
-muziek opzong. Toen zij weêr opstond, wanhopig van lusteloosheid, zag
-zij Van Helderen staan.
-
-—Je laat me schrikken, zeide zij.
-
-—Mag ik blijven rijsttafelen? vroeg hij. Ik ben thuis alleen. Ida is
-voor hare malaria naar Tosari en de kinderen zijn meê. Ze is gisteren
-gegaan. Het is een dure historie. Hoe ik dit een maand vol moet houden,
-weet ik niet.
-
-—Laat de kinderen hier komen, als zij een paar dagen zijn boven
-geweest....
-
-—Is je dit geen last?
-
-—Natuurlijk niet.... Ik zal het Ida schrijven....
-
-—Het is heusch allerliefst van je.... Je zoû er mij zeker meê helpen.
-
-Zij lachte mat.
-
-—Ben je niet wel?
-
-—Ik voel mij doodgaan, zeide zij.
-
-—Hoe meen je?
-
-—Ik voel mij iederen dag wat sterven.
-
-—Waarom?
-
-—Het is hier verschrikkelijk. Wij hebben naar de regens verlangd, en nu
-ze er zijn, maken ze me dol. En—ik weet het niet—: ik hoû het hier niet
-meer uit.
-
-—Waar?
-
-—In Indië. Ik heb mij geleerd om in dit land het goede, het mooie te
-zien. Het was alles tevergeefs. Ik kan nu niet meer.
-
-—Ga naar Holland, sprak hij zacht.
-
-—Mijn ouders zouden me zeker gaarne terugzien. Voor mijn jongen zoû het
-goed zijn, want iederen dag verleert hij meer en meer zijn Hollandsch,
-dat ik zoo energiek begonnen was hem te leeren, en praat hij
-Maleisch—of erger nog: sinjó’sch. Maar mijn man kan ik hier niet alleen
-laten. Hij zoû niets hebben zonder mij. Tenminste—dat geloof ik—dat is
-nog zoo iets als een illuzie. Misschien is het niet zoo.
-
-—Maar als je ziek wordt....
-
-—Ach.... ik weet het niet....
-
-Er was eene ongewone doodmoêheid in geheel haar wezen.
-
-—Misschien overdrijf je! begon hij opgewekt. Kom, misschien overdrijf
-je. Wat is er, wat hindert je, wat maakt je zoo ongelukkig. Laten wij
-eens een inventaris opmaken.
-
-—Een inventaris van mijn ongelukken. Mijn tuin is een moeras. Drie
-stoelen van mijn voorgalerij kraken uit-een. Witte mieren hebben mijn
-mooie Japansche matten opgegeten. Een nieuwe zijden japon is,
-onverklaarbaar, met vochtvlekken uitgeslagen. Een andere is, louter van
-de warmte, geloof ik, vergaan tot losse draadjes. Daarbij verschillende
-kleinere misères van dien aard. Om mij te troosten heb ik mij gestort
-in den Feuerzauber. Mijn piano was valsch; ik geloof, dat er
-kakkerlakken tusschen de snaren rondwandelen.
-
-Hij lachte een beetje.
-
-—Wij zijn idioot, hier, wij Westerlingen in dit land. Waarom brengen we
-hier geheel den nasleep van onze dure beschaving, die het hier toch
-niet uithoudt! Waarom wonen wij hier niet in een frisch bamboe-huisje,
-slapen op een tiker [48], kleeden ons in een kaïn pandjang en chitsen
-kabaai, met een slendang over den schouder, en een bloem in het haar.
-Al jullie kultuur, waarmeê je rijk wilt worden,—dat is een Westersch
-idee, dat mislukt op den duur. Al onze administratie—dat is vermoeiend
-in de warmte. Waarom—als wij hier willen zijn—leven wij maar niet
-eenvoudig en planten wij padi en leven wij van niets....
-
-—Je praat als een vrouw, lachte hij een beetje.
-
-—Het is mogelijk, zeide zij. Ik spreek zoo half uit aardigheid. Maar
-dat ik hier voel, tegen mij in, tegen al mijne Westerschheid in, een
-kracht, die mij tegenwerkt.... dat is zeker. Ik ben hier soms bang. Ik
-voel mij hier altijd.... op het punt overweldigd te worden, ik weet
-niet waardoor: door iets uit den grond, door een macht in de natuur,
-door een geheim in de ziel van die zwarte menschen, die ik niet ken....
-In de nachten vooral ben ik bang.
-
-—Je bent nerveus, zeide hij teeder.
-
-—Misschien, sprak zij mat terug, ziende, dat hij haar niet begreep, en
-te moê het verder te verklaren. Laat ons over iets anders spreken. Die
-tafeldans is toch vreemd.
-
-—Ja, zeide hij.
-
-—Verleden toen wij het deden met ons drieën—Ida, jij, en ik....
-
-—Het was zeker heel vreemd.
-
-—Herinner je je dien eersten keer? Addy de Luce.... dat schijnt nu toch
-waar te zijn met mevrouw Van Oudijck... En de opstand... De tafel
-voorspelde het toen.
-
-—Zoû het niet, onbewust, onze suggestie zijn?
-
-—Ik weet het niet. Maar te denken, dat wij allen eerlijk zijn, en dat
-die tafel gaat tikken en met ons praat, volgens een alfabet.
-
-—Ik zoû het toch niet dikwijls doen, Eva.
-
-—Neen. Ik vind het onverklaarbaar. En toch verveelt het me al. Zoo went
-een mensch aan het onbegrijpelijke.
-
-—Alles is onbegrijpelijk....
-
-—Ja.... en alles is banaal.
-
-—Eva, zeide hij, zacht lachend verwijtend.
-
-—Ik geef den strijd heelemaal op. Ik zal maar kijken naar den regen....
-en schommelen.
-
-—Vroeger zag je het mooie in mijn land.
-
-—In jouw land? Dat je gaarne morgen zoû verlaten, om naar de Parijsche
-Tentoonstelling te gaan.
-
-—Ik heb nooit iets gezien.
-
-—Je bent zoo nederig van daag.
-
-—Ik ben treurig, om jou.
-
-—O toe, wees het niet.
-
-—Speel nog wat....
-
-—Hier, drink dan je bittertje. Schenk je in. Ik zal spelen op mijn
-valsche piano, die even harmonisch zal klinken met mijn ziel, ook in de
-war....
-
-Zij ging terug naar de middengalerij en speelde uit Parzifal. Hij,
-voor, bleef zitten en luisterde. De regen raasde neêr. De tuin stond
-blank. Een heftige donderslag scheen de wereld uit een te doen kraken.
-De natuur was oppermachtig en in haar reuze-openbaring waren de twee
-menschen in dit vochtige huis klein, was zijne liefde niets, hare
-weemoed niets, en de mystieke muziek van de Graal was als een
-kinderwijsje in den daverenden mystiek van dien donderslag, waarmeê het
-noodlot zelve met goddelijke cymbalen scheen te varen over de in den
-zondvloed verdronkene menschen.
-
-
-
-
-II.
-
-De twee kinderen van Van Helderen, een jongen en een meisje, zes en
-zeven, waren in huis bij Eva en Van Helderen zelve kwam geregeld een
-keer per dag eten. Hij sprak nooit meer over zijn innig gevoel als
-wilde hij niet verstoren de streelende lieflijkheid van hun iederen dag
-samen zijn. En zij nam het aan, dat hij iederen dag met haar samen was,
-onmachtig hem af te weeren. Hij was de eenige man in haar omgeving, met
-wien zij spreken en luid denken kon, en hij was haar een troost in deze
-dagen van spleen. Zij begreep niet hoe zij zoo geworden was, maar zij
-kwam langzamerhand in een totale apathie, in een soort nihilizeerend
-niets noodig vinden. Zij was nooit zoo geweest. Hare natuur was van
-levendigheid en opgewektheid, van zoeken het mooie en bewonderen, van
-poëzie en muziek en kunst: dingen, die zij, van klein kindje af, van
-hare kinderboeken af, om zich heen had gezien en gevoeld en besproken.
-In Indië was zij langzamerhand alles gaan missen, waaraan zij behoefte
-had. Een nihilisme, om te zeggen: waarvoor alles: waarvoor de wereld en
-de menschen en de bergen; waarvoor al dat kleine dwarrelen van
-leven?.... maakte zich wanhopig van haar meester. En als zij dan las
-van het sociale drijven, in Europa de groote sociale kwesties, in Indië
-de opkomende kwestie der Indo’s, dacht zij: waarom de wereld, als de
-mensch zoo eeuwig de zelfde blijft: klein en lijdend en neêrgedrukt in
-al de ellende van zijn menschelijkheid. Zij zag niet het doel. De helft
-der menschheid leed armoede en streed zich uit dat duister omhoog: naar
-wat....? De andere helft vegeteerde dom suffende weg in het geld.
-Tusschen beiden was een trap van tinten, van de duistere armoede tot
-den suffenden rijkdom. Over ze heen regenboogden de eeuwige illuzies:
-liefde, kunst, groote vraagteekens van recht en vrede en ideale
-toekomst.... Zij vond het alles om niets, zij miste het doel en zij
-dacht: waarom dat alles zoo, en waarom de wereld, en de arme
-menschen....
-
-Zij had zich nog nooit zoo gevoeld, maar er was niet tegen te strijden.
-Langzaam, iederen dag, maakte Indië haar zoo, ziek van ziel. Frans van
-Helderen was haar eenige troost. Deze jonge controleur, die nooit
-geweest was in Europa, die geheel zijne opvoeding had gehad te Batavia,
-zijn examens had gedaan te Batavia, blond, gedistingeerd, met zijn
-lenige hoffelijkheid,—met zijn type van onzegbare vreemde
-nationaliteit, was om zijne bijna exotische ontwikkeling dierbaar
-geworden aan hare vriendschap. Zij zeide hem hoe zij die vriendschap
-heerlijk vond en hij antwoordde niet meer met zijne liefde. Er was te
-veel liefs, zoo, in hunne verhouding. Er was in iets idealistisch,
-waaraan zij beiden behoefte hadden. In hunne omgeving van gewoonheid
-glansde die vriendschap voor hen uit als een heel exquize glorie,
-waarop zij beiden trotsch waren. Hij kwam veel—vooral nu zijne vrouw op
-Tosari was—en in de avondschemeringen wandelden zij naar den vuurtoren,
-die aan zee stond als een kleine Eiffel-kandelaber. Over die
-wandelingen werd veel gesproken, maar zij stoorden er zich niet aan. Op
-het fondament van den vuurtoren zetten zij zich, zagen uit naar de zee,
-en luisterden naar de verte. Prauwen, spookachtig, met zeilen als
-nachtvogels, gleden in het kanaal, met het zeurige zingen der
-visschers. Een weemoed van levensgelatenheid, van kleine wereld en
-kleine menschen, waarde om onder de sterre-tintelluchten, waar,
-mystiek, het Zuiderkruis opdiamantte, of, Turksch half, de maan soms
-hoornde. En boven dien weemoed van zeurzingende visschers, wrakwankele
-prauwen, van kleine menschen onder aan den kleinen glimptoren, dreef
-een grondelooze immensiteit: luchten en eeuwige lichten. En uit de
-immensiteit dreef het onzegbare aan, als het bovenmenschelijk
-goddelijke, waarin al het klein menschelijke verzonk, versmolt.
-
-—Waarom eenige waarde te hechten aan het leven, als ik morgen misschien
-dood ben, dacht Eva; waarom al dat gewirwar en die drukte van menschen,
-als morgen misschien alles dood is....
-
-En zij zeide het hem. Hij antwoordde, dat een ieder leefde niet voor
-zich en zijn tijdstip van heden, maar voor allen, en voor de
-toekomst.... Maar zij lachte bitter, haalde de schouders op, vond hem
-banaal. En zij vond zichzelve ook banaal, te denken zulke dingen, die
-al zoo dikwijls waren gedacht. Maar toch, niettegenstaande haar
-zelfkritiek, bleef haar drukken die obsessie van het nuttelooze van
-leven, als morgen alles kon dood zijn. En eene atoomkleinte vernederde
-hen, henbeiden, daar zittende, kijkende in de wijdte van luchten en
-eeuwige lichten.
-
-Toch hadden zij lief die oogenblikken, waren ze in hun leven alles,
-want als zij niet te veel voelden hunne kleinte, spraken zij over
-boeken, muziek, kunst en over de groote hooge dingen van het leven. En
-zij voelden, dat zij, niettegenstaande den leestrommel en de
-Italiaansche opera, van Soerabaia, niet meer waren op de hoogte. Zij
-voelden de groote hooge dingen heel ver van hen. En een heimwee, voor
-beiden nu, zich niet meer zoo klein te voelen, beving hen, naar Europa.
-Beiden hadden zij gaarne weg gewild, weg naar Europa toe. Maar zij
-konden geen van beiden. Het kleine dagelijksche leven hield hen
-gevangen. Toen, als van zelve, harmonisch samen, spraken zij over wat
-ziel en wezen was en al het geheimzinnige ervan.
-
-Al het geheimzinnige. Zij voelden het aan de zee, in de lucht, maar,
-stil, zochten zij het ook in de trippelende poot van een tafel. Zij
-begrepen niet, dat geest of ziel zich kon openbaren door een tafel,
-waar zij ernstig de handen oplegden, en die door hun fluïde van dood
-tot leven werd. Maar àls zij oplegden de handen, leefde de tafel, en
-zij moesten wel gelooven. Volgens vreemd alfabet kwamen verward
-dikwijls de letters, die zij aftelden, en de tafel, als bestuurd door
-een spotgeest, had telkens neiging te plagen, te verwarren, plotseling
-op te houden en grof te zijn en vuil. Samen lazen zij boeken over
-spiritisme, en zij wisten niet of zij gelooven zouden of niet.
-
-Het waren stille dagen van stille eentonigheid in het regenruischende
-stadje. Hun leven met elkaâr was als iets oneigenlijks, als een droom,
-die waasde door den regen heen. En het was Eva als een plotseling
-ontwaken toen, op een middag, zij buiten loopend in de vochtige laan,
-en wachtende op Van Helderen, Van Oudijck haar naderen zag.
-
-—Ik was juist op weg naar u toe, mevrouwtje! sprak hij opgewonden. Ik
-woû u juist wat komen vragen. Wil u mij weêr eens helpen?
-
-—Waarmeê, rezident?
-
-—Maar zeg mij eerst, is u niet wel? U ziet er tegenwoordig niet goed
-uit.
-
-—Het is niets ernstigs, zeide zij, mat lachend. Het zal wel weêr
-overgaan. Waarmee kan ik u helpen, rezident?
-
-—Er moest iets gedaan worden, mevrouwtjelief en wij kunnen niet zonder
-u. Mijn vrouw zei van morgen ook: vraag het maar aan mevrouw
-Eldersma....
-
-—En wat dan?
-
-—U weet, mevrouw Staats, van den overleden stationchef. De arme vrouw
-blijft achter met niets, alleen met haar vijf kinderen en eenige beren.
-
-—Hij heeft zich van kant gemaakt?
-
-—Ja. Het is heel treurig. En wij moeten haar helpen. Er is veel geld
-daarvoor noodig. Lijsten laten rondgaan, dat zal niet veel geven. De
-menschen zijn vrijgevig genoeg, maar zij hebben den laatsten tijd al
-zoo veel geofferd. Met den Fancy-fair waren ze dol. Op het oogenblik
-zal er niet veel te geven zijn, met het einde van de maand. Maar in het
-begin van de volgende maand, begin Januari, mevrouwtje, een
-komedie-voorstelling van Thalia. Heel vlug, een paar aardige
-salonstukjes, en zonder onkosten. Een entrée van ƒ 1.50, ƒ 2.50
-misschien, en als u het op touw zet, is de zaal vol, komen ze van
-Soerabaia. Daar moet u me meê helpen, niet waar, mevrouwtje.
-
-—Maar rezident, zei Eva moê. Pas die tableaux-vivants. Niet boos zijn,
-maar ik heb er geen lust in, altijd komedie te spelen.
-
-—Jawel, jawel, het moet.... drong Van Oudijck opgewonden voor zijn
-plan, een beetje hoog, aan.
-
-Zij werd kribbig. Zij hield van hare onafhankelijkheid en vooral in
-deze dagen van spleen was zij te mistroostig, in deze dagen van droom
-voelde zij zich te wazig om dadelijk lief gevolg te geven aan dat
-verzoek van zijn gezag.
-
-—Heusch, rezident, ik weet dezen keer niets, antwoordde zij kort.
-Waarom doet mevrouw Van Oudijck het niet zelf....
-
-Zij schrikte, toen zij, kribbig, dat zeide. Naast haar loopende,
-ontstelde hij, en zijn gezicht betrok. De opgewonden vroolijke trek, de
-joviale lach om zijn dikken snor was plotseling weg. Zij zag, dat zij
-wreed was geweest en had wroeging. En voor het eerst, plotseling, zag
-zij in, dat hij, hoe verliefd ook op zijn vrouw, niet goed keurde, haar
-zich onttrekken aan alles. Zag zij in, dat hij er onder leed. Het was
-of dat licht voor haar werd, in zijn karakter: zij zag het voor het
-eerst en duidelijk.
-
-Hij wist niet te antwoorden: zoekende naar zijne woorden, zweeg hij.
-
-Toen zeide zij, aanhalig:
-
-—Niet boos zijn, rezident. Het was niet aardig van me. Ik weet wel, dat
-mevrouw Van Oudijck die beslommeringen vervelend vind. Ik neem ze haar
-gaarne uit de handen. Ik zal alles doen wat u verlangt.
-
-Zenuwachtig, had zij de tranen in de oogen.
-
-Hij zag haar, glimlachend nu, wat schuin onderzoekend aan.
-
-—Wat is u toch nerveus. Maar ik wist wel, dat u een goed hart had. En
-mij niet zoû laten zitten met mijn plan. En die goede moeder Staats zoû
-willen helpen. Maar niet duur zijn, mevrouwtje, en geen onkosten, geen
-nieuwe décors. Alleen uw geest, uw talent, uw mooie dictie van Fransch
-of Hollandsch—wat u wilt. Daar zijn we nu eenmaal trotsch op in
-Laboewangi en al dat moois—wat u ons kosteloos geeft—is geheel
-voldoende om de voorstelling te doen slagen. Maar wat is u nerveus,
-mevrouwtje? Waarom huilt u? Is u niet wel? Zeg mij, kan ik wat voor u
-doen?
-
-—Mijn man niet zoo veel werk geven, rezident. Ik heb nooit iets aan
-hem.
-
-Hij maakte een gebaar van niet helpen kunnen.
-
-—Het is zoo, het is vreeslijk druk, gaf hij toe. Is dat de zaak?
-
-—En mij het goede van Indië leeren inzien.
-
-—Is het dan dàt?
-
-—En nog een heele boel meer....
-
-—Heeft u heimwee? Bevalt Indië u niet langer, bevalt Laboewangi u niet
-meer, waar wij u allen op de handen dragen...? U oordeelt over Indië
-verkeerd. Probeer eens het goede in te zien.
-
-—Ik heb het geprobeerd.
-
-—Gaat het niet langer?
-
-—Neen....
-
-—U is te verstandig om niet het goede van dit land te zien.
-
-—U heeft dat land te lief om onpartijdig te zijn. En ik kan ook niet
-onpartijdig zijn. Maar zeg mij de goede dingen.
-
-—Waarmeê zal ik beginnen. Het goede, wat men kan doen als ambtenaar
-voor land en volk, en dat in voldaanheid terugslaat op onszelve. Het
-heerlijke, mooie werken voor dat land en dat volk: het vele en harde
-werken, dat hier vol een leven vult.... Ik spreek niet van al het
-bureau-werk van uw man, die secretaris is. Maar ik spreek hem later,
-als hij assistent-rezident is!
-
-—Hoe lang moet dat nog duren....!
-
-—Het ruime materieele leven dan?
-
-—Waaraan de witte mieren knagen.
-
-—Dat is valsch vernuft, mevrouw....
-
-—Wel mogelijk, rezident. Alles is ontstemd in en om mij, mijn vernuft,
-mijn piano, en mijn arme ziel.
-
-—De natuur dan?
-
-—Ik voel mij er zoo niets in. De natuur overweldigt me en eet me op.
-
-—Uw eigen werkkring?
-
-—Mijn werkkring.... een van de goede dingen van Indië....
-
-—Ja. Ons, materieele menschen van praktijk, nu en dan eens te bezielen
-met uw geest.
-
-—Rezident, wat een komplimentjes! Is dat alles om de tooneeluitvoering!
-
-—En met dien geest goed te doen aan moeder Staats?
-
-—Zoû ik geen goed kunnen doen in Europa?
-
-—Zeer zeker, zeide hij kort. Ga maar naar Europa, mevrouw. Word in Den
-Haag maar lid van Armenzorg; met een blikje op uw deur en een
-rijksdaalder.... in den hoeveel tijd?
-
-Zij lachte.
-
-—Nu wordt u onrechtvaardig. Ook in Holland wordt veel goed gedaan.
-
-—Maar voor éen ongelukkige doen wat wij, wat u nu doen zal.... wordt
-dat ooit in Holland gedaan? En zeg mij niet, dat hier minder wordt
-armoê geleden.
-
-—Dus...?
-
-—Dus is er hier veel goeds voor u. Uw werkkring. Het werken voor
-anderen, materieel en moreel. Laat Van Helderen niet te veel met u
-dwepen, mevrouw. Hij is een charmante jongen, maar te litterair in zijn
-maandelijksche contrôle-rapporten. Ik zie hem daar aankomen en ik moet
-weg. Dus ik reken op u?
-
-—Geheel en al.
-
-—Wanneer de eerste vergadering, met het Tooneelbestuur, en de dames?
-
-—Morgenavond, bij u, rezident?
-
-—Top. Ik zal de lijst rond laten zenden. Wij moeten veel geld maken,
-mevrouw.
-
-—Wij zullen ze helpen, moeder Staats, zeide zij zacht.
-
-Hij drukte haar de hand, ging weg. Zij voelde zich week, zij wist niet
-waarom.
-
-—De rezident heeft me voor je gewaarschuwd, omdat je te litterair was!
-plaagde zij Van Helderen.
-
-Zij zette zich in de voorgalerij. De lucht brak open: een blank gordijn
-van regen daalde in rechte plooien van water. Een plaag van sprinkhanen
-sprong door de galerij. Een wolk van zeer kleine vliegjes ruischte in
-de wandhoeken als een eolische harp. Eva en Van Helderen legden de
-handen op het tafeltje en het hief met een ruk zijn poot op, terwijl de
-torren om hen heen zwermden.
-
-
-
-
-III.
-
-Lijsten gingen rond. De tooneelvoorstelling werd ingestudeerd, na drie
-weken gespeeld en het Tooneelbestuur reikte den rezident een som van
-bijna vijftienhonderd gulden over voor moeder Staats. Hare schulden
-werden betaald; voor haar een huisje gehuurd, en haar gezet in een
-kleine modezaak, waarvoor Eva schreef naar Parijs. Alle dames van
-Laboewangi deden moeder Staats een bestelling, en in nog geen maand
-tijds was de vrouw niet alleen voor een volslagen ondergang behoed,
-maar was haar leven geregeld, gingen hare kinderen weêr naar school, en
-had zij een aardige broodwinning. Dat alles was zoo vlug en zonder
-ostentatie in zijn werk gegaan, men gaf zoo ruime giften op de lijsten,
-de dames bestelden zoo gemakkelijk een japon of een hoed, die zij niet
-noodig hadden, dat Eva verbaasd was. En zij moest zich bekennen, dat
-het egoïste, het eigen-ikkige, het minder-beminnelijke, dat zij zoo
-dikwijls zag in hun sociale leven: omgang, conversatie, intrigue,
-kwaadsprekerij, in eens op den achtergrond was verdrongen door een
-solidair talent tot goeddoen, eenvoudig weg, omdat het moest, omdat het
-niet anders kon, omdat de vrouw geholpen moest worden. Door de
-beslommeringen voor de voorstelling gerukt uit haar spleen, opgewekt
-tot vlug doen, waardeerde zij dit goed-mooie in hare omgeving en zij
-schreef er zoo enthouziast over naar Holland, dat hare ouders, voor wie
-Indië een gesloten boek was, glimlachten. Maar hoewel deze epizode iets
-zachts en weeks en waardeerends in haar had opgewekt, was het maar een
-epizode, en was zij de zelfde, toen de emotie er om voorbij was. En
-niettegenstaande zij voelde om zich heen de afkeuring van Laboewangi,
-bleef zij doorgaan geheel haar leven te vinden in de vriendschap van
-Van Helderen.
-
-Want er was verder zoo weinig. Het clubje van getrouwen, dat zij met
-zoo veel illuzie om zich heen had verzameld, dat zij te dineeren vroeg,
-waarvoor haar huis altijd open was—wat was het eigenlijk? Zij vond de
-Doorn de Bruijns en de Rantzows nu goed als onverschillige kennissen,
-maar niet meer als vrienden. Zij vermoedde, dat mevrouw Doorn de Bruijn
-valsch was, dokter Rantzow was haar te burgerlijk, te plat, zijne vrouw
-een onbeduidende Duitsche huisvrouw. Tafel lieten zij wel dansen, maar
-zij hadden schik in de inepte stommigheden, de vuiligheden van den
-spotgeest. Zij met Van Helderen, vatte het hoog ernstig op, al vond zij
-die tafel eigenlijk toch komiek. En zoo bleef er niemand over dan Van
-Helderen voor hare sympathie.
-
-Maar in hare bewondering was Van Oudijck gekomen. Zij had hem
-plotseling in zijn karakter gezien en hoewel geheel verschillend van de
-artistieke bekoring, die haar tot nog toe uitsluitend in karakters had
-aangetrokken, zag zij de mooie lijn ook in dezen man, die totaal niet
-artistiek was, die van kunst niet het minste idee had, maar die zoo
-veel moois had in zijn eenvoudig mannelijke opvattingen van plichtbesef
-en in de kalmte, waarmeê hij droeg de teleurstelling van zijn huiselijk
-leven. Want zij zag het, Eva, dat al aanbad hij zijn vrouw, hij Léonie
-niet goedkeurde in hare onverschilligheid omtrent al de belangen, die
-zijn leven uitmaakten. Zag hij verder niets, was hij verder blind voor
-alles van den huiselijken kring, deze teleurstelling was zijn geheim en
-zijn leed, waarvoor hij niet blind was, in het diepst van zichzelven.
-
-En zij bewonderde hem, en hare bewondering was als eene openbaring, dat
-kunst niet altijd het hoogste was in de dingen van het leven. Zij
-begreep plotseling, dat de overdreven aanstellerij met kunst in onzen
-tijd, een ziekte was, waaraan zijzelve geleden had, en nog leed. Want
-wat was zij, wat deed zij? Niets. Hare ouders, beiden, waren groote
-kunstenaars, zuivere artisten en hun huis was een tempel en hunne
-eenzijdigheid was te begrijpen en te vergeven. Maar zij? Zij speelde
-vrij goed piano, dat was alles. Zij had wat idee en smaak, dat was
-alles. Maar indertijd had zij met andere jonge meisjes gedweept en zij
-herinnerde zich nu dat malle dwepen, dat elkaâr filozofeerende brieven
-schrijven in een nageaapten modernen stijl, met reminiscenties aan
-Kloos en Gorter. Zoo, in haar spleen, bracht toch haar peinzen haar
-verder, en ging evolutie door haar heen. Want het was in haar, het kind
-harer ouders, bijna ongelooflijk, dat zij niet altijd kunst het hoogste
-zoû vinden.
-
-En er was in haar dat spel en weêrspel van zoeken en denken om te
-vinden haar weg, nu zij zich geheel verloren had in een land, vreemd
-aan hare natuur, tusschen menschen, op wie zij, zonder het hen te laten
-merken, neêrzag. In het land poogde zij te vinden het goede, om het aan
-hare natuur eigen te maken en het te waardeeren; tusschen de menschen
-was zij blijde die enkelen te vinden voor hare sympathie en hare
-bewondering; maar het goede bleef voor haar epizode; de enkele menschen
-uitzondering, en trots al haar zoeken en denken, vond zij haar weg niet
-en zij bleef in hare ontstemming van vrouw, die te Europeesch, te
-artistiek was,—niettegenstaande hare zelfkennis en
-kunstverloochening—om met welbehagen rustig te leven in een Indische
-binnenstad, aan de zijde van haar in bureauwerk verloren man; in een
-klimaat, dat haar ziek maakte; een natuur, die haar overweldigde; een
-omgeving, antipathiek.
-
-En in de helderste oogenblikken van dit spel en weêrspel was het de
-duidelijke vrees, de vrees, die zij van alles het helderst voelde, de
-vrees, die zij aan voelde donzen, zij wist niet van waar, zij wist niet
-waar heen, maar wemelend over haar hoofd, als met de suizende sluiers
-van een noodlot, dat door de zwoele regenluchten streek....
-
-In deze ontstemmingen had zij haar clubje van getrouwen niet om zich
-verzameld, want zijzelve deed geene moeite en haar kennissen begrepen
-haar te weinig om haar op te zoeken. Zij misten in haar de
-vroolijkheid, die hen eerst had aangetrokken. Nu kwam de ijverzucht en
-vijandelijkheid meer los en men sprak veel over haar: zij was
-aanstellerig, pedant, ijdel, trotsch, zij had pretenties van altijd de
-eerste te willen zijn in de stad; zij deed maar of zij rezidentsvrouw
-was en gaf prenta aan iedereen. Eigenlijk toch was zij niet mooi,
-kleedde zij zich onmogelijk, was haar huis onbegrijpelijk ingericht. En
-dan haar verhouding met Van Helderen, hunne avondwandelingen bij den
-vuurtoren. Op Tosari, in den kletstroep van het kleine, nauwe hôtel,
-waar de gasten zich vervelen als zij geen uitstapjes doen en dus in
-hunne nauwe voorgalerijtjes bijna zitten in elkanders intimiteit,
-loeren in elkanders kamertjes, luisteren aan de dunne beschotjes—op
-Tosari hoorde Ida ervan, en het was genoeg om in het Indische vrouwtje
-op te wekken hare blanke nonna-instincten en plotseling, zonder
-verklaring, hare kinderen aan Eva te ontnemen. Van Helderen, voor een
-paar dagen boven komende, vroeg zijne vrouw hiervan uitlegging, vroeg
-haar waarom zij Eva beleedigde, door, zonder reden, haar de kinderen te
-ontnemen en bij zich boven te nemen, waar zij de hôtelrekening
-aanzienlijk vermeerderde, en Ida maakte een scène, met luide woorden,
-met zenuwtoevallen, waarvan het geheel hôtelletje daverde, die iedereen
-de ooren deed spitsen, en als een waaiende wind het bobbelende geklets
-opzweepte tot een zee. En zonder verdere verklaring brak Ida met Eva.
-Eva trok zich terug. Tot in Soerabaia, waar zij eens ging boodschappen
-doen, hoorde zij het lasteren en leuteren, en zij werd zoo wee van hare
-wereld en hare menschen, dat zij zich stil terug trok in zichzelve. Zij
-schreef Van Helderen niet meer te komen. Zij bezwoer hem zich met zijne
-vrouw te verzoenen. Zij ontving hem niet meer. En zij was nu geheel
-alleen. Zij voelde, dat zij in geene stemming was om iets van troost te
-vinden bij wie ook van hare omgeving. Voor stemmingen als de hare was
-er in Indië geen sympathie en geen medebegrip. En daarom sloot zij zich
-op. Haar man werkte. Maar zij wijdde zich meer aan haar jongen: zij
-dompelde zich geheel in de liefde voor haar kind. Zij trok zich terug
-in de liefde voor haar huis. Dat was nu het leven van nooit uitgaan,
-van nooit iemand zien, van nooit iemand spreken, van nooit andere
-muziek hooren, dan haar eigene. Dat was nu de troost zoeken in haar
-huis, haar kind, en haar lectuur. Dat was de vereenzelviging, waartoe
-zij na hare eerste illuzies en energieën gekomen was. Nu voelde zij
-altijd het heimwee naar Europa, naar Holland, naar hare ouders, naar
-menschen van een artistieke ontwikkeling. En nu werd het de haat voor
-het land, dat zij toch eerst had gezien overweldigend groot mooi, met
-zijne koninklijke bergen, en met het donzende mysterie in natuur en in
-mensch. Zij haatte nu die natuur en die mensch en het mysterie maakte
-haar bang.
-
-Nu vulde zij haar leven met te denken aan haar kind. Haar jongen, de
-kleine Onno, was drie jaar. Zij zoû hem leiden, een man van hem maken.
-Zoodra hij geboren was, had zij die vage illuzies gehad van haar zoon
-later een groot kunstenaar te zien, het liefst een groot schrijver,
-wereldberoemd. Maar zij had geleerd sedert dien tijd. Zij voelde, dat
-kunst niet het hoogste, altijd, is. Zij voelde, dat er hooger dingen
-zijn, die zij in haar spleen, wel is waar, soms verloochende, maar die
-er toch waren, glanzend groot. Die dingen waren om het worden van
-Toekomst; die dingen waren vooral om Vrede, Recht en Verbroedering. O,
-de groote verbroedering van wat arm was en rijk—nu, in haar eenzaamheid
-dacht zij er over als het hoogste ideaal, waaraan gewerkt kon worden,
-zooals beeldhouwers werken aan een monument. Recht, vrede, zouden dan
-volgen. Maar het eerst moest de verbroedering benaderd worden en zij
-wilde, dat haar zoon er aan arbeiden zoû. Waar? In Europa? In Indië?
-Zij wist het niet; zij zag dat niet voor zich. Zij zag het eerder in
-Europa dan in Indië. In Indië bleef voor alle hare gedachten het
-onverklaarbare, het raadselachtige, het bange. Wat was dat toch
-vreemd....
-
-Zij was een vrouw voor idealen. Misschien was dit alleen, simpel, de
-verklaring voor wat zij voelde en vreesde, in Indië.
-
-
-
-Je hebt geheel verkeerde indrukken omtrent Indië, zeide haar man soms.
-Je ziet Indië heelemaal verkeerd. Stil? Je denkt, dat het hier stil is?
-Waarom zoû ik zoo veel te werken hebben in Indië als het stil was in
-Laboewangi. Honderde belangen van Europeanen en Javanen behartigen
-wij.... De kultuur is hier zoo krachtig beoefend als maar kan.... De
-bevolking neemt toe, neemt altijd toe.... Vervallen, een kolonie, waar
-zooveel omgaat....? Dat zijn van die idiote ideeën van Van Helderen.
-Ideeën van bespiegeling, uit de lucht gegrepen, en die jij
-nabespiegelt.... Ik begrijp niet zooals je Indië ziet, tegenwoordig....
-Er is een tijd geweest, dat je oog hadt voor het mooie en interessante
-hier.... Dat schijnt nu heelemaal voorbij.... Je moest eigenlijk maar
-naar Holland....
-
-Maar zij wist, dat hij het heel eenzaam zoû hebben: daarom wilde zij
-niet gaan. Later, als haar jongen ouder was, dan moèst zij gaan. Maar
-dan zoû Eldersma zeker wel assistent-rezident zijn geworden. Nu had hij
-nog zeventien controleurs, secretarissen boven zich. Dat was zoo al
-sedert jaren, dat uitzien naar een ver verwijderde toekomst van
-promotie als het smachten naar een fata-morgana. Rezident worden, daar
-dacht hij zelfs niet aan. Assistent-rezident een paar jaar, en dan naar
-Holland, met pensioen....
-
-Zij vond het een troosteloos bestaan, zich zoo afbeulen, voor
-Laboewangi...
-
-
-
-Zij leed aan malaria, en hare meid, Saïna, pidjiette haar, masseerende
-met de lenige vingers hare pijnlijke leden.
-
-—Saïna, het is, als ik ziek ben, te lastig, dat je in de kampong woont.
-Verhuis van avond nog hierheen, met je vier kinderen.
-
-Saïna vond dat lastig, veel soesa.
-
-—Waarom?
-
-En zij verklaarde het. Haar huisje was haar nagelaten door haar man.
-Zij was er aan gehecht, hoewel het heel bouwvallig was. Nu, in de
-regenmoesson, regende het dikwijls in, en dan kon zij niet kooken en
-kregen de kinderen geen eten. Het laten repareeren, ging moeilijk. Zij
-kreeg een ringgit [49] in de week van de njonja; zestig cent ging al op
-aan rijst. Dan iederen dag een paar centen visch, klapperolie, sirih,
-een paar centen brandstof... Neen, het huisje repareeren ging niet. Bij
-de Kandjeng njonja zoû zij het veel beter hebben, op het erf veel
-beter. Maar het zoû soesa zijn, een bewoner voor het huisje te vinden
-omdat het zoo bouwvallig was en de njonja wist, dat geen huis in de
-kampong mocht leêg staan: daar stond groote boete op... Zij bleef dus
-maar liever wonen, in haar natte huisje... ’s Nachts kon zij wel
-blijven waken bij de njonja; haar oudste dochtertje paste dan op de
-kleintjes.
-
-En, onderworpen aan haar klein bestaan van kleine ellende, liet Saïna
-haar lenige vingers, sterk-zacht drukkend, glijden over de zieke leden
-van haar meesteres.
-
-En Eva vond het troosteloos, dit leven van éen rijksdaalder in de week,
-met vier kinderen, in een huisje, waar het inregende, zoodat men er
-niet koken kon.
-
-
-
-—Laat mij zorgen voor je tweede dochtertje, Saïna, zei Eva op een
-anderen dag.
-
-Saïna aarzelde, glimlachte: zij had dat liever niet, maar durfde het
-niet zeggen.
-
-—Jawel, drong Eva aan. Laat ze hier komen: je ziet haar den heelen dag;
-ze slaapt onder de hoede van kokkie: ik kleed haar aan, en ze heeft
-niets te doen dan te zorgen, dat mijn slaapkamer netjes is. Jij kunt
-haar dat dan leeren.
-
-—Zoo jong nog, ’nja; pas tien jaar.
-
-—Jawel, drong Eva aan: laat zij je nu zoo helpen. Hoe heet ze?
-
-—Mina, ’nja.
-
-—Mina? Neen! zei Eva. Zoo heet al de djaït. We zullen een anderen naam
-voor haar vinden....
-
-Saïna bracht het kindje, heel verlegen, een streepje bedak op het
-voorhoofd, en Eva kleedde haar netjes aan. Het was een heel mooi
-kindje, zacht donzig bruin, en liefjes in haar frissche kleêrtjes. Zij
-stapelde al zorgzaam de sarongs in de kleêrenkast, en legde er geurige
-witte bloemen tusschen: de bloemen moesten iederen dag verwisseld
-worden met frissche. Uit een aardigheid, omdat zij zoo aardig met die
-bloemetjes deed, noemde Eva haar Melati.
-
-Een paar dagen daarna hurkte Saïna neêr bij haar njonja.
-
-—Wat is er, Saïna?
-
-Of het kindje maar weêr terug mocht naar het natte huisje, in de
-kampong.
-
-—Waarom?! vroeg Eva, verbaasd. Heeft je kindje het hier dan niet goed?
-
-Ja, dat wel, maar het kindje hield maar meer van het huisje, zei Saïna
-verlegen; de njonja was heel lief, maar de kleine Mina hield maar meer
-van het huisje.
-
-Eva was boos, en liet het kindje gaan, met de nieuwe kleêrtjes, die
-Saïna heel eenvoudig weg meênam.
-
-—Waarom mocht het kind niet blijven? vroeg Eva aan de latta kokkie.
-
-De kokkie dorst eerst niet zeggen.
-
-—Kom, waarom niet, kokkie? drong Eva aan.
-
-Omdat de Kandjeng het meisje Melati had genoemd... Met namen van
-bloemen en vruchten werden... alleen genoemd... de dans-meisjes....
-legde de kokkie als geheimzinnig uit.
-
-—Maar waarom heeft Saïna mij dat niet gezegd? vroeg Eva, verbolgen. Dat
-wist ik immers volstrekt niet!
-
-—Verlegen... zei de kokkie, verontschuldigend. Minta ampon, ’nja.
-
-Het waren kleine voorvallen, zoo in haar dagelijksch leven van
-huisvrouw, anecdoten in hare huishouding, maar zij werd er bitter om,
-omdat zij er in voelde een scheiding, die altijd bestond tusschen haar
-en de menschen en dingen van Indië. Zij kende het land niet, zij zoû de
-menschen nooit kennen.
-
-En de kleine teleurstelling in die epizoden vulde haar met evenveel
-bitterheid als de groote der illuzies had gedaan, omdat haar leven, in
-de, iederen dag terugkeerende, kleinigheden van hare huishouding, zelve
-kleiner werd en kleiner.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-
-I.
-
-Dikwijls waren de morgens frisch, rein gewasschen door de overvloedige
-regens, en in den jongen zonneschijn der eerste ochtenduren doomde uit
-de aarde op een teeder waas, een blauwige uitwissching van iedere te
-scherpe lijn en kleur, zoodat de Lange Laan met hare villa-huizen en
-dichte tuinen zich huifde in het bekoorlijke en vage van een droomlaan:
-de droompilaren ijl oprijzende als een vizioen van zuilenkalmte, de
-daklijnen zich veredelende in hare onduidelijkheid, de tinten der
-boomen en silhouetten der looverkruinen zich louterende in zachte
-pastel-doezelingen van wazig roze, en waziger blauw, met een enkelen
-helleren schijn van ochtendgeel, en purperen verte-streep van dageraad,
-en over heel dit krieken dauwde eene frischheid, als een sprenkelbad,
-dat in sprenkeldruppels ijl opfonteinde uit dien gedrenkten grond en
-terugparelde in de kinderlijke zachtheid van de allereerste
-zonnestralen. Dan was het of iederen morgen de aarde en hare wereld
-begon voor de eerste maal en of de menschen niet anders zouden zijn dan
-pas geschapen in een jeugd van naïveteit en paradijs-onwetendheid. Maar
-de illuzie van dit ochtendkrieken duurde maar een enkel oogenblik,
-nauwlijks enkele minuten: de zon, hooger stijgende, ontgloeide uit haar
-waas van maagdelijkheid, de zon bralde op en stak-uit haar trotschen
-aureool van priemende stralen, goot neêr haar brandenden goudschijn,
-godetrotsch te heerschen haar oogenblik van dien dag, want de wolken
-tasten zich al te samen, kwamen grauw aangevaren als strijdhorden van
-donkere geesten, aanspokende en blauwig diepzwart en dikzwaar
-loodgrijs, en overwonnen de zon en verpletterden dan de aarde onder
-blanke stortvallen van regen. En de avondschemering, gauw en haastig,
-zakkende het eene floers over het andere, was als een overstelpende
-droefenis van aarde, natuur en leven, waarin zij vergaten die seconde
-van paradijs in den morgen; de witte regen ruischte neêr als een alles
-verdrinkende weemoedsmart; de weg, de tuinen dropen, en dronken den
-waterval tot zij als moerasplassen en overstrooming schemerden in den
-duisterenden avond: een spookkille mist wademde op als met het beweeg
-van loome geestwaden, die zweefden over de plassen, en de kille huizen,
-klein verlicht met hun walmende lampen, waarom wolken van insecten
-zwermden, overal neêrstervend met verzengde vleugels, vulden zich met
-een killere melancholie, een schaduwende angstigheid voor het
-aandreigende buiten, voor de almachtige wolkenhorden, voor het
-grenzenlooze groote, dat met windvlagen aanruischte uit het verre,
-verre onbekende: hemelgroot, uitspanselwijd, waartegen de opene huizen
-als niet beveiligd schenen, waarin de menschen klein waren en nietig
-met al hunne beschaving en wetenschap en ziele-emotie, klein als
-wriemelende insecten, onbeduidend, overgegeven aan het spel der van
-verre aanwaaiende reuzenmysteries.
-
-Léonie Van Oudijck, in de half verlichte achtergalerij van het
-rezidentie-huis, praatte met Theo, met zachte stem, en Oerip hurkte bij
-haar neêr.
-
-—Het is onzin, Oerip! zeide zij wrevelig.
-
-—Heusch niet, Kandjeng, het is geen onzin, zeide de meid. Ik hoor ze
-iederen avond.
-
-—Waar? vroeg Theo.
-
-—In den waringin van het achtererf, hoog, in de hoogste takken.
-
-—Het zijn loeaks! [50] zeide Theo.
-
-—Het zijn geen loeaks, toean! hield de meid vol. Massa, Oerip zoû niet
-weten hoe loeaks miauwen! Kriauw, kriauw, doen ze! Dit, wat wij iederen
-nacht nu hooren, dat zijn de pontianaks! [51] Het zijn de kleine
-kindertjes, die huilen in de boomen. De zielen van de kleine
-kindertjes, die huilen in de boomen!
-
-—Het is de wind, Oerip....
-
-—Massa, Kandjeng, Oerip zoû den wind niet kunnen hooren! Boe...hh!
-waait de wind en dan bewegen de takken. Maar dit zijn de kleine
-kindertjes, die kreunen in de hoogste twijgjes en de takken bewegen dan
-niet. Alles is dan doodstil.... Dit is tjelaka [52], Kandjeng.
-
-—En waarom zoû het tjelaka zijn....
-
-—Oerip weet wel, maar durft niet zeggen, Tentoe [53], zal de Kandjeng
-boos zijn.
-
-—Kom, Oerip, zeg het nu??
-
-—Het is om de Kandjeng Toean, de Toean Residèn.
-
-—Waarom?
-
-—Verleden met de passer malam op de aloon-aloon en de passer malam voor
-de orang-blanda, in de kebon-kotta [54]....
-
-—Nu, wat toen?
-
-—Toen was de dag niet goed uitgerekend, volgens de petangans. Het was
-een ongelukkige dag.... En met de nieuwe put...
-
-—Nu wat, met de nieuwe put?
-
-—Toen is er geen sedeka [55] gegeven. Niemand gebruikt ook de nieuwe
-put. Iedereen haalt water uit de oude put.... Ook al is het water niet
-goed. Want uit de nieuwe put rijst de vrouw met het bloedende gat in de
-borst.... En nonna Doddy....
-
-—Wat?
-
-—Nonna Doddy heeft hem zien loopen, den witten hadji!! Dat is niet een
-goede hadji, de witte hadji.... Dat is een spook. Tweemaal heeft de
-nonna hem gezien, op Patjaram en hier.... Hoor, Kandjeng!
-
-—Wat?
-
-—Hoort u niet? In de hoogste twijgen kermen de kinderzieltjes. Het
-waait nu niet op het oogenblik. Hoor, hoor, dat zijn geen loeaks!
-Kriauw, kriauw doen de loeaks, als ze krolsch zijn! Dat, dat zijn de
-zieltjes....!
-
-Zij luisterden alle drie. Werktuigelijk drukte Léonie zich dichter aan
-tegen Theo. Zij zag doodsbleek. De ruime achtergalerij, met de altijd
-gedekte tafel, strekte zich lang uit in het sombere licht van een
-enkele petroleum-hanglamp. De plassige achtertuin schemerde nattig op
-uit den nacht der waringins, tikkelende van druppels, maar onbewogen in
-ondoordringbare fluweelige looverenmassa’s. En een onverklaarbaar,
-nauwlijks waarneembaar gekreun, als een zacht geheim van gekwelde
-kleine zielen zeurde hoog boven, als in de lucht, als in de heel hooge
-takken der boomen. Nu was het een korte kreet, dan was het een steunen
-als van ziek kindje, dan was het zacht snikken als van gemartelde
-meisjes....
-
-—Wat voor beesten zouden dat zijn? zei Theo. Zijn het vogels of
-insecten?....
-
-Het gekerm en gesnik was heel duidelijk. Léonie zag spierwit en zij
-trilde over haar lichaam.
-
-—Wees toch niet bang, zei Theo. Het zijn natuurlijk beesten....
-
-Maar hijzelve was krijtwit van angst, en toen zij elkander in de oogen
-zagen, begreep zij, dat ook hij bang was. Zij klemde zijn arm, perste
-zich tegen hem aan. De meid hurkte diep, nederig, in-een, als duldende
-alle noodlot van onverklaarbare geheimzinnigheid. Zij zoû niet
-ontvluchten. Maar in de oogen der blanken was als éen denkbeeld, éen
-denkbeeld om te vluchten. Plotseling, zij beiden, de stiefmoeder, de
-stiefzoon, die brachten schande over het huis, waren zij bang, als met
-éene bangheid, bang als voor een straf. Zij spraken niet, zij zeiden
-elkander niets; zij bleven tegen elkaâr aan, begrijpende elkanders
-beven, zij beiden blanke kinderen van den Indischen grond van
-geheim,—die van hunne kinderjaren af hadden geademd de geheimzinnige
-lucht van Java, onbewust hadden gehoord het vaag aandonzende mysterie,
-als een muziek van gewoonheid, een muziek, die zij niet hadden geteld,
-alsof het mysterie gewoonheid was. Toen zij zoo stonden en beefden en
-zagen elkander aan, stak de wind op, en voerde meê het geheim der
-zieltjes, en voerde de zieltjes meê: de takken bewogen woest door
-elkaâr, en nieuwe regen viel neêr. Een huiverende kilheid woei aan,
-vulde het huis; een tochtslag woei de lamp uit. En in den donker bleven
-zij nog een oogenblik, zij, trots de openheid der galerij, bijna in den
-arm van haar zoon en haar minnaar; de meid, duikende aan hunne voeten.
-Maar toen maakte zij zich los uit zijn arm, maakte zij zich los uit die
-zwarte beklemming van duisternis en angst, waardoor ruizelde de regen;
-huiverkil woei de wind en zij wankelde naar binnen, op het punt in
-zwijm te vallen. Theo, Oerip volgden haar. Die middengalerij was
-verlicht. Het kantoor van Van Oudijck stond open. Hij werkte.
-Besluiteloos bleef Léonie staan, met Theo, niet wetende wat te doen. De
-meid, prevelend, verdween. Toen was het, dat zij hoorden suizen, en een
-kleine ronde steen vloog door de galerij, viel ergens neêr. Zij gaf een
-gil, en achter het schutsel, dat het kantoor, waar Van Oudijck aan zijn
-schrijftafel zat, scheidde van de galerij, stortte zij zich, alle
-voorzichtigheid kwijt, op nieuw in Theo’s armen. Zij sidderden tegen
-elkaârs borst aan. Van Oudijck had haar gehoord, hij stond op, kwam van
-achter het schut. Zijn oogen knipten, als moê van werken. Léonie, Theo,
-hadden zich hersteld.
-
-—Wat is er, Léonie...
-
-—Niets, zeide zij, niet durvende zeggen, niet van de zieltjes, niet van
-den steen, bang voor de straf, die dreigde. Zij, Theo, stonden als
-schuldigen, beiden spierwit en bevend. Van Oudijck, nog bij zijn werk,
-zag niets.
-
-—Niets, herhaalde zij. De mat is stuk, en... en ik struikelde bijna.
-Maar ik woû je wat zeggen, Otto...
-
-Hare stem trilde, maar hij hoorde het niet, blind voor haar, doof voor
-haar, nu hij nog als verdiept in zijn stukken was.
-
-—Wat dan?
-
-—Oerip heeft mij doen raden, dat de bedienden gaarne een sedeka hadden,
-omdat er een nieuwe put op het erf gebouwd is...
-
-—Die put, die al twee maanden oud is?
-
-—Zij gebruiken er het water niet van.
-
-—Waarom niet?
-
-—Ze zijn bijgeloovig, weet je; ze willen het water niet gebruiken voor
-de sedeka gegeven is.
-
-—Dat had dan dadelijk moeten gebeuren. Waarom hebben zij het mij niet
-dadelijk door Kario laten vragen? Ik denk niet aan dien onzin uit
-mezelf. Maar ik had ze toen de sedeka wel gegeven. Nu is het mosterd na
-den maaltijd. De put is al twee maanden oud.
-
-—Het zoû toch wel goed zijn, zei Theo. Papa, u weet zelf hoe Javanen
-zijn: ze zullen de put niet gebruiken, als ze geen sedeka gekregen
-hebben.
-
-—Neen, zeide Van Oudijck onwillig, schuddende het hoofd. Nu een sedeka
-te geven, heeft niet de minste beteekenis. Ik had het gaarne gedaan,
-maar nu, na twee maanden, is het onzin. Zij hadden het dan maar
-dadelijk moeten vragen.
-
-—Toe, Otto, smeekte Léonie. Ik zoû de sedeka maar geven. Je doet er mij
-pleizier meê.
-
-—Mama heeft het Oerip al zoo half beloofd... drong Theo zacht aan.
-
-Zij stonden bevende voor hem, spierwit, als smeekelingen. Maar in hem,
-afgetobd, denkende aan zijn stukken, was een starre onwil, al kon hij
-zelden zijn vrouw iets weigeren.
-
-—Neen, Léonie, zeide hij beslist. En je moet nooit iets belooven, waar
-je niet zeker van bent...
-
-Hij wendde zich af, ging het schutsel om, zette zich aan zijn werk.
-
-Zij zagen elkander aan, de moeder, de stiefzoon. Langzaam, doelloos,
-gingen zij van daar, naar de voorgalerij, waar een vochtige duisternis
-dreef tusschen de aanzienlijk opgaande pilaren. Door den plassenden
-tuin zagen zij een witte gedaante komen. Zij schrikten, bang nu voor
-alles, met iedere silhouet denkende aan de straf, die hun in vreemdheid
-zoû gebeuren, zoolang zij bleven in het ouderlijk huis, waar zij
-schande over hadden gebracht. Maar toen zij beter uitspiedden herkenden
-zij Doddy. Zij kwam thuis; zij zeide sidderend, dat zij bij Eva
-Eldersma was geweest. In waarheid had zij gewandeld met Addy de Luce,
-en zij hadden voor den regen geschuild in de kampong. Zij was heel
-bleek, zij sidderde, maar Léonie en Theo zagen het niet in de duistere
-voorgalerij, evenals zijzelve niet zag, dat hare stiefmoeder bleek was,
-dat Theo bleek was. Zij sidderde zoo, omdat zij, in den tuin—Addy had
-haar tot het hek gebracht—met steenen was geworpen. Zij dacht aan een
-brutalen Javaan, die haar vader haatte en zijn huis en zijn huisgezin,
-maar in de duistere voorgalerij, waar zij zwijgend dicht naast elkaâr,
-als in radeloosheid, zag zitten haar stiefmoeder en haar broêr, voelde
-zij in eens—zij wist niet waarom—dat het geen brutale Javaan was
-geweest....
-
-Zij zette zich bij hen, zwijgend. Zij zagen uit naar den donkeren
-vochtigen tuin, waarover de wijde nacht aanzweefde als met
-reuzevleêrmuizenwieken. En in de woordelooze melancholie, die grauwe
-schemering zeefde tusschen de blankende pilaren, van statigheid,
-voelden zij zich alle drie, Doddy alleen, maar stiefmoeder en stiefzoon
-samen, stervensbang en verpletterd om het vreemde, dat gebeuren
-ging....
-
-
-
-
-II.
-
-En trots hunnen angst, zochten zij elkaâr des te vaker, zich voelende
-samen verbonden door een nu onbreekbare samenvoeging. Des middags sloop
-hij in hare kamer, en trots hunnen angst, omhelsden zij elkander woest
-en bleven dan dicht bij elkaâr.
-
-—Het moet onzin zijn, Léonie.... fluisterde hij.
-
-—Ja, maar wat is het dan, fluisterde zij terug. Ik heb toch het gekerm
-gehoord, en den steen hooren suizen door de lucht....
-
-—En dan....
-
-—Wat?
-
-—Als het iets is.... stel, dat het iets is, dat wij niet verklaren
-kunnen.
-
-—Maar ik geloof er niet aan!
-
-—Maar ik nog minder.... Maar alleen....
-
-—Wat?
-
-—Als het iets is.... àls het iets is, dat wij niet kunnen verklaren,
-dan....
-
-—Dan wat?
-
-—Dan is.... het.... niet om ons! fluisterde hij bijna onhoorbaar. Oerip
-zei het immers zelf. Dan is het om papa!
-
-—Ach, maar het is te dwaas....
-
-—Ik geloof ook niet aan dien onzin.
-
-—Het kermen.... dat is van beesten.
-
-—En die steen.... moet gegooid zijn door een ellendeling.... een van de
-bedienden, een vent, die zich aanstelt.... of is omgekocht....
-
-—Omgekocht? Door wien?
-
-—Door.... den.... Regent....
-
-—Ach Theo!
-
-—Oerip zei, het gekerm kwam aan van de Kaboepaten....
-
-—Wat meen je?!
-
-—En dat zij van daar uit papa plagen wilden...
-
-—Plagen?
-
-—Omdat de Regent van Ngadjiwa was ontslagen.
-
-—Zei Oerip dat....?
-
-—Neen, neen, dat zei ze niet. Dat zeg ik. Oerip zei, dat de Regent
-tooverkracht had. Dat is natuurlijk onzin. Die kerel is een
-lammeling.... Hij heeft lui omgekocht.... om papa te treiteren.
-
-—Maar papa merkt er niets van....
-
-—Neen.... We moeten het hem ook niet zeggen.... Dat is het beste.... We
-moeten het niëeren.
-
-—En de witte hadji, Theo, dien Doddy tweemaal gezien heeft.... En als
-ze bij Van Helderen tafel laten dansen, ziet Ida hem ook....
-
-—Ach, natuurlijk ook een handlanger van den Regent....
-
-—Ja, dat zal het wel zijn.... Maar het is toch ellendig, Theo.... Mijn
-Theo, ik ben bang!
-
-—Voor dien onzin! Kom!
-
-—Als het iets is, Theo.... dan is het niet om ons?
-
-Hij lachte.
-
-—Ach wat! Om ons! Het is voor-den-gek-houderij.... van den Regent....
-
-—Wij moesten niet meer samen komen....
-
-—Jawel, ik hoû van je, ik ben dol op je.
-
-Hij zoende haar razend en zij waren beiden bang. Maar hij blageerde.
-
-—Kom, Léonie, wees niet zoo bijgeloovig....
-
-—Als kind vertelde mijn baboe mij....
-
-Zij fluisterde aan zijn oor een verhaal. Hij werd bleek.
-
-—Ach, wat een onzin, Léonie!
-
-—Er zijn vreemde dingen, hier, in Indië.... Als ze wat begraven van je,
-een zakdoek of een stukje haar.... dan kunnen ze.... met alleen
-bezweringen.... maken, dat je ziek wordt en wegkwijnt, en sterft....
-zonderdat éen dokter vermoedt wat de ziekte is....
-
-—Dat is ònzin!
-
-—Dat is heusch waar!
-
-—Ik wist niet, dat je zoo bijgeloovig was!
-
-—Ik heb er vroeger nooit aan gedacht. Ik denk er nu eerst aan, den
-laatsten tijd.... Theo, zoû er iets zijn?
-
-—Er is niets.... dan elkaâr te zoenen.
-
-—Neen Theo.... wees stil, doe niet. Ik ben bang.... Het is al laat. Het
-wordt zoo gauw donker. Papa is al op, Theo. Ga nu weg, Theo.... door
-het boudoir. Ik wil gauw mijn bad nemen. Ik ben tegenwoordig bang als
-het donker wordt.... Met die regens is er geen schemering.... Het
-overvalt je in eens, de avond.... Verleden had ik geen licht in de
-badkamer laten brengen.... en toen was het er al zoo donker.... om half
-zes.... en twee kamprets [56] vlogen er rond; ik was zoo bang, dat ze
-in mijn haar zouden vast gaan zitten.... Stil.... is dat papa....?
-
-—Neen.... Dat is Doddy.... die speelt met haar kakatoe.
-
-—Ga nu weg, Theo.
-
-Hij ging, door het boudoir, wandelde den tuin in. Zij stond op, sloeg
-een kimono om over den sarong, dien zij maar los geknoopt onder de
-armen droeg en riep Oerip.
-
-—Bawa barang mandi! [57]
-
-—Kandjeng....!
-
-—Waar ben je, Oerip?
-
-—Hier, Kandjeng....
-
-—Waar was je....?
-
-—Hier voor uw tuindeur, Kandjeng.... Ik wachtte! zei de meid, met
-beteekenis, meenende, dat zij wachtte tot Theo weg was.
-
-—Is de Kandjeng Toean al op?
-
-—Soeda,.... heeft al gebaad, Kandjeng.
-
-—Breng dan mijn badgoed.... Steek het lampje aan, in de badkamer....
-Verleden was het lampeglas er gebroken, en het lampje niet gevuld....
-
-—De Kandjeng baadde vroeger ook nooit met licht....
-
-—Oerip.... is er van middag.... iets.... gebeurd?
-
-—Neen.... alles was kalm.... Maar ach, als de avond valt.... Alle
-bedienden zijn bang, Kandjeng.... De kokkie wil niet meer blijven.
-
-—Ach, wat een soesa.... Oerip, beloof haar vijf gulden.... prezent....
-als zij blijft....
-
-—Ook de spen is bang, Kandjeng....
-
-—Ach, wat een soesa.... Ik heb nooit zooveel soesa gekend, Oerip....
-
-—Neen, Kandjeng.
-
-—Ik heb altijd mijn leven zoo goed kunnen regelen.... Maar dit zijn
-dingen....!
-
-—Apa bolè boeat, Kandjeng! [58]... De dingen, machtiger dan de
-mensch....
-
-—Zouden het heusch geen loeaks zijn.... en een kerel, die gooit met
-steenen?
-
-—Massa, Kandjeng.
-
-—Nu.... breng maar mijn badgoed.... Vergeet niet het lichtje op te
-steken....
-
-De meid ging. Het begon al duister te zeven uit de met regen befloersde
-lucht. Doodstil lag het groote rezidentie-huis in den nacht van zijn
-reuze-waringins. En de lampen waren nog niet ontstoken. In de
-voorgalerij, alleen, dronk Van Oudijck thee, liggende op een rieten
-stoel, in nachtbroek en kabaai.... In den tuin hoopten zich de dikke
-schaduwen op, als waden van onstoffelijk fluweel, die zwart neêrvielen
-uit de boomen.
-
-—Toekan lampoe! [59] riep Léonie.
-
-—Kandjeng!
-
-—Steek toch de lampen op! Waarom begin je zoo laat? Steek het eerst op
-de lamp in mijn slaapkamer....
-
-Zij ging, naar de badkamer.... Langs de lange rei der goedangs en
-bediendenkamers, die den achtertuin afsloot, ging zij. Zij zag op naar
-de waringins van wiens hoogste takken zij verleden gehoord had het
-gekerm der zieltjes. De takken bewogen niet, geen adem van wind
-suizelde, de lucht was beklemmend zwoel van dreigenden onweêrregen,
-regen, te zwaar om te vallen. In de badkamer, ontstak Oerip het
-lichtje.
-
-—Heb je alles gebracht, Oerip?
-
-—Saja, Kandjeng....
-
-—Heb je niet vergeten den grooten flacon met de witte ajer-wangi? [60]
-
-—Ini apa [61], Kandjeng?
-
-—Nu, dan is het goed.... Geef mij voortaan toch een fijneren handdoek
-voor mijn gezicht. Ik zeg je altijd een fijnen handdoek te geven. Ik
-hoû niet van die grove....
-
-—Ik zal er even een halen.
-
-—Neen, neen! Blijf hier, blijf zitten voor de deur....
-
-—Saja, Kandjeng....
-
-—Zeg, je moet door een toekan-besie [62] de sleutels hier laten
-nazien.... We kunnen de badkamer niet sluiten... Dat is toch te gek,
-als er logés zijn...
-
-—Ik zal er morgen aan denken.
-
-—Vergeet het niet...
-
-Zij sloot de deur. De meid hurkte neêr voor de gesloten deur, geduldig,
-lijdzaam, onder de kleine en de groote dingen van het leven, alleen
-kennende trouw aan hare meesteres, die haar mooie sarongs gaf en
-zooveel voorschot als zij wilde.
-
-In de badkamer schemerde het kleine nikkelen lampje aan den wand over
-het groenige marmer van den nattigen vloer, over het water, dat
-boordevol stond in het gemetselde vierkante bassin.
-
-—Ik zal ’s middags maar vroeger baden! dacht Léonie.
-
-Zij ontdeed zich van kimono en sarong; en, naakt, zag zij even in den
-spiegel hare silhouet van melkige molligheid, de rondingen van een
-vrouw van veel liefde. Het blonde haar goudde zich, en een parelglans
-droop van hare schouders over haar hals en verschaduwde weg tusschen
-hare kleine ronde borsten. Zij hief hare haren op, zich bewonderend,
-bestudeerend, of een rimpel zich plooide, aanvoelende of hard haar
-vleesch was. Hare eene heup welfde zich, daar zij steunde op het eene
-been en een lange lijn van blank aangelichte golving bootste streelend
-langs dij en knie, vloeiende weg bij de wreef van haar voet... Maar zij
-schrikte op in die studie van bewondering: zij wilde zich haasten. Snel
-wrong zij hare haren samen en wreef zij zich in met een schuim van
-zeep, en nemende de gajong [63], stortte zij het water over zich uit.
-In lange vlakke stralen viel het zwaar van haar neêr, en als marmer
-glansde zij, gepolijst op schouders, borst en heupen, in het licht van
-het kleine lampje. Nog meer wilde zij zich haasten, opziende naar het
-venster of de kamprets weêr binnen zouden vliegen... Ja, zij zoû
-voortaan zich toch vroeger baden. Buiten was het al nacht. Zij droogde
-zich schielijk, in een ruwen handdoek. Zij wreef zich even, vlug, met
-de witte zalf, die Oerip altijd bereidde, haar toovermiddel van jeugd,
-lenigheid, harde blankheid. Op dit oogenblik zag zij op haar dij een
-klein rood spatje. Zij lette er niet op, denkend aan iets in het water,
-een blaadje, een dood insect. Zij wreef het af. Maar zich wrijvend, zag
-zij op haar borst twee, drie grootere spatjes, donker vermillioen. Zij
-werd plotseling koud, niet wetend, niet begrijpend. Weêr wreef zij zich
-af; en zij nam den handdoek, waar de spatjes al achterlieten iets
-viezigs als van dik bloed. Een rilling huiverde over haar van hoofd tot
-voeten. En plotseling zag zij. Uit de hoeken van de badkamer, hoe, en
-vanwaar zag zij niet, kwamen de spatjes aan, eerst klein, nu grooter,
-als uitgespogen door een kwijlenden sirih-mond. Stervenskoud gaf zij
-een gil. De spatten, dikker, werden vol, als purperen kwalsters
-uitgespogen, tegen haar aan. Haar lichaam was vuil bezoedeld met een
-groezelig, rinnende rood. Eén spat sloeg neêr op haar rug.... Op het
-groenige wit van den vloer vlakkelden de smerige spuugselen, dreven zij
-uit in het nog niet weggeloopen water. In het bassin bezoedelden zij
-het water ook en smolten viezig uit-een. Zij zag geheel rood, vuil
-bezoedeld, als onteerd door een schande van vies vermillioen, dat
-onzichtbare sirih-kelen van uit de hoeken der kamer samenschraapten en
-spogen naar haar toe, mikkend in hare haren, op hare oogen, op hare
-borsten, op haar onderbuik. Zij gaf gil op gil, geheel krankzinnig van
-het vreemde gebeuren. Zij stortte op de deur, wilde ze openen, maar er
-haperde iets aan den kruk. Want het slot was niet gesloten, de grendel
-was er niet voor. In haar rug voelde zij herhaaldelijk spugen, en van
-haar billen droop het rood. Zij gilde om Oerip en zij hoorde de meid
-aan de andere zijde der deur, buiten, trekken, en duwen. Eindelijk gaf
-de deur toe. En radeloos, gek, dol, krankzinnig, naakt, bezoedeld,
-stortte zij in de armen van hare meid. De bedienden liepen toe. Uit de
-achtergalerij zag zij aanloopen, Van Oudijck, Theo, Doddy. In hare
-uiterste krankzinnigheid, wijd de oogen gesperd, schaamde zij zich,
-niet om hare naaktheid, maar om haar bezoedeling... De meid had de
-kimono, ook bezoedeld, gegrepen van den kruk der deur, en sloeg ze haar
-meesteres om.
-
-—Blijf weg! gilde zij radeloos. Kom niet dichter! krijschte zij gek.
-Oerip, Oerip, breng mij naar het zwembad! Een lamp, een lamp... in het
-zwembad!
-
-—Wat is er, Léonie?
-
-Zij wilde niets zeggen.
-
-—Ik... heb... getrapt... op een pad! schreeuwde zij uit. Ik ben bang...
-voor schurft...! Kom niet dichter... Ik ben naakt! Blijf weg, blijf
-weg! Een lamp, een lamp... een làmp dan toch... in het zwembad!!
-Neen... Otto! Blijf weg! Blijven jullie allemaal weg! Ik ben naakt!
-Blijf weg! Bawa... la... a... a... mpoè! [64]
-
-Door elkaâr liepen de bedienden. Eén bracht een lamp, in het zwembad...
-
-—Oerip! Oerip...
-
-Zij klampte zich aan de meid.
-
-—Zij hebben mij bespogen... met sirih...! Zij hebben... mij...
-bespogen... met sirih...!! Zij... hebben... mij bespogen... met
-sirih...!!!
-
-—Stil Kandjeng... kom meê, in het zwembad...!
-
-—Wasch mij, Oerip! Oerip... in mijn haren, in mijn oogen... o God, ik
-proèf het in mijn mond...!!
-
-Zij snikte radeloos los, de meid sleepte haar meê...
-
-—Oerip... zie... eerst... preksa... of ze ook spugen... in het
-zwembad!!
-
-De meid trad binnen, rillende.
-
-—Er is niets, Kandjeng.
-
-—Gauw dan, baad mij, wasch mij, Oerip....
-
-Zij wierp de kimono af; haar mooi lichaam in het licht van de lamp werd
-zichtbaar als met vies bloed bezoedeld.
-
-—Oerip, wasch mij.... Neen, haal geen zeep.... Met water alleen....
-Laat mij niet alleen! Oerip, wasch mij dan toch hier.... Verbrand de
-kimono! Oerip....
-
-Zij dook in het zwembad, zij zwom radeloos rond; de meid, half naakt,
-dook mede, wiesch haar....
-
-—Gauw Oerip.... gauw, alleen maar het allervuilste.... Ik ben bang!
-Straks... straks spugen zij hier.... In de kamer, Oerip.... nu.... nu
-overwasschen, in de kamer, Oerip!! Roep, dat er niemand mag zijn, in
-den tuin! Ik wil de kimono niet meer om. Gauw, Oerip, roep, ik wil weg
-van hier!
-
-De meid riep door den tuin, in het Javaansch.
-
-Léonie, druipend, steeg uit het water, en naakt, nat, ijlde zij langs
-de bediendenkamers, de meid achter haar aan. In huis kwam Van Oudijck,
-krankzinnig van ongerustheid, loopen naar haar toe.
-
-—Weg, Otto! Laat me alleen! Ik ben.... naakt!! gilde zij.
-
-En zij stortte zich in hare kamer, en, Oerip binnen, sloot zij alle
-deuren.
-
-
-
-In den tuin kropen de bedienden bij elkaâr, onder het afdak der
-galerij, vlak bij het huis. Zacht rommelde de donder, en stil begon het
-te regenen.
-
-
-
-
-III.
-
-Léonie, ziek een paar dagen van zenuwkoorts, bleef in bed. In
-Laboewangi sprak men er over, dat het spookte, in het rezidentie-huis.
-Op de wekelijksche bijeenkomsten in den Stadstuin, als de muziek
-speelde, als de kinderen en jongelui op den open steenen dansvloer
-dansten, waren de fluisterende gesprekken aan de tafeltjes over het
-vreemde gebeuren in het rezidentie-huis. Dokter Rantzow werd er naar
-gevraagd, maar hij wist alleen te vertellen wat de rezident hem verteld
-had, wat mevrouw Van Oudijck hem zelve had verteld: haar schrik in de
-badkamer voor een kolossale pad, waarop zij getrapt had, gestruikeld
-was. Door de bedienden echter wist men meer, maar als de een vertelde
-over het gooien met steenen, het spuwen met sirih, lachte de ander, en
-noemde het praatjes van baboe’s. Zoo bleef eene onzekerheid hangen. In
-de couranten, van Soerabaia tot Batavia toe, verschenen echter korte
-vreemde berichten, die niet duidelijk waren, maar veel te raden gaven.
-
-Van Oudijck zelve sprak er over met niemand, niet met zijn vrouw, niet
-met zijn kinderen, met de ambtenaren niet, en niet met de bedienden.
-Maar eens kwam hij doodsbleek uit de badkamer, met dolle, groote oogen.
-Hij ging echter rustig naar binnen, beheerschte zich en niemand merkte
-iets. Toen sprak hij met den chef der politie. Aan het rezidentie-erf
-grensde een oud kerkhof. Nacht en dag werd dit nu bewaakt en bewaakt de
-achtermuur van de badkamer. De badkamer zelve werd echter niet meer
-gebruikt en men baadde zich in de logeerbadkamers.
-
-Zoodra mevrouw Van Oudijck hersteld was, ging zij naar Soerabaia,
-logeeren bij kennissen. Zij keerde niet meer terug. Zij had door Oerip
-langzamerhand, zonder ostentatie, zonder Van Oudijck er over te
-spreken, alle hare kleêren in laten pakken, en allerlei kleinigheden,
-waaraan zij gehecht was. Den eenen koffer na den anderen werd haar
-gezonden. Toen Van Oudijck eens, bij toeval, in haar slaapkamer kwam,
-vond hij die, op de meubels na, leêg. In haar boudoir was ook allerlei
-verdwenen. Hij had niet gemerkt het zenden der koffers, maar nu begreep
-hij, dat zij niet weêr zoû komen. Hij schreef zijn eerstvolgende
-receptie af. Het was December, en voor de Kerstvacantie, zouden uit
-Batavia René en Ricus komen voor een week of tien dagen, maar hij
-schreef de jongens af. Toen werd Doddy te logeeren gevraagd op
-Patjaram, bij de familie de Luce. Hoewel hij, uit zijn instinct van
-volbloed Hollander, niet hield van de de Luce’s, gaf hij toe. Ze
-hielden daar van Doddy: zij zoû het er vroolijker hebben dan op
-Laboewangi. Dat zijn dochter niet ver-Indischen zoû, was een ideaal,
-dat hij opgaf. Plotseling ook ging Theo weg, door Léonie’s invloed in
-Soerabaia, op groote mannen van den handel, in eens zeer voordeelig
-geplaatst bij een kantoor van export en import. Nu, in zijn groote
-huis, was Van Oudijck alleen. Daar de kokkie en de spen waren
-weggeloopen, vroegen Eldersma en Eva hem steeds ten eten bij hen,
-zoowel rijsttafel als diner. Bij hen aan tafel sprak hij nooit over
-zijn huis, en er werd nooit over gesproken. Over wat hij in het geheim
-met Eldersma sprak, als secretaris, met Van Helderen sprak, als
-controleur-kotta, spraken deze beiden ook nooit, als zwijgende onder
-een ambtsgeheim. De chef der politie, die anders, iederen dag, kort
-zijn rapport deed: dat niets bizonders was voorgevallen, of dat er een
-brand was geweest, of een man was verwond, deed nu echter lange,
-geheime rapporten: de deuren van het kantoor werden dan gesloten, opdat
-de oppassers buiten niet luisteren zouden. Langzamerhand liepen alle
-bedienden weg, trokken zij ’s nachts stilletjes weg, met hun families
-en huisraad, en in eene vuile leêgte bleven hunne woningen achter. Zij
-bleven zelfs niet in de rezidentie. Van Oudijck liet hen gaan. Hij
-behield alleen Kario, en de oppassers: en de gestraften, iederen dag,
-verzorgden den tuin. Zoo, van buiten, bleef het huis schijnbaar
-onveranderd. Maar van binnen, waar niets werd verzorgd, lag het stof
-dik op de meubels, aten witte mieren de matten op, sloegen schimmel en
-vochtvlekken uit. De rezident ging er nooit door, bewoonde alleen zijn
-slaapkamer en kantoor. Op zijn gezicht was een somberheid gekomen, als
-een bittere stilzwijgende vertwijfeling. Nauwgezetter dan ooit was hij
-op zijn werk, straffer spoorde hij zijne ambtenaren, als dacht hij aan
-niets dan aan de belangen van Laboewangi. In zijne pozitie van
-izolement had hij geen vriend en hij zocht er geen. Hij droeg alles
-alleen. Alleen, op zijne schouders, op zijn rug, die kromde onder eene
-naderende oudheid, droeg hij het zware gewicht van zijn huis, dat
-verging; zijne huiselijkheid, die verongelukte in het vreemde gebeuren,
-dat hij niet uit kon vinden, trots zijne politie, zijn wachters, zijn
-persoonlijke wakingen: trots zijn stille spionnen. Hij vond niets uit.
-Men zeide hem niets. Niemand bracht iets aan het licht. En het vreemde
-gebeuren ging voort. Een groote steen vernielde een spiegel. Hij liet,
-kalm, opruimen de scherven. Zijn natuur was niet om te gelooven aan de
-bovennatuurlijkheid der gebeurlijkheden en hij geloofde ook niet. Dat
-hij niet vond de schuldigen en de verklaring der feiten maakte hem stil
-razend. Maar hij geloofde niet. Hij geloofde niet als hij zijn bed
-bezoedeld vond en Kario aan zijn voeten hem bezwoer, dat hij niet wist
-hoe. Hij geloofde niet, als het glas, dat hij opnam, brak in heele
-kleine scherfjes. Hij geloofde niet als hij boven zich hoorde
-aanhoudend stampen met een plagerig gehamer. Maar zijn bed was
-bezoedeld, zijn glas brak, het gehamer was een feit. Hij onderzocht die
-feiten, nauwgezet als hij een strafzaak had onderzocht, en niets kwam
-aan het licht. Kalm bleef hij in zijne verhouding met Europeesche en
-Javaansche ambtenaren en met den Regent. Niemand merkte iets aan hem,
-en, trotsch, ’s avonds, werkte hij door, aan zijn schrijftafel terwijl
-het stampte en het hamerde, en in den tuin de nacht, als betooverd,
-donsde.
-
-Buiten, op de trap, kropen de oppassers bij elkaâr, luisterden zij,
-fluisterden zij; schuw omkijkend naar hun heer, die schreef, een frons
-van werkaandacht tusschen zijn brauwen.
-
-—Zoû hij het niet hooren?
-
-—Jawel, jawel: hij is toch niet doof....
-
-—Hij moet het hooren....
-
-—Hij denkt het te kunnen uitvinden met djàgà’s.... [65]
-
-—Er komen soldaten van Ngadjiwa.
-
-—Van Ngadjiwa!
-
-—Ja. Hij vertrouwt niet de djàgà’s. Hij heeft geschreven aan den toean
-majoor.
-
-—Om soldaten?
-
-—Ja, er komen soldaten....
-
-—Zie hem fronsen zijn wenkbrauwen....
-
-—Hij werkt maar door.
-
-—Ik ben bang: ik zoû nooit durven blijven, als het niet moest.
-
-—Zoolang hij er is, durf ik blijven....
-
-—Ja.... hij is dapper.
-
-—Hij is flink.
-
-—Hij is een dappere man.
-
-—Maar hij begrijpt het niet.
-
-—Neen, hij weet niet wat het is....
-
-—Hij denkt, dat het ratten zijn....
-
-—Ja, hij heeft, boven, onder het dak, laten zoeken naar ratten.
-
-—Die Hollanders weten niet.
-
-—Neen, ze begrijpen niet.
-
-—Hij rookt veel....
-
-—Ja, wel twaalf sigaren per dag.
-
-—Hij drinkt niet veel.
-
-—Neen.... alleen ’s avonds zijn whiskey-soda.
-
-—Zoo straks zal hij er om vragen....
-
-—Niemand is bij hem gebleven.
-
-—Neen. De anderen hebben begrepen. Ze zijn allen weg.
-
-—Laat gaat hij naar bed.
-
-—Ja. Hij werkt veel.
-
-—Hij slaapt toch nooit ’s nachts. Alleen ’s middags.
-
-—Zie hem fronsen....
-
-—Hij werkt maar door....
-
-—.... Oppas!
-
-—Daar roept hij....
-
-—Kandjeng!
-
-—Bawa whiskey-soda!
-
-—Kandjeng....
-
-De eene oppasser stond op, om den drank te halen. Hij had alles
-vlakbij, in het logeergebouw, om niet in huis behoeven te komen.
-Dichter schoven de anderen bij een, en fluisterden door. De maan drong
-door de wolken en verlichtte den tuin en de waterplas als met een
-vochtige mist van betoovering, doodstil. De eene oppasser had den drank
-bereid, bood hurkend aan.
-
-—Zet hier neêr, zeide Van Oudijck.
-
-De oppasser zette het glas op de schrijftafel, en kroop weg. De andere
-oppassers fluisterden.
-
-—Oppas! riep Van Oudijck na een oogenblik.
-
-—Kandjeng!
-
-—Wat heb je geschonken in dit glas?
-
-De man beefde, kroop weg aan Van Oudijcks voeten.
-
-—Kandjeng: het is geen vergif, bij mijn leven, bij mijn dood: ik kan
-het niet helpen, Kandjeng. Trap mij, dood mij: ik kan het niet helpen,
-Kandjeng.
-
-Het glas zag okergeel.
-
-—Haal mij een ander glas en schenk hier in....
-
-De oppasser ging, rillende.
-
-De anderen zaten dicht bij elkaâr, voelende elkanders lichaam, door het
-bezweette laken der uniformen en keken bang uit. De maan rees lacherig,
-spottend als een slechte fee uit hare wolken; hare vochtige, doodstille
-betoovering, zilverde over den wijden tuin. In de verte, uit den
-achtertuin, kermde op een kreet, als van een kind, dat werd geworgd.
-
-
-
-
-IV.
-
-—En mevrouwtje, hoe gaat het? Hoe gaat het met het spleen? Bevalt Indië
-u wat beter vandaag?
-
-Zijn woorden klonken Eva joviaal toe, terwijl zij hem komen zag door
-den tuin, bij achten, om te komen dineeren. Er was in zijn toon niets
-anders dan de joviale begroeting van een man, die hard gewerkt heeft
-aan zijn schrijftafel, en nu blij is een lieve mooie vrouw te zien, aan
-wier tafel hij zoo straks zal zitten. Zij verwonderde zich, zij
-bewonderde hem. Er was in hem niets van iemand, die den geheelen dag in
-een verlaten huis getreiterd werd door onbegrijpelijk en vreemd
-gebeuren. Nauwlijks was er een wolk van droefgeestigheid over zijn
-breede voorhoofd; nauwlijks een zorg in zijn even krommen, breeden rug,
-en de joviale trek om zijn dikken snor lachte er als altijd. Eldersma
-trad nader en in zijn groet, in zijn handdruk was als een stille
-vrijmetselarij van samenweten, een vertrouwelijkheid, die Eva ried. En
-Van Oudijck dronk zijn bittertje, gewoon weg, sprak over een brief van
-zijne vrouw, die vermoedelijk naar Batavia zoû gaan; zeide, dat René en
-Ricus in den Preanger logeerden bij een vriend, op een koffie-land.
-Waarom zij allen niet waren om hem heen, waarom hij geheel verlaten was
-van huisgezin en bedienden, hij sprak er niet over. In de intimiteit
-van hun kring, waar hij nu iederen dag tweemaal kwam eten, had hij er
-nooit over gesproken. En hoewel Eva er niet naar vroeg, maakte het haar
-in hooge mate zenuwachtig. Zoo vlak bij, bij het spookhuis, welks
-pilaren zij overdag kon schemeren zien in de verte door het loover der
-boomen, voelde zij iederen dag zich zenuwachtiger. Den geheelen dag, om
-haar heen, fluisterden de bedienden, spiedden zij schuw in de richting
-van de bespookte residinân. Des nachts, niet kunnende slapen, hoorde
-zij zelve of zij iets vreemds vernam: het kermen van de kindertjes. Te
-overvol van geluid was de Indische nacht, om haar niet rillen te doen
-op haar bed. Door het imperatieve brullen der vorschen om regen, om
-regen, om altijd meer regen nog, het aanhoudend gekwaak met éentonige
-brulkeel, hoorde zij rondtooveren duizende geluiden, die haar hielden
-uit den slaap. Er door heen sloegen de tokkè’s, de gekko’s als
-uurwerken hun slagen, als vreemde uren van geheimzinnigheid. Den
-geheelen dag dacht zij er aan. Ook Eldersma sprak er niet van. Maar als
-zij Van Oudijck zag komen aan haar rijsttafel, aan haar diner, moest
-zij klemmen de lippen, om hem niets te vragen. En het gesprek liep over
-allerlei, maar nooit over het vreemde gebeuren. Na de rijsttafel liep
-Van Oudijck weêr even over; na het diner, om tien uur, zag zij den
-rezident weêr verdwijnen in tuinschaduwen, die spookten. Met een
-rustigen tred, iederen avond, ging hij terug door den betooverden
-nacht, naar zijn verlaten en ellendig huis, waar vóor zijn kantoor de
-oppasser en Kario dicht gehurkt zaten tegen elkaâr, en werkte hij voor
-zijn schrijftafel nog laat. En hij klaagde nooit. Hij onderzocht
-nauwkeurig, door geheel de kotta, maar niets kwam aan het licht. Alles
-bleef gebeuren in ondoorgrondelijk mysterie.
-
-—En mevrouwtje, hoe bevalt Indië u van avond?
-
-Het was, een beetje, altijd de zelfde aardigheid, maar zij bewonderde,
-iederen dag, zijn toon. Een moed, een sterkte van zelfvertrouwen, een
-zekerheid van zijn eigen weten, een geloof aan wat hij zèker wist,
-klonk metaalhel uit zijn stem. Er was, hoe rampzalig hij zich voelen
-moest—hij, de man van het huiselijk innige en de man der koele
-praktijk—in een huis, door de zijnen verlaten en vol onverklaarbaar
-gebeuren, geen zweem van vertwijfling en neêrslachtigheid in zijn
-volhardenden mannelijken eenvoud. Hij ging zijn gang, hij deed zijn
-werk, nauwgezetter dan ooit—hij onderzocht. En aan Eva’s tafel had hij
-altijd een opgewekt gesprek, met Eldersma zoo over zaken er even door:
-over promotie, over de politiek in Indië, en de nieuwe manie om van uit
-Holland Indië te laten regeeren door leeken, die van toeten noch blazen
-wisten. En levendig praatte hij en zonder zich op te schroeven,
-rustig-weg, gezellig, tot Eva hem bewonderde, iederen dag meer en meer.
-Maar haar, sensitieve vrouw, werd het een nerveuze obsessie. En eens,
-’s avonds, even een paar passen meêgaande met hem, vroeg zij hem. Of
-het niet verschrikkelijk was, of hij het huis niet kon verlaten, of hij
-niet op tournée kon gaan, voor langen, langen, tijd. Zij zag zijn
-gezicht bewolken, omdat zij er over sprak. Maar toch vriendelijk,
-antwoordde hij, dat het zoo erg niet was, al was het onverklaarbaar, en
-dat hij zich sterk maakte dat gegoochel wel uit te vinden. En hij
-voegde erbij, dat hij eigenlijk moest op tournée, maar dat hij niet
-ging, om niet den schijn te hebben te vluchten. Toen drukte hij haar
-vluchtig de hand, zeide haar zich niet nerveus te maken en daar maar
-niet meer over te denken, te praten. Dit laatste klonk als een minzaam
-gebod. Zij drukte zijn hand weêr, tranen in hare oogen. En zij zag hem
-gaan, met zijn kalmen flinken pas en verdwijnen in den nacht van zijn
-tuin, waar door het brullend geroep der vorschen om regen de
-betoovering wel om moest donzen. Toen rilde zij daar zoo te staan en
-spoedde zich naar huis. En zij vond haar huis, haar ruime huis, klein
-en zoo open en beschermingloos voor de immense Indische nacht, die van
-overal binnen kon komen.
-
-Maar zij was niet de eenige, die onder den indruk was van het
-geheimzinnige gebeuren. Over geheel Laboewangi drukte het neêr met
-zijne onverklaarbaarheid, die zoo streed tegen het feitelijke van
-iederen dag. In ieder huis werd er over gesproken, al was het ook
-fluisterend, om de kinderen niet bang te maken, en de bedienden niet te
-laten merken, dat men onder den indruk was van het Javaansche
-gegoochel, zooals de rezident het zelve genoemd had. En een angst, eene
-somberheid, deed de menschen ziek worden van zenuwachtig spieden en
-luisteren in de van geluid overvolle nachten en wademde dik donzig
-grauw neêr over de stad, die zich dieper scheen te verschuilen in het
-loover van hare tuinen, en gedurende de vochtige avondschemeringen
-geheel wegdook in een dof zwijgende gelatenheid en bukken onder het
-mysterie. Toen dacht Van Oudijck sterke maatregelen te nemen. Hij
-schreef den majoor—kommandant van het garnizoen te Ngadjiwa—te komen
-met een kapitein, een paar luitenants, een compagnie soldaten. Dien
-avond dineerden de officieren, met den rezident en Van Helderen bij
-Eldersma. Zij haastten het maal af, en Eva, aan het hek van den tuin
-zag hen allen gaan: de rezident, de secretaris, de controleur, te samen
-met de vier officieren, den donkeren tuin van het spookhuis in. Het
-rezidentie-erf werd afgezet, het huis omsingeld, het kerkhofterrein
-bewaakt. En de mannen, allen, gingen de badkamer in.
-
-Zij bleven er den geheelen nacht. En den geheelen nacht bleven afgezet
-en omsingeld erf en huis. Tegen vijf uur kwamen zij er uit, en namen
-dadelijk, gezamenlijk, een zwembad. Over wat hun gebeurd was, spraken
-zij niet, maar hun nacht was verschrikkelijk geweest. Nog den volgenden
-morgen werd de badkamer omvergehaald.
-
-Allen hadden zij Van Oudijck beloofd niet over dien nacht te spreken en
-Eldersma wilde aan Eva niets zeggen, Van Helderen niets aan Ida. Ook de
-officieren, in Ngadjiwa, zwegen. Zij zeiden alleen, dat de nacht in de
-badkamer te onwaarschijnlijk was geweest, dan dat men hunne woorden zoû
-gelooven. Eindelijk liet een der jonge luitenants zich iets van zijn
-avontuur ontvallen. En een verhaal van sirih spugen, steenen werpen,
-van een vloer, die aardbeefde, terwijl zij er met stokken en sabels op
-hadden geslagen, en dan nog van iets onzegbaars afgrijselijks, dat in
-het badwater was gebeurd, deed de ronde. Iedereen maakte er iets bij.
-Toen het verhaal Van Oudijck bereikte, herkende hij er nauwlijks in den
-verschrikkelijken nacht, die, ook zonder fantazie, verschrikkelijk
-genoeg was geweest.
-
-Eldersma had intusschen opgemaakt het rapport van hun gezamenlijk waken
-en zij onderteekenden allen het onwaarschijnlijk verhaal. Het rapport
-bracht Van Oudijck persoonlijk naar Batavia, en reikte het over aan den
-Gouverneur-Generaal. Sedert berustte het in de geheime archieven der
-regeering.
-
-
-
-De Gouverneur-Generaal ried Van Oudijck aan voor korten tijd met verlof
-naar Holland te gaan, hem verzekerende, dat dit verlof geen invloed zoû
-uitoefenen op zijne reeds spoedig te verwachten promotie tot
-rezident-eerste-klasse. Hij weigerde echter deze gunst, en ging terug
-naar Laboewangi. De eenige concessie, die hij zich deed, was, dat hij
-zijn intrek bij Eldersma nam, tot het rezidentie-huis gereinigd zoû
-zijn. Maar van den vlaggestok op het rezidentie-erf bleef waaien de
-vlag...
-
-Terug van Batavia, ontmoette Van Oudijck, om dienstzaken, dikwijls den
-Regent, Soenario. En in zijn omgang met den Regent bleef de rezident
-correct en streng. Toen had hij een kort gesprek, eerst met den Regent,
-en daarna met zijn moeder, de Raden-Ajoe Pangéran. Deze beide
-gesprekken duurden niet langer dan twintig minuten. Maar het scheen,
-dat die weinige woorden van groot en dreigend gewicht waren geweest.
-
-Want het vreemde gebeuren hield op. Toen alles onder het toezicht van
-Eva in huis gereinigd en hersteld was, dwong Van Oudijck Léonie terug
-te keeren, omdat hij met den eersten Januari een groot bal wilde geven.
-Des morgens recepieerde de rezident alle zijne Europeesche en
-Javaansche ambtenaren. Des avonds, in de van licht gloeiende galerijen,
-stroomden de gasten binnen, uit de geheele rezidentie, nog licht
-huiverig en nieuwsgierig, en instinctmatig rondkijkende, om zich heen
-en naar boven. En terwijl de champagne rondging, nam Van Oudijck zelve
-een kelk en bood ze den Regent met een opzettelijke inbreuk op
-etiquette, en hij zeide met een mengeling van dreigenden ernst en
-goedmoedige scherts deze woorden, die men overal opving en herhaalde,
-die men gedurende maanden door de geheele rezidentie herhalen zoû:
-
-—Drink gerust, Regent: ik verzeker u op mijn woord van eer, dat er geen
-glazen meer in mijn huis zullen breken, dan alleen door toeval en
-onvoorzichtigheid....
-
-
-
-Hij kon zoo spreken, want hij wist, dat hij—dezen keer—de stille kracht
-was te krachtig geweest, alleen door zijn eenvoudigen moed van
-ambtenaar, Hollander en man.
-
-Maar in den blik van den Regent, toen hij dronk, schemerde het toch,
-heel licht ironisch op, dat al had de stille kracht niet
-gezegevierd—dezen keer—ze toch raadsel zoû blijven en onverklaarbaar
-altijd voor het kortziende oog van die Westerlingen....
-
-
-
-
-V.
-
-Laboewangi herleefde. Als eenstemmig kwam men overeen niet meer te
-praten over het vreemde, met menschen van buiten af, omdat het ongeloof
-in deze zaak zoo vergeeflijk was, en men, in Laboewangi, geloofde. En
-de binnenlandsche stad, na den mystieken druk, waaronder ze gedurende
-die onvergetelijke weken had neêrgedoken, herleefde, als om alle
-obsessie van zich te schudden. Feest volgde na feest, bal na bal,
-komedie na concert: iedereen zette open zijn huis om feest te vieren en
-vroolijk te zijn en gewone natuurlijkheid te vinden na de ongelooflijke
-nachtmerrie. Menschen, zoo gewoon aan het natuurlijke en begrijpelijke
-leven, aan het breed-ruime materieele van Indië—aan goede tafel, koele
-dranken, breede bedden, ruime huizen, aan geld verdienen en geld
-verteeren—aan alles wat de lijfs-wellust is van den Westerling in het
-Oosten—zulke menschen herademden, en schudden-af van zich de
-nachtmerrie, en schudden-af van zich het geloof aan vreemde
-gebeurlijkheden. Werd daar nu nog over gesproken, dan noemde men het
-onbegrijpelijk gegoochel, noemde men het den rezident algemeen zoo na.
-Gegoochel van den Regent. Want dat hij er de hand in gehad had, was
-zeker. Dat de rezident hem gedreigd had met een verschrikkelijke
-dreiging, hem en zijn moeder, als niet zoû ophouden het vreemde
-gebeuren—was zeker. Dat daarna de orde in het gewone leven weêr was
-hersteld—was zeker. Gegoochel dus. Men schaamde zich nu om zijn geloof,
-en om zijn angst, en dat men gehuiverd had voor wat mystiek had
-geschenen en alleen knap gegoochel was. En men herademde en wilde
-vroolijk zijn, en feest volgde na feest.
-
-Léonie, in die roes, vergat hare ergernis, dat Van Oudijck haar had
-teruggeroepen. En ook zij wilde vergeten de vermillioene bezoedeling
-van haar lichaam. Maar iets van den angst bleef in haar over. Zij
-baadde des middags nu vroeg, al om half vijf, in de nieuw gebouwde
-badkamer. Haar tweede bad was haar altijd iets huiverigs. En nu Theo
-geplaatst was in Soerabaia, maakte zij zich los van hem, uit angst ook.
-Zij kon zich niet los maken van de gedachte, dat de betoovering met een
-straf had gedreigd henbeiden, moeder en zoon, die schande brachten over
-het ouderlijk huis. In wat romantisch was in hare perverse verbeelding,
-in hare roze fantazie vol cherubijntjes, cupidootjes, gaf deze
-gedachte—haar ingegeven door haar schrik—een te geliefkoosde tragische
-tint, om niet te blijven koesteren, trots alles wat Theo zeide. Zij
-wilde niet meer. En het maakte hem razend, omdat hij dol op haar was,
-omdat hij niet kon vergeten den infamen wellust in haar armen. Maar
-standvastig bleef zij weigeren, en zeide hem haren angst, en zeide, dat
-zij zeker was, dat het weêr zoû gaan spoken, als zij elkander lief
-hadden: hij, de vrouw van zijn vader. Hij werd rood razend door hare
-woorden—den enkelen Zondag, dien hij doorbracht te Laboewangi: razend
-om haar niet-willen, hare nu aangenomen moederlijkheid, en razend,
-omdat hij wist, dat zij Addy de Luce veel zag, dat zij veel op Patjaram
-logeerde. Op de feesten danste Addy met haar, op de concerten hing hij
-over haar stoel, in de geïmprovizeerde rezidents-loge. Wel was hij haar
-niet trouw, want het was niet in zijn natuur een enkele vrouw te
-beminnen—hij beminde wijd en zijd—maar toch: hij was haar zoo trouw als
-hem mogelijk was. Zij voelde voor hem een langduriger passie, dan zij
-ooit nog gevoeld had; en deze passie wekte haar op uit hare gewone
-passieve onverschilligheid; dikwijls, in gezelschap, vervelend, saai,
-tronende in den glans van haar blanke schoonheid, als een glimlachend
-idool, de loomheid der Indische jaren, langzaam aan, vloeiende in haar
-bloed, tot hare bewegingen hadden gekregen die onverschillige luiheid
-voor alles wat niet was liefkoozing en liefde; haar stem, het trage
-accent in ieder woord, dat geen passie-woord was—metamorfozeerde zij
-zich onder die vlam, die van Addy over haar uitging, tot een jongere
-vrouw, levendiger in gezelschap, vroolijker, gevleid door de
-voortdurende hulde van dien jongen man, waarop alle meisjes dol waren.
-En het was haar een genot zich zooveel mogelijk meester te maken van
-hem, tot spijt van al die meisjes, tot spijt van Doddy vooral. In haar
-passie had zij tevens het slechte pleizier te plagen, enkel voor het
-pleizier ervan: het gaf haar een exquis genot, het maakte—voor het
-eerst misschien, want zij was altijd zeer voorzichtig geweest—haar man
-jaloersch, Theo jaloersch, Doddy jaloersch: zij maakte alle jonge
-vrouwen en meisjes jaloersch, en daar zij stond boven hen allen, als
-vrouw van den rezident, had zij een overwicht boven hen allen. Was zij
-dan op een avond te ver gegaan, dan had zij er genoegen in, met een
-glimlach, met een woord terug te winnen in hun aller genegenheid wat
-zij er door haar behaagzucht in verloren had. En het was vreemd, maar
-dit lukte haar. Zoodra men haar zag, zoodra zij sprak, glimlachte en
-beminnelijk wilde zijn, won zij alles terug, vergaf men haar alles.
-Zelfs Eva liet zich winnen door de vreemde bekoring van deze vrouw, die
-niet geestig was, niet intelligent, nauwlijks wat vroolijker werd en
-gewekt uit haar vervelende saaiheid, en die alleen won door de lijnen
-van haar lichaam, de vorm van haar gelaat, den blik van haar vreemde
-oogen—rustig en toch vol verborgen passie—en die zich bewust was al
-hare bekoring, omdat zij van kind af aan er den invloed van had
-opgemerkt. Met hare onverschilligheid was die bekoring hare kracht. Al
-wat noodlot was scheen op haar af te stuiten. Want het had met een
-vreemde magie haar wel aangezweemd, tot zij dacht, dat een straf op
-haar neêr zoû dalen, maar het was afgedreven, verder. Alleen, de
-waarschuwing nam zij aan. Theo wilde zij niet meer, en moederlijk deed
-zij voortaan met hem. Het maakte hem razend, vooral op deze feesten, nu
-zij er jonger was, vroolijker, en verleidelijker.
-
-Zijn passie voor haar begon om te slaan, in een haat. Hij haatte haar
-nu, met al zijn instinct van blonde kleurling, die hij eigenlijk was,
-trots zijn blanke tint. Want hij was het kind van zijn moeder meer dan
-de zoon van zijn vader. O, hij haatte haar nu, want zijne vrees voor de
-straf had hij maar gevoeld éen oogenblik, en hij, hij was nu alles
-vergeten. En zijn gedachte was haar kwaad te doen. Hoe, hij wist het
-nog niet, maar haar kwaad te doen, opdat zij pijn zoû hebben en leed.
-Dat te overdenken gaf een satanische somberheid in zijn kleine,
-troebele ziel. Hoewel hij er niet over dacht, voelde hij, onbewust, dat
-zij als onkwetsbaar was, voelde hij zelfs, dat zij in zich pochte op
-die onkwetsbaarheid, en dat ze haar iederen dag brutaler maakte,
-onverschilliger. Ieder oogenblik logeerde zij op Patjaram, onder het
-eerste het beste voorwendsel. De anonieme brieven, die Van Oudijck nog
-dikwijls haar voorlegde, ontroerden haar niet meer; zij raakte aan ze
-gewoon. Zonder een enkel woord gaf zij ze hem weêr terug: een enkelen
-keer zelfs vergat zij ze; liet zij ze slingeren in de achtergalerij.
-Eens las Theo ze door. Hij wist niet in welke plotselinge helderheid,
-maar plótseling, meende hij te herkennen enkele letters, enkele
-strepen. Hij herinnerde zich in de kampong bij Patjaram het huisje—half
-bamboe, half petroleum-plank—waar hij si-Oudijck had opgezocht met Addy
-de Luce, en de met een Arabier haastig bijeen geschoven papieren. Hij
-herinnerde zich vaag, op een snipper op den grond die zelfde letters,
-die strepen. Het ging vaag en bliksemsnel door zijn hoofd. Maar het was
-niets dan een bliksemstraal. In zijn sombere, kleine ziel was niets dan
-doffe haat en troebele berekening. Maar hij was niet verstandig genoeg
-die berekening uit te spinnen. Hij haatte zijn vader, uit instinct, en
-antipathie; zijn moeder, omdat zij een nonna was; zijn stiefmoeder,
-omdat zij hem niet meer wilde: hij haatte Addy, hij haatte Doddy erbij
-op den koop toe: hij haatte de wereld, omdat hij er in werken moest.
-Hij haatte iedere betrekking: hij haatte nu zijn kantoor op Soerabaia.
-Maar hij was te lui en te weinig helder, om kwaad te kunnen doen. Hij
-vond niet uit, hoe hij ook bedacht, zijn vader kwaad te doen, Addy en
-Léonie. Het was alles in hem vaag, troebel, ontevreden, onduidelijk.
-Zijne begeerte was geld en een mooie vrouw. Verder was er niets in hem
-dan zijn stompe somberheid, en ontevredenheid van dikken, blonden
-sinjo. En onmachtig donkerde zijn gedachte voort.
-
-Tot nog toe had Doddy altijd veel van Léonie gehouden, instinctmatig.
-Maar nu kon zij het zich niet meer ontkennen: wat zij eerst gedacht
-had, dat toeval was—mama en Addy altijd zoekende elkaâr in den zelfden
-glimlach van aantrekking, de een trekkende den ander aan van het eene
-einde der zaal naar het andere, als onweêrstaanbaar—dat was geen
-toeval! En ook zij, ze haatte mama nu, mama met hare mooie kalmte, hare
-souvereine onverschilligheid. Hare eigen natuur van drift, van passie,
-kwam in botsing met die andere natuur van melkblanke kreole-loomheid,
-die zich eerst nu, laat, om de loutere goedgunstigheid van het noodlot,
-geheel dorst laten sleepen, zonder voorbehoud. Zij haatte mama en het
-gevolg van die haat waren scènes, scènes van nerveuze drift, opgillende
-drift van Doddy tegen de tergende kalmte van mama’s onverschilligheid,
-over allerlei klein verschil van meening: over een visite, een ritje te
-paard, een japon, over een sambal, die de een lekker vond, de ander
-niet. Léonie had er pleizier in Doddy te plagen, alleen om het pleizier
-van plagen. Dan wilde Doddy uithuilen aan papa’s borst, maar Van
-Oudijck gaf haar geen gelijk, en zei, dat zij voor mama meer eerbied
-moest hebben. Maar eens, toen hij Doddy, terwijl zij troost bij hem
-zoeken kwam, berispend sprak over hare wandelingen met Addy, gilde zij
-op, dat mama zelve op Addy verliefd was. Van Oudijck, boos, joeg haar
-de kamer uit. Maar het kwam alles te veel met elkaâr overeen—de
-anonieme brieven, de nieuwe behaagzucht van zijne vrouw, Doddy’s
-beschuldiging en wat hijzelve had opgemerkt op de laatste partijen—om
-hem niet te laten nadenken en tobben zelfs. En nu hij hier eenmaal over
-tobde en nadacht flitsten plotselinge herinneringen als korte
-weêrlichten door hem heen: van een onverwacht bezoek; van een deur, die
-gesloten was; van een portière, die bewoog; van een gefluisterd woord
-en een schuw afgebroken blik. Hij combineerde dat alles, en hij
-herinnerde zich die zelfde subtiele herinneringen, in verband met
-anderen, van vroeger, heel plotseling. Het wekte eensklaps zijn
-jalouzie, de jalouzie van den man op de vrouw, die hij liefheeft als
-zijn allereigenst bezit. Als een windvlaag, stak die jalouzie bij hem
-op, en woei door zijn werk-aandacht heen, verwarde zijne gedachten,
-terwijl hij aan zijn werk zat, deed hem plotseling zijn kantoor
-uitloopen, terwijl hij de politie-rol deed, zoeken in de kamer van
-Léonie, oplichten een gordijn, kijken zelfs onder het bed. En nu wilde
-hij niet meer, dat zij op Patjaram logeerde, naar hij voorgaf, om de de
-Luce’s geen hoop te geven, dat Addy ooit Doddy zoû krijgen. Want hij
-dorst Léonie niet over zijn ijverzucht spreken.... Dat Addy ooit Doddy
-zoû krijgen. In zijn dochter was ook wel Indiesch bloed, maar hij wilde
-een volbloed Europeaan voor schoonzoon. Hij haatte al wat halfras was.
-Hij haatte de de Luce’s, en al de verbinnenlandschte, Indische,
-quasi-Solosche traditie van hun Patjaram. Hij haatte hun gedobbel, hun
-koek-en-ei zijn met allerlei Javaansche hoofden: lieden, die hij
-ambtelijk gaf wat hun toekwam, maar verder beschouwde als noodzakelijke
-werktuigen van de politiek der Regeering. Hij haatte alle hunne
-manieren van oude Indische familie, en hij haatte Addy: een jongen,
-zoogenaamd employé, maar die niets uitvoerde, dan naloopen al wat
-vrouw, meisje, meid was. Hem, als werkzamen en ouderen man, was dit
-leven onuitstaanbaar. Léonie moest zich dus wel Patjaram ontzeggen,
-maar des morgens ging zij rustig naar mevrouw Van Does, en in haar
-kleine huisje ontmoette zij Addy, terwijl mevrouw Van Does zelve uit
-verkoopen ging, in een tjikar, [66] met de twee stopflesschen
-inten-inten, en een pak gebatikte spreien. Des avonds dan wandelde Addy
-met Doddy en hoorde hare hartstochtelijke verwijtingen. Hij lachte om
-haar drift, hij nam haar in zijn armen tot zij hijgde tegen hem aan:
-hij zoende haar de verwijtingen van de lippen, tot zij dol van liefde
-wegsmolt aan zijn mond. Verder gingen zij niet, bang, vooral Doddy. Zij
-liepen achter de kampongs, op de galangans der sawahs, terwijl zwermen
-van vuurvliegjes in den donker om hen heen starrelden als heele kleine
-lampjes; zij liepen in elkanders arm, aan elkaârs hand liepen zij
-voort, in een liefde van ontzenuwende handtastelijkheid, die nooit
-durfde tot het einde. Met hunne handen voelden zij elkaâr heelemaal
-aan, zij beminden elkaâr met hun handen. Kwam zij dan thuis, dan was
-zij dol, razend op mama, in wie zij beneed de kalme, glimlachende
-verzadiging, als zij, in haar witten peignoir, zacht gepoeierd, lag te
-mijmeren op een rieten stoel.
-
-En het was in huis, nieuw opgefrischt, wit gekalkt, na het vreemde
-gebeuren,—dat voorbij was—een haat, die als uitschoot overal, als de
-duivelsche bloem zelve van dat vreemde geheim, een haat rondom die
-glimlachende vrouw, die te loom was om te haten, en alleen pleizier had
-in het stille plagen; een jaloersche haat van vader nu tegen zoon, als
-hij hem te veel zag bij zijn stiefmoeder zitten, smeekende, trots zijn
-eigen haat, om iets, wat wist de vader niet: een haat van zoon tegen
-vader, een haat van dochter tegen moeder, een haat, waarin alle
-familieleven verongelukte. Hoe het zoo langzamerhand was gekomen, wist
-Van Oudijck niet. Weemoedig betreurde hij den tijd, toen hij blind was
-geweest, toen hij vrouw en kinderen alleen gezien had, in het licht,
-dat hij wilde. Dat was nu voorbij. Zooals vroeger het vreemde gebeuren,
-sloeg nu een haat uit het leven op, als een pestwalm uit den grond. En
-Van Oudijck, die nooit was bijgeloovig geweest, die koel, kalm gewerkt
-had in zijn vereenzaamde huis, waar het onbegrijpelijk spookte rondom
-hem heen, die rapporten had doorlezen terwijl het hamerde boven zijn
-hoofd en zijn whiskey-soda okerde in zijn glas—Van Oudijck, voor het
-eerst van zijn leven, nu hij de sombere blikken van Theo, van Doddy
-zag, nu hij zijne vrouw, brutaler iederen dag, met den jongen de Luce
-eensklaps vond hand in hand, haar knieën bijna in de zijne, nu hij
-zichzelven zag, veranderd, verouderd, somber spiedende,—werd
-bijgeloovig, onoverkomelijk bijgeloovig, geloovende aan eene stille
-kracht, die school waar wist hij niet, in Indië, in den grond van
-Indië, in een diep mysterie, ergens, ergens—een kracht, die hem kwaad
-wilde, omdat hij was Europeaan, overheerscher, vreemdeling op den
-geheimzinnig heiligen grond. En toen hij zag deze bijgeloovigheid in
-zich, zoo nieuw in hem, man van praktijk, zoo vreemd ongelooflijk in
-hem, man van simpel mannelijken eenvoud, schrikte hij voor zichzelven,
-als voor een opkomende krankzinnigheid, die hij diep in zich begon waar
-te nemen.
-
-En hoe krachtig hij geweest was tijdens het vreemde gebeuren zelve, dat
-hij nog met een enkel woord van dreigende kracht had kunnen bezweren,
-deze bijgeloovigheid, als de naziekte van dat gebeuren, vond in hem
-zwakte, als een kwetsbare plek. Hij was zoo verbaasd over zichzelven,
-dat hij zich niet begreep, vreesde gek te zullen worden, en toch, toch
-tobde hij. Zijne gezondheid was ondermijnd door eene opkomende
-leverziekte en hij bestudeerde zijn gelende tint. Plotseling dacht hij
-aan vergiftiging. De keuken werd onderzocht, de kokkie aan een verhoor
-onderworpen, maar niets bleek. Hij begreep angstig te zijn voor niets.
-Maar de dokter verklaarde, dat zijn lever was opgezwollen en schreef
-hem het gewone regime voor. Wat hij anders heel gewoon zoû gevonden
-hebben—eene ziekte, die zoo veelvuldig voorkwam—vond hij nu eensklaps
-vreemd: een vreemd gebeuren, waarover hij tobde. En het tastte zijn
-zenuwen aan. Hij leed nu aan plotselinge vermoeidheden, als hij werkte,
-aan kloppende hoofdpijn. Zijne jalouzie gaf hem eene gejaagdheid; een
-trillende onrust kwam over hem. Hij bedacht eensklaps, dat, als het nu
-hamerde boven zijn hoofd, als het nu sirih spoog rondom hem heen, hij
-niet in zijn huis had kunnen blijven. En hij geloofde aan een haat, die
-rondom hem walmde uit den haatdragenden grond, als een pest. Hij
-geloofde aan een kracht, diep verborgen in de dingen van Indië, in de
-natuur van Java, het klimaat van Laboewangi, in het gegoochel—zoo
-noemde hij het nog—dat de Javaan soms knap maakt boven den Westerling,
-en dat hem macht geeft, geheimzinnige macht, niet om zich te bevrijden
-van het juk, maar wel om ziek te maken, te doen kwijnen, te plagen, te
-treiteren, te spoken onbegrijpelijk en afgrijselijk—: een stille
-kracht, een stille macht, vijandig aan ons temperament, aan ons bloed,
-aan ons lichaam, aan onze ziel, aan onze beschaving, aan al wat òns
-goeddunkt te doen en te zijn en te denken. Het was bij hem
-opengestraald als met éen plotseling licht: het was niet het gevolg van
-denken. Het was bij hem opengestraald als met éen schrik van
-openbaring, geheel in strijd met al de logiek van zijn geleidelijk
-leven, zijne geleidelijke gedachtengang. In éen vizioen van
-verschrikking zag hij het plotseling voor zich, als het licht van zijn
-naderenden ouderdom, zooals grijsaards soms eensklaps de waarheid zien.
-En toch, hij was jong nog, hij was krachtig... En hij voelde, dat als
-hij niet zwenken zoû zijne krankzinnende gedachte, ze hem ziek, zwak en
-ellendig kon maken, voor altijd, voor altijd....
-
-Vooral voor hem, simpelen man van praktijk, was deze ommezwaai bijna
-ondragelijk. Wat een morbide geest rustig peinzend zoû hebben
-bespiegeld, gaf hem een wit bliksemende ontzetting. Nooit had hij
-gedacht, dat er diep, ergens, geheimzinnig, dingen kunnen zijn in het
-leven, sterker dan wilskracht, geestkracht. Nu—na de nachtmerrie, die
-hij moedig had overwonnen—scheen het of tòch de nachtmerrie hem
-uitgeput had en hem had ingegeven allerlei zwakte. Het was
-ongelooflijk, maar nu, ’s avonds, als hij werkte, luisterde hij naar
-het avonddonzen in den tuin, of naar de rat, die stommelde boven zijn
-hoofd. En dan stond hij eensklaps op, liep in de kamer van Léonie en
-keek onder haar bed. Toen hij eindelijk uitvond, dat vele van de
-anonieme brieven, waarmede hij achtervolgd werd, kwamen uit den koker
-van een halfbloed, die zich noemde zijn zoon en zelfs met zijn eigen
-familie-naam in de kampong werd aangeduid, voelde hij zich te weifelend
-deze zaak te onderzoeken, om wat er mocht aan het licht komen en dat
-hijzelve vergeten was, uit zijn controleurstijd, vroeger, te Ngadjiwa.
-Nu weifelde hij, in wat hem vroeger zeker en stellig was. Nu wist hij
-zijne herinneringen uit dien tijd niet meer zoo stellig te schikken,
-dan dat hij had kunnen zweren geen zoon te hebben, bijna zonder het te
-weten gewonnen in dien tijd. Hij herinnerde zich niet duidelijk de
-huishoudster, die hij gehad had vóor zijn eerste huwelijk. En hij liet
-de geheele zaak der anonieme brieven liever maar voortsmeulen in hun
-duistere schaduw, dan dat hij ze onderzocht, er in roerde. Zelfs liet
-hij aan den kleurling, die zich noemde zijn zoon, geld geven, opdat
-deze niet, misbruik makende van den naam, dien hij zich toekende,
-overal in de kampong eischte prezenten: kippen, en rijst, en kleederen;
-dingen, die si-Oudijck vroeg aan onwetende dessa-lui, die hij dreigde
-met den vagen toorn van zijn vader; den Kandjeng daarginds in
-Laboewangi. Opdat met dien toorn dus niet meer gedreigd zoû worden,
-deed Van Oudijck hem geld toekomen. Dat was een zwakte: vroeger had hij
-het nooit gedaan. Maar nu kwam in hem een neiging, te sussen,
-vergoêlijkend te zijn, niet meer zoo straf en streng te zijn, en liever
-alles wat scherp was, weg te doezelen in halfheid. Eldersma was soms
-verbaasd, als hij de rezident, vroeger beslist, nu zag weifelen, toe
-zag geven in zaken, in geschillen met erfpachters, als hij vroeger
-nooit hadde gedaan. En een slapheid van werken aan het bureau ware
-ingekankerd, van zelve, langzaam aan, als Eldersma niet Van Oudijck het
-werk uit de hand had genomen, en het zich nog drukker gemaakt had, dan
-hij het al zelve had. Men zeide algemeen, dat de rezident lijdende was.
-En zijn kleur was ook geel, zijn lever pijnlijk; het minste deed zijn
-zenuwen trillen. Het gaf een nevroze in huis, tegelijk met de driften
-en uitbarstingen van Doddy, met de jalouzie en de haat van Theo, die al
-weêr thuis was, in Soerabaia het had laten liggen. Alleen Léonie bleef
-zegevieren, altijd mooi, blank, kalm, glimlachend, tevreden, gelukkig
-in den durenden hartstocht van Addy, dien zij wist te boeien als eene
-tooveres van liefde, een savante in passie. Het noodlot had haar
-gewaarschuwd, en Theo hield zij ver van zich, maar verder was zij
-gelukkig, tevreden.
-
-Toen was het plotseling, dat Batavia openkwam. Twee, drie rezidenten
-werden genoemd, maar Van Oudijck had het meeste kans. En hij tobde er
-over, hij vreesde er voor: hij hield niet van Batavia, als rezidentie.
-Hij zoû er niet in kunnen werken, als hij hier gewerkt had, met ijver
-en toewijding behartigende zoo vele verscheidene belangen van cultuur
-en voor bevolking. Liever had hij zich benoemd gezien voor Soerabaia,
-waar veel omging, of in een der Vorstenlanden, waar zijn tact om met
-Javaansche vorsten om te gaan te pas zoû zijn gekomen. Maar Batavia!
-Voor een rezident, als ambtenaar, het minst interessante gewest: voor
-den rezidentsbetrekking het minst vleiend den hoogmoed ervan, vlak bij
-den Gouverneur-Generaal, geheel te midden der hoogste ambtenaren,
-zoodat de rezident, elders bijna oppermachtig, er niet meer was dan ook
-een hooge ambtenaar, tusschen Raden van Indië, Directeuren, in, en te
-dicht bij Buitenzorg, met zijne eigendunkele Secretarie: wier
-bureaucratie en theorie van paperassen altijd in strijd waren met de
-bestuurspraktijk en het feitelijke doen der rezidenten zelve.
-
-De mogelijkheid van benoeming maakte hem geheel van streek, gejaagder
-dan ooit, nu hij in een maand tijds Laboewangi zoû moeten verlaten,
-vendutie houden. Het zoû hem scheuren zijn hart Laboewangi te verlaten.
-Trots wat hij er had geleden, hield hij van de stad, van zijn gewest
-vooral. Door geheel zijn gewest, al die jaren, had hij nagelaten de
-sporen van zijne werkzaamheid, van zijn aandacht, van zijn ambitie, van
-zijn liefde. Nu, binnen een maand, zoû hij dat alles wellicht moeten
-overdragen aan een opvolger, zich moeten losscheuren van alles wat hij
-met liefde had bezorgd, behartigd. Hij voelde er een somberen weemoed
-om. Dat hij met een promotie ook dichter naderde zijn pensioen, gaf hem
-niets. Die toekomst van niets doen en verveling van naderenden ouderdom
-was hem een nachtmerrie. En de opvolger zoû misschien alles veranderen,
-het in niets eens met hem zijn.
-
-Toen werd zijn mogelijke promotie hem eensklaps tot zulk een ziekelijke
-obsessie, dat het onwaarschijnlijke gebeurde en hij schreef aan den
-Directeur van B.B., aan den Gouverneur-Generaal, hem te laten op
-Laboewangi. Van deze brieven lekte weinig uit; hijzelve verzweeg ze
-geheel zoowel in den kring zijner familie als in dien zijner
-ambtenaren, zoodat, toen een jongere rezident, tweede-klasse, benoemd
-werd tot rezident van Batavia, men wel er over praatte, dat Van Oudijck
-gepasseerd was, maar men niet wist, dat dit door zijn eigen toedoen was
-geweest. En zoekende naar een reden rakelde men in de praatjes weêr op
-het ontslag van den Regent van Ngadjiwa, het vreemde gebeuren daarna,
-maar men vond noch in het een, noch in het ander, toch eigenlijk een
-bizondere aanleiding voor de Regeering om Van Oudijck te passeeren.
-
-Hijzelve herwon er om een vreemde rust, een rust van matheid, van zich
-laten gaan, van vastgroeien in zijn bekend Laboewangi, van,
-ver-Indiescht in zijn binnenland, niet behoeven te gaan naar Batavia,
-waar het zoo heel anders was. Toen de Gouverneur-Generaal hem op de
-laatste audiëntie had gesproken over een verlof naar Europa, had hij
-een angst voor Europa gevoeld—een angst er zich niet meer thuis te
-voelen:—nu voelde hij zelfs dien angst voor Batavia. En toch wist hij
-heel goed al de quasi Westersche humbug van Batavia; toch wist hij heel
-goed, dat de hoofdplaats van Java zich maar als erg Europeesch
-aanstelde, en in werkelijkheid toch maar half Europeesch was. In
-zichzelven—verborgen voor zijn vrouw, die spijt had om die vervlogen
-illuzie: Batavia—lachte hij er stilletjes om, dat hij had weten gedaan
-te krijgen op Laboewangi te blijven. Maar om dien lach voelde hij wel
-zich veranderd, verouderd, verminderd, niet meer blikkende langs die
-opwaartsche lijn van telkens onder de menschen in te nemen een hoogere
-plaats—die altijd de lijn van zijn leven geweest was. Waar was zijn
-eerzucht gebleven? Hoe was zoo zijn heerschzucht verslapt? Hij dacht,
-het was alles invloed van het klimaat. Goed zoû het zeker zijn als hij
-zijn bloed, zijn geest verfrischte in Europa, en er een paar winters
-doormaakte. Maar oogenblikkelijk knakte die gedachte willoos in een.
-Neen, hij wilde niet naar Europa. Indië was hem lief. En hij gaf zich
-over aan lange peinzingen, liggende in een langen stoel, genietende van
-zijn koffie, van zijn luchtige kleeding, van de zachte verslapping
-zijner spieren, van de doellooze doezeling zijner gedachten. In die
-doezeling was scherp alleen zijne meer en meer toenemende achterdocht,
-en dan wekte hij plotseling op uit zijn loomheid en luisterde naar het
-vage geluid, het zacht onderdrukte lachen, dat hij meende te hooren in
-de kamer van Léonie, zooals hij des nachts, achterdochtig ook om
-gespook, luisterde naar het gedons in den tuin, en de rat boven zijn
-hoofd.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-
-I.
-
-Addy zat bij mevrouw Van Does, in het kleine achtergalerijtje, toen zij
-een rijtuig vóor hoorden opratelen. Zij zagen elkaâr glimlachend aan,
-stonden op.
-
-—Ik laat jullie alleen, zei mevrouw Van Does, en zij verdween om in een
-dos-à-dos de stad rond te rijden en bij kennissen zaken te doen.
-
-Léonie was binnengekomen.
-
-—Waar is mevrouw Van Does? vroeg zij, want zij deed iederen keer, of
-het de eerste maal was: dat was hare groote bekoring.
-
-Hij wist dit en hij antwoordde:
-
-—Ze is zoo even uitgegaan. Het zal haar spijten u niet te treffen...
-
-Hij sprak zoo omdat hij wist, dat zij daarvan hield: iederen keer het
-ceremonieele begin, om vooral de frischheid van hunne liaison te
-onderhouden.
-
-Nu zetten zij zich in het kleine gesloten middengalerijtje op een
-divan, hij naast haar.
-
-De divan was overtrokken met een cretonne van bonte bloemen; aan de
-witte muren hingen wat goedkoope waaiers en kakemono’s, en aan
-weêrszijde van een spiegeltje stonden op consoles twee imitatie bronzen
-beeldjes: onduidelijke ridders, het eene been vooruit, in de hand een
-speer. Door de glazen deur schemerde het vunze achtergalerijtje, de
-pilaren groengeel vochtig, de bloempotten groengeel ook, met wat
-vergane rozestruiken; daarachter verwilderde het vochtige tuintje, met
-een paar magere klapperboomen, de bladeren hangende als geknakte
-veêren.
-
-Hij trok haar nu in zijn armen, maar zij duwde hem zachtjes terug.
-
-—Doddy is onuitstaanbaar, zeide zij; daar moet een eind aan komen.
-
-—Hoe dat?
-
-—Zij moet uit huis. Zij is zoo prikkelbaar, dat ik geen leven met haar
-heb.
-
-—Je plaagt haar ook.
-
-Zij haalde de schouders op, ontstemd door een scène met haar
-stiefdochter.
-
-—Vroeger plaagde ik haar niet, vroeger hield ze van mij, vroeger konden
-wij best met elkaâr overweg. Nu vliegt ze om het minste op. Het is jouw
-schuld. Die eeuwige avondwandelingen, die tot niets leiden, enerveeren
-haar.
-
-—Het is maar beter, dat ze tot niets leiden, murmelde hij, met zijn
-verleiderlachje. Maar ik kan toch niet met haar breken, dat zoû haar
-verdriet doen. En ik kan nooit een vrouw verdriet doen.
-
-Zij lachte minachtend.
-
-—Ja, je bent zoo goedig. Uit louter goedigheid zoû je je faveurs overal
-verspreiden. Maar hoe dan ook, zij gaat het huis uit.
-
-—Waarnaar toe?
-
-—Vraag niet zulke domme vragen! riep zij uit, boos, gerukt uit hare
-gewone onverschilligheid. Weg, weg, ze gaat weg: het kan me niet
-schelen waarnaar toe. Je weet als ik eenmaal iets zeg, gebeurt het. En
-dit, dit gebeurt.
-
-Hij vatte haar nu in zijn armen.
-
-—Je bent zoo boos. Je bent niets mooi zoo....
-
-Ontstemd, wilde zij zich eerst niet laten zoenen, maar daar hij niet
-hield van zulke ontstemmingen en wel wist zijn macht van
-onwederstaanbare mooi Moorsche mannelijkheid, overmeesterde hij haar
-als met glimlachend ruw geweld en pakte haar zoo dicht aan zich, dat
-zij zich niet verroeren kon.
-
-—Je mag niet boos meer zijn...
-
-—Jawel... Ik haat Doddy.
-
-—Het arme kind heeft je niets misdaan.
-
-—Wel mogelijk...
-
-—Integendeel plaag jij haar.
-
-—Ja, omdat ik haar haat...
-
-—Waarom? Je bent toch niet jaloersch...
-
-Zij lachte luid.
-
-—Neen! Dat is niet in mijn aard.
-
-—Waarom dan?
-
-—Wat kan het je schelen! Ik weet het zelf niet. Ik haat haar. Ik heb
-pleizier haar te plagen.
-
-—Ben je even slecht als je mooi bent?
-
-—Wat is slecht? Weet ik het! Ik zoû jou ook willen plagen, als ik maar
-wist hoe.
-
-—En ik zoû jou een pak slaag willen geven...
-
-Zij lachte weêr hard op.
-
-—Misschien, dat het me nu wel goed zoû doen, gaf zij toe. Ik ben zelden
-uit mijn humeur, maar Doddy...!
-
-Zij krampte hare vingers, en in eens, kalmer, vlijde zij zich tegen hem
-aan, en sloot haar armen om zijn lichaam.
-
-—Vroeger was ik erg onverschillig, bekende zij. Ik ben den laatsten
-tijd veel zenuwachtiger, nadat ik zoo geschrokken ben, in die badkamer.
-Nadat ze me zoo gespogen hebben, met sirih. Geloof je, dat het spoken
-was, van geesten? Ik geloof het niet. Het was plagerij, van den Regent.
-Die ellendige Javanen weten allerlei dingen... Maar sedert dien tijd
-ben ik, om zoo te zeggen, uit mijn voegen geslagen. Begrijp je die
-uitdrukking?... Het was heerlijk vroeger: ik liet alles langs mijn
-koude kleêren gaan. Nadat ik zoo ziek ben geweest, ben ik als
-veranderd, zenuwachtiger. Theo, toen hij eens boos op me was, heeft
-gezegd, dat ik na dien tijd hysterisch ben... wat ik vroeger niet
-was.... Ik weet het niet: misschien heeft hij wel gelijk. Maar
-veranderd ben ik wel... Ik geef minder om de menschen; ik geloof, dat
-ik erg brutaal word... Ze kletsen ook nijdiger dan vroeger... Van
-Oudijck crispeert me, als hij zoo rondloopt... Hij begint wat te
-merken... En Doddy, Doddy...! Ik ben niet jaloersch, maar die
-avondwandelingen met jou kan ik niet uitstaan... Je moet dat niet meer
-doen, hoor, wandelen met haar... Ik wil het niet meer hebben, ik wil
-het niet meer... En dan alles verveelt me, hier in Laboewangi... Wat
-een ellendig, eentonig leven... Soerabaia vind ik ook vervelend...
-Batavia ook... Het is alles zoo duf: de menschen vinden niets nieuws
-uit... Ik zoû naar Parijs willen... Ik geloof wel, dat ik het element
-in me heb me in Parijs te amuzeeren.
-
-—Verveel ik je ook?
-
-—Jij?
-
-Zij streelde hem met hare handen over zijn gezicht, over zijn borst,
-tot langs zijn beenen.
-
-—Wil ik je eens wat zeggen? Je bent een mooie jongen, maar je bent zoo
-goedig. Dat crispeert me ook. Je zoent maar iedereen, die door je
-gezoend wil worden. Op Patjaram, je oude moeder, je zusters, alles lik
-je maar. Dat vind ik ellendig van je!
-
-Hij lachte.
-
-—Je wordt jaloersch! riep hij uit.
-
-—Jaloersch? Word ik heusch jaloersch? Het is ellendig als ik het word.
-Ik weet het niet: ik geloof toch van niet.... Ik wil het niet worden.
-Ik geloof toch, dat er iets is, dat mij altijd zal beschermen.
-
-—Een duivel....
-
-—Misschien. Un bon diable.
-
-—Begin je Fransch te spreken?
-
-—Ja. Met het oog op mijn gaan naar Parijs....
-
-—Iets, dat me beschermt. Ik geloof vast, dat het leven geen vat op me
-heeft. Dat ik onkwetsbaar ben, voor alles.
-
-—Je wordt bijgeloovig.
-
-—O, dat was ik al. Ik ben het misschien erger geworden. Zeg, ben ik
-veranderd, in den laatsten tijd?
-
-—Je bent nerveuzer....
-
-—Niet zoo onverschillig meer?
-
-—Je bent vroolijker, amuzanter.
-
-—Was ik vroeger vervelend?
-
-—Je was wat stil. Je was altijd mooi, heerlijk, goddelijk.... maar wat
-stil.
-
-—Ik gaf misschien toen meer om de menschen.
-
-—Nu niet meer?
-
-—Neen, niet meer. Ze kletsen toch.... Maar zeg, ben ik niet meer
-veranderd?
-
-—Jawel.... jaloerscher, bijgelooviger, nerveuzer.... Wat wil je nog
-meer....
-
-—Fyziek... ben ik fyziek niet veranderd...?
-
-—Neen.
-
-—Ben ik niet ouder geworden.... Krijg ik geen rimpels?
-
-—Jij, nooit.
-
-—Zeg.... ik geloof, dat ik nog een heele toekomst voor me heb.... Iets
-heel anders....
-
-—In Parijs?
-
-—Misschien.... Zeg, ben ik niet te oud?
-
-—Waarvoor?
-
-—Voor Parijs... Hoe oud denk je, dat ik ben?
-
-—Vijf-en-twintig.
-
-—Je jokt: je weet heel goed, dat ik twee-en-dertig ben.... Zie ik er
-uit als twee-en-dertig?
-
-—Neen, neen....
-
-—Zeg, vind je het hier geen beroerd land, Indië.... Je bent nooit in
-Europa geweest?
-
-—Neen....
-
-—Ik alleen maar van mijn tiende tot mijn vijftiende jaar.... Eigenlijk
-ben jij een bruine sinjo en ik een blanke nonna....
-
-—Ik hoû van mijn land.
-
-—Ja, omdat je je zoowat een Solosche prins vindt.... Dat is jullie
-belachelijkheid van Patjaram.... Ik, ik haat Indië.... Ik spuug op
-Laboewangi. Ik wil weg. Ik moet naar Parijs. Ga je meê?
-
-—Neen. Ik zoû nooit willen....
-
-—Ook niet als je bedenkt, dat er honderde vrouwen zijn, in Europa, die
-je nooit gehad hebt....?
-
-Hij zag haar aan: iets in hare woorden, in hare stem deed hem opzien,
-een hysterische gedetraqueerdheid, die hem vroeger nooit was
-opgevallen, toen zij altijd geweest was de stil hartstochtelijke
-minnares, de oogen halfgesloten, die dadelijk weêr vergeten wilde en
-correct werd. Iets stuitte hem van haar af: hij hield van het lenige en
-weeke en meêgeven van liefkoozing, met iets indolents en
-glimlachends—zooals zij vroeger geweest was:—niet van deze half
-krankzinnige oogen en purperen mond, gereed om te bijten. Het was of
-zij het voelde, want zij duwde hem eensklaps weg: zij zeide brusk:
-
-—Je verveelt me.... Ik ken je nu al: ga weg....
-
-Maar dat wilde hij niet: hij hield niet van tevergeefsche rendez-vous,
-en hij omhelsde haar nu en vroeg....
-
-—Neen, zeide zij kort. Je verveelt me. Iedereen verveelt me hier. Alles
-verveelt me....
-
-Hij omvatte, op zijn knieën, haar middel, trok haar naar zich toe. Zij,
-een beetje lachend, gaf iets meer toe, wriemelde zenuwachtig met haar
-hand over zijn haar. Een rijtuig rolde voor aan.
-
-—Hoor, zeide zij.
-
-—Dat is mevrouw Van Does....
-
-—Wat komt ze vroeg terug....
-
-—Ze zal niets verkocht hebben.
-
-—Dan kost het jou een tientje....
-
-—Denkelijk wel....
-
-—Betaal je haar veel? Voor onze rendez-vous?
-
-—Ach, wat doet er dat toe....
-
-—Hoor, zeide zij weêr, aandachtiger.
-
-—Dat is niet mevrouw Van Does....
-
-—Neen....
-
-—Dat is een mannestap....
-
-—Het was ook geen dos-à-dos: het rammelde veel te veel.
-
-—Het zal niets zijn.... zeide zij. Iemand, die verkeerd is. Hier komt
-niemand.
-
-—De man loopt om, sprak hij, luisterend.
-
-Zij luisterden beiden even. En toen, plotseling, met twee, drie passen
-door het nauwe tuintje, in het kleine achtergalerijtje, rees voor de
-dichte glazen deur, zichtbaar door het gordijn, zijne gestalte: die van
-Van Oudijck. En de deur had hij opengerukt, voor Léonie en Addy hunne
-houding konden veranderen, zoodat Van Oudijck henbeiden zag: zij,
-zittende op den divan, hij geknield voor haar, hare hand, nog als
-vergeten, rustende op zijn haar.
-
-—Léonie!! donderde haar man.
-
-Het bloed stormgolfde met den schok der verrassing en ziedde door haar
-heen, en in éen oogenblik zag zij een geheele toekomst: zijn woede, een
-scheiding, een proces, het geld, dat haar man haar geven zoû, alles
-warrelend door een.... Maar, als door een druk van nerveuze wil, viel
-die bloedgolf, dadelijk, in haar effen neêr en bleef zij rustig zitten:
-de schrik alleen nog éen moment in haar oogen zichtbaar, tot zij ze
-staalhard richten kon op Van Oudijck. En met haar vingers zacht
-drukkende op Addy’s hoofd, suggereerde zij hem ook te blijven, in zijne
-houding, te blijven knielen aan hare voeten, en zeide zij, als in een
-zelfhypnoze, verbaasd luisterende naar den klank van haar eigen, even
-heesche stem:
-
-—Otto.... Adrien de Luce vraagt mij bij jou een goed woord te willen
-doen.... voor hem.... Hij vraagt.... om de hand van Doddy....
-
-Zij bleven allen drie onbewegelijk: allen drie onder den invloed van
-deze woorden, deze gedachte, die kwam,—Léonie wist zelve niet waar
-vandaan.... Want, strak als een sybille, herhaalde zij, zittende recht
-op, en steeds met dien zachten druk op Addy’s hoofd:
-
-—Hij vraagt.... om de hand van Doddy....
-
-Nog sprak zij alleen. Toen ging zij voort:
-
-—Hij weet, dat je eenige bezwaren hebt. Hij weet, dat zijn familie je
-niet sympathiek is, omdat er Javaansch bloed... in hun aderen is.
-
-Zij sprak nog als sprak een ander in haar, en zij moest glimlachen om
-dat meervoud: aderen: zij wist niet waarom: misschien, omdat het de
-eerste maal van haar leven was, dat zij dat woord, dat meervoud,
-gebruikte, in gesprek.
-
-—Maar.... ging zij voort. Geldelijke bezwaren zijn er niet, als Doddy
-op Patjaram wil wonen.... En de kinderen houden van elkaâr.... al zoo
-lang. Zij waren bang voor jou....
-
-Nog sprak zij alleen.
-
-—Doddy is al zoo lang zenuwachtig, bijna ziek.... Het zoû een moord
-zijn niet toe te geven, Otto...
-
-Langzaam aan klonk hare stem melodieus, en kwam de glimlach om haar
-lippen, maar staalhard blikten nog haar oogen, als dreigde zij met een
-geheimzinnigen toorn, wanneer Van Oudijck haar niet geloofde.
-
-—Kom.... zeide zij heel zacht, heel lief, Addy zacht kloppend op zijn
-hoofd met hare nog trillende vingers. Sta op.... Addy.... en ga....
-naar.... papa....
-
-Hij stond, werktuigelijk op.
-
-—Léonie, vroeg Van Oudijck, schor; waarom was je hier?
-
-Zij zag blank verbaasd, zacht oprecht, op.
-
-—Hier? Ik was bij mevrouw Van Does....
-
-—En hij? wees Van Oudijck.
-
-—Hij....? Hij kwam hier ook.... Mevrouw Van Does moest uit.... Toen
-vroeg hij mij te spreken.... En toen vroeg hij mij.... de hand van
-Doddy....
-
-Zij zwegen weêr allen drie.
-
-—En jij, Otto? vroeg zij nu, iets harder. Hoe kom jij hier?
-
-Hij keek haar hard aan.
-
-—Heb je iets te koopen van mevrouw Van Does....?
-
-—Theo zei, dat je hier was....
-
-—Theo had gelijk....
-
-—Léonie....
-
-Zij stond op, en met haar staalharde oogen, beduidde zij hem, dat hij
-gelooven moest, dat zij niet anders wilde, dan dat hij geloofde.
-
-—Hoe dan ook, Otto, zeide zij, weêr zacht, kalm, lief; laat Addy niet
-langer in onzekerheid. En jij, Addy, wees niet bang, en vraag Doddy’s
-hand aan papa.... Ik heb over Doddy.... niets te zeggen: dat heb ik je
-al gezegd.
-
-Nu stonden zij allen drie over elkaâr, in het nauwe middengalerijtje,
-benauwd van hun adem en hun opgehoopte gevoelens.
-
-—Rezident.... zeide toen Addy. Ik vraag u.... om de hand.... van uw
-dochter....
-
-Een dos-à-dos, voor, rolde aan.
-
-—Dat is mevrouw Van Does, zei Léonie haastig. Otto, zeg iets, voor zij
-komt....
-
-—Het is goed.... zei Van Oudijck, somber.
-
-Vóor mevrouw Van Does binnenkwam, maakte hij zich, achter, weg, niet
-ziende de hand, die Addy hem toestak. Mevrouw Van Does kwam binnen,
-sidderend, gevolgd door een baboe, die een bundel droeg: haar koopwaar.
-Zij zag Léonie en Addy staan, strak, gehypnotizeerd.
-
-—Dat was de wagen van den residèn... stamelde de Indische dame bleek.
-Dat was de residèn?!
-
-—Ja... zei Léonie kalm.
-
-—Astaga!... En wat is gebeurd??
-
-—Niets, ging Léonie voort, lachende.
-
-—Niets?
-
-—Of ja, toch wel wat...
-
-—Wat dan?
-
-—Addy en Doddy zijn...
-
-—Wat dan?
-
-—Geëngageerd!!
-
-En zij schaterde het uit, met een schellen lach van onbedwingbare
-levensdolheid, terwijl zij mevrouw Van Does, verbouwereerd, in het rond
-draaide en den bundel schopte uit de handen der baboe, zoodat een pak
-gebatikte spreien en tafelloopers op den grond stortte en een kleine
-stopflesch, vol glinsterende kristallen, rolde en brak.
-
-—Astaga... mijn brillanten!!!
-
-Nog een schop van uitgelatenheid en de tafelloopers vlogen links en
-rechts, de diamanten glinsterden verspreid tusschen de pooten van
-tafels en stoelen. Addy, den schrik nog in de oogen, kroop op de
-handen, zoekende bij elkaâr. Mevrouw Van Does herhaalde:
-
-—Geëngageerd??
-
-
-
-
-II.
-
-Doddy was opgetogen, in de wolken, verheerlijkt, toen Van Oudijck haar
-zeide, dat Addy hare hand had gevraagd, en toen zij hoorde, dat mama
-hare voorspraak was geweest, omhelsde zij Léonie onstuimig, zich, met
-de spontane bewegelijkheid van haar karaktertje, weêr overgevende aan
-de aantrekking, die Léonie lang op haar had uitgeoefend. Dadelijk nu
-vergat Doddy al wat haar gehinderd had in de te groote intimiteit
-tusschen mama en Addy, als hij hing over haar stoel en met haar
-fluisterde. Zij had wat zij nu en dan had gehoord, nooit geloofd, omdat
-Addy haar altijd verzekerd had, dat het niet waar was. En zij was zoo
-gelukkig, omdat zij met Addy, samen met hem, op Patjaram zoû wonen.
-Want Patjaram was voor haar het ideaal van huiselijkheid: het groote
-huis, gebouwd aan de suikerfabriek, vol zonen en dochteren en kinderen
-en beesten, op wie de zelfde goedigheid en hartelijkheid en verveling
-was neêrgezeefd, met achter die zonen en dochteren de aureool van
-Solosche afkomst, was haar het ideaal van verblijf, en verwant voelde
-zij zich aan al die kleine tradities: de sambal, gestampt en gewreven
-door een hurkende baboe achter haar stoel, terwijl zij rijsttafelde,
-was haar het hoogste van verhemelte-genot; de races te Ngadjiwa,
-bijgewoond door de loome lengang-lengang-stoet [67] van al die vrouwen,
-met de baboes achter zich, dragende zakdoek, flacon, binocle, was haar
-het non-plus-ultra van elegance; zij hield van de oude Raden-Ajoe
-Douairière, en aan Addy had zij zich geschonken, geheel, zonder
-voorbehoud, vanaf het eerste oogenblik, dat zij hem gezien had: toen
-zij een klein meisje geweest was van dertien, hij een jongen van
-achttien. Om hem had zij altijd tegengestribbeld als papa haar naar
-Europa had willen zenden, naar een Brusselsche kostschool; om hem had
-zij nooit naar iets anders verlangd dan Laboewangi, Ngadjiwa, Patjaram;
-om hem zoû zij te Patjaram leven en sterven. Om hem had zij gekend al
-de kleine jalouzietjes, als hij danste met een ander; al de groote
-jalouzieën, als haar meisjeskennissen haar zeiden, dat hij verliefd was
-op die en het hield met die ander; om hem zoû ze die ijverzuchtjes en
-ijverzucht altijd kennen, haar leven lang. Hij zoû haar leven zijn,
-Patjaram haar wereld, de suiker haar belang, omdat het het belang van
-Addy was. Om hem zoû ze verlangen naar veel kinderen, heel veel
-kinderen, die wel bruin zouden zijn—niet blank als papa en mama en
-Theo—maar bruin, omdat haar eigen moeder bruin was, zij even donzig
-bruin, Addy mooi brons Moorsch bruin, en naar het voorbeeld, gegeven op
-Patjaram, zouden haar kinderen, heel veel kinderen, er opgroeien in de
-schaduw van de fabriek, en in al hun belang van en voor suiker, om
-later de velden te planten, en suikerriet te malen, en het fortuin van
-de familie weêr op te halen, dat het schitteren zoû als vroeger. En zij
-was zoo gelukkig, als zij geluk maar zich voor kon stellen, ziende haar
-ideaal van verliefd meisje zoo bereikbaar dichtbij: Addy en Patjaram;
-en geen oogenblik bevroedende hoe haar geluk was geworden, door het
-woord van zelfhypnoze, dat Léonie, bijna onbewust, had geuit op een
-uiterste oogenblik. O, nu behoefde zij niet meer de donkere hoekjes, de
-donkere sawahs te zoeken met Addy; nu omhelsde zij hem telkens in het
-volle licht, zat zij stralende tegen hem aan, voelende zijn warme
-mannelijf, dat haar toebehoorde en spoedig geheel; nu dweepten hare
-oogen, zichtbaar voor iedereen, naar hem op, daar zij niet de kuische
-kracht meer had zich te verbergen voor de menschen: nu was hij van
-haar, nu was hij van haar! En hij, met zijn goedige gelatenheid van
-jongen sultan, hij liet zich streelen zijn schouders en knieën, hij
-liet zich zoenen en aaien over zijn haar, hij liet haar arm om zijn
-hals, alles aannemende als een hem verschuldigde schatting, gewend aan
-die schatting van liefde der vrouwen, gekoesterd in liefkoozing, van
-klein mollig jongetje af, van dat hij gedragen werd door Tidjem, zijn
-baboe, die verliefd op hem was,—van dat hij in een tjelana-monjet [68]
-stoeide met zusters en nichtjes, die allen verliefd op hem waren. Al
-die schatting aanvaarde hij goedig weg, maar diep in zich verbaasd,
-geschokt door wat Léonie had gedaan... En toch, redeneerde hij,
-misschien eenmaal was het ook anders van zelve zoo geworden, omdat
-Doddy zoo veel van hem hield... Liever had hij ongetrouwd willen
-blijven; ongetrouwd had hij op Patjaram toch huiselijkheid genoeg, en
-behield hij zijn vrijheid om, goedig, veel liefde aan de vrouwen te
-geven... En, naïf, bedacht hij nu al, dat het wel niet gaan zoû, nooit
-gaan zoû, lang trouw aan Doddy te blijven, omdat hij heusch te goedig
-was, en de vrouwen allen zoo dol. Later moest Doddy daar maar aan
-wennen, zich daarin schikken leeren, en—bedacht hij—in Solo, in den
-Kraton, was het toch ook zoo, met zijn ooms en zijn neven....
-
-Had Van Oudijck geloofd? Hij wist het zelve niet. Doddy had Léonie
-beschuldigd verliefd te zijn op Addy; Theo had hem dien morgen, toen
-Van Oudijck gevraagd had, waar Léonie was, kort geantwoord:
-
-—Bij mevrouw Van Does.... met Addy.
-
-Hij had razend zijn zoon aangekeken, maar verder niet gevraagd: hij was
-alleen dadelijk naar het huisje van mevrouw Van Does gereden. En in
-werkelijkheid had hij zijn vrouw gevonden samen met den jongen de Luce,
-hij aan haar knieën, maar zij had hem zoo rustig gezegd:
-
-—Adrien de Luce vraagt mij de hand van je dochter....
-
-Neen, hij wist zelve niet of hij geloofde. Zijn vrouw had zoo rustig
-geantwoord, en nu, de eerste dagen van het engagement, was zij zoo kalm
-geweest, glimlachend als altijd.... Dat vreemde van haar, dat
-onkwetsbare, alsof niets haar kon deren, zag hij nu voor het eerst.
-Vermoedde hij achter die muur van onkwetsbaarheid het ironisch
-vrouwegeheim van haar stil gloeiend leven? Het was of hij in zijn
-latere nerveuze achterdocht, in zijn stemming van onrust, in zijn vaag
-van bijgeloovigheid en spiedend luisteren naar de stilte, die spookte,
-geleerd had dingen te zien om hem heen, waarvoor hij blind was geweest
-in zijn stoere kracht van heerschman en hooghartig hoofdambtenaar. En
-zijn verlangen om zeker te weten de geheimen, die hij raadde, werd zoo
-hevig in zijn ziekelijke geprikkeldheid, dat hij vriendelijker werd en
-vriendelijker tegen zijn zoon, maar nu niet meer uit spontanen
-vaderdrang, waarmeê hij Theo toch altijd had liefgehad, nu uit
-nieuwsgierigheid, om hem uit te hooren, en Theo te doen zeggen al wat
-hij wist. En Theo, die Léonie haatte, die zijn vader haatte, die Addy,
-die Doddy haatte, in zijn geheele haat van alle menschen om hem, die
-het leven haatte in zijn stijfkoppig idee van blonden sinjo, verlangend
-naar geld en mooie vrouwen, boos omdat de wereld, het leven, fortuin,
-geluk, zooals hij dat klein zich verbeeldde, niet naar hem toekwam en
-hem viel in de armen, hem viel om den hals—Theo, volgaarne, perste zijn
-enkele woorden uit, als droppelen alsem, stil genietende als hij zijn
-vader zag lijden. En hij liet Van Oudijck, heel langzaam-aan, raden,
-dat het tòch waar was: van mama en van Addy. Nog kon Van Oudijck het
-niet aannemen. In de intimiteit, die geboren werd tusschen vader en
-zoon uit achterdocht en haat, zeide Theo van dien broêr in de kampong,
-en dat hij wist, dat papa hem geld gaf, en dus erkende, dat het waar
-was.... En Van Oudijck, niet zeker meer, niet meer wetende de waarheid,
-gaf toe, dat het wel kon, gaf toe, dat het zoo was. Toen, denkende aan
-de anonieme brieven,—pas den laatsten tijd—sedert hij geld deed
-toekomen aan den halfbloed, die zich aanmatigde zijn naam—hem niet meer
-toegezonden,—dacht hij ook aan de besmeuringen, die hij er zoo dikwijls
-in had gelezen, en, toen, steeds als vuil van zich had afgeworpen:
-dacht hij aan die beide namen van zijn vrouw en Theo zelve, die er zoo
-vaak in werden gekoppeld. Als vlammen ziedden-op zijn wantrouwen en
-zijn achterdocht, als een brand nu onbedwingbaar, die in hem verzengde
-alle andere gevoel, gedachte. Tot hij zich ten laatste niet meer kon
-houden en er Theo ronduit over sprak. Theo’s verontwaardiging en
-ontkenning vertrouwde hij niet. En nu vertrouwde hij niets meer, en
-niemand. Hij wantrouwde zijn vrouw en zijn kinderen, zijn ambtenaren;
-hij wantrouwde zijn kok....
-
-
-
-
-III.
-
-Toen kwam als een donderslag door Laboewangi het gerucht varen, dat Van
-Oudijck en zijn vrouw zouden scheiden. Léonie ging naar Europa, heel
-plotseling, eigenlijk zonderdat iemand wist waarom en zonder van iemand
-afscheid te nemen. En het was in het stadje een groot schandaal, men
-sprak over niets anders, men sprak er zelfs over tot in Soerabaia, tot
-in Batavia. Alleen Van Oudijck zweeg er over, en, alleen wat dieper
-gebogen zijn rug, ging hij voort, werkte hij door, leefde hij zijn
-gewoon leven. Hij had, ontrouw aan zijn principe, Theo aan een
-betrekking geholpen, om hem kwijt te zijn. Hij had maar het liefst, dat
-Doddy logeerde op Patjaram, waar de dames de Luce haar zouden helpen
-met haar uitzet. Hij had maar het liefst, dat Doddy gauw trouwde, en
-trouwde te Patjaram. In zijn groot, leêg huis wilde hij nu maar de
-eenzaamheid, de immense ongezellige eenzaamheid. Hij liet niet meer
-voor zich dekken: men bracht hem maar een bordje rijst, een kop koffie,
-in zijn kantoor. En hij voelde zich ziek, zijn ijver verslapte: een
-onverschilligheid, dof, kankerde in hem vast. Op Eldersma drukte neêr
-al het werk, geheel het gewest, en toen Eldersma, na in weken niet te
-hebben geslapen, en dol van ontzenuwing, den rezident zeide, dat de
-dokter hem met een spoedcertificaat naar Europa wilde zenden, ontviel
-Van Oudijck alle moed. Hij zeide, ook hij voelde zich ziek, op. En hij
-vroeg verlof aan den Gouverneur-Generaal, hij ging naar Batavia. Hij
-zeide er niets van, maar hij was zeker te Laboewangi niet meer terug te
-keeren. En hij ging weg, stilletjes, zonder een blik naar achteren,
-naar zijn groot arbeidsveld, waar hij eens met zooveel liefde geschapen
-had een geheel. Het bestuur bleef in handen van den assistent-rezident
-te Ngadjiwa. Men dacht algemeen, dat Van Oudijck den
-Gouverneur-Generaal wilde spreken over eenige belangrijke kwestie’s,
-maar plotseling kwam het bericht, dat hij zijn ontslag wilde nemen. Men
-geloofde er eerst niet aan, maar het gerucht werd bevestigd. Van
-Oudijck kwam niet meer terug.
-
-Hij was gegaan, zonder een blik naar achteren, in een vreemde
-onverschilligheid, een onverschilligheid, die langzaam had doorziekt
-zijn levensmerg van eerst zoo krachtigen en praktischen en altijd
-arbeidjeugdigen man. Hij voelde die onverschilligheid voor Laboewangi,
-dat hij eerst had gedacht nooit dan met het grootste heimwee te zullen
-moeten verlaten—zoo hij gepromoveerd werd tot rezident eerste-klasse:
-hij voelde die onverschilligheid voor zijn huiselijken kring, die niet
-meer bestond. Een zacht verwelken, verflauwen, wegsterven was in zijn
-ziel. Het was hem of al zijne krachten versmolten in de stilstaande
-lauwte van die onverschilligheid. In Batavia plante-leefde hij wat in
-een hôtel, en men dacht algemeen, dat hij naar Europa zoû gaan.
-
-Eldersma was al weg, doodziek, en Eva, met den kleinen jongen, had hem
-niet kunnen vergezellen, omdat zij aan zware malaria-koortsen leed.
-Toen zij eenigszins herstellend was, hield zij vendutie, en zoû zij
-naar Batavia gaan, er een drie weken logeeren bij kennissen, vóor haar
-boot vertrok. Zij verliet Laboewangi met zeer gemengde gevoelens. Zij
-had er veel geleden, maar zij had er ook veel nagedacht, en zij had er
-een diep gevoel gekoesterd, voor Van Helderen—een zoo zuiver en
-glorieus gevoel—als zij dacht, dat maar éens straalde in een leven. Zij
-nam afscheid van hem als van een gewoon vriend, te midden van anderen,
-en het was niet anders dan een handdruk, dien zij hem gaf. Maar een zoo
-diepe melancholie was in haar, om dien handdruk, om dat banale woord
-van vaarwel, dat de snikken haar stegen in de keel. Dien avond, alleen,
-weende zij niet, maar in haar hôtelkamer staarde zij uren stilzwijgend
-voor zich uit. Haar man, ziek, weg.... zij wist niet hoe zij hem terug
-zoû zien, òf zij hem terug zoû zien. Europa, daarginds—na hare Indische
-jaren—breidde zijn kusten wel lachend voor haar uit, deed opdoemen zijn
-steden, zijne beschaving, zijn kunst—maar zij was bang voor Europa. Een
-stille angst, dat zij intellectueel zoû achteruit gegaan zijn, deed
-haar bijna vreezen, voor den kring in het huis harer ouders, waar zij
-over vier weken terug zoû zijn. Eene beving, dat men haar ver-Indiescht
-zoû vinden, in hare manieren en ideeën, in haar spraak en haar
-kleeding, in de opvoeding van haar kind, maakte haar van te voren
-verlegen, haar, met al hare bravoure, van elegante, artistieke vrouw.
-Zeer zeker was zij in haar pianospel achteruit gegaan: zij zoû in Den
-Haag niet meer durven spelen. En zij dacht, dat het goed zoû zijn een
-paar weken in Parijs te blijven, om zich wat te ontbolsteren, voor zij
-in Den Haag zich vertoonde....
-
-Maar Eldersma was te ziek.... En haar man, hoe zoû men hèm vinden,
-veranderd—haar frissche, Friesche man, afgebeuld, uitgeput, geel als
-perkament, nonchalant in zijn uiterlijk, somber mopperend in al zijn
-uitingen.... Maar een zacht vizioen van frissche Duitsche natuur, van
-Zwitsersche sneeuw, van muziek te Bayreuth, van kunst in Italië, dauwde
-voor haar starenden blik, en zij zag zich met haar zieken man samen.
-Samen niet meer in liefde, maar samen onder het juk van het leven, dat
-zij nu eens samen hadden opgenomen.... Dan de opvoeding van haar kind!
-O haar kind te redden van Indië, voor Indië! En toch, hij, Van
-Helderen, hij was nooit uit Indië geweest. Maar hij, hij was, die hij
-was, en hij was een uitzondering.
-
-Zij had hem vaarwel gezegd.... Zij moest hem vergeten. Europa wachtte
-haar, en haar man, en haar kind....
-
-Een paar dagen later was zij te Batavia. Zij kende Batavia
-ternauwernood; jaren geleden was zij er enkele malen geweest, toen zij
-uitkwam. In Laboewangi, in den uithoek harer kleine rezidentie-plaats,
-was Batavia langzamerhand in hare verbeelding verheerlijkt tot de zeer
-Europeesch-oriëntalische hoofdplaats, centrum van
-Europeesch-oriëntalische beschaving: onduidelijk vizioen van
-majestueuze lanen en pleinen, waarom de groote villa’s zich rijk
-pilaarden, waarlangs de elegante equipages zich verdrongen... Zij had
-altijd zooveel gehoord van die luxe van Batavia. Zij logeerde er nu bij
-vrienden: hij, chef van een groot handelshuis, hun huis een der mooiste
-villa’s van het Koningsplein. En dadelijk had haar, heel vreemd,
-getroffen, het funèbre, de doodsche melancholie van die groote
-villa-stad, waar duizenderlei bestaan als in een zwijgen koortsachtig
-voortijlt naar een toekomst van geld en rust. Het was of al die huizen,
-somber, trots hunne witte zuilen, hunne façaden van grootschheid, als
-gezichten vol zorg fronsten met een beslommering, die zich verbergen
-wilde achter het voornaam doen van breede bladeren en palmgroepen. De
-huizen, hoe doorzichtig ook, tusschen hunne zuilen, hoe open ook,
-schijnbaar, bleven gesloten; de menschen waren steeds onzichtbaar.
-Alleen des morgens, boodschappen doende langs de winkels van Rijswijk
-en Molenvliet, die, met eenige Fransche namen, poogden den indruk te
-maken van zuidelijke winkelstad, van Europeesche elegance, zag Eva de
-exode der witte mannen naar de Stad: wit van gelaatskleur, wit van
-kleedij en als blank van blik, blank van zorgend peinzen, den verren
-blanken blik vol zorg en peinzing van een ieder gericht op die
-toekomst, die zij uitrekenden met enkele tientallen of vijftallen van
-jaren: op dat en dat jaar, zooveel binnen, en dan weg, uit Indië weg,
-naar Europa. Het was als een andere koorts dan de malaria, die hen
-sloopte, en die zij zóo slopen voelde hunne nooit geacclimatizeerde
-lichamen, hunne nooit geacclimatizeerde zielen, dat zij als dien dag
-voorbij hadden willen loopen naar den dag van morgen, den dag van
-overmorgen,—dagen, die hun iets dichter brachten hun doel, omdat zij in
-stilte angstig waren te sterven vóor dat doel was bereikt. De exode
-vulde de trammen met hare witte doodschheid: velen, vermogend al, maar
-nog niet rijk genoeg voor hun doel, reden in hunne mylords en buggy’s
-tot de Harmonie, namen daar den tram, om hun paarden niet te vermoeien.
-
-En in de Oude Stad, in de oude notabele woningen der eerste Hollandsche
-kooplieden, nog gebouwd op de vaderlandsche wijze, met eikenhouten
-trappen naar verdiepingen, nu in de Oostmoesson, vol hangende van een
-dikke benauwende warmte, als een tastbaar element, dat niet te
-doorademen was, bogen zij zich over hun werk, ziende tusschen hun
-dorstigen blik en de witte woestijn hunne papieren, steeds de dauwende
-fata-morgana van die toekomst, de lavende oaze van hunne
-materialistische hersenschim: binnen zooveel tijd geld en dan weg,
-weg.... naar Europa.... En in de villastad rondom Koningsplein, langs
-de groene lanen, verscholen zich de vrouwen, bleven onzichtbaar de
-vrouwen, den heelen langen, langen dag. De warme dag ging voorbij, het
-uur van weldadige koelte kwam, het uur van halfzes tot zeven: de
-mannen, doodmoê, kwamen terug in hun huizen, en rustten er uit, en de
-vrouwen, moê van hare huishoudingen, hare kinderen en van niets, van
-het leven van niets, het leven zonder belang, moê van de doodschheid
-van haar bestaan, rustten er uit naast de mannen. In het uur van
-weldadige koelte was het de rust, de rust na het bad, in négligé, om
-het theeblad; de korte rust éen oogenblik, want angstig naderde het uur
-van zeven—wanneer het al donker werd—en wanneer men naar een receptie
-moest. Een receptie, dat was het zich warm aankleeden in Europeesch
-toilet, dat was het verschrikkelijke uur van Europeesch even meêdoen
-met salon-beschaving en wereldschheid, maar dat was toch ook ontmoeten
-die en die, en een pas verder pogen te komen, tot de fata-morgana van
-de toekomst: tot geld en tot eindelijke rust, in Europa. En nadat de
-villastad in de zon den geheelen dag was somber geweest, en doodsch, en
-als uitgestorven,—de mannen ginds in de oude stad, de vrouwen verborgen
-in hare huizen—kruisten nu in den donker om Koningsplein en langs de
-groene lanen zich enkele equipages, enkele Europeesch uitziende
-menschen, die gingen naar een receptie. Terwijl om Koningsplein en aan
-de groene lanen alle de andere villa’s bleven volharden in hare funèbre
-doodschheid en zich vol sombere duisternis vulden, glom het huis, waar
-receptie was, van lampen tusschen de palmen. En verder bleef de
-doodschheid overal, bleef alom de sombere peinzing liggen over de
-huizen, waarin zich verscholen de moede menschen: de mannen, afgebeuld
-van werk, de vrouwen, afgebeuld van niets....
-
-—Wil je niet wat toeren, Eva? vroeg hare gastvrouw, mevrouw De
-Harteman, een Hollandsch vrouwtje, wit als was, en altijd moê van haar
-kinderen. Maar ik ga liever niet meê, als je het me niet kwalijk neemt:
-ik wacht liever op Harteman. Anders vindt hij zoo niemand thuis. Ga jij
-dus, met je kleinen jongen.
-
-En Eva, met haar ventje, toerde in de „wagen” van De Harteman. Het was
-het koele uur van licht. Zij ontmoette twee, drie rijtuigen: dat waren
-mevrouw die en mevrouw die, van wie het bekend was, dat zij ’s middags
-toerden. Zij zag op het Koningsplein een heer en een dame wandelen: dat
-waren die en die: die wandelden altijd, dat was bekend in Batavia.
-Verder ontmoette zij niemand. Niemand. In het weldadige uur bleef de
-villa-stad doodsch als een stad van gestorvenheid, als een immens
-mauzoleum tusschen groen. En als een weldadigheid, na de verpletterende
-warmte, toch, breidde zich als een reuzeweide uit het Koningsplein,
-waar het verschroeide gras met de eerste regens begon te groenen, de
-huizen, zóo ver af, zóo ver verschietende in hun dichte tuinen, dat het
-was als buiten, als bosch en veld en weide, met die wijde lucht
-erboven, waarin de longen nu adem zwolgen, alsof zij voor het eerst,
-dien dag, zuurstof zogen en leven: die wijde lucht, iederen dag als een
-andere weelde van tinten, een overdaad van zonsondergang, een glorieus
-sterven van den blakenden dag, of de zon zelve stuk brak in vloeizeeën
-van goud tusschen lila dreigingen van regen. En het was zoo wijd en zoo
-heerlijk, het was zoo een immense weldadigheid, dat het waarlijk
-troostte voor dien dag.
-
-Maar niemand, die het zag, dan de twee, drie menschen, van wie het
-bekend was, in Batavia, dat zij toerden of wandelden. Het schemerde
-paarsch, de nacht viel met een zware schaduw neêr, en de stad, die den
-geheelen dag doodsch was geweest, met haar frons van sombere peinzing,
-sliep moê in als een stad van zorg....
-
-Het was vroeger anders, zei de oude mevrouw De Harteman, de
-schoonmoeder van Eva’s vriendin. Nu waren ze er niet meer, de gezellige
-huizen met hun Indische gastvrijheid, met hun open tafel, met hun
-oprechte hartelijkheid van ontvangst. Want het karakter van den
-kolonist was als veranderd, als versomberd door het omslaan der kansen,
-door de teleurstelling, dat hij niet spoedig zijn doel bereikte: zijn
-materialistisch doel van rijkdom. En in die bitterheid scheen het, dat
-zijne zenuwen zich ook vernijdigden; zooals zijn ziel versomberde,
-verslapte zijn lichaam en bood het geen weêrstand aan het vernietigende
-klimaat....
-
-En Eva vond niet in Batavia de ideale stad van Europeesch-oriëntalische
-beschaving, die zij zich Batavia gedacht had in den Oosthoek. In dit
-groote centrum van zorg om geld, van verlangen naar geld, was alle
-spontaneiteit verdwenen en versufte het leven tot een zich eeuwig
-opsluiten in kantoor of in huis. Men zag elkaâr alleen op de
-receptie’s, en verder besprak men elkaâr door de telefoon. Het misbruik
-van de telefoon voor huiselijk gebruik doodde alle gezelligheid
-tusschen kennissen. Men zag elkaâr niet meer, men hoefde zich niet meer
-te kleeden en het rijtuig—de wagen—te laten inspannen, want men
-cauzeerde door de telefoon, in sarong en kabaai, in nachtbroek en
-kabaai, en zonder zich bijna te bewegen. De telefoon was vlak bij de
-hand en door de achtergalerij tjingelde telkens het belletje. Men belde
-elkaâr op om niets, alleen om het pleizier te bellen. De jonge mevrouw
-De Harteman had een intieme vriendin, die zij nooit zag en iederen dag,
-gedurende een half uur lang, besprak door de telefoon. Zij ging er bij
-zitten, zoo vermoeide het haar niet. En zij lachte en schertste met
-haar vriendin, zonder zich behoeven te kleeden en zonder zich te
-bewegen. Zoo deed zij met andere kennissen ook: zij maakte hare
-visite’s door de telefoon. Zij bestelde hare boodschappen door de
-telefoon. Eva, in Laboewangi niet gewend aan dat eeuwig getjingel en
-telefoongebel, dat alle conversatie doodde, dat in de
-achtergalerij—luid op—de helft van een gesprek—het antwoord onhoorbaar
-voor wie er verder zaten—klinken liet, als een onophoudelijk eenzijdig
-gerammel, werd er zenuwachtig om en ging naar hare kamer. En in de
-saaiheid van dit leven, vol zorg en inwendige peinzing, voor den man,
-waardoor rammelde de telefoon-causerie van zijn vrouw, was het voor Eva
-een verrassing in eens te hooren van een bizondere opwekking: een
-Fancy-fair, repetities voor een dilettanten-opera-voorstelling. Zij
-woonde er zelve een bij in die weken en het verbaasde haar: de waarlijk
-zeer goede uitvoering, als gedaan met een kracht der wanhoop dier
-muzikale dilettanten, om de verveling der Bataviasche avonden te
-verdrijven.... Want de Italiaansche opera was weg, en zij moest lachen
-om de rubriek: publieke vermakelijkheden, in de Javabode, onder welke
-vermakelijkheden meestal geen andere keuze was te doen dan uit drie,
-vier vergaderingen van aandeelhouders. Dat was vroeger ook anders,
-zeide dan de oude mevrouw De Harteman, die zich voor vijf-en-twintig
-jaren geleden wel herinnerde de uitstekende Fransche opera, die wel
-duizenden eischte, maar waarvoor de duizenden altijd beschikbaar waren.
-Neen, de menschen hadden geen geld meer om zich ’s avonds te amuzeeren:
-zij gaven soms een heel duur diner, of zij gingen naar een vergadering
-van aandeelhouders. Waarlijk, Eva vond het te Laboewangi toch nog veel
-gezelliger. Het is waar, zij had er zelve tot die gezelligheid veel
-meêgewerkt, terwijl Van Oudijck haar altijd had aangespoord, blij van
-zijn rezidentie-plaats een aardig, vroolijk stadje te maken. En zij
-kwam tot de concluzie, dat zij een kleine plaats in het binnenland, met
-enkele beschaafde, gezellige, Europeesche elementen—zoo zij
-harmonieerden en niet te veel kibbelden in hun nauwe samen-zijn—toch
-nog voortrok boven het pretentieuze, laatdunkende en sombere Batavia.
-Alleen in het militaire element was leven. Alleen de huizen van
-officieren waren des avonds verlicht. Verder doodschte de stad weg, den
-geheelen langen warmen dag, met hare fronsing van zorg, met hare
-onzichtbare bevolking van naar de toekomst uitziende menschen: de
-toekomst van geld, de toekomst misschien meer nog van rust, in Europa.
-
-En zij verlangde weg te komen. Batavia beklemde haar den adem, trots
-haar iederendaagschen toer langs het wijde Koningsplein. Zij had alleen
-nog maar éen wensch van weemoed: afscheid te nemen van Van Oudijck.
-Hare natuur van elegante en artistieke vrouw, had, heel vreemd, oog
-gehad, bekoring gevoeld voor de zijne: die van simpel man van praktisch
-leven. Zij had misschien, éen enkel oogenblik slechts, iets voor hem
-gevoeld, heel diep in zich: een vriendschap, die was als het contrast
-van hare vriendschap voor Van Helderen: een waardeering meer van hoog
-menschelijke kwaliteiten dan van Platonisch zielegemeenschapsgevoel.
-Zij had sympathisch medeleed voor hem gevoeld in die vreemde dagen van
-mysterie, hij alleen in zijn immense huis, waar rondom hem heen de
-vreemde gebeurlijkheid gedonsd had. Zij had innig voor hem medelijden
-gevoeld, toen zijne vrouw, als wegschoppende haar zoo hooge pozitie,
-gegaan was in een drieste bui van schandaal verwekken, niemand wist
-precies waarom, zijne vrouw, eerst correct altijd, trots al hare
-verdorvenheid, maar langzamerhand door den kanker van het vreemde
-gebeuren zoo opgegeten, dat zij zich niet meer had weten in te binden,
-het geheimste van haar zondeziel blootwoelende in de meest cynische
-onverschilligheid. De roode sirih-spatten, gespookspuwd op haar bloote
-lichaam, hadden in haar geziekt, waren in haar merg gevreten, als een
-ontbinding van hare ziel, waarin zij misschien zoû ondergaan, heel
-langzaam weg. Wat men nu van haar vertelde,—hoe zij leefde in
-Parijs—was alleen te fluisteren, als een onuitzegbare verdorvenheid.
-
-In Batavia, tusschen de praatjes op de receptie’s, hoorde Eva hierover.
-En toen zij vroeg naar Van Oudijck, waar hij logeerde, of hij spoedig
-naar Europa zoû gaan, na zijn zoo onverwachts genomen ontslag—iets, dat
-de geheele ambtenaarswereld had verbaasd, wist men niet goed, vroeg men
-elkander of hij dan niet meer was in het hôtel Wisse, waar men hem toch
-enkele weken had zien wonen, in zijn voorgalerijtje onbewegelijk
-liggende in zijn stoel, de beenen op de latten, onbewegelijk als
-starende naar éen punt.... Hij was bijna niet uitgegaan, hij at daar,
-kwam niet aan de table-d’hôte, als was hij—de man, die steeds met
-honderde menschen had moeten omgaan—menschenschuw geworden. En
-eindelijk hoorde Eva, dat Van Oudijck te Bandong woonde. Daar zij er
-eenige afscheidsvisites te maken had, ging zij naar den Preanger. Maar
-te Bandong was hij niet te vinden: de hôtelhouder wist haar wel te
-zeggen, dat de rezident Van Oudijck enkele dagen ten zijnent verbleven
-was, maar hij was gegaan, en hij wist niet waarheen. Tot eindelijk, bij
-toeval, zij van een heer aan tafel hoorde, dat Van Oudijck dichtbij
-Garoet woonde. Zij ging naar Garoet, blijde hem op het spoor te zijn.
-En daar, in het hôtel, wist men haar te beduiden, waar hij woonde. Zij
-wist niet, of zij hem eerst schrijven zoû en aankondigen haar bezoek.
-Het was of zij iets voorried, dat hij zich dan excuzeeren zoû en zij
-hem niet meer zoû zien. En zij, op het punt Java te verlaten, verlangde
-hem te zien, uit sympathie, en uit nieuwsgierigheid, beiden. Zij
-verlangde zelve te zien, hoe hij geworden was, hem te doordringen,
-waarom hij zoo plotseling zijn ontslag had genomen, en zich had
-uitgewischt zijne zoo benijdbare plaats in het leven: plaats,
-oogenblikkelijk ingenomen, door wien achter hem aandrong, in het gretig
-dringen naar promotie. Den volgenden morgen dus, heel vroeg, zonder
-iets te hebben gemeld, reed zij in een rijtuig van het hôtel weg; de
-hôtelhouder had den koetsier uitgeduid, waar hij heen moest. En zij
-reed heel lang, langs het meer van Lellès, waarop de koetsier haar
-opmerkzaam maakte: het heilige, sombere meer, waarin op twee eilanden
-liggen de aloude graven van heiligen, terwijl er boven zweefde, als een
-donkere wolk van doodschheid, een altijd ronddraaiende zwerm van heel
-groote kalongs, zwarte reuzevleêrmuizen, klapwiekende hunne demonische
-vlerken en krijschende hun wanhoopzege-schreeuw, onophoudelijk
-omcirkelend: rouw-zwarte duizeling tegen de eindeloos diepe blauwe
-lucht van den dag aan, of zij, de eens zoo dagschuwe demonen,
-gezegevierd hebben en niet meer schuwen het licht, omdat zij het met de
-schaduw van hun funèbre vlucht tòch verduisteren. En het was zoo iets
-beklemmends: het heilige meer, de heilige graven en daarboven een zwerm
-als van zwarte duivels in den diepen blauwen ether, omdat het was of
-iets van het mysterie van Indië er zich plotseling openbaarde, zich
-niet meer verbergende in vage verdonzing, maar zichtbaar werkelijk in
-de zon, ontstelling wekkend met zijn dreigende zege.... Eva huiverde,
-en terwijl zij angstig naar boven keek, was het haar of de zwarte zwerm
-van schermwieken naar beneden zoû slaan. Op haar.... Maar de schaduw
-van dood tusschen haar en de zon cirkelde alleen als een duizeling,
-hoog boven haar hoofd, en wanhoopschreeuwde alleen zijn triomf.... Zij
-reed verder, en de vlakte van Lellès breidde zich groen en lachend voor
-haar uit. En de seconde van openbaring was al voorbij getikt: er was
-niets meer dan de groene en blauwe weelde van Java’s natuur: het
-mysterie school al weêr weg tusschen de fijne, wuivende bamboe’s, loste
-op in den azuuroceaan van de lucht.
-
-De koetsier reed langzaam een stijgenden weg op. De liquide sawah’s
-traptraden als spiegelterrassen naar boven, ijl groen van de
-voorzichtig geplante padi-halmpjes; toen, plotseling, was het als een
-varen-allee; reuzevarens, die hoogopwaaierden, en groote fabelkapellen
-fladderden rond. En tusschen de ijlte der bamboe’s werd zichtbaar een
-kleine woning, half steen, half bamboe-vlechtwerk, met een tuintje er
-om, waarin enkele witte potten met rozen. Een heel jonge vrouw in
-sarong en kabaai, zachtjes goudglanzend de wangen, nieuwsgierig
-spiedend de koolzwarte oogen, zag uit naar de verrassing van het
-rijtuig, dat heel langzaam aankwam en vluchtte naar binnen. Eva steeg
-uit, en kuchte. En om een schutsel in het middengalerijtje zag zij
-eensklaps iets van het gezicht van Van Oudijck, gluren. Hij verdween
-dadelijk.
-
-—Rezident! riep zij, en maakte hare stem lief.
-
-Maar niemand kwam, en zij werd verlegen. Zij dorst niet gaan zitten en
-toch wilde zij ook niet weêr gaan. Maar om het huisje, buiten, gluurde
-een gezichtje, twee bruine gezichtjes, van heel jonge nonna-meisjes, en
-verdwenen weêr, gichelend. In het huisje hoorde Eva fluisteren, als
-iets van een groote emotie, heel zenuwachtig. Sidin! Sidin! hoorde zij
-roepen en fluisteren. Zij glimlachte, wat moediger en bleef en liep wat
-in het voorgalerijtje. En eindelijk kwam een oude vrouw, misschien niet
-zoo heel oud van jaren, maar al oud van rimpelig vel en uitgedoofde
-oogen, in een gekleurde chitsen kabaai en slepend haar sloffen, en met
-een beetje Hollandsch en toen toch maar Maleisch, glimlachend, beleefd,
-vroeg zij Eva te gaan zitten, en zei, dat de rezident dadelijk zoû
-komen. Zij zette zich ook, glimlachte, wist niet te spreken, wist niet
-te antwoorden, toen Eva haar iets vroeg over het meer, over den weg.
-Zij liet maar liever stroop brengen, en ijswater, en oublie-tjes, en
-praatte niet, maar glimlachte en verzorgde hare gast. Als de jonge
-nonna-gezichtjes gluurden om het huisje, stampte de oude vrouw boos met
-de slof en schold ze een plotseling woord toe, en dan verdwenen ze
-gichelend en liepen hard weg op hoorbaar klinkende bloote voetjes. Dan
-glimlachte weêr de oude met haar altijd glimlachenden rimpelmond en zag
-als verlegen naar de dame, als vroeg zij haar excuus. En heel lang
-duurde het, tot Van Oudijck eindelijk aankwam. Met effuzie begroette
-hij Eva, verontschuldigde zich haar te hebben laten wachten.
-Klaarblijkelijk had hij zich vlug geschoren, een frisch wit pak
-aangetrokken. En hij was zichtbaar verheugd haar te zien. De oude
-vrouw, met haar eeuwigen glimlach van verontschuldiging, vertrok. In
-die eerste opgewektheid scheen Van Oudijck aan Eva geheel de zelfde
-toe, maar toen hij, kalmer, zat en haar vroeg of zij tijding van
-Eldersma had, wanneer zijzelve ging naar Europa, zag zij, dat hij oud
-was geworden, een oude man. Het was niet in zijn figuur, dat, in zijn
-goed gesteven witte pak, nog altijd iets breed militairs had behouden,
-iets forsch gehouwens, den rug alleen wat meer krommende als onder een
-last. Maar het was in zijn gezicht, in den doffen, belangeloozen blik,
-in de zware groeven van het bijna pijnlijke voorhoofd, de tint van de
-huid geel en dor, terwijl zijn breede snor, waarom de joviale trek nog
-eens speelde, geheel grijs was. Een zenuwachtige trilling was in zijne
-handen. En hij hoorde haar uit, wat men te Laboewangi had gezegd, nog
-even nieuwsgierig naar de menschen van daarginds, naar iets van zijn
-eens zoo dierbaar gewest.... Zij sprak er vaag over heen, vergoêlijkend
-en verbloemend, en hem vooral niets zeggende, van de praatjes: dat hij
-met de noorderzon was vertrokken, dat hij gevlucht was, waarvoor, men
-wist het zelve niet.
-
-—En u, rezident, vroeg zij; gaat u ook gauw naar Europa?
-
-Hij staarde voor zich uit, toen lachte hij pijnlijk voor hij
-antwoordde. En hij zeide eindelijk, bijna verlegen:
-
-—Neen mevrouwtje, ik ga maar niet meer terug. Ziet u eens, hier in
-Indië ben ik wat geweest, daar zoû ik niets zijn. Ik ben nu ook niets
-meer, maar ik voel toch, dat Indië mijn land is geworden. Het land
-heeft zich van mij meester gemaakt en ik behoor het nu toe. Aan Holland
-behoor ik niet meer, en niets en niemand in Holland behoort mij. Ik
-ben, wel is waar, uitgevuurd, maar ik sleep toch nog liever mijn
-bestaan hier een poosje voort, dan daar. In Holland zoû ik niet meer
-kunnen tegen het klimaat en niet meer tegen de menschen. Hier is het
-klimaat mij sympathiek en van de menschen heb ik mij teruggetrokken.
-Theo heb ik nog voor het laatst geholpen, en Doddy is getrouwd. En de
-beide jongens gaan naar Europa, voor hun opvoeding....
-
-Hij boog zich in eens naar haar over, en, met een andere stem,
-fluisterde hij bijna, als wilde hij komen tot een bekentenis:
-
-—Ziet u.... als alles gewoon was gegaan.... dan.... dan had ik niet
-gehandeld als ik gedaan heb. Ik ben altijd geweest een man van de
-praktijk en daarop was ik trotsch en ik was trotsch op het gewone
-leven: mijn eigen leven, dat ik leidde volgens principes, die ik goed
-dacht, naar een hoog punt onder de menschen. Zoo ben ik altijd geweest,
-en zoo ging het goed. Alles ging mij voor den wind. Als anderen tobden
-over promotie, sprong ik er vijf tegelijk over den kop. Het was alles
-glad voor mij uit, ten minste in mijn carrière. In mijn huiselijk leven
-ben ik niet gelukkig geweest, maar ik zoû nooit week genoeg zijn om
-daar onder weg te teeren van verdriet. Er is zoo veel voor een man
-buiten zijn huiselijk leven. En toch hield ik altijd veel van mijn
-huiselijken kring. Ik geloof niet, dat het mijn schuld geweest is, dat
-alles zoo is geloopen. Ik hield van mijn vrouw, ik hield van mijn
-kinderen, ik hield van mijn huis: mijn huiselijkheid, waarin ik man en
-vader was. Maar dat gevoel in mij is nooit tot zijn recht kunnen komen.
-Mijn eerste vrouw was een nonna, die ik trouwde omdat ik verliefd op
-haar was. Omdat zij mij er niet onder kreeg met haar nukjes, ging het
-na eenige jaren niet meer. Op mijn tweede vrouw was ik misschien nog
-verliefder dan op mijn eerste: ik ben in die dingen eenvoudig
-aangelegd.... Maar ik heb het nooit mogen hebben: een lieven
-huiselijken kring: een lieve vrouw, kinderen, die op je schoot kruipen,
-die je lief ziet opgroeien tot menschen, menschen, die aan jou
-verschuldigd zijn hun leven, hun bestaan, eigenlijk alles wat zij
-hebben en zijn.... Dat zoû ik gaarne gehad hebben.... Maar zooals ik
-zeg, al miste ik het, het had mij toch nooit ten onder gebracht....
-
-Hij zweeg even, toen ging hij voort, geheimzinniger, fluisterender nog:
-
-—Maar dàt, ziet u,... dàt, wat gebeurd is.... dat heb ik nooit
-begrepen.... en dat heeft mij gebracht.... tot hier.... Dat, dat alles,
-wat streed, wat indruischte tegen leven en praktijk en logica.... al
-die—hij sloeg met de vuist op de tafel—al die verdomde nonsens, en die
-toch.... die toch maar gebeurde.... dat heeft het hem gedaan. Ik was er
-wel sterk tegen in, maar mijn kracht hielp er niet tegen. Het was iets,
-waartegen niets hielp.... Ik weet het wel: het was de Regent. Toen ik
-hem gedreigd heb, is het opgehouden.... Maar, mijn God, mevrouwtje, zeg
-mij, wàt was het?? Weet u het? Neen, niet waar, niemand, niemand wist
-het, niemand weet het. Die vreeslijke nachten, die onverklaarbare
-geluiden boven mijn hoofd; die nacht in de badkamer met den majoor en
-de andere officieren.... Het was toch geen zinsbegoocheling: wij zagen
-het, wij hoorden het, wij voelden het: het viel op ons, het spoog op
-ons: de heele badkamer was er vol van!! Andere menschen, die het niet
-ondervonden hebben, kunnen het gemakkelijk ontkennen. Maar ik—wij
-allen—wij hebben het toch gezien, gehoord, gevoeld.... En wij wisten
-geen van allen wat het was.... En sedert heb ik het altijd gevoeld. Het
-was om mij, in de lucht, onder mijn voeten.... Ziet u, dat.... en dat
-alleen—fluisterde hij heel zacht—dat heeft het gedaan. Dat heeft
-gemaakt, dat ik daar niet meer blijven kon. Dat heeft gemaakt, dat ik
-als met stomheid, met idiotisme geslagen werd—in het gewone leven, in
-al mijn praktijk en logica, die mij op eens toescheen als een foutief
-opgebouwd levensstelsel, als de meest abstracte bespiegeling—omdat er
-dwars door heen dingen gebeurden van een andere wereld, dingen, die mij
-ontsnapten, mij en aan iedereen. Dat, dat alleen heeft het gedaan. Ik
-was mezelf niet meer. Ik wist niet meer wat ik dacht, wat ik deed, wat
-ik gedaan had. Alles heeft in mij gewankeld. Die ellendeling in de
-kampong.... hij is mijn kind niet: ik verwed er mijn leven om. En
-ik.... ik heb het geloofd. Ik heb hem geld doen toekomen. Zeg mij,
-begrijpt u mij? Zeker niet? Het is niet te begrijpen, dat vreemde, dat
-oneigenlijke, als men het niet ondervonden heeft, in zijn vleesch en in
-zijn bloed, totdat het doordrong in je merg....
-
-—Ik geloof wel, dat ik het ook wel eens gevoeld heb, fluisterde zij nu.
-Als ik met Van Helderen wandelde langs de zee, en de lucht was zoo ver,
-de nacht zoo diep, of de regens van zoo heel ver aanruischten en dan
-neêrvielen.... of als de nachten, doodstil en toch zoo overvol van
-geluid, om je heen trilden, altijd met een muziek, die als niet was te
-vatten en nauwlijks te hooren.... Of eenvoudig, als ik zag in de oogen
-van een Javaan, als ik sprak met mijn baboe en het was of niets van wat
-ik zeide, drong tot haar door, en of wat zij mij antwoordde haar
-eigenlijk geheime antwoord verborg....
-
-—Dat is weêr anders, zeide hij; dat begrijp ik niet: ik voor mij, ik
-kende wel den Javaan. Maar misschien voelt elke Europeaan dàt op een
-andere manier, volgens zijn aanleg, en zijn natuur. Voor den een is het
-misschien de antipathie, die hij van den beginne voelt in dit land, dat
-hem in de zwakte van zijn materialisme aanvalt en blijft bestrijden....
-terwijl het land zelve toch zoo vol poëzie is en.... mystiek.... zoû ik
-bijna zeggen. Voor een ander is het het klimaat, of het karakter van
-den inboorling, of wat ook, dat hem vijandig is en onbegrijpelijk. Voor
-mij.... waren het feiten, die ik niet begreep. En tot nog toe had ik
-een feit altijd kunnen begrijpen.... ten minste, dat kwam mij zoo voor.
-Nu werd het mij of ik niets meer begreep.... Zoo werd ik slecht
-ambtenaar, en toen begreep ik, dat het gedaan was. Ik ben er toen
-rustig meê uitgescheiden. En nu ben ik hier, en nu blijf ik maar hier.
-En weet u, wat het vreemde is? Hier heb ik mijn huiselijken kring....
-misschien eindelijk gevonden....
-
-De bruine gezichtjes gluurden om den hoek. En hij riep ze, hij lokte
-ze, vriendelijk, met een breed vaderlijk gebaar. Maar hoorbaar op
-bloote voetjes, stampten zij weêr weg. Hij lachte.
-
-—Ze zijn heel verlegen, die kleine apen, zeide hij. Het zijn de zusjes
-van Lena, en die u zooeven gezien heeft, is haar moeder.
-
-Hij zweeg even, eenvoudig weg, als zoû zij wel begrijpen wie Lena was:
-de heel jonge vrouw met de goudgewaasde wangen en de koolzwarte oogen,
-die zij even in een flits had gezien.
-
-—En dan zijn er broêrtjes, die moeten leeren in Garoet. Ziet u, dat is
-nu mijn huiselijke kring. Toen ik met Lena kennis maakte, heb ik de
-heele familie er maar bijgenomen. Het kost me wel veel geld, want ik
-heb mijn eerste vrouw te Batavia, mijn tweede te Parijs, René en Ricus
-in Holland. Dat kost me allemaal geld. En nu hier mijn nieuwe
-„huiselijke kring”. Maar ik hèb nu ten minste mijn kring.... Het is me
-wel een Indische boel zal u zeggen: dat Indische-huwelijk met een
-dochter van een koffie-opziener, en daarbij nog op den koop toe de oude
-vrouw en de broêrtjes en zusjes. Maar ik doe er nog iets goeds meê. De
-menschen hadden geen cent, ik help ze. En Lena is een lief kind, en de
-troost van mijn ouden dag. Ik kan niet leven zonder vrouw, en zoo is
-het van zelf zoo gekomen... En zoo is het heel goed: ik vegeteer nu
-hier, en drink lekkere koffie en ze zorgen goed voor den ouden man...
-
-Hij zweeg even, en toen:
-
-—En u... u gaat naar Europa? Arme Eldersma, ik hoop, dat hij spoedig
-herstelt... Het is alles mijn schuld, niet waar: ik liet hem maar te
-veel werken. Maar zoo is het in Indië, mevrouw. Wij werken hier
-allemaal hard. Tot dat wij niet meer werken. En u gaat... al over een
-week? Wat zal u blij zijn uw ouders te zien, en mooie muziek te hooren.
-Ik ben u nog altijd dankbaar. U heeft veel voor ons gedaan, u was de
-poëzie in Laboewangi. Arm Indië.... wat schelden ze er niet op. Het
-land kan het toch niet helpen, dat er Kaninefaten op zijn grond zijn
-gekomen, barbaarsche veroveraars, die maar rijk willen worden en weg...
-En als ze dan niet rijk worden.... dan schelden ze: op de warmte, die
-God het van den beginne gegeven heeft.... op het gemis aan voedsel voor
-ziel en geest... ziel en geest van den Kaninefaat. Het arme land,
-waarop zoo gescholden is, zal wel denken: Was weggebleven! En u... u
-hield ook niet van Indië.
-
-—Ik heb geprobeerd er de poëzie van te vatten. En nu en dan vatte ik
-ook die poëzie. Verder... is alles mijn schuld, rezident, en niet de
-schuld van dit mooie land. Evenals uw Kaninefaat.... had ik hier niet
-moeten komen. Al mijn spleen, al mijn melancholie... hier geleden in
-dit mooie land van mysterie... is mijn schuld. Ik scheld niet op Indië,
-rezident.
-
-Hij vatte haar bij de hand, en bijna met ontroering, bijna met een
-vochtglans in zijn oog.
-
-—Ik dank u ervoor, zeide hij zacht. Dat woord is van u: uw eigen woord,
-het woord van een verstandige, ontwikkelde vrouw, die niet als een
-stomme Hollander er maar op los trekt, omdat hij niet precies hier
-gevonden heeft wat aan zijn ideaaltje beantwoordde. Ik weet het: uw
-natuur heeft hier veel geleden. Het kan niet anders. Maar... het was
-niet de schuld van het land.
-
-—Het was mijn eigen schuld, rezident, herhaalde zij, met haar zachte
-stem en haar glimlach.
-
-Hij vond haar aanbiddelijk. Dat zij niet uitvoer in imprecaties, niet
-losbarstte in heerlijkheid omdat zij over een paar dagen Java verliet,
-deed hem weldadig aan. En toen zij opstond, zeggende, dat het haar tijd
-werd, voelde hij een zwaren weemoed.
-
-—En ik zie u dus nooit meer terug?
-
-—Ik geloof niet, dat wij zullen terugkomen.
-
-—Het is dus een afscheid voor altijd?
-
-—Misschien zien wij u nog, in Europa....
-
-Hij weerde af met de hand.
-
-—Ik ben u innig dankbaar, dat u den ouden man eens is komen opzoeken.
-Ik rijd met u meê naar Garoet...
-
-Hij riep het naar binnen, waar de vrouwen, onzichtbaar, scholen, waar
-de kleine zusjes gichelden. En hij steeg met haar in het rijtuigje. Zij
-reden de varen-allee uit en plotseling zagen zij het heilige meer van
-Lellès, oversomberd door de cirkelende duizeling der altijd
-rondvlerkende kalongs.
-
-—Rezident, fluisterde zij; ik voel het hier....
-
-Hij glimlachte.
-
-—Dat zijn maar kalongs, zeide hij.
-
-—Maar in Laboewangi.... daar was het misschien maar een rat...
-
-Hij fronste even de brauwen; toen glimlachte hij weêr,—den jovialen
-trek om zijn breeden snor—en nieuwsgierig zag hij naar boven.
-
-—Hè, zeide hij zacht. Heusch? Voelt u het hier?
-
-—Ja.
-
-—Neen, ik niet.... Het is bij een ieder iets anders.
-
-De reuzenvleêrmuizen wanhoopschreeuwden schril hun triumf. Het
-rijtuigje reed voorbij, en ging langs een kleine spoorweghalte. En in
-de anders zoo eenzame landstreek was het vreemd, dat eene geheele
-bevolking, een zwerm van bonte Soendaneezen, samenstroomde aan het
-kleine station, gretig uitziende naar een langzame trein, die, tusschen
-de bamboes zwartrookend, naderde. Aller oogen waren als dol open
-gesperd, als verwachtten zij het heil van den eersten aanblik, als zoû
-een schat voor hun ziel zijn de eerste indruk, dien zij zouden
-ontvangen.
-
-—Dat is een trein met nieuwe hadji’s, zei Van Oudijck. Allemaal versche
-Mekka-gangers....
-
-De trein hield stil, en uit de lange wagens der derde klasse, plechtig,
-langzaam, vol wijding en bewust van hunne waarde, stegen de hadji’s
-uit, rijk geel en wit getulband het hoofd, waarin trotsch de oogen
-glansden, laatdunkend de lippen zich dicht trokken, in nieuwe glanzende
-jassen, goudgele en purperen samaren, die vielen aanzienlijk bijna neêr
-tot de voeten. En, gonzend van verrukking, soms met een opstijgenden
-kreet van onderdrukte extaze, drong nader de uitziende menigte,
-bestormde de nauwe uitgangen van de lange wagons.... De hadji’s,
-plechtig, stegen uit. En hun broeders en hun vrienden grepen om strijd
-hunne handen, de zoomen van hunne goudgele en purperen samaren, en
-kusten die heilige hand, dat heilig gewaad, omdat het hun bracht iets
-van het heilige Mekka. Zij vochten, zij verdrongen elkaâr om de
-hadji’s, om het allereerst den kus te geven. En de hadji’s,
-laatdunkend, zelfbewust, schenen den strijd niet te zijn, waren als
-voornaam rustig en plechtig aanzienlijk te midden van den strijd, te
-midden van de golvende en gonzende menigte, en overlieten hun hand,
-overlieten hun tabbaardzoom aan den dweepkus van al wie hen nakwam.
-
-En vreemd was het in dit land van diep geheimzinnig sluimerend
-mysterie, in dit volk van Java, dat zich als altijd verborg in het
-geheim van zijn ondoordringbare ziel—wel onderdrukt maar toch
-zichtbaar, te zien rijzen eene extaze, te zien oogstaren een dronkene
-dweping, te zien zich openbaren een deel van die ondoordringbare ziel
-in hare vergoddelijking van wie het graf des Profeten had gezien, te
-hooren zacht gonzen een godsdienstverrukking, te hooren optrillen,
-plotseling onverwacht, een niet te onderdrukken kreet van glorie, die
-weêr dadelijk verzonk, versmolt in het gegons, als angstig om
-zichzelven, omdat het heilige tijdstip nog niet daar was....
-
-En Van Oudijck en Eva, op den weg, achter het station, langzaam
-voortrijdend om de drukke menigte, die gonzende altijd de hadji’s
-omringde, hun dragende eerbiedig hun reisgoed, hun vleierig aanbiedend
-hunne karretjes, zagen plotseling elkander aan, en ofschoon zij het
-geen van beiden wilden zeggen met woorden, zeiden zij elkaâr met een
-blik van begrijpen, dat zij Hèt, Dàt, voelden—beiden—beiden
-tegelijkertijd nu, daar te midden van het dwepen dier menigte....
-
-Zij voelden het beiden, het onuitzegbare: dat wat schuilt in den grond,
-wat sist onder de vulkanen, wat aandonst met de verre winden meê, wat
-aanruischt met den regen, wat aandavert met den zwaar rollenden donder,
-wat aanzweeft van wijd uit den horizon over de eindelooze zee, dat wat
-blikt uit het zwarte geheimoog van den zielgeslotenen inboorling, wat
-neêrkruipt in zijn hart en neêrhurkt in zijn nederige hormat, dat wat
-knaagt als een gift en een vijandschap aan lichaam, ziel, leven van den
-Europeaan, wat stil bestrijdt den overwinnaar en hem sloopt en laat
-kwijnen en versterven, heel langzaam aan sloopt, jaren laat kwijnen, en
-hem ten laatste doet versterven, zoo nog niet dadelijk tragisch dood
-gaan: zij voelden het beiden, het Onuitzegbare....
-
-En in het voelen ervan, tegelijk met den weemoed van hun afscheid, dat
-zoo dadelijk dreigde, zagen zij niet, te midden der golvende, deinende,
-gonzende menigte, die als eerbiediglijk voortstuwde de gele en purperen
-voornaamheden der uit Mekka terugkeerende hadji’s—zagen zij niet dien
-éenen grooten witten, rijzen boven de menigte uit en kijken met zijn
-grijnslach naar den man, die hoe hij ook zijn leven geademd had in
-Java, zwakker was geweest dan Dàt....
-
-
- Passaroean-Batavia,
- Oct. ’99–Febr. 1900.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Dispensier, hofmeester.
-
-[2] Neen!
-
-[3] Diamanten.
-
-[4] Naaister.
-
-[5] Gesp.
-
-[6] Eekhoorn, klapperrot.
-
-[7] Blaaspijp.
-
-[8] Gebrande boontjes.
-
-[9] Binnenlandsch Bestuur.
-
-[10] Poudre-de-riz.
-
-[11] Schrijvers, klerken.
-
-[12] Lang, gebatikt kleed.
-
-[13] Chineesch goudborduursel.
-
-[14] Woning van den Regent.
-
-[15] Provizie-kamer.
-
-[16] Latta, een nerveuze ziekte van oogenblikkelijk gesuggereerde
-imitatie, met ook plotselinge herstellingen.
-
-[17] Gooi neêr!
-
-[18] Draagblad.
-
-[19] Naar buiten!
-
-[20] Vergeving!
-
-[21] Spaansche peper.
-
-[22] Paleis.
-
-[23] Wierook.
-
-[24] Groente-sausen.
-
-[25] Kip.
-
-[26] Vijzel.
-
-[27] Gordijn.
-
-[28] Rund.
-
-[29] Rietvezels.
-
-[30] Zaad.
-
-[31] Sambal van Spaansche peper.
-
-[32] Nachtwacht.
-
-[33] Markt.
-
-[34] Hol houtblok.
-
-[35] Heilige noodlotsberekeningen.
-
-[36] Binnenlandsch hôtel, ten dienste der ambtenaren.
-
-[37] Sjerp, shawl.
-
-[38] Vorstelijke danseressen.
-
-[39] Rijksbestierder, volgende in rang op den Regent.
-
-[40] Inlandsche geneeskundige.
-
-[41] Talisman.
-
-[42] Avond-markt.
-
-[43] Plein voor de Regentswoning.
-
-[44] Maleische schouwburg.
-
-[45] Maandelijksche bestuursvergadering.
-
-[46] Overdekte vierkante ruimte, vóor de Regentswoning, voor
-vergaderingen en feesten.
-
-[47] Soda-water.
-
-[48] Mat.
-
-[49] Rijksdaalder.
-
-[50] Wilde kat.
-
-[51] Spoken.
-
-[52] Onheil.
-
-[53] Ongetwijfeld.
-
-[54] Stadstuin.
-
-[55] Offermaal.
-
-[56] Vleêrmuizen.
-
-[57] Breng het badgoed!
-
-[58] Wat er aan te doen!
-
-[59] De lampenjongen.
-
-[60] Reukwater.
-
-[61] Wat is dit dan?
-
-[62] Smid.
-
-[63] Waterschep.
-
-[64] Breng een lamp!
-
-[65] Politie-dienaren.
-
-[66] Karretje.
-
-[67] De armen wiegelend bij het loopen: de typische gang der Indische
-vrouw.
-
-[68] Hansop.
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE STILLE KRACHT ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.