diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/67746-0.txt | 7948 | ||||
| -rw-r--r-- | old/67746-0.zip | bin | 154594 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/67746-h.zip | bin | 256628 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/67746-h/67746-h.htm | 8447 | ||||
| -rw-r--r-- | old/67746-h/images/front.jpg | bin | 74247 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/67746-h/images/titlepage.png | bin | 11583 -> 0 bytes |
9 files changed, 17 insertions, 16395 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..39b947b --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #67746 (https://www.gutenberg.org/ebooks/67746) diff --git a/old/67746-0.txt b/old/67746-0.txt deleted file mode 100644 index 9d9bd4b..0000000 --- a/old/67746-0.txt +++ /dev/null @@ -1,7948 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Dionyzos, by Louis Couperus - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Dionyzos - -Author: Louis Couperus - -Release Date: March 31, 2022 [eBook #67746] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This - file was produced from images generously made available by - The Internet Archive/Canadian Libraries) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DIONYZOS *** - - - - - DIONYZOS - - - DOOR - LOUIS COUPERUS - - - L. J. VEEN—AMSTERDAM - - - - - - - - - - DIONYZOS-STUDIËN. - - - I. - - Na de Kleine Zielen, - en vóor Dionyzos.... - - O, Dionyzos—druivenperser—god, - Dien ik gedenk, wanneer mijn morgens dwalen - Langs lange marmergodenvolle zalen, - Na ’t scheemren veler kleiner Zielen lot; - - O, Dionyzos, laat uw lach en spot - En spel en sterke levenswellust stralen, - Hel glanzend goud vol zuider-idealen, - En schenk mij in uw schalen ’t nieuw genot! - - Mijn ziel is twee: een kind van noordewee, - Duikt zij deemoedig onder noordeluchten - En voelt zich éen met grauwe lucht en zee. - - Maar als de schemervizioenen vluchten - Na ’t kleurloos schaadwen duistrer kleinen leed, - Slaakt zij naar blaùwe lucht haar jubelkreet; - - - - II. - - Voelt zij zich, Dionyzos, met u één, - Blaakt zij uw leven meê: verwonderd blikken - Haar heldrende oogen naar die oogenblikken - Terug, waarin zij welkte in geween. - - Zij weent niet meer; en wil niet meer gesteen - En starende oogen, en het stootend snikken; - Niet meer het onder Noodlot onverwrikken - En scheemren, samen met die Zielen kleen. - - Zij schiep ze, Dionyzos, maar, geschapen, - Strijkt zij de hand zich langs de smarteslapen - En zucht zij op, heel diep uit ùwe ziel! - - En lachen zoû zij willen zonder reden, - Een kind gelijk, dat gij, o mijn aanbeden - Genot! verlost van weemoeds noodlotwiel! - - - - III. - - Nu, lachend, speuren mijn begeerige oogen - Naar iedren sater, dien ik, marmer, zie, - Beschonken, neêrgezonken op éen knie, - Den wijnzak drukkende; dra zat gezogen, - - Loert naar een nymf hij met zijn scheel gespie: - Zijn dronken vingers bootsen, lustgebogen, - Krampbevende haar lichaam na: gedoogen - Zal hij het nooit, dat zij hem snel ontvlie. - - Zijn lach grijnst breed; zijn spitse ooren trillen, - Zijn lippen, droesemrood nog, zouden willen - Haar lippen bijten met zijn dronken zoen. - - In ’t marmer is zijn wil veronverwrikbaard; - Hij weet—en van voldoening spitst zijn sikbaard— - Dat Dionyzos haar geen hulp zal doen! - - - - IV. - - O, Dionyzos, laat uw godeleven - Ik zonhel, etherdiep nu gadeslaan - Langs purperwanden van het Vaticaan; - De zalen door, waar vaag de schimmen zweven - - Der badgenooten van Diocletiaan, - Die zich UW ranken om de slapen weven! - O, laat mijn loome voeten dwalen, beven - Mijn dronken ziel bij ’t Kapitool-ingaan! - - Ik zoek U slechts, ik zoek UW ruige saters! - Mijn zinnen smachten naar hùn dolle schaters, - Mijn heet hart hijgt naar uwer faunen zang: - - Nòg spelen fluit zij als Praxiteles - Hun vingers leerde, parelgamma-les, - Op rietjes, drie kort en vier rietjes lang! - - - - V. - - Mijn Dionyzos, dien ik al zoo innig - Zie voor mijn zuidelijke ziel, o zeg, - Moet ik nog wachten, vóor ik om u leg - Mijn beide handen, u omvat beminnig, - - En geef mijzelven aan uzelven weg? - Vinden uw saters mij te droef diepzinnig - Of zal hun spot mij heeklen veel te vinnig - Omdat ik, u omhelzende, overleg...? - - Maar zoo mijn noordelijke ziel blijft treuren, - Zult gij, o blijde god, niet waardig keuren, - Wie U wil zeggen met te doffen klank; - - Mijn ziel is twee: ik hoor haar stem nòg klagen: - Haar woord moet schel zijn als een cymbelsprank, - Om u te heerlijken langs myrtehagen! - - - - VI. - - Ludovisi-Buancampagni. - - Ik zie slechts u, ik zie u overal, - Zie, kind, u op Silenos’ armen slapen, - Zie, knaap, u schoonste, onder alle knapen, - Zie, jongling, zwelgen u bij fluitgeschal; - - Ik zie u, Wellust! ranken om de slapen, - Den nadroom van ’t genot in ’t oog en tal - Van rijpe trossen al geparst, schijnt pal - Gij open-oogs en staand, éven te slapen. - - Uw oog alleen is moê, uw glimlach moê, - Maar nooit is moê uw onverzaadlijkheid: - Gij hebt geen pooze ook maar u neêrgevlijd: - - Terwijl uw rechte haar pijnappelroê - Omspant, bespeur ik, Dionyzos, hoe - Het panthervel ligt zonder plooi gespreid.... - - - - VII. - - Biga-zaal. - - Ik zie u in de Karre-zaal gebaard: - Sardanapalus schijnt ge in marmren vouwen, - Met zorg u omgeplooid door mantelvrouwen; - Maar ’k wist u niet zoo trotsche wijze en aard. - - De marmren zegekar schijnt u bewaard; - Der marmren zegerossen zult GIJ hoûen - De strengen in uw vuist en door den blauwen - Droomether neemt ge apotheoze-vaart! - - Laat scheren van uw ronde wang dat kruiven, - En vàllen van uw schouder ’t lijnwaadhuiven, - Hoe liefdevol ook iedre vouw er strijkt. - - Zie, vlàk bij rijst gij, zaalge god van druiven, - Naakt,—baardeloozen lach—vermenschelijkt, - Naar mijn verlangen plots verwenschelijkt! - - - - VIII. - - Lateraan. - - Op ’t bas-relief, marmerjuweelig, teêrtjes, - Festoent een wijnoogst, feest, dat mij verrukt. - De druivegoodjes klimmen op de leêrtjes - En hebben dra den vollen tros geplukt. - - Zij hellen, lachend overlangs gebukt, - En bieden andren goodjes keer op keertjes - ’t Zoo zwaar gezwollen ooft, dat over, weêrtjes, - Het godje tuimelt, als omver gerukt. - - Een loopt er, torsend ’t korfjen overvol - Met beide knuistjes ’t knellend op zijn bol: - Wanklend de dikke beentjes wijd, wil ’t brengen - - Zijn buit den wijnbak toe, waar rythmiesch twee - De trossen dansend treden: Evoë! - Tot most, dien ze u, mijn Dionyzos, plengen! - - - - IX. - - Nu wil ik in u zoeken, hier ter steê, - De blijde godlijkheid van Zeus, uw vader; - Nu wil ik speuren in uw marmren ader - ’t Bloed, gloeiend in uw moeder, Semele; - - Daar zij verbrandde in zalig blakenswee, - Zoodra haar Zeus in open bliksems nader - Zich openbaarde: een glorensfelle dader, - Wiens gloed zelfs blusschen zoû geen wereldzee! - - Zeg, zijt gij zoon van moeder, vader, beiden? - God, zijt gij overwinnaar als hij was, - Die u verwekte in ’t hijgende verscheiden - - Dier bruid, versmeltende als een blonde was.... - Maar zoo genot en lust u overvielen, - Zoû ’k in uw oog en lach zien moeders ziele...? - - - - X. - - God, die den wijnstok plant, ’k wil niet vergeten - U op uw zegetocht plots te doen treffen - Eenzame vrouw in sluimers onbeseffen, - En weenensrood de scheelen toegekreten. - - Gij kunt—ontwaakt—haar morgenzonnig heffen - Uit nachtschaûw en uit nood: aarzlend gezeten - Op panther tam zal Ariadne u weten - Een god! en haar bewogen ziel vereffen.... - - Troosten voor wien ondankbaar haar verliet, - Moet purpren arbeid, dans en spel en lied: - Eén lange wingerd zal uw reis bekransen; - - En zoo Silenos zat en wagglend vliedt - Voor tergende menaden uit, mag niet - Dan èindlijk lachen Ariadne en glansen...? - - - - XI. - - Ik weet, gij hadt nooit zoo verlaten bruid - Aan ’t hart gebeurd, kronende uw gemalin - Des purpren nektarrijks triumfgodin, - Zoo niet naar week gevoel uw ziel ging uit. - - Gij zijt niet slechts de wijngod, die bij fluit - En cymbel ’t spranklend leven drinkt als in - Eén volle schaal, nooit zwelgenszat uw zin: - ’k Vermoed, dat gij een eedler wezen duidt; - - Zijt gij dan ’t enthoeziaste medelijden? - Weldaadge liefde, die wil troost bereiden, - En rozenbed mocht aan vertwijfling spreiden? - - En was het u niet hooger zielsverrukken - Aan Noodlots reuzeklauw die vrouw te ontrukken, - Om haar uw druivediadeem te drukken? - - - - XII. - - O, Dionyzos, laat mij dan geheel - U weten, god en mensch u voelen; laat - Uw leven, lichaam en uw rond gelaat - Mij zoo vertrouwd zijn of ik met u speel! - - Godlijke broeder, menschlijk kameraad! - ’k Wil woorden schakelen tot schel juweel; - Vangen in klare zinnen ’t blauw gestreel - Latijnscher lucht, die koeplend om mij staat! - - Ik wil geheel u in mij voelen trillen, - Mij voelen zoo in u, of samen willen - We ons beider ziel aan éenen dronk verspillen; - - Bezit ik u, bezit gij mij zoo vast, - Dat ik uw gast ben, gij mij wordt tot gast, - Dan zeg ik zùidlijk hoe uw wijnstok wast! - - - Rome, Februari III. - - - - - - - - - -I. - - -Rozig, sprenkelend den dauw op de violette anemonen, die openden haar -slaapdronken kelken, en gretig drinken wilden met bekertjes, rees de -dadelijk zonnige morgen over de blad-dichte beemden van Nyza. Weg naar -het Westen week er de paarse nacht en verdween. Reuzig de wilde -kastanjes, en ruischend de eiken van uchtendbries, ontwaakte het woud, -en de weiden, dauwdruipend, spiegelden licht terug, parelgekleurde -lucht; de anemonen bloeiden op uit lichtende watering, en ontloken, -gelescht, geheel. Strak naar de zee, blauwe lijn, streek snel toe het -verschiet, en de hemel koepelde wolkenloos. Wazige frischte, weêrschijn -van dauw, huiverde over de wereld, over lucht, woud en zee, en -rings-om-rond over bergen, wier rondingen schakelden op de -parelgekleurde lucht, als een snoer cameeën om blinkenden hals. -Rillend, in de laatste schaduwen, ontwaakten in het woud de nymfen. - -Op een lynxevel sliep de knaap en droomend had hij zijn arm, vaag -gebaar, uitgestrekt in de anemonen. Zijn palm was half geopend; een -lichte grijping trilde in zijn vingers. Zijn hoofd lag achterover, -bronsblond de lokken, teêr blauw geaderd de oogescheelen gesloten en -zijn mond huiverde van een wellust, gedroomd. Week bootste zijn blank -lichaam uit op de ruig vlakkige lynxehuid; zijn schouders rondden zich -als die van een maagd en zijn ademende borst zwol en golfde; zijn -schoot viel in, en zijn heup heuvelde hooger, en de beenen, -gestrengeld, bloemesteelden weg naar den voet, waaraan de groote teen -scheen te trillen, of hij trad luchtig op wolken van droom. Nu de -nymfen waren ontwaakt, en zich rekkende hieven uit hare slaping, -rillende onder den pareldauw, verzamelden zij rondom hem heen, en -fluisterden en naderden schuw. Van zijn vader Zeus zelven scheen de -hooge goddelijkheid te stralen zijn voorhoofd af, ernstig hoog gewelfd -tusschen bronsblonde krullen, maar de gloed van zijne moeder, Semele, -verblaakt in Zeus’ bliksem en eigenen brand, verzinnelijkte hem tot een -god van genot. En ernst en genotzucht mengelden zich in hem als tot -eene betoovering, stralende uit zijn wezen, en de nymfen werden niet -moê hem te verslinden met verlangende oogen. Zij wilden hem nog niet -wekken. Ino, op een vijgeblad, stapelde vijgen voor zijn maal, en Ione -hield aan den bronstraal haar kruik, waarin de gamma der druppelen -steeg tot ze vol was. Uit de verte klonken de herdersfluiten. - -Nu kon Neïra zich niet houden, en hurkende, streelde haar vinger de -dauwdruppelen af van Dionyzos’ schouder, waar ze parelden, als op een -schulp. En onder de streeling van haar verliefde hand, die dadelijk -zich schuw terugtrok, sloeg Dionyzos de scheelen op. Zijn oogen waren -paarsblauw als donkere violen, en als in geheel zijn wezen, mengelden -zich in zijn blik een weemoed, een dartelheid. Door den paarsblauwen -waasglans, weemoedig, tintelde diep een blijde glimp. - -—Ik heb gedroomd, zei Dionyzos. - -En hij staarde, als zag hij zijn droom na, die vluchtte. Zijn -viooloogen verweemoedigden en vroolijkten over de nymfen heen, in de -lucht, de parelgekleurde, naar de bergrondingen, die geworden waren als -schilden van krijgers, gestapeld tegen de kim aan. Hij staarde na de -voorspellingen, die vluchtten, na vaag gewemeld te hebben in de nauw -gestoorde rust zijner sluimering. Nu daalde zijn blik, zag hij lachend -de nymfen aan, en begeerig strekte zijn hand naar de vijgen. Hij at ze -gulzig, in zijn glimlach, zoo sappig ze drukkend tusschen zijn lippen -en de schillen wierp over de nymfen hij weg in spel. Een sloeg er op -Ione’s oog, en terwijl zij gilde, lachten de anderen, en ook Dionyzos -lachte. Nog meer vijgen moest Ino hem brengen, en zij knielde naast -hem, ze beurende in het blad op haar palmen. Daarna, achterover -geleund, dronk hij uit Ione’s kruik. De fluiten, in de verte, naderden -met hoogere stijging en dieperen val. - -—En wat heeft mijn heer gedroomd? vroeg Ione. - -—Ik heb gedroomd... zei Dionyzos; de verovering van geheel de -wereld...! - -—Wat een dwaasheid! Wie zoû er nu moeite doen om de wereld te -veroveren! klonk in spot, een stem, en Silenos, zich rekkende, trad -naar voren uit het boschje, waar hij geslapen had. Zeg, Dionyzos, wat -spiegelden droom en slaap je zoo ijdele eerzucht voor? Geheel de -wereld...! Maar kan het de moeite loonen geheel de wereld te -veroveren...? Kan zij schooner zijn dan Nyza, kan de lucht om haar zijn -blauwer, de zee rondom haar stralender, de nymfen in hare wouden -verleidelijker dan Ino en Ione zijn? Ik geloof het niet! Ik geloof het -niet! O Dionyzos, vergeet je droom, die ijdelheid was als àlle droomen. - -—Ik heb gedroomd...—Dionyzos herhaalde het—; de verovering van GEHEEL -de wereld!! - -—En waarom zoû je die wereld veroveren? Geen van de goden geeft om de -wereld! Om dit heerlijke land strekt de wereld zich uit, een baaierd -gelijk! Wie bewoont er die baaierd? Barbaren en monsters alleen! Hier -alleen is de schoonheid, in de schaduw van Olympos! Hier alleen is het -leven: hier borrelt de bron aller vreugde en wijsheid! Hier heerscht de -vrede, in goudene dagen! Veroveren wil strijd en strijd sluit wijsheid -en vreugde uit. Hier vloeien de dagen als water voort, zacht murmelend -van het lachen der nymfen! Aardsche volmaaktheid is hier bereikt! -Wereldverovering is ijdelheid! - -Maar Dionyzos snel had zich opgericht. Hij stond, fier en heerlijk en -vroolijk. - -—Strijd is het leven! riep hij uit. Niet de bloedige strijd, dien vuurt -Ares aan, maar de lachende strijd met onverwinlijke macht! De lachende -strijd is het leven! Te gaan lachende voor zich uit, zelfbewust van -onoverwinlijkheid: te gaan, lachende, wouden en steden door, zeeën over -en dwars door hemelen, en te heerschen langs zijn triomftocht... dat is -het leven, dat is leven! Het oogenblik te overheerschen, dàt is het -leven! Wat zal ik geven om de minuut, die voorbij is! Het verleden -dompelt achter weg; het heden zal het lachende oogenblik zijn, dat ik -lachende overheersch, en de toekomst zal zijn de lange weg, dien IK -neem op mijn zegekar, de wereld door, de wijde, wijde wereld door, -overwinnende heel die wereld...! De Muzen leerden mij harmonie en maat, -maar Silenos, o luie bespiegelaar, zal mij niet kluisteren in de -beemden van Nyza, door te zeggen, dat de wereld een baaierd is, en alle -enthouziasme ijdelheid! - -Nu rekte hij zich uit, de laatste loomheid van zijn slaap week uit zijn -leden: om zijn hoofd bogen rekkend de armen rond met de buigingen van -een lier, zijne oogen stierven lachende een oogenblik, en hij gaapte -voor het laatst: om de kleine mondhoeken koraalden de lippen en de -emailwitte tanden parelden schel. - -—Silenos, ik ben geroepen! riep Dionyzos. In mijn droom heeft mijn -groote vader Zeus mij geroepen, en mij gezegd, dat ik een taak had! -Mijn taak zal een purperen vreugde zijn, en hare voleindiging een -purperen triumf! - -—En wat zullen die roeping, taak, vreugde en triumf nu zijn... - -—Ik weet ze niet, maar ik zal ze dézen dag weten! O, soms rijst de zon -op om een grooten dag over de wereld te doen lichten! Dan schakelen de -minuten zich samen tot goudene noodlottigheden, en de opalen dageraad -trilt van verwachting, om wat het vollere uur van den morgen zal -zijn... Zie, Silenos, zoo trilt deze ure nu... Geheel de hemel schijnt -als een glimlach, omdat een goddelijke vreugde geboren gaat zijn! -Rondom mij heen zingt het woud van vogelen! Bries waait bloemengeur op -als offerreuk aan de nieuwe vreugde, die zijn zal! Verstaan doe ik de -vreugde nog niet, maar zij kondigt zich al luider en luider aan in -stemmen, die geheimzinnigen in de bosschige diepte, die schulpsuizelen -uit de strakblauwe zee, en die, azuurschel, klaroenschateren, uit de -ronde hemelen, als met trompetten, gericht naar de aarde! Heilig blijde -natuur, o laat mijn jonge armen je drukken op mijn jonge hart, zoo als -ze drukken zouden een nymf, die maagd was! Ontzaglijk als je bent, ben -je niets dan liefde meer in mijne omhelzing! Hoe vele je stemmen ook -harmonieeren, als koren rondom mij heen, al je monden, op mijn mond, -smelten te zamen tot éen langen zoen! Al je lachende wellusten dringen -te zamen tot éen wellust, terwijl ik je te pletter druk op mijn hart! O -Zeus, hoe zalig is ál wat ge schiept, om de schoonheid der glanzende -vormen, die van hemelen, en die van de aarde! Aarde, blinkende erfenis, -bloeiend erfgoed, vervalt ge Dionyzos alleen? Zeus, god van hemelen, -zal Dionyzos der aarde god zijn...?! Silenos, kom nu met mij! Kom meê, -ik weet den weg! Ik zàg hem in mijn droom! Langs deze wateren en langs -deze wouden wezen hem mij najaden en hamadryaden, lachende, met schalke -vingertjes... Ik liep den weg al af in mijn droom. Om mij heen riep de -op mij verliefde aarde met tallooze stemmen, dat ik haar veroveren zoû! -Er woelde een razende vreugde! Ik ontwaakte... Nu, in -morgenwerkelijkheid, loop ik den weg af! Hierheen, hierheen! Volg mij, -meester, gij, die de wijsheid gaarde in uw woord, als de bijen honig in -raten, en ze mij aanbiedt, als mij hongert, tot ik walg van de zoete -wijsheid! Hierheen, hierheen: Dionyzos hongert naar honig niet; -Dionyzos dorst! Hem dorst...! Hier spoelt zuiver water... Ik schep het -in mijn hand, ik drink het... O, ik wilde, er ware ander vocht, dan het -water uit de kruik der najaden... Maar Zeus hield den nektar voor zich -daar boven aan hun godenfestijnen... Daar komt Dionyzos niet! Maar is -hem de hemel gesloten, de aarde zal hem open zijn...! Vlugger, vlugger, -Silenos, je bent nog niet te oud om mij te volgen! Je buik is nog niet -àl te dik: waarom zoo loom dan vandaag? Is dat het gewicht van je -wijsheid, die je beenen verlamt? Vlugger, hierheen, Silenos, -achterdochtige en ongeloovige meester! Hij gelooft niet aan den -heerlijken droom, en niet aan de heilige toekomst...! Silenos, ik -spreek je nader! Ik spreek je nader, mijn vriend en mijn meester! Al je -wijsheid en ongeloof zullen af van je vallen als de verdorde -bloemenkrans van je wijze slapen! Hierheen, vlugger, Silenos! Dicht -wordt het woudgewarrel met bladvolle takken dooreen, maar tusschen dien -ernst der donkere steeneiken lacht te luider uit het azuur. Hoor... -Silenos! - -Hij hield stil, zijn arm op den arm zijns meesters. - -—Hoor... - -—Wat hoor je, dolle Dionyzos? - -—Ik hoor een fluit... - -—De herders geleiden hun kudden. - -—Het is niet de fluit van een herder! Hoor, de fluit zingt de blijde -wijze... - -—Die de menschen niet kennen? - -—Neen... Ik hoorde ze al, in de juichstemmen der natuur, als ze mij -beminde voor ze als een minnares viel met haar zoen op mijn mond. - -—Wie, Dionyzos, fluit ze nu? - -—Hij... - -—Wie hij... - -—Die mij zeggen mijn taak zal... - -—Wie bezielt hem...? - -—Zeus zelve! Hoor, de blijde wijze jubeltuit mijn wereldverovering! De -blijde wijze lokt mij te komen! - -—Weêrsta, Dionyzos! Euvele machten in deze donkere bosschen verlokken -nymfen, en herders, en goden! - -—Wat vrees ik? Aan mij is de wereld! - -—Hoe? - -—Mijn vader is Zeus! - -—Hij let niet op àl zijne kinderen! - -—Hij heeft mij lief; omdat ik de vreugde zal zijn! - -—Dionyzos, waar is de maat, die de Muzen je leerden? - -—Kom! - -—Neen... - -—Kom meê... - -—Het angstigt mij hier! - -—Zamel dan al je wijsheid om niet voor niet angst te koesteren... -Kom...! - -—Mijn leerling en mijn god, heb medelijden met mij...! Dit is mij alles -onbekend, dit donkere woud, deze lokkende wijze van een schellere -fluit, dan alle herdersfluiten! Wat zal ik komen, met je! Overmoedig -als je bent, en zoon van Zeus zelve, zal HIJ je beschermen, zelfs tegen -Hera’s listen... Maar mij... ik zal ondergaan, in wat je ginds wacht. -Ik puurde wat wijsheid uit bespiegeling in Nyza’s eeuwige lentebeemd, -en ik drong door in de ziel der aardsche dingen. Ik wil rustig leven en -aanschouwen rondom mij, en glimlachen om wat ik aanschouw. Ik wil kalm -mijn dagen laten vervlieten. De ouderdom dunt al mijn grijzende lokken, -en bezadiging matigt mijn tred; die nooit vlug was. Wat Dionyzos, moet -ik je volgen? God, ben je jong, en vrees je voor niets! Ik hoorde zoo -blijde wijze nooit... Tot wat zoû zij niet vervoeren, wellicht! Tot -onmatigheid zeker en maat, Dionyzos, is àl mijne wijsbegeerte... Zoo ik -ze verloor, ware ik geheel verloren... Dionyzos, ga zonder mij...! - -Lachend liet Dionyzos hem achter, smeekend, en ging alleen vooruit, -waar de blijde wijze lokte. Door het steeneikenwoud haastte hij snel -zich en tusschen de donkere verwrongen takken keken blanke boomnymfen -nieuwsgierig hem na, en herkenden hem een jongen god. Plots week het -woud open, en mossige ronde vlakte, van viooltjes heel geurig, cirkelde -in dat luchtiger looveren als een ronde koepel, tempelomzuild door de -rechtere stammen der eiken; water murmelde er frisch sijpelend de -rotsen af, tusschen de altijd vochtige groene en goudgele mossen, en -geleund tegen den steenwand stond een Faun, het linksche been over het -andere rechts, rustende op den even gebogen voet, met den druk van de -teen in viooltjes. Een gespikkeld wilde-katte-vel hing, met dooden kop, -slappe pooten zijn schouder af. Hij glimlachte, en bespeelde zijn -fluit, de vingers tegen de mondholten der rietjes. Hij stond rustig en -kalm, als een kalme en rustige vreugde. Zijn glimlach was van blijde -gedachte vol. Zijn voorhoofd heel smal en de slapen heel schuin, -kruifde zijn kort haar dicht als het gekroes van een lam, dat goud zoû -geweest zijn van zijdige vacht. Onder de welving der brauwen waren -zijne lachende oogen als water zoo klaar, grijs blauw met de geboorde -diepte der donkere pupil. Baardeloos, warm zongewaasd was zijn nooit -geschoren en dus even donsfulpig gelaat, breedkalm om zijn glimlach, -die zijn puntige tanden deed glinsteren. Zijne ooren spitsten, als bij -alle zijne stamverwanten, en gaven aan zijn goedheid en vroolijkheid -een pittigen geest, schalk wèl-demoniesch. Hij was groot, breed, kalm, -jong en rustig. Hij stond als een jeugdig athleet, die een dichter was. -Zijne spieren, niet zichtbaar, verrieden zich onder de gestoofde -goudtint van zijn vleesch. En zoo was hij een kracht, die eene -teederheid was, en een ernst, die was een vreugde. - -Dionyzos zag hem aan. En dat Dionyzos een god was, ook al was zijne -moeder een vrouw van de aarde, werd zichtbaar, omdat goud blauwig -Dionyzos straalde, gloed om zijn blanke godeleden, die de zon nooit -stoofde, gloed om zijn godegelaat, dat, ongeschoren, bleef baardeloos, -als dat van eene maagd, gloed uit zijn violenoogen van genot en van -weemoed, gloed om zijn gaan en zijn stilstaan—terwijl de Faun zoo -zichtbaar geen god was, maar ook geen mensch—: geboreling uit het bosch -zelve, eigen kind van de aarde-natuur, schepsel van het schitterende -woud, éen hij van zelfde essentie, met boom, blad, woud, water, bloem, -wolk... En nu hij Dionyzos zag, stralende, komende de donkere schaduw -der steeneiken uit, nu staakte hij zijn lied, nam de fluit van zijn -volroode lachlippen, groette den god met eene beweging der hand, die de -fluit nog vasthield, en zeide, zijn stem diep vol en lachend: - -—Wees, goddelijke Dionyzos, welkom... Ik wachtte je... Ik droomde je -dezen nacht heerlijk... Ik verwachtte je en speelde mijn blijde -wijze... opdat je den weg zoû kennen. Ik deed, je tot feest, dezen -nacht, opbloeien al deze viooltjes, opdat je voet er zoû geurig over -treden. Heel het woud verwachtte je... De vogels hebben jubelender -gezongen, en alle hamadryaden zagen schuchter en lachende uit... Zie, -overal glinsteren haar oogen... Doe of je ze niet ziet, om ze niet te -verschrikken, Dionyzos... Ze zijn schuw en je glanst als de felste -straal van Helios uit blauwe lucht... Je schiet door het woud als een -pijl van den zonneschutter zelven... Wees, goddelijke Dionyzos, -welkom... - -—Ik heb gedroomd, zei Dionyzos; de overwinning van geheel de wereld... -en het pad, dat ik gaan moest... Het leidde mij, Faun, tot hier... Kan -het zijn, dat mijn vader Zeus je openbaarde het geheimheilige middel -tot mijn triomf...? - -—Ampelos weet niet van triomf, noch van overwinning, maar Ampelos weet, -wat, zoo het Zeus ware, een goddelijke droom hem te doen beval! Te -spelen de melodie, die ik speelde, opdat je àl te snelle voeten niet -zouden verdwalen... en, zoo je mij gevonden hadt en genaderd ware over -dezen vloer van viooltjes... je, Dionyzos, te geven den staf, dien mijn -hand heeft omklemd in mijn sluimering. Zie hem hier, o god, en ontvang -hem... - -—Deze staf! zei Dionyzos teleurgesteld en hij zag naar den groenen -stok, dien de Faun, Ampelos, hem bood. Deze staf zoû mijn schepter -zijn... Deze staf zoû mij zijn wat mijn vader Zeus is zijn bliksem, -Poseidoôn zijn drietand... Deze staf, deze groene stok... - -De Faun naderde, en beiden, Dionyzos en Faun, bezagen den staf -aandachtig. - -—Zie, Dionyzos, zei de Faun, Ampelos; dit is geen staf, als een herder -uit dor hout zoû gesneden hebben. Deze staf is groen hout en leeft, en -zweet van ambergeurige sappen. Deze staf is er een, die zwelt van -geheimzinnige levenskiem. Zoo het Zeus ware, die hem vlijde in mijn -hand, om ze je te overhandigen dezen morgen van vreugde, zal het geen -staf zijn, waardeloos als herdersstaf, of welke boomtak uit het -takrijke woud. Dàn zal deze stok zijn een levende schepter van blijde -vroolijke toekomst... Zie, zijn knoesten en knoopen: ze leven! Geuriger -is dit hout dan alle viooltjes te zamen, en de geur is die van boschbes -en braam, maar geperst tot een heftiger heerlijkheid en de aroom -vertienvoudigd in bezwijmelende kracht... Deze stok is een wonderstok. -Wat er meê te doen, zoû zijn wellicht... - -—Wat zoû wellicht met mijn stok te doen zijn, o Faun? - -—Hem te planten op een gunstige plek en te zien of hij uitbot tot -vreugde... Met je eigen godenhand hem te planten, o Dionyzos... Kom, -zoeken wij samen de plek... - -—Ik ken niet dit woud... - -—Ik ken het... Kom meê... Zie, het heele woud juicht, dat een god is -gekomen. Schrik de hamadryaden niet weg met je glans... Doe of je ze -niet let, Dionyzos... Er is een wuiven tot in de opperste twijgen, er -is een vonkelen van oogen tusschen de looveringen dicht... Hier is het -zonnegoud en daar lachend oogenblauw blij... Kom, Dionyzos. - -—Ik volg je... - -—Ik speel de wijze, al gaande... Ik de wijze al spelende, zal mijn lied -onbewust ons leiden ter goede en gunstige plaatsen. Waar zonen van Pan, -hier en daar, beantwoorden de blijde wijze, als vogelen antwoorden aan -vogel, en waar zij ons lokken, zijn de gunstige plekken, ter keuze om -te planten tot vreugde onzen stok... - -—Hoor...! - -—Er antwoorden mij al dra... Hoor nu, Dionyzos... Nu, van overal, -weêrschallen op mijn fluitje schel, als echo op echo, de schelle -fluitjes der schalke zonen van Pan... O, er zijn tàl van gunstige -plaatsen. De aarde, onze moeder, is mild en vol goedheid... Welke kant -zullen wij uitgaan, zeg, Dionyzos. Kies... - -—Kies ik? - -—Ja. Keuze van god, onbewust, zal onfeilbaar zijn boven mijn keuze. - -—Ginds uit... - -—Recht? - -—Ik hoor een schelle fluit antwoorden je fluit, recht voor ons uit... - -—Gaan wij... - -Zij gingen. O, het woud schalde van fluit overal... De Pansfluiten -overal klaterden uit, antwoordden des spelenden Fauns blijde wijze... -En de vogelen er tusschen, kwinkelden dol, niet begrijpend, dat het er -schetterde scheller dan zij, in het woud, waar anders maar éven de -rietjes der Panskinderen droomden. Rechtuit ging de spelende Faun, vlak -op den hiel volgde hem Dionyzos, verblijd om al het gelok, dat met heel -teedere gamma’s snel daalde en steeg, in het rond... Of overal parelen -vielen uit de rinkelende lucht, of in de lucht parelen werden -opgeworpen. Of overal druppelen neêrtintelden dauwig, of òpfonteinde -overal druppelend watergepoeier... Of snelle beekjes afvloten en -stroompjes rotsblokken overbruischten... Een liquide dalen en stijgen -overal, overal, en het was geen water, maar klank... Boven al dien -klank uit peep helder de Faun zijn blijde fluitwijze breeder... Maar -altijd en overal en meer en meer antwoordden wel duizende fluitjes -blij. - -Daar opende het woud op zonnige vlakte: de rotswand kartelde weg; in de -verte sneed de blauwe einder der zee gladrecht het lichtere azuur van -de lucht. En Dionyzos zag den kleinen Pan, die hem gelokt had, nu schuw -over den rotswand ijlen, zijn fluitje nog aan de lippen, zijn vinger -nog in de trilling van spelen. Hij ijlde weg, schuw voor den god, die -blank geschitterd was uit het donkere steeneikenwoud te voorschijn. Hij -ijlde weg op zijn vlugge bokspootjes, schelmschuin nog omkijkend en -sidderend zijn staartje. En even gedonkerd en ruig tegen het lichte -luchtazuur, huppelde hij schichtig, en ter andere rotszijde dalende, -verdween hij tusschen de scherpe kloven... - -—Hier is de gunstige plek, zei de Faun. - -—Wat zal het geven, Ampelos, mijn stok hier te planten! - -—Vreugde, vermoed ik. - -—Vreugde? - -—Zoeken wij de állergunstigste plek, zeide Ampelos en hij bezag -aandachtig de knoesten en knoopen van den tooverstaf, die scheen sappig -te zwellen van leven. Deze stok zal niet hoog wassen tot boometrots, -als de eiken, die ritselen van heilige orakels. Woudschaduw zal hij -niet geven, en eer dan mannelijk van trots, schijnt vrouwelijk deze -plant mij van vreugde te zullen uitbotten, en, vruchtbare moederplant, -te zullen vruchtbaar leven wekken overal, onder de verliefde zoenen van -Helios. Zie, al is krachtig de plant, in mijn hand buigt zij om week en -lenig, als een nymfelijf, dat zich wringt... Wordt uit het geheim van -dit hout nieuw leven gewekt, dan zal het steun moeten vinden, als voor -duizend verliefde nymfe-armen. De gunstigste plek is deze, en, zag ik -dit hout als boometrots, zoo plantte ik in het midden van dezen wat -zandigen grond mijn stok, maar nu uit de zwellende knoesten ik raad -zwierende weekheid van leniger rankengroei, zoû ik mijn vreugdestok -willen planten tegen den rotswand daar ginds, opdat zij, de ranken, -dadelijk steun vinden voor haar zeker wat dartelen en dollen -overmoed... Die zoû anders de ranken rekken over den grond, als eene -naar liefde hijgende ze overal strekken uit te-vergeefs... en de dieren -des wouds zouden over ze gaan en ze vertrappen, onwetend en dom... -Daarom, o Dionyzos, is mijn raad: plant den stok dicht tegen den rots -aan... - -—En je raad, mijn Faun, voel ik onfeilbaar... Alleen... als ik droomde -de overwinning van héél de wereld, o Ampelos, van HEEL de wereld... wat -vang ik dan aan een stok te planten op een zandige plek, aan tegen een -rotswand... Wat zal, bot mijn zoo heerlijke plant hier uit, hare -verliefde rank de wereld mij winnen...? Zal zij de wereld omhelzen en -boeien voor mij? Duister schijnt mij de wil van mijn vader Zeus... - -—Dionyzos, het woud is in vreugde... Zie Dionyzos, het woud is in -vreugde... De wereld is in vreugde, omdat zij wellicht vóórgevoelt haar -heerlijken overwinnaar in jou! Zie, trilde ooit de hemel zoo hel azuur? -Orakelden ooit zoo geheimzinnig de ritselende eikenbladeren? Schalden -ooit zoo schel overal, overal, duizende fluitjes der zonen van Pan, ons -lokkend, hier, daar, overal? Overal lokken zij naar gunstige plekken! -Wij kozen de allergunstigste, want wij kozen je keuze, o mijn god, en -je heilige onbewustheid leidde ons... O, Dionyzos, twijfel niet aan je -droom, en twijfel niet aan de waarde van dezen staf, waaruit je de -overwinning zal woekeren met ranken zeker over heel de wereld... Kom, -plant nu den stok. - -—Ik? - -—Ja... - -—Mijn hand zal beven, o Faun, als ik plant... Mijn hart zal sidderen -van toekomstverwachting. Ik? Plant ik? Plant voor mij! - -—Neen Dionyzos, plant zelve den stok. Want zoodra je godehand hem zal -omvatten en in de aarde, losgewoeld, planten, zal de groene -vrouwelijkheid er van trillen, als onder vasten greep van omhelzing! -Dionyzos, plant den stok! Wat dunkt je van hier, waar de middagzon -aànslaàt tegen het rotssteen? De plant zal er zijn als een nymf, vast -tegen den rots aangedrukt en overgeleverd aan de verliefde genade van -een goudblakenden god, van Helios zelven, o Dionyzos... - -—Hier, o Faun, ja hier dunkt mij de allergunstigste plek nu... O, voel -het rotssteen, het is een vuur. De aarde gloeit onder mijn voeten. - -—Ik woel de aarde los... - -—Aroom stijgt uit de aarde op... - -—Zoo is het diep genoeg... Wortel zal schieten de stok, Dionyzos, plant -je, met beide handen, hem met liefde nu in dezen kuil... - -—O, met liefde plant ik hem! Stok, bot uit! Edel hout, rank weelderig -naar alle zijden!... Zeus, plant ik mijn overwinning? - -—Nu zamelen mijn handen den zandgrond weêr dicht om den stok, -Dionyzos... Dionyzos, de stok rijst als een mysterie omhoog... - -—Is het niet, als gebeurt er een wonder? De stok, eerst recht, -kronkelt... - -—Als een verliefd nymfelijf... - -—Dat Helios blaakt... - -—O, zie Dionyzos, zie... De stok, in een zwelling van zijne sappen, -schiet hooger op met zijne kronkeling, als een wonderplant, die -plotseling wast... - -—Uit de knoesten, die openbreken, strekken als verliefde armen zich de -takken, en voelen uit naar den rotssteenwand, alsof zij bezwijmelen van -eigen nieuw leven en niet weten waarheen... Nu trillen de teederder -twijgen uit... - -—Nu sidderen van groen de twijgen en de bladeren ontplooien... O, -Dionyzos, dit is een nieuwe boom, en hij zal zijn je eigen, Dionyzos! -De druiveboom, die is voorspeld! - -—Faun, zie, mijn druiveboom heerlijkt uit in kronkelende ranken en van -nooit nog gezien ooft zwellen er kleine besjes aan... - -—De besjes zwellen... - -—Zij zwellen... Voller worden de trossen... - -—Zacht rozig bleek eerst, purperen de trossen, en hangen nu zwaar... - -—De ranken rekken verder over den rotswand... - -—En krinkelend als met klauwtjes teêr, hechten zij zich vast aan het -steen... - -—En kronkelen haar rankjes om iedere punt, die uitsteekt... O, mijn -wonderboom, o mijn wonderboom, o mijn heerlijke druivewingerd! Faun, -kom, plukken wij een tros, en proeven wij dien om te weten hoe smaakt -ooft zoo nieuw. Ja, van boschbes en braam is de geur, maar heftiger te -zamen geperst en de aroom vertienvoudigd in bezwijmelende kracht! Hier, -Faun, ik pluk er een tros af... Zie, hoe heerlijk mijn tros mooi is! -Zie, hoe heerlijk... Een waas als van eersten dageraad ligt over de -even gepurperde blauwte, als een schuchterheid over een gloed! En hoe -zwaar is mijn tros! Nauwlijks kan ik hem beuren... Nu til ik hem met -beide handen omhoog om hem vonkelen te doen in de zon. In iedere druif -trilt als een roode drop, zichtbaar en schitterend door den wazigen -glans van de schil. Hoe zwaar, hoe zwaar is mijn tros... Ik vrees, de -steel zal breken... Ik neem den tros in beide handen nu vast, ook al -ontwijden mijn vingers het waas... De tros bloost in mijn palmen, als -of hij blaakt in mijn liefkoozing! O Faun, nu te zoenen, te zoenen mijn -tros... Maar hij is zoo zwaar, dat ik mij schrap op de voeten moet -zetten; mijn lendenen buigen achterover, mijn spieren spannen om hem op -te tillen naar de gretigheid van mijn lippen toe. Nu, o nu, lig je, -tros, op mijn mond! Nu, o nu drukt je mijn mond te pletter! Als een -even gepurperde zwaarte blauw ligt de tros over mijn gelaat, streelt -mijne oogen, die zich sluiten, zoekt met zijn druiven mijn hijgende -lippen en purperkraalt af tot op mijn borst in mijn armen, die hem -tegenhouden! Zware, zware tros... een roode geur zweet als een walm uit -je op... Zware, zware tros, ik wankel onder je bezwijmeling... O Faun, -ik zie, mijn oogleden even geopend tusschen de druiven, dat je deedt -als ik, en plukte een tros, en hem bracht aan je lippen verliefd... -Zware, zware tros... o, nu val ik onder je zwaarte... Nu lig ik in het -warm gestoofde zand en je ligt zwaar op mijn hart, op mijn mond! Mijn -purperen wellust, kom! Hier in mijne armen druk ik je te pletter! Tegen -mijn hart, op mijn mond! Faun, ik perste den tros, omdat ik bezwijmelde -onder mijn wellust, en niet weêrhouden kon den drang van mijn armen. Nu -stroomt zijn roode bloed, mij langs de lippen en over mijn leden! O, -Faun, ik zie, rood bloed stroomt je de lippen en de leden over? Je -perste den tros!! O Faun, nu druipt mij het bloed in den mond en rilt -langs mijn verhemelte! Nu zamel ik de gekneusde druiven, woest, woest, -in de kramp van mijn hand, en pers ze razende uit, boven mijn mond: -Faun, het bloed van den tros, verkracht, stroomt met een rijken straal, -stroomt mij binnen en gloeit tot in mijn merg! Nog een tros, een andere -tros! Weg, de geperste schillen, die flauw afvielen over mij heen! Ik -slinger de leêge rank! Ik wil op: een andere tros! Mijn beenen -wankelen, Faun, van zaligheid, zoo nieuw, zoo groót en zoo purper! Een -andere tros, hier! O Faun, zie!! Ik zag nog niet, verblind voor iets -anders dan eigen gewaarwording, maar nu ik pluk, zie ik...: over heel -den rotswand woekert mijn wingerd! Heerlijke rijkdom, goddelijke gave! -Een andere tros, een andere! Op mijn mond, tegen mijn oogen, dat ze -meêdrinken; op mijn borst, dat ik mij er in baad! O, tros, stroom uit -in mijne omhelzing! Tros na tros, stroomt uit in mijn omhelzing! -Rotswand van trossen, kom, druk ik je uit in mijn omhelzing! Ik wil -mijn armen zoo wijd, dat ik je, rotswand van trossen, geheel te pletter -druk in mijn omhelzing—ook al zoû ik zelve sterven, verpletterd onder -je zwaarte en verdronken in den stroom van je bloed! O Faun, kennen de -goden daarboven in goudblanken Olympos dit blakend genot! Neen, neen, -zij kennen het niet. Het was het genot, dat MIJ Zeus gaf, mijn vader! -Het is het genot van de lachende aarde en de wereld, die ik juichend -verwinnen zal! Mijn genot zal mijn macht zijn! Genietende zal ik -heerschen, zwijmelen, overwinnen! Woekeren overal uit wil ik mijn -wingerd nu laten! Rotswand na rotswand over! O Faun, pluk meer, o Faun -pluk meer, pluk àlle trossen, die je hand kan bereiken! - -—Dionyzos! - -—O, Faun, pluk meer... - -—Dionyzos, pluk niet alle! Zie, al wankel je onder de hevigheid van het -genot... Er is maat... - -—Wat geef ik om maat! Laat maat houden de waardige Muzen... ik wil geen -maat, ik wil geen maat! De onmatige wellust wil ik! - -Nu, wankelend, klom Dionyzos den rotswand op, maar hij struikelde -tusschen de ranken, en viel, lachende, tusschen de trossen, waar hij -bleef liggen, lachende, als een groote vogel in een purperblauw nest. -Op kon hij niet meer komen, om zijn lach en om zijne bezwijmeling, en -de Faun moest hem helpen: Dionyzos sloeg om Fauns hals bei zijn armen -en sterke Ampelos tilde hem hoog uit der ranken verwarring en klom met -hem af. - -—Dionyzos, nu plukken wij ranken, om ze te toonen hier en daar, om ze -te planten op gunstige plekken, op alle, waar ons riepen Pans -fluitjes... - -—Faun, nu plukken wij ranken, om ze te toonen mijn waardigen meester, -wijsgeerigen Silenos, en de liefelijke nymfen van Nyza, mijn eeuwig -jeugdige pleegmoeders... - -En zij plukten ranken lang, waar de zware trossen aanhingen tot op den -grond, maar zoo was Dionyzos bezwijmeld, dat hij trapte de trossen, en -wankelde; om hem stroomde rood bloed... Dan lachte hij en boog zich en -in de hand schepte hij het op, en dronk het zich uit de palm... - -—O Dionyzos, o Dionyzos! riep de Faun; hoog rijst Helios aan den -middag... brandende schieten zijn pijlen hier; ginds droomen de -schaduwen van het donkere woud! Kom Dionyzos, toef nu niet langer; -dronken van druiven en zongestoofd zal je neêrvallen in de gloeiende -zanden en zal kracht je ontbeeren weêr op te staan... Dan zal je zijn -als een overwonnene, Dionyzos, in steê van een wereldverwinnaar! -Dionyzos, nu hebben wij trossen geplukt; Dionyzos, kom nu meê... Kom, -ik til je in mijn armen; ik tors je tot waar ik woon in mijn mossige -boschtent, daar waar ik dezen nacht, ter eere je komst, duizende -viooltjes deed bloeien. Dionyzos, kom, ik til je... Nu heb ik je op -mijn schouder; hier, draag de trossen, sla de rank je over de -schouders, hoû de ranken nu vast in je vuist... laat ze niet vallen, o -Dionyzos, de kostelijke wingerdtakken... sleep niet in het zand de -wazige trossen... Toon ze onbezoedeld te Nyza! Kom, nu draag ik je -voort... O, de zanden schroeien mijn zolen... omdat Helios -erbarmingloos is in dit uur! Hier naderen wij de eerste schaduwen... -Hier rijzen de steeneiken... hier is al koeler de schaduw... Overal, -Dionyzos, zien de hamadryaden uit... Nog, in de verte, zachtjes, -verklinken de Pansfluitjes, even weemoediger, omdat wij niet hier en -daar zijn gekomen, omdat wij niet overal zijn gekomen! Fluiten, schalt -helder op: wij komen, wij komen overal, wij komen op alle gunstige -plekken! Dionyzos triomfeert over àlle gunstige plekken... Hoor, -Dionyzos, nu schallen zij helderder, omdat ik hun beloofde je komst! -Sla een arm om mijn hals, Dionyzos, want je wankelt op mijn schouder, -en zwikken zal je en de kostelijke trossen zal je verliezen. Sla een -arm om mijn hals... Zoo, zoo ijl ik vlugger... Zoo hoû ik je vast, zoo -hoû ik je vast... zoo ijl ik met je het woud door... door al het -nieuwsgierig gespie van de boomnymfen, die nog niet weten wat druiven -zijn! Hamadryaden, dit zijn druiven! Zie, dit zijn welige -wingerdranken! Zie, dit is purperen genot! Hij, dien ik draag, is de -koning van het blijde genot en de god van het juichende leven: dat wat -hij geven gaat aan héél de wereld, om haar te overwinnen! O, de -gelukkige menschen, de zalige volkeren, wie hij het blijde genot en het -juichende leven zal geven, in spillende, spillende overdaad...! -gelukkiger dan goden zullen zij zijn, zoo zij weten te genieten genot, -zoo zij weten te juichen het leven! Dionyzos, hier naderen wij mijn -tent van dichte looveren...; al zwaait als uit offerschaal je de walm -van mijn viooltjes te moet... Duizende bloemetjes van dezen nacht: eert -Dionyzos, hij komt! Hij komt, ik draag hem al als een overwinnaar, in -zegetocht! Geheel het woud heeft hem toegejuicht! Alle gunstige plekken -trillen hem tegen! Hij komt, hij zal overal komen! Hier, o mijn god, -rust hier uit... rust hier uit, hooger je hoofd op viooltjes en mos... -Hij slaapt al... nog in mijn armen, die hem nedervlijen op zijn geurige -bed; hij slaapt al en zijn mond is open in een glimlach—onbewuste -herinnering aan zijn genot... Slaap, Dionyzos, slaap... Stemmen van het -woud, zwijgt... laat Dionyzos sluimeren... in de warme ure des -middags... Hamadryaden, nadert... nadert éven op lichte teen, -geluideloos... geluideloos... nadert, nadert maar... Zie, dit is -Dionyzos... Zie, hamadryaden, dit zijn druiven... Hier, neem een paar -trossen, en proef ze druif voor druif, opdat je wete wat is de gave van -Dionyzos... Aanschouwt hem even, en gaat dan stil... Hij is heerlijk -als een god, die hij is... en hij is òns verwant en der aarde... Hij, -hij is onze koning... Stemmen van het woud, zwijgt... fluiten, -zwijgt... vogelen, zwijgt... wateren, zwijgt... bries tusschen boomen, -zwijg...: Dionyzos... Dionyzos sluimert... - - - - - - - - - -II. - - -Dien avond, zinkend de zon achter verre bergen in geleidelijk verwelken -der hemelen, dwaalden de nymfen van Nyza om langs de boorden der -meergladde zee, schimmeblank bijna, oneigenlijk in vallende schaduw -breedgebladerder vijgeboomen, mimoza’s in bloei nog even opgelende met -stuifgepoeier van bloesemwemeling, als der laatste dagkleuren kreet. -Het was als zweefden de nymfen uit schaduwen aan in schaduwen: hare -tengere blankheden schemerden uit en wischten zich weg; zij doken uit -gedonker, in vaag zusterlijke omhelzing en ommedoling, zichtbaarder -even tegen de parelklaardere zeevlakte, die de bergen, van nacht alreê -amethyst, afsloten met donkerder wal—en zij verloren zich op nieuw, of -zij droomen waren, die waasden... Een stilte dreef als eene -betoovering: zoo stil sloop de nacht aan over de aarde, dat Silenos, -liggend tegen een boomstam, hoorde van visschen roeiklapperen de -staartjes... - -—Waar of nu Dionyzos blijft... mijmerde Silenos. O, hij ontgroeit aan -bezadigde wijsheid... Waar is de tijd, dat daalden de waardige Muzen -neêr, en hij zat in haar midden en luisterde met kinderaandacht naar -haar edele woorden. Zij leerden hem het ontstaan van hemel en goden, -zij leerden hem zang en reidans, en hij danste met haar negenen. Mij -schemert nog de edele zweving der ronde voor de oogen: nog zie ik de -negen vrouwen schoon en verheven en lieflijk, en het blijde kind in -haar midden volgen hare zangwijze en danszwevenden stap over anemonen, -die nauwelijks bogen onder tred zoo licht... Dat was maat, dat was -edele kunst... De nymfen schaarden omheen, en het was éen vreugde van -edele beweging, éen vreugde van edelen klank. Nu is het kind groeiende, -nu is hij bloeiende tot jongen man, tot hij de goddelijke grens van -zijn groeibloei bereikt heeft en zal ZIJN voor de eeuwigheid jong, -zonder te vreezen de droefheid van den iederen dag onverbiddelijk -naderenden ouderdom. O, wel gelukkig de jonge god, die nooit dien -weemoed zal kennen... Ik was jong, maar ik word ouder; ik word oud, de -weemoed van het einde nadert mij al... Maar wat stoort hem de ziel -toch, den laatsten tijd... als of hij toekomst wachtende is, en -vervulling van goddelijk lot, droomt hij, en is onrustig zijn slaap, en -zijn dartel en onbezonnen zijn dagen van vreemd verlangen, en niet -weten wat willen... als of de beemden van Nyza te klein hem worden met -de veilige bergen aan de parelige zee, die nooit de stormwinden -beroeren, daar zij breken tegen zoo hooge wal. Zoon van Zeus is hij -god, maar waarover hij godheerschen zal, is nog de duistere toekomst, -en zelfs de Muzen, die het àlles weten, hebben nooit doen raden wat zal -zijn Dionyzos’ taak. Ik, ik ben bang voor de toekomst! Zij nadert... -Wat zal zij zijn? Onrust en strijd wellicht, zwerven en zwerven ver... -terwijl Nyza is een beemd van vreugde en van kalmte, uiterst geschikt -om te peinzen over de raadsels van onszelve, en die der geheele natuur. -Ik, ik ben bang voor de toekomst! O, waar blijft nu Dionyzos... Toch -kan ik hem niet in den vallenden nacht gaan zoeken...: mijn oude beenen -zullen struikelen over boomwortelen, en mijn oogen zien niet door de -schaduwen van den vallenden nacht... Waar of Dionyzos nu blijft... -Hoor, trilt er niet in de verte een fluit? Of vergis ik mij en suizen -mijn ooren van louter stilte? Ja ik vergiste mij; mij suizen de -ooren... Maar neen... er klinkt een naderende fluit... Ook de nymfen -daar schijnen te hooren... Zij verzamelen zich... zij spieden uit! Het -is een fluit, het is een fluit! Duidelijker zingt de wijze op, en... ik -herken ze wel: is ze niet de blijde wijze, die lokte Dionyzos diep in -het midden van het donkere woud? Wat of hij vond... Zoû nu de blijde -wijze hem kondigen aan? Komt hij? Ione, zeg mij... zoo jij het bent, -die daar ommedwaalt, wit als een nevel aan den boord van de zee, -Ione... is dat Dionyzos? Komt Dionyzos terug? Ja... zij wenkt mij van -ja... Kom, ik ga hem te moet... - -Hij rekte zich loom en lui en stond op. Heller door de stilte van -nacht, naderde de blijde wijze en plotseling lachten de nymfen van -Nyza, vroolijk om het blijde geluid... Bladeren bruischten even, er -kraakten gevallen takken onder het naderen van stappen. Plots steeg de -wijze heel snel, trillerde als een vogel hoog in de lucht, en viel neêr -met losse druppelen. Toen zweeg de fluit en het lachen der nymfen -antwoordde de lach van Dionyzos. - -—Hier ben ik terug! Hier ben ik terug! Ione, Ino, Silenos, Neïra, hier -ben ik terug, en mijn overwinning heb ik geplant, opdat zij zal -woekeren rotsen over, wouden door en wellicht tot hemelen toe! Maar zoo -niet de hemel, de wereld zal mij zijn! Ik twijfel niet meer, ik twijfel -niet meer, nadat ikzelve ondervonden heb, wat het genot is, dat mij zal -winnen de wereld. Zie, oude Silenos, waardige meester, zie hier hem, -wiens blijde wijze mij lokte... hij, Ampelos, die viooltjes ter eere -mij duizenden in éen nacht deed ontbloeien...; hij, die mij leidde en -met mij zocht van waar schalde lokkend kleine-Panszoontjes-gefluit, -opdat een gunstige plek, los gewoeld, in haar aarde ontvangen zoû tot -worteling den tooverstok, dien Zeus in de hand hem legde, in de hand -hem legde voor mij! Silenos, de stok woekerde uit! Ik zag het wonder -gebeuren! De stok wingerde en tooverde en de trossen van het nieuwe -ooft zwollen onder de verliefde zoenen van Helios! Hier zijn de -trossen... Toon, Faun, blijde Faun, de trossen! En zie Silenos, Ino, -Neïra, zie Ione, hier volgden mij drie kleine zonen van Pan, fluitjes -in de hand; komt nader, komt nader, en weest niet schuw, dartele -bokjes... de nymfen zijn zoet... en al schateren ze nu om je -boksbeentjesruig en om staartje, dat kwispelt onder-aan je rug, de -nymfen zijn zoet... edele pleegmoeders van Dionyzos, eeuwig jong en -eeuwig blijde, en jeugdiger en blijder zal haar houden het genot, dat -je torst! Zie nymfen, zie Silenos, de Panszoontjes torsen de trossen -aan. Dit zijn de druiven, het edelste ooft, eenmaal in lang geleden -voorspelling beloofd aan wie de aarde verwinnen zoû! Ik plantte het -purperen genot! O, nu geheel de wereld het purperen genot te geven! -Weemoed en smart zullen nooit meer zijn, nu het purperen genot is -geplant en omranken gaat heel de wereld! Weg, weemoed, weg smart! De -wereld is mij en der blijdschap! Proef, Ione, Ino, Silenos, de -druiven... pluk den tros af... zie hem nu blauwen in de blankte der -rijzende maan... druk ze tusschen de lippen... of liever...: lang een -beker... en pers er met volle hand heel den tros in uit, opdat het -rijke bloed er uit stroome! Beker, o drinkschaal maagdelijk nog, die -niet anders ontving dan het kuische water uit de kruik der kuische -najaden... Beker, o drinkschaal, tril van het purperen genot, nu Ione -den tros in je uitperst. Drink, Ione! Drink Ino, Neïra! Silenos, -Silenos, drink... Ha, ha... hij is bang voor den rooden beker! Lacht -hem uit, nymfen, hij is bang, hij is bang... Zoontje van Pan, zoek -ginds bij het panthervel een groote schaal, pers nu, pers nu, zoontje -van Pan, uit een zware tros... O zie, het bloed gulpt in de schaal... -Bied MIJ den beker nu aan, opdat ik hem Silenos biede. Silenos, drink; -Silenos, drink!! - -Silenos nam sidderend den beker, rondom hem de nymfen. - -—Oud als ik ben, wat zal ik het jonge genot drinken, nymfen... aarzelde -bange Silenos. - -—Silenos, drink; Silenos drink! juichten de nymfen, en de Panskinderen -huppelden om Silenos, dringende, dat hij zoû drinken. - -Hij hief den drinkschaal zich aan de lippen. Hij dronk. - -—Wat is dat? vroeg hij. Dionyzos, zeg mij, wat is dit? Is het vuur -gesmolten, of drinkbare robijn? Is het bloed van den stervenden -zonnedag, geschept aan de kim, vóór het zich mengde met de ziltheid van -Thetis... Wat is het, Dionyzos? Het vloeit me als een vlam door mijn -oude leden, en het rilt me als een vlam door mijn oude merg... -Dionyzos, dit is een nieuw genot! - -—En ik zal het geven aan heél de wereld, Silenos! - -—Aan heel de wereld dit heerlijk genot! O Dionyzos, waarom aan heel de -wereld? Waarom het nieuw genot niet veilig te houden tusschen Nyza’s -bergen besloten? - -—Omdat ik, door het blijde genot te geven, heel de wereld zal -overwinnen, Silenos! Omdat ik niet houden wil eigenzuchtig het blijde -genot in zoo engen cirkel. Omdat Zeus, mijn machtige vader, mij het -blijde genot niet gaf voor mijzelven en jou alleen! Voor héel de -wereld, Silenos! O, Zeus is goed en ontfermend! Hij weet, dat groot -leed kan der menschen deel zijn, maar hij wil ze door mij nu blijde -vreugde ook geven. Onder al zijne kinderen koos hij mij uit, en god -schiep hij mij van de vreugde. O, de vreugde heeft mijn aderen -doorvloeid als een blijder en stroomender bloed! De vreugde voelde ik -van mijne geboorte af, heilig bewustzijn, dat mij lachend doorgloeide, -toen Zeus mij redde uit zijn eigen gloed, waarin mijn moeder Semele -verblaakte! Zij verbrandde in het geflits van zijn bliksems: het paleis -van Kadmos van Thebe, toen hij naderde, toen hij naderde, daverend en -donderend, aardbeefde en zijn flitsen schoten schel tusschen alle de -zuilen door, en de zuilen vergruizelden in hel geknetter der schichten, -en éen helle brand ging op, en mijn moeder, o mijn moeder, zij ook, zij -ging op in éen hellen brand... zij breidde open de armen... zij -omhelsde Zeus voor de laatste maal... het was de god der hemelen, dien -zij in haar armen borg en die zij in haar opperste hijgend geluk -ontving in de weelde van haar trillenden schoot... en onder zijn -brandende zoenen smolt zij weg als ware zij van blonde was een wezen -geweest, en niet meer. Zij smolt weg van opperste weelde: denk je, dat -zij klaagde, toen zij smolt? Neen, hare kreten waren kreten van -vreugde, kreten van brandende blijdschap, éen gil van blakende wellust -en terwijl zij verging in Zeus’ liefde, baarde zij mij, en ik erfde -geheel hare vreugde. O, ik erfde geheel hare vreugde! In den fellen -brand van het paleis van Kadmos, haar rampzaligen en blijden vader... -in den fellen brand nam Zeus mij, zijn kind, in zijn goudene handen, -nog trillend van den gulzigen greep zijner liefde, en hij drukte mij, -zijn liefdekind, aan zijn borst, en opdat Hera mij niet zoû vinden, -borg hij mij in zijn dij. Toen, o nymfen, daalde hij neêr te Nyza... -Hera verbood hij te komen deze bergen over en over deze zee, en hier, o -nymfen, als ware hij een zorgzame moeder geweest, baarde hij mij uit -zijn dij, wondervolle tweede-geboorten van zijn liefdekind en zijn -vreugdekind en gaf Hermes mij aan je zorgen over... Hier leefde ik de -vreugde van mijn kinderjeugd! Hier groeide ik de god der vreugde... Ik -ben de vreugde! De Muzen leerden mij het heilige rythme, en ik was -vreugde en rythme te zamen. Ik zong, ik danste in haar midden! Ik was -de vreugde, altìjd! O nymfen, o jeugdige pleegmoeders, je waart om mij -heen de vreugde! Silenos, zelfs je wijsheid wist niet te schaduwen over -mijn vreugde! Maar de vreugde zingt en danst niet het eeuwige -godenleven tusschen de veilige bergen van Nyza. Muzen, breeder dein ik -uw rythme uit, tot het zwelle als het rythme der zee! Muzen, nu ik -leerde de maat, zal ik mateloos kunnen zijn, en mateloos zal zijn mijn -purperen vreugde! Ik, nymfen, IK ben de purperen vreugde! Ik ben de -purperen maatlooze vreugde! Nymfen, o jeugdige pleegmoeders, verdeelt -de trossen onder je allen... Deelt ze met haar, Silenos! Wat gulzig hoû -je ze voor jou; Silenos, deel ze, deel ze met haar! Zie, in den -zilveren nacht, ligt de zee tusschen de bergen, niet anders dan een -meer, en de bergen, klaar tegen den hemel klaar, schakelen niet anders -dan de strofen van een zuivere ode, en de zee ruischt maar even van -rythme. Maar buiten de bergen, en om de bergen, om de kapen der bergen -heen, is wijd de zee als een godeleven, is mateloos haar rythme, in -vrije bandeloosheid golvende, in deinende eb en rijzenden vloed, breed -en vol, stroomend over de stranden, stormende tot aan de wolken... -Storm, o storm van vreugde, IK, ik zal de storm van vreugde zijn! Ik -zal stroomen over de landen, en ik zal stormen de hemelen binnen. -Menschen, goden, verwacht, maar vreest ze niet, mijn mateloosheid! Ken -ik het heilige rythme niet, zoo dat mijn mateloosheid niet anders zal -blijken dan rythme, maar grenzeloos wijd gestrekt. Niet als de strofen -der ode, maar als de trilling der lucht en der sferen...! Nymfen, nu -perst de trossen in schalen uit, zoete pleegmoeders, drinkt het genot -voor de allereerste maal, en over de anemonen, daar waar de Muzen mij -leerden de plechtige dansrei... danst, o pleegmoeders, danst, in de -nieuwsgierige stralen der helderende maan, die haar bad van licht over -ons uitvloeit. Evoë, Evoë, danst! Houdt u de handen: dans moediger! -Ino, Neïra, danst! Dans, Ione, dans! Neemt tusschen je allen Silenos, -opdat hij danse, opdat hij danse... Zie, ik dans met je, in je midden -en Ampelos schalt zijn blijde wijze, en de Panszoontjes schallen de -hunne, en het zijn als murmelbeekjes, die vlieten een beek in! Faun, -trappel de steeds snellere voeten; zie, zoo; zie, zoo trappel ik het -zilveren maanlicht neêr op het mos, of ware het ijlte van glas, die ik -breek! Zie, zoo; zie, zoo! - -En de voedsters van Dionyzos dansten, Silenos danste en danste Faun, en -dansten de zoontjes van Pan, zij allen lachende om de nieuwe vreugde, -die purper stroomde tusschen de trossenpersende vingers, en die -bezwijmelend hun stroomde den mond in. In de blauwheldere maan duurde -de dans de latere uren der nacht door, en de kreten der nymfen -scandeerden den dans met korten gil schel en hoog, telkens en telkens -weêr. Tot eindelijk Silenos waggelend neêrzeeg aan den stam van een -steeneik in zwijm. Het loover was heel zwart en des te klaarder van -zilveren blauwte was transparant de zee, meer-eng tusschen de -nachtblanke bergen besloten aan niet al te verre kim. Tusschen de -donkere looveren blauwde en blankte de lucht, wijder weg. Daar lag -Silenos, een rank om de slapen... Maar een nieuwe razernij bezielde de -nymfen van Nyza, en hand aan hand dringende in den wemelenden kring -harer naaktheden, omhelsden zij Dionyzos, hun pleegkind, allen, terwijl -hij schaterde hoog uit. Toen, de handen steunende op hàre schouders, -slingerde hij zich plots op Fauns schouder hoog, en Faun, met hem, -ijlde voort en de nymfen van Nyza ijlden hen achterna, in een lachende, -lachende jacht. Door het hier donkere en daar maanlichte woud begon een -ijlende, ijlende vlucht van soms verschemerende, soms uitschitterende -nymfe-schoonheden, en hare kreten wekten het woud. Het nachtwoud -ontwaakte, de boomen ontwaakten, bries ontwaakte, en de hamadryaden -ontwaakten. In grotten ontwaakten saters, en zij volgden de lachende -jacht en overhaalden de nymfen, en de nymfen jubelden hen van de nieuwe -vreugde de blijde boodschap tegen. Zij wilden ook trossen plukken, de -verwonderde saters; zij wilden weten wat druiven waren, en wat het -purperen genot, maar de trossen waren allen òp en de nymfen gaven -alleen hun het blanke genot. Ver was Dionyzos gevlucht, getorst door -Faun als in zege. En het blanke genot overal in het woud wierp vlakken -van blankheid neêr in de geheime duisternissen der eiken, op het -onverwachts wel eens door maanlicht beschenen. Dan bescheen de maan het -blanke genot en de onwetende hamadryaden, verschrikt, zagen met groote -oogen uit. Overal in den maannacht tintelden hare groote oogen. Tot de -maan wegbleekte, en het sidderende woud, al ontwaakt, afwachtte den -dageraad, perzikblozende aan de oostelijke poorten. - - - - - - - - - -III. - - -—Zij zijn verspreid! zei Dionyzos, terwijl hij omzag, glimlachend, zijn -viooloogen nog allerzaligst vermoeid en half geloken onder de kwijning -der oogleden: wakker was hij juist geworden, zijn bronsblond omlokte -hoofd op Fauns borst. Zij zijn allen verspreid, de nymfen van Nyza, de -voedsters van Dionyzos! O, hoe hebben zij het nieuwe genot ingehaald, -als een god en als een koning! Maar nu, waar zijn zij? Faun, was het -dan niet al een overwinning? Zijn zij als troepen, verspreid, die de -trompetten verzuimden samen te blazen? Of was het nog slechts een spel, -en zal de strijd des te razender wezen? Wie weet, wie weet: de toekomst -is in Zeus’ handen! Zeus, ik wacht nu mijn toekomst! Faun, word wakker! -Wat slaapt hij, en wat is hij mooi! Hij is geen god en geen mensch, -maar hij is het goddelijke van de aarde, en daarom zeker is hij zoo -mooi! Zoo als een boom is, zoo als een bloem is, zoo als is rots en -aarde, zoo is Faun, en hij is als hun aller bezieling. Zoo als is wolk -en water, zoo is Faun, en hij is als god van water en materie van wolk! -Zoo is hij peinzende vreugde en lachende ernst, zoo is hij kalmte en -lust, en zoo is zijn wezen van god en van mensch en vooral van die -natuur der aarde, die groeit en bloeit, blij om zichzelve... O, -lieflijke aarde, o weelde-natuur, hoe ben ik blij, dat ik vàn je ben! -Dat ik niet ben alleen god, maar ook mensch! Dat ik ben halfgod, en -halfmensch! Dat ik voel hemel en aarde beiden! Dat ik niet heb den -trots der goden, en wel der menschen ziele-onbewustheid! Dat ik niet -weet mijn lot, maar wèl weet, dat het van heerlijke goddelijkheid zijn -zal! Faun, word wakker! Het woud dezen nacht heeft niet geslapen, als -wij beiden, en verwonderd kijkt het al lang met duizende oogen uit: -Faun, word wakker! Nu voel ik na druivenacht mij of ik herboren ware! O -roode dauw, o roode dauw, onder je sprenkeling ben ik een plant, en zal -ik iederen morgen mijn nieuwe bloemen ontluiken! Faun, word wakker. - -—Ik ontwaak, ik ontwaak, Dionyzos... Wat zing je van rooden dauw... - -—Ik voel mij na druivenacht... - -—Ik? Of ik herboren ware! - -—Zoo voel ik ook mij, o Faun. En ik zong: o roode dauw, o roode dauw... - -—Onder je sprenkeling ben ik een plant! - -—Als ik, o Faun! En iederen morgen... - -—Zal ik mijn nieuwe bloemen ontluiken! - -—Zoo zijn wij samen na druivenacht! Maar waar zijn de nymfen van -Nyza... - -—Laat ze dwalen door het morgenwoud... Zij zullen, na de sprenkeling -van rooden dauw... - -—Hare nieuwe bloemen ontluiken! Iederen dageraad nieuw leven! Nieuwe -jeugd iederen dageraad! Dàt Faun, zullen wij ontvangen, als ons -iederendaagsche erfdeel! En IK zal het deelen met héel de wereld! O, de -zalige menschen—en er zijn vòlkeren van menschen—in verre, verre -morgenlanden... o zij weten niet de vreugde, die hen wacht! Iederen -dageraad zullen zij nieuwe jeugd ontvangen, en nieuw leven, de zalige -menschen! Zoo als wij, zoo als wij! O, de zalige vreugde uit te persen -als rooden dauw over heel de menschenwereld! Ik zal zijn, roosvingerige -Eos, als je mededinger: nieuwe dageraad ik, zal ik morgenrood in -droppelen, in droppelen van most sprenkelen over alle landen, en alle -steden, en de menschen zullen de vreugde zwelgen. O, zoo mijn wingerd -woekerde langs den azuren koepel des hemels, en o, zoo ik de trossen -perste over heel de wereld, heel de wereld! Purper zoû de vreugde dan -regenen van Dionyzos’ druivehemel over heel de wereld, in stràlen. Ik -zoû de wereld in de vreugde verdrinken! Het zouden meren van vreugde -zijn, het zouden zeeën van vreugde zijn, omschakeld door bergen van -wingerd! - -—Hoor... hoor Dionyzos... Er schallen de fluitjes. - -—Ik hoor ze, ik hoor ze... Waar schallen ze? - -—Overal, overal... overal op de gunstige plekken schallen de -verlangende fluitjes van Pan, dat je komt, o Dionyzos! Nu maken wij ons -op... nu gaan wij naar de zandige plek, nu plukken wij van den -wonderwingerd, die breed rankte in een enkelen morgen, wijnstok na -wijnstok, zware tak na zware tak, en nu planten wij de van sap zware -stokken op alle plekken, waar ons roepen de schelle Pansfluitjes! Kom, -Dionyzos, kom! - -—Kom, Faun, kom... - -—Ik tors je op mijn schouder, mijn god en mijn koning... - -—De hamadryaden zien uit! - -—Haar stoorde ons feest dezen nacht. Zij verlangden, o hoe verlangden -zij onze lachende jacht door het verwonderd ontwaakte woud te volgen, -maar zij waren te schuchter en bleven schuilen tusschen de looveren, -waardoor zij oogden met oogen groot en verlangend... Hamadryaden, hoe -lang zal duren je schuchterheid? Zal ze nog duren dezen nacht? Zal ze -nog duren den nacht van morgen? Ha-ha, hamadryaden, hoe lang zal ze nog -duren? Wie van je volgt er het eerst het nieuwe gebod van Dionyzos, den -koning van den vreugdewingerd, en den koning van alle vreugde? O, hoor -Dionyzos, hoe de fluitjes je roepen, overal, overal... Dat murmelt -eerst met voorslagjes, als vogeltje, dat antwoordt op vogeltje... en -dan klimmen de smachtende toonen hooger en hooger op, trilleren lang in -de hoogte als boven de looveren uit, en vallen dan neêr, en vallen dan -neêr, fonteinen op, watervallen weêr neêr, en niet zingen zij dan: kom -Dionyzos, hier breidt zich een gunstige plek, zandige grond en steenige -wand. Kom, Dionyzos, hier! - -—Hier opent zich, Faun, in den jongen gloed van den nieuwen morgen, de -allergunstigste plek, die het eerst mijn wijnstok ontving, maar zie, -wat gebeurde hier dezen nacht! Wie kwamen hier allen te zamen... Pas -op, Faun, je voet struikelt over een ruigen bokspoot, die hier is -neêrgezegen, half onzichtbaar in het struikgewas... Hij slaapt! Hij -slaapt nog! Wakker, wakker, o sater! Dronk hij van mijn druiven! En -zie, Faun, die andere, daar neêrgevallen als hij...: dronken zij van -mijn druiven? - -—Toorn hen niet, Dionyzos, dat zij niet afwachtten je goddelijk -bevel... Zij dronken van je druiven! Zij eerden je door je druiven te -plukken... O, de wonderwingerd heeft er niet minder om... Zie, tegen -heel den rotswand heeft de wonderwingerd geweligd en de trossen zwellen -den rotswand over! Op, saters, op! Dionyzos komt! Wordt wakker, wordt -wakker, allen! - -En, forsch de stem van Ampelos door den nieuwen gloed van den nog -jongen morgen, wekte hij de saters, wat de eerste zonnestralen niet -hadden vermogen te doen. - -O, hoe zij juichten, de saters, toen zij Dionyzos zagen, voor het -eerst, en nog slaapdronken, verblindden van zijn goddelijken glans! -Faun tilde hem steeds op zijn schouder, als op een breeden troon, en -den eenen arm om Fauns hals, zwaaide Dionyzos de andere blij in de -lucht, en lachte. Zijn lach klaterde door de morgenlucht, en van zijn -lach weêrtrilde de ether. De saters lachten als hij, en van hun lach -daverde het woud in het rond. En zij huldigden Dionyzos en riepen: - -—God Dionyzos, ònze god, god om wien wij ons scharen! God Dionyzos, wij -danken je voor het purperen genot van dezen nacht! In de stralen van -Selene wonderde de wingerd heerlijk, en aarzelend plukten wij hier en -daar een tros, tot wij niet aarzelden meer, maar plukten! God Dionyzos, -ònze god, toorn ons niet, dat wij plukten, zonder te wachten je -goddelijk gebod! Iedere druif, die wij plat drukten aan ons geile -verhemelte, iedere druif vloeide ons liefde voor je in: god Dionyzos, -wij volgen je, wij volgen je heilig gebod! God, die het purperen genot -ons gaf, wij volgen je en doen als je wilt. Zeg ons je wil en wij -voeren die uit... Vangen wij allen de nymfen des wouds en voeren wij ze -voor je tot buit? Vangen wij panthers der wouden dicht en leeuwen der -opene vlakte, en voeren wij ze tot je tam? Torsen wij je àllen op onze -schouders, als Faun je torst, in zege door woud en door wereld? Zeg, -Dionyzos, je wil! - -—O saters, o allen, die mij zult volgen, hoort nu mijn goddelijk bevel! -Ten strijde volgt mij allen, ten strijde tegen allen en àllen, die niet -zullen eeren Dionyzos’ vreugdewet, en ten strijde volgt mij allen, -opdat wij àllen de wereld winnen. Zeus zal mij steunen, en zijn belofte -vervullen, en de wereld zal aan mij zijn, aan ONS, aan jullie allen, -vreugde-saters van Dionyzos! Vangt mij de nymfen niet, want zij volgen -ons van zelve, niet bestand tegen purperen en blank genot: niet ééne -zal ons niet volgen! Maar temt mij panthers en leeuwen, en alle wilde -dieren des wouds, en voert ze tot mij, saters, opdat zij ons lastdieren -zijn, gewilliger dan ezelen en muilen, en vroolijker dan zij. Snijdt -allen stevige takken af, en bekroont die met een pijnappel uitgezocht, -en wapent u slechts met die staven van vreugde, die wij zwaaien zullen -als standaarden! Den vroolijken oorlog verklaren wij! O, het zal de -vroolijke oorlog zijn voor allen, die aan onze zijde strijden, en -volgen onzen vreugdestandaard, de thyrs, die gij Dionyzos zult -maken—pijnappel op eikestok—maar het zal de vreeslijke oorlog zijn, zoo -vreeslijk als die van Ares, voor allen, die ons weêrstaan! Wee wie onze -vreugde weêrstaat! Wee wie het purperen genot niet acht! Wee wie het -niet aangrijpt met handen gretig en den tros niet uitdrukt aan zijn -gulzige lippen! Wee hun allen, wee! Dionyzos’ vreugde zal hun worden -Dionyzos’ razernij, en zijn saters en zijn leeuwen en panthers zullen -hen verscheuren in razende dronkenschap en ontembare woede van wilde -dieren, met open muilen, fel van tanden bliksemend, tot, veranderd door -mijn thyrs in wilde dieren zelve, zij elkànder zullen verscheuren! Zoo -luidt de wet van Dionyzos, en, saters, roept haar uit door woud en door -wereld; bazuint haar luide, beide handen om je baardige lippen, opdat -je stem zal een roeptrompet zijn. Schalt ze uit, Dionyzos’ wet! Maar -eerst, o saters, daar waar ons roepen de verlangende fluitjes, daar -volgt je god en plant met hem samen wijnstok na wijnstok, àf van den -heiligen wingerd gebroken, opdat welige over alle gunstige plekken de -wijnstok van Dionyzos! Vlugge saters, doet als ik zeg! Plukt zonder -aarzeling takken en ranken! Het zal den heiligen wingerd niet deren! -Hoe meer je plukt, hoe voller hij tiert! En dan volgt, o saters, -Dionyzos, volgt hem door het woud! Evoë! - -Het gebeurde als Dionyzos wilde. De saters klommen den rotswand op en -zij plukten de ranken en takken van den heiligen wingerd af. En terwijl -zij bezig waren en Dionyzos luide lachte om hun ijver, ritselden in het -woud naderingen aan, trappelende het kreupelhout, en het waren faunen, -en zij juichten luid, toen zij op Fauns schouder Dionyzos zagen, en -hoorden zijn lach door de lucht. Over de zandige plek woelden met een -dichte menigte plukkende saters en juichende faunen. - -—O faunen! riep Dionyzos blijde; faunen, die als het woud zelve zijt, -en daarom allen zoo mooi! Faunen, als Dionyzos onmatig is, blijft om -hem dansen je wèlheerlijke maat! Blijft de glimlachende, matige vreugde -rondom Dionyzos’ vreugde! Maar saters, als Dionyzos onmatig is, weest -met hem onmatig in razernij! Faunen, lief heb ik je allen, omdat je -gelijkt op hèm, dien ik lief heb! Maar saters, lief heb ik je allen, -omdat je onmatig zult zijn, als ik! Weest het, weest het, onmatig en -razend! Faunen, blijft lachen in vroolijken ernst, en trappelt het -rythme rondom Dionyzos luid met de stevige voeten, want het rythme is -zoo schoon als jezelve! Maar mijne onmatigheid zal gòddelijk zijn! -Saters, poogt goddelijk met mij te zijn! Evoë, Evoë, vooruit! Nu -verdeelt u, en loopt toe in alle richtingen, waar schallen de schelle -fluitjes! O, de ongeduldige zonen van Pan; zie, Pan zendt ze ons al -tegemoet, om te vragen waar wij blijven! Van alle zijden naderen de -fluitjes en naderen de zonen van Pan! Leidt, zonen van Pan, mijn -saters! Lief heb ik je allen, kleine zonen van Pan, en ik heb je vader -lief, uitvinder van de fluit, die mij roept! Leidt nu mijn saters naar -alle je gunstige plekken! Saters, plant er mijn wijnstok, en ziet toe, -dat hij tiere overal, als dien Dionyzos zelve plantte hier! - -Nu stormde door het woud de ranken en wijnstokken torsende vreugde der -juichende saters alle gunstige richtingen uit, en gunstig waren àlle -richtingen! O, hoe blijde waren de zoontjes van Pan, dat eindelijk -Dionyzos zoû komen! Hij zoû overal komen, beloofde hij! Hij zoû geen -gunstige plek laten onbezocht. En geheel het wijde woud, het dichte -woud en het ijlere woud, ver tot bosschige kimmen toe,—het woud, dat al -verijlde tot vlakte, de vlakte verzand tot woestijn—alle beemden en -alle dreven, de heuvelige weiden, waar de herders hunne kudden leidden, -en de van graan golvende landouwen, waarin de hoeven van het landvolk -lagen verspreid onder Demeters moederlijken zorg,—doorschetterden de -schelle fluitjes zoo luid, dat herders en landbouwers verbaasd -toeluisterden en dan vlak voor hun oogen, vlak voor hun voeten zagen -een Pansjongentje ijlen voorbij, het fluitje aan zijn lippen, lokkende -en leidende de saters, die, met vreemd gewas beladen, hem volgden, hem -volgden, bezield door opgewondenheid nooit nog gekend. Het was of zij -alle schuwheid van woudwezen hadden verloren, en hunne gewoonlijke -onzichtbaarheid niet meer achtten. Wijnstokbeladen liepen zij de hoeven -langs, stoven zij de kudden door, en de vrouwen vluchtten de deuren -binnen, ten doode verschrikt voor de bokspooten, die zij voor de eerste -maal zoo dichtbij en zoo duidelijk zagen; de runderen en schapen renden -in alle richtingen uit, verschrikt. En het getril der fluitjes met -haastige gamma’s daalde en steeg door de lucht, tot de looveren er van -sidderden, tot het azuur scheen te weêrechoën druppeling op en -druppeling neêr, tot het éen geparel was, neêr en op, overal, overal... -De vogels, dol, tierelierden luid. De beekjes, sneller, kakelden; de -runderen loeiden luide en de schapen blaatten, en de herdershonden -blaften en basten vroolijk, en renden bezeten rond, jagende de angstige -lammeren. Hanen kraaiden met luide klaroenen en de duiven, -pluimenstuivende, achtervolgden elkaâr in witte kringen door blauwe -lucht. En de menschen begrepen nog niet; alleen raadden zij, dat er -iets vroolijks gebeurde. Maar een jonge landbouwer, die stil in het -woud, gelukkig, een dryade dikwijls beminde, vond zijn nymf luisterend -naar de verte, en haar omvangend in zijn armen vroeg hij: - -—Eole, wat gebeurt er? - -Zij verschrikte, stiet een kreet, maar herkende hem, en omhelsde hem -tegen haar boezem. Zij, blankwit wezen des wouds, geboren waaruit wist -zij niet, had lief dien zoon der menschen, zongebruind als een kastanje -en forsch als een boom. - -—O Dafnis! riep zij uit. Ik weet niet, wat er gebeurt. Maar in blij -oproer lijkt mij woud en wereld, lijken mij boomen en bloemen, en water -en lucht, en dieren en nymfen en menschen! Is er een nieuw genot -geboren? Of openbaart zich een nieuwe god? Daalt er een nieuwe vreugde -uit den hemel, of groeit ze bedwelmend op uit de aarde? Ik weet het -niet, maar zoo even, vlak voor mij, liep een Pansjongentje weg, -spelende fluit, en hem volgde een groote sater, ruig als een bok en -leelijk, beladen met zware takken en bladeren en ooft, dat ik niet weet -en nooit heb gezien, en toen hij mij zag, o Dafnis, wierp hij de takken -neêr, en greep mij aan, en drong mij woest tegen een boom, en ik riep, -o Dafnis, o Dafnis, help... maar scheller, en ongeduldig floot hem de -Panszoon te komen en hij kòn niet weêrstaan... hij knarste met tanden -en kaken, hij sprong als een dolle op zijn hoeven in het rond, hij liet -mij en greep weêr zijn takken op, en hij rende het Panskindje na; eerst -links, toen rechts, zijn spoor kwijt, als een speurhond, die zoekt, tot -hij hoòrde de richting en liep... o wat liep hij: geen kreupelhout -weêrstond aan zijn vaart... Mijn Dafnis, wat gebeurt er? - -—Eole, wat gebeurt er, dat de saters zoo dicht komen waar huizen de -landbouwers en weiden de herders hun kudden? De dag is éen parelen van -fluitjes schel, en wat er gebeurt, gebeurt overal, alle richtingen uit! -Ik weet niet wat er gebeurt! Maar zie Eole, wat ligt op den grond hier, -zwaar en purper, waartegen aanstiet mijn voet... - -—O, Dafnis, het is een tros van het ooft, dat torste de groote sater! - -—Eole, zie hoe heerlijk de tros van het ooft, dat torste de groote -sater! Zie Eole, sterk ben ik, maar met moeite aan den steel hef ik -dien tros nu omhoog... O, zie het prachtige ooft... Is het blauw of is -het rood? Zijn het bessen of juweelen kralen! Waas als morgenmist -vochtig ligt er nog over gespreid! Hier en daar is dat vochtige waas -als een kuischte afgeveegd en lacht de tros als een wellust! - -—O Dafnis, wat lacht als een wellust de tros! - -—O Eole, lijkt dat niet een nieuwe wellust, die gezonken is over de -aarde, of gegroeid uit haarzelve is... O Eole, in het geparel van de -fluitjes schel, dat den morgen bezwijmelt, tot hij, goudzonnig, trilt, -als éen enkel groot speeltuig, o Eole, wil ik samen met je proeven -dezen nieuwen wellust! - -—Dafnis, ik ben bang! Ik wil den wellust van je lippen en armen, maar -deze tros, dien de sater verloor, zal ons dol maken van razernij! - -—O, Eole hier, ik pluk al een kraal en druk haar tegen mijn lippen -open. Eole, dit is een nieuw genot! Een gloed stroomt mij door, -ongekend! Ik druk nu een tweede kraal! Eole, Eole, doe nu als ik! - -—O, Dafnis, ik ben bang! Neem mij dan in je armen, en druk de kralen -tusschen mijn lippen uit, opdat mij de wellust zal komen van jou, o -Dafnis, dien ik liefheb! Zoo, nu rust ik in je armen veilig! O, nu pers -je de kralen uit tusschen mijn lippen, o Dafnis! Een bloed stroomt mij -binnen! O Dafnis, DIT is de nieuwe wellust... - -—O Eole, dit is de nieuwe wellust... Zie, je bent niet meer bang, in -mijn armen, maar je lacht mij tegen, al zwelgende en je oogen sterven -van smachting verliefd, en je lippen sterven van smachting! Het -vreugdebloed van den tros tikkelt je lippen af en druipt neêr op je -blanke borst, van waar ik het wegdrink, Eole... O Eole, dat is de -nieuwe liefde... - -—O Dafnis, is het niet of heel de wereld van de nieuwe liefde trilt... -Of het woud haar dronk! Of de vogels ze pikten! Zie, de vogels pikken -aan den tros en zij tjilpen zoo luid, als of ook zij zich worden bewust -van de nieuwe vreugde! Dafnis, ze is GODDELIJK, deze nieuwe liefde en -vreugde... Dafnis, je bent een menschenzoon, maar... - -—Maar ik ben goddelijk in mijn liefde voor Eole... - -—O Dafnis, heel de wereld drinkt van de nieuwe vreugde! O Dafnis, heel -de wereld trilt van de nieuwe liefde... Heel het woud ruischt... - -—Heel het woud ruischt van vreugde en liefde, van snelle naderingen, en -van fluitgelok, van fluitgelok! Hoor, hoor, overal! Wat nadert er snel -daar aan!? Als een stormwind vaart een geruisch door de looveren! -Takken vallen er, breken en kraken ... - -—O Dafnis, wat nadert daar aan! - -Maar al naderden Panskinderen, die floten, en hen volgden faunen en -saters, wijnstokken in de hand, die zij planten zouden, op gunstige -plekken... En toen zij zagen Dafnis en Eole, riepen zij: - -—Wie je ook bent, volgt ons! - -—Waarheen, waarheen? riepen Eole en Dafnis. - -—Volgt ons naar de gunstige plekken! Eert Dionyzos! Plant met ons den -wijnstok! Wie Dionyzos niet eert, verscheuren wij, verscheuren wij in -razernij! Wie hem eert, valt eeuwige vreugde ten deel! Volgt ons in de -nieuwe vreugde! - -—O Dafnis, riep Eole. Volgen wij, volgen wij niet de saters?! Het is -Dionyzos, die het wil! - -—Eole! riep Dafnis. Ik volg hen, met je, overal, overal! Planten wij -met hen het nieuwe geluk! Het is Dionyzos, die het wil... Hier saters; -geeft mij een deel van je takken! Hier Eole, tors deze ranken. Het -nieuwe geluk bot overal al uit: de aarde trilt om het te ontvangen! -Saters en faunen, ik dronk, menschenkind, het nieuwe geluk uit een -tros, dien ik vond en bijna onwetend vertrapte, en nu ben ik geen -menschenkind meer! Faun zal ik zijn! Vaarwel, wuivende korens; Demeter, -Dionyzos is machtiger! - -En Dafnis, Eole volgden de faunen en saters. De fluitjes, in vollere en -dollere gamma’s, vlug op en vlug neêr, riepen hierheen! daarheen! -hierheen! daarheen! en kwam de stoet aan de opene plek, rotsigen wand, -gruizeligen grond, ten Zuiden bloot gesteld, dan naderden de saters en -faunen, plots ernstig, en zij plantten samen met eerbied den wijnstok, -terwijl op de karteling van den rots het Panszoontje bleef dansen en -fluiten, ruigjes tegen de blauwe lucht, als een opstaand bokje in het -azuur. Zoo verdeelde de stoet zich telkens, maar ook telkens vonden de -nieuwe wijnbouwers elkander in het woud terug, want de faunen, op hunne -langere fluiten, trompetterden de blijde wijze luid, als signaal, dat -hen allen verzamelde. Het woud bleef vol beweging, het land daverde van -het vroolijke oproer. Telkens was er een juichen en was er een dichter -verzamelen; de saters renden razende aan, liepen elkander over den -bokspoot, worstelden driftig, maar raakten weêr op de hoef en ijlden -dan, broederlijk, samen voort... Dan ijlden zij Dionyzos tegen. De Faun -snelde door het woud, Dionyzos op den schouder, als op een breeden -troon, en zij kwamen overal waar hen riepen de fluitjes... Overal op de -gunstige plekken zag Dionyzos den wijnstok geplant, en hij juichte om -zijn ijverige saters. Zijn lachen klaterde boven de boomen uit, en uit -Olympos, de wolken even verschuivend, zagen de goden op de aarde neêr -en glimlachten om het nieuwe genot, dat Dionyzos gaf aan wereld en -woud... - -O, de bruischende morgenvreugde van dien arbeid den wijnstok te planten -in koortsige haast, overal! O, de bedwelming van dien arbeid en haast, -onder de zongestoofde looveren der boomen! Daar, waar de gunstige plek -niet was open genoeg, om geheel Helios op te vangen, hakten de saters -de takken weg. Maar Helios alleen zoû de ranken niet slingeren doen -langs den rotswand met krinkelende hechtklauwtjes; Helios alleen zoû de -bessen, als pruimen zoo groot en zoo blozende blauw, niet doen zwellen -van barstende vreugde! De hoogste macht bleef aan Dionyzos. Waar hij -zich vertoonde op Fauns schouder, scheen in zijn gejuich en gelach de -nieuw geplante wijnstok te trillen, knoestig te wringelen tegen den -rots, op te schieten, uit te schieten in het wonder der heel snelle -weliging; de ranken slingerden zich, klauterden op met gretig krampende -nageltjes; de trossen zwollen zichtbaar omdat Dionyzos het wilde en de -hamadryaden, in de boomen, zagen verwonderd toe, naderden dan, plukten -en proefden, en zij volgden Dionyzos! Zij volgden hem allen, zij konden -hem niet weêrstaan. Hij lachte maar op Fauns schouder, en Faun liep zoo -hard met hem voort, dat hij zwikte en telkens ware gevallen, zoo niet -Faun hem stevig omprangd had gehouden, met beide handen geheven hoog; -en hij lachte maar, Dionyzos, veilig zich wetende vast, en hij wenkte -de hamadryaden, en als een blanke kudde van niet meer schuchtere nymfen -naakt, volgden zij hem, juichend, wilden zij hem omhelzen, reikten zij -de armen verliefd naar hem op, maar bereikten hem nooit, omdat Faun als -in krijgertje zoo heel snel met hem wegliep. Zoo zagen hem Dafnis en -Eole aantriomfeeren en hun harten klopten van jubel, toen zij Dionyzos -mochten aanschouwen! Dionyzos! Dionyzos! juichten zij opgewonden. O -goden, wat was hij mooi! Wat was hij heerlijk! Welk een glans in zijn -oogen, of die scheen uit zijn ziel! Wat een kring van vreugde om hem -als een goudene lichtschijn, die zijn goddelijke lichaam ontstraalde! -Hij verscheen hun in een stralende nimbe, en de schaduw van het woud -was verlicht. En zijn lach klaterde zoo, dat Dafnis en Eole lachten, -elkander omhelzende, en Dionyzos zag hen en juichte hen toe, omdat zij -elkaâr lief hadden en jubelend vroolijk waren. Hij deed zelfs Faun -stilhouden een oogenblik, en wenkte ze tot zich, vroeg Dafnis: - -—Wie ben je, bruine jongen? - -—Dionyzos, ik ben Dafnis, die bebouwde het veld, maar ik volgde je, -omdat ik proefde het nieuwe genot, en dit is Eole, die ik liefheb, nymf -van het woud, en zij volgt met mij Dionyzos! - -En Dionyzos lachte luid. - -—Was iedere landbouwer opgewonden als jij van het nieuwe genot, Demeter -zoû mij toornen! Maar zij zal mij niet toornen, want ik heb haar lief, -en haar arbeid, als ik alles liefheb, dat mijn wereld doet bloeien, -mijn wereld, die ik overwinnen zal! Om de blondheid van Demeters -korenvelden, als nu om de haren van Eole blond, zal ik mijn wingerden -ranken, als ik nu omrank Eoles slapen met wijnlof. En Demeters -moederlijke ernst en hare moederlijke zorg voor mijn aarde zal -glimlachen om al die trossenweelde, die omlijsten zal de zeegolvende -velden harer voedende korenhalmen! O, zoo haar landbouwers mij volgen, -zullen mijn faunen haar velden bebouwen! Demeter heeft mij al lief als -een zoon, en ik zal haar lief hebben als een moeder, en ons beider -arbeid zal de wereld komen ten goede! Bruine jongen, heb lief, wees -vroolijk, strijd gelukkig in den grooten strijd in de legers van -Dionyzos, aan de zijde van Eole! - -O, het was een gejuich! Nu Faun verder ijlde, Dionyzos op zijn -schouder, was het een gejuich van Dafnis en Eole. Eerst plukten zij -samen een wijnstok, en toen ijlden zij den god achterna, daar waar hem -riepen de vollere faunsfluiten, die de verspreide planters -verzamelden... - -Maar plots een gebrul van alle zijden... - -Het gebrul naderde, naderde aan... - -Van alle zijden liepen verschrikt Panskindertjes, en struikelden en -buitelden over elkaâr, en gingen hard huilen en angstig schreeuwen, en -de faunen, juichend, kondigden aan, wat begrepen Dafnis en Eole niet... -Dàar zagen zij Dionyzos weêr! Een geruisch, een gebruisch ontzettend -ging op, of stormgeloei, zoo vreemd, huilde het zonnige morgenwoud -door... Daar kwamen uit het dichte getakte o zoo vele saters aan, en -aan sterk gedraaide lianenranken hielden zij brullende beesten in toom, -jong dartele leeuwen als groote honden op plompe dwaas-vroolijke -pooten, en gespikkelde panthers, die bliezen als katers, de -snorrebaarden wijd uit, en de oogen valsch en nijdig, en lynxen en -tijgerkatten, en het gebrul der wilde beesten was een oogenblik luider -dan het juichen der saters en fluiten der faunen. Tot de goddelijke -stem van Dionyzos uitklaterde en de wilde beesten deed zwijgen: - -—O listige saters, o krachtige saters, o trouwe saters van Dionyzos! -Dat is goed, dat je temde zóó vele beesten, voor onzen strijd en -zegetocht door de wereld! Dàt is goed, dàt is goed! Nu zijn in het rond -op àlle gunstige plekken, bereikbaar voor dezen morgen, de welige -wijnstokken geplant. Maar wij blijven niet in dit woud en de -aangrenzende beemden en dreven! De wèreld zullen wij door! De zeeën -over, en de verre geheimzinnige morgenlanden toe, Eos te gemoet! Den -hemel moeten wij in! Volgt allen Dionyzos! Zamelt u rondom hem allen! -Blaast, faunen, je fluiten, opdat geen enkele achterblijve, van àl wie -Dionyzos volgen! Maar opdat zalige rust ook loone zoo vroolijken arbeid -vóór deze avond ons ter vreugde verzamelen ziet, vluchten wij de -zwoelte van het nu middagstovende woud, in de koelere schaduwen van -Nyza, en vlijt je allen, ijverige arbeiders, daar neêr op de mossige -bedden, die woekeren onder donkere steeneiken! Rust uit, sluimert, en -hebt vroolijke droomen! - -Faun ijlde met Dionyzos heen, Nyza te gemoet, en hem achterna ijlden, -krioelende, de saters, de wilde beesten aan lianen stevig in toom, de -faunen op tijgers gezeten, de Panskindertjes op wilde katten, de blanke -nymfen, niet schuchter meer... aangroeiende,—groeiende menigte, die -maakte een daveren door het woud. Nu naderde Dionyzos Nyza. Onder de -zwarte steeneiken was de schaduw maar even zoel en zonneloos bijna koel -gehouden. Maar tusschen de donkere looveren, verder weg, glinsterde, -als een gouden meer, de zee, en verparelden de bergen in van licht -verklaarde ommelijnen, als een etherische muur, rings-om-rond. Daar -onverwolkte zich de onmetelijke lucht, in de hoogte zoo diep als een -blauw en onpeilbaar geheim. - -De Faun zette Dionyzos af. - -—Ben je moê, o Faun? - -—Nooit Dionyzos, ben ik moê, je te dragen door woud en door wereld! - -—O, ik ben moê, ik ben moê, o Faun, getorst als je me hebt zoo ver en -zoo wijd overal heen, waar saters wijnstokken plantten! Wat hebben zij -er vele geplant! Wij zagen ze alle, wij zagen ze alle: wij -veronachtzaamden er niet éen. O, ik ben moê, ik ben moê, en sluimeren -zal ik spoedig... Maar wie ligt daar al te ronken, dik en vet en -vadzig, tegen een boomstam aan? Voorwaar, het is Silenos! En wie -sluimert er met een gehoornd kopje dwars over zijn dikke maag! -Voorwaar, een Panszoontje, het fluitje nog in de hand. Wakker, wakker, -Silenos!—en Dionyzos, met den voet, stootte Silenos aan,—wakker, -wakker, Pansjongen! Wat slapen jullie al, en wrijven jullie de oogen nu -uit, na onverdiende, te vroege slaap, of misschien wel -gat-in-den-morgen! Heb je een wijnstok, Silenos, geplant? En jij, luie -Pansjongen, wat snurk je op Silenos’ maag in plaats van schel te -fluiten je fluitje? Kom, sta je op, op je pootjes! - -—O Dionyzos, o Dionyzos! zei, opgestaan, het Pansjongentje bang, en hij -begon heel hard te huilen. O Dionyzos, den heelen morgen... den heelen -morgen—nauwelijks was je weg—heb ik gefloten: hierheen! hierheen! tot -ik geen speeksel meer had, tot mijn lippen waren als droge schilletjes, -en mijn wangen mij schenen te barsten... en niemand, niemand kwam! Kijk -Dionyzos, hier te Nyza, kijk Dionyzos, is een gunstige plek, een héel -gunstige plek, zoo open in Helios’ stralen, zoo breed vlak van -karteligen rotswand, zoo gruizelig en zandig van glinsterende aarde, -die, losgewoeld, aroom doet zóo prettig in je neusgaten kriebelen, dat -je er van niest, apetjie! en gefloten heb ik, gefloten, en niemand, -niemand kwam, om ook maar een klein wijnstokje te planten! Je waart -allemaal een anderen kant uit en Nyza, je eigen woningsoord, o -Dionyzos, heb je heelemaal vergeten...! Ach, wat heb ik gefloten, ach, -ach, wat heb ik gefloten! En niemand, niemand kwam! Toen Dionyzos,—o, -wees niet boos,—was ik zoó moe, dat ik neêrviel hier bij Silenos: -wakker werd hij maar niet, uitslapen doet hij zijn roes nog na gisteren -nacht,—en omdat dik en zoo hoog zijn maag is, koos ik die uit tot -kussen—, en ik viel in slaap, Dionyzos! Ach, wat heb ik geblazen, en -niemand achtte mijn roep! - -Toen lachte Dionyzos luid, en om hem schaterden allen, die waren -aangekomen. Toen lachte Dionyzos luid en hij nam het ruige boksventje -in zijn blanke armen beide en omhelsde het en zoende het op zijn al -donkerdonzige wangentjes. En hij riep: - -—O Pansmannetje, o grappig Pansmannetje, vergat Dionyzos de gunstige -plek in Nyza! En floot je een heelen morgen lang? O, Pansmannetje, o -mijn eigen Pansmannetje, o kleine Pan van Nyza, laat Dionyzos, ook al -is hij van arbeid en zege vermoeid, nu zèlve planten een mooien stok op -de plek, die je hem wijst... Pak je fluitje van den grond, zie zoo... -en fluit nu je wijsje... Hierheen? Daarheen...? Dionyzos volgt je hier, -nu daar... daar wijkt de schaduw, daàr is de plek...! Hier saters, -geeft mij een stok uitgezocht... Hier woelt Dionyzos de aarde los, hier -plant hij zijn heerlijken wijnstok! Tier omhoog, wingerd, welig! - -En plots gebeurde het wonder. De wijnstok, zichtbaar, wies en rankte -zoo snel, dat hij geheel den rotswand op zandige plek, maar even buiten -het steeneikenwoud, overwoekerde met groote trossen. Den breeden -rotswand langs woekerden zichtbaar de trossen uit, en allen, die -Dionyzos volgden, verbaasden zich om zoo snelle weliging. Maar Dionyzos -pakte het Panskindje op en riep: - -—Ben je nu tevreden, ben je nu tevreden, o klein mannetje Pan? - -En in Dionyzos’ armen juichend, spartelde het als een bokje, de hoeven -klepperend tegen elkaâr. Maar Silenos was opgestaan, en hij schaamde -zich zoo langen slaap, wrijvende de oogen uit, terwijl òm hem dansten -nymfen en saters, plagende. - -—Wijnstokken heb je overal geplant? Op alle gunstige plekken? Een -wijnstok hier te Nyza geplant? Trossen druiven overal? Ach Dionyzos, -wat zal dàt àlles onmatig worden, en zonder wijsgeerige grens! - -Slaperig, en neêrgezonken, murmelde Dionyzos, even: - -—... Het einde der wereld, en de diepte der hemelen, zie daar, o -Silenos, de grens! - -—Ik ben bang, ik ben bang, Dionyzos. Ik zal je niet kunnen volgen met -zoo jubelende vaart, door de wereld, en wat moet er van je worden -zonder je leermeester. - -—... Je zal mij volgen, o Silenos, gezeten op een blazenden tijger... - -—Op een tijger? O Dionyzos! Ik gezeten op een blazenden tijger? Maar ik -zal bang zijn voor het nijdige dier. Ik ben bang voor zoo vele wilde -beesten! Saters, temde je ze in éen morgen? - -—... Terwijl je sliep je roes uit... O Silenos... - -—Neen Dionyzos, nooit zal ik je volgen op een blazenden tijger! En -toch, mijn kind en mijn pleegzoon en ach zoo beminde leerling, wil je -meester niet achterblijven. - -—... Omdat het nieuwe genot overheèrlijk is!! En Dionyzos sliep in. - -—En omdat ik je niet kàn verlaten! Saters,—maar zij slapen al!—saters, -niet op een blazenden tijger! Vindt voor Silenos, opdat hij je volge, -opdat hij je volge òveràl, een goedigen ezel, als sneeuw blank, met -ooren lang en bewegelijk, en voorzichtig van tred over struikgewas en -rotsigen grond... Maar zij hooren al niet meer! Zij vallen overal, hier -en daar, of zij schuilen, blank en ruig—o, de ondeugden—soms weg in de -heel dichte schemerdonkerte! Silenos op een tijger? O, zij hooren al -niet meer. Om Silenos valt alles in sluimering, zelfs een betooverde -slaap verplettert de afschuwelijke wilde dieren. O, zie wat een -tafereel! O, zie wat een vadsige rust, van blank en ruig, en gespikkeld -van vel! Wat een loomheid op het midden des dags in woudwezens en in -dieren, terwijl het juist nù zoo wakensweldadig is, en de vogels alle -bescheiden zwijgen en het zeer geschikt nu juist wordt te peinzen over -àl goden- en aarderaadsels en ze op te lossen als moeilijke problemen, -nu eens zoo, en dan weêr anders! O, wat onwijsgeerige zwelging in -vasten slaap! Alles... iedereen slaapt! Alleen Silenos is wakker en -wandelt rond tusschen zoo vele slapers... Hier, hier ligt Dionyzos, als -op een heilige plek, zijn bronsblondgelokte hoofd op Fauns borst. -Duizend viooltjes zijn om hen ontbloeid en geuren op, in zijn droom! -Droom, droom Dionyzos, droom, met den eeuwigen lach om je goddelijke -lippen. Wie weet, wie weet... Wie weet, is je droom de eenige waarheid! -Is te geven de vreugde aan de wereld de eenige waarheid, waard te -vervullen als werkelijkheid! O, droom, droom Dionyzos, en moge, mijn -lieveling, nooit... o nooit... je in verdriet uit dien droom -ontwaken... - - - - - - - - - -IV. - - -Geleidelijk verwelkten de hemelen, verwelkte het azuur tot donker -violet van viooltjes, den geheelen binnenluchtkoepel overwazend; hier -en daar prikten de eerste sterren, en daar de maan nog wassende was, en -al begon te zilverspiegelen in de meergladde zee, was het niet noodig -toortsen te ontsteken: Selene glimlachte neêr zusterlijk zacht en -welwillend op den gewichtigen vooravond van Dionyzos’ eersten -reisnacht. Als in een legerkamp was, na lange en volledige siësta, een -blijde beweging begonnen in de beemden en bosschen van Nyza. En -Dionyzos, éven weemoedig, lachte toch nog, toen hij zeide: - -—Vaarwel, o lieflijke oorden, waar ik leefde mijn kinderjaren! Nyza, -waar hoed- en enkel-gevleugelde Hermes mij bracht na mijn tweede -wondergeboorte uit Zeus’ dij, om mij in je handen, o nymfen, o -voedsters, veilig te leggen voor de lagen van Hera, wie Zeus -strengelijk verbood Nyza’s bergenkling te overschrijden! Vaarwel, o -weiden vol anemonen, waarop daalden de waardige Muzen neêr, mij nemende -in haar midden, reidans om mij wevende, met zang en harmonischen klank -van snaren, die regelmatig de gouden cymbelslag onderbrak! Het uur is -gekomen, dat de wereld zich opent, en zijn taak Dionyzos toelacht! O, -nymfen, o voedsters, niet éene van je allen, die te Nyza achterblijft! -Verlaten voor langen tijd zullen de weiden zich strekken, en zullen de -wouden schaduwen en zal de zee spiegelglad liggen tusschen enge -bergkling. Maar de wingerd, die ik er zelve plantte, zal tot den herfst -toe zwellen van vreugde, en, eerst schuchter, later vertrouwder, zullen -herders en landbouwers komen tot deze plaats en Dionyzos’ eigene -trossen plukken in blijden wellust en nieuw genot! Vaarwel, o lieflijke -oorden! Dionyzos’ wagen staat klaar en vier saters zullen mennen de -lynxen, aan sterke ranken van veil, en zijn leger van faunen heft hoog -de omslingerde pijnappelroeden, en ikzelve, hier, breek mij af dezen -langen agavebloeme-steel, opdat hij mij schepter en wapen zij en in -Dionyzos’ hand verschrikkelijk worde! O, wellust, wie ons volgt, maar -wee, wie ons weêrstaat... Nu op, op, gij allen, die Dionyzos zult -volgen op zijn overwinningstocht door de wereld! - -Er stormde een luid gejuich, maar toch was er geen uitgelatenheid onder -de talrijke troepen van Dionyzos, alsof, hoe glimlachend ook, een ernst -nadenken deed, dien vooravond van den strijd. Dionyzos was in zijn -wagen gestegen, die hem de ijverige faunen hadden vervaardigd, en vier -saters menden de lynxen, nijdig als katers, met uitstaande -snorrebaarden. En achter hem vloeide het na van nymfen en Panszonen en -van zoo vele wezens der wouden, en zelfs van enkele menschelijke -stervelingen, die zich, als Dafnis, reeds gevoegd hadden bij den stoet, -den thiazos van den god. Ieder droeg er den thyrs, en ieder, voor het -laatst, had zich zware trossen geplukt van den wonderwingerd van Nyza, -om vreugde te hebben dien nacht der reize. Maar plotseling barstte een -schateren uit en ging door de gelederen als een heerlijke stormwind, -omdat Silenos, met vele woorden van aansporen tot voorzichtigheid en -omzien, zich hijschen liet op een witten ezel, die hem de saters -gevonden hadden. Hij liet zich hijschen, en rondom hem lachten, blank -en verleidelijk, de nymfen van Nyza, de blijde voedsters van Dionyzos. -Omdat de nacht frisch was van waaiende zeekoelte, hadden zij allen, de -nymfen van Nyza, zich gespikkelde vellen van beesten omgeslagen, die -hingen over hare schouders en heupen, met de levenloosheid der -bengelende koppen en slappe pooten neêr, en om hare slapen hadden -gestrengeld zij zich ranken van wijnlof, met aan de ooren groote -trossen, en hare blanke jeugd van blonde en blauwoogige nymfen, hare -lieflijke zachtheid van naakte nymfen, glimlachend als spelende -kinderen, verbarbaarschten zich vreemd in warreling der ranken, -tusschen de trosversierselen, heur slapen purper omprangend, en in de -ruigte der beestenvellen, of zij half nymf, half tijgerkat plotseling -zich herschapen hadden. Tusschen haar aller vroolijkheid en -schertsenden spot bereed Silenos zijn blanken ezel nu, kwinkslag -gevende op kwinkslag, en hij haalde Dionyzos ter zijde in. Faun, ter -andere, bereed een getemden leeuw, wien hij de hijgende flanken met de -hielen spoorde. En het nachtwoud kraakte en ritselde van den stoet, die -zich in beweging zette. Uit de zwarte schaduw der steeneiken ging het -met rustigen tred van schrijdende dieren, in toom gehouden, en van -paden tredende hoeven der trappelende saters, langs de boorden van de -zee, de bergen te gemoet. De weiden strekten zich wijder, de gesloten -zee openbaarde zich plotseling tusschen de wijkende kapen, het woud -bleef als schaduw achter, de vlakte strekte in de sneeuwblankte der -maan zich wijd als een witte woestijn, vaag van velden, en als zonder -horizon wegtintelend in de klare lucht zelve. Het was heel wijd, heel -ruim en heel licht. En de wijde vlakte, onmerkbaar eerst, steeg en -deinde naar boven; de zee viel lager weg, opende zich geheel, en het -gebergte, als een nachtviolette wal, kartelde zijn rotsscherpe -silhouet, uitgeknipt en zigzaggelend aan in de klaarte. Dionyzos steeg -op. Pad was er niet, maar de saters, trappelend met bijna dansende -voeten, traden het pad in wat struikgewas warrelde laag, altijd -verschoonende de blondere granen, moederlijke Demeter ter wille. Zoo -naderde de stoet het gebergte en slingerde de rotskam op, in rustige -blijde reize. Soms brulde luider een tijger of ander wild beest, soms -schaterden-uit de nymfen, of kakelde, kwinkslagend, Silenos onvermoeid; -soms danste heftiger de voorhoede der saters van vreugde te voren, maar -Dionyzos bleef glimlachend ernstig, Faun op zijn leeuw hem ter zijde, -ernstig glimlachend als hij. En hoewel vreugde er was en vertrouwen in -de gelederen van het vreugdeleger, was er hier en daar wantrouwen wel, -om zoo groot voornemen en wellicht driestheid van een veldheer, die een -knaap nog was, vrouwelijk week de leden gebootst in de teederheden van -het mollige vleesch, knapeveldheer, gewapend slechts met -agavebloeme-steel, en wie zoo groote schare van nymfen haast -gedachteloos volgde. - -Zoû Dionyzos verwinnen, nu hij den strijd aanbond tegen al wat in de -wereld somber zoû zijn; zoû Dionyzos de wereld verwinnen...? - -Maar zij, die zoo dachten, behoefden slechts een druif, een enkele, van -hun nachtvoorraad te snoepen, om zich plots te voelen verblijden, en nu -te weten, dat wie zoo heerlijke vreugde kon geven, ook de sombere -wereld overwinnen zoû. En al hooger en hooger steeg de stoet. Nu ging -de stoet het gebergte over, op de uiterste kam, en schaduwde tegen den -nacht aan, als een wondere optocht, waarheen in den Nàcht-Olympos de -gewekte goden nieuwsgierig heen zagen. Doelbewust trok de stoet -voorbij, uren, uren lang. De pijnappelroeden geheven teekenden over de -bergkam een woud van bewegende lansstokken uit, sidderende in het licht -van de maan. De getemde dieren brulden, maar schreden gewillig. En -uren, uren trok de stoet voorbij, doelbewust. Al opende half de -oostelijke poort zich, om Eos uit te laten, toen de laatste volgelingen -van den blijden Dionyzos aan de helling der steile bergkam pas -verdwenen in daling van spleten. En toen de morgen, zonnegoud dadelijk, -rozigde over de zee, lag Nyza en haar woud en haar vlakte, van Dionyzos -verlaten, in vreemde door de vogelen nauw gestoorde eenzaamheid achter, -in betooverde stilte vreemd, tot de landbouwers en herders dien morgen, -nieuwsgierig, aanslopen en zagen den wonderwingerd, en er van plukten -en dronken, en den wijnstok voortplantten, overal. - -Nu dien morgen ontwaakte in zijn paleis de beheerscher van Ikaria, -koning Ikarios, werd hem dadelijk een bode voorgevoerd, die hem zeide: - -—Heer, schrikverwekkende tijding, helaas, deel ik u mede: de morgen -rijst op over een dag van onheil, zeer zeker. Want dezen nacht naderde -over het gebergte een onafzienbare vijandelijke strijdmacht de grenzen -van uw rijk, en tot ontzetting der naar alle zijden vluchtende -bevolking naderen die barbaarsche horden de poorten van uw stad. Tijd -zal het nauwelijks zijn, Heer, uw leger te verzamelen en den vijand te -gemoet te trekken. - -Toen zeide, terwijl weeklaagde rondom hem het toestroomende volk, de -beheerscher van Ikaria: - -—In steê van wanhoop, o Bode, meen ik vreugde te mogen koesteren om wat -gij mij mededeelt. Oude voorspellingen kondigen aan voor Ikaria een -nieuwen god, die ons een nieuwe vreugde zal geven; wellicht is het -aantijgende leger, het leger des gods van vreugde. Zoû ik hem niet -welkom heeten? Is er zoo veel vreugde door de oude goden gesprenkeld -over mijn rijk? Heerschten niet pest en hongersnood gedurende lange -tijden, en schaduwde niet als een wolk somberheid over mijn onderdanen? -Demeter wendde zich van ons, onze granen verschroeiden zwart. -Geheimzinnige winden voerden ziekten aan, en het onheil regende neêr. -Sinds langen tijd scheen de lucht mij niet blauw meer, ook al boorde -zij zich diep azuur. Nu... zie, de lucht is blauw! En zweeft als een -glimlach over Ikaria! O, gij, edele grijsaards, gaat te gemoet, wie -komt! Vrouwen en maagden, neemt palmen en myrtetakken ter hand, en -wuift van verre het welkom tegen... Ik weet niet waarom ik heradem, en -waarom ik geen vreeze voel! Goud is de morgen en vroolijk! Sinds lang -was de morgen zoo vroolijk niet en sinds lang niet zoo goud van -vreugde. Gij allen, mijn volk, hebt vrede en weeklaagt niet meer! Het -IS de nieuwe god, die aankomt en ons zijn nieuwe vreugde biedt! - -Zoo riep de beheerscher Ikaria’s, en omdat het volk hem zeer lief had, -staakte het zijn weeklacht, liet zakken de armen en zamelde rond hem, -vertrouwend. O, het ellendige volk, de ellendige onderdanen Ikarios’... -gegroefd van ziekte was hun wang, geribd van magerte de pijnlijke -borstkas, van armoede gerafeld hingen onsierlijk de vodden en het rag -om hun leden. Zelfs zóo scheen de waardige heerscher, mager van wang en -van borstkas, hol van oog, en zijn mantel was niet meer mooi, en van -zijn staf was het goud dun gesleten. Rondom hem wachtte het volk, en -zij spiedden allen uit. En plots zagen zij naderen, terug, de -palmtakken en myrtetwijgen, naderen de edele grijsaards en achter hen -stuwde, als een stroom, het vreemde leger aan, de pijnappelstaven -omhoog. Een geruisch gonsde, als een stormwind door woud. Plots, schel, -pepen honderde fluiten. Het leger naderde met muziek en met dans, de -jonge veldheer voor: een lachende knaap, heerlijk naakt, gezeten in een -kar, die nijdige lynxen trokken, als katers, met snorrebaarden. Daar -steeg de veldheer uit, met een dartelen sprong, een blijden jongen -gelijk. En hij liep toe op den ouden Ikarios, die van verbazing de -armen ophief. - -—Ben jij de nieuwe god? vroeg de beheerscher Ikarios. De nieuwe god, -dien de voorspellingen kondigen aan? - -—Ik ben Dionyzos! riep Dionyzos jubelend uit zijn naam; en zie, hier -zijn druiven, en ik kom brengen de purperen vreugde! Beheerscher van -Ikaria, Dionyzos opent de armen, en wil je drukken aan zijn hart! Oude -koning, ik ben blij, want ik kom de vreugde brengen! Weet, oude koning, -dat razernij mij bevangt en allen, die mij volgen, om wie mij niet -blijde ontvangt, maar weet ook, dat niets dan vreugde, jeugd, wellust -en zaligheid zal zijn aan allen, die mij blijde ontvangen! Kies, -Ikarios, tusschen mijn woede en mijn vreugde, en kies voor allen de -uwen! - -Terwijl de god en de koning zoo spraken, juichten de faunen het volk -toe: - -—Hij is de zoon van Zeus! Hij is de zoon van Semele, die verblaakte in -Zeus’ blakenden gloed! Hij is de god der vreugde! Eert hem, eert -Dionyzos! Plukt de vreugde, die wij u bieden! Hier zijn de trossen! -Voor allen zijn er purperen trossen... - -Maar tusschen het volks- en faunenrumoer riep Ikarios uit: - -—O Dionyzos, o zoon van Zeus, zoû ik je niet blijde ontvangen? Was er -dan zoo vele vreugde in Ikaria, dat ik kan zeggen: ga, Dionyzos, een -anderen weg? En dat ik niet dankbaar zoû zijn voor de nieuwe vreugde, -de purperen vreugde der zwellende trossen? Ik ben oud, Dionyzos, en -hier, mijn vorstin is oud, en ziek zijn wij beiden, en ziek zijn ook -velen van mijn volk, en somber zijn wij na herinnering grauw aan pest -en aan hongersnood... O Dionyzos, zoû ik je niet blijde ontvangen? Maar -Dionyzos, ik open mijn armen, als een nederige vader, o zoon van Zeus! -Maar Dionyzos, ik ben je eeuwig en innig dankbaar, en mijn tranen van -blijdschap vloeien mijn half blinde oogen uit, alleen omdat ik je zie, -zoo mooi, zoo jong, zoo heerlijk, zoo blij, zoo stralend en goddelijk! - -—Ikarios! riep Dionyzos. Dan omhels ik je als een stralende zoon, die, -rijk aan schatten, een armen vader komt geven van wat hij won door zijn -vlijtigen arbeid. Het wonder gebeure... Ikarios, zie!! - -En Dionyzos strekte zijn agavesteel uit in de richting van het -verweerde paleis. - -Er beefde lichtelijk de aarde en de aarde spleet open en het bruischte -uit de opene spleet. Toen ook wankelde het paleis op zijn vervallene -zuilen, en het dak dreigde te storten in een. Maar staan bleef Ikarios’ -woning en een wonderwingerd wies op in een oogwenk, zijn knoestigen -stam schietende snel uit de spleet. Knoestig rekten de knoopige takken -zich uit langs de wanden van het paleis, de ranken omwingerden -geveldriehoek en dak, de ranken omwingerden de zuilen met breedbladig -festoen, en de zware trossen zwollen te voorschijn. Eén groot -druivenprieel herschiep zich het oude paleis. En de faunen gaven het -voorbeeld, en zij klommen op, en zij plukten de trossen af, en wierpen -ze in de handen des gretigen volks. Des konings fanfaren bliezen maar -de fluiten der saters en Panszonen schaterden uit, overklaterd door -Dionyzos’ stem: - -—O beheerscher Ikarios, o gij allen van Ikaria, weest blijde, weest -blijde, dat gij de vreugde aanvaardt! Niet heerschen meer pest en -hongersnood, alleen heerscht Dionyzos’ vreugde! O ellendig volk van -Ikaria, wees vroolijk, wees vroolijk altijd! En opdat je vooral dezen -dag vroolijk zult zijn, zal ik doen wat ik kan: je voor dézen dag allen -drinken laten uit mijn eigen drinkschaal, zie hier: groote, diepe, -ronde beker, waaruit je allen, o oude koning, o oude koningin, o arme -en zieke Ikariërs, o blinden, o kreupelen, melaatschen, o armen en -somberen en kermenden, zult drinken den weldadigen most van mijn -druiven, geknepen door mijn eigen vingers, zult drinken jeugd en -schoonheid, gezondheid en stralend gezicht, vluggen gang, blanke -lichaamstint, weelde, helderheid, lach! Weest vroolijk vooral dezen -dag! Koning, wees jong en mooi, en heb nog eens lief je koningin, jong -en mooi; nauwelijks genezen pestlijders, hebt krachtige lenige leden en -worstelt met elkaâr in het perk; kreupelen, loopt met elkaâr om het -hardst; blinden, ziet tot diep in het diepe azuur, en tot ver over de -lachende zee; gij allen, weest rijk, hebt vreugde, geniet! O, geniet -allen dezen dag, vooral. Eeuwig zijn niet mijn gaven, maar de -tijdelijke vreugde, die ik je geven kan, geniet; en morgen zal je wel -oud weêr zijn en niet meer rijk, o ouden en armen, maar zalige -herinnering des te meer zal je doen glimlachen dankbaar bij de gedachte -aan Dionyzos, die vèr dan zal zijn: het wonder... het wonder gebeure! - -En Dionyzos zich slingerend op Ampelos’ schouder, opdat hij hoog -troonde boven de menigte, lachende en dartel, zwaaide langzaam rond -zijn agavesteel. En het wonder... het wonder gebeurde... Plotseling was -ieder jong, gezond, krachtig van leden en vroolijk! De koning -verjeugdigd omhelsde zijn blozende koningin; oude bedelaars waren -jeugdige athleten; al wie oud was werd jong, al wie leelijk mooi, al -wie ziek gezond! Om alle huizen rankte de wingerd, en de blijde -landbouwers plukten er stokken af, en geleid door fluitende zoontjes -Pans, en geleid door blij trappelende saters, verspreidden zij zich in -alle gunstige richtingen, zochten àlle gunstige richtingen op, plantten -overal Dionyzos’ wijnstok. O, hoe tevreden was de god, terwijl hij zijn -drinkschaal bood aan den nu jeugdigen koning Ikarios, aan zijne -jeugdige koningin! Op het land, in de stad en het paleis, was vreugde, -was feest, was genot! Plotseling lachte het leven. De nymfen, hand aan -hand, slingerden zich door de stad en alle vrouwen deden haar na, -vertuitten zich met wijnlof het haar, trossen aan de ooren, sloegen het -beestenvel om schouders en heupen, en zwaaiden de pijnappelroê. Alle -oogen glinsterden in den vreugdemorgen. Armen grepen elkaâr, van most -gepurperde lippen zochten elkander; schuchtere liefde zocht schaduw der -wouden, of liever loovergeheim nog van wingerd. Plotseling juichte het -leven! O, hoe tevreden was Dionyzos om verwinning zoo heerlijk, en -zonder zweem van smart en van pijn voor wie ook, omdat zij allen zijn -vreugde wilden. Wèl hem, die hem de armen open ontving; wee, wie zijn -gaven hem weigerde! - -Nu rende Faun met hem op den schouder gezeten door de stad, en zij -riepen hem uit: Dionyzos! Dionyzos, dank! Hij wuifde de hand, hij -schaterde! Hij wierp hun zijn kushanden toe. Hij wierp hunne trossen -toe. Zij vingen ze op in de gretige palmen. En het was de nieuwe -wellust overal. In de velden gebeurde het wonder, en Dionyzos schaterde -er van blijdschap om. Overal plantten de nieuwe wijnbouwers de stokken -van den wonderwingerd, en de ranken schoten weelderig uit, en de faunen -namen de ranken lang en leidden ze als feestfestoenen van lagen boom -tot lagen boom, van wilg tot populiertje, en van berkje tot abeel, en -tusschen Demeters armelijke velden festoenden de feestranken blijde, -als was haar geheele veld éen enkele feesthal geworden, door het -welvend azuur overbogen. En Dionyzos, meêlijdend om de schrale -gewassen, niet door Demeter geacht, riep uit: - -—O Demeter, o moederlijke zuster, o Demeter, die ik liefheb en acht! -Waarom hebt ge in smart om Persefone van Ikaria uw blik afgewend? Kom, -o blonde Demeter, en glimlach over zoo schrale aren, en zij zullen -zwellen in dien nieuwen zonneschijn! O Demeter, meng uw goud met mijn -purper, als ik morgen ver van Ikaria ben! - -En het blijde volk herhaalde Dionyzos’ bede, en het stroomde in -Demeters heiligdom. Geen middagrust was er dien blijden dag. De vreugde -vierde dien morgen niet uit. De nieuwe jeugd overal verlustigde ook in -de brandendste uren. - - - - - - - - - -V. - - -Over de landen spreidde de mare van de komst van den blijden god, en -boden, snelvoetig, liepen toe naar het paleis van koning Minyas, -beheerscher van Orchomenos, en riepen: - -—Heer, schrikwekkende tijding, helaas, deel ik u mede: de morgen rijst -op over een dag van onheil, zeer zeker. Want dezen nacht naderde over -het gebergte een onafzienbare vijandelijke strijdmacht de grenzen van -uw rijk, en tot ontzetting der naar alle zijden vluchtende bevolking, -naderen die barbaarsche horden de poorten van uw stad. Tijd zal het -nauwelijks zijn, Heer, uw leger te verzamelen en den vijand te gemoet -te trekken. - -Toen zeide, terwijl weeklaagde rondom hem het toestroomende volk, de -beheerscher van Orchomenos: - -—Nooit zullen wij dulden, dat wie ook, nieuwe veldheer of vreemde god, -zich met zijn barbaarsche horde dringe in onze bezitting, en onzen -rustigen ernst verstore. Wij roepen dus ten snelste op de scharen van -onze dapperen om den indringer te gemoet te treden, en te jagen ver -over de grenzen des rijks. - -En, inderdaad, ten spoedigste, verzamelden zich rondom den fronsenden -Minyas de dappere scharen der krijgers. En als een bewegende wal van -ronde schilden, die blikkerden, waarboven spietsten de lansen -bliksemend, ging, koperen kracht, Minyas’ leger Dionyzos te moet. De -god, in den bewolkten dag, zag van verre het leger toch naderen, heel -snel: de blikkering der schilden, de bliksems der lansen, dof, in het -sombere morgenlicht. En zijn saters riepen het naderende leger toe: - -—Hij is de zoon van Zeus! Hij is de zoon van Semele, die verblaakte in -Zeus’ blakenden gloed! Hij is de god der vreugde! Eert hem, eert -Dionyzos! Plukt de vreugde, die wij u bieden! Hier zijn de trossen! -Voor àllen zijn er purperen trossen! - -En dansende de trossen heffende, naderden de saters Minyas’ in zwaar -brons gewapende strijdmacht. Om zóó vreemde vreugde vijandelijk, en zoo -ongekend reuzig ooft, dat zeker krijgslist beduidde, aarzelden de -krijgers hun pijlen te schieten, of hun lange lans drillend te heffen, -vooral toen heel helder de stem van den god zelven plots klonk: - -—O Minyas, waarom somber als de lucht van den morgen zelven, fronst -zich uw voorhoofd, onder den blits van uw helm en uw zwarte pluim, die -er donker wuift? Waarom treedt gij mij te gemoet met zwaar gewapende -legerschare, of is het alleen om mij te heffen in zege, op uw -blikkerende schilden, en mij in thyrsen uw lansen veranderen te doen? -Wilt ge, dat ik op uw schilden blikkerend mijn faunen beveel druiven te -stapelen als op schalen breed; wilt ge uw helmen ophouden en er uit -drinken bedwelming van mijn nieuwe vreugde; wilt ge, dat op een enkelen -wenk van mijn agavebloeme-steel een wonderwingerd uit den splijtenden -grond schiete, tusschen ons beider machten, en ik u toon, dat IK de -machtigste ben? - -Maar, achterdochtig, en fronsend de brauwen, onder den blits van zijn -helm en wuiving van zwarte pluim, antwoordde Minyas niet, de -beheerscher van Orchomenos, den goddelijken Dionyzos; en zijn -boogschutters schoten de pijlen af naar de dansende saters en troffen -hen, tot het gehuil der woeste bokspooten opsteeg pijnklagend, en hun -bloed vloeide, te zamen met het bloed der druiven. Een razernij beving -Dionyzos. Hij stortte zich uit zijn wagen, hij slingerde zich op -Ampelos’ schouder, en, onherkenbaar plots, was hij verschrikkelijk. Die -hem volgden, staarden hem allen aan. Zijn lachend week knapegezicht was -bleek vertrokken in een strakken tragischen maskergrijns wreed, zijn -bronsblonde lokken stonden kronkelend overeind, gelijk aan Meduza’s -serpenten, huiverend rondom zijn hoofd. Zijn viooloogen, hard als -staal, staarden Minyas toe, en zijn anders altijd lachende lippen, -blozend van wellust-verlangen, vertrokken tot een tronie zijn gansche -gelaat, en hij krijschte, schuimend, onverstaanbaren klank. Een rilling -voer zichtbaar zijn lichaam langs, als een koorts, die hem liep over de -leden. Zijn aderen zwollen aan zijn heerlijke lichaam, en zijn vingers -krampten als tijgerklauwen. Nu brullend als een dier, spoorde hij Faun, -zijn liefsten vriend, wreed den hiel in de flanken, maar niet -vertoornde Faun, en snelde lastdier-gewillig, voort met den razenden -god. En allen, die hem volgden, den god Dionyzos in razernij—saters en -faunen op panthers en leeuwen, de nymfen van Nyza, -bakchanten-herschapen, de stervelingen, Dafnis, Eole, Panszonen groot -en klein,—allen, die Dionyzos volgden, stak zijn eigen razernij -goddelijk aan, zelfs meêsleurende Silenos op witten ezel, die balkte -tusschen tijgerkatten,—den wijsgeer en meester, dronken en razend om -wie zijn goddelijken leerling weêrstond! En éene zelfde razernij gaf -allen een zoo plots goddelijken kracht, nu zij zich stortten op Minyas’ -krijgers, dat de wal van koperen schilden beefde, en verbrak onder den -aanval, en dat naar alle zijden vervluchtten, verflitsten de koperen -lansen. De saters, schuimbekkend als beesten wild, wierpen zich op de -vluchtende krijgers, sloegen hun de klauwnagels in de oogen, en in het -lillende vleesch, verscheurden krijschend de lichamen en hitsten hun -leeuwen en panthers aan, die zich wierpen op wie poogden te vluchten. -Krijschend onder de sombere lucht van wolken grauw, waartusschen zagen -de goden neêr, omringden de beestevel-omkleedene Bassariden, de -bakchanten razend, nymfen van Nyza, Minyas’ eigen lijfwacht, niet -achtende pijlsteek of bijlhouw, en hare wreede woede, huilende, -dansende, omcirkelde geheel die keur van krijgers, in wie zij de nagels -sloegen. Zij waren geen nymfen meer. Zij waren tijgerinnen en -tijgerkatten. Zeus, vertoornd om wie zijn zoon weêrstond, verzamelde -donker de wolken, slingerde zijn bliksem, en de donder rolde de hemelen -door; de goden, bevende bang, verwijderden zich vol eerbied van den -oppergod, vader van Dionyzos: fronsend in wolken bleef Zeus alleen, -neêrzien op Minyas in toorn. En plots zag hij dit: Dionyzos, zijn zoon, -onherkenbaar de mooie knaap in razernij, zich werpen op Minyas zelven: -zoo als een leeuw zich werpt op een stier, hem in den nek breed en de -schoften zwaar zonder aarzeling de klauwen slaan, verscheurens gereed. -Dionynos, als een wilde leeuw, brulde, en sloeg de nagels in Minyas’ -oogen. De koning slaakte éen onmenschelijken kreet en was blind. Maar -niet was Dionyzos tevreden, en hij riep: - -—Minyas, die mij weêrstond, blinde Minyas, nooit heb je goed gezien! -Want altijd dacht je jezelven een man en een vorst, maar verblind was -je al, voor IK je verblindde, want je bent altijd een wijnstok -geweest!! Minyas, Minyas, zie nu?? Poog dan te zien! Zijn je beenen -geen wijnstokken twee? Is je tors niet een tros, en zijn je armen niet -knoestige ranken? Druipt de most je niet uit de oogenholten, als mijn -versmade wijn vloeit uit diepe schalen?! Minyas, ben je een man? -Minyas, ben je een koning en beheerscher van Orchomenos? Of ben je een -wijnstok? Ben je een wijnstok? Wacht, persen zal Dionyzos je uit! - -En krijschend wierp ten tweede male Dionyzos zich op den vorst, sloeg -hem de nagels in het lillende vleesch. - -—Zie!! riep Dionyzos in zege. Zie nu, poog nu te zien! Je druipt wijn -uit overal! O, overdadige wijnstok! - -Onder den aanval van den razenden god, werd waanzinnig de ongelukkige -vorst. - -—Een wijnstok? Ben ik een wijnstok? riep hij uit. O, Dionyzos, ben ik -een wijnstok? Zijn al mijn krijgers dan wijnstokken ook? Een bijl, een -bijl! Hier houw ik ze af, de wijnstokken van Dionyzos, opdat ik ze -plante in mijn rijk! - -En, blind, in stroomend bloed, sloeg hij met de bijl woest in het rond, -en doodde hij zijn eigen krijgers... - -Nog fronste Zeus, alleen, toornig in wolken, en hij wierp zijn bliksem -voor zich uit, en de donder rolde de hemelen door... - -Maar bij Minyas’ lijk ontwaakte uit razernij Dionyzos, en riep -snikkend: - -—O, rampzalige, waarom niet de vreugde aanvaard! - - - - - - - - - -VI. - - -Dien avond, over de heuvelen, en hooger over de bergen, sneeuwbedekt, -onder den wolkenden hemel, waardoor heen vaarde, als een witte boot, -der maan snel schietende sikkel, zwierden, lange rij, hand aan hand, de -menaden na Dionyzos’ zege; en van af het slagveld, zagen Minyas’ -krijgers, die er lagen gewond en vergeten en kermend, schimmig de -verschrikkelijke vrouwen dansen voorbij op de lucht, zagen zij roode -vlammende toortsen, en hoorden zij haar schaterende lachen. Nu steunden -de gewonde krijgers met den elleboog op de ronde schilden, en tuurden -zij, brekend de blikken, naar den verren dans en het feest daarboven, -dat festoende over den heuvelenkling, en rankte hooger de bergkam op. -Somber in den feestnacht klonk der leeuwen gebrul, en een ezel balkte, -belachelijk... - -Weeklaagden in pijn de strijders, stervende en bloedende uit, want -verscheurd en gereten met nagels hadden de nymfen hen, en met klauwen -de panthers en leeuwen, en met thyrsen en met agavesteelen hadden hen -onmeêdoogend gegeeseld de saters, en het zware brons van hun helmen en -schilden en speeren en lansen had niets vermocht tegen de woede van de -wezens des wouds, volgelingen des machtigen Dionyzos’! Nu vierde de god -daarboven, over heuvelkling, over bergkam, zijn zege, en de menaden -zwierden... Maar wie gingen over het slagveld heen, waar Minyas’ -strijders lagen vergeten? Waren het roofzieke dieven, die den -stervenden kleinood ontrukten en sieraad, dat zij zich bukten over de -lichamen? - -—Zijn het roofzieke dieven, Lykurgos? vroeg Pentheus zijn vriend, -terwijl hij in zijn armen te sterven lag, uit zwaar gereten borst -bloedende. En willen zij den stervenden afrukken... kleinood en -sieraad... dat zij zich bukken over de lichamen? - -—Zijn het medekrijgers, Pentheus, die ons zoeken om ons op hun schild -te tillen en naar hun tenten ter verpleging te voeren... - -—Niet schijnen zij, die daar dwalend gaan over het slagveld, en over de -verslagenen bukken, mij boos van aard, en eerder weldadig van doen... - -—Nu naderen ons er twee... - -—Wie naderen ons, Lykurgos en Pentheus, dwalende over het slagveld en -wie bukken nu over ons? - -—Wij zijn de faunen van Dionyzos, klonken aan hun oor zachte stemmen; -en de god beval ons te treden tusschen je allen, verslagenen, en je te -laven de veege monden, en zoo mogelijk je te genezen je wonden, en je -te behouden voor het vroolijke lachende leven, want Dionyzos is -weldadig aan àllen, die aannemen zijn vreugde en het nieuwe genot, en -verschrikkelijk is hij alleen, wie, somber, hem tegenstreeft... Wij -zijn de faunen van Dionyzos... en zie hier, Lykurgos en Pentheus, edele -vrienden twee, samenstrijders in den bloedigen krijg, wie leeuwen en -saters en razende nymfen hebben gereten de nu lillende leden, en de van -pijn grijnzende gezichten, zie hier! Druiven komen je brengen de faunen -van Dionyzos! Wij houden den helm je op, en wij persen in den helm de -trossen uit: zie, het sap druipt ons tusschen de vingers, en wij mengen -den most met honig, die wij meêbrachten in versche vijgebladeren, en -zoet en weldadig zal de drank je laven en kracht in je merg doen -stroomen! Drink, Lykurgos, en Pentheus, drink! - -—O faunen, weldadig is Dionyzos, wanneer hij verschrikkelijk niet is! -O, de drank uit onze helmen, de most vermengd met den honig, zoetheid -en kracht te zamen... o faunen, is het nog mogelijk, dat wij leven, -terwijl wij Tartaros reeds zagen zwart schemeren: o faunen, is nog -mogelijk, dat voor het vroolijke lachende leven wij behouden bleven, of -is het alleen de troost van het laatste oogenblik, dien je, weldadige -faunen, ons biedt... - -—Diep zijn je wonden, o Pentheus en Lykurgos, maar kracht stroomt je -Dionyzos’ gave in, en hier zijn kruiden en bladeren van genezende -kracht, die vermengd met honig en wijn je wonden, zoo niet sterfelijk, -genezen zullen, en waarmeê wij stelpen je vloeiende bloed. Maar drinkt -op nieuw den helm uit, o Lykurgos en Pentheus! - -—Lykurgos! zei Pentheus. Mijn oog verheldert zich, en mijn ziel is, ik -weet niet waarom, zoo blijde. Nu sta ik op, en ik help je opstaan, en -al wankelen je beenen, ik voel in je, mijn vriend, kracht gelijk aan de -mijne stroomen, en ik voel, dat je behouden zult zijn voor het -vroolijke en lachende leven... O, weldadige faunen... waar is het -vroolijke, lachende leven...? Wij waren strijders aan de zijde van -somberen Minyas, den beheerscher van droefgeestig Orchomenos, en weten -niet het lachende leven te vinden; o faunen, waar vinden wij het? Waar -vinden het Lykurgos en Pentheus? Aan de zijde van Dionyzos? Bloeiende -rondom Dionyzos? Rankend Dionyzos rond? O faunen, waar vinden wij het? -Het bloedige slagveld purpert somber onder den somberen hemel, door -wiens wolken de maan snel schiet; maar waar purpert helder het -vroolijke leven van Dionyzos’ rijke en lachende gaven? - -—Lykurgos en Pentheus, beide genezende en krachtig al, zoo je wilt -eeren in dankbaarheid en in vreugde den machtigen god Dionyzos... gaat, -waarheen je zal leiden... hoort!... de schelle fluit van dien kleinen -jongen, zoontje van Pan, bokspootig en ruig al van wangen, met -staartje, dat kwispelt: dartel bokje, dat voor je uit zal trappelen en -zal pijpen zijn rietje op en neêr, en neêr en op... heel hoog en dan -lager, als beekje, dat stroomt over rots, schuimt op, en weêr valt, -schuimt op en weêr wegvliet... Volgt, Lykurgos en Pentheus, het -bokspootje blijde en gaat waarheen hij je voert... Wij gaan verder het -slagveld over, om de helmen van je stervende makkers te vullen met most -en met honig... hen te genezen, zoo mogelijk... en velen zal je er -vinden terug, waarheen je lokt het vroolijke wijsje... - -—Lykurgos... zie je het bokje? - -—Voor ons uit trappelt het vlug met zijn hoefjes en lachend ziet hij -om, ruig in het licht van de heldere maan. Hij wenkt ons en fluit! Laat -mij je steunen, o Pentheus, laat mij je in mijn armen voeren, want niet -zoo krachtig ben je als ik... Nu naderen wij hem, maar hij schiet weêr -voort; met enkele sprongen is hij héel ver! O, nu zie ik hem eindelijk! -Zijn kopje is als van een kleine guit; een baardje heeft hij waarachtig -al; twee horentjes steken zijn lofkrans uit; zijn oortjes zijn spits, -en twee lelletjes hangen hem onder de kin! Zijn staartje kwispelt boven -zijn billetjes, en zijn donkere vingers kriebelen over het fluitje! Wat -blaast hij er schelle klankjes uit, heel hooge en dan weêr lagere... -Vlug, Pentheus, verliezen wij ons bokje niet, in den nu weêr donkeren -nacht, want de maan is weg, achter de wolken... Daar, daar zie ik hem, -hóog op een rotsblok... nu klimt hij naar boven... nu weêr is hij -weg... O, Pentheus, ik zie hem niet meer... Wacht een oogenblik...: -daar giet weêr de maan haar licht... Ik zie hem, ik zie hem, o -Pentheus... en hij lokt ons: hierheen, hierheen... O, Pentheus, ben je -sterk genoeg om hem te volgen...? Wil ik je tillen op mijn schouder...? -Kan je niet verder...? Ben je zoo uitgeput...? Je alleen achterlaten, -Pentheus? Neen, nooit, dàn laat ik het bokje maar slippen...: ik blijf -bij je, mijn krijgsmakker, hoor! O, wat fluit nu het mannetje schel, -als of hij ongeduldig wordt! Kan je nu weêr volgen, o Pentheus...? O -bokje, vlug bokje, wij zijn zieke soldaten, nauwelijks door Dionyzos’ -gaven genezen, en wij kùnnen zoo vlug je niet volgen, daar waar het -leven vroolijk en lachende is! - -Maar, Pentheus steunende, streefde Lykurgos en struikelde en viel en -stond op weêr, en het Panszoontje lokte hem de heuvelen op, en het -slagveld viel onder hun blikken weg, zich wijd strekkende, sombere -vlakte. Weêr was de maan achter de wolken, maar een rosse gloed, verder -en hooger op, blaakte als een brand, die zich over het gebergte -verspreidde. De beide soldaten klommen hooger, maar zij zagen het -Panszoontje niet meer. Tot zij plotseling hoorden gejuich en gelach, -tot zij zagen aannaderen den toortsenrook en de menaden, hand aan hand, -de saters, flambouwen zwaaiende, aandansend van rotsblok op rotsblok, -de oogen woest in dionyzische vreugde. Met éen zelfden kreet telkens -weêr, wierpen zij zich achterover de lenige lijven, en wie struikelde -en viel, werd opgesleurd, als aan een onverbreekbare ketting telkens. -En toen zij zagen Lykurgos en Pentheus, riepen de woeste vrouwen: - -—Wie naderen onzen dans en ons feest, en zijn naakt van beestevel en -wingerdrank en zijn ongewapend van thyrs! - -—O woeste menaden! riep Lykurgos; hoort ons éen oogenblik: Lykurgos en -Pentheus zijn wij, krijgers van somberen Mynias; verslagen stierven wij -al op het bloedpurperen slagveld, maar Dionyzos’ weldadige faunen -zochten ons met honig en most, en pleegden onze wonden, en laafden ons -de dorstige kelen, en een bokspoot, dartel en klein, lokte ons met -wijze zoo blij de heuvelen en rotsen op, opdat wij het vroolijke en -lachende leven zouden vinden bij Dionyzos! Menaden, waar is Dionyzos, -die zoo weldadig is als verschrikkelijk? Menaden, waar is de -overwinnaar? Wij willen hem zien en hem eeren, met dankbaarheid en met -bewondering! Wij vreezen hem en hebben hem lief al! Menaden, waar is -Dionyzos? - -—Volgt ons, Lykurgos en Pentheus, volgt Dionyzos’ menaden en volgt zijn -saters... Hier, neemt ter hand een flambouw, opdat je in duister niet -struikele over de rotsen en verdwijne in afgrond diep...: volgt ons, -Lykurgos en Pentheus... Maar eerst, drinkt de druiven uit diepe schaal -uit...: nieuwe kracht zullen Dionyzos’ druiven je geven...: hier, hier, -met veil nu omrankt, met trossen beladen, met tijgervel om, de thyrs in -de hand of de toorts... volgt ons, volgt ons, Lykurgos en Pentheus... -en volgt ons tot Dionyzos! - -En zij volgden de woeste menaden, die hen omringden en meêslierden; de -nacht was purper van druiven, van toortslicht, van vreugde. Tot zich -breidde een hoogvlakte, waar blank de sneeuw nog op lag, en een juichen -opging en een lachen. - -Daar stond Dionyzos in zijn kar en schaterde, en schaterden rondom hem -de faunen. En omdat zoo schaterde de blijde god en zoo schaterden zijn -blijde faunen, zóo, dat de lynxen brieschten en brulden, stroomden van -alle zijden menaden en saters aan, elkander optrekkend aan gordels van -veil en lianen,—dronken van wijn en van juiching en zege—en weten -wilden zij allen waarom zoo schaterde Dionyzos en de faunen rondom hem -schaterden... - -—O razende Dionyzos! riepen zij uit. Hij is blijde Dionyzos weêr! Zie, -hoe hij lacht! Zie, hoe hij lacht! Zijn viooloogen lachen, zijn -druiflippen lachen, en zijn heerlijke lichaam trilt niet van razernij -meer, maar van blijden lach! O, razende Dionyzos, hij is blijde -Dionyzos weêr! God van onze vreugde, zoo razend om tegenstand, wat wekt -je weêr tot den blijden lach? En wat tot de heerlijke vreugde? Is het -de zege over Minyas; of zijn het schalen diep, vol pas geperste -trossen? - -—O menaden, o saters! riep Dionyzos. O, allen, die mij volgt! Niet is -het de zege over Minyas, niet zijn het versch geplukte trossen, die -Dionyzos doen lachen van heerlijke vreugde, maar het is Silenos, zie -Silenos! Eere Silenos, krijgslistig als wijs! Eere den wijsgeer en -dapperen strijder! Dronken, was hij onverwinbaar, en geeselde hij met -agavesteel Minyas’ krijgers tot nederlaag, en ontnuchterd was hij een -wijsgeer, en reed op zijn ezel wit, de ooren lang en bewegelijk, naar -de overwonnen stad, en daar praatte hij zoo bezadigd met alle -ouden-van-dagen en dikken-van-buik over de vreugde zijns goddelijken -leerlings, over mijn vreugde, over mij, Dionyzos... dat hij hen allen, -ouden-van-dagen, en dikken-van-buik, kaal knikkebollende en vet -maagplooiende, overhaalde te zoeken witte ezelen, als de zijne, -omzichtig van tred, en de ooren lang en bewegelijk,... dat hij hen -overhaalde ze te bestijgen, de lastdieren, gewillig en balkend, en... -dat hij met zijn stoet ouden-van-dagen en dikken-van-buik... o zie, zie -hen aan!... nu nadert zijn god en zijn veldheer en leerling, als -aanvoerder aan het hoofd zijner schare... Komt dan toch, menaden, komt -saters, dringt om mij rond, en ziet! Silenos rijdt nader... zijn ezel -balkt... àl hun ezels balken... oorverdoovend... o, de tijgers -brullen,... o, de leeuwen brullen... de lynxen brieschen... maar de -ezels, de ezels balken... zoo luid... zoo hevig... dat ik geloof, in -Olympos, de goden uitkijken; en zelfs Zeus, mijn vader, lacht tusschen -de donkere wolken, om zoo vele, zoo vele balkende ezels! Eert Silenos, -menaden en saters! Door wijsbegeerte alleen en onweêrstaanbare -overredingskracht wist Silenos tot Dionyzos zoo vele volgelingen te -brengen, die zich nu scharen in het leger van vreugde! Weest vroolijk -en lacht-uit het leven, o ouden-van-dagen, o dikken-van-buik, en weest -welkom in Dionyzos’ kamp! De wereld zullen wij overwinnen! Je zult met -ons de wereld overwinnen! Purperen trossen en blanke nymfen zal je deel -zijn en oorlogsbuit! Heel het purperen en blanke leven, o -knikkebollenden op witte ezels! Hi-ha! Hi-ha! Overstemt, ezels, met je -gebalk, onzen lach, den schreeuw van menaden en saters, den schater van -de goden daarboven! Hi-ha; hi-ha! Ezelvolk van Dionyzos, volgt hem in -den strijd! Menaden, omkranst met ranken en trossen de vroolijke -knikkebollers en biedt hun den diepen beker! Stijgt af, knikkebollers -en danst! Danst in het rond en laat schudden je maagplooien op den -maatslag der tamboerijnen! Saters, de cymbels! Faunen, de fluiten! O, -Silenos, in hun midden dans je het mooist, en jij, die de Muzen zag -dansen op de violette anemonen van Nyza, bent wèl hàar waardigste -leerling!!! - -En zoo luid schaterde blij Dionyzos, dat zijn lach klaterde over de -bergen heen, en de balkende ezels overstemde. Maar wat slingerde—in -maneschijn en toortsglans afwisselend—toch van alle zijden de bergen -op, en naar de sneeuwbedekte hoogvlakte toe...? Hier waren het de -nymfen van Nyza, blijden Dionyzos’ voedsters, en zij voerden meê, al -lachend en blijde, vrouwen en maagden der stad overwonnen, àlle vrouwen -en maagden van Orchomenos, en zij wezen haar, schuchter, wantrouwende -nog: - -—Zie, daar is Dionyzos! Zie, daar is onze god! Zie daar is onze -vreugde! Zie hem aan, hoe heerlijk hij is! Hij is de vreugde, hij is -het genot! - -Maar ginds waren het weldadige faunen, en zij voerden meê, al krachtig -en vroolijk, Minyas’ gewonde krijgers, àlle krijgers van somber -Orchomenos, en zij wezen hun verwonderd en wantrouwende nog: - -—Zie, daar is Dionyzos! Zie, daar is onze god! Zie, daar is onze -veldheer! Zie hem aan, hoe onverwinlijk hij is! Hij is de vreugde, hij -is het genot! - -En Dionyzos riep uit: - -—Komt allen tot mij, ouden-van-dagen, dikken-van-maag, matronen en -maagden en krijgers! Ik ben de vreugde en de purperen vreugde verwint -heèl de wereld, zoo als zij heden Orchomenos won! Zoodra Eos aan de -oostelijke poorten rijst, plant den wijnstok overal, tusschen Demeters -dan blondere velden! Mengt mij met haar! Ik acht haar als zij mij lief -heeft! Welvaart zij in Orchomenos en vreugde omkranse die welvaart! -Tusschen de velden, van lagen boom tot lagen boom, van berkje tot abeel -en van populiertje tot steeneik, festoent rond en sierlijk de ranken! -Wees een feestvlakte, somber Orchomenos! O, sombere nacht, haast je af, -en rozevingerige Eos, verschijn! - -Zoo juichte goddelijke Dionyzos, en de wolken trokken voorbij, de hemel -parelde morgengrauw, de bergrotsen teekenden scherper zich, en de -oostelijke poorten openden met een breeden kier, kimstreep van goud. - -En aan allen, grijsaards en matronen en krijgers en maagden, deelden de -saters de wijnstokken uit, en de Panszoontjes, fluitende, lokten tot de -gunstige plekken. Dionyzos, op Fauns schouder getorst, bezocht alle -gunstige plekken, tot hij plots, de stad wit er zuilende achter, het -paleis van den verslagenen beheerscher, Minyas, den vorst van -Orchomenos, zag, waarom met vele beweging en stemmen luid menaden haar -thyrsen zwaaiden. Toen riep Dionyzos: - -—Zegt mij, blijde menaden, wat roept gij zoo vele beweging met stemmen -luid op om het paleis van Minyas, den verslagen beheerscher -Orchomenos’? - -—Dionyzos! riepen de menaden woest. Zij schenden je goddelijke wet, de -sombere Mineïden, de dochters drie van Minyas, dien je versloeg in den -verschrikkelijken strijd! - -—En hoe schenden zij, o menaden, mijn wet? - -—Zij weigeren, de Mineïden, deel te nemen aan onze reien en ronde, het -beestevel om schouders en heupen te slaan, den tros aan haar slapen te -hangen, hard de tamboerijnen te slaan en de thyrsos breed omme te -zwaaien! Zij weigeren te komen uit haar paleis, waar zij blijven aan -den somberen arbeid, waar zij weven de lijkwâ haars vaders! O, -Dionyzos, nu zullen wij gaan tot in haar paleis en haar slieren in -vreugde naar buiten, en, zoo zij weigeren vreugde te vieren, haar -verscheuren als waren tijgerinnen wij allen? - -Maar Dionyzos sprong af van Fauns schouder en hij drong langs de -menaden door in het paleis. Daar zaten somber in het vrouwenvertrek aan -het weefgetouw de zwart gesluierde maagden en zij bereidden de lijkwâ -haars vaders. Zij zagen niet op en arbeidden door, terwijl de blijde -god stond op den drempel en het binnenpaleis plots straalde van zijn -goud goddelijken glans. Zij zagen niet op, en hare oogen treurden, hare -sluiers treurden, hare wevende handen treurden, en hare zwijgende -lippen treurden. In zwijgenden arbeid treurden zij, zonder tranen. Toen -zeide haar Dionyzos: - -—O treurende Mineïden, hoort mij aan, mij Dionyzos, den blijden god van -vreugde, die je somberen vader versloeg. Deze dag is een vreugdedag, -want vreugde ging over Orchomenos op, en wijd welft zich de blauwende -hemel! Mijn wijnstok plantten mijn saters overal tusschen Demeters -velden en de snel schietende ranken, waaraan wonderwelig de purperen -trossen al zwellen, festoenen zij feestelijk van lagen boom tot lagen -boom, van steeneik tot populiertje en van berkje tot abeel. Een -feestvlakte herschept zich Orchomenos. O treurende Mineïden, smart om -den verslagenen vader treurt uit je zwijgenden arbeid, treurt uit je -neêrziende oogen, en wevende handen en geslotene lippen, maar, gelooft -mij: dag van smart is niet deze! Dag is hij van purperen vreugde. -Beweent morgen den somberen vader, weeft hem morgen de lijkwâ, en -bewijst hem de treurige eere: niet zal Dionyzos zich morgen verzetten, -die ver dan zal zijn! Maar deze dag, wiens licht ziet den wijnstok -geplant op alle gunstige plekken Orchomenos’, deze dag is een dag van -vreugde. Slaat af de sombere sluiers, laat rusten de weefspoel aan de -al half bereide wade des vaders en slaat om de maagdelijke leden vel -van lynx of van spikkelige tijgerkat, vertuit je met zwellende trossen, -plant een wijnstok tegen dit vorstelijk paleis en hebt vreugde om je -land, dat zich in vreugde herschept, en voortaan zal Orchomenos blijde -wezen. Morgen, o treurt, Mineïden, en herneemt den somberen arbeid: -maar heden, voldoet aan Dionyzos’ bevel en eert zijn blijde wet! - -Maar zwijgend bleven aan treurenden arbeid de sombere Mineïden, en de -menaden achter Dionyzos dringende, riepen uit: - -—Wij verscheuren haar allen, o Dionyzos, als tijgerkatten, wij allen? - -En tusschen alle zuilen drongen zij door, gereed zich op de vorstelijke -maagden te werpen. - -Maar Dionyzos hield met opengebreide armen haar tegen. - -—Laat af, o woeste menaden! Aan Dionyzos de dochteren, als de vader! -Aan mij is alleen de straf en de wraak over deze vorstelijke maagden -van treurigheid. O, treurende Mineïden, nog eenmaal roept Dionyzos je -tegen: voldoet aan zijn vreugdebevel en eert hem zijn blijde wet! - -Maar zwijgend bleven aan treurenden arbeid de sombere Mineïden. - -Toen lachte Dionyzos verschrikkelijk. - -Dat was niet zijn blijde lach, maar dat was zijn vreeselijke grijns, -die zijn heerlijk gelaat verwrong tot een masker, plotseling -onherkenbaar, ontzettend. En zijn thyrsos geheven, riep hij het wonder -op te gebeuren. - -Het paleis van den verslagen beheerscher Orchomenos’, somberen Minyas, -beefde, en aan alle zuilen, uit splijtenden grond, wies wonderwelig de -wingerd op, festoende de zuilen rondom, hechtte zich aan architraven, -rankte van kapiteel tot kapiteel, en liet overdadig in ironische -vreugde zijn zware trossen purperen tusschen de bladeren groot. Nu -zagen de treurende maagden op, nòg wevende in het blijde prieel. Hare -groote oogen begonnen te weenen, en de groote tranen parelden zwaar -neêr en vielen in hare zwarte sluiers, omdat zij herdachten haar vader. -En zij weefden aan zijn wade voort, terwijl de trossen neêrvielen -rondom haar heen, en het druivensap over haar stroomde. Maar zij -hielden geen schalen op in het blijde prieel, dat om haar somber paleis -was gerankt, en zij weefden, zij weefden voort. Toen, voor de tweede -maal, beval Dionyzos te gebeuren het wonder. En drie kreten van pijn en -van afschuw vervulden geheel het land, zoo dat in de velden de blijde -wijnbouwers staakten en luisterden, en rondom het weefgetouw zaten -geene drie treurende maagden meer, maar klapwiekten met schermwieken -vleêrmuizen drie, fladderden angstig rond om elkander en de half -afgewevene lijkwade en klapperden op en scholen weg in den wingerd en -omdat woest lachten de woeste menaden en haar wierpen met -druivetrossen, flapperden te voorschijn de vleêrmuizen weêr, stieten -klagenden kreet na klagenden kreet en verlieten op haar slapperende -vlerken het prieelpaleis, en verdwenen in schaduw van bosschen. - -Zoo, tusschen de druiven, bleef ongeweven de lijkwâ van Minyas, den -somberen beheerscher Orchomenos’! - - - -Maar toornige Hera, de pauw aan haar zijde, naderde Zeus, en zij riep: - -—O Zeus, ziet ge wat ginds gebeurt! Niet is het genoeg, dat je -bastaardzoon, Dionyzos, onbezonnen, met wulpschen stoet van al wat -wellustigst en dartelst is, nieuwe plant als een onkruid en gif voort -laat tieren langs alle oorden van Hellas, maar edele vorsten verscheurt -hij in zijn razernij van wild beest, die niet waardig eens gods is, en -geen der goden, die tusschen treedt! Zij lachen, zij lachen om -Dionyzos, de wolken verschuivende, en zij vermaken zich om zijn -dartelheid, onbezonnenheid, zijn wulpschen wellust en overmoed. Zij -lachen, zij lachen, de goden; zij slaan niet van hem hun oogen af, en, -ik geloof, zij benijden zelfs den stervelingen het purperen gif, dat -hij uit zijn trossen hun perst! Maar Zeus, niet is dit alles genoeg, -want Dionyzos stelt zijn knapewet boven menschelijke wet, boven -goddelijke wet, en verhindert treurende dochteren te eeren eens vaders -gedachtenis, te weven zijn wâ, en hem te beweenen in het diepst van -haar paleis! Hij spot met haar smart; hij laat zwellen zijn trossen en -festoenen zijn ranken, daar waar haar tranen vloeien; hij stoort haar -den arbeid en, o schande, o smaad! hij verandert haar, omdat zij somber -zijn, in vleêrmuizen, lichtschuw, zoo dat zij, ten einde raad, wanhoop -en smart, zich voor eeuwig in duistere bosschen verschuilen! Zeus, roep -ik te vergeefs? Zeus, straft ge dan nooit, wie mij ergerlijk is? Zeus, -laat ge een orde, door goden gesteld en door menschen geëerd, door uw -bastaardjongen verstoren? Ongestraft? Ongestraft? - -Maar Zeus fronste de brauwen, en om zich verzamelde hij wolken, en, -zacht donderend, klonk verschrikkelijk zijn stem. - -—Hera, wat smaadt en smaalt ge den blijden god Dionyzos! Zie, waar de -wereld oud was, verjeugdigt hij haar; waar zij arm was, maakt hij haar -rijk; waar zij somber was, schenkt hij haar vreugde! Hera, waar Minyas -hem weêrstond, met bronsgewapende krijgsmacht, moest hij wel sneuvelen -tegen de purperen vreugde, want ZIJ zal de wereld verwinnen: Dionyzos -zal haar verwinnen: het is zijn erfdeel, dat ik hem gaf. Boven orde -heerscht hoogere Orde, en het noodlot van goden en menschen, breidt -zijn ring onontwijkbaar. Wee de treurende Mineïden, dat Dionyzos haar -noodlot voltrok! - - - -En Zeus, donderende, verschool zich in wolken geheel, terwijl snerpend -opklonk de kreet van den pauw, toornig zijn wielstaart uitwaaierend met -oogen van goud en smaragd aan de zijde der hemelvorstin. - - - - - - - - - -VII. - - -Dagen van arbeid en vreugde, dionyzische dagen van purperen arbeid en -purperen vreugde volgden elkaâr, sprenkelend welvaart en blijden moed, -en, des nachts, met zijn altijd aangroeiend leger, reisde de god over -vlakte en gebergte voort, en overwon in den morgen en plantte den -wijnstok en des middags in koele schaduwen duurde de siesta der rust en -der liefde zóó lang, dat de middag een nacht was, terwijl de nacht zich -in feest herschiep, reisde niet voort Dionyzos. Nu verwachtte men den -god overal en overal liepen de boden uit, den beheerschers zijn -aankomst te kondigen, en overal trokken de saters vóór en toonden -onwetenden druivetrossen, en wie éens had de druif geproefd met -verlangende lippen, zag gretig naar den god Dionyzos uit, en velen -vielen hem dadelijk bij, en riepen uit zijn zege. Uit alle overwonnene -oorden volgde men den god Dionyzos, en zijn leger wies aan, -onverwinbaar, want één zelfde vreugde en, om tegenstand, één zelfde -razernij bezielde wie hem ook volgde... - -Teeder als vriend had Faun neêrgevlijd het bronsblond omlokte hoofd van -den god op mossige kussens en riep hij, heel zacht fluisterende, de -duizende viooltjes op, die altijd den slaap van Dionyzos omgeurden, hem -ter eere wademend haar wierook; en uitgerust dwaalde Ampelos verder -door de overwonnene wouden van Karië. En zoo blijde was hij om -Dionyzos’ zege en zoo blijde om Dionyzos’ liefde, dat hij glimlachte in -zijn blijde zelf, en zijn lange fluit jubelen deed, zacht en toch -vroolijk, door de middagschaduwen, die stoofden onder de zongeblakerde -looveren der eiken. Maar suikerzoet balsemden de accacia’s met vol -bloeiende trossen den middag, en zóó van weeldeherinnering en warmte -gloeide de Faun, dat zijn wilde-katvel hij neêrslippen deed van zijn -schouder en het, den kop en de pooten slap, weggooide in het lage hout. -Donzig zijn huid goudgetint, dwaalde hij naakt, kalm en vroolijk. Nu -floot hij de vogelen wakker en zij antwoordden hem, even loom tjilpend. -Nu plukte hij de accacia-trossen en proefde de bloemen zoet. Nu -spiegelde hij in het water der beekjes en lachte zich toe, pogende -zichzelven te omhelzen, speelsch, zijn wegrimpelende beeltenis in het -water... Een najade, een oogenblik zichtbaar blank, lachte hem uit, en -hij liep haar na, maar zij dook weg tusschen iris. Uit de looveren -oogden hamadryaden, slaperig, en hij omhelsde er eene, maar zoo -slapensmoê was zij, dat zij nauwlijks ontwaakte in zijne omhelzing en -hare zusteren lachten, toen zij verschrikt zich gevangen zag. Maar de -najade, opduikende, lokte hem verder den stroom af, en hij greep haar -en zij gleden in vochte omhelzing het water af, of poosden op rotsblok. -Hij vertelde haar van Dionyzos, en zij beloofde te zullen komen dien -avond in het vreugdekamp, nieuwsgierig naar druiven vooral. Alleen -doolde hij verder, Karië’s wouden door, blij om zijn doellooze dwalen. -Tot hij plots een zucht hoorde diep, en hij ontstelde om zoo -smartelijken zucht in de zoele blijde bosch-schaduwen, en luisterde. -Maar er klonk niets meer na. Toch scheen hij de echo heel fijn van dien -zucht na te hooren in de gestoofde lucht trillen: hij liep toe in de -juiste richting en het lage hout kraakte onder zijn tred. En daar zag -hij plots éen slapen, in heel donkere schaduw; een jong lichaam, wit en -rank; hij meende dat eener maagd, eener nymf. Schalk wilde hij naderen -om haar te verrassen, toen Faun zag, dat die daar sliep, was een knaap, -jongeling bijna. Hij lag voorover in het weeke mos, en in zijne armen -beide rustte zijn hoofd, lang gelokt, en de lange lokken geknoopt in -een wrong. Maar nu Faun vlak stond bij den slaper en neêrzag, bespeurde -hij, dat de jongeling geheel den zwellenden boezem had van een maagd, -of eene nymf, en dat hij beiden was, knaap en maagd. Hij was heel lenig -en slank van leden, en in zijne sluimering, die droef moest van droomen -zijn, want zijne lippen treurden bijna verwijtend, was tusschen ronden -rug en welvenden onderrug het middel diep geknakt en van leest -vrouwefijn. Nu zuchtte hij weêr in den slaap en de slanke voet trilde -in madelieven. Zijn zucht, even, schokte geheel zijn uitgerekte lichaam -en zijn droeve hoofd huiverde op zijn armen, van smart. Lang bleef de -Faun kijken, stoorde zijn slaap niet, maar zag toe, zette de fluit aan -zijn lippen zich... En hij floot, heel zacht, iets van de blijde wijze, -maar zoo van toon gedempt, dat het nauwlijks duidelijker was dan -bruischen van bladeren of ander geheimzinnig boschruischen, groeien van -kruid en geuren van bloemen: dat àl wat de woudwezens hooren. En de -verwijtende lippen des slapers rondden zich even vroolijker, en hij -sliep weldadiger door, zonder zuchten. Hij sliep heel lang en plots -ontwaakte hij—open-oogen, zag op. Hij richtte zich op den elleboog -hooger. Maar hij schrikte toen hij Faun zag, en had een beweging van -schaamte en van vlucht. Maar Faun glimlachte en stelde gerust met een -lief gebaar van zijn breede hand. En de slaper bleef liggen, en -herstrekte zich uit. Hij zweeg, en zij zwegen beiden. Maar toen zeide -Faun zacht en voorzichtig: - -—Vertrouw mij toe wie je bent? - -—En wie ben je zelve, die waakte over mijn slaap? - -—Ik ben Ampelos, Dionyzos’ Faun, en ik dwaalde door Karië’s wouden in -den zongestoofden middag... - -—Ik weet niet wie is Dionyzos, maar ik weet wie ikzelve ben, een -treurende en toch goddelijk van oorsprong, maar niet blijde als goden -zijn... - -—Zeg mij dien oorsprong... - -—Ik ben niet gewoon te spreken; ik leef eenzaam, eenzaam dwaal ik, en -niemand van goden of faunen of nymfen, met wie ik lach of vroolijk ben: -alleen de nymf Salmakis zoekt mij, eenzaam, op, en vervolgt mij, en -bang ben ik voor haar, omdat zij heel donkere oogen heeft, waarin -gloeit een mij vreemd verlangen. - -—Spreek verder... - -—Ik ben niet aan woord en aan klank gewoon: ik zwijg steeds, of ik -zucht heel diep. Ik dwaal eenzaam, en als mij Salmakis ontdekt, vlucht -ik haar ver, en val, moê, in slaap diep. - -—Wie ben je en wie zijn je ouders? - -—Mijn ouders zijn goddelijke goden. Van schitterend verstand lichtende -Hermes was vader mij, en moeder was van schitterende schoonheid goudene -Afrodite. Zij zijn beide de schoonste en heerlijkste van alle goden, -mijn stralende ouders. Maar vader verwekte mij en moeder baarde mij, -dof van smart. Ik geloof, dat ik de ontroostbare Weemoed ben, want die -naam fluisterde mij riet toe, en zongen mij bloemen, en bruischte mij -koude wind, in den eenzamen nacht. Ja, ik ben de ontroostbare Weemoed. -Ik ben Hermafroditos, maar niet schitter ik van verstand als mijn -vader, verstandigste aller goden, en niet lach ik goud, als mijn -moeder: de wellust van goden en menschen, en hun aller opperste -schoonheid. Ik ben eenig, tusschen allen, en eenzaam blijf ik in het -woud, overvol. Ik ben, zie, maagd en knaap, en ik ween veel omdat ik -ben maagd en knaap. Liever ware ik maagd, of ware ik knaap, dan beiden -te zijn in ontroostbaren weemoed. Want liefde, die ik zoû vinden -willen, weet ik niet waar te zoeken; de nymfen, behalve Salmakis, wier -donkere oogen gloeien als die van een tijger, lachen mij schel uit als -ik nader en een oogenblik mijn schuchterheid overwin. Mijn ouders -zoeken mij niet. Zij hebben mij weinig lief, als of zij zich schamen -voor mij. En toch bruischte mij stormwind eens toe, dat oorsprong van -goden en hemelen en aarde en menschen niet anders was dan ik, knaap en -maagd beide. Maar stormwind wekte geen trots in mij: ik ben de -Ontroostbare Weemoed! O, zoo mijn vader mij niet vergat, en hij daalde -even neêr tot mij, in zijn boodschappende vlucht, hoe blijde zoû ik -zijn hem zijn enkelvleugels los te binden, en hem rusten te doen, even -zittende! O, zoo mijn moeder, lust van goden en menschen, mij niet -vergat, en zij straalde even neêr tot mij, mij badende in haar gouden -glimlach, hoe zalig zoû ik zijn, mijn armen om haar leest als een -gordel te slaan en haar knielend te zeggen, dat ik haar aanbid! Maar -mijn ouders zoeken mij niet. Ik dwaal slechts Karië door, en mijn -grootste troost is mijn slapen, ook al zijn àl mijn droomen droef... -Faun, wat zeg ik je zoo vele woorden? Nooit heb ik er zoo vele -gezegd... - -—Weemoed-oogige Hermafroditos, zoon van lichtenden Hermes, en dochter -van goudene Afrodite, stort in woorden je weemoed mij uit... Want is -Weemoed onzegbaar en hoe kan Weemoed ontroostbaar blijven, als Dionyzos -niet verre is...? - -—Ik, eenig en twee, zijn eenzaam altijd mijn dagen gebleven, want ik -vluchtte de eenige, die mij nabij kwam, donkeroogige nymf Salmakis, en -hoe ik ook twee was, eenzaam ben ik immer gebleven, zoowel eenzaam voor -mijn mannelijkheid als voor mijn maagdelijkheid eenzaam. Waar het -verlangen mij dubbel smachtte, bleef ik dubbel onvoldaan, en vluchtte -ik slechts dieper in schaduw, bang en schuchter voor Salmakis, en bang -en schuchter voor mijzelven. Eenzaam bleven mijn nachten, en ik -luisterde naar den nacht. Wijd en eenzaam bleven rondom het woud en de -wereld, en de weemoed weligde in mij als donkere klimop. Nu is mijn -ziel zwarte weemoed slechts, als donkere cypressen in klagenden wind. O -Dionyzos’ Faun, waarom zeg ik, eenzame zoon der lichtendste goden, -eenzaam kind, dat steeds vluchtte, je ALLES in vreemd en nieuw -vertrouwen? Waarom kan ik niet anders dan zeggen, en vloeien mijn -woorden als stroomend water plotseling, na altijd te hebben -gezwegen...! Je glimlacht maar, en maar even heb je van Dionyzos -gesproken. Maar ik weet niet wie hij is. Is hij een god? Is hij -verstandig als Hermes? Is hij goudstralende als Afrodite? Zal hij als -mijn ouders wreed zijn en onachtzaam? Waarom sprak je zijn naam uit? Je -bent zijn Faun, maar wie is hij...? - -—Hij is, o weemoedoogige Hermafroditos, hij is de vreugde, die -nadert... Hij is de purperen vreugde, die nadert, door de woudschaduwen -van Karië heen... En opdat hij niet dwale, en vinde vlug, speel ik de -blijde wijze... Hoor...! Zoo klinkt de blijde wijze! Zie... viooltjes -laat ik opbloeien, omdat viooltjes hem lief zijn: hij slaapt gaarne op -viooltjes, hij loopt gaarne over viooltjes; op viooltjesgeuren zal hij -naderen... Hoor... Zoo klinkt de blijde wijze... Hermafroditos... zie -in het water hier, en spiegel er in je glimlach... Zacht glimlachende -Hermafroditos... het is niet om mij, mijn blijde wijze en mijn -viooltjes: het is om Dionyzos, die nadert... Hoor je niet, -Hermafroditos, het woud ruischen van zijn nadering? Zijn zoekende tred -kraken het lage hout? De vogels tjilpen zijn weg langs, de hamadryaden -lachen...? Zij lachen en oogen en tjilpen hem na, als hij komt en -voorbijgaat, omdat hij de vreugde is... Strijk, glimlachend, over je -voorhoofd, dat droef was zoolang: Hermafroditos, Dionyzos nadert... O, -hij nadert, ik hoor hem dicht bij... Schel fluit ik mijne blijde wijze -nu opdat hij ons dadelijk vinde...! - -En de Faun jubelde schel de wijze, zegevierend over vogelgetjilp heen, -over ruischen van bladeren, en bruischen van water, en strijken van -bries heen door twijgen. En een blijde stormwind, plotseling, scheen te -waaien door het huiverende woud: het lage hout kraakte, en bij de -laatste tonen der wijze blij, week Dionyzos met beide handen de -looveren open, en verscheen hij, in verrassing glansstralende... - -—Hier ben ik! Hier ben ik, Ampelos! Wat verliet je, ontrouwe slaper, -mijn zijde, en dwaalde alleen door het woud, en wat wekte je mij met de -wijze zoo blijde, en wat deedt je overal in het woud viooltjes als een -pad mij ontbloeien! Wat wil je dan van Dionyzos? Dat hij plante? Maar -het is niet het uur van den arbeid! Het is het uur van het zachte -ontwaken uit welverdiende rust, na feest, overwinning en arbeid! en het -is het bereiden voor het volgende feest! Want nadert de avond al niet -violet? O, de feesten van Dionyzos, in Selene’s glans of bij -toortslicht, welke feesten zijn blijder en zijn weldadiger? Zie ik de -goden niet oogen tusschen de wolken door, verzameld in Olympos en -kijken naar ònze feesten, benijdende ònze vreugde? Ha-ha, Ampelos, -Hefaistos was goedgezind zijn geliefden broeder Dionyzos; kunstige -werkman hij, bracht hij zoo even, toen ik ontwaakte, mij een geschenk, -bewijs van zijn liefde: prachtig is het geschenk als Hefaistos alleen -het kon wrochten: reuzig groot mengvat is het van edel goud, gedreven -sierlijk met trossen en ranken, en den most zullen wij er met de honig -in mengen, dezen nacht, ter eere van kunstigen Hefaistos! Blijde was -hij zijn mengvat te geven, omdat hij mij lief heeft om vreugde, die ik -geven de wereld zoû... Maar Ampelos, zeg, waarom floot mij de blijde -wijze over viooltjes naar hier? Wat vriend, wil je van Dionyzos!! Voor -planten is het de ure niet! - -—O Dionyzos, ik floot de blijde wijze, opdat je zoû komen en vreugde -zoû sprenkelen. - -—Vreugde sprenkelen op zoo donkere plek? Tusschen cypressen en -steeneiken donker! De viooltjes, duizenden, lijken mij paars niet, maar -zwart in zóó veel schaduw! Ampelos, waarom zocht je een plek uit, die -niet gunstig kan zijn noch voor druif, noch voor vreugde... Mijn oogen, -van Hefaistos’ geschenk, zijn verblind, zien niet de donkere cypressen -door... Toch zie ik, ben je alleen niet, Ampelos... Wie schuilt -hurkende weg in de schaduw... Is het een nymf, die bang is voor -vreugde? Neen, ik zie een slanken knaap! Toch niet, ik zie een nymf! -Ampelos, wie is dit, knaap en maagd beide, en zoo schuw in -cypressenschaduw! - -—O, Dionyzos, het is weemoedoogige Hermafroditos, zoon-en-dochter beide -van Hermes, van verstand stralende, en Afrodite, stralend van -schoonheid, en nooit heeft hij de vreugde gekend in de eenzaamheid van -Karië’s donkere wouden! O Dionyzos, sprenkel hem vreugde! - -Zoo drong glimlachende Faun, en lang zag Dionyzos naar den schuwen -knaap met de zwellende maagdeborst. En terwijl de god zag, was er een -zwijgen in de viooltjes-doorstoofde cypressenschaduw, en eene -ònbeweging en roerloosheid. Toen glimlachte Dionyzos, en hij knielde -neêr bij schuwen Hermafroditos, die hurkte weg, schuchter, vol -schaamte, zich hurkende bedekkend met beide handen, zoo beneden als -boven, voor den blik van den god. Tot de blijde god Dionyzos heel zacht -zeide troostvolle woorden: - -—Schuwe knaap en mij broeder en zuster, godekind, kind der glanzendste -goden! Achtten Afrodite niet en Hermes hun spruit, omdat hij was -mannelijk en vrouwelijk, en twee vereenigt in zich? O, schuwe knaap, -niet altijd was verstandig enkelvleugelig-vlugge Hermes, en je -heerlijke moeder, gemakkelijk in liefde en lust van goden en menschen, -schaamde een ènkelen keer zich wel eens haar daden en de herinnering er -aan! Toch behoefde zij nog Hermes te schamen zich zoo lieflijk kind, -éen-tweeling, dien zij achterlieten op woest gebergte of in donker -woud. Wel zijn de goden onnoodig soms wreed voor hun kinderen en laten -onbeschermd aan het noodlot hen over! Schuwe knaap, en mij broeder en -zuster, laat zacht Dionyzos je streelen over je golvend in wrong -geknoopt haar, zoo als hij een jonger broêrtje zoû doen, of doen zoû -een jeugdiger zusje... Hef de oogen op en zie Dionyzos aan:... laat -Dionyzos de handen je beiden nemen en te niet doen je schaamtegebaar, -dat niet is noodig voor wie zich, zelfs in cypressenschemering, zoo -lieflijk vertoont, en zoo mooi, zoo rank en zoo edel gevormd en lenig -in mengeling der schoonste vormen van schoonste ouders, die goden zijn! -O, weemoedoogige Hermafroditos, word met trots je bewust, en schaam je -niet meer, verhef de armen in een blijde verlossing uit weemoed, en -wees wie je bent in jubelende blijdschap! Verlossen uit weemoed zal je -Dionyzos dit oogenblik en blij jubelen zal hij je leeren deez’ nacht, -in den reidans om het mengvat van den kunstigen Hefaistos... Schuwe -knaap... nu rijst Dionyzos op en hij strekt beide handen je toe: rijs -op aan zijn handen... Zoo, laat Dionyzos je steunen, zijn arm om je -leest... Ampelos, ga ons voor en speel ons voerende, opdat wij -gedachteloos kunnen volgen over het geurige pad der viooltjes... -Hermafroditos, de avond valt, en dikwijls is weemoed de vallende avond, -maar is deze avond, vallende, weemoed? Of is hij aanvang van blijden -moed? Laat mij je steunen op het vreugdepad en huiver niet in mijn -zachte omhelzing! Is deze avond geen blijde moed? Zie... door de boomen -glinstert de zee ginds, tusschen de ijlere looveren zie ik den in avond -verparelden hemel welven en de sterren ontluiken, madeliefjes van -vreugde in een groot lila veld... Kom, Hermafroditos, kom... Wees -voorbereid op de vreugde... Laat Dionyzos je voorbereiden, opdat je -niet schrikke, en vluchte... Ginds, waar donkerder al neêrvalt de nacht -en al toortsen rossig opschemeren, zal jubelen aanstonds de vreugde; -vlucht niet en verschrik niet, Hermafroditos, als je de vreugde ziet en -hoort jubelen! De vreugde om Dionyzos’ zege! Kijk eens, zachte broeder -en zuster teêr, kijk eens:... dit zijn druiven! Dit is een tros van -druiven! Die heb je nog nooit gezien? Mooi zijn ze, niet waar, -Dionyzos’ purperen vruchten! Proef ze eens... Neem den tros in je -handen beide... Druk den tros eens aan je lippen... Zoen eens den -tros... heel zacht... Kijk, het waas is er afgekust door je lippen nu, -en heviger purpert het ooft... Pluk nu eens een kraal van den tros -af... Zoo, voorzichtig... druk de kraal uit tusschen de lippen, aan het -verhemelte... Hermafroditos... glimlach je? Is dat zoet? Nu weêr een -kraal... Schaal heb ik niet op dit oogenblik, maar houd als schaal je -handen te zamen eens... dicht de vingers geperst... Nu zal ik -uitdrukken den tros in je handen... Zie, het heerlijke druivenbloed... -Drink nu, Hermafroditos... Dit is het nieuw genot... En drink je het, -Hermafroditos, dan zal je overal zien in de wereld, die Dionyzos -verwint, het nieuwe genot overstràlen de somberheid en den weemoed -ook... den weemoed òok, Hermafroditos... Broeder, word je bewust! -Zuster, word je bewust! Wees blij om het dubbele leven! Jubel... O, -laat mij je niet verschrikken! Ik wil niet dan voorzichtige woorden -zeggen, om je niet te veel verschrikken te doen, schuwe -Hermafroditos... Maar ginds zijn niet voorzichtig mijn saters, en mijn -menaden zijn wel eens razend van vreugde, maar lachen, o zal je zeker, -om Silenos; hij is mijn meester, wijsgeer is hij, en een ezel berijdt -hij, gewillig en wit, met ooren lang en bewegelijk, op wiens hals -neêrplooit zijn dikke maag, en achter hem rijden, op ezels, Silenen als -hij, knikkebollend en dik, en àllen, vol wijsbegeerte en vol zoete -druifs, en als je hen ziet, o schuwe knaap, lach je zeker, lach je -zeker... Dan moet je heel spoedig fluit leeren spelen, en de -Panskindertjes zullen je leeren: zij spelen fluit al van zelve, dat -gaat op en neêr, als stroomend water. Hoor je ze?... Dat zijn de -Pansfluitjes... Faun heeft mij aangekondigd... Wijk nu niet van mijn -zijde, Hermafroditos, opdat je, zoo schuw, niet verschrikke, en ik, -zachtjes-aan, je de vreugde leere... Blijf hier staan, en zie toe:... -kijk, zij dansen om het gouden mengvat! Zij roepen mij uit, eere, en -eere Hefaistos kunstig! Zie, dat is niets dan vroolijkheid. Daar zijn -mijn brave faunen! Daar zijn mijn dolle saters! O Hermafroditos, ook -veel sterfelijken zijn gast mij en volgeling en medestrijder voor de -vreugde... en jij bent een godekind, glanzend! en gast, volgeling en -medestrijder zal je zijn in Dionyzos’ vreugde... Kom nu nader, en wees -niet bang! Menade, kom hier, maar wees niet zoo ruw als een wilde -tijgerkat, want dit is schuwe dochter-en-zoon van allerglanzendste -goden, en je mag niet zijn teêre ziel verschrikken... Breng een mooi -gespikkeld vel van lynx... zoo, en knoop het om Hermafroditos... zoo... -over schaamte en boezem, opdat hij zich wenne aan vreugde, en vrij zijn -handen hebbe om te plukken en te persen druiven... Geef nu een rank, -menade, en krans mijn gast het hoofd... Hang hem aan de slapen twee -trossen... O, wat is hij heerlijk, mijn gast, van schoonheid en van -ontwakende vreugde... Meng je nu in de vreugde... Nog niet, o schuwe -gast? Blijf je aan Dionyzos’ zijde? Goed... lieve gast... o, blijf dan -nog... en, hier, laat met een zoen Dionyzos je op het teederst -liefhebben op oogen, op wangen, op lippen... Maar nu, ga... Ga, -tusschen de vreugde... Eenzaam zal je er niet zijn... Dionyzos’ geest -is overal bij je... Nymfen van Nyza, blijde, neemt in je midden mijn -gast... Leert hem den dans... Geeft hem den thyrs... Weest hem lief en -zacht, en menaden, en saters, bedenkt, o bedenkt, dat hij àltijd is -droevig en eenzaam in weemoed geweest in zwarte cypressenschaduw en dat -de vreugde hem nog zoo nieuw is. Leert hem de vreugde zacht aan. -Faunen, houdt om hem de maat... Geen onmaat nog om mijn gast... Zingt -lieflijk en danst blijmoedig... Zegt hem niet te vreezen de brullende -panthers... Niet te vreezen menaden en saters... Niet te vreezen de -vreugde... Weldra vreest hij de vreugde niet, en zal hij onmatig kunnen -zijn met Dionyzos’ eigen goddelijke onmatigheid... Evoë, Evoë, dan! - - - - - - - - - -VIII. - - -In den stormnacht ging de thiazos over het gebergte, eindelooze -legertros, op overwinning uit van verdere oorden. Ontelbaar -thyrsengewemel in de bliksems en stortregens, die ruischend zwierden -uit wolkdichten nacht, piekde over de bergkammen op, en bewoog zich -tegen de drijvende luchten. In razende juichingen ijlden het voorst, -verschrikkelijk, menaden, in fladderende ranken en beestenvellen, en -zij stortten zich op wild of schuw dier, panther of ree, en -verscheurden ze beiden, in oogwenk. De flambouwen der saters smeerden -een langen walmenden brand door den regen heen, sissende uitgedoofd en -telkens weêr ontstoken. Dicht in tijgerhuiden omhuifd volgden nymfen, -angstiger, en dronken ter bemoediging de schaal telkens uit. Want het -was of éen lange wingerdrank, van trossen zwaar, meêging, meêreisde, -zich bewoog: festoen, meêgedragen, van menade tot sater en nymf, en -allen omrankend, onbreekbaar. Tal van Panszoontjes en druivekindertjes -torsten Hefaistos’ goudene mengvat, en scheef, danste de groote vonk -voort op de flitsende bliksems. De faunen op panthers volgden, de lange -enkelfluiten bespelende, of de breede fluiten van riet, kort en lang. -Opgewonden van de nieuwe vreugde mengden zich tusschen allen de zoo -vele stervelingen en torsten mede den druiverank, reuzig. Tusschen -fakkels blonken wit de ezels der Silenen, Silenos vóor aan hun stoet en -voor den regen beschutten breede hoeden hun hoofden eerwaardig en -knikkebollend, terwijl over de halzen der beesten neêrplooiden hun -vette magen. Kwinkslag had Silenos altijd, thans omdat Zeus niet -genadiger was zijn lievelingszoon Dionyzos en den storm had ontketend -tijdens zijn reize. - -—Maar nooit zoû Zeus des nachts meer mogen stormen, zoo hij zijn -lievelingszoon Dionyzos altijd blij reisweder gunde, want Dionyzos -reist ìederen nacht, onvermoeid en onmatig voort! O, grijze -lotgenooten, zoo wij den jeugdigen god niet dienden met raad en al wat -wij gaarden aan wijsheid, als nijvere bijen honig, hoe zoû Dionyzos de -wereld verwinnen! Veroveren wij niet de wereld voor hem, met onze -leidende gedachte en raad—hoe vaak ook in wind geslagen? O, zoo wij, op -onze ezels blank, niet bleven rondom Dionyzos! Nooit zoû hij de wereld -veroveren! Zwaar is de taak ons opgelegd, o waardige gezellen Silenos’, -en ik beken, als het nieuwe genot mij niet telkens kracht door mijn -oude merg deed vlammen, ware ik bezweken alreê, in zoo rustelooze -voortbeweging en strijd. O, waardige metgezellen, laten wij -rijdende,—want nòg voorzichtig stappen onze ezels—persen den tros in de -schaal, en biede de een de schaal aan den ander. Eere zij Dionyzos, die -de nieuwe vreugde verwekte, maar eere ook ònze wijsheid en matigheid. -Wijs ben ik altijd, en matig poog ik altijd te zijn... Gezellen, -gedenkt je haren grijs, en weest nooit onmatiger dan is Silenos... -Ho-ho... witte langoor, struikel niet, en laat niet Silenos glijden op -het donkere pad in plassen van regen... Zoek voorzichtig waar den hoef -je zal zetten... Ho-ho, witte langoor... wat slinger je van rechts naar -links en van links naar rechts... als of je te veel hebt gesnoept van -druiven, en Dionyzos’ vreugde te machtig je wordt... Ho-ho, ho-ho, zie -ik goed of slingeren àlle gezellen Silenos’ van rechts naar links en -van links naar rechts op hun druivebeschonkene ezels... Ik ransel den -mijne met mijn agavesteel! Dat zàl hem leeren niet waardig te zijn, als -het rijdier eens wijsgeers past! Ezel, is een panther ooit dronken? -Zie, hoe de faunen ze zeker berijden, de woeste brullende dieren, en -jij, ezel, met naam van gewilligheid, bent ongezeggelijk als zelfs niet -is wilde panther of leeuw! Hoû recht het pad en val met Silenos niet -van den bergkam! O, in de toortsen, zie ik aan beide zijden den afgrond -kartelen naar omlaag... o, dat is verschrikkelijk, faunen! Edele -faunen, leidt onze ezels, wilder dan wilde beesten! Ze zwaaien, onze -ezels, zoo woest met ons voort: edele faunen, leidt hen! Ontfermt je -over zoo wilde ezels en Silenen zoo wijs en zoo matig... Zoo, zoo gaat -het al beter, o faunen! Maar wie lacht achter ons, klaterend door den -stormnacht heen, en berijdt er een jongen leeuw, wijd-uit de manen? Wie -lacht achter ons? Voorwaar, dat is die schuwe jongeling met den -zwellenden maagdeboezem! Omkijken durf ik niet, maar dat is hij, of dat -is zij... Zoo als je wilt! Schaterlachende Hermafroditos, heb maar -genoegen om oude Silenen! Lach oneerbiedig de wijsheid maar uit, den -waardigen grijslokkigen ouderdom! Een tammen leeuw is gemakkelijker te -berijden dan een wilden witten ezel! Edele faunen, wat slingert mijn -ezel: o ik slip van zijn rug, als niet twee edele faunen mij steunen, -de een links, de ander rechts! - -Zoo lalde dronken Silenos; de regen ruischte op zijn breeden hoed, en -de bliksem verblindde hem telkens, en twee blijde faunen steunden hem -nu op den ezel, zijn altijd gelijkmatige dier, dat hij schold. Ja, -achter den stoet der Silenen lachte blij om hem Hermafroditos, met zijn -nieuwen heerlijken lach, juichende, en Dionyzos in zijn lynxenwagen, -Ampelos op een leeuw hem ter zijde, lachten om hun nieuwen vriends -nieuwen lach. Tot plots Dionyzos beval den lynxenmenners stil te -houden. En hij wenkte Faun ter zijde. - -—Hier is de plek... De viersprong... Ik herken haar... uit mijn -laatsten droom... Door heilige droomen, o vader Zeus, gebiedt ge mij uw -wil... Saters, menners, staat stil, dat ik uitstijg... laat voortgaan -den thiazos door den donkeren nacht, nauwlijks doorblaakt van toortsen -en met bliksems doorflitst... en leidt dan den wagen voort, langzaam, -en roept steeds toe, dat ik volg, ook al leidt ge zonder mij den wagen -leêg voort... O Zeus, o mijn vader, blijde volvoer ik uw wil... -Onzichtbaar omhuift het stormgeweld mij voor aller nieuwsgierige -oogen... Hier is de plek... De viersprong... Ik herken haar... uit mijn -laatsten droom... O Zeus, nooit zal Dionyzos versagen de vreugde, waar -gij het beveelt, te sprenkelen! Wolk donkerder nog den slagregenenden -nacht rondom je altijd blijden zoon Dionyzos, opdat hij ongeweten deze -reize volvoer... Faun, vriend, tors op je schouder mij; zoo; prang mij -stevig met handen beide om mijn middel en heup... Ik sla om je hals -mijn arm... Nu, daal af aan dezen viersprong de hoogvlakte breed, en -zoek bij de bliksems het kartelige pad... O Zeus, o vader, sla-uit uw -bliksem vlak voor Ampelos’ voet, dat hij zie! Razende nacht, -ontzetting, slagregen, heelal doorsidderende donder, bliksem op -bliksem... Dionyzos is vòl vertrouwen! Vader, omring mij geheel! Uit de -bruischende huilende stemmen van den losgeketenden storm hoor ik, -vader, uw machtige stem. Vader, ik ben vòl vertrouwen. Ik ga... ik daal -waar ge wilt... Lager steeds, Faun, daal lager... De bergwouden zwiepen -op den stormwind neêr aan onze voeten... Een weide moeten wij schemeren -zien, van hoog gras golvende landstreek... Daar zie ik de weide... Daar -zie ik de weide! In de bliksems zie ik de weide! Het hooge gras golft -als een zee in den storm. Daar zie ik de golvende weide! Daar rennen de -wilde Kentauren ongetemd, zelfs niet door stormenden Zeus... Vlugger -zijn zij dan de stormwind! Ampelos, tot hier toe... Nu zet mij af... Nu -weet ik mijn weg alleen. - -—O, mijn vriend, o mijn god, Dionyzos! Hier verlaat ik je, vriend, -Dionyzos? Waar ga je heen in den stormenden nacht? Alleen, zonder mij! -O, mèt mij, op mijn schouder getorst, vrees ik niet voor je; zonder -mij, vrees ik alles...! Nooit zag ik zoo woeste streek! Nooit omringde -mij zoo ontzettende nacht! Nooit striemde mij zulke geeselende regen! -Nooit verblindde mij zulke bliksem! Dionyzos, beveel mij alles, maar -beveel mij niet je hier te laten. Laat mij je blijven omklemmen en -blijven torsen op mijn schouder! Dionyzos, ik weet niet het doel van je -reis, maar laat mij met je bereiken dat doel. - -—Ampelos, zet mij af! Waar in mijn droom Zeus mij beval heen te gaan, -en één nacht vreugde te sprenkelen, daar is het niet Faun vergund mij -te voeren... Zet mij nu af... Hier ga ik alleen. - -—O Dionyzos, niet anders kan ik doen dan je zegt. Maar de nacht is -ontzettend! O Dionyzos, mijn armen omhelzen je dicht, dicht tegen mijn -borst, mijn god en mijn liefde, want wie, goden weet, waar ik je zie -terug! Wie wat je wacht! Welk noodlot zwart als de nacht zwart is! O -Dionyzos, nooit omringde mij zoo ontzettende nacht, en nooit zoo -ontzettende wanhoop! Je verlaten! Je verlaten! Hier! Aan het einde van -dit rampzalige pad! Bij den zoom van deze verschrikkelijke weide, waar -de schrikwekkende schimmen jagen, donker, over de stormlucht heen, heen -en weêr, heen en weêr als ontzettingen! Dionyzos, ik voel wat ik nooit -voelde: vrees! Ik ben bang. Ik beef voor jou, Dionyzos! O mijn god, en -mijn liefde, ik voel vrees en ben bang, en je in mijn armen omvattende, -snik ik aan je voeten! - -—Vriend, o Faun, vrees niet als Dionyzos niet vreest! Zeus is mijn -vader! Zeus is om mij! Wacht hier af op deze plek, en beschut je voor -het stormend geweld in diepe rotskloven veilig, daar, waar de oreaden -ook schuilen. Zoek haar op en leer haar de vreugde... Hier zijn -trossen, Faun, vele laat ik er om je heen, opdat zij je in de wachting -troosten voor dezen verschrikkelijken nacht! - -En Dionyzos omhelsde Faun innig, maar rukte zich plotseling van hem en -was verdwenen tusschen bliksems en rollenden donder. Zoo door zijn -vader Zeus machtig omringd, kon Faun hem niet volgen, bleef achter -verblind, en zocht zijn weg door duistere kloven. Dionyzos, alleen, -ijlde in de richting der weide, waar over de onheilsluchten renden als -verschrikkingen heen en weêr, de woeste Kentauren, jagende. En Dionyzos -stiet een schellen roep boven het geraas van den storm uit: nu stiet -hij roep op roep, en in de bliksems lichtte blank òp zijn jeugdige -jongensgestalte. Hij hief de armen en met de hand wenkte hij. Hij riep -in zijn roep: - -—Hola! Holaha! Woeste Kentauren, hola! Hoort Dionyzos roepen, hola, -door het wilde geweld van den storm! Kentauren, holaha, hola! Ik ben de -god van de vreugde, en ik roep je, woeste Kentauren, tot mij, opdat je -mij voere, waar Zeus wil, dat je mij voert, snel als de stormwind -zelve! Hola! Holaha! - -En in de weide, van lang gras zeegolvende landstreek, luisterden de -woeste Kentauren toe, en spitsten de ooren naar de stem, die hen zoo -schel riep door het geweld van den storm heen. - -—Holaha, woeste Kentauren, hier! Komt tot Dionyzos, waar hij je roept! -Hola, holaha, hier! Het zeegolvende lange gras, o woeste Kentauren, -wuift om mij rond, en verhult mij tot boven mijn middel... Hola, komt -hier! Jaagt hierheen, waar je roept mijn stem schel, en waar je wenkt -mijn gebaar blank door den zwarten nacht. Hola! Holaha! Kleinzonen van -Ixion en wolkige Nefele, evenbeeld goddelijker Hera, o woeste zonen van -Kentauros en de prachtige Pelionische merriën, zonen van vader -onstuimig en van hinnekende moederen vele, Kentauren, hierheen, hola! -Jaagt hierheen! Dionyzos roept je... - -Als een stormwind in Zeus’ eigenen stormwind jaagde de ontzaglijke -kudde nu, naderende ontzetting, naar den zoom van de weide, waar -Dionyzos wenkte met blank gebaar, half verzwolgen in de zeegolvende -halmen gras. Als een orkaan raasden zij rondom hem heen, en hun vaart -was als Zeus’ donder zelve, dreunende de aarde van hun hoefgestamp -daverend, en de stormlucht ruischende van hun stormende snelheid. Tot -zij riepen uit, vreeslijk van stem: - -—Wie roept en wie wenkt ons in den stormenden nacht, met gebaar blank -en stem schel? - -—Dionyzos! - -—Wie is Dionyzos? - -—Ik ben de god van de vreugde, o onstuimig woeste Kentauren, en mijn -vader Zeus beval mij in droom te gaan tot deze weide en onder je allen -te vragen den snelste, Eurytion, mij te nemen op zijn rosrug en mij te -voeren, duizelingwekkend van vaart, naar de poorten van Tartaros, opdat -ik de Onderwereld binnenga, en er vreugde sprenkele éen enkelen nacht! -Onstuimig woeste Kentauren, verneemt in den stormnacht het bevel van -mijn vader Zeus! Duizelsnelle Eurytion, verneem het bevel van Zeus: -slingere Dionyzos zich op je rosrug breed, en voer hem naar Tartaros’ -poorten! Hierheen, Eurytion, hola! Hierheen, houd stil je onstuimige -vaart, hoefstampende wervelwind, hierheen! Sta stil! Sta stil! Kan je -niet stilstaan een oogwenk! Sta stil! Te vergeefs poog ik mij te -slingeren op je rug! Sta stil! Hier, Eurytion, pròef het genot! Dit -zijn druiven! Dit zijn druiven! Ha ha! Uit mijn hand grijpt zijn groote -hand den tros, en drukt ze aan zijn lippen te pletter... In dit -genot-oogenblik, o Eurytion, slinger ik mij op je breeden rug, en sla -ik mijn arm om je reuzetors, zwellend van bundels spieren! Voort -Eurytion, voort! Voort, naar de poorten van Tartaros! Voort, o -stormruischende vaart! Voort, o voort door den stormenden nacht! Wie -stormt er onstuimiger voort, storm of vaart? Voort, o stormruischende -vaart! Rondom mijn menschenros rennen hoefstampend alle andere dravers -meê! Reuzekudde, vergezel Dionyzos! Wees als donder rondom hem heen! -Hij vreest geen donder, geen Tartaros! Hij versaagt nooit, Dionyzos! -Vaar voort, o vaart! Eurytion, o ter belooning, zal IK, god van de -vreugde, je vreugde geven en druiven voor je doen weligen, zoo dat je -van purperen vreugde zal zwijmelen en zal ronddansen op je stampende -hoeven! Nu schijnt het mij toe of ik niet voort vaar op éen -paardmensch, maar of ik op honderd menschpaarden voortvaar! Of ik -voortvaar op een daverende wolk, op den rollenden donder zelven... Dàt -gaat eindeloos door. Ver zijn de poorten van Tartaros. O Zeus, ik ben -vòl vertrouwen! - -Zoo riep juichend uit op zijn menschros Eurytion de blijde god -rennende, te midden van de hevige vaart der andere onstuimig woeste -Kentauren, en door den stormnacht heen ijlde hij dwars door woeste -geheimzinnige streken voort, vreemd van dreigende rotsen, die -verschoven, overheld met stormgezweepte boomen, scheef, waarin -haar-omwaaide furiën schenen te huilen en nagilden de vermetele -dravers. Maar zij achtten niet en draafden voort, dwars door Zeus’ -donderend en bliksemend geweld. Tot plots de storm scheen gedaan, en de -nacht was pikdonker en suizelde, vreemd, en de Kentauren een voor een -achter bleven. Maar Eurytion wist den weg, hoewel hij zijn stormvaart -verminderde, en plots stond hij trillende stil, op zijn paardbeenen -vier, en helde achterover de reuzetors, waarom rond Dionyzos zich -klampte. En hij zeide met diepe stem, bijna angstig: - -—Hier, o blijde god Dionyzos... is het einddoel van mijn vaart. -Daar...—en hij wees, den machtigen arm gestrekt—rijzen de koperen -poorten van Tartaros... - -Nu toefde op des Kentauren rug, een oogenblik, Dionyzos. Toen murmelde -hij: - -—O Zeus... o mijn vader... Ik ben vòl vertrouwen! - -En hij wierp zich af. - -—Dank! riep hij. Woeste Eurytion, dank voor de stormsnelle vaart. Hier, -duizelsnelle Eurytion, ga ik alleen, en vind ik je terug vóor den -dageraad. Want langer niet dan éen nacht mag de vreugde in Tartaros -verwijlen... - -Toen ging hij voort, de blij vertrouwende god Dionyzos. Hij was geheel -naakt, een jonge knaap, slank de blanke leden, zoo vrouwelijk week, en -zijn bronsblonde lokken, opgeknoopt, waren met wijnlof omwingerd; aan -de slapen droeg hij twee volle trossen. In zijn hand hief hij omhoog -zijn pijnappelroê. En zoo ging hij, de oogen ernstig en vol weemoed -bijna, maar de lippen lieflijk lachende. In zijn godeziel zwol het -medelijden, toen hij voor de koperen poorten stond. Hij huiverde even -angstig, maar talmde niet met zijn tred. Was het niet aan hèm alleen de -vreugde te sprenkelen, daar waar nooit vreugde was? En hij trad door de -open poort de duisternis binnen, verschrikkelijk. - -De duistere nacht baaierde, waaiende om hem heen, maar Dionyzos’ -violenoogen, blinkende als blauwe starren zacht, zagen wennende, door -die eeuwige duisternis heen; en zij zagen den waaienden wind, de -waaiende wolken, de heel verre duistere kimmen, rotsachtig -verschietende achter den wolkenden waaienden wind, die eindeloos droeve -beweging verwekte, in den onderwereldschen eeuwigen nacht. Hij zag het -duistere golven der pikzwarte wateren van Styx en van Acheron, en over -de wateren klonk door den waaienden duisteren nacht een -ontzetting-wekkend gebas uit drie monsterige hondenmuilen. Nu ook zag -Dionyzos, naderende, een dicht dringen van schimmen, zacht klagende, -aan den oeverrand van den pikzwarten stroom en over de wateren loomde -langzaam aan een wrakkige veerboot, die roeide stram een veerman, oud -en norsch, onverstaanbare verwenschingen toeroepende van het midden der -wateren al. Hij stak, aan den oever, de reuzige hand uit, en vroeg om -zijn loon, en de schimmen, die hem zijn loon konden geven, liet hij toe -op zijn veer; hij duwde met zijn spaan de anderen terug en zij bleven -klagende dwalende aan den somberen waterboord. Maar plots stormde om -naderenden Dionyzos een fellere wind van storm en hij meende, -slangengeesels sloegen naar hem en slangomlokte vrouwentronies gloeiden -hatelijk met vlammende oogen uit wolk van wind en wapperende sluiers -zwart, en de Erinnyen omzwapperden huilend den blijden god Dionyzos en -raasden hem tegen: - -—Wie... wie vermeet zich, sterfelijk of onsterfelijk, mensch of god, -LEVEND, en zonder Hermes’ geleide te naderen den boord van den Styx... -Wie... wie vermeet zich? Wie? - -En zij sloegen naar hem met hare serpenten-zweepen, maar Dionyzos -weerde haar af met zijn thyrs, en vol vertrouwen op Zeus, lachte hij -uit, klaterend van eigen zielvreugde: - -—O, vreeslijke vervulsters des Noodlots, niet anders dan om de wil van -zijn vader zelven, goddelijken Zeus, nadert Dionyzos den boord van den -Styx, en treedt hij binnen de open koperen poorten van Tartaros, -levend, en zonder Hermes’ geleide... Niet anders dan om éen duisteren -nacht vreugde over somberheid te sprenkelen. O, gramstorige -wraakgodinnen, slaat niet met slangegeesels uit naar mij, want ik meen, -in DIT oogenblik, dat mijn vreugde-oogenblik is, zult gij mij niet -kunnen treffen, en weer ik ze af met mijn thyrs, wijnbouwersstaf van -blijdschap, niet anders dan eikestok, pijnappel-bekroond, maar machtig -en godeschepter! O, wrekende Erinnyen, hoort: Dionyzos wil u glimlachen -zien! Gij, die nooit glimlacht, o altijd toornige Erinnyen... Dionyzos -wil u glimlachen zien! Door de eeuwige Tartarosduisternis stràle een -oogenblik uw éenige glimlach! En opdat hij, o Erinnyen, stràle, zal ik -het wonder der vreugde gebeuren laten, en rondom uw zwiepende -hellevaart ranken laten mijn edele wingerdtakken, zoo dat zwellende -druivetrossen u zullen omringen, donker purperend door dezen -duistersten nacht! O sombere Erinnyen, weest op dit oogenblik blijde -plengsters van Dionyzos’ druiven! - -En plotseling in den valen afschijn van licht, dat verre bleef en kwam -van waar wist hij niet, doffe afkaatsing van wateren, sombere -uitschemering tusschen wolken, zag Dionyzos de slangomlokte -wraakgodinnen plukken de trossen met beenige vingers, waar ze weligden -plotseling aan ranken, geheimzinnig wingerend rondom haar heen en -wortelend in niet dan in donkere lucht, en zij persten de trossen zich -aan de lippen en zij zwolgen en zij glimlachten! Zij glimlachten, de -wraakgodinnen, den god Dionyzos tegen! Ook hij lachte, hij -klaterlachte, en heerlijk langs den Styxboord somber klonk zijn lach -als een vogelentriller. De dringende zielen zagen om. En de norsche -oude veerman riep: - -—Wie lacht er zoo blijde daar, met den allereersten lach, die ooit door -Tartaros klonk! Welke ziel is zoo blijde aan den boord van den Styx, en -zoo overtuigd te worden overgezet, dat hij lacht, lichtzinnig en -dartel, een kind gelijk, dat niet weet,—of een onwijze, die niet -beseft! - -Maar de blijde god Dionyzos riep: - -—Raad eens, norsche Charon, raad eens wie daar zoo lacht? Hij is het, -die de Erinnyen deed glimlachen en plukken de welige trossen, de -purperen trossen, die hij tooverde rondom haar heen! O, schimmen gij, -zoo vele gij, die opdringt aan den boord van den Styx, verlangend, dat -Charon u overzette... hier, ontvangt druiven als de Erinnyen ontvingen, -zware en volle trossen, en proeft het genot, proeft het purperen genot, -dat ge nooit proefde, dat u nooit purperde in het leven op aarde, omdat -ge het niet kende of het versmaadde, want zie ik niet onder u velen, -die mijne saters ten doode toe geeselden met agavesteelen of wie mijne -woeste menaden verscheurden! Verzoent u NU met Dionyzos,—want, norsche -Charon, die blijde god ben ik!—en perst u NU de druiven aan de gretige -lippen. Hier zijn schalen, hier zijn cymbels, hier zijn fluiten, o -schimmen! Reit de ronde en zwelgt de druif! Dionyzos, Dionyzos wil -het...! Wat wacht je, norsche Charon, en wat brom je? Omdat de blijde -schimmen blijde dansen en zwelgen aan de druivewingerende boorden van -Styx, in steê van te klagen en te smeeken, dat jij ze overzette op -wrakke boot? Wat mompel je, norsche Charon? Wil je druiven? Wil je -druiven? Dionyzos heeft geen druiven voor je! Wil je persen druiven in -een schaal, terwijl de blijde schimmen spelen de fluit en de cymbels -slaan? Dionyzos heeft voor jou geen schaal! Zie zelve, zijn handen zijn -leêg, zonder druiven en zonder schaal! Kom, norsche Charon, ga terug -met je wrakke en leêge boot, want de schimmendans duurt tot den -dageraad, en zij zullen druiven hebben tot zóó lang! Wat mompel je, -norsche Charon? Schimmen zet je over, niet voor een obool maar voor een -tros purperen druiven? Nu, goed dan, norsche Charon! Klagende schimmen, -die zonder obool naderden norschen Charon, ontvangt uw veerloon uit de -hand van Dionyzos! Aan ieder een tros, aan ieder een tros voor Charon! -Zoo, Charon, zet ze nu over! O, op de wrakke boot stapelen de trossen, -en Charon, voor hij van wal steekt, zwelgt de purperen druiven! Nu zet -Charon àlle schimmen over! Wrakke boot, wees een druivebark! Vreugde, -vreugde, overal! Hola Charon, schater niet zoo dol, en slinger niet zoo -op je wrak! Zet mij nu over! Steek nu van wal! O pikzwarte golven van -Styx, mijn trossen drijven je af, en vroolijk zal je drinken mijn wijn! -Wees vroolijk, Styx! Stroom vroolijk, Styx! Wees een stroom van -vreugde, o Styx! O, schimmen, zingt blijde de vreugde! - -En op de wankele boot, geheel wingerd-omrankt en trossen-omweligd, die -dronken Charon schots en scheef stuwde over den vloed, dansten in het -oneigenlijke licht, dat kwam van waar wist niemand, de schimmen, en -trapten de maat, en klapten de maat en sloegen, zingende, de schelle -cymbels. Over hen, in de duisternis, dreven dronken de Erinnyen en zij -lachten plotseling blijde, en Dionyzos, wuivende met den thyrs, lachte -om haar lach. Van den verlatenen boord kwam een juichen van schimmen. -Van den boord, dien de boot nu naderde, kwam een tegenjuichen van -schimmen, overgezet, en die àllen anderen schimmen gaven een wijntros. -De dans slingerde zich daar voort. Uit drie monsterhondekelen, klonk -dwars door zang en spelen luider en luider gebas. Maar Dionyzos lachte -te luider slechts en wierp trossen éen voor éen in de muilen, de drie, -die uit duisternis het monster toe naar hem rekte. Hij wierp ze zoo -vlug en zoo vele, dat Kerberos stikte bijna en de trossen uitspoog, -bezwadderd, en ze weêr inslokte gretig, bassend en brullend beschonken -en òphuilende plotseling, uit drie kelen tegelijk, smartelijk in -smartelijke dronkenschap. Om zoo treurige bezwijmeling lachte Dionyzos -te luider slechts en het was of om zijn lach ophelderde de eeuwige -duisternis. Of zij ophelderde om zijn oogen. Of zij ophelderde om zijn -lichaam blank, om zijn thyrs, zijn druiven, geheel hemzelven. Een -blauwe glans straalde om hem en uit hem, en hij stond er in heerlijk en -juichend en lachend. Plotseling weende hij, van overstelpenden weemoed. -Hij wist niet waarom hij weende. Hij weende van medelijden. Hij -omhelsde de zielen, die drongen tegen hem aan en hij liet de druiven -rondom hen weligen. Zij troostten hem, en riepen hem toe, dat zij -vroolijk waren in het purperen genot, zoo mild. Hij vroeg hun dat te -herhalen. Zij herhaalden het en hij lachte weêr. - -—O Zeus! riep hij uit. Laat eeuwig hun deze vreugdenacht duren! - -Maar de schimmen dachten niet aan den dageraad, die onverbiddelijk -naderde, boven. In hun druivefeest bewolkte blijde vergetelheid hun de -gedachte. Tot plots Dionyzos zag een schim zeulen een rotsblok zwaar -een donkeren berg op. Hij naderde juist den bergtop, half in nevel -verstoken, en het rotsblok donderde naar omlaag. Toen slaakte de schim -een smartkreet, allerverschrikkelijkst. En Dionyzos riep, bevend van -medelijden: - -—O Sizyfos, gij die wist Thanatos zelven te boeien, en die zoo listig -waart, dat ge zelfs mijn vader Zeus wist te bedotten,—gij, die, -gestorven, de aarde weêr betradt om uw gemalin te straffen, daar zij -geen doodenoffers u bracht—het geen gijzelve haar hadt verboden—gij, -die niet weder terug naar Tartaros wildet, zoo dat Hermes met geweld u -mede moest voeren ter duisternis—wat geven u hier al uwe listen en al -uw inspanning en schranderheid! Eeuwig het zware rotsblok torsende op -uw schouders gebogen, zwoegt ge den zelfden berg op, en eeuwig, -Sizyfos, van den zelfden top, stort het rotsblok naar omlaag, geweld -donderend! Hoe vaak, o Sizyfos, zult gij nog slaken uw smartkreet, -allerverschrikkelijkst? - -De schim was den berg, snel, in éen oogwenk, afgedaald met spannende -kuiten en krampende teenen; met zijn geweldige handen tilde hij -moeizaam zich op den rug weêr het rotsblok zwaar, en zijn klagende stem -vroeg, gebroken van weening, inwendig: - -—Wie zijt gij, o blanke knaap, wiens violenoogen ik door tranen heen -zie schitteren als blauwe sterren door vochten avondnevel, en die met -een ziel, beter dan menschelijke en erbarmender dan goddelijke, mij -beklaagt om dit zware en vergeefsche werk... - -—Ik ben, Sizyfos, Dionyzos, de god der vreugde, en Zeus, mijn -goddelijke vader, vergunt mij u vreugde te sprenkelen in dit uur! Tors -in dit vreugde-uur geen rotsblok, maar een stapel trossen, hoe zwaar -ook zwellende van purperen genot, licht, bij het gewicht dat gij pleegt -te torsen! - -En plots, op Sizyfos’ rug, veranderde het rotsblok in een stapel -druivetrossen en de ellendige schim lachte, terwijl hij torste het -blijde genot, als een wijnbouwer, den berg op. En boven, de trossen met -beide gretige handen zich drukkend aan de lippen, riep hij luide: - -—O, heb dank, o Dionyzos, voor deze verlichting en blijde gave! Tors ik -ook straks weêr mijn rotsblok, gedenken zal ik mij immer het blijde -genot, en geen grooter zaligheid en weelde dan zich het blijde genot te -herdenken in de oogenblikken der bitterste smart! - -Maar door zijn laatste woorden heen, vernam Dionyzos roepen, een -klagende stem, erbarmelijk: - -—Wie gij ook zijt, daar ginds jeugdig en knapeblank, en zóó -vreugderijk, dat uw lach meê zich deelde aan wie nooit lachten in -Tartaros... wie gij ook zijt, vergeet MIJ niet en richt even een blik -naar mij! Zie,—en Dionyzos in duistere duisternis, die zijn eigen -blauwige afglans zacht op deed schemeren, zag in een beemd, vreemd -betooverd van ruischend water en wuivend gelooverte, een schim hem -smeeken, de beide armen erbarmingwekkende uitgestrekt—zie, ik ben -Tantalos: gunsteling was ik der goden, lieveling was ik van Zeus, -toegang had ik binnen Olympos, plaats mocht ik nemen aan der goden -disch, luisteren in hun raadsvergadering, maar te hevig was mij zulk -genot: ik bezweek: ik verried Zeus’ geheime besluiten, ik stal nektar -en ambrozia en deelde er van mede aan sterfelijken, minder begunstigd -dan ik—deelde er mede van uit hoogmoed en misschien uit edeler oorzaak -en àllen zoekende menschenliefde, maar bezwijken deed ik, en -verpletterd door Zeus’ toorn, leef ik dood hier mijn straf voort, -eeuwig; o eeuwig, Dionyzos, god der vreugde, dien ik niet kende, nieuwe -god, die mij verwondert, die mij verwondert hier op zoo treurige -plaats...! Wie gij ook zijt, o nieuwe vreugdegod, o vreugdevolle -Dionyzos, richt u naar mij ook een oogenblik...: zie! Ik sta in -ruischende beek en heete dorst verschroeit mij, maar nooit gelukt het -mij, zoo zwaar als het is, dit water mij aan de lippen te brengen: het -vloeit als zilver tusschen mijn vingers, het wijkt golvende weg als ik -mij buk, en de bedding verdroogt door mijn enkel gebaar,—en mijn -eeuwigen honger... nooit stilt dien het goudene ooft, dat gij ziet even -glinsteren niet hooger dan de opheffing van mijn hand: het wuift -hooger, zoodra ik de hand hef, en wiegelt zich speelsch, spottend en -lokkend over mij heen als gezwaaid door een booze zefyr, die genoegen -neemt in mijn heete kwalen! Zie, ik buk mij... het water loopt weg; -zie, ik hef de hand... en weg wiegelt het ooft, en in den eeuwigen wind -hoor ik een schaterlach, blijde om mijn steeds te-vergeefs trachten! O, -moêheid hier te bukken en te reiken steeds te-vergeefs, o ellende van -honger, dien nooit stilt dit wreede fruit, en van dorst, die dit wreede -water nooit lescht! Altijd, altijd! - -—Tantalos! zei toen Dionyzos. Nooit was mijn ziel zoo bewogen van -medesmart als om uw klacht! Tantalos... in dezen vreugdenacht, -gedurende de enkele uren, dat hij nog dure—stil honger en dorst... -Geniet en heb Dionyzos’ vreugde! - -En de blijde god lachte door tranen heen, want de schim slaakte een -luiden vreugdekreet; om zijn wreeden ooftboom, plotseling, rankte een -welige wingerd, wondersnel, en de druiventrossen, zwaar, vielen hem in -de palm van knakkende steelen af; en het water, waarin hij stond, -vloeide rood een edelen wijn hem toe, of het purper rondom hem -fonteinde... O Dionyzos’ vreugde, dàt te zien en de vreugde der schim -te genieten! Maar de onderwereldsche wind stak feller op, killer en -kouder, en Dionyzos, voortgetrokken als door steenende kreten van -maagden, zag in vreemd weêrlicht, als in bliksem van Hades, òpròtsen -een landschap, wreed en hard, niets dan harde en wreede rotsen, -gestapeld; een moeilijk steil pad leidde heen naar een donkeren -trechter, reusachtig, en toen, in Hades’ bliksem, zag Dionyzos, van -ijzing rillende, het Vat, het vreeslijke Vat, het noodlottige, groote -Vat; zwart rees het in ijzeren banden, duig bij duig vastgekrampt -tusschen de ruige rotsen; hoog rees het als een ronde vatvormige toren, -met zwellende buiging,—maar bodem scheen het Vat niet te hebben; -grondeloos stond het in een diepe donkere poel, waaruit het water -wegsijpelde in het moeras van den Styx. In den felleren wind steende de -klacht, altijd, van afmatting en troosteloos wee, der radelooze -vrouwen, der diep beklagenswaardige Danaïden: treurige theorie van -trouwelooze gemalinnen: éene voor éene tilden haar groote waterkan zij -aan den bron, waaruit langzaam sijpelde een magere straal: lang, o lang -duurde het haar elk, eer de kan was gevuld, ten boorde toe;... dan -torsten zij, moede, de zware kan zich op het hoofd, de zware kan zich -op den schouder, met beide handen ze houdende, of met een enkele hand, -en de andere tastende lange den ruigen rotswand, ten steun... en moede -strompelden zij hooger, struikelden hier over een steen, daar over een -knoestigen boomwortel... nu viel er op beide knieën éene, zusters -beurden haar op, en zij weende, en zij weenden allen: hare kan was -gebroken, en zij moest terug om een nieuwe kan, moedeloos ging zij -terug, vulde de nieuwe kan, sleepte zich op...: de zusters waren nu -hooger... Boven, waar eindigde het pad, gaapte haar zwart de afgrond -van het bodemlooze Vat, en in den bliksem zag Dionyzos de witte vrouwen -van smart, wier natte waden plakten rondom haar vertreurigde leden, -nemen, zoo moedeloos, de kan van schouder of hoofd en ze gieten uit in -den afgrond, zwart opdat zij het vat zouden vullen... Maar, dadelijk, -borrelde slechts de poel, en niet éen oogenblik werd gevuld het vat, -waar alle wateren aller kannen wegliepen, snel, in den Styx. Dan -slaakte boven de vrouw, die gegoten had, een smartelijken kreet, en -hief hare armen op: zij droop, hare haren dropen, hare natte waden -dropen, nat des telkens herhaalden vullens weêr, en haar aller kreet -smeekte erbarming... Maar haar noodlot, zwijgend, gebood haar voort te -gaan, rusteloos met haar werk, want zij daalden, de treurige vrouwen, -met mat wanhoopsgebaar, de leêge kan in moede handen aan de slappe -armen, druipende... zij daalden langs een hellender effener weg naar -omlaag, als of dìt dalen alleen zoû haar rust en verpoozing mogen zijn, -tot zij aan de bron weêr haar kruik zouden vullen... - -Zoo zag Dionyzos het Vat en de treurige theorie der trouwlooze -gemalinnen—zij, die in den bruidsnacht, na het opperst geluk, elk den -gemaal slapend vermoordden—en de blijde god weende om zoo diepe en -eeuwig durende smart en troosteloozen arbeid, want nooit was het -schrikkelijk Vat te vullen; altijd bleef het een afgrond zwoel en -vochtig; het schimmelige mos begroeide het welig, en reuzige varens en -somber ruischende riet waren uitgeschoten in het moeras, waar het -oprees... - -Toen sloeg Dionyzos zijn blanke armen omhoog naar het steile rotspad, -waarover strompelden smartelijk de eeuwig vergeefsche vulsters, en hij -riep: - -—O weenende en steenende vrouwen, smart had ik nooit om -mijzelven—ofschoon ik niet weet of Zeus mij voorbeschikt smart om -mijzelven—maar smart diep en grievend in mijn zoo blijde godeziel, heb -ik om u, omdat ik wèl weet, en omdat ik wèl zie, dat gij immer -te-vergeefs u uitput, tillende aan den tragen bronstraal de kan, -strompelend op het steile pad naar de gaping van het verschrikkelijke -Vat, waar gij uitgiet, hopende, hopende steeds, uw met zware moeite -verkregen sijpelenden waterstraal... en eeuwig blijft verschrikkelijk -leêg gapen het Vat en gij daalt af ter andere zijde, mat, met kalmeren -tred als uw eenige rust... om dàn omlaag opnieuw te beginnen, -te-vergeefs, te-vergeefs altijd, en hopende, hopende steeds... O, de -altijd teleurgestelde hoop... is ZIJ niet uw allerverschrikkelijkste -straf, verschrikkelijker nog dan uw noodlotslavinnenarbeid! - -—Dionyzos! klaagde van boven, aan den rand des vreeslijken Vats, éene -der treurige trouwloozen. Dionyzos, dàt is het allerverschrikkelijkste; -de altijd teleurgestelde hoop... IS verschrikkelijker nog dan onze -noodlotslavinnenarbeid! - -—Dionyzos! riep een andere, opgaande het steile pad; ik hoop! Ik hoop -nog, voor de, ach, hoeveelste maal, dat mijn straal zoo al niet vulle -het Vat, toch genadevol eindelijk moge verhoogen, verhoogen den zwarten -vochtigen spiegel, dien ik tusschen mos en varen en riet beneden in -diepte zie... - -—Dionyzos! riep een derde, en zij ging snikkende af het hellende -dalingspad, en hare kruik stiet uit haar handen te pletter in scherf -tegen de rotsen. Ik hoop niet meer! Ik hoop NOOIT meer! Maar toch moet -ik neêrgedaald, weêr beginnen de vreeslijke zwoeging! - -—Dionyzos! riepen zij allen; Dionyzos... - -En zij riepen allen door éen, handen naar hem uitgestrekt, in een -wanhoop, waarvan de Onderwereld sidderde. Hij verstond haar niet, de -blijde god, maar hij riep boven haar uit, met zijn cymbelschelle, -klankrijke stem: - -—O treurige Danaïden, hoort! Voor enkele uren gaf mij mijn vader Zeus -de macht zelfs over ù vreugde te sprenkelen. Zelfs over u! Zelfs over u -allen! Zelfs over uw verschrikkelijk Vat! O, treurige Danaïden, staakt -voor dezen nacht uw arbeid, en plukt, plukt de toomelooze vreugde met -twijgen en ranken en trossen af... - -Toen strekte, luid lachend door tranen heen, Dionyzos zijn thyrs uit -naar den Vatberg, en een ruischen en bruischen begon... Een ruischen -van groeien, een wonderruischen van wondergroeien, van weligen -tooverwingerd, snel uit allerongunstigste, vochtige, zonlooze plek, -zwaar de stam en knoestig de takken, forsch nog de teêrste twijgen -tegen den berg, het Vat rondom, met rankeklauwtjes vast zich klampende -aan verroest ijzeren hoepels en schimmelig houten duigen; bladeren dik -en vol weligend, trossen uitzwellend purper en zwaar...; een bruischen -van vullen, een wonderbruischen van wondervullen, een opwellen van -roodgeurig water, van wijn in het Vat... tot plots Dionyzos opliep den -berg, lenig en snel en nooit strompelend, een reuzetros greep in zijn -armen, ze perste in zijn beide vuisten over het Vat, het vreeslijke -Vat, te midden van de rondom hem toesnellende Danaïden, die niet wisten -en niet begrepen... tot zij zàgen... tot zij zàgen... den Straal, den -blij purperen straal van den tros van den god Dionyzos, zwaar en breed -uitgulpend zijn wonder, en... vullen... tot boordevol het Vat, het -vreeslijke Vat met het roode geurige water, met den wijn, het bloed der -edele druiven!! - -O, de vreugdekreten der Danaïden! de gillende vreugdekreten, die -elkander riepen de beide bergpaden òp, naar de boorden van het nu -overloopende Vat, rond wijnmeer tusschen ranken en trossen, die -weligden langs hoepels en duigen, die weligden langs den Vatberg -geheel! In het vreemde onderwereldsche licht ruizelde de Vatberg van -purper, en blauw omstraald rees de blanke Dionyzos blij, en juichte, en -schepte een schaal vol, en had schalen voor àlle de nu zoo -overgelukkige hopeloozen, en hij vulde in het Vat hare kannen, en zij -schonken elkander de schaal vol, lachende,—en zij plukten de ranken en, -van zich strijkende de druipnatte waden, kleedden zij zich in ranken en -bladeren en trossen, en jammerden niet meer, maar dansten en Dionyzos -had tamboerijnen en cymbels voor haar en zij rinkelden snel en zij -sloegen ze schel, juichend. Langzaam sijpelde leêg het Vat, en het -Styxmoeras geurde van most, maar Dionyzos riep: - -—O blijde juichende Danaïden! Niet vóór den dageraad zal het Vat, dat -is VOL geweest, leêg zijn geloopen... dàn vallen de ranken verwelkt -af... maar nu, pluk het genot, en laat later in de oogenblikken der -bitterste smart het weelde en groote zaligheid zijn u het blijde genot -te herdenken! - -Toen verdween de god van daar, en zag hij van verre, in het nieuwe -licht, de Danaïden bakchantisch zwieren. Zij zwierden, rankomwingerd en -trosomhangen, bij jubelkreten en cymbelslagen rondom het Vat, hand aan -hand in Hades’ eigene vreemde bliksems. - -Lang zag Dionyzos dit aan, zag hij de vreugde der Onderwereld, en de -tranen liepen hem langs de glimlachende wangen. Tot hij hoorde een -stem, zuchten zacht: - -—O, heb dank Dionyzos, heb dank! Niet vraag IK u voor mijzelve vreugde, -want mijn smart verweemoedigde tot stil zielelijden en is niets meer -dan weemoed geworden, om de aarde, om mijn blonde moeder, eerwaardig, -om de wuivende granen, korenbloemen blauw en klaprozen -scharlakenrood... niets meer dan weemoed, om àlles wat ik mis zoo lang -ik toef aan de zijde des duisteren gemaals! Want lief heeft Persefoneia -den duisteren gemaal, die haar troonen doet op den ebben zetel! O, -dank, dank Dionyzos! Niet, o neen, niet voor mij, niet voor -stil-in-ziel-treurende Persefoneia... maar voor hen allen dank... voor -haàr àllen... - -En Dionyzos, zich wendende-om, zag de teedere bleeke vorstin, -punt-omdiadeemd en zacht lila-ommanteld hem naderen te midden van -dansende schimmen, die juichten en dronken de druif uit schalen en -trossen zelve. Zij naderde, de armen hem strekkende te moet, in de -weemoedige teederheid van haren dankbaren en bijna blijden glimlach;... -zij naderde over de velden der bleeke affodillen, schimme-zwevend -zijzelve, zoo heel licht van tred en zacht ruischend van de sleeping -harer nachtkleurige vorstinnegewaden; de punten van de kroon vlammelden -even op...—zij naderde koninklijk en toch in dankbaarheid, en toen zij -Dionyzos genaderd was, sloeg zij hem zacht om den hals beide armen, -kuste hem op het voorhoofd en weende, met éen snik, aan zijn borst... - -Toen klonk van verre een roep. Dionyzos zag om en zag op, Persefoneia -nog hem leunend het hoofd aan zijn boezem. En hij zag, in duistere -verte, in eindeloos rotsig verschiet, tusschen zijn eigen -onderwereldsche bliksems, Hades, in donkere majesteit, wenkende met -starrenschepter, dat bòven, uit de oostelijke poorten, Eos zoû weldra -treden te moet, en vreugde gedaan zoû wezen. - - - - - - - - - -IX. - - -—Hola! Holaha! Woeste Eurytion, waar gij ook wijlen moogt in de van -lang gras zeegolvende onafzienbare Vlakte, hierheen! Hola! Holaha! Het -is Dionyzos, de koperen poorten van Tartaros uitgekomen, die u roept -met schelle stem en met gebaar,—blank in het allereerste rozige dagen! - -Maar een huilende wind alleen antwoordde op Dionyzos’ roep en boos -fronsend de blonde brauwen herhaalde de god: - -—Hola!... Holaha!... Woeste Eurytion! - -Tot op eenmaal, door den huilenden wind gedragen een edeler -boodschapper aanvleugelde en de lucht van zijn flapperende vaart deed -wapperen. En Dionyzos, hoog nog den blanken arm, en de hand wuivende in -den fellen morgenbries, meende zeker, dat niet hem zijn vader vergat en -dat Zeus hem tot uitkomst zond... wien wist hij nog niet, tot hij -plotseling herkende, ook al had hij den van verstand glanzenden god -nooit gezien, Hermes: snel als een licht kwam hij aan uit het Oosten, -waar de krokosgele sluier van Eos verbleekte, lichtende snel als een -schitterende straal, die schiet, en Dionyzos zag hem met vreugde -naderen: een groote godvogel gelijk schoot Hermes aan, blank, mannelijk -en breed slank; goudstralende athleet, zoo zweefde hij windsnel van -zweving, de tors schuin omhoog, en geheven het hoofd onder den -gevleugelden breedrandigen hoed; met krachtige beenen roeierde hij door -den ether, luchtzwemmende: hecht zijn enkels omsnoerd, bewogen -regelmatig van rythme de vlerken aan zijn glanzende hielen, latende na -twee sporen van licht, lange glinsterende lijnen... In zijn hand hief -hij zijn slangenstaf, en nu glimlachte hij en wuifde er Dionyzos meê -tegen. O, hoe heerlijk schoon was, vond Dionyzos, van verstand -stralende Hermes: als een halo straalde uit hem dat verstand en omdreef -hem blank en krachtig, in een glanzenden kring, o de heerlijke vader -van Hermafroditos! O, hoe heerlijk schoon was hij en hoe goddelijk: -Dionyzos zelve gevoelde zich, nu Hermes zoo goddelijk naderde, bijna -als een sterfelijke mensch, voelde zich de zoon zijner moeder meer dan -het kind van zijn vader, voelde zich klein en nederig, niets dan een -nuttelooze glimlach om weinig beduidend ooft: de schelle stem, waarmeê -hij had Eurytion, woesten Kentaur, tot zich geroepen, beefde in -aanbiddende bewondering, toen hij uitriep: - -—O, van goddelijk verstand stralende, o stràlende Hermes! Ik herken -je!! - -En hij strekte, niet meer dan een blijde knaap, uit de beide armen naar -Hermes, die tot hem daalde en plots stond op den grond. - -—O, blijde en het nieuwe genot sprenkelende Dionyzos! Ik zoek je en kom -tot je met Zeus’ boodschap! riep Hermes, en hij omhelsde den jeugdigen -god Dionyzos in zijn blanke en krachtige armen. Wat was groot Hermes en -heerlijk, en wat stond als een kind, hij, Dionyzos, in zijn forsche -omhelzing, als jeugdige broêr in die van ouderen broeder! Glimlachend -stond Dionyzos zoo, het hoofd aan Hermes’ borst, en Hermes kuste hem op -wangen beide en purperen mond en zeide: - -—O Dionyzos, lieveling van Zeus, en lieveling àller goden! Hoe spieden -wij niet, nieuwsgierig wolken verschuivende, van Olympos uit naar je -daden, en zijn om je zoo verheugd, en zijn om je zoo vroolijk en -blijde, dat van heerlijkend lachen alle paleizen er trillen, wanneer -wij je op aarde zien, dapper de wereld verwinnen en dapper de vreugde -doen purperen zege vieren over àl sombere treurigheid! Dionyzos, -broeder op aarde, wij hebben je àllen lief, en zelfs vorstelijke Hera, -al toornt zij je, en al fronst zich haar ivorene voorhoofd, ziet niet -met onwelwillenden blik meer heen naar den van geestdrift gloeienden -zoon der heerlijk verbrande Semele! Dionyzos, en teeder heb IK je lief, -als een oudere broeder zijn jongeren broêr, omdat edel en deugdelijk je -hart trilt voor wie somber is en donker weemoedig, en ik dank je in dit -oogenblik voor de vreugde mijn zoon-dochter gegeven, hem, haar, die ik -juichen zie in je blijde thiazos, o Dionyzos! O, Dionyzos, jeugdige -broeder, laat mijn dankbaarheid teeder je kussen voor de liefde, aan -het weemoedige kind, dat in cypressenschaduw treurde, bewezen, en laat -mij dàn je boodschappen—te lang al stelden mijn woorden dat uit—hoe wij -allen in Olympos je hulp verlangen, inroepen je half-goddelijke hulp! -Dionyzos, teêre knaap, maar onoverwinlijke veldheer der vreugde, wij -roepen je toe: kom ter hulpe! Je vader Zeus roept je toe: kom ter -hulpe... Kom de goden ter hulpe! Olympos ter hulpe! Dionyzos, Dionyzos, -kom! - -—En wat en waar, o mijn groote broeder Hermes, moet Dionyzos Olympos en -goden ter hulpe komen? Wie en wat bedreigt er Olympos en goden, en wat -kan Dionyzos doen, half maar god? - -—Hoor dan, Dionyzos: zoo snel als mijn woorden boodschappen kunnen, -zullen zij je doen begrijpen den angst der Olympische goden! Zonen van -toornige Gaïa, vreesverwekkende Giganten, bestormen den hemel! Hoor, -Dionyzos, hoor, het geruisch van hun stemmen als stormen... - -—Ik hoor, Hermes, het geruisch van hun stemmen als stormen, maar ik wil -zien... - -—Laat mij je dan verheffen van hier, in mijn eigene vlucht... - -—Ik ben bereid... - -—Ik sla rondom je mijn arm, en vraag je slechts te omvatten met éen -vuist mijn slangenstaf. - -—Ik voel mij zeker in je omhelzing... - -—Dionyzos, tot nog toe was je onbekend snelle vleugelvaart door de -luchten. - -—Ik versaag nooit... - -—Wij stijgen op... - -—Stijg op... - -—Ik stijg, ik verhef me... O, mijn jeugdige broeder, nu klem ik je vast -in mijn arm, en zweef met je op, en zweef met je voort, en licht en -snel vleugelen de wieken aan mijn hoed en mijn enkelriemen... Zie, -onder ons rukt zich de aarde terug naar de diepte... daar glimmeren de -koperen poorten van Tartaros, voor welke ik je vond, daar wuift nog -even het zeegolvende gras van de weide der woeste Kentauren... - -—Daar zie ik mijn thiazos naderen de heilige zee, die wij òver zullen -in smalle schepen zeilen, en daar, tusschen ruige rotsen, zijn hoofd in -den schoot eener oreade, zie ik Ampelos, mijn vriend, dien ik liefheb; -hij wachtte mij te vergeefs, hij dwaalde door stormnacht in kloven... -terwijl ik wijlde in Tartaros, en eindelijk, wachtensmoede sluimerde -hij in, op den schoot van de bergnymf, die hem troosten wilde... -Oreade, laat Ampelos sluimeren, en Hermes, maak, dat mij Faun -aanschouwe in zijn schitterenden droom, mij aanschouwe in je eigen -omhelzing en eigen vlucht, opdat hij wete, waar ik zij... Sluimer, -Ampelos, sluimer, tot ik terug kom, van waar mij voert Hermes henen... - -—En ginds, jeugdige broeder, nu ik snel als een straal van Helios -vooruit met je schiet, en wij naderen Olympos, die zich verhult in -rozige morgenwolken, ginds... aanschouw wat de Angst is van ons, goden! -Hoor bruischen als razende stormen de booze stemmen der reuzen, -Giganten: zie Pallas en Athos, zie Eurymedon en Enkelados, zie -Porfyrion en Alkyoneus! Hunne aangezichten zijn grooter dan die der -goden en monsterlijk om te aanschouwen, met wat er van onuitwarrelbare -slangelokken kronkelt rondom hunne slapen en muilemond; en hun -reuzelijven eindigen, zie, in twee staarten van draken, geschubd, -waarmeê zij gaan als met beenen, strompelend op hun staartevinnen, maar -krachtig en snel, en zie, Dionyzos, zie... hun kracht is -onvergelijkbaar...! Zie, zij nemen rotsen in de vuisten en slingeren ze -tegen Olympos! - -—O Hermes, ik zie... Zij nemen bergen in de vuisten en slingeren ze -tegen Olympos, waar de ivorene en goudene paleizen hoog zuilen tusschen -rozige morgenwolk, en tusschen de zuilen zie ik zelfs, met angstig -gebaar, vlieden de verrukkelijke Kypris, en hare gouden gordel -verliezen, zoodat zij onvergelijkelijk naakt en verblindend voortijlt, -de handen gestrekt naar Zeus, die haar in zijn armen bergt! O, Hermes, -de verrukkelijke Kypris, wat is zij schoon, maar niet ten strijde -geneigd, als Athene, en Artemis, die zich aan Ares’ zijde opmaken met -speer en met drillende lans! - -—Dionyzos, zie... nu slingert Gration brandende stammen van boomen de -lucht in, maar hij zwaaide niet krachtig genoeg: de boom valt terug, -niet meer dan als ware hij een fakkel en sprenkelt vonken over de -Giganten zelven... - -—Hermes, zie, nu slingeren die beiden: Porfyrion en Alkyoneus—twee aan -elkaâr gesnoerde en brandende eikestammen de lucht in... - -—En de eikestammen, als een dubbele fakkel... - -—Slingeren zij, o mijn vader Zeus...! - -—In het midden der goudene paleizen! - -—Hermes, de Olympos, in fellen brand, blaakt! - -—Dionyzos, er IS geen tijd te verliezen. Kom ons ter hulpe... - -—Ik! - -—Jijzelve, Dionyzos! - -—Ik, ter hulpe, mijn vader Zeus! Ik, god van druiven, strijden ter -zijde van strijdbaren Ares, Artemis en Athene! - -—Twijfel niet en draal niet, Dionyzos! Hoor! Orakel spelde Zeus, dat -ons de Giganten zouden verwinnen, zoo niet... - -—Zoo niet ik... - -—Zoo niet HALFGODEN ons kwamen ter hulpe! - -—Ik ... ik, halfgod, maar NIET de onoverwinlijkste van mijn broeders en -zusters! - -—Dionyzos, versaag je? - -—Nooit! Zeus, o mijn vader... - -—... Mijn zoon, Dionyzos!... - -—Hij roept mij! O Zeus... mijn vader! - -—Mijn zoon Dionyzos, kom ter hulpe! Mijn bliksems breken op de schubben -der vreesverwekkende monsters, die Gaïa mij, boos, baarde, ze -toekennende tegen ons tooverkracht, waartegen geen onzer weet middel! - -—O vader, o Zeus, ge roept mij, Dionyzos, ter hulpe? O vader, o vader, -ik jubel! IK kan u helpen! Ge zegt, dat IK u helpen kan...? O heerlijke -trots, die mij als druivenwijn de aderen doorvloeit en mij opheft tot -een bezieling, die ik niet bereikbaar voor MIJ dacht! Vader, bezieling -alléen omdat UW stem mij roept, omdat Zeus Dionyzos van noode heeft, -omdat de goddelijke broeders en zusters mij, den alleen aan druiven -rijken Dionyzos, riepen ter hulpe! - -—... O Dionyzos, wees niet in bezieling te over-onstuimig, want niet -alleen roep ik, Zeus, je ter hulpe! Half broeder, en halfgod, hij als -jij, zal Herakles je ter zijde staan ... - -—Herakles, hij! - -—Dionyzos! riep Hermes. Hier dalen wij neêr. Tusschen Pallene en -tusschen Olympos, tusschen Giganten en Goden. En hier, Dionyzos, tref -je, halfbroeder en halfgod, hij als jij ... Herakles. - -—Strijd IK aan de zijde van Herakles? - -—Zoo wil het Zeus. - -—Opdat hij, de sterkste, heeft àlle eer? - -—Wat draal je toch, Dionyzos! Zie, de Olympos brandt! - -—Laat de Olympos branden! Ik wil niet strijden dan alleen! Strijd IK -aan de zijde van Herakles? - -—Wat weiger je, Dionyzos?! - -—Hij is sterk, mijn armen zijn niet gespierd! - -—Dionyzos, groot veldheer, zal je met armen als van een maagd, -verwinnen aan Herakles’ zijde! - -—Ik strijd alleen! - -—Dionyzos! - -Zoo donderde Zeus’ stem en onweêr barstte los. - -—Vader! kreet schel Dionyzos. Wat zal ik, trots al mijn bezieling, -strijden aan Herakles’ zijde! Hij ontneemt mij in den strijd alle eer! - -—Dionyzos!! Laat je als een stoute knaap, je vader je roepen ter hulpe -en te vergeefs?! Al je broeders, al je zusters, roepen ter hulpe en te -vergeefs? - -—Vader! - -—Dionyzos!! - -En de knapejeugdige god, Dionyzos, eindelijk, huiverde voor vaders -toorn. Maar hij was toornig ook, hij, als hij nooit was geweest: zijn -lippen klemden op een, zijn tanden knarsten, en zijn zacht lieflijk -gelaat veranderde in een grijns van kwaadheid, in een tronie van -razernij: de oogen puilden, breed den mond, de tanden spits-flikkerden, -als verscheurens gereed... Hermes was met hem nedergedaald en had hem, -een kind gelijk, gezet op zijn voeten beide. - -—Zie, zeide Hermes, verzoenend. Dionyzos, zie ... hier nadert, wie aan -je zijde zal strijden, Herakles! - -Onwillig wendde Dionyzos zich om en moest het hoofd in den nek zich -werpen om Herakles aan te zien. De zoon van Alkmene naderde, zwaar van -tred, glimlachende in zijn kroesbaard, en hij was zoo groot, dat hij -scheen te groeien, terwijl hij naderde. Een glimlachende goedigheid was -speelsch in zijn oogen, die ledefronsten en lachten tegelijkertijd -onder zijn bosschige brauwen en het voorhoofd laag en breed; des -Nemeïschen leeuwenkop, die zijn hoofd overhelmde, deed hem nòg reuziger -schijnen met die, boven hem, dooden blik uit den hollen monsterkop; met -manen, die wijd-uit waaiden en de reuzetanden, die in den muil nog -verschrikkelijk dreigende grijnsden; vale koningsmantel, viel het vel -langs Herakles’ vollen rug en over zijn breede spierheuvelende -schouders de borst breidde zich hoog-op en vierkant: een wal; staande -nu steunde hij de massa der beide vierkant vingerende vuisten op zijn -beroemde knots, en ook zijne zwaar heerlijke heldenarmen heuvelden, -maar harmonisch in ontwikkelde kracht van zwellende kabelspieren; -boomig stonden zijn beenen geplant op de breed zich uitbreidende -voeten, en hoewel hij roerloos maar glimlachte, scheen het Dionyzos -toe, dat een enkele beweging, zelfs uit goedige speelschheid, zoû, -onwillens, straks doen veranderen van lijn het rotsige landschap, of -murw de rotsen werden bij Herakles’ rotshardheid en kracht. Zoo, -tusschen Olympos en der Giganten landstreek, Pallene, rees daar -Herakles als een bescherming en sloeg breed zijn schaduw neêr. Achter -hem golfde en loeide, als eene schuimende blanke zee, de blanke kudde -der prachtige runderen, als Herakles’ Tiende Werk door hem ontroofd aan -den reus Geryon, die woonde aan het westelijke einde der wereld, en -Dionyzos, hoe boos ook, ontzette. Maar hij verborg die ontzetting -achter zijn boosheid, en toen Hermes, glanzende god, verzoenend, hem -Herakles wilde voeren te moet, herhaalde hij schel, trots zijn vreeze -voor Zeus: - -—Hermes, wat zal ik, trots al mijn bezieling strijden aan Herakles’ -zijde! - -De held Herakles lachte in bassigen lach uit, die der runderen geloei -overbulderde. En hij spotte goedmoedig, met den speelschen blik uit -zijn ledefronsende oogen: - -—Voorwaar, roept mij mijn vader Zeus om te strijden aan dezes knaaps -zijde! Moet ik mijn vuist ballen, waar hij zijn vuistje balt, en mijn -arm uitslingeren, waar hij meisjesblank uitslingert zijn ronden arm? -Waar is zijn kracht en waar is zijn wapen en wat vermag hij tegen de -Giganten: de eenigen, die na de Titanen, Olympos bestormen dorsten! Wil -vader Zeus lachen om een vertooning, of, zeg mij, Hermes, wat moet ik -met dezen knaap? - -Maar Hermes, verzoenend, zeide: - -—Herakles, heerlijkkrachtige broeder, ontstem niet onzen jeugdigen -broêr, den blijden god Dionyzos, door te minachten de macht van hèm, -die, in vreugde, de wereld verwint op lange, druive-omwingerden -zegetocht! Moedig is hij, als jijzelve! Verkoos hij niet liever alléen -de vreeswekkende Giganten te bestrijden, dan aan je zijde, beangst als -hij is, dat je hem rooft de eer der hem àlzekere overwinning? - -—En wat is blijden Dionyzos’ macht, waarmeê hij de wereld veroveren -wil? Ik hoorde nooit van hem en nooit van zijn zegetocht, en de door -hem veroverde wereld! Is dat dan een andere wereld, dan Nemea, waar IK -doodde den leeuw, wiens muil mij hoog overhelmt; dan Lerna, waar IK -neêrsloeg den veelkoppigen draak; dan Erymanthos, waar ik bemachtigde -levend het everzwijn, of Kerynia, waar ik Artemis’ goudgehoornde, -kopergehoefde hinde greep; dan Stymfalos, waar ik uitroeide de -ijzer-gevleugelde vogels, en Elis, waar ik rivieren van loop deed -veranderen om ze stroomen te doen door den Stal; dan Kreta, waar ik den -stier, en Thrakië, waar ik de paarden ving, Diomedes’ menschenetende -rossen; dan Skythië, waar ik der Amazonenvorstin haar gordel ontnam, en -het Verre Westen, van waar ik nu kom, na mij meester te hebben van -Geryons kudden gemaakt? Is dat alles de wereld dan niet, en verwin IK -de wereld dan niet met mijn wonderwerken, waarmeê ik mijn eigen roem -behaal, ook al gebood het Orakel mij die tot straf zelven voor mijn -moedermoord te verrichten ter eere Eurystheus’!? Schakelen die werken -dan niet MIJN zegetocht en wil deze knaap zich meten met mij? - -Zoo sprak stembulderend Herakles, zijn borst—als een wal—opzettend, -zijn schouders nog vierkanter schaduwend doende tegen Olympos aan, en -zijn armen zwollen van spieren als kabels, en zijn beenen boomden, -onwrikbaar ten pezige voeten geplant, maar de blijde god Dionyzos was -niet toornig meer, om zijn bulderenden halfbroeder, die daar voor hem -stond als een reuzeherder van een reuzekudde blanke runderen, en, aan -Hermes’ zijde, hij de kleinste en menschelijkste van hun broeders drie, -zeide hij met verzoenende stem nu zelve, bescheiden,—maar Hermes hoorde -hem spotten wel in die vroolijk gehuichelde bescheidenheid: - -—O, krachtige halfbroeder Herakles, zoû IK, zwakke god van wat ooft, -dat mijn saters mij druiven noemen, en waaruit wij persen een drank, -die wel aangenaam koelt het dorstig verhemelte, mij durven meten met -jou, mij durven vergelijken met jou! Ik trok nooit naar alle de -plaatsen, die je met volle recht snoevende, o Herakles, mij hebt -genoemd, en bij al de krachtwerken, die je verrichtte... wat is mijn -werk vergeleken: druivefestoenen heerlijk te slingeren van Ikaria tot -Orchomenos, en van Arkadia en Karië tot Korinthe toe, tot ik ze straks -met luchtig gebaar slingere de zee wellicht over, naar de allerverste -morgenlanden, en aan de oostelijke poorten misschien Eos mijn -druiveschaal biedt! Kinderwerk is het, Herakles, bij dat van jou: -mannetjes-mannewerk! Begrijpen doe ik ook niet, dat mijn vader Zeus mij -opdroeg te strijden aan je verschrikkelijke zijde, maar zijn wil is -mijn eenige wet, en daarom, o Hermes, verstandige broeder, verplicht -mij en daar ik ongewapend ben, pluk even, terwijl ik mijn broeder -Herakles’ zij niet verlaat, een agavebloeme-steel voor mij: kies die -uit krachtig en zwiepend: ander wapen heb ik van noode niet; spelen wil -ik er maar meê een beetje, in de schaduw van Herakles’ knots... -Verzoenen wil ik mij met Herakles vóor den strijd, en daarom, o -wingerd, o wonderwingerd, welig, schiet uit tusschen ons beiden; rank -luchtig om die verschrikkelijke knots, en, druiven, vlijt u in -Herakles’ vuist, opdat hij zich vóór den strijd lave en zich verzoene -met Dionyzos! - -Zoo antwoordde, guitig en niet meer verstoord, de blijde god Dionyzos, -en terwijl Hermes den agavebloeme-steel plukte, weligde om Herakles’ -knots, o wonder, de wingerd, en de verschrikkelijke held riep, -verbaasd: - -—Doet die knaap groeien uit den grond wat hij wil? Wat zijn dit voor -krullende ranken en zwellende trossen! Pluk ik er een, Dionyzos? Druk -ik dien zóó aan mijn lippen? Drink ik dit edele sap zoo? O, Dionyzos, -is dit je gave? Deze purperen heerlijkheid ... is dit je gave? Dit -nieuwe genot ... is dit je macht? O Dionyzos mijn lieflijke broeder, o -mijn heerlijke halfbroeder Dionyzos ... laat weligen, weligen nòg meer -de wingerd, laat nòg meer de trossen zwellen naar mijn hand en mijn -lippen toe, en terwijl mijn knots schijnt te groeien, staande in lof en -ooft ... kom aan mijn borst en kom op mijn hart, opdat ik je omhelze -met broederkus, voor genot zoo nieuw, voor laving, zoo allerweldadigst, -die wat ook voor vermoeidheid, zoo even, licht, mijn tred loom maakte -aan het hoofd dezer kudde, nu mij bezielt met wondere bezieling, of -mijn oog helderder ziet, mijn arm sterker zich spiert, en geheel mijn -ziel zich heft in goddelijker energieën! - -Toen, om Herakles’ plotse verrukking, schaterlachte de blijde god -Dionyzos, en hij stortte zich in zijn broeders machtige armen, en -duldde, dat hij hem tilde aan zijn hart en hem er bijna op -verpletterde, hem zoende hartelijk met kroesbaard-mond de lachend -purperen lippen. Maar een plots zware rommelslag daverde, het vuur viel -in bliksems uit Olympos, en Zeus, toornig, donderde: - -—Herakles en Dionyzos! Wat toeft gij zoo lang, en wat snoeft gij tegen -elkander op, de een bulderend met kracht, en de ander, spitsvondig met -ironie, wie van u beiden de wereld verwint en wiens wereldverwinning de -meeste beduidt voor uw eigen glorie en heerlijkheid! Niet anders dan -als oude wijven verliest ge in veelheid van woorden uw kostelijken -tijd, en acht gij niet, dat Olympos blaakt van fellen brand, door de -saamgesnoerde brandende eikestammen, die Porfyrion en Alkyoneus met -vereenigde krachten als fakkels slingeren naar onze paleizen toe. Te -hulpe, Dionyzos; te hulpe, Herakles! - -Verschrikt om des vaders toornige stem, staakten de halfgoden hunne -broederlijke omhelzing, en zagen zij uit naar den strijd, die tusschen -Pallene en Olympos op het verschrikkelijkst werd gestreden. Want -Efialtes, krachtigste aller Giganten, stapelde bergen op elkaâr, en -beklom die, naar Olympos toe, maar op de schitterende drempels der -godenpaleizen verscheen, in glans omhuld, Apolloon, en schoot met zijn -flitsende pijl uit zilverstralenden boog Efialtes het rechteroog uit; -Herakles, schoot te-gelijkertijd den Gigant het linkeroog uit, en -blind, tuimelde hij, terwijl zijn misstap bij misstap de bergstapeling -wankelen deed en zijn reuzelijf de neêrdonderende bergen begroeven. -Toen was het of de al versagende goden herademden in heerlijken moed; -want, reuzig in storm, rees Zeus van zijn zetel en trof met zijn -bliksem Porfyrion, die, reeds opgeklommen de bergstapeling, bereikt had -Olympos’ goudenen drempel en in onbetembaren lust de goddelijke Hera -aangreep. Maar bliksemgetroffen stortte Porfyrion in het ijle en viel -uit duizelende hoogte neêr op Pallene. Hij viel en viel steeds, en -intusschen bestreden de goddelijke strijdbare maagden, Athene en -Artemis, de draakbeenige reuzen Pallas en Gration; heerlijk van moed, -met juichende kreten, vielen de maagden hen beiden aan. Maar een -razernij, plots, bezielde den blijden god Dionyzos en rukkend uit -Hermes’ handen den zwiependen agavebloeme-steel, stortte hij zich in -den strijd en sloeg om zich rond, in een wijden cirkel van zwieping; de -anders zoo blauwe violenoogen puilden onder zijn blonde, fronsende -brauwen; zijn zacht knapegelaat vertrok tot een grijnzende tronie van -kwaadheid en hij sprong rond tusschen de verbaasde Giganten, en zwiepte -en zwiepte zijn steel. Dat gaf rondom hem heen een bescherming, wijden -toovercirkel, dien hij rondom zich duizelde, bezwijmelend vlug voor wie -er de oogen naar richtte, en op de Giganten, ontzet, schoten nu van -omhoog de pijlen en bliksems van Zeus en Apolloon, van omlaag de altijd -treffende pijlen van Herakles! En al dansende steeds in woede, -verovering, draaide om zichzelven rond, tolduizelsnel, de razende god -Dionyzos, in den van snelte vertrillerenden cirkel van zijn zwiependen -bloemsteel, tot hij plots ophield en niet horizontaal meer zijn -steelduizeling zwiepte maar ze zweepte in ellips, loodrecht, en -toestormde op Olympos’ belagers. Hij was dronken van enthouziasme, de -razende god Dionyzos; de gedachte aan Zeus bezielde hem en hij sloeg -met zijn agave-stengel, die zwiepte, den Gigant Eurytos op zijn -monstermuil; zoo snel sloeg hij en liet hagelen de slagen, dat Eurytos, -verblind, niet wist hoe zijn ijzeren knots te heffen ... Sneller en -sneller sloeg Dionyzos; het was hem of hij niet zelve sloeg, maar of -duizenden in hem sloegen; duizenden als hijzelve ... Sneller en sneller -hief zich, daalde, hief zich, daalde de stengel, tot eindelijk, -bezwijmd, de reus wankelde op zijn drakestaartvoeten en viel hard neêr -op zijn knots, terwijl steeds Dionyzos’ slagen hem troffen. Nu lag hij, -een weerloos slachtoffer, en liet zich slaan, en liet zich slaan. Hij -bewoog niet meer, hij was dood. En in Dionyzos’ zachte hand scheen tot -zwiepend ijzer te harden de steel, want nu cirkelde hij weêr zijn -duizeling snel, horizontaal om zich rond. De aarde verschoof en beefde, -ontzaglijk geweld weêrklonk: Poseidoon, in zeebevende woede, hief het -eiland Kos op beide armen en slingerde het over Polybotes, en Athene, -strijdbare maagd, rukte Pallas, dien zij hield onder de knie, zijn -onkwetsbare huid villende van het reuzelijf, en sloeg die zich met éen -kreet om den boezem, ter eigene àlzekere bescherming. En de pijlen van -Apolloon omhoog, en de pijlen van Herakles laag, flitsten sneller en -sneller, of zij beiden, Herakles en Apolloon, bezielden door Dionyzos’ -bezieling van snelheid, van duizelingwekkende snelheid ... Een schelle -kreet schalde als een bazuinroep uit de keel van den razenden god -Dionyzos en terwijl vluchtten, dringend, de pijldoorschoten Giganten -weg naar het verre Westen toe, achtervolgde hij ze met zijn zwiependen -steel. Nu staakten de goden den strijd, maar Dionyzos, schel -schreeuwende steeds, ijlde, ijlde, hen achterna, en geeselde hun de -vreeselijke ruggen ... Schaterde hij, met zijn grijnzende tronie van -razernij en geeselde, geeselde steeds... - -De avond viel, en in de duisterende hemelen smeulde als een wereldbrand -de roode rook nog der godenpaleizen, door Hermes zelve in wateren -gebluscht. Op den gesmolten drempel der goudene poorten lag, in slaap -van vermoeidheid, de blijde god Dionyzos, glimlachend als een kind: -zijn hoofd viel hem, zwaar van slaap, bevallig ter zijde; zijn adem, -lieflijk rythme, rees regelmatig de blanke borst op; in zijn blanke -vuist nog omklemde hij een geknakten agavebloeme-steel, maar van strijd -scheen hij niets te weten...: terwijl de ontzetting nog huiverde in der -overwinnende goden oogen, sliep hij als na een spel, glimlachte hij als -in een droom van druiven, en hij was zoo heerlijk, en zoo lieftallig, -dat alle goden glimlachten nu, hem naderende een voor een, neêrknielden -bij zijn sluimering, en hem kusten op het voorhoofd. En zelfs -vorstelijke Hera, die den zoon van Semele bij zijn geboorte had willen -vernietigen, naderde en knielde neêr, streelde even met haar -vorstinnehand zijn blanke rimpel- en zorglooze voorhoofd, en kuste hem -er op, en Afrodite, lichtend van schoonheid, die met glans alleen haar -omkleedde, fluisterde den slaper in: - -—Dionyzos, WAT gij mij ook vraagt ... sta ik toe in zalig geluk! - -De nacht donkerde en in de geduisterde hemelen rossigde alleen nog de -laatste walm der uit smook opklarende godenpaleizen. Toen nam Hermes -den slaper en onversaagden god Dionyzos, in beide zijne armen en, -hoedwiek en enkelvleugel bewegende, vloog hij naar de aarde, den boord -te-gemoet van de starren weêrstralende zee. Daar lagen, tot spoedige -reize gereed, de smalle triremen en wiegelden zacht op den sluimerzang -van Poseidoon. Vlak aan zee rees het pijnenbosch uit rotsigen grond -omhoog, en in de donkere schaduw sliepen de saters, menaden, Silenen, -de kleine jongens van Pan tusschen de tamme leeuwen en panthers der in -vreugde onverwinlijke thiazos. Geene waakte toen Hermes naderde, met, -in zwaren slaap, Dionyzos in zijn armen. Hij trad dalende neêr op den -grond en aan Ampelos’ zijde vlijde hij den god, op een sponde van -duizend viooltjes. Dat geurde in den nacht en trillerde als een lied -eentonig, en boven het eentonige lied trompetterde uit hare hoorntjes -kamperfoelie een gedempte fanfare: blijdschap, omdat Dionyzos terug was -gekomen. Er richtte zich even uit de armen van een faun, een nymf, en -zag met slapens-kleine oogen naar Hermes een oogenblik, sliep dadelijk -weêr in, moê van angst, als zij allen, om het ontzettend gedruisch -diens dags: Hermes verdween, en de nacht voltooide in weldadige stilte. -De golven ruischten sluimerwiegend; de kamperfoelie fanfaarde, nu -hooger, dan lager... Verder was de rust overal. - - - - - - - - - -X. - - -—God Dionyzos, onze god, god om wien wij ons scharen! Eere, god -Dionyzos, verwinnaar der vreeswekkende draken-Giganten! Jij versloeg ze -alleen, met je zwiependen agavebloeme-steel, dien je knakte op hun -krakende ruggen! God Dionyzos, onze god, god om wien wij ons scharen, -is machtiger dan jij Apolloon, onfeilbare vlammende schutter? Is -machtiger dan jij knotszwaaiende Herakles, zijn machtiger Athene en -Artemis, juichende strijdbare maagden ...? O, Dionyzos, machtiger -alleen dan jij is Zeus, is Zeus zelve, en nog troffen zijn bliksems -niet steeds de belagers van Olympos en van vorstelijke Hera ...! God, -om wien wij ons scharen, rijs op uit sluimering, voer ons over de zee -naar de verre morgenlanden, naar de oostelijke grenzen der wereld, naar -de goudene poorten, waaruit Eos treedt, en wingere langs onze reis de -lenige rank met ons mede tot zij de goudene oostelijke poorten -omkrinkelt en het bloed van haar trossen feller doet Eos blozen... O -god, om wien wij ons scharen, redder der goden, heilbrenger aan hoogen -Olympos, voer ons aan, en wij talmen niet meer! Reeds liggen gereed de -vaartuigen, en zijn wij ongeduldig de riemen te grijpen—Dionyzos, om -wien wij ons scharen...! - -Zoo wekte, in den al laten morgen, de blijde oproep der saters den -sluimerenden god Dionyzos, en fronsend ontwaakte hij en zag over hem -Ampelos buigen heen. - -—Lang was ik weg? - -—Een nacht, en éen dag, Dionyzos... - -—Ampelos... in den droom zag je mij? - -—In Hermes’ vlucht, in zijn armen... - -—Het ontzettend gerucht drong door tot hier? - -—Wij hoorden, ontzet, het gerucht van den krijg; wij zagen de bergen -gestapeld worden, wij zagen Olympos in brand... Wij klommen op heuvelen -rondom, wij aanzagen den strijd, en wij zagen in vervoering onzen god, -Dionyzos... Tolduizelsnel zwaaide hij om zichzelven rond, zwiepende den -agavebloeme-steel; toen hagelden zijn slagen neer op de vluchtende -Gigantenruggen... Dionyzos was hun overwinnaar! - -—Ik? - -—Dionyzos was hun overwinnaar, onversaagd tot het einde des strijds... - -—Toen? - -—Was moê Dionyzos en lachte en zeide hij tot Hermes, een kind gelijk: -ik wil slapen... - -—En... ik sliep? - -—Hermes voerde je op den drempel der nog in rosse smook walmende -godepaleizen en legde je slapende neêr... De goden bogen zich over je -en kusten je dankbaar het voorhoofd... - -—Zelfs de vorstelijke Hera? - -—Zelfs zij! - -—Ik herinner mij een droom... Voor mij verscheen, heerlijk glanzende, -stralende van onvergelijkelijke naaktheid, Afrodite, en zij zeide: -Dionyzos... wat je mij ook moge vragen... ik sta het je toe in zalig -geluk! Ampelos... zoû ik nog ooit Afrodite vragen een gunst, die zij in -zalig geluk mij toe zoû staan... - -—Dionyzos... de toekomst... - -—O, de toekomst, Ampelos, schijnt mij in trossen van druiven en dichte -wingerdlooveren omhuld en ik zie haar nooit door... Maar vreemd is mijn -ziel beroerd om àlles wat mij wacht in dat dichte toekomstprieel van -druiven... Lange zegeweg, omrankt met onze welige ranken... die zelfs -de blauwe zee schijnen te overslingeren, eilanden der archipel over, -tot aan de oostelijke poorten van Eos! Zongen zij niet zoo even, -Ampelos, van mijn zege? Maar zeg mij, zal ik altijd triomfeeren? -Ampelos, zal ik nooit worden verslagen? Loeren er mij niet vijanden, -die ik niet zie en niet weet? Zal ik het geluk en de vreugde... -altijd... kunnen sprenkelen? Langs zoo langen zegeweg...! O, Ampelos, -is het niet, als of juist mijn groote zege mij weifelen doet op eens... -of ik den eersten frisschen moed verloor... Ampelos, wat klinkt in mij -weemoed? Ik zàl niet altijd triomfeeren... Ik zal éenmaal verslagen -worden! O, Zeus, ik zal éenmaal verslagen worden! - -—Dionyzos...!! - -—Ik zal éenmaal verslagen worden... O, Ampelos, nu zoû ik weenen willen -in je armen... Nu plots voel ik mij zwak en ontmoedigd... Zie mij aan, -ik ben een kind... Ik heb armen als van een meisje... Ik voel mij een -ziel plots vol van weemoed... Dat is een neêrslachtigheid, mij o zoo -nieuw... Ampelos... hoor... wat roepen zij? - -—... God Dionyzos, onze god, god om wien wij ons scharen! Eere, god -Dionyzos, verwinnaar der vreeswekkende draken-Giganten! Jij versloeg ze -alléen, met je zwiependen agavebloeme-steel, dien je knakte op hun -krakende ruggen... Is machtiger dan jij Apolloon... onfeilbare -vlammende schutter... Is machtiger knotszwaaiende Herakles... Zijn -machtiger... - -—O, zij verheerlijken mij in hun morgen-gejuich, maar zij weten niet, -Ampelos, van den vreemden weemoed en weifeling... Ampelos... Ampelos... -moet ik... IK de wereld veroveren tot de oostelijke poorten...? O, nu -ik sta van mijn bed van viooltjes op ... nu wankel ik op mijn voeten... -Nu weet ik niet meer... Nu duizelt het plots om mij rond... Nu zwelt -mijn hart vòl van weemoed... En toch zie ik den weg... de reize over de -zee, het lachende eiland... het druiveprieel... zie ik de sterren... de -avond paarsen... zeilen aan den schemerenden zee-einder... blank, zie -ik blank een vrouw...! Een vrouw...! Ampelos... zoû zij mij beminnen? -Ampelos, nu weet ik niet meer!! O, de vreugde der eerste dagen! O, de -onversaagdheid van toen! O, de weemoed van nu! De weifeling en de -neêrslachtigheid... Ampelos, word ik laf... Word IK laf, ik Dionyzos... -Ampelos, sprenkel mij vreugde... Vul mij een volle schaal... Hier, pers -ze uit, o zwelg met mij dezen reuzetros... Tros, o zware tros, stroom -uit in mijn omhelzing! Zware tros, lig zwaar als een wellust op mijn -mond, waar nauwlijks mijn armen je beuren kunnen... O, nu wankel ik -onder je, tros! Ampelos, bied mij een vòlle schaal. Zwelgen wij beiden -tros en schaal, zwelgen wij samen, o vriend, o vriend, die mij den -eersten wijnstok boodt... o vriend, die hem plantte met mij... Is het -de dag der reize? O, neen, laat het nog niet de dag der reize zijn, -maar laat het een dag zijn van lóuter vreugde... Het gelooverte is zoo -dicht, dat het hier, daar en elders als nacht is, in de aromen der -duizend viooltjes, in den suikergeur der duizend accacia’s, en de -hoornfanfaretjes der kamperfoelies! Lieve gezellen van Dionyzos, komt -allen, komt allen hierheen! Feest nu blijde het uitgelaten festijn tot -afscheid van deze streken, die wij ons wonnen en waarover wij -heerschen. Silenen, waardige knikkebollers, danst rondom ons en -lacht-uit het leven! Blijde faunen, trapt regelmatig de maat, maar, o -saters, zwiert en zwelgt ònmatig, àl het purperen en blanke genot, dat -ik geef! - -En, de reize uitgesteld, de waggelende vaartuigen wiegelende op de aan- -en wegspoelende golven van komenden vloed, was een enkele wenk van den -blijden god Dionyzos voldoende, om de nymfen zich met versche trossen -de slapen te doen vertuiten, de menaden in de duisternis van het woud -te doen wegijlen met zwaaiende thyrs, en Dionyzos, in druiverazernij, -bood ze zelve de zwellende trossen, in de razende orgie, die begon... -Zelve voerde hij de lange rij aan, en sleepte hij, hand aan hand, de -lange ronde over de bosschige heuvelen; de reeën vluchtten over de -zonnige dalen voort, en verdwenen in de dan bijna zwarte schaduw, maar -de menaden achtervolgden de reeën in vurige jacht en het woud weêrklonk -van haar schriklijke kreten. Brullende naar alle zijden stoven de -panthers en leeuwen, en de dronken saters omringden de huizen der -stervelingen, de hutten der landbouwers, en sleepten die meê, willig, -onwillig. Wee, wie niet aanstonds Dionyzos gewonnen zich gaf; wreed -waren de saters, al wie hun verheerlijkten god weêrstond en zij sloegen -met thyrs en agavesteel oude en jonge mannen op ijlende vlucht, zoo dat -zij Dionyzos vloekten; maar zij sleepten meê matronen en maagden in het -diepste middagduister der wouden... Hijzelve, de god, vergeten zijn -weemoed, hem zoo nieuw en zoo vreemd en zoo angstig, slingerde aan zijn -hand, voorttrekkende, de dolle rij en de ronde, en opdat niet de -levende ketting verbroken zoû worden, had hij een lange wingerdboei om -allen heen laten kluisteren, zoo dat niet éen nymf, niet éen faun, niet -éen menade meer uit kon wijken... Wankelde zij, of viel hij, meê -moesten beiden... opstaan, zoo zij vermochten... anders gesleept over -de dalen en heuvelen, getrapt door de achter hen komenden, dan -eindelijk zich weêr heffende op, in den druivewingerd, voort! Omdat de -weligende druif meê met hen ijlde, rondom hunne leden zelve, éen -festoen met hen allen, zwelgden zij zonder staken, met éen hand -elkander vast houdende, met de andere plukkende den tros en dien -drukkende... Hunne kreten scandeerden schel en verscheurden de -middaglucht. Vogelen vlogen verschrikt alom... Hamadryaden dier -heuvelende bosschen en niet wetende nog van Dionyzos, werden gevangen -in éen oogwenk, omkluisterd in druiven en meêgesleept. Toen Dionyzos -ontmoette Ampelos, hij, de Faun aan het hoofd van een zelfde levend -festoen als het zijne, kreet hij juichend op, en de festoenen -slingerden zich in elkaâr, menaden, faunen en saters, en er tusschen de -Panszonen, en er tusschen vooral de reuzige druiven. Nu rukten uit -elkaâr zich de levende festoenen, en iedere ontmoeting was onverwachts. -Op het wildst, in het midden diens zonnigen dags, slingerden de -verbroken levende schakels zich hier en daar en naar alle zijden en -verdwenen, in razende dronkenschap van druivebedwelming en liefde... -Toen de schemering viel, zwierven op de hoogere heuvels, tegen den -glans der zon ondergaand, waarin verwaasden de verdere violette bergen, -de razendsten, niet meer aan de hand zich houdend, alleen, op -zwierenden pas, het beestevel verliezende of verloren, struikelend in -de eigen boeien van ranken, de oogen puilende in vervoering, niets meer -wetende dan de eigen razernij en de razernij Dionyzos’! Den mond -schuimende, riepen zij zijn naam, riepen zij zijn vele namen. Zij zagen -de zon, die zonk aan den einder der zee, zwelgen in het stroomend bloed -van Dionyzos’ druiven. Zij zagen den hemel gekleurd van dat bloed en -dien wellust; zij zagen de zee er van golven, van wellust en van -druivenbloed beide. Zij liepen de heuvelen af en stortten zich in de -zee. Zij verdronken of klampten zich vast aan de waggelende schepen, -wiegelend. - -In den nacht, om het reuzige mengvat Hefaistos’, zwierden de rijen -heuvel op, heuvel af. Anderen waren heel ver weg gedwaald, tot op de -sneeuwruggen der hoogste bergen. Geene druiven meer, vielen zij in de -sneeuw, bezwijmeld. In den morgen schrikten zij op van het geschal der -lange fluiten der faunen. Aan den boord van de zee verzamelde zich het -leger der vreugde. Dionyzos’ vaartuig reeds stak in zee, de masten -blijde omwingerd. Honderde vaartuigen omstuwden het zijne al. Brullend -de panthers en leeuwen, brieschend de tijgerkatten, werden onwillig zij -ingescheept door de faunen en zonen van Pan. Elk vaartuig, dat stak in -zee, omwingerde zijn masten op Dionyzos’ bevel. Over de zee dansten -blijmoedig de roeierende triremen weg, regelmatig het ruischende rythme -der spanen lang en slank, en zij schenen zwemmende monsters met -looverenden rug en met pooten zeer vele. - -Dionyzos stond lachend, zijn arm om den mast geslagen. Zwaar zwollen de -trossen langs voor- en langs achtersteven, en festoenden zijn vaartuig -langs. Hij lachte, maar weemoed troebelde vocht in zijn violenoogen. Nu -verliet hij àl zijn overwonnen landen, en trok hij het morgenland -te-gemoet. Waarom, dan in zijn ziel, gevoelde hij twijfel en weifeling? -Hij lachte, turende naar de bosschige boorden, de heuvelige landen, die -zich trokken van hem terug... Hij lachte: Poseidoon was hem gunstig -geneigd, en Aiolos, op Zeus’ bevel, blies de weinige wolken weg... -Voorspoedig zoû de zeereize zijn der duizend triremen Dionyzos’! De -tritonen doken juichende op en bereden hun dolfijnen, die spoten, en de -okeaniden, om Dionyzos’ vaartuig, dansten de blanke ronde. De god zelve -wierp haar druiven toe, en zij omrankten zich met het nieuwe genot. -Overal uit de golven doken de kinderen van Poseidoon op, en de wijde -zee was blijde bevolkt om Dionyzos’ overwinnende reize, die zwierde met -éen geslingerd druivefestoen, de zee, de verre zee over. Zang en -schulpgeschal klonk overal over de blauwgroenig bewegelijke vlakte, -maar even geschuimd met regenbogenenden kam. - -Later, voor de brandende hitte op het water, weligden voller tot -reuzeprieelen de wingerden van voorsteven naar hoogeren mast tot -achtersteven toe, en voorspoedige wind blies bol het blanke -vleugelgelijke zeil, flappende. Lustig lagen de nymfen en menaden en -zongen en sloegen de cymbels, nu rustig èn panther èn leeuw sluimerden -aan hare voeten, en de saters, gelijkmatig, roeiden de riemen vroolijk. -In het aanblakeren van het midden des dags, ontvolkte de zee en de wind -vlijde zich en vele bokspootige roeiers lieten de spanen los, en grepen -boven zich de volle trossen. - -Maar over de leêgere zee aangaloppeerend op zeepaard, tweebeenig, het -achterlijf vereindigend in visschige staart, waarmede het stuurde zijn -met steigerenden voorhoef trappelende vaart, zag Dionyzos, -sluieromwuifd, de zilvervoetige Thetis... - -—Dochter van Nereus! riep hij. O blijdschap des oceaans en lach van de -zee, zeg mij, gij, heerscheres der zilte bewegelijke wateren, waarover -ik wiegel in wellust van reize mij nieuw, zeg mij welk oord zal ik -kiezen ter noodige middagruste. Richt ik naar het Oosten mijn koers, -tref ik dan niet op mijn weg nieuwe eilanden lieflijk, die liggen als -bosschige en als bloemige bedden her en der, ons lokkend tot rust? - -—O, blijde god van de vreugde! antwoordde hem zilvervoetige Thetis; -laat over aan den zwakkeren wind waar hij henen drijft je omwingerde -schepen, want lieflijke zijn àlle mijn eilanden, en voorkeur kan ik -niet noemen... - -En blijde Dionyzos te hebben gezien, dreef zij haar zeepaard te duiken -terug, naar de koralen paleizen. - -—Dàn laat sleepen in het water de riemen, o saters, en drijven in den -steeds zwakkeren wind onze vaartuigen, waarheen zij mogen... - -Loom lieten de saters de spanen los, en zij dronken de druif, en -sluimerden van middagweelde, en Dionyzos, vertrouwende ook, sluimerde -in. - -Maar Zeus, de reize beschouwende van zijn lievelingszoon Dionyzos, riep -tot den windgod Zefyros: - -—Zuidwestelijke wind, lieflijke zwever, blaas-op je lachende wangen en -luw met je adem nu langzaam, zoo dat het hem nauwelijks store den -slaap, langs de druive-omwingerde schepen van mijn blijden zoon -Dionyzos; blaas-op de wangen en blaas-uit nauw merkbare stuwkracht, zoo -dat de druivetriremen drijven zacht weg in de richting van het -groenende eiland, dat ginds aan de kim laurier- en oleanderbosschage -geurig doet wemelen met éen lange streep van lokkende schaduw... -Zuidwestelijke wind, lieflijke zwever, stuw,—maar Dionyzos onmerkbaar -latend het noodlot, dat ik voltrek—de reize mijns zoons naar Naxos, -opdat de omwingerde schepen troost brengen aan wie de zwartzeilige -schepen achter zullen laten in namelooze smart... - -En aanstonds, gehoorzaam, ontwaakte Zefyros, wijd-uit gevleugeld en -dreef op zijn nog loomende vlucht heen naar de zee, waar wèg dobberden -Dionyzos’ druivetriremen, en hij blies, de bolwangige windgod, zacht -luwende zoele bries: hij verzamelde met zijn adem, blazende hier en -blazende daar, de vaartuigen, wiegelende weg van elkaâr; en zóo zacht, -dat hij noch stoorde Dionyzos’ slaap, noch die der roeiensmoede saters, -stuurde hij de omwingerde vaartuigen in de richting van het groenende -eiland... - - - - - - - - - -XI. - - -—Zusters, o Nereïden, ringt u rond, witte reie rondom het Eiland, dat -drijft, oleander-, laurierbosschage op de nauwelijks schuimig gekamde -zee. Thetis ben ik, die u roept! - -—Thetis, roept gij mij op uit de golven? Zeg mij, waarom klonk tot de -diepte uw stem mij toe, wekkende mij uit watergewiegelde rust? Ik ben -het zelve, Wiegeling-der-Zee, die u vraagt... - -—Zusters, o Nereïden, àl reikt mij de hand Wiegeling-der-Zee: duikt op -uit de al schemerig getinte wateren! Thetis ben ik, die u roept... - -—Wiegeling-der-Zee, ik, en Thetis, zijn wij het beiden, die roepen: -duikt op! - -—Thetis en Wiegeling-der-Zee, roept ge mij op uit de golven? Zeg mij, -waarom klonk tot de verre verte uw stem mij toe, mij, Blauwte-der-Zee, -die nu aanzwemt...? - -—Zusters, o Nereïden, Wiegeling-der-Zee en Blauwte-der-Zee en Thetis -reiken elkaâr al de handen...: duikt op, en zwemt aan van verre en -ringt u rond, witte reie, rondom het Eiland... - -—Thetis en Wiegeling-der-Zee, en Blauwte-der-Zee, wat roept gij mij aan -te snellen, mij, Heffende-Golfslag-bij-rijzenden-vloed... - -—Zusters, o Nereïden, al reiken de hand wij elkaâr, Wiegeling-der-Zee, -en Blauwte-der-Zee en krachtig Heffende-Golfslag-bij-rijzenden-vloed en -Thetis... Andere zusters, duikt op, en reit om het Eiland de ronde! - -—O, Golfslag-bij-rijzenden-vloed, o Blauwte-der-Zee, Wiegeling-der-Zee, -o Thetis, wat roept gij mij toch, mij loome, deinende -Ebbe-der-mattere-wateren... - -—Kom vlugger, o loome Ebbe-der-mattere-wateren... - -—Hier bied ik u mijn handen twee... - -—Zusters, o Nereïden, hoort! Ik, Loome-Ebbe-der-mattere-wateren, ik, -Heffende-Golfslag-bij-rijzenden-vloed, ik Blauwte-der-Zee, ik, -Wiegeling-der-Zee, ik Thetis... wij roepen u op, ringt nu rondom het -Eiland de ronde wit... - -—O, Nereïden, o, Zusters, wat roept gij ons allen nu op...? Wij duiken -op en zwemmen aan, wij allen op uw aller roep...: ik, -Rozige-Kus-van-Eos; ik, Gouden-geschubde-van-Helios; ik, -Selene-zilvergetinte; ik, Stormende-Booze; ik, Vereffenende; ik, -Wachtster-aan-de-Oostelijke—; ik Wachtster-aan-de-Westelijke Poort... - -—O, Nereïden, o Zusters, ik zilverblanke Amfitrite, gemalin Poseidoons, -Nereïde als gij allen, vorstelijke dochter van Nereus, wat roept gij -mij op, in uw dansende reie? - -—Zilverblanke vorstinne der wateren, ik, Thetis ben het, die u roept... - -—Ook ik, Wiegeling-der-Zee! - -—En wij allen, Heffende-Golfslag... en Deinende-Ebbe... -Rozige-Kus-van-Eos... Helios-schubbe... en Manezilveren... Stormende -Booze, Effenende... wij beiden: Portiersters-der-Kimmen... - -—Kom in ons midden, zilverblanke gemalin Poseidoons... spring af van uw -zeepaard... - -—Hier ben ik en dans gaarne met u in den komenden nacht de heel witte -reie... - -—Thetis, roepen wij de tritonen niet hier, opdat zij de -geluidruischende schulpen blazen? - -—Zusters, neen, roepen wij de tritonen niet hier; te schel zijn de -geluidruischende schulpen, want op het Eiland rust Eéne, die slaapt, en -niet mogen wij het zijn, die haar wekken uit nog onwetenden sluimer... -Laat ons elkaâr ook met halve stemmen toeroepen, nu wij de groote reie -uitslingeren rondom het Eiland. - -—Wiegeling-der-Zee, ik, laat ik ze nauwelijks wiegelen. - -—Blauwte-der-Zee, demp ik mijn azuur. - -—Golfslag ik, leg ik mij glad, en mijn groene haren drijven wijd-uit... - -—Ik, Ebbe, lig in uw armen, o Golfslag... en mijne groene haren mengen -zich met de uwen... - -—Zusters, o Nereïden... nu schakelen wij ons om het Eiland... Hand aan -hand, hand aan hand, rijzende tot de knie uit het water op... Zie, ik, -Thetis, heb zilveren voeten... Zie, als ik dans, glanzen zij... - -—Ik ben rozig van Eos nog. - -—Ik, Helios-schubbe, om niet fèl te schitteren, zal verbleeken mijn -gouden gloed doen. - -—Ik, zeg Thetis, Selene-zilvergetinte, màg wel opglanzen... -langzamerhand? - -—Gij, stormende Booze, danst te woest... Portiersters, zijn de poorten -gesloten? - -—Ja, o vorstelijke Amfitrite... wij sloten de oostelijke en westelijke -poort van de zeekim en verborgen de sleutels... - -—Nu leid ik, Thetis, de ronde... Hooger de armen, en lager! Luchtige -zwiering, blankende reie rondom het Eiland: hooger de armen en lager! -Den zilveren voet uit het water en verder met dansenden tred! Hooger de -armen en lager! Mistige sluiers, wemelt en nevelt rondom ons heen, voor -zoo ver bijna ingesluimerde Zefyros je nog speelsch weet omhoog te -blazen. Hooger de armen en lager! Rondom het Eiland, langzaam. - -—Thetis, wie is het, die sluimert den zee- en luchtglorieënden nacht -in, tusschen de zwaar geurende oleanders? - -—Hooger de armen en lager... Haar, die er sluimert, verliet de -trouwelooze schipper der zwarte zeilen... Stil, stoor haar rust niet... -Morgen, helaas, zal zij weten. Hooger de armen en lager... - -—De schipper der zwarte zeilen, die ginds schaduwen als donkere wolken? - -—De schipper dier zwarte zeilen daarginds. Hooger de armen en lager! -Laat haar niet weten vóór dat zij moet. - -—Is smart aan de slaapster voorbereid? - -—Hooger de armen en lager! Zeker, zal smart haar treffen. - -—En troost zal haar sprenkelen wie? - -—Zuster, dwing MIJ niet het Noodlot te weten. Schuilt het in mijn -mistigen sluier soms...? Ik weet niet het Noodlot der slaapster: ik -dàns alleen: hooger de armen en lager... - -—Thetis, mogen de slaapster wij zien? - -—Staken wij dàn even den dans. Vorstelijke Amfitrite, wilt ge de -slaapster zien? Nader dan zacht... Nereïden, o Zusters, stapt -geruischloos de wateren uit... Hier, glijden wij langs de laurieren... -Zoo, omringen wij haar zode-sponde... Zij slaapt! - -—Thetis... - -—Demp nog meer uw stem... - -—Thetis... is zij Afrodite... - -—Neen...! - -—Ja, Thetis, zij is Afrodite... die sluimerde-in te Naxos... en wat -geeft zij om schippers van zwarte zeilen? - -—Neen, zuster, zij is niet Afrodite. - -—Zij is Afrodite, zij is Afrodite... Amfitrite, is zij niet Afrodite? - -—Neen zuster, zij is niet Afrodite. - -—Wie is zij...? - -—Wie is zij dan? - -—Wie is zij dan, zoo blank? Zie, hoe schoon zij er ligt, de sluimerende -vrouw... In zilveren lijnen teekent zich haar blanke lijf... - -—Op het donkerende groen van de zode... - -—Hare naaktheid is éen zilveren glans! - -—Haar glimlach is éen glorie! - -—Zij droomt van den schipper, dien zij bemint... - -—Van den schipper der zwarte zeilen? - -—Zij glimlacht van liefde gelukkig! - -—Maar weet niet de smart, die haar wacht! - -—O, Eros, hoe zal zij ontwaken! - -—Zuster stil, dempt uwe stemmen... Hare naaktheid is éen zilveren -glans. - -—Hare glimlach is éen glorie! - -—Hare haren in maneschijn zijn als goudene schijn... - -—Zij ligt zilver in hare goudene haren! - -—Hare armen buigen zwanehalsslank om haar hoofd! - -—Haar lijf is een urne van zaligheid! - -—Wiegelen hare borsten niet als blanke golven! - -—Is haar schoot niet een weeldegeheim? - -—Hare beenen strengelen weg, zich verslankend... - -—Naar twee voeten, lelies gestrengeld in éen. - -—Zoo hare oogscheelen zij opsloeg? - -—Sterren zouden plots flonkeren onder donkeren boog. - -—Maar haar lippen zijn een koràlen boog! - -—Is zij dan niet Afrodite? - -—Ja, zuster, zij is Afrodite! - -—Neen, zuster, zij is het niet. - -—Vorstelijke Amfitrite... is nòg schooner de goudene Afrodite? - -—Ja zuster, die is nòg schooner... - -—Toch is de slaapster zóo schoon! - -—Wentelt de nacht al om? - -—Hare naaktheid is éen zilveren glans! - -—Hare glimlach is éen glorie! - -—Zusters, ik, Thetis, leid u terug... -Portierster-der-Oostelijke-Kimpoort, hoort gij niet Eos al roepen? - -—Ik ga, zuster... - -—Glijden wij zacht langs de laurieren... Dempt nog uw tred en uw stem. -Het IS niet aan ons haar te wekken. Noodlot zelve wekke haar dra... - -—Helaas...! - -—Ver van haar zal zijn die schipper der zwarte zeilen! - -—Helaas...! - -—Blauwte-der-Zee ik... Wiegeling-der-Zee ik, Thetis... zwem ik... duik -ik terug. - -—Zusters vaarwel; vorstelijke Amfitrite, vaarwel... De oostelijke -kimpoort is al geopend. - -—Dáar is roosvingerige Eos! - -—Verijlen onze mistige sluiers...! - -—Zichtbaar zijn nog de zeilen... - -—Zusters, vaarwel! - -—Helaas, de heerlijke slaapster! - -—Is zij dan NIET Afrodite? - -—Neen zuster, dàt is zij niet! - -—Helaas! - -—Daar is Eos... - -—Helaas... De heerlijke Slaapster!! - - - - - - - - - -XII. - - -Nauwelijks waren langs de laurieren en geurende oleanders weggegleden -de nieuwsgierige Nereïden, of Ariadne sloeg de oogen op. De eerste -glanzingen van den nieuwen morgen parelden aan den oostelijken hemel en -de ontslotene poort schitterde van breede kieren goud. De dauw over -bladeren en bloemen baadde in kristallige frischte Naxos en geheel het -eiland ontwaakte: boomen en struiken ontwaakten, vogelen ontwaakten en -Ariadne ontwaakte. Eene der Nereïden, die haar vochtigen sluier -vergeten had aan het strand, trok ongemerkt, met alleen hand en arm uit -het water, dien tot zich terug in de diepte... Ariadne bemerkte het -niet. Zij had de oogen opengeslagen maar zich verder nog niet bewogen, -en zij lag roerloos, zilverglanzende wit, de beide armen zwanehalsslank -om het hoofd, in den oplichtenden glans der haren. Haar glimlach was -één glorie, maar gloriën waren ook hare nu opengeslagen oogen. Zij -waren als lichtende chrysoprazen, groen van de kleur eener zee, -waaronder diepgouden zand zich zoû strekken: door den lichtenden glans -korrelde diepte van heel fijn zand, goud. Het gaf aan haar blik een -weemoed en verlangen, een mysterie en een droom. Nu glimlachte zij, -maar hare oogen weemoedigden en verlangden en uit hen droomde het -mysterie, hoog weg naar de hooge hemelen, die boven haar rozigden van -morgenlucht tusschen het prieel van laurier, oleander. - -Heel langzaam hief een arm zij hooger, loom, en liet dien vallen langs -hare welvende heup, de hand schaduwende over hare vrouwelijkheid, als -was zij verlegen voor de komende zon. Maar verder bleef roerloos zij op -hare mollige zode-sponde liggen, liggen als een vrouw van liefde. In de -herinnering der liefde donkerden hare chrysopraze-oogen onder kwijnend -neêrvallende krulling der pinkers en hare glimlach stierf weg in -smachting langs iets van smartelijkheid om haar mond. - -Zij droomde, zij droomde na... Het bleef om haar heen stil, geluidloos, -nauwelijks wat wind in twijgen, of vogelgetjilp tusschen bloemen. Twee -kapellen fladderden langs haar om en hare droomerige oogen volgden ze, -lachende weêr. Nu echter hoorde zij de stilte en ze verbaasde haar -lichtjes, omdat de stilte wel scheen volkomen. Zij riep: - -—Thezeus! - -Geene stem antwoordde haar, alleen tjilpten de vogelen hooger. Nu -richtte zij even zich op, en de zilveren lijnen, die hare naaktheid -trokken, verbroken geheel na haar eerste ontwaken: hare welvende heup -parelmoêrde in het vochtige morgenlicht, en daar zij het hoofd hief, -blondde er schaduw over haar boezem en schoot, maar hare voeten -schitterden op. - -—Thezeus?? riep zij nog eens en haar roep vraagde. - -Geen stem antwoordde haar, alleen tjilpten scheller de vogelen. - -Toen wendde zij een weinig zich om en strekte zich op het andere been. -Zij glimlachte zacht en murmelde: - -—Hij antwoordt mij niet...! Vroeg is hij zeker ontwaakt vóór nog de -violette nacht verwelkte en verliet hij heel zacht mijn zijde, zich los -windende uit mijn verliefden arm. Hij rees op, uitgerust, en hij heeft -even naar mijn sluimeren getuurd, en toen is hij gegaan, zacht dempende -den tred van zijn heldenvoet door het lagere hout naar het strand toe, -en hij heeft er in de nog nachtelijke koelte gebaad zijn heerlijke -leden! Het water heeft hem omhelsd overal en overal, zoo als ik hem -zelve omhelsde en naijverig zoû ik van de zee zijn, zoo ik niet wist, -dat MIJ Thezeus eindelijk minde. Thezeus...!? Hij antwoordt mij niet... -Denkende mij nog in sluimering, rust hij uit in het zand en ziet hij -uit naar de rijzende zon. Dit is de nieuwe dag! Dit is de nieuwe -morgen! Straks hergaan wij aan boord en zullen de zwarte zeilen zwellen -en zal richten de vloot van mijn held koers naar het schitterend -Athene! Dit is de nieuwe dag! Dit is de nieuwe morgen! O, niet vergeten -zal ik Thezeus, mijn held, te herinneren, zoodra in zee, wisselen te -doen de somber zwarte zeilen, onder wier schaduw ik zelfs huiverde in -de armen van hem, dien ik liefheb—voor de heldere blanke zeilen, die -aan zijn vader Aigeus, ginds, spiedende uit naar den zoon, zullen -kondigen de blijde komst van den held, van Athene’s held, van mijn -held! Held, mijn held, liefde van mijn lippen en van mijn armen, lust -van mijn lust en wellust, o, van mijn wellust, ik strek mijn armen naar -je uit... Thezeus...? Hij antwoordt niet... Hij dwaalt gewis met de -dappere gezellen langs de boorden van Naxos, zoekend de veilige -richting vóor de vaart over de altijd vreesverwekkende zee! O, de -sombere zwarte zeilen! Hoe ik, durende de vaart, voelde zwart -voorgevoel zinken neêr op mijn ziel langs hun sombere flappering af! -Vleugels van onheilvogels! O, zwarte zeilen, weldra verwisselt u -Thezeus voor blijde heldere en blanke zeilen! Waar of hij toeven mag -met de gezellen... Stil rondom mij heen parelt de morgen! Hoe stil! Hoe -eenzaam voel ik mij hier in dit oleander- en laurierprieel, dat de -vogelen alleen bezielen. Hoe stil! Thezeus...!? Hij antwoordt mij niet! -Laat ik, nu hij nog afwezig is, mij baden in de spoelende zee... Eiland -van heerlijkheid! O, nacht van geluk, dat mij doorvloeide in je -schaduw, o laurieren! O, blijde mossige sponde, waar ik gloeide onder -zijn liefde! - -Zij stond op en hare beweging was een glanzen van blanke en van -zilveren lijnen, en langzaam liep, langs de heesters hoog, zij naar de -zee, die al blauw zich strekte. En zij rekte naar de zee haar armen. - -—O, Zee, waarover mij voer in zijn schip de held weg van mijn land, o -Zee! O, zalige zee, die wiegelde mijn eerste geluk, hoe zegent mijn -dankbaarheid je, zee! Poseidoon, hater van mijn geslacht, o heb dank, -dat geen stormen bliezen in de al zoo sombere zwarte zeilen! Eerste -angst van de vlucht, o angst op de altijd vreesverwekkende zee, in de -armen van mijn held! O, mijn maagdelijke angst! O, angsten... -herinneringen, hoe ver zijt ge al terug geweken uit Ariadne’s leven! O -angsten... herinneringen, hoe komt gij plots zoo terug? Is het omdat -eenzaam dit morgenuur is, en mijn held toeft, ik weet niet waar? Hij -kwam, hij kwam somber en heerlijk, hij kwam als een sombere en -heerlijke god; zijn zwarte zeilen zwollen aan van de verte, en een -razende stormwind bolde hen vol, en flapperde en... hij kwam: hij -landde als een overwinnaar en niet als een offerling, maar hij landde -somber en fronsend en heerlijk toch, in de rouwschaduw van zijn zeilen. -Hij landde: zij waren zeven, sombere jongelingen, en tusschen hen -gingen weenend zeven teedere maagden, zij allen offerlingen aan mijn -vreeselijken halfbroêr! Kreta, Kreta, hoe heb ik van mijn teêrste jeugd -af hooren vreesverwekkend brullen over u uit, domp uit ondoordringbaar -geheim van Daedalos’ Labyrinth, het Geloei, het vreesverwekkend Geloei! -O, herinneringen, o herinneringen, wat bestormt gij mij zoo vreemd in -dezen pareligen morgen!? Geloei, vreesverwekkend Geloei, ik heb het -àltijd gehoord! Nòg huivert het in mijn ooren! Ik groeide, kind, onder -den donder van het Geloei! Ik bloeide, maagd, in de verschrikking van -het Geloei! Somber beheerschte het Kreta, als de stem van het Noodlot -zelve! Pazifaë, ongelukkige moeder, wat verdwaalden uw geest, uw zinnen -tot ontzettende liefdebegeerte! Afrodite, waarom àltijd die wraakzucht -over mijn ongelukkig geslacht!? Over mijn ongelukkige moeder...? Wreede -schakeling der Noodlottigheden! Minos, mijn vorstelijke vader, gij badt -Poseidoon om een wonder, ten einde uw koningsrecht te bewijzen... de -heerlijke Stier rees op uit de golven, blank in zijn mannelijke pracht -van goddelijk Beest, schoon als een wilde verrukking razende, rennende -over Kreta met de ongebreideldheid van een edelen held. O Minos, mijn -vorstelijke vader, zóo heerlijk scheen u de Stier, dat ge hem NIET -offerde aan Poseidoon, maar hem liet weligen onder uwe runderen, opdat -hij de vorstelijke kudde veredelen zoû! Toorn van Poseidoon, en o -eeuwigen wraakzucht der Onverzoenlijke! Afrodite, zult ge nooit het -geslacht van Helios dan vergeven? Zult ge nooit vergeven aan het -geslacht van den Vèrziener, dat hij u zag in Ares’ armen, en het -verried aan den kreupelen gemaal, die u beiden, slapend in liefde, ving -ik zijn kunstig net? Afrodite, heb ook IK van u te vreezen? Rilling -loopt mij de leden over, nu ik vrees voor u, Onverzoenlijke! Waarom al -die angst, al deze herinnering op dezen pareligen morgen? Thezeus...?! -Waar is hij? Waar toeft hij...? O, hij kwam als een held, hij landde -als een held, en hij was een offerling als zij allen... Ik zag hem! -Afrodite, gij bezielt ons allen! Gij bezielde mijn ongelukkige moeder -vreeslijk!! Zij zag den Stier, als ik Thezeus zag! Zij... zij... -beminde den Stier! O, zij beminde het goddelijke Beest! Zij rekte, -verliefd, naar hem de armen uit, maar hij zag haar niet, en dartelde -tusschen de runderen! O, haar ijverzucht op die vorstelijke kudde! Zij -zag den Stier als ik Thezeus zag! Zij beminde den Stier...! Het gelukte -haar, zich hem om den breeden hals te werpen en hij rende razende met -haar voort: zij hing aan zijn hals! Haar heete zoenen brandden op zijn -muil! Zijn dolle oogen van goud bliksemden, want hij begreep niet en -wierp haar van zich...! O, mijn ongelukkige moeder! O, Onverzoenlijke, -Onverzoenlijke! Gewond lag zij neêr in de weide, bloedend sleepte zij -zich naar het paleis. Hare maagden wieschen haar, en zij steunde, meer -van verlangen dan van pijn... Zij zag den Stier, als ik Thezeus zag! -Zij beminde, beminde den Stier! Zij liep rond het paleis, -handenwringende, zij dwaalde in den nacht, klagende. Zij juichte, zij -snikte, en zij liep, en zij dwaalde, zij wist niet wat, waarheen, en -waarom... Daedalos kwam haar te hulp! Daedalos herschiep haar in de -Koe! O, het wonderwerk van menschenhand, vrouwelijk edel de koevorm als -mannelijk goddelijk de Stier blank zelve was: Daedalos herschiep haar -in de prachtige Koe! Zij loeide verliefd den Stier tegen! Goden, de -Stier begreep! Afrodite, hij beminde haar! Onverzoenlijke, zijt gij -nooit verzoend! O, zal uw wraak mij eenmaal óok treffen!? Hoe heb ik -gehuiverd in de schaduw der sombere zeilen! Helaas, mijn ongelukkige -moeder! Al mijn herinneren, dezen blijden morgen, smartelijkt om U -rond! Waarom?! Thezeus...!! Waar toeft hij...! Hij kwam, hij landde als -een overwinnaar... en toch, toen hij over Kreta hoorde dof donderen het -onderlabyrinthsche Geloei, vreeswekkend... toen verbleekte hij! Ik zag -hem verbleeken! O, ik zag hem! Ik had hem lief! Mijn hart klopte -onstuimig! Maagd, bloosde ik, en verlangde ik! Afrodite, ik voelde u -over mij, in mij: het was of gij mij toefluisterde: werp u aan zijn -hals, als Pazifaë zich wierp om den blank plooienden stierennek! -Onverzoenlijke, Ariadne beheerschte zich... maar zij vluchtte van daar! -Het Geloei donderde... de Noodlotsstem van mijn halfbroeder, het -Monster! Hij wachtte in het Labyrinth, dat Daedalos hem gebouwd had. -Het Monster! O, mijn ongelukkige moeder: het Monster, haar vreeslijke -zoon! De zoon van den Stier!! Het Monster! In zijn geloei ben ik -gegroeid en gebloeid! Het Monster! Eéns heb ik hem gezien: smartelijke -nieuwsgierigheid drong mij en ik volgde het smalle vaartuig, dat de -veertien offerlingen,—Athene’s schatting—bracht tot den Minotauros. Hij -loeide! Hij hoorde de riemen klapperen in de zwarte wateren. Mijn -voedster en ik volgden in kleine boot... Nieuwsgierigheid dreef mij... -Het Monster! O, verschrikking, o afschuw, o afschuw! Op het smalle -vaartuig, bloemenomkranst, stonden bleek de zeven jongelingen, -bloemenomkranst... Zij bewogen niet, maar stil in zich beweenden zij -hun jonge leven. Maar de maagden, de zeven maagden! Zij weenden, zij -snikten... o zij stierven alreê van afschuw... Het Monster! Eene lag er -half over boord, in zwijm, als een bloem geknakt... het hoofd -voorover... Heure haren sleepten... de bloemen vielen er uit... De -roeiers beiden, bleek, bewogen de spanen traag. Maar het Monster... het -Monster loeide... Ik was bang, ik wilde terug... en toch, toch wilde ik -hèm zien! En ik zàg hem: hij wachtte af!! O Monster, o Monster, o -afschuw...! Broêr, halfbroêr, zoon van den Stier, zoon van Pazifaë, -kleinzoon, kleinzoon van Helios!!! Afrodite, o Onverzoenlijke! Ik zag -hem: hij lag half, zijn harige manneleden waren een afschuw van -monsterlijkheid: manneleden waren zij dierlijk: een dierlijke borst -breed, harig; dierlijke dijen, dierlijke beenen, en voeten dierlijk, en -hij lag half en zat half, en zijn stieregezicht was menschelijk, was -vreeselijk menschelijk: het was of hij loeiende spreken zoû gaan, zijn -oogen zagen als menschenoogen: hij had den blik van Pazifaë!!! O -afschuw, o afschuw, hij wachtte af... Toen viel ik bezwijmd in de boot -terug, in de armen van voedster: de roeier roeide terug... Ik had mijn -halfbroêr gezien! Ik hoorde niet meer het geloei en de schreeuwende -kreten der slachtoffers! Kreta, Kreta, toen ik ontwaakte, toèn, hoòrde -ik beide, loeien en schreeuwen, gulzig en radeloos, als een ontzetting -van geluid over u, Kreta! O, verschrikkelijk Eiland! Wat komen àl deze -herinneringen terug op dit gelukzalige Eiland...? Is het omdat ik -alleen ben? Zoo eenzaam is de morgen... De vogels tjilpen niet meer... -Thezeus...!? Hij toeft te lang... Ik zag hem, ik zag hem landen... Ik -herinnerde mij wat ik gezien had, den laatsten keer des vreeslijken -offers... Ik snikte omdat hij zich offeren zoû, te midden der -offerlingen. Ik was van daar gevlucht,... maar ik kwam weêr, waar hij -stond voor mijn vader. En ik hoorde hem zeggen: „Vorst,... vergun... -dat ik den Bastaard dood! Opdat ik er u van bevrijde en mijn land -bevrij van de schatting... Vorst, vergun, dat ik den Bastaard dood!” -Onverzoenlijke, Ariadne beheerschte zich niet... Ik wierp mij aan -Thezeus’ voeten... Ik smeekte hem van neen, bang voor hèm... Men -sleepte mij weg... Mijn vader weigerde... Hij haatte Athene... hij -wilde den Bastaard, hij wilde het Monster, hij wilde de Schatting, -afschuwelijk... Toen was het de voornacht des Offers... O, nacht, o -nacht, nacht van liefde! Maagd ging ik tot hem, voedster leidde mij, en -ik zeide: „Held van Athene... Ariadne heeft je lief, o held...” Hij -greep mij in zijn armen... O, hij was wreed, maar hij beminde mij! O, -hij wreekte zijn land op mij, hij wreekte Athene op mij, hij wreekte -zich op Minos in mij! Maar hij beminde mij, hij beminde mij: ik zwom -weg in het zalig geluk, hoe wreed het ook was! O, Onverzoenlijke, ben -ik het liefdekind van mijn liefdemoeder? Wat doet ge in mijn aderen -vloeien? Is het bloed of is het vuur? Is het krankzinnigheid of niets -dan liefdebegeeren! Thezeus was wreed en ik had hem lief...! Nu... o nu -is hij niet wreed meer of mijn Held verteederde in zijn geweldige -kracht!... Voornacht des offers...! Hij vroeg mij, na zijn liefdewraak, -zijn Athene-wreken op mij: „Ariadne, weet je waar zich groeft het -Labyrinth, en weet je de duistere gangen en grachten?”—Ik toonde hem de -altijd opene Poort, Muil van het Geloei van Kreta! „Weet je de duistere -gangen en grachten...?” Maar ik dorst hem niet leiden, neen! Had ik -mijn broer niet gezien, ik had Thezeus geleid! Nu, nu gaf ik het kluwen -hem! Ik had, bal, in mijn schoot, nog van liefde trillende, het kluwen, -en voedster moest den draad vademen uit... „Voedster, vlug, vlug, -wind-op met mij den eindeloozen draad...” Thezeus nam het kluwen... Wij -bonden den draad aan de Poort vast... Ik wachtte aan de vreeslijke -Poort... Ik leunde er tegen, in zwijm half om mijn angsten... Ik hoorde -uit naar het Geloei, dat loeide altijd...! Het Monster had honger: het -loeide!! O, mijne angsten, mijne angsten dien nacht! Ik zag naar den -draad of hij strak bleef, getrokken! Soms viel de draad slapper... dan -strekte hij weêr... Hoe lange bleef ik zoo wachten? Daar hoor ik terug -zijn stap...: hij nadert, hij nadert, o blijdschap! Hij nadert, hij -nadert... ik zie hem: ontzetting, ontzetting! In zijn eene vuist torst -bij de kruin hij den Stierenkop van mijn halfbroeder, monsterlijk, -kleinzoon van Helios! Ik slaakte éen kreet... viel in zwijm! Ik -ontwaakte in zijn armen. „Vaarwel Ariadne!” „Vaarwel? Waarom?” „Ik ga, -ik vlucht. De zwartzeilige schepen wachten ons, jongelingen zeven en -maagden zeven, en wij vlieden, wij vlieden terug naar mijn land -bevrijd!” „O Thezeus, neem mij meê, neem mij meê...!” Ik sleepte mij -hem achterna, hij glimlachte, hij glimlachte eindelijk! Hij had mij -lief! Hij was niet wreed meer, al was hij ontzaglijk! Hij had mij lief! -Hij nam mij meê! Wij vloden van dáar! Ik verliet Kreta, o het sombere -Eiland! Wij landden aan het gezegende Eiland! Goden, waarom ben ik -alleen? Waar is Thezeus, waar zijn de jongelingen, waar zijn de zeven -maagden! Thezeus...!? Hij antwoordt mij niet! O, NU zal hij dadelijk -komen! Nu zullen zij dadelijk komen. Te lang toefde hij al! Wat zoeken -zij over het Eiland? Nu treed ik de zee in... Zee, omhels mijn leden, -zoo als ge Thezeus hebt omhelsd... Zee, wat zijt ge eenzaam! Waar zijn -de schepen met zwarte zeilen? De Zee is blauw, de lucht is blauw, éen -blauwe eenzaamheid! Thezeus!? Thezeus!! Hij antwoordt mij niet... Waar -zijn de schepen... Zij voeren het Eiland om... Waarom? Thezeus... Nu -zoek ik hem... Nu zoek ik hen allen... Nu zoek ik de schepen der zwarte -zeilen... Daar zijn ze!! Wat zie ik? Vergis ik mij? Betoovert mij de -angst en de eenzaamheid! Waarom looveren de schepen uit met dicht en -vreemd gebladerte? Waarom streek Thezeus de zwarte zeilen al neêr? -Thezeus! Hij antwoordt niet...! Is het versiering voor vreugdevaart? Is -het verrassing mij voorbereid... O, angst huivert over mij, rillende... -Waarom ben ik geheel alleen? Makkers, gezellen! Maagden! Thezeus!!! -Niemand antwoordt! Waar ben ik...? Wat gebeurt er...? Omvaart mij -krankzinnigheid? Maagden! Makkers! Thezeus, o Thezeus, Thezeus...! -Waarom looveren de schepen zoo vreemd... Wat bloeien zij van trossen -ooft ongekend... Ik weet niet, ik droom, ik ben gek, angst maakt mij -gek...! Oh...! Oh...!! Wat zie ik... Daar! Dáar!! Vlieden... de schepen -der zwarte zeilen in zee...! Aan den horizon... Wat zie ik? Wat zeg -ik... Wat roep ik toch... Waar ben ik... Is dit Naxos? Zijn dat de -schepen der zwarte zeilen? Ben ik Ariadne? Thezeus!! Hij antwoordt -niet... Hij is dáar... Te ver... Makkers! Maagden! Zij antwoorden -niet... Zij zijn daar! Te ver! O waarom...? Hij verliet mij! Waarom -verliet hij mij...? Hij komt terug!! Ik zie het...: hij komt terug...!! -Ik zie... de zwarte zeilen zwellen: hij komt terug... O mijn angsten -stillen zich... Zij voeren weg...: waarom? Ter verkenning der zilte -wateren... Nu, nu komen zij mij halen... Zie, zij naderen... Neen!! Ik -bedrieg mij! Zij naderen niet! Zij verwijderen zich! Zij verlaten mij! -Goden, waarom...? Wat heb ik gedaan...? Waar is mijn sluier...? Hier! -Ik wenk hem...: Thezeus! Ik wuif hem: Thezeus! Hij ziet? Hij ziet mij -wuiven...? Hij komt terug... O ja, hij komt terug... Mijn angsten -stillen zich... Neen!! Ik bedrieg mij! Zij naderen niet... Zij -verwijderen zich verder... verder... In het verschiet verbleeken de -zwarte zeilen... Nu zijn zij niet meer dan éven een schim... een -schaduw... Zij zijn weg... Oh... Oh...! Waar ben ik? Wie ben ik? Is dit -Naxos? Droom ik? Ben ik gek? Thezeus...! Hij antwoordt niet... Maar ik, -ik hoor het Geloei...! Nachtmerrie... nachtmerrie des blinkenden -dags... Hoor! Over het Eiland davert het vreesverwekkend Geloei! Mijn -halfbroeder, kleinzoon van Helios! Zijt ge niet dood? Hieuw Thezeus u -niet den stierennek af? Neen! Hij leeft, hij brult, hij loeit...! O, -het Geloei... het Geloei over het Eiland... Het vervloekte Eiland... Is -dit Kreta? Bestaat Naxos? Was Naxos een droom... Ben ik alleen? Ben -ik...—Thezeus!! O, hij antwoordt mij niet... Hij is ver... hij is -daar...! Er is niets... Niets meer dan de zee... Wijd, o wijd de zee, -en de eenzaamheid wijd... Op Kreta is Ariadne alleen en wijde -eenzaamheid spookt dageklaar om haar rond... Ik droomde...: een held -kwam aan, hij landde somber en fronsend, geen offerling, maar een -overwinnaar... „Voedster... vlug, vlug, wind-op met mij den eindeloozen -draad...” O, de Poort, o de Angst, o de Wachting...! O, de Held, het -Labyrinth, en de Stierekop, bloedend zwart uit den hals, afgehouwen... -Ik droomde...: „vluchten wij snel naar de schepen met zwarte zeilen... -Hier Ariadne, zijn om je heen jonge gezellen en maagden, geredde -offerlingen, die juichen... Hier ben ik, Thezeus: ik heb je lief, wees -mijn vrouw, Ariadne! Wiegel op zee en wiegel in mijn armen. Wiegel in -mijn armen op zee... Zie, hier is een Eiland, niet als Kreta -vervloekt... maar zalig... omspoeld door schuimende golven...: ’s -nachts, stil, dansen om het Eiland blank en geluideloos de schitterende -Nereïden... Zie, hier zijn heesters in bloei... Zie, hier zijn niets -dan bloemen, vogelen, sterren, zee, zaligheid, liefde, een sponde van -mos... Nacht, nacht van liefde, donker! Sterren, verduistert! Zie, hier -is niets dan droom!” Het was droom! Het geluk was droom. Er was niets: -geen vlucht, geen geluk, geen Naxos! Dit is Kreta! Daar loeit mijn -halfbroêr! Ik, ik ben Ariadne, gek! Gek was mijn moeder, Pazifaë, ik -ben gek als zij! Ik ben gek...! Zij beminde den Stier...: ik... een -Droom! Zij werd gewond door de Werkelijkheid: een Schaduw verwondde mij -doodelijk... Zij liep rond, handen wringende, ik loop handen wringend -rond... Wij zijn éen bloed! Ik ben het kind van Pazifaë! -Onverzoenlijke! Afrodite! Treft ge mij...? Heb ik lief wat gij wilt...: -een Schim? Bestond dat alles niet? Besta IK? Ik ben bang... voor de -eenzaamheid, voor mijzelve... Ik ben bang... Ik wil weg... Ik wil -vluchten! Ik snik! Ik wring handen! Thezeus...!! Hij hoort mij niet... -Droomde ik hem, zijn naam, de zwarte zeilen...? Droomde ik de -werkelijkheid...? Ik wil weg...! O, ik wil weg... Ik wil niet meer -zijn... Zee, wees genadig...! Spoel mij meê... Zee, wees zoo kalm -niet... Heb erbarmen, zee! Neem mij meê... Spoel mij meê... Verdrink -mij! Er zijn geen zwarte zeilen... Er is geen Thezeus... Ik wil niet -meer zijn! Zee, verdrink mij... O wiegel mij niet zoo zacht, zoo als -mij wiegelden eindelijk zijn armen zelve... Ik wil weg! Ik wil dood! -Waar is mijn dood? Waar... waar zijn hooge rotsen? Zijn hier geen hooge -rotsen...? Is dit Kreta...? Neen, dit is de Verlatenheid... Vervloekt -eiland van Verlatenheid! Parelkleurige, zonnige verlatenheid, blauwe -zee rondom, blauwe lucht rondom! Rotsen, rotsen, waar zijt gij... Zijn -hier alleen boomen, struiken en bloemen... Dáar... daar zijn rotsen! Ik -beklim ze... hooger... O, nu sta ik hoog... Hoog, sla ik de armen uit! -Dood, ontvang mij! Zee, ontvang mij... Ariadne stort zich in zee en in -dood... Onverzoenlijke, wees tevreden!!! - - - - - - - - - -XIII. - - -Hoog opgericht in einde-van-smart zoekende wanhoop, stond op de punt -van de rotspiek in de zonnige blauwte der lucht zilverwit glanzende -Ariadne, hare armen hoog, hare roze borstpunten hoog, het haar goud -vloeiende rondom haar heen. En de blik van hare chryzopraze-oogen zocht -even omhoog de zon, of er vizioende voor haar blik, die al zag den -dood: de zonnewagen van heerlijken Helios, harer ongelukkige moeder -vader, mennende het brieschende vierspan, en goddelijkende tot haar -toe... - -Toen was zij bereid zich te storten àf van de rots, in de diepe zee -onder haar... En werktuigelijk sloeg den blik zij neêr... Maar zij -verbaasde zoo, dat zij den doodsprong niet deed. En bleef staan. En -staarde omlaag. En haar wanhoop vergat éen oogenblik. - -Beneden zich, in zee, zag Ariadne op den morgenbries een vloot wiegelen -van talrijke schepen, de masten omwingerd, de zeilen omrankt met vol -gebladerte en loof onbekend. Op het strand dansten de blijde -schepelingen in den goudzonnigen, blijden morgen. Het waren nymfen, -bezield door een zonderlinge dronkenschap, die haar cymbels deed slaan -en deed zwaaien met pijnappelstokken; ooft rankte haar om de slapen; -pantherhuiden slipten hare leden af. Zij dansten met gebruinde, -bokspootige mannen; er waren ook vrouwen, gehoornd en bokspootig, er -waren ook kinderen, gebruind en bokspootig. Er dansten ook, niet zoo -woest en van rythme edeler, blijde, krachtige jongelingen, heerlijk van -welgevormdheid, de oogen guitig en de ooren spits; en zij dansten met -blondere nymfen. Van blanke muilen en ezelen stapten grijsaarden af, -waardig knikkebollend, met dikke magen, in lange, plooiende mantels. Er -brulden panthers en leeuwen, getemd, die de temmers hielden aan sterke -lianen en gevlochten veil, en tusschen het gewarrel van dat leger reed -een lynxewagen aan, gemend door vier bokspootige mannen. Rondom den -wagen stuwde een stoet van guitig-oogige, spitsoorige jongelingen op -dartele tamme jonge leeuwen, maar in den wagen stond, en steunde op -zijn staf, een god. Een jongeling, de knaapjaren ontwassen, -overheerlijk van leden blank, die, nog vrouwelijk week, zich even -spierden: hij stond in een blauwen eigenschijn, hij stond geheel naakt; -zijn lange bronsblonde lokken waren opgeknoopt in een wrong en omrankt -met zijn eigen ooftranken; zijn oogen waren als lachende blauwe violen, -en toch was in geheel zijn glans en zijn blijdschap een weemoedige -ernst en een goedheid groot. Hij was zoo schoon, dat Ariadne verbaasde. -Zij had zoo schoon een jongeling nooit gezien. Dat was niet de -gespierde forschheid van vreeslijken Thezeus, en toch was het -schoonheid van een overwinnenden held. Dat was een mengeling van een -vrouwelijke zachtheid en een mannelijken moed, en een blijdschap, bijna -kinderlijk, en een weemoed, bijna overgevoelig, en om dat alles heen de -blauwe glorie van goddelijke onoverwinnelijkheid. Ariadne van de rots -zag hem aan en zij vergat, dat zij zich in zee wilde storten. Zij had -ook niet gekund, want de god, tusschen zijn leger dicht omstuwd, zag -haar aan en lachte, en zij had zich in zijn lach moeten storten, om -zich tevens te storten in zee. Zij kòn zich ook niet storten in zee, -want zij kon zich niet bewegen: tooverij en wonder, was uit de -splijtende rots een looverende stam ontsproten en rankte uit en weligde -rondom haar heen en ving haar in stevige boeien. Zij stond nu gevangen. -De ranken boeiden het gebaar harer nog omhoog geslagen wanhopige armen -en zij bleef onbewegelijk, zóo. De god, in zijn wagen, steeds, zag haar -aan. En de dans zijner volgelingen zwierde, woester en woester, de -rotsen op. Over àl de rotsen zwierde de dans, lied klonk, gejuich, -hymne den god bezingende en dankende voor een purper genot, dat hij -schonk. Bezield was het eenzame eiland plots met geheel de drukte dier -blijde schepelingen. Op een der rotsen torsten de bokspooten een gouden -mengvat en het schitterde aan tegen het diepe azuur als een groote -vonk. Fluiten schalden. De wilde beesten, vervaarlijk soms, brulden. - -De blijde god, steeds, zag haar aan. Hij glimlachte, maar in zijn -glimlach weemoedigde zulk een medelijden, dat Ariadne, plotseling, -begon te weenen. Zij snikte en hare handen hadden haar gezicht -verbergen willen, maar de stevige boeien omrankten haar in volbladerige -gevangenschap. Zij stond als in een kerker van trossen, weenende. -Nymfen echter waren, de rots op, haar genaderd, en zij braken de -ranken: omrankt nog voerden zij haar meê. Zij liet zich voeren, -weenende. Zij meende, dat zij droomde. Zij meende dit drogbeeld harer -krankzinnigheid. Wankelend van de smart, die zij nu vòl zich -herinnerde, liet zij zich meêvoeren en snikte. De nymfen leidden haar -de rotsen af. Zij deden op een panther haar zitten, en, enkelen haar -ondersteunend, leidden anderen het tamme dier voort. De god wachtte -haar af. Nu, uit schaamte, verborg in hare vrije handen zij hare -weenende oogen. - -—Wie gij ook zijt, zeide toen Dionyzos, en mild klonk zijn stem; gij, -die u wilde storten in zee met luiden jammer van wanhoop, klinkende -over heel Naxos,—wie gij ook zijt, gij zijt mijne gevangene, o -heerlijke vrouw; de gevangene van Dionyzos! Maar de vrijheid zij u, zoo -ge de vreugde aanvaardt! Zijt gij vorstin van dit eiland, zoo wil u -Dionyzos in vreugde overwinnen. Was dit eiland een eiland van smart, -zoo zal het er van vreugde een zijn! Zie, overal plantten mijn saters -den wijnstok, en de wingerden weligen uit. In korten tijd veroverde ik -rijken groot, en ik verwon dit eiland, in een enkel blikken-der-oogen! -Smart leedt gij? Er is geen smart! Er is niets dan vreugde in den -zon-blakerenden morgen en voor de te felle warmte rankt zich, alleen op -den wenk van mijn thyrs, een wijnlofpriëel van rots tot rots en loovert -een feesttent over ons uit. Wie gij ook zijt, gij, die u wilde storten -in zee met luid jammeren van wanhoop, ge zijt, o vorstin, mijn -gevangene, en ik vraag u: aanvaardt gij de vreugde? - -Zoo sprak de blijde god Dionyzos, en dartel glimlachte hij op zijn -lynxewagen staande, maar de muziek zijner stem was mild van bijna -weemoedig medelijden. Terwijl hij de vreugde aanbood en gebood, deed -hij verstaan, dat hij de smart had gezien en gehoord, en begreep, dat -zij wanhopigen kon. Ariadne, van haren panther gestegen, zeide niets: -zij weende, en vouwde de handen, en nu zonk op haar knieën zij neêr. En -zij riep, eindelijk: - -—De vreugde, o god onbekend? De vreugde? Ge wilt, dat Ariadne de -vreugde aanvaardt, de vreugde aanvaardt op Naxos, het eiland, waarop -haar begoochelde krankzinnige droom... krankzinnige droom, die verzwom -en verijlde met de allerlaatste schaduw van aan de kim rouwzwarte -zeilen? De vreugde? Maar ik heb haar nooit geweten! Over Kreta regeerde -de frons van mijn vader, over Kreta weêrklonk zielesmart van mijn -moeder, Pazifaë, die den Stier beminde; over Kreta weêrdonderde het -Geloei van mijn broeder, afschuw en vrees wekkend! Ariadne heeft de -vreugd nooit gekend! Op Kreta landde sombere Thezeus: hij kwam als een -overwinnaar, maar somber en dreigend en wraakzucht koesterend, en het -eiland dreunde onder zijn tred. Hij kwam, hij kwam: ik zag hem, o ik -zag hem, ik dacht dat hij Ares was! Zwaar overbronsde zijn hoofd de -helm; zijn ontzaglijke vuist omklemde zijn onoverwinlijk zwaard, en in -zijn oogen somberde de schaduw van de zeilen zijner vloot. Ik zag hem, -ik zag hem, en ik had hem lief, want nog nooit had ik een held gezien. -De onverzoenlijke Afrodite bezielde mij. Ik vluchtte, ik naderde weêr, -ik viel aan zijn voet en smeekte hem van neen, van neen, om niet den -Minotauros te bekampen... Hij wreekte zijn land op mij, op mijn liefde; -zijn liefde was wreed en ontzaglijk. Maar hoe ik ook slavin zijner -lusten was, god mij onbekend, Ariadne had Thezeus lief... Waar is hij -nu... O, hij antwoordde mij niet... Hij is ver... hij is ver... hij is -dáar!! En ge wilt, dat ik de vreugde aanvaard? Maar wat is de vreugd? -Is het huiveren voor vaders frons? Is het weenen met moeder mede? Is -het beven bij het vreesverwekkend Geloei? Is het luisteren naar -radeloosheid van offerlingen, door zijn Honger gulzig verslonden? Is -het angstige vlucht met den wreeden Held? Is het hartstocht van -Wreedheid zelve? Is het de kreet van pijn in wreeden wellust? Is het de -slavinnesnik in haar verwinnende ompranging? Is het angstig streelen -van Thezeus’ fronsend voorhoofd, en zoeken wegkussen somberen blik uit -zijn oogen? Is het eindelijk zich met droom begoochelen? Vermoeden, dat -zich wreedheid verzacht? Hopen, dat liefde won liefde...? Glimlachend -herademen in deze begoocheling, en zich denken, in glimlach van glorie, -geluk? Verrukking der zinnen, en sluimeren van moêheid? Is het ontwaken -en zich verlaten zien? Is het hopen, twijfelen, weifelen, en radeloos -eindelijk ZEKER zijn, dat Thezeus, mij, Ariadne, verliet...! O god, o -Dionyzos, mij onbekend, zoo vreugde dit alles is, weet Ariadne wat -vreugde is, en aanvaardt zij de vreugde, o god... Maar zoo vreugde iets -anders is dan beven en weenen, dan extaze gevoelen in wreede pijn, en -dood verlangen in wanhoop, dan kent Ariadne de vreugde niet, o god -Dionyzos, en hoe wilt ge, dat zij ze aanvaardt dan...? O, ik zie en ik -begrijp: wie niet uw vreugde aanvaardt, verscheuren uw saters en woeste -menaden in razernij... Om mij voel ik ze dringen al... In mijn gelaat -zieden hun heete ademen! O, menaden, o saters, verscheurt mij, -verscheurt mij! Hebt vreúgde aan Ariadne! Zij, zij aanvaardt de vreugde -niet... - -En al wilden zich woeste menaden werpen op de vreugde verweigerende -Ariadne, en saters haar meêsleepen woest, toen Dionyzos de thyrs ophief -en hen gebood terug te gaan... Ernstig stond de god, jongelingslank en -zijn violenoogen weemoedigden, en voor zijn ernstigen blik, zoo nieuw, -week heel zijn leger in cirkel terug; aan veil trokken de faunen de -beesten; menaden en saters weken ter zij, Panszonen leidden zijn -lynxewagen weg en onder het wijnlofpriëel bleef de god Dionyzos alleen, -met Ariadne, aan zijne voeten weenende. - -—O god, o Dionyzos! weende zij. Ik zie, gij hebt medelijden! Ik zie, -gij zijt niet wreed als Thezeus was, en niet wreed als de menaden en -saters. Maar heb zóo medelijden, dat uw medelijden wreedheid zij! En -geef mij den dood, het einde! O, geef mij het eindelijke einde! Ariadne -vreest geen einde wreed, en vreest geen verschrikkelijken dood! -Dionyzos, laat hen Ariadne verscheuren... „Thezeus, Thezeus!” zal ik in -extaze roepen, en terwijl uw saters mij verkrachten, terwijl uw menaden -mij verscheuren, zal ik, stervende, mij denken, dat het Thezeus is, die -wreed is en tòch mij bemint! O, Dionyzos, heb medelijden en geef mij -den dood, het Einde! - -Zoo schreeuwde-uit van smart Ariadne, en zij was den god gansch te voet -gevallen; haar lijf snikhief zich in smart in het zand, en hare haren -stroomden goud over haar uit. Maar in plaats van wat zij verlangde en -verwachtte—woeste kracht van saters en razernij woest van menaden... -hoorde zij heel zacht gepijp van fluiten. Dat druppelde op en druppelde -neêr met neêrklaterende en opfonteinende gamma’s en was een zacht -sprenkelen van water als dauw, of een zacht ruischen van beekjes, in -val en in parelige stijging... En zij hief verbaasd het hoofd hoog en -zag den god Dionyzos aan. Hij stond onbewegelijk en zag op haar neêr, -om zijn lippen een lach, in zijn oog weemoed. En de fluiten pepen -steeds voort, teeder en troostende. Dat waren de faunen, die pepen, -rondom verscholen in laurier-, oleandergeboomte. - -—O god, Dionyzos, wat IS dat? - -—Dat zijn mijn faunen, die pijpen, rondom verscholen in laurier-, -oleandergeboomte! zei Dionyzos, en zoo week mild was zijn stem als een -faunefluit zelve. Mijn faunen beminnen het fluitspel. Zij spelen -altijd. Hunne fluiten zijn lang als bazuinen, en ver van den mond zich -verwijdend. Maar ook mijn saters fluiten... Hoor Ariadne, mijn saters -fluiten nu... Zij bespelen het fluitje, dat Pan hun uitvond: van -rietjes, drie kort en vier lang: gemakkelijk is dat te bespelen, en -blij maar onkunstig het lied... Hoor, nu slaan koperen slagen er helder -tusschen door: dat zijn de menaden, die cymbels slaan... Te zamen -bezielt éen rythme hen, en hun muziek wordt éen enkele vreugde... Nu -zingen de nymfen: Evoë! Heb moed in de vreugde, zingen zij, zoo als -Zeus, mijn vader, mij spoorde in den vreeselijken strijd tegen de -draakgebeende Giganten: heb moed in den krijg, o zoon! Nu klateren zij -uit in de hymne; zij bezingen mij, want zij hebben mij lief... Er is -veel woestheid in hen, maar er is ook veel vreugde in hen, en hunne -vreugde tempert hunne woestheid... Zie, Ariadne, zij kennen de vreugde -alléen, en zij kenden nooit de smart... De smart... Ariadne... ook -IK... kende de smart nog nooit... Maar ik WEET, dat ik haar éenmaal zal -kennen... En omdat ik dit weet en gevoel... o Ariadne... o Ariadne... -ken ik den Weemoed... Ariadne, kent gij den Weemoed...? Neen, ge hebt -den Weemoed nooit gekend... Het geloei heeft den Weemoed overdaverd; de -frons van een vader, de razende liefdesmart van een moeder, Ariadne, -hebben den Weemoed overheerscht... De wreedheid en sombere -verwinnaarskracht van den vreemden held, die kwam met zwartzeilige -schepen, hebben den Weemoed neêrgedrukt... Maar in mij, Ariadne, heeft -zij ALTIJD gebloeid, als een teedere affodil, te midden van mijn -purperen wingerd... Ariadne, ik ben kind der aarde ook, zoo als ik ben -kind van den hemel. De Vreugde heeft altijd in mij geschaterd, maar de -Weemoed peinsde in mij steeds onbewust. Ik begrijp den Weemoed en -gaarne heb ik haar getroost en haar uit cypressenschaduw weggevoerd in -mijn vreugde. Ik heb den Weemoed in mijn vreugde zien schateren... De -smart heeft mij vaak vertoornd: ik toornde als de smart niet mijn -Vreugde aanvaardde. De Mineïden herschiep ik in vleêrmuizen! Ariadne, -waarom toornde ik niet om je smart? Waarom niet, omdat je weigerde -vreugde? Waarom hield ik mijn saters, menaden terug? Waarom beschermde -je het gebaar van mijn thyrs! Is het, omdat ik de smart mijzelven voel -naderen, en dat ik om die nadering haar beter begrijp, haar eerbiedig -en haar spaar! Wat mij de smart zal zijn, weet ik, o Ariadne, niet, -maar zij zal mij naderen, zij zal mij naderen...! Ariadne, o ween-uit -je smart! Dionyzos, de god van de vreugde, vergunt je wat hij nimmer -vergunde: smart te koesteren en uit smart te weenen! Uit smart te -weenen in zijn druivepriëel... Zie, de trossen zijn purper gezwollen en -glimlachen toe naar je mond... Maar pluk niet de druivetrossen, o -Ariadne, en ween-uit, ween-uit je smart... - -Zoo sprak, met stem zoo mild als de muziek van faunenfluit zelve, de -blijde god Dionyzos, en hij richtte Ariadne van zijn voeten op en -voerde haar naar van viooltjes een sponde. Zij zeeg er in neêr en -snikte... Toen zij opzag, was zij alleen. Zij was alleen in de -loovertent; aan rots bij rots was de wingerd geschoten en de ranken -slingerden toe naar elkaâr en schaduwden dicht. Zichtbaar zwollen de -trossen. Hijgend geurden de duizend viooltjes. De fluiten, verder af, -zongen heel zacht en droegen melodie, maar de Pansfluitjes orgelden op -en neêr; de cymbels, even, sloegen als goud tegen goud, dof gedempt, en -belletjes van tamboerijnen rinkelden. Er klonken stemmen van nymfen, -heel ver; en de hymne verwijderde zich. Ariadne, verwonderd, leunde op -den blanken elleboog, in de viooltjes... Hare tranen liepen uit hare -vermoeide oogen. De eenzaamheid was weêr om haar, maar weldadig en -geurig, en vol purperen ooftaroom, en het Eiland was lieflijk -bezield... Zij herinnerde zich, dat wanhopig van een rotspiek zij zich -had willen storten... Zij had het niet gedaan... Was het nu te laat? -Leed zij geen smart meer?! Was Thezeus niet ver, onbereikbaar en wreed? -Neen, het was niet te laat... De rots op, de rots op, den dood in! Zij -maakte zich los uit de wellust van de viooltjes en zij wilde de rotsen -op... De fluiten zongen hooger, en de Pansfluiten orgelden sneller, op -en neêr, op en neêr. Een schelle cymbelslag deed haar verschrikken. Zij -stond stil, en luisterde... Maar, doffer de muziek, verdempend, snelde -zij, hooger, de rots op. De ranken hielden haar tegen, de trossen -zwollen tegen haar aan, maar zij drong door, en klom op, ùit boven de -loovertent, zoo dat zij weêr stond in de blauwe lucht, en den sprong -maar behoefde te wagen. Maar zij deed niet den sprong... - -—Zusters, o Nereïden, ringt u rond, witte reie rondom het Eiland, dat -drijft, oleander-, laurierbosschage, op de nauwelijks schuimig gekamde -zee: Thetis, ben ik, die u roept! - -—Thetis, roept gij mij op uit de golven? Zeg mij, waarom klonk tot de -diepte uw stem mij toe, wekkende mij uit water-gewiegelde rust? Ik ben -het zelve, Wiegeling-der-Zee, die u vraagt...? - -En Ariadne, half verborgen door rots en door wingerd, zag de -schitterende Nereïden reien de wateren uit, zich houdende blanke hand -aan blanke hand en dansen rondom het Eiland... - -—Hooger de armen en lager... Zusteren, ziet ge wiegelen de -druiveschepen van den blijden god Dionyzos...? Hooger de armen en -lager... Dionyzos is gekomen...! Ik hoor fluiten schallen en cymbels -slaan...: de vreugd is te Naxos gekomen...! Hooger de armen en lager... -Evoë, Evoë, de vreugde... Dezen nacht wacht ons, Nereïden, o zusters, -de vreugde van Dionyzos... Zusters, ik smacht naar zijn vreugde... -Hooger de armen en lager... De vreugde is aangeland, waar de smart -verlaten bleef... Eiland van smart, wees een eiland van vreugde! Morgen -van smart, word van vreugde een nacht! Hooger de armen en lager... - -Zoo zong de zilvervoetige Thetis, en leidde, Amfitrite in het midden, -de rei der zusteren rondom het eiland, waar Dionyzos’ vreugde te -heerschen begon. En de tritonen doken op; over de nauwelijks schuimig -gekamde zee ijlden de vischgestaarte zeepaarden snel, met maar twee -golf-uitstampende hoeven; en de tritonen antwoordden faunen en -saters... Geluid zwol in de geurige schaduw van het oleander- en -laurieren-eiland, en geluid zwol er rondom. Lucht en zee trilden van -geluid en muziek. Lucht en zee en bosschage trilden van vreugde. De zee -was bevolkt, het eiland bevolkt; de menaden zagen de Nereïden en zij -dansten de eenen als de anderen dansten: Nereïden zwierden woest om het -zeestrand elkaâr meesleêpende lachend; menaden traden met luchtiger -voet, hooger de armen en lager, zoo als zij hare zeezusters zweven -zagen... De tritonen met schulphoorngeschal weêrechoden klaterende de -faunen na, en de faunfluiten antwoordden met schulpfanfare. Ariadne, -van de rots, half verscholen, zag het aan. Zij zag Dionyzos Amfitrite -toewuiven en Amfitrite wuifde met den sluier terug. In den blauwenden -morgen was het éen vreugdefeest... - -Maar Ariadne scheen vergeten. Niemand zag haar, niemand dacht aan -haar... Alleen, eenzaam, klom de rots zij af: neen, zij kon zich in de -zee niet werpen... Om zich te werpen in den zilten dood had zij zich -werpen moeten in den menadendans der Nereïden, in de tritonenfanfare -der faunefluiten... Nu wilde zij zich verbergen en klom lager en lager -af: de wingerdtent overhuifde haar weêr met dichte schaduw, -zondoorzeefd. En in die groengoudene eenzaamheid, hoorde zij de vreugde -rondom haar heerschen en luisterde zij naar de vreugde, zoo nieuw, zoo -nieuw voor haar. Zij viel in het bed van viooltjes en luisterde naar de -vreugde, geheel den morgen lang. De vreugde scheen nooit moede en -uitgevierd: het bleef steeds zingende, lachende, dansende vreugde, niet -al te luid, niet al te dicht: het luidruchtigste soms was een -cymbelslag, te hard geslagen, als schel goud tegen goud... Toen -glimlachte Ariadne, en haar glimlach was éen glorie, terwijl haar -chrysopraze-oogen van smart nog in tranen dreven. Op het viooltjesbed -lag hare naaktheid getrokken met goudblankende lijnen en parelmoêrige -schaduwing. - -Plots sloegen heel schel de cymbels, en of het ware om het luchtdreunen -van dien goudenen klank, die fel na-echode, viel, zoo zwaar, dat een -kreet zij slaakte, Ariadne in den blank-en-parelmoêrigen schoot, een -tros van het purperen ooft. De tros viel hoog van de tente af, en lag -purper nu op hare knieën... Enkele druiven, gebarsten de fijne schil, -bloedden uit als bleeke robijnen en leekten hare blankheid over. De -kleur van de druiven was wazig blauw purper doorschijnend, met een -druppel van blozende licht diep-in... Omdat zoo heerlijk-vol en mooi de -tros was, meende Ariadne het jammer van haar schoot den tros op den -grond glijden te laten, en klemde zij hem tegen zich aan. Meerdere -druiven spleten bloedende open, en het sap droop tusschen de viooltjes, -en mengde in der hijgende bloemen geur, de aroom van boschbes en braam, -maar heviger, heftiger, bezwijmelender. En Ariadne, vrouw van liefde, -werd zoo bleek, als naderde liefde haar... Haar gelaat trok strak en -hare oogen stierven, terwijl zij achterover zich wierp en de viooltjes -pletterend drukte. Zij geurden des te sterker. Toen,—terwijl de -vreugde, niet al te luid en niet al te dichtbij, heerschte rondom haar -eenzaamheid, over het eiland, over de zee, in de lucht,—nam Ariadne een -druif tusschen de vingers en rukte ze af. Zij hief aan hare lippen de -druif en drukte ze tusschen de lippen... Hare chryzopraze-oogen -staarden grooter in het bijna verbaasd strak getrokken gelaat. Zij -plukte meerdere druiven, drukte ze een na de ander uit... Plots hief -zij den tros geheel aan bevenden mond en zoende den tros -hartstochtelijk. Zij omhelsde op haar boezem den tros. De tros scheen -in wellust te zwellen, groot en zwaar als een overstelpende liefde... -Ariadne sloot de oogen toe. Voller zwol de zang der fluiten, fanfaarden -der tritonen schulphoorns en de cymbels sloegen klaterend allen nu goud -tegelijk, met een blijde overwinning. - -Toen Ariadne de oogen opsloeg, viel haar uit de armen de geknakte -trossteel op den grond, en de leêge schillen lagen verspreid. Zij -meende, dat zij de blanke en slanke gedaante van een jongen god, in -blauwen eigenschijn, zag verdwijnen tusschen de looveren der wingerds. -Zij bleef liggen roerloos, verbaasd en herinnerde zich...: zij dacht -aan Thezeus en Dionyzos...: zij zag, vizioen, de schepen met zwarte -zeilen, somber eerst, verbleeken, aan den morgenhorizon, en aandobberen -schepen met druiven omrankt. Zij hief zich op, en voelde zich aan, of -zij niet droomde... Zij wist niet meer wat droom en wat waarheid zoû -zijn... Maar zij hoorde de Vreugde heerschen... - -Zij dacht aan het Geloei over Kreta...: nu hoorde zij over Naxos de -Vreugde... Zij glimlachte zacht, en ademde heel diep op... Daar zij -terzij harer sponde uit den rotswand hoorde zachtjes klateren een -straal, keerde zij zich om, en zag een najade, die goot noodend ten -bade haar kruik uit. Ariadne knoopte heur haren op en dook en hurkte -ruggelings neêr onder den straal. Toen de najade haar kruik had -geleêgd, verdween zij en Ariadne rees op. Besluiteloos stond zij en -luisterde... Steeds hoorde zij de Vreugde over Naxos... Maar de -looveren bruischten en een panther tam zag haar aan met schitterende -oogen, naderde toen, legde zich neêr aan haar voet. Zij streelde zijn -machtigen kop, en hij brieschte zalig te moê, mauwende als een heel -groote kat, met steile snorrebaarden. Nu hief zich het tamme dier, en -kronkelde om haar rond, en stond stil. Ariadne steeds streelde hem, met -de hand over kop en rug. Hij strekte den rug uit onder haar palm, en -zijn staart zwiepte van gelukzaligheid. Toen, omdat breed zijn rug was, -zette Ariadne zich op hem neêr. Langzaam schreed hij met haar voort, -buigzaam en krachtig zijn dijen en zijn pooten plomp en toch gluiperig -zacht... Zijn vel was een goudglanzende langharig zwart fulp, en -Ariadne zat op zijn rug, veilig en zacht, het eene been over het -andere, dat slank voet-trilde naar beneden; langs hooge halmen en witte -narcissen slipte haar voet, dien zij even ophield, om hem niet op den -grond sleepen te doen... De panther sloop met zijn voorzichtig slappen -tred door de looveren en langs het lage geboomte dicht en Ariadne -bespeurde, dat het dier haar voerde naar de Vreugde... En zij wilde hem -beduiden, dat hij tot de Vreugde niet gaan mocht, en legde hare hand -aan zijn halsband breed, als om hem te mennen elders heen... Maar de -panther begreep niet en meende alleen, dat zij hem streelde en hij -spon, welbehagelijk, grooten kater gelijk... - -Daar trad haar Dionyzos te moet: rondom hen beiden week de Vreugde -verder het Eiland over en tusschen hen bleef alleen een Weemoed zacht, -maar overal van lagen boom tot lagen boom, van oleander tot laurier, en -van vijgeboom tot bloeienden mispel, slingerde zich het druivefestoen -en herschiep in een feestpaleis het eiland, een schakeling van kamers -en zalen voor feest. Glimlachend bood Dionyzos haar de hand om af te -stijgen, en zij zette zich in het mos, Dionyzos haar ter zijde; de -panther sliep in aan haar voeten. - -—Hij kent mij, zeide Ariadne; en hij is tam als ik nooit panther zag. - -—Mijn saters temmen de wilde beesten en maken ze in éen morgen tam... -Deze panther voerde je al de rotsen af, toen je hoog stond in wanhoop -gericht, Ariadne, en deze panther voerde je uit de loovertente, kamer -van eenzaamheid, droom, gedachte en van liefde... Deze panther, o, -Ariadne, zal trouw je dragen altijd en veilig voeren in den blijden -thiazos, als je, uitgeweend, de vreugde aanvaardt... - -—Ween ik ooit uit en aanvaard ik de vreugde! - -—Ariadne, de seizoenen wisselen... Dag en nacht wisselen, wolken -wisselen met zonneschijn, lichtspelingen en schaduwen wisselen, goden -wisselen... Niets blijft, dan het wisselen alleen... Waar is de dag van -gisteren? Waar zijn het geluk en de smart van gisteren...? Wat blijft -er des avonds van de wanhoop des morgens...? Misschien de Weemoed, de -weemoed alleen, en nòg wisselt de weemoed zoo vaak met een glimlach...! -Ariadne, wat bleef in je leven van Kreta, van Minos en den vreeslijken -Broêr? Wat klonk er nà het vreesverwekkend Geloei? Ariadne, wat bleef -er van Thezeus? Zie het leven aan, Ariadne: het wisselt telkens van -omlijn en kleur! Nu heerscht de Vreugde, misschien éenmaal de Smart... -Maar heerscht zij, zij zal niet blijven... Wisseling van weemoedige -schijnsels... is iets anders, Ariadne, het leven der menschen en der -halfgoden op aarde... Zie, rondom ons speelt het als met glanzende -schimmen en sombere schaduwen, en het wisselt, het wisselt telkens, in -menig versmelten, verglanzen, verworden... Er is niets dan in de schaal -uit te persen den tros, en, zoo lang zij duurt, de purperen vreugde te -drinken... Alleen Zeus weet, of ik ze morgen bezit! Menade, bied mij -een schaal, en sater, pluk mij een heerlijken tros...! Hier Ariadne, -druk ik zelve den tros uit in de schaal; en in de schaal vloeit de -purperen vreugde... Drink, Ariadne, de vreugde... Menaden, ziet hier -Ariadne, die weende, en die gij verscheuren wilde... Zie, zij weent -niet meer, hoewel weemoed haar ziel nog vol zwelt... Menaden, omrankt -Ariadne met vreugde... Vlecht haar de zongouden haren en kroon met de -zware vlechten haar de ronde kruin... Rank kunstig haar om de slapen -een wijnlofrank, hang haar aan de ooren twee sierlijke trossen... En -laat haar zoo verder naakt, want hare schoonheid kleedt haar in -zilveren lijnen en parelglanzen... O, Ariadne, nu voel ik den wensch -zwellen in mijn hart, te doen wisselen de smart voor de vreugde, in -glanzende levensverwording... Menaden, wie stond op de rotspiek en -wilde zich storten in zee...? - -—Op de rotspiek stond zilverglanzende wit Ariadne, en zij wilde zich -storten in zee... Maar, o Dionyzos, door je glimlach heen kon zij zich -in de zee niet storten! Op panther tam reed Ariadne de rotspiek af; -loovertente spreidde boven haar uit... De Vreugde zong over het Eiland, -niet te luid, niet te schel, en niet te dichtbij... - -—De gouden cymbels alleen sloegen schel! - -—Zoo schel, dat de lucht echoënd daverde... - -—Dat een wingerdrank brak, en een tros...! - -—Eén zware tros viel in Ariadne’s schoot... - -—Zij glimlachte en plukte de druiven...! - -—Zij drukte aan de lippen de druiven uit... - -—Zij omhelsde in haar armen den zwaren tros...! - -—En viel zwijmelend neêr vol van purperen weelde... - -—Dionyzos! Dionyzos! - -—God Dionyzos, onze god, god om wien wij ons scharen...! - -—Hoor Ariadne, de menaden zingen! Ariadne, je plukte de Vreugde àl, je -drukte haar al tegen je hart, in je armen... De Vreugde, Ariadne, ben -ik! De Vreugde was ik! Ik was de tros!... O, Ariadne, nu voel ik den -wensch zwellen in mijn hart te doen wisselen de smart voor de Vreugde -in glanzende levensverwording! - -—O, Dionyzos, nu voel ik den wensch zwellen in mijn hart trouw te -blijven aan mijn smart! Helaas, jij was de tros! Helaas, ik omhelsde -den tros! Zij stroomde purper uit in mijn schoot! Ik glimlachte, ik -glimlachte, ik bezwijmelde in purper geluk... Helaas, waar bleef mijn -smart! Waar blijft zij? Waar is Thezeus? Ben ik hem ontrouw, als hij -mij ontrouw was! Is de liefde een verworden? Ariadne zag den held, -Ariadne zag den god! De held wreekte zich in liefde op haar, de god -troostte haar in liefde! O tros, o god, o Dionyzos! Ik ween, omdat ik -purperen vreugde kende, en omdat ik purperen vreugde niet weêrstond. O, -zwakke ziel, die niet kàn blijven lijden! O, wanhoop, die zich wèl -troosten laat! Helaas, blijde Dionyzos, helaas, gouden god, purperen -tros, er is niets dan het glanzend verworden en schaduwend wisselen: er -is niets, waarom wij stevig de handen slaan, niets waarom wij krachtig -de armen prangen... Het wisselt en schaduwt in glans om ons rond, voor -ons uit, en wij weenen om niets, en wij lachen om niets! O, edele god, -gouden god, purperen god, o god van wondervreugde en trossenwonder, -geef mij éen oogenblik de hechtheid des levens! Vast wil ik de -hechtheid des levens als een marmeren zuil, al hang ik er in smart aan, -groot, groot als mijn wanhoop om Thezeus was. Eén oogenblik de -hechtheid des levens!? O, Dionyzos, ge glimlacht en ge schudt het -hoofd, als of ge weet, als of ge weet, dat die zuil niet bestaat of -verbrokkelt in onze omhelzing? Gij, om de brokkelende zuil, zoudt uw -wingerd aanstonds laten weligen en de vreugde hare broosheid vermommen -doen? O, vluchtig leven, o zwakke ziel! Waar gaan mijn wenschen en mijn -smarten heen, waarheen mijn wellust en mijn wanhoop? In het ijle... in -het ijle... Tooverspel van tinten! Zeepbel na zeepbel na zeepbel! Boven -dat tooverspel en die zeepbellen glimlachen de eeuwige goden... Om -niets was zoo droef mijn jeugd? Om niets verwekte vrees het Geloei? Om -niets vluchtte ik met hem en verliet hij mij? Weêrschijn na weêrschijn -na weêrschijn! Is dit bestaan dan de ernst waard! O, menaden, gij hebt -gelijk! Woeste saters, gij hebt gelijk! Ariadne aanvaardt de vreugde! -Dionyzos, ik aanvaard de vreugde! Maakt mij geheel, menaden, aan u -gelijk: geeft mij het beestevel! Geeft mij den thyrs! Geeft mij een -tamboerijn! Menaden, reikt mij de handen! Hier, ik zwier met u rond! -Dit is uw tred, dit is uw danstred: ik ken hem, ik ken hem alreê! De -vreugde is licht te aanvaarden! Over het Eiland, het eiland heen, lange -keten van vreugde, vreugdevrouwenfestoen, schakel wil ik zijn met u -mede... - -En Ariadne, in den zwier van menaden en nymfen, danste meê en weg in -haar wildheid, naar hoogere heuvelen en hoogere rotsen, en zij zag de -Nereïden reien en haar wuifde Amfitrite tegen. - -Maar de blijde god Dionyzos riep uit: - -—O, Ampelos, Ampelos, kom!! - -En hij wierp zich aan Fauns borst en klaagde: - -—Zij aanvaardt de Vreugde, maar zij gelooft niet aan de Vreugde! -Ampelos, haar stem klonk schril, toen de menaden zij riep! - -—O, Dionyzos, nooit is zuiver de Vreugde te aanvaarden voor wie de -Smart heeft gekend! Kende ik de Smart? Dionyzos, kende jijzelve de -Smart? Dionyzos, kende Hermafroditos iets anders dan den Weemoed in -cypressenschaduw? En kennen wij beiden de Vreugde het zuiverst niet? -Herinner je, er was niets dan blijheid: ik droomde en ik werd wakker, -den wijnstok in mijn palm, dien Zeus er zelve gevlijd had: je kwam, ik -lokte je met mijn blijde wijze en viooltjes ontbloeiden onder je voet: -wij zochten samen de gunstige plek en plantten den wijnstok, de -Vreugde, en er was niets dan de Vreugde, er was niets dan de Vreugde! -De Vreugde overwon overal! En waar de Smart haar weêrstond, werd zij -verpletterd! - -—O, Ampelos, ik spaarde de Smart voor het eerst! - -—En de Smart aanvaardt de Vreugde met bitter hart! - -—... Omdat ik de Smart zelve mij naderen voel! - -—Dionyzos, wat zal de Smart je ooit naderen... - -—Ik weifel, ik weifel, Ampelos: zal ik, IK de wereld verwinnen! Zie, -mijn armen zijn als van een meisje... - -—Dionyzos, ik weet nog, toen ik je zag, voor het eerst, als een -lachende knaap, blij vroolijk, dartel en moedig... Je groeide, je borst -werd breeder, je ronde arm spierde zich even... maar weemoed groefde -dieper in je glanzenden blik van viool, en je hart, in mannelijker -borst dan toen, versaagt, als het destijds nimmer versaagde... - -—Ik weifel, o Ampelos, ik weet niet meer... Zie, zoo heerlijk schoon is -de zonnige morgen, vreugde is er op eiland en zee, vreugde om Amfitrite -en om Dionyzos... mijn wingerd weligend heerlijker dan ooit en ik... ik -zoû weenen willen...! Ampelos, laat mij weenen in je arm... Vriend, -neem mij teeder aan je borst... Laat mij je hart voelen kloppen... Ik -ween, zie, mijn tranen vallen... Ik ben niet meer het kind, dat de -nymfen van Nyza—nu de dartelste der Bassariden—opvoedden tusschen de -anemonen; ik ben niet meer de knaap, tot wien neêrdaalden de Muzen met -waardigen dans en edel rythmiesche maat; niet meer de dartele leerling -van Silenos, die spotte met zijn wijsbegeerte; ik ben niet meer de -allereerste wijnbouwer, blij, zalig om Zeus’ nieuwe gave aan zijn -godenzoon... Ik ween, zie, ik ween, weemoedig... Mijn weg was éen -zege... en ik ween... Ik overwon koninkrijken en landstreken, ik -sprenkelde de vreugde overal, tot in Tartaros toe; mijn agavesteel -versloeg de Giganten... En ik ween... Mijn ziel zwelt van weemoed... ik -wil zijn als een kind... Ampelos, laat mij in je armen weenen, en -troost mij... Zeg mij éen woord, dat mij troost... Geef mij troost, -MAAR LAAT HET GEEN DRUIVETROS ZIJN... Neen, geen schaal, geen tros, -geen vreugde... Ik verlang iets, ik weet niet wat... O, mijn moeder, -Semele, gij verlangdet als ik... en Zeus willigde uw verlangen in! Gij -verblaakte, zal ik òok verblaken? Vrouw van de aarde, ben ik uw zoon? -Aarde, ben ik uw kind? Ween ik daarom? Ik verlang...: o wat verlang ik? -Wat laat mij weenen en onrustig zijn, terwijl cymbelschel de Vreugde -heerscht? Ampelos, o ik wensch, ik verlang... Ariadne de vreugde te -sprenkelen, zóo dat zij die aanvaardt zonder bitterheid! Helaas, zie... -zij lacht, zij zwiert, zij zwaait den thyrs, zij drinkt-uit de volle -schaal... rondom haar juichen de dolle menaden... en ik zie haar groen -juweelen oogen dol kijken met den blik van een ree, die Artemis jaagt! -Ampelos, ik ben onmachtig... Ampelos, de smart overwint mij! Ariadne’s -smart overwint mij! Eenmaal zal MIJN Smart... mij dooden!! - -—O, mijn onsterfelijke god en mijn vriend, nooit zal de smart je -dooden! - -—Ik, ben ik onsterfelijk? - -—Worden zal je het, langt eenmaal Hebe je nektar. - -—En Ariadne? - -—Wie weet... - -—Ampelos, ik heb haar lief! - -—Sedert wij, Dionyzos, spaarden de smart, verwon de smart ons... maar -niet tot den dood! - -—Overwint de smart ons... Overwint de smart je... Ampelos...? - -—Mij...? De weemoed verwint mij zeer zeker... - -—Waarom? - -—Ik had Dionyzos lief als de Vreugde... Ik torste de zegevierende -Vreugde op mijn schouders... Wij verwonnen de Wereld! - -—Nog niet... nog niet geheel... - -—De Weemoed verwint mij... Ik troost Dionyzos weemoediger dan -Hermafroditos ooit was... En als de Smart... - -—Als de Smart? - -—Zal ik hem niet troostend omhelzen! - -—Ampelos, waarom zal je Dionyzos, als hij de Smart is, niet troosten? - -—Ik zie de Toekomst... ranken steeds als éen druiven weg: ik zie, een -vrouw, een vrouw blank... - -—Ariadne? - -—Zij! - -—Maar Ampelos? - -—Ik niet!! O, de Weemoed verwint Dionyzos’ Faun... - -—Waar is de eerste Vreugde! - -—Waar is de Vreugde! - -—Ampelos, bied mij den beker! - -—Ik zie er geen! - -—Ampelos, hier bied ik een tros je! Ampelos, ik beveel je: heb -vreugde!! - -Blauw omglansd, straalde de god heerlijk op, en hij reikte Faun den -vollen tros. En Ampelos omhelsde dien woest, maar hij omhelsde -tegelijkertijd Dionyzos. - -—Zware tros! riep hij razend uit. Zware tros, Dionyzos, stroom uit in -mijn omhelzing! Ik wankel onder je bezwijmeling! - -—Ampelos, Ampelos, kom mee! riep Dionyzos vervoerd in zijn armen. Ginds -zwieren zij allen, in hoogste verrukking; ginds zwiert Ariadne en wenkt -mij! - -En hij sleepte woest aan de hand Ampelos meê, die den gepletterden tros -uit zijn omhelzing liet vallen... - -Uit de schaduw der oleanders trad Hermafroditos te voorschijn, en hij -zag den god en zijn Faun, de hand boven de oogen, lang na... - - - - - - - - - -XIV. - - -Feest was arbeid tevens geweest en de saters, zonen van Pan, hadden -overal, waar gunstig de plek was, den wijnstok Dionyzos’ geplant. Als -éen groote tros zwol zelve het eiland purper, en nu de nacht donkerde, -zonk de loome bewustloosheid van den slaap overal neêr als een -betoovering over wijnbouwers en vierders van feest. De zee, ontvolkt -van waterschepselen, gladde in Selene’s zilveren ernst zich strak als -met blinkende lakens toe naar den einder, die huiverde, nauwlijks -zichtbaar. De lucht welfde wolkenloos, en Selene stond vol en -straalde... Onder den nieuwen wingerd drukte op wijndronken Naxos de -slaap zwaar. De druivetriremen dreven roerloos; op het strand lagen, in -de armen elkaâr, de uitgefeeste schepelingen. In de bosschages snorkten -saters en slapende wilde beesten, getemd. - -Op een violensponde lag Dionyzos. - -Hij lag, het hoofd diep achterover, en zijn bronsblonde lokken, -ontknoopt, stroomden over zijn schouders en op den grond. En hij lag, -slapende, als een god, die lijdt. Over zijn voorhoofd pijnlijkte een -ernst weemoedig, zijn mond was open en hij hijgde zachtjes. Zijn arm -sleepte op den grond laag en zijn hand hield krampachtig grashalm -omklampt. Toch, niettegenstaande zijn leed, was een blauwige schijn om -hem, en Ariadne, van verre, alleen wakende nog, zag verwonderd naar -dien bijna maneglans. En zij murmelde: - -—Zie, hoe hij ligt en glanst! - -Zij naderde en in de slaapstilte zag zij op hem en hem lijden. - -—Hij lijdt!? En toch kent hij de Smart nog niet en lijdt hij niet om -zijn eigene smart! Hij lijdt om Ariadne’s Smart... O, in den wilden -dans heeft hij het mij herhaald: „nu voel ik den wensch zwellen in mijn -hart te doen wisselen de smart voor de vreugde in glanzende -levensverwording... maar zonder bitterheid, zonder bitterheid, -Ariadne!” Helaas, ik heb het hoofd gebogen in een glimlach en zijn -beker aanvaard. De woeste vreugde heeft mij verder gesleept, ik heb de -woeste vreugde aanvaard! Aanvaard ik morgen Dionyzos’ eigen en edelere -Vreugde? Dezen nacht al? Drukte ik hem, in een tros herschapen, al niet -in weelde van liefde aan mijn lijf? Thezeus...! Thezeus...!! Wat is -Thezeus ver! Waar is de nacht van gisteren, toen ik lag in Thezeus’ -armen, in zijn liefde wreed maar mij goddelijk! Waar is de morgen des -wreeden ontwakens, toen ik na veel weifelen en hopen de zwarte zeilen -ten laatste aan den einder zag! Ver... ver is het alles heen... In het -ijle, in het ijle... Tooverspel van tinten! Zeepbel na zeepbel na -zeepbel! Weêrschijn na weêrschijn na weêrschijn! Helaas, wat kan ik, -zwakke, tegen het goddelijk sterke leven! Wat kan mijn zwakke ziel -tegen den troost, die haar overweldigt en haar bezwijmelde met purperen -tros! Wat kan mijn smart tegen de goddelijk sterke vreugde der zee en -des omwingerden eilands! Ik sta met mijn smart alleen in een -duizendvoudige jubeling! Het jubelde van alle zijden naar mij toe: -Dionyzos, Dionyzos! Hadde hij mij niet gespaard, de vreugde had mij -verscheurd als een blijde leeuw een blatend en klagelijk lam! Hij -spaarde mij, de vreugde verscheurde mij niet, maar zij omdrong mij van -alle zijden. De lucht was vol van het vreugdegeschal. Zee en eiland -bevolkten de dansen der vreugde. Ik dwaalde alleen met mijn smart! Ik -weende alleen met mijn smart! Ik verborg mij onder wingerdtente en de -Tros viel mij in den schoot! O, zwak lichaam, o zwakke ziel, zwakke -smart die zich wèl troosten laat... Geen smart duurt langer dan de -sterke Vreugde het wil, zoodra deze haar verwint... O smart, o smart, -blijf bij mij! Wat roep ik, wat klaag ik, vergeefs! O, wat kan ik, -zwakke, tegen het sterke leven, tegen de sterke Vreugde, wat kan ik -tegen Dionyzos! Hij overwon mij, en spaarde mij... Goden, ik heb hem -lief!! Thezeus, ik heb Dionyzos lief! Wreede held, Ariadne bemint den -zachten wereldverwinnaar! Helaas, hij lijdt om mij! Edele god, gouden -god, purperen god... hij lijdt de smart van Ariadne, want eigen smart -weet hij niet! De vreugde zonder bitterheid...! Onverzoenlijke, gij -zult het nooit willen... Afrodite, gij wilt het niet! Ik ben het kind -van Pazifaë, ik ben een spruit van goudglorenden Helios... O, ik heb -hem lief, ik heb hem lief! Ik ben het kind van mijn moeder: Afrodite -bezielde ons altijd... Wat is dit voor een nieuwe liefde, die mij smelt -in het hart, in de oogen met tranen, op den mond met een smachting naar -zoenen! Trillend sta ik naast zijn sluimering en zie ik op zijn lijden -neêr... O, hem niet meer lijden te laten; o, de vreugde alsemloos te -aanvaarden! Het zoete van zijn beker alleen en niet de droesem van mijn -smart... Smart? Heb ik smart? Ver... ver is mijn smart heen! In het -ijle... in het ijle! Tooverspel van tinten! Zeepbel na zeepbel na -zeepbel! Weêrschijn na weêrschijn na weêrschijn! Er is niets, er is -geen smart... O, arme menschen, arme halfgoden! Gij lijdt en hebt lief -om niets! Boven u glimlachen de goden sterk... Mijn ziel, ze herbloeit -al weêr... Wat geeft het of ik er zelve om ween! Mijn ziel herbloeit, -zij herbloeit! Zij is dronken van vreugde geweest, en nu, nu is zij -smachtend naar vreugde weêr! Zijn edele vreugde na hun woeste -vreugde... O, goden, ben ik gelukkig, gelukkig, terwijl ik ween? -Thezeus... gij zijt ver: alle verschrikking, alle afschuw, alle -wreedheid, alle wanhoop... het is alles, het is alles zoo ver...! Er is -niets dan Naxos... Dionyzos’ Naxos... er is niets dan Dionyzos! Zijn -vreugde! Een god... een god troostte mij! Dionyzos troostte Ariadne! De -fluiten pepen troostvol, de cymbels sloegen goudschellen troost, de -trossen stroomden purperen troost! O, stille nacht, o stille nacht van -troost! O goden, ik ben gelukkig! Mijn tranen vloeien om mijn zwakke -zelf, maar ik ben, o goden, ik ben gelukkig! Ik sla mijn armen uit, ik -weet niet waarheen, van louter, van louter geluk! O, zoo zwak in smart, -is Ariadne gelukkig! O, geluk, vluchtiger misschien dan de smart mij, o -vreugde, waarheen slaan mijn armen uit? Dionyzos, Dionyzos, ontwaak! -Ontwaak, ontwaak... Ik ben gelukkig!! - -En op de knieën naast zijn violensponde viel Ariadne naast Dionyzos -neêr en omhelsde zijn afhangende hand. Hij ontwaakte en hoorde haar -laatste woord, en voelde op zijn hand haar zoen. Toen murmelde hij, nog -slaap-, wijn- en leeddronken: - -—O, Ariadne, nu voel ik den wensch zwellen in mijn hart... - -—Te doen wisselen de smart met de vreugde... Maar zonder bitterheid, -zonder bitterheid. - -—Ja, zonder bitterheid, Ariadne... - -—Dionyzos, ik bèn gelukkig! Ik ween om mijn zwakheid, maar helaas, -Ariadne is gelukkig! - -—Sprenkel ik vreugde, Ariadne... - -—Ja... Dionyzos, vreugde en geluk, gelúk! Zie, ik ween aan je voeten, -omdat alles, alles, zoo ver is... Thezeus, verschrikking, afschuw, -wreedheid en wanhoop... en omdat ik heel bang ben voor het geluk, dat -heel broos zal zijn, als de smart al zoo broos was... Maar ik ben -gelukkig, ik ben gelukkig! Wat kan tegen het sterke Geluk! Wat kan -Ariadne’s zwakke smart tegen het overstelpende sterke geluk! Vreugde en -geluk zijn als krachtige saters, smart was als een weenende nymf zwak! -Vreugde en smart, rood als wijn, goud als zon, schaterend als Dionyzos, -verkrachtten mijn arme zwakke smart in het druivegenot, en de zee -lachte, de lucht lachte, de aarde lachte... àlle, alle goden lachten, -schaterlachten om de arme verwonnen smart! Goden, ik hoor zelfs Thezeus -lachen! Alleen... ik hoor niet Afrodite’s lach en ik vrees voor die -schijnkracht van geluk en van vreugde... - -Op zijn sponde zat de god overeind en hij hield Ariadne in zijn armen. -Zij zag hem aan, hij zat in glans als in eigen maneschijn en van zijn -voorhoofd was het leed opgeklaard. Rustig, zelfbewust en jong heerlijk -zat hij en hield zijn bruid in de armen, heerlijk schoone dochter van -Helios’ dochter. En hij zeide: - -—Ik weet, dat ik de Vreugde ben, en dat heel sterk is mijn Vreugde! Ik -weet, dat ik de Vreugde altijd was, en ik gloei van trots, omdat ik de -wereld overwin, aardsch erfdeel, door Zeus mij beloofd! Hoor, Ariadne, -de Vreugde zal altijd krachtiger zijn dan de smart! Heerschen over de -wereld zal altijd mijn Vreugde! O, zaligheid, zaligheid: Dionyzos -heerscht, zijn Vreugde heerscht! Ariadne, welk geluk zwelt in mijn -ziel! Sprenkelde ik je de vreugde, Ariadne? Is er geen alsemdrop meer -in den beker? O, zaligheid, o, zaligheid; o, vreugde... O Zeus, heb -dank voor mijn kracht, en mijn erfgoed! Wat ziekte in mij van weemoed -en weifeling! Waar is Ampelos, opdat ik hem vraag...! Wat twijfelde ik -ooit toch aan mijzelven... O, zaligheid, o zaligheid... Zie, Ariadne, -ik sta op...: ik ben een man; ik groeide van vreugdekind en van -vreugdeknaap tot een vreugdeman; ik voel mij sterk en onoverwinlijk...! -Dit is omdat krachtig mijn Vreugde is, onoverwinlijk, en omdat ik ze -overàl sprenkel! De wereld sprenkel ik ze over! O zaligheid, o -zaligheid... Ariadne, ik ben gelukkig... Wat dacht ik aan Smart toch en -welke smart kan mij treffen, nu ik Ariadne’s smart heb gelenigd en haar -vreugde heb gesprenkeld! O zaligheid, o zaligheid: ik verlang naar den -nieuwen dag! Bruid, ik smacht naar den nieuwen morgen! Grijze -schemering, vlied! Eos, verschijn! O, zaligheid, Dionyzos, gelukkig, -vreest niet de broosheid van zijn geluk... Stil Ariadne, twijfel -niet... Hier, in mijn arm voer ik je voort naar het strand van de kalme -zee! Zoolang mijn zeereis dure, zal geen storm woeden: Poseidoon heeft -mij lief; hij gladt-uit zijn waterwegen! O, zij hebben mij allen -lief...! Ik sprenkel ook vreugde hun, den grooten goden. Zij zien -lachende op mij neêr, als ik strijd... Zij hebben mij allen lief...! -Stil, o bruid, twijfel niet! Zij hebben mij allen lief...: Afrodite... -zij heeft mij lief... Zij kàn Dionyzos zijn bede niet weigeren. Stil -Ariadne stil, nu bid ik tot Afrodite... In den nauwelijks rozigen -morgen, o Afrodite, hoor mijn bede... Ik ben Dionyzos, die je roept... -Zie, dit is Ariadne, en je toornde haar als je deedt alle de haren. Je -gaaft haar de liefde en je strafte haar in liefde! O, goudene Afrodite, -is het aan godin, zoo duive-lieftallig, en zoo overmachtig schoon, te -zweren wraak zoo onverbiddelijk? Afrodite, hoor: als een sterveling -gewoon, bidt Dionyzos bij de zee, uit wier schuim je oprees -verblindend: wees Ariadne en wees mij genadig! Niet anders dan als een -herder, die je twee tortels brengt in je tempel, bidt Dionyzos, zoon -van Zeus, god der vreugde, verwinnaar der wereld tot het morgenland -toe: O, Afrodite, wees ons genadig! Wees onze liefde, ons geluk -genadig! O Afrodite, wees de Vreugde genadig!! - -Zoo bad de blijde god Dionyzos en hoewel zijn gebed smeekte en nog niet -juichte, was hij vol vertrouwen, in Afrodite, en in Zeus, zijn vader. -En hij stond aan de parelige morgenzee, en zag naar den pareligen -morgenhemel, achter wiens azuur de goden, zijn goddelijke broeders en -zusters, en onder hen Afrodite, hem zeker wel, Ariadne in de armen, -schuchter,—welgevallig glimlachend zouden gade slaan. Hij stond en de -blik vol vertrouwen, violenblauw, zocht in den hemel, die klaarde; zijn -oor luisterde als naderde op zijn bede antwoord; zijn glimlach was een -jeugdig blijde zelfbewustheid. Zijn hand streelde Ariadne’s zongoudene -haar, en zij, aan zijn hart, hoorde zijn liefde. Een angst voor de -Onverzoenlijke deed haar eigen hart kloppen onstuimig. Zoû de wreede -godin, schrik van Kreta, geesel harer in verdwaaldheid bemind hebbende -moeder, hooren en een teeken geven? Wat verwachtte haar goddelijke -bruidegom? Zij zag op van Dionyzos’ borst. Zij zag uit over de zee. Het -krokoskleurig gewaad van Eos was reeds in ijlte verbleekt en Ariadne -schrikte op, omdat aan den einder, uit de breed ontslotene poorten, in -helderder uitstraling van goud, als op goudenen heirweg, die zich langs -den hemel rondde, Helios verscheen, in de zonnevuisten de blinkende -leidsels des vurigen, schuimblanken vierspans! Nooit had zij den god, -vader harer verdwaasde moeder Pazifaë, zoo in zijn zonneglans gezien. -De dag, plotseling, gloeiend van glorie, straalde wijd, wijd uit over -de aarde en over de zee: het was of de zee zich uitbreidde, blauwer; -het was of zij overal eilanden zag liggen, die zij nog niet had gezien; -het was of zich vergoddelijkte de menschelijke wereld, het geurige -eiland van haar smart en geluk. Uit de zee, hier en daar, overal, doken -de Nereïden op, zingende elkaâr toe, wuifden elkander, wezen met den -vinger uit... Wezen zij naar de glorie van Helios, die nu mende zijn -stralend vierspan den hemelheirweg op, hij staande triomfantelijk in de -zonnekar? Neen, zij wezen lager, naar de Oostelijke poort, die, nog -niet gesloten, uitvloeide een parelen lichtstroom... En plots zàg -Ariadne, en gaf zij een kreet, en klampte zich aan Dionyzos. Want zij -had herkend en in Dionyzos’ arm stierf zij bijna van angst, hijgend. -Zij had herkend! Op den parelen lichtstroom, die na Helios’ goudgloed -schoot uit de steeds opene poort, dobberde over de kalme zee, -nauwelijks morgenbriesgerimpeld, een heel groote schulp, en op die -parelmoêrige dobbering naderde-aan Afrodite zelve! In doodangst zag -Ariadne toe. Zij had de godin, vijandin haars geslachts, nooit gezien -en zij wist niet, wat zoû gaan gebeuren. Zij gaf een kreet, half in -zwijm tegen haar bruidegom aan. Maar in een parelen glorie, te -heerlijker, daar Helios zoo straalde, dobberde nader op haar schulp de -godin, die stond; en de druk van haar teen stuurde de schulp, naar het -scheen, waar zij wilde, in de richting van Naxos, van Dionyzos. Zij was -zoo schoon, dat Ariadne ontzette. Zij was zoo schoon, dat de Nereïden -staakten den zang, en openmonds bleven staren. Zij stond in hare kalme -overheersching van bovenmatige schoonheid, en haar glimlach omdreef -haar met een hellen glans, en toch was die glimlach er een van een -kind, een bedorven kind en allerlieveling. Het hoofd geneigd ter zijde, -glimlachte Afrodite. Hare schoonheid boetseerde haar in levend albasten -lijnen, die heel week en nauwelijks wisselden. Hare schoonheid was een -lieftalligheid, die kon goddelijk zijn, een lieftalligheid eeuwig en -oppermachtig. Nader aandobberend, staarde Ariadne haar aan, en vergat, -dat zij heur vijandin was. Het zuiver edele van het gelaat versmolt al -te groote strengheid in den glimlach, die glansde. Van de heel ronde -kruin golfde het haar opgeknoopt als een vloeiend goud en kruivende -licht. De rozebladronde schouders, de leliënde armen, de dubbelgeroosde -boezem, liervormig de heupen, de bloemestengelende beenen, voet, van -welk éen stuurde de schulp, schenen uit tastbaar licht geschapen, en -het licht bezield met leven en god-vrouwelijkheid. En zij was zoo -schoon, dat zij op dit oogenblik van overglanzing nauwelijks -verzinnelijkte tot welken zweem ook van wellust. Uit de zee waren de -tritonen gedoken, en, de godin herkennende, toeterden zij schel hun -hoornschelpfanfare. Uit de oleander- en laurierbosschages waren -aangestroomd de faunen en saters en heel Dionyzos’ leger bevolkte in -dicht gedrang het strand, maar zoo schoon was Afrodite, dat -onbewegelijk saters en faunen stonden, geboeid door hare schoonheid -alleen, van welke nooit wederga was gezien. Bij haar werden de Nereïden -en nymfen lieftallige schepselen, onbeduidend, en Ariadne’s zonnige -schoonheid verbleekte tot een schim. Zoo naderde Afrodite. Geheel de -zee zag haar aan, lucht zag haar aan, alle schepselen staarden haar -tegen. Zij was de heerlijkheid van hemel en aarde. Zij scheen het niet -te weten. Zij glimlachte alleen en scheen niet te weten, dat glànsde -haar glimlach. Rondom haar fladderden eroten en wierpen rozen neêr. -Hare triomf was onvergelijkelijk met welken triomf ook op aarde... Aan -de kim was de poort gesloten, Helios verijlde in het azuur; het -parelige pad verbleekte, maar om Afrodite schitterden haar eigen glans -en haar glimlach. - -Plotseling weêrschalde een gejuich. Aangedobberd, genaderd het strand -van Naxos, was zoo vervoerende schoon de godin, dat allen juichten, dat -alles juichte, dat de tritonen toeterden, de faunen pepen; de saters, -dol, orgelden hunne schelle gamma’s. En Dionyzos riep uit, in -verrukking: - -—O, Afrodite, je nadert mij, op mijn gebed, over de van liefde bevende -zee! O, Afrodite, je nadert mij! Je glimlach baadt mij in een -glinsterend geluk! Mijn Vreugde straalt op in je schoonheid! O, -Afrodite, Afrodite, mijn stem schiet te kort je toe te juichen en tegen -te danken! Je duldt Ariadne’s geluk? Je staat Ariadne mijn Vreugde toe! -Afrodite, ik zie je glimlachen! O godin, heil der aarde en lust van de -goden, ik val je te voet en ik bid je aan! O, heerlijke almacht, wij -vallen te voet en bidden je aan! - -De godin, glimlachend, had haar schulp gestuwd en strandde haar op het -strand. En Dionyzos voerde zijn bruid haar te moet, waar zij wachtte in -de schulp, te midden der fladderende eroten. Toen nam Afrodite van -zeven sterren een kroon, die haar aanboden de liefdegoodjes, en zij -plaatste ze op Ariadne’s hoofd. En zij zeide: - -—O, blijde god Dionyzos, wees juichende god Dionyzos weêr! Wees -jubelende Dionyzos! Verover de wereld in vreugde! O, Ariadne, wees -Dionyzos’ bruid! Niets kan IK Dionyzos weigeren: al wat hij vraagt, sta -ik hem toe! Vraagt Dionyzos mij vreugde voor Ariadne, hij, die zelve de -vreugde sprenkelt, dan weiger ik mijn vreugde Ariadne niet. Dan geef ik -Ariadne mijn vreugde! Helios hoor: ik eindig mijn wraak, omdat Dionyzos -het vraagt! - -Op den hemelheirweg verscheen, mennend zijn schuimblank vierspan, -Helios en hij aanhoorde het woord der godin. Zee, lucht en aarde -vierden Dionyzos’ hoogtijd overstelpend geluk. - - - - - - - - - -XV. - - -Tot afreis was besloten, en de saters, bezig met het inschepen der -wilde dieren getemd, zat Silenos naast Ariadne op zodenbank, en zag -bekoord haar aan, terwijl een krans van narcissen zij vlocht. En hij -zeide, de oude Silenos: - -—Voorwaar, overgoddelijk schoon is ons de glimlachende Kypris -verschenen, en wij geen van allen, o Ariadne, wisten welk wonder wij -zagen gebeuren en wat er in parelen glorie aandobberde op de verliefde -zee. Wij waren verblind en verstomd, en wij stonden als ezels te -kijken, terwijl de schoonheid zoo rustig in haar stralenden glimlach -ons naderde. En toen wij juichten haar huldigend tegen, klonk ons -huldegejuich als ezelgebalk, maar welwillend bleef Afrodite en ik heb -haar niet fronsen gezien. Zij glimlachte, zij glimlachte steeds! -Lieflijke kleindochter van Helios, bleek was je en een schuchter -vrouwtje, vergeleken bij die aantriomfeerende heerlijkheid, maar nu zij -in parelen glorie terug is gekeerd en ik je aanzie, o Ariadne, nu ben -ik wèl tevreden en kan ik mij begrijpen, dat na Dionyzos’ hymne, zijn -thiazos je blijde een hymne toezingt. Ware mijn stem niet altijd schor, -ik stemde mede in die hymne, Ariadne... Nu zegt Silenos het je maar -vaderlijk-weg, in rustige, eenvoudige woorden: Ariadne, ik ben -verheugd, dat een edele vrouw onze overwinnaarstocht zal medemaken. -Zie, Ariadne, wij misten de vrouw, de edele vrouw van maat, de vrouw, -die geleefd en geleden heeft, en weet wat het leven waard is. Dat weten -niet menaden en nymfen, in haar steeds oproerigen jubel. Ja, Ariadne, -wij misten de vrouw! O, Ariadne, nu je glimlacht, neêrgebogen je -goudzonnig gelokte hoofd over die witte vingers narcissen strengelend, -en wil, vorstin, wel luisteren naar het vaderlijk woord van je -bruidegomsmeester, nu gelijk je mij bijna een Muze, zoo lieflijk als -wie ook der negen, en even rythmiesch van maat in ziel en in zijn als -zij. En Ariadne, wij missen de maat. Dionyzos is boven rythme en boven -maat verheven, maar wij, sterfelijke wezens des wouds? Wij zijn daar -niet boven verheven, en zijn onmatigheid verleidt ons, Ariadne, tot -heel erge, tot heel erge dingen... Ik mag het je nu wel bekennen: -Ariadne, ik ben altijd dronken. Eigenlijk ben ik altijd dronken. De -druif te drinken is mijn ondeugd geworden: er gaat niets boven te -drinken de druif. Ariadne, sedert Dionyzos mij beval te drinken, heeft -Silenos geen maat gehouden. Ik dronk maar. Hij lachte er om, maar ik -geloof niet, dat de ware vreugde is altijd te drinken de druif, en -altijd druifdronken te zijn...! Wat dunkt je, Ariadne? Vroeger dacht ik -veel na, en was ik heel wijs van weten: nu weet ik weinig, en, ouder -van dagen, drink ik veel en ben ik veel dronken! Daar voel ik om wat ik -nooit kende: weemoed, Ariadne... Weemoed is in mij gevaren, omdat ik -zoo zwak ben en altijd ben dronken. Nu geef je mij toe, dat wij veel, -menaden, saters en faunen zelfs, en zelfs heel jonge Panszoontjes, -dronken zijn, maar dat is geen reden, o Ariadne, dat, oud-van-dagen, -Silenos, en zijn ouden-van-dagen, Silenen rondom hem, dronken is en -steeds dronken zijn. En als ik er over denk, o Ariadne, dan voel ik -weemoed zóó, dat ik drink, en weêr dronken ben. Het is de schuld van -Dionyzos, maar hoe het hem te verwijten! Hij is een god, hij goddelijkt -boven ons uit. Is hij dronken, dan is zijn dronkenschap goddelijk... -Gisteren nacht heb je hem dronken gezien! Ariadne, was hij toen niet -mooi? Was Dionyzos ooit heerlijker, o Ariadne, dan dronken op zijn -hoogtijdsfeest! Hij gloeide van enthouziasme, energie... Dan wil hij -allen de vreugde sprenkelen! Dan is hij alleen wreed wie de vreugde -niet wil, want hij kan wreed zijn, je zachte verwinnaar! Maar wij... -Ariadne, dronken, wij zijn het nooit goddelijk! Wij vooral niet, -ouden-van-dagen, Silenen rondom Silenos! Een dronken menade is nog heel -bekoorlijk; een dronken sater, hoe woest ook, is guitig; een dronken -faun blijft een faun, heerlijk als een bloem of een boom, maar een -Sileen, ik, met kale bol, en dikke maag, dronken, ik ben niet -bekoorlijk, o Ariadne! Ik ben van een leelijke dronkenschap... Wijnlof -om mijn slapen en lendenen staat mij zot; ik droeg liever een -wijsgeersmantel. Helaas, ik bezit er geen een meer, marmerblank van -plooien: mijn mantels zijn purper voor feest of grauw voor de reize, en -zoo purper en grauw is mijn ziel ook naarmate feest- of reisstemming ze -kleurt... O Ariadne, ik juich, dat je, vorstin, ons beheerschen zal, -naast goddelijken Dionyzos zelven... Je staat ons nader dan hij. Je -glimlacht mij toe welwillend... Zie Ariadne, maat en rythme zal je -zeker ons geven, en zelfs in bakchantische vreugde, Ariadne, kan ik je -me niet dronken denken. Neen, Ariadne, ik kàn je dronken niet denken! -Menade-zwierend tusschen menaden, in tijgervel, wijnlof, met rinkelende -belletjes der blijde tamboerijnen zal, Ariadne, wèlbewust blijven je -edele beweging, je sierlijk gebaar, je golvende dans, je zwaaiende arm, -je rustiger weemoedsblik, je lach en je blijdschap, en je dronkenschap, -Ariadne, zal de Vreugd zijn, goddelijk naast die des gemaals, en tevens -begrijpelijker wellicht voor ons! Zoo Ariadne, word je ons tot zegen! - -Terwijl vaderlijk teeder en bij uitzondering nuchter, Silenos zich zoo -uitte tegenover de stil gelukkige Ariadne, scheepten met ijver de -faunen en saters de tamme leeuwen en panthers in en der Silenen blanke -muilezelen en ezelen. Dien middag zoû Dionyzos’ vloot Naxos verlaten, -de kusten des morgenlands te-gemoet. De god zelve staarde op een rots -de zee omrond, die kalm lag, en hij zag het eiland als een prieël van -druiven. Hij zag naar den arbeid bij zijn schepen: uitgelaten trokken -de saters de brullende leeuwen voort aan sterke touwen van lianen en -gevlochten veil. Geroep weêrklonk, een enkele tamboerijn rinkelde in de -hand eener nymf, de Silenen stonden in grauwe mantels en met hoeden op -breed, en waren, lachende om een grap, op het strand, als een groep -dikbuikige en blijmoedige filozofen. - -Plots schokte Dionyzos uit zijn glimlachende peinzen op. Tusschen de -scheepsrumoerigheid op het strand, tusschen geluid van roepende -stemmen, van kwinkslag en lach, en rinkelen van ènkele tamboerijnen, -meende Dionyzos te hooren melodie, die hij dadelijk herkende: de blijde -wijze, die klonk uit het diepst van het bosschige eiland; de blijde -wijze van Ampelos’ fluit, maar zoo klagend van weemoed, dat blij de -wijze niet was, en zij verklonk, droevig parelende roep, in een -weemoedige wijze. Dionyzos luisterde, en hij sprak tot zich: - -—Waarom, in deze laatste oogenblikken van ons verblijf alhier, roept -mij Ampelos tot zich in het diepst van het eiland, daar waar de -bosschages zoo donkeren, dat mijn saters er den wijnstok niet hebben -geplant? Waarom voegt hij zich niet bij zijn faunen of scheept hij niet -in zijn eigenen leeuw?... Hoor, hoe zijn fluit de wijze zingt... altijd -de zelfde, maar lang niet meer blij... - -En Dionyzos daalde de rots af en dwaalde, alleen, het bosch in; -padloos-recht af schreed hij toe op het klagend en roepend geluid, dat -eenmaal was het blijde geluid geweest... Hij trad het struikhout plat -onder zijn voet en zijn handen scheurden de lianen van een... -Duidelijker maar ook weemoediger hoorde hij de wijze klagelijk -ruischen, en nu haastte Dionyzos zich, angstig. - -—Ampelos! riep hij. O mijn Ampelos... - -Stem antwoordde niet; hooger alleen riep de fluit, als met een plotse -uitbarsting van weemoedig verlangen. Een dicht gewarrel van -kamperfoelie scheurde Dionyzos als een voorhang van een en dáar, in -dichte cypressenschaduw, op den grond bijna zwart, lag Ampelos voorover -en speelde zijn lange fluit. - -—Kwam ik niet altijd als mij lokte de blijde wijze? Was zij niet steeds -sterker dan mijn eigen wil? Maar de blijde wijze is de blijde wijze -niet meer... - -—En Dionyzos’ Faun is niet meer zijn faun! - -—De weemoed verwon hem? - -—En hij schuilt, schuw voor licht, in cypressenschaduw! - -—Ampelos, Ampelos, op! De saters maken de schepen gereed en leiden de -wilde beesten binnen. Mijn schip versierden met rozen de nymfen -tusschen de druiveranken der masten, en zij spreidden Ariadne een -sponde van versche rozebladeren! - -—Dionyzos, overwinning, éen overwinning, een purperen overwinning zal -je verdere reize zijn... - -—Aan Ampelos’ zijde, op zijn schouder! - -—Niet op mijn schouder en niet aan mijn zijde... O neen, Dionyzos, -neen! Hoor... Zet je hier in deze schaduw... Zie, voor het laatst... - -—Voor het laatst...?! - -—Voor het laatst laat ik viooltjes ontbloeien, tallooze en geurende, -daar waar je rust... Hoor mij, o Dionyzos: Ampelos is niet meer -blijde... - -—Waarom...? - -—Hij is niet meer rustig blijde en kalm van vreugde en blijmoedig van -glimlachenden ernst, zoo als hij was toen hij niet meer was dan een -blad, een bloem, een boom, dan wolk, aarde, of water, niets dan een -wezen des wouds, geboren uit het woud zelve, geboren uit de eigen -natuur, en gedachteloos bloeiende als die natuur zelve, o Dionyzos! -Sedert Ampelos droomde en, ontwaakt, vond den stok in zijn palm gevlijd -door Zeus zelven zeker... sedert Ampelos riep Dionyzos door het woud -van Nyza, hem lokkende met de blijde wijze, sedert Ampelos plantte met -zijn god den wijnstok en zijn god torste ten strijde en vierde zege aan -zijn zijde... sedert vermenschelijkte Ampelos, en ging zijn hart voelen -aandoeningen als die der menschen! Die aandoeningen zijn van juichen en -klagen, van liefde en van leed, van vervoering en wanhoop... maar zij -zijn niet meer die der kalm blijmoedige natuur, en niet meer die harer -rustig vreugdvolle wezens... O, Dionyzos, soms meende wel Ampelos, dat -hij vergoddelijkte met je meê, meê met je steeds goddelijke -vervolmaking, maar, Dionyzos, zijn trots bedroog hem, helaas, en het -was niet vergoddelijken, het was vermènschelijken, wat hem gebeurde... -Dwaalde hij alleen in het woud voortaan, hij voelde zich niet meer -doelloos gelukkig, hij voelde zich mènsch met smart en geluk... En -omdat de mensch die beiden bergt in zijn ziel, is vooral weemoed den -mensch, en heeft Ampelos, vermenschelijkt, den weemoed vol zijn ziel -voelen vullen... - -—O, Ampelos, voelde IK den weemoed niet... - -—O, Dionyzos, je voelde den weemoed, als je vermenschelijkte: dat was -in zwakte! O, Dionyzos, zoon van Semele, je bent zoon van Zeus: na -zwakte in weemoed, vergoddelijkte je zoo gauw in glans, in hoop, in -vertrouwen, in zekere bewustheid van taak: de vreugde te sprenkelen der -sombere wereld! Na menschelijke neêrslachtigheid straalde je òp in -goddelijke juiching en wìst je, dat de Vreugde zal de wereld -verwinnen... Je weemoed is niet meer dan een schaduw van je lichtende -vervolmaking! Mij wierp de weemoed in cypressenschaduw neêr... - -—Als eenmaal Hermafroditos!! - -—Als eenmaal Hermafroditos: de Weemoed, godenzoon: zoon van verstand -stralenden Hermes, schoonheidstralende Afrodite... Helaas, ik ben niet -van goden een zoon... Ik ben geboren... uit wie? Uit het woud zelve: -uit aarde, uit natuur: mijn ouders kan ik niet noemen: mijn vader was -samen met boom, wolk en water, mijn moeder met bloem, dauw en -vruchtbare aarde: uit meer niet, Ampelos, ben ik gebloeid. Ik -vermenschelijkte, ik vermenschelijkte, o Dionyzos! - -—En je zal vergoddelijken, o mijn vriend! - -—Neen, ik zal niet vergoddelijken, vriend! De aandoeningen der menschen -beheerschen mij, en zij maken mij bang voor dit leven, en die vrees zal -mij eeuwigen weemoed geven... - -—O vriend, mijn vriend, wat overstelpt je heerlijke ziel! O vriend, -laat mij den tros je langen... - -—Geen tros, geen beker, geen vreugde... Dionyzos, aan mijn -menschenlippen! Helaas, mijn weemoed is een dorst onleschbaar... - -—Op! Nieuwe overwinning vervroolijkt je... - -—Nieuwe overwinning maakt Ampelos, vermenschelijkt, niet meê... zoo hem -Dionyzos zijn wensch toestaat... - -—Ampelos’ wensch? Ampelos heeft aan Dionyzos een wensch? En toestaan -zoû die niet Dionyzos? Wensch, Ampelos, en het is je toegestaan! - -—O... Staat Dionyzos Ampelos zijn wensch toe? - -—Ongehoord... wat die ook zij! - -—Op zijn godewoord? - -—Op zijn godewoord... - -—O Dionyzos, o god, dien ik min—en de Faun rees op, goudblond in de -schaduw—o liefde van mijn ziel en mijn armen! Dionyzos, geef Ampelos -weêr aan de natuur tot welke hij behoorde! Geef hem weêr aan het woud -en de aarde! Maak hem gelijk met boom, wolk, bloem, dauw en grond! O, -Dionyzos, herschep Ampelos in de vreugde, die je eigen verwinning is en -herschep hem in je eigen wingerd! - -Maar de god beefde, om zijn belofte. - -—Ampelos... Ampelos... wàt vraag je? - -—Herschep Ampelos in de vreugde, die je eigen verwinning is... - -Nu slaakte de god Dionyzos een kreet van wanhoop en hij riep: - -—Vriend, waarom? O, waarom te willen veronbewegelijken, ver, ver van -Dionyzos, in de weliging van éen enkelen wijnstok, als je kan weligen, -alle zijden uit, in vreugde-overwinning, aan Dionyzos’ zijde... O -Ampelos, ik heb beloofd, maar geef mij mijn belofte terug! Hier in je -armen, aan je borst, o mijn vriend, smeek ik je: geef Dionyzos zijn -belofte terug...!! Helaas, helaas, je weigert? O, wreede Ampelos, je -weigert? Te-vergeefs snik ik aan je borst! Vriend, vriend, waarom mij -smart aan te doen? Helaas, is dit smart...: Dionyzos’ smart? - -—Neen, Dionyzos, dit is NIET je smart! - -—Helaas, is het dan vertwijfeling? Omdat ik won op Naxos, moet ik -verliezen? Omdat ik vond Ariadne, moet ik Ampelos verliezen? Zeus, mijn -vader, waarom? O, belofte, heillooze belofte! Helaas, gij wreede en -groote goden, gij groote zusteren en broeders, godinnen van noodlot en -goden van Styx, wat zijt gij wreed, ons, die der wereld nog zijn...! -Voor wat gij geeft, neemt gij ook terug! O, wereldsch evenwicht van uw -nooit spillende gaven! O, zuivere rekening van winst en verlies! Nooit, -o wreede goden, geeft gij als IK geef, met beide handen vol-op druiven -en vreugde aan wie wil! Tel ik mijn trossen? Bied ik gierig mijn -druiven éen voor éen aan? Neen, ik spil: mijn enkel gebaar laat weelde -ontbloeien, en ik geef ruim het genot en ik gebied zelfs het ruim te -aanvaarden! Helaas, ik rekende nooit! Gij, goden, gij rekent uit! Gij -geeft mij een groot geluk, maar gij neemt mij ook een groot geluk weg! -Ampelos, zie mijn tranen; voel, o voel in je armen mij snikken; vriend, -geef mij mijn eed terug...! Neen, hij wil niet en glimlacht slechts... -Mijn vriend, mijn vriend! - -—O Dionyzos, herschep Ampelos... - -—In de Vreugde? - -—Die je eigen verwinning is... - -—Helaas, helaas! In een wijnstok en wingerd wil Ampelos zich -veronbewegelijken! - -—O, Dionyzos, geef mij aan de aarde terug! - -—O aarde, o naijverige aarde! Aarde, aarde, ik haat je! Heb ik, aarde, -je duizend wijnstokken doen ontbloeien, om mij te ontnemen, naijverig, -éen vreugde, die ik bewegelijk wil... menschelijk en goddelijk! - -—O, Dionyzos, herschep Ampelos... - -—In de Vreugde...? - -—Die je eigen verwinning is... - -—O, herinner mij niet aan mijn eed! Klinkt mijn belofte mij niet in de -ooren en ziel?? Weèt ik nu niet wat ik beloofde! Helaas, ik vertrouwde -en beloofde! Vol vertrouwen, stelde mij Ampelos, en stelde mij aarde -teleur! Vol vertrouwen, zal zij teleurstellen àllen! Helaas, helaas, ik -vertrouwde... O, ware ik niet godmachtig! O, kon ik niet wonder -gebeuren doen! O, ware ik mensch, herder, sater, wat ook... maar geen -god! O Zeus, gij maaktet een god mij, om mij lijden te doen, om mij -lijden te doen! Helaas, helaas... mijn vriend... - -—O Dionyzos, herschep... - -—O rampzalige belofte, helaas, helaas... Mijn vriend...! Helaas, wat ik -uitstel, wat geeft het mij! Het wonder moet ik gebeuren doen! -Godmachtig moet ik herscheppen... Ginds zijn de schepen gereed, Ariadne -wacht mij... allen wachten mij en godmachtig moet ik herscheppen, en -verliezen wat mij zoo lang dierbaar was, en dichtbij, en nooit van mijn -zijde... Vriend, ik sliep op je hart! Vriend, je torste mij op je -krachtige schouders! Vriend, je verwon met mij! Helaas, helaas! Hij -vermenschelijkte, Ampelos vermenschelijkte aan zijn gods zijde! O, -wreede aarde, snikkend in smart, éerste smart, geeft Dionyzos wat je -behoorde terug! Smartelijk wonder, geschie! Cypressen, verwelkt! -Rotswand, breid breeder! Grond, gruizel vruchtbaar en zandig... Wreede -plek, smartelijk herschept Dionyzos je in blonde vreugdeplek...! Mijn -Ampelos, mijn Ampelos! O, wat ik snik en roep, hij wacht! Hij glimlacht -en wacht... Wreede! Erbarminglooze! Ampelos...: O Zeus, het woord stikt -in mijn gorgel... Ampelos... wees noch mensch meer, noch faun! Faun, -Dionyzos houdt je, hartbrekend, belofte! Vriend, word wingerd! -Herschep! Blonde vriend, wees blonde wingerd! O wees niet als allen, -purper van gloed: wees blond, wees blond, als was mijn goudblonde -vriend Ampelos! Blonde wingerd, o welig heerlijk! Guldene trossen, -zwelt als Helios’ goud! - -En zijn gelaat oversproeid van tranen, zag Dionyzos de herschepping -zijns vriends, door eigen woord, in ontzetting aan: wortel schoten de -voeten, de beenen krinkelden samen tot gespierden en knoestigen -kronkelstam; tors en armen, als in bezwijming van het menschelijke, -woekerden in takken weg; goudblond verdween het hoofd, en de ranken -weligden tegen den rotswand uit, de bladeren looverden dicht en groot, -en groote gele trossen zwollen, topaasgoud en zonnegoud, met, door -glanzende schil zichtbaar een lichtdroppel in iedere druif. Alle stem -van Ampelos was verklonken, en de wingerd ruischte alleen van wind door -zijn looveren. Toen wierp zich in smart Dionyzos over den gruizeligen -grond en sloeg om den krachtigen stam zijn armen en bleef er liggen, -gebroken van snikken. Slechts eenmaal hief hij den arm op, plukte een -blonden tros, en drukte dien plat op zijn mond. Het gele bloed stroomde -en Dionyzos snikte. Maar van alle zijden, ten laatste, kraakte het -kreupelhout, en saters en faunen schoten toe. Zij zochten den god voor -de afreis. Zij meenden, hij had zich aan Vreugde bedronken en zij -jubelden om den blonden wingerd, nieuw van ooft, zoo goud en zoo -heerlijk zoet. In hun armen liet Dionyzos zich heffen, en zij zagen -aan, dat hij weende. En hij riep in smartelijke vervoering en razernij: - -—O faunen, o saters, ziet: deze blonde wingerd is Ampelos! Deze blonde -trossen weligen van Ampelos’ bloed! Tot de natuur wilde hij wederkeeren -en smeekte mij hem te herscheppen! Ik beloofde, helaas, voor ik wist -wat zijn wensch zoû zijn! Faunen, o saters!—en Dionyzos’ stem werd ruw -en wreed, en zijn smartelijk gelaat verwrong tot een tronie...—Niet -alleen herschep ik Ampelos in een wingerd! Niet alleen hèm, niet alleen -hèm, opdat hij in veronbewegelijkte eenzaamheid kwijne! Faunen, saters, -ziet!—en hij stortte hier toe op een faun, sloeg daar een sater de -thyrs in het gelaat, drukte een derde woest tegen den rotswand, -verschrikt—faunen, saters ziet... meerderen herschep ik in blonden -wingerd! Makkers, veronbewegelijkt om Ampelos heen! Tiert welig uit -over Naxos! Helaas, helaas, aarde heeft den blonden wingerd meer, maar -Dionyzos verloor zijn vriend! Helaas, aarde, ons, die nog menschelijk -zijn, neemt gij àlles af, wàt wij ook ontvingen! - -Toen stortte Dionyzos zich door het woud, naar de schepen, waar Ariadne -hem wachtte en hij viel schaterend in zwijm aan haar voet. Zij meenden -allen, hij was dronken van Vreugde, en zij tilden hem op en zij -scheepten hem in, in zijn rozen- en druiventrireem en zij legden hem op -de roosbladerensponde... Maar om Ampelos en de herschapen makkers -bleven gehurkt, stil en zwijgend, de andere saters en faunen, en -durfden niet Dionyzos volgen. Toen plukte er éen een tros van Ampelos’ -eigen wingerd en begon de druiven te persen. Hij dronk en hij lachte, -de sater. Andere saters deden als hij. Zij plukten de blonde trossen, -zij bezwijmelden zich, zij dansten en zij vergaten Dionyzos’ toorn. Zij -dansten tot de zon hoog aan den hemel stond, en zij plots aan de -af-reize dachten. Blond-trossen-beladen stortten zij door het woud en -terug naar de schepen. Maar zij zagen de vloot der druivetriremen, -voorspoedigen wind in de bollende zeilen, reeds ver, ver weg in de zee, -op weg naar het Oosten toe! Uit de zee rezen de Nereïden en wuifden met -sluiers en van de schepen wuifden sluiers terug. Plots zagen de -achtergebleven faunen en saters de edele Ariadne wuiven haar sluier in -den bries. En de saters en faunen waren wèl bedroefd, dat Dionyzos hen -had achtergelaten, dat zij niet met hem het Oosten veroveren zouden. -Maar bedroeving was niet voor hun ziel. Toen zij twee najaden -nieuwsgierig uit waterklaterenden rotsspleet zagen turen, gaven zij een -kreet schel en ijlden op de bronnymfen af... Zij doken aanstonds in de -kloven terug en vluchtten toen rots over en woud door naar het diepst -des eilands, meenende zich in cypressenschaduw te verschuilen. Maar zij -vonden niet de schaduw der zwarte boomen, en de begeerlijke handen der -saters grepen haar, bij den stam van Ampelos’ eigen blond-goudenen -wingerd... - - - - - - - - - -XVI. - - -Nauwelijks was Dionyzos’ vloot geland aan de Aziatische kust, of -Poseidoon torende òp, ten middel uit de plots toornige baren, hief zijn -drietand: de hemel donkerde, de zee kruifde omhoog, machtig onweêr -sloeg uit en het was Dionyzos of hij uit de scheurende wolken Zeus -zelven de bliksems zag als vurige lansen slingeren. En de machten van -hemel en zee stormden plotseling zoo onwederstaanbaar in donderend en -schuimend geweld, dat, nauwelijks de talrijke thiazos, het dionyzische -leger ontscheept, of de triremen, verlaten, sloegen tegen elkaâr en -verzonken in de verslinding der diepte. Over strand en zee heerschte de -stormende nacht, pikzwart van wolken, door flitsen verscheurd, en de -zee raasde aan of zij zich op het land wilde werpen. Slagregen ruischte -neêr: de toortsen, smokend, doofden telkens uit; de wilde dieren, in -toom, brulden angstig. Saters zochten den weg, maar rotsen hieven zich -en pijnwouden rezen geheimzinnig, zwiepende van stormwind, en krakende -in de hoogere kruinen. - -—Hierheen! riepen de saters. Hierheen! riepen weêr anderen. - -Langs verschillende richtingen verspreidden in den gruwlijken nacht -zich de thyrstroepen van Dionyzos. Somber zat de god in zijn -lynxenwagen, en Ariadne, aan zijn zijde, zag angstig op. Zij waren voor -den nacht en den regen gehuld in grauwe mantels. Rondom den wagen -stuwden de Silenen, op ezels wit,—onhoorbaar brommende, weggedoken in -mantel en onder hoed; de faunen op leeuwen aansporend; de menaden, in -dichte omhelzing elkaâr beschermend voor het geweld van den storm, en -aarzelend ging die stoet om den god. Maar over het strand zwermden -duizend anderen, saters, faunen, stervelingen, Panen en Panisken; -geheel de vreugdemacht van Dionyzos, en telkens klonken de stemmen: - -—Hierheen! Neen, neen... hierheen!! - -Dionyzos, met zijn thyrs, wees de richting uit, de rotsen op, het -bergachtige pijnbosch in, maar reeds vloden de verkennende saters terug -tot den god en kreten: - -—Dionyzos! Dionyzos! Dionyzos! - -—Waarom die kreet? vroeg de god. - -—Dionyzos! riepen de saters. Schrikverwekkend is het donkere pijnbosch! - -—Vooruit! - -—Dionyzos... - -—Vooruit! - -—Wij gaan niet vóor, in het schrikverwekkend donkere pijnbosch! - -—Volgt mij dan - -—O Dionyzos, wij willen terug! - -—Waarheen? - -—De zee over, naar gastvrijer streken: Naxos en bekoorlijke Archipel, -naar Karië en naar Arkadië... - -—Vooruit! - -—Dionyzos, in het schrikverwekkend donkere pijnbosch woedt -verschrikking, die wij niet weten! - -—Ik versloeg de Giganten! Aan mij zal de wereld zijn! - -—Dionyzos! - -—Tot aan de oostelijke poorten des morgenlands! - -—Helaas! - -—Vooruit! - -—Wij durven niet! - -—Vooruit dan alleen, wie durft, met mij... - -—Helaas! - -—Niemand? Geen faun? Geen sater? Sileen? Geen enkele menade, -verscheurensgereed als een tijger! - -—Helaas, Dionyzos! - -—Gij zijt allen bang? - -—De nacht is stormzwanger van onheil... Poseidoon, Zeus hebben je -verlaten...! - -Een weegeklaag ging op, maar de storm veegde het weg. - -—Vergezelt mij dan niemand? - -—Ik, o mijn gemaal... - -—Ariadne alleen...? Gaan wij! - -En de god rukte uit de handen der aarzelende menners de rankenleidsels -der lynxen. De wagen ratelde vooruit... Maar uit het pijnbosch kwam als -een sombere, aardsche donder, en de anders gewillige dieren schrikten -uit een; het tuig brak, zij vluchtten; de wagen, stil, stond op een -rots. - -—Ariadne, riep Dionyzos. Kom! - -Zij was uit den wagen gesprongen, zij klemde zich aan haar gemaal. - -—Ariadne! Zie dat sombere woud! Zie dezen nacht, rondom ons! Ik weet -niet, waarom Zeus mij toornt! Maar Poseidoon wachtte met zijn geweld -tot de ontscheping van mijn laatsten leeuw of muil! Ariadne, o zie deze -sombere oorden! Ariadne, ik wil ze vrèugde sprenkelen! - -—Ja, Dionyzos! - -—Ariadne, vergezel je mij? - -—Ja, Dionyzos! - -—Kom dan! - -Hij slingerde om haar middel den arm en hielp haar voort, op. -Wolkzwarte verschrikking, stormzwanger, waaierde als een dichte mantel -van onheil, plooienflapperend rondom hen heen. - -—... Dionyzos! Dionyzos! riep met éen stem geheel zijn leger. - -Hij ging voort, en in den donkeren nacht verhelderde zijn gelaat, hij -glimlachte op Ariadne, die moeizaam schreed aan zijn zijde. - -—... Dionyzos! Dionyzos! - -Het leger herhaalde den angstroep; en zij zagen den god: zijn glans, -blauw als maneglans, ging voort tusschen de bliksems, en Ariadne, in -haar grauwen mantel, was in dien glans zichtbaar, gebogen voortgaande -aan Dionyzos’ zijde. - -—Dionyzos, Dionyzos! - -De god luisterde niet meer. Hij beklom de rots en hij hielp Ariadne. - -—Ariadne, ben je bang? - -—Neen... - -—Waarom niet? - -—Ik ben zeker van onze overwinning! - -—Wij zijn alleen... verlaten! Ginds weet ik niet welke verschrikking -ons wacht! - -—Ik ben niet bang! Dionyzos zal verwinnen! - -—Geloof je? - -—Ja! - -—Heb ik niet te weifelen? - -—Neen! - -—Ik ben wel moedig, maar ik weifel soms, Ariadne. Ik ben niet -onsterfelijk: ik kan sterven, voor ik de wereld verwonnen heb! - -—Zege wacht je en goddelijke onsterfelijkheid! - -—Ariadne... heb je mij lief? - -—Ja... o mijn held, o mijn held! - -—Ik ben niet Thezeus! - -—Je bent Dionyzos! - -—Ik gaf je de Vreugde? - -—O ja... Kom... - -—Kom... - -Zij gingen. Het pad was heel moeielijk, zij stegen. Zij naderden het -bosch, dat was zwart, ondoordringbaar nachtgeheim. - -—Hoor! riep Ariadne. - -—Het is onweêr! - -—Neen... hoor! - -—Het is de donder, die rolt! - -—Het is donder en het is geen donder! - -—Het is donder, die tegen de bergen weêrkaatst... - -—Het is een donder, rythmiesch. O, vreeslijk rythme! - -—Ariadne, ben je bang? - -—Neen...: kom! O... hoor!! - -—Ik hoor! Het is donder... - -—Het is een donderend rythme... en een dans! O vreeslijke dans! Kom -Dionyzos...: ik ben niet bang... - -—Het is een dans... - -—Over de bergen heen! - -—Het is een donder... - -—Die komt uit het bergwoud en weêrslaat tegen de rotswanden... - -—Ik was niet voor de Giganten bang! - -—Dionyzos, ben je bang? - -—Neen, Ariadne, kom... O hoor! - -—Het is een dans, en een rythmiesche donder van hamergeweld op -schilden... - -—Onder zware voetstappen dreunt het gebergte... O, Ariadne, dat is -vreeslijker dan de Giganten... Wat is het? - -—Ben je bang, Dionyzos? - -—Neen... kom... kom voort... - -Zij sleepten elkander voort in het woud. Zij zagen in den donker niet -meer, een enkele flits slechts lichtte op, en zij zagen stammen, éen -oogenblik... Maar zij hoorden den rythmieschen donder, den zwaar -trappenden dans, en het hamergeweld... - -—Bergen en bosschen! riep Dionyzos. Sombere nacht! Onheilgeluid! Gij -allen, die met hamers op schilden slaat en met zwaren voet danst...: -aanvaardt de Vreugde...: Dionyzos wil het! - -En hij verhief hoog zijn thyrs. Wel spleet de grond, maar of de -wingerden ontloken, kon hij niet zien. Vuur viel uit de lucht, een -donderslag of Zeus den hemel deed splijten, ontbarstte; en dans en -rythmiesch hamergeweld sloegen luider en luider en luider of geheel het -woud was van metaal en klaterende sloeg te samen. - -Als uit metaal spatten groote blauwe vonken uit, en zoo hel, dat -Dionyzos en Ariadne zagen. En zij zagen de Vreugde niet weligen, maar -zij zagen, huivering wekkend, den pyrrhieschen dans der vreeslijke -éerste schepselen, Kureten en Korybanten, daimonen der sombere bergen -en bosschen, slaande met zwaard tegen schild, zich begeleiden den -voetdreunenden ommegang, Daktylen en Kabeiren, slaande met hamer op -aanbeeld, zelfs in den donkeren nacht in Hefaistos’ kunst zich oefenen -en bearbeiden het gloeiend ijzer. Oorverdoovend metaalgedruisch en -oorverdoovende woedekreten stormden op, toen zij Dionyzos en Ariadne -zagen, en zij wierpen zich, een storm gelijk, op den god en zijn bruid, -maar Dionyzos, op wiens bevel de grond al was gespleten hier en daar, -ving hen in de boeien van wingerd en schuimbekkend stonden zij àllen, -omrankt, in welken toover van geluk wisten zij niet. Plots, in den -weêrschijn van bliksem, met het rollen van donder, naderde, nauw in den -gruwelijken nacht zichtbaar, een Godin, en zelfs Dionyzos ontzette, en -Ariadne school weg in haar mantel, en in de armen van haar gemaal. En -de sombere stem der Godin, tusschen de schuimbekkende kreten harer -geboeide priesters en dienaren riep: - -—Wie nadert in den nacht ons geheim, en slaat niet het schild en danst -niet het rythme met dreunenden voet? Wie vangt mijn dienaren en -priesters in boeien en tart de woede der goden- en bergenmoeder? - -—Rheia! riep Dionyzos uit en zijn stem beefde. Rheia Kubele! Bergmoeder -en moeder der goden! Moeder van Zeus, mijn vader! Toorn mij niet, uw -kleinzoon! Ik herken u, o Eerwaarde, o Moeder! Ik herken u en ik val u -te voet! Ik ben Dionyzos, en zie, dit is Ariadne! Zeus wees mij mijn -taak en mijn weg! Ik volvoer die taak en ik sla dien weg in. Eerwaarde -moeder, o toorn mij niet! Zie, ik lig aan uw voet bevend, en Ariadne, -zie, knielt naast mij. Wij komen alleen; mijn leger bleef op de -stranden versagende achter! Ik, ik versaagde niet! Aan mij is de -wereld, o Moeder! O, mij is de Vreugde, en ik sprenkel haar! O moeder -der bergen en goden, o Rheia, Rheia Kubele, dùld dat ik haar sprenkel, -de Vreugde! - -—De Vreugde? klonk, sombere vraag, de stem der Godin, en over zijn -deemoed heen zag Dionyzos buigen haar gerimpeld gelaat in de haren -grijs, die zwaar golfden uit stedekrone. De Vreugde? Helaas, helaas, -moeder der goden, en der bergen moeder, ben ik vergrijsd in de Smart, -waarom mijn Korybanten, Kureten, Daktylen, Kabeiren, het -smartverdoovende metaalgeluid slaan, den smartverdoovenden dans immer -dreunen! Helaas, helaas... Attis, Attis! Waar is hij? Zoek hem voor -mij! De Korybanten vonden hem niet! De Kureten vonden hem nooit! -Sombere dagen, sombere nachten, dat ik hem zoek, dat ik hem zoek, -altijd! Hij versmaadde de moeder der bergen, voor de vrouwen der aarde; -en ik wolkte razernij om zijn heerlijk hoofd heen! Helaas, helaas... -hij verminkte zich in razernij, hij moordde zich in razernij! Attis! -Attis! Waar is hij! Waar vind ik zijn lijk! O Zeus, o mijn zoon, sta -slechts toe, dat ik vind zijn lijk en niets meer! O, Dionyzos, mijn -kleinzoon, zoek met mij, zoek met mij zijn lijk! De Vreugde? Maar ik -heb zijn lijk nog niet gevonden! De Vreugde? Maar hij verminkte zich, -hij verwondde zich! O, Dionyzos, ontboei mijn dienaren; leeuwen wil ik -brullend om mij, fakkelen wil ik zwaaiend om mij; razernij, razernij -wil ik om allen! Dionyzos, ontboei mijn dienaren! Slaan zij de -schilden, en dreunen den dans zij; dat de aarde davere onder mijn -smartverdooving! Helaas, helaas! - -De Godin stond, de armen hoog op en wijd uit, in den nacht, en hare -kreten klonken het gebergte over. En Dionyzos, in medelijden, rees op, -vol eerbied, maar zonder vrees meer. O, de allermenschelijkste smart -trof zelfs de eerwaardigste godheid: moeder van goden, smachtte zij -naar het lijk van wie haar, zoo goddelijk, versmaadde, voor aardsche en -lieftallige sterfelijkheid. Welke Smart zou éenmaal Dionyzos’ Smart -zijn...? Hij dacht aan Ampelos, voelde slechts weemoed. Wat... wat zoû -zijn Dionyzos’ smart? Zijn eindelijke nederlaag... voor hij de wereld -verwonnen had? O, hij wist het niet, maar voor haàr, de eerwaarde -Godin, moeder der bergen en moeder der goden, voelde hij zwellen zijn -medelijden en zwijmen zijn angst. Toen smeekte hij, stil, Zeus den -hemel te doen klaren, en het onweêr ratelde weg, de wind vaagde weg, de -wolken verdreven en boven de zichtbaardere pijnstammen des machtigen -bergwouds effende zich de nog nachtelijke hemel, met de optinkelende -oogen der sterren! En Dionyzos’ eigen glans manescheen door het donkere -woud, en Ariadne, haar mantel afgeslipt, straalde bijna als Afrodite -zelve. - -—Dionyzos! herhaalde de moeder der goden. Helaas! Zoek je zijn lijk met -mij? - -—O Rheia! riep Dionyzos, en zijn stem bevestte zich in helderen klank. -Rheia Kubele! Keer ik terug van mijn zegetocht en heb ik de wereld -veroverd, tot de Oostelijke poorten des morgenlands toe, keer ik terug -na den winter, die aanvangt, dan is Attis herleefd in de Vreugde! - -—Helaas, helaas neen, hij herleeft nooit! - -—Hij herleeft iedere lente, o Rheia! - -—Helaas, helaas neen, hij herleeft nooit voor mij! De smart overstelpt -mijn onsterfelijken ouderdom! Mijn voorhoofd is als het rotsgesteente -gegroeid! Mijn haren zijn als de eeuwige winter! Mijn ziel is als de -woestijn! Dionyzos, voor mij geen lente en Vreugde meer! O Dionyzos, -verlos uit hun boeien de dienaren mijn, en ga terug, waar je de Vreugde -kunt sprenkelen! - -—Ik sprenkel ze hier! - -—Helaas! - -—Zie, de storm is vereffend, de nacht is verklaard, de dageraad heeft -de poorten ontsloten! Weldra rijdt Helios den goudenen en nieuwen dag -aan! Waar ik verschijn zal de winter mij wijken! Zoo lang ik zegevier, -weêrsta ik de seizoenen, en roep ik slechts op het seizoen van mijn -vruchtbaarheid in wondersnelle weliging! Rheia Kubele, laat langs uw -smart, die, helaas, ik niet dooven kàn, ik mijn wingerd festoenen, zoo -als ik reeds festoende om Korybanten, Kureten, en laat mij vrij den weg -naar de morgenlanden! De rijken, waarover zweeft het mysterie van uw -smart en wapenkletterende donder der Korybanten, en hun dreunende dans, -wil ik doortrekken met heel mijn stoet en mijn leger, en de -druiveranken zal ik slingeren van stad tot stad, en gij, moeder der -goden, -bergen, heilige bewaakster der morgenlandsche steden, effen den -weg voor mij uit! O eerwaardige Moeder, wees aan uw kleinzoon, wees aan -de vreugde, zoo niet aan uw eigen, wees aan de vreugde der anderen -genadig! Uw priesters en dienaren ontboei ik uit wat niet anders is dan -ooftzoete slavernij, en zeg hen mij voor te gaan, en mij te kondigen, -opdat de winter vluchte weg voor mijn komst en ik niet anders brenge -dan mijn eigen seizoen: de lente der druif tot haar herfst toe: bloei, -weliging en oogst in éen oogenblik: dat van mijn zegeviering! - -Toen was het wel of Dionyzos’ juichende stem op deed klaren het somber -geheim van den nacht, want de dag uit het Oosten scheen hem toe te -snellen en hij glansde, en Rheia Kubele zag verwilderd rond: Korybanten -en Kureten hadden zich los uit hun boeien weten te rukken maar zij -persten en dronken de druiven; zij stapelden op hun schilden de -druiven, en droegen ze weg in nog sombere razernij, en plots sloeg de -godin hare armen uit, en riep: - -—Attis, o Attis! - -En haar roepstem tot den geliefde klonk vreemd door den dag, die -opstraalde; somber ontzettend, waanzinnig klonk hare stem en vol -huiverig geheim van bijna peillooze smart, ondenkbaar in godheid zoo -goddelijk en waardig als moeder der bergen, en moeder der goden; en in -razernij, de grijze lokken golvende, zwierde de huiveringwekkende godin -den dans uit tusschen de voetstampende en metaalkletterende, maar wel -Dionyzos gewillige Korybanten, Kureten. - -—Attis, o Attis! herhaalden zij klagend en toch verschrikkelijk rondom -de godin; het leger van Dionyzos, vertrouwende, omdat de god had -gejuicht, naderde en om dans en om druivebezwijmeling dier vreeslijke -priesters om die vreeslijke vrouw, waren saters, faunen, en nymfen niet -bang meer, schakelden zij hun dans door den zwaard- en schildendans van -Kubele’s priesters, maar toch beving een smachtend verlangen, een -vreemde smart in bezwijmeling àllen, want Ariadne riep uit: - -—Thezeus, o Thezeus! - -En verwilderd zwierde zij rond; Dionyzos zelve riep: - -—Ampelos, o mijn Ampelos! en zwierde. - -En alle saters, alle faunen, menaden, stieten een naam uit, van wie zij -lief hadden gehad en verloren in zwerving over het gebergte, in den -strijd voor de Vreugde verslonden door wild beest of in zee verzonken, -of dronken achter gelaten, helaas! En allen stieten een kreet, en allen -riepen een naam, en het was wel de vreugde, maar het was ook een -geheimzinnige smart, als een onontkoombaar mysterie, een drukking van -verpletterend zwaar noodlot. Toch wist Dionyzos er aan te ontkomen; hij -schaterde zijn overwinning uit, hij wierp zich op de schouders van -saters en zij torsten hem voort, trotsch, dat zij hem dragen mochten, -en wel riep hij nog eenmaal: - -—Ampelos, o Ampelos! - -Maar viooltjes deed hij alomme ontluiken, zoo als Ampelos hem zelve dit -had gedaan: onder de pijnboomen geurde het plots van viooltjes; velden -van viooltjes strekten zich; wijnranken festoenden zich van boom naar -boom, en de Vreugde overwon, trots den druk van het Noodlot en den -weemoed van de Smart. En eindelijk riep Dionyzos: - -—Rheia! Rheia Kubele! Ik heb u verwonnen, moeder der goden, o moeder -der bergen, o beschermster der barbaarsche, sombere steden, de steden -des morgenlands, die ik, van uit het Westen de Vreugde kom brengen, als -Eos uit het Oosten het Licht! Effen den bergweg voor mij uit, zooals -Zeus en Poseidoon mij den landweg en waterweg effenden. - -—Dionyzos! riep de godin. Helaas, wat zult gij die steden brengen? -Zonder vreugde misschien leven tusschen hun muren de volkeren der -morgenlanden, maar ook Smart is hun onbekend! - -—Beschermster der steden, zoo als wilde beesten in kooien leven die -volkeren dan, en zijn minder dan mijn panthers en leeuwen, die de -Vreugde temde en de Vreugde voortleidt! Rheia Kubele, aan mij zal de -zege zijn over landen en steden, tot aan de poorten van Eos toe! - -En de god, door zijn saters getorst, zwierde, gedragen in dolle vaart, -het woud door; geheel het leger stortte zich breed door het bosch, -helling op, helling af; Ariadne in de wagen mende zelve de lynxen: -heure haren wapperden uit en zij stond, bezield, met dolle oogen, en -Korybanten en Kureten, verleid, achtten niet den smartroep der -bergmoeder, maar stortten zich in Dionyzos’ leger, stortten vooruit, en -hij stroomde, de strijdmacht der Vreugde, overgolvende geheel het land. -Wee, wie de Vreugde niet aanstonds aanvaardde: hij werd meêgesleurd -door de dragers der omwingerde thyrsen, door de stormkracht der wilde -dieren, aangehitst, razende kudde verschrikkelijk gezwiept door de -faunen. Wee, de stad, die in Lydië of in Frygië hare poorten sloot; de -poorten stormden Dionyzos’ stafdragers open, en de lange ranken -torsende als een reuzefestoen, vloeide het leger binnen: de grond -spleet, de wijnstok ontschoot, de ranken en bladeren weligden, en -zwollen de trossen, die, geplukt, de Vreugde in stroomen purper deden -golven straten en pleinen langs. Heerlijk heil aan die vorsten, die -zich Dionyzos gewonnen gaven, maar vernietiging wie hem weêrstond! En -zijn leger wies aan met allen, die uit alle overwonnen oorden zich -aansloten bij zijn heirmacht, en onweêrstaanbaar was de vloed van de -Vreugde, die purper stroomde de oostelijke rijken door. Nooit was -Dionyzos zoo vreeselijk geweest in den strijd, en de goden, neêrziende, -ontzetten. De wereld verwon hij, verscheurende, vernietigende, met de -kreten van heel zijn razende heirmacht, wie hem weêrstond; wie zich -gewonnen gaf, was een golf meê in den vreugdevloed. Zijn faam bazuinde -vooruit; saters en faunen bazuinden zijn faam, legers versloeg hij, -rijken openden hem hunne grenzen, steden wierpen hare poorten hem open, -laurier en myrtetwijg wuifden hem tegen. In sombere steden des -barbaarschen morgenlands reed hij binnen in triomfatorsheerlijkheid: -hij stond op de gulden zegekar, als een god en een vorst; prinsen des -lands leidden zijn vierspan; hij stond, ouder en mannelijker nu, -volgebaard blond, de mitra op zijn lange lokken; in plooien wapperde -het vorstelijk gewaad des overwinnaars van geheel het Oosten, purper en -goud en blank om zijn mannelijke jonge leden; hij stond en zijn hand -steunde op den gouden cederappelschepter; en achter hem reed Ariadne, -gezeten op olifant blank, goudnet-omvangen, Afrodites starrekroon om -haar lokkige kruin, en haar schoonheid verheerlijkte in den roem des -gemaals. En overal waar zij binnen zegevierden door landstreek en stad, -langs heirweg en straatweg, festoende de druif met hen mede, en liet de -Vreugde, de Weelde achter: achter de druivefestoenen torenden de -barbaarsche steden minaretslank uit, zoodra Dionyzos door haar -barbaarschheid gebloeid was: tooverpaleizen verrezen met lange -zuilenrijen van jaspis en chalcedoon, overdekt met bronzen pannen; -marmeren tempels schitterden op, aan alle heerschende goden, maar -vooral aan Dionyzos en aan Ariadne; de eeredienst des goddelijken -overwinnaars bevestigde zich; zijne priesters brachten offers hem, de -reukschalen geurden, en zijne mysteriën werden ingesteld. In marmer -werd zijn heerlijke beeltenis gehouwen door bezielde kunstenaars en van -heiligdom tot heiligdom werd die beeltenis gedragen. Was hij verder, de -Vreugde liet hij achter, de Weelde liet hij achter; zelfs de in -razernij veroverde rijken herbloeiden als met getoover; waar zoo vol -zwol de druif, purper of blond, blauw of geel, waar de vervoering zoo -stroomde uit mengvat en drinkschaal, waar de dans stemde tot blijde -muziek, rees ook uit vernietiging, tooverkracht! marmerpaleis en tempel -op, om den god te eeren, hoe ver hij ook was. En niettegenstaande àlle -vernietiging in razernij scheen Dionyzos’ strijd toch altijd zijn -strijd te blijven, en nooit die van Ares te worden want wàarlangs hij -gezegevierd had, golfden Demeters blondere velden en spreidden welvaart -en sprenkelden rijkdom, en de aren zwollen van weelde, als de trossen -van vreugde zwollen. Pest, hongersnood, alle ziekte en alle gebrek, -vaagde Dionyzos’ triomftocht weg. Ver, ver tot onbekende bergreten, -sneeuwgetint in het uiterste Oosten; ver, ver tot heiligen stroom, -azuur stroomende van den hemel naar den einder toe—geheel de wereld was -aan Dionyzos. - -Toen naderde de laatste dag. - -—De Poorten, de Poorten! riep plotseling geheel het leger uit, als met -een enkele stem. - -Aan de nachtkim rezen in ver verschiet de ontzaglijke Oostelijke -Poorten. Zij rezen goddelijk en bleekgoud in den nacht, die al -schemerde van den binnenschijn; zij rezen ontzettend als de poorten -eens gouden lichtgeheims, en nu Dionyzos langzaam naderde, omstuwd door -zijn geheele macht, weken zij majesteitelijk open. Een glans stroomde -dadelijk uit, en Eos, allerlieflijkst in zoo gloeienden glans, -rozigde-aan als een vlinder in zonneschijn, teeder en lieflijk en -luchtig, op een zweving van luchtig lieflijke teederheid, in gelenden -sluier, die niet meer was dan een glanzige zeepbel, goud; de -morgenrozen vielen nu uit hare vingers, lokken en plooiend gewaad; een -dauw sprenkelde zij, als een regen zacht, en zij lachte, terwijl zij -riep: - -—Dionyzos! Verwinnaar! Ik heb je zien naderen dágen, dágen lang! -Iederen dag naderde je, Dionyzos! Wees welkom, wereldverwinnaar tot de -morgenpoorten toe! Dionyzos, niet weêrstond die wereld je almacht...: -mijn rozen werp ik je alle neêr! - -In hare huldiging wierp zij, kindlachende, alle haar rozen; zij -regenden, rood, geel, wit rondom Dionyzos, waar hij stond, -mitra-gekroond, blank-goud-omplooid in zijn zegekar, met stralend oog -inziende in de Poorten die wijder en wijder openden, om Helios uit te -laten. - - - - - - - - - -XVII. - - -—Is de grens bereikt? vroeg Dionyzos. - -Het daglange feest was ten einde, de amethysten nacht donkerde aan, en -bleekgoud, ontzettend, rezen omhoog de ontzaglijke Poorten van het -Uiterste Oosten. De Vreugde had er tegen gesprenkeld haar druivenbloed; -langs den aanvang van Helios’ hemelheirweg was de wingerd gerankt en in -de tooverrozetuinen van Eos had de blijde orgie geduurd den geheelen -dag. In de rozebosschen, vervagend haar heldere kleuren in de -amethysten vereffeningen van den naderenden, naderenden nacht, lag wijd -verspreid in de rust na bezwijmeling het leger van Dionyzos tusschen -rozen verpletterd, druiven verpletterd, op de gespreide lynxevellen en -tijgerhuiden, mengvaten omvergeworpen, schalen, amforen, bekers gestort -in plassen van vloeiend karbonkel en vloeiend topaas, en in slaap en -omhelzing, verspreid, lagen neêrgestort de vreugdestrijders. - -—Ariadne, is de grens bereikt? herhaalde Dionyzos. - -Hij stond, bleek in de vaalte van nacht, en staarde naar de ontzaglijke -poorten. Aan hem hing, bleek, Ariadne, en staarde. Hij stond jong, -bleek en aarzelend steeds: zijn violenoogen hadden een verwonderde -vraging; zijn lippen trilden in zijn blonden kroesbaard; de mitra -afgevallen, verwarden zijn blonde lokken, ontknoopt over zijn schouders -en in de vreugde verscheurd hingen de plooien van zijn vorstelijk -gewaad wijnbezoedeld en sleepten de rozebladeren en druiveschillen. Een -rimpel groefde pijnlijk tusschen zijn brauwen, en tranen sprongen zijn -oogen uit, toen hij zichzelven antwoordde: - -—Ariadne, de grens is bereikt... - -—De grens is bereikt, herhaalde zij zacht. - -Hij zag om zich, verwonderd, verward, verloren, als wist hij niet meer, -Dionyzos. - -—Ariadne, murmelde hij weenend; het was éen lange zegetocht... - -—Mijn god, o mijn overwinnaar! riep zij hartstochtelijk en prangde hem -vast. Hij maakte zich zacht los uit hare armen, en streelde haar over -de haren. - -—Ariadne! vroeg hij en beefde zijn stem; zeg mij, wat is de taak van -morgen? Sticht ik mijn vreugdezetel voor de Oostelijke Poorten en zet -ik mij naast je op een troon en vergoddelijk ik in de hulde der -wereld... of bereid ik mij tot de terugreis? - -—De terugreis door je heerlijke verwinningen! - -—De terugreis? Ja, de terugreis... Helaas, Ariadne, die is geen taak! - -—Taak is volbracht! - -—Is taak volbracht? Dan kan ik stèrven... - -—Dionyzos! kreet zij, en ontstelde om zijn droefheid. - -—Is taak volbracht, dan kan ik sterven... Ik ben niet onsterflijk, -Ariadne. - -—Dionyzos, o Dionyzos... - -—Maar ik voel, Zeus gunt mij den dood nog niet... Helaas, Ariadne, hoe -leef ik taakloos voort? - -—Dionyzos, de terugreis is nieuwe taak... - -—Nieuwe taak? - -—Langs overwinning terug de vreugde te sprenkelen... - -—Zij is gesprenkeld, zij is gesprenkeld... O, Ariadne, als ik niet -sterven mag, laat ons dan gaan, laat ons dan schielijk gaan... - -—Terug...? - -—O ja! Wat staan wij voor deze goudene Poorten! Zij zijn de grens! Kom -Ariadne, terug! Kom meê! - -—Nu reeds... - -—Wat zal ik toeven! - -—Het leger ligt in diepe sluimering... - -—Laat het sluimeren, Ariadne; wij gaan alleen! O, laat ons gaan, laat -ons gaan terug, Ariadne, terug naar Nyza... Daar misschien zullen wij -zalig zijn in de herinnering aan de gesprenkelde vreugde! Helaas, alle -vreugde is gesprenkeld! Taak heeft Dionyzos op aarde niet meer! -Ariadne, Ariadne, kom... Bestijgen wij onzen wagen... Ik neem de -leidsels ter hand. Ik men de lynxen... O Ariadne, Ariadne, kom... - -Zij bestegen den lynxewagen en het was als vluchtten zij in den nacht, -als verslagenen, als overwonnenen. In den nacht langs den breeden -zegeweg vluchtten Dionyzos en Ariadne terug. Zij reden langs -korenvelden, druifomrankt van lagen boom tot lagen boom, en zij reden -door een gouden en marmeren stad, de laatste stad van het Uiterste -Oosten: zij reden tot den morgen toe, en de lynxen waren uitgeput en -zij scholen in een rozebosch aan den weg, en rustten er uit in schaduw -en geur. Het was als een lieflijke halte, en zij hadden vreugde, als in -paradijs. Zij sliepen in elkanders armen; de dageraad rozigende, -ontwaakten zij, en speelden in de koele wateren der bronnen; de najaden -herkenden hen en dienden den god, de godin; de dryaden weefden gewaden -hun fijner dan byssos en bekroonden hen met rozen, en hun schuilplaats -niet meer geheim, vloeiden van het leger de allereerst ontwaakten terug -en verzamelden saters en faunen, menaden zich tot de terugreis, de -terugreis der zege: brieschende leeuwen werden den wagen des gods -voorgespannen, maar Ariadne voerde men een olifant toe, en de reis ging -terug; en het leger vloeide, vloeide achter aan, van de Oostelijke -Poorten terug. Vruchtbare landen door, schitterende steden door, ging -de reize terug, langs Dionyzos’ eigene tempels. Het volk viel in het -stof; zijn priesters vernietigden zich in nederigheid, als de god in -zijn drom naderde. Feest zwierde hem voor en hem langs, en plots walgde -hij van zijn eigen feest. - -—Zie, zeide hij en hij wees Ariadne. Zie Ariadne... wat doen zij...? - -Zij naderden in den avond een heiligdom, heerlijke pracht van -marmerzuilen; de blauwe offervlammen geurden omhoog, geheel het volk -stroomde te zamen, druifvertuit. - -—Ariadne... Ariadne, wat doen zij...! - -Tusschen de priesters werden jeugdige offerlingen, knapen en maagden, -ten outer geleid, rozenomkransd, druifbehangen; de hoogepriester hield -het offermes klaar. - -—Ariadne,.. Ariadne... wat doen zij...?! - -Het eerste offer viel: een knaap, zijn bloed spatte, en in den komenden -nacht juichte het volk op, razend en riep: - -—Dionyzos, Dionyzos! - -—Hier ben ik! riep Dionyzos. - -—Dionyzos, Dionyzos! krijschte het volk en de tweede offerling viel... -een maagd. En zij eerden de terugreize van den god, schetterend geschal -van bazuinen weêrklonk. - -—Viert ge de Vreugde? riep Dionyzos. - -—Dionyzos, Dionyzos! - -—Eeredient ge de Vreugde? - -—Dionyzos! - -Hij schaterlachte luid, als waanzinnig. - -—Met bloed? riep hij uit, en sloeg met zijn thyrs naar den -hoogepriester. Met bloed van offerlingen? - -Zij juichten, zij begrepen niet, en de hoogepriester, in verrukking -waanzinnig, dat de god hem had willen beroeren met zijn thyrs en zijn -schepter, vermoordde den derden offerling. - -Nu stortte Dionyzos zich de tempeltrap op en hij stond als een leeuw, -razend, in het licht der blauwe offervlam. Zijn voet stiet zijn eigen -altaar om. Zijn wil omboeide de priesters in ranken en zijn gebaar -wenkte de slachtoffers tot zich, die tot hem waadden door een stroom -van bloed. Het volk zwierde, dol slaande de tamboerijnen. - -—Meê, meê, meê! riep de god en vluchtte en zij vluchtten allen meê: -zijn leger, het volk achter hem, en zij juichten hem toe: - -—Dionyzos!! - -Maar hij slierde Ariadne, alleen, in het woud, en verschool zich met -haar in een grot. - -—Stil! Stil, Ariadne! Spreek niet, opdat zij ons niet vinden! Hoor, hun -gejuich, hun dol gejuich! Zij vieren de Vreugde, die ik gesprenkeld -heb, zij eeredienen de Vreugde, die ik heb gesprenkeld, met bloed, met -bloed, met bloed! O goden, zij begrijpen niet! O goden, ik wil de -Vrèugde! Ik wil de Vreugde voor allen! Ik wil de Vreugde niet in bloed! -Ik wil geen offers in bloed! Volk, vier de Vreugde, breng mij bloemen, -ooft, halmen, hebt vreugde allen! O volk, heb de zuìvere Vreugde! -Helaas, wat roep ik? Tot wie? Zij verstaan niet en ik ben heengevlucht! -Ik verschuil mij in een nachtdonkere grot! O, Ariadne, vluchten wij, -vluchten wij eenzaam weêr...! Vluchten wij langs den breeden zegeweg, -als verwonnenen en verslagenen! Meê, meê, meê... - -En hij sleurde Ariadne voort... - -De terugtocht verspreidde zich. Het leger verspreidde zich en Dionyzos -wilde het niet om zich. Alleen met Ariadne, beiden soms vermomd en niet -herkend, trokken zij landen door en steden door, en overal zag hij de -tempels hem zuilen, de geurvlammen hem rooken, de offers hem worden -gebracht; en overal zag hij de waanzinsverrukking onbeteugeld, bot -vieren haar uiterste stuipen. In den avond slierde dronken, -verbeestelijkt, de lange ronde langs de straten der marmeren -weeldepaleizen, en zij riep hem uit: - -—Dionyzos! - -—Helaas! kreet hij uit en hij sleepte Ariadne meê en zij herkenden hem -niet. Helaas, Ariadne! Aanzie de landen, aanzie de steden, die ik heb -overwonnen in vreugde; aanzie de Vreugde, die ik gesprenkeld heb! Het -is Dionyzos’ Vreugde niet meer! Het zijn niet meer zijn blijde gaven! -O, wij waren wreed, en ik was dikwijls verschrikkelijk aan wie mij en -mijn gaven weêrstond in sombere levens- en jubelens-onmacht, maar wij -waren goden en nooit zwijnen! Ariadne, god was Ampelos, goden waren -mijn faunen, goden waren zelfs mijn saters in al hunne woeste en -zinnelijke uitbundigheid en de menaden waren tijgerinnen, maar aan -godinnen gelijk! Zij kenden allen MIJN juiching, MIJN vreugde, en hun -liefde was goddelijk en hun wreedheid zelfs was goddelijk, en àl wie de -Vreugde aanvaardde, waren zij wèl en ter heerlijke menschliefde -geneigd! Wat was anders ons streven dan àllen de Vreugde te geven, in -de groote liefde voor allen! Ik spilde de Vreugde aan allen: vorsten en -bedelaars; op de slagvelden na den slag gingen rond mijn weldadige -faunen en laafden de stervenden en genazen hen en voerden hen mede in -mijn stoet, en de menaden, listig, verlokten matronen en maagden naar -Dionyzos’ Vreugde en levensblijheid: Panszoontjes zelfs lokten de -kinderen! O, zij waren allen goden, zij zijn het nòg allen, ook al is -hun taak volbracht, maar deze volkeren, deze menschen, deze -stervelingen, helaas, zij zijn in mijn vreugde verzwijnd, en ik zoû -mijn vreugde vloeken willen! Heerlijk leven, lieflijke aarde, -eindelooze hemel, ik heb in mijn enthouziasme u omhelzen willen in éene -liefde aan mijn hart en allen, die ademden, willen leeren de blijheid, -die was als wijn: de levensblijheid, die strijdt tegen alle smart, maar -ik ben overwonnen, ik ben geslagen...! O, zie, de zwijnen in hun -marmeren paleizen, feestvieren walgelijk, niets wetend van de Vreugde -dan de onmatigheid, de zatte onmatigheid, die hen kotsen doet over hun -purperen bedden en roosomwingerde balustrades! Zie hun tronies verhit, -zie hun waggelgang, hoor hen lallen, geestloos, dom, in de Vreugde, de -heerlijke, heilige Vreugde verzwijnd, omdat zij als beesten zijn, die -de vreugde der goden bezoedelen in onmacht haar te genieten zuiver, -louter en schoon! Ariadne, wij genoten heur zuiver, louter en schoon! -Wij genoten het genot van het leven met hevigen maar zuiveren zin, met -blijden maar louteren geest, met onstuimige maar schoone zielen en -lijven! Wij waren schoon, wij schitterden van schoonheid: mijn faunen -waren edel van schoonheid, mijn menaden razend van schoonheid, mijn -saters zelfs waren schoon in hun dubbelwezen van halfgod en halfdier, -wezens der wouden, uit de heilige natuur allen zelve juichend -ontbloeid! En zelfs oude Silenos, omringd van zijn Silenen, hij was -schoon, hij was niets dan schoonheid: de schoonheid van geest, spot en -komische levensvreugde; dronken bleef hij schoon en schaterden wij om -zijn vermakelijke schoonheid! Helaas, Ariadne, waar is zij: onze arme -schoonheid? Waar is onze arme vreugde des levens, en vreugde des -toomloozen genietens! Helaas, helaas, kom meê, Ariadne, ik kàn niet -toeven in deze ontaarding van heèl ons genot tusschen marmeren zuilen -en offervlammen en offers van bloed! Ariadne, Ariadne, meê...! - -En hij sleepte haar meê, en zij herkenden hem niet: zij herkenden hem -nooit meer, den god en zijn bruid... - - - - - - - - - -XVIII. - - -Een koude wind woei door de reuzig wilde kastanjes van Nyza en de zee -tusschen de kapen bruischte, toen Dionyzos Ariadne, uitgeput, -neêrvlijde aan den zoom. - -—Ik huiver! riep zij. - -Hij wikkelde haar dichter in de lynxehuid, die van haar schouder hing -en hij legde haar hoofd aan zijn borst. - -—Rust uit! zeide hij zacht. - -—Dionyzos! fluisterde zij. Koorts brandt mij de slapen, de polsen! Zeg -mij, waar zijn wij... - -—Rust uit, rust uit, Ariadne! Dit is Nyza! Dit is het oord, waar nooit -woei de wind, waar eeuwige zomer heerschte om mijn jeugd, waar de -nymfen mij pleegden en de Muzen neêrdaalden en reiden den waardigen -dans. Nu, o Ariadne, waait de koude wind tusschen de kapen door, en ik -huiver, ik huiver als jij. Ik herken mijn Nyza niet meer, versomberd -als het nu avonden gaat tusschen de bruischende wilde-eiken... Hier -bloeiden violette anemonen, hier deed Ampelos viooltjes ontluiken, -breede geurige velden om mij heen! Helaas, Ariadne, hier... hier voert -Dionyzos je, wereldverwinnaar, in zijn somber en vereenzaamd te-huis. -Geen paleis, geen tempel, geen troon, Ariadne,—niets dan de sombere -boomen, waartusschen huilt de sombere wind! Helaas, hier komt Dionyzos’ -Vreugde terug, maar zij is zijn Vreugde niet meer...! - -—Dionyzos! Dionyzos! Hoor... hoor...! Is dit Kreta? Is dit Kreta?! -Vreeswekkend Geloei! Het Monster, het Monster, o Dionyzos... Het -Monster loeit over Kreta! Het is niet de stormwind, het is het Geloei! -Ongelukkige moeder, Pazifaë...! Thezeus... Thezeus... laat mij je -leiden naar de Poort van het Labyrinth: zie, hier is het kluwen... O -Onverzoenlijke, wreekt ge u ook op mij? - -—Ariadne, Ariadne stil! Dit is Nyza, en ik ben Dionyzos! - -—Dit is Naxos, en ik ben verlaten, helaas! Helaas, de zwarte zeilen -zwellen van wind, maar vervagen aan den wreeden einder! O, -Onverzoenlijke, o Onverzoenlijke... - -—Ariadne, Ariadne stil! Rust uit, rust uit, Ariadne: ik ben een arme -god: ik heb de Vreugde niet meer, omdat ik ze den menschen gegeven heb, -maar ik heb nog in mijn ziel mijn liefde! O, Ariadne, ik heb je lief! -Leef op... wees gerust... sluimer zacht: dit is Nyza, dit is een -lieflijk oord, als de stormwind morgen bedaard is; hier zal ik als -Ampelos eens... - -—Thezeus, Thezeus! - -—Stil Ariadne, stil... Hier zal ik, als Ampelos eens, duizend viooltjes -ontbloeien laten en het zal geuren om je heen van viooltjes en van -anemonen... Dan ligt de zee zoo meerkalm neêr tusschen de veilige -kapen, en de bergen stapelen zich als ronde schilden van krijgers, -beschermend tegen den einder. - -—O, het Geloei, het Geloei... - -—Helaas, zij herdenkt alleen de smart; zij herdenkt, helaas, niet de -Vreugde... - -—Het Geloei... o Thezeus! - -—Zij ziet niet in haar koortsvizioen Dionyzos en zijn druiveprieel, -zijn liefderedding, en zelfs de goddelijke Afrodite ziet zij niet, die -over de parelen zee haar schulp stuurde... - -—O, de verschrikkelijke Stierekop! Hij bloedt zwart uit... afgehouwen! - -—Zij ziet niet de zegetocht, en zij ziet niet de Goudene Poorten! -Alleen de Smart blijft! Helaas, alleen mijn Smart blijft! O Vreugde, -Vreugde, waar ben je? Nu weet Dionyzos wat zijn Smart is, hem -voorbeschikt, helaas, van zijn in bliksems blakende geboorte af! Zeus, -Zeus, vader, nu weet ik mijn Smart! O, ik heb mijn Smart voelen -naderen, ik heb mijn Smart kunnen dragen, maar vluchtende, langs mijn -eersten zegeheirweg, mijn Smart, helaas, dat ik de Vreugde verspild -had, dat ik de Vreugde verspild had aan beesten! O, Aarde, Aarde, -Wereld, die ik verwon, en die ik de heerlijke Vreugde druivepersende -sprenkelde: gij kùnt niet de heilige Vreugde omvatten, zoo als een -sater een druivetros omvat en uitperst aan zijn mond! Helaas, ik heb -goddelijkheid aan de menschelijke aarde verspild, en de menschelijke -aarde heeft zich zat aan mijn Vreugde gezopen, en braakt mijn Vreugde, -o walging, uit! Helaas, helaas, ik verwon niet! Dionyzos werd -verslagen! Alleen—ik ben alleen! Waar is Ampelos! - -—Thezeus, Thezeus! - -—Zij ijlt! Helaas, zij sterft in mijn armen! Hoe heerlijk was zij in -zegetocht, aan mijn zijde, of op blanken olifant, tijgende de steden -binnen; en helaas, hoe heb ik haar, ach, niet achtende, dat zij -sterfelijk was, meêgesleept op mijn nederlaag, terug, altijd terug! O, -Dionyzos’ Smart overstelpt hem! Dionyzos is alleen: Ariadne sterft, en -hij... is alleen! Eenzaamheid, eenzaamheid, smart! Ampelos, Silenos, -Hermafroditos, menaden, faunen en saters! Waar zijt gij! Waar is de -Vreugde? Is dit Nyza? Is dit somber vervloekte oord, Nyza? O huiverende -wind, o winter! Zeus!! Dàar... dàar... tusschen de naakte boomen... -dàar zie ik mijn eigen wingerd... die IK plantte... nadat het -Panszoontje, dat den geheelen morgen geblazen had, mij eindelijk Nyza’s -gunstige plek aanwees...! Daar zie ik mijn wingerd! Geen blad, geen -tros; niets dan naakt wanhopige knoestige takken! Wingerd, ben je als -Ampelos dood! Helaas, àlle vreugde is gestorven! Ariadne sterft: -helaas, om Dionyzos huivert de dood! Goddelijk, ben ik sterfelijk, en -sterven wil ik met Ariadne! O, smart, o smart! Zeus, mijn vader, niet -gezegevierd, niet te hebben overwonnen, de Vreugde niet louter in -heerlijkheid den menschen te hebben uitgeperst voor alle volgende -menschelijke eeuwen...! Helaas, Dionyzos’ taak is volbracht, maar hoe -is hij gefaald in zijn volbrengen! Eerste blijdschap der eerste -gedachten en dagen, luide jubel na die planting der eerste -wijnstokken...! Het land liep uit; àllen plantten den wijnstok...: -Demeter herbloeide! De wereld bloeide en weligde! Helaas, helaas, de -Vreugde is gestorven, omdat de mensch de Vreugde heeft verzopen, -bezoedeld...! - -—Dionyzos! - -—Zij herkent mij weêr! O, Ariadne, herdenk het BLIJDE Naxos, herdenk -den vreugdevollen Dionyzos, herdenk de glimlachende Afrodite! Er wàs -schoonheid en Vreugde in ons leven! - -—O Dionyzos, ik herdenk, ik herdenk... Ik herinner mij, o Dionyzos! Ik -bèn gelukkig en ik bèn dankbaar! Ik herinner mij, ik herinner mij -alles... Ik herinner mij je hevige smart! O, die terugtocht, de -nederlaag, de hevige smart... Dionyzos, ik herinner de smart mij... Ik -geloof... ik geloof wel, dat ik sterf... maar ik herinner mij, ik -herinner mij... Alleen Dionyzos... o wees niet wanhopig. Zie... je hèbt -de Vreugde gesprenkeld; je hèbt overwonnen... en de wereld heeft haar -aanvaard, tot de Goudene Morgenpoorten toe... Vreugde is overal -geplant... haar zaad BLIJFT, o Dionyzos! Verdort ook de allereerste -goddelijke weliging... andere weligingen zullen volgen... eenmaal... -eenmaal, Dionyzos, in vèr verwijderde eeuwen... Eenmaal, o Dionyzos, -zal de Vreugde over de wereld herbloeien en de menschheid, half -goddelijk dàn, zal haar genieten met zuiveren zin, blijden geest, -lichaam en zielen van schoonheid! O Dionyzos, ik sterf... maar ik voel -je bezieling in mij...! Mijn stem zwijmt... maar ik voel je eigen -enthouziasme als wijn mij stroomen... voor het laatst... mijn aderen -door... Dionyzos, Dionyzos,... o, heb vertrouwen, o, wèes niet -rampzalig: ik heb Vreugde in stervenssmart...! Ik... ik ben dankbaar, -en... ik... bèn... gelukkig! - -Uitgeput stierf zij op zijn schouder. Haar gelaat lag achterover, -bleek, de oogen gebroken, en hij slaakte een gil, die schel door den -stormwind snerpte. - -—O Zeus, o mijn vader! riep hij. Schenkt gij mij vòl mijn drinkschaal -van smart! - - - -Maar cymbels sloegen, fluiten pepen en tamboerijnen rinkelden vroolijk. -Verzamelende vreugdetroepen door den stormnacht trokken het woud door, -dansende: - -—Dionyzos! Dionyzos! riepen zij. - -De god slaakte gil op gil. Hij verscheurde zijn mantel, hij trok zich -de haren, hij sloeg zich weeklagend de borst. Hij danste in razernij -en: - -—Faunen! Saters! Menaden! riep hij. Zie, o zie... Ariadne... Zij is -niet meer!!! - - - - - -Toen schoot Zeus’ vuur door den stormnacht heen en de donder rolde over -Dionyzos’ verwonnen wereld. En als met éen vaag veegde schoon van -wolken de nacht en over Nyza’s woud en zee en bergenkim, opende zich -geheel de Olympos in vreemd licht stralend. De heerlijke bergtoppen -schakelden zich breed aan die hemelkim hoog, en de goudzuilige -godenpaleizen schitterden hel; de bronzen pannen golfden een zee van -glans, maar vooral was glans zelve om de godelingen, die omringden -Zeus, op zijn troon, lichtjes omwolkt, de adelaar aan zijn machtige -voeten. En zijn stem riep, door de onmetelijke verte heen: - -—Mijn zoon Dionyzos! - -Hij hoorde niet, want hij lag op Ariadne’s lijk. - -—Mijn zoon! Mijn zoon Dionyzos! - -Hij snikte slechts op het lijk van zijn bruid. - -—Mijn lieveling! Mijn lievelingszoon Dionyzos! herhaalde ten derde male -stemdaverend Zeus. - -En alle goden riepen: - -—Dionyzos! Dionyzos! - -Dat was geluid als van bazuinen, en Dionyzos keek om. Hij keek op, -ontzet. En Zeus riep: - -—Mijn lievelingszoon Dionyzos! Hoor uw vader Zeus spreken tot u! Gij -hèbt overwonnen en uw purperen taak volbracht, goddelijk heerlijk! Gij -zijt overwinnaar, en de Vreugde verwon, en zal der menschen louter deel -eenmaal zijn! Vraag niet van menschen, wat der goden is: vraag hun nu -niet het goddelijk genot van de Vreugde! Laat hen de loutering na -eeuwen volbrengen! Hoop, hoop, Dionyzos, en hoop op de menschheid, -onstuimig en schaterlachend, zoo als gij altijd gehoopt hebt! Dionyzos, -wees u zelve weêr! Dat het Noodlot de smart u niet spaarde... o wijt -het niet aan de Vreugde, mijn lieflijke god en mijn zoon, mijn godszoon -van blakende Vreugde...! Dionyzos! Dionyzos! Herleef! Herbloei in de -Vreugde, en, aan de zijde van Ariadne, vorstin aller vreugde, kom tot -ons, in Olympos op: wees onstuimig en schaterlachend te midden van -broeders en zusters, en, Dionyzos, wees onsterfelijk, als Ariadne -onsterfelijk zal zijn, in den dronk der onsterfelijke Vreugde van -nektar, die u Hebe al langt! Dionyzos, mijn zoon, kom op! Ariadne, kom -op! Uw taak is volbracht! Laat uw taak thans aan de seizoenen over! -Laat de stormwind na den oogst uw wingerd ontblooten van bladeren: laat -de lente haar bloeien... laat de herfst haar zwellen van purperen en -van blonde trossen doen! Dionyzos, uw taak is volbracht, en de blijde, -lachende, volschoone eeuwigheid wacht je gloriegolvende in ons -midden... - - - -Toen zag Dionyzos Zeus de armen lachend openen wijd en alle goden -riepen zijn naam uit schel als met zilveren bazuinen en Hermes zelve -vloog naar de aarde toe en daalde te Nyza, en riep, wijzend op de -hemelsche zegekar, die vier gevleugelde paarden trokken over de -verklaarde lucht: - -—Dionyzos! Zie: Ariadne herleeft! Niet leid ik haar ten somberen -Tartaros, maar ten gouden Olympos leid ik u beiden! - -Een groot licht straalde uit. En in het groote licht was Dionyzos zoo -jeugdig en straalde van al bijna onsterfelijke goddelijkheid, of de -smart was een schim geweest... Niet meer dan een droom... nu dat -Ariadne oprees verklaard, en, wandelend in een glorie van licht aan -zijn hand, naar de zegekar trad, waar Hermes, leidsels ter hand, hen -verbeidde. - -Toen klonk uit lucht, zee, aarde en hemel Dionyzos’ hymne hem tegen als -jubel, voorspellende der na-eeuwen troost. - - - Nice-Venetië-Cadore, Maart—Juli III. - - - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DIONYZOS *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/67746-0.zip b/old/67746-0.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 7a501e0..0000000 --- a/old/67746-0.zip +++ /dev/null diff --git a/old/67746-h.zip b/old/67746-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 7550c43..0000000 --- a/old/67746-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/67746-h/67746-h.htm b/old/67746-h/67746-h.htm deleted file mode 100644 index 64ed691..0000000 --- a/old/67746-h/67746-h.htm +++ /dev/null @@ -1,8447 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html -PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2022-03-31T20:05:09Z using SAXON HE 9.9.1.8 . --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8"> -<title>Dionyzos</title> -<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="Louis Marie Anne Couperus (1863–1923)"> -<link rel="coverpage" href="images/front.jpg"> -<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content="Louis Marie Anne Couperus (1863–1923)"> -<meta name="DC.Title" content="Dionyzos"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */ -html { -line-height: 1.3; -} -body { -margin: 0; -} -main { -display: block; -} -h1 { -font-size: 2em; -margin: 0.67em 0; -} -hr { -height: 0; -overflow: visible; -} -pre { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -a { -background-color: transparent; -} -abbr[title] { -border-bottom: none; -text-decoration: underline; -text-decoration: underline dotted; -} -b, strong { -font-weight: bolder; -} -code, kbd, samp { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -small { -font-size: 80%; -} -sub, sup { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -} -sub { -bottom: -0.25em; -} -sup { -top: -0.5em; -} -img { -border-style: none; -} -body { -font-family: serif; -font-size: 100%; -text-align: left; -margin-top: 2.4em; -} -div.front, div.body { -margin-bottom: 7.2em; -} -div.back { -margin-bottom: 2.4em; -} -.div0 { -margin-top: 7.2em; -margin-bottom: 7.2em; -} -.div1 { -margin-top: 5.6em; -margin-bottom: 5.6em; -} -.div2 { -margin-top: 4.8em; -margin-bottom: 4.8em; -} -.div3 { -margin-top: 3.6em; -margin-bottom: 3.6em; -} -.div4 { -margin-top: 2.4em; -margin-bottom: 2.4em; -} -.div5, .div6, .div7 { -margin-top: 1.44em; -margin-bottom: 1.44em; -} -.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, -.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { -margin-bottom: 0; -} -blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, -.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { -margin-top: 0; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin: 1.6em auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { -font-size: 0.9em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -td.tocDivNum { -vertical-align: top; -} -td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -margin-top: 3.6em; -} -span.abbr, abbr { -white-space: nowrap; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.num, span.trans, span.trans { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.asc { -font-variant: small-caps; -text-transform: lowercase; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -border: none; -border-bottom: 1px solid black; -width: 45%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -} -hr.dotted { -border-bottom: 2px dotted black; -} -hr.dashed { -border-bottom: 2px dashed black; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.42em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.84em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0 0.05em 0 0; -padding: 0; -line-height: 0.8; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -.advertisement, .advertisements { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { -color: #660000; -} -.fnreturn { -color: #AAAAAA; -font-size: 80%; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -a { -text-decoration: none; -} -a:hover { -text-decoration: underline; -background-color: #e9f5ff; -} -a.noteRef, a.pseudoNoteRef { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -top: -0.5em; -text-decoration: none; -margin-left: 0.1em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { -float: left; -margin-left: -0.1em; -margin-top: 0.9em; -min-width: 1.0em; -padding-right: 0.4em; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -.apparatusnote:target, .fndiv:target { -background-color: #eaf3ff; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -white-space: nowrap; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.index p { -text-indent: -1em; -margin-left: 1em; -} -.indexToc { -text-align: center; -} -.transcriberNote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.missingTarget { -text-decoration: line-through; -color: red; -} -.correctionTable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -span.musictime { -vertical-align: middle; -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { -padding: 1px 0.5px; -font-size: xx-small; -font-weight: bold; -line-height: 0.7em; -} -span.musictime span.bottom { -display: block; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.splitListTable { -margin-left: 0; -} -.splitListTable td { -vertical-align: top; -} -.numberedItem { -text-indent: -3em; -margin-left: 3em; -} -.numberedItem .itemNumber { -float: left; -position: relative; -left: -3.5em; -width: 3em; -display: inline-block; -text-align: right; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0 7em 0; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 1.7; -margin: 2em 0 2em 0; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0 2em 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0 0 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -tr, td, th { -vertical-align: top; -} -tr.bottom, td.bottom, th.bottom { -vertical-align: bottom; -} -td.label, tr.label td { -font-weight: bold; -} -td.unit, tr.unit td { -font-style: italic; -} -td.leftbrace, td.rightbrace { -vertical-align: middle; -} -span.sum { -padding-top: 2px; -border-top: solid black 1px; -} -table.inlinetable { -display: inline-table; -} -table.borderOutside { -border-collapse: collapse; -} -table.borderOutside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -} -table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderOutside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside { -border-collapse: collapse; -} -table.verticalBorderInside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border-left: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft { -border-left: 0 solid black; -} -table.borderAll, -table.rtlBorderAll { -border-collapse: collapse; -} -table.borderAll td, -table.rtlBorderAll td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop, -table.rtlBorderAll .cellHeadTop, table.rtlBorderAll .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadBottom, -table.rtlBorderAll .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellBottom, -table.rtlBorderAll .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellLeft, -table.borderAll .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellRight, -table.borderAll .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -table.rtlBorderAll .cellLeft, -table.rtlBorderAll .cellHeadLeft { -border-right: 2px solid black; -} -table.rtlBorderAll .cellRight, -table.rtlBorderAll .cellHeadRight { -border-left: 2px solid black; -} -tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop { -border-top: 1px solid black !important; -} -tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight { -border-right: 1px solid black !important; -} -tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft { -border-left: 1px solid black !important; -} -tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom { -border-bottom: 1px solid black !important; -} -tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal { -border-top: 1px solid black !important; -border-bottom: 1px solid black !important; -} -tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical { -border-right: 1px solid black !important; -border-left: 1px solid black !important; -} -tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll { -border: 1px solid black !important; -} -tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop { -border-top: none !important; -} -tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight { -border-right: none !important; -} -tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft { -border-left: none !important; -} -tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom { -border-bottom: none !important; -} -tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal { -border-top: none !important; -border-bottom: none !important; -} -tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical { -border-right: none !important; -border-left: none !important; -} -tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll { -border: none !important; -} -.cellDoubleUp { -border: 0 solid black !important; -width: 1em; -} -td.alignDecimalIntegerPart { -text-align: right; -border-right: none !important; -padding-right: 0 !important; -margin-right: 0 !important; -} -td.alignDecimalFractionPart { -text-align: left; -border-left: none !important; -padding-left: 0 !important; -margin-left: 0 !important; -} -td.alignDecimalNotNumber { -text-align: center; -} -.lgouter { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -display: table; -} -.lg { -text-align: left; -padding: .5em 0 .5em 0; -} -.lg h4, .lgouter h4 { -font-weight: normal; -} -.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { -color: #777; -font-size: 90%; -left: 16%; -margin: 0; -position: absolute; -text-align: center; -text-indent: 0; -top: auto; -width: 1.75em; -} -p.line, .par.line { -margin: 0 0 0 0; -} -span.hemistich { -visibility: hidden; -} -.verseNum { -font-weight: bold; -} -.speaker { -font-weight: bold; -margin-bottom: 0.4em; -} -.sp .line { -margin: 0 10%; -text-align: left; -} -.castlist, .castitem { -list-style-type: none; -} -.castGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.castGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.castGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -span.ditto { -display: inline-block; -vertical-align: middle; -text-align: center; -} -span.ditto span.s { -height: 0; -visibility: hidden; -line-height: 0; -} -span.ditto span.d { -display: block; -text-align: center; -line-height: 0.7em; -} -span.ditto span.i { -position: relative; -top: -2px; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pageNum { -display: inline; -font-size: 8.4pt; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -letter-spacing: normal; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -} -.right-marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -right: 3%; -position: absolute; -text-indent: 0; -text-align: right; -width: 11% -} -.cut-in-left-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: left; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; -} -.cut-in-right-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: right; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: right; -padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -text-indent: 0; -} -.pglink::after { -content: "\0000A0\01F4D8"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.catlink::after { -content: "\0000A0\01F4C7"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after { -content: "\0000A0\002197\00FE0F"; -color: blue; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover { -background-color: #FFDCDC; -} -body { -background: #FFFFFF; -font-family: serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { -text-align: left; -} -.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { -color: #660000; -} -.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -} -.arab { font-family: Scheherazade, serif; } -.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } -.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } -.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } -.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } -/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */ -h3.main { -text-align: center; -} -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.cover-imagewidth { -width:558px; -} -.xd31e98 { -text-align:center; font-size:large; -} -.titlepage-imagewidth { -width:482px; -} -.xd31e121 { -text-align:right; -} -.xd31e2798 { -font-size:large; -} -@media handheld { -} -/* ]]> */ </style> -</head> -<body> -<div lang='en'> -<p style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of <span lang='nl'>Dionyzos</span>, by Louis Couperus</p> -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online -at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you -are not located in the United States, you will have to check the laws of the -country where you are located before using this eBook. -</div> -</div> - -<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: <span lang='nl'>Dionyzos</span></p> -<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Louis Couperus</p> -<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Release Date: March 31, 2022 [eBook #67746]</p> -<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Language: Dutch</p> - <p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em; text-align:left'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file was produced from images generously made available by The Internet Archive/Canadian Libraries)</p> -<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl'>DIONYZOS</span> ***</div> -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="558" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd31e98">DIONYZOS -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="482" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">DIONYZOS</div> -</div> -<div class="byline">DOOR<br> -<span class="docAuthor">LOUIS COUPERUS</span></div> -<div class="docImprint">L. J. VEEN—AMSTERDAM</div> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb.v">[<a href="#pb.v">V</a>]</span></p> -<div id="prelude" class="div1 prelude"><span class="pageNum">[<a href="#prelude.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">DIONYZOS-STUDIËN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<div id="pre.1" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main">I.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first xd31e121">Na de <span class="sc">Kleine Zielen</span>, -<br>en vóor <span class="sc">Dionyzos</span>.… -</p> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">O, Dionyzos—druivenperser—god,</p> -<p class="line">Dien ik gedenk, wanneer mijn morgens dwalen</p> -<p class="line">Langs lange marmergodenvolle zalen,</p> -<p class="line">Na ’t scheemren veler kleiner Zielen lot;</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">O, Dionyzos, laat uw lach en spot</p> -<p class="line">En spel en sterke levenswellust stralen,</p> -<p class="line">Hel glanzend goud vol zuider-idealen,</p> -<p class="line">En schenk mij in uw schalen ’t nieuw genot!</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Mijn ziel is twee: een kind van noordewee,</p> -<p class="line">Duikt zij deemoedig onder noordeluchten</p> -<p class="line">En voelt zich éen met grauwe lucht en zee.</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Maar als de schemervizioenen vluchten</p> -<p class="line">Na ’t kleurloos schaadwen duistrer kleinen leed,</p> -<p class="line">Slaakt zij naar blaùwe lucht haar jubelkreet;</p> -</div> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb.vi">[<a href="#pb.vi">VI</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="pre.2" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main">II.</h3> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">Voelt zij zich, Dionyzos, met u één,</p> -<p class="line">Blaakt zij uw leven meê: verwonderd blikken</p> -<p class="line">Haar heldrende oogen naar die oogenblikken</p> -<p class="line">Terug, waarin zij welkte in geween.</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Zij weent niet meer; en wil niet meer gesteen</p> -<p class="line">En starende oogen, en het stootend snikken;</p> -<p class="line">Niet meer het onder Noodlot onverwrikken</p> -<p class="line">En scheemren, samen met die Zielen kleen.</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Zij schiep ze, Dionyzos, maar, geschapen,</p> -<p class="line">Strijkt zij de hand zich langs de smarteslapen</p> -<p class="line">En zucht zij op, heel diep uit ùwe ziel!</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">En lachen zoû zij willen zonder reden,</p> -<p class="line">Een kind gelijk, dat gij, o mijn aanbeden</p> -<p class="line">Genot! verlost van weemoeds noodlotwiel!</p> -</div> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb.vii">[<a href="#pb.vii">VII</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="pre.3" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main">III.</h3> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">Nu, lachend, speuren mijn begeerige oogen</p> -<p class="line">Naar iedren sater, dien ik, marmer, zie,</p> -<p class="line">Beschonken, neêrgezonken op éen knie,</p> -<p class="line">Den wijnzak drukkende; dra zat gezogen,</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Loert naar een nymf hij met zijn scheel gespie:</p> -<p class="line">Zijn dronken vingers bootsen, lustgebogen,</p> -<p class="line">Krampbevende haar lichaam na: gedoogen</p> -<p class="line">Zal hij het nooit, dat zij hem snel ontvlie.</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Zijn lach grijnst breed; zijn spitse ooren trillen,</p> -<p class="line">Zijn lippen, droesemrood nog, zouden willen</p> -<p class="line">Haar lippen bijten met zijn dronken zoen.</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">In ’t marmer is zijn wil veronverwrikbaard;</p> -<p class="line">Hij weet—en van voldoening spitst zijn sikbaard—</p> -<p class="line">Dat Dionyzos haar geen hulp zal doen!</p> -</div> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb.viii">[<a href="#pb.viii">VIII</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="pre.4" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main">IV.</h3> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">O, Dionyzos, laat uw godeleven</p> -<p class="line">Ik zonhel, etherdiep nu gadeslaan</p> -<p class="line">Langs purperwanden van het Vaticaan;</p> -<p class="line">De zalen door, waar vaag de schimmen zweven</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Der badgenooten van Diocletiaan,</p> -<p class="line">Die zich <span class="asc">UW</span> ranken om de slapen weven!</p> -<p class="line">O, laat mijn loome voeten dwalen, beven</p> -<p class="line">Mijn dronken ziel bij ’t Kapitool-ingaan!</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Ik zoek <span class="asc">U</span> slechts, ik zoek <span class="asc">UW</span> ruige saters!</p> -<p class="line">Mijn zinnen smachten naar hùn dolle schaters,</p> -<p class="line">Mijn heet hart hijgt naar uwer faunen zang:</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Nòg spelen fluit zij als Praxiteles</p> -<p class="line">Hun vingers leerde, parelgamma-les,</p> -<p class="line">Op rietjes, drie kort en vier rietjes lang!</p> -</div> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb.ix">[<a href="#pb.ix">IX</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="pre.5" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main">V.</h3> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">Mijn Dionyzos, dien ik al zoo innig</p> -<p class="line">Zie voor mijn zuidelijke ziel, o zeg,</p> -<p class="line">Moet ik nog wachten, vóor ik om u leg</p> -<p class="line">Mijn beide handen, u omvat beminnig,</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">En geef mijzelven aan uzelven weg?</p> -<p class="line">Vinden uw saters mij te droef diepzinnig</p> -<p class="line">Of zal hun spot mij heeklen veel te vinnig</p> -<p class="line">Omdat ik, u omhelzende, overleg …?</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Maar zoo mijn noordelijke ziel blijft treuren,</p> -<p class="line">Zult gij, o blijde god, niet waardig keuren,</p> -<p class="line">Wie <span class="asc">U</span> wil zeggen met te doffen klank;</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Mijn ziel is twee: ik hoor haar stem nòg klagen:</p> -<p class="line">Haar woord moet schel zijn als een cymbelsprank,</p> -<p class="line">Om u te heerlijken langs myrtehagen!</p> -</div> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb.x">[<a href="#pb.x">X</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="pre.6" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main">VI.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first xd31e121"><i>Ludovisi-Buancampagni.</i> -</p> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">Ik zie slechts u, ik zie u overal,</p> -<p class="line">Zie, kind, u op Silenos’ armen slapen,</p> -<p class="line">Zie, knaap, u schoonste, onder alle knapen,</p> -<p class="line">Zie, jongling, zwelgen u bij fluitgeschal;</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Ik zie u, Wellust! ranken om de slapen,</p> -<p class="line">Den nadroom van ’t genot in ’t oog en tal</p> -<p class="line">Van rijpe trossen al geparst, schijnt pal</p> -<p class="line">Gij open-oogs en staand, éven te slapen.</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Uw oog alleen is moê, uw glimlach moê,</p> -<p class="line">Maar nooit is moê uw onverzaadlijkheid:</p> -<p class="line">Gij hebt geen pooze ook maar u neêrgevlijd:</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Terwijl uw rechte haar pijnappelroê</p> -<p class="line">Omspant, bespeur ik, Dionyzos, hoe</p> -<p class="line">Het panthervel ligt zonder plooi gespreid.…</p> -</div> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb.xi">[<a href="#pb.xi">XI</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="pre.7" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main">VII.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first xd31e121"><i>Biga-zaal.</i> -</p> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">Ik zie u in de Karre-zaal gebaard:</p> -<p class="line">Sardanapalus schijnt ge in marmren vouwen,</p> -<p class="line">Met zorg u omgeplooid door mantelvrouwen;</p> -<p class="line">Maar ’k wist u niet zoo trotsche wijze en aard.</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">De marmren zegekar schijnt u bewaard;</p> -<p class="line">Der marmren zegerossen zult <span class="asc">GIJ</span> hoûen</p> -<p class="line">De strengen in uw vuist en door den blauwen</p> -<p class="line">Droomether neemt ge apotheoze-vaart!</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Laat scheren van uw ronde wang dat kruiven,</p> -<p class="line">En vàllen van uw schouder ’t lijnwaadhuiven,</p> -<p class="line">Hoe liefdevol ook iedre vouw er strijkt.</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Zie, vlàk bij rijst gij, zaalge god van druiven,</p> -<p class="line">Naakt,—baardeloozen lach—vermenschelijkt,</p> -<p class="line">Naar mijn verlangen plots verwenschelijkt!</p> -</div> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb.xii">[<a href="#pb.xii">XII</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="pre.8" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.8.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main">VIII.</h3> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first xd31e121"><i>Lateraan.</i> -</p> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">Op ’t bas-relief, marmerjuweelig, teêrtjes,</p> -<p class="line">Festoent een wijnoogst, feest, dat mij verrukt.</p> -<p class="line">De druivegoodjes klimmen op de leêrtjes</p> -<p class="line">En hebben dra den vollen tros geplukt.</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Zij hellen, lachend overlangs gebukt,</p> -<p class="line">En bieden andren goodjes keer op keertjes</p> -<p class="line">’t Zoo zwaar gezwollen ooft, dat over, weêrtjes,</p> -<p class="line">Het godje tuimelt, als omver gerukt.</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Een loopt er, torsend ’t korfjen overvol</p> -<p class="line">Met beide knuistjes ’t knellend op zijn bol:</p> -<p class="line">Wanklend de dikke beentjes wijd, wil ’t brengen</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Zijn buit den wijnbak toe, waar rythmiesch twee</p> -<p class="line">De trossen dansend treden: <span class="corr" id="xd31e332" title="Bron: Evoé">Evoë</span>!</p> -<p class="line">Tot most, dien ze u, mijn Dionyzos, plengen!</p> -</div> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb.xiii">[<a href="#pb.xiii">XIII</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="pre.9" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.9.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main">IX.</h3> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">Nu wil ik in u zoeken, hier ter steê,</p> -<p class="line">De blijde godlijkheid van Zeus, uw vader;</p> -<p class="line">Nu wil ik speuren in uw marmren ader</p> -<p class="line">’t Bloed, gloeiend in uw moeder, Semele;</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Daar zij verbrandde in zalig blakenswee,</p> -<p class="line">Zoodra haar Zeus in open bliksems nader</p> -<p class="line">Zich openbaarde: een glorensfelle dader,</p> -<p class="line">Wiens gloed zelfs blusschen zoû geen wereldzee!</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Zeg, zijt gij zoon van moeder, vader, beiden?</p> -<p class="line">God, zijt gij overwinnaar als hij was,</p> -<p class="line">Die u verwekte in ’t hijgende verscheiden</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Dier bruid, versmeltende als een blonde was.…</p> -<p class="line">Maar zoo genot en lust u overvielen,</p> -<p class="line">Zoû ’k in uw oog en lach zien moeders ziele …?</p> -</div> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb.xiv">[<a href="#pb.xiv">XIV</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="pre.10" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.10.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main">X.</h3> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">God, die den wijnstok plant, ’k wil niet vergeten</p> -<p class="line">U op uw zegetocht plots te doen treffen</p> -<p class="line">Eenzame vrouw in sluimers onbeseffen,</p> -<p class="line">En weenensrood de scheelen toegekreten.</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Gij kunt—ontwaakt—haar morgenzonnig heffen</p> -<p class="line">Uit nachtschaûw en uit nood: aarzlend gezeten</p> -<p class="line">Op panther tam zal Ariadne u weten</p> -<p class="line">Een god! en haar bewogen ziel vereffen.…</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Troosten voor wien ondankbaar haar verliet,</p> -<p class="line">Moet purpren arbeid, dans en spel en lied:</p> -<p class="line">Eén lange wingerd zal uw reis bekransen;</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">En zoo Silenos zat en wagglend vliedt</p> -<p class="line">Voor tergende menaden uit, mag niet</p> -<p class="line">Dan èindlijk lachen Ariadne en glansen …?</p> -</div> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb.xv">[<a href="#pb.xv">XV</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="pre.11" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.11.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main">XI.</h3> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">Ik weet, gij hadt nooit zoo verlaten bruid</p> -<p class="line">Aan ’t hart gebeurd, kronende uw gemalin</p> -<p class="line">Des purpren nektarrijks triumfgodin,</p> -<p class="line">Zoo niet naar week gevoel uw ziel ging uit.</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Gij zijt niet slechts de wijngod, die bij fluit</p> -<p class="line">En cymbel ’t spranklend leven drinkt als in</p> -<p class="line">Eén volle schaal, nooit zwelgenszat uw zin:</p> -<p class="line">’k Vermoed, dat gij een eedler wezen duidt;</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Zijt gij dan ’t enthoeziaste medelijden?</p> -<p class="line">Weldaadge liefde, die wil troost bereiden,</p> -<p class="line">En rozenbed mocht aan vertwijfling spreiden?</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">En was het u niet hooger zielsverrukken</p> -<p class="line">Aan Noodlots reuzeklauw die vrouw te ontrukken,</p> -<p class="line">Om haar uw druivediadeem te drukken?</p> -</div> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb.xvi">[<a href="#pb.xvi">XVI</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="pre.12" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.12.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h3 class="main">XII.</h3> -<div class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">O, Dionyzos, laat mij dan geheel</p> -<p class="line">U weten, god en mensch u voelen; laat</p> -<p class="line">Uw leven, lichaam en uw rond gelaat</p> -<p class="line">Mij zoo vertrouwd zijn of ik met u speel!</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Godlijke broeder, menschlijk kameraad!</p> -<p class="line">’k Wil woorden schakelen tot schel juweel;</p> -<p class="line">Vangen in klare zinnen ’t blauw gestreel</p> -<p class="line">Latijnscher lucht, die koeplend om mij staat!</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Ik wil geheel u in mij voelen trillen,</p> -<p class="line">Mij voelen zoo in u, of samen willen</p> -<p class="line">We ons beider ziel aan éenen dronk verspillen;</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Bezit ik u, bezit gij mij zoo vast,</p> -<p class="line">Dat ik uw gast ben, gij mij wordt tot gast,</p> -<p class="line">Dan zeg ik zùidlijk hoe uw wijnstok wast!</p> -</div> -</div> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first xd31e121"><span class="sc">Rome</span>, Februari III. -<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">I.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Rozig, sprenkelend den dauw op de violette anemonen, die openden haar slaapdronken -kelken, en gretig drinken wilden met bekertjes, rees de dadelijk zonnige morgen over -de blad-dichte beemden van Nyza. Weg naar het Westen week er de paarse nacht en verdween. -Reuzig de wilde kastanjes, en ruischend de eiken van uchtendbries, ontwaakte het woud, -en de weiden, dauwdruipend, spiegelden licht terug, parelgekleurde lucht; de anemonen -bloeiden op uit lichtende watering, en ontloken, gelescht, geheel. Strak naar de zee, -blauwe lijn, streek snel toe het verschiet, en de hemel koepelde wolkenloos. Wazige -frischte, weêrschijn van dauw, huiverde over de wereld, over lucht, woud en zee, en -rings-om-rond over bergen, wier rondingen schakelden op de parelgekleurde lucht, als -een snoer cameeën om blinkenden hals. Rillend, in de laatste schaduwen, <span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>ontwaakten in het woud de nymfen. -</p> -<p>Op een lynxevel sliep de knaap en droomend had hij zijn arm, vaag gebaar, uitgestrekt -in de anemonen. Zijn palm was half geopend; een lichte grijping trilde in zijn vingers. -Zijn hoofd lag achterover, bronsblond de lokken, teêr blauw geaderd de oogescheelen -gesloten en zijn mond huiverde van een wellust, gedroomd. Week bootste zijn blank -lichaam uit op de ruig vlakkige lynxehuid; zijn schouders rondden zich als die van -een maagd en zijn ademende borst zwol en golfde; zijn schoot viel in, en zijn heup -heuvelde hooger, en de beenen, gestrengeld, bloemesteelden weg naar den voet, waaraan -de groote teen scheen te trillen, of hij trad luchtig op wolken van droom. Nu de nymfen -waren ontwaakt, en zich rekkende hieven uit hare slaping, rillende onder den pareldauw, -verzamelden zij rondom hem heen, en fluisterden en naderden schuw. Van zijn vader -Zeus zelven scheen de hooge goddelijkheid te stralen zijn voorhoofd af, ernstig hoog -gewelfd tusschen bronsblonde krullen, maar de gloed van zijne moeder, Semele, verblaakt -in Zeus’ bliksem en eigenen brand, verzinnelijkte hem tot een god van genot. En ernst -en genotzucht mengelden zich in hem <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>als tot eene betoovering, stralende uit zijn wezen, en de nymfen werden niet moê hem -te verslinden met verlangende oogen. Zij wilden hem nog niet wekken. Ino, op een vijgeblad, -stapelde vijgen voor zijn maal, en Ione hield aan den bronstraal haar kruik, waarin -de gamma der druppelen steeg tot ze vol was. Uit de verte klonken de herdersfluiten. -</p> -<p>Nu kon Neïra zich niet houden, en hurkende, streelde haar vinger de dauwdruppelen -af van Dionyzos’ schouder, waar ze parelden, als op een schulp. En onder de streeling -van haar verliefde hand, die dadelijk zich schuw terugtrok, sloeg Dionyzos de scheelen -op. Zijn oogen waren paarsblauw als donkere violen, en als in geheel zijn wezen, mengelden -zich in zijn blik een weemoed, een dartelheid. Door den paarsblauwen waasglans, weemoedig, -tintelde diep een blijde glimp. -</p> -<p>—Ik heb gedroomd, zei Dionyzos. -</p> -<p>En hij staarde, als zag hij zijn droom na, die vluchtte. Zijn viooloogen verweemoedigden -en vroolijkten over de nymfen heen, in de lucht, de parelgekleurde, naar de bergrondingen, -die geworden waren als schilden van krijgers, gestapeld tegen de kim aan. Hij staarde -na de voorspellingen, die vluchtten, na vaag gewemeld <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>te hebben in de nauw gestoorde rust zijner sluimering. Nu daalde zijn blik, zag hij -lachend de nymfen aan, en begeerig strekte zijn hand naar de vijgen. Hij at ze gulzig, -in zijn glimlach, zoo sappig ze drukkend tusschen zijn lippen en de schillen wierp -over de nymfen hij weg in spel. Een sloeg er op Ione’s oog, en terwijl zij gilde, -lachten de anderen, en ook Dionyzos lachte. Nog meer vijgen moest Ino hem brengen, -en zij knielde naast hem, ze beurende in het blad op haar palmen. Daarna, achterover -geleund, dronk hij uit Ione’s kruik. De fluiten, in de verte, naderden met hoogere -stijging en dieperen val. -</p> -<p>—En wat heeft mijn heer gedroomd? vroeg Ione. -</p> -<p>—Ik heb gedroomd … zei Dionyzos; de verovering van geheel de wereld …! -</p> -<p>—Wat een dwaasheid! Wie zoû er nu moeite doen om de wereld te veroveren! klonk in -spot, een stem, en Silenos, zich rekkende, trad naar voren uit het boschje, waar hij -geslapen had. Zeg, Dionyzos, wat spiegelden droom en slaap je zoo ijdele eerzucht -voor? Geheel de wereld …! Maar kan het de moeite loonen geheel de wereld te veroveren …? -Kan zij schooner zijn dan Nyza, kan de lucht om <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>haar zijn blauwer, de zee rondom haar stralender, de nymfen in hare wouden verleidelijker -dan Ino en Ione zijn? Ik geloof het niet! Ik geloof het niet! O Dionyzos, vergeet -je droom, die ijdelheid was als àlle droomen. -</p> -<p>—Ik heb gedroomd …—Dionyzos herhaalde het—; de verovering van <span class="asc">GEHEEL</span> de wereld!! -</p> -<p>—En waarom zoû je die wereld veroveren? Geen van de goden geeft om de wereld! Om dit -heerlijke land strekt de wereld zich uit, een baaierd gelijk! Wie bewoont er die baaierd? -Barbaren en monsters alleen! Hier alleen is de schoonheid, in de schaduw van Olympos! -Hier alleen is het leven: hier borrelt de bron aller vreugde en wijsheid! Hier heerscht -de vrede, in goudene dagen! Veroveren wil strijd en strijd sluit wijsheid en vreugde -uit. Hier vloeien de dagen als water voort, zacht murmelend van het lachen der nymfen! -Aardsche volmaaktheid is hier bereikt! Wereldverovering is ijdelheid! -</p> -<p>Maar Dionyzos snel had zich opgericht. Hij stond, fier en heerlijk en vroolijk. -</p> -<p>—Strijd is het leven! riep hij uit. Niet de bloedige strijd, dien vuurt Ares aan, -maar de lachende strijd met onverwinlijke macht! De lachende strijd is het leven! -Te gaan lachende <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>voor zich uit, zelfbewust van onoverwinlijkheid: te gaan, lachende, wouden en steden -door, zeeën over en dwars door hemelen, en te heerschen langs zijn triomftocht … dat -is het leven, dat is leven! Het oogenblik te overheerschen, dàt is het leven! Wat -zal ik geven om de minuut, die voorbij is! Het verleden dompelt achter weg; het heden -zal het lachende oogenblik zijn, dat ik lachende overheersch, en de toekomst zal zijn -de lange weg, dien <span class="asc">IK</span> neem op mijn zegekar, de wereld door, de wijde, wijde wereld door, overwinnende heel -die wereld …! De Muzen leerden mij harmonie en maat, maar Silenos, o luie bespiegelaar, -zal mij niet kluisteren in de beemden van Nyza, door te zeggen, dat de wereld een -baaierd is, en alle enthouziasme ijdelheid! -</p> -<p>Nu rekte hij zich uit, de laatste loomheid van zijn slaap week uit zijn leden: om -zijn hoofd bogen rekkend de armen rond met de buigingen van een lier, zijne oogen -stierven lachende een oogenblik, en hij gaapte voor het laatst: om de kleine mondhoeken -koraalden de lippen en de emailwitte tanden parelden schel. -</p> -<p>—Silenos, ik ben geroepen! riep Dionyzos. In mijn droom heeft mijn groote vader Zeus -mij geroepen, en mij gezegd, dat ik een taak <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>had! Mijn taak zal een purperen vreugde zijn, en hare voleindiging een purperen triumf! -</p> -<p>—En wat zullen die roeping, taak, vreugde en triumf nu zijn … -</p> -<p>—Ik weet ze niet, maar ik zal ze dézen dag weten! O, soms rijst de zon op om een grooten -dag over de wereld te doen lichten! Dan schakelen de minuten zich samen tot goudene -noodlottigheden, en de opalen dageraad trilt van verwachting, om wat het vollere uur -van den morgen zal zijn … Zie, Silenos, zoo trilt deze ure nu … Geheel de hemel schijnt -als een glimlach, omdat een goddelijke vreugde geboren gaat zijn! Rondom mij heen -zingt het woud van vogelen! Bries waait bloemengeur op als offerreuk aan de nieuwe -vreugde, die zijn zal! Verstaan doe ik de vreugde nog niet, maar zij kondigt zich -al luider en luider aan in stemmen, die geheimzinnigen in de bosschige diepte, die -schulpsuizelen uit de strakblauwe zee, en die, azuurschel, klaroenschateren, uit de -ronde hemelen, als met trompetten, gericht naar de aarde! Heilig blijde natuur, o -laat mijn jonge armen je drukken op mijn jonge hart, zoo als ze drukken zouden een -nymf, die maagd was! Ontzaglijk als je bent, ben je niets dan liefde meer in mijne -omhelzing! Hoe vele je <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>stemmen ook harmonieeren, als koren rondom mij heen, al je monden, op mijn mond, smelten -te zamen tot éen langen zoen! Al je lachende wellusten dringen te zamen tot éen wellust, -terwijl ik je te pletter druk op mijn hart! O Zeus, hoe zalig is ál wat ge schiept, -om de schoonheid der glanzende vormen, die van hemelen, en die van de aarde! Aarde, -blinkende erfenis, bloeiend erfgoed, vervalt ge Dionyzos alleen? Zeus, god van hemelen, -zal Dionyzos der aarde god zijn …?! Silenos, kom nu met mij! Kom meê, ik weet den -weg! Ik zàg hem in mijn droom! Langs deze wateren en langs deze wouden wezen hem mij -najaden en hamadryaden, lachende, met schalke vingertjes … Ik liep den weg al af in -mijn droom. Om mij heen riep de op mij verliefde aarde met tallooze stemmen, dat ik -haar veroveren zoû! Er woelde een razende vreugde! Ik ontwaakte … Nu, in morgenwerkelijkheid, -loop ik den weg af! Hierheen, hierheen! Volg mij, meester, gij, die de wijsheid gaarde -in uw woord, als de bijen honig in raten, en ze mij aanbiedt, als mij hongert, tot -ik walg van de zoete wijsheid! Hierheen, hierheen: Dionyzos hongert naar honig niet; -Dionyzos dorst! Hem dorst<span class="corr" id="xd31e478" title="Bron: .. .">…</span>! Hier spoelt zuiver water … Ik schep het in <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>mijn hand, ik drink het … O, ik wilde, er ware ander vocht, dan het water uit de kruik -der najaden … Maar Zeus hield den nektar voor zich daar boven aan hun godenfestijnen … -Daar komt Dionyzos niet! Maar is hem de hemel gesloten, de aarde zal hem open zijn …! -Vlugger, vlugger, Silenos, je bent nog niet te oud om mij te volgen! Je buik is nog -niet àl te dik: waarom zoo loom dan vandaag? Is dat het gewicht van je wijsheid, die -je beenen verlamt? Vlugger, hierheen, Silenos, achterdochtige en ongeloovige meester! -Hij gelooft niet aan den heerlijken droom, en niet aan de heilige toekomst …! Silenos, -ik spreek je nader! Ik spreek je nader, mijn vriend en mijn meester! Al je wijsheid -en ongeloof zullen af van je vallen als de verdorde bloemenkrans van je wijze slapen! -Hierheen, vlugger, Silenos! Dicht wordt het woudgewarrel met bladvolle takken dooreen, -maar tusschen dien ernst der donkere steeneiken lacht te luider uit het azuur. Hoor … -Silenos! -</p> -<p>Hij hield stil, zijn arm op den arm zijns meesters. -</p> -<p>—Hoor … -</p> -<p>—Wat hoor je, dolle Dionyzos? -</p> -<p>—Ik hoor een fluit … -<span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span></p> -<p>—De herders geleiden hun kudden. -</p> -<p>—Het is niet de fluit van een herder! Hoor, de fluit zingt de blijde wijze … -</p> -<p>—Die de menschen niet kennen? -</p> -<p>—Neen … Ik hoorde ze al, in de juichstemmen der natuur, als ze mij beminde voor ze -als een minnares viel met haar zoen op mijn mond. -</p> -<p>—Wie, Dionyzos, fluit ze nu? -</p> -<p>—<span class="sc">Hij</span>… -</p> -<p>—Wie hij … -</p> -<p>—Die mij zeggen mijn taak zal … -</p> -<p>—Wie bezielt hem …? -</p> -<p>—Zeus zelve! Hoor, de blijde wijze jubeltuit mijn wereldverovering! De blijde wijze -lokt mij te komen! -</p> -<p>—Weêrsta, Dionyzos! Euvele machten in deze donkere bosschen verlokken nymfen, en herders, -en goden! -</p> -<p>—Wat vrees ik? Aan mij is de wereld! -</p> -<p>—Hoe? -</p> -<p>—Mijn vader is Zeus! -</p> -<p>—Hij let niet op àl zijne kinderen! -</p> -<p>—Hij heeft mij lief; omdat ik de vreugde zal zijn! -</p> -<p>—Dionyzos, waar is de maat, die de Muzen je leerden? -<span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span></p> -<p>—Kom! -</p> -<p>—Neen … -</p> -<p>—Kom meê … -</p> -<p>—Het angstigt mij hier! -</p> -<p>—Zamel dan al je wijsheid om niet voor niet angst te koesteren … Kom …! -</p> -<p>—Mijn leerling en mijn god, heb medelijden met mij …! Dit is mij alles onbekend, dit -donkere woud, deze lokkende wijze van een schellere fluit, dan alle herdersfluiten! -Wat zal ik komen, met je! Overmoedig als je bent, en zoon van Zeus zelve, zal <span class="asc">HIJ</span> je beschermen, zelfs tegen Hera’s listen … Maar mij … ik zal ondergaan, in wat je -ginds wacht. Ik puurde wat wijsheid uit bespiegeling in Nyza’s eeuwige lentebeemd, -en ik drong door in de ziel der aardsche dingen. Ik wil rustig leven en aanschouwen -rondom mij, en glimlachen om wat ik aanschouw. Ik wil kalm mijn dagen laten vervlieten. -De ouderdom dunt al mijn grijzende lokken, en bezadiging matigt mijn tred; die nooit -vlug was. Wat Dionyzos, moet ik je volgen? God, ben je jong, en vrees je voor niets! -Ik hoorde zoo blijde wijze nooit … Tot wat zoû zij niet vervoeren, wellicht! Tot onmatigheid -zeker en maat, Dionyzos, is àl mijne wijsbegeerte … Zoo ik ze verloor, ware ik <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>geheel verloren … Dionyzos, ga zonder mij …! -</p> -<p>Lachend liet Dionyzos hem achter, smeekend, en ging alleen vooruit, waar de blijde -wijze lokte. Door het steeneikenwoud haastte hij snel zich en tusschen de donkere -verwrongen takken keken blanke boomnymfen nieuwsgierig hem na, en herkenden hem een -jongen god. Plots week het woud open, en mossige ronde vlakte, van viooltjes heel -geurig, cirkelde in dat luchtiger looveren als een ronde koepel, tempelomzuild door -de rechtere stammen der eiken; water murmelde er frisch sijpelend de rotsen af, tusschen -de altijd vochtige groene en goudgele mossen, en geleund tegen den steenwand stond -een Faun, het linksche been over het andere rechts, rustende op den even gebogen voet, -met den druk van de teen in viooltjes. Een gespikkeld wilde-katte-vel hing, met dooden -kop, slappe pooten zijn schouder af. Hij glimlachte, en bespeelde zijn fluit, de vingers -tegen de mondholten der rietjes. Hij stond rustig en kalm, als een kalme en rustige -vreugde. Zijn glimlach was van blijde gedachte vol. Zijn voorhoofd heel smal en de -slapen heel schuin, kruifde zijn kort haar dicht als het gekroes van een lam, dat -goud zoû geweest zijn van zijdige vacht. Onder de welving der <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>brauwen waren zijne lachende oogen als water zoo klaar, grijs blauw met de geboorde -diepte der donkere pupil. Baardeloos, warm zongewaasd was zijn nooit geschoren en -dus even donsfulpig gelaat, breedkalm om zijn glimlach, die zijn puntige tanden deed -glinsteren. Zijne ooren spitsten, als bij alle zijne stamverwanten, en gaven aan zijn -goedheid en vroolijkheid een pittigen geest, schalk wèl-demoniesch. Hij was groot, -breed, kalm, jong en rustig. Hij stond als een jeugdig athleet, die een dichter was. -Zijne spieren, niet zichtbaar, verrieden zich onder de gestoofde goudtint van zijn -vleesch. En zoo was hij een kracht, die eene teederheid was, en een ernst, die was -een vreugde. -</p> -<p>Dionyzos zag hem aan. En dat Dionyzos een god was, ook al was zijne moeder een vrouw -van de aarde, werd zichtbaar, omdat goud blauwig Dionyzos straalde, gloed om zijn -blanke godeleden, die de zon nooit stoofde, gloed om zijn godegelaat, dat, ongeschoren, -bleef baardeloos, als dat van eene maagd, gloed uit zijn violenoogen van genot en -van weemoed, gloed om zijn gaan en zijn stilstaan—terwijl de Faun zoo zichtbaar geen -god was, maar ook geen mensch—: geboreling uit het bosch zelve, eigen kind van de -aarde-natuur, schepsel van <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>het schitterende woud, éen hij van zelfde essentie, met boom, blad, woud, water, bloem, -wolk … En nu hij Dionyzos zag, stralende, komende de donkere schaduw der steeneiken -uit, nu staakte hij zijn lied, nam de fluit van zijn volroode lachlippen, groette -den god met eene beweging der hand, die de fluit nog vasthield, en zeide, zijn stem -diep vol en lachend: -</p> -<p>—Wees, goddelijke Dionyzos, welkom … Ik wachtte je … Ik droomde je dezen nacht heerlijk … -Ik verwachtte je en speelde mijn blijde wijze … opdat je den weg zoû kennen<span class="corr" id="xd31e537" title="Niet in bron">.</span> Ik deed, je tot feest, dezen nacht, opbloeien al deze viooltjes, opdat je voet er -zoû geurig over treden. Heel het woud verwachtte je … De vogels hebben jubelender -gezongen, en alle hamadryaden zagen schuchter en lachende uit … Zie, overal glinsteren -haar oogen … Doe of je ze niet ziet, om ze niet te verschrikken, Dionyzos … Ze zijn -schuw en je glanst als de felste straal van Helios uit blauwe lucht … Je schiet door -het woud als een pijl van den zonneschutter zelven … Wees, goddelijke Dionyzos, welkom … -</p> -<p>—Ik heb gedroomd, zei Dionyzos; de overwinning van geheel de wereld … en het pad, -dat ik gaan moest … Het leidde mij, Faun, <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>tot hier … Kan het zijn, dat mijn vader Zeus je openbaarde het geheimheilige middel -tot mijn triomf …? -</p> -<p>—Ampelos weet niet van triomf, noch van overwinning, maar Ampelos weet, wat, zoo het -Zeus ware, een goddelijke droom hem te doen beval! Te spelen de melodie, die ik speelde, -opdat je àl te snelle voeten niet zouden verdwalen … en, zoo je mij gevonden hadt -en genaderd ware over dezen vloer van viooltjes … je, Dionyzos, te geven den staf, -dien mijn hand heeft omklemd in mijn sluimering. Zie hem hier, o god, en ontvang hem … -</p> -<p>—Deze staf! zei Dionyzos teleurgesteld en hij zag naar den groenen stok, dien de Faun, -Ampelos, hem bood. Deze staf zoû mijn schepter zijn … Deze staf zoû mij zijn wat mijn -vader Zeus is zijn bliksem, Poseidoôn zijn drietand … Deze staf, deze groene stok … -</p> -<p>De Faun naderde, en beiden, Dionyzos en Faun, bezagen den staf aandachtig. -</p> -<p>—Zie, Dionyzos, zei de Faun, Ampelos; dit is geen staf, als een herder uit dor hout -zoû gesneden hebben. Deze staf is groen hout en leeft, en zweet van ambergeurige sappen. -Deze staf is er een, die zwelt van geheimzinnige levenskiem. Zoo het Zeus ware, die -hem vlijde <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>in mijn hand, om ze je te overhandigen dezen morgen van vreugde, zal het geen staf -zijn, waardeloos als herdersstaf, of welke boomtak uit het takrijke woud. Dàn zal -deze stok zijn een levende schepter van blijde vroolijke toekomst … Zie, zijn knoesten -en knoopen: ze leven! Geuriger is dit hout dan alle viooltjes te zamen, en de geur -is die van boschbes en braam, maar geperst tot een heftiger heerlijkheid en de aroom -vertienvoudigd in bezwijmelende kracht … Deze stok is een wonderstok. Wat er meê te -doen, zoû zijn wellicht … -</p> -<p>—Wat zoû wellicht met mijn stok te doen zijn, o Faun? -</p> -<p>—Hem te planten op een gunstige plek en te zien of hij uitbot tot vreugde … Met je -eigen godenhand hem te planten, o Dionyzos … Kom, zoeken wij samen de plek … -</p> -<p>—Ik ken niet dit woud … -</p> -<p>—Ik ken het … Kom meê … Zie, het heele woud juicht, dat een god is gekomen. Schrik -de hamadryaden niet weg met je glans … Doe of je ze niet let, Dionyzos … Er is een -wuiven tot in de opperste twijgen, er is een vonkelen van oogen tusschen de looveringen -dicht … Hier is het zonnegoud en daar lachend oogenblauw blij … Kom, Dionyzos. -<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span></p> -<p>—Ik volg je … -</p> -<p>—Ik speel de wijze, al gaande … Ik de wijze al spelende, zal mijn lied onbewust ons -leiden ter goede en gunstige plaatsen. Waar zonen van Pan, hier en daar, beantwoorden -de blijde wijze, als vogelen antwoorden aan vogel, en waar zij ons lokken, zijn de -gunstige plekken, ter keuze om te planten tot vreugde onzen stok … -</p> -<p>—Hoor …! -</p> -<p>—Er antwoorden mij al dra … Hoor nu, Dionyzos … Nu, van overal, weêrschallen op mijn -fluitje schel, als echo op echo, de schelle fluitjes der schalke zonen van Pan … O, -er zijn tàl van gunstige plaatsen. De aarde, onze moeder, is mild en vol goedheid … -Welke kant zullen wij uitgaan, zeg, Dionyzos. Kies … -</p> -<p>—Kies ik? -</p> -<p>—Ja. Keuze van god, onbewust, zal onfeilbaar zijn boven mijn keuze. -</p> -<p>—Ginds uit … -</p> -<p>—Recht? -</p> -<p>—Ik hoor een schelle fluit antwoorden je fluit, recht voor ons uit … -</p> -<p>—Gaan wij … -</p> -<p>Zij gingen. O, het woud schalde van fluit overal … De Pansfluiten overal klaterden -uit, <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>antwoordden des spelenden Fauns blijde wijze … En de vogelen er tusschen, kwinkelden -dol, niet begrijpend, dat het er schetterde scheller dan zij, in het woud, waar anders -maar éven de rietjes der Panskinderen droomden. Rechtuit ging de spelende Faun, vlak -op den hiel volgde hem Dionyzos, verblijd om al het gelok, dat met heel teedere gamma’s -snel daalde en steeg, in het rond … Of overal parelen vielen uit de rinkelende lucht, -of in de lucht parelen werden opgeworpen. Of overal druppelen neêrtintelden dauwig, -of òpfonteinde overal druppelend watergepoeier … Of snelle beekjes afvloten en stroompjes -rotsblokken overbruischten … Een liquide dalen en stijgen overal, overal, en het was -geen water, maar klank … Boven al dien klank uit peep helder de Faun zijn blijde fluitwijze -breeder … Maar altijd en overal en meer en meer antwoordden wel duizende fluitjes -blij. -</p> -<p>Daar opende het woud op zonnige vlakte: de rotswand kartelde weg; in de verte sneed -de blauwe einder der zee gladrecht het lichtere azuur van de lucht. En Dionyzos zag -den kleinen Pan, die hem gelokt had, nu schuw over den rotswand ijlen, zijn fluitje -nog aan de lippen, zijn vinger nog in de trilling van spelen. <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>Hij ijlde weg, schuw voor den god, die blank geschitterd was uit het donkere steeneikenwoud -te voorschijn. Hij ijlde weg op zijn vlugge bokspootjes, schelmschuin nog omkijkend -en sidderend zijn staartje. En even gedonkerd en ruig tegen het lichte luchtazuur, -huppelde hij schichtig, en ter andere rotszijde dalende, verdween hij tusschen de -scherpe kloven … -</p> -<p>—Hier is de gunstige plek, zei de Faun. -</p> -<p>—Wat zal het geven, Ampelos, mijn stok hier te planten! -</p> -<p>—Vreugde, vermoed ik. -</p> -<p>—Vreugde? -</p> -<p>—Zoeken wij de állergunstigste plek, zeide Ampelos en hij bezag aandachtig de knoesten -en knoopen van den tooverstaf, die scheen sappig te zwellen van leven. Deze stok zal -niet hoog wassen tot boometrots, als de eiken, die ritselen van heilige orakels. Woudschaduw -zal hij niet geven, en eer dan mannelijk van trots, schijnt vrouwelijk deze plant -mij van vreugde te zullen uitbotten, en, vruchtbare moederplant, te zullen vruchtbaar -leven wekken overal, onder de verliefde zoenen van Helios. Zie, al is krachtig de -plant, in mijn hand buigt zij om week en lenig, als een nymfelijf, dat zich wringt … -Wordt uit het geheim van dit <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>hout nieuw leven gewekt, dan zal het steun moeten vinden, als voor duizend verliefde -nymfe-armen. De gunstigste plek is deze, en, zag ik dit hout als boometrots, zoo plantte -ik in het midden van dezen wat zandigen grond mijn stok, maar nu uit de zwellende -knoesten ik raad zwierende weekheid van leniger rankengroei, zoû ik mijn vreugdestok -willen planten tegen den rotswand daar ginds, opdat zij, de ranken, dadelijk steun -vinden voor haar zeker wat dartelen en dollen overmoed … Die zoû anders de ranken -rekken over den grond, als eene naar liefde hijgende ze overal strekken uit te-vergeefs … -en de dieren des wouds zouden over ze gaan en ze vertrappen, onwetend en dom … Daarom, -o Dionyzos, is mijn raad: plant den stok dicht tegen den rots aan … -</p> -<p>—En je raad, mijn Faun, voel ik onfeilbaar … Alleen … als ik droomde de overwinning -van héél de wereld, o Ampelos, van <span class="asc">HEEL</span> de wereld … wat vang ik dan aan een stok te planten op een zandige plek, aan tegen -een rotswand … Wat zal, bot mijn zoo heerlijke plant hier uit, hare verliefde rank -de wereld mij winnen …? Zal zij de wereld omhelzen en boeien voor mij? Duister schijnt -mij de wil van mijn vader Zeus … -<span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span></p> -<p>—Dionyzos, het woud is in vreugde … Zie Dionyzos, het woud is in vreugde … De wereld -is in vreugde, omdat zij wellicht vóórgevoelt haar heerlijken overwinnaar in jou! -Zie, trilde ooit de hemel zoo hel azuur? Orakelden ooit zoo geheimzinnig de ritselende -eikenbladeren? Schalden ooit zoo schel overal, overal, duizende fluitjes der zonen -van Pan, ons lokkend, hier, daar, overal? Overal lokken zij naar gunstige plekken! -Wij kozen de allergunstigste, want wij kozen je keuze, o mijn god, en je heilige onbewustheid -leidde ons … O, Dionyzos, twijfel niet aan je droom, en twijfel niet aan de waarde -van dezen staf, waaruit je de overwinning zal woekeren met ranken zeker over heel -de wereld … Kom, plant nu den stok. -</p> -<p>—Ik? -</p> -<p>—Ja … -</p> -<p>—Mijn hand zal beven, o Faun, als ik plant … Mijn hart zal sidderen van toekomstverwachting. -Ik? Plant ik? Plant voor mij! -</p> -<p>—Neen Dionyzos, plant zelve den stok. Want zoodra je godehand hem zal omvatten en -in de aarde, losgewoeld, planten, zal de groene vrouwelijkheid er van trillen, als -onder vasten greep van omhelzing! Dionyzos, plant den stok! Wat dunkt je van hier, -waar de <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>middagzon aànslaàt tegen het rotssteen? De plant zal er zijn als een nymf, vast tegen -den rots aangedrukt en overgeleverd aan de verliefde genade van een goudblakenden -god, van Helios zelven, o Dionyzos … -</p> -<p>—Hier, o Faun, ja hier dunkt mij de allergunstigste plek nu … O, voel het rotssteen, -het is een vuur. De aarde gloeit onder mijn voeten. -</p> -<p>—Ik woel de aarde los … -</p> -<p>—Aroom stijgt uit de aarde op … -</p> -<p>—Zoo is het diep genoeg … Wortel zal schieten de stok, Dionyzos, plant je, met beide -handen, hem met liefde nu in dezen kuil … -</p> -<p>—O, met liefde plant ik hem! Stok, bot uit! Edel hout, rank weelderig naar alle zijden!… -Zeus, plant ik mijn overwinning? -</p> -<p>—Nu zamelen mijn handen den zandgrond weêr dicht om den stok, Dionyzos … Dionyzos, -de stok rijst als een mysterie omhoog … -</p> -<p>—Is het niet, als gebeurt er een wonder? De stok, eerst recht, kronkelt … -</p> -<p>—Als een verliefd nymfelijf … -</p> -<p>—Dat Helios blaakt … -</p> -<p>—O, zie Dionyzos, zie … De stok, in een zwelling van zijne sappen, schiet hooger op -<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>met zijne kronkeling, als een wonderplant, die plotseling wast … -</p> -<p>—Uit de knoesten, die openbreken, strekken als verliefde armen zich de takken, en -voelen uit naar den rotssteenwand, alsof zij bezwijmelen van eigen nieuw leven en -niet weten waarheen … Nu trillen de teederder twijgen uit … -</p> -<p>—Nu sidderen van groen de twijgen en de bladeren ontplooien … O, Dionyzos, dit is -een nieuwe boom, en hij zal zijn je eigen, Dionyzos! De druiveboom, die is voorspeld! -</p> -<p>—Faun, zie, mijn druiveboom heerlijkt uit in kronkelende ranken en van nooit nog gezien -ooft zwellen er kleine besjes aan … -</p> -<p>—De besjes zwellen … -</p> -<p>—Zij zwellen … Voller worden de trossen … -</p> -<p>—Zacht rozig bleek eerst, purperen de trossen, en hangen nu zwaar … -</p> -<p>—De ranken rekken verder over den rotswand … -</p> -<p>—En krinkelend als met klauwtjes teêr, hechten zij zich vast aan het steen … -</p> -<p>—En kronkelen haar rankjes om iedere punt, die uitsteekt … O, mijn wonderboom, o mijn -wonderboom, o mijn heerlijke druivewingerd! Faun, kom, plukken wij een tros, en <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>proeven wij dien om te weten hoe smaakt ooft zoo nieuw. Ja, van boschbes en braam -is de geur, maar heftiger te zamen geperst en de aroom vertienvoudigd in bezwijmelende -kracht! Hier, Faun, ik pluk er een tros af … Zie, hoe heerlijk mijn tros mooi is! -Zie, hoe heerlijk … Een waas als van eersten dageraad ligt over de even gepurperde -blauwte, als een schuchterheid over een gloed! En hoe zwaar is mijn tros! Nauwlijks -kan ik hem beuren … Nu til ik hem met beide handen omhoog om hem vonkelen te doen -in de zon. In iedere druif trilt als een roode drop, zichtbaar en schitterend door -den wazigen glans van de schil. Hoe zwaar, hoe zwaar is mijn tros … Ik vrees, de steel -zal breken … Ik neem den tros in beide handen nu vast, ook al ontwijden mijn vingers -het waas … De tros bloost in mijn palmen, als of hij blaakt in mijn liefkoozing! O -Faun, nu te zoenen, te zoenen mijn tros … Maar hij is zoo zwaar, dat ik mij schrap -op de voeten moet zetten; mijn lendenen buigen achterover, mijn spieren spannen om -hem op te tillen naar de gretigheid van mijn lippen toe. Nu, o nu, lig je, tros, op -mijn mond! Nu, o nu drukt je mijn mond te pletter! Als een even gepurperde zwaarte -blauw ligt de tros <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>over mijn gelaat, streelt mijne oogen, die zich sluiten, zoekt met zijn druiven mijn -hijgende lippen en purperkraalt af tot op mijn borst in mijn armen, die hem tegenhouden! -Zware, zware tros … een roode geur zweet als een walm uit je op … Zware, zware tros, -ik wankel onder je bezwijmeling … O Faun, ik zie, mijn oogleden even geopend tusschen -de druiven, dat je deedt als ik, en plukte een tros, en hem bracht aan je lippen verliefd … -Zware, zware tros … o, nu val ik onder je zwaarte … Nu lig ik in het warm gestoofde -zand en je ligt zwaar op mijn hart, op mijn mond! Mijn purperen wellust, kom! Hier -in mijne armen druk ik je te pletter! Tegen mijn hart, op mijn mond! Faun, ik perste -den tros, omdat ik bezwijmelde onder mijn wellust, en niet weêrhouden kon den drang -van mijn armen. Nu stroomt zijn roode bloed, mij langs de lippen en over mijn leden! -O, Faun, ik zie, rood bloed stroomt je de lippen en de leden over? Je perste den tros!! -O Faun, nu druipt mij het bloed in den mond en rilt langs mijn verhemelte! Nu zamel -ik de gekneusde druiven, woest, woest, in de kramp van mijn hand, en pers ze razende -uit, boven mijn mond: Faun, het bloed van den tros, verkracht, stroomt met een rijken -<span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>straal, stroomt mij binnen en gloeit tot in mijn merg! Nog een tros, een andere tros! -Weg, de geperste schillen, die flauw afvielen over mij heen! Ik slinger de leêge rank! -Ik wil op: een andere tros! Mijn beenen wankelen, Faun, van zaligheid, zoo nieuw, -zoo groót en zoo purper! Een andere tros, hier! O Faun, zie!! Ik zag nog niet, verblind -voor iets anders dan eigen gewaarwording, maar nu ik pluk, zie ik …: over heel den -rotswand woekert mijn wingerd! Heerlijke rijkdom, goddelijke gave! Een andere tros, -een andere! Op mijn mond, tegen mijn oogen, dat ze meêdrinken; op mijn borst, dat -ik mij er in baad! O, tros, stroom uit in mijne omhelzing! Tros na tros, stroomt uit -in mijn omhelzing! Rotswand van trossen, kom, druk ik je uit in mijn omhelzing! Ik -wil mijn armen zoo wijd, dat ik je, rotswand van trossen, geheel te pletter druk in -mijn omhelzing—ook al zoû ik zelve sterven, verpletterd onder je zwaarte en verdronken -in den stroom van je bloed! O Faun, kennen de goden daarboven in goudblanken Olympos -dit blakend genot! Neen, neen, zij kennen het niet. Het was het genot, dat <span class="asc">MIJ</span> Zeus gaf, mijn vader! Het is het genot van de lachende aarde en de wereld, die ik -juichend verwinnen zal! Mijn genot zal <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>mijn macht zijn! Genietende zal ik heerschen, zwijmelen, overwinnen! Woekeren overal -uit wil ik mijn wingerd nu laten! Rotswand na rotswand over! O Faun, pluk meer, o -Faun pluk meer, pluk àlle trossen, die je hand kan bereiken! -</p> -<p>—Dionyzos! -</p> -<p>—O, Faun, pluk meer … -</p> -<p>—Dionyzos, pluk niet alle! Zie, al wankel je onder de hevigheid van het genot … Er -is maat … -</p> -<p>—Wat geef ik om maat! Laat maat houden de waardige Muzen … ik wil geen maat, ik wil -geen maat! De onmatige wellust wil ik! -</p> -<p>Nu, wankelend, klom Dionyzos den rotswand op, maar hij struikelde tusschen de ranken, -en viel, lachende, tusschen de trossen, waar hij bleef liggen, lachende, als een groote -vogel in een purperblauw nest. Op kon hij niet meer komen, om zijn lach en om zijne -bezwijmeling, en de Faun moest hem helpen: Dionyzos sloeg om Fauns hals bei zijn armen -en sterke Ampelos tilde hem hoog uit der ranken verwarring en klom met hem af. -</p> -<p>—Dionyzos, nu plukken wij ranken, om ze te toonen hier en daar, om ze te planten op -<span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>gunstige plekken, op alle, waar ons riepen Pans fluitjes … -</p> -<p>—Faun, nu plukken wij ranken, om ze te toonen mijn waardigen meester, wijsgeerigen -Silenos, en de liefelijke nymfen van Nyza, mijn eeuwig jeugdige pleegmoeders … -</p> -<p>En zij plukten ranken lang, waar de zware trossen aanhingen tot op den grond, maar -zoo was Dionyzos bezwijmeld, dat hij trapte de trossen, en wankelde; om hem stroomde -rood bloed … Dan lachte hij en boog zich en in de hand schepte hij het op, en dronk -het zich uit de palm … -</p> -<p>—O Dionyzos, o Dionyzos! riep de Faun; hoog rijst Helios aan den middag … brandende -schieten zijn pijlen hier; ginds droomen de schaduwen van het donkere woud! Kom Dionyzos, -toef nu niet langer; dronken van druiven en zongestoofd zal je neêrvallen in de gloeiende -zanden en zal kracht je ontbeeren weêr op te staan … Dan zal je zijn als een overwonnene, -Dionyzos, in steê van een wereldverwinnaar! Dionyzos, nu hebben wij trossen geplukt; -Dionyzos, kom nu meê … Kom, ik til je in mijn armen; ik tors je tot waar ik woon in -mijn mossige boschtent, daar waar ik dezen nacht, ter eere je komst, duizende viooltjes -deed <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>bloeien. Dionyzos, kom, ik til je … Nu heb ik je op mijn schouder; hier, draag de -trossen, sla de rank je over de schouders, hoû de ranken nu vast in je vuist … laat -ze niet vallen, o Dionyzos, de kostelijke wingerdtakken … sleep niet in het zand de -wazige trossen … Toon ze onbezoedeld te Nyza! Kom, nu draag ik je voort … O, de zanden -schroeien mijn zolen … omdat Helios erbarmingloos is in dit uur! Hier naderen wij -de eerste schaduwen … Hier rijzen de steeneiken … hier is al koeler de schaduw … Overal, -Dionyzos, zien de hamadryaden uit … Nog, in de verte, zachtjes, verklinken de Pansfluitjes, -even weemoediger, omdat wij niet hier en daar zijn gekomen, omdat wij niet overal -zijn gekomen! Fluiten, schalt helder op: wij komen, wij komen overal, wij komen op -alle gunstige plekken! Dionyzos triomfeert over àlle gunstige plekken … Hoor, Dionyzos, -nu schallen zij helderder, omdat ik hun beloofde je komst! Sla een arm om mijn hals, -Dionyzos, want je wankelt op mijn schouder, en zwikken zal je en de kostelijke trossen -zal je verliezen. Sla een arm om mijn hals … Zoo, zoo ijl ik vlugger … Zoo hoû ik -je vast, zoo hoû ik je vast … zoo ijl ik met je het woud door … door al het nieuwsgierig -gespie van de boomnymfen, <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>die nog niet weten wat druiven zijn! Hamadryaden, dit zijn druiven! Zie, dit zijn -welige wingerdranken! Zie, dit is purperen genot! Hij, dien ik draag, is de koning -van het blijde genot en de god van het juichende leven: dat wat hij geven gaat aan -héél de wereld, om haar te overwinnen! O, de gelukkige menschen, de zalige volkeren, -wie hij het blijde genot en het juichende leven zal geven, in spillende, spillende -overdaad …! gelukkiger dan goden zullen zij zijn, zoo zij weten te genieten genot, -zoo zij weten te juichen het leven! Dionyzos, hier naderen wij mijn tent van dichte -looveren …; al zwaait als uit offerschaal je de walm van mijn viooltjes te moet … -Duizende bloemetjes van dezen nacht: eert Dionyzos, hij komt! Hij komt, ik draag hem -al als een overwinnaar, in zegetocht! Geheel het woud heeft hem toegejuicht! Alle -gunstige plekken trillen hem tegen! Hij komt, hij zal overal komen! Hier, o mijn god, -rust hier uit … rust hier uit, hooger je hoofd op viooltjes en mos … Hij slaapt al … -nog in mijn armen, die hem nedervlijen op zijn geurige bed; hij slaapt al en zijn -mond is open in een glimlach—onbewuste herinnering aan zijn genot … Slaap, Dionyzos, -slaap … Stemmen van het woud, <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>zwijgt … laat Dionyzos sluimeren … in de warme ure des middags … Hamadryaden, nadert … -nadert éven op lichte teen, geluideloos … geluideloos … nadert, nadert maar … Zie, -dit is Dionyzos … Zie, hamadryaden, dit zijn druiven … Hier, neem een paar trossen, -en proef ze druif voor druif, opdat je wete wat <i>is</i> de gave van Dionyzos … Aanschouwt hem even, en gaat dan stil … Hij is heerlijk als -een god, die hij is … en hij is òns verwant en der aarde … Hij, hij is onze koning … -Stemmen van het woud, zwijgt … fluiten, zwijgt … vogelen, zwijgt … wateren, zwijgt … -bries tusschen boomen, zwijg …: Dionyzos … Dionyzos sluimert … -<span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">II.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Dien avond, zinkend de zon achter verre bergen in geleidelijk verwelken der hemelen, -dwaalden de nymfen van Nyza om langs de boorden der meergladde zee, schimmeblank bijna, -oneigenlijk in vallende schaduw breedgebladerder vijgeboomen, mimoza’s in bloei nog -even opgelende met stuifgepoeier van bloesemwemeling, als der laatste dagkleuren kreet. -Het was als zweefden de nymfen uit schaduwen aan in schaduwen: hare tengere blankheden -schemerden uit en wischten zich weg; zij doken uit gedonker, in vaag zusterlijke omhelzing -en ommedoling, zichtbaarder even tegen de parelklaardere zeevlakte, die de bergen, -van nacht alreê amethyst, afsloten met donkerder wal—en zij verloren zich op nieuw, -of zij droomen waren, die waasden … Een stilte dreef als eene betoovering: zoo stil -sloop de nacht aan over de aarde, dat Silenos, liggend tegen een boomstam, hoorde -van visschen roeiklapperen de staartjes … -<span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span></p> -<p>—Waar of nu Dionyzos blijft … mijmerde Silenos. O, hij ontgroeit aan bezadigde wijsheid … -Waar is de tijd, dat daalden de waardige Muzen neêr, en hij zat in haar midden en -luisterde met kinderaandacht naar haar edele woorden. Zij leerden hem het ontstaan -van hemel en goden, zij leerden hem zang en reidans, en hij danste met haar negenen. -Mij schemert nog de edele zweving der ronde voor de oogen: nog zie ik de negen vrouwen -schoon en verheven en lieflijk, en het blijde kind in haar midden volgen hare zangwijze -en danszwevenden stap over anemonen, die nauwelijks bogen onder tred zoo licht … Dat -was maat, dat was edele kunst … De nymfen schaarden omheen, en het was éen vreugde -van edele beweging, éen vreugde van edelen klank. Nu is het kind groeiende, nu is -hij bloeiende tot jongen man, tot hij de goddelijke grens van zijn groeibloei bereikt -heeft en zal <span class="asc">ZIJN</span> voor de eeuwigheid jong, zonder te vreezen de droefheid van den iederen dag onverbiddelijk -naderenden ouderdom. O, wel gelukkig de jonge god, die nooit dien weemoed zal kennen … -Ik was jong, maar ik word ouder; ik word oud, de weemoed van het einde nadert mij -al … Maar wat stoort hem de ziel toch, den <span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>laatsten tijd … als of hij toekomst wachtende is, en vervulling van goddelijk lot, -droomt hij, en is onrustig zijn slaap, en zijn dartel en onbezonnen zijn dagen van -vreemd verlangen, en niet weten wat willen … als of de beemden van Nyza te klein hem -worden met de veilige bergen aan de parelige zee, die nooit de stormwinden beroeren, -daar zij breken tegen zoo hooge wal. Zoon van Zeus is hij god, maar waarover hij godheerschen -zal, is nog de duistere toekomst, en zelfs de Muzen, die het àlles weten, hebben nooit -doen raden wat zal zijn Dionyzos’ taak. Ik, ik ben bang voor de toekomst! Zij nadert … -Wat zal zij zijn? Onrust en strijd wellicht, zwerven en zwerven ver … terwijl Nyza -is een beemd van vreugde en van kalmte, uiterst geschikt om te peinzen over de raadsels -van onszelve, en die der geheele natuur. Ik, ik ben bang voor de toekomst! O, waar -blijft nu Dionyzos … Toch kan ik hem niet in den vallenden nacht gaan zoeken …: mijn -oude beenen zullen struikelen over boomwortelen, en mijn oogen zien niet door de schaduwen -van den vallenden nacht … Waar of Dionyzos nu blijft … Hoor, trilt er niet in de verte -een fluit? Of vergis ik mij en suizen mijn ooren van louter stilte? Ja ik <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>vergiste mij; mij suizen de ooren … Maar neen … er klinkt een naderende fluit … Ook -de nymfen daar schijnen te hooren … Zij verzamelen zich … zij spieden uit! Het is -een fluit, het is een fluit! Duidelijker zingt de wijze op, en … ik herken ze wel: -is ze niet de blijde wijze, die lokte Dionyzos diep in het midden van het donkere -woud? Wat of hij vond … Zoû nu de blijde wijze hem kondigen aan? Komt hij? Ione, zeg -mij … zoo jij het bent, die daar ommedwaalt, wit als een nevel aan den boord van de -zee, Ione … is dat Dionyzos? Komt Dionyzos terug? Ja … zij wenkt mij van ja … Kom, -ik ga hem te moet … -</p> -<p>Hij rekte zich loom en lui en stond op. Heller door de stilte van nacht, naderde de -blijde wijze en plotseling lachten de nymfen van Nyza, vroolijk om het blijde geluid … -Bladeren bruischten even, er kraakten gevallen takken onder het naderen van stappen. -Plots steeg de wijze heel snel, trillerde als een vogel hoog in de lucht, en viel -neêr met losse druppelen. Toen zweeg de fluit en het lachen der nymfen antwoordde -de lach van Dionyzos. -</p> -<p>—Hier ben ik terug! Hier ben ik terug! Ione, Ino, Silenos, Neïra, hier ben ik terug, -<span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>en mijn overwinning heb ik geplant, opdat zij zal woekeren rotsen over, wouden door -en wellicht tot hemelen toe! Maar zoo niet de hemel, de wereld zal mij zijn! Ik twijfel -niet meer, ik twijfel niet meer, nadat ikzelve ondervonden heb, wat het genot is, -dat mij zal winnen de wereld. Zie, oude Silenos, waardige meester, zie hier hem, wiens -blijde wijze mij lokte … hij, Ampelos, die viooltjes ter eere mij duizenden in éen -nacht deed ontbloeien …; hij, die mij leidde en met mij zocht van waar schalde lokkend -kleine-Panszoontjes-gefluit, opdat een gunstige plek, los gewoeld, in haar aarde ontvangen -zoû tot worteling den tooverstok, dien Zeus in de hand hem legde, in de hand hem legde -voor mij! Silenos, de stok woekerde uit! Ik zag het wonder gebeuren! De stok wingerde -en tooverde en de trossen van het nieuwe ooft zwollen onder de verliefde zoenen van -Helios! Hier zijn de trossen … Toon, Faun, blijde Faun, de trossen! En zie Silenos, -Ino, Neïra, zie Ione, hier volgden mij drie kleine zonen van Pan, fluitjes in de hand; -komt nader, komt nader, en weest niet schuw, dartele bokjes … de nymfen zijn zoet … -en al schateren ze nu om je boksbeentjesruig en om staartje, dat kwispelt onder-aan -je rug, <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>de nymfen zijn zoet … edele pleegmoeders van Dionyzos, eeuwig jong en eeuwig blijde, -en jeugdiger en blijder zal haar houden het genot, dat je torst! Zie nymfen, zie Silenos, -de Panszoontjes torsen de trossen aan. Dit zijn de druiven, het edelste ooft, eenmaal -in lang geleden voorspelling beloofd aan wie de aarde verwinnen zoû! Ik plantte het -purperen genot! O, nu geheel de wereld het purperen genot te geven! Weemoed en smart -zullen nooit meer zijn, nu het purperen genot is geplant en omranken gaat heel de -wereld! Weg, weemoed, weg smart! De wereld is mij en der blijdschap! Proef, Ione, -Ino, Silenos, de druiven … pluk den tros af … zie hem nu blauwen in de blankte der -rijzende maan … druk ze tusschen de lippen … of liever …: lang een beker … en pers -er met volle hand heel den tros in uit, opdat het rijke bloed er uit stroome! Beker, -o drinkschaal maagdelijk nog, die niet anders ontving dan het kuische water uit de -kruik der kuische najaden … Beker, o drinkschaal, tril van het purperen genot, nu -Ione den tros in je uitperst. Drink, Ione! Drink Ino, Neïra! Silenos, Silenos, drink … -Ha, ha … hij is bang voor den rooden beker! Lacht hem uit, nymfen, hij is bang, hij -is bang … <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>Zoontje van Pan, zoek ginds bij het panthervel een groote schaal, pers nu, pers nu, -zoontje van Pan, uit een zware tros … O zie, het bloed gulpt in de schaal … Bied <span class="asc">MIJ</span> den beker nu aan, opdat ik hem Silenos biede. Silenos, drink; Silenos, drink!! -</p> -<p>Silenos nam sidderend den beker, rondom hem de nymfen. -</p> -<p>—Oud als ik ben, wat zal ik het jonge genot drinken, nymfen … aarzelde bange Silenos. -</p> -<p>—Silenos, drink; Silenos drink! juichten de nymfen, en de Panskinderen huppelden om -Silenos, dringende, dat hij zoû drinken. -</p> -<p>Hij hief den drinkschaal zich aan de lippen. Hij dronk. -</p> -<p>—Wat is dat? vroeg hij. Dionyzos, zeg mij, wat is dit? Is het vuur gesmolten, of drinkbare -robijn? Is het bloed van den stervenden zonnedag, geschept aan de kim, vóór het zich -mengde met de ziltheid van Thetis … Wat is het, Dionyzos? Het vloeit me als een vlam -door mijn oude leden, en het rilt me als een vlam door mijn oude merg … Dionyzos, -dit is een nieuw genot! -</p> -<p>—En ik zal het geven aan heél de wereld, Silenos! -<span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span></p> -<p>—Aan heel de wereld dit heerlijk genot! O Dionyzos, waarom aan heel de wereld? Waarom -het nieuw genot niet veilig te houden tusschen Nyza’s bergen besloten? -</p> -<p>—Omdat ik, door het blijde genot te geven, heel de wereld zal overwinnen, Silenos! -Omdat ik niet houden wil eigenzuchtig het blijde genot in zoo engen cirkel. Omdat -Zeus, mijn machtige vader, mij het blijde genot niet gaf voor mijzelven en jou alleen! -Voor héel de wereld, Silenos! O, Zeus is goed en ontfermend! Hij weet, dat groot leed -kan der menschen deel zijn, maar hij wil ze door mij nu blijde vreugde ook geven. -Onder al zijne kinderen koos hij mij uit, en god schiep hij mij van de vreugde. O, -de vreugde heeft mijn aderen doorvloeid als een blijder en stroomender bloed! De vreugde -voelde ik van mijne geboorte af, heilig bewustzijn, dat mij lachend doorgloeide, toen -Zeus mij redde uit zijn eigen gloed, waarin mijn moeder Semele verblaakte! Zij verbrandde -in het geflits van zijn bliksems: het paleis van Kadmos van Thebe, toen hij naderde, -toen hij naderde, daverend en donderend, aardbeefde en zijn flitsen schoten schel -tusschen alle de zuilen door, en de zuilen vergruizelden in hel geknetter der schichten, -en <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>éen helle brand ging op, en mijn moeder, o mijn moeder, zij ook, zij ging op in éen -hellen brand … zij breidde open de armen … zij omhelsde Zeus voor de laatste maal … -het was de god der hemelen, dien zij in haar armen borg en die zij in haar opperste -hijgend geluk ontving in de weelde van haar trillenden schoot … en onder zijn brandende -zoenen smolt zij weg als ware zij van blonde was een wezen geweest, en niet meer. -Zij smolt weg van opperste weelde: denk je, dat zij klaagde, toen zij smolt? Neen, -hare kreten waren kreten van vreugde, kreten van brandende blijdschap, éen gil van -blakende wellust en terwijl zij verging in Zeus’ liefde, baarde zij mij, en ik erfde -geheel hare vreugde. O, ik erfde geheel hare vreugde! In den fellen brand van het -paleis van Kadmos, haar rampzaligen en blijden vader … in den fellen brand nam Zeus -mij, zijn kind, in zijn goudene handen, nog trillend van den gulzigen greep zijner -liefde, en hij drukte mij, zijn liefdekind, aan zijn borst, en opdat Hera mij niet -zoû vinden, borg hij mij in zijn dij. Toen, o nymfen, daalde hij neêr te Nyza … Hera -verbood hij te komen deze bergen over en over deze zee, en hier, o nymfen, als ware -hij een zorgzame moeder geweest, baarde hij mij uit zijn dij, wondervolle <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>tweede-geboorten van zijn liefdekind en zijn vreugdekind en gaf Hermes mij aan je -zorgen over … Hier leefde ik de vreugde van mijn kinderjeugd! Hier groeide ik de god -der vreugde … Ik ben de vreugde! De Muzen leerden mij het heilige rythme, en ik was -vreugde en rythme te zamen. Ik zong, ik danste in haar midden! Ik was de vreugde, -altìjd! O nymfen, o jeugdige pleegmoeders, je waart om mij heen de vreugde! Silenos, -zelfs je wijsheid wist niet te schaduwen over mijn vreugde! Maar de vreugde zingt -en danst niet het eeuwige godenleven tusschen de veilige bergen van Nyza. Muzen, breeder -dein ik uw rythme uit, tot het zwelle als het rythme der zee! Muzen, nu ik leerde -de maat, zal ik mateloos kunnen zijn, en mateloos zal zijn mijn purperen vreugde! -Ik, nymfen, <span class="asc">IK</span> ben de purperen vreugde! Ik ben de purperen maatlooze vreugde! Nymfen, o jeugdige -pleegmoeders, verdeelt de trossen onder je allen … Deelt ze met haar, Silenos! Wat -gulzig hoû je ze voor jou; Silenos, deel ze, deel ze met haar! Zie, in den zilveren -nacht, ligt de zee tusschen de bergen, niet anders dan een meer, en de bergen, klaar -tegen den hemel klaar, schakelen niet anders dan de strofen van een zuivere ode, en -de zee ruischt maar even <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>van rythme. Maar buiten de bergen, en om de bergen, om de kapen der bergen heen, is -wijd de zee als een godeleven, is mateloos haar rythme, in vrije bandeloosheid golvende, -in deinende eb en rijzenden vloed, breed en vol, stroomend over de stranden, stormende -tot aan de wolken … Storm, o storm van vreugde, <span class="asc">IK</span>, ik zal de storm van vreugde zijn! Ik zal stroomen over de landen, en ik zal stormen -de hemelen binnen. Menschen, goden, verwacht, maar vreest ze niet, mijn mateloosheid! -Ken ik het heilige rythme niet, zoo dat mijn mateloosheid niet anders zal blijken -dan rythme, maar grenzeloos wijd gestrekt. Niet als de strofen der ode, maar als de -trilling der lucht en der sferen …! Nymfen, nu perst de trossen in schalen uit, zoete -pleegmoeders, drinkt het genot voor de allereerste maal, en over de anemonen, daar -waar de Muzen mij leerden de plechtige dansrei … danst, o pleegmoeders, danst, in -de nieuwsgierige stralen der helderende maan, die haar bad van licht over ons uitvloeit. -Evoë, Evoë, danst! Houdt u de handen: dans moediger! Ino, Neïra, danst! Dans, Ione, -dans! Neemt tusschen je allen Silenos, opdat hij danse, opdat hij danse … Zie, ik -dans met je, in je midden en Ampelos schalt zijn <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>blijde wijze, en de Panszoontjes schallen de hunne, en het zijn als murmelbeekjes, -die vlieten een beek in! Faun, trappel de steeds snellere voeten; zie, zoo; zie, zoo -trappel ik het zilveren maanlicht neêr op het mos, of ware het ijlte van glas, die -ik breek! Zie, zoo; zie, zoo! -</p> -<p>En de voedsters van Dionyzos dansten, Silenos danste en danste Faun, en dansten de -zoontjes van Pan, zij allen lachende om de nieuwe vreugde, die purper stroomde tusschen -de trossenpersende vingers, en die bezwijmelend hun stroomde den mond in. In de blauwheldere -maan duurde de dans de latere uren der nacht door, en de kreten der nymfen scandeerden -den dans met korten gil schel en hoog, telkens en telkens weêr. Tot eindelijk Silenos -waggelend neêrzeeg aan den stam van een steeneik in zwijm. Het loover was heel zwart -en des te klaarder van zilveren blauwte was transparant de zee, meer-eng tusschen -de nachtblanke bergen besloten aan niet al te verre kim. Tusschen de donkere looveren -blauwde en blankte de lucht, wijder weg. Daar lag Silenos, een rank om de slapen … -Maar een nieuwe razernij bezielde de nymfen van Nyza, en hand aan hand dringende in -den wemelenden kring harer naaktheden, omhelsden zij Dionyzos, hun pleegkind, <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>allen, terwijl hij schaterde hoog uit. Toen, de handen steunende op hàre schouders, -slingerde hij zich plots op Fauns schouder hoog, en Faun, met hem, ijlde voort en -de nymfen van Nyza ijlden hen achterna, in een lachende, lachende jacht. Door het -hier donkere en daar maanlichte woud begon een ijlende, ijlende vlucht van soms verschemerende, -soms uitschitterende nymfe-schoonheden, en hare kreten wekten het woud. Het nachtwoud -ontwaakte, de boomen ontwaakten, bries ontwaakte, en de hamadryaden ontwaakten. In -grotten ontwaakten saters, en zij volgden de lachende jacht en overhaalden de nymfen, -en de nymfen jubelden hen van de nieuwe vreugde de blijde boodschap tegen. Zij wilden -ook trossen plukken, de verwonderde saters; zij wilden weten wat druiven waren, en -wat het purperen genot, maar de trossen waren allen òp en de nymfen gaven alleen hun -het blanke genot. Ver was Dionyzos gevlucht, getorst door Faun als in zege. En het -blanke genot overal in het woud wierp vlakken van blankheid neêr in de geheime duisternissen -der eiken, op het onverwachts wel eens door maanlicht beschenen. Dan bescheen de maan -het blanke genot en de onwetende hamadryaden, <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>verschrikt, zagen met groote oogen uit. Overal in den maannacht tintelden hare groote -oogen. Tot de maan wegbleekte, en het sidderende woud, al ontwaakt, afwachtte den -dageraad, perzikblozende aan de oostelijke poorten. -<span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">III.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">—Zij zijn verspreid! zei Dionyzos, terwijl hij omzag, glimlachend, zijn viooloogen -nog allerzaligst vermoeid en half geloken onder de kwijning der oogleden: wakker was -hij juist geworden, zijn bronsblond omlokte hoofd op Fauns borst. Zij zijn allen verspreid, -de nymfen van Nyza, de voedsters van Dionyzos! O, hoe hebben zij het nieuwe genot -ingehaald, als een god en als een koning! Maar nu, waar zijn zij? Faun, was het dan -niet al een overwinning? Zijn zij als troepen, verspreid, die de trompetten verzuimden -samen te blazen? Of was het nog slechts een spel, en zal de strijd des te razender -wezen? Wie weet, wie weet: de toekomst is in Zeus’ handen! Zeus, ik wacht nu mijn -toekomst! Faun, word wakker! Wat slaapt hij, en wat is hij mooi! Hij is geen god en -geen mensch, maar hij is het goddelijke van de aarde, en daarom zeker is hij zoo mooi! -Zoo als een <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>boom is, zoo als een bloem is, zoo als is rots en aarde, zoo is Faun, en hij is als -hun aller bezieling. Zoo als is wolk en water, zoo is Faun, en hij is als god van -water en materie van wolk! Zoo is hij peinzende vreugde en lachende ernst, zoo is -hij kalmte en lust, en zoo is zijn wezen van god en van mensch en vooral van die natuur -der aarde, die groeit en bloeit, blij om zichzelve … O, lieflijke aarde, o weelde-natuur, -hoe ben ik blij, dat ik vàn je ben! Dat ik niet ben alleen god, maar ook mensch! Dat -ik ben halfgod, en halfmensch! Dat ik voel hemel en aarde beiden! Dat ik niet heb -den trots der goden, en wel der menschen ziele-onbewustheid! Dat ik niet weet mijn -lot, maar wèl weet, dat het van heerlijke goddelijkheid zijn zal! Faun, word wakker! -Het woud dezen nacht heeft niet geslapen, als wij beiden, en verwonderd kijkt het -al lang met duizende oogen uit: Faun, word wakker! Nu voel ik na druivenacht mij of -ik herboren ware! O roode dauw, o roode dauw, onder je sprenkeling ben ik een plant, -en zal ik iederen morgen mijn nieuwe bloemen ontluiken! Faun, word wakker. -</p> -<p>—Ik ontwaak, ik ontwaak, Dionyzos … Wat zing je van rooden dauw … -<span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span></p> -<p>—Ik voel mij na druivenacht … -</p> -<p>—Ik? Of ik herboren ware! -</p> -<p>—Zoo voel ik ook mij, o Faun. En ik zong: o roode dauw, o roode dauw … -</p> -<p>—Onder je sprenkeling ben ik een plant! -</p> -<p>—Als ik, o Faun! En iederen morgen … -</p> -<p>—Zal ik mijn nieuwe bloemen ontluiken! -</p> -<p>—Zoo zijn wij samen na druivenacht! Maar waar zijn de nymfen van Nyza … -</p> -<p>—Laat ze dwalen door het morgenwoud … Zij zullen, na de sprenkeling van rooden dauw … -</p> -<p>—Hare nieuwe bloemen ontluiken! Iederen dageraad nieuw leven! Nieuwe jeugd iederen -dageraad! Dàt Faun, zullen wij ontvangen, als ons iederendaagsche erfdeel! En <span class="asc">IK</span> zal het deelen met héel de wereld! O, de zalige menschen—en er zijn vòlkeren van -menschen—in verre, verre morgenlanden … o zij weten niet de vreugde, die hen wacht! -Iederen dageraad zullen zij nieuwe jeugd ontvangen, en nieuw leven, de zalige menschen! -Zoo als wij, zoo als wij! O, de zalige vreugde uit te persen als rooden dauw over -heel de menschenwereld! Ik zal zijn, roosvingerige Eos, als je mededinger: nieuwe -dageraad ik, zal ik morgenrood in droppelen, in droppelen van most sprenkelen <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>over alle landen, en alle steden, en de menschen zullen de vreugde zwelgen. O, zoo -mijn wingerd woekerde langs den azuren koepel des hemels, en o, zoo ik de trossen -perste over heel de wereld, heel de wereld! Purper zoû de vreugde dan regenen van -Dionyzos’ druivehemel over heel de wereld, in stràlen. Ik zoû de wereld in de vreugde -verdrinken! Het zouden meren van vreugde zijn, het zouden zeeën van vreugde zijn, -omschakeld door bergen van wingerd! -</p> -<p>—Hoor … hoor Dionyzos … Er schallen de fluitjes. -</p> -<p>—Ik hoor ze, ik hoor ze … Waar schallen ze? -</p> -<p>—Overal, overal … overal op de gunstige plekken schallen de verlangende fluitjes van -Pan, dat je komt, o Dionyzos! Nu maken wij ons op … nu gaan wij naar de zandige plek, -nu plukken wij van den wonderwingerd, die breed rankte in een enkelen morgen, wijnstok -na wijnstok, zware tak na zware tak, en nu planten wij de van sap zware stokken op -alle plekken, waar ons roepen de schelle Pansfluitjes! Kom, Dionyzos, kom! -</p> -<p>—Kom, Faun, kom … -</p> -<p>—Ik tors je op mijn schouder, mijn god en mijn koning … -</p> -<p>—De <span class="corr" id="xd31e749" title="Bron: hadmadryaden">hamadryaden</span> zien uit! -<span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span></p> -<p>—Haar stoorde ons feest dezen nacht. Zij verlangden, o hoe verlangden <span class="corr" id="xd31e755" title="Bron: zijn">zij</span> onze lachende jacht door het verwonderd ontwaakte woud te volgen, maar zij waren -te schuchter en bleven schuilen tusschen de looveren, waardoor zij oogden met oogen -groot en verlangend … Hamadryaden, hoe lang zal duren je schuchterheid? Zal ze nog -duren dezen nacht? Zal ze nog duren den nacht van morgen? Ha-ha, hamadryaden, hoe -lang zal ze nog duren? Wie van je volgt er het eerst het nieuwe gebod van Dionyzos, -den koning van den vreugdewingerd, en den koning van alle vreugde? O, hoor Dionyzos, -hoe de fluitjes je roepen, overal, overal … Dat murmelt eerst met voorslagjes, als -vogeltje, dat antwoordt op vogeltje … en dan klimmen de smachtende toonen hooger en -hooger op, trilleren lang in de hoogte als boven de looveren uit, en vallen dan neêr, -en vallen dan neêr, fonteinen op, watervallen weêr neêr, en niet zingen zij dan: kom -Dionyzos, hier breidt zich een gunstige plek, zandige grond en steenige wand. Kom, -Dionyzos, hier! -</p> -<p>—Hier opent zich, Faun, in den jongen gloed van den nieuwen morgen, de allergunstigste -plek, die het eerst mijn wijnstok ontving, maar zie, wat gebeurde hier dezen nacht! -Wie kwamen <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>hier allen te zamen … Pas op, Faun, je voet struikelt over een ruigen bokspoot, die -hier is neêrgezegen, half onzichtbaar in het struikgewas … Hij slaapt! Hij slaapt -nog! Wakker, wakker, o sater! Dronk hij van mijn druiven! En zie, Faun, die andere, -daar neêrgevallen als hij …: dronken zij van mijn druiven? -</p> -<p>—Toorn hen niet, Dionyzos, dat zij niet afwachtten je goddelijk bevel … Zij dronken -van je druiven! Zij eerden je door je druiven te plukken … O, de wonderwingerd heeft -er niet minder om … Zie, tegen heel den rotswand heeft de wonderwingerd geweligd en -de trossen zwellen den rotswand over! Op, saters, op! Dionyzos komt! Wordt wakker, -wordt wakker, allen! -</p> -<p>En, forsch de stem van Ampelos door den nieuwen gloed van den nog jongen morgen, wekte -hij de saters, wat de eerste zonnestralen niet hadden vermogen te doen. -</p> -<p>O, hoe zij juichten, de saters, toen zij Dionyzos zagen, voor het eerst, en nog slaapdronken, -verblindden van zijn goddelijken glans! Faun tilde hem steeds op zijn schouder, als -op een breeden troon, en den eenen arm om Fauns hals, zwaaide Dionyzos de andere blij -in de lucht, en lachte. Zijn lach klaterde door de <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>morgenlucht, en van zijn lach weêrtrilde de ether. De saters lachten als hij, en van -hun lach daverde het woud in het rond. En zij huldigden Dionyzos en riepen: -</p> -<p>—God Dionyzos, ònze god, god om wien wij ons scharen! God Dionyzos, wij danken je -voor het purperen genot van dezen nacht! In de stralen van Selene wonderde de wingerd -heerlijk, en aarzelend plukten wij hier en daar een tros, tot wij niet aarzelden meer, -maar plukten! God Dionyzos, ònze god, toorn ons niet, dat wij plukten, zonder te wachten -je goddelijk gebod! Iedere druif, die wij plat drukten aan ons geile verhemelte, iedere -druif vloeide ons liefde voor je in: god Dionyzos, wij volgen je, wij volgen je heilig -gebod! God, die het purperen genot ons gaf, wij volgen je en doen als je wilt. Zeg -ons je wil en wij voeren die uit … Vangen wij allen de nymfen des wouds en voeren -wij ze voor je tot buit? Vangen wij panthers der wouden dicht en leeuwen der opene -vlakte, en voeren wij ze tot je tam? Torsen wij je àllen op onze schouders, als Faun -je torst, in zege door woud en door wereld? Zeg, Dionyzos, je wil! -</p> -<p>—O saters, o allen, die mij zult volgen, hoort nu mijn goddelijk bevel! Ten strijde -volgt <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>mij allen, ten strijde tegen allen en àllen, die niet zullen eeren Dionyzos’ vreugdewet, -en ten strijde volgt mij allen, opdat wij àllen de wereld winnen. Zeus zal mij steunen, -en zijn belofte vervullen, en de wereld zal aan mij zijn, aan <span class="asc">ONS</span>, aan jullie allen, vreugde-saters van Dionyzos! Vangt mij de nymfen niet, want zij -volgen ons van zelve, niet bestand tegen purperen en blank genot: niet ééne zal ons -niet volgen! Maar temt mij panthers en leeuwen, en alle wilde dieren des wouds, en -voert ze tot mij, saters, opdat zij ons lastdieren zijn, gewilliger dan ezelen en -muilen, en vroolijker dan zij. Snijdt allen stevige takken af, en bekroont die met -een pijnappel uitgezocht, en wapent u slechts met die staven van vreugde, die wij -zwaaien zullen als standaarden! Den vroolijken oorlog verklaren wij! O, het zal de -vroolijke oorlog zijn voor allen, die aan onze zijde strijden, en volgen onzen vreugdestandaard, -de thyrs, die gij Dionyzos zult maken—pijnappel op eikestok—maar het zal de vreeslijke -oorlog zijn, zoo vreeslijk als die van Ares, voor allen, die ons weêrstaan! Wee wie -onze vreugde weêrstaat! Wee wie het purperen genot niet acht! Wee wie het niet aangrijpt -met handen gretig en den tros niet uitdrukt aan zijn gulzige <span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span>lippen! Wee hun allen, wee! Dionyzos’ vreugde zal hun worden Dionyzos’ razernij, en -zijn saters en zijn leeuwen en panthers zullen hen verscheuren in razende dronkenschap -en ontembare woede van wilde dieren, met open muilen, fel van tanden bliksemend, tot, -veranderd door mijn thyrs in wilde dieren zelve, zij elkànder zullen verscheuren! -Zoo luidt de wet van Dionyzos, en, saters, roept haar uit door woud en door wereld; -bazuint haar luide, beide handen om je baardige lippen, opdat je stem zal een roeptrompet -zijn. Schalt ze uit, Dionyzos’ wet! Maar eerst, o saters, daar waar ons roepen de -verlangende fluitjes, daar volgt je god en plant met hem samen wijnstok na wijnstok, -àf van den heiligen wingerd gebroken, opdat welige over alle gunstige plekken de wijnstok -van Dionyzos! Vlugge saters, doet als ik zeg! Plukt zonder aarzeling takken en ranken! -Het zal den heiligen wingerd niet deren! Hoe meer je plukt, hoe voller hij tiert! -En dan volgt, o saters, Dionyzos, volgt hem door het woud! Evoë! -</p> -<p>Het gebeurde als Dionyzos wilde. De saters klommen den rotswand op en zij plukten -de ranken en takken van den heiligen wingerd af. En terwijl zij bezig waren en Dionyzos -luide <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>lachte om hun ijver, ritselden in het woud naderingen aan, trappelende het kreupelhout, -en het waren faunen, en zij juichten luid, toen zij op Fauns schouder Dionyzos zagen, -en hoorden zijn lach door de lucht. Over de zandige plek woelden met een dichte menigte -plukkende saters en juichende faunen. -</p> -<p>—O faunen! riep Dionyzos blijde; faunen, die als het woud zelve zijt, en daarom allen -zoo mooi! Faunen, als Dionyzos onmatig is, blijft om hem dansen je wèlheerlijke maat! -Blijft de glimlachende, matige vreugde rondom Dionyzos’ vreugde! Maar saters, als -Dionyzos onmatig is, weest met hem onmatig in razernij! Faunen, lief heb ik je allen, -omdat je gelijkt op hèm, dien ik lief heb! Maar saters, lief heb ik je allen, omdat -je onmatig zult zijn, als ik! Weest het, weest het, onmatig en razend! Faunen, blijft -lachen in vroolijken ernst, en trappelt het rythme rondom Dionyzos luid met de stevige -voeten, want het rythme is zoo schoon als jezelve! Maar mijne onmatigheid zal gòddelijk -zijn! Saters, poogt goddelijk met mij te zijn! Evoë, Evoë, vooruit! Nu verdeelt u, -en loopt toe in alle richtingen, waar schallen de schelle fluitjes! O, de ongeduldige -zonen van Pan; zie, Pan zendt ze ons al tegemoet, <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>om te vragen waar wij blijven! Van alle zijden naderen de fluitjes en naderen de zonen -van Pan! Leidt, zonen van Pan, mijn saters! Lief heb ik je allen, kleine zonen van -Pan, en ik heb je vader lief, uitvinder van de fluit, die mij roept! Leidt nu mijn -saters naar alle je gunstige plekken! Saters, plant er mijn wijnstok, en ziet toe, -dat hij tiere overal, als dien Dionyzos zelve plantte hier! -</p> -<p>Nu stormde door het woud de ranken en wijnstokken torsende vreugde der juichende saters -alle gunstige richtingen uit, en gunstig waren àlle richtingen! O, hoe blijde waren -de zoontjes van Pan, dat eindelijk Dionyzos zoû komen! Hij zoû overal komen, beloofde -hij! Hij zoû geen gunstige plek laten onbezocht. En geheel het wijde woud, het dichte -woud en het ijlere woud, ver tot bosschige kimmen toe,—het woud, dat al verijlde tot -vlakte, de vlakte verzand tot woestijn—alle beemden en alle dreven, de heuvelige weiden, -waar de herders hunne kudden leidden, en de van graan golvende landouwen, waarin de -hoeven van het landvolk lagen verspreid onder Demeters moederlijken zorg,—doorschetterden -de schelle fluitjes zoo luid, dat herders en landbouwers verbaasd toeluisterden en -dan vlak voor hun <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>oogen, vlak voor hun voeten zagen een Pansjongentje ijlen voorbij, het fluitje aan -zijn lippen, lokkende en leidende de saters, die, met vreemd gewas beladen, hem volgden, -hem volgden, bezield door opgewondenheid nooit nog gekend. Het was of zij alle schuwheid -van woudwezen hadden verloren, en hunne gewoonlijke onzichtbaarheid niet meer achtten. -Wijnstokbeladen liepen zij de hoeven langs, stoven zij de kudden door, en de vrouwen -vluchtten de deuren binnen, ten doode verschrikt voor de bokspooten, die zij voor -de eerste maal zoo dichtbij en zoo duidelijk zagen; de runderen en schapen renden -in alle richtingen uit, verschrikt. En het getril der fluitjes met haastige gamma’s -daalde en steeg door de lucht, tot de looveren er van sidderden, tot het azuur scheen -te weêrechoën druppeling op en druppeling neêr, tot het éen geparel was, neêr en op, -overal, overal … De vogels, dol, tierelierden luid. De beekjes, sneller, kakelden; -de runderen loeiden luide en de schapen blaatten, en de herdershonden blaften en basten -vroolijk, en renden bezeten rond, jagende de angstige lammeren. Hanen kraaiden met -luide klaroenen en de duiven, pluimenstuivende, achtervolgden elkaâr in witte kringen -door blauwe lucht. En de menschen begrepen <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>nog niet; alleen raadden zij, dat er iets vroolijks gebeurde. Maar een jonge landbouwer, -die stil in het woud, gelukkig, een dryade dikwijls beminde, vond zijn nymf luisterend -naar de verte, en haar omvangend in zijn armen vroeg hij: -</p> -<p>—Eole, wat gebeurt er? -</p> -<p>Zij verschrikte, stiet een kreet, maar herkende hem, en omhelsde hem tegen haar boezem. -Zij, blankwit wezen des wouds, geboren waaruit wist zij niet, had lief dien zoon der -menschen, zongebruind als een kastanje en forsch als een boom. -</p> -<p>—O Dafnis! riep zij uit. Ik weet niet, wat er gebeurt. Maar in blij oproer lijkt mij -woud en wereld, lijken mij boomen en bloemen, en water en lucht, en dieren en nymfen -en menschen! Is er een nieuw genot geboren? Of openbaart zich een nieuwe god? Daalt -er een nieuwe vreugde uit den hemel, of groeit ze bedwelmend op uit de aarde? Ik weet -het niet, maar zoo even, vlak voor mij, liep een Pansjongentje weg, spelende fluit, -en hem volgde een groote sater, ruig als een bok en leelijk, beladen met zware takken -en bladeren en ooft, dat ik niet weet en nooit heb gezien, en toen hij mij zag, o -Dafnis, wierp hij de <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>takken neêr, en greep mij aan, en drong mij woest tegen een boom, en ik riep, o Dafnis, -o Dafnis, help … maar scheller, en ongeduldig floot hem de Panszoon te komen en hij -kòn niet weêrstaan … hij knarste met tanden en kaken, hij sprong als een dolle op -zijn hoeven in het rond, hij liet mij en greep weêr zijn takken op, en hij rende het -Panskindje na; eerst links, toen rechts, zijn spoor kwijt, als een speurhond, die -zoekt, tot hij hoòrde de richting en liep … o wat liep hij: geen kreupelhout weêrstond -aan zijn vaart … Mijn Dafnis, wat gebeurt er? -</p> -<p>—Eole, wat gebeurt er, dat de saters zoo dicht komen waar huizen de landbouwers en -weiden de herders hun kudden? De dag is éen parelen van fluitjes schel, en wat er -gebeurt, gebeurt overal, alle richtingen uit! Ik weet niet wat er gebeurt! Maar zie -Eole, wat ligt op den grond hier, zwaar en purper, waartegen aanstiet mijn voet … -</p> -<p>—O, Dafnis, het is een tros van het ooft, dat torste de groote sater! -</p> -<p>—Eole, zie hoe heerlijk de tros van het ooft, dat torste de groote sater! Zie Eole, -sterk ben ik, maar met moeite aan den steel hef ik dien tros nu omhoog … O, zie het -<span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>prachtige ooft … Is het blauw of is het rood? Zijn het bessen of juweelen kralen! -Waas als morgenmist vochtig ligt er nog over gespreid! Hier en daar is dat vochtige -waas als een kuischte afgeveegd en lacht de tros als een wellust! -</p> -<p>—O Dafnis, wat lacht als een wellust de tros! -</p> -<p>—O Eole, lijkt dat niet een nieuwe wellust, die gezonken is over de aarde, of gegroeid -uit haarzelve is … O Eole, in het geparel van de fluitjes schel, dat den morgen bezwijmelt, -tot hij, goudzonnig, trilt, als éen enkel groot speeltuig, o Eole, wil ik samen met -je proeven dezen nieuwen wellust! -</p> -<p>—Dafnis, ik ben bang! Ik wil den wellust van je lippen en armen, maar deze tros, dien -de sater verloor, zal ons dol maken van razernij! -</p> -<p>—O, Eole hier, ik pluk al een kraal en druk haar tegen mijn lippen open. Eole, dit -is een nieuw genot! Een gloed stroomt mij door, ongekend! Ik druk nu een tweede kraal! -Eole, Eole, doe nu als ik! -</p> -<p>—O, Dafnis, ik ben bang! Neem mij dan in je armen, en druk de kralen tusschen mijn -lippen uit, opdat mij de wellust zal komen <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>van jou, o Dafnis, dien ik liefheb! Zoo, nu rust ik in je armen veilig! O, nu pers -je de kralen uit tusschen mijn lippen, o Dafnis! Een bloed stroomt mij binnen! O Dafnis, -<span class="asc">DIT</span> is de nieuwe wellust … -</p> -<p>—O Eole, dit is de nieuwe wellust … Zie, je bent niet meer bang, in mijn armen, maar -je lacht mij tegen, al zwelgende en je oogen sterven van smachting verliefd, en je -lippen sterven van smachting! Het vreugdebloed van den tros tikkelt je lippen af en -druipt neêr op je blanke borst, van waar ik het wegdrink, Eole … O Eole, dat is de -nieuwe liefde … -</p> -<p>—O Dafnis, is het niet of heel de wereld van de nieuwe liefde trilt … Of het woud -haar dronk! Of de vogels ze pikten! Zie, de vogels pikken aan den tros en zij tjilpen -zoo luid, als of ook zij zich worden bewust van de nieuwe vreugde! Dafnis, ze is <span class="asc">GODDELIJK</span>, deze nieuwe liefde en vreugde … Dafnis, je bent een menschenzoon, maar … -</p> -<p>—Maar ik ben goddelijk in mijn liefde voor Eole … -</p> -<p>—O Dafnis, heel de wereld drinkt van de nieuwe vreugde! O Dafnis, heel de wereld trilt -van de nieuwe liefde … Heel het woud ruischt … -<span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span></p> -<p>—Heel het woud ruischt van vreugde en liefde, van snelle naderingen, en van fluitgelok, -van fluitgelok! Hoor, hoor, overal! Wat nadert er snel daar aan!? Als een stormwind -vaart een geruisch door de looveren! Takken vallen er, breken en kraken … -</p> -<p>—O Dafnis, wat nadert daar aan! -</p> -<p>Maar al naderden Panskinderen, die floten, en hen volgden faunen en saters, wijnstokken -in de hand, die zij planten zouden, op gunstige plekken … En toen zij zagen Dafnis -en Eole, riepen zij: -</p> -<p>—Wie je ook bent, volgt ons! -</p> -<p>—Waarheen, waarheen? riepen Eole en Dafnis. -</p> -<p>—Volgt ons naar de gunstige plekken! Eert Dionyzos! Plant met ons den wijnstok! Wie -Dionyzos niet eert, verscheuren wij, verscheuren wij in razernij! Wie hem eert, valt -eeuwige vreugde ten deel! Volgt ons in de nieuwe vreugde! -</p> -<p>—O Dafnis, riep Eole. Volgen wij, volgen wij niet de saters?! Het is Dionyzos, die -het wil! -</p> -<p>—Eole! riep Dafnis. Ik volg hen, met je, overal, overal! Planten wij met hen het nieuwe -geluk! Het is Dionyzos, die het wil … Hier saters; geeft mij een deel van je takken! -Hier <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>Eole, tors deze ranken. Het nieuwe geluk bot overal al uit: de aarde trilt om het -te ontvangen! Saters en faunen, ik dronk, menschenkind, het nieuwe geluk uit een tros, -dien ik vond en bijna onwetend vertrapte, en nu ben ik geen menschenkind meer! Faun -zal ik zijn! Vaarwel, wuivende korens; Demeter, Dionyzos is machtiger! -</p> -<p>En Dafnis, Eole volgden de faunen en saters. De fluitjes, in vollere en dollere gamma’s, -vlug op en vlug neêr, riepen hierheen! daarheen! hierheen! daarheen! en kwam de stoet -aan de opene plek, rotsigen wand, gruizeligen grond, ten Zuiden bloot gesteld, dan -naderden de saters en faunen, plots ernstig, en zij plantten samen met eerbied den -wijnstok, terwijl op de karteling van den rots het Panszoontje bleef dansen en fluiten, -ruigjes tegen de blauwe lucht, als een opstaand bokje in het azuur. Zoo verdeelde -de stoet zich telkens, maar ook telkens vonden de nieuwe wijnbouwers elkander in het -woud terug, want de faunen, op hunne langere fluiten, trompetterden de blijde wijze -luid, als signaal, dat hen allen verzamelde. Het woud bleef vol beweging, het land -daverde van het vroolijke oproer. Telkens was er een juichen en was er een dichter -verzamelen; de <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>saters renden razende aan, liepen elkander over den bokspoot, worstelden driftig, -maar raakten weêr op de hoef en ijlden dan, broederlijk, samen voort … Dan ijlden -zij Dionyzos tegen. De Faun snelde door het woud, Dionyzos op den schouder, als op -een breeden troon, en zij kwamen overal waar hen riepen de fluitjes … Overal op de -gunstige plekken zag Dionyzos den wijnstok geplant, en hij juichte om zijn ijverige -saters. Zijn lachen klaterde boven de boomen uit, en uit Olympos, de wolken even verschuivend, -zagen de goden op de aarde neêr en glimlachten om het nieuwe genot, dat Dionyzos gaf -aan wereld en woud … -</p> -<p>O, de bruischende morgenvreugde van dien arbeid den wijnstok te planten in koortsige -haast, overal! O, de bedwelming van dien arbeid en haast, onder de zongestoofde looveren -der boomen! Daar, waar de gunstige plek niet was open genoeg, om geheel Helios op -te vangen, hakten de saters de takken weg. Maar Helios alleen zoû de ranken niet slingeren -doen langs den rotswand met krinkelende hechtklauwtjes; Helios alleen zoû de bessen, -als pruimen zoo groot en zoo blozende blauw, niet doen zwellen van barstende vreugde! -De hoogste macht bleef aan Dionyzos. Waar hij zich vertoonde <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>op Fauns schouder, scheen in zijn gejuich en gelach de nieuw geplante wijnstok te -trillen, knoestig te wringelen tegen den rots, op te schieten, uit te schieten in -het wonder der heel snelle weliging; de ranken slingerden zich, klauterden op met -gretig krampende nageltjes; de trossen zwollen zichtbaar omdat Dionyzos het wilde -en de hamadryaden, in de boomen, zagen verwonderd toe, naderden dan, plukten en proefden, -en zij volgden Dionyzos! Zij volgden hem allen, zij konden hem niet weêrstaan. Hij -lachte maar op Fauns schouder, en Faun liep zoo hard met hem voort, dat hij zwikte -en telkens ware gevallen, zoo niet Faun hem stevig omprangd had gehouden, met beide -handen geheven hoog; en hij lachte maar, Dionyzos, veilig zich wetende vast, en hij -wenkte de hamadryaden, en als een blanke kudde van niet meer schuchtere nymfen naakt, -volgden zij hem, juichend, wilden zij hem omhelzen, reikten zij de armen verliefd -naar hem op, maar bereikten hem nooit, omdat Faun als in krijgertje zoo heel snel -met hem wegliep. Zoo zagen hem Dafnis en Eole aantriomfeeren en hun harten klopten -van jubel, toen zij Dionyzos mochten aanschouwen! Dionyzos! Dionyzos! juichten zij -opgewonden. O goden, wat was hij <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>mooi! Wat was hij heerlijk! Welk een glans in zijn oogen, of die scheen uit zijn ziel! -Wat een kring van vreugde om hem als een goudene lichtschijn, die zijn goddelijke -lichaam ontstraalde! Hij verscheen hun in een stralende nimbe, en de schaduw van het -woud was verlicht. En zijn lach klaterde zoo, dat Dafnis en Eole lachten, elkander -omhelzende, en Dionyzos zag hen en juichte hen toe, omdat zij elkaâr lief hadden en -jubelend vroolijk waren. Hij deed zelfs Faun stilhouden een oogenblik, en wenkte ze -tot zich, vroeg Dafnis: -</p> -<p>—Wie ben je, bruine jongen? -</p> -<p>—Dionyzos, ik ben Dafnis, die bebouwde het veld, maar ik volgde je, omdat ik proefde -het nieuwe genot, en dit is Eole, die ik liefheb, nymf van het woud, en zij volgt -met mij Dionyzos! -</p> -<p>En Dionyzos lachte luid. -</p> -<p>—Was iedere landbouwer <span class="corr" id="xd31e855" title="Bron: ongewonden">opgewonden</span> als jij van het nieuwe genot, Demeter zoû mij toornen! Maar zij zal mij niet toornen, -want ik heb haar lief, en haar arbeid, als ik alles liefheb, dat mijn wereld doet -bloeien, mijn wereld, die ik overwinnen zal! Om de blondheid van Demeters korenvelden, -als nu om de haren van Eole blond, zal ik mijn wingerden ranken, <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>als ik nu omrank Eoles slapen met wijnlof. En Demeters moederlijke ernst en hare moederlijke -zorg voor mijn aarde zal glimlachen om al die trossenweelde, die omlijsten zal de -zeegolvende velden harer voedende korenhalmen! O, zoo haar landbouwers mij volgen, -zullen mijn faunen haar velden bebouwen! Demeter heeft mij al lief als een zoon, en -ik zal haar lief hebben als een moeder, en ons beider arbeid zal de wereld komen ten -goede! Bruine jongen, heb lief, wees vroolijk, strijd gelukkig in den grooten strijd -in de legers van Dionyzos, aan de zijde van Eole! -</p> -<p>O, het was een gejuich! Nu Faun verder ijlde, Dionyzos op zijn schouder, was het een -gejuich van Dafnis en Eole. Eerst plukten zij samen een wijnstok, en toen ijlden zij -den god achterna, daar waar hem riepen de vollere faunsfluiten, die de verspreide -planters verzamelden … -</p> -<p>Maar plots een gebrul van alle zijden … -</p> -<p>Het gebrul naderde, naderde aan … -</p> -<p>Van alle zijden liepen verschrikt Panskindertjes, en struikelden en buitelden over -elkaâr, en gingen hard huilen en angstig schreeuwen, en de faunen, juichend, kondigden -aan, wat begrepen Dafnis en Eole niet … Dàar zagen <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>zij Dionyzos weêr! Een geruisch, een gebruisch ontzettend ging op, of stormgeloei, -zoo vreemd, huilde het zonnige morgenwoud door … Daar kwamen uit het dichte getakte -o zoo vele saters aan, en aan sterk gedraaide lianenranken hielden zij brullende beesten -in toom, jong dartele leeuwen als groote honden op plompe dwaas-vroolijke pooten, -en gespikkelde panthers, die bliezen als katers, de snorrebaarden wijd uit, en de -oogen valsch en nijdig, en lynxen en tijgerkatten, en het gebrul der wilde beesten -was een oogenblik luider dan het juichen der saters en fluiten der faunen. Tot de -goddelijke stem van Dionyzos uitklaterde en de wilde beesten deed zwijgen: -</p> -<p>—O listige saters, o krachtige saters, o trouwe saters van Dionyzos! Dat is goed, -dat je temde zóó vele beesten, voor onzen strijd en zegetocht door de wereld! Dàt -is goed, dàt is goed! Nu zijn in het rond op àlle gunstige plekken, bereikbaar voor -dezen morgen, de welige wijnstokken geplant. Maar wij blijven niet in dit woud en -de aangrenzende beemden en dreven! De wèreld zullen wij door! De zeeën over, en de -verre geheimzinnige morgenlanden toe, Eos te gemoet! Den hemel moeten wij in! Volgt -allen Dionyzos! Zamelt u rondom hem <span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span>allen! Blaast, faunen, je fluiten, opdat geen enkele achterblijve, van àl wie Dionyzos -volgen! Maar opdat zalige rust ook loone zoo vroolijken arbeid vóór deze avond ons -ter vreugde verzamelen ziet, vluchten wij de zwoelte van het nu middagstovende woud, -in de koelere schaduwen van Nyza, en vlijt je allen, ijverige arbeiders, daar neêr -op de mossige bedden, die woekeren onder donkere steeneiken! Rust uit, sluimert, en -hebt vroolijke droomen! -</p> -<p>Faun ijlde met Dionyzos heen, Nyza te gemoet, en hem achterna ijlden, krioelende, -de saters, de wilde beesten aan lianen stevig in toom, de faunen op tijgers gezeten, -de Panskindertjes op wilde katten, de blanke nymfen, niet schuchter meer … aangroeiende,—groeiende -menigte, die maakte een daveren door het woud. Nu naderde Dionyzos Nyza. Onder de -zwarte steeneiken was de schaduw maar even zoel en zonneloos bijna koel gehouden. -Maar tusschen de donkere looveren, verder weg, glinsterde, als een gouden meer, de -zee, en verparelden de bergen in van licht verklaarde ommelijnen, als een etherische -muur, rings-om-rond. Daar onverwolkte zich de onmetelijke lucht, in de hoogte zoo -diep als een blauw en onpeilbaar geheim. -<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span></p> -<p>De Faun zette Dionyzos af. -</p> -<p>—Ben je moê, o Faun? -</p> -<p>—Nooit Dionyzos, ben ik moê, je te dragen door woud en door wereld! -</p> -<p>—O, ik ben moê, ik ben moê, o Faun, getorst als je me hebt zoo ver en zoo wijd overal -heen, waar saters wijnstokken plantten! Wat hebben zij er vele geplant! Wij zagen -ze alle, wij zagen ze alle: wij veronachtzaamden er niet éen. O, ik ben moê, ik ben -moê, en sluimeren zal ik spoedig … Maar wie ligt daar al te ronken, dik en vet en -vadzig, tegen een boomstam aan? Voorwaar, het is Silenos! En wie sluimert er met een -gehoornd kopje dwars over zijn dikke maag! Voorwaar, een Panszoontje, het fluitje -nog in de hand. Wakker, wakker, Silenos!—en Dionyzos, met den voet, stootte Silenos -aan,—wakker, wakker, Pansjongen! Wat slapen jullie al, en wrijven jullie de oogen -nu uit, na onverdiende, te vroege slaap, of misschien wel gat-in-den-morgen! Heb je -een wijnstok, Silenos, geplant? En jij, luie Pansjongen, wat snurk je op Silenos’ -maag in plaats van schel te fluiten je fluitje? Kom, sta je op, op je pootjes! -</p> -<p>—O Dionyzos, o Dionyzos! zei, opgestaan, het Pansjongentje bang, en hij begon heel -hard <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>te huilen. O Dionyzos, den heelen morgen … den heelen morgen—nauwelijks was je weg—heb -ik gefloten: hierheen! hierheen! tot ik geen speeksel meer had, tot mijn lippen waren -als droge schilletjes, en mijn wangen mij schenen te barsten … en niemand, niemand -kwam! Kijk Dionyzos, hier te Nyza, kijk Dionyzos, is een gunstige plek, een héel gunstige -plek, zoo open in Helios’ stralen, zoo breed vlak van karteligen rotswand, zoo gruizelig -en zandig van glinsterende aarde, die, losgewoeld, aroom doet zóo prettig in je neusgaten -kriebelen, dat je er van <span class="corr" id="xd31e883" title="Bron: fniest">niest</span>, apetjie! en gefloten heb ik, gefloten, en niemand, niemand kwam, om ook maar een -klein wijnstokje te planten! Je waart allemaal een anderen kant uit en Nyza, je eigen -woningsoord, o Dionyzos, heb je heelemaal vergeten …! Ach, wat heb ik gefloten, ach, -ach, wat heb ik gefloten! En niemand, niemand kwam! Toen Dionyzos,—o, wees niet boos,—was -ik <i>zoó</i> moe, dat ik neêrviel hier bij Silenos: wakker werd hij maar niet, uitslapen doet -hij zijn roes nog na gisteren nacht,—en omdat dik en zoo hoog zijn maag is, koos ik -die uit tot kussen—, en ik viel in slaap, Dionyzos! Ach, wat heb ik geblazen, en niemand -achtte mijn roep! -<span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span></p> -<p>Toen lachte Dionyzos luid, en om hem schaterden allen, die waren aangekomen. Toen -lachte Dionyzos luid en hij nam het ruige boksventje in zijn blanke armen beide en -omhelsde het en zoende het op zijn al donkerdonzige wangentjes. En hij riep: -</p> -<p>—O Pansmannetje, o grappig Pansmannetje, vergat Dionyzos de gunstige plek in Nyza! -En floot je een heelen morgen lang? O, Pansmannetje, o mijn eigen Pansmannetje, o -kleine Pan van Nyza, laat Dionyzos, ook al is hij van arbeid en zege vermoeid, nu -zèlve planten een mooien stok op de plek, die je hem wijst … Pak je fluitje van den -grond, zie zoo … en fluit nu je wijsje … Hierheen? Daarheen …? Dionyzos volgt je hier, -nu daar … daar wijkt de schaduw, daàr is de plek …! Hier saters, geeft mij een stok -uitgezocht … Hier woelt Dionyzos de aarde los, hier plant hij zijn heerlijken wijnstok! -Tier omhoog, wingerd, welig! -</p> -<p>En plots gebeurde het wonder. De wijnstok, zichtbaar, wies en rankte zoo snel, dat -hij geheel den rotswand op zandige plek, maar even buiten het steeneikenwoud, overwoekerde -met groote trossen. Den breeden rotswand langs woekerden zichtbaar de trossen uit, -en allen, die Dionyzos volgden, verbaasden zich om zoo <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>snelle weliging. Maar Dionyzos pakte het Panskindje op en riep: -</p> -<p>—Ben je nu tevreden, ben je nu tevreden, o klein mannetje Pan? -</p> -<p>En in Dionyzos’ armen juichend, spartelde het als een bokje, de hoeven klepperend -tegen elkaâr. Maar Silenos was opgestaan, en hij schaamde zich zoo langen slaap, wrijvende -de oogen uit, terwijl òm hem dansten nymfen en saters, plagende. -</p> -<p>—Wijnstokken heb je overal geplant? Op alle gunstige plekken? Een wijnstok hier te -Nyza geplant? Trossen druiven overal? Ach Dionyzos, wat zal dàt àlles onmatig worden, -en zonder wijsgeerige grens! -</p> -<p>Slaperig, en neêrgezonken, murmelde Dionyzos, even: -</p> -<p>—… Het einde der wereld, en de diepte der hemelen, zie daar, o Silenos, de grens! -</p> -<p>—Ik ben bang, ik ben bang, Dionyzos. Ik zal je niet kunnen volgen met zoo jubelende -vaart, door de wereld, en wat moet er van je worden zonder je leermeester. -</p> -<p>—… Je zal mij volgen, o Silenos, gezeten op een blazenden tijger … -</p> -<p>—Op een tijger? O Dionyzos! Ik gezeten op een blazenden tijger? Maar ik zal bang <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>zijn voor het nijdige dier. Ik ben bang voor zoo vele wilde beesten! Saters, temde -je ze in éen morgen? -</p> -<p>—… Terwijl je sliep je roes uit … O Silenos … -</p> -<p>—Neen Dionyzos, nooit zal ik je volgen op een blazenden tijger! En toch, mijn kind -en mijn pleegzoon en ach zoo beminde leerling, wil je meester niet achterblijven. -</p> -<p>—… Omdat het nieuwe genot overheèrlijk is!! En Dionyzos sliep in. -</p> -<p>—En omdat ik je niet kàn verlaten! Saters,—maar zij slapen al!—saters, niet op een -blazenden tijger! Vindt voor Silenos, opdat hij je volge, opdat hij je volge òveràl, -een goedigen ezel, als sneeuw blank, met ooren lang en bewegelijk, en voorzichtig -van tred over struikgewas en rotsigen grond … Maar zij hooren al niet meer! Zij vallen -overal, hier en daar, of zij schuilen, blank en ruig—o, de ondeugden—soms weg in de -heel dichte schemerdonkerte! Silenos op een tijger? O, zij hooren al niet meer. Om -Silenos valt alles in sluimering, zelfs een betooverde slaap verplettert de afschuwelijke -wilde dieren. O, zie wat een tafereel! O, zie wat een vadsige rust, van blank en ruig, -en gespikkeld van vel! Wat een loomheid op het <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>midden des dags in woudwezens en in dieren, terwijl het juist nù zoo wakensweldadig -is, en de vogels alle bescheiden zwijgen en het zeer geschikt nu juist wordt te peinzen -over àl goden- en aarderaadsels en ze op te lossen als moeilijke problemen, nu eens -zoo, en dan weêr anders! O, wat onwijsgeerige zwelging in vasten slaap! Alles … iedereen -slaapt! Alleen Silenos is wakker en wandelt rond tusschen zoo vele slapers … Hier, -hier ligt Dionyzos, als op een heilige plek, <span class="corr" id="xd31e914" title="Bron: zijns">zijn</span> bronsblondgelokte hoofd op Fauns borst. Duizend viooltjes zijn om hen ontbloeid en -geuren op, in zijn droom! Droom, droom Dionyzos, droom, met den eeuwigen lach om je -goddelijke lippen. Wie weet, wie weet … Wie weet, is je droom de eenige waarheid! -Is te geven de vreugde aan de wereld de eenige waarheid, waard te vervullen als werkelijkheid! -O, droom, droom Dionyzos, en moge, mijn lieveling, nooit … o nooit … je in verdriet -uit dien droom ontwaken … -<span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">IV.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Geleidelijk verwelkten de hemelen, verwelkte het azuur tot donker violet van viooltjes, -den geheelen binnenluchtkoepel overwazend; hier en daar prikten de eerste sterren, -en daar de maan nog wassende was, en al begon te zilverspiegelen in de meergladde -zee, was het niet noodig toortsen te ontsteken: Selene glimlachte neêr zusterlijk -zacht en welwillend op den gewichtigen vooravond van Dionyzos’ eersten reisnacht. -Als in een legerkamp was, na lange en volledige siësta, een blijde beweging begonnen -in de beemden en bosschen van Nyza. En Dionyzos, éven weemoedig, lachte toch nog, -toen hij zeide: -</p> -<p>—Vaarwel, o lieflijke oorden, waar ik leefde mijn kinderjaren! Nyza, waar hoed- en -enkel-gevleugelde Hermes mij bracht na mijn tweede wondergeboorte uit Zeus’ dij, om -mij in je handen, o nymfen, o voedsters, veilig te leggen <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>voor de lagen van Hera, wie Zeus strengelijk verbood Nyza’s bergenkling te overschrijden! -Vaarwel, o weiden vol anemonen, waarop daalden de waardige Muzen neêr, mij nemende -in haar midden, reidans om mij wevende, met zang en harmonischen klank van snaren, -die regelmatig de gouden cymbelslag onderbrak! Het uur is gekomen, dat de wereld zich -opent, en zijn taak Dionyzos toelacht! O, nymfen, o voedsters, niet éene van je allen, -die te Nyza achterblijft! Verlaten voor langen tijd zullen de weiden zich strekken, -en zullen de wouden schaduwen en zal de zee spiegelglad liggen tusschen enge bergkling. -Maar de wingerd, die ik er zelve plantte, zal tot den herfst toe zwellen van vreugde, -en, eerst schuchter, later vertrouwder, zullen herders en landbouwers komen tot deze -plaats en Dionyzos’ eigene trossen plukken in blijden wellust en nieuw genot! Vaarwel, -o lieflijke oorden! Dionyzos’ wagen staat klaar en vier saters zullen mennen de lynxen, -aan sterke ranken van veil, en zijn leger van faunen heft hoog de omslingerde pijnappelroeden, -en ikzelve, hier, breek mij af dezen langen agavebloeme-steel, opdat hij mij schepter -en wapen zij en in Dionyzos’ hand verschrikkelijk worde! O, wellust, wie ons <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>volgt, maar wee, wie ons weêrstaat … Nu op, op, gij allen, die Dionyzos zult volgen -op zijn overwinningstocht door de wereld! -</p> -<p>Er stormde een luid gejuich, maar toch was er geen uitgelatenheid onder de talrijke -troepen van Dionyzos, alsof, hoe glimlachend ook, een ernst nadenken deed, dien vooravond -van den strijd. Dionyzos was in zijn wagen gestegen, die hem de ijverige faunen hadden -vervaardigd, en vier saters menden de lynxen, nijdig als katers, met uitstaande snorrebaarden. -En achter hem vloeide het na van nymfen en Panszonen en van zoo vele wezens der wouden, -en zelfs van enkele menschelijke stervelingen, die zich, als Dafnis, reeds gevoegd -hadden bij den stoet, den thiazos van den god. Ieder droeg er den thyrs, en ieder, -voor het laatst, had zich zware trossen geplukt van den wonderwingerd van Nyza, om -vreugde te hebben dien nacht der reize. Maar plotseling barstte een schateren uit -en ging door de gelederen als een heerlijke stormwind, omdat Silenos, met vele woorden -van aansporen tot voorzichtigheid en omzien, zich hijschen liet op een witten ezel, -die hem de saters gevonden hadden. Hij liet zich hijschen, en rondom hem lachten, -blank en verleidelijk, de nymfen van Nyza, de blijde voedsters van <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>Dionyzos. Omdat de nacht frisch was van waaiende zeekoelte, hadden zij allen, de nymfen -van Nyza, zich gespikkelde vellen van beesten omgeslagen, die hingen over hare schouders -en heupen, met de levenloosheid der bengelende koppen en slappe pooten neêr, en om -hare slapen hadden gestrengeld zij zich ranken van wijnlof, met aan de ooren groote -trossen, en hare blanke jeugd van blonde en blauwoogige nymfen, hare lieflijke zachtheid -van naakte nymfen, glimlachend als spelende kinderen, verbarbaarschten zich vreemd -in warreling der ranken, tusschen de trosversierselen, heur slapen purper omprangend, -en in de ruigte der beestenvellen, of zij half nymf, half tijgerkat plotseling zich -herschapen hadden. Tusschen haar aller vroolijkheid en schertsenden spot bereed Silenos -zijn blanken ezel nu, kwinkslag gevende op kwinkslag, en hij haalde Dionyzos ter zijde -in. Faun, ter andere, bereed een getemden leeuw, wien hij de hijgende flanken met -de hielen spoorde. En het nachtwoud kraakte en ritselde van den stoet, die zich in -beweging zette. Uit de zwarte schaduw der steeneiken ging het met rustigen tred van -schrijdende dieren, in toom gehouden, en van paden tredende hoeven der trappelende -saters, langs de boorden van de zee, de bergen <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>te gemoet. De weiden strekten zich wijder, de gesloten zee openbaarde zich plotseling -tusschen de wijkende kapen, het woud bleef als schaduw achter, de vlakte strekte in -de sneeuwblankte der maan zich wijd als een witte woestijn, vaag van velden, en als -zonder horizon wegtintelend in de klare lucht zelve. Het was heel wijd, heel ruim -en heel licht. En de wijde vlakte, onmerkbaar eerst, steeg en deinde naar boven; de -zee viel lager weg, opende zich geheel, en het gebergte, als een nachtviolette wal, -kartelde zijn rotsscherpe silhouet, uitgeknipt en zigzaggelend aan in de klaarte. -Dionyzos steeg op. Pad was er niet, maar de saters, trappelend met bijna dansende -voeten, traden het pad in wat struikgewas warrelde laag, altijd verschoonende de blondere -granen, moederlijke Demeter ter wille. Zoo naderde de stoet het gebergte en slingerde -de rotskam op, in rustige blijde reize. Soms brulde luider een tijger of ander wild -beest, soms schaterden-uit de nymfen, of kakelde, kwinkslagend, Silenos onvermoeid; -soms danste heftiger de voorhoede der saters van vreugde te voren, maar Dionyzos bleef -glimlachend ernstig, Faun op zijn leeuw hem ter zijde, ernstig glimlachend als hij. -En hoewel vreugde er was en vertrouwen <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>in de gelederen van het vreugdeleger, was er hier en daar wantrouwen wel, om zoo groot -voornemen en wellicht driestheid van een veldheer, die een knaap nog was, vrouwelijk -week de leden gebootst in de teederheden van het mollige vleesch, knapeveldheer, gewapend -slechts met agavebloeme-steel, en wie zoo groote schare van nymfen haast gedachteloos -volgde. -</p> -<p>Zoû Dionyzos verwinnen, nu hij den strijd aanbond tegen al wat in de wereld somber -zoû zijn; zoû Dionyzos de wereld verwinnen …? -</p> -<p>Maar zij, die zoo dachten, behoefden slechts een druif, een enkele, van hun nachtvoorraad -te snoepen, om zich plots te voelen verblijden, en nu te weten, dat wie zoo heerlijke -vreugde kon geven, ook de sombere wereld overwinnen zoû. En al hooger en hooger steeg -de stoet. Nu ging de stoet het gebergte over, op de uiterste kam, en schaduwde tegen -den nacht aan, als een wondere optocht, waarheen in den Nàcht-Olympos de gewekte goden -nieuwsgierig heen zagen. Doelbewust trok de stoet voorbij, uren, uren lang. De pijnappelroeden -geheven teekenden over de bergkam een woud van bewegende lansstokken uit, sidderende -in het licht van de maan. De getemde dieren brulden, maar schreden gewillig. En uren, -uren trok de <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>stoet voorbij, doelbewust. Al opende half de oostelijke poort zich, om Eos uit te -laten, toen de laatste volgelingen van den blijden Dionyzos aan de helling der steile -bergkam pas verdwenen in daling van spleten. En toen de morgen, zonnegoud dadelijk, -rozigde over de zee, lag Nyza en haar woud en haar vlakte, van Dionyzos verlaten, -in vreemde door de vogelen nauw gestoorde eenzaamheid achter, in betooverde stilte -vreemd, tot de landbouwers en herders dien morgen, nieuwsgierig, aanslopen en zagen -den wonderwingerd, en er van plukten en dronken, en den wijnstok voortplantten, overal. -</p> -<p>Nu dien morgen ontwaakte in zijn paleis de beheerscher van Ikaria, koning Ikarios, -werd hem dadelijk een bode voorgevoerd, die hem zeide: -</p> -<p>—Heer, schrikverwekkende tijding, helaas, deel ik u mede: de morgen rijst op over -een dag van onheil, zeer zeker. Want dezen nacht naderde over het gebergte een onafzienbare -vijandelijke strijdmacht de grenzen van uw rijk, en tot ontzetting der naar alle zijden -vluchtende bevolking naderen die barbaarsche horden de poorten van uw stad. Tijd zal -het nauwelijks zijn, Heer, uw leger te verzamelen en den vijand te gemoet te trekken. -<span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span></p> -<p>Toen zeide, terwijl weeklaagde rondom hem het toestroomende volk, de beheerscher van -Ikaria: -</p> -<p>—In steê van wanhoop, o Bode, meen ik vreugde te mogen koesteren om wat gij mij mededeelt. -Oude voorspellingen kondigen aan voor Ikaria een nieuwen god, die ons een nieuwe vreugde -zal geven; wellicht is het aantijgende leger, het leger des gods van vreugde. Zoû -ik hem niet welkom heeten? Is er zoo veel vreugde door de oude goden gesprenkeld over -mijn rijk? Heerschten niet pest en hongersnood gedurende lange tijden, en schaduwde -niet als een wolk somberheid over mijn onderdanen? Demeter wendde zich van ons, onze -granen verschroeiden zwart. Geheimzinnige winden voerden ziekten aan, en het onheil -regende neêr. Sinds langen tijd scheen de lucht mij niet blauw meer, ook al boorde -zij zich diep azuur. Nu … zie, de lucht is blauw! <span class="corr" id="xd31e947" title="Bron: Er">En</span> zweeft als een glimlach over Ikaria! O, gij, edele grijsaards, gaat te gemoet, wie -komt! Vrouwen en maagden, neemt palmen en myrtetakken ter hand, en wuift van verre -het welkom tegen … Ik weet niet waarom ik heradem, en waarom ik geen vreeze <span class="corr" id="xd31e950" title="Bron: voed">voel</span>! Goud is de morgen en vroolijk! Sinds lang was de morgen zoo vroolijk <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>niet en sinds lang niet zoo goud van vreugde. Gij allen, mijn volk, hebt vrede en -weeklaagt niet meer! Het <span class="asc">IS</span> de nieuwe god, die aankomt en ons zijn nieuwe vreugde biedt! -</p> -<p>Zoo riep de beheerscher Ikaria’s, en omdat het volk hem zeer lief had, staakte het -zijn weeklacht, liet zakken de armen en zamelde rond hem, vertrouwend. O, het ellendige -volk, de ellendige onderdanen Ikarios’… gegroefd van ziekte was hun wang, geribd van -magerte de pijnlijke borstkas, van armoede gerafeld hingen onsierlijk de vodden en -het rag om hun leden. Zelfs zóo scheen de waardige heerscher, mager van wang en van -borstkas, hol van oog, en zijn mantel was niet meer mooi, en van zijn staf was het -goud dun gesleten. Rondom hem wachtte het volk, en zij spiedden allen uit. En plots -zagen zij naderen, terug, de palmtakken en myrtetwijgen, naderen de edele grijsaards -en achter hen stuwde, als een stroom, het vreemde leger aan, de pijnappelstaven omhoog. -Een geruisch gonsde, als een stormwind door woud. Plots, schel, pepen honderde fluiten. -Het leger naderde met muziek en met dans, de jonge veldheer voor: een lachende knaap, -heerlijk naakt, gezeten in een kar, die nijdige lynxen trokken, als katers, met snorrebaarden. -<span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>Daar steeg de veldheer uit, met een dartelen sprong, een blijden jongen gelijk. En -hij liep toe op den ouden Ikarios, die van verbazing de armen ophief. -</p> -<p>—Ben jij de nieuwe god? vroeg de beheerscher Ikarios. De nieuwe god, dien de voorspellingen -kondigen aan? -</p> -<p>—Ik ben Dionyzos! riep Dionyzos jubelend uit zijn naam; en zie, hier zijn druiven, -en ik kom brengen de purperen vreugde! Beheerscher van Ikaria, Dionyzos opent de armen, -en wil je drukken aan zijn hart! Oude koning, ik ben blij, want ik kom de vreugde -brengen! Weet, oude koning, dat razernij mij bevangt en allen, die mij volgen, om -wie mij niet blijde ontvangt, maar weet ook, dat niets dan vreugde, jeugd, wellust -en zaligheid zal zijn aan allen, die mij blijde ontvangen! Kies, Ikarios, tusschen -mijn woede en mijn vreugde, en kies voor allen de uwen! -</p> -<p>Terwijl de god en de koning zoo spraken, juichten de faunen het volk toe: -</p> -<p>—Hij is de zoon van Zeus! Hij is de zoon van Semele, die verblaakte in Zeus’ blakenden -gloed! Hij is de god der vreugde! Eert hem, eert Dionyzos! Plukt de vreugde, die wij -u bieden! Hier zijn de trossen! Voor allen zijn er purperen trossen … -<span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span></p> -<p>Maar tusschen het volks- en faunenrumoer riep Ikarios uit: -</p> -<p>—O Dionyzos, o zoon van Zeus, zoû ik je niet blijde ontvangen? Was er dan zoo vele -vreugde in Ikaria, dat ik kan zeggen: ga, Dionyzos, een anderen weg? En dat ik niet -dankbaar zoû zijn voor de nieuwe vreugde, de purperen vreugde der zwellende trossen? -Ik ben oud, Dionyzos, en hier, mijn vorstin is oud, en ziek zijn wij beiden, en ziek -zijn ook velen van mijn volk, en somber zijn wij na herinnering grauw aan pest en -aan hongersnood … O Dionyzos, zoû ik je niet blijde ontvangen? Maar Dionyzos, ik open -mijn armen, als een nederige vader, o zoon van Zeus! Maar Dionyzos, ik ben je eeuwig -en innig dankbaar, en mijn tranen van blijdschap vloeien mijn half blinde oogen uit, -alleen omdat ik je zie, zoo mooi, zoo jong, zoo heerlijk, zoo blij, zoo stralend en -goddelijk! -</p> -<p>—Ikarios! riep Dionyzos. Dan omhels ik je als een stralende zoon, die, rijk aan schatten, -een armen vader komt geven van wat hij won door zijn vlijtigen arbeid. Het wonder -gebeure … Ikarios, zie!! -</p> -<p>En Dionyzos strekte zijn agavesteel uit in de richting van het verweerde paleis. -<span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span></p> -<p>Er beefde lichtelijk de aarde en de aarde spleet open en het bruischte uit de opene -spleet. Toen ook wankelde het paleis op zijn vervallene zuilen, en het dak dreigde -te storten in een. Maar staan bleef Ikarios’ woning en een wonderwingerd wies op in -een oogwenk, zijn knoestigen stam schietende snel uit de spleet. Knoestig rekten de -knoopige takken zich uit langs de wanden van het paleis, de ranken omwingerden geveldriehoek -en dak, de ranken omwingerden de zuilen met breedbladig festoen, en de zware trossen -zwollen te voorschijn. Eén groot druivenprieel herschiep zich het oude paleis. En -de faunen gaven het voorbeeld, en zij klommen op, en zij plukten de trossen af, en -wierpen ze in de handen des gretigen volks. Des konings fanfaren bliezen maar de fluiten -der saters en Panszonen schaterden uit, overklaterd door Dionyzos’ stem: -</p> -<p>—O beheerscher Ikarios, o gij allen van Ikaria, weest blijde, weest blijde, dat gij -de vreugde aanvaardt! Niet heerschen meer pest en hongersnood, alleen heerscht Dionyzos’ -vreugde! O ellendig volk van Ikaria, wees vroolijk, wees vroolijk altijd! En opdat -je vooral dezen dag vroolijk zult zijn, zal ik doen wat ik kan: je voor dézen dag -allen drinken laten <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>uit mijn eigen drinkschaal, zie hier: groote, diepe, ronde beker, waaruit je allen, -o oude koning, o oude koningin, o arme en zieke Ikariërs, o blinden, o kreupelen, -melaatschen, o armen en somberen en kermenden, zult drinken den weldadigen most van -mijn druiven, geknepen door mijn eigen vingers, zult drinken jeugd en schoonheid, -gezondheid en stralend gezicht, vluggen gang, blanke lichaamstint, weelde, helderheid, -lach! Weest vroolijk vooral dezen dag! Koning, wees jong en mooi, en heb nog eens -lief je koningin, jong en mooi; nauwelijks genezen pestlijders, hebt krachtige lenige -leden en worstelt met elkaâr in het perk; kreupelen, loopt met elkaâr om het hardst; -blinden, ziet tot diep in het diepe azuur, en tot ver over de lachende zee; gij allen, -weest rijk, hebt vreugde, geniet! O, geniet allen dezen dag, vooral. Eeuwig zijn niet -mijn gaven, maar de tijdelijke vreugde, die ik je geven kan, geniet; en morgen zal -je wel oud weêr zijn en niet meer rijk, o ouden en armen, maar zalige herinnering -des te meer zal je doen glimlachen dankbaar bij de gedachte aan Dionyzos, die vèr -dan zal zijn: het wonder … het wonder gebeure! -</p> -<p>En Dionyzos zich slingerend op Ampelos’ schouder, opdat hij hoog troonde boven de -<span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>menigte, lachende en dartel, zwaaide langzaam rond zijn agavesteel. En het wonder … -het wonder gebeurde … Plotseling was ieder jong, gezond, krachtig van leden en vroolijk! -De koning verjeugdigd omhelsde zijn blozende koningin; oude bedelaars waren jeugdige -athleten; al wie oud was werd jong, al wie leelijk mooi, al wie ziek gezond! Om alle -huizen rankte de wingerd, en de blijde landbouwers plukten er stokken af, en geleid -door fluitende zoontjes Pans, en geleid door blij trappelende saters, verspreidden -zij zich in alle gunstige richtingen, <span class="corr" id="xd31e984" title="Bron: zochtten">zochten</span> àlle gunstige richtingen op, plantten overal Dionyzos’ wijnstok. O, hoe tevreden -was de god, terwijl hij zijn drinkschaal bood aan den nu jeugdigen koning Ikarios, -aan zijne jeugdige koningin! Op het land, in de stad en het paleis, was vreugde, was -feest, was genot! Plotseling lachte het leven. De nymfen, hand aan hand, slingerden -zich door de stad en alle vrouwen deden haar na, vertuitten zich met wijnlof het haar, -trossen aan de ooren, sloegen het beestenvel om schouders en heupen, en zwaaiden de -pijnappelroê. Alle oogen glinsterden in den vreugdemorgen. Armen grepen elkaâr, van -most gepurperde lippen zochten elkander; schuchtere liefde zocht schaduw <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>der wouden, of liever loovergeheim nog van wingerd. Plotseling juichte het leven! -O, hoe tevreden was Dionyzos om verwinning zoo heerlijk, en zonder zweem van smart -en van pijn voor wie ook, omdat zij allen zijn vreugde wilden. Wèl hem, die hem de -armen open ontving; wee, wie zijn gaven hem weigerde! -</p> -<p>Nu rende Faun met hem op den schouder gezeten door de stad, en zij riepen hem uit: -Dionyzos! Dionyzos, dank! Hij wuifde de hand, hij schaterde! Hij wierp hun zijn kushanden -toe. Hij wierp hunne trossen toe. Zij vingen ze op in de gretige palmen. En het was -de nieuwe wellust overal. In de velden gebeurde het wonder, en Dionyzos schaterde -er van blijdschap om. Overal plantten de nieuwe wijnbouwers de stokken van den wonderwingerd, -en de ranken schoten weelderig uit, en de faunen namen de ranken lang en leidden ze -als feestfestoenen van lagen boom tot lagen boom, van wilg tot populiertje, en van -berkje tot abeel, en tusschen Demeters armelijke velden festoenden de feestranken -blijde, als was haar geheele veld éen enkele feesthal geworden, door het welvend azuur -overbogen. En Dionyzos, meêlijdend om de schrale gewassen, niet door Demeter geacht, -riep uit: -<span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span></p> -<p>—O Demeter, o moederlijke zuster, o Demeter, die ik liefheb en acht! Waarom hebt ge -in smart om Persefone van Ikaria uw blik afgewend? Kom, o blonde Demeter, en glimlach -over zoo schrale aren, en zij zullen zwellen in dien nieuwen zonneschijn! O Demeter, -meng uw goud met mijn purper, als ik morgen ver van Ikaria ben! -</p> -<p>En het blijde volk herhaalde Dionyzos’ bede, en het stroomde in Demeters heiligdom. -Geen middagrust was er dien blijden dag. De vreugde vierde dien morgen niet uit. De -nieuwe jeugd overal verlustigde ook in de brandendste uren. -<span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">V.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Over de landen spreidde de mare van de komst van den blijden god, en boden, snelvoetig, -liepen toe naar het paleis van koning Minyas, beheerscher van Orchomenos, en riepen: -</p> -<p>—Heer, schrikwekkende tijding, helaas, deel ik u mede: de morgen rijst op over een -dag van onheil, zeer zeker. Want dezen nacht naderde over het gebergte een onafzienbare -vijandelijke strijdmacht de grenzen van uw rijk, en tot ontzetting der naar alle zijden -vluchtende bevolking, naderen die barbaarsche horden de poorten van uw stad. Tijd -zal het nauwelijks zijn, Heer, uw leger te verzamelen en den vijand te gemoet te trekken. -</p> -<p>Toen zeide, terwijl weeklaagde rondom hem het toestroomende volk, de beheerscher van -Orchomenos: -</p> -<p>—Nooit zullen wij dulden, dat wie ook, nieuwe veldheer of vreemde god, zich met zijn -<span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>barbaarsche horde dringe in onze bezitting, en onzen rustigen ernst verstore. Wij -roepen dus ten snelste op de scharen van onze dapperen om den indringer te gemoet -te treden, en te jagen ver over de grenzen des rijks. -</p> -<p>En, inderdaad, ten spoedigste, <span class="corr" id="xd31e1008" title="Bron: verzamelen">verzamelden</span> zich rondom den fronsenden Minyas de dappere scharen der krijgers. En als een bewegende -wal van ronde schilden, die blikkerden, waarboven spietsten de lansen bliksemend, -ging, koperen kracht, Minyas’ leger Dionyzos te moet. De god, in den bewolkten dag, -zag van verre het leger toch naderen, heel snel: de blikkering der schilden, de bliksems -der lansen, dof, in het sombere morgenlicht. En zijn saters riepen het naderende leger -toe: -</p> -<p>—Hij is de zoon van Zeus! Hij is de zoon van Semele, die verblaakte in Zeus’ blakenden -gloed! Hij is de god der vreugde! Eert hem, eert Dionyzos! Plukt de vreugde, die wij -u bieden! Hier zijn de trossen! Voor àllen zijn er purperen trossen! -</p> -<p>En dansende de trossen heffende, naderden de saters Minyas’ in zwaar brons gewapende -strijdmacht. Om zóó vreemde vreugde vijandelijk, en zoo ongekend reuzig ooft, dat -zeker krijgslist beduidde, aarzelden de krijgers hun pijlen te <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>schieten, of hun lange lans drillend te heffen, vooral toen heel helder de stem van -den god zelven plots klonk: -</p> -<p>—O Minyas, waarom somber als de lucht van den morgen zelven, fronst zich uw voorhoofd, -onder den blits van uw helm en uw zwarte pluim, die er donker wuift? Waarom treedt -gij mij te gemoet met zwaar gewapende legerschare, of is het alleen om mij te heffen -in zege, op uw blikkerende schilden, en mij in thyrsen uw lansen veranderen te doen? -Wilt ge, dat ik op uw schilden blikkerend mijn faunen beveel druiven te stapelen als -op schalen breed; wilt ge uw helmen ophouden en er uit drinken bedwelming van mijn -nieuwe vreugde; wilt ge, dat op een enkelen wenk van mijn agavebloeme-steel een wonderwingerd -uit den splijtenden grond schiete, tusschen ons beider machten, en ik u toon, dat -<span class="asc">IK</span> de machtigste ben? -</p> -<p>Maar, achterdochtig, en fronsend de brauwen, onder den blits van zijn helm en wuiving -van zwarte pluim, antwoordde Minyas niet, de beheerscher van Orchomenos, den goddelijken -Dionyzos; en zijn boogschutters schoten de pijlen af naar de dansende saters en troffen -hen, tot het gehuil der woeste bokspooten <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>opsteeg pijnklagend, en hun bloed vloeide, te zamen met het bloed der druiven. Een -razernij beving Dionyzos. Hij stortte zich uit zijn wagen, hij slingerde zich op Ampelos’ -schouder, en, onherkenbaar plots, was hij verschrikkelijk. Die hem volgden, staarden -hem allen aan. Zijn lachend week knapegezicht was bleek vertrokken in een strakken -tragischen maskergrijns wreed, zijn bronsblonde lokken stonden kronkelend overeind, -gelijk aan Meduza’s serpenten, huiverend rondom zijn hoofd. Zijn viooloogen, hard -als staal, staarden Minyas toe, en zijn anders altijd lachende lippen, blozend van -wellust-verlangen, vertrokken tot een tronie zijn gansche gelaat, en hij krijschte, -schuimend, onverstaanbaren klank. Een rilling voer zichtbaar zijn lichaam langs, als -een koorts, die hem liep over de leden. Zijn aderen zwollen aan zijn heerlijke lichaam, -en zijn vingers krampten als tijgerklauwen. Nu brullend als een dier, spoorde hij -Faun, zijn liefsten vriend, wreed den hiel in de flanken, maar niet vertoornde Faun, -en snelde lastdier-gewillig, voort met den razenden god. En allen, die hem volgden, -den god Dionyzos in razernij—saters en faunen op panthers en leeuwen, de nymfen van -Nyza, bakchanten-herschapen, de stervelingen, <span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>Dafnis, Eole, Panszonen groot en klein,—allen, die Dionyzos volgden, stak zijn eigen -razernij goddelijk aan, zelfs meêsleurende Silenos op witten ezel, die balkte tusschen -tijgerkatten,—den wijsgeer en meester, dronken en razend om wie zijn goddelijken leerling -weêrstond! En éene zelfde razernij gaf allen een zoo plots goddelijken kracht, nu -zij zich stortten op Minyas’ krijgers, dat de wal van koperen schilden beefde, en -verbrak onder den aanval, en dat naar alle zijden vervluchtten, verflitsten de koperen -lansen. De saters, schuimbekkend als beesten wild, wierpen zich op de vluchtende krijgers, -sloegen hun de klauwnagels in de oogen, en in het lillende vleesch, verscheurden krijschend -de lichamen en hitsten hun leeuwen en panthers aan, die zich wierpen op wie poogden -te vluchten. Krijschend onder de sombere lucht van wolken grauw, waartusschen zagen -de goden neêr, omringden de beestevel-omkleedene Bassariden, de bakchanten razend, -nymfen van Nyza, Minyas’ eigen lijfwacht, niet achtende pijlsteek of bijlhouw, en -hare wreede woede, huilende, dansende, omcirkelde geheel die keur van krijgers, in -wie zij de nagels sloegen. Zij waren geen nymfen meer. Zij waren tijgerinnen en tijgerkatten. -Zeus, vertoornd om wie zijn <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>zoon weêrstond, verzamelde donker de wolken, slingerde zijn bliksem, en de donder -rolde de hemelen door; de goden, bevende bang, verwijderden zich vol eerbied van den -oppergod, vader van Dionyzos: fronsend in wolken bleef Zeus alleen, neêrzien op Minyas -in toorn. En plots zag hij dit: Dionyzos, zijn zoon, onherkenbaar de mooie knaap in -razernij, zich werpen op Minyas zelven: zoo als een leeuw zich werpt op een stier, -hem in den nek breed en de schoften zwaar zonder aarzeling de klauwen slaan, verscheurens -gereed. Dionynos, als een wilde leeuw, brulde, en sloeg de nagels in Minyas’ oogen. -De koning slaakte éen onmenschelijken kreet en was blind. Maar niet was Dionyzos tevreden, -en hij riep: -</p> -<p>—Minyas, die mij weêrstond, blinde Minyas, nooit heb je goed gezien! Want altijd dacht -je jezelven een man en een vorst, maar verblind was je al, voor <span class="asc">IK</span> je verblindde, want je bent altijd een wijnstok geweest!! Minyas, Minyas, zie nu?? -Poog dan te zien! Zijn je beenen geen wijnstokken twee? Is je tors niet een tros, -en zijn je armen niet knoestige ranken? Druipt de most je niet uit de oogenholten, -als mijn versmade wijn vloeit uit diepe schalen?! Minyas, ben je een man? Minyas, -<span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>ben je een koning en beheerscher van Orchomenos? Of ben je een wijnstok? Ben je een -wijnstok? Wacht, persen zal Dionyzos je uit! -</p> -<p>En krijschend wierp ten tweede male Dionyzos zich op den vorst, sloeg hem de nagels -in het lillende vleesch. -</p> -<p>—Zie!! riep Dionyzos in zege. Zie nu, poog nu te zien! Je druipt wijn uit overal! -O, overdadige wijnstok! -</p> -<p>Onder den aanval van den razenden god, werd waanzinnig de ongelukkige vorst. -</p> -<p>—Een wijnstok? Ben ik een wijnstok? riep hij uit. O, Dionyzos, ben ik een wijnstok? -Zijn al mijn krijgers dan wijnstokken ook? Een bijl, een bijl! Hier houw ik ze af, -de wijnstokken van Dionyzos, opdat ik ze plante in mijn rijk! -</p> -<p>En, blind, in stroomend bloed, sloeg hij met de bijl woest in het rond, en doodde -hij zijn eigen krijgers … -</p> -<p>Nog fronste Zeus, alleen, toornig in wolken, en hij wierp zijn bliksem voor zich uit, -en de donder rolde de hemelen door … -</p> -<p>Maar bij Minyas’ lijk ontwaakte uit razernij Dionyzos, en riep snikkend: -</p> -<p>—O, rampzalige, waarom niet de vreugde aanvaard! -</p> -<p class="tb">- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -</p><p> -<span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VI.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Dien avond, over de heuvelen, en hooger over de bergen, sneeuwbedekt, onder den wolkenden -hemel, waardoor heen vaarde, als een witte boot, der maan snel schietende sikkel, -zwierden, lange rij, hand aan hand, de menaden na Dionyzos’ zege; en van af het slagveld, -zagen Minyas’ krijgers, die er lagen gewond en vergeten en kermend, schimmig de verschrikkelijke -vrouwen dansen voorbij op de lucht, zagen zij roode vlammende toortsen, en hoorden -zij haar schaterende lachen. Nu steunden de gewonde krijgers met den elleboog op de -ronde schilden, en tuurden zij, brekend de blikken, naar den verren dans en het feest -daarboven, dat festoende over den heuvelenkling, en rankte hooger de bergkam op. Somber -in den feestnacht klonk der leeuwen gebrul, en een ezel balkte, belachelijk … -</p> -<p>Weeklaagden in pijn de strijders, stervende <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>en bloedende uit, want verscheurd en gereten met nagels hadden de nymfen hen, en met -klauwen de panthers en leeuwen, en met thyrsen en met agavesteelen hadden hen onmeêdoogend -gegeeseld de saters, en het zware brons van hun helmen en schilden en speeren en lansen -had niets vermocht tegen de woede van de wezens des wouds, volgelingen des machtigen -Dionyzos’! Nu vierde de god daarboven, over heuvelkling, over bergkam, zijn zege, -en de menaden zwierden … Maar wie gingen over het slagveld heen, waar Minyas’ strijders -lagen vergeten? Waren het roofzieke dieven, die den stervenden kleinood ontrukten -en sieraad, dat zij zich bukten over de lichamen? -</p> -<p>—Zijn het roofzieke dieven, Lykurgos? vroeg Pentheus zijn vriend, terwijl hij in zijn -armen te sterven lag, uit zwaar gereten borst bloedende. En willen zij den stervenden -afrukken … kleinood en sieraad … dat zij zich bukken over de lichamen? -</p> -<p>—Zijn het medekrijgers, Pentheus, die ons zoeken om ons op hun schild te tillen en -naar hun tenten ter verpleging te voeren … -</p> -<p>—Niet schijnen zij, die daar dwalend gaan over het slagveld, en over de verslagenen -bukken, mij boos van aard, en eerder weldadig van doen … -<span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span></p> -<p>—Nu naderen ons er twee … -</p> -<p>—Wie naderen ons, Lykurgos en Pentheus, dwalende over het slagveld en wie bukken nu -over ons? -</p> -<p>—Wij zijn de faunen van Dionyzos, klonken aan hun oor zachte stemmen; en de god beval -ons te treden tusschen je allen, verslagenen, en je te laven de veege monden, en zoo -mogelijk je te genezen je wonden, en je te behouden voor het vroolijke lachende leven, -want Dionyzos is weldadig aan àllen, die aannemen zijn vreugde en het nieuwe genot, -en verschrikkelijk is hij alleen, wie, somber, hem tegenstreeft … Wij zijn de faunen -van Dionyzos … en zie hier, Lykurgos en Pentheus, edele vrienden twee, samenstrijders -in den bloedigen krijg, wie leeuwen en saters en razende nymfen hebben gereten de -nu lillende leden, en de van pijn grijnzende gezichten, zie hier! Druiven komen je -brengen de faunen van Dionyzos! Wij houden den helm je op, en wij persen in den helm -de trossen uit: zie, het sap druipt ons tusschen de vingers, en wij mengen den most -met honig, die wij meêbrachten in versche vijgebladeren, en zoet en weldadig zal de -drank je laven en kracht in je merg doen stroomen! Drink, Lykurgos, en Pentheus, drink! -<span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span></p> -<p>—O faunen, weldadig is Dionyzos, wanneer hij verschrikkelijk niet is! O, de drank -uit onze helmen, de most vermengd met den honig, zoetheid en kracht te zamen … o faunen, -is het nog mogelijk, dat wij leven, terwijl wij Tartaros reeds zagen zwart schemeren: -o faunen, is nog mogelijk, dat voor het vroolijke lachende leven wij behouden bleven, -of is het alleen de troost van het laatste oogenblik, dien je, weldadige faunen, ons -biedt … -</p> -<p>—Diep zijn je wonden, o Pentheus en Lykurgos, maar kracht stroomt je Dionyzos’ gave -in, en hier zijn kruiden en bladeren van genezende kracht, die vermengd met honig -en wijn je wonden, zoo niet sterfelijk, genezen zullen, en waarmeê wij stelpen je -vloeiende bloed. Maar drinkt op nieuw den helm uit, o Lykurgos en Pentheus! -</p> -<p>—Lykurgos! zei Pentheus. Mijn oog verheldert zich, en mijn ziel is, ik weet niet waarom, -zoo blijde. Nu sta ik op, en ik help je opstaan, en al wankelen je beenen, ik voel -in je, mijn vriend, kracht gelijk aan de mijne stroomen, en ik voel, dat je behouden -zult zijn voor het vroolijke en lachende leven … O, weldadige faunen … waar is het -vroolijke, lachende leven …? Wij waren strijders aan <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>de zijde van somberen Minyas, den beheerscher van droefgeestig Orchomenos, en weten -niet het lachende leven te vinden; o faunen, waar vinden wij het? Waar vinden het -Lykurgos en Pentheus? Aan de zijde van Dionyzos? Bloeiende rondom Dionyzos? Rankend -Dionyzos rond? O faunen, waar vinden wij het? Het bloedige slagveld purpert somber -onder den somberen hemel, door wiens wolken de maan snel schiet; maar waar purpert -helder het vroolijke leven van Dionyzos’ rijke en lachende gaven? -</p> -<p>—Lykurgos en Pentheus, beide genezende en krachtig al, zoo je wilt eeren in dankbaarheid -en in vreugde den machtigen god Dionyzos … gaat, waarheen je zal leiden … hoort!… -de schelle fluit van dien kleinen jongen, zoontje van Pan, bokspootig en ruig al van -wangen, met staartje, dat kwispelt: dartel bokje, dat voor je uit zal trappelen en -zal pijpen zijn rietje op en neêr, en neêr en op … heel hoog en dan lager, als beekje, -dat stroomt over rots, schuimt op, en weêr valt, schuimt op en weêr wegvliet … Volgt, -Lykurgos en Pentheus, het bokspootje blijde en gaat waarheen hij je voert … Wij gaan -verder het slagveld over, om de helmen van je stervende makkers te <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>vullen met most en met honig … hen te genezen, zoo mogelijk … en velen zal je er vinden -terug, waarheen je lokt het vroolijke wijsje … -</p> -<p>—Lykurgos … zie je het bokje? -</p> -<p>—Voor ons uit trappelt het vlug met zijn hoefjes en lachend ziet hij om, ruig in het -licht van de heldere maan. Hij wenkt ons en fluit! Laat mij je steunen, o Pentheus, -laat mij je in mijn armen voeren, want niet zoo krachtig ben je als ik … Nu naderen -wij hem, maar hij schiet weêr voort; met enkele sprongen is hij héel ver! O, nu zie -ik hem eindelijk! Zijn kopje is als van een kleine guit; een baardje heeft hij waarachtig -al; twee horentjes steken zijn lofkrans uit; zijn oortjes zijn spits, en twee lelletjes -hangen hem onder de kin! Zijn staartje kwispelt boven zijn billetjes, en zijn donkere -vingers kriebelen over het fluitje! Wat blaast hij er schelle klankjes uit, heel hooge -en dan weêr lagere … Vlug, Pentheus, verliezen wij ons bokje niet, in den nu weêr -donkeren nacht, want de maan is weg, achter de wolken … Daar, daar zie ik hem, hóog -op een rotsblok … nu klimt hij naar boven … nu weêr is hij weg … O, Pentheus, ik zie -hem niet meer … Wacht een oogenblik …: daar giet weêr de maan haar licht … Ik zie -hem, <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>ik zie hem, o Pentheus … en hij lokt ons: hierheen, hierheen … O, Pentheus, ben je -sterk genoeg om hem te volgen …? Wil ik je tillen op mijn schouder …? Kan je niet -verder …? Ben je zoo uitgeput …? Je alleen achterlaten, Pentheus? Neen, nooit, dàn -laat ik het bokje maar slippen …: ik blijf bij je, mijn krijgsmakker, hoor! O, wat -fluit nu het mannetje schel, als of hij ongeduldig wordt! Kan je nu weêr volgen, o -Pentheus …? O bokje, vlug bokje, wij zijn zieke soldaten, nauwelijks door Dionyzos’ -gaven genezen, en wij kùnnen zoo vlug je niet volgen, daar waar het leven vroolijk -en lachende is! -</p> -<p>Maar, Pentheus steunende, streefde Lykurgos en struikelde en viel en stond op weêr, -en het Panszoontje lokte hem de heuvelen op, en het slagveld viel onder hun blikken -weg, zich wijd strekkende, sombere vlakte. Weêr was de maan achter de wolken, maar -een rosse gloed, verder en hooger op, blaakte als een brand, die zich over het gebergte -verspreidde. De beide soldaten klommen hooger, maar zij zagen het Panszoontje niet -meer. Tot zij plotseling hoorden gejuich en gelach, tot zij zagen aannaderen den toortsenrook -en de menaden, hand aan hand, de saters, <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>flambouwen zwaaiende, aandansend van rotsblok op rotsblok, de oogen woest in dionyzische -vreugde. Met éen zelfden kreet telkens weêr, wierpen zij zich achterover de lenige -lijven, en wie struikelde en viel, werd opgesleurd, als aan een onverbreekbare ketting -telkens. En toen zij zagen Lykurgos en Pentheus, riepen de woeste vrouwen: -</p> -<p>—Wie naderen onzen dans en ons feest, en zijn naakt van beestevel en wingerdrank en -zijn ongewapend van thyrs! -</p> -<p>—O woeste menaden! riep Lykurgos; hoort ons éen oogenblik: Lykurgos en Pentheus zijn -wij, krijgers van somberen Mynias; verslagen stierven wij al op het bloedpurperen -slagveld, maar Dionyzos’ weldadige faunen zochten ons met honig en most, en pleegden -onze wonden, en laafden ons de dorstige kelen, en een bokspoot, dartel en klein, lokte -ons met wijze zoo blij de heuvelen en rotsen op, opdat wij het vroolijke en lachende -leven zouden vinden bij Dionyzos! Menaden, waar is Dionyzos, die zoo weldadig is als -verschrikkelijk? Menaden, waar is de overwinnaar? Wij willen hem zien en hem eeren, -met dankbaarheid en met bewondering! Wij vreezen hem en hebben hem lief al! Menaden, -waar is Dionyzos? -<span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span></p> -<p>—Volgt ons, Lykurgos en Pentheus, volgt Dionyzos’ menaden en volgt zijn saters … Hier, -neemt ter hand een flambouw, opdat je in duister niet struikele over de rotsen en -verdwijne in afgrond diep …: volgt ons, Lykurgos en Pentheus … Maar eerst, drinkt -de druiven uit diepe schaal uit …: nieuwe kracht zullen Dionyzos’ druiven je geven …: -hier, hier, met veil nu omrankt, met trossen beladen, met tijgervel om, de thyrs in -de hand of de toorts … volgt ons, volgt ons, Lykurgos en Pentheus … en volgt ons tot -Dionyzos! -</p> -<p>En zij volgden de woeste menaden, die hen omringden en meêslierden; de nacht was purper -van druiven, van toortslicht, van vreugde. Tot zich breidde een hoogvlakte, waar blank -de sneeuw nog op lag, en een juichen opging en een lachen. -</p> -<p>Daar stond Dionyzos in zijn kar en schaterde, en schaterden rondom hem de faunen. -En omdat zoo schaterde de blijde god en zoo schaterden zijn blijde faunen, zóo, dat -de lynxen brieschten en brulden, stroomden van alle zijden menaden en saters aan, -elkander optrekkend aan gordels van veil en lianen,—dronken van wijn en van juiching -en zege—en weten wilden zij allen waarom zoo schaterde Dionyzos <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>en de faunen rondom hem schaterden … -</p> -<p>—O razende Dionyzos! riepen zij uit. Hij is blijde Dionyzos weêr! Zie, hoe hij lacht! -Zie, hoe hij lacht! Zijn viooloogen lachen, zijn druiflippen lachen, en zijn heerlijke -lichaam trilt niet van razernij meer, maar van blijden lach! O, razende Dionyzos, -hij is blijde Dionyzos weêr! God van onze vreugde, zoo razend om tegenstand, wat wekt -je weêr tot den blijden lach? En wat tot de heerlijke vreugde? Is het de zege over -Minyas; of zijn het schalen diep, vol pas geperste trossen? -</p> -<p>—O menaden, o saters! riep Dionyzos. O, allen, die mij volgt! Niet is het de zege -over Minyas, niet zijn het versch geplukte trossen, die Dionyzos doen lachen van heerlijke -vreugde, maar het is Silenos, zie Silenos! Eere Silenos, krijgslistig als wijs! Eere -den wijsgeer en dapperen strijder! Dronken, was hij onverwinbaar, en geeselde hij -met agavesteel Minyas’ krijgers tot nederlaag, en ontnuchterd was hij een wijsgeer, -en reed op zijn ezel wit, de ooren lang en bewegelijk, naar de overwonnen stad, en -daar praatte hij zoo bezadigd met alle ouden-van-dagen en dikken-van-buik over de -vreugde zijns goddelijken leerlings, over mijn vreugde, over mij, Dionyzos … dat hij -hen allen, ouden-van-dagen, <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>en dikken-van-buik, kaal knikkebollende en vet maagplooiende, overhaalde te zoeken -witte ezelen, als de zijne, omzichtig van tred, en de ooren lang en bewegelijk,… dat -hij hen overhaalde ze te bestijgen, de lastdieren, gewillig en balkend, en … dat hij -met zijn stoet ouden-van-dagen en dikken-van-buik … o zie, zie hen aan!… nu nadert -zijn god en zijn veldheer en leerling, als aanvoerder aan het hoofd zijner schare … -Komt dan toch, menaden, komt saters, dringt om mij rond, en ziet! Silenos rijdt nader … -zijn ezel balkt … àl hun ezels balken … oorverdoovend … o, de tijgers brullen,… o, -de leeuwen brullen … de lynxen brieschen … maar de ezels, de ezels balken … zoo luid … -zoo hevig … dat ik geloof, in Olympos, de goden uitkijken; en zelfs Zeus, mijn vader, -lacht tusschen de donkere wolken, om zoo vele, zoo vele balkende ezels! Eert Silenos, -menaden en saters! Door wijsbegeerte alleen en onweêrstaanbare overredingskracht wist -Silenos tot Dionyzos zoo vele volgelingen te brengen, die zich nu scharen in het leger -van vreugde! Weest vroolijk en lacht-uit het leven, o ouden-van-dagen, o dikken-van-buik, -en weest welkom in Dionyzos’ kamp! De wereld zullen wij overwinnen! Je zult met ons -de <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>wereld overwinnen! Purperen trossen en blanke nymfen zal je deel zijn en oorlogsbuit! -Heel het purperen en blanke leven, o knikkebollenden op witte ezels! Hi-ha! Hi-ha! -Overstemt, ezels, met je gebalk, onzen lach, den schreeuw van menaden en saters, den -schater van de goden daarboven! Hi-ha; hi-ha! Ezelvolk van Dionyzos, volgt hem in -den strijd! Menaden, omkranst met ranken en trossen de vroolijke knikkebollers en -biedt hun den diepen beker! Stijgt af, knikkebollers en danst! Danst in het rond en -laat schudden je maagplooien op den maatslag der tamboerijnen! Saters, de cymbels! -Faunen, de fluiten! O, Silenos, in hun midden dans je het mooist, en jij, die de Muzen -zag dansen op de violette anemonen van Nyza, bent wèl hàar waardigste leerling!!! -</p> -<p>En zoo luid schaterde blij Dionyzos, dat zijn lach klaterde over de bergen heen, en -de balkende ezels overstemde. Maar wat slingerde—in maneschijn en toortsglans afwisselend—toch -van alle zijden de bergen op, en naar de sneeuwbedekte hoogvlakte toe …? Hier waren -het de nymfen van Nyza, blijden Dionyzos’ voedsters, en zij voerden meê, al lachend -en blijde, vrouwen en maagden der stad overwonnen, àlle vrouwen en maagden van Orchomenos, -<span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>en zij wezen haar, schuchter, wantrouwende nog: -</p> -<p>—Zie, daar is Dionyzos! Zie, daar is onze god! Zie daar is onze vreugde! Zie hem aan, -hoe heerlijk hij is! Hij is de vreugde, hij is het genot! -</p> -<p>Maar ginds waren het weldadige faunen, en zij voerden meê, al krachtig en vroolijk, -Minyas’ gewonde krijgers, àlle krijgers van somber Orchomenos, en zij wezen hun verwonderd -en wantrouwende nog: -</p> -<p>—Zie, daar is Dionyzos! Zie, daar is onze god! Zie, daar is onze veldheer! Zie hem -aan, hoe onverwinlijk hij is! Hij is de vreugde, hij is het genot! -</p> -<p>En Dionyzos riep uit: -</p> -<p>—Komt allen tot mij, ouden-van-dagen, dikken-van-maag, matronen en maagden en krijgers! -Ik ben de vreugde en de purperen vreugde verwint heèl de wereld, zoo als zij heden -Orchomenos won! Zoodra Eos aan de oostelijke poorten rijst, plant den wijnstok overal, -tusschen Demeters dan blondere velden! Mengt mij met haar! Ik acht haar als zij mij -lief heeft! Welvaart zij in Orchomenos en vreugde omkranse die welvaart! Tusschen -de velden, van lagen boom tot lagen boom, van berkje tot abeel en van populiertje -tot steeneik, festoent <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>rond en sierlijk de ranken! Wees een feestvlakte, somber Orchomenos! O, sombere nacht, -haast je af, en rozevingerige Eos, verschijn! -</p> -<p>Zoo juichte goddelijke Dionyzos, en de wolken trokken voorbij, de hemel parelde morgengrauw, -de bergrotsen teekenden scherper zich, en de oostelijke poorten openden met een breeden -kier, kimstreep van goud. -</p> -<p>En aan allen, grijsaards en matronen en krijgers en maagden, deelden de saters de -wijnstokken uit, en de Panszoontjes, fluitende, lokten tot de gunstige plekken. Dionyzos, -op Fauns schouder getorst, bezocht alle gunstige plekken, tot hij plots, de stad wit -er zuilende achter, het paleis van den verslagenen beheerscher, Minyas, den vorst -van Orchomenos, zag, waarom met vele beweging en stemmen luid menaden haar thyrsen -zwaaiden. Toen riep Dionyzos: -</p> -<p>—Zegt mij, blijde menaden, wat roept gij zoo vele beweging met stemmen luid op om -het paleis van Minyas, den verslagen beheerscher Orchomenos’? -</p> -<p>—Dionyzos! riepen de menaden woest. Zij schenden je goddelijke wet, de sombere Mineïden, -de dochters drie van Minyas, dien je versloeg in den verschrikkelijken strijd! -<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span></p> -<p>—En hoe schenden zij, o menaden, mijn wet? -</p> -<p>—Zij weigeren, de Mineïden, deel te nemen aan onze reien en ronde, het beestevel om -schouders en heupen te slaan, den tros aan haar slapen te hangen, hard de tamboerijnen -te slaan en de thyrsos breed omme te zwaaien! Zij weigeren te komen uit haar paleis, -waar zij blijven aan den somberen arbeid, waar zij weven de lijkwâ haars vaders! O, -Dionyzos, nu zullen wij gaan tot in haar paleis en haar slieren in vreugde naar buiten, -en, zoo zij weigeren vreugde te vieren, haar verscheuren als waren tijgerinnen wij -allen? -</p> -<p>Maar Dionyzos sprong af van Fauns schouder en hij drong langs de menaden door in het -paleis. Daar zaten somber in het vrouwenvertrek aan het weefgetouw de zwart gesluierde -maagden en zij bereidden de lijkwâ haars vaders. Zij zagen niet op en arbeidden door, -terwijl de blijde god stond op den drempel en het binnenpaleis plots straalde van -zijn goud goddelijken glans. Zij zagen niet op, en hare oogen treurden, hare sluiers -treurden, hare wevende handen treurden, en hare zwijgende lippen treurden. In zwijgenden -arbeid treurden zij, zonder tranen. Toen zeide haar Dionyzos: -</p> -<p>—O treurende Mineïden, hoort mij aan, mij <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>Dionyzos, den blijden god van vreugde, die je somberen vader versloeg. Deze dag is -een vreugdedag, want vreugde ging over Orchomenos op, en wijd welft zich de blauwende -hemel! Mijn wijnstok plantten mijn saters overal tusschen Demeters velden en de snel -schietende ranken, waaraan wonderwelig de purperen trossen al zwellen, festoenen zij -feestelijk van lagen boom tot lagen boom, van steeneik tot populiertje en van berkje -tot abeel. Een feestvlakte herschept zich Orchomenos. O treurende Mineïden, smart -om den verslagenen vader treurt uit je zwijgenden arbeid, treurt uit je neêrziende -oogen, en wevende handen en geslotene lippen, maar, gelooft mij: dag van smart is -niet deze! Dag is hij van purperen vreugde. Beweent morgen den somberen vader, weeft -hem morgen de lijkwâ, en bewijst hem de treurige eere: niet zal Dionyzos zich morgen -verzetten, die ver dan zal zijn! Maar deze dag, wiens licht ziet den wijnstok geplant -op alle gunstige plekken Orchomenos’, deze dag is een dag van vreugde. Slaat af de -sombere sluiers, laat rusten de weefspoel aan de al half bereide wade des vaders en -slaat om de maagdelijke leden vel van lynx of van spikkelige tijgerkat, vertuit je -met zwellende trossen, plant een <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>wijnstok tegen dit vorstelijk paleis en hebt vreugde om je land, dat zich in vreugde -herschept, en voortaan zal Orchomenos blijde wezen. Morgen, o treurt, Mineïden, en -herneemt den somberen arbeid: maar heden, voldoet aan Dionyzos’ bevel en eert zijn -blijde wet! -</p> -<p>Maar zwijgend bleven aan treurenden arbeid de sombere Mineïden, en de menaden achter -Dionyzos dringende, riepen uit: -</p> -<p>—Wij verscheuren haar allen, o Dionyzos, als tijgerkatten, wij allen? -</p> -<p>En tusschen alle zuilen drongen zij door, gereed zich op de vorstelijke maagden te -werpen. -</p> -<p>Maar Dionyzos hield met opengebreide armen haar tegen. -</p> -<p>—Laat af, o woeste menaden! Aan Dionyzos de dochteren, als de vader! Aan mij is alleen -de straf en de wraak over deze vorstelijke maagden van treurigheid. O, treurende Mineïden, -nog eenmaal roept Dionyzos je tegen: voldoet aan zijn vreugdebevel en eert hem zijn -blijde wet! -</p> -<p>Maar zwijgend bleven aan treurenden arbeid de sombere Mineïden. -</p> -<p>Toen lachte Dionyzos verschrikkelijk. -</p> -<p>Dat was niet zijn blijde lach, maar dat was zijn vreeselijke grijns, die zijn heerlijk -gelaat verwrong tot een masker, plotseling onherkenbaar, <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>ontzettend. En zijn thyrsos geheven, riep hij het wonder op te gebeuren. -</p> -<p>Het paleis van den verslagen beheerscher Orchomenos’, somberen Minyas, beefde, en -aan alle zuilen, uit splijtenden grond, wies wonderwelig de wingerd op, festoende -de zuilen rondom, hechtte zich aan architraven, rankte van kapiteel tot kapiteel, -en liet overdadig in ironische vreugde zijn zware trossen purperen tusschen de bladeren -groot. Nu zagen de treurende maagden op, nòg wevende in het blijde prieel. Hare groote -oogen begonnen te weenen, en de groote tranen parelden zwaar neêr en vielen in hare -zwarte sluiers, omdat zij herdachten haar vader. En zij weefden aan zijn wade voort, -terwijl de trossen neêrvielen rondom haar heen, en het druivensap over haar stroomde. -Maar zij hielden geen schalen op in het blijde prieel, dat om haar somber paleis was -gerankt, en zij weefden, zij weefden voort. Toen, voor de tweede maal, beval Dionyzos -te gebeuren het wonder. En drie kreten van pijn en van afschuw vervulden geheel het -land, zoo dat in de velden de blijde wijnbouwers staakten en luisterden, en rondom -het weefgetouw zaten geene drie treurende maagden meer, maar klapwiekten met schermwieken -vleêrmuizen <span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span>drie, fladderden angstig rond om elkander en de half afgewevene lijkwade en klapperden -op en scholen weg in den wingerd en omdat woest lachten de woeste menaden en haar -wierpen met druivetrossen, flapperden te voorschijn de vleêrmuizen weêr, stieten klagenden -kreet na klagenden kreet en verlieten op haar slapperende vlerken het prieelpaleis, -en verdwenen in schaduw van bosschen. -</p> -<p>Zoo, tusschen de druiven, bleef ongeweven de lijkwâ van Minyas, den somberen beheerscher -Orchomenos’! -</p> -<p class="tb">- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -</p><p> -</p> -<p>Maar toornige Hera, de pauw aan haar zijde, naderde Zeus, en zij riep: -</p> -<p>—O Zeus, ziet ge wat ginds gebeurt! Niet is het genoeg, dat je bastaardzoon, Dionyzos, -onbezonnen, met wulpschen stoet van al wat wellustigst en dartelst is, nieuwe plant -als een onkruid en gif voort laat tieren langs alle oorden van Hellas, maar edele -vorsten verscheurt hij in zijn razernij van wild beest, die niet waardig eens gods -is, en geen der goden, die tusschen treedt! Zij lachen, zij lachen om Dionyzos, de -wolken verschuivende, en zij vermaken zich om zijn dartelheid, onbezonnenheid, <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>zijn wulpschen wellust en overmoed. Zij lachen, zij lachen, de goden; zij slaan niet -van hem hun oogen af, en, ik geloof, zij benijden zelfs den stervelingen het purperen -gif, dat hij uit zijn trossen hun perst! Maar Zeus, niet is dit alles genoeg, want -Dionyzos stelt zijn knapewet boven menschelijke wet, boven goddelijke wet, en verhindert -treurende dochteren te eeren eens vaders gedachtenis, te weven zijn wâ, en hem te -beweenen in het diepst van haar paleis! Hij spot met haar smart; hij laat zwellen -zijn trossen en festoenen zijn ranken, daar waar haar tranen vloeien; hij stoort haar -den arbeid en, o schande, o smaad! hij verandert haar, omdat zij somber zijn, in vleêrmuizen, -lichtschuw, zoo dat zij, ten einde raad, wanhoop en smart, zich voor eeuwig in duistere -bosschen verschuilen! Zeus, roep ik te vergeefs? Zeus, straft ge dan nooit, wie mij -ergerlijk is? Zeus, laat ge een orde, door goden gesteld en door menschen geëerd, -door uw bastaardjongen verstoren? Ongestraft? Ongestraft? -</p> -<p>Maar Zeus fronste de brauwen, en om zich verzamelde hij wolken, en, zacht donderend, -klonk verschrikkelijk zijn stem. -</p> -<p>—Hera, wat smaadt en smaalt ge den blijden god Dionyzos! Zie, waar de wereld <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>oud was, verjeugdigt hij haar; waar zij arm was, maakt hij haar rijk; waar zij somber -was, schenkt hij haar vreugde! Hera, waar Minyas hem weêrstond, met bronsgewapende -krijgsmacht, moest hij wel sneuvelen tegen de purperen vreugde, want <span class="asc">ZIJ</span> zal de wereld verwinnen: Dionyzos zal haar verwinnen: het is zijn erfdeel, dat ik -hem gaf. Boven orde heerscht hoogere Orde, en het noodlot van goden en menschen, breidt -zijn ring onontwijkbaar. Wee de treurende Mineïden, dat Dionyzos haar noodlot voltrok! -</p> -<p class="tb">- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -</p><p> -</p> -<p>En Zeus, donderende, verschool zich in wolken geheel, terwijl snerpend opklonk de -kreet van den pauw, toornig zijn wielstaart uitwaaierend met oogen van goud en smaragd -aan de zijde der hemelvorstin. -<span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Dagen van arbeid en vreugde, dionyzische dagen van purperen arbeid en purperen vreugde -volgden elkaâr, sprenkelend welvaart en blijden moed, en, des nachts, met zijn altijd -aangroeiend leger, reisde de god over vlakte en gebergte voort, en overwon in den -morgen en plantte den wijnstok en des middags in koele schaduwen duurde de siesta -der rust en der liefde zóó lang, dat de middag een nacht was, terwijl de nacht zich -in feest herschiep, reisde niet voort Dionyzos. Nu verwachtte men den god overal en -overal liepen de boden uit, den beheerschers zijn aankomst te kondigen, en overal -trokken de saters vóór en toonden onwetenden druivetrossen, en wie éens had de druif -geproefd met verlangende lippen, zag gretig naar den god Dionyzos uit, en velen vielen -hem dadelijk bij, en riepen uit zijn zege. Uit alle overwonnene oorden volgde men -den god Dionyzos, en zijn leger wies aan, <span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>onverwinbaar, want één zelfde vreugde en, om tegenstand, één zelfde razernij bezielde -wie hem ook volgde … -</p> -<p>Teeder als vriend had Faun neêrgevlijd het bronsblond omlokte hoofd van den god op -mossige kussens en riep hij, heel zacht fluisterende, de duizende viooltjes op, die -altijd den slaap van Dionyzos omgeurden, hem ter eere wademend haar wierook; en uitgerust -dwaalde Ampelos verder door de overwonnene wouden van Karië. En zoo blijde was hij -om Dionyzos’ zege en zoo blijde om Dionyzos’ liefde, dat hij glimlachte in zijn blijde -zelf, en zijn lange fluit jubelen deed, zacht en toch vroolijk, door de middagschaduwen, -die stoofden onder de zongeblakerde looveren der eiken. Maar suikerzoet balsemden -de accacia’s met vol bloeiende trossen den middag, en zóó van weeldeherinnering en -warmte gloeide de Faun, dat zijn wilde-katvel hij neêrslippen deed van zijn schouder -en het, den kop en de pooten slap, weggooide in het lage hout. Donzig zijn huid goudgetint, -dwaalde hij naakt, kalm en vroolijk. Nu floot hij de vogelen wakker en zij antwoordden -hem, even loom tjilpend. Nu plukte hij de accacia-trossen en proefde de bloemen zoet. -Nu spiegelde hij in het water der beekjes en lachte zich toe, pogende <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>zichzelven te omhelzen, speelsch, zijn wegrimpelende beeltenis in het water … Een -najade, een oogenblik zichtbaar blank, lachte hem uit, en hij liep haar na, maar zij -dook weg tusschen iris. Uit de looveren oogden hamadryaden, slaperig, en hij omhelsde -er eene, maar zoo slapensmoê was zij, dat zij nauwlijks ontwaakte in zijne omhelzing -en hare zusteren lachten, toen zij verschrikt zich gevangen zag. Maar de najade, opduikende, -lokte hem verder den stroom af, en hij greep haar en zij gleden in vochte omhelzing -het water af, of poosden op rotsblok. Hij vertelde haar van Dionyzos, en zij beloofde -te zullen komen dien avond in het vreugdekamp, nieuwsgierig naar druiven vooral. Alleen -doolde hij verder, Karië’s wouden door, blij om zijn doellooze dwalen. Tot hij plots -een zucht hoorde diep, en hij ontstelde om zoo smartelijken zucht in de zoele blijde -bosch-schaduwen, en luisterde. Maar er klonk niets meer na. Toch scheen hij de echo -heel fijn van dien zucht na te hooren in de gestoofde lucht trillen: hij liep toe -in de juiste richting en het lage hout kraakte onder zijn tred. En daar zag hij plots -éen slapen, in heel donkere schaduw; een jong lichaam, wit en rank; hij meende dat -eener maagd, eener nymf. Schalk wilde hij naderen om haar te <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>verrassen, toen Faun zag, dat die daar sliep, was een knaap, jongeling bijna. Hij -lag voorover in het weeke mos, en in zijne armen beide rustte zijn hoofd, lang gelokt, -en de lange lokken geknoopt in een wrong. Maar nu Faun vlak stond bij den slaper en -neêrzag, bespeurde hij, dat de jongeling geheel den zwellenden boezem had van een -maagd, of eene nymf, en dat hij beiden was, knaap en maagd. Hij was heel lenig en -slank van leden, en in zijne sluimering, die droef moest van droomen zijn, want zijne -lippen treurden bijna verwijtend, was tusschen ronden rug en welvenden onderrug het -middel diep geknakt en van leest vrouwefijn. Nu zuchtte hij weêr in den slaap en de -slanke voet trilde in madelieven. Zijn zucht, even, schokte geheel zijn uitgerekte -lichaam en zijn droeve hoofd huiverde op zijn armen, van smart. Lang bleef de Faun -kijken, stoorde zijn slaap niet, maar zag toe, zette de fluit aan zijn lippen zich … -En hij floot, heel zacht, iets van de blijde wijze, maar zoo van toon gedempt, dat -het nauwlijks duidelijker was dan bruischen van bladeren of ander geheimzinnig boschruischen, -groeien van kruid en geuren van bloemen: dat àl wat de woudwezens hooren. En de verwijtende -lippen des slapers rondden zich even vroolijker, en hij <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>sliep weldadiger door, zonder zuchten. Hij sliep heel lang en plots ontwaakte hij—open-oogen, -zag op. Hij richtte zich op den elleboog hooger. Maar hij schrikte toen hij Faun zag, -en had een beweging van schaamte en van vlucht. Maar Faun glimlachte en stelde gerust -met een lief gebaar van zijn breede hand. En de slaper bleef liggen, en herstrekte -zich uit. Hij zweeg, en zij zwegen beiden. Maar toen zeide Faun zacht en voorzichtig: -</p> -<p>—Vertrouw mij toe wie je bent? -</p> -<p>—En wie ben je zelve, die waakte over mijn slaap? -</p> -<p>—Ik ben Ampelos, Dionyzos’ Faun, en ik dwaalde door Karië’s wouden in den zongestoofden -middag … -</p> -<p>—Ik weet niet wie is Dionyzos, maar ik weet wie ikzelve ben, een treurende en toch -goddelijk van oorsprong, maar niet blijde als goden zijn … -</p> -<p>—Zeg mij dien oorsprong … -</p> -<p>—Ik ben niet gewoon te spreken; ik leef eenzaam, eenzaam dwaal ik, en niemand van -goden of faunen of nymfen, met wie ik lach of vroolijk ben: alleen de nymf Salmakis -zoekt mij, eenzaam, op, en vervolgt mij, en bang ben ik voor haar, omdat zij heel -donkere oogen <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>heeft, waarin gloeit een mij vreemd verlangen. -</p> -<p>—Spreek verder … -</p> -<p>—Ik ben niet aan woord en aan klank gewoon: ik zwijg steeds, of ik zucht heel diep. -Ik dwaal eenzaam, en als mij Salmakis ontdekt, vlucht ik haar ver, en val, moê, in -slaap diep. -</p> -<p>—Wie ben je en wie zijn je ouders? -</p> -<p>—Mijn ouders zijn goddelijke goden. Van schitterend verstand lichtende Hermes was -vader mij, en moeder was van schitterende schoonheid goudene Afrodite. Zij zijn beide -de schoonste en heerlijkste van alle goden, mijn stralende ouders. Maar vader verwekte -mij en moeder baarde mij, dof van smart. Ik geloof, dat ik de ontroostbare Weemoed -ben, want die naam fluisterde mij riet toe, en zongen mij bloemen, en bruischte mij -koude wind, in den eenzamen nacht. Ja, ik ben de ontroostbare Weemoed. Ik ben Hermafroditos, -maar niet schitter ik van verstand als mijn vader, verstandigste aller goden, en niet -lach ik goud, als mijn moeder: de wellust van goden en menschen, en hun aller opperste -schoonheid. Ik ben eenig, tusschen allen, en eenzaam blijf ik in het woud, overvol. -Ik ben, zie, maagd en knaap, en ik ween veel omdat ik ben maagd en knaap. Liever ware -ik maagd, of ware ik knaap, dan beiden te zijn in ontroostbaren <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>weemoed. Want liefde, die ik zoû vinden willen, weet ik niet waar te zoeken; de nymfen, -behalve Salmakis, wier donkere oogen gloeien als die van een tijger, lachen mij schel -uit als ik nader en een oogenblik mijn schuchterheid overwin. Mijn ouders zoeken mij -niet. Zij hebben mij weinig lief, als of zij zich schamen voor mij. En toch bruischte -mij stormwind eens toe, dat <span class="corr" id="xd31e1201" title="Bron: Oorsprong">oorsprong</span> van goden en hemelen en aarde en menschen niet anders was dan ik, knaap en maagd -beide. Maar stormwind wekte geen trots in mij: ik ben de Ontroostbare Weemoed! O, -zoo mijn vader mij niet vergat, en hij daalde even neêr tot mij, in zijn boodschappende -vlucht, hoe blijde zoû ik zijn hem zijn enkelvleugels los te binden, en hem rusten -te doen, even zittende! O, zoo mijn moeder, lust van goden en menschen, mij niet vergat, -en zij straalde even neêr tot mij, mij badende in haar gouden glimlach, hoe zalig -zoû ik zijn, mijn armen om haar leest als een gordel te slaan en haar knielend te -zeggen, dat ik haar aanbid! Maar mijn ouders zoeken mij niet. Ik dwaal slechts Karië -door, en mijn grootste troost is mijn slapen, ook al zijn àl mijn droomen droef … -Faun, wat zeg ik je zoo vele woorden? Nooit heb ik er zoo vele gezegd … -<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span></p> -<p>—Weemoed-oogige Hermafroditos, zoon van lichtenden Hermes, en dochter van goudene -Afrodite, stort in woorden je weemoed mij uit … Want is Weemoed onzegbaar en hoe kan -Weemoed ontroostbaar blijven, als Dionyzos niet verre is …? -</p> -<p>—Ik, eenig en twee, zijn eenzaam altijd mijn dagen gebleven, want ik vluchtte de eenige, -die mij nabij kwam, donkeroogige nymf Salmakis, en hoe ik ook twee was, eenzaam ben -ik immer gebleven, zoowel eenzaam voor mijn mannelijkheid als voor mijn maagdelijkheid -eenzaam. Waar het verlangen mij dubbel smachtte, bleef ik dubbel onvoldaan, en vluchtte -ik slechts dieper in schaduw, bang en schuchter voor Salmakis, en bang en schuchter -voor mijzelven. Eenzaam bleven mijn nachten, en ik luisterde naar den nacht. Wijd -en eenzaam bleven rondom het woud en de wereld, en de weemoed weligde in mij als donkere -klimop. Nu is mijn ziel zwarte weemoed slechts, als donkere cypressen in klagenden -wind. O Dionyzos’ Faun, waarom zeg ik, eenzame zoon der lichtendste goden, eenzaam -kind, dat steeds vluchtte, je <span class="asc">ALLES</span> in vreemd en nieuw vertrouwen? Waarom kan ik niet anders dan zeggen, en vloeien mijn -woorden als stroomend water plotseling, na <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>altijd te hebben gezwegen …! Je glimlacht maar, en maar even heb je van Dionyzos gesproken. -Maar ik weet niet wie hij is. Is hij een god? Is hij verstandig als Hermes? Is hij -goudstralende als Afrodite? Zal hij als mijn ouders wreed zijn en onachtzaam? Waarom -sprak je zijn naam uit? Je bent zijn Faun, maar wie is hij …? -</p> -<p>—Hij is, o weemoedoogige Hermafroditos, hij is de vreugde, die nadert … Hij is de -purperen vreugde, die nadert, door de woudschaduwen van Karië heen … En opdat hij -niet dwale, en vinde vlug, speel ik de blijde wijze … Hoor …! Zoo klinkt de blijde -wijze! Zie … viooltjes laat ik opbloeien, omdat viooltjes hem lief zijn: hij slaapt -gaarne op viooltjes, hij loopt gaarne over viooltjes; op viooltjesgeuren zal hij naderen … -Hoor … Zoo klinkt de blijde wijze … Hermafroditos … zie in het water hier, en spiegel -er in je glimlach … Zacht glimlachende Hermafroditos … het is niet om mij, mijn blijde -wijze en mijn viooltjes: het is om Dionyzos, die nadert … Hoor je niet, Hermafroditos, -het woud ruischen van zijn nadering? Zijn zoekende tred kraken het lage hout? De vogels -tjilpen zijn weg langs, de hamadryaden lachen …? Zij lachen en oogen en tjilpen hem -na, als hij komt en voorbijgaat, omdat hij de <span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>vreugde is … Strijk, glimlachend, over je voorhoofd, dat droef was zoolang: Hermafroditos, -Dionyzos nadert … O, hij nadert, ik hoor hem dicht bij … Schel fluit ik mijne blijde -wijze nu opdat hij ons dadelijk vinde …! -</p> -<p>En de Faun jubelde schel de wijze, zegevierend over vogelgetjilp heen, over ruischen -van bladeren, en bruischen van water, en strijken van bries heen door twijgen. En -een blijde stormwind, plotseling, scheen te waaien door het huiverende woud: het lage -hout kraakte, en bij de laatste tonen der wijze blij, week Dionyzos met beide handen -de looveren open, en verscheen hij, in verrassing glansstralende … -</p> -<p>—Hier ben ik! Hier ben ik, Ampelos! Wat verliet je, ontrouwe slaper, mijn zijde, en -dwaalde alleen door het woud, en wat wekte je mij met de wijze zoo blijde, en wat -deedt je overal in het woud viooltjes als een pad mij ontbloeien! Wat wil je dan van -Dionyzos? Dat hij plante? Maar het is niet het uur van den arbeid! Het is het uur -van het zachte ontwaken uit welverdiende rust, na feest, overwinning en arbeid! en -het is het bereiden voor het volgende feest! Want nadert de avond al niet violet? -O, de feesten van Dionyzos, in Selene’s glans of bij toortslicht, welke feesten <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>zijn blijder en zijn weldadiger? Zie ik de goden niet oogen tusschen de wolken door, -verzameld in Olympos en kijken naar ònze feesten, benijdende ònze vreugde? Ha-ha, -Ampelos, Hefaistos was goedgezind zijn geliefden broeder Dionyzos; kunstige werkman -hij, bracht hij zoo even, toen ik ontwaakte, mij een geschenk, bewijs van zijn liefde: -prachtig is het geschenk als Hefaistos alleen het kon wrochten: reuzig groot mengvat -is het van edel goud, gedreven sierlijk met trossen en ranken, en den most zullen -wij er met de honig in mengen, dezen nacht, ter eere van kunstigen Hefaistos! Blijde -was hij zijn mengvat te geven, omdat hij mij lief heeft om vreugde, die ik geven de -wereld zoû … Maar Ampelos, zeg, waarom floot mij de blijde wijze over viooltjes naar -hier? Wat vriend, wil je van Dionyzos!! Voor planten is het de ure niet! -</p> -<p>—O Dionyzos, ik floot de blijde wijze, opdat je zoû komen en vreugde zoû sprenkelen. -</p> -<p>—Vreugde sprenkelen op zoo donkere plek? Tusschen cypressen en steeneiken donker! -De viooltjes, duizenden, lijken mij paars niet, maar zwart in zóó veel schaduw! Ampelos, -waarom zocht je een plek uit, die niet gunstig kan zijn noch voor druif, noch voor -vreugde … <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>Mijn oogen, van Hefaistos’ geschenk, zijn verblind, zien niet de donkere cypressen -door … Toch zie ik, ben je alleen niet, Ampelos … Wie schuilt hurkende weg in de schaduw … -Is het een nymf, die bang is voor vreugde? Neen, ik zie een slanken knaap! Toch niet, -ik zie een nymf! Ampelos, wie is dit, knaap en maagd beide, en zoo schuw in cypressenschaduw! -</p> -<p>—O, Dionyzos, het is weemoedoogige Hermafroditos, zoon-en-dochter beide van Hermes, -van verstand stralende, en Afrodite, stralend van schoonheid, en nooit heeft hij de -vreugde gekend in de eenzaamheid van Karië’s donkere wouden! O Dionyzos, sprenkel -hem vreugde! -</p> -<p>Zoo drong glimlachende Faun, en lang zag Dionyzos naar den schuwen knaap met de zwellende -maagdeborst. En terwijl de god zag, was er een zwijgen in de viooltjes-doorstoofde -cypressenschaduw, en eene ònbeweging en roerloosheid. Toen glimlachte Dionyzos, en -hij knielde neêr bij schuwen Hermafroditos, die hurkte weg, schuchter, vol schaamte, -zich hurkende bedekkend met beide handen, zoo beneden als boven, voor den blik van -den god. Tot de blijde god Dionyzos heel zacht zeide troostvolle woorden: -<span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span></p> -<p>—Schuwe knaap en mij broeder en zuster, godekind, kind der glanzendste goden! Achtten -Afrodite niet en Hermes hun spruit, omdat hij was mannelijk en vrouwelijk, en twee -vereenigt in zich? O, schuwe knaap, niet altijd was verstandig enkelvleugelig-vlugge -Hermes, en je heerlijke moeder, gemakkelijk in liefde en lust van goden en menschen, -schaamde een ènkelen keer zich wel eens haar daden en de herinnering er aan! Toch -behoefde zij nog Hermes te schamen zich zoo lieflijk kind, éen-tweeling, dien zij -achterlieten op woest gebergte of in donker woud. Wel zijn de goden onnoodig soms -wreed voor hun kinderen en laten onbeschermd aan het noodlot hen over! Schuwe knaap, -en mij broeder en zuster, laat zacht Dionyzos je streelen over je golvend in wrong -geknoopt haar, zoo als hij een jonger broêrtje zoû doen, of doen zoû een jeugdiger -zusje … Hef de oogen op en zie Dionyzos aan:… laat Dionyzos de handen je beiden nemen -en te niet doen je schaamtegebaar, dat niet is noodig voor wie zich, zelfs in cypressenschemering, -zoo lieflijk vertoont, en zoo mooi, zoo rank en zoo edel gevormd en lenig in mengeling -der schoonste vormen van schoonste ouders, die goden zijn! O, weemoedoogige Hermafroditos, -word met trots je <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>bewust, en schaam je niet meer, verhef de armen in een blijde verlossing uit weemoed, -en wees wie je bent in jubelende blijdschap! Verlossen uit weemoed zal je Dionyzos -dit oogenblik en blij jubelen zal hij je leeren deez’ nacht, in den reidans om het -mengvat van den kunstigen Hefaistos … Schuwe knaap … nu rijst Dionyzos op en hij strekt -beide handen je toe: rijs op aan zijn handen … Zoo, laat Dionyzos je steunen, zijn -arm om je leest … Ampelos, ga ons voor en speel ons voerende, opdat wij gedachteloos -kunnen volgen over het geurige pad der viooltjes … Hermafroditos, de avond valt, en -dikwijls is weemoed de vallende avond, maar is deze avond, vallende, weemoed? Of is -hij aanvang van blijden moed? Laat mij je steunen op het vreugdepad en huiver niet -in mijn zachte omhelzing! Is deze avond geen blijde moed? Zie … door de boomen glinstert -de zee ginds, tusschen de ijlere looveren zie ik den in avond verparelden hemel welven -en de sterren ontluiken, madeliefjes van vreugde in een groot lila veld … Kom, Hermafroditos, -kom … Wees voorbereid op de vreugde … Laat Dionyzos je voorbereiden, opdat je niet -schrikke, en vluchte … Ginds, waar donkerder al neêrvalt de nacht en al toortsen rossig -opschemeren, <span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>zal jubelen aanstonds de vreugde; vlucht niet en verschrik niet, Hermafroditos, als -je de vreugde ziet en hoort jubelen! De vreugde om Dionyzos’ zege! Kijk eens, zachte -broeder en zuster teêr, kijk eens:… dit zijn druiven! Dit is een tros van druiven! -Die heb je nog nooit gezien? Mooi zijn ze, niet waar, Dionyzos’ purperen vruchten! -Proef ze eens … Neem den tros in je handen beide … Druk den tros eens aan je lippen … -Zoen eens den tros … heel zacht … Kijk, het waas is er afgekust door je lippen nu, -en heviger purpert het ooft … Pluk nu eens een kraal van den tros af … Zoo, voorzichtig … -druk de kraal uit tusschen de lippen, aan het verhemelte … Hermafroditos … glimlach -je? Is dat zoet? Nu weêr een kraal … Schaal heb ik niet op dit oogenblik, maar houd -als schaal je handen te zamen eens … dicht de vingers geperst … Nu zal ik uitdrukken -den tros in je handen … Zie, het heerlijke druivenbloed … Drink nu, Hermafroditos … -Dit is het nieuw genot … En drink je het, Hermafroditos, dan zal je overal zien in -de wereld, die Dionyzos verwint, het nieuwe genot overstràlen de somberheid en den -weemoed ook … den weemoed òok, Hermafroditos … Broeder, word je bewust! Zuster, <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>word je bewust! Wees blij om het dubbele leven! Jubel … O, laat mij je niet verschrikken! -Ik wil niet dan voorzichtige woorden zeggen, om je niet te veel verschrikken te doen, -schuwe Hermafroditos … Maar ginds zijn niet voorzichtig mijn saters, en mijn menaden -zijn wel eens razend van vreugde, maar lachen, o zal je zeker, om Silenos; hij is -mijn meester, wijsgeer is hij, en een ezel berijdt hij, gewillig en wit, met ooren -lang en bewegelijk, op wiens hals neêrplooit zijn dikke maag, en achter hem rijden, -op ezels, Silenen als hij, knikkebollend en dik, en àllen, vol wijsbegeerte en vol -zoete druifs, en als je hen ziet, o schuwe knaap, lach je zeker, lach je zeker … Dan -moet je heel spoedig fluit leeren spelen, en de Panskindertjes zullen je leeren: zij -spelen fluit al van zelve, dat gaat op en neêr, als stroomend water. Hoor je ze?… -Dat zijn de Pansfluitjes … Faun heeft mij aangekondigd … Wijk nu niet van mijn zijde, -Hermafroditos, opdat je, zoo schuw, niet verschrikke, en ik, zachtjes-aan, je de vreugde -leere … Blijf hier staan, en zie toe:… kijk, zij dansen om het gouden mengvat! Zij -roepen mij uit, eere, en eere Hefaistos kunstig! Zie, dat is niets dan vroolijkheid. -Daar zijn mijn brave faunen! Daar zijn mijn <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>dolle saters! O Hermafroditos, ook veel sterfelijken zijn gast mij en volgeling en -medestrijder voor de vreugde … en jij bent een godekind, glanzend! en gast, volgeling -en medestrijder zal je zijn in Dionyzos’ vreugde … Kom nu nader, en wees niet bang! -Menade, kom hier, maar wees niet zoo ruw als een wilde tijgerkat, want dit is schuwe -dochter-en-zoon van allerglanzendste goden, en je mag niet zijn teêre ziel verschrikken … -Breng een mooi gespikkeld vel van lynx … zoo, en knoop het om Hermafroditos … zoo … -over schaamte en boezem, opdat hij zich wenne aan vreugde, en vrij zijn handen hebbe -om te plukken en te persen druiven … Geef nu een rank, menade, en krans mijn gast -het hoofd … Hang hem aan de slapen twee trossen … O, wat is hij heerlijk, mijn gast, -van schoonheid en van ontwakende vreugde … Meng je nu in de vreugde … Nog niet, o -schuwe gast? Blijf je aan Dionyzos’ zijde? Goed … lieve gast … o, blijf dan nog … -en, hier, laat met een zoen Dionyzos je op het teederst liefhebben op oogen, op wangen, -op lippen … Maar nu, ga … Ga, tusschen de vreugde … Eenzaam zal je er niet zijn … -Dionyzos’ geest is overal bij je … Nymfen van Nyza, blijde, neemt in je midden mijn -gast … Leert hem den dans … Geeft <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>hem den thyrs … Weest hem lief en zacht, en menaden, en saters, bedenkt, o bedenkt, -dat hij àltijd is droevig en eenzaam in weemoed geweest in zwarte cypressenschaduw -en dat de vreugde hem nog zoo nieuw is. Leert hem de vreugde zacht aan. Faunen, houdt -om hem de maat … Geen onmaat nog om mijn gast … Zingt lieflijk en danst blijmoedig … -Zegt hem niet te vreezen de brullende panthers … Niet te vreezen menaden en saters … -Niet te vreezen de vreugde … Weldra vreest hij de vreugde niet, en zal hij onmatig -kunnen zijn met Dionyzos’ eigen goddelijke onmatigheid … Evoë, Evoë, dan! -<span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch8.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VIII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">In den stormnacht ging de thiazos over het gebergte, eindelooze legertros, op overwinning -uit van verdere oorden. Ontelbaar thyrsengewemel in de bliksems en stortregens, die -ruischend zwierden uit wolkdichten nacht, piekde over de bergkammen op, en bewoog -zich tegen de drijvende luchten. In razende juichingen ijlden het voorst, verschrikkelijk, -menaden, in fladderende ranken en beestenvellen, en zij stortten zich op wild of schuw -dier, panther of ree, en verscheurden ze beiden, in oogwenk. De flambouwen der saters -smeerden een langen walmenden brand door den regen heen, sissende uitgedoofd en telkens -weêr ontstoken. Dicht in tijgerhuiden omhuifd volgden nymfen, angstiger, en dronken -ter bemoediging de schaal telkens uit. Want het was of éen lange wingerdrank, van -trossen zwaar, meêging, meêreisde, zich bewoog: festoen, meêgedragen, van menade tot -<span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>sater en nymf, en allen omrankend, onbreekbaar. Tal van Panszoontjes en druivekindertjes -torsten Hefaistos’ goudene mengvat, en scheef, danste de groote vonk voort op de flitsende -bliksems. De faunen op panthers volgden, de lange enkelfluiten bespelende, of de breede -fluiten van riet, kort en lang. Opgewonden van de nieuwe vreugde mengden zich tusschen -allen de zoo vele stervelingen en torsten mede den druiverank, reuzig. Tusschen fakkels -blonken wit de ezels der Silenen, Silenos vóor aan hun stoet en voor den regen beschutten -breede hoeden hun hoofden eerwaardig en knikkebollend, terwijl over de halzen der -beesten neêrplooiden hun vette magen. Kwinkslag had Silenos altijd, thans omdat Zeus -niet genadiger was zijn lievelingszoon Dionyzos en den storm had ontketend tijdens -zijn reize. -</p> -<p>—Maar nooit zoû Zeus des nachts meer mogen stormen, zoo hij zijn lievelingszoon Dionyzos -altijd blij reisweder gunde, want Dionyzos reist ìederen nacht, onvermoeid en onmatig -voort! O, grijze lotgenooten, zoo wij den jeugdigen god niet dienden met raad en al -wat wij gaarden aan wijsheid, als nijvere bijen honig, hoe zoû Dionyzos de wereld -verwinnen! Veroveren wij niet de wereld voor hem, met onze <span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span>leidende gedachte en raad—hoe vaak ook in wind geslagen? O, zoo wij, op onze ezels -blank, niet bleven rondom Dionyzos! Nooit zoû hij de wereld veroveren! Zwaar is de -taak ons opgelegd, o waardige gezellen Silenos’, en ik beken, als het nieuwe genot -mij niet telkens kracht door mijn oude merg deed vlammen, ware ik bezweken alreê, -in zoo rustelooze voortbeweging en strijd. O, waardige metgezellen, laten wij rijdende,—want -nòg voorzichtig stappen onze ezels—persen den tros in de schaal, en biede de een de -schaal aan den ander. Eere zij Dionyzos, die de nieuwe vreugde verwekte, maar eere -ook ònze wijsheid en matigheid. Wijs ben ik altijd, en matig poog ik altijd te zijn … -Gezellen, gedenkt je haren grijs, en weest nooit onmatiger dan is Silenos … Ho-ho … -witte langoor, struikel niet, en laat niet Silenos glijden op het donkere pad in plassen -van regen … Zoek voorzichtig waar den hoef je zal zetten … Ho-ho, witte langoor … -wat slinger je van rechts naar links en van links naar rechts … als of je te veel -hebt gesnoept van druiven, en Dionyzos’ vreugde te machtig je wordt … Ho-ho, ho-ho, -zie ik goed of slingeren àlle gezellen Silenos’ van rechts naar links en van links -naar rechts op hun druivebeschonkene ezels … <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>Ik ransel den mijne met mijn agavesteel! Dat zàl hem leeren niet waardig te zijn, -als het rijdier eens wijsgeers past! Ezel, is een panther ooit dronken? Zie, hoe de -faunen ze zeker berijden, de woeste brullende dieren, en jij, ezel, met naam van gewilligheid, -bent ongezeggelijk als zelfs niet is wilde panther of leeuw! Hoû recht het pad en -val met Silenos niet van den bergkam! O, in de toortsen, zie ik aan beide zijden den -afgrond kartelen naar omlaag … o, dat is verschrikkelijk, faunen! Edele faunen, leidt -onze ezels, wilder dan wilde beesten! Ze zwaaien, onze ezels, zoo woest met ons voort: -edele faunen, leidt hen! Ontfermt je over zoo wilde ezels en Silenen zoo wijs en zoo -matig … Zoo, zoo gaat het al beter, o faunen! Maar wie lacht achter ons, klaterend -door den stormnacht heen, en berijdt er een jongen leeuw, wijd-uit de manen? Wie lacht -achter ons? Voorwaar, dat is die schuwe jongeling met den zwellenden maagdeboezem! -Omkijken durf ik niet, maar dat is hij, of dat is zij … Zoo als je wilt! Schaterlachende -Hermafroditos, heb maar genoegen om oude Silenen! Lach oneerbiedig de wijsheid maar -uit, den waardigen grijslokkigen ouderdom! Een tammen leeuw is gemakkelijker te berijden -dan een wilden witten ezel! Edele <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>faunen, wat slingert mijn ezel: o ik slip van zijn rug, als niet twee edele faunen -mij steunen, de een links, de ander rechts! -</p> -<p>Zoo lalde dronken Silenos; de regen ruischte op zijn breeden hoed, en de bliksem verblindde -hem telkens, en twee blijde faunen steunden hem nu op den ezel, zijn altijd gelijkmatige -dier, dat hij schold. Ja, achter den stoet der Silenen lachte blij om hem Hermafroditos, -met zijn nieuwen heerlijken lach, juichende, en Dionyzos in zijn lynxenwagen, Ampelos -op een leeuw hem ter zijde, lachten om hun nieuwen vriends nieuwen lach. Tot plots -Dionyzos beval den lynxenmenners stil te houden. En hij wenkte Faun ter zijde. -</p> -<p>—Hier is de plek … De viersprong … Ik herken haar … uit mijn laatsten droom … Door -heilige droomen, o vader Zeus, gebiedt ge mij uw wil … Saters, menners, staat stil, -dat ik uitstijg … laat voortgaan den thiazos door den donkeren nacht, nauwlijks doorblaakt -van toortsen en met bliksems doorflitst … en leidt dan den wagen voort, langzaam, -en roept steeds toe, dat ik volg, ook al leidt ge zonder mij den wagen leêg voort … -O Zeus, o mijn vader, blijde volvoer ik uw wil … Onzichtbaar omhuift het stormgeweld -mij voor aller nieuwsgierige <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>oogen … Hier is de plek … De viersprong … Ik herken haar … uit mijn laatsten droom … -O Zeus, nooit zal Dionyzos versagen de vreugde, waar gij het beveelt, te sprenkelen! -Wolk donkerder nog den slagregenenden nacht rondom je altijd blijden zoon Dionyzos, -opdat hij ongeweten deze reize volvoer … Faun, vriend, tors op je schouder mij; zoo; -prang mij stevig met handen beide om mijn middel en heup … Ik sla om je hals mijn -arm … Nu, daal af aan dezen viersprong de hoogvlakte breed, en zoek bij de bliksems -het kartelige pad … O Zeus, o vader, sla-uit uw bliksem vlak voor Ampelos’ voet, dat -hij zie! Razende nacht, ontzetting, slagregen, heelal doorsidderende donder, bliksem -op bliksem … Dionyzos is vòl vertrouwen! Vader, omring mij geheel! Uit de bruischende -huilende stemmen van den losgeketenden storm hoor ik, vader, uw machtige stem. Vader, -ik ben vòl vertrouwen. Ik ga … ik daal waar ge wilt … Lager steeds, Faun, daal lager … -De bergwouden zwiepen op den stormwind neêr aan onze voeten … Een weide moeten wij -schemeren zien, van hoog gras golvende landstreek … Daar zie ik de weide … Daar zie -ik de weide! In de bliksems zie ik de weide! Het hooge gras golft als een zee in <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>den storm. Daar zie ik de golvende weide! Daar rennen de wilde Kentauren ongetemd, -zelfs niet door stormenden Zeus … Vlugger zijn zij dan de stormwind! Ampelos, tot -hier toe … Nu zet mij af … Nu weet ik mijn weg alleen. -</p> -<p>—O, mijn vriend, o mijn god, Dionyzos! Hier verlaat ik je, vriend, Dionyzos? Waar -ga je heen in den stormenden nacht? Alleen, zonder mij! O, mèt mij, op mijn schouder -getorst, vrees ik niet voor je; zonder mij, vrees ik alles …! Nooit zag ik zoo woeste -streek! Nooit omringde mij zoo ontzettende nacht! Nooit striemde mij zulke geeselende -regen! Nooit verblindde mij zulke bliksem! Dionyzos, beveel mij alles, maar beveel -mij niet je hier te laten. Laat mij je blijven omklemmen en blijven torsen op mijn -schouder! Dionyzos, ik weet niet het doel van je reis, maar laat mij met je bereiken -dat doel. -</p> -<p>—Ampelos, zet mij af! Waar in mijn droom Zeus mij beval heen te gaan, en één nacht -vreugde te sprenkelen, daar is het niet Faun vergund mij te voeren … Zet mij nu af … -Hier ga ik alleen. -</p> -<p>—O Dionyzos, niet anders kan ik doen dan je zegt. Maar de nacht is ontzettend! O Dionyzos, -mijn armen omhelzen je dicht, dicht tegen mijn <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>borst, mijn god en mijn liefde, want wie, goden weet, waar ik je zie terug! Wie wat -je wacht! Welk noodlot zwart als de nacht zwart is! O Dionyzos, nooit omringde mij -zoo ontzettende nacht, en nooit zoo ontzettende wanhoop! Je verlaten! Je verlaten! -Hier! Aan het einde van dit rampzalige pad! Bij den zoom van deze verschrikkelijke -weide, waar de schrikwekkende schimmen jagen, donker, over de stormlucht heen, heen -en weêr, heen en weêr als ontzettingen! Dionyzos, ik voel wat ik nooit voelde: vrees! -Ik ben bang. Ik beef voor jou, Dionyzos! O mijn god, en mijn liefde, ik voel vrees -en ben bang, en je in mijn armen omvattende, snik ik aan je voeten! -</p> -<p>—Vriend, o Faun, vrees niet als Dionyzos niet vreest! Zeus is mijn vader! Zeus is -om mij! Wacht hier af op deze plek, en beschut je voor het stormend geweld in diepe -rotskloven veilig, daar, waar de oreaden ook schuilen. Zoek haar op en leer haar de -vreugde … Hier zijn trossen, Faun, vele laat ik er om je heen, opdat zij je in de -wachting troosten voor dezen verschrikkelijken nacht! -</p> -<p>En Dionyzos omhelsde Faun innig, maar rukte zich plotseling van hem en was verdwenen -tusschen bliksems en rollenden donder. Zoo <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>door zijn vader Zeus machtig omringd, kon Faun hem niet volgen, bleef achter verblind, -en zocht zijn weg door duistere kloven. Dionyzos, alleen, ijlde in de richting der -weide, waar over de onheilsluchten renden als verschrikkingen heen en weêr, de woeste -Kentauren, jagende. En Dionyzos stiet een schellen roep boven het geraas van den storm -uit: nu stiet hij roep op roep, en in de bliksems lichtte blank òp zijn jeugdige jongensgestalte. -Hij hief de armen en met de hand wenkte hij. Hij riep in zijn roep: -</p> -<p>—Hola! Holaha! Woeste Kentauren, hola! Hoort Dionyzos roepen, hola, door het wilde -geweld van den storm! Kentauren, holaha, hola! Ik ben de god van de vreugde, en ik -roep je, woeste Kentauren, tot mij, opdat je mij voere, waar Zeus wil, dat je mij -voert, snel als de stormwind zelve! Hola! Holaha! -</p> -<p>En in de weide, van lang gras zeegolvende landstreek, luisterden de woeste Kentauren -toe, en spitsten de ooren naar de stem, die hen zoo schel riep door het geweld van -den storm heen. -</p> -<p>—Holaha, woeste Kentauren, hier! Komt tot Dionyzos, waar hij je roept! Hola, holaha, -hier! Het zeegolvende lange gras, o woeste Kentauren, wuift om mij rond, en verhult -mij tot boven <span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span>mijn middel … Hola, komt hier! Jaagt hierheen, waar je roept mijn stem schel, en waar -je wenkt mijn gebaar blank door den zwarten nacht. Hola! Holaha! Kleinzonen van Ixion -en wolkige Nefele, evenbeeld goddelijker Hera, o woeste zonen van Kentauros en de -prachtige Pelionische merriën, zonen van vader onstuimig en van hinnekende moederen -vele, Kentauren, hierheen, hola! Jaagt hierheen! Dionyzos roept je … -</p> -<p>Als een stormwind in Zeus’ eigenen stormwind jaagde de ontzaglijke kudde nu, naderende -ontzetting, naar den zoom van de weide, waar Dionyzos wenkte met blank gebaar, half -verzwolgen in de zeegolvende halmen gras. Als een orkaan raasden zij rondom hem heen, -en hun vaart was als Zeus’ donder zelve, dreunende de aarde van hun hoefgestamp daverend, -en de stormlucht ruischende van hun stormende snelheid. Tot zij riepen uit, vreeslijk -van stem: -</p> -<p>—Wie roept en wie wenkt ons in den stormenden nacht, met gebaar blank en stem schel? -</p> -<p>—Dionyzos! -</p> -<p>—Wie is Dionyzos? -</p> -<p>—Ik ben de god van de vreugde, o onstuimig woeste Kentauren, en mijn vader Zeus <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>beval mij in droom te gaan tot deze weide en onder je allen te vragen den snelste, -Eurytion, mij te nemen op zijn rosrug en mij te voeren, duizelingwekkend van vaart, -naar de poorten van Tartaros, opdat ik de Onderwereld binnenga, en er vreugde sprenkele -éen enkelen nacht! Onstuimig woeste Kentauren, verneemt in den stormnacht het bevel -van mijn vader Zeus! Duizelsnelle Eurytion, verneem het bevel van Zeus: slingere Dionyzos -zich op je rosrug breed, en voer hem naar Tartaros’ poorten! Hierheen, Eurytion, hola! -Hierheen, houd stil je onstuimige vaart, hoefstampende wervelwind, hierheen! Sta stil! -Sta stil! Kan je niet stilstaan een oogwenk! Sta stil! Te vergeefs poog ik mij te -slingeren op je rug! Sta stil! Hier, Eurytion, pròef het genot! Dit zijn druiven! -Dit zijn druiven! Ha ha! Uit mijn hand grijpt zijn groote hand den tros, en drukt -ze aan zijn lippen te pletter … In dit genot-oogenblik, o Eurytion, slinger ik mij -op je breeden rug, en sla ik mijn arm om je reuzetors, zwellend van bundels spieren! -Voort Eurytion, voort! Voort, naar de poorten van Tartaros! Voort, o stormruischende -vaart! Voort, o voort door den stormenden nacht! Wie stormt er onstuimiger voort, -storm of vaart? Voort, o stormruischende vaart! Rondom <span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span>mijn menschenros rennen hoefstampend alle andere dravers meê! Reuzekudde, vergezel -Dionyzos! Wees als donder rondom hem heen! Hij vreest geen donder, geen Tartaros! -Hij versaagt nooit, Dionyzos! Vaar voort, o vaart! Eurytion, o ter belooning, zal -<span class="asc">IK</span>, god van de vreugde, je vreugde geven en druiven voor je doen weligen, zoo dat je -van purperen vreugde zal zwijmelen en zal ronddansen op je stampende hoeven! Nu schijnt -het mij toe of ik niet voort vaar op éen paardmensch, maar of ik op honderd menschpaarden -voortvaar! Of ik voortvaar op een daverende wolk, op den rollenden donder zelven … -Dàt gaat eindeloos door. Ver zijn de poorten van Tartaros. O Zeus, ik ben vòl vertrouwen! -</p> -<p>Zoo riep juichend uit op zijn menschros Eurytion de blijde god rennende, te midden -van de hevige vaart der andere onstuimig woeste Kentauren, en door den stormnacht -heen ijlde hij dwars door woeste geheimzinnige streken voort, vreemd van dreigende -rotsen, die verschoven, overheld met stormgezweepte boomen, scheef, waarin haar-omwaaide -furiën schenen te huilen en nagilden de vermetele dravers. Maar zij achtten niet en -draafden voort, dwars door Zeus’ donderend en bliksemend <span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span>geweld. Tot plots de storm scheen gedaan, en de nacht was pikdonker en suizelde, vreemd, -en de Kentauren een voor een achter bleven. Maar Eurytion wist den weg, hoewel hij -zijn stormvaart verminderde, en plots stond hij trillende stil, op zijn paardbeenen -vier, en helde achterover de reuzetors, waarom rond Dionyzos zich klampte. En hij -zeide met diepe stem, bijna angstig: -</p> -<p>—Hier, o blijde god Dionyzos … is het einddoel van mijn vaart. Daar …—en hij wees, -den machtigen arm gestrekt—rijzen de koperen poorten van Tartaros … -</p> -<p>Nu toefde op des Kentauren rug, een oogenblik, Dionyzos. Toen murmelde hij: -</p> -<p>—O Zeus … o mijn vader … Ik ben vòl vertrouwen! -</p> -<p>En hij wierp zich af. -</p> -<p>—Dank! riep hij. Woeste Eurytion, dank voor de stormsnelle vaart. Hier, duizelsnelle -Eurytion, ga ik alleen, en vind ik je terug vóor den dageraad. Want langer niet dan -éen nacht mag de vreugde in Tartaros verwijlen … -</p> -<p>Toen ging hij voort, de blij vertrouwende god Dionyzos. Hij was geheel naakt, een -jonge knaap, slank de blanke leden, zoo vrouwelijk week, en zijn bronsblonde lokken, -opgeknoopt, <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>waren met wijnlof omwingerd; aan de slapen droeg hij twee volle trossen. In zijn hand -hief hij omhoog zijn pijnappelroê. En zoo ging hij, de oogen ernstig en vol weemoed -bijna, maar de lippen lieflijk lachende. In zijn godeziel zwol het medelijden, toen -hij voor de koperen poorten stond. Hij huiverde even angstig, maar talmde niet met -zijn tred. Was het niet aan hèm alleen de vreugde te sprenkelen, daar waar nooit vreugde -was? En hij trad door de open poort de duisternis binnen, verschrikkelijk. -</p> -<p>De duistere nacht baaierde, waaiende om hem heen, maar Dionyzos’ violenoogen, blinkende -als blauwe starren zacht, zagen wennende, door die eeuwige duisternis heen; en zij -zagen den waaienden wind, de waaiende wolken, de heel verre duistere kimmen, rotsachtig -verschietende achter den wolkenden waaienden wind, die eindeloos droeve beweging verwekte, -in den onderwereldschen eeuwigen nacht. Hij zag het duistere golven der pikzwarte -wateren van Styx en van Acheron, en over de wateren klonk door den waaienden duisteren -nacht een ontzetting-wekkend gebas uit drie monsterige hondenmuilen. Nu ook zag Dionyzos, -naderende, een dicht dringen van schimmen, zacht klagende, aan den oeverrand van den -<span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>pikzwarten stroom en over de wateren loomde langzaam aan een wrakkige veerboot, die -roeide stram een veerman, oud en norsch, onverstaanbare verwenschingen toeroepende -van het midden der wateren al. Hij stak, aan den oever, de reuzige hand uit, en vroeg -om zijn loon, en de schimmen, die hem zijn loon konden geven, liet hij toe op zijn -veer; hij duwde met zijn spaan de anderen terug en zij bleven klagende dwalende aan -den somberen waterboord. Maar plots stormde om naderenden Dionyzos een fellere wind -van storm en hij meende, slangengeesels sloegen naar hem en slangomlokte vrouwentronies -gloeiden hatelijk met vlammende oogen uit wolk van wind en wapperende sluiers zwart, -en de Erinnyen omzwapperden huilend den blijden god Dionyzos en raasden hem tegen: -</p> -<p>—Wie … wie vermeet zich, sterfelijk of onsterfelijk, mensch of god, <span class="asc">LEVEND</span>, en zonder Hermes’ geleide te naderen den boord van den Styx … Wie … wie vermeet -zich? Wie? -</p> -<p>En zij sloegen naar hem met hare serpenten-zweepen, maar Dionyzos weerde haar af met -zijn thyrs, en vol vertrouwen op Zeus, lachte hij uit, klaterend van eigen zielvreugde: -</p> -<p>—O, vreeslijke vervulsters des Noodlots, <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>niet anders dan om de wil van zijn vader zelven, goddelijken Zeus, nadert Dionyzos -den boord van den Styx, en treedt hij binnen de open koperen poorten van Tartaros, -levend, en zonder Hermes’ geleide … Niet anders dan om éen duisteren nacht vreugde -over somberheid te sprenkelen. O, gramstorige wraakgodinnen, slaat niet met slangegeesels -uit naar mij, want ik meen, in <span class="asc">DIT</span> oogenblik, dat mijn vreugde-oogenblik is, zult gij mij niet kunnen treffen, en weer -ik ze af met mijn thyrs, wijnbouwersstaf van blijdschap, niet anders dan eikestok, -pijnappel-bekroond, maar machtig en godeschepter! O, wrekende Erinnyen, hoort: Dionyzos -wil u glimlachen zien! Gij, die nooit glimlacht, o altijd toornige Erinnyen … Dionyzos -wil u glimlachen zien! Door de eeuwige Tartarosduisternis stràle een oogenblik uw -éenige glimlach! En opdat hij, o Erinnyen, stràle, zal ik het wonder der vreugde gebeuren -laten, en rondom uw zwiepende hellevaart ranken laten mijn edele wingerdtakken, zoo -dat zwellende druivetrossen u zullen omringen, donker purperend door dezen duistersten -nacht! O sombere Erinnyen, weest op dit oogenblik blijde plengsters van Dionyzos’ -druiven! -</p> -<p>En plotseling in den valen afschijn van licht, <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>dat verre bleef en kwam van waar wist hij niet, doffe afkaatsing van wateren, sombere -uitschemering tusschen wolken, zag Dionyzos de slangomlokte wraakgodinnen plukken -de trossen met beenige vingers, waar ze weligden plotseling aan ranken, geheimzinnig -wingerend rondom haar heen en wortelend in niet dan in donkere lucht, en zij persten -de trossen zich aan de lippen en zij zwolgen en zij glimlachten! Zij glimlachten, -de wraakgodinnen, den god Dionyzos tegen! Ook hij lachte, hij klaterlachte, en heerlijk -langs den Styxboord somber klonk zijn lach als een vogelentriller. De dringende zielen -zagen om. En de norsche oude veerman riep: -</p> -<p>—Wie lacht er zoo blijde daar, met den allereersten lach, die ooit door Tartaros klonk! -Welke ziel is zoo blijde aan den boord van den Styx, en zoo overtuigd te worden overgezet, -dat hij lacht, lichtzinnig en dartel, een kind gelijk, dat niet weet,—of een onwijze, -die niet beseft! -</p> -<p>Maar de blijde god Dionyzos riep: -</p> -<p>—Raad eens, norsche Charon, raad eens wie daar zoo lacht? Hij is het, die de Erinnyen -deed glimlachen en plukken de welige trossen, de purperen trossen, die hij tooverde -rondom haar heen! O, schimmen gij, zoo vele gij, die opdringt aan den boord van den -Styx, verlangend, <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>dat Charon u overzette … hier, ontvangt druiven als de Erinnyen ontvingen, zware en -volle trossen, en proeft het genot, proeft het purperen genot, dat ge nooit proefde, -dat u nooit purperde in het leven op aarde, omdat ge het niet kende of het versmaadde, -want zie ik niet onder u velen, die mijne saters ten doode toe geeselden met agavesteelen -of wie mijne woeste menaden verscheurden! Verzoent u <span class="asc">NU</span> met Dionyzos,—want, norsche Charon, die blijde god ben ik!—en perst u <span class="asc">NU</span> de druiven aan de gretige lippen. Hier zijn schalen, hier zijn cymbels, hier zijn -fluiten, o schimmen! Reit de ronde en zwelgt de druif! Dionyzos, Dionyzos wil het …! -Wat wacht je, norsche Charon, en wat brom je? Omdat de blijde schimmen blijde dansen -en zwelgen aan de druivewingerende boorden van Styx, in steê van te klagen en te smeeken, -dat jij ze overzette op wrakke boot? Wat mompel je, norsche Charon? Wil je druiven? -Wil je druiven? Dionyzos heeft geen druiven voor je! Wil je persen druiven in een -schaal, terwijl de blijde schimmen spelen de fluit en de cymbels slaan? Dionyzos heeft -voor jou geen schaal! Zie zelve, zijn handen zijn leêg, zonder druiven en zonder schaal! -Kom, norsche Charon, ga terug met je wrakke en <span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>leêge boot, want de schimmendans duurt tot den dageraad, en zij zullen druiven hebben -tot zóó lang! Wat mompel je, norsche Charon? Schimmen zet je over, niet voor een obool -maar voor een tros purperen druiven? Nu, goed dan, norsche Charon! Klagende schimmen, -die zonder obool naderden norschen Charon, ontvangt uw veerloon uit de hand van Dionyzos! -Aan ieder een tros, aan ieder een tros voor Charon! Zoo, Charon, zet ze nu over! O, -op de wrakke boot stapelen de trossen, en Charon, voor hij van wal steekt, zwelgt -de purperen druiven! Nu zet Charon àlle schimmen over! Wrakke boot, wees een druivebark! -Vreugde, vreugde, overal! Hola Charon, schater niet zoo dol, en slinger niet zoo op -je wrak! Zet mij nu over! Steek nu van wal! O pikzwarte golven van Styx, mijn trossen -drijven je af, en vroolijk zal je drinken mijn wijn! Wees vroolijk, Styx! Stroom vroolijk, -Styx! Wees een stroom van vreugde, o Styx! O, schimmen, zingt blijde de vreugde! -</p> -<p>En op de wankele boot, geheel wingerd-omrankt en trossen-omweligd, die dronken Charon -schots en scheef stuwde over den vloed, dansten in het oneigenlijke licht, dat kwam -van waar wist niemand, de schimmen, en trapten de maat, en klapten de maat en sloegen, -zingende, <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>de schelle cymbels. Over hen, in de duisternis, dreven dronken de Erinnyen en zij -lachten plotseling blijde, en Dionyzos, wuivende met den thyrs, lachte om haar lach. -Van den verlatenen boord kwam een juichen van schimmen. Van den boord, dien de boot -nu naderde, kwam een tegenjuichen van schimmen, overgezet, en die àllen anderen schimmen -gaven een wijntros. De dans slingerde zich daar voort. Uit drie monsterhondekelen, -klonk dwars door zang en spelen luider en luider gebas. Maar Dionyzos lachte te luider -slechts en wierp trossen éen voor éen in de muilen, de drie, die uit duisternis het -monster toe naar hem rekte. Hij wierp ze zoo vlug en zoo vele, dat Kerberos stikte -bijna en de trossen uitspoog, bezwadderd, en ze weêr inslokte gretig, bassend en brullend -beschonken en òphuilende plotseling, uit drie kelen tegelijk, smartelijk in smartelijke -dronkenschap. Om zoo treurige bezwijmeling lachte Dionyzos te luider slechts en het -was of om zijn lach ophelderde de eeuwige duisternis. Of zij ophelderde om zijn oogen. -Of zij ophelderde om zijn lichaam blank, om zijn thyrs, zijn druiven, geheel hemzelven. -Een blauwe glans straalde om hem en uit hem, en hij stond er in heerlijk en juichend -en lachend. <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>Plotseling weende hij, van overstelpenden weemoed. Hij wist niet waarom hij weende. -Hij weende van medelijden. Hij omhelsde de zielen, die drongen tegen hem aan en hij -liet de druiven rondom hen weligen. Zij troostten hem, en riepen hem toe, dat zij -vroolijk waren in het purperen genot, zoo mild. Hij vroeg hun dat te herhalen. Zij -herhaalden het en hij lachte weêr. -</p> -<p>—O Zeus! riep hij uit. Laat eeuwig hun deze vreugdenacht duren! -</p> -<p>Maar de schimmen dachten niet aan den dageraad, die onverbiddelijk naderde, boven. -In hun druivefeest bewolkte blijde vergetelheid hun de gedachte. Tot plots Dionyzos -zag een schim zeulen een rotsblok zwaar een donkeren berg op. Hij naderde juist den -bergtop, half in nevel verstoken, en het rotsblok donderde naar omlaag. Toen slaakte -de schim een smartkreet, allerverschrikkelijkst. En Dionyzos riep, bevend van medelijden: -</p> -<p>—O Sizyfos, gij die wist Thanatos zelven te boeien, en die zoo listig waart, dat ge -zelfs mijn vader Zeus wist te bedotten,—gij, die, gestorven, de aarde weêr betradt -om uw gemalin te straffen, daar zij geen doodenoffers u bracht—het geen gijzelve haar -hadt verboden—<span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>gij, die niet weder terug naar Tartaros wildet, zoo dat Hermes met geweld u mede moest -voeren ter duisternis—wat geven u hier al uwe listen en al uw inspanning en schranderheid! -Eeuwig het zware rotsblok torsende op uw schouders gebogen, zwoegt ge den zelfden -berg op, en eeuwig, Sizyfos, van den zelfden top, stort het rotsblok naar omlaag, -geweld donderend! Hoe vaak, o Sizyfos, zult gij nog slaken uw smartkreet, allerverschrikkelijkst? -</p> -<p>De schim was den berg, snel, in éen oogwenk, afgedaald met spannende kuiten en krampende -teenen; met zijn geweldige handen tilde hij moeizaam zich op den rug weêr het rotsblok -zwaar, en zijn klagende stem vroeg, gebroken van weening, inwendig: -</p> -<p>—Wie zijt gij, o blanke knaap, wiens violenoogen ik door tranen heen zie schitteren -als blauwe sterren door vochten avondnevel, en die met een ziel, beter dan menschelijke -en erbarmender dan goddelijke, mij beklaagt om dit zware en vergeefsche werk … -</p> -<p>—Ik ben, Sizyfos, Dionyzos, de god der vreugde, en Zeus, mijn goddelijke vader, vergunt -mij u vreugde te sprenkelen in dit uur! Tors in dit vreugde-uur geen rotsblok, maar -een stapel trossen, hoe zwaar ook zwellende <span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>van purperen genot, licht, bij het gewicht dat gij pleegt te torsen! -</p> -<p>En plots, op Sizyfos’ rug, veranderde het rotsblok in een stapel druivetrossen en -de ellendige schim lachte, terwijl hij torste het blijde genot, als een wijnbouwer, -den berg op. En boven, de trossen met beide gretige handen zich drukkend aan de lippen, -riep hij luide: -</p> -<p>—O, heb dank, o Dionyzos, voor deze verlichting en blijde gave! Tors ik ook straks -weêr mijn rotsblok, gedenken zal ik mij immer het blijde genot, en geen grooter zaligheid -en weelde dan zich het blijde genot te herdenken in de oogenblikken der bitterste -smart! -</p> -<p>Maar door zijn laatste woorden heen, vernam Dionyzos roepen, een klagende stem, erbarmelijk: -</p> -<p>—Wie gij ook zijt, daar ginds jeugdig en knapeblank, en zóó vreugderijk, dat uw lach -meê zich deelde aan wie nooit lachten in Tartaros … wie gij ook zijt, vergeet <span class="asc">MIJ</span> niet en richt even een blik naar mij! Zie,—en Dionyzos in duistere duisternis, die -zijn eigen blauwige afglans zacht op deed schemeren, zag in een beemd, vreemd betooverd -van ruischend water en wuivend gelooverte, een schim hem smeeken, de beide armen erbarmingwekkende -<span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>uitgestrekt—zie, ik ben Tantalos: gunsteling was ik der goden, lieveling was ik van -Zeus, toegang had ik binnen Olympos, plaats mocht ik nemen aan der goden disch, luisteren -in hun raadsvergadering, maar te hevig was mij zulk genot: ik bezweek: ik verried -Zeus’ geheime besluiten, ik stal nektar en ambrozia en deelde er van mede aan sterfelijken, -minder begunstigd dan ik—deelde er mede van uit hoogmoed en misschien uit edeler oorzaak -en àllen zoekende menschenliefde, maar bezwijken deed ik, en verpletterd door Zeus’ -toorn, leef ik dood hier mijn straf voort, eeuwig; o eeuwig, Dionyzos, god der vreugde, -dien ik niet kende, nieuwe god, die mij verwondert, die mij verwondert hier op zoo -treurige plaats …! Wie gij ook zijt, o nieuwe vreugdegod, o vreugdevolle Dionyzos, -richt u naar mij ook een oogenblik …: zie! Ik sta in ruischende beek en heete dorst -verschroeit mij, maar nooit gelukt het mij, zoo zwaar als het is, dit water mij aan -de lippen te brengen: het vloeit als zilver tusschen mijn vingers, het wijkt golvende -weg als ik mij buk, en de bedding verdroogt door mijn enkel gebaar,—en mijn eeuwigen -honger … nooit stilt dien het goudene ooft, dat gij ziet even glinsteren niet <span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span>hooger dan de opheffing van mijn hand: het wuift hooger, zoodra ik de hand hef, en -wiegelt zich speelsch, spottend en lokkend over mij heen als gezwaaid door een booze -zefyr, die genoegen neemt in mijn heete kwalen! Zie, ik buk mij … het water loopt -weg; zie, ik hef de hand … en weg wiegelt het ooft, en in den eeuwigen wind hoor ik -een schaterlach, blijde om <span class="corr" id="xd31e1378" title="Bron: mij">mijn</span> steeds te-vergeefs trachten! O, moêheid hier te bukken en te reiken steeds te-vergeefs, -o ellende van honger, dien nooit stilt dit wreede fruit, en van dorst, die dit wreede -water nooit lescht! Altijd, altijd! -</p> -<p>—Tantalos! zei toen Dionyzos. Nooit was mijn ziel zoo bewogen van medesmart als om -uw klacht! Tantalos … in dezen vreugdenacht, gedurende de enkele uren, dat hij nog -dure—stil honger en dorst … Geniet en heb Dionyzos’ vreugde! -</p> -<p>En de blijde god lachte door tranen heen, want de schim slaakte een luiden vreugdekreet; -om zijn wreeden ooftboom, plotseling, rankte een welige wingerd, wondersnel, en de -druiventrossen, zwaar, vielen hem in de palm van knakkende steelen af; en het water, -waarin hij stond, vloeide rood een edelen wijn hem toe, of het purper rondom hem fonteinde … -<span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>O Dionyzos’ vreugde, dàt te zien en de vreugde der schim te genieten! Maar de onderwereldsche -wind stak feller op, killer en kouder, en Dionyzos, voortgetrokken als door steenende -kreten van maagden, zag in vreemd weêrlicht, als in bliksem van Hades, òpròtsen een -landschap, wreed en hard, niets dan harde en wreede rotsen, gestapeld; een moeilijk -steil pad leidde heen naar een donkeren trechter, reusachtig, en toen, in Hades’ bliksem, -zag Dionyzos, van ijzing rillende, het Vat, het vreeslijke Vat, het noodlottige, groote -Vat; zwart rees het in ijzeren banden, duig bij duig vastgekrampt tusschen de ruige -rotsen; hoog rees het als een ronde vatvormige toren, met zwellende buiging,—maar -bodem scheen het Vat niet te hebben; grondeloos stond het in een diepe donkere poel, -waaruit het water wegsijpelde in het moeras van den Styx. In den felleren wind steende -de klacht, altijd, van afmatting en troosteloos wee, der radelooze vrouwen, der diep -beklagenswaardige Danaïden: treurige theorie van trouwelooze gemalinnen: éene voor -éene tilden haar groote waterkan zij aan den bron, waaruit langzaam sijpelde een magere -straal: lang, o lang duurde het haar elk, eer de kan was gevuld, ten boorde toe;… -dan <span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span>torsten zij, moede, de zware kan zich op het hoofd, de zware kan zich op den schouder, -met beide handen ze houdende, of met een enkele hand, en de andere tastende lange -den ruigen rotswand, ten steun … en moede strompelden zij hooger, struikelden hier -over een steen, daar over een knoestigen boomwortel … nu viel er op beide knieën éene, -zusters beurden haar op, en zij weende, en zij weenden allen: hare kan was gebroken, -en zij moest terug om een nieuwe kan, moedeloos ging zij terug, vulde de nieuwe kan, -sleepte zich op …: de zusters waren nu hooger … Boven, waar eindigde het pad, gaapte -haar zwart de <span class="corr" id="xd31e1389" title="Bron: afgron">afgrond</span> van het bodemlooze Vat, en in den bliksem zag Dionyzos de witte vrouwen van smart, -wier natte waden plakten rondom haar vertreurigde leden, nemen, zoo moedeloos, de -kan van schouder of hoofd en ze gieten uit in den afgrond, zwart opdat zij het vat -zouden vullen … Maar, dadelijk, borrelde slechts de poel, en niet éen oogenblik werd -gevuld het vat, waar alle wateren aller kannen wegliepen, snel, in den Styx. Dan slaakte -boven de vrouw, die gegoten had, een smartelijken kreet, en hief hare armen op: zij -droop, hare haren dropen, hare natte waden dropen, nat des telkens herhaalden vullens -<span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>weêr, en haar aller kreet smeekte erbarming … Maar haar noodlot, zwijgend, gebood -haar voort te gaan, rusteloos met haar werk, want zij daalden, de treurige vrouwen, -met mat wanhoopsgebaar, de leêge kan in moede handen aan de slappe armen, druipende … -zij daalden langs een hellender effener weg naar omlaag, als of dìt dalen alleen zoû -haar rust en verpoozing mogen zijn, tot zij aan de bron weêr haar kruik zouden vullen … -</p> -<p>Zoo zag Dionyzos het Vat en de treurige theorie der trouwlooze gemalinnen—zij, die -in den bruidsnacht, na het opperst geluk, elk den gemaal slapend vermoordden—en de -blijde god weende om zoo diepe en eeuwig durende smart en troosteloozen arbeid, want -nooit was het schrikkelijk Vat te vullen; altijd bleef het een afgrond zwoel en vochtig; -het schimmelige mos begroeide het welig, en reuzige varens en somber ruischende riet -waren uitgeschoten in het moeras, waar het oprees … -</p> -<p>Toen sloeg Dionyzos zijn blanke armen omhoog naar het steile rotspad, waarover strompelden -smartelijk de eeuwig vergeefsche vulsters, en hij riep: -</p> -<p>—O weenende en steenende vrouwen, smart had ik nooit om mijzelven—ofschoon ik niet -<span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span>weet of Zeus mij voorbeschikt smart om mijzelven—maar smart diep en grievend in mijn -zoo blijde godeziel, heb ik om u, omdat ik wèl weet, en omdat ik wèl zie, dat gij -immer te-vergeefs u uitput, tillende aan den tragen bronstraal de kan, strompelend -op het steile pad naar de gaping van het verschrikkelijke Vat, waar gij uitgiet, hopende, -hopende steeds, uw met zware moeite verkregen sijpelenden waterstraal … en eeuwig -blijft verschrikkelijk leêg gapen het Vat en gij daalt af ter andere zijde, mat, met -kalmeren tred als uw eenige rust … om dàn omlaag opnieuw te beginnen, te-vergeefs, -te-vergeefs altijd, en hopende, hopende steeds … O, de altijd teleurgestelde hoop … -is <span class="asc">ZIJ</span> niet uw allerverschrikkelijkste straf, verschrikkelijker nog dan uw noodlotslavinnenarbeid! -</p> -<p>—Dionyzos! klaagde van boven, aan den rand des vreeslijken Vats, éene der treurige -trouwloozen. Dionyzos, dàt is het allerverschrikkelijkste; de altijd teleurgestelde -hoop … <span class="asc">IS</span> verschrikkelijker nog dan onze noodlotslavinnenarbeid! -</p> -<p>—Dionyzos! riep een andere, opgaande het steile pad; ik hoop! Ik hoop nog, voor de, -ach, hoeveelste maal, dat mijn straal zoo al niet vulle het Vat, toch genadevol eindelijk -moge <span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>verhoogen, verhoogen den zwarten vochtigen spiegel, dien ik tusschen mos en varen -en riet beneden in diepte zie … -</p> -<p>—Dionyzos! riep een derde, en zij ging snikkende af het hellende dalingspad, en hare -kruik stiet uit haar handen te pletter in scherf tegen de rotsen. Ik hoop niet meer! -Ik hoop <span class="asc">NOOIT</span> meer! Maar toch moet ik neêrgedaald, weêr beginnen de vreeslijke zwoeging! -</p> -<p>—Dionyzos! riepen zij allen; Dionyzos … -</p> -<p>En zij riepen allen door éen, handen naar hem uitgestrekt, in een wanhoop, waarvan -de Onderwereld sidderde. Hij verstond haar niet, de blijde god, maar hij riep boven -haar uit, met zijn cymbelschelle, klankrijke stem: -</p> -<p>—O treurige Danaïden, hoort! Voor enkele uren gaf mij mijn vader Zeus de macht zelfs -over ù vreugde te sprenkelen. Zelfs over u! Zelfs over u allen! Zelfs over uw verschrikkelijk -Vat! O, treurige Danaïden, staakt voor dezen nacht uw arbeid, en plukt, plukt de toomelooze -vreugde met twijgen en ranken en trossen af … -</p> -<p>Toen strekte, luid lachend door tranen heen, Dionyzos zijn thyrs uit naar den Vatberg, -en een ruischen en bruischen begon … Een ruischen van groeien, een wonderruischen -van wondergroeien, van weligen tooverwingerd, snel uit <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>allerongunstigste, vochtige, zonlooze plek, zwaar de stam en knoestig de takken, forsch -nog de teêrste twijgen tegen den berg, het Vat rondom, met rankeklauwtjes vast zich -klampende aan verroest ijzeren hoepels en schimmelig houten duigen; bladeren dik en -vol weligend, trossen uitzwellend purper en zwaar …; een bruischen van vullen, een -wonderbruischen van wondervullen, een opwellen van roodgeurig water, van wijn in het -Vat … tot plots Dionyzos opliep den berg, lenig en snel en nooit strompelend, een -reuzetros greep in zijn armen, ze perste in zijn beide vuisten over het Vat, het vreeslijke -Vat, te midden van de rondom hem toesnellende Danaïden, die niet wisten en niet begrepen … -tot zij zàgen … tot zij zàgen … den Straal, den blij purperen straal van den tros -van den god Dionyzos, zwaar en breed uitgulpend zijn wonder, en … vullen … tot boordevol -het Vat, het vreeslijke Vat met het roode geurige water, met den wijn, het bloed der -edele druiven!! -</p> -<p>O, de vreugdekreten der Danaïden! de gillende vreugdekreten, die elkander riepen de -beide bergpaden òp, naar de boorden van het nu overloopende Vat, rond wijnmeer tusschen -ranken en trossen, die weligden langs hoepels en duigen, die weligden langs den Vatberg -geheel! <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>In het vreemde onderwereldsche licht ruizelde de Vatberg van purper, en blauw omstraald -rees de blanke Dionyzos blij, en juichte, en schepte een schaal vol, en had schalen -voor àlle de nu zoo overgelukkige hopeloozen, en hij vulde in het Vat hare kannen, -en zij schonken elkander de schaal vol, lachende,—en zij plukten de ranken en, van -zich strijkende de druipnatte waden, kleedden zij zich in ranken en bladeren en trossen, -en jammerden niet meer, maar dansten en Dionyzos had tamboerijnen en cymbels voor -haar en zij rinkelden snel en zij sloegen ze schel, juichend. Langzaam sijpelde leêg -het Vat, en het Styxmoeras geurde van most, maar Dionyzos riep: -</p> -<p>—O blijde juichende Danaïden! Niet vóór den dageraad zal het Vat, dat is <span class="asc">VOL</span> geweest, leêg zijn geloopen … dàn vallen de ranken verwelkt af … maar nu, pluk het -genot, en laat later in de oogenblikken der bitterste smart het weelde en groote zaligheid -zijn u het blijde genot te herdenken! -</p> -<p>Toen verdween de god van daar, en zag hij van verre, in het nieuwe licht, de Danaïden -bakchantisch zwieren. Zij zwierden, rankomwingerd en trosomhangen, bij jubelkreten -en cymbelslagen rondom het Vat, hand aan hand in Hades’ eigene vreemde bliksems. -<span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span></p> -<p>Lang zag Dionyzos dit aan, zag hij de vreugde der Onderwereld, en de tranen liepen -hem langs de glimlachende wangen. Tot hij hoorde een stem, zuchten zacht: -</p> -<p>—O, heb dank Dionyzos, heb dank! Niet vraag <span class="asc">IK</span> u voor mijzelve vreugde, want mijn smart verweemoedigde tot stil zielelijden en is -niets meer dan weemoed geworden, om de aarde, om mijn blonde moeder, eerwaardig, om -de wuivende granen, korenbloemen blauw en klaprozen scharlakenrood … niets meer dan -weemoed, om àlles wat ik mis zoo lang ik toef aan de zijde des duisteren gemaals! -Want lief heeft Persefoneia den duisteren gemaal, die haar troonen doet op den ebben -zetel! O, dank, dank Dionyzos! Niet, o neen, niet voor mij, niet voor stil-in-ziel-treurende -Persefoneia … maar voor hen allen dank … voor haàr àllen … -</p> -<p>En Dionyzos, zich wendende-om, zag de teedere bleeke vorstin, punt-omdiadeemd en zacht -lila-ommanteld hem naderen te midden van dansende schimmen, die juichten en dronken -de druif uit schalen en trossen zelve. Zij naderde, de armen hem strekkende te moet, -in de weemoedige teederheid van haren dankbaren en bijna blijden glimlach;… zij naderde -over de velden der bleeke affodillen, schimme-zwevend <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>zijzelve, zoo heel licht van tred en zacht ruischend van de sleeping harer nachtkleurige -vorstinnegewaden; de punten van de kroon vlammelden even op …—zij naderde koninklijk -en toch in dankbaarheid, en toen zij Dionyzos genaderd was, sloeg zij hem zacht om -den hals beide armen, kuste hem op het voorhoofd en weende, met éen snik, aan zijn -borst … -</p> -<p>Toen klonk van verre een roep. Dionyzos zag om en zag op, Persefoneia nog hem leunend -het hoofd aan zijn boezem. En hij zag, in duistere verte, in eindeloos rotsig verschiet, -tusschen zijn eigen onderwereldsche bliksems, Hades, in donkere majesteit, wenkende -met starrenschepter, dat bòven, uit de oostelijke poorten, Eos zoû weldra treden te -moet, en vreugde gedaan zoû wezen. -<span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch9.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">IX.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">—Hola! Holaha! Woeste Eurytion, waar gij ook wijlen moogt in de van lang gras zeegolvende -onafzienbare Vlakte, hierheen! Hola! Holaha! Het is Dionyzos, de koperen poorten van -Tartaros uitgekomen, die u roept met schelle stem en met gebaar,—blank in het allereerste -rozige dagen! -</p> -<p>Maar een huilende wind alleen antwoordde op Dionyzos’ roep en boos fronsend de blonde -brauwen herhaalde de god: -</p> -<p>—Hola!… Holaha!… Woeste Eurytion! -</p> -<p>Tot op eenmaal, door den huilenden wind gedragen een edeler boodschapper aanvleugelde -en de lucht van zijn flapperende vaart deed wapperen. En Dionyzos, hoog nog den blanken -arm, en de hand wuivende in den fellen morgenbries, meende zeker, dat niet hem zijn -vader vergat en dat Zeus hem tot uitkomst zond … wien wist hij nog niet, tot hij plotseling -herkende, <span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span>ook al had hij den van verstand glanzenden god nooit gezien, Hermes: snel als een -licht kwam hij aan uit het Oosten, waar de krokosgele sluier van Eos verbleekte, lichtende -snel als een schitterende straal, die schiet, en Dionyzos zag hem met vreugde naderen: -een groote godvogel gelijk schoot Hermes aan, blank, mannelijk en breed slank; goudstralende -athleet, zoo zweefde hij windsnel van zweving, de tors schuin omhoog, en geheven het -hoofd onder den gevleugelden breedrandigen hoed; met krachtige beenen roeierde hij -door den ether, luchtzwemmende: hecht zijn enkels omsnoerd, bewogen regelmatig van -rythme de vlerken aan zijn glanzende hielen, latende na twee sporen van licht, lange -glinsterende lijnen … In zijn hand hief hij zijn slangenstaf, en nu glimlachte hij -en wuifde er Dionyzos meê tegen. O, hoe heerlijk schoon was, vond Dionyzos, van verstand -stralende Hermes: als een halo straalde uit hem dat verstand en omdreef hem blank -en krachtig, in een glanzenden kring, o de heerlijke vader van Hermafroditos! O, hoe -heerlijk schoon was hij en hoe goddelijk: Dionyzos zelve gevoelde zich, nu Hermes -zoo goddelijk naderde, bijna als een sterfelijke mensch, voelde zich de zoon zijner -moeder meer dan het kind van zijn vader, voelde <span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span>zich klein en nederig, niets dan een nuttelooze glimlach om weinig beduidend ooft: -de schelle stem, waarmeê hij had Eurytion, woesten Kentaur, tot zich geroepen, beefde -in aanbiddende bewondering, toen hij uitriep: -</p> -<p>—O, van goddelijk verstand stralende, o stràlende Hermes! Ik herken je!! -</p> -<p>En hij strekte, niet meer dan een blijde knaap, uit de beide armen naar Hermes, die -tot hem daalde en plots stond op den grond. -</p> -<p>—O, blijde en het nieuwe genot sprenkelende Dionyzos! Ik zoek je en kom tot je met -Zeus’ boodschap! riep Hermes, en hij omhelsde den jeugdigen god Dionyzos in zijn blanke -en krachtige armen. Wat was groot Hermes en heerlijk, en wat stond als een kind, hij, -Dionyzos, in zijn forsche omhelzing, als jeugdige broêr in die van ouderen broeder! -Glimlachend stond Dionyzos zoo, het hoofd aan Hermes’ borst, en Hermes kuste hem op -wangen beide en purperen mond en zeide: -</p> -<p>—O Dionyzos, lieveling van Zeus, en lieveling àller goden! Hoe spieden wij niet, nieuwsgierig -wolken verschuivende, van Olympos uit naar je daden, en zijn om je zoo verheugd, en -zijn om je zoo vroolijk en blijde, dat van heerlijkend lachen alle paleizen er trillen, -wanneer wij je <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>op aarde zien, dapper de wereld verwinnen en dapper de vreugde doen purperen zege -vieren over àl sombere treurigheid! Dionyzos, broeder op aarde, wij hebben je àllen -lief, en zelfs vorstelijke Hera, al toornt zij je, en al fronst zich haar ivorene -voorhoofd, ziet niet met onwelwillenden blik meer heen naar den van geestdrift gloeienden -zoon der heerlijk verbrande Semele! Dionyzos, en teeder heb <span class="asc">IK</span> je lief, als een oudere broeder zijn jongeren broêr, omdat edel en deugdelijk je -hart trilt voor wie somber is en donker weemoedig, en ik dank je in dit oogenblik -voor de vreugde mijn zoon-dochter gegeven, hem, haar, die ik juichen zie in je blijde -thiazos, o Dionyzos! O, Dionyzos, jeugdige broeder, laat mijn dankbaarheid teeder -je kussen voor de liefde, aan het weemoedige kind, dat in cypressenschaduw treurde, -bewezen, en laat mij dàn je boodschappen—te lang al stelden mijn woorden dat uit—hoe -wij allen in Olympos je hulp verlangen, inroepen je half-goddelijke hulp! Dionyzos, -teêre knaap, maar onoverwinlijke veldheer der vreugde, wij roepen je toe: kom ter -hulpe! Je vader Zeus roept je toe: kom ter hulpe … Kom de goden ter hulpe! Olympos -ter hulpe! Dionyzos, Dionyzos, kom! -</p> -<p>—En wat en waar, o mijn groote broeder <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>Hermes, moet Dionyzos Olympos en goden ter hulpe komen? Wie en wat bedreigt er Olympos -en goden, en wat kan Dionyzos doen, half maar god? -</p> -<p>—Hoor dan, Dionyzos: zoo snel als mijn woorden boodschappen kunnen, zullen zij je -doen begrijpen den angst der Olympische goden! Zonen van toornige Gaïa, vreesverwekkende -Giganten, bestormen den hemel! Hoor, Dionyzos, hoor, het geruisch van hun stemmen -als stormen … -</p> -<p>—Ik hoor, Hermes, het geruisch van hun stemmen als stormen, maar ik wil zien … -</p> -<p>—Laat mij je dan verheffen van hier, in mijn eigene vlucht … -</p> -<p>—Ik ben bereid … -</p> -<p>—Ik sla rondom je mijn arm, en vraag je slechts te omvatten met éen vuist mijn slangenstaf. -</p> -<p>—Ik voel mij zeker in je omhelzing … -</p> -<p>—Dionyzos, tot nog toe was je onbekend snelle vleugelvaart door de luchten. -</p> -<p>—Ik versaag nooit … -</p> -<p>—Wij stijgen op … -</p> -<p>—Stijg op … -</p> -<p>—Ik stijg, ik verhef me … O, mijn jeugdige broeder, nu klem ik je vast in mijn arm, -en <span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>zweef met je op, en zweef met je voort, en licht en snel vleugelen de wieken aan mijn -hoed en mijn enkelriemen … Zie, onder ons rukt zich de aarde terug naar de diepte … -daar glimmeren de koperen poorten van Tartaros, voor welke ik je vond, daar wuift -nog even het zeegolvende gras van de weide der woeste Kentauren … -</p> -<p>—Daar zie ik mijn thiazos naderen de heilige zee, die wij òver zullen in smalle schepen -zeilen, en daar, tusschen ruige rotsen, zijn hoofd in den schoot eener oreade, zie -ik Ampelos, mijn vriend, dien ik liefheb; hij wachtte mij te vergeefs, hij dwaalde -door stormnacht in kloven … terwijl ik wijlde in Tartaros, en eindelijk, wachtensmoede -sluimerde hij in, op den schoot van de bergnymf, die hem troosten wilde … Oreade, -laat Ampelos sluimeren, en Hermes, maak, dat mij Faun aanschouwe in zijn schitterenden -droom, mij aanschouwe in je eigen omhelzing en eigen vlucht, opdat hij wete, waar -ik zij … Sluimer, Ampelos, sluimer, tot ik terug kom, van waar mij voert Hermes henen … -</p> -<p>—En ginds, jeugdige broeder, nu ik snel als een straal van Helios vooruit met je schiet, -en wij naderen Olympos, die zich verhult in rozige morgenwolken, ginds … aanschouw -wat de Angst is van ons, goden! Hoor bruischen als <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>razende stormen de booze stemmen der reuzen, Giganten: zie Pallas en Athos, zie Eurymedon -en Enkelados, zie Porfyrion en Alkyoneus! Hunne aangezichten zijn grooter dan die -der goden en monsterlijk om te aanschouwen, met wat er van onuitwarrelbare slangelokken -kronkelt rondom hunne slapen en muilemond; en hun reuzelijven eindigen, zie, in twee -staarten van draken, geschubd, waarmeê zij gaan als met beenen, strompelend op hun -staartevinnen, maar krachtig en snel, en zie, Dionyzos, zie … hun kracht is onvergelijkbaar …! -Zie, zij nemen rotsen in de vuisten en slingeren ze tegen Olympos! -</p> -<p>—O Hermes, ik zie … Zij nemen bergen in de vuisten en slingeren ze tegen Olympos, -waar de ivorene en goudene paleizen hoog zuilen tusschen rozige morgenwolk, en tusschen -de zuilen zie ik zelfs, met angstig gebaar, vlieden de verrukkelijke Kypris, en hare -gouden gordel verliezen, zoodat zij onvergelijkelijk naakt en verblindend voortijlt, -de handen gestrekt naar Zeus, die haar in zijn armen bergt! O, Hermes, de verrukkelijke -Kypris, wat is zij schoon, maar niet ten strijde geneigd, als Athene, en Artemis, -die zich aan Ares’ zijde opmaken met speer en met drillende lans! -</p> -<p>—Dionyzos, zie … nu slingert Gration <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>brandende stammen van boomen de lucht in, maar hij zwaaide niet krachtig genoeg: de -boom valt terug, niet meer dan als ware hij een fakkel en sprenkelt vonken over de -Giganten zelven … -</p> -<p>—Hermes, zie, nu slingeren die beiden: Porfyrion en Alkyoneus—twee aan elkaâr gesnoerde -en brandende eikestammen de lucht in … -</p> -<p>—En de eikestammen, als een dubbele fakkel … -</p> -<p>—Slingeren zij, o mijn vader Zeus …! -</p> -<p>—In het midden der goudene paleizen! -</p> -<p>—Hermes, de Olympos, in fellen brand, blaakt! -</p> -<p>—Dionyzos, er <span class="asc">IS</span> geen tijd te verliezen. Kom ons ter hulpe … -</p> -<p>—Ik! -</p> -<p>—Jijzelve, Dionyzos! -</p> -<p>—Ik, ter hulpe, mijn vader Zeus! Ik, god van druiven, strijden ter zijde van strijdbaren -Ares, Artemis en Athene! -</p> -<p>—Twijfel niet en draal niet, Dionyzos! Hoor! Orakel spelde Zeus, dat ons de Giganten -zouden verwinnen, zoo niet … -</p> -<p>—Zoo niet ik … -</p> -<p>—Zoo niet <span class="asc">HALFGODEN</span> ons kwamen ter hulpe! -<span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span></p> -<p>—Ik … ik, halfgod, maar <span class="asc">NIET</span> de onoverwinlijkste van mijn broeders en zusters! -</p> -<p>—Dionyzos, versaag je? -</p> -<p>—Nooit! Zeus, o mijn vader … -</p> -<p>—… Mijn zoon, Dionyzos!… -</p> -<p>—Hij roept mij! O Zeus … mijn vader! -</p> -<p>—Mijn zoon Dionyzos, kom ter hulpe! Mijn bliksems breken op de schubben der vreesverwekkende -monsters, die Gaïa mij, boos, baarde, ze toekennende tegen ons tooverkracht, waartegen -geen onzer weet middel! -</p> -<p>—O vader, o Zeus, ge roept mij, Dionyzos, ter hulpe? O vader, o vader, ik jubel! <span class="asc">IK</span> kan u helpen! Ge zegt, dat <span class="asc">IK</span> u helpen kan …? O heerlijke trots, die mij als druivenwijn de aderen doorvloeit en -mij opheft tot een bezieling, die ik niet bereikbaar voor <span class="asc">MIJ</span> dacht! Vader, bezieling alléen omdat <span class="asc">UW</span> stem mij roept, omdat Zeus Dionyzos van noode heeft, omdat de goddelijke broeders -en zusters mij, den alleen aan druiven rijken Dionyzos, riepen ter hulpe! -</p> -<p>—… O Dionyzos, wees niet in bezieling te over-onstuimig, want niet alleen roep ik, -Zeus, je ter hulpe! Half broeder, en halfgod, hij als jij, zal Herakles je ter zijde -staan … -</p> -<p>—Herakles, hij! -<span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span></p> -<p>—Dionyzos! riep Hermes. Hier dalen wij neêr. Tusschen Pallene en tusschen Olympos, -tusschen Giganten en Goden. En hier, Dionyzos, tref je, halfbroeder en halfgod, hij -als jij … Herakles. -</p> -<p>—Strijd <span class="asc">IK</span> aan de zijde van Herakles? -</p> -<p>—Zoo wil het Zeus. -</p> -<p>—Opdat hij, de sterkste, heeft àlle eer? -</p> -<p>—Wat draal je toch, Dionyzos! Zie, de Olympos brandt! -</p> -<p>—Laat de Olympos branden! Ik wil niet strijden dan alleen! Strijd <span class="asc">IK</span> aan de zijde van Herakles? -</p> -<p>—Wat weiger je, Dionyzos?! -</p> -<p>—<span class="sc">Hij</span> is sterk, mijn armen zijn niet gespierd! -</p> -<p>—Dionyzos, groot veldheer, zal je met armen als van een maagd, verwinnen aan Herakles’ -zijde! -</p> -<p>—Ik strijd alleen! -</p> -<p>—Dionyzos! -</p> -<p>Zoo donderde Zeus’ stem en onweêr barstte los. -</p> -<p>—Vader! kreet schel Dionyzos. Wat zal ik, trots al mijn bezieling, strijden aan Herakles’ -zijde! Hij ontneemt mij in den strijd alle eer! -</p> -<p>—Dionyzos!! Laat je als een stoute knaap, <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>je vader je roepen ter hulpe en te vergeefs?! Al je broeders, al je zusters, roepen -ter hulpe en te vergeefs? -</p> -<p>—Vader! -</p> -<p>—Dionyzos!! -</p> -<p>En de knapejeugdige god, Dionyzos, eindelijk, huiverde voor vaders toorn. Maar hij -was toornig ook, hij, als hij nooit was geweest: zijn lippen klemden op een, zijn -tanden knarsten, en zijn zacht lieflijk gelaat veranderde in een grijns van kwaadheid, -in een tronie van razernij: de oogen puilden, breed den mond, de tanden spits-flikkerden, -als verscheurens gereed … Hermes was met hem nedergedaald en had hem, een kind gelijk, -gezet op zijn voeten beide. -</p> -<p>—Zie, zeide Hermes, verzoenend. Dionyzos, zie … hier nadert, wie aan je zijde zal -strijden, Herakles! -</p> -<p>Onwillig wendde Dionyzos zich om en moest het hoofd in den nek zich werpen om Herakles -aan te zien. De zoon van Alkmene naderde, zwaar van tred, glimlachende in zijn kroesbaard, -en hij was zoo groot, dat hij scheen te groeien, terwijl hij naderde. Een glimlachende -goedigheid was speelsch in zijn oogen, die ledefronsten en lachten tegelijkertijd -onder zijn bosschige brauwen en het voorhoofd laag en breed; des <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>Nemeïschen <span class="corr" id="xd31e1590" title="Bron: leeuwen kop">leeuwenkop</span>, die zijn hoofd overhelmde, deed hem nòg reuziger schijnen met die, boven hem, dooden -blik uit den hollen monsterkop; met manen, die wijd-uit waaiden en de reuzetanden, -die in den muil nog verschrikkelijk dreigende grijnsden; vale koningsmantel, viel -het vel langs Herakles’ vollen rug en over zijn breede spierheuvelende schouders de -borst breidde zich hoog-op en vierkant: een wal; staande nu steunde hij de massa der -beide vierkant vingerende vuisten op zijn beroemde knots, en ook zijne zwaar heerlijke -heldenarmen heuvelden, maar harmonisch in ontwikkelde kracht van zwellende kabelspieren; -boomig stonden zijn beenen geplant op de breed zich uitbreidende voeten, en hoewel -hij roerloos maar glimlachte, scheen het Dionyzos toe, dat een enkele beweging, zelfs -uit goedige speelschheid, zoû, onwillens, straks doen veranderen van lijn het rotsige -landschap, of murw de rotsen werden bij Herakles’ rotshardheid en kracht. Zoo, tusschen -Olympos en der Giganten landstreek, Pallene, rees daar Herakles als een bescherming -en sloeg breed zijn schaduw neêr. Achter hem golfde en loeide, als eene schuimende -blanke zee, de blanke kudde der prachtige runderen, als Herakles’ Tiende Werk door -hem <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>ontroofd aan den reus Geryon, die woonde aan het westelijke einde der wereld, en Dionyzos, -hoe boos ook, ontzette. Maar hij verborg die ontzetting achter zijn boosheid, en toen -Hermes, glanzende god, verzoenend, hem Herakles wilde voeren te moet, herhaalde hij -schel, trots zijn vreeze voor Zeus: -</p> -<p>—Hermes, wat zal ik, trots al mijn bezieling strijden aan Herakles’ zijde! -</p> -<p>De held Herakles lachte in bassigen lach uit, die der runderen geloei overbulderde. -En hij spotte goedmoedig, met den speelschen blik uit zijn ledefronsende oogen: -</p> -<p>—Voorwaar, roept mij mijn vader Zeus om te strijden aan dezes knaaps zijde! Moet ik -mijn vuist ballen, waar hij zijn vuistje balt, en mijn arm uitslingeren, waar hij -meisjesblank uitslingert zijn ronden arm? Waar is zijn kracht en waar is zijn wapen -en wat vermag hij tegen de Giganten: de eenigen, die na de Titanen, Olympos bestormen -dorsten! Wil vader Zeus lachen om een vertooning, of, zeg mij, Hermes, wat moet ik -met dezen knaap? -</p> -<p>Maar Hermes, verzoenend, zeide: -</p> -<p>—Herakles, heerlijkkrachtige broeder, ontstem niet onzen jeugdigen broêr, den blijden -god Dionyzos, door te minachten de macht van <span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span>hèm, die, in vreugde, de wereld verwint op lange, druive-omwingerden zegetocht! Moedig -is hij, als jijzelve! Verkoos hij niet liever alléen de vreeswekkende Giganten te -bestrijden, dan aan je zijde, beangst als hij is, dat je hem rooft de eer der hem -àlzekere overwinning? -</p> -<p>—En wat is blijden Dionyzos’ macht, waarmeê hij de wereld veroveren wil? Ik hoorde -nooit van hem en nooit van zijn zegetocht, en de door hem veroverde wereld! Is dat -dan een andere wereld, dan Nemea, waar <span class="asc">IK</span> doodde den leeuw, wiens muil mij hoog overhelmt; dan Lerna, waar <span class="asc">IK</span> neêrsloeg den veelkoppigen draak; dan Erymanthos, waar ik bemachtigde levend het -everzwijn, of Kerynia, waar ik Artemis’ goudgehoornde, kopergehoefde hinde greep; -dan Stymfalos, waar ik uitroeide de ijzer-gevleugelde vogels, en Elis, waar ik rivieren -van loop deed veranderen om ze stroomen te doen door den Stal; dan Kreta, waar ik -den stier, en Thrakië, waar ik de paarden ving, Diomedes’ menschenetende rossen; dan -Skythië, waar ik der Amazonenvorstin haar gordel ontnam, en het Verre Westen, van -waar ik nu kom, na mij meester te hebben van Geryons kudden gemaakt? Is dat alles -de wereld dan niet, en verwin <span class="asc">IK</span> de wereld dan niet met <span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span>mijn wonderwerken, waarmeê ik mijn eigen roem behaal, ook al gebood het Orakel mij -die tot straf zelven voor mijn moedermoord te verrichten ter eere Eurystheus’!? Schakelen -die werken dan niet <span class="asc">MIJN</span> zegetocht en wil deze knaap zich meten met mij? -</p> -<p>Zoo sprak stembulderend Herakles, zijn borst—als een wal—opzettend, zijn schouders -nog vierkanter schaduwend doende tegen Olympos aan, en zijn armen zwollen van spieren -als kabels, en zijn beenen boomden, onwrikbaar ten pezige voeten geplant, maar de -blijde god Dionyzos was niet toornig meer, om zijn bulderenden halfbroeder, die daar -voor hem stond als een reuzeherder van een reuzekudde blanke runderen, en, aan Hermes’ -zijde, hij de kleinste en menschelijkste van hun broeders drie, zeide hij met verzoenende -stem nu zelve, bescheiden,—maar Hermes hoorde hem spotten wel in die vroolijk gehuichelde -bescheidenheid: -</p> -<p>—O, krachtige halfbroeder Herakles, zoû <span class="asc">IK</span>, zwakke god van wat ooft, dat mijn saters mij druiven noemen, en waaruit wij persen -een drank, die wel aangenaam koelt het dorstig verhemelte, mij durven meten met jou, -mij durven vergelijken met jou! Ik trok nooit naar alle de plaatsen, die je met volle -recht snoevende, <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>o Herakles, mij hebt genoemd, en bij al de krachtwerken, die je verrichtte … wat is -mijn werk vergeleken: druivefestoenen heerlijk te slingeren van Ikaria tot Orchomenos, -en van Arkadia en Karië tot Korinthe toe, tot ik ze straks met luchtig gebaar slingere -de zee wellicht over, naar de allerverste morgenlanden, en aan de oostelijke poorten -misschien Eos mijn druiveschaal biedt! Kinderwerk is het, Herakles, bij dat van jou: -mannetjes-mannewerk! Begrijpen doe ik ook niet, dat mijn vader Zeus mij opdroeg te -strijden aan je verschrikkelijke zijde, maar zijn wil is mijn eenige wet, en daarom, -o Hermes, verstandige broeder, verplicht mij en daar ik ongewapend ben, pluk even, -terwijl ik mijn broeder Herakles’ zij niet verlaat, een agavebloeme-steel voor mij: -kies die uit krachtig en zwiepend: ander wapen heb ik van noode niet; spelen wil ik -er maar meê een beetje, in de schaduw van Herakles’ knots … Verzoenen wil ik mij met -Herakles vóor den strijd, en daarom, o wingerd, o wonderwingerd, welig, schiet uit -tusschen ons beiden; rank luchtig om die verschrikkelijke knots, en, druiven, vlijt -u in Herakles’ vuist, opdat hij zich vóór den strijd lave en zich verzoene met Dionyzos! -<span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span></p> -<p>Zoo antwoordde, guitig en niet meer verstoord, de blijde god Dionyzos, en terwijl -Hermes den agavebloeme-steel plukte, weligde om Herakles’ knots, o wonder, de wingerd, -en de verschrikkelijke held riep, verbaasd: -</p> -<p>—Doet die knaap groeien uit den grond wat hij wil? Wat zijn dit voor krullende ranken -en zwellende trossen! Pluk ik er een, Dionyzos? Druk ik dien zóó aan mijn lippen? -Drink ik dit edele sap zoo? O, Dionyzos, is dit je gave? Deze purperen heerlijkheid -… is dit je gave? Dit nieuwe genot … is dit je macht? O Dionyzos mijn lieflijke broeder, -o mijn heerlijke halfbroeder Dionyzos … laat weligen, weligen nòg meer de wingerd, -laat nòg meer de trossen zwellen naar mijn hand en mijn lippen toe, en terwijl mijn -knots schijnt te groeien, staande in lof en ooft … kom aan mijn borst en kom op mijn -hart, opdat ik je omhelze met broederkus, voor genot zoo nieuw, voor laving, zoo allerweldadigst, -die wat ook voor vermoeidheid, zoo even, licht, mijn tred loom maakte aan het hoofd -dezer kudde, nu mij bezielt met wondere bezieling, of mijn oog helderder ziet, mijn -arm sterker zich spiert, en geheel mijn ziel zich heft in goddelijker energieën! -<span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span></p> -<p>Toen, om Herakles’ plotse verrukking, schaterlachte de blijde god Dionyzos, en hij -stortte zich in zijn broeders machtige armen, en duldde, dat hij hem tilde aan zijn -hart en hem er bijna op verpletterde, hem zoende hartelijk met kroesbaard-mond de -lachend purperen lippen. Maar een plots zware rommelslag daverde, het vuur viel in -bliksems uit Olympos, en Zeus, toornig, donderde: -</p> -<p>—Herakles en Dionyzos! Wat toeft gij zoo lang, en wat snoeft gij tegen elkander op, -de een bulderend met kracht, en de ander, spitsvondig met ironie, wie van u beiden -de wereld verwint en wiens wereldverwinning de meeste beduidt voor uw eigen glorie -en heerlijkheid! Niet anders dan als oude wijven verliest ge in veelheid van woorden -uw kostelijken tijd, en acht gij niet, dat Olympos blaakt van fellen brand, door de -saamgesnoerde brandende eikestammen, die Porfyrion en Alkyoneus met vereenigde krachten -als fakkels slingeren naar onze paleizen toe. Te hulpe, Dionyzos; te hulpe, Herakles! -</p> -<p>Verschrikt om des vaders toornige stem, staakten de halfgoden hunne broederlijke omhelzing, -en zagen zij uit naar den strijd, die tusschen Pallene en Olympos op het verschrikkelijkst -<span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>werd gestreden. Want Efialtes, krachtigste aller Giganten, stapelde bergen op elkaâr, -en beklom die, naar Olympos toe, maar op de schitterende drempels der godenpaleizen -verscheen, in glans omhuld, Apolloon, en schoot met zijn flitsende pijl uit zilverstralenden -boog Efialtes het rechteroog uit; Herakles, schoot <span class="sic">te-gelijkertijd</span> den Gigant het linkeroog uit, en blind, tuimelde hij, terwijl zijn misstap bij misstap -de bergstapeling wankelen deed en zijn reuzelijf de neêrdonderende bergen begroeven. -Toen was het of de al versagende goden herademden in heerlijken moed; want, reuzig -in storm, rees Zeus van zijn zetel en trof met zijn bliksem Porfyrion, die, reeds -opgeklommen de bergstapeling, bereikt had Olympos’ goudenen drempel en in onbetembaren -lust de goddelijke Hera aangreep. Maar bliksemgetroffen stortte Porfyrion in het ijle -en viel uit duizelende hoogte neêr op Pallene. Hij viel en viel steeds, en intusschen -bestreden de goddelijke strijdbare maagden, Athene en Artemis, de draakbeenige reuzen -Pallas en Gration; heerlijk van moed, met juichende kreten, vielen de maagden hen -beiden aan. Maar een razernij, plots, bezielde den blijden god Dionyzos en rukkend -uit Hermes’ handen den zwiependen agavebloeme-steel, <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>stortte hij zich in den strijd en sloeg om zich rond, in een wijden cirkel van zwieping; -de anders zoo blauwe violenoogen puilden onder zijn blonde, fronsende brauwen; zijn -zacht knapegelaat vertrok tot een grijnzende tronie van kwaadheid en hij sprong rond -tusschen de verbaasde Giganten, en zwiepte en zwiepte zijn steel. Dat gaf rondom hem -heen een bescherming, wijden toovercirkel, dien hij rondom zich duizelde, bezwijmelend -vlug voor wie er de oogen naar richtte, en op de Giganten, ontzet, schoten nu van -omhoog de pijlen en bliksems van Zeus en Apolloon, van omlaag de altijd treffende -pijlen van Herakles! En al dansende steeds in woede, verovering, draaide om zichzelven -rond, tolduizelsnel, de razende god Dionyzos, in den van snelte vertrillerenden cirkel -van zijn zwiependen bloemsteel, tot hij plots ophield en niet horizontaal meer zijn -steelduizeling zwiepte maar ze zweepte in ellips, loodrecht, en toestormde op Olympos’ -belagers. Hij was dronken van enthouziasme, de razende god Dionyzos; de gedachte aan -Zeus bezielde hem en hij sloeg met zijn agave-stengel, die zwiepte, den Gigant Eurytos -op zijn monstermuil; zoo snel sloeg hij en liet hagelen de slagen, dat Eurytos, verblind, -niet <span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span>wist hoe zijn ijzeren knots te heffen … Sneller en sneller sloeg Dionyzos; het was -hem of hij niet zelve sloeg, maar of duizenden in hem sloegen; duizenden als hijzelve -… Sneller en sneller hief zich, daalde, hief zich, daalde de stengel, tot eindelijk, -bezwijmd, de reus wankelde op zijn drakestaartvoeten en viel hard neêr op zijn knots, -terwijl steeds Dionyzos’ slagen hem troffen. Nu lag hij, een weerloos slachtoffer, -en liet zich slaan, en liet zich slaan. Hij bewoog niet meer, hij was dood. En in -Dionyzos’ zachte hand scheen tot zwiepend ijzer te harden de steel, want nu cirkelde -hij weêr zijn duizeling snel, horizontaal om zich rond. De aarde verschoof en beefde, -ontzaglijk geweld weêrklonk: Poseidoon, in zeebevende woede, hief het eiland Kos op -beide armen en slingerde het over Polybotes, en Athene, strijdbare maagd, rukte Pallas, -dien zij hield onder de knie, zijn onkwetsbare huid villende van het reuzelijf, en -sloeg die zich met éen kreet om den boezem, ter eigene àlzekere bescherming. En de -pijlen van Apolloon omhoog, en de pijlen van Herakles laag, flitsten sneller en sneller, -of zij beiden, Herakles en Apolloon, bezielden door Dionyzos’ bezieling van snelheid, -van duizelingwekkende snelheid … Een schelle kreet schalde als een <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>bazuinroep uit de keel van den razenden god Dionyzos en terwijl vluchtten, dringend, -de pijldoorschoten Giganten weg naar het verre Westen toe, achtervolgde hij ze met -zijn zwiependen steel. Nu staakten de goden den strijd, maar Dionyzos, schel schreeuwende -steeds, ijlde, ijlde, hen achterna, en geeselde hun de vreeselijke ruggen … Schaterde -hij, met zijn grijnzende tronie van razernij en geeselde, geeselde steeds … -</p> -<p>De avond viel, en in de duisterende hemelen smeulde als een wereldbrand de roode rook -nog der godenpaleizen, door Hermes zelve in wateren gebluscht. Op den gesmolten drempel -der goudene poorten lag, in slaap van vermoeidheid, de blijde god Dionyzos, glimlachend -als een kind: zijn hoofd viel hem, zwaar van slaap, bevallig ter zijde; zijn adem, -lieflijk rythme, rees regelmatig de blanke borst op; in zijn blanke vuist nog omklemde -hij een geknakten agavebloeme-steel, maar van strijd scheen hij niets te weten …: -terwijl de ontzetting nog huiverde in der overwinnende goden oogen, sliep hij als -na een spel, glimlachte hij als in een droom van druiven, en hij was zoo heerlijk, -en zoo lieftallig, dat alle goden glimlachten nu, hem naderende een voor een, neêrknielden -bij zijn sluimering, en hem kusten <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>op het voorhoofd. En zelfs vorstelijke Hera, die den zoon van Semele bij zijn geboorte -had willen vernietigen, naderde en knielde neêr, streelde even met haar vorstinnehand -zijn blanke rimpel- en zorglooze voorhoofd, en kuste hem er op, en Afrodite, lichtend -van schoonheid, die met glans alleen haar omkleedde, fluisterde den slaper in: -</p> -<p>—Dionyzos, <span class="asc">WAT</span> gij mij ook vraagt … sta ik toe in zalig geluk! -</p> -<p>De nacht donkerde en in de geduisterde hemelen rossigde alleen nog de laatste walm -der uit smook opklarende godenpaleizen. Toen nam Hermes den slaper en onversaagden -god Dionyzos, in beide zijne armen en, hoedwiek en enkelvleugel bewegende, vloog hij -naar de aarde, den boord te-gemoet van de starren weêrstralende zee. Daar lagen, tot -spoedige reize gereed, de smalle triremen en wiegelden zacht op den sluimerzang van -Poseidoon. Vlak aan zee rees het pijnenbosch uit rotsigen grond omhoog, en in de donkere -schaduw sliepen de saters, menaden, Silenen, de kleine jongens van Pan tusschen de -tamme leeuwen en panthers der in vreugde onverwinlijke thiazos. Geene waakte toen -Hermes naderde, met, in zwaren slaap, Dionyzos in zijn armen. Hij trad dalende neêr -op den <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>grond en aan Ampelos’ zijde vlijde hij den god, op een sponde van duizend viooltjes. -Dat geurde in den nacht en trillerde als een lied eentonig, en boven het eentonige -lied trompetterde uit hare hoorntjes kamperfoelie een gedempte fanfare: blijdschap, -omdat Dionyzos terug was gekomen. Er richtte zich even uit de armen van een faun, -een nymf, en zag met slapens-kleine oogen naar Hermes een oogenblik, sliep dadelijk -weêr in, moê van angst, als zij allen, om het ontzettend gedruisch diens dags: Hermes -verdween, en de nacht voltooide in weldadige stilte. De golven ruischten sluimerwiegend; -de kamperfoelie fanfaarde, nu hooger, dan lager<span class="corr" id="xd31e1661" title="Bron: ..">…</span> Verder was de rust overal. -<span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch10.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">X.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">—God Dionyzos, onze god, god om wien wij ons scharen! Eere, god Dionyzos, verwinnaar -der vreeswekkende draken-Giganten! Jij versloeg ze alleen, met je zwiependen agavebloeme-steel, -dien je knakte op hun krakende ruggen! God Dionyzos, onze god, god om wien wij ons -scharen, is machtiger dan jij Apolloon, onfeilbare vlammende schutter? Is machtiger -dan jij knotszwaaiende Herakles, zijn machtiger Athene en Artemis, juichende strijdbare -maagden …? O, Dionyzos, machtiger alleen dan jij is Zeus, is Zeus zelve, en nog troffen -zijn bliksems niet steeds de belagers van Olympos en van vorstelijke Hera …! God, -om wien wij ons scharen, rijs op uit sluimering, voer ons over de zee naar de verre -morgenlanden, naar de oostelijke grenzen der wereld, naar de goudene poorten, waaruit -Eos treedt, en wingere langs onze reis de lenige rank met ons mede tot zij de goudene -oostelijke <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>poorten omkrinkelt en het bloed van haar trossen feller doet Eos blozen … O god, om -wien wij ons scharen, redder der goden, heilbrenger aan hoogen Olympos, voer ons aan, -en wij talmen niet meer! Reeds liggen gereed de vaartuigen, en zijn wij ongeduldig -de riemen te grijpen—Dionyzos, om wien wij ons scharen …! -</p> -<p>Zoo wekte, in den al laten morgen, de blijde oproep der saters den sluimerenden god -Dionyzos, en fronsend ontwaakte hij en zag over hem Ampelos buigen heen. -</p> -<p>—Lang was ik weg? -</p> -<p>—Een nacht, en éen dag, Dionyzos … -</p> -<p>—Ampelos … in den droom zag je mij? -</p> -<p>—In Hermes’ vlucht, in zijn armen … -</p> -<p>—Het ontzettend gerucht drong door tot hier? -</p> -<p>—Wij hoorden, ontzet, het gerucht van den krijg; wij zagen de bergen gestapeld worden, -wij zagen Olympos in brand … Wij klommen op heuvelen rondom, wij aanzagen den strijd, -en wij zagen in vervoering onzen god, Dionyzos … Tolduizelsnel zwaaide hij om zichzelven -rond, zwiepende den agavebloeme-steel; toen hagelden zijn slagen neer op de vluchtende -Gigantenruggen … Dionyzos was hun overwinnaar! -<span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span></p> -<p>—Ik? -</p> -<p>—Dionyzos was hun overwinnaar, onversaagd tot het einde des strijds … -</p> -<p>—Toen? -</p> -<p>—Was moê Dionyzos en lachte en zeide hij tot Hermes, een kind gelijk: ik wil slapen … -</p> -<p>—En … ik sliep? -</p> -<p>—Hermes voerde je op den drempel der nog in rosse smook walmende godepaleizen en legde -je slapende neêr … De goden bogen zich over je en kusten je dankbaar het voorhoofd … -</p> -<p>—Zelfs de vorstelijke Hera? -</p> -<p>—Zelfs zij! -</p> -<p>—Ik herinner mij een droom … Voor mij verscheen, heerlijk glanzende, stralende van -<span class="corr" id="xd31e1691" title="Bron: onvergelijklijke">onvergelijkelijke</span> naaktheid, Afrodite, en zij zeide: Dionyzos … wat je mij ook moge vragen … ik sta -het je toe in zalig geluk! Ampelos … zoû ik nog ooit Afrodite vragen een gunst, die -zij in zalig geluk mij toe zoû staan … -</p> -<p>—Dionyzos … de toekomst … -</p> -<p>—O, de toekomst, Ampelos, schijnt mij in trossen van druiven en dichte wingerdlooveren -omhuld en ik zie haar nooit door … Maar vreemd is mijn ziel beroerd om àlles wat mij -wacht in dat dichte toekomstprieel van druiven … Lange zegeweg, omrankt met onze welige -ranken … <span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>die zelfs de blauwe zee schijnen te overslingeren, eilanden der archipel over, tot -aan de oostelijke poorten van Eos! Zongen zij niet zoo even, Ampelos, van mijn zege? -Maar zeg mij, zal ik altijd triomfeeren? Ampelos, zal ik nooit worden verslagen? Loeren -er mij niet vijanden, die ik niet zie en niet weet? Zal ik het geluk en de vreugde … -altijd … kunnen sprenkelen? Langs zoo langen zegeweg …! O, Ampelos, is het niet, als -of juist mijn groote zege mij weifelen doet op eens … of ik den eersten frisschen -moed verloor … Ampelos, wat klinkt in mij weemoed? Ik zàl niet altijd triomfeeren … -Ik zal éenmaal verslagen worden! O, Zeus, ik zal éenmaal verslagen worden! -</p> -<p>—Dionyzos …!! -</p> -<p>—Ik zal éenmaal verslagen worden … O, Ampelos, nu zoû ik weenen willen in je armen … -Nu plots voel ik mij zwak en ontmoedigd … Zie mij aan, ik ben een kind … Ik heb armen -als van een meisje … Ik voel mij een ziel plots vol van weemoed … Dat is een neêrslachtigheid, -mij o zoo nieuw … Ampelos … hoor … wat roepen zij? -</p> -<p>—… God Dionyzos, onze god, god om wien wij ons scharen! Eere, god Dionyzos, verwinnaar -der vreeswekkende draken-Giganten! Jij <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>versloeg ze alléen, met je zwiependen agavebloeme-steel, dien je knakte op hun krakende -ruggen … Is machtiger dan jij Apolloon … onfeilbare vlammende schutter … Is machtiger -knotszwaaiende Herakles … Zijn machtiger … -</p> -<p>—O, zij verheerlijken mij in hun morgen-gejuich, maar zij weten niet, Ampelos, van -den vreemden weemoed en weifeling … Ampelos … Ampelos … moet ik … <span class="asc">IK</span> de wereld veroveren tot de oostelijke poorten …? O, nu ik sta van mijn bed van viooltjes -op … nu wankel ik op mijn voeten … Nu weet ik niet meer … Nu duizelt het plots om -mij rond … Nu zwelt mijn hart vòl van weemoed … En toch zie ik den weg … de reize -over de zee, het lachende eiland … het druiveprieel … zie ik de sterren … de avond -paarsen … zeilen aan den schemerenden zee-einder … blank, zie ik blank een vrouw …! -Een vrouw …! Ampelos … zoû zij mij beminnen? Ampelos, nu weet ik niet meer!! O, de -vreugde der eerste dagen! O, de onversaagdheid van toen! O, de weemoed van nu! De -weifeling en de neêrslachtigheid … Ampelos, word ik laf … Word <span class="asc">IK</span> laf, ik Dionyzos … Ampelos, sprenkel mij vreugde … Vul mij een volle schaal … Hier, -pers ze uit, o zwelg met mij dezen reuzetros … Tros, o zware tros, stroom <span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span>uit in mijn omhelzing! Zware tros, lig zwaar als een wellust op mijn mond, waar nauwlijks -mijn armen je beuren kunnen … O, nu wankel ik onder je, tros! Ampelos, bied mij een -vòlle schaal. Zwelgen wij beiden tros en schaal, zwelgen wij samen, o vriend, o vriend, -die mij den eersten wijnstok boodt … o vriend, die hem plantte met mij … Is het de -dag der reize? O, neen, laat het nog niet de dag der reize zijn, maar laat het een -dag zijn van lóuter vreugde … Het gelooverte is zoo dicht, dat het hier, daar en elders -als nacht is, in de aromen der duizend viooltjes, in den suikergeur der duizend accacia’s, -en de hoornfanfaretjes der kamperfoelies! Lieve gezellen van Dionyzos, komt allen, -komt allen hierheen! Feest nu blijde het uitgelaten festijn tot afscheid van deze -streken, die wij ons wonnen en waarover wij heerschen. Silenen, waardige knikkebollers, -danst rondom ons en lacht-uit het leven! Blijde faunen, trapt regelmatig de maat, -maar, o saters, zwiert en zwelgt ònmatig, àl het purperen en blanke genot, dat ik -geef! -</p> -<p>En, de reize uitgesteld, de waggelende vaartuigen wiegelende op de aan- en wegspoelende -golven van komenden vloed, was een enkele wenk van den blijden god Dionyzos voldoende, -om de nymfen zich met versche trossen de <span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span>slapen te doen vertuiten, de menaden in de duisternis van het woud te doen wegijlen -met zwaaiende thyrs, en Dionyzos, in druiverazernij, bood ze zelve de zwellende trossen, -in de razende orgie, die begon … Zelve voerde hij de lange rij aan, en sleepte hij, -hand aan hand, de lange ronde over de bosschige heuvelen; de reeën vluchtten over -de zonnige dalen voort, en verdwenen in de dan bijna zwarte schaduw, maar de menaden -achtervolgden de reeën in vurige jacht en het woud weêrklonk van haar schriklijke -kreten. Brullende naar alle zijden stoven de panthers en leeuwen, en de dronken saters -omringden de huizen der stervelingen, de hutten der landbouwers, en sleepten die meê, -willig, onwillig. Wee, wie niet aanstonds Dionyzos gewonnen zich gaf; wreed waren -de saters, al wie hun verheerlijkten god weêrstond en zij sloegen met thyrs en agavesteel -oude en jonge mannen op ijlende vlucht, zoo dat zij Dionyzos vloekten; maar zij sleepten -meê matronen en maagden in het diepste middagduister der wouden … Hijzelve, de god, -vergeten zijn weemoed, hem zoo nieuw en zoo vreemd en zoo angstig, slingerde aan zijn -hand, voorttrekkende, de dolle rij en de ronde, en opdat niet de levende ketting verbroken -<span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span>zoû worden, had hij een lange wingerdboei om allen heen laten kluisteren, zoo dat -niet éen nymf, niet éen faun, niet éen menade meer uit kon wijken … Wankelde zij, -of viel hij, meê moesten beiden … opstaan, zoo zij vermochten … anders gesleept over -de dalen en heuvelen, getrapt door de achter hen komenden, dan eindelijk zich weêr -heffende op, in den druivewingerd, voort! Omdat de weligende druif meê met hen ijlde, -rondom hunne leden zelve, éen festoen met hen allen, zwelgden zij zonder staken, met -éen hand elkander vast houdende, met de andere plukkende den tros en dien drukkende … -Hunne kreten scandeerden schel en <span class="corr" id="xd31e1722" title="Bron: verscheurde">verscheurden</span> de middaglucht. Vogelen vlogen verschrikt alom … Hamadryaden dier heuvelende bosschen -en niet wetende nog van Dionyzos, werden gevangen in éen oogwenk, omkluisterd in druiven -en meêgesleept. Toen Dionyzos ontmoette Ampelos, hij, de Faun aan het hoofd van een -zelfde levend festoen als het zijne, kreet hij juichend op, en de festoenen slingerden -zich in elkaâr, menaden, faunen en saters, en er tusschen de Panszonen, en er tusschen -vooral de reuzige druiven. Nu rukten uit elkaâr zich de levende festoenen, en iedere -ontmoeting was onverwachts. Op het wildst, <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>in het midden diens zonnigen dags, slingerden de verbroken levende schakels zich hier -en daar en naar alle zijden en verdwenen, in razende dronkenschap van druivebedwelming -en liefde … Toen de schemering viel, zwierven op de hoogere heuvels, tegen den glans -der zon ondergaand, waarin verwaasden de verdere violette bergen, de razendsten, niet -meer aan de hand zich houdend, alleen, op zwierenden pas, het beestevel verliezende -of verloren, struikelend in de eigen boeien van ranken, de oogen puilende in vervoering, -niets meer wetende dan de eigen razernij en de razernij Dionyzos’! Den mond schuimende, -riepen zij zijn naam, riepen zij zijn vele namen. Zij zagen de zon, die zonk aan den -einder der zee, zwelgen in het stroomend bloed van Dionyzos’ druiven. Zij zagen den -hemel gekleurd van dat bloed en dien wellust; zij zagen de zee er van golven, van -wellust en van druivenbloed beide. Zij liepen de heuvelen af en stortten zich in de -zee. Zij verdronken of klampten zich vast aan de waggelende schepen, wiegelend. -</p> -<p>In den nacht, om het reuzige mengvat Hefaistos’, zwierden de rijen heuvel op, heuvel -af. Anderen waren heel ver weg gedwaald, tot op de sneeuwruggen der hoogste bergen. -<span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>Geene druiven meer, vielen zij in de sneeuw, bezwijmeld. In den morgen schrikten zij -op van het geschal der lange fluiten der faunen. Aan den boord van de zee verzamelde -zich het leger der vreugde. Dionyzos’ vaartuig reeds stak in zee, de masten blijde -omwingerd. Honderde vaartuigen omstuwden het zijne al. Brullend de panthers en leeuwen, -brieschend de tijgerkatten, werden onwillig zij ingescheept door de faunen en zonen -van Pan. Elk vaartuig, dat stak in zee, omwingerde zijn masten op Dionyzos’ bevel. -Over de zee dansten blijmoedig de roeierende triremen weg, regelmatig het ruischende -rythme der spanen lang en slank, en zij schenen zwemmende monsters met looverenden -rug en met pooten zeer vele. -</p> -<p>Dionyzos stond lachend, zijn arm om den mast geslagen. Zwaar zwollen de trossen langs -voor- en langs achtersteven, en festoenden zijn vaartuig langs. Hij lachte, maar weemoed -troebelde vocht in zijn violenoogen. Nu verliet hij àl zijn overwonnen landen, en -trok hij het morgenland te-gemoet. Waarom, dan in zijn ziel, gevoelde hij twijfel -en weifeling? Hij lachte, turende naar de bosschige boorden, de heuvelige landen, -die zich trokken van hem terug … Hij lachte: Poseidoon was hem gunstig geneigd, <span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span>en Aiolos, op Zeus’ bevel, blies de weinige wolken weg … Voorspoedig zoû de zeereize -zijn der duizend triremen Dionyzos’! De tritonen doken juichende op en bereden hun -dolfijnen, die spoten, en de okeaniden, om Dionyzos’ vaartuig, dansten de blanke ronde. -De god zelve wierp haar druiven toe, en zij omrankten zich met het nieuwe genot. Overal -uit de golven doken de kinderen van Poseidoon op, en de wijde zee was blijde bevolkt -om Dionyzos’ overwinnende reize, die zwierde met éen geslingerd druivefestoen, de -zee, de verre zee over. Zang en schulpgeschal klonk overal over de blauwgroenig bewegelijke -vlakte, maar even geschuimd met regenbogenenden kam. -</p> -<p>Later, voor de brandende hitte op het water, weligden voller tot reuzeprieelen de -wingerden van voorsteven naar hoogeren mast tot achtersteven toe, en voorspoedige -wind blies bol het blanke vleugelgelijke zeil, flappende. Lustig lagen de nymfen en -menaden en zongen en sloegen de cymbels, nu rustig èn panther èn leeuw sluimerden -aan hare voeten, en de saters, gelijkmatig, roeiden de riemen vroolijk. In het aanblakeren -van het midden des dags, ontvolkte de zee en de wind vlijde zich en vele bokspootige -roeiers lieten de spanen los, en grepen boven zich de volle trossen. -<span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span></p> -<p>Maar over de leêgere zee aangaloppeerend op zeepaard, tweebeenig, het achterlijf vereindigend -in visschige staart, waarmede het stuurde zijn met steigerenden voorhoef trappelende -vaart, zag Dionyzos, sluieromwuifd, de zilvervoetige Thetis … -</p> -<p>—Dochter van Nereus! riep hij. O blijdschap des oceaans en lach van de zee, zeg mij, -gij, heerscheres der zilte bewegelijke wateren, waarover ik wiegel in wellust van -reize mij nieuw, zeg mij welk oord zal ik kiezen ter noodige middagruste. Richt ik -naar het Oosten mijn koers, tref ik dan niet op mijn weg nieuwe eilanden lieflijk, -die liggen als bosschige en als bloemige bedden her en der, ons lokkend tot rust? -</p> -<p>—O, blijde god van de vreugde! antwoordde hem zilvervoetige Thetis; laat over aan -den zwakkeren wind waar hij henen drijft je omwingerde schepen, want lieflijke zijn -àlle mijn eilanden, en voorkeur kan ik niet noemen … -</p> -<p>En blijde Dionyzos te hebben gezien, dreef zij haar zeepaard te duiken terug, naar -de koralen paleizen. -</p> -<p>—Dàn laat sleepen in het water de riemen, o saters, en drijven in den steeds zwakkeren -wind onze vaartuigen, waarheen zij mogen … -</p> -<p>Loom lieten de saters de spanen los, en zij dronken <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>de druif, en sluimerden van middagweelde, en Dionyzos, vertrouwende ook, sluimerde -in. -</p> -<p>Maar Zeus, de reize beschouwende van zijn lievelingszoon Dionyzos, riep tot den windgod -Zefyros: -</p> -<p>—Zuidwestelijke wind, lieflijke zwever, blaas-op je lachende wangen en luw met je -adem nu langzaam, zoo dat het hem nauwelijks store den slaap, langs de druive-omwingerde -schepen van mijn blijden zoon Dionyzos; blaas-op de wangen en blaas-uit nauw merkbare -stuwkracht, zoo dat de druivetriremen drijven zacht weg in de richting van het groenende -eiland, dat ginds aan de kim laurier- en oleanderbosschage geurig doet wemelen met -éen lange streep van lokkende schaduw … Zuidwestelijke wind, lieflijke zwever, stuw,—maar -Dionyzos onmerkbaar latend het noodlot, dat ik voltrek—de reize mijns zoons naar Naxos, -opdat de omwingerde schepen troost brengen aan wie de zwartzeilige schepen achter -zullen laten in namelooze smart … -</p> -<p>En aanstonds, gehoorzaam, ontwaakte Zefyros, wijd-uit gevleugeld en dreef op zijn -nog loomende vlucht heen naar de zee, waar wèg dobberden Dionyzos’ druivetriremen, -en hij blies, de bolwangige windgod, zacht luwende zoele bries: hij verzamelde met -zijn adem, blazende <span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span>hier en blazende daar, de vaartuigen, wiegelende weg van elkaâr; en zóo zacht, dat -hij noch stoorde Dionyzos’ slaap, noch die der roeiensmoede saters, stuurde hij de -omwingerde vaartuigen in de richting van het groenende eiland … -<span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch11.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">XI.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">—Zusters, o Nereïden, ringt u rond, witte reie rondom het Eiland, dat drijft, oleander-, -laurierbosschage op de nauwelijks schuimig gekamde zee. Thetis ben ik, die u roept! -</p> -<p>—Thetis, roept gij mij op uit de golven? Zeg mij, waarom klonk tot de diepte uw stem -mij toe, wekkende mij uit watergewiegelde rust? Ik ben het zelve, Wiegeling-der-Zee, -die u vraagt … -</p> -<p>—Zusters, o Nereïden, àl reikt mij de hand Wiegeling-der-Zee: duikt op uit de al schemerig -getinte wateren! Thetis ben ik, die u roept … -</p> -<p>—Wiegeling-der-Zee, ik, en Thetis, zijn wij het beiden, die roepen: duikt op! -</p> -<p>—Thetis en Wiegeling-der-Zee, roept ge mij op uit de golven? Zeg mij, waarom klonk -tot de verre verte uw stem mij toe, mij, Blauwte-der-Zee, die nu aanzwemt …? -<span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span></p> -<p>—Zusters, o Nereïden, Wiegeling-der-Zee en Blauwte-der-Zee en Thetis reiken elkaâr -al de handen …: duikt op, en zwemt aan van verre en ringt u rond, witte reie, rondom -het Eiland … -</p> -<p>—Thetis en Wiegeling-der-Zee, en Blauwte-der-Zee, wat roept gij mij aan te snellen, -mij, Heffende-Golfslag-bij-rijzenden-vloed … -</p> -<p>—Zusters, o Nereïden, al reiken de hand wij elkaâr, Wiegeling-der-Zee, en Blauwte-der-Zee -en krachtig Heffende-Golfslag-bij-rijzenden-vloed en Thetis … Andere zusters, duikt -op, en reit om het Eiland de ronde! -</p> -<p>—O, Golfslag-bij-rijzenden-vloed, o Blauwte-der-Zee, Wiegeling-der-Zee, o Thetis, -wat roept gij mij toch, mij loome, deinende Ebbe-der-mattere-wateren … -</p> -<p>—Kom vlugger, o loome Ebbe-der-mattere-wateren … -</p> -<p>—Hier bied ik u mijn handen twee … -</p> -<p>—Zusters, o Nereïden, hoort! Ik, Loome-Ebbe-der-mattere-wateren, ik, Heffende-Golfslag-bij-rijzenden-vloed, -ik Blauwte-der-Zee, ik, Wiegeling-der-Zee, ik Thetis … wij roepen u op, ringt nu rondom -het Eiland de ronde wit … -</p> -<p>—O, Nereïden, o, Zusters, wat roept gij ons allen nu op …? Wij duiken op en zwemmen -<span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>aan, wij allen op uw aller roep …: ik, Rozige-Kus-van-Eos; ik, Gouden-geschubde-van-Helios; -ik, Selene-zilvergetinte; ik, Stormende-Booze; ik, Vereffenende; ik, Wachtster-aan-de-Oostelijke—; -ik Wachtster-aan-de-Westelijke Poort … -</p> -<p>—O, Nereïden, o Zusters, ik zilverblanke Amfitrite, gemalin Poseidoons, Nereïde als -gij allen, vorstelijke dochter van Nereus, wat roept gij mij op, in uw dansende reie? -</p> -<p>—Zilverblanke vorstinne der wateren, ik, Thetis ben het, die u roept … -</p> -<p>—Ook ik, Wiegeling-der-Zee! -</p> -<p>—En wij allen, Heffende-Golfslag … en Deinende-Ebbe … Rozige-Kus-van-Eos … Helios-schubbe … -en Manezilveren … Stormende Booze, Effenende … wij beiden: Portiersters-der-Kimmen … -</p> -<p>—Kom in ons midden, zilverblanke gemalin Poseidoons … spring af van uw zeepaard … -</p> -<p>—Hier ben ik en dans gaarne met u in den komenden nacht de heel witte reie … -</p> -<p>—Thetis, roepen wij de tritonen niet hier, opdat zij de geluidruischende schulpen -blazen? -</p> -<p>—Zusters, neen, roepen wij de tritonen niet hier; te schel zijn de geluidruischende -schulpen, want op het Eiland rust Eéne, die slaapt, en niet mogen wij het zijn, die -haar wekken uit <span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>nog onwetenden sluimer … Laat ons elkaâr ook met halve stemmen toeroepen, nu wij de -groote reie uitslingeren rondom het Eiland. -</p> -<p>—Wiegeling-der-Zee, ik, laat ik ze nauwelijks wiegelen. -</p> -<p>—Blauwte-der-Zee, demp ik mijn azuur. -</p> -<p>—Golfslag ik, leg ik mij glad, en mijn groene haren drijven wijd-uit … -</p> -<p>—Ik, Ebbe, lig in uw armen, o Golfslag … en mijne groene haren mengen zich met de -uwen … -</p> -<p>—Zusters, o Nereïden … nu schakelen wij ons om het Eiland … Hand aan hand, hand aan -hand, rijzende tot de knie uit het water op … Zie, ik, Thetis, heb zilveren voeten … -Zie, als ik dans, glanzen zij … -</p> -<p>—Ik ben rozig van Eos nog. -</p> -<p>—Ik, Helios-schubbe, om niet fèl te schitteren, zal verbleeken mijn gouden gloed doen. -</p> -<p>—Ik, zeg Thetis, Selene-zilvergetinte, màg wel opglanzen … langzamerhand? -</p> -<p>—Gij, stormende Booze, danst te woest … Portiersters, zijn de poorten gesloten? -</p> -<p>—Ja, o vorstelijke Amfitrite … wij sloten de oostelijke en westelijke poort van de -zeekim en verborgen de sleutels … -</p> -<p>—Nu leid ik, Thetis, de ronde … Hooger de armen, en lager! Luchtige zwiering, blankende -<span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span>reie rondom het Eiland: hooger de armen en lager! Den zilveren voet uit het water -en verder met dansenden tred! Hooger de armen en lager! Mistige sluiers, wemelt en -nevelt rondom ons heen, voor zoo ver bijna ingesluimerde Zefyros je nog speelsch weet -omhoog te blazen. Hooger de armen en lager! Rondom het Eiland, langzaam. -</p> -<p>—Thetis, wie is het, die sluimert den zee- en luchtglorieënden nacht in, tusschen -de zwaar geurende oleanders? -</p> -<p>—Hooger de armen en lager … Haar, die er sluimert, verliet de trouwelooze schipper -der zwarte zeilen … Stil, stoor haar rust niet … Morgen, helaas, zal zij weten. Hooger -de armen en lager … -</p> -<p>—De schipper der zwarte zeilen, die ginds schaduwen als donkere wolken? -</p> -<p>—De schipper dier zwarte zeilen daarginds. Hooger de armen en lager! Laat haar niet -weten vóór dat zij moet. -</p> -<p>—Is smart aan de slaapster voorbereid? -</p> -<p>—Hooger de armen en lager! Zeker, zal smart haar treffen. -</p> -<p>—En troost zal haar sprenkelen wie? -</p> -<p>—Zuster, dwing <span class="asc">MIJ</span> niet het Noodlot te weten. Schuilt het in mijn mistigen sluier <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>soms …? Ik weet niet het Noodlot der slaapster: ik dàns alleen: hooger de armen en -lager … -</p> -<p>—Thetis, mogen de slaapster wij zien? -</p> -<p>—Staken wij dàn even den dans. Vorstelijke Amfitrite, wilt ge de slaapster zien? Nader -dan zacht … Nereïden, o Zusters, stapt geruischloos de wateren uit … Hier, glijden -wij langs de laurieren … Zoo, omringen wij haar zode-sponde … Zij slaapt! -</p> -<p>—Thetis … -</p> -<p>—Demp nog meer uw stem … -</p> -<p>—Thetis … is zij Afrodite … -</p> -<p>—Neen …! -</p> -<p>—Ja, Thetis, zij is Afrodite … die sluimerde-in te Naxos … en wat geeft zij om schippers -van zwarte zeilen? -</p> -<p>—Neen, zuster, zij is niet Afrodite. -</p> -<p>—Zij is Afrodite, zij is Afrodite … Amfitrite, is zij niet Afrodite? -</p> -<p>—Neen zuster, zij is niet Afrodite. -</p> -<p>—Wie is zij …? -</p> -<p>—Wie is zij dan? -</p> -<p>—Wie is zij dan, zoo blank? Zie, hoe schoon zij er ligt, de sluimerende vrouw … In -zilveren lijnen teekent zich haar blanke lijf … -</p> -<p>—Op het donkerende groen van de zode … -<span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span></p> -<p>—Hare naaktheid is éen zilveren glans! -</p> -<p>—Haar glimlach is éen glorie! -</p> -<p>—Zij droomt van den schipper, dien zij bemint … -</p> -<p>—Van den schipper der zwarte zeilen? -</p> -<p>—Zij glimlacht van liefde gelukkig! -</p> -<p>—Maar weet niet de smart, die haar wacht! -</p> -<p>—O, Eros, hoe zal zij ontwaken! -</p> -<p>—Zuster stil, dempt uwe stemmen … Hare naaktheid is éen zilveren glans. -</p> -<p>—Hare glimlach is éen glorie! -</p> -<p>—Hare haren in maneschijn zijn als goudene schijn … -</p> -<p>—Zij ligt zilver in hare goudene haren! -</p> -<p>—Hare armen buigen zwanehalsslank om haar hoofd! -</p> -<p>—Haar lijf is een urne van zaligheid! -</p> -<p>—Wiegelen hare borsten niet als blanke golven! -</p> -<p>—Is haar schoot niet een weeldegeheim? -</p> -<p>—Hare beenen strengelen weg, zich verslankend … -</p> -<p>—Naar twee voeten, lelies gestrengeld in éen. -</p> -<p>—Zoo hare oogscheelen zij opsloeg? -</p> -<p>—Sterren zouden plots flonkeren onder donkeren boog. -<span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span></p> -<p>—Maar haar lippen zijn een koràlen boog! -</p> -<p>—Is zij dan niet Afrodite? -</p> -<p>—Ja, zuster, zij is Afrodite! -</p> -<p>—Neen, zuster, zij is het niet. -</p> -<p>—Vorstelijke <span class="corr" id="xd31e1864" title="Bron: Amfritite">Amfitrite</span>… is nòg schooner de goudene Afrodite? -</p> -<p>—Ja zuster, die is nòg schooner … -</p> -<p>—Toch is de slaapster zóo schoon! -</p> -<p>—Wentelt de nacht al om? -</p> -<p>—Hare naaktheid is éen zilveren glans! -</p> -<p>—Hare glimlach is éen glorie! -</p> -<p>—Zusters, ik, Thetis, leid u terug … Portierster-der-Oostelijke-Kimpoort, hoort gij -niet Eos al roepen? -</p> -<p>—Ik ga, zuster … -</p> -<p>—Glijden wij zacht langs de laurieren … Dempt nog uw tred en uw stem. Het <span class="asc">IS</span> niet aan ons haar te wekken. Noodlot zelve wekke haar dra … -</p> -<p>—Helaas …! -</p> -<p>—Ver van haar zal zijn die schipper der zwarte zeilen! -</p> -<p>—Helaas …! -</p> -<p>—Blauwte-der-Zee ik … Wiegeling-der-Zee ik, Thetis … zwem ik … duik ik terug. -</p> -<p>—Zusters vaarwel; vorstelijke Amfitrite, vaarwel … De oostelijke kimpoort is al geopend. -<span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span></p> -<p>—Dáar is roosvingerige Eos! -</p> -<p>—Verijlen onze mistige sluiers …! -</p> -<p>—Zichtbaar zijn nog de zeilen … -</p> -<p>—Zusters, vaarwel! -</p> -<p>—Helaas, de heerlijke slaapster! -</p> -<p>—Is zij dan <span class="asc">NIET</span> Afrodite? -</p> -<p>—Neen zuster, dàt is zij niet! -</p> -<p>—Helaas! -</p> -<p>—Daar is Eos … -</p> -<p>—Helaas … De heerlijke Slaapster!! -<span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch12.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">XII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Nauwelijks waren langs de laurieren en geurende oleanders weggegleden de nieuwsgierige -Nereïden, of Ariadne sloeg de oogen op. De eerste glanzingen van den nieuwen morgen -parelden aan den oostelijken hemel en de ontslotene poort schitterde van breede kieren -goud. De dauw over bladeren en bloemen baadde in kristallige frischte Naxos en geheel -het eiland ontwaakte: boomen en struiken ontwaakten, vogelen ontwaakten en Ariadne -ontwaakte. Eene der Nereïden, die haar vochtigen sluier vergeten had aan het strand, -trok ongemerkt, met alleen hand en arm uit het water, dien tot zich terug in de diepte … -Ariadne bemerkte het niet. Zij had de oogen opengeslagen maar zich verder nog niet -bewogen, en zij lag roerloos, zilverglanzende wit, de beide armen zwanehalsslank om -het hoofd, in den oplichtenden glans der haren. Haar glimlach was één glorie, maar -gloriën waren <span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span>ook hare nu opengeslagen oogen. Zij waren als lichtende chrysoprazen, groen van de -kleur eener zee, waaronder diepgouden zand zich zoû strekken: door den lichtenden -glans korrelde diepte van heel fijn zand, goud. Het gaf aan haar blik een weemoed -en verlangen, een mysterie en een droom. Nu glimlachte zij, maar hare oogen weemoedigden -en verlangden en uit hen droomde het mysterie, hoog weg naar de hooge hemelen, die -boven haar rozigden van morgenlucht tusschen het prieel van laurier, oleander. -</p> -<p>Heel langzaam hief een arm zij hooger, loom, en liet dien vallen langs hare welvende -heup, de hand schaduwende over hare vrouwelijkheid, als was zij verlegen voor de komende -zon. Maar verder bleef roerloos zij op hare mollige zode-sponde liggen, liggen als -een vrouw van liefde. In de herinnering der liefde donkerden hare <span class="corr" id="xd31e1913" title="Bron: chrysoprazen-oogen">chrysopraze-oogen</span> onder kwijnend neêrvallende krulling der pinkers en hare glimlach stierf weg in smachting -langs iets van smartelijkheid om haar mond. -</p> -<p>Zij droomde, zij droomde na … Het bleef om haar heen stil, geluidloos, nauwelijks -wat wind in twijgen, of vogelgetjilp tusschen bloemen. Twee kapellen fladderden langs -haar om en hare <span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span>droomerige oogen volgden ze, lachende weêr. Nu echter hoorde zij de stilte en ze verbaasde -haar lichtjes, omdat de stilte wel scheen volkomen. Zij riep: -</p> -<p>—Thezeus! -</p> -<p>Geene stem antwoordde haar, alleen tjilpten de vogelen hooger. Nu richtte zij even -zich op, en de zilveren lijnen, die hare naaktheid trokken, verbroken geheel na haar -eerste ontwaken: hare welvende heup parelmoêrde in het vochtige morgenlicht, en daar -zij het hoofd hief, blondde er schaduw over haar boezem en schoot, maar hare voeten -schitterden op. -</p> -<p>—Thezeus?? riep zij nog eens en haar roep vraagde. -</p> -<p>Geen stem antwoordde haar, alleen tjilpten scheller de vogelen. -</p> -<p>Toen wendde zij een weinig zich om en strekte zich op het andere been. Zij glimlachte -zacht en murmelde: -</p> -<p>—Hij antwoordt mij niet …! Vroeg is hij zeker ontwaakt vóór nog de violette nacht -verwelkte en verliet hij heel zacht mijn zijde, zich los windende uit mijn verliefden -arm. Hij rees op, uitgerust, en hij heeft even naar mijn sluimeren getuurd, en toen -is hij gegaan, zacht dempende den tred van zijn heldenvoet door <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>het lagere hout naar het strand toe, en hij heeft er in de nog nachtelijke koelte -gebaad zijn heerlijke leden! Het water heeft hem omhelsd overal en overal, zoo als -ik hem zelve omhelsde en naijverig zoû ik van de zee zijn, zoo ik niet wist, dat <span class="asc">MIJ</span> Thezeus eindelijk minde. Thezeus …!? Hij antwoordt mij niet … Denkende mij nog in -sluimering, rust hij uit in het zand en ziet hij uit naar de rijzende zon. Dit is -de nieuwe dag! Dit is de nieuwe morgen! Straks hergaan wij aan boord en zullen de -zwarte zeilen zwellen en zal richten de vloot van mijn held koers naar het schitterend -Athene! Dit is de nieuwe dag! Dit is de nieuwe morgen! O, niet vergeten zal ik Thezeus, -mijn held, te herinneren, zoodra in zee, wisselen te doen de somber zwarte zeilen, -onder wier schaduw ik zelfs huiverde in de armen van hem, dien ik liefheb—voor de -heldere blanke zeilen, die aan zijn vader Aigeus, ginds, spiedende uit naar den zoon, -zullen kondigen de blijde komst van den held, van Athene’s held, van mijn held! Held, -mijn held, liefde van mijn lippen en van mijn armen, lust van mijn lust en wellust, -o, van mijn wellust, ik strek mijn armen naar je uit … Thezeus …? Hij antwoordt niet … -Hij dwaalt gewis met de dappere gezellen <span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span>langs de boorden van Naxos, zoekend de veilige richting vóor de vaart over de altijd -vreesverwekkende zee! O, de sombere zwarte zeilen! Hoe ik, durende de vaart, voelde -zwart voorgevoel zinken neêr op mijn ziel langs hun sombere flappering af! Vleugels -van onheilvogels! O, zwarte zeilen, weldra verwisselt u Thezeus voor blijde heldere -en blanke zeilen! Waar of hij toeven mag met de gezellen … Stil rondom mij heen parelt -de morgen! Hoe stil! Hoe eenzaam voel ik mij hier in dit oleander- en laurierprieel, -dat de vogelen alleen bezielen. Hoe stil! Thezeus …!? Hij antwoordt mij niet! Laat -ik, nu hij nog afwezig is, mij baden in de spoelende zee … Eiland van heerlijkheid! -O, nacht van geluk, dat mij doorvloeide in je schaduw, o laurieren! O, blijde mossige -sponde, waar ik gloeide onder zijn liefde! -</p> -<p>Zij stond op en hare beweging was een glanzen van blanke en van zilveren lijnen, en -langzaam liep, langs de heesters hoog, zij naar de zee, die al blauw zich strekte. -En zij rekte naar de zee haar armen. -</p> -<p>—O, Zee, waarover mij voer in zijn schip de held weg van mijn land, o Zee! O, zalige -zee, die wiegelde mijn eerste geluk, hoe zegent mijn dankbaarheid je, zee! Poseidoon, -hater <span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span>van mijn geslacht, o heb dank, dat geen stormen bliezen in de al zoo sombere zwarte -zeilen! Eerste angst van de vlucht, o angst op de altijd vreesverwekkende zee, in -de armen van mijn held! O, mijn maagdelijke angst! O, angsten … herinneringen, hoe -ver zijt ge al terug geweken uit Ariadne’s leven! O angsten … herinneringen, hoe komt -gij plots zoo terug? Is het omdat eenzaam dit morgenuur is, en mijn held toeft, ik -weet niet waar? Hij kwam, hij kwam somber en heerlijk, hij kwam als een sombere en -heerlijke god; zijn zwarte zeilen zwollen aan van de verte, en een razende stormwind -bolde hen vol, en flapperde en … hij kwam: hij landde als een overwinnaar en niet -als een offerling, maar hij landde somber en fronsend en heerlijk toch, in de rouwschaduw -van zijn zeilen. Hij landde: zij waren zeven, sombere jongelingen, en tusschen hen -gingen weenend zeven teedere maagden, zij allen offerlingen aan mijn vreeselijken -halfbroêr! Kreta, Kreta, hoe heb ik van mijn teêrste jeugd af hooren vreesverwekkend -brullen over u uit, domp uit ondoordringbaar geheim van Daedalos’ Labyrinth, het Geloei, -het vreesverwekkend Geloei! O, herinneringen, o herinneringen, wat bestormt gij mij -zoo vreemd in dezen pareligen <span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span>morgen!? Geloei, vreesverwekkend Geloei, ik heb het àltijd gehoord! Nòg huivert het -in mijn ooren! Ik groeide, kind, onder den donder van het Geloei! Ik bloeide, maagd, -in de verschrikking van het Geloei! Somber beheerschte het Kreta, als de stem van -het Noodlot zelve! Pazifaë, ongelukkige moeder, wat verdwaalden uw geest, uw zinnen -tot ontzettende liefdebegeerte! Afrodite, waarom àltijd die wraakzucht over mijn ongelukkig -geslacht!? Over mijn ongelukkige moeder …? Wreede schakeling der Noodlottigheden! -Minos, mijn vorstelijke vader, gij badt Poseidoon om een wonder, ten einde uw koningsrecht -te bewijzen … de heerlijke Stier rees op uit de golven, blank in zijn mannelijke pracht -van goddelijk Beest, schoon als een wilde verrukking razende, rennende over Kreta -met de ongebreideldheid van een edelen held. O Minos, mijn vorstelijke vader, zóo -heerlijk scheen u de Stier, dat ge hem <span class="asc">NIET</span> offerde aan Poseidoon, maar hem liet weligen onder uwe runderen, opdat hij de vorstelijke -kudde veredelen zoû! Toorn van Poseidoon, en o eeuwigen wraakzucht der Onverzoenlijke! -Afrodite, zult ge nooit het geslacht van Helios dan vergeven? Zult ge nooit vergeven -aan het geslacht van den Vèrziener, <span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span>dat hij u zag in Ares’ armen, en het verried aan den kreupelen gemaal, die u beiden, -slapend in liefde, ving ik zijn kunstig net? Afrodite, heb ook <span class="asc">IK</span> van u te vreezen? Rilling loopt mij de leden over, nu ik vrees voor u, Onverzoenlijke! -Waarom al die angst, al deze herinnering op dezen pareligen morgen? Thezeus …?! Waar -is hij? Waar toeft hij …? O, hij kwam als een held, hij landde als een held, en hij -was een offerling als zij allen … Ik zag hem! Afrodite, gij bezielt ons allen! Gij -bezielde mijn ongelukkige moeder vreeslijk!! Zij zag den Stier, als ik Thezeus zag! -Zij … zij … beminde den Stier! O, zij beminde het goddelijke Beest! Zij rekte, verliefd, -naar hem de armen uit, maar hij zag haar niet, en dartelde tusschen de runderen! O, -haar ijverzucht op die vorstelijke kudde! Zij zag den Stier als ik Thezeus zag! Zij -beminde den Stier …! Het gelukte haar, zich hem om den breeden hals te werpen en hij -rende razende met haar voort: zij hing aan zijn hals! Haar heete zoenen brandden op -zijn muil! Zijn dolle oogen van goud bliksemden, want hij begreep niet en wierp haar -van zich …! O, mijn ongelukkige moeder! O, Onverzoenlijke, Onverzoenlijke! Gewond -lag zij neêr in de weide, bloedend sleepte zij zich <span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span>naar het paleis. Hare maagden wieschen haar, en zij steunde, meer van verlangen dan -van pijn … Zij zag den Stier, als ik Thezeus zag! Zij beminde, beminde den Stier! -Zij liep rond het paleis, handenwringende, zij dwaalde in den nacht, klagende. Zij -juichte, zij snikte, en zij liep, en zij dwaalde, zij wist niet wat, waarheen, en -waarom … Daedalos kwam haar te hulp! Daedalos herschiep haar in de Koe! O, het wonderwerk -van menschenhand, vrouwelijk edel de koevorm als mannelijk goddelijk de Stier blank -zelve was: Daedalos herschiep haar in de prachtige Koe! Zij loeide verliefd den Stier -tegen! Goden, de Stier begreep! Afrodite, hij beminde haar! Onverzoenlijke, zijt gij -nooit verzoend! O, zal uw wraak mij eenmaal óok treffen!? Hoe heb ik gehuiverd in -de schaduw der sombere zeilen! Helaas, mijn ongelukkige moeder! Al mijn herinneren, -dezen blijden morgen, smartelijkt om <span class="asc">U</span> rond! Waarom?! Thezeus …!! Waar toeft hij …! Hij kwam, hij landde als een overwinnaar … -en toch, toen hij over Kreta hoorde dof donderen het onderlabyrinthsche Geloei, vreeswekkend … -toen verbleekte hij! Ik zag hem verbleeken! O, ik zag hem! Ik had hem lief! Mijn hart -klopte onstuimig! Maagd, bloosde ik, en verlangde <span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span>ik! Afrodite, ik voelde u over mij, in mij: het was of gij mij toefluisterde: werp -u aan zijn hals, als Pazifaë zich wierp om den blank plooienden stierennek! Onverzoenlijke, -Ariadne beheerschte zich … maar zij vluchtte van daar! Het Geloei donderde … de Noodlotsstem -van mijn halfbroeder, het Monster! Hij wachtte in het Labyrinth, dat Daedalos hem -gebouwd had. Het Monster! O, mijn ongelukkige moeder: het Monster, haar vreeslijke -zoon! De zoon van den Stier!! Het Monster! In zijn geloei ben ik gegroeid en gebloeid! -Het Monster! Eéns heb ik hem gezien: smartelijke nieuwsgierigheid drong mij en ik -volgde het smalle vaartuig, dat de veertien offerlingen,—Athene’s schatting—bracht -tot den Minotauros. Hij loeide! Hij hoorde de riemen klapperen in de zwarte wateren. -Mijn voedster en ik volgden in kleine boot … Nieuwsgierigheid dreef mij … Het Monster! -O, verschrikking, o afschuw, o afschuw! Op het smalle vaartuig, bloemenomkranst, stonden -bleek de zeven jongelingen, bloemenomkranst … Zij bewogen niet, maar stil in zich -beweenden zij hun jonge leven. Maar de maagden, de zeven maagden! Zij weenden, zij -snikten … o zij stierven alreê van afschuw … Het Monster! Eene lag er half over boord, -in zwijm, als een <span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span>bloem geknakt … het hoofd voorover … Heure haren sleepten … de bloemen vielen er uit … -De roeiers beiden, bleek, bewogen de spanen traag. Maar het Monster … het Monster -loeide … Ik was bang, ik wilde terug … en toch, toch wilde ik hèm zien! En ik zàg -hem: hij wachtte af!! O Monster, o Monster, o afschuw …! Broêr, halfbroêr, zoon van -den Stier, zoon van Pazifaë, kleinzoon, kleinzoon van Helios!!! Afrodite, o Onverzoenlijke! -Ik zag hem: hij lag half, zijn harige manneleden waren een afschuw van monsterlijkheid: -manneleden waren zij dierlijk: een dierlijke borst breed, harig; dierlijke dijen, -dierlijke beenen, en voeten dierlijk, en hij lag half en zat half, en zijn stieregezicht -was menschelijk, was vreeselijk menschelijk: het was of hij loeiende spreken zoû gaan, -zijn oogen zagen als menschenoogen: hij had den blik van Pazifaë!!! O afschuw, o afschuw, -hij wachtte af … Toen viel ik bezwijmd in de boot terug, in de armen van voedster: -de roeier roeide terug … Ik had mijn halfbroêr gezien! Ik hoorde niet meer het geloei -en de schreeuwende kreten der slachtoffers! Kreta, Kreta, toen ik ontwaakte, toèn, -hoòrde ik beide, loeien en schreeuwen, gulzig en radeloos, als een ontzetting van -geluid over u, <span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span>Kreta! O, verschrikkelijk Eiland! Wat komen àl deze herinneringen terug op dit gelukzalige -Eiland …? Is het omdat ik alleen ben? Zoo eenzaam is de morgen … De vogels tjilpen -niet meer … Thezeus …!? Hij toeft te lang … Ik zag hem, ik zag hem landen … Ik herinnerde -mij wat ik gezien had, den laatsten keer des vreeslijken offers … Ik snikte omdat -hij zich offeren zoû, te midden der offerlingen. Ik was van daar gevlucht,… maar ik -kwam weêr, waar hij stond voor mijn vader. En ik hoorde hem zeggen: „Vorst,… vergun … -dat ik den Bastaard dood! Opdat ik er u van bevrijde en mijn land bevrij van de schatting … -Vorst, vergun, dat ik den Bastaard dood!” Onverzoenlijke, Ariadne beheerschte zich -niet … Ik wierp mij aan Thezeus’ voeten … Ik smeekte hem van neen, bang voor hèm … -Men sleepte mij weg … Mijn vader weigerde … Hij haatte Athene … hij wilde den Bastaard, -hij wilde het Monster, hij wilde de Schatting, afschuwelijk … Toen was het de voornacht -des Offers … O, nacht, o nacht, nacht van liefde! Maagd ging ik tot hem, voedster -leidde mij, en ik zeide: „Held van Athene … Ariadne heeft je lief, o held …” Hij greep -mij in zijn armen … O, hij was wreed, maar hij beminde mij! O, hij wreekte zijn land -<span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span>op mij, hij wreekte Athene op mij, hij wreekte zich op Minos in mij! Maar hij beminde -mij, hij beminde mij: ik zwom weg in het zalig geluk, hoe wreed het ook was! O, Onverzoenlijke, -ben ik het liefdekind van mijn liefdemoeder? Wat doet ge in mijn aderen vloeien? Is -het bloed of is het vuur? Is het krankzinnigheid of niets dan liefdebegeeren! Thezeus -was wreed en ik had hem lief …! Nu … o nu is hij niet wreed meer of mijn Held verteederde -in zijn geweldige kracht!… Voornacht des offers …! Hij vroeg mij, na zijn liefdewraak, -zijn Athene-wreken op mij: „Ariadne, weet je waar zich groeft het Labyrinth, en weet -je de duistere gangen en grachten?”—Ik toonde hem de altijd opene Poort, Muil van -het Geloei van Kreta! „Weet je de duistere gangen en grachten …?” Maar ik dorst hem -niet leiden, neen! Had ik mijn broer niet gezien, ik had Thezeus geleid! Nu, nu gaf -ik het kluwen hem! Ik had, bal, in mijn schoot, nog van liefde trillende, het kluwen, -en voedster moest den draad vademen uit … „Voedster, vlug, vlug, wind-op met mij den -eindeloozen draad …” Thezeus nam het kluwen … Wij bonden den draad aan de Poort vast … -Ik wachtte aan de vreeslijke Poort … Ik leunde er tegen, in zwijm half om mijn angsten … -Ik <span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span>hoorde uit naar het Geloei, dat loeide altijd …! Het Monster had honger: het loeide!! -O, mijne angsten, mijne angsten dien nacht! Ik zag naar den draad of hij strak bleef, -getrokken! Soms viel de draad slapper … dan strekte hij weêr … Hoe lange bleef ik -zoo wachten? Daar hoor ik terug zijn stap …: hij nadert, hij nadert, o blijdschap! -Hij nadert, hij nadert … ik zie hem: ontzetting, ontzetting! In zijn eene vuist torst -bij de kruin hij den Stierenkop van mijn halfbroeder, monsterlijk, kleinzoon van Helios! -Ik slaakte éen kreet … viel in zwijm! Ik ontwaakte in zijn armen. „Vaarwel Ariadne!” -„Vaarwel? Waarom?” „Ik ga, ik vlucht. De zwartzeilige schepen wachten ons, jongelingen -zeven en maagden zeven, en wij vlieden, wij vlieden terug naar mijn land bevrijd!” -„O Thezeus, neem mij meê, neem mij meê …!” Ik sleepte mij hem achterna, hij glimlachte, -hij glimlachte eindelijk! Hij had mij lief! Hij was niet wreed meer, al was hij ontzaglijk! -Hij had mij lief! Hij nam mij meê! Wij vloden van dáar! Ik verliet Kreta, o het sombere -Eiland! Wij landden aan het gezegende Eiland! Goden, waarom ben ik alleen? Waar is -Thezeus, waar zijn de jongelingen, waar zijn de zeven maagden! Thezeus …!? Hij antwoordt -mij niet! O, <span class="asc">NU</span> zal hij dadelijk komen! <span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>Nu zullen zij dadelijk komen. Te lang toefde hij al! Wat zoeken zij over het Eiland? -Nu treed ik de zee in … Zee, omhels mijn leden, zoo als ge Thezeus hebt omhelsd … -Zee, wat zijt ge eenzaam! Waar zijn de schepen met zwarte zeilen? De Zee is blauw, -de lucht is blauw, éen blauwe eenzaamheid! Thezeus!? Thezeus!! Hij antwoordt mij niet … -Waar zijn de schepen … Zij voeren het Eiland om … Waarom? Thezeus … Nu zoek ik hem … -Nu zoek ik hen allen … Nu zoek ik de schepen der zwarte zeilen … Daar zijn ze!! Wat -zie ik? Vergis ik mij? Betoovert mij de angst en de eenzaamheid! Waarom looveren de -schepen uit met dicht en vreemd gebladerte? Waarom streek Thezeus de zwarte zeilen -al neêr? Thezeus! Hij antwoordt niet …! Is het versiering voor vreugdevaart? Is het -verrassing mij voorbereid … O, angst huivert over mij, rillende … Waarom ben ik geheel -alleen? Makkers, gezellen! Maagden! Thezeus!!! Niemand antwoordt! Waar ben ik …? Wat -gebeurt er …? Omvaart mij krankzinnigheid? Maagden! Makkers! Thezeus, o Thezeus, Thezeus …! -Waarom looveren de schepen zoo vreemd … Wat bloeien zij van trossen ooft ongekend … -Ik weet niet, ik droom, ik ben gek, angst maakt mij gek …! Oh …! <span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>Oh …!! Wat zie ik … Daar! Dáar!! <span class="sc">Vlieden … de schepen der zwarte zeilen in zee …!</span> Aan den horizon … Wat zie ik? Wat zeg ik … Wat roep ik toch … Waar ben ik … Is dit -Naxos? Zijn dat de schepen der zwarte zeilen? Ben ik Ariadne? Thezeus!! Hij antwoordt -niet … Hij is dáar … Te ver … Makkers! Maagden! Zij antwoorden niet … Zij zijn daar! -Te ver! O waarom …? Hij verliet mij! Waarom verliet hij mij …? Hij komt terug!! Ik -zie het …: hij komt terug …!! Ik zie … de zwarte zeilen zwellen: hij komt terug … -O mijn angsten stillen zich … Zij voeren weg …: waarom? Ter verkenning der zilte wateren … -Nu, nu komen zij mij halen … Zie, zij naderen … Neen!! Ik bedrieg mij! Zij naderen -niet! Zij verwijderen zich! Zij verlaten mij! Goden, waarom …? Wat heb ik gedaan …? -Waar is mijn sluier …? Hier! Ik wenk hem …: Thezeus! Ik wuif hem: Thezeus! Hij ziet? -Hij ziet mij wuiven …? Hij komt terug … O ja, hij komt terug … Mijn angsten stillen -zich … Neen!! Ik bedrieg mij! Zij naderen niet … Zij verwijderen zich verder … verder … -In het verschiet verbleeken de zwarte zeilen … Nu zijn zij niet meer dan éven een -schim … een schaduw … Zij zijn weg … Oh … Oh …! Waar ben ik? <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>Wie ben ik? Is dit Naxos? Droom ik? Ben ik gek? Thezeus …! Hij antwoordt niet … Maar -ik, ik hoor het Geloei …! Nachtmerrie … nachtmerrie des blinkenden dags … Hoor! Over -het Eiland davert het vreesverwekkend Geloei! Mijn halfbroeder, kleinzoon van Helios! -Zijt ge niet dood? Hieuw Thezeus u niet den stierennek af? Neen! Hij leeft, hij brult, -hij loeit …! O, het Geloei … het Geloei over het Eiland … Het vervloekte Eiland … -Is dit Kreta? Bestaat Naxos? Was Naxos een droom … Ben ik alleen? Ben ik …—Thezeus!! -O, hij antwoordt mij niet … Hij is ver … hij is daar …! Er is niets … Niets meer dan -de zee … Wijd, o wijd de zee, en de eenzaamheid wijd … Op Kreta is Ariadne alleen -en wijde eenzaamheid spookt dageklaar om haar rond … Ik droomde …: een held kwam aan, -hij landde somber en fronsend, geen offerling, maar een overwinnaar … „Voedster … -vlug, vlug, wind-op met mij den eindeloozen draad …” O, de Poort, o de Angst, o de -Wachting …! O, de Held, het Labyrinth, en de Stierekop, bloedend zwart uit den hals, -afgehouwen … Ik droomde …: „vluchten wij snel naar de schepen met zwarte zeilen … -Hier Ariadne, zijn om je heen jonge gezellen en maagden, <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>geredde offerlingen, die juichen … Hier ben ik, Thezeus: ik heb je lief, wees mijn -vrouw, Ariadne! Wiegel op zee en wiegel in mijn armen. Wiegel in mijn armen op zee … -Zie, hier is een Eiland, niet als Kreta vervloekt … maar zalig … omspoeld door schuimende -golven …: ’s nachts, stil, dansen om het Eiland blank en geluideloos de schitterende -Nereïden … Zie, hier zijn heesters in bloei … Zie, hier zijn niets dan bloemen, vogelen, -sterren, zee, zaligheid, liefde, een sponde van mos … Nacht, nacht van liefde, donker! -Sterren, verduistert! Zie, hier is niets dan droom!” Het was droom! Het geluk was -droom. Er was niets: geen vlucht, geen geluk, geen Naxos! Dit is Kreta! Daar loeit -mijn <span class="corr" id="xd31e1982" title="Bron: half broêr">halfbroêr</span>! Ik, ik ben Ariadne, gek! Gek was mijn moeder, Pazifaë, ik ben gek als zij! Ik ben -gek …! Zij beminde den Stier …: ik … een Droom! Zij werd gewond door de Werkelijkheid: -een Schaduw verwondde mij doodelijk … Zij liep rond, handen wringende, ik loop handen -wringend rond … Wij zijn éen bloed! Ik ben het kind van Pazifaë! Onverzoenlijke! Afrodite! -Treft ge mij …? Heb ik lief wat gij wilt …: een Schim? Bestond dat alles niet? Besta -<span class="asc">IK</span>? Ik ben bang … voor de eenzaamheid, voor mijzelve … Ik ben bang … Ik wil weg … Ik -<span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>wil vluchten! Ik snik! Ik wring handen! Thezeus …!! Hij hoort mij niet … Droomde ik -hem, zijn naam, de zwarte zeilen …? Droomde ik de werkelijkheid …? Ik wil weg …! O, -ik wil weg … Ik wil niet meer zijn … Zee, wees genadig …! Spoel mij meê … Zee, wees -zoo kalm niet … Heb erbarmen, zee! Neem mij meê … Spoel mij meê … Verdrink mij! Er -zijn geen zwarte zeilen … Er is geen Thezeus … Ik wil niet meer zijn! Zee, verdrink -mij … O wiegel mij niet zoo zacht, zoo als mij wiegelden eindelijk zijn armen zelve … -Ik wil weg! Ik wil dood! Waar is mijn dood? Waar … waar zijn hooge rotsen? Zijn hier -geen hooge rotsen …? Is dit Kreta …? Neen, dit is de Verlatenheid … Vervloekt eiland -van Verlatenheid! Parelkleurige, zonnige verlatenheid, blauwe zee rondom, blauwe lucht -rondom! Rotsen, rotsen, waar zijt gij … Zijn hier alleen boomen, struiken en bloemen … -Dáar … daar zijn rotsen! Ik beklim ze … hooger … O, nu sta ik hoog … Hoog, sla ik -de armen uit! Dood, ontvang mij! Zee, ontvang mij … Ariadne stort zich in zee en in -dood … Onverzoenlijke, wees tevreden!!! -<span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch13.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">XIII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Hoog opgericht in einde-van-smart zoekende wanhoop, stond op de punt van de rotspiek -in de zonnige blauwte der lucht zilverwit glanzende Ariadne, hare armen hoog, hare -roze borstpunten hoog, het haar goud vloeiende rondom haar heen. En de blik van hare -chryzopraze-oogen zocht even omhoog de zon, of er vizioende voor haar blik, die al -zag den dood: de zonnewagen van heerlijken Helios, harer ongelukkige moeder vader, -mennende het brieschende vierspan, en goddelijkende tot haar toe … -</p> -<p>Toen was zij bereid zich te storten àf van de rots, in de diepe zee onder haar … En -werktuigelijk sloeg den blik zij neêr … Maar zij verbaasde zoo, dat zij den doodsprong -niet deed. En bleef staan. En staarde omlaag. En haar wanhoop vergat éen oogenblik. -</p> -<p>Beneden zich, in zee, zag Ariadne op den <span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span>morgenbries een vloot wiegelen van talrijke schepen, de masten omwingerd, de zeilen -omrankt met vol gebladerte en loof onbekend. Op het strand dansten de blijde schepelingen -in den goudzonnigen, blijden morgen. Het waren nymfen, bezield door een zonderlinge -dronkenschap, die haar cymbels deed slaan en deed zwaaien met pijnappelstokken; ooft -rankte haar om de slapen; pantherhuiden slipten hare leden af. Zij dansten met gebruinde, -bokspootige mannen; er waren ook vrouwen, gehoornd en bokspootig, er waren ook kinderen, -gebruind en bokspootig. Er dansten ook, niet zoo woest en van rythme edeler, blijde, -krachtige jongelingen, heerlijk van welgevormdheid, de oogen guitig en de ooren spits; -en zij dansten met blondere nymfen. Van blanke muilen en ezelen stapten grijsaarden -af, waardig knikkebollend, met dikke magen, in lange, plooiende mantels. Er brulden -panthers en leeuwen, getemd, die de temmers hielden aan sterke lianen en gevlochten -veil, en tusschen het gewarrel van dat leger reed een lynxewagen aan, gemend door -vier bokspootige mannen. Rondom den wagen stuwde een stoet van guitig-oogige, spitsoorige -jongelingen op dartele tamme jonge leeuwen, maar in den wagen stond, en steunde op -zijn staf, <span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span>een god. Een jongeling, de knaapjaren ontwassen, overheerlijk van leden blank, die, -nog vrouwelijk week, zich even spierden: hij stond in een blauwen eigenschijn, hij -stond geheel naakt; zijn lange bronsblonde lokken waren opgeknoopt in een wrong en -omrankt met zijn eigen ooftranken; zijn oogen waren als lachende blauwe violen, en -toch was in geheel zijn glans en zijn blijdschap een weemoedige ernst en een goedheid -groot. Hij was zoo schoon, dat Ariadne verbaasde. Zij had zoo schoon een jongeling -nooit gezien. Dat was niet de gespierde forschheid van vreeslijken Thezeus, en toch -was het schoonheid van een overwinnenden held. Dat was een mengeling van een vrouwelijke -zachtheid en een mannelijken moed, en een blijdschap, bijna kinderlijk, en een weemoed, -bijna overgevoelig, en om dat alles heen de blauwe glorie van goddelijke onoverwinnelijkheid. -Ariadne van de rots zag hem aan en zij vergat, dat zij zich in zee wilde storten. -Zij had ook niet gekund, want de god, tusschen zijn leger dicht omstuwd, zag haar -aan en lachte, en zij had zich in zijn lach moeten storten, om zich tevens te storten -in zee. Zij kòn zich ook niet storten in zee, want zij kon zich niet bewegen: tooverij -en wonder, was uit de splijtende rots een looverende stam ontsproten <span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span>en rankte uit en weligde rondom haar heen en ving haar in stevige boeien. Zij stond -nu gevangen. De ranken boeiden het gebaar harer nog omhoog geslagen wanhopige armen -en zij bleef onbewegelijk, zóo. De god, in zijn wagen, steeds, zag haar aan. En de -dans zijner volgelingen zwierde, woester en woester, de rotsen op. Over àl de rotsen -zwierde de dans, lied klonk, gejuich, hymne den god bezingende en dankende voor een -purper genot, dat hij schonk. Bezield was het eenzame eiland plots met geheel de drukte -dier blijde schepelingen. Op een der rotsen torsten de bokspooten een gouden mengvat -en het schitterde aan tegen het diepe azuur als een groote vonk. Fluiten schalden. -De wilde beesten, vervaarlijk soms, brulden. -</p> -<p>De blijde god, steeds, zag haar aan. Hij glimlachte, maar in zijn glimlach weemoedigde -zulk een medelijden, dat Ariadne, plotseling, begon te weenen. Zij snikte en hare -handen hadden haar gezicht verbergen willen, maar de stevige boeien omrankten haar -in volbladerige gevangenschap. Zij stond als in een kerker van trossen, weenende. -Nymfen echter waren, de rots op, haar genaderd, en zij braken de ranken: omrankt nog -voerden zij haar meê. Zij <span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span>liet zich voeren, weenende. Zij meende, dat zij droomde. Zij meende dit drogbeeld -harer krankzinnigheid. Wankelend van de smart, die zij nu vòl zich herinnerde, liet -zij zich meêvoeren en snikte. De nymfen leidden haar de rotsen af. Zij deden op een -panther haar zitten, en, enkelen haar ondersteunend, leidden anderen het tamme dier -voort. De god wachtte haar af. Nu, uit schaamte, verborg in hare vrije handen zij -hare weenende oogen. -</p> -<p>—Wie gij ook zijt, zeide toen Dionyzos, en mild klonk zijn stem; gij, die u wilde -storten in zee met luiden jammer van wanhoop, klinkende over heel Naxos,—wie gij ook -zijt, gij zijt mijne gevangene, o heerlijke vrouw; de gevangene van Dionyzos! Maar -de vrijheid zij u, zoo ge de vreugde aanvaardt! Zijt gij vorstin van dit eiland, zoo -wil u Dionyzos in vreugde overwinnen. Was dit eiland een eiland van smart, zoo zal -het er van vreugde een zijn! Zie, overal plantten mijn saters den wijnstok, en de -wingerden weligen uit. In korten tijd veroverde ik rijken groot, en ik verwon dit -eiland, in een enkel blikken-der-oogen! Smart leedt gij? Er is geen smart! Er is niets -dan vreugde in den zon-blakerenden morgen en voor de te felle warmte rankt zich, alleen -op den <span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span>wenk van mijn thyrs, een wijnlofpriëel van rots tot rots en loovert een feesttent -over ons uit. Wie gij ook zijt, gij, die u wilde storten in zee met luid jammeren -van wanhoop, ge zijt, o vorstin, mijn gevangene, en ik vraag u: aanvaardt gij de vreugde? -</p> -<p>Zoo sprak de blijde god Dionyzos, en dartel glimlachte hij op zijn lynxewagen staande, -maar de muziek zijner stem was mild van bijna weemoedig medelijden. Terwijl hij de -vreugde aanbood en gebood, deed hij verstaan, dat hij de smart had gezien en gehoord, -en begreep, dat zij wanhopigen kon. Ariadne, van haren panther gestegen, zeide niets: -zij weende, en vouwde de handen, en nu zonk op haar knieën zij neêr. En zij riep, -eindelijk: -</p> -<p>—De vreugde, o god onbekend? De vreugde? Ge wilt, dat Ariadne de vreugde aanvaardt, -de vreugde aanvaardt op Naxos, het eiland, waarop haar begoochelde krankzinnige droom … -krankzinnige droom, die verzwom en verijlde met de allerlaatste schaduw van aan de -kim rouwzwarte zeilen? De vreugde? Maar ik heb haar nooit geweten! Over Kreta regeerde -de frons van mijn vader, over Kreta weêrklonk zielesmart van mijn moeder, Pazifaë, -die den Stier beminde; over Kreta weêrdonderde het Geloei van mijn broeder, <span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>afschuw en vrees wekkend! Ariadne heeft de vreugd nooit gekend! Op Kreta landde sombere -Thezeus: hij kwam als een overwinnaar, maar somber en dreigend en wraakzucht koesterend, -en het eiland dreunde onder zijn tred. Hij kwam, hij kwam: ik zag hem, o ik zag hem, -ik dacht dat hij Ares was! Zwaar overbronsde zijn hoofd de helm; zijn ontzaglijke -vuist omklemde zijn onoverwinlijk zwaard, en in zijn oogen somberde de schaduw van -de zeilen zijner vloot. Ik zag hem, ik zag hem, en ik had hem lief, want nog nooit -had ik een held gezien. De onverzoenlijke Afrodite bezielde mij. Ik vluchtte, ik naderde -weêr, ik viel aan zijn voet en smeekte hem van neen, van neen, om niet den Minotauros -te bekampen … Hij wreekte zijn land op mij, op mijn liefde; zijn liefde was wreed -en ontzaglijk. Maar hoe ik ook slavin zijner lusten was, god mij onbekend, Ariadne -had Thezeus lief … Waar is hij nu … O, hij antwoordde mij niet … Hij is ver … hij -is ver … hij is dáar!! En ge wilt, dat ik de vreugde aanvaard? Maar wat is de vreugd? -Is het huiveren voor vaders frons? Is het weenen met moeder mede? Is het beven bij -het vreesverwekkend Geloei? Is het luisteren naar radeloosheid van offerlingen, door -zijn Honger gulzig verslonden? Is het angstige vlucht <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>met den wreeden Held? Is het hartstocht van Wreedheid zelve? Is het de kreet van pijn -in wreeden wellust? Is het de slavinnesnik in haar verwinnende ompranging? Is het -angstig streelen van Thezeus’ fronsend voorhoofd, en zoeken wegkussen somberen blik -uit zijn oogen? Is het eindelijk zich met droom begoochelen? Vermoeden, dat zich wreedheid -verzacht? Hopen, dat liefde won liefde …? Glimlachend herademen in deze begoocheling, -en zich denken, in glimlach van glorie, geluk? Verrukking der zinnen, en sluimeren -van moêheid? Is het ontwaken en zich verlaten zien? Is het hopen, twijfelen, weifelen, -en radeloos eindelijk <span class="asc">ZEKER</span> zijn, dat Thezeus, mij, Ariadne, verliet …! O god, o Dionyzos, mij onbekend, zoo -vreugde dit alles is, weet Ariadne wat vreugde is, en aanvaardt zij de vreugde, o -god … Maar zoo vreugde iets anders is dan beven en weenen, dan extaze gevoelen in -wreede pijn, en dood verlangen in wanhoop, dan kent Ariadne de vreugde niet, o god -Dionyzos, en hoe wilt ge, dat zij ze aanvaardt dan …? O, ik zie en ik begrijp: wie -niet uw vreugde aanvaardt, verscheuren uw saters en woeste menaden in razernij … Om -mij voel ik ze dringen al … In mijn gelaat zieden hun heete ademen! O, menaden, o -saters, verscheurt <span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span>mij, verscheurt mij! Hebt vreúgde aan Ariadne! Zij, zij aanvaardt de vreugde niet … -</p> -<p>En al wilden zich woeste menaden werpen op de vreugde verweigerende Ariadne, en saters -haar meêsleepen woest, toen Dionyzos de thyrs ophief en hen gebood terug te gaan … -Ernstig stond de god, jongelingslank en zijn violenoogen weemoedigden, en voor zijn -ernstigen blik, zoo nieuw, week heel zijn leger in cirkel terug; aan veil trokken -de faunen de beesten; menaden en saters weken ter zij, Panszonen leidden zijn lynxewagen -weg en onder het wijnlofpriëel bleef de god Dionyzos alleen, met Ariadne, aan zijne -voeten weenende. -</p> -<p>—O god, o Dionyzos! weende zij. Ik zie, gij hebt medelijden! Ik zie, gij zijt niet -wreed als Thezeus was, en niet wreed als de menaden en saters. Maar heb zóo medelijden, -dat uw medelijden wreedheid zij! En geef mij den dood, het einde! O, geef mij het -eindelijke einde! Ariadne vreest geen einde wreed, en vreest geen verschrikkelijken -dood! Dionyzos, laat hen Ariadne verscheuren … „Thezeus, Thezeus!” zal ik in extaze -roepen, en terwijl uw saters mij verkrachten, terwijl uw menaden mij verscheuren, -zal ik, stervende, mij denken, dat het Thezeus is, die wreed is en tòch mij bemint! -O, <span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span>Dionyzos, heb medelijden en geef mij den dood, het Einde! -</p> -<p>Zoo schreeuwde-uit van smart Ariadne, en zij was den god gansch te voet gevallen; -haar lijf snikhief zich in smart in het zand, en hare haren stroomden goud over haar -uit. Maar in plaats van wat zij verlangde en verwachtte—woeste kracht van saters en -razernij woest van menaden … hoorde zij heel zacht gepijp van fluiten. Dat druppelde -op en druppelde neêr met neêrklaterende en opfonteinende gamma’s en was een zacht -sprenkelen van water als dauw, of een zacht ruischen van beekjes, in val en in parelige -stijging … En zij hief verbaasd het hoofd hoog en zag den god Dionyzos aan. Hij stond -onbewegelijk en zag op haar neêr, om zijn lippen een lach, in zijn oog weemoed. En -de fluiten pepen steeds voort, teeder en troostende. Dat waren de faunen, die pepen, -rondom verscholen in laurier-, oleandergeboomte. -</p> -<p>—O god, Dionyzos, wat <span class="asc">IS</span> dat? -</p> -<p>—Dat zijn mijn faunen, die pijpen, rondom verscholen in laurier-, oleandergeboomte! -zei Dionyzos, en zoo week mild was zijn stem als een faunefluit zelve. Mijn faunen -beminnen het fluitspel. Zij spelen altijd. Hunne fluiten zijn <span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span>lang als bazuinen, en ver van den mond zich verwijdend. Maar ook mijn saters fluiten … -Hoor Ariadne, mijn saters fluiten nu … Zij bespelen het fluitje, dat Pan hun uitvond: -van rietjes, drie kort en vier lang: gemakkelijk is dat te bespelen, en blij maar -onkunstig het lied … Hoor, nu slaan koperen slagen er helder tusschen door: dat zijn -de menaden, die cymbels slaan … Te zamen bezielt éen rythme hen, en hun muziek wordt -éen enkele vreugde … Nu zingen de nymfen: Evoë! Heb moed in de vreugde, zingen zij, -zoo als Zeus, mijn vader, mij spoorde in den vreeselijken strijd tegen de draakgebeende -Giganten: heb moed in den krijg, o zoon! Nu klateren zij uit in de hymne; zij bezingen -mij, want zij hebben mij lief … Er is veel woestheid in hen, maar er is ook veel vreugde -in hen, en hunne vreugde tempert hunne woestheid … Zie, Ariadne, zij kennen de vreugde -alléen, en zij kenden nooit de smart … De smart … Ariadne … ook <span class="asc">IK</span>… kende de smart nog nooit … Maar ik <span class="asc">WEET</span>, dat ik haar éenmaal zal kennen … En omdat ik dit weet en gevoel … o Ariadne … o -Ariadne … ken ik den Weemoed … Ariadne, kent gij den Weemoed …? Neen, ge hebt den -Weemoed nooit gekend … Het geloei heeft <span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span>den Weemoed overdaverd; de frons van een vader, de razende liefdesmart van een moeder, -Ariadne, hebben den Weemoed overheerscht … De wreedheid en sombere verwinnaarskracht -van den vreemden held, die kwam met zwartzeilige schepen, hebben den Weemoed neêrgedrukt … -Maar in mij, Ariadne, heeft zij <span class="asc">ALTIJD</span> gebloeid, als een teedere affodil, te midden van mijn purperen wingerd … Ariadne, -ik ben kind der aarde ook, zoo als ik ben kind van den hemel. De Vreugde heeft altijd -in mij geschaterd, maar de Weemoed peinsde in mij steeds onbewust. Ik begrijp den -Weemoed en gaarne heb ik haar getroost en haar uit cypressenschaduw weggevoerd in -mijn vreugde. Ik heb den Weemoed in mijn vreugde zien schateren … De smart heeft mij -vaak vertoornd: ik toornde als de smart niet mijn Vreugde aanvaardde. De Mineïden -herschiep ik in vleêrmuizen! Ariadne, waarom toornde ik niet om je smart? Waarom niet, -omdat je weigerde vreugde? Waarom hield ik mijn saters, menaden terug? Waarom beschermde -je het gebaar van mijn thyrs! Is het, omdat ik de smart mijzelven voel naderen, en -dat ik om die nadering haar beter begrijp, haar eerbiedig en haar spaar! Wat mij de -smart zal zijn, weet ik, o Ariadne, niet, maar <span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span>zij zal mij naderen, zij zal mij naderen …! Ariadne, o ween-uit je smart! Dionyzos, -de god van de vreugde, vergunt je wat hij nimmer vergunde: smart te koesteren en uit -smart te weenen! Uit smart te weenen in zijn druivepriëel … Zie, de trossen zijn purper -gezwollen en glimlachen toe naar je mond … Maar pluk niet de druivetrossen, o Ariadne, -en ween-uit, ween-uit je smart … -</p> -<p>Zoo sprak, met stem zoo mild als de muziek van faunenfluit zelve, de blijde god Dionyzos, -en hij richtte Ariadne van zijn voeten op en voerde haar naar van viooltjes een sponde. -Zij zeeg er in neêr en snikte … Toen zij opzag, was zij alleen. Zij was alleen in -de loovertent; aan rots bij rots was de wingerd geschoten en de ranken slingerden -toe naar elkaâr en schaduwden dicht. Zichtbaar zwollen de trossen. Hijgend geurden -de duizend viooltjes. De fluiten, verder af, zongen heel zacht en droegen melodie, -maar de Pansfluitjes orgelden op en neêr; de cymbels, even, sloegen als goud tegen -goud, dof gedempt, en belletjes van tamboerijnen rinkelden. Er klonken stemmen van -nymfen, heel ver; en de hymne verwijderde zich. Ariadne, verwonderd, leunde op den -blanken elleboog, in de viooltjes … Hare tranen <span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span>liepen uit hare vermoeide oogen. De eenzaamheid was weêr om haar, maar weldadig en -geurig, en vol purperen ooftaroom, en het Eiland was lieflijk bezield … Zij herinnerde -zich, dat wanhopig van een rotspiek zij zich had willen storten … Zij had het niet -gedaan … Was het nu te laat? Leed zij geen smart meer?! Was Thezeus niet ver, onbereikbaar -en wreed? Neen, het was niet te laat … De rots op, de rots op, den dood in! Zij maakte -zich los uit de wellust van de viooltjes en zij wilde de rotsen op … De fluiten zongen -hooger, en de Pansfluiten orgelden sneller, op en neêr, op en neêr. Een schelle cymbelslag -deed haar verschrikken. Zij stond stil, en luisterde … Maar, doffer de muziek, verdempend, -snelde zij, hooger, de rots op. De ranken hielden haar tegen, de trossen zwollen tegen -haar aan, maar zij drong door, en klom op, ùit boven de loovertent, zoo dat zij weêr -stond in de blauwe lucht, en den sprong maar behoefde te wagen. Maar zij deed niet -den sprong … -</p> -<p>—Zusters, o Nereïden, ringt u rond, witte reie rondom het Eiland, dat drijft, oleander-, -laurierbosschage, op de nauwelijks schuimig gekamde zee: Thetis, ben ik, die u roept! -</p> -<p>—Thetis, roept gij mij op uit de golven? <span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span>Zeg mij, waarom klonk tot de diepte uw stem mij toe, wekkende mij uit water-gewiegelde -rust? Ik ben het zelve, Wiegeling-der-Zee, die u vraagt …? -</p> -<p>En Ariadne, half verborgen door rots en door wingerd, zag de schitterende Nereïden -reien de wateren uit, zich houdende blanke hand aan blanke hand en dansen rondom het -Eiland … -</p> -<p>—Hooger de armen en lager … Zusteren, ziet ge wiegelen de druiveschepen van den blijden -god Dionyzos …? Hooger de armen en lager … Dionyzos is gekomen …! Ik hoor fluiten -schallen en cymbels slaan …: de vreugd is te Naxos gekomen …! Hooger de armen en lager … -Evoë, Evoë, de vreugde … Dezen nacht wacht ons, Nereïden, o zusters, de vreugde van -Dionyzos … Zusters, ik smacht naar zijn vreugde … Hooger de armen en lager … De vreugde -is aangeland, waar de smart verlaten bleef … Eiland van smart, wees een eiland van -vreugde! Morgen van smart, word van vreugde een nacht! Hooger de armen en lager … -</p> -<p>Zoo zong de zilvervoetige Thetis, en leidde, Amfitrite in het midden, de rei der zusteren -rondom het eiland, waar Dionyzos’ vreugde te heerschen begon. En de tritonen doken -op; <span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span>over de nauwelijks schuimig gekamde zee ijlden de vischgestaarte zeepaarden snel, -met maar twee golf-uitstampende hoeven; en de tritonen antwoordden faunen en saters … -Geluid zwol in de geurige schaduw van het oleander- en laurieren-eiland, en geluid -zwol er rondom. Lucht en zee trilden van geluid en muziek. Lucht en zee en bosschage -trilden van vreugde. De zee was bevolkt, het eiland bevolkt; de menaden zagen de Nereïden -en zij dansten de eenen als de anderen dansten: Nereïden zwierden woest om het zeestrand -elkaâr meesleêpende lachend; menaden traden met luchtiger voet, hooger de armen en -lager, zoo als zij hare zeezusters zweven zagen … De tritonen met schulphoorngeschal -weêrechoden klaterende de faunen na, en de faunfluiten antwoordden met schulpfanfare. -Ariadne, van de rots, half verscholen, zag het aan. Zij zag Dionyzos Amfitrite toewuiven -en Amfitrite wuifde met den sluier terug. In den blauwenden morgen was het éen vreugdefeest … -</p> -<p>Maar Ariadne scheen vergeten. Niemand zag haar, niemand dacht aan haar … Alleen, eenzaam, -klom de rots zij af: neen, zij kon zich in de zee niet werpen … Om zich te werpen -in den zilten dood had zij zich werpen moeten in den menadendans der Nereïden, in -de tritonenfanfare <span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span>der faunefluiten … Nu wilde zij zich verbergen en klom lager en lager af: de wingerdtent -overhuifde haar weêr met dichte schaduw, zondoorzeefd. En in die groengoudene eenzaamheid, -hoorde zij de vreugde rondom haar heerschen en luisterde zij naar de vreugde, zoo -nieuw, zoo nieuw voor haar. Zij viel in het bed van viooltjes en luisterde naar de -vreugde, geheel den morgen lang. De vreugde scheen nooit moede en uitgevierd: het -bleef steeds zingende, lachende, dansende vreugde, niet al te luid, niet al te dicht: -het luidruchtigste soms was een cymbelslag, te hard geslagen, als schel goud tegen -goud … Toen glimlachte Ariadne, en haar glimlach was éen glorie, terwijl haar <span class="corr" id="xd31e2072" title="Bron: chryopraze-oogen">chrysopraze-oogen</span> van smart nog in tranen dreven. Op het viooltjesbed lag hare naaktheid getrokken -met goudblankende lijnen en parelmoêrige schaduwing. -</p> -<p>Plots sloegen heel schel de cymbels, en of het ware om het luchtdreunen van dien goudenen -klank, die fel na-echode, viel, zoo zwaar, dat een kreet zij slaakte, Ariadne in den -blank-en-parelmoêrigen schoot, een tros van het purperen ooft. De tros viel hoog van -de tente af, en lag purper nu op hare knieën … Enkele druiven, gebarsten de fijne -schil, bloedden uit als bleeke <span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span>robijnen en leekten hare blankheid over. De kleur van de druiven was wazig blauw purper -doorschijnend, met een druppel van blozende licht diep-in … Omdat zoo heerlijk-vol -en mooi de tros was, meende Ariadne het jammer van haar schoot den tros op den grond -glijden te laten, en klemde zij hem tegen zich aan. Meerdere druiven spleten bloedende -open, en het sap droop tusschen de viooltjes, en mengde in der hijgende bloemen geur, -de aroom van boschbes en braam, maar heviger, heftiger, bezwijmelender. En Ariadne, -vrouw van liefde, werd zoo bleek, als naderde liefde haar … Haar gelaat trok strak -en hare oogen stierven, terwijl zij achterover zich wierp en de viooltjes pletterend -drukte. Zij geurden des te sterker. Toen,—terwijl de vreugde, niet al te luid en niet -al te dichtbij, heerschte rondom haar eenzaamheid, over het eiland, over de zee, in -de lucht,—nam Ariadne een druif tusschen de vingers en rukte ze af. Zij hief aan hare -lippen de druif en drukte ze tusschen de lippen … Hare chryzopraze-oogen staarden -grooter in het bijna verbaasd strak getrokken gelaat. Zij plukte meerdere druiven, -drukte ze een na de ander uit … Plots hief zij den tros geheel aan bevenden mond en -zoende den tros hartstochtelijk. Zij omhelsde <span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span>op haar boezem den tros. De tros scheen in wellust te zwellen, groot en zwaar als -een overstelpende liefde … Ariadne sloot de oogen toe. Voller zwol de zang der fluiten, -fanfaarden der tritonen schulphoorns en de cymbels sloegen klaterend allen nu goud -tegelijk, met een blijde overwinning. -</p> -<p>Toen Ariadne de oogen opsloeg, viel haar uit de armen de geknakte trossteel op den -grond, en de leêge schillen lagen verspreid. Zij meende, dat zij de blanke en slanke -gedaante van een jongen god, in blauwen eigenschijn, zag verdwijnen tusschen de looveren -der wingerds. Zij bleef liggen roerloos, verbaasd en herinnerde zich …: zij dacht -aan Thezeus en Dionyzos …: zij zag, vizioen, de schepen met zwarte zeilen, somber -eerst, verbleeken, aan den morgenhorizon, en aandobberen schepen met druiven omrankt. -Zij hief zich op, en voelde zich aan, of zij niet droomde … Zij wist niet meer wat -droom en wat waarheid zoû zijn … Maar zij hoorde de Vreugde heerschen … -</p> -<p>Zij dacht aan het Geloei over Kreta …: nu hoorde zij over Naxos de Vreugde … Zij glimlachte -zacht, en ademde heel diep op … Daar zij terzij harer sponde uit den rotswand hoorde -zachtjes klateren een straal, keerde zij zich om, en zag een najade, die goot noodend -ten bade <span class="pageNum" id="pb257">[<a href="#pb257">257</a>]</span>haar kruik uit. Ariadne knoopte heur haren op en dook en hurkte ruggelings neêr onder -den straal. Toen de najade haar kruik had geleêgd, verdween zij en Ariadne rees op. -Besluiteloos stond zij en luisterde … Steeds hoorde zij de Vreugde over Naxos … Maar -de looveren bruischten en een panther tam zag haar aan met schitterende oogen, naderde -toen, legde zich neêr aan haar voet. Zij streelde zijn machtigen kop, en hij brieschte -zalig te moê, mauwende als een heel groote kat, met steile snorrebaarden. Nu hief -zich het tamme dier, en kronkelde om haar rond, en stond stil. Ariadne steeds streelde -hem, met de hand over kop en rug. Hij strekte den rug uit onder haar palm, en zijn -staart zwiepte van gelukzaligheid. Toen, omdat breed zijn rug was, zette Ariadne zich -op hem neêr. Langzaam schreed hij met haar voort, buigzaam en krachtig zijn dijen -en zijn pooten plomp en toch gluiperig zacht … Zijn vel was een goudglanzende langharig -zwart fulp, en Ariadne zat op zijn rug, veilig en zacht, het eene been over het andere, -dat slank voet-trilde naar beneden; langs hooge halmen en witte narcissen slipte haar -voet, dien zij even ophield, om hem niet op den grond sleepen te doen … De panther -sloop met zijn voorzichtig <span class="pageNum" id="pb258">[<a href="#pb258">258</a>]</span>slappen tred door de looveren en langs het lage geboomte dicht en Ariadne bespeurde, -dat het dier haar voerde naar de Vreugde … En zij wilde hem beduiden, dat hij tot -de Vreugde niet gaan mocht, en legde hare hand aan zijn halsband breed, als om hem -te mennen elders heen … Maar de panther begreep niet en meende alleen, dat zij hem -streelde en hij spon, welbehagelijk, grooten kater gelijk … -</p> -<p>Daar trad haar Dionyzos te moet: rondom hen beiden week de Vreugde verder het Eiland -over en tusschen hen bleef alleen een Weemoed zacht, maar overal van lagen boom tot -lagen boom, van oleander tot laurier, en van vijgeboom tot bloeienden mispel, slingerde -zich het druivefestoen en herschiep in een feestpaleis het eiland, een schakeling -van kamers en zalen voor feest. Glimlachend bood Dionyzos haar de hand om af te stijgen, -en zij zette zich in het mos, Dionyzos haar ter zijde; de panther sliep in aan haar -voeten. -</p> -<p>—Hij kent mij, zeide Ariadne; en hij is tam als ik nooit panther zag. -</p> -<p>—Mijn saters temmen de wilde beesten en maken ze in éen morgen tam … Deze panther -voerde je al de rotsen af, toen je hoog stond in wanhoop gericht, Ariadne, en deze -panther <span class="pageNum" id="pb259">[<a href="#pb259">259</a>]</span>voerde je uit de loovertente, kamer van eenzaamheid, droom, gedachte en van liefde … -Deze panther, o, Ariadne, zal trouw je dragen altijd en veilig voeren in den blijden -thiazos, als je, uitgeweend, de vreugde aanvaardt … -</p> -<p>—Ween ik ooit uit en aanvaard ik de vreugde! -</p> -<p>—Ariadne, de seizoenen wisselen … Dag en nacht wisselen, wolken wisselen met zonneschijn, -lichtspelingen en schaduwen wisselen, goden wisselen … Niets blijft, dan het wisselen -alleen … Waar is de dag van gisteren? Waar zijn het geluk en de smart van gisteren …? -Wat blijft er des avonds van de wanhoop des morgens …? Misschien de Weemoed, de weemoed -alleen, en nòg wisselt de weemoed zoo vaak met een glimlach …! Ariadne, wat bleef -in je leven van Kreta, van Minos en den vreeslijken Broêr? Wat klonk er nà het vreesverwekkend -Geloei? Ariadne, wat bleef er van Thezeus? Zie het leven aan, Ariadne: het wisselt -telkens van omlijn en kleur! Nu heerscht de Vreugde, misschien éenmaal de Smart … -Maar heerscht zij, zij zal niet blijven … Wisseling van weemoedige schijnsels … is -iets anders, Ariadne, het leven der menschen en der halfgoden op aarde … Zie, rondom -ons speelt het als met <span class="pageNum" id="pb260">[<a href="#pb260">260</a>]</span>glanzende schimmen en sombere schaduwen, en het wisselt, het wisselt telkens, in menig -versmelten, verglanzen, verworden … Er is niets dan in de schaal uit te persen den -tros, en, zoo lang zij duurt, de purperen vreugde te drinken … Alleen Zeus weet, of -ik ze morgen bezit! Menade, bied mij een schaal, en sater, pluk mij een heerlijken -tros …! Hier Ariadne, druk ik zelve den tros uit in de schaal; en in de schaal vloeit -de purperen vreugde … Drink, Ariadne, de vreugde … Menaden, ziet hier Ariadne, die -weende, en die gij verscheuren wilde … Zie, zij weent niet meer, hoewel weemoed haar -ziel nog vol zwelt … Menaden, omrankt Ariadne met vreugde … Vlecht haar de zongouden -haren en kroon met de zware vlechten haar de ronde kruin … Rank kunstig haar om de -slapen een wijnlofrank, hang haar aan de ooren twee sierlijke trossen … En laat haar -zoo verder naakt, want hare schoonheid kleedt haar in zilveren lijnen en parelglanzen … -O, Ariadne, nu voel ik den wensch zwellen in mijn hart, te doen wisselen de smart -voor de vreugde, in glanzende levensverwording … Menaden, wie stond op de rotspiek -en wilde zich storten in zee …? -</p> -<p>—Op de rotspiek stond zilverglanzende wit <span class="pageNum" id="pb261">[<a href="#pb261">261</a>]</span>Ariadne, en zij wilde zich storten in zee … Maar, o Dionyzos, door je glimlach heen -kon zij zich in de zee niet storten! Op panther tam reed Ariadne de rotspiek af; loovertente -spreidde boven haar uit … De Vreugde zong over het Eiland, niet te luid, niet te schel, -en niet te dichtbij … -</p> -<p>—De gouden cymbels alleen sloegen schel! -</p> -<p>—Zoo schel, dat de lucht echoënd daverde … -</p> -<p>—Dat een wingerdrank brak, en een tros …! -</p> -<p>—Eén zware tros viel in Ariadne’s schoot … -</p> -<p>—Zij glimlachte en plukte de druiven …! -</p> -<p>—Zij drukte aan de lippen de druiven uit … -</p> -<p>—Zij omhelsde in haar armen den zwaren tros …! -</p> -<p>—En viel zwijmelend neêr vol van purperen weelde … -</p> -<p>—Dionyzos! Dionyzos! -</p> -<p>—God Dionyzos, onze god, god om wien wij ons scharen …! -</p> -<p>—Hoor Ariadne, de menaden zingen! Ariadne, je plukte de Vreugde àl, je drukte haar -al tegen je hart, in je armen … De Vreugde, Ariadne, ben ik! De Vreugde was ik! Ik -was de tros!… O, Ariadne, nu voel ik den wensch zwellen in mijn hart te doen wisselen -de smart voor de Vreugde in glanzende levensverwording! -<span class="pageNum" id="pb262">[<a href="#pb262">262</a>]</span></p> -<p>—O, Dionyzos, nu voel ik den wensch zwellen in mijn hart trouw te blijven aan mijn -smart! Helaas, jij was de tros! Helaas, ik omhelsde den tros! Zij stroomde purper -uit in mijn schoot! Ik glimlachte, ik glimlachte, ik bezwijmelde in purper geluk … -Helaas, waar bleef mijn smart! Waar blijft zij? Waar is Thezeus? Ben ik hem ontrouw, -als hij mij ontrouw was! Is de liefde een verworden? Ariadne zag den held, Ariadne -zag den god! De held wreekte zich in liefde op haar, de god troostte haar in liefde! -O tros, o god, o Dionyzos! Ik ween, omdat ik purperen vreugde kende, en omdat ik purperen -vreugde niet weêrstond. O, zwakke ziel, die niet kàn blijven lijden! O, wanhoop, die -zich wèl troosten laat! Helaas, blijde Dionyzos, helaas, gouden god, purperen tros, -er is niets dan het glanzend verworden en schaduwend wisselen: er is niets, waarom -wij stevig de handen slaan, niets waarom wij krachtig de armen prangen … Het wisselt -en schaduwt in glans om ons rond, voor ons uit, en wij weenen om niets, en wij lachen -om niets! O, edele god, gouden god, purperen god, o god van wondervreugde en trossenwonder, -geef mij éen oogenblik de hechtheid des levens! Vast wil ik de hechtheid des levens -als een marmeren zuil, <span class="pageNum" id="pb263">[<a href="#pb263">263</a>]</span>al hang ik er in smart aan, groot, groot als mijn wanhoop om Thezeus was. Eén oogenblik -de hechtheid des levens!? O, Dionyzos, ge glimlacht en ge schudt het hoofd, als of -ge weet, als of ge weet, dat die zuil niet bestaat of verbrokkelt in onze omhelzing? -Gij, om de brokkelende zuil, zoudt uw wingerd aanstonds laten weligen en de vreugde -hare broosheid vermommen doen? O, vluchtig leven, o zwakke ziel! Waar gaan mijn wenschen -en mijn smarten heen, waarheen mijn wellust en mijn wanhoop? In het ijle … in het -ijle … Tooverspel van tinten! Zeepbel na zeepbel na zeepbel! Boven dat tooverspel -en die zeepbellen glimlachen de eeuwige goden … Om niets was zoo droef mijn jeugd? -Om niets verwekte vrees het Geloei? Om niets vluchtte ik met hem en verliet hij mij? -Weêrschijn na weêrschijn na weêrschijn! Is dit bestaan dan de ernst waard! O, menaden, -gij hebt gelijk! Woeste saters, gij hebt gelijk! Ariadne aanvaardt de vreugde! Dionyzos, -ik aanvaard de vreugde! Maakt mij geheel, menaden, aan u gelijk: geeft mij het beestevel! -Geeft mij den thyrs! Geeft mij een tamboerijn! Menaden, reikt mij de handen! Hier, -ik zwier met u rond! Dit is uw tred, dit is uw danstred: ik ken hem, ik ken hem alreê! -De vreugde is licht te aanvaarden! <span class="pageNum" id="pb264">[<a href="#pb264">264</a>]</span>Over het Eiland, het eiland heen, lange keten van vreugde, vreugdevrouwenfestoen, -schakel wil ik zijn met u mede … -</p> -<p>En Ariadne, in den zwier van menaden en nymfen, danste meê en weg in haar wildheid, -naar hoogere heuvelen en hoogere rotsen, en zij zag de Nereïden reien en haar wuifde -Amfitrite tegen. -</p> -<p>Maar de blijde god Dionyzos riep uit: -</p> -<p>—O, Ampelos, Ampelos, kom!! -</p> -<p>En hij wierp zich aan Fauns borst en klaagde: -</p> -<p>—Zij aanvaardt de Vreugde, maar zij gelooft niet aan de Vreugde! Ampelos, haar stem -klonk schril, toen de menaden zij riep! -</p> -<p>—O, Dionyzos, nooit is zuiver de Vreugde te aanvaarden voor wie de Smart heeft gekend! -Kende ik de Smart? Dionyzos, kende jijzelve de Smart? Dionyzos, kende Hermafroditos -iets anders dan den Weemoed in cypressenschaduw? En kennen wij beiden de Vreugde het -zuiverst niet? Herinner je, er was niets dan blijheid: ik droomde en ik werd wakker, -den wijnstok in mijn palm, dien Zeus er zelve gevlijd had: je kwam, ik lokte je met -mijn blijde wijze en viooltjes ontbloeiden onder je voet: wij zochten samen de gunstige -plek en plantten den wijnstok, de Vreugde, en er was niets dan de Vreugde, <span class="pageNum" id="pb265">[<a href="#pb265">265</a>]</span>er was niets dan de Vreugde! De Vreugde overwon overal! En waar de Smart haar weêrstond, -werd zij verpletterd! -</p> -<p>—O, Ampelos, ik spaarde de Smart voor het eerst! -</p> -<p>—En de Smart aanvaardt de Vreugde met bitter hart! -</p> -<p>—… Omdat ik de Smart zelve mij naderen voel! -</p> -<p>—Dionyzos, wat zal de Smart je ooit naderen … -</p> -<p>—Ik weifel, ik weifel, Ampelos: zal ik, <span class="asc">IK</span> de wereld verwinnen! Zie, mijn armen zijn als van een meisje … -</p> -<p>—Dionyzos, ik weet nog, toen ik je zag, voor het eerst, als een lachende knaap, blij -vroolijk, dartel en moedig … Je groeide, je borst werd breeder, je ronde arm spierde -zich even … maar weemoed groefde dieper in je glanzenden blik van viool, en je hart, -in mannelijker borst dan toen, versaagt, als het destijds nimmer versaagde … -</p> -<p>—Ik weifel, o Ampelos, ik weet niet meer … Zie, zoo heerlijk schoon is de zonnige -morgen, vreugde is er op eiland en zee, vreugde om Amfitrite en om Dionyzos … mijn -wingerd weligend heerlijker dan ooit en ik … ik zoû weenen <span class="pageNum" id="pb266">[<a href="#pb266">266</a>]</span>willen …! Ampelos, laat mij weenen in je arm … Vriend, neem mij teeder aan je borst … -Laat mij je hart voelen kloppen … Ik ween, zie, mijn tranen vallen … Ik ben niet meer -het kind, dat de nymfen van Nyza—nu de dartelste der Bassariden—opvoedden tusschen -de anemonen; ik ben niet meer de knaap, tot wien neêrdaalden de Muzen met waardigen -dans en edel <span class="corr" id="xd31e2148" title="Bron: rythmische">rythmiesche</span> maat; niet meer de dartele leerling van Silenos, die spotte met zijn wijsbegeerte; -ik ben niet meer de allereerste wijnbouwer, blij, zalig om Zeus’ nieuwe gave aan zijn -godenzoon … Ik ween, zie, ik ween, weemoedig … Mijn weg was éen zege … en ik ween … -Ik overwon koninkrijken en landstreken, ik sprenkelde de vreugde overal, tot in Tartaros -toe; mijn agavesteel versloeg de Giganten … En ik ween … Mijn ziel zwelt van weemoed … -ik wil zijn als een kind … Ampelos, laat mij in je armen weenen, en troost mij … Zeg -mij éen woord, dat mij troost … Geef mij troost, <span class="asc">MAAR LAAT HET GEEN DRUIVETROS ZIJN</span>… Neen, geen schaal, geen tros, geen vreugde … Ik verlang iets, ik weet niet wat … -O, mijn moeder, Semele, gij verlangdet als ik … en Zeus willigde uw verlangen in! -Gij verblaakte, zal ik òok verblaken? Vrouw van de <span class="pageNum" id="pb267">[<a href="#pb267">267</a>]</span>aarde, ben ik uw zoon? Aarde, ben ik uw kind? Ween ik daarom? Ik verlang …: o wat -verlang ik? Wat laat mij weenen en onrustig zijn, terwijl cymbelschel de Vreugde heerscht? -Ampelos, o ik wensch, ik verlang … Ariadne de vreugde te sprenkelen, zóo dat zij die -aanvaardt zonder bitterheid! Helaas, zie … zij lacht, zij zwiert, zij zwaait den thyrs, -zij drinkt-uit de volle schaal … rondom haar juichen de dolle menaden … en ik zie -haar groen juweelen oogen dol kijken met den blik van een ree, die Artemis jaagt! -Ampelos, ik ben onmachtig … Ampelos, de smart overwint mij! Ariadne’s smart overwint -mij! Eenmaal zal <span class="asc">MIJN</span> Smart … mij dooden!! -</p> -<p>—O, mijn onsterfelijke god en mijn vriend, nooit zal de smart je dooden! -</p> -<p>—Ik, ben ik onsterfelijk? -</p> -<p>—Worden zal je het, langt eenmaal Hebe je nektar. -</p> -<p>—En Ariadne? -</p> -<p>—Wie weet … -</p> -<p>—Ampelos, ik heb haar lief! -</p> -<p>—Sedert wij, Dionyzos, spaarden de smart, verwon de smart ons … maar niet tot den -dood! -</p> -<p>—Overwint de smart ons … Overwint de smart je … Ampelos …? -<span class="pageNum" id="pb268">[<a href="#pb268">268</a>]</span></p> -<p>—Mij …? De weemoed verwint mij zeer zeker … -</p> -<p>—Waarom? -</p> -<p>—Ik had Dionyzos lief als de Vreugde … Ik torste de zegevierende Vreugde op mijn schouders … -Wij verwonnen de Wereld! -</p> -<p>—Nog niet … nog niet geheel … -</p> -<p>—De Weemoed verwint mij … Ik troost Dionyzos weemoediger dan Hermafroditos ooit was … -En als de Smart … -</p> -<p>—Als de Smart? -</p> -<p>—Zal ik hem niet troostend omhelzen! -</p> -<p>—Ampelos, waarom zal je Dionyzos, als hij de Smart is, niet troosten? -</p> -<p>—Ik zie de Toekomst … ranken steeds als éen druiven weg: ik zie, een vrouw, een vrouw -blank … -</p> -<p>—Ariadne? -</p> -<p>—Zij! -</p> -<p>—Maar Ampelos? -</p> -<p>—Ik niet!! O, de Weemoed verwint Dionyzos’ Faun … -</p> -<p>—Waar is de eerste Vreugde! -</p> -<p>—Waar is de Vreugde! -</p> -<p>—Ampelos, bied mij den beker! -</p> -<p>—Ik zie er geen! -</p> -<p>—Ampelos, hier bied ik een tros je! Ampelos, ik beveel je: heb vreugde!! -<span class="pageNum" id="pb269">[<a href="#pb269">269</a>]</span></p> -<p>Blauw omglansd, straalde de god heerlijk op, en hij reikte Faun den vollen tros. En -Ampelos omhelsde dien woest, maar hij omhelsde tegelijkertijd Dionyzos. -</p> -<p>—Zware tros! riep hij razend uit. Zware tros, Dionyzos, stroom uit in mijn omhelzing! -Ik wankel onder je bezwijmeling! -</p> -<p>—Ampelos, Ampelos, kom mee! riep Dionyzos vervoerd in zijn armen. Ginds zwieren zij -allen, in hoogste verrukking; ginds zwiert Ariadne en wenkt mij! -</p> -<p>En hij sleepte woest aan de hand Ampelos meê, die den gepletterden tros uit zijn omhelzing -liet vallen … -</p> -<p>Uit de schaduw der oleanders trad Hermafroditos te voorschijn, en hij zag den god -en zijn Faun, de hand boven de oogen, lang na … -<span class="pageNum" id="pb270">[<a href="#pb270">270</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch14.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">XIV.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Feest was arbeid tevens geweest en de saters, zonen van Pan, hadden overal, waar gunstig -de plek was, den wijnstok Dionyzos’ geplant. Als éen groote tros zwol zelve het eiland -purper, en nu de nacht donkerde, zonk de loome bewustloosheid van den slaap overal -neêr als een betoovering over wijnbouwers en vierders van feest. De zee, ontvolkt -van waterschepselen, gladde in Selene’s zilveren ernst zich strak als met blinkende -lakens toe naar den einder, die huiverde, nauwlijks zichtbaar. De lucht welfde wolkenloos, -en Selene stond vol en straalde … Onder den nieuwen wingerd drukte op wijndronken -Naxos de slaap zwaar. De druivetriremen dreven roerloos; op het strand lagen, in de -armen elkaâr, de uitgefeeste schepelingen. In de bosschages snorkten saters en slapende -wilde beesten, getemd. -</p> -<p>Op een violensponde lag Dionyzos. -<span class="pageNum" id="pb271">[<a href="#pb271">271</a>]</span></p> -<p>Hij lag, het hoofd diep achterover, en zijn bronsblonde lokken, ontknoopt, stroomden -over zijn schouders en op den grond. En hij lag, slapende, als een god, die lijdt. -Over zijn voorhoofd pijnlijkte een ernst weemoedig, zijn mond was open en hij hijgde -zachtjes. Zijn arm sleepte op den grond laag en zijn hand hield krampachtig grashalm -omklampt. Toch, niettegenstaande zijn leed, was een blauwige schijn om hem, en Ariadne, -van verre, alleen wakende nog, zag verwonderd naar dien bijna maneglans. En zij murmelde: -</p> -<p>—Zie, hoe hij ligt en glanst! -</p> -<p>Zij naderde en in de slaapstilte zag zij op hem en hem lijden. -</p> -<p>—Hij lijdt!? En toch kent hij de Smart nog niet en lijdt hij niet om zijn eigene smart! -Hij lijdt om Ariadne’s Smart … O, in den wilden dans heeft hij het mij herhaald: „nu -voel ik den wensch zwellen in mijn hart te doen wisselen de smart voor de vreugde -in glanzende levensverwording … maar zonder bitterheid, zonder bitterheid, Ariadne!” -Helaas, ik heb het hoofd gebogen in een glimlach en zijn beker aanvaard. De woeste -vreugde heeft mij verder gesleept, ik heb de woeste vreugde aanvaard! Aanvaard ik -morgen Dionyzos’ eigen <span class="pageNum" id="pb272">[<a href="#pb272">272</a>]</span>en edelere Vreugde? Dezen nacht al? Drukte ik hem, in een tros herschapen, al niet -in weelde van liefde aan mijn lijf? Thezeus …! Thezeus …!! Wat is Thezeus ver! Waar -is de nacht van gisteren, toen ik lag in Thezeus’ armen, in zijn liefde wreed maar -mij goddelijk! Waar is de morgen des wreeden ontwakens, toen ik na veel weifelen en -hopen de zwarte zeilen ten laatste aan den einder zag! Ver … ver is het alles heen … -In het ijle, in het ijle … Tooverspel van tinten! Zeepbel na zeepbel na zeepbel! Weêrschijn -na weêrschijn na weêrschijn! Helaas, wat kan ik, zwakke, tegen het goddelijk sterke -leven! Wat kan mijn zwakke ziel tegen den troost, die haar overweldigt en haar bezwijmelde -met purperen tros! Wat kan mijn smart tegen de goddelijk sterke vreugde der zee en -des omwingerden eilands! Ik sta met mijn smart alleen in een duizendvoudige jubeling! -Het jubelde van alle zijden naar mij toe: Dionyzos, Dionyzos! Hadde hij mij niet gespaard, -de vreugde had mij verscheurd als een blijde leeuw een blatend en klagelijk lam! Hij -spaarde mij, de vreugde verscheurde mij niet, maar zij omdrong mij van alle zijden. -De lucht was vol van het vreugdegeschal. Zee en eiland bevolkten de dansen der vreugde. -<span class="pageNum" id="pb273">[<a href="#pb273">273</a>]</span>Ik dwaalde alleen met mijn smart! Ik weende alleen met mijn smart! Ik verborg mij -onder wingerdtente en de Tros viel mij in den schoot! O, zwak lichaam, o zwakke ziel, -zwakke smart die zich wèl troosten laat … Geen smart duurt langer dan de sterke Vreugde -het wil, zoodra deze haar verwint … O smart, o smart, blijf bij mij! Wat roep ik, -wat klaag ik, vergeefs! O, wat kan ik, zwakke, tegen het sterke leven, tegen de sterke -Vreugde, wat kan ik tegen Dionyzos! Hij overwon mij, en spaarde mij … Goden, ik heb -hem lief!! Thezeus, ik heb Dionyzos lief! Wreede held, Ariadne bemint den zachten -wereldverwinnaar! Helaas, hij lijdt om mij! Edele god, gouden god, purperen god … -hij lijdt de smart van Ariadne, want eigen smart weet hij niet! De vreugde zonder -bitterheid …! Onverzoenlijke, gij zult het nooit willen … Afrodite, gij wilt het niet! -Ik ben het kind van Pazifaë, ik ben een spruit van goudglorenden Helios … O, ik heb -hem lief, ik heb hem lief! Ik ben het kind van mijn moeder: Afrodite bezielde ons -altijd … Wat is dit voor een nieuwe liefde, die mij smelt in het hart, in de oogen -met tranen, op den mond met een smachting naar zoenen! Trillend sta ik naast zijn -sluimering en zie ik op zijn lijden <span class="pageNum" id="pb274">[<a href="#pb274">274</a>]</span>neêr … O, hem niet meer lijden te laten; o, de vreugde alsemloos te aanvaarden! Het -zoete van zijn beker alleen en niet de droesem van mijn smart … Smart? Heb ik smart? -Ver … ver is mijn smart heen! In het ijle … in het ijle! Tooverspel van tinten! Zeepbel -na zeepbel na zeepbel! Weêrschijn na weêrschijn na weêrschijn! Er is niets, er is -geen smart … O, arme menschen, arme halfgoden! Gij lijdt en hebt lief om niets! Boven -u glimlachen de goden sterk … Mijn ziel, ze herbloeit al weêr … Wat geeft het of ik -er zelve om ween! Mijn ziel herbloeit, zij herbloeit! Zij is dronken van vreugde geweest, -en nu, nu is zij smachtend naar vreugde weêr! Zijn edele vreugde na hun woeste vreugde … -O, goden, ben ik gelukkig, gelukkig, terwijl ik ween? Thezeus … gij zijt ver: alle -verschrikking, alle afschuw, alle wreedheid, alle wanhoop … het is alles, het is alles -zoo ver …! Er is niets dan Naxos … Dionyzos’ Naxos … er is niets dan Dionyzos! Zijn -vreugde! Een god … een god troostte mij! Dionyzos troostte Ariadne! De fluiten pepen -troostvol, de cymbels sloegen goudschellen troost, de trossen stroomden purperen troost! -O, stille nacht, o stille nacht van troost! O goden, ik ben gelukkig! Mijn tranen -vloeien <span class="pageNum" id="pb275">[<a href="#pb275">275</a>]</span>om mijn zwakke zelf, maar ik ben, o goden, ik ben gelukkig! Ik sla mijn armen uit, -ik weet niet waarheen, van louter, van louter geluk! O, zoo zwak in smart, is Ariadne -gelukkig! O, geluk, vluchtiger misschien dan de smart mij, o vreugde, waarheen slaan -mijn armen uit? Dionyzos, Dionyzos, ontwaak! Ontwaak, ontwaak … Ik ben gelukkig!! -</p> -<p>En op de knieën naast zijn violensponde viel Ariadne naast Dionyzos neêr en omhelsde -zijn afhangende hand. Hij ontwaakte en hoorde haar laatste woord, en voelde op zijn -hand haar zoen. Toen murmelde hij, nog slaap-, wijn- en leeddronken: -</p> -<p>—O, Ariadne, nu voel ik den wensch zwellen in mijn hart … -</p> -<p>—Te doen wisselen de smart met de vreugde … Maar zonder bitterheid, zonder bitterheid. -</p> -<p>—Ja, zonder bitterheid, Ariadne … -</p> -<p>—Dionyzos, ik bèn gelukkig! Ik ween om mijn zwakheid, maar helaas, Ariadne is gelukkig! -</p> -<p>—Sprenkel ik vreugde, Ariadne … -</p> -<p>—Ja … Dionyzos, vreugde en geluk, gelúk! Zie, ik ween aan je voeten, omdat alles, -alles, zoo ver is … Thezeus, verschrikking, afschuw, wreedheid en wanhoop … en omdat -ik heel bang <span class="pageNum" id="pb276">[<a href="#pb276">276</a>]</span>ben voor het geluk, dat heel broos zal zijn, als de smart al zoo broos was … Maar -ik ben gelukkig, ik ben gelukkig! Wat kan tegen het sterke Geluk! Wat kan Ariadne’s -zwakke smart tegen het overstelpende sterke geluk! Vreugde en geluk zijn als krachtige -saters, smart was als een weenende nymf zwak! Vreugde en smart, rood als wijn, goud -als zon, schaterend als Dionyzos, verkrachtten mijn arme zwakke smart in het druivegenot, -en de zee lachte, de lucht lachte, de aarde lachte … àlle, alle goden lachten, schaterlachten -om de arme verwonnen smart! Goden, ik hoor zelfs Thezeus lachen! Alleen … ik hoor -niet Afrodite’s lach en ik vrees voor die schijnkracht van geluk en van vreugde … -</p> -<p>Op zijn sponde zat de god overeind en hij hield Ariadne in zijn armen. Zij zag hem -aan, hij zat in glans als in eigen maneschijn en van zijn voorhoofd was het leed opgeklaard. -Rustig, zelfbewust en jong heerlijk zat hij en hield zijn bruid in de armen, heerlijk -schoone dochter van Helios’ dochter. En hij zeide: -</p> -<p>—Ik weet, dat ik de Vreugde ben, en dat heel sterk is mijn Vreugde! Ik weet, dat ik -de Vreugde altijd was, en ik gloei van trots, omdat ik de wereld overwin, aardsch -erfdeel, door Zeus mij beloofd! Hoor, Ariadne, de Vreugde <span class="pageNum" id="pb277">[<a href="#pb277">277</a>]</span>zal altijd krachtiger zijn dan de smart! Heerschen over de wereld zal altijd mijn -Vreugde! O, zaligheid, zaligheid: Dionyzos heerscht, zijn Vreugde heerscht! Ariadne, -welk geluk zwelt in mijn ziel! Sprenkelde ik je de vreugde, Ariadne? Is er geen alsemdrop -meer in den beker? O, zaligheid, o, zaligheid; o, vreugde … O Zeus, heb dank voor -mijn kracht, en mijn erfgoed! Wat ziekte in mij van weemoed en weifeling! Waar is -Ampelos, opdat ik hem vraag …! Wat twijfelde ik ooit toch aan mijzelven … O, zaligheid, -o zaligheid … Zie, Ariadne, ik sta op …: ik ben een man; ik groeide van vreugdekind -en van vreugdeknaap tot een vreugdeman; ik voel mij sterk en onoverwinlijk …! Dit -is omdat krachtig mijn Vreugde is, onoverwinlijk, en omdat ik ze overàl sprenkel! -De wereld sprenkel ik ze over! O zaligheid, o zaligheid … Ariadne, ik ben gelukkig … -Wat dacht ik aan Smart toch en welke smart kan mij treffen, nu ik Ariadne’s smart -heb gelenigd en haar vreugde heb gesprenkeld! O zaligheid, o zaligheid: ik verlang -naar den nieuwen dag! Bruid, ik smacht naar den nieuwen morgen! Grijze schemering, -vlied! Eos, verschijn! O, zaligheid, Dionyzos, gelukkig, vreest niet de broosheid -van zijn geluk … Stil Ariadne, twijfel niet … Hier, in <span class="pageNum" id="pb278">[<a href="#pb278">278</a>]</span>mijn arm voer ik je voort naar het strand van de kalme zee! Zoolang mijn zeereis dure, -zal geen storm woeden: Poseidoon heeft mij lief; hij gladt-uit zijn waterwegen! O, -zij hebben mij allen lief …! Ik sprenkel ook vreugde hun, den grooten goden. Zij zien -lachende op mij neêr, als ik strijd … Zij hebben mij allen lief …! Stil, o bruid, -twijfel niet! Zij hebben mij allen lief …: Afrodite … zij heeft mij lief … Zij kàn -Dionyzos zijn bede niet weigeren. Stil Ariadne stil, nu bid ik tot Afrodite … In den -nauwelijks rozigen morgen, o Afrodite, hoor mijn bede … Ik ben Dionyzos, die je roept … -Zie, dit is Ariadne, en je toornde haar als je deedt alle de haren. Je gaaft haar -de liefde en je strafte haar in liefde! O, goudene Afrodite, is het aan godin, zoo -duive-lieftallig, en zoo overmachtig schoon, te zweren wraak zoo onverbiddelijk? Afrodite, -hoor: als een sterveling gewoon, bidt Dionyzos bij de zee, uit wier schuim je oprees -verblindend: wees Ariadne en wees mij genadig! Niet anders dan als een herder, die -je twee tortels brengt in je tempel, bidt Dionyzos, zoon van Zeus, god der vreugde, -verwinnaar der wereld tot het morgenland toe: O, Afrodite, wees ons genadig! Wees -onze liefde, ons geluk genadig! O Afrodite, wees de Vreugde genadig!! -<span class="pageNum" id="pb279">[<a href="#pb279">279</a>]</span></p> -<p>Zoo bad de blijde god Dionyzos en hoewel zijn gebed smeekte en nog niet juichte, was -hij vol vertrouwen, in Afrodite, en in Zeus, zijn vader. En hij stond aan de parelige -morgenzee, en zag naar den pareligen morgenhemel, achter wiens azuur de goden, zijn -goddelijke broeders en zusters, en onder hen Afrodite, hem zeker wel, Ariadne in de -armen, schuchter,—welgevallig glimlachend zouden gade slaan. Hij stond en de blik -vol vertrouwen, violenblauw, zocht in den hemel, die klaarde; zijn oor luisterde als -naderde op zijn bede antwoord; zijn glimlach was een jeugdig blijde zelfbewustheid. -Zijn hand streelde Ariadne’s zongoudene haar, en zij, aan zijn hart, hoorde zijn liefde. -Een angst voor de Onverzoenlijke deed haar eigen hart kloppen onstuimig. Zoû de wreede -godin, schrik van Kreta, geesel harer in verdwaaldheid bemind hebbende moeder, hooren -en een teeken geven? Wat verwachtte haar goddelijke bruidegom? Zij zag op van Dionyzos’ -borst. Zij zag uit over de zee. Het krokoskleurig gewaad van Eos was reeds in ijlte -verbleekt en Ariadne schrikte op, omdat aan den einder, uit de breed ontslotene poorten, -in helderder uitstraling van goud, als op goudenen heirweg, die zich langs den hemel -rondde, Helios verscheen, in de zonnevuisten de blinkende <span class="pageNum" id="pb280">[<a href="#pb280">280</a>]</span>leidsels des vurigen, schuimblanken vierspans! Nooit had zij den god, vader harer -verdwaasde moeder Pazifaë, zoo in zijn zonneglans gezien. De dag, plotseling, gloeiend -van glorie, straalde wijd, wijd uit over de aarde en over de zee: het was of de zee -zich uitbreidde, blauwer; het was of zij overal eilanden zag liggen, die zij nog niet -had gezien; het was of zich vergoddelijkte de menschelijke wereld, het geurige eiland -van haar smart en geluk. Uit de zee, hier en daar, overal, doken de Nereïden op, zingende -elkaâr toe, wuifden elkander, wezen met den vinger uit … Wezen zij naar de glorie -van Helios, die nu mende zijn stralend vierspan den hemelheirweg op, hij staande triomfantelijk -in de zonnekar? Neen, zij wezen lager, naar de Oostelijke poort, die, nog niet gesloten, -uitvloeide een parelen lichtstroom … En plots zàg Ariadne, en gaf zij een kreet, en -klampte zich aan Dionyzos. Want zij had herkend en in Dionyzos’ arm stierf zij bijna -van angst, hijgend. Zij had herkend! Op den parelen lichtstroom, die na Helios’ goudgloed -schoot uit de steeds opene poort, dobberde over de kalme zee, nauwelijks morgenbriesgerimpeld, -een heel groote schulp, en op die parelmoêrige dobbering naderde-aan Afrodite zelve! -In doodangst zag Ariadne <span class="pageNum" id="pb281">[<a href="#pb281">281</a>]</span>toe. Zij had de godin, vijandin haars geslachts, nooit gezien en zij wist niet, wat -zoû gaan gebeuren. Zij gaf een kreet, half in zwijm tegen haar bruidegom aan. Maar -in een parelen glorie, te heerlijker, daar Helios zoo straalde, dobberde nader op -haar schulp de godin, die stond; en de druk van haar teen stuurde de schulp, naar -het scheen, waar zij wilde, in de richting van Naxos, van Dionyzos. Zij was zoo schoon, -dat Ariadne ontzette. Zij was zoo schoon, dat de Nereïden staakten den zang, en openmonds -bleven staren. Zij stond in hare kalme overheersching van bovenmatige schoonheid, -en haar glimlach omdreef haar met een hellen glans, en toch was die glimlach er een -van een kind, een bedorven kind en allerlieveling. Het hoofd geneigd ter zijde, glimlachte -Afrodite. Hare schoonheid boetseerde haar in levend albasten lijnen, die heel week -en nauwelijks wisselden. Hare schoonheid was een lieftalligheid, die kon goddelijk -zijn, een lieftalligheid eeuwig en oppermachtig. Nader aandobberend, staarde Ariadne -haar aan, en vergat, dat zij heur vijandin was. Het zuiver edele van het gelaat versmolt -al te groote strengheid in den glimlach, die glansde. Van de heel ronde kruin golfde -het haar opgeknoopt als een vloeiend goud en kruivende <span class="pageNum" id="pb282">[<a href="#pb282">282</a>]</span>licht. De rozebladronde schouders, de leliënde armen, de dubbelgeroosde boezem, liervormig -de heupen, de bloemestengelende beenen, voet<span class="corr" id="xd31e2245" title="Bron: .">,</span> van welk éen stuurde de schulp, schenen uit tastbaar licht geschapen, en het licht -bezield met leven en god-vrouwelijkheid. En zij was zoo schoon, dat zij op dit oogenblik -van overglanzing nauwelijks verzinnelijkte tot welken zweem ook van wellust. Uit de -zee waren de tritonen gedoken, en, de godin herkennende, toeterden zij schel hun hoornschelpfanfare. -Uit de oleander- en laurierbosschages waren aangestroomd de faunen en saters en heel -Dionyzos’ leger bevolkte in dicht gedrang het strand, maar zoo schoon was Afrodite, -dat onbewegelijk saters en faunen stonden, geboeid door hare schoonheid alleen, van -welke nooit wederga was gezien. Bij haar werden de Nereïden en nymfen lieftallige -schepselen, onbeduidend, en Ariadne’s zonnige schoonheid verbleekte tot een schim. -Zoo naderde Afrodite. Geheel de zee zag haar aan, lucht zag haar aan, alle schepselen -staarden haar tegen. Zij was de heerlijkheid van hemel en aarde. Zij scheen het niet -te weten. Zij glimlachte alleen en scheen niet te weten, dat glànsde haar glimlach. -Rondom haar fladderden eroten en wierpen rozen <span class="pageNum" id="pb283">[<a href="#pb283">283</a>]</span>neêr. Hare triomf was onvergelijkelijk met welken triomf ook op aarde … Aan de kim -was de poort gesloten, Helios verijlde in het azuur; het parelige pad verbleekte, -maar om Afrodite schitterden haar eigen glans en haar glimlach. -</p> -<p>Plotseling weêrschalde een gejuich. Aangedobberd, genaderd het strand van Naxos, was -zoo vervoerende schoon de godin, dat allen juichten, dat alles juichte, dat de tritonen -toeterden, de faunen pepen; de saters, dol, orgelden hunne schelle gamma’s. En Dionyzos -riep uit, in verrukking: -</p> -<p>—O, Afrodite, je nadert mij, op mijn gebed, over de van liefde bevende zee! O, Afrodite, -je nadert mij! Je glimlach baadt mij in een glinsterend geluk! Mijn Vreugde straalt -op in je schoonheid! O, Afrodite, Afrodite, mijn stem schiet te kort je toe te juichen -en tegen te danken! Je duldt Ariadne’s geluk? Je staat Ariadne mijn Vreugde toe! Afrodite, -ik zie je glimlachen! O godin, heil der aarde en lust van de goden, ik val je te voet -en ik bid je aan! O, heerlijke almacht, wij vallen te voet en bidden je aan! -</p> -<p>De godin, glimlachend, had haar schulp gestuwd en strandde haar op het strand. En -<span class="pageNum" id="pb284">[<a href="#pb284">284</a>]</span>Dionyzos voerde zijn bruid haar te moet, waar zij wachtte in de schulp, te midden -der fladderende eroten. Toen nam Afrodite van zeven sterren een kroon, die haar aanboden -de liefdegoodjes, en zij plaatste ze op Ariadne’s hoofd. En zij zeide: -</p> -<p>—O, blijde god Dionyzos, wees juichende god Dionyzos weêr! Wees jubelende Dionyzos! -Verover de wereld in vreugde! O, Ariadne, wees Dionyzos’ bruid! Niets kan <span class="asc">IK</span> Dionyzos weigeren: al wat hij vraagt, sta ik hem toe! Vraagt Dionyzos mij vreugde -voor Ariadne, hij, die zelve de vreugde sprenkelt, dan weiger ik mijn vreugde Ariadne -niet. Dan geef ik Ariadne mijn vreugde! Helios hoor: ik eindig mijn wraak, omdat Dionyzos -het vraagt! -</p> -<p>Op den hemelheirweg verscheen, mennend zijn schuimblank vierspan, Helios en hij aanhoorde -het woord der godin. Zee, lucht en aarde vierden Dionyzos’ hoogtijd overstelpend geluk. -<span class="pageNum" id="pb285">[<a href="#pb285">285</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch15.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">XV.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Tot afreis was besloten, en de saters, bezig met het inschepen der wilde dieren getemd, -zat Silenos naast Ariadne op zodenbank, en zag bekoord haar aan, terwijl een krans -van narcissen zij vlocht. En hij zeide, de oude Silenos: -</p> -<p>—Voorwaar, overgoddelijk schoon is ons de glimlachende Kypris verschenen, en wij geen -van allen, o Ariadne, wisten welk wonder wij zagen gebeuren en wat er in parelen glorie -aandobberde op de verliefde zee. Wij waren verblind en verstomd, en wij stonden als -ezels te kijken, terwijl de schoonheid zoo rustig in haar stralenden glimlach ons -naderde. En toen wij juichten haar huldigend tegen, klonk ons huldegejuich als ezelgebalk, -maar welwillend bleef Afrodite en ik heb haar niet fronsen gezien. Zij glimlachte, -zij glimlachte steeds! Lieflijke kleindochter van Helios, bleek was je en een schuchter -vrouwtje, vergeleken bij die <span class="pageNum" id="pb286">[<a href="#pb286">286</a>]</span>aantriomfeerende heerlijkheid, maar nu zij in parelen glorie terug is gekeerd en ik -je aanzie, o Ariadne, nu ben ik wèl tevreden en kan ik mij begrijpen, dat na Dionyzos’ -hymne, zijn thiazos je blijde een hymne toezingt. Ware mijn stem niet altijd schor, -ik stemde mede in die hymne, Ariadne … Nu zegt Silenos het je maar vaderlijk-weg, -in rustige, eenvoudige woorden: Ariadne, ik ben verheugd, dat een edele vrouw onze -overwinnaarstocht zal medemaken. Zie, Ariadne, wij misten de vrouw, de edele vrouw -van maat, de vrouw, die geleefd en geleden heeft, en weet wat het leven waard is. -Dat weten niet menaden en nymfen, in haar steeds oproerigen jubel. Ja, Ariadne, wij -misten de vrouw! O, Ariadne, nu je glimlacht, neêrgebogen je goudzonnig gelokte hoofd -over die witte vingers narcissen strengelend, en wil, vorstin, wel luisteren naar -het vaderlijk woord van je bruidegomsmeester, nu gelijk je mij bijna een Muze, zoo -lieflijk als wie ook der negen, en even rythmiesch van maat in ziel en in zijn als -zij. En Ariadne, wij missen de maat. Dionyzos is boven rythme en boven maat verheven, -maar wij, sterfelijke wezens des wouds? Wij zijn daar niet boven verheven, en zijn -onmatigheid verleidt ons, Ariadne, tot heel erge, tot heel <span class="pageNum" id="pb287">[<a href="#pb287">287</a>]</span>erge dingen … Ik mag het je nu wel bekennen: Ariadne, ik ben altijd dronken. Eigenlijk -ben ik altijd dronken. De druif te drinken is mijn ondeugd geworden: er gaat niets -boven te drinken de druif. Ariadne, sedert Dionyzos mij beval te drinken, heeft Silenos -geen maat gehouden. Ik dronk maar. Hij lachte er om, maar ik geloof niet, dat de ware -vreugde is altijd te drinken de druif, en altijd druifdronken te zijn …! Wat dunkt -je, Ariadne? Vroeger dacht ik veel na, en was ik heel wijs van weten: nu weet ik weinig, -en, ouder van dagen, drink ik veel en ben ik veel dronken! Daar voel ik om wat ik -nooit kende: weemoed, Ariadne … Weemoed is in mij gevaren, omdat ik zoo zwak ben en -altijd ben dronken. Nu geef je mij toe, dat wij veel, menaden, saters en faunen zelfs, -en zelfs heel jonge Panszoontjes, dronken zijn, maar dat is geen reden, o Ariadne, -dat, oud-van-dagen, Silenos, en zijn ouden-van-dagen, Silenen rondom hem, dronken -is en steeds dronken zijn. En als ik er over denk, o Ariadne, dan voel ik weemoed -zóó, dat ik drink, en weêr dronken ben. Het is de schuld van Dionyzos, maar hoe het -hem te verwijten! Hij is een god, hij goddelijkt boven ons uit. Is hij dronken, dan -is zijn dronkenschap goddelijk … Gisteren nacht heb <span class="pageNum" id="pb288">[<a href="#pb288">288</a>]</span>je hem dronken gezien! Ariadne, was hij toen niet mooi? Was Dionyzos ooit heerlijker, -o Ariadne, dan dronken op zijn hoogtijdsfeest! Hij gloeide van enthouziasme, energie … -Dan wil hij allen de vreugde sprenkelen! Dan is hij alleen wreed wie de vreugde niet -wil, want hij kan wreed zijn, je zachte verwinnaar! Maar wij … Ariadne, dronken, wij -zijn het nooit goddelijk! Wij vooral niet, ouden-van-dagen, Silenen rondom Silenos! -Een dronken menade is nog heel bekoorlijk; een dronken sater, hoe woest ook, is guitig; -een dronken faun blijft een faun, heerlijk als een bloem of een boom, maar een Sileen, -ik, met kale bol, en dikke maag, dronken, ik ben niet bekoorlijk, o Ariadne! Ik ben -van een leelijke dronkenschap … Wijnlof om mijn slapen en lendenen staat mij zot; -ik droeg liever een wijsgeersmantel. Helaas, ik bezit er geen een meer, marmerblank -van plooien: mijn mantels zijn purper voor feest of grauw voor de reize, en zoo purper -en grauw is mijn ziel ook naarmate feest- of reisstemming ze kleurt … O Ariadne, ik -juich, dat je, vorstin, ons beheerschen zal, naast goddelijken Dionyzos zelven … Je -staat ons nader dan hij. Je glimlacht mij toe welwillend … Zie Ariadne, maat en rythme -zal je zeker ons geven, en zelfs in <span class="pageNum" id="pb289">[<a href="#pb289">289</a>]</span>bakchantische vreugde, Ariadne, kan ik je me niet dronken denken. Neen, Ariadne, ik -kàn je dronken niet denken! Menade-zwierend tusschen menaden, in tijgervel, wijnlof, -met rinkelende belletjes der blijde tamboerijnen zal, Ariadne, wèlbewust blijven je -edele beweging, je sierlijk gebaar, je golvende dans, je zwaaiende arm, je rustiger -weemoedsblik, je lach en je blijdschap, en je dronkenschap, Ariadne, zal de Vreugd -zijn, goddelijk naast die des gemaals, en tevens begrijpelijker wellicht voor ons! -Zoo Ariadne, <span class="corr" id="xd31e2277" title="Bron: wordt">word</span> je ons tot zegen! -</p> -<p>Terwijl vaderlijk teeder en bij uitzondering nuchter, Silenos zich zoo uitte tegenover -de stil gelukkige Ariadne, scheepten met ijver de faunen en saters de tamme leeuwen -en panthers in en der Silenen blanke muilezelen en ezelen. Dien middag zoû Dionyzos’ -vloot Naxos verlaten, de kusten des morgenlands te-gemoet. De god zelve staarde op -een rots de zee omrond, die kalm lag, en hij zag het eiland als een prieël van druiven. -Hij zag naar den arbeid bij zijn schepen: uitgelaten trokken de saters de brullende -leeuwen voort aan sterke touwen van lianen en gevlochten veil. Geroep weêrklonk, een -enkele tamboerijn rinkelde in de hand eener nymf, de Silenen stonden in grauwe <span class="pageNum" id="pb290">[<a href="#pb290">290</a>]</span>mantels en met hoeden op breed, en waren, lachende om een grap, op het strand, als -een groep dikbuikige en blijmoedige filozofen. -</p> -<p>Plots schokte Dionyzos uit zijn glimlachende peinzen op. Tusschen de scheepsrumoerigheid -op het strand, tusschen geluid van roepende stemmen, van kwinkslag en lach, en rinkelen -van ènkele tamboerijnen, meende Dionyzos te hooren melodie, die hij dadelijk herkende: -de blijde wijze, die klonk uit het diepst van het bosschige eiland; de blijde wijze -van Ampelos’ fluit, maar zoo klagend van weemoed, dat blij de wijze niet was, en zij -verklonk, droevig parelende roep, in een weemoedige wijze. Dionyzos luisterde, en -hij sprak tot zich: -</p> -<p>—Waarom, in deze laatste oogenblikken van ons verblijf alhier, roept mij Ampelos tot -zich in het diepst van het eiland, daar waar de bosschages zoo donkeren, dat mijn -saters er den wijnstok niet hebben geplant? Waarom voegt hij zich niet bij zijn faunen -of scheept hij niet in zijn eigenen leeuw?… Hoor, hoe zijn fluit de wijze zingt … -altijd de zelfde, maar lang niet meer blij … -</p> -<p>En Dionyzos daalde de rots af en dwaalde, alleen, het bosch in; padloos-recht af schreed -hij toe op het klagend en roepend geluid, dat <span class="pageNum" id="pb291">[<a href="#pb291">291</a>]</span>eenmaal was het blijde geluid geweest … Hij trad het struikhout plat onder zijn voet -en zijn handen scheurden de lianen van een … Duidelijker maar ook weemoediger hoorde -hij de wijze klagelijk ruischen, en nu haastte Dionyzos zich, angstig. -</p> -<p>—Ampelos! riep hij. O mijn Ampelos … -</p> -<p>Stem antwoordde niet; hooger alleen riep de fluit, als met een plotse uitbarsting -van weemoedig verlangen. Een dicht gewarrel van kamperfoelie scheurde Dionyzos als -een voorhang van een en dáar, in dichte cypressenschaduw, op den grond bijna zwart, -lag Ampelos voorover en speelde zijn lange fluit. -</p> -<p>—Kwam ik niet altijd als mij lokte de blijde wijze? Was zij niet steeds sterker dan -mijn eigen wil? Maar de blijde wijze is de blijde wijze niet meer … -</p> -<p>—En Dionyzos’ Faun is niet meer zijn faun! -</p> -<p>—De weemoed verwon hem? -</p> -<p>—En hij schuilt, schuw voor licht, in cypressenschaduw! -</p> -<p>—Ampelos, Ampelos, op! De saters maken de schepen gereed en leiden de wilde beesten -binnen. Mijn schip versierden met rozen de nymfen tusschen de druiveranken der masten, -en zij spreidden Ariadne een sponde van versche rozebladeren! -<span class="pageNum" id="pb292">[<a href="#pb292">292</a>]</span></p> -<p>—Dionyzos, overwinning, éen overwinning, een purperen overwinning zal je verdere reize -zijn … -</p> -<p>—Aan Ampelos’ zijde, op zijn schouder! -</p> -<p>—Niet op mijn schouder en niet aan mijn zijde … O neen, Dionyzos, neen! Hoor … Zet -je hier in deze schaduw … Zie, voor het laatst … -</p> -<p>—Voor het laatst …?! -</p> -<p>—Voor het laatst laat ik viooltjes ontbloeien, tallooze en geurende, daar waar je -rust … Hoor mij, o Dionyzos: Ampelos is niet meer blijde … -</p> -<p>—Waarom …? -</p> -<p>—Hij is niet meer rustig blijde en kalm van vreugde en blijmoedig van glimlachenden -ernst, zoo als hij was toen hij niet meer was dan een blad, een bloem, een boom, dan -wolk, aarde, of water, niets dan een wezen des wouds, geboren uit het woud zelve, -geboren uit de eigen natuur, en gedachteloos bloeiende als die natuur zelve, o Dionyzos! -Sedert Ampelos droomde en, ontwaakt, vond den stok in zijn palm gevlijd door Zeus -zelven zeker … sedert Ampelos riep Dionyzos door het woud van Nyza, hem lokkende met -de blijde wijze, sedert Ampelos plantte met zijn god den wijnstok en <span class="pageNum" id="pb293">[<a href="#pb293">293</a>]</span>zijn god torste ten strijde en vierde zege aan zijn zijde … sedert vermenschelijkte -Ampelos, en ging zijn hart voelen aandoeningen als die der menschen! Die aandoeningen -zijn van juichen en klagen, van liefde en van leed, van vervoering en wanhoop … maar -zij zijn niet meer die der kalm blijmoedige natuur, en niet meer die harer rustig -vreugdvolle wezens … O, Dionyzos, soms meende wel Ampelos, dat hij vergoddelijkte -met je meê, meê met je steeds goddelijke vervolmaking, maar, Dionyzos, zijn trots -bedroog hem, helaas, en het was niet vergoddelijken, het was vermènschelijken, wat -hem gebeurde … Dwaalde hij alleen in het woud voortaan, hij voelde zich niet meer -doelloos gelukkig, hij voelde zich mènsch met smart en geluk … En omdat de mensch -die beiden bergt in zijn ziel, is vooral weemoed den mensch, en heeft Ampelos, vermenschelijkt, -den weemoed vol zijn ziel voelen vullen … -</p> -<p>—O, Ampelos, voelde <span class="asc">IK</span> den weemoed niet … -</p> -<p>—O, Dionyzos, je voelde den weemoed, als je vermenschelijkte: dat was in zwakte! O, -Dionyzos, zoon van Semele, je bent zoon van Zeus: na zwakte in weemoed, vergoddelijkte -je zoo gauw in glans, in hoop, in vertrouwen, <span class="pageNum" id="pb294">[<a href="#pb294">294</a>]</span>in zekere bewustheid van taak: de vreugde te sprenkelen der sombere wereld! Na menschelijke -neêrslachtigheid straalde je òp in goddelijke juiching en wìst je, dat de Vreugde -zal de wereld verwinnen … Je weemoed is niet meer dan een schaduw van je lichtende -vervolmaking! Mij wierp de weemoed in cypressenschaduw neêr … -</p> -<p>—Als eenmaal Hermafroditos!! -</p> -<p>—Als eenmaal Hermafroditos: de Weemoed, godenzoon: zoon van verstand stralenden Hermes, -schoonheidstralende Afrodite … Helaas, ik ben niet van goden een zoon … Ik ben geboren … -uit wie? Uit het woud zelve: uit aarde, uit natuur: mijn ouders kan ik niet noemen: -mijn vader was samen met boom, wolk en water, mijn moeder met bloem, dauw en vruchtbare -aarde: uit meer niet, Ampelos, ben ik gebloeid. Ik vermenschelijkte, ik vermenschelijkte, -o Dionyzos! -</p> -<p>—En je zal vergoddelijken, o mijn vriend! -</p> -<p>—Neen, ik zal niet vergoddelijken, vriend! De aandoeningen der menschen beheerschen -mij, en zij maken mij bang voor dit leven, en die vrees zal mij eeuwigen weemoed geven … -</p> -<p>—O vriend, mijn vriend, wat overstelpt je <span class="pageNum" id="pb295">[<a href="#pb295">295</a>]</span>heerlijke ziel! O vriend, laat mij den tros je langen … -</p> -<p>—Geen tros, geen beker, geen vreugde … Dionyzos, aan mijn menschenlippen! Helaas, -mijn weemoed is een dorst onleschbaar … -</p> -<p>—Op! Nieuwe overwinning vervroolijkt je … -</p> -<p>—Nieuwe overwinning maakt Ampelos, vermenschelijkt, niet meê … zoo hem Dionyzos zijn -wensch toestaat … -</p> -<p>—Ampelos’ wensch? Ampelos heeft aan Dionyzos een wensch? En toestaan zoû die niet -Dionyzos? Wensch, Ampelos, en het is je toegestaan! -</p> -<p>—O … Staat Dionyzos Ampelos zijn wensch toe? -</p> -<p>—Ongehoord … wat die ook zij! -</p> -<p>—Op zijn godewoord? -</p> -<p>—Op zijn godewoord … -</p> -<p>—O Dionyzos, o god, dien ik min—en de Faun rees op, goudblond in de schaduw—o liefde -van mijn ziel en mijn armen! Dionyzos, geef Ampelos weêr aan de natuur tot welke hij -behoorde! Geef hem weêr aan het woud en de aarde! Maak hem gelijk met boom, wolk, -bloem, dauw en grond! O, Dionyzos, herschep Ampelos in de vreugde, die je eigen verwinning -is en herschep hem in je eigen wingerd! -<span class="pageNum" id="pb296">[<a href="#pb296">296</a>]</span></p> -<p>Maar de god beefde, om zijn belofte. -</p> -<p>—Ampelos … Ampelos … wàt vraag je? -</p> -<p>—Herschep Ampelos in de vreugde, die je eigen verwinning is … -</p> -<p>Nu slaakte de god Dionyzos een kreet van wanhoop en hij riep: -</p> -<p>—Vriend, waarom? O, waarom te willen veronbewegelijken, ver, ver van Dionyzos, in -de weliging van éen enkelen wijnstok, als je kan weligen, alle zijden uit, in vreugde-overwinning, -aan Dionyzos’ zijde … O Ampelos, ik heb beloofd, maar geef mij mijn belofte terug! -Hier in je armen, aan je borst, o mijn vriend, smeek ik je: geef Dionyzos zijn belofte -terug …!! Helaas, helaas, je weigert? O, wreede Ampelos, je weigert? Te-vergeefs snik -ik aan je borst! Vriend, vriend, waarom mij smart aan te doen? Helaas, is dit smart …: -Dionyzos’ smart? -</p> -<p>—Neen, Dionyzos, dit is <span class="asc">NIET</span> je smart! -</p> -<p>—Helaas, is het dan vertwijfeling? Omdat ik won op Naxos, moet ik verliezen? Omdat -ik vond Ariadne, moet ik Ampelos verliezen? Zeus, mijn vader, waarom? O, belofte, -heillooze belofte! Helaas, gij wreede en groote goden, gij groote zusteren en broeders, -godinnen van noodlot en goden van Styx, wat zijt gij wreed, ons, die der wereld nog -zijn …! Voor wat gij <span class="pageNum" id="pb297">[<a href="#pb297">297</a>]</span>geeft, neemt gij ook terug! O, wereldsch evenwicht van uw nooit spillende gaven! O, -zuivere rekening van winst en verlies! Nooit, o wreede goden, geeft gij als <span class="asc">IK</span> geef, met beide handen vol-op druiven en vreugde aan wie wil! Tel ik mijn trossen? -Bied ik gierig mijn druiven éen voor éen aan? Neen, ik spil: mijn enkel gebaar laat -weelde ontbloeien, en ik geef ruim het genot en ik gebied zelfs het ruim te aanvaarden! -Helaas, ik rekende nooit! Gij, goden, gij rekent uit! Gij geeft mij een groot geluk, -maar gij neemt mij ook een groot geluk weg! Ampelos, zie mijn tranen; voel, o voel -in je armen mij snikken; vriend, geef mij mijn eed terug …! Neen, hij wil niet en -glimlacht slechts … Mijn vriend, mijn vriend! -</p> -<p>—O Dionyzos, herschep Ampelos … -</p> -<p>—In de Vreugde? -</p> -<p>—Die je eigen verwinning is … -</p> -<p>—Helaas, helaas! In een wijnstok en wingerd wil Ampelos zich veronbewegelijken! -</p> -<p>—O, Dionyzos, geef mij aan de aarde terug! -</p> -<p>—O aarde, o naijverige aarde! Aarde, aarde, ik haat je! Heb ik, aarde, je duizend -wijnstokken doen ontbloeien, om mij te ontnemen, naijverig, éen vreugde, die ik bewegelijk -wil … menschelijk en goddelijk! -<span class="pageNum" id="pb298">[<a href="#pb298">298</a>]</span></p> -<p>—O, Dionyzos, herschep Ampelos … -</p> -<p>—In de Vreugde …? -</p> -<p>—Die je eigen verwinning is … -</p> -<p>—O, herinner mij niet aan mijn eed! Klinkt mijn belofte mij niet in de ooren en ziel?? -Weèt ik nu niet wat ik beloofde! Helaas, ik vertrouwde en beloofde! Vol vertrouwen, -stelde mij Ampelos, en stelde mij aarde teleur! Vol vertrouwen, zal zij teleurstellen -àllen! Helaas, helaas, ik vertrouwde … O, ware ik niet godmachtig! O, kon ik niet -wonder gebeuren doen! O, ware ik mensch, herder, sater, wat ook … maar geen god! O -Zeus, gij maaktet een god mij, om mij lijden te doen, om mij lijden te doen! Helaas, -helaas … mijn vriend … -</p> -<p>—O Dionyzos, herschep … -</p> -<p>—O rampzalige belofte, helaas, helaas … Mijn vriend …! Helaas, wat ik uitstel, wat -geeft het mij! Het wonder moet ik gebeuren doen! Godmachtig moet ik herscheppen … -Ginds zijn de schepen gereed, Ariadne wacht mij … allen wachten mij en godmachtig -moet ik herscheppen, en verliezen wat mij zoo lang dierbaar was, en dichtbij, en nooit -van mijn zijde … Vriend, ik sliep op je hart! Vriend, je torste mij op je krachtige -schouders! Vriend, je verwon met mij! Helaas, helaas! Hij vermenschelijkte, Ampelos -<span class="pageNum" id="pb299">[<a href="#pb299">299</a>]</span>vermenschelijkte aan zijn gods zijde! O, wreede aarde, snikkend in smart, éerste smart, -geeft Dionyzos wat je behoorde terug! Smartelijk wonder, geschie! Cypressen, verwelkt! -Rotswand, breid breeder! Grond, gruizel vruchtbaar en zandig … Wreede plek, smartelijk -herschept Dionyzos je in blonde vreugdeplek …! Mijn Ampelos, mijn Ampelos! O, wat -ik snik en roep, hij wacht! Hij glimlacht en wacht … Wreede! Erbarminglooze! Ampelos …: -O Zeus, het woord stikt in mijn gorgel … Ampelos … wees noch mensch meer, noch faun! -Faun, Dionyzos houdt je, hartbrekend, belofte! Vriend, word wingerd! Herschep! Blonde -vriend, wees blonde wingerd! O wees niet als allen, purper van gloed: wees blond, -wees blond, als was mijn goudblonde vriend Ampelos! Blonde wingerd, o welig heerlijk! -Guldene trossen, zwelt als Helios’ goud! -</p> -<p>En zijn gelaat oversproeid van tranen, zag Dionyzos de herschepping zijns vriends, -door eigen woord, in ontzetting aan: wortel schoten de voeten, de beenen krinkelden -samen tot gespierden en knoestigen kronkelstam; tors en armen, als in bezwijming van -het menschelijke, woekerden in takken weg; goudblond verdween het hoofd, en de ranken -weligden tegen den <span class="pageNum" id="pb300">[<a href="#pb300">300</a>]</span>rotswand uit, de bladeren looverden dicht en groot, en groote gele trossen zwollen, -topaasgoud en zonnegoud, met, door glanzende schil zichtbaar een lichtdroppel in iedere -druif. Alle stem van Ampelos was verklonken, en de wingerd ruischte alleen van wind -door zijn looveren. Toen wierp zich in smart Dionyzos over den gruizeligen grond en -sloeg om den krachtigen stam zijn armen en bleef er liggen, gebroken van snikken. -Slechts eenmaal hief hij den arm op, plukte een blonden tros, en drukte dien plat -op zijn mond. Het gele bloed stroomde en Dionyzos snikte. Maar van alle zijden, ten -laatste, kraakte het kreupelhout, en saters en faunen schoten toe. Zij zochten den -god voor de afreis. Zij meenden, hij had zich aan Vreugde bedronken en zij jubelden -om den blonden wingerd, nieuw van ooft, zoo goud en zoo heerlijk zoet. In hun armen -liet Dionyzos zich heffen, en zij zagen aan, dat hij weende. En hij riep in smartelijke -vervoering en razernij: -</p> -<p>—O faunen, o saters, ziet: deze blonde wingerd is Ampelos! Deze blonde trossen weligen -van Ampelos’ bloed! Tot de natuur wilde hij wederkeeren en smeekte mij hem te herscheppen! -Ik beloofde, helaas, voor ik wist wat zijn wensch zoû zijn! Faunen, o <span class="pageNum" id="pb301">[<a href="#pb301">301</a>]</span>saters!—en Dionyzos’ stem werd ruw en wreed, en zijn smartelijk gelaat verwrong tot -een tronie …—Niet alleen herschep ik Ampelos in een wingerd! Niet alleen hèm, niet -alleen hèm, opdat hij in veronbewegelijkte eenzaamheid kwijne! Faunen, saters, ziet!—en -hij stortte hier toe op een faun, sloeg daar een sater de thyrs in het gelaat, drukte -een derde woest tegen den rotswand, verschrikt—faunen, saters ziet … meerderen herschep -ik in blonden wingerd! Makkers, veronbewegelijkt om Ampelos heen! Tiert welig uit -over Naxos! Helaas, helaas, aarde heeft den blonden wingerd meer, maar Dionyzos verloor -zijn vriend! Helaas, aarde, ons, die nog menschelijk zijn, neemt gij àlles af, wàt -wij ook ontvingen! -</p> -<p>Toen stortte Dionyzos zich door het woud, naar de schepen, waar Ariadne hem wachtte -en hij viel schaterend in zwijm aan haar voet. Zij meenden allen, hij was dronken -van Vreugde, en zij tilden hem op en zij scheepten hem in, in zijn rozen- en druiventrireem -en zij legden hem op de roosbladerensponde … Maar om Ampelos en de herschapen makkers -bleven gehurkt, stil en zwijgend, de andere saters en faunen, en durfden niet Dionyzos -volgen. Toen <span class="pageNum" id="pb302">[<a href="#pb302">302</a>]</span>plukte er éen een tros van Ampelos’ eigen wingerd en begon de druiven te persen. Hij -dronk en hij lachte, de sater. Andere saters deden als hij. Zij plukten de blonde -trossen, zij bezwijmelden zich, zij dansten en zij vergaten Dionyzos’ toorn. Zij dansten -tot de zon hoog aan den hemel stond, en zij plots aan de af-reize dachten. Blond-trossen-beladen -stortten zij door het woud en terug naar de schepen. Maar zij zagen de vloot der druivetriremen, -voorspoedigen wind in de bollende zeilen, reeds ver, ver weg in de zee, op weg naar -het Oosten toe! Uit de zee rezen de Nereïden en wuifden met sluiers en van de schepen -wuifden sluiers terug. Plots zagen de achtergebleven faunen en saters de edele Ariadne -wuiven haar sluier in den bries. En de saters en faunen waren wèl bedroefd, dat Dionyzos -hen had achtergelaten, dat zij niet met hem het Oosten veroveren zouden. Maar bedroeving -was niet voor hun ziel. Toen zij twee najaden nieuwsgierig uit waterklaterenden rotsspleet -zagen turen, gaven zij een kreet schel en ijlden op de bronnymfen af … Zij doken aanstonds -in de kloven terug en vluchtten toen rots over en woud door naar het diepst des eilands, -meenende zich in cypressenschaduw te verschuilen. Maar zij <span class="pageNum" id="pb303">[<a href="#pb303">303</a>]</span>vonden niet de schaduw der zwarte boomen, en de begeerlijke handen der saters grepen -haar, bij den stam van Ampelos’ eigen blond-goudenen wingerd … -<span class="pageNum" id="pb304">[<a href="#pb304">304</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch16.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">XVI.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Nauwelijks was Dionyzos’ vloot geland aan de Aziatische kust, of Poseidoon torende -òp, ten middel uit de plots toornige baren, hief zijn drietand: de hemel donkerde, -de zee kruifde omhoog, machtig onweêr sloeg uit en het was Dionyzos of hij uit de -scheurende wolken Zeus zelven de bliksems zag als vurige lansen slingeren. En de machten -van hemel en zee stormden plotseling zoo onwederstaanbaar in donderend en schuimend -geweld, dat, nauwelijks de talrijke thiazos, het dionyzische leger ontscheept, of -de triremen, verlaten, sloegen tegen elkaâr en verzonken in de verslinding der diepte. -Over strand en zee heerschte de stormende nacht, pikzwart van wolken, door flitsen -verscheurd, en de zee raasde aan of zij zich op het land wilde werpen. Slagregen ruischte -neêr: de toortsen, smokend, doofden telkens uit; de wilde dieren, in toom, brulden -<span class="pageNum" id="pb305">[<a href="#pb305">305</a>]</span>angstig. Saters zochten den weg, maar rotsen hieven zich en pijnwouden rezen geheimzinnig, -zwiepende van stormwind, en krakende in de hoogere kruinen. -</p> -<p>—Hierheen! riepen de saters. Hierheen! riepen weêr anderen. -</p> -<p>Langs verschillende richtingen verspreidden in den gruwlijken nacht zich de thyrstroepen -van Dionyzos. Somber zat de god in zijn lynxenwagen, en Ariadne, aan zijn zijde, zag -angstig op. Zij waren voor den nacht en den regen gehuld in grauwe mantels. Rondom -den wagen stuwden de Silenen, op ezels wit,—onhoorbaar brommende, weggedoken in mantel -en onder hoed; de faunen op leeuwen aansporend; de menaden, in dichte omhelzing elkaâr -beschermend voor het geweld van den storm, en aarzelend ging die stoet om den god. -Maar over het strand zwermden duizend anderen, saters, faunen, stervelingen, Panen -en Panisken; geheel de vreugdemacht van Dionyzos, en telkens klonken de stemmen: -</p> -<p>—Hierheen! Neen, neen … hierheen!! -</p> -<p>Dionyzos, met zijn thyrs, wees de richting uit, de rotsen op, het bergachtige pijnbosch -in, maar reeds vloden de verkennende saters terug tot den god en kreten: -<span class="pageNum" id="pb306">[<a href="#pb306">306</a>]</span></p> -<p>—Dionyzos! Dionyzos! Dionyzos! -</p> -<p>—Waarom die kreet? vroeg de god. -</p> -<p>—Dionyzos! riepen de saters. Schrikverwekkend is het donkere pijnbosch! -</p> -<p>—Vooruit! -</p> -<p>—Dionyzos … -</p> -<p>—Vooruit! -</p> -<p>—Wij gaan niet vóor, in het schrikverwekkend donkere pijnbosch! -</p> -<p>—Volgt mij dan -</p> -<p>—O Dionyzos, wij willen terug! -</p> -<p>—Waarheen? -</p> -<p>—De zee over, naar gastvrijer streken: Naxos en bekoorlijke Archipel, naar Karië en -naar Arkadië … -</p> -<p>—Vooruit! -</p> -<p>—Dionyzos, in het schrikverwekkend donkere pijnbosch woedt verschrikking, die wij -niet weten! -</p> -<p>—Ik versloeg de Giganten! Aan mij zal de wereld zijn! -</p> -<p>—Dionyzos! -</p> -<p>—Tot aan de oostelijke poorten des morgenlands! -</p> -<p>—Helaas! -</p> -<p>—Vooruit! -</p> -<p>—Wij durven niet! -<span class="pageNum" id="pb307">[<a href="#pb307">307</a>]</span></p> -<p>—Vooruit dan alleen, wie durft, met mij … -</p> -<p>—Helaas! -</p> -<p>—Niemand? Geen faun? Geen sater? Sileen? Geen enkele menade, verscheurensgereed als -een tijger! -</p> -<p>—Helaas, Dionyzos! -</p> -<p>—Gij zijt allen bang? -</p> -<p>—De nacht is stormzwanger van onheil … Poseidoon, Zeus hebben je verlaten …! -</p> -<p>Een weegeklaag ging op, maar de storm veegde het weg. -</p> -<p>—Vergezelt mij dan niemand? -</p> -<p>—Ik, o mijn gemaal … -</p> -<p>—Ariadne alleen …? Gaan wij! -</p> -<p>En de god rukte uit de handen der aarzelende menners de rankenleidsels der lynxen. -De wagen ratelde vooruit … Maar uit het pijnbosch kwam als een sombere, aardsche donder, -en de anders gewillige dieren schrikten uit een; het tuig brak, zij vluchtten; de -wagen, stil, stond op een rots. -</p> -<p>—Ariadne, riep Dionyzos. Kom<span class="corr" id="xd31e2440" title="Niet in bron">!</span> -</p> -<p>Zij was uit den wagen gesprongen, zij klemde zich aan haar gemaal. -</p> -<p>—Ariadne! Zie dat sombere woud! Zie dezen nacht, rondom ons! Ik weet niet, waarom -Zeus mij toornt! Maar Poseidoon wachtte met <span class="pageNum" id="pb308">[<a href="#pb308">308</a>]</span>zijn geweld tot de ontscheping van mijn laatsten leeuw of muil! Ariadne, o zie deze -sombere oorden! Ariadne, ik wil ze vrèugde sprenkelen! -</p> -<p>—Ja, Dionyzos! -</p> -<p>—Ariadne, vergezel je mij? -</p> -<p>—Ja, Dionyzos! -</p> -<p>—Kom dan! -</p> -<p>Hij slingerde om haar middel den arm en hielp haar voort, op. Wolkzwarte verschrikking, -stormzwanger, waaierde als een dichte mantel van onheil, plooienflapperend rondom -hen heen. -</p> -<p>—… Dionyzos! Dionyzos! riep met éen stem geheel zijn leger. -</p> -<p>Hij ging voort, en in den donkeren nacht verhelderde zijn gelaat, hij glimlachte op -Ariadne, die moeizaam schreed aan zijn zijde. -</p> -<p>—… Dionyzos! Dionyzos! -</p> -<p>Het leger herhaalde den angstroep; en zij zagen den god: zijn glans, blauw als maneglans, -ging voort tusschen de bliksems, en Ariadne, in haar grauwen mantel, was in dien glans -zichtbaar, gebogen voortgaande aan Dionyzos’ zijde. -</p> -<p>—Dionyzos, Dionyzos! -</p> -<p>De god luisterde niet meer. Hij beklom de rots en hij hielp Ariadne. -<span class="pageNum" id="pb309">[<a href="#pb309">309</a>]</span></p> -<p>—Ariadne, ben je bang? -</p> -<p>—Neen … -</p> -<p>—Waarom niet? -</p> -<p>—Ik ben zeker van onze overwinning! -</p> -<p>—Wij zijn alleen … verlaten! Ginds weet ik niet welke verschrikking ons wacht! -</p> -<p>—Ik ben niet bang! Dionyzos zal verwinnen! -</p> -<p>—Geloof je? -</p> -<p>—Ja! -</p> -<p>—Heb ik niet te weifelen? -</p> -<p>—Neen! -</p> -<p>—Ik ben wel moedig, maar ik weifel soms, Ariadne. Ik ben niet onsterfelijk: ik kan -sterven, voor ik de wereld verwonnen heb! -</p> -<p>—Zege wacht je en goddelijke onsterfelijkheid! -</p> -<p>—Ariadne … heb je mij lief? -</p> -<p>—Ja … o mijn held, o mijn held! -</p> -<p>—Ik ben niet Thezeus! -</p> -<p>—Je bent Dionyzos! -</p> -<p>—Ik gaf je de Vreugde? -</p> -<p>—O ja … Kom … -</p> -<p>—Kom … -</p> -<p>Zij gingen. Het pad was heel moeielijk, zij stegen. Zij naderden het bosch, dat was -zwart, ondoordringbaar nachtgeheim. -</p> -<p>—Hoor! riep Ariadne. -<span class="pageNum" id="pb310">[<a href="#pb310">310</a>]</span></p> -<p>—Het is onweêr! -</p> -<p>—Neen … hoor! -</p> -<p>—Het is de donder, die rolt! -</p> -<p>—Het is donder en het is geen donder! -</p> -<p>—Het is donder, die tegen de bergen weêrkaatst … -</p> -<p>—Het is een donder, rythmiesch. O, vreeslijk rythme! -</p> -<p>—Ariadne, ben je bang? -</p> -<p>—Neen …: kom! O … hoor!! -</p> -<p>—Ik hoor! Het is donder … -</p> -<p>—Het is een donderend rythme … en een dans! O vreeslijke dans! Kom Dionyzos …: ik -ben niet bang … -</p> -<p>—Het is een dans … -</p> -<p>—Over de bergen heen! -</p> -<p>—Het is een donder … -</p> -<p>—Die komt uit het bergwoud en weêrslaat tegen de rotswanden … -</p> -<p>—Ik was niet voor de Giganten bang! -</p> -<p>—Dionyzos, ben je bang? -</p> -<p>—Neen, Ariadne, kom … O hoor! -</p> -<p>—Het is een dans, en een rythmiesche donder van hamergeweld op schilden … -</p> -<p>—Onder zware voetstappen dreunt het gebergte … O, Ariadne, dat is vreeslijker dan -de Giganten … Wat is het? -<span class="pageNum" id="pb311">[<a href="#pb311">311</a>]</span></p> -<p>—Ben je bang, Dionyzos? -</p> -<p>—Neen … kom … kom voort … -</p> -<p>Zij sleepten elkander voort in het woud. Zij zagen in den donker niet meer, een enkele -flits slechts lichtte op, en zij zagen stammen, éen oogenblik … Maar zij hoorden den -<span class="corr" id="xd31e2513" title="Bron: rythmischen">rythmieschen</span> donder, den zwaar trappenden dans, en het hamergeweld … -</p> -<p>—Bergen en bosschen! riep Dionyzos. Sombere nacht! Onheilgeluid! Gij allen, die met -hamers op schilden slaat en met zwaren voet danst …: aanvaardt de Vreugde …: Dionyzos -wil het! -</p> -<p>En hij verhief hoog zijn thyrs. Wel spleet de grond, maar of de wingerden ontloken, -kon hij niet zien. Vuur viel uit de lucht, een donderslag of Zeus den hemel deed splijten, -ontbarstte; en dans en rythmiesch hamergeweld sloegen luider en luider en luider of -geheel het woud was van metaal en klaterende sloeg te samen. -</p> -<p>Als uit metaal spatten groote blauwe vonken uit, en zoo hel, dat Dionyzos en Ariadne -zagen. En zij zagen de Vreugde niet weligen, maar zij zagen, huivering wekkend, den -pyrrhieschen dans der vreeslijke éerste schepselen, Kureten en Korybanten, daimonen -der sombere bergen <span class="pageNum" id="pb312">[<a href="#pb312">312</a>]</span>en bosschen, slaande met zwaard tegen schild, zich begeleiden den voetdreunenden ommegang, -Daktylen en Kabeiren, slaande met hamer op aanbeeld, zelfs in den donkeren nacht in -Hefaistos’ kunst zich oefenen en bearbeiden het gloeiend ijzer. Oorverdoovend metaalgedruisch -en oorverdoovende woedekreten stormden op, toen zij Dionyzos en Ariadne zagen, en -zij wierpen zich, een storm gelijk, op den god en zijn bruid, maar Dionyzos, op wiens -bevel de grond al was gespleten hier en daar, ving hen in de boeien van wingerd en -schuimbekkend stonden zij àllen, omrankt, in welken toover van geluk wisten zij niet. -Plots, in den weêrschijn van bliksem, met het rollen van donder, naderde, nauw in -den gruwelijken nacht zichtbaar, een Godin, en zelfs Dionyzos ontzette, en Ariadne -school weg in haar mantel, en in de armen van haar gemaal. En de sombere stem der -Godin, tusschen de schuimbekkende kreten harer geboeide priesters en dienaren riep: -</p> -<p>—Wie nadert in den nacht ons geheim, en slaat niet het schild en danst niet het rythme -met dreunenden voet? Wie vangt mijn dienaren en priesters in boeien en tart de woede -der goden- en bergenmoeder? -<span class="pageNum" id="pb313">[<a href="#pb313">313</a>]</span></p> -<p>—Rheia! riep Dionyzos uit en zijn stem beefde. Rheia Kubele! Bergmoeder en moeder -der goden! Moeder van Zeus, mijn vader! Toorn mij niet, uw kleinzoon! Ik herken u, -o Eerwaarde, o Moeder! Ik herken u en ik val u te voet! Ik ben Dionyzos, en zie, dit -is Ariadne! Zeus wees mij mijn taak en mijn weg! Ik volvoer die taak en ik sla dien -weg in. Eerwaarde moeder, o toorn mij niet! Zie, ik lig aan uw voet bevend, en Ariadne, -zie, knielt naast mij. Wij komen alleen; mijn leger bleef op de stranden versagende -achter! Ik, ik versaagde niet! Aan mij is de wereld, o Moeder! O, mij is de Vreugde, -en ik sprenkel haar! O moeder der bergen en goden, o Rheia, Rheia Kubele, dùld dat -ik haar sprenkel, de Vreugde! -</p> -<p>—De Vreugde? klonk, sombere vraag, de stem der Godin, en over zijn deemoed heen zag -Dionyzos buigen haar gerimpeld gelaat in de haren grijs, die zwaar golfden uit stedekrone. -De Vreugde? Helaas, helaas, moeder der goden, en der bergen moeder, ben ik vergrijsd -in de Smart, waarom mijn Korybanten, Kureten, Daktylen, Kabeiren, het smartverdoovende -metaalgeluid slaan, den smartverdoovenden dans immer dreunen! Helaas, helaas … Attis, -Attis! Waar is hij? Zoek hem voor mij! De Korybanten <span class="pageNum" id="pb314">[<a href="#pb314">314</a>]</span>vonden hem niet! De Kureten vonden hem nooit! Sombere dagen, sombere nachten, dat -ik hem zoek, dat ik hem zoek, altijd! Hij versmaadde de moeder der bergen, voor de -vrouwen der aarde; en ik wolkte razernij om zijn heerlijk hoofd heen! Helaas, helaas … -hij verminkte zich in razernij, hij moordde zich in razernij! Attis! Attis! Waar is -hij! Waar vind ik zijn lijk! O Zeus, o mijn zoon, sta slechts toe, dat ik vind zijn -lijk en niets meer! O, Dionyzos, mijn kleinzoon, zoek met mij, zoek met mij zijn lijk! -De Vreugde? Maar ik heb zijn lijk nog niet gevonden! De Vreugde? Maar hij verminkte -zich, hij verwondde zich! O, Dionyzos, ontboei mijn dienaren; leeuwen wil ik brullend -om mij, fakkelen wil ik zwaaiend om mij; razernij, razernij wil ik om allen! Dionyzos, -ontboei mijn dienaren! Slaan zij de schilden, en dreunen den dans zij; dat de aarde -davere onder mijn smartverdooving! Helaas, helaas! -</p> -<p>De Godin stond, de armen hoog op en wijd uit, in den nacht, en hare kreten klonken -het gebergte over. En Dionyzos, in medelijden, rees op, vol eerbied, maar zonder vrees -meer. O, de allermenschelijkste smart trof zelfs de eerwaardigste godheid: moeder -van goden, smachtte zij naar het lijk van wie haar, zoo <span class="pageNum" id="pb315">[<a href="#pb315">315</a>]</span>goddelijk, versmaadde, voor aardsche en lieftallige sterfelijkheid. Welke Smart zou -éenmaal Dionyzos’ Smart zijn …? Hij dacht aan Ampelos, voelde slechts weemoed. Wat … -wat zoû zijn Dionyzos’ smart? Zijn eindelijke nederlaag … voor hij de wereld verwonnen -had? O, hij wist het niet, maar voor haàr, de eerwaarde Godin, moeder der bergen en -moeder der goden, voelde hij zwellen zijn medelijden en zwijmen zijn angst. Toen smeekte -hij, stil, Zeus den hemel te doen klaren, en het onweêr ratelde weg, de wind vaagde -weg, de wolken verdreven en boven de zichtbaardere pijnstammen des machtigen bergwouds -effende zich de nog nachtelijke hemel, met de optinkelende oogen der sterren! En Dionyzos’ -eigen glans manescheen door het donkere woud, en Ariadne, haar mantel afgeslipt, straalde -bijna als Afrodite zelve. -</p> -<p>—Dionyzos! herhaalde de moeder der goden. Helaas! Zoek je zijn lijk met mij? -</p> -<p>—O Rheia! riep Dionyzos, en zijn stem bevestte zich in helderen klank. Rheia Kubele! -Keer ik terug van mijn zegetocht en heb ik de wereld veroverd, tot de Oostelijke poorten -des morgenlands toe, keer ik terug na den winter, die aanvangt, dan is Attis herleefd -in de Vreugde! -<span class="pageNum" id="pb316">[<a href="#pb316">316</a>]</span></p> -<p>—Helaas, helaas neen, hij herleeft nooit! -</p> -<p>—Hij herleeft iedere lente, o Rheia! -</p> -<p>—Helaas, helaas neen, hij herleeft nooit voor mij! De smart overstelpt mijn onsterfelijken -ouderdom! Mijn voorhoofd is als het rotsgesteente gegroeid! Mijn haren zijn als de -eeuwige winter! Mijn ziel is als de woestijn! Dionyzos, voor mij geen lente en Vreugde -meer! O Dionyzos, verlos uit hun boeien de dienaren mijn, en ga terug, waar je de -Vreugde kunt sprenkelen! -</p> -<p>—Ik sprenkel ze hier! -</p> -<p>—Helaas! -</p> -<p>—Zie, de storm is vereffend, de nacht is verklaard, de dageraad heeft de poorten ontsloten! -Weldra rijdt Helios den goudenen en nieuwen dag aan! Waar ik verschijn zal de winter -mij wijken! Zoo lang ik zegevier, weêrsta ik de seizoenen, en roep ik slechts op het -seizoen van mijn vruchtbaarheid in wondersnelle weliging! Rheia Kubele, laat langs -uw smart, die, helaas, ik niet dooven kàn, ik mijn wingerd festoenen, zoo als ik reeds -festoende om Korybanten, Kureten, en laat mij vrij den weg naar de morgenlanden! De -rijken, waarover zweeft het mysterie van uw smart en wapenkletterende donder der Korybanten, -en hun dreunende <span class="pageNum" id="pb317">[<a href="#pb317">317</a>]</span>dans, wil ik doortrekken met heel mijn stoet en mijn leger, en de druiveranken zal -ik slingeren van stad tot stad, en gij, moeder der goden, <span class="sic">-bergen</span>, heilige bewaakster der morgenlandsche steden, effen den weg voor mij uit! O eerwaardige -Moeder, wees aan uw kleinzoon, wees aan de vreugde, zoo niet aan uw eigen, wees aan -de vreugde der anderen genadig! Uw priesters en dienaren ontboei ik uit wat niet anders -is dan ooftzoete slavernij, en zeg hen mij voor te gaan, en mij te kondigen, opdat -de winter vluchte weg voor mijn komst en ik niet anders brenge dan mijn eigen seizoen: -de lente der druif tot haar herfst toe: bloei, weliging en oogst in éen oogenblik: -dat van mijn zegeviering! -</p> -<p>Toen was het wel of Dionyzos’ juichende stem op deed klaren het somber geheim van -den nacht, want de dag uit het Oosten scheen hem toe te snellen en hij glansde, en -Rheia Kubele zag verwilderd rond: Korybanten en Kureten hadden zich los uit hun boeien -weten te rukken maar zij persten en dronken de druiven; zij stapelden op hun schilden -de druiven, en droegen ze weg in nog sombere razernij, en plots sloeg de godin hare -armen uit, en riep: -</p> -<p>—Attis, o Attis! -</p> -<p>En haar roepstem tot den geliefde klonk <span class="pageNum" id="pb318">[<a href="#pb318">318</a>]</span>vreemd door den dag, die opstraalde; somber ontzettend, waanzinnig klonk hare stem -en vol huiverig geheim van bijna peillooze smart, ondenkbaar in godheid zoo goddelijk -en waardig als moeder der bergen, en moeder der goden; en in razernij, de grijze lokken -golvende, zwierde de huiveringwekkende godin den dans uit tusschen de voetstampende -en metaalkletterende, maar wel Dionyzos <span class="corr" id="xd31e2557" title="Bron: gewilige">gewillige</span> Korybanten, Kureten. -</p> -<p>—Attis, o Attis! herhaalden zij klagend en toch verschrikkelijk rondom de godin; het -leger van Dionyzos, vertrouwende, omdat de god had gejuicht, naderde en om dans en -om druivebezwijmeling dier vreeslijke priesters om die vreeslijke vrouw, waren saters, -faunen, en nymfen niet bang meer, schakelden zij hun dans door den zwaard- en schildendans -van Kubele’s priesters, maar toch beving een smachtend verlangen, een vreemde smart -in bezwijmeling àllen, want Ariadne riep uit: -</p> -<p>—Thezeus, o Thezeus! -</p> -<p>En verwilderd zwierde zij rond; Dionyzos zelve riep: -</p> -<p>—Ampelos<span class="corr" id="xd31e2565" title="Niet in bron">,</span> o mijn Ampelos! en zwierde. -</p> -<p>En alle saters, alle faunen, menaden, stieten een naam uit, van wie zij lief hadden -gehad <span class="pageNum" id="pb319">[<a href="#pb319">319</a>]</span>en verloren in zwerving over het gebergte, in den strijd voor de Vreugde verslonden -door wild beest of in zee verzonken, of dronken achter gelaten, helaas! En allen stieten -een kreet, en allen riepen een naam, en het was wel de vreugde, maar het was ook een -geheimzinnige smart, als een onontkoombaar mysterie, een drukking van verpletterend -zwaar noodlot. Toch wist Dionyzos er aan te ontkomen; hij schaterde zijn overwinning -uit, hij wierp zich op de schouders van saters en zij torsten hem voort, trotsch, -dat zij hem dragen mochten, en wel riep hij nog eenmaal: -</p> -<p>—Ampelos, o Ampelos! -</p> -<p>Maar viooltjes deed hij alomme ontluiken, zoo als Ampelos hem zelve dit had gedaan: -onder de pijnboomen geurde het plots van viooltjes; velden van viooltjes strekten -zich; wijnranken festoenden zich van boom naar boom, en de Vreugde overwon, trots -den druk van het Noodlot en den weemoed van de Smart. En eindelijk riep Dionyzos: -</p> -<p>—Rheia! Rheia Kubele! Ik heb u verwonnen, moeder der goden, o moeder der bergen, o -beschermster der barbaarsche, sombere steden, de steden des morgenlands, die ik, van -uit het Westen de Vreugde kom brengen, als Eos uit <span class="pageNum" id="pb320">[<a href="#pb320">320</a>]</span>het Oosten het Licht! Effen den bergweg voor mij uit, zooals Zeus en Poseidoon mij -den landweg en waterweg effenden. -</p> -<p>—Dionyzos! riep de godin. Helaas, wat zult gij die steden brengen? Zonder vreugde -misschien leven tusschen hun muren de volkeren der morgenlanden, maar ook Smart is -hun onbekend! -</p> -<p>—Beschermster der steden, zoo als wilde beesten in kooien leven die volkeren dan, -en zijn minder dan mijn panthers en leeuwen, die de Vreugde temde en de Vreugde voortleidt! -Rheia Kubele, aan mij zal de zege zijn over landen en steden, tot aan de poorten van -Eos toe! -</p> -<p>En de god, door zijn saters getorst, zwierde, gedragen in dolle vaart, het woud door; -geheel het leger stortte zich breed door het bosch, helling op, helling af; Ariadne -in de wagen mende zelve de lynxen: heure haren wapperden uit en zij stond, bezield, -met dolle oogen, en Korybanten en Kureten, verleid, achtten niet den smartroep der -bergmoeder, maar stortten zich in Dionyzos’ leger, stortten vooruit, en hij stroomde, -de strijdmacht der Vreugde, overgolvende geheel het land. Wee, wie de Vreugde niet -aanstonds aanvaardde: hij werd meêgesleurd <span class="pageNum" id="pb321">[<a href="#pb321">321</a>]</span>door de dragers der omwingerde thyrsen, door de stormkracht der wilde dieren, aangehitst, -razende kudde verschrikkelijk gezwiept door de faunen. Wee, de stad, die in Lydië -of in Frygië hare poorten sloot; de poorten stormden Dionyzos’ stafdragers open, en -de lange ranken torsende als een reuzefestoen, vloeide het leger binnen: de grond -spleet, de wijnstok ontschoot, de ranken en bladeren weligden, en zwollen de trossen, -die, geplukt, de Vreugde in stroomen purper deden golven straten en pleinen langs. -Heerlijk heil aan die vorsten, die zich Dionyzos gewonnen gaven, maar vernietiging -wie hem weêrstond! En zijn leger wies aan met allen, die uit alle overwonnen oorden -zich aansloten bij zijn heirmacht, en onweêrstaanbaar was de vloed van de Vreugde, -die purper stroomde de oostelijke rijken door. Nooit was Dionyzos zoo vreeselijk geweest -in den strijd, en de goden, neêrziende, ontzetten. De wereld verwon hij, verscheurende, -vernietigende, met de kreten van heel zijn razende heirmacht, wie hem weêrstond; wie -zich gewonnen gaf, was een golf meê in den vreugdevloed. Zijn faam bazuinde vooruit; -saters en faunen bazuinden zijn faam, legers versloeg hij, rijken openden hem hunne -grenzen, steden wierpen hare poorten <span class="pageNum" id="pb322">[<a href="#pb322">322</a>]</span>hem open, laurier en myrtetwijg wuifden hem tegen. In sombere steden des barbaarschen -morgenlands reed hij binnen in triomfatorsheerlijkheid: hij stond op de gulden zegekar, -als een god en een vorst; prinsen des lands leidden zijn vierspan; hij stond, ouder -en mannelijker nu, volgebaard blond, de mitra op zijn lange lokken; in plooien wapperde -het vorstelijk gewaad des overwinnaars van geheel het Oosten, purper en goud en blank -om zijn mannelijke jonge leden; hij stond en zijn hand steunde op den gouden cederappelschepter; -en achter hem reed Ariadne, gezeten op olifant blank, goudnet-omvangen, Afrodites -starrekroon om haar lokkige kruin, en haar schoonheid verheerlijkte in den roem des -gemaals. En overal waar zij binnen zegevierden door landstreek en stad, langs heirweg -en straatweg, festoende de druif met hen mede, en liet de Vreugde, de Weelde achter: -achter de druivefestoenen torenden de barbaarsche steden minaretslank uit, zoodra -Dionyzos door haar barbaarschheid gebloeid was: tooverpaleizen verrezen met lange -zuilenrijen van jaspis en chalcedoon, overdekt met bronzen pannen; marmeren tempels -schitterden op, aan alle heerschende goden, maar vooral aan Dionyzos <span class="pageNum" id="pb323">[<a href="#pb323">323</a>]</span>en aan Ariadne; de eeredienst des goddelijken overwinnaars bevestigde zich; zijne -priesters brachten offers hem, de reukschalen geurden, en zijne mysteriën werden ingesteld. -In marmer werd zijn heerlijke beeltenis gehouwen door bezielde kunstenaars en van -heiligdom tot heiligdom werd die beeltenis gedragen. Was hij verder, de Vreugde liet -hij achter, de Weelde liet hij achter; zelfs de in razernij veroverde rijken herbloeiden -als met getoover; waar zoo vol zwol de druif, purper of blond, blauw of geel, waar -de vervoering zoo stroomde uit mengvat en drinkschaal, waar de dans stemde tot blijde -muziek, rees ook uit vernietiging, tooverkracht! marmerpaleis en tempel op, om den -god te eeren, hoe ver hij ook was. En niettegenstaande àlle vernietiging in razernij -scheen Dionyzos’ strijd toch altijd zijn strijd te blijven, en nooit die van Ares -te worden want wàarlangs hij gezegevierd had, golfden Demeters blondere velden en -spreidden welvaart en sprenkelden rijkdom, en de aren zwollen van weelde, als de trossen -van vreugde zwollen. Pest, hongersnood, alle ziekte en alle gebrek, vaagde Dionyzos’ -triomftocht weg. Ver, ver tot onbekende bergreten, sneeuwgetint in het uiterste Oosten; -ver, ver tot heiligen stroom, <span class="pageNum" id="pb324">[<a href="#pb324">324</a>]</span>azuur stroomende van den hemel naar den einder toe—geheel de wereld was aan Dionyzos. -</p> -<p>Toen naderde de laatste dag. -</p> -<p>—De Poorten, de Poorten! riep plotseling geheel het leger uit, als met een enkele -stem. -</p> -<p>Aan de nachtkim rezen in ver verschiet de ontzaglijke Oostelijke Poorten. Zij rezen -goddelijk en bleekgoud in den nacht, die al schemerde van den binnenschijn; zij rezen -ontzettend als de poorten eens gouden lichtgeheims, en nu Dionyzos langzaam naderde, -omstuwd door zijn geheele macht, weken zij majesteitelijk open. Een glans stroomde -dadelijk uit, en Eos, allerlieflijkst in zoo gloeienden glans, rozigde-aan als een -vlinder in zonneschijn, teeder en lieflijk en luchtig, op een zweving van luchtig -lieflijke teederheid, in gelenden sluier, die niet meer was dan een glanzige zeepbel, -goud; de morgenrozen vielen nu uit hare vingers, lokken en plooiend gewaad; een dauw -sprenkelde zij, als een regen zacht, en zij lachte, terwijl zij riep: -</p> -<p>—Dionyzos! Verwinnaar! Ik heb je zien naderen dágen, dágen lang! Iederen dag naderde -je, Dionyzos! Wees welkom, wereldverwinnaar tot de morgenpoorten toe! Dionyzos, niet -weêrstond die wereld je almacht …: mijn rozen werp ik je alle neêr! -<span class="pageNum" id="pb325">[<a href="#pb325">325</a>]</span></p> -<p>In hare huldiging wierp zij, kindlachende, alle haar rozen; zij regenden, rood, geel, -wit rondom Dionyzos, waar hij stond, mitra-gekroond, blank-goud-omplooid in zijn zegekar, -met stralend oog inziende in de Poorten die wijder en wijder openden, om Helios uit -te laten. -<span class="pageNum" id="pb326">[<a href="#pb326">326</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch17.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">XVII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">—Is de grens bereikt? vroeg Dionyzos. -</p> -<p>Het daglange feest was ten einde, de amethysten nacht donkerde aan, en bleekgoud, -ontzettend, rezen omhoog de ontzaglijke Poorten van het Uiterste Oosten. De Vreugde -had er tegen gesprenkeld haar druivenbloed; langs den aanvang van Helios’ hemelheirweg -was de wingerd gerankt en in de tooverrozetuinen van Eos had de blijde orgie geduurd -den geheelen dag. In de rozebosschen, vervagend haar heldere kleuren in de amethysten -vereffeningen van den naderenden, naderenden nacht, lag wijd verspreid in de rust -na bezwijmeling het leger van Dionyzos tusschen rozen verpletterd, druiven verpletterd, -op de gespreide lynxevellen en tijgerhuiden, mengvaten omvergeworpen, schalen, amforen, -bekers gestort in plassen van vloeiend karbonkel en vloeiend topaas, en in slaap en -omhelzing, verspreid, lagen neêrgestort de vreugdestrijders. -<span class="pageNum" id="pb327">[<a href="#pb327">327</a>]</span></p> -<p>—Ariadne, is de grens bereikt? herhaalde Dionyzos. -</p> -<p>Hij stond, bleek in de vaalte van nacht, en staarde naar de ontzaglijke poorten. Aan -hem hing, bleek, Ariadne, en staarde. Hij stond jong, bleek en aarzelend steeds: zijn -violenoogen hadden een verwonderde vraging; zijn lippen trilden in zijn blonden kroesbaard; -de mitra afgevallen, verwarden zijn blonde lokken, ontknoopt over zijn schouders en -in de vreugde verscheurd hingen de plooien van zijn vorstelijk gewaad wijnbezoedeld -en sleepten de rozebladeren en druiveschillen. Een rimpel groefde pijnlijk tusschen -zijn brauwen, en tranen sprongen zijn oogen uit, toen hij zichzelven antwoordde: -</p> -<p>—Ariadne, de grens is bereikt … -</p> -<p>—De grens is bereikt, herhaalde zij zacht. -</p> -<p>Hij zag om zich, verwonderd, verward, verloren, als wist hij niet meer, Dionyzos. -</p> -<p>—Ariadne, murmelde hij weenend; het was éen lange zegetocht … -</p> -<p>—Mijn god, o mijn overwinnaar! riep zij hartstochtelijk en prangde hem vast. Hij maakte -zich zacht los uit hare armen, en streelde haar over de haren. -</p> -<p>—Ariadne! vroeg hij en beefde zijn stem; <span class="pageNum" id="pb328">[<a href="#pb328">328</a>]</span>zeg mij, wat is de taak van morgen? Sticht ik mijn vreugdezetel voor de Oostelijke -Poorten en zet ik mij naast je op een troon en vergoddelijk ik in de hulde der wereld … -of bereid ik mij tot de terugreis? -</p> -<p>—De terugreis door je heerlijke verwinningen! -</p> -<p>—De terugreis? Ja, de terugreis … Helaas, Ariadne, die is geen taak! -</p> -<p>—Taak is volbracht! -</p> -<p>—Is taak volbracht? Dan kan ik stèrven … -</p> -<p>—Dionyzos! kreet zij, en ontstelde om zijn droefheid. -</p> -<p>—Is taak volbracht, dan kan ik sterven … Ik ben niet onsterflijk, Ariadne. -</p> -<p>—Dionyzos, o Dionyzos … -</p> -<p>—Maar ik voel, Zeus gunt mij den dood nog niet … Helaas, Ariadne, hoe leef ik taakloos -voort? -</p> -<p>—Dionyzos, de terugreis is nieuwe taak … -</p> -<p>—Nieuwe taak? -</p> -<p>—Langs overwinning terug de vreugde te sprenkelen … -</p> -<p>—Zij is gesprenkeld, zij is gesprenkeld … O, Ariadne, als ik niet sterven mag, laat -ons dan gaan, laat ons dan schielijk gaan … -</p> -<p>—Terug …? -<span class="pageNum" id="pb329">[<a href="#pb329">329</a>]</span></p> -<p>—O ja! Wat staan wij voor deze goudene Poorten! Zij zijn de grens! Kom Ariadne, terug! -Kom meê! -</p> -<p>—Nu reeds … -</p> -<p>—Wat zal ik toeven! -</p> -<p>—Het leger ligt in diepe sluimering … -</p> -<p>—Laat het sluimeren, Ariadne; wij gaan alleen! O, laat ons gaan, laat ons gaan terug, -Ariadne, terug naar Nyza … Daar misschien zullen wij zalig zijn in de herinnering -aan de gesprenkelde vreugde! Helaas, alle vreugde is gesprenkeld! Taak heeft Dionyzos -op aarde niet meer! Ariadne, Ariadne, kom … Bestijgen wij onzen wagen … Ik neem de -leidsels ter hand. Ik men de lynxen … O Ariadne, Ariadne, kom … -</p> -<p>Zij bestegen den lynxewagen en het was als vluchtten zij in den nacht, als verslagenen, -als overwonnenen. In den nacht langs den breeden zegeweg vluchtten Dionyzos en Ariadne -terug. Zij reden langs korenvelden, druifomrankt van lagen boom tot lagen boom, en -zij reden door een gouden en marmeren stad, de laatste stad van het Uiterste Oosten: -zij reden tot den morgen toe, en de lynxen waren uitgeput en zij scholen in een rozebosch -aan den weg, en rustten er uit in schaduw en geur. Het was als een lieflijke halte, -en zij hadden vreugde, <span class="pageNum" id="pb330">[<a href="#pb330">330</a>]</span>als in paradijs. Zij sliepen in elkanders armen; de dageraad rozigende, ontwaakten -zij, en speelden in de koele wateren der bronnen; de najaden herkenden hen en dienden -den god, de godin; de dryaden weefden gewaden hun fijner dan byssos en bekroonden -hen met rozen, en hun schuilplaats niet meer geheim, vloeiden van het leger de allereerst -ontwaakten terug en verzamelden saters en faunen, menaden zich tot de terugreis, de -terugreis der zege: brieschende leeuwen werden den wagen des gods voorgespannen, maar -Ariadne voerde men een olifant toe, en de reis ging terug; en het leger vloeide, vloeide -achter aan, van de Oostelijke Poorten terug. Vruchtbare landen door, schitterende -steden door, ging de reize terug, langs Dionyzos’ eigene tempels. Het volk viel in -het stof; zijn priesters vernietigden zich in nederigheid, als de god in zijn drom -naderde. Feest zwierde hem voor en hem langs, en plots walgde hij van zijn eigen feest. -</p> -<p>—Zie, zeide hij en hij wees Ariadne. Zie Ariadne … wat doen zij …? -</p> -<p>Zij naderden in den avond een heiligdom, heerlijke pracht van marmerzuilen; de blauwe -offervlammen geurden omhoog, geheel het volk stroomde te zamen, druifvertuit. -<span class="pageNum" id="pb331">[<a href="#pb331">331</a>]</span></p> -<p>—Ariadne … Ariadne, wat doen zij …! -</p> -<p>Tusschen de priesters werden jeugdige offerlingen, knapen en maagden, ten outer geleid, -rozenomkransd, druifbehangen; de hoogepriester hield het offermes klaar. -</p> -<p>—Ariadne,.. Ariadne … wat doen zij …?! -</p> -<p>Het eerste offer viel: een knaap, zijn bloed spatte, en in den komenden nacht juichte -het volk op, razend en riep: -</p> -<p>—Dionyzos, Dionyzos! -</p> -<p>—Hier ben ik! riep Dionyzos. -</p> -<p>—Dionyzos, Dionyzos! krijschte het volk en de tweede offerling viel … een maagd. En -zij eerden de terugreize van den god, schetterend geschal van bazuinen weêrklonk. -</p> -<p>—Viert ge de Vreugde? riep Dionyzos. -</p> -<p>—Dionyzos, Dionyzos! -</p> -<p>—Eeredient ge de Vreugde? -</p> -<p>—Dionyzos! -</p> -<p>Hij schaterlachte luid, als waanzinnig. -</p> -<p>—Met bloed? riep hij uit, en sloeg met zijn thyrs naar den hoogepriester. Met bloed -van offerlingen? -</p> -<p>Zij juichten, zij begrepen niet, en de hoogepriester, in verrukking waanzinnig, dat -de god hem had willen beroeren met zijn thyrs en zijn schepter, vermoordde den derden -offerling. -<span class="pageNum" id="pb332">[<a href="#pb332">332</a>]</span></p> -<p>Nu stortte Dionyzos zich de tempeltrap op en hij stond als een leeuw, razend, in het -licht der blauwe offervlam. Zijn voet stiet zijn eigen altaar om. Zijn wil omboeide -de priesters in ranken en zijn gebaar wenkte de slachtoffers tot zich, die tot hem -waadden door een stroom van bloed. Het volk zwierde, dol slaande de tamboerijnen. -</p> -<p>—Meê, meê, meê! riep de god en vluchtte en zij vluchtten allen meê: zijn leger, het -volk achter hem, en zij juichten hem toe: -</p> -<p>—Dionyzos!! -</p> -<p>Maar hij slierde Ariadne, alleen, in het woud, en verschool zich met haar in een grot. -</p> -<p>—Stil! Stil, Ariadne! Spreek niet, opdat zij ons niet vinden! Hoor, hun gejuich, hun -dol gejuich! Zij vieren de Vreugde, die ik gesprenkeld heb, zij eeredienen de Vreugde, -die ik heb gesprenkeld, met bloed, met bloed, met bloed! O goden, zij begrijpen niet! -O goden, ik wil de Vrèugde! Ik wil de Vreugde voor allen! Ik wil de Vreugde niet in -bloed! Ik wil geen offers in bloed! Volk, vier de Vreugde, breng mij bloemen, ooft, -halmen, hebt vreugde allen! O volk, heb de zuìvere Vreugde! Helaas, wat roep ik? Tot -wie? Zij verstaan niet en ik ben heengevlucht! Ik verschuil mij in een nachtdonkere -<span class="pageNum" id="pb333">[<a href="#pb333">333</a>]</span>grot! O, Ariadne, vluchten wij, vluchten wij eenzaam weêr …! Vluchten wij langs den -breeden zegeweg, als verwonnenen en verslagenen! Meê, meê, meê … -</p> -<p>En hij sleurde Ariadne voort … -</p> -<p>De terugtocht verspreidde zich. Het leger verspreidde zich en Dionyzos wilde het niet -om zich. Alleen met Ariadne, beiden soms vermomd en niet herkend, trokken zij landen -door en steden door, en overal zag hij de tempels hem zuilen, de geurvlammen hem rooken, -de offers hem worden gebracht; en overal zag hij de waanzinsverrukking onbeteugeld, -bot vieren haar uiterste stuipen. In den avond slierde dronken, verbeestelijkt, de -lange ronde langs de straten der marmeren weeldepaleizen, en zij riep hem uit: -</p> -<p>—Dionyzos! -</p> -<p>—Helaas! kreet hij uit en hij sleepte Ariadne meê en zij herkenden hem niet. Helaas, -Ariadne! Aanzie de landen, aanzie de steden, die ik heb overwonnen in vreugde; aanzie -de Vreugde, die ik gesprenkeld heb! <span class="sc">Het is Dionyzos’ Vreugde niet meer!</span> Het zijn niet meer zijn blijde gaven! O, wij waren wreed, en ik was dikwijls verschrikkelijk -aan wie mij en mijn gaven weêrstond in sombere levens- en jubelens-onmacht, <span class="pageNum" id="pb334">[<a href="#pb334">334</a>]</span>maar wij waren goden en nooit zwijnen! Ariadne, god was Ampelos, goden waren mijn -faunen, goden waren zelfs mijn saters in al hunne woeste en zinnelijke uitbundigheid -en de menaden waren tijgerinnen, maar aan godinnen gelijk! Zij kenden allen <span class="asc">MIJN</span> juiching, <span class="asc">MIJN</span> vreugde, en hun liefde was goddelijk en hun wreedheid zelfs was goddelijk, en àl -wie de Vreugde aanvaardde, waren zij wèl en ter heerlijke menschliefde geneigd! Wat -was anders ons streven dan àllen de Vreugde te geven, in de groote liefde voor allen! -Ik spilde de Vreugde aan allen: vorsten en bedelaars; op de slagvelden na den slag -gingen rond mijn weldadige faunen en laafden de stervenden en genazen hen en voerden -hen mede in mijn stoet, en de menaden, listig, verlokten matronen en maagden naar -Dionyzos’ Vreugde en levensblijheid: Panszoontjes zelfs lokten de kinderen! O, zij -waren allen goden, zij zijn het nòg allen, ook al is hun taak volbracht, maar deze -volkeren, deze menschen, deze stervelingen, helaas, zij zijn in mijn vreugde verzwijnd, -en ik zoû mijn vreugde vloeken willen! Heerlijk leven, lieflijke aarde, eindelooze -hemel, ik heb in mijn enthouziasme u omhelzen willen in éene liefde aan mijn hart -en allen, die ademden, willen <span class="pageNum" id="pb335">[<a href="#pb335">335</a>]</span>leeren de blijheid, die was als wijn: de levensblijheid, die strijdt tegen alle smart, -maar ik ben overwonnen, ik ben geslagen …! O, zie, de zwijnen in hun marmeren paleizen, -feestvieren walgelijk, niets wetend van de Vreugde dan de onmatigheid, de zatte onmatigheid, -die hen kotsen doet over hun purperen bedden en roosomwingerde balustrades! Zie hun -tronies verhit, zie hun waggelgang, hoor hen lallen, geestloos, dom, in de Vreugde, -de heerlijke, heilige Vreugde verzwijnd, omdat zij als beesten zijn, die de vreugde -der goden bezoedelen in onmacht haar te genieten zuiver, louter en schoon! Ariadne, -wij genoten heur zuiver, louter en schoon! Wij genoten het genot van het leven met -hevigen maar zuiveren zin, met blijden maar louteren geest, met onstuimige maar schoone -zielen en lijven! Wij waren schoon, wij schitterden van schoonheid: mijn faunen waren -edel van schoonheid, mijn menaden razend van schoonheid, mijn saters zelfs waren schoon -in hun dubbelwezen van halfgod en halfdier, wezens der wouden, uit de heilige natuur -allen zelve juichend ontbloeid! En zelfs oude Silenos, omringd van zijn Silenen, hij -was schoon, hij was niets dan schoonheid: de schoonheid van geest, spot en komische -levensvreugde; <span class="pageNum" id="pb336">[<a href="#pb336">336</a>]</span>dronken bleef hij schoon en schaterden wij om zijn vermakelijke schoonheid! Helaas, -Ariadne, waar is zij: onze arme schoonheid? Waar is onze arme vreugde des levens, -en vreugde des toomloozen genietens! Helaas, helaas, kom meê, Ariadne, ik kàn niet -toeven in deze ontaarding van heèl ons genot tusschen marmeren zuilen en offervlammen -en offers van bloed! Ariadne, Ariadne, meê …! -</p> -<p>En hij sleepte haar meê, en zij herkenden hem niet: zij herkenden hem nooit meer, -den god en zijn bruid … -<span class="pageNum" id="pb337">[<a href="#pb337">337</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch18.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">XVIII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Een koude wind woei door de reuzig wilde kastanjes van Nyza en de zee tusschen de -kapen bruischte, toen Dionyzos Ariadne, uitgeput, neêrvlijde aan den zoom. -</p> -<p>—Ik huiver! riep zij. -</p> -<p>Hij wikkelde haar dichter in de lynxehuid, die van haar schouder hing en hij legde -haar hoofd aan zijn borst. -</p> -<p>—Rust uit! zeide hij zacht. -</p> -<p>—Dionyzos! fluisterde zij. Koorts brandt mij de slapen, de polsen! Zeg mij, waar zijn -wij … -</p> -<p>—Rust uit, rust uit, Ariadne! Dit is Nyza! Dit is het oord, waar nooit woei de wind, -waar eeuwige zomer heerschte om mijn jeugd, waar de nymfen mij pleegden en de Muzen -neêrdaalden en reiden den waardigen dans. Nu, o Ariadne, waait de koude wind tusschen -de kapen door, en ik huiver, ik huiver als jij. Ik herken mijn Nyza niet meer, versomberd -als het nu <span class="pageNum" id="pb338">[<a href="#pb338">338</a>]</span>avonden gaat tusschen de bruischende wilde-eiken … Hier bloeiden violette anemonen, -hier deed Ampelos viooltjes ontluiken, breede geurige velden om mij heen! Helaas, -Ariadne, hier … hier voert Dionyzos je, wereldverwinnaar, in zijn somber en vereenzaamd -te-huis. Geen paleis, geen tempel, geen troon, Ariadne,—niets dan de sombere boomen, -waartusschen huilt de sombere wind! Helaas, hier komt Dionyzos’ Vreugde terug, maar -zij is zijn Vreugde niet meer …! -</p> -<p>—Dionyzos! Dionyzos! Hoor … hoor …! Is dit Kreta? Is dit Kreta?! Vreeswekkend Geloei! -Het Monster, het Monster, o Dionyzos … Het Monster loeit over Kreta! Het is niet de -stormwind, het is het Geloei! Ongelukkige moeder, Pazifaë …! Thezeus … Thezeus … laat -mij je leiden naar de Poort van het Labyrinth: zie, hier is het kluwen … O Onverzoenlijke, -wreekt ge u ook op mij? -</p> -<p>—Ariadne, Ariadne stil! Dit is Nyza, en ik ben Dionyzos! -</p> -<p>—Dit is Naxos, en ik ben verlaten, helaas! Helaas, de zwarte zeilen zwellen van wind, -maar vervagen aan den wreeden einder! O, Onverzoenlijke, o Onverzoenlijke … -</p> -<p>—Ariadne, Ariadne stil! Rust uit, rust uit, Ariadne: ik ben een arme god: ik heb de -Vreugde <span class="pageNum" id="pb339">[<a href="#pb339">339</a>]</span>niet meer, omdat ik ze den menschen gegeven heb, maar ik heb nog in mijn ziel mijn -liefde! O, Ariadne, ik heb je lief! Leef op … wees gerust … sluimer zacht: dit is -Nyza, dit is een lieflijk oord, als de stormwind morgen bedaard is; hier zal ik als -Ampelos eens … -</p> -<p>—Thezeus, Thezeus! -</p> -<p>—Stil Ariadne, stil … Hier zal ik, als Ampelos eens, duizend viooltjes ontbloeien -laten en het zal geuren om je heen van viooltjes en van anemonen … Dan ligt de zee -zoo meerkalm neêr tusschen de veilige kapen, en de bergen stapelen zich als ronde -schilden van krijgers, beschermend tegen den einder. -</p> -<p>—O, het Geloei, het Geloei … -</p> -<p>—Helaas, zij herdenkt alleen de smart; zij herdenkt, helaas, niet de Vreugde … -</p> -<p>—Het Geloei … o Thezeus! -</p> -<p>—Zij ziet niet in haar koortsvizioen Dionyzos en zijn druiveprieel, zijn liefderedding, -en zelfs de goddelijke Afrodite ziet zij niet, die over de parelen zee haar schulp -stuurde … -</p> -<p>—O, de verschrikkelijke Stierekop! Hij bloedt zwart uit … afgehouwen! -</p> -<p>—Zij ziet niet de zegetocht, en zij ziet niet de Goudene Poorten! Alleen de Smart -blijft! Helaas, alleen mijn Smart blijft! O Vreugde, <span class="pageNum" id="pb340">[<a href="#pb340">340</a>]</span>Vreugde, waar ben je? Nu weet Dionyzos wat zijn Smart is, hem voorbeschikt, helaas, -van zijn in bliksems blakende geboorte af! Zeus, Zeus, vader, nu weet ik mijn Smart! -O, ik heb mijn Smart voelen naderen, ik heb mijn Smart kunnen dragen, maar vluchtende, -langs mijn eersten zegeheirweg, mijn Smart, helaas, dat ik de Vreugde verspild had, -dat ik de Vreugde verspild had aan beesten! O, Aarde, Aarde, Wereld, die ik verwon, -en die ik de heerlijke Vreugde druivepersende sprenkelde: gij kùnt niet de heilige -Vreugde omvatten, zoo als een sater een druivetros omvat en uitperst aan zijn mond! -Helaas, ik heb goddelijkheid aan de menschelijke aarde verspild, en de menschelijke -aarde heeft zich zat aan mijn Vreugde gezopen, en braakt mijn Vreugde, o walging, -uit! Helaas, helaas, ik verwon niet! Dionyzos werd verslagen! Alleen—ik ben alleen! -Waar is Ampelos! -</p> -<p>—Thezeus, Thezeus! -</p> -<p>—Zij ijlt! Helaas, zij sterft in mijn armen! Hoe heerlijk was zij in zegetocht, aan -mijn zijde, of op blanken olifant, tijgende de steden binnen; en helaas, hoe heb ik -haar, ach, niet achtende, dat zij sterfelijk was, meêgesleept op mijn nederlaag, terug, -altijd terug! O, Dionyzos’ Smart overstelpt hem! Dionyzos is alleen: <span class="pageNum" id="pb341">[<a href="#pb341">341</a>]</span>Ariadne sterft, en hij … is alleen! Eenzaamheid, eenzaamheid, smart! Ampelos, Silenos, -Hermafroditos, menaden, faunen en saters! Waar zijt gij! Waar is de Vreugde? Is dit -Nyza? Is dit somber vervloekte oord, Nyza? O huiverende wind, o winter! Zeus!! Dàar … -dàar … tusschen de naakte boomen … dàar zie ik mijn eigen wingerd … die <span class="asc">IK</span> plantte … nadat het Panszoontje, dat den geheelen morgen geblazen had, mij eindelijk -Nyza’s gunstige plek aanwees …! Daar zie ik mijn wingerd! Geen blad, geen tros; niets -dan naakt wanhopige knoestige takken! Wingerd, ben je als Ampelos dood! Helaas, àlle -vreugde is gestorven! Ariadne sterft: helaas, om Dionyzos huivert de dood! Goddelijk, -ben ik sterfelijk, en sterven wil ik met Ariadne! O, smart, o smart! Zeus, mijn vader, -niet gezegevierd, niet te hebben overwonnen, de Vreugde niet louter in heerlijkheid -den menschen te hebben <span class="corr" id="xd31e2735" title="Bron: uitgepersd">uitgeperst</span> voor alle volgende menschelijke eeuwen …! Helaas, Dionyzos’ taak is volbracht, maar -hoe is hij gefaald in zijn volbrengen! Eerste blijdschap der eerste gedachten en dagen, -luide jubel na die planting der eerste wijnstokken …! Het land liep uit; àllen plantten -den wijnstok …: Demeter herbloeide! De wereld bloeide en weligde! <span class="pageNum" id="pb342">[<a href="#pb342">342</a>]</span>Helaas, helaas, de Vreugde is gestorven, omdat de mensch de Vreugde heeft verzopen, -bezoedeld …! -</p> -<p>—Dionyzos! -</p> -<p>—Zij herkent mij weêr! O, Ariadne, herdenk het <span class="asc">BLIJDE</span> Naxos, herdenk den vreugdevollen Dionyzos, herdenk de glimlachende Afrodite! Er wàs -schoonheid en Vreugde in ons leven! -</p> -<p>—O Dionyzos, ik herdenk, ik herdenk … Ik herinner mij, o Dionyzos! Ik bèn gelukkig -en ik bèn dankbaar! Ik herinner mij, ik herinner mij alles … Ik herinner mij je hevige -smart! O, die terugtocht, de nederlaag, de hevige smart … Dionyzos, ik herinner de -smart mij … Ik geloof … ik geloof wel, dat ik sterf … maar ik herinner mij, ik herinner -mij … Alleen Dionyzos … o wees niet wanhopig. Zie … je hèbt de Vreugde gesprenkeld; -je hèbt overwonnen … en de wereld heeft haar aanvaard, tot de Goudene Morgenpoorten -toe … Vreugde is overal geplant … haar zaad <span class="asc">BLIJFT</span>, o Dionyzos! Verdort ook de allereerste goddelijke weliging … andere weligingen zullen -volgen … eenmaal … eenmaal, Dionyzos, in vèr verwijderde eeuwen … Eenmaal, o Dionyzos, -zal de Vreugde over de wereld herbloeien en de menschheid, half goddelijk dàn, zal -haar genieten met zuiveren zin, blijden <span class="pageNum" id="pb343">[<a href="#pb343">343</a>]</span>geest, lichaam en zielen van schoonheid! O Dionyzos, ik sterf … maar ik voel je bezieling -in mij …! Mijn stem zwijmt … maar ik voel je eigen enthouziasme als wijn mij stroomen … -voor het laatst … mijn aderen door … Dionyzos, Dionyzos,… o, heb vertrouwen, o, wèes -niet rampzalig: ik heb Vreugde in stervenssmart …! Ik … ik ben dankbaar, en … ik … -bèn … gelukkig! -</p> -<p>Uitgeput stierf zij op zijn schouder. Haar gelaat lag achterover, bleek, de oogen -gebroken, en hij slaakte een gil, die schel door den stormwind snerpte. -</p> -<p>—O Zeus, o mijn vader! riep hij. Schenkt gij mij vòl mijn drinkschaal van smart! -</p> -<p class="tb">- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -</p><p> -</p> -<p>Maar cymbels sloegen, fluiten pepen en tamboerijnen rinkelden vroolijk. Verzamelende -vreugdetroepen door den stormnacht trokken het woud door, dansende: -</p> -<p>—Dionyzos! Dionyzos! riepen zij. -</p> -<p>De god slaakte gil op gil. Hij verscheurde zijn mantel, hij trok zich de haren, hij -sloeg zich weeklagend de borst. Hij danste in razernij en: -</p> -<p>—Faunen! Saters! Menaden! riep hij. Zie, o zie … Ariadne … Zij is niet meer!!! -<span class="pageNum" id="pb344">[<a href="#pb344">344</a>]</span> -</p> -<p class="tb">- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -</p><p> -</p> -<p>Toen schoot Zeus’ vuur door den stormnacht heen en de donder rolde over Dionyzos’ -verwonnen wereld. En als met éen vaag veegde schoon van wolken de nacht en over Nyza’s -woud en zee en bergenkim, opende zich geheel de Olympos in vreemd licht stralend. -De heerlijke bergtoppen schakelden zich breed aan die hemelkim hoog, en de goudzuilige -godenpaleizen schitterden hel; de bronzen pannen golfden een zee van glans, maar vooral -was glans zelve om de godelingen, die omringden Zeus, op zijn troon, lichtjes omwolkt, -de adelaar aan zijn machtige voeten. En zijn stem riep, door de onmetelijke verte -heen: -</p> -<p>—Mijn zoon Dionyzos! -</p> -<p>Hij hoorde niet, want hij lag op Ariadne’s lijk. -</p> -<p>—Mijn zoon! Mijn zoon Dionyzos! -</p> -<p>Hij snikte slechts op het lijk van zijn bruid. -</p> -<p>—Mijn lieveling! Mijn lievelingszoon Dionyzos! herhaalde ten derde male stemdaverend -Zeus. -</p> -<p>En alle goden riepen: -</p> -<p>—Dionyzos! Dionyzos! -</p> -<p>Dat was geluid als van bazuinen, en Dionyzos keek om. Hij keek op, ontzet. En Zeus -riep: -</p> -<p>—Mijn lievelingszoon Dionyzos! Hoor uw <span class="pageNum" id="pb345">[<a href="#pb345">345</a>]</span>vader Zeus spreken tot u! Gij hèbt overwonnen en uw purperen taak volbracht, goddelijk -heerlijk! Gij zijt overwinnaar, en de Vreugde verwon, en zal der menschen louter deel -eenmaal zijn! Vraag niet van menschen, wat der goden is: vraag hun nu niet het goddelijk -genot van de Vreugde! Laat hen de loutering na eeuwen volbrengen! Hoop, hoop, Dionyzos, -en hoop op de menschheid, onstuimig en schaterlachend, zoo als gij altijd gehoopt -hebt! Dionyzos, wees u zelve weêr! Dat het Noodlot de smart u niet spaarde … o wijt -het niet aan de Vreugde, mijn lieflijke god en mijn zoon, mijn godszoon van blakende -Vreugde …! Dionyzos! Dionyzos! Herleef! Herbloei in de Vreugde, en, aan de zijde van -Ariadne, vorstin aller vreugde, kom tot ons, in Olympos op: wees onstuimig en schaterlachend -te midden van broeders en zusters, en, Dionyzos, wees onsterfelijk, als Ariadne onsterfelijk -zal zijn, in den dronk der onsterfelijke Vreugde van nektar, die u Hebe al langt! -Dionyzos, mijn zoon, kom op! Ariadne, kom op! Uw taak is volbracht! Laat uw taak thans -aan de seizoenen over! Laat de stormwind na den oogst uw wingerd ontblooten van bladeren: -laat de lente haar bloeien … laat de herfst haar zwellen van purperen en van <span class="pageNum" id="pb346">[<a href="#pb346">346</a>]</span>blonde trossen doen! Dionyzos, uw taak is volbracht, en de blijde, lachende, volschoone -eeuwigheid wacht je gloriegolvende in ons midden … -</p> -<p class="tb">- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -</p><p> -</p> -<p>Toen zag Dionyzos Zeus de armen lachend openen wijd en alle goden riepen zijn naam -uit schel als met zilveren bazuinen en Hermes zelve vloog naar de aarde toe en daalde -te Nyza, en riep, wijzend op de hemelsche zegekar, die vier gevleugelde paarden trokken -over de verklaarde lucht: -</p> -<p>—Dionyzos! Zie: Ariadne herleeft! Niet leid ik haar ten somberen Tartaros, maar ten -gouden Olympos leid ik u beiden! -</p> -<p>Een groot licht straalde uit. En in het groote licht was Dionyzos zoo jeugdig en straalde -van al bijna onsterfelijke goddelijkheid, of de smart was een schim geweest … Niet -meer dan een droom … nu dat Ariadne oprees verklaard, en, wandelend in een glorie -van licht aan zijn hand, naar de zegekar trad, waar Hermes, leidsels ter hand, hen -verbeidde. -</p> -<p>Toen klonk uit lucht, zee, aarde en hemel Dionyzos’ hymne hem tegen als jubel, voorspellende -der na-eeuwen troost. -</p> -<p class="dateline"><span class="sc">Nice-Venetië-Cadore</span>, Maart—Juli III. -<span class="pageNum" id="pb347">[<a href="#pb347">347</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd31e2798"><i>Van LOUIS COUPERUS verscheen</i>: -</p> -<div class="table"> -<table> -<tr> -<td class="cellLeft cellTop"> </td> -<td class="cellTop">Ing. </td> -<td class="cellRight cellTop">Geb. -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>God en Goden</b> </td> -<td><span class="seg"><i>fl</i></span> 2.50 </td> -<td class="cellRight"><i>fl</i> 2.90</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">Jan Toorop</span>. -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>Over Lichtende Drempels</b> </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.50 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">Julius de Praetere</span>. -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>Majesteit</b>, Vierde druk. Geïll. Editie. </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.50 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Geïllustreerd met 17 ill. door <span class="sc">Vaarzon Morel</span>. -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>Wereldvrede</b>, Tweede uitgave. </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.50 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90 -</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight"><b>De boeken der kleine Zielen.</b></td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"> <span class="seg">Boek</span> I. <b>De Kleine Zielen</b> </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.90 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 5.50</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Boek</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> II. <b>Het Late Leven</b> </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.25 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.90</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Boek</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> III. <b>Zielenschemering</b> </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.25 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.90</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Boek</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> IV. <b>Het Heilige Weten</b> </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.90 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 5.50 -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">In pergament gebonden, per deel </td> -<td> </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 10.—</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">Theo Neuhuijs</span>. -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>De Stille Kracht</b>, 2 deelen, gebatikte band </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.25 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.90</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">Lebeau</span>. -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>De Stille Kracht</b>, Pracht-Editie, gebatikte band op fluweel </td> -<td> </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 10.—</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">Lebeau</span>. -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>Langs Lijnen van Geleidelijkheid</b>, 2 deelen </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.90 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 5.50</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">J. G. van Caspel</span>. -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>Eene Illuzie</b>, Tweede druk </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.50 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">K. Sluijterman</span>. -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>Babel</b> </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.50 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">Jan Toorop</span>. -<span class="pageNum" id="pb348">[<a href="#pb348">348</a>]</span></td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>Fidessa</b>, Tweede druk, Pracht-Editie </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 3.90</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Met teekening van <span class="sc">Jan Toorop</span>. -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>Psyche</b>, Tweede druk, Pracht-Editie </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 3.50 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.50</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Met teekening van <span class="sc">Jan Toorop</span>. -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>Psyche</b>, Derde druk. (in het gewone formaat) </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.50 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.90</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">In November 1904 verschenen.—Bandteekening van <span class="sc">H. P. Berlage Nzn</span>. -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>Metamorfoze</b>, Met portret van <span class="sc">H. J. Haverman</span> </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.25 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.90</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">Jan Toorop</span>. -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>Hooge Troeven</b> </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.50 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.25</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">H. P. Berlage Nzn</span>. -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>Extaze</b>, Tweede druk </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.90 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.50</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">R. N. Roland Holst</span>. -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>Noodlot</b>, Derde druk </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.40 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">R. W. P. de Vries Jr.</span> -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>Orchideeën</b>, Tweede druk. </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.90 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.50</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">L. W. R. Wenckebach</span>. -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>Een Lent van Vaerzen</b>, Tweede druk </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.40 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.90 -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>Reis-Impressies</b>, Tweede druk </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.90 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.50</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">K. Sluijterman</span>. -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft"><b>Williswinde</b> </td> -<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.40 </td> -<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.90</td> -</tr> -<tr> -<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">L. W. R. Wenckebach</span>. -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft cellBottom"><b>De Verzoeking van den H. Antonius</b> </td> -<td class="cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.90 </td> -<td class="cellRight cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.50</td> -</tr> -</table> -</div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1" id="toc"> -<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> -<table summary="Inhoudsopgave"> -<tr id="prelude.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#prelude">DIONYZOS-STUDIËN.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#prelude">V</a></td> -</tr> -<tr id="pre.1.toc"> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.1">I.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.1">V</a></td> -</tr> -<tr id="pre.2.toc"> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.2">II.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.2">VI</a></td> -</tr> -<tr id="pre.3.toc"> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.3">III.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.3">VII</a></td> -</tr> -<tr id="pre.4.toc"> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.4">IV.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.4">VIII</a></td> -</tr> -<tr id="pre.5.toc"> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.5">V.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.5">IX</a></td> -</tr> -<tr id="pre.6.toc"> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.6">VI.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.6">X</a></td> -</tr> -<tr id="pre.7.toc"> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.7">VII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.7">XI</a></td> -</tr> -<tr id="pre.8.toc"> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.8">VIII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.8">XII</a></td> -</tr> -<tr id="pre.9.toc"> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.9">IX.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.9">XIII</a></td> -</tr> -<tr id="pre.10.toc"> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.10">X.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.10">XIV</a></td> -</tr> -<tr id="pre.11.toc"> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.11">XI.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.11">XV</a></td> -</tr> -<tr id="pre.12.toc"> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.12">XII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.12">XVI</a></td> -</tr> -<tr id="ch1.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch1">I.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">1</a></td> -</tr> -<tr id="ch2.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch2">II.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">32</a></td> -</tr> -<tr id="ch3.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch3">III.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">46</a></td> -</tr> -<tr id="ch4.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch4">IV.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">76</a></td> -</tr> -<tr id="ch5.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch5">V.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">92</a></td> -</tr> -<tr id="ch6.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch6">VI.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">99</a></td> -</tr> -<tr id="ch7.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch7">VII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">120</a></td> -</tr> -<tr id="ch8.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch8">VIII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">138</a></td> -</tr> -<tr id="ch9.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch9">IX.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">172</a></td> -</tr> -<tr id="ch10.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch10">X.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">196</a></td> -</tr> -<tr id="ch11.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch11">XI.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">210</a></td> -</tr> -<tr id="ch12.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch12">XII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">219</a></td> -</tr> -<tr id="ch13.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch13">XIII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">238</a></td> -</tr> -<tr id="ch14.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch14">XIV.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch14">270</a></td> -</tr> -<tr id="ch15.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch15">XV.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch15">285</a></td> -</tr> -<tr id="ch16.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch16">XVI.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">304</a></td> -</tr> -<tr id="ch17.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch17">XVII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch17">326</a></td> -</tr> -<tr id="ch18.toc"> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch18">XVIII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch18">337</a></td> -</tr> -</table> -</div> -<div class="transcriberNote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen -van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden -van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. -</p> -<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. -</p> -<p>Scans voor dit werk zijn beschikbaar op het Internet Archive (kopie <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://archive.org/details/dionyzos00coup">1</a>). Een alternatieve versie is beschikbaar via de <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://dbnl.org/tekst/coup002dion01_01/index.php">DBNL</a>. -</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata" summary="Metadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>Dionyzos</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>Louis Marie Anne Couperus (1863–1923)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/27062908/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>[1904]</td> -<td></td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het -einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel -zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van -dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2022-03-27 Begonnen. -</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links -voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -<th>Bewerkingsafstand</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e332">XII</a></td> -<td class="width40 bottom">Evoé</td> -<td class="width40 bottom">Evoë</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e478">8</a></td> -<td class="width40 bottom">.. .</td> -<td class="width40 bottom">…</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e537">14</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e749">49</a></td> -<td class="width40 bottom">hadmadryaden</td> -<td class="width40 bottom">hamadryaden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e755">50</a></td> -<td class="width40 bottom">zijn</td> -<td class="width40 bottom">zij</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e855">66</a></td> -<td class="width40 bottom">ongewonden</td> -<td class="width40 bottom">opgewonden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e883">71</a></td> -<td class="width40 bottom">fniest</td> -<td class="width40 bottom">niest</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e914">75</a></td> -<td class="width40 bottom">zijns</td> -<td class="width40 bottom">zijn</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e947">83</a></td> -<td class="width40 bottom">Er</td> -<td class="width40 bottom">En</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e950">83</a></td> -<td class="width40 bottom">voed</td> -<td class="width40 bottom">voel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e984">89</a></td> -<td class="width40 bottom">zochtten</td> -<td class="width40 bottom">zochten</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1008">93</a></td> -<td class="width40 bottom">verzamelen</td> -<td class="width40 bottom">verzamelden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1201">126</a></td> -<td class="width40 bottom">Oorsprong</td> -<td class="width40 bottom">oorsprong</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1378">162</a></td> -<td class="width40 bottom">mij</td> -<td class="width40 bottom">mijn</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1389">164</a></td> -<td class="width40 bottom">afgron</td> -<td class="width40 bottom">afgrond</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1590">183</a></td> -<td class="width40 bottom">leeuwen kop</td> -<td class="width40 bottom">leeuwenkop</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1661">195</a></td> -<td class="width40 bottom">..</td> -<td class="width40 bottom">…</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1691">198</a></td> -<td class="width40 bottom">onvergelijklijke</td> -<td class="width40 bottom">onvergelijkelijke</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1722">203</a></td> -<td class="width40 bottom">verscheurde</td> -<td class="width40 bottom">verscheurden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1864">217</a></td> -<td class="width40 bottom">Amfritite</td> -<td class="width40 bottom">Amfitrite</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1913">220</a></td> -<td class="width40 bottom">chrysoprazen-oogen</td> -<td class="width40 bottom">chrysopraze-oogen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1982">236</a></td> -<td class="width40 bottom">half broêr</td> -<td class="width40 bottom">halfbroêr</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2072">254</a></td> -<td class="width40 bottom">chryopraze-oogen</td> -<td class="width40 bottom">chrysopraze-oogen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2148">266</a></td> -<td class="width40 bottom">rythmische</td> -<td class="width40 bottom">rythmiesche</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2245">282</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2277">289</a></td> -<td class="width40 bottom">wordt</td> -<td class="width40 bottom">word</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2440">307</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">!</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2513">311</a></td> -<td class="width40 bottom">rythmischen</td> -<td class="width40 bottom">rythmieschen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2557">318</a></td> -<td class="width40 bottom">gewilige</td> -<td class="width40 bottom">gewillige</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2565">318</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2735">341</a></td> -<td class="width40 bottom">uitgepersd</td> -<td class="width40 bottom">uitgeperst</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> -<div lang='en'> -<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl'>DIONYZOS</span> ***</div> -<div style='text-align:left'> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Updated editions will replace the previous one—the old editions will -be renamed. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. -</div> - -<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br> -<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br> -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase “Project -Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg™ License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person -or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ -electronic works. See paragraph 1.E below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the -Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg™ License when -you share it without charge with others. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work -on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the -phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: -</div> - -<blockquote> - <div style='display:block; margin:1em 0'> - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most - other parts of the world at no cost and with almost no restrictions - whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms - of the Project Gutenberg License included with this eBook or online - at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you - are not located in the United States, you will have to check the laws - of the country where you are located before using this eBook. - </div> -</blockquote> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase “Project -Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg™. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg™ License. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format -other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg™ website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain -Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works -provided that: -</div> - -<div style='margin-left:0.7em;'> - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation.” - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ - works. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg™ works. - </div> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right -of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any -Defect you cause. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s -goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg™ and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state’s laws. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation’s website -and official page at www.gutenberg.org/contact -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread -public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state -visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of -volunteer support. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Most people start at our website which has the main PG search -facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This website includes information about Project Gutenberg™, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. -</div> - -</div> -</div> -</body> -</html> diff --git a/old/67746-h/images/front.jpg b/old/67746-h/images/front.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 322a2d9..0000000 --- a/old/67746-h/images/front.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/67746-h/images/titlepage.png b/old/67746-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 38dfce0..0000000 --- a/old/67746-h/images/titlepage.png +++ /dev/null |
