summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/67746-0.txt7948
-rw-r--r--old/67746-0.zipbin154594 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67746-h.zipbin256628 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67746-h/67746-h.htm8447
-rw-r--r--old/67746-h/images/front.jpgbin74247 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/67746-h/images/titlepage.pngbin11583 -> 0 bytes
9 files changed, 17 insertions, 16395 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..39b947b
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #67746 (https://www.gutenberg.org/ebooks/67746)
diff --git a/old/67746-0.txt b/old/67746-0.txt
deleted file mode 100644
index 9d9bd4b..0000000
--- a/old/67746-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,7948 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Dionyzos, by Louis Couperus
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Dionyzos
-
-Author: Louis Couperus
-
-Release Date: March 31, 2022 [eBook #67746]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This
- file was produced from images generously made available by
- The Internet Archive/Canadian Libraries)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DIONYZOS ***
-
-
-
-
- DIONYZOS
-
-
- DOOR
- LOUIS COUPERUS
-
-
- L. J. VEEN—AMSTERDAM
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- DIONYZOS-STUDIËN.
-
-
- I.
-
- Na de Kleine Zielen,
- en vóor Dionyzos....
-
- O, Dionyzos—druivenperser—god,
- Dien ik gedenk, wanneer mijn morgens dwalen
- Langs lange marmergodenvolle zalen,
- Na ’t scheemren veler kleiner Zielen lot;
-
- O, Dionyzos, laat uw lach en spot
- En spel en sterke levenswellust stralen,
- Hel glanzend goud vol zuider-idealen,
- En schenk mij in uw schalen ’t nieuw genot!
-
- Mijn ziel is twee: een kind van noordewee,
- Duikt zij deemoedig onder noordeluchten
- En voelt zich éen met grauwe lucht en zee.
-
- Maar als de schemervizioenen vluchten
- Na ’t kleurloos schaadwen duistrer kleinen leed,
- Slaakt zij naar blaùwe lucht haar jubelkreet;
-
-
-
- II.
-
- Voelt zij zich, Dionyzos, met u één,
- Blaakt zij uw leven meê: verwonderd blikken
- Haar heldrende oogen naar die oogenblikken
- Terug, waarin zij welkte in geween.
-
- Zij weent niet meer; en wil niet meer gesteen
- En starende oogen, en het stootend snikken;
- Niet meer het onder Noodlot onverwrikken
- En scheemren, samen met die Zielen kleen.
-
- Zij schiep ze, Dionyzos, maar, geschapen,
- Strijkt zij de hand zich langs de smarteslapen
- En zucht zij op, heel diep uit ùwe ziel!
-
- En lachen zoû zij willen zonder reden,
- Een kind gelijk, dat gij, o mijn aanbeden
- Genot! verlost van weemoeds noodlotwiel!
-
-
-
- III.
-
- Nu, lachend, speuren mijn begeerige oogen
- Naar iedren sater, dien ik, marmer, zie,
- Beschonken, neêrgezonken op éen knie,
- Den wijnzak drukkende; dra zat gezogen,
-
- Loert naar een nymf hij met zijn scheel gespie:
- Zijn dronken vingers bootsen, lustgebogen,
- Krampbevende haar lichaam na: gedoogen
- Zal hij het nooit, dat zij hem snel ontvlie.
-
- Zijn lach grijnst breed; zijn spitse ooren trillen,
- Zijn lippen, droesemrood nog, zouden willen
- Haar lippen bijten met zijn dronken zoen.
-
- In ’t marmer is zijn wil veronverwrikbaard;
- Hij weet—en van voldoening spitst zijn sikbaard—
- Dat Dionyzos haar geen hulp zal doen!
-
-
-
- IV.
-
- O, Dionyzos, laat uw godeleven
- Ik zonhel, etherdiep nu gadeslaan
- Langs purperwanden van het Vaticaan;
- De zalen door, waar vaag de schimmen zweven
-
- Der badgenooten van Diocletiaan,
- Die zich UW ranken om de slapen weven!
- O, laat mijn loome voeten dwalen, beven
- Mijn dronken ziel bij ’t Kapitool-ingaan!
-
- Ik zoek U slechts, ik zoek UW ruige saters!
- Mijn zinnen smachten naar hùn dolle schaters,
- Mijn heet hart hijgt naar uwer faunen zang:
-
- Nòg spelen fluit zij als Praxiteles
- Hun vingers leerde, parelgamma-les,
- Op rietjes, drie kort en vier rietjes lang!
-
-
-
- V.
-
- Mijn Dionyzos, dien ik al zoo innig
- Zie voor mijn zuidelijke ziel, o zeg,
- Moet ik nog wachten, vóor ik om u leg
- Mijn beide handen, u omvat beminnig,
-
- En geef mijzelven aan uzelven weg?
- Vinden uw saters mij te droef diepzinnig
- Of zal hun spot mij heeklen veel te vinnig
- Omdat ik, u omhelzende, overleg...?
-
- Maar zoo mijn noordelijke ziel blijft treuren,
- Zult gij, o blijde god, niet waardig keuren,
- Wie U wil zeggen met te doffen klank;
-
- Mijn ziel is twee: ik hoor haar stem nòg klagen:
- Haar woord moet schel zijn als een cymbelsprank,
- Om u te heerlijken langs myrtehagen!
-
-
-
- VI.
-
- Ludovisi-Buancampagni.
-
- Ik zie slechts u, ik zie u overal,
- Zie, kind, u op Silenos’ armen slapen,
- Zie, knaap, u schoonste, onder alle knapen,
- Zie, jongling, zwelgen u bij fluitgeschal;
-
- Ik zie u, Wellust! ranken om de slapen,
- Den nadroom van ’t genot in ’t oog en tal
- Van rijpe trossen al geparst, schijnt pal
- Gij open-oogs en staand, éven te slapen.
-
- Uw oog alleen is moê, uw glimlach moê,
- Maar nooit is moê uw onverzaadlijkheid:
- Gij hebt geen pooze ook maar u neêrgevlijd:
-
- Terwijl uw rechte haar pijnappelroê
- Omspant, bespeur ik, Dionyzos, hoe
- Het panthervel ligt zonder plooi gespreid....
-
-
-
- VII.
-
- Biga-zaal.
-
- Ik zie u in de Karre-zaal gebaard:
- Sardanapalus schijnt ge in marmren vouwen,
- Met zorg u omgeplooid door mantelvrouwen;
- Maar ’k wist u niet zoo trotsche wijze en aard.
-
- De marmren zegekar schijnt u bewaard;
- Der marmren zegerossen zult GIJ hoûen
- De strengen in uw vuist en door den blauwen
- Droomether neemt ge apotheoze-vaart!
-
- Laat scheren van uw ronde wang dat kruiven,
- En vàllen van uw schouder ’t lijnwaadhuiven,
- Hoe liefdevol ook iedre vouw er strijkt.
-
- Zie, vlàk bij rijst gij, zaalge god van druiven,
- Naakt,—baardeloozen lach—vermenschelijkt,
- Naar mijn verlangen plots verwenschelijkt!
-
-
-
- VIII.
-
- Lateraan.
-
- Op ’t bas-relief, marmerjuweelig, teêrtjes,
- Festoent een wijnoogst, feest, dat mij verrukt.
- De druivegoodjes klimmen op de leêrtjes
- En hebben dra den vollen tros geplukt.
-
- Zij hellen, lachend overlangs gebukt,
- En bieden andren goodjes keer op keertjes
- ’t Zoo zwaar gezwollen ooft, dat over, weêrtjes,
- Het godje tuimelt, als omver gerukt.
-
- Een loopt er, torsend ’t korfjen overvol
- Met beide knuistjes ’t knellend op zijn bol:
- Wanklend de dikke beentjes wijd, wil ’t brengen
-
- Zijn buit den wijnbak toe, waar rythmiesch twee
- De trossen dansend treden: Evoë!
- Tot most, dien ze u, mijn Dionyzos, plengen!
-
-
-
- IX.
-
- Nu wil ik in u zoeken, hier ter steê,
- De blijde godlijkheid van Zeus, uw vader;
- Nu wil ik speuren in uw marmren ader
- ’t Bloed, gloeiend in uw moeder, Semele;
-
- Daar zij verbrandde in zalig blakenswee,
- Zoodra haar Zeus in open bliksems nader
- Zich openbaarde: een glorensfelle dader,
- Wiens gloed zelfs blusschen zoû geen wereldzee!
-
- Zeg, zijt gij zoon van moeder, vader, beiden?
- God, zijt gij overwinnaar als hij was,
- Die u verwekte in ’t hijgende verscheiden
-
- Dier bruid, versmeltende als een blonde was....
- Maar zoo genot en lust u overvielen,
- Zoû ’k in uw oog en lach zien moeders ziele...?
-
-
-
- X.
-
- God, die den wijnstok plant, ’k wil niet vergeten
- U op uw zegetocht plots te doen treffen
- Eenzame vrouw in sluimers onbeseffen,
- En weenensrood de scheelen toegekreten.
-
- Gij kunt—ontwaakt—haar morgenzonnig heffen
- Uit nachtschaûw en uit nood: aarzlend gezeten
- Op panther tam zal Ariadne u weten
- Een god! en haar bewogen ziel vereffen....
-
- Troosten voor wien ondankbaar haar verliet,
- Moet purpren arbeid, dans en spel en lied:
- Eén lange wingerd zal uw reis bekransen;
-
- En zoo Silenos zat en wagglend vliedt
- Voor tergende menaden uit, mag niet
- Dan èindlijk lachen Ariadne en glansen...?
-
-
-
- XI.
-
- Ik weet, gij hadt nooit zoo verlaten bruid
- Aan ’t hart gebeurd, kronende uw gemalin
- Des purpren nektarrijks triumfgodin,
- Zoo niet naar week gevoel uw ziel ging uit.
-
- Gij zijt niet slechts de wijngod, die bij fluit
- En cymbel ’t spranklend leven drinkt als in
- Eén volle schaal, nooit zwelgenszat uw zin:
- ’k Vermoed, dat gij een eedler wezen duidt;
-
- Zijt gij dan ’t enthoeziaste medelijden?
- Weldaadge liefde, die wil troost bereiden,
- En rozenbed mocht aan vertwijfling spreiden?
-
- En was het u niet hooger zielsverrukken
- Aan Noodlots reuzeklauw die vrouw te ontrukken,
- Om haar uw druivediadeem te drukken?
-
-
-
- XII.
-
- O, Dionyzos, laat mij dan geheel
- U weten, god en mensch u voelen; laat
- Uw leven, lichaam en uw rond gelaat
- Mij zoo vertrouwd zijn of ik met u speel!
-
- Godlijke broeder, menschlijk kameraad!
- ’k Wil woorden schakelen tot schel juweel;
- Vangen in klare zinnen ’t blauw gestreel
- Latijnscher lucht, die koeplend om mij staat!
-
- Ik wil geheel u in mij voelen trillen,
- Mij voelen zoo in u, of samen willen
- We ons beider ziel aan éenen dronk verspillen;
-
- Bezit ik u, bezit gij mij zoo vast,
- Dat ik uw gast ben, gij mij wordt tot gast,
- Dan zeg ik zùidlijk hoe uw wijnstok wast!
-
-
- Rome, Februari III.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-
-Rozig, sprenkelend den dauw op de violette anemonen, die openden haar
-slaapdronken kelken, en gretig drinken wilden met bekertjes, rees de
-dadelijk zonnige morgen over de blad-dichte beemden van Nyza. Weg naar
-het Westen week er de paarse nacht en verdween. Reuzig de wilde
-kastanjes, en ruischend de eiken van uchtendbries, ontwaakte het woud,
-en de weiden, dauwdruipend, spiegelden licht terug, parelgekleurde
-lucht; de anemonen bloeiden op uit lichtende watering, en ontloken,
-gelescht, geheel. Strak naar de zee, blauwe lijn, streek snel toe het
-verschiet, en de hemel koepelde wolkenloos. Wazige frischte, weêrschijn
-van dauw, huiverde over de wereld, over lucht, woud en zee, en
-rings-om-rond over bergen, wier rondingen schakelden op de
-parelgekleurde lucht, als een snoer cameeën om blinkenden hals.
-Rillend, in de laatste schaduwen, ontwaakten in het woud de nymfen.
-
-Op een lynxevel sliep de knaap en droomend had hij zijn arm, vaag
-gebaar, uitgestrekt in de anemonen. Zijn palm was half geopend; een
-lichte grijping trilde in zijn vingers. Zijn hoofd lag achterover,
-bronsblond de lokken, teêr blauw geaderd de oogescheelen gesloten en
-zijn mond huiverde van een wellust, gedroomd. Week bootste zijn blank
-lichaam uit op de ruig vlakkige lynxehuid; zijn schouders rondden zich
-als die van een maagd en zijn ademende borst zwol en golfde; zijn
-schoot viel in, en zijn heup heuvelde hooger, en de beenen,
-gestrengeld, bloemesteelden weg naar den voet, waaraan de groote teen
-scheen te trillen, of hij trad luchtig op wolken van droom. Nu de
-nymfen waren ontwaakt, en zich rekkende hieven uit hare slaping,
-rillende onder den pareldauw, verzamelden zij rondom hem heen, en
-fluisterden en naderden schuw. Van zijn vader Zeus zelven scheen de
-hooge goddelijkheid te stralen zijn voorhoofd af, ernstig hoog gewelfd
-tusschen bronsblonde krullen, maar de gloed van zijne moeder, Semele,
-verblaakt in Zeus’ bliksem en eigenen brand, verzinnelijkte hem tot een
-god van genot. En ernst en genotzucht mengelden zich in hem als tot
-eene betoovering, stralende uit zijn wezen, en de nymfen werden niet
-moê hem te verslinden met verlangende oogen. Zij wilden hem nog niet
-wekken. Ino, op een vijgeblad, stapelde vijgen voor zijn maal, en Ione
-hield aan den bronstraal haar kruik, waarin de gamma der druppelen
-steeg tot ze vol was. Uit de verte klonken de herdersfluiten.
-
-Nu kon Neïra zich niet houden, en hurkende, streelde haar vinger de
-dauwdruppelen af van Dionyzos’ schouder, waar ze parelden, als op een
-schulp. En onder de streeling van haar verliefde hand, die dadelijk
-zich schuw terugtrok, sloeg Dionyzos de scheelen op. Zijn oogen waren
-paarsblauw als donkere violen, en als in geheel zijn wezen, mengelden
-zich in zijn blik een weemoed, een dartelheid. Door den paarsblauwen
-waasglans, weemoedig, tintelde diep een blijde glimp.
-
-—Ik heb gedroomd, zei Dionyzos.
-
-En hij staarde, als zag hij zijn droom na, die vluchtte. Zijn
-viooloogen verweemoedigden en vroolijkten over de nymfen heen, in de
-lucht, de parelgekleurde, naar de bergrondingen, die geworden waren als
-schilden van krijgers, gestapeld tegen de kim aan. Hij staarde na de
-voorspellingen, die vluchtten, na vaag gewemeld te hebben in de nauw
-gestoorde rust zijner sluimering. Nu daalde zijn blik, zag hij lachend
-de nymfen aan, en begeerig strekte zijn hand naar de vijgen. Hij at ze
-gulzig, in zijn glimlach, zoo sappig ze drukkend tusschen zijn lippen
-en de schillen wierp over de nymfen hij weg in spel. Een sloeg er op
-Ione’s oog, en terwijl zij gilde, lachten de anderen, en ook Dionyzos
-lachte. Nog meer vijgen moest Ino hem brengen, en zij knielde naast
-hem, ze beurende in het blad op haar palmen. Daarna, achterover
-geleund, dronk hij uit Ione’s kruik. De fluiten, in de verte, naderden
-met hoogere stijging en dieperen val.
-
-—En wat heeft mijn heer gedroomd? vroeg Ione.
-
-—Ik heb gedroomd... zei Dionyzos; de verovering van geheel de
-wereld...!
-
-—Wat een dwaasheid! Wie zoû er nu moeite doen om de wereld te
-veroveren! klonk in spot, een stem, en Silenos, zich rekkende, trad
-naar voren uit het boschje, waar hij geslapen had. Zeg, Dionyzos, wat
-spiegelden droom en slaap je zoo ijdele eerzucht voor? Geheel de
-wereld...! Maar kan het de moeite loonen geheel de wereld te
-veroveren...? Kan zij schooner zijn dan Nyza, kan de lucht om haar zijn
-blauwer, de zee rondom haar stralender, de nymfen in hare wouden
-verleidelijker dan Ino en Ione zijn? Ik geloof het niet! Ik geloof het
-niet! O Dionyzos, vergeet je droom, die ijdelheid was als àlle droomen.
-
-—Ik heb gedroomd...—Dionyzos herhaalde het—; de verovering van GEHEEL
-de wereld!!
-
-—En waarom zoû je die wereld veroveren? Geen van de goden geeft om de
-wereld! Om dit heerlijke land strekt de wereld zich uit, een baaierd
-gelijk! Wie bewoont er die baaierd? Barbaren en monsters alleen! Hier
-alleen is de schoonheid, in de schaduw van Olympos! Hier alleen is het
-leven: hier borrelt de bron aller vreugde en wijsheid! Hier heerscht de
-vrede, in goudene dagen! Veroveren wil strijd en strijd sluit wijsheid
-en vreugde uit. Hier vloeien de dagen als water voort, zacht murmelend
-van het lachen der nymfen! Aardsche volmaaktheid is hier bereikt!
-Wereldverovering is ijdelheid!
-
-Maar Dionyzos snel had zich opgericht. Hij stond, fier en heerlijk en
-vroolijk.
-
-—Strijd is het leven! riep hij uit. Niet de bloedige strijd, dien vuurt
-Ares aan, maar de lachende strijd met onverwinlijke macht! De lachende
-strijd is het leven! Te gaan lachende voor zich uit, zelfbewust van
-onoverwinlijkheid: te gaan, lachende, wouden en steden door, zeeën over
-en dwars door hemelen, en te heerschen langs zijn triomftocht... dat is
-het leven, dat is leven! Het oogenblik te overheerschen, dàt is het
-leven! Wat zal ik geven om de minuut, die voorbij is! Het verleden
-dompelt achter weg; het heden zal het lachende oogenblik zijn, dat ik
-lachende overheersch, en de toekomst zal zijn de lange weg, dien IK
-neem op mijn zegekar, de wereld door, de wijde, wijde wereld door,
-overwinnende heel die wereld...! De Muzen leerden mij harmonie en maat,
-maar Silenos, o luie bespiegelaar, zal mij niet kluisteren in de
-beemden van Nyza, door te zeggen, dat de wereld een baaierd is, en alle
-enthouziasme ijdelheid!
-
-Nu rekte hij zich uit, de laatste loomheid van zijn slaap week uit zijn
-leden: om zijn hoofd bogen rekkend de armen rond met de buigingen van
-een lier, zijne oogen stierven lachende een oogenblik, en hij gaapte
-voor het laatst: om de kleine mondhoeken koraalden de lippen en de
-emailwitte tanden parelden schel.
-
-—Silenos, ik ben geroepen! riep Dionyzos. In mijn droom heeft mijn
-groote vader Zeus mij geroepen, en mij gezegd, dat ik een taak had!
-Mijn taak zal een purperen vreugde zijn, en hare voleindiging een
-purperen triumf!
-
-—En wat zullen die roeping, taak, vreugde en triumf nu zijn...
-
-—Ik weet ze niet, maar ik zal ze dézen dag weten! O, soms rijst de zon
-op om een grooten dag over de wereld te doen lichten! Dan schakelen de
-minuten zich samen tot goudene noodlottigheden, en de opalen dageraad
-trilt van verwachting, om wat het vollere uur van den morgen zal
-zijn... Zie, Silenos, zoo trilt deze ure nu... Geheel de hemel schijnt
-als een glimlach, omdat een goddelijke vreugde geboren gaat zijn!
-Rondom mij heen zingt het woud van vogelen! Bries waait bloemengeur op
-als offerreuk aan de nieuwe vreugde, die zijn zal! Verstaan doe ik de
-vreugde nog niet, maar zij kondigt zich al luider en luider aan in
-stemmen, die geheimzinnigen in de bosschige diepte, die schulpsuizelen
-uit de strakblauwe zee, en die, azuurschel, klaroenschateren, uit de
-ronde hemelen, als met trompetten, gericht naar de aarde! Heilig blijde
-natuur, o laat mijn jonge armen je drukken op mijn jonge hart, zoo als
-ze drukken zouden een nymf, die maagd was! Ontzaglijk als je bent, ben
-je niets dan liefde meer in mijne omhelzing! Hoe vele je stemmen ook
-harmonieeren, als koren rondom mij heen, al je monden, op mijn mond,
-smelten te zamen tot éen langen zoen! Al je lachende wellusten dringen
-te zamen tot éen wellust, terwijl ik je te pletter druk op mijn hart! O
-Zeus, hoe zalig is ál wat ge schiept, om de schoonheid der glanzende
-vormen, die van hemelen, en die van de aarde! Aarde, blinkende erfenis,
-bloeiend erfgoed, vervalt ge Dionyzos alleen? Zeus, god van hemelen,
-zal Dionyzos der aarde god zijn...?! Silenos, kom nu met mij! Kom meê,
-ik weet den weg! Ik zàg hem in mijn droom! Langs deze wateren en langs
-deze wouden wezen hem mij najaden en hamadryaden, lachende, met schalke
-vingertjes... Ik liep den weg al af in mijn droom. Om mij heen riep de
-op mij verliefde aarde met tallooze stemmen, dat ik haar veroveren zoû!
-Er woelde een razende vreugde! Ik ontwaakte... Nu, in
-morgenwerkelijkheid, loop ik den weg af! Hierheen, hierheen! Volg mij,
-meester, gij, die de wijsheid gaarde in uw woord, als de bijen honig in
-raten, en ze mij aanbiedt, als mij hongert, tot ik walg van de zoete
-wijsheid! Hierheen, hierheen: Dionyzos hongert naar honig niet;
-Dionyzos dorst! Hem dorst...! Hier spoelt zuiver water... Ik schep het
-in mijn hand, ik drink het... O, ik wilde, er ware ander vocht, dan het
-water uit de kruik der najaden... Maar Zeus hield den nektar voor zich
-daar boven aan hun godenfestijnen... Daar komt Dionyzos niet! Maar is
-hem de hemel gesloten, de aarde zal hem open zijn...! Vlugger, vlugger,
-Silenos, je bent nog niet te oud om mij te volgen! Je buik is nog niet
-àl te dik: waarom zoo loom dan vandaag? Is dat het gewicht van je
-wijsheid, die je beenen verlamt? Vlugger, hierheen, Silenos,
-achterdochtige en ongeloovige meester! Hij gelooft niet aan den
-heerlijken droom, en niet aan de heilige toekomst...! Silenos, ik
-spreek je nader! Ik spreek je nader, mijn vriend en mijn meester! Al je
-wijsheid en ongeloof zullen af van je vallen als de verdorde
-bloemenkrans van je wijze slapen! Hierheen, vlugger, Silenos! Dicht
-wordt het woudgewarrel met bladvolle takken dooreen, maar tusschen dien
-ernst der donkere steeneiken lacht te luider uit het azuur. Hoor...
-Silenos!
-
-Hij hield stil, zijn arm op den arm zijns meesters.
-
-—Hoor...
-
-—Wat hoor je, dolle Dionyzos?
-
-—Ik hoor een fluit...
-
-—De herders geleiden hun kudden.
-
-—Het is niet de fluit van een herder! Hoor, de fluit zingt de blijde
-wijze...
-
-—Die de menschen niet kennen?
-
-—Neen... Ik hoorde ze al, in de juichstemmen der natuur, als ze mij
-beminde voor ze als een minnares viel met haar zoen op mijn mond.
-
-—Wie, Dionyzos, fluit ze nu?
-
-—Hij...
-
-—Wie hij...
-
-—Die mij zeggen mijn taak zal...
-
-—Wie bezielt hem...?
-
-—Zeus zelve! Hoor, de blijde wijze jubeltuit mijn wereldverovering! De
-blijde wijze lokt mij te komen!
-
-—Weêrsta, Dionyzos! Euvele machten in deze donkere bosschen verlokken
-nymfen, en herders, en goden!
-
-—Wat vrees ik? Aan mij is de wereld!
-
-—Hoe?
-
-—Mijn vader is Zeus!
-
-—Hij let niet op àl zijne kinderen!
-
-—Hij heeft mij lief; omdat ik de vreugde zal zijn!
-
-—Dionyzos, waar is de maat, die de Muzen je leerden?
-
-—Kom!
-
-—Neen...
-
-—Kom meê...
-
-—Het angstigt mij hier!
-
-—Zamel dan al je wijsheid om niet voor niet angst te koesteren...
-Kom...!
-
-—Mijn leerling en mijn god, heb medelijden met mij...! Dit is mij alles
-onbekend, dit donkere woud, deze lokkende wijze van een schellere
-fluit, dan alle herdersfluiten! Wat zal ik komen, met je! Overmoedig
-als je bent, en zoon van Zeus zelve, zal HIJ je beschermen, zelfs tegen
-Hera’s listen... Maar mij... ik zal ondergaan, in wat je ginds wacht.
-Ik puurde wat wijsheid uit bespiegeling in Nyza’s eeuwige lentebeemd,
-en ik drong door in de ziel der aardsche dingen. Ik wil rustig leven en
-aanschouwen rondom mij, en glimlachen om wat ik aanschouw. Ik wil kalm
-mijn dagen laten vervlieten. De ouderdom dunt al mijn grijzende lokken,
-en bezadiging matigt mijn tred; die nooit vlug was. Wat Dionyzos, moet
-ik je volgen? God, ben je jong, en vrees je voor niets! Ik hoorde zoo
-blijde wijze nooit... Tot wat zoû zij niet vervoeren, wellicht! Tot
-onmatigheid zeker en maat, Dionyzos, is àl mijne wijsbegeerte... Zoo ik
-ze verloor, ware ik geheel verloren... Dionyzos, ga zonder mij...!
-
-Lachend liet Dionyzos hem achter, smeekend, en ging alleen vooruit,
-waar de blijde wijze lokte. Door het steeneikenwoud haastte hij snel
-zich en tusschen de donkere verwrongen takken keken blanke boomnymfen
-nieuwsgierig hem na, en herkenden hem een jongen god. Plots week het
-woud open, en mossige ronde vlakte, van viooltjes heel geurig, cirkelde
-in dat luchtiger looveren als een ronde koepel, tempelomzuild door de
-rechtere stammen der eiken; water murmelde er frisch sijpelend de
-rotsen af, tusschen de altijd vochtige groene en goudgele mossen, en
-geleund tegen den steenwand stond een Faun, het linksche been over het
-andere rechts, rustende op den even gebogen voet, met den druk van de
-teen in viooltjes. Een gespikkeld wilde-katte-vel hing, met dooden kop,
-slappe pooten zijn schouder af. Hij glimlachte, en bespeelde zijn
-fluit, de vingers tegen de mondholten der rietjes. Hij stond rustig en
-kalm, als een kalme en rustige vreugde. Zijn glimlach was van blijde
-gedachte vol. Zijn voorhoofd heel smal en de slapen heel schuin,
-kruifde zijn kort haar dicht als het gekroes van een lam, dat goud zoû
-geweest zijn van zijdige vacht. Onder de welving der brauwen waren
-zijne lachende oogen als water zoo klaar, grijs blauw met de geboorde
-diepte der donkere pupil. Baardeloos, warm zongewaasd was zijn nooit
-geschoren en dus even donsfulpig gelaat, breedkalm om zijn glimlach,
-die zijn puntige tanden deed glinsteren. Zijne ooren spitsten, als bij
-alle zijne stamverwanten, en gaven aan zijn goedheid en vroolijkheid
-een pittigen geest, schalk wèl-demoniesch. Hij was groot, breed, kalm,
-jong en rustig. Hij stond als een jeugdig athleet, die een dichter was.
-Zijne spieren, niet zichtbaar, verrieden zich onder de gestoofde
-goudtint van zijn vleesch. En zoo was hij een kracht, die eene
-teederheid was, en een ernst, die was een vreugde.
-
-Dionyzos zag hem aan. En dat Dionyzos een god was, ook al was zijne
-moeder een vrouw van de aarde, werd zichtbaar, omdat goud blauwig
-Dionyzos straalde, gloed om zijn blanke godeleden, die de zon nooit
-stoofde, gloed om zijn godegelaat, dat, ongeschoren, bleef baardeloos,
-als dat van eene maagd, gloed uit zijn violenoogen van genot en van
-weemoed, gloed om zijn gaan en zijn stilstaan—terwijl de Faun zoo
-zichtbaar geen god was, maar ook geen mensch—: geboreling uit het bosch
-zelve, eigen kind van de aarde-natuur, schepsel van het schitterende
-woud, éen hij van zelfde essentie, met boom, blad, woud, water, bloem,
-wolk... En nu hij Dionyzos zag, stralende, komende de donkere schaduw
-der steeneiken uit, nu staakte hij zijn lied, nam de fluit van zijn
-volroode lachlippen, groette den god met eene beweging der hand, die de
-fluit nog vasthield, en zeide, zijn stem diep vol en lachend:
-
-—Wees, goddelijke Dionyzos, welkom... Ik wachtte je... Ik droomde je
-dezen nacht heerlijk... Ik verwachtte je en speelde mijn blijde
-wijze... opdat je den weg zoû kennen. Ik deed, je tot feest, dezen
-nacht, opbloeien al deze viooltjes, opdat je voet er zoû geurig over
-treden. Heel het woud verwachtte je... De vogels hebben jubelender
-gezongen, en alle hamadryaden zagen schuchter en lachende uit... Zie,
-overal glinsteren haar oogen... Doe of je ze niet ziet, om ze niet te
-verschrikken, Dionyzos... Ze zijn schuw en je glanst als de felste
-straal van Helios uit blauwe lucht... Je schiet door het woud als een
-pijl van den zonneschutter zelven... Wees, goddelijke Dionyzos,
-welkom...
-
-—Ik heb gedroomd, zei Dionyzos; de overwinning van geheel de wereld...
-en het pad, dat ik gaan moest... Het leidde mij, Faun, tot hier... Kan
-het zijn, dat mijn vader Zeus je openbaarde het geheimheilige middel
-tot mijn triomf...?
-
-—Ampelos weet niet van triomf, noch van overwinning, maar Ampelos weet,
-wat, zoo het Zeus ware, een goddelijke droom hem te doen beval! Te
-spelen de melodie, die ik speelde, opdat je àl te snelle voeten niet
-zouden verdwalen... en, zoo je mij gevonden hadt en genaderd ware over
-dezen vloer van viooltjes... je, Dionyzos, te geven den staf, dien mijn
-hand heeft omklemd in mijn sluimering. Zie hem hier, o god, en ontvang
-hem...
-
-—Deze staf! zei Dionyzos teleurgesteld en hij zag naar den groenen
-stok, dien de Faun, Ampelos, hem bood. Deze staf zoû mijn schepter
-zijn... Deze staf zoû mij zijn wat mijn vader Zeus is zijn bliksem,
-Poseidoôn zijn drietand... Deze staf, deze groene stok...
-
-De Faun naderde, en beiden, Dionyzos en Faun, bezagen den staf
-aandachtig.
-
-—Zie, Dionyzos, zei de Faun, Ampelos; dit is geen staf, als een herder
-uit dor hout zoû gesneden hebben. Deze staf is groen hout en leeft, en
-zweet van ambergeurige sappen. Deze staf is er een, die zwelt van
-geheimzinnige levenskiem. Zoo het Zeus ware, die hem vlijde in mijn
-hand, om ze je te overhandigen dezen morgen van vreugde, zal het geen
-staf zijn, waardeloos als herdersstaf, of welke boomtak uit het
-takrijke woud. Dàn zal deze stok zijn een levende schepter van blijde
-vroolijke toekomst... Zie, zijn knoesten en knoopen: ze leven! Geuriger
-is dit hout dan alle viooltjes te zamen, en de geur is die van boschbes
-en braam, maar geperst tot een heftiger heerlijkheid en de aroom
-vertienvoudigd in bezwijmelende kracht... Deze stok is een wonderstok.
-Wat er meê te doen, zoû zijn wellicht...
-
-—Wat zoû wellicht met mijn stok te doen zijn, o Faun?
-
-—Hem te planten op een gunstige plek en te zien of hij uitbot tot
-vreugde... Met je eigen godenhand hem te planten, o Dionyzos... Kom,
-zoeken wij samen de plek...
-
-—Ik ken niet dit woud...
-
-—Ik ken het... Kom meê... Zie, het heele woud juicht, dat een god is
-gekomen. Schrik de hamadryaden niet weg met je glans... Doe of je ze
-niet let, Dionyzos... Er is een wuiven tot in de opperste twijgen, er
-is een vonkelen van oogen tusschen de looveringen dicht... Hier is het
-zonnegoud en daar lachend oogenblauw blij... Kom, Dionyzos.
-
-—Ik volg je...
-
-—Ik speel de wijze, al gaande... Ik de wijze al spelende, zal mijn lied
-onbewust ons leiden ter goede en gunstige plaatsen. Waar zonen van Pan,
-hier en daar, beantwoorden de blijde wijze, als vogelen antwoorden aan
-vogel, en waar zij ons lokken, zijn de gunstige plekken, ter keuze om
-te planten tot vreugde onzen stok...
-
-—Hoor...!
-
-—Er antwoorden mij al dra... Hoor nu, Dionyzos... Nu, van overal,
-weêrschallen op mijn fluitje schel, als echo op echo, de schelle
-fluitjes der schalke zonen van Pan... O, er zijn tàl van gunstige
-plaatsen. De aarde, onze moeder, is mild en vol goedheid... Welke kant
-zullen wij uitgaan, zeg, Dionyzos. Kies...
-
-—Kies ik?
-
-—Ja. Keuze van god, onbewust, zal onfeilbaar zijn boven mijn keuze.
-
-—Ginds uit...
-
-—Recht?
-
-—Ik hoor een schelle fluit antwoorden je fluit, recht voor ons uit...
-
-—Gaan wij...
-
-Zij gingen. O, het woud schalde van fluit overal... De Pansfluiten
-overal klaterden uit, antwoordden des spelenden Fauns blijde wijze...
-En de vogelen er tusschen, kwinkelden dol, niet begrijpend, dat het er
-schetterde scheller dan zij, in het woud, waar anders maar éven de
-rietjes der Panskinderen droomden. Rechtuit ging de spelende Faun, vlak
-op den hiel volgde hem Dionyzos, verblijd om al het gelok, dat met heel
-teedere gamma’s snel daalde en steeg, in het rond... Of overal parelen
-vielen uit de rinkelende lucht, of in de lucht parelen werden
-opgeworpen. Of overal druppelen neêrtintelden dauwig, of òpfonteinde
-overal druppelend watergepoeier... Of snelle beekjes afvloten en
-stroompjes rotsblokken overbruischten... Een liquide dalen en stijgen
-overal, overal, en het was geen water, maar klank... Boven al dien
-klank uit peep helder de Faun zijn blijde fluitwijze breeder... Maar
-altijd en overal en meer en meer antwoordden wel duizende fluitjes
-blij.
-
-Daar opende het woud op zonnige vlakte: de rotswand kartelde weg; in de
-verte sneed de blauwe einder der zee gladrecht het lichtere azuur van
-de lucht. En Dionyzos zag den kleinen Pan, die hem gelokt had, nu schuw
-over den rotswand ijlen, zijn fluitje nog aan de lippen, zijn vinger
-nog in de trilling van spelen. Hij ijlde weg, schuw voor den god, die
-blank geschitterd was uit het donkere steeneikenwoud te voorschijn. Hij
-ijlde weg op zijn vlugge bokspootjes, schelmschuin nog omkijkend en
-sidderend zijn staartje. En even gedonkerd en ruig tegen het lichte
-luchtazuur, huppelde hij schichtig, en ter andere rotszijde dalende,
-verdween hij tusschen de scherpe kloven...
-
-—Hier is de gunstige plek, zei de Faun.
-
-—Wat zal het geven, Ampelos, mijn stok hier te planten!
-
-—Vreugde, vermoed ik.
-
-—Vreugde?
-
-—Zoeken wij de állergunstigste plek, zeide Ampelos en hij bezag
-aandachtig de knoesten en knoopen van den tooverstaf, die scheen sappig
-te zwellen van leven. Deze stok zal niet hoog wassen tot boometrots,
-als de eiken, die ritselen van heilige orakels. Woudschaduw zal hij
-niet geven, en eer dan mannelijk van trots, schijnt vrouwelijk deze
-plant mij van vreugde te zullen uitbotten, en, vruchtbare moederplant,
-te zullen vruchtbaar leven wekken overal, onder de verliefde zoenen van
-Helios. Zie, al is krachtig de plant, in mijn hand buigt zij om week en
-lenig, als een nymfelijf, dat zich wringt... Wordt uit het geheim van
-dit hout nieuw leven gewekt, dan zal het steun moeten vinden, als voor
-duizend verliefde nymfe-armen. De gunstigste plek is deze, en, zag ik
-dit hout als boometrots, zoo plantte ik in het midden van dezen wat
-zandigen grond mijn stok, maar nu uit de zwellende knoesten ik raad
-zwierende weekheid van leniger rankengroei, zoû ik mijn vreugdestok
-willen planten tegen den rotswand daar ginds, opdat zij, de ranken,
-dadelijk steun vinden voor haar zeker wat dartelen en dollen
-overmoed... Die zoû anders de ranken rekken over den grond, als eene
-naar liefde hijgende ze overal strekken uit te-vergeefs... en de dieren
-des wouds zouden over ze gaan en ze vertrappen, onwetend en dom...
-Daarom, o Dionyzos, is mijn raad: plant den stok dicht tegen den rots
-aan...
-
-—En je raad, mijn Faun, voel ik onfeilbaar... Alleen... als ik droomde
-de overwinning van héél de wereld, o Ampelos, van HEEL de wereld... wat
-vang ik dan aan een stok te planten op een zandige plek, aan tegen een
-rotswand... Wat zal, bot mijn zoo heerlijke plant hier uit, hare
-verliefde rank de wereld mij winnen...? Zal zij de wereld omhelzen en
-boeien voor mij? Duister schijnt mij de wil van mijn vader Zeus...
-
-—Dionyzos, het woud is in vreugde... Zie Dionyzos, het woud is in
-vreugde... De wereld is in vreugde, omdat zij wellicht vóórgevoelt haar
-heerlijken overwinnaar in jou! Zie, trilde ooit de hemel zoo hel azuur?
-Orakelden ooit zoo geheimzinnig de ritselende eikenbladeren? Schalden
-ooit zoo schel overal, overal, duizende fluitjes der zonen van Pan, ons
-lokkend, hier, daar, overal? Overal lokken zij naar gunstige plekken!
-Wij kozen de allergunstigste, want wij kozen je keuze, o mijn god, en
-je heilige onbewustheid leidde ons... O, Dionyzos, twijfel niet aan je
-droom, en twijfel niet aan de waarde van dezen staf, waaruit je de
-overwinning zal woekeren met ranken zeker over heel de wereld... Kom,
-plant nu den stok.
-
-—Ik?
-
-—Ja...
-
-—Mijn hand zal beven, o Faun, als ik plant... Mijn hart zal sidderen
-van toekomstverwachting. Ik? Plant ik? Plant voor mij!
-
-—Neen Dionyzos, plant zelve den stok. Want zoodra je godehand hem zal
-omvatten en in de aarde, losgewoeld, planten, zal de groene
-vrouwelijkheid er van trillen, als onder vasten greep van omhelzing!
-Dionyzos, plant den stok! Wat dunkt je van hier, waar de middagzon
-aànslaàt tegen het rotssteen? De plant zal er zijn als een nymf, vast
-tegen den rots aangedrukt en overgeleverd aan de verliefde genade van
-een goudblakenden god, van Helios zelven, o Dionyzos...
-
-—Hier, o Faun, ja hier dunkt mij de allergunstigste plek nu... O, voel
-het rotssteen, het is een vuur. De aarde gloeit onder mijn voeten.
-
-—Ik woel de aarde los...
-
-—Aroom stijgt uit de aarde op...
-
-—Zoo is het diep genoeg... Wortel zal schieten de stok, Dionyzos, plant
-je, met beide handen, hem met liefde nu in dezen kuil...
-
-—O, met liefde plant ik hem! Stok, bot uit! Edel hout, rank weelderig
-naar alle zijden!... Zeus, plant ik mijn overwinning?
-
-—Nu zamelen mijn handen den zandgrond weêr dicht om den stok,
-Dionyzos... Dionyzos, de stok rijst als een mysterie omhoog...
-
-—Is het niet, als gebeurt er een wonder? De stok, eerst recht,
-kronkelt...
-
-—Als een verliefd nymfelijf...
-
-—Dat Helios blaakt...
-
-—O, zie Dionyzos, zie... De stok, in een zwelling van zijne sappen,
-schiet hooger op met zijne kronkeling, als een wonderplant, die
-plotseling wast...
-
-—Uit de knoesten, die openbreken, strekken als verliefde armen zich de
-takken, en voelen uit naar den rotssteenwand, alsof zij bezwijmelen van
-eigen nieuw leven en niet weten waarheen... Nu trillen de teederder
-twijgen uit...
-
-—Nu sidderen van groen de twijgen en de bladeren ontplooien... O,
-Dionyzos, dit is een nieuwe boom, en hij zal zijn je eigen, Dionyzos!
-De druiveboom, die is voorspeld!
-
-—Faun, zie, mijn druiveboom heerlijkt uit in kronkelende ranken en van
-nooit nog gezien ooft zwellen er kleine besjes aan...
-
-—De besjes zwellen...
-
-—Zij zwellen... Voller worden de trossen...
-
-—Zacht rozig bleek eerst, purperen de trossen, en hangen nu zwaar...
-
-—De ranken rekken verder over den rotswand...
-
-—En krinkelend als met klauwtjes teêr, hechten zij zich vast aan het
-steen...
-
-—En kronkelen haar rankjes om iedere punt, die uitsteekt... O, mijn
-wonderboom, o mijn wonderboom, o mijn heerlijke druivewingerd! Faun,
-kom, plukken wij een tros, en proeven wij dien om te weten hoe smaakt
-ooft zoo nieuw. Ja, van boschbes en braam is de geur, maar heftiger te
-zamen geperst en de aroom vertienvoudigd in bezwijmelende kracht! Hier,
-Faun, ik pluk er een tros af... Zie, hoe heerlijk mijn tros mooi is!
-Zie, hoe heerlijk... Een waas als van eersten dageraad ligt over de
-even gepurperde blauwte, als een schuchterheid over een gloed! En hoe
-zwaar is mijn tros! Nauwlijks kan ik hem beuren... Nu til ik hem met
-beide handen omhoog om hem vonkelen te doen in de zon. In iedere druif
-trilt als een roode drop, zichtbaar en schitterend door den wazigen
-glans van de schil. Hoe zwaar, hoe zwaar is mijn tros... Ik vrees, de
-steel zal breken... Ik neem den tros in beide handen nu vast, ook al
-ontwijden mijn vingers het waas... De tros bloost in mijn palmen, als
-of hij blaakt in mijn liefkoozing! O Faun, nu te zoenen, te zoenen mijn
-tros... Maar hij is zoo zwaar, dat ik mij schrap op de voeten moet
-zetten; mijn lendenen buigen achterover, mijn spieren spannen om hem op
-te tillen naar de gretigheid van mijn lippen toe. Nu, o nu, lig je,
-tros, op mijn mond! Nu, o nu drukt je mijn mond te pletter! Als een
-even gepurperde zwaarte blauw ligt de tros over mijn gelaat, streelt
-mijne oogen, die zich sluiten, zoekt met zijn druiven mijn hijgende
-lippen en purperkraalt af tot op mijn borst in mijn armen, die hem
-tegenhouden! Zware, zware tros... een roode geur zweet als een walm uit
-je op... Zware, zware tros, ik wankel onder je bezwijmeling... O Faun,
-ik zie, mijn oogleden even geopend tusschen de druiven, dat je deedt
-als ik, en plukte een tros, en hem bracht aan je lippen verliefd...
-Zware, zware tros... o, nu val ik onder je zwaarte... Nu lig ik in het
-warm gestoofde zand en je ligt zwaar op mijn hart, op mijn mond! Mijn
-purperen wellust, kom! Hier in mijne armen druk ik je te pletter! Tegen
-mijn hart, op mijn mond! Faun, ik perste den tros, omdat ik bezwijmelde
-onder mijn wellust, en niet weêrhouden kon den drang van mijn armen. Nu
-stroomt zijn roode bloed, mij langs de lippen en over mijn leden! O,
-Faun, ik zie, rood bloed stroomt je de lippen en de leden over? Je
-perste den tros!! O Faun, nu druipt mij het bloed in den mond en rilt
-langs mijn verhemelte! Nu zamel ik de gekneusde druiven, woest, woest,
-in de kramp van mijn hand, en pers ze razende uit, boven mijn mond:
-Faun, het bloed van den tros, verkracht, stroomt met een rijken straal,
-stroomt mij binnen en gloeit tot in mijn merg! Nog een tros, een andere
-tros! Weg, de geperste schillen, die flauw afvielen over mij heen! Ik
-slinger de leêge rank! Ik wil op: een andere tros! Mijn beenen
-wankelen, Faun, van zaligheid, zoo nieuw, zoo groót en zoo purper! Een
-andere tros, hier! O Faun, zie!! Ik zag nog niet, verblind voor iets
-anders dan eigen gewaarwording, maar nu ik pluk, zie ik...: over heel
-den rotswand woekert mijn wingerd! Heerlijke rijkdom, goddelijke gave!
-Een andere tros, een andere! Op mijn mond, tegen mijn oogen, dat ze
-meêdrinken; op mijn borst, dat ik mij er in baad! O, tros, stroom uit
-in mijne omhelzing! Tros na tros, stroomt uit in mijn omhelzing!
-Rotswand van trossen, kom, druk ik je uit in mijn omhelzing! Ik wil
-mijn armen zoo wijd, dat ik je, rotswand van trossen, geheel te pletter
-druk in mijn omhelzing—ook al zoû ik zelve sterven, verpletterd onder
-je zwaarte en verdronken in den stroom van je bloed! O Faun, kennen de
-goden daarboven in goudblanken Olympos dit blakend genot! Neen, neen,
-zij kennen het niet. Het was het genot, dat MIJ Zeus gaf, mijn vader!
-Het is het genot van de lachende aarde en de wereld, die ik juichend
-verwinnen zal! Mijn genot zal mijn macht zijn! Genietende zal ik
-heerschen, zwijmelen, overwinnen! Woekeren overal uit wil ik mijn
-wingerd nu laten! Rotswand na rotswand over! O Faun, pluk meer, o Faun
-pluk meer, pluk àlle trossen, die je hand kan bereiken!
-
-—Dionyzos!
-
-—O, Faun, pluk meer...
-
-—Dionyzos, pluk niet alle! Zie, al wankel je onder de hevigheid van het
-genot... Er is maat...
-
-—Wat geef ik om maat! Laat maat houden de waardige Muzen... ik wil geen
-maat, ik wil geen maat! De onmatige wellust wil ik!
-
-Nu, wankelend, klom Dionyzos den rotswand op, maar hij struikelde
-tusschen de ranken, en viel, lachende, tusschen de trossen, waar hij
-bleef liggen, lachende, als een groote vogel in een purperblauw nest.
-Op kon hij niet meer komen, om zijn lach en om zijne bezwijmeling, en
-de Faun moest hem helpen: Dionyzos sloeg om Fauns hals bei zijn armen
-en sterke Ampelos tilde hem hoog uit der ranken verwarring en klom met
-hem af.
-
-—Dionyzos, nu plukken wij ranken, om ze te toonen hier en daar, om ze
-te planten op gunstige plekken, op alle, waar ons riepen Pans
-fluitjes...
-
-—Faun, nu plukken wij ranken, om ze te toonen mijn waardigen meester,
-wijsgeerigen Silenos, en de liefelijke nymfen van Nyza, mijn eeuwig
-jeugdige pleegmoeders...
-
-En zij plukten ranken lang, waar de zware trossen aanhingen tot op den
-grond, maar zoo was Dionyzos bezwijmeld, dat hij trapte de trossen, en
-wankelde; om hem stroomde rood bloed... Dan lachte hij en boog zich en
-in de hand schepte hij het op, en dronk het zich uit de palm...
-
-—O Dionyzos, o Dionyzos! riep de Faun; hoog rijst Helios aan den
-middag... brandende schieten zijn pijlen hier; ginds droomen de
-schaduwen van het donkere woud! Kom Dionyzos, toef nu niet langer;
-dronken van druiven en zongestoofd zal je neêrvallen in de gloeiende
-zanden en zal kracht je ontbeeren weêr op te staan... Dan zal je zijn
-als een overwonnene, Dionyzos, in steê van een wereldverwinnaar!
-Dionyzos, nu hebben wij trossen geplukt; Dionyzos, kom nu meê... Kom,
-ik til je in mijn armen; ik tors je tot waar ik woon in mijn mossige
-boschtent, daar waar ik dezen nacht, ter eere je komst, duizende
-viooltjes deed bloeien. Dionyzos, kom, ik til je... Nu heb ik je op
-mijn schouder; hier, draag de trossen, sla de rank je over de
-schouders, hoû de ranken nu vast in je vuist... laat ze niet vallen, o
-Dionyzos, de kostelijke wingerdtakken... sleep niet in het zand de
-wazige trossen... Toon ze onbezoedeld te Nyza! Kom, nu draag ik je
-voort... O, de zanden schroeien mijn zolen... omdat Helios
-erbarmingloos is in dit uur! Hier naderen wij de eerste schaduwen...
-Hier rijzen de steeneiken... hier is al koeler de schaduw... Overal,
-Dionyzos, zien de hamadryaden uit... Nog, in de verte, zachtjes,
-verklinken de Pansfluitjes, even weemoediger, omdat wij niet hier en
-daar zijn gekomen, omdat wij niet overal zijn gekomen! Fluiten, schalt
-helder op: wij komen, wij komen overal, wij komen op alle gunstige
-plekken! Dionyzos triomfeert over àlle gunstige plekken... Hoor,
-Dionyzos, nu schallen zij helderder, omdat ik hun beloofde je komst!
-Sla een arm om mijn hals, Dionyzos, want je wankelt op mijn schouder,
-en zwikken zal je en de kostelijke trossen zal je verliezen. Sla een
-arm om mijn hals... Zoo, zoo ijl ik vlugger... Zoo hoû ik je vast, zoo
-hoû ik je vast... zoo ijl ik met je het woud door... door al het
-nieuwsgierig gespie van de boomnymfen, die nog niet weten wat druiven
-zijn! Hamadryaden, dit zijn druiven! Zie, dit zijn welige
-wingerdranken! Zie, dit is purperen genot! Hij, dien ik draag, is de
-koning van het blijde genot en de god van het juichende leven: dat wat
-hij geven gaat aan héél de wereld, om haar te overwinnen! O, de
-gelukkige menschen, de zalige volkeren, wie hij het blijde genot en het
-juichende leven zal geven, in spillende, spillende overdaad...!
-gelukkiger dan goden zullen zij zijn, zoo zij weten te genieten genot,
-zoo zij weten te juichen het leven! Dionyzos, hier naderen wij mijn
-tent van dichte looveren...; al zwaait als uit offerschaal je de walm
-van mijn viooltjes te moet... Duizende bloemetjes van dezen nacht: eert
-Dionyzos, hij komt! Hij komt, ik draag hem al als een overwinnaar, in
-zegetocht! Geheel het woud heeft hem toegejuicht! Alle gunstige plekken
-trillen hem tegen! Hij komt, hij zal overal komen! Hier, o mijn god,
-rust hier uit... rust hier uit, hooger je hoofd op viooltjes en mos...
-Hij slaapt al... nog in mijn armen, die hem nedervlijen op zijn geurige
-bed; hij slaapt al en zijn mond is open in een glimlach—onbewuste
-herinnering aan zijn genot... Slaap, Dionyzos, slaap... Stemmen van het
-woud, zwijgt... laat Dionyzos sluimeren... in de warme ure des
-middags... Hamadryaden, nadert... nadert éven op lichte teen,
-geluideloos... geluideloos... nadert, nadert maar... Zie, dit is
-Dionyzos... Zie, hamadryaden, dit zijn druiven... Hier, neem een paar
-trossen, en proef ze druif voor druif, opdat je wete wat is de gave van
-Dionyzos... Aanschouwt hem even, en gaat dan stil... Hij is heerlijk
-als een god, die hij is... en hij is òns verwant en der aarde... Hij,
-hij is onze koning... Stemmen van het woud, zwijgt... fluiten,
-zwijgt... vogelen, zwijgt... wateren, zwijgt... bries tusschen boomen,
-zwijg...: Dionyzos... Dionyzos sluimert...
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-
-Dien avond, zinkend de zon achter verre bergen in geleidelijk verwelken
-der hemelen, dwaalden de nymfen van Nyza om langs de boorden der
-meergladde zee, schimmeblank bijna, oneigenlijk in vallende schaduw
-breedgebladerder vijgeboomen, mimoza’s in bloei nog even opgelende met
-stuifgepoeier van bloesemwemeling, als der laatste dagkleuren kreet.
-Het was als zweefden de nymfen uit schaduwen aan in schaduwen: hare
-tengere blankheden schemerden uit en wischten zich weg; zij doken uit
-gedonker, in vaag zusterlijke omhelzing en ommedoling, zichtbaarder
-even tegen de parelklaardere zeevlakte, die de bergen, van nacht alreê
-amethyst, afsloten met donkerder wal—en zij verloren zich op nieuw, of
-zij droomen waren, die waasden... Een stilte dreef als eene
-betoovering: zoo stil sloop de nacht aan over de aarde, dat Silenos,
-liggend tegen een boomstam, hoorde van visschen roeiklapperen de
-staartjes...
-
-—Waar of nu Dionyzos blijft... mijmerde Silenos. O, hij ontgroeit aan
-bezadigde wijsheid... Waar is de tijd, dat daalden de waardige Muzen
-neêr, en hij zat in haar midden en luisterde met kinderaandacht naar
-haar edele woorden. Zij leerden hem het ontstaan van hemel en goden,
-zij leerden hem zang en reidans, en hij danste met haar negenen. Mij
-schemert nog de edele zweving der ronde voor de oogen: nog zie ik de
-negen vrouwen schoon en verheven en lieflijk, en het blijde kind in
-haar midden volgen hare zangwijze en danszwevenden stap over anemonen,
-die nauwelijks bogen onder tred zoo licht... Dat was maat, dat was
-edele kunst... De nymfen schaarden omheen, en het was éen vreugde van
-edele beweging, éen vreugde van edelen klank. Nu is het kind groeiende,
-nu is hij bloeiende tot jongen man, tot hij de goddelijke grens van
-zijn groeibloei bereikt heeft en zal ZIJN voor de eeuwigheid jong,
-zonder te vreezen de droefheid van den iederen dag onverbiddelijk
-naderenden ouderdom. O, wel gelukkig de jonge god, die nooit dien
-weemoed zal kennen... Ik was jong, maar ik word ouder; ik word oud, de
-weemoed van het einde nadert mij al... Maar wat stoort hem de ziel
-toch, den laatsten tijd... als of hij toekomst wachtende is, en
-vervulling van goddelijk lot, droomt hij, en is onrustig zijn slaap, en
-zijn dartel en onbezonnen zijn dagen van vreemd verlangen, en niet
-weten wat willen... als of de beemden van Nyza te klein hem worden met
-de veilige bergen aan de parelige zee, die nooit de stormwinden
-beroeren, daar zij breken tegen zoo hooge wal. Zoon van Zeus is hij
-god, maar waarover hij godheerschen zal, is nog de duistere toekomst,
-en zelfs de Muzen, die het àlles weten, hebben nooit doen raden wat zal
-zijn Dionyzos’ taak. Ik, ik ben bang voor de toekomst! Zij nadert...
-Wat zal zij zijn? Onrust en strijd wellicht, zwerven en zwerven ver...
-terwijl Nyza is een beemd van vreugde en van kalmte, uiterst geschikt
-om te peinzen over de raadsels van onszelve, en die der geheele natuur.
-Ik, ik ben bang voor de toekomst! O, waar blijft nu Dionyzos... Toch
-kan ik hem niet in den vallenden nacht gaan zoeken...: mijn oude beenen
-zullen struikelen over boomwortelen, en mijn oogen zien niet door de
-schaduwen van den vallenden nacht... Waar of Dionyzos nu blijft...
-Hoor, trilt er niet in de verte een fluit? Of vergis ik mij en suizen
-mijn ooren van louter stilte? Ja ik vergiste mij; mij suizen de
-ooren... Maar neen... er klinkt een naderende fluit... Ook de nymfen
-daar schijnen te hooren... Zij verzamelen zich... zij spieden uit! Het
-is een fluit, het is een fluit! Duidelijker zingt de wijze op, en... ik
-herken ze wel: is ze niet de blijde wijze, die lokte Dionyzos diep in
-het midden van het donkere woud? Wat of hij vond... Zoû nu de blijde
-wijze hem kondigen aan? Komt hij? Ione, zeg mij... zoo jij het bent,
-die daar ommedwaalt, wit als een nevel aan den boord van de zee,
-Ione... is dat Dionyzos? Komt Dionyzos terug? Ja... zij wenkt mij van
-ja... Kom, ik ga hem te moet...
-
-Hij rekte zich loom en lui en stond op. Heller door de stilte van
-nacht, naderde de blijde wijze en plotseling lachten de nymfen van
-Nyza, vroolijk om het blijde geluid... Bladeren bruischten even, er
-kraakten gevallen takken onder het naderen van stappen. Plots steeg de
-wijze heel snel, trillerde als een vogel hoog in de lucht, en viel neêr
-met losse druppelen. Toen zweeg de fluit en het lachen der nymfen
-antwoordde de lach van Dionyzos.
-
-—Hier ben ik terug! Hier ben ik terug! Ione, Ino, Silenos, Neïra, hier
-ben ik terug, en mijn overwinning heb ik geplant, opdat zij zal
-woekeren rotsen over, wouden door en wellicht tot hemelen toe! Maar zoo
-niet de hemel, de wereld zal mij zijn! Ik twijfel niet meer, ik twijfel
-niet meer, nadat ikzelve ondervonden heb, wat het genot is, dat mij zal
-winnen de wereld. Zie, oude Silenos, waardige meester, zie hier hem,
-wiens blijde wijze mij lokte... hij, Ampelos, die viooltjes ter eere
-mij duizenden in éen nacht deed ontbloeien...; hij, die mij leidde en
-met mij zocht van waar schalde lokkend kleine-Panszoontjes-gefluit,
-opdat een gunstige plek, los gewoeld, in haar aarde ontvangen zoû tot
-worteling den tooverstok, dien Zeus in de hand hem legde, in de hand
-hem legde voor mij! Silenos, de stok woekerde uit! Ik zag het wonder
-gebeuren! De stok wingerde en tooverde en de trossen van het nieuwe
-ooft zwollen onder de verliefde zoenen van Helios! Hier zijn de
-trossen... Toon, Faun, blijde Faun, de trossen! En zie Silenos, Ino,
-Neïra, zie Ione, hier volgden mij drie kleine zonen van Pan, fluitjes
-in de hand; komt nader, komt nader, en weest niet schuw, dartele
-bokjes... de nymfen zijn zoet... en al schateren ze nu om je
-boksbeentjesruig en om staartje, dat kwispelt onder-aan je rug, de
-nymfen zijn zoet... edele pleegmoeders van Dionyzos, eeuwig jong en
-eeuwig blijde, en jeugdiger en blijder zal haar houden het genot, dat
-je torst! Zie nymfen, zie Silenos, de Panszoontjes torsen de trossen
-aan. Dit zijn de druiven, het edelste ooft, eenmaal in lang geleden
-voorspelling beloofd aan wie de aarde verwinnen zoû! Ik plantte het
-purperen genot! O, nu geheel de wereld het purperen genot te geven!
-Weemoed en smart zullen nooit meer zijn, nu het purperen genot is
-geplant en omranken gaat heel de wereld! Weg, weemoed, weg smart! De
-wereld is mij en der blijdschap! Proef, Ione, Ino, Silenos, de
-druiven... pluk den tros af... zie hem nu blauwen in de blankte der
-rijzende maan... druk ze tusschen de lippen... of liever...: lang een
-beker... en pers er met volle hand heel den tros in uit, opdat het
-rijke bloed er uit stroome! Beker, o drinkschaal maagdelijk nog, die
-niet anders ontving dan het kuische water uit de kruik der kuische
-najaden... Beker, o drinkschaal, tril van het purperen genot, nu Ione
-den tros in je uitperst. Drink, Ione! Drink Ino, Neïra! Silenos,
-Silenos, drink... Ha, ha... hij is bang voor den rooden beker! Lacht
-hem uit, nymfen, hij is bang, hij is bang... Zoontje van Pan, zoek
-ginds bij het panthervel een groote schaal, pers nu, pers nu, zoontje
-van Pan, uit een zware tros... O zie, het bloed gulpt in de schaal...
-Bied MIJ den beker nu aan, opdat ik hem Silenos biede. Silenos, drink;
-Silenos, drink!!
-
-Silenos nam sidderend den beker, rondom hem de nymfen.
-
-—Oud als ik ben, wat zal ik het jonge genot drinken, nymfen... aarzelde
-bange Silenos.
-
-—Silenos, drink; Silenos drink! juichten de nymfen, en de Panskinderen
-huppelden om Silenos, dringende, dat hij zoû drinken.
-
-Hij hief den drinkschaal zich aan de lippen. Hij dronk.
-
-—Wat is dat? vroeg hij. Dionyzos, zeg mij, wat is dit? Is het vuur
-gesmolten, of drinkbare robijn? Is het bloed van den stervenden
-zonnedag, geschept aan de kim, vóór het zich mengde met de ziltheid van
-Thetis... Wat is het, Dionyzos? Het vloeit me als een vlam door mijn
-oude leden, en het rilt me als een vlam door mijn oude merg...
-Dionyzos, dit is een nieuw genot!
-
-—En ik zal het geven aan heél de wereld, Silenos!
-
-—Aan heel de wereld dit heerlijk genot! O Dionyzos, waarom aan heel de
-wereld? Waarom het nieuw genot niet veilig te houden tusschen Nyza’s
-bergen besloten?
-
-—Omdat ik, door het blijde genot te geven, heel de wereld zal
-overwinnen, Silenos! Omdat ik niet houden wil eigenzuchtig het blijde
-genot in zoo engen cirkel. Omdat Zeus, mijn machtige vader, mij het
-blijde genot niet gaf voor mijzelven en jou alleen! Voor héel de
-wereld, Silenos! O, Zeus is goed en ontfermend! Hij weet, dat groot
-leed kan der menschen deel zijn, maar hij wil ze door mij nu blijde
-vreugde ook geven. Onder al zijne kinderen koos hij mij uit, en god
-schiep hij mij van de vreugde. O, de vreugde heeft mijn aderen
-doorvloeid als een blijder en stroomender bloed! De vreugde voelde ik
-van mijne geboorte af, heilig bewustzijn, dat mij lachend doorgloeide,
-toen Zeus mij redde uit zijn eigen gloed, waarin mijn moeder Semele
-verblaakte! Zij verbrandde in het geflits van zijn bliksems: het paleis
-van Kadmos van Thebe, toen hij naderde, toen hij naderde, daverend en
-donderend, aardbeefde en zijn flitsen schoten schel tusschen alle de
-zuilen door, en de zuilen vergruizelden in hel geknetter der schichten,
-en éen helle brand ging op, en mijn moeder, o mijn moeder, zij ook, zij
-ging op in éen hellen brand... zij breidde open de armen... zij
-omhelsde Zeus voor de laatste maal... het was de god der hemelen, dien
-zij in haar armen borg en die zij in haar opperste hijgend geluk
-ontving in de weelde van haar trillenden schoot... en onder zijn
-brandende zoenen smolt zij weg als ware zij van blonde was een wezen
-geweest, en niet meer. Zij smolt weg van opperste weelde: denk je, dat
-zij klaagde, toen zij smolt? Neen, hare kreten waren kreten van
-vreugde, kreten van brandende blijdschap, éen gil van blakende wellust
-en terwijl zij verging in Zeus’ liefde, baarde zij mij, en ik erfde
-geheel hare vreugde. O, ik erfde geheel hare vreugde! In den fellen
-brand van het paleis van Kadmos, haar rampzaligen en blijden vader...
-in den fellen brand nam Zeus mij, zijn kind, in zijn goudene handen,
-nog trillend van den gulzigen greep zijner liefde, en hij drukte mij,
-zijn liefdekind, aan zijn borst, en opdat Hera mij niet zoû vinden,
-borg hij mij in zijn dij. Toen, o nymfen, daalde hij neêr te Nyza...
-Hera verbood hij te komen deze bergen over en over deze zee, en hier, o
-nymfen, als ware hij een zorgzame moeder geweest, baarde hij mij uit
-zijn dij, wondervolle tweede-geboorten van zijn liefdekind en zijn
-vreugdekind en gaf Hermes mij aan je zorgen over... Hier leefde ik de
-vreugde van mijn kinderjeugd! Hier groeide ik de god der vreugde... Ik
-ben de vreugde! De Muzen leerden mij het heilige rythme, en ik was
-vreugde en rythme te zamen. Ik zong, ik danste in haar midden! Ik was
-de vreugde, altìjd! O nymfen, o jeugdige pleegmoeders, je waart om mij
-heen de vreugde! Silenos, zelfs je wijsheid wist niet te schaduwen over
-mijn vreugde! Maar de vreugde zingt en danst niet het eeuwige
-godenleven tusschen de veilige bergen van Nyza. Muzen, breeder dein ik
-uw rythme uit, tot het zwelle als het rythme der zee! Muzen, nu ik
-leerde de maat, zal ik mateloos kunnen zijn, en mateloos zal zijn mijn
-purperen vreugde! Ik, nymfen, IK ben de purperen vreugde! Ik ben de
-purperen maatlooze vreugde! Nymfen, o jeugdige pleegmoeders, verdeelt
-de trossen onder je allen... Deelt ze met haar, Silenos! Wat gulzig hoû
-je ze voor jou; Silenos, deel ze, deel ze met haar! Zie, in den
-zilveren nacht, ligt de zee tusschen de bergen, niet anders dan een
-meer, en de bergen, klaar tegen den hemel klaar, schakelen niet anders
-dan de strofen van een zuivere ode, en de zee ruischt maar even van
-rythme. Maar buiten de bergen, en om de bergen, om de kapen der bergen
-heen, is wijd de zee als een godeleven, is mateloos haar rythme, in
-vrije bandeloosheid golvende, in deinende eb en rijzenden vloed, breed
-en vol, stroomend over de stranden, stormende tot aan de wolken...
-Storm, o storm van vreugde, IK, ik zal de storm van vreugde zijn! Ik
-zal stroomen over de landen, en ik zal stormen de hemelen binnen.
-Menschen, goden, verwacht, maar vreest ze niet, mijn mateloosheid! Ken
-ik het heilige rythme niet, zoo dat mijn mateloosheid niet anders zal
-blijken dan rythme, maar grenzeloos wijd gestrekt. Niet als de strofen
-der ode, maar als de trilling der lucht en der sferen...! Nymfen, nu
-perst de trossen in schalen uit, zoete pleegmoeders, drinkt het genot
-voor de allereerste maal, en over de anemonen, daar waar de Muzen mij
-leerden de plechtige dansrei... danst, o pleegmoeders, danst, in de
-nieuwsgierige stralen der helderende maan, die haar bad van licht over
-ons uitvloeit. Evoë, Evoë, danst! Houdt u de handen: dans moediger!
-Ino, Neïra, danst! Dans, Ione, dans! Neemt tusschen je allen Silenos,
-opdat hij danse, opdat hij danse... Zie, ik dans met je, in je midden
-en Ampelos schalt zijn blijde wijze, en de Panszoontjes schallen de
-hunne, en het zijn als murmelbeekjes, die vlieten een beek in! Faun,
-trappel de steeds snellere voeten; zie, zoo; zie, zoo trappel ik het
-zilveren maanlicht neêr op het mos, of ware het ijlte van glas, die ik
-breek! Zie, zoo; zie, zoo!
-
-En de voedsters van Dionyzos dansten, Silenos danste en danste Faun, en
-dansten de zoontjes van Pan, zij allen lachende om de nieuwe vreugde,
-die purper stroomde tusschen de trossenpersende vingers, en die
-bezwijmelend hun stroomde den mond in. In de blauwheldere maan duurde
-de dans de latere uren der nacht door, en de kreten der nymfen
-scandeerden den dans met korten gil schel en hoog, telkens en telkens
-weêr. Tot eindelijk Silenos waggelend neêrzeeg aan den stam van een
-steeneik in zwijm. Het loover was heel zwart en des te klaarder van
-zilveren blauwte was transparant de zee, meer-eng tusschen de
-nachtblanke bergen besloten aan niet al te verre kim. Tusschen de
-donkere looveren blauwde en blankte de lucht, wijder weg. Daar lag
-Silenos, een rank om de slapen... Maar een nieuwe razernij bezielde de
-nymfen van Nyza, en hand aan hand dringende in den wemelenden kring
-harer naaktheden, omhelsden zij Dionyzos, hun pleegkind, allen, terwijl
-hij schaterde hoog uit. Toen, de handen steunende op hàre schouders,
-slingerde hij zich plots op Fauns schouder hoog, en Faun, met hem,
-ijlde voort en de nymfen van Nyza ijlden hen achterna, in een lachende,
-lachende jacht. Door het hier donkere en daar maanlichte woud begon een
-ijlende, ijlende vlucht van soms verschemerende, soms uitschitterende
-nymfe-schoonheden, en hare kreten wekten het woud. Het nachtwoud
-ontwaakte, de boomen ontwaakten, bries ontwaakte, en de hamadryaden
-ontwaakten. In grotten ontwaakten saters, en zij volgden de lachende
-jacht en overhaalden de nymfen, en de nymfen jubelden hen van de nieuwe
-vreugde de blijde boodschap tegen. Zij wilden ook trossen plukken, de
-verwonderde saters; zij wilden weten wat druiven waren, en wat het
-purperen genot, maar de trossen waren allen òp en de nymfen gaven
-alleen hun het blanke genot. Ver was Dionyzos gevlucht, getorst door
-Faun als in zege. En het blanke genot overal in het woud wierp vlakken
-van blankheid neêr in de geheime duisternissen der eiken, op het
-onverwachts wel eens door maanlicht beschenen. Dan bescheen de maan het
-blanke genot en de onwetende hamadryaden, verschrikt, zagen met groote
-oogen uit. Overal in den maannacht tintelden hare groote oogen. Tot de
-maan wegbleekte, en het sidderende woud, al ontwaakt, afwachtte den
-dageraad, perzikblozende aan de oostelijke poorten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-
-—Zij zijn verspreid! zei Dionyzos, terwijl hij omzag, glimlachend, zijn
-viooloogen nog allerzaligst vermoeid en half geloken onder de kwijning
-der oogleden: wakker was hij juist geworden, zijn bronsblond omlokte
-hoofd op Fauns borst. Zij zijn allen verspreid, de nymfen van Nyza, de
-voedsters van Dionyzos! O, hoe hebben zij het nieuwe genot ingehaald,
-als een god en als een koning! Maar nu, waar zijn zij? Faun, was het
-dan niet al een overwinning? Zijn zij als troepen, verspreid, die de
-trompetten verzuimden samen te blazen? Of was het nog slechts een spel,
-en zal de strijd des te razender wezen? Wie weet, wie weet: de toekomst
-is in Zeus’ handen! Zeus, ik wacht nu mijn toekomst! Faun, word wakker!
-Wat slaapt hij, en wat is hij mooi! Hij is geen god en geen mensch,
-maar hij is het goddelijke van de aarde, en daarom zeker is hij zoo
-mooi! Zoo als een boom is, zoo als een bloem is, zoo als is rots en
-aarde, zoo is Faun, en hij is als hun aller bezieling. Zoo als is wolk
-en water, zoo is Faun, en hij is als god van water en materie van wolk!
-Zoo is hij peinzende vreugde en lachende ernst, zoo is hij kalmte en
-lust, en zoo is zijn wezen van god en van mensch en vooral van die
-natuur der aarde, die groeit en bloeit, blij om zichzelve... O,
-lieflijke aarde, o weelde-natuur, hoe ben ik blij, dat ik vàn je ben!
-Dat ik niet ben alleen god, maar ook mensch! Dat ik ben halfgod, en
-halfmensch! Dat ik voel hemel en aarde beiden! Dat ik niet heb den
-trots der goden, en wel der menschen ziele-onbewustheid! Dat ik niet
-weet mijn lot, maar wèl weet, dat het van heerlijke goddelijkheid zijn
-zal! Faun, word wakker! Het woud dezen nacht heeft niet geslapen, als
-wij beiden, en verwonderd kijkt het al lang met duizende oogen uit:
-Faun, word wakker! Nu voel ik na druivenacht mij of ik herboren ware! O
-roode dauw, o roode dauw, onder je sprenkeling ben ik een plant, en zal
-ik iederen morgen mijn nieuwe bloemen ontluiken! Faun, word wakker.
-
-—Ik ontwaak, ik ontwaak, Dionyzos... Wat zing je van rooden dauw...
-
-—Ik voel mij na druivenacht...
-
-—Ik? Of ik herboren ware!
-
-—Zoo voel ik ook mij, o Faun. En ik zong: o roode dauw, o roode dauw...
-
-—Onder je sprenkeling ben ik een plant!
-
-—Als ik, o Faun! En iederen morgen...
-
-—Zal ik mijn nieuwe bloemen ontluiken!
-
-—Zoo zijn wij samen na druivenacht! Maar waar zijn de nymfen van
-Nyza...
-
-—Laat ze dwalen door het morgenwoud... Zij zullen, na de sprenkeling
-van rooden dauw...
-
-—Hare nieuwe bloemen ontluiken! Iederen dageraad nieuw leven! Nieuwe
-jeugd iederen dageraad! Dàt Faun, zullen wij ontvangen, als ons
-iederendaagsche erfdeel! En IK zal het deelen met héel de wereld! O, de
-zalige menschen—en er zijn vòlkeren van menschen—in verre, verre
-morgenlanden... o zij weten niet de vreugde, die hen wacht! Iederen
-dageraad zullen zij nieuwe jeugd ontvangen, en nieuw leven, de zalige
-menschen! Zoo als wij, zoo als wij! O, de zalige vreugde uit te persen
-als rooden dauw over heel de menschenwereld! Ik zal zijn, roosvingerige
-Eos, als je mededinger: nieuwe dageraad ik, zal ik morgenrood in
-droppelen, in droppelen van most sprenkelen over alle landen, en alle
-steden, en de menschen zullen de vreugde zwelgen. O, zoo mijn wingerd
-woekerde langs den azuren koepel des hemels, en o, zoo ik de trossen
-perste over heel de wereld, heel de wereld! Purper zoû de vreugde dan
-regenen van Dionyzos’ druivehemel over heel de wereld, in stràlen. Ik
-zoû de wereld in de vreugde verdrinken! Het zouden meren van vreugde
-zijn, het zouden zeeën van vreugde zijn, omschakeld door bergen van
-wingerd!
-
-—Hoor... hoor Dionyzos... Er schallen de fluitjes.
-
-—Ik hoor ze, ik hoor ze... Waar schallen ze?
-
-—Overal, overal... overal op de gunstige plekken schallen de
-verlangende fluitjes van Pan, dat je komt, o Dionyzos! Nu maken wij ons
-op... nu gaan wij naar de zandige plek, nu plukken wij van den
-wonderwingerd, die breed rankte in een enkelen morgen, wijnstok na
-wijnstok, zware tak na zware tak, en nu planten wij de van sap zware
-stokken op alle plekken, waar ons roepen de schelle Pansfluitjes! Kom,
-Dionyzos, kom!
-
-—Kom, Faun, kom...
-
-—Ik tors je op mijn schouder, mijn god en mijn koning...
-
-—De hamadryaden zien uit!
-
-—Haar stoorde ons feest dezen nacht. Zij verlangden, o hoe verlangden
-zij onze lachende jacht door het verwonderd ontwaakte woud te volgen,
-maar zij waren te schuchter en bleven schuilen tusschen de looveren,
-waardoor zij oogden met oogen groot en verlangend... Hamadryaden, hoe
-lang zal duren je schuchterheid? Zal ze nog duren dezen nacht? Zal ze
-nog duren den nacht van morgen? Ha-ha, hamadryaden, hoe lang zal ze nog
-duren? Wie van je volgt er het eerst het nieuwe gebod van Dionyzos, den
-koning van den vreugdewingerd, en den koning van alle vreugde? O, hoor
-Dionyzos, hoe de fluitjes je roepen, overal, overal... Dat murmelt
-eerst met voorslagjes, als vogeltje, dat antwoordt op vogeltje... en
-dan klimmen de smachtende toonen hooger en hooger op, trilleren lang in
-de hoogte als boven de looveren uit, en vallen dan neêr, en vallen dan
-neêr, fonteinen op, watervallen weêr neêr, en niet zingen zij dan: kom
-Dionyzos, hier breidt zich een gunstige plek, zandige grond en steenige
-wand. Kom, Dionyzos, hier!
-
-—Hier opent zich, Faun, in den jongen gloed van den nieuwen morgen, de
-allergunstigste plek, die het eerst mijn wijnstok ontving, maar zie,
-wat gebeurde hier dezen nacht! Wie kwamen hier allen te zamen... Pas
-op, Faun, je voet struikelt over een ruigen bokspoot, die hier is
-neêrgezegen, half onzichtbaar in het struikgewas... Hij slaapt! Hij
-slaapt nog! Wakker, wakker, o sater! Dronk hij van mijn druiven! En
-zie, Faun, die andere, daar neêrgevallen als hij...: dronken zij van
-mijn druiven?
-
-—Toorn hen niet, Dionyzos, dat zij niet afwachtten je goddelijk
-bevel... Zij dronken van je druiven! Zij eerden je door je druiven te
-plukken... O, de wonderwingerd heeft er niet minder om... Zie, tegen
-heel den rotswand heeft de wonderwingerd geweligd en de trossen zwellen
-den rotswand over! Op, saters, op! Dionyzos komt! Wordt wakker, wordt
-wakker, allen!
-
-En, forsch de stem van Ampelos door den nieuwen gloed van den nog
-jongen morgen, wekte hij de saters, wat de eerste zonnestralen niet
-hadden vermogen te doen.
-
-O, hoe zij juichten, de saters, toen zij Dionyzos zagen, voor het
-eerst, en nog slaapdronken, verblindden van zijn goddelijken glans!
-Faun tilde hem steeds op zijn schouder, als op een breeden troon, en
-den eenen arm om Fauns hals, zwaaide Dionyzos de andere blij in de
-lucht, en lachte. Zijn lach klaterde door de morgenlucht, en van zijn
-lach weêrtrilde de ether. De saters lachten als hij, en van hun lach
-daverde het woud in het rond. En zij huldigden Dionyzos en riepen:
-
-—God Dionyzos, ònze god, god om wien wij ons scharen! God Dionyzos, wij
-danken je voor het purperen genot van dezen nacht! In de stralen van
-Selene wonderde de wingerd heerlijk, en aarzelend plukten wij hier en
-daar een tros, tot wij niet aarzelden meer, maar plukten! God Dionyzos,
-ònze god, toorn ons niet, dat wij plukten, zonder te wachten je
-goddelijk gebod! Iedere druif, die wij plat drukten aan ons geile
-verhemelte, iedere druif vloeide ons liefde voor je in: god Dionyzos,
-wij volgen je, wij volgen je heilig gebod! God, die het purperen genot
-ons gaf, wij volgen je en doen als je wilt. Zeg ons je wil en wij
-voeren die uit... Vangen wij allen de nymfen des wouds en voeren wij ze
-voor je tot buit? Vangen wij panthers der wouden dicht en leeuwen der
-opene vlakte, en voeren wij ze tot je tam? Torsen wij je àllen op onze
-schouders, als Faun je torst, in zege door woud en door wereld? Zeg,
-Dionyzos, je wil!
-
-—O saters, o allen, die mij zult volgen, hoort nu mijn goddelijk bevel!
-Ten strijde volgt mij allen, ten strijde tegen allen en àllen, die niet
-zullen eeren Dionyzos’ vreugdewet, en ten strijde volgt mij allen,
-opdat wij àllen de wereld winnen. Zeus zal mij steunen, en zijn belofte
-vervullen, en de wereld zal aan mij zijn, aan ONS, aan jullie allen,
-vreugde-saters van Dionyzos! Vangt mij de nymfen niet, want zij volgen
-ons van zelve, niet bestand tegen purperen en blank genot: niet ééne
-zal ons niet volgen! Maar temt mij panthers en leeuwen, en alle wilde
-dieren des wouds, en voert ze tot mij, saters, opdat zij ons lastdieren
-zijn, gewilliger dan ezelen en muilen, en vroolijker dan zij. Snijdt
-allen stevige takken af, en bekroont die met een pijnappel uitgezocht,
-en wapent u slechts met die staven van vreugde, die wij zwaaien zullen
-als standaarden! Den vroolijken oorlog verklaren wij! O, het zal de
-vroolijke oorlog zijn voor allen, die aan onze zijde strijden, en
-volgen onzen vreugdestandaard, de thyrs, die gij Dionyzos zult
-maken—pijnappel op eikestok—maar het zal de vreeslijke oorlog zijn, zoo
-vreeslijk als die van Ares, voor allen, die ons weêrstaan! Wee wie onze
-vreugde weêrstaat! Wee wie het purperen genot niet acht! Wee wie het
-niet aangrijpt met handen gretig en den tros niet uitdrukt aan zijn
-gulzige lippen! Wee hun allen, wee! Dionyzos’ vreugde zal hun worden
-Dionyzos’ razernij, en zijn saters en zijn leeuwen en panthers zullen
-hen verscheuren in razende dronkenschap en ontembare woede van wilde
-dieren, met open muilen, fel van tanden bliksemend, tot, veranderd door
-mijn thyrs in wilde dieren zelve, zij elkànder zullen verscheuren! Zoo
-luidt de wet van Dionyzos, en, saters, roept haar uit door woud en door
-wereld; bazuint haar luide, beide handen om je baardige lippen, opdat
-je stem zal een roeptrompet zijn. Schalt ze uit, Dionyzos’ wet! Maar
-eerst, o saters, daar waar ons roepen de verlangende fluitjes, daar
-volgt je god en plant met hem samen wijnstok na wijnstok, àf van den
-heiligen wingerd gebroken, opdat welige over alle gunstige plekken de
-wijnstok van Dionyzos! Vlugge saters, doet als ik zeg! Plukt zonder
-aarzeling takken en ranken! Het zal den heiligen wingerd niet deren!
-Hoe meer je plukt, hoe voller hij tiert! En dan volgt, o saters,
-Dionyzos, volgt hem door het woud! Evoë!
-
-Het gebeurde als Dionyzos wilde. De saters klommen den rotswand op en
-zij plukten de ranken en takken van den heiligen wingerd af. En terwijl
-zij bezig waren en Dionyzos luide lachte om hun ijver, ritselden in het
-woud naderingen aan, trappelende het kreupelhout, en het waren faunen,
-en zij juichten luid, toen zij op Fauns schouder Dionyzos zagen, en
-hoorden zijn lach door de lucht. Over de zandige plek woelden met een
-dichte menigte plukkende saters en juichende faunen.
-
-—O faunen! riep Dionyzos blijde; faunen, die als het woud zelve zijt,
-en daarom allen zoo mooi! Faunen, als Dionyzos onmatig is, blijft om
-hem dansen je wèlheerlijke maat! Blijft de glimlachende, matige vreugde
-rondom Dionyzos’ vreugde! Maar saters, als Dionyzos onmatig is, weest
-met hem onmatig in razernij! Faunen, lief heb ik je allen, omdat je
-gelijkt op hèm, dien ik lief heb! Maar saters, lief heb ik je allen,
-omdat je onmatig zult zijn, als ik! Weest het, weest het, onmatig en
-razend! Faunen, blijft lachen in vroolijken ernst, en trappelt het
-rythme rondom Dionyzos luid met de stevige voeten, want het rythme is
-zoo schoon als jezelve! Maar mijne onmatigheid zal gòddelijk zijn!
-Saters, poogt goddelijk met mij te zijn! Evoë, Evoë, vooruit! Nu
-verdeelt u, en loopt toe in alle richtingen, waar schallen de schelle
-fluitjes! O, de ongeduldige zonen van Pan; zie, Pan zendt ze ons al
-tegemoet, om te vragen waar wij blijven! Van alle zijden naderen de
-fluitjes en naderen de zonen van Pan! Leidt, zonen van Pan, mijn
-saters! Lief heb ik je allen, kleine zonen van Pan, en ik heb je vader
-lief, uitvinder van de fluit, die mij roept! Leidt nu mijn saters naar
-alle je gunstige plekken! Saters, plant er mijn wijnstok, en ziet toe,
-dat hij tiere overal, als dien Dionyzos zelve plantte hier!
-
-Nu stormde door het woud de ranken en wijnstokken torsende vreugde der
-juichende saters alle gunstige richtingen uit, en gunstig waren àlle
-richtingen! O, hoe blijde waren de zoontjes van Pan, dat eindelijk
-Dionyzos zoû komen! Hij zoû overal komen, beloofde hij! Hij zoû geen
-gunstige plek laten onbezocht. En geheel het wijde woud, het dichte
-woud en het ijlere woud, ver tot bosschige kimmen toe,—het woud, dat al
-verijlde tot vlakte, de vlakte verzand tot woestijn—alle beemden en
-alle dreven, de heuvelige weiden, waar de herders hunne kudden leidden,
-en de van graan golvende landouwen, waarin de hoeven van het landvolk
-lagen verspreid onder Demeters moederlijken zorg,—doorschetterden de
-schelle fluitjes zoo luid, dat herders en landbouwers verbaasd
-toeluisterden en dan vlak voor hun oogen, vlak voor hun voeten zagen
-een Pansjongentje ijlen voorbij, het fluitje aan zijn lippen, lokkende
-en leidende de saters, die, met vreemd gewas beladen, hem volgden, hem
-volgden, bezield door opgewondenheid nooit nog gekend. Het was of zij
-alle schuwheid van woudwezen hadden verloren, en hunne gewoonlijke
-onzichtbaarheid niet meer achtten. Wijnstokbeladen liepen zij de hoeven
-langs, stoven zij de kudden door, en de vrouwen vluchtten de deuren
-binnen, ten doode verschrikt voor de bokspooten, die zij voor de eerste
-maal zoo dichtbij en zoo duidelijk zagen; de runderen en schapen renden
-in alle richtingen uit, verschrikt. En het getril der fluitjes met
-haastige gamma’s daalde en steeg door de lucht, tot de looveren er van
-sidderden, tot het azuur scheen te weêrechoën druppeling op en
-druppeling neêr, tot het éen geparel was, neêr en op, overal, overal...
-De vogels, dol, tierelierden luid. De beekjes, sneller, kakelden; de
-runderen loeiden luide en de schapen blaatten, en de herdershonden
-blaften en basten vroolijk, en renden bezeten rond, jagende de angstige
-lammeren. Hanen kraaiden met luide klaroenen en de duiven,
-pluimenstuivende, achtervolgden elkaâr in witte kringen door blauwe
-lucht. En de menschen begrepen nog niet; alleen raadden zij, dat er
-iets vroolijks gebeurde. Maar een jonge landbouwer, die stil in het
-woud, gelukkig, een dryade dikwijls beminde, vond zijn nymf luisterend
-naar de verte, en haar omvangend in zijn armen vroeg hij:
-
-—Eole, wat gebeurt er?
-
-Zij verschrikte, stiet een kreet, maar herkende hem, en omhelsde hem
-tegen haar boezem. Zij, blankwit wezen des wouds, geboren waaruit wist
-zij niet, had lief dien zoon der menschen, zongebruind als een kastanje
-en forsch als een boom.
-
-—O Dafnis! riep zij uit. Ik weet niet, wat er gebeurt. Maar in blij
-oproer lijkt mij woud en wereld, lijken mij boomen en bloemen, en water
-en lucht, en dieren en nymfen en menschen! Is er een nieuw genot
-geboren? Of openbaart zich een nieuwe god? Daalt er een nieuwe vreugde
-uit den hemel, of groeit ze bedwelmend op uit de aarde? Ik weet het
-niet, maar zoo even, vlak voor mij, liep een Pansjongentje weg,
-spelende fluit, en hem volgde een groote sater, ruig als een bok en
-leelijk, beladen met zware takken en bladeren en ooft, dat ik niet weet
-en nooit heb gezien, en toen hij mij zag, o Dafnis, wierp hij de takken
-neêr, en greep mij aan, en drong mij woest tegen een boom, en ik riep,
-o Dafnis, o Dafnis, help... maar scheller, en ongeduldig floot hem de
-Panszoon te komen en hij kòn niet weêrstaan... hij knarste met tanden
-en kaken, hij sprong als een dolle op zijn hoeven in het rond, hij liet
-mij en greep weêr zijn takken op, en hij rende het Panskindje na; eerst
-links, toen rechts, zijn spoor kwijt, als een speurhond, die zoekt, tot
-hij hoòrde de richting en liep... o wat liep hij: geen kreupelhout
-weêrstond aan zijn vaart... Mijn Dafnis, wat gebeurt er?
-
-—Eole, wat gebeurt er, dat de saters zoo dicht komen waar huizen de
-landbouwers en weiden de herders hun kudden? De dag is éen parelen van
-fluitjes schel, en wat er gebeurt, gebeurt overal, alle richtingen uit!
-Ik weet niet wat er gebeurt! Maar zie Eole, wat ligt op den grond hier,
-zwaar en purper, waartegen aanstiet mijn voet...
-
-—O, Dafnis, het is een tros van het ooft, dat torste de groote sater!
-
-—Eole, zie hoe heerlijk de tros van het ooft, dat torste de groote
-sater! Zie Eole, sterk ben ik, maar met moeite aan den steel hef ik
-dien tros nu omhoog... O, zie het prachtige ooft... Is het blauw of is
-het rood? Zijn het bessen of juweelen kralen! Waas als morgenmist
-vochtig ligt er nog over gespreid! Hier en daar is dat vochtige waas
-als een kuischte afgeveegd en lacht de tros als een wellust!
-
-—O Dafnis, wat lacht als een wellust de tros!
-
-—O Eole, lijkt dat niet een nieuwe wellust, die gezonken is over de
-aarde, of gegroeid uit haarzelve is... O Eole, in het geparel van de
-fluitjes schel, dat den morgen bezwijmelt, tot hij, goudzonnig, trilt,
-als éen enkel groot speeltuig, o Eole, wil ik samen met je proeven
-dezen nieuwen wellust!
-
-—Dafnis, ik ben bang! Ik wil den wellust van je lippen en armen, maar
-deze tros, dien de sater verloor, zal ons dol maken van razernij!
-
-—O, Eole hier, ik pluk al een kraal en druk haar tegen mijn lippen
-open. Eole, dit is een nieuw genot! Een gloed stroomt mij door,
-ongekend! Ik druk nu een tweede kraal! Eole, Eole, doe nu als ik!
-
-—O, Dafnis, ik ben bang! Neem mij dan in je armen, en druk de kralen
-tusschen mijn lippen uit, opdat mij de wellust zal komen van jou, o
-Dafnis, dien ik liefheb! Zoo, nu rust ik in je armen veilig! O, nu pers
-je de kralen uit tusschen mijn lippen, o Dafnis! Een bloed stroomt mij
-binnen! O Dafnis, DIT is de nieuwe wellust...
-
-—O Eole, dit is de nieuwe wellust... Zie, je bent niet meer bang, in
-mijn armen, maar je lacht mij tegen, al zwelgende en je oogen sterven
-van smachting verliefd, en je lippen sterven van smachting! Het
-vreugdebloed van den tros tikkelt je lippen af en druipt neêr op je
-blanke borst, van waar ik het wegdrink, Eole... O Eole, dat is de
-nieuwe liefde...
-
-—O Dafnis, is het niet of heel de wereld van de nieuwe liefde trilt...
-Of het woud haar dronk! Of de vogels ze pikten! Zie, de vogels pikken
-aan den tros en zij tjilpen zoo luid, als of ook zij zich worden bewust
-van de nieuwe vreugde! Dafnis, ze is GODDELIJK, deze nieuwe liefde en
-vreugde... Dafnis, je bent een menschenzoon, maar...
-
-—Maar ik ben goddelijk in mijn liefde voor Eole...
-
-—O Dafnis, heel de wereld drinkt van de nieuwe vreugde! O Dafnis, heel
-de wereld trilt van de nieuwe liefde... Heel het woud ruischt...
-
-—Heel het woud ruischt van vreugde en liefde, van snelle naderingen, en
-van fluitgelok, van fluitgelok! Hoor, hoor, overal! Wat nadert er snel
-daar aan!? Als een stormwind vaart een geruisch door de looveren!
-Takken vallen er, breken en kraken ...
-
-—O Dafnis, wat nadert daar aan!
-
-Maar al naderden Panskinderen, die floten, en hen volgden faunen en
-saters, wijnstokken in de hand, die zij planten zouden, op gunstige
-plekken... En toen zij zagen Dafnis en Eole, riepen zij:
-
-—Wie je ook bent, volgt ons!
-
-—Waarheen, waarheen? riepen Eole en Dafnis.
-
-—Volgt ons naar de gunstige plekken! Eert Dionyzos! Plant met ons den
-wijnstok! Wie Dionyzos niet eert, verscheuren wij, verscheuren wij in
-razernij! Wie hem eert, valt eeuwige vreugde ten deel! Volgt ons in de
-nieuwe vreugde!
-
-—O Dafnis, riep Eole. Volgen wij, volgen wij niet de saters?! Het is
-Dionyzos, die het wil!
-
-—Eole! riep Dafnis. Ik volg hen, met je, overal, overal! Planten wij
-met hen het nieuwe geluk! Het is Dionyzos, die het wil... Hier saters;
-geeft mij een deel van je takken! Hier Eole, tors deze ranken. Het
-nieuwe geluk bot overal al uit: de aarde trilt om het te ontvangen!
-Saters en faunen, ik dronk, menschenkind, het nieuwe geluk uit een
-tros, dien ik vond en bijna onwetend vertrapte, en nu ben ik geen
-menschenkind meer! Faun zal ik zijn! Vaarwel, wuivende korens; Demeter,
-Dionyzos is machtiger!
-
-En Dafnis, Eole volgden de faunen en saters. De fluitjes, in vollere en
-dollere gamma’s, vlug op en vlug neêr, riepen hierheen! daarheen!
-hierheen! daarheen! en kwam de stoet aan de opene plek, rotsigen wand,
-gruizeligen grond, ten Zuiden bloot gesteld, dan naderden de saters en
-faunen, plots ernstig, en zij plantten samen met eerbied den wijnstok,
-terwijl op de karteling van den rots het Panszoontje bleef dansen en
-fluiten, ruigjes tegen de blauwe lucht, als een opstaand bokje in het
-azuur. Zoo verdeelde de stoet zich telkens, maar ook telkens vonden de
-nieuwe wijnbouwers elkander in het woud terug, want de faunen, op hunne
-langere fluiten, trompetterden de blijde wijze luid, als signaal, dat
-hen allen verzamelde. Het woud bleef vol beweging, het land daverde van
-het vroolijke oproer. Telkens was er een juichen en was er een dichter
-verzamelen; de saters renden razende aan, liepen elkander over den
-bokspoot, worstelden driftig, maar raakten weêr op de hoef en ijlden
-dan, broederlijk, samen voort... Dan ijlden zij Dionyzos tegen. De Faun
-snelde door het woud, Dionyzos op den schouder, als op een breeden
-troon, en zij kwamen overal waar hen riepen de fluitjes... Overal op de
-gunstige plekken zag Dionyzos den wijnstok geplant, en hij juichte om
-zijn ijverige saters. Zijn lachen klaterde boven de boomen uit, en uit
-Olympos, de wolken even verschuivend, zagen de goden op de aarde neêr
-en glimlachten om het nieuwe genot, dat Dionyzos gaf aan wereld en
-woud...
-
-O, de bruischende morgenvreugde van dien arbeid den wijnstok te planten
-in koortsige haast, overal! O, de bedwelming van dien arbeid en haast,
-onder de zongestoofde looveren der boomen! Daar, waar de gunstige plek
-niet was open genoeg, om geheel Helios op te vangen, hakten de saters
-de takken weg. Maar Helios alleen zoû de ranken niet slingeren doen
-langs den rotswand met krinkelende hechtklauwtjes; Helios alleen zoû de
-bessen, als pruimen zoo groot en zoo blozende blauw, niet doen zwellen
-van barstende vreugde! De hoogste macht bleef aan Dionyzos. Waar hij
-zich vertoonde op Fauns schouder, scheen in zijn gejuich en gelach de
-nieuw geplante wijnstok te trillen, knoestig te wringelen tegen den
-rots, op te schieten, uit te schieten in het wonder der heel snelle
-weliging; de ranken slingerden zich, klauterden op met gretig krampende
-nageltjes; de trossen zwollen zichtbaar omdat Dionyzos het wilde en de
-hamadryaden, in de boomen, zagen verwonderd toe, naderden dan, plukten
-en proefden, en zij volgden Dionyzos! Zij volgden hem allen, zij konden
-hem niet weêrstaan. Hij lachte maar op Fauns schouder, en Faun liep zoo
-hard met hem voort, dat hij zwikte en telkens ware gevallen, zoo niet
-Faun hem stevig omprangd had gehouden, met beide handen geheven hoog;
-en hij lachte maar, Dionyzos, veilig zich wetende vast, en hij wenkte
-de hamadryaden, en als een blanke kudde van niet meer schuchtere nymfen
-naakt, volgden zij hem, juichend, wilden zij hem omhelzen, reikten zij
-de armen verliefd naar hem op, maar bereikten hem nooit, omdat Faun als
-in krijgertje zoo heel snel met hem wegliep. Zoo zagen hem Dafnis en
-Eole aantriomfeeren en hun harten klopten van jubel, toen zij Dionyzos
-mochten aanschouwen! Dionyzos! Dionyzos! juichten zij opgewonden. O
-goden, wat was hij mooi! Wat was hij heerlijk! Welk een glans in zijn
-oogen, of die scheen uit zijn ziel! Wat een kring van vreugde om hem
-als een goudene lichtschijn, die zijn goddelijke lichaam ontstraalde!
-Hij verscheen hun in een stralende nimbe, en de schaduw van het woud
-was verlicht. En zijn lach klaterde zoo, dat Dafnis en Eole lachten,
-elkander omhelzende, en Dionyzos zag hen en juichte hen toe, omdat zij
-elkaâr lief hadden en jubelend vroolijk waren. Hij deed zelfs Faun
-stilhouden een oogenblik, en wenkte ze tot zich, vroeg Dafnis:
-
-—Wie ben je, bruine jongen?
-
-—Dionyzos, ik ben Dafnis, die bebouwde het veld, maar ik volgde je,
-omdat ik proefde het nieuwe genot, en dit is Eole, die ik liefheb, nymf
-van het woud, en zij volgt met mij Dionyzos!
-
-En Dionyzos lachte luid.
-
-—Was iedere landbouwer opgewonden als jij van het nieuwe genot, Demeter
-zoû mij toornen! Maar zij zal mij niet toornen, want ik heb haar lief,
-en haar arbeid, als ik alles liefheb, dat mijn wereld doet bloeien,
-mijn wereld, die ik overwinnen zal! Om de blondheid van Demeters
-korenvelden, als nu om de haren van Eole blond, zal ik mijn wingerden
-ranken, als ik nu omrank Eoles slapen met wijnlof. En Demeters
-moederlijke ernst en hare moederlijke zorg voor mijn aarde zal
-glimlachen om al die trossenweelde, die omlijsten zal de zeegolvende
-velden harer voedende korenhalmen! O, zoo haar landbouwers mij volgen,
-zullen mijn faunen haar velden bebouwen! Demeter heeft mij al lief als
-een zoon, en ik zal haar lief hebben als een moeder, en ons beider
-arbeid zal de wereld komen ten goede! Bruine jongen, heb lief, wees
-vroolijk, strijd gelukkig in den grooten strijd in de legers van
-Dionyzos, aan de zijde van Eole!
-
-O, het was een gejuich! Nu Faun verder ijlde, Dionyzos op zijn
-schouder, was het een gejuich van Dafnis en Eole. Eerst plukten zij
-samen een wijnstok, en toen ijlden zij den god achterna, daar waar hem
-riepen de vollere faunsfluiten, die de verspreide planters
-verzamelden...
-
-Maar plots een gebrul van alle zijden...
-
-Het gebrul naderde, naderde aan...
-
-Van alle zijden liepen verschrikt Panskindertjes, en struikelden en
-buitelden over elkaâr, en gingen hard huilen en angstig schreeuwen, en
-de faunen, juichend, kondigden aan, wat begrepen Dafnis en Eole niet...
-Dàar zagen zij Dionyzos weêr! Een geruisch, een gebruisch ontzettend
-ging op, of stormgeloei, zoo vreemd, huilde het zonnige morgenwoud
-door... Daar kwamen uit het dichte getakte o zoo vele saters aan, en
-aan sterk gedraaide lianenranken hielden zij brullende beesten in toom,
-jong dartele leeuwen als groote honden op plompe dwaas-vroolijke
-pooten, en gespikkelde panthers, die bliezen als katers, de
-snorrebaarden wijd uit, en de oogen valsch en nijdig, en lynxen en
-tijgerkatten, en het gebrul der wilde beesten was een oogenblik luider
-dan het juichen der saters en fluiten der faunen. Tot de goddelijke
-stem van Dionyzos uitklaterde en de wilde beesten deed zwijgen:
-
-—O listige saters, o krachtige saters, o trouwe saters van Dionyzos!
-Dat is goed, dat je temde zóó vele beesten, voor onzen strijd en
-zegetocht door de wereld! Dàt is goed, dàt is goed! Nu zijn in het rond
-op àlle gunstige plekken, bereikbaar voor dezen morgen, de welige
-wijnstokken geplant. Maar wij blijven niet in dit woud en de
-aangrenzende beemden en dreven! De wèreld zullen wij door! De zeeën
-over, en de verre geheimzinnige morgenlanden toe, Eos te gemoet! Den
-hemel moeten wij in! Volgt allen Dionyzos! Zamelt u rondom hem allen!
-Blaast, faunen, je fluiten, opdat geen enkele achterblijve, van àl wie
-Dionyzos volgen! Maar opdat zalige rust ook loone zoo vroolijken arbeid
-vóór deze avond ons ter vreugde verzamelen ziet, vluchten wij de
-zwoelte van het nu middagstovende woud, in de koelere schaduwen van
-Nyza, en vlijt je allen, ijverige arbeiders, daar neêr op de mossige
-bedden, die woekeren onder donkere steeneiken! Rust uit, sluimert, en
-hebt vroolijke droomen!
-
-Faun ijlde met Dionyzos heen, Nyza te gemoet, en hem achterna ijlden,
-krioelende, de saters, de wilde beesten aan lianen stevig in toom, de
-faunen op tijgers gezeten, de Panskindertjes op wilde katten, de blanke
-nymfen, niet schuchter meer... aangroeiende,—groeiende menigte, die
-maakte een daveren door het woud. Nu naderde Dionyzos Nyza. Onder de
-zwarte steeneiken was de schaduw maar even zoel en zonneloos bijna koel
-gehouden. Maar tusschen de donkere looveren, verder weg, glinsterde,
-als een gouden meer, de zee, en verparelden de bergen in van licht
-verklaarde ommelijnen, als een etherische muur, rings-om-rond. Daar
-onverwolkte zich de onmetelijke lucht, in de hoogte zoo diep als een
-blauw en onpeilbaar geheim.
-
-De Faun zette Dionyzos af.
-
-—Ben je moê, o Faun?
-
-—Nooit Dionyzos, ben ik moê, je te dragen door woud en door wereld!
-
-—O, ik ben moê, ik ben moê, o Faun, getorst als je me hebt zoo ver en
-zoo wijd overal heen, waar saters wijnstokken plantten! Wat hebben zij
-er vele geplant! Wij zagen ze alle, wij zagen ze alle: wij
-veronachtzaamden er niet éen. O, ik ben moê, ik ben moê, en sluimeren
-zal ik spoedig... Maar wie ligt daar al te ronken, dik en vet en
-vadzig, tegen een boomstam aan? Voorwaar, het is Silenos! En wie
-sluimert er met een gehoornd kopje dwars over zijn dikke maag!
-Voorwaar, een Panszoontje, het fluitje nog in de hand. Wakker, wakker,
-Silenos!—en Dionyzos, met den voet, stootte Silenos aan,—wakker,
-wakker, Pansjongen! Wat slapen jullie al, en wrijven jullie de oogen nu
-uit, na onverdiende, te vroege slaap, of misschien wel
-gat-in-den-morgen! Heb je een wijnstok, Silenos, geplant? En jij, luie
-Pansjongen, wat snurk je op Silenos’ maag in plaats van schel te
-fluiten je fluitje? Kom, sta je op, op je pootjes!
-
-—O Dionyzos, o Dionyzos! zei, opgestaan, het Pansjongentje bang, en hij
-begon heel hard te huilen. O Dionyzos, den heelen morgen... den heelen
-morgen—nauwelijks was je weg—heb ik gefloten: hierheen! hierheen! tot
-ik geen speeksel meer had, tot mijn lippen waren als droge schilletjes,
-en mijn wangen mij schenen te barsten... en niemand, niemand kwam! Kijk
-Dionyzos, hier te Nyza, kijk Dionyzos, is een gunstige plek, een héel
-gunstige plek, zoo open in Helios’ stralen, zoo breed vlak van
-karteligen rotswand, zoo gruizelig en zandig van glinsterende aarde,
-die, losgewoeld, aroom doet zóo prettig in je neusgaten kriebelen, dat
-je er van niest, apetjie! en gefloten heb ik, gefloten, en niemand,
-niemand kwam, om ook maar een klein wijnstokje te planten! Je waart
-allemaal een anderen kant uit en Nyza, je eigen woningsoord, o
-Dionyzos, heb je heelemaal vergeten...! Ach, wat heb ik gefloten, ach,
-ach, wat heb ik gefloten! En niemand, niemand kwam! Toen Dionyzos,—o,
-wees niet boos,—was ik zoó moe, dat ik neêrviel hier bij Silenos:
-wakker werd hij maar niet, uitslapen doet hij zijn roes nog na gisteren
-nacht,—en omdat dik en zoo hoog zijn maag is, koos ik die uit tot
-kussen—, en ik viel in slaap, Dionyzos! Ach, wat heb ik geblazen, en
-niemand achtte mijn roep!
-
-Toen lachte Dionyzos luid, en om hem schaterden allen, die waren
-aangekomen. Toen lachte Dionyzos luid en hij nam het ruige boksventje
-in zijn blanke armen beide en omhelsde het en zoende het op zijn al
-donkerdonzige wangentjes. En hij riep:
-
-—O Pansmannetje, o grappig Pansmannetje, vergat Dionyzos de gunstige
-plek in Nyza! En floot je een heelen morgen lang? O, Pansmannetje, o
-mijn eigen Pansmannetje, o kleine Pan van Nyza, laat Dionyzos, ook al
-is hij van arbeid en zege vermoeid, nu zèlve planten een mooien stok op
-de plek, die je hem wijst... Pak je fluitje van den grond, zie zoo...
-en fluit nu je wijsje... Hierheen? Daarheen...? Dionyzos volgt je hier,
-nu daar... daar wijkt de schaduw, daàr is de plek...! Hier saters,
-geeft mij een stok uitgezocht... Hier woelt Dionyzos de aarde los, hier
-plant hij zijn heerlijken wijnstok! Tier omhoog, wingerd, welig!
-
-En plots gebeurde het wonder. De wijnstok, zichtbaar, wies en rankte
-zoo snel, dat hij geheel den rotswand op zandige plek, maar even buiten
-het steeneikenwoud, overwoekerde met groote trossen. Den breeden
-rotswand langs woekerden zichtbaar de trossen uit, en allen, die
-Dionyzos volgden, verbaasden zich om zoo snelle weliging. Maar Dionyzos
-pakte het Panskindje op en riep:
-
-—Ben je nu tevreden, ben je nu tevreden, o klein mannetje Pan?
-
-En in Dionyzos’ armen juichend, spartelde het als een bokje, de hoeven
-klepperend tegen elkaâr. Maar Silenos was opgestaan, en hij schaamde
-zich zoo langen slaap, wrijvende de oogen uit, terwijl òm hem dansten
-nymfen en saters, plagende.
-
-—Wijnstokken heb je overal geplant? Op alle gunstige plekken? Een
-wijnstok hier te Nyza geplant? Trossen druiven overal? Ach Dionyzos,
-wat zal dàt àlles onmatig worden, en zonder wijsgeerige grens!
-
-Slaperig, en neêrgezonken, murmelde Dionyzos, even:
-
-—... Het einde der wereld, en de diepte der hemelen, zie daar, o
-Silenos, de grens!
-
-—Ik ben bang, ik ben bang, Dionyzos. Ik zal je niet kunnen volgen met
-zoo jubelende vaart, door de wereld, en wat moet er van je worden
-zonder je leermeester.
-
-—... Je zal mij volgen, o Silenos, gezeten op een blazenden tijger...
-
-—Op een tijger? O Dionyzos! Ik gezeten op een blazenden tijger? Maar ik
-zal bang zijn voor het nijdige dier. Ik ben bang voor zoo vele wilde
-beesten! Saters, temde je ze in éen morgen?
-
-—... Terwijl je sliep je roes uit... O Silenos...
-
-—Neen Dionyzos, nooit zal ik je volgen op een blazenden tijger! En
-toch, mijn kind en mijn pleegzoon en ach zoo beminde leerling, wil je
-meester niet achterblijven.
-
-—... Omdat het nieuwe genot overheèrlijk is!! En Dionyzos sliep in.
-
-—En omdat ik je niet kàn verlaten! Saters,—maar zij slapen al!—saters,
-niet op een blazenden tijger! Vindt voor Silenos, opdat hij je volge,
-opdat hij je volge òveràl, een goedigen ezel, als sneeuw blank, met
-ooren lang en bewegelijk, en voorzichtig van tred over struikgewas en
-rotsigen grond... Maar zij hooren al niet meer! Zij vallen overal, hier
-en daar, of zij schuilen, blank en ruig—o, de ondeugden—soms weg in de
-heel dichte schemerdonkerte! Silenos op een tijger? O, zij hooren al
-niet meer. Om Silenos valt alles in sluimering, zelfs een betooverde
-slaap verplettert de afschuwelijke wilde dieren. O, zie wat een
-tafereel! O, zie wat een vadsige rust, van blank en ruig, en gespikkeld
-van vel! Wat een loomheid op het midden des dags in woudwezens en in
-dieren, terwijl het juist nù zoo wakensweldadig is, en de vogels alle
-bescheiden zwijgen en het zeer geschikt nu juist wordt te peinzen over
-àl goden- en aarderaadsels en ze op te lossen als moeilijke problemen,
-nu eens zoo, en dan weêr anders! O, wat onwijsgeerige zwelging in
-vasten slaap! Alles... iedereen slaapt! Alleen Silenos is wakker en
-wandelt rond tusschen zoo vele slapers... Hier, hier ligt Dionyzos, als
-op een heilige plek, zijn bronsblondgelokte hoofd op Fauns borst.
-Duizend viooltjes zijn om hen ontbloeid en geuren op, in zijn droom!
-Droom, droom Dionyzos, droom, met den eeuwigen lach om je goddelijke
-lippen. Wie weet, wie weet... Wie weet, is je droom de eenige waarheid!
-Is te geven de vreugde aan de wereld de eenige waarheid, waard te
-vervullen als werkelijkheid! O, droom, droom Dionyzos, en moge, mijn
-lieveling, nooit... o nooit... je in verdriet uit dien droom
-ontwaken...
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-
-Geleidelijk verwelkten de hemelen, verwelkte het azuur tot donker
-violet van viooltjes, den geheelen binnenluchtkoepel overwazend; hier
-en daar prikten de eerste sterren, en daar de maan nog wassende was, en
-al begon te zilverspiegelen in de meergladde zee, was het niet noodig
-toortsen te ontsteken: Selene glimlachte neêr zusterlijk zacht en
-welwillend op den gewichtigen vooravond van Dionyzos’ eersten
-reisnacht. Als in een legerkamp was, na lange en volledige siësta, een
-blijde beweging begonnen in de beemden en bosschen van Nyza. En
-Dionyzos, éven weemoedig, lachte toch nog, toen hij zeide:
-
-—Vaarwel, o lieflijke oorden, waar ik leefde mijn kinderjaren! Nyza,
-waar hoed- en enkel-gevleugelde Hermes mij bracht na mijn tweede
-wondergeboorte uit Zeus’ dij, om mij in je handen, o nymfen, o
-voedsters, veilig te leggen voor de lagen van Hera, wie Zeus
-strengelijk verbood Nyza’s bergenkling te overschrijden! Vaarwel, o
-weiden vol anemonen, waarop daalden de waardige Muzen neêr, mij nemende
-in haar midden, reidans om mij wevende, met zang en harmonischen klank
-van snaren, die regelmatig de gouden cymbelslag onderbrak! Het uur is
-gekomen, dat de wereld zich opent, en zijn taak Dionyzos toelacht! O,
-nymfen, o voedsters, niet éene van je allen, die te Nyza achterblijft!
-Verlaten voor langen tijd zullen de weiden zich strekken, en zullen de
-wouden schaduwen en zal de zee spiegelglad liggen tusschen enge
-bergkling. Maar de wingerd, die ik er zelve plantte, zal tot den herfst
-toe zwellen van vreugde, en, eerst schuchter, later vertrouwder, zullen
-herders en landbouwers komen tot deze plaats en Dionyzos’ eigene
-trossen plukken in blijden wellust en nieuw genot! Vaarwel, o lieflijke
-oorden! Dionyzos’ wagen staat klaar en vier saters zullen mennen de
-lynxen, aan sterke ranken van veil, en zijn leger van faunen heft hoog
-de omslingerde pijnappelroeden, en ikzelve, hier, breek mij af dezen
-langen agavebloeme-steel, opdat hij mij schepter en wapen zij en in
-Dionyzos’ hand verschrikkelijk worde! O, wellust, wie ons volgt, maar
-wee, wie ons weêrstaat... Nu op, op, gij allen, die Dionyzos zult
-volgen op zijn overwinningstocht door de wereld!
-
-Er stormde een luid gejuich, maar toch was er geen uitgelatenheid onder
-de talrijke troepen van Dionyzos, alsof, hoe glimlachend ook, een ernst
-nadenken deed, dien vooravond van den strijd. Dionyzos was in zijn
-wagen gestegen, die hem de ijverige faunen hadden vervaardigd, en vier
-saters menden de lynxen, nijdig als katers, met uitstaande
-snorrebaarden. En achter hem vloeide het na van nymfen en Panszonen en
-van zoo vele wezens der wouden, en zelfs van enkele menschelijke
-stervelingen, die zich, als Dafnis, reeds gevoegd hadden bij den stoet,
-den thiazos van den god. Ieder droeg er den thyrs, en ieder, voor het
-laatst, had zich zware trossen geplukt van den wonderwingerd van Nyza,
-om vreugde te hebben dien nacht der reize. Maar plotseling barstte een
-schateren uit en ging door de gelederen als een heerlijke stormwind,
-omdat Silenos, met vele woorden van aansporen tot voorzichtigheid en
-omzien, zich hijschen liet op een witten ezel, die hem de saters
-gevonden hadden. Hij liet zich hijschen, en rondom hem lachten, blank
-en verleidelijk, de nymfen van Nyza, de blijde voedsters van Dionyzos.
-Omdat de nacht frisch was van waaiende zeekoelte, hadden zij allen, de
-nymfen van Nyza, zich gespikkelde vellen van beesten omgeslagen, die
-hingen over hare schouders en heupen, met de levenloosheid der
-bengelende koppen en slappe pooten neêr, en om hare slapen hadden
-gestrengeld zij zich ranken van wijnlof, met aan de ooren groote
-trossen, en hare blanke jeugd van blonde en blauwoogige nymfen, hare
-lieflijke zachtheid van naakte nymfen, glimlachend als spelende
-kinderen, verbarbaarschten zich vreemd in warreling der ranken,
-tusschen de trosversierselen, heur slapen purper omprangend, en in de
-ruigte der beestenvellen, of zij half nymf, half tijgerkat plotseling
-zich herschapen hadden. Tusschen haar aller vroolijkheid en
-schertsenden spot bereed Silenos zijn blanken ezel nu, kwinkslag
-gevende op kwinkslag, en hij haalde Dionyzos ter zijde in. Faun, ter
-andere, bereed een getemden leeuw, wien hij de hijgende flanken met de
-hielen spoorde. En het nachtwoud kraakte en ritselde van den stoet, die
-zich in beweging zette. Uit de zwarte schaduw der steeneiken ging het
-met rustigen tred van schrijdende dieren, in toom gehouden, en van
-paden tredende hoeven der trappelende saters, langs de boorden van de
-zee, de bergen te gemoet. De weiden strekten zich wijder, de gesloten
-zee openbaarde zich plotseling tusschen de wijkende kapen, het woud
-bleef als schaduw achter, de vlakte strekte in de sneeuwblankte der
-maan zich wijd als een witte woestijn, vaag van velden, en als zonder
-horizon wegtintelend in de klare lucht zelve. Het was heel wijd, heel
-ruim en heel licht. En de wijde vlakte, onmerkbaar eerst, steeg en
-deinde naar boven; de zee viel lager weg, opende zich geheel, en het
-gebergte, als een nachtviolette wal, kartelde zijn rotsscherpe
-silhouet, uitgeknipt en zigzaggelend aan in de klaarte. Dionyzos steeg
-op. Pad was er niet, maar de saters, trappelend met bijna dansende
-voeten, traden het pad in wat struikgewas warrelde laag, altijd
-verschoonende de blondere granen, moederlijke Demeter ter wille. Zoo
-naderde de stoet het gebergte en slingerde de rotskam op, in rustige
-blijde reize. Soms brulde luider een tijger of ander wild beest, soms
-schaterden-uit de nymfen, of kakelde, kwinkslagend, Silenos onvermoeid;
-soms danste heftiger de voorhoede der saters van vreugde te voren, maar
-Dionyzos bleef glimlachend ernstig, Faun op zijn leeuw hem ter zijde,
-ernstig glimlachend als hij. En hoewel vreugde er was en vertrouwen in
-de gelederen van het vreugdeleger, was er hier en daar wantrouwen wel,
-om zoo groot voornemen en wellicht driestheid van een veldheer, die een
-knaap nog was, vrouwelijk week de leden gebootst in de teederheden van
-het mollige vleesch, knapeveldheer, gewapend slechts met
-agavebloeme-steel, en wie zoo groote schare van nymfen haast
-gedachteloos volgde.
-
-Zoû Dionyzos verwinnen, nu hij den strijd aanbond tegen al wat in de
-wereld somber zoû zijn; zoû Dionyzos de wereld verwinnen...?
-
-Maar zij, die zoo dachten, behoefden slechts een druif, een enkele, van
-hun nachtvoorraad te snoepen, om zich plots te voelen verblijden, en nu
-te weten, dat wie zoo heerlijke vreugde kon geven, ook de sombere
-wereld overwinnen zoû. En al hooger en hooger steeg de stoet. Nu ging
-de stoet het gebergte over, op de uiterste kam, en schaduwde tegen den
-nacht aan, als een wondere optocht, waarheen in den Nàcht-Olympos de
-gewekte goden nieuwsgierig heen zagen. Doelbewust trok de stoet
-voorbij, uren, uren lang. De pijnappelroeden geheven teekenden over de
-bergkam een woud van bewegende lansstokken uit, sidderende in het licht
-van de maan. De getemde dieren brulden, maar schreden gewillig. En
-uren, uren trok de stoet voorbij, doelbewust. Al opende half de
-oostelijke poort zich, om Eos uit te laten, toen de laatste volgelingen
-van den blijden Dionyzos aan de helling der steile bergkam pas
-verdwenen in daling van spleten. En toen de morgen, zonnegoud dadelijk,
-rozigde over de zee, lag Nyza en haar woud en haar vlakte, van Dionyzos
-verlaten, in vreemde door de vogelen nauw gestoorde eenzaamheid achter,
-in betooverde stilte vreemd, tot de landbouwers en herders dien morgen,
-nieuwsgierig, aanslopen en zagen den wonderwingerd, en er van plukten
-en dronken, en den wijnstok voortplantten, overal.
-
-Nu dien morgen ontwaakte in zijn paleis de beheerscher van Ikaria,
-koning Ikarios, werd hem dadelijk een bode voorgevoerd, die hem zeide:
-
-—Heer, schrikverwekkende tijding, helaas, deel ik u mede: de morgen
-rijst op over een dag van onheil, zeer zeker. Want dezen nacht naderde
-over het gebergte een onafzienbare vijandelijke strijdmacht de grenzen
-van uw rijk, en tot ontzetting der naar alle zijden vluchtende
-bevolking naderen die barbaarsche horden de poorten van uw stad. Tijd
-zal het nauwelijks zijn, Heer, uw leger te verzamelen en den vijand te
-gemoet te trekken.
-
-Toen zeide, terwijl weeklaagde rondom hem het toestroomende volk, de
-beheerscher van Ikaria:
-
-—In steê van wanhoop, o Bode, meen ik vreugde te mogen koesteren om wat
-gij mij mededeelt. Oude voorspellingen kondigen aan voor Ikaria een
-nieuwen god, die ons een nieuwe vreugde zal geven; wellicht is het
-aantijgende leger, het leger des gods van vreugde. Zoû ik hem niet
-welkom heeten? Is er zoo veel vreugde door de oude goden gesprenkeld
-over mijn rijk? Heerschten niet pest en hongersnood gedurende lange
-tijden, en schaduwde niet als een wolk somberheid over mijn onderdanen?
-Demeter wendde zich van ons, onze granen verschroeiden zwart.
-Geheimzinnige winden voerden ziekten aan, en het onheil regende neêr.
-Sinds langen tijd scheen de lucht mij niet blauw meer, ook al boorde
-zij zich diep azuur. Nu... zie, de lucht is blauw! En zweeft als een
-glimlach over Ikaria! O, gij, edele grijsaards, gaat te gemoet, wie
-komt! Vrouwen en maagden, neemt palmen en myrtetakken ter hand, en
-wuift van verre het welkom tegen... Ik weet niet waarom ik heradem, en
-waarom ik geen vreeze voel! Goud is de morgen en vroolijk! Sinds lang
-was de morgen zoo vroolijk niet en sinds lang niet zoo goud van
-vreugde. Gij allen, mijn volk, hebt vrede en weeklaagt niet meer! Het
-IS de nieuwe god, die aankomt en ons zijn nieuwe vreugde biedt!
-
-Zoo riep de beheerscher Ikaria’s, en omdat het volk hem zeer lief had,
-staakte het zijn weeklacht, liet zakken de armen en zamelde rond hem,
-vertrouwend. O, het ellendige volk, de ellendige onderdanen Ikarios’...
-gegroefd van ziekte was hun wang, geribd van magerte de pijnlijke
-borstkas, van armoede gerafeld hingen onsierlijk de vodden en het rag
-om hun leden. Zelfs zóo scheen de waardige heerscher, mager van wang en
-van borstkas, hol van oog, en zijn mantel was niet meer mooi, en van
-zijn staf was het goud dun gesleten. Rondom hem wachtte het volk, en
-zij spiedden allen uit. En plots zagen zij naderen, terug, de
-palmtakken en myrtetwijgen, naderen de edele grijsaards en achter hen
-stuwde, als een stroom, het vreemde leger aan, de pijnappelstaven
-omhoog. Een geruisch gonsde, als een stormwind door woud. Plots, schel,
-pepen honderde fluiten. Het leger naderde met muziek en met dans, de
-jonge veldheer voor: een lachende knaap, heerlijk naakt, gezeten in een
-kar, die nijdige lynxen trokken, als katers, met snorrebaarden. Daar
-steeg de veldheer uit, met een dartelen sprong, een blijden jongen
-gelijk. En hij liep toe op den ouden Ikarios, die van verbazing de
-armen ophief.
-
-—Ben jij de nieuwe god? vroeg de beheerscher Ikarios. De nieuwe god,
-dien de voorspellingen kondigen aan?
-
-—Ik ben Dionyzos! riep Dionyzos jubelend uit zijn naam; en zie, hier
-zijn druiven, en ik kom brengen de purperen vreugde! Beheerscher van
-Ikaria, Dionyzos opent de armen, en wil je drukken aan zijn hart! Oude
-koning, ik ben blij, want ik kom de vreugde brengen! Weet, oude koning,
-dat razernij mij bevangt en allen, die mij volgen, om wie mij niet
-blijde ontvangt, maar weet ook, dat niets dan vreugde, jeugd, wellust
-en zaligheid zal zijn aan allen, die mij blijde ontvangen! Kies,
-Ikarios, tusschen mijn woede en mijn vreugde, en kies voor allen de
-uwen!
-
-Terwijl de god en de koning zoo spraken, juichten de faunen het volk
-toe:
-
-—Hij is de zoon van Zeus! Hij is de zoon van Semele, die verblaakte in
-Zeus’ blakenden gloed! Hij is de god der vreugde! Eert hem, eert
-Dionyzos! Plukt de vreugde, die wij u bieden! Hier zijn de trossen!
-Voor allen zijn er purperen trossen...
-
-Maar tusschen het volks- en faunenrumoer riep Ikarios uit:
-
-—O Dionyzos, o zoon van Zeus, zoû ik je niet blijde ontvangen? Was er
-dan zoo vele vreugde in Ikaria, dat ik kan zeggen: ga, Dionyzos, een
-anderen weg? En dat ik niet dankbaar zoû zijn voor de nieuwe vreugde,
-de purperen vreugde der zwellende trossen? Ik ben oud, Dionyzos, en
-hier, mijn vorstin is oud, en ziek zijn wij beiden, en ziek zijn ook
-velen van mijn volk, en somber zijn wij na herinnering grauw aan pest
-en aan hongersnood... O Dionyzos, zoû ik je niet blijde ontvangen? Maar
-Dionyzos, ik open mijn armen, als een nederige vader, o zoon van Zeus!
-Maar Dionyzos, ik ben je eeuwig en innig dankbaar, en mijn tranen van
-blijdschap vloeien mijn half blinde oogen uit, alleen omdat ik je zie,
-zoo mooi, zoo jong, zoo heerlijk, zoo blij, zoo stralend en goddelijk!
-
-—Ikarios! riep Dionyzos. Dan omhels ik je als een stralende zoon, die,
-rijk aan schatten, een armen vader komt geven van wat hij won door zijn
-vlijtigen arbeid. Het wonder gebeure... Ikarios, zie!!
-
-En Dionyzos strekte zijn agavesteel uit in de richting van het
-verweerde paleis.
-
-Er beefde lichtelijk de aarde en de aarde spleet open en het bruischte
-uit de opene spleet. Toen ook wankelde het paleis op zijn vervallene
-zuilen, en het dak dreigde te storten in een. Maar staan bleef Ikarios’
-woning en een wonderwingerd wies op in een oogwenk, zijn knoestigen
-stam schietende snel uit de spleet. Knoestig rekten de knoopige takken
-zich uit langs de wanden van het paleis, de ranken omwingerden
-geveldriehoek en dak, de ranken omwingerden de zuilen met breedbladig
-festoen, en de zware trossen zwollen te voorschijn. Eén groot
-druivenprieel herschiep zich het oude paleis. En de faunen gaven het
-voorbeeld, en zij klommen op, en zij plukten de trossen af, en wierpen
-ze in de handen des gretigen volks. Des konings fanfaren bliezen maar
-de fluiten der saters en Panszonen schaterden uit, overklaterd door
-Dionyzos’ stem:
-
-—O beheerscher Ikarios, o gij allen van Ikaria, weest blijde, weest
-blijde, dat gij de vreugde aanvaardt! Niet heerschen meer pest en
-hongersnood, alleen heerscht Dionyzos’ vreugde! O ellendig volk van
-Ikaria, wees vroolijk, wees vroolijk altijd! En opdat je vooral dezen
-dag vroolijk zult zijn, zal ik doen wat ik kan: je voor dézen dag allen
-drinken laten uit mijn eigen drinkschaal, zie hier: groote, diepe,
-ronde beker, waaruit je allen, o oude koning, o oude koningin, o arme
-en zieke Ikariërs, o blinden, o kreupelen, melaatschen, o armen en
-somberen en kermenden, zult drinken den weldadigen most van mijn
-druiven, geknepen door mijn eigen vingers, zult drinken jeugd en
-schoonheid, gezondheid en stralend gezicht, vluggen gang, blanke
-lichaamstint, weelde, helderheid, lach! Weest vroolijk vooral dezen
-dag! Koning, wees jong en mooi, en heb nog eens lief je koningin, jong
-en mooi; nauwelijks genezen pestlijders, hebt krachtige lenige leden en
-worstelt met elkaâr in het perk; kreupelen, loopt met elkaâr om het
-hardst; blinden, ziet tot diep in het diepe azuur, en tot ver over de
-lachende zee; gij allen, weest rijk, hebt vreugde, geniet! O, geniet
-allen dezen dag, vooral. Eeuwig zijn niet mijn gaven, maar de
-tijdelijke vreugde, die ik je geven kan, geniet; en morgen zal je wel
-oud weêr zijn en niet meer rijk, o ouden en armen, maar zalige
-herinnering des te meer zal je doen glimlachen dankbaar bij de gedachte
-aan Dionyzos, die vèr dan zal zijn: het wonder... het wonder gebeure!
-
-En Dionyzos zich slingerend op Ampelos’ schouder, opdat hij hoog
-troonde boven de menigte, lachende en dartel, zwaaide langzaam rond
-zijn agavesteel. En het wonder... het wonder gebeurde... Plotseling was
-ieder jong, gezond, krachtig van leden en vroolijk! De koning
-verjeugdigd omhelsde zijn blozende koningin; oude bedelaars waren
-jeugdige athleten; al wie oud was werd jong, al wie leelijk mooi, al
-wie ziek gezond! Om alle huizen rankte de wingerd, en de blijde
-landbouwers plukten er stokken af, en geleid door fluitende zoontjes
-Pans, en geleid door blij trappelende saters, verspreidden zij zich in
-alle gunstige richtingen, zochten àlle gunstige richtingen op, plantten
-overal Dionyzos’ wijnstok. O, hoe tevreden was de god, terwijl hij zijn
-drinkschaal bood aan den nu jeugdigen koning Ikarios, aan zijne
-jeugdige koningin! Op het land, in de stad en het paleis, was vreugde,
-was feest, was genot! Plotseling lachte het leven. De nymfen, hand aan
-hand, slingerden zich door de stad en alle vrouwen deden haar na,
-vertuitten zich met wijnlof het haar, trossen aan de ooren, sloegen het
-beestenvel om schouders en heupen, en zwaaiden de pijnappelroê. Alle
-oogen glinsterden in den vreugdemorgen. Armen grepen elkaâr, van most
-gepurperde lippen zochten elkander; schuchtere liefde zocht schaduw der
-wouden, of liever loovergeheim nog van wingerd. Plotseling juichte het
-leven! O, hoe tevreden was Dionyzos om verwinning zoo heerlijk, en
-zonder zweem van smart en van pijn voor wie ook, omdat zij allen zijn
-vreugde wilden. Wèl hem, die hem de armen open ontving; wee, wie zijn
-gaven hem weigerde!
-
-Nu rende Faun met hem op den schouder gezeten door de stad, en zij
-riepen hem uit: Dionyzos! Dionyzos, dank! Hij wuifde de hand, hij
-schaterde! Hij wierp hun zijn kushanden toe. Hij wierp hunne trossen
-toe. Zij vingen ze op in de gretige palmen. En het was de nieuwe
-wellust overal. In de velden gebeurde het wonder, en Dionyzos schaterde
-er van blijdschap om. Overal plantten de nieuwe wijnbouwers de stokken
-van den wonderwingerd, en de ranken schoten weelderig uit, en de faunen
-namen de ranken lang en leidden ze als feestfestoenen van lagen boom
-tot lagen boom, van wilg tot populiertje, en van berkje tot abeel, en
-tusschen Demeters armelijke velden festoenden de feestranken blijde,
-als was haar geheele veld éen enkele feesthal geworden, door het
-welvend azuur overbogen. En Dionyzos, meêlijdend om de schrale
-gewassen, niet door Demeter geacht, riep uit:
-
-—O Demeter, o moederlijke zuster, o Demeter, die ik liefheb en acht!
-Waarom hebt ge in smart om Persefone van Ikaria uw blik afgewend? Kom,
-o blonde Demeter, en glimlach over zoo schrale aren, en zij zullen
-zwellen in dien nieuwen zonneschijn! O Demeter, meng uw goud met mijn
-purper, als ik morgen ver van Ikaria ben!
-
-En het blijde volk herhaalde Dionyzos’ bede, en het stroomde in
-Demeters heiligdom. Geen middagrust was er dien blijden dag. De vreugde
-vierde dien morgen niet uit. De nieuwe jeugd overal verlustigde ook in
-de brandendste uren.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-
-Over de landen spreidde de mare van de komst van den blijden god, en
-boden, snelvoetig, liepen toe naar het paleis van koning Minyas,
-beheerscher van Orchomenos, en riepen:
-
-—Heer, schrikwekkende tijding, helaas, deel ik u mede: de morgen rijst
-op over een dag van onheil, zeer zeker. Want dezen nacht naderde over
-het gebergte een onafzienbare vijandelijke strijdmacht de grenzen van
-uw rijk, en tot ontzetting der naar alle zijden vluchtende bevolking,
-naderen die barbaarsche horden de poorten van uw stad. Tijd zal het
-nauwelijks zijn, Heer, uw leger te verzamelen en den vijand te gemoet
-te trekken.
-
-Toen zeide, terwijl weeklaagde rondom hem het toestroomende volk, de
-beheerscher van Orchomenos:
-
-—Nooit zullen wij dulden, dat wie ook, nieuwe veldheer of vreemde god,
-zich met zijn barbaarsche horde dringe in onze bezitting, en onzen
-rustigen ernst verstore. Wij roepen dus ten snelste op de scharen van
-onze dapperen om den indringer te gemoet te treden, en te jagen ver
-over de grenzen des rijks.
-
-En, inderdaad, ten spoedigste, verzamelden zich rondom den fronsenden
-Minyas de dappere scharen der krijgers. En als een bewegende wal van
-ronde schilden, die blikkerden, waarboven spietsten de lansen
-bliksemend, ging, koperen kracht, Minyas’ leger Dionyzos te moet. De
-god, in den bewolkten dag, zag van verre het leger toch naderen, heel
-snel: de blikkering der schilden, de bliksems der lansen, dof, in het
-sombere morgenlicht. En zijn saters riepen het naderende leger toe:
-
-—Hij is de zoon van Zeus! Hij is de zoon van Semele, die verblaakte in
-Zeus’ blakenden gloed! Hij is de god der vreugde! Eert hem, eert
-Dionyzos! Plukt de vreugde, die wij u bieden! Hier zijn de trossen!
-Voor àllen zijn er purperen trossen!
-
-En dansende de trossen heffende, naderden de saters Minyas’ in zwaar
-brons gewapende strijdmacht. Om zóó vreemde vreugde vijandelijk, en zoo
-ongekend reuzig ooft, dat zeker krijgslist beduidde, aarzelden de
-krijgers hun pijlen te schieten, of hun lange lans drillend te heffen,
-vooral toen heel helder de stem van den god zelven plots klonk:
-
-—O Minyas, waarom somber als de lucht van den morgen zelven, fronst
-zich uw voorhoofd, onder den blits van uw helm en uw zwarte pluim, die
-er donker wuift? Waarom treedt gij mij te gemoet met zwaar gewapende
-legerschare, of is het alleen om mij te heffen in zege, op uw
-blikkerende schilden, en mij in thyrsen uw lansen veranderen te doen?
-Wilt ge, dat ik op uw schilden blikkerend mijn faunen beveel druiven te
-stapelen als op schalen breed; wilt ge uw helmen ophouden en er uit
-drinken bedwelming van mijn nieuwe vreugde; wilt ge, dat op een enkelen
-wenk van mijn agavebloeme-steel een wonderwingerd uit den splijtenden
-grond schiete, tusschen ons beider machten, en ik u toon, dat IK de
-machtigste ben?
-
-Maar, achterdochtig, en fronsend de brauwen, onder den blits van zijn
-helm en wuiving van zwarte pluim, antwoordde Minyas niet, de
-beheerscher van Orchomenos, den goddelijken Dionyzos; en zijn
-boogschutters schoten de pijlen af naar de dansende saters en troffen
-hen, tot het gehuil der woeste bokspooten opsteeg pijnklagend, en hun
-bloed vloeide, te zamen met het bloed der druiven. Een razernij beving
-Dionyzos. Hij stortte zich uit zijn wagen, hij slingerde zich op
-Ampelos’ schouder, en, onherkenbaar plots, was hij verschrikkelijk. Die
-hem volgden, staarden hem allen aan. Zijn lachend week knapegezicht was
-bleek vertrokken in een strakken tragischen maskergrijns wreed, zijn
-bronsblonde lokken stonden kronkelend overeind, gelijk aan Meduza’s
-serpenten, huiverend rondom zijn hoofd. Zijn viooloogen, hard als
-staal, staarden Minyas toe, en zijn anders altijd lachende lippen,
-blozend van wellust-verlangen, vertrokken tot een tronie zijn gansche
-gelaat, en hij krijschte, schuimend, onverstaanbaren klank. Een rilling
-voer zichtbaar zijn lichaam langs, als een koorts, die hem liep over de
-leden. Zijn aderen zwollen aan zijn heerlijke lichaam, en zijn vingers
-krampten als tijgerklauwen. Nu brullend als een dier, spoorde hij Faun,
-zijn liefsten vriend, wreed den hiel in de flanken, maar niet
-vertoornde Faun, en snelde lastdier-gewillig, voort met den razenden
-god. En allen, die hem volgden, den god Dionyzos in razernij—saters en
-faunen op panthers en leeuwen, de nymfen van Nyza,
-bakchanten-herschapen, de stervelingen, Dafnis, Eole, Panszonen groot
-en klein,—allen, die Dionyzos volgden, stak zijn eigen razernij
-goddelijk aan, zelfs meêsleurende Silenos op witten ezel, die balkte
-tusschen tijgerkatten,—den wijsgeer en meester, dronken en razend om
-wie zijn goddelijken leerling weêrstond! En éene zelfde razernij gaf
-allen een zoo plots goddelijken kracht, nu zij zich stortten op Minyas’
-krijgers, dat de wal van koperen schilden beefde, en verbrak onder den
-aanval, en dat naar alle zijden vervluchtten, verflitsten de koperen
-lansen. De saters, schuimbekkend als beesten wild, wierpen zich op de
-vluchtende krijgers, sloegen hun de klauwnagels in de oogen, en in het
-lillende vleesch, verscheurden krijschend de lichamen en hitsten hun
-leeuwen en panthers aan, die zich wierpen op wie poogden te vluchten.
-Krijschend onder de sombere lucht van wolken grauw, waartusschen zagen
-de goden neêr, omringden de beestevel-omkleedene Bassariden, de
-bakchanten razend, nymfen van Nyza, Minyas’ eigen lijfwacht, niet
-achtende pijlsteek of bijlhouw, en hare wreede woede, huilende,
-dansende, omcirkelde geheel die keur van krijgers, in wie zij de nagels
-sloegen. Zij waren geen nymfen meer. Zij waren tijgerinnen en
-tijgerkatten. Zeus, vertoornd om wie zijn zoon weêrstond, verzamelde
-donker de wolken, slingerde zijn bliksem, en de donder rolde de hemelen
-door; de goden, bevende bang, verwijderden zich vol eerbied van den
-oppergod, vader van Dionyzos: fronsend in wolken bleef Zeus alleen,
-neêrzien op Minyas in toorn. En plots zag hij dit: Dionyzos, zijn zoon,
-onherkenbaar de mooie knaap in razernij, zich werpen op Minyas zelven:
-zoo als een leeuw zich werpt op een stier, hem in den nek breed en de
-schoften zwaar zonder aarzeling de klauwen slaan, verscheurens gereed.
-Dionynos, als een wilde leeuw, brulde, en sloeg de nagels in Minyas’
-oogen. De koning slaakte éen onmenschelijken kreet en was blind. Maar
-niet was Dionyzos tevreden, en hij riep:
-
-—Minyas, die mij weêrstond, blinde Minyas, nooit heb je goed gezien!
-Want altijd dacht je jezelven een man en een vorst, maar verblind was
-je al, voor IK je verblindde, want je bent altijd een wijnstok
-geweest!! Minyas, Minyas, zie nu?? Poog dan te zien! Zijn je beenen
-geen wijnstokken twee? Is je tors niet een tros, en zijn je armen niet
-knoestige ranken? Druipt de most je niet uit de oogenholten, als mijn
-versmade wijn vloeit uit diepe schalen?! Minyas, ben je een man?
-Minyas, ben je een koning en beheerscher van Orchomenos? Of ben je een
-wijnstok? Ben je een wijnstok? Wacht, persen zal Dionyzos je uit!
-
-En krijschend wierp ten tweede male Dionyzos zich op den vorst, sloeg
-hem de nagels in het lillende vleesch.
-
-—Zie!! riep Dionyzos in zege. Zie nu, poog nu te zien! Je druipt wijn
-uit overal! O, overdadige wijnstok!
-
-Onder den aanval van den razenden god, werd waanzinnig de ongelukkige
-vorst.
-
-—Een wijnstok? Ben ik een wijnstok? riep hij uit. O, Dionyzos, ben ik
-een wijnstok? Zijn al mijn krijgers dan wijnstokken ook? Een bijl, een
-bijl! Hier houw ik ze af, de wijnstokken van Dionyzos, opdat ik ze
-plante in mijn rijk!
-
-En, blind, in stroomend bloed, sloeg hij met de bijl woest in het rond,
-en doodde hij zijn eigen krijgers...
-
-Nog fronste Zeus, alleen, toornig in wolken, en hij wierp zijn bliksem
-voor zich uit, en de donder rolde de hemelen door...
-
-Maar bij Minyas’ lijk ontwaakte uit razernij Dionyzos, en riep
-snikkend:
-
-—O, rampzalige, waarom niet de vreugde aanvaard!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-
-Dien avond, over de heuvelen, en hooger over de bergen, sneeuwbedekt,
-onder den wolkenden hemel, waardoor heen vaarde, als een witte boot,
-der maan snel schietende sikkel, zwierden, lange rij, hand aan hand, de
-menaden na Dionyzos’ zege; en van af het slagveld, zagen Minyas’
-krijgers, die er lagen gewond en vergeten en kermend, schimmig de
-verschrikkelijke vrouwen dansen voorbij op de lucht, zagen zij roode
-vlammende toortsen, en hoorden zij haar schaterende lachen. Nu steunden
-de gewonde krijgers met den elleboog op de ronde schilden, en tuurden
-zij, brekend de blikken, naar den verren dans en het feest daarboven,
-dat festoende over den heuvelenkling, en rankte hooger de bergkam op.
-Somber in den feestnacht klonk der leeuwen gebrul, en een ezel balkte,
-belachelijk...
-
-Weeklaagden in pijn de strijders, stervende en bloedende uit, want
-verscheurd en gereten met nagels hadden de nymfen hen, en met klauwen
-de panthers en leeuwen, en met thyrsen en met agavesteelen hadden hen
-onmeêdoogend gegeeseld de saters, en het zware brons van hun helmen en
-schilden en speeren en lansen had niets vermocht tegen de woede van de
-wezens des wouds, volgelingen des machtigen Dionyzos’! Nu vierde de god
-daarboven, over heuvelkling, over bergkam, zijn zege, en de menaden
-zwierden... Maar wie gingen over het slagveld heen, waar Minyas’
-strijders lagen vergeten? Waren het roofzieke dieven, die den
-stervenden kleinood ontrukten en sieraad, dat zij zich bukten over de
-lichamen?
-
-—Zijn het roofzieke dieven, Lykurgos? vroeg Pentheus zijn vriend,
-terwijl hij in zijn armen te sterven lag, uit zwaar gereten borst
-bloedende. En willen zij den stervenden afrukken... kleinood en
-sieraad... dat zij zich bukken over de lichamen?
-
-—Zijn het medekrijgers, Pentheus, die ons zoeken om ons op hun schild
-te tillen en naar hun tenten ter verpleging te voeren...
-
-—Niet schijnen zij, die daar dwalend gaan over het slagveld, en over de
-verslagenen bukken, mij boos van aard, en eerder weldadig van doen...
-
-—Nu naderen ons er twee...
-
-—Wie naderen ons, Lykurgos en Pentheus, dwalende over het slagveld en
-wie bukken nu over ons?
-
-—Wij zijn de faunen van Dionyzos, klonken aan hun oor zachte stemmen;
-en de god beval ons te treden tusschen je allen, verslagenen, en je te
-laven de veege monden, en zoo mogelijk je te genezen je wonden, en je
-te behouden voor het vroolijke lachende leven, want Dionyzos is
-weldadig aan àllen, die aannemen zijn vreugde en het nieuwe genot, en
-verschrikkelijk is hij alleen, wie, somber, hem tegenstreeft... Wij
-zijn de faunen van Dionyzos... en zie hier, Lykurgos en Pentheus, edele
-vrienden twee, samenstrijders in den bloedigen krijg, wie leeuwen en
-saters en razende nymfen hebben gereten de nu lillende leden, en de van
-pijn grijnzende gezichten, zie hier! Druiven komen je brengen de faunen
-van Dionyzos! Wij houden den helm je op, en wij persen in den helm de
-trossen uit: zie, het sap druipt ons tusschen de vingers, en wij mengen
-den most met honig, die wij meêbrachten in versche vijgebladeren, en
-zoet en weldadig zal de drank je laven en kracht in je merg doen
-stroomen! Drink, Lykurgos, en Pentheus, drink!
-
-—O faunen, weldadig is Dionyzos, wanneer hij verschrikkelijk niet is!
-O, de drank uit onze helmen, de most vermengd met den honig, zoetheid
-en kracht te zamen... o faunen, is het nog mogelijk, dat wij leven,
-terwijl wij Tartaros reeds zagen zwart schemeren: o faunen, is nog
-mogelijk, dat voor het vroolijke lachende leven wij behouden bleven, of
-is het alleen de troost van het laatste oogenblik, dien je, weldadige
-faunen, ons biedt...
-
-—Diep zijn je wonden, o Pentheus en Lykurgos, maar kracht stroomt je
-Dionyzos’ gave in, en hier zijn kruiden en bladeren van genezende
-kracht, die vermengd met honig en wijn je wonden, zoo niet sterfelijk,
-genezen zullen, en waarmeê wij stelpen je vloeiende bloed. Maar drinkt
-op nieuw den helm uit, o Lykurgos en Pentheus!
-
-—Lykurgos! zei Pentheus. Mijn oog verheldert zich, en mijn ziel is, ik
-weet niet waarom, zoo blijde. Nu sta ik op, en ik help je opstaan, en
-al wankelen je beenen, ik voel in je, mijn vriend, kracht gelijk aan de
-mijne stroomen, en ik voel, dat je behouden zult zijn voor het
-vroolijke en lachende leven... O, weldadige faunen... waar is het
-vroolijke, lachende leven...? Wij waren strijders aan de zijde van
-somberen Minyas, den beheerscher van droefgeestig Orchomenos, en weten
-niet het lachende leven te vinden; o faunen, waar vinden wij het? Waar
-vinden het Lykurgos en Pentheus? Aan de zijde van Dionyzos? Bloeiende
-rondom Dionyzos? Rankend Dionyzos rond? O faunen, waar vinden wij het?
-Het bloedige slagveld purpert somber onder den somberen hemel, door
-wiens wolken de maan snel schiet; maar waar purpert helder het
-vroolijke leven van Dionyzos’ rijke en lachende gaven?
-
-—Lykurgos en Pentheus, beide genezende en krachtig al, zoo je wilt
-eeren in dankbaarheid en in vreugde den machtigen god Dionyzos... gaat,
-waarheen je zal leiden... hoort!... de schelle fluit van dien kleinen
-jongen, zoontje van Pan, bokspootig en ruig al van wangen, met
-staartje, dat kwispelt: dartel bokje, dat voor je uit zal trappelen en
-zal pijpen zijn rietje op en neêr, en neêr en op... heel hoog en dan
-lager, als beekje, dat stroomt over rots, schuimt op, en weêr valt,
-schuimt op en weêr wegvliet... Volgt, Lykurgos en Pentheus, het
-bokspootje blijde en gaat waarheen hij je voert... Wij gaan verder het
-slagveld over, om de helmen van je stervende makkers te vullen met most
-en met honig... hen te genezen, zoo mogelijk... en velen zal je er
-vinden terug, waarheen je lokt het vroolijke wijsje...
-
-—Lykurgos... zie je het bokje?
-
-—Voor ons uit trappelt het vlug met zijn hoefjes en lachend ziet hij
-om, ruig in het licht van de heldere maan. Hij wenkt ons en fluit! Laat
-mij je steunen, o Pentheus, laat mij je in mijn armen voeren, want niet
-zoo krachtig ben je als ik... Nu naderen wij hem, maar hij schiet weêr
-voort; met enkele sprongen is hij héel ver! O, nu zie ik hem eindelijk!
-Zijn kopje is als van een kleine guit; een baardje heeft hij waarachtig
-al; twee horentjes steken zijn lofkrans uit; zijn oortjes zijn spits,
-en twee lelletjes hangen hem onder de kin! Zijn staartje kwispelt boven
-zijn billetjes, en zijn donkere vingers kriebelen over het fluitje! Wat
-blaast hij er schelle klankjes uit, heel hooge en dan weêr lagere...
-Vlug, Pentheus, verliezen wij ons bokje niet, in den nu weêr donkeren
-nacht, want de maan is weg, achter de wolken... Daar, daar zie ik hem,
-hóog op een rotsblok... nu klimt hij naar boven... nu weêr is hij
-weg... O, Pentheus, ik zie hem niet meer... Wacht een oogenblik...:
-daar giet weêr de maan haar licht... Ik zie hem, ik zie hem, o
-Pentheus... en hij lokt ons: hierheen, hierheen... O, Pentheus, ben je
-sterk genoeg om hem te volgen...? Wil ik je tillen op mijn schouder...?
-Kan je niet verder...? Ben je zoo uitgeput...? Je alleen achterlaten,
-Pentheus? Neen, nooit, dàn laat ik het bokje maar slippen...: ik blijf
-bij je, mijn krijgsmakker, hoor! O, wat fluit nu het mannetje schel,
-als of hij ongeduldig wordt! Kan je nu weêr volgen, o Pentheus...? O
-bokje, vlug bokje, wij zijn zieke soldaten, nauwelijks door Dionyzos’
-gaven genezen, en wij kùnnen zoo vlug je niet volgen, daar waar het
-leven vroolijk en lachende is!
-
-Maar, Pentheus steunende, streefde Lykurgos en struikelde en viel en
-stond op weêr, en het Panszoontje lokte hem de heuvelen op, en het
-slagveld viel onder hun blikken weg, zich wijd strekkende, sombere
-vlakte. Weêr was de maan achter de wolken, maar een rosse gloed, verder
-en hooger op, blaakte als een brand, die zich over het gebergte
-verspreidde. De beide soldaten klommen hooger, maar zij zagen het
-Panszoontje niet meer. Tot zij plotseling hoorden gejuich en gelach,
-tot zij zagen aannaderen den toortsenrook en de menaden, hand aan hand,
-de saters, flambouwen zwaaiende, aandansend van rotsblok op rotsblok,
-de oogen woest in dionyzische vreugde. Met éen zelfden kreet telkens
-weêr, wierpen zij zich achterover de lenige lijven, en wie struikelde
-en viel, werd opgesleurd, als aan een onverbreekbare ketting telkens.
-En toen zij zagen Lykurgos en Pentheus, riepen de woeste vrouwen:
-
-—Wie naderen onzen dans en ons feest, en zijn naakt van beestevel en
-wingerdrank en zijn ongewapend van thyrs!
-
-—O woeste menaden! riep Lykurgos; hoort ons éen oogenblik: Lykurgos en
-Pentheus zijn wij, krijgers van somberen Mynias; verslagen stierven wij
-al op het bloedpurperen slagveld, maar Dionyzos’ weldadige faunen
-zochten ons met honig en most, en pleegden onze wonden, en laafden ons
-de dorstige kelen, en een bokspoot, dartel en klein, lokte ons met
-wijze zoo blij de heuvelen en rotsen op, opdat wij het vroolijke en
-lachende leven zouden vinden bij Dionyzos! Menaden, waar is Dionyzos,
-die zoo weldadig is als verschrikkelijk? Menaden, waar is de
-overwinnaar? Wij willen hem zien en hem eeren, met dankbaarheid en met
-bewondering! Wij vreezen hem en hebben hem lief al! Menaden, waar is
-Dionyzos?
-
-—Volgt ons, Lykurgos en Pentheus, volgt Dionyzos’ menaden en volgt zijn
-saters... Hier, neemt ter hand een flambouw, opdat je in duister niet
-struikele over de rotsen en verdwijne in afgrond diep...: volgt ons,
-Lykurgos en Pentheus... Maar eerst, drinkt de druiven uit diepe schaal
-uit...: nieuwe kracht zullen Dionyzos’ druiven je geven...: hier, hier,
-met veil nu omrankt, met trossen beladen, met tijgervel om, de thyrs in
-de hand of de toorts... volgt ons, volgt ons, Lykurgos en Pentheus...
-en volgt ons tot Dionyzos!
-
-En zij volgden de woeste menaden, die hen omringden en meêslierden; de
-nacht was purper van druiven, van toortslicht, van vreugde. Tot zich
-breidde een hoogvlakte, waar blank de sneeuw nog op lag, en een juichen
-opging en een lachen.
-
-Daar stond Dionyzos in zijn kar en schaterde, en schaterden rondom hem
-de faunen. En omdat zoo schaterde de blijde god en zoo schaterden zijn
-blijde faunen, zóo, dat de lynxen brieschten en brulden, stroomden van
-alle zijden menaden en saters aan, elkander optrekkend aan gordels van
-veil en lianen,—dronken van wijn en van juiching en zege—en weten
-wilden zij allen waarom zoo schaterde Dionyzos en de faunen rondom hem
-schaterden...
-
-—O razende Dionyzos! riepen zij uit. Hij is blijde Dionyzos weêr! Zie,
-hoe hij lacht! Zie, hoe hij lacht! Zijn viooloogen lachen, zijn
-druiflippen lachen, en zijn heerlijke lichaam trilt niet van razernij
-meer, maar van blijden lach! O, razende Dionyzos, hij is blijde
-Dionyzos weêr! God van onze vreugde, zoo razend om tegenstand, wat wekt
-je weêr tot den blijden lach? En wat tot de heerlijke vreugde? Is het
-de zege over Minyas; of zijn het schalen diep, vol pas geperste
-trossen?
-
-—O menaden, o saters! riep Dionyzos. O, allen, die mij volgt! Niet is
-het de zege over Minyas, niet zijn het versch geplukte trossen, die
-Dionyzos doen lachen van heerlijke vreugde, maar het is Silenos, zie
-Silenos! Eere Silenos, krijgslistig als wijs! Eere den wijsgeer en
-dapperen strijder! Dronken, was hij onverwinbaar, en geeselde hij met
-agavesteel Minyas’ krijgers tot nederlaag, en ontnuchterd was hij een
-wijsgeer, en reed op zijn ezel wit, de ooren lang en bewegelijk, naar
-de overwonnen stad, en daar praatte hij zoo bezadigd met alle
-ouden-van-dagen en dikken-van-buik over de vreugde zijns goddelijken
-leerlings, over mijn vreugde, over mij, Dionyzos... dat hij hen allen,
-ouden-van-dagen, en dikken-van-buik, kaal knikkebollende en vet
-maagplooiende, overhaalde te zoeken witte ezelen, als de zijne,
-omzichtig van tred, en de ooren lang en bewegelijk,... dat hij hen
-overhaalde ze te bestijgen, de lastdieren, gewillig en balkend, en...
-dat hij met zijn stoet ouden-van-dagen en dikken-van-buik... o zie, zie
-hen aan!... nu nadert zijn god en zijn veldheer en leerling, als
-aanvoerder aan het hoofd zijner schare... Komt dan toch, menaden, komt
-saters, dringt om mij rond, en ziet! Silenos rijdt nader... zijn ezel
-balkt... àl hun ezels balken... oorverdoovend... o, de tijgers
-brullen,... o, de leeuwen brullen... de lynxen brieschen... maar de
-ezels, de ezels balken... zoo luid... zoo hevig... dat ik geloof, in
-Olympos, de goden uitkijken; en zelfs Zeus, mijn vader, lacht tusschen
-de donkere wolken, om zoo vele, zoo vele balkende ezels! Eert Silenos,
-menaden en saters! Door wijsbegeerte alleen en onweêrstaanbare
-overredingskracht wist Silenos tot Dionyzos zoo vele volgelingen te
-brengen, die zich nu scharen in het leger van vreugde! Weest vroolijk
-en lacht-uit het leven, o ouden-van-dagen, o dikken-van-buik, en weest
-welkom in Dionyzos’ kamp! De wereld zullen wij overwinnen! Je zult met
-ons de wereld overwinnen! Purperen trossen en blanke nymfen zal je deel
-zijn en oorlogsbuit! Heel het purperen en blanke leven, o
-knikkebollenden op witte ezels! Hi-ha! Hi-ha! Overstemt, ezels, met je
-gebalk, onzen lach, den schreeuw van menaden en saters, den schater van
-de goden daarboven! Hi-ha; hi-ha! Ezelvolk van Dionyzos, volgt hem in
-den strijd! Menaden, omkranst met ranken en trossen de vroolijke
-knikkebollers en biedt hun den diepen beker! Stijgt af, knikkebollers
-en danst! Danst in het rond en laat schudden je maagplooien op den
-maatslag der tamboerijnen! Saters, de cymbels! Faunen, de fluiten! O,
-Silenos, in hun midden dans je het mooist, en jij, die de Muzen zag
-dansen op de violette anemonen van Nyza, bent wèl hàar waardigste
-leerling!!!
-
-En zoo luid schaterde blij Dionyzos, dat zijn lach klaterde over de
-bergen heen, en de balkende ezels overstemde. Maar wat slingerde—in
-maneschijn en toortsglans afwisselend—toch van alle zijden de bergen
-op, en naar de sneeuwbedekte hoogvlakte toe...? Hier waren het de
-nymfen van Nyza, blijden Dionyzos’ voedsters, en zij voerden meê, al
-lachend en blijde, vrouwen en maagden der stad overwonnen, àlle vrouwen
-en maagden van Orchomenos, en zij wezen haar, schuchter, wantrouwende
-nog:
-
-—Zie, daar is Dionyzos! Zie, daar is onze god! Zie daar is onze
-vreugde! Zie hem aan, hoe heerlijk hij is! Hij is de vreugde, hij is
-het genot!
-
-Maar ginds waren het weldadige faunen, en zij voerden meê, al krachtig
-en vroolijk, Minyas’ gewonde krijgers, àlle krijgers van somber
-Orchomenos, en zij wezen hun verwonderd en wantrouwende nog:
-
-—Zie, daar is Dionyzos! Zie, daar is onze god! Zie, daar is onze
-veldheer! Zie hem aan, hoe onverwinlijk hij is! Hij is de vreugde, hij
-is het genot!
-
-En Dionyzos riep uit:
-
-—Komt allen tot mij, ouden-van-dagen, dikken-van-maag, matronen en
-maagden en krijgers! Ik ben de vreugde en de purperen vreugde verwint
-heèl de wereld, zoo als zij heden Orchomenos won! Zoodra Eos aan de
-oostelijke poorten rijst, plant den wijnstok overal, tusschen Demeters
-dan blondere velden! Mengt mij met haar! Ik acht haar als zij mij lief
-heeft! Welvaart zij in Orchomenos en vreugde omkranse die welvaart!
-Tusschen de velden, van lagen boom tot lagen boom, van berkje tot abeel
-en van populiertje tot steeneik, festoent rond en sierlijk de ranken!
-Wees een feestvlakte, somber Orchomenos! O, sombere nacht, haast je af,
-en rozevingerige Eos, verschijn!
-
-Zoo juichte goddelijke Dionyzos, en de wolken trokken voorbij, de hemel
-parelde morgengrauw, de bergrotsen teekenden scherper zich, en de
-oostelijke poorten openden met een breeden kier, kimstreep van goud.
-
-En aan allen, grijsaards en matronen en krijgers en maagden, deelden de
-saters de wijnstokken uit, en de Panszoontjes, fluitende, lokten tot de
-gunstige plekken. Dionyzos, op Fauns schouder getorst, bezocht alle
-gunstige plekken, tot hij plots, de stad wit er zuilende achter, het
-paleis van den verslagenen beheerscher, Minyas, den vorst van
-Orchomenos, zag, waarom met vele beweging en stemmen luid menaden haar
-thyrsen zwaaiden. Toen riep Dionyzos:
-
-—Zegt mij, blijde menaden, wat roept gij zoo vele beweging met stemmen
-luid op om het paleis van Minyas, den verslagen beheerscher
-Orchomenos’?
-
-—Dionyzos! riepen de menaden woest. Zij schenden je goddelijke wet, de
-sombere Mineïden, de dochters drie van Minyas, dien je versloeg in den
-verschrikkelijken strijd!
-
-—En hoe schenden zij, o menaden, mijn wet?
-
-—Zij weigeren, de Mineïden, deel te nemen aan onze reien en ronde, het
-beestevel om schouders en heupen te slaan, den tros aan haar slapen te
-hangen, hard de tamboerijnen te slaan en de thyrsos breed omme te
-zwaaien! Zij weigeren te komen uit haar paleis, waar zij blijven aan
-den somberen arbeid, waar zij weven de lijkwâ haars vaders! O,
-Dionyzos, nu zullen wij gaan tot in haar paleis en haar slieren in
-vreugde naar buiten, en, zoo zij weigeren vreugde te vieren, haar
-verscheuren als waren tijgerinnen wij allen?
-
-Maar Dionyzos sprong af van Fauns schouder en hij drong langs de
-menaden door in het paleis. Daar zaten somber in het vrouwenvertrek aan
-het weefgetouw de zwart gesluierde maagden en zij bereidden de lijkwâ
-haars vaders. Zij zagen niet op en arbeidden door, terwijl de blijde
-god stond op den drempel en het binnenpaleis plots straalde van zijn
-goud goddelijken glans. Zij zagen niet op, en hare oogen treurden, hare
-sluiers treurden, hare wevende handen treurden, en hare zwijgende
-lippen treurden. In zwijgenden arbeid treurden zij, zonder tranen. Toen
-zeide haar Dionyzos:
-
-—O treurende Mineïden, hoort mij aan, mij Dionyzos, den blijden god van
-vreugde, die je somberen vader versloeg. Deze dag is een vreugdedag,
-want vreugde ging over Orchomenos op, en wijd welft zich de blauwende
-hemel! Mijn wijnstok plantten mijn saters overal tusschen Demeters
-velden en de snel schietende ranken, waaraan wonderwelig de purperen
-trossen al zwellen, festoenen zij feestelijk van lagen boom tot lagen
-boom, van steeneik tot populiertje en van berkje tot abeel. Een
-feestvlakte herschept zich Orchomenos. O treurende Mineïden, smart om
-den verslagenen vader treurt uit je zwijgenden arbeid, treurt uit je
-neêrziende oogen, en wevende handen en geslotene lippen, maar, gelooft
-mij: dag van smart is niet deze! Dag is hij van purperen vreugde.
-Beweent morgen den somberen vader, weeft hem morgen de lijkwâ, en
-bewijst hem de treurige eere: niet zal Dionyzos zich morgen verzetten,
-die ver dan zal zijn! Maar deze dag, wiens licht ziet den wijnstok
-geplant op alle gunstige plekken Orchomenos’, deze dag is een dag van
-vreugde. Slaat af de sombere sluiers, laat rusten de weefspoel aan de
-al half bereide wade des vaders en slaat om de maagdelijke leden vel
-van lynx of van spikkelige tijgerkat, vertuit je met zwellende trossen,
-plant een wijnstok tegen dit vorstelijk paleis en hebt vreugde om je
-land, dat zich in vreugde herschept, en voortaan zal Orchomenos blijde
-wezen. Morgen, o treurt, Mineïden, en herneemt den somberen arbeid:
-maar heden, voldoet aan Dionyzos’ bevel en eert zijn blijde wet!
-
-Maar zwijgend bleven aan treurenden arbeid de sombere Mineïden, en de
-menaden achter Dionyzos dringende, riepen uit:
-
-—Wij verscheuren haar allen, o Dionyzos, als tijgerkatten, wij allen?
-
-En tusschen alle zuilen drongen zij door, gereed zich op de vorstelijke
-maagden te werpen.
-
-Maar Dionyzos hield met opengebreide armen haar tegen.
-
-—Laat af, o woeste menaden! Aan Dionyzos de dochteren, als de vader!
-Aan mij is alleen de straf en de wraak over deze vorstelijke maagden
-van treurigheid. O, treurende Mineïden, nog eenmaal roept Dionyzos je
-tegen: voldoet aan zijn vreugdebevel en eert hem zijn blijde wet!
-
-Maar zwijgend bleven aan treurenden arbeid de sombere Mineïden.
-
-Toen lachte Dionyzos verschrikkelijk.
-
-Dat was niet zijn blijde lach, maar dat was zijn vreeselijke grijns,
-die zijn heerlijk gelaat verwrong tot een masker, plotseling
-onherkenbaar, ontzettend. En zijn thyrsos geheven, riep hij het wonder
-op te gebeuren.
-
-Het paleis van den verslagen beheerscher Orchomenos’, somberen Minyas,
-beefde, en aan alle zuilen, uit splijtenden grond, wies wonderwelig de
-wingerd op, festoende de zuilen rondom, hechtte zich aan architraven,
-rankte van kapiteel tot kapiteel, en liet overdadig in ironische
-vreugde zijn zware trossen purperen tusschen de bladeren groot. Nu
-zagen de treurende maagden op, nòg wevende in het blijde prieel. Hare
-groote oogen begonnen te weenen, en de groote tranen parelden zwaar
-neêr en vielen in hare zwarte sluiers, omdat zij herdachten haar vader.
-En zij weefden aan zijn wade voort, terwijl de trossen neêrvielen
-rondom haar heen, en het druivensap over haar stroomde. Maar zij
-hielden geen schalen op in het blijde prieel, dat om haar somber paleis
-was gerankt, en zij weefden, zij weefden voort. Toen, voor de tweede
-maal, beval Dionyzos te gebeuren het wonder. En drie kreten van pijn en
-van afschuw vervulden geheel het land, zoo dat in de velden de blijde
-wijnbouwers staakten en luisterden, en rondom het weefgetouw zaten
-geene drie treurende maagden meer, maar klapwiekten met schermwieken
-vleêrmuizen drie, fladderden angstig rond om elkander en de half
-afgewevene lijkwade en klapperden op en scholen weg in den wingerd en
-omdat woest lachten de woeste menaden en haar wierpen met
-druivetrossen, flapperden te voorschijn de vleêrmuizen weêr, stieten
-klagenden kreet na klagenden kreet en verlieten op haar slapperende
-vlerken het prieelpaleis, en verdwenen in schaduw van bosschen.
-
-Zoo, tusschen de druiven, bleef ongeweven de lijkwâ van Minyas, den
-somberen beheerscher Orchomenos’!
-
-
-
-Maar toornige Hera, de pauw aan haar zijde, naderde Zeus, en zij riep:
-
-—O Zeus, ziet ge wat ginds gebeurt! Niet is het genoeg, dat je
-bastaardzoon, Dionyzos, onbezonnen, met wulpschen stoet van al wat
-wellustigst en dartelst is, nieuwe plant als een onkruid en gif voort
-laat tieren langs alle oorden van Hellas, maar edele vorsten verscheurt
-hij in zijn razernij van wild beest, die niet waardig eens gods is, en
-geen der goden, die tusschen treedt! Zij lachen, zij lachen om
-Dionyzos, de wolken verschuivende, en zij vermaken zich om zijn
-dartelheid, onbezonnenheid, zijn wulpschen wellust en overmoed. Zij
-lachen, zij lachen, de goden; zij slaan niet van hem hun oogen af, en,
-ik geloof, zij benijden zelfs den stervelingen het purperen gif, dat
-hij uit zijn trossen hun perst! Maar Zeus, niet is dit alles genoeg,
-want Dionyzos stelt zijn knapewet boven menschelijke wet, boven
-goddelijke wet, en verhindert treurende dochteren te eeren eens vaders
-gedachtenis, te weven zijn wâ, en hem te beweenen in het diepst van
-haar paleis! Hij spot met haar smart; hij laat zwellen zijn trossen en
-festoenen zijn ranken, daar waar haar tranen vloeien; hij stoort haar
-den arbeid en, o schande, o smaad! hij verandert haar, omdat zij somber
-zijn, in vleêrmuizen, lichtschuw, zoo dat zij, ten einde raad, wanhoop
-en smart, zich voor eeuwig in duistere bosschen verschuilen! Zeus, roep
-ik te vergeefs? Zeus, straft ge dan nooit, wie mij ergerlijk is? Zeus,
-laat ge een orde, door goden gesteld en door menschen geëerd, door uw
-bastaardjongen verstoren? Ongestraft? Ongestraft?
-
-Maar Zeus fronste de brauwen, en om zich verzamelde hij wolken, en,
-zacht donderend, klonk verschrikkelijk zijn stem.
-
-—Hera, wat smaadt en smaalt ge den blijden god Dionyzos! Zie, waar de
-wereld oud was, verjeugdigt hij haar; waar zij arm was, maakt hij haar
-rijk; waar zij somber was, schenkt hij haar vreugde! Hera, waar Minyas
-hem weêrstond, met bronsgewapende krijgsmacht, moest hij wel sneuvelen
-tegen de purperen vreugde, want ZIJ zal de wereld verwinnen: Dionyzos
-zal haar verwinnen: het is zijn erfdeel, dat ik hem gaf. Boven orde
-heerscht hoogere Orde, en het noodlot van goden en menschen, breidt
-zijn ring onontwijkbaar. Wee de treurende Mineïden, dat Dionyzos haar
-noodlot voltrok!
-
-
-
-En Zeus, donderende, verschool zich in wolken geheel, terwijl snerpend
-opklonk de kreet van den pauw, toornig zijn wielstaart uitwaaierend met
-oogen van goud en smaragd aan de zijde der hemelvorstin.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-
-Dagen van arbeid en vreugde, dionyzische dagen van purperen arbeid en
-purperen vreugde volgden elkaâr, sprenkelend welvaart en blijden moed,
-en, des nachts, met zijn altijd aangroeiend leger, reisde de god over
-vlakte en gebergte voort, en overwon in den morgen en plantte den
-wijnstok en des middags in koele schaduwen duurde de siesta der rust en
-der liefde zóó lang, dat de middag een nacht was, terwijl de nacht zich
-in feest herschiep, reisde niet voort Dionyzos. Nu verwachtte men den
-god overal en overal liepen de boden uit, den beheerschers zijn
-aankomst te kondigen, en overal trokken de saters vóór en toonden
-onwetenden druivetrossen, en wie éens had de druif geproefd met
-verlangende lippen, zag gretig naar den god Dionyzos uit, en velen
-vielen hem dadelijk bij, en riepen uit zijn zege. Uit alle overwonnene
-oorden volgde men den god Dionyzos, en zijn leger wies aan,
-onverwinbaar, want één zelfde vreugde en, om tegenstand, één zelfde
-razernij bezielde wie hem ook volgde...
-
-Teeder als vriend had Faun neêrgevlijd het bronsblond omlokte hoofd van
-den god op mossige kussens en riep hij, heel zacht fluisterende, de
-duizende viooltjes op, die altijd den slaap van Dionyzos omgeurden, hem
-ter eere wademend haar wierook; en uitgerust dwaalde Ampelos verder
-door de overwonnene wouden van Karië. En zoo blijde was hij om
-Dionyzos’ zege en zoo blijde om Dionyzos’ liefde, dat hij glimlachte in
-zijn blijde zelf, en zijn lange fluit jubelen deed, zacht en toch
-vroolijk, door de middagschaduwen, die stoofden onder de zongeblakerde
-looveren der eiken. Maar suikerzoet balsemden de accacia’s met vol
-bloeiende trossen den middag, en zóó van weeldeherinnering en warmte
-gloeide de Faun, dat zijn wilde-katvel hij neêrslippen deed van zijn
-schouder en het, den kop en de pooten slap, weggooide in het lage hout.
-Donzig zijn huid goudgetint, dwaalde hij naakt, kalm en vroolijk. Nu
-floot hij de vogelen wakker en zij antwoordden hem, even loom tjilpend.
-Nu plukte hij de accacia-trossen en proefde de bloemen zoet. Nu
-spiegelde hij in het water der beekjes en lachte zich toe, pogende
-zichzelven te omhelzen, speelsch, zijn wegrimpelende beeltenis in het
-water... Een najade, een oogenblik zichtbaar blank, lachte hem uit, en
-hij liep haar na, maar zij dook weg tusschen iris. Uit de looveren
-oogden hamadryaden, slaperig, en hij omhelsde er eene, maar zoo
-slapensmoê was zij, dat zij nauwlijks ontwaakte in zijne omhelzing en
-hare zusteren lachten, toen zij verschrikt zich gevangen zag. Maar de
-najade, opduikende, lokte hem verder den stroom af, en hij greep haar
-en zij gleden in vochte omhelzing het water af, of poosden op rotsblok.
-Hij vertelde haar van Dionyzos, en zij beloofde te zullen komen dien
-avond in het vreugdekamp, nieuwsgierig naar druiven vooral. Alleen
-doolde hij verder, Karië’s wouden door, blij om zijn doellooze dwalen.
-Tot hij plots een zucht hoorde diep, en hij ontstelde om zoo
-smartelijken zucht in de zoele blijde bosch-schaduwen, en luisterde.
-Maar er klonk niets meer na. Toch scheen hij de echo heel fijn van dien
-zucht na te hooren in de gestoofde lucht trillen: hij liep toe in de
-juiste richting en het lage hout kraakte onder zijn tred. En daar zag
-hij plots éen slapen, in heel donkere schaduw; een jong lichaam, wit en
-rank; hij meende dat eener maagd, eener nymf. Schalk wilde hij naderen
-om haar te verrassen, toen Faun zag, dat die daar sliep, was een knaap,
-jongeling bijna. Hij lag voorover in het weeke mos, en in zijne armen
-beide rustte zijn hoofd, lang gelokt, en de lange lokken geknoopt in
-een wrong. Maar nu Faun vlak stond bij den slaper en neêrzag, bespeurde
-hij, dat de jongeling geheel den zwellenden boezem had van een maagd,
-of eene nymf, en dat hij beiden was, knaap en maagd. Hij was heel lenig
-en slank van leden, en in zijne sluimering, die droef moest van droomen
-zijn, want zijne lippen treurden bijna verwijtend, was tusschen ronden
-rug en welvenden onderrug het middel diep geknakt en van leest
-vrouwefijn. Nu zuchtte hij weêr in den slaap en de slanke voet trilde
-in madelieven. Zijn zucht, even, schokte geheel zijn uitgerekte lichaam
-en zijn droeve hoofd huiverde op zijn armen, van smart. Lang bleef de
-Faun kijken, stoorde zijn slaap niet, maar zag toe, zette de fluit aan
-zijn lippen zich... En hij floot, heel zacht, iets van de blijde wijze,
-maar zoo van toon gedempt, dat het nauwlijks duidelijker was dan
-bruischen van bladeren of ander geheimzinnig boschruischen, groeien van
-kruid en geuren van bloemen: dat àl wat de woudwezens hooren. En de
-verwijtende lippen des slapers rondden zich even vroolijker, en hij
-sliep weldadiger door, zonder zuchten. Hij sliep heel lang en plots
-ontwaakte hij—open-oogen, zag op. Hij richtte zich op den elleboog
-hooger. Maar hij schrikte toen hij Faun zag, en had een beweging van
-schaamte en van vlucht. Maar Faun glimlachte en stelde gerust met een
-lief gebaar van zijn breede hand. En de slaper bleef liggen, en
-herstrekte zich uit. Hij zweeg, en zij zwegen beiden. Maar toen zeide
-Faun zacht en voorzichtig:
-
-—Vertrouw mij toe wie je bent?
-
-—En wie ben je zelve, die waakte over mijn slaap?
-
-—Ik ben Ampelos, Dionyzos’ Faun, en ik dwaalde door Karië’s wouden in
-den zongestoofden middag...
-
-—Ik weet niet wie is Dionyzos, maar ik weet wie ikzelve ben, een
-treurende en toch goddelijk van oorsprong, maar niet blijde als goden
-zijn...
-
-—Zeg mij dien oorsprong...
-
-—Ik ben niet gewoon te spreken; ik leef eenzaam, eenzaam dwaal ik, en
-niemand van goden of faunen of nymfen, met wie ik lach of vroolijk ben:
-alleen de nymf Salmakis zoekt mij, eenzaam, op, en vervolgt mij, en
-bang ben ik voor haar, omdat zij heel donkere oogen heeft, waarin
-gloeit een mij vreemd verlangen.
-
-—Spreek verder...
-
-—Ik ben niet aan woord en aan klank gewoon: ik zwijg steeds, of ik
-zucht heel diep. Ik dwaal eenzaam, en als mij Salmakis ontdekt, vlucht
-ik haar ver, en val, moê, in slaap diep.
-
-—Wie ben je en wie zijn je ouders?
-
-—Mijn ouders zijn goddelijke goden. Van schitterend verstand lichtende
-Hermes was vader mij, en moeder was van schitterende schoonheid goudene
-Afrodite. Zij zijn beide de schoonste en heerlijkste van alle goden,
-mijn stralende ouders. Maar vader verwekte mij en moeder baarde mij,
-dof van smart. Ik geloof, dat ik de ontroostbare Weemoed ben, want die
-naam fluisterde mij riet toe, en zongen mij bloemen, en bruischte mij
-koude wind, in den eenzamen nacht. Ja, ik ben de ontroostbare Weemoed.
-Ik ben Hermafroditos, maar niet schitter ik van verstand als mijn
-vader, verstandigste aller goden, en niet lach ik goud, als mijn
-moeder: de wellust van goden en menschen, en hun aller opperste
-schoonheid. Ik ben eenig, tusschen allen, en eenzaam blijf ik in het
-woud, overvol. Ik ben, zie, maagd en knaap, en ik ween veel omdat ik
-ben maagd en knaap. Liever ware ik maagd, of ware ik knaap, dan beiden
-te zijn in ontroostbaren weemoed. Want liefde, die ik zoû vinden
-willen, weet ik niet waar te zoeken; de nymfen, behalve Salmakis, wier
-donkere oogen gloeien als die van een tijger, lachen mij schel uit als
-ik nader en een oogenblik mijn schuchterheid overwin. Mijn ouders
-zoeken mij niet. Zij hebben mij weinig lief, als of zij zich schamen
-voor mij. En toch bruischte mij stormwind eens toe, dat oorsprong van
-goden en hemelen en aarde en menschen niet anders was dan ik, knaap en
-maagd beide. Maar stormwind wekte geen trots in mij: ik ben de
-Ontroostbare Weemoed! O, zoo mijn vader mij niet vergat, en hij daalde
-even neêr tot mij, in zijn boodschappende vlucht, hoe blijde zoû ik
-zijn hem zijn enkelvleugels los te binden, en hem rusten te doen, even
-zittende! O, zoo mijn moeder, lust van goden en menschen, mij niet
-vergat, en zij straalde even neêr tot mij, mij badende in haar gouden
-glimlach, hoe zalig zoû ik zijn, mijn armen om haar leest als een
-gordel te slaan en haar knielend te zeggen, dat ik haar aanbid! Maar
-mijn ouders zoeken mij niet. Ik dwaal slechts Karië door, en mijn
-grootste troost is mijn slapen, ook al zijn àl mijn droomen droef...
-Faun, wat zeg ik je zoo vele woorden? Nooit heb ik er zoo vele
-gezegd...
-
-—Weemoed-oogige Hermafroditos, zoon van lichtenden Hermes, en dochter
-van goudene Afrodite, stort in woorden je weemoed mij uit... Want is
-Weemoed onzegbaar en hoe kan Weemoed ontroostbaar blijven, als Dionyzos
-niet verre is...?
-
-—Ik, eenig en twee, zijn eenzaam altijd mijn dagen gebleven, want ik
-vluchtte de eenige, die mij nabij kwam, donkeroogige nymf Salmakis, en
-hoe ik ook twee was, eenzaam ben ik immer gebleven, zoowel eenzaam voor
-mijn mannelijkheid als voor mijn maagdelijkheid eenzaam. Waar het
-verlangen mij dubbel smachtte, bleef ik dubbel onvoldaan, en vluchtte
-ik slechts dieper in schaduw, bang en schuchter voor Salmakis, en bang
-en schuchter voor mijzelven. Eenzaam bleven mijn nachten, en ik
-luisterde naar den nacht. Wijd en eenzaam bleven rondom het woud en de
-wereld, en de weemoed weligde in mij als donkere klimop. Nu is mijn
-ziel zwarte weemoed slechts, als donkere cypressen in klagenden wind. O
-Dionyzos’ Faun, waarom zeg ik, eenzame zoon der lichtendste goden,
-eenzaam kind, dat steeds vluchtte, je ALLES in vreemd en nieuw
-vertrouwen? Waarom kan ik niet anders dan zeggen, en vloeien mijn
-woorden als stroomend water plotseling, na altijd te hebben
-gezwegen...! Je glimlacht maar, en maar even heb je van Dionyzos
-gesproken. Maar ik weet niet wie hij is. Is hij een god? Is hij
-verstandig als Hermes? Is hij goudstralende als Afrodite? Zal hij als
-mijn ouders wreed zijn en onachtzaam? Waarom sprak je zijn naam uit? Je
-bent zijn Faun, maar wie is hij...?
-
-—Hij is, o weemoedoogige Hermafroditos, hij is de vreugde, die
-nadert... Hij is de purperen vreugde, die nadert, door de woudschaduwen
-van Karië heen... En opdat hij niet dwale, en vinde vlug, speel ik de
-blijde wijze... Hoor...! Zoo klinkt de blijde wijze! Zie... viooltjes
-laat ik opbloeien, omdat viooltjes hem lief zijn: hij slaapt gaarne op
-viooltjes, hij loopt gaarne over viooltjes; op viooltjesgeuren zal hij
-naderen... Hoor... Zoo klinkt de blijde wijze... Hermafroditos... zie
-in het water hier, en spiegel er in je glimlach... Zacht glimlachende
-Hermafroditos... het is niet om mij, mijn blijde wijze en mijn
-viooltjes: het is om Dionyzos, die nadert... Hoor je niet,
-Hermafroditos, het woud ruischen van zijn nadering? Zijn zoekende tred
-kraken het lage hout? De vogels tjilpen zijn weg langs, de hamadryaden
-lachen...? Zij lachen en oogen en tjilpen hem na, als hij komt en
-voorbijgaat, omdat hij de vreugde is... Strijk, glimlachend, over je
-voorhoofd, dat droef was zoolang: Hermafroditos, Dionyzos nadert... O,
-hij nadert, ik hoor hem dicht bij... Schel fluit ik mijne blijde wijze
-nu opdat hij ons dadelijk vinde...!
-
-En de Faun jubelde schel de wijze, zegevierend over vogelgetjilp heen,
-over ruischen van bladeren, en bruischen van water, en strijken van
-bries heen door twijgen. En een blijde stormwind, plotseling, scheen te
-waaien door het huiverende woud: het lage hout kraakte, en bij de
-laatste tonen der wijze blij, week Dionyzos met beide handen de
-looveren open, en verscheen hij, in verrassing glansstralende...
-
-—Hier ben ik! Hier ben ik, Ampelos! Wat verliet je, ontrouwe slaper,
-mijn zijde, en dwaalde alleen door het woud, en wat wekte je mij met de
-wijze zoo blijde, en wat deedt je overal in het woud viooltjes als een
-pad mij ontbloeien! Wat wil je dan van Dionyzos? Dat hij plante? Maar
-het is niet het uur van den arbeid! Het is het uur van het zachte
-ontwaken uit welverdiende rust, na feest, overwinning en arbeid! en het
-is het bereiden voor het volgende feest! Want nadert de avond al niet
-violet? O, de feesten van Dionyzos, in Selene’s glans of bij
-toortslicht, welke feesten zijn blijder en zijn weldadiger? Zie ik de
-goden niet oogen tusschen de wolken door, verzameld in Olympos en
-kijken naar ònze feesten, benijdende ònze vreugde? Ha-ha, Ampelos,
-Hefaistos was goedgezind zijn geliefden broeder Dionyzos; kunstige
-werkman hij, bracht hij zoo even, toen ik ontwaakte, mij een geschenk,
-bewijs van zijn liefde: prachtig is het geschenk als Hefaistos alleen
-het kon wrochten: reuzig groot mengvat is het van edel goud, gedreven
-sierlijk met trossen en ranken, en den most zullen wij er met de honig
-in mengen, dezen nacht, ter eere van kunstigen Hefaistos! Blijde was
-hij zijn mengvat te geven, omdat hij mij lief heeft om vreugde, die ik
-geven de wereld zoû... Maar Ampelos, zeg, waarom floot mij de blijde
-wijze over viooltjes naar hier? Wat vriend, wil je van Dionyzos!! Voor
-planten is het de ure niet!
-
-—O Dionyzos, ik floot de blijde wijze, opdat je zoû komen en vreugde
-zoû sprenkelen.
-
-—Vreugde sprenkelen op zoo donkere plek? Tusschen cypressen en
-steeneiken donker! De viooltjes, duizenden, lijken mij paars niet, maar
-zwart in zóó veel schaduw! Ampelos, waarom zocht je een plek uit, die
-niet gunstig kan zijn noch voor druif, noch voor vreugde... Mijn oogen,
-van Hefaistos’ geschenk, zijn verblind, zien niet de donkere cypressen
-door... Toch zie ik, ben je alleen niet, Ampelos... Wie schuilt
-hurkende weg in de schaduw... Is het een nymf, die bang is voor
-vreugde? Neen, ik zie een slanken knaap! Toch niet, ik zie een nymf!
-Ampelos, wie is dit, knaap en maagd beide, en zoo schuw in
-cypressenschaduw!
-
-—O, Dionyzos, het is weemoedoogige Hermafroditos, zoon-en-dochter beide
-van Hermes, van verstand stralende, en Afrodite, stralend van
-schoonheid, en nooit heeft hij de vreugde gekend in de eenzaamheid van
-Karië’s donkere wouden! O Dionyzos, sprenkel hem vreugde!
-
-Zoo drong glimlachende Faun, en lang zag Dionyzos naar den schuwen
-knaap met de zwellende maagdeborst. En terwijl de god zag, was er een
-zwijgen in de viooltjes-doorstoofde cypressenschaduw, en eene
-ònbeweging en roerloosheid. Toen glimlachte Dionyzos, en hij knielde
-neêr bij schuwen Hermafroditos, die hurkte weg, schuchter, vol
-schaamte, zich hurkende bedekkend met beide handen, zoo beneden als
-boven, voor den blik van den god. Tot de blijde god Dionyzos heel zacht
-zeide troostvolle woorden:
-
-—Schuwe knaap en mij broeder en zuster, godekind, kind der glanzendste
-goden! Achtten Afrodite niet en Hermes hun spruit, omdat hij was
-mannelijk en vrouwelijk, en twee vereenigt in zich? O, schuwe knaap,
-niet altijd was verstandig enkelvleugelig-vlugge Hermes, en je
-heerlijke moeder, gemakkelijk in liefde en lust van goden en menschen,
-schaamde een ènkelen keer zich wel eens haar daden en de herinnering er
-aan! Toch behoefde zij nog Hermes te schamen zich zoo lieflijk kind,
-éen-tweeling, dien zij achterlieten op woest gebergte of in donker
-woud. Wel zijn de goden onnoodig soms wreed voor hun kinderen en laten
-onbeschermd aan het noodlot hen over! Schuwe knaap, en mij broeder en
-zuster, laat zacht Dionyzos je streelen over je golvend in wrong
-geknoopt haar, zoo als hij een jonger broêrtje zoû doen, of doen zoû
-een jeugdiger zusje... Hef de oogen op en zie Dionyzos aan:... laat
-Dionyzos de handen je beiden nemen en te niet doen je schaamtegebaar,
-dat niet is noodig voor wie zich, zelfs in cypressenschemering, zoo
-lieflijk vertoont, en zoo mooi, zoo rank en zoo edel gevormd en lenig
-in mengeling der schoonste vormen van schoonste ouders, die goden zijn!
-O, weemoedoogige Hermafroditos, word met trots je bewust, en schaam je
-niet meer, verhef de armen in een blijde verlossing uit weemoed, en
-wees wie je bent in jubelende blijdschap! Verlossen uit weemoed zal je
-Dionyzos dit oogenblik en blij jubelen zal hij je leeren deez’ nacht,
-in den reidans om het mengvat van den kunstigen Hefaistos... Schuwe
-knaap... nu rijst Dionyzos op en hij strekt beide handen je toe: rijs
-op aan zijn handen... Zoo, laat Dionyzos je steunen, zijn arm om je
-leest... Ampelos, ga ons voor en speel ons voerende, opdat wij
-gedachteloos kunnen volgen over het geurige pad der viooltjes...
-Hermafroditos, de avond valt, en dikwijls is weemoed de vallende avond,
-maar is deze avond, vallende, weemoed? Of is hij aanvang van blijden
-moed? Laat mij je steunen op het vreugdepad en huiver niet in mijn
-zachte omhelzing! Is deze avond geen blijde moed? Zie... door de boomen
-glinstert de zee ginds, tusschen de ijlere looveren zie ik den in avond
-verparelden hemel welven en de sterren ontluiken, madeliefjes van
-vreugde in een groot lila veld... Kom, Hermafroditos, kom... Wees
-voorbereid op de vreugde... Laat Dionyzos je voorbereiden, opdat je
-niet schrikke, en vluchte... Ginds, waar donkerder al neêrvalt de nacht
-en al toortsen rossig opschemeren, zal jubelen aanstonds de vreugde;
-vlucht niet en verschrik niet, Hermafroditos, als je de vreugde ziet en
-hoort jubelen! De vreugde om Dionyzos’ zege! Kijk eens, zachte broeder
-en zuster teêr, kijk eens:... dit zijn druiven! Dit is een tros van
-druiven! Die heb je nog nooit gezien? Mooi zijn ze, niet waar,
-Dionyzos’ purperen vruchten! Proef ze eens... Neem den tros in je
-handen beide... Druk den tros eens aan je lippen... Zoen eens den
-tros... heel zacht... Kijk, het waas is er afgekust door je lippen nu,
-en heviger purpert het ooft... Pluk nu eens een kraal van den tros
-af... Zoo, voorzichtig... druk de kraal uit tusschen de lippen, aan het
-verhemelte... Hermafroditos... glimlach je? Is dat zoet? Nu weêr een
-kraal... Schaal heb ik niet op dit oogenblik, maar houd als schaal je
-handen te zamen eens... dicht de vingers geperst... Nu zal ik
-uitdrukken den tros in je handen... Zie, het heerlijke druivenbloed...
-Drink nu, Hermafroditos... Dit is het nieuw genot... En drink je het,
-Hermafroditos, dan zal je overal zien in de wereld, die Dionyzos
-verwint, het nieuwe genot overstràlen de somberheid en den weemoed
-ook... den weemoed òok, Hermafroditos... Broeder, word je bewust!
-Zuster, word je bewust! Wees blij om het dubbele leven! Jubel... O,
-laat mij je niet verschrikken! Ik wil niet dan voorzichtige woorden
-zeggen, om je niet te veel verschrikken te doen, schuwe
-Hermafroditos... Maar ginds zijn niet voorzichtig mijn saters, en mijn
-menaden zijn wel eens razend van vreugde, maar lachen, o zal je zeker,
-om Silenos; hij is mijn meester, wijsgeer is hij, en een ezel berijdt
-hij, gewillig en wit, met ooren lang en bewegelijk, op wiens hals
-neêrplooit zijn dikke maag, en achter hem rijden, op ezels, Silenen als
-hij, knikkebollend en dik, en àllen, vol wijsbegeerte en vol zoete
-druifs, en als je hen ziet, o schuwe knaap, lach je zeker, lach je
-zeker... Dan moet je heel spoedig fluit leeren spelen, en de
-Panskindertjes zullen je leeren: zij spelen fluit al van zelve, dat
-gaat op en neêr, als stroomend water. Hoor je ze?... Dat zijn de
-Pansfluitjes... Faun heeft mij aangekondigd... Wijk nu niet van mijn
-zijde, Hermafroditos, opdat je, zoo schuw, niet verschrikke, en ik,
-zachtjes-aan, je de vreugde leere... Blijf hier staan, en zie toe:...
-kijk, zij dansen om het gouden mengvat! Zij roepen mij uit, eere, en
-eere Hefaistos kunstig! Zie, dat is niets dan vroolijkheid. Daar zijn
-mijn brave faunen! Daar zijn mijn dolle saters! O Hermafroditos, ook
-veel sterfelijken zijn gast mij en volgeling en medestrijder voor de
-vreugde... en jij bent een godekind, glanzend! en gast, volgeling en
-medestrijder zal je zijn in Dionyzos’ vreugde... Kom nu nader, en wees
-niet bang! Menade, kom hier, maar wees niet zoo ruw als een wilde
-tijgerkat, want dit is schuwe dochter-en-zoon van allerglanzendste
-goden, en je mag niet zijn teêre ziel verschrikken... Breng een mooi
-gespikkeld vel van lynx... zoo, en knoop het om Hermafroditos... zoo...
-over schaamte en boezem, opdat hij zich wenne aan vreugde, en vrij zijn
-handen hebbe om te plukken en te persen druiven... Geef nu een rank,
-menade, en krans mijn gast het hoofd... Hang hem aan de slapen twee
-trossen... O, wat is hij heerlijk, mijn gast, van schoonheid en van
-ontwakende vreugde... Meng je nu in de vreugde... Nog niet, o schuwe
-gast? Blijf je aan Dionyzos’ zijde? Goed... lieve gast... o, blijf dan
-nog... en, hier, laat met een zoen Dionyzos je op het teederst
-liefhebben op oogen, op wangen, op lippen... Maar nu, ga... Ga,
-tusschen de vreugde... Eenzaam zal je er niet zijn... Dionyzos’ geest
-is overal bij je... Nymfen van Nyza, blijde, neemt in je midden mijn
-gast... Leert hem den dans... Geeft hem den thyrs... Weest hem lief en
-zacht, en menaden, en saters, bedenkt, o bedenkt, dat hij àltijd is
-droevig en eenzaam in weemoed geweest in zwarte cypressenschaduw en dat
-de vreugde hem nog zoo nieuw is. Leert hem de vreugde zacht aan.
-Faunen, houdt om hem de maat... Geen onmaat nog om mijn gast... Zingt
-lieflijk en danst blijmoedig... Zegt hem niet te vreezen de brullende
-panthers... Niet te vreezen menaden en saters... Niet te vreezen de
-vreugde... Weldra vreest hij de vreugde niet, en zal hij onmatig kunnen
-zijn met Dionyzos’ eigen goddelijke onmatigheid... Evoë, Evoë, dan!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-
-In den stormnacht ging de thiazos over het gebergte, eindelooze
-legertros, op overwinning uit van verdere oorden. Ontelbaar
-thyrsengewemel in de bliksems en stortregens, die ruischend zwierden
-uit wolkdichten nacht, piekde over de bergkammen op, en bewoog zich
-tegen de drijvende luchten. In razende juichingen ijlden het voorst,
-verschrikkelijk, menaden, in fladderende ranken en beestenvellen, en
-zij stortten zich op wild of schuw dier, panther of ree, en
-verscheurden ze beiden, in oogwenk. De flambouwen der saters smeerden
-een langen walmenden brand door den regen heen, sissende uitgedoofd en
-telkens weêr ontstoken. Dicht in tijgerhuiden omhuifd volgden nymfen,
-angstiger, en dronken ter bemoediging de schaal telkens uit. Want het
-was of éen lange wingerdrank, van trossen zwaar, meêging, meêreisde,
-zich bewoog: festoen, meêgedragen, van menade tot sater en nymf, en
-allen omrankend, onbreekbaar. Tal van Panszoontjes en druivekindertjes
-torsten Hefaistos’ goudene mengvat, en scheef, danste de groote vonk
-voort op de flitsende bliksems. De faunen op panthers volgden, de lange
-enkelfluiten bespelende, of de breede fluiten van riet, kort en lang.
-Opgewonden van de nieuwe vreugde mengden zich tusschen allen de zoo
-vele stervelingen en torsten mede den druiverank, reuzig. Tusschen
-fakkels blonken wit de ezels der Silenen, Silenos vóor aan hun stoet en
-voor den regen beschutten breede hoeden hun hoofden eerwaardig en
-knikkebollend, terwijl over de halzen der beesten neêrplooiden hun
-vette magen. Kwinkslag had Silenos altijd, thans omdat Zeus niet
-genadiger was zijn lievelingszoon Dionyzos en den storm had ontketend
-tijdens zijn reize.
-
-—Maar nooit zoû Zeus des nachts meer mogen stormen, zoo hij zijn
-lievelingszoon Dionyzos altijd blij reisweder gunde, want Dionyzos
-reist ìederen nacht, onvermoeid en onmatig voort! O, grijze
-lotgenooten, zoo wij den jeugdigen god niet dienden met raad en al wat
-wij gaarden aan wijsheid, als nijvere bijen honig, hoe zoû Dionyzos de
-wereld verwinnen! Veroveren wij niet de wereld voor hem, met onze
-leidende gedachte en raad—hoe vaak ook in wind geslagen? O, zoo wij, op
-onze ezels blank, niet bleven rondom Dionyzos! Nooit zoû hij de wereld
-veroveren! Zwaar is de taak ons opgelegd, o waardige gezellen Silenos’,
-en ik beken, als het nieuwe genot mij niet telkens kracht door mijn
-oude merg deed vlammen, ware ik bezweken alreê, in zoo rustelooze
-voortbeweging en strijd. O, waardige metgezellen, laten wij
-rijdende,—want nòg voorzichtig stappen onze ezels—persen den tros in de
-schaal, en biede de een de schaal aan den ander. Eere zij Dionyzos, die
-de nieuwe vreugde verwekte, maar eere ook ònze wijsheid en matigheid.
-Wijs ben ik altijd, en matig poog ik altijd te zijn... Gezellen,
-gedenkt je haren grijs, en weest nooit onmatiger dan is Silenos...
-Ho-ho... witte langoor, struikel niet, en laat niet Silenos glijden op
-het donkere pad in plassen van regen... Zoek voorzichtig waar den hoef
-je zal zetten... Ho-ho, witte langoor... wat slinger je van rechts naar
-links en van links naar rechts... als of je te veel hebt gesnoept van
-druiven, en Dionyzos’ vreugde te machtig je wordt... Ho-ho, ho-ho, zie
-ik goed of slingeren àlle gezellen Silenos’ van rechts naar links en
-van links naar rechts op hun druivebeschonkene ezels... Ik ransel den
-mijne met mijn agavesteel! Dat zàl hem leeren niet waardig te zijn, als
-het rijdier eens wijsgeers past! Ezel, is een panther ooit dronken?
-Zie, hoe de faunen ze zeker berijden, de woeste brullende dieren, en
-jij, ezel, met naam van gewilligheid, bent ongezeggelijk als zelfs niet
-is wilde panther of leeuw! Hoû recht het pad en val met Silenos niet
-van den bergkam! O, in de toortsen, zie ik aan beide zijden den afgrond
-kartelen naar omlaag... o, dat is verschrikkelijk, faunen! Edele
-faunen, leidt onze ezels, wilder dan wilde beesten! Ze zwaaien, onze
-ezels, zoo woest met ons voort: edele faunen, leidt hen! Ontfermt je
-over zoo wilde ezels en Silenen zoo wijs en zoo matig... Zoo, zoo gaat
-het al beter, o faunen! Maar wie lacht achter ons, klaterend door den
-stormnacht heen, en berijdt er een jongen leeuw, wijd-uit de manen? Wie
-lacht achter ons? Voorwaar, dat is die schuwe jongeling met den
-zwellenden maagdeboezem! Omkijken durf ik niet, maar dat is hij, of dat
-is zij... Zoo als je wilt! Schaterlachende Hermafroditos, heb maar
-genoegen om oude Silenen! Lach oneerbiedig de wijsheid maar uit, den
-waardigen grijslokkigen ouderdom! Een tammen leeuw is gemakkelijker te
-berijden dan een wilden witten ezel! Edele faunen, wat slingert mijn
-ezel: o ik slip van zijn rug, als niet twee edele faunen mij steunen,
-de een links, de ander rechts!
-
-Zoo lalde dronken Silenos; de regen ruischte op zijn breeden hoed, en
-de bliksem verblindde hem telkens, en twee blijde faunen steunden hem
-nu op den ezel, zijn altijd gelijkmatige dier, dat hij schold. Ja,
-achter den stoet der Silenen lachte blij om hem Hermafroditos, met zijn
-nieuwen heerlijken lach, juichende, en Dionyzos in zijn lynxenwagen,
-Ampelos op een leeuw hem ter zijde, lachten om hun nieuwen vriends
-nieuwen lach. Tot plots Dionyzos beval den lynxenmenners stil te
-houden. En hij wenkte Faun ter zijde.
-
-—Hier is de plek... De viersprong... Ik herken haar... uit mijn
-laatsten droom... Door heilige droomen, o vader Zeus, gebiedt ge mij uw
-wil... Saters, menners, staat stil, dat ik uitstijg... laat voortgaan
-den thiazos door den donkeren nacht, nauwlijks doorblaakt van toortsen
-en met bliksems doorflitst... en leidt dan den wagen voort, langzaam,
-en roept steeds toe, dat ik volg, ook al leidt ge zonder mij den wagen
-leêg voort... O Zeus, o mijn vader, blijde volvoer ik uw wil...
-Onzichtbaar omhuift het stormgeweld mij voor aller nieuwsgierige
-oogen... Hier is de plek... De viersprong... Ik herken haar... uit mijn
-laatsten droom... O Zeus, nooit zal Dionyzos versagen de vreugde, waar
-gij het beveelt, te sprenkelen! Wolk donkerder nog den slagregenenden
-nacht rondom je altijd blijden zoon Dionyzos, opdat hij ongeweten deze
-reize volvoer... Faun, vriend, tors op je schouder mij; zoo; prang mij
-stevig met handen beide om mijn middel en heup... Ik sla om je hals
-mijn arm... Nu, daal af aan dezen viersprong de hoogvlakte breed, en
-zoek bij de bliksems het kartelige pad... O Zeus, o vader, sla-uit uw
-bliksem vlak voor Ampelos’ voet, dat hij zie! Razende nacht,
-ontzetting, slagregen, heelal doorsidderende donder, bliksem op
-bliksem... Dionyzos is vòl vertrouwen! Vader, omring mij geheel! Uit de
-bruischende huilende stemmen van den losgeketenden storm hoor ik,
-vader, uw machtige stem. Vader, ik ben vòl vertrouwen. Ik ga... ik daal
-waar ge wilt... Lager steeds, Faun, daal lager... De bergwouden zwiepen
-op den stormwind neêr aan onze voeten... Een weide moeten wij schemeren
-zien, van hoog gras golvende landstreek... Daar zie ik de weide... Daar
-zie ik de weide! In de bliksems zie ik de weide! Het hooge gras golft
-als een zee in den storm. Daar zie ik de golvende weide! Daar rennen de
-wilde Kentauren ongetemd, zelfs niet door stormenden Zeus... Vlugger
-zijn zij dan de stormwind! Ampelos, tot hier toe... Nu zet mij af... Nu
-weet ik mijn weg alleen.
-
-—O, mijn vriend, o mijn god, Dionyzos! Hier verlaat ik je, vriend,
-Dionyzos? Waar ga je heen in den stormenden nacht? Alleen, zonder mij!
-O, mèt mij, op mijn schouder getorst, vrees ik niet voor je; zonder
-mij, vrees ik alles...! Nooit zag ik zoo woeste streek! Nooit omringde
-mij zoo ontzettende nacht! Nooit striemde mij zulke geeselende regen!
-Nooit verblindde mij zulke bliksem! Dionyzos, beveel mij alles, maar
-beveel mij niet je hier te laten. Laat mij je blijven omklemmen en
-blijven torsen op mijn schouder! Dionyzos, ik weet niet het doel van je
-reis, maar laat mij met je bereiken dat doel.
-
-—Ampelos, zet mij af! Waar in mijn droom Zeus mij beval heen te gaan,
-en één nacht vreugde te sprenkelen, daar is het niet Faun vergund mij
-te voeren... Zet mij nu af... Hier ga ik alleen.
-
-—O Dionyzos, niet anders kan ik doen dan je zegt. Maar de nacht is
-ontzettend! O Dionyzos, mijn armen omhelzen je dicht, dicht tegen mijn
-borst, mijn god en mijn liefde, want wie, goden weet, waar ik je zie
-terug! Wie wat je wacht! Welk noodlot zwart als de nacht zwart is! O
-Dionyzos, nooit omringde mij zoo ontzettende nacht, en nooit zoo
-ontzettende wanhoop! Je verlaten! Je verlaten! Hier! Aan het einde van
-dit rampzalige pad! Bij den zoom van deze verschrikkelijke weide, waar
-de schrikwekkende schimmen jagen, donker, over de stormlucht heen, heen
-en weêr, heen en weêr als ontzettingen! Dionyzos, ik voel wat ik nooit
-voelde: vrees! Ik ben bang. Ik beef voor jou, Dionyzos! O mijn god, en
-mijn liefde, ik voel vrees en ben bang, en je in mijn armen omvattende,
-snik ik aan je voeten!
-
-—Vriend, o Faun, vrees niet als Dionyzos niet vreest! Zeus is mijn
-vader! Zeus is om mij! Wacht hier af op deze plek, en beschut je voor
-het stormend geweld in diepe rotskloven veilig, daar, waar de oreaden
-ook schuilen. Zoek haar op en leer haar de vreugde... Hier zijn
-trossen, Faun, vele laat ik er om je heen, opdat zij je in de wachting
-troosten voor dezen verschrikkelijken nacht!
-
-En Dionyzos omhelsde Faun innig, maar rukte zich plotseling van hem en
-was verdwenen tusschen bliksems en rollenden donder. Zoo door zijn
-vader Zeus machtig omringd, kon Faun hem niet volgen, bleef achter
-verblind, en zocht zijn weg door duistere kloven. Dionyzos, alleen,
-ijlde in de richting der weide, waar over de onheilsluchten renden als
-verschrikkingen heen en weêr, de woeste Kentauren, jagende. En Dionyzos
-stiet een schellen roep boven het geraas van den storm uit: nu stiet
-hij roep op roep, en in de bliksems lichtte blank òp zijn jeugdige
-jongensgestalte. Hij hief de armen en met de hand wenkte hij. Hij riep
-in zijn roep:
-
-—Hola! Holaha! Woeste Kentauren, hola! Hoort Dionyzos roepen, hola,
-door het wilde geweld van den storm! Kentauren, holaha, hola! Ik ben de
-god van de vreugde, en ik roep je, woeste Kentauren, tot mij, opdat je
-mij voere, waar Zeus wil, dat je mij voert, snel als de stormwind
-zelve! Hola! Holaha!
-
-En in de weide, van lang gras zeegolvende landstreek, luisterden de
-woeste Kentauren toe, en spitsten de ooren naar de stem, die hen zoo
-schel riep door het geweld van den storm heen.
-
-—Holaha, woeste Kentauren, hier! Komt tot Dionyzos, waar hij je roept!
-Hola, holaha, hier! Het zeegolvende lange gras, o woeste Kentauren,
-wuift om mij rond, en verhult mij tot boven mijn middel... Hola, komt
-hier! Jaagt hierheen, waar je roept mijn stem schel, en waar je wenkt
-mijn gebaar blank door den zwarten nacht. Hola! Holaha! Kleinzonen van
-Ixion en wolkige Nefele, evenbeeld goddelijker Hera, o woeste zonen van
-Kentauros en de prachtige Pelionische merriën, zonen van vader
-onstuimig en van hinnekende moederen vele, Kentauren, hierheen, hola!
-Jaagt hierheen! Dionyzos roept je...
-
-Als een stormwind in Zeus’ eigenen stormwind jaagde de ontzaglijke
-kudde nu, naderende ontzetting, naar den zoom van de weide, waar
-Dionyzos wenkte met blank gebaar, half verzwolgen in de zeegolvende
-halmen gras. Als een orkaan raasden zij rondom hem heen, en hun vaart
-was als Zeus’ donder zelve, dreunende de aarde van hun hoefgestamp
-daverend, en de stormlucht ruischende van hun stormende snelheid. Tot
-zij riepen uit, vreeslijk van stem:
-
-—Wie roept en wie wenkt ons in den stormenden nacht, met gebaar blank
-en stem schel?
-
-—Dionyzos!
-
-—Wie is Dionyzos?
-
-—Ik ben de god van de vreugde, o onstuimig woeste Kentauren, en mijn
-vader Zeus beval mij in droom te gaan tot deze weide en onder je allen
-te vragen den snelste, Eurytion, mij te nemen op zijn rosrug en mij te
-voeren, duizelingwekkend van vaart, naar de poorten van Tartaros, opdat
-ik de Onderwereld binnenga, en er vreugde sprenkele éen enkelen nacht!
-Onstuimig woeste Kentauren, verneemt in den stormnacht het bevel van
-mijn vader Zeus! Duizelsnelle Eurytion, verneem het bevel van Zeus:
-slingere Dionyzos zich op je rosrug breed, en voer hem naar Tartaros’
-poorten! Hierheen, Eurytion, hola! Hierheen, houd stil je onstuimige
-vaart, hoefstampende wervelwind, hierheen! Sta stil! Sta stil! Kan je
-niet stilstaan een oogwenk! Sta stil! Te vergeefs poog ik mij te
-slingeren op je rug! Sta stil! Hier, Eurytion, pròef het genot! Dit
-zijn druiven! Dit zijn druiven! Ha ha! Uit mijn hand grijpt zijn groote
-hand den tros, en drukt ze aan zijn lippen te pletter... In dit
-genot-oogenblik, o Eurytion, slinger ik mij op je breeden rug, en sla
-ik mijn arm om je reuzetors, zwellend van bundels spieren! Voort
-Eurytion, voort! Voort, naar de poorten van Tartaros! Voort, o
-stormruischende vaart! Voort, o voort door den stormenden nacht! Wie
-stormt er onstuimiger voort, storm of vaart? Voort, o stormruischende
-vaart! Rondom mijn menschenros rennen hoefstampend alle andere dravers
-meê! Reuzekudde, vergezel Dionyzos! Wees als donder rondom hem heen!
-Hij vreest geen donder, geen Tartaros! Hij versaagt nooit, Dionyzos!
-Vaar voort, o vaart! Eurytion, o ter belooning, zal IK, god van de
-vreugde, je vreugde geven en druiven voor je doen weligen, zoo dat je
-van purperen vreugde zal zwijmelen en zal ronddansen op je stampende
-hoeven! Nu schijnt het mij toe of ik niet voort vaar op éen
-paardmensch, maar of ik op honderd menschpaarden voortvaar! Of ik
-voortvaar op een daverende wolk, op den rollenden donder zelven... Dàt
-gaat eindeloos door. Ver zijn de poorten van Tartaros. O Zeus, ik ben
-vòl vertrouwen!
-
-Zoo riep juichend uit op zijn menschros Eurytion de blijde god
-rennende, te midden van de hevige vaart der andere onstuimig woeste
-Kentauren, en door den stormnacht heen ijlde hij dwars door woeste
-geheimzinnige streken voort, vreemd van dreigende rotsen, die
-verschoven, overheld met stormgezweepte boomen, scheef, waarin
-haar-omwaaide furiën schenen te huilen en nagilden de vermetele
-dravers. Maar zij achtten niet en draafden voort, dwars door Zeus’
-donderend en bliksemend geweld. Tot plots de storm scheen gedaan, en de
-nacht was pikdonker en suizelde, vreemd, en de Kentauren een voor een
-achter bleven. Maar Eurytion wist den weg, hoewel hij zijn stormvaart
-verminderde, en plots stond hij trillende stil, op zijn paardbeenen
-vier, en helde achterover de reuzetors, waarom rond Dionyzos zich
-klampte. En hij zeide met diepe stem, bijna angstig:
-
-—Hier, o blijde god Dionyzos... is het einddoel van mijn vaart.
-Daar...—en hij wees, den machtigen arm gestrekt—rijzen de koperen
-poorten van Tartaros...
-
-Nu toefde op des Kentauren rug, een oogenblik, Dionyzos. Toen murmelde
-hij:
-
-—O Zeus... o mijn vader... Ik ben vòl vertrouwen!
-
-En hij wierp zich af.
-
-—Dank! riep hij. Woeste Eurytion, dank voor de stormsnelle vaart. Hier,
-duizelsnelle Eurytion, ga ik alleen, en vind ik je terug vóor den
-dageraad. Want langer niet dan éen nacht mag de vreugde in Tartaros
-verwijlen...
-
-Toen ging hij voort, de blij vertrouwende god Dionyzos. Hij was geheel
-naakt, een jonge knaap, slank de blanke leden, zoo vrouwelijk week, en
-zijn bronsblonde lokken, opgeknoopt, waren met wijnlof omwingerd; aan
-de slapen droeg hij twee volle trossen. In zijn hand hief hij omhoog
-zijn pijnappelroê. En zoo ging hij, de oogen ernstig en vol weemoed
-bijna, maar de lippen lieflijk lachende. In zijn godeziel zwol het
-medelijden, toen hij voor de koperen poorten stond. Hij huiverde even
-angstig, maar talmde niet met zijn tred. Was het niet aan hèm alleen de
-vreugde te sprenkelen, daar waar nooit vreugde was? En hij trad door de
-open poort de duisternis binnen, verschrikkelijk.
-
-De duistere nacht baaierde, waaiende om hem heen, maar Dionyzos’
-violenoogen, blinkende als blauwe starren zacht, zagen wennende, door
-die eeuwige duisternis heen; en zij zagen den waaienden wind, de
-waaiende wolken, de heel verre duistere kimmen, rotsachtig
-verschietende achter den wolkenden waaienden wind, die eindeloos droeve
-beweging verwekte, in den onderwereldschen eeuwigen nacht. Hij zag het
-duistere golven der pikzwarte wateren van Styx en van Acheron, en over
-de wateren klonk door den waaienden duisteren nacht een
-ontzetting-wekkend gebas uit drie monsterige hondenmuilen. Nu ook zag
-Dionyzos, naderende, een dicht dringen van schimmen, zacht klagende,
-aan den oeverrand van den pikzwarten stroom en over de wateren loomde
-langzaam aan een wrakkige veerboot, die roeide stram een veerman, oud
-en norsch, onverstaanbare verwenschingen toeroepende van het midden der
-wateren al. Hij stak, aan den oever, de reuzige hand uit, en vroeg om
-zijn loon, en de schimmen, die hem zijn loon konden geven, liet hij toe
-op zijn veer; hij duwde met zijn spaan de anderen terug en zij bleven
-klagende dwalende aan den somberen waterboord. Maar plots stormde om
-naderenden Dionyzos een fellere wind van storm en hij meende,
-slangengeesels sloegen naar hem en slangomlokte vrouwentronies gloeiden
-hatelijk met vlammende oogen uit wolk van wind en wapperende sluiers
-zwart, en de Erinnyen omzwapperden huilend den blijden god Dionyzos en
-raasden hem tegen:
-
-—Wie... wie vermeet zich, sterfelijk of onsterfelijk, mensch of god,
-LEVEND, en zonder Hermes’ geleide te naderen den boord van den Styx...
-Wie... wie vermeet zich? Wie?
-
-En zij sloegen naar hem met hare serpenten-zweepen, maar Dionyzos
-weerde haar af met zijn thyrs, en vol vertrouwen op Zeus, lachte hij
-uit, klaterend van eigen zielvreugde:
-
-—O, vreeslijke vervulsters des Noodlots, niet anders dan om de wil van
-zijn vader zelven, goddelijken Zeus, nadert Dionyzos den boord van den
-Styx, en treedt hij binnen de open koperen poorten van Tartaros,
-levend, en zonder Hermes’ geleide... Niet anders dan om éen duisteren
-nacht vreugde over somberheid te sprenkelen. O, gramstorige
-wraakgodinnen, slaat niet met slangegeesels uit naar mij, want ik meen,
-in DIT oogenblik, dat mijn vreugde-oogenblik is, zult gij mij niet
-kunnen treffen, en weer ik ze af met mijn thyrs, wijnbouwersstaf van
-blijdschap, niet anders dan eikestok, pijnappel-bekroond, maar machtig
-en godeschepter! O, wrekende Erinnyen, hoort: Dionyzos wil u glimlachen
-zien! Gij, die nooit glimlacht, o altijd toornige Erinnyen... Dionyzos
-wil u glimlachen zien! Door de eeuwige Tartarosduisternis stràle een
-oogenblik uw éenige glimlach! En opdat hij, o Erinnyen, stràle, zal ik
-het wonder der vreugde gebeuren laten, en rondom uw zwiepende
-hellevaart ranken laten mijn edele wingerdtakken, zoo dat zwellende
-druivetrossen u zullen omringen, donker purperend door dezen
-duistersten nacht! O sombere Erinnyen, weest op dit oogenblik blijde
-plengsters van Dionyzos’ druiven!
-
-En plotseling in den valen afschijn van licht, dat verre bleef en kwam
-van waar wist hij niet, doffe afkaatsing van wateren, sombere
-uitschemering tusschen wolken, zag Dionyzos de slangomlokte
-wraakgodinnen plukken de trossen met beenige vingers, waar ze weligden
-plotseling aan ranken, geheimzinnig wingerend rondom haar heen en
-wortelend in niet dan in donkere lucht, en zij persten de trossen zich
-aan de lippen en zij zwolgen en zij glimlachten! Zij glimlachten, de
-wraakgodinnen, den god Dionyzos tegen! Ook hij lachte, hij
-klaterlachte, en heerlijk langs den Styxboord somber klonk zijn lach
-als een vogelentriller. De dringende zielen zagen om. En de norsche
-oude veerman riep:
-
-—Wie lacht er zoo blijde daar, met den allereersten lach, die ooit door
-Tartaros klonk! Welke ziel is zoo blijde aan den boord van den Styx, en
-zoo overtuigd te worden overgezet, dat hij lacht, lichtzinnig en
-dartel, een kind gelijk, dat niet weet,—of een onwijze, die niet
-beseft!
-
-Maar de blijde god Dionyzos riep:
-
-—Raad eens, norsche Charon, raad eens wie daar zoo lacht? Hij is het,
-die de Erinnyen deed glimlachen en plukken de welige trossen, de
-purperen trossen, die hij tooverde rondom haar heen! O, schimmen gij,
-zoo vele gij, die opdringt aan den boord van den Styx, verlangend, dat
-Charon u overzette... hier, ontvangt druiven als de Erinnyen ontvingen,
-zware en volle trossen, en proeft het genot, proeft het purperen genot,
-dat ge nooit proefde, dat u nooit purperde in het leven op aarde, omdat
-ge het niet kende of het versmaadde, want zie ik niet onder u velen,
-die mijne saters ten doode toe geeselden met agavesteelen of wie mijne
-woeste menaden verscheurden! Verzoent u NU met Dionyzos,—want, norsche
-Charon, die blijde god ben ik!—en perst u NU de druiven aan de gretige
-lippen. Hier zijn schalen, hier zijn cymbels, hier zijn fluiten, o
-schimmen! Reit de ronde en zwelgt de druif! Dionyzos, Dionyzos wil
-het...! Wat wacht je, norsche Charon, en wat brom je? Omdat de blijde
-schimmen blijde dansen en zwelgen aan de druivewingerende boorden van
-Styx, in steê van te klagen en te smeeken, dat jij ze overzette op
-wrakke boot? Wat mompel je, norsche Charon? Wil je druiven? Wil je
-druiven? Dionyzos heeft geen druiven voor je! Wil je persen druiven in
-een schaal, terwijl de blijde schimmen spelen de fluit en de cymbels
-slaan? Dionyzos heeft voor jou geen schaal! Zie zelve, zijn handen zijn
-leêg, zonder druiven en zonder schaal! Kom, norsche Charon, ga terug
-met je wrakke en leêge boot, want de schimmendans duurt tot den
-dageraad, en zij zullen druiven hebben tot zóó lang! Wat mompel je,
-norsche Charon? Schimmen zet je over, niet voor een obool maar voor een
-tros purperen druiven? Nu, goed dan, norsche Charon! Klagende schimmen,
-die zonder obool naderden norschen Charon, ontvangt uw veerloon uit de
-hand van Dionyzos! Aan ieder een tros, aan ieder een tros voor Charon!
-Zoo, Charon, zet ze nu over! O, op de wrakke boot stapelen de trossen,
-en Charon, voor hij van wal steekt, zwelgt de purperen druiven! Nu zet
-Charon àlle schimmen over! Wrakke boot, wees een druivebark! Vreugde,
-vreugde, overal! Hola Charon, schater niet zoo dol, en slinger niet zoo
-op je wrak! Zet mij nu over! Steek nu van wal! O pikzwarte golven van
-Styx, mijn trossen drijven je af, en vroolijk zal je drinken mijn wijn!
-Wees vroolijk, Styx! Stroom vroolijk, Styx! Wees een stroom van
-vreugde, o Styx! O, schimmen, zingt blijde de vreugde!
-
-En op de wankele boot, geheel wingerd-omrankt en trossen-omweligd, die
-dronken Charon schots en scheef stuwde over den vloed, dansten in het
-oneigenlijke licht, dat kwam van waar wist niemand, de schimmen, en
-trapten de maat, en klapten de maat en sloegen, zingende, de schelle
-cymbels. Over hen, in de duisternis, dreven dronken de Erinnyen en zij
-lachten plotseling blijde, en Dionyzos, wuivende met den thyrs, lachte
-om haar lach. Van den verlatenen boord kwam een juichen van schimmen.
-Van den boord, dien de boot nu naderde, kwam een tegenjuichen van
-schimmen, overgezet, en die àllen anderen schimmen gaven een wijntros.
-De dans slingerde zich daar voort. Uit drie monsterhondekelen, klonk
-dwars door zang en spelen luider en luider gebas. Maar Dionyzos lachte
-te luider slechts en wierp trossen éen voor éen in de muilen, de drie,
-die uit duisternis het monster toe naar hem rekte. Hij wierp ze zoo
-vlug en zoo vele, dat Kerberos stikte bijna en de trossen uitspoog,
-bezwadderd, en ze weêr inslokte gretig, bassend en brullend beschonken
-en òphuilende plotseling, uit drie kelen tegelijk, smartelijk in
-smartelijke dronkenschap. Om zoo treurige bezwijmeling lachte Dionyzos
-te luider slechts en het was of om zijn lach ophelderde de eeuwige
-duisternis. Of zij ophelderde om zijn oogen. Of zij ophelderde om zijn
-lichaam blank, om zijn thyrs, zijn druiven, geheel hemzelven. Een
-blauwe glans straalde om hem en uit hem, en hij stond er in heerlijk en
-juichend en lachend. Plotseling weende hij, van overstelpenden weemoed.
-Hij wist niet waarom hij weende. Hij weende van medelijden. Hij
-omhelsde de zielen, die drongen tegen hem aan en hij liet de druiven
-rondom hen weligen. Zij troostten hem, en riepen hem toe, dat zij
-vroolijk waren in het purperen genot, zoo mild. Hij vroeg hun dat te
-herhalen. Zij herhaalden het en hij lachte weêr.
-
-—O Zeus! riep hij uit. Laat eeuwig hun deze vreugdenacht duren!
-
-Maar de schimmen dachten niet aan den dageraad, die onverbiddelijk
-naderde, boven. In hun druivefeest bewolkte blijde vergetelheid hun de
-gedachte. Tot plots Dionyzos zag een schim zeulen een rotsblok zwaar
-een donkeren berg op. Hij naderde juist den bergtop, half in nevel
-verstoken, en het rotsblok donderde naar omlaag. Toen slaakte de schim
-een smartkreet, allerverschrikkelijkst. En Dionyzos riep, bevend van
-medelijden:
-
-—O Sizyfos, gij die wist Thanatos zelven te boeien, en die zoo listig
-waart, dat ge zelfs mijn vader Zeus wist te bedotten,—gij, die,
-gestorven, de aarde weêr betradt om uw gemalin te straffen, daar zij
-geen doodenoffers u bracht—het geen gijzelve haar hadt verboden—gij,
-die niet weder terug naar Tartaros wildet, zoo dat Hermes met geweld u
-mede moest voeren ter duisternis—wat geven u hier al uwe listen en al
-uw inspanning en schranderheid! Eeuwig het zware rotsblok torsende op
-uw schouders gebogen, zwoegt ge den zelfden berg op, en eeuwig,
-Sizyfos, van den zelfden top, stort het rotsblok naar omlaag, geweld
-donderend! Hoe vaak, o Sizyfos, zult gij nog slaken uw smartkreet,
-allerverschrikkelijkst?
-
-De schim was den berg, snel, in éen oogwenk, afgedaald met spannende
-kuiten en krampende teenen; met zijn geweldige handen tilde hij
-moeizaam zich op den rug weêr het rotsblok zwaar, en zijn klagende stem
-vroeg, gebroken van weening, inwendig:
-
-—Wie zijt gij, o blanke knaap, wiens violenoogen ik door tranen heen
-zie schitteren als blauwe sterren door vochten avondnevel, en die met
-een ziel, beter dan menschelijke en erbarmender dan goddelijke, mij
-beklaagt om dit zware en vergeefsche werk...
-
-—Ik ben, Sizyfos, Dionyzos, de god der vreugde, en Zeus, mijn
-goddelijke vader, vergunt mij u vreugde te sprenkelen in dit uur! Tors
-in dit vreugde-uur geen rotsblok, maar een stapel trossen, hoe zwaar
-ook zwellende van purperen genot, licht, bij het gewicht dat gij pleegt
-te torsen!
-
-En plots, op Sizyfos’ rug, veranderde het rotsblok in een stapel
-druivetrossen en de ellendige schim lachte, terwijl hij torste het
-blijde genot, als een wijnbouwer, den berg op. En boven, de trossen met
-beide gretige handen zich drukkend aan de lippen, riep hij luide:
-
-—O, heb dank, o Dionyzos, voor deze verlichting en blijde gave! Tors ik
-ook straks weêr mijn rotsblok, gedenken zal ik mij immer het blijde
-genot, en geen grooter zaligheid en weelde dan zich het blijde genot te
-herdenken in de oogenblikken der bitterste smart!
-
-Maar door zijn laatste woorden heen, vernam Dionyzos roepen, een
-klagende stem, erbarmelijk:
-
-—Wie gij ook zijt, daar ginds jeugdig en knapeblank, en zóó
-vreugderijk, dat uw lach meê zich deelde aan wie nooit lachten in
-Tartaros... wie gij ook zijt, vergeet MIJ niet en richt even een blik
-naar mij! Zie,—en Dionyzos in duistere duisternis, die zijn eigen
-blauwige afglans zacht op deed schemeren, zag in een beemd, vreemd
-betooverd van ruischend water en wuivend gelooverte, een schim hem
-smeeken, de beide armen erbarmingwekkende uitgestrekt—zie, ik ben
-Tantalos: gunsteling was ik der goden, lieveling was ik van Zeus,
-toegang had ik binnen Olympos, plaats mocht ik nemen aan der goden
-disch, luisteren in hun raadsvergadering, maar te hevig was mij zulk
-genot: ik bezweek: ik verried Zeus’ geheime besluiten, ik stal nektar
-en ambrozia en deelde er van mede aan sterfelijken, minder begunstigd
-dan ik—deelde er mede van uit hoogmoed en misschien uit edeler oorzaak
-en àllen zoekende menschenliefde, maar bezwijken deed ik, en
-verpletterd door Zeus’ toorn, leef ik dood hier mijn straf voort,
-eeuwig; o eeuwig, Dionyzos, god der vreugde, dien ik niet kende, nieuwe
-god, die mij verwondert, die mij verwondert hier op zoo treurige
-plaats...! Wie gij ook zijt, o nieuwe vreugdegod, o vreugdevolle
-Dionyzos, richt u naar mij ook een oogenblik...: zie! Ik sta in
-ruischende beek en heete dorst verschroeit mij, maar nooit gelukt het
-mij, zoo zwaar als het is, dit water mij aan de lippen te brengen: het
-vloeit als zilver tusschen mijn vingers, het wijkt golvende weg als ik
-mij buk, en de bedding verdroogt door mijn enkel gebaar,—en mijn
-eeuwigen honger... nooit stilt dien het goudene ooft, dat gij ziet even
-glinsteren niet hooger dan de opheffing van mijn hand: het wuift
-hooger, zoodra ik de hand hef, en wiegelt zich speelsch, spottend en
-lokkend over mij heen als gezwaaid door een booze zefyr, die genoegen
-neemt in mijn heete kwalen! Zie, ik buk mij... het water loopt weg;
-zie, ik hef de hand... en weg wiegelt het ooft, en in den eeuwigen wind
-hoor ik een schaterlach, blijde om mijn steeds te-vergeefs trachten! O,
-moêheid hier te bukken en te reiken steeds te-vergeefs, o ellende van
-honger, dien nooit stilt dit wreede fruit, en van dorst, die dit wreede
-water nooit lescht! Altijd, altijd!
-
-—Tantalos! zei toen Dionyzos. Nooit was mijn ziel zoo bewogen van
-medesmart als om uw klacht! Tantalos... in dezen vreugdenacht,
-gedurende de enkele uren, dat hij nog dure—stil honger en dorst...
-Geniet en heb Dionyzos’ vreugde!
-
-En de blijde god lachte door tranen heen, want de schim slaakte een
-luiden vreugdekreet; om zijn wreeden ooftboom, plotseling, rankte een
-welige wingerd, wondersnel, en de druiventrossen, zwaar, vielen hem in
-de palm van knakkende steelen af; en het water, waarin hij stond,
-vloeide rood een edelen wijn hem toe, of het purper rondom hem
-fonteinde... O Dionyzos’ vreugde, dàt te zien en de vreugde der schim
-te genieten! Maar de onderwereldsche wind stak feller op, killer en
-kouder, en Dionyzos, voortgetrokken als door steenende kreten van
-maagden, zag in vreemd weêrlicht, als in bliksem van Hades, òpròtsen
-een landschap, wreed en hard, niets dan harde en wreede rotsen,
-gestapeld; een moeilijk steil pad leidde heen naar een donkeren
-trechter, reusachtig, en toen, in Hades’ bliksem, zag Dionyzos, van
-ijzing rillende, het Vat, het vreeslijke Vat, het noodlottige, groote
-Vat; zwart rees het in ijzeren banden, duig bij duig vastgekrampt
-tusschen de ruige rotsen; hoog rees het als een ronde vatvormige toren,
-met zwellende buiging,—maar bodem scheen het Vat niet te hebben;
-grondeloos stond het in een diepe donkere poel, waaruit het water
-wegsijpelde in het moeras van den Styx. In den felleren wind steende de
-klacht, altijd, van afmatting en troosteloos wee, der radelooze
-vrouwen, der diep beklagenswaardige Danaïden: treurige theorie van
-trouwelooze gemalinnen: éene voor éene tilden haar groote waterkan zij
-aan den bron, waaruit langzaam sijpelde een magere straal: lang, o lang
-duurde het haar elk, eer de kan was gevuld, ten boorde toe;... dan
-torsten zij, moede, de zware kan zich op het hoofd, de zware kan zich
-op den schouder, met beide handen ze houdende, of met een enkele hand,
-en de andere tastende lange den ruigen rotswand, ten steun... en moede
-strompelden zij hooger, struikelden hier over een steen, daar over een
-knoestigen boomwortel... nu viel er op beide knieën éene, zusters
-beurden haar op, en zij weende, en zij weenden allen: hare kan was
-gebroken, en zij moest terug om een nieuwe kan, moedeloos ging zij
-terug, vulde de nieuwe kan, sleepte zich op...: de zusters waren nu
-hooger... Boven, waar eindigde het pad, gaapte haar zwart de afgrond
-van het bodemlooze Vat, en in den bliksem zag Dionyzos de witte vrouwen
-van smart, wier natte waden plakten rondom haar vertreurigde leden,
-nemen, zoo moedeloos, de kan van schouder of hoofd en ze gieten uit in
-den afgrond, zwart opdat zij het vat zouden vullen... Maar, dadelijk,
-borrelde slechts de poel, en niet éen oogenblik werd gevuld het vat,
-waar alle wateren aller kannen wegliepen, snel, in den Styx. Dan
-slaakte boven de vrouw, die gegoten had, een smartelijken kreet, en
-hief hare armen op: zij droop, hare haren dropen, hare natte waden
-dropen, nat des telkens herhaalden vullens weêr, en haar aller kreet
-smeekte erbarming... Maar haar noodlot, zwijgend, gebood haar voort te
-gaan, rusteloos met haar werk, want zij daalden, de treurige vrouwen,
-met mat wanhoopsgebaar, de leêge kan in moede handen aan de slappe
-armen, druipende... zij daalden langs een hellender effener weg naar
-omlaag, als of dìt dalen alleen zoû haar rust en verpoozing mogen zijn,
-tot zij aan de bron weêr haar kruik zouden vullen...
-
-Zoo zag Dionyzos het Vat en de treurige theorie der trouwlooze
-gemalinnen—zij, die in den bruidsnacht, na het opperst geluk, elk den
-gemaal slapend vermoordden—en de blijde god weende om zoo diepe en
-eeuwig durende smart en troosteloozen arbeid, want nooit was het
-schrikkelijk Vat te vullen; altijd bleef het een afgrond zwoel en
-vochtig; het schimmelige mos begroeide het welig, en reuzige varens en
-somber ruischende riet waren uitgeschoten in het moeras, waar het
-oprees...
-
-Toen sloeg Dionyzos zijn blanke armen omhoog naar het steile rotspad,
-waarover strompelden smartelijk de eeuwig vergeefsche vulsters, en hij
-riep:
-
-—O weenende en steenende vrouwen, smart had ik nooit om
-mijzelven—ofschoon ik niet weet of Zeus mij voorbeschikt smart om
-mijzelven—maar smart diep en grievend in mijn zoo blijde godeziel, heb
-ik om u, omdat ik wèl weet, en omdat ik wèl zie, dat gij immer
-te-vergeefs u uitput, tillende aan den tragen bronstraal de kan,
-strompelend op het steile pad naar de gaping van het verschrikkelijke
-Vat, waar gij uitgiet, hopende, hopende steeds, uw met zware moeite
-verkregen sijpelenden waterstraal... en eeuwig blijft verschrikkelijk
-leêg gapen het Vat en gij daalt af ter andere zijde, mat, met kalmeren
-tred als uw eenige rust... om dàn omlaag opnieuw te beginnen,
-te-vergeefs, te-vergeefs altijd, en hopende, hopende steeds... O, de
-altijd teleurgestelde hoop... is ZIJ niet uw allerverschrikkelijkste
-straf, verschrikkelijker nog dan uw noodlotslavinnenarbeid!
-
-—Dionyzos! klaagde van boven, aan den rand des vreeslijken Vats, éene
-der treurige trouwloozen. Dionyzos, dàt is het allerverschrikkelijkste;
-de altijd teleurgestelde hoop... IS verschrikkelijker nog dan onze
-noodlotslavinnenarbeid!
-
-—Dionyzos! riep een andere, opgaande het steile pad; ik hoop! Ik hoop
-nog, voor de, ach, hoeveelste maal, dat mijn straal zoo al niet vulle
-het Vat, toch genadevol eindelijk moge verhoogen, verhoogen den zwarten
-vochtigen spiegel, dien ik tusschen mos en varen en riet beneden in
-diepte zie...
-
-—Dionyzos! riep een derde, en zij ging snikkende af het hellende
-dalingspad, en hare kruik stiet uit haar handen te pletter in scherf
-tegen de rotsen. Ik hoop niet meer! Ik hoop NOOIT meer! Maar toch moet
-ik neêrgedaald, weêr beginnen de vreeslijke zwoeging!
-
-—Dionyzos! riepen zij allen; Dionyzos...
-
-En zij riepen allen door éen, handen naar hem uitgestrekt, in een
-wanhoop, waarvan de Onderwereld sidderde. Hij verstond haar niet, de
-blijde god, maar hij riep boven haar uit, met zijn cymbelschelle,
-klankrijke stem:
-
-—O treurige Danaïden, hoort! Voor enkele uren gaf mij mijn vader Zeus
-de macht zelfs over ù vreugde te sprenkelen. Zelfs over u! Zelfs over u
-allen! Zelfs over uw verschrikkelijk Vat! O, treurige Danaïden, staakt
-voor dezen nacht uw arbeid, en plukt, plukt de toomelooze vreugde met
-twijgen en ranken en trossen af...
-
-Toen strekte, luid lachend door tranen heen, Dionyzos zijn thyrs uit
-naar den Vatberg, en een ruischen en bruischen begon... Een ruischen
-van groeien, een wonderruischen van wondergroeien, van weligen
-tooverwingerd, snel uit allerongunstigste, vochtige, zonlooze plek,
-zwaar de stam en knoestig de takken, forsch nog de teêrste twijgen
-tegen den berg, het Vat rondom, met rankeklauwtjes vast zich klampende
-aan verroest ijzeren hoepels en schimmelig houten duigen; bladeren dik
-en vol weligend, trossen uitzwellend purper en zwaar...; een bruischen
-van vullen, een wonderbruischen van wondervullen, een opwellen van
-roodgeurig water, van wijn in het Vat... tot plots Dionyzos opliep den
-berg, lenig en snel en nooit strompelend, een reuzetros greep in zijn
-armen, ze perste in zijn beide vuisten over het Vat, het vreeslijke
-Vat, te midden van de rondom hem toesnellende Danaïden, die niet wisten
-en niet begrepen... tot zij zàgen... tot zij zàgen... den Straal, den
-blij purperen straal van den tros van den god Dionyzos, zwaar en breed
-uitgulpend zijn wonder, en... vullen... tot boordevol het Vat, het
-vreeslijke Vat met het roode geurige water, met den wijn, het bloed der
-edele druiven!!
-
-O, de vreugdekreten der Danaïden! de gillende vreugdekreten, die
-elkander riepen de beide bergpaden òp, naar de boorden van het nu
-overloopende Vat, rond wijnmeer tusschen ranken en trossen, die
-weligden langs hoepels en duigen, die weligden langs den Vatberg
-geheel! In het vreemde onderwereldsche licht ruizelde de Vatberg van
-purper, en blauw omstraald rees de blanke Dionyzos blij, en juichte, en
-schepte een schaal vol, en had schalen voor àlle de nu zoo
-overgelukkige hopeloozen, en hij vulde in het Vat hare kannen, en zij
-schonken elkander de schaal vol, lachende,—en zij plukten de ranken en,
-van zich strijkende de druipnatte waden, kleedden zij zich in ranken en
-bladeren en trossen, en jammerden niet meer, maar dansten en Dionyzos
-had tamboerijnen en cymbels voor haar en zij rinkelden snel en zij
-sloegen ze schel, juichend. Langzaam sijpelde leêg het Vat, en het
-Styxmoeras geurde van most, maar Dionyzos riep:
-
-—O blijde juichende Danaïden! Niet vóór den dageraad zal het Vat, dat
-is VOL geweest, leêg zijn geloopen... dàn vallen de ranken verwelkt
-af... maar nu, pluk het genot, en laat later in de oogenblikken der
-bitterste smart het weelde en groote zaligheid zijn u het blijde genot
-te herdenken!
-
-Toen verdween de god van daar, en zag hij van verre, in het nieuwe
-licht, de Danaïden bakchantisch zwieren. Zij zwierden, rankomwingerd en
-trosomhangen, bij jubelkreten en cymbelslagen rondom het Vat, hand aan
-hand in Hades’ eigene vreemde bliksems.
-
-Lang zag Dionyzos dit aan, zag hij de vreugde der Onderwereld, en de
-tranen liepen hem langs de glimlachende wangen. Tot hij hoorde een
-stem, zuchten zacht:
-
-—O, heb dank Dionyzos, heb dank! Niet vraag IK u voor mijzelve vreugde,
-want mijn smart verweemoedigde tot stil zielelijden en is niets meer
-dan weemoed geworden, om de aarde, om mijn blonde moeder, eerwaardig,
-om de wuivende granen, korenbloemen blauw en klaprozen
-scharlakenrood... niets meer dan weemoed, om àlles wat ik mis zoo lang
-ik toef aan de zijde des duisteren gemaals! Want lief heeft Persefoneia
-den duisteren gemaal, die haar troonen doet op den ebben zetel! O,
-dank, dank Dionyzos! Niet, o neen, niet voor mij, niet voor
-stil-in-ziel-treurende Persefoneia... maar voor hen allen dank... voor
-haàr àllen...
-
-En Dionyzos, zich wendende-om, zag de teedere bleeke vorstin,
-punt-omdiadeemd en zacht lila-ommanteld hem naderen te midden van
-dansende schimmen, die juichten en dronken de druif uit schalen en
-trossen zelve. Zij naderde, de armen hem strekkende te moet, in de
-weemoedige teederheid van haren dankbaren en bijna blijden glimlach;...
-zij naderde over de velden der bleeke affodillen, schimme-zwevend
-zijzelve, zoo heel licht van tred en zacht ruischend van de sleeping
-harer nachtkleurige vorstinnegewaden; de punten van de kroon vlammelden
-even op...—zij naderde koninklijk en toch in dankbaarheid, en toen zij
-Dionyzos genaderd was, sloeg zij hem zacht om den hals beide armen,
-kuste hem op het voorhoofd en weende, met éen snik, aan zijn borst...
-
-Toen klonk van verre een roep. Dionyzos zag om en zag op, Persefoneia
-nog hem leunend het hoofd aan zijn boezem. En hij zag, in duistere
-verte, in eindeloos rotsig verschiet, tusschen zijn eigen
-onderwereldsche bliksems, Hades, in donkere majesteit, wenkende met
-starrenschepter, dat bòven, uit de oostelijke poorten, Eos zoû weldra
-treden te moet, en vreugde gedaan zoû wezen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-
-—Hola! Holaha! Woeste Eurytion, waar gij ook wijlen moogt in de van
-lang gras zeegolvende onafzienbare Vlakte, hierheen! Hola! Holaha! Het
-is Dionyzos, de koperen poorten van Tartaros uitgekomen, die u roept
-met schelle stem en met gebaar,—blank in het allereerste rozige dagen!
-
-Maar een huilende wind alleen antwoordde op Dionyzos’ roep en boos
-fronsend de blonde brauwen herhaalde de god:
-
-—Hola!... Holaha!... Woeste Eurytion!
-
-Tot op eenmaal, door den huilenden wind gedragen een edeler
-boodschapper aanvleugelde en de lucht van zijn flapperende vaart deed
-wapperen. En Dionyzos, hoog nog den blanken arm, en de hand wuivende in
-den fellen morgenbries, meende zeker, dat niet hem zijn vader vergat en
-dat Zeus hem tot uitkomst zond... wien wist hij nog niet, tot hij
-plotseling herkende, ook al had hij den van verstand glanzenden god
-nooit gezien, Hermes: snel als een licht kwam hij aan uit het Oosten,
-waar de krokosgele sluier van Eos verbleekte, lichtende snel als een
-schitterende straal, die schiet, en Dionyzos zag hem met vreugde
-naderen: een groote godvogel gelijk schoot Hermes aan, blank, mannelijk
-en breed slank; goudstralende athleet, zoo zweefde hij windsnel van
-zweving, de tors schuin omhoog, en geheven het hoofd onder den
-gevleugelden breedrandigen hoed; met krachtige beenen roeierde hij door
-den ether, luchtzwemmende: hecht zijn enkels omsnoerd, bewogen
-regelmatig van rythme de vlerken aan zijn glanzende hielen, latende na
-twee sporen van licht, lange glinsterende lijnen... In zijn hand hief
-hij zijn slangenstaf, en nu glimlachte hij en wuifde er Dionyzos meê
-tegen. O, hoe heerlijk schoon was, vond Dionyzos, van verstand
-stralende Hermes: als een halo straalde uit hem dat verstand en omdreef
-hem blank en krachtig, in een glanzenden kring, o de heerlijke vader
-van Hermafroditos! O, hoe heerlijk schoon was hij en hoe goddelijk:
-Dionyzos zelve gevoelde zich, nu Hermes zoo goddelijk naderde, bijna
-als een sterfelijke mensch, voelde zich de zoon zijner moeder meer dan
-het kind van zijn vader, voelde zich klein en nederig, niets dan een
-nuttelooze glimlach om weinig beduidend ooft: de schelle stem, waarmeê
-hij had Eurytion, woesten Kentaur, tot zich geroepen, beefde in
-aanbiddende bewondering, toen hij uitriep:
-
-—O, van goddelijk verstand stralende, o stràlende Hermes! Ik herken
-je!!
-
-En hij strekte, niet meer dan een blijde knaap, uit de beide armen naar
-Hermes, die tot hem daalde en plots stond op den grond.
-
-—O, blijde en het nieuwe genot sprenkelende Dionyzos! Ik zoek je en kom
-tot je met Zeus’ boodschap! riep Hermes, en hij omhelsde den jeugdigen
-god Dionyzos in zijn blanke en krachtige armen. Wat was groot Hermes en
-heerlijk, en wat stond als een kind, hij, Dionyzos, in zijn forsche
-omhelzing, als jeugdige broêr in die van ouderen broeder! Glimlachend
-stond Dionyzos zoo, het hoofd aan Hermes’ borst, en Hermes kuste hem op
-wangen beide en purperen mond en zeide:
-
-—O Dionyzos, lieveling van Zeus, en lieveling àller goden! Hoe spieden
-wij niet, nieuwsgierig wolken verschuivende, van Olympos uit naar je
-daden, en zijn om je zoo verheugd, en zijn om je zoo vroolijk en
-blijde, dat van heerlijkend lachen alle paleizen er trillen, wanneer
-wij je op aarde zien, dapper de wereld verwinnen en dapper de vreugde
-doen purperen zege vieren over àl sombere treurigheid! Dionyzos,
-broeder op aarde, wij hebben je àllen lief, en zelfs vorstelijke Hera,
-al toornt zij je, en al fronst zich haar ivorene voorhoofd, ziet niet
-met onwelwillenden blik meer heen naar den van geestdrift gloeienden
-zoon der heerlijk verbrande Semele! Dionyzos, en teeder heb IK je lief,
-als een oudere broeder zijn jongeren broêr, omdat edel en deugdelijk je
-hart trilt voor wie somber is en donker weemoedig, en ik dank je in dit
-oogenblik voor de vreugde mijn zoon-dochter gegeven, hem, haar, die ik
-juichen zie in je blijde thiazos, o Dionyzos! O, Dionyzos, jeugdige
-broeder, laat mijn dankbaarheid teeder je kussen voor de liefde, aan
-het weemoedige kind, dat in cypressenschaduw treurde, bewezen, en laat
-mij dàn je boodschappen—te lang al stelden mijn woorden dat uit—hoe wij
-allen in Olympos je hulp verlangen, inroepen je half-goddelijke hulp!
-Dionyzos, teêre knaap, maar onoverwinlijke veldheer der vreugde, wij
-roepen je toe: kom ter hulpe! Je vader Zeus roept je toe: kom ter
-hulpe... Kom de goden ter hulpe! Olympos ter hulpe! Dionyzos, Dionyzos,
-kom!
-
-—En wat en waar, o mijn groote broeder Hermes, moet Dionyzos Olympos en
-goden ter hulpe komen? Wie en wat bedreigt er Olympos en goden, en wat
-kan Dionyzos doen, half maar god?
-
-—Hoor dan, Dionyzos: zoo snel als mijn woorden boodschappen kunnen,
-zullen zij je doen begrijpen den angst der Olympische goden! Zonen van
-toornige Gaïa, vreesverwekkende Giganten, bestormen den hemel! Hoor,
-Dionyzos, hoor, het geruisch van hun stemmen als stormen...
-
-—Ik hoor, Hermes, het geruisch van hun stemmen als stormen, maar ik wil
-zien...
-
-—Laat mij je dan verheffen van hier, in mijn eigene vlucht...
-
-—Ik ben bereid...
-
-—Ik sla rondom je mijn arm, en vraag je slechts te omvatten met éen
-vuist mijn slangenstaf.
-
-—Ik voel mij zeker in je omhelzing...
-
-—Dionyzos, tot nog toe was je onbekend snelle vleugelvaart door de
-luchten.
-
-—Ik versaag nooit...
-
-—Wij stijgen op...
-
-—Stijg op...
-
-—Ik stijg, ik verhef me... O, mijn jeugdige broeder, nu klem ik je vast
-in mijn arm, en zweef met je op, en zweef met je voort, en licht en
-snel vleugelen de wieken aan mijn hoed en mijn enkelriemen... Zie,
-onder ons rukt zich de aarde terug naar de diepte... daar glimmeren de
-koperen poorten van Tartaros, voor welke ik je vond, daar wuift nog
-even het zeegolvende gras van de weide der woeste Kentauren...
-
-—Daar zie ik mijn thiazos naderen de heilige zee, die wij òver zullen
-in smalle schepen zeilen, en daar, tusschen ruige rotsen, zijn hoofd in
-den schoot eener oreade, zie ik Ampelos, mijn vriend, dien ik liefheb;
-hij wachtte mij te vergeefs, hij dwaalde door stormnacht in kloven...
-terwijl ik wijlde in Tartaros, en eindelijk, wachtensmoede sluimerde
-hij in, op den schoot van de bergnymf, die hem troosten wilde...
-Oreade, laat Ampelos sluimeren, en Hermes, maak, dat mij Faun
-aanschouwe in zijn schitterenden droom, mij aanschouwe in je eigen
-omhelzing en eigen vlucht, opdat hij wete, waar ik zij... Sluimer,
-Ampelos, sluimer, tot ik terug kom, van waar mij voert Hermes henen...
-
-—En ginds, jeugdige broeder, nu ik snel als een straal van Helios
-vooruit met je schiet, en wij naderen Olympos, die zich verhult in
-rozige morgenwolken, ginds... aanschouw wat de Angst is van ons, goden!
-Hoor bruischen als razende stormen de booze stemmen der reuzen,
-Giganten: zie Pallas en Athos, zie Eurymedon en Enkelados, zie
-Porfyrion en Alkyoneus! Hunne aangezichten zijn grooter dan die der
-goden en monsterlijk om te aanschouwen, met wat er van onuitwarrelbare
-slangelokken kronkelt rondom hunne slapen en muilemond; en hun
-reuzelijven eindigen, zie, in twee staarten van draken, geschubd,
-waarmeê zij gaan als met beenen, strompelend op hun staartevinnen, maar
-krachtig en snel, en zie, Dionyzos, zie... hun kracht is
-onvergelijkbaar...! Zie, zij nemen rotsen in de vuisten en slingeren ze
-tegen Olympos!
-
-—O Hermes, ik zie... Zij nemen bergen in de vuisten en slingeren ze
-tegen Olympos, waar de ivorene en goudene paleizen hoog zuilen tusschen
-rozige morgenwolk, en tusschen de zuilen zie ik zelfs, met angstig
-gebaar, vlieden de verrukkelijke Kypris, en hare gouden gordel
-verliezen, zoodat zij onvergelijkelijk naakt en verblindend voortijlt,
-de handen gestrekt naar Zeus, die haar in zijn armen bergt! O, Hermes,
-de verrukkelijke Kypris, wat is zij schoon, maar niet ten strijde
-geneigd, als Athene, en Artemis, die zich aan Ares’ zijde opmaken met
-speer en met drillende lans!
-
-—Dionyzos, zie... nu slingert Gration brandende stammen van boomen de
-lucht in, maar hij zwaaide niet krachtig genoeg: de boom valt terug,
-niet meer dan als ware hij een fakkel en sprenkelt vonken over de
-Giganten zelven...
-
-—Hermes, zie, nu slingeren die beiden: Porfyrion en Alkyoneus—twee aan
-elkaâr gesnoerde en brandende eikestammen de lucht in...
-
-—En de eikestammen, als een dubbele fakkel...
-
-—Slingeren zij, o mijn vader Zeus...!
-
-—In het midden der goudene paleizen!
-
-—Hermes, de Olympos, in fellen brand, blaakt!
-
-—Dionyzos, er IS geen tijd te verliezen. Kom ons ter hulpe...
-
-—Ik!
-
-—Jijzelve, Dionyzos!
-
-—Ik, ter hulpe, mijn vader Zeus! Ik, god van druiven, strijden ter
-zijde van strijdbaren Ares, Artemis en Athene!
-
-—Twijfel niet en draal niet, Dionyzos! Hoor! Orakel spelde Zeus, dat
-ons de Giganten zouden verwinnen, zoo niet...
-
-—Zoo niet ik...
-
-—Zoo niet HALFGODEN ons kwamen ter hulpe!
-
-—Ik ... ik, halfgod, maar NIET de onoverwinlijkste van mijn broeders en
-zusters!
-
-—Dionyzos, versaag je?
-
-—Nooit! Zeus, o mijn vader...
-
-—... Mijn zoon, Dionyzos!...
-
-—Hij roept mij! O Zeus... mijn vader!
-
-—Mijn zoon Dionyzos, kom ter hulpe! Mijn bliksems breken op de schubben
-der vreesverwekkende monsters, die Gaïa mij, boos, baarde, ze
-toekennende tegen ons tooverkracht, waartegen geen onzer weet middel!
-
-—O vader, o Zeus, ge roept mij, Dionyzos, ter hulpe? O vader, o vader,
-ik jubel! IK kan u helpen! Ge zegt, dat IK u helpen kan...? O heerlijke
-trots, die mij als druivenwijn de aderen doorvloeit en mij opheft tot
-een bezieling, die ik niet bereikbaar voor MIJ dacht! Vader, bezieling
-alléen omdat UW stem mij roept, omdat Zeus Dionyzos van noode heeft,
-omdat de goddelijke broeders en zusters mij, den alleen aan druiven
-rijken Dionyzos, riepen ter hulpe!
-
-—... O Dionyzos, wees niet in bezieling te over-onstuimig, want niet
-alleen roep ik, Zeus, je ter hulpe! Half broeder, en halfgod, hij als
-jij, zal Herakles je ter zijde staan ...
-
-—Herakles, hij!
-
-—Dionyzos! riep Hermes. Hier dalen wij neêr. Tusschen Pallene en
-tusschen Olympos, tusschen Giganten en Goden. En hier, Dionyzos, tref
-je, halfbroeder en halfgod, hij als jij ... Herakles.
-
-—Strijd IK aan de zijde van Herakles?
-
-—Zoo wil het Zeus.
-
-—Opdat hij, de sterkste, heeft àlle eer?
-
-—Wat draal je toch, Dionyzos! Zie, de Olympos brandt!
-
-—Laat de Olympos branden! Ik wil niet strijden dan alleen! Strijd IK
-aan de zijde van Herakles?
-
-—Wat weiger je, Dionyzos?!
-
-—Hij is sterk, mijn armen zijn niet gespierd!
-
-—Dionyzos, groot veldheer, zal je met armen als van een maagd,
-verwinnen aan Herakles’ zijde!
-
-—Ik strijd alleen!
-
-—Dionyzos!
-
-Zoo donderde Zeus’ stem en onweêr barstte los.
-
-—Vader! kreet schel Dionyzos. Wat zal ik, trots al mijn bezieling,
-strijden aan Herakles’ zijde! Hij ontneemt mij in den strijd alle eer!
-
-—Dionyzos!! Laat je als een stoute knaap, je vader je roepen ter hulpe
-en te vergeefs?! Al je broeders, al je zusters, roepen ter hulpe en te
-vergeefs?
-
-—Vader!
-
-—Dionyzos!!
-
-En de knapejeugdige god, Dionyzos, eindelijk, huiverde voor vaders
-toorn. Maar hij was toornig ook, hij, als hij nooit was geweest: zijn
-lippen klemden op een, zijn tanden knarsten, en zijn zacht lieflijk
-gelaat veranderde in een grijns van kwaadheid, in een tronie van
-razernij: de oogen puilden, breed den mond, de tanden spits-flikkerden,
-als verscheurens gereed... Hermes was met hem nedergedaald en had hem,
-een kind gelijk, gezet op zijn voeten beide.
-
-—Zie, zeide Hermes, verzoenend. Dionyzos, zie ... hier nadert, wie aan
-je zijde zal strijden, Herakles!
-
-Onwillig wendde Dionyzos zich om en moest het hoofd in den nek zich
-werpen om Herakles aan te zien. De zoon van Alkmene naderde, zwaar van
-tred, glimlachende in zijn kroesbaard, en hij was zoo groot, dat hij
-scheen te groeien, terwijl hij naderde. Een glimlachende goedigheid was
-speelsch in zijn oogen, die ledefronsten en lachten tegelijkertijd
-onder zijn bosschige brauwen en het voorhoofd laag en breed; des
-Nemeïschen leeuwenkop, die zijn hoofd overhelmde, deed hem nòg reuziger
-schijnen met die, boven hem, dooden blik uit den hollen monsterkop; met
-manen, die wijd-uit waaiden en de reuzetanden, die in den muil nog
-verschrikkelijk dreigende grijnsden; vale koningsmantel, viel het vel
-langs Herakles’ vollen rug en over zijn breede spierheuvelende
-schouders de borst breidde zich hoog-op en vierkant: een wal; staande
-nu steunde hij de massa der beide vierkant vingerende vuisten op zijn
-beroemde knots, en ook zijne zwaar heerlijke heldenarmen heuvelden,
-maar harmonisch in ontwikkelde kracht van zwellende kabelspieren;
-boomig stonden zijn beenen geplant op de breed zich uitbreidende
-voeten, en hoewel hij roerloos maar glimlachte, scheen het Dionyzos
-toe, dat een enkele beweging, zelfs uit goedige speelschheid, zoû,
-onwillens, straks doen veranderen van lijn het rotsige landschap, of
-murw de rotsen werden bij Herakles’ rotshardheid en kracht. Zoo,
-tusschen Olympos en der Giganten landstreek, Pallene, rees daar
-Herakles als een bescherming en sloeg breed zijn schaduw neêr. Achter
-hem golfde en loeide, als eene schuimende blanke zee, de blanke kudde
-der prachtige runderen, als Herakles’ Tiende Werk door hem ontroofd aan
-den reus Geryon, die woonde aan het westelijke einde der wereld, en
-Dionyzos, hoe boos ook, ontzette. Maar hij verborg die ontzetting
-achter zijn boosheid, en toen Hermes, glanzende god, verzoenend, hem
-Herakles wilde voeren te moet, herhaalde hij schel, trots zijn vreeze
-voor Zeus:
-
-—Hermes, wat zal ik, trots al mijn bezieling strijden aan Herakles’
-zijde!
-
-De held Herakles lachte in bassigen lach uit, die der runderen geloei
-overbulderde. En hij spotte goedmoedig, met den speelschen blik uit
-zijn ledefronsende oogen:
-
-—Voorwaar, roept mij mijn vader Zeus om te strijden aan dezes knaaps
-zijde! Moet ik mijn vuist ballen, waar hij zijn vuistje balt, en mijn
-arm uitslingeren, waar hij meisjesblank uitslingert zijn ronden arm?
-Waar is zijn kracht en waar is zijn wapen en wat vermag hij tegen de
-Giganten: de eenigen, die na de Titanen, Olympos bestormen dorsten! Wil
-vader Zeus lachen om een vertooning, of, zeg mij, Hermes, wat moet ik
-met dezen knaap?
-
-Maar Hermes, verzoenend, zeide:
-
-—Herakles, heerlijkkrachtige broeder, ontstem niet onzen jeugdigen
-broêr, den blijden god Dionyzos, door te minachten de macht van hèm,
-die, in vreugde, de wereld verwint op lange, druive-omwingerden
-zegetocht! Moedig is hij, als jijzelve! Verkoos hij niet liever alléen
-de vreeswekkende Giganten te bestrijden, dan aan je zijde, beangst als
-hij is, dat je hem rooft de eer der hem àlzekere overwinning?
-
-—En wat is blijden Dionyzos’ macht, waarmeê hij de wereld veroveren
-wil? Ik hoorde nooit van hem en nooit van zijn zegetocht, en de door
-hem veroverde wereld! Is dat dan een andere wereld, dan Nemea, waar IK
-doodde den leeuw, wiens muil mij hoog overhelmt; dan Lerna, waar IK
-neêrsloeg den veelkoppigen draak; dan Erymanthos, waar ik bemachtigde
-levend het everzwijn, of Kerynia, waar ik Artemis’ goudgehoornde,
-kopergehoefde hinde greep; dan Stymfalos, waar ik uitroeide de
-ijzer-gevleugelde vogels, en Elis, waar ik rivieren van loop deed
-veranderen om ze stroomen te doen door den Stal; dan Kreta, waar ik den
-stier, en Thrakië, waar ik de paarden ving, Diomedes’ menschenetende
-rossen; dan Skythië, waar ik der Amazonenvorstin haar gordel ontnam, en
-het Verre Westen, van waar ik nu kom, na mij meester te hebben van
-Geryons kudden gemaakt? Is dat alles de wereld dan niet, en verwin IK
-de wereld dan niet met mijn wonderwerken, waarmeê ik mijn eigen roem
-behaal, ook al gebood het Orakel mij die tot straf zelven voor mijn
-moedermoord te verrichten ter eere Eurystheus’!? Schakelen die werken
-dan niet MIJN zegetocht en wil deze knaap zich meten met mij?
-
-Zoo sprak stembulderend Herakles, zijn borst—als een wal—opzettend,
-zijn schouders nog vierkanter schaduwend doende tegen Olympos aan, en
-zijn armen zwollen van spieren als kabels, en zijn beenen boomden,
-onwrikbaar ten pezige voeten geplant, maar de blijde god Dionyzos was
-niet toornig meer, om zijn bulderenden halfbroeder, die daar voor hem
-stond als een reuzeherder van een reuzekudde blanke runderen, en, aan
-Hermes’ zijde, hij de kleinste en menschelijkste van hun broeders drie,
-zeide hij met verzoenende stem nu zelve, bescheiden,—maar Hermes hoorde
-hem spotten wel in die vroolijk gehuichelde bescheidenheid:
-
-—O, krachtige halfbroeder Herakles, zoû IK, zwakke god van wat ooft,
-dat mijn saters mij druiven noemen, en waaruit wij persen een drank,
-die wel aangenaam koelt het dorstig verhemelte, mij durven meten met
-jou, mij durven vergelijken met jou! Ik trok nooit naar alle de
-plaatsen, die je met volle recht snoevende, o Herakles, mij hebt
-genoemd, en bij al de krachtwerken, die je verrichtte... wat is mijn
-werk vergeleken: druivefestoenen heerlijk te slingeren van Ikaria tot
-Orchomenos, en van Arkadia en Karië tot Korinthe toe, tot ik ze straks
-met luchtig gebaar slingere de zee wellicht over, naar de allerverste
-morgenlanden, en aan de oostelijke poorten misschien Eos mijn
-druiveschaal biedt! Kinderwerk is het, Herakles, bij dat van jou:
-mannetjes-mannewerk! Begrijpen doe ik ook niet, dat mijn vader Zeus mij
-opdroeg te strijden aan je verschrikkelijke zijde, maar zijn wil is
-mijn eenige wet, en daarom, o Hermes, verstandige broeder, verplicht
-mij en daar ik ongewapend ben, pluk even, terwijl ik mijn broeder
-Herakles’ zij niet verlaat, een agavebloeme-steel voor mij: kies die
-uit krachtig en zwiepend: ander wapen heb ik van noode niet; spelen wil
-ik er maar meê een beetje, in de schaduw van Herakles’ knots...
-Verzoenen wil ik mij met Herakles vóor den strijd, en daarom, o
-wingerd, o wonderwingerd, welig, schiet uit tusschen ons beiden; rank
-luchtig om die verschrikkelijke knots, en, druiven, vlijt u in
-Herakles’ vuist, opdat hij zich vóór den strijd lave en zich verzoene
-met Dionyzos!
-
-Zoo antwoordde, guitig en niet meer verstoord, de blijde god Dionyzos,
-en terwijl Hermes den agavebloeme-steel plukte, weligde om Herakles’
-knots, o wonder, de wingerd, en de verschrikkelijke held riep,
-verbaasd:
-
-—Doet die knaap groeien uit den grond wat hij wil? Wat zijn dit voor
-krullende ranken en zwellende trossen! Pluk ik er een, Dionyzos? Druk
-ik dien zóó aan mijn lippen? Drink ik dit edele sap zoo? O, Dionyzos,
-is dit je gave? Deze purperen heerlijkheid ... is dit je gave? Dit
-nieuwe genot ... is dit je macht? O Dionyzos mijn lieflijke broeder, o
-mijn heerlijke halfbroeder Dionyzos ... laat weligen, weligen nòg meer
-de wingerd, laat nòg meer de trossen zwellen naar mijn hand en mijn
-lippen toe, en terwijl mijn knots schijnt te groeien, staande in lof en
-ooft ... kom aan mijn borst en kom op mijn hart, opdat ik je omhelze
-met broederkus, voor genot zoo nieuw, voor laving, zoo allerweldadigst,
-die wat ook voor vermoeidheid, zoo even, licht, mijn tred loom maakte
-aan het hoofd dezer kudde, nu mij bezielt met wondere bezieling, of
-mijn oog helderder ziet, mijn arm sterker zich spiert, en geheel mijn
-ziel zich heft in goddelijker energieën!
-
-Toen, om Herakles’ plotse verrukking, schaterlachte de blijde god
-Dionyzos, en hij stortte zich in zijn broeders machtige armen, en
-duldde, dat hij hem tilde aan zijn hart en hem er bijna op
-verpletterde, hem zoende hartelijk met kroesbaard-mond de lachend
-purperen lippen. Maar een plots zware rommelslag daverde, het vuur viel
-in bliksems uit Olympos, en Zeus, toornig, donderde:
-
-—Herakles en Dionyzos! Wat toeft gij zoo lang, en wat snoeft gij tegen
-elkander op, de een bulderend met kracht, en de ander, spitsvondig met
-ironie, wie van u beiden de wereld verwint en wiens wereldverwinning de
-meeste beduidt voor uw eigen glorie en heerlijkheid! Niet anders dan
-als oude wijven verliest ge in veelheid van woorden uw kostelijken
-tijd, en acht gij niet, dat Olympos blaakt van fellen brand, door de
-saamgesnoerde brandende eikestammen, die Porfyrion en Alkyoneus met
-vereenigde krachten als fakkels slingeren naar onze paleizen toe. Te
-hulpe, Dionyzos; te hulpe, Herakles!
-
-Verschrikt om des vaders toornige stem, staakten de halfgoden hunne
-broederlijke omhelzing, en zagen zij uit naar den strijd, die tusschen
-Pallene en Olympos op het verschrikkelijkst werd gestreden. Want
-Efialtes, krachtigste aller Giganten, stapelde bergen op elkaâr, en
-beklom die, naar Olympos toe, maar op de schitterende drempels der
-godenpaleizen verscheen, in glans omhuld, Apolloon, en schoot met zijn
-flitsende pijl uit zilverstralenden boog Efialtes het rechteroog uit;
-Herakles, schoot te-gelijkertijd den Gigant het linkeroog uit, en
-blind, tuimelde hij, terwijl zijn misstap bij misstap de bergstapeling
-wankelen deed en zijn reuzelijf de neêrdonderende bergen begroeven.
-Toen was het of de al versagende goden herademden in heerlijken moed;
-want, reuzig in storm, rees Zeus van zijn zetel en trof met zijn
-bliksem Porfyrion, die, reeds opgeklommen de bergstapeling, bereikt had
-Olympos’ goudenen drempel en in onbetembaren lust de goddelijke Hera
-aangreep. Maar bliksemgetroffen stortte Porfyrion in het ijle en viel
-uit duizelende hoogte neêr op Pallene. Hij viel en viel steeds, en
-intusschen bestreden de goddelijke strijdbare maagden, Athene en
-Artemis, de draakbeenige reuzen Pallas en Gration; heerlijk van moed,
-met juichende kreten, vielen de maagden hen beiden aan. Maar een
-razernij, plots, bezielde den blijden god Dionyzos en rukkend uit
-Hermes’ handen den zwiependen agavebloeme-steel, stortte hij zich in
-den strijd en sloeg om zich rond, in een wijden cirkel van zwieping; de
-anders zoo blauwe violenoogen puilden onder zijn blonde, fronsende
-brauwen; zijn zacht knapegelaat vertrok tot een grijnzende tronie van
-kwaadheid en hij sprong rond tusschen de verbaasde Giganten, en zwiepte
-en zwiepte zijn steel. Dat gaf rondom hem heen een bescherming, wijden
-toovercirkel, dien hij rondom zich duizelde, bezwijmelend vlug voor wie
-er de oogen naar richtte, en op de Giganten, ontzet, schoten nu van
-omhoog de pijlen en bliksems van Zeus en Apolloon, van omlaag de altijd
-treffende pijlen van Herakles! En al dansende steeds in woede,
-verovering, draaide om zichzelven rond, tolduizelsnel, de razende god
-Dionyzos, in den van snelte vertrillerenden cirkel van zijn zwiependen
-bloemsteel, tot hij plots ophield en niet horizontaal meer zijn
-steelduizeling zwiepte maar ze zweepte in ellips, loodrecht, en
-toestormde op Olympos’ belagers. Hij was dronken van enthouziasme, de
-razende god Dionyzos; de gedachte aan Zeus bezielde hem en hij sloeg
-met zijn agave-stengel, die zwiepte, den Gigant Eurytos op zijn
-monstermuil; zoo snel sloeg hij en liet hagelen de slagen, dat Eurytos,
-verblind, niet wist hoe zijn ijzeren knots te heffen ... Sneller en
-sneller sloeg Dionyzos; het was hem of hij niet zelve sloeg, maar of
-duizenden in hem sloegen; duizenden als hijzelve ... Sneller en sneller
-hief zich, daalde, hief zich, daalde de stengel, tot eindelijk,
-bezwijmd, de reus wankelde op zijn drakestaartvoeten en viel hard neêr
-op zijn knots, terwijl steeds Dionyzos’ slagen hem troffen. Nu lag hij,
-een weerloos slachtoffer, en liet zich slaan, en liet zich slaan. Hij
-bewoog niet meer, hij was dood. En in Dionyzos’ zachte hand scheen tot
-zwiepend ijzer te harden de steel, want nu cirkelde hij weêr zijn
-duizeling snel, horizontaal om zich rond. De aarde verschoof en beefde,
-ontzaglijk geweld weêrklonk: Poseidoon, in zeebevende woede, hief het
-eiland Kos op beide armen en slingerde het over Polybotes, en Athene,
-strijdbare maagd, rukte Pallas, dien zij hield onder de knie, zijn
-onkwetsbare huid villende van het reuzelijf, en sloeg die zich met éen
-kreet om den boezem, ter eigene àlzekere bescherming. En de pijlen van
-Apolloon omhoog, en de pijlen van Herakles laag, flitsten sneller en
-sneller, of zij beiden, Herakles en Apolloon, bezielden door Dionyzos’
-bezieling van snelheid, van duizelingwekkende snelheid ... Een schelle
-kreet schalde als een bazuinroep uit de keel van den razenden god
-Dionyzos en terwijl vluchtten, dringend, de pijldoorschoten Giganten
-weg naar het verre Westen toe, achtervolgde hij ze met zijn zwiependen
-steel. Nu staakten de goden den strijd, maar Dionyzos, schel
-schreeuwende steeds, ijlde, ijlde, hen achterna, en geeselde hun de
-vreeselijke ruggen ... Schaterde hij, met zijn grijnzende tronie van
-razernij en geeselde, geeselde steeds...
-
-De avond viel, en in de duisterende hemelen smeulde als een wereldbrand
-de roode rook nog der godenpaleizen, door Hermes zelve in wateren
-gebluscht. Op den gesmolten drempel der goudene poorten lag, in slaap
-van vermoeidheid, de blijde god Dionyzos, glimlachend als een kind:
-zijn hoofd viel hem, zwaar van slaap, bevallig ter zijde; zijn adem,
-lieflijk rythme, rees regelmatig de blanke borst op; in zijn blanke
-vuist nog omklemde hij een geknakten agavebloeme-steel, maar van strijd
-scheen hij niets te weten...: terwijl de ontzetting nog huiverde in der
-overwinnende goden oogen, sliep hij als na een spel, glimlachte hij als
-in een droom van druiven, en hij was zoo heerlijk, en zoo lieftallig,
-dat alle goden glimlachten nu, hem naderende een voor een, neêrknielden
-bij zijn sluimering, en hem kusten op het voorhoofd. En zelfs
-vorstelijke Hera, die den zoon van Semele bij zijn geboorte had willen
-vernietigen, naderde en knielde neêr, streelde even met haar
-vorstinnehand zijn blanke rimpel- en zorglooze voorhoofd, en kuste hem
-er op, en Afrodite, lichtend van schoonheid, die met glans alleen haar
-omkleedde, fluisterde den slaper in:
-
-—Dionyzos, WAT gij mij ook vraagt ... sta ik toe in zalig geluk!
-
-De nacht donkerde en in de geduisterde hemelen rossigde alleen nog de
-laatste walm der uit smook opklarende godenpaleizen. Toen nam Hermes
-den slaper en onversaagden god Dionyzos, in beide zijne armen en,
-hoedwiek en enkelvleugel bewegende, vloog hij naar de aarde, den boord
-te-gemoet van de starren weêrstralende zee. Daar lagen, tot spoedige
-reize gereed, de smalle triremen en wiegelden zacht op den sluimerzang
-van Poseidoon. Vlak aan zee rees het pijnenbosch uit rotsigen grond
-omhoog, en in de donkere schaduw sliepen de saters, menaden, Silenen,
-de kleine jongens van Pan tusschen de tamme leeuwen en panthers der in
-vreugde onverwinlijke thiazos. Geene waakte toen Hermes naderde, met,
-in zwaren slaap, Dionyzos in zijn armen. Hij trad dalende neêr op den
-grond en aan Ampelos’ zijde vlijde hij den god, op een sponde van
-duizend viooltjes. Dat geurde in den nacht en trillerde als een lied
-eentonig, en boven het eentonige lied trompetterde uit hare hoorntjes
-kamperfoelie een gedempte fanfare: blijdschap, omdat Dionyzos terug was
-gekomen. Er richtte zich even uit de armen van een faun, een nymf, en
-zag met slapens-kleine oogen naar Hermes een oogenblik, sliep dadelijk
-weêr in, moê van angst, als zij allen, om het ontzettend gedruisch
-diens dags: Hermes verdween, en de nacht voltooide in weldadige stilte.
-De golven ruischten sluimerwiegend; de kamperfoelie fanfaarde, nu
-hooger, dan lager... Verder was de rust overal.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-
-—God Dionyzos, onze god, god om wien wij ons scharen! Eere, god
-Dionyzos, verwinnaar der vreeswekkende draken-Giganten! Jij versloeg ze
-alleen, met je zwiependen agavebloeme-steel, dien je knakte op hun
-krakende ruggen! God Dionyzos, onze god, god om wien wij ons scharen,
-is machtiger dan jij Apolloon, onfeilbare vlammende schutter? Is
-machtiger dan jij knotszwaaiende Herakles, zijn machtiger Athene en
-Artemis, juichende strijdbare maagden ...? O, Dionyzos, machtiger
-alleen dan jij is Zeus, is Zeus zelve, en nog troffen zijn bliksems
-niet steeds de belagers van Olympos en van vorstelijke Hera ...! God,
-om wien wij ons scharen, rijs op uit sluimering, voer ons over de zee
-naar de verre morgenlanden, naar de oostelijke grenzen der wereld, naar
-de goudene poorten, waaruit Eos treedt, en wingere langs onze reis de
-lenige rank met ons mede tot zij de goudene oostelijke poorten
-omkrinkelt en het bloed van haar trossen feller doet Eos blozen... O
-god, om wien wij ons scharen, redder der goden, heilbrenger aan hoogen
-Olympos, voer ons aan, en wij talmen niet meer! Reeds liggen gereed de
-vaartuigen, en zijn wij ongeduldig de riemen te grijpen—Dionyzos, om
-wien wij ons scharen...!
-
-Zoo wekte, in den al laten morgen, de blijde oproep der saters den
-sluimerenden god Dionyzos, en fronsend ontwaakte hij en zag over hem
-Ampelos buigen heen.
-
-—Lang was ik weg?
-
-—Een nacht, en éen dag, Dionyzos...
-
-—Ampelos... in den droom zag je mij?
-
-—In Hermes’ vlucht, in zijn armen...
-
-—Het ontzettend gerucht drong door tot hier?
-
-—Wij hoorden, ontzet, het gerucht van den krijg; wij zagen de bergen
-gestapeld worden, wij zagen Olympos in brand... Wij klommen op heuvelen
-rondom, wij aanzagen den strijd, en wij zagen in vervoering onzen god,
-Dionyzos... Tolduizelsnel zwaaide hij om zichzelven rond, zwiepende den
-agavebloeme-steel; toen hagelden zijn slagen neer op de vluchtende
-Gigantenruggen... Dionyzos was hun overwinnaar!
-
-—Ik?
-
-—Dionyzos was hun overwinnaar, onversaagd tot het einde des strijds...
-
-—Toen?
-
-—Was moê Dionyzos en lachte en zeide hij tot Hermes, een kind gelijk:
-ik wil slapen...
-
-—En... ik sliep?
-
-—Hermes voerde je op den drempel der nog in rosse smook walmende
-godepaleizen en legde je slapende neêr... De goden bogen zich over je
-en kusten je dankbaar het voorhoofd...
-
-—Zelfs de vorstelijke Hera?
-
-—Zelfs zij!
-
-—Ik herinner mij een droom... Voor mij verscheen, heerlijk glanzende,
-stralende van onvergelijkelijke naaktheid, Afrodite, en zij zeide:
-Dionyzos... wat je mij ook moge vragen... ik sta het je toe in zalig
-geluk! Ampelos... zoû ik nog ooit Afrodite vragen een gunst, die zij in
-zalig geluk mij toe zoû staan...
-
-—Dionyzos... de toekomst...
-
-—O, de toekomst, Ampelos, schijnt mij in trossen van druiven en dichte
-wingerdlooveren omhuld en ik zie haar nooit door... Maar vreemd is mijn
-ziel beroerd om àlles wat mij wacht in dat dichte toekomstprieel van
-druiven... Lange zegeweg, omrankt met onze welige ranken... die zelfs
-de blauwe zee schijnen te overslingeren, eilanden der archipel over,
-tot aan de oostelijke poorten van Eos! Zongen zij niet zoo even,
-Ampelos, van mijn zege? Maar zeg mij, zal ik altijd triomfeeren?
-Ampelos, zal ik nooit worden verslagen? Loeren er mij niet vijanden,
-die ik niet zie en niet weet? Zal ik het geluk en de vreugde...
-altijd... kunnen sprenkelen? Langs zoo langen zegeweg...! O, Ampelos,
-is het niet, als of juist mijn groote zege mij weifelen doet op eens...
-of ik den eersten frisschen moed verloor... Ampelos, wat klinkt in mij
-weemoed? Ik zàl niet altijd triomfeeren... Ik zal éenmaal verslagen
-worden! O, Zeus, ik zal éenmaal verslagen worden!
-
-—Dionyzos...!!
-
-—Ik zal éenmaal verslagen worden... O, Ampelos, nu zoû ik weenen willen
-in je armen... Nu plots voel ik mij zwak en ontmoedigd... Zie mij aan,
-ik ben een kind... Ik heb armen als van een meisje... Ik voel mij een
-ziel plots vol van weemoed... Dat is een neêrslachtigheid, mij o zoo
-nieuw... Ampelos... hoor... wat roepen zij?
-
-—... God Dionyzos, onze god, god om wien wij ons scharen! Eere, god
-Dionyzos, verwinnaar der vreeswekkende draken-Giganten! Jij versloeg ze
-alléen, met je zwiependen agavebloeme-steel, dien je knakte op hun
-krakende ruggen... Is machtiger dan jij Apolloon... onfeilbare
-vlammende schutter... Is machtiger knotszwaaiende Herakles... Zijn
-machtiger...
-
-—O, zij verheerlijken mij in hun morgen-gejuich, maar zij weten niet,
-Ampelos, van den vreemden weemoed en weifeling... Ampelos... Ampelos...
-moet ik... IK de wereld veroveren tot de oostelijke poorten...? O, nu
-ik sta van mijn bed van viooltjes op ... nu wankel ik op mijn voeten...
-Nu weet ik niet meer... Nu duizelt het plots om mij rond... Nu zwelt
-mijn hart vòl van weemoed... En toch zie ik den weg... de reize over de
-zee, het lachende eiland... het druiveprieel... zie ik de sterren... de
-avond paarsen... zeilen aan den schemerenden zee-einder... blank, zie
-ik blank een vrouw...! Een vrouw...! Ampelos... zoû zij mij beminnen?
-Ampelos, nu weet ik niet meer!! O, de vreugde der eerste dagen! O, de
-onversaagdheid van toen! O, de weemoed van nu! De weifeling en de
-neêrslachtigheid... Ampelos, word ik laf... Word IK laf, ik Dionyzos...
-Ampelos, sprenkel mij vreugde... Vul mij een volle schaal... Hier, pers
-ze uit, o zwelg met mij dezen reuzetros... Tros, o zware tros, stroom
-uit in mijn omhelzing! Zware tros, lig zwaar als een wellust op mijn
-mond, waar nauwlijks mijn armen je beuren kunnen... O, nu wankel ik
-onder je, tros! Ampelos, bied mij een vòlle schaal. Zwelgen wij beiden
-tros en schaal, zwelgen wij samen, o vriend, o vriend, die mij den
-eersten wijnstok boodt... o vriend, die hem plantte met mij... Is het
-de dag der reize? O, neen, laat het nog niet de dag der reize zijn,
-maar laat het een dag zijn van lóuter vreugde... Het gelooverte is zoo
-dicht, dat het hier, daar en elders als nacht is, in de aromen der
-duizend viooltjes, in den suikergeur der duizend accacia’s, en de
-hoornfanfaretjes der kamperfoelies! Lieve gezellen van Dionyzos, komt
-allen, komt allen hierheen! Feest nu blijde het uitgelaten festijn tot
-afscheid van deze streken, die wij ons wonnen en waarover wij
-heerschen. Silenen, waardige knikkebollers, danst rondom ons en
-lacht-uit het leven! Blijde faunen, trapt regelmatig de maat, maar, o
-saters, zwiert en zwelgt ònmatig, àl het purperen en blanke genot, dat
-ik geef!
-
-En, de reize uitgesteld, de waggelende vaartuigen wiegelende op de aan-
-en wegspoelende golven van komenden vloed, was een enkele wenk van den
-blijden god Dionyzos voldoende, om de nymfen zich met versche trossen
-de slapen te doen vertuiten, de menaden in de duisternis van het woud
-te doen wegijlen met zwaaiende thyrs, en Dionyzos, in druiverazernij,
-bood ze zelve de zwellende trossen, in de razende orgie, die begon...
-Zelve voerde hij de lange rij aan, en sleepte hij, hand aan hand, de
-lange ronde over de bosschige heuvelen; de reeën vluchtten over de
-zonnige dalen voort, en verdwenen in de dan bijna zwarte schaduw, maar
-de menaden achtervolgden de reeën in vurige jacht en het woud weêrklonk
-van haar schriklijke kreten. Brullende naar alle zijden stoven de
-panthers en leeuwen, en de dronken saters omringden de huizen der
-stervelingen, de hutten der landbouwers, en sleepten die meê, willig,
-onwillig. Wee, wie niet aanstonds Dionyzos gewonnen zich gaf; wreed
-waren de saters, al wie hun verheerlijkten god weêrstond en zij sloegen
-met thyrs en agavesteel oude en jonge mannen op ijlende vlucht, zoo dat
-zij Dionyzos vloekten; maar zij sleepten meê matronen en maagden in het
-diepste middagduister der wouden... Hijzelve, de god, vergeten zijn
-weemoed, hem zoo nieuw en zoo vreemd en zoo angstig, slingerde aan zijn
-hand, voorttrekkende, de dolle rij en de ronde, en opdat niet de
-levende ketting verbroken zoû worden, had hij een lange wingerdboei om
-allen heen laten kluisteren, zoo dat niet éen nymf, niet éen faun, niet
-éen menade meer uit kon wijken... Wankelde zij, of viel hij, meê
-moesten beiden... opstaan, zoo zij vermochten... anders gesleept over
-de dalen en heuvelen, getrapt door de achter hen komenden, dan
-eindelijk zich weêr heffende op, in den druivewingerd, voort! Omdat de
-weligende druif meê met hen ijlde, rondom hunne leden zelve, éen
-festoen met hen allen, zwelgden zij zonder staken, met éen hand
-elkander vast houdende, met de andere plukkende den tros en dien
-drukkende... Hunne kreten scandeerden schel en verscheurden de
-middaglucht. Vogelen vlogen verschrikt alom... Hamadryaden dier
-heuvelende bosschen en niet wetende nog van Dionyzos, werden gevangen
-in éen oogwenk, omkluisterd in druiven en meêgesleept. Toen Dionyzos
-ontmoette Ampelos, hij, de Faun aan het hoofd van een zelfde levend
-festoen als het zijne, kreet hij juichend op, en de festoenen
-slingerden zich in elkaâr, menaden, faunen en saters, en er tusschen de
-Panszonen, en er tusschen vooral de reuzige druiven. Nu rukten uit
-elkaâr zich de levende festoenen, en iedere ontmoeting was onverwachts.
-Op het wildst, in het midden diens zonnigen dags, slingerden de
-verbroken levende schakels zich hier en daar en naar alle zijden en
-verdwenen, in razende dronkenschap van druivebedwelming en liefde...
-Toen de schemering viel, zwierven op de hoogere heuvels, tegen den
-glans der zon ondergaand, waarin verwaasden de verdere violette bergen,
-de razendsten, niet meer aan de hand zich houdend, alleen, op
-zwierenden pas, het beestevel verliezende of verloren, struikelend in
-de eigen boeien van ranken, de oogen puilende in vervoering, niets meer
-wetende dan de eigen razernij en de razernij Dionyzos’! Den mond
-schuimende, riepen zij zijn naam, riepen zij zijn vele namen. Zij zagen
-de zon, die zonk aan den einder der zee, zwelgen in het stroomend bloed
-van Dionyzos’ druiven. Zij zagen den hemel gekleurd van dat bloed en
-dien wellust; zij zagen de zee er van golven, van wellust en van
-druivenbloed beide. Zij liepen de heuvelen af en stortten zich in de
-zee. Zij verdronken of klampten zich vast aan de waggelende schepen,
-wiegelend.
-
-In den nacht, om het reuzige mengvat Hefaistos’, zwierden de rijen
-heuvel op, heuvel af. Anderen waren heel ver weg gedwaald, tot op de
-sneeuwruggen der hoogste bergen. Geene druiven meer, vielen zij in de
-sneeuw, bezwijmeld. In den morgen schrikten zij op van het geschal der
-lange fluiten der faunen. Aan den boord van de zee verzamelde zich het
-leger der vreugde. Dionyzos’ vaartuig reeds stak in zee, de masten
-blijde omwingerd. Honderde vaartuigen omstuwden het zijne al. Brullend
-de panthers en leeuwen, brieschend de tijgerkatten, werden onwillig zij
-ingescheept door de faunen en zonen van Pan. Elk vaartuig, dat stak in
-zee, omwingerde zijn masten op Dionyzos’ bevel. Over de zee dansten
-blijmoedig de roeierende triremen weg, regelmatig het ruischende rythme
-der spanen lang en slank, en zij schenen zwemmende monsters met
-looverenden rug en met pooten zeer vele.
-
-Dionyzos stond lachend, zijn arm om den mast geslagen. Zwaar zwollen de
-trossen langs voor- en langs achtersteven, en festoenden zijn vaartuig
-langs. Hij lachte, maar weemoed troebelde vocht in zijn violenoogen. Nu
-verliet hij àl zijn overwonnen landen, en trok hij het morgenland
-te-gemoet. Waarom, dan in zijn ziel, gevoelde hij twijfel en weifeling?
-Hij lachte, turende naar de bosschige boorden, de heuvelige landen, die
-zich trokken van hem terug... Hij lachte: Poseidoon was hem gunstig
-geneigd, en Aiolos, op Zeus’ bevel, blies de weinige wolken weg...
-Voorspoedig zoû de zeereize zijn der duizend triremen Dionyzos’! De
-tritonen doken juichende op en bereden hun dolfijnen, die spoten, en de
-okeaniden, om Dionyzos’ vaartuig, dansten de blanke ronde. De god zelve
-wierp haar druiven toe, en zij omrankten zich met het nieuwe genot.
-Overal uit de golven doken de kinderen van Poseidoon op, en de wijde
-zee was blijde bevolkt om Dionyzos’ overwinnende reize, die zwierde met
-éen geslingerd druivefestoen, de zee, de verre zee over. Zang en
-schulpgeschal klonk overal over de blauwgroenig bewegelijke vlakte,
-maar even geschuimd met regenbogenenden kam.
-
-Later, voor de brandende hitte op het water, weligden voller tot
-reuzeprieelen de wingerden van voorsteven naar hoogeren mast tot
-achtersteven toe, en voorspoedige wind blies bol het blanke
-vleugelgelijke zeil, flappende. Lustig lagen de nymfen en menaden en
-zongen en sloegen de cymbels, nu rustig èn panther èn leeuw sluimerden
-aan hare voeten, en de saters, gelijkmatig, roeiden de riemen vroolijk.
-In het aanblakeren van het midden des dags, ontvolkte de zee en de wind
-vlijde zich en vele bokspootige roeiers lieten de spanen los, en grepen
-boven zich de volle trossen.
-
-Maar over de leêgere zee aangaloppeerend op zeepaard, tweebeenig, het
-achterlijf vereindigend in visschige staart, waarmede het stuurde zijn
-met steigerenden voorhoef trappelende vaart, zag Dionyzos,
-sluieromwuifd, de zilvervoetige Thetis...
-
-—Dochter van Nereus! riep hij. O blijdschap des oceaans en lach van de
-zee, zeg mij, gij, heerscheres der zilte bewegelijke wateren, waarover
-ik wiegel in wellust van reize mij nieuw, zeg mij welk oord zal ik
-kiezen ter noodige middagruste. Richt ik naar het Oosten mijn koers,
-tref ik dan niet op mijn weg nieuwe eilanden lieflijk, die liggen als
-bosschige en als bloemige bedden her en der, ons lokkend tot rust?
-
-—O, blijde god van de vreugde! antwoordde hem zilvervoetige Thetis;
-laat over aan den zwakkeren wind waar hij henen drijft je omwingerde
-schepen, want lieflijke zijn àlle mijn eilanden, en voorkeur kan ik
-niet noemen...
-
-En blijde Dionyzos te hebben gezien, dreef zij haar zeepaard te duiken
-terug, naar de koralen paleizen.
-
-—Dàn laat sleepen in het water de riemen, o saters, en drijven in den
-steeds zwakkeren wind onze vaartuigen, waarheen zij mogen...
-
-Loom lieten de saters de spanen los, en zij dronken de druif, en
-sluimerden van middagweelde, en Dionyzos, vertrouwende ook, sluimerde
-in.
-
-Maar Zeus, de reize beschouwende van zijn lievelingszoon Dionyzos, riep
-tot den windgod Zefyros:
-
-—Zuidwestelijke wind, lieflijke zwever, blaas-op je lachende wangen en
-luw met je adem nu langzaam, zoo dat het hem nauwelijks store den
-slaap, langs de druive-omwingerde schepen van mijn blijden zoon
-Dionyzos; blaas-op de wangen en blaas-uit nauw merkbare stuwkracht, zoo
-dat de druivetriremen drijven zacht weg in de richting van het
-groenende eiland, dat ginds aan de kim laurier- en oleanderbosschage
-geurig doet wemelen met éen lange streep van lokkende schaduw...
-Zuidwestelijke wind, lieflijke zwever, stuw,—maar Dionyzos onmerkbaar
-latend het noodlot, dat ik voltrek—de reize mijns zoons naar Naxos,
-opdat de omwingerde schepen troost brengen aan wie de zwartzeilige
-schepen achter zullen laten in namelooze smart...
-
-En aanstonds, gehoorzaam, ontwaakte Zefyros, wijd-uit gevleugeld en
-dreef op zijn nog loomende vlucht heen naar de zee, waar wèg dobberden
-Dionyzos’ druivetriremen, en hij blies, de bolwangige windgod, zacht
-luwende zoele bries: hij verzamelde met zijn adem, blazende hier en
-blazende daar, de vaartuigen, wiegelende weg van elkaâr; en zóo zacht,
-dat hij noch stoorde Dionyzos’ slaap, noch die der roeiensmoede saters,
-stuurde hij de omwingerde vaartuigen in de richting van het groenende
-eiland...
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-
-—Zusters, o Nereïden, ringt u rond, witte reie rondom het Eiland, dat
-drijft, oleander-, laurierbosschage op de nauwelijks schuimig gekamde
-zee. Thetis ben ik, die u roept!
-
-—Thetis, roept gij mij op uit de golven? Zeg mij, waarom klonk tot de
-diepte uw stem mij toe, wekkende mij uit watergewiegelde rust? Ik ben
-het zelve, Wiegeling-der-Zee, die u vraagt...
-
-—Zusters, o Nereïden, àl reikt mij de hand Wiegeling-der-Zee: duikt op
-uit de al schemerig getinte wateren! Thetis ben ik, die u roept...
-
-—Wiegeling-der-Zee, ik, en Thetis, zijn wij het beiden, die roepen:
-duikt op!
-
-—Thetis en Wiegeling-der-Zee, roept ge mij op uit de golven? Zeg mij,
-waarom klonk tot de verre verte uw stem mij toe, mij, Blauwte-der-Zee,
-die nu aanzwemt...?
-
-—Zusters, o Nereïden, Wiegeling-der-Zee en Blauwte-der-Zee en Thetis
-reiken elkaâr al de handen...: duikt op, en zwemt aan van verre en
-ringt u rond, witte reie, rondom het Eiland...
-
-—Thetis en Wiegeling-der-Zee, en Blauwte-der-Zee, wat roept gij mij aan
-te snellen, mij, Heffende-Golfslag-bij-rijzenden-vloed...
-
-—Zusters, o Nereïden, al reiken de hand wij elkaâr, Wiegeling-der-Zee,
-en Blauwte-der-Zee en krachtig Heffende-Golfslag-bij-rijzenden-vloed en
-Thetis... Andere zusters, duikt op, en reit om het Eiland de ronde!
-
-—O, Golfslag-bij-rijzenden-vloed, o Blauwte-der-Zee, Wiegeling-der-Zee,
-o Thetis, wat roept gij mij toch, mij loome, deinende
-Ebbe-der-mattere-wateren...
-
-—Kom vlugger, o loome Ebbe-der-mattere-wateren...
-
-—Hier bied ik u mijn handen twee...
-
-—Zusters, o Nereïden, hoort! Ik, Loome-Ebbe-der-mattere-wateren, ik,
-Heffende-Golfslag-bij-rijzenden-vloed, ik Blauwte-der-Zee, ik,
-Wiegeling-der-Zee, ik Thetis... wij roepen u op, ringt nu rondom het
-Eiland de ronde wit...
-
-—O, Nereïden, o, Zusters, wat roept gij ons allen nu op...? Wij duiken
-op en zwemmen aan, wij allen op uw aller roep...: ik,
-Rozige-Kus-van-Eos; ik, Gouden-geschubde-van-Helios; ik,
-Selene-zilvergetinte; ik, Stormende-Booze; ik, Vereffenende; ik,
-Wachtster-aan-de-Oostelijke—; ik Wachtster-aan-de-Westelijke Poort...
-
-—O, Nereïden, o Zusters, ik zilverblanke Amfitrite, gemalin Poseidoons,
-Nereïde als gij allen, vorstelijke dochter van Nereus, wat roept gij
-mij op, in uw dansende reie?
-
-—Zilverblanke vorstinne der wateren, ik, Thetis ben het, die u roept...
-
-—Ook ik, Wiegeling-der-Zee!
-
-—En wij allen, Heffende-Golfslag... en Deinende-Ebbe...
-Rozige-Kus-van-Eos... Helios-schubbe... en Manezilveren... Stormende
-Booze, Effenende... wij beiden: Portiersters-der-Kimmen...
-
-—Kom in ons midden, zilverblanke gemalin Poseidoons... spring af van uw
-zeepaard...
-
-—Hier ben ik en dans gaarne met u in den komenden nacht de heel witte
-reie...
-
-—Thetis, roepen wij de tritonen niet hier, opdat zij de
-geluidruischende schulpen blazen?
-
-—Zusters, neen, roepen wij de tritonen niet hier; te schel zijn de
-geluidruischende schulpen, want op het Eiland rust Eéne, die slaapt, en
-niet mogen wij het zijn, die haar wekken uit nog onwetenden sluimer...
-Laat ons elkaâr ook met halve stemmen toeroepen, nu wij de groote reie
-uitslingeren rondom het Eiland.
-
-—Wiegeling-der-Zee, ik, laat ik ze nauwelijks wiegelen.
-
-—Blauwte-der-Zee, demp ik mijn azuur.
-
-—Golfslag ik, leg ik mij glad, en mijn groene haren drijven wijd-uit...
-
-—Ik, Ebbe, lig in uw armen, o Golfslag... en mijne groene haren mengen
-zich met de uwen...
-
-—Zusters, o Nereïden... nu schakelen wij ons om het Eiland... Hand aan
-hand, hand aan hand, rijzende tot de knie uit het water op... Zie, ik,
-Thetis, heb zilveren voeten... Zie, als ik dans, glanzen zij...
-
-—Ik ben rozig van Eos nog.
-
-—Ik, Helios-schubbe, om niet fèl te schitteren, zal verbleeken mijn
-gouden gloed doen.
-
-—Ik, zeg Thetis, Selene-zilvergetinte, màg wel opglanzen...
-langzamerhand?
-
-—Gij, stormende Booze, danst te woest... Portiersters, zijn de poorten
-gesloten?
-
-—Ja, o vorstelijke Amfitrite... wij sloten de oostelijke en westelijke
-poort van de zeekim en verborgen de sleutels...
-
-—Nu leid ik, Thetis, de ronde... Hooger de armen, en lager! Luchtige
-zwiering, blankende reie rondom het Eiland: hooger de armen en lager!
-Den zilveren voet uit het water en verder met dansenden tred! Hooger de
-armen en lager! Mistige sluiers, wemelt en nevelt rondom ons heen, voor
-zoo ver bijna ingesluimerde Zefyros je nog speelsch weet omhoog te
-blazen. Hooger de armen en lager! Rondom het Eiland, langzaam.
-
-—Thetis, wie is het, die sluimert den zee- en luchtglorieënden nacht
-in, tusschen de zwaar geurende oleanders?
-
-—Hooger de armen en lager... Haar, die er sluimert, verliet de
-trouwelooze schipper der zwarte zeilen... Stil, stoor haar rust niet...
-Morgen, helaas, zal zij weten. Hooger de armen en lager...
-
-—De schipper der zwarte zeilen, die ginds schaduwen als donkere wolken?
-
-—De schipper dier zwarte zeilen daarginds. Hooger de armen en lager!
-Laat haar niet weten vóór dat zij moet.
-
-—Is smart aan de slaapster voorbereid?
-
-—Hooger de armen en lager! Zeker, zal smart haar treffen.
-
-—En troost zal haar sprenkelen wie?
-
-—Zuster, dwing MIJ niet het Noodlot te weten. Schuilt het in mijn
-mistigen sluier soms...? Ik weet niet het Noodlot der slaapster: ik
-dàns alleen: hooger de armen en lager...
-
-—Thetis, mogen de slaapster wij zien?
-
-—Staken wij dàn even den dans. Vorstelijke Amfitrite, wilt ge de
-slaapster zien? Nader dan zacht... Nereïden, o Zusters, stapt
-geruischloos de wateren uit... Hier, glijden wij langs de laurieren...
-Zoo, omringen wij haar zode-sponde... Zij slaapt!
-
-—Thetis...
-
-—Demp nog meer uw stem...
-
-—Thetis... is zij Afrodite...
-
-—Neen...!
-
-—Ja, Thetis, zij is Afrodite... die sluimerde-in te Naxos... en wat
-geeft zij om schippers van zwarte zeilen?
-
-—Neen, zuster, zij is niet Afrodite.
-
-—Zij is Afrodite, zij is Afrodite... Amfitrite, is zij niet Afrodite?
-
-—Neen zuster, zij is niet Afrodite.
-
-—Wie is zij...?
-
-—Wie is zij dan?
-
-—Wie is zij dan, zoo blank? Zie, hoe schoon zij er ligt, de sluimerende
-vrouw... In zilveren lijnen teekent zich haar blanke lijf...
-
-—Op het donkerende groen van de zode...
-
-—Hare naaktheid is éen zilveren glans!
-
-—Haar glimlach is éen glorie!
-
-—Zij droomt van den schipper, dien zij bemint...
-
-—Van den schipper der zwarte zeilen?
-
-—Zij glimlacht van liefde gelukkig!
-
-—Maar weet niet de smart, die haar wacht!
-
-—O, Eros, hoe zal zij ontwaken!
-
-—Zuster stil, dempt uwe stemmen... Hare naaktheid is éen zilveren
-glans.
-
-—Hare glimlach is éen glorie!
-
-—Hare haren in maneschijn zijn als goudene schijn...
-
-—Zij ligt zilver in hare goudene haren!
-
-—Hare armen buigen zwanehalsslank om haar hoofd!
-
-—Haar lijf is een urne van zaligheid!
-
-—Wiegelen hare borsten niet als blanke golven!
-
-—Is haar schoot niet een weeldegeheim?
-
-—Hare beenen strengelen weg, zich verslankend...
-
-—Naar twee voeten, lelies gestrengeld in éen.
-
-—Zoo hare oogscheelen zij opsloeg?
-
-—Sterren zouden plots flonkeren onder donkeren boog.
-
-—Maar haar lippen zijn een koràlen boog!
-
-—Is zij dan niet Afrodite?
-
-—Ja, zuster, zij is Afrodite!
-
-—Neen, zuster, zij is het niet.
-
-—Vorstelijke Amfitrite... is nòg schooner de goudene Afrodite?
-
-—Ja zuster, die is nòg schooner...
-
-—Toch is de slaapster zóo schoon!
-
-—Wentelt de nacht al om?
-
-—Hare naaktheid is éen zilveren glans!
-
-—Hare glimlach is éen glorie!
-
-—Zusters, ik, Thetis, leid u terug...
-Portierster-der-Oostelijke-Kimpoort, hoort gij niet Eos al roepen?
-
-—Ik ga, zuster...
-
-—Glijden wij zacht langs de laurieren... Dempt nog uw tred en uw stem.
-Het IS niet aan ons haar te wekken. Noodlot zelve wekke haar dra...
-
-—Helaas...!
-
-—Ver van haar zal zijn die schipper der zwarte zeilen!
-
-—Helaas...!
-
-—Blauwte-der-Zee ik... Wiegeling-der-Zee ik, Thetis... zwem ik... duik
-ik terug.
-
-—Zusters vaarwel; vorstelijke Amfitrite, vaarwel... De oostelijke
-kimpoort is al geopend.
-
-—Dáar is roosvingerige Eos!
-
-—Verijlen onze mistige sluiers...!
-
-—Zichtbaar zijn nog de zeilen...
-
-—Zusters, vaarwel!
-
-—Helaas, de heerlijke slaapster!
-
-—Is zij dan NIET Afrodite?
-
-—Neen zuster, dàt is zij niet!
-
-—Helaas!
-
-—Daar is Eos...
-
-—Helaas... De heerlijke Slaapster!!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-
-Nauwelijks waren langs de laurieren en geurende oleanders weggegleden
-de nieuwsgierige Nereïden, of Ariadne sloeg de oogen op. De eerste
-glanzingen van den nieuwen morgen parelden aan den oostelijken hemel en
-de ontslotene poort schitterde van breede kieren goud. De dauw over
-bladeren en bloemen baadde in kristallige frischte Naxos en geheel het
-eiland ontwaakte: boomen en struiken ontwaakten, vogelen ontwaakten en
-Ariadne ontwaakte. Eene der Nereïden, die haar vochtigen sluier
-vergeten had aan het strand, trok ongemerkt, met alleen hand en arm uit
-het water, dien tot zich terug in de diepte... Ariadne bemerkte het
-niet. Zij had de oogen opengeslagen maar zich verder nog niet bewogen,
-en zij lag roerloos, zilverglanzende wit, de beide armen zwanehalsslank
-om het hoofd, in den oplichtenden glans der haren. Haar glimlach was
-één glorie, maar gloriën waren ook hare nu opengeslagen oogen. Zij
-waren als lichtende chrysoprazen, groen van de kleur eener zee,
-waaronder diepgouden zand zich zoû strekken: door den lichtenden glans
-korrelde diepte van heel fijn zand, goud. Het gaf aan haar blik een
-weemoed en verlangen, een mysterie en een droom. Nu glimlachte zij,
-maar hare oogen weemoedigden en verlangden en uit hen droomde het
-mysterie, hoog weg naar de hooge hemelen, die boven haar rozigden van
-morgenlucht tusschen het prieel van laurier, oleander.
-
-Heel langzaam hief een arm zij hooger, loom, en liet dien vallen langs
-hare welvende heup, de hand schaduwende over hare vrouwelijkheid, als
-was zij verlegen voor de komende zon. Maar verder bleef roerloos zij op
-hare mollige zode-sponde liggen, liggen als een vrouw van liefde. In de
-herinnering der liefde donkerden hare chrysopraze-oogen onder kwijnend
-neêrvallende krulling der pinkers en hare glimlach stierf weg in
-smachting langs iets van smartelijkheid om haar mond.
-
-Zij droomde, zij droomde na... Het bleef om haar heen stil, geluidloos,
-nauwelijks wat wind in twijgen, of vogelgetjilp tusschen bloemen. Twee
-kapellen fladderden langs haar om en hare droomerige oogen volgden ze,
-lachende weêr. Nu echter hoorde zij de stilte en ze verbaasde haar
-lichtjes, omdat de stilte wel scheen volkomen. Zij riep:
-
-—Thezeus!
-
-Geene stem antwoordde haar, alleen tjilpten de vogelen hooger. Nu
-richtte zij even zich op, en de zilveren lijnen, die hare naaktheid
-trokken, verbroken geheel na haar eerste ontwaken: hare welvende heup
-parelmoêrde in het vochtige morgenlicht, en daar zij het hoofd hief,
-blondde er schaduw over haar boezem en schoot, maar hare voeten
-schitterden op.
-
-—Thezeus?? riep zij nog eens en haar roep vraagde.
-
-Geen stem antwoordde haar, alleen tjilpten scheller de vogelen.
-
-Toen wendde zij een weinig zich om en strekte zich op het andere been.
-Zij glimlachte zacht en murmelde:
-
-—Hij antwoordt mij niet...! Vroeg is hij zeker ontwaakt vóór nog de
-violette nacht verwelkte en verliet hij heel zacht mijn zijde, zich los
-windende uit mijn verliefden arm. Hij rees op, uitgerust, en hij heeft
-even naar mijn sluimeren getuurd, en toen is hij gegaan, zacht dempende
-den tred van zijn heldenvoet door het lagere hout naar het strand toe,
-en hij heeft er in de nog nachtelijke koelte gebaad zijn heerlijke
-leden! Het water heeft hem omhelsd overal en overal, zoo als ik hem
-zelve omhelsde en naijverig zoû ik van de zee zijn, zoo ik niet wist,
-dat MIJ Thezeus eindelijk minde. Thezeus...!? Hij antwoordt mij niet...
-Denkende mij nog in sluimering, rust hij uit in het zand en ziet hij
-uit naar de rijzende zon. Dit is de nieuwe dag! Dit is de nieuwe
-morgen! Straks hergaan wij aan boord en zullen de zwarte zeilen zwellen
-en zal richten de vloot van mijn held koers naar het schitterend
-Athene! Dit is de nieuwe dag! Dit is de nieuwe morgen! O, niet vergeten
-zal ik Thezeus, mijn held, te herinneren, zoodra in zee, wisselen te
-doen de somber zwarte zeilen, onder wier schaduw ik zelfs huiverde in
-de armen van hem, dien ik liefheb—voor de heldere blanke zeilen, die
-aan zijn vader Aigeus, ginds, spiedende uit naar den zoon, zullen
-kondigen de blijde komst van den held, van Athene’s held, van mijn
-held! Held, mijn held, liefde van mijn lippen en van mijn armen, lust
-van mijn lust en wellust, o, van mijn wellust, ik strek mijn armen naar
-je uit... Thezeus...? Hij antwoordt niet... Hij dwaalt gewis met de
-dappere gezellen langs de boorden van Naxos, zoekend de veilige
-richting vóor de vaart over de altijd vreesverwekkende zee! O, de
-sombere zwarte zeilen! Hoe ik, durende de vaart, voelde zwart
-voorgevoel zinken neêr op mijn ziel langs hun sombere flappering af!
-Vleugels van onheilvogels! O, zwarte zeilen, weldra verwisselt u
-Thezeus voor blijde heldere en blanke zeilen! Waar of hij toeven mag
-met de gezellen... Stil rondom mij heen parelt de morgen! Hoe stil! Hoe
-eenzaam voel ik mij hier in dit oleander- en laurierprieel, dat de
-vogelen alleen bezielen. Hoe stil! Thezeus...!? Hij antwoordt mij niet!
-Laat ik, nu hij nog afwezig is, mij baden in de spoelende zee... Eiland
-van heerlijkheid! O, nacht van geluk, dat mij doorvloeide in je
-schaduw, o laurieren! O, blijde mossige sponde, waar ik gloeide onder
-zijn liefde!
-
-Zij stond op en hare beweging was een glanzen van blanke en van
-zilveren lijnen, en langzaam liep, langs de heesters hoog, zij naar de
-zee, die al blauw zich strekte. En zij rekte naar de zee haar armen.
-
-—O, Zee, waarover mij voer in zijn schip de held weg van mijn land, o
-Zee! O, zalige zee, die wiegelde mijn eerste geluk, hoe zegent mijn
-dankbaarheid je, zee! Poseidoon, hater van mijn geslacht, o heb dank,
-dat geen stormen bliezen in de al zoo sombere zwarte zeilen! Eerste
-angst van de vlucht, o angst op de altijd vreesverwekkende zee, in de
-armen van mijn held! O, mijn maagdelijke angst! O, angsten...
-herinneringen, hoe ver zijt ge al terug geweken uit Ariadne’s leven! O
-angsten... herinneringen, hoe komt gij plots zoo terug? Is het omdat
-eenzaam dit morgenuur is, en mijn held toeft, ik weet niet waar? Hij
-kwam, hij kwam somber en heerlijk, hij kwam als een sombere en
-heerlijke god; zijn zwarte zeilen zwollen aan van de verte, en een
-razende stormwind bolde hen vol, en flapperde en... hij kwam: hij
-landde als een overwinnaar en niet als een offerling, maar hij landde
-somber en fronsend en heerlijk toch, in de rouwschaduw van zijn zeilen.
-Hij landde: zij waren zeven, sombere jongelingen, en tusschen hen
-gingen weenend zeven teedere maagden, zij allen offerlingen aan mijn
-vreeselijken halfbroêr! Kreta, Kreta, hoe heb ik van mijn teêrste jeugd
-af hooren vreesverwekkend brullen over u uit, domp uit ondoordringbaar
-geheim van Daedalos’ Labyrinth, het Geloei, het vreesverwekkend Geloei!
-O, herinneringen, o herinneringen, wat bestormt gij mij zoo vreemd in
-dezen pareligen morgen!? Geloei, vreesverwekkend Geloei, ik heb het
-àltijd gehoord! Nòg huivert het in mijn ooren! Ik groeide, kind, onder
-den donder van het Geloei! Ik bloeide, maagd, in de verschrikking van
-het Geloei! Somber beheerschte het Kreta, als de stem van het Noodlot
-zelve! Pazifaë, ongelukkige moeder, wat verdwaalden uw geest, uw zinnen
-tot ontzettende liefdebegeerte! Afrodite, waarom àltijd die wraakzucht
-over mijn ongelukkig geslacht!? Over mijn ongelukkige moeder...? Wreede
-schakeling der Noodlottigheden! Minos, mijn vorstelijke vader, gij badt
-Poseidoon om een wonder, ten einde uw koningsrecht te bewijzen... de
-heerlijke Stier rees op uit de golven, blank in zijn mannelijke pracht
-van goddelijk Beest, schoon als een wilde verrukking razende, rennende
-over Kreta met de ongebreideldheid van een edelen held. O Minos, mijn
-vorstelijke vader, zóo heerlijk scheen u de Stier, dat ge hem NIET
-offerde aan Poseidoon, maar hem liet weligen onder uwe runderen, opdat
-hij de vorstelijke kudde veredelen zoû! Toorn van Poseidoon, en o
-eeuwigen wraakzucht der Onverzoenlijke! Afrodite, zult ge nooit het
-geslacht van Helios dan vergeven? Zult ge nooit vergeven aan het
-geslacht van den Vèrziener, dat hij u zag in Ares’ armen, en het
-verried aan den kreupelen gemaal, die u beiden, slapend in liefde, ving
-ik zijn kunstig net? Afrodite, heb ook IK van u te vreezen? Rilling
-loopt mij de leden over, nu ik vrees voor u, Onverzoenlijke! Waarom al
-die angst, al deze herinnering op dezen pareligen morgen? Thezeus...?!
-Waar is hij? Waar toeft hij...? O, hij kwam als een held, hij landde
-als een held, en hij was een offerling als zij allen... Ik zag hem!
-Afrodite, gij bezielt ons allen! Gij bezielde mijn ongelukkige moeder
-vreeslijk!! Zij zag den Stier, als ik Thezeus zag! Zij... zij...
-beminde den Stier! O, zij beminde het goddelijke Beest! Zij rekte,
-verliefd, naar hem de armen uit, maar hij zag haar niet, en dartelde
-tusschen de runderen! O, haar ijverzucht op die vorstelijke kudde! Zij
-zag den Stier als ik Thezeus zag! Zij beminde den Stier...! Het gelukte
-haar, zich hem om den breeden hals te werpen en hij rende razende met
-haar voort: zij hing aan zijn hals! Haar heete zoenen brandden op zijn
-muil! Zijn dolle oogen van goud bliksemden, want hij begreep niet en
-wierp haar van zich...! O, mijn ongelukkige moeder! O, Onverzoenlijke,
-Onverzoenlijke! Gewond lag zij neêr in de weide, bloedend sleepte zij
-zich naar het paleis. Hare maagden wieschen haar, en zij steunde, meer
-van verlangen dan van pijn... Zij zag den Stier, als ik Thezeus zag!
-Zij beminde, beminde den Stier! Zij liep rond het paleis,
-handenwringende, zij dwaalde in den nacht, klagende. Zij juichte, zij
-snikte, en zij liep, en zij dwaalde, zij wist niet wat, waarheen, en
-waarom... Daedalos kwam haar te hulp! Daedalos herschiep haar in de
-Koe! O, het wonderwerk van menschenhand, vrouwelijk edel de koevorm als
-mannelijk goddelijk de Stier blank zelve was: Daedalos herschiep haar
-in de prachtige Koe! Zij loeide verliefd den Stier tegen! Goden, de
-Stier begreep! Afrodite, hij beminde haar! Onverzoenlijke, zijt gij
-nooit verzoend! O, zal uw wraak mij eenmaal óok treffen!? Hoe heb ik
-gehuiverd in de schaduw der sombere zeilen! Helaas, mijn ongelukkige
-moeder! Al mijn herinneren, dezen blijden morgen, smartelijkt om U
-rond! Waarom?! Thezeus...!! Waar toeft hij...! Hij kwam, hij landde als
-een overwinnaar... en toch, toen hij over Kreta hoorde dof donderen het
-onderlabyrinthsche Geloei, vreeswekkend... toen verbleekte hij! Ik zag
-hem verbleeken! O, ik zag hem! Ik had hem lief! Mijn hart klopte
-onstuimig! Maagd, bloosde ik, en verlangde ik! Afrodite, ik voelde u
-over mij, in mij: het was of gij mij toefluisterde: werp u aan zijn
-hals, als Pazifaë zich wierp om den blank plooienden stierennek!
-Onverzoenlijke, Ariadne beheerschte zich... maar zij vluchtte van daar!
-Het Geloei donderde... de Noodlotsstem van mijn halfbroeder, het
-Monster! Hij wachtte in het Labyrinth, dat Daedalos hem gebouwd had.
-Het Monster! O, mijn ongelukkige moeder: het Monster, haar vreeslijke
-zoon! De zoon van den Stier!! Het Monster! In zijn geloei ben ik
-gegroeid en gebloeid! Het Monster! Eéns heb ik hem gezien: smartelijke
-nieuwsgierigheid drong mij en ik volgde het smalle vaartuig, dat de
-veertien offerlingen,—Athene’s schatting—bracht tot den Minotauros. Hij
-loeide! Hij hoorde de riemen klapperen in de zwarte wateren. Mijn
-voedster en ik volgden in kleine boot... Nieuwsgierigheid dreef mij...
-Het Monster! O, verschrikking, o afschuw, o afschuw! Op het smalle
-vaartuig, bloemenomkranst, stonden bleek de zeven jongelingen,
-bloemenomkranst... Zij bewogen niet, maar stil in zich beweenden zij
-hun jonge leven. Maar de maagden, de zeven maagden! Zij weenden, zij
-snikten... o zij stierven alreê van afschuw... Het Monster! Eene lag er
-half over boord, in zwijm, als een bloem geknakt... het hoofd
-voorover... Heure haren sleepten... de bloemen vielen er uit... De
-roeiers beiden, bleek, bewogen de spanen traag. Maar het Monster... het
-Monster loeide... Ik was bang, ik wilde terug... en toch, toch wilde ik
-hèm zien! En ik zàg hem: hij wachtte af!! O Monster, o Monster, o
-afschuw...! Broêr, halfbroêr, zoon van den Stier, zoon van Pazifaë,
-kleinzoon, kleinzoon van Helios!!! Afrodite, o Onverzoenlijke! Ik zag
-hem: hij lag half, zijn harige manneleden waren een afschuw van
-monsterlijkheid: manneleden waren zij dierlijk: een dierlijke borst
-breed, harig; dierlijke dijen, dierlijke beenen, en voeten dierlijk, en
-hij lag half en zat half, en zijn stieregezicht was menschelijk, was
-vreeselijk menschelijk: het was of hij loeiende spreken zoû gaan, zijn
-oogen zagen als menschenoogen: hij had den blik van Pazifaë!!! O
-afschuw, o afschuw, hij wachtte af... Toen viel ik bezwijmd in de boot
-terug, in de armen van voedster: de roeier roeide terug... Ik had mijn
-halfbroêr gezien! Ik hoorde niet meer het geloei en de schreeuwende
-kreten der slachtoffers! Kreta, Kreta, toen ik ontwaakte, toèn, hoòrde
-ik beide, loeien en schreeuwen, gulzig en radeloos, als een ontzetting
-van geluid over u, Kreta! O, verschrikkelijk Eiland! Wat komen àl deze
-herinneringen terug op dit gelukzalige Eiland...? Is het omdat ik
-alleen ben? Zoo eenzaam is de morgen... De vogels tjilpen niet meer...
-Thezeus...!? Hij toeft te lang... Ik zag hem, ik zag hem landen... Ik
-herinnerde mij wat ik gezien had, den laatsten keer des vreeslijken
-offers... Ik snikte omdat hij zich offeren zoû, te midden der
-offerlingen. Ik was van daar gevlucht,... maar ik kwam weêr, waar hij
-stond voor mijn vader. En ik hoorde hem zeggen: „Vorst,... vergun...
-dat ik den Bastaard dood! Opdat ik er u van bevrijde en mijn land
-bevrij van de schatting... Vorst, vergun, dat ik den Bastaard dood!”
-Onverzoenlijke, Ariadne beheerschte zich niet... Ik wierp mij aan
-Thezeus’ voeten... Ik smeekte hem van neen, bang voor hèm... Men
-sleepte mij weg... Mijn vader weigerde... Hij haatte Athene... hij
-wilde den Bastaard, hij wilde het Monster, hij wilde de Schatting,
-afschuwelijk... Toen was het de voornacht des Offers... O, nacht, o
-nacht, nacht van liefde! Maagd ging ik tot hem, voedster leidde mij, en
-ik zeide: „Held van Athene... Ariadne heeft je lief, o held...” Hij
-greep mij in zijn armen... O, hij was wreed, maar hij beminde mij! O,
-hij wreekte zijn land op mij, hij wreekte Athene op mij, hij wreekte
-zich op Minos in mij! Maar hij beminde mij, hij beminde mij: ik zwom
-weg in het zalig geluk, hoe wreed het ook was! O, Onverzoenlijke, ben
-ik het liefdekind van mijn liefdemoeder? Wat doet ge in mijn aderen
-vloeien? Is het bloed of is het vuur? Is het krankzinnigheid of niets
-dan liefdebegeeren! Thezeus was wreed en ik had hem lief...! Nu... o nu
-is hij niet wreed meer of mijn Held verteederde in zijn geweldige
-kracht!... Voornacht des offers...! Hij vroeg mij, na zijn liefdewraak,
-zijn Athene-wreken op mij: „Ariadne, weet je waar zich groeft het
-Labyrinth, en weet je de duistere gangen en grachten?”—Ik toonde hem de
-altijd opene Poort, Muil van het Geloei van Kreta! „Weet je de duistere
-gangen en grachten...?” Maar ik dorst hem niet leiden, neen! Had ik
-mijn broer niet gezien, ik had Thezeus geleid! Nu, nu gaf ik het kluwen
-hem! Ik had, bal, in mijn schoot, nog van liefde trillende, het kluwen,
-en voedster moest den draad vademen uit... „Voedster, vlug, vlug,
-wind-op met mij den eindeloozen draad...” Thezeus nam het kluwen... Wij
-bonden den draad aan de Poort vast... Ik wachtte aan de vreeslijke
-Poort... Ik leunde er tegen, in zwijm half om mijn angsten... Ik hoorde
-uit naar het Geloei, dat loeide altijd...! Het Monster had honger: het
-loeide!! O, mijne angsten, mijne angsten dien nacht! Ik zag naar den
-draad of hij strak bleef, getrokken! Soms viel de draad slapper... dan
-strekte hij weêr... Hoe lange bleef ik zoo wachten? Daar hoor ik terug
-zijn stap...: hij nadert, hij nadert, o blijdschap! Hij nadert, hij
-nadert... ik zie hem: ontzetting, ontzetting! In zijn eene vuist torst
-bij de kruin hij den Stierenkop van mijn halfbroeder, monsterlijk,
-kleinzoon van Helios! Ik slaakte éen kreet... viel in zwijm! Ik
-ontwaakte in zijn armen. „Vaarwel Ariadne!” „Vaarwel? Waarom?” „Ik ga,
-ik vlucht. De zwartzeilige schepen wachten ons, jongelingen zeven en
-maagden zeven, en wij vlieden, wij vlieden terug naar mijn land
-bevrijd!” „O Thezeus, neem mij meê, neem mij meê...!” Ik sleepte mij
-hem achterna, hij glimlachte, hij glimlachte eindelijk! Hij had mij
-lief! Hij was niet wreed meer, al was hij ontzaglijk! Hij had mij lief!
-Hij nam mij meê! Wij vloden van dáar! Ik verliet Kreta, o het sombere
-Eiland! Wij landden aan het gezegende Eiland! Goden, waarom ben ik
-alleen? Waar is Thezeus, waar zijn de jongelingen, waar zijn de zeven
-maagden! Thezeus...!? Hij antwoordt mij niet! O, NU zal hij dadelijk
-komen! Nu zullen zij dadelijk komen. Te lang toefde hij al! Wat zoeken
-zij over het Eiland? Nu treed ik de zee in... Zee, omhels mijn leden,
-zoo als ge Thezeus hebt omhelsd... Zee, wat zijt ge eenzaam! Waar zijn
-de schepen met zwarte zeilen? De Zee is blauw, de lucht is blauw, éen
-blauwe eenzaamheid! Thezeus!? Thezeus!! Hij antwoordt mij niet... Waar
-zijn de schepen... Zij voeren het Eiland om... Waarom? Thezeus... Nu
-zoek ik hem... Nu zoek ik hen allen... Nu zoek ik de schepen der zwarte
-zeilen... Daar zijn ze!! Wat zie ik? Vergis ik mij? Betoovert mij de
-angst en de eenzaamheid! Waarom looveren de schepen uit met dicht en
-vreemd gebladerte? Waarom streek Thezeus de zwarte zeilen al neêr?
-Thezeus! Hij antwoordt niet...! Is het versiering voor vreugdevaart? Is
-het verrassing mij voorbereid... O, angst huivert over mij, rillende...
-Waarom ben ik geheel alleen? Makkers, gezellen! Maagden! Thezeus!!!
-Niemand antwoordt! Waar ben ik...? Wat gebeurt er...? Omvaart mij
-krankzinnigheid? Maagden! Makkers! Thezeus, o Thezeus, Thezeus...!
-Waarom looveren de schepen zoo vreemd... Wat bloeien zij van trossen
-ooft ongekend... Ik weet niet, ik droom, ik ben gek, angst maakt mij
-gek...! Oh...! Oh...!! Wat zie ik... Daar! Dáar!! Vlieden... de schepen
-der zwarte zeilen in zee...! Aan den horizon... Wat zie ik? Wat zeg
-ik... Wat roep ik toch... Waar ben ik... Is dit Naxos? Zijn dat de
-schepen der zwarte zeilen? Ben ik Ariadne? Thezeus!! Hij antwoordt
-niet... Hij is dáar... Te ver... Makkers! Maagden! Zij antwoorden
-niet... Zij zijn daar! Te ver! O waarom...? Hij verliet mij! Waarom
-verliet hij mij...? Hij komt terug!! Ik zie het...: hij komt terug...!!
-Ik zie... de zwarte zeilen zwellen: hij komt terug... O mijn angsten
-stillen zich... Zij voeren weg...: waarom? Ter verkenning der zilte
-wateren... Nu, nu komen zij mij halen... Zie, zij naderen... Neen!! Ik
-bedrieg mij! Zij naderen niet! Zij verwijderen zich! Zij verlaten mij!
-Goden, waarom...? Wat heb ik gedaan...? Waar is mijn sluier...? Hier!
-Ik wenk hem...: Thezeus! Ik wuif hem: Thezeus! Hij ziet? Hij ziet mij
-wuiven...? Hij komt terug... O ja, hij komt terug... Mijn angsten
-stillen zich... Neen!! Ik bedrieg mij! Zij naderen niet... Zij
-verwijderen zich verder... verder... In het verschiet verbleeken de
-zwarte zeilen... Nu zijn zij niet meer dan éven een schim... een
-schaduw... Zij zijn weg... Oh... Oh...! Waar ben ik? Wie ben ik? Is dit
-Naxos? Droom ik? Ben ik gek? Thezeus...! Hij antwoordt niet... Maar ik,
-ik hoor het Geloei...! Nachtmerrie... nachtmerrie des blinkenden
-dags... Hoor! Over het Eiland davert het vreesverwekkend Geloei! Mijn
-halfbroeder, kleinzoon van Helios! Zijt ge niet dood? Hieuw Thezeus u
-niet den stierennek af? Neen! Hij leeft, hij brult, hij loeit...! O,
-het Geloei... het Geloei over het Eiland... Het vervloekte Eiland... Is
-dit Kreta? Bestaat Naxos? Was Naxos een droom... Ben ik alleen? Ben
-ik...—Thezeus!! O, hij antwoordt mij niet... Hij is ver... hij is
-daar...! Er is niets... Niets meer dan de zee... Wijd, o wijd de zee,
-en de eenzaamheid wijd... Op Kreta is Ariadne alleen en wijde
-eenzaamheid spookt dageklaar om haar rond... Ik droomde...: een held
-kwam aan, hij landde somber en fronsend, geen offerling, maar een
-overwinnaar... „Voedster... vlug, vlug, wind-op met mij den eindeloozen
-draad...” O, de Poort, o de Angst, o de Wachting...! O, de Held, het
-Labyrinth, en de Stierekop, bloedend zwart uit den hals, afgehouwen...
-Ik droomde...: „vluchten wij snel naar de schepen met zwarte zeilen...
-Hier Ariadne, zijn om je heen jonge gezellen en maagden, geredde
-offerlingen, die juichen... Hier ben ik, Thezeus: ik heb je lief, wees
-mijn vrouw, Ariadne! Wiegel op zee en wiegel in mijn armen. Wiegel in
-mijn armen op zee... Zie, hier is een Eiland, niet als Kreta
-vervloekt... maar zalig... omspoeld door schuimende golven...: ’s
-nachts, stil, dansen om het Eiland blank en geluideloos de schitterende
-Nereïden... Zie, hier zijn heesters in bloei... Zie, hier zijn niets
-dan bloemen, vogelen, sterren, zee, zaligheid, liefde, een sponde van
-mos... Nacht, nacht van liefde, donker! Sterren, verduistert! Zie, hier
-is niets dan droom!” Het was droom! Het geluk was droom. Er was niets:
-geen vlucht, geen geluk, geen Naxos! Dit is Kreta! Daar loeit mijn
-halfbroêr! Ik, ik ben Ariadne, gek! Gek was mijn moeder, Pazifaë, ik
-ben gek als zij! Ik ben gek...! Zij beminde den Stier...: ik... een
-Droom! Zij werd gewond door de Werkelijkheid: een Schaduw verwondde mij
-doodelijk... Zij liep rond, handen wringende, ik loop handen wringend
-rond... Wij zijn éen bloed! Ik ben het kind van Pazifaë!
-Onverzoenlijke! Afrodite! Treft ge mij...? Heb ik lief wat gij wilt...:
-een Schim? Bestond dat alles niet? Besta IK? Ik ben bang... voor de
-eenzaamheid, voor mijzelve... Ik ben bang... Ik wil weg... Ik wil
-vluchten! Ik snik! Ik wring handen! Thezeus...!! Hij hoort mij niet...
-Droomde ik hem, zijn naam, de zwarte zeilen...? Droomde ik de
-werkelijkheid...? Ik wil weg...! O, ik wil weg... Ik wil niet meer
-zijn... Zee, wees genadig...! Spoel mij meê... Zee, wees zoo kalm
-niet... Heb erbarmen, zee! Neem mij meê... Spoel mij meê... Verdrink
-mij! Er zijn geen zwarte zeilen... Er is geen Thezeus... Ik wil niet
-meer zijn! Zee, verdrink mij... O wiegel mij niet zoo zacht, zoo als
-mij wiegelden eindelijk zijn armen zelve... Ik wil weg! Ik wil dood!
-Waar is mijn dood? Waar... waar zijn hooge rotsen? Zijn hier geen hooge
-rotsen...? Is dit Kreta...? Neen, dit is de Verlatenheid... Vervloekt
-eiland van Verlatenheid! Parelkleurige, zonnige verlatenheid, blauwe
-zee rondom, blauwe lucht rondom! Rotsen, rotsen, waar zijt gij... Zijn
-hier alleen boomen, struiken en bloemen... Dáar... daar zijn rotsen! Ik
-beklim ze... hooger... O, nu sta ik hoog... Hoog, sla ik de armen uit!
-Dood, ontvang mij! Zee, ontvang mij... Ariadne stort zich in zee en in
-dood... Onverzoenlijke, wees tevreden!!!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-
-Hoog opgericht in einde-van-smart zoekende wanhoop, stond op de punt
-van de rotspiek in de zonnige blauwte der lucht zilverwit glanzende
-Ariadne, hare armen hoog, hare roze borstpunten hoog, het haar goud
-vloeiende rondom haar heen. En de blik van hare chryzopraze-oogen zocht
-even omhoog de zon, of er vizioende voor haar blik, die al zag den
-dood: de zonnewagen van heerlijken Helios, harer ongelukkige moeder
-vader, mennende het brieschende vierspan, en goddelijkende tot haar
-toe...
-
-Toen was zij bereid zich te storten àf van de rots, in de diepe zee
-onder haar... En werktuigelijk sloeg den blik zij neêr... Maar zij
-verbaasde zoo, dat zij den doodsprong niet deed. En bleef staan. En
-staarde omlaag. En haar wanhoop vergat éen oogenblik.
-
-Beneden zich, in zee, zag Ariadne op den morgenbries een vloot wiegelen
-van talrijke schepen, de masten omwingerd, de zeilen omrankt met vol
-gebladerte en loof onbekend. Op het strand dansten de blijde
-schepelingen in den goudzonnigen, blijden morgen. Het waren nymfen,
-bezield door een zonderlinge dronkenschap, die haar cymbels deed slaan
-en deed zwaaien met pijnappelstokken; ooft rankte haar om de slapen;
-pantherhuiden slipten hare leden af. Zij dansten met gebruinde,
-bokspootige mannen; er waren ook vrouwen, gehoornd en bokspootig, er
-waren ook kinderen, gebruind en bokspootig. Er dansten ook, niet zoo
-woest en van rythme edeler, blijde, krachtige jongelingen, heerlijk van
-welgevormdheid, de oogen guitig en de ooren spits; en zij dansten met
-blondere nymfen. Van blanke muilen en ezelen stapten grijsaarden af,
-waardig knikkebollend, met dikke magen, in lange, plooiende mantels. Er
-brulden panthers en leeuwen, getemd, die de temmers hielden aan sterke
-lianen en gevlochten veil, en tusschen het gewarrel van dat leger reed
-een lynxewagen aan, gemend door vier bokspootige mannen. Rondom den
-wagen stuwde een stoet van guitig-oogige, spitsoorige jongelingen op
-dartele tamme jonge leeuwen, maar in den wagen stond, en steunde op
-zijn staf, een god. Een jongeling, de knaapjaren ontwassen,
-overheerlijk van leden blank, die, nog vrouwelijk week, zich even
-spierden: hij stond in een blauwen eigenschijn, hij stond geheel naakt;
-zijn lange bronsblonde lokken waren opgeknoopt in een wrong en omrankt
-met zijn eigen ooftranken; zijn oogen waren als lachende blauwe violen,
-en toch was in geheel zijn glans en zijn blijdschap een weemoedige
-ernst en een goedheid groot. Hij was zoo schoon, dat Ariadne verbaasde.
-Zij had zoo schoon een jongeling nooit gezien. Dat was niet de
-gespierde forschheid van vreeslijken Thezeus, en toch was het
-schoonheid van een overwinnenden held. Dat was een mengeling van een
-vrouwelijke zachtheid en een mannelijken moed, en een blijdschap, bijna
-kinderlijk, en een weemoed, bijna overgevoelig, en om dat alles heen de
-blauwe glorie van goddelijke onoverwinnelijkheid. Ariadne van de rots
-zag hem aan en zij vergat, dat zij zich in zee wilde storten. Zij had
-ook niet gekund, want de god, tusschen zijn leger dicht omstuwd, zag
-haar aan en lachte, en zij had zich in zijn lach moeten storten, om
-zich tevens te storten in zee. Zij kòn zich ook niet storten in zee,
-want zij kon zich niet bewegen: tooverij en wonder, was uit de
-splijtende rots een looverende stam ontsproten en rankte uit en weligde
-rondom haar heen en ving haar in stevige boeien. Zij stond nu gevangen.
-De ranken boeiden het gebaar harer nog omhoog geslagen wanhopige armen
-en zij bleef onbewegelijk, zóo. De god, in zijn wagen, steeds, zag haar
-aan. En de dans zijner volgelingen zwierde, woester en woester, de
-rotsen op. Over àl de rotsen zwierde de dans, lied klonk, gejuich,
-hymne den god bezingende en dankende voor een purper genot, dat hij
-schonk. Bezield was het eenzame eiland plots met geheel de drukte dier
-blijde schepelingen. Op een der rotsen torsten de bokspooten een gouden
-mengvat en het schitterde aan tegen het diepe azuur als een groote
-vonk. Fluiten schalden. De wilde beesten, vervaarlijk soms, brulden.
-
-De blijde god, steeds, zag haar aan. Hij glimlachte, maar in zijn
-glimlach weemoedigde zulk een medelijden, dat Ariadne, plotseling,
-begon te weenen. Zij snikte en hare handen hadden haar gezicht
-verbergen willen, maar de stevige boeien omrankten haar in volbladerige
-gevangenschap. Zij stond als in een kerker van trossen, weenende.
-Nymfen echter waren, de rots op, haar genaderd, en zij braken de
-ranken: omrankt nog voerden zij haar meê. Zij liet zich voeren,
-weenende. Zij meende, dat zij droomde. Zij meende dit drogbeeld harer
-krankzinnigheid. Wankelend van de smart, die zij nu vòl zich
-herinnerde, liet zij zich meêvoeren en snikte. De nymfen leidden haar
-de rotsen af. Zij deden op een panther haar zitten, en, enkelen haar
-ondersteunend, leidden anderen het tamme dier voort. De god wachtte
-haar af. Nu, uit schaamte, verborg in hare vrije handen zij hare
-weenende oogen.
-
-—Wie gij ook zijt, zeide toen Dionyzos, en mild klonk zijn stem; gij,
-die u wilde storten in zee met luiden jammer van wanhoop, klinkende
-over heel Naxos,—wie gij ook zijt, gij zijt mijne gevangene, o
-heerlijke vrouw; de gevangene van Dionyzos! Maar de vrijheid zij u, zoo
-ge de vreugde aanvaardt! Zijt gij vorstin van dit eiland, zoo wil u
-Dionyzos in vreugde overwinnen. Was dit eiland een eiland van smart,
-zoo zal het er van vreugde een zijn! Zie, overal plantten mijn saters
-den wijnstok, en de wingerden weligen uit. In korten tijd veroverde ik
-rijken groot, en ik verwon dit eiland, in een enkel blikken-der-oogen!
-Smart leedt gij? Er is geen smart! Er is niets dan vreugde in den
-zon-blakerenden morgen en voor de te felle warmte rankt zich, alleen op
-den wenk van mijn thyrs, een wijnlofpriëel van rots tot rots en loovert
-een feesttent over ons uit. Wie gij ook zijt, gij, die u wilde storten
-in zee met luid jammeren van wanhoop, ge zijt, o vorstin, mijn
-gevangene, en ik vraag u: aanvaardt gij de vreugde?
-
-Zoo sprak de blijde god Dionyzos, en dartel glimlachte hij op zijn
-lynxewagen staande, maar de muziek zijner stem was mild van bijna
-weemoedig medelijden. Terwijl hij de vreugde aanbood en gebood, deed
-hij verstaan, dat hij de smart had gezien en gehoord, en begreep, dat
-zij wanhopigen kon. Ariadne, van haren panther gestegen, zeide niets:
-zij weende, en vouwde de handen, en nu zonk op haar knieën zij neêr. En
-zij riep, eindelijk:
-
-—De vreugde, o god onbekend? De vreugde? Ge wilt, dat Ariadne de
-vreugde aanvaardt, de vreugde aanvaardt op Naxos, het eiland, waarop
-haar begoochelde krankzinnige droom... krankzinnige droom, die verzwom
-en verijlde met de allerlaatste schaduw van aan de kim rouwzwarte
-zeilen? De vreugde? Maar ik heb haar nooit geweten! Over Kreta regeerde
-de frons van mijn vader, over Kreta weêrklonk zielesmart van mijn
-moeder, Pazifaë, die den Stier beminde; over Kreta weêrdonderde het
-Geloei van mijn broeder, afschuw en vrees wekkend! Ariadne heeft de
-vreugd nooit gekend! Op Kreta landde sombere Thezeus: hij kwam als een
-overwinnaar, maar somber en dreigend en wraakzucht koesterend, en het
-eiland dreunde onder zijn tred. Hij kwam, hij kwam: ik zag hem, o ik
-zag hem, ik dacht dat hij Ares was! Zwaar overbronsde zijn hoofd de
-helm; zijn ontzaglijke vuist omklemde zijn onoverwinlijk zwaard, en in
-zijn oogen somberde de schaduw van de zeilen zijner vloot. Ik zag hem,
-ik zag hem, en ik had hem lief, want nog nooit had ik een held gezien.
-De onverzoenlijke Afrodite bezielde mij. Ik vluchtte, ik naderde weêr,
-ik viel aan zijn voet en smeekte hem van neen, van neen, om niet den
-Minotauros te bekampen... Hij wreekte zijn land op mij, op mijn liefde;
-zijn liefde was wreed en ontzaglijk. Maar hoe ik ook slavin zijner
-lusten was, god mij onbekend, Ariadne had Thezeus lief... Waar is hij
-nu... O, hij antwoordde mij niet... Hij is ver... hij is ver... hij is
-dáar!! En ge wilt, dat ik de vreugde aanvaard? Maar wat is de vreugd?
-Is het huiveren voor vaders frons? Is het weenen met moeder mede? Is
-het beven bij het vreesverwekkend Geloei? Is het luisteren naar
-radeloosheid van offerlingen, door zijn Honger gulzig verslonden? Is
-het angstige vlucht met den wreeden Held? Is het hartstocht van
-Wreedheid zelve? Is het de kreet van pijn in wreeden wellust? Is het de
-slavinnesnik in haar verwinnende ompranging? Is het angstig streelen
-van Thezeus’ fronsend voorhoofd, en zoeken wegkussen somberen blik uit
-zijn oogen? Is het eindelijk zich met droom begoochelen? Vermoeden, dat
-zich wreedheid verzacht? Hopen, dat liefde won liefde...? Glimlachend
-herademen in deze begoocheling, en zich denken, in glimlach van glorie,
-geluk? Verrukking der zinnen, en sluimeren van moêheid? Is het ontwaken
-en zich verlaten zien? Is het hopen, twijfelen, weifelen, en radeloos
-eindelijk ZEKER zijn, dat Thezeus, mij, Ariadne, verliet...! O god, o
-Dionyzos, mij onbekend, zoo vreugde dit alles is, weet Ariadne wat
-vreugde is, en aanvaardt zij de vreugde, o god... Maar zoo vreugde iets
-anders is dan beven en weenen, dan extaze gevoelen in wreede pijn, en
-dood verlangen in wanhoop, dan kent Ariadne de vreugde niet, o god
-Dionyzos, en hoe wilt ge, dat zij ze aanvaardt dan...? O, ik zie en ik
-begrijp: wie niet uw vreugde aanvaardt, verscheuren uw saters en woeste
-menaden in razernij... Om mij voel ik ze dringen al... In mijn gelaat
-zieden hun heete ademen! O, menaden, o saters, verscheurt mij,
-verscheurt mij! Hebt vreúgde aan Ariadne! Zij, zij aanvaardt de vreugde
-niet...
-
-En al wilden zich woeste menaden werpen op de vreugde verweigerende
-Ariadne, en saters haar meêsleepen woest, toen Dionyzos de thyrs ophief
-en hen gebood terug te gaan... Ernstig stond de god, jongelingslank en
-zijn violenoogen weemoedigden, en voor zijn ernstigen blik, zoo nieuw,
-week heel zijn leger in cirkel terug; aan veil trokken de faunen de
-beesten; menaden en saters weken ter zij, Panszonen leidden zijn
-lynxewagen weg en onder het wijnlofpriëel bleef de god Dionyzos alleen,
-met Ariadne, aan zijne voeten weenende.
-
-—O god, o Dionyzos! weende zij. Ik zie, gij hebt medelijden! Ik zie,
-gij zijt niet wreed als Thezeus was, en niet wreed als de menaden en
-saters. Maar heb zóo medelijden, dat uw medelijden wreedheid zij! En
-geef mij den dood, het einde! O, geef mij het eindelijke einde! Ariadne
-vreest geen einde wreed, en vreest geen verschrikkelijken dood!
-Dionyzos, laat hen Ariadne verscheuren... „Thezeus, Thezeus!” zal ik in
-extaze roepen, en terwijl uw saters mij verkrachten, terwijl uw menaden
-mij verscheuren, zal ik, stervende, mij denken, dat het Thezeus is, die
-wreed is en tòch mij bemint! O, Dionyzos, heb medelijden en geef mij
-den dood, het Einde!
-
-Zoo schreeuwde-uit van smart Ariadne, en zij was den god gansch te voet
-gevallen; haar lijf snikhief zich in smart in het zand, en hare haren
-stroomden goud over haar uit. Maar in plaats van wat zij verlangde en
-verwachtte—woeste kracht van saters en razernij woest van menaden...
-hoorde zij heel zacht gepijp van fluiten. Dat druppelde op en druppelde
-neêr met neêrklaterende en opfonteinende gamma’s en was een zacht
-sprenkelen van water als dauw, of een zacht ruischen van beekjes, in
-val en in parelige stijging... En zij hief verbaasd het hoofd hoog en
-zag den god Dionyzos aan. Hij stond onbewegelijk en zag op haar neêr,
-om zijn lippen een lach, in zijn oog weemoed. En de fluiten pepen
-steeds voort, teeder en troostende. Dat waren de faunen, die pepen,
-rondom verscholen in laurier-, oleandergeboomte.
-
-—O god, Dionyzos, wat IS dat?
-
-—Dat zijn mijn faunen, die pijpen, rondom verscholen in laurier-,
-oleandergeboomte! zei Dionyzos, en zoo week mild was zijn stem als een
-faunefluit zelve. Mijn faunen beminnen het fluitspel. Zij spelen
-altijd. Hunne fluiten zijn lang als bazuinen, en ver van den mond zich
-verwijdend. Maar ook mijn saters fluiten... Hoor Ariadne, mijn saters
-fluiten nu... Zij bespelen het fluitje, dat Pan hun uitvond: van
-rietjes, drie kort en vier lang: gemakkelijk is dat te bespelen, en
-blij maar onkunstig het lied... Hoor, nu slaan koperen slagen er helder
-tusschen door: dat zijn de menaden, die cymbels slaan... Te zamen
-bezielt éen rythme hen, en hun muziek wordt éen enkele vreugde... Nu
-zingen de nymfen: Evoë! Heb moed in de vreugde, zingen zij, zoo als
-Zeus, mijn vader, mij spoorde in den vreeselijken strijd tegen de
-draakgebeende Giganten: heb moed in den krijg, o zoon! Nu klateren zij
-uit in de hymne; zij bezingen mij, want zij hebben mij lief... Er is
-veel woestheid in hen, maar er is ook veel vreugde in hen, en hunne
-vreugde tempert hunne woestheid... Zie, Ariadne, zij kennen de vreugde
-alléen, en zij kenden nooit de smart... De smart... Ariadne... ook
-IK... kende de smart nog nooit... Maar ik WEET, dat ik haar éenmaal zal
-kennen... En omdat ik dit weet en gevoel... o Ariadne... o Ariadne...
-ken ik den Weemoed... Ariadne, kent gij den Weemoed...? Neen, ge hebt
-den Weemoed nooit gekend... Het geloei heeft den Weemoed overdaverd; de
-frons van een vader, de razende liefdesmart van een moeder, Ariadne,
-hebben den Weemoed overheerscht... De wreedheid en sombere
-verwinnaarskracht van den vreemden held, die kwam met zwartzeilige
-schepen, hebben den Weemoed neêrgedrukt... Maar in mij, Ariadne, heeft
-zij ALTIJD gebloeid, als een teedere affodil, te midden van mijn
-purperen wingerd... Ariadne, ik ben kind der aarde ook, zoo als ik ben
-kind van den hemel. De Vreugde heeft altijd in mij geschaterd, maar de
-Weemoed peinsde in mij steeds onbewust. Ik begrijp den Weemoed en
-gaarne heb ik haar getroost en haar uit cypressenschaduw weggevoerd in
-mijn vreugde. Ik heb den Weemoed in mijn vreugde zien schateren... De
-smart heeft mij vaak vertoornd: ik toornde als de smart niet mijn
-Vreugde aanvaardde. De Mineïden herschiep ik in vleêrmuizen! Ariadne,
-waarom toornde ik niet om je smart? Waarom niet, omdat je weigerde
-vreugde? Waarom hield ik mijn saters, menaden terug? Waarom beschermde
-je het gebaar van mijn thyrs! Is het, omdat ik de smart mijzelven voel
-naderen, en dat ik om die nadering haar beter begrijp, haar eerbiedig
-en haar spaar! Wat mij de smart zal zijn, weet ik, o Ariadne, niet,
-maar zij zal mij naderen, zij zal mij naderen...! Ariadne, o ween-uit
-je smart! Dionyzos, de god van de vreugde, vergunt je wat hij nimmer
-vergunde: smart te koesteren en uit smart te weenen! Uit smart te
-weenen in zijn druivepriëel... Zie, de trossen zijn purper gezwollen en
-glimlachen toe naar je mond... Maar pluk niet de druivetrossen, o
-Ariadne, en ween-uit, ween-uit je smart...
-
-Zoo sprak, met stem zoo mild als de muziek van faunenfluit zelve, de
-blijde god Dionyzos, en hij richtte Ariadne van zijn voeten op en
-voerde haar naar van viooltjes een sponde. Zij zeeg er in neêr en
-snikte... Toen zij opzag, was zij alleen. Zij was alleen in de
-loovertent; aan rots bij rots was de wingerd geschoten en de ranken
-slingerden toe naar elkaâr en schaduwden dicht. Zichtbaar zwollen de
-trossen. Hijgend geurden de duizend viooltjes. De fluiten, verder af,
-zongen heel zacht en droegen melodie, maar de Pansfluitjes orgelden op
-en neêr; de cymbels, even, sloegen als goud tegen goud, dof gedempt, en
-belletjes van tamboerijnen rinkelden. Er klonken stemmen van nymfen,
-heel ver; en de hymne verwijderde zich. Ariadne, verwonderd, leunde op
-den blanken elleboog, in de viooltjes... Hare tranen liepen uit hare
-vermoeide oogen. De eenzaamheid was weêr om haar, maar weldadig en
-geurig, en vol purperen ooftaroom, en het Eiland was lieflijk
-bezield... Zij herinnerde zich, dat wanhopig van een rotspiek zij zich
-had willen storten... Zij had het niet gedaan... Was het nu te laat?
-Leed zij geen smart meer?! Was Thezeus niet ver, onbereikbaar en wreed?
-Neen, het was niet te laat... De rots op, de rots op, den dood in! Zij
-maakte zich los uit de wellust van de viooltjes en zij wilde de rotsen
-op... De fluiten zongen hooger, en de Pansfluiten orgelden sneller, op
-en neêr, op en neêr. Een schelle cymbelslag deed haar verschrikken. Zij
-stond stil, en luisterde... Maar, doffer de muziek, verdempend, snelde
-zij, hooger, de rots op. De ranken hielden haar tegen, de trossen
-zwollen tegen haar aan, maar zij drong door, en klom op, ùit boven de
-loovertent, zoo dat zij weêr stond in de blauwe lucht, en den sprong
-maar behoefde te wagen. Maar zij deed niet den sprong...
-
-—Zusters, o Nereïden, ringt u rond, witte reie rondom het Eiland, dat
-drijft, oleander-, laurierbosschage, op de nauwelijks schuimig gekamde
-zee: Thetis, ben ik, die u roept!
-
-—Thetis, roept gij mij op uit de golven? Zeg mij, waarom klonk tot de
-diepte uw stem mij toe, wekkende mij uit water-gewiegelde rust? Ik ben
-het zelve, Wiegeling-der-Zee, die u vraagt...?
-
-En Ariadne, half verborgen door rots en door wingerd, zag de
-schitterende Nereïden reien de wateren uit, zich houdende blanke hand
-aan blanke hand en dansen rondom het Eiland...
-
-—Hooger de armen en lager... Zusteren, ziet ge wiegelen de
-druiveschepen van den blijden god Dionyzos...? Hooger de armen en
-lager... Dionyzos is gekomen...! Ik hoor fluiten schallen en cymbels
-slaan...: de vreugd is te Naxos gekomen...! Hooger de armen en lager...
-Evoë, Evoë, de vreugde... Dezen nacht wacht ons, Nereïden, o zusters,
-de vreugde van Dionyzos... Zusters, ik smacht naar zijn vreugde...
-Hooger de armen en lager... De vreugde is aangeland, waar de smart
-verlaten bleef... Eiland van smart, wees een eiland van vreugde! Morgen
-van smart, word van vreugde een nacht! Hooger de armen en lager...
-
-Zoo zong de zilvervoetige Thetis, en leidde, Amfitrite in het midden,
-de rei der zusteren rondom het eiland, waar Dionyzos’ vreugde te
-heerschen begon. En de tritonen doken op; over de nauwelijks schuimig
-gekamde zee ijlden de vischgestaarte zeepaarden snel, met maar twee
-golf-uitstampende hoeven; en de tritonen antwoordden faunen en
-saters... Geluid zwol in de geurige schaduw van het oleander- en
-laurieren-eiland, en geluid zwol er rondom. Lucht en zee trilden van
-geluid en muziek. Lucht en zee en bosschage trilden van vreugde. De zee
-was bevolkt, het eiland bevolkt; de menaden zagen de Nereïden en zij
-dansten de eenen als de anderen dansten: Nereïden zwierden woest om het
-zeestrand elkaâr meesleêpende lachend; menaden traden met luchtiger
-voet, hooger de armen en lager, zoo als zij hare zeezusters zweven
-zagen... De tritonen met schulphoorngeschal weêrechoden klaterende de
-faunen na, en de faunfluiten antwoordden met schulpfanfare. Ariadne,
-van de rots, half verscholen, zag het aan. Zij zag Dionyzos Amfitrite
-toewuiven en Amfitrite wuifde met den sluier terug. In den blauwenden
-morgen was het éen vreugdefeest...
-
-Maar Ariadne scheen vergeten. Niemand zag haar, niemand dacht aan
-haar... Alleen, eenzaam, klom de rots zij af: neen, zij kon zich in de
-zee niet werpen... Om zich te werpen in den zilten dood had zij zich
-werpen moeten in den menadendans der Nereïden, in de tritonenfanfare
-der faunefluiten... Nu wilde zij zich verbergen en klom lager en lager
-af: de wingerdtent overhuifde haar weêr met dichte schaduw,
-zondoorzeefd. En in die groengoudene eenzaamheid, hoorde zij de vreugde
-rondom haar heerschen en luisterde zij naar de vreugde, zoo nieuw, zoo
-nieuw voor haar. Zij viel in het bed van viooltjes en luisterde naar de
-vreugde, geheel den morgen lang. De vreugde scheen nooit moede en
-uitgevierd: het bleef steeds zingende, lachende, dansende vreugde, niet
-al te luid, niet al te dicht: het luidruchtigste soms was een
-cymbelslag, te hard geslagen, als schel goud tegen goud... Toen
-glimlachte Ariadne, en haar glimlach was éen glorie, terwijl haar
-chrysopraze-oogen van smart nog in tranen dreven. Op het viooltjesbed
-lag hare naaktheid getrokken met goudblankende lijnen en parelmoêrige
-schaduwing.
-
-Plots sloegen heel schel de cymbels, en of het ware om het luchtdreunen
-van dien goudenen klank, die fel na-echode, viel, zoo zwaar, dat een
-kreet zij slaakte, Ariadne in den blank-en-parelmoêrigen schoot, een
-tros van het purperen ooft. De tros viel hoog van de tente af, en lag
-purper nu op hare knieën... Enkele druiven, gebarsten de fijne schil,
-bloedden uit als bleeke robijnen en leekten hare blankheid over. De
-kleur van de druiven was wazig blauw purper doorschijnend, met een
-druppel van blozende licht diep-in... Omdat zoo heerlijk-vol en mooi de
-tros was, meende Ariadne het jammer van haar schoot den tros op den
-grond glijden te laten, en klemde zij hem tegen zich aan. Meerdere
-druiven spleten bloedende open, en het sap droop tusschen de viooltjes,
-en mengde in der hijgende bloemen geur, de aroom van boschbes en braam,
-maar heviger, heftiger, bezwijmelender. En Ariadne, vrouw van liefde,
-werd zoo bleek, als naderde liefde haar... Haar gelaat trok strak en
-hare oogen stierven, terwijl zij achterover zich wierp en de viooltjes
-pletterend drukte. Zij geurden des te sterker. Toen,—terwijl de
-vreugde, niet al te luid en niet al te dichtbij, heerschte rondom haar
-eenzaamheid, over het eiland, over de zee, in de lucht,—nam Ariadne een
-druif tusschen de vingers en rukte ze af. Zij hief aan hare lippen de
-druif en drukte ze tusschen de lippen... Hare chryzopraze-oogen
-staarden grooter in het bijna verbaasd strak getrokken gelaat. Zij
-plukte meerdere druiven, drukte ze een na de ander uit... Plots hief
-zij den tros geheel aan bevenden mond en zoende den tros
-hartstochtelijk. Zij omhelsde op haar boezem den tros. De tros scheen
-in wellust te zwellen, groot en zwaar als een overstelpende liefde...
-Ariadne sloot de oogen toe. Voller zwol de zang der fluiten, fanfaarden
-der tritonen schulphoorns en de cymbels sloegen klaterend allen nu goud
-tegelijk, met een blijde overwinning.
-
-Toen Ariadne de oogen opsloeg, viel haar uit de armen de geknakte
-trossteel op den grond, en de leêge schillen lagen verspreid. Zij
-meende, dat zij de blanke en slanke gedaante van een jongen god, in
-blauwen eigenschijn, zag verdwijnen tusschen de looveren der wingerds.
-Zij bleef liggen roerloos, verbaasd en herinnerde zich...: zij dacht
-aan Thezeus en Dionyzos...: zij zag, vizioen, de schepen met zwarte
-zeilen, somber eerst, verbleeken, aan den morgenhorizon, en aandobberen
-schepen met druiven omrankt. Zij hief zich op, en voelde zich aan, of
-zij niet droomde... Zij wist niet meer wat droom en wat waarheid zoû
-zijn... Maar zij hoorde de Vreugde heerschen...
-
-Zij dacht aan het Geloei over Kreta...: nu hoorde zij over Naxos de
-Vreugde... Zij glimlachte zacht, en ademde heel diep op... Daar zij
-terzij harer sponde uit den rotswand hoorde zachtjes klateren een
-straal, keerde zij zich om, en zag een najade, die goot noodend ten
-bade haar kruik uit. Ariadne knoopte heur haren op en dook en hurkte
-ruggelings neêr onder den straal. Toen de najade haar kruik had
-geleêgd, verdween zij en Ariadne rees op. Besluiteloos stond zij en
-luisterde... Steeds hoorde zij de Vreugde over Naxos... Maar de
-looveren bruischten en een panther tam zag haar aan met schitterende
-oogen, naderde toen, legde zich neêr aan haar voet. Zij streelde zijn
-machtigen kop, en hij brieschte zalig te moê, mauwende als een heel
-groote kat, met steile snorrebaarden. Nu hief zich het tamme dier, en
-kronkelde om haar rond, en stond stil. Ariadne steeds streelde hem, met
-de hand over kop en rug. Hij strekte den rug uit onder haar palm, en
-zijn staart zwiepte van gelukzaligheid. Toen, omdat breed zijn rug was,
-zette Ariadne zich op hem neêr. Langzaam schreed hij met haar voort,
-buigzaam en krachtig zijn dijen en zijn pooten plomp en toch gluiperig
-zacht... Zijn vel was een goudglanzende langharig zwart fulp, en
-Ariadne zat op zijn rug, veilig en zacht, het eene been over het
-andere, dat slank voet-trilde naar beneden; langs hooge halmen en witte
-narcissen slipte haar voet, dien zij even ophield, om hem niet op den
-grond sleepen te doen... De panther sloop met zijn voorzichtig slappen
-tred door de looveren en langs het lage geboomte dicht en Ariadne
-bespeurde, dat het dier haar voerde naar de Vreugde... En zij wilde hem
-beduiden, dat hij tot de Vreugde niet gaan mocht, en legde hare hand
-aan zijn halsband breed, als om hem te mennen elders heen... Maar de
-panther begreep niet en meende alleen, dat zij hem streelde en hij
-spon, welbehagelijk, grooten kater gelijk...
-
-Daar trad haar Dionyzos te moet: rondom hen beiden week de Vreugde
-verder het Eiland over en tusschen hen bleef alleen een Weemoed zacht,
-maar overal van lagen boom tot lagen boom, van oleander tot laurier, en
-van vijgeboom tot bloeienden mispel, slingerde zich het druivefestoen
-en herschiep in een feestpaleis het eiland, een schakeling van kamers
-en zalen voor feest. Glimlachend bood Dionyzos haar de hand om af te
-stijgen, en zij zette zich in het mos, Dionyzos haar ter zijde; de
-panther sliep in aan haar voeten.
-
-—Hij kent mij, zeide Ariadne; en hij is tam als ik nooit panther zag.
-
-—Mijn saters temmen de wilde beesten en maken ze in éen morgen tam...
-Deze panther voerde je al de rotsen af, toen je hoog stond in wanhoop
-gericht, Ariadne, en deze panther voerde je uit de loovertente, kamer
-van eenzaamheid, droom, gedachte en van liefde... Deze panther, o,
-Ariadne, zal trouw je dragen altijd en veilig voeren in den blijden
-thiazos, als je, uitgeweend, de vreugde aanvaardt...
-
-—Ween ik ooit uit en aanvaard ik de vreugde!
-
-—Ariadne, de seizoenen wisselen... Dag en nacht wisselen, wolken
-wisselen met zonneschijn, lichtspelingen en schaduwen wisselen, goden
-wisselen... Niets blijft, dan het wisselen alleen... Waar is de dag van
-gisteren? Waar zijn het geluk en de smart van gisteren...? Wat blijft
-er des avonds van de wanhoop des morgens...? Misschien de Weemoed, de
-weemoed alleen, en nòg wisselt de weemoed zoo vaak met een glimlach...!
-Ariadne, wat bleef in je leven van Kreta, van Minos en den vreeslijken
-Broêr? Wat klonk er nà het vreesverwekkend Geloei? Ariadne, wat bleef
-er van Thezeus? Zie het leven aan, Ariadne: het wisselt telkens van
-omlijn en kleur! Nu heerscht de Vreugde, misschien éenmaal de Smart...
-Maar heerscht zij, zij zal niet blijven... Wisseling van weemoedige
-schijnsels... is iets anders, Ariadne, het leven der menschen en der
-halfgoden op aarde... Zie, rondom ons speelt het als met glanzende
-schimmen en sombere schaduwen, en het wisselt, het wisselt telkens, in
-menig versmelten, verglanzen, verworden... Er is niets dan in de schaal
-uit te persen den tros, en, zoo lang zij duurt, de purperen vreugde te
-drinken... Alleen Zeus weet, of ik ze morgen bezit! Menade, bied mij
-een schaal, en sater, pluk mij een heerlijken tros...! Hier Ariadne,
-druk ik zelve den tros uit in de schaal; en in de schaal vloeit de
-purperen vreugde... Drink, Ariadne, de vreugde... Menaden, ziet hier
-Ariadne, die weende, en die gij verscheuren wilde... Zie, zij weent
-niet meer, hoewel weemoed haar ziel nog vol zwelt... Menaden, omrankt
-Ariadne met vreugde... Vlecht haar de zongouden haren en kroon met de
-zware vlechten haar de ronde kruin... Rank kunstig haar om de slapen
-een wijnlofrank, hang haar aan de ooren twee sierlijke trossen... En
-laat haar zoo verder naakt, want hare schoonheid kleedt haar in
-zilveren lijnen en parelglanzen... O, Ariadne, nu voel ik den wensch
-zwellen in mijn hart, te doen wisselen de smart voor de vreugde, in
-glanzende levensverwording... Menaden, wie stond op de rotspiek en
-wilde zich storten in zee...?
-
-—Op de rotspiek stond zilverglanzende wit Ariadne, en zij wilde zich
-storten in zee... Maar, o Dionyzos, door je glimlach heen kon zij zich
-in de zee niet storten! Op panther tam reed Ariadne de rotspiek af;
-loovertente spreidde boven haar uit... De Vreugde zong over het Eiland,
-niet te luid, niet te schel, en niet te dichtbij...
-
-—De gouden cymbels alleen sloegen schel!
-
-—Zoo schel, dat de lucht echoënd daverde...
-
-—Dat een wingerdrank brak, en een tros...!
-
-—Eén zware tros viel in Ariadne’s schoot...
-
-—Zij glimlachte en plukte de druiven...!
-
-—Zij drukte aan de lippen de druiven uit...
-
-—Zij omhelsde in haar armen den zwaren tros...!
-
-—En viel zwijmelend neêr vol van purperen weelde...
-
-—Dionyzos! Dionyzos!
-
-—God Dionyzos, onze god, god om wien wij ons scharen...!
-
-—Hoor Ariadne, de menaden zingen! Ariadne, je plukte de Vreugde àl, je
-drukte haar al tegen je hart, in je armen... De Vreugde, Ariadne, ben
-ik! De Vreugde was ik! Ik was de tros!... O, Ariadne, nu voel ik den
-wensch zwellen in mijn hart te doen wisselen de smart voor de Vreugde
-in glanzende levensverwording!
-
-—O, Dionyzos, nu voel ik den wensch zwellen in mijn hart trouw te
-blijven aan mijn smart! Helaas, jij was de tros! Helaas, ik omhelsde
-den tros! Zij stroomde purper uit in mijn schoot! Ik glimlachte, ik
-glimlachte, ik bezwijmelde in purper geluk... Helaas, waar bleef mijn
-smart! Waar blijft zij? Waar is Thezeus? Ben ik hem ontrouw, als hij
-mij ontrouw was! Is de liefde een verworden? Ariadne zag den held,
-Ariadne zag den god! De held wreekte zich in liefde op haar, de god
-troostte haar in liefde! O tros, o god, o Dionyzos! Ik ween, omdat ik
-purperen vreugde kende, en omdat ik purperen vreugde niet weêrstond. O,
-zwakke ziel, die niet kàn blijven lijden! O, wanhoop, die zich wèl
-troosten laat! Helaas, blijde Dionyzos, helaas, gouden god, purperen
-tros, er is niets dan het glanzend verworden en schaduwend wisselen: er
-is niets, waarom wij stevig de handen slaan, niets waarom wij krachtig
-de armen prangen... Het wisselt en schaduwt in glans om ons rond, voor
-ons uit, en wij weenen om niets, en wij lachen om niets! O, edele god,
-gouden god, purperen god, o god van wondervreugde en trossenwonder,
-geef mij éen oogenblik de hechtheid des levens! Vast wil ik de
-hechtheid des levens als een marmeren zuil, al hang ik er in smart aan,
-groot, groot als mijn wanhoop om Thezeus was. Eén oogenblik de
-hechtheid des levens!? O, Dionyzos, ge glimlacht en ge schudt het
-hoofd, als of ge weet, als of ge weet, dat die zuil niet bestaat of
-verbrokkelt in onze omhelzing? Gij, om de brokkelende zuil, zoudt uw
-wingerd aanstonds laten weligen en de vreugde hare broosheid vermommen
-doen? O, vluchtig leven, o zwakke ziel! Waar gaan mijn wenschen en mijn
-smarten heen, waarheen mijn wellust en mijn wanhoop? In het ijle... in
-het ijle... Tooverspel van tinten! Zeepbel na zeepbel na zeepbel! Boven
-dat tooverspel en die zeepbellen glimlachen de eeuwige goden... Om
-niets was zoo droef mijn jeugd? Om niets verwekte vrees het Geloei? Om
-niets vluchtte ik met hem en verliet hij mij? Weêrschijn na weêrschijn
-na weêrschijn! Is dit bestaan dan de ernst waard! O, menaden, gij hebt
-gelijk! Woeste saters, gij hebt gelijk! Ariadne aanvaardt de vreugde!
-Dionyzos, ik aanvaard de vreugde! Maakt mij geheel, menaden, aan u
-gelijk: geeft mij het beestevel! Geeft mij den thyrs! Geeft mij een
-tamboerijn! Menaden, reikt mij de handen! Hier, ik zwier met u rond!
-Dit is uw tred, dit is uw danstred: ik ken hem, ik ken hem alreê! De
-vreugde is licht te aanvaarden! Over het Eiland, het eiland heen, lange
-keten van vreugde, vreugdevrouwenfestoen, schakel wil ik zijn met u
-mede...
-
-En Ariadne, in den zwier van menaden en nymfen, danste meê en weg in
-haar wildheid, naar hoogere heuvelen en hoogere rotsen, en zij zag de
-Nereïden reien en haar wuifde Amfitrite tegen.
-
-Maar de blijde god Dionyzos riep uit:
-
-—O, Ampelos, Ampelos, kom!!
-
-En hij wierp zich aan Fauns borst en klaagde:
-
-—Zij aanvaardt de Vreugde, maar zij gelooft niet aan de Vreugde!
-Ampelos, haar stem klonk schril, toen de menaden zij riep!
-
-—O, Dionyzos, nooit is zuiver de Vreugde te aanvaarden voor wie de
-Smart heeft gekend! Kende ik de Smart? Dionyzos, kende jijzelve de
-Smart? Dionyzos, kende Hermafroditos iets anders dan den Weemoed in
-cypressenschaduw? En kennen wij beiden de Vreugde het zuiverst niet?
-Herinner je, er was niets dan blijheid: ik droomde en ik werd wakker,
-den wijnstok in mijn palm, dien Zeus er zelve gevlijd had: je kwam, ik
-lokte je met mijn blijde wijze en viooltjes ontbloeiden onder je voet:
-wij zochten samen de gunstige plek en plantten den wijnstok, de
-Vreugde, en er was niets dan de Vreugde, er was niets dan de Vreugde!
-De Vreugde overwon overal! En waar de Smart haar weêrstond, werd zij
-verpletterd!
-
-—O, Ampelos, ik spaarde de Smart voor het eerst!
-
-—En de Smart aanvaardt de Vreugde met bitter hart!
-
-—... Omdat ik de Smart zelve mij naderen voel!
-
-—Dionyzos, wat zal de Smart je ooit naderen...
-
-—Ik weifel, ik weifel, Ampelos: zal ik, IK de wereld verwinnen! Zie,
-mijn armen zijn als van een meisje...
-
-—Dionyzos, ik weet nog, toen ik je zag, voor het eerst, als een
-lachende knaap, blij vroolijk, dartel en moedig... Je groeide, je borst
-werd breeder, je ronde arm spierde zich even... maar weemoed groefde
-dieper in je glanzenden blik van viool, en je hart, in mannelijker
-borst dan toen, versaagt, als het destijds nimmer versaagde...
-
-—Ik weifel, o Ampelos, ik weet niet meer... Zie, zoo heerlijk schoon is
-de zonnige morgen, vreugde is er op eiland en zee, vreugde om Amfitrite
-en om Dionyzos... mijn wingerd weligend heerlijker dan ooit en ik... ik
-zoû weenen willen...! Ampelos, laat mij weenen in je arm... Vriend,
-neem mij teeder aan je borst... Laat mij je hart voelen kloppen... Ik
-ween, zie, mijn tranen vallen... Ik ben niet meer het kind, dat de
-nymfen van Nyza—nu de dartelste der Bassariden—opvoedden tusschen de
-anemonen; ik ben niet meer de knaap, tot wien neêrdaalden de Muzen met
-waardigen dans en edel rythmiesche maat; niet meer de dartele leerling
-van Silenos, die spotte met zijn wijsbegeerte; ik ben niet meer de
-allereerste wijnbouwer, blij, zalig om Zeus’ nieuwe gave aan zijn
-godenzoon... Ik ween, zie, ik ween, weemoedig... Mijn weg was éen
-zege... en ik ween... Ik overwon koninkrijken en landstreken, ik
-sprenkelde de vreugde overal, tot in Tartaros toe; mijn agavesteel
-versloeg de Giganten... En ik ween... Mijn ziel zwelt van weemoed... ik
-wil zijn als een kind... Ampelos, laat mij in je armen weenen, en
-troost mij... Zeg mij éen woord, dat mij troost... Geef mij troost,
-MAAR LAAT HET GEEN DRUIVETROS ZIJN... Neen, geen schaal, geen tros,
-geen vreugde... Ik verlang iets, ik weet niet wat... O, mijn moeder,
-Semele, gij verlangdet als ik... en Zeus willigde uw verlangen in! Gij
-verblaakte, zal ik òok verblaken? Vrouw van de aarde, ben ik uw zoon?
-Aarde, ben ik uw kind? Ween ik daarom? Ik verlang...: o wat verlang ik?
-Wat laat mij weenen en onrustig zijn, terwijl cymbelschel de Vreugde
-heerscht? Ampelos, o ik wensch, ik verlang... Ariadne de vreugde te
-sprenkelen, zóo dat zij die aanvaardt zonder bitterheid! Helaas, zie...
-zij lacht, zij zwiert, zij zwaait den thyrs, zij drinkt-uit de volle
-schaal... rondom haar juichen de dolle menaden... en ik zie haar groen
-juweelen oogen dol kijken met den blik van een ree, die Artemis jaagt!
-Ampelos, ik ben onmachtig... Ampelos, de smart overwint mij! Ariadne’s
-smart overwint mij! Eenmaal zal MIJN Smart... mij dooden!!
-
-—O, mijn onsterfelijke god en mijn vriend, nooit zal de smart je
-dooden!
-
-—Ik, ben ik onsterfelijk?
-
-—Worden zal je het, langt eenmaal Hebe je nektar.
-
-—En Ariadne?
-
-—Wie weet...
-
-—Ampelos, ik heb haar lief!
-
-—Sedert wij, Dionyzos, spaarden de smart, verwon de smart ons... maar
-niet tot den dood!
-
-—Overwint de smart ons... Overwint de smart je... Ampelos...?
-
-—Mij...? De weemoed verwint mij zeer zeker...
-
-—Waarom?
-
-—Ik had Dionyzos lief als de Vreugde... Ik torste de zegevierende
-Vreugde op mijn schouders... Wij verwonnen de Wereld!
-
-—Nog niet... nog niet geheel...
-
-—De Weemoed verwint mij... Ik troost Dionyzos weemoediger dan
-Hermafroditos ooit was... En als de Smart...
-
-—Als de Smart?
-
-—Zal ik hem niet troostend omhelzen!
-
-—Ampelos, waarom zal je Dionyzos, als hij de Smart is, niet troosten?
-
-—Ik zie de Toekomst... ranken steeds als éen druiven weg: ik zie, een
-vrouw, een vrouw blank...
-
-—Ariadne?
-
-—Zij!
-
-—Maar Ampelos?
-
-—Ik niet!! O, de Weemoed verwint Dionyzos’ Faun...
-
-—Waar is de eerste Vreugde!
-
-—Waar is de Vreugde!
-
-—Ampelos, bied mij den beker!
-
-—Ik zie er geen!
-
-—Ampelos, hier bied ik een tros je! Ampelos, ik beveel je: heb
-vreugde!!
-
-Blauw omglansd, straalde de god heerlijk op, en hij reikte Faun den
-vollen tros. En Ampelos omhelsde dien woest, maar hij omhelsde
-tegelijkertijd Dionyzos.
-
-—Zware tros! riep hij razend uit. Zware tros, Dionyzos, stroom uit in
-mijn omhelzing! Ik wankel onder je bezwijmeling!
-
-—Ampelos, Ampelos, kom mee! riep Dionyzos vervoerd in zijn armen. Ginds
-zwieren zij allen, in hoogste verrukking; ginds zwiert Ariadne en wenkt
-mij!
-
-En hij sleepte woest aan de hand Ampelos meê, die den gepletterden tros
-uit zijn omhelzing liet vallen...
-
-Uit de schaduw der oleanders trad Hermafroditos te voorschijn, en hij
-zag den god en zijn Faun, de hand boven de oogen, lang na...
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-
-Feest was arbeid tevens geweest en de saters, zonen van Pan, hadden
-overal, waar gunstig de plek was, den wijnstok Dionyzos’ geplant. Als
-éen groote tros zwol zelve het eiland purper, en nu de nacht donkerde,
-zonk de loome bewustloosheid van den slaap overal neêr als een
-betoovering over wijnbouwers en vierders van feest. De zee, ontvolkt
-van waterschepselen, gladde in Selene’s zilveren ernst zich strak als
-met blinkende lakens toe naar den einder, die huiverde, nauwlijks
-zichtbaar. De lucht welfde wolkenloos, en Selene stond vol en
-straalde... Onder den nieuwen wingerd drukte op wijndronken Naxos de
-slaap zwaar. De druivetriremen dreven roerloos; op het strand lagen, in
-de armen elkaâr, de uitgefeeste schepelingen. In de bosschages snorkten
-saters en slapende wilde beesten, getemd.
-
-Op een violensponde lag Dionyzos.
-
-Hij lag, het hoofd diep achterover, en zijn bronsblonde lokken,
-ontknoopt, stroomden over zijn schouders en op den grond. En hij lag,
-slapende, als een god, die lijdt. Over zijn voorhoofd pijnlijkte een
-ernst weemoedig, zijn mond was open en hij hijgde zachtjes. Zijn arm
-sleepte op den grond laag en zijn hand hield krampachtig grashalm
-omklampt. Toch, niettegenstaande zijn leed, was een blauwige schijn om
-hem, en Ariadne, van verre, alleen wakende nog, zag verwonderd naar
-dien bijna maneglans. En zij murmelde:
-
-—Zie, hoe hij ligt en glanst!
-
-Zij naderde en in de slaapstilte zag zij op hem en hem lijden.
-
-—Hij lijdt!? En toch kent hij de Smart nog niet en lijdt hij niet om
-zijn eigene smart! Hij lijdt om Ariadne’s Smart... O, in den wilden
-dans heeft hij het mij herhaald: „nu voel ik den wensch zwellen in mijn
-hart te doen wisselen de smart voor de vreugde in glanzende
-levensverwording... maar zonder bitterheid, zonder bitterheid,
-Ariadne!” Helaas, ik heb het hoofd gebogen in een glimlach en zijn
-beker aanvaard. De woeste vreugde heeft mij verder gesleept, ik heb de
-woeste vreugde aanvaard! Aanvaard ik morgen Dionyzos’ eigen en edelere
-Vreugde? Dezen nacht al? Drukte ik hem, in een tros herschapen, al niet
-in weelde van liefde aan mijn lijf? Thezeus...! Thezeus...!! Wat is
-Thezeus ver! Waar is de nacht van gisteren, toen ik lag in Thezeus’
-armen, in zijn liefde wreed maar mij goddelijk! Waar is de morgen des
-wreeden ontwakens, toen ik na veel weifelen en hopen de zwarte zeilen
-ten laatste aan den einder zag! Ver... ver is het alles heen... In het
-ijle, in het ijle... Tooverspel van tinten! Zeepbel na zeepbel na
-zeepbel! Weêrschijn na weêrschijn na weêrschijn! Helaas, wat kan ik,
-zwakke, tegen het goddelijk sterke leven! Wat kan mijn zwakke ziel
-tegen den troost, die haar overweldigt en haar bezwijmelde met purperen
-tros! Wat kan mijn smart tegen de goddelijk sterke vreugde der zee en
-des omwingerden eilands! Ik sta met mijn smart alleen in een
-duizendvoudige jubeling! Het jubelde van alle zijden naar mij toe:
-Dionyzos, Dionyzos! Hadde hij mij niet gespaard, de vreugde had mij
-verscheurd als een blijde leeuw een blatend en klagelijk lam! Hij
-spaarde mij, de vreugde verscheurde mij niet, maar zij omdrong mij van
-alle zijden. De lucht was vol van het vreugdegeschal. Zee en eiland
-bevolkten de dansen der vreugde. Ik dwaalde alleen met mijn smart! Ik
-weende alleen met mijn smart! Ik verborg mij onder wingerdtente en de
-Tros viel mij in den schoot! O, zwak lichaam, o zwakke ziel, zwakke
-smart die zich wèl troosten laat... Geen smart duurt langer dan de
-sterke Vreugde het wil, zoodra deze haar verwint... O smart, o smart,
-blijf bij mij! Wat roep ik, wat klaag ik, vergeefs! O, wat kan ik,
-zwakke, tegen het sterke leven, tegen de sterke Vreugde, wat kan ik
-tegen Dionyzos! Hij overwon mij, en spaarde mij... Goden, ik heb hem
-lief!! Thezeus, ik heb Dionyzos lief! Wreede held, Ariadne bemint den
-zachten wereldverwinnaar! Helaas, hij lijdt om mij! Edele god, gouden
-god, purperen god... hij lijdt de smart van Ariadne, want eigen smart
-weet hij niet! De vreugde zonder bitterheid...! Onverzoenlijke, gij
-zult het nooit willen... Afrodite, gij wilt het niet! Ik ben het kind
-van Pazifaë, ik ben een spruit van goudglorenden Helios... O, ik heb
-hem lief, ik heb hem lief! Ik ben het kind van mijn moeder: Afrodite
-bezielde ons altijd... Wat is dit voor een nieuwe liefde, die mij smelt
-in het hart, in de oogen met tranen, op den mond met een smachting naar
-zoenen! Trillend sta ik naast zijn sluimering en zie ik op zijn lijden
-neêr... O, hem niet meer lijden te laten; o, de vreugde alsemloos te
-aanvaarden! Het zoete van zijn beker alleen en niet de droesem van mijn
-smart... Smart? Heb ik smart? Ver... ver is mijn smart heen! In het
-ijle... in het ijle! Tooverspel van tinten! Zeepbel na zeepbel na
-zeepbel! Weêrschijn na weêrschijn na weêrschijn! Er is niets, er is
-geen smart... O, arme menschen, arme halfgoden! Gij lijdt en hebt lief
-om niets! Boven u glimlachen de goden sterk... Mijn ziel, ze herbloeit
-al weêr... Wat geeft het of ik er zelve om ween! Mijn ziel herbloeit,
-zij herbloeit! Zij is dronken van vreugde geweest, en nu, nu is zij
-smachtend naar vreugde weêr! Zijn edele vreugde na hun woeste
-vreugde... O, goden, ben ik gelukkig, gelukkig, terwijl ik ween?
-Thezeus... gij zijt ver: alle verschrikking, alle afschuw, alle
-wreedheid, alle wanhoop... het is alles, het is alles zoo ver...! Er is
-niets dan Naxos... Dionyzos’ Naxos... er is niets dan Dionyzos! Zijn
-vreugde! Een god... een god troostte mij! Dionyzos troostte Ariadne! De
-fluiten pepen troostvol, de cymbels sloegen goudschellen troost, de
-trossen stroomden purperen troost! O, stille nacht, o stille nacht van
-troost! O goden, ik ben gelukkig! Mijn tranen vloeien om mijn zwakke
-zelf, maar ik ben, o goden, ik ben gelukkig! Ik sla mijn armen uit, ik
-weet niet waarheen, van louter, van louter geluk! O, zoo zwak in smart,
-is Ariadne gelukkig! O, geluk, vluchtiger misschien dan de smart mij, o
-vreugde, waarheen slaan mijn armen uit? Dionyzos, Dionyzos, ontwaak!
-Ontwaak, ontwaak... Ik ben gelukkig!!
-
-En op de knieën naast zijn violensponde viel Ariadne naast Dionyzos
-neêr en omhelsde zijn afhangende hand. Hij ontwaakte en hoorde haar
-laatste woord, en voelde op zijn hand haar zoen. Toen murmelde hij, nog
-slaap-, wijn- en leeddronken:
-
-—O, Ariadne, nu voel ik den wensch zwellen in mijn hart...
-
-—Te doen wisselen de smart met de vreugde... Maar zonder bitterheid,
-zonder bitterheid.
-
-—Ja, zonder bitterheid, Ariadne...
-
-—Dionyzos, ik bèn gelukkig! Ik ween om mijn zwakheid, maar helaas,
-Ariadne is gelukkig!
-
-—Sprenkel ik vreugde, Ariadne...
-
-—Ja... Dionyzos, vreugde en geluk, gelúk! Zie, ik ween aan je voeten,
-omdat alles, alles, zoo ver is... Thezeus, verschrikking, afschuw,
-wreedheid en wanhoop... en omdat ik heel bang ben voor het geluk, dat
-heel broos zal zijn, als de smart al zoo broos was... Maar ik ben
-gelukkig, ik ben gelukkig! Wat kan tegen het sterke Geluk! Wat kan
-Ariadne’s zwakke smart tegen het overstelpende sterke geluk! Vreugde en
-geluk zijn als krachtige saters, smart was als een weenende nymf zwak!
-Vreugde en smart, rood als wijn, goud als zon, schaterend als Dionyzos,
-verkrachtten mijn arme zwakke smart in het druivegenot, en de zee
-lachte, de lucht lachte, de aarde lachte... àlle, alle goden lachten,
-schaterlachten om de arme verwonnen smart! Goden, ik hoor zelfs Thezeus
-lachen! Alleen... ik hoor niet Afrodite’s lach en ik vrees voor die
-schijnkracht van geluk en van vreugde...
-
-Op zijn sponde zat de god overeind en hij hield Ariadne in zijn armen.
-Zij zag hem aan, hij zat in glans als in eigen maneschijn en van zijn
-voorhoofd was het leed opgeklaard. Rustig, zelfbewust en jong heerlijk
-zat hij en hield zijn bruid in de armen, heerlijk schoone dochter van
-Helios’ dochter. En hij zeide:
-
-—Ik weet, dat ik de Vreugde ben, en dat heel sterk is mijn Vreugde! Ik
-weet, dat ik de Vreugde altijd was, en ik gloei van trots, omdat ik de
-wereld overwin, aardsch erfdeel, door Zeus mij beloofd! Hoor, Ariadne,
-de Vreugde zal altijd krachtiger zijn dan de smart! Heerschen over de
-wereld zal altijd mijn Vreugde! O, zaligheid, zaligheid: Dionyzos
-heerscht, zijn Vreugde heerscht! Ariadne, welk geluk zwelt in mijn
-ziel! Sprenkelde ik je de vreugde, Ariadne? Is er geen alsemdrop meer
-in den beker? O, zaligheid, o, zaligheid; o, vreugde... O Zeus, heb
-dank voor mijn kracht, en mijn erfgoed! Wat ziekte in mij van weemoed
-en weifeling! Waar is Ampelos, opdat ik hem vraag...! Wat twijfelde ik
-ooit toch aan mijzelven... O, zaligheid, o zaligheid... Zie, Ariadne,
-ik sta op...: ik ben een man; ik groeide van vreugdekind en van
-vreugdeknaap tot een vreugdeman; ik voel mij sterk en onoverwinlijk...!
-Dit is omdat krachtig mijn Vreugde is, onoverwinlijk, en omdat ik ze
-overàl sprenkel! De wereld sprenkel ik ze over! O zaligheid, o
-zaligheid... Ariadne, ik ben gelukkig... Wat dacht ik aan Smart toch en
-welke smart kan mij treffen, nu ik Ariadne’s smart heb gelenigd en haar
-vreugde heb gesprenkeld! O zaligheid, o zaligheid: ik verlang naar den
-nieuwen dag! Bruid, ik smacht naar den nieuwen morgen! Grijze
-schemering, vlied! Eos, verschijn! O, zaligheid, Dionyzos, gelukkig,
-vreest niet de broosheid van zijn geluk... Stil Ariadne, twijfel
-niet... Hier, in mijn arm voer ik je voort naar het strand van de kalme
-zee! Zoolang mijn zeereis dure, zal geen storm woeden: Poseidoon heeft
-mij lief; hij gladt-uit zijn waterwegen! O, zij hebben mij allen
-lief...! Ik sprenkel ook vreugde hun, den grooten goden. Zij zien
-lachende op mij neêr, als ik strijd... Zij hebben mij allen lief...!
-Stil, o bruid, twijfel niet! Zij hebben mij allen lief...: Afrodite...
-zij heeft mij lief... Zij kàn Dionyzos zijn bede niet weigeren. Stil
-Ariadne stil, nu bid ik tot Afrodite... In den nauwelijks rozigen
-morgen, o Afrodite, hoor mijn bede... Ik ben Dionyzos, die je roept...
-Zie, dit is Ariadne, en je toornde haar als je deedt alle de haren. Je
-gaaft haar de liefde en je strafte haar in liefde! O, goudene Afrodite,
-is het aan godin, zoo duive-lieftallig, en zoo overmachtig schoon, te
-zweren wraak zoo onverbiddelijk? Afrodite, hoor: als een sterveling
-gewoon, bidt Dionyzos bij de zee, uit wier schuim je oprees
-verblindend: wees Ariadne en wees mij genadig! Niet anders dan als een
-herder, die je twee tortels brengt in je tempel, bidt Dionyzos, zoon
-van Zeus, god der vreugde, verwinnaar der wereld tot het morgenland
-toe: O, Afrodite, wees ons genadig! Wees onze liefde, ons geluk
-genadig! O Afrodite, wees de Vreugde genadig!!
-
-Zoo bad de blijde god Dionyzos en hoewel zijn gebed smeekte en nog niet
-juichte, was hij vol vertrouwen, in Afrodite, en in Zeus, zijn vader.
-En hij stond aan de parelige morgenzee, en zag naar den pareligen
-morgenhemel, achter wiens azuur de goden, zijn goddelijke broeders en
-zusters, en onder hen Afrodite, hem zeker wel, Ariadne in de armen,
-schuchter,—welgevallig glimlachend zouden gade slaan. Hij stond en de
-blik vol vertrouwen, violenblauw, zocht in den hemel, die klaarde; zijn
-oor luisterde als naderde op zijn bede antwoord; zijn glimlach was een
-jeugdig blijde zelfbewustheid. Zijn hand streelde Ariadne’s zongoudene
-haar, en zij, aan zijn hart, hoorde zijn liefde. Een angst voor de
-Onverzoenlijke deed haar eigen hart kloppen onstuimig. Zoû de wreede
-godin, schrik van Kreta, geesel harer in verdwaaldheid bemind hebbende
-moeder, hooren en een teeken geven? Wat verwachtte haar goddelijke
-bruidegom? Zij zag op van Dionyzos’ borst. Zij zag uit over de zee. Het
-krokoskleurig gewaad van Eos was reeds in ijlte verbleekt en Ariadne
-schrikte op, omdat aan den einder, uit de breed ontslotene poorten, in
-helderder uitstraling van goud, als op goudenen heirweg, die zich langs
-den hemel rondde, Helios verscheen, in de zonnevuisten de blinkende
-leidsels des vurigen, schuimblanken vierspans! Nooit had zij den god,
-vader harer verdwaasde moeder Pazifaë, zoo in zijn zonneglans gezien.
-De dag, plotseling, gloeiend van glorie, straalde wijd, wijd uit over
-de aarde en over de zee: het was of de zee zich uitbreidde, blauwer;
-het was of zij overal eilanden zag liggen, die zij nog niet had gezien;
-het was of zich vergoddelijkte de menschelijke wereld, het geurige
-eiland van haar smart en geluk. Uit de zee, hier en daar, overal, doken
-de Nereïden op, zingende elkaâr toe, wuifden elkander, wezen met den
-vinger uit... Wezen zij naar de glorie van Helios, die nu mende zijn
-stralend vierspan den hemelheirweg op, hij staande triomfantelijk in de
-zonnekar? Neen, zij wezen lager, naar de Oostelijke poort, die, nog
-niet gesloten, uitvloeide een parelen lichtstroom... En plots zàg
-Ariadne, en gaf zij een kreet, en klampte zich aan Dionyzos. Want zij
-had herkend en in Dionyzos’ arm stierf zij bijna van angst, hijgend.
-Zij had herkend! Op den parelen lichtstroom, die na Helios’ goudgloed
-schoot uit de steeds opene poort, dobberde over de kalme zee,
-nauwelijks morgenbriesgerimpeld, een heel groote schulp, en op die
-parelmoêrige dobbering naderde-aan Afrodite zelve! In doodangst zag
-Ariadne toe. Zij had de godin, vijandin haars geslachts, nooit gezien
-en zij wist niet, wat zoû gaan gebeuren. Zij gaf een kreet, half in
-zwijm tegen haar bruidegom aan. Maar in een parelen glorie, te
-heerlijker, daar Helios zoo straalde, dobberde nader op haar schulp de
-godin, die stond; en de druk van haar teen stuurde de schulp, naar het
-scheen, waar zij wilde, in de richting van Naxos, van Dionyzos. Zij was
-zoo schoon, dat Ariadne ontzette. Zij was zoo schoon, dat de Nereïden
-staakten den zang, en openmonds bleven staren. Zij stond in hare kalme
-overheersching van bovenmatige schoonheid, en haar glimlach omdreef
-haar met een hellen glans, en toch was die glimlach er een van een
-kind, een bedorven kind en allerlieveling. Het hoofd geneigd ter zijde,
-glimlachte Afrodite. Hare schoonheid boetseerde haar in levend albasten
-lijnen, die heel week en nauwelijks wisselden. Hare schoonheid was een
-lieftalligheid, die kon goddelijk zijn, een lieftalligheid eeuwig en
-oppermachtig. Nader aandobberend, staarde Ariadne haar aan, en vergat,
-dat zij heur vijandin was. Het zuiver edele van het gelaat versmolt al
-te groote strengheid in den glimlach, die glansde. Van de heel ronde
-kruin golfde het haar opgeknoopt als een vloeiend goud en kruivende
-licht. De rozebladronde schouders, de leliënde armen, de dubbelgeroosde
-boezem, liervormig de heupen, de bloemestengelende beenen, voet, van
-welk éen stuurde de schulp, schenen uit tastbaar licht geschapen, en
-het licht bezield met leven en god-vrouwelijkheid. En zij was zoo
-schoon, dat zij op dit oogenblik van overglanzing nauwelijks
-verzinnelijkte tot welken zweem ook van wellust. Uit de zee waren de
-tritonen gedoken, en, de godin herkennende, toeterden zij schel hun
-hoornschelpfanfare. Uit de oleander- en laurierbosschages waren
-aangestroomd de faunen en saters en heel Dionyzos’ leger bevolkte in
-dicht gedrang het strand, maar zoo schoon was Afrodite, dat
-onbewegelijk saters en faunen stonden, geboeid door hare schoonheid
-alleen, van welke nooit wederga was gezien. Bij haar werden de Nereïden
-en nymfen lieftallige schepselen, onbeduidend, en Ariadne’s zonnige
-schoonheid verbleekte tot een schim. Zoo naderde Afrodite. Geheel de
-zee zag haar aan, lucht zag haar aan, alle schepselen staarden haar
-tegen. Zij was de heerlijkheid van hemel en aarde. Zij scheen het niet
-te weten. Zij glimlachte alleen en scheen niet te weten, dat glànsde
-haar glimlach. Rondom haar fladderden eroten en wierpen rozen neêr.
-Hare triomf was onvergelijkelijk met welken triomf ook op aarde... Aan
-de kim was de poort gesloten, Helios verijlde in het azuur; het
-parelige pad verbleekte, maar om Afrodite schitterden haar eigen glans
-en haar glimlach.
-
-Plotseling weêrschalde een gejuich. Aangedobberd, genaderd het strand
-van Naxos, was zoo vervoerende schoon de godin, dat allen juichten, dat
-alles juichte, dat de tritonen toeterden, de faunen pepen; de saters,
-dol, orgelden hunne schelle gamma’s. En Dionyzos riep uit, in
-verrukking:
-
-—O, Afrodite, je nadert mij, op mijn gebed, over de van liefde bevende
-zee! O, Afrodite, je nadert mij! Je glimlach baadt mij in een
-glinsterend geluk! Mijn Vreugde straalt op in je schoonheid! O,
-Afrodite, Afrodite, mijn stem schiet te kort je toe te juichen en tegen
-te danken! Je duldt Ariadne’s geluk? Je staat Ariadne mijn Vreugde toe!
-Afrodite, ik zie je glimlachen! O godin, heil der aarde en lust van de
-goden, ik val je te voet en ik bid je aan! O, heerlijke almacht, wij
-vallen te voet en bidden je aan!
-
-De godin, glimlachend, had haar schulp gestuwd en strandde haar op het
-strand. En Dionyzos voerde zijn bruid haar te moet, waar zij wachtte in
-de schulp, te midden der fladderende eroten. Toen nam Afrodite van
-zeven sterren een kroon, die haar aanboden de liefdegoodjes, en zij
-plaatste ze op Ariadne’s hoofd. En zij zeide:
-
-—O, blijde god Dionyzos, wees juichende god Dionyzos weêr! Wees
-jubelende Dionyzos! Verover de wereld in vreugde! O, Ariadne, wees
-Dionyzos’ bruid! Niets kan IK Dionyzos weigeren: al wat hij vraagt, sta
-ik hem toe! Vraagt Dionyzos mij vreugde voor Ariadne, hij, die zelve de
-vreugde sprenkelt, dan weiger ik mijn vreugde Ariadne niet. Dan geef ik
-Ariadne mijn vreugde! Helios hoor: ik eindig mijn wraak, omdat Dionyzos
-het vraagt!
-
-Op den hemelheirweg verscheen, mennend zijn schuimblank vierspan,
-Helios en hij aanhoorde het woord der godin. Zee, lucht en aarde
-vierden Dionyzos’ hoogtijd overstelpend geluk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XV.
-
-
-Tot afreis was besloten, en de saters, bezig met het inschepen der
-wilde dieren getemd, zat Silenos naast Ariadne op zodenbank, en zag
-bekoord haar aan, terwijl een krans van narcissen zij vlocht. En hij
-zeide, de oude Silenos:
-
-—Voorwaar, overgoddelijk schoon is ons de glimlachende Kypris
-verschenen, en wij geen van allen, o Ariadne, wisten welk wonder wij
-zagen gebeuren en wat er in parelen glorie aandobberde op de verliefde
-zee. Wij waren verblind en verstomd, en wij stonden als ezels te
-kijken, terwijl de schoonheid zoo rustig in haar stralenden glimlach
-ons naderde. En toen wij juichten haar huldigend tegen, klonk ons
-huldegejuich als ezelgebalk, maar welwillend bleef Afrodite en ik heb
-haar niet fronsen gezien. Zij glimlachte, zij glimlachte steeds!
-Lieflijke kleindochter van Helios, bleek was je en een schuchter
-vrouwtje, vergeleken bij die aantriomfeerende heerlijkheid, maar nu zij
-in parelen glorie terug is gekeerd en ik je aanzie, o Ariadne, nu ben
-ik wèl tevreden en kan ik mij begrijpen, dat na Dionyzos’ hymne, zijn
-thiazos je blijde een hymne toezingt. Ware mijn stem niet altijd schor,
-ik stemde mede in die hymne, Ariadne... Nu zegt Silenos het je maar
-vaderlijk-weg, in rustige, eenvoudige woorden: Ariadne, ik ben
-verheugd, dat een edele vrouw onze overwinnaarstocht zal medemaken.
-Zie, Ariadne, wij misten de vrouw, de edele vrouw van maat, de vrouw,
-die geleefd en geleden heeft, en weet wat het leven waard is. Dat weten
-niet menaden en nymfen, in haar steeds oproerigen jubel. Ja, Ariadne,
-wij misten de vrouw! O, Ariadne, nu je glimlacht, neêrgebogen je
-goudzonnig gelokte hoofd over die witte vingers narcissen strengelend,
-en wil, vorstin, wel luisteren naar het vaderlijk woord van je
-bruidegomsmeester, nu gelijk je mij bijna een Muze, zoo lieflijk als
-wie ook der negen, en even rythmiesch van maat in ziel en in zijn als
-zij. En Ariadne, wij missen de maat. Dionyzos is boven rythme en boven
-maat verheven, maar wij, sterfelijke wezens des wouds? Wij zijn daar
-niet boven verheven, en zijn onmatigheid verleidt ons, Ariadne, tot
-heel erge, tot heel erge dingen... Ik mag het je nu wel bekennen:
-Ariadne, ik ben altijd dronken. Eigenlijk ben ik altijd dronken. De
-druif te drinken is mijn ondeugd geworden: er gaat niets boven te
-drinken de druif. Ariadne, sedert Dionyzos mij beval te drinken, heeft
-Silenos geen maat gehouden. Ik dronk maar. Hij lachte er om, maar ik
-geloof niet, dat de ware vreugde is altijd te drinken de druif, en
-altijd druifdronken te zijn...! Wat dunkt je, Ariadne? Vroeger dacht ik
-veel na, en was ik heel wijs van weten: nu weet ik weinig, en, ouder
-van dagen, drink ik veel en ben ik veel dronken! Daar voel ik om wat ik
-nooit kende: weemoed, Ariadne... Weemoed is in mij gevaren, omdat ik
-zoo zwak ben en altijd ben dronken. Nu geef je mij toe, dat wij veel,
-menaden, saters en faunen zelfs, en zelfs heel jonge Panszoontjes,
-dronken zijn, maar dat is geen reden, o Ariadne, dat, oud-van-dagen,
-Silenos, en zijn ouden-van-dagen, Silenen rondom hem, dronken is en
-steeds dronken zijn. En als ik er over denk, o Ariadne, dan voel ik
-weemoed zóó, dat ik drink, en weêr dronken ben. Het is de schuld van
-Dionyzos, maar hoe het hem te verwijten! Hij is een god, hij goddelijkt
-boven ons uit. Is hij dronken, dan is zijn dronkenschap goddelijk...
-Gisteren nacht heb je hem dronken gezien! Ariadne, was hij toen niet
-mooi? Was Dionyzos ooit heerlijker, o Ariadne, dan dronken op zijn
-hoogtijdsfeest! Hij gloeide van enthouziasme, energie... Dan wil hij
-allen de vreugde sprenkelen! Dan is hij alleen wreed wie de vreugde
-niet wil, want hij kan wreed zijn, je zachte verwinnaar! Maar wij...
-Ariadne, dronken, wij zijn het nooit goddelijk! Wij vooral niet,
-ouden-van-dagen, Silenen rondom Silenos! Een dronken menade is nog heel
-bekoorlijk; een dronken sater, hoe woest ook, is guitig; een dronken
-faun blijft een faun, heerlijk als een bloem of een boom, maar een
-Sileen, ik, met kale bol, en dikke maag, dronken, ik ben niet
-bekoorlijk, o Ariadne! Ik ben van een leelijke dronkenschap... Wijnlof
-om mijn slapen en lendenen staat mij zot; ik droeg liever een
-wijsgeersmantel. Helaas, ik bezit er geen een meer, marmerblank van
-plooien: mijn mantels zijn purper voor feest of grauw voor de reize, en
-zoo purper en grauw is mijn ziel ook naarmate feest- of reisstemming ze
-kleurt... O Ariadne, ik juich, dat je, vorstin, ons beheerschen zal,
-naast goddelijken Dionyzos zelven... Je staat ons nader dan hij. Je
-glimlacht mij toe welwillend... Zie Ariadne, maat en rythme zal je
-zeker ons geven, en zelfs in bakchantische vreugde, Ariadne, kan ik je
-me niet dronken denken. Neen, Ariadne, ik kàn je dronken niet denken!
-Menade-zwierend tusschen menaden, in tijgervel, wijnlof, met rinkelende
-belletjes der blijde tamboerijnen zal, Ariadne, wèlbewust blijven je
-edele beweging, je sierlijk gebaar, je golvende dans, je zwaaiende arm,
-je rustiger weemoedsblik, je lach en je blijdschap, en je dronkenschap,
-Ariadne, zal de Vreugd zijn, goddelijk naast die des gemaals, en tevens
-begrijpelijker wellicht voor ons! Zoo Ariadne, word je ons tot zegen!
-
-Terwijl vaderlijk teeder en bij uitzondering nuchter, Silenos zich zoo
-uitte tegenover de stil gelukkige Ariadne, scheepten met ijver de
-faunen en saters de tamme leeuwen en panthers in en der Silenen blanke
-muilezelen en ezelen. Dien middag zoû Dionyzos’ vloot Naxos verlaten,
-de kusten des morgenlands te-gemoet. De god zelve staarde op een rots
-de zee omrond, die kalm lag, en hij zag het eiland als een prieël van
-druiven. Hij zag naar den arbeid bij zijn schepen: uitgelaten trokken
-de saters de brullende leeuwen voort aan sterke touwen van lianen en
-gevlochten veil. Geroep weêrklonk, een enkele tamboerijn rinkelde in de
-hand eener nymf, de Silenen stonden in grauwe mantels en met hoeden op
-breed, en waren, lachende om een grap, op het strand, als een groep
-dikbuikige en blijmoedige filozofen.
-
-Plots schokte Dionyzos uit zijn glimlachende peinzen op. Tusschen de
-scheepsrumoerigheid op het strand, tusschen geluid van roepende
-stemmen, van kwinkslag en lach, en rinkelen van ènkele tamboerijnen,
-meende Dionyzos te hooren melodie, die hij dadelijk herkende: de blijde
-wijze, die klonk uit het diepst van het bosschige eiland; de blijde
-wijze van Ampelos’ fluit, maar zoo klagend van weemoed, dat blij de
-wijze niet was, en zij verklonk, droevig parelende roep, in een
-weemoedige wijze. Dionyzos luisterde, en hij sprak tot zich:
-
-—Waarom, in deze laatste oogenblikken van ons verblijf alhier, roept
-mij Ampelos tot zich in het diepst van het eiland, daar waar de
-bosschages zoo donkeren, dat mijn saters er den wijnstok niet hebben
-geplant? Waarom voegt hij zich niet bij zijn faunen of scheept hij niet
-in zijn eigenen leeuw?... Hoor, hoe zijn fluit de wijze zingt... altijd
-de zelfde, maar lang niet meer blij...
-
-En Dionyzos daalde de rots af en dwaalde, alleen, het bosch in;
-padloos-recht af schreed hij toe op het klagend en roepend geluid, dat
-eenmaal was het blijde geluid geweest... Hij trad het struikhout plat
-onder zijn voet en zijn handen scheurden de lianen van een...
-Duidelijker maar ook weemoediger hoorde hij de wijze klagelijk
-ruischen, en nu haastte Dionyzos zich, angstig.
-
-—Ampelos! riep hij. O mijn Ampelos...
-
-Stem antwoordde niet; hooger alleen riep de fluit, als met een plotse
-uitbarsting van weemoedig verlangen. Een dicht gewarrel van
-kamperfoelie scheurde Dionyzos als een voorhang van een en dáar, in
-dichte cypressenschaduw, op den grond bijna zwart, lag Ampelos voorover
-en speelde zijn lange fluit.
-
-—Kwam ik niet altijd als mij lokte de blijde wijze? Was zij niet steeds
-sterker dan mijn eigen wil? Maar de blijde wijze is de blijde wijze
-niet meer...
-
-—En Dionyzos’ Faun is niet meer zijn faun!
-
-—De weemoed verwon hem?
-
-—En hij schuilt, schuw voor licht, in cypressenschaduw!
-
-—Ampelos, Ampelos, op! De saters maken de schepen gereed en leiden de
-wilde beesten binnen. Mijn schip versierden met rozen de nymfen
-tusschen de druiveranken der masten, en zij spreidden Ariadne een
-sponde van versche rozebladeren!
-
-—Dionyzos, overwinning, éen overwinning, een purperen overwinning zal
-je verdere reize zijn...
-
-—Aan Ampelos’ zijde, op zijn schouder!
-
-—Niet op mijn schouder en niet aan mijn zijde... O neen, Dionyzos,
-neen! Hoor... Zet je hier in deze schaduw... Zie, voor het laatst...
-
-—Voor het laatst...?!
-
-—Voor het laatst laat ik viooltjes ontbloeien, tallooze en geurende,
-daar waar je rust... Hoor mij, o Dionyzos: Ampelos is niet meer
-blijde...
-
-—Waarom...?
-
-—Hij is niet meer rustig blijde en kalm van vreugde en blijmoedig van
-glimlachenden ernst, zoo als hij was toen hij niet meer was dan een
-blad, een bloem, een boom, dan wolk, aarde, of water, niets dan een
-wezen des wouds, geboren uit het woud zelve, geboren uit de eigen
-natuur, en gedachteloos bloeiende als die natuur zelve, o Dionyzos!
-Sedert Ampelos droomde en, ontwaakt, vond den stok in zijn palm gevlijd
-door Zeus zelven zeker... sedert Ampelos riep Dionyzos door het woud
-van Nyza, hem lokkende met de blijde wijze, sedert Ampelos plantte met
-zijn god den wijnstok en zijn god torste ten strijde en vierde zege aan
-zijn zijde... sedert vermenschelijkte Ampelos, en ging zijn hart voelen
-aandoeningen als die der menschen! Die aandoeningen zijn van juichen en
-klagen, van liefde en van leed, van vervoering en wanhoop... maar zij
-zijn niet meer die der kalm blijmoedige natuur, en niet meer die harer
-rustig vreugdvolle wezens... O, Dionyzos, soms meende wel Ampelos, dat
-hij vergoddelijkte met je meê, meê met je steeds goddelijke
-vervolmaking, maar, Dionyzos, zijn trots bedroog hem, helaas, en het
-was niet vergoddelijken, het was vermènschelijken, wat hem gebeurde...
-Dwaalde hij alleen in het woud voortaan, hij voelde zich niet meer
-doelloos gelukkig, hij voelde zich mènsch met smart en geluk... En
-omdat de mensch die beiden bergt in zijn ziel, is vooral weemoed den
-mensch, en heeft Ampelos, vermenschelijkt, den weemoed vol zijn ziel
-voelen vullen...
-
-—O, Ampelos, voelde IK den weemoed niet...
-
-—O, Dionyzos, je voelde den weemoed, als je vermenschelijkte: dat was
-in zwakte! O, Dionyzos, zoon van Semele, je bent zoon van Zeus: na
-zwakte in weemoed, vergoddelijkte je zoo gauw in glans, in hoop, in
-vertrouwen, in zekere bewustheid van taak: de vreugde te sprenkelen der
-sombere wereld! Na menschelijke neêrslachtigheid straalde je òp in
-goddelijke juiching en wìst je, dat de Vreugde zal de wereld
-verwinnen... Je weemoed is niet meer dan een schaduw van je lichtende
-vervolmaking! Mij wierp de weemoed in cypressenschaduw neêr...
-
-—Als eenmaal Hermafroditos!!
-
-—Als eenmaal Hermafroditos: de Weemoed, godenzoon: zoon van verstand
-stralenden Hermes, schoonheidstralende Afrodite... Helaas, ik ben niet
-van goden een zoon... Ik ben geboren... uit wie? Uit het woud zelve:
-uit aarde, uit natuur: mijn ouders kan ik niet noemen: mijn vader was
-samen met boom, wolk en water, mijn moeder met bloem, dauw en
-vruchtbare aarde: uit meer niet, Ampelos, ben ik gebloeid. Ik
-vermenschelijkte, ik vermenschelijkte, o Dionyzos!
-
-—En je zal vergoddelijken, o mijn vriend!
-
-—Neen, ik zal niet vergoddelijken, vriend! De aandoeningen der menschen
-beheerschen mij, en zij maken mij bang voor dit leven, en die vrees zal
-mij eeuwigen weemoed geven...
-
-—O vriend, mijn vriend, wat overstelpt je heerlijke ziel! O vriend,
-laat mij den tros je langen...
-
-—Geen tros, geen beker, geen vreugde... Dionyzos, aan mijn
-menschenlippen! Helaas, mijn weemoed is een dorst onleschbaar...
-
-—Op! Nieuwe overwinning vervroolijkt je...
-
-—Nieuwe overwinning maakt Ampelos, vermenschelijkt, niet meê... zoo hem
-Dionyzos zijn wensch toestaat...
-
-—Ampelos’ wensch? Ampelos heeft aan Dionyzos een wensch? En toestaan
-zoû die niet Dionyzos? Wensch, Ampelos, en het is je toegestaan!
-
-—O... Staat Dionyzos Ampelos zijn wensch toe?
-
-—Ongehoord... wat die ook zij!
-
-—Op zijn godewoord?
-
-—Op zijn godewoord...
-
-—O Dionyzos, o god, dien ik min—en de Faun rees op, goudblond in de
-schaduw—o liefde van mijn ziel en mijn armen! Dionyzos, geef Ampelos
-weêr aan de natuur tot welke hij behoorde! Geef hem weêr aan het woud
-en de aarde! Maak hem gelijk met boom, wolk, bloem, dauw en grond! O,
-Dionyzos, herschep Ampelos in de vreugde, die je eigen verwinning is en
-herschep hem in je eigen wingerd!
-
-Maar de god beefde, om zijn belofte.
-
-—Ampelos... Ampelos... wàt vraag je?
-
-—Herschep Ampelos in de vreugde, die je eigen verwinning is...
-
-Nu slaakte de god Dionyzos een kreet van wanhoop en hij riep:
-
-—Vriend, waarom? O, waarom te willen veronbewegelijken, ver, ver van
-Dionyzos, in de weliging van éen enkelen wijnstok, als je kan weligen,
-alle zijden uit, in vreugde-overwinning, aan Dionyzos’ zijde... O
-Ampelos, ik heb beloofd, maar geef mij mijn belofte terug! Hier in je
-armen, aan je borst, o mijn vriend, smeek ik je: geef Dionyzos zijn
-belofte terug...!! Helaas, helaas, je weigert? O, wreede Ampelos, je
-weigert? Te-vergeefs snik ik aan je borst! Vriend, vriend, waarom mij
-smart aan te doen? Helaas, is dit smart...: Dionyzos’ smart?
-
-—Neen, Dionyzos, dit is NIET je smart!
-
-—Helaas, is het dan vertwijfeling? Omdat ik won op Naxos, moet ik
-verliezen? Omdat ik vond Ariadne, moet ik Ampelos verliezen? Zeus, mijn
-vader, waarom? O, belofte, heillooze belofte! Helaas, gij wreede en
-groote goden, gij groote zusteren en broeders, godinnen van noodlot en
-goden van Styx, wat zijt gij wreed, ons, die der wereld nog zijn...!
-Voor wat gij geeft, neemt gij ook terug! O, wereldsch evenwicht van uw
-nooit spillende gaven! O, zuivere rekening van winst en verlies! Nooit,
-o wreede goden, geeft gij als IK geef, met beide handen vol-op druiven
-en vreugde aan wie wil! Tel ik mijn trossen? Bied ik gierig mijn
-druiven éen voor éen aan? Neen, ik spil: mijn enkel gebaar laat weelde
-ontbloeien, en ik geef ruim het genot en ik gebied zelfs het ruim te
-aanvaarden! Helaas, ik rekende nooit! Gij, goden, gij rekent uit! Gij
-geeft mij een groot geluk, maar gij neemt mij ook een groot geluk weg!
-Ampelos, zie mijn tranen; voel, o voel in je armen mij snikken; vriend,
-geef mij mijn eed terug...! Neen, hij wil niet en glimlacht slechts...
-Mijn vriend, mijn vriend!
-
-—O Dionyzos, herschep Ampelos...
-
-—In de Vreugde?
-
-—Die je eigen verwinning is...
-
-—Helaas, helaas! In een wijnstok en wingerd wil Ampelos zich
-veronbewegelijken!
-
-—O, Dionyzos, geef mij aan de aarde terug!
-
-—O aarde, o naijverige aarde! Aarde, aarde, ik haat je! Heb ik, aarde,
-je duizend wijnstokken doen ontbloeien, om mij te ontnemen, naijverig,
-éen vreugde, die ik bewegelijk wil... menschelijk en goddelijk!
-
-—O, Dionyzos, herschep Ampelos...
-
-—In de Vreugde...?
-
-—Die je eigen verwinning is...
-
-—O, herinner mij niet aan mijn eed! Klinkt mijn belofte mij niet in de
-ooren en ziel?? Weèt ik nu niet wat ik beloofde! Helaas, ik vertrouwde
-en beloofde! Vol vertrouwen, stelde mij Ampelos, en stelde mij aarde
-teleur! Vol vertrouwen, zal zij teleurstellen àllen! Helaas, helaas, ik
-vertrouwde... O, ware ik niet godmachtig! O, kon ik niet wonder
-gebeuren doen! O, ware ik mensch, herder, sater, wat ook... maar geen
-god! O Zeus, gij maaktet een god mij, om mij lijden te doen, om mij
-lijden te doen! Helaas, helaas... mijn vriend...
-
-—O Dionyzos, herschep...
-
-—O rampzalige belofte, helaas, helaas... Mijn vriend...! Helaas, wat ik
-uitstel, wat geeft het mij! Het wonder moet ik gebeuren doen!
-Godmachtig moet ik herscheppen... Ginds zijn de schepen gereed, Ariadne
-wacht mij... allen wachten mij en godmachtig moet ik herscheppen, en
-verliezen wat mij zoo lang dierbaar was, en dichtbij, en nooit van mijn
-zijde... Vriend, ik sliep op je hart! Vriend, je torste mij op je
-krachtige schouders! Vriend, je verwon met mij! Helaas, helaas! Hij
-vermenschelijkte, Ampelos vermenschelijkte aan zijn gods zijde! O,
-wreede aarde, snikkend in smart, éerste smart, geeft Dionyzos wat je
-behoorde terug! Smartelijk wonder, geschie! Cypressen, verwelkt!
-Rotswand, breid breeder! Grond, gruizel vruchtbaar en zandig... Wreede
-plek, smartelijk herschept Dionyzos je in blonde vreugdeplek...! Mijn
-Ampelos, mijn Ampelos! O, wat ik snik en roep, hij wacht! Hij glimlacht
-en wacht... Wreede! Erbarminglooze! Ampelos...: O Zeus, het woord stikt
-in mijn gorgel... Ampelos... wees noch mensch meer, noch faun! Faun,
-Dionyzos houdt je, hartbrekend, belofte! Vriend, word wingerd!
-Herschep! Blonde vriend, wees blonde wingerd! O wees niet als allen,
-purper van gloed: wees blond, wees blond, als was mijn goudblonde
-vriend Ampelos! Blonde wingerd, o welig heerlijk! Guldene trossen,
-zwelt als Helios’ goud!
-
-En zijn gelaat oversproeid van tranen, zag Dionyzos de herschepping
-zijns vriends, door eigen woord, in ontzetting aan: wortel schoten de
-voeten, de beenen krinkelden samen tot gespierden en knoestigen
-kronkelstam; tors en armen, als in bezwijming van het menschelijke,
-woekerden in takken weg; goudblond verdween het hoofd, en de ranken
-weligden tegen den rotswand uit, de bladeren looverden dicht en groot,
-en groote gele trossen zwollen, topaasgoud en zonnegoud, met, door
-glanzende schil zichtbaar een lichtdroppel in iedere druif. Alle stem
-van Ampelos was verklonken, en de wingerd ruischte alleen van wind door
-zijn looveren. Toen wierp zich in smart Dionyzos over den gruizeligen
-grond en sloeg om den krachtigen stam zijn armen en bleef er liggen,
-gebroken van snikken. Slechts eenmaal hief hij den arm op, plukte een
-blonden tros, en drukte dien plat op zijn mond. Het gele bloed stroomde
-en Dionyzos snikte. Maar van alle zijden, ten laatste, kraakte het
-kreupelhout, en saters en faunen schoten toe. Zij zochten den god voor
-de afreis. Zij meenden, hij had zich aan Vreugde bedronken en zij
-jubelden om den blonden wingerd, nieuw van ooft, zoo goud en zoo
-heerlijk zoet. In hun armen liet Dionyzos zich heffen, en zij zagen
-aan, dat hij weende. En hij riep in smartelijke vervoering en razernij:
-
-—O faunen, o saters, ziet: deze blonde wingerd is Ampelos! Deze blonde
-trossen weligen van Ampelos’ bloed! Tot de natuur wilde hij wederkeeren
-en smeekte mij hem te herscheppen! Ik beloofde, helaas, voor ik wist
-wat zijn wensch zoû zijn! Faunen, o saters!—en Dionyzos’ stem werd ruw
-en wreed, en zijn smartelijk gelaat verwrong tot een tronie...—Niet
-alleen herschep ik Ampelos in een wingerd! Niet alleen hèm, niet alleen
-hèm, opdat hij in veronbewegelijkte eenzaamheid kwijne! Faunen, saters,
-ziet!—en hij stortte hier toe op een faun, sloeg daar een sater de
-thyrs in het gelaat, drukte een derde woest tegen den rotswand,
-verschrikt—faunen, saters ziet... meerderen herschep ik in blonden
-wingerd! Makkers, veronbewegelijkt om Ampelos heen! Tiert welig uit
-over Naxos! Helaas, helaas, aarde heeft den blonden wingerd meer, maar
-Dionyzos verloor zijn vriend! Helaas, aarde, ons, die nog menschelijk
-zijn, neemt gij àlles af, wàt wij ook ontvingen!
-
-Toen stortte Dionyzos zich door het woud, naar de schepen, waar Ariadne
-hem wachtte en hij viel schaterend in zwijm aan haar voet. Zij meenden
-allen, hij was dronken van Vreugde, en zij tilden hem op en zij
-scheepten hem in, in zijn rozen- en druiventrireem en zij legden hem op
-de roosbladerensponde... Maar om Ampelos en de herschapen makkers
-bleven gehurkt, stil en zwijgend, de andere saters en faunen, en
-durfden niet Dionyzos volgen. Toen plukte er éen een tros van Ampelos’
-eigen wingerd en begon de druiven te persen. Hij dronk en hij lachte,
-de sater. Andere saters deden als hij. Zij plukten de blonde trossen,
-zij bezwijmelden zich, zij dansten en zij vergaten Dionyzos’ toorn. Zij
-dansten tot de zon hoog aan den hemel stond, en zij plots aan de
-af-reize dachten. Blond-trossen-beladen stortten zij door het woud en
-terug naar de schepen. Maar zij zagen de vloot der druivetriremen,
-voorspoedigen wind in de bollende zeilen, reeds ver, ver weg in de zee,
-op weg naar het Oosten toe! Uit de zee rezen de Nereïden en wuifden met
-sluiers en van de schepen wuifden sluiers terug. Plots zagen de
-achtergebleven faunen en saters de edele Ariadne wuiven haar sluier in
-den bries. En de saters en faunen waren wèl bedroefd, dat Dionyzos hen
-had achtergelaten, dat zij niet met hem het Oosten veroveren zouden.
-Maar bedroeving was niet voor hun ziel. Toen zij twee najaden
-nieuwsgierig uit waterklaterenden rotsspleet zagen turen, gaven zij een
-kreet schel en ijlden op de bronnymfen af... Zij doken aanstonds in de
-kloven terug en vluchtten toen rots over en woud door naar het diepst
-des eilands, meenende zich in cypressenschaduw te verschuilen. Maar zij
-vonden niet de schaduw der zwarte boomen, en de begeerlijke handen der
-saters grepen haar, bij den stam van Ampelos’ eigen blond-goudenen
-wingerd...
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-
-Nauwelijks was Dionyzos’ vloot geland aan de Aziatische kust, of
-Poseidoon torende òp, ten middel uit de plots toornige baren, hief zijn
-drietand: de hemel donkerde, de zee kruifde omhoog, machtig onweêr
-sloeg uit en het was Dionyzos of hij uit de scheurende wolken Zeus
-zelven de bliksems zag als vurige lansen slingeren. En de machten van
-hemel en zee stormden plotseling zoo onwederstaanbaar in donderend en
-schuimend geweld, dat, nauwelijks de talrijke thiazos, het dionyzische
-leger ontscheept, of de triremen, verlaten, sloegen tegen elkaâr en
-verzonken in de verslinding der diepte. Over strand en zee heerschte de
-stormende nacht, pikzwart van wolken, door flitsen verscheurd, en de
-zee raasde aan of zij zich op het land wilde werpen. Slagregen ruischte
-neêr: de toortsen, smokend, doofden telkens uit; de wilde dieren, in
-toom, brulden angstig. Saters zochten den weg, maar rotsen hieven zich
-en pijnwouden rezen geheimzinnig, zwiepende van stormwind, en krakende
-in de hoogere kruinen.
-
-—Hierheen! riepen de saters. Hierheen! riepen weêr anderen.
-
-Langs verschillende richtingen verspreidden in den gruwlijken nacht
-zich de thyrstroepen van Dionyzos. Somber zat de god in zijn
-lynxenwagen, en Ariadne, aan zijn zijde, zag angstig op. Zij waren voor
-den nacht en den regen gehuld in grauwe mantels. Rondom den wagen
-stuwden de Silenen, op ezels wit,—onhoorbaar brommende, weggedoken in
-mantel en onder hoed; de faunen op leeuwen aansporend; de menaden, in
-dichte omhelzing elkaâr beschermend voor het geweld van den storm, en
-aarzelend ging die stoet om den god. Maar over het strand zwermden
-duizend anderen, saters, faunen, stervelingen, Panen en Panisken;
-geheel de vreugdemacht van Dionyzos, en telkens klonken de stemmen:
-
-—Hierheen! Neen, neen... hierheen!!
-
-Dionyzos, met zijn thyrs, wees de richting uit, de rotsen op, het
-bergachtige pijnbosch in, maar reeds vloden de verkennende saters terug
-tot den god en kreten:
-
-—Dionyzos! Dionyzos! Dionyzos!
-
-—Waarom die kreet? vroeg de god.
-
-—Dionyzos! riepen de saters. Schrikverwekkend is het donkere pijnbosch!
-
-—Vooruit!
-
-—Dionyzos...
-
-—Vooruit!
-
-—Wij gaan niet vóor, in het schrikverwekkend donkere pijnbosch!
-
-—Volgt mij dan
-
-—O Dionyzos, wij willen terug!
-
-—Waarheen?
-
-—De zee over, naar gastvrijer streken: Naxos en bekoorlijke Archipel,
-naar Karië en naar Arkadië...
-
-—Vooruit!
-
-—Dionyzos, in het schrikverwekkend donkere pijnbosch woedt
-verschrikking, die wij niet weten!
-
-—Ik versloeg de Giganten! Aan mij zal de wereld zijn!
-
-—Dionyzos!
-
-—Tot aan de oostelijke poorten des morgenlands!
-
-—Helaas!
-
-—Vooruit!
-
-—Wij durven niet!
-
-—Vooruit dan alleen, wie durft, met mij...
-
-—Helaas!
-
-—Niemand? Geen faun? Geen sater? Sileen? Geen enkele menade,
-verscheurensgereed als een tijger!
-
-—Helaas, Dionyzos!
-
-—Gij zijt allen bang?
-
-—De nacht is stormzwanger van onheil... Poseidoon, Zeus hebben je
-verlaten...!
-
-Een weegeklaag ging op, maar de storm veegde het weg.
-
-—Vergezelt mij dan niemand?
-
-—Ik, o mijn gemaal...
-
-—Ariadne alleen...? Gaan wij!
-
-En de god rukte uit de handen der aarzelende menners de rankenleidsels
-der lynxen. De wagen ratelde vooruit... Maar uit het pijnbosch kwam als
-een sombere, aardsche donder, en de anders gewillige dieren schrikten
-uit een; het tuig brak, zij vluchtten; de wagen, stil, stond op een
-rots.
-
-—Ariadne, riep Dionyzos. Kom!
-
-Zij was uit den wagen gesprongen, zij klemde zich aan haar gemaal.
-
-—Ariadne! Zie dat sombere woud! Zie dezen nacht, rondom ons! Ik weet
-niet, waarom Zeus mij toornt! Maar Poseidoon wachtte met zijn geweld
-tot de ontscheping van mijn laatsten leeuw of muil! Ariadne, o zie deze
-sombere oorden! Ariadne, ik wil ze vrèugde sprenkelen!
-
-—Ja, Dionyzos!
-
-—Ariadne, vergezel je mij?
-
-—Ja, Dionyzos!
-
-—Kom dan!
-
-Hij slingerde om haar middel den arm en hielp haar voort, op.
-Wolkzwarte verschrikking, stormzwanger, waaierde als een dichte mantel
-van onheil, plooienflapperend rondom hen heen.
-
-—... Dionyzos! Dionyzos! riep met éen stem geheel zijn leger.
-
-Hij ging voort, en in den donkeren nacht verhelderde zijn gelaat, hij
-glimlachte op Ariadne, die moeizaam schreed aan zijn zijde.
-
-—... Dionyzos! Dionyzos!
-
-Het leger herhaalde den angstroep; en zij zagen den god: zijn glans,
-blauw als maneglans, ging voort tusschen de bliksems, en Ariadne, in
-haar grauwen mantel, was in dien glans zichtbaar, gebogen voortgaande
-aan Dionyzos’ zijde.
-
-—Dionyzos, Dionyzos!
-
-De god luisterde niet meer. Hij beklom de rots en hij hielp Ariadne.
-
-—Ariadne, ben je bang?
-
-—Neen...
-
-—Waarom niet?
-
-—Ik ben zeker van onze overwinning!
-
-—Wij zijn alleen... verlaten! Ginds weet ik niet welke verschrikking
-ons wacht!
-
-—Ik ben niet bang! Dionyzos zal verwinnen!
-
-—Geloof je?
-
-—Ja!
-
-—Heb ik niet te weifelen?
-
-—Neen!
-
-—Ik ben wel moedig, maar ik weifel soms, Ariadne. Ik ben niet
-onsterfelijk: ik kan sterven, voor ik de wereld verwonnen heb!
-
-—Zege wacht je en goddelijke onsterfelijkheid!
-
-—Ariadne... heb je mij lief?
-
-—Ja... o mijn held, o mijn held!
-
-—Ik ben niet Thezeus!
-
-—Je bent Dionyzos!
-
-—Ik gaf je de Vreugde?
-
-—O ja... Kom...
-
-—Kom...
-
-Zij gingen. Het pad was heel moeielijk, zij stegen. Zij naderden het
-bosch, dat was zwart, ondoordringbaar nachtgeheim.
-
-—Hoor! riep Ariadne.
-
-—Het is onweêr!
-
-—Neen... hoor!
-
-—Het is de donder, die rolt!
-
-—Het is donder en het is geen donder!
-
-—Het is donder, die tegen de bergen weêrkaatst...
-
-—Het is een donder, rythmiesch. O, vreeslijk rythme!
-
-—Ariadne, ben je bang?
-
-—Neen...: kom! O... hoor!!
-
-—Ik hoor! Het is donder...
-
-—Het is een donderend rythme... en een dans! O vreeslijke dans! Kom
-Dionyzos...: ik ben niet bang...
-
-—Het is een dans...
-
-—Over de bergen heen!
-
-—Het is een donder...
-
-—Die komt uit het bergwoud en weêrslaat tegen de rotswanden...
-
-—Ik was niet voor de Giganten bang!
-
-—Dionyzos, ben je bang?
-
-—Neen, Ariadne, kom... O hoor!
-
-—Het is een dans, en een rythmiesche donder van hamergeweld op
-schilden...
-
-—Onder zware voetstappen dreunt het gebergte... O, Ariadne, dat is
-vreeslijker dan de Giganten... Wat is het?
-
-—Ben je bang, Dionyzos?
-
-—Neen... kom... kom voort...
-
-Zij sleepten elkander voort in het woud. Zij zagen in den donker niet
-meer, een enkele flits slechts lichtte op, en zij zagen stammen, éen
-oogenblik... Maar zij hoorden den rythmieschen donder, den zwaar
-trappenden dans, en het hamergeweld...
-
-—Bergen en bosschen! riep Dionyzos. Sombere nacht! Onheilgeluid! Gij
-allen, die met hamers op schilden slaat en met zwaren voet danst...:
-aanvaardt de Vreugde...: Dionyzos wil het!
-
-En hij verhief hoog zijn thyrs. Wel spleet de grond, maar of de
-wingerden ontloken, kon hij niet zien. Vuur viel uit de lucht, een
-donderslag of Zeus den hemel deed splijten, ontbarstte; en dans en
-rythmiesch hamergeweld sloegen luider en luider en luider of geheel het
-woud was van metaal en klaterende sloeg te samen.
-
-Als uit metaal spatten groote blauwe vonken uit, en zoo hel, dat
-Dionyzos en Ariadne zagen. En zij zagen de Vreugde niet weligen, maar
-zij zagen, huivering wekkend, den pyrrhieschen dans der vreeslijke
-éerste schepselen, Kureten en Korybanten, daimonen der sombere bergen
-en bosschen, slaande met zwaard tegen schild, zich begeleiden den
-voetdreunenden ommegang, Daktylen en Kabeiren, slaande met hamer op
-aanbeeld, zelfs in den donkeren nacht in Hefaistos’ kunst zich oefenen
-en bearbeiden het gloeiend ijzer. Oorverdoovend metaalgedruisch en
-oorverdoovende woedekreten stormden op, toen zij Dionyzos en Ariadne
-zagen, en zij wierpen zich, een storm gelijk, op den god en zijn bruid,
-maar Dionyzos, op wiens bevel de grond al was gespleten hier en daar,
-ving hen in de boeien van wingerd en schuimbekkend stonden zij àllen,
-omrankt, in welken toover van geluk wisten zij niet. Plots, in den
-weêrschijn van bliksem, met het rollen van donder, naderde, nauw in den
-gruwelijken nacht zichtbaar, een Godin, en zelfs Dionyzos ontzette, en
-Ariadne school weg in haar mantel, en in de armen van haar gemaal. En
-de sombere stem der Godin, tusschen de schuimbekkende kreten harer
-geboeide priesters en dienaren riep:
-
-—Wie nadert in den nacht ons geheim, en slaat niet het schild en danst
-niet het rythme met dreunenden voet? Wie vangt mijn dienaren en
-priesters in boeien en tart de woede der goden- en bergenmoeder?
-
-—Rheia! riep Dionyzos uit en zijn stem beefde. Rheia Kubele! Bergmoeder
-en moeder der goden! Moeder van Zeus, mijn vader! Toorn mij niet, uw
-kleinzoon! Ik herken u, o Eerwaarde, o Moeder! Ik herken u en ik val u
-te voet! Ik ben Dionyzos, en zie, dit is Ariadne! Zeus wees mij mijn
-taak en mijn weg! Ik volvoer die taak en ik sla dien weg in. Eerwaarde
-moeder, o toorn mij niet! Zie, ik lig aan uw voet bevend, en Ariadne,
-zie, knielt naast mij. Wij komen alleen; mijn leger bleef op de
-stranden versagende achter! Ik, ik versaagde niet! Aan mij is de
-wereld, o Moeder! O, mij is de Vreugde, en ik sprenkel haar! O moeder
-der bergen en goden, o Rheia, Rheia Kubele, dùld dat ik haar sprenkel,
-de Vreugde!
-
-—De Vreugde? klonk, sombere vraag, de stem der Godin, en over zijn
-deemoed heen zag Dionyzos buigen haar gerimpeld gelaat in de haren
-grijs, die zwaar golfden uit stedekrone. De Vreugde? Helaas, helaas,
-moeder der goden, en der bergen moeder, ben ik vergrijsd in de Smart,
-waarom mijn Korybanten, Kureten, Daktylen, Kabeiren, het
-smartverdoovende metaalgeluid slaan, den smartverdoovenden dans immer
-dreunen! Helaas, helaas... Attis, Attis! Waar is hij? Zoek hem voor
-mij! De Korybanten vonden hem niet! De Kureten vonden hem nooit!
-Sombere dagen, sombere nachten, dat ik hem zoek, dat ik hem zoek,
-altijd! Hij versmaadde de moeder der bergen, voor de vrouwen der aarde;
-en ik wolkte razernij om zijn heerlijk hoofd heen! Helaas, helaas...
-hij verminkte zich in razernij, hij moordde zich in razernij! Attis!
-Attis! Waar is hij! Waar vind ik zijn lijk! O Zeus, o mijn zoon, sta
-slechts toe, dat ik vind zijn lijk en niets meer! O, Dionyzos, mijn
-kleinzoon, zoek met mij, zoek met mij zijn lijk! De Vreugde? Maar ik
-heb zijn lijk nog niet gevonden! De Vreugde? Maar hij verminkte zich,
-hij verwondde zich! O, Dionyzos, ontboei mijn dienaren; leeuwen wil ik
-brullend om mij, fakkelen wil ik zwaaiend om mij; razernij, razernij
-wil ik om allen! Dionyzos, ontboei mijn dienaren! Slaan zij de
-schilden, en dreunen den dans zij; dat de aarde davere onder mijn
-smartverdooving! Helaas, helaas!
-
-De Godin stond, de armen hoog op en wijd uit, in den nacht, en hare
-kreten klonken het gebergte over. En Dionyzos, in medelijden, rees op,
-vol eerbied, maar zonder vrees meer. O, de allermenschelijkste smart
-trof zelfs de eerwaardigste godheid: moeder van goden, smachtte zij
-naar het lijk van wie haar, zoo goddelijk, versmaadde, voor aardsche en
-lieftallige sterfelijkheid. Welke Smart zou éenmaal Dionyzos’ Smart
-zijn...? Hij dacht aan Ampelos, voelde slechts weemoed. Wat... wat zoû
-zijn Dionyzos’ smart? Zijn eindelijke nederlaag... voor hij de wereld
-verwonnen had? O, hij wist het niet, maar voor haàr, de eerwaarde
-Godin, moeder der bergen en moeder der goden, voelde hij zwellen zijn
-medelijden en zwijmen zijn angst. Toen smeekte hij, stil, Zeus den
-hemel te doen klaren, en het onweêr ratelde weg, de wind vaagde weg, de
-wolken verdreven en boven de zichtbaardere pijnstammen des machtigen
-bergwouds effende zich de nog nachtelijke hemel, met de optinkelende
-oogen der sterren! En Dionyzos’ eigen glans manescheen door het donkere
-woud, en Ariadne, haar mantel afgeslipt, straalde bijna als Afrodite
-zelve.
-
-—Dionyzos! herhaalde de moeder der goden. Helaas! Zoek je zijn lijk met
-mij?
-
-—O Rheia! riep Dionyzos, en zijn stem bevestte zich in helderen klank.
-Rheia Kubele! Keer ik terug van mijn zegetocht en heb ik de wereld
-veroverd, tot de Oostelijke poorten des morgenlands toe, keer ik terug
-na den winter, die aanvangt, dan is Attis herleefd in de Vreugde!
-
-—Helaas, helaas neen, hij herleeft nooit!
-
-—Hij herleeft iedere lente, o Rheia!
-
-—Helaas, helaas neen, hij herleeft nooit voor mij! De smart overstelpt
-mijn onsterfelijken ouderdom! Mijn voorhoofd is als het rotsgesteente
-gegroeid! Mijn haren zijn als de eeuwige winter! Mijn ziel is als de
-woestijn! Dionyzos, voor mij geen lente en Vreugde meer! O Dionyzos,
-verlos uit hun boeien de dienaren mijn, en ga terug, waar je de Vreugde
-kunt sprenkelen!
-
-—Ik sprenkel ze hier!
-
-—Helaas!
-
-—Zie, de storm is vereffend, de nacht is verklaard, de dageraad heeft
-de poorten ontsloten! Weldra rijdt Helios den goudenen en nieuwen dag
-aan! Waar ik verschijn zal de winter mij wijken! Zoo lang ik zegevier,
-weêrsta ik de seizoenen, en roep ik slechts op het seizoen van mijn
-vruchtbaarheid in wondersnelle weliging! Rheia Kubele, laat langs uw
-smart, die, helaas, ik niet dooven kàn, ik mijn wingerd festoenen, zoo
-als ik reeds festoende om Korybanten, Kureten, en laat mij vrij den weg
-naar de morgenlanden! De rijken, waarover zweeft het mysterie van uw
-smart en wapenkletterende donder der Korybanten, en hun dreunende dans,
-wil ik doortrekken met heel mijn stoet en mijn leger, en de
-druiveranken zal ik slingeren van stad tot stad, en gij, moeder der
-goden, -bergen, heilige bewaakster der morgenlandsche steden, effen den
-weg voor mij uit! O eerwaardige Moeder, wees aan uw kleinzoon, wees aan
-de vreugde, zoo niet aan uw eigen, wees aan de vreugde der anderen
-genadig! Uw priesters en dienaren ontboei ik uit wat niet anders is dan
-ooftzoete slavernij, en zeg hen mij voor te gaan, en mij te kondigen,
-opdat de winter vluchte weg voor mijn komst en ik niet anders brenge
-dan mijn eigen seizoen: de lente der druif tot haar herfst toe: bloei,
-weliging en oogst in éen oogenblik: dat van mijn zegeviering!
-
-Toen was het wel of Dionyzos’ juichende stem op deed klaren het somber
-geheim van den nacht, want de dag uit het Oosten scheen hem toe te
-snellen en hij glansde, en Rheia Kubele zag verwilderd rond: Korybanten
-en Kureten hadden zich los uit hun boeien weten te rukken maar zij
-persten en dronken de druiven; zij stapelden op hun schilden de
-druiven, en droegen ze weg in nog sombere razernij, en plots sloeg de
-godin hare armen uit, en riep:
-
-—Attis, o Attis!
-
-En haar roepstem tot den geliefde klonk vreemd door den dag, die
-opstraalde; somber ontzettend, waanzinnig klonk hare stem en vol
-huiverig geheim van bijna peillooze smart, ondenkbaar in godheid zoo
-goddelijk en waardig als moeder der bergen, en moeder der goden; en in
-razernij, de grijze lokken golvende, zwierde de huiveringwekkende godin
-den dans uit tusschen de voetstampende en metaalkletterende, maar wel
-Dionyzos gewillige Korybanten, Kureten.
-
-—Attis, o Attis! herhaalden zij klagend en toch verschrikkelijk rondom
-de godin; het leger van Dionyzos, vertrouwende, omdat de god had
-gejuicht, naderde en om dans en om druivebezwijmeling dier vreeslijke
-priesters om die vreeslijke vrouw, waren saters, faunen, en nymfen niet
-bang meer, schakelden zij hun dans door den zwaard- en schildendans van
-Kubele’s priesters, maar toch beving een smachtend verlangen, een
-vreemde smart in bezwijmeling àllen, want Ariadne riep uit:
-
-—Thezeus, o Thezeus!
-
-En verwilderd zwierde zij rond; Dionyzos zelve riep:
-
-—Ampelos, o mijn Ampelos! en zwierde.
-
-En alle saters, alle faunen, menaden, stieten een naam uit, van wie zij
-lief hadden gehad en verloren in zwerving over het gebergte, in den
-strijd voor de Vreugde verslonden door wild beest of in zee verzonken,
-of dronken achter gelaten, helaas! En allen stieten een kreet, en allen
-riepen een naam, en het was wel de vreugde, maar het was ook een
-geheimzinnige smart, als een onontkoombaar mysterie, een drukking van
-verpletterend zwaar noodlot. Toch wist Dionyzos er aan te ontkomen; hij
-schaterde zijn overwinning uit, hij wierp zich op de schouders van
-saters en zij torsten hem voort, trotsch, dat zij hem dragen mochten,
-en wel riep hij nog eenmaal:
-
-—Ampelos, o Ampelos!
-
-Maar viooltjes deed hij alomme ontluiken, zoo als Ampelos hem zelve dit
-had gedaan: onder de pijnboomen geurde het plots van viooltjes; velden
-van viooltjes strekten zich; wijnranken festoenden zich van boom naar
-boom, en de Vreugde overwon, trots den druk van het Noodlot en den
-weemoed van de Smart. En eindelijk riep Dionyzos:
-
-—Rheia! Rheia Kubele! Ik heb u verwonnen, moeder der goden, o moeder
-der bergen, o beschermster der barbaarsche, sombere steden, de steden
-des morgenlands, die ik, van uit het Westen de Vreugde kom brengen, als
-Eos uit het Oosten het Licht! Effen den bergweg voor mij uit, zooals
-Zeus en Poseidoon mij den landweg en waterweg effenden.
-
-—Dionyzos! riep de godin. Helaas, wat zult gij die steden brengen?
-Zonder vreugde misschien leven tusschen hun muren de volkeren der
-morgenlanden, maar ook Smart is hun onbekend!
-
-—Beschermster der steden, zoo als wilde beesten in kooien leven die
-volkeren dan, en zijn minder dan mijn panthers en leeuwen, die de
-Vreugde temde en de Vreugde voortleidt! Rheia Kubele, aan mij zal de
-zege zijn over landen en steden, tot aan de poorten van Eos toe!
-
-En de god, door zijn saters getorst, zwierde, gedragen in dolle vaart,
-het woud door; geheel het leger stortte zich breed door het bosch,
-helling op, helling af; Ariadne in de wagen mende zelve de lynxen:
-heure haren wapperden uit en zij stond, bezield, met dolle oogen, en
-Korybanten en Kureten, verleid, achtten niet den smartroep der
-bergmoeder, maar stortten zich in Dionyzos’ leger, stortten vooruit, en
-hij stroomde, de strijdmacht der Vreugde, overgolvende geheel het land.
-Wee, wie de Vreugde niet aanstonds aanvaardde: hij werd meêgesleurd
-door de dragers der omwingerde thyrsen, door de stormkracht der wilde
-dieren, aangehitst, razende kudde verschrikkelijk gezwiept door de
-faunen. Wee, de stad, die in Lydië of in Frygië hare poorten sloot; de
-poorten stormden Dionyzos’ stafdragers open, en de lange ranken
-torsende als een reuzefestoen, vloeide het leger binnen: de grond
-spleet, de wijnstok ontschoot, de ranken en bladeren weligden, en
-zwollen de trossen, die, geplukt, de Vreugde in stroomen purper deden
-golven straten en pleinen langs. Heerlijk heil aan die vorsten, die
-zich Dionyzos gewonnen gaven, maar vernietiging wie hem weêrstond! En
-zijn leger wies aan met allen, die uit alle overwonnen oorden zich
-aansloten bij zijn heirmacht, en onweêrstaanbaar was de vloed van de
-Vreugde, die purper stroomde de oostelijke rijken door. Nooit was
-Dionyzos zoo vreeselijk geweest in den strijd, en de goden, neêrziende,
-ontzetten. De wereld verwon hij, verscheurende, vernietigende, met de
-kreten van heel zijn razende heirmacht, wie hem weêrstond; wie zich
-gewonnen gaf, was een golf meê in den vreugdevloed. Zijn faam bazuinde
-vooruit; saters en faunen bazuinden zijn faam, legers versloeg hij,
-rijken openden hem hunne grenzen, steden wierpen hare poorten hem open,
-laurier en myrtetwijg wuifden hem tegen. In sombere steden des
-barbaarschen morgenlands reed hij binnen in triomfatorsheerlijkheid:
-hij stond op de gulden zegekar, als een god en een vorst; prinsen des
-lands leidden zijn vierspan; hij stond, ouder en mannelijker nu,
-volgebaard blond, de mitra op zijn lange lokken; in plooien wapperde
-het vorstelijk gewaad des overwinnaars van geheel het Oosten, purper en
-goud en blank om zijn mannelijke jonge leden; hij stond en zijn hand
-steunde op den gouden cederappelschepter; en achter hem reed Ariadne,
-gezeten op olifant blank, goudnet-omvangen, Afrodites starrekroon om
-haar lokkige kruin, en haar schoonheid verheerlijkte in den roem des
-gemaals. En overal waar zij binnen zegevierden door landstreek en stad,
-langs heirweg en straatweg, festoende de druif met hen mede, en liet de
-Vreugde, de Weelde achter: achter de druivefestoenen torenden de
-barbaarsche steden minaretslank uit, zoodra Dionyzos door haar
-barbaarschheid gebloeid was: tooverpaleizen verrezen met lange
-zuilenrijen van jaspis en chalcedoon, overdekt met bronzen pannen;
-marmeren tempels schitterden op, aan alle heerschende goden, maar
-vooral aan Dionyzos en aan Ariadne; de eeredienst des goddelijken
-overwinnaars bevestigde zich; zijne priesters brachten offers hem, de
-reukschalen geurden, en zijne mysteriën werden ingesteld. In marmer
-werd zijn heerlijke beeltenis gehouwen door bezielde kunstenaars en van
-heiligdom tot heiligdom werd die beeltenis gedragen. Was hij verder, de
-Vreugde liet hij achter, de Weelde liet hij achter; zelfs de in
-razernij veroverde rijken herbloeiden als met getoover; waar zoo vol
-zwol de druif, purper of blond, blauw of geel, waar de vervoering zoo
-stroomde uit mengvat en drinkschaal, waar de dans stemde tot blijde
-muziek, rees ook uit vernietiging, tooverkracht! marmerpaleis en tempel
-op, om den god te eeren, hoe ver hij ook was. En niettegenstaande àlle
-vernietiging in razernij scheen Dionyzos’ strijd toch altijd zijn
-strijd te blijven, en nooit die van Ares te worden want wàarlangs hij
-gezegevierd had, golfden Demeters blondere velden en spreidden welvaart
-en sprenkelden rijkdom, en de aren zwollen van weelde, als de trossen
-van vreugde zwollen. Pest, hongersnood, alle ziekte en alle gebrek,
-vaagde Dionyzos’ triomftocht weg. Ver, ver tot onbekende bergreten,
-sneeuwgetint in het uiterste Oosten; ver, ver tot heiligen stroom,
-azuur stroomende van den hemel naar den einder toe—geheel de wereld was
-aan Dionyzos.
-
-Toen naderde de laatste dag.
-
-—De Poorten, de Poorten! riep plotseling geheel het leger uit, als met
-een enkele stem.
-
-Aan de nachtkim rezen in ver verschiet de ontzaglijke Oostelijke
-Poorten. Zij rezen goddelijk en bleekgoud in den nacht, die al
-schemerde van den binnenschijn; zij rezen ontzettend als de poorten
-eens gouden lichtgeheims, en nu Dionyzos langzaam naderde, omstuwd door
-zijn geheele macht, weken zij majesteitelijk open. Een glans stroomde
-dadelijk uit, en Eos, allerlieflijkst in zoo gloeienden glans,
-rozigde-aan als een vlinder in zonneschijn, teeder en lieflijk en
-luchtig, op een zweving van luchtig lieflijke teederheid, in gelenden
-sluier, die niet meer was dan een glanzige zeepbel, goud; de
-morgenrozen vielen nu uit hare vingers, lokken en plooiend gewaad; een
-dauw sprenkelde zij, als een regen zacht, en zij lachte, terwijl zij
-riep:
-
-—Dionyzos! Verwinnaar! Ik heb je zien naderen dágen, dágen lang!
-Iederen dag naderde je, Dionyzos! Wees welkom, wereldverwinnaar tot de
-morgenpoorten toe! Dionyzos, niet weêrstond die wereld je almacht...:
-mijn rozen werp ik je alle neêr!
-
-In hare huldiging wierp zij, kindlachende, alle haar rozen; zij
-regenden, rood, geel, wit rondom Dionyzos, waar hij stond,
-mitra-gekroond, blank-goud-omplooid in zijn zegekar, met stralend oog
-inziende in de Poorten die wijder en wijder openden, om Helios uit te
-laten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVII.
-
-
-—Is de grens bereikt? vroeg Dionyzos.
-
-Het daglange feest was ten einde, de amethysten nacht donkerde aan, en
-bleekgoud, ontzettend, rezen omhoog de ontzaglijke Poorten van het
-Uiterste Oosten. De Vreugde had er tegen gesprenkeld haar druivenbloed;
-langs den aanvang van Helios’ hemelheirweg was de wingerd gerankt en in
-de tooverrozetuinen van Eos had de blijde orgie geduurd den geheelen
-dag. In de rozebosschen, vervagend haar heldere kleuren in de
-amethysten vereffeningen van den naderenden, naderenden nacht, lag wijd
-verspreid in de rust na bezwijmeling het leger van Dionyzos tusschen
-rozen verpletterd, druiven verpletterd, op de gespreide lynxevellen en
-tijgerhuiden, mengvaten omvergeworpen, schalen, amforen, bekers gestort
-in plassen van vloeiend karbonkel en vloeiend topaas, en in slaap en
-omhelzing, verspreid, lagen neêrgestort de vreugdestrijders.
-
-—Ariadne, is de grens bereikt? herhaalde Dionyzos.
-
-Hij stond, bleek in de vaalte van nacht, en staarde naar de ontzaglijke
-poorten. Aan hem hing, bleek, Ariadne, en staarde. Hij stond jong,
-bleek en aarzelend steeds: zijn violenoogen hadden een verwonderde
-vraging; zijn lippen trilden in zijn blonden kroesbaard; de mitra
-afgevallen, verwarden zijn blonde lokken, ontknoopt over zijn schouders
-en in de vreugde verscheurd hingen de plooien van zijn vorstelijk
-gewaad wijnbezoedeld en sleepten de rozebladeren en druiveschillen. Een
-rimpel groefde pijnlijk tusschen zijn brauwen, en tranen sprongen zijn
-oogen uit, toen hij zichzelven antwoordde:
-
-—Ariadne, de grens is bereikt...
-
-—De grens is bereikt, herhaalde zij zacht.
-
-Hij zag om zich, verwonderd, verward, verloren, als wist hij niet meer,
-Dionyzos.
-
-—Ariadne, murmelde hij weenend; het was éen lange zegetocht...
-
-—Mijn god, o mijn overwinnaar! riep zij hartstochtelijk en prangde hem
-vast. Hij maakte zich zacht los uit hare armen, en streelde haar over
-de haren.
-
-—Ariadne! vroeg hij en beefde zijn stem; zeg mij, wat is de taak van
-morgen? Sticht ik mijn vreugdezetel voor de Oostelijke Poorten en zet
-ik mij naast je op een troon en vergoddelijk ik in de hulde der
-wereld... of bereid ik mij tot de terugreis?
-
-—De terugreis door je heerlijke verwinningen!
-
-—De terugreis? Ja, de terugreis... Helaas, Ariadne, die is geen taak!
-
-—Taak is volbracht!
-
-—Is taak volbracht? Dan kan ik stèrven...
-
-—Dionyzos! kreet zij, en ontstelde om zijn droefheid.
-
-—Is taak volbracht, dan kan ik sterven... Ik ben niet onsterflijk,
-Ariadne.
-
-—Dionyzos, o Dionyzos...
-
-—Maar ik voel, Zeus gunt mij den dood nog niet... Helaas, Ariadne, hoe
-leef ik taakloos voort?
-
-—Dionyzos, de terugreis is nieuwe taak...
-
-—Nieuwe taak?
-
-—Langs overwinning terug de vreugde te sprenkelen...
-
-—Zij is gesprenkeld, zij is gesprenkeld... O, Ariadne, als ik niet
-sterven mag, laat ons dan gaan, laat ons dan schielijk gaan...
-
-—Terug...?
-
-—O ja! Wat staan wij voor deze goudene Poorten! Zij zijn de grens! Kom
-Ariadne, terug! Kom meê!
-
-—Nu reeds...
-
-—Wat zal ik toeven!
-
-—Het leger ligt in diepe sluimering...
-
-—Laat het sluimeren, Ariadne; wij gaan alleen! O, laat ons gaan, laat
-ons gaan terug, Ariadne, terug naar Nyza... Daar misschien zullen wij
-zalig zijn in de herinnering aan de gesprenkelde vreugde! Helaas, alle
-vreugde is gesprenkeld! Taak heeft Dionyzos op aarde niet meer!
-Ariadne, Ariadne, kom... Bestijgen wij onzen wagen... Ik neem de
-leidsels ter hand. Ik men de lynxen... O Ariadne, Ariadne, kom...
-
-Zij bestegen den lynxewagen en het was als vluchtten zij in den nacht,
-als verslagenen, als overwonnenen. In den nacht langs den breeden
-zegeweg vluchtten Dionyzos en Ariadne terug. Zij reden langs
-korenvelden, druifomrankt van lagen boom tot lagen boom, en zij reden
-door een gouden en marmeren stad, de laatste stad van het Uiterste
-Oosten: zij reden tot den morgen toe, en de lynxen waren uitgeput en
-zij scholen in een rozebosch aan den weg, en rustten er uit in schaduw
-en geur. Het was als een lieflijke halte, en zij hadden vreugde, als in
-paradijs. Zij sliepen in elkanders armen; de dageraad rozigende,
-ontwaakten zij, en speelden in de koele wateren der bronnen; de najaden
-herkenden hen en dienden den god, de godin; de dryaden weefden gewaden
-hun fijner dan byssos en bekroonden hen met rozen, en hun schuilplaats
-niet meer geheim, vloeiden van het leger de allereerst ontwaakten terug
-en verzamelden saters en faunen, menaden zich tot de terugreis, de
-terugreis der zege: brieschende leeuwen werden den wagen des gods
-voorgespannen, maar Ariadne voerde men een olifant toe, en de reis ging
-terug; en het leger vloeide, vloeide achter aan, van de Oostelijke
-Poorten terug. Vruchtbare landen door, schitterende steden door, ging
-de reize terug, langs Dionyzos’ eigene tempels. Het volk viel in het
-stof; zijn priesters vernietigden zich in nederigheid, als de god in
-zijn drom naderde. Feest zwierde hem voor en hem langs, en plots walgde
-hij van zijn eigen feest.
-
-—Zie, zeide hij en hij wees Ariadne. Zie Ariadne... wat doen zij...?
-
-Zij naderden in den avond een heiligdom, heerlijke pracht van
-marmerzuilen; de blauwe offervlammen geurden omhoog, geheel het volk
-stroomde te zamen, druifvertuit.
-
-—Ariadne... Ariadne, wat doen zij...!
-
-Tusschen de priesters werden jeugdige offerlingen, knapen en maagden,
-ten outer geleid, rozenomkransd, druifbehangen; de hoogepriester hield
-het offermes klaar.
-
-—Ariadne,.. Ariadne... wat doen zij...?!
-
-Het eerste offer viel: een knaap, zijn bloed spatte, en in den komenden
-nacht juichte het volk op, razend en riep:
-
-—Dionyzos, Dionyzos!
-
-—Hier ben ik! riep Dionyzos.
-
-—Dionyzos, Dionyzos! krijschte het volk en de tweede offerling viel...
-een maagd. En zij eerden de terugreize van den god, schetterend geschal
-van bazuinen weêrklonk.
-
-—Viert ge de Vreugde? riep Dionyzos.
-
-—Dionyzos, Dionyzos!
-
-—Eeredient ge de Vreugde?
-
-—Dionyzos!
-
-Hij schaterlachte luid, als waanzinnig.
-
-—Met bloed? riep hij uit, en sloeg met zijn thyrs naar den
-hoogepriester. Met bloed van offerlingen?
-
-Zij juichten, zij begrepen niet, en de hoogepriester, in verrukking
-waanzinnig, dat de god hem had willen beroeren met zijn thyrs en zijn
-schepter, vermoordde den derden offerling.
-
-Nu stortte Dionyzos zich de tempeltrap op en hij stond als een leeuw,
-razend, in het licht der blauwe offervlam. Zijn voet stiet zijn eigen
-altaar om. Zijn wil omboeide de priesters in ranken en zijn gebaar
-wenkte de slachtoffers tot zich, die tot hem waadden door een stroom
-van bloed. Het volk zwierde, dol slaande de tamboerijnen.
-
-—Meê, meê, meê! riep de god en vluchtte en zij vluchtten allen meê:
-zijn leger, het volk achter hem, en zij juichten hem toe:
-
-—Dionyzos!!
-
-Maar hij slierde Ariadne, alleen, in het woud, en verschool zich met
-haar in een grot.
-
-—Stil! Stil, Ariadne! Spreek niet, opdat zij ons niet vinden! Hoor, hun
-gejuich, hun dol gejuich! Zij vieren de Vreugde, die ik gesprenkeld
-heb, zij eeredienen de Vreugde, die ik heb gesprenkeld, met bloed, met
-bloed, met bloed! O goden, zij begrijpen niet! O goden, ik wil de
-Vrèugde! Ik wil de Vreugde voor allen! Ik wil de Vreugde niet in bloed!
-Ik wil geen offers in bloed! Volk, vier de Vreugde, breng mij bloemen,
-ooft, halmen, hebt vreugde allen! O volk, heb de zuìvere Vreugde!
-Helaas, wat roep ik? Tot wie? Zij verstaan niet en ik ben heengevlucht!
-Ik verschuil mij in een nachtdonkere grot! O, Ariadne, vluchten wij,
-vluchten wij eenzaam weêr...! Vluchten wij langs den breeden zegeweg,
-als verwonnenen en verslagenen! Meê, meê, meê...
-
-En hij sleurde Ariadne voort...
-
-De terugtocht verspreidde zich. Het leger verspreidde zich en Dionyzos
-wilde het niet om zich. Alleen met Ariadne, beiden soms vermomd en niet
-herkend, trokken zij landen door en steden door, en overal zag hij de
-tempels hem zuilen, de geurvlammen hem rooken, de offers hem worden
-gebracht; en overal zag hij de waanzinsverrukking onbeteugeld, bot
-vieren haar uiterste stuipen. In den avond slierde dronken,
-verbeestelijkt, de lange ronde langs de straten der marmeren
-weeldepaleizen, en zij riep hem uit:
-
-—Dionyzos!
-
-—Helaas! kreet hij uit en hij sleepte Ariadne meê en zij herkenden hem
-niet. Helaas, Ariadne! Aanzie de landen, aanzie de steden, die ik heb
-overwonnen in vreugde; aanzie de Vreugde, die ik gesprenkeld heb! Het
-is Dionyzos’ Vreugde niet meer! Het zijn niet meer zijn blijde gaven!
-O, wij waren wreed, en ik was dikwijls verschrikkelijk aan wie mij en
-mijn gaven weêrstond in sombere levens- en jubelens-onmacht, maar wij
-waren goden en nooit zwijnen! Ariadne, god was Ampelos, goden waren
-mijn faunen, goden waren zelfs mijn saters in al hunne woeste en
-zinnelijke uitbundigheid en de menaden waren tijgerinnen, maar aan
-godinnen gelijk! Zij kenden allen MIJN juiching, MIJN vreugde, en hun
-liefde was goddelijk en hun wreedheid zelfs was goddelijk, en àl wie de
-Vreugde aanvaardde, waren zij wèl en ter heerlijke menschliefde
-geneigd! Wat was anders ons streven dan àllen de Vreugde te geven, in
-de groote liefde voor allen! Ik spilde de Vreugde aan allen: vorsten en
-bedelaars; op de slagvelden na den slag gingen rond mijn weldadige
-faunen en laafden de stervenden en genazen hen en voerden hen mede in
-mijn stoet, en de menaden, listig, verlokten matronen en maagden naar
-Dionyzos’ Vreugde en levensblijheid: Panszoontjes zelfs lokten de
-kinderen! O, zij waren allen goden, zij zijn het nòg allen, ook al is
-hun taak volbracht, maar deze volkeren, deze menschen, deze
-stervelingen, helaas, zij zijn in mijn vreugde verzwijnd, en ik zoû
-mijn vreugde vloeken willen! Heerlijk leven, lieflijke aarde,
-eindelooze hemel, ik heb in mijn enthouziasme u omhelzen willen in éene
-liefde aan mijn hart en allen, die ademden, willen leeren de blijheid,
-die was als wijn: de levensblijheid, die strijdt tegen alle smart, maar
-ik ben overwonnen, ik ben geslagen...! O, zie, de zwijnen in hun
-marmeren paleizen, feestvieren walgelijk, niets wetend van de Vreugde
-dan de onmatigheid, de zatte onmatigheid, die hen kotsen doet over hun
-purperen bedden en roosomwingerde balustrades! Zie hun tronies verhit,
-zie hun waggelgang, hoor hen lallen, geestloos, dom, in de Vreugde, de
-heerlijke, heilige Vreugde verzwijnd, omdat zij als beesten zijn, die
-de vreugde der goden bezoedelen in onmacht haar te genieten zuiver,
-louter en schoon! Ariadne, wij genoten heur zuiver, louter en schoon!
-Wij genoten het genot van het leven met hevigen maar zuiveren zin, met
-blijden maar louteren geest, met onstuimige maar schoone zielen en
-lijven! Wij waren schoon, wij schitterden van schoonheid: mijn faunen
-waren edel van schoonheid, mijn menaden razend van schoonheid, mijn
-saters zelfs waren schoon in hun dubbelwezen van halfgod en halfdier,
-wezens der wouden, uit de heilige natuur allen zelve juichend
-ontbloeid! En zelfs oude Silenos, omringd van zijn Silenen, hij was
-schoon, hij was niets dan schoonheid: de schoonheid van geest, spot en
-komische levensvreugde; dronken bleef hij schoon en schaterden wij om
-zijn vermakelijke schoonheid! Helaas, Ariadne, waar is zij: onze arme
-schoonheid? Waar is onze arme vreugde des levens, en vreugde des
-toomloozen genietens! Helaas, helaas, kom meê, Ariadne, ik kàn niet
-toeven in deze ontaarding van heèl ons genot tusschen marmeren zuilen
-en offervlammen en offers van bloed! Ariadne, Ariadne, meê...!
-
-En hij sleepte haar meê, en zij herkenden hem niet: zij herkenden hem
-nooit meer, den god en zijn bruid...
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-XVIII.
-
-
-Een koude wind woei door de reuzig wilde kastanjes van Nyza en de zee
-tusschen de kapen bruischte, toen Dionyzos Ariadne, uitgeput,
-neêrvlijde aan den zoom.
-
-—Ik huiver! riep zij.
-
-Hij wikkelde haar dichter in de lynxehuid, die van haar schouder hing
-en hij legde haar hoofd aan zijn borst.
-
-—Rust uit! zeide hij zacht.
-
-—Dionyzos! fluisterde zij. Koorts brandt mij de slapen, de polsen! Zeg
-mij, waar zijn wij...
-
-—Rust uit, rust uit, Ariadne! Dit is Nyza! Dit is het oord, waar nooit
-woei de wind, waar eeuwige zomer heerschte om mijn jeugd, waar de
-nymfen mij pleegden en de Muzen neêrdaalden en reiden den waardigen
-dans. Nu, o Ariadne, waait de koude wind tusschen de kapen door, en ik
-huiver, ik huiver als jij. Ik herken mijn Nyza niet meer, versomberd
-als het nu avonden gaat tusschen de bruischende wilde-eiken... Hier
-bloeiden violette anemonen, hier deed Ampelos viooltjes ontluiken,
-breede geurige velden om mij heen! Helaas, Ariadne, hier... hier voert
-Dionyzos je, wereldverwinnaar, in zijn somber en vereenzaamd te-huis.
-Geen paleis, geen tempel, geen troon, Ariadne,—niets dan de sombere
-boomen, waartusschen huilt de sombere wind! Helaas, hier komt Dionyzos’
-Vreugde terug, maar zij is zijn Vreugde niet meer...!
-
-—Dionyzos! Dionyzos! Hoor... hoor...! Is dit Kreta? Is dit Kreta?!
-Vreeswekkend Geloei! Het Monster, het Monster, o Dionyzos... Het
-Monster loeit over Kreta! Het is niet de stormwind, het is het Geloei!
-Ongelukkige moeder, Pazifaë...! Thezeus... Thezeus... laat mij je
-leiden naar de Poort van het Labyrinth: zie, hier is het kluwen... O
-Onverzoenlijke, wreekt ge u ook op mij?
-
-—Ariadne, Ariadne stil! Dit is Nyza, en ik ben Dionyzos!
-
-—Dit is Naxos, en ik ben verlaten, helaas! Helaas, de zwarte zeilen
-zwellen van wind, maar vervagen aan den wreeden einder! O,
-Onverzoenlijke, o Onverzoenlijke...
-
-—Ariadne, Ariadne stil! Rust uit, rust uit, Ariadne: ik ben een arme
-god: ik heb de Vreugde niet meer, omdat ik ze den menschen gegeven heb,
-maar ik heb nog in mijn ziel mijn liefde! O, Ariadne, ik heb je lief!
-Leef op... wees gerust... sluimer zacht: dit is Nyza, dit is een
-lieflijk oord, als de stormwind morgen bedaard is; hier zal ik als
-Ampelos eens...
-
-—Thezeus, Thezeus!
-
-—Stil Ariadne, stil... Hier zal ik, als Ampelos eens, duizend viooltjes
-ontbloeien laten en het zal geuren om je heen van viooltjes en van
-anemonen... Dan ligt de zee zoo meerkalm neêr tusschen de veilige
-kapen, en de bergen stapelen zich als ronde schilden van krijgers,
-beschermend tegen den einder.
-
-—O, het Geloei, het Geloei...
-
-—Helaas, zij herdenkt alleen de smart; zij herdenkt, helaas, niet de
-Vreugde...
-
-—Het Geloei... o Thezeus!
-
-—Zij ziet niet in haar koortsvizioen Dionyzos en zijn druiveprieel,
-zijn liefderedding, en zelfs de goddelijke Afrodite ziet zij niet, die
-over de parelen zee haar schulp stuurde...
-
-—O, de verschrikkelijke Stierekop! Hij bloedt zwart uit... afgehouwen!
-
-—Zij ziet niet de zegetocht, en zij ziet niet de Goudene Poorten!
-Alleen de Smart blijft! Helaas, alleen mijn Smart blijft! O Vreugde,
-Vreugde, waar ben je? Nu weet Dionyzos wat zijn Smart is, hem
-voorbeschikt, helaas, van zijn in bliksems blakende geboorte af! Zeus,
-Zeus, vader, nu weet ik mijn Smart! O, ik heb mijn Smart voelen
-naderen, ik heb mijn Smart kunnen dragen, maar vluchtende, langs mijn
-eersten zegeheirweg, mijn Smart, helaas, dat ik de Vreugde verspild
-had, dat ik de Vreugde verspild had aan beesten! O, Aarde, Aarde,
-Wereld, die ik verwon, en die ik de heerlijke Vreugde druivepersende
-sprenkelde: gij kùnt niet de heilige Vreugde omvatten, zoo als een
-sater een druivetros omvat en uitperst aan zijn mond! Helaas, ik heb
-goddelijkheid aan de menschelijke aarde verspild, en de menschelijke
-aarde heeft zich zat aan mijn Vreugde gezopen, en braakt mijn Vreugde,
-o walging, uit! Helaas, helaas, ik verwon niet! Dionyzos werd
-verslagen! Alleen—ik ben alleen! Waar is Ampelos!
-
-—Thezeus, Thezeus!
-
-—Zij ijlt! Helaas, zij sterft in mijn armen! Hoe heerlijk was zij in
-zegetocht, aan mijn zijde, of op blanken olifant, tijgende de steden
-binnen; en helaas, hoe heb ik haar, ach, niet achtende, dat zij
-sterfelijk was, meêgesleept op mijn nederlaag, terug, altijd terug! O,
-Dionyzos’ Smart overstelpt hem! Dionyzos is alleen: Ariadne sterft, en
-hij... is alleen! Eenzaamheid, eenzaamheid, smart! Ampelos, Silenos,
-Hermafroditos, menaden, faunen en saters! Waar zijt gij! Waar is de
-Vreugde? Is dit Nyza? Is dit somber vervloekte oord, Nyza? O huiverende
-wind, o winter! Zeus!! Dàar... dàar... tusschen de naakte boomen...
-dàar zie ik mijn eigen wingerd... die IK plantte... nadat het
-Panszoontje, dat den geheelen morgen geblazen had, mij eindelijk Nyza’s
-gunstige plek aanwees...! Daar zie ik mijn wingerd! Geen blad, geen
-tros; niets dan naakt wanhopige knoestige takken! Wingerd, ben je als
-Ampelos dood! Helaas, àlle vreugde is gestorven! Ariadne sterft:
-helaas, om Dionyzos huivert de dood! Goddelijk, ben ik sterfelijk, en
-sterven wil ik met Ariadne! O, smart, o smart! Zeus, mijn vader, niet
-gezegevierd, niet te hebben overwonnen, de Vreugde niet louter in
-heerlijkheid den menschen te hebben uitgeperst voor alle volgende
-menschelijke eeuwen...! Helaas, Dionyzos’ taak is volbracht, maar hoe
-is hij gefaald in zijn volbrengen! Eerste blijdschap der eerste
-gedachten en dagen, luide jubel na die planting der eerste
-wijnstokken...! Het land liep uit; àllen plantten den wijnstok...:
-Demeter herbloeide! De wereld bloeide en weligde! Helaas, helaas, de
-Vreugde is gestorven, omdat de mensch de Vreugde heeft verzopen,
-bezoedeld...!
-
-—Dionyzos!
-
-—Zij herkent mij weêr! O, Ariadne, herdenk het BLIJDE Naxos, herdenk
-den vreugdevollen Dionyzos, herdenk de glimlachende Afrodite! Er wàs
-schoonheid en Vreugde in ons leven!
-
-—O Dionyzos, ik herdenk, ik herdenk... Ik herinner mij, o Dionyzos! Ik
-bèn gelukkig en ik bèn dankbaar! Ik herinner mij, ik herinner mij
-alles... Ik herinner mij je hevige smart! O, die terugtocht, de
-nederlaag, de hevige smart... Dionyzos, ik herinner de smart mij... Ik
-geloof... ik geloof wel, dat ik sterf... maar ik herinner mij, ik
-herinner mij... Alleen Dionyzos... o wees niet wanhopig. Zie... je hèbt
-de Vreugde gesprenkeld; je hèbt overwonnen... en de wereld heeft haar
-aanvaard, tot de Goudene Morgenpoorten toe... Vreugde is overal
-geplant... haar zaad BLIJFT, o Dionyzos! Verdort ook de allereerste
-goddelijke weliging... andere weligingen zullen volgen... eenmaal...
-eenmaal, Dionyzos, in vèr verwijderde eeuwen... Eenmaal, o Dionyzos,
-zal de Vreugde over de wereld herbloeien en de menschheid, half
-goddelijk dàn, zal haar genieten met zuiveren zin, blijden geest,
-lichaam en zielen van schoonheid! O Dionyzos, ik sterf... maar ik voel
-je bezieling in mij...! Mijn stem zwijmt... maar ik voel je eigen
-enthouziasme als wijn mij stroomen... voor het laatst... mijn aderen
-door... Dionyzos, Dionyzos,... o, heb vertrouwen, o, wèes niet
-rampzalig: ik heb Vreugde in stervenssmart...! Ik... ik ben dankbaar,
-en... ik... bèn... gelukkig!
-
-Uitgeput stierf zij op zijn schouder. Haar gelaat lag achterover,
-bleek, de oogen gebroken, en hij slaakte een gil, die schel door den
-stormwind snerpte.
-
-—O Zeus, o mijn vader! riep hij. Schenkt gij mij vòl mijn drinkschaal
-van smart!
-
-
-
-Maar cymbels sloegen, fluiten pepen en tamboerijnen rinkelden vroolijk.
-Verzamelende vreugdetroepen door den stormnacht trokken het woud door,
-dansende:
-
-—Dionyzos! Dionyzos! riepen zij.
-
-De god slaakte gil op gil. Hij verscheurde zijn mantel, hij trok zich
-de haren, hij sloeg zich weeklagend de borst. Hij danste in razernij
-en:
-
-—Faunen! Saters! Menaden! riep hij. Zie, o zie... Ariadne... Zij is
-niet meer!!!
-
-
-
-
-
-Toen schoot Zeus’ vuur door den stormnacht heen en de donder rolde over
-Dionyzos’ verwonnen wereld. En als met éen vaag veegde schoon van
-wolken de nacht en over Nyza’s woud en zee en bergenkim, opende zich
-geheel de Olympos in vreemd licht stralend. De heerlijke bergtoppen
-schakelden zich breed aan die hemelkim hoog, en de goudzuilige
-godenpaleizen schitterden hel; de bronzen pannen golfden een zee van
-glans, maar vooral was glans zelve om de godelingen, die omringden
-Zeus, op zijn troon, lichtjes omwolkt, de adelaar aan zijn machtige
-voeten. En zijn stem riep, door de onmetelijke verte heen:
-
-—Mijn zoon Dionyzos!
-
-Hij hoorde niet, want hij lag op Ariadne’s lijk.
-
-—Mijn zoon! Mijn zoon Dionyzos!
-
-Hij snikte slechts op het lijk van zijn bruid.
-
-—Mijn lieveling! Mijn lievelingszoon Dionyzos! herhaalde ten derde male
-stemdaverend Zeus.
-
-En alle goden riepen:
-
-—Dionyzos! Dionyzos!
-
-Dat was geluid als van bazuinen, en Dionyzos keek om. Hij keek op,
-ontzet. En Zeus riep:
-
-—Mijn lievelingszoon Dionyzos! Hoor uw vader Zeus spreken tot u! Gij
-hèbt overwonnen en uw purperen taak volbracht, goddelijk heerlijk! Gij
-zijt overwinnaar, en de Vreugde verwon, en zal der menschen louter deel
-eenmaal zijn! Vraag niet van menschen, wat der goden is: vraag hun nu
-niet het goddelijk genot van de Vreugde! Laat hen de loutering na
-eeuwen volbrengen! Hoop, hoop, Dionyzos, en hoop op de menschheid,
-onstuimig en schaterlachend, zoo als gij altijd gehoopt hebt! Dionyzos,
-wees u zelve weêr! Dat het Noodlot de smart u niet spaarde... o wijt
-het niet aan de Vreugde, mijn lieflijke god en mijn zoon, mijn godszoon
-van blakende Vreugde...! Dionyzos! Dionyzos! Herleef! Herbloei in de
-Vreugde, en, aan de zijde van Ariadne, vorstin aller vreugde, kom tot
-ons, in Olympos op: wees onstuimig en schaterlachend te midden van
-broeders en zusters, en, Dionyzos, wees onsterfelijk, als Ariadne
-onsterfelijk zal zijn, in den dronk der onsterfelijke Vreugde van
-nektar, die u Hebe al langt! Dionyzos, mijn zoon, kom op! Ariadne, kom
-op! Uw taak is volbracht! Laat uw taak thans aan de seizoenen over!
-Laat de stormwind na den oogst uw wingerd ontblooten van bladeren: laat
-de lente haar bloeien... laat de herfst haar zwellen van purperen en
-van blonde trossen doen! Dionyzos, uw taak is volbracht, en de blijde,
-lachende, volschoone eeuwigheid wacht je gloriegolvende in ons
-midden...
-
-
-
-Toen zag Dionyzos Zeus de armen lachend openen wijd en alle goden
-riepen zijn naam uit schel als met zilveren bazuinen en Hermes zelve
-vloog naar de aarde toe en daalde te Nyza, en riep, wijzend op de
-hemelsche zegekar, die vier gevleugelde paarden trokken over de
-verklaarde lucht:
-
-—Dionyzos! Zie: Ariadne herleeft! Niet leid ik haar ten somberen
-Tartaros, maar ten gouden Olympos leid ik u beiden!
-
-Een groot licht straalde uit. En in het groote licht was Dionyzos zoo
-jeugdig en straalde van al bijna onsterfelijke goddelijkheid, of de
-smart was een schim geweest... Niet meer dan een droom... nu dat
-Ariadne oprees verklaard, en, wandelend in een glorie van licht aan
-zijn hand, naar de zegekar trad, waar Hermes, leidsels ter hand, hen
-verbeidde.
-
-Toen klonk uit lucht, zee, aarde en hemel Dionyzos’ hymne hem tegen als
-jubel, voorspellende der na-eeuwen troost.
-
-
- Nice-Venetië-Cadore, Maart—Juli III.
-
-
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DIONYZOS ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/67746-0.zip b/old/67746-0.zip
deleted file mode 100644
index 7a501e0..0000000
--- a/old/67746-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67746-h.zip b/old/67746-h.zip
deleted file mode 100644
index 7550c43..0000000
--- a/old/67746-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67746-h/67746-h.htm b/old/67746-h/67746-h.htm
deleted file mode 100644
index 64ed691..0000000
--- a/old/67746-h/67746-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,8447 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2022-03-31T20:05:09Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>Dionyzos</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Louis Marie Anne Couperus (1863–1923)">
-<link rel="coverpage" href="images/front.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="Louis Marie Anne Couperus (1863–1923)">
-<meta name="DC.Title" content="Dionyzos">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */
-html {
-line-height: 1.3;
-}
-body {
-margin: 0;
-}
-main {
-display: block;
-}
-h1 {
-font-size: 2em;
-margin: 0.67em 0;
-}
-hr {
-height: 0;
-overflow: visible;
-}
-pre {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-a {
-background-color: transparent;
-}
-abbr[title] {
-border-bottom: none;
-text-decoration: underline;
-text-decoration: underline dotted;
-}
-b, strong {
-font-weight: bolder;
-}
-code, kbd, samp {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-small {
-font-size: 80%;
-}
-sub, sup {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-}
-sub {
-bottom: -0.25em;
-}
-sup {
-top: -0.5em;
-}
-img {
-border-style: none;
-}
-body {
-font-family: serif;
-font-size: 100%;
-text-align: left;
-margin-top: 2.4em;
-}
-div.front, div.body {
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-div.back {
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div0 {
-margin-top: 7.2em;
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-.div1 {
-margin-top: 5.6em;
-margin-bottom: 5.6em;
-}
-.div2 {
-margin-top: 4.8em;
-margin-bottom: 4.8em;
-}
-.div3 {
-margin-top: 3.6em;
-margin-bottom: 3.6em;
-}
-.div4 {
-margin-top: 2.4em;
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div5, .div6, .div7 {
-margin-top: 1.44em;
-margin-bottom: 1.44em;
-}
-.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
-.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
-margin-bottom: 0;
-}
-blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
-.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
-margin-top: 0;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-td.tocDivNum {
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-margin-top: 3.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-border: none;
-border-bottom: 1px solid black;
-width: 45%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-}
-hr.dotted {
-border-bottom: 2px dotted black;
-}
-hr.dashed {
-border-bottom: 2px dashed black;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.42em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.84em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
-color: #660000;
-}
-.fnreturn {
-color: #AAAAAA;
-font-size: 80%;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-a {
-text-decoration: none;
-}
-a:hover {
-text-decoration: underline;
-background-color: #e9f5ff;
-}
-a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-top: -0.5em;
-text-decoration: none;
-margin-left: 0.1em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
-float: left;
-margin-left: -0.1em;
-margin-top: 0.9em;
-min-width: 1.0em;
-padding-right: 0.4em;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-.apparatusnote:target, .fndiv:target {
-background-color: #eaf3ff;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-white-space: nowrap;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.index p {
-text-indent: -1em;
-margin-left: 1em;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.splitListTable td {
-vertical-align: top;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em 0;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 1.7;
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-tr, td, th {
-vertical-align: top;
-}
-tr.bottom, td.bottom, th.bottom {
-vertical-align: bottom;
-}
-td.label, tr.label td {
-font-weight: bold;
-}
-td.unit, tr.unit td {
-font-style: italic;
-}
-td.leftbrace, td.rightbrace {
-vertical-align: middle;
-}
-span.sum {
-padding-top: 2px;
-border-top: solid black 1px;
-}
-table.inlinetable {
-display: inline-table;
-}
-table.borderOutside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderOutside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-}
-table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.verticalBorderInside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border-left: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft {
-border-left: 0 solid black;
-}
-table.borderAll,
-table.rtlBorderAll {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderAll td,
-table.rtlBorderAll td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop,
-table.rtlBorderAll .cellHeadTop, table.rtlBorderAll .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadBottom,
-table.rtlBorderAll .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellBottom,
-table.rtlBorderAll .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellLeft,
-table.borderAll .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellRight,
-table.borderAll .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-table.rtlBorderAll .cellLeft,
-table.rtlBorderAll .cellHeadLeft {
-border-right: 2px solid black;
-}
-table.rtlBorderAll .cellRight,
-table.rtlBorderAll .cellHeadRight {
-border-left: 2px solid black;
-}
-tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop {
-border-top: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight {
-border-right: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft {
-border-left: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom {
-border-bottom: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal {
-border-top: 1px solid black !important;
-border-bottom: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical {
-border-right: 1px solid black !important;
-border-left: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll {
-border: 1px solid black !important;
-}
-tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop {
-border-top: none !important;
-}
-tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight {
-border-right: none !important;
-}
-tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft {
-border-left: none !important;
-}
-tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom {
-border-bottom: none !important;
-}
-tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal {
-border-top: none !important;
-border-bottom: none !important;
-}
-tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical {
-border-right: none !important;
-border-left: none !important;
-}
-tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll {
-border: none !important;
-}
-.cellDoubleUp {
-border: 0 solid black !important;
-width: 1em;
-}
-td.alignDecimalIntegerPart {
-text-align: right;
-border-right: none !important;
-padding-right: 0 !important;
-margin-right: 0 !important;
-}
-td.alignDecimalFractionPart {
-text-align: left;
-border-left: none !important;
-padding-left: 0 !important;
-margin-left: 0 !important;
-}
-td.alignDecimalNotNumber {
-text-align: center;
-}
-.lgouter {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-display: table;
-}
-.lg {
-text-align: left;
-padding: .5em 0 .5em 0;
-}
-.lg h4, .lgouter h4 {
-font-weight: normal;
-}
-.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
-color: #777;
-font-size: 90%;
-left: 16%;
-margin: 0;
-position: absolute;
-text-align: center;
-text-indent: 0;
-top: auto;
-width: 1.75em;
-}
-p.line, .par.line {
-margin: 0 0 0 0;
-}
-span.hemistich {
-visibility: hidden;
-}
-.verseNum {
-font-weight: bold;
-}
-.speaker {
-font-weight: bold;
-margin-bottom: 0.4em;
-}
-.sp .line {
-margin: 0 10%;
-text-align: left;
-}
-.castlist, .castitem {
-list-style-type: none;
-}
-.castGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.castGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.castGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-span.ditto {
-display: inline-block;
-vertical-align: middle;
-text-align: center;
-}
-span.ditto span.s {
-height: 0;
-visibility: hidden;
-line-height: 0;
-}
-span.ditto span.d {
-display: block;
-text-align: center;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.ditto span.i {
-position: relative;
-top: -2px;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pageNum {
-display: inline;
-font-size: 8.4pt;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-letter-spacing: normal;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.right-marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-right: 3%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-text-align: right;
-width: 11%
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink::after {
-content: "\0000A0\01F4D8";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.catlink::after {
-content: "\0000A0\01F4C7";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
-content: "\0000A0\002197\00FE0F";
-color: blue;
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
-text-align: left;
-}
-.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
-h3.main {
-text-align: center;
-}
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.cover-imagewidth {
-width:558px;
-}
-.xd31e98 {
-text-align:center; font-size:large;
-}
-.titlepage-imagewidth {
-width:482px;
-}
-.xd31e121 {
-text-align:right;
-}
-.xd31e2798 {
-font-size:large;
-}
-@media handheld {
-}
-/* ]]> */ </style>
-</head>
-<body>
-<div lang='en'>
-<p style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of <span lang='nl'>Dionyzos</span>, by Louis Couperus</p>
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-</div>
-
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: <span lang='nl'>Dionyzos</span></p>
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Louis Couperus</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Release Date: March 31, 2022 [eBook #67746]</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Language: Dutch</p>
- <p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em; text-align:left'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file was produced from images generously made available by The Internet Archive/Canadian Libraries)</p>
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl'>DIONYZOS</span> ***</div>
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="558" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd31e98">DIONYZOS
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="482" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">DIONYZOS</div>
-</div>
-<div class="byline">DOOR<br>
-<span class="docAuthor">LOUIS COUPERUS</span></div>
-<div class="docImprint">L. J. VEEN—AMSTERDAM</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb.v">[<a href="#pb.v">V</a>]</span></p>
-<div id="prelude" class="div1 prelude"><span class="pageNum">[<a href="#prelude.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">DIONYZOS-STUDIËN.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<div id="pre.1" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">I.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first xd31e121">Na de <span class="sc">Kleine Zielen</span>,
-<br>en vóor <span class="sc">Dionyzos</span>.…
-</p>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">O, Dionyzos—druivenperser—god,</p>
-<p class="line">Dien ik gedenk, wanneer mijn morgens dwalen</p>
-<p class="line">Langs lange marmergodenvolle zalen,</p>
-<p class="line">Na ’t scheemren veler kleiner Zielen lot;</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">O, Dionyzos, laat uw lach en spot</p>
-<p class="line">En spel en sterke levenswellust stralen,</p>
-<p class="line">Hel glanzend goud vol zuider-idealen,</p>
-<p class="line">En schenk mij in uw schalen ’t nieuw genot!</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Mijn ziel is twee: een kind van noordewee,</p>
-<p class="line">Duikt zij deemoedig onder noordeluchten</p>
-<p class="line">En voelt zich éen met grauwe lucht en zee.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Maar als de schemervizioenen vluchten</p>
-<p class="line">Na ’t kleurloos schaadwen duistrer kleinen leed,</p>
-<p class="line">Slaakt zij naar blaùwe lucht haar jubelkreet;</p>
-</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb.vi">[<a href="#pb.vi">VI</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="pre.2" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">II.</h3>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">Voelt zij zich, Dionyzos, met u één,</p>
-<p class="line">Blaakt zij uw leven meê: verwonderd blikken</p>
-<p class="line">Haar heldrende oogen naar die oogenblikken</p>
-<p class="line">Terug, waarin zij welkte in geween.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Zij weent niet meer; en wil niet meer gesteen</p>
-<p class="line">En starende oogen, en het stootend snikken;</p>
-<p class="line">Niet meer het onder Noodlot onverwrikken</p>
-<p class="line">En scheemren, samen met die Zielen kleen.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Zij schiep ze, Dionyzos, maar, geschapen,</p>
-<p class="line">Strijkt zij de hand zich langs de smarteslapen</p>
-<p class="line">En zucht zij op, heel diep uit ùwe ziel!</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">En lachen zoû zij willen zonder reden,</p>
-<p class="line">Een kind gelijk, dat gij, o mijn aanbeden</p>
-<p class="line">Genot! verlost van weemoeds noodlotwiel!</p>
-</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb.vii">[<a href="#pb.vii">VII</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="pre.3" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">III.</h3>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">Nu, lachend, speuren mijn begeerige oogen</p>
-<p class="line">Naar iedren sater, dien ik, marmer, zie,</p>
-<p class="line">Beschonken, neêrgezonken op éen knie,</p>
-<p class="line">Den wijnzak drukkende; dra zat gezogen,</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Loert naar een nymf hij met zijn scheel gespie:</p>
-<p class="line">Zijn dronken vingers bootsen, lustgebogen,</p>
-<p class="line">Krampbevende haar lichaam na: gedoogen</p>
-<p class="line">Zal hij het nooit, dat zij hem snel ontvlie.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Zijn lach grijnst breed; zijn spitse ooren trillen,</p>
-<p class="line">Zijn lippen, droesemrood nog, zouden willen</p>
-<p class="line">Haar lippen bijten met zijn dronken zoen.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">In ’t marmer is zijn wil veronverwrikbaard;</p>
-<p class="line">Hij weet—en van voldoening spitst zijn sikbaard—</p>
-<p class="line">Dat Dionyzos haar geen hulp zal doen!</p>
-</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb.viii">[<a href="#pb.viii">VIII</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="pre.4" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">IV.</h3>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">O, Dionyzos, laat uw godeleven</p>
-<p class="line">Ik zonhel, etherdiep nu gadeslaan</p>
-<p class="line">Langs purperwanden van het Vaticaan;</p>
-<p class="line">De zalen door, waar vaag de schimmen zweven</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Der badgenooten van Diocletiaan,</p>
-<p class="line">Die zich <span class="asc">UW</span> ranken om de slapen weven!</p>
-<p class="line">O, laat mijn loome voeten dwalen, beven</p>
-<p class="line">Mijn dronken ziel bij ’t Kapitool-ingaan!</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Ik zoek <span class="asc">U</span> slechts, ik zoek <span class="asc">UW</span> ruige saters!</p>
-<p class="line">Mijn zinnen smachten naar hùn dolle schaters,</p>
-<p class="line">Mijn heet hart hijgt naar uwer faunen zang:</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Nòg spelen fluit zij als Praxiteles</p>
-<p class="line">Hun vingers leerde, parelgamma-les,</p>
-<p class="line">Op rietjes, drie kort en vier rietjes lang!</p>
-</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb.ix">[<a href="#pb.ix">IX</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="pre.5" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">V.</h3>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">Mijn Dionyzos, dien ik al zoo innig</p>
-<p class="line">Zie voor mijn zuidelijke ziel, o zeg,</p>
-<p class="line">Moet ik nog wachten, vóor ik om u leg</p>
-<p class="line">Mijn beide handen, u omvat beminnig,</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">En geef mijzelven aan uzelven weg?</p>
-<p class="line">Vinden uw saters mij te droef diepzinnig</p>
-<p class="line">Of zal hun spot mij heeklen veel te vinnig</p>
-<p class="line">Omdat ik, u omhelzende, overleg …?</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Maar zoo mijn noordelijke ziel blijft treuren,</p>
-<p class="line">Zult gij, o blijde god, niet waardig keuren,</p>
-<p class="line">Wie <span class="asc">U</span> wil zeggen met te doffen klank;</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Mijn ziel is twee: ik hoor haar stem nòg klagen:</p>
-<p class="line">Haar woord moet schel zijn als een cymbelsprank,</p>
-<p class="line">Om u te heerlijken langs myrtehagen!</p>
-</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb.x">[<a href="#pb.x">X</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="pre.6" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">VI.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first xd31e121"><i>Ludovisi-Buancampagni.</i>
-</p>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">Ik zie slechts u, ik zie u overal,</p>
-<p class="line">Zie, kind, u op Silenos’ armen slapen,</p>
-<p class="line">Zie, knaap, u schoonste, onder alle knapen,</p>
-<p class="line">Zie, jongling, zwelgen u bij fluitgeschal;</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Ik zie u, Wellust! ranken om de slapen,</p>
-<p class="line">Den nadroom van ’t genot in ’t oog en tal</p>
-<p class="line">Van rijpe trossen al geparst, schijnt pal</p>
-<p class="line">Gij open-oogs en staand, éven te slapen.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Uw oog alleen is moê, uw glimlach moê,</p>
-<p class="line">Maar nooit is moê uw onverzaadlijkheid:</p>
-<p class="line">Gij hebt geen pooze ook maar u neêrgevlijd:</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Terwijl uw rechte haar pijnappelroê</p>
-<p class="line">Omspant, bespeur ik, Dionyzos, hoe</p>
-<p class="line">Het panthervel ligt zonder plooi gespreid.…</p>
-</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb.xi">[<a href="#pb.xi">XI</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="pre.7" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">VII.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first xd31e121"><i>Biga-zaal.</i>
-</p>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">Ik zie u in de Karre-zaal gebaard:</p>
-<p class="line">Sardanapalus schijnt ge in marmren vouwen,</p>
-<p class="line">Met zorg u omgeplooid door mantelvrouwen;</p>
-<p class="line">Maar ’k wist u niet zoo trotsche wijze en aard.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">De marmren zegekar schijnt u bewaard;</p>
-<p class="line">Der marmren zegerossen zult <span class="asc">GIJ</span> hoûen</p>
-<p class="line">De strengen in uw vuist en door den blauwen</p>
-<p class="line">Droomether neemt ge apotheoze-vaart!</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Laat scheren van uw ronde wang dat kruiven,</p>
-<p class="line">En vàllen van uw schouder ’t lijnwaadhuiven,</p>
-<p class="line">Hoe liefdevol ook iedre vouw er strijkt.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Zie, vlàk bij rijst gij, zaalge god van druiven,</p>
-<p class="line">Naakt,—baardeloozen lach—vermenschelijkt,</p>
-<p class="line">Naar mijn verlangen plots verwenschelijkt!</p>
-</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb.xii">[<a href="#pb.xii">XII</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="pre.8" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.8.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">VIII.</h3>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first xd31e121"><i>Lateraan.</i>
-</p>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">Op ’t bas-relief, marmerjuweelig, teêrtjes,</p>
-<p class="line">Festoent een wijnoogst, feest, dat mij verrukt.</p>
-<p class="line">De druivegoodjes klimmen op de leêrtjes</p>
-<p class="line">En hebben dra den vollen tros geplukt.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Zij hellen, lachend overlangs gebukt,</p>
-<p class="line">En bieden andren goodjes keer op keertjes</p>
-<p class="line">’t Zoo zwaar gezwollen ooft, dat over, weêrtjes,</p>
-<p class="line">Het godje tuimelt, als omver gerukt.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Een loopt er, torsend ’t korfjen overvol</p>
-<p class="line">Met beide knuistjes ’t knellend op zijn bol:</p>
-<p class="line">Wanklend de dikke beentjes wijd, wil ’t brengen</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Zijn buit den wijnbak toe, waar rythmiesch twee</p>
-<p class="line">De trossen dansend treden: <span class="corr" id="xd31e332" title="Bron: Evoé">Evoë</span>!</p>
-<p class="line">Tot most, dien ze u, mijn Dionyzos, plengen!</p>
-</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb.xiii">[<a href="#pb.xiii">XIII</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="pre.9" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.9.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">IX.</h3>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">Nu wil ik in u zoeken, hier ter steê,</p>
-<p class="line">De blijde godlijkheid van Zeus, uw vader;</p>
-<p class="line">Nu wil ik speuren in uw marmren ader</p>
-<p class="line">’t Bloed, gloeiend in uw moeder, Semele;</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Daar zij verbrandde in zalig blakenswee,</p>
-<p class="line">Zoodra haar Zeus in open bliksems nader</p>
-<p class="line">Zich openbaarde: een glorensfelle dader,</p>
-<p class="line">Wiens gloed zelfs blusschen zoû geen wereldzee!</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Zeg, zijt gij zoon van moeder, vader, beiden?</p>
-<p class="line">God, zijt gij overwinnaar als hij was,</p>
-<p class="line">Die u verwekte in ’t hijgende verscheiden</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Dier bruid, versmeltende als een blonde was.…</p>
-<p class="line">Maar zoo genot en lust u overvielen,</p>
-<p class="line">Zoû ’k in uw oog en lach zien moeders ziele …?</p>
-</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb.xiv">[<a href="#pb.xiv">XIV</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="pre.10" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.10.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">X.</h3>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">God, die den wijnstok plant, ’k wil niet vergeten</p>
-<p class="line">U op uw zegetocht plots te doen treffen</p>
-<p class="line">Eenzame vrouw in sluimers onbeseffen,</p>
-<p class="line">En weenensrood de scheelen toegekreten.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Gij kunt—ontwaakt—haar morgenzonnig heffen</p>
-<p class="line">Uit nachtschaûw en uit nood: aarzlend gezeten</p>
-<p class="line">Op panther tam zal Ariadne u weten</p>
-<p class="line">Een god! en haar bewogen ziel vereffen.…</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Troosten voor wien ondankbaar haar verliet,</p>
-<p class="line">Moet purpren arbeid, dans en spel en lied:</p>
-<p class="line">Eén lange wingerd zal uw reis bekransen;</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">En zoo Silenos zat en wagglend vliedt</p>
-<p class="line">Voor tergende menaden uit, mag niet</p>
-<p class="line">Dan èindlijk lachen Ariadne en glansen …?</p>
-</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb.xv">[<a href="#pb.xv">XV</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="pre.11" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.11.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">XI.</h3>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">Ik weet, gij hadt nooit zoo verlaten bruid</p>
-<p class="line">Aan ’t hart gebeurd, kronende uw gemalin</p>
-<p class="line">Des purpren nektarrijks triumfgodin,</p>
-<p class="line">Zoo niet naar week gevoel uw ziel ging uit.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Gij zijt niet slechts de wijngod, die bij fluit</p>
-<p class="line">En cymbel ’t spranklend leven drinkt als in</p>
-<p class="line">Eén volle schaal, nooit zwelgenszat uw zin:</p>
-<p class="line">’k Vermoed, dat gij een eedler wezen duidt;</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Zijt gij dan ’t enthoeziaste medelijden?</p>
-<p class="line">Weldaadge liefde, die wil troost bereiden,</p>
-<p class="line">En rozenbed mocht aan vertwijfling spreiden?</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">En was het u niet hooger zielsverrukken</p>
-<p class="line">Aan Noodlots reuzeklauw die vrouw te ontrukken,</p>
-<p class="line">Om haar uw druivediadeem te drukken?</p>
-</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb.xvi">[<a href="#pb.xvi">XVI</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="pre.12" class="div2 section"><span class="pageNum">[<a href="#pre.12.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h3 class="main">XII.</h3>
-<div class="lgouter">
-<div class="lg">
-<p class="line">O, Dionyzos, laat mij dan geheel</p>
-<p class="line">U weten, god en mensch u voelen; laat</p>
-<p class="line">Uw leven, lichaam en uw rond gelaat</p>
-<p class="line">Mij zoo vertrouwd zijn of ik met u speel!</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Godlijke broeder, menschlijk kameraad!</p>
-<p class="line">’k Wil woorden schakelen tot schel juweel;</p>
-<p class="line">Vangen in klare zinnen ’t blauw gestreel</p>
-<p class="line">Latijnscher lucht, die koeplend om mij staat!</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Ik wil geheel u in mij voelen trillen,</p>
-<p class="line">Mij voelen zoo in u, of samen willen</p>
-<p class="line">We ons beider ziel aan éenen dronk verspillen;</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Bezit ik u, bezit gij mij zoo vast,</p>
-<p class="line">Dat ik uw gast ben, gij mij wordt tot gast,</p>
-<p class="line">Dan zeg ik zùidlijk hoe uw wijnstok wast!</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first xd31e121"><span class="sc">Rome</span>, Februari III.
-<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">I.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Rozig, sprenkelend den dauw op de violette anemonen, die openden haar slaapdronken
-kelken, en gretig drinken wilden met bekertjes, rees de dadelijk zonnige morgen over
-de blad-dichte beemden van Nyza. Weg naar het Westen week er de paarse nacht en verdween.
-Reuzig de wilde kastanjes, en ruischend de eiken van uchtendbries, ontwaakte het woud,
-en de weiden, dauwdruipend, spiegelden licht terug, parelgekleurde lucht; de anemonen
-bloeiden op uit lichtende watering, en ontloken, gelescht, geheel. Strak naar de zee,
-blauwe lijn, streek snel toe het verschiet, en de hemel koepelde wolkenloos. Wazige
-frischte, weêrschijn van dauw, huiverde over de wereld, over lucht, woud en zee, en
-rings-om-rond over bergen, wier rondingen schakelden op de parelgekleurde lucht, als
-een snoer cameeën om blinkenden hals. Rillend, in de laatste schaduwen, <span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>ontwaakten in het woud de nymfen.
-</p>
-<p>Op een lynxevel sliep de knaap en droomend had hij zijn arm, vaag gebaar, uitgestrekt
-in de anemonen. Zijn palm was half geopend; een lichte grijping trilde in zijn vingers.
-Zijn hoofd lag achterover, bronsblond de lokken, teêr blauw geaderd de oogescheelen
-gesloten en zijn mond huiverde van een wellust, gedroomd. Week bootste zijn blank
-lichaam uit op de ruig vlakkige lynxehuid; zijn schouders rondden zich als die van
-een maagd en zijn ademende borst zwol en golfde; zijn schoot viel in, en zijn heup
-heuvelde hooger, en de beenen, gestrengeld, bloemesteelden weg naar den voet, waaraan
-de groote teen scheen te trillen, of hij trad luchtig op wolken van droom. Nu de nymfen
-waren ontwaakt, en zich rekkende hieven uit hare slaping, rillende onder den pareldauw,
-verzamelden zij rondom hem heen, en fluisterden en naderden schuw. Van zijn vader
-Zeus zelven scheen de hooge goddelijkheid te stralen zijn voorhoofd af, ernstig hoog
-gewelfd tusschen bronsblonde krullen, maar de gloed van zijne moeder, Semele, verblaakt
-in Zeus’ bliksem en eigenen brand, verzinnelijkte hem tot een god van genot. En ernst
-en genotzucht mengelden zich in hem <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>als tot eene betoovering, stralende uit zijn wezen, en de nymfen werden niet moê hem
-te verslinden met verlangende oogen. Zij wilden hem nog niet wekken. Ino, op een vijgeblad,
-stapelde vijgen voor zijn maal, en Ione hield aan den bronstraal haar kruik, waarin
-de gamma der druppelen steeg tot ze vol was. Uit de verte klonken de herdersfluiten.
-</p>
-<p>Nu kon Neïra zich niet houden, en hurkende, streelde haar vinger de dauwdruppelen
-af van Dionyzos’ schouder, waar ze parelden, als op een schulp. En onder de streeling
-van haar verliefde hand, die dadelijk zich schuw terugtrok, sloeg Dionyzos de scheelen
-op. Zijn oogen waren paarsblauw als donkere violen, en als in geheel zijn wezen, mengelden
-zich in zijn blik een weemoed, een dartelheid. Door den paarsblauwen waasglans, weemoedig,
-tintelde diep een blijde glimp.
-</p>
-<p>—Ik heb gedroomd, zei Dionyzos.
-</p>
-<p>En hij staarde, als zag hij zijn droom na, die vluchtte. Zijn viooloogen verweemoedigden
-en vroolijkten over de nymfen heen, in de lucht, de parelgekleurde, naar de bergrondingen,
-die geworden waren als schilden van krijgers, gestapeld tegen de kim aan. Hij staarde
-na de voorspellingen, die vluchtten, na vaag gewemeld <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>te hebben in de nauw gestoorde rust zijner sluimering. Nu daalde zijn blik, zag hij
-lachend de nymfen aan, en begeerig strekte zijn hand naar de vijgen. Hij at ze gulzig,
-in zijn glimlach, zoo sappig ze drukkend tusschen zijn lippen en de schillen wierp
-over de nymfen hij weg in spel. Een sloeg er op Ione’s oog, en terwijl zij gilde,
-lachten de anderen, en ook Dionyzos lachte. Nog meer vijgen moest Ino hem brengen,
-en zij knielde naast hem, ze beurende in het blad op haar palmen. Daarna, achterover
-geleund, dronk hij uit Ione’s kruik. De fluiten, in de verte, naderden met hoogere
-stijging en dieperen val.
-</p>
-<p>—En wat heeft mijn heer gedroomd? vroeg Ione.
-</p>
-<p>—Ik heb gedroomd … zei Dionyzos; de verovering van geheel de wereld …!
-</p>
-<p>—Wat een dwaasheid! Wie zoû er nu moeite doen om de wereld te veroveren! klonk in
-spot, een stem, en Silenos, zich rekkende, trad naar voren uit het boschje, waar hij
-geslapen had. Zeg, Dionyzos, wat spiegelden droom en slaap je zoo ijdele eerzucht
-voor? Geheel de wereld …! Maar kan het de moeite loonen geheel de wereld te veroveren …?
-Kan zij schooner zijn dan Nyza, kan de lucht om <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>haar zijn blauwer, de zee rondom haar stralender, de nymfen in hare wouden verleidelijker
-dan Ino en Ione zijn? Ik geloof het niet! Ik geloof het niet! O Dionyzos, vergeet
-je droom, die ijdelheid was als àlle droomen.
-</p>
-<p>—Ik heb gedroomd …—Dionyzos herhaalde het—; de verovering van <span class="asc">GEHEEL</span> de wereld!!
-</p>
-<p>—En waarom zoû je die wereld veroveren? Geen van de goden geeft om de wereld! Om dit
-heerlijke land strekt de wereld zich uit, een baaierd gelijk! Wie bewoont er die baaierd?
-Barbaren en monsters alleen! Hier alleen is de schoonheid, in de schaduw van Olympos!
-Hier alleen is het leven: hier borrelt de bron aller vreugde en wijsheid! Hier heerscht
-de vrede, in goudene dagen! Veroveren wil strijd en strijd sluit wijsheid en vreugde
-uit. Hier vloeien de dagen als water voort, zacht murmelend van het lachen der nymfen!
-Aardsche volmaaktheid is hier bereikt! Wereldverovering is ijdelheid!
-</p>
-<p>Maar Dionyzos snel had zich opgericht. Hij stond, fier en heerlijk en vroolijk.
-</p>
-<p>—Strijd is het leven! riep hij uit. Niet de bloedige strijd, dien vuurt Ares aan,
-maar de lachende strijd met onverwinlijke macht! De lachende strijd is het leven!
-Te gaan lachende <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>voor zich uit, zelfbewust van onoverwinlijkheid: te gaan, lachende, wouden en steden
-door, zeeën over en dwars door hemelen, en te heerschen langs zijn triomftocht … dat
-is het leven, dat is leven! Het oogenblik te overheerschen, dàt is het leven! Wat
-zal ik geven om de minuut, die voorbij is! Het verleden dompelt achter weg; het heden
-zal het lachende oogenblik zijn, dat ik lachende overheersch, en de toekomst zal zijn
-de lange weg, dien <span class="asc">IK</span> neem op mijn zegekar, de wereld door, de wijde, wijde wereld door, overwinnende heel
-die wereld …! De Muzen leerden mij harmonie en maat, maar Silenos, o luie bespiegelaar,
-zal mij niet kluisteren in de beemden van Nyza, door te zeggen, dat de wereld een
-baaierd is, en alle enthouziasme ijdelheid!
-</p>
-<p>Nu rekte hij zich uit, de laatste loomheid van zijn slaap week uit zijn leden: om
-zijn hoofd bogen rekkend de armen rond met de buigingen van een lier, zijne oogen
-stierven lachende een oogenblik, en hij gaapte voor het laatst: om de kleine mondhoeken
-koraalden de lippen en de emailwitte tanden parelden schel.
-</p>
-<p>—Silenos, ik ben geroepen! riep Dionyzos. In mijn droom heeft mijn groote vader Zeus
-mij geroepen, en mij gezegd, dat ik een taak <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>had! Mijn taak zal een purperen vreugde zijn, en hare voleindiging een purperen triumf!
-</p>
-<p>—En wat zullen die roeping, taak, vreugde en triumf nu zijn …
-</p>
-<p>—Ik weet ze niet, maar ik zal ze dézen dag weten! O, soms rijst de zon op om een grooten
-dag over de wereld te doen lichten! Dan schakelen de minuten zich samen tot goudene
-noodlottigheden, en de opalen dageraad trilt van verwachting, om wat het vollere uur
-van den morgen zal zijn … Zie, Silenos, zoo trilt deze ure nu … Geheel de hemel schijnt
-als een glimlach, omdat een goddelijke vreugde geboren gaat zijn! Rondom mij heen
-zingt het woud van vogelen! Bries waait bloemengeur op als offerreuk aan de nieuwe
-vreugde, die zijn zal! Verstaan doe ik de vreugde nog niet, maar zij kondigt zich
-al luider en luider aan in stemmen, die geheimzinnigen in de bosschige diepte, die
-schulpsuizelen uit de strakblauwe zee, en die, azuurschel, klaroenschateren, uit de
-ronde hemelen, als met trompetten, gericht naar de aarde! Heilig blijde natuur, o
-laat mijn jonge armen je drukken op mijn jonge hart, zoo als ze drukken zouden een
-nymf, die maagd was! Ontzaglijk als je bent, ben je niets dan liefde meer in mijne
-omhelzing! Hoe vele je <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>stemmen ook harmonieeren, als koren rondom mij heen, al je monden, op mijn mond, smelten
-te zamen tot éen langen zoen! Al je lachende wellusten dringen te zamen tot éen wellust,
-terwijl ik je te pletter druk op mijn hart! O Zeus, hoe zalig is ál wat ge schiept,
-om de schoonheid der glanzende vormen, die van hemelen, en die van de aarde! Aarde,
-blinkende erfenis, bloeiend erfgoed, vervalt ge Dionyzos alleen? Zeus, god van hemelen,
-zal Dionyzos der aarde god zijn …?! Silenos, kom nu met mij! Kom meê, ik weet den
-weg! Ik zàg hem in mijn droom! Langs deze wateren en langs deze wouden wezen hem mij
-najaden en hamadryaden, lachende, met schalke vingertjes … Ik liep den weg al af in
-mijn droom. Om mij heen riep de op mij verliefde aarde met tallooze stemmen, dat ik
-haar veroveren zoû! Er woelde een razende vreugde! Ik ontwaakte … Nu, in morgenwerkelijkheid,
-loop ik den weg af! Hierheen, hierheen! Volg mij, meester, gij, die de wijsheid gaarde
-in uw woord, als de bijen honig in raten, en ze mij aanbiedt, als mij hongert, tot
-ik walg van de zoete wijsheid! Hierheen, hierheen: Dionyzos hongert naar honig niet;
-Dionyzos dorst! Hem dorst<span class="corr" id="xd31e478" title="Bron: .. .">…</span>! Hier spoelt zuiver water … Ik schep het in <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>mijn hand, ik drink het … O, ik wilde, er ware ander vocht, dan het water uit de kruik
-der najaden … Maar Zeus hield den nektar voor zich daar boven aan hun godenfestijnen …
-Daar komt Dionyzos niet! Maar is hem de hemel gesloten, de aarde zal hem open zijn …!
-Vlugger, vlugger, Silenos, je bent nog niet te oud om mij te volgen! Je buik is nog
-niet àl te dik: waarom zoo loom dan vandaag? Is dat het gewicht van je wijsheid, die
-je beenen verlamt? Vlugger, hierheen, Silenos, achterdochtige en ongeloovige meester!
-Hij gelooft niet aan den heerlijken droom, en niet aan de heilige toekomst …! Silenos,
-ik spreek je nader! Ik spreek je nader, mijn vriend en mijn meester! Al je wijsheid
-en ongeloof zullen af van je vallen als de verdorde bloemenkrans van je wijze slapen!
-Hierheen, vlugger, Silenos! Dicht wordt het woudgewarrel met bladvolle takken dooreen,
-maar tusschen dien ernst der donkere steeneiken lacht te luider uit het azuur. Hoor …
-Silenos!
-</p>
-<p>Hij hield stil, zijn arm op den arm zijns meesters.
-</p>
-<p>—Hoor …
-</p>
-<p>—Wat hoor je, dolle Dionyzos?
-</p>
-<p>—Ik hoor een fluit …
-<span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span></p>
-<p>—De herders geleiden hun kudden.
-</p>
-<p>—Het is niet de fluit van een herder! Hoor, de fluit zingt de blijde wijze …
-</p>
-<p>—Die de menschen niet kennen?
-</p>
-<p>—Neen … Ik hoorde ze al, in de juichstemmen der natuur, als ze mij beminde voor ze
-als een minnares viel met haar zoen op mijn mond.
-</p>
-<p>—Wie, Dionyzos, fluit ze nu?
-</p>
-<p>—<span class="sc">Hij</span>…
-</p>
-<p>—Wie hij …
-</p>
-<p>—Die mij zeggen mijn taak zal …
-</p>
-<p>—Wie bezielt hem …?
-</p>
-<p>—Zeus zelve! Hoor, de blijde wijze jubeltuit mijn wereldverovering! De blijde wijze
-lokt mij te komen!
-</p>
-<p>—Weêrsta, Dionyzos! Euvele machten in deze donkere bosschen verlokken nymfen, en herders,
-en goden!
-</p>
-<p>—Wat vrees ik? Aan mij is de wereld!
-</p>
-<p>—Hoe?
-</p>
-<p>—Mijn vader is Zeus!
-</p>
-<p>—Hij let niet op àl zijne kinderen!
-</p>
-<p>—Hij heeft mij lief; omdat ik de vreugde zal zijn!
-</p>
-<p>—Dionyzos, waar is de maat, die de Muzen je leerden?
-<span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span></p>
-<p>—Kom!
-</p>
-<p>—Neen …
-</p>
-<p>—Kom meê …
-</p>
-<p>—Het angstigt mij hier!
-</p>
-<p>—Zamel dan al je wijsheid om niet voor niet angst te koesteren … Kom …!
-</p>
-<p>—Mijn leerling en mijn god, heb medelijden met mij …! Dit is mij alles onbekend, dit
-donkere woud, deze lokkende wijze van een schellere fluit, dan alle herdersfluiten!
-Wat zal ik komen, met je! Overmoedig als je bent, en zoon van Zeus zelve, zal <span class="asc">HIJ</span> je beschermen, zelfs tegen Hera’s listen … Maar mij … ik zal ondergaan, in wat je
-ginds wacht. Ik puurde wat wijsheid uit bespiegeling in Nyza’s eeuwige lentebeemd,
-en ik drong door in de ziel der aardsche dingen. Ik wil rustig leven en aanschouwen
-rondom mij, en glimlachen om wat ik aanschouw. Ik wil kalm mijn dagen laten vervlieten.
-De ouderdom dunt al mijn grijzende lokken, en bezadiging matigt mijn tred; die nooit
-vlug was. Wat Dionyzos, moet ik je volgen? God, ben je jong, en vrees je voor niets!
-Ik hoorde zoo blijde wijze nooit … Tot wat zoû zij niet vervoeren, wellicht! Tot onmatigheid
-zeker en maat, Dionyzos, is àl mijne wijsbegeerte … Zoo ik ze verloor, ware ik <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>geheel verloren … Dionyzos, ga zonder mij …!
-</p>
-<p>Lachend liet Dionyzos hem achter, smeekend, en ging alleen vooruit, waar de blijde
-wijze lokte. Door het steeneikenwoud haastte hij snel zich en tusschen de donkere
-verwrongen takken keken blanke boomnymfen nieuwsgierig hem na, en herkenden hem een
-jongen god. Plots week het woud open, en mossige ronde vlakte, van viooltjes heel
-geurig, cirkelde in dat luchtiger looveren als een ronde koepel, tempelomzuild door
-de rechtere stammen der eiken; water murmelde er frisch sijpelend de rotsen af, tusschen
-de altijd vochtige groene en goudgele mossen, en geleund tegen den steenwand stond
-een Faun, het linksche been over het andere rechts, rustende op den even gebogen voet,
-met den druk van de teen in viooltjes. Een gespikkeld wilde-katte-vel hing, met dooden
-kop, slappe pooten zijn schouder af. Hij glimlachte, en bespeelde zijn fluit, de vingers
-tegen de mondholten der rietjes. Hij stond rustig en kalm, als een kalme en rustige
-vreugde. Zijn glimlach was van blijde gedachte vol. Zijn voorhoofd heel smal en de
-slapen heel schuin, kruifde zijn kort haar dicht als het gekroes van een lam, dat
-goud zoû geweest zijn van zijdige vacht. Onder de welving der <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>brauwen waren zijne lachende oogen als water zoo klaar, grijs blauw met de geboorde
-diepte der donkere pupil. Baardeloos, warm zongewaasd was zijn nooit geschoren en
-dus even donsfulpig gelaat, breedkalm om zijn glimlach, die zijn puntige tanden deed
-glinsteren. Zijne ooren spitsten, als bij alle zijne stamverwanten, en gaven aan zijn
-goedheid en vroolijkheid een pittigen geest, schalk wèl-demoniesch. Hij was groot,
-breed, kalm, jong en rustig. Hij stond als een jeugdig athleet, die een dichter was.
-Zijne spieren, niet zichtbaar, verrieden zich onder de gestoofde goudtint van zijn
-vleesch. En zoo was hij een kracht, die eene teederheid was, en een ernst, die was
-een vreugde.
-</p>
-<p>Dionyzos zag hem aan. En dat Dionyzos een god was, ook al was zijne moeder een vrouw
-van de aarde, werd zichtbaar, omdat goud blauwig Dionyzos straalde, gloed om zijn
-blanke godeleden, die de zon nooit stoofde, gloed om zijn godegelaat, dat, ongeschoren,
-bleef baardeloos, als dat van eene maagd, gloed uit zijn violenoogen van genot en
-van weemoed, gloed om zijn gaan en zijn stilstaan—terwijl de Faun zoo zichtbaar geen
-god was, maar ook geen mensch—: geboreling uit het bosch zelve, eigen kind van de
-aarde-natuur, schepsel van <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>het schitterende woud, éen hij van zelfde essentie, met boom, blad, woud, water, bloem,
-wolk … En nu hij Dionyzos zag, stralende, komende de donkere schaduw der steeneiken
-uit, nu staakte hij zijn lied, nam de fluit van zijn volroode lachlippen, groette
-den god met eene beweging der hand, die de fluit nog vasthield, en zeide, zijn stem
-diep vol en lachend:
-</p>
-<p>—Wees, goddelijke Dionyzos, welkom … Ik wachtte je … Ik droomde je dezen nacht heerlijk …
-Ik verwachtte je en speelde mijn blijde wijze … opdat je den weg zoû kennen<span class="corr" id="xd31e537" title="Niet in bron">.</span> Ik deed, je tot feest, dezen nacht, opbloeien al deze viooltjes, opdat je voet er
-zoû geurig over treden. Heel het woud verwachtte je … De vogels hebben jubelender
-gezongen, en alle hamadryaden zagen schuchter en lachende uit … Zie, overal glinsteren
-haar oogen … Doe of je ze niet ziet, om ze niet te verschrikken, Dionyzos … Ze zijn
-schuw en je glanst als de felste straal van Helios uit blauwe lucht … Je schiet door
-het woud als een pijl van den zonneschutter zelven … Wees, goddelijke Dionyzos, welkom …
-</p>
-<p>—Ik heb gedroomd, zei Dionyzos; de overwinning van geheel de wereld … en het pad,
-dat ik gaan moest … Het leidde mij, Faun, <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>tot hier … Kan het zijn, dat mijn vader Zeus je openbaarde het geheimheilige middel
-tot mijn triomf …?
-</p>
-<p>—Ampelos weet niet van triomf, noch van overwinning, maar Ampelos weet, wat, zoo het
-Zeus ware, een goddelijke droom hem te doen beval! Te spelen de melodie, die ik speelde,
-opdat je àl te snelle voeten niet zouden verdwalen … en, zoo je mij gevonden hadt
-en genaderd ware over dezen vloer van viooltjes … je, Dionyzos, te geven den staf,
-dien mijn hand heeft omklemd in mijn sluimering. Zie hem hier, o god, en ontvang hem …
-</p>
-<p>—Deze staf! zei Dionyzos teleurgesteld en hij zag naar den groenen stok, dien de Faun,
-Ampelos, hem bood. Deze staf zoû mijn schepter zijn … Deze staf zoû mij zijn wat mijn
-vader Zeus is zijn bliksem, Poseidoôn zijn drietand … Deze staf, deze groene stok …
-</p>
-<p>De Faun naderde, en beiden, Dionyzos en Faun, bezagen den staf aandachtig.
-</p>
-<p>—Zie, Dionyzos, zei de Faun, Ampelos; dit is geen staf, als een herder uit dor hout
-zoû gesneden hebben. Deze staf is groen hout en leeft, en zweet van ambergeurige sappen.
-Deze staf is er een, die zwelt van geheimzinnige levenskiem. Zoo het Zeus ware, die
-hem vlijde <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>in mijn hand, om ze je te overhandigen dezen morgen van vreugde, zal het geen staf
-zijn, waardeloos als herdersstaf, of welke boomtak uit het takrijke woud. Dàn zal
-deze stok zijn een levende schepter van blijde vroolijke toekomst … Zie, zijn knoesten
-en knoopen: ze leven! Geuriger is dit hout dan alle viooltjes te zamen, en de geur
-is die van boschbes en braam, maar geperst tot een heftiger heerlijkheid en de aroom
-vertienvoudigd in bezwijmelende kracht … Deze stok is een wonderstok. Wat er meê te
-doen, zoû zijn wellicht …
-</p>
-<p>—Wat zoû wellicht met mijn stok te doen zijn, o Faun?
-</p>
-<p>—Hem te planten op een gunstige plek en te zien of hij uitbot tot vreugde … Met je
-eigen godenhand hem te planten, o Dionyzos … Kom, zoeken wij samen de plek …
-</p>
-<p>—Ik ken niet dit woud …
-</p>
-<p>—Ik ken het … Kom meê … Zie, het heele woud juicht, dat een god is gekomen. Schrik
-de hamadryaden niet weg met je glans … Doe of je ze niet let, Dionyzos … Er is een
-wuiven tot in de opperste twijgen, er is een vonkelen van oogen tusschen de looveringen
-dicht … Hier is het zonnegoud en daar lachend oogenblauw blij … Kom, Dionyzos.
-<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span></p>
-<p>—Ik volg je …
-</p>
-<p>—Ik speel de wijze, al gaande … Ik de wijze al spelende, zal mijn lied onbewust ons
-leiden ter goede en gunstige plaatsen. Waar zonen van Pan, hier en daar, beantwoorden
-de blijde wijze, als vogelen antwoorden aan vogel, en waar zij ons lokken, zijn de
-gunstige plekken, ter keuze om te planten tot vreugde onzen stok …
-</p>
-<p>—Hoor …!
-</p>
-<p>—Er antwoorden mij al dra … Hoor nu, Dionyzos … Nu, van overal, weêrschallen op mijn
-fluitje schel, als echo op echo, de schelle fluitjes der schalke zonen van Pan … O,
-er zijn tàl van gunstige plaatsen. De aarde, onze moeder, is mild en vol goedheid …
-Welke kant zullen wij uitgaan, zeg, Dionyzos. Kies …
-</p>
-<p>—Kies ik?
-</p>
-<p>—Ja. Keuze van god, onbewust, zal onfeilbaar zijn boven mijn keuze.
-</p>
-<p>—Ginds uit …
-</p>
-<p>—Recht?
-</p>
-<p>—Ik hoor een schelle fluit antwoorden je fluit, recht voor ons uit …
-</p>
-<p>—Gaan wij …
-</p>
-<p>Zij gingen. O, het woud schalde van fluit overal … De Pansfluiten overal klaterden
-uit, <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>antwoordden des spelenden Fauns blijde wijze … En de vogelen er tusschen, kwinkelden
-dol, niet begrijpend, dat het er schetterde scheller dan zij, in het woud, waar anders
-maar éven de rietjes der Panskinderen droomden. Rechtuit ging de spelende Faun, vlak
-op den hiel volgde hem Dionyzos, verblijd om al het gelok, dat met heel teedere gamma’s
-snel daalde en steeg, in het rond … Of overal parelen vielen uit de rinkelende lucht,
-of in de lucht parelen werden opgeworpen. Of overal druppelen neêrtintelden dauwig,
-of òpfonteinde overal druppelend watergepoeier … Of snelle beekjes afvloten en stroompjes
-rotsblokken overbruischten … Een liquide dalen en stijgen overal, overal, en het was
-geen water, maar klank … Boven al dien klank uit peep helder de Faun zijn blijde fluitwijze
-breeder … Maar altijd en overal en meer en meer antwoordden wel duizende fluitjes
-blij.
-</p>
-<p>Daar opende het woud op zonnige vlakte: de rotswand kartelde weg; in de verte sneed
-de blauwe einder der zee gladrecht het lichtere azuur van de lucht. En Dionyzos zag
-den kleinen Pan, die hem gelokt had, nu schuw over den rotswand ijlen, zijn fluitje
-nog aan de lippen, zijn vinger nog in de trilling van spelen. <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>Hij ijlde weg, schuw voor den god, die blank geschitterd was uit het donkere steeneikenwoud
-te voorschijn. Hij ijlde weg op zijn vlugge bokspootjes, schelmschuin nog omkijkend
-en sidderend zijn staartje. En even gedonkerd en ruig tegen het lichte luchtazuur,
-huppelde hij schichtig, en ter andere rotszijde dalende, verdween hij tusschen de
-scherpe kloven …
-</p>
-<p>—Hier is de gunstige plek, zei de Faun.
-</p>
-<p>—Wat zal het geven, Ampelos, mijn stok hier te planten!
-</p>
-<p>—Vreugde, vermoed ik.
-</p>
-<p>—Vreugde?
-</p>
-<p>—Zoeken wij de állergunstigste plek, zeide Ampelos en hij bezag aandachtig de knoesten
-en knoopen van den tooverstaf, die scheen sappig te zwellen van leven. Deze stok zal
-niet hoog wassen tot boometrots, als de eiken, die ritselen van heilige orakels. Woudschaduw
-zal hij niet geven, en eer dan mannelijk van trots, schijnt vrouwelijk deze plant
-mij van vreugde te zullen uitbotten, en, vruchtbare moederplant, te zullen vruchtbaar
-leven wekken overal, onder de verliefde zoenen van Helios. Zie, al is krachtig de
-plant, in mijn hand buigt zij om week en lenig, als een nymfelijf, dat zich wringt …
-Wordt uit het geheim van dit <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>hout nieuw leven gewekt, dan zal het steun moeten vinden, als voor duizend verliefde
-nymfe-armen. De gunstigste plek is deze, en, zag ik dit hout als boometrots, zoo plantte
-ik in het midden van dezen wat zandigen grond mijn stok, maar nu uit de zwellende
-knoesten ik raad zwierende weekheid van leniger rankengroei, zoû ik mijn vreugdestok
-willen planten tegen den rotswand daar ginds, opdat zij, de ranken, dadelijk steun
-vinden voor haar zeker wat dartelen en dollen overmoed … Die zoû anders de ranken
-rekken over den grond, als eene naar liefde hijgende ze overal strekken uit te-vergeefs …
-en de dieren des wouds zouden over ze gaan en ze vertrappen, onwetend en dom … Daarom,
-o Dionyzos, is mijn raad: plant den stok dicht tegen den rots aan …
-</p>
-<p>—En je raad, mijn Faun, voel ik onfeilbaar … Alleen … als ik droomde de overwinning
-van héél de wereld, o Ampelos, van <span class="asc">HEEL</span> de wereld … wat vang ik dan aan een stok te planten op een zandige plek, aan tegen
-een rotswand … Wat zal, bot mijn zoo heerlijke plant hier uit, hare verliefde rank
-de wereld mij winnen …? Zal zij de wereld omhelzen en boeien voor mij? Duister schijnt
-mij de wil van mijn vader Zeus …
-<span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span></p>
-<p>—Dionyzos, het woud is in vreugde … Zie Dionyzos, het woud is in vreugde … De wereld
-is in vreugde, omdat zij wellicht vóórgevoelt haar heerlijken overwinnaar in jou!
-Zie, trilde ooit de hemel zoo hel azuur? Orakelden ooit zoo geheimzinnig de ritselende
-eikenbladeren? Schalden ooit zoo schel overal, overal, duizende fluitjes der zonen
-van Pan, ons lokkend, hier, daar, overal? Overal lokken zij naar gunstige plekken!
-Wij kozen de allergunstigste, want wij kozen je keuze, o mijn god, en je heilige onbewustheid
-leidde ons … O, Dionyzos, twijfel niet aan je droom, en twijfel niet aan de waarde
-van dezen staf, waaruit je de overwinning zal woekeren met ranken zeker over heel
-de wereld … Kom, plant nu den stok.
-</p>
-<p>—Ik?
-</p>
-<p>—Ja …
-</p>
-<p>—Mijn hand zal beven, o Faun, als ik plant … Mijn hart zal sidderen van toekomstverwachting.
-Ik? Plant ik? Plant voor mij!
-</p>
-<p>—Neen Dionyzos, plant zelve den stok. Want zoodra je godehand hem zal omvatten en
-in de aarde, losgewoeld, planten, zal de groene vrouwelijkheid er van trillen, als
-onder vasten greep van omhelzing! Dionyzos, plant den stok! Wat dunkt je van hier,
-waar de <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>middagzon aànslaàt tegen het rotssteen? De plant zal er zijn als een nymf, vast tegen
-den rots aangedrukt en overgeleverd aan de verliefde genade van een goudblakenden
-god, van Helios zelven, o Dionyzos …
-</p>
-<p>—Hier, o Faun, ja hier dunkt mij de allergunstigste plek nu … O, voel het rotssteen,
-het is een vuur. De aarde gloeit onder mijn voeten.
-</p>
-<p>—Ik woel de aarde los …
-</p>
-<p>—Aroom stijgt uit de aarde op …
-</p>
-<p>—Zoo is het diep genoeg … Wortel zal schieten de stok, Dionyzos, plant je, met beide
-handen, hem met liefde nu in dezen kuil …
-</p>
-<p>—O, met liefde plant ik hem! Stok, bot uit! Edel hout, rank weelderig naar alle zijden!…
-Zeus, plant ik mijn overwinning?
-</p>
-<p>—Nu zamelen mijn handen den zandgrond weêr dicht om den stok, Dionyzos … Dionyzos,
-de stok rijst als een mysterie omhoog …
-</p>
-<p>—Is het niet, als gebeurt er een wonder? De stok, eerst recht, kronkelt …
-</p>
-<p>—Als een verliefd nymfelijf …
-</p>
-<p>—Dat Helios blaakt …
-</p>
-<p>—O, zie Dionyzos, zie … De stok, in een zwelling van zijne sappen, schiet hooger op
-<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>met zijne kronkeling, als een wonderplant, die plotseling wast …
-</p>
-<p>—Uit de knoesten, die openbreken, strekken als verliefde armen zich de takken, en
-voelen uit naar den rotssteenwand, alsof zij bezwijmelen van eigen nieuw leven en
-niet weten waarheen … Nu trillen de teederder twijgen uit …
-</p>
-<p>—Nu sidderen van groen de twijgen en de bladeren ontplooien … O, Dionyzos, dit is
-een nieuwe boom, en hij zal zijn je eigen, Dionyzos! De druiveboom, die is voorspeld!
-</p>
-<p>—Faun, zie, mijn druiveboom heerlijkt uit in kronkelende ranken en van nooit nog gezien
-ooft zwellen er kleine besjes aan …
-</p>
-<p>—De besjes zwellen …
-</p>
-<p>—Zij zwellen … Voller worden de trossen …
-</p>
-<p>—Zacht rozig bleek eerst, purperen de trossen, en hangen nu zwaar …
-</p>
-<p>—De ranken rekken verder over den rotswand …
-</p>
-<p>—En krinkelend als met klauwtjes teêr, hechten zij zich vast aan het steen …
-</p>
-<p>—En kronkelen haar rankjes om iedere punt, die uitsteekt … O, mijn wonderboom, o mijn
-wonderboom, o mijn heerlijke druivewingerd! Faun, kom, plukken wij een tros, en <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>proeven wij dien om te weten hoe smaakt ooft zoo nieuw. Ja, van boschbes en braam
-is de geur, maar heftiger te zamen geperst en de aroom vertienvoudigd in bezwijmelende
-kracht! Hier, Faun, ik pluk er een tros af … Zie, hoe heerlijk mijn tros mooi is!
-Zie, hoe heerlijk … Een waas als van eersten dageraad ligt over de even gepurperde
-blauwte, als een schuchterheid over een gloed! En hoe zwaar is mijn tros! Nauwlijks
-kan ik hem beuren … Nu til ik hem met beide handen omhoog om hem vonkelen te doen
-in de zon. In iedere druif trilt als een roode drop, zichtbaar en schitterend door
-den wazigen glans van de schil. Hoe zwaar, hoe zwaar is mijn tros … Ik vrees, de steel
-zal breken … Ik neem den tros in beide handen nu vast, ook al ontwijden mijn vingers
-het waas … De tros bloost in mijn palmen, als of hij blaakt in mijn liefkoozing! O
-Faun, nu te zoenen, te zoenen mijn tros … Maar hij is zoo zwaar, dat ik mij schrap
-op de voeten moet zetten; mijn lendenen buigen achterover, mijn spieren spannen om
-hem op te tillen naar de gretigheid van mijn lippen toe. Nu, o nu, lig je, tros, op
-mijn mond! Nu, o nu drukt je mijn mond te pletter! Als een even gepurperde zwaarte
-blauw ligt de tros <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>over mijn gelaat, streelt mijne oogen, die zich sluiten, zoekt met zijn druiven mijn
-hijgende lippen en purperkraalt af tot op mijn borst in mijn armen, die hem tegenhouden!
-Zware, zware tros … een roode geur zweet als een walm uit je op … Zware, zware tros,
-ik wankel onder je bezwijmeling … O Faun, ik zie, mijn oogleden even geopend tusschen
-de druiven, dat je deedt als ik, en plukte een tros, en hem bracht aan je lippen verliefd …
-Zware, zware tros … o, nu val ik onder je zwaarte … Nu lig ik in het warm gestoofde
-zand en je ligt zwaar op mijn hart, op mijn mond! Mijn purperen wellust, kom! Hier
-in mijne armen druk ik je te pletter! Tegen mijn hart, op mijn mond! Faun, ik perste
-den tros, omdat ik bezwijmelde onder mijn wellust, en niet weêrhouden kon den drang
-van mijn armen. Nu stroomt zijn roode bloed, mij langs de lippen en over mijn leden!
-O, Faun, ik zie, rood bloed stroomt je de lippen en de leden over? Je perste den tros!!
-O Faun, nu druipt mij het bloed in den mond en rilt langs mijn verhemelte! Nu zamel
-ik de gekneusde druiven, woest, woest, in de kramp van mijn hand, en pers ze razende
-uit, boven mijn mond: Faun, het bloed van den tros, verkracht, stroomt met een rijken
-<span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>straal, stroomt mij binnen en gloeit tot in mijn merg! Nog een tros, een andere tros!
-Weg, de geperste schillen, die flauw afvielen over mij heen! Ik slinger de leêge rank!
-Ik wil op: een andere tros! Mijn beenen wankelen, Faun, van zaligheid, zoo nieuw,
-zoo groót en zoo purper! Een andere tros, hier! O Faun, zie!! Ik zag nog niet, verblind
-voor iets anders dan eigen gewaarwording, maar nu ik pluk, zie ik …: over heel den
-rotswand woekert mijn wingerd! Heerlijke rijkdom, goddelijke gave! Een andere tros,
-een andere! Op mijn mond, tegen mijn oogen, dat ze meêdrinken; op mijn borst, dat
-ik mij er in baad! O, tros, stroom uit in mijne omhelzing! Tros na tros, stroomt uit
-in mijn omhelzing! Rotswand van trossen, kom, druk ik je uit in mijn omhelzing! Ik
-wil mijn armen zoo wijd, dat ik je, rotswand van trossen, geheel te pletter druk in
-mijn omhelzing—ook al zoû ik zelve sterven, verpletterd onder je zwaarte en verdronken
-in den stroom van je bloed! O Faun, kennen de goden daarboven in goudblanken Olympos
-dit blakend genot! Neen, neen, zij kennen het niet. Het was het genot, dat <span class="asc">MIJ</span> Zeus gaf, mijn vader! Het is het genot van de lachende aarde en de wereld, die ik
-juichend verwinnen zal! Mijn genot zal <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>mijn macht zijn! Genietende zal ik heerschen, zwijmelen, overwinnen! Woekeren overal
-uit wil ik mijn wingerd nu laten! Rotswand na rotswand over! O Faun, pluk meer, o
-Faun pluk meer, pluk àlle trossen, die je hand kan bereiken!
-</p>
-<p>—Dionyzos!
-</p>
-<p>—O, Faun, pluk meer …
-</p>
-<p>—Dionyzos, pluk niet alle! Zie, al wankel je onder de hevigheid van het genot … Er
-is maat …
-</p>
-<p>—Wat geef ik om maat! Laat maat houden de waardige Muzen … ik wil geen maat, ik wil
-geen maat! De onmatige wellust wil ik!
-</p>
-<p>Nu, wankelend, klom Dionyzos den rotswand op, maar hij struikelde tusschen de ranken,
-en viel, lachende, tusschen de trossen, waar hij bleef liggen, lachende, als een groote
-vogel in een purperblauw nest. Op kon hij niet meer komen, om zijn lach en om zijne
-bezwijmeling, en de Faun moest hem helpen: Dionyzos sloeg om Fauns hals bei zijn armen
-en sterke Ampelos tilde hem hoog uit der ranken verwarring en klom met hem af.
-</p>
-<p>—Dionyzos, nu plukken wij ranken, om ze te toonen hier en daar, om ze te planten op
-<span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>gunstige plekken, op alle, waar ons riepen Pans fluitjes …
-</p>
-<p>—Faun, nu plukken wij ranken, om ze te toonen mijn waardigen meester, wijsgeerigen
-Silenos, en de liefelijke nymfen van Nyza, mijn eeuwig jeugdige pleegmoeders …
-</p>
-<p>En zij plukten ranken lang, waar de zware trossen aanhingen tot op den grond, maar
-zoo was Dionyzos bezwijmeld, dat hij trapte de trossen, en wankelde; om hem stroomde
-rood bloed … Dan lachte hij en boog zich en in de hand schepte hij het op, en dronk
-het zich uit de palm …
-</p>
-<p>—O Dionyzos, o Dionyzos! riep de Faun; hoog rijst Helios aan den middag … brandende
-schieten zijn pijlen hier; ginds droomen de schaduwen van het donkere woud! Kom Dionyzos,
-toef nu niet langer; dronken van druiven en zongestoofd zal je neêrvallen in de gloeiende
-zanden en zal kracht je ontbeeren weêr op te staan … Dan zal je zijn als een overwonnene,
-Dionyzos, in steê van een wereldverwinnaar! Dionyzos, nu hebben wij trossen geplukt;
-Dionyzos, kom nu meê … Kom, ik til je in mijn armen; ik tors je tot waar ik woon in
-mijn mossige boschtent, daar waar ik dezen nacht, ter eere je komst, duizende viooltjes
-deed <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>bloeien. Dionyzos, kom, ik til je … Nu heb ik je op mijn schouder; hier, draag de
-trossen, sla de rank je over de schouders, hoû de ranken nu vast in je vuist … laat
-ze niet vallen, o Dionyzos, de kostelijke wingerdtakken … sleep niet in het zand de
-wazige trossen … Toon ze onbezoedeld te Nyza! Kom, nu draag ik je voort … O, de zanden
-schroeien mijn zolen … omdat Helios erbarmingloos is in dit uur! Hier naderen wij
-de eerste schaduwen … Hier rijzen de steeneiken … hier is al koeler de schaduw … Overal,
-Dionyzos, zien de hamadryaden uit … Nog, in de verte, zachtjes, verklinken de Pansfluitjes,
-even weemoediger, omdat wij niet hier en daar zijn gekomen, omdat wij niet overal
-zijn gekomen! Fluiten, schalt helder op: wij komen, wij komen overal, wij komen op
-alle gunstige plekken! Dionyzos triomfeert over àlle gunstige plekken … Hoor, Dionyzos,
-nu schallen zij helderder, omdat ik hun beloofde je komst! Sla een arm om mijn hals,
-Dionyzos, want je wankelt op mijn schouder, en zwikken zal je en de kostelijke trossen
-zal je verliezen. Sla een arm om mijn hals … Zoo, zoo ijl ik vlugger … Zoo hoû ik
-je vast, zoo hoû ik je vast … zoo ijl ik met je het woud door … door al het nieuwsgierig
-gespie van de boomnymfen, <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>die nog niet weten wat druiven zijn! Hamadryaden, dit zijn druiven! Zie, dit zijn
-welige wingerdranken! Zie, dit is purperen genot! Hij, dien ik draag, is de koning
-van het blijde genot en de god van het juichende leven: dat wat hij geven gaat aan
-héél de wereld, om haar te overwinnen! O, de gelukkige menschen, de zalige volkeren,
-wie hij het blijde genot en het juichende leven zal geven, in spillende, spillende
-overdaad …! gelukkiger dan goden zullen zij zijn, zoo zij weten te genieten genot,
-zoo zij weten te juichen het leven! Dionyzos, hier naderen wij mijn tent van dichte
-looveren …; al zwaait als uit offerschaal je de walm van mijn viooltjes te moet …
-Duizende bloemetjes van dezen nacht: eert Dionyzos, hij komt! Hij komt, ik draag hem
-al als een overwinnaar, in zegetocht! Geheel het woud heeft hem toegejuicht! Alle
-gunstige plekken trillen hem tegen! Hij komt, hij zal overal komen! Hier, o mijn god,
-rust hier uit … rust hier uit, hooger je hoofd op viooltjes en mos … Hij slaapt al …
-nog in mijn armen, die hem nedervlijen op zijn geurige bed; hij slaapt al en zijn
-mond is open in een glimlach—onbewuste herinnering aan zijn genot … Slaap, Dionyzos,
-slaap … Stemmen van het woud, <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>zwijgt … laat Dionyzos sluimeren … in de warme ure des middags … Hamadryaden, nadert …
-nadert éven op lichte teen, geluideloos … geluideloos … nadert, nadert maar … Zie,
-dit is Dionyzos … Zie, hamadryaden, dit zijn druiven … Hier, neem een paar trossen,
-en proef ze druif voor druif, opdat je wete wat <i>is</i> de gave van Dionyzos … Aanschouwt hem even, en gaat dan stil … Hij is heerlijk als
-een god, die hij is … en hij is òns verwant en der aarde … Hij, hij is onze koning …
-Stemmen van het woud, zwijgt … fluiten, zwijgt … vogelen, zwijgt … wateren, zwijgt …
-bries tusschen boomen, zwijg …: Dionyzos … Dionyzos sluimert …
-<span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">II.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Dien avond, zinkend de zon achter verre bergen in geleidelijk verwelken der hemelen,
-dwaalden de nymfen van Nyza om langs de boorden der meergladde zee, schimmeblank bijna,
-oneigenlijk in vallende schaduw breedgebladerder vijgeboomen, mimoza’s in bloei nog
-even opgelende met stuifgepoeier van bloesemwemeling, als der laatste dagkleuren kreet.
-Het was als zweefden de nymfen uit schaduwen aan in schaduwen: hare tengere blankheden
-schemerden uit en wischten zich weg; zij doken uit gedonker, in vaag zusterlijke omhelzing
-en ommedoling, zichtbaarder even tegen de parelklaardere zeevlakte, die de bergen,
-van nacht alreê amethyst, afsloten met donkerder wal—en zij verloren zich op nieuw,
-of zij droomen waren, die waasden … Een stilte dreef als eene betoovering: zoo stil
-sloop de nacht aan over de aarde, dat Silenos, liggend tegen een boomstam, hoorde
-van visschen roeiklapperen de staartjes …
-<span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span></p>
-<p>—Waar of nu Dionyzos blijft … mijmerde Silenos. O, hij ontgroeit aan bezadigde wijsheid …
-Waar is de tijd, dat daalden de waardige Muzen neêr, en hij zat in haar midden en
-luisterde met kinderaandacht naar haar edele woorden. Zij leerden hem het ontstaan
-van hemel en goden, zij leerden hem zang en reidans, en hij danste met haar negenen.
-Mij schemert nog de edele zweving der ronde voor de oogen: nog zie ik de negen vrouwen
-schoon en verheven en lieflijk, en het blijde kind in haar midden volgen hare zangwijze
-en danszwevenden stap over anemonen, die nauwelijks bogen onder tred zoo licht … Dat
-was maat, dat was edele kunst … De nymfen schaarden omheen, en het was éen vreugde
-van edele beweging, éen vreugde van edelen klank. Nu is het kind groeiende, nu is
-hij bloeiende tot jongen man, tot hij de goddelijke grens van zijn groeibloei bereikt
-heeft en zal <span class="asc">ZIJN</span> voor de eeuwigheid jong, zonder te vreezen de droefheid van den iederen dag onverbiddelijk
-naderenden ouderdom. O, wel gelukkig de jonge god, die nooit dien weemoed zal kennen …
-Ik was jong, maar ik word ouder; ik word oud, de weemoed van het einde nadert mij
-al … Maar wat stoort hem de ziel toch, den <span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>laatsten tijd … als of hij toekomst wachtende is, en vervulling van goddelijk lot,
-droomt hij, en is onrustig zijn slaap, en zijn dartel en onbezonnen zijn dagen van
-vreemd verlangen, en niet weten wat willen … als of de beemden van Nyza te klein hem
-worden met de veilige bergen aan de parelige zee, die nooit de stormwinden beroeren,
-daar zij breken tegen zoo hooge wal. Zoon van Zeus is hij god, maar waarover hij godheerschen
-zal, is nog de duistere toekomst, en zelfs de Muzen, die het àlles weten, hebben nooit
-doen raden wat zal zijn Dionyzos’ taak. Ik, ik ben bang voor de toekomst! Zij nadert …
-Wat zal zij zijn? Onrust en strijd wellicht, zwerven en zwerven ver … terwijl Nyza
-is een beemd van vreugde en van kalmte, uiterst geschikt om te peinzen over de raadsels
-van onszelve, en die der geheele natuur. Ik, ik ben bang voor de toekomst! O, waar
-blijft nu Dionyzos … Toch kan ik hem niet in den vallenden nacht gaan zoeken …: mijn
-oude beenen zullen struikelen over boomwortelen, en mijn oogen zien niet door de schaduwen
-van den vallenden nacht … Waar of Dionyzos nu blijft … Hoor, trilt er niet in de verte
-een fluit? Of vergis ik mij en suizen mijn ooren van louter stilte? Ja ik <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>vergiste mij; mij suizen de ooren … Maar neen … er klinkt een naderende fluit … Ook
-de nymfen daar schijnen te hooren … Zij verzamelen zich … zij spieden uit! Het is
-een fluit, het is een fluit! Duidelijker zingt de wijze op, en … ik herken ze wel:
-is ze niet de blijde wijze, die lokte Dionyzos diep in het midden van het donkere
-woud? Wat of hij vond … Zoû nu de blijde wijze hem kondigen aan? Komt hij? Ione, zeg
-mij … zoo jij het bent, die daar ommedwaalt, wit als een nevel aan den boord van de
-zee, Ione … is dat Dionyzos? Komt Dionyzos terug? Ja … zij wenkt mij van ja … Kom,
-ik ga hem te moet …
-</p>
-<p>Hij rekte zich loom en lui en stond op. Heller door de stilte van nacht, naderde de
-blijde wijze en plotseling lachten de nymfen van Nyza, vroolijk om het blijde geluid …
-Bladeren bruischten even, er kraakten gevallen takken onder het naderen van stappen.
-Plots steeg de wijze heel snel, trillerde als een vogel hoog in de lucht, en viel
-neêr met losse druppelen. Toen zweeg de fluit en het lachen der nymfen antwoordde
-de lach van Dionyzos.
-</p>
-<p>—Hier ben ik terug! Hier ben ik terug! Ione, Ino, Silenos, Neïra, hier ben ik terug,
-<span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>en mijn overwinning heb ik geplant, opdat zij zal woekeren rotsen over, wouden door
-en wellicht tot hemelen toe! Maar zoo niet de hemel, de wereld zal mij zijn! Ik twijfel
-niet meer, ik twijfel niet meer, nadat ikzelve ondervonden heb, wat het genot is,
-dat mij zal winnen de wereld. Zie, oude Silenos, waardige meester, zie hier hem, wiens
-blijde wijze mij lokte … hij, Ampelos, die viooltjes ter eere mij duizenden in éen
-nacht deed ontbloeien …; hij, die mij leidde en met mij zocht van waar schalde lokkend
-kleine-Panszoontjes-gefluit, opdat een gunstige plek, los gewoeld, in haar aarde ontvangen
-zoû tot worteling den tooverstok, dien Zeus in de hand hem legde, in de hand hem legde
-voor mij! Silenos, de stok woekerde uit! Ik zag het wonder gebeuren! De stok wingerde
-en tooverde en de trossen van het nieuwe ooft zwollen onder de verliefde zoenen van
-Helios! Hier zijn de trossen … Toon, Faun, blijde Faun, de trossen! En zie Silenos,
-Ino, Neïra, zie Ione, hier volgden mij drie kleine zonen van Pan, fluitjes in de hand;
-komt nader, komt nader, en weest niet schuw, dartele bokjes … de nymfen zijn zoet …
-en al schateren ze nu om je boksbeentjesruig en om staartje, dat kwispelt onder-aan
-je rug, <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>de nymfen zijn zoet … edele pleegmoeders van Dionyzos, eeuwig jong en eeuwig blijde,
-en jeugdiger en blijder zal haar houden het genot, dat je torst! Zie nymfen, zie Silenos,
-de Panszoontjes torsen de trossen aan. Dit zijn de druiven, het edelste ooft, eenmaal
-in lang geleden voorspelling beloofd aan wie de aarde verwinnen zoû! Ik plantte het
-purperen genot! O, nu geheel de wereld het purperen genot te geven! Weemoed en smart
-zullen nooit meer zijn, nu het purperen genot is geplant en omranken gaat heel de
-wereld! Weg, weemoed, weg smart! De wereld is mij en der blijdschap! Proef, Ione,
-Ino, Silenos, de druiven … pluk den tros af … zie hem nu blauwen in de blankte der
-rijzende maan … druk ze tusschen de lippen … of liever …: lang een beker … en pers
-er met volle hand heel den tros in uit, opdat het rijke bloed er uit stroome! Beker,
-o drinkschaal maagdelijk nog, die niet anders ontving dan het kuische water uit de
-kruik der kuische najaden … Beker, o drinkschaal, tril van het purperen genot, nu
-Ione den tros in je uitperst. Drink, Ione! Drink Ino, Neïra! Silenos, Silenos, drink …
-Ha, ha … hij is bang voor den rooden beker! Lacht hem uit, nymfen, hij is bang, hij
-is bang … <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>Zoontje van Pan, zoek ginds bij het panthervel een groote schaal, pers nu, pers nu,
-zoontje van Pan, uit een zware tros … O zie, het bloed gulpt in de schaal … Bied <span class="asc">MIJ</span> den beker nu aan, opdat ik hem Silenos biede. Silenos, drink; Silenos, drink!!
-</p>
-<p>Silenos nam sidderend den beker, rondom hem de nymfen.
-</p>
-<p>—Oud als ik ben, wat zal ik het jonge genot drinken, nymfen … aarzelde bange Silenos.
-</p>
-<p>—Silenos, drink; Silenos drink! juichten de nymfen, en de Panskinderen huppelden om
-Silenos, dringende, dat hij zoû drinken.
-</p>
-<p>Hij hief den drinkschaal zich aan de lippen. Hij dronk.
-</p>
-<p>—Wat is dat? vroeg hij. Dionyzos, zeg mij, wat is dit? Is het vuur gesmolten, of drinkbare
-robijn? Is het bloed van den stervenden zonnedag, geschept aan de kim, vóór het zich
-mengde met de ziltheid van Thetis … Wat is het, Dionyzos? Het vloeit me als een vlam
-door mijn oude leden, en het rilt me als een vlam door mijn oude merg … Dionyzos,
-dit is een nieuw genot!
-</p>
-<p>—En ik zal het geven aan heél de wereld, Silenos!
-<span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span></p>
-<p>—Aan heel de wereld dit heerlijk genot! O Dionyzos, waarom aan heel de wereld? Waarom
-het nieuw genot niet veilig te houden tusschen Nyza’s bergen besloten?
-</p>
-<p>—Omdat ik, door het blijde genot te geven, heel de wereld zal overwinnen, Silenos!
-Omdat ik niet houden wil eigenzuchtig het blijde genot in zoo engen cirkel. Omdat
-Zeus, mijn machtige vader, mij het blijde genot niet gaf voor mijzelven en jou alleen!
-Voor héel de wereld, Silenos! O, Zeus is goed en ontfermend! Hij weet, dat groot leed
-kan der menschen deel zijn, maar hij wil ze door mij nu blijde vreugde ook geven.
-Onder al zijne kinderen koos hij mij uit, en god schiep hij mij van de vreugde. O,
-de vreugde heeft mijn aderen doorvloeid als een blijder en stroomender bloed! De vreugde
-voelde ik van mijne geboorte af, heilig bewustzijn, dat mij lachend doorgloeide, toen
-Zeus mij redde uit zijn eigen gloed, waarin mijn moeder Semele verblaakte! Zij verbrandde
-in het geflits van zijn bliksems: het paleis van Kadmos van Thebe, toen hij naderde,
-toen hij naderde, daverend en donderend, aardbeefde en zijn flitsen schoten schel
-tusschen alle de zuilen door, en de zuilen vergruizelden in hel geknetter der schichten,
-en <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>éen helle brand ging op, en mijn moeder, o mijn moeder, zij ook, zij ging op in éen
-hellen brand … zij breidde open de armen … zij omhelsde Zeus voor de laatste maal …
-het was de god der hemelen, dien zij in haar armen borg en die zij in haar opperste
-hijgend geluk ontving in de weelde van haar trillenden schoot … en onder zijn brandende
-zoenen smolt zij weg als ware zij van blonde was een wezen geweest, en niet meer.
-Zij smolt weg van opperste weelde: denk je, dat zij klaagde, toen zij smolt? Neen,
-hare kreten waren kreten van vreugde, kreten van brandende blijdschap, éen gil van
-blakende wellust en terwijl zij verging in Zeus’ liefde, baarde zij mij, en ik erfde
-geheel hare vreugde. O, ik erfde geheel hare vreugde! In den fellen brand van het
-paleis van Kadmos, haar rampzaligen en blijden vader … in den fellen brand nam Zeus
-mij, zijn kind, in zijn goudene handen, nog trillend van den gulzigen greep zijner
-liefde, en hij drukte mij, zijn liefdekind, aan zijn borst, en opdat Hera mij niet
-zoû vinden, borg hij mij in zijn dij. Toen, o nymfen, daalde hij neêr te Nyza … Hera
-verbood hij te komen deze bergen over en over deze zee, en hier, o nymfen, als ware
-hij een zorgzame moeder geweest, baarde hij mij uit zijn dij, wondervolle <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>tweede-geboorten van zijn liefdekind en zijn vreugdekind en gaf Hermes mij aan je
-zorgen over … Hier leefde ik de vreugde van mijn kinderjeugd! Hier groeide ik de god
-der vreugde … Ik ben de vreugde! De Muzen leerden mij het heilige rythme, en ik was
-vreugde en rythme te zamen. Ik zong, ik danste in haar midden! Ik was de vreugde,
-altìjd! O nymfen, o jeugdige pleegmoeders, je waart om mij heen de vreugde! Silenos,
-zelfs je wijsheid wist niet te schaduwen over mijn vreugde! Maar de vreugde zingt
-en danst niet het eeuwige godenleven tusschen de veilige bergen van Nyza. Muzen, breeder
-dein ik uw rythme uit, tot het zwelle als het rythme der zee! Muzen, nu ik leerde
-de maat, zal ik mateloos kunnen zijn, en mateloos zal zijn mijn purperen vreugde!
-Ik, nymfen, <span class="asc">IK</span> ben de purperen vreugde! Ik ben de purperen maatlooze vreugde! Nymfen, o jeugdige
-pleegmoeders, verdeelt de trossen onder je allen … Deelt ze met haar, Silenos! Wat
-gulzig hoû je ze voor jou; Silenos, deel ze, deel ze met haar! Zie, in den zilveren
-nacht, ligt de zee tusschen de bergen, niet anders dan een meer, en de bergen, klaar
-tegen den hemel klaar, schakelen niet anders dan de strofen van een zuivere ode, en
-de zee ruischt maar even <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>van rythme. Maar buiten de bergen, en om de bergen, om de kapen der bergen heen, is
-wijd de zee als een godeleven, is mateloos haar rythme, in vrije bandeloosheid golvende,
-in deinende eb en rijzenden vloed, breed en vol, stroomend over de stranden, stormende
-tot aan de wolken … Storm, o storm van vreugde, <span class="asc">IK</span>, ik zal de storm van vreugde zijn! Ik zal stroomen over de landen, en ik zal stormen
-de hemelen binnen. Menschen, goden, verwacht, maar vreest ze niet, mijn mateloosheid!
-Ken ik het heilige rythme niet, zoo dat mijn mateloosheid niet anders zal blijken
-dan rythme, maar grenzeloos wijd gestrekt. Niet als de strofen der ode, maar als de
-trilling der lucht en der sferen …! Nymfen, nu perst de trossen in schalen uit, zoete
-pleegmoeders, drinkt het genot voor de allereerste maal, en over de anemonen, daar
-waar de Muzen mij leerden de plechtige dansrei … danst, o pleegmoeders, danst, in
-de nieuwsgierige stralen der helderende maan, die haar bad van licht over ons uitvloeit.
-Evoë, Evoë, danst! Houdt u de handen: dans moediger! Ino, Neïra, danst! Dans, Ione,
-dans! Neemt tusschen je allen Silenos, opdat hij danse, opdat hij danse … Zie, ik
-dans met je, in je midden en Ampelos schalt zijn <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>blijde wijze, en de Panszoontjes schallen de hunne, en het zijn als murmelbeekjes,
-die vlieten een beek in! Faun, trappel de steeds snellere voeten; zie, zoo; zie, zoo
-trappel ik het zilveren maanlicht neêr op het mos, of ware het ijlte van glas, die
-ik breek! Zie, zoo; zie, zoo!
-</p>
-<p>En de voedsters van Dionyzos dansten, Silenos danste en danste Faun, en dansten de
-zoontjes van Pan, zij allen lachende om de nieuwe vreugde, die purper stroomde tusschen
-de trossenpersende vingers, en die bezwijmelend hun stroomde den mond in. In de blauwheldere
-maan duurde de dans de latere uren der nacht door, en de kreten der nymfen scandeerden
-den dans met korten gil schel en hoog, telkens en telkens weêr. Tot eindelijk Silenos
-waggelend neêrzeeg aan den stam van een steeneik in zwijm. Het loover was heel zwart
-en des te klaarder van zilveren blauwte was transparant de zee, meer-eng tusschen
-de nachtblanke bergen besloten aan niet al te verre kim. Tusschen de donkere looveren
-blauwde en blankte de lucht, wijder weg. Daar lag Silenos, een rank om de slapen …
-Maar een nieuwe razernij bezielde de nymfen van Nyza, en hand aan hand dringende in
-den wemelenden kring harer naaktheden, omhelsden zij Dionyzos, hun pleegkind, <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>allen, terwijl hij schaterde hoog uit. Toen, de handen steunende op hàre schouders,
-slingerde hij zich plots op Fauns schouder hoog, en Faun, met hem, ijlde voort en
-de nymfen van Nyza ijlden hen achterna, in een lachende, lachende jacht. Door het
-hier donkere en daar maanlichte woud begon een ijlende, ijlende vlucht van soms verschemerende,
-soms uitschitterende nymfe-schoonheden, en hare kreten wekten het woud. Het nachtwoud
-ontwaakte, de boomen ontwaakten, bries ontwaakte, en de hamadryaden ontwaakten. In
-grotten ontwaakten saters, en zij volgden de lachende jacht en overhaalden de nymfen,
-en de nymfen jubelden hen van de nieuwe vreugde de blijde boodschap tegen. Zij wilden
-ook trossen plukken, de verwonderde saters; zij wilden weten wat druiven waren, en
-wat het purperen genot, maar de trossen waren allen òp en de nymfen gaven alleen hun
-het blanke genot. Ver was Dionyzos gevlucht, getorst door Faun als in zege. En het
-blanke genot overal in het woud wierp vlakken van blankheid neêr in de geheime duisternissen
-der eiken, op het onverwachts wel eens door maanlicht beschenen. Dan bescheen de maan
-het blanke genot en de onwetende hamadryaden, <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>verschrikt, zagen met groote oogen uit. Overal in den maannacht tintelden hare groote
-oogen. Tot de maan wegbleekte, en het sidderende woud, al ontwaakt, afwachtte den
-dageraad, perzikblozende aan de oostelijke poorten.
-<span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">III.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">—Zij zijn verspreid! zei Dionyzos, terwijl hij omzag, glimlachend, zijn viooloogen
-nog allerzaligst vermoeid en half geloken onder de kwijning der oogleden: wakker was
-hij juist geworden, zijn bronsblond omlokte hoofd op Fauns borst. Zij zijn allen verspreid,
-de nymfen van Nyza, de voedsters van Dionyzos! O, hoe hebben zij het nieuwe genot
-ingehaald, als een god en als een koning! Maar nu, waar zijn zij? Faun, was het dan
-niet al een overwinning? Zijn zij als troepen, verspreid, die de trompetten verzuimden
-samen te blazen? Of was het nog slechts een spel, en zal de strijd des te razender
-wezen? Wie weet, wie weet: de toekomst is in Zeus’ handen! Zeus, ik wacht nu mijn
-toekomst! Faun, word wakker! Wat slaapt hij, en wat is hij mooi! Hij is geen god en
-geen mensch, maar hij is het goddelijke van de aarde, en daarom zeker is hij zoo mooi!
-Zoo als een <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>boom is, zoo als een bloem is, zoo als is rots en aarde, zoo is Faun, en hij is als
-hun aller bezieling. Zoo als is wolk en water, zoo is Faun, en hij is als god van
-water en materie van wolk! Zoo is hij peinzende vreugde en lachende ernst, zoo is
-hij kalmte en lust, en zoo is zijn wezen van god en van mensch en vooral van die natuur
-der aarde, die groeit en bloeit, blij om zichzelve … O, lieflijke aarde, o weelde-natuur,
-hoe ben ik blij, dat ik vàn je ben! Dat ik niet ben alleen god, maar ook mensch! Dat
-ik ben halfgod, en halfmensch! Dat ik voel hemel en aarde beiden! Dat ik niet heb
-den trots der goden, en wel der menschen ziele-onbewustheid! Dat ik niet weet mijn
-lot, maar wèl weet, dat het van heerlijke goddelijkheid zijn zal! Faun, word wakker!
-Het woud dezen nacht heeft niet geslapen, als wij beiden, en verwonderd kijkt het
-al lang met duizende oogen uit: Faun, word wakker! Nu voel ik na druivenacht mij of
-ik herboren ware! O roode dauw, o roode dauw, onder je sprenkeling ben ik een plant,
-en zal ik iederen morgen mijn nieuwe bloemen ontluiken! Faun, word wakker.
-</p>
-<p>—Ik ontwaak, ik ontwaak, Dionyzos … Wat zing je van rooden dauw …
-<span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span></p>
-<p>—Ik voel mij na druivenacht …
-</p>
-<p>—Ik? Of ik herboren ware!
-</p>
-<p>—Zoo voel ik ook mij, o Faun. En ik zong: o roode dauw, o roode dauw …
-</p>
-<p>—Onder je sprenkeling ben ik een plant!
-</p>
-<p>—Als ik, o Faun! En iederen morgen …
-</p>
-<p>—Zal ik mijn nieuwe bloemen ontluiken!
-</p>
-<p>—Zoo zijn wij samen na druivenacht! Maar waar zijn de nymfen van Nyza …
-</p>
-<p>—Laat ze dwalen door het morgenwoud … Zij zullen, na de sprenkeling van rooden dauw …
-</p>
-<p>—Hare nieuwe bloemen ontluiken! Iederen dageraad nieuw leven! Nieuwe jeugd iederen
-dageraad! Dàt Faun, zullen wij ontvangen, als ons iederendaagsche erfdeel! En <span class="asc">IK</span> zal het deelen met héel de wereld! O, de zalige menschen—en er zijn vòlkeren van
-menschen—in verre, verre morgenlanden … o zij weten niet de vreugde, die hen wacht!
-Iederen dageraad zullen zij nieuwe jeugd ontvangen, en nieuw leven, de zalige menschen!
-Zoo als wij, zoo als wij! O, de zalige vreugde uit te persen als rooden dauw over
-heel de menschenwereld! Ik zal zijn, roosvingerige Eos, als je mededinger: nieuwe
-dageraad ik, zal ik morgenrood in droppelen, in droppelen van most sprenkelen <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>over alle landen, en alle steden, en de menschen zullen de vreugde zwelgen. O, zoo
-mijn wingerd woekerde langs den azuren koepel des hemels, en o, zoo ik de trossen
-perste over heel de wereld, heel de wereld! Purper zoû de vreugde dan regenen van
-Dionyzos’ druivehemel over heel de wereld, in stràlen. Ik zoû de wereld in de vreugde
-verdrinken! Het zouden meren van vreugde zijn, het zouden zeeën van vreugde zijn,
-omschakeld door bergen van wingerd!
-</p>
-<p>—Hoor … hoor Dionyzos … Er schallen de fluitjes.
-</p>
-<p>—Ik hoor ze, ik hoor ze … Waar schallen ze?
-</p>
-<p>—Overal, overal … overal op de gunstige plekken schallen de verlangende fluitjes van
-Pan, dat je komt, o Dionyzos! Nu maken wij ons op … nu gaan wij naar de zandige plek,
-nu plukken wij van den wonderwingerd, die breed rankte in een enkelen morgen, wijnstok
-na wijnstok, zware tak na zware tak, en nu planten wij de van sap zware stokken op
-alle plekken, waar ons roepen de schelle Pansfluitjes! Kom, Dionyzos, kom!
-</p>
-<p>—Kom, Faun, kom …
-</p>
-<p>—Ik tors je op mijn schouder, mijn god en mijn koning …
-</p>
-<p>—De <span class="corr" id="xd31e749" title="Bron: hadmadryaden">hamadryaden</span> zien uit!
-<span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span></p>
-<p>—Haar stoorde ons feest dezen nacht. Zij verlangden, o hoe verlangden <span class="corr" id="xd31e755" title="Bron: zijn">zij</span> onze lachende jacht door het verwonderd ontwaakte woud te volgen, maar zij waren
-te schuchter en bleven schuilen tusschen de looveren, waardoor zij oogden met oogen
-groot en verlangend … Hamadryaden, hoe lang zal duren je schuchterheid? Zal ze nog
-duren dezen nacht? Zal ze nog duren den nacht van morgen? Ha-ha, hamadryaden, hoe
-lang zal ze nog duren? Wie van je volgt er het eerst het nieuwe gebod van Dionyzos,
-den koning van den vreugdewingerd, en den koning van alle vreugde? O, hoor Dionyzos,
-hoe de fluitjes je roepen, overal, overal … Dat murmelt eerst met voorslagjes, als
-vogeltje, dat antwoordt op vogeltje … en dan klimmen de smachtende toonen hooger en
-hooger op, trilleren lang in de hoogte als boven de looveren uit, en vallen dan neêr,
-en vallen dan neêr, fonteinen op, watervallen weêr neêr, en niet zingen zij dan: kom
-Dionyzos, hier breidt zich een gunstige plek, zandige grond en steenige wand. Kom,
-Dionyzos, hier!
-</p>
-<p>—Hier opent zich, Faun, in den jongen gloed van den nieuwen morgen, de allergunstigste
-plek, die het eerst mijn wijnstok ontving, maar zie, wat gebeurde hier dezen nacht!
-Wie kwamen <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>hier allen te zamen … Pas op, Faun, je voet struikelt over een ruigen bokspoot, die
-hier is neêrgezegen, half onzichtbaar in het struikgewas … Hij slaapt! Hij slaapt
-nog! Wakker, wakker, o sater! Dronk hij van mijn druiven! En zie, Faun, die andere,
-daar neêrgevallen als hij …: dronken zij van mijn druiven?
-</p>
-<p>—Toorn hen niet, Dionyzos, dat zij niet afwachtten je goddelijk bevel … Zij dronken
-van je druiven! Zij eerden je door je druiven te plukken … O, de wonderwingerd heeft
-er niet minder om … Zie, tegen heel den rotswand heeft de wonderwingerd geweligd en
-de trossen zwellen den rotswand over! Op, saters, op! Dionyzos komt! Wordt wakker,
-wordt wakker, allen!
-</p>
-<p>En, forsch de stem van Ampelos door den nieuwen gloed van den nog jongen morgen, wekte
-hij de saters, wat de eerste zonnestralen niet hadden vermogen te doen.
-</p>
-<p>O, hoe zij juichten, de saters, toen zij Dionyzos zagen, voor het eerst, en nog slaapdronken,
-verblindden van zijn goddelijken glans! Faun tilde hem steeds op zijn schouder, als
-op een breeden troon, en den eenen arm om Fauns hals, zwaaide Dionyzos de andere blij
-in de lucht, en lachte. Zijn lach klaterde door de <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>morgenlucht, en van zijn lach weêrtrilde de ether. De saters lachten als hij, en van
-hun lach daverde het woud in het rond. En zij huldigden Dionyzos en riepen:
-</p>
-<p>—God Dionyzos, ònze god, god om wien wij ons scharen! God Dionyzos, wij danken je
-voor het purperen genot van dezen nacht! In de stralen van Selene wonderde de wingerd
-heerlijk, en aarzelend plukten wij hier en daar een tros, tot wij niet aarzelden meer,
-maar plukten! God Dionyzos, ònze god, toorn ons niet, dat wij plukten, zonder te wachten
-je goddelijk gebod! Iedere druif, die wij plat drukten aan ons geile verhemelte, iedere
-druif vloeide ons liefde voor je in: god Dionyzos, wij volgen je, wij volgen je heilig
-gebod! God, die het purperen genot ons gaf, wij volgen je en doen als je wilt. Zeg
-ons je wil en wij voeren die uit … Vangen wij allen de nymfen des wouds en voeren
-wij ze voor je tot buit? Vangen wij panthers der wouden dicht en leeuwen der opene
-vlakte, en voeren wij ze tot je tam? Torsen wij je àllen op onze schouders, als Faun
-je torst, in zege door woud en door wereld? Zeg, Dionyzos, je wil!
-</p>
-<p>—O saters, o allen, die mij zult volgen, hoort nu mijn goddelijk bevel! Ten strijde
-volgt <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>mij allen, ten strijde tegen allen en àllen, die niet zullen eeren Dionyzos’ vreugdewet,
-en ten strijde volgt mij allen, opdat wij àllen de wereld winnen. Zeus zal mij steunen,
-en zijn belofte vervullen, en de wereld zal aan mij zijn, aan <span class="asc">ONS</span>, aan jullie allen, vreugde-saters van Dionyzos! Vangt mij de nymfen niet, want zij
-volgen ons van zelve, niet bestand tegen purperen en blank genot: niet ééne zal ons
-niet volgen! Maar temt mij panthers en leeuwen, en alle wilde dieren des wouds, en
-voert ze tot mij, saters, opdat zij ons lastdieren zijn, gewilliger dan ezelen en
-muilen, en vroolijker dan zij. Snijdt allen stevige takken af, en bekroont die met
-een pijnappel uitgezocht, en wapent u slechts met die staven van vreugde, die wij
-zwaaien zullen als standaarden! Den vroolijken oorlog verklaren wij! O, het zal de
-vroolijke oorlog zijn voor allen, die aan onze zijde strijden, en volgen onzen vreugdestandaard,
-de thyrs, die gij Dionyzos zult maken—pijnappel op eikestok—maar het zal de vreeslijke
-oorlog zijn, zoo vreeslijk als die van Ares, voor allen, die ons weêrstaan! Wee wie
-onze vreugde weêrstaat! Wee wie het purperen genot niet acht! Wee wie het niet aangrijpt
-met handen gretig en den tros niet uitdrukt aan zijn gulzige <span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span>lippen! Wee hun allen, wee! Dionyzos’ vreugde zal hun worden Dionyzos’ razernij, en
-zijn saters en zijn leeuwen en panthers zullen hen verscheuren in razende dronkenschap
-en ontembare woede van wilde dieren, met open muilen, fel van tanden bliksemend, tot,
-veranderd door mijn thyrs in wilde dieren zelve, zij elkànder zullen verscheuren!
-Zoo luidt de wet van Dionyzos, en, saters, roept haar uit door woud en door wereld;
-bazuint haar luide, beide handen om je baardige lippen, opdat je stem zal een roeptrompet
-zijn. Schalt ze uit, Dionyzos’ wet! Maar eerst, o saters, daar waar ons roepen de
-verlangende fluitjes, daar volgt je god en plant met hem samen wijnstok na wijnstok,
-àf van den heiligen wingerd gebroken, opdat welige over alle gunstige plekken de wijnstok
-van Dionyzos! Vlugge saters, doet als ik zeg! Plukt zonder aarzeling takken en ranken!
-Het zal den heiligen wingerd niet deren! Hoe meer je plukt, hoe voller hij tiert!
-En dan volgt, o saters, Dionyzos, volgt hem door het woud! Evoë!
-</p>
-<p>Het gebeurde als Dionyzos wilde. De saters klommen den rotswand op en zij plukten
-de ranken en takken van den heiligen wingerd af. En terwijl zij bezig waren en Dionyzos
-luide <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>lachte om hun ijver, ritselden in het woud naderingen aan, trappelende het kreupelhout,
-en het waren faunen, en zij juichten luid, toen zij op Fauns schouder Dionyzos zagen,
-en hoorden zijn lach door de lucht. Over de zandige plek woelden met een dichte menigte
-plukkende saters en juichende faunen.
-</p>
-<p>—O faunen! riep Dionyzos blijde; faunen, die als het woud zelve zijt, en daarom allen
-zoo mooi! Faunen, als Dionyzos onmatig is, blijft om hem dansen je wèlheerlijke maat!
-Blijft de glimlachende, matige vreugde rondom Dionyzos’ vreugde! Maar saters, als
-Dionyzos onmatig is, weest met hem onmatig in razernij! Faunen, lief heb ik je allen,
-omdat je gelijkt op hèm, dien ik lief heb! Maar saters, lief heb ik je allen, omdat
-je onmatig zult zijn, als ik! Weest het, weest het, onmatig en razend! Faunen, blijft
-lachen in vroolijken ernst, en trappelt het rythme rondom Dionyzos luid met de stevige
-voeten, want het rythme is zoo schoon als jezelve! Maar mijne onmatigheid zal gòddelijk
-zijn! Saters, poogt goddelijk met mij te zijn! Evoë, Evoë, vooruit! Nu verdeelt u,
-en loopt toe in alle richtingen, waar schallen de schelle fluitjes! O, de ongeduldige
-zonen van Pan; zie, Pan zendt ze ons al tegemoet, <span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>om te vragen waar wij blijven! Van alle zijden naderen de fluitjes en naderen de zonen
-van Pan! Leidt, zonen van Pan, mijn saters! Lief heb ik je allen, kleine zonen van
-Pan, en ik heb je vader lief, uitvinder van de fluit, die mij roept! Leidt nu mijn
-saters naar alle je gunstige plekken! Saters, plant er mijn wijnstok, en ziet toe,
-dat hij tiere overal, als dien Dionyzos zelve plantte hier!
-</p>
-<p>Nu stormde door het woud de ranken en wijnstokken torsende vreugde der juichende saters
-alle gunstige richtingen uit, en gunstig waren àlle richtingen! O, hoe blijde waren
-de zoontjes van Pan, dat eindelijk Dionyzos zoû komen! Hij zoû overal komen, beloofde
-hij! Hij zoû geen gunstige plek laten onbezocht. En geheel het wijde woud, het dichte
-woud en het ijlere woud, ver tot bosschige kimmen toe,—het woud, dat al verijlde tot
-vlakte, de vlakte verzand tot woestijn—alle beemden en alle dreven, de heuvelige weiden,
-waar de herders hunne kudden leidden, en de van graan golvende landouwen, waarin de
-hoeven van het landvolk lagen verspreid onder Demeters moederlijken zorg,—doorschetterden
-de schelle fluitjes zoo luid, dat herders en landbouwers verbaasd toeluisterden en
-dan vlak voor hun <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>oogen, vlak voor hun voeten zagen een Pansjongentje ijlen voorbij, het fluitje aan
-zijn lippen, lokkende en leidende de saters, die, met vreemd gewas beladen, hem volgden,
-hem volgden, bezield door opgewondenheid nooit nog gekend. Het was of zij alle schuwheid
-van woudwezen hadden verloren, en hunne gewoonlijke onzichtbaarheid niet meer achtten.
-Wijnstokbeladen liepen zij de hoeven langs, stoven zij de kudden door, en de vrouwen
-vluchtten de deuren binnen, ten doode verschrikt voor de bokspooten, die zij voor
-de eerste maal zoo dichtbij en zoo duidelijk zagen; de runderen en schapen renden
-in alle richtingen uit, verschrikt. En het getril der fluitjes met haastige gamma’s
-daalde en steeg door de lucht, tot de looveren er van sidderden, tot het azuur scheen
-te weêrechoën druppeling op en druppeling neêr, tot het éen geparel was, neêr en op,
-overal, overal … De vogels, dol, tierelierden luid. De beekjes, sneller, kakelden;
-de runderen loeiden luide en de schapen blaatten, en de herdershonden blaften en basten
-vroolijk, en renden bezeten rond, jagende de angstige lammeren. Hanen kraaiden met
-luide klaroenen en de duiven, pluimenstuivende, achtervolgden elkaâr in witte kringen
-door blauwe lucht. En de menschen begrepen <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>nog niet; alleen raadden zij, dat er iets vroolijks gebeurde. Maar een jonge landbouwer,
-die stil in het woud, gelukkig, een dryade dikwijls beminde, vond zijn nymf luisterend
-naar de verte, en haar omvangend in zijn armen vroeg hij:
-</p>
-<p>—Eole, wat gebeurt er?
-</p>
-<p>Zij verschrikte, stiet een kreet, maar herkende hem, en omhelsde hem tegen haar boezem.
-Zij, blankwit wezen des wouds, geboren waaruit wist zij niet, had lief dien zoon der
-menschen, zongebruind als een kastanje en forsch als een boom.
-</p>
-<p>—O Dafnis! riep zij uit. Ik weet niet, wat er gebeurt. Maar in blij oproer lijkt mij
-woud en wereld, lijken mij boomen en bloemen, en water en lucht, en dieren en nymfen
-en menschen! Is er een nieuw genot geboren? Of openbaart zich een nieuwe god? Daalt
-er een nieuwe vreugde uit den hemel, of groeit ze bedwelmend op uit de aarde? Ik weet
-het niet, maar zoo even, vlak voor mij, liep een Pansjongentje weg, spelende fluit,
-en hem volgde een groote sater, ruig als een bok en leelijk, beladen met zware takken
-en bladeren en ooft, dat ik niet weet en nooit heb gezien, en toen hij mij zag, o
-Dafnis, wierp hij de <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>takken neêr, en greep mij aan, en drong mij woest tegen een boom, en ik riep, o Dafnis,
-o Dafnis, help … maar scheller, en ongeduldig floot hem de Panszoon te komen en hij
-kòn niet weêrstaan … hij knarste met tanden en kaken, hij sprong als een dolle op
-zijn hoeven in het rond, hij liet mij en greep weêr zijn takken op, en hij rende het
-Panskindje na; eerst links, toen rechts, zijn spoor kwijt, als een speurhond, die
-zoekt, tot hij hoòrde de richting en liep … o wat liep hij: geen kreupelhout weêrstond
-aan zijn vaart … Mijn Dafnis, wat gebeurt er?
-</p>
-<p>—Eole, wat gebeurt er, dat de saters zoo dicht komen waar huizen de landbouwers en
-weiden de herders hun kudden? De dag is éen parelen van fluitjes schel, en wat er
-gebeurt, gebeurt overal, alle richtingen uit! Ik weet niet wat er gebeurt! Maar zie
-Eole, wat ligt op den grond hier, zwaar en purper, waartegen aanstiet mijn voet …
-</p>
-<p>—O, Dafnis, het is een tros van het ooft, dat torste de groote sater!
-</p>
-<p>—Eole, zie hoe heerlijk de tros van het ooft, dat torste de groote sater! Zie Eole,
-sterk ben ik, maar met moeite aan den steel hef ik dien tros nu omhoog … O, zie het
-<span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>prachtige ooft … Is het blauw of is het rood? Zijn het bessen of juweelen kralen!
-Waas als morgenmist vochtig ligt er nog over gespreid! Hier en daar is dat vochtige
-waas als een kuischte afgeveegd en lacht de tros als een wellust!
-</p>
-<p>—O Dafnis, wat lacht als een wellust de tros!
-</p>
-<p>—O Eole, lijkt dat niet een nieuwe wellust, die gezonken is over de aarde, of gegroeid
-uit haarzelve is … O Eole, in het geparel van de fluitjes schel, dat den morgen bezwijmelt,
-tot hij, goudzonnig, trilt, als éen enkel groot speeltuig, o Eole, wil ik samen met
-je proeven dezen nieuwen wellust!
-</p>
-<p>—Dafnis, ik ben bang! Ik wil den wellust van je lippen en armen, maar deze tros, dien
-de sater verloor, zal ons dol maken van razernij!
-</p>
-<p>—O, Eole hier, ik pluk al een kraal en druk haar tegen mijn lippen open. Eole, dit
-is een nieuw genot! Een gloed stroomt mij door, ongekend! Ik druk nu een tweede kraal!
-Eole, Eole, doe nu als ik!
-</p>
-<p>—O, Dafnis, ik ben bang! Neem mij dan in je armen, en druk de kralen tusschen mijn
-lippen uit, opdat mij de wellust zal komen <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>van jou, o Dafnis, dien ik liefheb! Zoo, nu rust ik in je armen veilig! O, nu pers
-je de kralen uit tusschen mijn lippen, o Dafnis! Een bloed stroomt mij binnen! O Dafnis,
-<span class="asc">DIT</span> is de nieuwe wellust …
-</p>
-<p>—O Eole, dit is de nieuwe wellust … Zie, je bent niet meer bang, in mijn armen, maar
-je lacht mij tegen, al zwelgende en je oogen sterven van smachting verliefd, en je
-lippen sterven van smachting! Het vreugdebloed van den tros tikkelt je lippen af en
-druipt neêr op je blanke borst, van waar ik het wegdrink, Eole … O Eole, dat is de
-nieuwe liefde …
-</p>
-<p>—O Dafnis, is het niet of heel de wereld van de nieuwe liefde trilt … Of het woud
-haar dronk! Of de vogels ze pikten! Zie, de vogels pikken aan den tros en zij tjilpen
-zoo luid, als of ook zij zich worden bewust van de nieuwe vreugde! Dafnis, ze is <span class="asc">GODDELIJK</span>, deze nieuwe liefde en vreugde … Dafnis, je bent een menschenzoon, maar …
-</p>
-<p>—Maar ik ben goddelijk in mijn liefde voor Eole …
-</p>
-<p>—O Dafnis, heel de wereld drinkt van de nieuwe vreugde! O Dafnis, heel de wereld trilt
-van de nieuwe liefde … Heel het woud ruischt …
-<span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span></p>
-<p>—Heel het woud ruischt van vreugde en liefde, van snelle naderingen, en van fluitgelok,
-van fluitgelok! Hoor, hoor, overal! Wat nadert er snel daar aan!? Als een stormwind
-vaart een geruisch door de looveren! Takken vallen er, breken en kraken …
-</p>
-<p>—O Dafnis, wat nadert daar aan!
-</p>
-<p>Maar al naderden Panskinderen, die floten, en hen volgden faunen en saters, wijnstokken
-in de hand, die zij planten zouden, op gunstige plekken … En toen zij zagen Dafnis
-en Eole, riepen zij:
-</p>
-<p>—Wie je ook bent, volgt ons!
-</p>
-<p>—Waarheen, waarheen? riepen Eole en Dafnis.
-</p>
-<p>—Volgt ons naar de gunstige plekken! Eert Dionyzos! Plant met ons den wijnstok! Wie
-Dionyzos niet eert, verscheuren wij, verscheuren wij in razernij! Wie hem eert, valt
-eeuwige vreugde ten deel! Volgt ons in de nieuwe vreugde!
-</p>
-<p>—O Dafnis, riep Eole. Volgen wij, volgen wij niet de saters?! Het is Dionyzos, die
-het wil!
-</p>
-<p>—Eole! riep Dafnis. Ik volg hen, met je, overal, overal! Planten wij met hen het nieuwe
-geluk! Het is Dionyzos, die het wil … Hier saters; geeft mij een deel van je takken!
-Hier <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>Eole, tors deze ranken. Het nieuwe geluk bot overal al uit: de aarde trilt om het
-te ontvangen! Saters en faunen, ik dronk, menschenkind, het nieuwe geluk uit een tros,
-dien ik vond en bijna onwetend vertrapte, en nu ben ik geen menschenkind meer! Faun
-zal ik zijn! Vaarwel, wuivende korens; Demeter, Dionyzos is machtiger!
-</p>
-<p>En Dafnis, Eole volgden de faunen en saters. De fluitjes, in vollere en dollere gamma’s,
-vlug op en vlug neêr, riepen hierheen! daarheen! hierheen! daarheen! en kwam de stoet
-aan de opene plek, rotsigen wand, gruizeligen grond, ten Zuiden bloot gesteld, dan
-naderden de saters en faunen, plots ernstig, en zij plantten samen met eerbied den
-wijnstok, terwijl op de karteling van den rots het Panszoontje bleef dansen en fluiten,
-ruigjes tegen de blauwe lucht, als een opstaand bokje in het azuur. Zoo verdeelde
-de stoet zich telkens, maar ook telkens vonden de nieuwe wijnbouwers elkander in het
-woud terug, want de faunen, op hunne langere fluiten, trompetterden de blijde wijze
-luid, als signaal, dat hen allen verzamelde. Het woud bleef vol beweging, het land
-daverde van het vroolijke oproer. Telkens was er een juichen en was er een dichter
-verzamelen; de <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>saters renden razende aan, liepen elkander over den bokspoot, worstelden driftig,
-maar raakten weêr op de hoef en ijlden dan, broederlijk, samen voort … Dan ijlden
-zij Dionyzos tegen. De Faun snelde door het woud, Dionyzos op den schouder, als op
-een breeden troon, en zij kwamen overal waar hen riepen de fluitjes … Overal op de
-gunstige plekken zag Dionyzos den wijnstok geplant, en hij juichte om zijn ijverige
-saters. Zijn lachen klaterde boven de boomen uit, en uit Olympos, de wolken even verschuivend,
-zagen de goden op de aarde neêr en glimlachten om het nieuwe genot, dat Dionyzos gaf
-aan wereld en woud …
-</p>
-<p>O, de bruischende morgenvreugde van dien arbeid den wijnstok te planten in koortsige
-haast, overal! O, de bedwelming van dien arbeid en haast, onder de zongestoofde looveren
-der boomen! Daar, waar de gunstige plek niet was open genoeg, om geheel Helios op
-te vangen, hakten de saters de takken weg. Maar Helios alleen zoû de ranken niet slingeren
-doen langs den rotswand met krinkelende hechtklauwtjes; Helios alleen zoû de bessen,
-als pruimen zoo groot en zoo blozende blauw, niet doen zwellen van barstende vreugde!
-De hoogste macht bleef aan Dionyzos. Waar hij zich vertoonde <span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>op Fauns schouder, scheen in zijn gejuich en gelach de nieuw geplante wijnstok te
-trillen, knoestig te wringelen tegen den rots, op te schieten, uit te schieten in
-het wonder der heel snelle weliging; de ranken slingerden zich, klauterden op met
-gretig krampende nageltjes; de trossen zwollen zichtbaar omdat Dionyzos het wilde
-en de hamadryaden, in de boomen, zagen verwonderd toe, naderden dan, plukten en proefden,
-en zij volgden Dionyzos! Zij volgden hem allen, zij konden hem niet weêrstaan. Hij
-lachte maar op Fauns schouder, en Faun liep zoo hard met hem voort, dat hij zwikte
-en telkens ware gevallen, zoo niet Faun hem stevig omprangd had gehouden, met beide
-handen geheven hoog; en hij lachte maar, Dionyzos, veilig zich wetende vast, en hij
-wenkte de hamadryaden, en als een blanke kudde van niet meer schuchtere nymfen naakt,
-volgden zij hem, juichend, wilden zij hem omhelzen, reikten zij de armen verliefd
-naar hem op, maar bereikten hem nooit, omdat Faun als in krijgertje zoo heel snel
-met hem wegliep. Zoo zagen hem Dafnis en Eole aantriomfeeren en hun harten klopten
-van jubel, toen zij Dionyzos mochten aanschouwen! Dionyzos! Dionyzos! juichten zij
-opgewonden. O goden, wat was hij <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>mooi! Wat was hij heerlijk! Welk een glans in zijn oogen, of die scheen uit zijn ziel!
-Wat een kring van vreugde om hem als een goudene lichtschijn, die zijn goddelijke
-lichaam ontstraalde! Hij verscheen hun in een stralende nimbe, en de schaduw van het
-woud was verlicht. En zijn lach klaterde zoo, dat Dafnis en Eole lachten, elkander
-omhelzende, en Dionyzos zag hen en juichte hen toe, omdat zij elkaâr lief hadden en
-jubelend vroolijk waren. Hij deed zelfs Faun stilhouden een oogenblik, en wenkte ze
-tot zich, vroeg Dafnis:
-</p>
-<p>—Wie ben je, bruine jongen?
-</p>
-<p>—Dionyzos, ik ben Dafnis, die bebouwde het veld, maar ik volgde je, omdat ik proefde
-het nieuwe genot, en dit is Eole, die ik liefheb, nymf van het woud, en zij volgt
-met mij Dionyzos!
-</p>
-<p>En Dionyzos lachte luid.
-</p>
-<p>—Was iedere landbouwer <span class="corr" id="xd31e855" title="Bron: ongewonden">opgewonden</span> als jij van het nieuwe genot, Demeter zoû mij toornen! Maar zij zal mij niet toornen,
-want ik heb haar lief, en haar arbeid, als ik alles liefheb, dat mijn wereld doet
-bloeien, mijn wereld, die ik overwinnen zal! Om de blondheid van Demeters korenvelden,
-als nu om de haren van Eole blond, zal ik mijn wingerden ranken, <span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>als ik nu omrank Eoles slapen met wijnlof. En Demeters moederlijke ernst en hare moederlijke
-zorg voor mijn aarde zal glimlachen om al die trossenweelde, die omlijsten zal de
-zeegolvende velden harer voedende korenhalmen! O, zoo haar landbouwers mij volgen,
-zullen mijn faunen haar velden bebouwen! Demeter heeft mij al lief als een zoon, en
-ik zal haar lief hebben als een moeder, en ons beider arbeid zal de wereld komen ten
-goede! Bruine jongen, heb lief, wees vroolijk, strijd gelukkig in den grooten strijd
-in de legers van Dionyzos, aan de zijde van Eole!
-</p>
-<p>O, het was een gejuich! Nu Faun verder ijlde, Dionyzos op zijn schouder, was het een
-gejuich van Dafnis en Eole. Eerst plukten zij samen een wijnstok, en toen ijlden zij
-den god achterna, daar waar hem riepen de vollere faunsfluiten, die de verspreide
-planters verzamelden …
-</p>
-<p>Maar plots een gebrul van alle zijden …
-</p>
-<p>Het gebrul naderde, naderde aan …
-</p>
-<p>Van alle zijden liepen verschrikt Panskindertjes, en struikelden en buitelden over
-elkaâr, en gingen hard huilen en angstig schreeuwen, en de faunen, juichend, kondigden
-aan, wat begrepen Dafnis en Eole niet … Dàar zagen <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>zij Dionyzos weêr! Een geruisch, een gebruisch ontzettend ging op, of stormgeloei,
-zoo vreemd, huilde het zonnige morgenwoud door … Daar kwamen uit het dichte getakte
-o zoo vele saters aan, en aan sterk gedraaide lianenranken hielden zij brullende beesten
-in toom, jong dartele leeuwen als groote honden op plompe dwaas-vroolijke pooten,
-en gespikkelde panthers, die bliezen als katers, de snorrebaarden wijd uit, en de
-oogen valsch en nijdig, en lynxen en tijgerkatten, en het gebrul der wilde beesten
-was een oogenblik luider dan het juichen der saters en fluiten der faunen. Tot de
-goddelijke stem van Dionyzos uitklaterde en de wilde beesten deed zwijgen:
-</p>
-<p>—O listige saters, o krachtige saters, o trouwe saters van Dionyzos! Dat is goed,
-dat je temde zóó vele beesten, voor onzen strijd en zegetocht door de wereld! Dàt
-is goed, dàt is goed! Nu zijn in het rond op àlle gunstige plekken, bereikbaar voor
-dezen morgen, de welige wijnstokken geplant. Maar wij blijven niet in dit woud en
-de aangrenzende beemden en dreven! De wèreld zullen wij door! De zeeën over, en de
-verre geheimzinnige morgenlanden toe, Eos te gemoet! Den hemel moeten wij in! Volgt
-allen Dionyzos! Zamelt u rondom hem <span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span>allen! Blaast, faunen, je fluiten, opdat geen enkele achterblijve, van àl wie Dionyzos
-volgen! Maar opdat zalige rust ook loone zoo vroolijken arbeid vóór deze avond ons
-ter vreugde verzamelen ziet, vluchten wij de zwoelte van het nu middagstovende woud,
-in de koelere schaduwen van Nyza, en vlijt je allen, ijverige arbeiders, daar neêr
-op de mossige bedden, die woekeren onder donkere steeneiken! Rust uit, sluimert, en
-hebt vroolijke droomen!
-</p>
-<p>Faun ijlde met Dionyzos heen, Nyza te gemoet, en hem achterna ijlden, krioelende,
-de saters, de wilde beesten aan lianen stevig in toom, de faunen op tijgers gezeten,
-de Panskindertjes op wilde katten, de blanke nymfen, niet schuchter meer … aangroeiende,—groeiende
-menigte, die maakte een daveren door het woud. Nu naderde Dionyzos Nyza. Onder de
-zwarte steeneiken was de schaduw maar even zoel en zonneloos bijna koel gehouden.
-Maar tusschen de donkere looveren, verder weg, glinsterde, als een gouden meer, de
-zee, en verparelden de bergen in van licht verklaarde ommelijnen, als een etherische
-muur, rings-om-rond. Daar onverwolkte zich de onmetelijke lucht, in de hoogte zoo
-diep als een blauw en onpeilbaar geheim.
-<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span></p>
-<p>De Faun zette Dionyzos af.
-</p>
-<p>—Ben je moê, o Faun?
-</p>
-<p>—Nooit Dionyzos, ben ik moê, je te dragen door woud en door wereld!
-</p>
-<p>—O, ik ben moê, ik ben moê, o Faun, getorst als je me hebt zoo ver en zoo wijd overal
-heen, waar saters wijnstokken plantten! Wat hebben zij er vele geplant! Wij zagen
-ze alle, wij zagen ze alle: wij veronachtzaamden er niet éen. O, ik ben moê, ik ben
-moê, en sluimeren zal ik spoedig … Maar wie ligt daar al te ronken, dik en vet en
-vadzig, tegen een boomstam aan? Voorwaar, het is Silenos! En wie sluimert er met een
-gehoornd kopje dwars over zijn dikke maag! Voorwaar, een Panszoontje, het fluitje
-nog in de hand. Wakker, wakker, Silenos!—en Dionyzos, met den voet, stootte Silenos
-aan,—wakker, wakker, Pansjongen! Wat slapen jullie al, en wrijven jullie de oogen
-nu uit, na onverdiende, te vroege slaap, of misschien wel gat-in-den-morgen! Heb je
-een wijnstok, Silenos, geplant? En jij, luie Pansjongen, wat snurk je op Silenos’
-maag in plaats van schel te fluiten je fluitje? Kom, sta je op, op je pootjes!
-</p>
-<p>—O Dionyzos, o Dionyzos! zei, opgestaan, het Pansjongentje bang, en hij begon heel
-hard <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>te huilen. O Dionyzos, den heelen morgen … den heelen morgen—nauwelijks was je weg—heb
-ik gefloten: hierheen! hierheen! tot ik geen speeksel meer had, tot mijn lippen waren
-als droge schilletjes, en mijn wangen mij schenen te barsten … en niemand, niemand
-kwam! Kijk Dionyzos, hier te Nyza, kijk Dionyzos, is een gunstige plek, een héel gunstige
-plek, zoo open in Helios’ stralen, zoo breed vlak van karteligen rotswand, zoo gruizelig
-en zandig van glinsterende aarde, die, losgewoeld, aroom doet zóo prettig in je neusgaten
-kriebelen, dat je er van <span class="corr" id="xd31e883" title="Bron: fniest">niest</span>, apetjie! en gefloten heb ik, gefloten, en niemand, niemand kwam, om ook maar een
-klein wijnstokje te planten! Je waart allemaal een anderen kant uit en Nyza, je eigen
-woningsoord, o Dionyzos, heb je heelemaal vergeten …! Ach, wat heb ik gefloten, ach,
-ach, wat heb ik gefloten! En niemand, niemand kwam! Toen Dionyzos,—o, wees niet boos,—was
-ik <i>zoó</i> moe, dat ik neêrviel hier bij Silenos: wakker werd hij maar niet, uitslapen doet
-hij zijn roes nog na gisteren nacht,—en omdat dik en zoo hoog zijn maag is, koos ik
-die uit tot kussen—, en ik viel in slaap, Dionyzos! Ach, wat heb ik geblazen, en niemand
-achtte mijn roep!
-<span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span></p>
-<p>Toen lachte Dionyzos luid, en om hem schaterden allen, die waren aangekomen. Toen
-lachte Dionyzos luid en hij nam het ruige boksventje in zijn blanke armen beide en
-omhelsde het en zoende het op zijn al donkerdonzige wangentjes. En hij riep:
-</p>
-<p>—O Pansmannetje, o grappig Pansmannetje, vergat Dionyzos de gunstige plek in Nyza!
-En floot je een heelen morgen lang? O, Pansmannetje, o mijn eigen Pansmannetje, o
-kleine Pan van Nyza, laat Dionyzos, ook al is hij van arbeid en zege vermoeid, nu
-zèlve planten een mooien stok op de plek, die je hem wijst … Pak je fluitje van den
-grond, zie zoo … en fluit nu je wijsje … Hierheen? Daarheen …? Dionyzos volgt je hier,
-nu daar … daar wijkt de schaduw, daàr is de plek …! Hier saters, geeft mij een stok
-uitgezocht … Hier woelt Dionyzos de aarde los, hier plant hij zijn heerlijken wijnstok!
-Tier omhoog, wingerd, welig!
-</p>
-<p>En plots gebeurde het wonder. De wijnstok, zichtbaar, wies en rankte zoo snel, dat
-hij geheel den rotswand op zandige plek, maar even buiten het steeneikenwoud, overwoekerde
-met groote trossen. Den breeden rotswand langs woekerden zichtbaar de trossen uit,
-en allen, die Dionyzos volgden, verbaasden zich om zoo <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>snelle weliging. Maar Dionyzos pakte het Panskindje op en riep:
-</p>
-<p>—Ben je nu tevreden, ben je nu tevreden, o klein mannetje Pan?
-</p>
-<p>En in Dionyzos’ armen juichend, spartelde het als een bokje, de hoeven klepperend
-tegen elkaâr. Maar Silenos was opgestaan, en hij schaamde zich zoo langen slaap, wrijvende
-de oogen uit, terwijl òm hem dansten nymfen en saters, plagende.
-</p>
-<p>—Wijnstokken heb je overal geplant? Op alle gunstige plekken? Een wijnstok hier te
-Nyza geplant? Trossen druiven overal? Ach Dionyzos, wat zal dàt àlles onmatig worden,
-en zonder wijsgeerige grens!
-</p>
-<p>Slaperig, en neêrgezonken, murmelde Dionyzos, even:
-</p>
-<p>—… Het einde der wereld, en de diepte der hemelen, zie daar, o Silenos, de grens!
-</p>
-<p>—Ik ben bang, ik ben bang, Dionyzos. Ik zal je niet kunnen volgen met zoo jubelende
-vaart, door de wereld, en wat moet er van je worden zonder je leermeester.
-</p>
-<p>—… Je zal mij volgen, o Silenos, gezeten op een blazenden tijger …
-</p>
-<p>—Op een tijger? O Dionyzos! Ik gezeten op een blazenden tijger? Maar ik zal bang <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>zijn voor het nijdige dier. Ik ben bang voor zoo vele wilde beesten! Saters, temde
-je ze in éen morgen?
-</p>
-<p>—… Terwijl je sliep je roes uit … O Silenos …
-</p>
-<p>—Neen Dionyzos, nooit zal ik je volgen op een blazenden tijger! En toch, mijn kind
-en mijn pleegzoon en ach zoo beminde leerling, wil je meester niet achterblijven.
-</p>
-<p>—… Omdat het nieuwe genot overheèrlijk is!! En Dionyzos sliep in.
-</p>
-<p>—En omdat ik je niet kàn verlaten! Saters,—maar zij slapen al!—saters, niet op een
-blazenden tijger! Vindt voor Silenos, opdat hij je volge, opdat hij je volge òveràl,
-een goedigen ezel, als sneeuw blank, met ooren lang en bewegelijk, en voorzichtig
-van tred over struikgewas en rotsigen grond … Maar zij hooren al niet meer! Zij vallen
-overal, hier en daar, of zij schuilen, blank en ruig—o, de ondeugden—soms weg in de
-heel dichte schemerdonkerte! Silenos op een tijger? O, zij hooren al niet meer. Om
-Silenos valt alles in sluimering, zelfs een betooverde slaap verplettert de afschuwelijke
-wilde dieren. O, zie wat een tafereel! O, zie wat een vadsige rust, van blank en ruig,
-en gespikkeld van vel! Wat een loomheid op het <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>midden des dags in woudwezens en in dieren, terwijl het juist nù zoo wakensweldadig
-is, en de vogels alle bescheiden zwijgen en het zeer geschikt nu juist wordt te peinzen
-over àl goden- en aarderaadsels en ze op te lossen als moeilijke problemen, nu eens
-zoo, en dan weêr anders! O, wat onwijsgeerige zwelging in vasten slaap! Alles … iedereen
-slaapt! Alleen Silenos is wakker en wandelt rond tusschen zoo vele slapers … Hier,
-hier ligt Dionyzos, als op een heilige plek, <span class="corr" id="xd31e914" title="Bron: zijns">zijn</span> bronsblondgelokte hoofd op Fauns borst. Duizend viooltjes zijn om hen ontbloeid en
-geuren op, in zijn droom! Droom, droom Dionyzos, droom, met den eeuwigen lach om je
-goddelijke lippen. Wie weet, wie weet … Wie weet, is je droom de eenige waarheid!
-Is te geven de vreugde aan de wereld de eenige waarheid, waard te vervullen als werkelijkheid!
-O, droom, droom Dionyzos, en moge, mijn lieveling, nooit … o nooit … je in verdriet
-uit dien droom ontwaken …
-<span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">IV.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Geleidelijk verwelkten de hemelen, verwelkte het azuur tot donker violet van viooltjes,
-den geheelen binnenluchtkoepel overwazend; hier en daar prikten de eerste sterren,
-en daar de maan nog wassende was, en al begon te zilverspiegelen in de meergladde
-zee, was het niet noodig toortsen te ontsteken: Selene glimlachte neêr zusterlijk
-zacht en welwillend op den gewichtigen vooravond van Dionyzos’ eersten reisnacht.
-Als in een legerkamp was, na lange en volledige siësta, een blijde beweging begonnen
-in de beemden en bosschen van Nyza. En Dionyzos, éven weemoedig, lachte toch nog,
-toen hij zeide:
-</p>
-<p>—Vaarwel, o lieflijke oorden, waar ik leefde mijn kinderjaren! Nyza, waar hoed- en
-enkel-gevleugelde Hermes mij bracht na mijn tweede wondergeboorte uit Zeus’ dij, om
-mij in je handen, o nymfen, o voedsters, veilig te leggen <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>voor de lagen van Hera, wie Zeus strengelijk verbood Nyza’s bergenkling te overschrijden!
-Vaarwel, o weiden vol anemonen, waarop daalden de waardige Muzen neêr, mij nemende
-in haar midden, reidans om mij wevende, met zang en harmonischen klank van snaren,
-die regelmatig de gouden cymbelslag onderbrak! Het uur is gekomen, dat de wereld zich
-opent, en zijn taak Dionyzos toelacht! O, nymfen, o voedsters, niet éene van je allen,
-die te Nyza achterblijft! Verlaten voor langen tijd zullen de weiden zich strekken,
-en zullen de wouden schaduwen en zal de zee spiegelglad liggen tusschen enge bergkling.
-Maar de wingerd, die ik er zelve plantte, zal tot den herfst toe zwellen van vreugde,
-en, eerst schuchter, later vertrouwder, zullen herders en landbouwers komen tot deze
-plaats en Dionyzos’ eigene trossen plukken in blijden wellust en nieuw genot! Vaarwel,
-o lieflijke oorden! Dionyzos’ wagen staat klaar en vier saters zullen mennen de lynxen,
-aan sterke ranken van veil, en zijn leger van faunen heft hoog de omslingerde pijnappelroeden,
-en ikzelve, hier, breek mij af dezen langen agavebloeme-steel, opdat hij mij schepter
-en wapen zij en in Dionyzos’ hand verschrikkelijk worde! O, wellust, wie ons <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>volgt, maar wee, wie ons weêrstaat … Nu op, op, gij allen, die Dionyzos zult volgen
-op zijn overwinningstocht door de wereld!
-</p>
-<p>Er stormde een luid gejuich, maar toch was er geen uitgelatenheid onder de talrijke
-troepen van Dionyzos, alsof, hoe glimlachend ook, een ernst nadenken deed, dien vooravond
-van den strijd. Dionyzos was in zijn wagen gestegen, die hem de ijverige faunen hadden
-vervaardigd, en vier saters menden de lynxen, nijdig als katers, met uitstaande snorrebaarden.
-En achter hem vloeide het na van nymfen en Panszonen en van zoo vele wezens der wouden,
-en zelfs van enkele menschelijke stervelingen, die zich, als Dafnis, reeds gevoegd
-hadden bij den stoet, den thiazos van den god. Ieder droeg er den thyrs, en ieder,
-voor het laatst, had zich zware trossen geplukt van den wonderwingerd van Nyza, om
-vreugde te hebben dien nacht der reize. Maar plotseling barstte een schateren uit
-en ging door de gelederen als een heerlijke stormwind, omdat Silenos, met vele woorden
-van aansporen tot voorzichtigheid en omzien, zich hijschen liet op een witten ezel,
-die hem de saters gevonden hadden. Hij liet zich hijschen, en rondom hem lachten,
-blank en verleidelijk, de nymfen van Nyza, de blijde voedsters van <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>Dionyzos. Omdat de nacht frisch was van waaiende zeekoelte, hadden zij allen, de nymfen
-van Nyza, zich gespikkelde vellen van beesten omgeslagen, die hingen over hare schouders
-en heupen, met de levenloosheid der bengelende koppen en slappe pooten neêr, en om
-hare slapen hadden gestrengeld zij zich ranken van wijnlof, met aan de ooren groote
-trossen, en hare blanke jeugd van blonde en blauwoogige nymfen, hare lieflijke zachtheid
-van naakte nymfen, glimlachend als spelende kinderen, verbarbaarschten zich vreemd
-in warreling der ranken, tusschen de trosversierselen, heur slapen purper omprangend,
-en in de ruigte der beestenvellen, of zij half nymf, half tijgerkat plotseling zich
-herschapen hadden. Tusschen haar aller vroolijkheid en schertsenden spot bereed Silenos
-zijn blanken ezel nu, kwinkslag gevende op kwinkslag, en hij haalde Dionyzos ter zijde
-in. Faun, ter andere, bereed een getemden leeuw, wien hij de hijgende flanken met
-de hielen spoorde. En het nachtwoud kraakte en ritselde van den stoet, die zich in
-beweging zette. Uit de zwarte schaduw der steeneiken ging het met rustigen tred van
-schrijdende dieren, in toom gehouden, en van paden tredende hoeven der trappelende
-saters, langs de boorden van de zee, de bergen <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>te gemoet. De weiden strekten zich wijder, de gesloten zee openbaarde zich plotseling
-tusschen de wijkende kapen, het woud bleef als schaduw achter, de vlakte strekte in
-de sneeuwblankte der maan zich wijd als een witte woestijn, vaag van velden, en als
-zonder horizon wegtintelend in de klare lucht zelve. Het was heel wijd, heel ruim
-en heel licht. En de wijde vlakte, onmerkbaar eerst, steeg en deinde naar boven; de
-zee viel lager weg, opende zich geheel, en het gebergte, als een nachtviolette wal,
-kartelde zijn rotsscherpe silhouet, uitgeknipt en zigzaggelend aan in de klaarte.
-Dionyzos steeg op. Pad was er niet, maar de saters, trappelend met bijna dansende
-voeten, traden het pad in wat struikgewas warrelde laag, altijd verschoonende de blondere
-granen, moederlijke Demeter ter wille. Zoo naderde de stoet het gebergte en slingerde
-de rotskam op, in rustige blijde reize. Soms brulde luider een tijger of ander wild
-beest, soms schaterden-uit de nymfen, of kakelde, kwinkslagend, Silenos onvermoeid;
-soms danste heftiger de voorhoede der saters van vreugde te voren, maar Dionyzos bleef
-glimlachend ernstig, Faun op zijn leeuw hem ter zijde, ernstig glimlachend als hij.
-En hoewel vreugde er was en vertrouwen <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>in de gelederen van het vreugdeleger, was er hier en daar wantrouwen wel, om zoo groot
-voornemen en wellicht driestheid van een veldheer, die een knaap nog was, vrouwelijk
-week de leden gebootst in de teederheden van het mollige vleesch, knapeveldheer, gewapend
-slechts met agavebloeme-steel, en wie zoo groote schare van nymfen haast gedachteloos
-volgde.
-</p>
-<p>Zoû Dionyzos verwinnen, nu hij den strijd aanbond tegen al wat in de wereld somber
-zoû zijn; zoû Dionyzos de wereld verwinnen …?
-</p>
-<p>Maar zij, die zoo dachten, behoefden slechts een druif, een enkele, van hun nachtvoorraad
-te snoepen, om zich plots te voelen verblijden, en nu te weten, dat wie zoo heerlijke
-vreugde kon geven, ook de sombere wereld overwinnen zoû. En al hooger en hooger steeg
-de stoet. Nu ging de stoet het gebergte over, op de uiterste kam, en schaduwde tegen
-den nacht aan, als een wondere optocht, waarheen in den Nàcht-Olympos de gewekte goden
-nieuwsgierig heen zagen. Doelbewust trok de stoet voorbij, uren, uren lang. De pijnappelroeden
-geheven teekenden over de bergkam een woud van bewegende lansstokken uit, sidderende
-in het licht van de maan. De getemde dieren brulden, maar schreden gewillig. En uren,
-uren trok de <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>stoet voorbij, doelbewust. Al opende half de oostelijke poort zich, om Eos uit te
-laten, toen de laatste volgelingen van den blijden Dionyzos aan de helling der steile
-bergkam pas verdwenen in daling van spleten. En toen de morgen, zonnegoud dadelijk,
-rozigde over de zee, lag Nyza en haar woud en haar vlakte, van Dionyzos verlaten,
-in vreemde door de vogelen nauw gestoorde eenzaamheid achter, in betooverde stilte
-vreemd, tot de landbouwers en herders dien morgen, nieuwsgierig, aanslopen en zagen
-den wonderwingerd, en er van plukten en dronken, en den wijnstok voortplantten, overal.
-</p>
-<p>Nu dien morgen ontwaakte in zijn paleis de beheerscher van Ikaria, koning Ikarios,
-werd hem dadelijk een bode voorgevoerd, die hem zeide:
-</p>
-<p>—Heer, schrikverwekkende tijding, helaas, deel ik u mede: de morgen rijst op over
-een dag van onheil, zeer zeker. Want dezen nacht naderde over het gebergte een onafzienbare
-vijandelijke strijdmacht de grenzen van uw rijk, en tot ontzetting der naar alle zijden
-vluchtende bevolking naderen die barbaarsche horden de poorten van uw stad. Tijd zal
-het nauwelijks zijn, Heer, uw leger te verzamelen en den vijand te gemoet te trekken.
-<span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span></p>
-<p>Toen zeide, terwijl weeklaagde rondom hem het toestroomende volk, de beheerscher van
-Ikaria:
-</p>
-<p>—In steê van wanhoop, o Bode, meen ik vreugde te mogen koesteren om wat gij mij mededeelt.
-Oude voorspellingen kondigen aan voor Ikaria een nieuwen god, die ons een nieuwe vreugde
-zal geven; wellicht is het aantijgende leger, het leger des gods van vreugde. Zoû
-ik hem niet welkom heeten? Is er zoo veel vreugde door de oude goden gesprenkeld over
-mijn rijk? Heerschten niet pest en hongersnood gedurende lange tijden, en schaduwde
-niet als een wolk somberheid over mijn onderdanen? Demeter wendde zich van ons, onze
-granen verschroeiden zwart. Geheimzinnige winden voerden ziekten aan, en het onheil
-regende neêr. Sinds langen tijd scheen de lucht mij niet blauw meer, ook al boorde
-zij zich diep azuur. Nu … zie, de lucht is blauw! <span class="corr" id="xd31e947" title="Bron: Er">En</span> zweeft als een glimlach over Ikaria! O, gij, edele grijsaards, gaat te gemoet, wie
-komt! Vrouwen en maagden, neemt palmen en myrtetakken ter hand, en wuift van verre
-het welkom tegen … Ik weet niet waarom ik heradem, en waarom ik geen vreeze <span class="corr" id="xd31e950" title="Bron: voed">voel</span>! Goud is de morgen en vroolijk! Sinds lang was de morgen zoo vroolijk <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>niet en sinds lang niet zoo goud van vreugde. Gij allen, mijn volk, hebt vrede en
-weeklaagt niet meer! Het <span class="asc">IS</span> de nieuwe god, die aankomt en ons zijn nieuwe vreugde biedt!
-</p>
-<p>Zoo riep de beheerscher Ikaria’s, en omdat het volk hem zeer lief had, staakte het
-zijn weeklacht, liet zakken de armen en zamelde rond hem, vertrouwend. O, het ellendige
-volk, de ellendige onderdanen Ikarios’… gegroefd van ziekte was hun wang, geribd van
-magerte de pijnlijke borstkas, van armoede gerafeld hingen onsierlijk de vodden en
-het rag om hun leden. Zelfs zóo scheen de waardige heerscher, mager van wang en van
-borstkas, hol van oog, en zijn mantel was niet meer mooi, en van zijn staf was het
-goud dun gesleten. Rondom hem wachtte het volk, en zij spiedden allen uit. En plots
-zagen zij naderen, terug, de palmtakken en myrtetwijgen, naderen de edele grijsaards
-en achter hen stuwde, als een stroom, het vreemde leger aan, de pijnappelstaven omhoog.
-Een geruisch gonsde, als een stormwind door woud. Plots, schel, pepen honderde fluiten.
-Het leger naderde met muziek en met dans, de jonge veldheer voor: een lachende knaap,
-heerlijk naakt, gezeten in een kar, die nijdige lynxen trokken, als katers, met snorrebaarden.
-<span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span>Daar steeg de veldheer uit, met een dartelen sprong, een blijden jongen gelijk. En
-hij liep toe op den ouden Ikarios, die van verbazing de armen ophief.
-</p>
-<p>—Ben jij de nieuwe god? vroeg de beheerscher Ikarios. De nieuwe god, dien de voorspellingen
-kondigen aan?
-</p>
-<p>—Ik ben Dionyzos! riep Dionyzos jubelend uit zijn naam; en zie, hier zijn druiven,
-en ik kom brengen de purperen vreugde! Beheerscher van Ikaria, Dionyzos opent de armen,
-en wil je drukken aan zijn hart! Oude koning, ik ben blij, want ik kom de vreugde
-brengen! Weet, oude koning, dat razernij mij bevangt en allen, die mij volgen, om
-wie mij niet blijde ontvangt, maar weet ook, dat niets dan vreugde, jeugd, wellust
-en zaligheid zal zijn aan allen, die mij blijde ontvangen! Kies, Ikarios, tusschen
-mijn woede en mijn vreugde, en kies voor allen de uwen!
-</p>
-<p>Terwijl de god en de koning zoo spraken, juichten de faunen het volk toe:
-</p>
-<p>—Hij is de zoon van Zeus! Hij is de zoon van Semele, die verblaakte in Zeus’ blakenden
-gloed! Hij is de god der vreugde! Eert hem, eert Dionyzos! Plukt de vreugde, die wij
-u bieden! Hier zijn de trossen! Voor allen zijn er purperen trossen …
-<span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span></p>
-<p>Maar tusschen het volks- en faunenrumoer riep Ikarios uit:
-</p>
-<p>—O Dionyzos, o zoon van Zeus, zoû ik je niet blijde ontvangen? Was er dan zoo vele
-vreugde in Ikaria, dat ik kan zeggen: ga, Dionyzos, een anderen weg? En dat ik niet
-dankbaar zoû zijn voor de nieuwe vreugde, de purperen vreugde der zwellende trossen?
-Ik ben oud, Dionyzos, en hier, mijn vorstin is oud, en ziek zijn wij beiden, en ziek
-zijn ook velen van mijn volk, en somber zijn wij na herinnering grauw aan pest en
-aan hongersnood … O Dionyzos, zoû ik je niet blijde ontvangen? Maar Dionyzos, ik open
-mijn armen, als een nederige vader, o zoon van Zeus! Maar Dionyzos, ik ben je eeuwig
-en innig dankbaar, en mijn tranen van blijdschap vloeien mijn half blinde oogen uit,
-alleen omdat ik je zie, zoo mooi, zoo jong, zoo heerlijk, zoo blij, zoo stralend en
-goddelijk!
-</p>
-<p>—Ikarios! riep Dionyzos. Dan omhels ik je als een stralende zoon, die, rijk aan schatten,
-een armen vader komt geven van wat hij won door zijn vlijtigen arbeid. Het wonder
-gebeure … Ikarios, zie!!
-</p>
-<p>En Dionyzos strekte zijn agavesteel uit in de richting van het verweerde paleis.
-<span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span></p>
-<p>Er beefde lichtelijk de aarde en de aarde spleet open en het bruischte uit de opene
-spleet. Toen ook wankelde het paleis op zijn vervallene zuilen, en het dak dreigde
-te storten in een. Maar staan bleef Ikarios’ woning en een wonderwingerd wies op in
-een oogwenk, zijn knoestigen stam schietende snel uit de spleet. Knoestig rekten de
-knoopige takken zich uit langs de wanden van het paleis, de ranken omwingerden geveldriehoek
-en dak, de ranken omwingerden de zuilen met breedbladig festoen, en de zware trossen
-zwollen te voorschijn. Eén groot druivenprieel herschiep zich het oude paleis. En
-de faunen gaven het voorbeeld, en zij klommen op, en zij plukten de trossen af, en
-wierpen ze in de handen des gretigen volks. Des konings fanfaren bliezen maar de fluiten
-der saters en Panszonen schaterden uit, overklaterd door Dionyzos’ stem:
-</p>
-<p>—O beheerscher Ikarios, o gij allen van Ikaria, weest blijde, weest blijde, dat gij
-de vreugde aanvaardt! Niet heerschen meer pest en hongersnood, alleen heerscht Dionyzos’
-vreugde! O ellendig volk van Ikaria, wees vroolijk, wees vroolijk altijd! En opdat
-je vooral dezen dag vroolijk zult zijn, zal ik doen wat ik kan: je voor dézen dag
-allen drinken laten <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>uit mijn eigen drinkschaal, zie hier: groote, diepe, ronde beker, waaruit je allen,
-o oude koning, o oude koningin, o arme en zieke Ikariërs, o blinden, o kreupelen,
-melaatschen, o armen en somberen en kermenden, zult drinken den weldadigen most van
-mijn druiven, geknepen door mijn eigen vingers, zult drinken jeugd en schoonheid,
-gezondheid en stralend gezicht, vluggen gang, blanke lichaamstint, weelde, helderheid,
-lach! Weest vroolijk vooral dezen dag! Koning, wees jong en mooi, en heb nog eens
-lief je koningin, jong en mooi; nauwelijks genezen pestlijders, hebt krachtige lenige
-leden en worstelt met elkaâr in het perk; kreupelen, loopt met elkaâr om het hardst;
-blinden, ziet tot diep in het diepe azuur, en tot ver over de lachende zee; gij allen,
-weest rijk, hebt vreugde, geniet! O, geniet allen dezen dag, vooral. Eeuwig zijn niet
-mijn gaven, maar de tijdelijke vreugde, die ik je geven kan, geniet; en morgen zal
-je wel oud weêr zijn en niet meer rijk, o ouden en armen, maar zalige herinnering
-des te meer zal je doen glimlachen dankbaar bij de gedachte aan Dionyzos, die vèr
-dan zal zijn: het wonder … het wonder gebeure!
-</p>
-<p>En Dionyzos zich slingerend op Ampelos’ schouder, opdat hij hoog troonde boven de
-<span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>menigte, lachende en dartel, zwaaide langzaam rond zijn agavesteel. En het wonder …
-het wonder gebeurde … Plotseling was ieder jong, gezond, krachtig van leden en vroolijk!
-De koning verjeugdigd omhelsde zijn blozende koningin; oude bedelaars waren jeugdige
-athleten; al wie oud was werd jong, al wie leelijk mooi, al wie ziek gezond! Om alle
-huizen rankte de wingerd, en de blijde landbouwers plukten er stokken af, en geleid
-door fluitende zoontjes Pans, en geleid door blij trappelende saters, verspreidden
-zij zich in alle gunstige richtingen, <span class="corr" id="xd31e984" title="Bron: zochtten">zochten</span> àlle gunstige richtingen op, plantten overal Dionyzos’ wijnstok. O, hoe tevreden
-was de god, terwijl hij zijn drinkschaal bood aan den nu jeugdigen koning Ikarios,
-aan zijne jeugdige koningin! Op het land, in de stad en het paleis, was vreugde, was
-feest, was genot! Plotseling lachte het leven. De nymfen, hand aan hand, slingerden
-zich door de stad en alle vrouwen deden haar na, vertuitten zich met wijnlof het haar,
-trossen aan de ooren, sloegen het beestenvel om schouders en heupen, en zwaaiden de
-pijnappelroê. Alle oogen glinsterden in den vreugdemorgen. Armen grepen elkaâr, van
-most gepurperde lippen zochten elkander; schuchtere liefde zocht schaduw <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>der wouden, of liever loovergeheim nog van wingerd. Plotseling juichte het leven!
-O, hoe tevreden was Dionyzos om verwinning zoo heerlijk, en zonder zweem van smart
-en van pijn voor wie ook, omdat zij allen zijn vreugde wilden. Wèl hem, die hem de
-armen open ontving; wee, wie zijn gaven hem weigerde!
-</p>
-<p>Nu rende Faun met hem op den schouder gezeten door de stad, en zij riepen hem uit:
-Dionyzos! Dionyzos, dank! Hij wuifde de hand, hij schaterde! Hij wierp hun zijn kushanden
-toe. Hij wierp hunne trossen toe. Zij vingen ze op in de gretige palmen. En het was
-de nieuwe wellust overal. In de velden gebeurde het wonder, en Dionyzos schaterde
-er van blijdschap om. Overal plantten de nieuwe wijnbouwers de stokken van den wonderwingerd,
-en de ranken schoten weelderig uit, en de faunen namen de ranken lang en leidden ze
-als feestfestoenen van lagen boom tot lagen boom, van wilg tot populiertje, en van
-berkje tot abeel, en tusschen Demeters armelijke velden festoenden de feestranken
-blijde, als was haar geheele veld éen enkele feesthal geworden, door het welvend azuur
-overbogen. En Dionyzos, meêlijdend om de schrale gewassen, niet door Demeter geacht,
-riep uit:
-<span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span></p>
-<p>—O Demeter, o moederlijke zuster, o Demeter, die ik liefheb en acht! Waarom hebt ge
-in smart om Persefone van Ikaria uw blik afgewend? Kom, o blonde Demeter, en glimlach
-over zoo schrale aren, en zij zullen zwellen in dien nieuwen zonneschijn! O Demeter,
-meng uw goud met mijn purper, als ik morgen ver van Ikaria ben!
-</p>
-<p>En het blijde volk herhaalde Dionyzos’ bede, en het stroomde in Demeters heiligdom.
-Geen middagrust was er dien blijden dag. De vreugde vierde dien morgen niet uit. De
-nieuwe jeugd overal verlustigde ook in de brandendste uren.
-<span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">V.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Over de landen spreidde de mare van de komst van den blijden god, en boden, snelvoetig,
-liepen toe naar het paleis van koning Minyas, beheerscher van Orchomenos, en riepen:
-</p>
-<p>—Heer, schrikwekkende tijding, helaas, deel ik u mede: de morgen rijst op over een
-dag van onheil, zeer zeker. Want dezen nacht naderde over het gebergte een onafzienbare
-vijandelijke strijdmacht de grenzen van uw rijk, en tot ontzetting der naar alle zijden
-vluchtende bevolking, naderen die barbaarsche horden de poorten van uw stad. Tijd
-zal het nauwelijks zijn, Heer, uw leger te verzamelen en den vijand te gemoet te trekken.
-</p>
-<p>Toen zeide, terwijl weeklaagde rondom hem het toestroomende volk, de beheerscher van
-Orchomenos:
-</p>
-<p>—Nooit zullen wij dulden, dat wie ook, nieuwe veldheer of vreemde god, zich met zijn
-<span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>barbaarsche horde dringe in onze bezitting, en onzen rustigen ernst verstore. Wij
-roepen dus ten snelste op de scharen van onze dapperen om den indringer te gemoet
-te treden, en te jagen ver over de grenzen des rijks.
-</p>
-<p>En, inderdaad, ten spoedigste, <span class="corr" id="xd31e1008" title="Bron: verzamelen">verzamelden</span> zich rondom den fronsenden Minyas de dappere scharen der krijgers. En als een bewegende
-wal van ronde schilden, die blikkerden, waarboven spietsten de lansen bliksemend,
-ging, koperen kracht, Minyas’ leger Dionyzos te moet. De god, in den bewolkten dag,
-zag van verre het leger toch naderen, heel snel: de blikkering der schilden, de bliksems
-der lansen, dof, in het sombere morgenlicht. En zijn saters riepen het naderende leger
-toe:
-</p>
-<p>—Hij is de zoon van Zeus! Hij is de zoon van Semele, die verblaakte in Zeus’ blakenden
-gloed! Hij is de god der vreugde! Eert hem, eert Dionyzos! Plukt de vreugde, die wij
-u bieden! Hier zijn de trossen! Voor àllen zijn er purperen trossen!
-</p>
-<p>En dansende de trossen heffende, naderden de saters Minyas’ in zwaar brons gewapende
-strijdmacht. Om zóó vreemde vreugde vijandelijk, en zoo ongekend reuzig ooft, dat
-zeker krijgslist beduidde, aarzelden de krijgers hun pijlen te <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>schieten, of hun lange lans drillend te heffen, vooral toen heel helder de stem van
-den god zelven plots klonk:
-</p>
-<p>—O Minyas, waarom somber als de lucht van den morgen zelven, fronst zich uw voorhoofd,
-onder den blits van uw helm en uw zwarte pluim, die er donker wuift? Waarom treedt
-gij mij te gemoet met zwaar gewapende legerschare, of is het alleen om mij te heffen
-in zege, op uw blikkerende schilden, en mij in thyrsen uw lansen veranderen te doen?
-Wilt ge, dat ik op uw schilden blikkerend mijn faunen beveel druiven te stapelen als
-op schalen breed; wilt ge uw helmen ophouden en er uit drinken bedwelming van mijn
-nieuwe vreugde; wilt ge, dat op een enkelen wenk van mijn agavebloeme-steel een wonderwingerd
-uit den splijtenden grond schiete, tusschen ons beider machten, en ik u toon, dat
-<span class="asc">IK</span> de machtigste ben?
-</p>
-<p>Maar, achterdochtig, en fronsend de brauwen, onder den blits van zijn helm en wuiving
-van zwarte pluim, antwoordde Minyas niet, de beheerscher van Orchomenos, den goddelijken
-Dionyzos; en zijn boogschutters schoten de pijlen af naar de dansende saters en troffen
-hen, tot het gehuil der woeste bokspooten <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>opsteeg pijnklagend, en hun bloed vloeide, te zamen met het bloed der druiven. Een
-razernij beving Dionyzos. Hij stortte zich uit zijn wagen, hij slingerde zich op Ampelos’
-schouder, en, onherkenbaar plots, was hij verschrikkelijk. Die hem volgden, staarden
-hem allen aan. Zijn lachend week knapegezicht was bleek vertrokken in een strakken
-tragischen maskergrijns wreed, zijn bronsblonde lokken stonden kronkelend overeind,
-gelijk aan Meduza’s serpenten, huiverend rondom zijn hoofd. Zijn viooloogen, hard
-als staal, staarden Minyas toe, en zijn anders altijd lachende lippen, blozend van
-wellust-verlangen, vertrokken tot een tronie zijn gansche gelaat, en hij krijschte,
-schuimend, onverstaanbaren klank. Een rilling voer zichtbaar zijn lichaam langs, als
-een koorts, die hem liep over de leden. Zijn aderen zwollen aan zijn heerlijke lichaam,
-en zijn vingers krampten als tijgerklauwen. Nu brullend als een dier, spoorde hij
-Faun, zijn liefsten vriend, wreed den hiel in de flanken, maar niet vertoornde Faun,
-en snelde lastdier-gewillig, voort met den razenden god. En allen, die hem volgden,
-den god Dionyzos in razernij—saters en faunen op panthers en leeuwen, de nymfen van
-Nyza, bakchanten-herschapen, de stervelingen, <span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>Dafnis, Eole, Panszonen groot en klein,—allen, die Dionyzos volgden, stak zijn eigen
-razernij goddelijk aan, zelfs meêsleurende Silenos op witten ezel, die balkte tusschen
-tijgerkatten,—den wijsgeer en meester, dronken en razend om wie zijn goddelijken leerling
-weêrstond! En éene zelfde razernij gaf allen een zoo plots goddelijken kracht, nu
-zij zich stortten op Minyas’ krijgers, dat de wal van koperen schilden beefde, en
-verbrak onder den aanval, en dat naar alle zijden vervluchtten, verflitsten de koperen
-lansen. De saters, schuimbekkend als beesten wild, wierpen zich op de vluchtende krijgers,
-sloegen hun de klauwnagels in de oogen, en in het lillende vleesch, verscheurden krijschend
-de lichamen en hitsten hun leeuwen en panthers aan, die zich wierpen op wie poogden
-te vluchten. Krijschend onder de sombere lucht van wolken grauw, waartusschen zagen
-de goden neêr, omringden de beestevel-omkleedene Bassariden, de bakchanten razend,
-nymfen van Nyza, Minyas’ eigen lijfwacht, niet achtende pijlsteek of bijlhouw, en
-hare wreede woede, huilende, dansende, omcirkelde geheel die keur van krijgers, in
-wie zij de nagels sloegen. Zij waren geen nymfen meer. Zij waren tijgerinnen en tijgerkatten.
-Zeus, vertoornd om wie zijn <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>zoon weêrstond, verzamelde donker de wolken, slingerde zijn bliksem, en de donder
-rolde de hemelen door; de goden, bevende bang, verwijderden zich vol eerbied van den
-oppergod, vader van Dionyzos: fronsend in wolken bleef Zeus alleen, neêrzien op Minyas
-in toorn. En plots zag hij dit: Dionyzos, zijn zoon, onherkenbaar de mooie knaap in
-razernij, zich werpen op Minyas zelven: zoo als een leeuw zich werpt op een stier,
-hem in den nek breed en de schoften zwaar zonder aarzeling de klauwen slaan, verscheurens
-gereed. Dionynos, als een wilde leeuw, brulde, en sloeg de nagels in Minyas’ oogen.
-De koning slaakte éen onmenschelijken kreet en was blind. Maar niet was Dionyzos tevreden,
-en hij riep:
-</p>
-<p>—Minyas, die mij weêrstond, blinde Minyas, nooit heb je goed gezien! Want altijd dacht
-je jezelven een man en een vorst, maar verblind was je al, voor <span class="asc">IK</span> je verblindde, want je bent altijd een wijnstok geweest!! Minyas, Minyas, zie nu??
-Poog dan te zien! Zijn je beenen geen wijnstokken twee? Is je tors niet een tros,
-en zijn je armen niet knoestige ranken? Druipt de most je niet uit de oogenholten,
-als mijn versmade wijn vloeit uit diepe schalen?! Minyas, ben je een man? Minyas,
-<span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>ben je een koning en beheerscher van Orchomenos? Of ben je een wijnstok? Ben je een
-wijnstok? Wacht, persen zal Dionyzos je uit!
-</p>
-<p>En krijschend wierp ten tweede male Dionyzos zich op den vorst, sloeg hem de nagels
-in het lillende vleesch.
-</p>
-<p>—Zie!! riep Dionyzos in zege. Zie nu, poog nu te zien! Je druipt wijn uit overal!
-O, overdadige wijnstok!
-</p>
-<p>Onder den aanval van den razenden god, werd waanzinnig de ongelukkige vorst.
-</p>
-<p>—Een wijnstok? Ben ik een wijnstok? riep hij uit. O, Dionyzos, ben ik een wijnstok?
-Zijn al mijn krijgers dan wijnstokken ook? Een bijl, een bijl! Hier houw ik ze af,
-de wijnstokken van Dionyzos, opdat ik ze plante in mijn rijk!
-</p>
-<p>En, blind, in stroomend bloed, sloeg hij met de bijl woest in het rond, en doodde
-hij zijn eigen krijgers …
-</p>
-<p>Nog fronste Zeus, alleen, toornig in wolken, en hij wierp zijn bliksem voor zich uit,
-en de donder rolde de hemelen door …
-</p>
-<p>Maar bij Minyas’ lijk ontwaakte uit razernij Dionyzos, en riep snikkend:
-</p>
-<p>—O, rampzalige, waarom niet de vreugde aanvaard!
-</p>
-<p class="tb">- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -</p><p>
-<span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">VI.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Dien avond, over de heuvelen, en hooger over de bergen, sneeuwbedekt, onder den wolkenden
-hemel, waardoor heen vaarde, als een witte boot, der maan snel schietende sikkel,
-zwierden, lange rij, hand aan hand, de menaden na Dionyzos’ zege; en van af het slagveld,
-zagen Minyas’ krijgers, die er lagen gewond en vergeten en kermend, schimmig de verschrikkelijke
-vrouwen dansen voorbij op de lucht, zagen zij roode vlammende toortsen, en hoorden
-zij haar schaterende lachen. Nu steunden de gewonde krijgers met den elleboog op de
-ronde schilden, en tuurden zij, brekend de blikken, naar den verren dans en het feest
-daarboven, dat festoende over den heuvelenkling, en rankte hooger de bergkam op. Somber
-in den feestnacht klonk der leeuwen gebrul, en een ezel balkte, belachelijk …
-</p>
-<p>Weeklaagden in pijn de strijders, stervende <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>en bloedende uit, want verscheurd en gereten met nagels hadden de nymfen hen, en met
-klauwen de panthers en leeuwen, en met thyrsen en met agavesteelen hadden hen onmeêdoogend
-gegeeseld de saters, en het zware brons van hun helmen en schilden en speeren en lansen
-had niets vermocht tegen de woede van de wezens des wouds, volgelingen des machtigen
-Dionyzos’! Nu vierde de god daarboven, over heuvelkling, over bergkam, zijn zege,
-en de menaden zwierden … Maar wie gingen over het slagveld heen, waar Minyas’ strijders
-lagen vergeten? Waren het roofzieke dieven, die den stervenden kleinood ontrukten
-en sieraad, dat zij zich bukten over de lichamen?
-</p>
-<p>—Zijn het roofzieke dieven, Lykurgos? vroeg Pentheus zijn vriend, terwijl hij in zijn
-armen te sterven lag, uit zwaar gereten borst bloedende. En willen zij den stervenden
-afrukken … kleinood en sieraad … dat zij zich bukken over de lichamen?
-</p>
-<p>—Zijn het medekrijgers, Pentheus, die ons zoeken om ons op hun schild te tillen en
-naar hun tenten ter verpleging te voeren …
-</p>
-<p>—Niet schijnen zij, die daar dwalend gaan over het slagveld, en over de verslagenen
-bukken, mij boos van aard, en eerder weldadig van doen …
-<span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span></p>
-<p>—Nu naderen ons er twee …
-</p>
-<p>—Wie naderen ons, Lykurgos en Pentheus, dwalende over het slagveld en wie bukken nu
-over ons?
-</p>
-<p>—Wij zijn de faunen van Dionyzos, klonken aan hun oor zachte stemmen; en de god beval
-ons te treden tusschen je allen, verslagenen, en je te laven de veege monden, en zoo
-mogelijk je te genezen je wonden, en je te behouden voor het vroolijke lachende leven,
-want Dionyzos is weldadig aan àllen, die aannemen zijn vreugde en het nieuwe genot,
-en verschrikkelijk is hij alleen, wie, somber, hem tegenstreeft … Wij zijn de faunen
-van Dionyzos … en zie hier, Lykurgos en Pentheus, edele vrienden twee, samenstrijders
-in den bloedigen krijg, wie leeuwen en saters en razende nymfen hebben gereten de
-nu lillende leden, en de van pijn grijnzende gezichten, zie hier! Druiven komen je
-brengen de faunen van Dionyzos! Wij houden den helm je op, en wij persen in den helm
-de trossen uit: zie, het sap druipt ons tusschen de vingers, en wij mengen den most
-met honig, die wij meêbrachten in versche vijgebladeren, en zoet en weldadig zal de
-drank je laven en kracht in je merg doen stroomen! Drink, Lykurgos, en Pentheus, drink!
-<span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span></p>
-<p>—O faunen, weldadig is Dionyzos, wanneer hij verschrikkelijk niet is! O, de drank
-uit onze helmen, de most vermengd met den honig, zoetheid en kracht te zamen … o faunen,
-is het nog mogelijk, dat wij leven, terwijl wij Tartaros reeds zagen zwart schemeren:
-o faunen, is nog mogelijk, dat voor het vroolijke lachende leven wij behouden bleven,
-of is het alleen de troost van het laatste oogenblik, dien je, weldadige faunen, ons
-biedt …
-</p>
-<p>—Diep zijn je wonden, o Pentheus en Lykurgos, maar kracht stroomt je Dionyzos’ gave
-in, en hier zijn kruiden en bladeren van genezende kracht, die vermengd met honig
-en wijn je wonden, zoo niet sterfelijk, genezen zullen, en waarmeê wij stelpen je
-vloeiende bloed. Maar drinkt op nieuw den helm uit, o Lykurgos en Pentheus!
-</p>
-<p>—Lykurgos! zei Pentheus. Mijn oog verheldert zich, en mijn ziel is, ik weet niet waarom,
-zoo blijde. Nu sta ik op, en ik help je opstaan, en al wankelen je beenen, ik voel
-in je, mijn vriend, kracht gelijk aan de mijne stroomen, en ik voel, dat je behouden
-zult zijn voor het vroolijke en lachende leven … O, weldadige faunen … waar is het
-vroolijke, lachende leven …? Wij waren strijders aan <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>de zijde van somberen Minyas, den beheerscher van droefgeestig Orchomenos, en weten
-niet het lachende leven te vinden; o faunen, waar vinden wij het? Waar vinden het
-Lykurgos en Pentheus? Aan de zijde van Dionyzos? Bloeiende rondom Dionyzos? Rankend
-Dionyzos rond? O faunen, waar vinden wij het? Het bloedige slagveld purpert somber
-onder den somberen hemel, door wiens wolken de maan snel schiet; maar waar purpert
-helder het vroolijke leven van Dionyzos’ rijke en lachende gaven?
-</p>
-<p>—Lykurgos en Pentheus, beide genezende en krachtig al, zoo je wilt eeren in dankbaarheid
-en in vreugde den machtigen god Dionyzos … gaat, waarheen je zal leiden … hoort!…
-de schelle fluit van dien kleinen jongen, zoontje van Pan, bokspootig en ruig al van
-wangen, met staartje, dat kwispelt: dartel bokje, dat voor je uit zal trappelen en
-zal pijpen zijn rietje op en neêr, en neêr en op … heel hoog en dan lager, als beekje,
-dat stroomt over rots, schuimt op, en weêr valt, schuimt op en weêr wegvliet … Volgt,
-Lykurgos en Pentheus, het bokspootje blijde en gaat waarheen hij je voert … Wij gaan
-verder het slagveld over, om de helmen van je stervende makkers te <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>vullen met most en met honig … hen te genezen, zoo mogelijk … en velen zal je er vinden
-terug, waarheen je lokt het vroolijke wijsje …
-</p>
-<p>—Lykurgos … zie je het bokje?
-</p>
-<p>—Voor ons uit trappelt het vlug met zijn hoefjes en lachend ziet hij om, ruig in het
-licht van de heldere maan. Hij wenkt ons en fluit! Laat mij je steunen, o Pentheus,
-laat mij je in mijn armen voeren, want niet zoo krachtig ben je als ik … Nu naderen
-wij hem, maar hij schiet weêr voort; met enkele sprongen is hij héel ver! O, nu zie
-ik hem eindelijk! Zijn kopje is als van een kleine guit; een baardje heeft hij waarachtig
-al; twee horentjes steken zijn lofkrans uit; zijn oortjes zijn spits, en twee lelletjes
-hangen hem onder de kin! Zijn staartje kwispelt boven zijn billetjes, en zijn donkere
-vingers kriebelen over het fluitje! Wat blaast hij er schelle klankjes uit, heel hooge
-en dan weêr lagere … Vlug, Pentheus, verliezen wij ons bokje niet, in den nu weêr
-donkeren nacht, want de maan is weg, achter de wolken … Daar, daar zie ik hem, hóog
-op een rotsblok … nu klimt hij naar boven … nu weêr is hij weg … O, Pentheus, ik zie
-hem niet meer … Wacht een oogenblik …: daar giet weêr de maan haar licht … Ik zie
-hem, <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>ik zie hem, o Pentheus … en hij lokt ons: hierheen, hierheen … O, Pentheus, ben je
-sterk genoeg om hem te volgen …? Wil ik je tillen op mijn schouder …? Kan je niet
-verder …? Ben je zoo uitgeput …? Je alleen achterlaten, Pentheus? Neen, nooit, dàn
-laat ik het bokje maar slippen …: ik blijf bij je, mijn krijgsmakker, hoor! O, wat
-fluit nu het mannetje schel, als of hij ongeduldig wordt! Kan je nu weêr volgen, o
-Pentheus …? O bokje, vlug bokje, wij zijn zieke soldaten, nauwelijks door Dionyzos’
-gaven genezen, en wij kùnnen zoo vlug je niet volgen, daar waar het leven vroolijk
-en lachende is!
-</p>
-<p>Maar, Pentheus steunende, streefde Lykurgos en struikelde en viel en stond op weêr,
-en het Panszoontje lokte hem de heuvelen op, en het slagveld viel onder hun blikken
-weg, zich wijd strekkende, sombere vlakte. Weêr was de maan achter de wolken, maar
-een rosse gloed, verder en hooger op, blaakte als een brand, die zich over het gebergte
-verspreidde. De beide soldaten klommen hooger, maar zij zagen het Panszoontje niet
-meer. Tot zij plotseling hoorden gejuich en gelach, tot zij zagen aannaderen den toortsenrook
-en de menaden, hand aan hand, de saters, <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>flambouwen zwaaiende, aandansend van rotsblok op rotsblok, de oogen woest in dionyzische
-vreugde. Met éen zelfden kreet telkens weêr, wierpen zij zich achterover de lenige
-lijven, en wie struikelde en viel, werd opgesleurd, als aan een onverbreekbare ketting
-telkens. En toen zij zagen Lykurgos en Pentheus, riepen de woeste vrouwen:
-</p>
-<p>—Wie naderen onzen dans en ons feest, en zijn naakt van beestevel en wingerdrank en
-zijn ongewapend van thyrs!
-</p>
-<p>—O woeste menaden! riep Lykurgos; hoort ons éen oogenblik: Lykurgos en Pentheus zijn
-wij, krijgers van somberen Mynias; verslagen stierven wij al op het bloedpurperen
-slagveld, maar Dionyzos’ weldadige faunen zochten ons met honig en most, en pleegden
-onze wonden, en laafden ons de dorstige kelen, en een bokspoot, dartel en klein, lokte
-ons met wijze zoo blij de heuvelen en rotsen op, opdat wij het vroolijke en lachende
-leven zouden vinden bij Dionyzos! Menaden, waar is Dionyzos, die zoo weldadig is als
-verschrikkelijk? Menaden, waar is de overwinnaar? Wij willen hem zien en hem eeren,
-met dankbaarheid en met bewondering! Wij vreezen hem en hebben hem lief al! Menaden,
-waar is Dionyzos?
-<span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span></p>
-<p>—Volgt ons, Lykurgos en Pentheus, volgt Dionyzos’ menaden en volgt zijn saters … Hier,
-neemt ter hand een flambouw, opdat je in duister niet struikele over de rotsen en
-verdwijne in afgrond diep …: volgt ons, Lykurgos en Pentheus … Maar eerst, drinkt
-de druiven uit diepe schaal uit …: nieuwe kracht zullen Dionyzos’ druiven je geven …:
-hier, hier, met veil nu omrankt, met trossen beladen, met tijgervel om, de thyrs in
-de hand of de toorts … volgt ons, volgt ons, Lykurgos en Pentheus … en volgt ons tot
-Dionyzos!
-</p>
-<p>En zij volgden de woeste menaden, die hen omringden en meêslierden; de nacht was purper
-van druiven, van toortslicht, van vreugde. Tot zich breidde een hoogvlakte, waar blank
-de sneeuw nog op lag, en een juichen opging en een lachen.
-</p>
-<p>Daar stond Dionyzos in zijn kar en schaterde, en schaterden rondom hem de faunen.
-En omdat zoo schaterde de blijde god en zoo schaterden zijn blijde faunen, zóo, dat
-de lynxen brieschten en brulden, stroomden van alle zijden menaden en saters aan,
-elkander optrekkend aan gordels van veil en lianen,—dronken van wijn en van juiching
-en zege—en weten wilden zij allen waarom zoo schaterde Dionyzos <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>en de faunen rondom hem schaterden …
-</p>
-<p>—O razende Dionyzos! riepen zij uit. Hij is blijde Dionyzos weêr! Zie, hoe hij lacht!
-Zie, hoe hij lacht! Zijn viooloogen lachen, zijn druiflippen lachen, en zijn heerlijke
-lichaam trilt niet van razernij meer, maar van blijden lach! O, razende Dionyzos,
-hij is blijde Dionyzos weêr! God van onze vreugde, zoo razend om tegenstand, wat wekt
-je weêr tot den blijden lach? En wat tot de heerlijke vreugde? Is het de zege over
-Minyas; of zijn het schalen diep, vol pas geperste trossen?
-</p>
-<p>—O menaden, o saters! riep Dionyzos. O, allen, die mij volgt! Niet is het de zege
-over Minyas, niet zijn het versch geplukte trossen, die Dionyzos doen lachen van heerlijke
-vreugde, maar het is Silenos, zie Silenos! Eere Silenos, krijgslistig als wijs! Eere
-den wijsgeer en dapperen strijder! Dronken, was hij onverwinbaar, en geeselde hij
-met agavesteel Minyas’ krijgers tot nederlaag, en ontnuchterd was hij een wijsgeer,
-en reed op zijn ezel wit, de ooren lang en bewegelijk, naar de overwonnen stad, en
-daar praatte hij zoo bezadigd met alle ouden-van-dagen en dikken-van-buik over de
-vreugde zijns goddelijken leerlings, over mijn vreugde, over mij, Dionyzos … dat hij
-hen allen, ouden-van-dagen, <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>en dikken-van-buik, kaal knikkebollende en vet maagplooiende, overhaalde te zoeken
-witte ezelen, als de zijne, omzichtig van tred, en de ooren lang en bewegelijk,… dat
-hij hen overhaalde ze te bestijgen, de lastdieren, gewillig en balkend, en … dat hij
-met zijn stoet ouden-van-dagen en dikken-van-buik … o zie, zie hen aan!… nu nadert
-zijn god en zijn veldheer en leerling, als aanvoerder aan het hoofd zijner schare …
-Komt dan toch, menaden, komt saters, dringt om mij rond, en ziet! Silenos rijdt nader …
-zijn ezel balkt … àl hun ezels balken … oorverdoovend … o, de tijgers brullen,… o,
-de leeuwen brullen … de lynxen brieschen … maar de ezels, de ezels balken … zoo luid …
-zoo hevig … dat ik geloof, in Olympos, de goden uitkijken; en zelfs Zeus, mijn vader,
-lacht tusschen de donkere wolken, om zoo vele, zoo vele balkende ezels! Eert Silenos,
-menaden en saters! Door wijsbegeerte alleen en onweêrstaanbare overredingskracht wist
-Silenos tot Dionyzos zoo vele volgelingen te brengen, die zich nu scharen in het leger
-van vreugde! Weest vroolijk en lacht-uit het leven, o ouden-van-dagen, o dikken-van-buik,
-en weest welkom in Dionyzos’ kamp! De wereld zullen wij overwinnen! Je zult met ons
-de <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>wereld overwinnen! Purperen trossen en blanke nymfen zal je deel zijn en oorlogsbuit!
-Heel het purperen en blanke leven, o knikkebollenden op witte ezels! Hi-ha! Hi-ha!
-Overstemt, ezels, met je gebalk, onzen lach, den schreeuw van menaden en saters, den
-schater van de goden daarboven! Hi-ha; hi-ha! Ezelvolk van Dionyzos, volgt hem in
-den strijd! Menaden, omkranst met ranken en trossen de vroolijke knikkebollers en
-biedt hun den diepen beker! Stijgt af, knikkebollers en danst! Danst in het rond en
-laat schudden je maagplooien op den maatslag der tamboerijnen! Saters, de cymbels!
-Faunen, de fluiten! O, Silenos, in hun midden dans je het mooist, en jij, die de Muzen
-zag dansen op de violette anemonen van Nyza, bent wèl hàar waardigste leerling!!!
-</p>
-<p>En zoo luid schaterde blij Dionyzos, dat zijn lach klaterde over de bergen heen, en
-de balkende ezels overstemde. Maar wat slingerde—in maneschijn en toortsglans afwisselend—toch
-van alle zijden de bergen op, en naar de sneeuwbedekte hoogvlakte toe …? Hier waren
-het de nymfen van Nyza, blijden Dionyzos’ voedsters, en zij voerden meê, al lachend
-en blijde, vrouwen en maagden der stad overwonnen, àlle vrouwen en maagden van Orchomenos,
-<span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>en zij wezen haar, schuchter, wantrouwende nog:
-</p>
-<p>—Zie, daar is Dionyzos! Zie, daar is onze god! Zie daar is onze vreugde! Zie hem aan,
-hoe heerlijk hij is! Hij is de vreugde, hij is het genot!
-</p>
-<p>Maar ginds waren het weldadige faunen, en zij voerden meê, al krachtig en vroolijk,
-Minyas’ gewonde krijgers, àlle krijgers van somber Orchomenos, en zij wezen hun verwonderd
-en wantrouwende nog:
-</p>
-<p>—Zie, daar is Dionyzos! Zie, daar is onze god! Zie, daar is onze veldheer! Zie hem
-aan, hoe onverwinlijk hij is! Hij is de vreugde, hij is het genot!
-</p>
-<p>En Dionyzos riep uit:
-</p>
-<p>—Komt allen tot mij, ouden-van-dagen, dikken-van-maag, matronen en maagden en krijgers!
-Ik ben de vreugde en de purperen vreugde verwint heèl de wereld, zoo als zij heden
-Orchomenos won! Zoodra Eos aan de oostelijke poorten rijst, plant den wijnstok overal,
-tusschen Demeters dan blondere velden! Mengt mij met haar! Ik acht haar als zij mij
-lief heeft! Welvaart zij in Orchomenos en vreugde omkranse die welvaart! Tusschen
-de velden, van lagen boom tot lagen boom, van berkje tot abeel en van populiertje
-tot steeneik, festoent <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>rond en sierlijk de ranken! Wees een feestvlakte, somber Orchomenos! O, sombere nacht,
-haast je af, en rozevingerige Eos, verschijn!
-</p>
-<p>Zoo juichte goddelijke Dionyzos, en de wolken trokken voorbij, de hemel parelde morgengrauw,
-de bergrotsen teekenden scherper zich, en de oostelijke poorten openden met een breeden
-kier, kimstreep van goud.
-</p>
-<p>En aan allen, grijsaards en matronen en krijgers en maagden, deelden de saters de
-wijnstokken uit, en de Panszoontjes, fluitende, lokten tot de gunstige plekken. Dionyzos,
-op Fauns schouder getorst, bezocht alle gunstige plekken, tot hij plots, de stad wit
-er zuilende achter, het paleis van den verslagenen beheerscher, Minyas, den vorst
-van Orchomenos, zag, waarom met vele beweging en stemmen luid menaden haar thyrsen
-zwaaiden. Toen riep Dionyzos:
-</p>
-<p>—Zegt mij, blijde menaden, wat roept gij zoo vele beweging met stemmen luid op om
-het paleis van Minyas, den verslagen beheerscher Orchomenos’?
-</p>
-<p>—Dionyzos! riepen de menaden woest. Zij schenden je goddelijke wet, de sombere Mineïden,
-de dochters drie van Minyas, dien je versloeg in den verschrikkelijken strijd!
-<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span></p>
-<p>—En hoe schenden zij, o menaden, mijn wet?
-</p>
-<p>—Zij weigeren, de Mineïden, deel te nemen aan onze reien en ronde, het beestevel om
-schouders en heupen te slaan, den tros aan haar slapen te hangen, hard de tamboerijnen
-te slaan en de thyrsos breed omme te zwaaien! Zij weigeren te komen uit haar paleis,
-waar zij blijven aan den somberen arbeid, waar zij weven de lijkwâ haars vaders! O,
-Dionyzos, nu zullen wij gaan tot in haar paleis en haar slieren in vreugde naar buiten,
-en, zoo zij weigeren vreugde te vieren, haar verscheuren als waren tijgerinnen wij
-allen?
-</p>
-<p>Maar Dionyzos sprong af van Fauns schouder en hij drong langs de menaden door in het
-paleis. Daar zaten somber in het vrouwenvertrek aan het weefgetouw de zwart gesluierde
-maagden en zij bereidden de lijkwâ haars vaders. Zij zagen niet op en arbeidden door,
-terwijl de blijde god stond op den drempel en het binnenpaleis plots straalde van
-zijn goud goddelijken glans. Zij zagen niet op, en hare oogen treurden, hare sluiers
-treurden, hare wevende handen treurden, en hare zwijgende lippen treurden. In zwijgenden
-arbeid treurden zij, zonder tranen. Toen zeide haar Dionyzos:
-</p>
-<p>—O treurende Mineïden, hoort mij aan, mij <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>Dionyzos, den blijden god van vreugde, die je somberen vader versloeg. Deze dag is
-een vreugdedag, want vreugde ging over Orchomenos op, en wijd welft zich de blauwende
-hemel! Mijn wijnstok plantten mijn saters overal tusschen Demeters velden en de snel
-schietende ranken, waaraan wonderwelig de purperen trossen al zwellen, festoenen zij
-feestelijk van lagen boom tot lagen boom, van steeneik tot populiertje en van berkje
-tot abeel. Een feestvlakte herschept zich Orchomenos. O treurende Mineïden, smart
-om den verslagenen vader treurt uit je zwijgenden arbeid, treurt uit je neêrziende
-oogen, en wevende handen en geslotene lippen, maar, gelooft mij: dag van smart is
-niet deze! Dag is hij van purperen vreugde. Beweent morgen den somberen vader, weeft
-hem morgen de lijkwâ, en bewijst hem de treurige eere: niet zal Dionyzos zich morgen
-verzetten, die ver dan zal zijn! Maar deze dag, wiens licht ziet den wijnstok geplant
-op alle gunstige plekken Orchomenos’, deze dag is een dag van vreugde. Slaat af de
-sombere sluiers, laat rusten de weefspoel aan de al half bereide wade des vaders en
-slaat om de maagdelijke leden vel van lynx of van spikkelige tijgerkat, vertuit je
-met zwellende trossen, plant een <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>wijnstok tegen dit vorstelijk paleis en hebt vreugde om je land, dat zich in vreugde
-herschept, en voortaan zal Orchomenos blijde wezen. Morgen, o treurt, Mineïden, en
-herneemt den somberen arbeid: maar heden, voldoet aan Dionyzos’ bevel en eert zijn
-blijde wet!
-</p>
-<p>Maar zwijgend bleven aan treurenden arbeid de sombere Mineïden, en de menaden achter
-Dionyzos dringende, riepen uit:
-</p>
-<p>—Wij verscheuren haar allen, o Dionyzos, als tijgerkatten, wij allen?
-</p>
-<p>En tusschen alle zuilen drongen zij door, gereed zich op de vorstelijke maagden te
-werpen.
-</p>
-<p>Maar Dionyzos hield met opengebreide armen haar tegen.
-</p>
-<p>—Laat af, o woeste menaden! Aan Dionyzos de dochteren, als de vader! Aan mij is alleen
-de straf en de wraak over deze vorstelijke maagden van treurigheid. O, treurende Mineïden,
-nog eenmaal roept Dionyzos je tegen: voldoet aan zijn vreugdebevel en eert hem zijn
-blijde wet!
-</p>
-<p>Maar zwijgend bleven aan treurenden arbeid de sombere Mineïden.
-</p>
-<p>Toen lachte Dionyzos verschrikkelijk.
-</p>
-<p>Dat was niet zijn blijde lach, maar dat was zijn vreeselijke grijns, die zijn heerlijk
-gelaat verwrong tot een masker, plotseling onherkenbaar, <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>ontzettend. En zijn thyrsos geheven, riep hij het wonder op te gebeuren.
-</p>
-<p>Het paleis van den verslagen beheerscher Orchomenos’, somberen Minyas, beefde, en
-aan alle zuilen, uit splijtenden grond, wies wonderwelig de wingerd op, festoende
-de zuilen rondom, hechtte zich aan architraven, rankte van kapiteel tot kapiteel,
-en liet overdadig in ironische vreugde zijn zware trossen purperen tusschen de bladeren
-groot. Nu zagen de treurende maagden op, nòg wevende in het blijde prieel. Hare groote
-oogen begonnen te weenen, en de groote tranen parelden zwaar neêr en vielen in hare
-zwarte sluiers, omdat zij herdachten haar vader. En zij weefden aan zijn wade voort,
-terwijl de trossen neêrvielen rondom haar heen, en het druivensap over haar stroomde.
-Maar zij hielden geen schalen op in het blijde prieel, dat om haar somber paleis was
-gerankt, en zij weefden, zij weefden voort. Toen, voor de tweede maal, beval Dionyzos
-te gebeuren het wonder. En drie kreten van pijn en van afschuw vervulden geheel het
-land, zoo dat in de velden de blijde wijnbouwers staakten en luisterden, en rondom
-het weefgetouw zaten geene drie treurende maagden meer, maar klapwiekten met schermwieken
-vleêrmuizen <span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span>drie, fladderden angstig rond om elkander en de half afgewevene lijkwade en klapperden
-op en scholen weg in den wingerd en omdat woest lachten de woeste menaden en haar
-wierpen met druivetrossen, flapperden te voorschijn de vleêrmuizen weêr, stieten klagenden
-kreet na klagenden kreet en verlieten op haar slapperende vlerken het prieelpaleis,
-en verdwenen in schaduw van bosschen.
-</p>
-<p>Zoo, tusschen de druiven, bleef ongeweven de lijkwâ van Minyas, den somberen beheerscher
-Orchomenos’!
-</p>
-<p class="tb">- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -</p><p>
-</p>
-<p>Maar toornige Hera, de pauw aan haar zijde, naderde Zeus, en zij riep:
-</p>
-<p>—O Zeus, ziet ge wat ginds gebeurt! Niet is het genoeg, dat je bastaardzoon, Dionyzos,
-onbezonnen, met wulpschen stoet van al wat wellustigst en dartelst is, nieuwe plant
-als een onkruid en gif voort laat tieren langs alle oorden van Hellas, maar edele
-vorsten verscheurt hij in zijn razernij van wild beest, die niet waardig eens gods
-is, en geen der goden, die tusschen treedt! Zij lachen, zij lachen om Dionyzos, de
-wolken verschuivende, en zij vermaken zich om zijn dartelheid, onbezonnenheid, <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>zijn wulpschen wellust en overmoed. Zij lachen, zij lachen, de goden; zij slaan niet
-van hem hun oogen af, en, ik geloof, zij benijden zelfs den stervelingen het purperen
-gif, dat hij uit zijn trossen hun perst! Maar Zeus, niet is dit alles genoeg, want
-Dionyzos stelt zijn knapewet boven menschelijke wet, boven goddelijke wet, en verhindert
-treurende dochteren te eeren eens vaders gedachtenis, te weven zijn wâ, en hem te
-beweenen in het diepst van haar paleis! Hij spot met haar smart; hij laat zwellen
-zijn trossen en festoenen zijn ranken, daar waar haar tranen vloeien; hij stoort haar
-den arbeid en, o schande, o smaad! hij verandert haar, omdat zij somber zijn, in vleêrmuizen,
-lichtschuw, zoo dat zij, ten einde raad, wanhoop en smart, zich voor eeuwig in duistere
-bosschen verschuilen! Zeus, roep ik te vergeefs? Zeus, straft ge dan nooit, wie mij
-ergerlijk is? Zeus, laat ge een orde, door goden gesteld en door menschen geëerd,
-door uw bastaardjongen verstoren? Ongestraft? Ongestraft?
-</p>
-<p>Maar Zeus fronste de brauwen, en om zich verzamelde hij wolken, en, zacht donderend,
-klonk verschrikkelijk zijn stem.
-</p>
-<p>—Hera, wat smaadt en smaalt ge den blijden god Dionyzos! Zie, waar de wereld <span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span>oud was, verjeugdigt hij haar; waar zij arm was, maakt hij haar rijk; waar zij somber
-was, schenkt hij haar vreugde! Hera, waar Minyas hem weêrstond, met bronsgewapende
-krijgsmacht, moest hij wel sneuvelen tegen de purperen vreugde, want <span class="asc">ZIJ</span> zal de wereld verwinnen: Dionyzos zal haar verwinnen: het is zijn erfdeel, dat ik
-hem gaf. Boven orde heerscht hoogere Orde, en het noodlot van goden en menschen, breidt
-zijn ring onontwijkbaar. Wee de treurende Mineïden, dat Dionyzos haar noodlot voltrok!
-</p>
-<p class="tb">- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -</p><p>
-</p>
-<p>En Zeus, donderende, verschool zich in wolken geheel, terwijl snerpend opklonk de
-kreet van den pauw, toornig zijn wielstaart uitwaaierend met oogen van goud en smaragd
-aan de zijde der hemelvorstin.
-<span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">VII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Dagen van arbeid en vreugde, dionyzische dagen van purperen arbeid en purperen vreugde
-volgden elkaâr, sprenkelend welvaart en blijden moed, en, des nachts, met zijn altijd
-aangroeiend leger, reisde de god over vlakte en gebergte voort, en overwon in den
-morgen en plantte den wijnstok en des middags in koele schaduwen duurde de siesta
-der rust en der liefde zóó lang, dat de middag een nacht was, terwijl de nacht zich
-in feest herschiep, reisde niet voort Dionyzos. Nu verwachtte men den god overal en
-overal liepen de boden uit, den beheerschers zijn aankomst te kondigen, en overal
-trokken de saters vóór en toonden onwetenden druivetrossen, en wie éens had de druif
-geproefd met verlangende lippen, zag gretig naar den god Dionyzos uit, en velen vielen
-hem dadelijk bij, en riepen uit zijn zege. Uit alle overwonnene oorden volgde men
-den god Dionyzos, en zijn leger wies aan, <span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>onverwinbaar, want één zelfde vreugde en, om tegenstand, één zelfde razernij bezielde
-wie hem ook volgde …
-</p>
-<p>Teeder als vriend had Faun neêrgevlijd het bronsblond omlokte hoofd van den god op
-mossige kussens en riep hij, heel zacht fluisterende, de duizende viooltjes op, die
-altijd den slaap van Dionyzos omgeurden, hem ter eere wademend haar wierook; en uitgerust
-dwaalde Ampelos verder door de overwonnene wouden van Karië. En zoo blijde was hij
-om Dionyzos’ zege en zoo blijde om Dionyzos’ liefde, dat hij glimlachte in zijn blijde
-zelf, en zijn lange fluit jubelen deed, zacht en toch vroolijk, door de middagschaduwen,
-die stoofden onder de zongeblakerde looveren der eiken. Maar suikerzoet balsemden
-de accacia’s met vol bloeiende trossen den middag, en zóó van weeldeherinnering en
-warmte gloeide de Faun, dat zijn wilde-katvel hij neêrslippen deed van zijn schouder
-en het, den kop en de pooten slap, weggooide in het lage hout. Donzig zijn huid goudgetint,
-dwaalde hij naakt, kalm en vroolijk. Nu floot hij de vogelen wakker en zij antwoordden
-hem, even loom tjilpend. Nu plukte hij de accacia-trossen en proefde de bloemen zoet.
-Nu spiegelde hij in het water der beekjes en lachte zich toe, pogende <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>zichzelven te omhelzen, speelsch, zijn wegrimpelende beeltenis in het water … Een
-najade, een oogenblik zichtbaar blank, lachte hem uit, en hij liep haar na, maar zij
-dook weg tusschen iris. Uit de looveren oogden hamadryaden, slaperig, en hij omhelsde
-er eene, maar zoo slapensmoê was zij, dat zij nauwlijks ontwaakte in zijne omhelzing
-en hare zusteren lachten, toen zij verschrikt zich gevangen zag. Maar de najade, opduikende,
-lokte hem verder den stroom af, en hij greep haar en zij gleden in vochte omhelzing
-het water af, of poosden op rotsblok. Hij vertelde haar van Dionyzos, en zij beloofde
-te zullen komen dien avond in het vreugdekamp, nieuwsgierig naar druiven vooral. Alleen
-doolde hij verder, Karië’s wouden door, blij om zijn doellooze dwalen. Tot hij plots
-een zucht hoorde diep, en hij ontstelde om zoo smartelijken zucht in de zoele blijde
-bosch-schaduwen, en luisterde. Maar er klonk niets meer na. Toch scheen hij de echo
-heel fijn van dien zucht na te hooren in de gestoofde lucht trillen: hij liep toe
-in de juiste richting en het lage hout kraakte onder zijn tred. En daar zag hij plots
-éen slapen, in heel donkere schaduw; een jong lichaam, wit en rank; hij meende dat
-eener maagd, eener nymf. Schalk wilde hij naderen om haar te <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>verrassen, toen Faun zag, dat die daar sliep, was een knaap, jongeling bijna. Hij
-lag voorover in het weeke mos, en in zijne armen beide rustte zijn hoofd, lang gelokt,
-en de lange lokken geknoopt in een wrong. Maar nu Faun vlak stond bij den slaper en
-neêrzag, bespeurde hij, dat de jongeling geheel den zwellenden boezem had van een
-maagd, of eene nymf, en dat hij beiden was, knaap en maagd. Hij was heel lenig en
-slank van leden, en in zijne sluimering, die droef moest van droomen zijn, want zijne
-lippen treurden bijna verwijtend, was tusschen ronden rug en welvenden onderrug het
-middel diep geknakt en van leest vrouwefijn. Nu zuchtte hij weêr in den slaap en de
-slanke voet trilde in madelieven. Zijn zucht, even, schokte geheel zijn uitgerekte
-lichaam en zijn droeve hoofd huiverde op zijn armen, van smart. Lang bleef de Faun
-kijken, stoorde zijn slaap niet, maar zag toe, zette de fluit aan zijn lippen zich …
-En hij floot, heel zacht, iets van de blijde wijze, maar zoo van toon gedempt, dat
-het nauwlijks duidelijker was dan bruischen van bladeren of ander geheimzinnig boschruischen,
-groeien van kruid en geuren van bloemen: dat àl wat de woudwezens hooren. En de verwijtende
-lippen des slapers rondden zich even vroolijker, en hij <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>sliep weldadiger door, zonder zuchten. Hij sliep heel lang en plots ontwaakte hij—open-oogen,
-zag op. Hij richtte zich op den elleboog hooger. Maar hij schrikte toen hij Faun zag,
-en had een beweging van schaamte en van vlucht. Maar Faun glimlachte en stelde gerust
-met een lief gebaar van zijn breede hand. En de slaper bleef liggen, en herstrekte
-zich uit. Hij zweeg, en zij zwegen beiden. Maar toen zeide Faun zacht en voorzichtig:
-</p>
-<p>—Vertrouw mij toe wie je bent?
-</p>
-<p>—En wie ben je zelve, die waakte over mijn slaap?
-</p>
-<p>—Ik ben Ampelos, Dionyzos’ Faun, en ik dwaalde door Karië’s wouden in den zongestoofden
-middag …
-</p>
-<p>—Ik weet niet wie is Dionyzos, maar ik weet wie ikzelve ben, een treurende en toch
-goddelijk van oorsprong, maar niet blijde als goden zijn …
-</p>
-<p>—Zeg mij dien oorsprong …
-</p>
-<p>—Ik ben niet gewoon te spreken; ik leef eenzaam, eenzaam dwaal ik, en niemand van
-goden of faunen of nymfen, met wie ik lach of vroolijk ben: alleen de nymf Salmakis
-zoekt mij, eenzaam, op, en vervolgt mij, en bang ben ik voor haar, omdat zij heel
-donkere oogen <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>heeft, waarin gloeit een mij vreemd verlangen.
-</p>
-<p>—Spreek verder …
-</p>
-<p>—Ik ben niet aan woord en aan klank gewoon: ik zwijg steeds, of ik zucht heel diep.
-Ik dwaal eenzaam, en als mij Salmakis ontdekt, vlucht ik haar ver, en val, moê, in
-slaap diep.
-</p>
-<p>—Wie ben je en wie zijn je ouders?
-</p>
-<p>—Mijn ouders zijn goddelijke goden. Van schitterend verstand lichtende Hermes was
-vader mij, en moeder was van schitterende schoonheid goudene Afrodite. Zij zijn beide
-de schoonste en heerlijkste van alle goden, mijn stralende ouders. Maar vader verwekte
-mij en moeder baarde mij, dof van smart. Ik geloof, dat ik de ontroostbare Weemoed
-ben, want die naam fluisterde mij riet toe, en zongen mij bloemen, en bruischte mij
-koude wind, in den eenzamen nacht. Ja, ik ben de ontroostbare Weemoed. Ik ben Hermafroditos,
-maar niet schitter ik van verstand als mijn vader, verstandigste aller goden, en niet
-lach ik goud, als mijn moeder: de wellust van goden en menschen, en hun aller opperste
-schoonheid. Ik ben eenig, tusschen allen, en eenzaam blijf ik in het woud, overvol.
-Ik ben, zie, maagd en knaap, en ik ween veel omdat ik ben maagd en knaap. Liever ware
-ik maagd, of ware ik knaap, dan beiden te zijn in ontroostbaren <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>weemoed. Want liefde, die ik zoû vinden willen, weet ik niet waar te zoeken; de nymfen,
-behalve Salmakis, wier donkere oogen gloeien als die van een tijger, lachen mij schel
-uit als ik nader en een oogenblik mijn schuchterheid overwin. Mijn ouders zoeken mij
-niet. Zij hebben mij weinig lief, als of zij zich schamen voor mij. En toch bruischte
-mij stormwind eens toe, dat <span class="corr" id="xd31e1201" title="Bron: Oorsprong">oorsprong</span> van goden en hemelen en aarde en menschen niet anders was dan ik, knaap en maagd
-beide. Maar stormwind wekte geen trots in mij: ik ben de Ontroostbare Weemoed! O,
-zoo mijn vader mij niet vergat, en hij daalde even neêr tot mij, in zijn boodschappende
-vlucht, hoe blijde zoû ik zijn hem zijn enkelvleugels los te binden, en hem rusten
-te doen, even zittende! O, zoo mijn moeder, lust van goden en menschen, mij niet vergat,
-en zij straalde even neêr tot mij, mij badende in haar gouden glimlach, hoe zalig
-zoû ik zijn, mijn armen om haar leest als een gordel te slaan en haar knielend te
-zeggen, dat ik haar aanbid! Maar mijn ouders zoeken mij niet. Ik dwaal slechts Karië
-door, en mijn grootste troost is mijn slapen, ook al zijn àl mijn droomen droef …
-Faun, wat zeg ik je zoo vele woorden? Nooit heb ik er zoo vele gezegd …
-<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span></p>
-<p>—Weemoed-oogige Hermafroditos, zoon van lichtenden Hermes, en dochter van goudene
-Afrodite, stort in woorden je weemoed mij uit … Want is Weemoed onzegbaar en hoe kan
-Weemoed ontroostbaar blijven, als Dionyzos niet verre is …?
-</p>
-<p>—Ik, eenig en twee, zijn eenzaam altijd mijn dagen gebleven, want ik vluchtte de eenige,
-die mij nabij kwam, donkeroogige nymf Salmakis, en hoe ik ook twee was, eenzaam ben
-ik immer gebleven, zoowel eenzaam voor mijn mannelijkheid als voor mijn maagdelijkheid
-eenzaam. Waar het verlangen mij dubbel smachtte, bleef ik dubbel onvoldaan, en vluchtte
-ik slechts dieper in schaduw, bang en schuchter voor Salmakis, en bang en schuchter
-voor mijzelven. Eenzaam bleven mijn nachten, en ik luisterde naar den nacht. Wijd
-en eenzaam bleven rondom het woud en de wereld, en de weemoed weligde in mij als donkere
-klimop. Nu is mijn ziel zwarte weemoed slechts, als donkere cypressen in klagenden
-wind. O Dionyzos’ Faun, waarom zeg ik, eenzame zoon der lichtendste goden, eenzaam
-kind, dat steeds vluchtte, je <span class="asc">ALLES</span> in vreemd en nieuw vertrouwen? Waarom kan ik niet anders dan zeggen, en vloeien mijn
-woorden als stroomend water plotseling, na <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>altijd te hebben gezwegen …! Je glimlacht maar, en maar even heb je van Dionyzos gesproken.
-Maar ik weet niet wie hij is. Is hij een god? Is hij verstandig als Hermes? Is hij
-goudstralende als Afrodite? Zal hij als mijn ouders wreed zijn en onachtzaam? Waarom
-sprak je zijn naam uit? Je bent zijn Faun, maar wie is hij …?
-</p>
-<p>—Hij is, o weemoedoogige Hermafroditos, hij is de vreugde, die nadert … Hij is de
-purperen vreugde, die nadert, door de woudschaduwen van Karië heen … En opdat hij
-niet dwale, en vinde vlug, speel ik de blijde wijze … Hoor …! Zoo klinkt de blijde
-wijze! Zie … viooltjes laat ik opbloeien, omdat viooltjes hem lief zijn: hij slaapt
-gaarne op viooltjes, hij loopt gaarne over viooltjes; op viooltjesgeuren zal hij naderen …
-Hoor … Zoo klinkt de blijde wijze … Hermafroditos … zie in het water hier, en spiegel
-er in je glimlach … Zacht glimlachende Hermafroditos … het is niet om mij, mijn blijde
-wijze en mijn viooltjes: het is om Dionyzos, die nadert … Hoor je niet, Hermafroditos,
-het woud ruischen van zijn nadering? Zijn zoekende tred kraken het lage hout? De vogels
-tjilpen zijn weg langs, de hamadryaden lachen …? Zij lachen en oogen en tjilpen hem
-na, als hij komt en voorbijgaat, omdat hij de <span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>vreugde is … Strijk, glimlachend, over je voorhoofd, dat droef was zoolang: Hermafroditos,
-Dionyzos nadert … O, hij nadert, ik hoor hem dicht bij … Schel fluit ik mijne blijde
-wijze nu opdat hij ons dadelijk vinde …!
-</p>
-<p>En de Faun jubelde schel de wijze, zegevierend over vogelgetjilp heen, over ruischen
-van bladeren, en bruischen van water, en strijken van bries heen door twijgen. En
-een blijde stormwind, plotseling, scheen te waaien door het huiverende woud: het lage
-hout kraakte, en bij de laatste tonen der wijze blij, week Dionyzos met beide handen
-de looveren open, en verscheen hij, in verrassing glansstralende …
-</p>
-<p>—Hier ben ik! Hier ben ik, Ampelos! Wat verliet je, ontrouwe slaper, mijn zijde, en
-dwaalde alleen door het woud, en wat wekte je mij met de wijze zoo blijde, en wat
-deedt je overal in het woud viooltjes als een pad mij ontbloeien! Wat wil je dan van
-Dionyzos? Dat hij plante? Maar het is niet het uur van den arbeid! Het is het uur
-van het zachte ontwaken uit welverdiende rust, na feest, overwinning en arbeid! en
-het is het bereiden voor het volgende feest! Want nadert de avond al niet violet?
-O, de feesten van Dionyzos, in Selene’s glans of bij toortslicht, welke feesten <span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span>zijn blijder en zijn weldadiger? Zie ik de goden niet oogen tusschen de wolken door,
-verzameld in Olympos en kijken naar ònze feesten, benijdende ònze vreugde? Ha-ha,
-Ampelos, Hefaistos was goedgezind zijn geliefden broeder Dionyzos; kunstige werkman
-hij, bracht hij zoo even, toen ik ontwaakte, mij een geschenk, bewijs van zijn liefde:
-prachtig is het geschenk als Hefaistos alleen het kon wrochten: reuzig groot mengvat
-is het van edel goud, gedreven sierlijk met trossen en ranken, en den most zullen
-wij er met de honig in mengen, dezen nacht, ter eere van kunstigen Hefaistos! Blijde
-was hij zijn mengvat te geven, omdat hij mij lief heeft om vreugde, die ik geven de
-wereld zoû … Maar Ampelos, zeg, waarom floot mij de blijde wijze over viooltjes naar
-hier? Wat vriend, wil je van Dionyzos!! Voor planten is het de ure niet!
-</p>
-<p>—O Dionyzos, ik floot de blijde wijze, opdat je zoû komen en vreugde zoû sprenkelen.
-</p>
-<p>—Vreugde sprenkelen op zoo donkere plek? Tusschen cypressen en steeneiken donker!
-De viooltjes, duizenden, lijken mij paars niet, maar zwart in zóó veel schaduw! Ampelos,
-waarom zocht je een plek uit, die niet gunstig kan zijn noch voor druif, noch voor
-vreugde … <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>Mijn oogen, van Hefaistos’ geschenk, zijn verblind, zien niet de donkere cypressen
-door … Toch zie ik, ben je alleen niet, Ampelos … Wie schuilt hurkende weg in de schaduw …
-Is het een nymf, die bang is voor vreugde? Neen, ik zie een slanken knaap! Toch niet,
-ik zie een nymf! Ampelos, wie is dit, knaap en maagd beide, en zoo schuw in cypressenschaduw!
-</p>
-<p>—O, Dionyzos, het is weemoedoogige Hermafroditos, zoon-en-dochter beide van Hermes,
-van verstand stralende, en Afrodite, stralend van schoonheid, en nooit heeft hij de
-vreugde gekend in de eenzaamheid van Karië’s donkere wouden! O Dionyzos, sprenkel
-hem vreugde!
-</p>
-<p>Zoo drong glimlachende Faun, en lang zag Dionyzos naar den schuwen knaap met de zwellende
-maagdeborst. En terwijl de god zag, was er een zwijgen in de viooltjes-doorstoofde
-cypressenschaduw, en eene ònbeweging en roerloosheid. Toen glimlachte Dionyzos, en
-hij knielde neêr bij schuwen Hermafroditos, die hurkte weg, schuchter, vol schaamte,
-zich hurkende bedekkend met beide handen, zoo beneden als boven, voor den blik van
-den god. Tot de blijde god Dionyzos heel zacht zeide troostvolle woorden:
-<span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span></p>
-<p>—Schuwe knaap en mij broeder en zuster, godekind, kind der glanzendste goden! Achtten
-Afrodite niet en Hermes hun spruit, omdat hij was mannelijk en vrouwelijk, en twee
-vereenigt in zich? O, schuwe knaap, niet altijd was verstandig enkelvleugelig-vlugge
-Hermes, en je heerlijke moeder, gemakkelijk in liefde en lust van goden en menschen,
-schaamde een ènkelen keer zich wel eens haar daden en de herinnering er aan! Toch
-behoefde zij nog Hermes te schamen zich zoo lieflijk kind, éen-tweeling, dien zij
-achterlieten op woest gebergte of in donker woud. Wel zijn de goden onnoodig soms
-wreed voor hun kinderen en laten onbeschermd aan het noodlot hen over! Schuwe knaap,
-en mij broeder en zuster, laat zacht Dionyzos je streelen over je golvend in wrong
-geknoopt haar, zoo als hij een jonger broêrtje zoû doen, of doen zoû een jeugdiger
-zusje … Hef de oogen op en zie Dionyzos aan:… laat Dionyzos de handen je beiden nemen
-en te niet doen je schaamtegebaar, dat niet is noodig voor wie zich, zelfs in cypressenschemering,
-zoo lieflijk vertoont, en zoo mooi, zoo rank en zoo edel gevormd en lenig in mengeling
-der schoonste vormen van schoonste ouders, die goden zijn! O, weemoedoogige Hermafroditos,
-word met trots je <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>bewust, en schaam je niet meer, verhef de armen in een blijde verlossing uit weemoed,
-en wees wie je bent in jubelende blijdschap! Verlossen uit weemoed zal je Dionyzos
-dit oogenblik en blij jubelen zal hij je leeren deez’ nacht, in den reidans om het
-mengvat van den kunstigen Hefaistos … Schuwe knaap … nu rijst Dionyzos op en hij strekt
-beide handen je toe: rijs op aan zijn handen … Zoo, laat Dionyzos je steunen, zijn
-arm om je leest … Ampelos, ga ons voor en speel ons voerende, opdat wij gedachteloos
-kunnen volgen over het geurige pad der viooltjes … Hermafroditos, de avond valt, en
-dikwijls is weemoed de vallende avond, maar is deze avond, vallende, weemoed? Of is
-hij aanvang van blijden moed? Laat mij je steunen op het vreugdepad en huiver niet
-in mijn zachte omhelzing! Is deze avond geen blijde moed? Zie … door de boomen glinstert
-de zee ginds, tusschen de ijlere looveren zie ik den in avond verparelden hemel welven
-en de sterren ontluiken, madeliefjes van vreugde in een groot lila veld … Kom, Hermafroditos,
-kom … Wees voorbereid op de vreugde … Laat Dionyzos je voorbereiden, opdat je niet
-schrikke, en vluchte … Ginds, waar donkerder al neêrvalt de nacht en al toortsen rossig
-opschemeren, <span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>zal jubelen aanstonds de vreugde; vlucht niet en verschrik niet, Hermafroditos, als
-je de vreugde ziet en hoort jubelen! De vreugde om Dionyzos’ zege! Kijk eens, zachte
-broeder en zuster teêr, kijk eens:… dit zijn druiven! Dit is een tros van druiven!
-Die heb je nog nooit gezien? Mooi zijn ze, niet waar, Dionyzos’ purperen vruchten!
-Proef ze eens … Neem den tros in je handen beide … Druk den tros eens aan je lippen …
-Zoen eens den tros … heel zacht … Kijk, het waas is er afgekust door je lippen nu,
-en heviger purpert het ooft … Pluk nu eens een kraal van den tros af … Zoo, voorzichtig …
-druk de kraal uit tusschen de lippen, aan het verhemelte … Hermafroditos … glimlach
-je? Is dat zoet? Nu weêr een kraal … Schaal heb ik niet op dit oogenblik, maar houd
-als schaal je handen te zamen eens … dicht de vingers geperst … Nu zal ik uitdrukken
-den tros in je handen … Zie, het heerlijke druivenbloed … Drink nu, Hermafroditos …
-Dit is het nieuw genot … En drink je het, Hermafroditos, dan zal je overal zien in
-de wereld, die Dionyzos verwint, het nieuwe genot overstràlen de somberheid en den
-weemoed ook … den weemoed òok, Hermafroditos … Broeder, word je bewust! Zuster, <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>word je bewust! Wees blij om het dubbele leven! Jubel … O, laat mij je niet verschrikken!
-Ik wil niet dan voorzichtige woorden zeggen, om je niet te veel verschrikken te doen,
-schuwe Hermafroditos … Maar ginds zijn niet voorzichtig mijn saters, en mijn menaden
-zijn wel eens razend van vreugde, maar lachen, o zal je zeker, om Silenos; hij is
-mijn meester, wijsgeer is hij, en een ezel berijdt hij, gewillig en wit, met ooren
-lang en bewegelijk, op wiens hals neêrplooit zijn dikke maag, en achter hem rijden,
-op ezels, Silenen als hij, knikkebollend en dik, en àllen, vol wijsbegeerte en vol
-zoete druifs, en als je hen ziet, o schuwe knaap, lach je zeker, lach je zeker … Dan
-moet je heel spoedig fluit leeren spelen, en de Panskindertjes zullen je leeren: zij
-spelen fluit al van zelve, dat gaat op en neêr, als stroomend water. Hoor je ze?…
-Dat zijn de Pansfluitjes … Faun heeft mij aangekondigd … Wijk nu niet van mijn zijde,
-Hermafroditos, opdat je, zoo schuw, niet verschrikke, en ik, zachtjes-aan, je de vreugde
-leere … Blijf hier staan, en zie toe:… kijk, zij dansen om het gouden mengvat! Zij
-roepen mij uit, eere, en eere Hefaistos kunstig! Zie, dat is niets dan vroolijkheid.
-Daar zijn mijn brave faunen! Daar zijn mijn <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>dolle saters! O Hermafroditos, ook veel sterfelijken zijn gast mij en volgeling en
-medestrijder voor de vreugde … en jij bent een godekind, glanzend! en gast, volgeling
-en medestrijder zal je zijn in Dionyzos’ vreugde … Kom nu nader, en wees niet bang!
-Menade, kom hier, maar wees niet zoo ruw als een wilde tijgerkat, want dit is schuwe
-dochter-en-zoon van allerglanzendste goden, en je mag niet zijn teêre ziel verschrikken …
-Breng een mooi gespikkeld vel van lynx … zoo, en knoop het om Hermafroditos … zoo …
-over schaamte en boezem, opdat hij zich wenne aan vreugde, en vrij zijn handen hebbe
-om te plukken en te persen druiven … Geef nu een rank, menade, en krans mijn gast
-het hoofd … Hang hem aan de slapen twee trossen … O, wat is hij heerlijk, mijn gast,
-van schoonheid en van ontwakende vreugde … Meng je nu in de vreugde … Nog niet, o
-schuwe gast? Blijf je aan Dionyzos’ zijde? Goed … lieve gast … o, blijf dan nog …
-en, hier, laat met een zoen Dionyzos je op het teederst liefhebben op oogen, op wangen,
-op lippen … Maar nu, ga … Ga, tusschen de vreugde … Eenzaam zal je er niet zijn …
-Dionyzos’ geest is overal bij je … Nymfen van Nyza, blijde, neemt in je midden mijn
-gast … Leert hem den dans … Geeft <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>hem den thyrs … Weest hem lief en zacht, en menaden, en saters, bedenkt, o bedenkt,
-dat hij àltijd is droevig en eenzaam in weemoed geweest in zwarte cypressenschaduw
-en dat de vreugde hem nog zoo nieuw is. Leert hem de vreugde zacht aan. Faunen, houdt
-om hem de maat … Geen onmaat nog om mijn gast … Zingt lieflijk en danst blijmoedig …
-Zegt hem niet te vreezen de brullende panthers … Niet te vreezen menaden en saters …
-Niet te vreezen de vreugde … Weldra vreest hij de vreugde niet, en zal hij onmatig
-kunnen zijn met Dionyzos’ eigen goddelijke onmatigheid … Evoë, Evoë, dan!
-<span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch8.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">VIII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">In den stormnacht ging de thiazos over het gebergte, eindelooze legertros, op overwinning
-uit van verdere oorden. Ontelbaar thyrsengewemel in de bliksems en stortregens, die
-ruischend zwierden uit wolkdichten nacht, piekde over de bergkammen op, en bewoog
-zich tegen de drijvende luchten. In razende juichingen ijlden het voorst, verschrikkelijk,
-menaden, in fladderende ranken en beestenvellen, en zij stortten zich op wild of schuw
-dier, panther of ree, en verscheurden ze beiden, in oogwenk. De flambouwen der saters
-smeerden een langen walmenden brand door den regen heen, sissende uitgedoofd en telkens
-weêr ontstoken. Dicht in tijgerhuiden omhuifd volgden nymfen, angstiger, en dronken
-ter bemoediging de schaal telkens uit. Want het was of éen lange wingerdrank, van
-trossen zwaar, meêging, meêreisde, zich bewoog: festoen, meêgedragen, van menade tot
-<span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>sater en nymf, en allen omrankend, onbreekbaar. Tal van Panszoontjes en druivekindertjes
-torsten Hefaistos’ goudene mengvat, en scheef, danste de groote vonk voort op de flitsende
-bliksems. De faunen op panthers volgden, de lange enkelfluiten bespelende, of de breede
-fluiten van riet, kort en lang. Opgewonden van de nieuwe vreugde mengden zich tusschen
-allen de zoo vele stervelingen en torsten mede den druiverank, reuzig. Tusschen fakkels
-blonken wit de ezels der Silenen, Silenos vóor aan hun stoet en voor den regen beschutten
-breede hoeden hun hoofden eerwaardig en knikkebollend, terwijl over de halzen der
-beesten neêrplooiden hun vette magen. Kwinkslag had Silenos altijd, thans omdat Zeus
-niet genadiger was zijn lievelingszoon Dionyzos en den storm had ontketend tijdens
-zijn reize.
-</p>
-<p>—Maar nooit zoû Zeus des nachts meer mogen stormen, zoo hij zijn lievelingszoon Dionyzos
-altijd blij reisweder gunde, want Dionyzos reist ìederen nacht, onvermoeid en onmatig
-voort! O, grijze lotgenooten, zoo wij den jeugdigen god niet dienden met raad en al
-wat wij gaarden aan wijsheid, als nijvere bijen honig, hoe zoû Dionyzos de wereld
-verwinnen! Veroveren wij niet de wereld voor hem, met onze <span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span>leidende gedachte en raad—hoe vaak ook in wind geslagen? O, zoo wij, op onze ezels
-blank, niet bleven rondom Dionyzos! Nooit zoû hij de wereld veroveren! Zwaar is de
-taak ons opgelegd, o waardige gezellen Silenos’, en ik beken, als het nieuwe genot
-mij niet telkens kracht door mijn oude merg deed vlammen, ware ik bezweken alreê,
-in zoo rustelooze voortbeweging en strijd. O, waardige metgezellen, laten wij rijdende,—want
-nòg voorzichtig stappen onze ezels—persen den tros in de schaal, en biede de een de
-schaal aan den ander. Eere zij Dionyzos, die de nieuwe vreugde verwekte, maar eere
-ook ònze wijsheid en matigheid. Wijs ben ik altijd, en matig poog ik altijd te zijn …
-Gezellen, gedenkt je haren grijs, en weest nooit onmatiger dan is Silenos … Ho-ho …
-witte langoor, struikel niet, en laat niet Silenos glijden op het donkere pad in plassen
-van regen … Zoek voorzichtig waar den hoef je zal zetten … Ho-ho, witte langoor …
-wat slinger je van rechts naar links en van links naar rechts … als of je te veel
-hebt gesnoept van druiven, en Dionyzos’ vreugde te machtig je wordt … Ho-ho, ho-ho,
-zie ik goed of slingeren àlle gezellen Silenos’ van rechts naar links en van links
-naar rechts op hun druivebeschonkene ezels … <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>Ik ransel den mijne met mijn agavesteel! Dat zàl hem leeren niet waardig te zijn,
-als het rijdier eens wijsgeers past! Ezel, is een panther ooit dronken? Zie, hoe de
-faunen ze zeker berijden, de woeste brullende dieren, en jij, ezel, met naam van gewilligheid,
-bent ongezeggelijk als zelfs niet is wilde panther of leeuw! Hoû recht het pad en
-val met Silenos niet van den bergkam! O, in de toortsen, zie ik aan beide zijden den
-afgrond kartelen naar omlaag … o, dat is verschrikkelijk, faunen! Edele faunen, leidt
-onze ezels, wilder dan wilde beesten! Ze zwaaien, onze ezels, zoo woest met ons voort:
-edele faunen, leidt hen! Ontfermt je over zoo wilde ezels en Silenen zoo wijs en zoo
-matig … Zoo, zoo gaat het al beter, o faunen! Maar wie lacht achter ons, klaterend
-door den stormnacht heen, en berijdt er een jongen leeuw, wijd-uit de manen? Wie lacht
-achter ons? Voorwaar, dat is die schuwe jongeling met den zwellenden maagdeboezem!
-Omkijken durf ik niet, maar dat is hij, of dat is zij … Zoo als je wilt! Schaterlachende
-Hermafroditos, heb maar genoegen om oude Silenen! Lach oneerbiedig de wijsheid maar
-uit, den waardigen grijslokkigen ouderdom! Een tammen leeuw is gemakkelijker te berijden
-dan een wilden witten ezel! Edele <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>faunen, wat slingert mijn ezel: o ik slip van zijn rug, als niet twee edele faunen
-mij steunen, de een links, de ander rechts!
-</p>
-<p>Zoo lalde dronken Silenos; de regen ruischte op zijn breeden hoed, en de bliksem verblindde
-hem telkens, en twee blijde faunen steunden hem nu op den ezel, zijn altijd gelijkmatige
-dier, dat hij schold. Ja, achter den stoet der Silenen lachte blij om hem Hermafroditos,
-met zijn nieuwen heerlijken lach, juichende, en Dionyzos in zijn lynxenwagen, Ampelos
-op een leeuw hem ter zijde, lachten om hun nieuwen vriends nieuwen lach. Tot plots
-Dionyzos beval den lynxenmenners stil te houden. En hij wenkte Faun ter zijde.
-</p>
-<p>—Hier is de plek … De viersprong … Ik herken haar … uit mijn laatsten droom … Door
-heilige droomen, o vader Zeus, gebiedt ge mij uw wil … Saters, menners, staat stil,
-dat ik uitstijg … laat voortgaan den thiazos door den donkeren nacht, nauwlijks doorblaakt
-van toortsen en met bliksems doorflitst … en leidt dan den wagen voort, langzaam,
-en roept steeds toe, dat ik volg, ook al leidt ge zonder mij den wagen leêg voort …
-O Zeus, o mijn vader, blijde volvoer ik uw wil … Onzichtbaar omhuift het stormgeweld
-mij voor aller nieuwsgierige <span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span>oogen … Hier is de plek … De viersprong … Ik herken haar … uit mijn laatsten droom …
-O Zeus, nooit zal Dionyzos versagen de vreugde, waar gij het beveelt, te sprenkelen!
-Wolk donkerder nog den slagregenenden nacht rondom je altijd blijden zoon Dionyzos,
-opdat hij ongeweten deze reize volvoer … Faun, vriend, tors op je schouder mij; zoo;
-prang mij stevig met handen beide om mijn middel en heup … Ik sla om je hals mijn
-arm … Nu, daal af aan dezen viersprong de hoogvlakte breed, en zoek bij de bliksems
-het kartelige pad … O Zeus, o vader, sla-uit uw bliksem vlak voor Ampelos’ voet, dat
-hij zie! Razende nacht, ontzetting, slagregen, heelal doorsidderende donder, bliksem
-op bliksem … Dionyzos is vòl vertrouwen! Vader, omring mij geheel! Uit de bruischende
-huilende stemmen van den losgeketenden storm hoor ik, vader, uw machtige stem. Vader,
-ik ben vòl vertrouwen. Ik ga … ik daal waar ge wilt … Lager steeds, Faun, daal lager …
-De bergwouden zwiepen op den stormwind neêr aan onze voeten … Een weide moeten wij
-schemeren zien, van hoog gras golvende landstreek … Daar zie ik de weide … Daar zie
-ik de weide! In de bliksems zie ik de weide! Het hooge gras golft als een zee in <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>den storm. Daar zie ik de golvende weide! Daar rennen de wilde Kentauren ongetemd,
-zelfs niet door stormenden Zeus … Vlugger zijn zij dan de stormwind! Ampelos, tot
-hier toe … Nu zet mij af … Nu weet ik mijn weg alleen.
-</p>
-<p>—O, mijn vriend, o mijn god, Dionyzos! Hier verlaat ik je, vriend, Dionyzos? Waar
-ga je heen in den stormenden nacht? Alleen, zonder mij! O, mèt mij, op mijn schouder
-getorst, vrees ik niet voor je; zonder mij, vrees ik alles …! Nooit zag ik zoo woeste
-streek! Nooit omringde mij zoo ontzettende nacht! Nooit striemde mij zulke geeselende
-regen! Nooit verblindde mij zulke bliksem! Dionyzos, beveel mij alles, maar beveel
-mij niet je hier te laten. Laat mij je blijven omklemmen en blijven torsen op mijn
-schouder! Dionyzos, ik weet niet het doel van je reis, maar laat mij met je bereiken
-dat doel.
-</p>
-<p>—Ampelos, zet mij af! Waar in mijn droom Zeus mij beval heen te gaan, en één nacht
-vreugde te sprenkelen, daar is het niet Faun vergund mij te voeren … Zet mij nu af …
-Hier ga ik alleen.
-</p>
-<p>—O Dionyzos, niet anders kan ik doen dan je zegt. Maar de nacht is ontzettend! O Dionyzos,
-mijn armen omhelzen je dicht, dicht tegen mijn <span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>borst, mijn god en mijn liefde, want wie, goden weet, waar ik je zie terug! Wie wat
-je wacht! Welk noodlot zwart als de nacht zwart is! O Dionyzos, nooit omringde mij
-zoo ontzettende nacht, en nooit zoo ontzettende wanhoop! Je verlaten! Je verlaten!
-Hier! Aan het einde van dit rampzalige pad! Bij den zoom van deze verschrikkelijke
-weide, waar de schrikwekkende schimmen jagen, donker, over de stormlucht heen, heen
-en weêr, heen en weêr als ontzettingen! Dionyzos, ik voel wat ik nooit voelde: vrees!
-Ik ben bang. Ik beef voor jou, Dionyzos! O mijn god, en mijn liefde, ik voel vrees
-en ben bang, en je in mijn armen omvattende, snik ik aan je voeten!
-</p>
-<p>—Vriend, o Faun, vrees niet als Dionyzos niet vreest! Zeus is mijn vader! Zeus is
-om mij! Wacht hier af op deze plek, en beschut je voor het stormend geweld in diepe
-rotskloven veilig, daar, waar de oreaden ook schuilen. Zoek haar op en leer haar de
-vreugde … Hier zijn trossen, Faun, vele laat ik er om je heen, opdat zij je in de
-wachting troosten voor dezen verschrikkelijken nacht!
-</p>
-<p>En Dionyzos omhelsde Faun innig, maar rukte zich plotseling van hem en was verdwenen
-tusschen bliksems en rollenden donder. Zoo <span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span>door zijn vader Zeus machtig omringd, kon Faun hem niet volgen, bleef achter verblind,
-en zocht zijn weg door duistere kloven. Dionyzos, alleen, ijlde in de richting der
-weide, waar over de onheilsluchten renden als verschrikkingen heen en weêr, de woeste
-Kentauren, jagende. En Dionyzos stiet een schellen roep boven het geraas van den storm
-uit: nu stiet hij roep op roep, en in de bliksems lichtte blank òp zijn jeugdige jongensgestalte.
-Hij hief de armen en met de hand wenkte hij. Hij riep in zijn roep:
-</p>
-<p>—Hola! Holaha! Woeste Kentauren, hola! Hoort Dionyzos roepen, hola, door het wilde
-geweld van den storm! Kentauren, holaha, hola! Ik ben de god van de vreugde, en ik
-roep je, woeste Kentauren, tot mij, opdat je mij voere, waar Zeus wil, dat je mij
-voert, snel als de stormwind zelve! Hola! Holaha!
-</p>
-<p>En in de weide, van lang gras zeegolvende landstreek, luisterden de woeste Kentauren
-toe, en spitsten de ooren naar de stem, die hen zoo schel riep door het geweld van
-den storm heen.
-</p>
-<p>—Holaha, woeste Kentauren, hier! Komt tot Dionyzos, waar hij je roept! Hola, holaha,
-hier! Het zeegolvende lange gras, o woeste Kentauren, wuift om mij rond, en verhult
-mij tot boven <span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span>mijn middel … Hola, komt hier! Jaagt hierheen, waar je roept mijn stem schel, en waar
-je wenkt mijn gebaar blank door den zwarten nacht. Hola! Holaha! Kleinzonen van Ixion
-en wolkige Nefele, evenbeeld goddelijker Hera, o woeste zonen van Kentauros en de
-prachtige Pelionische merriën, zonen van vader onstuimig en van hinnekende moederen
-vele, Kentauren, hierheen, hola! Jaagt hierheen! Dionyzos roept je …
-</p>
-<p>Als een stormwind in Zeus’ eigenen stormwind jaagde de ontzaglijke kudde nu, naderende
-ontzetting, naar den zoom van de weide, waar Dionyzos wenkte met blank gebaar, half
-verzwolgen in de zeegolvende halmen gras. Als een orkaan raasden zij rondom hem heen,
-en hun vaart was als Zeus’ donder zelve, dreunende de aarde van hun hoefgestamp daverend,
-en de stormlucht ruischende van hun stormende snelheid. Tot zij riepen uit, vreeslijk
-van stem:
-</p>
-<p>—Wie roept en wie wenkt ons in den stormenden nacht, met gebaar blank en stem schel?
-</p>
-<p>—Dionyzos!
-</p>
-<p>—Wie is Dionyzos?
-</p>
-<p>—Ik ben de god van de vreugde, o onstuimig woeste Kentauren, en mijn vader Zeus <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>beval mij in droom te gaan tot deze weide en onder je allen te vragen den snelste,
-Eurytion, mij te nemen op zijn rosrug en mij te voeren, duizelingwekkend van vaart,
-naar de poorten van Tartaros, opdat ik de Onderwereld binnenga, en er vreugde sprenkele
-éen enkelen nacht! Onstuimig woeste Kentauren, verneemt in den stormnacht het bevel
-van mijn vader Zeus! Duizelsnelle Eurytion, verneem het bevel van Zeus: slingere Dionyzos
-zich op je rosrug breed, en voer hem naar Tartaros’ poorten! Hierheen, Eurytion, hola!
-Hierheen, houd stil je onstuimige vaart, hoefstampende wervelwind, hierheen! Sta stil!
-Sta stil! Kan je niet stilstaan een oogwenk! Sta stil! Te vergeefs poog ik mij te
-slingeren op je rug! Sta stil! Hier, Eurytion, pròef het genot! Dit zijn druiven!
-Dit zijn druiven! Ha ha! Uit mijn hand grijpt zijn groote hand den tros, en drukt
-ze aan zijn lippen te pletter … In dit genot-oogenblik, o Eurytion, slinger ik mij
-op je breeden rug, en sla ik mijn arm om je reuzetors, zwellend van bundels spieren!
-Voort Eurytion, voort! Voort, naar de poorten van Tartaros! Voort, o stormruischende
-vaart! Voort, o voort door den stormenden nacht! Wie stormt er onstuimiger voort,
-storm of vaart? Voort, o stormruischende vaart! Rondom <span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span>mijn menschenros rennen hoefstampend alle andere dravers meê! Reuzekudde, vergezel
-Dionyzos! Wees als donder rondom hem heen! Hij vreest geen donder, geen Tartaros!
-Hij versaagt nooit, Dionyzos! Vaar voort, o vaart! Eurytion, o ter belooning, zal
-<span class="asc">IK</span>, god van de vreugde, je vreugde geven en druiven voor je doen weligen, zoo dat je
-van purperen vreugde zal zwijmelen en zal ronddansen op je stampende hoeven! Nu schijnt
-het mij toe of ik niet voort vaar op éen paardmensch, maar of ik op honderd menschpaarden
-voortvaar! Of ik voortvaar op een daverende wolk, op den rollenden donder zelven …
-Dàt gaat eindeloos door. Ver zijn de poorten van Tartaros. O Zeus, ik ben vòl vertrouwen!
-</p>
-<p>Zoo riep juichend uit op zijn menschros Eurytion de blijde god rennende, te midden
-van de hevige vaart der andere onstuimig woeste Kentauren, en door den stormnacht
-heen ijlde hij dwars door woeste geheimzinnige streken voort, vreemd van dreigende
-rotsen, die verschoven, overheld met stormgezweepte boomen, scheef, waarin haar-omwaaide
-furiën schenen te huilen en nagilden de vermetele dravers. Maar zij achtten niet en
-draafden voort, dwars door Zeus’ donderend en bliksemend <span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span>geweld. Tot plots de storm scheen gedaan, en de nacht was pikdonker en suizelde, vreemd,
-en de Kentauren een voor een achter bleven. Maar Eurytion wist den weg, hoewel hij
-zijn stormvaart verminderde, en plots stond hij trillende stil, op zijn paardbeenen
-vier, en helde achterover de reuzetors, waarom rond Dionyzos zich klampte. En hij
-zeide met diepe stem, bijna angstig:
-</p>
-<p>—Hier, o blijde god Dionyzos … is het einddoel van mijn vaart. Daar …—en hij wees,
-den machtigen arm gestrekt—rijzen de koperen poorten van Tartaros …
-</p>
-<p>Nu toefde op des Kentauren rug, een oogenblik, Dionyzos. Toen murmelde hij:
-</p>
-<p>—O Zeus … o mijn vader … Ik ben vòl vertrouwen!
-</p>
-<p>En hij wierp zich af.
-</p>
-<p>—Dank! riep hij. Woeste Eurytion, dank voor de stormsnelle vaart. Hier, duizelsnelle
-Eurytion, ga ik alleen, en vind ik je terug vóor den dageraad. Want langer niet dan
-éen nacht mag de vreugde in Tartaros verwijlen …
-</p>
-<p>Toen ging hij voort, de blij vertrouwende god Dionyzos. Hij was geheel naakt, een
-jonge knaap, slank de blanke leden, zoo vrouwelijk week, en zijn bronsblonde lokken,
-opgeknoopt, <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>waren met wijnlof omwingerd; aan de slapen droeg hij twee volle trossen. In zijn hand
-hief hij omhoog zijn pijnappelroê. En zoo ging hij, de oogen ernstig en vol weemoed
-bijna, maar de lippen lieflijk lachende. In zijn godeziel zwol het medelijden, toen
-hij voor de koperen poorten stond. Hij huiverde even angstig, maar talmde niet met
-zijn tred. Was het niet aan hèm alleen de vreugde te sprenkelen, daar waar nooit vreugde
-was? En hij trad door de open poort de duisternis binnen, verschrikkelijk.
-</p>
-<p>De duistere nacht baaierde, waaiende om hem heen, maar Dionyzos’ violenoogen, blinkende
-als blauwe starren zacht, zagen wennende, door die eeuwige duisternis heen; en zij
-zagen den waaienden wind, de waaiende wolken, de heel verre duistere kimmen, rotsachtig
-verschietende achter den wolkenden waaienden wind, die eindeloos droeve beweging verwekte,
-in den onderwereldschen eeuwigen nacht. Hij zag het duistere golven der pikzwarte
-wateren van Styx en van Acheron, en over de wateren klonk door den waaienden duisteren
-nacht een ontzetting-wekkend gebas uit drie monsterige hondenmuilen. Nu ook zag Dionyzos,
-naderende, een dicht dringen van schimmen, zacht klagende, aan den oeverrand van den
-<span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>pikzwarten stroom en over de wateren loomde langzaam aan een wrakkige veerboot, die
-roeide stram een veerman, oud en norsch, onverstaanbare verwenschingen toeroepende
-van het midden der wateren al. Hij stak, aan den oever, de reuzige hand uit, en vroeg
-om zijn loon, en de schimmen, die hem zijn loon konden geven, liet hij toe op zijn
-veer; hij duwde met zijn spaan de anderen terug en zij bleven klagende dwalende aan
-den somberen waterboord. Maar plots stormde om naderenden Dionyzos een fellere wind
-van storm en hij meende, slangengeesels sloegen naar hem en slangomlokte vrouwentronies
-gloeiden hatelijk met vlammende oogen uit wolk van wind en wapperende sluiers zwart,
-en de Erinnyen omzwapperden huilend den blijden god Dionyzos en raasden hem tegen:
-</p>
-<p>—Wie … wie vermeet zich, sterfelijk of onsterfelijk, mensch of god, <span class="asc">LEVEND</span>, en zonder Hermes’ geleide te naderen den boord van den Styx … Wie … wie vermeet
-zich? Wie?
-</p>
-<p>En zij sloegen naar hem met hare serpenten-zweepen, maar Dionyzos weerde haar af met
-zijn thyrs, en vol vertrouwen op Zeus, lachte hij uit, klaterend van eigen zielvreugde:
-</p>
-<p>—O, vreeslijke vervulsters des Noodlots, <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>niet anders dan om de wil van zijn vader zelven, goddelijken Zeus, nadert Dionyzos
-den boord van den Styx, en treedt hij binnen de open koperen poorten van Tartaros,
-levend, en zonder Hermes’ geleide … Niet anders dan om éen duisteren nacht vreugde
-over somberheid te sprenkelen. O, gramstorige wraakgodinnen, slaat niet met slangegeesels
-uit naar mij, want ik meen, in <span class="asc">DIT</span> oogenblik, dat mijn vreugde-oogenblik is, zult gij mij niet kunnen treffen, en weer
-ik ze af met mijn thyrs, wijnbouwersstaf van blijdschap, niet anders dan eikestok,
-pijnappel-bekroond, maar machtig en godeschepter! O, wrekende Erinnyen, hoort: Dionyzos
-wil u glimlachen zien! Gij, die nooit glimlacht, o altijd toornige Erinnyen … Dionyzos
-wil u glimlachen zien! Door de eeuwige Tartarosduisternis stràle een oogenblik uw
-éenige glimlach! En opdat hij, o Erinnyen, stràle, zal ik het wonder der vreugde gebeuren
-laten, en rondom uw zwiepende hellevaart ranken laten mijn edele wingerdtakken, zoo
-dat zwellende druivetrossen u zullen omringen, donker purperend door dezen duistersten
-nacht! O sombere Erinnyen, weest op dit oogenblik blijde plengsters van Dionyzos’
-druiven!
-</p>
-<p>En plotseling in den valen afschijn van licht, <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>dat verre bleef en kwam van waar wist hij niet, doffe afkaatsing van wateren, sombere
-uitschemering tusschen wolken, zag Dionyzos de slangomlokte wraakgodinnen plukken
-de trossen met beenige vingers, waar ze weligden plotseling aan ranken, geheimzinnig
-wingerend rondom haar heen en wortelend in niet dan in donkere lucht, en zij persten
-de trossen zich aan de lippen en zij zwolgen en zij glimlachten! Zij glimlachten,
-de wraakgodinnen, den god Dionyzos tegen! Ook hij lachte, hij klaterlachte, en heerlijk
-langs den Styxboord somber klonk zijn lach als een vogelentriller. De dringende zielen
-zagen om. En de norsche oude veerman riep:
-</p>
-<p>—Wie lacht er zoo blijde daar, met den allereersten lach, die ooit door Tartaros klonk!
-Welke ziel is zoo blijde aan den boord van den Styx, en zoo overtuigd te worden overgezet,
-dat hij lacht, lichtzinnig en dartel, een kind gelijk, dat niet weet,—of een onwijze,
-die niet beseft!
-</p>
-<p>Maar de blijde god Dionyzos riep:
-</p>
-<p>—Raad eens, norsche Charon, raad eens wie daar zoo lacht? Hij is het, die de Erinnyen
-deed glimlachen en plukken de welige trossen, de purperen trossen, die hij tooverde
-rondom haar heen! O, schimmen gij, zoo vele gij, die opdringt aan den boord van den
-Styx, verlangend, <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>dat Charon u overzette … hier, ontvangt druiven als de Erinnyen ontvingen, zware en
-volle trossen, en proeft het genot, proeft het purperen genot, dat ge nooit proefde,
-dat u nooit purperde in het leven op aarde, omdat ge het niet kende of het versmaadde,
-want zie ik niet onder u velen, die mijne saters ten doode toe geeselden met agavesteelen
-of wie mijne woeste menaden verscheurden! Verzoent u <span class="asc">NU</span> met Dionyzos,—want, norsche Charon, die blijde god ben ik!—en perst u <span class="asc">NU</span> de druiven aan de gretige lippen. Hier zijn schalen, hier zijn cymbels, hier zijn
-fluiten, o schimmen! Reit de ronde en zwelgt de druif! Dionyzos, Dionyzos wil het …!
-Wat wacht je, norsche Charon, en wat brom je? Omdat de blijde schimmen blijde dansen
-en zwelgen aan de druivewingerende boorden van Styx, in steê van te klagen en te smeeken,
-dat jij ze overzette op wrakke boot? Wat mompel je, norsche Charon? Wil je druiven?
-Wil je druiven? Dionyzos heeft geen druiven voor je! Wil je persen druiven in een
-schaal, terwijl de blijde schimmen spelen de fluit en de cymbels slaan? Dionyzos heeft
-voor jou geen schaal! Zie zelve, zijn handen zijn leêg, zonder druiven en zonder schaal!
-Kom, norsche Charon, ga terug met je wrakke en <span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span>leêge boot, want de schimmendans duurt tot den dageraad, en zij zullen druiven hebben
-tot zóó lang! Wat mompel je, norsche Charon? Schimmen zet je over, niet voor een obool
-maar voor een tros purperen druiven? Nu, goed dan, norsche Charon! Klagende schimmen,
-die zonder obool naderden norschen Charon, ontvangt uw veerloon uit de hand van Dionyzos!
-Aan ieder een tros, aan ieder een tros voor Charon! Zoo, Charon, zet ze nu over! O,
-op de wrakke boot stapelen de trossen, en Charon, voor hij van wal steekt, zwelgt
-de purperen druiven! Nu zet Charon àlle schimmen over! Wrakke boot, wees een druivebark!
-Vreugde, vreugde, overal! Hola Charon, schater niet zoo dol, en slinger niet zoo op
-je wrak! Zet mij nu over! Steek nu van wal! O pikzwarte golven van Styx, mijn trossen
-drijven je af, en vroolijk zal je drinken mijn wijn! Wees vroolijk, Styx! Stroom vroolijk,
-Styx! Wees een stroom van vreugde, o Styx! O, schimmen, zingt blijde de vreugde!
-</p>
-<p>En op de wankele boot, geheel wingerd-omrankt en trossen-omweligd, die dronken Charon
-schots en scheef stuwde over den vloed, dansten in het oneigenlijke licht, dat kwam
-van waar wist niemand, de schimmen, en trapten de maat, en klapten de maat en sloegen,
-zingende, <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>de schelle cymbels. Over hen, in de duisternis, dreven dronken de Erinnyen en zij
-lachten plotseling blijde, en Dionyzos, wuivende met den thyrs, lachte om haar lach.
-Van den verlatenen boord kwam een juichen van schimmen. Van den boord, dien de boot
-nu naderde, kwam een tegenjuichen van schimmen, overgezet, en die àllen anderen schimmen
-gaven een wijntros. De dans slingerde zich daar voort. Uit drie monsterhondekelen,
-klonk dwars door zang en spelen luider en luider gebas. Maar Dionyzos lachte te luider
-slechts en wierp trossen éen voor éen in de muilen, de drie, die uit duisternis het
-monster toe naar hem rekte. Hij wierp ze zoo vlug en zoo vele, dat Kerberos stikte
-bijna en de trossen uitspoog, bezwadderd, en ze weêr inslokte gretig, bassend en brullend
-beschonken en òphuilende plotseling, uit drie kelen tegelijk, smartelijk in smartelijke
-dronkenschap. Om zoo treurige bezwijmeling lachte Dionyzos te luider slechts en het
-was of om zijn lach ophelderde de eeuwige duisternis. Of zij ophelderde om zijn oogen.
-Of zij ophelderde om zijn lichaam blank, om zijn thyrs, zijn druiven, geheel hemzelven.
-Een blauwe glans straalde om hem en uit hem, en hij stond er in heerlijk en juichend
-en lachend. <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>Plotseling weende hij, van overstelpenden weemoed. Hij wist niet waarom hij weende.
-Hij weende van medelijden. Hij omhelsde de zielen, die drongen tegen hem aan en hij
-liet de druiven rondom hen weligen. Zij troostten hem, en riepen hem toe, dat zij
-vroolijk waren in het purperen genot, zoo mild. Hij vroeg hun dat te herhalen. Zij
-herhaalden het en hij lachte weêr.
-</p>
-<p>—O Zeus! riep hij uit. Laat eeuwig hun deze vreugdenacht duren!
-</p>
-<p>Maar de schimmen dachten niet aan den dageraad, die onverbiddelijk naderde, boven.
-In hun druivefeest bewolkte blijde vergetelheid hun de gedachte. Tot plots Dionyzos
-zag een schim zeulen een rotsblok zwaar een donkeren berg op. Hij naderde juist den
-bergtop, half in nevel verstoken, en het rotsblok donderde naar omlaag. Toen slaakte
-de schim een smartkreet, allerverschrikkelijkst. En Dionyzos riep, bevend van medelijden:
-</p>
-<p>—O Sizyfos, gij die wist Thanatos zelven te boeien, en die zoo listig waart, dat ge
-zelfs mijn vader Zeus wist te bedotten,—gij, die, gestorven, de aarde weêr betradt
-om uw gemalin te straffen, daar zij geen doodenoffers u bracht—het geen gijzelve haar
-hadt verboden—<span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>gij, die niet weder terug naar Tartaros wildet, zoo dat Hermes met geweld u mede moest
-voeren ter duisternis—wat geven u hier al uwe listen en al uw inspanning en schranderheid!
-Eeuwig het zware rotsblok torsende op uw schouders gebogen, zwoegt ge den zelfden
-berg op, en eeuwig, Sizyfos, van den zelfden top, stort het rotsblok naar omlaag,
-geweld donderend! Hoe vaak, o Sizyfos, zult gij nog slaken uw smartkreet, allerverschrikkelijkst?
-</p>
-<p>De schim was den berg, snel, in éen oogwenk, afgedaald met spannende kuiten en krampende
-teenen; met zijn geweldige handen tilde hij moeizaam zich op den rug weêr het rotsblok
-zwaar, en zijn klagende stem vroeg, gebroken van weening, inwendig:
-</p>
-<p>—Wie zijt gij, o blanke knaap, wiens violenoogen ik door tranen heen zie schitteren
-als blauwe sterren door vochten avondnevel, en die met een ziel, beter dan menschelijke
-en erbarmender dan goddelijke, mij beklaagt om dit zware en vergeefsche werk …
-</p>
-<p>—Ik ben, Sizyfos, Dionyzos, de god der vreugde, en Zeus, mijn goddelijke vader, vergunt
-mij u vreugde te sprenkelen in dit uur! Tors in dit vreugde-uur geen rotsblok, maar
-een stapel trossen, hoe zwaar ook zwellende <span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>van purperen genot, licht, bij het gewicht dat gij pleegt te torsen!
-</p>
-<p>En plots, op Sizyfos’ rug, veranderde het rotsblok in een stapel druivetrossen en
-de ellendige schim lachte, terwijl hij torste het blijde genot, als een wijnbouwer,
-den berg op. En boven, de trossen met beide gretige handen zich drukkend aan de lippen,
-riep hij luide:
-</p>
-<p>—O, heb dank, o Dionyzos, voor deze verlichting en blijde gave! Tors ik ook straks
-weêr mijn rotsblok, gedenken zal ik mij immer het blijde genot, en geen grooter zaligheid
-en weelde dan zich het blijde genot te herdenken in de oogenblikken der bitterste
-smart!
-</p>
-<p>Maar door zijn laatste woorden heen, vernam Dionyzos roepen, een klagende stem, erbarmelijk:
-</p>
-<p>—Wie gij ook zijt, daar ginds jeugdig en knapeblank, en zóó vreugderijk, dat uw lach
-meê zich deelde aan wie nooit lachten in Tartaros … wie gij ook zijt, vergeet <span class="asc">MIJ</span> niet en richt even een blik naar mij! Zie,—en Dionyzos in duistere duisternis, die
-zijn eigen blauwige afglans zacht op deed schemeren, zag in een beemd, vreemd betooverd
-van ruischend water en wuivend gelooverte, een schim hem smeeken, de beide armen erbarmingwekkende
-<span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>uitgestrekt—zie, ik ben Tantalos: gunsteling was ik der goden, lieveling was ik van
-Zeus, toegang had ik binnen Olympos, plaats mocht ik nemen aan der goden disch, luisteren
-in hun raadsvergadering, maar te hevig was mij zulk genot: ik bezweek: ik verried
-Zeus’ geheime besluiten, ik stal nektar en ambrozia en deelde er van mede aan sterfelijken,
-minder begunstigd dan ik—deelde er mede van uit hoogmoed en misschien uit edeler oorzaak
-en àllen zoekende menschenliefde, maar bezwijken deed ik, en verpletterd door Zeus’
-toorn, leef ik dood hier mijn straf voort, eeuwig; o eeuwig, Dionyzos, god der vreugde,
-dien ik niet kende, nieuwe god, die mij verwondert, die mij verwondert hier op zoo
-treurige plaats …! Wie gij ook zijt, o nieuwe vreugdegod, o vreugdevolle Dionyzos,
-richt u naar mij ook een oogenblik …: zie! Ik sta in ruischende beek en heete dorst
-verschroeit mij, maar nooit gelukt het mij, zoo zwaar als het is, dit water mij aan
-de lippen te brengen: het vloeit als zilver tusschen mijn vingers, het wijkt golvende
-weg als ik mij buk, en de bedding verdroogt door mijn enkel gebaar,—en mijn eeuwigen
-honger … nooit stilt dien het goudene ooft, dat gij ziet even glinsteren niet <span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span>hooger dan de opheffing van mijn hand: het wuift hooger, zoodra ik de hand hef, en
-wiegelt zich speelsch, spottend en lokkend over mij heen als gezwaaid door een booze
-zefyr, die genoegen neemt in mijn heete kwalen! Zie, ik buk mij … het water loopt
-weg; zie, ik hef de hand … en weg wiegelt het ooft, en in den eeuwigen wind hoor ik
-een schaterlach, blijde om <span class="corr" id="xd31e1378" title="Bron: mij">mijn</span> steeds te-vergeefs trachten! O, moêheid hier te bukken en te reiken steeds te-vergeefs,
-o ellende van honger, dien nooit stilt dit wreede fruit, en van dorst, die dit wreede
-water nooit lescht! Altijd, altijd!
-</p>
-<p>—Tantalos! zei toen Dionyzos. Nooit was mijn ziel zoo bewogen van medesmart als om
-uw klacht! Tantalos … in dezen vreugdenacht, gedurende de enkele uren, dat hij nog
-dure—stil honger en dorst … Geniet en heb Dionyzos’ vreugde!
-</p>
-<p>En de blijde god lachte door tranen heen, want de schim slaakte een luiden vreugdekreet;
-om zijn wreeden ooftboom, plotseling, rankte een welige wingerd, wondersnel, en de
-druiventrossen, zwaar, vielen hem in de palm van knakkende steelen af; en het water,
-waarin hij stond, vloeide rood een edelen wijn hem toe, of het purper rondom hem fonteinde …
-<span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>O Dionyzos’ vreugde, dàt te zien en de vreugde der schim te genieten! Maar de onderwereldsche
-wind stak feller op, killer en kouder, en Dionyzos, voortgetrokken als door steenende
-kreten van maagden, zag in vreemd weêrlicht, als in bliksem van Hades, òpròtsen een
-landschap, wreed en hard, niets dan harde en wreede rotsen, gestapeld; een moeilijk
-steil pad leidde heen naar een donkeren trechter, reusachtig, en toen, in Hades’ bliksem,
-zag Dionyzos, van ijzing rillende, het Vat, het vreeslijke Vat, het noodlottige, groote
-Vat; zwart rees het in ijzeren banden, duig bij duig vastgekrampt tusschen de ruige
-rotsen; hoog rees het als een ronde vatvormige toren, met zwellende buiging,—maar
-bodem scheen het Vat niet te hebben; grondeloos stond het in een diepe donkere poel,
-waaruit het water wegsijpelde in het moeras van den Styx. In den felleren wind steende
-de klacht, altijd, van afmatting en troosteloos wee, der radelooze vrouwen, der diep
-beklagenswaardige Danaïden: treurige theorie van trouwelooze gemalinnen: éene voor
-éene tilden haar groote waterkan zij aan den bron, waaruit langzaam sijpelde een magere
-straal: lang, o lang duurde het haar elk, eer de kan was gevuld, ten boorde toe;…
-dan <span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span>torsten zij, moede, de zware kan zich op het hoofd, de zware kan zich op den schouder,
-met beide handen ze houdende, of met een enkele hand, en de andere tastende lange
-den ruigen rotswand, ten steun … en moede strompelden zij hooger, struikelden hier
-over een steen, daar over een knoestigen boomwortel … nu viel er op beide knieën éene,
-zusters beurden haar op, en zij weende, en zij weenden allen: hare kan was gebroken,
-en zij moest terug om een nieuwe kan, moedeloos ging zij terug, vulde de nieuwe kan,
-sleepte zich op …: de zusters waren nu hooger … Boven, waar eindigde het pad, gaapte
-haar zwart de <span class="corr" id="xd31e1389" title="Bron: afgron">afgrond</span> van het bodemlooze Vat, en in den bliksem zag Dionyzos de witte vrouwen van smart,
-wier natte waden plakten rondom haar vertreurigde leden, nemen, zoo moedeloos, de
-kan van schouder of hoofd en ze gieten uit in den afgrond, zwart opdat zij het vat
-zouden vullen … Maar, dadelijk, borrelde slechts de poel, en niet éen oogenblik werd
-gevuld het vat, waar alle wateren aller kannen wegliepen, snel, in den Styx. Dan slaakte
-boven de vrouw, die gegoten had, een smartelijken kreet, en hief hare armen op: zij
-droop, hare haren dropen, hare natte waden dropen, nat des telkens herhaalden vullens
-<span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>weêr, en haar aller kreet smeekte erbarming … Maar haar noodlot, zwijgend, gebood
-haar voort te gaan, rusteloos met haar werk, want zij daalden, de treurige vrouwen,
-met mat wanhoopsgebaar, de leêge kan in moede handen aan de slappe armen, druipende …
-zij daalden langs een hellender effener weg naar omlaag, als of dìt dalen alleen zoû
-haar rust en verpoozing mogen zijn, tot zij aan de bron weêr haar kruik zouden vullen …
-</p>
-<p>Zoo zag Dionyzos het Vat en de treurige theorie der trouwlooze gemalinnen—zij, die
-in den bruidsnacht, na het opperst geluk, elk den gemaal slapend vermoordden—en de
-blijde god weende om zoo diepe en eeuwig durende smart en troosteloozen arbeid, want
-nooit was het schrikkelijk Vat te vullen; altijd bleef het een afgrond zwoel en vochtig;
-het schimmelige mos begroeide het welig, en reuzige varens en somber ruischende riet
-waren uitgeschoten in het moeras, waar het oprees …
-</p>
-<p>Toen sloeg Dionyzos zijn blanke armen omhoog naar het steile rotspad, waarover strompelden
-smartelijk de eeuwig vergeefsche vulsters, en hij riep:
-</p>
-<p>—O weenende en steenende vrouwen, smart had ik nooit om mijzelven—ofschoon ik niet
-<span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span>weet of Zeus mij voorbeschikt smart om mijzelven—maar smart diep en grievend in mijn
-zoo blijde godeziel, heb ik om u, omdat ik wèl weet, en omdat ik wèl zie, dat gij
-immer te-vergeefs u uitput, tillende aan den tragen bronstraal de kan, strompelend
-op het steile pad naar de gaping van het verschrikkelijke Vat, waar gij uitgiet, hopende,
-hopende steeds, uw met zware moeite verkregen sijpelenden waterstraal … en eeuwig
-blijft verschrikkelijk leêg gapen het Vat en gij daalt af ter andere zijde, mat, met
-kalmeren tred als uw eenige rust … om dàn omlaag opnieuw te beginnen, te-vergeefs,
-te-vergeefs altijd, en hopende, hopende steeds … O, de altijd teleurgestelde hoop …
-is <span class="asc">ZIJ</span> niet uw allerverschrikkelijkste straf, verschrikkelijker nog dan uw noodlotslavinnenarbeid!
-</p>
-<p>—Dionyzos! klaagde van boven, aan den rand des vreeslijken Vats, éene der treurige
-trouwloozen. Dionyzos, dàt is het allerverschrikkelijkste; de altijd teleurgestelde
-hoop … <span class="asc">IS</span> verschrikkelijker nog dan onze noodlotslavinnenarbeid!
-</p>
-<p>—Dionyzos! riep een andere, opgaande het steile pad; ik hoop! Ik hoop nog, voor de,
-ach, hoeveelste maal, dat mijn straal zoo al niet vulle het Vat, toch genadevol eindelijk
-moge <span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>verhoogen, verhoogen den zwarten vochtigen spiegel, dien ik tusschen mos en varen
-en riet beneden in diepte zie …
-</p>
-<p>—Dionyzos! riep een derde, en zij ging snikkende af het hellende dalingspad, en hare
-kruik stiet uit haar handen te pletter in scherf tegen de rotsen. Ik hoop niet meer!
-Ik hoop <span class="asc">NOOIT</span> meer! Maar toch moet ik neêrgedaald, weêr beginnen de vreeslijke zwoeging!
-</p>
-<p>—Dionyzos! riepen zij allen; Dionyzos …
-</p>
-<p>En zij riepen allen door éen, handen naar hem uitgestrekt, in een wanhoop, waarvan
-de Onderwereld sidderde. Hij verstond haar niet, de blijde god, maar hij riep boven
-haar uit, met zijn cymbelschelle, klankrijke stem:
-</p>
-<p>—O treurige Danaïden, hoort! Voor enkele uren gaf mij mijn vader Zeus de macht zelfs
-over ù vreugde te sprenkelen. Zelfs over u! Zelfs over u allen! Zelfs over uw verschrikkelijk
-Vat! O, treurige Danaïden, staakt voor dezen nacht uw arbeid, en plukt, plukt de toomelooze
-vreugde met twijgen en ranken en trossen af …
-</p>
-<p>Toen strekte, luid lachend door tranen heen, Dionyzos zijn thyrs uit naar den Vatberg,
-en een ruischen en bruischen begon … Een ruischen van groeien, een wonderruischen
-van wondergroeien, van weligen tooverwingerd, snel uit <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>allerongunstigste, vochtige, zonlooze plek, zwaar de stam en knoestig de takken, forsch
-nog de teêrste twijgen tegen den berg, het Vat rondom, met rankeklauwtjes vast zich
-klampende aan verroest ijzeren hoepels en schimmelig houten duigen; bladeren dik en
-vol weligend, trossen uitzwellend purper en zwaar …; een bruischen van vullen, een
-wonderbruischen van wondervullen, een opwellen van roodgeurig water, van wijn in het
-Vat … tot plots Dionyzos opliep den berg, lenig en snel en nooit strompelend, een
-reuzetros greep in zijn armen, ze perste in zijn beide vuisten over het Vat, het vreeslijke
-Vat, te midden van de rondom hem toesnellende Danaïden, die niet wisten en niet begrepen …
-tot zij zàgen … tot zij zàgen … den Straal, den blij purperen straal van den tros
-van den god Dionyzos, zwaar en breed uitgulpend zijn wonder, en … vullen … tot boordevol
-het Vat, het vreeslijke Vat met het roode geurige water, met den wijn, het bloed der
-edele druiven!!
-</p>
-<p>O, de vreugdekreten der Danaïden! de gillende vreugdekreten, die elkander riepen de
-beide bergpaden òp, naar de boorden van het nu overloopende Vat, rond wijnmeer tusschen
-ranken en trossen, die weligden langs hoepels en duigen, die weligden langs den Vatberg
-geheel! <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>In het vreemde onderwereldsche licht ruizelde de Vatberg van purper, en blauw omstraald
-rees de blanke Dionyzos blij, en juichte, en schepte een schaal vol, en had schalen
-voor àlle de nu zoo overgelukkige hopeloozen, en hij vulde in het Vat hare kannen,
-en zij schonken elkander de schaal vol, lachende,—en zij plukten de ranken en, van
-zich strijkende de druipnatte waden, kleedden zij zich in ranken en bladeren en trossen,
-en jammerden niet meer, maar dansten en Dionyzos had tamboerijnen en cymbels voor
-haar en zij rinkelden snel en zij sloegen ze schel, juichend. Langzaam sijpelde leêg
-het Vat, en het Styxmoeras geurde van most, maar Dionyzos riep:
-</p>
-<p>—O blijde juichende Danaïden! Niet vóór den dageraad zal het Vat, dat is <span class="asc">VOL</span> geweest, leêg zijn geloopen … dàn vallen de ranken verwelkt af … maar nu, pluk het
-genot, en laat later in de oogenblikken der bitterste smart het weelde en groote zaligheid
-zijn u het blijde genot te herdenken!
-</p>
-<p>Toen verdween de god van daar, en zag hij van verre, in het nieuwe licht, de Danaïden
-bakchantisch zwieren. Zij zwierden, rankomwingerd en trosomhangen, bij jubelkreten
-en cymbelslagen rondom het Vat, hand aan hand in Hades’ eigene vreemde bliksems.
-<span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span></p>
-<p>Lang zag Dionyzos dit aan, zag hij de vreugde der Onderwereld, en de tranen liepen
-hem langs de glimlachende wangen. Tot hij hoorde een stem, zuchten zacht:
-</p>
-<p>—O, heb dank Dionyzos, heb dank! Niet vraag <span class="asc">IK</span> u voor mijzelve vreugde, want mijn smart verweemoedigde tot stil zielelijden en is
-niets meer dan weemoed geworden, om de aarde, om mijn blonde moeder, eerwaardig, om
-de wuivende granen, korenbloemen blauw en klaprozen scharlakenrood … niets meer dan
-weemoed, om àlles wat ik mis zoo lang ik toef aan de zijde des duisteren gemaals!
-Want lief heeft Persefoneia den duisteren gemaal, die haar troonen doet op den ebben
-zetel! O, dank, dank Dionyzos! Niet, o neen, niet voor mij, niet voor stil-in-ziel-treurende
-Persefoneia … maar voor hen allen dank … voor haàr àllen …
-</p>
-<p>En Dionyzos, zich wendende-om, zag de teedere bleeke vorstin, punt-omdiadeemd en zacht
-lila-ommanteld hem naderen te midden van dansende schimmen, die juichten en dronken
-de druif uit schalen en trossen zelve. Zij naderde, de armen hem strekkende te moet,
-in de weemoedige teederheid van haren dankbaren en bijna blijden glimlach;… zij naderde
-over de velden der bleeke affodillen, schimme-zwevend <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>zijzelve, zoo heel licht van tred en zacht ruischend van de sleeping harer nachtkleurige
-vorstinnegewaden; de punten van de kroon vlammelden even op …—zij naderde koninklijk
-en toch in dankbaarheid, en toen zij Dionyzos genaderd was, sloeg zij hem zacht om
-den hals beide armen, kuste hem op het voorhoofd en weende, met éen snik, aan zijn
-borst …
-</p>
-<p>Toen klonk van verre een roep. Dionyzos zag om en zag op, Persefoneia nog hem leunend
-het hoofd aan zijn boezem. En hij zag, in duistere verte, in eindeloos rotsig verschiet,
-tusschen zijn eigen onderwereldsche bliksems, Hades, in donkere majesteit, wenkende
-met starrenschepter, dat bòven, uit de oostelijke poorten, Eos zoû weldra treden te
-moet, en vreugde gedaan zoû wezen.
-<span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch9.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">IX.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">—Hola! Holaha! Woeste Eurytion, waar gij ook wijlen moogt in de van lang gras zeegolvende
-onafzienbare Vlakte, hierheen! Hola! Holaha! Het is Dionyzos, de koperen poorten van
-Tartaros uitgekomen, die u roept met schelle stem en met gebaar,—blank in het allereerste
-rozige dagen!
-</p>
-<p>Maar een huilende wind alleen antwoordde op Dionyzos’ roep en boos fronsend de blonde
-brauwen herhaalde de god:
-</p>
-<p>—Hola!… Holaha!… Woeste Eurytion!
-</p>
-<p>Tot op eenmaal, door den huilenden wind gedragen een edeler boodschapper aanvleugelde
-en de lucht van zijn flapperende vaart deed wapperen. En Dionyzos, hoog nog den blanken
-arm, en de hand wuivende in den fellen morgenbries, meende zeker, dat niet hem zijn
-vader vergat en dat Zeus hem tot uitkomst zond … wien wist hij nog niet, tot hij plotseling
-herkende, <span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span>ook al had hij den van verstand glanzenden god nooit gezien, Hermes: snel als een
-licht kwam hij aan uit het Oosten, waar de krokosgele sluier van Eos verbleekte, lichtende
-snel als een schitterende straal, die schiet, en Dionyzos zag hem met vreugde naderen:
-een groote godvogel gelijk schoot Hermes aan, blank, mannelijk en breed slank; goudstralende
-athleet, zoo zweefde hij windsnel van zweving, de tors schuin omhoog, en geheven het
-hoofd onder den gevleugelden breedrandigen hoed; met krachtige beenen roeierde hij
-door den ether, luchtzwemmende: hecht zijn enkels omsnoerd, bewogen regelmatig van
-rythme de vlerken aan zijn glanzende hielen, latende na twee sporen van licht, lange
-glinsterende lijnen … In zijn hand hief hij zijn slangenstaf, en nu glimlachte hij
-en wuifde er Dionyzos meê tegen. O, hoe heerlijk schoon was, vond Dionyzos, van verstand
-stralende Hermes: als een halo straalde uit hem dat verstand en omdreef hem blank
-en krachtig, in een glanzenden kring, o de heerlijke vader van Hermafroditos! O, hoe
-heerlijk schoon was hij en hoe goddelijk: Dionyzos zelve gevoelde zich, nu Hermes
-zoo goddelijk naderde, bijna als een sterfelijke mensch, voelde zich de zoon zijner
-moeder meer dan het kind van zijn vader, voelde <span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span>zich klein en nederig, niets dan een nuttelooze glimlach om weinig beduidend ooft:
-de schelle stem, waarmeê hij had Eurytion, woesten Kentaur, tot zich geroepen, beefde
-in aanbiddende bewondering, toen hij uitriep:
-</p>
-<p>—O, van goddelijk verstand stralende, o stràlende Hermes! Ik herken je!!
-</p>
-<p>En hij strekte, niet meer dan een blijde knaap, uit de beide armen naar Hermes, die
-tot hem daalde en plots stond op den grond.
-</p>
-<p>—O, blijde en het nieuwe genot sprenkelende Dionyzos! Ik zoek je en kom tot je met
-Zeus’ boodschap! riep Hermes, en hij omhelsde den jeugdigen god Dionyzos in zijn blanke
-en krachtige armen. Wat was groot Hermes en heerlijk, en wat stond als een kind, hij,
-Dionyzos, in zijn forsche omhelzing, als jeugdige broêr in die van ouderen broeder!
-Glimlachend stond Dionyzos zoo, het hoofd aan Hermes’ borst, en Hermes kuste hem op
-wangen beide en purperen mond en zeide:
-</p>
-<p>—O Dionyzos, lieveling van Zeus, en lieveling àller goden! Hoe spieden wij niet, nieuwsgierig
-wolken verschuivende, van Olympos uit naar je daden, en zijn om je zoo verheugd, en
-zijn om je zoo vroolijk en blijde, dat van heerlijkend lachen alle paleizen er trillen,
-wanneer wij je <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>op aarde zien, dapper de wereld verwinnen en dapper de vreugde doen purperen zege
-vieren over àl sombere treurigheid! Dionyzos, broeder op aarde, wij hebben je àllen
-lief, en zelfs vorstelijke Hera, al toornt zij je, en al fronst zich haar ivorene
-voorhoofd, ziet niet met onwelwillenden blik meer heen naar den van geestdrift gloeienden
-zoon der heerlijk verbrande Semele! Dionyzos, en teeder heb <span class="asc">IK</span> je lief, als een oudere broeder zijn jongeren broêr, omdat edel en deugdelijk je
-hart trilt voor wie somber is en donker weemoedig, en ik dank je in dit oogenblik
-voor de vreugde mijn zoon-dochter gegeven, hem, haar, die ik juichen zie in je blijde
-thiazos, o Dionyzos! O, Dionyzos, jeugdige broeder, laat mijn dankbaarheid teeder
-je kussen voor de liefde, aan het weemoedige kind, dat in cypressenschaduw treurde,
-bewezen, en laat mij dàn je boodschappen—te lang al stelden mijn woorden dat uit—hoe
-wij allen in Olympos je hulp verlangen, inroepen je half-goddelijke hulp! Dionyzos,
-teêre knaap, maar onoverwinlijke veldheer der vreugde, wij roepen je toe: kom ter
-hulpe! Je vader Zeus roept je toe: kom ter hulpe … Kom de goden ter hulpe! Olympos
-ter hulpe! Dionyzos, Dionyzos, kom!
-</p>
-<p>—En wat en waar, o mijn groote broeder <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>Hermes, moet Dionyzos Olympos en goden ter hulpe komen? Wie en wat bedreigt er Olympos
-en goden, en wat kan Dionyzos doen, half maar god?
-</p>
-<p>—Hoor dan, Dionyzos: zoo snel als mijn woorden boodschappen kunnen, zullen zij je
-doen begrijpen den angst der Olympische goden! Zonen van toornige Gaïa, vreesverwekkende
-Giganten, bestormen den hemel! Hoor, Dionyzos, hoor, het geruisch van hun stemmen
-als stormen …
-</p>
-<p>—Ik hoor, Hermes, het geruisch van hun stemmen als stormen, maar ik wil zien …
-</p>
-<p>—Laat mij je dan verheffen van hier, in mijn eigene vlucht …
-</p>
-<p>—Ik ben bereid …
-</p>
-<p>—Ik sla rondom je mijn arm, en vraag je slechts te omvatten met éen vuist mijn slangenstaf.
-</p>
-<p>—Ik voel mij zeker in je omhelzing …
-</p>
-<p>—Dionyzos, tot nog toe was je onbekend snelle vleugelvaart door de luchten.
-</p>
-<p>—Ik versaag nooit …
-</p>
-<p>—Wij stijgen op …
-</p>
-<p>—Stijg op …
-</p>
-<p>—Ik stijg, ik verhef me … O, mijn jeugdige broeder, nu klem ik je vast in mijn arm,
-en <span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>zweef met je op, en zweef met je voort, en licht en snel vleugelen de wieken aan mijn
-hoed en mijn enkelriemen … Zie, onder ons rukt zich de aarde terug naar de diepte …
-daar glimmeren de koperen poorten van Tartaros, voor welke ik je vond, daar wuift
-nog even het zeegolvende gras van de weide der woeste Kentauren …
-</p>
-<p>—Daar zie ik mijn thiazos naderen de heilige zee, die wij òver zullen in smalle schepen
-zeilen, en daar, tusschen ruige rotsen, zijn hoofd in den schoot eener oreade, zie
-ik Ampelos, mijn vriend, dien ik liefheb; hij wachtte mij te vergeefs, hij dwaalde
-door stormnacht in kloven … terwijl ik wijlde in Tartaros, en eindelijk, wachtensmoede
-sluimerde hij in, op den schoot van de bergnymf, die hem troosten wilde … Oreade,
-laat Ampelos sluimeren, en Hermes, maak, dat mij Faun aanschouwe in zijn schitterenden
-droom, mij aanschouwe in je eigen omhelzing en eigen vlucht, opdat hij wete, waar
-ik zij … Sluimer, Ampelos, sluimer, tot ik terug kom, van waar mij voert Hermes henen …
-</p>
-<p>—En ginds, jeugdige broeder, nu ik snel als een straal van Helios vooruit met je schiet,
-en wij naderen Olympos, die zich verhult in rozige morgenwolken, ginds … aanschouw
-wat de Angst is van ons, goden! Hoor bruischen als <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>razende stormen de booze stemmen der reuzen, Giganten: zie Pallas en Athos, zie Eurymedon
-en Enkelados, zie Porfyrion en Alkyoneus! Hunne aangezichten zijn grooter dan die
-der goden en monsterlijk om te aanschouwen, met wat er van onuitwarrelbare slangelokken
-kronkelt rondom hunne slapen en muilemond; en hun reuzelijven eindigen, zie, in twee
-staarten van draken, geschubd, waarmeê zij gaan als met beenen, strompelend op hun
-staartevinnen, maar krachtig en snel, en zie, Dionyzos, zie … hun kracht is onvergelijkbaar …!
-Zie, zij nemen rotsen in de vuisten en slingeren ze tegen Olympos!
-</p>
-<p>—O Hermes, ik zie … Zij nemen bergen in de vuisten en slingeren ze tegen Olympos,
-waar de ivorene en goudene paleizen hoog zuilen tusschen rozige morgenwolk, en tusschen
-de zuilen zie ik zelfs, met angstig gebaar, vlieden de verrukkelijke Kypris, en hare
-gouden gordel verliezen, zoodat zij onvergelijkelijk naakt en verblindend voortijlt,
-de handen gestrekt naar Zeus, die haar in zijn armen bergt! O, Hermes, de verrukkelijke
-Kypris, wat is zij schoon, maar niet ten strijde geneigd, als Athene, en Artemis,
-die zich aan Ares’ zijde opmaken met speer en met drillende lans!
-</p>
-<p>—Dionyzos, zie … nu slingert Gration <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>brandende stammen van boomen de lucht in, maar hij zwaaide niet krachtig genoeg: de
-boom valt terug, niet meer dan als ware hij een fakkel en sprenkelt vonken over de
-Giganten zelven …
-</p>
-<p>—Hermes, zie, nu slingeren die beiden: Porfyrion en Alkyoneus—twee aan elkaâr gesnoerde
-en brandende eikestammen de lucht in …
-</p>
-<p>—En de eikestammen, als een dubbele fakkel …
-</p>
-<p>—Slingeren zij, o mijn vader Zeus …!
-</p>
-<p>—In het midden der goudene paleizen!
-</p>
-<p>—Hermes, de Olympos, in fellen brand, blaakt!
-</p>
-<p>—Dionyzos, er <span class="asc">IS</span> geen tijd te verliezen. Kom ons ter hulpe …
-</p>
-<p>—Ik!
-</p>
-<p>—Jijzelve, Dionyzos!
-</p>
-<p>—Ik, ter hulpe, mijn vader Zeus! Ik, god van druiven, strijden ter zijde van strijdbaren
-Ares, Artemis en Athene!
-</p>
-<p>—Twijfel niet en draal niet, Dionyzos! Hoor! Orakel spelde Zeus, dat ons de Giganten
-zouden verwinnen, zoo niet …
-</p>
-<p>—Zoo niet ik …
-</p>
-<p>—Zoo niet <span class="asc">HALFGODEN</span> ons kwamen ter hulpe!
-<span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span></p>
-<p>—Ik … ik, halfgod, maar <span class="asc">NIET</span> de onoverwinlijkste van mijn broeders en zusters!
-</p>
-<p>—Dionyzos, versaag je?
-</p>
-<p>—Nooit! Zeus, o mijn vader …
-</p>
-<p>—… Mijn zoon, Dionyzos!…
-</p>
-<p>—Hij roept mij! O Zeus … mijn vader!
-</p>
-<p>—Mijn zoon Dionyzos, kom ter hulpe! Mijn bliksems breken op de schubben der vreesverwekkende
-monsters, die Gaïa mij, boos, baarde, ze toekennende tegen ons tooverkracht, waartegen
-geen onzer weet middel!
-</p>
-<p>—O vader, o Zeus, ge roept mij, Dionyzos, ter hulpe? O vader, o vader, ik jubel! <span class="asc">IK</span> kan u helpen! Ge zegt, dat <span class="asc">IK</span> u helpen kan …? O heerlijke trots, die mij als druivenwijn de aderen doorvloeit en
-mij opheft tot een bezieling, die ik niet bereikbaar voor <span class="asc">MIJ</span> dacht! Vader, bezieling alléen omdat <span class="asc">UW</span> stem mij roept, omdat Zeus Dionyzos van noode heeft, omdat de goddelijke broeders
-en zusters mij, den alleen aan druiven rijken Dionyzos, riepen ter hulpe!
-</p>
-<p>—… O Dionyzos, wees niet in bezieling te over-onstuimig, want niet alleen roep ik,
-Zeus, je ter hulpe! Half broeder, en halfgod, hij als jij, zal Herakles je ter zijde
-staan …
-</p>
-<p>—Herakles, hij!
-<span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span></p>
-<p>—Dionyzos! riep Hermes. Hier dalen wij neêr. Tusschen Pallene en tusschen Olympos,
-tusschen Giganten en Goden. En hier, Dionyzos, tref je, halfbroeder en halfgod, hij
-als jij … Herakles.
-</p>
-<p>—Strijd <span class="asc">IK</span> aan de zijde van Herakles?
-</p>
-<p>—Zoo wil het Zeus.
-</p>
-<p>—Opdat hij, de sterkste, heeft àlle eer?
-</p>
-<p>—Wat draal je toch, Dionyzos! Zie, de Olympos brandt!
-</p>
-<p>—Laat de Olympos branden! Ik wil niet strijden dan alleen! Strijd <span class="asc">IK</span> aan de zijde van Herakles?
-</p>
-<p>—Wat weiger je, Dionyzos?!
-</p>
-<p>—<span class="sc">Hij</span> is sterk, mijn armen zijn niet gespierd!
-</p>
-<p>—Dionyzos, groot veldheer, zal je met armen als van een maagd, verwinnen aan Herakles’
-zijde!
-</p>
-<p>—Ik strijd alleen!
-</p>
-<p>—Dionyzos!
-</p>
-<p>Zoo donderde Zeus’ stem en onweêr barstte los.
-</p>
-<p>—Vader! kreet schel Dionyzos. Wat zal ik, trots al mijn bezieling, strijden aan Herakles’
-zijde! Hij ontneemt mij in den strijd alle eer!
-</p>
-<p>—Dionyzos!! Laat je als een stoute knaap, <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>je vader je roepen ter hulpe en te vergeefs?! Al je broeders, al je zusters, roepen
-ter hulpe en te vergeefs?
-</p>
-<p>—Vader!
-</p>
-<p>—Dionyzos!!
-</p>
-<p>En de knapejeugdige god, Dionyzos, eindelijk, huiverde voor vaders toorn. Maar hij
-was toornig ook, hij, als hij nooit was geweest: zijn lippen klemden op een, zijn
-tanden knarsten, en zijn zacht lieflijk gelaat veranderde in een grijns van kwaadheid,
-in een tronie van razernij: de oogen puilden, breed den mond, de tanden spits-flikkerden,
-als verscheurens gereed … Hermes was met hem nedergedaald en had hem, een kind gelijk,
-gezet op zijn voeten beide.
-</p>
-<p>—Zie, zeide Hermes, verzoenend. Dionyzos, zie … hier nadert, wie aan je zijde zal
-strijden, Herakles!
-</p>
-<p>Onwillig wendde Dionyzos zich om en moest het hoofd in den nek zich werpen om Herakles
-aan te zien. De zoon van Alkmene naderde, zwaar van tred, glimlachende in zijn kroesbaard,
-en hij was zoo groot, dat hij scheen te groeien, terwijl hij naderde. Een glimlachende
-goedigheid was speelsch in zijn oogen, die ledefronsten en lachten tegelijkertijd
-onder zijn bosschige brauwen en het voorhoofd laag en breed; des <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>Nemeïschen <span class="corr" id="xd31e1590" title="Bron: leeuwen kop">leeuwenkop</span>, die zijn hoofd overhelmde, deed hem nòg reuziger schijnen met die, boven hem, dooden
-blik uit den hollen monsterkop; met manen, die wijd-uit waaiden en de reuzetanden,
-die in den muil nog verschrikkelijk dreigende grijnsden; vale koningsmantel, viel
-het vel langs Herakles’ vollen rug en over zijn breede spierheuvelende schouders de
-borst breidde zich hoog-op en vierkant: een wal; staande nu steunde hij de massa der
-beide vierkant vingerende vuisten op zijn beroemde knots, en ook zijne zwaar heerlijke
-heldenarmen heuvelden, maar harmonisch in ontwikkelde kracht van zwellende kabelspieren;
-boomig stonden zijn beenen geplant op de breed zich uitbreidende voeten, en hoewel
-hij roerloos maar glimlachte, scheen het Dionyzos toe, dat een enkele beweging, zelfs
-uit goedige speelschheid, zoû, onwillens, straks doen veranderen van lijn het rotsige
-landschap, of murw de rotsen werden bij Herakles’ rotshardheid en kracht. Zoo, tusschen
-Olympos en der Giganten landstreek, Pallene, rees daar Herakles als een bescherming
-en sloeg breed zijn schaduw neêr. Achter hem golfde en loeide, als eene schuimende
-blanke zee, de blanke kudde der prachtige runderen, als Herakles’ Tiende Werk door
-hem <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>ontroofd aan den reus Geryon, die woonde aan het westelijke einde der wereld, en Dionyzos,
-hoe boos ook, ontzette. Maar hij verborg die ontzetting achter zijn boosheid, en toen
-Hermes, glanzende god, verzoenend, hem Herakles wilde voeren te moet, herhaalde hij
-schel, trots zijn vreeze voor Zeus:
-</p>
-<p>—Hermes, wat zal ik, trots al mijn bezieling strijden aan Herakles’ zijde!
-</p>
-<p>De held Herakles lachte in bassigen lach uit, die der runderen geloei overbulderde.
-En hij spotte goedmoedig, met den speelschen blik uit zijn ledefronsende oogen:
-</p>
-<p>—Voorwaar, roept mij mijn vader Zeus om te strijden aan dezes knaaps zijde! Moet ik
-mijn vuist ballen, waar hij zijn vuistje balt, en mijn arm uitslingeren, waar hij
-meisjesblank uitslingert zijn ronden arm? Waar is zijn kracht en waar is zijn wapen
-en wat vermag hij tegen de Giganten: de eenigen, die na de Titanen, Olympos bestormen
-dorsten! Wil vader Zeus lachen om een vertooning, of, zeg mij, Hermes, wat moet ik
-met dezen knaap?
-</p>
-<p>Maar Hermes, verzoenend, zeide:
-</p>
-<p>—Herakles, heerlijkkrachtige broeder, ontstem niet onzen jeugdigen broêr, den blijden
-god Dionyzos, door te minachten de macht van <span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span>hèm, die, in vreugde, de wereld verwint op lange, druive-omwingerden zegetocht! Moedig
-is hij, als jijzelve! Verkoos hij niet liever alléen de vreeswekkende Giganten te
-bestrijden, dan aan je zijde, beangst als hij is, dat je hem rooft de eer der hem
-àlzekere overwinning?
-</p>
-<p>—En wat is blijden Dionyzos’ macht, waarmeê hij de wereld veroveren wil? Ik hoorde
-nooit van hem en nooit van zijn zegetocht, en de door hem veroverde wereld! Is dat
-dan een andere wereld, dan Nemea, waar <span class="asc">IK</span> doodde den leeuw, wiens muil mij hoog overhelmt; dan Lerna, waar <span class="asc">IK</span> neêrsloeg den veelkoppigen draak; dan Erymanthos, waar ik bemachtigde levend het
-everzwijn, of Kerynia, waar ik Artemis’ goudgehoornde, kopergehoefde hinde greep;
-dan Stymfalos, waar ik uitroeide de ijzer-gevleugelde vogels, en Elis, waar ik rivieren
-van loop deed veranderen om ze stroomen te doen door den Stal; dan Kreta, waar ik
-den stier, en Thrakië, waar ik de paarden ving, Diomedes’ menschenetende rossen; dan
-Skythië, waar ik der Amazonenvorstin haar gordel ontnam, en het Verre Westen, van
-waar ik nu kom, na mij meester te hebben van Geryons kudden gemaakt? Is dat alles
-de wereld dan niet, en verwin <span class="asc">IK</span> de wereld dan niet met <span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span>mijn wonderwerken, waarmeê ik mijn eigen roem behaal, ook al gebood het Orakel mij
-die tot straf zelven voor mijn moedermoord te verrichten ter eere Eurystheus’!? Schakelen
-die werken dan niet <span class="asc">MIJN</span> zegetocht en wil deze knaap zich meten met mij?
-</p>
-<p>Zoo sprak stembulderend Herakles, zijn borst—als een wal—opzettend, zijn schouders
-nog vierkanter schaduwend doende tegen Olympos aan, en zijn armen zwollen van spieren
-als kabels, en zijn beenen boomden, onwrikbaar ten pezige voeten geplant, maar de
-blijde god Dionyzos was niet toornig meer, om zijn bulderenden halfbroeder, die daar
-voor hem stond als een reuzeherder van een reuzekudde blanke runderen, en, aan Hermes’
-zijde, hij de kleinste en menschelijkste van hun broeders drie, zeide hij met verzoenende
-stem nu zelve, bescheiden,—maar Hermes hoorde hem spotten wel in die vroolijk gehuichelde
-bescheidenheid:
-</p>
-<p>—O, krachtige halfbroeder Herakles, zoû <span class="asc">IK</span>, zwakke god van wat ooft, dat mijn saters mij druiven noemen, en waaruit wij persen
-een drank, die wel aangenaam koelt het dorstig verhemelte, mij durven meten met jou,
-mij durven vergelijken met jou! Ik trok nooit naar alle de plaatsen, die je met volle
-recht snoevende, <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>o Herakles, mij hebt genoemd, en bij al de krachtwerken, die je verrichtte … wat is
-mijn werk vergeleken: druivefestoenen heerlijk te slingeren van Ikaria tot Orchomenos,
-en van Arkadia en Karië tot Korinthe toe, tot ik ze straks met luchtig gebaar slingere
-de zee wellicht over, naar de allerverste morgenlanden, en aan de oostelijke poorten
-misschien Eos mijn druiveschaal biedt! Kinderwerk is het, Herakles, bij dat van jou:
-mannetjes-mannewerk! Begrijpen doe ik ook niet, dat mijn vader Zeus mij opdroeg te
-strijden aan je verschrikkelijke zijde, maar zijn wil is mijn eenige wet, en daarom,
-o Hermes, verstandige broeder, verplicht mij en daar ik ongewapend ben, pluk even,
-terwijl ik mijn broeder Herakles’ zij niet verlaat, een agavebloeme-steel voor mij:
-kies die uit krachtig en zwiepend: ander wapen heb ik van noode niet; spelen wil ik
-er maar meê een beetje, in de schaduw van Herakles’ knots … Verzoenen wil ik mij met
-Herakles vóor den strijd, en daarom, o wingerd, o wonderwingerd, welig, schiet uit
-tusschen ons beiden; rank luchtig om die verschrikkelijke knots, en, druiven, vlijt
-u in Herakles’ vuist, opdat hij zich vóór den strijd lave en zich verzoene met Dionyzos!
-<span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span></p>
-<p>Zoo antwoordde, guitig en niet meer verstoord, de blijde god Dionyzos, en terwijl
-Hermes den agavebloeme-steel plukte, weligde om Herakles’ knots, o wonder, de wingerd,
-en de verschrikkelijke held riep, verbaasd:
-</p>
-<p>—Doet die knaap groeien uit den grond wat hij wil? Wat zijn dit voor krullende ranken
-en zwellende trossen! Pluk ik er een, Dionyzos? Druk ik dien zóó aan mijn lippen?
-Drink ik dit edele sap zoo? O, Dionyzos, is dit je gave? Deze purperen heerlijkheid
-… is dit je gave? Dit nieuwe genot … is dit je macht? O Dionyzos mijn lieflijke broeder,
-o mijn heerlijke halfbroeder Dionyzos … laat weligen, weligen nòg meer de wingerd,
-laat nòg meer de trossen zwellen naar mijn hand en mijn lippen toe, en terwijl mijn
-knots schijnt te groeien, staande in lof en ooft … kom aan mijn borst en kom op mijn
-hart, opdat ik je omhelze met broederkus, voor genot zoo nieuw, voor laving, zoo allerweldadigst,
-die wat ook voor vermoeidheid, zoo even, licht, mijn tred loom maakte aan het hoofd
-dezer kudde, nu mij bezielt met wondere bezieling, of mijn oog helderder ziet, mijn
-arm sterker zich spiert, en geheel mijn ziel zich heft in goddelijker energieën!
-<span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span></p>
-<p>Toen, om Herakles’ plotse verrukking, schaterlachte de blijde god Dionyzos, en hij
-stortte zich in zijn broeders machtige armen, en duldde, dat hij hem tilde aan zijn
-hart en hem er bijna op verpletterde, hem zoende hartelijk met kroesbaard-mond de
-lachend purperen lippen. Maar een plots zware rommelslag daverde, het vuur viel in
-bliksems uit Olympos, en Zeus, toornig, donderde:
-</p>
-<p>—Herakles en Dionyzos! Wat toeft gij zoo lang, en wat snoeft gij tegen elkander op,
-de een bulderend met kracht, en de ander, spitsvondig met ironie, wie van u beiden
-de wereld verwint en wiens wereldverwinning de meeste beduidt voor uw eigen glorie
-en heerlijkheid! Niet anders dan als oude wijven verliest ge in veelheid van woorden
-uw kostelijken tijd, en acht gij niet, dat Olympos blaakt van fellen brand, door de
-saamgesnoerde brandende eikestammen, die Porfyrion en Alkyoneus met vereenigde krachten
-als fakkels slingeren naar onze paleizen toe. Te hulpe, Dionyzos; te hulpe, Herakles!
-</p>
-<p>Verschrikt om des vaders toornige stem, staakten de halfgoden hunne broederlijke omhelzing,
-en zagen zij uit naar den strijd, die tusschen Pallene en Olympos op het verschrikkelijkst
-<span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>werd gestreden. Want Efialtes, krachtigste aller Giganten, stapelde bergen op elkaâr,
-en beklom die, naar Olympos toe, maar op de schitterende drempels der godenpaleizen
-verscheen, in glans omhuld, Apolloon, en schoot met zijn flitsende pijl uit zilverstralenden
-boog Efialtes het rechteroog uit; Herakles, schoot <span class="sic">te-gelijkertijd</span> den Gigant het linkeroog uit, en blind, tuimelde hij, terwijl zijn misstap bij misstap
-de bergstapeling wankelen deed en zijn reuzelijf de neêrdonderende bergen begroeven.
-Toen was het of de al versagende goden herademden in heerlijken moed; want, reuzig
-in storm, rees Zeus van zijn zetel en trof met zijn bliksem Porfyrion, die, reeds
-opgeklommen de bergstapeling, bereikt had Olympos’ goudenen drempel en in onbetembaren
-lust de goddelijke Hera aangreep. Maar bliksemgetroffen stortte Porfyrion in het ijle
-en viel uit duizelende hoogte neêr op Pallene. Hij viel en viel steeds, en intusschen
-bestreden de goddelijke strijdbare maagden, Athene en Artemis, de draakbeenige reuzen
-Pallas en Gration; heerlijk van moed, met juichende kreten, vielen de maagden hen
-beiden aan. Maar een razernij, plots, bezielde den blijden god Dionyzos en rukkend
-uit Hermes’ handen den zwiependen agavebloeme-steel, <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>stortte hij zich in den strijd en sloeg om zich rond, in een wijden cirkel van zwieping;
-de anders zoo blauwe violenoogen puilden onder zijn blonde, fronsende brauwen; zijn
-zacht knapegelaat vertrok tot een grijnzende tronie van kwaadheid en hij sprong rond
-tusschen de verbaasde Giganten, en zwiepte en zwiepte zijn steel. Dat gaf rondom hem
-heen een bescherming, wijden toovercirkel, dien hij rondom zich duizelde, bezwijmelend
-vlug voor wie er de oogen naar richtte, en op de Giganten, ontzet, schoten nu van
-omhoog de pijlen en bliksems van Zeus en Apolloon, van omlaag de altijd treffende
-pijlen van Herakles! En al dansende steeds in woede, verovering, draaide om zichzelven
-rond, tolduizelsnel, de razende god Dionyzos, in den van snelte vertrillerenden cirkel
-van zijn zwiependen bloemsteel, tot hij plots ophield en niet horizontaal meer zijn
-steelduizeling zwiepte maar ze zweepte in ellips, loodrecht, en toestormde op Olympos’
-belagers. Hij was dronken van enthouziasme, de razende god Dionyzos; de gedachte aan
-Zeus bezielde hem en hij sloeg met zijn agave-stengel, die zwiepte, den Gigant Eurytos
-op zijn monstermuil; zoo snel sloeg hij en liet hagelen de slagen, dat Eurytos, verblind,
-niet <span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span>wist hoe zijn ijzeren knots te heffen … Sneller en sneller sloeg Dionyzos; het was
-hem of hij niet zelve sloeg, maar of duizenden in hem sloegen; duizenden als hijzelve
-… Sneller en sneller hief zich, daalde, hief zich, daalde de stengel, tot eindelijk,
-bezwijmd, de reus wankelde op zijn drakestaartvoeten en viel hard neêr op zijn knots,
-terwijl steeds Dionyzos’ slagen hem troffen. Nu lag hij, een weerloos slachtoffer,
-en liet zich slaan, en liet zich slaan. Hij bewoog niet meer, hij was dood. En in
-Dionyzos’ zachte hand scheen tot zwiepend ijzer te harden de steel, want nu cirkelde
-hij weêr zijn duizeling snel, horizontaal om zich rond. De aarde verschoof en beefde,
-ontzaglijk geweld weêrklonk: Poseidoon, in zeebevende woede, hief het eiland Kos op
-beide armen en slingerde het over Polybotes, en Athene, strijdbare maagd, rukte Pallas,
-dien zij hield onder de knie, zijn onkwetsbare huid villende van het reuzelijf, en
-sloeg die zich met éen kreet om den boezem, ter eigene àlzekere bescherming. En de
-pijlen van Apolloon omhoog, en de pijlen van Herakles laag, flitsten sneller en sneller,
-of zij beiden, Herakles en Apolloon, bezielden door Dionyzos’ bezieling van snelheid,
-van duizelingwekkende snelheid … Een schelle kreet schalde als een <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>bazuinroep uit de keel van den razenden god Dionyzos en terwijl vluchtten, dringend,
-de pijldoorschoten Giganten weg naar het verre Westen toe, achtervolgde hij ze met
-zijn zwiependen steel. Nu staakten de goden den strijd, maar Dionyzos, schel schreeuwende
-steeds, ijlde, ijlde, hen achterna, en geeselde hun de vreeselijke ruggen … Schaterde
-hij, met zijn grijnzende tronie van razernij en geeselde, geeselde steeds …
-</p>
-<p>De avond viel, en in de duisterende hemelen smeulde als een wereldbrand de roode rook
-nog der godenpaleizen, door Hermes zelve in wateren gebluscht. Op den gesmolten drempel
-der goudene poorten lag, in slaap van vermoeidheid, de blijde god Dionyzos, glimlachend
-als een kind: zijn hoofd viel hem, zwaar van slaap, bevallig ter zijde; zijn adem,
-lieflijk rythme, rees regelmatig de blanke borst op; in zijn blanke vuist nog omklemde
-hij een geknakten agavebloeme-steel, maar van strijd scheen hij niets te weten …:
-terwijl de ontzetting nog huiverde in der overwinnende goden oogen, sliep hij als
-na een spel, glimlachte hij als in een droom van druiven, en hij was zoo heerlijk,
-en zoo lieftallig, dat alle goden glimlachten nu, hem naderende een voor een, neêrknielden
-bij zijn sluimering, en hem kusten <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>op het voorhoofd. En zelfs vorstelijke Hera, die den zoon van Semele bij zijn geboorte
-had willen vernietigen, naderde en knielde neêr, streelde even met haar vorstinnehand
-zijn blanke rimpel- en zorglooze voorhoofd, en kuste hem er op, en Afrodite, lichtend
-van schoonheid, die met glans alleen haar omkleedde, fluisterde den slaper in:
-</p>
-<p>—Dionyzos, <span class="asc">WAT</span> gij mij ook vraagt … sta ik toe in zalig geluk!
-</p>
-<p>De nacht donkerde en in de geduisterde hemelen rossigde alleen nog de laatste walm
-der uit smook opklarende godenpaleizen. Toen nam Hermes den slaper en onversaagden
-god Dionyzos, in beide zijne armen en, hoedwiek en enkelvleugel bewegende, vloog hij
-naar de aarde, den boord te-gemoet van de starren weêrstralende zee. Daar lagen, tot
-spoedige reize gereed, de smalle triremen en wiegelden zacht op den sluimerzang van
-Poseidoon. Vlak aan zee rees het pijnenbosch uit rotsigen grond omhoog, en in de donkere
-schaduw sliepen de saters, menaden, Silenen, de kleine jongens van Pan tusschen de
-tamme leeuwen en panthers der in vreugde onverwinlijke thiazos. Geene waakte toen
-Hermes naderde, met, in zwaren slaap, Dionyzos in zijn armen. Hij trad dalende neêr
-op den <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>grond en aan Ampelos’ zijde vlijde hij den god, op een sponde van duizend viooltjes.
-Dat geurde in den nacht en trillerde als een lied eentonig, en boven het eentonige
-lied trompetterde uit hare hoorntjes kamperfoelie een gedempte fanfare: blijdschap,
-omdat Dionyzos terug was gekomen. Er richtte zich even uit de armen van een faun,
-een nymf, en zag met slapens-kleine oogen naar Hermes een oogenblik, sliep dadelijk
-weêr in, moê van angst, als zij allen, om het ontzettend gedruisch diens dags: Hermes
-verdween, en de nacht voltooide in weldadige stilte. De golven ruischten sluimerwiegend;
-de kamperfoelie fanfaarde, nu hooger, dan lager<span class="corr" id="xd31e1661" title="Bron: ..">…</span> Verder was de rust overal.
-<span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch10.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">X.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">—God Dionyzos, onze god, god om wien wij ons scharen! Eere, god Dionyzos, verwinnaar
-der vreeswekkende draken-Giganten! Jij versloeg ze alleen, met je zwiependen agavebloeme-steel,
-dien je knakte op hun krakende ruggen! God Dionyzos, onze god, god om wien wij ons
-scharen, is machtiger dan jij Apolloon, onfeilbare vlammende schutter? Is machtiger
-dan jij knotszwaaiende Herakles, zijn machtiger Athene en Artemis, juichende strijdbare
-maagden …? O, Dionyzos, machtiger alleen dan jij is Zeus, is Zeus zelve, en nog troffen
-zijn bliksems niet steeds de belagers van Olympos en van vorstelijke Hera …! God,
-om wien wij ons scharen, rijs op uit sluimering, voer ons over de zee naar de verre
-morgenlanden, naar de oostelijke grenzen der wereld, naar de goudene poorten, waaruit
-Eos treedt, en wingere langs onze reis de lenige rank met ons mede tot zij de goudene
-oostelijke <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>poorten omkrinkelt en het bloed van haar trossen feller doet Eos blozen … O god, om
-wien wij ons scharen, redder der goden, heilbrenger aan hoogen Olympos, voer ons aan,
-en wij talmen niet meer! Reeds liggen gereed de vaartuigen, en zijn wij ongeduldig
-de riemen te grijpen—Dionyzos, om wien wij ons scharen …!
-</p>
-<p>Zoo wekte, in den al laten morgen, de blijde oproep der saters den sluimerenden god
-Dionyzos, en fronsend ontwaakte hij en zag over hem Ampelos buigen heen.
-</p>
-<p>—Lang was ik weg?
-</p>
-<p>—Een nacht, en éen dag, Dionyzos …
-</p>
-<p>—Ampelos … in den droom zag je mij?
-</p>
-<p>—In Hermes’ vlucht, in zijn armen …
-</p>
-<p>—Het ontzettend gerucht drong door tot hier?
-</p>
-<p>—Wij hoorden, ontzet, het gerucht van den krijg; wij zagen de bergen gestapeld worden,
-wij zagen Olympos in brand … Wij klommen op heuvelen rondom, wij aanzagen den strijd,
-en wij zagen in vervoering onzen god, Dionyzos … Tolduizelsnel zwaaide hij om zichzelven
-rond, zwiepende den agavebloeme-steel; toen hagelden zijn slagen neer op de vluchtende
-Gigantenruggen … Dionyzos was hun overwinnaar!
-<span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span></p>
-<p>—Ik?
-</p>
-<p>—Dionyzos was hun overwinnaar, onversaagd tot het einde des strijds …
-</p>
-<p>—Toen?
-</p>
-<p>—Was moê Dionyzos en lachte en zeide hij tot Hermes, een kind gelijk: ik wil slapen …
-</p>
-<p>—En … ik sliep?
-</p>
-<p>—Hermes voerde je op den drempel der nog in rosse smook walmende godepaleizen en legde
-je slapende neêr … De goden bogen zich over je en kusten je dankbaar het voorhoofd …
-</p>
-<p>—Zelfs de vorstelijke Hera?
-</p>
-<p>—Zelfs zij!
-</p>
-<p>—Ik herinner mij een droom … Voor mij verscheen, heerlijk glanzende, stralende van
-<span class="corr" id="xd31e1691" title="Bron: onvergelijklijke">onvergelijkelijke</span> naaktheid, Afrodite, en zij zeide: Dionyzos … wat je mij ook moge vragen … ik sta
-het je toe in zalig geluk! Ampelos … zoû ik nog ooit Afrodite vragen een gunst, die
-zij in zalig geluk mij toe zoû staan …
-</p>
-<p>—Dionyzos … de toekomst …
-</p>
-<p>—O, de toekomst, Ampelos, schijnt mij in trossen van druiven en dichte wingerdlooveren
-omhuld en ik zie haar nooit door … Maar vreemd is mijn ziel beroerd om àlles wat mij
-wacht in dat dichte toekomstprieel van druiven … Lange zegeweg, omrankt met onze welige
-ranken … <span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>die zelfs de blauwe zee schijnen te overslingeren, eilanden der archipel over, tot
-aan de oostelijke poorten van Eos! Zongen zij niet zoo even, Ampelos, van mijn zege?
-Maar zeg mij, zal ik altijd triomfeeren? Ampelos, zal ik nooit worden verslagen? Loeren
-er mij niet vijanden, die ik niet zie en niet weet? Zal ik het geluk en de vreugde …
-altijd … kunnen sprenkelen? Langs zoo langen zegeweg …! O, Ampelos, is het niet, als
-of juist mijn groote zege mij weifelen doet op eens … of ik den eersten frisschen
-moed verloor … Ampelos, wat klinkt in mij weemoed? Ik zàl niet altijd triomfeeren …
-Ik zal éenmaal verslagen worden! O, Zeus, ik zal éenmaal verslagen worden!
-</p>
-<p>—Dionyzos …!!
-</p>
-<p>—Ik zal éenmaal verslagen worden … O, Ampelos, nu zoû ik weenen willen in je armen …
-Nu plots voel ik mij zwak en ontmoedigd … Zie mij aan, ik ben een kind … Ik heb armen
-als van een meisje … Ik voel mij een ziel plots vol van weemoed … Dat is een neêrslachtigheid,
-mij o zoo nieuw … Ampelos … hoor … wat roepen zij?
-</p>
-<p>—… God Dionyzos, onze god, god om wien wij ons scharen! Eere, god Dionyzos, verwinnaar
-der vreeswekkende draken-Giganten! Jij <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>versloeg ze alléen, met je zwiependen agavebloeme-steel, dien je knakte op hun krakende
-ruggen … Is machtiger dan jij Apolloon … onfeilbare vlammende schutter … Is machtiger
-knotszwaaiende Herakles … Zijn machtiger …
-</p>
-<p>—O, zij verheerlijken mij in hun morgen-gejuich, maar zij weten niet, Ampelos, van
-den vreemden weemoed en weifeling … Ampelos … Ampelos … moet ik … <span class="asc">IK</span> de wereld veroveren tot de oostelijke poorten …? O, nu ik sta van mijn bed van viooltjes
-op … nu wankel ik op mijn voeten … Nu weet ik niet meer … Nu duizelt het plots om
-mij rond … Nu zwelt mijn hart vòl van weemoed … En toch zie ik den weg … de reize
-over de zee, het lachende eiland … het druiveprieel … zie ik de sterren … de avond
-paarsen … zeilen aan den schemerenden zee-einder … blank, zie ik blank een vrouw …!
-Een vrouw …! Ampelos … zoû zij mij beminnen? Ampelos, nu weet ik niet meer!! O, de
-vreugde der eerste dagen! O, de onversaagdheid van toen! O, de weemoed van nu! De
-weifeling en de neêrslachtigheid … Ampelos, word ik laf … Word <span class="asc">IK</span> laf, ik Dionyzos … Ampelos, sprenkel mij vreugde … Vul mij een volle schaal … Hier,
-pers ze uit, o zwelg met mij dezen reuzetros … Tros, o zware tros, stroom <span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span>uit in mijn omhelzing! Zware tros, lig zwaar als een wellust op mijn mond, waar nauwlijks
-mijn armen je beuren kunnen … O, nu wankel ik onder je, tros! Ampelos, bied mij een
-vòlle schaal. Zwelgen wij beiden tros en schaal, zwelgen wij samen, o vriend, o vriend,
-die mij den eersten wijnstok boodt … o vriend, die hem plantte met mij … Is het de
-dag der reize? O, neen, laat het nog niet de dag der reize zijn, maar laat het een
-dag zijn van lóuter vreugde … Het gelooverte is zoo dicht, dat het hier, daar en elders
-als nacht is, in de aromen der duizend viooltjes, in den suikergeur der duizend accacia’s,
-en de hoornfanfaretjes der kamperfoelies! Lieve gezellen van Dionyzos, komt allen,
-komt allen hierheen! Feest nu blijde het uitgelaten festijn tot afscheid van deze
-streken, die wij ons wonnen en waarover wij heerschen. Silenen, waardige knikkebollers,
-danst rondom ons en lacht-uit het leven! Blijde faunen, trapt regelmatig de maat,
-maar, o saters, zwiert en zwelgt ònmatig, àl het purperen en blanke genot, dat ik
-geef!
-</p>
-<p>En, de reize uitgesteld, de waggelende vaartuigen wiegelende op de aan- en wegspoelende
-golven van komenden vloed, was een enkele wenk van den blijden god Dionyzos voldoende,
-om de nymfen zich met versche trossen de <span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span>slapen te doen vertuiten, de menaden in de duisternis van het woud te doen wegijlen
-met zwaaiende thyrs, en Dionyzos, in druiverazernij, bood ze zelve de zwellende trossen,
-in de razende orgie, die begon … Zelve voerde hij de lange rij aan, en sleepte hij,
-hand aan hand, de lange ronde over de bosschige heuvelen; de reeën vluchtten over
-de zonnige dalen voort, en verdwenen in de dan bijna zwarte schaduw, maar de menaden
-achtervolgden de reeën in vurige jacht en het woud weêrklonk van haar schriklijke
-kreten. Brullende naar alle zijden stoven de panthers en leeuwen, en de dronken saters
-omringden de huizen der stervelingen, de hutten der landbouwers, en sleepten die meê,
-willig, onwillig. Wee, wie niet aanstonds Dionyzos gewonnen zich gaf; wreed waren
-de saters, al wie hun verheerlijkten god weêrstond en zij sloegen met thyrs en agavesteel
-oude en jonge mannen op ijlende vlucht, zoo dat zij Dionyzos vloekten; maar zij sleepten
-meê matronen en maagden in het diepste middagduister der wouden … Hijzelve, de god,
-vergeten zijn weemoed, hem zoo nieuw en zoo vreemd en zoo angstig, slingerde aan zijn
-hand, voorttrekkende, de dolle rij en de ronde, en opdat niet de levende ketting verbroken
-<span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span>zoû worden, had hij een lange wingerdboei om allen heen laten kluisteren, zoo dat
-niet éen nymf, niet éen faun, niet éen menade meer uit kon wijken … Wankelde zij,
-of viel hij, meê moesten beiden … opstaan, zoo zij vermochten … anders gesleept over
-de dalen en heuvelen, getrapt door de achter hen komenden, dan eindelijk zich weêr
-heffende op, in den druivewingerd, voort! Omdat de weligende druif meê met hen ijlde,
-rondom hunne leden zelve, éen festoen met hen allen, zwelgden zij zonder staken, met
-éen hand elkander vast houdende, met de andere plukkende den tros en dien drukkende …
-Hunne kreten scandeerden schel en <span class="corr" id="xd31e1722" title="Bron: verscheurde">verscheurden</span> de middaglucht. Vogelen vlogen verschrikt alom … Hamadryaden dier heuvelende bosschen
-en niet wetende nog van Dionyzos, werden gevangen in éen oogwenk, omkluisterd in druiven
-en meêgesleept. Toen Dionyzos ontmoette Ampelos, hij, de Faun aan het hoofd van een
-zelfde levend festoen als het zijne, kreet hij juichend op, en de festoenen slingerden
-zich in elkaâr, menaden, faunen en saters, en er tusschen de Panszonen, en er tusschen
-vooral de reuzige druiven. Nu rukten uit elkaâr zich de levende festoenen, en iedere
-ontmoeting was onverwachts. Op het wildst, <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>in het midden diens zonnigen dags, slingerden de verbroken levende schakels zich hier
-en daar en naar alle zijden en verdwenen, in razende dronkenschap van druivebedwelming
-en liefde … Toen de schemering viel, zwierven op de hoogere heuvels, tegen den glans
-der zon ondergaand, waarin verwaasden de verdere violette bergen, de razendsten, niet
-meer aan de hand zich houdend, alleen, op zwierenden pas, het beestevel verliezende
-of verloren, struikelend in de eigen boeien van ranken, de oogen puilende in vervoering,
-niets meer wetende dan de eigen razernij en de razernij Dionyzos’! Den mond schuimende,
-riepen zij zijn naam, riepen zij zijn vele namen. Zij zagen de zon, die zonk aan den
-einder der zee, zwelgen in het stroomend bloed van Dionyzos’ druiven. Zij zagen den
-hemel gekleurd van dat bloed en dien wellust; zij zagen de zee er van golven, van
-wellust en van druivenbloed beide. Zij liepen de heuvelen af en stortten zich in de
-zee. Zij verdronken of klampten zich vast aan de waggelende schepen, wiegelend.
-</p>
-<p>In den nacht, om het reuzige mengvat Hefaistos’, zwierden de rijen heuvel op, heuvel
-af. Anderen waren heel ver weg gedwaald, tot op de sneeuwruggen der hoogste bergen.
-<span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>Geene druiven meer, vielen zij in de sneeuw, bezwijmeld. In den morgen schrikten zij
-op van het geschal der lange fluiten der faunen. Aan den boord van de zee verzamelde
-zich het leger der vreugde. Dionyzos’ vaartuig reeds stak in zee, de masten blijde
-omwingerd. Honderde vaartuigen omstuwden het zijne al. Brullend de panthers en leeuwen,
-brieschend de tijgerkatten, werden onwillig zij ingescheept door de faunen en zonen
-van Pan. Elk vaartuig, dat stak in zee, omwingerde zijn masten op Dionyzos’ bevel.
-Over de zee dansten blijmoedig de roeierende triremen weg, regelmatig het ruischende
-rythme der spanen lang en slank, en zij schenen zwemmende monsters met looverenden
-rug en met pooten zeer vele.
-</p>
-<p>Dionyzos stond lachend, zijn arm om den mast geslagen. Zwaar zwollen de trossen langs
-voor- en langs achtersteven, en festoenden zijn vaartuig langs. Hij lachte, maar weemoed
-troebelde vocht in zijn violenoogen. Nu verliet hij àl zijn overwonnen landen, en
-trok hij het morgenland te-gemoet. Waarom, dan in zijn ziel, gevoelde hij twijfel
-en weifeling? Hij lachte, turende naar de bosschige boorden, de heuvelige landen,
-die zich trokken van hem terug … Hij lachte: Poseidoon was hem gunstig geneigd, <span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span>en Aiolos, op Zeus’ bevel, blies de weinige wolken weg … Voorspoedig zoû de zeereize
-zijn der duizend triremen Dionyzos’! De tritonen doken juichende op en bereden hun
-dolfijnen, die spoten, en de okeaniden, om Dionyzos’ vaartuig, dansten de blanke ronde.
-De god zelve wierp haar druiven toe, en zij omrankten zich met het nieuwe genot. Overal
-uit de golven doken de kinderen van Poseidoon op, en de wijde zee was blijde bevolkt
-om Dionyzos’ overwinnende reize, die zwierde met éen geslingerd druivefestoen, de
-zee, de verre zee over. Zang en schulpgeschal klonk overal over de blauwgroenig bewegelijke
-vlakte, maar even geschuimd met regenbogenenden kam.
-</p>
-<p>Later, voor de brandende hitte op het water, weligden voller tot reuzeprieelen de
-wingerden van voorsteven naar hoogeren mast tot achtersteven toe, en voorspoedige
-wind blies bol het blanke vleugelgelijke zeil, flappende. Lustig lagen de nymfen en
-menaden en zongen en sloegen de cymbels, nu rustig èn panther èn leeuw sluimerden
-aan hare voeten, en de saters, gelijkmatig, roeiden de riemen vroolijk. In het aanblakeren
-van het midden des dags, ontvolkte de zee en de wind vlijde zich en vele bokspootige
-roeiers lieten de spanen los, en grepen boven zich de volle trossen.
-<span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span></p>
-<p>Maar over de leêgere zee aangaloppeerend op zeepaard, tweebeenig, het achterlijf vereindigend
-in visschige staart, waarmede het stuurde zijn met steigerenden voorhoef trappelende
-vaart, zag Dionyzos, sluieromwuifd, de zilvervoetige Thetis …
-</p>
-<p>—Dochter van Nereus! riep hij. O blijdschap des oceaans en lach van de zee, zeg mij,
-gij, heerscheres der zilte bewegelijke wateren, waarover ik wiegel in wellust van
-reize mij nieuw, zeg mij welk oord zal ik kiezen ter noodige middagruste. Richt ik
-naar het Oosten mijn koers, tref ik dan niet op mijn weg nieuwe eilanden lieflijk,
-die liggen als bosschige en als bloemige bedden her en der, ons lokkend tot rust?
-</p>
-<p>—O, blijde god van de vreugde! antwoordde hem zilvervoetige Thetis; laat over aan
-den zwakkeren wind waar hij henen drijft je omwingerde schepen, want lieflijke zijn
-àlle mijn eilanden, en voorkeur kan ik niet noemen …
-</p>
-<p>En blijde Dionyzos te hebben gezien, dreef zij haar zeepaard te duiken terug, naar
-de koralen paleizen.
-</p>
-<p>—Dàn laat sleepen in het water de riemen, o saters, en drijven in den steeds zwakkeren
-wind onze vaartuigen, waarheen zij mogen …
-</p>
-<p>Loom lieten de saters de spanen los, en zij dronken <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>de druif, en sluimerden van middagweelde, en Dionyzos, vertrouwende ook, sluimerde
-in.
-</p>
-<p>Maar Zeus, de reize beschouwende van zijn lievelingszoon Dionyzos, riep tot den windgod
-Zefyros:
-</p>
-<p>—Zuidwestelijke wind, lieflijke zwever, blaas-op je lachende wangen en luw met je
-adem nu langzaam, zoo dat het hem nauwelijks store den slaap, langs de druive-omwingerde
-schepen van mijn blijden zoon Dionyzos; blaas-op de wangen en blaas-uit nauw merkbare
-stuwkracht, zoo dat de druivetriremen drijven zacht weg in de richting van het groenende
-eiland, dat ginds aan de kim laurier- en oleanderbosschage geurig doet wemelen met
-éen lange streep van lokkende schaduw … Zuidwestelijke wind, lieflijke zwever, stuw,—maar
-Dionyzos onmerkbaar latend het noodlot, dat ik voltrek—de reize mijns zoons naar Naxos,
-opdat de omwingerde schepen troost brengen aan wie de zwartzeilige schepen achter
-zullen laten in namelooze smart …
-</p>
-<p>En aanstonds, gehoorzaam, ontwaakte Zefyros, wijd-uit gevleugeld en dreef op zijn
-nog loomende vlucht heen naar de zee, waar wèg dobberden Dionyzos’ druivetriremen,
-en hij blies, de bolwangige windgod, zacht luwende zoele bries: hij verzamelde met
-zijn adem, blazende <span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span>hier en blazende daar, de vaartuigen, wiegelende weg van elkaâr; en zóo zacht, dat
-hij noch stoorde Dionyzos’ slaap, noch die der roeiensmoede saters, stuurde hij de
-omwingerde vaartuigen in de richting van het groenende eiland …
-<span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch11.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">XI.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">—Zusters, o Nereïden, ringt u rond, witte reie rondom het Eiland, dat drijft, oleander-,
-laurierbosschage op de nauwelijks schuimig gekamde zee. Thetis ben ik, die u roept!
-</p>
-<p>—Thetis, roept gij mij op uit de golven? Zeg mij, waarom klonk tot de diepte uw stem
-mij toe, wekkende mij uit watergewiegelde rust? Ik ben het zelve, Wiegeling-der-Zee,
-die u vraagt …
-</p>
-<p>—Zusters, o Nereïden, àl reikt mij de hand Wiegeling-der-Zee: duikt op uit de al schemerig
-getinte wateren! Thetis ben ik, die u roept …
-</p>
-<p>—Wiegeling-der-Zee, ik, en Thetis, zijn wij het beiden, die roepen: duikt op!
-</p>
-<p>—Thetis en Wiegeling-der-Zee, roept ge mij op uit de golven? Zeg mij, waarom klonk
-tot de verre verte uw stem mij toe, mij, Blauwte-der-Zee, die nu aanzwemt …?
-<span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span></p>
-<p>—Zusters, o Nereïden, Wiegeling-der-Zee en Blauwte-der-Zee en Thetis reiken elkaâr
-al de handen …: duikt op, en zwemt aan van verre en ringt u rond, witte reie, rondom
-het Eiland …
-</p>
-<p>—Thetis en Wiegeling-der-Zee, en Blauwte-der-Zee, wat roept gij mij aan te snellen,
-mij, Heffende-Golfslag-bij-rijzenden-vloed …
-</p>
-<p>—Zusters, o Nereïden, al reiken de hand wij elkaâr, Wiegeling-der-Zee, en Blauwte-der-Zee
-en krachtig Heffende-Golfslag-bij-rijzenden-vloed en Thetis … Andere zusters, duikt
-op, en reit om het Eiland de ronde!
-</p>
-<p>—O, Golfslag-bij-rijzenden-vloed, o Blauwte-der-Zee, Wiegeling-der-Zee, o Thetis,
-wat roept gij mij toch, mij loome, deinende Ebbe-der-mattere-wateren …
-</p>
-<p>—Kom vlugger, o loome Ebbe-der-mattere-wateren …
-</p>
-<p>—Hier bied ik u mijn handen twee …
-</p>
-<p>—Zusters, o Nereïden, hoort! Ik, Loome-Ebbe-der-mattere-wateren, ik, Heffende-Golfslag-bij-rijzenden-vloed,
-ik Blauwte-der-Zee, ik, Wiegeling-der-Zee, ik Thetis … wij roepen u op, ringt nu rondom
-het Eiland de ronde wit …
-</p>
-<p>—O, Nereïden, o, Zusters, wat roept gij ons allen nu op …? Wij duiken op en zwemmen
-<span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>aan, wij allen op uw aller roep …: ik, Rozige-Kus-van-Eos; ik, Gouden-geschubde-van-Helios;
-ik, Selene-zilvergetinte; ik, Stormende-Booze; ik, Vereffenende; ik, Wachtster-aan-de-Oostelijke—;
-ik Wachtster-aan-de-Westelijke Poort …
-</p>
-<p>—O, Nereïden, o Zusters, ik zilverblanke Amfitrite, gemalin Poseidoons, Nereïde als
-gij allen, vorstelijke dochter van Nereus, wat roept gij mij op, in uw dansende reie?
-</p>
-<p>—Zilverblanke vorstinne der wateren, ik, Thetis ben het, die u roept …
-</p>
-<p>—Ook ik, Wiegeling-der-Zee!
-</p>
-<p>—En wij allen, Heffende-Golfslag … en Deinende-Ebbe … Rozige-Kus-van-Eos … Helios-schubbe …
-en Manezilveren … Stormende Booze, Effenende … wij beiden: Portiersters-der-Kimmen …
-</p>
-<p>—Kom in ons midden, zilverblanke gemalin Poseidoons … spring af van uw zeepaard …
-</p>
-<p>—Hier ben ik en dans gaarne met u in den komenden nacht de heel witte reie …
-</p>
-<p>—Thetis, roepen wij de tritonen niet hier, opdat zij de geluidruischende schulpen
-blazen?
-</p>
-<p>—Zusters, neen, roepen wij de tritonen niet hier; te schel zijn de geluidruischende
-schulpen, want op het Eiland rust Eéne, die slaapt, en niet mogen wij het zijn, die
-haar wekken uit <span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>nog onwetenden sluimer … Laat ons elkaâr ook met halve stemmen toeroepen, nu wij de
-groote reie uitslingeren rondom het Eiland.
-</p>
-<p>—Wiegeling-der-Zee, ik, laat ik ze nauwelijks wiegelen.
-</p>
-<p>—Blauwte-der-Zee, demp ik mijn azuur.
-</p>
-<p>—Golfslag ik, leg ik mij glad, en mijn groene haren drijven wijd-uit …
-</p>
-<p>—Ik, Ebbe, lig in uw armen, o Golfslag … en mijne groene haren mengen zich met de
-uwen …
-</p>
-<p>—Zusters, o Nereïden … nu schakelen wij ons om het Eiland … Hand aan hand, hand aan
-hand, rijzende tot de knie uit het water op … Zie, ik, Thetis, heb zilveren voeten …
-Zie, als ik dans, glanzen zij …
-</p>
-<p>—Ik ben rozig van Eos nog.
-</p>
-<p>—Ik, Helios-schubbe, om niet fèl te schitteren, zal verbleeken mijn gouden gloed doen.
-</p>
-<p>—Ik, zeg Thetis, Selene-zilvergetinte, màg wel opglanzen … langzamerhand?
-</p>
-<p>—Gij, stormende Booze, danst te woest … Portiersters, zijn de poorten gesloten?
-</p>
-<p>—Ja, o vorstelijke Amfitrite … wij sloten de oostelijke en westelijke poort van de
-zeekim en verborgen de sleutels …
-</p>
-<p>—Nu leid ik, Thetis, de ronde … Hooger de armen, en lager! Luchtige zwiering, blankende
-<span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span>reie rondom het Eiland: hooger de armen en lager! Den zilveren voet uit het water
-en verder met dansenden tred! Hooger de armen en lager! Mistige sluiers, wemelt en
-nevelt rondom ons heen, voor zoo ver bijna ingesluimerde Zefyros je nog speelsch weet
-omhoog te blazen. Hooger de armen en lager! Rondom het Eiland, langzaam.
-</p>
-<p>—Thetis, wie is het, die sluimert den zee- en luchtglorieënden nacht in, tusschen
-de zwaar geurende oleanders?
-</p>
-<p>—Hooger de armen en lager … Haar, die er sluimert, verliet de trouwelooze schipper
-der zwarte zeilen … Stil, stoor haar rust niet … Morgen, helaas, zal zij weten. Hooger
-de armen en lager …
-</p>
-<p>—De schipper der zwarte zeilen, die ginds schaduwen als donkere wolken?
-</p>
-<p>—De schipper dier zwarte zeilen daarginds. Hooger de armen en lager! Laat haar niet
-weten vóór dat zij moet.
-</p>
-<p>—Is smart aan de slaapster voorbereid?
-</p>
-<p>—Hooger de armen en lager! Zeker, zal smart haar treffen.
-</p>
-<p>—En troost zal haar sprenkelen wie?
-</p>
-<p>—Zuster, dwing <span class="asc">MIJ</span> niet het Noodlot te weten. Schuilt het in mijn mistigen sluier <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>soms …? Ik weet niet het Noodlot der slaapster: ik dàns alleen: hooger de armen en
-lager …
-</p>
-<p>—Thetis, mogen de slaapster wij zien?
-</p>
-<p>—Staken wij dàn even den dans. Vorstelijke Amfitrite, wilt ge de slaapster zien? Nader
-dan zacht … Nereïden, o Zusters, stapt geruischloos de wateren uit … Hier, glijden
-wij langs de laurieren … Zoo, omringen wij haar zode-sponde … Zij slaapt!
-</p>
-<p>—Thetis …
-</p>
-<p>—Demp nog meer uw stem …
-</p>
-<p>—Thetis … is zij Afrodite …
-</p>
-<p>—Neen …!
-</p>
-<p>—Ja, Thetis, zij is Afrodite … die sluimerde-in te Naxos … en wat geeft zij om schippers
-van zwarte zeilen?
-</p>
-<p>—Neen, zuster, zij is niet Afrodite.
-</p>
-<p>—Zij is Afrodite, zij is Afrodite … Amfitrite, is zij niet Afrodite?
-</p>
-<p>—Neen zuster, zij is niet Afrodite.
-</p>
-<p>—Wie is zij …?
-</p>
-<p>—Wie is zij dan?
-</p>
-<p>—Wie is zij dan, zoo blank? Zie, hoe schoon zij er ligt, de sluimerende vrouw … In
-zilveren lijnen teekent zich haar blanke lijf …
-</p>
-<p>—Op het donkerende groen van de zode …
-<span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span></p>
-<p>—Hare naaktheid is éen zilveren glans!
-</p>
-<p>—Haar glimlach is éen glorie!
-</p>
-<p>—Zij droomt van den schipper, dien zij bemint …
-</p>
-<p>—Van den schipper der zwarte zeilen?
-</p>
-<p>—Zij glimlacht van liefde gelukkig!
-</p>
-<p>—Maar weet niet de smart, die haar wacht!
-</p>
-<p>—O, Eros, hoe zal zij ontwaken!
-</p>
-<p>—Zuster stil, dempt uwe stemmen … Hare naaktheid is éen zilveren glans.
-</p>
-<p>—Hare glimlach is éen glorie!
-</p>
-<p>—Hare haren in maneschijn zijn als goudene schijn …
-</p>
-<p>—Zij ligt zilver in hare goudene haren!
-</p>
-<p>—Hare armen buigen zwanehalsslank om haar hoofd!
-</p>
-<p>—Haar lijf is een urne van zaligheid!
-</p>
-<p>—Wiegelen hare borsten niet als blanke golven!
-</p>
-<p>—Is haar schoot niet een weeldegeheim?
-</p>
-<p>—Hare beenen strengelen weg, zich verslankend …
-</p>
-<p>—Naar twee voeten, lelies gestrengeld in éen.
-</p>
-<p>—Zoo hare oogscheelen zij opsloeg?
-</p>
-<p>—Sterren zouden plots flonkeren onder donkeren boog.
-<span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span></p>
-<p>—Maar haar lippen zijn een koràlen boog!
-</p>
-<p>—Is zij dan niet Afrodite?
-</p>
-<p>—Ja, zuster, zij is Afrodite!
-</p>
-<p>—Neen, zuster, zij is het niet.
-</p>
-<p>—Vorstelijke <span class="corr" id="xd31e1864" title="Bron: Amfritite">Amfitrite</span>… is nòg schooner de goudene Afrodite?
-</p>
-<p>—Ja zuster, die is nòg schooner …
-</p>
-<p>—Toch is de slaapster zóo schoon!
-</p>
-<p>—Wentelt de nacht al om?
-</p>
-<p>—Hare naaktheid is éen zilveren glans!
-</p>
-<p>—Hare glimlach is éen glorie!
-</p>
-<p>—Zusters, ik, Thetis, leid u terug … Portierster-der-Oostelijke-Kimpoort, hoort gij
-niet Eos al roepen?
-</p>
-<p>—Ik ga, zuster …
-</p>
-<p>—Glijden wij zacht langs de laurieren … Dempt nog uw tred en uw stem. Het <span class="asc">IS</span> niet aan ons haar te wekken. Noodlot zelve wekke haar dra …
-</p>
-<p>—Helaas …!
-</p>
-<p>—Ver van haar zal zijn die schipper der zwarte zeilen!
-</p>
-<p>—Helaas …!
-</p>
-<p>—Blauwte-der-Zee ik … Wiegeling-der-Zee ik, Thetis … zwem ik … duik ik terug.
-</p>
-<p>—Zusters vaarwel; vorstelijke Amfitrite, vaarwel … De oostelijke kimpoort is al geopend.
-<span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span></p>
-<p>—Dáar is roosvingerige Eos!
-</p>
-<p>—Verijlen onze mistige sluiers …!
-</p>
-<p>—Zichtbaar zijn nog de zeilen …
-</p>
-<p>—Zusters, vaarwel!
-</p>
-<p>—Helaas, de heerlijke slaapster!
-</p>
-<p>—Is zij dan <span class="asc">NIET</span> Afrodite?
-</p>
-<p>—Neen zuster, dàt is zij niet!
-</p>
-<p>—Helaas!
-</p>
-<p>—Daar is Eos …
-</p>
-<p>—Helaas … De heerlijke Slaapster!!
-<span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch12.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">XII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Nauwelijks waren langs de laurieren en geurende oleanders weggegleden de nieuwsgierige
-Nereïden, of Ariadne sloeg de oogen op. De eerste glanzingen van den nieuwen morgen
-parelden aan den oostelijken hemel en de ontslotene poort schitterde van breede kieren
-goud. De dauw over bladeren en bloemen baadde in kristallige frischte Naxos en geheel
-het eiland ontwaakte: boomen en struiken ontwaakten, vogelen ontwaakten en Ariadne
-ontwaakte. Eene der Nereïden, die haar vochtigen sluier vergeten had aan het strand,
-trok ongemerkt, met alleen hand en arm uit het water, dien tot zich terug in de diepte …
-Ariadne bemerkte het niet. Zij had de oogen opengeslagen maar zich verder nog niet
-bewogen, en zij lag roerloos, zilverglanzende wit, de beide armen zwanehalsslank om
-het hoofd, in den oplichtenden glans der haren. Haar glimlach was één glorie, maar
-gloriën waren <span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span>ook hare nu opengeslagen oogen. Zij waren als lichtende chrysoprazen, groen van de
-kleur eener zee, waaronder diepgouden zand zich zoû strekken: door den lichtenden
-glans korrelde diepte van heel fijn zand, goud. Het gaf aan haar blik een weemoed
-en verlangen, een mysterie en een droom. Nu glimlachte zij, maar hare oogen weemoedigden
-en verlangden en uit hen droomde het mysterie, hoog weg naar de hooge hemelen, die
-boven haar rozigden van morgenlucht tusschen het prieel van laurier, oleander.
-</p>
-<p>Heel langzaam hief een arm zij hooger, loom, en liet dien vallen langs hare welvende
-heup, de hand schaduwende over hare vrouwelijkheid, als was zij verlegen voor de komende
-zon. Maar verder bleef roerloos zij op hare mollige zode-sponde liggen, liggen als
-een vrouw van liefde. In de herinnering der liefde donkerden hare <span class="corr" id="xd31e1913" title="Bron: chrysoprazen-oogen">chrysopraze-oogen</span> onder kwijnend neêrvallende krulling der pinkers en hare glimlach stierf weg in smachting
-langs iets van smartelijkheid om haar mond.
-</p>
-<p>Zij droomde, zij droomde na … Het bleef om haar heen stil, geluidloos, nauwelijks
-wat wind in twijgen, of vogelgetjilp tusschen bloemen. Twee kapellen fladderden langs
-haar om en hare <span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span>droomerige oogen volgden ze, lachende weêr. Nu echter hoorde zij de stilte en ze verbaasde
-haar lichtjes, omdat de stilte wel scheen volkomen. Zij riep:
-</p>
-<p>—Thezeus!
-</p>
-<p>Geene stem antwoordde haar, alleen tjilpten de vogelen hooger. Nu richtte zij even
-zich op, en de zilveren lijnen, die hare naaktheid trokken, verbroken geheel na haar
-eerste ontwaken: hare welvende heup parelmoêrde in het vochtige morgenlicht, en daar
-zij het hoofd hief, blondde er schaduw over haar boezem en schoot, maar hare voeten
-schitterden op.
-</p>
-<p>—Thezeus?? riep zij nog eens en haar roep vraagde.
-</p>
-<p>Geen stem antwoordde haar, alleen tjilpten scheller de vogelen.
-</p>
-<p>Toen wendde zij een weinig zich om en strekte zich op het andere been. Zij glimlachte
-zacht en murmelde:
-</p>
-<p>—Hij antwoordt mij niet …! Vroeg is hij zeker ontwaakt vóór nog de violette nacht
-verwelkte en verliet hij heel zacht mijn zijde, zich los windende uit mijn verliefden
-arm. Hij rees op, uitgerust, en hij heeft even naar mijn sluimeren getuurd, en toen
-is hij gegaan, zacht dempende den tred van zijn heldenvoet door <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>het lagere hout naar het strand toe, en hij heeft er in de nog nachtelijke koelte
-gebaad zijn heerlijke leden! Het water heeft hem omhelsd overal en overal, zoo als
-ik hem zelve omhelsde en naijverig zoû ik van de zee zijn, zoo ik niet wist, dat <span class="asc">MIJ</span> Thezeus eindelijk minde. Thezeus …!? Hij antwoordt mij niet … Denkende mij nog in
-sluimering, rust hij uit in het zand en ziet hij uit naar de rijzende zon. Dit is
-de nieuwe dag! Dit is de nieuwe morgen! Straks hergaan wij aan boord en zullen de
-zwarte zeilen zwellen en zal richten de vloot van mijn held koers naar het schitterend
-Athene! Dit is de nieuwe dag! Dit is de nieuwe morgen! O, niet vergeten zal ik Thezeus,
-mijn held, te herinneren, zoodra in zee, wisselen te doen de somber zwarte zeilen,
-onder wier schaduw ik zelfs huiverde in de armen van hem, dien ik liefheb—voor de
-heldere blanke zeilen, die aan zijn vader Aigeus, ginds, spiedende uit naar den zoon,
-zullen kondigen de blijde komst van den held, van Athene’s held, van mijn held! Held,
-mijn held, liefde van mijn lippen en van mijn armen, lust van mijn lust en wellust,
-o, van mijn wellust, ik strek mijn armen naar je uit … Thezeus …? Hij antwoordt niet …
-Hij dwaalt gewis met de dappere gezellen <span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span>langs de boorden van Naxos, zoekend de veilige richting vóor de vaart over de altijd
-vreesverwekkende zee! O, de sombere zwarte zeilen! Hoe ik, durende de vaart, voelde
-zwart voorgevoel zinken neêr op mijn ziel langs hun sombere flappering af! Vleugels
-van onheilvogels! O, zwarte zeilen, weldra verwisselt u Thezeus voor blijde heldere
-en blanke zeilen! Waar of hij toeven mag met de gezellen … Stil rondom mij heen parelt
-de morgen! Hoe stil! Hoe eenzaam voel ik mij hier in dit oleander- en laurierprieel,
-dat de vogelen alleen bezielen. Hoe stil! Thezeus …!? Hij antwoordt mij niet! Laat
-ik, nu hij nog afwezig is, mij baden in de spoelende zee … Eiland van heerlijkheid!
-O, nacht van geluk, dat mij doorvloeide in je schaduw, o laurieren! O, blijde mossige
-sponde, waar ik gloeide onder zijn liefde!
-</p>
-<p>Zij stond op en hare beweging was een glanzen van blanke en van zilveren lijnen, en
-langzaam liep, langs de heesters hoog, zij naar de zee, die al blauw zich strekte.
-En zij rekte naar de zee haar armen.
-</p>
-<p>—O, Zee, waarover mij voer in zijn schip de held weg van mijn land, o Zee! O, zalige
-zee, die wiegelde mijn eerste geluk, hoe zegent mijn dankbaarheid je, zee! Poseidoon,
-hater <span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span>van mijn geslacht, o heb dank, dat geen stormen bliezen in de al zoo sombere zwarte
-zeilen! Eerste angst van de vlucht, o angst op de altijd vreesverwekkende zee, in
-de armen van mijn held! O, mijn maagdelijke angst! O, angsten … herinneringen, hoe
-ver zijt ge al terug geweken uit Ariadne’s leven! O angsten … herinneringen, hoe komt
-gij plots zoo terug? Is het omdat eenzaam dit morgenuur is, en mijn held toeft, ik
-weet niet waar? Hij kwam, hij kwam somber en heerlijk, hij kwam als een sombere en
-heerlijke god; zijn zwarte zeilen zwollen aan van de verte, en een razende stormwind
-bolde hen vol, en flapperde en … hij kwam: hij landde als een overwinnaar en niet
-als een offerling, maar hij landde somber en fronsend en heerlijk toch, in de rouwschaduw
-van zijn zeilen. Hij landde: zij waren zeven, sombere jongelingen, en tusschen hen
-gingen weenend zeven teedere maagden, zij allen offerlingen aan mijn vreeselijken
-halfbroêr! Kreta, Kreta, hoe heb ik van mijn teêrste jeugd af hooren vreesverwekkend
-brullen over u uit, domp uit ondoordringbaar geheim van Daedalos’ Labyrinth, het Geloei,
-het vreesverwekkend Geloei! O, herinneringen, o herinneringen, wat bestormt gij mij
-zoo vreemd in dezen pareligen <span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span>morgen!? Geloei, vreesverwekkend Geloei, ik heb het àltijd gehoord! Nòg huivert het
-in mijn ooren! Ik groeide, kind, onder den donder van het Geloei! Ik bloeide, maagd,
-in de verschrikking van het Geloei! Somber beheerschte het Kreta, als de stem van
-het Noodlot zelve! Pazifaë, ongelukkige moeder, wat verdwaalden uw geest, uw zinnen
-tot ontzettende liefdebegeerte! Afrodite, waarom àltijd die wraakzucht over mijn ongelukkig
-geslacht!? Over mijn ongelukkige moeder …? Wreede schakeling der Noodlottigheden!
-Minos, mijn vorstelijke vader, gij badt Poseidoon om een wonder, ten einde uw koningsrecht
-te bewijzen … de heerlijke Stier rees op uit de golven, blank in zijn mannelijke pracht
-van goddelijk Beest, schoon als een wilde verrukking razende, rennende over Kreta
-met de ongebreideldheid van een edelen held. O Minos, mijn vorstelijke vader, zóo
-heerlijk scheen u de Stier, dat ge hem <span class="asc">NIET</span> offerde aan Poseidoon, maar hem liet weligen onder uwe runderen, opdat hij de vorstelijke
-kudde veredelen zoû! Toorn van Poseidoon, en o eeuwigen wraakzucht der Onverzoenlijke!
-Afrodite, zult ge nooit het geslacht van Helios dan vergeven? Zult ge nooit vergeven
-aan het geslacht van den Vèrziener, <span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span>dat hij u zag in Ares’ armen, en het verried aan den kreupelen gemaal, die u beiden,
-slapend in liefde, ving ik zijn kunstig net? Afrodite, heb ook <span class="asc">IK</span> van u te vreezen? Rilling loopt mij de leden over, nu ik vrees voor u, Onverzoenlijke!
-Waarom al die angst, al deze herinnering op dezen pareligen morgen? Thezeus …?! Waar
-is hij? Waar toeft hij …? O, hij kwam als een held, hij landde als een held, en hij
-was een offerling als zij allen … Ik zag hem! Afrodite, gij bezielt ons allen! Gij
-bezielde mijn ongelukkige moeder vreeslijk!! Zij zag den Stier, als ik Thezeus zag!
-Zij … zij … beminde den Stier! O, zij beminde het goddelijke Beest! Zij rekte, verliefd,
-naar hem de armen uit, maar hij zag haar niet, en dartelde tusschen de runderen! O,
-haar ijverzucht op die vorstelijke kudde! Zij zag den Stier als ik Thezeus zag! Zij
-beminde den Stier …! Het gelukte haar, zich hem om den breeden hals te werpen en hij
-rende razende met haar voort: zij hing aan zijn hals! Haar heete zoenen brandden op
-zijn muil! Zijn dolle oogen van goud bliksemden, want hij begreep niet en wierp haar
-van zich …! O, mijn ongelukkige moeder! O, Onverzoenlijke, Onverzoenlijke! Gewond
-lag zij neêr in de weide, bloedend sleepte zij zich <span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span>naar het paleis. Hare maagden wieschen haar, en zij steunde, meer van verlangen dan
-van pijn … Zij zag den Stier, als ik Thezeus zag! Zij beminde, beminde den Stier!
-Zij liep rond het paleis, handenwringende, zij dwaalde in den nacht, klagende. Zij
-juichte, zij snikte, en zij liep, en zij dwaalde, zij wist niet wat, waarheen, en
-waarom … Daedalos kwam haar te hulp! Daedalos herschiep haar in de Koe! O, het wonderwerk
-van menschenhand, vrouwelijk edel de koevorm als mannelijk goddelijk de Stier blank
-zelve was: Daedalos herschiep haar in de prachtige Koe! Zij loeide verliefd den Stier
-tegen! Goden, de Stier begreep! Afrodite, hij beminde haar! Onverzoenlijke, zijt gij
-nooit verzoend! O, zal uw wraak mij eenmaal óok treffen!? Hoe heb ik gehuiverd in
-de schaduw der sombere zeilen! Helaas, mijn ongelukkige moeder! Al mijn herinneren,
-dezen blijden morgen, smartelijkt om <span class="asc">U</span> rond! Waarom?! Thezeus …!! Waar toeft hij …! Hij kwam, hij landde als een overwinnaar …
-en toch, toen hij over Kreta hoorde dof donderen het onderlabyrinthsche Geloei, vreeswekkend …
-toen verbleekte hij! Ik zag hem verbleeken! O, ik zag hem! Ik had hem lief! Mijn hart
-klopte onstuimig! Maagd, bloosde ik, en verlangde <span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span>ik! Afrodite, ik voelde u over mij, in mij: het was of gij mij toefluisterde: werp
-u aan zijn hals, als Pazifaë zich wierp om den blank plooienden stierennek! Onverzoenlijke,
-Ariadne beheerschte zich … maar zij vluchtte van daar! Het Geloei donderde … de Noodlotsstem
-van mijn halfbroeder, het Monster! Hij wachtte in het Labyrinth, dat Daedalos hem
-gebouwd had. Het Monster! O, mijn ongelukkige moeder: het Monster, haar vreeslijke
-zoon! De zoon van den Stier!! Het Monster! In zijn geloei ben ik gegroeid en gebloeid!
-Het Monster! Eéns heb ik hem gezien: smartelijke nieuwsgierigheid drong mij en ik
-volgde het smalle vaartuig, dat de veertien offerlingen,—Athene’s schatting—bracht
-tot den Minotauros. Hij loeide! Hij hoorde de riemen klapperen in de zwarte wateren.
-Mijn voedster en ik volgden in kleine boot … Nieuwsgierigheid dreef mij … Het Monster!
-O, verschrikking, o afschuw, o afschuw! Op het smalle vaartuig, bloemenomkranst, stonden
-bleek de zeven jongelingen, bloemenomkranst … Zij bewogen niet, maar stil in zich
-beweenden zij hun jonge leven. Maar de maagden, de zeven maagden! Zij weenden, zij
-snikten … o zij stierven alreê van afschuw … Het Monster! Eene lag er half over boord,
-in zwijm, als een <span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span>bloem geknakt … het hoofd voorover … Heure haren sleepten … de bloemen vielen er uit …
-De roeiers beiden, bleek, bewogen de spanen traag. Maar het Monster … het Monster
-loeide … Ik was bang, ik wilde terug … en toch, toch wilde ik hèm zien! En ik zàg
-hem: hij wachtte af!! O Monster, o Monster, o afschuw …! Broêr, halfbroêr, zoon van
-den Stier, zoon van Pazifaë, kleinzoon, kleinzoon van Helios!!! Afrodite, o Onverzoenlijke!
-Ik zag hem: hij lag half, zijn harige manneleden waren een afschuw van monsterlijkheid:
-manneleden waren zij dierlijk: een dierlijke borst breed, harig; dierlijke dijen,
-dierlijke beenen, en voeten dierlijk, en hij lag half en zat half, en zijn stieregezicht
-was menschelijk, was vreeselijk menschelijk: het was of hij loeiende spreken zoû gaan,
-zijn oogen zagen als menschenoogen: hij had den blik van Pazifaë!!! O afschuw, o afschuw,
-hij wachtte af … Toen viel ik bezwijmd in de boot terug, in de armen van voedster:
-de roeier roeide terug … Ik had mijn halfbroêr gezien! Ik hoorde niet meer het geloei
-en de schreeuwende kreten der slachtoffers! Kreta, Kreta, toen ik ontwaakte, toèn,
-hoòrde ik beide, loeien en schreeuwen, gulzig en radeloos, als een ontzetting van
-geluid over u, <span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span>Kreta! O, verschrikkelijk Eiland! Wat komen àl deze herinneringen terug op dit gelukzalige
-Eiland …? Is het omdat ik alleen ben? Zoo eenzaam is de morgen … De vogels tjilpen
-niet meer … Thezeus …!? Hij toeft te lang … Ik zag hem, ik zag hem landen … Ik herinnerde
-mij wat ik gezien had, den laatsten keer des vreeslijken offers … Ik snikte omdat
-hij zich offeren zoû, te midden der offerlingen. Ik was van daar gevlucht,… maar ik
-kwam weêr, waar hij stond voor mijn vader. En ik hoorde hem zeggen: „Vorst,… vergun …
-dat ik den Bastaard dood! Opdat ik er u van bevrijde en mijn land bevrij van de schatting …
-Vorst, vergun, dat ik den Bastaard dood!” Onverzoenlijke, Ariadne beheerschte zich
-niet … Ik wierp mij aan Thezeus’ voeten … Ik smeekte hem van neen, bang voor hèm …
-Men sleepte mij weg … Mijn vader weigerde … Hij haatte Athene … hij wilde den Bastaard,
-hij wilde het Monster, hij wilde de Schatting, afschuwelijk … Toen was het de voornacht
-des Offers … O, nacht, o nacht, nacht van liefde! Maagd ging ik tot hem, voedster
-leidde mij, en ik zeide: „Held van Athene … Ariadne heeft je lief, o held …” Hij greep
-mij in zijn armen … O, hij was wreed, maar hij beminde mij! O, hij wreekte zijn land
-<span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span>op mij, hij wreekte Athene op mij, hij wreekte zich op Minos in mij! Maar hij beminde
-mij, hij beminde mij: ik zwom weg in het zalig geluk, hoe wreed het ook was! O, Onverzoenlijke,
-ben ik het liefdekind van mijn liefdemoeder? Wat doet ge in mijn aderen vloeien? Is
-het bloed of is het vuur? Is het krankzinnigheid of niets dan liefdebegeeren! Thezeus
-was wreed en ik had hem lief …! Nu … o nu is hij niet wreed meer of mijn Held verteederde
-in zijn geweldige kracht!… Voornacht des offers …! Hij vroeg mij, na zijn liefdewraak,
-zijn Athene-wreken op mij: „Ariadne, weet je waar zich groeft het Labyrinth, en weet
-je de duistere gangen en grachten?”—Ik toonde hem de altijd opene Poort, Muil van
-het Geloei van Kreta! „Weet je de duistere gangen en grachten …?” Maar ik dorst hem
-niet leiden, neen! Had ik mijn broer niet gezien, ik had Thezeus geleid! Nu, nu gaf
-ik het kluwen hem! Ik had, bal, in mijn schoot, nog van liefde trillende, het kluwen,
-en voedster moest den draad vademen uit … „Voedster, vlug, vlug, wind-op met mij den
-eindeloozen draad …” Thezeus nam het kluwen … Wij bonden den draad aan de Poort vast …
-Ik wachtte aan de vreeslijke Poort … Ik leunde er tegen, in zwijm half om mijn angsten …
-Ik <span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span>hoorde uit naar het Geloei, dat loeide altijd …! Het Monster had honger: het loeide!!
-O, mijne angsten, mijne angsten dien nacht! Ik zag naar den draad of hij strak bleef,
-getrokken! Soms viel de draad slapper … dan strekte hij weêr … Hoe lange bleef ik
-zoo wachten? Daar hoor ik terug zijn stap …: hij nadert, hij nadert, o blijdschap!
-Hij nadert, hij nadert … ik zie hem: ontzetting, ontzetting! In zijn eene vuist torst
-bij de kruin hij den Stierenkop van mijn halfbroeder, monsterlijk, kleinzoon van Helios!
-Ik slaakte éen kreet … viel in zwijm! Ik ontwaakte in zijn armen. „Vaarwel Ariadne!”
-„Vaarwel? Waarom?” „Ik ga, ik vlucht. De zwartzeilige schepen wachten ons, jongelingen
-zeven en maagden zeven, en wij vlieden, wij vlieden terug naar mijn land bevrijd!”
-„O Thezeus, neem mij meê, neem mij meê …!” Ik sleepte mij hem achterna, hij glimlachte,
-hij glimlachte eindelijk! Hij had mij lief! Hij was niet wreed meer, al was hij ontzaglijk!
-Hij had mij lief! Hij nam mij meê! Wij vloden van dáar! Ik verliet Kreta, o het sombere
-Eiland! Wij landden aan het gezegende Eiland! Goden, waarom ben ik alleen? Waar is
-Thezeus, waar zijn de jongelingen, waar zijn de zeven maagden! Thezeus …!? Hij antwoordt
-mij niet! O, <span class="asc">NU</span> zal hij dadelijk komen! <span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span>Nu zullen zij dadelijk komen. Te lang toefde hij al! Wat zoeken zij over het Eiland?
-Nu treed ik de zee in … Zee, omhels mijn leden, zoo als ge Thezeus hebt omhelsd …
-Zee, wat zijt ge eenzaam! Waar zijn de schepen met zwarte zeilen? De Zee is blauw,
-de lucht is blauw, éen blauwe eenzaamheid! Thezeus!? Thezeus!! Hij antwoordt mij niet …
-Waar zijn de schepen … Zij voeren het Eiland om … Waarom? Thezeus … Nu zoek ik hem …
-Nu zoek ik hen allen … Nu zoek ik de schepen der zwarte zeilen … Daar zijn ze!! Wat
-zie ik? Vergis ik mij? Betoovert mij de angst en de eenzaamheid! Waarom looveren de
-schepen uit met dicht en vreemd gebladerte? Waarom streek Thezeus de zwarte zeilen
-al neêr? Thezeus! Hij antwoordt niet …! Is het versiering voor vreugdevaart? Is het
-verrassing mij voorbereid … O, angst huivert over mij, rillende … Waarom ben ik geheel
-alleen? Makkers, gezellen! Maagden! Thezeus!!! Niemand antwoordt! Waar ben ik …? Wat
-gebeurt er …? Omvaart mij krankzinnigheid? Maagden! Makkers! Thezeus, o Thezeus, Thezeus …!
-Waarom looveren de schepen zoo vreemd … Wat bloeien zij van trossen ooft ongekend …
-Ik weet niet, ik droom, ik ben gek, angst maakt mij gek …! Oh …! <span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>Oh …!! Wat zie ik … Daar! Dáar!! <span class="sc">Vlieden … de schepen der zwarte zeilen in zee …!</span> Aan den horizon … Wat zie ik? Wat zeg ik … Wat roep ik toch … Waar ben ik … Is dit
-Naxos? Zijn dat de schepen der zwarte zeilen? Ben ik Ariadne? Thezeus!! Hij antwoordt
-niet … Hij is dáar … Te ver … Makkers! Maagden! Zij antwoorden niet … Zij zijn daar!
-Te ver! O waarom …? Hij verliet mij! Waarom verliet hij mij …? Hij komt terug!! Ik
-zie het …: hij komt terug …!! Ik zie … de zwarte zeilen zwellen: hij komt terug …
-O mijn angsten stillen zich … Zij voeren weg …: waarom? Ter verkenning der zilte wateren …
-Nu, nu komen zij mij halen … Zie, zij naderen … Neen!! Ik bedrieg mij! Zij naderen
-niet! Zij verwijderen zich! Zij verlaten mij! Goden, waarom …? Wat heb ik gedaan …?
-Waar is mijn sluier …? Hier! Ik wenk hem …: Thezeus! Ik wuif hem: Thezeus! Hij ziet?
-Hij ziet mij wuiven …? Hij komt terug … O ja, hij komt terug … Mijn angsten stillen
-zich … Neen!! Ik bedrieg mij! Zij naderen niet … Zij verwijderen zich verder … verder …
-In het verschiet verbleeken de zwarte zeilen … Nu zijn zij niet meer dan éven een
-schim … een schaduw … Zij zijn weg … Oh … Oh …! Waar ben ik? <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>Wie ben ik? Is dit Naxos? Droom ik? Ben ik gek? Thezeus …! Hij antwoordt niet … Maar
-ik, ik hoor het Geloei …! Nachtmerrie … nachtmerrie des blinkenden dags … Hoor! Over
-het Eiland davert het vreesverwekkend Geloei! Mijn halfbroeder, kleinzoon van Helios!
-Zijt ge niet dood? Hieuw Thezeus u niet den stierennek af? Neen! Hij leeft, hij brult,
-hij loeit …! O, het Geloei … het Geloei over het Eiland … Het vervloekte Eiland …
-Is dit Kreta? Bestaat Naxos? Was Naxos een droom … Ben ik alleen? Ben ik …—Thezeus!!
-O, hij antwoordt mij niet … Hij is ver … hij is daar …! Er is niets … Niets meer dan
-de zee … Wijd, o wijd de zee, en de eenzaamheid wijd … Op Kreta is Ariadne alleen
-en wijde eenzaamheid spookt dageklaar om haar rond … Ik droomde …: een held kwam aan,
-hij landde somber en fronsend, geen offerling, maar een overwinnaar … „Voedster …
-vlug, vlug, wind-op met mij den eindeloozen draad …” O, de Poort, o de Angst, o de
-Wachting …! O, de Held, het Labyrinth, en de Stierekop, bloedend zwart uit den hals,
-afgehouwen … Ik droomde …: „vluchten wij snel naar de schepen met zwarte zeilen …
-Hier Ariadne, zijn om je heen jonge gezellen en maagden, <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>geredde offerlingen, die juichen … Hier ben ik, Thezeus: ik heb je lief, wees mijn
-vrouw, Ariadne! Wiegel op zee en wiegel in mijn armen. Wiegel in mijn armen op zee …
-Zie, hier is een Eiland, niet als Kreta vervloekt … maar zalig … omspoeld door schuimende
-golven …: ’s nachts, stil, dansen om het Eiland blank en geluideloos de schitterende
-Nereïden … Zie, hier zijn heesters in bloei … Zie, hier zijn niets dan bloemen, vogelen,
-sterren, zee, zaligheid, liefde, een sponde van mos … Nacht, nacht van liefde, donker!
-Sterren, verduistert! Zie, hier is niets dan droom!” Het was droom! Het geluk was
-droom. Er was niets: geen vlucht, geen geluk, geen Naxos! Dit is Kreta! Daar loeit
-mijn <span class="corr" id="xd31e1982" title="Bron: half broêr">halfbroêr</span>! Ik, ik ben Ariadne, gek! Gek was mijn moeder, Pazifaë, ik ben gek als zij! Ik ben
-gek …! Zij beminde den Stier …: ik … een Droom! Zij werd gewond door de Werkelijkheid:
-een Schaduw verwondde mij doodelijk … Zij liep rond, handen wringende, ik loop handen
-wringend rond … Wij zijn éen bloed! Ik ben het kind van Pazifaë! Onverzoenlijke! Afrodite!
-Treft ge mij …? Heb ik lief wat gij wilt …: een Schim? Bestond dat alles niet? Besta
-<span class="asc">IK</span>? Ik ben bang … voor de eenzaamheid, voor mijzelve … Ik ben bang … Ik wil weg … Ik
-<span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>wil vluchten! Ik snik! Ik wring handen! Thezeus …!! Hij hoort mij niet … Droomde ik
-hem, zijn naam, de zwarte zeilen …? Droomde ik de werkelijkheid …? Ik wil weg …! O,
-ik wil weg … Ik wil niet meer zijn … Zee, wees genadig …! Spoel mij meê … Zee, wees
-zoo kalm niet … Heb erbarmen, zee! Neem mij meê … Spoel mij meê … Verdrink mij! Er
-zijn geen zwarte zeilen … Er is geen Thezeus … Ik wil niet meer zijn! Zee, verdrink
-mij … O wiegel mij niet zoo zacht, zoo als mij wiegelden eindelijk zijn armen zelve …
-Ik wil weg! Ik wil dood! Waar is mijn dood? Waar … waar zijn hooge rotsen? Zijn hier
-geen hooge rotsen …? Is dit Kreta …? Neen, dit is de Verlatenheid … Vervloekt eiland
-van Verlatenheid! Parelkleurige, zonnige verlatenheid, blauwe zee rondom, blauwe lucht
-rondom! Rotsen, rotsen, waar zijt gij … Zijn hier alleen boomen, struiken en bloemen …
-Dáar … daar zijn rotsen! Ik beklim ze … hooger … O, nu sta ik hoog … Hoog, sla ik
-de armen uit! Dood, ontvang mij! Zee, ontvang mij … Ariadne stort zich in zee en in
-dood … Onverzoenlijke, wees tevreden!!!
-<span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch13.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">XIII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Hoog opgericht in einde-van-smart zoekende wanhoop, stond op de punt van de rotspiek
-in de zonnige blauwte der lucht zilverwit glanzende Ariadne, hare armen hoog, hare
-roze borstpunten hoog, het haar goud vloeiende rondom haar heen. En de blik van hare
-chryzopraze-oogen zocht even omhoog de zon, of er vizioende voor haar blik, die al
-zag den dood: de zonnewagen van heerlijken Helios, harer ongelukkige moeder vader,
-mennende het brieschende vierspan, en goddelijkende tot haar toe …
-</p>
-<p>Toen was zij bereid zich te storten àf van de rots, in de diepe zee onder haar … En
-werktuigelijk sloeg den blik zij neêr … Maar zij verbaasde zoo, dat zij den doodsprong
-niet deed. En bleef staan. En staarde omlaag. En haar wanhoop vergat éen oogenblik.
-</p>
-<p>Beneden zich, in zee, zag Ariadne op den <span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span>morgenbries een vloot wiegelen van talrijke schepen, de masten omwingerd, de zeilen
-omrankt met vol gebladerte en loof onbekend. Op het strand dansten de blijde schepelingen
-in den goudzonnigen, blijden morgen. Het waren nymfen, bezield door een zonderlinge
-dronkenschap, die haar cymbels deed slaan en deed zwaaien met pijnappelstokken; ooft
-rankte haar om de slapen; pantherhuiden slipten hare leden af. Zij dansten met gebruinde,
-bokspootige mannen; er waren ook vrouwen, gehoornd en bokspootig, er waren ook kinderen,
-gebruind en bokspootig. Er dansten ook, niet zoo woest en van rythme edeler, blijde,
-krachtige jongelingen, heerlijk van welgevormdheid, de oogen guitig en de ooren spits;
-en zij dansten met blondere nymfen. Van blanke muilen en ezelen stapten grijsaarden
-af, waardig knikkebollend, met dikke magen, in lange, plooiende mantels. Er brulden
-panthers en leeuwen, getemd, die de temmers hielden aan sterke lianen en gevlochten
-veil, en tusschen het gewarrel van dat leger reed een lynxewagen aan, gemend door
-vier bokspootige mannen. Rondom den wagen stuwde een stoet van guitig-oogige, spitsoorige
-jongelingen op dartele tamme jonge leeuwen, maar in den wagen stond, en steunde op
-zijn staf, <span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span>een god. Een jongeling, de knaapjaren ontwassen, overheerlijk van leden blank, die,
-nog vrouwelijk week, zich even spierden: hij stond in een blauwen eigenschijn, hij
-stond geheel naakt; zijn lange bronsblonde lokken waren opgeknoopt in een wrong en
-omrankt met zijn eigen ooftranken; zijn oogen waren als lachende blauwe violen, en
-toch was in geheel zijn glans en zijn blijdschap een weemoedige ernst en een goedheid
-groot. Hij was zoo schoon, dat Ariadne verbaasde. Zij had zoo schoon een jongeling
-nooit gezien. Dat was niet de gespierde forschheid van vreeslijken Thezeus, en toch
-was het schoonheid van een overwinnenden held. Dat was een mengeling van een vrouwelijke
-zachtheid en een mannelijken moed, en een blijdschap, bijna kinderlijk, en een weemoed,
-bijna overgevoelig, en om dat alles heen de blauwe glorie van goddelijke onoverwinnelijkheid.
-Ariadne van de rots zag hem aan en zij vergat, dat zij zich in zee wilde storten.
-Zij had ook niet gekund, want de god, tusschen zijn leger dicht omstuwd, zag haar
-aan en lachte, en zij had zich in zijn lach moeten storten, om zich tevens te storten
-in zee. Zij kòn zich ook niet storten in zee, want zij kon zich niet bewegen: tooverij
-en wonder, was uit de splijtende rots een looverende stam ontsproten <span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span>en rankte uit en weligde rondom haar heen en ving haar in stevige boeien. Zij stond
-nu gevangen. De ranken boeiden het gebaar harer nog omhoog geslagen wanhopige armen
-en zij bleef onbewegelijk, zóo. De god, in zijn wagen, steeds, zag haar aan. En de
-dans zijner volgelingen zwierde, woester en woester, de rotsen op. Over àl de rotsen
-zwierde de dans, lied klonk, gejuich, hymne den god bezingende en dankende voor een
-purper genot, dat hij schonk. Bezield was het eenzame eiland plots met geheel de drukte
-dier blijde schepelingen. Op een der rotsen torsten de bokspooten een gouden mengvat
-en het schitterde aan tegen het diepe azuur als een groote vonk. Fluiten schalden.
-De wilde beesten, vervaarlijk soms, brulden.
-</p>
-<p>De blijde god, steeds, zag haar aan. Hij glimlachte, maar in zijn glimlach weemoedigde
-zulk een medelijden, dat Ariadne, plotseling, begon te weenen. Zij snikte en hare
-handen hadden haar gezicht verbergen willen, maar de stevige boeien omrankten haar
-in volbladerige gevangenschap. Zij stond als in een kerker van trossen, weenende.
-Nymfen echter waren, de rots op, haar genaderd, en zij braken de ranken: omrankt nog
-voerden zij haar meê. Zij <span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span>liet zich voeren, weenende. Zij meende, dat zij droomde. Zij meende dit drogbeeld
-harer krankzinnigheid. Wankelend van de smart, die zij nu vòl zich herinnerde, liet
-zij zich meêvoeren en snikte. De nymfen leidden haar de rotsen af. Zij deden op een
-panther haar zitten, en, enkelen haar ondersteunend, leidden anderen het tamme dier
-voort. De god wachtte haar af. Nu, uit schaamte, verborg in hare vrije handen zij
-hare weenende oogen.
-</p>
-<p>—Wie gij ook zijt, zeide toen Dionyzos, en mild klonk zijn stem; gij, die u wilde
-storten in zee met luiden jammer van wanhoop, klinkende over heel Naxos,—wie gij ook
-zijt, gij zijt mijne gevangene, o heerlijke vrouw; de gevangene van Dionyzos! Maar
-de vrijheid zij u, zoo ge de vreugde aanvaardt! Zijt gij vorstin van dit eiland, zoo
-wil u Dionyzos in vreugde overwinnen. Was dit eiland een eiland van smart, zoo zal
-het er van vreugde een zijn! Zie, overal plantten mijn saters den wijnstok, en de
-wingerden weligen uit. In korten tijd veroverde ik rijken groot, en ik verwon dit
-eiland, in een enkel blikken-der-oogen! Smart leedt gij? Er is geen smart! Er is niets
-dan vreugde in den zon-blakerenden morgen en voor de te felle warmte rankt zich, alleen
-op den <span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span>wenk van mijn thyrs, een wijnlofpriëel van rots tot rots en loovert een feesttent
-over ons uit. Wie gij ook zijt, gij, die u wilde storten in zee met luid jammeren
-van wanhoop, ge zijt, o vorstin, mijn gevangene, en ik vraag u: aanvaardt gij de vreugde?
-</p>
-<p>Zoo sprak de blijde god Dionyzos, en dartel glimlachte hij op zijn lynxewagen staande,
-maar de muziek zijner stem was mild van bijna weemoedig medelijden. Terwijl hij de
-vreugde aanbood en gebood, deed hij verstaan, dat hij de smart had gezien en gehoord,
-en begreep, dat zij wanhopigen kon. Ariadne, van haren panther gestegen, zeide niets:
-zij weende, en vouwde de handen, en nu zonk op haar knieën zij neêr. En zij riep,
-eindelijk:
-</p>
-<p>—De vreugde, o god onbekend? De vreugde? Ge wilt, dat Ariadne de vreugde aanvaardt,
-de vreugde aanvaardt op Naxos, het eiland, waarop haar begoochelde krankzinnige droom …
-krankzinnige droom, die verzwom en verijlde met de allerlaatste schaduw van aan de
-kim rouwzwarte zeilen? De vreugde? Maar ik heb haar nooit geweten! Over Kreta regeerde
-de frons van mijn vader, over Kreta weêrklonk zielesmart van mijn moeder, Pazifaë,
-die den Stier beminde; over Kreta weêrdonderde het Geloei van mijn broeder, <span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>afschuw en vrees wekkend! Ariadne heeft de vreugd nooit gekend! Op Kreta landde sombere
-Thezeus: hij kwam als een overwinnaar, maar somber en dreigend en wraakzucht koesterend,
-en het eiland dreunde onder zijn tred. Hij kwam, hij kwam: ik zag hem, o ik zag hem,
-ik dacht dat hij Ares was! Zwaar overbronsde zijn hoofd de helm; zijn ontzaglijke
-vuist omklemde zijn onoverwinlijk zwaard, en in zijn oogen somberde de schaduw van
-de zeilen zijner vloot. Ik zag hem, ik zag hem, en ik had hem lief, want nog nooit
-had ik een held gezien. De onverzoenlijke Afrodite bezielde mij. Ik vluchtte, ik naderde
-weêr, ik viel aan zijn voet en smeekte hem van neen, van neen, om niet den Minotauros
-te bekampen … Hij wreekte zijn land op mij, op mijn liefde; zijn liefde was wreed
-en ontzaglijk. Maar hoe ik ook slavin zijner lusten was, god mij onbekend, Ariadne
-had Thezeus lief … Waar is hij nu … O, hij antwoordde mij niet … Hij is ver … hij
-is ver … hij is dáar!! En ge wilt, dat ik de vreugde aanvaard? Maar wat is de vreugd?
-Is het huiveren voor vaders frons? Is het weenen met moeder mede? Is het beven bij
-het vreesverwekkend Geloei? Is het luisteren naar radeloosheid van offerlingen, door
-zijn Honger gulzig verslonden? Is het angstige vlucht <span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span>met den wreeden Held? Is het hartstocht van Wreedheid zelve? Is het de kreet van pijn
-in wreeden wellust? Is het de slavinnesnik in haar verwinnende ompranging? Is het
-angstig streelen van Thezeus’ fronsend voorhoofd, en zoeken wegkussen somberen blik
-uit zijn oogen? Is het eindelijk zich met droom begoochelen? Vermoeden, dat zich wreedheid
-verzacht? Hopen, dat liefde won liefde …? Glimlachend herademen in deze begoocheling,
-en zich denken, in glimlach van glorie, geluk? Verrukking der zinnen, en sluimeren
-van moêheid? Is het ontwaken en zich verlaten zien? Is het hopen, twijfelen, weifelen,
-en radeloos eindelijk <span class="asc">ZEKER</span> zijn, dat Thezeus, mij, Ariadne, verliet …! O god, o Dionyzos, mij onbekend, zoo
-vreugde dit alles is, weet Ariadne wat vreugde is, en aanvaardt zij de vreugde, o
-god … Maar zoo vreugde iets anders is dan beven en weenen, dan extaze gevoelen in
-wreede pijn, en dood verlangen in wanhoop, dan kent Ariadne de vreugde niet, o god
-Dionyzos, en hoe wilt ge, dat zij ze aanvaardt dan …? O, ik zie en ik begrijp: wie
-niet uw vreugde aanvaardt, verscheuren uw saters en woeste menaden in razernij … Om
-mij voel ik ze dringen al … In mijn gelaat zieden hun heete ademen! O, menaden, o
-saters, verscheurt <span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span>mij, verscheurt mij! Hebt vreúgde aan Ariadne! Zij, zij aanvaardt de vreugde niet …
-</p>
-<p>En al wilden zich woeste menaden werpen op de vreugde verweigerende Ariadne, en saters
-haar meêsleepen woest, toen Dionyzos de thyrs ophief en hen gebood terug te gaan …
-Ernstig stond de god, jongelingslank en zijn violenoogen weemoedigden, en voor zijn
-ernstigen blik, zoo nieuw, week heel zijn leger in cirkel terug; aan veil trokken
-de faunen de beesten; menaden en saters weken ter zij, Panszonen leidden zijn lynxewagen
-weg en onder het wijnlofpriëel bleef de god Dionyzos alleen, met Ariadne, aan zijne
-voeten weenende.
-</p>
-<p>—O god, o Dionyzos! weende zij. Ik zie, gij hebt medelijden! Ik zie, gij zijt niet
-wreed als Thezeus was, en niet wreed als de menaden en saters. Maar heb zóo medelijden,
-dat uw medelijden wreedheid zij! En geef mij den dood, het einde! O, geef mij het
-eindelijke einde! Ariadne vreest geen einde wreed, en vreest geen verschrikkelijken
-dood! Dionyzos, laat hen Ariadne verscheuren … „Thezeus, Thezeus!” zal ik in extaze
-roepen, en terwijl uw saters mij verkrachten, terwijl uw menaden mij verscheuren,
-zal ik, stervende, mij denken, dat het Thezeus is, die wreed is en tòch mij bemint!
-O, <span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span>Dionyzos, heb medelijden en geef mij den dood, het Einde!
-</p>
-<p>Zoo schreeuwde-uit van smart Ariadne, en zij was den god gansch te voet gevallen;
-haar lijf snikhief zich in smart in het zand, en hare haren stroomden goud over haar
-uit. Maar in plaats van wat zij verlangde en verwachtte—woeste kracht van saters en
-razernij woest van menaden … hoorde zij heel zacht gepijp van fluiten. Dat druppelde
-op en druppelde neêr met neêrklaterende en opfonteinende gamma’s en was een zacht
-sprenkelen van water als dauw, of een zacht ruischen van beekjes, in val en in parelige
-stijging … En zij hief verbaasd het hoofd hoog en zag den god Dionyzos aan. Hij stond
-onbewegelijk en zag op haar neêr, om zijn lippen een lach, in zijn oog weemoed. En
-de fluiten pepen steeds voort, teeder en troostende. Dat waren de faunen, die pepen,
-rondom verscholen in laurier-, oleandergeboomte.
-</p>
-<p>—O god, Dionyzos, wat <span class="asc">IS</span> dat?
-</p>
-<p>—Dat zijn mijn faunen, die pijpen, rondom verscholen in laurier-, oleandergeboomte!
-zei Dionyzos, en zoo week mild was zijn stem als een faunefluit zelve. Mijn faunen
-beminnen het fluitspel. Zij spelen altijd. Hunne fluiten zijn <span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span>lang als bazuinen, en ver van den mond zich verwijdend. Maar ook mijn saters fluiten …
-Hoor Ariadne, mijn saters fluiten nu … Zij bespelen het fluitje, dat Pan hun uitvond:
-van rietjes, drie kort en vier lang: gemakkelijk is dat te bespelen, en blij maar
-onkunstig het lied … Hoor, nu slaan koperen slagen er helder tusschen door: dat zijn
-de menaden, die cymbels slaan … Te zamen bezielt éen rythme hen, en hun muziek wordt
-éen enkele vreugde … Nu zingen de nymfen: Evoë! Heb moed in de vreugde, zingen zij,
-zoo als Zeus, mijn vader, mij spoorde in den vreeselijken strijd tegen de draakgebeende
-Giganten: heb moed in den krijg, o zoon! Nu klateren zij uit in de hymne; zij bezingen
-mij, want zij hebben mij lief … Er is veel woestheid in hen, maar er is ook veel vreugde
-in hen, en hunne vreugde tempert hunne woestheid … Zie, Ariadne, zij kennen de vreugde
-alléen, en zij kenden nooit de smart … De smart … Ariadne … ook <span class="asc">IK</span>… kende de smart nog nooit … Maar ik <span class="asc">WEET</span>, dat ik haar éenmaal zal kennen … En omdat ik dit weet en gevoel … o Ariadne … o
-Ariadne … ken ik den Weemoed … Ariadne, kent gij den Weemoed …? Neen, ge hebt den
-Weemoed nooit gekend … Het geloei heeft <span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span>den Weemoed overdaverd; de frons van een vader, de razende liefdesmart van een moeder,
-Ariadne, hebben den Weemoed overheerscht … De wreedheid en sombere verwinnaarskracht
-van den vreemden held, die kwam met zwartzeilige schepen, hebben den Weemoed neêrgedrukt …
-Maar in mij, Ariadne, heeft zij <span class="asc">ALTIJD</span> gebloeid, als een teedere affodil, te midden van mijn purperen wingerd … Ariadne,
-ik ben kind der aarde ook, zoo als ik ben kind van den hemel. De Vreugde heeft altijd
-in mij geschaterd, maar de Weemoed peinsde in mij steeds onbewust. Ik begrijp den
-Weemoed en gaarne heb ik haar getroost en haar uit cypressenschaduw weggevoerd in
-mijn vreugde. Ik heb den Weemoed in mijn vreugde zien schateren … De smart heeft mij
-vaak vertoornd: ik toornde als de smart niet mijn Vreugde aanvaardde. De Mineïden
-herschiep ik in vleêrmuizen! Ariadne, waarom toornde ik niet om je smart? Waarom niet,
-omdat je weigerde vreugde? Waarom hield ik mijn saters, menaden terug? Waarom beschermde
-je het gebaar van mijn thyrs! Is het, omdat ik de smart mijzelven voel naderen, en
-dat ik om die nadering haar beter begrijp, haar eerbiedig en haar spaar! Wat mij de
-smart zal zijn, weet ik, o Ariadne, niet, maar <span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span>zij zal mij naderen, zij zal mij naderen …! Ariadne, o ween-uit je smart! Dionyzos,
-de god van de vreugde, vergunt je wat hij nimmer vergunde: smart te koesteren en uit
-smart te weenen! Uit smart te weenen in zijn druivepriëel … Zie, de trossen zijn purper
-gezwollen en glimlachen toe naar je mond … Maar pluk niet de druivetrossen, o Ariadne,
-en ween-uit, ween-uit je smart …
-</p>
-<p>Zoo sprak, met stem zoo mild als de muziek van faunenfluit zelve, de blijde god Dionyzos,
-en hij richtte Ariadne van zijn voeten op en voerde haar naar van viooltjes een sponde.
-Zij zeeg er in neêr en snikte … Toen zij opzag, was zij alleen. Zij was alleen in
-de loovertent; aan rots bij rots was de wingerd geschoten en de ranken slingerden
-toe naar elkaâr en schaduwden dicht. Zichtbaar zwollen de trossen. Hijgend geurden
-de duizend viooltjes. De fluiten, verder af, zongen heel zacht en droegen melodie,
-maar de Pansfluitjes orgelden op en neêr; de cymbels, even, sloegen als goud tegen
-goud, dof gedempt, en belletjes van tamboerijnen rinkelden. Er klonken stemmen van
-nymfen, heel ver; en de hymne verwijderde zich. Ariadne, verwonderd, leunde op den
-blanken elleboog, in de viooltjes … Hare tranen <span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span>liepen uit hare vermoeide oogen. De eenzaamheid was weêr om haar, maar weldadig en
-geurig, en vol purperen ooftaroom, en het Eiland was lieflijk bezield … Zij herinnerde
-zich, dat wanhopig van een rotspiek zij zich had willen storten … Zij had het niet
-gedaan … Was het nu te laat? Leed zij geen smart meer?! Was Thezeus niet ver, onbereikbaar
-en wreed? Neen, het was niet te laat … De rots op, de rots op, den dood in! Zij maakte
-zich los uit de wellust van de viooltjes en zij wilde de rotsen op … De fluiten zongen
-hooger, en de Pansfluiten orgelden sneller, op en neêr, op en neêr. Een schelle cymbelslag
-deed haar verschrikken. Zij stond stil, en luisterde … Maar, doffer de muziek, verdempend,
-snelde zij, hooger, de rots op. De ranken hielden haar tegen, de trossen zwollen tegen
-haar aan, maar zij drong door, en klom op, ùit boven de loovertent, zoo dat zij weêr
-stond in de blauwe lucht, en den sprong maar behoefde te wagen. Maar zij deed niet
-den sprong …
-</p>
-<p>—Zusters, o Nereïden, ringt u rond, witte reie rondom het Eiland, dat drijft, oleander-,
-laurierbosschage, op de nauwelijks schuimig gekamde zee: Thetis, ben ik, die u roept!
-</p>
-<p>—Thetis, roept gij mij op uit de golven? <span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span>Zeg mij, waarom klonk tot de diepte uw stem mij toe, wekkende mij uit water-gewiegelde
-rust? Ik ben het zelve, Wiegeling-der-Zee, die u vraagt …?
-</p>
-<p>En Ariadne, half verborgen door rots en door wingerd, zag de schitterende Nereïden
-reien de wateren uit, zich houdende blanke hand aan blanke hand en dansen rondom het
-Eiland …
-</p>
-<p>—Hooger de armen en lager … Zusteren, ziet ge wiegelen de druiveschepen van den blijden
-god Dionyzos …? Hooger de armen en lager … Dionyzos is gekomen …! Ik hoor fluiten
-schallen en cymbels slaan …: de vreugd is te Naxos gekomen …! Hooger de armen en lager …
-Evoë, Evoë, de vreugde … Dezen nacht wacht ons, Nereïden, o zusters, de vreugde van
-Dionyzos … Zusters, ik smacht naar zijn vreugde … Hooger de armen en lager … De vreugde
-is aangeland, waar de smart verlaten bleef … Eiland van smart, wees een eiland van
-vreugde! Morgen van smart, word van vreugde een nacht! Hooger de armen en lager …
-</p>
-<p>Zoo zong de zilvervoetige Thetis, en leidde, Amfitrite in het midden, de rei der zusteren
-rondom het eiland, waar Dionyzos’ vreugde te heerschen begon. En de tritonen doken
-op; <span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span>over de nauwelijks schuimig gekamde zee ijlden de vischgestaarte zeepaarden snel,
-met maar twee golf-uitstampende hoeven; en de tritonen antwoordden faunen en saters …
-Geluid zwol in de geurige schaduw van het oleander- en laurieren-eiland, en geluid
-zwol er rondom. Lucht en zee trilden van geluid en muziek. Lucht en zee en bosschage
-trilden van vreugde. De zee was bevolkt, het eiland bevolkt; de menaden zagen de Nereïden
-en zij dansten de eenen als de anderen dansten: Nereïden zwierden woest om het zeestrand
-elkaâr meesleêpende lachend; menaden traden met luchtiger voet, hooger de armen en
-lager, zoo als zij hare zeezusters zweven zagen … De tritonen met schulphoorngeschal
-weêrechoden klaterende de faunen na, en de faunfluiten antwoordden met schulpfanfare.
-Ariadne, van de rots, half verscholen, zag het aan. Zij zag Dionyzos Amfitrite toewuiven
-en Amfitrite wuifde met den sluier terug. In den blauwenden morgen was het éen vreugdefeest …
-</p>
-<p>Maar Ariadne scheen vergeten. Niemand zag haar, niemand dacht aan haar … Alleen, eenzaam,
-klom de rots zij af: neen, zij kon zich in de zee niet werpen … Om zich te werpen
-in den zilten dood had zij zich werpen moeten in den menadendans der Nereïden, in
-de tritonenfanfare <span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span>der faunefluiten … Nu wilde zij zich verbergen en klom lager en lager af: de wingerdtent
-overhuifde haar weêr met dichte schaduw, zondoorzeefd. En in die groengoudene eenzaamheid,
-hoorde zij de vreugde rondom haar heerschen en luisterde zij naar de vreugde, zoo
-nieuw, zoo nieuw voor haar. Zij viel in het bed van viooltjes en luisterde naar de
-vreugde, geheel den morgen lang. De vreugde scheen nooit moede en uitgevierd: het
-bleef steeds zingende, lachende, dansende vreugde, niet al te luid, niet al te dicht:
-het luidruchtigste soms was een cymbelslag, te hard geslagen, als schel goud tegen
-goud … Toen glimlachte Ariadne, en haar glimlach was éen glorie, terwijl haar <span class="corr" id="xd31e2072" title="Bron: chryopraze-oogen">chrysopraze-oogen</span> van smart nog in tranen dreven. Op het viooltjesbed lag hare naaktheid getrokken
-met goudblankende lijnen en parelmoêrige schaduwing.
-</p>
-<p>Plots sloegen heel schel de cymbels, en of het ware om het luchtdreunen van dien goudenen
-klank, die fel na-echode, viel, zoo zwaar, dat een kreet zij slaakte, Ariadne in den
-blank-en-parelmoêrigen schoot, een tros van het purperen ooft. De tros viel hoog van
-de tente af, en lag purper nu op hare knieën … Enkele druiven, gebarsten de fijne
-schil, bloedden uit als bleeke <span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span>robijnen en leekten hare blankheid over. De kleur van de druiven was wazig blauw purper
-doorschijnend, met een druppel van blozende licht diep-in … Omdat zoo heerlijk-vol
-en mooi de tros was, meende Ariadne het jammer van haar schoot den tros op den grond
-glijden te laten, en klemde zij hem tegen zich aan. Meerdere druiven spleten bloedende
-open, en het sap droop tusschen de viooltjes, en mengde in der hijgende bloemen geur,
-de aroom van boschbes en braam, maar heviger, heftiger, bezwijmelender. En Ariadne,
-vrouw van liefde, werd zoo bleek, als naderde liefde haar … Haar gelaat trok strak
-en hare oogen stierven, terwijl zij achterover zich wierp en de viooltjes pletterend
-drukte. Zij geurden des te sterker. Toen,—terwijl de vreugde, niet al te luid en niet
-al te dichtbij, heerschte rondom haar eenzaamheid, over het eiland, over de zee, in
-de lucht,—nam Ariadne een druif tusschen de vingers en rukte ze af. Zij hief aan hare
-lippen de druif en drukte ze tusschen de lippen … Hare chryzopraze-oogen staarden
-grooter in het bijna verbaasd strak getrokken gelaat. Zij plukte meerdere druiven,
-drukte ze een na de ander uit … Plots hief zij den tros geheel aan bevenden mond en
-zoende den tros hartstochtelijk. Zij omhelsde <span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span>op haar boezem den tros. De tros scheen in wellust te zwellen, groot en zwaar als
-een overstelpende liefde … Ariadne sloot de oogen toe. Voller zwol de zang der fluiten,
-fanfaarden der tritonen schulphoorns en de cymbels sloegen klaterend allen nu goud
-tegelijk, met een blijde overwinning.
-</p>
-<p>Toen Ariadne de oogen opsloeg, viel haar uit de armen de geknakte trossteel op den
-grond, en de leêge schillen lagen verspreid. Zij meende, dat zij de blanke en slanke
-gedaante van een jongen god, in blauwen eigenschijn, zag verdwijnen tusschen de looveren
-der wingerds. Zij bleef liggen roerloos, verbaasd en herinnerde zich …: zij dacht
-aan Thezeus en Dionyzos …: zij zag, vizioen, de schepen met zwarte zeilen, somber
-eerst, verbleeken, aan den morgenhorizon, en aandobberen schepen met druiven omrankt.
-Zij hief zich op, en voelde zich aan, of zij niet droomde … Zij wist niet meer wat
-droom en wat waarheid zoû zijn … Maar zij hoorde de Vreugde heerschen …
-</p>
-<p>Zij dacht aan het Geloei over Kreta …: nu hoorde zij over Naxos de Vreugde … Zij glimlachte
-zacht, en ademde heel diep op … Daar zij terzij harer sponde uit den rotswand hoorde
-zachtjes klateren een straal, keerde zij zich om, en zag een najade, die goot noodend
-ten bade <span class="pageNum" id="pb257">[<a href="#pb257">257</a>]</span>haar kruik uit. Ariadne knoopte heur haren op en dook en hurkte ruggelings neêr onder
-den straal. Toen de najade haar kruik had geleêgd, verdween zij en Ariadne rees op.
-Besluiteloos stond zij en luisterde … Steeds hoorde zij de Vreugde over Naxos … Maar
-de looveren bruischten en een panther tam zag haar aan met schitterende oogen, naderde
-toen, legde zich neêr aan haar voet. Zij streelde zijn machtigen kop, en hij brieschte
-zalig te moê, mauwende als een heel groote kat, met steile snorrebaarden. Nu hief
-zich het tamme dier, en kronkelde om haar rond, en stond stil. Ariadne steeds streelde
-hem, met de hand over kop en rug. Hij strekte den rug uit onder haar palm, en zijn
-staart zwiepte van gelukzaligheid. Toen, omdat breed zijn rug was, zette Ariadne zich
-op hem neêr. Langzaam schreed hij met haar voort, buigzaam en krachtig zijn dijen
-en zijn pooten plomp en toch gluiperig zacht … Zijn vel was een goudglanzende langharig
-zwart fulp, en Ariadne zat op zijn rug, veilig en zacht, het eene been over het andere,
-dat slank voet-trilde naar beneden; langs hooge halmen en witte narcissen slipte haar
-voet, dien zij even ophield, om hem niet op den grond sleepen te doen … De panther
-sloop met zijn voorzichtig <span class="pageNum" id="pb258">[<a href="#pb258">258</a>]</span>slappen tred door de looveren en langs het lage geboomte dicht en Ariadne bespeurde,
-dat het dier haar voerde naar de Vreugde … En zij wilde hem beduiden, dat hij tot
-de Vreugde niet gaan mocht, en legde hare hand aan zijn halsband breed, als om hem
-te mennen elders heen … Maar de panther begreep niet en meende alleen, dat zij hem
-streelde en hij spon, welbehagelijk, grooten kater gelijk …
-</p>
-<p>Daar trad haar Dionyzos te moet: rondom hen beiden week de Vreugde verder het Eiland
-over en tusschen hen bleef alleen een Weemoed zacht, maar overal van lagen boom tot
-lagen boom, van oleander tot laurier, en van vijgeboom tot bloeienden mispel, slingerde
-zich het druivefestoen en herschiep in een feestpaleis het eiland, een schakeling
-van kamers en zalen voor feest. Glimlachend bood Dionyzos haar de hand om af te stijgen,
-en zij zette zich in het mos, Dionyzos haar ter zijde; de panther sliep in aan haar
-voeten.
-</p>
-<p>—Hij kent mij, zeide Ariadne; en hij is tam als ik nooit panther zag.
-</p>
-<p>—Mijn saters temmen de wilde beesten en maken ze in éen morgen tam … Deze panther
-voerde je al de rotsen af, toen je hoog stond in wanhoop gericht, Ariadne, en deze
-panther <span class="pageNum" id="pb259">[<a href="#pb259">259</a>]</span>voerde je uit de loovertente, kamer van eenzaamheid, droom, gedachte en van liefde …
-Deze panther, o, Ariadne, zal trouw je dragen altijd en veilig voeren in den blijden
-thiazos, als je, uitgeweend, de vreugde aanvaardt …
-</p>
-<p>—Ween ik ooit uit en aanvaard ik de vreugde!
-</p>
-<p>—Ariadne, de seizoenen wisselen … Dag en nacht wisselen, wolken wisselen met zonneschijn,
-lichtspelingen en schaduwen wisselen, goden wisselen … Niets blijft, dan het wisselen
-alleen … Waar is de dag van gisteren? Waar zijn het geluk en de smart van gisteren …?
-Wat blijft er des avonds van de wanhoop des morgens …? Misschien de Weemoed, de weemoed
-alleen, en nòg wisselt de weemoed zoo vaak met een glimlach …! Ariadne, wat bleef
-in je leven van Kreta, van Minos en den vreeslijken Broêr? Wat klonk er nà het vreesverwekkend
-Geloei? Ariadne, wat bleef er van Thezeus? Zie het leven aan, Ariadne: het wisselt
-telkens van omlijn en kleur! Nu heerscht de Vreugde, misschien éenmaal de Smart …
-Maar heerscht zij, zij zal niet blijven … Wisseling van weemoedige schijnsels … is
-iets anders, Ariadne, het leven der menschen en der halfgoden op aarde … Zie, rondom
-ons speelt het als met <span class="pageNum" id="pb260">[<a href="#pb260">260</a>]</span>glanzende schimmen en sombere schaduwen, en het wisselt, het wisselt telkens, in menig
-versmelten, verglanzen, verworden … Er is niets dan in de schaal uit te persen den
-tros, en, zoo lang zij duurt, de purperen vreugde te drinken … Alleen Zeus weet, of
-ik ze morgen bezit! Menade, bied mij een schaal, en sater, pluk mij een heerlijken
-tros …! Hier Ariadne, druk ik zelve den tros uit in de schaal; en in de schaal vloeit
-de purperen vreugde … Drink, Ariadne, de vreugde … Menaden, ziet hier Ariadne, die
-weende, en die gij verscheuren wilde … Zie, zij weent niet meer, hoewel weemoed haar
-ziel nog vol zwelt … Menaden, omrankt Ariadne met vreugde … Vlecht haar de zongouden
-haren en kroon met de zware vlechten haar de ronde kruin … Rank kunstig haar om de
-slapen een wijnlofrank, hang haar aan de ooren twee sierlijke trossen … En laat haar
-zoo verder naakt, want hare schoonheid kleedt haar in zilveren lijnen en parelglanzen …
-O, Ariadne, nu voel ik den wensch zwellen in mijn hart, te doen wisselen de smart
-voor de vreugde, in glanzende levensverwording … Menaden, wie stond op de rotspiek
-en wilde zich storten in zee …?
-</p>
-<p>—Op de rotspiek stond zilverglanzende wit <span class="pageNum" id="pb261">[<a href="#pb261">261</a>]</span>Ariadne, en zij wilde zich storten in zee … Maar, o Dionyzos, door je glimlach heen
-kon zij zich in de zee niet storten! Op panther tam reed Ariadne de rotspiek af; loovertente
-spreidde boven haar uit … De Vreugde zong over het Eiland, niet te luid, niet te schel,
-en niet te dichtbij …
-</p>
-<p>—De gouden cymbels alleen sloegen schel!
-</p>
-<p>—Zoo schel, dat de lucht echoënd daverde …
-</p>
-<p>—Dat een wingerdrank brak, en een tros …!
-</p>
-<p>—Eén zware tros viel in Ariadne’s schoot …
-</p>
-<p>—Zij glimlachte en plukte de druiven …!
-</p>
-<p>—Zij drukte aan de lippen de druiven uit …
-</p>
-<p>—Zij omhelsde in haar armen den zwaren tros …!
-</p>
-<p>—En viel zwijmelend neêr vol van purperen weelde …
-</p>
-<p>—Dionyzos! Dionyzos!
-</p>
-<p>—God Dionyzos, onze god, god om wien wij ons scharen …!
-</p>
-<p>—Hoor Ariadne, de menaden zingen! Ariadne, je plukte de Vreugde àl, je drukte haar
-al tegen je hart, in je armen … De Vreugde, Ariadne, ben ik! De Vreugde was ik! Ik
-was de tros!… O, Ariadne, nu voel ik den wensch zwellen in mijn hart te doen wisselen
-de smart voor de Vreugde in glanzende levensverwording!
-<span class="pageNum" id="pb262">[<a href="#pb262">262</a>]</span></p>
-<p>—O, Dionyzos, nu voel ik den wensch zwellen in mijn hart trouw te blijven aan mijn
-smart! Helaas, jij was de tros! Helaas, ik omhelsde den tros! Zij stroomde purper
-uit in mijn schoot! Ik glimlachte, ik glimlachte, ik bezwijmelde in purper geluk …
-Helaas, waar bleef mijn smart! Waar blijft zij? Waar is Thezeus? Ben ik hem ontrouw,
-als hij mij ontrouw was! Is de liefde een verworden? Ariadne zag den held, Ariadne
-zag den god! De held wreekte zich in liefde op haar, de god troostte haar in liefde!
-O tros, o god, o Dionyzos! Ik ween, omdat ik purperen vreugde kende, en omdat ik purperen
-vreugde niet weêrstond. O, zwakke ziel, die niet kàn blijven lijden! O, wanhoop, die
-zich wèl troosten laat! Helaas, blijde Dionyzos, helaas, gouden god, purperen tros,
-er is niets dan het glanzend verworden en schaduwend wisselen: er is niets, waarom
-wij stevig de handen slaan, niets waarom wij krachtig de armen prangen … Het wisselt
-en schaduwt in glans om ons rond, voor ons uit, en wij weenen om niets, en wij lachen
-om niets! O, edele god, gouden god, purperen god, o god van wondervreugde en trossenwonder,
-geef mij éen oogenblik de hechtheid des levens! Vast wil ik de hechtheid des levens
-als een marmeren zuil, <span class="pageNum" id="pb263">[<a href="#pb263">263</a>]</span>al hang ik er in smart aan, groot, groot als mijn wanhoop om Thezeus was. Eén oogenblik
-de hechtheid des levens!? O, Dionyzos, ge glimlacht en ge schudt het hoofd, als of
-ge weet, als of ge weet, dat die zuil niet bestaat of verbrokkelt in onze omhelzing?
-Gij, om de brokkelende zuil, zoudt uw wingerd aanstonds laten weligen en de vreugde
-hare broosheid vermommen doen? O, vluchtig leven, o zwakke ziel! Waar gaan mijn wenschen
-en mijn smarten heen, waarheen mijn wellust en mijn wanhoop? In het ijle … in het
-ijle … Tooverspel van tinten! Zeepbel na zeepbel na zeepbel! Boven dat tooverspel
-en die zeepbellen glimlachen de eeuwige goden … Om niets was zoo droef mijn jeugd?
-Om niets verwekte vrees het Geloei? Om niets vluchtte ik met hem en verliet hij mij?
-Weêrschijn na weêrschijn na weêrschijn! Is dit bestaan dan de ernst waard! O, menaden,
-gij hebt gelijk! Woeste saters, gij hebt gelijk! Ariadne aanvaardt de vreugde! Dionyzos,
-ik aanvaard de vreugde! Maakt mij geheel, menaden, aan u gelijk: geeft mij het beestevel!
-Geeft mij den thyrs! Geeft mij een tamboerijn! Menaden, reikt mij de handen! Hier,
-ik zwier met u rond! Dit is uw tred, dit is uw danstred: ik ken hem, ik ken hem alreê!
-De vreugde is licht te aanvaarden! <span class="pageNum" id="pb264">[<a href="#pb264">264</a>]</span>Over het Eiland, het eiland heen, lange keten van vreugde, vreugdevrouwenfestoen,
-schakel wil ik zijn met u mede …
-</p>
-<p>En Ariadne, in den zwier van menaden en nymfen, danste meê en weg in haar wildheid,
-naar hoogere heuvelen en hoogere rotsen, en zij zag de Nereïden reien en haar wuifde
-Amfitrite tegen.
-</p>
-<p>Maar de blijde god Dionyzos riep uit:
-</p>
-<p>—O, Ampelos, Ampelos, kom!!
-</p>
-<p>En hij wierp zich aan Fauns borst en klaagde:
-</p>
-<p>—Zij aanvaardt de Vreugde, maar zij gelooft niet aan de Vreugde! Ampelos, haar stem
-klonk schril, toen de menaden zij riep!
-</p>
-<p>—O, Dionyzos, nooit is zuiver de Vreugde te aanvaarden voor wie de Smart heeft gekend!
-Kende ik de Smart? Dionyzos, kende jijzelve de Smart? Dionyzos, kende Hermafroditos
-iets anders dan den Weemoed in cypressenschaduw? En kennen wij beiden de Vreugde het
-zuiverst niet? Herinner je, er was niets dan blijheid: ik droomde en ik werd wakker,
-den wijnstok in mijn palm, dien Zeus er zelve gevlijd had: je kwam, ik lokte je met
-mijn blijde wijze en viooltjes ontbloeiden onder je voet: wij zochten samen de gunstige
-plek en plantten den wijnstok, de Vreugde, en er was niets dan de Vreugde, <span class="pageNum" id="pb265">[<a href="#pb265">265</a>]</span>er was niets dan de Vreugde! De Vreugde overwon overal! En waar de Smart haar weêrstond,
-werd zij verpletterd!
-</p>
-<p>—O, Ampelos, ik spaarde de Smart voor het eerst!
-</p>
-<p>—En de Smart aanvaardt de Vreugde met bitter hart!
-</p>
-<p>—… Omdat ik de Smart zelve mij naderen voel!
-</p>
-<p>—Dionyzos, wat zal de Smart je ooit naderen …
-</p>
-<p>—Ik weifel, ik weifel, Ampelos: zal ik, <span class="asc">IK</span> de wereld verwinnen! Zie, mijn armen zijn als van een meisje …
-</p>
-<p>—Dionyzos, ik weet nog, toen ik je zag, voor het eerst, als een lachende knaap, blij
-vroolijk, dartel en moedig … Je groeide, je borst werd breeder, je ronde arm spierde
-zich even … maar weemoed groefde dieper in je glanzenden blik van viool, en je hart,
-in mannelijker borst dan toen, versaagt, als het destijds nimmer versaagde …
-</p>
-<p>—Ik weifel, o Ampelos, ik weet niet meer … Zie, zoo heerlijk schoon is de zonnige
-morgen, vreugde is er op eiland en zee, vreugde om Amfitrite en om Dionyzos … mijn
-wingerd weligend heerlijker dan ooit en ik … ik zoû weenen <span class="pageNum" id="pb266">[<a href="#pb266">266</a>]</span>willen …! Ampelos, laat mij weenen in je arm … Vriend, neem mij teeder aan je borst …
-Laat mij je hart voelen kloppen … Ik ween, zie, mijn tranen vallen … Ik ben niet meer
-het kind, dat de nymfen van Nyza—nu de dartelste der Bassariden—opvoedden tusschen
-de anemonen; ik ben niet meer de knaap, tot wien neêrdaalden de Muzen met waardigen
-dans en edel <span class="corr" id="xd31e2148" title="Bron: rythmische">rythmiesche</span> maat; niet meer de dartele leerling van Silenos, die spotte met zijn wijsbegeerte;
-ik ben niet meer de allereerste wijnbouwer, blij, zalig om Zeus’ nieuwe gave aan zijn
-godenzoon … Ik ween, zie, ik ween, weemoedig … Mijn weg was éen zege … en ik ween …
-Ik overwon koninkrijken en landstreken, ik sprenkelde de vreugde overal, tot in Tartaros
-toe; mijn agavesteel versloeg de Giganten … En ik ween … Mijn ziel zwelt van weemoed …
-ik wil zijn als een kind … Ampelos, laat mij in je armen weenen, en troost mij … Zeg
-mij éen woord, dat mij troost … Geef mij troost, <span class="asc">MAAR LAAT HET GEEN DRUIVETROS ZIJN</span>… Neen, geen schaal, geen tros, geen vreugde … Ik verlang iets, ik weet niet wat …
-O, mijn moeder, Semele, gij verlangdet als ik … en Zeus willigde uw verlangen in!
-Gij verblaakte, zal ik òok verblaken? Vrouw van de <span class="pageNum" id="pb267">[<a href="#pb267">267</a>]</span>aarde, ben ik uw zoon? Aarde, ben ik uw kind? Ween ik daarom? Ik verlang …: o wat
-verlang ik? Wat laat mij weenen en onrustig zijn, terwijl cymbelschel de Vreugde heerscht?
-Ampelos, o ik wensch, ik verlang … Ariadne de vreugde te sprenkelen, zóo dat zij die
-aanvaardt zonder bitterheid! Helaas, zie … zij lacht, zij zwiert, zij zwaait den thyrs,
-zij drinkt-uit de volle schaal … rondom haar juichen de dolle menaden … en ik zie
-haar groen juweelen oogen dol kijken met den blik van een ree, die Artemis jaagt!
-Ampelos, ik ben onmachtig … Ampelos, de smart overwint mij! Ariadne’s smart overwint
-mij! Eenmaal zal <span class="asc">MIJN</span> Smart … mij dooden!!
-</p>
-<p>—O, mijn onsterfelijke god en mijn vriend, nooit zal de smart je dooden!
-</p>
-<p>—Ik, ben ik onsterfelijk?
-</p>
-<p>—Worden zal je het, langt eenmaal Hebe je nektar.
-</p>
-<p>—En Ariadne?
-</p>
-<p>—Wie weet …
-</p>
-<p>—Ampelos, ik heb haar lief!
-</p>
-<p>—Sedert wij, Dionyzos, spaarden de smart, verwon de smart ons … maar niet tot den
-dood!
-</p>
-<p>—Overwint de smart ons … Overwint de smart je … Ampelos …?
-<span class="pageNum" id="pb268">[<a href="#pb268">268</a>]</span></p>
-<p>—Mij …? De weemoed verwint mij zeer zeker …
-</p>
-<p>—Waarom?
-</p>
-<p>—Ik had Dionyzos lief als de Vreugde … Ik torste de zegevierende Vreugde op mijn schouders …
-Wij verwonnen de Wereld!
-</p>
-<p>—Nog niet … nog niet geheel …
-</p>
-<p>—De Weemoed verwint mij … Ik troost Dionyzos weemoediger dan Hermafroditos ooit was …
-En als de Smart …
-</p>
-<p>—Als de Smart?
-</p>
-<p>—Zal ik hem niet troostend omhelzen!
-</p>
-<p>—Ampelos, waarom zal je Dionyzos, als hij de Smart is, niet troosten?
-</p>
-<p>—Ik zie de Toekomst … ranken steeds als éen druiven weg: ik zie, een vrouw, een vrouw
-blank …
-</p>
-<p>—Ariadne?
-</p>
-<p>—Zij!
-</p>
-<p>—Maar Ampelos?
-</p>
-<p>—Ik niet!! O, de Weemoed verwint Dionyzos’ Faun …
-</p>
-<p>—Waar is de eerste Vreugde!
-</p>
-<p>—Waar is de Vreugde!
-</p>
-<p>—Ampelos, bied mij den beker!
-</p>
-<p>—Ik zie er geen!
-</p>
-<p>—Ampelos, hier bied ik een tros je! Ampelos, ik beveel je: heb vreugde!!
-<span class="pageNum" id="pb269">[<a href="#pb269">269</a>]</span></p>
-<p>Blauw omglansd, straalde de god heerlijk op, en hij reikte Faun den vollen tros. En
-Ampelos omhelsde dien woest, maar hij omhelsde tegelijkertijd Dionyzos.
-</p>
-<p>—Zware tros! riep hij razend uit. Zware tros, Dionyzos, stroom uit in mijn omhelzing!
-Ik wankel onder je bezwijmeling!
-</p>
-<p>—Ampelos, Ampelos, kom mee! riep Dionyzos vervoerd in zijn armen. Ginds zwieren zij
-allen, in hoogste verrukking; ginds zwiert Ariadne en wenkt mij!
-</p>
-<p>En hij sleepte woest aan de hand Ampelos meê, die den gepletterden tros uit zijn omhelzing
-liet vallen …
-</p>
-<p>Uit de schaduw der oleanders trad Hermafroditos te voorschijn, en hij zag den god
-en zijn Faun, de hand boven de oogen, lang na …
-<span class="pageNum" id="pb270">[<a href="#pb270">270</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch14.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">XIV.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Feest was arbeid tevens geweest en de saters, zonen van Pan, hadden overal, waar gunstig
-de plek was, den wijnstok Dionyzos’ geplant. Als éen groote tros zwol zelve het eiland
-purper, en nu de nacht donkerde, zonk de loome bewustloosheid van den slaap overal
-neêr als een betoovering over wijnbouwers en vierders van feest. De zee, ontvolkt
-van waterschepselen, gladde in Selene’s zilveren ernst zich strak als met blinkende
-lakens toe naar den einder, die huiverde, nauwlijks zichtbaar. De lucht welfde wolkenloos,
-en Selene stond vol en straalde … Onder den nieuwen wingerd drukte op wijndronken
-Naxos de slaap zwaar. De druivetriremen dreven roerloos; op het strand lagen, in de
-armen elkaâr, de uitgefeeste schepelingen. In de bosschages snorkten saters en slapende
-wilde beesten, getemd.
-</p>
-<p>Op een violensponde lag Dionyzos.
-<span class="pageNum" id="pb271">[<a href="#pb271">271</a>]</span></p>
-<p>Hij lag, het hoofd diep achterover, en zijn bronsblonde lokken, ontknoopt, stroomden
-over zijn schouders en op den grond. En hij lag, slapende, als een god, die lijdt.
-Over zijn voorhoofd pijnlijkte een ernst weemoedig, zijn mond was open en hij hijgde
-zachtjes. Zijn arm sleepte op den grond laag en zijn hand hield krampachtig grashalm
-omklampt. Toch, niettegenstaande zijn leed, was een blauwige schijn om hem, en Ariadne,
-van verre, alleen wakende nog, zag verwonderd naar dien bijna maneglans. En zij murmelde:
-</p>
-<p>—Zie, hoe hij ligt en glanst!
-</p>
-<p>Zij naderde en in de slaapstilte zag zij op hem en hem lijden.
-</p>
-<p>—Hij lijdt!? En toch kent hij de Smart nog niet en lijdt hij niet om zijn eigene smart!
-Hij lijdt om Ariadne’s Smart … O, in den wilden dans heeft hij het mij herhaald: „nu
-voel ik den wensch zwellen in mijn hart te doen wisselen de smart voor de vreugde
-in glanzende levensverwording … maar zonder bitterheid, zonder bitterheid, Ariadne!”
-Helaas, ik heb het hoofd gebogen in een glimlach en zijn beker aanvaard. De woeste
-vreugde heeft mij verder gesleept, ik heb de woeste vreugde aanvaard! Aanvaard ik
-morgen Dionyzos’ eigen <span class="pageNum" id="pb272">[<a href="#pb272">272</a>]</span>en edelere Vreugde? Dezen nacht al? Drukte ik hem, in een tros herschapen, al niet
-in weelde van liefde aan mijn lijf? Thezeus …! Thezeus …!! Wat is Thezeus ver! Waar
-is de nacht van gisteren, toen ik lag in Thezeus’ armen, in zijn liefde wreed maar
-mij goddelijk! Waar is de morgen des wreeden ontwakens, toen ik na veel weifelen en
-hopen de zwarte zeilen ten laatste aan den einder zag! Ver … ver is het alles heen …
-In het ijle, in het ijle … Tooverspel van tinten! Zeepbel na zeepbel na zeepbel! Weêrschijn
-na weêrschijn na weêrschijn! Helaas, wat kan ik, zwakke, tegen het goddelijk sterke
-leven! Wat kan mijn zwakke ziel tegen den troost, die haar overweldigt en haar bezwijmelde
-met purperen tros! Wat kan mijn smart tegen de goddelijk sterke vreugde der zee en
-des omwingerden eilands! Ik sta met mijn smart alleen in een duizendvoudige jubeling!
-Het jubelde van alle zijden naar mij toe: Dionyzos, Dionyzos! Hadde hij mij niet gespaard,
-de vreugde had mij verscheurd als een blijde leeuw een blatend en klagelijk lam! Hij
-spaarde mij, de vreugde verscheurde mij niet, maar zij omdrong mij van alle zijden.
-De lucht was vol van het vreugdegeschal. Zee en eiland bevolkten de dansen der vreugde.
-<span class="pageNum" id="pb273">[<a href="#pb273">273</a>]</span>Ik dwaalde alleen met mijn smart! Ik weende alleen met mijn smart! Ik verborg mij
-onder wingerdtente en de Tros viel mij in den schoot! O, zwak lichaam, o zwakke ziel,
-zwakke smart die zich wèl troosten laat … Geen smart duurt langer dan de sterke Vreugde
-het wil, zoodra deze haar verwint … O smart, o smart, blijf bij mij! Wat roep ik,
-wat klaag ik, vergeefs! O, wat kan ik, zwakke, tegen het sterke leven, tegen de sterke
-Vreugde, wat kan ik tegen Dionyzos! Hij overwon mij, en spaarde mij … Goden, ik heb
-hem lief!! Thezeus, ik heb Dionyzos lief! Wreede held, Ariadne bemint den zachten
-wereldverwinnaar! Helaas, hij lijdt om mij! Edele god, gouden god, purperen god …
-hij lijdt de smart van Ariadne, want eigen smart weet hij niet! De vreugde zonder
-bitterheid …! Onverzoenlijke, gij zult het nooit willen … Afrodite, gij wilt het niet!
-Ik ben het kind van Pazifaë, ik ben een spruit van goudglorenden Helios … O, ik heb
-hem lief, ik heb hem lief! Ik ben het kind van mijn moeder: Afrodite bezielde ons
-altijd … Wat is dit voor een nieuwe liefde, die mij smelt in het hart, in de oogen
-met tranen, op den mond met een smachting naar zoenen! Trillend sta ik naast zijn
-sluimering en zie ik op zijn lijden <span class="pageNum" id="pb274">[<a href="#pb274">274</a>]</span>neêr … O, hem niet meer lijden te laten; o, de vreugde alsemloos te aanvaarden! Het
-zoete van zijn beker alleen en niet de droesem van mijn smart … Smart? Heb ik smart?
-Ver … ver is mijn smart heen! In het ijle … in het ijle! Tooverspel van tinten! Zeepbel
-na zeepbel na zeepbel! Weêrschijn na weêrschijn na weêrschijn! Er is niets, er is
-geen smart … O, arme menschen, arme halfgoden! Gij lijdt en hebt lief om niets! Boven
-u glimlachen de goden sterk … Mijn ziel, ze herbloeit al weêr … Wat geeft het of ik
-er zelve om ween! Mijn ziel herbloeit, zij herbloeit! Zij is dronken van vreugde geweest,
-en nu, nu is zij smachtend naar vreugde weêr! Zijn edele vreugde na hun woeste vreugde …
-O, goden, ben ik gelukkig, gelukkig, terwijl ik ween? Thezeus … gij zijt ver: alle
-verschrikking, alle afschuw, alle wreedheid, alle wanhoop … het is alles, het is alles
-zoo ver …! Er is niets dan Naxos … Dionyzos’ Naxos … er is niets dan Dionyzos! Zijn
-vreugde! Een god … een god troostte mij! Dionyzos troostte Ariadne! De fluiten pepen
-troostvol, de cymbels sloegen goudschellen troost, de trossen stroomden purperen troost!
-O, stille nacht, o stille nacht van troost! O goden, ik ben gelukkig! Mijn tranen
-vloeien <span class="pageNum" id="pb275">[<a href="#pb275">275</a>]</span>om mijn zwakke zelf, maar ik ben, o goden, ik ben gelukkig! Ik sla mijn armen uit,
-ik weet niet waarheen, van louter, van louter geluk! O, zoo zwak in smart, is Ariadne
-gelukkig! O, geluk, vluchtiger misschien dan de smart mij, o vreugde, waarheen slaan
-mijn armen uit? Dionyzos, Dionyzos, ontwaak! Ontwaak, ontwaak … Ik ben gelukkig!!
-</p>
-<p>En op de knieën naast zijn violensponde viel Ariadne naast Dionyzos neêr en omhelsde
-zijn afhangende hand. Hij ontwaakte en hoorde haar laatste woord, en voelde op zijn
-hand haar zoen. Toen murmelde hij, nog slaap-, wijn- en leeddronken:
-</p>
-<p>—O, Ariadne, nu voel ik den wensch zwellen in mijn hart …
-</p>
-<p>—Te doen wisselen de smart met de vreugde … Maar zonder bitterheid, zonder bitterheid.
-</p>
-<p>—Ja, zonder bitterheid, Ariadne …
-</p>
-<p>—Dionyzos, ik bèn gelukkig! Ik ween om mijn zwakheid, maar helaas, Ariadne is gelukkig!
-</p>
-<p>—Sprenkel ik vreugde, Ariadne …
-</p>
-<p>—Ja … Dionyzos, vreugde en geluk, gelúk! Zie, ik ween aan je voeten, omdat alles,
-alles, zoo ver is … Thezeus, verschrikking, afschuw, wreedheid en wanhoop … en omdat
-ik heel bang <span class="pageNum" id="pb276">[<a href="#pb276">276</a>]</span>ben voor het geluk, dat heel broos zal zijn, als de smart al zoo broos was … Maar
-ik ben gelukkig, ik ben gelukkig! Wat kan tegen het sterke Geluk! Wat kan Ariadne’s
-zwakke smart tegen het overstelpende sterke geluk! Vreugde en geluk zijn als krachtige
-saters, smart was als een weenende nymf zwak! Vreugde en smart, rood als wijn, goud
-als zon, schaterend als Dionyzos, verkrachtten mijn arme zwakke smart in het druivegenot,
-en de zee lachte, de lucht lachte, de aarde lachte … àlle, alle goden lachten, schaterlachten
-om de arme verwonnen smart! Goden, ik hoor zelfs Thezeus lachen! Alleen … ik hoor
-niet Afrodite’s lach en ik vrees voor die schijnkracht van geluk en van vreugde …
-</p>
-<p>Op zijn sponde zat de god overeind en hij hield Ariadne in zijn armen. Zij zag hem
-aan, hij zat in glans als in eigen maneschijn en van zijn voorhoofd was het leed opgeklaard.
-Rustig, zelfbewust en jong heerlijk zat hij en hield zijn bruid in de armen, heerlijk
-schoone dochter van Helios’ dochter. En hij zeide:
-</p>
-<p>—Ik weet, dat ik de Vreugde ben, en dat heel sterk is mijn Vreugde! Ik weet, dat ik
-de Vreugde altijd was, en ik gloei van trots, omdat ik de wereld overwin, aardsch
-erfdeel, door Zeus mij beloofd! Hoor, Ariadne, de Vreugde <span class="pageNum" id="pb277">[<a href="#pb277">277</a>]</span>zal altijd krachtiger zijn dan de smart! Heerschen over de wereld zal altijd mijn
-Vreugde! O, zaligheid, zaligheid: Dionyzos heerscht, zijn Vreugde heerscht! Ariadne,
-welk geluk zwelt in mijn ziel! Sprenkelde ik je de vreugde, Ariadne? Is er geen alsemdrop
-meer in den beker? O, zaligheid, o, zaligheid; o, vreugde … O Zeus, heb dank voor
-mijn kracht, en mijn erfgoed! Wat ziekte in mij van weemoed en weifeling! Waar is
-Ampelos, opdat ik hem vraag …! Wat twijfelde ik ooit toch aan mijzelven … O, zaligheid,
-o zaligheid … Zie, Ariadne, ik sta op …: ik ben een man; ik groeide van vreugdekind
-en van vreugdeknaap tot een vreugdeman; ik voel mij sterk en onoverwinlijk …! Dit
-is omdat krachtig mijn Vreugde is, onoverwinlijk, en omdat ik ze overàl sprenkel!
-De wereld sprenkel ik ze over! O zaligheid, o zaligheid … Ariadne, ik ben gelukkig …
-Wat dacht ik aan Smart toch en welke smart kan mij treffen, nu ik Ariadne’s smart
-heb gelenigd en haar vreugde heb gesprenkeld! O zaligheid, o zaligheid: ik verlang
-naar den nieuwen dag! Bruid, ik smacht naar den nieuwen morgen! Grijze schemering,
-vlied! Eos, verschijn! O, zaligheid, Dionyzos, gelukkig, vreest niet de broosheid
-van zijn geluk … Stil Ariadne, twijfel niet … Hier, in <span class="pageNum" id="pb278">[<a href="#pb278">278</a>]</span>mijn arm voer ik je voort naar het strand van de kalme zee! Zoolang mijn zeereis dure,
-zal geen storm woeden: Poseidoon heeft mij lief; hij gladt-uit zijn waterwegen! O,
-zij hebben mij allen lief …! Ik sprenkel ook vreugde hun, den grooten goden. Zij zien
-lachende op mij neêr, als ik strijd … Zij hebben mij allen lief …! Stil, o bruid,
-twijfel niet! Zij hebben mij allen lief …: Afrodite … zij heeft mij lief … Zij kàn
-Dionyzos zijn bede niet weigeren. Stil Ariadne stil, nu bid ik tot Afrodite … In den
-nauwelijks rozigen morgen, o Afrodite, hoor mijn bede … Ik ben Dionyzos, die je roept …
-Zie, dit is Ariadne, en je toornde haar als je deedt alle de haren. Je gaaft haar
-de liefde en je strafte haar in liefde! O, goudene Afrodite, is het aan godin, zoo
-duive-lieftallig, en zoo overmachtig schoon, te zweren wraak zoo onverbiddelijk? Afrodite,
-hoor: als een sterveling gewoon, bidt Dionyzos bij de zee, uit wier schuim je oprees
-verblindend: wees Ariadne en wees mij genadig! Niet anders dan als een herder, die
-je twee tortels brengt in je tempel, bidt Dionyzos, zoon van Zeus, god der vreugde,
-verwinnaar der wereld tot het morgenland toe: O, Afrodite, wees ons genadig! Wees
-onze liefde, ons geluk genadig! O Afrodite, wees de Vreugde genadig!!
-<span class="pageNum" id="pb279">[<a href="#pb279">279</a>]</span></p>
-<p>Zoo bad de blijde god Dionyzos en hoewel zijn gebed smeekte en nog niet juichte, was
-hij vol vertrouwen, in Afrodite, en in Zeus, zijn vader. En hij stond aan de parelige
-morgenzee, en zag naar den pareligen morgenhemel, achter wiens azuur de goden, zijn
-goddelijke broeders en zusters, en onder hen Afrodite, hem zeker wel, Ariadne in de
-armen, schuchter,—welgevallig glimlachend zouden gade slaan. Hij stond en de blik
-vol vertrouwen, violenblauw, zocht in den hemel, die klaarde; zijn oor luisterde als
-naderde op zijn bede antwoord; zijn glimlach was een jeugdig blijde zelfbewustheid.
-Zijn hand streelde Ariadne’s zongoudene haar, en zij, aan zijn hart, hoorde zijn liefde.
-Een angst voor de Onverzoenlijke deed haar eigen hart kloppen onstuimig. Zoû de wreede
-godin, schrik van Kreta, geesel harer in verdwaaldheid bemind hebbende moeder, hooren
-en een teeken geven? Wat verwachtte haar goddelijke bruidegom? Zij zag op van Dionyzos’
-borst. Zij zag uit over de zee. Het krokoskleurig gewaad van Eos was reeds in ijlte
-verbleekt en Ariadne schrikte op, omdat aan den einder, uit de breed ontslotene poorten,
-in helderder uitstraling van goud, als op goudenen heirweg, die zich langs den hemel
-rondde, Helios verscheen, in de zonnevuisten de blinkende <span class="pageNum" id="pb280">[<a href="#pb280">280</a>]</span>leidsels des vurigen, schuimblanken vierspans! Nooit had zij den god, vader harer
-verdwaasde moeder Pazifaë, zoo in zijn zonneglans gezien. De dag, plotseling, gloeiend
-van glorie, straalde wijd, wijd uit over de aarde en over de zee: het was of de zee
-zich uitbreidde, blauwer; het was of zij overal eilanden zag liggen, die zij nog niet
-had gezien; het was of zich vergoddelijkte de menschelijke wereld, het geurige eiland
-van haar smart en geluk. Uit de zee, hier en daar, overal, doken de Nereïden op, zingende
-elkaâr toe, wuifden elkander, wezen met den vinger uit … Wezen zij naar de glorie
-van Helios, die nu mende zijn stralend vierspan den hemelheirweg op, hij staande triomfantelijk
-in de zonnekar? Neen, zij wezen lager, naar de Oostelijke poort, die, nog niet gesloten,
-uitvloeide een parelen lichtstroom … En plots zàg Ariadne, en gaf zij een kreet, en
-klampte zich aan Dionyzos. Want zij had herkend en in Dionyzos’ arm stierf zij bijna
-van angst, hijgend. Zij had herkend! Op den parelen lichtstroom, die na Helios’ goudgloed
-schoot uit de steeds opene poort, dobberde over de kalme zee, nauwelijks morgenbriesgerimpeld,
-een heel groote schulp, en op die parelmoêrige dobbering naderde-aan Afrodite zelve!
-In doodangst zag Ariadne <span class="pageNum" id="pb281">[<a href="#pb281">281</a>]</span>toe. Zij had de godin, vijandin haars geslachts, nooit gezien en zij wist niet, wat
-zoû gaan gebeuren. Zij gaf een kreet, half in zwijm tegen haar bruidegom aan. Maar
-in een parelen glorie, te heerlijker, daar Helios zoo straalde, dobberde nader op
-haar schulp de godin, die stond; en de druk van haar teen stuurde de schulp, naar
-het scheen, waar zij wilde, in de richting van Naxos, van Dionyzos. Zij was zoo schoon,
-dat Ariadne ontzette. Zij was zoo schoon, dat de Nereïden staakten den zang, en openmonds
-bleven staren. Zij stond in hare kalme overheersching van bovenmatige schoonheid,
-en haar glimlach omdreef haar met een hellen glans, en toch was die glimlach er een
-van een kind, een bedorven kind en allerlieveling. Het hoofd geneigd ter zijde, glimlachte
-Afrodite. Hare schoonheid boetseerde haar in levend albasten lijnen, die heel week
-en nauwelijks wisselden. Hare schoonheid was een lieftalligheid, die kon goddelijk
-zijn, een lieftalligheid eeuwig en oppermachtig. Nader aandobberend, staarde Ariadne
-haar aan, en vergat, dat zij heur vijandin was. Het zuiver edele van het gelaat versmolt
-al te groote strengheid in den glimlach, die glansde. Van de heel ronde kruin golfde
-het haar opgeknoopt als een vloeiend goud en kruivende <span class="pageNum" id="pb282">[<a href="#pb282">282</a>]</span>licht. De rozebladronde schouders, de leliënde armen, de dubbelgeroosde boezem, liervormig
-de heupen, de bloemestengelende beenen, voet<span class="corr" id="xd31e2245" title="Bron: .">,</span> van welk éen stuurde de schulp, schenen uit tastbaar licht geschapen, en het licht
-bezield met leven en god-vrouwelijkheid. En zij was zoo schoon, dat zij op dit oogenblik
-van overglanzing nauwelijks verzinnelijkte tot welken zweem ook van wellust. Uit de
-zee waren de tritonen gedoken, en, de godin herkennende, toeterden zij schel hun hoornschelpfanfare.
-Uit de oleander- en laurierbosschages waren aangestroomd de faunen en saters en heel
-Dionyzos’ leger bevolkte in dicht gedrang het strand, maar zoo schoon was Afrodite,
-dat onbewegelijk saters en faunen stonden, geboeid door hare schoonheid alleen, van
-welke nooit wederga was gezien. Bij haar werden de Nereïden en nymfen lieftallige
-schepselen, onbeduidend, en Ariadne’s zonnige schoonheid verbleekte tot een schim.
-Zoo naderde Afrodite. Geheel de zee zag haar aan, lucht zag haar aan, alle schepselen
-staarden haar tegen. Zij was de heerlijkheid van hemel en aarde. Zij scheen het niet
-te weten. Zij glimlachte alleen en scheen niet te weten, dat glànsde haar glimlach.
-Rondom haar fladderden eroten en wierpen rozen <span class="pageNum" id="pb283">[<a href="#pb283">283</a>]</span>neêr. Hare triomf was onvergelijkelijk met welken triomf ook op aarde … Aan de kim
-was de poort gesloten, Helios verijlde in het azuur; het parelige pad verbleekte,
-maar om Afrodite schitterden haar eigen glans en haar glimlach.
-</p>
-<p>Plotseling weêrschalde een gejuich. Aangedobberd, genaderd het strand van Naxos, was
-zoo vervoerende schoon de godin, dat allen juichten, dat alles juichte, dat de tritonen
-toeterden, de faunen pepen; de saters, dol, orgelden hunne schelle gamma’s. En Dionyzos
-riep uit, in verrukking:
-</p>
-<p>—O, Afrodite, je nadert mij, op mijn gebed, over de van liefde bevende zee! O, Afrodite,
-je nadert mij! Je glimlach baadt mij in een glinsterend geluk! Mijn Vreugde straalt
-op in je schoonheid! O, Afrodite, Afrodite, mijn stem schiet te kort je toe te juichen
-en tegen te danken! Je duldt Ariadne’s geluk? Je staat Ariadne mijn Vreugde toe! Afrodite,
-ik zie je glimlachen! O godin, heil der aarde en lust van de goden, ik val je te voet
-en ik bid je aan! O, heerlijke almacht, wij vallen te voet en bidden je aan!
-</p>
-<p>De godin, glimlachend, had haar schulp gestuwd en strandde haar op het strand. En
-<span class="pageNum" id="pb284">[<a href="#pb284">284</a>]</span>Dionyzos voerde zijn bruid haar te moet, waar zij wachtte in de schulp, te midden
-der fladderende eroten. Toen nam Afrodite van zeven sterren een kroon, die haar aanboden
-de liefdegoodjes, en zij plaatste ze op Ariadne’s hoofd. En zij zeide:
-</p>
-<p>—O, blijde god Dionyzos, wees juichende god Dionyzos weêr! Wees jubelende Dionyzos!
-Verover de wereld in vreugde! O, Ariadne, wees Dionyzos’ bruid! Niets kan <span class="asc">IK</span> Dionyzos weigeren: al wat hij vraagt, sta ik hem toe! Vraagt Dionyzos mij vreugde
-voor Ariadne, hij, die zelve de vreugde sprenkelt, dan weiger ik mijn vreugde Ariadne
-niet. Dan geef ik Ariadne mijn vreugde! Helios hoor: ik eindig mijn wraak, omdat Dionyzos
-het vraagt!
-</p>
-<p>Op den hemelheirweg verscheen, mennend zijn schuimblank vierspan, Helios en hij aanhoorde
-het woord der godin. Zee, lucht en aarde vierden Dionyzos’ hoogtijd overstelpend geluk.
-<span class="pageNum" id="pb285">[<a href="#pb285">285</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch15.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">XV.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Tot afreis was besloten, en de saters, bezig met het inschepen der wilde dieren getemd,
-zat Silenos naast Ariadne op zodenbank, en zag bekoord haar aan, terwijl een krans
-van narcissen zij vlocht. En hij zeide, de oude Silenos:
-</p>
-<p>—Voorwaar, overgoddelijk schoon is ons de glimlachende Kypris verschenen, en wij geen
-van allen, o Ariadne, wisten welk wonder wij zagen gebeuren en wat er in parelen glorie
-aandobberde op de verliefde zee. Wij waren verblind en verstomd, en wij stonden als
-ezels te kijken, terwijl de schoonheid zoo rustig in haar stralenden glimlach ons
-naderde. En toen wij juichten haar huldigend tegen, klonk ons huldegejuich als ezelgebalk,
-maar welwillend bleef Afrodite en ik heb haar niet fronsen gezien. Zij glimlachte,
-zij glimlachte steeds! Lieflijke kleindochter van Helios, bleek was je en een schuchter
-vrouwtje, vergeleken bij die <span class="pageNum" id="pb286">[<a href="#pb286">286</a>]</span>aantriomfeerende heerlijkheid, maar nu zij in parelen glorie terug is gekeerd en ik
-je aanzie, o Ariadne, nu ben ik wèl tevreden en kan ik mij begrijpen, dat na Dionyzos’
-hymne, zijn thiazos je blijde een hymne toezingt. Ware mijn stem niet altijd schor,
-ik stemde mede in die hymne, Ariadne … Nu zegt Silenos het je maar vaderlijk-weg,
-in rustige, eenvoudige woorden: Ariadne, ik ben verheugd, dat een edele vrouw onze
-overwinnaarstocht zal medemaken. Zie, Ariadne, wij misten de vrouw, de edele vrouw
-van maat, de vrouw, die geleefd en geleden heeft, en weet wat het leven waard is.
-Dat weten niet menaden en nymfen, in haar steeds oproerigen jubel. Ja, Ariadne, wij
-misten de vrouw! O, Ariadne, nu je glimlacht, neêrgebogen je goudzonnig gelokte hoofd
-over die witte vingers narcissen strengelend, en wil, vorstin, wel luisteren naar
-het vaderlijk woord van je bruidegomsmeester, nu gelijk je mij bijna een Muze, zoo
-lieflijk als wie ook der negen, en even rythmiesch van maat in ziel en in zijn als
-zij. En Ariadne, wij missen de maat. Dionyzos is boven rythme en boven maat verheven,
-maar wij, sterfelijke wezens des wouds? Wij zijn daar niet boven verheven, en zijn
-onmatigheid verleidt ons, Ariadne, tot heel erge, tot heel <span class="pageNum" id="pb287">[<a href="#pb287">287</a>]</span>erge dingen … Ik mag het je nu wel bekennen: Ariadne, ik ben altijd dronken. Eigenlijk
-ben ik altijd dronken. De druif te drinken is mijn ondeugd geworden: er gaat niets
-boven te drinken de druif. Ariadne, sedert Dionyzos mij beval te drinken, heeft Silenos
-geen maat gehouden. Ik dronk maar. Hij lachte er om, maar ik geloof niet, dat de ware
-vreugde is altijd te drinken de druif, en altijd druifdronken te zijn …! Wat dunkt
-je, Ariadne? Vroeger dacht ik veel na, en was ik heel wijs van weten: nu weet ik weinig,
-en, ouder van dagen, drink ik veel en ben ik veel dronken! Daar voel ik om wat ik
-nooit kende: weemoed, Ariadne … Weemoed is in mij gevaren, omdat ik zoo zwak ben en
-altijd ben dronken. Nu geef je mij toe, dat wij veel, menaden, saters en faunen zelfs,
-en zelfs heel jonge Panszoontjes, dronken zijn, maar dat is geen reden, o Ariadne,
-dat, oud-van-dagen, Silenos, en zijn ouden-van-dagen, Silenen rondom hem, dronken
-is en steeds dronken zijn. En als ik er over denk, o Ariadne, dan voel ik weemoed
-zóó, dat ik drink, en weêr dronken ben. Het is de schuld van Dionyzos, maar hoe het
-hem te verwijten! Hij is een god, hij goddelijkt boven ons uit. Is hij dronken, dan
-is zijn dronkenschap goddelijk … Gisteren nacht heb <span class="pageNum" id="pb288">[<a href="#pb288">288</a>]</span>je hem dronken gezien! Ariadne, was hij toen niet mooi? Was Dionyzos ooit heerlijker,
-o Ariadne, dan dronken op zijn hoogtijdsfeest! Hij gloeide van enthouziasme, energie …
-Dan wil hij allen de vreugde sprenkelen! Dan is hij alleen wreed wie de vreugde niet
-wil, want hij kan wreed zijn, je zachte verwinnaar! Maar wij … Ariadne, dronken, wij
-zijn het nooit goddelijk! Wij vooral niet, ouden-van-dagen, Silenen rondom Silenos!
-Een dronken menade is nog heel bekoorlijk; een dronken sater, hoe woest ook, is guitig;
-een dronken faun blijft een faun, heerlijk als een bloem of een boom, maar een Sileen,
-ik, met kale bol, en dikke maag, dronken, ik ben niet bekoorlijk, o Ariadne! Ik ben
-van een leelijke dronkenschap … Wijnlof om mijn slapen en lendenen staat mij zot;
-ik droeg liever een wijsgeersmantel. Helaas, ik bezit er geen een meer, marmerblank
-van plooien: mijn mantels zijn purper voor feest of grauw voor de reize, en zoo purper
-en grauw is mijn ziel ook naarmate feest- of reisstemming ze kleurt … O Ariadne, ik
-juich, dat je, vorstin, ons beheerschen zal, naast goddelijken Dionyzos zelven … Je
-staat ons nader dan hij. Je glimlacht mij toe welwillend … Zie Ariadne, maat en rythme
-zal je zeker ons geven, en zelfs in <span class="pageNum" id="pb289">[<a href="#pb289">289</a>]</span>bakchantische vreugde, Ariadne, kan ik je me niet dronken denken. Neen, Ariadne, ik
-kàn je dronken niet denken! Menade-zwierend tusschen menaden, in tijgervel, wijnlof,
-met rinkelende belletjes der blijde tamboerijnen zal, Ariadne, wèlbewust blijven je
-edele beweging, je sierlijk gebaar, je golvende dans, je zwaaiende arm, je rustiger
-weemoedsblik, je lach en je blijdschap, en je dronkenschap, Ariadne, zal de Vreugd
-zijn, goddelijk naast die des gemaals, en tevens begrijpelijker wellicht voor ons!
-Zoo Ariadne, <span class="corr" id="xd31e2277" title="Bron: wordt">word</span> je ons tot zegen!
-</p>
-<p>Terwijl vaderlijk teeder en bij uitzondering nuchter, Silenos zich zoo uitte tegenover
-de stil gelukkige Ariadne, scheepten met ijver de faunen en saters de tamme leeuwen
-en panthers in en der Silenen blanke muilezelen en ezelen. Dien middag zoû Dionyzos’
-vloot Naxos verlaten, de kusten des morgenlands te-gemoet. De god zelve staarde op
-een rots de zee omrond, die kalm lag, en hij zag het eiland als een prieël van druiven.
-Hij zag naar den arbeid bij zijn schepen: uitgelaten trokken de saters de brullende
-leeuwen voort aan sterke touwen van lianen en gevlochten veil. Geroep weêrklonk, een
-enkele tamboerijn rinkelde in de hand eener nymf, de Silenen stonden in grauwe <span class="pageNum" id="pb290">[<a href="#pb290">290</a>]</span>mantels en met hoeden op breed, en waren, lachende om een grap, op het strand, als
-een groep dikbuikige en blijmoedige filozofen.
-</p>
-<p>Plots schokte Dionyzos uit zijn glimlachende peinzen op. Tusschen de scheepsrumoerigheid
-op het strand, tusschen geluid van roepende stemmen, van kwinkslag en lach, en rinkelen
-van ènkele tamboerijnen, meende Dionyzos te hooren melodie, die hij dadelijk herkende:
-de blijde wijze, die klonk uit het diepst van het bosschige eiland; de blijde wijze
-van Ampelos’ fluit, maar zoo klagend van weemoed, dat blij de wijze niet was, en zij
-verklonk, droevig parelende roep, in een weemoedige wijze. Dionyzos luisterde, en
-hij sprak tot zich:
-</p>
-<p>—Waarom, in deze laatste oogenblikken van ons verblijf alhier, roept mij Ampelos tot
-zich in het diepst van het eiland, daar waar de bosschages zoo donkeren, dat mijn
-saters er den wijnstok niet hebben geplant? Waarom voegt hij zich niet bij zijn faunen
-of scheept hij niet in zijn eigenen leeuw?… Hoor, hoe zijn fluit de wijze zingt …
-altijd de zelfde, maar lang niet meer blij …
-</p>
-<p>En Dionyzos daalde de rots af en dwaalde, alleen, het bosch in; padloos-recht af schreed
-hij toe op het klagend en roepend geluid, dat <span class="pageNum" id="pb291">[<a href="#pb291">291</a>]</span>eenmaal was het blijde geluid geweest … Hij trad het struikhout plat onder zijn voet
-en zijn handen scheurden de lianen van een … Duidelijker maar ook weemoediger hoorde
-hij de wijze klagelijk ruischen, en nu haastte Dionyzos zich, angstig.
-</p>
-<p>—Ampelos! riep hij. O mijn Ampelos …
-</p>
-<p>Stem antwoordde niet; hooger alleen riep de fluit, als met een plotse uitbarsting
-van weemoedig verlangen. Een dicht gewarrel van kamperfoelie scheurde Dionyzos als
-een voorhang van een en dáar, in dichte cypressenschaduw, op den grond bijna zwart,
-lag Ampelos voorover en speelde zijn lange fluit.
-</p>
-<p>—Kwam ik niet altijd als mij lokte de blijde wijze? Was zij niet steeds sterker dan
-mijn eigen wil? Maar de blijde wijze is de blijde wijze niet meer …
-</p>
-<p>—En Dionyzos’ Faun is niet meer zijn faun!
-</p>
-<p>—De weemoed verwon hem?
-</p>
-<p>—En hij schuilt, schuw voor licht, in cypressenschaduw!
-</p>
-<p>—Ampelos, Ampelos, op! De saters maken de schepen gereed en leiden de wilde beesten
-binnen. Mijn schip versierden met rozen de nymfen tusschen de druiveranken der masten,
-en zij spreidden Ariadne een sponde van versche rozebladeren!
-<span class="pageNum" id="pb292">[<a href="#pb292">292</a>]</span></p>
-<p>—Dionyzos, overwinning, éen overwinning, een purperen overwinning zal je verdere reize
-zijn …
-</p>
-<p>—Aan Ampelos’ zijde, op zijn schouder!
-</p>
-<p>—Niet op mijn schouder en niet aan mijn zijde … O neen, Dionyzos, neen! Hoor … Zet
-je hier in deze schaduw … Zie, voor het laatst …
-</p>
-<p>—Voor het laatst …?!
-</p>
-<p>—Voor het laatst laat ik viooltjes ontbloeien, tallooze en geurende, daar waar je
-rust … Hoor mij, o Dionyzos: Ampelos is niet meer blijde …
-</p>
-<p>—Waarom …?
-</p>
-<p>—Hij is niet meer rustig blijde en kalm van vreugde en blijmoedig van glimlachenden
-ernst, zoo als hij was toen hij niet meer was dan een blad, een bloem, een boom, dan
-wolk, aarde, of water, niets dan een wezen des wouds, geboren uit het woud zelve,
-geboren uit de eigen natuur, en gedachteloos bloeiende als die natuur zelve, o Dionyzos!
-Sedert Ampelos droomde en, ontwaakt, vond den stok in zijn palm gevlijd door Zeus
-zelven zeker … sedert Ampelos riep Dionyzos door het woud van Nyza, hem lokkende met
-de blijde wijze, sedert Ampelos plantte met zijn god den wijnstok en <span class="pageNum" id="pb293">[<a href="#pb293">293</a>]</span>zijn god torste ten strijde en vierde zege aan zijn zijde … sedert vermenschelijkte
-Ampelos, en ging zijn hart voelen aandoeningen als die der menschen! Die aandoeningen
-zijn van juichen en klagen, van liefde en van leed, van vervoering en wanhoop … maar
-zij zijn niet meer die der kalm blijmoedige natuur, en niet meer die harer rustig
-vreugdvolle wezens … O, Dionyzos, soms meende wel Ampelos, dat hij vergoddelijkte
-met je meê, meê met je steeds goddelijke vervolmaking, maar, Dionyzos, zijn trots
-bedroog hem, helaas, en het was niet vergoddelijken, het was vermènschelijken, wat
-hem gebeurde … Dwaalde hij alleen in het woud voortaan, hij voelde zich niet meer
-doelloos gelukkig, hij voelde zich mènsch met smart en geluk … En omdat de mensch
-die beiden bergt in zijn ziel, is vooral weemoed den mensch, en heeft Ampelos, vermenschelijkt,
-den weemoed vol zijn ziel voelen vullen …
-</p>
-<p>—O, Ampelos, voelde <span class="asc">IK</span> den weemoed niet …
-</p>
-<p>—O, Dionyzos, je voelde den weemoed, als je vermenschelijkte: dat was in zwakte! O,
-Dionyzos, zoon van Semele, je bent zoon van Zeus: na zwakte in weemoed, vergoddelijkte
-je zoo gauw in glans, in hoop, in vertrouwen, <span class="pageNum" id="pb294">[<a href="#pb294">294</a>]</span>in zekere bewustheid van taak: de vreugde te sprenkelen der sombere wereld! Na menschelijke
-neêrslachtigheid straalde je òp in goddelijke juiching en wìst je, dat de Vreugde
-zal de wereld verwinnen … Je weemoed is niet meer dan een schaduw van je lichtende
-vervolmaking! Mij wierp de weemoed in cypressenschaduw neêr …
-</p>
-<p>—Als eenmaal Hermafroditos!!
-</p>
-<p>—Als eenmaal Hermafroditos: de Weemoed, godenzoon: zoon van verstand stralenden Hermes,
-schoonheidstralende Afrodite … Helaas, ik ben niet van goden een zoon … Ik ben geboren …
-uit wie? Uit het woud zelve: uit aarde, uit natuur: mijn ouders kan ik niet noemen:
-mijn vader was samen met boom, wolk en water, mijn moeder met bloem, dauw en vruchtbare
-aarde: uit meer niet, Ampelos, ben ik gebloeid. Ik vermenschelijkte, ik vermenschelijkte,
-o Dionyzos!
-</p>
-<p>—En je zal vergoddelijken, o mijn vriend!
-</p>
-<p>—Neen, ik zal niet vergoddelijken, vriend! De aandoeningen der menschen beheerschen
-mij, en zij maken mij bang voor dit leven, en die vrees zal mij eeuwigen weemoed geven …
-</p>
-<p>—O vriend, mijn vriend, wat overstelpt je <span class="pageNum" id="pb295">[<a href="#pb295">295</a>]</span>heerlijke ziel! O vriend, laat mij den tros je langen …
-</p>
-<p>—Geen tros, geen beker, geen vreugde … Dionyzos, aan mijn menschenlippen! Helaas,
-mijn weemoed is een dorst onleschbaar …
-</p>
-<p>—Op! Nieuwe overwinning vervroolijkt je …
-</p>
-<p>—Nieuwe overwinning maakt Ampelos, vermenschelijkt, niet meê … zoo hem Dionyzos zijn
-wensch toestaat …
-</p>
-<p>—Ampelos’ wensch? Ampelos heeft aan Dionyzos een wensch? En toestaan zoû die niet
-Dionyzos? Wensch, Ampelos, en het is je toegestaan!
-</p>
-<p>—O … Staat Dionyzos Ampelos zijn wensch toe?
-</p>
-<p>—Ongehoord … wat die ook zij!
-</p>
-<p>—Op zijn godewoord?
-</p>
-<p>—Op zijn godewoord …
-</p>
-<p>—O Dionyzos, o god, dien ik min—en de Faun rees op, goudblond in de schaduw—o liefde
-van mijn ziel en mijn armen! Dionyzos, geef Ampelos weêr aan de natuur tot welke hij
-behoorde! Geef hem weêr aan het woud en de aarde! Maak hem gelijk met boom, wolk,
-bloem, dauw en grond! O, Dionyzos, herschep Ampelos in de vreugde, die je eigen verwinning
-is en herschep hem in je eigen wingerd!
-<span class="pageNum" id="pb296">[<a href="#pb296">296</a>]</span></p>
-<p>Maar de god beefde, om zijn belofte.
-</p>
-<p>—Ampelos … Ampelos … wàt vraag je?
-</p>
-<p>—Herschep Ampelos in de vreugde, die je eigen verwinning is …
-</p>
-<p>Nu slaakte de god Dionyzos een kreet van wanhoop en hij riep:
-</p>
-<p>—Vriend, waarom? O, waarom te willen veronbewegelijken, ver, ver van Dionyzos, in
-de weliging van éen enkelen wijnstok, als je kan weligen, alle zijden uit, in vreugde-overwinning,
-aan Dionyzos’ zijde … O Ampelos, ik heb beloofd, maar geef mij mijn belofte terug!
-Hier in je armen, aan je borst, o mijn vriend, smeek ik je: geef Dionyzos zijn belofte
-terug …!! Helaas, helaas, je weigert? O, wreede Ampelos, je weigert? Te-vergeefs snik
-ik aan je borst! Vriend, vriend, waarom mij smart aan te doen? Helaas, is dit smart …:
-Dionyzos’ smart?
-</p>
-<p>—Neen, Dionyzos, dit is <span class="asc">NIET</span> je smart!
-</p>
-<p>—Helaas, is het dan vertwijfeling? Omdat ik won op Naxos, moet ik verliezen? Omdat
-ik vond Ariadne, moet ik Ampelos verliezen? Zeus, mijn vader, waarom? O, belofte,
-heillooze belofte! Helaas, gij wreede en groote goden, gij groote zusteren en broeders,
-godinnen van noodlot en goden van Styx, wat zijt gij wreed, ons, die der wereld nog
-zijn …! Voor wat gij <span class="pageNum" id="pb297">[<a href="#pb297">297</a>]</span>geeft, neemt gij ook terug! O, wereldsch evenwicht van uw nooit spillende gaven! O,
-zuivere rekening van winst en verlies! Nooit, o wreede goden, geeft gij als <span class="asc">IK</span> geef, met beide handen vol-op druiven en vreugde aan wie wil! Tel ik mijn trossen?
-Bied ik gierig mijn druiven éen voor éen aan? Neen, ik spil: mijn enkel gebaar laat
-weelde ontbloeien, en ik geef ruim het genot en ik gebied zelfs het ruim te aanvaarden!
-Helaas, ik rekende nooit! Gij, goden, gij rekent uit! Gij geeft mij een groot geluk,
-maar gij neemt mij ook een groot geluk weg! Ampelos, zie mijn tranen; voel, o voel
-in je armen mij snikken; vriend, geef mij mijn eed terug …! Neen, hij wil niet en
-glimlacht slechts … Mijn vriend, mijn vriend!
-</p>
-<p>—O Dionyzos, herschep Ampelos …
-</p>
-<p>—In de Vreugde?
-</p>
-<p>—Die je eigen verwinning is …
-</p>
-<p>—Helaas, helaas! In een wijnstok en wingerd wil Ampelos zich veronbewegelijken!
-</p>
-<p>—O, Dionyzos, geef mij aan de aarde terug!
-</p>
-<p>—O aarde, o naijverige aarde! Aarde, aarde, ik haat je! Heb ik, aarde, je duizend
-wijnstokken doen ontbloeien, om mij te ontnemen, naijverig, éen vreugde, die ik bewegelijk
-wil … menschelijk en goddelijk!
-<span class="pageNum" id="pb298">[<a href="#pb298">298</a>]</span></p>
-<p>—O, Dionyzos, herschep Ampelos …
-</p>
-<p>—In de Vreugde …?
-</p>
-<p>—Die je eigen verwinning is …
-</p>
-<p>—O, herinner mij niet aan mijn eed! Klinkt mijn belofte mij niet in de ooren en ziel??
-Weèt ik nu niet wat ik beloofde! Helaas, ik vertrouwde en beloofde! Vol vertrouwen,
-stelde mij Ampelos, en stelde mij aarde teleur! Vol vertrouwen, zal zij teleurstellen
-àllen! Helaas, helaas, ik vertrouwde … O, ware ik niet godmachtig! O, kon ik niet
-wonder gebeuren doen! O, ware ik mensch, herder, sater, wat ook … maar geen god! O
-Zeus, gij maaktet een god mij, om mij lijden te doen, om mij lijden te doen! Helaas,
-helaas … mijn vriend …
-</p>
-<p>—O Dionyzos, herschep …
-</p>
-<p>—O rampzalige belofte, helaas, helaas … Mijn vriend …! Helaas, wat ik uitstel, wat
-geeft het mij! Het wonder moet ik gebeuren doen! Godmachtig moet ik herscheppen …
-Ginds zijn de schepen gereed, Ariadne wacht mij … allen wachten mij en godmachtig
-moet ik herscheppen, en verliezen wat mij zoo lang dierbaar was, en dichtbij, en nooit
-van mijn zijde … Vriend, ik sliep op je hart! Vriend, je torste mij op je krachtige
-schouders! Vriend, je verwon met mij! Helaas, helaas! Hij vermenschelijkte, Ampelos
-<span class="pageNum" id="pb299">[<a href="#pb299">299</a>]</span>vermenschelijkte aan zijn gods zijde! O, wreede aarde, snikkend in smart, éerste smart,
-geeft Dionyzos wat je behoorde terug! Smartelijk wonder, geschie! Cypressen, verwelkt!
-Rotswand, breid breeder! Grond, gruizel vruchtbaar en zandig … Wreede plek, smartelijk
-herschept Dionyzos je in blonde vreugdeplek …! Mijn Ampelos, mijn Ampelos! O, wat
-ik snik en roep, hij wacht! Hij glimlacht en wacht … Wreede! Erbarminglooze! Ampelos …:
-O Zeus, het woord stikt in mijn gorgel … Ampelos … wees noch mensch meer, noch faun!
-Faun, Dionyzos houdt je, hartbrekend, belofte! Vriend, word wingerd! Herschep! Blonde
-vriend, wees blonde wingerd! O wees niet als allen, purper van gloed: wees blond,
-wees blond, als was mijn goudblonde vriend Ampelos! Blonde wingerd, o welig heerlijk!
-Guldene trossen, zwelt als Helios’ goud!
-</p>
-<p>En zijn gelaat oversproeid van tranen, zag Dionyzos de herschepping zijns vriends,
-door eigen woord, in ontzetting aan: wortel schoten de voeten, de beenen krinkelden
-samen tot gespierden en knoestigen kronkelstam; tors en armen, als in bezwijming van
-het menschelijke, woekerden in takken weg; goudblond verdween het hoofd, en de ranken
-weligden tegen den <span class="pageNum" id="pb300">[<a href="#pb300">300</a>]</span>rotswand uit, de bladeren looverden dicht en groot, en groote gele trossen zwollen,
-topaasgoud en zonnegoud, met, door glanzende schil zichtbaar een lichtdroppel in iedere
-druif. Alle stem van Ampelos was verklonken, en de wingerd ruischte alleen van wind
-door zijn looveren. Toen wierp zich in smart Dionyzos over den gruizeligen grond en
-sloeg om den krachtigen stam zijn armen en bleef er liggen, gebroken van snikken.
-Slechts eenmaal hief hij den arm op, plukte een blonden tros, en drukte dien plat
-op zijn mond. Het gele bloed stroomde en Dionyzos snikte. Maar van alle zijden, ten
-laatste, kraakte het kreupelhout, en saters en faunen schoten toe. Zij zochten den
-god voor de afreis. Zij meenden, hij had zich aan Vreugde bedronken en zij jubelden
-om den blonden wingerd, nieuw van ooft, zoo goud en zoo heerlijk zoet. In hun armen
-liet Dionyzos zich heffen, en zij zagen aan, dat hij weende. En hij riep in smartelijke
-vervoering en razernij:
-</p>
-<p>—O faunen, o saters, ziet: deze blonde wingerd is Ampelos! Deze blonde trossen weligen
-van Ampelos’ bloed! Tot de natuur wilde hij wederkeeren en smeekte mij hem te herscheppen!
-Ik beloofde, helaas, voor ik wist wat zijn wensch zoû zijn! Faunen, o <span class="pageNum" id="pb301">[<a href="#pb301">301</a>]</span>saters!—en Dionyzos’ stem werd ruw en wreed, en zijn smartelijk gelaat verwrong tot
-een tronie …—Niet alleen herschep ik Ampelos in een wingerd! Niet alleen hèm, niet
-alleen hèm, opdat hij in veronbewegelijkte eenzaamheid kwijne! Faunen, saters, ziet!—en
-hij stortte hier toe op een faun, sloeg daar een sater de thyrs in het gelaat, drukte
-een derde woest tegen den rotswand, verschrikt—faunen, saters ziet … meerderen herschep
-ik in blonden wingerd! Makkers, veronbewegelijkt om Ampelos heen! Tiert welig uit
-over Naxos! Helaas, helaas, aarde heeft den blonden wingerd meer, maar Dionyzos verloor
-zijn vriend! Helaas, aarde, ons, die nog menschelijk zijn, neemt gij àlles af, wàt
-wij ook ontvingen!
-</p>
-<p>Toen stortte Dionyzos zich door het woud, naar de schepen, waar Ariadne hem wachtte
-en hij viel schaterend in zwijm aan haar voet. Zij meenden allen, hij was dronken
-van Vreugde, en zij tilden hem op en zij scheepten hem in, in zijn rozen- en druiventrireem
-en zij legden hem op de roosbladerensponde … Maar om Ampelos en de herschapen makkers
-bleven gehurkt, stil en zwijgend, de andere saters en faunen, en durfden niet Dionyzos
-volgen. Toen <span class="pageNum" id="pb302">[<a href="#pb302">302</a>]</span>plukte er éen een tros van Ampelos’ eigen wingerd en begon de druiven te persen. Hij
-dronk en hij lachte, de sater. Andere saters deden als hij. Zij plukten de blonde
-trossen, zij bezwijmelden zich, zij dansten en zij vergaten Dionyzos’ toorn. Zij dansten
-tot de zon hoog aan den hemel stond, en zij plots aan de af-reize dachten. Blond-trossen-beladen
-stortten zij door het woud en terug naar de schepen. Maar zij zagen de vloot der druivetriremen,
-voorspoedigen wind in de bollende zeilen, reeds ver, ver weg in de zee, op weg naar
-het Oosten toe! Uit de zee rezen de Nereïden en wuifden met sluiers en van de schepen
-wuifden sluiers terug. Plots zagen de achtergebleven faunen en saters de edele Ariadne
-wuiven haar sluier in den bries. En de saters en faunen waren wèl bedroefd, dat Dionyzos
-hen had achtergelaten, dat zij niet met hem het Oosten veroveren zouden. Maar bedroeving
-was niet voor hun ziel. Toen zij twee najaden nieuwsgierig uit waterklaterenden rotsspleet
-zagen turen, gaven zij een kreet schel en ijlden op de bronnymfen af … Zij doken aanstonds
-in de kloven terug en vluchtten toen rots over en woud door naar het diepst des eilands,
-meenende zich in cypressenschaduw te verschuilen. Maar zij <span class="pageNum" id="pb303">[<a href="#pb303">303</a>]</span>vonden niet de schaduw der zwarte boomen, en de begeerlijke handen der saters grepen
-haar, bij den stam van Ampelos’ eigen blond-goudenen wingerd …
-<span class="pageNum" id="pb304">[<a href="#pb304">304</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch16.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">XVI.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Nauwelijks was Dionyzos’ vloot geland aan de Aziatische kust, of Poseidoon torende
-òp, ten middel uit de plots toornige baren, hief zijn drietand: de hemel donkerde,
-de zee kruifde omhoog, machtig onweêr sloeg uit en het was Dionyzos of hij uit de
-scheurende wolken Zeus zelven de bliksems zag als vurige lansen slingeren. En de machten
-van hemel en zee stormden plotseling zoo onwederstaanbaar in donderend en schuimend
-geweld, dat, nauwelijks de talrijke thiazos, het dionyzische leger ontscheept, of
-de triremen, verlaten, sloegen tegen elkaâr en verzonken in de verslinding der diepte.
-Over strand en zee heerschte de stormende nacht, pikzwart van wolken, door flitsen
-verscheurd, en de zee raasde aan of zij zich op het land wilde werpen. Slagregen ruischte
-neêr: de toortsen, smokend, doofden telkens uit; de wilde dieren, in toom, brulden
-<span class="pageNum" id="pb305">[<a href="#pb305">305</a>]</span>angstig. Saters zochten den weg, maar rotsen hieven zich en pijnwouden rezen geheimzinnig,
-zwiepende van stormwind, en krakende in de hoogere kruinen.
-</p>
-<p>—Hierheen! riepen de saters. Hierheen! riepen weêr anderen.
-</p>
-<p>Langs verschillende richtingen verspreidden in den gruwlijken nacht zich de thyrstroepen
-van Dionyzos. Somber zat de god in zijn lynxenwagen, en Ariadne, aan zijn zijde, zag
-angstig op. Zij waren voor den nacht en den regen gehuld in grauwe mantels. Rondom
-den wagen stuwden de Silenen, op ezels wit,—onhoorbaar brommende, weggedoken in mantel
-en onder hoed; de faunen op leeuwen aansporend; de menaden, in dichte omhelzing elkaâr
-beschermend voor het geweld van den storm, en aarzelend ging die stoet om den god.
-Maar over het strand zwermden duizend anderen, saters, faunen, stervelingen, Panen
-en Panisken; geheel de vreugdemacht van Dionyzos, en telkens klonken de stemmen:
-</p>
-<p>—Hierheen! Neen, neen … hierheen!!
-</p>
-<p>Dionyzos, met zijn thyrs, wees de richting uit, de rotsen op, het bergachtige pijnbosch
-in, maar reeds vloden de verkennende saters terug tot den god en kreten:
-<span class="pageNum" id="pb306">[<a href="#pb306">306</a>]</span></p>
-<p>—Dionyzos! Dionyzos! Dionyzos!
-</p>
-<p>—Waarom die kreet? vroeg de god.
-</p>
-<p>—Dionyzos! riepen de saters. Schrikverwekkend is het donkere pijnbosch!
-</p>
-<p>—Vooruit!
-</p>
-<p>—Dionyzos …
-</p>
-<p>—Vooruit!
-</p>
-<p>—Wij gaan niet vóor, in het schrikverwekkend donkere pijnbosch!
-</p>
-<p>—Volgt mij dan
-</p>
-<p>—O Dionyzos, wij willen terug!
-</p>
-<p>—Waarheen?
-</p>
-<p>—De zee over, naar gastvrijer streken: Naxos en bekoorlijke Archipel, naar Karië en
-naar Arkadië …
-</p>
-<p>—Vooruit!
-</p>
-<p>—Dionyzos, in het schrikverwekkend donkere pijnbosch woedt verschrikking, die wij
-niet weten!
-</p>
-<p>—Ik versloeg de Giganten! Aan mij zal de wereld zijn!
-</p>
-<p>—Dionyzos!
-</p>
-<p>—Tot aan de oostelijke poorten des morgenlands!
-</p>
-<p>—Helaas!
-</p>
-<p>—Vooruit!
-</p>
-<p>—Wij durven niet!
-<span class="pageNum" id="pb307">[<a href="#pb307">307</a>]</span></p>
-<p>—Vooruit dan alleen, wie durft, met mij …
-</p>
-<p>—Helaas!
-</p>
-<p>—Niemand? Geen faun? Geen sater? Sileen? Geen enkele menade, verscheurensgereed als
-een tijger!
-</p>
-<p>—Helaas, Dionyzos!
-</p>
-<p>—Gij zijt allen bang?
-</p>
-<p>—De nacht is stormzwanger van onheil … Poseidoon, Zeus hebben je verlaten …!
-</p>
-<p>Een weegeklaag ging op, maar de storm veegde het weg.
-</p>
-<p>—Vergezelt mij dan niemand?
-</p>
-<p>—Ik, o mijn gemaal …
-</p>
-<p>—Ariadne alleen …? Gaan wij!
-</p>
-<p>En de god rukte uit de handen der aarzelende menners de rankenleidsels der lynxen.
-De wagen ratelde vooruit … Maar uit het pijnbosch kwam als een sombere, aardsche donder,
-en de anders gewillige dieren schrikten uit een; het tuig brak, zij vluchtten; de
-wagen, stil, stond op een rots.
-</p>
-<p>—Ariadne, riep Dionyzos. Kom<span class="corr" id="xd31e2440" title="Niet in bron">!</span>
-</p>
-<p>Zij was uit den wagen gesprongen, zij klemde zich aan haar gemaal.
-</p>
-<p>—Ariadne! Zie dat sombere woud! Zie dezen nacht, rondom ons! Ik weet niet, waarom
-Zeus mij toornt! Maar Poseidoon wachtte met <span class="pageNum" id="pb308">[<a href="#pb308">308</a>]</span>zijn geweld tot de ontscheping van mijn laatsten leeuw of muil! Ariadne, o zie deze
-sombere oorden! Ariadne, ik wil ze vrèugde sprenkelen!
-</p>
-<p>—Ja, Dionyzos!
-</p>
-<p>—Ariadne, vergezel je mij?
-</p>
-<p>—Ja, Dionyzos!
-</p>
-<p>—Kom dan!
-</p>
-<p>Hij slingerde om haar middel den arm en hielp haar voort, op. Wolkzwarte verschrikking,
-stormzwanger, waaierde als een dichte mantel van onheil, plooienflapperend rondom
-hen heen.
-</p>
-<p>—… Dionyzos! Dionyzos! riep met éen stem geheel zijn leger.
-</p>
-<p>Hij ging voort, en in den donkeren nacht verhelderde zijn gelaat, hij glimlachte op
-Ariadne, die moeizaam schreed aan zijn zijde.
-</p>
-<p>—… Dionyzos! Dionyzos!
-</p>
-<p>Het leger herhaalde den angstroep; en zij zagen den god: zijn glans, blauw als maneglans,
-ging voort tusschen de bliksems, en Ariadne, in haar grauwen mantel, was in dien glans
-zichtbaar, gebogen voortgaande aan Dionyzos’ zijde.
-</p>
-<p>—Dionyzos, Dionyzos!
-</p>
-<p>De god luisterde niet meer. Hij beklom de rots en hij hielp Ariadne.
-<span class="pageNum" id="pb309">[<a href="#pb309">309</a>]</span></p>
-<p>—Ariadne, ben je bang?
-</p>
-<p>—Neen …
-</p>
-<p>—Waarom niet?
-</p>
-<p>—Ik ben zeker van onze overwinning!
-</p>
-<p>—Wij zijn alleen … verlaten! Ginds weet ik niet welke verschrikking ons wacht!
-</p>
-<p>—Ik ben niet bang! Dionyzos zal verwinnen!
-</p>
-<p>—Geloof je?
-</p>
-<p>—Ja!
-</p>
-<p>—Heb ik niet te weifelen?
-</p>
-<p>—Neen!
-</p>
-<p>—Ik ben wel moedig, maar ik weifel soms, Ariadne. Ik ben niet onsterfelijk: ik kan
-sterven, voor ik de wereld verwonnen heb!
-</p>
-<p>—Zege wacht je en goddelijke onsterfelijkheid!
-</p>
-<p>—Ariadne … heb je mij lief?
-</p>
-<p>—Ja … o mijn held, o mijn held!
-</p>
-<p>—Ik ben niet Thezeus!
-</p>
-<p>—Je bent Dionyzos!
-</p>
-<p>—Ik gaf je de Vreugde?
-</p>
-<p>—O ja … Kom …
-</p>
-<p>—Kom …
-</p>
-<p>Zij gingen. Het pad was heel moeielijk, zij stegen. Zij naderden het bosch, dat was
-zwart, ondoordringbaar nachtgeheim.
-</p>
-<p>—Hoor! riep Ariadne.
-<span class="pageNum" id="pb310">[<a href="#pb310">310</a>]</span></p>
-<p>—Het is onweêr!
-</p>
-<p>—Neen … hoor!
-</p>
-<p>—Het is de donder, die rolt!
-</p>
-<p>—Het is donder en het is geen donder!
-</p>
-<p>—Het is donder, die tegen de bergen weêrkaatst …
-</p>
-<p>—Het is een donder, rythmiesch. O, vreeslijk rythme!
-</p>
-<p>—Ariadne, ben je bang?
-</p>
-<p>—Neen …: kom! O … hoor!!
-</p>
-<p>—Ik hoor! Het is donder …
-</p>
-<p>—Het is een donderend rythme … en een dans! O vreeslijke dans! Kom Dionyzos …: ik
-ben niet bang …
-</p>
-<p>—Het is een dans …
-</p>
-<p>—Over de bergen heen!
-</p>
-<p>—Het is een donder …
-</p>
-<p>—Die komt uit het bergwoud en weêrslaat tegen de rotswanden …
-</p>
-<p>—Ik was niet voor de Giganten bang!
-</p>
-<p>—Dionyzos, ben je bang?
-</p>
-<p>—Neen, Ariadne, kom … O hoor!
-</p>
-<p>—Het is een dans, en een rythmiesche donder van hamergeweld op schilden …
-</p>
-<p>—Onder zware voetstappen dreunt het gebergte … O, Ariadne, dat is vreeslijker dan
-de Giganten … Wat is het?
-<span class="pageNum" id="pb311">[<a href="#pb311">311</a>]</span></p>
-<p>—Ben je bang, Dionyzos?
-</p>
-<p>—Neen … kom … kom voort …
-</p>
-<p>Zij sleepten elkander voort in het woud. Zij zagen in den donker niet meer, een enkele
-flits slechts lichtte op, en zij zagen stammen, éen oogenblik … Maar zij hoorden den
-<span class="corr" id="xd31e2513" title="Bron: rythmischen">rythmieschen</span> donder, den zwaar trappenden dans, en het hamergeweld …
-</p>
-<p>—Bergen en bosschen! riep Dionyzos. Sombere nacht! Onheilgeluid! Gij allen, die met
-hamers op schilden slaat en met zwaren voet danst …: aanvaardt de Vreugde …: Dionyzos
-wil het!
-</p>
-<p>En hij verhief hoog zijn thyrs. Wel spleet de grond, maar of de wingerden ontloken,
-kon hij niet zien. Vuur viel uit de lucht, een donderslag of Zeus den hemel deed splijten,
-ontbarstte; en dans en rythmiesch hamergeweld sloegen luider en luider en luider of
-geheel het woud was van metaal en klaterende sloeg te samen.
-</p>
-<p>Als uit metaal spatten groote blauwe vonken uit, en zoo hel, dat Dionyzos en Ariadne
-zagen. En zij zagen de Vreugde niet weligen, maar zij zagen, huivering wekkend, den
-pyrrhieschen dans der vreeslijke éerste schepselen, Kureten en Korybanten, daimonen
-der sombere bergen <span class="pageNum" id="pb312">[<a href="#pb312">312</a>]</span>en bosschen, slaande met zwaard tegen schild, zich begeleiden den voetdreunenden ommegang,
-Daktylen en Kabeiren, slaande met hamer op aanbeeld, zelfs in den donkeren nacht in
-Hefaistos’ kunst zich oefenen en bearbeiden het gloeiend ijzer. Oorverdoovend metaalgedruisch
-en oorverdoovende woedekreten stormden op, toen zij Dionyzos en Ariadne zagen, en
-zij wierpen zich, een storm gelijk, op den god en zijn bruid, maar Dionyzos, op wiens
-bevel de grond al was gespleten hier en daar, ving hen in de boeien van wingerd en
-schuimbekkend stonden zij àllen, omrankt, in welken toover van geluk wisten zij niet.
-Plots, in den weêrschijn van bliksem, met het rollen van donder, naderde, nauw in
-den gruwelijken nacht zichtbaar, een Godin, en zelfs Dionyzos ontzette, en Ariadne
-school weg in haar mantel, en in de armen van haar gemaal. En de sombere stem der
-Godin, tusschen de schuimbekkende kreten harer geboeide priesters en dienaren riep:
-</p>
-<p>—Wie nadert in den nacht ons geheim, en slaat niet het schild en danst niet het rythme
-met dreunenden voet? Wie vangt mijn dienaren en priesters in boeien en tart de woede
-der goden- en bergenmoeder?
-<span class="pageNum" id="pb313">[<a href="#pb313">313</a>]</span></p>
-<p>—Rheia! riep Dionyzos uit en zijn stem beefde. Rheia Kubele! Bergmoeder en moeder
-der goden! Moeder van Zeus, mijn vader! Toorn mij niet, uw kleinzoon! Ik herken u,
-o Eerwaarde, o Moeder! Ik herken u en ik val u te voet! Ik ben Dionyzos, en zie, dit
-is Ariadne! Zeus wees mij mijn taak en mijn weg! Ik volvoer die taak en ik sla dien
-weg in. Eerwaarde moeder, o toorn mij niet! Zie, ik lig aan uw voet bevend, en Ariadne,
-zie, knielt naast mij. Wij komen alleen; mijn leger bleef op de stranden versagende
-achter! Ik, ik versaagde niet! Aan mij is de wereld, o Moeder! O, mij is de Vreugde,
-en ik sprenkel haar! O moeder der bergen en goden, o Rheia, Rheia Kubele, dùld dat
-ik haar sprenkel, de Vreugde!
-</p>
-<p>—De Vreugde? klonk, sombere vraag, de stem der Godin, en over zijn deemoed heen zag
-Dionyzos buigen haar gerimpeld gelaat in de haren grijs, die zwaar golfden uit stedekrone.
-De Vreugde? Helaas, helaas, moeder der goden, en der bergen moeder, ben ik vergrijsd
-in de Smart, waarom mijn Korybanten, Kureten, Daktylen, Kabeiren, het smartverdoovende
-metaalgeluid slaan, den smartverdoovenden dans immer dreunen! Helaas, helaas … Attis,
-Attis! Waar is hij? Zoek hem voor mij! De Korybanten <span class="pageNum" id="pb314">[<a href="#pb314">314</a>]</span>vonden hem niet! De Kureten vonden hem nooit! Sombere dagen, sombere nachten, dat
-ik hem zoek, dat ik hem zoek, altijd! Hij versmaadde de moeder der bergen, voor de
-vrouwen der aarde; en ik wolkte razernij om zijn heerlijk hoofd heen! Helaas, helaas …
-hij verminkte zich in razernij, hij moordde zich in razernij! Attis! Attis! Waar is
-hij! Waar vind ik zijn lijk! O Zeus, o mijn zoon, sta slechts toe, dat ik vind zijn
-lijk en niets meer! O, Dionyzos, mijn kleinzoon, zoek met mij, zoek met mij zijn lijk!
-De Vreugde? Maar ik heb zijn lijk nog niet gevonden! De Vreugde? Maar hij verminkte
-zich, hij verwondde zich! O, Dionyzos, ontboei mijn dienaren; leeuwen wil ik brullend
-om mij, fakkelen wil ik zwaaiend om mij; razernij, razernij wil ik om allen! Dionyzos,
-ontboei mijn dienaren! Slaan zij de schilden, en dreunen den dans zij; dat de aarde
-davere onder mijn smartverdooving! Helaas, helaas!
-</p>
-<p>De Godin stond, de armen hoog op en wijd uit, in den nacht, en hare kreten klonken
-het gebergte over. En Dionyzos, in medelijden, rees op, vol eerbied, maar zonder vrees
-meer. O, de allermenschelijkste smart trof zelfs de eerwaardigste godheid: moeder
-van goden, smachtte zij naar het lijk van wie haar, zoo <span class="pageNum" id="pb315">[<a href="#pb315">315</a>]</span>goddelijk, versmaadde, voor aardsche en lieftallige sterfelijkheid. Welke Smart zou
-éenmaal Dionyzos’ Smart zijn …? Hij dacht aan Ampelos, voelde slechts weemoed. Wat …
-wat zoû zijn Dionyzos’ smart? Zijn eindelijke nederlaag … voor hij de wereld verwonnen
-had? O, hij wist het niet, maar voor haàr, de eerwaarde Godin, moeder der bergen en
-moeder der goden, voelde hij zwellen zijn medelijden en zwijmen zijn angst. Toen smeekte
-hij, stil, Zeus den hemel te doen klaren, en het onweêr ratelde weg, de wind vaagde
-weg, de wolken verdreven en boven de zichtbaardere pijnstammen des machtigen bergwouds
-effende zich de nog nachtelijke hemel, met de optinkelende oogen der sterren! En Dionyzos’
-eigen glans manescheen door het donkere woud, en Ariadne, haar mantel afgeslipt, straalde
-bijna als Afrodite zelve.
-</p>
-<p>—Dionyzos! herhaalde de moeder der goden. Helaas! Zoek je zijn lijk met mij?
-</p>
-<p>—O Rheia! riep Dionyzos, en zijn stem bevestte zich in helderen klank. Rheia Kubele!
-Keer ik terug van mijn zegetocht en heb ik de wereld veroverd, tot de Oostelijke poorten
-des morgenlands toe, keer ik terug na den winter, die aanvangt, dan is Attis herleefd
-in de Vreugde!
-<span class="pageNum" id="pb316">[<a href="#pb316">316</a>]</span></p>
-<p>—Helaas, helaas neen, hij herleeft nooit!
-</p>
-<p>—Hij herleeft iedere lente, o Rheia!
-</p>
-<p>—Helaas, helaas neen, hij herleeft nooit voor mij! De smart overstelpt mijn onsterfelijken
-ouderdom! Mijn voorhoofd is als het rotsgesteente gegroeid! Mijn haren zijn als de
-eeuwige winter! Mijn ziel is als de woestijn! Dionyzos, voor mij geen lente en Vreugde
-meer! O Dionyzos, verlos uit hun boeien de dienaren mijn, en ga terug, waar je de
-Vreugde kunt sprenkelen!
-</p>
-<p>—Ik sprenkel ze hier!
-</p>
-<p>—Helaas!
-</p>
-<p>—Zie, de storm is vereffend, de nacht is verklaard, de dageraad heeft de poorten ontsloten!
-Weldra rijdt Helios den goudenen en nieuwen dag aan! Waar ik verschijn zal de winter
-mij wijken! Zoo lang ik zegevier, weêrsta ik de seizoenen, en roep ik slechts op het
-seizoen van mijn vruchtbaarheid in wondersnelle weliging! Rheia Kubele, laat langs
-uw smart, die, helaas, ik niet dooven kàn, ik mijn wingerd festoenen, zoo als ik reeds
-festoende om Korybanten, Kureten, en laat mij vrij den weg naar de morgenlanden! De
-rijken, waarover zweeft het mysterie van uw smart en wapenkletterende donder der Korybanten,
-en hun dreunende <span class="pageNum" id="pb317">[<a href="#pb317">317</a>]</span>dans, wil ik doortrekken met heel mijn stoet en mijn leger, en de druiveranken zal
-ik slingeren van stad tot stad, en gij, moeder der goden, <span class="sic">-bergen</span>, heilige bewaakster der morgenlandsche steden, effen den weg voor mij uit! O eerwaardige
-Moeder, wees aan uw kleinzoon, wees aan de vreugde, zoo niet aan uw eigen, wees aan
-de vreugde der anderen genadig! Uw priesters en dienaren ontboei ik uit wat niet anders
-is dan ooftzoete slavernij, en zeg hen mij voor te gaan, en mij te kondigen, opdat
-de winter vluchte weg voor mijn komst en ik niet anders brenge dan mijn eigen seizoen:
-de lente der druif tot haar herfst toe: bloei, weliging en oogst in éen oogenblik:
-dat van mijn zegeviering!
-</p>
-<p>Toen was het wel of Dionyzos’ juichende stem op deed klaren het somber geheim van
-den nacht, want de dag uit het Oosten scheen hem toe te snellen en hij glansde, en
-Rheia Kubele zag verwilderd rond: Korybanten en Kureten hadden zich los uit hun boeien
-weten te rukken maar zij persten en dronken de druiven; zij stapelden op hun schilden
-de druiven, en droegen ze weg in nog sombere razernij, en plots sloeg de godin hare
-armen uit, en riep:
-</p>
-<p>—Attis, o Attis!
-</p>
-<p>En haar roepstem tot den geliefde klonk <span class="pageNum" id="pb318">[<a href="#pb318">318</a>]</span>vreemd door den dag, die opstraalde; somber ontzettend, waanzinnig klonk hare stem
-en vol huiverig geheim van bijna peillooze smart, ondenkbaar in godheid zoo goddelijk
-en waardig als moeder der bergen, en moeder der goden; en in razernij, de grijze lokken
-golvende, zwierde de huiveringwekkende godin den dans uit tusschen de voetstampende
-en metaalkletterende, maar wel Dionyzos <span class="corr" id="xd31e2557" title="Bron: gewilige">gewillige</span> Korybanten, Kureten.
-</p>
-<p>—Attis, o Attis! herhaalden zij klagend en toch verschrikkelijk rondom de godin; het
-leger van Dionyzos, vertrouwende, omdat de god had gejuicht, naderde en om dans en
-om druivebezwijmeling dier vreeslijke priesters om die vreeslijke vrouw, waren saters,
-faunen, en nymfen niet bang meer, schakelden zij hun dans door den zwaard- en schildendans
-van Kubele’s priesters, maar toch beving een smachtend verlangen, een vreemde smart
-in bezwijmeling àllen, want Ariadne riep uit:
-</p>
-<p>—Thezeus, o Thezeus!
-</p>
-<p>En verwilderd zwierde zij rond; Dionyzos zelve riep:
-</p>
-<p>—Ampelos<span class="corr" id="xd31e2565" title="Niet in bron">,</span> o mijn Ampelos! en zwierde.
-</p>
-<p>En alle saters, alle faunen, menaden, stieten een naam uit, van wie zij lief hadden
-gehad <span class="pageNum" id="pb319">[<a href="#pb319">319</a>]</span>en verloren in zwerving over het gebergte, in den strijd voor de Vreugde verslonden
-door wild beest of in zee verzonken, of dronken achter gelaten, helaas! En allen stieten
-een kreet, en allen riepen een naam, en het was wel de vreugde, maar het was ook een
-geheimzinnige smart, als een onontkoombaar mysterie, een drukking van verpletterend
-zwaar noodlot. Toch wist Dionyzos er aan te ontkomen; hij schaterde zijn overwinning
-uit, hij wierp zich op de schouders van saters en zij torsten hem voort, trotsch,
-dat zij hem dragen mochten, en wel riep hij nog eenmaal:
-</p>
-<p>—Ampelos, o Ampelos!
-</p>
-<p>Maar viooltjes deed hij alomme ontluiken, zoo als Ampelos hem zelve dit had gedaan:
-onder de pijnboomen geurde het plots van viooltjes; velden van viooltjes strekten
-zich; wijnranken festoenden zich van boom naar boom, en de Vreugde overwon, trots
-den druk van het Noodlot en den weemoed van de Smart. En eindelijk riep Dionyzos:
-</p>
-<p>—Rheia! Rheia Kubele! Ik heb u verwonnen, moeder der goden, o moeder der bergen, o
-beschermster der barbaarsche, sombere steden, de steden des morgenlands, die ik, van
-uit het Westen de Vreugde kom brengen, als Eos uit <span class="pageNum" id="pb320">[<a href="#pb320">320</a>]</span>het Oosten het Licht! Effen den bergweg voor mij uit, zooals Zeus en Poseidoon mij
-den landweg en waterweg effenden.
-</p>
-<p>—Dionyzos! riep de godin. Helaas, wat zult gij die steden brengen? Zonder vreugde
-misschien leven tusschen hun muren de volkeren der morgenlanden, maar ook Smart is
-hun onbekend!
-</p>
-<p>—Beschermster der steden, zoo als wilde beesten in kooien leven die volkeren dan,
-en zijn minder dan mijn panthers en leeuwen, die de Vreugde temde en de Vreugde voortleidt!
-Rheia Kubele, aan mij zal de zege zijn over landen en steden, tot aan de poorten van
-Eos toe!
-</p>
-<p>En de god, door zijn saters getorst, zwierde, gedragen in dolle vaart, het woud door;
-geheel het leger stortte zich breed door het bosch, helling op, helling af; Ariadne
-in de wagen mende zelve de lynxen: heure haren wapperden uit en zij stond, bezield,
-met dolle oogen, en Korybanten en Kureten, verleid, achtten niet den smartroep der
-bergmoeder, maar stortten zich in Dionyzos’ leger, stortten vooruit, en hij stroomde,
-de strijdmacht der Vreugde, overgolvende geheel het land. Wee, wie de Vreugde niet
-aanstonds aanvaardde: hij werd meêgesleurd <span class="pageNum" id="pb321">[<a href="#pb321">321</a>]</span>door de dragers der omwingerde thyrsen, door de stormkracht der wilde dieren, aangehitst,
-razende kudde verschrikkelijk gezwiept door de faunen. Wee, de stad, die in Lydië
-of in Frygië hare poorten sloot; de poorten stormden Dionyzos’ stafdragers open, en
-de lange ranken torsende als een reuzefestoen, vloeide het leger binnen: de grond
-spleet, de wijnstok ontschoot, de ranken en bladeren weligden, en zwollen de trossen,
-die, geplukt, de Vreugde in stroomen purper deden golven straten en pleinen langs.
-Heerlijk heil aan die vorsten, die zich Dionyzos gewonnen gaven, maar vernietiging
-wie hem weêrstond! En zijn leger wies aan met allen, die uit alle overwonnen oorden
-zich aansloten bij zijn heirmacht, en onweêrstaanbaar was de vloed van de Vreugde,
-die purper stroomde de oostelijke rijken door. Nooit was Dionyzos zoo vreeselijk geweest
-in den strijd, en de goden, neêrziende, ontzetten. De wereld verwon hij, verscheurende,
-vernietigende, met de kreten van heel zijn razende heirmacht, wie hem weêrstond; wie
-zich gewonnen gaf, was een golf meê in den vreugdevloed. Zijn faam bazuinde vooruit;
-saters en faunen bazuinden zijn faam, legers versloeg hij, rijken openden hem hunne
-grenzen, steden wierpen hare poorten <span class="pageNum" id="pb322">[<a href="#pb322">322</a>]</span>hem open, laurier en myrtetwijg wuifden hem tegen. In sombere steden des barbaarschen
-morgenlands reed hij binnen in triomfatorsheerlijkheid: hij stond op de gulden zegekar,
-als een god en een vorst; prinsen des lands leidden zijn vierspan; hij stond, ouder
-en mannelijker nu, volgebaard blond, de mitra op zijn lange lokken; in plooien wapperde
-het vorstelijk gewaad des overwinnaars van geheel het Oosten, purper en goud en blank
-om zijn mannelijke jonge leden; hij stond en zijn hand steunde op den gouden cederappelschepter;
-en achter hem reed Ariadne, gezeten op olifant blank, goudnet-omvangen, Afrodites
-starrekroon om haar lokkige kruin, en haar schoonheid verheerlijkte in den roem des
-gemaals. En overal waar zij binnen zegevierden door landstreek en stad, langs heirweg
-en straatweg, festoende de druif met hen mede, en liet de Vreugde, de Weelde achter:
-achter de druivefestoenen torenden de barbaarsche steden minaretslank uit, zoodra
-Dionyzos door haar barbaarschheid gebloeid was: tooverpaleizen verrezen met lange
-zuilenrijen van jaspis en chalcedoon, overdekt met bronzen pannen; marmeren tempels
-schitterden op, aan alle heerschende goden, maar vooral aan Dionyzos <span class="pageNum" id="pb323">[<a href="#pb323">323</a>]</span>en aan Ariadne; de eeredienst des goddelijken overwinnaars bevestigde zich; zijne
-priesters brachten offers hem, de reukschalen geurden, en zijne mysteriën werden ingesteld.
-In marmer werd zijn heerlijke beeltenis gehouwen door bezielde kunstenaars en van
-heiligdom tot heiligdom werd die beeltenis gedragen. Was hij verder, de Vreugde liet
-hij achter, de Weelde liet hij achter; zelfs de in razernij veroverde rijken herbloeiden
-als met getoover; waar zoo vol zwol de druif, purper of blond, blauw of geel, waar
-de vervoering zoo stroomde uit mengvat en drinkschaal, waar de dans stemde tot blijde
-muziek, rees ook uit vernietiging, tooverkracht! marmerpaleis en tempel op, om den
-god te eeren, hoe ver hij ook was. En niettegenstaande àlle vernietiging in razernij
-scheen Dionyzos’ strijd toch altijd zijn strijd te blijven, en nooit die van Ares
-te worden want wàarlangs hij gezegevierd had, golfden Demeters blondere velden en
-spreidden welvaart en sprenkelden rijkdom, en de aren zwollen van weelde, als de trossen
-van vreugde zwollen. Pest, hongersnood, alle ziekte en alle gebrek, vaagde Dionyzos’
-triomftocht weg. Ver, ver tot onbekende bergreten, sneeuwgetint in het uiterste Oosten;
-ver, ver tot heiligen stroom, <span class="pageNum" id="pb324">[<a href="#pb324">324</a>]</span>azuur stroomende van den hemel naar den einder toe—geheel de wereld was aan Dionyzos.
-</p>
-<p>Toen naderde de laatste dag.
-</p>
-<p>—De Poorten, de Poorten! riep plotseling geheel het leger uit, als met een enkele
-stem.
-</p>
-<p>Aan de nachtkim rezen in ver verschiet de ontzaglijke Oostelijke Poorten. Zij rezen
-goddelijk en bleekgoud in den nacht, die al schemerde van den binnenschijn; zij rezen
-ontzettend als de poorten eens gouden lichtgeheims, en nu Dionyzos langzaam naderde,
-omstuwd door zijn geheele macht, weken zij majesteitelijk open. Een glans stroomde
-dadelijk uit, en Eos, allerlieflijkst in zoo gloeienden glans, rozigde-aan als een
-vlinder in zonneschijn, teeder en lieflijk en luchtig, op een zweving van luchtig
-lieflijke teederheid, in gelenden sluier, die niet meer was dan een glanzige zeepbel,
-goud; de morgenrozen vielen nu uit hare vingers, lokken en plooiend gewaad; een dauw
-sprenkelde zij, als een regen zacht, en zij lachte, terwijl zij riep:
-</p>
-<p>—Dionyzos! Verwinnaar! Ik heb je zien naderen dágen, dágen lang! Iederen dag naderde
-je, Dionyzos! Wees welkom, wereldverwinnaar tot de morgenpoorten toe! Dionyzos, niet
-weêrstond die wereld je almacht …: mijn rozen werp ik je alle neêr!
-<span class="pageNum" id="pb325">[<a href="#pb325">325</a>]</span></p>
-<p>In hare huldiging wierp zij, kindlachende, alle haar rozen; zij regenden, rood, geel,
-wit rondom Dionyzos, waar hij stond, mitra-gekroond, blank-goud-omplooid in zijn zegekar,
-met stralend oog inziende in de Poorten die wijder en wijder openden, om Helios uit
-te laten.
-<span class="pageNum" id="pb326">[<a href="#pb326">326</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch17.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">XVII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">—Is de grens bereikt? vroeg Dionyzos.
-</p>
-<p>Het daglange feest was ten einde, de amethysten nacht donkerde aan, en bleekgoud,
-ontzettend, rezen omhoog de ontzaglijke Poorten van het Uiterste Oosten. De Vreugde
-had er tegen gesprenkeld haar druivenbloed; langs den aanvang van Helios’ hemelheirweg
-was de wingerd gerankt en in de tooverrozetuinen van Eos had de blijde orgie geduurd
-den geheelen dag. In de rozebosschen, vervagend haar heldere kleuren in de amethysten
-vereffeningen van den naderenden, naderenden nacht, lag wijd verspreid in de rust
-na bezwijmeling het leger van Dionyzos tusschen rozen verpletterd, druiven verpletterd,
-op de gespreide lynxevellen en tijgerhuiden, mengvaten omvergeworpen, schalen, amforen,
-bekers gestort in plassen van vloeiend karbonkel en vloeiend topaas, en in slaap en
-omhelzing, verspreid, lagen neêrgestort de vreugdestrijders.
-<span class="pageNum" id="pb327">[<a href="#pb327">327</a>]</span></p>
-<p>—Ariadne, is de grens bereikt? herhaalde Dionyzos.
-</p>
-<p>Hij stond, bleek in de vaalte van nacht, en staarde naar de ontzaglijke poorten. Aan
-hem hing, bleek, Ariadne, en staarde. Hij stond jong, bleek en aarzelend steeds: zijn
-violenoogen hadden een verwonderde vraging; zijn lippen trilden in zijn blonden kroesbaard;
-de mitra afgevallen, verwarden zijn blonde lokken, ontknoopt over zijn schouders en
-in de vreugde verscheurd hingen de plooien van zijn vorstelijk gewaad wijnbezoedeld
-en sleepten de rozebladeren en druiveschillen. Een rimpel groefde pijnlijk tusschen
-zijn brauwen, en tranen sprongen zijn oogen uit, toen hij zichzelven antwoordde:
-</p>
-<p>—Ariadne, de grens is bereikt …
-</p>
-<p>—De grens is bereikt, herhaalde zij zacht.
-</p>
-<p>Hij zag om zich, verwonderd, verward, verloren, als wist hij niet meer, Dionyzos.
-</p>
-<p>—Ariadne, murmelde hij weenend; het was éen lange zegetocht …
-</p>
-<p>—Mijn god, o mijn overwinnaar! riep zij hartstochtelijk en prangde hem vast. Hij maakte
-zich zacht los uit hare armen, en streelde haar over de haren.
-</p>
-<p>—Ariadne! vroeg hij en beefde zijn stem; <span class="pageNum" id="pb328">[<a href="#pb328">328</a>]</span>zeg mij, wat is de taak van morgen? Sticht ik mijn vreugdezetel voor de Oostelijke
-Poorten en zet ik mij naast je op een troon en vergoddelijk ik in de hulde der wereld …
-of bereid ik mij tot de terugreis?
-</p>
-<p>—De terugreis door je heerlijke verwinningen!
-</p>
-<p>—De terugreis? Ja, de terugreis … Helaas, Ariadne, die is geen taak!
-</p>
-<p>—Taak is volbracht!
-</p>
-<p>—Is taak volbracht? Dan kan ik stèrven …
-</p>
-<p>—Dionyzos! kreet zij, en ontstelde om zijn droefheid.
-</p>
-<p>—Is taak volbracht, dan kan ik sterven … Ik ben niet onsterflijk, Ariadne.
-</p>
-<p>—Dionyzos, o Dionyzos …
-</p>
-<p>—Maar ik voel, Zeus gunt mij den dood nog niet … Helaas, Ariadne, hoe leef ik taakloos
-voort?
-</p>
-<p>—Dionyzos, de terugreis is nieuwe taak …
-</p>
-<p>—Nieuwe taak?
-</p>
-<p>—Langs overwinning terug de vreugde te sprenkelen …
-</p>
-<p>—Zij is gesprenkeld, zij is gesprenkeld … O, Ariadne, als ik niet sterven mag, laat
-ons dan gaan, laat ons dan schielijk gaan …
-</p>
-<p>—Terug …?
-<span class="pageNum" id="pb329">[<a href="#pb329">329</a>]</span></p>
-<p>—O ja! Wat staan wij voor deze goudene Poorten! Zij zijn de grens! Kom Ariadne, terug!
-Kom meê!
-</p>
-<p>—Nu reeds …
-</p>
-<p>—Wat zal ik toeven!
-</p>
-<p>—Het leger ligt in diepe sluimering …
-</p>
-<p>—Laat het sluimeren, Ariadne; wij gaan alleen! O, laat ons gaan, laat ons gaan terug,
-Ariadne, terug naar Nyza … Daar misschien zullen wij zalig zijn in de herinnering
-aan de gesprenkelde vreugde! Helaas, alle vreugde is gesprenkeld! Taak heeft Dionyzos
-op aarde niet meer! Ariadne, Ariadne, kom … Bestijgen wij onzen wagen … Ik neem de
-leidsels ter hand. Ik men de lynxen … O Ariadne, Ariadne, kom …
-</p>
-<p>Zij bestegen den lynxewagen en het was als vluchtten zij in den nacht, als verslagenen,
-als overwonnenen. In den nacht langs den breeden zegeweg vluchtten Dionyzos en Ariadne
-terug. Zij reden langs korenvelden, druifomrankt van lagen boom tot lagen boom, en
-zij reden door een gouden en marmeren stad, de laatste stad van het Uiterste Oosten:
-zij reden tot den morgen toe, en de lynxen waren uitgeput en zij scholen in een rozebosch
-aan den weg, en rustten er uit in schaduw en geur. Het was als een lieflijke halte,
-en zij hadden vreugde, <span class="pageNum" id="pb330">[<a href="#pb330">330</a>]</span>als in paradijs. Zij sliepen in elkanders armen; de dageraad rozigende, ontwaakten
-zij, en speelden in de koele wateren der bronnen; de najaden herkenden hen en dienden
-den god, de godin; de dryaden weefden gewaden hun fijner dan byssos en bekroonden
-hen met rozen, en hun schuilplaats niet meer geheim, vloeiden van het leger de allereerst
-ontwaakten terug en verzamelden saters en faunen, menaden zich tot de terugreis, de
-terugreis der zege: brieschende leeuwen werden den wagen des gods voorgespannen, maar
-Ariadne voerde men een olifant toe, en de reis ging terug; en het leger vloeide, vloeide
-achter aan, van de Oostelijke Poorten terug. Vruchtbare landen door, schitterende
-steden door, ging de reize terug, langs Dionyzos’ eigene tempels. Het volk viel in
-het stof; zijn priesters vernietigden zich in nederigheid, als de god in zijn drom
-naderde. Feest zwierde hem voor en hem langs, en plots walgde hij van zijn eigen feest.
-</p>
-<p>—Zie, zeide hij en hij wees Ariadne. Zie Ariadne … wat doen zij …?
-</p>
-<p>Zij naderden in den avond een heiligdom, heerlijke pracht van marmerzuilen; de blauwe
-offervlammen geurden omhoog, geheel het volk stroomde te zamen, druifvertuit.
-<span class="pageNum" id="pb331">[<a href="#pb331">331</a>]</span></p>
-<p>—Ariadne … Ariadne, wat doen zij …!
-</p>
-<p>Tusschen de priesters werden jeugdige offerlingen, knapen en maagden, ten outer geleid,
-rozenomkransd, druifbehangen; de hoogepriester hield het offermes klaar.
-</p>
-<p>—Ariadne,.. Ariadne … wat doen zij …?!
-</p>
-<p>Het eerste offer viel: een knaap, zijn bloed spatte, en in den komenden nacht juichte
-het volk op, razend en riep:
-</p>
-<p>—Dionyzos, Dionyzos!
-</p>
-<p>—Hier ben ik! riep Dionyzos.
-</p>
-<p>—Dionyzos, Dionyzos! krijschte het volk en de tweede offerling viel … een maagd. En
-zij eerden de terugreize van den god, schetterend geschal van bazuinen weêrklonk.
-</p>
-<p>—Viert ge de Vreugde? riep Dionyzos.
-</p>
-<p>—Dionyzos, Dionyzos!
-</p>
-<p>—Eeredient ge de Vreugde?
-</p>
-<p>—Dionyzos!
-</p>
-<p>Hij schaterlachte luid, als waanzinnig.
-</p>
-<p>—Met bloed? riep hij uit, en sloeg met zijn thyrs naar den hoogepriester. Met bloed
-van offerlingen?
-</p>
-<p>Zij juichten, zij begrepen niet, en de hoogepriester, in verrukking waanzinnig, dat
-de god hem had willen beroeren met zijn thyrs en zijn schepter, vermoordde den derden
-offerling.
-<span class="pageNum" id="pb332">[<a href="#pb332">332</a>]</span></p>
-<p>Nu stortte Dionyzos zich de tempeltrap op en hij stond als een leeuw, razend, in het
-licht der blauwe offervlam. Zijn voet stiet zijn eigen altaar om. Zijn wil omboeide
-de priesters in ranken en zijn gebaar wenkte de slachtoffers tot zich, die tot hem
-waadden door een stroom van bloed. Het volk zwierde, dol slaande de tamboerijnen.
-</p>
-<p>—Meê, meê, meê! riep de god en vluchtte en zij vluchtten allen meê: zijn leger, het
-volk achter hem, en zij juichten hem toe:
-</p>
-<p>—Dionyzos!!
-</p>
-<p>Maar hij slierde Ariadne, alleen, in het woud, en verschool zich met haar in een grot.
-</p>
-<p>—Stil! Stil, Ariadne! Spreek niet, opdat zij ons niet vinden! Hoor, hun gejuich, hun
-dol gejuich! Zij vieren de Vreugde, die ik gesprenkeld heb, zij eeredienen de Vreugde,
-die ik heb gesprenkeld, met bloed, met bloed, met bloed! O goden, zij begrijpen niet!
-O goden, ik wil de Vrèugde! Ik wil de Vreugde voor allen! Ik wil de Vreugde niet in
-bloed! Ik wil geen offers in bloed! Volk, vier de Vreugde, breng mij bloemen, ooft,
-halmen, hebt vreugde allen! O volk, heb de zuìvere Vreugde! Helaas, wat roep ik? Tot
-wie? Zij verstaan niet en ik ben heengevlucht! Ik verschuil mij in een nachtdonkere
-<span class="pageNum" id="pb333">[<a href="#pb333">333</a>]</span>grot! O, Ariadne, vluchten wij, vluchten wij eenzaam weêr …! Vluchten wij langs den
-breeden zegeweg, als verwonnenen en verslagenen! Meê, meê, meê …
-</p>
-<p>En hij sleurde Ariadne voort …
-</p>
-<p>De terugtocht verspreidde zich. Het leger verspreidde zich en Dionyzos wilde het niet
-om zich. Alleen met Ariadne, beiden soms vermomd en niet herkend, trokken zij landen
-door en steden door, en overal zag hij de tempels hem zuilen, de geurvlammen hem rooken,
-de offers hem worden gebracht; en overal zag hij de waanzinsverrukking onbeteugeld,
-bot vieren haar uiterste stuipen. In den avond slierde dronken, verbeestelijkt, de
-lange ronde langs de straten der marmeren weeldepaleizen, en zij riep hem uit:
-</p>
-<p>—Dionyzos!
-</p>
-<p>—Helaas! kreet hij uit en hij sleepte Ariadne meê en zij herkenden hem niet. Helaas,
-Ariadne! Aanzie de landen, aanzie de steden, die ik heb overwonnen in vreugde; aanzie
-de Vreugde, die ik gesprenkeld heb! <span class="sc">Het is Dionyzos’ Vreugde niet meer!</span> Het zijn niet meer zijn blijde gaven! O, wij waren wreed, en ik was dikwijls verschrikkelijk
-aan wie mij en mijn gaven weêrstond in sombere levens- en jubelens-onmacht, <span class="pageNum" id="pb334">[<a href="#pb334">334</a>]</span>maar wij waren goden en nooit zwijnen! Ariadne, god was Ampelos, goden waren mijn
-faunen, goden waren zelfs mijn saters in al hunne woeste en zinnelijke uitbundigheid
-en de menaden waren tijgerinnen, maar aan godinnen gelijk! Zij kenden allen <span class="asc">MIJN</span> juiching, <span class="asc">MIJN</span> vreugde, en hun liefde was goddelijk en hun wreedheid zelfs was goddelijk, en àl
-wie de Vreugde aanvaardde, waren zij wèl en ter heerlijke menschliefde geneigd! Wat
-was anders ons streven dan àllen de Vreugde te geven, in de groote liefde voor allen!
-Ik spilde de Vreugde aan allen: vorsten en bedelaars; op de slagvelden na den slag
-gingen rond mijn weldadige faunen en laafden de stervenden en genazen hen en voerden
-hen mede in mijn stoet, en de menaden, listig, verlokten matronen en maagden naar
-Dionyzos’ Vreugde en levensblijheid: Panszoontjes zelfs lokten de kinderen! O, zij
-waren allen goden, zij zijn het nòg allen, ook al is hun taak volbracht, maar deze
-volkeren, deze menschen, deze stervelingen, helaas, zij zijn in mijn vreugde verzwijnd,
-en ik zoû mijn vreugde vloeken willen! Heerlijk leven, lieflijke aarde, eindelooze
-hemel, ik heb in mijn enthouziasme u omhelzen willen in éene liefde aan mijn hart
-en allen, die ademden, willen <span class="pageNum" id="pb335">[<a href="#pb335">335</a>]</span>leeren de blijheid, die was als wijn: de levensblijheid, die strijdt tegen alle smart,
-maar ik ben overwonnen, ik ben geslagen …! O, zie, de zwijnen in hun marmeren paleizen,
-feestvieren walgelijk, niets wetend van de Vreugde dan de onmatigheid, de zatte onmatigheid,
-die hen kotsen doet over hun purperen bedden en roosomwingerde balustrades! Zie hun
-tronies verhit, zie hun waggelgang, hoor hen lallen, geestloos, dom, in de Vreugde,
-de heerlijke, heilige Vreugde verzwijnd, omdat zij als beesten zijn, die de vreugde
-der goden bezoedelen in onmacht haar te genieten zuiver, louter en schoon! Ariadne,
-wij genoten heur zuiver, louter en schoon! Wij genoten het genot van het leven met
-hevigen maar zuiveren zin, met blijden maar louteren geest, met onstuimige maar schoone
-zielen en lijven! Wij waren schoon, wij schitterden van schoonheid: mijn faunen waren
-edel van schoonheid, mijn menaden razend van schoonheid, mijn saters zelfs waren schoon
-in hun dubbelwezen van halfgod en halfdier, wezens der wouden, uit de heilige natuur
-allen zelve juichend ontbloeid! En zelfs oude Silenos, omringd van zijn Silenen, hij
-was schoon, hij was niets dan schoonheid: de schoonheid van geest, spot en komische
-levensvreugde; <span class="pageNum" id="pb336">[<a href="#pb336">336</a>]</span>dronken bleef hij schoon en schaterden wij om zijn vermakelijke schoonheid! Helaas,
-Ariadne, waar is zij: onze arme schoonheid? Waar is onze arme vreugde des levens,
-en vreugde des toomloozen genietens! Helaas, helaas, kom meê, Ariadne, ik kàn niet
-toeven in deze ontaarding van heèl ons genot tusschen marmeren zuilen en offervlammen
-en offers van bloed! Ariadne, Ariadne, meê …!
-</p>
-<p>En hij sleepte haar meê, en zij herkenden hem niet: zij herkenden hem nooit meer,
-den god en zijn bruid …
-<span class="pageNum" id="pb337">[<a href="#pb337">337</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#ch18.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">XVIII.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Een koude wind woei door de reuzig wilde kastanjes van Nyza en de zee tusschen de
-kapen bruischte, toen Dionyzos Ariadne, uitgeput, neêrvlijde aan den zoom.
-</p>
-<p>—Ik huiver! riep zij.
-</p>
-<p>Hij wikkelde haar dichter in de lynxehuid, die van haar schouder hing en hij legde
-haar hoofd aan zijn borst.
-</p>
-<p>—Rust uit! zeide hij zacht.
-</p>
-<p>—Dionyzos! fluisterde zij. Koorts brandt mij de slapen, de polsen! Zeg mij, waar zijn
-wij …
-</p>
-<p>—Rust uit, rust uit, Ariadne! Dit is Nyza! Dit is het oord, waar nooit woei de wind,
-waar eeuwige zomer heerschte om mijn jeugd, waar de nymfen mij pleegden en de Muzen
-neêrdaalden en reiden den waardigen dans. Nu, o Ariadne, waait de koude wind tusschen
-de kapen door, en ik huiver, ik huiver als jij. Ik herken mijn Nyza niet meer, versomberd
-als het nu <span class="pageNum" id="pb338">[<a href="#pb338">338</a>]</span>avonden gaat tusschen de bruischende wilde-eiken … Hier bloeiden violette anemonen,
-hier deed Ampelos viooltjes ontluiken, breede geurige velden om mij heen! Helaas,
-Ariadne, hier … hier voert Dionyzos je, wereldverwinnaar, in zijn somber en vereenzaamd
-te-huis. Geen paleis, geen tempel, geen troon, Ariadne,—niets dan de sombere boomen,
-waartusschen huilt de sombere wind! Helaas, hier komt Dionyzos’ Vreugde terug, maar
-zij is zijn Vreugde niet meer …!
-</p>
-<p>—Dionyzos! Dionyzos! Hoor … hoor …! Is dit Kreta? Is dit Kreta?! Vreeswekkend Geloei!
-Het Monster, het Monster, o Dionyzos … Het Monster loeit over Kreta! Het is niet de
-stormwind, het is het Geloei! Ongelukkige moeder, Pazifaë …! Thezeus … Thezeus … laat
-mij je leiden naar de Poort van het Labyrinth: zie, hier is het kluwen … O Onverzoenlijke,
-wreekt ge u ook op mij?
-</p>
-<p>—Ariadne, Ariadne stil! Dit is Nyza, en ik ben Dionyzos!
-</p>
-<p>—Dit is Naxos, en ik ben verlaten, helaas! Helaas, de zwarte zeilen zwellen van wind,
-maar vervagen aan den wreeden einder! O, Onverzoenlijke, o Onverzoenlijke …
-</p>
-<p>—Ariadne, Ariadne stil! Rust uit, rust uit, Ariadne: ik ben een arme god: ik heb de
-Vreugde <span class="pageNum" id="pb339">[<a href="#pb339">339</a>]</span>niet meer, omdat ik ze den menschen gegeven heb, maar ik heb nog in mijn ziel mijn
-liefde! O, Ariadne, ik heb je lief! Leef op … wees gerust … sluimer zacht: dit is
-Nyza, dit is een lieflijk oord, als de stormwind morgen bedaard is; hier zal ik als
-Ampelos eens …
-</p>
-<p>—Thezeus, Thezeus!
-</p>
-<p>—Stil Ariadne, stil … Hier zal ik, als Ampelos eens, duizend viooltjes ontbloeien
-laten en het zal geuren om je heen van viooltjes en van anemonen … Dan ligt de zee
-zoo meerkalm neêr tusschen de veilige kapen, en de bergen stapelen zich als ronde
-schilden van krijgers, beschermend tegen den einder.
-</p>
-<p>—O, het Geloei, het Geloei …
-</p>
-<p>—Helaas, zij herdenkt alleen de smart; zij herdenkt, helaas, niet de Vreugde …
-</p>
-<p>—Het Geloei … o Thezeus!
-</p>
-<p>—Zij ziet niet in haar koortsvizioen Dionyzos en zijn druiveprieel, zijn liefderedding,
-en zelfs de goddelijke Afrodite ziet zij niet, die over de parelen zee haar schulp
-stuurde …
-</p>
-<p>—O, de verschrikkelijke Stierekop! Hij bloedt zwart uit … afgehouwen!
-</p>
-<p>—Zij ziet niet de zegetocht, en zij ziet niet de Goudene Poorten! Alleen de Smart
-blijft! Helaas, alleen mijn Smart blijft! O Vreugde, <span class="pageNum" id="pb340">[<a href="#pb340">340</a>]</span>Vreugde, waar ben je? Nu weet Dionyzos wat zijn Smart is, hem voorbeschikt, helaas,
-van zijn in bliksems blakende geboorte af! Zeus, Zeus, vader, nu weet ik mijn Smart!
-O, ik heb mijn Smart voelen naderen, ik heb mijn Smart kunnen dragen, maar vluchtende,
-langs mijn eersten zegeheirweg, mijn Smart, helaas, dat ik de Vreugde verspild had,
-dat ik de Vreugde verspild had aan beesten! O, Aarde, Aarde, Wereld, die ik verwon,
-en die ik de heerlijke Vreugde druivepersende sprenkelde: gij kùnt niet de heilige
-Vreugde omvatten, zoo als een sater een druivetros omvat en uitperst aan zijn mond!
-Helaas, ik heb goddelijkheid aan de menschelijke aarde verspild, en de menschelijke
-aarde heeft zich zat aan mijn Vreugde gezopen, en braakt mijn Vreugde, o walging,
-uit! Helaas, helaas, ik verwon niet! Dionyzos werd verslagen! Alleen—ik ben alleen!
-Waar is Ampelos!
-</p>
-<p>—Thezeus, Thezeus!
-</p>
-<p>—Zij ijlt! Helaas, zij sterft in mijn armen! Hoe heerlijk was zij in zegetocht, aan
-mijn zijde, of op blanken olifant, tijgende de steden binnen; en helaas, hoe heb ik
-haar, ach, niet achtende, dat zij sterfelijk was, meêgesleept op mijn nederlaag, terug,
-altijd terug! O, Dionyzos’ Smart overstelpt hem! Dionyzos is alleen: <span class="pageNum" id="pb341">[<a href="#pb341">341</a>]</span>Ariadne sterft, en hij … is alleen! Eenzaamheid, eenzaamheid, smart! Ampelos, Silenos,
-Hermafroditos, menaden, faunen en saters! Waar zijt gij! Waar is de Vreugde? Is dit
-Nyza? Is dit somber vervloekte oord, Nyza? O huiverende wind, o winter! Zeus!! Dàar …
-dàar … tusschen de naakte boomen … dàar zie ik mijn eigen wingerd … die <span class="asc">IK</span> plantte … nadat het Panszoontje, dat den geheelen morgen geblazen had, mij eindelijk
-Nyza’s gunstige plek aanwees …! Daar zie ik mijn wingerd! Geen blad, geen tros; niets
-dan naakt wanhopige knoestige takken! Wingerd, ben je als Ampelos dood! Helaas, àlle
-vreugde is gestorven! Ariadne sterft: helaas, om Dionyzos huivert de dood! Goddelijk,
-ben ik sterfelijk, en sterven wil ik met Ariadne! O, smart, o smart! Zeus, mijn vader,
-niet gezegevierd, niet te hebben overwonnen, de Vreugde niet louter in heerlijkheid
-den menschen te hebben <span class="corr" id="xd31e2735" title="Bron: uitgepersd">uitgeperst</span> voor alle volgende menschelijke eeuwen …! Helaas, Dionyzos’ taak is volbracht, maar
-hoe is hij gefaald in zijn volbrengen! Eerste blijdschap der eerste gedachten en dagen,
-luide jubel na die planting der eerste wijnstokken …! Het land liep uit; àllen plantten
-den wijnstok …: Demeter herbloeide! De wereld bloeide en weligde! <span class="pageNum" id="pb342">[<a href="#pb342">342</a>]</span>Helaas, helaas, de Vreugde is gestorven, omdat de mensch de Vreugde heeft verzopen,
-bezoedeld …!
-</p>
-<p>—Dionyzos!
-</p>
-<p>—Zij herkent mij weêr! O, Ariadne, herdenk het <span class="asc">BLIJDE</span> Naxos, herdenk den vreugdevollen Dionyzos, herdenk de glimlachende Afrodite! Er wàs
-schoonheid en Vreugde in ons leven!
-</p>
-<p>—O Dionyzos, ik herdenk, ik herdenk … Ik herinner mij, o Dionyzos! Ik bèn gelukkig
-en ik bèn dankbaar! Ik herinner mij, ik herinner mij alles … Ik herinner mij je hevige
-smart! O, die terugtocht, de nederlaag, de hevige smart … Dionyzos, ik herinner de
-smart mij … Ik geloof … ik geloof wel, dat ik sterf … maar ik herinner mij, ik herinner
-mij … Alleen Dionyzos … o wees niet wanhopig. Zie … je hèbt de Vreugde gesprenkeld;
-je hèbt overwonnen … en de wereld heeft haar aanvaard, tot de Goudene Morgenpoorten
-toe … Vreugde is overal geplant … haar zaad <span class="asc">BLIJFT</span>, o Dionyzos! Verdort ook de allereerste goddelijke weliging … andere weligingen zullen
-volgen … eenmaal … eenmaal, Dionyzos, in vèr verwijderde eeuwen … Eenmaal, o Dionyzos,
-zal de Vreugde over de wereld herbloeien en de menschheid, half goddelijk dàn, zal
-haar genieten met zuiveren zin, blijden <span class="pageNum" id="pb343">[<a href="#pb343">343</a>]</span>geest, lichaam en zielen van schoonheid! O Dionyzos, ik sterf … maar ik voel je bezieling
-in mij …! Mijn stem zwijmt … maar ik voel je eigen enthouziasme als wijn mij stroomen …
-voor het laatst … mijn aderen door … Dionyzos, Dionyzos,… o, heb vertrouwen, o, wèes
-niet rampzalig: ik heb Vreugde in stervenssmart …! Ik … ik ben dankbaar, en … ik …
-bèn … gelukkig!
-</p>
-<p>Uitgeput stierf zij op zijn schouder. Haar gelaat lag achterover, bleek, de oogen
-gebroken, en hij slaakte een gil, die schel door den stormwind snerpte.
-</p>
-<p>—O Zeus, o mijn vader! riep hij. Schenkt gij mij vòl mijn drinkschaal van smart!
-</p>
-<p class="tb">- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -</p><p>
-</p>
-<p>Maar cymbels sloegen, fluiten pepen en tamboerijnen rinkelden vroolijk. Verzamelende
-vreugdetroepen door den stormnacht trokken het woud door, dansende:
-</p>
-<p>—Dionyzos! Dionyzos! riepen zij.
-</p>
-<p>De god slaakte gil op gil. Hij verscheurde zijn mantel, hij trok zich de haren, hij
-sloeg zich weeklagend de borst. Hij danste in razernij en:
-</p>
-<p>—Faunen! Saters! Menaden! riep hij. Zie, o zie … Ariadne … Zij is niet meer!!!
-<span class="pageNum" id="pb344">[<a href="#pb344">344</a>]</span>
-</p>
-<p class="tb">- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -</p><p>
-</p>
-<p>Toen schoot Zeus’ vuur door den stormnacht heen en de donder rolde over Dionyzos’
-verwonnen wereld. En als met éen vaag veegde schoon van wolken de nacht en over Nyza’s
-woud en zee en bergenkim, opende zich geheel de Olympos in vreemd licht stralend.
-De heerlijke bergtoppen schakelden zich breed aan die hemelkim hoog, en de goudzuilige
-godenpaleizen schitterden hel; de bronzen pannen golfden een zee van glans, maar vooral
-was glans zelve om de godelingen, die omringden Zeus, op zijn troon, lichtjes omwolkt,
-de adelaar aan zijn machtige voeten. En zijn stem riep, door de onmetelijke verte
-heen:
-</p>
-<p>—Mijn zoon Dionyzos!
-</p>
-<p>Hij hoorde niet, want hij lag op Ariadne’s lijk.
-</p>
-<p>—Mijn zoon! Mijn zoon Dionyzos!
-</p>
-<p>Hij snikte slechts op het lijk van zijn bruid.
-</p>
-<p>—Mijn lieveling! Mijn lievelingszoon Dionyzos! herhaalde ten derde male stemdaverend
-Zeus.
-</p>
-<p>En alle goden riepen:
-</p>
-<p>—Dionyzos! Dionyzos!
-</p>
-<p>Dat was geluid als van bazuinen, en Dionyzos keek om. Hij keek op, ontzet. En Zeus
-riep:
-</p>
-<p>—Mijn lievelingszoon Dionyzos! Hoor uw <span class="pageNum" id="pb345">[<a href="#pb345">345</a>]</span>vader Zeus spreken tot u! Gij hèbt overwonnen en uw purperen taak volbracht, goddelijk
-heerlijk! Gij zijt overwinnaar, en de Vreugde verwon, en zal der menschen louter deel
-eenmaal zijn! Vraag niet van menschen, wat der goden is: vraag hun nu niet het goddelijk
-genot van de Vreugde! Laat hen de loutering na eeuwen volbrengen! Hoop, hoop, Dionyzos,
-en hoop op de menschheid, onstuimig en schaterlachend, zoo als gij altijd gehoopt
-hebt! Dionyzos, wees u zelve weêr! Dat het Noodlot de smart u niet spaarde … o wijt
-het niet aan de Vreugde, mijn lieflijke god en mijn zoon, mijn godszoon van blakende
-Vreugde …! Dionyzos! Dionyzos! Herleef! Herbloei in de Vreugde, en, aan de zijde van
-Ariadne, vorstin aller vreugde, kom tot ons, in Olympos op: wees onstuimig en schaterlachend
-te midden van broeders en zusters, en, Dionyzos, wees onsterfelijk, als Ariadne onsterfelijk
-zal zijn, in den dronk der onsterfelijke Vreugde van nektar, die u Hebe al langt!
-Dionyzos, mijn zoon, kom op! Ariadne, kom op! Uw taak is volbracht! Laat uw taak thans
-aan de seizoenen over! Laat de stormwind na den oogst uw wingerd ontblooten van bladeren:
-laat de lente haar bloeien … laat de herfst haar zwellen van purperen en van <span class="pageNum" id="pb346">[<a href="#pb346">346</a>]</span>blonde trossen doen! Dionyzos, uw taak is volbracht, en de blijde, lachende, volschoone
-eeuwigheid wacht je gloriegolvende in ons midden …
-</p>
-<p class="tb">- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -</p><p>
-</p>
-<p>Toen zag Dionyzos Zeus de armen lachend openen wijd en alle goden riepen zijn naam
-uit schel als met zilveren bazuinen en Hermes zelve vloog naar de aarde toe en daalde
-te Nyza, en riep, wijzend op de hemelsche zegekar, die vier gevleugelde paarden trokken
-over de verklaarde lucht:
-</p>
-<p>—Dionyzos! Zie: Ariadne herleeft! Niet leid ik haar ten somberen Tartaros, maar ten
-gouden Olympos leid ik u beiden!
-</p>
-<p>Een groot licht straalde uit. En in het groote licht was Dionyzos zoo jeugdig en straalde
-van al bijna onsterfelijke goddelijkheid, of de smart was een schim geweest … Niet
-meer dan een droom … nu dat Ariadne oprees verklaard, en, wandelend in een glorie
-van licht aan zijn hand, naar de zegekar trad, waar Hermes, leidsels ter hand, hen
-verbeidde.
-</p>
-<p>Toen klonk uit lucht, zee, aarde en hemel Dionyzos’ hymne hem tegen als jubel, voorspellende
-der na-eeuwen troost.
-</p>
-<p class="dateline"><span class="sc">Nice-Venetië-Cadore</span>, Maart—Juli III.
-<span class="pageNum" id="pb347">[<a href="#pb347">347</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd31e2798"><i>Van LOUIS COUPERUS verscheen</i>:
-</p>
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop"> </td>
-<td class="cellTop">Ing. </td>
-<td class="cellRight cellTop">Geb.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>God en Goden</b> </td>
-<td><span class="seg"><i>fl</i></span> 2.50 </td>
-<td class="cellRight"><i>fl</i> 2.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">Jan Toorop</span>.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>Over Lichtende Drempels</b> </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.50 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">Julius de Praetere</span>.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>Majesteit</b>, Vierde druk. Geïll. Editie. </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.50 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Geïllustreerd met 17 ill. door <span class="sc">Vaarzon Morel</span>.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>Wereldvrede</b>, Tweede uitgave. </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.50 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight"><b>De boeken der kleine Zielen.</b></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"> <span class="seg">Boek</span> I. <b>De Kleine Zielen</b> </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 5.50</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Boek</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> II. <b>Het Late Leven</b> </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.25 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Boek</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> III. <b>Zielenschemering</b> </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.25 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"> <span class="seg"><span class="ditto"><span class="s">Boek</span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> IV. <b>Het Heilige Weten</b> </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 5.50
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">In pergament gebonden, per deel </td>
-<td> </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 10.—</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">Theo Neuhuijs</span>.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>De Stille Kracht</b>, 2 deelen, gebatikte band </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.25 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">Lebeau</span>.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>De Stille Kracht</b>, Pracht-Editie, gebatikte band op fluweel </td>
-<td> </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 10.—</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">Lebeau</span>.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>Langs Lijnen van Geleidelijkheid</b>, 2 deelen </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 5.50</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">J.&nbsp;G. van Caspel</span>.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>Eene Illuzie</b>, Tweede druk </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.50 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">K. Sluijterman</span>.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>Babel</b> </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.50 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">Jan Toorop</span>.
-<span class="pageNum" id="pb348">[<a href="#pb348">348</a>]</span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>Fidessa</b>, Tweede druk, Pracht-Editie </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 3.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Met teekening van <span class="sc">Jan Toorop</span>.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>Psyche</b>, Tweede druk, Pracht-Editie </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 3.50 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.50</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Met teekening van <span class="sc">Jan Toorop</span>.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>Psyche</b>, Derde druk. (in het gewone formaat) </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.50 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">In November 1904 verschenen.—Bandteekening van <span class="sc">H.&nbsp;P. Berlage Nzn</span>.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>Metamorfoze</b>, Met portret van <span class="sc">H.&nbsp;J. Haverman</span> </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.25 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 4.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">Jan Toorop</span>.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>Hooge Troeven</b> </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.50 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.25</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">H.&nbsp;P. Berlage Nzn</span>.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>Extaze</b>, Tweede druk </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.50</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">R.&nbsp;N. Roland Holst</span>.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>Noodlot</b>, Derde druk </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.40 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">R.&nbsp;W.&nbsp;P. de Vries Jr.</span>
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>Orchideeën</b>, Tweede druk. </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.50</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">L.&nbsp;W.&nbsp;R. Wenckebach</span>.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>Een Lent van Vaerzen</b>, Tweede druk </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.40 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.90
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>Reis-Impressies</b>, Tweede druk </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.90 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.50</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">K. Sluijterman</span>.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft"><b>Williswinde</b> </td>
-<td><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.40 </td>
-<td class="cellRight"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.90</td>
-</tr>
-<tr>
-<td colspan="3" class="colspan cellLeft cellRight">Bandteekening van <span class="sc">L.&nbsp;W.&nbsp;R. Wenckebach</span>.
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom"><b>De Verzoeking van den H. Antonius</b> </td>
-<td class="cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 1.90 </td>
-<td class="cellRight cellBottom"><span class="seg"><span class="ditto"><span class="s"><i>fl</i></span><span class="d"><span class="i">,,</span></span></span> </span> 2.50</td>
-</tr>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1" id="toc">
-<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
-<table summary="Inhoudsopgave">
-<tr id="prelude.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#prelude">DIONYZOS-STUDIËN.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#prelude">V</a></td>
-</tr>
-<tr id="pre.1.toc">
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.1">I.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.1">V</a></td>
-</tr>
-<tr id="pre.2.toc">
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.2">II.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.2">VI</a></td>
-</tr>
-<tr id="pre.3.toc">
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.3">III.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.3">VII</a></td>
-</tr>
-<tr id="pre.4.toc">
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.4">IV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.4">VIII</a></td>
-</tr>
-<tr id="pre.5.toc">
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.5">V.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.5">IX</a></td>
-</tr>
-<tr id="pre.6.toc">
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.6">VI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.6">X</a></td>
-</tr>
-<tr id="pre.7.toc">
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.7">VII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.7">XI</a></td>
-</tr>
-<tr id="pre.8.toc">
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.8">VIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.8">XII</a></td>
-</tr>
-<tr id="pre.9.toc">
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.9">IX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.9">XIII</a></td>
-</tr>
-<tr id="pre.10.toc">
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.10">X.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.10">XIV</a></td>
-</tr>
-<tr id="pre.11.toc">
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.11">XI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.11">XV</a></td>
-</tr>
-<tr id="pre.12.toc">
-<td></td>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#pre.12">XII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#pre.12">XVI</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch1.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch1">I.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">1</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch2.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch2">II.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">32</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch3.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch3">III.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">46</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch4.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch4">IV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">76</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch5.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch5">V.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">92</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch6.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch6">VI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">99</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch7.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch7">VII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">120</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch8.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch8">VIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">138</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch9.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch9">IX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">172</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch10.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch10">X.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">196</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch11.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch11">XI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">210</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch12.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch12">XII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">219</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch13.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch13">XIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">238</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch14.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch14">XIV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch14">270</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch15.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch15">XV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch15">285</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch16.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch16">XVI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">304</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch17.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch17">XVII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch17">326</a></td>
-</tr>
-<tr id="ch18.toc">
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch18">XVIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch18">337</a></td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<p>Scans voor dit werk zijn beschikbaar op het Internet Archive (kopie <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://archive.org/details/dionyzos00coup">1</a>). Een alternatieve versie is beschikbaar via de <a class="seclink xd31e39" title="Externe link" href="https://dbnl.org/tekst/coup002dion01_01/index.php">DBNL</a>.
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata" summary="Metadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>Dionyzos</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>Louis Marie Anne Couperus (1863–1923)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/27062908/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>[1904]</td>
-<td></td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2022-03-27 Begonnen.
-</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
-<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links
-voor u niet werken.</p>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e332">XII</a></td>
-<td class="width40 bottom">Evoé</td>
-<td class="width40 bottom">Evoë</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e478">8</a></td>
-<td class="width40 bottom">.. .</td>
-<td class="width40 bottom">…</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e537">14</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e749">49</a></td>
-<td class="width40 bottom">hadmadryaden</td>
-<td class="width40 bottom">hamadryaden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e755">50</a></td>
-<td class="width40 bottom">zijn</td>
-<td class="width40 bottom">zij</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e855">66</a></td>
-<td class="width40 bottom">ongewonden</td>
-<td class="width40 bottom">opgewonden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e883">71</a></td>
-<td class="width40 bottom">fniest</td>
-<td class="width40 bottom">niest</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e914">75</a></td>
-<td class="width40 bottom">zijns</td>
-<td class="width40 bottom">zijn</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e947">83</a></td>
-<td class="width40 bottom">Er</td>
-<td class="width40 bottom">En</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e950">83</a></td>
-<td class="width40 bottom">voed</td>
-<td class="width40 bottom">voel</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e984">89</a></td>
-<td class="width40 bottom">zochtten</td>
-<td class="width40 bottom">zochten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1008">93</a></td>
-<td class="width40 bottom">verzamelen</td>
-<td class="width40 bottom">verzamelden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1201">126</a></td>
-<td class="width40 bottom">Oorsprong</td>
-<td class="width40 bottom">oorsprong</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1378">162</a></td>
-<td class="width40 bottom">mij</td>
-<td class="width40 bottom">mijn</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1389">164</a></td>
-<td class="width40 bottom">afgron</td>
-<td class="width40 bottom">afgrond</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1590">183</a></td>
-<td class="width40 bottom">leeuwen kop</td>
-<td class="width40 bottom">leeuwenkop</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1661">195</a></td>
-<td class="width40 bottom">..</td>
-<td class="width40 bottom">…</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1691">198</a></td>
-<td class="width40 bottom">onvergelijklijke</td>
-<td class="width40 bottom">onvergelijkelijke</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1722">203</a></td>
-<td class="width40 bottom">verscheurde</td>
-<td class="width40 bottom">verscheurden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1864">217</a></td>
-<td class="width40 bottom">Amfritite</td>
-<td class="width40 bottom">Amfitrite</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1913">220</a></td>
-<td class="width40 bottom">chrysoprazen-oogen</td>
-<td class="width40 bottom">chrysopraze-oogen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e1982">236</a></td>
-<td class="width40 bottom">half broêr</td>
-<td class="width40 bottom">halfbroêr</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2072">254</a></td>
-<td class="width40 bottom">chryopraze-oogen</td>
-<td class="width40 bottom">chrysopraze-oogen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2148">266</a></td>
-<td class="width40 bottom">rythmische</td>
-<td class="width40 bottom">rythmiesche</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2245">282</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2277">289</a></td>
-<td class="width40 bottom">wordt</td>
-<td class="width40 bottom">word</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2440">307</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">!</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2513">311</a></td>
-<td class="width40 bottom">rythmischen</td>
-<td class="width40 bottom">rythmieschen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2557">318</a></td>
-<td class="width40 bottom">gewilige</td>
-<td class="width40 bottom">gewillige</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2565">318</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd31e2735">341</a></td>
-<td class="width40 bottom">uitgepersd</td>
-<td class="width40 bottom">uitgeperst</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-<div lang='en'>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl'>DIONYZOS</span> ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away&#8212;you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br>
-<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br>
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
-</div>
-</body>
-</html>
diff --git a/old/67746-h/images/front.jpg b/old/67746-h/images/front.jpg
deleted file mode 100644
index 322a2d9..0000000
--- a/old/67746-h/images/front.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/67746-h/images/titlepage.png b/old/67746-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index 38dfce0..0000000
--- a/old/67746-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ