diff options
Diffstat (limited to 'old/67219-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/67219-0.txt | 9017 |
1 files changed, 0 insertions, 9017 deletions
diff --git a/old/67219-0.txt b/old/67219-0.txt deleted file mode 100644 index 101ac8d..0000000 --- a/old/67219-0.txt +++ /dev/null @@ -1,9017 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of De stille kracht, by Louis Couperus - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: De stille kracht - -Author: Louis Couperus - -Release Date: January 22, 2022 [eBook #67219] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg. - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE STILLE KRACHT *** - - - - - - DE STILLE KRACHT - - DOOR - LOUIS COUPERUS - - L. J. VEEN—AMSTERDAM - - - - - - - - -EERSTE HOOFDSTUK. - - -I. - -De volle maan, tragisch dien avond, was reeds vroeg, nog in den -laatsten dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol, vlamde -als een zonsondergang laag achter de tamarindeboomen der Lange Laan en -steeg, langzaam zich louterende van hare tragische tint, in een vagen -hemel op. Een doodsche stilte spande alom als een sluier van zwijgen, -of, na de lange middagsiësta, de avondrust zonder overgang van leven -begon. Over de stad, wier wit gepilaarde villa-huizen laag wegscholen -in het geboomte der lanen en tuinen, hing een donzende geluideloosheid, -in de windstille benauwdheid der avondlucht, als was de matte avond moê -van den zonneblakenden dag der Oostmoesson. De huizen, zonder geluid, -doken weg, doodstil, in het loover van hunne tuinen, met de regelmatig -opblankende rissen der groote gekalkte bloempotten. Hier en daar werd -een licht al ontstoken. Plotseling blafte een hond, en antwoordde een -andere hond en verscheurde de donsende stilte in lange, ruwe flarden; -de nijdige hondekelen, heesch, ademloos, schor vijandig; plotseling ook -zwegen zij stil. - -Aan het einde der Lange Laan lag diep in zijn voortuin het -Rezidentie-huis. Laag, dadelijk in den nacht der waringinboomen, -zigzagde het zijne pannendaken, het eene achter het andere, naar de -schaduw van den achtertuin toe, met een primitieve lijn van -dakteekening, over iedere galerij een dak, over iedere kamer een dak, -tot éene lange daksilhouet. Vóor echter, rezen de witte zuilen der -voorgalerij, met de witte zuilen der portiek, hoog blank en aanzienlijk -op, met breede tusschenruimten, met groote openheid van ontvangst, met -eene uitbreiding van indrukwekkend paleisportaal. Door de open deuren -verschoot de middengalerij vaag naar achteren toe, met een enkel licht -opgeglimd. - -Een oppasser ontstak de lantarens ter zij van het huis. Halfcirkels van -groote, witte potten met rozen en chrysanten, met palmen en caladiums, -bogen links en rechts wijd voor het huis naar ter zijde uit. Een breede -grindlaan vormde den oprit tot in de witgezuilde portiek; dan strekte -zich uit een wijd dor gazon, met potten omgeven, en, in het midden op -een gemetseld voetstuk, een monumentale vaaspot, met een groote -latania. Een groene frischheid was daar de kronkelende vijver, waar de -reuzenbladeren eener Victoria Regia als dofgroene prezenteerbladen zich -rondden tegen elkaâr, met een enkele blankende lotosachtige bloem er -tusschen. Een pad kronkelde langs den vijver en op een met kiezelsteen -geplaveide ronde plek rees een hooge vlaggestok. De vlag was reeds -neêrgehaald, als iederen dag om zes uur. Een eenvoudig hek sneed het -erf af van de Lange Laan. - -Het reusachtige erf was stil. Er brandden nu, langzaam, omslachtig -aangestoken door den lampenjongen, éen lamp van de kroon der -voorgalerij, en de neêrgedraaide lamp binnen, als twee nachtlichtjes in -het paleis van zuilen en van, kinderlijk naar achter verschietende, -daken. Op de trappen van de kantoorkamer zaten enkele oppassers, in hun -donkere uniform, fluisterend wat te praten. Een van hen stond na een -pooze op en begaf zich, met een rustigen pas van zich niet te willen -overhaasten, naar een bronzen klok, die hoog hing, bij het -oppassershuisje, geheel ter zijde van het erf. Toen hij na een honderd -pas genaderd was, luidde hij zeven langzame weêrechoënde slagen. De -klepel bronsde bonsende in de bel van de klok en de slag, telkens, -zigzagde na met een zware trilling van nageluid. De honden blaften weêr -op. De oppasser, langzaam, met zijn lenigen pas, jongensachtig slank in -zijn blauw laken jasje en broek met gele banden en omslag, liep zijn -honderd passen naar de andere oppassers rustig terug. - -Nu was in het kantoor licht ontstoken en ook in de aangrenzende -slaapkamer, waar het door de jalouzieën schemerde. De rezident, een -groote zware man, in zwart jasje, witte broek, liep de kamer door en -riep naar buiten: - -—Oppas! - -De hoofdoppasser, in zijn laken uniformrokje, de panden breedgeel -omzoomd, naderde met gebogen knieën, hurkte neêr.... - -—Roep de nonna! - -—De nonna is al uitgegaan, Kandjeng! fluisterde de man en schetste met -beide handen, de vingers tegen elkaâr, het eerbiedig gebaar van de -semba. - -—Waar is de nonna naar toe? - -—Dat heb ik nog niet onderzocht, Kandjeng! zei de man, als -verontschuldiging, dat hij niet wist, en schetste weêr de semba. - -De rezident dacht even na. - -—Mijn pet, zeide hij. Mijn stok. - -De hoofdoppasser, steeds in krommende knieën van zich eerbiedig krimpen -in elkaâr, scharrelde even door de kamer en bood hurkende aan de -klein-uniformpet, en een wandelstok. - -De rezident ging uit. De hoofdoppasser haastte zich achter hem aan, met -een tali-api in de hand: een lange brandende lont, waarvan hij de -gloeiende punt zwaaide om aan wie voorbijging, in den avond, den -rezident te doen herkennen. De rezident liep langzaam het erf af, en -naar de Lange Laan. Aan die laan, als een avenue van tamarinde-boomen -en flamboyants, lagen de villa’s der voornaamste notabelen, flauw -verlicht, doodstil, schijnbaar onbewoond, met, in de avondvaagheid -opblankend, de rissen der gekalkte bloempotten. - -De rezident wandelde eerst langs het huis van den secretaris; dan ter -andere zijde een meisjesschool; dan de notaris, een hôtel, de post, de -prezident van den Landraad. Aan het einde van de Lange Laan stond de -Roomsche kerk, en verder op, de brug over der kali, lag het station. -Bij het station was meer verlicht dan de andere huizen een groote -Europeesche toko. De maan, hooger geklommen, zich heller zilverende bij -hare stijging, bescheen de witte brug, de witte toko, de witte kerk: -dit alles om een vierkant square, meer open, zonder boomen en met in -het midden een spits monumentje, dat de Stadsklok was. - -De rezident ontmoette niemand; nu en dan kwam echter een enkele Javaan, -zich donker bewegende, even uit de schaduw, en dan zwaaide de oppasser -achter zijn heer met veel ostentatie de gloeiende punt van zijn -vuurtouw. Meestal begreep de Javaan, en maakte zich klein, en kromp -in-een aan den rand van den weg, en ging als loophurkende voorbij. Een -enkelen keer, onwetend, pas uit zijn dessa, begreep hij niet, liep -angstig voorbij, zag angstig naar den oppasser, die maar zwaaide en -zwaaide, en hem, in het voorbijgaan, achter den rug van zijn meester -een vloek toeduwde, omdat hij—de dessa-kerel—geen manieren had. Als een -karretje aankwam of sado, zwaaide hij weêr en zwaaide hij zijn -vuursterretje door den avond, wenkte den voerman, die òf stil hield en -afsteeg, òf neêrhurkte in zijn voertuigje en hurkend doormende aan den -uitersten rand van den weg. - -De rezident liep somber door, met den flinken pas van een beslisten -wandelaar. Hij was rechts van het square-tje afgeslagen, en liep langs -de Hervormde kerk, recht op een mooie villa toe met slanke, vrij -correcte Ionische pleisterzuilen en hel verlicht met petroleumlampen in -kronen. Het was de societeit Concordia. Een paar bedienden in witte -buisjes zaten op de trappen. Een Europeaan in een wit pakje, de -kastelein, liep in de voorgalerij. Maar om de groote bittertafel zat -niemand en de wijde rieten stoelen openden hunne armen afwachtende als -te vergeefs. - -De kastelein, ziende den rezident, boog, en de rezident tikte kort aan -zijn pet en ging de societeit voorbij, sloeg links om. Hij wandelde een -laan af, langs kleine donkere huisjes in kleine erfjes weggedoken, -sloeg weêr om en ging langs de uitmonding der kali, die was als een -kanaal. Prauw aan prauw lag vastgemeerd; een eentonig geneurie van -Madoereesche zeelui zeurde droefgeestig langzaam over het water, -waaruit een visschige wadem oprees. Langs het havenkantoor ging de -rezident naar den pier toe, die een eind uitstak in zee, en waar op de -punt een kleine vuurtoren, als een kleine Eiffel, zijn ijzeren -kandelabervorm verhief, met zijn lamp aan den top. Daar bleef de -rezident staan en ademde op. De wind was plotseling opgestoken, de -grongong blies, uit de verte waaiende aan, als iedere dag om dat uur. -Maar soms zakte hij in eens onverwachts neêr, in-een, als met een -onmacht zijner waaiende vlerken, en de opgeheven zee strookte haar -maanwitte schuimkrullen glad en fosforizeerde even, met strepen lang en -bleek. - -Over de zee naderde droefgeestig een eentonig rhytmisch zeuren van -zingen, een zeil donkerde aan als een groote nachtvogel, en een -visschersprauw met hoog opbuigende voorsteven,—met iets van een antiek -schip—gleed het kanaal in. Een weemoed van levensgelatenheid, eene -berusting in al het kleine donkere aardsche onder dien eindeloozen -hemel, aan die zee van fosforizeerende verte, dreef om en tooverde eene -geheimzinnigheid, die beklemde... - -De groote stevige man, die daar stond, wijdbeens, op-ademend den, -langzaam met vlagen aanwaaienden, wind—moê van zijn werk, van zijn -zitten aan zijn schrijftafel, van zijne berekeningen der -duitenkwestie—die afschaffing der duiten, door den Gouverneur-Generaal -zijner persoonlijke verantwoordelijkheid opgelegd als een kwestie van -belang—die groote stevige man, praktisch, koel van denken, kort beslist -van langdurige gezagsuitoefening, voelde misschien niet die donkere -geheimzinnigheid drijven over de Indische avondstad—hoofdplaats van -zijn gewest—maar hij voelde een begeerte naar teederheid. Vaag voelde -hij de begeerte van een kinderarm om zijn hals, van kleine hooge -stemmen om zich heen, de begeerte naar een jonge vrouw, die glimlachend -hem wachten zoû. Hij dacht die sentimentaliteit in zich niet uit, hij -was niet gewoon zich over te geven aan mijmering over zichzelven: hij -had het te druk; zijn dagen waren te veel gevuld met belangen allerlei -aard, dan dat hij toe zoû geven aan wat hij wist, dat zijn vlaagjes van -zwakte waren: de onderdrukte opwellingen van jongere jaren. Maar al -mijmerde hij niet, de stemming was onafweerbaar, als een druk op zijn -breede borst, als een ziekte van teederheid, een malaise van -sentimentaliteit in zijn anders heel praktisch gemoed van -hoofdambtenaar, die hield van zijn werkkring, van zijn gewest; die hart -had voor de belangen er van, en wien het bijna onafhankelijk gezag van -zijn betrekking geheel in harmonie was met zijne heerschersnatuur; die -met zijn krachtige longen zijn atmosfeer van wijden werkkring en ruim -veld van zoo verscheiden arbeid, met even veel genot gewoon was te -ademen, als hij nu ademde, den wijden wind van de zee. De begeerte, het -verlangen, een heimwee, waren dien avond vooral, vol in hem. Hij voelde -zich eenzaam, niet alléen om het izolement, dat een hoofd van -gewestelijk bestuur altijd min of meer omringt, wien men òf nadert -conventioneel glimlachend-eerbiedig, om conversatie, òf kort, -zakelijk-eerbiedig, om zaken. Hij voelde zich eenzaam, hoewel hij vader -was van een huisgezin. Hij dacht aan zijn groote huis, hij dacht aan -zijn vrouw en zijn kinderen. En hij voelde zich eenzaam, en alleen -gedragen door het belang, dat hij stelde in zijn werk. Het was hem -alles in zijn leven. Het vulde al zijne uren. Er over denkende sliep -hij in, zijn eerste gedachte was voor het een of ander gewestelijk -belang. - -In dit oogenblik, moê van het cijferen, opademende in den wind, ademde -hij tegelijk met de frischheid van de zee den weemoed van de zee in, -den geheimzinnigen weemoed der Indische zeeën, den opspokenden weemoed -der zeeën van Java; de weemoed, die aanruischt van verre als op -suizende wieken van geheimzinnigheid. Maar zijn natuur was niet om zich -over te geven aan mysterie. Hij ontkende het mysterie. Het was er niet: -er was alleen de zee en de wind, die frisch was. Er was alleen de walm -van die zee, als iets van visch en van bloemen en zeewier; walm, die de -frissche wind uitwoei. Er was alleen het oogenblik van herademing, en -wat hij, onafweerbaar, voor geheimzinnigen weemoed voelde toch sluipen -in zijn, dien avond, wat weeke gemoed, dacht hij te zijn om zijn -huislijken kring, dien hij liever wat nauwer gevoeld had, dichter -sluitende om wat in hem was vader en echtman. Was er van weemoed noch -iets, dan was het dàt. Uit de zee kwam het niet; uit de lucht aan, van -verre, niet. Hij gaf zich niet over aan een allereerste sensatie van -wonderlijkheid.... En hij plantte zich steviger, welfde zijn borst, -richtte-op zijn flinken, militairen kop en snoof, en snoof den walm in -en den wind.... - -De hoofdoppasser, neêrgehurkt, met zijn gloeivuurtouw in de hand, -gluurde aandachtig op naar zijn heer, als dacht hij: wat doet hij hier -zoo vreemd te staan bij den vuurtoren.... Zoo vreemd, die -Hollanders.... Wat denkt hij nu.... Waarom doet hij zoo.... Juist op -dit uur op deze plek.... De zeegeesten waren nu om.... Er zijn -kaaimannen onder het water, en iedere kaaiman is een geest.... Zie, -daar heeft men aan ze geofferd, pisang en rijst en dèng-dèng en een -hard ei op een vlotje van bamboe; onderaan bij het voetstuk van den -vuurtoren.... Wat doet de Kandjeng Toean nu hier.... Het is hier niet -goed, het is hier niet goed.... tjelaka, tjelaka.... En zijn spiedende -oogen gleden op en neêr langs den breeden rug van zijn heer, die maar -stond en uitzag.... Waar zag hij naar toe...? Wat zag hij aanwaaien in -den wind...? Zoo vreemd, die Hollanders, vreemd.... - -De rezident, plotseling, keerde zich om en liep terug, en de oppasser, -opschrikkend, volgde hem, blazende aan de punt van zijn vuurtouw. De -rezident liep den zelfden weg terug; nu zat er een heer in de -societeit, die groette, en een paar jongelui in het wit wandelden in de -Lange Laan. De honden blaften. - -Toen de rezident den ingang naderde van het rezidentie-erf, zag hij -vóor, aan den anderen ingang, twee witte figuren, een man en een -meisje, die zich echter uitwischten in den nacht onder de waringins. -Hij ging recht naar zijn kantoor; een andere oppasser naderde en hij -gaf hem pet en stok. Dadelijk zette hij zich aan zijn schrijftafel. Hij -kon nog een uur werken, vóor het diner. - - - - -II. - -Meerdere lichten waren opgestoken. Eigenlijk waren overal lichten -ontstoken, maar in de lange, breede galerijen was het maar even licht. -Op erf en in huis brandden zeker niet minder dan twintig, dertig -petroleumlampen in kronen en lantarens, maar het was niet meer dan -vagen lichtschemer, die geel waasde door het huis. Een stroom van -maneschijn vloot in den tuin, deed de bloempotten opblanken, tintelde -in den vijver, en tegen de blanke lucht waren de waringins als mollig -fluweel. - -De eerste gong voor het diner was geslagen. In de voorgalerij wipte een -jonge man op een wipstoel, op en neêr, de handen achter het hoofd, zich -vervelend. Een jong meisje, neuriënd, liep door de middengalerij, als -in afwachting. Het huis was gemeubeleerd volgens het conventioneele -type van rezidentie-woningen in het binnenland, plechtig en banaal. De -marmeren vloer van de voorgalerij spiegelde gladwit; hooge palmen in -potten stonden tusschen de pilaren; om marmeren tafels reiden zich -wipstoelen. In de eerste binnengalerij, die in de breedte evenwijdig -liep aan de voorgalerij, stonden stoelen gereid tegen den wand, als -voor een eeuwige receptie. De tweede binnengalerij, die zich uitstrekte -in de lengte, vertoonde aan het einde, daar waar zij zich weêr -verbreedde tot een galerij in de breedte, een reusachtige roode -satijnen portière aan gouden kroonlijst. In de witte vakken tusschen de -deuren der kamers hingen òf spiegels in gouden lijst, staande op -marmeren consoles, òf lithogravures,—schilderijen, zooals men in Indië -zegt: Van Dijck te paard, Paul Veronese op de trappen van een -Venetiaansch paleis, ontvangen door een Doge; Shakespeare aan het hof -van Elizabeth, en Tasso aan het hof van Este—; maar in het grootste vak -hing in een koningsgekroonde lijst eene groote ets: portret van -koningin Wilhelmina in kroningsornaat. In het midden der middengalerij -was een rood satijnen ottomane, bekroond door een palm. Verder vele -stoelen en tafels, groote lampekronen overal. Alles was netjes -onderhouden en van een pompeuze banaliteit, een onhuislijke afwachting -van de eerst volgende receptie, zonder een enkel intiem hoekje. In het -halflicht der petroleumlampen—in elke kroon was éen lamp -ontstoken—strekten de lange, breede, wijde galerijen zich in een leêge -verveling uit. - -De tweede gong sloeg. In de achtergalerij was de te lange tafel—als -steeds wachtende gasten—gedekt voor drie personen. De spen [1] en een -zestal jongens stonden in afwachting bij de dientafels en de twee -buffetten. De spen begon reeds borden met soep te vullen, en een paar -van de jongens plaatsten de drie borden soep al op tafel, op de -gevouwen servetten, die op de borden lagen. Toen wachtten zij weêr af, -terwijl de soep lichtjes dampte. Een andere jongen vulde de drie -waterglazen met groote brokken ijs. - -Het jonge meisje was nader gekomen, neuriënd. Zij was misschien -zeventien jaar, en zij leek op haar gescheiden moeder: de eerste vrouw -van den rezident, een mooie nonna, die nu te Batavia woonde, en, naar -men zeide, een stil speelhuis hield. Zij had een olijfbleeke tint, met -soms even den blos van een vrucht; zij had mooi zwart haar, dat -natuurlijk kroesde aan hare slapen, en in een zeer groote wrong was -vastgestoken, hare zwarte pupillen met vonkel-iris dreven in een -vochtig blauwwit, waarom zware wimpers speelden, op en neêr, op en -neêr. Haar mondje was klein en een beetje dik en haar bovenlip donsde -even met een donker zweempje van haar. Zij was niet groot, en al te vol -van vorm, als een haastige roos, die te snel openbloeit. Zij droeg een -witte piqué rok en een witte linnen blouse met entredeux, en zij had om -haar hals een schelgeel lint, dat heel aardig stond bij haar -olijfbleekte, die soms opbloosde, plotseling, als met een stroom van -bloed. - -De jonge man uit de voorgalerij was aangeslenterd. Hij leek op zijn -vader, groot, breed, blond, met een dikken blonden snor. Hij was -nauwlijks drie-en-twintig jaar, maar hij zag er wel vijf jaar ouder -uit. Hij droeg een wit pak van Russisch linnen, maar met een boordje en -een das. - -Eindelijk kwam ook Van Oudijck; zijn besliste trap naderde aan, als had -hij het altijd druk, als kwam hij nu even eten tusschen zijn werk door. -Alle drie zetten zich zonder een woord en lepelden de soep. - -—Hoe laat komt mama morgen? vroeg Theo. - -—Om halftwaalf, antwoordde Van Oudijck, en zich wendende tot zijn -lijfjongen, achter zich: - -—Kario, denk er aan, dat de njonja besar morgen om half twaalf -afgehaald moet worden van het station. - -—Kandjeng.... fluisterde Kario. - -Een gerecht van visch werd rondgediend. - -—Doddy, vroeg Van Oudijck; met wie was je zoo even aan het hek? - -Doddy keek haar vader langzaam, verwonderd aan, met haar -vonkel-irissen. - -—Aan.... het hek? informeerde zij langzaam, met een zeer mollig accent. - -—Ja. - -—Aan.... het hek....? Met niemand.... Met Theo misschien. - -—Was jij met je zuster aan het hek? vroeg Van Oudijck. - -De jongen fronsde zijn dikke blonde brauwen. - -—Kan wel.... weet niet.... herinner me niet.... - -Zij zwegen alle drie. Zij haastten het diner af, zich vervelende aan -tafel. De vijf, zes bedienden, in witte baadjes met roode linnen -omslagen, liepen zacht op de platte teenen, bedienden vlug en -geruischloos. Men at nog biefstuk met sla, en podding, en vruchten. - -—Eeuwig biefstuk.... mopperde Theo. - -—Ja, die kokkie! lachte Doddy met haar keellachje. Zij geef altijd -biefstuk, als mama niet is; kan haar niet schelen, als mama niet is. -Zij verzint niet. Te erg toch.... - -Zij hadden in twintig minuten gegeten, toen Van Oudijck weêr ging naar -zijn kantoor. Doddy en Theo slenterden naar voren. - -—Vervelend.... gaapte Doddy. Kom, wij biljarten? - -In de eerste binnengalerij, achter de satijnen portière, stond een -klein biljart. - -—Kom dan, zei Theo. - -Zij speelden. - -—Waarom moest ik samen met je aan het hek geweest zijn? - -—Ach.... té! zei Doddy. - -—Nu, waarom? - -—Pa hoef niet te weten. - -—Met wie was je dan? Met Addy? - -—Natuurlijk! zei Doddy. Zeg, is Stadsmuziek van avond? - -—Ik geloof wel. - -—Kom, wij gaan, ja? - -—Neen, ik heb geen lust. - -—Ach, waarom dan niet? - -—Ik heb geen lust. - -—Ga meê nou? - -—Neen. - -—Met mama.... jij wil wel, ja? zei Doddy boos. Ik weet heel goed. Met -mama jij gaat altijd naar Stadsmuziek. - -—Wat weet jij.... klein nest! - -—Wat ik weet? lachte zij. Wat ik weet? Ik weet wat ik weet. - -—Hé! plaagde hij, een carambole mikkende met een ruwen stoot. Jij met -Addy, hè! - -—Nou, en jij met mama.... - -Hij haalde de schouders op. - -—Je bent gek, zeide hij. - -—Hoef niet te verbergen voor mij! Trouwens, iedereen zegt. - -—Laat ze zeggen. - -—Te erg toch van jou! - -—Ach, stik.... - -Hij smeet zijn keu driftig neêr en ging naar voren. Zij volgde hem. - -—Zeg Theo..., niet boos zijn dan. Ga nou meê naar Stadsmuziek. - -—Neen.... - -—Ik zal niets meer zeggen, smeekte zij lief. - -Zij was bang, dat hij boos zoû blijven, en dan had ze niets en niemand; -dan verveelde ze zich heelemaal. - -—Ik heb Addy beloofd, en ik kan toch niet alleen gaan.... - -—Nu, als je dan niet meer zulke idiote dingen zegt.... - -—Ja, ik beloof. Lieve Theo, ja, kom dan.... - -Zij was al in den tuin. - -Van Oudijck verscheen op den drempel van zijn kantoor, waarvan de deur -altijd open stond, maar dat met een groot schutsel afgesloten was van -de binnengalerij. - -—Doddy! riep hij. - -—Ja, pa? - -—Zoû je morgen kunnen zorgen voor wat bloemen in mama’s kamer? - -Zijn stem was bijna verlegen en zijn oogen knipten. - -Doddy hield haar gegichel in. - -—Goed, pa.... Ik zal zorgen. - -—Waar ga je naar toe? - -—Met Theo.... naar Stadsmuziek. - -Van Oudijck werd rood, boos. - -—Naar de Stadsmuziek? Maar dat kan je me toch wel vragen! riep hij -plotseling razend. - -Doddy pruilde. - -—Ik hoû er niet van, dat je uitgaat, zonderdat ik weet waarheen. Van -middag ook was je weg, toen ik met je wandelen woû! - -—Nu, soedah dan maar, zei Doddy en huilde. - -—Je kan wel gaan, zei Van Oudijck, maar ik wil hebben, dat je het me -eerst vraagt. - -—Neen, ik heb geen trek meer! huilde Doddy. Soedah maar. Geen -Stadsmuziek. - -In de verte, in den tuin van Concordia hoorden zij de eerste klanken. - -Van Oudijck was teruggegaan in zijn kantoor. Doddy en Theo wierpen zich -in twee wipstoelen in de voorgalerij, en wipten met razernij, met de -stoelen schaatsende over het gladde marmer. - -—Kom, zei Theo. Laten we maar gaan. Addy wacht je. - -—Neen, mokte zij. Kan niet schelen. Ik zal Addy morgen zeggen, papa zoo -onaardig. Hij bederft mijn plezier. En.... ik zet geen bloemen in -mama’s kamer. - -Theo grinnikte. - -—Zeg, fluisterde Doddy. Die papa.... hé? Zoo verliefd, altijd. Hij had -een kleur toen hij mij vroeg van die bloemen. - -Theo grinnikte nog eens, en neuriëde met de verre muziek meê. - - - - -III. - -Den volgenden morgen ging Theo om half twaalf met den landauer zijn -stiefmoeder afhalen van het station. - -Van Oudijck, die, op dat uur, meestal de politie-rol afdeed, had zijn -zoon niets gezegd, maar toen hij uit zijn kantoor Theo in het rijtuig -zag stappen en wegrijden, vond hij het aardig van den jongen. Hij had -Theo als kind afgodisch liefgehad, had hem als knaap nog bedorven, was -met hem als jonge man dikwijls in botsing gekomen, maar nog dikwijls -flakkerde de oude vaderpassie onweêrstaanbaar op. Hij had zijn zoon op -dit oogenblik meer lief dan Doddy, die dien morgen nog steeds -geboudeerd had, en geen bloemen in de kamer zijner vrouw gezet had, -zoodat hij aan Kario had bevolen voor bloemen te zorgen. Het speet hem -nu in dagen geen vriendelijk woord tegen Theo gezegd te hebben en hij -nam zich voor, straks dat toch waarlijk weêr eens te doen. De jongen -was wispelturig: in drie jaren was hij employé geweest op zeker vijf -koffie-ondernemingen; nu was hij weêr buiten betrekking, en hing thuis, -zoekende naar iets anders. - -Theo, aan het station, wachtte enkele minuten, toen de trein van -Soerabaia aankwam. Hij zag mevrouw Van Oudijck dadelijk, en de twee -kleine jongens, René en Ricus, in tegenstelling van hem twee kleine -sinjo’s, die zij van Batavia meêbracht voor hunne groote vacantie, en -haar lijfmeid Oerip. - -Theo hielp zijn stiefmoeder uitstijgen, de stationschef groette -eerbiedig de vrouw van zijn rezident. Zij knikte met haar glimlach -terug, als een welwillende koningin. Zij duldde met haar glimlach, éven -dubbelzinnig, dat haar stiefzoon haar kuste op de wang. Zij was een -groote vrouw, blank, blond, over de dertig, met die loome statigheid -van in Indië geboren vrouwen, dochters van geheel Europeesche ouders. -Zij had iets, waarnaar men dadelijk keek. Het was om haar blanke vel, -haar teint van melk, haar heel licht blond haar, hare oogen, vreemd -grauw, soms even geknepen en altijd met een uitdrukking van -dubbelzinnigheid. Het was om haar eeuwigen glimlach, soms heel lief en -innemend, en dikwijls onuitstaanbaar, vervelend. Men wist niet bij een -eerste zien, of zij achter dien blik iets borg, eenige diepte, eenige -ziel, of dat het maar was kijken en lachen, en beiden met die lichte -dubbelzinnigheid. Spoedig echter merkte men op hare glimlachend -afwachtende onverschilligheid, als kon haar heel weinig schelen, als -stelde zij geen belang, zelfs al zoû de hemel boven haar instorten: als -zoû zij, glimlachend, dat wel aan zien komen. Haar tred was langzaam. -Zij droeg een roze piqué rok en bolero, een wit satijnen lint om het -middel, en een witten matelot met wit satijnen strik; en haar zomersch -reispakje was zeer correct, vergeleken bij dat van een paar andere -dames op het perron: drentelende in stijf uitgestreken „bébé’s”—als -nachtjurken—met tulle hoeden en pluimen daarboven!—en in hare zeer -Europeesche verschijning was misschien alleen die langzame pas, die -loome statigheid de Indische nuance, dat, wat haar onderscheidde van -een vrouw, pas uit Holland. Theo had haar den arm toegebogen en zij -liet zich leiden naar het rijtuig—„de wagen”—gevolgd door de twee -donkere broêrtjes. Zij was twee maanden afwezig geweest. Zij had een -knik over en een glimlach voor den stationschef; zij had een blik over -voor den koetsier en den staljongen en zij zette zich langzaam, loom, -blanke sultane, en steeds met haar glimlach, neêr. De drie stiefzoons -volgden haar; de meid reed achter in een karretje. Mevrouw Van Oudijck -zag eens naar buiten en vond dat Laboewangi er nog steeds uitzag als -vroeger. Maar zij zeide niets. Zij trok zich langzaam weêr terug en -leunde achteruit. Haar wezen vertoonde een zekere tevredenheid, maar -vooral die lichtende en lachende onverschilligheid, als kon niets haar -deren, als was zij beschermd door een vreemde macht. Er was in deze -vrouw iets sterks, iets machtigs van louter onverschilligheid: er was -in haar iets onkwetsbaars. Zij zag er uit, of het leven geen vat op -haar zoû hebben, niet op haar teint en niet op hare ziel. Zij zag er -uit of zij niet kon lijden en het was of zij glimlachte en zoo tevreden -was, omdat er voor haar geen ziekte, geen leed, geen armoede, geen -ellende bestond. Eene uitstraling van glanzend egoïsme was om haar. En -toch was zij, meestal, beminnelijk. Zij nam meestal in, zij palmde in, -omdat zij zoo mooi was. Deze vrouw, met hare glinsterende -zelftevredenheid, was bemind, hoe men verder ook over haar sprak. Als -zij sprak, als zij lachte, ontwapende zij, en meer nog, was zij -innemend. Het was trots, en,—misschien—juist òm hare onpeilbare -onverschilligheid. Zij stelde belang alleen in haar eigen lichaam en in -hare eigen ziel; àl het andere, àl het andere was haar totaal -onverschillig. Onmachtig iets van hare ziel te geven, had zij nooit -gevoeld dan voor zichzelve, maar zoo harmonisch en zoo innemend -glimlachend, dat men haar altijd beminnelijk vond, aanbiddelijk. Het -was misschien om de lijn van hare wangen, de vreemde dubbelzinnigheid -in haren blik, haar onuitwischbaren glimlach, de gratie van haar -figuur, de klank van hare stem en haar altijd zoo juiste woord. Als men -haar eerst onuitstaanbaar vond, merkte zij dat niet op en werd juist -allerinnemendst. Als men jaloersch was, merkte zij dat niet op en prees -juist, intuïtief, onverschillig weg—het kon haar totaal niet -schelen—wat een ander in zich minder vond. Zij kon met het liefste -gezicht een toilet bewonderen, dat zij afschuwelijk vond, en uit louter -onverschilligheid, was zij later niet valsch en brak zelfs later die -bewondering niet af. Hare matelooze onverschilligheid was hare -levenskracht. Zij had zich aangewend alles te doen waar zij lust toe -had, maar zij deed het met haar glimlach en, wat men ook praatte achter -haar rug, zij bleef zóo correct, zoo betooverend, dat men het haar -vergaf. Zij was niet bemind als men haar niet zag, maar zoodra men haar -zag, had zij alles weêr gewonnen. Haar man bad haar aan, hare -stiefkinderen—eigen kinderen had zij niet—konden het niet helpen, -onwillekeurig, tegen zich in, van haar te houden; hare bedienden waren -allen onder haar invloed. Zij bromde nooit, zij beval met een woord, en -het gebeurde. Was er iets verkeerd, brak er iets, haar glimlach -bestierf even.... en dat was alles. En was haar eigen ziels- en -lichaamsbelang in gevaar, dan wist zij het meestal af te wenden en nog -zoo voordeelig mogelijk te schikken, zonderdat de glimlach zelfs -bestierf. Maar zij had dit persoonlijk belang zoo om zich geserreerd, -dat zij de omstandigheden ervan meestal beheerschte. Een noodlot scheen -op deze vrouw niet te drukken. Hare onverschilligheid was glanzend, was -geheel onverschillig—zonder minachting, zonder afgunst, zonder emotie: -hare onverschilligheid was eenvoudig onverschilligheid. En de tact, -waarmeê zij instinctmatig, zonder ooit veel na te denken, haar leven -leidde en beheerschte, was zoo groot, dat, misschien, als zij alles -verloren zoû hebben wat zij nu bezat—hare schoonheid, hare pozitie, bij -voorbeeld—zij nog onverschillig zoû kunnen blijven, in hare onmacht om -te lijden. - -Het rijtuig reed het rezidentie-erf in, juist toen de politie-rol -begon. De Javaansche officier-van-justitie—hoofd-djaksa—was reeds bij -Van Oudijck in het kantoor: de djaksa en de politie-oppassers leidden -den stoet der beklaagden: de inlanders hielden elkaâr aan een punt van -hun baadje vast en liepen op een trippelgangetje, maar de enkele -vrouwen er tusschen liepen alleen: onder een waringin-boom, op eenigen -afstand van de trappen van het kantoor hurkten zij allen neêr, in -afwachting. Een oppasser, hoorende de klok in de voorgalerij, sloeg -half-een met de groote bel bij het oppassershuis. De luide slag trilde -als een bronzen tong door de middagblakende hitte na. Maar Van Oudijck -had het rijtuig hooren aanrollen en hij liet den hoofd-djaksa wachten: -hij ging zijne vrouw tegemoet. Zijn gezicht klaarde op: hij kuste haar -teeder, met effuzie, informeerde hoe zij het maakte. Hij was blij de -jongens terug te zien. En zich herinnerende wat hij over Theo had -nagedacht, had hij voor zijn oudste een vriendelijk woord. Doddy, nog -met haar boudeerend dik mondje, zoende mama. Zij liet zich zoenen, -gelaten, glimlachend, zij kuste kalm terug, zonder koelheid, zonder -warmte, juist doende wat zij doen moest. Haar man, Theo, Doddy -bewonderden haar zichtbaar, zeiden, dat zij er goed uitzag; Doddy vroeg -waar mama dat aardige reispakje van daan had? In hare kamer, zag zij de -bloemen en daar zij wist, dat Van Oudijck hiervoor steeds zorgde, aaide -zij even haar man op den arm. - -De rezident ging terug naar zijn kantoor, waar de hoofd-djaksa wachtte; -het verhoor begon. Door een politie-oppasser opgeduwd, kwamen de -beklaagden, een voor een, hurken op de trap, voor den drempel van het -kantoor, terwijl de djaksa hurkte op een matje, de rezident zat voor -zijn schrijftafel. Terwijl de eerste strafzaak behandeld werd, -luisterde Van Oudijck nog naar de stem zijner vrouw in de -middengalerij, toen de beklaagde zich verdedigde met den luiden kreet -van: - -—Bot’n! Bot’n!! [2] - -De rezident fronste zijn wenkbrauwen en luisterde met aandacht.... - -In de middengalerij zwegen de stemmen. Mevrouw Van Oudijck was zich -gaan uitkleeden, om sarong en kabaai aan te doen voor de rijsttafel. -Zij droeg het coquet: een Solosche sarong, een transparante kabaai, -juweelen speldjes; witte leeren muiltjes met een klein wit strikje er -op. Zij was juist klaar, toen Doddy aan haar deur kwam en zeide: - -—Mama, mama.... daar is mevrouw Vàn Does! - -De glimlach bestierf even: de zachte oogen zagen donker.... - -—Ik kom dadelijk, kind.... - -Maar zij ging zitten en Oerip, de lijfmeid, sprenkelde parfum op haar -zakdoek. Mevrouw Van Oudijck vlijde zich uit, en mijmerde wat na, in de -loomheid na hare reis. Zij vond Laboewangi wanhopig vervelend na -Batavia, waar zij twee maanden gelogeerd had bij kennissen en familie, -vrij en zonder verplichtingen. Hier, als rezidentsvrouw, had zij er -eenige, ook al schoof zij de meeste van zich af, op de vrouw van den -secretaris. Zij was in zichzelve moê, ontstemd, ontevreden. Trots hare -algeheele onverschilligheid was zij menschelijk genoeg om hare stille -buien te hebben, waarin zij alles verwenschte. Dan verlangde zij in -eens iets dols te doen, dan verlangde zij, vaag weg, naar Parijs.... -Zij zoû dat nooit aan iemand laten merken. Zij kon zich bedwingen, en -ook nu bedwong zij zich, voor zij zich weêr vertoonde. Haar vaag -Bacchantisch verlangen versmolt in hare loomheid. Zij strekte zich -gemakkelijker, zij mijmerde, met bijna geloken oogen. Door hare bijna -bovenmenschelijke onverschilligheid krulde soms een vreemde fantazie, -verborgen voor de wereld. Het liefst leefde zij in hare kamer haar -leven van geparfumeerde verbeelding, vooral na hare maand in -Batavia.... Ná zoo een maand van perversiteit had zij behoefte hare -vagebondeerende roze verbeelding te laten krullen en wolken voor hare -knippende oogen. Het was in hare verder geheel dorre ziel als een -onwerkelijke bloei van azuren bloemetjes, die zij kweekte met het -eenige sentiment, dat zij ooit zoû kunnen voelen. Zij voelde voor geen -mensch, maar zij voelde voor die bloemetjes. Zoo te mijmeren vond zij -heerlijk. Wat zij had willen zijn, als zij niet behoefde te zijn, die -zij was.... De fantazie wolkte: zij zag een wit paleis en overal -cupidootjes.... - -—Mama.... kom dan tòch! Daar is mevrouw Vàn Does, mevrouw Van Does, met -twee stopflesschen.... - -Het was Doddy aan haar deur. Léonie van Oudijck stond op en ging naar -de achtergalerij, waar de Indische dame zat, de vrouw van den -postkommies. Zij hield koeien en verkocht melk. Maar zij deed ook in -anderen handel. Zij was een dikke dame, even wat bruin, met -vooruitstekenden buik; zij droeg een heel eenvoudig kabaaitje met een -smal kantje er om heen, en hare dikke handjes streelden den buik. Voor -zich op tafel had zij twee stopfleschjes staan, waarin iets glinsterde. -Wat was dat van suiker, kristal, dacht mevrouw Van Oudijck vaag, toen -zij zich plotseling herinnerde.... Mevrouw Van Does zeide, dat zij blij -was haar weêr terug te zien. Twee maanden weg van Laboewangi. Toch te -erg, die mevrouw Van Oudijck maar? En zij wees op de stopflesschen. -Mevrouw Van Oudijck glimlachte. Wat was het? - -Geheimzinnig legde mevrouw Van Does een dik, naar achter omkrullend, -slap geleed wijsvingertje tegen een der stopflesschen aan, en zei, -fluisterend: - -—Inten-inten! [3] - -—Zoo? vroeg mevrouw Van Oudijck. - -Doddy, met groote oogen, en Theo, geamuzeerd, tuurden naar de twee -stopfleschjes. - -—Ja.... U weet wel, van die dame.... van wie ik u gesproken.... Haar -naam wil zij niet noemen. Kassian, vroeger haar man een groote piet, en -nu.... ja toch zoo ongelukkig; zij heeft niets meer. Alles op. Alleen -nog deze twee fleschjes. Al haar juweelen heeft zij uit laten nemen en -de steenen bewaart zij hier in. Alles geteld. Zij vertrouwt mij toe, om -te verkoopen. Door mijn melk heb ik relatie. Wil u zien, mevrouw Van -Oudijck, ja? Móoie steenen! De residèn, hij koop voor u, nu u weêr -thuis is. Doddy, geef mij een zwart lapje; als fluweel, is het beste... - -Doddy wist een stukje zwart fluweel door de djaït [4] te laten zoeken -in een kast met naairommel. Een jongen bracht glazen met -tamarinde-stroop en ijs. Mevrouw Van Does, in haar slapgeleede -vingertjes een tangetje, legde een paar steenen voorzichtig op het -fluweel.... - -—Ja!! riep zij uit. Zie toch die water, mevrouw! Pr....àchtig! - -Mevrouw Van Oudijck zag toe. Zij glimlachte allerliefst en zei toen met -hare zachte stem: - -—Die steen is valsch, lieve mevrouw. - -—Valsch?? kreet mevrouw Van Does. Valsch?? - -Mevrouw Van Oudijck zag naar de andere steenen. - -—En die andere, mevrouw....—zij boog aandachtig, en zeide toen zoo lief -mogelijk: - -—Die andere.... zijn.... òok valsch.... - -Mevrouw Van Does zag haar aan, met pleizier. Toen zei ze tegen Doddy en -Theo, leuk: - -—Die mama van jullie.... pinter! Zij ziet dadelijk! - -En zij lachte luid uit. Allen lachten. Mevrouw Van Does deed de -kristallen weêr in de flesch. - -—Een aardigheid, ja, mevrouw? Ik woû alleen maar zien of u verstand -had. Natuurlijk, u geloof mijn eerewoord: ik zoû u nooit verkoopen... -Maar deze.... kijk.... - -En plechtig nu, bijna godsdienstig, opende zij het andere stopfleschje, -waarin slechts enkele steenen waren: ze legde ze met liefde op het -zwarte fluweel. - -—Die is prachtig.... voor een leontine, zei mevrouw Van Oudijck, -turende op een zeer grooten brillant. - -—Nou.... wat zeg ik u? vroeg de Indische dame. - -En zij tuurden allen op de brillanten, op de echte, die uit het „echte” -stopfleschje, en hielden ze voorzichtig tegen het licht. - -Mevrouw Van Oudijck zag, dat zij allen echt waren. - -—Ik heb heusch geen geld, lieve mevrouw! zeide zij. - -—Deze groote.... voor leontine.... zes-honderd gulden.... een koopje: -ik verzeker u, mevrouw! - -—O, mevrouw, neen nooit! - -—Hoeveel dan? U doet goed werk als u koop. Kassian, haar man vroeger -groote piet. Raad van Indië. - -—Twee-honderd.... - -—Jà, kassian!! Twee-honderd! - -—Twee-honderd-vijftig, maar niet meer. Ik heb heusch geen geld. - -—De residèn.... fluisterde mevrouw Van Does, Van Oudijck bespeurende, -die, nu de rol was afgeloopen, naar de achtergalerij kwam. De -residèn.... hij koop voor u! - -Mevrouw Van Oudijck glimlachte en keek naar den flonkerenden druppel -licht op het zwarte fluweel. Zij hield van juweelen, zij was niet -geheel onverschillig voor brillanten. - -En zij keek op naar haar man. - -—Mevrouw Van Does laat ons een heele boel moois zien, zeide zij -streelend. - -Van Oudijck voelde een schok in zijn borst. Het was hem nooit aangenaam -mevrouw Van Does in zijn huis te zien. Zij had altijd wat te verkoopen: -den eenen keer gebatikte spreien, den anderen keer geweven muiltjes, -een derde keer prachtige maar heel kostbare tafelloopers, met -goudgebatikte bloemen op geel geglansd linnen. Mevrouw Van Does bracht -altijd iets meê, stond altijd in betrekking met vrouwen van vroegere -„groote pieten,” die zij hielp verkoopen, voor heel hooge percenten. -Een morgenvisite van mevrouw Van Does kostte hem iederen keer minstens -eenige rijksdaalders, en heel dikwijls vijftig gulden, want zijne vrouw -had een kalme rust om altijd te koopen dingen, die zij niet noodig had, -maar die zij te onverschillig was om nièt van mevrouw Van Does te -koopen. Hij zag niet dadelijk de twee stopflesschen, maar hij zag den -druppel licht op het zwarte fluweel, en hij begreep, dat de visite -dezen keer meer dan vijftig gulden zoû kosten, als hij niet heel sterk -was. - -—Mevrouwtje! schrikte hij. Het is het einde van de maand; brillanten -koopen, dat gaat niet van daag! En nog wel stopflesschen vol! riep hij -uit, met een schrik, ze nu ziende schitteren op de tafel, tusschen de -glazen tamarinde-stroop. - -—Ja, die residèn! lachte mevrouw Van Does, als was een rezident altijd -rijk. - -Van Oudijck haatte dat lachje. Zijn huishouden kostte hem iedere maand -enkele slordige honderde guldens meer dan zijn traktement en hij teerde -in, had schulden. Zijn vrouw bemoeide zich nooit met geldzaken; zij had -vooral voor deze hare glimlachendste onverschilligheid. - -Zij liet den brillant even flonkeren en de steen schoot een blauwen -straal. - -—Hij is prachtig.... voor twee-honderd-vijftig. - -—Voor drie-honderd dan, lieve mevrouw.... - -—Drie-honderd? vroeg zij droomerig, spelend met het juweel. - -Of het drie-honderd of vier- of vijf-honderd was, het was haar alles om -het even. Het liet haar totaal onverschillig. Maar den steen vond zij -mooi en zij was al beslist dien te nemen, voor hoeveel ook. En dàarom -legde zij den steen rustig neêr en zei: - -—Neen, lieve mevrouw, heusch.... de steen is te duur, en mijn man heeft -geen geld. - -Zij had dat zoo lief gezegd, dat hare bedoeling niet was te raden. Zij -was aanbiddelijk van zelfontzegging, terwijl zij die woorden uitsprak. -Van Oudijck voelde een tweeden schok in zijn borst. Hij kon zijn vrouw -niets weigeren. - -—Mevrouw, zeide hij. Laat den steen maar hier.... voor drie-honderd -gulden. Maar neem dan uw stopflesschen in godsnaam meê. - -Mevrouw Van Does keek jubelend op. - -—Nou... wat heb ik u gezegd? Ik weet zeker, de residèn, hij koop voor -u...! - -Mevrouw Van Oudijck keek zacht verwijtend op. - -—Maar Otto! zeide zij. Hoe is het nu toch mogelijk! - -—Vindt je den steen mooi? - -—Ja, prachtig... maar zoo veel geld! Voor éen brillant! - -En zij trok de hand van haar man naar zich toe en zij duldde, dat hij -haar kuste op het voorhoofd, omdat hij haar een brillant had mogen -koopen van drie-honderd gulden. Doddy en Theo knipoogden tegen elkaâr. - - - - -IV. - -Léonie Van Oudijck genoot steeds van hare siësta. Zij sliep maar een -oogenblik, maar zij vond het heerlijk na de rijsttafel alleen in hare -koele kamer te blijven, tot vijf uur, half zes. Zij las een beetje, -meestal de tijdschriften van den leestrommel, maar voornamelijk deed -zij niets en droomde. Het waren vage verbeeldingen, die opblauwden in -hare middageenzaamheden. Niemand wist hiervan en zij hield ze zeer -geheim, als een geheime zonde, als een ondeugd. Zij gaf zich veel -eerder bloot—voor de wereld—waar het een liaison betrof. Ze duurden -nooit lang, ze telden weinig meê in haar leven, zij schreef nooit -brieven, en de gunsten, die zij verleende, gaven den bevoorrechte nooit -eenig recht in den dagelijkschen omgang der conversatie. Zoo was zij -van een stille, correcte perversiteit, fyziek en moreel. Want ook hare -verbeeldingen, hoe flauwtjes poëtisch ook, waren pervers. Haar meest -geliefde auteur was Catulle Mendes: zij hield van al die bloemetjes van -azuren sentimentaliteit, van die roze cupidootjes van affectatie, het -pinkje in de lucht, de beentjes bevallig fladderend—rondom de meest -verdorven motieven en thema’s van afdwalenden hartstocht. In hare -slaapkamer hingen enkele platen: een jonge vrouw achterover op een -kanten bed, en gezoend door twee stoeiende engeltjes; een ander: een -leeuw met een pijl in de borst aan de voeten van een glimlachende -maagd; een groote reclame-prent van odeur: een soort van bloemenimf, -wier sluier aan alle kanten werd afgerukt door speelsche -parfumerie-cherubijntjes. Zij vond die plaat vooral prachtig, iets -esthetischers kon zij zich niet voorstellen. Zij wist, dat de plaat -monsterlijk was, maar zij had het nooit van zich kunnen verkrijgen het -onding af te haken, ook al zag men er met schuinsche oogen heen; de -kennissen, hare kinderen, die in- en uitliepen in hare kamer, met de -Indische gemakkelijkheid, die geen geheim maakt van het toilet. Zij kon -er minuten heen staren als betooverd; zij vond het allerliefst, en hare -eigen droomen geleken op die prent. Ook bewaarde zij een bonbon-doos -met een keepsake-plaatje, als het type van schoonheid, dat zij nog -mooier vond dan zichzelve: het blosje op de wangen, de bruine -brunette-oogen onder onwaarschijnlijk gouden haren, de boezem zichtbaar -onder kant. Maar zij gaf zich nooit bloot in deze belachelijkheid, die -zij vaag vermoedde; zij sprak nooit over die platen en doosjes, juist, -omdat zij wist, dat ze leelijk waren. Maar zij vond ze mooi, zij vond -ze heerlijk, zij vond ze kunst en poëzie. - -Zoo waren hare liefste uren. - -Hier, te Laboewangi, dorst zij niet doen, wat zij te Batavia deed, en -hier geloofde men nauwlijks wat men te Batavia vertelde. Toch -verzekerde mevrouw Van Does, dat die rezident, en die inspecteur—de een -op reis, de ander op tournée—, en enkele dagen logeerende in het -rezidentie-huis, ’s middags—gedurende de siësta—hun weg hadden gevonden -naar de slaapkamer van Léonie. Maar te Laboewangi waren zulke -werkelijkheden toch zeldzame intermezzo’s tusschen mevrouw Van Oudijcks -roze middagvizioenen.... - -Toch, dezen middag scheen het.... - -Of zij, na een oogenblik gesluimerd te hebben en alle matheid van reis -en warmte opgeklaard was van haar melkwitte teint—of zij, nu zij keek -naar de stoeiende engeltjes van de parfumerie-reclame, niet met hare -gedachte was bij al die roze poppetjes-teederheid, maar of zij -luisterde naar buiten.... - -Zij droeg alleen een sarong, dien zij onder de armen had opgetrokken en -op de borst in een wrong hield samengeknoopt. - -Hare mooie blonde haren hingen los. - -Hare mooie witte voetjes waren bloot; zij had hare muilen zelfs niet -aangeslipt. - -En zij keek door de latjes der jalouzie. - -Tusschen de bloempotten, die op de zijtrappen van het huis hare ramen -met groote bladerenmassa’s maskeerden, zag zij op een bijgebouw van -vier kamers—de logeerkamers—waarvan er een was bewoond door Theo. - -Zij bleef een pooze turen en opende toen, op een kier, de jalouzie... - -En zij zag, dat ook de jalouzie van Theo’s kamer zich even opende... - -Toen glimlachte zij; knoopte vaster den sarong, en legde zich weêr te -bed. - -Zij luisterde. - -Na een oogenblik hoorde zij het grint even knarsen onder den druk van -een muil. Hare jalouziedeuren waren, zonder gesloten te zijn, -dichtgeslagen. Een hand opende ze nu voorzichtig.... - -Zij zag glimlachend om... - -—Wat is er, Theo? fluisterde zij. - -Hij kwam nader, hij was in slaapbroek en kabaai en hij zette zich op -den rand van het bed en speelde met hare witte, mollige handen, en in -eens zoende hij haar met razernij. - -Op dit oogenblik siste er een steen door de kamer. - -Zij schrikten beiden, zagen op, stonden in een oogenblik midden in het -vertrek. - -—Wie gooit er? vroeg zij bevende. - -—Misschien een van de jongens—René of Ricus, die buiten spelen, -antwoordde hij. - -—Ze zijn nu nog niet op... - -—Of iets, dat valt van boven... - -—Het werd toch geslingerd... - -—Zoo dikwijls raakt er een steentje los... - -—Maar dit is grint. - -Zij raapte het steentje op. Hij, voorzichtig, zag naar buiten. - -—Het is niets, Léonie. Het moet heusch van boven zijn gevallen, uit de -goot, door het raam. En toen is het weêr opgesprongen. Het is niets... - -—Ik ben bang, murmelde zij. - -Bijna luid lachte hij en vroeg: - -—Waarvoor? - -Zij behoefden voor niets te vreezen. De kamer was gelegen tusschen het -boudoir van Léonie en twee groote logeerkamers, die alleen voor -rezidenten, generaals en andere hooggeplaatsten werden bestemd. Aan de -andere zijde der middengalerij waren de kamers van Van Oudijck, kantoor -en slaapvertrek, en de kamer van Doddy, en de kamer van de jongens, -Ricus en René. Léonie was dus geïzoleerd aan haar vleugel, tusschen de -logeerkamers in. Het maakte haar brutaal. Om dit uur was het erf geheel -verlaten. Trouwens, zij was niet bang voor de bedienden. Oerip was -geheel vertrouwd en kreeg dikwijls mooie geschenken: sarongs, een -gouden pending [5]: een lange diamanten kabaaispeld, dien zij als een -plaque van zilver en steenen droeg op de borst. Daar Léonie nooit -bromde, vrijgevig was met voorschot, en een zekere schijnbare -gemakkelijkheid had,—hoewel alles alleen gebeurde, zooals zij het -wilde—was zij niet onbemind en hoeveel de bedienden ook van haar -wisten, zij hadden haar nog nooit verraden. Het maakte haar des te -brutaler. Voor een doorgang tusschen slaapkamer en boudoir hing een -gordijn en het was, eens voor al, afgesproken tusschen Theo en Léonie, -dat hij, bij eenig gevaar, rustig weg zoû slippen achter die portière -en zich door de tuindeur van het boudoir begeven zoû naar buiten, als -om de rozen-potten te bezien, die op de treden der trappen stonden. Zoo -zoû het schijnen alsof hij van zijn eigen kamer zoo juist was gekomen -en maar even de rozen bezag. De binnendeuren van boudoir en slaapkamer -waren gesloten, in den regel, omdat Léonie ronduit zeide, dat zij er -niet van hield overvallen te worden. - -Zij hield van Theo, om zijn frissche jeugd. En hier op Laboewangi, was -hij haar eenige ondeugd, een doortrekkende inspecteur en de roze -engeltjes niet meêgerekend. Zij waren nu als stoute kinderen, zij -lachten stil, in elkanders armen. Maar zij moesten voorzichtig zijn. -Het was vier uur geworden en zij hoorden in den tuin de stemmen van -René en Ricus. Zij namen het erf in bezit voor hunne vacantie. Dertien -en veertien jaar, genoten zij van den grooten tuin. Zij liepen in een -blauw gestreept katoenen buisje en broek, op bloote voeten en gingen -naar de paarden, naar de duiven zien: ze plaagden Doddy’s kakatoe, die -op het dak der bijgebouwen trippelde. Zij bezaten een tamme badjing -[6]. Zij maakten jacht op tokkè’s, die zij schoten met een soempitan -[7], tot groote ergernis der bedienden, omdat de tokkè’s geluk -aanbrengen. Zij kochten aan het hek katjang-goreng [8], van een -voorbijgaanden Chinees, en scholden hem daarna uit: - -—Katja....àng golengan! Tjina mampoes! nadoende zijn accent van kè. Zij -klommen in den flamboyant en wiegelden als apen aan de takken. Zij -wierpen de katten met steenen; zij hitsten de honden der buren op tot -zij zich heesch blaften en elkaâr de ooren stuk beten. Zij knoeiden met -water bij den vijver, maakten zich ontoonbaar van modder en vuil en -waagden het de Victoria Regia’s te plukken, dat zij volstrekt niet -mochten doen. Zij onderzochten de stevigheid der groene vlakke -Victoria-bladeren—als prezenteerbladen—en meenden er op te kunnen staan -en zij dompelden onder... Dan namen zij leêge flesschen, plaatsten die -op een rei en kegelden met keisteenen. Dan vischten zij uit de sloot -terzijde van het huis met een bamboe allerlei naamlooze drijvende -dingen op en smeten er elkaâr meê. Hunne fantazie in uitvindingen was -onuitputtelijk, en het uur der siësta was hun uur. Zij hadden een tokkè -gevangen en een kat en lieten ze vechten met elkaâr: de tokkè opende -zijn muil van kleine krokodil en hypnotizeerde de kat, die afdroop, -zich wegtrok uit den zwarten kraalblik,—met hoogen rug, de haren steil -van angst. En daarna aten de jongens zich ziek aan onrijpe manga’s. - -Léonie en Theo hadden door de jalouzie bespied het gevecht van kat en -tokkè en zagen de jongens nu rustig in het gras de onrijpe manga’s -eten. Maar het was het uur, dat de gestraften—een twaalftal—werkten op -het erf, onder toezicht van een ouden, deftigen mandoor, met een rietje -in de hand. Zij haalden water in tonnen en gieters van -Devoe’s-petroleumblikken gemaakt, soms ook in petroleumblikken zelve, -en zij begoten de planten, het gras, het grint. Zij veegden dan het erf -schoon met een luid geruisch van lidi-bezems. - -René en Ricus wierpen achter den mandoor, voor wien ze bang waren, de -gestraften met afgeknabbelde manga’s en scholden ze uit en trokken -grimassen en apentronie’s. Doddy kwam aan, uitgeslapen, spelende met -haar kakatoe, dien zij droeg op de hand en die kaka! kaka! riep, en -zijn gele kuif opzette met snelle nekbewegingen. - -En Theo, nu, sloop achter het gordijn weg in het boudoir en, toen een -oogenblik de jongens elkaâr naliepen in een bombardement van manga’s, -en Doddy naar den vijver wandelde met haar sleeppas van heupwiegelende -kreole, de kakatoe op hare hand,—kwam hij te voorschijn van achter de -planten, rook aan de rozen en deed of hij in den tuin had gewandeld, -vóor hij zijn bad ging nemen. - - - - -V. - -Van Oudijck voelde zich aangenamer gestemd, dan hij zich in weken -gevoeld had; in zijn huis scheen na die twee maanden saaie verveling -weêr iets van familieleven te komen; hij vond het prettig zijn twee -rakkers van jongens in den tuin te zien ravotten, ook al deden zij -allerlei kwaad, en vooral was hij heel tevreden, dat zijn vrouw weêr -terug was. - -Zij zaten nu in den tuin, in négligé, thee te drinken, om half zes. Het -was toch heel vreemd, maar Léonie vulde dadelijk het groote huis met -een zekere comfortabelere gezelligheid, omdat zij er zelve van hield. -Dronk Van Oudijck anders vlug een kop thee, dat Kario hem bracht in -zijn slaapkamer, van daag al was die middagthee een prettig uur; er -waren rieten stoelen en lange mail-stoelen vóor buiten gezet; op een -rieten tafel stond het theeblad; er was pisang goreng gebakken, en -Léonie, in een Japansche, roodzijden kimono, haar blonde haar los, lag -in een rieten stoel en speelde met de kaka van Doddy en voerde den -vogel met gebak. Het was dadelijk heel anders, vond Van Oudijck, zijn -vrouw gezellig, lief, mooi, nu en dan iets vertellende van de kennissen -te Batavia, van de races te Buitenzorg, van een bal bij den Gouverneur, -van de Italiaansche opera; de jongens, vroolijk, gezond, jolig, hoe -vies ook van hun spelen—en hij riep ze eens bij zich, en ravotte even -met ze en vroeg naar het Gymnazium—zij zaten in de tweede klasse; en -zelfs Doddy en Theo schenen hem anders toe, Doddy snoezig en zangerig -rozen nu plukkende aan de bloempotten en Theo, spraakzaam, met mama, en -zelfs met hèm. Een prettige trek speelde om Van Oudijcks snor. Hij zag -er nog jong uit in zijn gezicht en nauwlijks scheen hij -acht-en-veertig. Hij had een scherpen, levendigen blik van vlug opzien, -van acuut doordringen. Hij was wat zwaar en had aanleg nog zwaarder te -worden, maar toch had hij behouden iets vlug militairs, en op zijn -tournées was hij onvermoeid; hij was een uitstekend ruiter. Groot en -forsch, tevreden met zijn huis en zijn gezin, had hij iets prettigs van -stevige mannelijkheid, en lachte om zijn snor de joviale trek. En zich -latende gaan, zich uitstrekkende in zijn rieten stoel, drinkende zijn -kopje thee, sprak hij uit de gedachten, die meestal in zulk een uur van -tevredenheid bij hem opwolkten. Ja, het was toch maar een goed leven in -Indië, bij het Binnenlandsch Bestuur. Ten minste voor hem was het -altijd goed geweest, maar hij had ook een beetje gebofd. Nu was het -wanhopig met de promotie; hij kende tal van assistent-rezidenten, die -zijn tijdgenooten waren en die in jaren nog geen kans hadden rezident -te zullen worden. En dat was zeker een wanhopige toestand, zoo lang te -blijven in een betrekking van ondergeschiktheid aan een superieur, op -dien leeftijd nog bevelen af te moeten wachten van een rezident. Hij -had dat nooit kunnen uithouden, op zijn acht-en-veertigste jaar! Maar -rezident zijn, zelf bevelen, zelf besturen een gewest, groot en -belangrijk als Laboewangi, met zoo uitgebreide koffie-cultuur, zoo -talrijke suikerfabrieken, met zóo vele erfpachtsperceelen—dat was een -genot, dat was leven: een leven grootsch en ruim als geen ander, en -waarmeê in Holland geen betrekking en leven te vergelijken was. Zijne -groote verantwoordelijkheid was zijner heerschersnatuur een genot. Zijn -werkkring was gevarieerd: kantoorwerk en tournée; de belangen van zijn -werk waren gevarieerd: men sufte niet dood op zijn kantoorstoel: na het -bureau was er de vrije natuur, en het was altijd afwisseling, altijd -iets anders. Hij hoopte over anderhalf jaar rezident eerste-klasse te -kunnen worden, als er een eerste-klasse gewest open kwam: Batavia, -Semarang, Soerabaia, of een van de Vorstenlanden. En toch zoû het hem -dan aan zijn hart gaan Laboewangi te moeten verlaten. Hij was gehecht -aan zijn gewest, waarvoor hij vijf jaar al zooveel gedaan had, dat in -die vijf jaar gekomen was tot zijn bloei, voor zooveel bloei mogelijk -was in deze tijden van algemeene malaise: de koloniën arm, de bevolking -verarmd, de koffiecultuur slechter dan ooit, de suiker misschien over -twee jaar een hevige crizis gaande tegemoet.... Indië kwijnde, en zelfs -in den nijveren Oosthoek begon te kankeren een loomheid en zwakte, maar -toch voor Laboewangi had hij veel kunnen doen. Gedurende zijn bestuur -was de bevolking in welvaart toegenomen; de irrigatie der rijstvelden -was er uitstekend, nadat hij den ingenieur, eerst altijd in strijd met -het B.B. [9] had weten te winnen door zijn tact. Talrijke stoomtrammen -waren aangelegd. De secretaris, zijn assistent-rezidenten, zijn -controleurs waren hem toegedaan, al was het zwaar werken onder zijn -bestuur. Maar hij had ook een prettigen toon met ze, al was het werken -zwaar. Hij kon joviaal vriendschappelijk zijn, al was hij de rezident. -Hij was blij, dat zij allen, zijn controleurs, zijn -assistent-rezidenten vertoonden dat gezonde, blijmoedige type van den -ambtenaar van B.B., tevreden met hun leven en werk, al bestudeerden zij -ook tegenwoordig veel meer dan vroeger den Regeeringsalmanak en de -Ranglijst, voor hunne promotie. Het was dan Van Oudijcks stokpaardje -zijne ambtenaren te vergelijken met de rechterlijke ambtenaren, die -niet vertoonden dat opgewekte type: tusschen beide groepen was dan ook -steeds lichte naijver, animoziteit.... Ja, het was een prettig leven, -het was een prettige werkkring, alles was goed, alles was goed. Er ging -niets boven B.B. Het speet hem alleen, dat zijn verhouding tot den -Regent niet gemakkelijker was, niet aangenamer was. Maar het was niet -zijn schuld. Hij had den Regent steeds zeer nauwgezet gegeven wat hem -toekwam, hem gelaten in zijn rechten, hem hoog gehouden tegenover de -Javaansche bevolking en zelfs tegenover de Europeesche ambtenaren. O, -het speet hem zoo innig, dat gestorven was de oude Pangéran, de vader -van den Regent, de oude Regent, een nobele ontwikkelde Javaan. Met dien -had hij steeds gesympathizeerd, hem had hij dadelijk gewonnen door zijn -tact. Had hij niet, nu vijf jaar geleden, toen hij aankwam te -Laboewangi voor de bestuursovername den Pangéran—type van den echten -Javaanschen edelman—geïnviteerd aan zijn zijde plaats te nemen in zijn -eigen rijtuig—en niet, zooals gebruikelijk was, den Regent laten volgen -in een tweede rijtuig achter het rezidentsrijtuig—; en had hij niet -door deze beleefdheid tegenover den ouden prins alle Javaansche hoofden -en ambtenaren dadelijk gewonnen en hen gestreeld in hun eerbied en -liefde voor hun Regent: afstammeling van een der oudste Javaansche -geslachten: de Adiningrats, vroeger, ten tijde der Compagnie, sultans -van Madoera...? Maar Soenario, zijn zoon, de jonge Regent nu, hèm kon -hij niet vatten, niet doorpeilen—dit bekende hij zich slechts -stilzwijgend—; hem zag hij alleen raadselachtig, dien wajangpop, zooals -hij hem noemde, altijd stijf, op een afstand tegenover hém, den -rezident, alsof hij—prins—neêrzag op hem—Hollandschen burgerman; en -daarbij fanatiek, zonder oog voor de belangen zijner Javaansche -bevolking, en alleen maar verloren in allerlei bijgeloovige praktijken -en fanatieke bespiegelingen. Hij zeide het niet ronduit, maar iets -ontsnapte hem in den Regent. Hij kon die fijne figuur, met zijn strakke -koolzwarte oogen, niet neêrzetten als mensch in het praktische leven, -zooals hij steeds den ouden Pangéran had kunnen doen. Die was hem -altijd geweest, volgens den leeftijd, zijn vaderlijke vriend; volgens -de etiquette zijn „jongere broeder,” maar altijd medebestuurder van -zijn gewest. Maar Soenario vond hij oneigenlijk, geen ambtenaar, geen -Regent, alleen maar een fanatieke Javaan, die zich hulde in iets van -geheim: allemaal nonsens, dacht Van Oudijck. Hij lachte om Soenario’s -faam van hoogheiligheid, die de bevolking hem gaf. Hij vond hem -onpractisch: een gedegenereerde Javaan, een gedetraqueerde Javaansche -gommeux! - -Maar zijn disharmonie met den Regent—disharmonie alleen van karakter, -en nooit gekomen tot werkelijkheid van feit—hij draaide het mannetje -immers om zijn vinger!—was de eenige groote moeilijkheid, die hem -gedurende al die jaren wel eens had laten pikeren. En zijn -rezidentsleven had hij niet willen ruilen voor welk ander leven. O, hij -tobde nu al, wat hij later zoû doen als hij gepensioeneerd was. Het -liefst zoû hij zoo lang mogelijk blijven in dienst; lid van den Raad -van Indië, Vice-prezident... Wat hij niet zeide, maar stil ambieerde, -was, in het verschiet, de troon van Buitenzorg. Maar men had -tegenwoordig in Holland die vreemde manie om vreemden tot de hoogste -betrekkingen te benoemen, Hollanders, baren, die totaal niets van Indië -afwisten—in plaats van getrouw te blijven aan het principe oud-Indische -gedienden te kiezen, die van aspirant-controleur waren opgeklommen en -de geheele ambtelijke hiërarchie op hun duimpje kenden.... Ja, wat zoû -hij doen, gepensioeneerd? In Nice wonen? Zonder geld? Want sparen, dat -ging niet; het leven was ruim, maar duur, en in plaats van te sparen -maakte hij beren. Nu ja, dat kwam er nu niet op aan, dat werd -afbetaald, maar later, later.... De toekomst, de pensioeneering, was -hem alles behalve een aangenaam vooruitzicht. Te vegeteeren in Den -Haag, in een klein huis, met een bittertje in de Witte en in de -Besogne-kamer—met de oude pruiken.... brr!! Hij rilde ervan. Hij zoû er -niet aan denken; hij wilde aan de toekomst dan maar in het geheel niet -denken: misschien was hij dood voor dien tijd. Maar nu was het -heerlijk, zijn werkkring, zijn huis, Indië. Er was totaal niets bij te -vergelijken. - -Léonie had hem glimlachend aangehoord; zij kende zijne stille -verrukkingen, zijn dwepen met zijn betrekking;—zooals zij het noemde; -zijn aanbidding van B.B. Zij vond het goed, zij had er niets tegen. Zij -ook waardeerde de luxe van het rezident-zijn. Het betrekkelijke -izolement kon haar niet schelen, zij had meestal genoeg aan -zichzelve... En zij antwoordde glimlachend terug, tevreden, -beminnelijk, met haar teint van melk, dat nog blanker was onder de -lichte bedak [10] tegen de roode zijde der kimono aan, en mooi in de -omgolving van haar blonde haren. - -Dien morgen, een oogenblik, was zij ontstemd geweest, had Laboewangi, -na Batavia, op haar gedrukt, met zijn verveling van binnenlandsche -hoofdplaats. Maar sinds had zij gekregen een grooten brillant; sinds -had zij Theo terug.... Zijn kamer was vlak bij de hare. En hij zoû nog -wel in langen tijd geen betrekking kunnen krijgen. - -Dat waren hare gedachten, terwijl haar man, na zijn pretige -ontboezeming, nog zalig lag na te denken. Dieper dacht zij niet, iets -als wroeging zoû haar ten zeerste hebben verbaasd, had zij er iets van -kunnen voelen.... Het begon zachtjes aan te donkeren, de maan steeg al -lichtend omhoog, en achter de fluweel-mollige waringins, achter de even -op en neêr wuivende pluimen der klapperboomen, die als statiebossen van -donkere struisveêren hoog feestelijk staken in de lucht, doezelde het -laatste licht van de zon een dofgouden weêrschijn, waartegen de -molligheid der waringins, de statie van de klappers afstaken als zwart -geëtst. - -In de verte klonken de enkeltonige klanken van den gamelan, weemoedig, -als van een waterheldere glazen piano, met telkens er tusschen een -diepe dissonant... - - - - -VI. - -Van Oudijck, pleizierig om zijn vrouw en kinderen, wilde gaarne toeren, -en de landauer werd ingespannen. Van Oudijck keek joviaal en prettig, -van onder het breede goudgalon van zijn pet. Léonie, naast hem, had een -nieuwe mauve mousseline japon aan, uit Batavia, en een hoed met mauve -papavers. Een dameshoed in het binnenland is een luxe, iets van -overgroote elegance, en Doddy, tegenover haar, maar op zijn -binnenlandsch zonder hoed, was in stilte geërgerd en vond, dat mama -haar toch wel had kunnen zeggen, dat zij een hoed zoû „gebruiken”, -zooals Doddy’s taaleigen luidde. Nu stak zij zoo af bij mama, nu kon -zij niet velen, die zacht wuivende papavers! Van de jongens was René -meê, in een frisch wit pakje. De hoofdoppasser zat op den bok naast den -koetsier en hield tegen zijn heup de groote gouden pajong, symbool van -het gezag. Het was over zessen, het begon al te donkeren en over -Laboewangi hing in dit uur die fluweelen geluideloosheid, die tragische -geheimzinnigheid van den schemeratmosfeer der Oostmoussondagen. Soms -blafte alleen een hond, kirde een woudduif en verbrak de -oneigenlijkheid van het zwijgen, als van een onbewoonde stad. Maar nu -ook ratelde er dwars door heen het rijtuig, trappelden de paarden de -stilte in kleine flarden. Men kwam geen ander rijtuig tegen; een -onbezielde menschenloosheid hield de tuinen en galerijen betooverd. Een -paar jongelui in het wit wandelden, en namen den hoed af. Het rijtuig -had de notabele lanen verlaten en reed de Chineesche kamp in, waar in -de kleine winkels de lichtjes werden ontstoken. De negotie was zoo goed -als gedaan: de Chineezen rustten uit, in allerlei slappe houdingen van -beenen in de lucht en over elkaâr, de armen rondom het hoofd, de -staarten los, of om het hoofd gebonden. Als het rijtuig naderde, -stonden zij op, bleven eerbiedig staan. De Javanen, voor het -meerendeel—de welopgevoeden, die manieren kenden—hurkten neêr. Langs -den weg stonden nu, verlicht met kleine petroleumlampjes, de -wandelkeukentjes gereid, de drankverkoopers, de gebakverkoopers. De -kleur in de met tallooze lichtjes opgegloeide avondduisternis, was -groezelig bont; de Chineesche winkeltjes overvol van koopwaren, en -beteekend met roode en gouden karakters en beplakt met roode en gouden -papiertjes met spreuken; op den achtergrond het huisaltaar met de -heilige plaat: de witte god, gezeten, en achter hem de grijnzende -zwarte god. Maar de straat verbreedde zich, veraanzienlijkte zich -eensklaps; rijke Chineesche huizen, als witte villa’s, blankten zacht -op; en vooral trof een blanke paleisvilla van een schatrijken -ex-opiumpachter—rijk geworden in de dagen vóor de opium-régie—een blank -paleis van sierlijk stucwerk met tallooze bijgebouwen, de poorten der -voorgalerij in een monumentalen Chineeschen stijl van voorname elegance -en zachte bonte goudkleur, in de diepte van het open huis het zeer -groote huisaltaar, de plaat der goden pronkende in licht; de tuin -aangelegd met gemaniëreerde krinkelpaden, maar mooi volgezet met -vierkante potten en lange bloemvazen van donker blauw-en-groen glazuur, -waarin kostbare dwergplanten—erfstuk van vader op zoon—en alles -gehouden in een blinkende properheid, een verzorgde netheid van détail: -de welvarende, kraakzindelijke luxe van een millionair opium-Chinees. -Maar niet alle Chineesche woningen waren zoo pronkerig open, de meeste -lagen verborgen in tuinen achter hooge muren, gesloten, en doken terug -in het geheim van hun huiselijk leven. Eensklaps waren de huizen gedaan -en langs een breeden weg strekten Chineesche graven zich uit, rijke -graven, den grasheuvel met den gemetselden ingang—ingang van -dood—opgehoogd in den symboolvorm van het vrouwelijk orgaan: uitkomst -van leven,—ruim grasveld er om heen: de ergernis van Van Oudijck, die -berekende hoeveel bouw wel voor kultuur verloren was door die -begraafplaatsen der rijke Chineezen. En de Chineezen schenen te -triomfeeren in leven en dood in de anders zoo stille stad van -geheimzinnigheid, de Chineezen gaven er aan het eigenlijke karakter van -drukke beweging, van handel, van rijk worden, van leven en sterven, -want toen het rijtuig de Arabische wijk inreed—huizen als andere, maar -somber, maar stijlloos, maar fortuin en existentie verborgen achter -dichte deuren; in de voorgalerij wel stoelen, maar de heer des huizes -somber gehurkt op den grond, onbewegelijk, met zwarten blik het rijtuig -achtervolgende—scheen dit stadsgedeelte nog tragischer geheimzinnig dan -het notabele Laboewangi en scheen het onuitzegbare mysterie uit te -donzen als iets van den Islâm, dat zich verspreidde over de héele stad, -of het de Islâm was, die de fatale melancholie van levensgelatenheid -uitduisterde in den huiverenden, geluideloozen avond.... Zij voelden -dat niet in hun ratelende rijtuig, van hun kinderjaren aan die -atmosfeer gewoon en niet gevoelig meer voor het sombere geheim, dat was -als het naderen van een zwarte macht, die hen—overheerschers met hun -kreolenbloed—altijd en altijd had aangeademd, zoodat zij ze nooit -zouden vermoeden. Misschien als Van Oudijck nu en dan in de couranten -las over het pan-islâmisme, dat hem iets aanzweemde of de zwarte macht, -het sombere geheim even opende voor zijne diepste gedachte. Maar zooals -nu—toerende met vrouw en kinderen, in het geratel van zijn rijtuig, en -het getrappel van zijn mooie Sydney-ers, den oppasser, met den gesloten -pajong, die glinsterde als een dichtgestraalde zon, op den bok, voelde -hij te veel zichzelven, zijn heerschers-, zijn overheerschersnatuur, om -iets van het zwarte geheim te raden, iets van het zwarte gevaar te -zien. En hij was vooral nu te prettig, om iets melancholieks te voelen, -te zien. Hij zag, in zijn optimisme, zelfs niet het verval van zijne -stad, die hij liefhad; ze troffen hem niet, nu zij doorreden, die -immense zuilenvilla’s, getuigende van vroegere -planterswelvaart—verlaten, verwaarloosd, in verwilderde erven; een -ervan ingenomen door een hout-aankap-maatschappij, die er den opzichter -liet wonen en in den voortuin de balken stapelde. Treurig blankten de -verlaten huizen op, met portieken van pilaren, die in de woest -vergroeide erven spookten in de maan, als tempels van onheil.... Maar -zij zagen het zoo niet: genietende de wiegeling op de zachte -rijtuigveeren, dommelde Léonie glimlachende, en Doddy spiedde, nu zij -de Lange Laan weêr naderden, uit, of zij niet Addy zag.... - - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - - -I. - -De secretaris Onno Eldersma had het druk. De post bracht iederen dag -aan het rezidentiebureau, waaraan twee kommiezen, zes klerken waren -verbonden, tal van djoeroe-toelis en magangs [11], gemiddeld een paar -honderd brieven en stukken en de rezident mopperde dadelijk zoodra er -achterstallig werk was. Hij werkte zelve stevig aan, hij verlangde van -zijn ambtenaren het zelfde. Maar soms was het een stortvloed van -stukken, requesten, aanvragen. Eldersma was het type van den in zijn -geschrijf opgaanden bureau-ambtenaar, en Eldersma had het altijd druk. -Hij werkte ’s morgens, ’s middags, ’s avonds. Aan siësta deed hij niet. -Hij rijsttafelde even om vier uur, en daarna rustte hij even uit. -Gelukkig had hij een sterk gestel, frisch, Friesch, maar al zijn bloed, -al zijn spieren, al zijn zenuwen waren hem noodig voor zijn werk. Het -was niet wat schrijfwerk, wat paperassengedoe: het was handenarbeid van -de pen, spierarbeid, zenuwarbeid, en altijd, altijd door. Hij brandde -op, hij verteerde zichzelven, al schrijvende. Hij had geen andere -ideeën meer, hij was niets meer dan ambtenaar, bureau-man. Hij had een -lief huis, een allerliefste bizondere vrouw, een aardig kind, maar hij -zag ze niet meer, al leefde hij, vaag, in zijn intérieur. Hij werkte -maar, nauwgezet, afdoende wat hij kon. Soms zeide hij den rezident, dat -het hem onmogelijk was meer te doen. Maar Van Oudijck, op dit punt, was -onverbiddellijk, erbarmingloos. Hij was zelve gewestelijk secretaris -geweest: hij wist wat het was. Het was werken, het was voortjakkeren -als een karrepaard. Het was leven, eten, slapen, met de pen in de hand. -Dan toonde Van Oudijck hem dat en dat werk, dat afgedaan moest worden. -En Eldersma, die gezegd had, dat hij niet meer kon doen dan hij deed, -deed het werk af, en deed dus altijd nog wat meer dan hij dacht te -kunnen doen. - -Dan zeide zijn vrouw, Eva: mijn man is geen mensch meer, mijn man is -geen man meer: mijn man is ambtenaar. Het jonge vrouwtje, zeer -Europeesch, vroeger nooit in Indië geweest, nu al een paar jaar te -Laboewangi, had nooit geweten, dat men zóo kon werken als haar man -deed, in een land zoo warm als Laboewangi was in de Oostmousson. Zij -had er zich eerst tegen verzet, zij had eerst hare rechten op hem -willen doen gelden, maar toen zij waarlijk zag, dat hij geen minuut te -veel had, zag zij van hare rechten af. Zij had dadelijk ingezien, dat -haar man niet met haar zoû meêleven, en zij niet met haar man, niet -omdat hij geen goede man was, die veel van zijn vrouw hield, maar -alleen omdat de post iederen dag tweehonderd brieven en stukken -aanbracht. Zij had dadelijk gezien, dat zij in Laboewangi—waar niets -was—haar troost moest vinden in haar huis, en later, in haar kind. Zij -richtte haar huis in als een tempel van kunst en gezelligheid, en zij -brak zich het hoofd over de opvoeding van haar kleinen jongen. Zij was -een artistiek ontwikkelde vrouw, en zij kwam uit een artistiek milieu. -Haar vader was Van Hove, onze beroemde landschapschilder; hare moeder -was Stella Couberg, onze beroemde concertzangeres. Eva, opgevoed in een -tehuis van kunst en muziek, en die ze geademd had van af klein kindje -uit hare prenteboekjes, en in hare kinderliedjes—Eva had een -Oost-Indisch ambtenaar getrouwd, en was hem gevolgd naar Laboewangi. -Zij hield van haar man, een flinke Friesche kerel, en iemand, genoeg -ontwikkeld om belang te stellen in veel. En zij was gegaan, gelukkig -om haar liefde, en met groote illuzie over Indië, over al het -oriëntalische der tropen. En zij had hare illuzie willen behouden, hoe -men haar ook gewaarschuwd had. Reeds in Singapore had haar getroffen de -bronzen beeldkleur der naakte Maleiërs en het bonte oriëntalisme der -Chineesche en Arabische wijken; de Chrysanthème-poezie der Japansche -theehuizen, die zij voorbijreed.... Maar spoedig al, in Batavia, was -eene teleurstelling grijs neêrgezeefd over hare verwachtingen, om -overal in Indië iets moois te zien, een sprookje, de -Duizend-en-Een-Nacht. De zeden van het kleine, het gewone leven van -iederen dag dempten al hare frissche lust tot bewonderen, en zij zag in -eens al het belachelijke, nog vóor zij het mooie verder zien kon. In -haar hôtel de heeren in nachtbroek en kabaai, uitgestrekt op de lange -stoelen, de luie beenen op de uitgeslagen latten, de voeten—hoewel zeer -verzorgd—bloot, en de teenen rustig bewegende in een gemoedelijk spel -van groote en kleine teen, zelfs terwijl zij voorbijging.... De dames -in sarong, kabaai—de eenige praktische morgendracht, die men vlug -verwisselt, twee-, driemaal in den morgen,—maar wat zoo weinigen goed -staat, en waarvan de rechte slooplijn van achteren vooral rechthoekig -en leelijk is, hoe elegant en kostbaar men het ook draagt. De -banaliteit der huizen met al hun kalk en hun teer en leelijke rissen -bloempotten; het dorre verschroeide van de natuur, het viezige van den -inlander... In het Europeesche leven al de kleine belachelijkheidjes: -het sinjo-accent met de uitroepjes, de kleinsteedsche deftigheidjes der -ambtenaren—de Raden van Indië alléen dragende een hoogen hoed... De -streng afgemeten etiquettetjes: op een receptie vertrekt het eerst de -hoogst geplaatste ambtenaar, en de anderen volgen na... En de kleine -eigenaardigheidjes van tropische praktijk: de Devoe-kisten en blikken -van petroleum gebruikt voor alles en nog wat: het hout voor ramen van -winkels, voor vuilnisbakken en eigengemaakte meubeltjes; de blikken -voor dakgoten en gieters en allerlei huiselijk instrument.... Het -jonge, zeer ontwikkelde vrouwtje, met hare illuzies van den -Duizend-en-Een-Nacht, bij die eerste indrukken niet onderscheidende het -kolonialistische,—de praktijk van den Europeaan, die zich inburgert in -een land, vijandig aan zijn bloed—van het waarlijk poëtische, echt -Indische, zuiver Oostersche, louter Javaansche—het jonge vrouwtje had -om al die belachelijkheidjes, en om meerdere nog, dadelijk gevoeld hare -teleurstelling, als een ieder, artistiek aangelegd, ze voelt in het -koloniale Indië, dat in het geheel niet artistiek en poëtisch is, en -waar men om de rozen in witte potten, nauwgezet, zooveel paardevijgen -maar mogelijk stapelt als mest, zoodat bij een bries de rozengeur zich -vermengt met een frisch besproeiden meststank. En zij was -onrechtvaardig geworden—als een ieder—echt Hollandsch, echt baar—het -wordt voor het mooie land, dat hij zien wil volgens zijn voorbedachte -vizie van litteratuur, en dat hem het eerst treft in zijn belachelijke -kantjes van kolonialisme. En zij vergat, dat het land zelve, het -oorspronkelijk zoo heel mooie land geen schuld had aan die -belachelijkheid. - -Zij had een paar jaren doorgemaakt, en zij had zich verwonderd, was nu -eens geschrikt, dan weêr geschokt, had nu eens gelachen, zich dan weêr -geërgerd, en had zich eindelijk, met de redelijkheid van hare -natuur,—en praktische weêrzijde van hare kunstziel,—gewend. Zij had -zich gewend aan het spel der teenen, aan de mest om de rozen; zij had -zich gewend aan haar man, die geen mensch en geen man meer was, maar -ambtenaar. Zij had veel geleden, zij had wanhopige brieven geschreven, -zij had van heimwee gesmacht naar het huis harer ouders, zij was op het -punt geweest plotseling te vertrekken—maar zij had het niet gedaan, om -haar man niet in eenzaamheid achter te laten, en zij had zich gewend, -en zij had zich geschikt. Zij had behalve de ziel van een artist—haar -pianospel was buitengewoon—het hart van een dapper vrouwtje. Zij was -haar man lief blijven hebben en zij wist, dat zij hem toch een gezellig -huis gaf. Zij dacht heel ernstig over de opvoeding van haar kind. En -toen zij zich had gewend, werd zij rechtvaardiger en zag zij eensklaps -veel van het mooie van Indië, waardeerde zij de statieuze gratie van -een klapperboom, de exquize paradijssmaak van Indische vruchten, de -pracht der bloeiende boomen, en had zij, in de binnenlanden, gezien den -grootschen adeldom van die natuur, de harmonieën der berggolvingen, de -sprokewouden van reuzevarens, de dreigende ravijnen der kraters, de -spiegeltrapterrassen der liquide sawah’s, met het teedere groen der -jonge padi, en, als een openbaring van artistieke vizie was haar -geweest het karakter van den Javaan: zijne sierlijkheid, zijn gratie, -zijn groet en zijn dans, zijn voorname aristocratie, zoo duidelijk -dikwijls afstammeling van edel geslacht, van een oer-ouden adel, en -zich modernizeerend tot diplomatische lenigheid, van nature aanbiddend -het gezag, en noodlottig gerezigneerd onder het juk van die heerschers, -wier gouden galonnen zijn ingeboren eerbied verwekken. - -Om zich had Eva altijd gezien, in haar vaders huis, de eeredienst van -het artistieke en van het schoone, zelfs tot decadentie toe; rondom -haar had men haar altijd gewezen, in een omgeving van louter mooie -dingen, in mooie woorden, in muziek, op de gratie-lijn van het leven, -en misschien te uitsluitend op die gratie-lijn alleen. En nu was zij te -veel getraind in deze school der schoonheid om te blijven in hare -teleurstelling en alleen te zien de kalk en het teer der huizen, de -kleine aanstellerijen der ambtenaren, de Devoe-kisten en de -paardenvijgen. Haar litteraire geest zag nu het paleis-achtige van die -huizen, het typische van dien ambtenaarshoogmoed, die bijna niet anders -zoû kunnen zijn, en al die détails zag zij nauwkeuriger, in geheel die -Indische wereld zag zij ruimer, tot het haar openbaring bij openbaring -werd. Alleen bleef zij voelen iets vreemds, iets, dat zij niet kon -analyzeeren, iets van mysterie, en donker geheim, dat zij voelde -aandonzen in de nachten.... Maar zij dacht, dat was niet meer dan -stemming van duister en heel dicht loof, dat was als heel stille muziek -van heel vreemde snaarinstrumenten, een mineur harpgeruisch in de -verte, een vage stem van waarschuwing.... Een geruisch in den nacht, -meer niet, en waarover zij poëtizeerde. - -Te Laboewangi—kleine binnenlandsche hoofdplaats—verbaasde zij dikwijls -de verbinnenlandschte elementen, omdat zij had iets opgewondens, omdat -zij was enthouziast, spontaan, blij te leven—zelfs in Indië—blij om de -schoonheid van het leven, omdat zij had een gezonde natuur, zacht -getemperd en weggedoezeld in een bekoorlijke aanstellerij van niets te -willen dan het mooie, de mooie lijn, de mooie kleur, de kunstgedachte. -Zij was aan die haar kenden, of antipathiek, of zeer sympathisch: -weinigen voelden onverschilligheid voor haar. Zij had zich in Indië -verworven een reputatie van bizonderheid: haar huis was bizonder, hare -kleeding bizonder, de opvoeding van haar kind bizonder, hare ideeën -waren bizonder, en alleen gewoon was haar Friesche man, bijna te gewoon -in die omgeving, die geknipt scheen uit een tijdschrift voor kunst. -Daar zij hield van gezelligheid, verzamelde zij om zich heen zooveel -Europeesch element als maar mogelijk, dat wel zelden artistiek was, -maar waarin zij toch bracht een prettigen toon, iets dat allen aan -Holland deed denken. Dat clubje, die groep bewonderde haar, en volgde -van zelve den toon, dien zij aangaf. Door hare meerdere ontwikkeling -heerschte zij, zonderdat zij de heerschersnatuur had. Maar dat alles -vond een ieder niet goed, en de anderen noemden haar excentriek. De -club echter, de groep, bleef haar trouw, in de zachte loomheid van het -Indische leven opgewekt door haar tot concerten, tot ideeën, tot -levenslust. - -Zoo had zij om zich heen den dokter en zijn vrouw, den hoofd-ingenieur -en zijn vrouw, den controleur-kotta en zijn vrouw, en soms, van -buiten-af, een paar controleurs, een paar jonge employé’s van de -suikerfabrieken. Dat was om haar heen een vroolijk troepje, waarin zij -heerschte, met wie zij comedie speelde, pic-nics arrangeerde, en dat -zij bekoorde door haar huis, en haar japonnen, en de epicuristische -kunstlijn van haar leven. Zij vergaven haar alles wat zij niet -begrepen—haar levens-esthetiek, haar muziek van Wagner—omdat zij hun -vroolijkheid gaf, wat levenslust en gezelligheid in de doodschheid van -hunne ver-Indisching. Daarvoor waren zij haar innig dankbaar. En zoo -was het gekomen, dat haar huis eigenlijk middelpunt van het sociale -leven van Laboewangi was geworden, terwijl het rezidentie-huis, er -tegenover, zich in zijn waringin-schaduw met deftigheid terugtrok. -Léonie van Oudijck was er niet ijverzuchtig om. Zij hield van hare -rust, en zij liet dolgraag alles over aan Eva Eldersma. En zoo bemoeide -Léonie zich met niets, niet met feesten, niet met muziek- en -komedie-gezelschap, niet met liefdadigheid, en al de sociale plichten, -die een rezidentsvrouw anders op zich voelt rusten, droeg zij op Eva -over. Léonie had eens in de maand hare receptie, sprak iedereen aan, -glimlachte tegen iedereen en gaf op Nieuwjaar haar jaarlijksch bal. -Daarbij bepaalde zich het sociale leven in het rezidentie-huis. Zij -leefde er verder in haar egoïsme, in de behagelijkheid, die zij -egoïstisch voor zich om zich heen schiep, in haar roze gedroom van -engeltjes en in wat zij er oogsten kon van liefde. Soms, periodiek, had -zij behoefte aan Batavia en ging zij er een paar maanden heen. En zoo -leefde zij, als rezidentsvrouw, haar eigen leven, en Eva deed alles, en -Eva gaf den toon aan. Het gaf soms kleine naijver, bijvoorbeeld -tusschen haar en de vrouw van den inspecteur van financiën, die vond, -dat haar de eerste plaats toekwam na mevrouw Van Oudijck, en niet aan -de vrouw van den secretaris. Dan was het een geharrewar met de Indische -ambtenaars-etiquette en verhalen, praatjes deden de ronde, vergroot, -verergerd, tot in de verst gelegen suikerfabriek van de rezidentie. -Maar Eva stoorde zich niet aan de praatjes en zorgde liever voor wat -gezelligheid in Laboewangi. En om iets goeds tot stand te brengen, -heerschte zij, met haar clubje. Men had haar gekozen tot prezidente van -het tooneelgezelschap Thalia, en zij nam aan, maar op voorwaarde, dat -het reglement zoû worden afgeschaft. Zij wilde wel koningin zijn, maar -zonder grondwet. Men zeide haar algemeen, dat dit toch niet ging: er -was altijd een reglement geweest. Maar Eva antwoordde, dat zij met een -reglement niet wilde prezideeren. Dan zoû zij liever alleen meêspelen. -Men gaf toe: de grondwet van Thalia werd afgeschaft, Eva heerschte er -absoluut, koos de stukken uit, verdeelde de rollen. En het was de -bloeitijd van het gezelschap—men speelde, gedrild door haar, zoo goed, -dat men van Soerabaia kwam om de voorstellingen in Concordia bij te -wonen. De stukken, die men speelde, waren van een gehalte, als nimmer -in Concordia was gespeeld. - -Het maakte haar weêr bemind, of in het geheel niet bemind. Maar zij -ging door en zorgde voor wat Europeesche beschaving, om niet al te veel -te „beschimmelen” in Laboewangi. En men deed laagheden om toch maar -geïnviteerd te worden op hare dinertjes, die waren beroemd en berucht. -Want zij eischte, dat hare heeren in rok kwamen en niet in hun -Singaporesche jasjes, zonder hemd. Zij stelde rok en witte das in, en -zij was onverbiddelijk. De dames waren als altijd gedecolleteerd, voor -de koelte en vonden dat heerlijk. Maar hare arme heeren stribbelden -tegen, pufden de eerste maal, kregen congestie in hun hoogen boord; de -dokter beweerde, het was ongezond; de oudgasten beweerden, het was -dolligheid en breken met alle goeie, oude, Indische gewoonten... - -Maar toen men eerst een paar maal gepufd had in dien rok en dien hoogen -boord, vond iedereen de dinertjes van mevrouw Eldersma verrukkelijk, -juist omdat ze zoo Europeesch werden gehouden. - - - - -II. - -Eva ontving om de veertien dagen. - -—Hoor, rezident, het is geen receptie, verdedigde zij zich altijd tegen -Van Oudijck. Ik weet heel goed, dat niemand mag recepieeren, in het -binnenland, dan de rezident en de rezidente. Het is heusch geen -receptie, rezident. Ik zoû niet durven het zoo te noemen. Ik hoû alleen -maar open huis, om de veertien dagen, en ik vind het gezellig, als de -kennissen dan komen... Het mag toch wel, niet waar, rezident, als het -geen receptie is? - -Van Oudijck lachte dan vroolijk met zijn jovialen, militairen snorlach, -en vroeg of mevrouwtje Eldersma hem voor den gek hield. Zij mocht -alles, als zij maar voortging te zorgen voor wat gezelligheid, voor wat -komedie, voor wat muziek, voor wat prettig sociaal samenleven. Dat was -nu eenmaal de plicht, die op haar rustte: te zorgen voor het mondaine -element in Laboewangi. - -Hare ontvangdagen hadden niets Indiesch. In het rezidentie-huis bij -voorbeeld waren de recepties geregeld volgens het oud-Indiesch -binnenlandsche gebruik: op de stoelen langs de wanden zaten al de dames -naast elkaâr, en mevrouw Van Oudijck liep ze langs, praatte met ieder -een oogenblik, staande, terwijl de dames bleven zitten; in een andere -galerij onderhield zich de rezident met de heeren. Het mannelijke -element mengde zich niet met het vrouwelijke. Bitter, port en ijswater -werden rondgediend. - -Bij Eva liep men, wandelde men door de galerijen, zette zich hier, -daar; men sprak met iedereen. Er heerschte niet de statigheid als in -het rezidentie-huis, maar er was de chic van een Franschen salon, met -een artistieke tint. En het was een gewoonte geworden, dat de dames -zich meer kleedden voor Eva’s dagen dan voor de receptie’s bij den -rezident; zij hadden bij Eva hoeden op, symbool van uiterste elegance -in Indië. Gelukkig kon het Léonie niet schelen, het liet haar totaal -onverschillig. - -In de middengalerij nu, op een divan, zat Léonie en bleef er zitten met -de Raden-Ajoe, de vrouw van den Regent. Zij vond die oude gewoonte -gemakkelijk; ieder kwam naar haar toe. Zij had op hare eigen receptie’s -al zooveel te loopen, langs de rei dames aan den wand... Nu nam zij -haar rust, bleef zitten, glimlachte tegen wie haar zijn compliment kwam -maken. Maar verder was het een woelige beweging van gasten. Eva was -overal. - -—Vindt u het hier mooi? vroeg mevrouw Van Does aan Léonie, met een blik -over de middengalerij en haar oog gleed verwonderd langs de matte -arabesken, als fresco, met calcarium op den zacht grijzen wand geverfd, -langs de djati-houten lambrizeering, door handige Chineesche -meubelmakers gesculpteerd volgens een teekening uit de Studio, langs de -bronzen Japansche vazen op djati-houten piedestals, en waarin -bamboetakken en boeketten van reuzebloemen zacht overschaduwden tot aan -het plafond toe. - -—Vreemd... maar heel lief! Eigenaardig..., murmelde Léonie, wie Eva’s -smaak steeds een raadsel was. In zich teruggetrokken als in een tempel -van egoïsme, kon haar wat een ander deed en voelde, niet schelen, en -ook niet hoe een ander zijn huis arrangeerde. Maar zij had hier niet -kunnen wonen. Zij hield meer van hare lithogravure’s—Veronese, en -Shakespeare, en Tasso—zij vond die deftig—dan van de mooie bruine -fotografieën naar Italiaansche meesters, die Eva hier en daar op ezels -had staan. Het meest hield zij van haar bonbon-doos, en de -parfumerie-reclame met de engeltjes. - -—Vindt u die japon mooi? vroeg mevrouw Van Does weêr aan Léonie. - -—Jawel, glimlachte Léonie lief. Eva is heel knap; ze heeft die blauwe -irissen zelve geschilderd op Chineesche zij.... - -Zij zeide nooit iets anders dan lieve, glimlachende dingen. Zij sprak -nooit kwaad; het was haar onverschillig. En zij wendde zich nu tot de -Raden-Ajoe, en bedankte haar met lieve, slepende zinnen voor vruchten, -die deze gezonden had. De Regent kwam haar aanspreken, en zij -informeerde naar zijn beide zoontjes. Zij sprak in het Hollandsch, en -de Regent en de Raden-Ajoe antwoordden in het Maleisch. De Regent van -Laboewangi, Raden Adipati Soerio Soenario was nog jong, even dertig -jaar, een fijn Javaansch gezicht als van een laatdunkende wajangpop, -met een klein kneveltje, waaraan zorgvuldige puntjes gedraaid, en -vooral een staarblik, die trof: een blik als in een voortdurende -transe, een blik als peilende door de zichtbare werkelijkheid en ziende -door ze heen, een blik uit oogen als kolen, soms dof en moê, soms -opgloeiende als vonken van extaze en fanatisme. Hij had bij de -bevolking—bijna slaafsch gehecht aan hunne Regentenfamilie—een faam van -heiligheid en geheimzinnigheid, zonderdat men er ooit het ware van -hoorde. Hier, in Eva’s galerij, maakte hij alleen een indruk van -popperigheid, van voornamen Indischen prins: alleen zijn transe-oogen -verbaasden. De sarong, glad om zijn heupen, viel van voren lang neêr in -een bundel van platte, regelmatige plooien, die openwaaierden; hij -droeg een wit gesteven hemd met diamanten knoopen, en een klein blauw -dasje; daarover een blauw laken uniformbuis met gouden uniformknoopen, -waarop de gekroonde W.; aan zijn bloote voeten staken zwart verlakte -van voren opgepunte muilen; de hoofddoek, zorgvuldig met kleine plooien -gekapt om zijn hoofd, gaf aan zijn fijne gezicht iets vrouwelijks, maar -de zwarte oogen, nu en dan moê, vonkten telkens op in transe, extaze. -In zijn blauw-en-gouden gordel, geheel van achteren, midden op den rug, -stak de gouden kris; aan zijn kleine, slanke hand schitterde een groote -steen en uit de zak van zijn buis wipte een cigarettekoker van gouden -vlechtwerk. Hij zeide niet veel—soms keek hij of hij slaap had, dan -weêr gloeiden-op zijn vreemde oogen—en op wat Léonie zeide, antwoordde -hij bijna uitsluitend alleen met een kort en hakkerig: - -—Saja.... - -Hij sprak de beide lettergrepen uit met een hard en sissend -beleefdheidsaccent, op iedere silbe evenveel toon van nadruk. Hij -vergezelde zijn beleefdheidswoordje met een kort, automatisch -hoofdknikje. Ook de Raden-Ajoe, gezeten naast Léonie, antwoordde zoo: - -—Saja.... - -Maar zij lachte telkens even na, zacht verlegen. Zij was nog heel jong, -misschien even achttien jaar. Zij was een Solosche prinses, en Van -Oudijck kon haar niet uitstaan, omdat zij Solosche manieren, Solosche -zeggingen invoerde te Laboewangi, in haar laatdunkenden hoogmoed of -niets zoo voornaam en zuiver aristocratisch zoû zijn als wat gewoonte -was en gezegd werd aan het hof van Solo. Zij gebruikte hofwoorden, die -de bevolking te Laboewangi niet begreep, zij had den Regent opgedrongen -een koetsier van Solo, met de Solosche galadracht: de pruik en den -valschen knevelbaard, waarnaar de bevolking tuurde met open oogen. Hare -gele tint was nog lichter opgeblankt door een lichte laag van bedak, -vochtig opgelegd, de wenkbrauwen waren even opgebogen met een streekje -zwart; in hare glanzende kondé staken juweelen spelden en in het -midden, een kenanga-bloem. Zij droeg op een kainpandjang [12], die naar -Solosche hofdracht lang sleepte voor hare voeten, een kabaai van rood -brokaat, met galon afgezet, en met drie groote juweelen gesloten. Twee -fabelsteenen trokken, zwaar in zilver gezet, hare ooren neêr. Zij droeg -lichte à-jour kousen en gouden sonket- [13]muilen. Hare kleine, dunne -vingertjes waren stijf van ringen, als gezet in brillant, en zij had -een waaier van wit pluimendons in de hand. - -—Saja.... saja.... antwoordde zij hoffelijk, met haar verlegen lachje. - -Léonie zweeg even, moê van alleen te praten. Als zij den Regent en de -Raden-Ajoe gesproken had over hun zonen, wist zij niet veel meer te -zeggen. Van Oudijck, die eerst door Eva was rondgeleid door hare -galerijen—want er was altijd weêr iets nieuws te bewonderen,—naderde -zijn vrouw; de Regent rees op. - -—En Regent, vroeg hij, in het Hollandsch—; hoe gaat het met de -Raden-Ajoe Pangéran? - -Hij informeerde naar de weduwe van den ouden Regent, de moeder van -Soenario. - -—Heel goed.... dank u.... murmelde de Regent in het Maleisch; maar mama -is niet meêgekomen.... al zoo oud.... gauw moê. - -—Ik heb u even te spreken, Regent. - -De Regent volgde Van Oudijck in de voorgalerij, waar niemand was. - -—Het spijt mij, u te moeten zeggen, dat ik zoo pas weêr slechte tijding -heb van uw broêr, de Regent van Ngadjiwa.... Men heeft mij -geïnformeerd, dat hij dezer dagen weêr gedobbeld en groote sommen heeft -verloren. Weet u daar iets van? - -De Regent sloot zich als op in zijn popperige strakheid, en bleef -zwijgen. Alleen zijn oogen staarden, als zag hij verre dingen, door Van -Oudijck heen. - -—Weet u daar iets van, Regent? - -—Tida.... - -—U, als hoofd van uw familie, draag ik op daarnaar te informeeren en op -uw broeder te letten. Hij dobbelt, hij drinkt, hij doet uw naam geen -eer aan, Regent. Als de oude Pangéran ooit had kunnen vermoeden, dat -zijn tweede zoon zich zoo vergooide, zoû hij groot verdriet gehad -hebben. Hij droeg zijn naam hoog. Hij was een der verstandigste en -edelste Regenten, die het Gouvernement ooit op Java heeft gehad, en u -weet, hoe het Gouvernement den Pangéran waardeerde. Al in den tijd der -Compagnie is Holland veel verschuldigd geweest aan uw geslacht, dat -haar altijd trouw was. Maar de tijden schijnen te veranderen.... Het is -zeer treurig, Regent, dat een oude Javaansche familie van zoo hooge -traditie als de uwe, niet meer getrouw weet te blijven aan die -traditie.... - -Raden Adipati Soerio Soenario werd olijfbleek. Zijn transe-oogen -doorstaken den rezident, maar hij zag, dat deze ook kookte van woede. -En hij doofde den vreemden vonk van zijn blik in een slaperige moêheid. - -—Ik dacht, rezident, dat u altijd liefde gevoeld had voor mijn huis, -murmelde hij, bijna klagend. - -—En u heeft goed gedacht, Regent. Ik had den Pangéran lief. Ik heb -altijd uw huis bewonderd, en ik heb het altijd hoog willen houden. Ik -wil het ook nu hoog houden, met u samen, Regent, hopende, dat u niet -alleen ziet—als uw faam gaat—de dingen der andere wereld, maar ook de -werkelijkheid rondom u heen. Maar het is uw broeder, Regent, dien ik -niet liefheb en onmogelijk kan hoogachten. Men heeft mij gezegd—en die -het mij zeiden, kan ik vertrouwen,—dat de Regent van Ngadjiwa niet -alleen heeft gedobbeld.... maar ook, dat deze maand de traktementen der -hoofden te Ngadjiwa niet door hem zijn uitbetaald.... - -Zij zagen elkaâr strak aan, en de kalme, flinke blik van Van Oudijck -ontmoette den transe-vonk van den Regent. - -—De personen, die u inlichten, kunnen zich vergissen... - -—Ik vermoed, dat zij mij niet zulke berichten zullen brengen zonder de -onbetwijfelbaarste zekerheid... Regent, deze zaak is zeer kiesch. -Nogmaals: u is het hoofd van uw familie. Onderzoek bij uw jongeren -broêr in hoeverre hij zich vergrepen heeft aan het geld van het -Gouvernement, en herstel zoo spoedig mogelijk alles. Ik laat expres de -zaak aan u over. Ik zal uw broêr er niet over spreken om een lid van uw -familie nog te sparen, zoolang ik kan. Het is aan u uw broêr terecht te -wijzen, hem te wijzen op wat in mijn oogen een misdaad is, maar die u -door uw prestige als chef der familie nog te niet kunt doen. Verbied -hem te dobbelen en beveel hem zijn passie meester te worden. Of anders -voorzie ik zeer treurige dingen en zal ik uw broêr moeten voordragen -voor ontslag. U weet zelve hoe ongaarne ik dit zoû doen. Want de Regent -van Ngadjiwa is de tweede zoon van den ouden Pangéran, dien ik hoog heb -gesteld, evenals ik uw moeder, de Raden-Ajoe Pangéran, altijd alle -verdriet zoû willen besparen. - -—Ik dank u... murmelde Soenario. - -—Bedenk goed wat ik u zeg, Regent. Als u niet uw broêr tot rede kunt -brengen, tot zelfbeheersching in zijn hartstocht—als de traktementen -der hoofden niet zoo spoedig mogelijk worden uitbetaald.... dan zal IK -moeten optreden. En zoû MIJNE waarschuwing niet helpen... dan zoû het -de ondergang zijn van uw broêr. U weet zelve: een Regent ontslaan is -een zoo groote exceptie, dat het schande over uwe familie zoû brengen. -Werk met mij meê het geslacht der Adiningrats daarvoor te bewaren. - -—Ik beloof het u... murmelde de Regent. - -—Geef mij uw hand, Regent. - -Van Oudijck drukte de dunne vingers van den Javaan. - -—Kan ik u vertrouwen? vroeg hij nog eens. - -—In leven, in dood... - -—Laat ons dan nu naar binnen gaan. En deel mij zoo spoedig mogelijk uw -bevindingen meê... - -De Regent boog. Hij was olijfbleek van een stille geheimzinnige woede, -die als een kratervuur in hem werkte. Zijn oogen, achter in Van -Oudijcks rug, priemden met een mysterie van haat den Hollander toe, den -minnen Hollander, den burgerman, den onreinen hond, den goddeloozen -Christen, die niet hàd aan te roeren met eenige voeling van zijn vuile -ziel iets van hèm, van zijn huis, van zijn vader, van zijn moeder, van -hunne oer-heilige edelheid en adel... ook al hadden zij altijd gebogen -onder den druk van wie sterker was... - - - - -III. - -—Ik heb op jullie gerekend, om te blijven eten, zei Eva. - -—Natuurlijk, antwoordden de controleur Van Helderen en zijn vrouw. - -De receptie—geen receptie, verdedigde zich Eva altijd—liep ten einde: -de Van Oudijcks, het eerst, waren vertrokken; de Regent volgde. De -Eldersma’s bleven met hun intiem troepje alleen: dokter Rantzow, de -hoofdingenieur Doorn de Bruijn, met hunne vrouwen, en de Van Helderens. -Zij zetten zich in de voorgalerij met een zekere ontspanning neêr, en -schommelden behagelijk. Whiskey-soda’s, limonades, met groote brokken -ijs, werden rondgediend. - -—Altijd stampvol, receptie van Eva, zei mevrouw Van Helderen. Voller -dan verleden bij residèn ... - -Ida Van Helderen was een typetje van blanke nonna. Zij probeerde altijd -heel Europeesch te doen, netjes Hollandsch te spreken; zelfs gaf zij -voor, dat zij slecht Maleisch sprak, en dat zij noch van rijsttafel, -noch van roedjak hield. Zij was klein, regelmatig molligjes; zij was -heel blank, bleek-blank, met groote zwarte verwonderde oogen. Zij was -vol kleine geheimzinnige nukjes, haatjes, liefde-tjes; alles sprong in -haar op met geheimzinnige drijfveertjes, niet na te gaan. Soms haatte -zij Eva, soms was zij dol op haar. Staat was er totaal niet op haar te -maken; iedere handeling, iedere beweging, ieder woord kon een -verrassing zijn. Zij was altijd verliefd, tragisch. Zij nam al hare -kleine gevallentjes heel tragisch op, heel groot en somber—zonder het -minste idee van verhouding—en stortte zich dan uit bij Eva, die lachte -en haar troostte. Haar man, de controleur, was nooit in Holland -geweest: hij had zijne opvoeding geheel te Batavia gehad aan het -Gymnazium Willem III en aan de Indische Afdeeling. En het was zeer -vreemd te zien, deze kreool, schijnbaar geheel Europeaan, lang, blond, -bleek, met zijn blonde snor, met zijn blauwe oogen van levendige -uitdrukking, vol belangstelling, met zijn manieren van een fijnere -hoffelijkheid dan den gigrl-sport-chic van Europa, en toch zoo niets -Indiesch in ideeën, woorden, kleeding; die sprak over Parijs en Weenen, -alsof hij er jaren geweest was, terwijl hij Java nooit had verlaten, -die dweepte met muziek—al was het hem ook moeilijk zich in Wagner te -werken, als Eva dien speelde—; en wiens groote illuzie was het volgende -jaar toch eindelijk eens naar Europa te gaan, met verlof, om de -Fransche Expozitie te zien. Er was een verwonderlijke distinctie en -ingeboren stijl in dezen jongen man, als was hij niet een kind van -Europeesche ouders, die steeds in Indië waren geweest, als was hij een -vreemdeling van een land onbekend, van een nationaliteit, die men zich -niet dadelijk wist te herinneren.... Nauwlijks was er een zekere -molligheid aan zijn accent—invloed van het klimaat—; hij sprak zijn -Hollandsch zoo correct, dat het bijna stijf zoû geweest zijn tusschen -het slordige „slang” van het moederland; en hij sprak zijn Fransch, -zijn Engelsch, zijn Duitsch met meer gemak, dan de meeste Hollanders -die talen spreken. Misschien had hij van een Fransche moeder dat -exotisch beleefde en hoffelijke: ingeboren, prettig, natuurlijk. In -zijn vrouw, ook van Fransche origine, gesproten uit een kreolenfamilie -van Bourbon, was dat exotische een geheimzinnige mengeling geworden, -die niets dan kinderlijkheid was gebleven: eene warreling van kleine -gevoelentjes, kleine hartstochtjes, terwijl zij met haar groote, -sombere oogen tragisch het leven probeerde te zien, dat zij alleen maar -inkeek als een slecht geschreven novelletje. - -Zij meende nu verliefd te zijn op den hoofdingenieur, den doyen van het -troepje, al grijzende, met een zwarten baard, en zij, tragisch, stelde -zich scènes voor met mevrouw Doorn de Bruijn, een zware, placide, -melancholieke vrouw. Dokter Rantzow en zijn vrouw waren Duitschers; -hij, dik, blond, vrij vulgair, met een buikje; zij, met een helder -Duitsch gezicht van prettige matrone, levendig Hollandsch sprekende met -een Duitsch accent. - -Het was in dit clubje, dat Eva Eldersma heerschte. Behalve Frans van -Helderen, de controleur, bestond het uit al heel gewone Indische en -Europeesche elementen, menschen zonder kunstlijn, zooals Eva zeide, -maar zij had niet anders kunnen kiezen, in Laboewangi, en daarom -amuzeerde zij zich over de nonna-tragiekjes van Ida, en schikte zij -zich naar de anderen. Haar man, Onno, als altijd moê van zijn werk, -sprak niet veel meê, luisterde toe. - -—Hoe lang is mevrouw Van Oudijck te Batavia geweest? vroeg Ida. - -—Twee maanden, zei de doktersvrouw; heel lang dezen keer. - -—Ik heb gehoord, zei mevrouw Doorn de Bruijn—placide, melancholiek, en -stil venijnig—dat dezen keer éen Raad van Indië, éen Directeur en drie -jongelui uit den handel mevrouw Van Oudijck te Batavia hebben -geamuzeerd. - -—En ik kan jullie verzekeren, begon de dokter; dat als mevrouw Van -Oudijck niet geregeld naar Batavia ging, zij een weldadige kuur zoû -missen, ook al doet zij die kuur op haar eigen houtje, en niet.... op -mijn voorschrift. - -—Laat ons geen kwaad spreken! viel Eva bijna smeekend in. Mevrouw Van -Oudijck is mooi—van een rustig Juno-mooi, met de oogen van Venus—en -mooie menschen in mijn omgeving vergeef ik veel. En u, dokter...—zij -dreigde hem met den vinger—; geen ambtsgeheimen verklappen. U weet, -dokters in Indië zijn dikwijls al te openhartig omtrent de geheimen van -hun patiënten. Ik heb, als ik eens ziek ben, nooit iets anders dan -hoofdpijn. Zal u dat nooit vergeten, dokter? - -—De rezident was gepreoccupeerd, zei Doorn de Bruijn. - -—Zoû hij weten.... van zijn vrouw? vroeg Ida somber, met hare groote -oogen vol zwart fluweelen tragiek. - -—De rezident is dikwijls zoo, zei Frans van Helderen. Hij heeft zijn -buien. Hij is soms prettig, vroolijk, joviaal, zooals verleden op de -tournée. Dan heeft hij weêr zijn sombere dagen, werkt, werkt, werkt, en -bromt, dat er niet anders gewerkt wordt dan door hem.... - -—Mijn arme miskende Onno! zuchte Eva. - -—Ik geloof, dat hij zich overwerkt, ging Van Helderen door. Laboewangi -is een ontzettend druk gewest. En de rezident trekt zich te veel aan, -zoowel in zijn huis, als buiten-af. Zoowel de verhouding met zijn zoon, -als met den Regent. - -—Ik zoû den Regent laten springen, zei de dokter. - -—Maar dokter, zei Van Helderen. Zooveel weet je toch wel van onze -Javaansche toestanden, om in te zien, dat dat zoo maar niet gaat. De -Regentenfamilie is te éen met Laboewangi en te hoog in aanzien bij de -bevolking.... - -—Ja, ik ken de Hollandsche politiek.... De Engelschen handelen in -Britsch-Indië hooger en willekeuriger met hun Indische prinsen. De -Hollanders ontzien ze veel te veel. - -—Het zoû de vraag zijn, welke politiek op den duur de beste is, zei Van -Helderen droog, die niet kon velen, dat een vreemdeling in een -Nederlandsche kolonie iets afbrak. Toestanden van ellende en -hongersnood als in Britsch-Indië kennen wij gelukkig bij ons niet. - -—Ik zag den rezident ernstig spreken met den Regent, zei Doorn de -Bruin. - -—De rezident is te gevoelig, zei Van Helderen. Hij gaat zeer zeker -gebukt onder dat langzaam verval van die oude Javaansche familie, die -familie, die fataal ondergaat, en die hij hoog zoû willen houden. De -rezident, hoe koel praktisch ook, heeft daarin iets van een poëet. -Hoewel hij het niet zoû willen toegeven. Maar hij herinnert zich het -glorieuze verleden van de Adiningrats, hij herinnert zich die laatste -mooie figuur nog, den ouden nobelen Pangéran, en hij vergelijkt hem met -zijn zonen, de een, een dweper, de ander een dobbelaar.... - -—Ik vind onzen Regent—niet dien van Ngadjiwa: dat is een -koelie—verrukkelijk! zei Eva. Ik vind hem een levende wajangpop. Alleen -zijn oogen, daarvoor ben ik bang. Wat een verschrikkelijke oogen! Soms -slapen ze, maar soms zijn ze als van een gek. Maar hij is zoo fijn, zoo -voornaam. En de Raden-Ajoe ook is een exquis poppetje: saja.... saja... -Ze zegt niets, maar ze ziet er decoratief uit. Ik ben altijd blij als -ze mijn jour decoreeren, en ik mis iets, als ze er niet zijn. En dan de -oude Raden-Ajoe Pangéran, grijs, waardig, een koningin.... - -—Een dobbelaarster van het eerste water, zei Eldersma. - -—Ze verdobbelen alles, zei Van Helderen; zij en de Regent van Ngadjiwa. -Ze zijn niet rijk meer. De oude Pangéran had prachtige -waardigheids-insignën voor zijn gala, magnifique lansen, een juweelen -sirih-doos, kwispedoren—nuttige voorwerpen!—van onschatbare waarde. De -oude Raden-Ajoe heeft alles verdobbeld. Ik geloof, dat zij niets meer -heeft dan haar pensioen, ik meen twee-honderd-veertig gulden. En hoe -onze Regent al zijn neven en nichten in de Kaboepaten [14] onderhoudt -volgens Javaansch gebruik is mij een raadsel. - -—Welk gebruik? vroeg de dokter. - -—Iedere Regent verzamelt zijn geheele familie als parasiten om zich -heen, kleedt ze, voedt ze, geeft ze zakgeld.... en de bevolking vindt -dat waardig en chic. - -—Treurig.... die vervallen grootheid! zei Ida, somber. - -Een jongen kwam zeggen, dat het diner gereed was en men begaf zich naar -de achtergalerij, en zette zich aan tafel. - -—En wat is er in het vooruitzicht, mevrouwtje? vroeg de hoofdingenieur. -Welke plannen zijn er? Laboewangi is stil geweest, den laatsten tijd. - -—Eigenlijk is het vreeslijk, zei Eva. Als ik jullie niet had, zoû het -vreeslijk zijn. Als ik niet altijd plannen maakte, ideeën had, zoû het -vreeslijk zijn, zoo een bestaan in Laboewangi. Mijn man voelt dat niet, -hij werkt, zooals u, heeren, allen werken; wat kan men in Indië anders -doen dan werken, trots de warmte. Maar voor ons vrouwen! Eigenlijk, wat -een leven, als men zijn geluk niet geheel schept uit zichzelve, in zijn -huis, in zijn kringetje—als men het geluk heeft dat kringetje te -hebben. Niets van buiten af. Geen schilderij, geen beeld, dat men ziet; -geen muziek, die men hoort. Wees niet boos, Van Helderen. Je speelt -allerliefst violoncel, maar niemand in Indië blijft op de hoogte. De -Italiaansche opera speelt den Trouvère. De dilettanten-gezelschappen—in -Batavia heusch heel goed—spelen... den Trouvère. En jij, Van -Helderen... spreek het niet tegen. Ik heb je extaze gezien, toen de -Italiaansche opera uit Soerabaia verleden keer in de Societeit... den -Trouvère kwam spelen. Je was verrukt. - -—Er waren mooie stemmen bij... - -—Maar twintig jaar geleden—zoo hoor ik—was men hier ook verrukt over... -den Trouvère. O, het is verschrikkelijk! Soms... in eens, beklemt het -me. Soms voel ik in eens, dat ik mij niet gewend heb aan Indië, en dat -ik nooit zal wennen, en heb ik een heimwee naar Europa, naar leven! - -—Maar Eva... begon Eldersma, bang—bang, dat zij waarlijk eens gaan zoû, -hem alleen laten in zijn dan totaal vreugdeloos werkleven te -Laboewangi—; soms waardeer je toch ook Indië, je huis, het prettige, -ruime leven... - -—Materieel... - -—En waardeer je hier je werkkring; ik meen, het vele, dat je hier doen -kan. - -—Wat? Feesten arrangeeren? Fancy-fairs arrangeeren? - -—De eigenlijke rezidente ben jij, Eva, zei Ida dwepend. - -—Nu komen wij gelukkig weêr op mevrouw Van Oudijck, plaagde mevrouw -Doorn de Bruijn. - -—En op het ambtsgeheim, zei dokter Rantzow. - -—Neen, zuchtte Eva. Wij moeten iets nieuws hebben. Bals, feesten, -pic-nics, bergtochten... we hebben al alles uitgeput. Ik weet niets -meer. De Indische druk komt op me neêr. Ik ben in een van mijn -neêrslachtige buien. Ik vind die bruine gezichten van mijn jongens in -eens griezelig om me. Soms maakt Indië me bang. Voelen jullie dat geen -van allen? Een vage angst, een geheimzinnigheid in de lucht, iets -dreigends... Ik weet het niet. De avonden zijn soms zoo vol -geheimzinnigheid en er is iets mysterieus in het karakter van den -inlander, die zoo ver van ons staat, zooveel van ons verschilt... - -—Artistieke gevoelens, plaagde Van Helderen. Neen, ik voel dat niet. -Indië is mijn land. - -—Type! plaagde hem Eva terug. Hoe ben je zooals je bent? Zoo curieus -Europeesch; Hollandsch kan ik het niet noemen. - -—Mijn moeder was een Française. - -—Maar je bent toch een njò; hier geboren, hier opgevoed... En je hebt -niets van een njò. Ik vind het heerlijk je ontmoet te hebben, ik hoû -van je als varieteit... Help mij dan ook. Opper iets nieuws. Geen bal -en geen bergtocht. Ik heb behoefte aan iets nieuws. Anders krijg ik het -heimwee naar de schilderijen van mijn vader, naar den zang van mijn -moeder, naar ons mooi artistiek huis in Den Haag. Zonder iets nieuws ga -ik dood. Ik ben niet als je vrouw, Van Helderen, altijd verliefd. - -—Eva! smeekte Ida. - -—Tragisch verliefd, met haar mooie, sombere oogen. Altijd eerst op haar -man en dan op een ander. Ik ben nooit verliefd. Zelfs niet meer op mijn -man. Hij wel op mij. Maar ik heb geen liefdenatuur. Er wordt hier in -Indië wel veel gedaan aan liefde, niet waar dokter. Dus.... geen bal, -geen bergtocht, geen liefde. Mijn God, wat dan, wat dan.... - -—Ik weet wel iets, zei mevrouw Doorn de Bruijn, en over hare placide -melancholie kwam een plotselinge angst. En ter zijde keek zij mevrouw -Rantzow aan, de Duitsche vrouw begreep haar blik.... - -—Wat dan? vroegen zij allen, nieuwsgierig. - -—Tafeldans, fluisterden de beide dames. - -Men lachte algemeen. - -—Ach, zuchte Eva, teleurgesteld. Een truc, een aardigheid, een spel -voor een avond. Neen, ik moet iets hebben om minstens gedurende een -maand mijn leven te vullen. - -—Tafeldans, herhaalde mevrouw Rantzow. - -—Wil ik u wat vertellen, zei mevrouw Doorn de Bruijn. Verleden, voor de -aardigheid, probeerden wij een knaap te laten dansen. Wij beloofden -elkaâr heel eerlijk te zijn. De tafel... bewoog, en spelde: tikte -volgens het alfabet. - -—Maar was het eerlijk? vroegen de dokter, Eldersma, Van Helderen. - -—U moet ons vertrouwen, verdedigden zich de twee dames. - -—Top, zeide Eva. Wij hebben met ons diner gedaan. Laat ons tafeldans -doen. - -—Wij moeten elkaâr belooven eerlijk te zijn.... zei mevrouw Rantzow. Ik -zie.... dat mijn man antipathiek zal zijn. Maar Ida.... een groot -medium. - -Zij stonden op. - -—Moet het licht uit? vroeg Eva. - -—Neen, zei mevrouw Doorn de Bruijn. - -—Een gewoon knaapje? - -—Een houten knaap. - -—Met ons achten? - -—Neen, laten wij eerst kiezen; bijvoorbeeld, jij Eva, Ida, Van Helderen -en mevrouw Rantzow. De dokter is antipathiek, Eldersma ook. De Bruijn -en ik kunnen jullie afwisselen. - -—Vooruit dan, zei Eva. Een nieuwe ressource voor het maatschappelijk -leven van Laboewangi. En eerlijk.... - -—Wij geven elkaâr, als vrienden, ons woord van eer.... dat wij eerlijk -zullen zijn. - -—Top, zeiden zij allen. - -De dokter grinnikte. Eldersma haalde zijn schouders op. Een jongen -bracht een knaapje. Zij zetten zich om het houten tafeltje en legden -luchtig de vingers op, elkaâr nieuwsgierig, wantrouwig aankijkende, -mevrouw Rantzow plechtig, Eva geamuzeerd, Ida somber, Van Helderen -onverschillig glimlachende. Eensklaps kwam een strakke trek over het -mooie nonna-gezichtje van Ida. - -De tafel trilde.... - -Men keek elkaâr verschrikt aan, de dokter grinnikte. - -Toen, langzaam, lichtte de tafel een van hare drie pooten op, en zette -die weêr voorzichtig neêr. - -—Heeft iemand bewogen? vroeg Eva. - -Zij knikten allen van neen. Ida was bleek geworden. - -—Ik voel trillingen in mijn vingers, murmelde zij. - -De tafel, nog eens, lichtte haar poot op, draaide even knarsend op den -marmeren vloer een nijdigen kwartcirkel, en zette de poot met een ruwen -stamp neêr. - -Zij keken elkaâr verwonderd aan. - -Ida zat als wezenloos, starende, de vingers uitgespreid, als extatisch. - -En de tafel, voor de derde maal, lichtte haar poot op. - - - - -IV. - -Het was zeker heel vreemd. - -Eva twijfelde even of mevrouw Rantzow de tafel oplichtte, maar toen zij -de Duitsche doktersvrouw vragend aanzag, schudde deze het hoofd en zag -zij, dat zij eerlijk was. Nog eens beloofde men elkaâr volle -zekerheid.... En toen men dus zeker van elkander was in vol vertrouwen, -was het allervreemdst, dat de tafel voortging met nijdig knarsende -halfcirkels en met de poot te heffen en te tikken op den marmeren -vloer. - -—Openbaart zich hier een geest? vroeg mevrouw Rantzow, met een blik -naar de poot van de tafel. - -De tafel tikte eens: ja. - -Maar toen de geest zijn naam zoû spellen, de letters van zijn naam zoû -tikken volgens de letters van het alfabet, kwam er: - -—Z, X, R, S, A, -en was de openbaring niet te volgen. - -Plotseling echter, ging de tafel haastig spellen, als zat iemand haar -op de hielen... Men telde de tikjes en er kwam: - -—Le... onie Ou... dijck ... - -—Wat is er van mevrouw Van Oudijck....? - -Er kwam een ruw woord. - -De dames schrikten, behalve Ida, die als in een transe zat. - -—De tafel heeft gesproken? Wat heeft die gezegd? Wat is mevrouw Van -Oudijck? riepen de stemmen door elkaâr. - -—Het is ongelooflijk! murmelde Eva. Zijn wij allen eerlijk? - -Ieder zwoer zijn eerlijkheid. - -—Laten wij heusch eerlijk zijn, anders is er geen aardigheid aan.... Ik -woû zoo gaarne, dat ik zeker kon zijn.... - -Dat wilden zij allen: mevrouw Rantzow, Ida, Van Helderen, Eva. De -anderen staarden nieuwsgierig toe, geloovende, maar de dokter geloofde -niet: hij grinnikte. - -Maar de tafel knarste nijdig en tikte en de poot herhaalde: - -—Een.... - -En de poot herhaalde het ruwe woord. - -—Waarom? vroeg mevrouw Rantzow. - -De tafel tikte. - -—Schrijf op, Onno! zei Eva tot haar man. - -Eldersma zocht een potlood, papier, schreef op. - -Er kwamen drie namen: een van een Raad van Indië, een van een -Directeur, een van een jong mensch van den handel. - -—Als in Indië de menschen niet kwaad spreken, spreken de tafels kwaad! -zei Eva. - -—De geesten.... murmelde Ida. - -—Dit zijn meestal spotgeesten, doceerde mevrouw Rantzow. - -Maar de tafel tikte voort.... - -—Schrijf op, Onno! zei Eva. - -Eldersma schreef. - -—A-d-d-y! tikte de poot. - -—Neen! riepen alle stemmen door elkaâr, heftig ontkennend. Nu vergist -de tafel zich! Ten minste de jonge de Luce is nog nooit met mevrouw Van -Oudijck samen genoemd. - -—T-h-e-o! verbeterde toen de tafel. - -—Haar stiefzoon! Het is verschrikkelijk! Dat is wat anders! Algemeen -bekend! riepen de stemmen, toestemmende uit. - -—Maar dat weten wij! zei mevrouw Rantzow, met haar blik naar de poot -van de tafel. Kom, zeg nu iets, dat wij niet weten? Kom nu, tafel; kom -nu, geest! - -Zij sprak lief overtuigend tot de tafelpoot. Men lachte. De tafel -knarste. - -—Ernstig zijn! waarschuwde mevrouw Doorn de Bruijn. - -De tafel bonsde neêr op Ida’s schoot. - -—Adoe! riep het mooie nonna-tje, als ontwakende uit hare transe. Tegen -mijn buik....! - -Men lachte, men lachte. De tafel draaide boos rond, en zij stonden van -hunne stoelen op, de handen op het knaapje en volgden de nijdige -walsbeweging van het tafeltje meê. - -—Het... volgende... jaar... tikte de tafel. - -Eldersma schreef op. - -—Ontzettende... oorlog... - -—Tusschen wie en wie...? - -—Europa... en... China. - -—Dat klinkt als een sprookje! grinnikte dokter Rantzow. - -—La... boe... wangi, tikte de tafel. - -—Wat? vroegen zij. - -—Is... een ... gat... - -—Zeg nu iets ernstigs, tafel, smeekte mevrouw Rantzow lief, met hare -prettige Duitsche matrone-manier. - -—Ge... vaar... tikte de tafel. - -—Waar? - -—Dreigt... ging de tafel voort... Laboe... wangi. - -—Gevaar dreigt Laboewangi? - -—Ja! tikte de tafel éens, nijdig. - -—Welk gevaar? - -—Opstand... - -—Opstand? Wie staan er op? - -—Binnen twee... maanden... Soenario... - -Men werd aandachtig. - -Maar de tafel, in eens, onverwachts, sloeg weêr tegen Ida’s schoot aan. - -—Adoe dan toch! riep het vrouwtje. - -De tafel wilde niet meer. - -—Moê... tikte ze. - -Men bleef de handen opleggen. - -—Uitscheiden... tikte de tafel. - -De dokter, grinnikend, legde zijn korte, breede hand op, als een dwang. - -—Vrek! schold de tafel uit, knarsend, draaiend. Ploert! schold ze -verder. - -En er kwamen eenige vieze woorden na, aan het adres van den dokter, als -riep een straatjongen ze na; vuile woorden, zonder slot, noch zin. - -—Wie verzint die woorden? vroeg Eva verontwaardigd. - -Klaarblijkelijk verzon niemand ze, noch de drie dames, noch Van -Helderen, altijd zeer in de puntjes en die klaarblijkelijk -verontwaardigd was over de ongegeneerdheid van den spotgeest. - -—Het is heusch een geest! zei Ida bleek. - -—Ik schei uit, zei Eva zenuwachtig en hief hare vingers op. Ik begrijp -niets van dien onzin. Het is wel vermakelijk... maar de tafel is niet -gewend aan fatsoenlijk gezelschap. - -—Wij hebben een nieuwe ressource voor Laboewangi! spotte Eldersma. Geen -pic-nic meer, geen bal... maar tafeldans! - -—Wij moeten ons oefenen! zei mevrouw Doorn de Bruijn. - -Eva haalde de schouders op. - -—Het is onverklaarbaar, zeide ze. Ik kan niet anders gelooven, dan dat -wij allen eerlijk waren. Het is niets voor Van Helderen om zulke -woorden te suggereeren. - -—Mevrouw! verdedigde Van Helderen zich. - -—Wij moeten het meer doen, zei Ida. Kijk, daar gaat een hadji het erf -af... - -Zij wees naar den tuin. - -—Een hadji? vroeg Eva. - -Zij zagen in den tuin. Er was niets te zien. - -—O, neen, zei Ida. Toch niet. Ik dacht, dat het een hadji was... Het is -niets: de maneschijn... - -Het was al laat. Zij namen afscheid, lachende, vroolijk, zich -verwonderende, maar geen verklaring vindende. - -—Als de dames nu maar niet zenuwachtig zijn geworden! zei de dokter. - -Neen, betrekkelijk waren zij niet zenuwachtig. Zij waren meer -geamuzeerd, al begrepen zij niet. - -Het was twee uur, nu zij gingen. De stad was doodstil, sluimerende in -de fluweelen schaduw der tuinen, terwijl de maneschijn stroomde. - - - - -V. - -Den volgenden dag, toen Eldersma naar het bureau was en Eva -huishoudelijk door haar huis liep, in sarong en kabaai, zag zij Frans -van Helderen door den tuin komen. - -—Mag ik? riep hij. - -—Zeker! riep zij. Kom binnen. Maar ik ben op weg naar mijn goedang. -[15] - -En zij toonde haar sleutelmandje. - -—Ik moet over een half uur bij den rezident zijn, maar ik ben te -vroeg.... Daarom loop ik even aan. - -Zij glimlachte. - -—Maar ik ben bezig, hoor! zeide zij. Ga maar meê naar de goedang. - -Hij volgde haar: hij droeg een zwart lustre jasje, omdat hij straks -naar den rezident moest. - -—Hoe is Ida? vroeg Eva. Heeft zij goed geslapen na de spiritistische -séance van gisteren? - -—Zoo zoo, zei Frans van Helderen. Ik geloof niet, dat het goed voor -haar is het weêr te doen. Zij werd telkens wakker met een schrik, ze -viel me om den hals en vroeg vergeving, ik weet niet waarom. - -—Het heeft mij heelemaal niet nerveus gemaakt, zei Eva. Hoewel ik er -niets van begrijp.... - -Zij opende de goedang, zij riep hare kokkie, bedisselde met deze het -eten. De kokkie was latta [16], en Eva had er pleizier in de oude meid -te plagen. - -—La.... la-illa-lala! riep zij en de kokkie schrikte en riep terug, -herstelde zich oogenblikkelijk, vergiffenis smeekend. - -—Boeang, kokkie, boeang! [17] riep Eva en de kokkie, gesuggereerd, -gooide een tetampa [18] met ramboetans en mangistans neêr, dadelijk -zich herstellende, smeekende, de verspreide vruchten oprapend—en haar -hoofd schuddende en smakkende met de tong. - -—Kom, ga meê! zei Eva tot Frans. Anders breekt ze me straks mijn -eieren. Ajo, kokkie, kloear! [19] - -—Ajo, kloear! herhaalde de latta kokkie. Alla, njonja, minta ampon -[20], njonja, alla soeda njonja! - -—Kom nog even zitten, vroeg Eva. - -Hij volgde haar. - -—U is zoo vroolijk, zeide hij. - -—U niet? - -—Neen, ik ben melancholiek, den laatsten tijd. - -—Ik ook. Dat zei ik je gisteren. Het ligt in de lucht van Laboewangi. -Wij moeten maar alles van onzen tafeldans verwachten. - -Zij zetten zich in de achtergalerij. Hij zuchtte. - -—Wat is er? vroeg zij. - -—Ik kan het niet helpen, zeide hij. Ik hoû van je, ik heb je lief. - -Zij zweeg even. - -—Alweêr, zeide zij verwijtend. - -Hij antwoordde niet. - -—Ik heb je gezegd, ik heb geen liefdenatuur. Ik ben koud. Ik hoû van -mijn man, van mijn kind. Laat ons vrienden zijn, Van Helderen. - -—Ik strijd er tegen: het geeft niets. - -—Ik hoû van Ida, ik zoû haar voor niets ter wereld ongelukkig willen -maken. - -—Ik geloof niet, dat ik ooit van haar gehouden heb. - -—Van Helderen.... - -—Misschien alleen van haar mooie gezichtje. Maar hoe blank ook, zij is -een nonna. Met haar kuurtjes, haar kinderachtige tragiekjes. Ik heb dat -vroeger zoo niet ingezien. Nu zie ik het in. Ik heb wel voor u -Europeesche vrouwen ontmoet. Maar u is mij een openbaring geweest, van -al het bekoorlijke, gratieuze, artistieke in een vrouw.... Wat in u -exotisch is, sympathizeert aan mijn exotisme. - -—Ik stel je vriendschap op hoogen prijs. Laat dat zoo blijven. - -—Soms ben ik net gek, soms droom ik.... dat wij samen in Europa reizen, -in Italië, in Parijs zijn. Soms zie ik ons zamen, in een dichte kamer, -bij een vuur, u pratende over kunst en ik over het modern-sociale van -dezen tijd. Maar daarna zie ik ons intiemer. - -—Van Helderen.... - -—Het geeft mij niet meer of u mij waarschuwt. Ik heb je lief, Eva, -Eva.... - -—Ik geloof, dat in geen land zooveel lief wordt gehad als in Indië. Het -is zeker door de warmte... - -—Verpletter me niet onder je sarcasme. Geen vrouw heeft ooit zoo tot -mijn geheele ziel en lichaam gesproken als jij, Eva.... - -Zij haalde de schouders op. - -—Wees niet boos, Van Helderen, maar ik kàn niet tegen die banaliteiten. -Laat ons verstandig zijn. Ik heb een charmante man, jij een lief -vrouwtje. Wij zijn onderling goede, gezellige vrienden. - -—Je bent zoo koel. - -—Ik wil ons geluk van vriendschap niet bederven. - -—Vriendschap! - -—Vriendschap. Er is niets wat ik buiten het geluk in mijn huis zoo hoog -waardeer. Ik zoû zonder vrienden niet kunnen leven. Gelukkig met mijn -man, met mijn kind, heb ik daarna vrienden het eerst noodig. - -—Om je te bewonderen, om over ze te heerschen, zei hij boos. - -Zij zag hem aan. - -—Misschien, zeide zij koel. Ik heb misschien behoefte bewonderd te -worden en te heerschen. Wij hebben allen onze zwakheden. - -—Ik heb de mijne, sprak hij bitter. - -—Kom, sprak zij, liever. Laat ons goede vrienden blijven. - -—Ik voel mij diep ongelukkig, zeide hij dof. Het is of ik alles gemist -heb in mijn leven. Ik ben nooit van Java afgeweest, en ik voel iets -onvolkomens in mij, omdat ik nooit sneeuw en ijs heb gezien. Sneeuw... -dat is mij iets als een vreemde, onbekende zuiverheid. Waarheen ik -verlang, kom ik zelfs nooit langs. Wanneer zie ik Europa? Wanneer dweep -ik niet meer met den Trouvère en ben ik eens te Bayreuth? Wanneer -bereik ik jou, Eva. Ik strek naar alles voelhorens uit, als een insect -zonder vleugels... Wat is verder mijn leven. Met Ida, met drie -kinderen, in wie ik hun moeder voorzie, jaren lang controleur blijven, -dan—misschien, assistent-rezident worden... en het blijven. En dan -eindelijk ontslag krijgen, of vragen, en te Soekaboemi gaan wonen, -vegeteerende op een klein pensioen. Ik voel in mij alles verlangen naar -het ledige... - -—Je hebt toch je werk lief, je bent een goed ambtenaar. Eldersma zegt -het altijd: wie in Indië niet werkt en zijn werk niet liefheeft, is -verloren.... - -—Jij hebt geen natuur van liefde, en ik heb er geen van werken, van -niets dan werken. Ik kan werken voor een doel, dat ik mooi voor mij -zie, maar ik kan niet werken... om te werken en de leêgte van mijn -leven te vullen. - -—Je doel is Indië... - -Hij haalde de schouders op. - -—Een groot woord, zeide hij. Dat kan zijn voor iemand als de rezident, -wien het meêloopt in zijn carrière, die nooit heeft zitten turen op -ranglijsten en heeft zitten speculeeren, op den een zijn ziekte en den -ander zijn dood.... om promotie. Voor iemand als Van Oudijck, die -waarlijk, in volle idealistische eerlijkheid meent, dat zijn doel Indië -is, niet voor Holland, maar voor Indië zelf; voor den Javaan, dien hij, -ambtenaar, beschermt tegen de willekeur van landheeren en planters. Ik -ben cynischer aangelegd.... - -—Maar wees niet lauw over Indië. Het is geen groot woord: ik voel het -zoo. Indië is geheel onze grootheid, van ons, Hollanders. Hoor -vreemdelingen spreken over Indië, zij zijn allen verrukt over de glorie -ervan, over onze wijze van kolonizeeren.... Doe niet meê met onzen -ellendigen Hollandschen geest in Holland, die niets van Indië weet, die -altijd een woord van spot heeft voor Indië, in hun kleine, stijve, -burgerlijke engdenkendheid.... - -—Ik wist niet, dat u zoo met Indië dweepte. Gisteren nog voelde u hier -angst, en verdedigde ik mijn land.... - -—O, ik voel er de huivering van, de geheimzinnigheid in den avond, -waarin iets schijnt aan te dreigen, ik weet niet wat: een bange -toekomst, een gevaar voor ons, voor ons.... Ik voel, dat -ik—persoonlijk—ver van Indië af blijf staan, al wil ik het niet.... Dat -ik hier mis kunst, dat, waarin ik werd opgevoed. Dat ik hier mis in het -leven van de menschen de mooie lijn, waarop mijn beide ouders mij -altijd wezen.... Maar onrechtvaardig ben ik niet. En Indië, als onze -kolonie, vind ik groot; ons, in onze kolonie, vind ik groot.... - -—Vroeger misschien, nu verongelukt alles, nu zijn wij niet groot meer. -U is een artistieke natuur: u zoekt, niettegenstaande u ze zelden -vindt, tòch altijd de artistieke lijn in Indië. En dan komt dat groote, -die glorie u voor den geest. Dat is de poëzie. Het proza is: een -reusachtige maar uitgeputte kolonie, steeds uit Holland bestuurd met -éen idee: winstbejag. De werkelijkheid is niet: de overheerscher groot -in Indië, maar de overheerscher kleine armzielige uitzuiger; het land -uitgezogen, en de werkelijke bevolking—niet de Hollander, die zijn -Indiesch geld opmaakt in Den Haag; maar de bevolking, de Indosche -bevolking, verknocht aan den Indischen grond,—neêrgedrukt in de -minachting van den overheerscher, die éens die bevolking uit zijn eigen -bloed verwekte—maar nú dreigende op te staan uit dien druk en die -minachting.... U, artistiek, voelt het gevaar naderen, vaag, als een -wolk, in de lucht, in den Indischen nacht; ik zie het gevaar al heel -werkelijk oprijzen—voor Holland—zoo niet van Amerika en van Japan uit, -dan uit Indië’s eigen grond. - -Zij glimlachte. - -—Ik hoû ervan als je zoo praat, zeide zij. Ik zoû je eindelijk gelijk -geven. - -—Als ik met praten zoovéel bereiken kon! lachte hij bitter, opstaande. -Mijn half uur is om: de rezident wacht mij en hij houdt er niet van een -enkele minuut te wachten. Adieu, vergeef mij. - -—Zeg mij, zeide zij; ben ik coquet? - -—Neen, antwoordde hij. U is die u is. En ik kan niet anders, ik heb u -lief.... Ik strek mijn arme voelhorens uit, altijd. Dat is mijn -noodlot.... - -—Ik zal u helpen mij te vergeten, zeide zij, met een lieve overtuiging. - -Hij lachte even, groette, ging. Zij zag hem oversteken den weg naar het -rezidentie-erf, waar een oppasser hem tegemoet kwam.... - -—Eigenlijk is het leven toch éen zelfbedrog, éen dwalen in illuzie, -dacht zij droef, melancholiek. Een groot doel, een werelddoel.... of -een klein doel voor zichzelf, voor zijn eigen lijf en ziel.... o God, -wat is alles weinig! En wat dwalen wij rond, zonder iets te weten. En -elk zoekt zich zijn doeletje, zijn illuzie. Gelukkig is alleen een -exceptie, als Léonie van Oudijck, die leeft niet meer dan een mooie -bloem, een mooi beest. - -Haar kindje dribbelde naar haar toe, een aardige, dikke, blonde jongen. - -—Kind! dacht zij. Wat zal het jou zijn? Wat zal jouw beurt je geven? -Ach, misschien niets nieuws. Misschien een herhaling van wat al zooveel -malen geweest is. Het leven is een roman, die zich telkens herhaalt.... -O, als men zich zoo voelt, dan drukt Indië! - -Zij omhelsde haar jongen, hare tranen dropen in zijn blonde krulletjes. - -—Van Oudijck zijn rezidentie; ik mijn kringetje van.... bewondering en -heerschen;... Frans zijn liefde... voor mij... wij hebben allen ons -speelgoed, zooals mijn kleine Onno met zijn paardje speelt. Wat zijn -wij weinig, wat zijn wij weinig...! Ons geheele leven lang stellen wij -ons aan, verbeelden ons van alles, denken lijn en richting en doel te -geven aan ons arme dwaalleventje. O, hoe kom ik zoo, mijn kind? Mijn -kind, en wat, wat zal het jou zijn?? - - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - - -I. - -Vijftien paal van Laboewangi, dertien paal van Ngadjiwa lag de -suikerfabriek Patjaram, van de familie de Luce—half Indosch, half -Solosch—vroeger millionair, door de laatste suikercrizis niet zoo rijk -meer, maar toch nog een talrijk huisgezin onderhoudend. In deze -familie, die zich steeds bij elkander hield—een oude moeder en -grootmoeder, Solosche prinses; de oudste zoon, administrateur; drie -dochters getrouwd en met haar mannen—employé’s—levende in de schaduw -der fabriek; drie jongere zonen, werkzaam op de fabriek; de talrijke -kleinkinderen, spelende om en bij de fabriek; de achterkleinkinderen -kiemende om en bij de fabriek—in deze familie waren de oude Indische -tradities bewaard, die—vroeger algemeen—tegenwoordig zeldzamer worden -door een drukker Europeesch verkeer. De moeder-en-grootmoeder was een -dochter van een Soloschen prins, getrouwd met een jongen, energieken -avonturier en bohémien, van een adellijke Fransche familie uit -Mauritius, Ferdinand de Luce, die, na eenige jaren zwerven en zoeken -zijn plaats in de wereld, als hofmeester op een boot naar Indië was -getogen, na allerlei levensverwisseling gestrand was te Solo en er -beroemd was geworden om een gerecht van tomaten, en een van gefarceerde -lomboks! [21] Door zijn recepten verschafte Ferdinand de Luce zich -toegang tot den Soloschen prins, wiens dochter hij later huwde, en -zelfs tot den ouden Soesoehoenan. Na zijn huwelijk was hij -grondbezitter geworden, volgens den Soloschen adat vazal van den -Soesoehoenan, wien hij iederen dag rijst en vruchten voor de -huishouding der Dalem [22] zond. Toen had hij zich gelanceerd in de -suiker, radende de millioenen, die een goedgunstig lot voor hem -verborgen hield. Hij was gestorven vóor de crizis, in allen rijkdom en -eer. - -De oude grootmoeder, in wie niets meer de jonge prinses herinnerde, die -Ferdinand de Luce getrouwd had om vooruit te komen, werd door de -bedienden en het Javaansche personeel van de fabriek nooit anders dan -met een kruipenden eerbied genaderd, en ieder gaf haar den titel van -Raden-Ajoe Pangéran. Zij sprak geen woord Hollandsch. Gerimpeld als een -verschrompelde vrucht, met hare verdoofde oogen en hare verlepte -sirih-mond, leefde zij rustig hare laatste jaren voort, altijd in een -donkeren zijden kabaai, met juweelen gesloten aan hals en nauwe mouwen, -vóor hare getaanden blik het vizioen van haar vroegere Dalem-grootheid, -door haar verlaten uit liefde voor dien Franschen edelman-kok, die haar -vader verlekkerd had met zijn recepten; in haar gedoofd gehoor het -aanhoudend geruisch der centrifuges—als van -stoombootschroeven—gedurende den maandenlangen maal-tijd—om zich heen -haar kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen; de zonen en -dochteren door de bedienden genoemd Raden en Raden-Adjeng, allen nog -altijd omgeven door den bleeken aureool van hunne Solosche afkomst. De -oudste dochter was gehuwd met een volbloed, blonden Hollander; de zoon, -die op haar volgde, met een Armeniaansch meisje; de twee andere -dochters waren gehuwd met Indo’s, beiden bruin, hunne kinderen, -bruin,—getrouwd, en ook kinderen hebbend—zich mengende met de blonde -familie der oudste dochter; en de glorie der geheele familie was de -jongste zoon-en-broeder, Adrien of Addy, die Doddy van Oudijck het hof -maakte, en, trots de drukte van den maal-tijd, telkens te Laboewangi -was. - -In deze familie waren bewaard gebleven traditie’s, die al uitgestorven -zijn,—zooals men zich ze herinnert bij Indische familie’s van jaren -her. Hier vond men nog, op het erf, in de achtergalerij de tallooze -baboe’s, van wie er eene alleen bedak fijn wrijft, een andere voor -doepa [23] zorgt, een derde sambal stampt, allen met droomende oogen, -met lenige, spelende vingers. Hier was het nog, dat de rei der schotels -aan de rijsttafel geen einde nam; dat een lange rei bedienden—de een na -den ander—weêr een andere sajoer, weêr een andere lodèh [24], weêr een -andere ajam [25] plechtig ronddiende, terwijl, achter de dames gehurkt, -de baboe’s in een aarden tjobè [26] sambal wreven naar de verschillende -smaken en eischen der verwende verhemeltetjes. Hier was het nog de -gewoonte, dat, als de familie de races bijwoonde te Ngadjiwa, elk der -dames verscheen met een baboe achter zich, langzaam, lenig, plechtig; -de eene baboe met een bedak-potje, de andere met een -pepermunt-bonbonnière—een binocle—een waaier—een flacon, als een -hofstoet met rijks-insignieën. Hier vond men ook nog de gastvrijheid -van vroeger; de rei logeerkamers open voor wie aanklopte; hier kon men -blijven zoolang men wilde; niemand vroeg naar reisdoel, naar datum van -vertrek. Een groote eenvoud van ziel, een alomvattende hartelijkheid, -gedachteloos en ingeboren, heerschte hier met een grenzelooze verveling -en matheid, de ideeën geene, de woorden weinige, de zachte glimlach -vergoedende idee en woord; het materieele leven zat-vol, den geheelen -dag rondgedien van koele dranken en kwee-kwee’s en roedjak, drie -baboe’s apart aangewezen om roedjak te maken en kwee-kwee. Tal van -dieren over het erf: een kooi vol apen, eenige lorre’s, honden, katten, -tamme badjings, en een kantjil: een klein exquis hertje, dat vrij -rondliep. Het huis, gebouwd aan de fabriek, in den maal-tijd dreunende -van het machine-gedruisch—het stoomboot-schroefgeluid—was ruim en met -de oude, ouderwetsche meubels gemeubeleerd: de lage houten bedden met -vier gesculpteerde klamboestijlen [27], de tafels met dikke pooten, de -wipstoelen met bizonder ronde ruggen,—alles zooals men het niet meer -zoû kunnen koopen, alles zonder éen moderne tint, behalve—alleen -gedurende den maal-tijd—het electrische licht in de voorgalerij! De -bewoners, altijd ongekleed, de heeren in het wit of blauw-gestreept; de -dames in sarong en kabaai, zich bezig houdende met aap of lorre of -kantjil, in eenvoud van ziel, met altijd de zelfde lieve aardigheid, -langzaam en slepend, en het zelfde zachte lachje. De hartstochten, die -er wel waren, sluimerden in, in dien zachten glimlach. Dan, de -maal-tijd voorbij, alle drukte voorbij—als de rissen der suikerkarren, -getrokken door de prachtige sappi’s [28], met glanzende bruine huiden, -altijd en altijd meer riet aangebracht hadden over den met ampas [29] -bedekten weg, die vernield was door de breede karresporen—; de bibit -[30] voor het volgende jaar gekocht, de machines stil—plotselinge -herademing uit den stagen arbeid, de zoo lange, lange Zondag, de rust -van maanden, de behoefte aan feest en pret: het groote diner bij de -landvrouw, met een bal en tableaux-vivants; het geheele huis vol -gasten, die bleven en bleven, bekend en onbekend: de oude, gerimpelde -grootmama, de landvrouw, de Raden-Ajoe, mevrouw de Luce, hoe men haar -ook noemen wilde—beminnelijk met hare doffe oogen en haar sirih-mond, -beminnelijk tegen iedereen, achter zich steeds een anak-mas, een -„gouden kindje,” een opgenomen, arm prinsesje, dat haar, de groote -prinses uit Solo, een gouden sirih-doos achterna droeg: een klein slank -vrouwtje van acht jaar, het voorhaar met een franje geknipt, met natte -bedak het voorhoofd geblankt, al ronde borstjes onder het roze zijden -kabaaitje en de gouden miniatuur-sarong om de smalle heupjes, als een -poppetje, een speelgoed voor de Raden-Ajoe, mevrouw de Luce, douairière -de Luce. En voor de kampongs de volksfeesten, een al-oude mildheid, -waarin geheel Patjaram deelde: volgens de traditie der millioenentijd, -die altijd werd nagekomen, trots crizis en malaise. - -Het was nu na den maal-tijd en na de feesten een betrekkelijke rust in -huis, en eene slepende Indische kalmte was ingetreden. Maar voor de -feesten waren overgekomen mevrouw Van Oudijck, Theo en Doddy en zij -logeerden gedurende enkele dagen nog te Patjaram. Om de ronde marmeren -tafel, waarop glazen stroop, limonade, whiskey-soda zat een groote -cirkel van menschen: zij spraken niet veel, zij schommelden behagelijk -op en neêr, nu en dan wisselend een enkel woord. Mevrouw de Luce en -mevrouw Van Oudijck spraken Maleisch, maar niet veel: een zachte, -goedmoedige verveling zeefde neêr op zoo vele schommelende menschen. -Vreemd was het te zien die verschillende types; de mooie melkblanke -Léonie naast de geel gerimpelde Raden-Ajoe-douairière; Theo, Hollandsch -blank en blond met zijn volle lippen van sensualiteit, die hij van -zijne nonna-moeder had; Doddy, als een rijpe roos al met hare -vonkel-irissen in de zwarte pupillen; de zoon-administrateur, Achille -de Luce,—groot, forsch, bruin,—wiens gedachte alleen ging over zijn -machinerieën en zijn bibit; de tweede zoon, Roger,—klein, mager, -bruin,—boekhouder, wiens gedachte alleen ging over de winst van dat -jaar, met zijn Armeniaansche vrouwtje; de oudste dochter, al oud,—dom -leelijk, bruin,—met haar volbloed Hollandschen man, die er uitzag als -een boer; de andere zonen en dochteren, in alle nuances van bruin, en -niet dadelijk uit elkaâr te kennen; om hen heen de kinderen, de -kleinkinderen, de baboe’s, de kleine gouden pleegkinderen, de lorre’s -en de kantjil—en over al deze menschen en kinderen en beesten als -uitgeschud éene goedhartigheid van samenleving, maar ook over alle de -menschen éen trots op hun Solosche stammoeder, die achter hun aller -hoofden een bleeken aureool van Javaansche aristocratie deed glimmen, -waarop niet het minst fier waren de Armeniaansche schoondochter en de -boersch Hollandsche schoonzoon. - -Het levendigst van al deze, door lang patriarchaal samenleven in elkaâr -versmeltende elementen, was de jongste zoon, Adrien de Luce, Addy, in -wien het bloed van de Solosche prinses en dat van den Franschen -avonturier zich harmonieus vermengd hadden, menging, die hem wel geen -hersenen had gegeven, maar een mooiheid van jongen sinjo, met iets van -een Moor, iets verleidelijk zuidelijks, iets Spaansch,—alsof in dit -laatste kind de beide zoo vreemde elementen van ras zich voor het eerst -harmonieus hadden gepaard, voor het eerst zich hadden gehuwd in -volkomen bekendheid met elkaâr—alsof in hem, dit laatste kind na -zoovele kinderen, avonturier en prinses voor het eerst zich in harmonie -hadden ontmoet. Iets van verbeelding of intellect scheen Addy niet te -hebben, onmachtig twee denkbeelden te vereenigen tot éen groep van -gedachte; voelen deed hij alleen met de vage goedhartigheid, die -neêrgezeefd was over de héele familie, en verder was hij als een mooi -dier, in zijn ziel en zijn hersenen ontaard, maar ontaard tot niets, -tot éen groot niets, tot éene groote leêgheid, terwijl zijn lichaam -geworden was als een wedergeboorte van ras, vol kracht en mooiheid, -terwijl zijn merg en zijn bloed en zijn vleesch en zijn spieren -geworden waren tot éene harmonie van fyzieke verleidelijkheid, zoo -louter dom mooi zinnelijk, dat de harmonie dadelijk sprak tot een -vrouw. Deze jongen had maar te verschijnen, als een mooie, zuidelijke -god, of alle vrouwen zagen naar hem, en namen hem op in het diepe van -hare verbeelding, om hem zich later weêr te roepen voor haar geest; -deze jongen behoefde maar op een race-bal te Ngadjiwa te komen, of alle -jonge meisjes waren op hem verliefd. Hij plukte de liefde, waar hij ze -vond, volop in de kampongs van Patjaram. En alles wat vrouw was, was op -hem verliefd, van af zijn moeder tot zijn kleine nichtjes. Doddy van -Oudijck was smoorlijk op hem. Verliefd was zij van kindje van zeven al -honderde malen geweest, op wien maar voorbijging voor den blik harer -vonkel-irissen, maar zooals op Addy nog nooit. Het straalde zoo uit -haar wezen, dat het was als een vlam, dat een ieder het zag, en -glimlachte. Het maal-feest was haar geweest éene verrukking—als zij -danste met hem; éene marteling—als hij danste met een ander. Hij had -haar niet gevraagd, maar zij dacht hèm te vragen ten huwelijk, en te -sterven als hij niet wilde. Zij wist, de rezident, haar vader, wilde -niet; hij hield niet van die de Luce’s, van die Solosche-Fransche boel, -als hij zeide, maar als Addy wilde, zoû haar vader toegeven, omdat zij, -Doddy, anders zoû sterven. Voor dat kind van liefde was die jongen van -liefde de wereld, het heelal, het leven. Hij maakte haar het hof, hij -zoende haar stilletjes op den mond, maar niet meer dan hij, -gedachteloos, andere deed; hij zoende andere meisjes ook. En kon hij, -dan ging hij verder, natuurlijk weg, als een verzengende jonge god, een -god zonder gedachte. Maar voor de dochter van den rezident had hij nog -eenig ontzag. Hij had noch moed, noch brutaliteit, zonder veel passie -van keuze, vindende een vrouw een vrouw, en zoo zat van overwinning, -dat hinderpalen hem niet prikkelden. Zijn tuin was vol van bloemen, die -zich alle hieven naar hem toe; hij strekte de hand uit, bijna zonder te -zien: hij plukte maar. - -Terwijl zij schommelden om de tafel, zagen zij hem door den tuin -aankomen en alle de oogen van die vrouwen gingen naar hem toe, als naar -een jongen Verleider, die kwam in den zonneschijn, als een stralenkrans -om hem heen. De Raden-Ajoe-douairière glimlachte en zag naar haar -jongsten zoon, verliefd op haar kind, haar lieveling; achter haar, op -den grond gehurkt, gluurde met groote oogen het gouden pleegkindje uit; -de zusters keken uit, de nichtjes keken uit, en Doddy werd bleek, en -Léonie van Oudijcks blanke melktint tintte zich met een rozen -weêrschijn, die weggleed in den glans van haar glimlach. Werktuigelijk -zag zij Theo aan; hunne oogen ontmoetten elkaâr. En deze zielen van -liefde-alleen, van liefde der oogen, der monden, van liefde van het -gloeiende vleesch, begrepen elkaâr, en Theo’s jalouzie gloeide zoo fel -Léonie tegen, dat de roze weêrschijn bestierf, dat zij bleek werd en -bang: een plotseling onberedeneerde angst, die door hare gewone -onverschilligheid heenhuiverde, terwijl de Verleider, in zijn -stralenkrans van zonneschijn, nader kwam en nader... - - - - -II. - -Mevrouw Van Oudijck had beloofd nog een paar dagen te Patjaram te -blijven, en zij zag hier eigenlijk tegen op, niet geheel thuis in dit -element van ouderwetsche Indieschheid. Maar toen Addy verscheen, bezon -zij zich. In het diepste geheim van zichzelve eerediende deze vrouw -hare zinnelijkheid als in den tempel van haar egoïsme, offerde deze -melkblanke kreole al het intieme van hare roze verbeelding, van haar -onbluschbaar verlangen en in die eeredienst was zij als gekomen tot een -kunst, een kennis, een wetenschap: die van met een enkelen blik vast te -stellen, voor zich, wat haar aantrok in den man, die haar naderde; in -den man, die haar voorbijging. In den eene was het zijn houding, was -het zijn stem; in den andere was het de lijn van zijn nek op zijn -schouders; in een derde was het zijn hand op zijn knie; maar wat het -ook was, zij zag het dadelijk, met een enkelen blik; zij wist het -oogenblikkelijk in een enkele seconde, zij had den voorbijganger -geoordeeld in een ondeelbaar oogenblik, en zij wist dadelijk wien zij -verwierp—en dat waren de meesten—en wien zij waardig keurde,—en dat -waren er velen. En wien zij verwierp in dat ondeelbare oogenblik van -haar opperste gerecht, met dien enkelen blik, in die enkele seconde, -behoefde ook nooit te hopen: zij, priesteres, liet hem niet toe in den -tempel. Voor de anderen was de tempel open, maar alleen achter het -gordijn van hare correctheid. Hoe brutaal ook, zij was altijd correct, -de liefde was altijd geheim; voor de wereld was zij niet anders dan de -innemend glimlachende rezidentsvrouw, een beetje indolent; en die -iedereen overwon met haar glimlach. Zag men haar niet, dan sprak men -kwaad van haar; zag men haar, dan had zij dadelijk overwonnen. Tusschen -allen, met wie zij het geheim van hare liefde deelde, was als een -vrijmetselarij, als een mysterie van eeredienst: nauwlijks, even met -elkaâr, fluisterden zij een paar woorden, bij eene zelfde herinnering. -En glimlachend, melkblank, rustig, kon Léonie zitten in een grooten -cirkel, om een marmeren tafel, met minstens twee, drie mannen, die -wisten van het geheim. Het verstoorde niet hare rust en het bedierf -niet haar glimlach. Zij glimlachte tot vervelens toe. Nauwlijks gleed -haar blik van den een naar den ander, en oordeelde zij nog eens even -na, met haar onfeilbare kennis van oordeel. Nauwlijks wolkten bij haar -op de herinneringen aan de verleden uren, nauwlijks gedacht zij de -afspraak voor den volgenden dag. Het was het geheim, dat alleen bestond -in het mysterie van het samen-zijn, en dat immers nooit werd gesproken -voor de profane wereld. Zocht in den cirkel een voet den hare, zij trok -den hare terug. Zij flirtte nooit, zij was zelfs wel eens een beetje -vervelend, stijf, correct, glimlachend. In de vrijmetselarij tusschen -de geïnitieerden en haar gaf zij het mysterie bloot, maar voor de -wereld, in de cirkels om de marmeren tafels, gaf zij zelfs geen blik, -geen handdruk, zweemde haar japon zelfs geen broekspijp aan. - -Zij had zich die dagen verveeld te Patjaram, waar zij de invitatie voor -het maal-feest had aangenomen, omdat zij vroegere jaren al geweigerd -had, maar nu zij Addy zag naderen, verveelde zij zich niet meer. -Natuurlijk kende zij hem al jaren lang en had zij hem zien opgroeien -van kind tot jongen, tot man, en had zij hem als jongen zelfs wel eens -gezoend. Al lang had zij hem geoordeeld, den verleider. Maar nu, -terwijl hij kwam in den aureool van den zonneschijn, oordeelde zij hem -nog eenmaal: zijn mooie, slanke dierlijkheid en het gloeien van zijn -verleidersoogen in het schaduw-bruin van zijn jonge Moorengezicht, de -krullende zwelling van zijn zoenlippen met het jonge dons van zijn -knevel; het tijgersterke en lenige van zijn Don-Juanleden: het vlamde -haar alles tegen, zoodat zij de oogen knipte. Terwijl hij groette, zich -zette, een vroolijkheid van woorden rondgooide in dien cirkel vol loome -spraak en sluimerende gedachten,—alsof hij een handvol van zijn -zonneschijn, van het stofgoud zijner verleiding rondsmeet over allen, -alle die vrouwen: moeder en zusters en nichtjes en Doddy en Léonie,—zag -Léonie hem aan, zooals zij hem allen aanzagen, en haar blik gleed naar -zijn handen. Zij had die handen kunnen zoenen, zij verliefde in eens op -dien vorm van vingers, op die bruine tijgerkracht van palm; zij -verliefde in eens op geheel het jonge wilde-dierachtige, dat als een -geur van mannelijkheid wademde uit geheel dien jongen. Zij voelde haar -bloed kloppen, nauwlijks betoombaar, trots hare groote kunst zich koel -en correct te houden, in de cirkels om de marmeren tafels. Maar zij -verveelde zich niet meer. Zij had een doel voor de volgende dagen. -Alleen... zoo klopte haar bloed, dat Theo haar blos had gezien en de -trilling van hare oogleden. Verliefd als hij op haar was, had zijn oog -haar ziel doordrongen. En toen zij opstonden om te rijsttafelen, in de -achtergalerij, waar de baboe’s al hurkten om in steenen potjes met -stampers ieders verschillende oelèk [31] te wrijven, beet hij haar -alleen dit woord toe: - -—Pas op!! - -Zij schrikte; zij voelde, dat hij haar dreigde. Dat was nooit gebeurd; -allen, die gedeeld hadden in het mysterie, hadden haar altijd ontzien. -Zij schrikte zoo, zij was zóo verontwaardigd om dat aanraken van het -tempelgordijn—in een galerij vol menschen—dat het borrelde in hare -rustige onverschilligheid, en dat zij tot opstand werd gewekt in hare -altijd onbezorgde zelfkalmte. Maar zij zag hem aan, en zij zag hem -blond, breed, groot, haar man in het jong, zijn Indische bloed alleen -zichtbaar in de zinnelijkheid van zijn mond, en zij wilde hem niet -verliezen: zij wilde zijn type hebben naast het type van den Moorschen -verleider. Zij wilde hen beiden; zij wilde proeven het verschil van hun -beider manne-bekoring; dat even ver-Indo’schte Hollandsche -blond-en-blanke, en het wilde-dierachtige van Addy. Haar ziel trilde, -haar bloed trilde, terwijl de lange rei der schotels plechtstatig -rondging. Zij was zoo in opstand, als zij nog nooit was geweest. Het -ontwaken uit hare placide onverschilligheid was als een wedergeboorte, -als een onbekende emotie. Zij was verwonderd dertig te zijn, en dit -voor het eerst te voelen. Een koortsachtige slechtheid bloeide in haar -op, als met bedwelmende roode bloemen. Zij zag naar Doddy, zij zat -naast Addy; zij kon bijna niet eten, het arme kind, gloeiende van -liefde.... O, de Verleider, die maar had te verschijnen...! En Léonie, -in die koorts van slechtheid, jubelde te zijn de mededingster van hare -zooveel jongere stiefdochter.... Zij zoû voor haar passen, zij zoû -zelfs Van Oudijck waarschuwen. Zoû het ooit tot een huwelijk komen? Wat -kon het haar schelen: wat deerde haar, Léonie, huwelijk?! O, de -Verleider! Nooit had zij hem, den oppersten, zoo gedroomd in haar roze -uren van siësta! Dat was geen charme van cherubijntjes; dat was de -sterke lucht van een tijgerbekoring: het goudgevonkel van zijn oogen, -de spierlenigheid van zijn sluipende klauw.... En zij glimlachte tegen -Theo, met éen blik van zich-geven: gróote zeldzaamheid in den cirkel -van rijst-etende menschen. Zij gaf zich anders nooit, in publiek. Nu -gaf zij zich even, blij om zijn jalouzie. Zij hield ook razend van hem. -Zij vond het heerlijk, dat hij bleek en boos zag, van ijverzucht. En om -haar heen was de zonnemiddag éen gloed en de sambal prikkelde haar -droog verhemelte. Een licht zweet parelde aan hare slapen, hare borst -perelde onder de kant der kabaai. En zij had tegelijk henbeiden willen -omhelzen, Theo en Addy, in eene omhelzing, in éene mengeling van -verschillende lust, ze beiden drukkende tegen haar lijf aan van -liefdevrouw.... - - - - -III. - -Die nacht was als een dons van fluweel, loom neêrzevende uit de -luchten. De maan, in haar eerste kwartier, vertoonde een heel smalle -sikkel, horizontaal, als een Turksche halve-maan, aan wier punten het -onverlichte gedeelte der schijf zich naïf uitstippelde tegen den nacht. -Een lange laan van tjemara’s strekte zich uit voor het landhuis, de -stammen recht, het loover als uitgeplozen pluche en gerafeld fluweel, -watte-achtig gedot tegen de wolken aan, die laag drijvende al een maand -te voren de naderende regenmoesson aankondigden. Woudduiven kirden soms -en een tokkè sloeg, eerst met twee rammelende voorslagen, als bereidde -hij zich; dan met zijn vier-, vijfmaal herhaalden roep van: - -—Tokkè, tokkè....! eerst krachtig, dan buigende en verzwakkende.... - -De gardoè [32] in zijn huisje vóor aan den grooten weg, waaraan de -slapende passer [33] nu zijn leêge stalletjes plekte, sloeg elf houten -slagen op zijn tong-tong [34], en toen nog een heel laat karretje ging -voorbij, riep hij met een schorre stem: - -—Werr-da! - -De nacht was als een dons van fluweel, loom neêrzevende uit de luchten, -als een omwemelende geheimzinnigheid, als een beklemmende aandreiging -van toekomst. Maar in die geheimzinnigheid, onder de geplozen zwarte -watten, het gerafelde pluche der tjemara’s, was als een onontkoombare -verlokking tot liefde, in den windloozen nacht, als een fluisteren om -dit uur niet te laten voorbijgaan.... Wel als een spotgeest sarde de -tokkè, droog komiek doende, en de gardoè met zijn: werda! deed -schrikken, maar zachtjes kirden de woudduiven en geheel de nacht was -als éen dons van fluweel, als éen groote alkoof, die het pluche der -tjemara’s gordijnden, terwijl de zwoelte der verre regenwolken—die -geheele maand aan den einder—omduizelde met een drukkenden toover. -Geheimzinnigheid en betoovering dreven in den donzenden nacht, zeefden -neêr in de alkoof, die schemerde, versmeltende alle denken en ziel en -warm vizioenende voor de zinnen.... - -De tokkè zweeg, de gardoè dommelde in: de donzen nacht heerschte, als -een tooveres, gekroond met de sikkel der maan. Zij liepen zacht aan, -twee gestalten van jeugd, de armen om elkaârs middel, mond zoekende -mond in het dwingen van de betoovering. Zij schaduwden aan onder het -geplozen fluweel der tjemara’s, en zacht, in hun witte kleêren, -blankten zij aan, als het paar van liefde, dat eeuwig is, en zich -altijd herhaalt, overal. En hier vooral was het paar van liefde als -onvermijdelijk in den toovernacht, was het als éen met den nacht, -opgeroepen door de tooveres, die heerschte—; hier was het fataal, -opgebloeid als een dubbele bloem van noodlotliefde, in het donzen -mysterie der dwingende luchten. - -En de Verleider scheen te zijn de zoon van dien nacht, de zoon van die -onontkoombare koningin van den nacht, die het meisje, zwak, voerde meê. -In hare ooren scheen de nacht te zingen met zijn stem en hare kleine -ziel smolt vol van hare zwakte, in de magische machten. Zij liep-aan -tegen zijn zijde, voelende zijne lijfswarmte dringen door hare -verlangende maagdelijkheid heen, en haar blik zwom naar hem op, met de -smachtingen van haar vonkel-iris, die op-diamantte in haar pupil. Hij, -dronken door de macht van den nacht, de tooveres, die was als zijn -moeder, dacht haar eerst verder te voeren, aan geen werkelijkheid meer -denkende, zonder ontzag meer voor haar, zonder vrees meer voor wie -ook—dacht haar verder te voeren, voorbij de gardoè, die dommelde, over -den grooten weg, in de kampong, die daar school tusschen de -statie-vederbossen der klapperboomen, als het baldakijn hunner -liefde—haar te voeren naar een schuilplaats, een huis, dat hij kende, -een bamboehut, die men voor hem zoû openen. - -Toen zij eensklaps stilhield en schrikte. - -En zijn arm omklemde en zich nog dichter drukte tegen hem aan en hem -bezwoer van neen, dat zij bang was.... - -—Waarom? vroeg hij zacht, met zijn stem van fluweel, even donzig diep -als geheel de nacht was, waarom dan niet, van nacht, van nacht -eindelijk, zonder gevaar zoû het zijn.... - -Maar zij, ze rilde, ze sidderde en ze smeekte: - -—Addy, Addy, neen... neen... ik durf niet verder... ik ben bang, dat de -gardoè ons ziet, en dan... daar loopt... een hadji... met een witten -tulband op... - -Hij zag uit naar den weg; aan den overkant wachtte de kampong onder het -baldakijn van de klapperboomen, met de bamboehut, die men zoû -openen.... - -—Een hadji....? Waar Doddy? Ik zie niemand.... - -—Hij ging over den weg, hij keek naar ons om, hij zag ons, ik zag zijn -oogen schitteren en hij is gegaan achter die boomen, in de kampong.... - -—Lieveling, ik heb niets gezien.... - -—Jawel, jawel, ik durf niet, Addy: o toe, laat ons teruggaan!! - -Zijn mooi Moorsch gezicht verduisterde: hij zag al het hutje zich -openen door de oude vrouw, die hij kende, die hem aanbad als iedere -vrouw hem aanbad, van zijn moeder af tot zijn kleine nichtjes. - -En nog eens poogde hij haar over te halen, maar zij wilde niet, zij -bleef staan, zij klampte zich op hare voetjes. Toen keerden zij terug, -en zwoeler waren de wolken, laag aan den horizon, en dichter was het -dons van den nacht, als een warme sneeuw; voller, zwarter was het -gerafel van de tjemara’s. Het landhuis schemerde op, onverlicht, diep -in slaap. En hij smeekte haar, hij bezwoer haar hem dien nacht niet te -verlaten, dat hij sterven zoû, dien nacht, zonder haar.... Al gaf zij -toe, beloofde, hare armen om zijn hals.... toen zij weêr schrikte en -weêr uitriep: - -—Addy.... Addy.... daar, alweêr.... die witte figuur.... - -—Je schijnt overal hadji’s te zien! spotte hij. - -—Daar dan, kijk.... - -Hij keek, hij zag waarlijk nu in de donkere voorgalerij een witte -figuur hen naderen. Maar het was een vrouw... - -—Mama! schrikte Doddy. - -Het was werkelijk Léonie en ze kwam langzaam naar hen toe. - -—Doddy, zeide zij zacht. Ik heb overal naar je gezocht. Ik ben zoo bang -geweest. Ik wist niet waar je was. Waarom ga je zoo laat nog wandelen? -Addy.... ging zij zacht voort, lief moederlijkjes als tegen twee -kinderen. Hoe kan je zoo doen, en zoo laat nog met Doddy wandelen. Je -moet het heusch nooit meer doen, hoor! Ik weet wel, dat het niets is, -maar als iemand het zag! Je moet me belooven het nooit meer te doen?! - -Zij smeekte het liefjes, innemend verwijtend, doende of zij hen wel -begreep, of zij wel wist, dat zij voor elkaâr blaakten in den donzenden -toovernacht, in hare woorden hen dadelijk vergevend. Zij zag er uit als -een engel, met haar ronde, blanke gezicht in het loshangende golvende -blonde haar; in de witte zijden kimono, die in soupele plooien om haar -hing. En zij trok Doddy naar zich toe, en zoende het kind, en Doddy’s -tranen wischte zij af. En toen, zachtkens, duwde zij Doddy weg, naar -hare kamer in de bijgebouwen, waar zij veilig sliep tusschen zoovele -andere kamers vol dochters en vol kleinkinderen van de oude mevrouw de -Luce. En terwijl Doddy zacht weenend ging, naar de eenzaamheid van die -kamer, sprak Léonie nog tegen Addy, zacht verwijtend, liefjes -waarschuwend als een zuster nu, terwijl hij, mooi Moorsch bruin, met -een verlegen blague voor haar stond. Zij waren in den schemer der -donkere voorgalerij en buiten wierookte de nacht de onontkoombare -walmen van weelde, van liefde, van donzend mysterie. En zij verweet en -zij waarschuwde, en zij zeide, dat Doddy een kind was, en dat hij geen -misbruik mocht maken.... Hij haalde zijn schouders op, hij verdedigde -zich, met zijn blague: als stofgoud vielen zijn woorden op haar, -terwijl als van een tijger zijn oogen vonkelden. Hem overredende toch -voortaan arme Doddy te sparen, vatte zij zijne hand—zijn hand, waarop -zij verliefd was—zijn vingers, zijn palm, die zij dien morgen, in hare -verwarring, had kunnen kussen—en zij drukte die hand en zij weende -bijna, en zij smeekte hem genade voor Doddy.... Hij merkte het -eensklaps, hij zag haar aan met den bliksem van zijn wilde-dieren-blik -en hij vond haar mooi, hij vond haar vrouw, melkblank, en hij wist haar -priesteres vol geheime kennis.... En ook over Doddy sprak hij, haar -dichter naderende, haar aanvoelende, drukkende tusschen zijn handen -hare beide handen, haar doende begrijpen, dat hij begreep. En nog -weenende doende en smeekende, leidde zij hem voort en zij opende hare -kamer. Hij zag een flauw licht en haar meid, Oerip, die zich door de -buitendeur verwijderde, en zich daar te slapen legde, als een trouw -dier, op een matje. Toen lachte zij hem tegemoet, en hij, verleider, -was verbaasd over den gloed van den lach van die blanke en blonde -verleideres, die hare zijden kimono afwierp en als een beeld voor hem -stond, naakt, hare armen breidende open.... - -Oerip, buiten, luisterde even. En zij wilde, glimlachende, zich leggen -te slapen, droomende van de mooie sarongs, die de Kandjeng haar morgen -zoû geven, toen zij even schrikte en over het erf zag loopen, en -verdwijnen in den nacht, een hadji met witten tulband... - - - - -IV. - -Dien dag zoû de Regent van Ngadjiwa, de jongere broeder van Soenario, -op Patjaram een bezoek komen brengen, omdat mevrouw Van Oudijck den -volgenden dag vertrok. Men wachtte hem af in de voorgalerij, -schommelend om de marmeren tafel, toen zijn rijtuig de lange avenue der -tjemara’s binnenratelde. Zij stonden allen op. En nu vooral bleek het -hoe hoog de oude Raden-Ajoe, de douairière, in aanzien was, hoe nauw -verwant zij was aan den Soesoehoenan zelven, want de Regent stapte uit, -en zonder een stap verder te doen, hurkte hij neêr op de eerste trap -van de voorgalerij, en maakte eerbiedig de semba, terwijl, achter zijn -rug, een volgeling, die de gesloten goud-en-witten pajong als een -dichtgestraalde zon ophield, zich nog kleiner maakte en kromp in-een -van vernietiging. En de oude vrouw, de Solosche prinses, die weêr de -Dalem voor haar oogen zag schitteren, naderde hem, heette den Regent -welkom in de hoffelijkheid van het paleis-Javaansch—de taal tusschen -vorstelijke gelijken—tot de Regent oprees, en, achter haar, den -familiekring naderde. En de wijze, waarop hij toen eerst groette de -vrouw van zijn rezident, hoe beleefd ook, was bijna neêrbuigend, -vergeleken bij zijn kruiperigheid van zoo even.... Hij zette zich toen -tusschen mevrouw de Luce en mevrouw Van Oudijck, en een slepend gesprek -begon. De Regent van Ngadjiwa was een ander type dan zijn broeder -Soenario: grooter, grover, zonder dat levende wajang-poppige, van -dezen: hoewel jonger, zag hij er ouder uit, zijn trekken verstard van -hartstocht, zijn oogen verbrand van hartstocht: hartstocht voor -vrouwen, voor wijn, hartstocht voor opium, hartstocht vooral voor spel. -En een stille gedachte scheen op te vonkelen in dat slepende loome -gesprek, zonder idee en de woorden zoo weinig, telkens gescandeerd door -het hoffelijke: saja, saja, waarachtig zij allen verborgen hun geheime -verlangen.... Men sprak Maleisch, omdat mevrouw Van Oudijck niet -Javaansch dorst praten: de fijne, moeilijke taal, vol tinten van -etiquette, waaraan nauwlijks een enkele Hollander zich waagt tegenover -Javanen van rang. Zij spraken weinig, zij schommelden zacht; een vage -glimlach van hoffelijkheid duidde aan, dat ieder meê deed met het -gesprek, ook al wisselden alleen mevrouw de Luce en de Regent nu en dan -een enkel woord.... Tot zij eindelijk, de de Luce’s, de oude mama, de -zoon Roger, de bruine schoondochters, zich niet inhouden konden, zelfs -niet voor mevrouw Van Oudijck en verlegen lachten, terwijl dranken en -koek werden rondgediend; tot zij, trots hunne hoffelijkheid, elkaâr -snel raadpleegden met een paar woorden Javaansch, over Léonie heen, en -de oude mama eindelijk haar vroeg, zich niet meester meer, of zij het -kwalijk zoû nemen, als zij een oogenblikje speelden. En zij zagen haar -allen aan, de vrouw van den rezident, de vrouw van den gezagsman, die, -zij wisten het, haatte hun dobbelspel: hun verderf, waarin verongelukte -de hoogheid der Javaansche geslachten, die hij hoog wilde houden, trots -henzelve. Maar zij, te onverschillig, dacht er niet aan met een enkel -woord van tactvolle scherts hen te weêrhouden, haar man te wille: zij, -de slavin van haar eigen hartstocht, liet hen slaven zijn van den -hunne, in de wellust van hun slavernij. Zij glimlachte alleen, en -duldde gaarne, dat in den schemer van de wijde vierkante binnengalerij -zich de spelers trokken terug; de dames, nu begeerig tellende haar geld -in haar zakdoek, wisselende bij de heeren, tot zij zich zetten dicht -bij elkaâr, en, de oogen op de kaarten, de oogen spiedende in elkanders -oogen, speelden en speelden eindeloos door, winnende, verliezende, -betalende of opstrijkende, den zakdoek met geld even open en weêr -dicht, zonder woorden, alleen met het klein vierkant gedwarrel der -kaarten, in den schemer van het binnenvertrek. Speelden zij slikoer of -„stooteren”? Léonie wist het niet, onverschillig, ver van die passie en -blij, dat Addy naast haar bleef en Theo jaloersch hem aanzag. Wist hij -wat, vermoedde hij iets; zoû Oerip altijd zwijgen? Zij genoot in de -emotie en zij wilde hen beiden, zij wilde blank en bruin beide, en dat -Doddy zat aan de andere zijde van Addy en, bijna verkwijnd, schommelde, -deed haar een acuut en slecht pleizier. Wat was er anders in het leven, -dan zich te laten gaan naar den drang van zijn weelde-verlangen? Zij -had geen ambitie, onverschillig voor het hooge van hare pozitie; zij, -de eerste vrouw der rezidentie, die al haar verplichting schoof op Eva -Eldersma, wie het geen aandoening gaf, dat honderden op de receptie’s -te Laboewangi, te Ngadjiwa en elders haar begroetten met eene -plichtpleging, die zweemde naar vorstelijk eerbetoon,—die stilletjes, -in haar roze pervers gedroom—een roman van Mendès in de handen—lachte -om die overdrijving der binnenlanden, waarin de rezidentsvrouw een -koningin kan zijn. Zij had geene andere ambitie dan den man te hebben, -dien zij waardig koos; geen ander zieleleven dan de eeredienst van haar -lichaam, als een Afrodite, die priesteres van zichzelve zoû zijn. Wat -kon het haar schelen of zij daar speelden, of de Regent van Ngadjiwa -zich verwoestte! Zij vond het integendeel belangrijk op zijn verteerd -gezicht die verwoesting gade te slaan en zij zoû zorgen zichzelve nog -meer dan gewoonlijk te verzorgen, zich door Oerip te laten masseeren -haar gelaat en haar leden, door Oerip nog meer te laten bereiden de -blanke liquide bedak, de wondercrême, tooverzalf, waarvan Oerip wist -het geheim en die het vleesch hield hard en rimpelloos en blank als een -mangistan. Zij vond het belangwekkend den Regent van Ngadjiwa te zien -opbranden als een kaars, dom, versuft van vrouwen, wijn, opium, -kaarten, misschien van kaarten het meest, van het versuffende turen op -kaarten, dobbelende, de kans berekenend, die niet te berekenen was, -bijgeloovig berekenend, uittellende volgens de wetenschap der petangans -[35] den dag, het uur, dat hij spelen moest om te winnen, het aantal -van de medespelers, de hoeveelheid van zijn inzet... Nu en dan zag zij -ter sluiks naar de gezichten der spelers, in de binnengalerij -verdonkerd in schemer en winzicht, en zij bedacht, wat Van Oudijck zoû -zeggen, hoe boos hij zoû zijn, als zij hem hiervan vertelde.... Wat -deerde het hem of die Regentenfamilie zich ruïneerde? Wat deerde haar -zijn politiek, de geheele Hollandsche politiek, die zoo gaarne in -waardig aanzien houdt den Javaanschen adel, door welken zij de -bevolking regeert? Wat deerde haar of Van Oudijck, denkende aan den -ouden nobelen Pangéran, weemoed voelde om den zichtbaren ondergang -zijner kinderen? Haar deerde het alles niets, haar deerde nu alleen -zichzelve, en Addy, en Theo. Zij zoû dien middag haar stiefzoon, haar -blonde, toch zeggen, niet zoo jaloersch te zijn. Het werd zichtbaar, -zij was zeker, dat Doddy het zag. Had zij gisteren het arme kind niet -gered? Maar hoe lang zoû dat smachten duren? Zoû zij Van Oudijck liever -niet waarschuwen, als een goede, voorzichtige moeder...? Hare gedachten -dwaalden loom; de morgen was broeiend, in die laatste zengende dagen -der Oostmoesson, wanneer klamheid op de leden parelt. Dan trilde haar -lichaam. En Doddy latende met Addy, troonde zij Theo meê, en berispte -hem, dat hij zoo jaloersch keek van machtelooze woede. Zij maakte zich -een beetje boos en vroeg wat of hij wilde.... - -Zij waren terzijde van het huis gegaan, in de lange zijgalerij; daar -waren apen in een kooi, pisangschillen er om heen gestrooid, van de -vruchten, die de beesten gegeten hadden, door de kleinkinderen gevoed. - -Reeds een paar maal had men gegongd voor de rijsttafel, en in de -achtergalerij hurkten al de baboes, wrijvende een ieders sambal. Maar -om de speeltafel scheen men niets te hooren. Alleen werden de -fluisterende stemmen hooger, scheller, en zoowel Léonie en Theo, als -Addy en Doddy luisterden op. Een twist scheen plotseling los te -barsten, trots het gesus van mevrouw de Luce, tusschen Roger en den -Regent. Zij spraken Javaansch, maar zij lieten de hoffelijkheid varen. -Zij scholden als koelies elkaâr voor valschspelers uit. Telkens hoorde -men het sussend gedoe van de oude mevrouw de Luce, bijgestaan door hare -dochters en schoondochters. Maar ruw werden stoelen verzet, een glas -brak, Roger scheen de kaarten woest neêr te gooien. Alle de vrouwen -daarbinnen susten met hooge stemmen, met doffe stemmen, fluisterend, -met uitroepjes, met kreetjes van genade en verontwaardiging. Aan alle -hoeken van het huis luisterden de bedienden, talloos. Toen zakte de -twist; lange verklaringen redeneerden nog boos op tusschen den Regent -en Roger; de vrouwen susten: cht...! cht...! verlegen voor de -rezidentsvrouw, uitkijkende waar zij toch was. En eindelijk werd het -stil en gingen zij stil zitten, hopende, dat de twist niet te veel -gehoord zoû zijn. Tot ten laatste, heel laat, bij drieën, de oude -mevrouw de Luce, de dobbelpassie nog lichtende in hare uitgedoofde -oogen, maar waardig verzamelende al haar prestige van prinses, in de -voorgalerij kwam, en, doende of er niets gebeurd was, vroeg of mevrouw -Van Oudijck aan tafel kwam. - - - - -V. - -Ja, Theo wist. Hij had na de rijsttafel met Oerip gesproken en hoewel -de meid eerst had willen ontkennen, bang de sarongs te zullen -verliezen, had zij niet kunnen blijven liegen, heel zwakjes maar -betuigend van neen, van neen.... En nog vroeg in dien zelfden middag, -had hij Addy opgezocht, razend van jalouzie. Maar gekalmeerd had hem de -onverschillige rust van dien mooien jongen, met zijn Moorsche gezicht, -al zoo zat van zijn overwinningen, dat hijzelve nooit ijverzucht -voelde. Gekalmeerd had hem die totale afwezigheid van een enkele -gedachte in dien Verleider, die oogenblikkelijk vergat, na het uur van -liefde, zoo harmonisch vergat, dat Addy met oogen van naïve verbazing -had opgekeken, toen Theo, rood, ziedende, in zijn kamer gekomen was en, -vóor zijn bed,—waarin hij lag geheel naakt, als zijne gewoonte was in -zijn siësta, jong prachtig als brons, subliem als een antieke -statue—had staan betuigen, dat hij hem op zijn gezicht zoû slaan.... En -zoo naïf was Addy’s verbazing geweest, zoo harmonisch zijn -onverschilligheid, zoo totaal scheen hij vergeten het liefde-uur van -den vorigen nacht, zoo rustig had hij gelachen om het idee van te -vechten om een vrouw, dat Theo was bedaard, en op den rand van zijn bed -was gaan zitten. En toen had Addy—een paar jaren jonger, maar met zijn -ongeëvenaarde ondervinding—hem toch gezegd, dat hij dat toch niet meer -doen moest, zoo boos worden om een vrouw: een maîtresse, die zich gaf -aan een ander. En bijna vaderlijk, meêlijdend, had Addy hem geklopt op -den schouder, en omdat zij nu toch wisten van elkaâr, eens -vertrouwelijk met elkaâr gesproken en elkander vertrouwelijk -uitgehoord. Andere dingen vertrouwden zij elkander toe, over vrouwen, -over meisjes. Theo vroeg of Addy Doddy zoû trouwen. Maar Addy zei, dat -hij aan trouwen niet dacht, en dat de rezident ook niet zoû willen, -omdat die van zijn familie niet hield en hen te Indiesch vond. Met een -enkel woord liet hij toen uitkomen ook zijn trots op zijn Solosche -afkomst, ook zijn trots op den aureool, die bleek glom achter alle -hoofden der de Luce’s. En Addy vroeg Theo of hij wel wist, dat hij in -de kampong een broêrtje had loopen. Theo wist van niets. Maar Addy -verzekerde het hem: een zoontje van papa, hoor, uit den tijd, toen de -oude nog controleur was geweest te Ngadjiwa; een kerel van hun -leeftijd, geheel ver-njoòd: de moeder was dood. Misschien wist de oude -het zelf niet, dat hij nog een kind in de kampong had zitten, maar het -was waar, iedereen wist het; de Regent wist het, de patih wist het, de -wedono wist het, en de minste koelie wist het. Een werkelijk bewijs was -er niet, maar wat zoo geweten werd door de heele wereld, was even waar -als het bestaan van de wereld. Wat de kerel deed? Niets, vloeken, -betuigend, dat hij een zoon was van den Kandjeng Toean Residèn, die hem -in de kampong liet verrekken. Waarvan hij leefde? Van niets, van -hetgeen hij hoogweg bedelde, van wat men hem gaf, en dan.... van -allerlei praktijken: van door de districten rondgaan, door alle -dessa’s, en vragen of er niets te klagen viel en dan requestjes -opstellen; van lui op te porren naar Mekka te gaan en hen passage te -laten bespreken bij heel goedkoope stoombootonderneminkjes, waarvan hij -stil agent was: hij ging dan tot in de verste dessa en toonde er -reclameplaten, waarop een stoomboot vol Mekka-gangers, en de Kaaba, en -het Heilige Graf van Mohammed. Zoo scharrelde hij rond, dikwijls -gemengd in standjes, eens in een ketjoe-partij, soms gekleed met een -sarong, soms met een oud gestreept katoenen pakje, en hij sliep nu hier -en dan daar. En toen Theo verbaasd was, en zeide nooit iets gehoord te -hebben van dien halven broêr, en nieuwsgierig was, stelde Addy voor hem -eens op te gaan zoeken, als hij misschien te vinden was in de kampong. -En Addy, vroolijk, nam vlug zijn bad, kleedde zich in een frisch wit -pak, en zij gingen over den weg, langs de rietvelden de kampong in. Het -duisterde al onder de zware boomen, de bananen hieven hun bladeren als -frisch groene roeispanen op, en onder het statie-baldakijn der -klapperboomen, scholen de bamboe-huisjes, dichterlijk oostersch, -idyllisch met hun atap daken, de deurtjes dikwijls al dicht, en zoo ze -openstonden, het zwarte verschietje naar binnen omlijstend, met de vage -lijn van een baleh-baleh, waarop een duisterende figuur hurkte. De kale -schurftige honden blaften; de kinderen, naakt, met belletjes aan den -onderbuik, liepen weg en gluurden uit de huisjes: de vrouwen bleven -rustig, den Verleider herkennend en vaag lachend, knippend de oogen als -hij voorbij ging in zijn glorie. En Addy toonde het huisje waar zijn -oude baboe woonde, Tidjem, de vrouw, die hem hielp, die altijd haar -deur voor hem opende, als hij haar hutje noodig had, die hem aanbad, -als zijn moeder hem aanbad en zijn zusters en zijn kleine nichtjes. Hij -toonde Theo het huisje en dacht aan zijn wandeling van gisteren nacht, -met Doddy, onder de tjemara’s. De baboe Tidjem zag hem en liep op hem -toe, in verrukking. Zij hurkte bij hem neêr, zij omhelsde zijn been -tegen haar verlepte borst, zij wreef haar voorhoofd tegen zijn knie, -zij kuste hem op zijn witten schoen, zij zag hem aan in vervoering: -haar mooien prins, haar Raden, dien zij gewiegd had als klein mollig -jongske, in haar toen al verliefde armen. Hij klopte haar op den -schouder en gaf haar een rijksdaalder, en hij vroeg haar of zij wist -waar si-Oudijck was, omdat zijn broeder hem wilde zien. - -Tidjem stond op en zij wenkte hem meê: het was nog een heel eind -loopen. En zij kwamen uit de kampong, op een open weg, waarlangs rails -lagen en de krandjangs suiker vervoerd werden naar de prauwen, die aan -een steiger daar, in den Brantas, lagen gereed. De zon ging onder, in -een immense uitwaaiering van oranje straalbundels; als donker mollig -fluweel gedoezeld tegen dien trots van gloed waren de verre -geboomtelijnen, die de bibitvelden begrensden, nog niet beplant en -liggende in sombere aarde-kleur van brake akkers uit; van de fabriek -kwamen enkele mannen en vrouwen, zich begevende naar huis. Bij de -rivier, bij den steiger, was onder een heiligen, vijfvoudigen, de vijf -stammen in elkaâr vergroeiden, waringinboom met wijd uitwandelende -wortels, een kleine passer van draagkeukentjes opgezet. Tidjem riep den -veerman en hij zette hen over, over de oranje Brantas, in het laatste -geel van de als een pauwestaart waaierende zon. Toen zij over waren, -viel de nacht als met haastige wazen over elkaâr heen, en de wolken, -die de geheele Novembermaand dreigden aan lage kimmen, drukten zwoel op -de atmosfeer. En zij traden een andere kampong in, hier en daar -opgelicht met een petroleumlichtje, neêrgezet, in een lang lampeglas, -zonder ballon. Tot zij eindelijk kwamen bij een huisje, half van -bamboe, half van Devoe-kist-planken; half met pannen, half met atap -gedekt. Tidjem wees en, nog eens hurkend, en Addy’s knie omhelzend en -kussend, vroeg zij verlof terug te gaan. Addy klopte op de deur: een -gebrom, een gestommel rommelde binnen op, maar toen Addy riep, werd de -deur met een schop geopend en de beide jongelui traden binnen in de -eenige kamer van het huisje—half bamboe, half petroleum-plank: een -baleh-baleh met een paar vuile kussens in een hoek, waarvoor een slap, -chitsen gordijn bengelde—, een wrakke tafel met een paar stoelen—een -petroleumlamp op, zonder ballon; en wat rommel van kleine -benoodigdheden, gestapeld op een Devoe-kist in een hoek. Een verzuurde -opiumlucht had alles doordrongen. - -En aan de tafel zat si-Oudijck met een Arabier, terwijl een Javaansche -vrouw op de baleh-baleh hurkte, zich een sirihblad bereidend. Eenige -bladen papier, die op de tafel lagen tusschen den Arabier en den sinjo, -frommelde de laatste haastig bijeen, zichtbaar wrevelig over het -onverwachte bezoek. Maar hij herstelde zich en joviaal doende, riep hij -uit: - -—Zoo, Adipati, Soesoehoenan! Sultan van Patjaram! Suikerlord! Hoe maak -je het, mooie vent, meidenkerel! - -Zijn joviale stortvloed van begroetingen hield niet op, terwijl hij de -papieren bij elkander graaide en den Arabier een teeken gaf, waarop -deze door de andere deur, achter, verdween. - -—En wien heb je daar bij je, Raden Mas Adrianus, lekkere Lucius... - -—Je broêrtje, antwoordde Addy. - -Si-Oudijck keek plotseling op. - -—O zoo, zeide hij, en hij sprak half Hollandsch, gebroken, Javaansch, -Maleisch door elkaâr; ik herken hem, mijn echte. En wat komt de kerel -doen? - -—Eens zien, hoe jij er uit ziet... - -De twee broêrs zagen elkander aan, Theo nieuwsgierig, blij dit te -hebben uitgevonden, als een wapen tegen den oude, zoo dit wapen eens -noodig bleek; de andere, si-Oudijck, geheim in zich houdende, achter -zijne bruine slimme loergezicht, al zijne jalouzie, al zijne bitterheid -en haat. - -—Woon je hier? vroeg Theo, om iets te zeggen. - -—Neen, ik ben op het oogenblik bij haar, antwoordde si-Oudijck met een -hoofdbeweging naar de vrouw. - -—Is je moeder lang geleden gestorven? - -—Ja. De jouwe leeft nog, niet waar? Ze is in Batavia. Ik ken haar. Zie -je haar ooit? - -—Neen. - -—Hm... Hoû je meer van je stiefmoeder? - -—Dat gaat nog al vrij wel, zei Theo droog. Ik geloof niet, dat de oude -weet, dat je bestaat. - -—Jawel, dat weet hij wel. - -—Neen, ik geloof niet. Heb je ooit met hem gesproken? - -—Jawel. Vroeger al. Jaren geleden. - -—En...? - -—Het geeft niet. Hij zegt, dat ik zijn zoon niet ben... - -—Dat zal dan ook wel moeilijk uit te maken zijn. - -—Wettig ja. Maar het is een feit, en algemeen bekend. Bekend door heel -Ngadjiwa. - -—Heb je niets geen bewijs? - -—Alleen de eed van mijn moeder, toen zij stierf, voor getuigen... - -—Kom, vertel mij eens het een en ander, zei Theo. Loop een eind met ons -meê, hier is het benauwd... - -Zij gingen de hut uit, en door de kampongs slenterden zij terug, -terwijl si-Oudijck vertelde. Zij liepen langs de Brantas, die avondvaag -slingerde onder een gepoeier van sterren. - -Het deed Theo goed hiervan te hooren, van die huishoudster zijns -vaders, uit diens controleurtijd, verstooten om een ontrouw, waaraan -zij onschuldig was: het kind later geboren en nooit erkend, nooit -gesteund; de jongen, zwervende van kampong tot kampong, romantisch prat -op zijn ontaarden vader, dien hij uit de verte in het oog hield, hem -volgende met zijn loerblik toen die vader assistent-rezident, rezident -werd, trouwde, scheidde, weêr trouwde; te hooi en te gras wat leerende -van schrijven en lezen van een magang, die hem bevriend was.... Het -deed den echten zoon goed hiervan te hooren, omdat hij in het diepst -van zich, hoe blond en hoe blank ook, meer was de zoon van zijn moeder, -de nonna, dan de zoon van zijn vader; omdat hij in het diepst van zich -dien vader haatte, niet om die aanleiding of deze reden, maar om een -geheimzinnige bloed-antipathie, omdat hij zich, trots zijn voorkomen en -voordoen van blonden en blanken Europeaan, geheimzinnig verwant voelde -aan dezen onechten broêr, een vage sympathie voor hem voelde, beiden -zonen van een zelfde moederland, waarvoor hun vader niet voelde dan -alleen met zijn aangeleerde ontwikkeling: de kunstmatig, humaan -aangekweekte liefde der overheerschers voor den overheerschten grond. -Van zijne kinderjaren af, had Theo zich zoo gevoeld, ver van zijn -vader; en later was die antipathie een sluimerende haat geworden. Het -deed hem genoegen te hooren afbreken die onlaakbaarheid van zijn vader: -edel mensch, hoog intègre ambtenaar, die zijn huisgezin liefhad, die -zijn rezidentie liefhad, die den Javaan liefhad, die hoog wilde houden -de Regentenfamilie—niet alleen omdat zijn instructie hem in het -Staatsblad voorschreef den Javaanschen adel in aanzien te houden, maar -omdat zijn eigen hart het hem zeide, als hij zich den nobelen Pangéran -heugde.... Theo wist wel, dat zijn vader zoo was, zoo onlaakbaar, zoo -hoog, zoo intègre, zoo edel, en het deed hem goed, hier, in den avond -vol geheim aan de Brantas, te hooren tornen aan die onlaakbaarheid, aan -dien hoogen, intègren adel; het deed hem goed te ontmoeten een -verstooteling, die hem in éen oogenblik die hoog tronende vaderfiguur -vuil gooide met slijk en smerigheid, hem neêrtrok van zijn voetstuk, -hem laag deed zijn als ieder ander, zondig, slecht, harteloos, onedel. -Een slechte blijdschap was er om in zijn hart, zooals er een slechte -blijdschap was, dat hij bezat de vrouw van dien vader, die die vader -aanbad. Wat te doen met dat donkere geheim wist hij nog niet, maar hij -nam het tot zich als een wapen; hij wette het, daar in dien avond, -terwijl hij uithoorde den kleurling met zijn loeroog, die uitvaarde en -zich opwond. En Theo borg zijn geheim, borg zijn wapen diep bij zich. -Grieven kwamen bij hem los, en ook hij nu, de echte zoon, schold op -zijn vader, bekende hoe de rezident hem, zijn zoon, niet meer hielp -vooruit te komen dan hij den eersten besten klerk zoû doen; hoe hij hem -éenmaal had aanbevolen bij de directie van een onmogelijke onderneming, -een rijstland, waar hij, Theo, niet langer had kunnen blijven dan een -enkele maand, hoe hij hem daarna overgelaten had aan zijn lot, hem -tegenwerkte als hij op concessie’s jaagde, zelfs in andere rezidentie’s -dan Laboewangi, zelfs in Borneo, tot hij nu genoodzaakt was thuis te -blijven hangen en klaploopen, niets vindende door zijn vaders schuld, -getolereerd in dat huis, waar alles hem antipathiek was.... - -—Behalve je stiefmoeder! viel droog in si-Oudijck. - -Maar Theo ging voort, zich nu gevende op zijn beurt en den broêr -vertellende, dat al was hij erkend en gewettigd, het toch niet vet -soppen zoû zijn. Zoo wonden zij zich beiden op, blij elkander ontmoet -te hebben, bevriend in dit enkele uur. En naast hen liep Addy, zich -verwonderend over die vlugge sympathie, maar verder zonder gedachte. -Zij waren een brug overgegaan en met een omweg waren zij gekomen achter -de fabrieksgebouwen van Patjaram. Hier nam si-Oudijck afscheid van hen, -van Theo met een handdruk, waarin deze een paar rijksdaalders liet -glijden, die gretig werden aangenomen, met een opflikkering van den -loerblik, maar zonder een woord van dank. En langs de nu stille fabriek -begaven Addy en Theo zich naar het landhuis: de familie liep buiten in -den tuin en in de tjemara-laan. En terwijl de beide jongelui naderden, -liep hen tegemoet het achtjarige gouden kindje, het pleegprinsesje van -de oude mama, met haar franje van haar en haar gebedakte voorhoofdje, -in haar rijke poppe-kleedijtje. Zij liep op hen toe en bij Addy bleef -zij eensklaps staan en zag naar hem op. Addy vroeg wat zij wilde, maar -het kind antwoordde niet, zag alleen naar hem op, en toen, -uitstrekkende haar handje, vlijde zij hem over zijn hand met haar -handje. Het was in het schuwe kind zoo duidelijk onweêrstaanbaar -magnetisch: dat aanloopen, stilstaan, opkijken en vlijen, dat Addy luid -oplachte, en zich bukte en haar luchtigjes kuste. Het kind, tevreden, -huppelde terug. En Theo, nog opgewonden van dien middag, eerst door -zijn gesprek met Oerip, door zijn verklaring met Addy, zijne ontmoeting -met den halven broêr, zijne ontboezemingen over zijn vader—Theo, zich -bitter voelende en interessant, was zoo geërgerd door dat onbelangrijke -doen van Addy en het kleine kindje, dat hij, bijna boos, uitriep: - -—Ach jij.... jij wordt toch nooit iets anders dan een meidenvent! - - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - - -I. - -Het was Van Oudijck meestal meêgeloopen in het leven. Uit eene -eenvoudige, Hollandsche familie, zonder geld, was zijn jeugd geweest -een harde, maar nooit wreede school van reeds vroegen ernst, van -dadelijk stevig-aan werken, van reeds dadelijk uitkijken naar de -toekomst, naar de loopbaan, naar de plaats, die hij zoo spoedig -mogelijk eervol zoû willen innemen tusschen zijn medemenschen. Zijne -Indologische studiejaren te Delft waren even genoeg vroolijk geweest, -om hem te laten denken, dat hij jong was geweest, en omdat hij meê had -gedaan aan een maskerade, meende hij zelfs, dat hij al een heel losse -jeugd had gehad, van veel geld stuk slaan en geboemel. Zijn karakter -was samengesteld uit veel stil Hollandsche degelijkheid, een meestal -ietwat sombere en saaie levensernst van verstandelijke praktijk: gewend -uit te zien naar zijn eervolle plaats onder de menschen, was zijn -ambitie rythmisch, gestadig ontwikkeld, tot een maathoudende eerzucht, -maar ontwikkeld alleen in die lijn, langs welke zijn oog altijd gewoon -was te turen: de hiërarchische lijn van het Binnenlandsch Bestuur. Het -was hem altijd meê geloopen: van veel capaciteit, was hij veel -gewaardeerd, was vroeger assistent-rezident dan de meeste en jong -rezident geworden, en eigenlijk was zijn eerzucht bevredigd nu, omdat -zijn betrekking van gezag geheel harmonieerde met zijn natuur, wier -heerschzucht gelijkmatig met haar eerzucht was gegaan. Eigenlijk was -hij nu tevreden, en hoewel zijn oog nog veel verder uit zag en voor -zich zag schemeren een zetel in den Indischen Raad en zelfs de troon te -Buitenzorg,—had hij dagen, waarin hij, levens-ernstig en tevreden, -beweerde, dat rezident eerste-klasse te worden—behalve het hoogere -pensioen—alleen iets voor had te Semarang en Soerabaia, maar dat de -Vorstenlanden maar heel lastig waren, en Batavia zoo een eigenaardige -en bijna verkleinde pozitie had, te midden van zoo vele hooge -ambtenaren—Raden van Indië en Directeuren. En al zag zijn oog dus -verder, zijn praktische middelmaattevredenheid zoû geheel bevredigd -zijn, zoo men hem had kunnen voorspellen, dat hij rezident van -Laboewangi zoû sterven. Hij had zijn gewest lief, en hij had Indië -lief; naar Holland, naar het vertoon van Europeesche beschaving, -verlangde hij nooit, toch zelve zeer Hollandsch gebleven, en vooral -hatende alles wat half-bloed was. Het was de tegenstelling in zijn -karakter, want hij had zijn eerste vrouw—een nonna—niet anders dan uit -liefde genomen, en zijne kinderen, in wie het Indische bloed -sprak,—uiterlijk bij Doddy, innerlijk bij Theo, terwijl René en Ricus -geheel twee kleine sinjo’s waren—had hij lief met een zeer sterk -sprekend vaderlijk gevoel, met al het teedere en sentimenteele, dat in -het diepe van hem sluimerde: behoefte om veel te geven en te ontvangen -in den cirkel van zijn huiselijk leven. Langzamerhand was deze behoefte -uitgebreid tot den cirkel van zijn gewest: er was in hem een vaderlijke -trots op zijn assistent-rezidents en controleurs, onder wie hij -populair was en die van hem hielden en alleen maar eenmaal in de zes -jaren, dat hij rezident van Laboewangi was, had hij niet overweg gekund -met een controleur, die kleurling was, en dien hij, na een poos geduld -met hem en zich, had laten overplaatsen, had laten springen, als hij -zeide. En hij was trotsch, dat hij, trots zijn straffe autoriteit, -trots zijn straffen werkdrang, bemind was onder zijne ambtenaren. Des -te meer deed hem leed die steeds geheimzinnige vijandschap met den -Regent, zijn „jongeren broeder”, volgens de Javaansche titulatuur, en -in wien hij ook gaarne den jongeren broeder gevonden had, die onder -hem, den ouderen, bestuurde zijne Javaansche bevolking. Het deed hem -leed, dat hij het zoo getroffen had en hij dacht dan aan andere -Regenten; niet alleen aan den vader van dezen, den nobelen Pangéran, -maar aan anderen, die hij kende: de Regent van D., ontwikkeld, zuiver -Hollandsch sprekend en schrijvend, steller van klaar-duidelijke -Hollandsche artikelen in couranten en tijdschriften; de Regent van S., -jong, wat luchthartig en ijdel, maar zeer vermogend en veel goed -doende, in de Europeesche samenleving als een dandy, galant tegen de -dames. Waarom moest hij het zoo treffen in Laboewangi met deze stil -nijdige, geheimzinnig fanatieke wajangpop, met zijn faam van heilige en -toovenaar, dom verafgood door het volk, in welks welvaart hij geen -belang stelde, en dat hem toch aanbad alleen om het prestige van zijn -ouden naam—in wien hij altijd gevoelde een tegenwerking, nooit -uitgesproken maar toch zoo duidelijk tastbaar onder zijn ijskoude -correctheid! En daarbij dan nog in Ngadjiwa, de broêr, de speler, de -dobbelaar—, waarom moest hij het zoo getroffen hebben met zijn -Regenten? - -Van Oudijck was in een sombere bui. Hij was gewoon nu en dan, geregeld, -anonieme brieven te krijgen, venijnig uit stille hoekjes uitgespogen -laster, nu een assistent-rezident, dan een controleur bekladderend; nu -de Indische hoofden, dan zijn eigen familie besmeurend; soms in den -vorm van vriendschappelijke waarschuwing, soms in die van hatelijke -schaadvreugd, hem toch vooral de oogen willende openen voor de gebreken -van zijne ambtenaars, voor de misdrijven van zijne vrouw. - -Hij was er zoo gewoon aan, dat hij de brieven niet telde, ze vluchtig -of nauwlijks las, en ze zorgeloos verscheurde. Gewoon voor zichzelven -te oordeelen, maakten de nijdige waarschuwingen geen indruk, hoe zij -ook als sissende slangen opstaken hare kop tusschen al de brieven, die -de post hem dagelijks bracht; en voor zijne vrouw was hij zoo blind, -Léonie had hij zoo altijd blijven zien in de rust van hare glimlachende -onverschilligheid, en in het cirkeltje van huiselijke gezelligheid, dat -zij zeer zeker om zich heen trok—in de holle leegte van het met zijn -stoelen en ottomane steeds recepiëerend rezidentie-huis—, dat hij nooit -zoû kunnen gelooven aan het allerminste van al dien laster. Hij sprak -er haar nooit over. Hij hield van zijn vrouw; hij was verliefd op haar, -en daar hij haar in gezelschap steeds bijna stil zag, daar zij nooit -flirtte of coquet was, blikte hij nooit in den verdorven afgrond, die -haar ziel was. Trouwens, hij was thuis geheel blind. Hij had thuis die -volslagen blindheid, die zoo dikwijls hebben mannen, zeer kundig en -bekwaam in betrekking en werkkring, gewend scherp om te blikken in het -wijde perspectief van hun arbeidsveld, maar bijziende thuis; gewoon te -analyzeeren de massa der dingen, en niet de détails van een ziel; wier -menschenkennis is gebazeerd op principe, en die de menschen in types -verdeelen, als met een rolverdeeling in een ouderwetsch tooneelspel; -die dadelijk doorgronden de arbeidsgeschiktheid hunner ondergeschikten, -maar wie zelfs nooit aanzweemt iets van het in elkaâr geslingerd -complexe, als verwarde arabesken, als verwilderde ranken van het -zielsingewikkelde hunner huisgenooten, steeds blikkende over hun -hoofden heen, steeds denkende over hun woorden heen, en zonder belang -voor al het veeltintige, van emotie en haat en nijd en leven en liefde, -dat regenboogt, vlak voor hun oog. Hij had zijn vrouw lief en hij had -lief zijn kinderen, omdat hij behoefte had aan vaderlijkheid, aan -vader-zijn, maar hij kende noch vrouw, noch kinderen. Van Léonie wist -hij niets en nooit had hij bevroed, dat Theo en Doddy, onuitgesproken, -hunne moeder, zoover, in Batavia, verongelukt tusschen onzegbare -praktijken, trouw waren gebleven, en zonder liefde waren voor hem. Hij -meende, dat zij wèl liefde hem gaven, en hij.... als hij over ze dacht, -werd een sluimerende teederheid in hem wakker. - -De anonieme brieven kreeg hij iederen dag. Nooit hadden zij indruk -gemaakt, maar den laatsten tijd verscheurde hij ze niet meer, maar las -ze aandachtig en borg ze weg in een geheime lade. Waarom, had hij niet -kunnen zeggen. Het waren beschuldigingen tegen zijn vrouw, het waren -besmeuringen tegen zijn dochter. Het waren bangmakerijen, dat een kris -in het duister mikte naar zijn leven. Het was hem waarschuwen, dat zijn -spionnen geheel onvertrouwbaar waren. Het was hem zeggen, dat zijn -verstooten vrouw gebrek leed en hem haatte; het was hem zeggen, dat hij -een zoon had, naar wien hij nooit had omgekeken. Het was stil wroeten -in al het geheime en duistere van zijn leven en werkkring. Ondanks -zichzelven, maakte het hem somber. Het was alles vaag en hij had zich -niets te verwijten. Voor zichzelven en voor de wereld, was hij goed -ambtenaar, goed echtgenoot en goed vader, was hij goed mensch. Dat men -hem verweet onrechtvaardig hier te hebben geoordeeld, daar wreed en -onbillijk te hebben gehandeld, zijn eerste vrouw te hebben verstooten, -een zoon in de kampong te hebben loopen, dat men met vuil wierp naar -Léonie en Doddy—het maakte hem somber dezer dagen. Want er was met geen -reden te grijpen, dat men zoo deed. Voor dezen man met zijn praktischen -zin was het vage juist het ergerlijkste. Een open strijd zoû hij niet -vreezen, maar dit schijngevecht in de schaduw maakte hem zenuwachtig en -ziek. Hij kon niet bevroeden waarom het was. Er was niets. Hij kon zich -het gelaat van een vijand niet denken. En elken dag kwamen de brieven, -en iederen dag was een vijandelijkheid in schaduw om hem heen. Het was -te mystiek voor zijn natuur om hem niet bitter en somber en treurig te -maken. Toen verschenen, in mindere bladen, uitingen van een kleine, -vijandige pers, beschuldigingen vaag of tastbaar onwaar. Een haat -borrelde overal op. Hij kon niet bevroeden waarom, hij werd ziek van te -peinzen waarom. En hij sprak er met niemand over en besloot zijn leed -hierover diep in zich. - -Hij begreep het niet. Hij kon niet bevroeden waarom het zoo was, waarom -het zoo werd. Er was geen logica in. Want de logica zoû zijn, dat men -hem niet haten zoû maar beminnen, hoe hoog streng men hem ook vond. En -temperde hij zelfs niet die hooge strengheid zoo dikwijls onder den -jovialen lach van zijn breeden snor, onder een gemoedelijkere -vriendschappelijkheid van waarschuwing en terechtwijzing? Was hij op -tournées niet de gezellige rezident, die de tournée met zijn ambtenaren -beschouwde als een sport, als een heerlijke excursie te paard, door de -koffietuinen, aandoende de koffie-goedangs; als een prettige -feesttocht, die de spieren ontspande na zoo vele weken bureau-werk, het -groote gevolg van districthoofden op hunne kleine paardjes, achter, de -kittige dieren aapachtig vlug berijdend, vlaggetjes in de hand, de -gamelan overal waar hij langs kwam uitsprenkelende blij kristallen -verwelkomsttonen, en, ’s avonds het met zorg bereide maal in de -pasàngrahan [36] en, tot laat in den nacht, het omberpartijtje? Hadden -zij hem dan niet gezegd, zijn ambtenaren, een oogenblik los van alle -formaliteit, dat hij een leuke rezident was, te paard onvermoeid, jolig -aan tafel, en zóo jong, dat hij van de tandak-meid wel aannam den -slendang [37] en met haar tandakte een oogenblik, heel knap doende de -hiëratische lenigheden der handen en voeten en heupen—in plaats van -zich met een rijksdaalder los te koopen en haar te laten dansen met den -wedono? Nooit voelde hij zich prettig, als op tournée. En nu dat hij -somber was, ontevreden, niet begrijpende wat stille krachten hem -tegenwerkten in het duister—hem, den man van oprechtheid en licht, van -eenvoudig levensprincipe, van ernstige arbeids-degelijkheid—dacht hij -spoedig op tournée te gaan en in dien sport zich te bevrijden van de -hem neêrdrukkende somberheid. Hij zoû dan Theo vragen meê te gaan, om -zich eens te verzetten een paar dagen. Hij hield van zijn jongen, al -vond hij hem onverstandig, onbezonnen, onbesuisd, niet volhoudend in -zijn werk, nooit tevreden met zijn superieuren, te tacteloos -weêrstrevend zijn administrateur, tot hij zich weêr onmogelijk maakte -op koffieonderneming of suikerfabriek, waar hij werkzaam was. Hij vond, -dat Theo zelve zijn weg moest vinden, als hij, Van Oudijck, gedaan had, -in plaats van geheel te steunen op de protectie, het rezidentschap van -zijn vader. Hij was geen man van nepotisme. Hij zoû zijn zoon nooit -voortrekken boven een ander, die evenveel recht had. Hij had neven, tuk -op concessies in Laboewangi, vaak gezegd, dat hij liefst geen familie -had in zijn gewest, en zij niets van hem hadden te wachten dan een -volstrekte onpartijdigheid. Zoo was hij er gekomen, zoo verwachtte hij, -dat zij er zouden komen, en Theo ook. Maar toch, in stilte sloeg hij -Theo gade, met al zijne vaderlijkheid, met het bijna sentimenteele van -zijn teederheid; in stilte betreurde hij het diep, dat Theo niet -volhardender was, en niet meer uit zag naar zijn toekomst, naar zijn -loopbaan, naar een eervolle plaats onder de menschen, hetzij van -aanzien, hetzij van geld. De jongen leefde er maar op los, zonder -gedachte aan morgen.... Misschien was hij, uiterlijk, wat koel tegen -Theo: nu, hij zoû eens vertrouwelijk met hem spreken, hem raad geven, -en nu zoû hij vragen in alle geval, of Theo meêging op tournée. En het -idee van een kleine zes dagen paard te rijden in de zuivere lucht om de -bergen, de koffietuinen door, te inspecteeren de irrigatiewerken, te -doen het hem alleraangenaamste van zijn werkkring, verruimde zijn ziel, -verhelderde hem zijn blik, tot hij niet meer aan de brieven dacht. Hij -was een man van het klare eenvoudige leven: hij vond het leven -natuurlijk en niet verward ingewikkeld: langs een zichtbare trap van -open geleidelijkheid was zijn leven gegaan, uitziende naar een -blinkende top van eerzucht, en wat er krioelde, wat er woelde in -schaduw en duister, wat er opborrelde uit afgrond, dicht bij zijn voet, -had hij nooit kunnen en willen zien. Hij was blind voor het leven, dat -er werkt onder het leven. Hij geloofde er niet aan, zoomin als een -bergbewoner, die lang aan een stille vulkaan heeft gewoond, gelooft aan -het inwendige vuur, dat diep geheimzinnig voortleeft en alleen ontsnapt -als wat heete stoom en zwavellucht. Hij geloofde noch aan de kracht -boven de dingen, noch aan de kracht in de dingen zelve. Hij geloofde -niet aan het zwijgende Noodlot en niet aan de stille Geleidelijkheid. -Hij geloofde alleen aan wat hij zag met het open oog: aan den oogst, de -wegen, districten en dessa’s, en aan de welvaart van zijn gewest; -alleen aan zijn carrière, die hij als een stijgende lijn vóor zich zag. -En in deze onbenevelde klaarheid van simpele mannelijke natuur, in deze -voor de geheele wereld zichtbare klaarduidelijkheid van rechtvaardige -heerschzucht, rechtmatige eerzucht, en praktisch levensplichtbesef was -alleen deze zwakte: de teederheid, diep en vrouwelijk sentimenteel voor -den huiselijken kring—dien hij, blind, niet zag in de ziel—en alleen -zag volgens zijn vastgesteld principe; zooals zijn vrouw en zijn -kinderen moesten zijn. - -Ondervinding had hem niet geleerd. Want ook zijn eerste vrouw had hij -zoo lief gehad, als hij nu liefhad Léonie. - -Hij had zijn vrouw lief, omdat ze was, zijn vrouw, de zijne: de -voornaamste van den kring. Hij had den kring lief, òm den kring en niet -als individuën, die zijn de schakels. Ondervinding had hem niet -geleerd. Hij dacht niet volgens de tintwisseling van zijn leven, hij -dacht volgens zijn ideeën en principes. Ze hadden hem man en krachtig -gemaakt, en ook goed ambtenaar. Ze hadden hem, volgens zijn natuur, ook -meestal goed mensch laten wezen. Maar omdat hij had zooveel teederheid, -onbewust, ongeanalyzeerd en alleen diep gevoeld, en omdat hij niet -geloofde aan de stille kracht, aan het leven in het leven, aan wat er -krioelde en woelde als vulkaanvuren onder de bergen van majesteit, als -troebelen onder een troon, omdat hij niet geloofde aan de mystiek der -zichtbare dingen, kon het leven hem vinden, onvoorbereid en zwak, als -het afweek—godenrustig en sterker dan menschen—van wat hèm logisch -dacht. - - - - -II. - -De mystiek der zichtbare dingen op dat eiland van geheimzinnigheid, dat -Java is... Uiterlijk de dociele kolonie met het overheerschte ras, dat -niet opgewassen was tegen den ruwen koopman, die, in den glorietijd van -zijn republiek, met de jonge kracht van een jeugdig volk, gretig en -winzuchtig, rond en koel, plantte voet en vlag op de in-een stortende -keizerrijken, op de tronen, die wankelden, als had de grond vulkanisch -geaardbeefd. Maar, diep in zijn ziel, nooit overheerscht, hoewel zich, -voornaam minachtend glimlachend, schikkend, lenig neêrvlijende onder -zijn noodlot; diep in zijn ziel, trots een in het stof kruipenden -eerbied, vrij levend een eigen mysterie-leven, verborgen voor den -Westerschen blik, hoe die ook het geheim te doorgronden zoekt—als met -een wijsbegeerte van toch vooral glimlachend voorname rust te bewaren, -buigzaam toegevende, hoffelijk schijnbaar naderende—maar diep in zich -heilig zeker van eigen meening, en zoo wijd verwijderd van alle -overheerschers-gedachte, overheerschers-beschaving, dat een -verbroedering tusschen meester en dienaar nooit zijn zal, omdat -onoverkomelijk het verschil blijft, dat voortwoekert in ziel en bloed. -En de Westerling, prat op zijn macht, op zijn kracht, op zijn -beschaving, humaniteit, troont hoog, blind, egoïst, eigendachtig -tusschen al de ingewikkelde raderen van zijn autoriteit, die hij -uurwerk-zeker laat grijpen in elkaâr, contrôle op iedere wenteling, -tot voor vreemden, buitenaf, een meesterwerk, wereldschepping, schijnt -te zijn die overheersching der zichtbare dingen: kolonizatie van den -bloedvreemden, zielvreemden grond. - -Maar onder al dit vertoon schuilt de stille kracht, en sluimert nu, en -wil niet strijden. Onder al dien schijn der zichtbare dingen, dreigt -het wezen der stille mystiek, als smeulend vuur in den grond en als -haat en mysterie in het hart. Onder al deze rust van grootheid dreigt -het gevaar, en rommelt de toekomst als de onderaardsche donder in de -vulkanen, onhoorbaar voor het menschelijk oor. En het is alsof de -overheerschte het weet en maar laat gaan de stuwkracht der dingen en -afwacht het heilige oogenblik, dat komen zal, als waar zijn de -geheimzinnige berekeningen. Hij, hij kent den overheerscher met éen -enkelen blik van peildiepte; hij, hij ziet hem in die illuzie van -beschaving en humaniteit, en hij weet, dat ze niet zijn. Terwijl hij -hem geeft den titel van heer en de hormat van meester, kent hij hem -diep in zijn democratische koopmansnatuur, en minacht hem stil en -oordeelt hem met een glimlach, begrijpelijk voor zijn broeder, die -glimlacht als hij. Nooit vergrijpt hij zich tegen den vorm van de -slaafsche knechtschap, en met de semba doet hij of hij de mindere is, -maar hij weet zich stil de meerdere. Hij is zich bewust van de stille -kracht, onuitgesproken: hij voelt het mysterie aandonzen in den -ziedenden wind van zijn bergen, in de stilte der geheimzwoele nachten, -en hij voorgevoelt het verre gebeuren. Wat is, zal niet altijd zoo -blijven: het heden verdwijnt. Onuitgesproken hoopt hij, dat God zal -oprichten, wat neêr is gedrukt, eenmaal, eenmaal, in de ver verwijderde -opendeiningen van de dageradende Toekomst. Maar hij voelt het, en hoopt -het, en weet het, in de diepste innigheid van zijn ziel, die hij nooit -opensluit voor zijn heerscher. Die hij ook niet zoû kunnen opensluiten. -Die altijd blijft als het onleesbare boek, in de onbekende, -onvertaalbare taal, waarin wel de woorden de zelfde zijn, maar -verschillend de tinten dier woorden, en anders regenbogend de -schakeeringen der twee gedachten: prisma’s, waarin de kleuren -verschillen, als brekende uit twee zonnen: stralingen uit twee -werelden. En nooit is er de harmonie, die begrijpt; nooit bloeit er de -liefde, die eender voelt, en altijd is er tusschen de kloof, de diepte, -de afgrond, het verre, het wijde, waaruit aandonst het mysterie, waarin -als in een wolk, de stille kracht eens zal openbliksemen. - - - -Zoo voelde Van Oudijck niet de mystiek der zichtbare dingen. - -En onvoorbereid en zwak kon het goddelijk rustige leven hem vinden. - - - - -III. - -Ngadjiwa was een vroolijker plaats dan Laboewangi: er lag een -garnizoen; uit het binnenland, van de koffie-landen, kwamen dikwijls -administrateurs en employé’s eens afzakken om pret te maken; tweemaal -’s jaars hadden de races er plaats, waarvan de feestelijkheden een -geheele week in beslag namen: ontvangst van den rezident, -paardenverloting, bloemencorso en opera, twee of drie bals, die de -feestvierders onderscheidden in bal-masqué, gala-bal en -soirée-dansante: een tijd van vroeg opstaan en laat naar bed gaan, van -in enkele dagen honderde guldens verteeren met écarté en aan den -totalizator.... Die dagen spatte-uit de zucht tot pleizier en prettige -levensvreugd; naar die dagen zagen maanden lang uit koffie-planters en -suiker-employé’s; voor die dagen spaarde men het halve jaar. Van alle -kanten stroomde het vol, in de twee hôtels; ieder huisgezin borg -logé’s; met hartstocht wedde men, in een vloed van champagne, het -publiek, ook de dames, de race-paarden kennende, zoo goed als waren zij -allen haar eigendom; op de bals geheel thuis, allen kennende allen, als -op familie-partijen, terwijl de walsen en Washington-post en Graziana -gedanst werden met de sleepende gratie der Indosche danseurs en -danseuses, de maat kwijnend, de slepen zacht zwevend, de glimlach van -rustige verrukking om de half geopende monden, met dien droomerigen -wellust van dansen, dien zij zoo bevallig gebaren, dansers en -danseressen van Indië, en niet het minst zij, wie het Javaansche bloed -stroomt door de aderen. De dans is bij hen niet de woeste sport, plomp -gesprongen met luiden lach bonsende tegen elkaâr, niet het ruwe verwar -der lanciers van onze Hollandsche jongenlui-bals, maar het is—vooral -bij de Indo’s—niets dan hoffelijkheid en gratie: een kalme uitbloei van -bewegingsbevalligheid; een gratieus teekenende arabesk van precieze pas -op zuivere maat over de vloeren der societeitszalen; een harmonie van -bijna achttiend’eeuwsche, jong-nobele dans-golving, en -sleeping, en --zweving, op het toch zoo primitieve boem-boem der Indische muzikanten. -Zoo danste Addy de Luce, alle oogen van vrouwen en meisjes gevestigd op -hem, hem volgende, hem smeekende met den blik ook hàar meê te nemen in -het gegolf en gedein, dat was als droomend meêgaan op water.... Dat was -uit het bloed van zijn moeder, dat was nog iets van de gratie van -srimpi’s [38] tusschen wie zijn moeder hare kinderjaren geleefd had, en -de mengeling van het Westersch moderne en Oostersch antieke gaf hem -bekoring, onweêrstaanbaar.... - -Nu, op het laatste bal, de soirée dansante, danste hij zoo met Doddy, -en, na haar, met Léonie. Het was al laat in den nacht, vroeg in den -morgen: buiten bleekte de dag. Een vermoeidheid lag over de zaal -uitgespreid en Van Oudijck gaf ten laatste te kennen aan den -assistent-rezident Vermalen, bij wien hij met zijn familie logeerde, -dat hij gaan wilde. Hij bevond zich op dat oogenblik in de voorgalerij -der societeit, sprekende met Vermalen, toen de patih [39] eensklaps uit -de schaduw van den tuin op hem afkwam en, zichtbaar ontroerd, -neêrhurkte, de semba maakte en sprak: - -—Kandjeng! Kandjeng! Geef mij raad, zeg mij toch wat ik doen moet! De -Regent is dronken en loopt op straat en vergeet geheel zijn -waardigheid. - -De feestvierders gingen naar huis. De rijtuigen rolden aan; men steeg -in; de rijtuigen rolden weg. Op den weg, voor de societeit, zag Van -Oudijck een Javaan: het bovenlijf bloot; hij had zijn hoofddoek -verloren en zijn lange zwarte haren zwierden los, terwijl hij heftig -gebaarde en luid sprak. Groepen in de duisterende schaduw verzamelden -zich, toekijkende van verre. - -Van Oudijck herkende den Regent van Ngadjiwa. De Regent had reeds -gedurende het bal zich zonder beheersching gedragen, nadat hij met -kaartspel veel had verloren en allerlei wijn door elkaâr had gedronken. - -—Was de Regent al niet naar huis? vroeg Van Oudijck. - -—Zeker, Kandjeng! klaagde de patih. Ik had den Regent al naar huis -gebracht, toen ik zag, dat hij zich niet meer beheerschen kon. Hij was -op zijn bed al neêrgestort; ik meende, in diepen slaap. Maar zie, hij -is ontwaakt en opgestaan; hij heeft de Kaboepaten verlaten en is weêr -hierheen gekomen. Zie hem, hoe hij doet! Hij is dronken, hij is dronken -en hij vergeet wie hij is, wie zijn vaders waren! - -Van Oudijck begaf zich naar buiten, met Vermalen. Hij naderde den -Regent, die heftige gebaren uitsloeg en met luide stem uitsprak een -onverstaanbare rede. - -—Regent! zei de rezident. Weet u niet meer waar en wie u is? - -De Regent herkende hem niet. Hij vaarde tegen Van Oudijck uit, hij riep -al de vervloekingen des hemels over zijn hoofd. - -—Regent! zei de assistent-rezident. Weet u niet wie tot u spreekt en -tot wien u spreekt? - -De Regent schold Vermalen uit. Zijn bloeddoorschoten oogen bliksemden -dronken woede en krankzinnigheid. Met den patih probeerden Van Oudijck -en Vermalen hem in een rijtuig te helpen, maar hij wilde niet. Prachtig -subliem in zijn ondergang, verheerlijkte hij zich in de krankzinnigheid -zijner tragedie, stond hij als uitgebarsten uit zichzelven, half naakt, -met de zwierende haren, met het groote gebaar zijner dolle armen, was -niet grof en niet dierlijk meer, maar werd tragisch, heldhaftig, -vechtend met zijn noodlot, op den rand van een afgrond.... De overmaat -zijner dronkenschap scheen hem door een vreemde kracht te heffen uit -zijne langzame verdierlijking, en, beschonken, verhief hij zich, -torende hij hoog, dramatisch, boven die Europeanen. Van Oudijck zag hem -in stupefactie aan. Nu werd de Regent handgemeen met den patih, die hem -bezwoer.... Op den weg verzamelde zich de bevolking, stil, ontzet: de -laatste gasten kwamen uit de societeit, waar de lichten donkerden. -Onder hen bevonden zich Léonie Van Oudijck, Doddy en Addy de Luce. Zij -hadden alle drie nog den vermoeiden wellust van den laatsten wals in de -oogen. - -—Addy! zei de rezident. Je kent den Regent intiem. Probeer of hij je -herkent. - -De jonge man sprak den beschonken waanzinnige toe, in zacht Javaansch. -Eerst ging de Regent voort met zijn woorden van vervloeking, werd -reusachtig zijn gebaar van razernij; toen scheen hij echter in de -zachtheid van die taal een bekende herinnering te hooren. Hij zag Addy -lang aan. Zijn gebaar zakte, zijn verheerlijking van beschonkenheid -doofde uit. Het was eensklaps of zijn bloed begreep het bloed van dien -jongen man, of hunne zielen elkander verstonden. De Regent knikte -weemoedig en begon te klagen, lang uit, de armen omhoog geheven. Addy -wilde hem in een rijtuig helpen, maar de Regent weêrstreefde: hij wilde -niet. Toen nam Addy zijn arm in zijn arm met zachten drang, en liep -langzaam met hem voort. De Regent, al klagende, met tragisch -wanhoopsgebaar, liet zich geleiden. De patih volgde, met een paar -volgelingen, die den Regent uit de Kaboepaten waren nageloopen, -machteloos.... De stoet verdween in het donker. - -Léonie, met een glimlach, moê, steeg in het rijtuig van den -assistent-rezident. Zij herinnerde zich de speeltwist op Patjaram; zij -had er pleizier in zoo zichtbaar te zien gebeuren een langzame -ondergang, een zichtbare slooping door hartstocht, dien geen tact en -correcte maat leidde. En voor zichzelve voelde zij zich sterker dan -ooit, omdat zij genoot van hare passie’s en ze leidde en van ze maakte -de slaven van haar genot.... Zij minachtte dien Regent en het was haar -een romantische voldoening, litterair pleizier, te bespieden de fazen -van dien ondergang. In het rijtuig zag zij naar haar man, die somber -zat. En zijn somberheid verrukte haar, omdat zij hem sentimenteel vond, -met zijn hooghouden van Javaanschen adel. Een sentimenteele instructie, -en die nog sentimenteeler Van Oudijck opvatte. En zij genoot in zijn -verdriet. En van haar man zag zij naar Doddy en zij bespiedde in den -dansmoeden blik van haar stiefkind een jalouzie op dien aller-, -allerlaatsten wals van haar, Léonie, met Addy. En zij was verrukt over -die jalouzie. Zij voelde zich gelukkig, omdat op haar het verdriet geen -vat had, evenmin als de hartstocht. Zij speelde met de dingen van het -leven en ze gleden van haar af en ze lieten haar even onberoerd en kalm -glimlachend en rimpelloos melkblank als altijd. - -Van Oudijck ging niet naar bed. Zijn hoofd in vuur, éen woede van -verdrietelijkheid in zijn hart, nam hij dadelijk een bad, kleedde zich -in nachtbroek en kabaai en liet zich in de galerij voor zijn kamer -koffie brengen. Het was zes uur, een heerlijke koelte van -ochtendfrischheid baadde de lucht. Maar een ontstemming was zoo hevig -in hem, dat als in congestie zijne slapen klopten, zijn hart bonsde, -dat zijn zenuwen trilden. De scène van dien nachtmorgen schemerde -steeds voor zijn oog, triltikkende als een biograaf, met de -wemelveranderingen der houdingen. Wat er hem vooral in ontstemde, was -de onmogelijkheid ervan, het onlogische, het nooit gedachte. Dat een -Javaan van geboorte, trots al de edele traditie in zijn aderen, zich -kòn gedragen als de Regent van Ngadjiwa dien nacht, was hem nooit -mogelijk voorgekomen, zoû hij nooit hebben geloofd, als hij het niet -met eigen oogen gezien had. Voor dezen man van vooruit vastgestelde -logiek was deze waarheid eenvoudig wanstaltig als een nachtmerrie. -Gevoelig in hooge mate voor verrassing, die hem niet logisch dacht, was -hij boos op de realiteit. Hij vroeg zich af of hijzelve niet gedroomd -had, niet dronken was geweest. Dat het schandaal gebeurd was maakte hem -razend. Maar zoo het dan zoo was, welnu, dan zoû hij den Regent voor -ontslag voordragen.... Het kon niet anders. - -Hij kleedde zich, sprak met Vermalen en ging met dezen naar de -Kaboepaten; beiden drongen zij door tot den Regent, niettegenstaande de -aarzeling der volgelingen, niettegenstaande de inbreuk op de etiquette. -Zijne vrouw, de Raden-Ajoe, zagen zij niet. Maar zij vonden den Regent -in zijn slaapvertrek. Hij lag op zijn bed, de oogen open, somber -bijkomende, nog niet genoeg tot het leven teruggekeerd, om geheel te -bevroeden de vreemdheid van dat bezoek; de rezident, de -assistent-rezident voor zijn bed. Toch herkende hij hen, maar hij sprak -niet. Terwijl zij hem beiden poogden te doen inzien het hoogst -onbehoorlijke van zijn gedragingen, staarde hij hen beiden onbeschaamd -aan en volhardde in zijn zwijgen. Het was zoo vreemd, dat de beide -ambtenaren elkaâr aanzagen en met den blik afvroegen of de Regent niet -krankzinnig was, of hij wel toerekenbaar was. Hij had nog geen woord -gesproken, hij zweeg steeds. Hoewel Van Oudijck hem dreigde met -ontslag, bleef hij zwijgen, starende met onbeschaamde oogen in de oogen -van den rezident. Hij opende niet de lippen, hij volhardde in een -volkomen geluideloosheid. Nauwlijks schetste een glimlach van ironie -zich om zijn mond. De ambtenaren, werkelijk denkende, dat de Regent -krankzinnig was, trokken de schouders op, verlieten het vertrek. - -In de galerij ontmoetten zij de Raden-Ajoe, een klein onderdrukt -vrouwtje, als een geslagen hond, een getrapte slavin. Zij naderde -weenende; zij vroeg, zij smeekte vergeving. Van Oudijck zeide haar, dat -de Regent steeds zweeg, wat hij hem gedreigd had, zweeg met een -onverklaarbaar, maar klaarduidelijk voorgenomen zwijgen. Toen -fluisterde de Raden-Ajoe, dat de Regent een doekoen [40] geraadpleegd -had, die hem een djimat [41] gegeven had en verzekerd had, dat zoo hij -maar volhardde in een volkomen zwijgen, zijne vijanden geen vat op hem -zouden hebben. Bang smeekte zij hulp, vergeving, hare kinderen -verzamelend rondom zich heen. Na den patih ontboden te hebben en hem te -hebben opgedragen den Regent zooveel mogelijk te bewaken, gingen de -ambtenaren heen. - -Hoe dikwijls Van Oudijck ook al te doen had gehad met het bijgeloof der -Javanen, steeds maakte het hem razend, als tegenstrijdig aan wat hij -noemde de wetten van natuur en leven. Ja, alleen zijn bijgeloof kon een -Javaan afbrengen van het correcte spoor zijner ingeboren hoffelijkheid. -Wat men hem nu ook onder het oog zoû willen brengen, de Regent zoû -zwijgen, volharden in het volkomen zwijgen, hem opgelegd door de -doekoen. Zoo meende hij veilig te zijn, voor wie hij meende, dat waren -zijn vijanden. En dit vooropgezette idee van vijandschap met wien hij -zoo gaarne had willen beschouwen als jong-broederlijke medebestuurder, -ontstemde Van Oudijck het meest. - -Hij ging, met Léonie en Doddy, terug naar Laboewangi. Thuis gevoelde -hij een enkel oogenblik het prettige van weêr in zijn eigen huis te -zijn, een genot van eigen huiselijkheid, dat hem steeds zeer streelde: -het materieele pleizier van zijn eigen bed te zien, zijn eigen -schrijftafel en stoelen, zijn eigen koffie te drinken, bereid als hij -het gewoon was. Die kleine streelingen brachten hem even in goed -humeur, maar aanstonds voelde hij weêr al zijne bitterheid toen hij -onder een stapel brieven op zijn bureau herkende de verdraaide -handschriften van een paar duistere schrijvers. Werktuigelijk opende -hij ze het eerst, en walgde toen hij las den naam van Léonie, -samengekoppeld met dien van Theo. Niets was voor die ellendelingen -heilig: zij vonden uit de monsterlijkste combinaties, de -onnatuurlijkste lasteringen, en gruwlijkste betichtingen tot -bloedschande toe. Bij al dit vuil, dat men naar zijn vrouw en zijn zoon -smeet, stegen zij beiden hooger en zuiverder in zijne liefde, tot een -top van onschendbaarheid, beminde hij beiden met nog grooter en inniger -teederheid. Maar al zijn omgewoelde bitterheid gaf hem geheel zijne -ontstemming terug. Feitelijk was ze, omdat hij voor ontslag moest -voordragen den Regent van Ngadjiwa, en dit niet gaarne deed. Maar deze -enkele noodzakelijkheid verbitterde zijn geheele bestaan, maakte hem -zenuwachtig en ziek. Als hij niet kon volgen de lijn, die hij had -vastgesteld, als het leven afweek van de door hem—Van Oudijck—a priori -vastgestelde gebeurlijkheden, maakte hem deze onwilligheid, deze -opstand van het leven zenuwachtig en ziek. Hij had zich nu eenmaal -voorgenomen na den dood van den ouden Pangéran omhoog te heffen het -zinkende geslacht der Adiningrats, zoowel uit liefdevolle herinnering -aan den uitstekenden Javaanschen prins, zoowel om zijne -rezidents-instructie, als om een gevoel van nobele menschelijkheid en -verborgen poëzie in zichzelven. En nooit had het gekund. Dadelijk had -hem tegengewerkt—onbewust, door de kracht der dingen—de oude Raden-Ajoe -Pangéran, die alles verspeelde, verdobbelde, die zich en de haren -ruïneerde. Als een vriend had hij haar terecht gewezen. Zij was niet -ontoegankelijk voor zijn raad geweest, maar hare passie was sterker -gebleken. Haar zoon, Soenario, de Regent van Laboewangi, had Van -Oudijck reeds dadelijk, nog voor den dood van zijn vader, geoordeeld -als onbekwaam voor de werkelijke betrekking van Regent: klein -hoogmoedig op zijn bloed, onbeduidend, nooit op de hoogte van het -werkelijke leven, zonder talent van regeeren of hart voor den minderen -man, zeer fanatiek, altijd bezig met doekoens, met heilige -berekeningen—petangans—; altijd gesloten en levende in een droom van -duistere mystiek, en blind voor wat welvaart en gerechtigheid zoû zijn -voor zijn Javaansche onderdanen. En de bevolking toch aanbad hem, -zoowel om zijn adel, als omdat hij een roep had van heiligheid en van -een vèrreikende macht te bezitten: een goddelijke tooverkracht. Stil, -in het geheim, verkochten de vrouwen van de Kaboepaten in flesschen het -water, dat bij het bad gestroomd was over zijn lichaam, als een -geneesmiddel, heilzaam voor verschillende ziekte. Zoo was de oudste -broeder, en de jongere had zich dien vorigen nacht geheel vergeten, -bezeten van waanzin door spel en drank.... Met deze zonen wankelde ten -ondergang het eens zoo schitterend geslacht: hunne kinderen waren jong; -enkele neven waren patih in Laboewangi, in naburige rezidentie’s, maar -in hen vloeide ook geen drup meer van het edele bloed. Neen, hij, Van -Oudijck, had nooit gekund, wat hij zoo gaarne had willen doen. Zij, -wier belang hij voorstond, werkten zelven hem tegen. Het was met hen -gedaan. - -Maar waarom het zoo zijn moest, begreep hij niet en ontstemde hem, -maakte hem bitter. - -Hij had zich nu eenmaal voorgesteld een heel andere lijn, een mooie -lijn van stijging—zooals hij zijn eigen leven ook voor zich zag—en de -lijn van het leven krinkelde verward naar omlaag. En hij begreep niet -wat sterker zoû kunnen zijn dan hij, als hij wilde. Was het hem niet -altijd zoo gegaan in zijn leven en loopbaan, dat wat hij sterk wilde, -gebeurd was met de logica, die hijzelve van dag tot dag gesteld had aan -de dingen, die gebeuren gingen? Zijn eerzucht had nu gesteld die logica -van de stijgende lijn, want zijn eerzucht had als doel zich gesteld die -oprichting van dat Javaansche geslacht.... - -Zoû hij falen? Te falen in de streving naar een doel, dat hij zich als -ambtenaar gesteld had—hij zoû het zich nooit vergeven. Tot nog toe had -hij steeds kunnen bereiken wat hij wilde. Maar wat hij nu wilde -bereiken, was—hemzelven onbewust—niet alléen een doel van ambtenaar, -een deel van zijn werkkring. Wat hij nu wilde bereiken, was een doel, -waarvan de idee sproot uit zijne menschelijkheid, uit het edele van -hemzelven. Wat hij nu wilde bereiken was een ideaal, een ideaal van -Westerling in het Oosten, en van Westerling, die het Oosten zag, zooals -hij het zien wilde en alleen zien kon. - -En dat er krachten waren, die zich verzamelden tot éene kracht, die hem -tegenwerkte, die spotte met zijn voorstelling, die lachte om zijn -ideaal, en die des te sterker was naarmate zij dieper verborgen -bleef—hij zoû het nooit willen toegeven: zijn natuur was niet om ze te -erkennen en zelfs hare klaarduidelijkste openbaring zoû voor zijn ziel -een raadsel zijn, en mythe blijven. - - - - -IV. - -Van Oudijck was dien dag naar het bureau geweest, toen hij, -thuiskomende, dadelijk tegemoet werd gekomen door Léonie. - -—De Raden-Ajoe Pangéran is hier, zeide zij. Al sedert een uur, Otto. -Zij zoû je gaarne willen spreken. Zij heeft op je gewacht. - -—Léonie, zeide hij. Zie eens deze brieven in. Ik ontving dikwijls van -die pamfletten, en ik heb je er nooit over gesproken. Maar misschien is -het beter, dat je er niet onbekend meê blijft. Misschien is het beter, -dat je weet. Maar, ik bid je, trek je er niets van aan. Ik hoef je niet -te verzekeren, dat ik geen oogenblik ook maar het minste geloof van al -die smerigheid. Wees er dus niet ontstemd over en geef mij straks die -brieven persoonlijk terug. Laat ze niet slingeren.... En laat de -Raden-Ajoe Pangéran in mijn kantoor komen.... - -Léonie, de brieven in de hand, voerde de prinses meê uit de -achtergalerij. Zij was een waardige, grijze vrouw, met een trotsche -koninklijkheid in haar nog slank figuur, de oogen somber zwart; den -mond, door het betelsap als breeder geteekend, en waarin de afgevijlde, -zwart gelakte tanden grijnsden, was als een maskergrimas en bedierf het -edel-hooge van hare uitdrukking. Zij droeg een zwart satijnen kabaia -met juweelen gesloten. Het waren vooral hare grijze haren, hare sombere -oogen, die haar een bizondere mengeling gaven van eerbiedwaardigheid en -smeulenden hartstocht. Er lag over haren ouderdom een tragiek. Zelve -voelde zij een noodlot tragisch drukken op haar en de haren en hare -eenige hoop stelde zij in de vérreikende, gode-machtige kracht van haar -oudsten zoon, Soenario, den Regent van Laboewangi. Terwijl zij nu Van -Oudijck voorging in het kantoor, zag Léonie, in de middengalerij, de -brieven in. Het waren verzen in vuile taal, over haar en Addy en Theo. -Altijd in den egoïstischen droom van haar eigen leven, bemoeide zij -zich nooit veel met wat de menschen dachten en spraken, vooral omdat -zij wist, dat zij ze met hare verschijning, met haar glimlach, -aanstonds weêr allen tot zich terug won. Zij had die rustige -innemendheid, die niet te weêrstaan was. Zij sprak zelve nooit kwaad, -uit onverschilligheid; zij was harmonisch vergoêlijkend voor alles en -iedereen; en zij was bemind—als men haar zag. Maar de vieze brieven, -uitgespogen uit een duisteren hoek, vond zij onaangenaam, lastig, ook -al geloofde Van Oudijck niet. Wat, als hij eens gelooven ging? Zij -moest daarop zijn voorbereid. Zij moest vooral voor dien mogelijken dag -bewaren hare innemendste rustigheid, geheel hare onkwetsbaarheid en -onschendbaarheid. Van wie zouden die brieven kunnen zijn? Wie haatte -haar zoo, wie had er belang bij om zóo van haar te schrijven aan haar -man? Hoe vreemd, dat het bekend was.... Addy, Theo? Hoe wist men? -Oerip? Neen, Oerip niet.... Maar wie, wie dan? Was dan eigenlijk alles -bekend? Zij had immers altijd gemeend, dat wat gebeurde in de geheime -alkoven, nooit openbaar zoû zijn voor de wereld. Zij had zelfs -gemeend—een naïveteit—dat de mannen nooit spraken onder elkaâr over -haar; wel over andere vrouwen, maar niet over haar.... In haren geest -waren zulke naïve illuzies, trots al hare ondervinding: een naïveteit, -die harmonieerde met het poëtische—half pervers, half kinderlijk—van -hare rozekleurende verbeelding. Kon zij dan niet altijd geheim houden -de verborgenheden van haar mysterie, de verborgenheden der -werkelijkheid? Een oogenblik hinderde het haar, de werkelijkheid, die -zich, trots hare correctheid, toch openbaarde.... Gedachten en droomen -bleven altijd geheim. Het werkelijke gebeuren gaf zoo veel last. Een -oogenblik dacht zij voortaan voorzichtiger nog te zijn, zich te -onthouden.... Maar voor haar blik zag zij Theo, zag zij Addy, haar -blonde en haar bruine liefde, en zij voelde zich te zwak.... Zij wist, -dat zij hierin hare hartstochten niet kon overwinnen, hoewel zij ze -leidde. Zouden ze toch, niettegenstaande al haren tact, eenmaal haar -ondergang zijn? Maar zij lachte om dat idee; zij had een vast -vertrouwen op hare onkwetsbaarheid, hare onschendbaarheid. Het leven -gleed steeds van haar af. - -Maar toch wilde zij zich voorbereiden, op wat gebeuren kon. Zij stelde -geen hooger ideaal aan haar leven dan te zijn zonder pijn. zonder -smart, zonder armoê, en hare passie’s te maken tot de slaven van haar -genot, zoodat zij zoo lang mogelijk genot zoû hebben, zoo lang mogelijk -dit leven zoû leven kunnen. Zij bedacht wat zij zeggen en doen zoû als -Van Oudijck haar eens ondervroeg, in twijfel om de anonieme brieven. -Zij bedacht of zij met Theo toch maar niet breken zoû. Addy was haar -genoeg. En zij verloor zich in hare voorbereidingen, als in vage -combinaties van een tooneelspel, dat gebeuren ging. Tot zij eensklaps -luide de stem van de Raden-Ajoe Pangéran hoorde klinken in het kantoor, -tegen de kalme stem van haar man in. Zij luisterde, nieuwsgierig -voorgevoelende een drama en zoo rustig blij, dat ook dit drama van haar -afgleed. Zij sloop in Van Oudijcks slaapkamer; de tusschendeuren -stonden altijd voor de luchtigheid open en een schutsel alleen scheidde -slaapkamer en kantoor. Langs het schutsel gluurde zij uit. En zij zag -de oude prinses, opgewonden als zij nog nooit een Javaansche vrouw -gezien had. De Raden-Ajoe, in het Maleisch, bezwoer Van Oudijck; deze, -in het Hollandsch, verzekerde haar, dat het onmogelijk was. Léonie -luisterde aandachtiger. En zij hoorde nu, hoe de oude vorstin smeekte, -dat de rezident genade zoû hebben met haar tweeden zoon, den Regent van -Ngadjiwa. Zij bezwoer Van Oudijck toch te denken aan haar gemaal, den -Pangéran, dien hij bemind had als een vader, die hem bemind had als een -zoon—met genegenheid, inniger dan het gevoel van „ouderen en jongeren -broeder”; zij bezwoer hem te denken aan hun roemrijk verleden, aan de -glorie der Adiningrats, steeds de trouwe vrienden der Compagnie, in -oorlog hare bondgenooten, in vrede hare trouwste vazallen: zij bezwoer -hem niet ten ondergang te doemen hun geslacht, waarop na den dood van -den Pangéran drukte een noodlot en het dreef een afgrond van heilloos -verderf in. Voor den rezident stond zij als eene Niobe, als een -tragische moeder, opgeheven de armen in de zielswarmte van hare -betuigingen, tranen weenende uit hare sombere oogen, en alleen de -breede mond, geverfd met het bruine betelsap, was als een maskergrijns. -Maar in dien grijns ontwelden haar de vloeiende zinnen van betuiging, -bezwering, en hare handen wrongen zich smeekende samen, en hare vuist -klopte in boete op de borst. Van Oudijck antwoordde haar met een vaste, -maar zachte stem, haar zeggende hoe innig hij zeker had liefgehad den -ouden Pangéran, hoe hoog hij stelde het oude geslacht, hoe niemand -liever dan hij hoog zoû willen houden hunne hoogheid. Maar toen werd -hij strenger en hij vroeg haar aan wie de Adiningrats te wijten hadden -het noodlot, dat hen nu achtervolgde? En de oogen in hare oogen, zeide -hij haar, dat het was aan haar! Zij deinsde terug, opvlammend in woede, -maar hij zeide het haar nog eens en nog eens. Hare zonen waren hàre -kinderen; bigot en trotsch en speelziek. En in het spel, in dien lagen -hartstocht, verongelukte hunne grootheid. In de onverzadelijkheid van -hun winzucht wankelde hun geslacht ten ondergang. Hoe dikwijls ging -niet een maand voorbij, dat te Ngadjiwa de Regent niet uitbetaalde de -traktementen der hoofden? Zij betuigde, het was waar: op háar -aandringen had haar zoon het geld der kas genomen, geleend, om -speelschulden te voldoen. Maar zij bezwoer ook, het zoû nooit meer -gebeuren! En waar, vroeg Van Oudijck, had ooit een Regent, afstammeling -van een aloud geslacht, zich zoo gedragen als op het race-bal de Regent -van Ngadjiwa? Zij klaagde, de moeder: het was waar, het was waar; het -noodlot klemde zich vast aan hun schreden en had met waanzin haar zoon -beneveld, maar nooit, nooit zoû het meer gebeuren. Zij zwoer bij de -ziel van den ouden Pangéran, dat het nooit meer gebeuren zoû, dat haar -zoon zijne waardigheid zoû herwinnen. Maar heftiger werd Van Oudijck en -hij verweet haar, dat zij nooit goeden invloed had uitgeoefend op hare -zonen en hare neven. Dat zij de slechte geest was van haar geslacht, -omdat een demon van speelzucht en winzucht haar vast had in zijn -klauwen. Zij begon op te gillen van smart, de oude vorstin, die op den -rezident, den Hollander van geen bloed en geboorte, neêrzag; smart, -omdat hij zoo dorst spreken en recht er toe had. Zij sloeg hare armen -uit, zij smeekte hem om genade; zij smeekte niet haar jongeren zoon -voor te dragen voor ontslag bij de Regeering, die doen zoû als de -rezident zeide, op zoû volgen den raad van zoo hoog geacht ambtenaar: -zij smeekte ontferming te hebben en nog geduld te willen oefenen. Zij -zoû spreken met haar zoon, Soenario met zijn broeder: zij zouden tot -rede brengen zijn door drank en spel en vrouwen verwilderde zinnen. O, -zoo de rezident maar ontferming had, zoo hij zich maar liet vermurwen! -Maar Van Oudijck bleef onverbiddelijk. Geduld had hij zoo lang al -geoefend. Het was nu ten einde. Sedert haar zoon, onder invloed van de -doekoen, vertrouwende op zijn djimat, hem weêrstaan had met zijn -insolente zwijgen, dat hem, naar zijn vertrouwen, onkwetsbaar voor -vijanden maakte—zoû hij toonen, dat hij, de rezident, de machthebbende -van de Regeering, de vertegenwoordiger der Koningin, de sterkste was, -trots doekoen en djimat. Het kon niet anders: zijn geduld was ten -einde, zijn liefde voor den Pangéran liet niet toe meerdere -toegeeflijkheid; zijn gevoel van eerbied voor hun geslacht kon hij niet -overdragen op een onwaardigen zoon. Het was beslist: de Regent zoû -ontslagen worden. - -De vorstin had hem aangehoord, niet kunnende gelooven aan zijne -woorden, ziende gapen voor haar den afgrond. En met een kreet als van -een gewonde leeuwin, met een gil van smart, trok zij uit haar wrong de -juweelen pinnen, zoodat hare lange grijze haren stroomende vielen om -haar heen; met éen scheurenden ruk trok zij open de satijnen kabaia; -zich niet meer meester van smart, van wanhoop, die haar omwolkte uit -den gapenden afgrond, stortte zij neêr voor de voeten van den -Europeaan, greep krachtig met beide handen zijn voet, plantte die met -éene beweging, die Van Oudijck wankelen deed, op haar neêrgebogen nek -en riep uit, gilde uit, dat zij, de dochter der sultans van Madoera -voor eeuwig zoû zijn zijn slavin, dat zij zwoer niets te zullen zijn -dan zijn slavin, zoo hij slechts dezen keer nog genade had met haren -zoon en haar geslacht niet stootte in den afgrond van schande, die zij -gapen zag om zich heen. En zij klemde den voet van den Europeaan, als -met een wanhopige kracht, en zij hield, als een juk van slavernij, dien -voet met de zool en de hak van den schoen gedrukt in hare stroomende -grauwe haren, op haar ter aarde gebogen nek. Van Oudijck trilde van -ontroering. Hij begreep dat deze hooghartige vrouw nooit zoo, zichtbaar -spontaan, zich vernederen zoû tot de diepste vernedering, die zij -bedenken kon, zich niet zoû laten gaan tot de heftigste -werkelijkheidsuiting van smart, die een vrouw ooit kon openbaren—het -haar los, en den voet van den heerscher geplant op haar nek—als zij -niet geschokt was in het diepst van haar ziel, als zij zich niet -wanhopig gevoelde tot zelfvernietiging toe. En hij aarzelde een -oogenblik. Maar ook maar een oogenblik. Hij was een man van overdachte -beginselen, van a priori vastgestelde logiek: onveranderbaar in -besluitneming, nooit toegankelijk voor een impulsie. Met heel veel -eerbied bevrijdde hij eindelijk zijn voet uit den klemmenden greep der -vorstin, stak haar beide zijn handen toe, en hief haar vol ontzag en -met zichtbaar medelijden, zichtbare ontroering, op van den vloer. Hij -deed haar zitten, en, gebroken, opsnikkende viel zij neêr. Zij dacht -een oogenblik te hebben gewonnen, bespeurende zijne zachtheid. Maar -toen hij kalm, maar beslist, het hoofd schudde als ontkenning, begreep -zij, dat het gedaan was. Zij hijgde naar adem, half in zwijm, steeds de -kabaia open, de haren los. Op dit oogenblik trad Léonie binnen. Zij had -het drama voor hare oogen zien spelen en zij was litterair ontroerd. -Zij gevoelde iets als medelijden. Zij naderde de vorstin, die zich -stortte in hare armen, vrouw zoekende vrouw in de radelooze wanhoop van -die onvermijdelijke rampzaligheid. En Léonie, de mooie oogen naar Van -Oudijck, murmelde éen woord van voorspraak en fluisterde: geef toe! Het -was in hare dorre ziel éene levende opbloeiïng van medelijden. Geef -toe, fluisterde zij nog eens. En voor de tweede maal weifelde Van -Oudijck. Nooit had hij zijn vrouw iets geweigerd, hoe kostbaar het was, -wat zij vroeg. Maar dit was de opoffering van zijn beginsel: het nooit -terugkomen op een besluit, het vast doorzetten van eenmaal gewild -gebeuren. Zoo had hij altijd beheerscht de toekomst. Zoo gebeurde het -altijd als hij wilde. Zoo had hij nooit getoond eenige zwakheid. En hij -zeide, dat het niet kon. - -Misschien, als hij had toegegeven, was zijn leven anders geworden. Want -hij, onverzettelijk, raadde niet de heilige oogenblikken, dat de mensch -niet moet zijn zijn eigen wil, maar zich vroom moet laten gaan naar den -drang der stille machten. Die oogenblikken eerbiedigde, erkende, kende -hij niet en nooit. Hij was de man van het heldere, logische -doordenkende, mannelijk eenvoudige plichtsbesef, de man van het heldere -eenvoudige leven. Dat schuilen onder het eenvoudige leven al de -krachten, die te zamen zijn de almachtige stille kracht, zoû hij nooit -weten. Dat er volkeren zijn, die ze meer beheerschen, die kracht, dan -de Westersche, zoû hij bespotten. Dat er enkelen zijn in die volkeren, -individuen, in wier hand ze haar almacht verliest en werktuig wordt,—om -de vooronderstelling alleen zoû hij ophalen zijn schouders, en -doorgaan. Geene ondervinding zoû hem leeren. Hij zoû misschien een -oogenblik niet begrijpen.... Maar dan, dadelijk weêr, vatte hij vast in -zijn mannehand de ketting van zijn logiek en schakelde de ijzeren -feitschalmen samen.... - -Misschien, als hij had toegegeven, ware zijn leven anders geweest. - -Hij zag Léonie de oude vorstin, gebroken, in snikken, uitbrengen zijn -kantoor. - -Een diep gevoel, een algeheel hem ontroerend medelijden, deed vochtig -worden zijn oogen. En voor die vochtige oogen verscheen hem het beeld -van den Javaan, dien hij lief had gehad als een vader. - -Maar toegeven deed hij niet. - - - - -V. - -Er waren berichten van Ternate en Halma-heira, dat eene ontzettende -zeebeving de groep der eilanden daar had geteisterd, dat gansche dorpen -waren weggespoeld, dat duizenden waren zonder dak. In Holland hadden de -telegrammen grooter emotie gewekt dan in Indië, alsof men er meer -gewend was aan het beven der zee, aan de opheffingen der aarde. Men had -veel gesproken over Dreyfus, men begon te spreken over Transvaal, maar -over Ternate sprak men ternauwernood. Toch was in Batavia gevormd een -hoofdcomité en Van Oudijck belegde een vergadering. Vastgesteld werd -zoo spoedig mogelijk in de societeit en haren tuin een -weldadigheidsfeest te geven. Mevrouw Van Oudijck, als naar gewoonte, -droeg alles over aan Eva Eldersma en bemoeide zich met niets. Een -ontroering van drukte voer veertien dagen door Laboewangi. In het -doodstille plaatsje van Indisch-binnenlandsche sluimering begon een -woeling van kleine hartstochtjes, ijverzuchtjes en vijandschapjes te -ontwaken. Eva had haar club van getrouwen; de Van Helderens, de Doorn -de Bruijns, de Rantzows, waar tegenover ijverden allerlei heel kleine -côterietjes. Die was gebrouilleerd met die; die wilde niet meêdoen, -omdat die meêdeed; die drong zich op om meê te doen alleen omdat -mevrouw Eldersma niet denken moest almachtig te zijn en diè en diè en -diè vonden, dat Eva veel te veel pretentie had en zich niet moest -verbeelden de eerste van de plaats te zijn, omdat mevrouw Van Oudijck -haar alles overliet. Eva had echter gesproken met den rezident en -verklaarde wel te willen organizeeren, maar met een onbeperkte -volmacht. Zij had er niets op tegen, dat de Rezident een ander zoû -nemen om het feest op touw te zetten, maar als hij haar nam—was de -onbeperkte volmacht de voorwaarde: want rekening te houden met twintig -verschillende opinie’s en smaken—zoû maken dat men nooit tot een einde -kwam. Van Oudijck, lachende, gaf toe, maar drukte haar op het hart de -menschen niet boos te maken, ieders gevoelen te eerbiedigen, zooveel -mogelijk verzoenend te zijn, opdat het weldadigheidsfeest een aangename -herinnering achter zoû laten. Eva beloofde: zij was niet van een -twistzieke natuur. - -Iets te doen, iets op touw te zetten, iets tot stand te brengen, haar -artistieke energie te uiten was haar lust en haar leven, was haar de -troost in het duffe Indische leven. Want hoewel zij veel in Indië had -liefgekregen en mooi vond, miste het sociale leven voor haar, haar -kleine clubje uitgezonderd, alle bekoring. Maar nu, op groote schaal, -te bereiden een feest, waarvan men tot in Soerabaia zoû hooren, -streelde hare ijdelheid en hare werklust. - -Zij zeilde door alle moeilijkheden heen, en omdat men inzag, dat zij -het het beste wist en het meest praktische deed, gaf men haar toe. Maar -terwijl zij bezig was met het uitdenken van hare fancy-kiosken en -tableaux-vivants, en terwijl de drukte van feestbereiding voer door de -notabele families van Laboewangi, scheen ook in de ziel der inlandsche -bevolking iets te varen, maar niet zoo lucht iets als van feestvierende -liefdadigheid. De schout, die iederen morgen aan Van Oudijck zijn kort -rapport inbracht, meestal in een paar woorden:—dat hij zijne ronde -gedaan had, en dat alles in orde was gebleken—had de laatste dagen -langere gesprekken met den rezident, scheen hem gewichtiger dingen te -hebben mede te deelen; voor het kantoor fluisterden de oppassers -geheimzinniger; de rezident ontbood Eldersma en Van Helderen; de -secretaris schreef naar Ngadjiwa aan Vermalen, den assistent-rezident; -aan den majoor-kommandant van het garnizoen; en de controleur-kotta -ging vaker en vaker rond door de stad, op uren, dat hij het niet gewoon -was. In hare drukte bespeurden de dames weinig van de geheimzinnigheid, -die er omging, en alleen Léonie, die zich met het feest niet bemoeide, -merkte op in haren man eene ongewone stille bezorgdheid. Zij had een -snel en scherp doorzicht, en omdat Van Oudijck—gewoon dikwijls te -spreken over zaken in den huiselijken kring—de laatste dagen -stilzwijgend was, vroeg zij eens, waar de Regent van Ngadjiwa was, nu -hij op voordracht van Van Oudijck ontslagen was door de Regeering, en -wie hem zoû vervangen. Hij antwoordde vaagweg en zij werd op haar hoede -en beangstigde zich. Op een morgen, gaande door de slaapkamer van haar -man, trof haar het fluisterend gesprek van Van Oudijck met den schout, -en zij luisterde even, haar oor aan het schutsel. Het gesprek was -gedempt, omdat openstonden de tuindeuren; op de tuintrappen zaten de -oppassers; een paar heeren, die den rezident moesten spreken, liepen in -de zijgalerij op en neêr, na hunne namen op een lei geschreven te -hebben, die de hoofdoppasser al had binnengebracht. Maar zij moesten -wachten, omdat de rezident met den schout sprak.... Léonie, aan het -schutsel, luisterde. En zij werd bleek toen zij een paar woorden -opvatte. Stil ging zij naar hare kamer, angstig. Aan de rijsttafel -vroeg zij of het wel noodig zoû zijn, dat zij het feest bijwoonde, want -zij had den laatsten tijd zoo een kiespijn, en zij moest naar -Soerabaia, voor den dentist. Het zoû wel een tijd duren: zij was in -langen tijd niet bij den dentist geweest. Maar Van Oudijck, streng in -zijn sombere bui van geheime bezorgdheid en stilzwijgen, zei haar, dat -het niet kon: dat zij op een avond, als dien van het feest, aanwezig -moest zijn, als vrouw van den rezident. Zij pruilde, boudeerde en hield -den zakdoek tegen den mond, zoodat Van Oudijck zenuwachtig werd. Dien -middag sliep zij niet, las zij niet, droomde zij niet, van ongewone -opwinding. Zij was bang, zij wilde weg. En bij de middagthee, in den -tuin, begon zij te huilen, zeide, dat zij hoofdpijn had van kiespijn, -dat zij ziek werd, dat zij het niet meer kon uithouden. Van Oudijck, -nerveus, bezorgd, werd aangedaan; hij kon nooit hare tranen zien. En -hij gaf toe, als altijd aan haar, waar het hare persoonlijke zaken -betrof. Den volgenden dag vertrok zij naar Soerabaia, logeerde er in -het rezidentie-huis en deed waarlijk den dentist hare tanden -soigneeren. - -Dat was altijd goed, eens in het jaar. Zij besteedde er dezen keer -ongeveer vijfhonderd gulden aan. - -Nu, ter loops, meenden ook de andere dames iets te raden van wat er -omging in Laboewangi achter een waas van geheimzinnigheid. Want Ida van -Helderen deelde het Eva Eldersma meê, hare tragische blanke-nonna-oogen -van angst ontzet: dat haar man en ook Eldersma en de rezident vreesden -voor een opstand der bevolking, opgestookt door de Regentenfamilie, die -het nooit vergeven zoû, dat de Regent van Ngadjiwa ontslagen was. De -mannen lieten zich echter niets ontvallen, en stelden hunne vrouwen -gerust. Maar eene donkere woeling bleef borrelen onder de schijnbare -kalmte van hun binnensteedsche leventje. En langzamerhand lekten de -praatjes uit en beangstigden de Europeesche bevolking. Vage berichtjes -in de couranten—commentaren op het ontslag van den Regent—hielpen meê. -Onderwijl ging voort de drukte van feestbereiding, maar men was er niet -bij met hart en ziel. Men leefde in drukte en onrust en werd ziek van -zenuwachtigheid. Des nachts sloot men beter de huizen, legde men wapens -bij de hand, werd men plotseling angstig wakker, luisterend naar de -geluiden van den nacht, die donsde in het wijde buiten. En men -veroordeelde de haastigheid van Van Oudijck, die na de scène van het -race-bal, geen geduld meer had kunnen oefenen, die niet geaarzeld had -den Regent, wiens huis verknocht was aan den grond van Laboewangi, éen -met Laboewangi, voor ontslag te durven voordragen. - -De rezident had uitgeschreven, als feest voor de bevolking, een -passer-malam [42] op de aloon-aloon [43], die enkele dagen zoû duren en -samenviel met den Fancy-fair. Dat zouden zijn volksfeesten, vele -stalletjes en kramen, de Komedie-Stamboul [44] waar -Duizend-en-Een-Nacht-tooneel-spelen werden gegeven. Hij had dit gedaan -om de Javaansche bevolking een zoo door haar gewaardeerd genoegen te -doen, tegelijk dat de Europeanen feest vierden. Het was nu enkele dagen -vóor den Fancy-fair en den dag te voren zoû, toevallig, de koempoelan -[45] plaats hebben in de Kaboepaten. - -Een angst, een drukte, een zenuwachtigheid gaf in het anders steeds -stille plaatsje een emotie, die de menschen bijna ziek maakte. Moeders -brachten hare kinderen weg en waren zelve in tweestrijd. Maar de -Fancy-fair deed de menschen blijven. Zouden zij den Fancy-fair willen -missen? Zoo zelden was er eens een pretje. Maar als waarlijk.... een -opstand uitbrak! En men wist niet wat te doen: men wist niet òf ernstig -op te nemen de troebele dreiging, die men raadde; òf luchthartig met ze -te spotten. - -Den dag vóor de koempoelan vroeg Van Oudijck belet bij de Raden-Ajoe -Pangéran, die bij haar zoon inwoonde. Zijn rijtuig reed langs de -opstallen en kramen der aloon-aloon, en door de sierpoorten der -passer-malam: de naar elkaâr buigende bamboe-stammen, waaraan de smalle -strook dundoek, die kabbelt in den wind: de versiering, die in het -Javaansch dan ook „kabbeling” heet. Dien avond zoû de eerste feestavond -zijn. Men was bezig aan de laatste toebereidselen en in de drukte van -het hameren en schikken, hurkten de inboorlingen niet altijd neêr voor -het rijtuig van den rezident, en lette men niet op de gouden pajong, -die de oppasser vasthield op den bok, als een dichtgestraalde zon. Maar -toen het rijtuig langs den vlaggestok inreed de oprijlaan van den -Kaboepaten en men zag, dat de rezident zich naar den Regent begaf, -schoolden groepen samen, en sprak men fluisterend en heftig. Aan den -ingang van de oprijlaan verdrong men zich, spiedde uit. Maar de -bevolking zag niets dan door de schaduw der waringins in de verte -schemeren de leêge pendoppo [46], met hare rissen van afwachtende -stoelen. De schout, die op zijn fiets plotseling voorbijreed, deed de -samenscholingen als instinctmatig stuiven uit een. - -In de voorgalerij wachtte de oude vorstin den rezident. Een kalmte lag -over haar waardig gelaat en liet niet lezen, wat in haar woelde en -omging. Zij wees den rezident te zitten en met enkele gewone frazen -begon het gesprek. Toen verschenen vlug kruiphurkende over den grond -vier bedienden: de een met een flesschendrager vol flesschen; de tweede -met een blad waarop tal van glazen; een derde met een zilveren ijsvat -vol brokken ijs; de vierde, zonder iets, maakte de semba. De vorstin -vroeg den rezident wat hij drinken wilde en hij zei, dat hij gaarne een -whiskey-soda had. De laatste bediende, steeds kruiphurkende tusschen de -drie anderen door, bereidde den drank, schonk-in de scheut whiskey, -deed als een kanon openspringen de ajer-blanda [47]-flesch, en liet in -het glas een ijsbrok neêr, als een kleine gletscher. Geen woord werd -nog gesproken. De rezident liet den drank eerst koelen, en de vier -bedienden kruiphurkten weg. Toen, eindelijk, nam Van Oudijck het woord -en hij vroeg de vorstin of hij zoû kunnen spreken in geheel vertrouwen, -of hij zoû kunnen zeggen, wat hij had op het hart. Zij, beleefd, -smeekte het hem te doen. En met zijn vaste, maar gedempte stem, zeide -hij haar, in het Maleisch, in heel hoffelijke zinnen, vol vriendschap -en bloemrijke beleefdheid, hoe hoog en groot zijne liefde voor den -Pangéran was geweest, en nog was voor diens roemrijk geslacht, ook al -had hij, Van Oudijck, tot zijn innigste spijt, moeten handelen tegen -die liefde in, omdat hem zijn plicht dat gebood. En hij vroeg haar, zoo -een moeder dat kon, hem geen kwaad hart toe te dragen om die beoefening -van zijn plicht; hij vroeg haar, integendeel, moederlijk voor hem te -voelen, den Europeeschen ambtenaar, die als een vader bemind had den -Pangéran, en met hem, den ambtenaar—zij, de moeder van den Regent—, -samen te werken door haar zoo grooten invloed aan te wenden tot heil en -welvaart van de bevolking. In zijne vroomheid en verren blik naar de -dingen van het onzienlijke, vergat Soenario wel eens de feitelijke -werkelijkheid, die lag voor de hand; welnu, hij, de rezident, vroeg -haar, de machtige invloedrijke moeder, samen te werken met hem in wat -Soenario zag over het hoofd, samen te werken, in eensgezindheid en -liefde. En, in de sierlijkheid van zijn Maleisch, opende hij haar zijn -hart geheel, zeide hij haar de woeling, die reeds dagen lang borrelde -onder de bevolking, als een slecht gif, dat haar niet anders dan -slecht, dronken kon maken en haar wellicht zoû leiden tot dingen, tot -daden, die in diep berouw zouden moeten eindigen. En met dit laatste -woord van „diep berouw”, deed hij haar voelen, onder zijn woorden, dat -de Regeering de sterkste zoû zijn, dat een ontzettende straf neêr zoû -vallen op al wie schuldig zoû blijken te zijn, hoog en laag. Maar hoog -hoffelijk bleef zijn taal en eerbiedig zijn woord, als van een zoon -tegen eene moeder. Zij, hoewel ze hem verstond, waardeerde de tactvolle -gratie van zijne manieren, en de met bloemen bestrooide diepte en ernst -van zijne taal deed hem stijgen in hare achting en verwonderde haar -bijna—in een lagen Hollander, van bloed noch afkomst. Maar hij ging -voort, en niet zeide hij haar, wat hij wel wist, dat zij was de -aandrijfster in deze duistere woeling—maar wel vergoêlijkte hij die -woeling, en zeide, dat hij ze begreep, dat de bevolking meê met haar -leed, in haar verdriet omtrent den onwaardigen zoon, die toch ook -afstammeling was van het edele geslacht; en dat het zoo natuurlijk was, -dat de bevolking diep voelde voor hare oude vorstin, ook al was dat -gevoel nu onverstandig en onberedeneerd. Want de zoon wàs onwaardig, de -Regent van Ngadjiwa was onwaardig geweest, en wat gebeurd was, had niet -anders kunnen gebeuren. Zijn stem werd even streng en zij boog het -grijze hoofd, bleef zwijgen, scheen aan te nemen. Maar nu werden -teederder weêr zijne woorden en nogmaals vroeg hij haar hare -medewerking, te willen aanwenden haar invloed ten beste. Hij vertrouwde -op haar geheel. Hij wist, dat zij hoog hield de traditie van haar -geslacht, de trouw aan de Compagnie, de onkreukbare trouw aan de -Regeering. Welnu, hij vroeg haar zoo aan te wenden hare macht en -invloed, zoo te gebruiken de liefde en vereering, die men haar -toedroeg, dat zij, mede met hem, den rezident, tot stilte zoû brengen -wat in het duistere woelde; dat zij tot bedachtzaamheid brengen zoû wat -niet nadacht; dat zij tot vrede zoû stillen, wat in het geheim dreigde, -onbezonnen en lichtzinnig, tegen het waardige en sterke gezag. En -terwijl hij vleide en dreigde tegelijkertijd, gevoelde hij, dat -zij,—hoewel zij nog nauwlijks sprak éen woord, en alleen zijne woorden -maar scandeerde met haar: saja,—kwam onder zijn sterkeren invloed van -man van tact en van gezag, en dat hij haar deed nadenken. Hij gevoelde, -dat onder het nadenken de haat in haar neêrviel, de wraakzucht in haar -verlamde, en dat hij brak de energie en den trots van het oude bloed -der Madoereesche sultans. Hij liet schemeren voor hare oogen, onder al -de bloemen van zijne taal, den geheelen ondergang, de zware straf, de -toch sterkere macht van het Gouvernement. En hij plooide haar tot de -oude lenigheid van te bukken onder de heerschersmacht. Hij leerde haar, -in hare opwelling om op te staan en van zich te werpen het gehate juk, -dat het beter was koel, verstandig te zijn en bezadigd zich opnieuw te -schikken. Zij knikte zacht ja, met het hoofd, en hij voelde, dat hij -haar had overmachtigd. Een trots er om werd in hem wakker. En nu ook -sprak zij, en beloofde, met hare inwendig weenende, gebroken stem. Dat -zij hem liefhad als een zoon, dat zij zoû doen als hij verlangde, haar -invloed buiten de Kaboepaten in de stad zeker zoû aanwenden tot -stilling van deze dreigende troebelen. Zij sprak zich ervan vrij, en -zeide, dat ze ontsproten uit onnadenkende liefde van de bevolking, die -meêleed met haar, om haar zoon. Zij zeide hem nu na zijne woorden: -alleen sprak zij niet van onwaardig. Want zij was moeder. En nogmaals -herhaalde zij het, dat hij haar vertrouwen kon, dat zij zoû doen naar -zijn verlangen. Toen deelde hij haar meê, dat hij morgen met zijne -ambtenaren, met de inlandsche hoofden ter koempoelan zoû komen, en hij -zeide, dat hij haar zoo vertrouwde, dat zij allen, Europeanen, -ongewapend zouden zijn. Hij zag haar in de oogen. Hij dreigde haar meer -met dit te zeggen dan dat hij van wapens hadde gesproken. Want hij -dreigde haar, zonder er een woord van te zeggen, alleen met de -intonatie van het Maleisch, met de straf, de wraakneming van de -Regeering, zoo éen haar gekrenkt zoû worden van den minste harer -ambtenaren. Hij was opgestaan. Zij ook stond op, wrong de handen, -bezwoer hem zoo niet te spreken, bezwoer hem ten volle te vertrouwen -haar en haar zoon. En zij liet Soenario roepen. De Regent van -Laboewangi kwam en nogmaals herhaalde Van Oudijck, dat hij hoopte op -vrede en nadenken. En in den toon van de oude vorstin tegen haar zoon, -voelde hij, dat zij wilde, dat het nadenken en de vrede er zijn zoû. -Hij voelde haar, de moeder, almachtig in de Kaboepaten. - -De Regent boog het hoofd, stemde toe, beloofde, zeide zelfs, dat hij -reeds had laten sussen, dat hij altijd betreurd had die opwinding van -het volk, dat het hem zeer leed deed, nu de rezident het toch bespeurd -had, niettegenstaande zijne—Soenario’s—sussingen. De rezident drong -niet verder door in deze onoprechtheid. Hij wist, dat de woeling -aangestookt werd van uit de Kaboepaten, maar hij wist ook, dat hij had -overwonnen. Nog eens, echter, drukte hij den Regent zijne -verantwoordelijkheid op het hart, in het geval, dat er iets gebeuren -mocht in de pendoppo, morgen, gedurende de koempoelan. De Regent -bezwoer hem aan zoo iets niet te denken. En nu, om in vriendschap te -scheiden, smeekte hij Van Oudijck nog eens te gaan zitten. Hij zette -zich. Bij deze beweging stiet Van Oudijck als toevallig tegen het glas, -dat geheel parelde van ijskoude, en dat hij nog niet aan de lippen had -gezet. Het viel kletterend op den grond. Hij verontschuldigde zich over -zijne lompheid. De Raden-Ajoe Pangéran had zijne beweging opgemerkt en -haar oude gelaat werd bleek. Zij zeide niets, maar zij wenkte een -volgeling. En op nieuw verschenen kruiphurkend de vier bedienden, -bereidden een tweede glas whiskey-soda. Van Oudijck zette het glas -dadelijk aan den mond. - -Er was een pijnlijke stilte. In hoeverre de beweging van den rezident, -waarmeê hij het glas had omgestooten, gerechtvaardigd was geweest, zoû -altijd blijven een raadsel, zoû hij nooit en nimmer weten. Maar hij -wilde de vorstin toonen, dat hij, hier komende, op alles was -voorbereid, vóor hun gesprek; dat hij, nà dat gesprek, haar geheel en -in alles vertrouwen wilde. Zoowel in den drank, dien zij hem bood, als -morgen op de koempoelan, waar hij met zijne ambtenaren allen ongewapend -verschijnen zouden; als in haren invloed ten beste, die rust en vrede -onder de bevolking zoû brengen. En als om te toonen, dat zij hem -begreep, en dat geheel zijn vertrouwen gerechtvaardigd zoû zijn, stond -zij op en fluisterde een paar woorden tot een volgeling, dien zij -gewenkt had. De Javaan verdween en kwam weldra de geheele voorgalerij -kruiphurkende door, dragende een lang voorwerp in gele hoes. De vorstin -nam het uit zijn handen en overhandigde het Soenario. En deze trok uit -de gele zijden hoes een wandelstok, dien hij aanbood aan den rezident -als een bewijs van hun broederlijke vriendschap. Van Oudijck nam aan, -wetende het symbool. Want de gele zijden hoes was van de kleur en de -stof van het gezag: zijde en geel of goud; de stok zelve was van een -hout, dat beveiligt tegen slangenbeten en onheil, en de zware knop was -gewerkt in het metaal van gezag—goud—in den vorm van de oude -sultanskroon. Deze stok, aangeboden op dit oogenblik, beteekende, dat -de Adiningrats zich opnieuw onderworpen en dat Van Oudijck hen -vertrouwen kon. - -En toen hij afscheid nam, was hij zeer trotsch en waardeerde hij hoog -zichzelven. Want met tact, met diplomatie, met kennis van den Javaan -had hij overwonnen: alleen met woorden zoû hij den dreigenden opstand -hebben bezworen. Dat zoû een feit zijn. - -Dat was ook zoo, dat zoû zoo zijn: een feit. Dien eersten avond van de -passer-malam, vroolijk lichtende van honderd petroleum-lampjes, -lokkelijk dampende van laag drijvende bakluchten, vol van het bonte -gewarrel der feestende bevolking—dien eersten avond was niets dan feest -en onder elkaâr besprak de bevolking het lange vriendschapsbezoek van -den rezident aan den Regent en aan zijn moeder; want het rijtuig met de -pajong had men lang zien wachten in de oprijlaan, en volgelingen van -den Regent vertelden van het geschenk van den wandelstok. - -Dat was ook zoo: het feit was, en gebeurde, zooals Van Oudijck het had -vooruit bedacht en gedwongen. En dat hij trotsch was, was menschelijk. -Maar wat hij niet had gedwongen en vooruit bedacht, dat waren de stille -krachten, die hij nooit raadde, die hij ontkennen zoû, altijd, in het -natuurlijk eenvoudige leven. Wat hij niet zag en hoorde en voelde, dat -was de heel stille kracht, die wel neêrsloeg, maar toch smeulde, als -een vulkanisch vuur onder de schijnbaar rustige dreven van bloemen en -vriendschap en vrede: de haat, die een macht zoû hebben van -ondoordringbaar mysterie, waartegen hij, Westerling, ongewapend was. - - - - -VI. - -Van Oudijck hield van zekere effecten. Hij sprak niet veel dien dag -over zijn bezoek aan de Kaboepaten, en ook niet toen dien avond -Eldersma en Van Helderen hem kwamen spreken over de koempoelan, die den -volgenden morgen plaats zoû grijpen. Zij hadden een zekere ongerustheid -en vroegen of zij zich wapenen zouden. Maar Van Oudijck, zeer streng en -beslist, verbood wapens meê te nemen, en zeide, dat het niemand -geoorloofd was. De ambtenaren gaven toe, maar niemand was op zijn -gemak. De koempoelan had echter plaats in volkomene ongestoordheid en -harmonie; alleen was er een grootere bevolking op de been tusschen de -kramen van de passer-malam, was er meer politie bij de sierpoorten, met -de kabbelende strooken dundoek. Maar er gebeurde niets. De vrouwen in -huis waren angstig en herademden toen hunne mannen veilig weêr waren -thuis. En Van Oudijck had zijn effect bereikt. Hij legde nu een paar -bezoeken af, zeker van zijne zaak, vertrouwende op de Raden-Ajoe -Pangéran. Hij stelde de dames gerust, en zeide haar nu alleen te denken -aan den Fancy-fair. Maar zij vertrouwden het niet. Sommige families, -des avonds, sloten alle hunne deuren en bleven met de kennissen en -kinderen en baboe’s in de middengalerij, gewapend, luisterend, op hun -hoede. Theo, met wien zijn vader, in een bui van vertrouwelijkheid, had -gesproken, maakte er toen met Addy een pretje van. De beide jongelui, -op een avond, liepen de huizen af, van wie zij wisten, dat het -angstigst waren, en zij drongen door in de voorgalerij, en zij riepen -om open te doen: en in de middengalerijen hoorden zij de snaphanen al -overhalen. Zij hadden een dollen avond. - -Toen eindelijk had de Fancy-fair plaats. Op het tooneel van de -societeit had Eva georganizeerd een serie van drie tableaux uit de -Artur-Sage: Viviane, en Ginevra en Lancelot; in den tuin was in het -midden een Madoereesche prauw, in den vorm van een Vikingschip, waar -men punch à la romaine dronk; een naburige suikerfabriek, nog altijd -pret makende, bekend om den joligen toon, die er heerschte, had gezorgd -voor een komplete Hollandsche poffertjeskraam—als een heimwee-wekkende -herinnering aan Holland: de dames als Friesche boerinnen, de employés -van de fabriek allen als koksjongens gekleed; en de emotie voor -Transvaal was gevierd door een Majuba-heuvel met heeren en dames in -fantastisch Boeren-kostuum. Van de immense zeebeving in Ternate was -geen sprake, hoewel de helft van de opbrengst aan de geteisterde -streken was toebedacht. Onder de lichtende loleng-festoenen, die -slingerden boven den tuin was een groote pret en lust tot veel geld -uitgeven, vooral voor Transvaal. Maar onder die lustigheid huiverde -toch een angst. Groepjes verzamelden zich, blikken keken spiedend uit -naar buiten, waar op den weg zich verdrongen: Indo’s, Javanen, -Chineezen, Arabieren, rondom de draagkeukentjes, die walmden. En -angstig, onder een glas champagne, of een bord poffertjes, luisterde -men in de richting van de aloon-aloon, waar de passer-malam woelde in -volle kracht. Toen Van Oudijck verscheen met Doddy, ontvangen met het -Wien Neêrlandsch Bloed, goedmoedig rijksdaalders en bankjes strooiende, -vroeg men hem telkens iets, geheimzinnig aan het oor. En, missende -mevrouw Van Oudijck, vorschte men onder elkaâr uit, waar zij was. Zij -had zoo een kiespijn, zeide men: zij was daarom naar Soerabaia. Men -vond het niet aardig van haar; men hield niet van haar als men haar -niet zag. Zij werd dien avond zeer besproken: men vertelde de -afschuwelijkste schandalen van haar. Doddy nam op de Madoereesche prauw -haar plaats in als verkoopster, en Van Oudijck, met Eldersma, Van -Helderen, een paar controleurs van buiten, ging rond, en trakteerde -zijn Binnenlandsch Bestuur. Als men hem de geheimzinnige inlichtingen -vroeg, met de angstige blikken naar buiten, met het luisterend oor naar -de aloon-aloon, stelde hij majesteitelijk glimlachend gerust: er zoû -niets gebeuren, hij verpandde er om zijn eerewoord. Men vond hem wel -erg vertrouwend, erg zeker van zijne zaak, maar de joviale glimlach om -de breede snor van den rezident stelde gerust. Hij dreef een ieder aan -van zijn goede stad Laboewangi alleen te denken aan de pret en de -liefdadigheid. En toen, eensklaps, verscheen de Regent, Raden Adipati -Soenario en zijne vrouw, de jonge Raden-Ajoe, en aan den ingang -boeketjes, programma’s en waaiertjes betaalde met een bankje van -honderd gulden, ging eene ontspanning door het geheele publiek van den -tuin. Het bankje van honderd van den Regent was spoedig overal bekend. -En nu herademde men; nu begreep men, dat alle angst overbodig zoû zijn. - -Dat geen opstand dien avond uit zoû breken. Men vierde den Regent en -zijn glimlachende jonge vrouw, die schitterde van hare mooie juweelen. - -Van louter ontspanning, herademing, dolheid, gaf men steeds meer en -meer geld uit, wilde men evenaren de enkele schatrijke Chineezen—die -van vóor de opiumregie, eigenaars van de witte marmer- en -stucpaleizen—als zij met hunne vrouwen, in geborduurde grijze en groene -Chineesche gewaden, het glimmende haar vol bloemen en steenen, sterk -riekende naar sandelgeuren, strooiden met rijksdaalders. Het geld -vloeide, tikkelde als met zilveren droppelingen in de bussen der blijde -verkoopsters. En de Fancy-fair was een succes. En toen Van Oudijck -eindelijk, langzaam aan hier en daar, aan Doorn de Bruijn, aan Rantzow, -aan de ambtenaren van buiten iets losliet van zijn bezoek aan de -Kaboepaten, van zijn gesprek met de Raden-Ajoe Pangéran—nederig en -eenvoudig doende, maar toch ondanks zichzelven stralende van blijden -hoogmoed, van vreugde over zijn zege—toen bereikte hij zijn grootste -effect. - -Het verhaal ging rond door den tuin, van den tact, van de knapheid van -den rezident, die met zijn woord alleen de revolutie bezworen had. Hij -werd als op de handen gedragen. En hij schonk overal rond champagne, -hij kocht alle waaiertjes op, hij kocht al de loten van de tombola, die -nog niet waren verkocht. Men aanbad hem, het was zijn oogenblik van -succes en populariteit. En hij schertste met de dames, hij maakte ze -het hof. Het feest duurde lang, tot zes uur in den lichten morgen. De -vroolijke poffertjeskoks waren dronken en dansten om de -poffertjeskachel heen. - -En toen Van Oudijck eindelijk naar huis ging, gevoelde hij zich in een -stemming van zelftevredenheid, van kracht, van blijdschap; vervoering -over zichzelven. In zijn kleine wereld voelde hij zich koning en tevens -diplomaat en tevens bemind door allen, wien hij rust en vrede verzekerd -had. Deze avond deed hem stijgen in zijne zelfachting en hij waardeerde -zich hooger dan ooit. Hij voelde zich zoo gelukkig als hij zich nooit -had gevoeld. - -Hij had het rijtuig naar huis gezonden, en wandelde met Doddy naar -huis. Enkele vroege verkoopers gingen ter passer. Doddy, half slapende, -doodmoê, sleepte zich meê aan den arm van haar vader.... - -Toen, dichtbij, ging haar iemand voorbij, en hoewel zij meer voelde dan -zag, huiverde zij plotseling. Zij zag op. De figuur was voorbij. Zij -zag om en zij herkende den rug van den hadji, die zich haastte.... - -Zij voelde zich koud tot flauw vallens toe. Maar toen, moê, slapende -loopende, bedacht zij, dat zij half droomde, droomde van Addy, van -Patjaram, van den maannacht onder de tjemara’s, waar aan het einde van -de laan de witte hadji haar verschrikt had.... - - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - - -I. - -Eva Eldersma was in een stemming van lusteloosheid en spleen als zij -nog nooit in Indië had ondervonden. Na al haar arbeid, drukte, succes -van den Fancy-fair—na de huiverende angsten voor opstand—sluimerde het -plaatsje gemoedelijk weêr in, als was het weltevreden weêr te kunnen -dommelen als altijd. Het was December geworden en de zware regens waren -begonnen, als altijd, den vijfden December: de regenmoesson, -onveranderlijk, trad in op St. Nicolaas. De wolken, die, een maand -lang, zich al zwellende en zwellende hadden opgetast aan de laagte der -kimmen, gordijnden hare watervolle zeilen hooger tegen de uitspansels -aan, en scheurden open als met éene razernij van vèr uitlichtende -electriciteiten, plasten kletsstralende neêr als daar niet meer omhoog -op te houden rijkdommen van regen, nu de te volle zeilen scheurden en -al de waterweelde giet-stroomde als uit éen scheur neêr. Des avonds was -Eva’s voorgalerij overvlogen door een dollen zwerm van insecten, die -zich, vuurdronken, ten ondergang stortten in de lampen, als in een -apotheoze van vlammendood, en met haar wiekbewegende, stervende -lichamen de lampenglazen vulden en bestrooiden de marmeren tafels. Een -koelere lucht ademde Eva in, maar een waasmist van vocht, uit aarde en -bladeren, sloeg aan op de muren, scheen te zweeten uit meubels, te -tanen op spiegels, te vochtvlakken op zijde, te schimmelen op schoenen, -of de neêrrazende stroomenkracht der natuur al het kleine en -fijn-glinsterende en bevallige van menschenwerk zoû bederven. Maar -boomen en loover en gras leefden op, leefden uit, woekerden welig -omhoog, in duizende tintelingen van nieuw groen en in de oplevende zege -van de groene natuur was de neêrduikende menschenstad van open -villa-huizen nat en paddestoelvochtig, verweerde tot schimmelgroen al -de blankheid der gekalkte pilaren en bloemepotten. - -Eva zag aan de langzame, geleidelijke ruïne van haar huis, hare -meubels, hare kleêren. Dag aan dag, onverbiddelijk, bedierf er iets, -rotte wat weg, beschimmelde, verroeste er iets. En geheel de -esthetische filozofie, waarmede zij eerst zich geleerd had van Indië te -houden, te waardeeren het goede in Indië, te zoeken ook in Indië naar -de mooie lijn, uiterlijk, en naar het inwendige mooi, van ziel, was -niet meer bestand tegen het stroomen van het water, tegen het uit-een -kraken van haar meubels, tegen het vlakkig worden van haar japonnen en -handschoenen, tegen al de vocht, schimmel en roest, die haar bedierf -hare exquize omgeving, die zij om zich heen als troost had ontworpen, -geschapen, als troost voor Indië. Al het beredeneerde, verstandelijke -van zich te schikken, van tòch iets liefs en moois te vinden in het -land van al te overmachtige natuur en geld- en pozitie-zoekende -menschen, verongelukte, stortte in, nu zij elk oogenblik gedwongen werd -kribbig te zijn, als huisvrouw, als elegante vrouw, als artistieke -vrouw. Neen, onmogelijk was het in Indië zich te omringen met smaak en -exquiziteit. Zij was hier nog slechts een paar jaar, en zij voelde nog -wel wat kracht te strijden voor hare Westersche beschaving, maar toch -begreep zij al beter dan de eerste dagen van hare aankomst het -zich-maar-laten-gaan, van de mannen na hun drukke werk, van de vrouwen -in hare huishouding. Zeker, de geluideloos loopende bedienden, werkende -met zachte hand, gewillig, nooit brutaal, zij trok ze voor boven de -luidruchtig stampende meiden in Holland, maar toch voelde zij in geheel -haar huis een Oosterschen tegenstand tegen hare Westersche ideeën. Het -was altijd een strijd, om niet onder te gaan in het-maar-laten-gaan, in -het maar laten verwilderen van het te groote erf, achter onvermijdelijk -behangen met groezelig waschgoed der bedienden, en bestrooid met -afgeknabbelde manga’s; in het maar laten vervuilen en ontverven van -haar huis, te groot, te open, te bloot aan weêr en wind om met -Hollandsche zindelijkheid te worden verzorgd; in het maar blijven -schommelen ongekleed, in sarong en kabaai, de bloote voeten in -muiltjes, omdat het heusch te warm, te zwoel was zich te kleeden in een -japon of peignoir, die men doortranspireerde. Voor haar was het, dat -aan tafel ’s avonds haar man steeds gekleed was, zwart jasje en hoogen -boord, maar als zij zag zijne vermoeide trekken, waaruit al meer en -meer de strakke oververmoeide bureau-trek staarde, boven dien hoogen -boord, maande zij hem zelve een volgenden keer aan zich maar niet te -kleeden na zijn tweede bad, en duldde zij hem aan tafel in een wit -jasje, of zelfs in nachtbroek en kabaai. Zij vond dat iets vreeslijks, -iets onzegbaars verschrikkelijks, het schokte geheel hare beschaving, -maar heusch, hij was te moê, en het was te drukkend zwoel om anders van -hem te vergen. En zij—pas twee jaren in Indië—begreep meer en meer het -zich laten gaan—in kleeding, in lichaam, in ziel—nu zij iederen dag -iets meer verloor van haar Hollandsche frissche bloed en haar -Westersche energie, nu zij wel toegaf, dat men in Indië werkte als -misschien in geen ander land, maar alleen werkte, met dat doel voor -oogen: pozitie—geld—ontslag—pensioen—en terug, terug naar Europa. Wel -waren er anderen, geboren in Indië, nauwlijks éen enkel jaar eens uit -Indië weg geweest, die niets van Holland wilden hooren, die aanbaden -hun land van zon. Zoo wist zij, waren de de Luce’s, en zoo—wist -zij—waren er anderen. Maar in haar kring van ambtenaren en planters was -het bij iedereen het zelfde levensdoel—pozitie—geld—en dan weg, weg -naar Europa. Iedereen rekende uit de jaren, die hij nog zoû werken -moeten. Iedereen zag in de toekomst de illuzie van de Europeesche rust. -Een enkele, als Van Oudijck—een ènkele ambtenaar, die misschien zijn -werk liefhad òm zijn werk, en omdat het harmonieerde met zijn -karakter—vreesde den toekomstigen pensioen-tijd, die dom vegeteeren zoû -zijn. Maar Van Oudijck was een uitzondering. De meesten dienden en -plantten, voor een latere rust. Haar man immers ook, beulde zich af, om -als hij assistent-rezident was geworden, over enkele jaren zijn -pensioen te nemen; beulde zich af voor zijne illuzie van rust. Nu, zij -voelde hàar energie haar ontzinken, met iederen druppel bloed, dien zij -voelde trager door haar matte aderen vloeien. En in deze eerste dagen -van de natte moesson, nu de gooten van het huis onophoudelijk waterden -de dik klaterende stralen, die haar irriteerden met hun gekletter, nu -zij zag bederven in vocht en schimmel, al dat materieele, dat zij met -smaak om zich heen koos, als hare artistieke troost in Indië, nu kwam -zij in eene ontstemming van lusteloosheid en spleen als zij nog nimmer -had doorgemaakt. Zij had niet genoeg aan haar kindje, te klein nog om -iets van ziel voor haar te zijn. Haar man werkte, werkte altijd. Hij -was voor haar een goede, lieve man, een brave man, een man van grooten -eenvoud, dien zij misschien alleen om dien eenvoud genomen had, om die -kalme rust van zijn glimlachend Friesche blonde gezicht en de stoerheid -van zijne breede schouders, na een paar opgewonden jonge romans van -dwepen en misverstand en woordenwisselingen van hoog-zielevoelen, -romans uit haar jonge-meisjes-tijd. In een eenvoudigen roman had zij, -die niet rustig en eenvoudig was, den eenvoud en rust van haar leven -gezocht. Maar zijne kwaliteiten voldeden haar niet. Vooral, nu, langer -in Indië, en verslagen wordende in den strijd met het land, dat hare -natuur niet sympathisch was, voldeed zijn rustige liefde van echtgenoot -haar niet. - -Zij begon zich ongelukkig te voelen. Zij was te veelzijdig vrouw om -geheel haar geluk te kunnen vinden in haar kleine jongentje. Het vulde -wel, met zijne kleine zorgjes voor nu, en met de gedachten aan zijne -toekomst, een deel van haar leven. Zij had zelfs uitbedacht een geheele -theorie van opvoeding. Maar het vulde niet haar leven geheel. En een -heimwee naar Holland omving haar, een heimwee naar hare ouders, een -heimwee naar het mooie kunsthuis, waar men altijd ontmoette schilders, -schrijvers, toonkunstenaars—uitzondering van artistieke salon in -Holland, waar een oogenblik te samen kwamen de anders altijd in Holland -geïzoleerde kunstelementen. - -Als een vage verre droom trok het vizioen haar voorbij, terwijl zij -hoorde naar de aankondigende donderingen der barstenszwoele lucht, -terwijl zij uitkeek naar den watervloed, die daarna neêrgoot. Hier had -zij niets. Hier voelde zij zich misplaatst. Hier had zij in haar clubje -van getrouwen, die zich om haar verzamelden, omdat zij vroolijk was, -niets van diepere sympathie, van inniger conversatie—dan alleen met Van -Helderen. En met hem wilde zij voorzichtig zijn, om hem geene illuzie’s -te geven. - -Alleen Van Helderen. En zij dacht aan alle de andere menschen om haar -heen in Laboewangi. Zij dacht aan menschen, menschen van overal. En, -pessimistisch, in deze dagen, vond zij in allen het egoïste, het -eigen-ikkerige, en het minder beminnelijke, het opgesloten in -zichzelven; zij kon het zich nauwlijks uitdrukken, afgeleid door de -forsche watermacht van den regen. Maar zij vond in ieder bewuste en -onbewuste dingen van onbeminnelijkheid. Ook in hare getrouwen. Ook in -haar man. In mannen, jonge vrouwen, jonge meisjes, jongelui om haar -heen. Ieder was zijn eigen ik. In niemand was het harmonisch voor zich -en voor een ander. In die vond zij dit niet goed, in die dat hatelijk; -die en die veroordeelde zij geheel. Het was een kritiek, die haar -troosteloos en weemoedig maakte, want ze was tegen haar natuur in: zij -had gaarne lief. Ze leefde gaarne samen, spontaan, harmonisch met vele -anderen: oorspronkelijk was er in haar een liefde voor de menschen, een -liefde voor de menschheid. Groote kwesties wekten emotie in haar. Maar -al wat zij gevoelde vond geen weêrklank. Leêg en alleen bevond zij -zich, in een land, een stad, een omgeving, waar alles en alles—groote -dingen, kleine dingen—hinderde haar ziel, haar lichaam, haar karakter, -haar natuur. Haar man werkte. Haar kind ver-Indieschte al. Hare piano -was ontstemd. - -Zij stond op, probeerde de piano, met lange gamma’s, die uitliepen in -den Feuerzauber van de Walküre. Maar de regen raasde sterker dan haar -muziek opzong. Toen zij weêr opstond, wanhopig van lusteloosheid, zag -zij Van Helderen staan. - -—Je laat me schrikken, zeide zij. - -—Mag ik blijven rijsttafelen? vroeg hij. Ik ben thuis alleen. Ida is -voor hare malaria naar Tosari en de kinderen zijn meê. Ze is gisteren -gegaan. Het is een dure historie. Hoe ik dit een maand vol moet houden, -weet ik niet. - -—Laat de kinderen hier komen, als zij een paar dagen zijn boven -geweest.... - -—Is je dit geen last? - -—Natuurlijk niet.... Ik zal het Ida schrijven.... - -—Het is heusch allerliefst van je.... Je zoû er mij zeker meê helpen. - -Zij lachte mat. - -—Ben je niet wel? - -—Ik voel mij doodgaan, zeide zij. - -—Hoe meen je? - -—Ik voel mij iederen dag wat sterven. - -—Waarom? - -—Het is hier verschrikkelijk. Wij hebben naar de regens verlangd, en nu -ze er zijn, maken ze me dol. En—ik weet het niet—: ik hoû het hier niet -meer uit. - -—Waar? - -—In Indië. Ik heb mij geleerd om in dit land het goede, het mooie te -zien. Het was alles tevergeefs. Ik kan nu niet meer. - -—Ga naar Holland, sprak hij zacht. - -—Mijn ouders zouden me zeker gaarne terugzien. Voor mijn jongen zoû het -goed zijn, want iederen dag verleert hij meer en meer zijn Hollandsch, -dat ik zoo energiek begonnen was hem te leeren, en praat hij -Maleisch—of erger nog: sinjó’sch. Maar mijn man kan ik hier niet alleen -laten. Hij zoû niets hebben zonder mij. Tenminste—dat geloof ik—dat is -nog zoo iets als een illuzie. Misschien is het niet zoo. - -—Maar als je ziek wordt.... - -—Ach.... ik weet het niet.... - -Er was eene ongewone doodmoêheid in geheel haar wezen. - -—Misschien overdrijf je! begon hij opgewekt. Kom, misschien overdrijf -je. Wat is er, wat hindert je, wat maakt je zoo ongelukkig. Laten wij -eens een inventaris opmaken. - -—Een inventaris van mijn ongelukken. Mijn tuin is een moeras. Drie -stoelen van mijn voorgalerij kraken uit-een. Witte mieren hebben mijn -mooie Japansche matten opgegeten. Een nieuwe zijden japon is, -onverklaarbaar, met vochtvlekken uitgeslagen. Een andere is, louter van -de warmte, geloof ik, vergaan tot losse draadjes. Daarbij verschillende -kleinere misères van dien aard. Om mij te troosten heb ik mij gestort -in den Feuerzauber. Mijn piano was valsch; ik geloof, dat er -kakkerlakken tusschen de snaren rondwandelen. - -Hij lachte een beetje. - -—Wij zijn idioot, hier, wij Westerlingen in dit land. Waarom brengen we -hier geheel den nasleep van onze dure beschaving, die het hier toch -niet uithoudt! Waarom wonen wij hier niet in een frisch bamboe-huisje, -slapen op een tiker [48], kleeden ons in een kaïn pandjang en chitsen -kabaai, met een slendang over den schouder, en een bloem in het haar. -Al jullie kultuur, waarmeê je rijk wilt worden,—dat is een Westersch -idee, dat mislukt op den duur. Al onze administratie—dat is vermoeiend -in de warmte. Waarom—als wij hier willen zijn—leven wij maar niet -eenvoudig en planten wij padi en leven wij van niets.... - -—Je praat als een vrouw, lachte hij een beetje. - -—Het is mogelijk, zeide zij. Ik spreek zoo half uit aardigheid. Maar -dat ik hier voel, tegen mij in, tegen al mijne Westerschheid in, een -kracht, die mij tegenwerkt.... dat is zeker. Ik ben hier soms bang. Ik -voel mij hier altijd.... op het punt overweldigd te worden, ik weet -niet waardoor: door iets uit den grond, door een macht in de natuur, -door een geheim in de ziel van die zwarte menschen, die ik niet ken.... -In de nachten vooral ben ik bang. - -—Je bent nerveus, zeide hij teeder. - -—Misschien, sprak zij mat terug, ziende, dat hij haar niet begreep, en -te moê het verder te verklaren. Laat ons over iets anders spreken. Die -tafeldans is toch vreemd. - -—Ja, zeide hij. - -—Verleden toen wij het deden met ons drieën—Ida, jij, en ik.... - -—Het was zeker heel vreemd. - -—Herinner je je dien eersten keer? Addy de Luce.... dat schijnt nu toch -waar te zijn met mevrouw Van Oudijck... En de opstand... De tafel -voorspelde het toen. - -—Zoû het niet, onbewust, onze suggestie zijn? - -—Ik weet het niet. Maar te denken, dat wij allen eerlijk zijn, en dat -die tafel gaat tikken en met ons praat, volgens een alfabet. - -—Ik zoû het toch niet dikwijls doen, Eva. - -—Neen. Ik vind het onverklaarbaar. En toch verveelt het me al. Zoo went -een mensch aan het onbegrijpelijke. - -—Alles is onbegrijpelijk.... - -—Ja.... en alles is banaal. - -—Eva, zeide hij, zacht lachend verwijtend. - -—Ik geef den strijd heelemaal op. Ik zal maar kijken naar den regen.... -en schommelen. - -—Vroeger zag je het mooie in mijn land. - -—In jouw land? Dat je gaarne morgen zoû verlaten, om naar de Parijsche -Tentoonstelling te gaan. - -—Ik heb nooit iets gezien. - -—Je bent zoo nederig van daag. - -—Ik ben treurig, om jou. - -—O toe, wees het niet. - -—Speel nog wat.... - -—Hier, drink dan je bittertje. Schenk je in. Ik zal spelen op mijn -valsche piano, die even harmonisch zal klinken met mijn ziel, ook in de -war.... - -Zij ging terug naar de middengalerij en speelde uit Parzifal. Hij, -voor, bleef zitten en luisterde. De regen raasde neêr. De tuin stond -blank. Een heftige donderslag scheen de wereld uit een te doen kraken. -De natuur was oppermachtig en in haar reuze-openbaring waren de twee -menschen in dit vochtige huis klein, was zijne liefde niets, hare -weemoed niets, en de mystieke muziek van de Graal was als een -kinderwijsje in den daverenden mystiek van dien donderslag, waarmeê het -noodlot zelve met goddelijke cymbalen scheen te varen over de in den -zondvloed verdronkene menschen. - - - - -II. - -De twee kinderen van Van Helderen, een jongen en een meisje, zes en -zeven, waren in huis bij Eva en Van Helderen zelve kwam geregeld een -keer per dag eten. Hij sprak nooit meer over zijn innig gevoel als -wilde hij niet verstoren de streelende lieflijkheid van hun iederen dag -samen zijn. En zij nam het aan, dat hij iederen dag met haar samen was, -onmachtig hem af te weeren. Hij was de eenige man in haar omgeving, met -wien zij spreken en luid denken kon, en hij was haar een troost in deze -dagen van spleen. Zij begreep niet hoe zij zoo geworden was, maar zij -kwam langzamerhand in een totale apathie, in een soort nihilizeerend -niets noodig vinden. Zij was nooit zoo geweest. Hare natuur was van -levendigheid en opgewektheid, van zoeken het mooie en bewonderen, van -poëzie en muziek en kunst: dingen, die zij, van klein kindje af, van -hare kinderboeken af, om zich heen had gezien en gevoeld en besproken. -In Indië was zij langzamerhand alles gaan missen, waaraan zij behoefte -had. Een nihilisme, om te zeggen: waarvoor alles: waarvoor de wereld en -de menschen en de bergen; waarvoor al dat kleine dwarrelen van -leven?.... maakte zich wanhopig van haar meester. En als zij dan las -van het sociale drijven, in Europa de groote sociale kwesties, in Indië -de opkomende kwestie der Indo’s, dacht zij: waarom de wereld, als de -mensch zoo eeuwig de zelfde blijft: klein en lijdend en neêrgedrukt in -al de ellende van zijn menschelijkheid. Zij zag niet het doel. De helft -der menschheid leed armoede en streed zich uit dat duister omhoog: naar -wat....? De andere helft vegeteerde dom suffende weg in het geld. -Tusschen beiden was een trap van tinten, van de duistere armoede tot -den suffenden rijkdom. Over ze heen regenboogden de eeuwige illuzies: -liefde, kunst, groote vraagteekens van recht en vrede en ideale -toekomst.... Zij vond het alles om niets, zij miste het doel en zij -dacht: waarom dat alles zoo, en waarom de wereld, en de arme -menschen.... - -Zij had zich nog nooit zoo gevoeld, maar er was niet tegen te strijden. -Langzaam, iederen dag, maakte Indië haar zoo, ziek van ziel. Frans van -Helderen was haar eenige troost. Deze jonge controleur, die nooit -geweest was in Europa, die geheel zijne opvoeding had gehad te Batavia, -zijn examens had gedaan te Batavia, blond, gedistingeerd, met zijn -lenige hoffelijkheid,—met zijn type van onzegbare vreemde -nationaliteit, was om zijne bijna exotische ontwikkeling dierbaar -geworden aan hare vriendschap. Zij zeide hem hoe zij die vriendschap -heerlijk vond en hij antwoordde niet meer met zijne liefde. Er was te -veel liefs, zoo, in hunne verhouding. Er was in iets idealistisch, -waaraan zij beiden behoefte hadden. In hunne omgeving van gewoonheid -glansde die vriendschap voor hen uit als een heel exquize glorie, -waarop zij beiden trotsch waren. Hij kwam veel—vooral nu zijne vrouw op -Tosari was—en in de avondschemeringen wandelden zij naar den vuurtoren, -die aan zee stond als een kleine Eiffel-kandelaber. Over die -wandelingen werd veel gesproken, maar zij stoorden er zich niet aan. Op -het fondament van den vuurtoren zetten zij zich, zagen uit naar de zee, -en luisterden naar de verte. Prauwen, spookachtig, met zeilen als -nachtvogels, gleden in het kanaal, met het zeurige zingen der -visschers. Een weemoed van levensgelatenheid, van kleine wereld en -kleine menschen, waarde om onder de sterre-tintelluchten, waar, -mystiek, het Zuiderkruis opdiamantte, of, Turksch half, de maan soms -hoornde. En boven dien weemoed van zeurzingende visschers, wrakwankele -prauwen, van kleine menschen onder aan den kleinen glimptoren, dreef -een grondelooze immensiteit: luchten en eeuwige lichten. En uit de -immensiteit dreef het onzegbare aan, als het bovenmenschelijk -goddelijke, waarin al het klein menschelijke verzonk, versmolt. - -—Waarom eenige waarde te hechten aan het leven, als ik morgen misschien -dood ben, dacht Eva; waarom al dat gewirwar en die drukte van menschen, -als morgen misschien alles dood is.... - -En zij zeide het hem. Hij antwoordde, dat een ieder leefde niet voor -zich en zijn tijdstip van heden, maar voor allen, en voor de -toekomst.... Maar zij lachte bitter, haalde de schouders op, vond hem -banaal. En zij vond zichzelve ook banaal, te denken zulke dingen, die -al zoo dikwijls waren gedacht. Maar toch, niettegenstaande haar -zelfkritiek, bleef haar drukken die obsessie van het nuttelooze van -leven, als morgen alles kon dood zijn. En eene atoomkleinte vernederde -hen, henbeiden, daar zittende, kijkende in de wijdte van luchten en -eeuwige lichten. - -Toch hadden zij lief die oogenblikken, waren ze in hun leven alles, -want als zij niet te veel voelden hunne kleinte, spraken zij over -boeken, muziek, kunst en over de groote hooge dingen van het leven. En -zij voelden, dat zij, niettegenstaande den leestrommel en de -Italiaansche opera, van Soerabaia, niet meer waren op de hoogte. Zij -voelden de groote hooge dingen heel ver van hen. En een heimwee, voor -beiden nu, zich niet meer zoo klein te voelen, beving hen, naar Europa. -Beiden hadden zij gaarne weg gewild, weg naar Europa toe. Maar zij -konden geen van beiden. Het kleine dagelijksche leven hield hen -gevangen. Toen, als van zelve, harmonisch samen, spraken zij over wat -ziel en wezen was en al het geheimzinnige ervan. - -Al het geheimzinnige. Zij voelden het aan de zee, in de lucht, maar, -stil, zochten zij het ook in de trippelende poot van een tafel. Zij -begrepen niet, dat geest of ziel zich kon openbaren door een tafel, -waar zij ernstig de handen oplegden, en die door hun fluïde van dood -tot leven werd. Maar àls zij oplegden de handen, leefde de tafel, en -zij moesten wel gelooven. Volgens vreemd alfabet kwamen verward -dikwijls de letters, die zij aftelden, en de tafel, als bestuurd door -een spotgeest, had telkens neiging te plagen, te verwarren, plotseling -op te houden en grof te zijn en vuil. Samen lazen zij boeken over -spiritisme, en zij wisten niet of zij gelooven zouden of niet. - -Het waren stille dagen van stille eentonigheid in het regenruischende -stadje. Hun leven met elkaâr was als iets oneigenlijks, als een droom, -die waasde door den regen heen. En het was Eva als een plotseling -ontwaken toen, op een middag, zij buiten loopend in de vochtige laan, -en wachtende op Van Helderen, Van Oudijck haar naderen zag. - -—Ik was juist op weg naar u toe, mevrouwtje! sprak hij opgewonden. Ik -woû u juist wat komen vragen. Wil u mij weêr eens helpen? - -—Waarmeê, rezident? - -—Maar zeg mij eerst, is u niet wel? U ziet er tegenwoordig niet goed -uit. - -—Het is niets ernstigs, zeide zij, mat lachend. Het zal wel weêr -overgaan. Waarmee kan ik u helpen, rezident? - -—Er moest iets gedaan worden, mevrouwtjelief en wij kunnen niet zonder -u. Mijn vrouw zei van morgen ook: vraag het maar aan mevrouw -Eldersma.... - -—En wat dan? - -—U weet, mevrouw Staats, van den overleden stationchef. De arme vrouw -blijft achter met niets, alleen met haar vijf kinderen en eenige beren. - -—Hij heeft zich van kant gemaakt? - -—Ja. Het is heel treurig. En wij moeten haar helpen. Er is veel geld -daarvoor noodig. Lijsten laten rondgaan, dat zal niet veel geven. De -menschen zijn vrijgevig genoeg, maar zij hebben den laatsten tijd al -zoo veel geofferd. Met den Fancy-fair waren ze dol. Op het oogenblik -zal er niet veel te geven zijn, met het einde van de maand. Maar in het -begin van de volgende maand, begin Januari, mevrouwtje, een -komedie-voorstelling van Thalia. Heel vlug, een paar aardige -salonstukjes, en zonder onkosten. Een entrée van ƒ 1.50, ƒ 2.50 -misschien, en als u het op touw zet, is de zaal vol, komen ze van -Soerabaia. Daar moet u me meê helpen, niet waar, mevrouwtje. - -—Maar rezident, zei Eva moê. Pas die tableaux-vivants. Niet boos zijn, -maar ik heb er geen lust in, altijd komedie te spelen. - -—Jawel, jawel, het moet.... drong Van Oudijck opgewonden voor zijn -plan, een beetje hoog, aan. - -Zij werd kribbig. Zij hield van hare onafhankelijkheid en vooral in -deze dagen van spleen was zij te mistroostig, in deze dagen van droom -voelde zij zich te wazig om dadelijk lief gevolg te geven aan dat -verzoek van zijn gezag. - -—Heusch, rezident, ik weet dezen keer niets, antwoordde zij kort. -Waarom doet mevrouw Van Oudijck het niet zelf.... - -Zij schrikte, toen zij, kribbig, dat zeide. Naast haar loopende, -ontstelde hij, en zijn gezicht betrok. De opgewonden vroolijke trek, de -joviale lach om zijn dikken snor was plotseling weg. Zij zag, dat zij -wreed was geweest en had wroeging. En voor het eerst, plotseling, zag -zij in, dat hij, hoe verliefd ook op zijn vrouw, niet goed keurde, haar -zich onttrekken aan alles. Zag zij in, dat hij er onder leed. Het was -of dat licht voor haar werd, in zijn karakter: zij zag het voor het -eerst en duidelijk. - -Hij wist niet te antwoorden: zoekende naar zijne woorden, zweeg hij. - -Toen zeide zij, aanhalig: - -—Niet boos zijn, rezident. Het was niet aardig van me. Ik weet wel, dat -mevrouw Van Oudijck die beslommeringen vervelend vind. Ik neem ze haar -gaarne uit de handen. Ik zal alles doen wat u verlangt. - -Zenuwachtig, had zij de tranen in de oogen. - -Hij zag haar, glimlachend nu, wat schuin onderzoekend aan. - -—Wat is u toch nerveus. Maar ik wist wel, dat u een goed hart had. En -mij niet zoû laten zitten met mijn plan. En die goede moeder Staats zoû -willen helpen. Maar niet duur zijn, mevrouwtje, en geen onkosten, geen -nieuwe décors. Alleen uw geest, uw talent, uw mooie dictie van Fransch -of Hollandsch—wat u wilt. Daar zijn we nu eenmaal trotsch op in -Laboewangi en al dat moois—wat u ons kosteloos geeft—is geheel -voldoende om de voorstelling te doen slagen. Maar wat is u nerveus, -mevrouwtje? Waarom huilt u? Is u niet wel? Zeg mij, kan ik wat voor u -doen? - -—Mijn man niet zoo veel werk geven, rezident. Ik heb nooit iets aan -hem. - -Hij maakte een gebaar van niet helpen kunnen. - -—Het is zoo, het is vreeslijk druk, gaf hij toe. Is dat de zaak? - -—En mij het goede van Indië leeren inzien. - -—Is het dan dàt? - -—En nog een heele boel meer.... - -—Heeft u heimwee? Bevalt Indië u niet langer, bevalt Laboewangi u niet -meer, waar wij u allen op de handen dragen...? U oordeelt over Indië -verkeerd. Probeer eens het goede in te zien. - -—Ik heb het geprobeerd. - -—Gaat het niet langer? - -—Neen.... - -—U is te verstandig om niet het goede van dit land te zien. - -—U heeft dat land te lief om onpartijdig te zijn. En ik kan ook niet -onpartijdig zijn. Maar zeg mij de goede dingen. - -—Waarmeê zal ik beginnen. Het goede, wat men kan doen als ambtenaar -voor land en volk, en dat in voldaanheid terugslaat op onszelve. Het -heerlijke, mooie werken voor dat land en dat volk: het vele en harde -werken, dat hier vol een leven vult.... Ik spreek niet van al het -bureau-werk van uw man, die secretaris is. Maar ik spreek hem later, -als hij assistent-rezident is! - -—Hoe lang moet dat nog duren....! - -—Het ruime materieele leven dan? - -—Waaraan de witte mieren knagen. - -—Dat is valsch vernuft, mevrouw.... - -—Wel mogelijk, rezident. Alles is ontstemd in en om mij, mijn vernuft, -mijn piano, en mijn arme ziel. - -—De natuur dan? - -—Ik voel mij er zoo niets in. De natuur overweldigt me en eet me op. - -—Uw eigen werkkring? - -—Mijn werkkring.... een van de goede dingen van Indië.... - -—Ja. Ons, materieele menschen van praktijk, nu en dan eens te bezielen -met uw geest. - -—Rezident, wat een komplimentjes! Is dat alles om de tooneeluitvoering! - -—En met dien geest goed te doen aan moeder Staats? - -—Zoû ik geen goed kunnen doen in Europa? - -—Zeer zeker, zeide hij kort. Ga maar naar Europa, mevrouw. Word in Den -Haag maar lid van Armenzorg; met een blikje op uw deur en een -rijksdaalder.... in den hoeveel tijd? - -Zij lachte. - -—Nu wordt u onrechtvaardig. Ook in Holland wordt veel goed gedaan. - -—Maar voor éen ongelukkige doen wat wij, wat u nu doen zal.... wordt -dat ooit in Holland gedaan? En zeg mij niet, dat hier minder wordt -armoê geleden. - -—Dus...? - -—Dus is er hier veel goeds voor u. Uw werkkring. Het werken voor -anderen, materieel en moreel. Laat Van Helderen niet te veel met u -dwepen, mevrouw. Hij is een charmante jongen, maar te litterair in zijn -maandelijksche contrôle-rapporten. Ik zie hem daar aankomen en ik moet -weg. Dus ik reken op u? - -—Geheel en al. - -—Wanneer de eerste vergadering, met het Tooneelbestuur, en de dames? - -—Morgenavond, bij u, rezident? - -—Top. Ik zal de lijst rond laten zenden. Wij moeten veel geld maken, -mevrouw. - -—Wij zullen ze helpen, moeder Staats, zeide zij zacht. - -Hij drukte haar de hand, ging weg. Zij voelde zich week, zij wist niet -waarom. - -—De rezident heeft me voor je gewaarschuwd, omdat je te litterair was! -plaagde zij Van Helderen. - -Zij zette zich in de voorgalerij. De lucht brak open: een blank gordijn -van regen daalde in rechte plooien van water. Een plaag van sprinkhanen -sprong door de galerij. Een wolk van zeer kleine vliegjes ruischte in -de wandhoeken als een eolische harp. Eva en Van Helderen legden de -handen op het tafeltje en het hief met een ruk zijn poot op, terwijl de -torren om hen heen zwermden. - - - - -III. - -Lijsten gingen rond. De tooneelvoorstelling werd ingestudeerd, na drie -weken gespeeld en het Tooneelbestuur reikte den rezident een som van -bijna vijftienhonderd gulden over voor moeder Staats. Hare schulden -werden betaald; voor haar een huisje gehuurd, en haar gezet in een -kleine modezaak, waarvoor Eva schreef naar Parijs. Alle dames van -Laboewangi deden moeder Staats een bestelling, en in nog geen maand -tijds was de vrouw niet alleen voor een volslagen ondergang behoed, -maar was haar leven geregeld, gingen hare kinderen weêr naar school, en -had zij een aardige broodwinning. Dat alles was zoo vlug en zonder -ostentatie in zijn werk gegaan, men gaf zoo ruime giften op de lijsten, -de dames bestelden zoo gemakkelijk een japon of een hoed, die zij niet -noodig hadden, dat Eva verbaasd was. En zij moest zich bekennen, dat -het egoïste, het eigen-ikkige, het minder-beminnelijke, dat zij zoo -dikwijls zag in hun sociale leven: omgang, conversatie, intrigue, -kwaadsprekerij, in eens op den achtergrond was verdrongen door een -solidair talent tot goeddoen, eenvoudig weg, omdat het moest, omdat het -niet anders kon, omdat de vrouw geholpen moest worden. Door de -beslommeringen voor de voorstelling gerukt uit haar spleen, opgewekt -tot vlug doen, waardeerde zij dit goed-mooie in hare omgeving en zij -schreef er zoo enthouziast over naar Holland, dat hare ouders, voor wie -Indië een gesloten boek was, glimlachten. Maar hoewel deze epizode iets -zachts en weeks en waardeerends in haar had opgewekt, was het maar een -epizode, en was zij de zelfde, toen de emotie er om voorbij was. En -niettegenstaande zij voelde om zich heen de afkeuring van Laboewangi, -bleef zij doorgaan geheel haar leven te vinden in de vriendschap van -Van Helderen. - -Want er was verder zoo weinig. Het clubje van getrouwen, dat zij met -zoo veel illuzie om zich heen had verzameld, dat zij te dineeren vroeg, -waarvoor haar huis altijd open was—wat was het eigenlijk? Zij vond de -Doorn de Bruijns en de Rantzows nu goed als onverschillige kennissen, -maar niet meer als vrienden. Zij vermoedde, dat mevrouw Doorn de Bruijn -valsch was, dokter Rantzow was haar te burgerlijk, te plat, zijne vrouw -een onbeduidende Duitsche huisvrouw. Tafel lieten zij wel dansen, maar -zij hadden schik in de inepte stommigheden, de vuiligheden van den -spotgeest. Zij met Van Helderen, vatte het hoog ernstig op, al vond zij -die tafel eigenlijk toch komiek. En zoo bleef er niemand over dan Van -Helderen voor hare sympathie. - -Maar in hare bewondering was Van Oudijck gekomen. Zij had hem -plotseling in zijn karakter gezien en hoewel geheel verschillend van de -artistieke bekoring, die haar tot nog toe uitsluitend in karakters had -aangetrokken, zag zij de mooie lijn ook in dezen man, die totaal niet -artistiek was, die van kunst niet het minste idee had, maar die zoo -veel moois had in zijn eenvoudig mannelijke opvattingen van plichtbesef -en in de kalmte, waarmeê hij droeg de teleurstelling van zijn huiselijk -leven. Want zij zag het, Eva, dat al aanbad hij zijn vrouw, hij Léonie -niet goedkeurde in hare onverschilligheid omtrent al de belangen, die -zijn leven uitmaakten. Zag hij verder niets, was hij verder blind voor -alles van den huiselijken kring, deze teleurstelling was zijn geheim en -zijn leed, waarvoor hij niet blind was, in het diepst van zichzelven. - -En zij bewonderde hem, en hare bewondering was als eene openbaring, dat -kunst niet altijd het hoogste was in de dingen van het leven. Zij -begreep plotseling, dat de overdreven aanstellerij met kunst in onzen -tijd, een ziekte was, waaraan zijzelve geleden had, en nog leed. Want -wat was zij, wat deed zij? Niets. Hare ouders, beiden, waren groote -kunstenaars, zuivere artisten en hun huis was een tempel en hunne -eenzijdigheid was te begrijpen en te vergeven. Maar zij? Zij speelde -vrij goed piano, dat was alles. Zij had wat idee en smaak, dat was -alles. Maar indertijd had zij met andere jonge meisjes gedweept en zij -herinnerde zich nu dat malle dwepen, dat elkaâr filozofeerende brieven -schrijven in een nageaapten modernen stijl, met reminiscenties aan -Kloos en Gorter. Zoo, in haar spleen, bracht toch haar peinzen haar -verder, en ging evolutie door haar heen. Want het was in haar, het kind -harer ouders, bijna ongelooflijk, dat zij niet altijd kunst het hoogste -zoû vinden. - -En er was in haar dat spel en weêrspel van zoeken en denken om te -vinden haar weg, nu zij zich geheel verloren had in een land, vreemd -aan hare natuur, tusschen menschen, op wie zij, zonder het hen te laten -merken, neêrzag. In het land poogde zij te vinden het goede, om het aan -hare natuur eigen te maken en het te waardeeren; tusschen de menschen -was zij blijde die enkelen te vinden voor hare sympathie en hare -bewondering; maar het goede bleef voor haar epizode; de enkele menschen -uitzondering, en trots al haar zoeken en denken, vond zij haar weg niet -en zij bleef in hare ontstemming van vrouw, die te Europeesch, te -artistiek was,—niettegenstaande hare zelfkennis en -kunstverloochening—om met welbehagen rustig te leven in een Indische -binnenstad, aan de zijde van haar in bureauwerk verloren man; in een -klimaat, dat haar ziek maakte; een natuur, die haar overweldigde; een -omgeving, antipathiek. - -En in de helderste oogenblikken van dit spel en weêrspel was het de -duidelijke vrees, de vrees, die zij van alles het helderst voelde, de -vrees, die zij aan voelde donzen, zij wist niet van waar, zij wist niet -waar heen, maar wemelend over haar hoofd, als met de suizende sluiers -van een noodlot, dat door de zwoele regenluchten streek.... - -In deze ontstemmingen had zij haar clubje van getrouwen niet om zich -verzameld, want zijzelve deed geene moeite en haar kennissen begrepen -haar te weinig om haar op te zoeken. Zij misten in haar de -vroolijkheid, die hen eerst had aangetrokken. Nu kwam de ijverzucht en -vijandelijkheid meer los en men sprak veel over haar: zij was -aanstellerig, pedant, ijdel, trotsch, zij had pretenties van altijd de -eerste te willen zijn in de stad; zij deed maar of zij rezidentsvrouw -was en gaf prenta aan iedereen. Eigenlijk toch was zij niet mooi, -kleedde zij zich onmogelijk, was haar huis onbegrijpelijk ingericht. En -dan haar verhouding met Van Helderen, hunne avondwandelingen bij den -vuurtoren. Op Tosari, in den kletstroep van het kleine, nauwe hôtel, -waar de gasten zich vervelen als zij geen uitstapjes doen en dus in -hunne nauwe voorgalerijtjes bijna zitten in elkanders intimiteit, -loeren in elkanders kamertjes, luisteren aan de dunne beschotjes—op -Tosari hoorde Ida ervan, en het was genoeg om in het Indische vrouwtje -op te wekken hare blanke nonna-instincten en plotseling, zonder -verklaring, hare kinderen aan Eva te ontnemen. Van Helderen, voor een -paar dagen boven komende, vroeg zijne vrouw hiervan uitlegging, vroeg -haar waarom zij Eva beleedigde, door, zonder reden, haar de kinderen te -ontnemen en bij zich boven te nemen, waar zij de hôtelrekening -aanzienlijk vermeerderde, en Ida maakte een scène, met luide woorden, -met zenuwtoevallen, waarvan het geheel hôtelletje daverde, die iedereen -de ooren deed spitsen, en als een waaiende wind het bobbelende geklets -opzweepte tot een zee. En zonder verdere verklaring brak Ida met Eva. -Eva trok zich terug. Tot in Soerabaia, waar zij eens ging boodschappen -doen, hoorde zij het lasteren en leuteren, en zij werd zoo wee van hare -wereld en hare menschen, dat zij zich stil terug trok in zichzelve. Zij -schreef Van Helderen niet meer te komen. Zij bezwoer hem zich met zijne -vrouw te verzoenen. Zij ontving hem niet meer. En zij was nu geheel -alleen. Zij voelde, dat zij in geene stemming was om iets van troost te -vinden bij wie ook van hare omgeving. Voor stemmingen als de hare was -er in Indië geen sympathie en geen medebegrip. En daarom sloot zij zich -op. Haar man werkte. Maar zij wijdde zich meer aan haar jongen: zij -dompelde zich geheel in de liefde voor haar kind. Zij trok zich terug -in de liefde voor haar huis. Dat was nu het leven van nooit uitgaan, -van nooit iemand zien, van nooit iemand spreken, van nooit andere -muziek hooren, dan haar eigene. Dat was nu de troost zoeken in haar -huis, haar kind, en haar lectuur. Dat was de vereenzelviging, waartoe -zij na hare eerste illuzies en energieën gekomen was. Nu voelde zij -altijd het heimwee naar Europa, naar Holland, naar hare ouders, naar -menschen van een artistieke ontwikkeling. En nu werd het de haat voor -het land, dat zij toch eerst had gezien overweldigend groot mooi, met -zijne koninklijke bergen, en met het donzende mysterie in natuur en in -mensch. Zij haatte nu die natuur en die mensch en het mysterie maakte -haar bang. - -Nu vulde zij haar leven met te denken aan haar kind. Haar jongen, de -kleine Onno, was drie jaar. Zij zoû hem leiden, een man van hem maken. -Zoodra hij geboren was, had zij die vage illuzies gehad van haar zoon -later een groot kunstenaar te zien, het liefst een groot schrijver, -wereldberoemd. Maar zij had geleerd sedert dien tijd. Zij voelde, dat -kunst niet het hoogste, altijd, is. Zij voelde, dat er hooger dingen -zijn, die zij in haar spleen, wel is waar, soms verloochende, maar die -er toch waren, glanzend groot. Die dingen waren om het worden van -Toekomst; die dingen waren vooral om Vrede, Recht en Verbroedering. O, -de groote verbroedering van wat arm was en rijk—nu, in haar eenzaamheid -dacht zij er over als het hoogste ideaal, waaraan gewerkt kon worden, -zooals beeldhouwers werken aan een monument. Recht, vrede, zouden dan -volgen. Maar het eerst moest de verbroedering benaderd worden en zij -wilde, dat haar zoon er aan arbeiden zoû. Waar? In Europa? In Indië? -Zij wist het niet; zij zag dat niet voor zich. Zij zag het eerder in -Europa dan in Indië. In Indië bleef voor alle hare gedachten het -onverklaarbare, het raadselachtige, het bange. Wat was dat toch -vreemd.... - -Zij was een vrouw voor idealen. Misschien was dit alleen, simpel, de -verklaring voor wat zij voelde en vreesde, in Indië. - - - -Je hebt geheel verkeerde indrukken omtrent Indië, zeide haar man soms. -Je ziet Indië heelemaal verkeerd. Stil? Je denkt, dat het hier stil is? -Waarom zoû ik zoo veel te werken hebben in Indië als het stil was in -Laboewangi. Honderde belangen van Europeanen en Javanen behartigen -wij.... De kultuur is hier zoo krachtig beoefend als maar kan.... De -bevolking neemt toe, neemt altijd toe.... Vervallen, een kolonie, waar -zooveel omgaat....? Dat zijn van die idiote ideeën van Van Helderen. -Ideeën van bespiegeling, uit de lucht gegrepen, en die jij -nabespiegelt.... Ik begrijp niet zooals je Indië ziet, tegenwoordig.... -Er is een tijd geweest, dat je oog hadt voor het mooie en interessante -hier.... Dat schijnt nu heelemaal voorbij.... Je moest eigenlijk maar -naar Holland.... - -Maar zij wist, dat hij het heel eenzaam zoû hebben: daarom wilde zij -niet gaan. Later, als haar jongen ouder was, dan moèst zij gaan. Maar -dan zoû Eldersma zeker wel assistent-rezident zijn geworden. Nu had hij -nog zeventien controleurs, secretarissen boven zich. Dat was zoo al -sedert jaren, dat uitzien naar een ver verwijderde toekomst van -promotie als het smachten naar een fata-morgana. Rezident worden, daar -dacht hij zelfs niet aan. Assistent-rezident een paar jaar, en dan naar -Holland, met pensioen.... - -Zij vond het een troosteloos bestaan, zich zoo afbeulen, voor -Laboewangi... - - - -Zij leed aan malaria, en hare meid, Saïna, pidjiette haar, masseerende -met de lenige vingers hare pijnlijke leden. - -—Saïna, het is, als ik ziek ben, te lastig, dat je in de kampong woont. -Verhuis van avond nog hierheen, met je vier kinderen. - -Saïna vond dat lastig, veel soesa. - -—Waarom? - -En zij verklaarde het. Haar huisje was haar nagelaten door haar man. -Zij was er aan gehecht, hoewel het heel bouwvallig was. Nu, in de -regenmoesson, regende het dikwijls in, en dan kon zij niet kooken en -kregen de kinderen geen eten. Het laten repareeren, ging moeilijk. Zij -kreeg een ringgit [49] in de week van de njonja; zestig cent ging al op -aan rijst. Dan iederen dag een paar centen visch, klapperolie, sirih, -een paar centen brandstof... Neen, het huisje repareeren ging niet. Bij -de Kandjeng njonja zoû zij het veel beter hebben, op het erf veel -beter. Maar het zoû soesa zijn, een bewoner voor het huisje te vinden -omdat het zoo bouwvallig was en de njonja wist, dat geen huis in de -kampong mocht leêg staan: daar stond groote boete op... Zij bleef dus -maar liever wonen, in haar natte huisje... ’s Nachts kon zij wel -blijven waken bij de njonja; haar oudste dochtertje paste dan op de -kleintjes. - -En, onderworpen aan haar klein bestaan van kleine ellende, liet Saïna -haar lenige vingers, sterk-zacht drukkend, glijden over de zieke leden -van haar meesteres. - -En Eva vond het troosteloos, dit leven van éen rijksdaalder in de week, -met vier kinderen, in een huisje, waar het inregende, zoodat men er -niet koken kon. - - - -—Laat mij zorgen voor je tweede dochtertje, Saïna, zei Eva op een -anderen dag. - -Saïna aarzelde, glimlachte: zij had dat liever niet, maar durfde het -niet zeggen. - -—Jawel, drong Eva aan. Laat ze hier komen: je ziet haar den heelen dag; -ze slaapt onder de hoede van kokkie: ik kleed haar aan, en ze heeft -niets te doen dan te zorgen, dat mijn slaapkamer netjes is. Jij kunt -haar dat dan leeren. - -—Zoo jong nog, ’nja; pas tien jaar. - -—Jawel, drong Eva aan: laat zij je nu zoo helpen. Hoe heet ze? - -—Mina, ’nja. - -—Mina? Neen! zei Eva. Zoo heet al de djaït. We zullen een anderen naam -voor haar vinden.... - -Saïna bracht het kindje, heel verlegen, een streepje bedak op het -voorhoofd, en Eva kleedde haar netjes aan. Het was een heel mooi -kindje, zacht donzig bruin, en liefjes in haar frissche kleêrtjes. Zij -stapelde al zorgzaam de sarongs in de kleêrenkast, en legde er geurige -witte bloemen tusschen: de bloemen moesten iederen dag verwisseld -worden met frissche. Uit een aardigheid, omdat zij zoo aardig met die -bloemetjes deed, noemde Eva haar Melati. - -Een paar dagen daarna hurkte Saïna neêr bij haar njonja. - -—Wat is er, Saïna? - -Of het kindje maar weêr terug mocht naar het natte huisje, in de -kampong. - -—Waarom?! vroeg Eva, verbaasd. Heeft je kindje het hier dan niet goed? - -Ja, dat wel, maar het kindje hield maar meer van het huisje, zei Saïna -verlegen; de njonja was heel lief, maar de kleine Mina hield maar meer -van het huisje. - -Eva was boos, en liet het kindje gaan, met de nieuwe kleêrtjes, die -Saïna heel eenvoudig weg meênam. - -—Waarom mocht het kind niet blijven? vroeg Eva aan de latta kokkie. - -De kokkie dorst eerst niet zeggen. - -—Kom, waarom niet, kokkie? drong Eva aan. - -Omdat de Kandjeng het meisje Melati had genoemd... Met namen van -bloemen en vruchten werden... alleen genoemd... de dans-meisjes.... -legde de kokkie als geheimzinnig uit. - -—Maar waarom heeft Saïna mij dat niet gezegd? vroeg Eva, verbolgen. Dat -wist ik immers volstrekt niet! - -—Verlegen... zei de kokkie, verontschuldigend. Minta ampon, ’nja. - -Het waren kleine voorvallen, zoo in haar dagelijksch leven van -huisvrouw, anecdoten in hare huishouding, maar zij werd er bitter om, -omdat zij er in voelde een scheiding, die altijd bestond tusschen haar -en de menschen en dingen van Indië. Zij kende het land niet, zij zoû de -menschen nooit kennen. - -En de kleine teleurstelling in die epizoden vulde haar met evenveel -bitterheid als de groote der illuzies had gedaan, omdat haar leven, in -de, iederen dag terugkeerende, kleinigheden van hare huishouding, zelve -kleiner werd en kleiner. - - - - - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - - -I. - -Dikwijls waren de morgens frisch, rein gewasschen door de overvloedige -regens, en in den jongen zonneschijn der eerste ochtenduren doomde uit -de aarde op een teeder waas, een blauwige uitwissching van iedere te -scherpe lijn en kleur, zoodat de Lange Laan met hare villa-huizen en -dichte tuinen zich huifde in het bekoorlijke en vage van een droomlaan: -de droompilaren ijl oprijzende als een vizioen van zuilenkalmte, de -daklijnen zich veredelende in hare onduidelijkheid, de tinten der -boomen en silhouetten der looverkruinen zich louterende in zachte -pastel-doezelingen van wazig roze, en waziger blauw, met een enkelen -helleren schijn van ochtendgeel, en purperen verte-streep van dageraad, -en over heel dit krieken dauwde eene frischheid, als een sprenkelbad, -dat in sprenkeldruppels ijl opfonteinde uit dien gedrenkten grond en -terugparelde in de kinderlijke zachtheid van de allereerste -zonnestralen. Dan was het of iederen morgen de aarde en hare wereld -begon voor de eerste maal en of de menschen niet anders zouden zijn dan -pas geschapen in een jeugd van naïveteit en paradijs-onwetendheid. Maar -de illuzie van dit ochtendkrieken duurde maar een enkel oogenblik, -nauwlijks enkele minuten: de zon, hooger stijgende, ontgloeide uit haar -waas van maagdelijkheid, de zon bralde op en stak-uit haar trotschen -aureool van priemende stralen, goot neêr haar brandenden goudschijn, -godetrotsch te heerschen haar oogenblik van dien dag, want de wolken -tasten zich al te samen, kwamen grauw aangevaren als strijdhorden van -donkere geesten, aanspokende en blauwig diepzwart en dikzwaar -loodgrijs, en overwonnen de zon en verpletterden dan de aarde onder -blanke stortvallen van regen. En de avondschemering, gauw en haastig, -zakkende het eene floers over het andere, was als een overstelpende -droefenis van aarde, natuur en leven, waarin zij vergaten die seconde -van paradijs in den morgen; de witte regen ruischte neêr als een alles -verdrinkende weemoedsmart; de weg, de tuinen dropen, en dronken den -waterval tot zij als moerasplassen en overstrooming schemerden in den -duisterenden avond: een spookkille mist wademde op als met het beweeg -van loome geestwaden, die zweefden over de plassen, en de kille huizen, -klein verlicht met hun walmende lampen, waarom wolken van insecten -zwermden, overal neêrstervend met verzengde vleugels, vulden zich met -een killere melancholie, een schaduwende angstigheid voor het -aandreigende buiten, voor de almachtige wolkenhorden, voor het -grenzenlooze groote, dat met windvlagen aanruischte uit het verre, -verre onbekende: hemelgroot, uitspanselwijd, waartegen de opene huizen -als niet beveiligd schenen, waarin de menschen klein waren en nietig -met al hunne beschaving en wetenschap en ziele-emotie, klein als -wriemelende insecten, onbeduidend, overgegeven aan het spel der van -verre aanwaaiende reuzenmysteries. - -Léonie Van Oudijck, in de half verlichte achtergalerij van het -rezidentie-huis, praatte met Theo, met zachte stem, en Oerip hurkte bij -haar neêr. - -—Het is onzin, Oerip! zeide zij wrevelig. - -—Heusch niet, Kandjeng, het is geen onzin, zeide de meid. Ik hoor ze -iederen avond. - -—Waar? vroeg Theo. - -—In den waringin van het achtererf, hoog, in de hoogste takken. - -—Het zijn loeaks! [50] zeide Theo. - -—Het zijn geen loeaks, toean! hield de meid vol. Massa, Oerip zoû niet -weten hoe loeaks miauwen! Kriauw, kriauw, doen ze! Dit, wat wij iederen -nacht nu hooren, dat zijn de pontianaks! [51] Het zijn de kleine -kindertjes, die huilen in de boomen. De zielen van de kleine -kindertjes, die huilen in de boomen! - -—Het is de wind, Oerip.... - -—Massa, Kandjeng, Oerip zoû den wind niet kunnen hooren! Boe...hh! -waait de wind en dan bewegen de takken. Maar dit zijn de kleine -kindertjes, die kreunen in de hoogste twijgjes en de takken bewegen dan -niet. Alles is dan doodstil.... Dit is tjelaka [52], Kandjeng. - -—En waarom zoû het tjelaka zijn.... - -—Oerip weet wel, maar durft niet zeggen, Tentoe [53], zal de Kandjeng -boos zijn. - -—Kom, Oerip, zeg het nu?? - -—Het is om de Kandjeng Toean, de Toean Residèn. - -—Waarom? - -—Verleden met de passer malam op de aloon-aloon en de passer malam voor -de orang-blanda, in de kebon-kotta [54].... - -—Nu, wat toen? - -—Toen was de dag niet goed uitgerekend, volgens de petangans. Het was -een ongelukkige dag.... En met de nieuwe put... - -—Nu wat, met de nieuwe put? - -—Toen is er geen sedeka [55] gegeven. Niemand gebruikt ook de nieuwe -put. Iedereen haalt water uit de oude put.... Ook al is het water niet -goed. Want uit de nieuwe put rijst de vrouw met het bloedende gat in de -borst.... En nonna Doddy.... - -—Wat? - -—Nonna Doddy heeft hem zien loopen, den witten hadji!! Dat is niet een -goede hadji, de witte hadji.... Dat is een spook. Tweemaal heeft de -nonna hem gezien, op Patjaram en hier.... Hoor, Kandjeng! - -—Wat? - -—Hoort u niet? In de hoogste twijgen kermen de kinderzieltjes. Het -waait nu niet op het oogenblik. Hoor, hoor, dat zijn geen loeaks! -Kriauw, kriauw doen de loeaks, als ze krolsch zijn! Dat, dat zijn de -zieltjes....! - -Zij luisterden alle drie. Werktuigelijk drukte Léonie zich dichter aan -tegen Theo. Zij zag doodsbleek. De ruime achtergalerij, met de altijd -gedekte tafel, strekte zich lang uit in het sombere licht van een -enkele petroleum-hanglamp. De plassige achtertuin schemerde nattig op -uit den nacht der waringins, tikkelende van druppels, maar onbewogen in -ondoordringbare fluweelige looverenmassa’s. En een onverklaarbaar, -nauwlijks waarneembaar gekreun, als een zacht geheim van gekwelde -kleine zielen zeurde hoog boven, als in de lucht, als in de heel hooge -takken der boomen. Nu was het een korte kreet, dan was het een steunen -als van ziek kindje, dan was het zacht snikken als van gemartelde -meisjes.... - -—Wat voor beesten zouden dat zijn? zei Theo. Zijn het vogels of -insecten?.... - -Het gekerm en gesnik was heel duidelijk. Léonie zag spierwit en zij -trilde over haar lichaam. - -—Wees toch niet bang, zei Theo. Het zijn natuurlijk beesten.... - -Maar hijzelve was krijtwit van angst, en toen zij elkander in de oogen -zagen, begreep zij, dat ook hij bang was. Zij klemde zijn arm, perste -zich tegen hem aan. De meid hurkte diep, nederig, in-een, als duldende -alle noodlot van onverklaarbare geheimzinnigheid. Zij zoû niet -ontvluchten. Maar in de oogen der blanken was als éen denkbeeld, éen -denkbeeld om te vluchten. Plotseling, zij beiden, de stiefmoeder, de -stiefzoon, die brachten schande over het huis, waren zij bang, als met -éene bangheid, bang als voor een straf. Zij spraken niet, zij zeiden -elkander niets; zij bleven tegen elkaâr aan, begrijpende elkanders -beven, zij beiden blanke kinderen van den Indischen grond van -geheim,—die van hunne kinderjaren af hadden geademd de geheimzinnige -lucht van Java, onbewust hadden gehoord het vaag aandonzende mysterie, -als een muziek van gewoonheid, een muziek, die zij niet hadden geteld, -alsof het mysterie gewoonheid was. Toen zij zoo stonden en beefden en -zagen elkander aan, stak de wind op, en voerde meê het geheim der -zieltjes, en voerde de zieltjes meê: de takken bewogen woest door -elkaâr, en nieuwe regen viel neêr. Een huiverende kilheid woei aan, -vulde het huis; een tochtslag woei de lamp uit. En in den donker bleven -zij nog een oogenblik, zij, trots de openheid der galerij, bijna in den -arm van haar zoon en haar minnaar; de meid, duikende aan hunne voeten. -Maar toen maakte zij zich los uit zijn arm, maakte zij zich los uit die -zwarte beklemming van duisternis en angst, waardoor ruizelde de regen; -huiverkil woei de wind en zij wankelde naar binnen, op het punt in -zwijm te vallen. Theo, Oerip volgden haar. Die middengalerij was -verlicht. Het kantoor van Van Oudijck stond open. Hij werkte. -Besluiteloos bleef Léonie staan, met Theo, niet wetende wat te doen. De -meid, prevelend, verdween. Toen was het, dat zij hoorden suizen, en een -kleine ronde steen vloog door de galerij, viel ergens neêr. Zij gaf een -gil, en achter het schutsel, dat het kantoor, waar Van Oudijck aan zijn -schrijftafel zat, scheidde van de galerij, stortte zij zich, alle -voorzichtigheid kwijt, op nieuw in Theo’s armen. Zij sidderden tegen -elkaârs borst aan. Van Oudijck had haar gehoord, hij stond op, kwam van -achter het schut. Zijn oogen knipten, als moê van werken. Léonie, Theo, -hadden zich hersteld. - -—Wat is er, Léonie... - -—Niets, zeide zij, niet durvende zeggen, niet van de zieltjes, niet van -den steen, bang voor de straf, die dreigde. Zij, Theo, stonden als -schuldigen, beiden spierwit en bevend. Van Oudijck, nog bij zijn werk, -zag niets. - -—Niets, herhaalde zij. De mat is stuk, en... en ik struikelde bijna. -Maar ik woû je wat zeggen, Otto... - -Hare stem trilde, maar hij hoorde het niet, blind voor haar, doof voor -haar, nu hij nog als verdiept in zijn stukken was. - -—Wat dan? - -—Oerip heeft mij doen raden, dat de bedienden gaarne een sedeka hadden, -omdat er een nieuwe put op het erf gebouwd is... - -—Die put, die al twee maanden oud is? - -—Zij gebruiken er het water niet van. - -—Waarom niet? - -—Ze zijn bijgeloovig, weet je; ze willen het water niet gebruiken voor -de sedeka gegeven is. - -—Dat had dan dadelijk moeten gebeuren. Waarom hebben zij het mij niet -dadelijk door Kario laten vragen? Ik denk niet aan dien onzin uit -mezelf. Maar ik had ze toen de sedeka wel gegeven. Nu is het mosterd na -den maaltijd. De put is al twee maanden oud. - -—Het zoû toch wel goed zijn, zei Theo. Papa, u weet zelf hoe Javanen -zijn: ze zullen de put niet gebruiken, als ze geen sedeka gekregen -hebben. - -—Neen, zeide Van Oudijck onwillig, schuddende het hoofd. Nu een sedeka -te geven, heeft niet de minste beteekenis. Ik had het gaarne gedaan, -maar nu, na twee maanden, is het onzin. Zij hadden het dan maar -dadelijk moeten vragen. - -—Toe, Otto, smeekte Léonie. Ik zoû de sedeka maar geven. Je doet er mij -pleizier meê. - -—Mama heeft het Oerip al zoo half beloofd... drong Theo zacht aan. - -Zij stonden bevende voor hem, spierwit, als smeekelingen. Maar in hem, -afgetobd, denkende aan zijn stukken, was een starre onwil, al kon hij -zelden zijn vrouw iets weigeren. - -—Neen, Léonie, zeide hij beslist. En je moet nooit iets belooven, waar -je niet zeker van bent... - -Hij wendde zich af, ging het schutsel om, zette zich aan zijn werk. - -Zij zagen elkander aan, de moeder, de stiefzoon. Langzaam, doelloos, -gingen zij van daar, naar de voorgalerij, waar een vochtige duisternis -dreef tusschen de aanzienlijk opgaande pilaren. Door den plassenden -tuin zagen zij een witte gedaante komen. Zij schrikten, bang nu voor -alles, met iedere silhouet denkende aan de straf, die hun in vreemdheid -zoû gebeuren, zoolang zij bleven in het ouderlijk huis, waar zij -schande over hadden gebracht. Maar toen zij beter uitspiedden herkenden -zij Doddy. Zij kwam thuis; zij zeide sidderend, dat zij bij Eva -Eldersma was geweest. In waarheid had zij gewandeld met Addy de Luce, -en zij hadden voor den regen geschuild in de kampong. Zij was heel -bleek, zij sidderde, maar Léonie en Theo zagen het niet in de duistere -voorgalerij, evenals zijzelve niet zag, dat hare stiefmoeder bleek was, -dat Theo bleek was. Zij sidderde zoo, omdat zij, in den tuin—Addy had -haar tot het hek gebracht—met steenen was geworpen. Zij dacht aan een -brutalen Javaan, die haar vader haatte en zijn huis en zijn huisgezin, -maar in de duistere voorgalerij, waar zij zwijgend dicht naast elkaâr, -als in radeloosheid, zag zitten haar stiefmoeder en haar broêr, voelde -zij in eens—zij wist niet waarom—dat het geen brutale Javaan was -geweest.... - -Zij zette zich bij hen, zwijgend. Zij zagen uit naar den donkeren -vochtigen tuin, waarover de wijde nacht aanzweefde als met -reuzevleêrmuizenwieken. En in de woordelooze melancholie, die grauwe -schemering zeefde tusschen de blankende pilaren, van statigheid, -voelden zij zich alle drie, Doddy alleen, maar stiefmoeder en stiefzoon -samen, stervensbang en verpletterd om het vreemde, dat gebeuren -ging.... - - - - -II. - -En trots hunnen angst, zochten zij elkaâr des te vaker, zich voelende -samen verbonden door een nu onbreekbare samenvoeging. Des middags sloop -hij in hare kamer, en trots hunnen angst, omhelsden zij elkander woest -en bleven dan dicht bij elkaâr. - -—Het moet onzin zijn, Léonie.... fluisterde hij. - -—Ja, maar wat is het dan, fluisterde zij terug. Ik heb toch het gekerm -gehoord, en den steen hooren suizen door de lucht.... - -—En dan.... - -—Wat? - -—Als het iets is.... stel, dat het iets is, dat wij niet verklaren -kunnen. - -—Maar ik geloof er niet aan! - -—Maar ik nog minder.... Maar alleen.... - -—Wat? - -—Als het iets is.... àls het iets is, dat wij niet kunnen verklaren, -dan.... - -—Dan wat? - -—Dan is.... het.... niet om ons! fluisterde hij bijna onhoorbaar. Oerip -zei het immers zelf. Dan is het om papa! - -—Ach, maar het is te dwaas.... - -—Ik geloof ook niet aan dien onzin. - -—Het kermen.... dat is van beesten. - -—En die steen.... moet gegooid zijn door een ellendeling.... een van de -bedienden, een vent, die zich aanstelt.... of is omgekocht.... - -—Omgekocht? Door wien? - -—Door.... den.... Regent.... - -—Ach Theo! - -—Oerip zei, het gekerm kwam aan van de Kaboepaten.... - -—Wat meen je?! - -—En dat zij van daar uit papa plagen wilden... - -—Plagen? - -—Omdat de Regent van Ngadjiwa was ontslagen. - -—Zei Oerip dat....? - -—Neen, neen, dat zei ze niet. Dat zeg ik. Oerip zei, dat de Regent -tooverkracht had. Dat is natuurlijk onzin. Die kerel is een -lammeling.... Hij heeft lui omgekocht.... om papa te treiteren. - -—Maar papa merkt er niets van.... - -—Neen.... We moeten het hem ook niet zeggen.... Dat is het beste.... We -moeten het niëeren. - -—En de witte hadji, Theo, dien Doddy tweemaal gezien heeft.... En als -ze bij Van Helderen tafel laten dansen, ziet Ida hem ook.... - -—Ach, natuurlijk ook een handlanger van den Regent.... - -—Ja, dat zal het wel zijn.... Maar het is toch ellendig, Theo.... Mijn -Theo, ik ben bang! - -—Voor dien onzin! Kom! - -—Als het iets is, Theo.... dan is het niet om ons? - -Hij lachte. - -—Ach wat! Om ons! Het is voor-den-gek-houderij.... van den Regent.... - -—Wij moesten niet meer samen komen.... - -—Jawel, ik hoû van je, ik ben dol op je. - -Hij zoende haar razend en zij waren beiden bang. Maar hij blageerde. - -—Kom, Léonie, wees niet zoo bijgeloovig.... - -—Als kind vertelde mijn baboe mij.... - -Zij fluisterde aan zijn oor een verhaal. Hij werd bleek. - -—Ach, wat een onzin, Léonie! - -—Er zijn vreemde dingen, hier, in Indië.... Als ze wat begraven van je, -een zakdoek of een stukje haar.... dan kunnen ze.... met alleen -bezweringen.... maken, dat je ziek wordt en wegkwijnt, en sterft.... -zonderdat éen dokter vermoedt wat de ziekte is.... - -—Dat is ònzin! - -—Dat is heusch waar! - -—Ik wist niet, dat je zoo bijgeloovig was! - -—Ik heb er vroeger nooit aan gedacht. Ik denk er nu eerst aan, den -laatsten tijd.... Theo, zoû er iets zijn? - -—Er is niets.... dan elkaâr te zoenen. - -—Neen Theo.... wees stil, doe niet. Ik ben bang.... Het is al laat. Het -wordt zoo gauw donker. Papa is al op, Theo. Ga nu weg, Theo.... door -het boudoir. Ik wil gauw mijn bad nemen. Ik ben tegenwoordig bang als -het donker wordt.... Met die regens is er geen schemering.... Het -overvalt je in eens, de avond.... Verleden had ik geen licht in de -badkamer laten brengen.... en toen was het er al zoo donker.... om half -zes.... en twee kamprets [56] vlogen er rond; ik was zoo bang, dat ze -in mijn haar zouden vast gaan zitten.... Stil.... is dat papa....? - -—Neen.... Dat is Doddy.... die speelt met haar kakatoe. - -—Ga nu weg, Theo. - -Hij ging, door het boudoir, wandelde den tuin in. Zij stond op, sloeg -een kimono om over den sarong, dien zij maar los geknoopt onder de -armen droeg en riep Oerip. - -—Bawa barang mandi! [57] - -—Kandjeng....! - -—Waar ben je, Oerip? - -—Hier, Kandjeng.... - -—Waar was je....? - -—Hier voor uw tuindeur, Kandjeng.... Ik wachtte! zei de meid, met -beteekenis, meenende, dat zij wachtte tot Theo weg was. - -—Is de Kandjeng Toean al op? - -—Soeda,.... heeft al gebaad, Kandjeng. - -—Breng dan mijn badgoed.... Steek het lampje aan, in de badkamer.... -Verleden was het lampeglas er gebroken, en het lampje niet gevuld.... - -—De Kandjeng baadde vroeger ook nooit met licht.... - -—Oerip.... is er van middag.... iets.... gebeurd? - -—Neen.... alles was kalm.... Maar ach, als de avond valt.... Alle -bedienden zijn bang, Kandjeng.... De kokkie wil niet meer blijven. - -—Ach, wat een soesa.... Oerip, beloof haar vijf gulden.... prezent.... -als zij blijft.... - -—Ook de spen is bang, Kandjeng.... - -—Ach, wat een soesa.... Ik heb nooit zooveel soesa gekend, Oerip.... - -—Neen, Kandjeng. - -—Ik heb altijd mijn leven zoo goed kunnen regelen.... Maar dit zijn -dingen....! - -—Apa bolè boeat, Kandjeng! [58]... De dingen, machtiger dan de -mensch.... - -—Zouden het heusch geen loeaks zijn.... en een kerel, die gooit met -steenen? - -—Massa, Kandjeng. - -—Nu.... breng maar mijn badgoed.... Vergeet niet het lichtje op te -steken.... - -De meid ging. Het begon al duister te zeven uit de met regen befloersde -lucht. Doodstil lag het groote rezidentie-huis in den nacht van zijn -reuze-waringins. En de lampen waren nog niet ontstoken. In de -voorgalerij, alleen, dronk Van Oudijck thee, liggende op een rieten -stoel, in nachtbroek en kabaai.... In den tuin hoopten zich de dikke -schaduwen op, als waden van onstoffelijk fluweel, die zwart neêrvielen -uit de boomen. - -—Toekan lampoe! [59] riep Léonie. - -—Kandjeng! - -—Steek toch de lampen op! Waarom begin je zoo laat? Steek het eerst op -de lamp in mijn slaapkamer.... - -Zij ging, naar de badkamer.... Langs de lange rei der goedangs en -bediendenkamers, die den achtertuin afsloot, ging zij. Zij zag op naar -de waringins van wiens hoogste takken zij verleden gehoord had het -gekerm der zieltjes. De takken bewogen niet, geen adem van wind -suizelde, de lucht was beklemmend zwoel van dreigenden onweêrregen, -regen, te zwaar om te vallen. In de badkamer, ontstak Oerip het -lichtje. - -—Heb je alles gebracht, Oerip? - -—Saja, Kandjeng.... - -—Heb je niet vergeten den grooten flacon met de witte ajer-wangi? [60] - -—Ini apa [61], Kandjeng? - -—Nu, dan is het goed.... Geef mij voortaan toch een fijneren handdoek -voor mijn gezicht. Ik zeg je altijd een fijnen handdoek te geven. Ik -hoû niet van die grove.... - -—Ik zal er even een halen. - -—Neen, neen! Blijf hier, blijf zitten voor de deur.... - -—Saja, Kandjeng.... - -—Zeg, je moet door een toekan-besie [62] de sleutels hier laten -nazien.... We kunnen de badkamer niet sluiten... Dat is toch te gek, -als er logés zijn... - -—Ik zal er morgen aan denken. - -—Vergeet het niet... - -Zij sloot de deur. De meid hurkte neêr voor de gesloten deur, geduldig, -lijdzaam, onder de kleine en de groote dingen van het leven, alleen -kennende trouw aan hare meesteres, die haar mooie sarongs gaf en -zooveel voorschot als zij wilde. - -In de badkamer schemerde het kleine nikkelen lampje aan den wand over -het groenige marmer van den nattigen vloer, over het water, dat -boordevol stond in het gemetselde vierkante bassin. - -—Ik zal ’s middags maar vroeger baden! dacht Léonie. - -Zij ontdeed zich van kimono en sarong; en, naakt, zag zij even in den -spiegel hare silhouet van melkige molligheid, de rondingen van een -vrouw van veel liefde. Het blonde haar goudde zich, en een parelglans -droop van hare schouders over haar hals en verschaduwde weg tusschen -hare kleine ronde borsten. Zij hief hare haren op, zich bewonderend, -bestudeerend, of een rimpel zich plooide, aanvoelende of hard haar -vleesch was. Hare eene heup welfde zich, daar zij steunde op het eene -been en een lange lijn van blank aangelichte golving bootste streelend -langs dij en knie, vloeiende weg bij de wreef van haar voet... Maar zij -schrikte op in die studie van bewondering: zij wilde zich haasten. Snel -wrong zij hare haren samen en wreef zij zich in met een schuim van -zeep, en nemende de gajong [63], stortte zij het water over zich uit. -In lange vlakke stralen viel het zwaar van haar neêr, en als marmer -glansde zij, gepolijst op schouders, borst en heupen, in het licht van -het kleine lampje. Nog meer wilde zij zich haasten, opziende naar het -venster of de kamprets weêr binnen zouden vliegen... Ja, zij zoû -voortaan zich toch vroeger baden. Buiten was het al nacht. Zij droogde -zich schielijk, in een ruwen handdoek. Zij wreef zich even, vlug, met -de witte zalf, die Oerip altijd bereidde, haar toovermiddel van jeugd, -lenigheid, harde blankheid. Op dit oogenblik zag zij op haar dij een -klein rood spatje. Zij lette er niet op, denkend aan iets in het water, -een blaadje, een dood insect. Zij wreef het af. Maar zich wrijvend, zag -zij op haar borst twee, drie grootere spatjes, donker vermillioen. Zij -werd plotseling koud, niet wetend, niet begrijpend. Weêr wreef zij zich -af; en zij nam den handdoek, waar de spatjes al achterlieten iets -viezigs als van dik bloed. Een rilling huiverde over haar van hoofd tot -voeten. En plotseling zag zij. Uit de hoeken van de badkamer, hoe, en -vanwaar zag zij niet, kwamen de spatjes aan, eerst klein, nu grooter, -als uitgespogen door een kwijlenden sirih-mond. Stervenskoud gaf zij -een gil. De spatten, dikker, werden vol, als purperen kwalsters -uitgespogen, tegen haar aan. Haar lichaam was vuil bezoedeld met een -groezelig, rinnende rood. Eén spat sloeg neêr op haar rug.... Op het -groenige wit van den vloer vlakkelden de smerige spuugselen, dreven zij -uit in het nog niet weggeloopen water. In het bassin bezoedelden zij -het water ook en smolten viezig uit-een. Zij zag geheel rood, vuil -bezoedeld, als onteerd door een schande van vies vermillioen, dat -onzichtbare sirih-kelen van uit de hoeken der kamer samenschraapten en -spogen naar haar toe, mikkend in hare haren, op hare oogen, op hare -borsten, op haar onderbuik. Zij gaf gil op gil, geheel krankzinnig van -het vreemde gebeuren. Zij stortte op de deur, wilde ze openen, maar er -haperde iets aan den kruk. Want het slot was niet gesloten, de grendel -was er niet voor. In haar rug voelde zij herhaaldelijk spugen, en van -haar billen droop het rood. Zij gilde om Oerip en zij hoorde de meid -aan de andere zijde der deur, buiten, trekken, en duwen. Eindelijk gaf -de deur toe. En radeloos, gek, dol, krankzinnig, naakt, bezoedeld, -stortte zij in de armen van hare meid. De bedienden liepen toe. Uit de -achtergalerij zag zij aanloopen, Van Oudijck, Theo, Doddy. In hare -uiterste krankzinnigheid, wijd de oogen gesperd, schaamde zij zich, -niet om hare naaktheid, maar om haar bezoedeling... De meid had de -kimono, ook bezoedeld, gegrepen van den kruk der deur, en sloeg ze haar -meesteres om. - -—Blijf weg! gilde zij radeloos. Kom niet dichter! krijschte zij gek. -Oerip, Oerip, breng mij naar het zwembad! Een lamp, een lamp... in het -zwembad! - -—Wat is er, Léonie? - -Zij wilde niets zeggen. - -—Ik... heb... getrapt... op een pad! schreeuwde zij uit. Ik ben bang... -voor schurft...! Kom niet dichter... Ik ben naakt! Blijf weg, blijf -weg! Een lamp, een lamp... een làmp dan toch... in het zwembad!! -Neen... Otto! Blijf weg! Blijven jullie allemaal weg! Ik ben naakt! -Blijf weg! Bawa... la... a... a... mpoè! [64] - -Door elkaâr liepen de bedienden. Eén bracht een lamp, in het zwembad... - -—Oerip! Oerip... - -Zij klampte zich aan de meid. - -—Zij hebben mij bespogen... met sirih...! Zij hebben... mij... -bespogen... met sirih...!! Zij... hebben... mij bespogen... met -sirih...!!! - -—Stil Kandjeng... kom meê, in het zwembad...! - -—Wasch mij, Oerip! Oerip... in mijn haren, in mijn oogen... o God, ik -proèf het in mijn mond...!! - -Zij snikte radeloos los, de meid sleepte haar meê... - -—Oerip... zie... eerst... preksa... of ze ook spugen... in het -zwembad!! - -De meid trad binnen, rillende. - -—Er is niets, Kandjeng. - -—Gauw dan, baad mij, wasch mij, Oerip.... - -Zij wierp de kimono af; haar mooi lichaam in het licht van de lamp werd -zichtbaar als met vies bloed bezoedeld. - -—Oerip, wasch mij.... Neen, haal geen zeep.... Met water alleen.... -Laat mij niet alleen! Oerip, wasch mij dan toch hier.... Verbrand de -kimono! Oerip.... - -Zij dook in het zwembad, zij zwom radeloos rond; de meid, half naakt, -dook mede, wiesch haar.... - -—Gauw Oerip.... gauw, alleen maar het allervuilste.... Ik ben bang! -Straks... straks spugen zij hier.... In de kamer, Oerip.... nu.... nu -overwasschen, in de kamer, Oerip!! Roep, dat er niemand mag zijn, in -den tuin! Ik wil de kimono niet meer om. Gauw, Oerip, roep, ik wil weg -van hier! - -De meid riep door den tuin, in het Javaansch. - -Léonie, druipend, steeg uit het water, en naakt, nat, ijlde zij langs -de bediendenkamers, de meid achter haar aan. In huis kwam Van Oudijck, -krankzinnig van ongerustheid, loopen naar haar toe. - -—Weg, Otto! Laat me alleen! Ik ben.... naakt!! gilde zij. - -En zij stortte zich in hare kamer, en, Oerip binnen, sloot zij alle -deuren. - - - -In den tuin kropen de bedienden bij elkaâr, onder het afdak der -galerij, vlak bij het huis. Zacht rommelde de donder, en stil begon het -te regenen. - - - - -III. - -Léonie, ziek een paar dagen van zenuwkoorts, bleef in bed. In -Laboewangi sprak men er over, dat het spookte, in het rezidentie-huis. -Op de wekelijksche bijeenkomsten in den Stadstuin, als de muziek -speelde, als de kinderen en jongelui op den open steenen dansvloer -dansten, waren de fluisterende gesprekken aan de tafeltjes over het -vreemde gebeuren in het rezidentie-huis. Dokter Rantzow werd er naar -gevraagd, maar hij wist alleen te vertellen wat de rezident hem verteld -had, wat mevrouw Van Oudijck hem zelve had verteld: haar schrik in de -badkamer voor een kolossale pad, waarop zij getrapt had, gestruikeld -was. Door de bedienden echter wist men meer, maar als de een vertelde -over het gooien met steenen, het spuwen met sirih, lachte de ander, en -noemde het praatjes van baboe’s. Zoo bleef eene onzekerheid hangen. In -de couranten, van Soerabaia tot Batavia toe, verschenen echter korte -vreemde berichten, die niet duidelijk waren, maar veel te raden gaven. - -Van Oudijck zelve sprak er over met niemand, niet met zijn vrouw, niet -met zijn kinderen, met de ambtenaren niet, en niet met de bedienden. -Maar eens kwam hij doodsbleek uit de badkamer, met dolle, groote oogen. -Hij ging echter rustig naar binnen, beheerschte zich en niemand merkte -iets. Toen sprak hij met den chef der politie. Aan het rezidentie-erf -grensde een oud kerkhof. Nacht en dag werd dit nu bewaakt en bewaakt de -achtermuur van de badkamer. De badkamer zelve werd echter niet meer -gebruikt en men baadde zich in de logeerbadkamers. - -Zoodra mevrouw Van Oudijck hersteld was, ging zij naar Soerabaia, -logeeren bij kennissen. Zij keerde niet meer terug. Zij had door Oerip -langzamerhand, zonder ostentatie, zonder Van Oudijck er over te -spreken, alle hare kleêren in laten pakken, en allerlei kleinigheden, -waaraan zij gehecht was. Den eenen koffer na den anderen werd haar -gezonden. Toen Van Oudijck eens, bij toeval, in haar slaapkamer kwam, -vond hij die, op de meubels na, leêg. In haar boudoir was ook allerlei -verdwenen. Hij had niet gemerkt het zenden der koffers, maar nu begreep -hij, dat zij niet weêr zoû komen. Hij schreef zijn eerstvolgende -receptie af. Het was December, en voor de Kerstvacantie, zouden uit -Batavia René en Ricus komen voor een week of tien dagen, maar hij -schreef de jongens af. Toen werd Doddy te logeeren gevraagd op -Patjaram, bij de familie de Luce. Hoewel hij, uit zijn instinct van -volbloed Hollander, niet hield van de de Luce’s, gaf hij toe. Ze -hielden daar van Doddy: zij zoû het er vroolijker hebben dan op -Laboewangi. Dat zijn dochter niet ver-Indischen zoû, was een ideaal, -dat hij opgaf. Plotseling ook ging Theo weg, door Léonie’s invloed in -Soerabaia, op groote mannen van den handel, in eens zeer voordeelig -geplaatst bij een kantoor van export en import. Nu, in zijn groote -huis, was Van Oudijck alleen. Daar de kokkie en de spen waren -weggeloopen, vroegen Eldersma en Eva hem steeds ten eten bij hen, -zoowel rijsttafel als diner. Bij hen aan tafel sprak hij nooit over -zijn huis, en er werd nooit over gesproken. Over wat hij in het geheim -met Eldersma sprak, als secretaris, met Van Helderen sprak, als -controleur-kotta, spraken deze beiden ook nooit, als zwijgende onder -een ambtsgeheim. De chef der politie, die anders, iederen dag, kort -zijn rapport deed: dat niets bizonders was voorgevallen, of dat er een -brand was geweest, of een man was verwond, deed nu echter lange, -geheime rapporten: de deuren van het kantoor werden dan gesloten, opdat -de oppassers buiten niet luisteren zouden. Langzamerhand liepen alle -bedienden weg, trokken zij ’s nachts stilletjes weg, met hun families -en huisraad, en in eene vuile leêgte bleven hunne woningen achter. Zij -bleven zelfs niet in de rezidentie. Van Oudijck liet hen gaan. Hij -behield alleen Kario, en de oppassers: en de gestraften, iederen dag, -verzorgden den tuin. Zoo, van buiten, bleef het huis schijnbaar -onveranderd. Maar van binnen, waar niets werd verzorgd, lag het stof -dik op de meubels, aten witte mieren de matten op, sloegen schimmel en -vochtvlekken uit. De rezident ging er nooit door, bewoonde alleen zijn -slaapkamer en kantoor. Op zijn gezicht was een somberheid gekomen, als -een bittere stilzwijgende vertwijfeling. Nauwgezetter dan ooit was hij -op zijn werk, straffer spoorde hij zijne ambtenaren, als dacht hij aan -niets dan aan de belangen van Laboewangi. In zijne pozitie van -izolement had hij geen vriend en hij zocht er geen. Hij droeg alles -alleen. Alleen, op zijne schouders, op zijn rug, die kromde onder eene -naderende oudheid, droeg hij het zware gewicht van zijn huis, dat -verging; zijne huiselijkheid, die verongelukte in het vreemde gebeuren, -dat hij niet uit kon vinden, trots zijne politie, zijn wachters, zijn -persoonlijke wakingen: trots zijn stille spionnen. Hij vond niets uit. -Men zeide hem niets. Niemand bracht iets aan het licht. En het vreemde -gebeuren ging voort. Een groote steen vernielde een spiegel. Hij liet, -kalm, opruimen de scherven. Zijn natuur was niet om te gelooven aan de -bovennatuurlijkheid der gebeurlijkheden en hij geloofde ook niet. Dat -hij niet vond de schuldigen en de verklaring der feiten maakte hem stil -razend. Maar hij geloofde niet. Hij geloofde niet als hij zijn bed -bezoedeld vond en Kario aan zijn voeten hem bezwoer, dat hij niet wist -hoe. Hij geloofde niet, als het glas, dat hij opnam, brak in heele -kleine scherfjes. Hij geloofde niet als hij boven zich hoorde -aanhoudend stampen met een plagerig gehamer. Maar zijn bed was -bezoedeld, zijn glas brak, het gehamer was een feit. Hij onderzocht die -feiten, nauwgezet als hij een strafzaak had onderzocht, en niets kwam -aan het licht. Kalm bleef hij in zijne verhouding met Europeesche en -Javaansche ambtenaren en met den Regent. Niemand merkte iets aan hem, -en, trotsch, ’s avonds, werkte hij door, aan zijn schrijftafel terwijl -het stampte en het hamerde, en in den tuin de nacht, als betooverd, -donsde. - -Buiten, op de trap, kropen de oppassers bij elkaâr, luisterden zij, -fluisterden zij; schuw omkijkend naar hun heer, die schreef, een frons -van werkaandacht tusschen zijn brauwen. - -—Zoû hij het niet hooren? - -—Jawel, jawel: hij is toch niet doof.... - -—Hij moet het hooren.... - -—Hij denkt het te kunnen uitvinden met djàgà’s.... [65] - -—Er komen soldaten van Ngadjiwa. - -—Van Ngadjiwa! - -—Ja. Hij vertrouwt niet de djàgà’s. Hij heeft geschreven aan den toean -majoor. - -—Om soldaten? - -—Ja, er komen soldaten.... - -—Zie hem fronsen zijn wenkbrauwen.... - -—Hij werkt maar door. - -—Ik ben bang: ik zoû nooit durven blijven, als het niet moest. - -—Zoolang hij er is, durf ik blijven.... - -—Ja.... hij is dapper. - -—Hij is flink. - -—Hij is een dappere man. - -—Maar hij begrijpt het niet. - -—Neen, hij weet niet wat het is.... - -—Hij denkt, dat het ratten zijn.... - -—Ja, hij heeft, boven, onder het dak, laten zoeken naar ratten. - -—Die Hollanders weten niet. - -—Neen, ze begrijpen niet. - -—Hij rookt veel.... - -—Ja, wel twaalf sigaren per dag. - -—Hij drinkt niet veel. - -—Neen.... alleen ’s avonds zijn whiskey-soda. - -—Zoo straks zal hij er om vragen.... - -—Niemand is bij hem gebleven. - -—Neen. De anderen hebben begrepen. Ze zijn allen weg. - -—Laat gaat hij naar bed. - -—Ja. Hij werkt veel. - -—Hij slaapt toch nooit ’s nachts. Alleen ’s middags. - -—Zie hem fronsen.... - -—Hij werkt maar door.... - -—.... Oppas! - -—Daar roept hij.... - -—Kandjeng! - -—Bawa whiskey-soda! - -—Kandjeng.... - -De eene oppasser stond op, om den drank te halen. Hij had alles -vlakbij, in het logeergebouw, om niet in huis behoeven te komen. -Dichter schoven de anderen bij een, en fluisterden door. De maan drong -door de wolken en verlichtte den tuin en de waterplas als met een -vochtige mist van betoovering, doodstil. De eene oppasser had den drank -bereid, bood hurkend aan. - -—Zet hier neêr, zeide Van Oudijck. - -De oppasser zette het glas op de schrijftafel, en kroop weg. De andere -oppassers fluisterden. - -—Oppas! riep Van Oudijck na een oogenblik. - -—Kandjeng! - -—Wat heb je geschonken in dit glas? - -De man beefde, kroop weg aan Van Oudijcks voeten. - -—Kandjeng: het is geen vergif, bij mijn leven, bij mijn dood: ik kan -het niet helpen, Kandjeng. Trap mij, dood mij: ik kan het niet helpen, -Kandjeng. - -Het glas zag okergeel. - -—Haal mij een ander glas en schenk hier in.... - -De oppasser ging, rillende. - -De anderen zaten dicht bij elkaâr, voelende elkanders lichaam, door het -bezweette laken der uniformen en keken bang uit. De maan rees lacherig, -spottend als een slechte fee uit hare wolken; hare vochtige, doodstille -betoovering, zilverde over den wijden tuin. In de verte, uit den -achtertuin, kermde op een kreet, als van een kind, dat werd geworgd. - - - - -IV. - -—En mevrouwtje, hoe gaat het? Hoe gaat het met het spleen? Bevalt Indië -u wat beter vandaag? - -Zijn woorden klonken Eva joviaal toe, terwijl zij hem komen zag door -den tuin, bij achten, om te komen dineeren. Er was in zijn toon niets -anders dan de joviale begroeting van een man, die hard gewerkt heeft -aan zijn schrijftafel, en nu blij is een lieve mooie vrouw te zien, aan -wier tafel hij zoo straks zal zitten. Zij verwonderde zich, zij -bewonderde hem. Er was in hem niets van iemand, die den geheelen dag in -een verlaten huis getreiterd werd door onbegrijpelijk en vreemd -gebeuren. Nauwlijks was er een wolk van droefgeestigheid over zijn -breede voorhoofd; nauwlijks een zorg in zijn even krommen, breeden rug, -en de joviale trek om zijn dikken snor lachte er als altijd. Eldersma -trad nader en in zijn groet, in zijn handdruk was als een stille -vrijmetselarij van samenweten, een vertrouwelijkheid, die Eva ried. En -Van Oudijck dronk zijn bittertje, gewoon weg, sprak over een brief van -zijne vrouw, die vermoedelijk naar Batavia zoû gaan; zeide, dat René en -Ricus in den Preanger logeerden bij een vriend, op een koffie-land. -Waarom zij allen niet waren om hem heen, waarom hij geheel verlaten was -van huisgezin en bedienden, hij sprak er niet over. In de intimiteit -van hun kring, waar hij nu iederen dag tweemaal kwam eten, had hij er -nooit over gesproken. En hoewel Eva er niet naar vroeg, maakte het haar -in hooge mate zenuwachtig. Zoo vlak bij, bij het spookhuis, welks -pilaren zij overdag kon schemeren zien in de verte door het loover der -boomen, voelde zij iederen dag zich zenuwachtiger. Den geheelen dag, om -haar heen, fluisterden de bedienden, spiedden zij schuw in de richting -van de bespookte residinân. Des nachts, niet kunnende slapen, hoorde -zij zelve of zij iets vreemds vernam: het kermen van de kindertjes. Te -overvol van geluid was de Indische nacht, om haar niet rillen te doen -op haar bed. Door het imperatieve brullen der vorschen om regen, om -regen, om altijd meer regen nog, het aanhoudend gekwaak met éentonige -brulkeel, hoorde zij rondtooveren duizende geluiden, die haar hielden -uit den slaap. Er door heen sloegen de tokkè’s, de gekko’s als -uurwerken hun slagen, als vreemde uren van geheimzinnigheid. Den -geheelen dag dacht zij er aan. Ook Eldersma sprak er niet van. Maar als -zij Van Oudijck zag komen aan haar rijsttafel, aan haar diner, moest -zij klemmen de lippen, om hem niets te vragen. En het gesprek liep over -allerlei, maar nooit over het vreemde gebeuren. Na de rijsttafel liep -Van Oudijck weêr even over; na het diner, om tien uur, zag zij den -rezident weêr verdwijnen in tuinschaduwen, die spookten. Met een -rustigen tred, iederen avond, ging hij terug door den betooverden -nacht, naar zijn verlaten en ellendig huis, waar vóor zijn kantoor de -oppasser en Kario dicht gehurkt zaten tegen elkaâr, en werkte hij voor -zijn schrijftafel nog laat. En hij klaagde nooit. Hij onderzocht -nauwkeurig, door geheel de kotta, maar niets kwam aan het licht. Alles -bleef gebeuren in ondoorgrondelijk mysterie. - -—En mevrouwtje, hoe bevalt Indië u van avond? - -Het was, een beetje, altijd de zelfde aardigheid, maar zij bewonderde, -iederen dag, zijn toon. Een moed, een sterkte van zelfvertrouwen, een -zekerheid van zijn eigen weten, een geloof aan wat hij zèker wist, -klonk metaalhel uit zijn stem. Er was, hoe rampzalig hij zich voelen -moest—hij, de man van het huiselijk innige en de man der koele -praktijk—in een huis, door de zijnen verlaten en vol onverklaarbaar -gebeuren, geen zweem van vertwijfling en neêrslachtigheid in zijn -volhardenden mannelijken eenvoud. Hij ging zijn gang, hij deed zijn -werk, nauwgezetter dan ooit—hij onderzocht. En aan Eva’s tafel had hij -altijd een opgewekt gesprek, met Eldersma zoo over zaken er even door: -over promotie, over de politiek in Indië, en de nieuwe manie om van uit -Holland Indië te laten regeeren door leeken, die van toeten noch blazen -wisten. En levendig praatte hij en zonder zich op te schroeven, -rustig-weg, gezellig, tot Eva hem bewonderde, iederen dag meer en meer. -Maar haar, sensitieve vrouw, werd het een nerveuze obsessie. En eens, -’s avonds, even een paar passen meêgaande met hem, vroeg zij hem. Of -het niet verschrikkelijk was, of hij het huis niet kon verlaten, of hij -niet op tournée kon gaan, voor langen, langen, tijd. Zij zag zijn -gezicht bewolken, omdat zij er over sprak. Maar toch vriendelijk, -antwoordde hij, dat het zoo erg niet was, al was het onverklaarbaar, en -dat hij zich sterk maakte dat gegoochel wel uit te vinden. En hij -voegde erbij, dat hij eigenlijk moest op tournée, maar dat hij niet -ging, om niet den schijn te hebben te vluchten. Toen drukte hij haar -vluchtig de hand, zeide haar zich niet nerveus te maken en daar maar -niet meer over te denken, te praten. Dit laatste klonk als een minzaam -gebod. Zij drukte zijn hand weêr, tranen in hare oogen. En zij zag hem -gaan, met zijn kalmen flinken pas en verdwijnen in den nacht van zijn -tuin, waar door het brullend geroep der vorschen om regen de -betoovering wel om moest donzen. Toen rilde zij daar zoo te staan en -spoedde zich naar huis. En zij vond haar huis, haar ruime huis, klein -en zoo open en beschermingloos voor de immense Indische nacht, die van -overal binnen kon komen. - -Maar zij was niet de eenige, die onder den indruk was van het -geheimzinnige gebeuren. Over geheel Laboewangi drukte het neêr met -zijne onverklaarbaarheid, die zoo streed tegen het feitelijke van -iederen dag. In ieder huis werd er over gesproken, al was het ook -fluisterend, om de kinderen niet bang te maken, en de bedienden niet te -laten merken, dat men onder den indruk was van het Javaansche -gegoochel, zooals de rezident het zelve genoemd had. En een angst, eene -somberheid, deed de menschen ziek worden van zenuwachtig spieden en -luisteren in de van geluid overvolle nachten en wademde dik donzig -grauw neêr over de stad, die zich dieper scheen te verschuilen in het -loover van hare tuinen, en gedurende de vochtige avondschemeringen -geheel wegdook in een dof zwijgende gelatenheid en bukken onder het -mysterie. Toen dacht Van Oudijck sterke maatregelen te nemen. Hij -schreef den majoor—kommandant van het garnizoen te Ngadjiwa—te komen -met een kapitein, een paar luitenants, een compagnie soldaten. Dien -avond dineerden de officieren, met den rezident en Van Helderen bij -Eldersma. Zij haastten het maal af, en Eva, aan het hek van den tuin -zag hen allen gaan: de rezident, de secretaris, de controleur, te samen -met de vier officieren, den donkeren tuin van het spookhuis in. Het -rezidentie-erf werd afgezet, het huis omsingeld, het kerkhofterrein -bewaakt. En de mannen, allen, gingen de badkamer in. - -Zij bleven er den geheelen nacht. En den geheelen nacht bleven afgezet -en omsingeld erf en huis. Tegen vijf uur kwamen zij er uit, en namen -dadelijk, gezamenlijk, een zwembad. Over wat hun gebeurd was, spraken -zij niet, maar hun nacht was verschrikkelijk geweest. Nog den volgenden -morgen werd de badkamer omvergehaald. - -Allen hadden zij Van Oudijck beloofd niet over dien nacht te spreken en -Eldersma wilde aan Eva niets zeggen, Van Helderen niets aan Ida. Ook de -officieren, in Ngadjiwa, zwegen. Zij zeiden alleen, dat de nacht in de -badkamer te onwaarschijnlijk was geweest, dan dat men hunne woorden zoû -gelooven. Eindelijk liet een der jonge luitenants zich iets van zijn -avontuur ontvallen. En een verhaal van sirih spugen, steenen werpen, -van een vloer, die aardbeefde, terwijl zij er met stokken en sabels op -hadden geslagen, en dan nog van iets onzegbaars afgrijselijks, dat in -het badwater was gebeurd, deed de ronde. Iedereen maakte er iets bij. -Toen het verhaal Van Oudijck bereikte, herkende hij er nauwlijks in den -verschrikkelijken nacht, die, ook zonder fantazie, verschrikkelijk -genoeg was geweest. - -Eldersma had intusschen opgemaakt het rapport van hun gezamenlijk waken -en zij onderteekenden allen het onwaarschijnlijk verhaal. Het rapport -bracht Van Oudijck persoonlijk naar Batavia, en reikte het over aan den -Gouverneur-Generaal. Sedert berustte het in de geheime archieven der -regeering. - - - -De Gouverneur-Generaal ried Van Oudijck aan voor korten tijd met verlof -naar Holland te gaan, hem verzekerende, dat dit verlof geen invloed zoû -uitoefenen op zijne reeds spoedig te verwachten promotie tot -rezident-eerste-klasse. Hij weigerde echter deze gunst, en ging terug -naar Laboewangi. De eenige concessie, die hij zich deed, was, dat hij -zijn intrek bij Eldersma nam, tot het rezidentie-huis gereinigd zoû -zijn. Maar van den vlaggestok op het rezidentie-erf bleef waaien de -vlag... - -Terug van Batavia, ontmoette Van Oudijck, om dienstzaken, dikwijls den -Regent, Soenario. En in zijn omgang met den Regent bleef de rezident -correct en streng. Toen had hij een kort gesprek, eerst met den Regent, -en daarna met zijn moeder, de Raden-Ajoe Pangéran. Deze beide -gesprekken duurden niet langer dan twintig minuten. Maar het scheen, -dat die weinige woorden van groot en dreigend gewicht waren geweest. - -Want het vreemde gebeuren hield op. Toen alles onder het toezicht van -Eva in huis gereinigd en hersteld was, dwong Van Oudijck Léonie terug -te keeren, omdat hij met den eersten Januari een groot bal wilde geven. -Des morgens recepieerde de rezident alle zijne Europeesche en -Javaansche ambtenaren. Des avonds, in de van licht gloeiende galerijen, -stroomden de gasten binnen, uit de geheele rezidentie, nog licht -huiverig en nieuwsgierig, en instinctmatig rondkijkende, om zich heen -en naar boven. En terwijl de champagne rondging, nam Van Oudijck zelve -een kelk en bood ze den Regent met een opzettelijke inbreuk op -etiquette, en hij zeide met een mengeling van dreigenden ernst en -goedmoedige scherts deze woorden, die men overal opving en herhaalde, -die men gedurende maanden door de geheele rezidentie herhalen zoû: - -—Drink gerust, Regent: ik verzeker u op mijn woord van eer, dat er geen -glazen meer in mijn huis zullen breken, dan alleen door toeval en -onvoorzichtigheid.... - - - -Hij kon zoo spreken, want hij wist, dat hij—dezen keer—de stille kracht -was te krachtig geweest, alleen door zijn eenvoudigen moed van -ambtenaar, Hollander en man. - -Maar in den blik van den Regent, toen hij dronk, schemerde het toch, -heel licht ironisch op, dat al had de stille kracht niet -gezegevierd—dezen keer—ze toch raadsel zoû blijven en onverklaarbaar -altijd voor het kortziende oog van die Westerlingen.... - - - - -V. - -Laboewangi herleefde. Als eenstemmig kwam men overeen niet meer te -praten over het vreemde, met menschen van buiten af, omdat het ongeloof -in deze zaak zoo vergeeflijk was, en men, in Laboewangi, geloofde. En -de binnenlandsche stad, na den mystieken druk, waaronder ze gedurende -die onvergetelijke weken had neêrgedoken, herleefde, als om alle -obsessie van zich te schudden. Feest volgde na feest, bal na bal, -komedie na concert: iedereen zette open zijn huis om feest te vieren en -vroolijk te zijn en gewone natuurlijkheid te vinden na de ongelooflijke -nachtmerrie. Menschen, zoo gewoon aan het natuurlijke en begrijpelijke -leven, aan het breed-ruime materieele van Indië—aan goede tafel, koele -dranken, breede bedden, ruime huizen, aan geld verdienen en geld -verteeren—aan alles wat de lijfs-wellust is van den Westerling in het -Oosten—zulke menschen herademden, en schudden-af van zich de -nachtmerrie, en schudden-af van zich het geloof aan vreemde -gebeurlijkheden. Werd daar nu nog over gesproken, dan noemde men het -onbegrijpelijk gegoochel, noemde men het den rezident algemeen zoo na. -Gegoochel van den Regent. Want dat hij er de hand in gehad had, was -zeker. Dat de rezident hem gedreigd had met een verschrikkelijke -dreiging, hem en zijn moeder, als niet zoû ophouden het vreemde -gebeuren—was zeker. Dat daarna de orde in het gewone leven weêr was -hersteld—was zeker. Gegoochel dus. Men schaamde zich nu om zijn geloof, -en om zijn angst, en dat men gehuiverd had voor wat mystiek had -geschenen en alleen knap gegoochel was. En men herademde en wilde -vroolijk zijn, en feest volgde na feest. - -Léonie, in die roes, vergat hare ergernis, dat Van Oudijck haar had -teruggeroepen. En ook zij wilde vergeten de vermillioene bezoedeling -van haar lichaam. Maar iets van den angst bleef in haar over. Zij -baadde des middags nu vroeg, al om half vijf, in de nieuw gebouwde -badkamer. Haar tweede bad was haar altijd iets huiverigs. En nu Theo -geplaatst was in Soerabaia, maakte zij zich los van hem, uit angst ook. -Zij kon zich niet los maken van de gedachte, dat de betoovering met een -straf had gedreigd henbeiden, moeder en zoon, die schande brachten over -het ouderlijk huis. In wat romantisch was in hare perverse verbeelding, -in hare roze fantazie vol cherubijntjes, cupidootjes, gaf deze -gedachte—haar ingegeven door haar schrik—een te geliefkoosde tragische -tint, om niet te blijven koesteren, trots alles wat Theo zeide. Zij -wilde niet meer. En het maakte hem razend, omdat hij dol op haar was, -omdat hij niet kon vergeten den infamen wellust in haar armen. Maar -standvastig bleef zij weigeren, en zeide hem haren angst, en zeide, dat -zij zeker was, dat het weêr zoû gaan spoken, als zij elkander lief -hadden: hij, de vrouw van zijn vader. Hij werd rood razend door hare -woorden—den enkelen Zondag, dien hij doorbracht te Laboewangi: razend -om haar niet-willen, hare nu aangenomen moederlijkheid, en razend, -omdat hij wist, dat zij Addy de Luce veel zag, dat zij veel op Patjaram -logeerde. Op de feesten danste Addy met haar, op de concerten hing hij -over haar stoel, in de geïmprovizeerde rezidents-loge. Wel was hij haar -niet trouw, want het was niet in zijn natuur een enkele vrouw te -beminnen—hij beminde wijd en zijd—maar toch: hij was haar zoo trouw als -hem mogelijk was. Zij voelde voor hem een langduriger passie, dan zij -ooit nog gevoeld had; en deze passie wekte haar op uit hare gewone -passieve onverschilligheid; dikwijls, in gezelschap, vervelend, saai, -tronende in den glans van haar blanke schoonheid, als een glimlachend -idool, de loomheid der Indische jaren, langzaam aan, vloeiende in haar -bloed, tot hare bewegingen hadden gekregen die onverschillige luiheid -voor alles wat niet was liefkoozing en liefde; haar stem, het trage -accent in ieder woord, dat geen passie-woord was—metamorfozeerde zij -zich onder die vlam, die van Addy over haar uitging, tot een jongere -vrouw, levendiger in gezelschap, vroolijker, gevleid door de -voortdurende hulde van dien jongen man, waarop alle meisjes dol waren. -En het was haar een genot zich zooveel mogelijk meester te maken van -hem, tot spijt van al die meisjes, tot spijt van Doddy vooral. In haar -passie had zij tevens het slechte pleizier te plagen, enkel voor het -pleizier ervan: het gaf haar een exquis genot, het maakte—voor het -eerst misschien, want zij was altijd zeer voorzichtig geweest—haar man -jaloersch, Theo jaloersch, Doddy jaloersch: zij maakte alle jonge -vrouwen en meisjes jaloersch, en daar zij stond boven hen allen, als -vrouw van den rezident, had zij een overwicht boven hen allen. Was zij -dan op een avond te ver gegaan, dan had zij er genoegen in, met een -glimlach, met een woord terug te winnen in hun aller genegenheid wat -zij er door haar behaagzucht in verloren had. En het was vreemd, maar -dit lukte haar. Zoodra men haar zag, zoodra zij sprak, glimlachte en -beminnelijk wilde zijn, won zij alles terug, vergaf men haar alles. -Zelfs Eva liet zich winnen door de vreemde bekoring van deze vrouw, die -niet geestig was, niet intelligent, nauwlijks wat vroolijker werd en -gewekt uit haar vervelende saaiheid, en die alleen won door de lijnen -van haar lichaam, de vorm van haar gelaat, den blik van haar vreemde -oogen—rustig en toch vol verborgen passie—en die zich bewust was al -hare bekoring, omdat zij van kind af aan er den invloed van had -opgemerkt. Met hare onverschilligheid was die bekoring hare kracht. Al -wat noodlot was scheen op haar af te stuiten. Want het had met een -vreemde magie haar wel aangezweemd, tot zij dacht, dat een straf op -haar neêr zoû dalen, maar het was afgedreven, verder. Alleen, de -waarschuwing nam zij aan. Theo wilde zij niet meer, en moederlijk deed -zij voortaan met hem. Het maakte hem razend, vooral op deze feesten, nu -zij er jonger was, vroolijker, en verleidelijker. - -Zijn passie voor haar begon om te slaan, in een haat. Hij haatte haar -nu, met al zijn instinct van blonde kleurling, die hij eigenlijk was, -trots zijn blanke tint. Want hij was het kind van zijn moeder meer dan -de zoon van zijn vader. O, hij haatte haar nu, want zijne vrees voor de -straf had hij maar gevoeld éen oogenblik, en hij, hij was nu alles -vergeten. En zijn gedachte was haar kwaad te doen. Hoe, hij wist het -nog niet, maar haar kwaad te doen, opdat zij pijn zoû hebben en leed. -Dat te overdenken gaf een satanische somberheid in zijn kleine, -troebele ziel. Hoewel hij er niet over dacht, voelde hij, onbewust, dat -zij als onkwetsbaar was, voelde hij zelfs, dat zij in zich pochte op -die onkwetsbaarheid, en dat ze haar iederen dag brutaler maakte, -onverschilliger. Ieder oogenblik logeerde zij op Patjaram, onder het -eerste het beste voorwendsel. De anonieme brieven, die Van Oudijck nog -dikwijls haar voorlegde, ontroerden haar niet meer; zij raakte aan ze -gewoon. Zonder een enkel woord gaf zij ze hem weêr terug: een enkelen -keer zelfs vergat zij ze; liet zij ze slingeren in de achtergalerij. -Eens las Theo ze door. Hij wist niet in welke plotselinge helderheid, -maar plótseling, meende hij te herkennen enkele letters, enkele -strepen. Hij herinnerde zich in de kampong bij Patjaram het huisje—half -bamboe, half petroleum-plank—waar hij si-Oudijck had opgezocht met Addy -de Luce, en de met een Arabier haastig bijeen geschoven papieren. Hij -herinnerde zich vaag, op een snipper op den grond die zelfde letters, -die strepen. Het ging vaag en bliksemsnel door zijn hoofd. Maar het was -niets dan een bliksemstraal. In zijn sombere, kleine ziel was niets dan -doffe haat en troebele berekening. Maar hij was niet verstandig genoeg -die berekening uit te spinnen. Hij haatte zijn vader, uit instinct, en -antipathie; zijn moeder, omdat zij een nonna was; zijn stiefmoeder, -omdat zij hem niet meer wilde: hij haatte Addy, hij haatte Doddy erbij -op den koop toe: hij haatte de wereld, omdat hij er in werken moest. -Hij haatte iedere betrekking: hij haatte nu zijn kantoor op Soerabaia. -Maar hij was te lui en te weinig helder, om kwaad te kunnen doen. Hij -vond niet uit, hoe hij ook bedacht, zijn vader kwaad te doen, Addy en -Léonie. Het was alles in hem vaag, troebel, ontevreden, onduidelijk. -Zijne begeerte was geld en een mooie vrouw. Verder was er niets in hem -dan zijn stompe somberheid, en ontevredenheid van dikken, blonden -sinjo. En onmachtig donkerde zijn gedachte voort. - -Tot nog toe had Doddy altijd veel van Léonie gehouden, instinctmatig. -Maar nu kon zij het zich niet meer ontkennen: wat zij eerst gedacht -had, dat toeval was—mama en Addy altijd zoekende elkaâr in den zelfden -glimlach van aantrekking, de een trekkende den ander aan van het eene -einde der zaal naar het andere, als onweêrstaanbaar—dat was geen -toeval! En ook zij, ze haatte mama nu, mama met hare mooie kalmte, hare -souvereine onverschilligheid. Hare eigen natuur van drift, van passie, -kwam in botsing met die andere natuur van melkblanke kreole-loomheid, -die zich eerst nu, laat, om de loutere goedgunstigheid van het noodlot, -geheel dorst laten sleepen, zonder voorbehoud. Zij haatte mama en het -gevolg van die haat waren scènes, scènes van nerveuze drift, opgillende -drift van Doddy tegen de tergende kalmte van mama’s onverschilligheid, -over allerlei klein verschil van meening: over een visite, een ritje te -paard, een japon, over een sambal, die de een lekker vond, de ander -niet. Léonie had er pleizier in Doddy te plagen, alleen om het pleizier -van plagen. Dan wilde Doddy uithuilen aan papa’s borst, maar Van -Oudijck gaf haar geen gelijk, en zei, dat zij voor mama meer eerbied -moest hebben. Maar eens, toen hij Doddy, terwijl zij troost bij hem -zoeken kwam, berispend sprak over hare wandelingen met Addy, gilde zij -op, dat mama zelve op Addy verliefd was. Van Oudijck, boos, joeg haar -de kamer uit. Maar het kwam alles te veel met elkaâr overeen—de -anonieme brieven, de nieuwe behaagzucht van zijne vrouw, Doddy’s -beschuldiging en wat hijzelve had opgemerkt op de laatste partijen—om -hem niet te laten nadenken en tobben zelfs. En nu hij hier eenmaal over -tobde en nadacht flitsten plotselinge herinneringen als korte -weêrlichten door hem heen: van een onverwacht bezoek; van een deur, die -gesloten was; van een portière, die bewoog; van een gefluisterd woord -en een schuw afgebroken blik. Hij combineerde dat alles, en hij -herinnerde zich die zelfde subtiele herinneringen, in verband met -anderen, van vroeger, heel plotseling. Het wekte eensklaps zijn -jalouzie, de jalouzie van den man op de vrouw, die hij liefheeft als -zijn allereigenst bezit. Als een windvlaag, stak die jalouzie bij hem -op, en woei door zijn werk-aandacht heen, verwarde zijne gedachten, -terwijl hij aan zijn werk zat, deed hem plotseling zijn kantoor -uitloopen, terwijl hij de politie-rol deed, zoeken in de kamer van -Léonie, oplichten een gordijn, kijken zelfs onder het bed. En nu wilde -hij niet meer, dat zij op Patjaram logeerde, naar hij voorgaf, om de de -Luce’s geen hoop te geven, dat Addy ooit Doddy zoû krijgen. Want hij -dorst Léonie niet over zijn ijverzucht spreken.... Dat Addy ooit Doddy -zoû krijgen. In zijn dochter was ook wel Indiesch bloed, maar hij wilde -een volbloed Europeaan voor schoonzoon. Hij haatte al wat halfras was. -Hij haatte de de Luce’s, en al de verbinnenlandschte, Indische, -quasi-Solosche traditie van hun Patjaram. Hij haatte hun gedobbel, hun -koek-en-ei zijn met allerlei Javaansche hoofden: lieden, die hij -ambtelijk gaf wat hun toekwam, maar verder beschouwde als noodzakelijke -werktuigen van de politiek der Regeering. Hij haatte alle hunne -manieren van oude Indische familie, en hij haatte Addy: een jongen, -zoogenaamd employé, maar die niets uitvoerde, dan naloopen al wat -vrouw, meisje, meid was. Hem, als werkzamen en ouderen man, was dit -leven onuitstaanbaar. Léonie moest zich dus wel Patjaram ontzeggen, -maar des morgens ging zij rustig naar mevrouw Van Does, en in haar -kleine huisje ontmoette zij Addy, terwijl mevrouw Van Does zelve uit -verkoopen ging, in een tjikar, [66] met de twee stopflesschen -inten-inten, en een pak gebatikte spreien. Des avonds dan wandelde Addy -met Doddy en hoorde hare hartstochtelijke verwijtingen. Hij lachte om -haar drift, hij nam haar in zijn armen tot zij hijgde tegen hem aan: -hij zoende haar de verwijtingen van de lippen, tot zij dol van liefde -wegsmolt aan zijn mond. Verder gingen zij niet, bang, vooral Doddy. Zij -liepen achter de kampongs, op de galangans der sawahs, terwijl zwermen -van vuurvliegjes in den donker om hen heen starrelden als heele kleine -lampjes; zij liepen in elkanders arm, aan elkaârs hand liepen zij -voort, in een liefde van ontzenuwende handtastelijkheid, die nooit -durfde tot het einde. Met hunne handen voelden zij elkaâr heelemaal -aan, zij beminden elkaâr met hun handen. Kwam zij dan thuis, dan was -zij dol, razend op mama, in wie zij beneed de kalme, glimlachende -verzadiging, als zij, in haar witten peignoir, zacht gepoeierd, lag te -mijmeren op een rieten stoel. - -En het was in huis, nieuw opgefrischt, wit gekalkt, na het vreemde -gebeuren,—dat voorbij was—een haat, die als uitschoot overal, als de -duivelsche bloem zelve van dat vreemde geheim, een haat rondom die -glimlachende vrouw, die te loom was om te haten, en alleen pleizier had -in het stille plagen; een jaloersche haat van vader nu tegen zoon, als -hij hem te veel zag bij zijn stiefmoeder zitten, smeekende, trots zijn -eigen haat, om iets, wat wist de vader niet: een haat van zoon tegen -vader, een haat van dochter tegen moeder, een haat, waarin alle -familieleven verongelukte. Hoe het zoo langzamerhand was gekomen, wist -Van Oudijck niet. Weemoedig betreurde hij den tijd, toen hij blind was -geweest, toen hij vrouw en kinderen alleen gezien had, in het licht, -dat hij wilde. Dat was nu voorbij. Zooals vroeger het vreemde gebeuren, -sloeg nu een haat uit het leven op, als een pestwalm uit den grond. En -Van Oudijck, die nooit was bijgeloovig geweest, die koel, kalm gewerkt -had in zijn vereenzaamde huis, waar het onbegrijpelijk spookte rondom -hem heen, die rapporten had doorlezen terwijl het hamerde boven zijn -hoofd en zijn whiskey-soda okerde in zijn glas—Van Oudijck, voor het -eerst van zijn leven, nu hij de sombere blikken van Theo, van Doddy -zag, nu hij zijne vrouw, brutaler iederen dag, met den jongen de Luce -eensklaps vond hand in hand, haar knieën bijna in de zijne, nu hij -zichzelven zag, veranderd, verouderd, somber spiedende,—werd -bijgeloovig, onoverkomelijk bijgeloovig, geloovende aan eene stille -kracht, die school waar wist hij niet, in Indië, in den grond van -Indië, in een diep mysterie, ergens, ergens—een kracht, die hem kwaad -wilde, omdat hij was Europeaan, overheerscher, vreemdeling op den -geheimzinnig heiligen grond. En toen hij zag deze bijgeloovigheid in -zich, zoo nieuw in hem, man van praktijk, zoo vreemd ongelooflijk in -hem, man van simpel mannelijken eenvoud, schrikte hij voor zichzelven, -als voor een opkomende krankzinnigheid, die hij diep in zich begon waar -te nemen. - -En hoe krachtig hij geweest was tijdens het vreemde gebeuren zelve, dat -hij nog met een enkel woord van dreigende kracht had kunnen bezweren, -deze bijgeloovigheid, als de naziekte van dat gebeuren, vond in hem -zwakte, als een kwetsbare plek. Hij was zoo verbaasd over zichzelven, -dat hij zich niet begreep, vreesde gek te zullen worden, en toch, toch -tobde hij. Zijne gezondheid was ondermijnd door eene opkomende -leverziekte en hij bestudeerde zijn gelende tint. Plotseling dacht hij -aan vergiftiging. De keuken werd onderzocht, de kokkie aan een verhoor -onderworpen, maar niets bleek. Hij begreep angstig te zijn voor niets. -Maar de dokter verklaarde, dat zijn lever was opgezwollen en schreef -hem het gewone regime voor. Wat hij anders heel gewoon zoû gevonden -hebben—eene ziekte, die zoo veelvuldig voorkwam—vond hij nu eensklaps -vreemd: een vreemd gebeuren, waarover hij tobde. En het tastte zijn -zenuwen aan. Hij leed nu aan plotselinge vermoeidheden, als hij werkte, -aan kloppende hoofdpijn. Zijne jalouzie gaf hem eene gejaagdheid; een -trillende onrust kwam over hem. Hij bedacht eensklaps, dat, als het nu -hamerde boven zijn hoofd, als het nu sirih spoog rondom hem heen, hij -niet in zijn huis had kunnen blijven. En hij geloofde aan een haat, die -rondom hem walmde uit den haatdragenden grond, als een pest. Hij -geloofde aan een kracht, diep verborgen in de dingen van Indië, in de -natuur van Java, het klimaat van Laboewangi, in het gegoochel—zoo -noemde hij het nog—dat de Javaan soms knap maakt boven den Westerling, -en dat hem macht geeft, geheimzinnige macht, niet om zich te bevrijden -van het juk, maar wel om ziek te maken, te doen kwijnen, te plagen, te -treiteren, te spoken onbegrijpelijk en afgrijselijk—: een stille -kracht, een stille macht, vijandig aan ons temperament, aan ons bloed, -aan ons lichaam, aan onze ziel, aan onze beschaving, aan al wat òns -goeddunkt te doen en te zijn en te denken. Het was bij hem -opengestraald als met éen plotseling licht: het was niet het gevolg van -denken. Het was bij hem opengestraald als met éen schrik van -openbaring, geheel in strijd met al de logiek van zijn geleidelijk -leven, zijne geleidelijke gedachtengang. In éen vizioen van -verschrikking zag hij het plotseling voor zich, als het licht van zijn -naderenden ouderdom, zooals grijsaards soms eensklaps de waarheid zien. -En toch, hij was jong nog, hij was krachtig... En hij voelde, dat als -hij niet zwenken zoû zijne krankzinnende gedachte, ze hem ziek, zwak en -ellendig kon maken, voor altijd, voor altijd.... - -Vooral voor hem, simpelen man van praktijk, was deze ommezwaai bijna -ondragelijk. Wat een morbide geest rustig peinzend zoû hebben -bespiegeld, gaf hem een wit bliksemende ontzetting. Nooit had hij -gedacht, dat er diep, ergens, geheimzinnig, dingen kunnen zijn in het -leven, sterker dan wilskracht, geestkracht. Nu—na de nachtmerrie, die -hij moedig had overwonnen—scheen het of tòch de nachtmerrie hem -uitgeput had en hem had ingegeven allerlei zwakte. Het was -ongelooflijk, maar nu, ’s avonds, als hij werkte, luisterde hij naar -het avonddonzen in den tuin, of naar de rat, die stommelde boven zijn -hoofd. En dan stond hij eensklaps op, liep in de kamer van Léonie en -keek onder haar bed. Toen hij eindelijk uitvond, dat vele van de -anonieme brieven, waarmede hij achtervolgd werd, kwamen uit den koker -van een halfbloed, die zich noemde zijn zoon en zelfs met zijn eigen -familie-naam in de kampong werd aangeduid, voelde hij zich te weifelend -deze zaak te onderzoeken, om wat er mocht aan het licht komen en dat -hijzelve vergeten was, uit zijn controleurstijd, vroeger, te Ngadjiwa. -Nu weifelde hij, in wat hem vroeger zeker en stellig was. Nu wist hij -zijne herinneringen uit dien tijd niet meer zoo stellig te schikken, -dan dat hij had kunnen zweren geen zoon te hebben, bijna zonder het te -weten gewonnen in dien tijd. Hij herinnerde zich niet duidelijk de -huishoudster, die hij gehad had vóor zijn eerste huwelijk. En hij liet -de geheele zaak der anonieme brieven liever maar voortsmeulen in hun -duistere schaduw, dan dat hij ze onderzocht, er in roerde. Zelfs liet -hij aan den kleurling, die zich noemde zijn zoon, geld geven, opdat -deze niet, misbruik makende van den naam, dien hij zich toekende, -overal in de kampong eischte prezenten: kippen, en rijst, en kleederen; -dingen, die si-Oudijck vroeg aan onwetende dessa-lui, die hij dreigde -met den vagen toorn van zijn vader; den Kandjeng daarginds in -Laboewangi. Opdat met dien toorn dus niet meer gedreigd zoû worden, -deed Van Oudijck hem geld toekomen. Dat was een zwakte: vroeger had hij -het nooit gedaan. Maar nu kwam in hem een neiging, te sussen, -vergoêlijkend te zijn, niet meer zoo straf en streng te zijn, en liever -alles wat scherp was, weg te doezelen in halfheid. Eldersma was soms -verbaasd, als hij de rezident, vroeger beslist, nu zag weifelen, toe -zag geven in zaken, in geschillen met erfpachters, als hij vroeger -nooit hadde gedaan. En een slapheid van werken aan het bureau ware -ingekankerd, van zelve, langzaam aan, als Eldersma niet Van Oudijck het -werk uit de hand had genomen, en het zich nog drukker gemaakt had, dan -hij het al zelve had. Men zeide algemeen, dat de rezident lijdende was. -En zijn kleur was ook geel, zijn lever pijnlijk; het minste deed zijn -zenuwen trillen. Het gaf een nevroze in huis, tegelijk met de driften -en uitbarstingen van Doddy, met de jalouzie en de haat van Theo, die al -weêr thuis was, in Soerabaia het had laten liggen. Alleen Léonie bleef -zegevieren, altijd mooi, blank, kalm, glimlachend, tevreden, gelukkig -in den durenden hartstocht van Addy, dien zij wist te boeien als eene -tooveres van liefde, een savante in passie. Het noodlot had haar -gewaarschuwd, en Theo hield zij ver van zich, maar verder was zij -gelukkig, tevreden. - -Toen was het plotseling, dat Batavia openkwam. Twee, drie rezidenten -werden genoemd, maar Van Oudijck had het meeste kans. En hij tobde er -over, hij vreesde er voor: hij hield niet van Batavia, als rezidentie. -Hij zoû er niet in kunnen werken, als hij hier gewerkt had, met ijver -en toewijding behartigende zoo vele verscheidene belangen van cultuur -en voor bevolking. Liever had hij zich benoemd gezien voor Soerabaia, -waar veel omging, of in een der Vorstenlanden, waar zijn tact om met -Javaansche vorsten om te gaan te pas zoû zijn gekomen. Maar Batavia! -Voor een rezident, als ambtenaar, het minst interessante gewest: voor -den rezidentsbetrekking het minst vleiend den hoogmoed ervan, vlak bij -den Gouverneur-Generaal, geheel te midden der hoogste ambtenaren, -zoodat de rezident, elders bijna oppermachtig, er niet meer was dan ook -een hooge ambtenaar, tusschen Raden van Indië, Directeuren, in, en te -dicht bij Buitenzorg, met zijne eigendunkele Secretarie: wier -bureaucratie en theorie van paperassen altijd in strijd waren met de -bestuurspraktijk en het feitelijke doen der rezidenten zelve. - -De mogelijkheid van benoeming maakte hem geheel van streek, gejaagder -dan ooit, nu hij in een maand tijds Laboewangi zoû moeten verlaten, -vendutie houden. Het zoû hem scheuren zijn hart Laboewangi te verlaten. -Trots wat hij er had geleden, hield hij van de stad, van zijn gewest -vooral. Door geheel zijn gewest, al die jaren, had hij nagelaten de -sporen van zijne werkzaamheid, van zijn aandacht, van zijn ambitie, van -zijn liefde. Nu, binnen een maand, zoû hij dat alles wellicht moeten -overdragen aan een opvolger, zich moeten losscheuren van alles wat hij -met liefde had bezorgd, behartigd. Hij voelde er een somberen weemoed -om. Dat hij met een promotie ook dichter naderde zijn pensioen, gaf hem -niets. Die toekomst van niets doen en verveling van naderenden ouderdom -was hem een nachtmerrie. En de opvolger zoû misschien alles veranderen, -het in niets eens met hem zijn. - -Toen werd zijn mogelijke promotie hem eensklaps tot zulk een ziekelijke -obsessie, dat het onwaarschijnlijke gebeurde en hij schreef aan den -Directeur van B.B., aan den Gouverneur-Generaal, hem te laten op -Laboewangi. Van deze brieven lekte weinig uit; hijzelve verzweeg ze -geheel zoowel in den kring zijner familie als in dien zijner -ambtenaren, zoodat, toen een jongere rezident, tweede-klasse, benoemd -werd tot rezident van Batavia, men wel er over praatte, dat Van Oudijck -gepasseerd was, maar men niet wist, dat dit door zijn eigen toedoen was -geweest. En zoekende naar een reden rakelde men in de praatjes weêr op -het ontslag van den Regent van Ngadjiwa, het vreemde gebeuren daarna, -maar men vond noch in het een, noch in het ander, toch eigenlijk een -bizondere aanleiding voor de Regeering om Van Oudijck te passeeren. - -Hijzelve herwon er om een vreemde rust, een rust van matheid, van zich -laten gaan, van vastgroeien in zijn bekend Laboewangi, van, -ver-Indiescht in zijn binnenland, niet behoeven te gaan naar Batavia, -waar het zoo heel anders was. Toen de Gouverneur-Generaal hem op de -laatste audiëntie had gesproken over een verlof naar Europa, had hij -een angst voor Europa gevoeld—een angst er zich niet meer thuis te -voelen:—nu voelde hij zelfs dien angst voor Batavia. En toch wist hij -heel goed al de quasi Westersche humbug van Batavia; toch wist hij heel -goed, dat de hoofdplaats van Java zich maar als erg Europeesch -aanstelde, en in werkelijkheid toch maar half Europeesch was. In -zichzelven—verborgen voor zijn vrouw, die spijt had om die vervlogen -illuzie: Batavia—lachte hij er stilletjes om, dat hij had weten gedaan -te krijgen op Laboewangi te blijven. Maar om dien lach voelde hij wel -zich veranderd, verouderd, verminderd, niet meer blikkende langs die -opwaartsche lijn van telkens onder de menschen in te nemen een hoogere -plaats—die altijd de lijn van zijn leven geweest was. Waar was zijn -eerzucht gebleven? Hoe was zoo zijn heerschzucht verslapt? Hij dacht, -het was alles invloed van het klimaat. Goed zoû het zeker zijn als hij -zijn bloed, zijn geest verfrischte in Europa, en er een paar winters -doormaakte. Maar oogenblikkelijk knakte die gedachte willoos in een. -Neen, hij wilde niet naar Europa. Indië was hem lief. En hij gaf zich -over aan lange peinzingen, liggende in een langen stoel, genietende van -zijn koffie, van zijn luchtige kleeding, van de zachte verslapping -zijner spieren, van de doellooze doezeling zijner gedachten. In die -doezeling was scherp alleen zijne meer en meer toenemende achterdocht, -en dan wekte hij plotseling op uit zijn loomheid en luisterde naar het -vage geluid, het zacht onderdrukte lachen, dat hij meende te hooren in -de kamer van Léonie, zooals hij des nachts, achterdochtig ook om -gespook, luisterde naar het gedons in den tuin, en de rat boven zijn -hoofd. - - - - - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - - -I. - -Addy zat bij mevrouw Van Does, in het kleine achtergalerijtje, toen zij -een rijtuig vóor hoorden opratelen. Zij zagen elkaâr glimlachend aan, -stonden op. - -—Ik laat jullie alleen, zei mevrouw Van Does, en zij verdween om in een -dos-à-dos de stad rond te rijden en bij kennissen zaken te doen. - -Léonie was binnengekomen. - -—Waar is mevrouw Van Does? vroeg zij, want zij deed iederen keer, of -het de eerste maal was: dat was hare groote bekoring. - -Hij wist dit en hij antwoordde: - -—Ze is zoo even uitgegaan. Het zal haar spijten u niet te treffen... - -Hij sprak zoo omdat hij wist, dat zij daarvan hield: iederen keer het -ceremonieele begin, om vooral de frischheid van hunne liaison te -onderhouden. - -Nu zetten zij zich in het kleine gesloten middengalerijtje op een -divan, hij naast haar. - -De divan was overtrokken met een cretonne van bonte bloemen; aan de -witte muren hingen wat goedkoope waaiers en kakemono’s, en aan -weêrszijde van een spiegeltje stonden op consoles twee imitatie bronzen -beeldjes: onduidelijke ridders, het eene been vooruit, in de hand een -speer. Door de glazen deur schemerde het vunze achtergalerijtje, de -pilaren groengeel vochtig, de bloempotten groengeel ook, met wat -vergane rozestruiken; daarachter verwilderde het vochtige tuintje, met -een paar magere klapperboomen, de bladeren hangende als geknakte -veêren. - -Hij trok haar nu in zijn armen, maar zij duwde hem zachtjes terug. - -—Doddy is onuitstaanbaar, zeide zij; daar moet een eind aan komen. - -—Hoe dat? - -—Zij moet uit huis. Zij is zoo prikkelbaar, dat ik geen leven met haar -heb. - -—Je plaagt haar ook. - -Zij haalde de schouders op, ontstemd door een scène met haar -stiefdochter. - -—Vroeger plaagde ik haar niet, vroeger hield ze van mij, vroeger konden -wij best met elkaâr overweg. Nu vliegt ze om het minste op. Het is jouw -schuld. Die eeuwige avondwandelingen, die tot niets leiden, enerveeren -haar. - -—Het is maar beter, dat ze tot niets leiden, murmelde hij, met zijn -verleiderlachje. Maar ik kan toch niet met haar breken, dat zoû haar -verdriet doen. En ik kan nooit een vrouw verdriet doen. - -Zij lachte minachtend. - -—Ja, je bent zoo goedig. Uit louter goedigheid zoû je je faveurs overal -verspreiden. Maar hoe dan ook, zij gaat het huis uit. - -—Waarnaar toe? - -—Vraag niet zulke domme vragen! riep zij uit, boos, gerukt uit hare -gewone onverschilligheid. Weg, weg, ze gaat weg: het kan me niet -schelen waarnaar toe. Je weet als ik eenmaal iets zeg, gebeurt het. En -dit, dit gebeurt. - -Hij vatte haar nu in zijn armen. - -—Je bent zoo boos. Je bent niets mooi zoo.... - -Ontstemd, wilde zij zich eerst niet laten zoenen, maar daar hij niet -hield van zulke ontstemmingen en wel wist zijn macht van -onwederstaanbare mooi Moorsche mannelijkheid, overmeesterde hij haar -als met glimlachend ruw geweld en pakte haar zoo dicht aan zich, dat -zij zich niet verroeren kon. - -—Je mag niet boos meer zijn... - -—Jawel... Ik haat Doddy. - -—Het arme kind heeft je niets misdaan. - -—Wel mogelijk... - -—Integendeel plaag jij haar. - -—Ja, omdat ik haar haat... - -—Waarom? Je bent toch niet jaloersch... - -Zij lachte luid. - -—Neen! Dat is niet in mijn aard. - -—Waarom dan? - -—Wat kan het je schelen! Ik weet het zelf niet. Ik haat haar. Ik heb -pleizier haar te plagen. - -—Ben je even slecht als je mooi bent? - -—Wat is slecht? Weet ik het! Ik zoû jou ook willen plagen, als ik maar -wist hoe. - -—En ik zoû jou een pak slaag willen geven... - -Zij lachte weêr hard op. - -—Misschien, dat het me nu wel goed zoû doen, gaf zij toe. Ik ben zelden -uit mijn humeur, maar Doddy...! - -Zij krampte hare vingers, en in eens, kalmer, vlijde zij zich tegen hem -aan, en sloot haar armen om zijn lichaam. - -—Vroeger was ik erg onverschillig, bekende zij. Ik ben den laatsten -tijd veel zenuwachtiger, nadat ik zoo geschrokken ben, in die badkamer. -Nadat ze me zoo gespogen hebben, met sirih. Geloof je, dat het spoken -was, van geesten? Ik geloof het niet. Het was plagerij, van den Regent. -Die ellendige Javanen weten allerlei dingen... Maar sedert dien tijd -ben ik, om zoo te zeggen, uit mijn voegen geslagen. Begrijp je die -uitdrukking?... Het was heerlijk vroeger: ik liet alles langs mijn -koude kleêren gaan. Nadat ik zoo ziek ben geweest, ben ik als -veranderd, zenuwachtiger. Theo, toen hij eens boos op me was, heeft -gezegd, dat ik na dien tijd hysterisch ben... wat ik vroeger niet -was.... Ik weet het niet: misschien heeft hij wel gelijk. Maar -veranderd ben ik wel... Ik geef minder om de menschen; ik geloof, dat -ik erg brutaal word... Ze kletsen ook nijdiger dan vroeger... Van -Oudijck crispeert me, als hij zoo rondloopt... Hij begint wat te -merken... En Doddy, Doddy...! Ik ben niet jaloersch, maar die -avondwandelingen met jou kan ik niet uitstaan... Je moet dat niet meer -doen, hoor, wandelen met haar... Ik wil het niet meer hebben, ik wil -het niet meer... En dan alles verveelt me, hier in Laboewangi... Wat -een ellendig, eentonig leven... Soerabaia vind ik ook vervelend... -Batavia ook... Het is alles zoo duf: de menschen vinden niets nieuws -uit... Ik zoû naar Parijs willen... Ik geloof wel, dat ik het element -in me heb me in Parijs te amuzeeren. - -—Verveel ik je ook? - -—Jij? - -Zij streelde hem met hare handen over zijn gezicht, over zijn borst, -tot langs zijn beenen. - -—Wil ik je eens wat zeggen? Je bent een mooie jongen, maar je bent zoo -goedig. Dat crispeert me ook. Je zoent maar iedereen, die door je -gezoend wil worden. Op Patjaram, je oude moeder, je zusters, alles lik -je maar. Dat vind ik ellendig van je! - -Hij lachte. - -—Je wordt jaloersch! riep hij uit. - -—Jaloersch? Word ik heusch jaloersch? Het is ellendig als ik het word. -Ik weet het niet: ik geloof toch van niet.... Ik wil het niet worden. -Ik geloof toch, dat er iets is, dat mij altijd zal beschermen. - -—Een duivel.... - -—Misschien. Un bon diable. - -—Begin je Fransch te spreken? - -—Ja. Met het oog op mijn gaan naar Parijs.... - -—Iets, dat me beschermt. Ik geloof vast, dat het leven geen vat op me -heeft. Dat ik onkwetsbaar ben, voor alles. - -—Je wordt bijgeloovig. - -—O, dat was ik al. Ik ben het misschien erger geworden. Zeg, ben ik -veranderd, in den laatsten tijd? - -—Je bent nerveuzer.... - -—Niet zoo onverschillig meer? - -—Je bent vroolijker, amuzanter. - -—Was ik vroeger vervelend? - -—Je was wat stil. Je was altijd mooi, heerlijk, goddelijk.... maar wat -stil. - -—Ik gaf misschien toen meer om de menschen. - -—Nu niet meer? - -—Neen, niet meer. Ze kletsen toch.... Maar zeg, ben ik niet meer -veranderd? - -—Jawel.... jaloerscher, bijgelooviger, nerveuzer.... Wat wil je nog -meer.... - -—Fyziek... ben ik fyziek niet veranderd...? - -—Neen. - -—Ben ik niet ouder geworden.... Krijg ik geen rimpels? - -—Jij, nooit. - -—Zeg.... ik geloof, dat ik nog een heele toekomst voor me heb.... Iets -heel anders.... - -—In Parijs? - -—Misschien.... Zeg, ben ik niet te oud? - -—Waarvoor? - -—Voor Parijs... Hoe oud denk je, dat ik ben? - -—Vijf-en-twintig. - -—Je jokt: je weet heel goed, dat ik twee-en-dertig ben.... Zie ik er -uit als twee-en-dertig? - -—Neen, neen.... - -—Zeg, vind je het hier geen beroerd land, Indië.... Je bent nooit in -Europa geweest? - -—Neen.... - -—Ik alleen maar van mijn tiende tot mijn vijftiende jaar.... Eigenlijk -ben jij een bruine sinjo en ik een blanke nonna.... - -—Ik hoû van mijn land. - -—Ja, omdat je je zoowat een Solosche prins vindt.... Dat is jullie -belachelijkheid van Patjaram.... Ik, ik haat Indië.... Ik spuug op -Laboewangi. Ik wil weg. Ik moet naar Parijs. Ga je meê? - -—Neen. Ik zoû nooit willen.... - -—Ook niet als je bedenkt, dat er honderde vrouwen zijn, in Europa, die -je nooit gehad hebt....? - -Hij zag haar aan: iets in hare woorden, in hare stem deed hem opzien, -een hysterische gedetraqueerdheid, die hem vroeger nooit was -opgevallen, toen zij altijd geweest was de stil hartstochtelijke -minnares, de oogen halfgesloten, die dadelijk weêr vergeten wilde en -correct werd. Iets stuitte hem van haar af: hij hield van het lenige en -weeke en meêgeven van liefkoozing, met iets indolents en -glimlachends—zooals zij vroeger geweest was:—niet van deze half -krankzinnige oogen en purperen mond, gereed om te bijten. Het was of -zij het voelde, want zij duwde hem eensklaps weg: zij zeide brusk: - -—Je verveelt me.... Ik ken je nu al: ga weg.... - -Maar dat wilde hij niet: hij hield niet van tevergeefsche rendez-vous, -en hij omhelsde haar nu en vroeg.... - -—Neen, zeide zij kort. Je verveelt me. Iedereen verveelt me hier. Alles -verveelt me.... - -Hij omvatte, op zijn knieën, haar middel, trok haar naar zich toe. Zij, -een beetje lachend, gaf iets meer toe, wriemelde zenuwachtig met haar -hand over zijn haar. Een rijtuig rolde voor aan. - -—Hoor, zeide zij. - -—Dat is mevrouw Van Does.... - -—Wat komt ze vroeg terug.... - -—Ze zal niets verkocht hebben. - -—Dan kost het jou een tientje.... - -—Denkelijk wel.... - -—Betaal je haar veel? Voor onze rendez-vous? - -—Ach, wat doet er dat toe.... - -—Hoor, zeide zij weêr, aandachtiger. - -—Dat is niet mevrouw Van Does.... - -—Neen.... - -—Dat is een mannestap.... - -—Het was ook geen dos-à-dos: het rammelde veel te veel. - -—Het zal niets zijn.... zeide zij. Iemand, die verkeerd is. Hier komt -niemand. - -—De man loopt om, sprak hij, luisterend. - -Zij luisterden beiden even. En toen, plotseling, met twee, drie passen -door het nauwe tuintje, in het kleine achtergalerijtje, rees voor de -dichte glazen deur, zichtbaar door het gordijn, zijne gestalte: die van -Van Oudijck. En de deur had hij opengerukt, voor Léonie en Addy hunne -houding konden veranderen, zoodat Van Oudijck henbeiden zag: zij, -zittende op den divan, hij geknield voor haar, hare hand, nog als -vergeten, rustende op zijn haar. - -—Léonie!! donderde haar man. - -Het bloed stormgolfde met den schok der verrassing en ziedde door haar -heen, en in éen oogenblik zag zij een geheele toekomst: zijn woede, een -scheiding, een proces, het geld, dat haar man haar geven zoû, alles -warrelend door een.... Maar, als door een druk van nerveuze wil, viel -die bloedgolf, dadelijk, in haar effen neêr en bleef zij rustig zitten: -de schrik alleen nog éen moment in haar oogen zichtbaar, tot zij ze -staalhard richten kon op Van Oudijck. En met haar vingers zacht -drukkende op Addy’s hoofd, suggereerde zij hem ook te blijven, in zijne -houding, te blijven knielen aan hare voeten, en zeide zij, als in een -zelfhypnoze, verbaasd luisterende naar den klank van haar eigen, even -heesche stem: - -—Otto.... Adrien de Luce vraagt mij bij jou een goed woord te willen -doen.... voor hem.... Hij vraagt.... om de hand van Doddy.... - -Zij bleven allen drie onbewegelijk: allen drie onder den invloed van -deze woorden, deze gedachte, die kwam,—Léonie wist zelve niet waar -vandaan.... Want, strak als een sybille, herhaalde zij, zittende recht -op, en steeds met dien zachten druk op Addy’s hoofd: - -—Hij vraagt.... om de hand van Doddy.... - -Nog sprak zij alleen. Toen ging zij voort: - -—Hij weet, dat je eenige bezwaren hebt. Hij weet, dat zijn familie je -niet sympathiek is, omdat er Javaansch bloed... in hun aderen is. - -Zij sprak nog als sprak een ander in haar, en zij moest glimlachen om -dat meervoud: aderen: zij wist niet waarom: misschien, omdat het de -eerste maal van haar leven was, dat zij dat woord, dat meervoud, -gebruikte, in gesprek. - -—Maar.... ging zij voort. Geldelijke bezwaren zijn er niet, als Doddy -op Patjaram wil wonen.... En de kinderen houden van elkaâr.... al zoo -lang. Zij waren bang voor jou.... - -Nog sprak zij alleen. - -—Doddy is al zoo lang zenuwachtig, bijna ziek.... Het zoû een moord -zijn niet toe te geven, Otto... - -Langzaam aan klonk hare stem melodieus, en kwam de glimlach om haar -lippen, maar staalhard blikten nog haar oogen, als dreigde zij met een -geheimzinnigen toorn, wanneer Van Oudijck haar niet geloofde. - -—Kom.... zeide zij heel zacht, heel lief, Addy zacht kloppend op zijn -hoofd met hare nog trillende vingers. Sta op.... Addy.... en ga.... -naar.... papa.... - -Hij stond, werktuigelijk op. - -—Léonie, vroeg Van Oudijck, schor; waarom was je hier? - -Zij zag blank verbaasd, zacht oprecht, op. - -—Hier? Ik was bij mevrouw Van Does.... - -—En hij? wees Van Oudijck. - -—Hij....? Hij kwam hier ook.... Mevrouw Van Does moest uit.... Toen -vroeg hij mij te spreken.... En toen vroeg hij mij.... de hand van -Doddy.... - -Zij zwegen weêr allen drie. - -—En jij, Otto? vroeg zij nu, iets harder. Hoe kom jij hier? - -Hij keek haar hard aan. - -—Heb je iets te koopen van mevrouw Van Does....? - -—Theo zei, dat je hier was.... - -—Theo had gelijk.... - -—Léonie.... - -Zij stond op, en met haar staalharde oogen, beduidde zij hem, dat hij -gelooven moest, dat zij niet anders wilde, dan dat hij geloofde. - -—Hoe dan ook, Otto, zeide zij, weêr zacht, kalm, lief; laat Addy niet -langer in onzekerheid. En jij, Addy, wees niet bang, en vraag Doddy’s -hand aan papa.... Ik heb over Doddy.... niets te zeggen: dat heb ik je -al gezegd. - -Nu stonden zij allen drie over elkaâr, in het nauwe middengalerijtje, -benauwd van hun adem en hun opgehoopte gevoelens. - -—Rezident.... zeide toen Addy. Ik vraag u.... om de hand.... van uw -dochter.... - -Een dos-à-dos, voor, rolde aan. - -—Dat is mevrouw Van Does, zei Léonie haastig. Otto, zeg iets, voor zij -komt.... - -—Het is goed.... zei Van Oudijck, somber. - -Vóor mevrouw Van Does binnenkwam, maakte hij zich, achter, weg, niet -ziende de hand, die Addy hem toestak. Mevrouw Van Does kwam binnen, -sidderend, gevolgd door een baboe, die een bundel droeg: haar koopwaar. -Zij zag Léonie en Addy staan, strak, gehypnotizeerd. - -—Dat was de wagen van den residèn... stamelde de Indische dame bleek. -Dat was de residèn?! - -—Ja... zei Léonie kalm. - -—Astaga!... En wat is gebeurd?? - -—Niets, ging Léonie voort, lachende. - -—Niets? - -—Of ja, toch wel wat... - -—Wat dan? - -—Addy en Doddy zijn... - -—Wat dan? - -—Geëngageerd!! - -En zij schaterde het uit, met een schellen lach van onbedwingbare -levensdolheid, terwijl zij mevrouw Van Does, verbouwereerd, in het rond -draaide en den bundel schopte uit de handen der baboe, zoodat een pak -gebatikte spreien en tafelloopers op den grond stortte en een kleine -stopflesch, vol glinsterende kristallen, rolde en brak. - -—Astaga... mijn brillanten!!! - -Nog een schop van uitgelatenheid en de tafelloopers vlogen links en -rechts, de diamanten glinsterden verspreid tusschen de pooten van -tafels en stoelen. Addy, den schrik nog in de oogen, kroop op de -handen, zoekende bij elkaâr. Mevrouw Van Does herhaalde: - -—Geëngageerd?? - - - - -II. - -Doddy was opgetogen, in de wolken, verheerlijkt, toen Van Oudijck haar -zeide, dat Addy hare hand had gevraagd, en toen zij hoorde, dat mama -hare voorspraak was geweest, omhelsde zij Léonie onstuimig, zich, met -de spontane bewegelijkheid van haar karaktertje, weêr overgevende aan -de aantrekking, die Léonie lang op haar had uitgeoefend. Dadelijk nu -vergat Doddy al wat haar gehinderd had in de te groote intimiteit -tusschen mama en Addy, als hij hing over haar stoel en met haar -fluisterde. Zij had wat zij nu en dan had gehoord, nooit geloofd, omdat -Addy haar altijd verzekerd had, dat het niet waar was. En zij was zoo -gelukkig, omdat zij met Addy, samen met hem, op Patjaram zoû wonen. -Want Patjaram was voor haar het ideaal van huiselijkheid: het groote -huis, gebouwd aan de suikerfabriek, vol zonen en dochteren en kinderen -en beesten, op wie de zelfde goedigheid en hartelijkheid en verveling -was neêrgezeefd, met achter die zonen en dochteren de aureool van -Solosche afkomst, was haar het ideaal van verblijf, en verwant voelde -zij zich aan al die kleine tradities: de sambal, gestampt en gewreven -door een hurkende baboe achter haar stoel, terwijl zij rijsttafelde, -was haar het hoogste van verhemelte-genot; de races te Ngadjiwa, -bijgewoond door de loome lengang-lengang-stoet [67] van al die vrouwen, -met de baboes achter zich, dragende zakdoek, flacon, binocle, was haar -het non-plus-ultra van elegance; zij hield van de oude Raden-Ajoe -Douairière, en aan Addy had zij zich geschonken, geheel, zonder -voorbehoud, vanaf het eerste oogenblik, dat zij hem gezien had: toen -zij een klein meisje geweest was van dertien, hij een jongen van -achttien. Om hem had zij altijd tegengestribbeld als papa haar naar -Europa had willen zenden, naar een Brusselsche kostschool; om hem had -zij nooit naar iets anders verlangd dan Laboewangi, Ngadjiwa, Patjaram; -om hem zoû zij te Patjaram leven en sterven. Om hem had zij gekend al -de kleine jalouzietjes, als hij danste met een ander; al de groote -jalouzieën, als haar meisjeskennissen haar zeiden, dat hij verliefd was -op die en het hield met die ander; om hem zoû ze die ijverzuchtjes en -ijverzucht altijd kennen, haar leven lang. Hij zoû haar leven zijn, -Patjaram haar wereld, de suiker haar belang, omdat het het belang van -Addy was. Om hem zoû ze verlangen naar veel kinderen, heel veel -kinderen, die wel bruin zouden zijn—niet blank als papa en mama en -Theo—maar bruin, omdat haar eigen moeder bruin was, zij even donzig -bruin, Addy mooi brons Moorsch bruin, en naar het voorbeeld, gegeven op -Patjaram, zouden haar kinderen, heel veel kinderen, er opgroeien in de -schaduw van de fabriek, en in al hun belang van en voor suiker, om -later de velden te planten, en suikerriet te malen, en het fortuin van -de familie weêr op te halen, dat het schitteren zoû als vroeger. En zij -was zoo gelukkig, als zij geluk maar zich voor kon stellen, ziende haar -ideaal van verliefd meisje zoo bereikbaar dichtbij: Addy en Patjaram; -en geen oogenblik bevroedende hoe haar geluk was geworden, door het -woord van zelfhypnoze, dat Léonie, bijna onbewust, had geuit op een -uiterste oogenblik. O, nu behoefde zij niet meer de donkere hoekjes, de -donkere sawahs te zoeken met Addy; nu omhelsde zij hem telkens in het -volle licht, zat zij stralende tegen hem aan, voelende zijn warme -mannelijf, dat haar toebehoorde en spoedig geheel; nu dweepten hare -oogen, zichtbaar voor iedereen, naar hem op, daar zij niet de kuische -kracht meer had zich te verbergen voor de menschen: nu was hij van -haar, nu was hij van haar! En hij, met zijn goedige gelatenheid van -jongen sultan, hij liet zich streelen zijn schouders en knieën, hij -liet zich zoenen en aaien over zijn haar, hij liet haar arm om zijn -hals, alles aannemende als een hem verschuldigde schatting, gewend aan -die schatting van liefde der vrouwen, gekoesterd in liefkoozing, van -klein mollig jongetje af, van dat hij gedragen werd door Tidjem, zijn -baboe, die verliefd op hem was,—van dat hij in een tjelana-monjet [68] -stoeide met zusters en nichtjes, die allen verliefd op hem waren. Al -die schatting aanvaarde hij goedig weg, maar diep in zich verbaasd, -geschokt door wat Léonie had gedaan... En toch, redeneerde hij, -misschien eenmaal was het ook anders van zelve zoo geworden, omdat -Doddy zoo veel van hem hield... Liever had hij ongetrouwd willen -blijven; ongetrouwd had hij op Patjaram toch huiselijkheid genoeg, en -behield hij zijn vrijheid om, goedig, veel liefde aan de vrouwen te -geven... En, naïf, bedacht hij nu al, dat het wel niet gaan zoû, nooit -gaan zoû, lang trouw aan Doddy te blijven, omdat hij heusch te goedig -was, en de vrouwen allen zoo dol. Later moest Doddy daar maar aan -wennen, zich daarin schikken leeren, en—bedacht hij—in Solo, in den -Kraton, was het toch ook zoo, met zijn ooms en zijn neven.... - -Had Van Oudijck geloofd? Hij wist het zelve niet. Doddy had Léonie -beschuldigd verliefd te zijn op Addy; Theo had hem dien morgen, toen -Van Oudijck gevraagd had, waar Léonie was, kort geantwoord: - -—Bij mevrouw Van Does.... met Addy. - -Hij had razend zijn zoon aangekeken, maar verder niet gevraagd: hij was -alleen dadelijk naar het huisje van mevrouw Van Does gereden. En in -werkelijkheid had hij zijn vrouw gevonden samen met den jongen de Luce, -hij aan haar knieën, maar zij had hem zoo rustig gezegd: - -—Adrien de Luce vraagt mij de hand van je dochter.... - -Neen, hij wist zelve niet of hij geloofde. Zijn vrouw had zoo rustig -geantwoord, en nu, de eerste dagen van het engagement, was zij zoo kalm -geweest, glimlachend als altijd.... Dat vreemde van haar, dat -onkwetsbare, alsof niets haar kon deren, zag hij nu voor het eerst. -Vermoedde hij achter die muur van onkwetsbaarheid het ironisch -vrouwegeheim van haar stil gloeiend leven? Het was of hij in zijn -latere nerveuze achterdocht, in zijn stemming van onrust, in zijn vaag -van bijgeloovigheid en spiedend luisteren naar de stilte, die spookte, -geleerd had dingen te zien om hem heen, waarvoor hij blind was geweest -in zijn stoere kracht van heerschman en hooghartig hoofdambtenaar. En -zijn verlangen om zeker te weten de geheimen, die hij raadde, werd zoo -hevig in zijn ziekelijke geprikkeldheid, dat hij vriendelijker werd en -vriendelijker tegen zijn zoon, maar nu niet meer uit spontanen -vaderdrang, waarmeê hij Theo toch altijd had liefgehad, nu uit -nieuwsgierigheid, om hem uit te hooren, en Theo te doen zeggen al wat -hij wist. En Theo, die Léonie haatte, die zijn vader haatte, die Addy, -die Doddy haatte, in zijn geheele haat van alle menschen om hem, die -het leven haatte in zijn stijfkoppig idee van blonden sinjo, verlangend -naar geld en mooie vrouwen, boos omdat de wereld, het leven, fortuin, -geluk, zooals hij dat klein zich verbeeldde, niet naar hem toekwam en -hem viel in de armen, hem viel om den hals—Theo, volgaarne, perste zijn -enkele woorden uit, als droppelen alsem, stil genietende als hij zijn -vader zag lijden. En hij liet Van Oudijck, heel langzaam-aan, raden, -dat het tòch waar was: van mama en van Addy. Nog kon Van Oudijck het -niet aannemen. In de intimiteit, die geboren werd tusschen vader en -zoon uit achterdocht en haat, zeide Theo van dien broêr in de kampong, -en dat hij wist, dat papa hem geld gaf, en dus erkende, dat het waar -was.... En Van Oudijck, niet zeker meer, niet meer wetende de waarheid, -gaf toe, dat het wel kon, gaf toe, dat het zoo was. Toen, denkende aan -de anonieme brieven,—pas den laatsten tijd—sedert hij geld deed -toekomen aan den halfbloed, die zich aanmatigde zijn naam—hem niet meer -toegezonden,—dacht hij ook aan de besmeuringen, die hij er zoo dikwijls -in had gelezen, en, toen, steeds als vuil van zich had afgeworpen: -dacht hij aan die beide namen van zijn vrouw en Theo zelve, die er zoo -vaak in werden gekoppeld. Als vlammen ziedden-op zijn wantrouwen en -zijn achterdocht, als een brand nu onbedwingbaar, die in hem verzengde -alle andere gevoel, gedachte. Tot hij zich ten laatste niet meer kon -houden en er Theo ronduit over sprak. Theo’s verontwaardiging en -ontkenning vertrouwde hij niet. En nu vertrouwde hij niets meer, en -niemand. Hij wantrouwde zijn vrouw en zijn kinderen, zijn ambtenaren; -hij wantrouwde zijn kok.... - - - - -III. - -Toen kwam als een donderslag door Laboewangi het gerucht varen, dat Van -Oudijck en zijn vrouw zouden scheiden. Léonie ging naar Europa, heel -plotseling, eigenlijk zonderdat iemand wist waarom en zonder van iemand -afscheid te nemen. En het was in het stadje een groot schandaal, men -sprak over niets anders, men sprak er zelfs over tot in Soerabaia, tot -in Batavia. Alleen Van Oudijck zweeg er over, en, alleen wat dieper -gebogen zijn rug, ging hij voort, werkte hij door, leefde hij zijn -gewoon leven. Hij had, ontrouw aan zijn principe, Theo aan een -betrekking geholpen, om hem kwijt te zijn. Hij had maar het liefst, dat -Doddy logeerde op Patjaram, waar de dames de Luce haar zouden helpen -met haar uitzet. Hij had maar het liefst, dat Doddy gauw trouwde, en -trouwde te Patjaram. In zijn groot, leêg huis wilde hij nu maar de -eenzaamheid, de immense ongezellige eenzaamheid. Hij liet niet meer -voor zich dekken: men bracht hem maar een bordje rijst, een kop koffie, -in zijn kantoor. En hij voelde zich ziek, zijn ijver verslapte: een -onverschilligheid, dof, kankerde in hem vast. Op Eldersma drukte neêr -al het werk, geheel het gewest, en toen Eldersma, na in weken niet te -hebben geslapen, en dol van ontzenuwing, den rezident zeide, dat de -dokter hem met een spoedcertificaat naar Europa wilde zenden, ontviel -Van Oudijck alle moed. Hij zeide, ook hij voelde zich ziek, op. En hij -vroeg verlof aan den Gouverneur-Generaal, hij ging naar Batavia. Hij -zeide er niets van, maar hij was zeker te Laboewangi niet meer terug te -keeren. En hij ging weg, stilletjes, zonder een blik naar achteren, -naar zijn groot arbeidsveld, waar hij eens met zooveel liefde geschapen -had een geheel. Het bestuur bleef in handen van den assistent-rezident -te Ngadjiwa. Men dacht algemeen, dat Van Oudijck den -Gouverneur-Generaal wilde spreken over eenige belangrijke kwestie’s, -maar plotseling kwam het bericht, dat hij zijn ontslag wilde nemen. Men -geloofde er eerst niet aan, maar het gerucht werd bevestigd. Van -Oudijck kwam niet meer terug. - -Hij was gegaan, zonder een blik naar achteren, in een vreemde -onverschilligheid, een onverschilligheid, die langzaam had doorziekt -zijn levensmerg van eerst zoo krachtigen en praktischen en altijd -arbeidjeugdigen man. Hij voelde die onverschilligheid voor Laboewangi, -dat hij eerst had gedacht nooit dan met het grootste heimwee te zullen -moeten verlaten—zoo hij gepromoveerd werd tot rezident eerste-klasse: -hij voelde die onverschilligheid voor zijn huiselijken kring, die niet -meer bestond. Een zacht verwelken, verflauwen, wegsterven was in zijn -ziel. Het was hem of al zijne krachten versmolten in de stilstaande -lauwte van die onverschilligheid. In Batavia plante-leefde hij wat in -een hôtel, en men dacht algemeen, dat hij naar Europa zoû gaan. - -Eldersma was al weg, doodziek, en Eva, met den kleinen jongen, had hem -niet kunnen vergezellen, omdat zij aan zware malaria-koortsen leed. -Toen zij eenigszins herstellend was, hield zij vendutie, en zoû zij -naar Batavia gaan, er een drie weken logeeren bij kennissen, vóor haar -boot vertrok. Zij verliet Laboewangi met zeer gemengde gevoelens. Zij -had er veel geleden, maar zij had er ook veel nagedacht, en zij had er -een diep gevoel gekoesterd, voor Van Helderen—een zoo zuiver en -glorieus gevoel—als zij dacht, dat maar éens straalde in een leven. Zij -nam afscheid van hem als van een gewoon vriend, te midden van anderen, -en het was niet anders dan een handdruk, dien zij hem gaf. Maar een zoo -diepe melancholie was in haar, om dien handdruk, om dat banale woord -van vaarwel, dat de snikken haar stegen in de keel. Dien avond, alleen, -weende zij niet, maar in haar hôtelkamer staarde zij uren stilzwijgend -voor zich uit. Haar man, ziek, weg.... zij wist niet hoe zij hem terug -zoû zien, òf zij hem terug zoû zien. Europa, daarginds—na hare Indische -jaren—breidde zijn kusten wel lachend voor haar uit, deed opdoemen zijn -steden, zijne beschaving, zijn kunst—maar zij was bang voor Europa. Een -stille angst, dat zij intellectueel zoû achteruit gegaan zijn, deed -haar bijna vreezen, voor den kring in het huis harer ouders, waar zij -over vier weken terug zoû zijn. Eene beving, dat men haar ver-Indiescht -zoû vinden, in hare manieren en ideeën, in haar spraak en haar -kleeding, in de opvoeding van haar kind, maakte haar van te voren -verlegen, haar, met al hare bravoure, van elegante, artistieke vrouw. -Zeer zeker was zij in haar pianospel achteruit gegaan: zij zoû in Den -Haag niet meer durven spelen. En zij dacht, dat het goed zoû zijn een -paar weken in Parijs te blijven, om zich wat te ontbolsteren, voor zij -in Den Haag zich vertoonde.... - -Maar Eldersma was te ziek.... En haar man, hoe zoû men hèm vinden, -veranderd—haar frissche, Friesche man, afgebeuld, uitgeput, geel als -perkament, nonchalant in zijn uiterlijk, somber mopperend in al zijn -uitingen.... Maar een zacht vizioen van frissche Duitsche natuur, van -Zwitsersche sneeuw, van muziek te Bayreuth, van kunst in Italië, dauwde -voor haar starenden blik, en zij zag zich met haar zieken man samen. -Samen niet meer in liefde, maar samen onder het juk van het leven, dat -zij nu eens samen hadden opgenomen.... Dan de opvoeding van haar kind! -O haar kind te redden van Indië, voor Indië! En toch, hij, Van -Helderen, hij was nooit uit Indië geweest. Maar hij, hij was, die hij -was, en hij was een uitzondering. - -Zij had hem vaarwel gezegd.... Zij moest hem vergeten. Europa wachtte -haar, en haar man, en haar kind.... - -Een paar dagen later was zij te Batavia. Zij kende Batavia -ternauwernood; jaren geleden was zij er enkele malen geweest, toen zij -uitkwam. In Laboewangi, in den uithoek harer kleine rezidentie-plaats, -was Batavia langzamerhand in hare verbeelding verheerlijkt tot de zeer -Europeesch-oriëntalische hoofdplaats, centrum van -Europeesch-oriëntalische beschaving: onduidelijk vizioen van -majestueuze lanen en pleinen, waarom de groote villa’s zich rijk -pilaarden, waarlangs de elegante equipages zich verdrongen... Zij had -altijd zooveel gehoord van die luxe van Batavia. Zij logeerde er nu bij -vrienden: hij, chef van een groot handelshuis, hun huis een der mooiste -villa’s van het Koningsplein. En dadelijk had haar, heel vreemd, -getroffen, het funèbre, de doodsche melancholie van die groote -villa-stad, waar duizenderlei bestaan als in een zwijgen koortsachtig -voortijlt naar een toekomst van geld en rust. Het was of al die huizen, -somber, trots hunne witte zuilen, hunne façaden van grootschheid, als -gezichten vol zorg fronsten met een beslommering, die zich verbergen -wilde achter het voornaam doen van breede bladeren en palmgroepen. De -huizen, hoe doorzichtig ook, tusschen hunne zuilen, hoe open ook, -schijnbaar, bleven gesloten; de menschen waren steeds onzichtbaar. -Alleen des morgens, boodschappen doende langs de winkels van Rijswijk -en Molenvliet, die, met eenige Fransche namen, poogden den indruk te -maken van zuidelijke winkelstad, van Europeesche elegance, zag Eva de -exode der witte mannen naar de Stad: wit van gelaatskleur, wit van -kleedij en als blank van blik, blank van zorgend peinzen, den verren -blanken blik vol zorg en peinzing van een ieder gericht op die -toekomst, die zij uitrekenden met enkele tientallen of vijftallen van -jaren: op dat en dat jaar, zooveel binnen, en dan weg, uit Indië weg, -naar Europa. Het was als een andere koorts dan de malaria, die hen -sloopte, en die zij zóo slopen voelde hunne nooit geacclimatizeerde -lichamen, hunne nooit geacclimatizeerde zielen, dat zij als dien dag -voorbij hadden willen loopen naar den dag van morgen, den dag van -overmorgen,—dagen, die hun iets dichter brachten hun doel, omdat zij in -stilte angstig waren te sterven vóor dat doel was bereikt. De exode -vulde de trammen met hare witte doodschheid: velen, vermogend al, maar -nog niet rijk genoeg voor hun doel, reden in hunne mylords en buggy’s -tot de Harmonie, namen daar den tram, om hun paarden niet te vermoeien. - -En in de Oude Stad, in de oude notabele woningen der eerste Hollandsche -kooplieden, nog gebouwd op de vaderlandsche wijze, met eikenhouten -trappen naar verdiepingen, nu in de Oostmoesson, vol hangende van een -dikke benauwende warmte, als een tastbaar element, dat niet te -doorademen was, bogen zij zich over hun werk, ziende tusschen hun -dorstigen blik en de witte woestijn hunne papieren, steeds de dauwende -fata-morgana van die toekomst, de lavende oaze van hunne -materialistische hersenschim: binnen zooveel tijd geld en dan weg, -weg.... naar Europa.... En in de villastad rondom Koningsplein, langs -de groene lanen, verscholen zich de vrouwen, bleven onzichtbaar de -vrouwen, den heelen langen, langen dag. De warme dag ging voorbij, het -uur van weldadige koelte kwam, het uur van halfzes tot zeven: de -mannen, doodmoê, kwamen terug in hun huizen, en rustten er uit, en de -vrouwen, moê van hare huishoudingen, hare kinderen en van niets, van -het leven van niets, het leven zonder belang, moê van de doodschheid -van haar bestaan, rustten er uit naast de mannen. In het uur van -weldadige koelte was het de rust, de rust na het bad, in négligé, om -het theeblad; de korte rust éen oogenblik, want angstig naderde het uur -van zeven—wanneer het al donker werd—en wanneer men naar een receptie -moest. Een receptie, dat was het zich warm aankleeden in Europeesch -toilet, dat was het verschrikkelijke uur van Europeesch even meêdoen -met salon-beschaving en wereldschheid, maar dat was toch ook ontmoeten -die en die, en een pas verder pogen te komen, tot de fata-morgana van -de toekomst: tot geld en tot eindelijke rust, in Europa. En nadat de -villastad in de zon den geheelen dag was somber geweest, en doodsch, en -als uitgestorven,—de mannen ginds in de oude stad, de vrouwen verborgen -in hare huizen—kruisten nu in den donker om Koningsplein en langs de -groene lanen zich enkele equipages, enkele Europeesch uitziende -menschen, die gingen naar een receptie. Terwijl om Koningsplein en aan -de groene lanen alle de andere villa’s bleven volharden in hare funèbre -doodschheid en zich vol sombere duisternis vulden, glom het huis, waar -receptie was, van lampen tusschen de palmen. En verder bleef de -doodschheid overal, bleef alom de sombere peinzing liggen over de -huizen, waarin zich verscholen de moede menschen: de mannen, afgebeuld -van werk, de vrouwen, afgebeuld van niets.... - -—Wil je niet wat toeren, Eva? vroeg hare gastvrouw, mevrouw De -Harteman, een Hollandsch vrouwtje, wit als was, en altijd moê van haar -kinderen. Maar ik ga liever niet meê, als je het me niet kwalijk neemt: -ik wacht liever op Harteman. Anders vindt hij zoo niemand thuis. Ga jij -dus, met je kleinen jongen. - -En Eva, met haar ventje, toerde in de „wagen” van De Harteman. Het was -het koele uur van licht. Zij ontmoette twee, drie rijtuigen: dat waren -mevrouw die en mevrouw die, van wie het bekend was, dat zij ’s middags -toerden. Zij zag op het Koningsplein een heer en een dame wandelen: dat -waren die en die: die wandelden altijd, dat was bekend in Batavia. -Verder ontmoette zij niemand. Niemand. In het weldadige uur bleef de -villa-stad doodsch als een stad van gestorvenheid, als een immens -mauzoleum tusschen groen. En als een weldadigheid, na de verpletterende -warmte, toch, breidde zich als een reuzeweide uit het Koningsplein, -waar het verschroeide gras met de eerste regens begon te groenen, de -huizen, zóo ver af, zóo ver verschietende in hun dichte tuinen, dat het -was als buiten, als bosch en veld en weide, met die wijde lucht -erboven, waarin de longen nu adem zwolgen, alsof zij voor het eerst, -dien dag, zuurstof zogen en leven: die wijde lucht, iederen dag als een -andere weelde van tinten, een overdaad van zonsondergang, een glorieus -sterven van den blakenden dag, of de zon zelve stuk brak in vloeizeeën -van goud tusschen lila dreigingen van regen. En het was zoo wijd en zoo -heerlijk, het was zoo een immense weldadigheid, dat het waarlijk -troostte voor dien dag. - -Maar niemand, die het zag, dan de twee, drie menschen, van wie het -bekend was, in Batavia, dat zij toerden of wandelden. Het schemerde -paarsch, de nacht viel met een zware schaduw neêr, en de stad, die den -geheelen dag doodsch was geweest, met haar frons van sombere peinzing, -sliep moê in als een stad van zorg.... - -Het was vroeger anders, zei de oude mevrouw De Harteman, de -schoonmoeder van Eva’s vriendin. Nu waren ze er niet meer, de gezellige -huizen met hun Indische gastvrijheid, met hun open tafel, met hun -oprechte hartelijkheid van ontvangst. Want het karakter van den -kolonist was als veranderd, als versomberd door het omslaan der kansen, -door de teleurstelling, dat hij niet spoedig zijn doel bereikte: zijn -materialistisch doel van rijkdom. En in die bitterheid scheen het, dat -zijne zenuwen zich ook vernijdigden; zooals zijn ziel versomberde, -verslapte zijn lichaam en bood het geen weêrstand aan het vernietigende -klimaat.... - -En Eva vond niet in Batavia de ideale stad van Europeesch-oriëntalische -beschaving, die zij zich Batavia gedacht had in den Oosthoek. In dit -groote centrum van zorg om geld, van verlangen naar geld, was alle -spontaneiteit verdwenen en versufte het leven tot een zich eeuwig -opsluiten in kantoor of in huis. Men zag elkaâr alleen op de -receptie’s, en verder besprak men elkaâr door de telefoon. Het misbruik -van de telefoon voor huiselijk gebruik doodde alle gezelligheid -tusschen kennissen. Men zag elkaâr niet meer, men hoefde zich niet meer -te kleeden en het rijtuig—de wagen—te laten inspannen, want men -cauzeerde door de telefoon, in sarong en kabaai, in nachtbroek en -kabaai, en zonder zich bijna te bewegen. De telefoon was vlak bij de -hand en door de achtergalerij tjingelde telkens het belletje. Men belde -elkaâr op om niets, alleen om het pleizier te bellen. De jonge mevrouw -De Harteman had een intieme vriendin, die zij nooit zag en iederen dag, -gedurende een half uur lang, besprak door de telefoon. Zij ging er bij -zitten, zoo vermoeide het haar niet. En zij lachte en schertste met -haar vriendin, zonder zich behoeven te kleeden en zonder zich te -bewegen. Zoo deed zij met andere kennissen ook: zij maakte hare -visite’s door de telefoon. Zij bestelde hare boodschappen door de -telefoon. Eva, in Laboewangi niet gewend aan dat eeuwig getjingel en -telefoongebel, dat alle conversatie doodde, dat in de -achtergalerij—luid op—de helft van een gesprek—het antwoord onhoorbaar -voor wie er verder zaten—klinken liet, als een onophoudelijk eenzijdig -gerammel, werd er zenuwachtig om en ging naar hare kamer. En in de -saaiheid van dit leven, vol zorg en inwendige peinzing, voor den man, -waardoor rammelde de telefoon-causerie van zijn vrouw, was het voor Eva -een verrassing in eens te hooren van een bizondere opwekking: een -Fancy-fair, repetities voor een dilettanten-opera-voorstelling. Zij -woonde er zelve een bij in die weken en het verbaasde haar: de waarlijk -zeer goede uitvoering, als gedaan met een kracht der wanhoop dier -muzikale dilettanten, om de verveling der Bataviasche avonden te -verdrijven.... Want de Italiaansche opera was weg, en zij moest lachen -om de rubriek: publieke vermakelijkheden, in de Javabode, onder welke -vermakelijkheden meestal geen andere keuze was te doen dan uit drie, -vier vergaderingen van aandeelhouders. Dat was vroeger ook anders, -zeide dan de oude mevrouw De Harteman, die zich voor vijf-en-twintig -jaren geleden wel herinnerde de uitstekende Fransche opera, die wel -duizenden eischte, maar waarvoor de duizenden altijd beschikbaar waren. -Neen, de menschen hadden geen geld meer om zich ’s avonds te amuzeeren: -zij gaven soms een heel duur diner, of zij gingen naar een vergadering -van aandeelhouders. Waarlijk, Eva vond het te Laboewangi toch nog veel -gezelliger. Het is waar, zij had er zelve tot die gezelligheid veel -meêgewerkt, terwijl Van Oudijck haar altijd had aangespoord, blij van -zijn rezidentie-plaats een aardig, vroolijk stadje te maken. En zij -kwam tot de concluzie, dat zij een kleine plaats in het binnenland, met -enkele beschaafde, gezellige, Europeesche elementen—zoo zij -harmonieerden en niet te veel kibbelden in hun nauwe samen-zijn—toch -nog voortrok boven het pretentieuze, laatdunkende en sombere Batavia. -Alleen in het militaire element was leven. Alleen de huizen van -officieren waren des avonds verlicht. Verder doodschte de stad weg, den -geheelen langen warmen dag, met hare fronsing van zorg, met hare -onzichtbare bevolking van naar de toekomst uitziende menschen: de -toekomst van geld, de toekomst misschien meer nog van rust, in Europa. - -En zij verlangde weg te komen. Batavia beklemde haar den adem, trots -haar iederendaagschen toer langs het wijde Koningsplein. Zij had alleen -nog maar éen wensch van weemoed: afscheid te nemen van Van Oudijck. -Hare natuur van elegante en artistieke vrouw, had, heel vreemd, oog -gehad, bekoring gevoeld voor de zijne: die van simpel man van praktisch -leven. Zij had misschien, éen enkel oogenblik slechts, iets voor hem -gevoeld, heel diep in zich: een vriendschap, die was als het contrast -van hare vriendschap voor Van Helderen: een waardeering meer van hoog -menschelijke kwaliteiten dan van Platonisch zielegemeenschapsgevoel. -Zij had sympathisch medeleed voor hem gevoeld in die vreemde dagen van -mysterie, hij alleen in zijn immense huis, waar rondom hem heen de -vreemde gebeurlijkheid gedonsd had. Zij had innig voor hem medelijden -gevoeld, toen zijne vrouw, als wegschoppende haar zoo hooge pozitie, -gegaan was in een drieste bui van schandaal verwekken, niemand wist -precies waarom, zijne vrouw, eerst correct altijd, trots al hare -verdorvenheid, maar langzamerhand door den kanker van het vreemde -gebeuren zoo opgegeten, dat zij zich niet meer had weten in te binden, -het geheimste van haar zondeziel blootwoelende in de meest cynische -onverschilligheid. De roode sirih-spatten, gespookspuwd op haar bloote -lichaam, hadden in haar geziekt, waren in haar merg gevreten, als een -ontbinding van hare ziel, waarin zij misschien zoû ondergaan, heel -langzaam weg. Wat men nu van haar vertelde,—hoe zij leefde in -Parijs—was alleen te fluisteren, als een onuitzegbare verdorvenheid. - -In Batavia, tusschen de praatjes op de receptie’s, hoorde Eva hierover. -En toen zij vroeg naar Van Oudijck, waar hij logeerde, of hij spoedig -naar Europa zoû gaan, na zijn zoo onverwachts genomen ontslag—iets, dat -de geheele ambtenaarswereld had verbaasd, wist men niet goed, vroeg men -elkander of hij dan niet meer was in het hôtel Wisse, waar men hem toch -enkele weken had zien wonen, in zijn voorgalerijtje onbewegelijk -liggende in zijn stoel, de beenen op de latten, onbewegelijk als -starende naar éen punt.... Hij was bijna niet uitgegaan, hij at daar, -kwam niet aan de table-d’hôte, als was hij—de man, die steeds met -honderde menschen had moeten omgaan—menschenschuw geworden. En -eindelijk hoorde Eva, dat Van Oudijck te Bandong woonde. Daar zij er -eenige afscheidsvisites te maken had, ging zij naar den Preanger. Maar -te Bandong was hij niet te vinden: de hôtelhouder wist haar wel te -zeggen, dat de rezident Van Oudijck enkele dagen ten zijnent verbleven -was, maar hij was gegaan, en hij wist niet waarheen. Tot eindelijk, bij -toeval, zij van een heer aan tafel hoorde, dat Van Oudijck dichtbij -Garoet woonde. Zij ging naar Garoet, blijde hem op het spoor te zijn. -En daar, in het hôtel, wist men haar te beduiden, waar hij woonde. Zij -wist niet, of zij hem eerst schrijven zoû en aankondigen haar bezoek. -Het was of zij iets voorried, dat hij zich dan excuzeeren zoû en zij -hem niet meer zoû zien. En zij, op het punt Java te verlaten, verlangde -hem te zien, uit sympathie, en uit nieuwsgierigheid, beiden. Zij -verlangde zelve te zien, hoe hij geworden was, hem te doordringen, -waarom hij zoo plotseling zijn ontslag had genomen, en zich had -uitgewischt zijne zoo benijdbare plaats in het leven: plaats, -oogenblikkelijk ingenomen, door wien achter hem aandrong, in het gretig -dringen naar promotie. Den volgenden morgen dus, heel vroeg, zonder -iets te hebben gemeld, reed zij in een rijtuig van het hôtel weg; de -hôtelhouder had den koetsier uitgeduid, waar hij heen moest. En zij -reed heel lang, langs het meer van Lellès, waarop de koetsier haar -opmerkzaam maakte: het heilige, sombere meer, waarin op twee eilanden -liggen de aloude graven van heiligen, terwijl er boven zweefde, als een -donkere wolk van doodschheid, een altijd ronddraaiende zwerm van heel -groote kalongs, zwarte reuzevleêrmuizen, klapwiekende hunne demonische -vlerken en krijschende hun wanhoopzege-schreeuw, onophoudelijk -omcirkelend: rouw-zwarte duizeling tegen de eindeloos diepe blauwe -lucht van den dag aan, of zij, de eens zoo dagschuwe demonen, -gezegevierd hebben en niet meer schuwen het licht, omdat zij het met de -schaduw van hun funèbre vlucht tòch verduisteren. En het was zoo iets -beklemmends: het heilige meer, de heilige graven en daarboven een zwerm -als van zwarte duivels in den diepen blauwen ether, omdat het was of -iets van het mysterie van Indië er zich plotseling openbaarde, zich -niet meer verbergende in vage verdonzing, maar zichtbaar werkelijk in -de zon, ontstelling wekkend met zijn dreigende zege.... Eva huiverde, -en terwijl zij angstig naar boven keek, was het haar of de zwarte zwerm -van schermwieken naar beneden zoû slaan. Op haar.... Maar de schaduw -van dood tusschen haar en de zon cirkelde alleen als een duizeling, -hoog boven haar hoofd, en wanhoopschreeuwde alleen zijn triomf.... Zij -reed verder, en de vlakte van Lellès breidde zich groen en lachend voor -haar uit. En de seconde van openbaring was al voorbij getikt: er was -niets meer dan de groene en blauwe weelde van Java’s natuur: het -mysterie school al weêr weg tusschen de fijne, wuivende bamboe’s, loste -op in den azuuroceaan van de lucht. - -De koetsier reed langzaam een stijgenden weg op. De liquide sawah’s -traptraden als spiegelterrassen naar boven, ijl groen van de -voorzichtig geplante padi-halmpjes; toen, plotseling, was het als een -varen-allee; reuzevarens, die hoogopwaaierden, en groote fabelkapellen -fladderden rond. En tusschen de ijlte der bamboe’s werd zichtbaar een -kleine woning, half steen, half bamboe-vlechtwerk, met een tuintje er -om, waarin enkele witte potten met rozen. Een heel jonge vrouw in -sarong en kabaai, zachtjes goudglanzend de wangen, nieuwsgierig -spiedend de koolzwarte oogen, zag uit naar de verrassing van het -rijtuig, dat heel langzaam aankwam en vluchtte naar binnen. Eva steeg -uit, en kuchte. En om een schutsel in het middengalerijtje zag zij -eensklaps iets van het gezicht van Van Oudijck, gluren. Hij verdween -dadelijk. - -—Rezident! riep zij, en maakte hare stem lief. - -Maar niemand kwam, en zij werd verlegen. Zij dorst niet gaan zitten en -toch wilde zij ook niet weêr gaan. Maar om het huisje, buiten, gluurde -een gezichtje, twee bruine gezichtjes, van heel jonge nonna-meisjes, en -verdwenen weêr, gichelend. In het huisje hoorde Eva fluisteren, als -iets van een groote emotie, heel zenuwachtig. Sidin! Sidin! hoorde zij -roepen en fluisteren. Zij glimlachte, wat moediger en bleef en liep wat -in het voorgalerijtje. En eindelijk kwam een oude vrouw, misschien niet -zoo heel oud van jaren, maar al oud van rimpelig vel en uitgedoofde -oogen, in een gekleurde chitsen kabaai en slepend haar sloffen, en met -een beetje Hollandsch en toen toch maar Maleisch, glimlachend, beleefd, -vroeg zij Eva te gaan zitten, en zei, dat de rezident dadelijk zoû -komen. Zij zette zich ook, glimlachte, wist niet te spreken, wist niet -te antwoorden, toen Eva haar iets vroeg over het meer, over den weg. -Zij liet maar liever stroop brengen, en ijswater, en oublie-tjes, en -praatte niet, maar glimlachte en verzorgde hare gast. Als de jonge -nonna-gezichtjes gluurden om het huisje, stampte de oude vrouw boos met -de slof en schold ze een plotseling woord toe, en dan verdwenen ze -gichelend en liepen hard weg op hoorbaar klinkende bloote voetjes. Dan -glimlachte weêr de oude met haar altijd glimlachenden rimpelmond en zag -als verlegen naar de dame, als vroeg zij haar excuus. En heel lang -duurde het, tot Van Oudijck eindelijk aankwam. Met effuzie begroette -hij Eva, verontschuldigde zich haar te hebben laten wachten. -Klaarblijkelijk had hij zich vlug geschoren, een frisch wit pak -aangetrokken. En hij was zichtbaar verheugd haar te zien. De oude -vrouw, met haar eeuwigen glimlach van verontschuldiging, vertrok. In -die eerste opgewektheid scheen Van Oudijck aan Eva geheel de zelfde -toe, maar toen hij, kalmer, zat en haar vroeg of zij tijding van -Eldersma had, wanneer zijzelve ging naar Europa, zag zij, dat hij oud -was geworden, een oude man. Het was niet in zijn figuur, dat, in zijn -goed gesteven witte pak, nog altijd iets breed militairs had behouden, -iets forsch gehouwens, den rug alleen wat meer krommende als onder een -last. Maar het was in zijn gezicht, in den doffen, belangeloozen blik, -in de zware groeven van het bijna pijnlijke voorhoofd, de tint van de -huid geel en dor, terwijl zijn breede snor, waarom de joviale trek nog -eens speelde, geheel grijs was. Een zenuwachtige trilling was in zijne -handen. En hij hoorde haar uit, wat men te Laboewangi had gezegd, nog -even nieuwsgierig naar de menschen van daarginds, naar iets van zijn -eens zoo dierbaar gewest.... Zij sprak er vaag over heen, vergoêlijkend -en verbloemend, en hem vooral niets zeggende, van de praatjes: dat hij -met de noorderzon was vertrokken, dat hij gevlucht was, waarvoor, men -wist het zelve niet. - -—En u, rezident, vroeg zij; gaat u ook gauw naar Europa? - -Hij staarde voor zich uit, toen lachte hij pijnlijk voor hij -antwoordde. En hij zeide eindelijk, bijna verlegen: - -—Neen mevrouwtje, ik ga maar niet meer terug. Ziet u eens, hier in -Indië ben ik wat geweest, daar zoû ik niets zijn. Ik ben nu ook niets -meer, maar ik voel toch, dat Indië mijn land is geworden. Het land -heeft zich van mij meester gemaakt en ik behoor het nu toe. Aan Holland -behoor ik niet meer, en niets en niemand in Holland behoort mij. Ik -ben, wel is waar, uitgevuurd, maar ik sleep toch nog liever mijn -bestaan hier een poosje voort, dan daar. In Holland zoû ik niet meer -kunnen tegen het klimaat en niet meer tegen de menschen. Hier is het -klimaat mij sympathiek en van de menschen heb ik mij teruggetrokken. -Theo heb ik nog voor het laatst geholpen, en Doddy is getrouwd. En de -beide jongens gaan naar Europa, voor hun opvoeding.... - -Hij boog zich in eens naar haar over, en, met een andere stem, -fluisterde hij bijna, als wilde hij komen tot een bekentenis: - -—Ziet u.... als alles gewoon was gegaan.... dan.... dan had ik niet -gehandeld als ik gedaan heb. Ik ben altijd geweest een man van de -praktijk en daarop was ik trotsch en ik was trotsch op het gewone -leven: mijn eigen leven, dat ik leidde volgens principes, die ik goed -dacht, naar een hoog punt onder de menschen. Zoo ben ik altijd geweest, -en zoo ging het goed. Alles ging mij voor den wind. Als anderen tobden -over promotie, sprong ik er vijf tegelijk over den kop. Het was alles -glad voor mij uit, ten minste in mijn carrière. In mijn huiselijk leven -ben ik niet gelukkig geweest, maar ik zoû nooit week genoeg zijn om -daar onder weg te teeren van verdriet. Er is zoo veel voor een man -buiten zijn huiselijk leven. En toch hield ik altijd veel van mijn -huiselijken kring. Ik geloof niet, dat het mijn schuld geweest is, dat -alles zoo is geloopen. Ik hield van mijn vrouw, ik hield van mijn -kinderen, ik hield van mijn huis: mijn huiselijkheid, waarin ik man en -vader was. Maar dat gevoel in mij is nooit tot zijn recht kunnen komen. -Mijn eerste vrouw was een nonna, die ik trouwde omdat ik verliefd op -haar was. Omdat zij mij er niet onder kreeg met haar nukjes, ging het -na eenige jaren niet meer. Op mijn tweede vrouw was ik misschien nog -verliefder dan op mijn eerste: ik ben in die dingen eenvoudig -aangelegd.... Maar ik heb het nooit mogen hebben: een lieven -huiselijken kring: een lieve vrouw, kinderen, die op je schoot kruipen, -die je lief ziet opgroeien tot menschen, menschen, die aan jou -verschuldigd zijn hun leven, hun bestaan, eigenlijk alles wat zij -hebben en zijn.... Dat zoû ik gaarne gehad hebben.... Maar zooals ik -zeg, al miste ik het, het had mij toch nooit ten onder gebracht.... - -Hij zweeg even, toen ging hij voort, geheimzinniger, fluisterender nog: - -—Maar dàt, ziet u,... dàt, wat gebeurd is.... dat heb ik nooit -begrepen.... en dat heeft mij gebracht.... tot hier.... Dat, dat alles, -wat streed, wat indruischte tegen leven en praktijk en logica.... al -die—hij sloeg met de vuist op de tafel—al die verdomde nonsens, en die -toch.... die toch maar gebeurde.... dat heeft het hem gedaan. Ik was er -wel sterk tegen in, maar mijn kracht hielp er niet tegen. Het was iets, -waartegen niets hielp.... Ik weet het wel: het was de Regent. Toen ik -hem gedreigd heb, is het opgehouden.... Maar, mijn God, mevrouwtje, zeg -mij, wàt was het?? Weet u het? Neen, niet waar, niemand, niemand wist -het, niemand weet het. Die vreeslijke nachten, die onverklaarbare -geluiden boven mijn hoofd; die nacht in de badkamer met den majoor en -de andere officieren.... Het was toch geen zinsbegoocheling: wij zagen -het, wij hoorden het, wij voelden het: het viel op ons, het spoog op -ons: de heele badkamer was er vol van!! Andere menschen, die het niet -ondervonden hebben, kunnen het gemakkelijk ontkennen. Maar ik—wij -allen—wij hebben het toch gezien, gehoord, gevoeld.... En wij wisten -geen van allen wat het was.... En sedert heb ik het altijd gevoeld. Het -was om mij, in de lucht, onder mijn voeten.... Ziet u, dat.... en dat -alleen—fluisterde hij heel zacht—dat heeft het gedaan. Dat heeft -gemaakt, dat ik daar niet meer blijven kon. Dat heeft gemaakt, dat ik -als met stomheid, met idiotisme geslagen werd—in het gewone leven, in -al mijn praktijk en logica, die mij op eens toescheen als een foutief -opgebouwd levensstelsel, als de meest abstracte bespiegeling—omdat er -dwars door heen dingen gebeurden van een andere wereld, dingen, die mij -ontsnapten, mij en aan iedereen. Dat, dat alleen heeft het gedaan. Ik -was mezelf niet meer. Ik wist niet meer wat ik dacht, wat ik deed, wat -ik gedaan had. Alles heeft in mij gewankeld. Die ellendeling in de -kampong.... hij is mijn kind niet: ik verwed er mijn leven om. En -ik.... ik heb het geloofd. Ik heb hem geld doen toekomen. Zeg mij, -begrijpt u mij? Zeker niet? Het is niet te begrijpen, dat vreemde, dat -oneigenlijke, als men het niet ondervonden heeft, in zijn vleesch en in -zijn bloed, totdat het doordrong in je merg.... - -—Ik geloof wel, dat ik het ook wel eens gevoeld heb, fluisterde zij nu. -Als ik met Van Helderen wandelde langs de zee, en de lucht was zoo ver, -de nacht zoo diep, of de regens van zoo heel ver aanruischten en dan -neêrvielen.... of als de nachten, doodstil en toch zoo overvol van -geluid, om je heen trilden, altijd met een muziek, die als niet was te -vatten en nauwlijks te hooren.... Of eenvoudig, als ik zag in de oogen -van een Javaan, als ik sprak met mijn baboe en het was of niets van wat -ik zeide, drong tot haar door, en of wat zij mij antwoordde haar -eigenlijk geheime antwoord verborg.... - -—Dat is weêr anders, zeide hij; dat begrijp ik niet: ik voor mij, ik -kende wel den Javaan. Maar misschien voelt elke Europeaan dàt op een -andere manier, volgens zijn aanleg, en zijn natuur. Voor den een is het -misschien de antipathie, die hij van den beginne voelt in dit land, dat -hem in de zwakte van zijn materialisme aanvalt en blijft bestrijden.... -terwijl het land zelve toch zoo vol poëzie is en.... mystiek.... zoû ik -bijna zeggen. Voor een ander is het het klimaat, of het karakter van -den inboorling, of wat ook, dat hem vijandig is en onbegrijpelijk. Voor -mij.... waren het feiten, die ik niet begreep. En tot nog toe had ik -een feit altijd kunnen begrijpen.... ten minste, dat kwam mij zoo voor. -Nu werd het mij of ik niets meer begreep.... Zoo werd ik slecht -ambtenaar, en toen begreep ik, dat het gedaan was. Ik ben er toen -rustig meê uitgescheiden. En nu ben ik hier, en nu blijf ik maar hier. -En weet u, wat het vreemde is? Hier heb ik mijn huiselijken kring.... -misschien eindelijk gevonden.... - -De bruine gezichtjes gluurden om den hoek. En hij riep ze, hij lokte -ze, vriendelijk, met een breed vaderlijk gebaar. Maar hoorbaar op -bloote voetjes, stampten zij weêr weg. Hij lachte. - -—Ze zijn heel verlegen, die kleine apen, zeide hij. Het zijn de zusjes -van Lena, en die u zooeven gezien heeft, is haar moeder. - -Hij zweeg even, eenvoudig weg, als zoû zij wel begrijpen wie Lena was: -de heel jonge vrouw met de goudgewaasde wangen en de koolzwarte oogen, -die zij even in een flits had gezien. - -—En dan zijn er broêrtjes, die moeten leeren in Garoet. Ziet u, dat is -nu mijn huiselijke kring. Toen ik met Lena kennis maakte, heb ik de -heele familie er maar bijgenomen. Het kost me wel veel geld, want ik -heb mijn eerste vrouw te Batavia, mijn tweede te Parijs, René en Ricus -in Holland. Dat kost me allemaal geld. En nu hier mijn nieuwe -„huiselijke kring”. Maar ik hèb nu ten minste mijn kring.... Het is me -wel een Indische boel zal u zeggen: dat Indische-huwelijk met een -dochter van een koffie-opziener, en daarbij nog op den koop toe de oude -vrouw en de broêrtjes en zusjes. Maar ik doe er nog iets goeds meê. De -menschen hadden geen cent, ik help ze. En Lena is een lief kind, en de -troost van mijn ouden dag. Ik kan niet leven zonder vrouw, en zoo is -het van zelf zoo gekomen... En zoo is het heel goed: ik vegeteer nu -hier, en drink lekkere koffie en ze zorgen goed voor den ouden man... - -Hij zweeg even, en toen: - -—En u... u gaat naar Europa? Arme Eldersma, ik hoop, dat hij spoedig -herstelt... Het is alles mijn schuld, niet waar: ik liet hem maar te -veel werken. Maar zoo is het in Indië, mevrouw. Wij werken hier -allemaal hard. Tot dat wij niet meer werken. En u gaat... al over een -week? Wat zal u blij zijn uw ouders te zien, en mooie muziek te hooren. -Ik ben u nog altijd dankbaar. U heeft veel voor ons gedaan, u was de -poëzie in Laboewangi. Arm Indië.... wat schelden ze er niet op. Het -land kan het toch niet helpen, dat er Kaninefaten op zijn grond zijn -gekomen, barbaarsche veroveraars, die maar rijk willen worden en weg... -En als ze dan niet rijk worden.... dan schelden ze: op de warmte, die -God het van den beginne gegeven heeft.... op het gemis aan voedsel voor -ziel en geest... ziel en geest van den Kaninefaat. Het arme land, -waarop zoo gescholden is, zal wel denken: Was weggebleven! En u... u -hield ook niet van Indië. - -—Ik heb geprobeerd er de poëzie van te vatten. En nu en dan vatte ik -ook die poëzie. Verder... is alles mijn schuld, rezident, en niet de -schuld van dit mooie land. Evenals uw Kaninefaat.... had ik hier niet -moeten komen. Al mijn spleen, al mijn melancholie... hier geleden in -dit mooie land van mysterie... is mijn schuld. Ik scheld niet op Indië, -rezident. - -Hij vatte haar bij de hand, en bijna met ontroering, bijna met een -vochtglans in zijn oog. - -—Ik dank u ervoor, zeide hij zacht. Dat woord is van u: uw eigen woord, -het woord van een verstandige, ontwikkelde vrouw, die niet als een -stomme Hollander er maar op los trekt, omdat hij niet precies hier -gevonden heeft wat aan zijn ideaaltje beantwoordde. Ik weet het: uw -natuur heeft hier veel geleden. Het kan niet anders. Maar... het was -niet de schuld van het land. - -—Het was mijn eigen schuld, rezident, herhaalde zij, met haar zachte -stem en haar glimlach. - -Hij vond haar aanbiddelijk. Dat zij niet uitvoer in imprecaties, niet -losbarstte in heerlijkheid omdat zij over een paar dagen Java verliet, -deed hem weldadig aan. En toen zij opstond, zeggende, dat het haar tijd -werd, voelde hij een zwaren weemoed. - -—En ik zie u dus nooit meer terug? - -—Ik geloof niet, dat wij zullen terugkomen. - -—Het is dus een afscheid voor altijd? - -—Misschien zien wij u nog, in Europa.... - -Hij weerde af met de hand. - -—Ik ben u innig dankbaar, dat u den ouden man eens is komen opzoeken. -Ik rijd met u meê naar Garoet... - -Hij riep het naar binnen, waar de vrouwen, onzichtbaar, scholen, waar -de kleine zusjes gichelden. En hij steeg met haar in het rijtuigje. Zij -reden de varen-allee uit en plotseling zagen zij het heilige meer van -Lellès, oversomberd door de cirkelende duizeling der altijd -rondvlerkende kalongs. - -—Rezident, fluisterde zij; ik voel het hier.... - -Hij glimlachte. - -—Dat zijn maar kalongs, zeide hij. - -—Maar in Laboewangi.... daar was het misschien maar een rat... - -Hij fronste even de brauwen; toen glimlachte hij weêr,—den jovialen -trek om zijn breeden snor—en nieuwsgierig zag hij naar boven. - -—Hè, zeide hij zacht. Heusch? Voelt u het hier? - -—Ja. - -—Neen, ik niet.... Het is bij een ieder iets anders. - -De reuzenvleêrmuizen wanhoopschreeuwden schril hun triumf. Het -rijtuigje reed voorbij, en ging langs een kleine spoorweghalte. En in -de anders zoo eenzame landstreek was het vreemd, dat eene geheele -bevolking, een zwerm van bonte Soendaneezen, samenstroomde aan het -kleine station, gretig uitziende naar een langzame trein, die, tusschen -de bamboes zwartrookend, naderde. Aller oogen waren als dol open -gesperd, als verwachtten zij het heil van den eersten aanblik, als zoû -een schat voor hun ziel zijn de eerste indruk, dien zij zouden -ontvangen. - -—Dat is een trein met nieuwe hadji’s, zei Van Oudijck. Allemaal versche -Mekka-gangers.... - -De trein hield stil, en uit de lange wagens der derde klasse, plechtig, -langzaam, vol wijding en bewust van hunne waarde, stegen de hadji’s -uit, rijk geel en wit getulband het hoofd, waarin trotsch de oogen -glansden, laatdunkend de lippen zich dicht trokken, in nieuwe glanzende -jassen, goudgele en purperen samaren, die vielen aanzienlijk bijna neêr -tot de voeten. En, gonzend van verrukking, soms met een opstijgenden -kreet van onderdrukte extaze, drong nader de uitziende menigte, -bestormde de nauwe uitgangen van de lange wagons.... De hadji’s, -plechtig, stegen uit. En hun broeders en hun vrienden grepen om strijd -hunne handen, de zoomen van hunne goudgele en purperen samaren, en -kusten die heilige hand, dat heilig gewaad, omdat het hun bracht iets -van het heilige Mekka. Zij vochten, zij verdrongen elkaâr om de -hadji’s, om het allereerst den kus te geven. En de hadji’s, -laatdunkend, zelfbewust, schenen den strijd niet te zijn, waren als -voornaam rustig en plechtig aanzienlijk te midden van den strijd, te -midden van de golvende en gonzende menigte, en overlieten hun hand, -overlieten hun tabbaardzoom aan den dweepkus van al wie hen nakwam. - -En vreemd was het in dit land van diep geheimzinnig sluimerend -mysterie, in dit volk van Java, dat zich als altijd verborg in het -geheim van zijn ondoordringbare ziel—wel onderdrukt maar toch -zichtbaar, te zien rijzen eene extaze, te zien oogstaren een dronkene -dweping, te zien zich openbaren een deel van die ondoordringbare ziel -in hare vergoddelijking van wie het graf des Profeten had gezien, te -hooren zacht gonzen een godsdienstverrukking, te hooren optrillen, -plotseling onverwacht, een niet te onderdrukken kreet van glorie, die -weêr dadelijk verzonk, versmolt in het gegons, als angstig om -zichzelven, omdat het heilige tijdstip nog niet daar was.... - -En Van Oudijck en Eva, op den weg, achter het station, langzaam -voortrijdend om de drukke menigte, die gonzende altijd de hadji’s -omringde, hun dragende eerbiedig hun reisgoed, hun vleierig aanbiedend -hunne karretjes, zagen plotseling elkander aan, en ofschoon zij het -geen van beiden wilden zeggen met woorden, zeiden zij elkaâr met een -blik van begrijpen, dat zij Hèt, Dàt, voelden—beiden—beiden -tegelijkertijd nu, daar te midden van het dwepen dier menigte.... - -Zij voelden het beiden, het onuitzegbare: dat wat schuilt in den grond, -wat sist onder de vulkanen, wat aandonst met de verre winden meê, wat -aanruischt met den regen, wat aandavert met den zwaar rollenden donder, -wat aanzweeft van wijd uit den horizon over de eindelooze zee, dat wat -blikt uit het zwarte geheimoog van den zielgeslotenen inboorling, wat -neêrkruipt in zijn hart en neêrhurkt in zijn nederige hormat, dat wat -knaagt als een gift en een vijandschap aan lichaam, ziel, leven van den -Europeaan, wat stil bestrijdt den overwinnaar en hem sloopt en laat -kwijnen en versterven, heel langzaam aan sloopt, jaren laat kwijnen, en -hem ten laatste doet versterven, zoo nog niet dadelijk tragisch dood -gaan: zij voelden het beiden, het Onuitzegbare.... - -En in het voelen ervan, tegelijk met den weemoed van hun afscheid, dat -zoo dadelijk dreigde, zagen zij niet, te midden der golvende, deinende, -gonzende menigte, die als eerbiediglijk voortstuwde de gele en purperen -voornaamheden der uit Mekka terugkeerende hadji’s—zagen zij niet dien -éenen grooten witten, rijzen boven de menigte uit en kijken met zijn -grijnslach naar den man, die hoe hij ook zijn leven geademd had in -Java, zwakker was geweest dan Dàt.... - - - Passaroean-Batavia, - Oct. ’99–Febr. 1900. - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Dispensier, hofmeester. - -[2] Neen! - -[3] Diamanten. - -[4] Naaister. - -[5] Gesp. - -[6] Eekhoorn, klapperrot. - -[7] Blaaspijp. - -[8] Gebrande boontjes. - -[9] Binnenlandsch Bestuur. - -[10] Poudre-de-riz. - -[11] Schrijvers, klerken. - -[12] Lang, gebatikt kleed. - -[13] Chineesch goudborduursel. - -[14] Woning van den Regent. - -[15] Provizie-kamer. - -[16] Latta, een nerveuze ziekte van oogenblikkelijk gesuggereerde -imitatie, met ook plotselinge herstellingen. - -[17] Gooi neêr! - -[18] Draagblad. - -[19] Naar buiten! - -[20] Vergeving! - -[21] Spaansche peper. - -[22] Paleis. - -[23] Wierook. - -[24] Groente-sausen. - -[25] Kip. - -[26] Vijzel. - -[27] Gordijn. - -[28] Rund. - -[29] Rietvezels. - -[30] Zaad. - -[31] Sambal van Spaansche peper. - -[32] Nachtwacht. - -[33] Markt. - -[34] Hol houtblok. - -[35] Heilige noodlotsberekeningen. - -[36] Binnenlandsch hôtel, ten dienste der ambtenaren. - -[37] Sjerp, shawl. - -[38] Vorstelijke danseressen. - -[39] Rijksbestierder, volgende in rang op den Regent. - -[40] Inlandsche geneeskundige. - -[41] Talisman. - -[42] Avond-markt. - -[43] Plein voor de Regentswoning. - -[44] Maleische schouwburg. - -[45] Maandelijksche bestuursvergadering. - -[46] Overdekte vierkante ruimte, vóor de Regentswoning, voor -vergaderingen en feesten. - -[47] Soda-water. - -[48] Mat. - -[49] Rijksdaalder. - -[50] Wilde kat. - -[51] Spoken. - -[52] Onheil. - -[53] Ongetwijfeld. - -[54] Stadstuin. - -[55] Offermaal. - -[56] Vleêrmuizen. - -[57] Breng het badgoed! - -[58] Wat er aan te doen! - -[59] De lampenjongen. - -[60] Reukwater. - -[61] Wat is dit dan? - -[62] Smid. - -[63] Waterschep. - -[64] Breng een lamp! - -[65] Politie-dienaren. - -[66] Karretje. - -[67] De armen wiegelend bij het loopen: de typische gang der Indische -vrouw. - -[68] Hansop. - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE STILLE KRACHT *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
